diff options
Diffstat (limited to '18425-8.txt')
| -rw-r--r-- | 18425-8.txt | 9204 |
1 files changed, 9204 insertions, 0 deletions
diff --git a/18425-8.txt b/18425-8.txt new file mode 100644 index 0000000..f1dcb95 --- /dev/null +++ b/18425-8.txt @@ -0,0 +1,9204 @@ +The Project Gutenberg EBook of Een Kapitein van 15 Jaar, by Jules Verne + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Een Kapitein van 15 Jaar + De Walvischjagers + +Author: Jules Verne + +Release Date: May 19, 2006 [EBook #18425] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN KAPITEIN VAN 15 JAAR *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + Jules Verne + + + Een Kapitein van Vijftien jaar + + De Walvischjagers. + + + + Amsterdam + + Uitgevers-Maatschappij "Elsevier" + + 1920 + + + + + + + Gedrukt bij de N.V. Drukkerij Schilt Utrecht + + + + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE SCHOENERBRIK PELGRIM. + + +Den 2n Februari 1873 bevond zich de Schoener-brik _Pelgrim_ op 43° +57' Z.B. en op 165° 19' W.L. van den meridiaan van Greenwich. + +Dit vaartuig van vierhonderd ton, uitgerust te San-Francisco voor de +groote visscherij in de zuidpoolzeeën, behoorde in eigendom aan James +W. Weldon, een rijken Californischen reeder, die al sedert vele jaren +het bevel over dezen bodem toevertrouwd had aan kapitein Hull. + +De _Pelgrim_ was een van de kleinste, maar de beste vaartuigen die +James W. Weldon ieder jaar uitzond zoowel door de Behringstraat naar +de noordpool-zeeën als naar de streken van Van Diemensland of van +kaap Hoorn, tot den zuidpool-oceaan. Het schip liep uitstekend. Het +licht te hanteeren tuig stelde het in staat, zich met een kleine +bemanning in het gezicht der ongenaakbare ijsbanken van het zuidelijk +halfrond te wagen. Kapitein Hull was geheel te huis te midden van +die ijsbergen die tot in de nabijheid van Nieuw-Zeeland of van de +kaap de Goede Hoop afdrijven, onder een veel lagere breedte dan die, +welke zij in de noordpool-zeeën van den aardbol bereiken. Weliswaar +worden daar slechts ijsbergen van geringe afmetingen aangetroffen, +die reeds afgebrokkeld waren door de schokken en ingevreten door het +warmer water, en waarvan het grootste gedeelte in de Stille Zuidzee +en den Atlantischen Oceaan door warmer lucht of water wordt opgelost. + +Onder de bevelen van kapitein Hull, die een goed zeeman en daarenboven +een der bekwaamste harpoeniers der vloot was, stond een bemanning van +vijf matrozen en een leerling. Dit was voorzeker een kleine bemanning +voor de walvischvangst, die een vrij talrijk personeel vordert. Er +is volk noodig zoowel om de booten die den walvisch moeten aanvallen +te besturen als om de gevangen dieren in stukken te hakken. Maar, +naar het voorbeeld van zekere reeders, vond ook James W. Weldon het +veel zuiniger om te San-Francisco slechts het tot het bestuur van +het vaartuig benoodigde aantal matrozen aan te werven. Nieuw-Zeeland +leverde genoeg harpoeniers, zeelieden van allerlei natiën, deserteurs +en allerlei slag van volk op, die hij voor den tocht kon huren en +als zeer bekwame visschers te boek stonden. Was de kampanje eenmaal +afgeloopen, dan werden zij afgemonsterd en wachtten dan tot dat +de walvischvaarders het volgend jaar opnieuw hunne diensten kwamen +inroepen. Op deze wijze werd er een beter gebruik van de beschikbare +zeelieden gemaakt en grooter voordeelen van hun medehulp getrokken. + +Zoo had men aan boord van den _Pelgrim_ gehandeld. + +De schoenerbrik had haar kampanje op de grens van den zuidpoolcirkel +afgelegd. Maar haar volle lading van vaten traan en walvischbaarden had +zij niet kunnen verkrijgen. Toen reeds werd de vangst moeielijk. De +tot het uiterste vervolgde walvisschen werden schaarsch. De echte +walvisch, die den naam draagt van "Nordcaper" in den noordelijken +Oceaan en dien van "Sulpher-boltone" in de zuidelijke zeeën, verdween +al meer en meer. De visschers hadden zich moeten vergenoegen met +den "vinvisch" of "snavelwalvisch", een reusachtig zoogdier, welks +aanvallen niet zonder gevaar zijn. + +Hiertoe nu had kapitein Hull zich gedurende dezen tocht verplicht +gezien; maar op zijn volgende reis was hij van plan een hoogere +breedte te halen en als het moest, zich in het gezicht te begeven +van Clarie-land en Adelie-land waarvan de ontdekking, die door den +Amerikaan Wilkes betwist werd, wel degelijk te danken is aan den +beroemden kommandant der _Astrolabe_ en der _Zelée_, den Franschman +Dumont d'Urville. + +Over het geheel was de kampanje niet gelukkig voor den _Pelgrim_ +geweest. In het begin van Januari, namelijk tegen het midden van +den noordelijken zomer, en hoewel de tijd voor den terugkeer van +de walvischvaarders nog niet gekomen was, had zich kapitein Hull +gedwongen gezien het vischwater te verlaten. Zijn hulp-equipage,--een +samenraapsel van vrij ongelukkige sujetten,--begon weerspannig te +worden, zoodat hij er zich zoo spoedig mogelijk van moest afmaken. + +De _Pelgrim_ wendde dus den steven naar het noord-westen, naar de +kust van Nieuw-Zeeland, die hij den 15en Januari in het gezicht +kreeg. Hij liet het anker vallen te Waitemata, in de haven van +Auckland, gelegen in de golf van Chouraki, op de oostkust van het +noordelijk gelegen eiland en ontscheepte daar de visschers die voor +den tocht gehuurd waren. + +De bemanning was niet tevreden. Er ontbraken ten minste twee honderd +vaten traan aan de lading van den _Pelgrim_. Nooit had men slechter +vangst gehad. Kapitein Hull kwam dus thuis met de teleurstelling van +een voortreffelijk jager, die voor 't eerst van zijn leven platzak +terugkomt, of althans bijna. Zijn eigenliefde, zeer geprikkeld, was er +mede gemoeid en hij vergaf dien schoeljes niet, wier weerspannigheid +de resultaten zijner kampanje op het spel had gezet. + +Tevergeefs beproefde men te Auckland een nieuwe visschersbemanning +aan te werven. Al de beschikbare zeelieden hadden zich op de andere +walvischvaarders ingescheept. Men moest dus de hoop opgeven de +lading van den _Pelgrim_ vol te maken en kapitein Hull was op het +punt Auckland te verlaten, toen hem door iemand verzocht werd den +overtocht mede te mogen maken, 't geen hij niet kon weigeren. + +Mevrouw Weldon, de vrouw van den reeder van den _Pelgrim_, bevond zich +toen juist te Auckland met haar zoontje Jack, een jongen van 5 jaar, +en een harer bloedverwanten, haar neef Benedictus. James W. Weldon, die +wegens handelszaken somtijds verplicht was Nieuw-Zeeland te bezoeken, +had hen er alle drie gebracht en meende hen natuurlijk met zich mede +naar San-Francisco terug te nemen. + +Maar op het oogenblik dat de familie zou vertrekken, werd de kleine +Jack vrij ernstig ziek en moest zijn vader, die door zijn zaken +gedwongen was te vertrekken, Auckland verlaten en zijn vrouw, zijn +zoon en zijn neef Benedictus achter laten. + +Drie maanden waren verloopen,--drie lange maanden van scheiding, die +voor Mevrouw Weldon zeer pijnlijk waren. Evenwel herstelde haar kind +en zij kon nu vertrekken, toen men haar de aankomst van den _Pelgrim_ +berichtte. + +Om nu naar San-Francisco te vertrekken, bevond Mevr. Weldon +zich dezer dagen in de noodzakelijkheid in Australië een van de +vaartuigen op te zoeken van de transatlantische compagnie, de +"Golden Age", die van Melbourne over Papeiti naar de landengte van +Panama varen. Daarna, eenmaal te Panama, moest zij op het vertrek +wachten van de Amerikaansche stoomboot, die een geregelden dienst +daarstelt tusschen de landengte en Californië. Van daar dan vertraging, +overscheping, allerlei bezwaren in één woord die voor een vrouw en een +kind zeer onaangenaam zijn. Op dit oogenblik liep de _Pelgrim_ Auckland +binnen. Zij aarzelde niet en vroeg aan kapitein Hull haar aan boord te +nemen om haar, haren zoon, neef Benedictus en Nan, een oude negerin +die sedert hare kindsheid bij haar in dienst was, naar San-Francisco +over te brengen. Drie duizend zeemijlen op een zeilschip! Maar het +schip van kapitein Hull was zoo behoorlijk in orde en de moesson was +nog zoo goed aan weerszijden van den aequator! Kapitein Hull nam het +volgaarne aan en stelde dadelijk zijn eigen kajuit ter beschikking +van Mevr. Weldon. Hij wilde dat zij gedurende den overtocht, die een +veertig à vijftig dagen kon duren, zoo goed mogelijk aan boord van +zijn walvischvaarder gelogeerd zou zijn. + +Er waren dus voor Mevr. Weldon eenige voordeelen in gelegen, om den +overtocht in deze omstandigheden te ondernemen. Het eenige nadeel +was dat deze noodzakelijk eenige vertraging zou ondervinden door +de omstandigheid dat de _Pelgrim_ te Valparaiso in Chili moest gaan +lossen. Daarna had hij slechts langs de Amerikaansche kust te houden, +met den wind van de landzijde, die de vaart in deze streken zeer +aangenaam maakt. + +Mevr. Weldon was overigens een moedige vrouw, die niet bang was op +zee. Zij had den leeftijd van dertig jaren bereikt, was flink en +gezond en gewoon lange zeereizen te maken, daar zij met haren man de +vermoeienissen van talrijke tochten gedeeld had; zij had daarom geen +vrees voor de meer of minder gewaagde kansen van een verblijf aan +boord van een vaartuig van middelmatige afmeting. Zij kende kapitein +Hull als een uitmuntend zeeman, in wien James W. Weldon het meeste +vertrouwen stelde. De _Pelgrim_ was een stevig vaartuig, een snelle +zeiler en stond goed aangeteekend in de vloot der Amerikaansche +walvischvaarders. De gelegenheid bood zich aan, men moest er gebruik +van maken en Mevr. Weldon maakte er gebruik van. + +Neef Benedictus,--dat spreekt van zelf,--zou haar begeleiden. + +Deze neef was een goede man van omstreeks vijftig jaren. Doch in +weerwil van zijn vijftigjarigen leeftijd, zou het niet voorzichtig +geweest zijn hem alleen te laten uitgaan. Hij was eer lang dan groot, +eer smal dan mager, met een beenachtig gelaat, een ontzaglijk hoofd +en lange haren; men herkende in zijn eindeloos figuur een van die +waardige geleerden met gouden bril, onschadelijke en goede wezens, +die bestemd zijn hun gansche leven groote kinderen te blijven en zeer +oud te worden, als honderdjarigen die als zuigelingen sterven. + +"Neef Benedictus,"--zooals men hem steeds en niet alleen in zijn +familie noemde, en werkelijk was hij een van die goede wezens +die door iedereen met den naam van "neef" begroet worden,--neef +Benedictus, die altijd in de war scheen te zijn met zijn lange armen +en beenen, zou zich, zelfs in de meest gewone omstandigheden van het +dagelijksch leven, niet hebben kunnen redden. Hij was niet hinderlijk, +volstrekt niet, maar eer lastig voor anderen en verlegen met zich +zelven. Gemakkelijk in den omgang overigens, met alles tevreden, +vergetende te eten of te drinken, als men hem niet te drinken of te +eten bracht, ongevoelig voor koude of warmte, scheen hij minder tot +het dierenrijk dan tot dat der planten te behooren. Men stelle zich een +boom voor, zonder eenig nut, zonder vruchten en bijna zonder bladeren, +niet in staat om te voeden of te beschutten, maar met een goed hart. + +Zoodanig was neef Benedictus. Hij zou gaarne iedereen diensten bewezen +hebben, indien, zooals Prudhomme zou zeggen, hij in staat ware geweest +ze te bewijzen. + +Eindelijk, men had hem lief juist terwille van zijn +zwakheid. Mevr. Weldon beschouwde hem als haar kind,--als een grooten +oudere-broeder van haar kleinen Jack. + +Wij moeten hier nog bijvoegen dat neef Benedictus evenwel noch +werkeloos, noch onledig was. Hij was integendeel een werkzaam +mensch. De natuurlijke historie waarin hij zich geheel kon verdiepen, +was zijn eenige hartstocht. + +Nu is "de natuurlijke historie" een woord van grooten omvang. + +Men weet dat de verschillende onderdeelen, waaruit deze wetenschap +bestaat, zijn de dierkunde, de botanie, de delfstofkunde en de +aardkunde. + +Nu kon neef Benedictus volstrekt geen botanicus, noch mineraloog, +noch geoloog genoemd worden. + +Was hij dan een zoöloog in de geheele beteekenis van het woord, een +soort van Cuvier der nieuwe wereld, die het dier door analyse ontleedde +of het door synthese weder opbouwde, een van die diepzinnige geleerden, +die geheel doorgedrongen zijn in de studie der vier typen waartoe +de nieuwere wetenschap het geheele dierenrijk, gewervelde dieren, +weekdieren, gelede dieren en straaldieren brengt? Had de naïve maar +werkzame geleerde, van de vier afdeelingen de verschillende klassen +bestudeerd en de orde, de families, de rassen, de geslachten, de +soorten, de variëteiten, die ze onderscheiden, nagegaan? + +Neen. + +Had neef Benedictus de gewervelde dieren, de zoogdieren, vogels, +kruipende dieren en visschen, tot het onderwerp zijner nasporingen +gemaakt? + +Geenszins. + +Had hij bij voorkeur de weekdieren, van de cephalopoden (de +koppootigen) af tot de bryozoën (mosdiertjes) toe, bestudeerd en had +de malacologie (de studie der weekdieren) geen geheimen meer voor hem? + +Evenmin. + +Het waren dus de straaldieren, de stekelhuidigen, de schijfwallen, +koraaldieren, ingewandswormen, sponsen en infusiediertjes, die hem +zooveel olie in zijn studielampje gekost hadden? + +Nu waren het niet de straaldiertjes, en daar er in de zoölogie niets +meer op te noemen overblijft dan de afdeeling der gelede dieren, +zoo spreekt het van zelf, dat het deze afdeeling is waarop neef +Benedictus zich met hart en ziel had toegelegd. + +Maar ook dan nog is het noodig te specificeeren. + +De afdeeling der gelede dieren telt zes klassen: de insecten, de +duizendpootigen, de spinachtigen, de kreeftdieren, de rankpootigen, +en de ringwormen. + +Nu had neef Benedictus wetenschappelijk geen aardworm van een +bloedzuiger, geen steenbreker van een zee-eikel, geen huisspin van +een schorpioen, geen garnaal van een kikvorsch kunnen onderscheiden. + +Maar wat was neef Benedictus dan? + +Een eenvoudig entomoloog, niets meer of minder. + +Ongetwijfeld zal men hierop antwoorden, dat in haar etymologische +beteekenis, de entomologie (leer der insecten) dat gedeelte der +natuurkundige wetenschap is dat al de gelede dieren bevat. Dit is waar +in algemeenen zin, maar de gewoonte heeft bepaald dit woord slechts in +meer beperkten zin op te vatten. Men past het dus toe op de eigenlijk +gezegde studie der insecten, dat wil zeggen "van al de gelede dieren +welker lichaam, uit aan elkaar geplaatste ringen samengesteld, drie +verschillende segmenten vormt en die drie paren pooten bezitten, +hetgeen hun den naam van hexapoden (zespootigen) verleend heeft." + +Daar nu neef Benedictus zich bepaald had tot de studie der gelede +insecten dezer klasse, was hij slechts een eenvoudig entomoloog. + +Maar men achte dit niet gering! In deze klasse van insecten telt men +niet minder dan tien orden: de orthoptera [1] (rechtvleugeligen), de +neuroptera [2] (netvleugeligen), de hymenoptera [3] (vliesvleugeligen), +de lepidoptera [4] (schubvleugeligen of vlinders), de hemiptera [5] +(halfvleugeligen), de coleoptera [6] (schildvleugeligen of torren), +de diptera [7] (tweevleugeligen), de rhipiptera [8] (vakvleugeligen), +de parasieten [9] (woekerinsecten), en de tysanura [10]. Nu heeft men +in sommige dezer orden, de coleoptera bijvoorbeeld, dertig duizend +soorten en zestig duizend in de diptera; de onderwerpen tot studie +ontbreken dus niet en men zal toestemmen, dat er genoeg voorraad is +om een mensch alleen bezig te houden. + +Het leven van neef Benedictus was dan ook eenig en alleen aan de +entomologie gewijd. + +Al zijn tijd zonder uitzondering, zelfs zijn tijd om te slapen, +besteedde hij aan deze wetenschap; steeds droomde hij van +"hexapoden". De spelden in de mouwen en den kraag van zijn jas, in den +bodem van zijn hoed en de omslagen van zijn vest, waren ontelbaar. Als +neef Benedictus van een wetenschappelijke wandeling terugkwam, was +vooral zijn kostbaar hoofddeksel niet meer of minder dan een doos +met voorwerpen van natuurlijke historie, daar het van binnen en van +buiten bezaaid was met doorstoken insecten. + +Wanneer wij nu nog hierbij voegen, dat hij juist uithoofde van +zijn entomologischen hartstocht den heer en mevr. Weldon naar +Nieuw-Zeeland vergezeld had, zal dit voldoende zijn om dezen zonderling +te schetsen. Zijn verzameling was daar verrijkt geworden met eenige +zeldzame voorwerpen en men begrijpt licht dat hij haast had ze in de +loketkas van zijn kabinet te rangschikken. + +Daar nu Mevr. Weldon en haar kind met den _Pelgrim_ naar Amerika +terugkeerden, was niets natuurlijker dan dat neef Benedictus hen op +hunne terugreis vergezelde. + +Maar hij was de man niet voor mevr. Weldon op wien ze in hachelijke +oogenblikken kon rekenen. Zeer gelukkig zou het een gemakkelijke reis +zijn in het schoone jaargetijde, aan boord van een vaartuig welks +gezagvoerder al haar vertrouwen verdiende. + +Gedurende de drie dagen dat de _Pelgrim_ Waitemata aandeed, maakte +Mevr. Weldon in groote haast toebereidselen, want zij wilde het vertrek +van de schoenerbrik geen oogenblik vertragen. De inlanders die haar +gedurende haar verblijf te Auckland bediend hadden, kregen hun afscheid +en den 22en Januari scheepte zij zich aan boord van den _Pelgrim_ +in, met haar zoon Jack, neef Benedictus en Nan, haar oude negerin. + +Neef Benedictus nam in een bijzonder daartoe ingerichte bus zijn +gansche vreemde verzameling insecten mede. In deze verzameling +bevonden zich onder anderen eenige van die pas ontdekte staphylini, +een soort van vleeschetende coleoptera (schildvleugelige insecten), +welker oogen boven op den kop geplaatst zijn en die tot nog toe +alleen op Nieuw-Caledonië gevonden werden. Men had hem ook een zekere +vergiftige spin aanbevolen, de "kapipo" der Maori's, welker beet voor +de inlanders dikwijls doodelijk is. Maar een spin behoort niet tot de +orde der eigenlijk gezegde insecten, zij heeft haar plaats in die der +arachniden (spinachtigen) en was in de oogen van neef Benedictus zonder +eenige beteekenis. Daarom had hij haar ook versmaad en was het juweel +van zijn verzameling een merkwaardige Nieuw-Zeelandsche staphylinus. + +Het spreekt van zelf, dat neef Benedictus zijn lading hoog had laten +verzekeren; zij was voor hem kostbaarder dan de geheele lading traan +en baarden in het ruim van den _Pelgrim_. + +Toen het schip zeilree lag en mevr. Weldon en haar reisgenooten zich +op het dek van de schoenerbrik bevonden, sprak kapitein Hull zijn +passagiers aan met de woorden: + +"'k Behoef u niet te zeggen, mevrouw, dat u onder uw eigen +verantwoordelijkheid plaats neemt aan boord van den _Pelgrim_." + +"Waarom maakt u me deze opmerking mijnheer Hull?" vroeg mevr. Weldon. + +"Omdat ik in dit opzicht geen order van uw man gekregen heb, en geen +schoenerbrik u ooit de waarborgen van den gemakkelijken overtocht +kan aanbieden van een pakketboot, die uitsluitend bestemd is tot het +varen van passagiers." + +"Als mijn man hier was," antwoordde Mevr. Weldon, "zoudt u dan +denken, mijnheer Hull, dat hij zou aarzelen zich op den _Pelgrim_ +in te schepen, in gezelschap van zijn vrouw en zijn kind?" + +"Neen, mevrouw, hij zou niet aarzelen," zei kapitein Hull, "neen, +stellig niet! evenmin als ik zelf zou aarzelen! De _Pelgrim_ is +een goed schip, al heeft het een slechte reis gemaakt, en ik ben er +zeker van, zoo zeker als een zeeman het zijn kan van een vaartuig, +dat hij sedert verscheidene jaren commandeert. Ik zeg het alleen, +Mevr. Weldon, om mijn verantwoordelijkheid te dekken en u nogmaals +te zeggen dat u aan boord niet het gemakkelijke leven zult vinden, +waaraan u gewoon zijt." + +"Als het niets anders is, mijnheer Hull," antwoordde Mevr. Weldon, +"dan kan mij dit niet terughouden. Ik ben niet een van die lastige +passagiers, die onophoudelijk klagen over de bekrompen kooien of de +karige tafel." + +Toen, na op haren kleinen Jack, dien zij aan de hand hield, een +liefdevollen blik geworpen te hebben, zeide zij: + +"Laat ons vertrekken, mijnheer Hull!" + +Het bevel werd gegeven dadelijk onder zeil te gaan en de _Pelgrim_ +manoeuvreerde weldra met het doel om langs den kortsten weg uit de golf +te geraken, terwijl hij den steven naar de Amerikaansche kust wendde. + +Doch drie dagen later na haar vertrek was de schoenerbrik tengevolge +van een sterke bries uit het oosten, verplicht in den wind op te +werken. + +Ook bevond kapitein Hull zich den 2en Februari op een hoogere breedte +dan hij wel gewild had en wel in den toestand van een zeeman die +eerder trachtte kaap Hoorn om te zeilen dan langs den kortsten weg +de nieuwe wereld te bereiken. + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DICK SAND. + + +Inmiddels was de zee kalm en ging alles, zonder de vertraging te +rekenen, naar wensch. + +Mevr. Weldon was zoo aangenaam en gemakkelijk mogelijk aan boord van +den _Pelgrim_ gehuisvest. Geen bovenhut nam het achterdek in. Er was +geen eigenlijke kajuit, maar slechts een eenvoudige hut van kapitein +Hull in het achterschip, waarmede zij zich moest vergenoegen. En +zelfs had de kapitein er nog op moeten aandringen om haar dit +nederig verblijf te doen aannemen. Hier in deze bekrompen ruimte was +Mevr. Weldon met haar kind en de oude Nan gehuisvest. Daar nam zij +haar maaltijden, in gezelschap van den kapitein en neef Benedictus, +voor wien men een soort van kamer ergens tusschendeks had ingericht. + +Wat den kapitein van den _Pelgrim_ aangaat, hij logeerde in een hut +der bemanning die door den stuurman zou bewoond geweest zijn, indien +er een stuurman aan boord geweest ware. Maar de schoenerbrik voer, +zooals men weet, onder omstandigheden, die de diensten van nog een +officier hadden kunnen besparen. + +De matrozen van den _Pelgrim_, goede en vertrouwde zeelieden, +waren door de gemeenschap hunner denkbeelden en gewoonten innig +met elkaar verbonden. Het was de vierde tocht dien zij samen op de +groote visscherij deden. Het waren allen mannen uit het westen van +Noord-Amerika die elkander sinds jaren kenden en dezelfde kuststreek +van Californië bewoonden. + +Deze brave menschen waren zeer voorkomend voor Mevr. Weldon, de +vrouw van hunnen reeder, wien zij een onbepaalde toegenegenheid +toedroegen. Het is waar dat zij zeer veel belang hadden in de winsten +van het schip en tot nog toe met groot voordeel hadden gevaren. Dan +ook moesten zij tengevolge van hun klein getal hard werken, maar +hun arbeid deed bij het opmaken der rekening na elke kampanje, hun +winsten toenemen. Ditmaal evenwel zou het voordeel bijna nul zijn +en daarom waren zij niet ten onrechte verbitterd tegen die schoeljes +van Nieuw-Zeeland. + +Een enkel man aan boord was niet van Amerikaansche afkomst. Portugees +van geboorte, maar het Engelsch vloeiend sprekend, noemde hij zich +Negoro en nam aan boord van de schoenerbrik het nederig ambt van +kok waar. + +Toen de kok van den _Pelgrim_ te Auckland gedeserteerd was, kwam +deze Negoro, die destijds geen betrekking had, zich aanbieden om +hem te vervangen. Hij was een stil man, weinig mededeelzaam, die +zich steeds op den achtergrond hield, maar behoorlijk zijn taak +waarnam. Kapitein Hull scheen het goed met hem getroffen te hebben, +toen hij hem huurde, want de kok had sedert zijn inscheping nog geen +enkele reden tot klagen gegeven. + +Toch had kapitein Hull spijt dat hem de tijd ontbroken had zich +behoorlijk inlichtingen over zijn verleden te verschaffen. Zijn +gelaat of liever zijn blik beviel hem maar half en wanneer het gold +een onbekende in het beperkte, intieme leven aan boord in te leiden, +mocht men niets verzuimen om zich met zijn verleden bekend te maken. + +Negoro kon op het oog veertig jaar oud zijn. Mager, gespierd, +van gemiddelde lengte, donker bruin van haar, met door de zon +verbrande huid, moest hij sterk zijn. Had hij eenig onderwijs +genoten? Ongetwijfeld. Dat bleek uit zekere opmerkingen, die hem +nu en dan ontsnapten. Overigens sprak hij nooit over zijn verleden +of liet hij zich uit over zijn familie. Waar hij van daan kwam, +waar hij gewoond had, men kon het niet raden. Wat wachtte hem in +de toekomst? men wist het evenmin. Hij gaf alleen zijn voornemen +te kennen om te Valparaiso te ontschepen. Het was voorzeker een +zonderling mensch. In ieder geval scheen hij geen zeeman te zijn. Hij +scheen zelfs minder van zaken, de zeevaart betreffende, te weten dan +een kok, wiens leven grootendeels op zee is doorgebracht. + +Evenwel wist hij niets van het slingeren of het stampen van het schip, +zooals menschen die nooit gevaren hebben en dit is voor een scheepskok +een zaak van het hoogste belang. + +In het algemeen zag men hem weinig. Op den dag bleef hij gewoonlijk +in zijn bekrompen kombuis, voor het kookfornuis dat er de meeste +plaats van innam. Als tegen den nacht het fornuis was uitgedoofd, +begaf Negoro zich naar zijn kooi achter in het verblijf der bemanning +en sliep dadelijk in. + +Wij hebben reeds gezegd dat de equipage van den _Pelgrim_ uit vijf +matrozen en een leerling bestond. + +Deze vijftienjarige leerling was het kind van onbekende ouders. Dit +arme, van zijn geboorte af aan verlaten wezen was door de openbare +liefdadigheid opgenomen en door haar groot gebracht. + +Dick Sand--zooals hij heette--was waarschijnlijk afkomstig uit den +staat New-York en ongetwijfeld uit de hoofdstad van dien Staat. + +De naam van Dick,--verkorting van Richard,--was ontleend aan dien van +den liefdadigen voorbijganger die hem had opgenomen, twee of drie +uur na zijn geboorte. Wat den naam van Sand aangaat, men had hem +dien gegeven ter herinnering aan de plaats waar hij gevonden was, +namelijk op de landengte van Sandy-Hook [11], die den ingang vormt +van de haven van New-York, aan de monding der Hudson. + +Dick Sand zou, geheel volwassen, de gemiddelde lengte niet +overschrijden, maar hij was krachtig gebouwd. Ongetwijfeld was hij van +Anglo-Saxische afkomst. Hij was bruin, maar had blauwe oogen die als +vuur schitterden. Als zeeman had hij reeds vroeg den strijd des levens +leeren kennen. Zijn schrander gelaat ademde geestkracht. Het was niet +dat van een stoutmoedige, maar van iemand die "durft". Dikwijls haalt +men deze drie woorden van een vers van Virgilius aan: + + + + Audaces fortuna juvat, + + + +maar men haalt ze onjuist aan. De dichter zegt: + + + + Audentes fortuna juvat. + + + +Hun, die durven, niet den stoutmoedigen, lacht bijna altijd het +geluk toe. De stoutmoedige kan onbedacht handelen. Hij die durft +denkt eerst en handelt daarna. Daarin is het verschil gelegen. + +Nu was Dick Sand _audens_. Op vijftienjarigen leeftijd kon hij +reeds een besluit nemen en tot het einde toe uitvoeren wat zijn +onverschrokken geest beslist had. Zijn levendig en tegelijk ernstig +voorkomen trok de aandacht. Hij was zeer spaarzaam in woorden en +gebaren, het tegengestelde van jongens op zijn leeftijd. Al vroeg, +in een tijdperk des levens dat men de groote vraagstukken van ons +bestaan nog niet bespreekt, had hij zijn ellendigen toestand goed +ingezien en zich vast voorgenomen zichzelven te vormen. + +En hij had zich gevormd, daar hij reeds bijna een man was op den +leeftijd dat anderen nog kinderen zijn. + +Daarbij zeer vlug, zeer bekwaam in alle lichaamsoefeningen, was Dick +Sand een van die bevoorrechte wezens, van wie in de wandeling gezegd +wordt dat zij met vier handen geboren zijn. + +Men weet dat de openbare liefdadigheid den kleinen wees had +opgevoed. Hij was eerst in een van die kinderhuizen geweest, +waar in Amerika altijd een plaats voor de kleine verlatenen wordt +opengehouden. Daarna, toen hij vier jaar oud was, leerde Dick lezen, +schrijven en rekenen op een van die scholen in den staat New-York, +die door liefdadige inschrijvingen onderhouden worden. + +Toen hij acht jaar oud was, deed zijn begeerte om op zee te gaan +hem dienst nemen als kajuitsjongen op een mailboot der zeeën van het +Zuiden. Daar leerde hij het vak van zeeman, en zooals men het moet +leeren, van den vroegsten leeftijd af aan. Langzamerhand onderwees +hij zich onder de leiding van officieren, die belang in het kleine +ventje stelden. Ook moest de kajuitsjongen weldra leerling worden, +in het vooruitzicht van beter ongetwijfeld. Het kind dat al vroeg +begrijpt dat de arbeid de wet des levens is, hij die al bij tijds leert +dat het brood slechts verdiend wordt in het zweet zijns aanschijns, +zoo iemand is waarschijnlijk voorbeschikt tot groote dingen, want +hij zal eenmaal met den wil, de kracht hebben ze te volbrengen. + +Toen Dick Sand kajuitsjongen aan boord van een koopvaardijschip was, +werd hij opgemerkt door kapitein Hull. Deze brave zeeman gevoelde +zich dadelijk tot den knaap aangetrokken en bracht hem in kennis +met zijn reeder James W. Weldon. Deze stelde het levendigste belang +in den wees, wiens opvoeding hij te San-Francisco voltooide en dien +hij in den Katholieken godsdienst, waartoe zijn familie behoorde, +liet groot brengen. + +Onder al de vakken zijner studie was het vooral de aardrijkskunde, +waarvoor Dick Sand een sterke voorliefde gevoelde, totdat hij +den ouderdom bereikte om dat gedeelte der mathesis te leeren dat +betrekking heeft op de zeevaart. Bij dit theoretische gedeelte van +zijn onderricht, verzuimde hij niet de praktijk te voegen. Voor +het eerst kon hij als leerling de reis aan boord van den _Pelgrim_ +mede maken. Een goed zeeman moet even goed de groote visscherij +leeren als de groote vaart. Het is een goede voorbereiding voor alle +mogelijke gebeurtenissen die het zeemansvak medebrengt. Bovendien +ging Dick Sand mede op een schip van James W. Weldon, zijn weldoener, +en gecommandeerd door zijn beschermer, kapitein Hull. Hij bevond zich +dus in de gunstigste omstandigheden. + +Het is overbodig te zeggen hoever zijn toegenegenheid voor de familie +Weldon, waaraan hij alles verschuldigd was, gaan zou. Beter is het de +feiten te laten spreken. Maar men begrijpt hoe gelukkig de jeugdige +leerling was, toen hij vernam dat Mevr. Weldon aan boord van den +_Pelgrim_ den overtocht mede zou maken. Mevr. Weldon was gedurende +eenige jaren een moeder voor hem geweest en in Jack zag hij een +broertje, terwijl hij zijn positie tegenover den zoon van den rijken +reeder daarbij niet uit het oog verloor. Doch--zijn beschermers hadden +het wel voorzien,--het goede zaad dat zij gezaaid hadden, was in goede +aarde gevallen. Het hart van den wees was met dankbaarheid vervuld, +en zoo hij eenmaal zijn leven moest geven voor hen die hem geleerd +hadden zich te onderrichten en God lief te hebben, zou de jeugdige +leerling niet geaarzeld hebben. In één woord, op vijftienjarigen +leeftijd te denken en te handelen als iemand van dertig jaren, was +een van de kenmerken van Dick Sand's karakter. + +Mevr. Weldon wist dat karakter naar waarde te schatten. Zij kon hem +zonder de minste ongerustheid den kleinen Jack toevertrouwen. Dick +Sand van zijn kant had het kind hartelijk lief dat zich door dien +"grooten broeder" bemind wist en hem opzocht. Gedurende de lange uren +van rust die zoo menigvuldig op een zeereis voorkomen, als de zee kalm +is en de eenmaal gestelde zeilen niet verwisseld behooren te worden, +in zeemanstermen: als het tuig kant staat, waren Dick en Jack bijna +altijd te zamen. De jeugdige leerling liet den kleinen jongen alles +zien wat hem genoegen kon geven. Zonder eenige de minste vrees zag +Mevr. Weldon Jack in gezelschap van Dick Sand het want openteren, +naar de voormars, of de kruiszalings klauteren en als een pijl uit +den boog langs het touwwerk naar beneden glijden. Dick Sand ging hem +vooruit of volgde hem altijd, gereed hem te ondersteunen of hem vast te +houden zoodra zijn armen van vijf jaar hem in deze lichaamsoefeningen +in den steek lieten. Dat alles nu deed den kleinen Jack goed, die door +de ziekte bleek en zwak geworden was; maar weldra kreeg hij zijn kleur +aan boord van den _Pelgrim_ terug, dank zij de versterkende zeebries +en die dagelijksche gymnastiek. + +Zoo stonden dus de zaken. Onder deze omstandigheden had de overtocht +plaats, en ware de wind gunstiger geweest, dan zouden noch de +passagiers, noch de bemanning van den _Pelgrim_ zich ergens over te +beklagen hebben. + +Maar juist de hardnekkige oostenwinden boezemden kapitein Hull +eenige ongerustheid in en beletten hem het schip op den goeden weg te +brengen. Later, bij den Steenbokskeerkring, vreesde hij windstilte +te ontmoeten, die hen nog meer zou tegenwerken, om niet te spreken +van den aequatoriaalstroom die hen onweerstaanbaar naar het westen zou +medevoeren. Hij maakte zich dus, vooral voor Mevr. Weldon ongerust over +deze vertraging waarvoor hij evenwel niet verantwoordelijk was. Hij +dacht er dan ook over, om zoo hij op zijn weg eenig transatlantisch +vaartuig mocht ontmoeten op reis naar Amerika, zijn passagier aan te +raden, zich aan boord er van te begeven. Ongelukkig werd hij door de +hooge breedte opgehouden om te kruisen met een stoomboot die koers +zette naar Panama en daarenboven was in dien tijd de vaart over de +Stille Zuidzee tusschen Australië en de Nieuwe-Wereld niet zóó druk +als ze later geworden is. + +Men moest zich dus aan Gods genade overgeven en niets scheen dezen +eentonigen overtocht te zullen verstoren, toen juist op dien datum +van den 2n Februari op de bij het begin dezer geschiedenis aangegeven +breedte en lengte iets bijzonders voorviel. + +Ten negen ure 's morgens, bij zeer helder weer, hadden Dick Sand en +Jack zich op de bramzaling neergezet. Van daar uit konden zij het +geheele schip en een gedeelte van den oceaan overzien. Naar achteren +vertoonde zich de horizon aan hun blikken, slechts afgebroken door +den grooten mast met het brikzeil en gaftopzeil. Hierdoor was een +gedeelte van de zee en de hemel voor hen onzichtbaar. Vooruit zagen +zij den boegspriet zich boven de golven uitstrekken met zijn drie +stagzeilen, die zoo strak mogelijk aangehaald, zich als drie groote +ongelijke vleugelen spanden. Onder breidde zich de fok uit en boven +het kleine voormarszeil en het kleine bramzeil, waarvan de staande +lijken door het in- en uitloopen van de lichte bries kilden. [12] +De schoenerbrik zeilde dus zoo dicht mogelijk bij den wind. + +Dick Sand verklaarde dus Jack hoe de _Pelgrim_, goed geballast, goed +in evenwicht gehouden in al zijn deelen, niet kon omslaan, ofschoon +hij vrij sterk overhelde, toen de kleine jongen hem in de rede viel. + +"Wat zag ik daar toch?" zeide hij. + +"Zag je iets, Jack?" vroeg Dick Sand, die zich geheel overeind op de +zaling oprichtte. + +"Ja, daar!" antwoordde de kleine Jack, terwijl hij naar een punt +van de zee wees, dat telkens vrij kwam tusschen de schooten van den +kluiver en den jager. + +Dick Sand keek oplettend naar het aangewezen punt en riep onmiddellijk +met luide stem: + +"Een wrak, te loevert op, aan stuurboordszij vooruit!" + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +HET WRAK. + + +Bij den kreet van Dick Sand, was onmiddellijk de geheele bemanning op +de been. De mannen die de wacht niet hadden, kwamen aan dek. Kapitein +Hull verliet zijn kajuit en begaf zich naar voren. + +Mevr. Weldon, Nan, zelfs de onverschillige neef Benedictus, kwamen aan +stuurboordszij over de verschansing leunen om het door den jeugdigen +leerling gesignaleerde wrak goed te kunnen zien. + +Negoro alleen verliet de hut niet, die hem tot kombuis diende, en +zooals altijd was hij van de geheele bemanning de eenige, die geen +belang in de ontmoeting van een wrak scheen te stellen. + +Aller oogen waren toen op het drijvende voorwerp gericht dat op drie +mijlen van de _Pelgrim_ door de golven gewiegd werd. + +"Wat zou het wel zijn?" zei een matroos. + +"Een verlaten vlot misschien!" antwoordde een. + +"Misschien zijn er op dat vlot wel ongelukkige schipbreukelingen?" zei +Mevr. Weldon. + +"We zullen 't gauw weten," antwoordde kapitein Hull. "Maar dat wrak +is geen vlot. 't Is de romp van een schip dat overzij ligt." + +"Maar zou 't niet eer een zeedier zijn, een groot zoogdier?" deed +neef Benedictus opmerken. + +"'k Geloof het niet," antwoordde de leerling. + +"Wat zou jij er van denken, Dick?" vroeg Mevr. Weldon. + +"Een omgekeerde romp, zooals de kapitein zei, Mevrouw." "'k Geloof +zelfs dat 'k zijn gekoperde huid in de zon zie schitteren." + +"Ja.... waarlijk...." antwoordde kapitein Hull. + +Daarna tot den man aan het roer: + +"Een tikje loeven, Bolton, om dichter bij het wrak te komen." + +"En ik," hernam neef Benedictus, "ik houd vol wat ik gezegd heb. 't +Is bepaald een dier!" + +"Dan zou 't een koperen walvisch moeten zijn," antwoordde kapitein +Hull, "want ook ik zie hem in de zon schitteren!" + +"Hoe het zij, neef Benedict," voegde Mevr. Weldon er bij, "u zult +moeten toestemmen dat die walvisch dan toch dood is, want het is +zeker dat hij niet de minste beweging maakt." + +"He! nicht Weldon," antwoordde neef Benedict, die gewoonlijk stijf +op zijn stuk stond, "'t zou de eerste keer niet zijn dat men een +walvisch ontmoette die op de oppervlakte der zee sliep!" + +"Wel mogelijk," antwoordde kapitein Hull, "maar we hebben nu met geen +walvisch, maar met een vaartuig te doen." + +"We zullen zien," antwoordde neef Benedictus, die eerder al de +zoogdieren der noord- en zuidpoolzeeën zou gegeven hebben voor een +zeldzaam insect. + +"Goed sturen, Bolton, goed sturen!" riep wederom kapitein Hull, +"en loop niet tegen het wrak aan. Blijf er op een kabellengte van +af. 'k Heb geen lust de zijden van den _Pelgrim_ er aan te wagen met +tegen dien romp aan te varen.--Loef een beetje, Bolton, loef wat!" + +De steven van den _Pelgrim_, die naar het wrak gewend was geweest, +week door een lichte beweging van het roer een weinig af. + +De schoenerbrik bevond zich nog een mijl van den omgeslagen romp af. De +matrozen hadden er gretig het oog op gevestigd. Misschien bevatte hij +een kostbare lading die mogelijk op den _Pelgrim_ kon overgeladen +worden? Men weet, dat bij de berging van gestrande goederen, het +derde van de waarde aan de bergers toekomt, en indien in dit geval +de lading niet beschadigd was, zou de bemanning, zooals men zegt, +"een goeden slag slaan!" Het zou een prachtige vergoeding zijn voor +hun ongelukkige vangst! + +Een kwartier later bevond zich het wrak nog een halve mijl van den +_Pelgrim_ af. + +Het was wel degelijk een vaartuig dat geheel over bakboord lag. Tot +aan de verschansing toe omgeslagen, lag het zoover op zijde, dat het +bijna onmogelijk was zich op het dek staande te houden. Men zag niets +meer van de masten. Aan de rusten hingen nog slechts eenige eindjes +gebroken trossen en gesprongen kettingen. + +In den boeg aan stuurboordszij bevond zich een groot gat tusschen de +spanten en de ingedrukte buitenhuid. + +"Dit schip is aangezeild!" riep Dick Sand uit. + +"Dat is niet twijfelachtig," antwoordde kapitein Hull, "en 't is een +wonder dat het niet onmiddellijk gezonken is." + +"Zoo er aanzeiling geweest is," merkte Mevr. Weldon op, "mag men +hopen dat de bemanning van dit vaartuig opgenomen is door hen die +het aangezeild hebben." + +"'t Is te hopen, mevrouw Weldon," antwoordde kapitein Hull, "of de +equipage moet zich, na de botsing met zijn eigen sloepen gered hebben, +als het aanzeilende schip althans zijn koers vervolgd heeft--'tgeen +helaas! somtijds gebeurt!" + +"Hoe is 't mogelijk! Dat zou toch een staaltje van verregaande +onnmenschelijkheid zijn, mijnheer Hull!" + +"Ja, mevrouw Weldon.... ja! En toch zijn er vele voorbeelden van! Wat +me zou doen gelooven dat de bemanning van dit schip het al vroeg +verlaten zal hebben, is dat 'k geen enkele boot zie en zoo de menschen +aan boord niet opgenomen zijn, zou ik eerder gelooven dat ze getracht +hebben aan land te komen! Maar bij den afstand waarop we ons hier van +het Amerikaansche vaste land of van de eilanden van Australië bevinden, +vrees ik dat ze hierin niet zullen geslaagd zijn!" + +"Misschien," zei Mevr. Weldon, "zal men nooit achter het geheim van +dit ongeluk komen! Toch zou 't mogelijk zijn dat er nog iemand van +de equipage is achtergebleven!" + +"Dat is niet waarschijnlijk, mevrouw Weldon," antwoordde kapitein +Hull. "Men zou ons reeds herkend hebben en ons eenig signaal +maken. Maar we zullen er ons van verzekeren.--Loef een beetje, +Bolton, loef!" riep kapitein Hull, terwijl hij met de hand den te +volgen koers aanwees. + +De _Pelgrim_ was nog slechts drie kabellengten van het wrak verwijderd +en er was geen twijfel aan of de romp was door de geheele bemanning +verlaten. + +Doch op dit oogenblik maakte Dick Sand een gebaar dat onmiddellijk +stilte gebood. + +"Hoor! hoor!" zeide hij. + +Iedereen luisterde. + +"'t Is alsof ik geblaf hoor!" riep Dick Sand uit. + +En werkelijk deed zich binnen in den romp een verwijderd geblaf +hooren. Er was inderdaad daar een levende hond, opgesloten misschien, +want het was mogelijk dat de luiken hermetisch gesloten waren. Maar +men kon hem niet zien, daar het dek van het omgeslagen vaartuig nog +niet zichbaar was. + +"Al was er niets anders dan een hond, mijnheer Hull," zeide +Mevr. Weldon, "zouden we hem immers redden!" + +"Ja.... ja!...." riep de kleine Jack, "we zullen hem redden!.... 'k +zal hem te eten geven!.... Hij zal veel van ons houden.... Mama, +'k zal een stukje suiker voor hem gaan halen!....." + +"Blijf hier, mijn kind," antwoordde Mevr. Weldon glimlachende. "Me +dunkt, 't arme dier moet haast van honger sterven en 't zal liever +een goed stuk vleesch hebben dan je stukje suiker!" + +"Welnu, laten ze hem mijn soep geven!" riep de kleine Jack uit. "Ik +kan er best buiten!" + +Op dit oogenblik deed zich het geblaf duidelijk hooren. Drie honderd +voeten slechts waren de twee schepen van elkander verwijderd. Bijna +onmiddellijk vertoonde zich een groote hond op de verschansing aan +stuurboordszij en klampte er zich aan vast, terwijl hij wanhopend +bleef blaffen. + +"Howik," zei kapitein Hull en wendde zich tot den bootsman van den +_Pelgrim_, "laat bijdraaien en de kleine boot strijken." + +"Houd je goed, hond, houd je goed!" riep de kleine Jack het dier toe +dat hem nu door een half gesmoord geblaf scheen te antwoorden. + +De zeilen van den _Pelgrim_ werden dadelijk zoo gesteld dat het schip +genoegzaam onbeweeglijk bleef, op minder dan een halve kabellengte +van het wrak. + +De boot werd gestreken en dadelijk lieten kapitein Hull, Dick Sand +en twee matrozen er zich in zakken. + +De hond bleef blaffen. Hij trachtte zich aan de verschansing vast +te houden, maar viel telkens op het dek terug. Men zou gezegd hebben +dat zijn geblaf zich niet meer tot hen richtte die hem naderden. Gold +het de matrozen of passagiers die in het schip opgesloten waren? + +"Zou er zich dan aan boord een schipbreukeling bevinden, die het +overleefd heeft?" zei Mevr. Weldon bij zich zelve. + +De boot van den _Pelgrim_ bereikte met eenige riemslagen de omgeslagen +kiel. + +Maar eensklaps kwam er een verandering in de houding van den hond. Op +het eerste geblaf dat de redders uitnoodigde tot hem te komen, volgde +nu een woedend gebrul. Het zonderlinge dier werd nu door den hevigsten +toorn bewogen. + +"Wat scheelt dien hond toch?" zei kapitein Hull, terwijl de boot +achterom ging, teneinde dat gedeelte van het dek aan te doen dat +onder water lag. + +Noch kapitein Hull, noch zij die zich aan boord van den _Pelgrim_ +bevonden, konden opmerken dat de woede van den hond zich op dat +oogenblik het hevigst uitte, toen Negoro zijn kombuis verliet en zich +naar den bak begaf. + +Kende en herkende dan de hond den kok? Het was zeer onwaarschijnlijk. + +Hoe het zij, na den hond aangekeken te hebben, zonder eenige +verwondering te doen blijken, ging Negoro, die de wenkbrauwen toch +een oogenblik fronste, naar het verblijf der equipage. + +Intusschen was de boot het achterschip omgevaren alwaar de naam +_Waldeck_ op den spiegel te lezen stond. + +_Waldeck_, maar geen naam van de haven waar het schip te huis +behoorde. Doch aan de vormen van den romp, aan zekere bijzonderheden +die een zeeman dadelijk in 't oog vallen, had kapitein Hull herkend +dat het vaartuig van Amerikaanschen bouw was. De naam bevestigde dat +trouwens. En nu was er van die groote brik van vijfhonderd ton niets +meer overgeschoten dan de romp. + +Een groot gat in den boeg van de _Waldeck_ wees de plaats aan waar de +schok had plaats gehad. Tengevolge van het op zij vallen van den romp, +bevond die opening zich toen op vijf of zes voet boven het water,--'t +geen verklaarde waarom de brik nog niet gezonken was. + +Op het dek dat kapitein Hull in al zijn uitgestrektheid overzag, +was niemand. + +De hond, die nu de verschansing verlaten had, liet zich nu naar +het grootluik glijden dat open was en blafte nu eens naar binnen, +dan weder naar buiten. + +"Dat dier is stellig niet alleen aan boord!" merkte Dick Sand aan. + +"Dat geloof ik ook niet!" antwoordde kapitein Hull. + +De boot voer nu langs de verschansing aan bakboordszij, die half +onder water lag. Ware de deining maar iets sterker geweest, dan zou +de _Waldeck_ binnen eenige oogenblikken gezonken zijn. + +Het dek der brik was van het eene eind naar 't andere schoongeveegd. Er +bleef niets anders over dan de stompen van den grooten mast en den +fokkemast, die beiden op twee voet boven de vissing waren afgebroken en +zeker bij den schok gevallen waren, hoofdtouwen, stagen en loopend want +medeslepende. Evenwel waren, zoover het oog reikte, geen overblijfselen +in den omtrek van de _Waldeck_ te bespeuren,--'t geen wel scheen aan +te duiden dat het ongeluk reeds voor eenige dagen had plaats gehad. + +"Als soms eenige schipbreukelingen de botsing overleefd hebben," +zei kapitein Hull, "zullen ze wel van dorst en honger bezweken zijn, +want het water heeft de kombuis moeten bereiken. Er kunnen niets +anders dan lijken meer aan boord zijn!" + +"Neen!" riep Dick Sand uit, "neen, dan zou de hond zoo niet blaffen! Er +zijn levende wezens!" + +Op dit oogenblik liet het dier op den roep van den leerling zich in +zee glijden en zwom met moeite naar de boot, want hij scheen uitgeput. + +Men nam hem op en hij wierp zich gretig, niet op een stuk brood dat +Dick Sand hem dadelijk voorhield, maar op een tobbe die een weinig +zoet water bevatte. + +"'t Arme dier sterft van dorst!" riep Dick Sand uit. + +De boot zocht toen een gunstige plaats op om de _Waldeck_ gemakkelijker +langzij te kunnen komen en verwijderde zich met dit doel eenige +vademen. De hond moest blijkbaar denken dat zijn redders niet aan +boord wilden gaan; want hij pakte Dick Sand bij zijn baaitje terwijl +zijn klagend geblaf met nieuwe kracht weer begon. + +Men begreep hem. Zijn gebaren, zijn taal waren even duidelijk als +de taal van een mensch. De boot naderde dadelijk den kraanbalk aan +bakboord. Daar legden de twee matrozen haar stevig vast, terwijl +kapitein Hull en Dick Sand den voet op dek enterden tegelijk met +den hond en zich niet zonder moeite naar het luik tusschen de twee +maststompen in de hoogte werkten. + +Beiden lieten zich door dit luik in het ruim zakken. + +Het ruim van de _Waldeck_, half vol water, bevatte geen lading. De +brik had slechts ballast in,--een ballast van zand dat over bakboord +geslagen was en het schip op zijde hield. Aan dezen kant viel er dus +niets te redden. + +"Niemand hier!" zei kapitein Hull. + +"Niemand," antwoordde de leerling, na zich naar het voorste gedeelte +van het ruim begeven te hebben. + +Maar de hond, die op het dek was, bleef altijd blaffen en scheen nog +dringender de aandacht van den kapitein op zich te willen vestigen. + +"Laat ons weer naar boven gaan," zei kapitein Hull tot den leerling. + +Beiden verschenen weder aan dek. + +De hond liep op hen toe en trachtte hen naar de dekhut mee te voeren. + +Zij volgden hem. + +Daar lagen vijf lichamen,--vijf lijken zeker,--op den vloer +uitgestrekt. + +Bij het daglicht dat door den koekoek naar binnen stroomde, herkende +kapitein de lijken van vijf negers. + +Dick Sand, die van het eene lijk naar het andere liep, meende op te +merken dat de ongelukkigen nog ademhaalden. + +"Naar boord, naar boord!" riep kapitein Hull. + +De twee matrozen, die de boot bewaakten, werden nu geroepen en hielpen +hen de schipbreukelingen uit de dekhut te brengen. + +Dit geschiedde niet zonder moeite; maar na een paar minuten waren +toch de vijf zwarten in de boot overgebracht, zonder dat een hunner +slechts het geringste teeken van bewustzijn gaf. Eenige druppels van +een hartsterkend middel, daarna een weinig koud water, voorzichtig +toegediend, kon hen misschien in het leven terugroepen. + +De _Pelgrim_ bleef tot op een halve kabellengte van het wrak af, +zoodat de boot het schip weldra bereikt had. + +Dadelijk werd er een gording van de groote ra afgehaakt waaraan +de negers een voor een opgeheschen en op het dek van den _Pelgrim_ +neergevlijd werden. + +De hond had hen vergezeld. + +"Die ongelukkigen!" riep Mevr. Weldon uit, bij het zien van die +arme menschen. + +"Ze leven, mevrouw Weldon! We zullen hen redden! Ja, we zullen ze +redden!" riep Dick Sand uit. + +"Wat is er toch met hen gebeurd?" vroeg neef Benedictus. + +"Wacht totdat ze kunnen spreken," antwoordde kapitein Hull, "en ze +zullen ons hun geschiedenis vertellen. Maar laten we hun dadelijk +wat water geven, waarbij we een druppel of wat rum zullen voegen." + +"Negoro!" riep hij toen. + +Bij het hooren van dien naam richtte de hond zich op, met opgeheven +kop en geopenden muil. + +Intusschen kwam de kok niet te voorschijn. + +"Negoro!" riep kapitein Hull nogmaals. + +Wederom gaf de hond teekenen eener buitengewone woede. + +Negoro verliet de kombuis. + +Nauwelijks had hij zich op het dek vertoond of de hond vloog op hem +aan en wilde hem naar de keel springen. + +De kok echter had zich met een pook gewapend en sloeg daarmede het +dier terug dat door eenige matrozen in bedwang werd gehouden. + +"Ken je dien hond?" vroeg kapitein Hull den kok. + +"Ik!" antwoordde Negoro, "'k heb hem nooit gezien!" + +"Dat is iets vreemds!" mompelde Dick Sand. + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE OVERLEVENDEN VAN DE "WALDECK". + + +Nog altijd wordt de slavenhandel in tropisch Afrika op groote schaal +gedreven. Inweerwil van Engelsche en Fransche kruisers, steken elk +jaar een menigte schepen van de kusten van Angola of Mozambique af +om negers naar verschillende streken der wereld over te brengen en +dat nog wel van de beschaafde wereld. + +Ook aan kapitein Hull was dit natuurlijk niet onbekend. + +Alhoewel deze streken gewoonlijk niet door slavenschepen bezocht +werden, vroeg hij zich af of de negers die hij gered had niet de +overlevenden waren van een lading slaven, die de _Waldeck_ in een +kolonie van de Stille Zuidzee ging verkoopen. Hoe dit zij, was dit +zoo, dan werden deze zwarten weder vrij, zoodra zij den voet aan +boord gezet hadden en dat wenschte hij hun dadelijk te zeggen. + +Intusschen had men de grootste zorg aan de schipbreukelingen van de +_Waldeck_ besteed. Mevr. Weldon, bijgestaan door Nan en Dick Sand, +had hen wat van dit heerlijk koele water toegediend, dat zij zeker +sedert eenige dagen niet genoten hadden, en dit, met eenig voedsel, +was voldoende om hen in 't leven terug te roepen. + +De oudste dezer negers,--hij kon misschien een zestig jaar oud +zijn,--was weldra in staat iets te zeggen en in het Engelsch de tot +hem gerichte vragen beantwoorden. + +"Het schip waarop ge u bevondt, is zeker aangezeild?" vroeg kapitein +Hull dadelijk. + +"Ja," antwoordde de oude neger. "Tien dagen geleden is ons schip in +een donkeren nacht aangevaren. We sliepen...." + +"Maar wat is er van de bemanning van de _Waldeck_ geworden?" + +"Zij was er reeds niet meer, toen ik met mijn kameraden aan het +dek kwam." + +"Maar kon de equipage dan niet aan boord van het schip overspringen, +dat tegen de _Waldeck_ aanliep?" + +"'t Kan wezen en we willen het hopen!" + +"En is dat schip na den schok niet teruggekomen om je op te nemen?" + +"Neen." + +"Is het dan zelf gezonken?" + +"Het is niet gezonken," antwoordde de oude neger, het hoofd schuddende, +"want we hebben het in den donkeren nacht zich nog even kunnen zien +verwijderen." + +Men zal dit feit, dat door al de overlevenden van de _Waldeck_ +bevestigd werd, misschien ongeloofelijk vinden en het is toch maar +al te waar dat kapiteins, na de een of andere vreeselijke aanvaring, +door hun onvoorzichtigheid veroorzaakt, dikwijls de vlucht genomen +hebben zonder zich om de ongelukkigen te bekommeren die zij in 't +verderf gestort hebben, zonder te trachten hun hulp te verleenen. + +Dat koetsiers dit doen en aan anderen op den openbaren weg de zorg +overlaten, het ongeluk dat zij veroorzaakt hebben, te herstellen, +dit moet voorzeker reeds ten strengste afgekeurd worden, ofschoon +hun slachtoffers in een dergelijk geval toch altijd verzekerd zijn +onmiddellijke hulp te verkrijgen. Maar dat men op zee elkander aan +zijn lot overlaat, dat is ongeloofelijk, dat is schande! + +En toch kende kapitein Hull verscheiden voorbeelden eener dergelijke +onmenschelijkheid en hij moest het meermalen aan Mevr. Weldon +verzekeren dat zulke feiten, hoe monsterachtig ook, ongelukkig niet +tot de zeldzaamheden behooren. + +"Vanwaar kwam de _Waldeck?"_ hernam hij. + +"Van Melbourne." + +"Ben jelui dan geen slaven?" + +"Neen, mijnheer!" antwoordde snel de oude zwarte, die zich in zijn +gansche lengte oprichtte. "We zijn onderdanen van den Staat van +Pensylvanië en burgers van het vrije Amerika!" + +"Mijn vrienden," antwoordde kapitein Hull, "vreest niet dat je +vrijheid in gevaar verkeert door aan boord van den _Pelgrim_ te +zijn overgegaan." + +Werkelijk behoorden de vijf negers van de _Waldeck_ thuis in den staat +van Pensylvanië. De oudste, op den leeftijd van zes jaar in Afrika +verkocht, daarna naar de Vereenigde Staten overgebracht, was reeds +sedert verscheidene jaren vrij verklaard. Wat zijn metgezellen aangaat, +die veel jonger dan hij, zonen en slaven waren, vóór hun geboorte +vrij gemaakt, zij waren vrij geboren en geen blanke had ooit een +eigendomsrecht op hen gehad. Zij spraken zelfs niet in de negertaal, +waarin men het lidwoord niet gebruikt en slechts den infinitief der +werkwoorden kent,--een taal die trouwens sedert den slavenoorlog +allengs in onbruik geraakt is. Deze zwarten hadden dus eigenmachtig +de Vereenigde Staten verlaten en keerden er eigenmachtig terug. + +Zij deelden kapitein Hull verder mede dat zij zich als werklieden +verhuurd hadden bij een Engelschman, die een uitgestrekt goed ter +bebouwing bij Melbourne in zuidelijk Australië bezat. Daar hadden +zij drie jaren doorgebracht en goede zaken gemaakt, waarna zij na +geëindigd huurcontract, naar Amerika hadden willen terugkeeren. + +Zij hadden zich dus op de _Waldeck_ ingescheept en hun overtocht als +gewone passagiers betaald. Den 5den December verlieten zij Melbourne, +toen zeventien dagen later de _Waldeck_ in een zeer duisteren nacht +door een groote stoomboot was aangevaren geworden. + +De zwarten lagen in hun kooi. Eenige seconden na de botsing die +vreeselijk was, vlogen zij naar het dek. + +Reeds lagen de masten overboord en lag de _Waldeck_ op zij; maar zij +zou niet zinken, daar er niet genoeg water in het ruim was gedrongen. + +Wat den kapitein en de bemanning van de _Waldeck_ aangaat, allen waren +verdwenen, hetzij dat eenigen overboord geslagen waren, hetzij dat +de anderen zich aan het touwwerk van het aanstoomende schip hadden +vastgeklampt. + +De vijf zwarten waren alleen aan boord overgebleven, op een half +omgeslagen romp, op twaalfhonderd mijlen van eenig land verwijderd. + +De oudste dezer negers heette Tom. Zijn leeftijd, zoowel als zijn +energiek karakter en zijn ondervinding, die gedurende een lang, +arbeidzaam leven dikwijls op de proef gesteld waren, maakten hem tot +het natuurlijke hoofd der metgezellen die zich met hem verhuurd hadden. + +De andere zwarten waren jonge menschen van vijf-en-twintig à dertig +jaren, die den naam droegen van Bat [13] zoon van den ouden Tom, +Austin, Actéon en Hercules, allen flinke, krachtig gebouwde menschen, +die op de markten van Midden-Afrika duur verkocht zouden zijn. Alhoewel +zij verschrikkelijk geleden hadden, kon men gemakkelijk prachtige +typen in hen herkennen van dat sterke ras, waarop een vrijzinnige +opvoeding, in de talrijke scholen van Noord-Amerika, reeds haar +stempel gedrukt had. + +Tom en zijn makkers waren dus na de aanvaring alleen op de _Waldeck_ +overgebleven, zonder eenig middel om den levenloozen klomp te +lichten, daar de beide booten aan boord bij het aanvaren verbrijzeld +waren. Er schoot hun niets anders over dan geduldig een schip af te +wachten, terwijl het wrak door de werking der stroomen langzamerhand +afdreef. Deze werking verklaarde waarom men het zoover buiten den +gewonen koers had aangetroffen, want de _Waldeck_, die van Melbourne +vertrokken was, zou zich op veel lager breedte hebben moeten bevinden. + +Gedurende de tien dagen die verliepen tusschen de aanvaring en het +oogenblik waarop de _Pelgrim_ in het gezicht van het verongelukte +vaartuig kwam, hadden de vijf zwarten zich gevoed met de weinige +spijzen die zij in de bakskist hadden kunnen vinden. Maar daar zij +niet in de bottelarij konden doordringen, die geheel overstroomd +was, hadden zij niet het minste geestrijke vocht kunnen machtig +worden om hun dorst te lesschen; zij hadden dus bitter geleden, +daar de op het dek vastgesjorde watervaten door den schok de bodem +was ingeslagen. Sedert den vorigen dag hadden Tom en zijn makkers, +door den dorst gekweld, hun bewustzijn verloren en het was tijd dat +de _Pelgrim_ hun te hulp kwam. + +Dit was het eenvoudig verhaal van Tom aan kapitein Hull. Men had geen +reden om aan de waarheidsliefde van den ouden neger te twijfelen. Zijn +kameraden bevestigden alles wat hij verteld had en bovendien pleitten +de feiten voor de arme menschen. + +Een ander levend wezen dat op het wrak gered was, zou ongetwijfeld +met dezelfde openhartigheid gesproken hebben,--indien hij de gaaf +van spreken bezeten had. + +Het was de hond, dien het zien van Negoro op zulk een onaangename +Wijze scheen aan te doen. Er was hier werkelijk een onverklaarbare +antipathie in het spel. + +Dingo,--dit was de naam van den hond,--behoorde tot het ras van +bulhonden, wier oorsprong op Nieuw-Holland wordt gevonden. Niet in +Australië evenwel, had de kapitein van de _Waldeck_ hem opgedaan. Twee +jaren vroeger had men Dingo, half dood van den honger, zwervende +ontmoet op het westelijk strand van de kust van Afrika, in den omtrek +van de monding der Congo-rivier. De kapitein van de _Waldeck_ had het +schoone dier opgenomen, dat, niet zeer gezellig, altijd een ouden +meester scheen te betreuren, van wien hij met geweld gescheiden +was en dien men in die woeste landstreek onmogelijk had kunnen +opsporen.--S. V.,--deze twee letters, op zijn halsband gegraveerd, was +alles wat dit dier aan een verleden bond, welks geheim men tevergeefs +gezocht had. + +Dingo, een prachtig, sterk dier, grooter dan de honden der +Pyreneën, was dus een fraai specimen van het ras der bulhonden van +Nieuw-Holland. Als hij overeind ging staan en zijn kop naar achteren +wierp, kwam hij in grootte met die van een mensch overeen. + +Zijn vlugheid, zijn spierkracht maakten er een van die dieren van +die zonder aarzelen jaguars of panters aanvallen en een beer durven +staan. Dicht van haar, met een langen, dikken en rechten staart als +de staart van een leeuw, donker vaal van kleur, had Dingo alleen aan +zijn snuit eenige plekken van een witachtige tint. Dit dier kon in +een vlaag van kwaadheid geducht worden en men kan licht begrijpen dat +Negoro volstrekt niet ingenomen was met het onthaal van dit krachtig +staaltje dezer hondennatuur. + +Mocht Dingo nu echter niet gezellig zijn, ondeugend was hij niet. Hij +scheen eer treurig te zijn. De oude Tom had aan boord van de _Waldeck_ +opgemerkt dat hij niet bijzonder op de zwarten gesteld was. Hij zou hen +juist geen kwaad gedaan hebben, maar stellig ontweek hij hen. Misschien +had hij op de Afrikaansche kust waar hij rondzwierf, eenige slechte +behandeling van den kant der inboorlingen ondervonden. En hoewel +Tom en zijn metgezellen werkelijk brave menschen waren, had Dingo +zich nooit tot hen getrokken gevoeld. Gedurende de tien dagen dat de +schipbreukelingen op de _Waldeck_ hadden doorgebracht, had hij zich +afgezonderd en zich gevoed zonder dat iemand wist hoe, maar ook hij +had bitteren dorst geleden. + +Dat waren dus de overlevenden van het wrak, hetwelk de eerste hevige +golfslag zou onderdompelen. Het zou ongetwijfeld slechts lijken +naar de diepte medegevoerd hebben, indien de onverwachte aankomst +van den _Pelgrim_, zelf door tegenwind en windstilte opgehouden, +kapitein Hull niet in de gelegenheid had gesteld een menschlievende +daad te verrichten. + +Door de schipbreukelingen van de _Waldeck_ die hun spaarpenningen +van drie jaren arbeid in deze schipbreuk verloren hadden, naar hun +vaderland terug te brengen, zou dit goede werk voltooid worden. Dit zou +nu geschieden. De _Pelgrim_ zou, na te Valparaiso gelost te hebben, +den Amerikaanschen wal houden tot op de hoogte van Californië. Daar +zouden Tom en zijn kameraden door James W. Weldon goed ontvangen +worden,--en zij zouden voorzien worden van alles wat zij noodig hadden +om den Staat van Pensylvanië te bereiken. + +De brave menschen, verzekerd van hun aankomst, waren met innige +dankbaarheid jegens Mevr. Weldon en kapitein Hull bezield. Voorzeker +waren zij hun veel verschuldigd, en, hoewel zij slechts arme negers +waren, wanhoopten zij niet deze schuld van dankbaarheid eenmaal af +te doen. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +S.V. + + +Intusschen had de _Pelgrim_ zijn reis hervat en getracht zooveel +mogelijk oost te houden. Die betreurenswaardige aanhoudende windstilten +gaven kapitein Hull vrij veel zorg, niet omdat hij zich ongerust +maakte over een paar weken vertraging op een reis van Nieuw-Zeeland +naar Valparaiso, maar wegens de groote vermoeienis die deze vertraging +voor zijn passagiers zou hebben. + +Evenwel beklaagde Mevr. Weldon zich niet en verdroeg het onaangename +van haren toestand zeer geduldig. + +Dien zelfden dag, den 2n Februari, 's avonds, geraakte het wrak uit +het gezicht. + +Kapitein Hull zorgde in de eerste plaats om Tom en zijn makkers +zoo goed mogelijk te logeeren. Het verblijf van de bemanning dat +uit een hut op het dek bestond, zou te klein geweest zijn om ze te +bevatten. Men nam dus de noodige schikkingen om hun een verblijf +onder den bak te bezorgen. Trouwens waren deze brave menschen, +aan harden arbeid gewoon, met weinig tevreden en met het schoone, +warme en heilzame weder zou dit verblijf hun gedurende den geheelen +overtocht ook voldoende zijn. + +Het leven aan boord dat door dit voorval een oogenblik uit zijn +eentonigheid gewekt was, hernam zijn gewonen loop. + +Tom, Austin, Bat, Actéon, Hercules zouden gaarne de handen uit de +mouw gestoken en zich verdienstelijk gemaakt hebben, maar met de +vaste winden, was er, nadat de zeilen eenmaal gesteld waren, niets te +doen. Wanneer men evenwel moest wenden, dan beijverden zich de oude +neger en zijn kameraden om de equipage bij te staan en dat is zeker +dat, als de kolossale Hercules een handje meehielp, men 't goed kon +merken. Die krachtige neger, zes voet lang, verrichtte alleen het +werk van den takel! + +Wat was het een pret voor den kleinen Jack, als hij den reus in 't +gezicht kreeg! Hij was volstrekt niet bang voor hem en als Hercules +hem in zijn armen deed opspringen alsof hij slechts een kleine jongen +van kurk geweest was, dan waren het vreugdekreten die geen einde namen. + +"Licht me eens zoo hoog als je kunt," zei kleine Jack. + +"Daar, mijnheer Jack," antwoordde Hercules. + +"Ben ik niet zwaar?" + +"'k Voel je niet eens." + +"Toe dan nog hooger! Zoo hoog als je arm reikt!" + +Hercules hield dan de kleine voeten van het kind in zijn groote hand +en liep met hem in de rondte als een kunstenmaker in een circus. Jack +was dan in eens groot, heel groot geworden, wat hem ontzaglijk veel +pleizier deed. Zelfs deed hij zijn best om zich zoo zwaar mogelijk +te houden, hetgeen de reus niet eens opmerkte. + +Dick Sand en Hercules waren dus twee vrienden van den kleinen +Jack. Weldra maakte hij zich een derden vriend. + +Dit was Dingo. + +Wij zeiden reeds dat Dingo geen zeer gezellige hond was. Dat kwam +misschien ook veel omdat het gezelschap aan boord van de _Waldeck_ +hem niet bijzonder beviel. Met dat van den _Pelgrim_ was het een heel +andere zaak. Jack wist waarschijnlijk het hart van het schoone dier +te treffen. Dit kreeg al spoedig pleizier om met den kleinen jongen +te spelen, wien dit spelen zeer beviel. Men zag gauw dat Dingo een +van die honden was die veel van kinderen houden. Nu deed Jack het +dier nooit kwaad. Zijn grootste plezier was om Dingo de rol van +een vluggen harddraver te laten spelen, en wij mogen vrij aannemen +dat een harddraver dezer soort te verkiezen is boven een viervoetig +dier van bordpapier, al heeft dit rolletjes onder de pooten. Jack +galoppeerde dus, op den rug van den hond gezeten, die het gaarne +toeliet en inderdaad woog Jack voor hem niet meer dan de helft van +een jockey voor een renpaard. + +Maar wat een bres elken dag in den voorraad suiker der kombuis! + +Dingo werd weldra de lieveling van de geheele bemanning. Negoro alleen +bleef elke ontmoeting met het dier vermijden, welks antipathie tegen +hem even onverklaarbaar bleef. + +Daarom had kleine Jack om Dingo zijn vriend van vroeger, Dick Sand, +niet verzuimd. Al den tijd buiten zijn diensten aan boord, bracht de +kweekeling met den kleinen jongen door. + +Dat Mevr. Weldon die vertrouwelijkheid zeer gaarne zag, kan men zich +licht voorstellen. + +Eens, den 6n Februari, sprak zij over Dick Sand met kapitein Hull, +die den jongen zeer prees. + +"Die jongen," zei hij tot mevr. Weldon, "zal eens een flink zeeman +zijn, dat verzeker ik u! Hij heeft wezenlijk het instinct van de zee, +en door dat instinct vult hij aan wat hem natuurlijk nog ontbreekt aan +de theoretische zaken van het vak. Wat hij reeds weet is verwonderlijk, +als men bedenkt hoe weinig tijd hij gehad heeft om het te leeren." + +"U moogt er nog wel bijvoegen," antwoordde Mevr. Weldon, "dat het ook +een beste jongen is, die, zoolang we hem nu kennen, geen berisping +verdiend heeft." + +"Ja, ja, 't is een goede jongen," hernam kapitein Hull, "met recht +bemind en geacht door iedereen." + +"Als deze kampanje geëindigd is," zei Mevr. Weldon, "weet ik dat +mijn man van plan is hem les in de hydrographie te laten nemen, +om hem later een brevet van kapitein te doen verkrijgen." + +"Mijnheer Weldon heeft gelijk," antwoordde kapitein Hull. "Dick Sand +zal eens de Amerikaansche marine eer aandoen." + +"Die arme wees is het leven treurig begonnen!" merkte Mevr. Weldon +op. "Hij is in een harde leerschool geweest!" + +"Ongetwijfeld, mevrouw Weldon, maar die lessen zijn voor hem niet +verloren gegaan. Hij heeft begrepen dat hij zich zelven moet helpen +in deze wereld en hij is op het rechte pad." + +"Waarvan hij niet zal afwijken." + +"Zie eens, mevrouw," hernam kapitein Hull, "hoe de jongen daar aan het +roer staat, het oog op den fokkehals gevestigd. Geen verstrooidheid +van den jongen, dus ook geen gieren van het schip! Dick Sand heeft nu +reeds de vastheid van een ouden roerganger! Een goed begin voor een +zeeman! Ons vak, mevrouw, moet reeds als kind geleerd worden. Wie geen +scheepsjongen is geweest, zal nooit een volleerd zeeman worden, althans +bij de koopvaardij. Alles moet geleerd worden, en, bijgevolg moet +alles instinctmatig en te gelijk beredeneerd bij den zeeman gaan,--het +nemen van een besluit zoowel als het uitvoeren van een manoeuvre. + +"En toch, kapitein Hull," antwoordde Mevr. Weldon, "zijn er ook in +de oorlogsmarine goede officieren in menigte." + +"Ja," antwoordde kapitein Hull, "maar de besten zijn bijna allen +als kind bij het vak gekomen, en, om van Nelson en eenige anderen +niet te spreken, zijn de slechtsten niet zij die als scheepsjongens +begonnen zijn." + +Op dit oogenblik zag men neef Benedictus voor den dag komen, altijd in +zich zelven gekeerd en evenmin met zijn gedachten op deze wereld als +de profeet Elias het zal zijn als hij eenmaal op de aarde terugkomt. + +Neef Benedictus liep op en neer op het dek als een ziel in nood, +terwijl hij de reten in de verschansing doorsnuffelde, onder de +kippenhokken keek en zijn hand tusschen de naden van het dek stak op +plaatsen waar het pek verdwenen was. + +"Wel, neef Benedict," vroeg Mevr. Weldon, "blijf je altijd wel?" + +"Ja.... nicht Weldon.... 'k ben wel gezond.... maar 'k verlang zeer +aan land te komen." + +"Wat zoekt u toch onder die bank, mijnheer Benedict?" vroeg kapitein +Hull. + +"Insecten, mijnheer!" hernam neef Benedictus. "Wat wil je dat 'k +anders zoek dan insecten?" + +"Insecten! U zult het u moeten getroosten dat u op zee uw verzameling +niet verrijken zult!" + +"En waarom niet, mijnheer? 't Is immers niet onmogelijk aan boord +een of ander soort van...." + +"Neef Benedict," zei Mevr. Weldon, "geef kapitein Hull gerust de +schuld! Zijn schip wordt zoo zindelijk gehouden, dat je platzak van +je jacht zult terugkomen!" + +Kapitein Hull begon te lachen. + +"Mevrouw Weldon overdrijft," antwoordde hij. "Maar toch geloof +ik, mijnheer Benedict, dat u je tijd met snuffelen in onze kooien +verliezen zoudt." + +"'k Weet het!" riep neef Benedictus uit, de schouders ophalend, +"'k Mag doen wat ik wil!...." + +"Maar in 't ruim van den _Pelgrim_," hernam kapitein Hull, "zult u +misschien eenige kakkerlakken vinden, die evenwel niet veel bijzonders +als insecten opleveren." + +"Niet veel bijzonders, die nachtelijke, zesvleugelige insecten die +zich de verwenschingen van Virgilius en Horatius op den hals gehaaid +hebben!" hernam neef Benedictus, zich daarbij in zijn geheele lengte +oprichtend. "Niet veel bijzonders, die naaste bloedverwanten van de +'periplaneta orientalis' en van den Amerikaanschen kakkerlak, die de +schepen bewonen...." + +"Verpesten...." zei kapitein Hull. + +"Aan boord regeeren...." hernam neef Benedictus fier. + +"Een liefelijke regeering!...." + +"Is u geen entomoloog, mijnheer?" + +"Neen, gelukkig!" + +"Kom, neef Benedict," zei Mevr. Weldon glimlachend, "verlang nu niet +dat we uit liefde voor de wetenschap verslonden worden!" + +"'k Wensch niets anders, nicht Weldon," antwoordde de driftige +entomoloog, "dan mijn verzameling met het een of ander zeldzaam +exemplaar te verrijken!" + +"Ben je dan niet tevreden met je aanwinst op Nieuw-Zeeland?" + +"Wel zeker, nicht Weldon, 'k Ben zoo gelukkig geweest een van die +nieuwe staphylini machtig te worden, die tot nog toe slechts eenige +honderden mijlen verder, in Nieuw-Caledonië, gevonden werden." + +Op dit oogenblik kwam Dingo, die met Jack speelde, al springende, +wat dicht bij neef Benedictus. + +"Voort! voort!" zei deze, het dier wegduwende. + +"Veel ophebben met kakkerlakken en een hekel hebben aan honden!" riep +kapitein Hull uit. "Hoe is 't mogelijk, mijnheer Benedict!" + +"Een goede hond toch!" zei kleine Jack, die den grooten kop van Dingo +in zijn handjes nam. + +"Nu ja, 'k heb niets tegen den hond!..." antwoordde neef +Benedictus. Maar dit zal 'k je zeggen. Dat drommelsche dier heeft de +hoop teleurgesteld, die 'k bij zijn eerste ontmoeting had." + +"Maar, lieve Hemel!" riep Mevr. Weldon uit, "had je dan gehoopt hem +te kunnen rangschikken in de orde der tweevleugeligen of in die der +vliesvleugeligen?" + +"Neen," antwoordde neef Benedictus ernstig. "Maar is die Dingo, die +van Nieuw-Zeelandsch ras is, niet gevonden op de westkust van Afrika?" + +"Dat is ongetwijfeld zoo," antwoordde Mevr. Weldon, "en Tom heeft +het den kapitein van de _Waldeck_ dikwijls hooren zeggen." + +"Welnu, 'k had gedacht.... 'k had gehoopt.... dat die hond misschien +eenige vlooien van een bijzonder ras, eigenaardig aan de Afrikaansche +fauna, zou hebben meegebracht...." + +"Groote goedheid!" riep Mevr. Weldon uit.' + +"En dat misschien...." ging neef Benedictus verder, "de een of andere +culex penetrans of irritans.... van een nieuwe soort...." + +"Hoor je, Dingo?" zei kapitein Hull. "Hoor je, mijn hond? je hebt +volstrekt je plicht niet gedaan!" + +"Maar 'k ben een uur bezig geweest met hem te vlooien...." voegde +de entomoloog op spijtigen toon er bij, "'k heb geen enkel insect +kunnen vinden." + +"En dat zoudt u toch zeker wel onmiddellijk en meedoogenloos ter dood +gebracht hebben, hoop ik!" riep kapitein Hull uit. + +"Mijnheer." antwoordde neef Benedictus droogjes, "weet dat Sir John +Franklin zich angstvallig wachtte het geringste insect te dooden, +al was het een Amerikaansche muskiet, wier beten heel wat geduchter +zijn dan die van de vloo, en toch zult u me toestemmen dat Sir John +Franklin een zeeman was zooals er weinige gevonden worden!" + +"Dat zal waar zijn!" zei kapitein Hull, even buigend. + +"En eens, toen hij vreeselijk gehavend werd door een tweevleugelig +insect, tot de orde der diptera behoorende, (muggen, muskieten, +vliegen), blies hij het weg, zeggende: Ga heen! De wereld is groot +genoeg voor u en voor mij!" + +"Wel, wel!" zei kapitein Hull. + +"Ja mijnheer!" + +"Welnu, mijnheer Benedict," hernam kapitein Hull, "een ander, lang +voor Sir John Franklin, heeft dit al gezegd!" + +"Een ander!" + +"Ja en die andere is oom Tobias." + +"Een entomoloog?" vroeg neef Benedictus levendig. + +"Neen! Oom Tobias van Sterne, en die waardige man heeft juist dezelfde +woorden gesproken toen hij een muskiet liet vliegen die hem kwelde: +'Ga, arme duivel,' zei hij, 'de wereld is groot genoeg om jou en mij +te bevatten!'" + +"Een braaf mensch die oom Tobias!" antwoordde neef Benedictus. "Is +hij dood?" + +"Dat geloof ik wel," hernam kapitein Hull ernstig, "want hij heeft +nooit bestaan." + +Allen lachten, terwijl zij neef Benedictus aankeken. + +Onder dergelijke en vele andere gesprekken, die zoodra neef +Benedictus er deel aan nam, altijd over een of ander punt der +entomologische wetenschap liepen, vervlogen de lange uren dezer +langdurige zeereis. Met een altijd schoone zee, maar met winden +die de schoenerbrik verplichtten zoo dicht mogelijk bij den wind te +houden. De _Pelgrim_ kon bij de zwakke bries niet spoedig het oosten +halen en meer dan ooit verlangde hij die streken te bereiken, waar +de wind hem gunstiger zoude zijn. + +Wij mogen vooral niet verzwijgen dat neef Benedictus getracht had +den jeugdigen leerling in de verborgenheden der entomologie in te +wijden. Maar Dick Sand had niet de minste neiging voor de beoefening +dezer wetenschappen beloond. Uit gebrek aan beter, had de geleerde +zich nu tot de negers gewend, die er niets van begrepen. Tom, Actéon, +Bat en Austin waren zelfs de lessen ontloopen en de professor had +zijn toevlucht genomen tot Hercules, die hem voorkwam wel eenigen +aanleg te hebben voor natuurlijke historie. + +De reusachtige neger leefde dus in de wereld der torren, vleeschetende +dieren, jagers, kanonniers, doodgravers, aardkevers, sylfen, +aardtorren, schallebijters, koorwormen, onze-Lieve-Vrouwen-beestjes, +terwijl hij de gansche verzameling van neef Benedictus bestudeerde, +niet zonder dat deze duizend angsten uitstond, als hij die teere +voorwerpen zag tusschen de dikke vingers van Hercules, die zoo hard +en sterk waren als een schroef. Maar de kolossale leerling hoorde +zoo gedwee de lessen van den professor aan, dat het wel waard was +iets te wagen. + +Terwijl neef Benedictus zich op deze wijze bezighield, liet +mevr. Weldon den kleinen Jack ook niet onledig. Ze leerde hem lezen +en schrijven. Wat het rekenen betreft, was het zijn vriend Dick Sand +die er hem de eerste beginselen van inprentte. + +Op den leeftijd van vijf jaar, dus nog als klein kind, leert men +misschien beter door praktische spelen dan door theoretische lessen, +die natuurlijk altijd wat zwaar zijn. + +Jack leerde lezen, niet in een A.B.C.-boek. maar door middel van +beweegbare letters, die in 't rood op vierkante stukjes hout gedrukt +waren; hij vermaakte zich met deze op die wijze te rangschikken dat +er woorden van gevormd werden. Somtijds nam Mevr. Weldon deze blokjes +hout en stelde een woord samen; daarna rommelde zij ze door elkander +en moest Jack ze dan weer in orde brengen. + +De kleine jongen vond het zeer prettig op deze wijze lezen te +leeren. Iederen dag besteedde hij eenige uren, nu eens in de kajuit +dan op het dek, aan het rangschikken en weer in de war brengen van +zijn alphabet. + +Dit nu bracht op zekeren dag zulk een buitengewoon en onverwacht +voorval teweeg, dat het hier eenigszins uitvoerig moet vermeld worden. + +In den morgen van den 9n Februari hield Jack, in half liggende houding +op het dek, zich wederom bezig met het vormen van een woord dat de +oude Tom weder moest samenstellen, nadat de letters dooreen waren +geschud. Tom hield de hand voor de oogen om niet valsch te spelen, +zooals het hoort, want hij mocht niets zien en zag dan ook niets van +'t geen de kleine jongen deed. + +Van deze verschillende letters, ten getale van een vijftig, waren +eenige dezer vierkante blokjes met een cijfer voorzien, 't geen diende +om getallen even goed als woorden te vormen. + +Deze blokjes waren op het dek gerangschikt, en de kleine Jack nam nu +eens het eene, dan weer het andere om een woord te vormen--werkelijk +een heele taak voor het kind. + +Nu draaide Dingo sedert eenige oogenblikken om den jongen heen, toen +hij plotseling bleef staan. Zijn oogen vestigden zich op een punt, +zijn linkerpoot werd in de hoogte gelicht, zijn staart bewoog zich +krampachtig. Daarna wierp hij zich eensklaps op een der blokjes, +pakte het in zijn bek en legde het op eenige schreden van Jack op +het dek neder. + +Dit blokje had een hoofdletter,--de letter S. + +"Dingo! Wat is dat! Dingo!" riep de kleine jongen, die eerst bang +was dat zijn S. door den hond zou ingeslikt worden. + +Maar Dingo kwam terug, pakte wederom een ander blokje en legde het +naast het eerste neder. + +Dit tweede blokje was de hoofdletter V. + +Op het gezicht van deze V., uitte Jack een kreet. + +Dadelijk kwamen Mevr. Weldon, de kapitein en de leerling, die op het +dek wandelden, toeloopen. De kleine Jack vertelde hun toen wat er +gebeurd was. + +Dingo kende zijn letters! Dingo kon lezen! 't Was zeker, want Jack +had het gezien! + +Dick Sand Wilde de twee blokjes opnemen, om ze aan zijn vriend Jack +terug te geven, maar Dingo liet zijn tanden zien. + +Evenwel gelukte het den leerling weder in het bezit van de twee +blokjes te komen en hij voegde ze weer bij de anderen. + +Doch opnieuw wierp Dingo zich op de twee zelfde letters en legde ze +weer ter zijde. Dezen keer zette hij er zijn pooten op en scheen vast +besloten ze te houden. Wat de andere letters van 't alphabet aangaat, +zij schenen voor hem niet te bestaan. + +"Dat is vreemd!" zei Mevr. Weldon. + +"Werkelijk zeer zonderling," antwoordde kapitein Hull, die de twee +letters met aandacht bekeek. + +"S. V."--zei Mevr. Weldon. + +"S. V."--herhaalde kapitein Hull. + +"Dat zijn dezelfde letters als op den halsband van Dingo staan!" + +Toen richtte hij zich eensklaps tot den ouden neger en vroeg: + +"Tom, heb je me niet verteld dat die hond nog maar kort aan den +kapitein van de _Waldeck_ behoorde?" + +"Ja, mijnheer," antwoordde Tom. "Dingo was nog maar twee jaar aan +boord." + +"En zei je er niet bij dat de kapitein van de _Waldeck_ dien hond op +de westkust van Afrika had opgenomen." + +"Ja, mijnheer, in den omtrek van de monding van den Congo. 'k Heb +het den kapitein dikwijls hooren vertellen." + +"Dus," vroeg kapitein Hull verder, "heeft men nooit geweten aan wien +deze hond toebehoorde en ook niet van waar hij kwam." + +"Nooit mijnheer. Met een verloren hond is 't veel erger gesteld dan +met een verloren kind. Hij heeft geen papieren en daarenboven kan +hij niets zeggen." + +Kapitein Hull zweeg en was in diep gepeins verzonken. + +"Wekken deze twee letters een herinnering bij u op?" vroeg Mevr. Weldon +den kapitein, na hem eenige oogenblikken met zijn gedachten alleen +te hebben gelaten. + +"Ja, mevrouw, een herinnering, of liever een zonderlinge overeenkomst +van gebeurtenissen." + +"Welke?" + +"Deze twee letters zouden wel eens een zin kunnen hebben en onze +aandacht moeten vestigen op het lot van een stoutmoedig reiziger...." + +"Wat wilt u daarmede zeggen?" vroeg Mevr. Weldon. + +"Dit, Mevrouw. In 1871,--twee jaar geleden dus,--vertrok een Fransch +reiziger, op aansporing van het Aardrijkskundig Genootschap te Parijs, +met het doel om dwars door Afrika van het westen naar het oosten +door te dringen. Zijn punt van aankomst moest zoo dicht mogelijk +bij kaap Deldago zijn, bij de monden van de Rovouma, die hij moest +afzakken. Deze Fransche reiziger nu heette Samuel Vernon." + +"Samuel Vernon!" herhaalde Mevr. Weldon. + +"Ja, mevrouw, en zijn twee namen beginnen juist met de twee letters +die Dingo onder allen heeft uitgezocht en die op zijn halsband +gegraveerd zijn." + +"Inderdaad!" antwoordde Mevrouw Weldon, "En hoe is 't met den reiziger +afgeloopen?" + +"Die reiziger vertrok," antwoordde kapitein Hull, "en sedert zijn +vertrek heeft men niets meer van hem vernomen." + +"Nooit?" vroeg de leerling. + +"Nooit," herhaalde kapitein Hull. + +"Wat besluit u daaruit?" vroeg Mevr. Weldon. + +"Dat Samuel Vernon de oostkust van Afrika niet heeft kunnen bereiken, +hetzij hij door de inboorlingen gevangen genomen is, hetzij de dood +hem onderweg heeft getroffen!" + +"En dan die hond?...." + +"Die hond zal hem toebehoord hebben en gelukkiger dan zijn meester zou +hij, als mijn stelling juist is, naar het kustland van den Congo hebben +kunnen terugkomen, omdat hij op het tijdstip dat deze gebeurtenissen +hebben moeten plaats hebben, door den kapitein van de _Waldeck_ +is opgenomen." + +"Maar," merkte Mevr. Weldon op, "weet u of die Fransche reiziger +bij zijn vertrek een hond bij zich had? Is 't geen eenvoudige +veronderstelling?" + +"'t Is werkelijk maar een eenvoudige Veronderstelling, Mevrouw," +antwoordde kapitein Hull. "Maar zeker is 't, dat Dingo de twee +letters S. en V., die juist de beginletters zijn van de twee namen +van den Franschen reiziger, kent. Onder welke omstandigheden nu het +dier geleerd heeft ze te onderscheiden, kan ik niet verklaren, maar, +nog eens, hij kent ze ongetwijfeld en kijk, hij brengt er zijn poot +bij en schijnt ons uit te noodigen ze met hem te lezen." + +En werkelijk kon men zich niet in het doel van Dingo vergissen. + +"Zou Samuel Vernon dan alleen geweest zijn, toen hij het kustland +van den Congo verliet?" vroeg Dick Sand. + +"Dat weet ik niet," antwoordde kapitein Huil. "Maar 't dunkt me +waarschijnlijk dat hij een geleide van inlanders heeft moeten +meenemen." + +Op dit oogenblik verliet Negoro het verblijf der matrozen en kwam +aan dek. Niemand merkte in 't eerst zijn tegenwoordigheid op en zag +den zonderlingen blik dien hij wierp op den hond, toen hij de twee +letters waarnam voor welke deze, als een jachthond voor het wild, +scheen stil te staan. Maar Dingo, die den kok nu opmerkte, begon +teekenen van de hoogste woede te geven. + +Negoro ging dadelijk naar het matrozen-verblijf terug, niet zonder +dat hem een dreigend gebaar tegen den hond ontsnapt was. + +"Daar zit iets achter!" mompelde kapitein Hull, wien niets van dit +kleine tooneel ontgaan was. + +"Maar, mijnheer," zei de leerling, "is het niet verwonderlijk dat +een hond de letters kent van 't alphabet?" + +"Wel neen!" riep kleine Jack uit. + +"Mama heeft me dikwijls de geschiedenis verteld van een hond die lezen +en schrijven en zelfs domino kon spelen als een ware schoolmeester." + +"Die hond, lief kind, die Munito heette, was geen geleerde, zooals +je denkt. Als 'k gelooven mag wat men er me van gezegd heeft, zou hij +de letters waarmee hij zijn woorden samenstelde niet eens van elkaar +hebben kunnen onderscheiden. Maar zijn meester, een slimme Amerikaan, +had opgemerkt dat Munito een bijzonder fijn gehoor had en nu had +hij zich er op toegelegd dat zintuig te oefenen en er verwonderlijke +uitwerkselen van verkregen." + +"Hoe legde hij het aan, mevrouw Weldon?" vroeg Dick Sand, die bijna +even veel belang in de geschiedenis stelde als kleine jack. + +"Dat zal ik u zeggen, mijn vriend. Als Munito voor het publiek moest +'werken', werden even zulke letters op een tafel uitgespreid. De hond +liep op deze tafel heen en weer en wachtte totdat een woord werd +voorgesteld, hetzij met luide, hetzij met zachte stem. Alleen was +'t een noodzakelijke voorwaarde, dat zijn meester het woord wist." + +"Dus zou bij afwezigheid van zijn meester?...." zei de leerling. + +"De hond niets hebben kunnen doen," antwoordde Mevr. Weldon, "en +ziehier waarom niet. Als de letters op de tafel uitgespreid lagen, +liep Munito door dit alphabet. Kwam hij dan bij de letter welke hij +moest uitkiezen om het verlangde woord te vormen, dan stond hij stil; +maar hij bleef staan omdat hij het geluid hoorde van een tandenstoker +dien de Amerikaan in zijn zak deed rammelen en dat voor ieder ander +onmerkbaar was. Dit geluid was voor Munito het teeken om de letter +te nemen en haar in de overeengekomen volgorde te plaatsen." + +"En is dat nu het geheele geheim?" vroeg Dick Sand. + +"Dat is 't geheele geheim," antwoordde Mevrouw Weldon, "'t Is zeer +eenvoudig, als alles in de goochelkunst. Bij de afwezigheid van den +Amerikaan, zou Munito niet meer Munito geweest zijn. 't Verwondert +me dus wel, dat, nu zijn meester er niet bij is,--zoo al de reiziger +Samuel Vernon ooit zijn meester geweest is--Dingo die twee letters +heeft kunnen onderscheiden." + +"Dat is werkelijk zeer verwonderlijk," zei kapitein Hull. "Maar +u moet bedenken, dat er hier slechts sprake is van twee letters, +twee bijzondere letters, en niet van een woord dat in 't wild gekozen +wordt. En dan dunkt mij dat die hond die aan de deur van een klooster +aanbelde om zich meester te maken van den schotel die bestemd was +voor de arme voorbijgangers, en die andere, die met een van zijn +natuurgenooten belast was om den anderen dag het spit te draaien en die +weigerde dezen post waar te nemen als 't zijn beurt niet was, dat deze +honden, zeg ik, hooger verstandelijk ontwikkeld waren dan Dingo. Hoe +het zij, we staan hier voor een onbetwistbaar feit. Van al de letters +van dit alphabet heeft Dingo slechts deze twee uitgezocht: _S._ en +_V._ De andere schijnt hij zelfs niet te kennen. Men moet er dus uit +besluiten dat wegens de een of andere reden, die wij niet kennen, +zijn aandacht bijzonder op deze twee letters is gevestigd geweest." + +"Och, kapitein Hull," hernam Dick, "als Dingo maar eens spreken +kon!.... Misschien zou hij ons dan zeggen wat die twee letters +beteekenen en waarom hij altijd zijn tanden aan onzen kok laat zien?" + +"En welke tanden!" antwoordde kapitein Hull, op het oogenblik dat +Dingo, zijn bek opende, en dus zijn geducht gebit liet zien. + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +EEN WALVISCH IN 'T GEZICHT. + + +Wat wonder dat dit zonderling voorval meermalen het onderwerp +uitmaakte van de gesprekken, die op het halfdek van den _Pelgrim_ +tusschen Mevr. Weldon, kapitein Hull en den jeugdigen leerling gehouden +werden. Deze laatste vooral voelde een instinctmatig wantrouwen jegens +Negoro, wiens gedrag evenwel niet de minste berisping verdiende. + +Ook in het vooruit sprak men er over, maar men maakte daar niet +dezelfde gevolgtrekkingen. Daar, in het matrozenverblijf, ging Dingo +eenvoudig door voor een hond, die kon lezen en misschien zelfs beter +schrijven dan één matroos aan boord. Zoo hij niet sprak, dan had hij +daar waarschijnlijk goede redenen voor. + +"Maar eens," zei de roerganger Bolton, "eens zal die hond ons komen +vragen, wat we voorleggen als de wind N.W. t. W. 1/2 W. is en dan +zullen we hem moeten antwoorden!" + +"Er zijn dieren die spreken!" hernam een ander matroos, "zooals +eksters en papegaaien! Waarom zou een hond het ook niet kunnen, al +hij er lust toe heeft? 't Is moeielijker met een snavel te spreken +dan met een mond!" + +"Zonder twijfel," antwoordde bootsman Howik. "Maar dat is nog nooit +gebeurd." + +Wat zouden die goede menschen verbaasd gestaan hebben, als men +hun verteld had, dat zoo iets wel degelijk gebeurd was, en dat een +zeker Deensch geleerde een hond bezat, die duidelijk een twintigtal +woorden uitsprak. Doch tusschen dat en 't geen dit dier begreep van +wat hij zei, was een ontzaglijk verschil. Blijkbaar hechtte de hond, +wiens stemspleet op die wijze georganiseerd was, dat geregelde tonen +konden voortgebracht worden, niet meer beteekenis aan zijn woorden +dan de papegaaien, de meerkollen of de eksters aan de hunne. De +spreekwijze bij deze dieren is niets anders dan een soort van gezang +of van gesproken kreten, die ontleend zijn aan een vreemde taal, +waarvan men de beteekenis niet zou begrijpen. + +Hoe het zij, Dingo was de held aan boord geworden,--waarop hij zich +evenwel geenszins liet voorstaan. Meermalen hernieuwde kapitein Hull +de proef. De blokjes hout van het alphabet werden telkens opnieuw +voor Dingo geplaatst, en steeds zonder te dwalen, zonder te aarzelen, +werden de twee letters S. en V. onder alle door het zonderlinge dier +uitgekozen, terwijl de andere nooit zijn aandacht trokken. + +Wat neef Benedictus aangaat, deze proef werd dikwijls voor hem +herhaald, zonder dat zij hem belang scheen in te boezemen. + +"Evenwel," verwaardigde hij zich eens te zeggen, "moet men niet +aannemen dat de honden alleen het voorrecht hebben op die wijze +met oordeel begaafd te zijn! Andere dieren evenaren ze, alleen door +hun instinkt te volgen. Zoo bijv. de ratten die het schip verlaten +dat bestemd is om in zee te zinken; de bevers die het wassen van +het water vooruit kunnen zien en hunne dijken dienovereenkomstig +verhoogen; de paarden van Nicomedes, van Scanderberg en van Oppius, +wier smart zoo bitter was, dat zij stierven bij den dood hunner +meesters; de ezels, zoo merkwaardig door hun geheugen, en zoovele +andere beesten eindelijk die den roem van het dierenrijk geweest +zijn! Wie heeft niet gehoord van die verwonderlijk afgerichte vogels, +die zonder fouten woorden schrijven door hunne meesters gedicteerd, +van kaketoe's die zeer nauwkeurig het aantal personen in een salon +weten te tellen! Is er geen papegaai geweest die met honderd gouden +kronen betaald werd en zonder zich een enkel woord te vergissen den +kardinaal, zijn meester, de Geloofsbelijdenis der apostelen opzei? En +moet eindelijk de rechtmatige hoogmoed van een entomoloog niet ten +top stijgen, als hij eenvoudige insecten de bewijzen ziet geven eener +buitengewone bevatting en welsprekendheid het axioma bevestigen: + + + In minimis maximus Deus: + + +de mieren, die een lesje zouden kunnen geven aan de magistraatspersonen +van de grootste steden; de waterspinnen, die duikerklokken vervaardigen +zonder ooit iets van werktuigkunde geleerd te hebben; de vlooien +die rijtuigen voorttrekken als echte koetspaarden, die exerceeren +als soldaten, die beter een kanon afvuren dan de geëxamineerde +artilleristen van West-Point? [14] Neen! die Dingo verdient den lof +niet die hem wordt toegezwaaid, en als hij zoo sterk in 't alphabet +is, dan behoort hij ongetwijfeld tot een ras van bulhonden, dat in de +classificatie van de zoölogische wetenschap nog geen plaats gevonden +heeft, den 'canis alphabeticus' van Nieuw-Zeeland!" + +Inweerwil van deze en andere redeneeringen van den afgunstigen +entomoloog, verloor Dingo niets van de algemeene achting en bleef +hij in de gesprekken van de voorplecht behandeld worden als een +bijzonder verschijnsel. + +Nochtans is het meer dan waarschijnlijk dat Negoro de ingenomenheid +met het dier van allen aan boord niet deelde. Misschien vond hij hem te +schrander. Wat hier van zij, de hond toonde altijd dezelfde vijandschap +tegen den kok en ongetwijfeld zou hij er niet best afgekomen zijn, +zoo hij van den eenen kant geen hond geweest was die van zich af kon +bijten en van den anderen kant niet beschermd werd door de sympathie +van de geheele equipage. + +Negoro vermeed dus meer dan ooit zich in tegenwoordigheid van Dingo +te bevinden. Maar Dick Sand had meenen op te merken dat, sedert het +voorval der twee letters, de wederkeerige tegenzin van den mensch en +den hond was toegenomen. Dat was werkelijk onverklaarbaar. + +Den 10n Februari begon de wind uit het noord-oosten merkbaar af +te nemen; reeds was deze gevolgd op die langdurige en verdrietige +windstilten, gedurende welke de _Pelgrim_ bijna stillag. Kapitein Hull +mocht dus hopen dat er zich weldra een verandering in de richting +der luchtstroomen zou voordoen. Eindelijk zou de schoener-brik +dan misschien voor den wind gaan loopen. Slechts negentien dagen +geleden hadden zij de haven van Auckland verlaten. De vertraging +was vooralsnog niet zeer belangrijk en met den wind dwars zou de +_Pelgrim_, met behulp zijner zeilen, den verloren tijd gemakkelijk +inhalen. Doch er zouden nog wel eenige dagen verloopen, voor er een +bestendige bries uit het westen ging waaien. + +Dit gedeelte van de Stille-Zuidzee was altijd vrij eenzaam. Bijna +geen enkel vaartuig vertoonde zich in deze streken. Het was een +breedte die slechts hoogst zelden door de zeevaarders bezocht werd. De +walvischvaarders der Zuidelijke zeeën overschreden den keerkring nog +niet. Men kon dus op den _Pelgrim_, die door bijzondere omstandigheden +gedwongen was geweest vóór den afloop der kampanjes de plaatsen waar +gewoonlijk gevischt werd te verlaten, niet verwachten een schip dat +dezelfde bestemming had te ontmoeten. + +Wat de transatlantische pakketbooten betreft, wij hebben reeds gezegd +dat zij bij haar tochten tusschen Australië en het vasteland van +Amerika niet zulk een noordelijken parallel volgden. + +Doch, omdat de zee verlaten is, moet men niet verzuimen haar tot +de uiterste grenzen van den horizon gade te slaan. Zij moge voor +onachtzame geesten eentonig schijnen, voor hem die haar kent en +begrijpt, is er een oneindige afwisseling in haar op te merken. Haar +ondoorgrondelijkste veranderingen bekoren de verbeelding van hen +die de poëzie van den oceaan begrijpen. Een zeeplantje dat met den +golfslag op en neer gaat, een boschje zeekroos dat slechts een lichte +rimpeling op de oppervlakte der golven voortbrengt, een eindje plank +welker geschiedenis men zou willen raden, meer is er niet noodig om aan +die verbeelding den teugel te vieren. Voor deze oneindigheid wordt de +geest door niets belemmerd. Onze voorstellingen hebben vrij spel. Elk +van die moleculen water die de verdamping voortdurend tusschen de zee +en den hemel doet afwisselen, bevat misschien het geheim van de een of +andere vreeselijke ramp! Ook moet men ze benijden, hen wier diepste +gedachten de verborgenheden van den Oceaan weten uit te vorschen, +die geesten die zich van zijn beweeglijke oppervlakte verheffen tot +de hoogten des hemels. + +En overal vertoont zich het leven, zoowel boven de oppervlakte der +zee als onder haar. De passagiers van den _Pelgrim_ konden troepen +vogels zien, die driftig jacht maakten op de kleinste vischjes; +het waren landverhuizers die voor den winter het ruw klimaat der +poolstreken verlaten. En meer dan eens gaf Dick Sand, ook hierin, +als in zoovele andere zaken, den leerling van den heer Weldon, de +bewijzen zijner verwonderlijke behendigheid met het geweer of pistool, +door eenige van die vlugge luchtbewoners neer te vellen. + +Nu eens waren het witte, dan weder andere stormvogels wier vleugels +omzoomd waren met een bruin randje. Somwijlen ook trokken troepen +duiven voorbij of eenige van die vetganzen welker gang op het land +zoo zwaar en zoo belachelijk is. Evenwel kunnen deze vetganzen, +zooals kapitein Hull deed opmerken, door zich van hare stompen als +vinnen te bedienen, de vlugste visschen tarten, in die mate zelfs, +dat zij somtijds met springvisschen zijn verward geworden. + +Hooger doorkliefden reusachtige albatrossen de lucht met groote +vleugelslagen en zetten zich vervolgens op de oppervlakte der zee +neder, die zij met hun bek doorwoelden om er hun voedsel te zoeken. + +Al die tooneelen leverden een afwisselend schouwspel op, dat alleen +door hen wier geest gesloten is voor de schoonheden der natuur, +eentonig zou gevonden worden. + +Dienzelfden dag wandelde Mevr. Weldon op het achterdek van den +_Pelgrim_, toen een vrij zonderling verschijnsel haar aandacht +trok. Bijna plotseling was de zee roodachtig geworden. Men zou gezegd +hebben dat zij met bloed was gekleurd, en deze onverklaarbare tint +strekte zich zoo ver uit als de oogen konden zien. + +Op dat oogenblik bevond Dick Sand zich met kleinen Jack bij +Mevr. Weldon. + +"Zie je, Dick," zei zij tot den leerling, "daar die vreemde kleur +van het water? Zou dat zijn door de een of andere zeeplant?" + +"Neen, mevrouw," antwoordde Dick, "die kleur wordt voortgebracht door +millioenen kleine schaaldiertjes, waarmede de groote zoogdieren zich +gewoonlijk voeden. De visschers noemen dat met recht 'walvisch-eten'". + +"Schaaldiertjes!" zei Mevr. Weldon. "Maar ze zijn zoo klein dat men ze +bijna zeeinsecten zou kunnen noemen. Neef Benedictus zou er misschien +gaarne zijn verzameling mee willen verrijken!" + +"Neef Benedict!" riep zij toen. + +Neef Benedictus kwam toen uit zijn hut te voorschijn, bijna +gelijktijdig met den kapitein. + +"Neef Benedictus," zei Mevr. Weldon, "zie toch eens die onmetelijke +roodachtige bank, die zich uitstrekt zoover het oog reikt." + +"He!" zei kapitein Hull, "dat is walvisch-eten! Mijnheer Benedict, +ziedaar een schoone gelegenheid om die vreemde soort van schaaldieren +te bestudeeren!" + +"'t Zou wat!" zei de entomoloog. + +"Hoe! 't Zou wat!" riep de kapitein uit. "Maar u hebt het recht niet +zulk een onverschilligheid voor te geven! De schaaldieren maken een +van de zes klassen der gelede dieren uit [15] als ik me niet bedrieg, +en als zoodanig...." + +"'t Zou wat!" zei nogmaals neef Benedictus, het hoofd schuddende. + +"Hoor eens! 'k Vind u vrij onverschillig voor een entomoloog!" + +"Entomoloog, goed," antwoordde neef Benedictus, "maar meer bijzonder +hexapodist, kapitein, onthoud het goed!" + +"Hoe het zij," antwoordde de kapitein, "dat u geen belang in die +schaaldieren stelt, mij wel, maar 't zou heel wat anders wezen, als +u een walvisschenmaag hadt. Wat een smulpartij, in dat geval! want +weet u, mevrouw Weldon, als wij, walvischvaarders, gedurende het +vischseizoen in 't gezicht komen van een bank van die schaaldieren, +dan worden onmiddellijk de harpoenen en de lijnen in orde gebracht! Wij +zijn dan zeker dat het wild niet ver af is!" + +"Is 't mogelijk dat zulke kleine diertjes zulke groote kunnen +voeden?" riep Jack uit. + +"Wel, mijn jongen," antwoordde kapitein Hull, "geven ons de +microscopisch fijne meelkorreltjes geen goede soepen? Ja, en de natuur +heeft het zoo gewild. Wanneer een walvisch zich te midden van dat +roode water beweegt, is zijn soep gereed en heeft hij niets meer te +doen dan zijn onmetelijken bek te openen, waarin dadelijk millioenen +schaaldiertjes worden opgenomen, terwijl de talrijke baarden, waarmede +het verhemelte van het dier voorzien is, zich uitspreiden als de +netten van een visscher; niets kan er dan meer uit en een geweldige +massa schaaldiertjes verzinkt in de enorme maag van den walvisch, +als de soep van uw diner in de uwe." + +"Je begrijpt licht, Jack," merkte Dick Sand op, "dat mijnheer de +walvisch zijn tijd niet verliest met een voor een die schaaldiertjes +te pellen, zooals gij garnalen pelt!" + +"'k Moet er nog bijvoegen," zei kapitein Hull, "dat juist op het +oogenblik als de ontzaglijke gulzigaard op die manier bezig is, +'t gemakkelijkste is hem te naderen zonder zijn wantrouwen te +wekken. Dat is dus juist het geschiktste oogenblik om hem met eenig +succes te harpoeneeren." + +Op dit oogenblik, en als om kapitein Hull gelijk te geven, deed zich +de stem van den matroos op den uitkijk hooren: "Een walvisch aan +bakboordszij vooruit!" + +Kapitein Hull had zich opgericht. + +"Een walvisch!" riep hij uit. + +En door zijn visschersinstinct aangevuurd, snelde hij naar den bak. + +Mevr. Weldon, Jack, Dick Sand en zelfs neef Benedictus volgden hem +terstond. + +En werkelijk gaf op vier mijlen onder lij, een zekere borreling +te kennen dat een groot dier zich te midden der roode golven +bewoog. Vooral walvischvaarders konden er zich niet in vergissen. + +Maar de afstand was nog te groot om de soort te kunnen onderscheiden, +waartoe dit dier behoorde. Deze soorten zijn inderdaad zeer van +elkander verschillend. + +Was het een van die echte walvisschen die bij voorkeur door de +visschers van de noordpool-zeeën opgezocht worden? Die walvisschen, +bij wie de rugvin ontbreekt, maar wier huid eene dikke laag spek +bedekt, kunnen een lengte van vier-en-tachtig voet bereiken, hoewel +de gemiddelde lengte geen zestig bedraagt, en in dit geval verschaft +een enkele van die monsters tot honderd vaten traan. + +Was het integendeel een "humpback", die tot de soort der baleinoptera +behoort,--een woord waarvan de eindlettergreep hem althans de gunst van +den entomoloog had moeten doen verwerven? Zij zijn het die rugvinnen +bezitten, wit van kleur en zoo lang als de halve lengte des lichaams, +die als een paar vleugels uitzien en hem daardoor wel eenigszins op +een vliegenden walvisch doen gelijken. + +Had men niet waarschijnlijker een "vinvisch" in 't gezicht, een +zoogdier ook bekend onder den naam van "snavelwalvisch", die voorzien +is van een rugvin en welks lengte die van den echten walvisch kan +evenaren? + +Kapitein Hull en zijn bemanning konden nog geen uitspraak doen, maar +zij beschouwden het dier nog met meer begeerte dan wel bewondering. + +Zoo het waar is dat een horlogemaker geen pendule kan zien zonder de +onweerstaanbare behoefte te gevoelen haar op te winden, hoeveel meer +moet dan niet de walvischvaarder op het gezicht van een walvisch door +een dringende begeerte bezield zijn er zich meester van te maken! De +jagers op grof wild zijn, zegt men, vuriger dan die op klein wild. Hoe +grooter het dier is, des te meer wekt het de begeerlijkheid op! Wat +moeten dan niet de jagers op olifanten en de visschers op walvisschen +gevoelen! En dan bestond ook nog de teleurstelling der geheele equipage +van den _Pelgrim_ om met eene halve lading thuis te varen!... + +Intusschen trachtte kapitein Hull het dier dat gesignaleerd was, +te onderscheiden. Het was op dien afstand niet zichtbaar. Evenwel +kon het geoefend oog van een walvischvaarder zich niet bedriegen in +zekere bijzonderheden die gemakkelijk van verre te ontdekken waren. + +Werkelijk moest de straal, namelijk de kolom van damp en water die +de walvisch door zijne neusgaten in de hoogte spuit, de aandacht +wekken van kapitein Hull en hem de soort doen bepalen waartoe deze +walvisch behoorde. + +"Dat is geen echte walvisch!" riep hij uit. "Zijn straal zou hooger +zijn en een kleiner volumen hebben. Zoo van den anderen kant het +geraas dat de straal maakt vergeleken kon worden met het verwijderd +geluid van een stuk geschut, zou ik geneigd zijn te gelooven dat deze +walvisch tot de soort der 'humpbacks' behoort; maar daar is niets +van aan en wanneer men goed hoort, dan kan men zich overtuigen dat +dit geluid van gansch anderen aard is." + +"Hoe denkt gij daarover, Dick?" vroeg kapitein Hull den leerling. + +"Mij dunkt, kapitein, dat we hier te doen hebben met een vinvisch. Zie +eens, met welk een geweld hij dien waterstraal in de lucht spuit. Komt +het u ook niet voor,--'t geen mijne meening zou bevestigen,--dat die +straal meer water dan verdichte lucht bevat? En dat is immers een +eigenaardige bijzonderheid van den vinvisch?" + +"Je hebt gelijk, Dick," antwoordde kapitein Hull. "Er is geen twijfel +meer mogelijk! 't Is een vinvisch die aan de oppervlakte van die +roode golven drijft." + +"Wat is dat een prachtig gezicht!" riep Jack uit. + +"Ja, mijn jongen! En wanneer men dan bedenkt dat het groote dier daar +aan zijn ontbijt is en volstrekt niet vermoedt dat walvischvaarders +naar hem kijken!" + +"'k Zou durven verzekeren, dat het een groote vinvisch is," merkte +Dick Sand aan. + +"Ongetwijfeld," antwoordde kapitein Hull, die zich allengs begon op +te winden, "ik schat hem ten minste op zeventig voet lengte!" + +"Ja, ja!" voegde de bootsman er bij. "Een half dozijntje walvisschen +van die grootte en een schip als het onze zou genoeg hebben!" + +"Je hebt gelijk!" antwoordde kapitein Hull, die op de boegspriet klom +om beter te kunnen zien. + +"En als we dezen hadden," voegde de bootsman er bij, "zouden we in +weinige uren de helft der twee honderd vaten traan kunnen inschepen, +die ons nog ontbreken." + +"Ja! inderdaad.... ja!...." mompelde kapitein Hull. + +"Dat is waar," hernam Dick Sand, "maar 't is geen gemakkelijke taak, +somtijds, die geweldige vinvisschen aan te vallen!" + +"Niet gemakkelijk, niet gemakkelijk!" antwoordde kapitein Hull. "Ze +hebben geduchte staarten, die men niet te dicht moet naderen! De +sterkste sloep zou aan een goed gerichten slag geen weerstand +bieden. Maar het voordeel beloont de moeite!" + +"Nu!" zei een der matrozen, "een prachtige vinvisch is toch ook een +prachtige vangst!" + +"En winstgevend!" antwoordde een ander. + +"'t Zou jammer zijn dezen in 't voorbijgaan niet even te groeten!" + +Het was duidelijk dat de brave zeelieden op het gezicht van den +walvisch hoe langer hoe meer bezield werden met den wensch hem te +vangen. Een gansche lading traan maar voor het grijpen? Er bleef +volgens hen niets anders meer te doen dan de vaten in het ruim van +den Pelgrim te stuwen om de lading er van aan te vullen! + +Eenige matrozen die in het want van den fokkemast geklommen waren, +deden kreten van begeerlijkheid hooren. Kapitein Hull sprak niet en +stond op zijn nagels te bijten. Het was alsof een onweerstaanbare +magneet den _Pelgrim_ en zijn geheele equipage aantrok. + +"Mama, mama!" hoorde men kleine Jack roepen, "'k zou zoo graag den +walvisch hebben om te zien hoe hij er uit ziet!" + +"Zoo, zoo, zou je dien walvisch willen hebben, mijn jongen? Wel! waarom +niet, vrienden!" antwoordde kapitein Hull, die eindelijk aan zijn +geheime begeerte toegaf. "De hulpvisschers ontbreken ons wel, dat is +waar, maar wij alleen...." + +"Ja, ja!" riepen de matrozen als uit één mond. "'t Zou de eerste keer +niet zijn dat ik als harpoenier fungeer," voegde kapitein Hull er bij, +"en dan zult ge kunnen oordeelen of ik den harpoen nog kan werpen!" + +"Hoera! hoera! hoera!" was het antwoord der bemanning. + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +TOEBEREIDSELEN. + + +Men begrijpt licht dat het gezicht van dit reusachtig zoogdier zeer +geschikt was om de bemanning van den _Pelgrim_ in zulk een opgewonden +stemming te brengen. + +De walvisch, die zich te midden der roode golven bewoog, scheen +ontzettend groot te zijn. Het was voorzeker zeer verleidelijk hem te +vangen en de lading op deze wijze vol te maken! Konden visschers een +dergelijke gelegenheid laten ontsnappen? + +Evenwel meende Mevr. Weldon aan kapitein Hull te moeten vragen of er +geen gevaar voor de bemanning en voor hem in gelegen was een walvisch +onder zulke ongunstige omstandigheden aan te vallen. + +"In het minst niet, mevrouw Weldon," antwoordde kapitein +Hull. "Meermalen is het mij gebeurd dat ik den walvisch met een enkele +boot vervolgde en 'k heb hem altijd meester kunnen worden. 'k Zeg +u nogmaals, er is in 't geheel geen gevaar voor ons en dus ook niet +voor u." + +Mevrouw Weldon was volkomen gerust gesteld en drong nu niet meer aan. + +Kapitein Hull nam nu dadelijk maatregelen om den walvisch te +vangen. Hij wist bij ondervinding dat de jacht op deze soort van +walvisschen met vrij ernstige moeilijkheden gepaard gaat en hij wilde +deze allen trachten te voorkomen. + +Wat vooral deze vangst minder gemakkelijk maakte, was dat de equipage +van de schoenerbrik slechts met een enkele boot kon werken, alhoewel +de _Pelgrim_ een sloep bezat die in haar davits tusschen den grooten +en den fokkemast hing, daarenboven drie walvischsloepen, waarvan twee +langs bakboords- en stuurboordszijde waren opgehangen en de derde +aan het hek. + +Gewoonlijk werden deze drie walvischsloepen gelijktijdig bij de +vervolging der walvisschen gebruikt. Maar gedurende het vischseizoen +werd, zooals men weet, een hulpequipage, ontleend aan sommige +factorijen op Nieuw-Zeeland, aan boord genomen. + +Doch in de omstandigheden waarin de _Pelgrim_ voor het oogenblik +verkeerde, waren er slechts vijf matrozen beschikbaar, juist genoeg +om een enkele der walvischsloepen te wapenen. De hulp van Tom en +zijn kameraden aan te nemen, die zich dadelijk hadden aangeboden, +was onmogelijk, want het besturen van een whaleboot vordert bijzonder +daartoe afgerichte zeelieden. Een verkeerde manoeuvre met het roer of +een riem kan bij den aanval het behoud van de sloep in gevaar brengen. + +Van den anderen kant wilde kapitein Hull zijn schip niet verlaten +zonder er althans een man der bemanning achter te laten in wien hij +vertrouwen stelde. Men moest op alle mogelijkheden bedacht zijn. + +Nu was kapitein Hull verplicht om ter bemanning der sloep flinke +zeelieden te kiezen en moest zich daarom voor de zorg om op den +_Pelgrim_ de wacht te houden op Dick Sand verlaten. + +"Dick," zei hij tot dezen, "u belast ik om in mijn afwezigheid, +die naar ik hoop, niet lang zal zijn, aan boord te blijven!" + +"Goed, mijnheer," antwoordde de leerling. + +Dick had nu eigenlijk wel gaarne deel willen nemen aan die visscherij, +die een groote aantrekkelijkheid voor hem had, maar hij begreep dat +eensdeels de armen van een volwassen man beter geschikt waren voor +de bediening der walvischsloep dan de zijne en dat anderdeels hij +alleen kapitein Hull kon vervangen. Hij onderwierp zich dus. + +De bemanning der sloep zou uit vijf man bestaan, bootsman Howik +er onder begrepen, die de geheele bemanning van den _Pelgrim_ +uitmaakten. De vier matrozen zouden de riemen hanteeren en Howik den +langen riem houden, die dient om een boot dezer soort te besturen. Van +een eenvoudig roer zou de werking niet snel genoeg zijn en bijaldien +de riemen buiten dienst gesteld worden, kan de lange of stuurriem, +zoo hij goed gehanteerd wordt, de sloep buiten het bereik der slagen +van het monster brengen. + +Wat kapitein Hull aangaat, deze had voor zich den post van harpoenier +bewaard en zooals hij reeds zei, het zou niet de eerste maal zijn. Hij +moest het eerst den harpoen werpen, daarna het afloopen van de lange +lijn bewaken die aan zijn uiteinde was bevestigd en vervolgens het +dier, zoodra het zich aan de oppervlakte van den oceaan vertoonde +met lanssteken afmaken. + +De walvischvangers maken somtijds gebruik van vuurwapenen voor deze +soort van visscherij. Door middel van een daartoe ingericht werktuig, +een soort van klein kanon, of aan boord van het vaartuig, of voor in +de boot, werpen zij, hetzij een harpoen die de lijn aan zijn uiteinde +bevestigd medevoert, of ontplofbare kogels die groote verwoestingen +in het lichaam van het dier aanrichten. + +Maar de _Pelgrim_ was niet van toestellen dezer soort voorzien. Het +zijn trouwens vuurwapenen van hoogen prijs, die vrij moeielijk te +behandelen zijn, en de visschers die niet veel met nieuwigheden op +hebben, schijnen het gebruik der van ouds gebruikelijke wapenen te +verkiezen, waarvan zij zich behendig bedienen, namelijk den harpoen +en de lans. + +Het is dus met de gewone middelen, den walvisch namelijk met de +blanke wapenen aan te vallen, dat kapitein Hull zou beproeven den +vinvisch, die op vijf mijlen van zijn vaartuig gesignaleerd was, +machtig te worden. + +Overigens zou het weder dezen tocht begunstigen. De zee was zeer kalm +en gunstig voor de manoeuvres van een walvischvanger. De wind was +aan het afnemen en de _Pelgrim_ zou slechts zeer weinig afdrijven, +terwijl zijn equipage zich in volle zee bezighield. + +De walvischsloep aan stuurboordszijde werd dus dadelijk gestreken en +de vier matrozen bemanden het ranke vaartuigje. + +Howik reikte hun twee van die lange werpspiesen over, die als harpoenen +moeten dienen en daarna twee lange lansen met scherpe punten. Bij deze +aanvalswapenen voegde hij vijf strengen, buigzame en sterke touwen, +die de walvischvangers "lijnen" noemen en die een lengte hebben van +zeshonderd voet. Korter mogen zij niet zijn, want het gebeurt meermalen +dat al deze "lijnen" aan elkander gebonden, niet toereikend zijn om +den walvisch bij zijn vaart naar de diepte genoeg te kunnen vieren. + +Dat waren de verschillende toestellen die met zorg vóór in de sloep +gereed gelegd werden. + +Howik en de vier matrozen wachtten nog slechts op de order om den +sleper los te gooien. + +Een enkele plaats vóór in de sloep,--die van kapitein Hull,--was +nog onbezet. + +Het spreekt van zelf dat de equipage van de _Pelgrim_, alvorens van +boord te gaan, het schip bijgedraaid had. Met andere woorden, de raas +werden zoodanig gebrast, dat de zeilen, tegen elkander in werkende, +de schoenerbrik nagenoeg op dezelfde plaats hielden. + +Op het oogenblik dat kapitein Hull zich zou inschepen, wierp hij nog +een laatsten blik op zijn vaartuig. Hij overtuigde zich dat alles +in orde was, met behoorlijk gestelde zeilen. Daar hij den leerling +gedurende een afwezigheid van misschien eenige uren aan boord liet, +wilde hij met recht dat Dick Sand, tenzij uit noodzakelijkheid geen +enkele manoeuvre had uit te voeren. + +Op het punt van te vertrekken, gaf hij hem zijn laatste instructies. + +"Dick," zei hij, "ik laat je alleen. Zorg voor alles. Zoo 't, wat zeer +onwaarschijnlijk is, noodig werd het schip te manoeuvreeren ingeval +we te ver bij de vervolging van den walvisch werden meegevoerd, zouden +Tom en zijn kameraden je zeer goed kunnen helpen. Door ze goed aan hun +verstand te brengen wat ze te doen hebben, ben ik er zeker van dat ze +'t doen zouden." + +"Ja, kapitein Hull," antwoordde de oude Tom, "en mijnheer Dick kan +op ons rekenen." + +"Beveel, beveel!" riep Bat. "We zouden zoo graag willen helpen!" + +"Waaraan moeten we trekken?..." vroeg Hercules, terwijl hij de wijde +mouwen van zijn wambuis opstroopte. + +"Aan niets op 't oogenblik," antwoordde Dick Sand glimlachende. + +"Tot uw dienst," hernam de kolossale kerel. + +"Dick," hernam, kapitein Hull, "'t is mooi weer. De wind is gaan +liggen. Geen enkel teeken zie ik dat hij weer aan zal wakkeren. Wat +er gebeure, strijk geen boot en verlaat het schip niet!" + +"Dat beloof ik u, kapitein." + +"Als het noodig mocht worden dat de _Pelgrim_ naar ons toekwam, +zou ik je waarschuwen door een vlag aan een bootshaak te hijschen." + +"Wees gerust, kapitein, 'k zal de sloep niet uit het oog verliezen," +antwoordde Dick Sand. + +"Goed, mijn jongen. Moed en koelbloedigheid. Je bent nu tweede +kapitein. Houd je graad in eer. Nooit heeft iemand van dien leeftijd +hem bekleed!" + +Dick Sand antwoordde niet, maar een blos van vergenoegen verspreidde +zich over zijn gelaat. Kapitein Hull begreep dezen blos en dezen +glimlach. + +"Die brave jongen," dacht hij, "bescheiden en vergenoegd, zoo is +de jongen!" + +Evenwel bleek het uit deze dringende aanbevelingen duidelijk dat, al +stak er werkelijk niets gewaagds in, kapitein Hull niet gaarne zijn +schip verliet, zelfs niet voor eenige uren. Maar zijn onweerstaanbaar +visschersinstinct en vooral de vurige begeerte zijn lading traan aan +te vullen en aan de verplichtingen te voldoen die James W. Weldon te +Valparaiso had aangegaan, dat alles vuurde hem aan het avontuur te +wagen. Daarenboven was de zee op 't oogenblik zoo bijzonder geschikt om +een walvisch te vervolgen. Noch zijn equipage, noch hij zelf konden +zulk een verzoeking weerstaan. De tocht zou op die wijze nog goed +kunnen worden en deze laatste beweegreden was het vooral die hem alle +bedenkingen over het hoofd deed zien. + +Kapitein Hull richtte zich naar de valreep. + +"Veel geluk!" wenschte Mevr. Weldon hem. + +"Heb dank, mevrouw Weldon!" + +"Doe dien armen walvisch toch vooral niet te veel pijn!" riep kleine +Jack. + +"Neen, mijn jongen!" antwoordde kapitein Hull. + +"Vang hem heel zachtjes, mijnheer." + +"Ja.... met handschoenen, Jack!" + +"Somtijds," merkte neef Benedictus aan, "vindt men vrij zeldzame +insecten op den rug van die groote zoogdieren!" + +"Goed, mijnheer Benedict," antwoordde kapitein Hull lachend, "u hebt +het recht om je hart als entomoloog zooveel als je maar wilt op te +halen als onze visch langs den _Pelgrim_ drijft!" + +Daarna zich tot Tom wendende, zeide hij: + +"Tom, 'k reken op u en je kameraden, om ons den walvisch te helpen aan +stukken houwen, als hij aan den romp van het schip is vastgesjord,--wat +niet lang zal duren." + +"U zult ons volkomen bereid vinden, mijnheer," antwoordde de oude +neger. + +"Goed!" antwoordde kapitein Hull.--"Dick, die goede menschen zullen +je helpen de ledige vaten gereed te maken. Terwijl we weg zijn zullen +ze die op het dek brengen en dan zal het werk bij onze terugkomst +met spoed gaan." + +"'t Zal geschieden, kapitein." + +Voor hen die het niet weten, zij hier gezegd dat de walvisch, eens +dood, naar den _Pelgrim_ gesleept en stevig aan stuurboordszijde moest +vastgesjord worden. Dan gaan er matrozen, wier laarzen met scherpe +haken voorzien zijn op den rug van het ontzaglijk gevaarte zitten en +hakken het in regelmatige, evenwijdig loopende strooken in de richting +van den kop naar den staart. Deze strooken worden dan in stukken van +anderhalven voet gesneden en verder in kleinere stukken verdeeld, +die, na in de vaten weggestuwd te zijn in het ruim worden geborgen. + +Meestentijds tracht de walvischvaarder, zoodra de visscherij is +afgeloopen, zoo spoedig mogelijk den wal te halen, teneinde de +laatste hand aan de bewerking van den visch te leggen. De equipage +zoekt ergens aan het strand een geschikte plaats om tot het smelten +van het spek over te gaan, dat onder de werking van het vuur het +bruikbare gedeelte, namelijk de traan, levert. [16] + +Maar in de omstandigheden waarin kapitein Hull op het oogenblik +verkeerde, kon hij moeielijk teruggaan, om deze bewerking te voltooien +en dacht hij het eerst te Valparaiso te doen. Bovendien hoopte hij met +dezen wind, die, voordat er twintig dagen zouden verloopen zijn, weldra +naar het westen zou loopen, de Amerikaansche kust te bereiken, en dit +tijdsverloop kon de resultaten zijner vangst niet in gevaar brengen. + +Het oogenblik van vertrek was nu gekomen. Voordat de _Pelgrim_ door het +tegenbrassen der zeilen nagenoeg onbeweeglijk was geworden, had men hem +iets dichter bij de plaats gebracht waar de walvisch door het uitwerpen +van damp en water zijn tegenwoordigheid bleef te kennen geven. + +De walvisch zwom altijd te midden van het uitgestrekte roode veld +van schaaldiertjes en opende automatisch zijn ontzaglijken bek om +bij elken slok millioenen diertjes op te slorpen. + +Volgens de deskundigen aan boord, bestond er volstrekt geen vrees +dat hij zou ontsnappen. Hij was ongetwijfeld wat de visschers een +"vechtwalvisch," noemen. + +Kapitein Hull stapte de verschansing over, liet zich langs de valreep +zakken, en stapte voor in de boot. + +Mevr. Weldon, Jack, neef Benedictus, Tom en zijn kameraden riepen +den kapitein geluk en een laatst vaarwel toe. + +Dingo zelfs, die op zijn achterpooten ging staan en zijn kop boven +de reeling uitstak, scheen de equipage vaarwel te zeggen. + +Daarna begaven allen zich naar het voorschip, om toch vooral niets +van al de belangwekkende tooneelen eener dergelijke visscherij te +verliezen. + +De walvischsloep stak van boord en begon onder de krachtige riemslagen +van haar vier riemen zich van den _Pelgrim_ te verwijderen. + +"Pas goed op, Dick, pas goed op!" riep kapitein Hull een laatste maal +den leerling toe. "Een oog voor het schip, een oog voor de sloep, +mijn jongen! Vergeet het niet!" + +"Wees gerust, kapitein," antwoordde Dick Sand, die bij het roer +ging staan. + +De lichte boot bevond zich reeds verscheiden honderden voeten van +het schip af. Kapitein Hull, overeind op de voorplecht, kon zich +nu niet meer doen hooren, maar hernieuwde zijn aanbevelingen met de +nadrukkelijkste gebaren. + +Op dat oogenblik liet Dingo, nog altijd met zijn pooten op de reeling, +een jammerlijk geblaf hooren, dat op bijgeloovige menschen een +ongunstigen indruk zou gemaakt hebben. + +Dit geblaf deed zelfs Mevr. Weldon ontstellen. + +"Dingo," zei ze, "Dingo! moedig je op die wijze je vrienden aan? Kom, +een helder, vroolijk geblaf!" + +Maar de hond blafte niet meer, liet zich op zijn pooten neervallen en +kwam langzaam naar Mevr. Weldon toe, wier hand hij vriendelijk likte. + +"Hij kwispelstaart niet!" mompelde Tom. "Een slecht teeken! Een +slecht teeken!" + +Maar bijna op hetzelfde oogenblik richtte Dingo zich op en barstte +in een woedend gehuil uit. + +Mevr. Weldon keerde zich om. + +Negoro had zoo even het matrozenverblijf verlaten en richtte zich +naar de voorplecht, met het blijkbare doel om evenals de anderen, +de manoeuvres van de walvischsloep gade te slaan. + +Dingo vloog op den kok toe, ten prooi aan de grootste, doch tevens +aan de meest onverklaarbare woede. + +Negoro pakte een handspaak en nam een verdedigende houding aan. + +De hond was op het punt hem naar de keel te vliegen. + +"Hier, Dingo, hier!" riep Dick Sand, die zijn post van observatie +een oogenblik verliet en naar voren liep. + +Ook Mevr. Weldon van haar kant trachtte den hond te doen bedaren. + +Dingo gehoorzaamde, niet zonder tegenzin en kwam, een dof gebrom +doende hooren, naar den leerling terug. + +Negoro had geen enkel woord geuit, maar was een oogenblik bleek +geworden. Vervolgens zijn handspaak latende vallen, ging hij naar +zijn hut terug. + +"Hercules," zei Dick Sand daarop, "ik draag je dringend op het oog +op dien man te houden." + +"'k Zal hem in 't oog houden," antwoordde Hercules eenvoudig, terwijl +zijn twee kolossale vuisten zich ten teeken van toestemming sloten. + +Mevr. Weldon en Dick Sand sloegen den blik na dit voorval wederom op +de sloep, die door haar vier riemen snel werd voortbewogen. + +Weldra was zij nog slechts een stip op de onmetelijke zee. + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +DE WALVISCH. + + +Kapitein Hull, een man van ondervinding in de jacht op walvischen, +liet niets aan het toeval over. De vangst van een vinvisch vooral, +is een moeielijke taak en geen enkele voorzorg mag verzuimd worden. En +geen enkele werd verzuimd in deze omstandigheid. + +Al dadelijk bestuurde kapitein Hull de sloep op die wijze dat zij den +walvisch aan lij zou naderen, opdat hij door niet het minste geluid +kon verontrust worden. + +Howik bestuurde dus de sloep volgens de vrij uitgestrekte kromme lijn +die de roodachtige bank afteekende, te midden waarvan de walvisch +zijn ontbijt gebruikte. Men moest dus om hem heen varen. + +De bootsman die deze manoeuvre ten uitvoer bracht, was een zeeman van +groote koelbloedigheid, in wien kapitein Hull het meeste vertrouwen +stelde. Men had van hem geen aarzeling, noch verstrooiing te vreezen. + +"Pas op je roer, Howik," zei kapitein Huil. "We zullen probeeren den +walvisch te verrassen en hem met rust laten totdat we dichtbij genoeg +zijn om hem te harpoeneeren." + +"Begrepen, mijnheer," antwoordde de bootsman. "Ik zal den omtrek, +van dat roodachtig water volgen, maar op die wijze dat we altijd aan +lij blijven." + +"Goed!" zei kapitein Hull.--"Jongens, zoo stil mogelijk geroeid." + +De met stroo omwonden riemen ploften dan ook bij elken slag zonder +eenig geruisch in het water. + +De met behendigheid door den bootsman bestuurde sloep, had de +uitgestrekte bank der schaaldieren bereikt. Aan stuurboordszijde +dompelden zich de riemen nog in het groene heldere water, terwijl +van die aan bakboordszij, de roodachtige vloeistof als met duizenden +bloeddruppels scheen af te stroomen. + +"Wijn en water!" zei een der matrozen. + +"Ja," antwoordde kapitein Hull, "maar water dat men niet drinken en +wijn dien men niet slikken kan!--Kom jongens, geen gepraat meer en +flink doorgezet!" + +De door den bootsman bestuurde sloep, gleed zonder geruisch over +de oppervlakte van het vetachtige water, alsof zij over een laag +olie heenvoer. + +De walvisch bewoog zich niet en scheen de boot, die een kring om haar +heen beschreef, niet opgemerkt te hebben. + +Natuurlijk moest kapitein Hull bij het maken van dezen omweg zich al +verder en verder van den _Pelgrim_ verwijderen, die door den afstand +allengs kleiner werd. + +De snelheid waarmede de voorwerpen in zee door den afstand afnemen, +heeft altijd iets zonderlings. Het is alsof men ze bekijkt door een +verrekijker dien men omgekeerd in de hand houdt. Dit gezichtsbedrog +moet blijkbaar daaraan toegeschreven worden dat de punten van +vergelijking ons in die onmetelijke ruimten ontbreken. Zoo ging het +ook met den _Pelgrim_, die zichtbaar afnam en reeds veel verder af +scheen dan dat hij het werkelijk was. + +Een half uur nadat kapitein Hull en de zijnen het schip verlaten +hadden, bevonden zij zich juist aan lij van den walvisch, zoodanig +dat deze zich in het midden tusschen het schip en de sloep bevond. + +Het oogenblik was dus nu gekomen om hem zoo stil mogelijk te +naderen. Het was niet onmogelijk dat men ter zijde van het dier komen +en het op den geschikten afstand kon harpoeneeren, voordat hij hen +opgemerkt had. + +"Roeit wat zachter, jongens," zei kapitein Hull met gesmoorde stem. + +"Me dunkt," antwoordde Howik, "dat het grondeltje iets gemerkt +heeft! want het spuit minder hard dan straks!" + +"Stilte! stilte!" hernam kapitein Hull. + +Vijf minuten later, bevond zich de sloep een kabellengte van den +walvisch af. [17] + +De bootsman, achter in de sloep overeind staande, stuurde zoodanig dat +zij het reusachtige zoogdier aan de linkerzijde naderden, maar vermeed +daarbij met de grootste zorg in het bereik van zijn ontzaglijken +staart te komen, waarvan één slag voldoende ware geweest om de boot +te verbrijzelen. + +Vóór in de boot stond kapitein Hull, met de beenen een weinig uiteen +om des te beter zijn evenwicht te kunnen bewaren, bij het doen van +den eersten worp. Men mocht gerust op zijn behendigheid rekenen, +waarvan hij weldra de bewijzen zou geven als de harpoen in de dikke +massa bleef steken, die boven het water uitkwam. + +Bij den kapitein, in een balie, lag een der vijf lijnen opgeschoten, +die stevig aan den harpoen bevestigd was en waaraan achtereenvolgens +de vier andere zouden geknoopt worden, indien de walvisch zeer diep +onderdook. + +"Zijn we er, jongens?" vroeg kapitein Hull zacht. + +"Ja," antwoordde Howik, terwijl hij zijn riem stevig in zijn krachtige +vuisten vastklemde. + +"Leg aan! leg aan!" + +De bootsman voldeed aan het bevel en de sloep legde zich op ongeveer +tien voet aan de zijde van het dier. + +Dit verplaatste zich niet en scheen te slapen. De walvisschen die +men op deze wijze in hun slaap verrast, kunnen gemakkelijker gevangen +worden en het gebeurt dikwijls dat de eerste worp hen reeds doodelijk +treft. + +"Die onbeweeglijkheid is nog al vreemd!" dacht de kapitein. "De schelm +moet niet slapen, en toch!.... Daar zit iets achter!" + +Zoo dacht de bootsman er ook over, die het dier ook aan de andere +zijde trachtte te zien. + +Doch het was nu geen tijd om na te denken, men moest handelen. + +Kapitein Hull, die zijn harpoen bij het midden van den steel gevat +had, hield hem meermalen in evenwicht teneinde zich des te beter van +de juistheid van zijn worp te verzekeren, terwijl hij op de zijde +van den walvisch mikte. Daarna wierp hij hem met alle kracht. + +"Strijken, strijken!" riep hij dadelijk. + +En de matrozen, gelijktijdig achteruit roeiende, deden de sloep snel +achteruitgaan, met het doel haar voorzichtig buiten het bereik van +het zeemonster te brengen. + +Maar op dit oogenblik deed een kreet van den bootsman begrijpen +waarom de walvisch zich zoo lang en zoo zonderling onbeweeglijk aan +de oppervlakte der zee hield. + +"Een walvischjong!" zeide hij. + +En werkelijk had de walvisch, na door den harpoen getroffen te zijn, +zich bijna geheel op de zijde gewend, terwijl het dier op die wijze +een jong liet zien dat het bezig was te zoogen. + +Deze omstandigheid, en Kapitein Hull was hiervan zeer goed bewust, +moest de vangst van den walvisch veel moeielijker maken. De moeder +zou zich natuurlijk met meer woede verdedigen, zoowel voor zich zelve +als om haar "kleintje" te beschermen--indien men althans dien naam +kan geven aan een dier dat niet minder dan twintig voet was. + +Evenwel werd de vrees dat de walvisch zich onmiddellijk op de sloep +zou werpen niet bewaarheid en er was geen reden, om de lijn, waaraan +de harpoen bevestigd was, door te snijden, met het doel om dadelijk +op de vlucht te gaan. Integendeel, en zooals dit meestal gebeurt, +dook de walvisch, gevolgd door zijn jong, eerst in zeer schuinsche +richting; daarna, zich met een ontzaglijken sprong in de hoogte +werpende, begon hij met buitengewone snelheid aan de oppervlakte van +het water te zwemmen. + +Maar voordat hij onderdook, hadden kapitein Hull en de bootsman, +die beiden overeind in de boot stonden, den tijd gehad hem te zien +en hem dus op zijn juiste waarde te schatten. + +En werkelijk was deze "vinvisch" een walvisch van de grootste +soort. Zijn lengte bedroeg van den kop tot den staart minstens tachtig +voet. Zijn huid, van een geelachtig bruin, was als bezaaid met talrijke +vlekken van donkerder kleur. + +Het ware inderdaad jammer geweest, na een gelukkigen aanval bij +het begin, in de noodzakelijkheid te zijn zulk een rijke prooi te +laten varen. + +De vervolging, of liever het op sleeptouw nemen was begonnen. + +De walvischsloep, met de riemen "op", snelde als een pijl op den rug +der golven voort. + +Howik stuurde uitmuntend, niettegenstaande haar snelle en groote +gieren. + +Kapitein Hull met het oog op zijn prooi, liet onophoudelijk zijn +eeuwig refrein hooren: + +"Pas goed op, Howik, pas goed op!" + +En men kon zich verzekerd houden, dat de waakzaamheid van den bootsman +geen enkel oogenblik faalde. + +Daar evenwel de sloep op verre na niet met dezelfde snelheid gierde als +de walvisch, liep de harpoenlijn met zulk een verbazende snelheid af, +dat zij telkens op het punt stond bij de wrijving langs boord vuur +te vatten. Ook zorgde kapitein Hull haar nat te houden, door de balie +waarin zij opgeschoten lag, met water te vullen. + +Nochtans scheen de walvisch zich niet in zijn loop op te houden, +noch hem te willen matigen. De tweede lijn werd dus aan de eerste +vastgehecht en weldra met dezelfde snelheid als de eerste ontrold. + +Na vijf minuten moest de derde lijn aangeknoopt worden, die even als +de twee eerste onder het water was verdwenen. + +En nog altijd verminderde de walvisch zijn vaart niet. De harpoen +was blijkbaar in geen voor het leven gevaarlijk lichaamsdeel +doorgedrongen. Men kon zelfs aan de meer schuinsche richting der lijn +opmerken, dat het dier, inplaats van aan de oppervlakte terug te komen, +tot in diepere lagen doordrong. + +"Wel duivels!" riep kapitein Huil, "die schelm zal ons waarlijk onze +vijf lijnen opeten!" + +"En ons een tot op goeden afstand van den _Pelgrim_ +medeslepen!" antwoordde de bootsman. + +"Hij zal toch aan de oppervlakte moeten terugkomen om adem te +scheppen!" hernam kapitein Hull. "Hij behoort niet tot de visschen +en heeft even goed zijn voorraad lucht noodig als ieder ander +particulier!" + +"Hij zal zijn adem ingehouden hebben om beter te kunnen loopen!" zei +al lachende een der matrozen. + +Werkelijk bleef de lijn met dezelfde snelheid af loopen. + +Weldra werd het noodig de vierde lijn bij de derde te voegen en +werkelijk begonnen de matrozen zich wel wat ongerust te maken omtrent +hun toekomstig aandeel in de winst. + +"Wel drommels!" mompelde kapitein Hull, "zoo iets heb ik nog nooit +gezien! Satansche visch!" + +Eindelijk moest ook de vijfde lijn er aan, en reeds was zij tot op +de helft afgerold, toen er eindelijk wat bocht in scheen te komen. + +"Komaan!" riep kapitein Hull, "de lijn is minder gespannen! De walvisch +wordt moe!" + +Op dit oogenblik bevond de _Pelgrim_ zich op meer dan vijf mijlen +aan lij van de walvischsloep. + +Kapitein Hull heesch nu een vlag aan het einde van een bootshaak en +gaf daarmede het afgesproken signaal om dichter bij te komen. + +En bijna dadelijk kon hij zien dat Dick Sand, geholpen door Tom en +zijn kameraden, volbraste, en zoo dicht mogelijk aan den wind hield. + +Maar de bries was zwak en ongestadig. Zij kwam slechts bij vlagen van +korten duur. Zeer zeker zou de _Pelgrim_ eenige moeite hebben om de +sloep te bereiken, indien het al mogelijk was. + +Intusschen was de walvisch zooals men voorspeld had, aan de oppervlakte +teruggekomen om adem te halen, altijd nog met den harpoen in zijn +zijde. Hij bleef toen nagenoeg onbeweeglijk en scheen op zijn jong te +wachten, dat bij deze woeste jacht natuurlijk had moeten achterblijven. + +Kapitein Hull liet hard aan roeien, om hem te naderen en weldra was +hij er weder dichtbij. + +Twee riemen werden opgelicht en twee matrozen wapenden zich, zooals de +kapitein het reeds gedaan had, met lange lansen om het dier te treffen. + +Howik bestuurde nu de boot zeer behendig en hield zich gereed snel af +te houden, in het geval dat de walvisch haar plotseling zou aanvallen. + +"Opgepast!" riep kapitein Hull. "Laat geen worp verloren gaan! Mikt +goed, jongens! Ben je klaar, Howik?" + +"Klaar, mijnheer," antwoordde de bootsman, "maar een ding maakt me +ongerust en dat is dat het dier, na zoo snel gevlucht te zijn, op +dit oogenblik zoo stil is!" + +"Je hebt gelijk, Howik, dat komt me ook verdacht voor." + +"Laten we op onze hoede zijn!" + +"Ja, maar laten we vooruit gaan." + +Kapitein Hull wond zich steeds meer op. + +De boot kwam nog dichter bij. De walvisch wendde zich op de plaats +zelve rond. Zijn jong bevond zich niet meer bij hem en misschien +zocht hij het. + +Plotseling maakte hij een beweging met zijn staart, die hem een dertig +voet verder bracht. + +Zou hij opnieuw op de vlucht gaan en moest die eindelooze vervolging +hervat worden? + +"Opgepast!" riep kapitein Hull. "Het dier neemt zijn aanloop en zal +zich op ons werpen! Houd koers, Howik, houd koers!" + +De walvisch had zich werkelijk zoodanig gewend dat hij met den kop +naar de sloep gekeerd lag. Daarna de zee met zijn ontzaglijke vinnen +doende opbruisen, stortte hij zich vooruit. + +De bootsman die op den rechtstreekschen aanval voorbereid was, +manoeuvreerde op die wijze dat de walvisch langs de boot heengleed, +zonder haar evenwel te raken. + +Kapitein Hull en de twee matrozen brachten hem in het voorbijgaan drie +krachtige lanssteken toe en trachtten eenig levensorgaan te treffen. + +De walvisch hield plotseling op en terwijl hij twee stralen water, +met bloed gemengd, tot een groote hoogte in de lucht spoot, stortte +hij zich wederom als met een vervaarlijken sprong op de boot en was +werkelijk vreeselijk om aan te zien. + +Voorzeker moesten deze zeelieden koene visschers zijn om bij een +gelegenheid als deze bedaard te blijven. + +Nogmaals wist Howik behendig den aanval van het dier te ontwijken +door het roer aan boord te gooien. + +Door drie nieuwe, op het geschikte oogenblik toegebrachte stooten, +kreeg het dier drie nieuwe verwondingen. Maar in het voorbijgaan +sloeg hij het water zoo geweldig met zijn geduchten staart, dat een +ontzaglijke golf de sloep bijna deed omslaan en haar voor de helft +met water vulde. + +"De puts, de puts!" riep kapitein Hull. + +De twee matrozen lieten hunne riemen loopen en gingen snel aan het +uithoozen van de sloep, terwijl de kapitein de lijn doorsneed die nu +nutteloos geworden was. + +Neen! de walvisch woedend geworden door de pijn, dacht aan geen +vluchten meer. Op zijn beurt was hij nu de aanvaller en zijn +doodsstrijd dreigde vreeselijk te zijn. + +Voor den derden keer wierp hij zich om en storte zich opnieuw op +de boot. + +Maar deze, half vol water, kon niet meer met dezelfde gemakkelijkheid +bestuurd worden, en hoe zou zij onder deze omstandigheden den schok +vermijden die haar dreigde? Luisterde zij niet meer naar het roer, +nog veel minder kon zij op de vlucht gaan. + +En bovendien, hoeveel vaart de boot ook had geloopen, zou de vlugge +walvisch haar in weinige sprongen achterhaald hebben. Het kwam er nu +niet meer op aan aan te vallen, men moest zich nu verdedigen. + +Kapitein Hull begreep het terecht. + +De derde aanval van het dier kon niet geheel afgewend worden. In het +voorbijgaan raakte hij de sloep even met zijn ontzaglijke rugvin aan, +maar met zulk eene ontzettende kracht, dat Howik van zijn bank werd +geworpen. + +De drie lansen die door de schommeling ongelukkig afweken, misten +dezen keer haar doel. + +"Howik! Howik!" riep kapitein Hull, die zelf moeite had te blijven +staan. + +"Present!" antwoordde de bootsman, zich oprichtende. + +Maar op hetzelfde oogenblik merkte hij dat zijn lange of stuurriem +in zijn val doormidden was gebroken. + +"Een anderen riem!" zei kapitein Hull. + +"Al klaar," antwoordde Howik. + +Op dit oogenblik deed zich op slechts weinige vademen van de sloep +af een borreling onder het water hooren. + +Het walvischjong kwam weder te voorschijn. De walvisch zag het en +snelde naar hem toe. + +Deze omstandigheid zou aan de worsteling slechts een vreeselijker +karakter mededeelen. De walvisch zou nu den strijd hervatten voor twee. + +Kapitein Hull keek naar den kant van den _Pelgrim_. Zijn hand bewoog +driftig den staak met de vlag. + +Wat kon Dick Sand anders doen dan hetgeen hij bij het eerste signaal +van den kapitein reeds gedaan had? De zeilen van den _Pelgrim_ stonden +bij en de wind begon ze te zwellen. Ongelukkig bezat de schoener-brik +geen schroef welker werking men kon aanzetten om sneller te loopen. Een +der booten te strijken en den kapitein met behulp der negers bij te +staan, zou een groot tijdverlies geweest zijn en bovendien had ook +de leerling bevel ontvangen niet van boord te gaan, wat er ook mocht +gebeuren. Evenwel streek hij de boot die aan het hek hing en nam die +op sleper, opdat de kapitein, zoo het noodig was, er de vlucht in +kon nemen. + +Op dit oogenblik had de walvisch, het jong met zijn lichaam bedekkende, +den aanval hervat. Dezen keer scheen zijn plan te zijn rechtstreeks +op de sloep aan te vallen. + +"Opgepast, Howik!" riep een laatste maal kapitein Hull. + +Maar de bootsman was zoo goed als ongewapend. In plaats van een +hefboom, waarvan de lengte de kracht uitmaakte, hield hij slechts +een betrekkelijk korten riem in de hand. + +Hij trachtte af te houden. + +Het was onmogelijk. + +De matrozen begrepen dat zij verloren waren. Allen richten zich op en +dezen een vreeselijken kreet hooren, die misschien op den _Pelgrim_ +wel gehoord kon worden. + +Een vreeselijke slag met den staart van het monster had de +walvischsloep van onderen getroffen. + +De boot, met onweerstaanbaar geweld in de lucht geslingerd, viel in +drie stukken neder, te midden der golven, die door de sprongen van +den walvisch met woest geweld tegen elkander aanbotsten. + +De ongelukkige matrozen, hoewel ernstig gekwetst, zouden misschien +de kracht gehad hebben zich, hetzij al zwemmende, hetzij zich aan +een of ander drijvend voorwerp vastgrijpende, boven water te houden. + +Dit deed ook kapitein Hull, dien men een oogenblik den bootsman op +een drijvend stuk hout zag trekken.... + +Maar de walvisch, ten toppunt van woede, keerde zich om, maakte een +vervaarlijken sprong, misschien in de laatste oogenblikken van een +vreeselijken doodsstrijd, en sloeg met zijn geduchten staart het +woelige water waarin de ongelukkigen nog rondzwommen! + +Gedurende eenige minuten zag men slechts een vloeibare waterkolom +die zich in duizende kleine waterstralen naar alle kanten verspreidde. + +Toen een kwartier later Dick Sand zich met de negers in de boot +geworpen en het tooneel van het ongeluk bereikt had, waren alle levende +wezens verdwenen. Eenige overblijfselen van de walvischsloep was +alles wat er op de oppervlakte der bloedroode golven was overgebleven. + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +KAPITEIN SAND. + + +De eerste indruk door deze verschrikkelijke ramp op de passagiers +van den _Pelgrim_ teweeggebracht, was een mengsel van medelijden en +schrik. Zij dachten slechts aan den ontzettenden dood van kapitein +Hull en zijn vijf matrozen. Dit ijselijk tooneel had zich nagenoeg +onder hunne oogen afgespeeld zonder dat zij iets hadden kunnen doen +om hen te redden! Zij waren zelfs te laat gekomen om de bemanning der +walvischsloep, hunne ongelukkige verwonde, maar nog levende makkers +op te nemen, en den romp van den _Pelgrim_ te stellen tegenover de +geduchte slagen van den walvisch! Kapitein Hull en zijne matrozen +waren voor altijd verdwenen! + +Toen de schoenerbrik op de plaats van het onheil was aangekomen, +viel Mevr. Weldon op de knieën, met de handen ten hemel opgeheven. + +"Laat ons bidden!" zei de vrome vrouw. + +De kleine Jack knielde weenende bij zijne moeder. Het arme kind +had alles begrepen. Dick Sand, Nan, Tom en de andere negers stonden +overeind met gebogen hoofd. Allen herhaalden bij zich zelven het gebed +dat Mevr. Weldon tot God richtte, terwijl zij aan zijne oneindige +goedheid hen beval, die zooeven voor hem verschenen waren. + +Daarna, zich tot haar metgezellen richtende, zei Mevr. Weldon: + +"En nu, mijne vrienden, laat ons van God de kracht en den moed +afsmeeken om ons te helpen!" + +Ja! zij konden niet genoeg de hulp afbidden van Hem die alles vermag, +want hun toestand was hoogst ernstig! + +Het schip dat hen droeg, had geen kapitein meer om hen te commandeeren, +geen bemanning meer om het te besturen. Het bevond zich te midden van +de onmetelijke Stille-Zuidzee, op honderden mijlen van eenig land, +overgegeven aan wind en golven. + +Welk noodlot had toch dien walvisch op den weg van den _Pelgrim_ +geleid? Welk grooter noodlot nog had den ongelukkigen kapitein Hull, +gewoonlijk zoo verstandig, aangespoord om alles op het spel te zetten, +teneinde zijn lading aan te vullen? En welke ramp, vreeselijker +dan deze, kon er opgeteekend worden in de jaarboeken van de groote +visscherij, waarbij geen enkel matroos van de walvischsloep had kunnen +gered worden! + +Ja! het was een vreeselijk noodlot! + +Inderdaad was er geen enkele zeeman meer aan boord van den _Pelgrim_. + +Toch! een enkele! Dick Sand, maar het was slechts een leerling, +een jongeling van vijftien jaar! + +Kapitein, bootsman, matrozen, men kon zeggen dat de geheele bemanning +nu in hem alleen vereenigd was. + +En aan boord bevond zich een passagier, een moeder en haar zoon, +wier tegenwoordigheid den toestand nog moeielijker maakte. + +Verder waren er ook eenige negers, goede menschen, moedig en ijverig, +ongetwijfeld bereid om iedereen te gehoorzamen die in staat zou zijn +hen te commandeeren, doch ontbloot van de eenvoudigste begrippen van +het zeemansvak! + +Dick Sand stond daar onbeweeglijk, de armen over elkander geslagen en +den blik gewend naar de plaats waar kapitein Hull, zijn weldoener en +beschermer, voor wien hij een kinderlijke liefde gevoelde, verzwolgen +was. Daarna doorzochten zijn oogen den horizont om naar eenig vaartuig +uit te zien, dat hij hulp en bijstand verzocht zou hebben en waaraan +hij althans Mevr. Weldon had kunnen toevertrouwen. + +Hij zou daarom toch den _Pelgrim_ niet verlaten hebben, neen, voorzeker +niet, zonder alles gedaan te hebben om hen naar een veilige haven +te brengen. Maar Mevr. Weldon en haar kleine jongen waren dan in +veiligheid geweest en hij zou niet meer te vreezen gehad hebben voor +die twee wezens, aan wie hij zich met lichaam en ziel gewijd had. + +De oceaan was verlaten. Sedert de verdwijning van den walvisch had +geen enkel voorwerp de onmetelijke vlakte verstoord. Niets dan water en +lucht rondom den _Pelgrim_. De jeugdige leerling wist maar al te goed, +dat hij zich buiten den gewonen weg der koopvaardijschepen bevond en +dat de andere walvischvaarders nog ver weg ter visscherij verwijlden. + +Evenwel was het zaak den toestand onder de oogen te zien en de dingen +in het ware licht te beschouwen. Dit deed Dick Sand, maar vroeg +daarbij aan God, uit het binnenste zijns harten, hulp en bijstand. + +Welk besluit zou hij nemen? + +Op dit oogenblik verscheen Negoro op het dek, dat hij na de ramp +verlaten had. Niemand had kunnen zeggen wat zulk een raadselachtig +wezen bij dit onherstelbaar ongeluk gevoeld had. Had hij het onheil +mede aangezien zonder eenig teeken te geven en zonder een oogenblik van +zijn stomme rol af te wijken. Met de oogen had hij al de bijzonderheden +van het ongelukkig voorval verslonden. Maar indien men op zulk een +oogenblik op de gedachte gekomen was hem waar te nemen, zou men er +zich althans over verwonderd hebben dat geen enkele spier van zijn +hardvochtig gelaat zich vertrok. Zeker is het dat hij deed alsof hij +niets gehoord had toen Mevr. Weldon allen opriep om voor de gezonken +bemanning te bidden. + +Negoro begaf zich naar het achterdek, naar de plaats waar Dick Sand +onbeweeglijk in gedachten verzonken stond. Hij bleef op drie schreden +van den leerling af staan. + +"Moet je me spreken?" vroeg Dick Sand. + +"'k Moet kapitein Hull spreken," antwoordde Negoro koel, "of als dat +niet kan, den bootsman Howik." + +"Je weet wel dat beide zijn omgekomen!" riep de leerling uit. + +"Wie commandeert dan nu aan boord?" vroeg Negoro onbeschaamd. + +"Ik," antwoordde Dick Sand zonder de minste aarzeling. + +"Gij!" zeide Negoro, de schouders optrekkende. "Een kapitein van +vijftien jaar!" + +"Een kapitein van vijftien jaar!" antwoordde de leerling, op den +kok toeloopende. + +Deze ging achteruit. + +"Vergeet niet," zei toen Mevr. Weldon, "dat er hier slechts één +kapitein is.... kapitein Sand, en 't is goed dat iedereen wete dat +hij zich zal doen gehoorzamen!" + +Negoro boog, terwijl hij op spottenden toon eenige woorden mompelde +die men niet hooren kon en hij daarna naar zijn verblijf terugkeerde. + +Men ziet, Dick had een besluit genomen. + +Intusschen was de schoenerbrik, door de werking van de bries die begon +op te steken, de uitgestrekte bank schaaldieren reeds voorbijgestevend. + +Dick Sand nam den toestand van het tuig op. Daarna daalden zijn oogen +op het dek neder. Hij had daarbij het gevoel dat, zoo er voortaan +een geduchte verantwoordelijkheid op hem rustte, hij de kracht moest +hebben haar op zich te nemen. Hij dorst hen aanzien de overlevenden +van den _Pelgrim_, wier oogen nu op hem gericht waren. En terwijl +hij in hunne blikken las, dat hij op hen kon rekenen, zeide hij hun +in twee woorden dat zij zich op hunne beurt op hem konden verlaten. + +Dick Sand had in alle oprechtheid zijn geweten onderzocht. + +Mocht hij al in staat zijn om met behulp van de armen van Tom en zijn +kameraden naar omstandigheden voldoende te kunnen manoeuvreeren, toch +bezat hij natuurlijk nog al de kundigheden niet die noodig waren om +zijn bestek door berekening te bepalen. + +Ware Dick Sand vier of vijf jaar ouder geweest, zoo zou hij het +schoone, maar moeielijke zeemansvak in den grond gekend hebben! Hij zou +zich hebben weten te bedienen van den sextant, het instrument waarmede +kapitein Hull de sterrenhoogte nam! Hij zou op den chronometer den +middelbaren tijd van Greenwich afgelezen en met behulp daarvan en +den bekenden uurhoek, de lengte gevonden hebben. De zon zou elken +dag zijn raadgeefster geweest zijn! De maan en de planeten zouden +hem gezegd hebben: Daar op dat punt van den Oceaan bevindt zich +uw schip! Het uitspansel waar langs de sterren zich bewegen als de +wijzers van een volkomen juist uurwerk, dat uitspansel zou hem de uren +en de afstanden geleerd hebben! Door de sterrenkundige waarnemingen, +zou hij op een mijl na de plaats hebben leeren bepalen, zooals zijn +kapitein zulk elken dag deed, waar de _Pelgrim_ zich bevond, zoowel +als den afgelegden weg en den weg die nog afgelegd moest worden! + +En nu moest hij geheel op gegist bestek varen, dat wil zeggen: zich +alleen op de log en het kompas verlaten, waarvan hij de miswijzing +in rekening kon brengen. + +Evenwel verloor hij den moed niet. + +Mevr. Weldon had zeer goed begrepen, wat er in het moedige hart van +den leerling omging. + +"Heb dank, Dick," zeide zij tot hem met vaste stem. "Kapitein Hull +is niet meer! Zijn geheele equipage is met hem omgekomen. Het lot van +het schip is in uw handen! Dick, je zult het schip met allen die het +draagt, redden." + +"Ja, mevrouw," antwoordde Dick Sand, "ja, met Gods hulp zal ik het +beproeven." + +"Tom en zijn kameraden zijn brave menschen die je volkomen kunt +vertrouwen." + +"'k Weet het en 'k zal er zeelieden van maken. We zullen samen +manoeuvreeren en met goed weer zal het best gaan, maar met slecht +weer,--welnu, met slecht weer, zullen we alles doen wat we kunnen en +we zullen u redden, mevrouw Weldon, u en uw kleinen Jack, allen. Ja, +'k voel dat 'k het doen zal...." + +En hij voegde er bij: + +"Met Gods hulp!" + +"En nu, Dick, zou je juist kunnen zeggen, waar we ons op 't oogenblik +bevinden?" + +"Zeer gemakkelijk," antwoordde de leerling, "'k Heb niets anders te +doen dan de kaart te raadplegen, waarop kapitein Hull gisteren nog +het bestek heeft afgezet." + +"En zou je den goeden koers kunnen aangeven?" + +"Ja, 'k zou den steven naar het oosten kunnen wenden, nagenoeg naar +dat punt van de Amerikaansche kust waar we moeten aanlanden." + +"Maar, Dick," hernam Mevr. Weldon, "je begrijpt, niet waar, dat deze +ramp onze eerste plannen kan en zelfs moet wijzigen? Er is nu geen +sprake meer van den _Pelgrim_ naar Valparaiso te brengen. De dichtstbij +gelegen haven van de Amerikaansche kust is nu zijn bestemming." + +"Ongetwijfeld, mevrouw," antwoordde de leerling. "Maak u vooral maar +niet ongerust! We kunnen niet missen de Amerikaansche kust die zich +zoo ver zuidelijk uitstrekt te bereiken." + +"Waar is zij gelegen?" vroeg Mevr. Weldon. + +"Daar, in die richting," antwoordde Dick Sand, het oosten met den +vinger aanwijzende. + +"Welnu, Dick, 't komt er niet op aan of we Valparaiso of een ander +punt van de kust bereiken. Het voornaamste is dat we aan land komen." + +"En 't zal geschieden, mevrouw Weldon, 'k zal u op een veilige plaats +ontschepen," antwoordde de leerling met vaste stem. "Bovendien geef ik +de hoop niet op om, als we dichter bij land komen, eenige vaartuigen +te ontmoeten die den kusthandel drijven. Kom! mevrouw Weldon, de wind +loopt naar het noord-oosten! God geve dat hij daar blijve, dan zullen +we flink vooruitkomen, want we zullen alle zeilen bijzetten." + +Dick Sand had dit alles gezegd met het vertrouwen van den zeeman, die +weet dat hij een goed schip onder zich heeft, een schip waarvan hij +volkomen meester is. Hij ging aan het roer en riep zijn metgezellen +om de zeilen behoorlijk te stellen, toen Mevr. Weldon hem er aan +herinnerde dat hij vooral goed de plaats moest kennen waar de _Pelgrim_ +zich bevond. + +Dit was inderdaad iets dat geen uitstel gedoogde. Dick Sand begaf zich +naar de kajuit van den kapitein en haalde daar de kaart waarop het +bestek den vorigen dag juist was aangegeven. Hij kon dus Mevr. Weldon +toonen dat de schoener-brik zich op 43° 35' breedte en op 164° 13' +lengte bevond, want sedert vier-en-twintig uren was zij nagenoeg +stationnair gebleven. + +Mevr. Weldon had zich over deze kaart heengebogen. Zij zag de +bruine tint die de aarde, rechts van den uitgestrekten Oceaan moest +voorstellen. Het was het kustland van Zuid-Amerika, dat als een +onmetelijke slagboom, van Kaap Hoorn af tot aan de stranden van +Columbia toe, tusschen de Stille Zuidzee en den Atlantischen Oceaan +geworpen is. Bij de beschouwing van deze kaart, waarop een gansche +oceaan was afgebeeld, kwam onwillekeurig de gedachte bij haar op dat +het zeer gemakkelijk zoude zijn de passagiers van den _Pelgrim_ naar +hun vaderland terug te brengen. Dit is een zinsbedrog dat zich steeds +bij iedereen voordoet die niet bekend is met de schalen waarnaar de +zeekaarten vervaardigd worden Werkelijk scheen het Mevr. Weldon toe dat +het land in het gezicht moest zijn, zooals het op dit stuk papier was. + +En evenwel zou de _Pelgrim_ te midden van dit witte stuk papier, +op zijn juiste schaal afgebeeld, kleiner geweest zijn dan het +allerkleinste der infusiediertjes! Dit mathematische punt, zonder +waarneembare afmetingen, zou als verloren beschouwd zijn, zooals het +werkelijk het geval was, in de onmetelijkheid van de Stille Zuidzee! + +Dick Sand zelf had niet denzelfden indruk als Mevr. Weldon +ondervonden. Hij wist dat het land ver verwijderd was en dat honderden +mijlen niet voldoende waren om den afstand, die het van hen scheidde, +te meten. Maar zijn besluit was genomen: Hij was een man geworden +door de verantwoordelijkheid, die op zijn schouders rustte. + +Het oogenblik om te handelen was gekomen. Men moest van deze bries +uit het noord-oosten, die aanwakkerde, gebruik maken. De tegenwind had +eindelijk voor een gunstigen wind plaats gemaakt en eenige "cyrrhus" +wolken, hier en daar aan de kim opkomende, wezen aan dat hij althans +gedurende eenigen tijd zou aanhouden. + +Dick Sand riep Tom en zijn kameraden. + +"Mijne vrienden," zoo sprak hij hun toe, "ons schip heeft geen andere +equipage meer dan u. Zonder uwe hulp kan ik het niet besturen. Ge +zijt wel geen zeelieden, maar ge hebt goede armen: Stelt ze dan ten +dienste van den _Pelgrim_, dan zullen we hem kunnen besturen. Ons +aller heil is er mede gemoeid dat alles goed gaat aan boord." + +"Mijnheer Dick," antwoordde Tom, "ik en mijn kameraden, wij zijn uwe +matrozen. Aan goeden wil zal het ons niet ontbreken. Alles wat mannen +vermogen, door u aangevoerd, zal gedaan worden." + +"Goed gesproken, oude Tom," zei Mevr. Weldon. + +"Ja, goed gesproken," hernam Dick Sand, "maar we moeten voorzichtig +zijn en 'k zal niet alle zeilen laten bijzetten, om niets in de +waagschaal te stellen. Een beetje minder snelheid, maar meer veiligheid +in acht te nemen, wordt ons dringend door de omstandigheden geboden. 'k +Zal u aanwijzen, mijne vrienden, wat iedereen te doen staat. Wat +mij betreft, ik blijf aan 't roer, zoolang ik door vermoeidheid niet +genoodzaakt wordt het over te geven. Eenige uren slaap van tijd tot +tijd zijn voldoende om me weer in orde te brengen. Maar gedurende dien +tijd, moet een van u me vervangen. Tom, 'k zal je wijzen hoe men op het +kompas stuurt. 't Is niet moeielijk en met een weinig oplettendheid, +zult ge spoedig goed kunnen sturen." + +"Zoodra u maar wilt, mijnheer Dick," antwoordde de oude neger. + +"Komaan," antwoordde de leerling, "blijf bij mij, aan het roer tot +van avond en als ik door den slaap overmand mocht worden, zul je me +al spoedig eenige uren kunnen vervangen." + +"En ik," zei de kleine Jack, "kan ik onzen vriend Dick ook niet een +handje helpen?" + +"Ja, lief kind," antwoordde Mevr. Weldon, terwijl zij Jack in hare +armen drukte, "jij zult ook leeren sturen, en 'k geloof zeker dat, +zoolang jij aan 't roer zult staan, we goeden wind zullen hebben!" + +"Zeker! Zeker! moeder, 'k beloof het u!" antwoordde de kleine jongen +in de handen klappende. + +"Ja," zei de jeugdige leerling glimlachende, "het spreekwoord: +'de goede scheepsjongens weten een goeden wind te houden,' is bij +onze zeelieden zeer bekend!" + +Daarna wendde hij zich tot Tom en de andere negers: "Mijne vrienden," +zei hij, "we zullen volbrassen. Doe maar wat ik je zeggen zal." + +"Tot uw dienst," antwoordde Tom, "tot uw dienst, kapitein Sand." + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +DE VIER VOLGENDE DAGEN. + + +Dick Sand was dus nu de kapitein van den _Pelgrim_, en, zonder +een oogenblik te verliezen, nam hij de noodige maatregelen om zeil +te zetten. + +Het spreekt van zelf dat slechts één hoop de passagiers kon bezielen, +die namelijk, om de een of andere haven op de Amerikaansche kust +te bereiken, zooal niet Valparaiso. Wat Dick Sand dacht te doen, +was den koers en de vaart van den Pelgrim op te teekenen en er een +gemiddelde uit op te maken. Daartoe was het voldoende elken dag, +zooals wij reeds zeiden, door middel van de log en het kompas den +afgelegden weg op de kaart af te zetten. Er bevond zich juist een van +die "patentlogs", met wijzers en een schroef aan boord, die voor een +bepaalden tijd de juiste snelheid aangeven. Dit nuttig instrument, +zeer gemakkelijk in 't gebruik, kon de grootste diensten bewijzen, +en daarbij waren de negers volkomen in staat het te behandelen. + +Een enkele bron van dwaling zou er altijd blijven bestaan,--de +stroomen. Om haar te bestrijden, waren de log en het kompas +onvoldoende, alleen de astronomische waarnemingen zouden er een juiste +rekening van hebben kunnen geven. Maar de leerling was nog niet in +staat deze waarnemingen te doen. + +Dick Sand had er een oogenblik over gedacht om met den Pelgrim naar +Nieuw-Zeeland te stevenen. De overtocht zou niet zoo lang geweest +zijn en voorzeker zou hij het gedaan hebben, indien de wind, die tot +nog toe tegen geweest was, niet gunstig was geworden. + +Het was dus beter den steven naar Amerika te wenden. + +En werkelijk was de wind gedraaid en woei nu uit het noord-westen, +met neiging om aan te wakkeren. Men moest er dus gebruik van maken +en zooveel mogelijk spoed maken. + +Dick Sand maakte zich dus gereed om den _Pelgrim_ zijn koers te +doen vervolgen. + +Op een schoenerbrik draagt de fokkemast vier vierkante zeilen; de fok, +aan den ondermast; boven, het marszeil, aan de marssteng; verder aan +de bramsteng, een bramzeil en een bovenbramzeil. + +De groote mast is daarentegen minder van zeilen voorzien. Achter den +ondermast heeft hij slechts een brikzeil en daarboven een gaftopzeil. + +Tusschen deze twee masten, aan de stagen, die ze van voren steunen, kan +men nog een driedubbele verdieping van driehoekige zeilen aanbrengen. + +Eindelijk, op den voorsteven, aan den boegspriet en haar kluifhout +worden de drie stagzeilen bevestigd. + +De stagzeilen, het brikzeil, het topzeil, de tusschenstagzeilen zijn +gemakkelijk te behandelen. Zij kunnen van dek af geheschen worden, +zonder dat het noodig is in den mast te klimmen, omdat zij niet aan de +raas bevestigd worden met beslagseizings, die men eerst moet losmaken. + +Integendeel vordert het zetten der vierkante zeilen meerdere +oefening. Het is toch noodig, als men ze wil bijzetten, hetzij +in de mars van den fokkemast te klimmen, hetzij op de bramzaling, +hetzij in het bramwant van genoemden mast,--en dat zoowel om ze los +te maken of ze te bergen, als om hunne oppervlakte te verkleinen +door ze te reven. Daarvoor is men dan verplicht op de paarden te +loopen,--beweeglijke touwen onder de raas gespannen,--met ééne hand te +werken en zich met de andere vast te houden, een gevaarlijke manoeuvre +voor iedereen die het niet gewoon is. Het slingeren en stampen van het +schip, het slaan der zeilen bij een flinke bries, doen gemakkelijk +een man over boord slaan. Men kan zich voorstellen dat dergelijke +gymnastische toeren voor Tom en zijn kameraden zeer gevaarlijk waren. + +Zeer gelukkig was de wind gematigd en het slingeren en het stampen +niet hevig. + +Toen Dick Sand, op het signaal van kapitein Hull, zich naar het +tooneel van de ramp begeven had, lag de _Pelgrim_ alleen onder zijn +tusschenstagzeilen, brikzeil en marszeil. Om zoo spoedig mogelijk +voltebrassen, had Dick niets anders te doen dan het voortuig om +te halen, waarbij de negers hem gemakkelijk geholpen hadden. De +zeilen moesten dus nu kant worden gezet en om alles bij te zetten, +het bramzeil, het gaftopzeil en de stagzeilen worden geheschen. + +"Vrienden," zei de leerling tot de vijf negers, "als ge doet wat ik +commandeer, zal alles goed gaan." + +Dick Sand was aan het stuurrad gebleven. + +"Hola Tom," riep hij, "vier gauw dat touw af!" + +"Afvieren....?" zei Tom, die niets van deze uitdrukking begreep. + +"Ja.... maak het maar los!--En jij ook, Bat!.... Goed zoo!.... Haal +aan.... Kom, trekken!" + +"Zoo goed?" zei Bat. + +"Ja, goed zoo. Best!.... Kom, flink aangepakt!" + +Om tot Hercules te zeggen: "flink aangepakt!" was misschien +onvoorzichtig. De reus deed een ruk om alles 't onderste boven +te halen. + +"Niet zoo hard, mijn jongen!" riep Dick Sand glimlachend. "Je zult +'t geheele want naar beneden trekken!" + +"'k Heb nauwelijks getrokken," antwoordde Hercules. + +"Nu, doe maar alsof je trekt! Je zult zien dat dat genoeg is!.... Goed, +laat schieten.... vier.... Leg vast.... goed zoo!.... Goed! Haal de +brassen aan...." + +En het geheele Vaartuig welks bakboordsbrassen los lagen, ging langzaam +aan 't draaien. De wind, de zeilen nu doende zwellen, deelde aan het +schip een zekere snelheid mede. + +Dick Sand liet toen de voorschooten afvieren. Daarna riep hij de +negers op het achterdek. + +"Ziezoo, vrienden, dat heb jelui er eens goed afgebracht! Nu moeten +we ons met het groottuig bezig houden. Maar breek niets, Hercules." + +"Ik hoop het niet," antwoordde de kolos, zonder zich tot iets meer +te willen verbinden. + +Deze tweede manoeuvre was nog al gemakkelijk. Nadat de boomschoot +zachtjes gevierd was geworden, nam het brikzeil den wind beter op en +voegde het zijn machtige werking bij die van de voorzeilen. + +Nu werd het topzeil geheschen, en daar het eenvoudig gegeid was, +had men slechts het val door te halen. Maar Herkules trok zoo goed, +geholpen door zijn vriend Actéon, zonder nog den kleinen Jack mede +te rekenen, die zich bij hen gevoegd had, dat het touw glad afbrak. + +Alle drie vielen omver,--gelukkig zonder zich te bezeeren. Jack +was verrukt! + +"Dat's niets, dat's niets!" riep de leerling. "Knoop voorloopig de +twee einden aan elkaar en hijsch dan zachtjes aan." + +Dit werd onder de oogen van Dick Sand verricht, zonder dat hij het roer +nog had verlaten. De _Pelgrim_ liep reeds snel voor den wind, met den +steven naar het oosten gewend en er was op 't oogenblik niets anders +te doen dan hem in deze richting te houden. Niets gemakkelijker, daar +de wind handelbaar was en men voor gieren of afvallen niet behoefde +te vreezen. + +"Goed, vrienden!" zei de leerling. "Vóór het einde van den overtocht, +zult ge goede zeelieden zijn!" + +"We zullen ons best doen, kapitein Sand," antwoordde Tom. + +Ook Mevr. Weldon maakte haar compliment aan de goede menschen. + +Zelfs de kleine Jack kreeg zijn deel in de lofspraak, want hij had +aardig meegewerkt. + +"'k Geloof, jongeheer Jack," zei Hercules glimlachend, "dat u +eigenlijk het touw stuk hebt getrokken! Welke flinke sterke vuistjes +hebt u! Zonder u waren we er niet gekomen!" + +En de kleine Jack, zeer trotsch op zich zelven, schudde krachtig de +hand van zijn vriend Hercules. + +Evenwel ontbraken er aan de uitgespannen zeilen nog eenige die +vooral bij het zeilen vóór den wind niet te versmaden zijn. Vooral +de bovenzeilen, als het bramzeil, het bovenbramzeil, de stagzeilen +moesten allen het hunne toebrengen om den gang van de schoener-brik +te versnellen, en Dick Sand besloot daarom ze mede bij te zetten. + +Deze manoeuvre moest moeielijker zijn dan de andere, niet wat de +stagzeilen aangaat, die van het dek geheschen en aangehaald konden +worden, maar wat betreft de vierkante zeilen. Men moest naar de +bramzaling om ze los te maken, en Dick Sand, die niemand van zijn +geïmproviseerde bemanning in gevaar wilde brengen, deed het liever +zelf. + +Hij riep dus Tom en plaatste hem aan het stuurrad, terwijl hij hem +aantoonde hoe hij moest sturen. Toen vervolgens Hercules, Bat, Actéon, +Austin allen geplaatst waren, deze aan den bovenbramval, gene aan den +bramval, ging hij het want in. Het openteren langs de weeflijnen van +het onderwant, en langs het puttingwant en het stengwant de bramzaling +te bereiken, dat alles was slechts spel voor Dick. In één minuut, +was hij op het paard van de bramra en maakte de beslagseizings los +die het zeil bestigd hielden. + +Daarna ging hij naar den hommer en vierde op de bovenbramra snel +het bramzeil. + +Nadat Dick Sand zijn werk verricht had, greep hij een der pardoens +aan stuurboordszij en liet zich op het dek glijden. + +Op zijn aanwijzingen werden nu de twee schooten flink aangehaald en +bevestigd en daarna de twee raas opgeheschen. Nadat vervolgens de +stagzeilen tusschen den grooten mast en den fokkemast bijgezet waren, +was ook deze manoeuvre geëindigd. + +Dezen keer had Hercules niets gebroken. + +De _Pelgrim_ had nu al de zeilen bij, die zijn tuig uitmaakten. Wel +had Dick Sand er nog de lijzeilen aan bakboordszijde kunnen bijvoegen, +maar dit was een moeilijke manoeuvre in de omstandigheden waarin zij +verkeerden, en indien men ze in geval van een windvlaag had moeten +bergen, zou men het niet haastig genoeg hebben kunnen doen. De leerling +bepaalde er zich dus bij. + +Tom werd toen van zijn post aan het roer afgelost, dat Dick Sand +weder ter hand nam. + +De bries wakkerde aan. De _Pelgrim_, die aan stuurboordszij een +weinig overhelde, gleed snel over de oppervlakte der zee en liet +slechts een vlak kielwater achter, dat voor de zuiverheid van zijn +waterlinie getuigde. + +"Nu zijn wij op den goeden weg, mevrouw Weldon," zei Dick Sand, +"en nu geve God dat we dien gunstigen wind behouden!" + +Mevrouw Weldon drukte de hand van den leerling. Daarna ging zij, +vermoeid van al de aandoeningen die zij in het laatste uur beleefd had, +naar haar kajuit terug en verzonk in een soort van diepe sluimering +die toch geen slaap was. + +De nieuwe bemanning bleef op den bak van de schoenerbrik, gereed +om de bevelen van Dick Sand uit te voeren, namelijk om de zeilen te +wijzigen naar de veranderingen van den wind; maar, zoolang de bries +dezelfde kracht en richting bleef behouden, zou er niets te doen zijn. + +Maar, waar zat toch al dien tijd neef Benedictus? + +Neef Benedictus hield zich met de loupe in de hand bezig met de studie +van een geleed insect dat hij eindelijk aan boord ontdekt had, een +eenvoudig insect tot de orthoptera behoorende (rechtvleugeligen), +welks kop onder den prothorax verborgen is, een insect met platte +bovenvleugels, een ronden buik en vrij lange vleugels, dat tot de +familie der kakkerlakken en tot de soort der Amerikaansche kakkerlakken +behoorde. + +Hij had deze ontdekking gedaan, juist toen hij in de kombuis van +Negoro aan 't snuffelen was, en op het oogenblik dat de kok op punt +stond het insect onmeedoogend plat te trappen. Vandaar boos worden +van neef Benedictus, waarbij Negoro trouwens zeer onverschillig bleef. + +Maar.... wist neef Benedictus welke verandering aan boord had plaats +gehad van het oogenblik af dat kapitein Hull en zijn metgezellen op die +noodlottige vangst van den walvisch waren uitgegaan? Ongetwijfeld. Hij +was zelfs aan het dek, toen de _Pelgrim_ in het gezicht kwam van de +overblijfselen der walvischsloep. De equipage van de schoenerbrik +was dus onder zijn oogen omgekomen. + +Nu zouden wij hem van groote ongevoeligheid beschuldigen, als wij +zeiden dat deze ramp hem niet had getroffen. Ongetwijfeld was ook zijn +hart bewogen geworden door diep medelijden met zijn evenmensch. En +evenzeer was hij ontroerd over den toestand waarin zijne nicht nu +verkeerde. Hij had de hand van Mevr. Weldon gedrukt, als om haar te +zeggen: "Vrees niets! Ik blijf bij u!" + +Daarna was neef Benedictus naar zijn hut teruggekeerd, zeker wel +om na te denken over de gevolgen van dit zoo droevig ongeluk en de +krachtige maatregelen die genomen moesten worden. + +Maar onderweg had hij den kakkerlak ontmoet, en daar hij tegen het +oordeel van eenige entomologen in, beweerde dat de kakkerlakken van +zekere soort, merkwaardig door hunne kleur, gewoonten hebben, zeer +verschillende van de eigenlijke kakkerlakken, had hij zich dadelijk +aan het werk gezet, vergetende dat er ooit een kapitein Hull geweest +was, die het bevel over den _Pelgrim_ voerde en dat die ongelukkig +met zijn bemanning was omgekomen! + +Hij was geheel in de studie van den kakkerlak verdiept en bewonderde +hem niets minder, ja gaf er zich even veel moeite mede alsof dit +afschuwelijk insect een gouden tor geweest ware. + +Het leven aan boord had dus zijn gewonen loop hernomen, alhoewel +ieder natuurlijk nog geruimen tijd onder den indruk bleef eener zoo +grievende en onverwachte ramp. + +Gedurende dien geheelen dag was Dick Sand overal, om te zien of +alles op zijn plaats was en te zorgen dat hij gewapend was tegen +alles wat er gebeuren kon. De negers gehoorzaamden hem goed willig +en de volmaaktste orde heerschte aan boord van den _Pelgrim_. Men +mocht dus hopen dat alles nu zonder hinder zou gaan. + +Van zijn kant deed Negoro geen nieuwe pogingen om zich aan het gezag +van Dick Sand te ontrekken. Hij scheen het stilzwijgend erkend te +hebben. Zooals altijd in zijn bekrompen kombuis bezig, zag men hem niet +meer dan vroeger. Trouwens Dick Sand had zich stellig voorgenomen hem +bij de minste overtreding, bij het eerste teeken van verzet voor de +rest van den overtocht in de boeien te zetten. Op een teeken van hem +zou Hercules den kok bij den nek gepakt hebben. Dat had zeker niet +de minste moeite gekost. In dat geval ware Nan, die goed koken kon, +in de plaats van den kok opgetreden. Negoro moest zich dus bekennen +dat hij niet onmisbaar was, en, daar men van nabij op hem lette, +scheen hij geen vat op zich te willen geven. + +De wind, die tot den avond toe aanwakkerde, maakte geen verandering +in de zeilen van den _Pelgrim_ noodig. Zijn stevige masten, zijn +ijzeren tuig, dat in goeden staat verkeerde, hadden hem veroorloofd +onder dezen gang zelfs een sterkere bries te verdragen. + +Het is dikwijls 's nachts de gewoonte zeil te minderen en +inzonderheid de bovenzeilen, bovenbramzeilen, boven stagzeilen, +enz. Dat is voorzichtig, in het geval dat een rukwind onverwacht in de +zeilen viel. Maar Dick Sand meende zich van deze voorzorg te kunnen +onthouden. De toestand der atmosfeer deed niets noodlottigs voorzien +en daarenboven had Dick Sand besloten dezen eersten nacht op het dek +door te brengen en het oog over alles te houden. Bovendien had het +schip een snelleren gang en zoo spoedig mogelijk wenschte hij zich +in minder eenzame streken te bevinden. + +Wij hebben reeds gezegd dat de log en het kompas de eenige +instrumenten waren, die Dick Sand te zijner beschikking had, om +althans tennaastenbij den door den _Pelgrim_ afgelegden weg te ramen. + +Gedurende dezen dag liet de leerling om het half uur loggen en teekende +de aanwijzingen op, die het instrument hem verschafte. + +Wat den magneet aangaat, die ook den naam van kompas draagt, er +bevonden zich twee aan boord. De een was geplaatst in het kompashuisje, +onder de oogen van den man aan het roer. Zijn wijzer, op den dag door +het daglicht verlicht en des nachts door twee ter zijde geplaatste +lampen, wees ieder oogenblik aan welke richting het schip volgde. + +Het andere kompas was een omgekeerde magneetnaald, bevestigd aan een +dekbalk in de kajuit die vroeger door kapitein Hull bewoond werd. Op +deze wijze kon hij, zonder het vertrek te verlaten, altijd weten of +de goede koers gestuurd werd en of de man aan het roer, hetzij door +onkunde of achteloosheid niet te veel gierde. + +Trouwens is er geen schip, dat lange zeereizen moet maken, of het +heeft minstens twee kompassen aan boord, zooals het twee chronometers +heeft. Men moet deze instrumenten met elkander kunnen vergelijken en +bijgevolg hun opgaven controleeren. + +De _Pelgrim_ was dus in dit opzicht voldoende voorzien, en Dick Sand +drukte zijn onderhoorigen op het hart de grootste zorg voor deze twee +kompassen, die hij zoo noodig had, in acht te nemen. + +Maar ongelukkig had er in den nacht van den 12en op den 13en Februari, +terwijl Dick de wacht had en aan het roer stond, een bedroevend ongeval +plaats. Het kompas, dat in een koperen ring hing, die aan een dekbalk +der kajuit bevestigd was, raakte los en viel op den vloer. Men ontdekte +het pas den volgenden morgen. + +Hoe kwam deze koperen ring te breken? Het was vrij duister. Het was +evenwel mogelijk dat hij geoxydeerd was en door het slingeren en +stampen van het schip van den balk was losgeraakt. Juist toch was +de zee in den gepasseerden nacht onstuimiger geweest. Hoe het zij, +het kompas was gebroken en kon niet gerepareerd worden. + +Dick Sand was zeer teleurgesteld. Er schoot hem nu voortaan niets +meer over dan het nachthuiskompas te raadplegen. Het breken van dit +tweede kompas kon blijkbaar aan niemand geweten worden, maar het kon +treurige gevolgen hebben. Dick nam dus alle mogelijke maatregelen om +het tweede kompas voor ongelukken te bewaren. + +Tot nog toe ging, behalve dat, alles goed aan boord van den _Pelgrim_. + +Toen Mevr. Weldon zag hoe kalm en bedaard Dick Sand was, had ook +zij haar vertrouwen teruggekregen. Wel had zij zich nooit aan wanhoop +overgegeven en rekende zij boven alles op Gods goedheid. Ook versterkte +zij zich, als oprechte en vrome katholieke, door het gebed. + +Dick Sand had het zoo weten te schikken, dat hij gedurende den +nacht aan het roer bleef. Hij sliep vijf of zes uur per dag en dat +scheen hem voldoende te zijn, daar hij zich niet al te vermoeid +gevoelde. Gedurende dien tijd werd hij door Tom of diens zoon Bat +aan het roer vervangen, die, dank zijn raadgevingen, langzamerhand +tamelijke roergangers werden. + +Dikwijls hadden Mevr. Weldon en de leerling een gesprek met +elkander. Dick Sand raadpleegde gaarne die schrandere en moedige +vrouw. Iederen dag toonde hij haar het bestek op de kaart, dat hij bij +schatting afzette, daarbij alleen rekening houdende met den gezeilden +koers en den afstand. + +"Ziet u, mevrouw Weldon," herhaalde hij haar dikwijls, "met die vaste +winden moeten wij de kust van Zuid-Amerika wel bereiken. 'k Zou het +niet durven verzekeren, maar 'k geloof wel dat, wanneer ons vaartuig in +'t gezicht van land zal komen, het niet ver van Valparaiso zal zijn!" + +Mevr. Weldon kon niet twijfelen of de koers was goed, vooral begunstigd +door die noord-westenwinden. Maar wat kwam de _Pelgrim_ haar nog ver +van het Amerikaansche strand voor! Welke gevaren lagen er nog tusschen +hen en het vasteland, al waren het alleen die, welke konden voortkomen +uit eene verandering in den toestand van de zee en den hemel! + +Jack had met de zorgeloosheid aan zijn leeftijd eigen, weldra zijn +gewone spelen hervat. Hij liep weder op het dek, speelde met Dingo, +en vond ongetwijfeld dat zijn vriend Dick zich minder dan vroeger met +hem bemoeide, maar zijn moeder had hem aan het verstand gebracht, dat +hij den leerling niet van zijn bezigheden moest aftrekken. Jack had +genoegen met deze redenen genomen en stoorde "kapitein Sand" niet meer. + +Zoo ging het met de zaken aan boord. De zwarten verrichtten met +schranderheid hun werk en werden elken dag meer bedreven in de praktijk +van het zeemansvak. Tom werd natuurlijk bootsman en ook zijn kameraden +zouden hem ongetwijfeld voor deze betrekking uitgekozen hebben. Hij +commandeerde de wacht, terwijl Dick sliep en met hem waren dan steeds +zijn zoon Bat en Austin. Actéon en Hercules maakten de andere wacht +uit onder commando van Dick Sand. Terwijl dus de een stuurde, waakten +de anderen op het voorschip. + +Hoewel deze streken eenzaam waren en een aanzeiling geenszins +te vreezen was, nam de leerling gedurende den nacht de uiterste +waakzaamheid in acht. Hij voer nooit zonder zijn lichten op +te hebben,--een groen licht aan stuurboordszij, een rood aan +bakboordszij,--en hierin handelde hij wijs. + +In die nachten evenwel, die Dick Sand geheel aan het roer doorbracht, +maakte zich somtijds een onweerstaanbare neerslachtigheid van hem +meester. Zijn hand stuurde dan zuiver instinctmatig. Het was het +gevolg eener afgematheid, waarvan hij niets wilde weten. + +Nu gebeurde het in den nacht van den 13n op den 14n Februari dat +Dick Sand, die zeer vermoeid was, eenige uren rust moest gaan nemen +en door den ouden Tom aan het roer vervangen werd. + +De hemel was met dikke wolken bezet, die tegen den avond onder den +invloed van de koude lucht gedaald waren. Het was dus zeer duister +en het was onmogelijk de bovenzeilen te onderscheiden. Hercules en +Actéon hadden de wacht op den bak. + +Op het achterschip werd het zwakke schijnsel van het licht van het +kompashuisje zacht weerkaatst door het metalen bekleedsel van het +stuurrad. De boordseinlantarens, die hun lichten zijdelings deden +uitstralen, lieten het dek van het schip in diepe duisternis gehuld. + +Tegen drie uur 's morgens deed zich bij Tom een soort van +helderziendheid voor, waarvan hij zich zelven niet bewust was. Zijn +oogen, die al te lang op een lichtend punt van het kompashuisje +gestaard hadden, verloren plotseling het gezichtsvermogen en hij +verviel in een soort van werkelijke anaesthetische slaperigheid. + +Niet alleen zag hij niet meer, maar al had men hem aangeraakt of hard +geknepen, zou hij waarschijnlijk niets gevoeld hebben. + +Hij zag dus de schaduw niet die over het dek gleed. + +Het was Negoro. + +Achteruit gekomen, plaatste de kok onder het kompashuisje een tamelijk +zwaar voorwerp, dat hij in de hand hield. + +Na toen een oogenblik den verlichten wijzer van het kompas waargenomen +te hebben, trok hij zich terug zonder dat hij gezien was. + +Indien Dick Sand den volgenden morgen het voorwerp had opgemerkt, +dat Negoro onder het kompashuisje geplaatst had, zou hij zich gehaast +hebben het weg te nemen. + +En niet zonder reden, want het was een stuk ijzer, waarvan de invloed +de aanwijzingen van het kompas veranderd had. De magneetnaald was +afgeweken en in plaats van het magnetische noorden aan te wijzen, +dat een weinig van het geographische noorden verschilt, wees zij +het noord-oosten aan. Het was een afwijking van vier streken, anders +gezegd van een halven rechten hoek. + +Tom was bijna dadelijk uit zijn diepe sluimering ontwaakt. Zijn oogen +wendden zich terstond naar het kompas... en hij geloofde, hij moest +wel gelooven dat de _Pelgrim_ de goede richting niet had. + +Hij draaide dus het roer, teneinde den steven weder naar het oosten +te richten.... Hij dacht het althans. + +Maar, bij de afwijking van de naald, die hij niet kon vermoeden, +wendde hij den schoener naar het zuidoosten. + +Terwijl men dus niet anders dacht dan dat de _Pelgrim_ bij gunstigen +wind de goede richting had, vervolgde hij met een verschil van +vijf-en-veertig graden zijn weg! + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +STORM. + + +In de week die op dit voorval volgde, van den 14n tot den 21n Februari, +had er niets bijzonders aan boord plaats. De noordoostelijke wind +wakkerde allengs aan en de _Pelgrim_ liep snel, een afstand afleggende +van gemiddeld honderd zestig mijlen in de vier-en-twintig uren. Dit was +nagenoeg alles wat men van een vaartuig van deze afmeting kon vergen. + +De schoenerbrik moest dus, naar de berekening van Dick, de streken +naderen waar de mailbooten van het eene halfrond naar het andere +oversteken. De leerling hoopte altijd een van die vaartuigen +te ontmoeten, en hij had het stellige voornemen, hetzij er zijn +passagiers op over te brengen, hetzij eenige matrozen en misschien +wel een officier te leenen. Maar hoewel er zeer nauwkeurig werd +uitgekeken, kon er geen enkel schip gesignaleerd worden en bleef de +zee altijd eenzaam. + +Dit begon Dick Sand wel een weinig vreemd te vinden. Hij had meermalen +dit gedeelte der Stille Zuidzee op zijn drie reizen naar de zuidelijke +zeeën, om te visschen, doorkruist en bij de breedte en de lengte +waarop hij zich meende te bevinden, was het zeldzaam dat er zich +geen enkel Engelsch of Amerikaansch schip vertoonde, dat van Kaap +Hoorn naar den evenaar kwam opwerken of naar de uiterste punt van +Zuid-Amerika afzakte. + +Maar Dick Sand wist niet, en hij kon het ook niet weten, dat de +_Pelgrim_ reeds op een hoogere breedte was, dat is te zeggen meer +zuidelijk dan hij vermoedde. + +Dit lag aan twee redenen. + +De eerste was dat de stroomen dezer streken, welker snelheid de +leerling slechts onvolkomen kon gissen, er aan hadden toegebracht, +om het schip van zijn weg af te brengen zonder dat het hem mogelijk +was er zich rekenschap van te geven. + +De tweede reden was dat het kompas, geschonden door de schuldige +hand van Negoro, slechts onnauwkeurige uitkomsten gaf,--uitkomsten +die Dick Sand, sedert het verlies van het tweede kompas, niet +kon controleeren. Zoodat hij, meenende en moetende meenen dat de +steven naar het oosten gekeerd was, werkelijk naar het zuid-oosten +stevende! Het kompas werd steeds trouw door hem waargenomen. Er werd +geregeld gelogd. Met zijn twee instrumenten kon hij in zekere mate +den _Pelgrim_ besturen en het aantal afgelegde mijlen bij benadering +bepalen. Maar was dit voldoende? + +Evenwel deed Dick Sand steeds zijn best om Mevr. Weldon, die zich over +de voorvallen dezer reis dikwijls ongerust maakte, moed in te spreken. + +"We zullen er wel komen!" herhaalde hij telkens. "We zullen de +Amerikaansche kust bereiken, hier of daar, onverschillig waar, maar +ergens aanlanden zullen we!" + +"'k Twijfel er niet aan, Dick." + +"Natuurlijk, mevrouw, zouden we geruster zijn, als u niet aan boord +waart en we slechts voor ons zelven hadden te zorgen, maar...." + +"Maar als ik niet aan boord was," antwoordde Mevr. Weldon, "als neef +Benedictus, Jack, Nan en ik geen plaats op den _Pelgrim_ genomen +hadden, en als van den anderen kant, Tom en zijn kameraden niet +in zee waren opgenomen, Dick, zou er niemand overgebleven zijn dan +gij en Negoro!.... Wat zou er van je geworden zijn, alleen met dien +raadselachtigen man, dien je niet vertrouwen kunt?" + +"'k Zou begonnen zijn," antwoordde Dick flink weg, "met Negoro te +beletten mij te benadeelen." + +"En je zoudt alleen het schip bestuurd hebben?" + +"Ja....alleen.... met God's hulp!" + +De moed en de geestkracht die uit deze woorden spraken, waren zeer +geschikt om Mevr. Weldon op te beuren. En toch, als zij haar kleinen +Jack aanzag, maakte zij zich dikwijls ongerust! Als de moeder niets +wilde laten blijken van 't geen de moeder gevoelde, dan kon zij +niet altijd beletten dat een heimelijke angst zich van haar hart +meester maakte. + +Mocht intusschen de jeugdige leerling niet ver genoeg in zijn +hydrographische studiën gevorderd zijn om zijn bestek op te maken, +zoo bezat hij een werkelijk zeemans instinct, als er sprake van was +om naar het weer te raden. Het voorkomen van de lucht van de eene +zijde, van de andere de aanwijzingen van den barometer, deden hem +voorzorgen nemen. Kapitein Hull, die een goed meteoroloog was, had +hem geleerd dit instrument te raadplegen, dat merkwaardig zeker het +weer kan voorspellen. + +Ziehier met weinige woorden wat de aanteekeningen betrekkelijk de +waarneming van den barometer bevatten. [18] + +1º. Wanneer de barometer, nadat het tamelijk lang mooi weer geweest +is, plotseling en aanhoudend begint te dalen, komt er ongetwijfeld +regen; maar, als het lang mooi weer geweest is, kan de kwik twee +of drie dagen lang in de barometer-buis zakken, voordat men eenige +verandering in den toestand der atmosfeer opmerkt. Hoe meer tijd er +dan verloopt tusschen de daling van de kwik en het komen van regen, +des te langer zal de regentijd duren. + +2º. Indien integendeel de barometer bij regenachtig weder, dat reeds +lang geduurd heeft, langzaam en geregeld begint te rijzen, zal het +zeker mooi weer worden, hetgeen des te langer zal duren hoe langer +tusschenpoos verloopen is tusschen het mooie weer en het begin van +het rijzen des barometers. + +3º. Indien in de twee gevallen die voorafgaan, de verandering van +weer onmiddellijk volgt op de beweging van de kwikkolom, zal deze +verandering slechts kort duren. + +4º. Wanneer de barometer gedurende twee of drie of zelfs meer dagen +langzaam en aanhoudend rijst, verkondigt hij mooi weer, al houdt +de regen gedurende deze drie dagen niet op, en _vice versa_; maar, +indien de barometer gedurende twee of meer dagen, terwijl het regent, +rijst en hij vervolgens, terwijl het mooi weer geworden is, wederom +begint te zakken, zal het mooie weer zeer kort duren, en _vice versa_. + +5º. In de lente en den herfst, voorspelt een plotselinge daling van +den barometer wind. In den zomer, kondigt hij, als het zeer warm +weer is, dan een onweer aan. In den winter, na eenigen tijd vorst +gehad te hebben, voorspelt een snelle daling van de kwikkolom een +verandering van wind, gepaard met dooiweder en regen; maar het rijzen +van den barometer, terwijl het reeds eenigen tijd gevroren heeft, +voorspelt sneeuw. + +6º. De snelle schommelingen van den barometer moeten nooit +opgenomen worden als droog of regenachtig weer van eenigen duur te +voorspellen. Deze aanwijzingen worden uitsluitend gegeven door het +rijzen of het dalen, dat langzaam en aanhoudend plaats heeft. + +7º. Wanneer tegen het einde van den herfst, na aanhoudend regenachtig +en winderig weer, de barometer rijst, dan kondigt dit rijzen den +overgang aan van den wind naar het noorden en de nadering van den +vorst. + +Dit zijn algemeene regelen, die men moet afleiden uit de aanwijzingen +van dit kostbaar instrument. + +Dit was het wat ook aan Dick Sand zeer goed bekend was, 't geen hij +in verschillende omstandigheden van zijn zeemansleven bevestigd had +gezien en hem leerde op alle gebeurlijkheden voorbereid te zijn. + +Nu begonnen, juist tegen den 20sten Februari, de schommelingen van de +kwikkolom den jeugdigen leerling, die ze verscheidene malen per dag +met groote zorg opteekende, eenigszins te verontrusten. Werkelijk +begon de barometer langzaam en aanhoudend te zakken, 'tgeen regen +voorspelde; maar daar deze regen nog niet spoedig kwam, besloot Dick +Sand daaruit dat het slechte weder zou aanhouden. Dit was dan ook +werkelijk het geval. + +Maar de regen was hier de wind, en inderdaad wakkerde de bries zoo zeer +aan, dat de lucht zich met een snelheid van zestig voet per seconde, +of een en dertig mijlen per uur [19] verplaatste. + +Dick Sand moest toen eenige voorzorgen nemen, om de masten en de +zeilen van den _Pelgrim_ niet in gevaar te brengen. Hij had reeds +het bovenbramzeil, het gaftopzeil en den buitenkluiver laten bergen +en besloot dit ook met het bramzeil te doen en daarna twee reven in +het marszeil te laten steken. + +Dit laatste moest zekere moeielijkheid in zich hebben met een bemanning +die nog zoo weinig geoefend was. Evenwel viel er niet te talmen en +niemand talmde ook. + +Dick Sand, vergezeld van Bat en Austin, ging naar boven en nam, +ofschoon niet zonder moeite, het bramzeil in. Met minder dreigend weer, +zou hij de twee raas niet hebben afgenomen, maar, daar hij voorzag +dat hij waarschijnlijk verplicht zou zijn de bramsteng te schieten +en die zelfs geheel aan dek te nemen, nam hij de beide raas af. Men +begrijpt toch dat, als de wind te sterk wordt, men niet alleen de +zeilen, maar ook het boventuig moet neernemen. Dit is een groote +verlichting voor het schip, dat, hoog getuigd, van het slingeren en +stampen niet meer zoo veel te lijden heeft. + +Nadat deze eerste arbeid volbracht was,--en er gingen twee uren mede +om,--hielden Dick Sand en de zwarten zich bezig met het marszeil te +verkleinen door twee reven in te steken. + +De _Pelgrim_ voer niet, als de meeste nieuwere vaartuigen, een +dubbel marszeil, hetgeen de manoeuvre gemakkelijk maakt. Men moest +dus doen als vroeger, namelijk de ra op den rand laten loopen, een +zeil door den wind geslagen naar zich toe halen en de rifseizings +stevig vastknoopen. Dat alles was moeielijk, gevaarlijk en duurde +lang, maar eindelijk gaf het gereefde marszeil minder vat aan den +wind en daardoor werd de schoenerbrik aanmerkelijk verlicht. + +Dick Sand kwam met Bat en Austin weder beneden. De _Pelgrim_ bevond +zich toen in den toestand van zeewaardigheid, gevorderd door dien +staat van den dampkring, waaraan men de benaming van "stijve koelte" +heeft toegekend. + +Gedurende de drie volgende dagen, 20, 21 en 22 Februari, was de wind +noch in kracht, noch in richting belangrijk gewijzigd. Intusschen +ging het kwik voort in de barometerbuis te zakken en den laatsten +dag merkte Dick op, dat het voortdurend onder acht en twintig duim +zeven tiende [20] stond. + +Er was overigens volstrekt geen schijn van dat de barometer voor +eenigen tijd zou gaan rijzen. De lucht zag er slecht en buitengewoon +winderig uit. Buitendien werd zij aanhoudend door dikke dampen +bedekt. Deze laag van nevels was zelfs zoo dik, dat men de zon niet +meer kon zien en dat het moeilijk zou geweest zijn de plaats waar +zij op- en onderging aan te wijzen. + +Dick Sand begon zich ongerust te maken. Hij verliet het dek niet +meer. Hij sliep nauwelijks. Evenwel had hij geestkracht genoeg om +zijn angst in het diepst van zijn hart te verbergen. + +Den volgenden dag, 23 Februari, scheen de wind in den loop van den +morgen een weinig af te nemen, maar Dick Sand vertrouwde het niet, +en hij had gelijk, want in den namiddag stak de wind weer op en ging +de zee hol staan. + +Tegen vier uur verliet Negoro, dien men weinig zag, het verblijf der +matrozen en begaf zich naar den voorsteven. Dingo sliep zeker ergens +in een hoek, want hij blafte niet, zooals gewoonlijk. + +Negoro bleef, altijd zwijgend, een half uur lang den horizon waarnemen. + +Lange golven volgden elkander op, zonder nog in botsing met elkander +te komen. Evenwel waren zij hooger dan met de kracht van den wind +overeenkwam. Men moest er uit besluiten dat er slecht weer in het +westen was, niet ver af meer misschien, en dat het weldra deze streken +zou bereiken. + +Negoro liet, in gedachten verzonken, zijn blikken weiden over +de onmetelijke zee, die rondom den _Pelgrim_ in volslagen oproer +verkeerde. Daarna richtten zich zijn koude en strakke oogen naar +de lucht. + +De lucht zag er verontrustend genoeg uit. De dampen verplaatsten zich +met zeer verschillende snelheden. De wolken in de bovenlucht bewogen +zich sneller dan die der benedenlagen van den dampkring. Men mocht dus +vooruitzien dat weldra deze zware massa's naar beneden zouden dalen en +wat nu nog slechts een stijve koelte was, namelijk een verplaatsing +van lucht tegen drie-en-veertig mijlen per uur, zou overgaan in een +storm en misschien in een orkaan. + +Hetzij Negoro geen man was om angst te gevoelen, hetzij hij niets +begreep van het dreigende weer, hij scheen volstrekt niet ontroerd. Wel +speelde er een valsche glimlach op zijn lippen. Eigenlijk was het +of deze toestand van het weer hem eer genoegen gaf dan dat hij er +zich onaangenaam gestemd over gevoelde. Een oogenblik klom hij op den +boegspriet en kroop tot aan de woeling, om zijn blikken nog verder te +laten weiden, alsof hij eenig teeken aan den horizont zocht. Daarna +klom hij weder naar beneden en begaf zich, zonder een enkel woord +gezegd of zelfs maar een gebaar gemaakt te hebben, weder naar het +matrozenverblijf. + +Evenwel was er onder al deze verschrikkelijke omstandigheden één +gelukkige zaak, die ieder aan boord wel op prijs mocht stellen, +namelijk dat de wind, hoe stevig hij werd of zou worden, gunstig was en +dus de _Pelgrim_ snelle vorderingen naar de Amerikaansche kust scheen +te maken. En zelfs kon, als het weer maar niet tot storm oversloeg, +deze overtocht zonder gevaar volbracht worden en zouden de werkelijke +gevaren eerst dan beginnen, als het oogenblik gekomen was dat zij op +eenig onbekend punt der kust land zouden bezeilen. + +Dit was iets dat nu reeds dikwijls een onderwerp van Dick Sand's +overdenkingen uitmaakte. Hoe zou hij, als het land eenmaal in 't +gezicht was, manoeuvreeren, indien hij geen loods of geen zeeman +ontmoette, die met het vaarwater bekend was? Wat zou hij doen, +ingeval het slechte weder hem verplichtte een noodhaven te zoeken, +daar deze kust hem ten eenemale onbekend was? Wel is waar had hij +zich vooralsnog over deze zaak niet ongerust te maken, alhoewel er, +als het uur eenmaal gekomen was, een besluit moest genomen worden. + +Gedurende de 13 dagen die verliepen, van den 24n Februari tot den 9n +Maart, veranderde de toestand van den dampkring niet belangrijk. De +hemel was altijd met zwaren nevel bezwangerd. Gedurende eenige uren +nam de wind af, om dan weder met dezelfde woede los te barsten. Twee +of driemaal ging de barometer aan het rijzen, maar zijn schommeling, +een twaalftal strepen uitmakende, was te plotseling om een verandering +van weer en een terugkeer tot zachtere winden aan te kondigen. Daarbij +kwam dat de kwikkolom bijna dadelijk weder daalde, zoodat vooralsnog +niets het einde van het slechte weder voorspelde. + +Ook barstten er van tijd tot tijd geduchte onweders los, die Dick +ernstig ongerust maakten. Twee of drie malen sloeg de bliksem op +slechts eenige kabellengten van het schip af in de zee. Daarna viel dan +de regen in stroomen neder en kwamen er van die dwarrelwinden van half +verdichte dampen voor, die den _Pelgrim_ met een dichten mist omgaven. + +Uren achtereen had de man op den uitkijk geen uitzicht meer en ging +men op goed geluk verder. + +Alhoewel het vaartuig, niettegenstaande het sterk stampte, vreeselijk +slingerde, verdroeg Mevr. Weldon dit stampen en slingeren, zonder er +gelukkig eenigen hinder van te gevoelen. Maar haar kleine jongen was +zeer ongesteld en vereischte al haar zorgen. + +Wat neef Benedictus betreft, hij was evenmin ziek als de Amerikaansche +kakkerlakken, die hij gezelschap hield, en hij bracht zijn tijd +door met studeeren, alsof hij rustig in zijn studeervertrek te +San-Francisco zat. + +Zeer gelukkig hadden ook Tom en zijn kameraden weinig last van +de zeeziekte en konden zij daarom hun jeugdigen bevelvoerder hulp +blijven verleenen, die zelf volkomen gewend was aan al de ongeregelde +bewegingen van een schip dat voor den wind loopt. + +De _Pelgrim_ liep snel onder zijn verminderde zeilen en reeds zag Dick +Sand aankomen dat hij nog meer zeil zou moeten minderen. Maar hij +wilde volhouden, zoolang het zonder gevaar mogelijk zou zijn. Naar +zijn berekening kon de kust niet ver meer verwijderd zijn. Men zag +dus ijverig uit. Evenwel kon Dick niet te veel op de oogen zijner +metgezellen vertrouwen om de eerste teekenen van land te ontdekken, +want hoe scherp van gezicht men moge zijn, hij, die niet gewoon +is om den horizont op zee te onderzoeken, is niet in staat om de +eerste omtrekken eener kust te onderscheiden, vooral te midden van +dikke nevels. Ook moest Dick Sand zelf uitkijken en klom hij daarom +dikwijls in het want om beter te zien. Maar niets deed zich nog voor +van de Amerikaansche kust. + +Dat verwonderde hem en toen hem hieromtrent eenige woorden ontvielen, +begreep Mevr. Weldon zijn verwondering. Het was de 9e Maart. De +leerling bevond zich op het voorschip, nu eens den blik gericht op de +zee en de lucht, dan weder met het oog op de masten van den _Pelgrim_, +die onder het aanhoudend geweld van den wind begonnen te lijden. + +"Zie je nog niets, Dick?" vroeg zij hem, op een oogenblik dat hij +den verrekijker liet zakken. + +"Niets, mevrouw, niets," antwoordde hij, "en toch schijnt de horizont +een weinig op te klaren, onder den hevigen wind die nog meer gaat +aanwakkeren." + +"En volgens u, Dick, kan de Amerikaansche kust niet ver meer af +zijn, nu?" + +"Dat kan zij niet, mevrouw, en als er iets is dat me verwondert, +dan is het dat zij nog niet in 't gezicht is!" + +"En toch," hernam Mevr. Weldon, "heeft het schip altijd goeden koers +gehouden." + +"Altijd, vanaf de wind noord-west geweest is," antwoordde Dick Sand, +"dat is dus sedert den dag dat we onzen ongelukkigen kapitein en zijn +equipage hebben verloren. Dat was de 10e Februari, we hebben nu den 9en +Maart. Er zijn dus sedert dien tijd zeven-en-twintig dagen verloopen!" + +"Maar hoever waren we toen nog van de kust verwijderd?" vroeg +Mevr. Weldon. + +"Vier duizend vijfhonderd mijlen ongeveer, mevrouw. Zijn er soms +zaken, die ik zeer betwijfel, voor dit cijfer kan ik instaan op +twintig mijlen na." + +"En hoe groot is de snelheid van het schip geweest?" + +"Gemiddeld honderdtachtig mijlen per dag, sedert de wind zich verhief," +antwoordde de leerling. "Ook verwondert het mij, dat we nog niet in +'t gezicht van land zijn. En wat me nog vreemder voorkomt, is, dat +we zelfs geen enkel van die vaartuigen ontmoeten, die gewoonlijk deze +streken bezoeken." + +"Hebt ge u niet kunnen vergissen, Dick?" hernam Mevr. Weldon, "bij +het bepalen van de snelheid van den _Pelgrim_?" + +"Neen, mevrouw. Op dat punt heb ik niet kunnen dwalen. Er is om het +half uur gelogd; en 'k heb de uitkomsten zeer juist opgeteekend.--Kom, +'k zal 't op 't oogenblik weer doen en u zult zien dat we nu tien +mijlen per uur loopen, wat meer dan twee honderd mijlen per dag +bedraagt!" + +Dick Sand riep Tom en beval hem te loggen,--een werk dat de oude +neger nu zeer gewoon was te doen. + +De log, stevig aan het einde van de lijn bevestigd, werd gebracht en +buiten boord gegooid. + +Nauwelijks waren twintig vademen afgeloopen, of de lijn in de handen +van Tom werd eensklaps slapper. + +"Och! mijnheer Dick!" riep hij uit. + +"Welnu, Tom?" + +"De lijn is gebroken!" + +"Gebroken!" riep Dick Sand uit! "En de log is verloren!" + +De oude Tom liet het eind van de lijn zien, dat hij in de hand hield. + +Het was maar al te waar. Zij was goed vastgebonden geweest. De lijn was +in het midden afgebroken. En toch was het touw van eerste kwaliteit. De +strengen moesten dus op het punt waar ze afbraken, zeer versleten zijn +geweest! En dat waren zij inderdaad, waarvan Dick zich kon overtuigen +toen hij het eind van de lijn in de hand hield! Maar.... waren zij +door het gebruik versleten, vroeg de leerling zich af, die wantrouwend +geworden was. + +Hoe het zij, de log was verloren, en Dick Sand had nu geen enkel +middel meer om de snelheid van zijn schip juist te schatten. Het +eenige instrument dat hij nu nog bezat, was een kompas, en hij wist +niet eens dat zijn aanwijzingen valsch waren! + +Mevr. Weldon zag dat hij zoo terneergeslagen was over dit ongeluk, +dat zij niet verder wilde aandringen en met een bezwaard hart zich +in haar kajuit terugtrok. + +Maar, al kon de snelheid van den _Pelgrim_ en bijgevolg de afgelegde +weg niet meer bepaald worden, het was gemakkelijk zich te overtuigen +dat de vaart van het schip niet verminderde. + +Werkelijk daalde de barometer den volgenden dag, 10 Maart, tot +acht-en-twintig duim twee tiende. [21] Dat voorspelde een van die +stormvlagen die tot zestig mijl per uur maken. + +Het werd dringend noodzakelijk nog meer zeil te minderen, teneinde +de veiligheid van het vaartuig niet in de waagschaal te stellen. + +Dick Sand besloot zijn bramsteng te strijken, zijn kluifhout in te +voeren en zijn benedenzeilen te bergen, om slechts te varen onder +stagfok en gereefd marszeil. + +Hij riep Tom en de anderen om hem behulpzaam te zijn in dit moeielijk +werk, dat ongelukkig niet snel kon verricht worden. + +En toch, de tijd drong, want de storm barstte reeds met hevigheid los. + +Dick Sand, Austin, Actéon en Bat gingen naar boven terwijl Tom aan +het roer bleef, en Hercules op het dek, om dadelijk, als hem de order +gegeven werd, de vallen te vieren of los te gooien. + +Na talrijke pogingen werd het kluifhout ingevoerd en de bramsteng +gestreken, niet zonder dat deze brave menschen door het vreeselijk +schudden der masten, tengevolge van het slingeren, honderd maal op +het punt waren in zee te storten. Nadat daarna nog een rif ingestoken +en de fok geborgen was, lag de schoenerbrik alleen onder stagfok en +het dicht gereefd marszeil. + +Alhoewel zijn zeilen nu aanmerkelijk verminderd waren, bleef de +_Pelgrim_ nog altijd een buitengewoon snelle vaart houden. + +Den 12en zag het er met het weder nog slechter uit. Dien dag toch zag +Dick Sand in den vroegen morgenstond den barometer tot zeven-en-twintig +duim negen tiende [22] dalen. + +Het was nu een echte storm geworden, zoodanig, dat de _Pelgrim_ +zelfs het weinigje doek niet meer kon dragen, dat hem nog over bleef. + +Toen Dick Sand zag dat zijn marszeil zou scheuren, gaf bij bevel het +te beslaan. + +Maar te vergeefs, want een nog heviger rukwind wierp zich op dit +oogenblik op het schip en scheurde het zeil los. Austin, die zich op +de marsra bevond, werd door den bakboordsschoot getroffen. Gewond, +maar vrij licht, kon hij zelf naar beneden komen. + +Dick Sand was nu ten hoogste ongerust en had slechts één gedachte: +dat namelijk het schip, met zulk een woedende vaart voortgestuwd, +zich elk oogenblik kon te bersten stooten, want volgens zijn raming, +konden de klippen van het strand niet meer ver af zijn. Hij keerde +dus terug naar het voorschip, maar hij zag niets, dat zelfs den schijn +van land had en nam het roer weder op. + +Een oogenblik later trad Negoro op het dek. Daar gekomen, strekte +zich zijn arm onwillekeurig uit naar een punt van den horizont. Men +zou gezegd hebben dat hij zeer in de verte door den dichten nevel +heen hoog land ontdekte!.... + +Nogmaals vertoonde diezelfde valsche glimlach zich op zijn gelaat, +en zonder iets te zeggen van 't geen hij misschien gezien had, ging +hij weder naar zijn verblijf terug. + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +AAN DEN HORIZONT. + + +Het was op dezen dag dat de storm op zijn felst woedde en zijn +vreeselijksten vorm aannam, namelijk dien van orkaan. De wind was naar +het zuidoosten geloopen. De lucht verplaatste zich met een snelheid +van negentig mijlen in 't uur. [23] + +Het was nu wel degelijk een orkaan, een van die vreeselijke windvlagen, +die al de schepen eener reede op de kust werpen en waaraan, zelfs aan +land, de stevigste gebouwen geen weerstand kunnen bieden. Zoodanig +een was die, welke den 25n Juli 1825 Guadeloupe verwoestte. Wanneer +vier-en-twintig ponders van hunne affuiten worden gelicht, bedenke men +eens wat er van een schip moet worden dat geen ander steunpunt heeft +dan een oproerige zee! En toch is het juist aan de beweeglijkheid van +die zee, dat het vaartuig dikwijls zijn redding te danken heeft. Het +loopt met den wind mede en mits het maar stevig gebouwd zij, is het +in staat de hevigste windstooten te weerstaan. Dit was het geval met +den _Pelgrim_. Eenige minuten nadat het marszeil aan flarden gescheurd +was, werd ook de stagfok op haar beurt weggerukt. Dick Sand moest er +toen van afzien om zelfs een stormfok, een klein zeil van sterk doek, +te stellen, hetgeen het sturen van het schip anders gemakkelijker +zou gemaakt hebben. + +Er bleef dus geen enkel stukje doek aan den _Pelgrim_ meer over waarop +de wind vat kon hebben, die nu woedde tegen zijn romp, zijn masten +en zijn want; dit reeds was genoeg om hem met ontzettende snelheid +te doen voortvliegen. Somtijds scheen het schip zelfs boven de golven +te zweven en moest men aannemen dat het die slechts even aanraakte. + +In dezen toestand was het slingeren van het vaartuig op de door den +storm heen en weer geschudde golven, vreeselijk. Telkens liep men +gevaar een monsterachtige stortzee achterin te krijgen. De bergen +water liepen sneller dan de schoenerbrik en dreigden den achtersteven +te treffen, zoo zij zich niet snel genoeg oprichtte. Dit is een +der grootste gevaren die een schip, dat voor den storm vlucht, +kan beloopen. + +Maar, wat te doen om deze mogelijke ramp te voorkomen? Men kon +den _Pelgrim_ geen grootere snelheid mededeelen, omdat hij niet het +kleinste stukje doek zou behouden hebben. Men moest dus beproeven door +middel van het roer, waarvan de werking evenwel dikwijls onmachtig was, +aan het vaartuig dezelfde richting te blijven geven. + +Dick Sand verliet het roer niet meer. Hij had zich met een touw +om het middel vastgesjord, om niet door een stortzee weggeslagen +te worden. Ook Tom en Bat hadden zich vastgebonden en hielden zich +gereed om hem te hulp te komen. Hercules en Actéon hadden zich aan +de betings vastgeklampt en waakten op het voorschip. + +Wat Mevr. Weldon, den kleinen Jack, neef Benedictus en Nan aangaat, zij +bleven op verzoek van den leerling in de achterkajuit. Mevr. Weldon +was liever op het dek gebleven, maar Dick Sand had het met alle +macht tegengehouden, omdat dit zich zonder noodzakelijkheid in gevaar +begeven zou geweest zijn. + +Al de luiken waren hermetisch gesloten. Het was te hopen dat zij +genoegzaam tegenstand zouden bieden ingeval het mocht gebeuren, dat +er een van die ontzaglijke zeeën over boord sloeg waartegen niets +bestand is. Indien zij ongelukkig voor het gewicht dezer stortzeeën +weken, kon het schip onderloopen en zinken. Zeer practisch was ook +de lading met zorg gestuwd, zoodat in weerwil van het vreeselijk +overhalen der schoenerbrik, haar lading zich niet verplaatste. + +Dick Sand had de uren, die hij aan den slaap gaf, nog verminderd. Ook +bekroop Mevr. Weldon de vrees dat hij ziek zou worden. Zij verkreeg +van hem dat hij eenigen tijd rust zou nemen. + +Nu had er juist, terwijl hij sliep, in den nacht van den 13en op den +14en Maart weder iets bijzonders plaats. + +Tom en Bat waren achteruit, toen Negoro, die zich slechts zelden op +dit gedeelte van het schip liet zien, op hen toekwam en zelfs een +gesprek met hen scheen te willen aanknoopen; maar Tom en zijn zoon +gaven hem geen antwoord. + +Plotseling, op het oogenblik eener vreeselijke slingering, viel Negoro, +en zou hij stellig in zee geslingerd zijn, zoo hij zich niet aan het +kompasbuisje had vastgegrepen. + +Tom gaf een schreeuw, daar hij vreesde dat het kompas gebroken was. + +Dick Sand was in een oogenblik wakker, hoorde den kreet en vloog op +het dek. + +Negoro was reeds weder op de been, maar hij hield het stuk ijzer in +de hand, dat hij van onder het kompashuisje had weggenomen en deed +het verdwijnen voordat Dick Sand het bemerkt had. + +Zou Negoro er belang bij gehad hebben dat de magneetnaald de goede +richting hernam! Ja, want deze winden uit het zuid-westen kwamen hem +nu te stade!.... + +"Wat is er gaande?" vroeg de leerling. + +"Dat is die ongelukkige kok, die viel op het kompas!" antwoordde Tom. + +Bij deze woorden, bukte zich Dick Sand, die zich zeer ongerust maakte, +naar het kompashuisje.... Het was in order, het kompas door de lampen +verlicht, lag altijd op zijn beide concentrische ringen. + +Dat was een steen van het hart van Dick! Het breken van het eenige +kompas aan boord zou een onherstelbaar ongeluk geweest zijn. + +Maar, wat Dick Sand niet had kunnen opmerken, was, dat sedert het +wegnemen van het stuk ijzer, de naald haar normalen stand weder had +ingenomen en juist het magnetische noorden aanwees, zooals het onder +dezen meridiaan moest zijn. + +Al kon men nu evenwel Negoro niet verantwoordelijk stellen voor een +val, die onwillekeurig scheen, zoo had Dick Sand toch alle reden er +zich over te verwonderen dat de kok zich op dat uur op het achterschip +bevond. + +"Wat doe je daar?" vroeg hij hem. + +"Wat me bevalt," antwoordde Negoro. + +"Je zegt!...." riep Dick Sand uit, die zich een oogenblik boos maakte. + +"Ik zeg!...." antwoordde de kok, "dat er geen reglement is dat me +verbiedt op het achterschip te wandelen!" + +"Welnu, ik maak dat reglement," antwoordde Dick Sand, "en nu verbied +ik u achteruit te komen!" + +"Och kom!" antwoordde Negoro. + +De man, die zich zelf gewoonlijk zoo meester was, maakte een dreigende +beweging. + +De leerling haalde een revolver te voorschijn en richtte deze op den +kok, zeggende: + +"Negoro, onthoud dat ik dit wapen altijd bij me draag en ik je bij +het eerste teeken van verzet door 't hoofd schiet!" + +Op dit oogenblik voelde Negoro zich door een onweerstaanbare kracht +tot het dek neergebogen. + +Hercules had eenvoudig zijn zware hand op zijn schouder gelegd. + +"Kapitein Sand," zei de reus, "wilt u dat 'k dien kerel over boord +gooi? Het is een lekkerbeetje voor de visschen die nog al zoo kiesch +niet zijn." + +"Nog niet," antwoordde Dick Sand. + +Negoro richtte zich op, zoodra hij de hand van den neger niet meer +op zich voelde drukken. Maar Hercules voorbijgaande, mompelde hij: + +"Dat zal 'k je betaald zetten, vervloekte neger!" + +Intusschen was de wind omgeloopen en toch gaf, tot Dick's verwondering, +niets in den toestand der zee te kennen dat er een verandering op +til was. Het schip hield nog steeds koers, maar door wind en zeeën, +die nu dwars inkwamen, was Dick Sand genoodzaakt vier streken af te +houden om voor den storm te blijven wegloopen. + +Maar van den anderen kant was zijn aandacht meer dan ooit opgewekt en +vroeg hij zich af of er niet eenig verband bestond tusschen den val van +Negoro en het breken van het eerste kompas. Wat was de kok daar komen +doen? Had hij er misschien eenig belang bij dat het tweede kompas +ook buiten dienst gesteld werd? Welk belang zou dat hebben kunnen +zijn? Er was geen enkele reden voor te vinden. Moest ook Negoro, +evenzeer als allen, niet vurig wenschen zoo spoedig mogelijk aan de +Amerikaansche kust te landen? + +Toen Dick Sand met Mevr. Weldon over het voorval sprak, kon ook zij, +hoewel zijn wantrouwen in zekere mate deelende, geen aannemelijke +drijfveer vinden voor 't geen van den kant van Negoro een misdadig +overleg zou geweest zijn. + +Intusschen werd op den kok, uit voorzichtigheid, nauwkeurig het oog +gehouden. Overigens kwam hij in zooverre de bevelen van den leerling +na, dat hij zich niet meer op het achterschip waagde, waar zijn dienst +hem nimmer riep. Bovendien nam men de voorzorg er Dingo aanhoudend +verblijf te laten houden, en men weet dat Negoro niet bijzonder op +het gezelschap van den hond gesteld was. + +Gedurende de geheele week bleef de storm voortwoeden. De barometer +daalde nog altijd. Van den 14en tot den 26en Maart, was het onmogelijk, +van een oogenblikje kalmte gebruik te maken om eenige zeilen bij te +zetten. De _Pelgrim_ stormde naar het noordoosten met een snelheid die +niet onder de twee honderd mijlen in de vier-en-twintig uur kon zijn, +en nog altijd geen land! En toch, dat land was Amerika, dat als een +onmetelijke slagboom tusschen de Atlantische zee en de Stille Zuidzee +ligt, op een lengte van meer dan honderd twintig graden. + +Dick Sand vroeg zich somtijds af of hij niet krankzinnig was, of hij +nog het bewustzijn had het ware van het valsche te onderscheiden, of +hij niet sedert zoo vele dagen, buiten zijn weten, in een verkeerde +richting liep! Neen, zoo erg kon hij zich niet vergissen! De zon, +die hij wel is waar in den dikken nevel niet kon onderscheiden, +kwam altijd vóór hem op, om achter hem onder te gaan! + +Maar was het land dan verdwenen? Waar lag dan Amerika, waarop zijn +schip misschien te gronde zou gaan, waar was het, zoo het zich niet +daar bevond? Het mocht dan het zuidelijke of het noordelijke vasteland +zijn,--want alles was mogelijk in die verwarring,--een van beiden moest +de Pelgrim toch bereiken. Wat was er toch gebeurd sedert het begin van +dien verschrikkelijken storm? Wat geschiedde er nog, nu die kust, die +zijn heil of zijn ondergang zou zijn, nog altijd niet opdoemde? Moest +Dick Sand dan veronderstellen dat hij bedrogen was door zijn kompas, +welks aanwijzingen hij niet meer kon vergelijken, omdat het tweede +kompas hem ontbrak om die vergelijking te doen? En werkelijk zijn +vrees was gewettigd door die voortdurende totale afwezigheid van land! + +Wanneer Dick Sand zich dan ook niet aan het roer bevond, was hij +onophoudelijk bezig de kaart met de oogen te verslinden. Maar +al bestudeerde hij deze nog zoo vlijtig, zij kon hem het raadsel +niet oplossen dat, in den toestand waarin Negoro hem gebracht had, +onbegrijpelijk voor hem was, zooals het voor iedereen zou geweest zijn. + +Dien dag evenwel, den 27n Maart ongeveer 8 uur 's morgens deed zich +iets van het grootste gewicht voor. + +Hercules voor op den uitkijk, deed den kreet hooren: + +"Land! land!" + +Dick Sand nam een sprong naar den bak. Zou Hercules, die geen +zeemansoogen kon hebben, zich niet bedriegen? + +"Land!" riep Dick Sand. + +"Dáár!" antwoordde Hercules, terwijl hij een bijna onmerkbaar punt +aan den horizont in het noord-oosten aanwees. + +Men kon elkander te midden van het geloei van den storm slechts +moeielijk verstaan. + +"Heb je werkelijk land gezien?...." vroeg de leerling. + +"Ja," antwoordde Hercules, met het hoofd knikkend. En wederom wees +hij met de hand aan bakboord vooruit. + +De leerling keek, maar zag niets. + +Op dit oogenblik betrad Mevr. Weldon, die den kreet door Hercules +geuit, gehoord had, het dek, niettegenstaande haar belofte er niet +te komen. + +"Mevrouw!...." riep Dick Sand. + +Ook Mevr. Weldon, zich niet kunnende doen hooren, beproefde het door +den neger aangewezen land te ontdekken, en scheen haar geheele leven +in haar oogen te concentreeren. + +Waarschijnlijk had de hand van Hercules naar een verkeerd punt aan +den horizont gewezen, want noch Mevrouw Weldon, noch Dick Sand konden +iets zien. + +Maar eensklaps strekte ook hij de hand uit. + +"Ja! ja! land!" zeide hij. + +En werkelijk was op een plek, waar de nevelen voor een oogenblik +uiteen weken, een soort van top te zien. Zijn zeemansoogen konden +hem niet bedriegen. + +"Eindelijk!" riep hij uit, "eindelijk!" + +Hij hield zich koortsachtig aan de verschansing vast. Mevr. Weldon, +door Hercules ondersteund, keek onophoudelijk naar dat zoo vurig +verlangde land. + +De kust, die door dit voorgebergte gevormd werd, verhief zich op +tien mijlen aan lij van bakboordszij. Daar er nu een blinker kwam, +kon men de kust duidelijker onderscheiden. Het was ongetwijfeld een +kaap van het Amerikaansche vasteland. De _Pelgrim_ kon zonder zeilen +niet goed koers houden, maar moest wel op het strand aanloopen. + +Het was slechts om eenige uren te doen. Het was nu acht uur 's morgens +en dus zou de _Pelgrim_ voor twaalf uur dicht bij land zijn. + +Op een teeken van Dick Sand, geleidde Hercules Mevr. Weldon weder +naar het achterschip, want zij zou het geweld van het stampen niet +hebben kunnen weerstaan. + +De leerling bleef nog een oogenblik op den bak en keerde vervolgens +naar het roer bij den ouden Tom terug. + +Eindelijk zag hij dan nu deze zoo lang weggebleven, zoo vurig begeerde +kust! maar nu helaas! met een gevoel van schrik! + +En inderdaad, in den toestand waarin de _Pelgrim_ zich bevond, namelijk +vluchtende voor den storm, het land aan lij, was er niets anders te +wachten dan een schipbreuk met al haar mogelijke verschrikkingen. + +Twee uren verliepen. Het voorgebergte vertoonde zich nu dwarsscheeps. + +Op dit oogenblik kwam Negoro aan dek. Dezen keer keek hij met de +grootste aandacht naar de kust, schudde het hoofd als iemand die +wist waaraan zich te houden, en ging weder naar beneden, na een naam +genoemd te hebben dien niemand kon verstaan. + +Wat Dick Sand betreft, hij trachtte de kust te ontdekken, die zich +achter het voorgebergte moest uitstrekken. + +Opnieuw verliepen twee uren. Het voorgebergte verhief zich aan +bakboordszij van achteren, maar de kust was nog altijd niet te +onderscheiden. + +Intusschen klaarde de lucht aan den horizont op, en een hooge kust, +zooals het Amerikaansche land zich juist moest voordoen in het verre +verschiet, begrensd door de ontzaglijke keten der Andes, zou op een +afstand van meer dan twintig mijlen zichtbaar geweest zijn. + +Dick Sand nam zijn verrekijker en liet dien langzaam langs den geheelen +oostelijken horizont gaan. + +Niets! Hij zag niets meer! + +Om twee uren na den middag, was alle spoor van land achter den +_Pelgrim_ uitgewischt. Vooruit kon de verrekijker niet de minste lijn +van een hooge of lage kust ontdekken. + +Toen ontsnapte aan Sand een smartelijke kreet; hij verliet onmiddellijk +het dek en begaf zich haastig naar de kajuit waar Mevr. Weldon met +den kleinen Jack, Nan en Neef Benedictus zich ophielden. + +"Een eiland! 't was maar een eiland!" zeide hij. + +"Een eiland, Dick! maar welk?" vroeg Mevr. Weldon. + +"De kaart zal 't ons zeggen." + +En even heengaande, kwam hij met de kaart terug. + +"Daar, mevrouw Weldon, daar!" zei hij. "Het land dat in 't gezicht +geweest is, kan niet anders zijn dan het verloren punt te midden der +Stille Zuidzee! 't kan niet anders zijn dan het Paascheiland! Er zijn +geen andere eilanden in deze streken!" + +"En hebben we 't al achter ons?" vroeg Mevr. Weldon. + +"Ja, loefwaarts van ons!" + +Mevr. Weldon keek aandachtig naar het Paasch-eiland, dat slechts een +onmerkbaar punt op de kaart uitmaakte. + +"En hoe ver is het van de Amerikaansche kust. + +"Vijf en dertig graden." + +"En dat is?...." + +"Ongeveer twee duizend mijlen." + +"Maar is dan de _Pelgrim_ niet vooruitgegaan, omdat we nog zoo ver +van het vasteland afzijn?" + +"Mevrouw Weldon," antwoordde Dick Sand, die een oogenblik de +hand aan het voorhoofd bracht, als om zijn gedachten bijeen te +houden, "'k weet.... 'k kan geen verklaring van de ongelooflijke +vertraging geven!.... Neen! ik kan niet.... of de aanwijzingen van +het kompas moeten valsch geweest zijn!.... Maar dat eiland moet +wel het Paasch-eiland geweest zijn, omdat we voor den wind naar het +noord-oosten hebben moeten loopen en de Hemel zij gedankt dat we nu +weten waar we zijn. Ja! 't is het Paasch-eiland! Ja het is nog twee +duizend mijlen van de kust af! Eindelijk weet ik dan toch waarheen +de storm ons gejaagd heeft, en zoo hij bedaart, kunnen we met eenige +kans op geluk de Amerikaansche kust aandoen! Nu althans mag ons schip +niet meer verloren heeten in de onmetelijke Stille Zuidzee!" + +Dit vertrouwen, door den jeugdigen leerling geuit, werd door allen +gedeeld die hem zoo hoorden spreken. Mevr. Weldon zelve liet zich +overtuigen. Het was wezenlijk alsof die arme menschen aan het einde +van hun zorgen, van hun lijden gekomen waren en de _Pelgrim_ weldra +met goeden wind in een haven zou binnenloopen! + +Het Paascheiland,--met zijn waren naam Vai-Hou geheeten,--ontdekt +door David in 1686, bezocht door Cook en Lapérouse, is gelegen op +27° Z.B. en 112° O.L. Indien de schoenerbrik op deze wijze meer dan +vijftien graden naar het noorden was verzeild, dan was dit blijkbaar +tengevolge van dien storm uit het zuid-westen waarvoor zij had +moeten lenzen. + +De _Pelgrim_ was dus nog twee duizend mijlen van de kust +verwijderd. Evenwel moest hij door de kracht van den wind, die nog +altijd even hevig bleef, in minder dan tien dagen een of ander punt +van de kust van Zuid-Amerika bereikt hebben. + +Maar mocht men niet hopen, zooals de leerling gezegd had, dat het +weder eindelijk toch wat zou bedaren en dat het dan mogelijk zou zijn +een of ander zeil bij te zetten, zoodra men land in 't gezicht had? + +Dit was nog altijd de hoop van Dick Sand. Hij was van meening dat +die orkaan, die nu reeds zoovele dagen had aangehouden, eindelijk +toch wel zou afnemen. En nu hij, tengevolge van de verkenning van +het Paasch-eiland, juist wist waar zij zich bevonden, had hij alle +reden te vertrouwen, dat hij, eenmaal weder meester van zijn vaartuig +geworden, het naar een veilige ankerplaats zou kunnen brengen. + +Nu Dick Sand als door een bijzondere gunst der Voorzienigheid dat +verlaten punt te midden der zee had kunnen verkennen, nu had Dick Sand +zijn vertrouwen, dat bijna verloren was gegaan, teruggekregen. Werd hij +altijd door een orkaan, dien hij niet beteugelen kon, voortgezweept, +dan ging dit toch niet geheel blindelings meer. + +De _Pelgrim_, stevig gebouwd en getuigd, had onder deze woedende +aanvallen van den storm, weinig geleden. Zijn averij bepaalde zich +tot het verlies van het marszeil en de kleine stagstok--verliezen die +licht te herstellen waren. Geen druppel water was door de met zorg +gestopte naden van den romp en het dek gedrongen. De pompen waren +volkomen onbelemmerd. In dit opzicht was er niets te vreezen. + +Doch onophoudelijk bleef de orkaan voortwoeden en niets scheen hem tot +bedaren te brengen. Kon Dick Sand zijn schip in zekere mate bestand +maken tegen den storm, hij vermocht den wind niet bevelen te gaan +liggen, den golven te bedaren, den hemel op te klaren. Was hij aan +boord na God "heer en meester," buiten boord was het God alleen die +wind en golven gebood. + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +LAND! LAND! + + +Intusschen zou het vertrouwen, dat Dick Sand als bij instinct bezielde, +gedeeltelijk gerechtvaardigd worden. + +Den volgenden dag, 27 Maart, ging de kwikkolom in de barometerbuis aan +het rijzen. De schommeling had niet plotseling plaats en was ook niet +belangrijk, eenige strepen slechts, maar de rijzing scheen te zullen +aanhouden. De storm ging blijkbaar in het tijdperk van afneming over, +en, mocht de zee nog buitengewoon onstuimig blijven, toch kon men +zich overtuigen dat de wind afnam. + +Dick Sand kon er nog niet aan denken zeilen aan te slaan. Het +kleinste zeil ware weggerukt geworden. Evenwel hoopte hij dat er geen +vier-en-twintig uur zouden verloopen zonder dat hem mogelijk was een +stormzeil bij te zetten. + +En werkelijk ging de wind 's nachts vrij belangrijk liggen, vooral +als men hem vergeleek met 't geen hij tot nog toe geweest was, en +nu ook had het schip minder van het vreeselijke slingeren te lijden, +dat vroeger dreigde het te vernielen. + +De passagiers begonnen zich weder op het dek te vertoonen. Zij liepen +geen gevaar meer door de stortzee medegevoerd te worden. + +Mevr. Weldon verliet het eerst de kerk waar Dick Sand haar uit +voorzichtigheid gedwongen had zich den geheelen duur van den storm +op te sluiten. Zij kwam eens praten met den leerling, dien een +waarlijk bovenmenschelijke geestkracht het vermogen geschonken +had zoovele vermoeienissen te weerstaan. Vermagerd, verweerd en +bleek van gelaat, had hij verzwakt moeten zijn door het gemis aan +den voor zijn leeftijd zoo noodigen slaap! Neen! zijn krachtige +natuur weerstond alles. Eenmaal misschien zou hij dit tijdperk van +beproevingen duur moeten betalen! Maar het was de tijd niet zich +te laten ontmoedigen. Dick Sand had dit alles reeds bij zich zelven +nagegaan en Mevr. Weldon vond hem sterker en moediger dan ooit. + +En daarenboven bezat de moedige Dick een hoedanigheid die, in +moeielijke omstandigheden des levens bergen verzet, hij had vertrouwen. + +"Dick, mijn kind, mijn kapitein!" zei Mevr. Weldon hem de hand +reikende. + +"'k Moet u zeggen, mevrouw Weldon," riep Dick Sand glimlachend uit, +"u komt de bevelen van uw kapitein niet na! U komt weer op het dek, +u verlaat uw kajuit in weerwil van zijn.... verzoek!" + +"Ja, 'k ben je ongehoorzaam," antwoordde Mevr. Weldon; "maar 'k heb +als een voorgevoel dat de storm bedaart of zal bedaren!" + +"Hij bedaart werkelijk, mevrouw Weldon," antwoordde de leerling. "U +bedriegt u niet! De barometer is sedert gisteren niet gedaald. De +wind is niet zoo hevig meer, en 'k heb alle reden te gelooven dat +onze ergste beproevingen voorbij zijn." + +"God geve het, Dick! Wat heb je geleden, arm kind! Je hebt...." + +"Niets dan mijn plicht gedaan, mevrouw Weldon." + +"Maar zou je nu niet wat rust gaan nemen?" + +"Rust!" antwoordde de leerling. "'k Heb geen rust noodig, mevrouw +Weldon! 'k Gevoel me zeer wel. Goddank, en 'k moet tot het einde toe +volhouden! U hebt me den kapitein genoemd, 'k zal kapitein blijven tot +het oogenblik dat al de passagiers van den _Pelgrim_ behouden zijn." + +"Dick," hernam Mevr. Weldon, "mijn man en ik, we zullen nooit vergeten, +wat je gedaan hebt." + +"God heeft alles gedaan," antwoordde Dick Sand "alles." + +"Mijn kind, 'k zeg nog eens dat je door je zedelijken en lichamelijken +moed je als een man gedragen hebt, als een man waard om het commando +te voeren, en spoedig, zoodra je studies geëindigd zijn,--'k weet +zeker dat mijn man geheel met mij zal instemmen,--zal je gezagvoerder +worden voor het huis James W. Weldon!" + +"Ik.... ik!" riep Dick Sand uit, wiens oogen zich met tranen vulden. + +"Dick!" antwoordde Mevr. Weldon, "je waart ons aangenomen kind reeds en +nu ben je onze zoon, de redder van je moeder en je broertje Jack! Mijn +waarde Dick, 'k omhels je voor mijn man en voor mij!" + +De moedige vrouw had zich goed willen houden, toen ze Dick aan haar +hart drukte, maar 't was haar niet mogelijk. Doch welke pen zou +kunnen beschrijven wat Dick Sand gevoelde! Hij vroeg zich af of hij +niet meer kon doen dan zijn leven voor zijn weldoeners opofferen, +en hij nam nu reeds al de beproevingen aan, die hem in de toekomst +zouden worden opgelegd. + +Na dit onderhoud gevoelde Dick Sand zich sterker. Als de wind +handelbaarder werd en het hem mogelijk zou zijn een zeil bij te zetten, +twijfelde hij geen oogenblik of hij zou zijn schip naar een haven +kunnen voeren waar allen die het droeg eindelijk gelukkig zouden zijn. + +Toen de wind, den 29n een weinig bedaard was, dacht Dick er over om +de fok en het marszeil weder aan te slaan en bij gevolg de snelheid +van den _Pelgrim_ te bevorderen. + +"Komaan, Tom! komaan, mijn vrienden!" riep hij uit, toen hij bij het +krieken van den dag aan dek kwam. "Kom! 'k Heb je armen noodig!" + +"We zijn gereed, kapitein Sand," antwoordde Tom. + +"Gereed tot alles," voegde Hercules er bij. "Er was niets te doen, +terwijl het zoo stormde en 'k begon me mooi te vervelen!" + +"Je hadt moeten blazen met je grooten mond," zei de kleine Jack. "'k +Wed dat je net zoo sterk als de wind geweest waart!" + +"Daar zeg je zoo wat, Jack!" antwoordde Dick Sand lachende. "Als er +windstilte is, zullen we Hercules in de zeilen laten blazen!" + +"Tot je dienst, mijnheer Dick!" antwoordde de brave neger, terwijl +hij zijn wangen opblies als een reusachtige Boreas. + +"We zullen beginnen, vrienden," hernam de leerling, "met een waarloos +zeil aan te slaan, want ons marszeil is in den storm weggewaaid. 't +Zal misschien wel moeilijk zijn, maar 't moet gebeuren." + +"Dan zal 't ook gebeuren!" antwoordde Actéon. + +"Kan ik je helpen?" vroeg de kleine Jack. + +"Ja, Jack," antwoordde de leerling. "Ga jij maar naar 't roer om +onzen vriend Bat te helpen sturen." + +Men kon zich voorstellen hoe trotsch Jack was op het vertrouwen door +Dick Sand in hem gesteld. + +"Nu aan 't werk," hernam deze "en laten we ons zoo min mogelijk +blootstellen." + +De negers gingen door Dick geleid, dadelijk aan hun moeielijken +arbeid. Een marszeil aanslaan was voor Tom en zijn kameraden een +moeielijke taak. Men moest eerst het opgerolde zeil naar boven hijschen +en het dan aan de ra bevestigen. + +Evenwel commandeerde Dick zoo goed en werd zoo goed gehoorzaamd, dat +het zeil na verloop van een uur was aangeslagen, de ra geheschen en +het marszeil met twee reven behoorlijk bijgezet. + +Wat de fok en stagfok betreft, die voor den storm hadden ingenomen +kunnen worden, deze zeilen werden vrij gemakkelijk bijgezet, +niettegenstaande de kracht van den wind. + +Dienzelfden dag, des morgens tien uur, zeilde de _Pelgrim_ onder fok, +marszeil en stagzeil. + +Dick Sand had het niet voorzichtig geoordeeld meer zeilen bij te +zetten. De zeilen toch die hij droeg, moesten hem, zoolang de wind +niet afnam, een snelheid verzekeren van tweehonderd mijlen minstens +per vier-en-twintig uur, en meer was niet noodig om over tien dagen +de Amerikaansche kust te bereiken. + +De leerling was wezenlijk voldaan, toen hij het roer overnam, +na meester Jack, den onderstuurman van den _Pelgrim_ bedankt te +hebben. Hij behoefde zich nu niet meer op genade aan de golven over te +geven. De _Pelgrim_ kwam nu werkelijk goed vooruit. Iedereen die maar +een weinig met zeezaken bekend is, zal zijn vreugde kunnen begrijpen. + +Den volgenden dag jaagden de wolken nog met dezelfde snelheid door +het luchtruim, maar zij lieten nu groote openingen tusschen haar over, +waar doorheen de zonnestralen de oppervlakte der wateren beschenen. De +_Pelgrim_ baadde zich somtijds in dat alles bezielende licht! Dan +weder verschool het zich achter een dichte massa dampen in het oosten, +maar in het volgende oogenblik verscheen het nogmaals om wederom te +verdwijnen, doch het weder werd opnieuw schoon. + +De luiken werden geopend om de frische lucht in het inwendige van het +schip te laten stroomen, die doordrong tot in het ruim, de achterkajuit +en in het verblijf der bemanning. Men hing de natte zeilen te drogen +en spreidde ze daartoe op het waarloos rondhout uit. Ook werd het dek +geschrobd. Dick Sand wilde niet dat zijn schip een haven binnenkwam +zonder een weinig toilet te hebben gemaakt. Wilde hij de equipage +niet te veel vermoeien, dan konden slechts eenige uren per dag aan +dit werk besteed worden. + +Alhoewel de leerling niet meer loggen kon, had hij door gewoonte genoeg +geleerd de vaart van een schip te schatten om zich nagenoeg rekenschap +van zijn snelheid te geven. Hij twijfelde dus niet of hij zou binnen +zeven dagen land in 't gezicht hebben en deze meening deelde hij aan +Mevr. Weldon mede, na haar op de kaart de waarschijnlijke positie te +hebben aangetoond. + +"Welnu! op welk punt van de kust zullen we aankomen, Dick! vroeg +zij hem. + +"Hier, mevrouw," antwoordde de leerling, terwijl hij haar de lange +kustlijn aanwees, die zich uitstrekt van Peru naar Chili. Ik kan het +niet juister aangeven. Dit is het Paasch-eiland, dat wij in het westen +hebben laten liggen, en uit de richting van den wind die bestendig +geweest is, besluit ik dat wij land in het oosten zullen zien. Er +zijn genoeg havens aan de kust, maar 't is me op dit oogenblik niet +mogelijk te zeggen, welke wij het eerst in 't gezicht zullen krijgen." + +"Welnu, Dick, welke die haven zij, ze zal ons welkom zijn." + +"Welzeker, mevrouw Weldon, en u zult er zeker gelegenheid vinden +om spoedig naar San-Francisco terugtekeeren. Er bestaat een +Stoomboot-Maatschappij van de Stille Zuidzee, die een zeer goed +georganiseerden dienst op deze kust heeft. Haar stoombooten doen de +voornaamste punten der kust aan en u zult zeer gemakkelijk met een +dezer booten de reis naar Californië kunnen afleggen." + +"Maar is het dan je plan niet den _Pelgrim_ naar San-Francisco te +brengen?" vroeg Mevr. Weldon. + +"Jawel, mevrouw, na u ontscheept te hebben. Als we ons een officier en +een equipage kunnen verschaffen, zullen we onze lading te Valparaiso +lossen, zooals kapitein Hull zou gedaan hebben. Daarna zullen we +dan naar San-Francisco terugkeeren. Maar dat zou u te lang ophouden, +ofschoon 't me zeer spijten zou afscheid van u te moeten nemen.... + +"Ja, ja, Dick," antwoordde Mevr. Weldon. "We zullen later zien, wat ons +te doen staat.--Zeg eens, je scheen bang te zijn om aan land te komen?" + +"'k Kan dat niet ontkennen," antwoordde de leerling, "maar ik hoop +altijd een vaartuig in deze streken te ontmoeten en 't verwondert +me zeer er nog geen te zien. Zoodra er een passeerde, zouden we +'t praaien, 't zou ons juist zeggen waar we ons bevinden en dat zou +onze landing zeer gemakkelijk maken." + +"Zijn er dan geen loodsen die op deze kust dienst doen?" vroeg +Mevr. Weldon. + +"Die moeten er wel zijn," antwoordde Dick Sand, "maar veel dichter +bij de kust. We moeten dus steeds voortgaan." + +"En als we nu geen loods ontmoeten," vroeg Mevr. Weldon, die volstrekt +wilde weten hoe de leerling al die moeilijkheden dacht te boven +te komen. + +"In dat geval, mevrouw, als het weer goed en de wind kalm blijft, zal +ik trachten dicht genoeg bij de kust te houden om er een schuilplaats +te zoeken, maar als de wind opsteekt, dan...." + +"Dan?.... Wat zal je dan doen, Dick?" + +"Dan," antwoordde Dick Sand, "zal 't in den toestand waarin de +_Pelgrim_ verkeert, eenmaal aan lager wal geraakt, zeer moeielijk +zijn hem weer in volle zee te brengen!" + +"Wat zal je dan doen?" herhaalde Mevr. Weldon. + +"'k Zal dan genoodzaakt zijn mijn schip op het strand te zetten," +antwoordde de leerling, wiens gelaat een oogenblik een droevige +uitdrukking aannam. "'t Is waar, 't is een harde noodzakelijkheid, +en God geve dat het niet zover zal komen! Maar, 'k zeg u nog eens, +mevrouw Weldon, het voorkomen van de lucht is geruststellend en +'t is niet mogelijk dat we geen schip of een loodsvaartuig zouden +ontmoeten! Goeden moed dus! We hebben den steven naar de kust gericht +en we zullen haar gauw zien!" + +Ja, zijn schip op het strand zetten, dat is een uiterste waartoe de +flinkste zeeman slechts noode besluit! Ook verbande Dick Sand met +geweld de gedachte aan een dergelijke ramp, zoolang er maar eenige +kans voor hem was haar te vermijden. + +Gedurende eenige dagen waren er in den toestand van den dampkring +afwisselingen die de leerling opnieuw zeer ongerust maakten. Steeds +bleef er een flinke bries waaien en uit zekere schommeling +der kwikkolom was duidelijk op te maken dat de wind nog zou +aanwakkeren. Dick Sand dacht er dus niet zonder vrees aan of hij zich +niet weer zou genoodzaakt zien voor top en takel te gaan loopen. Hij +had er evenwel zulk een groot belang bij althans zijn marszeil te +behouden, dat hij besloot het niet te laten bergen, zoolang het +geen gevaar liep weg te waaien. Maar om de stevigheid der masten te +verzekeren, liet hij want en stagen aanzetten. Bovenal was het zaak de +grootste voorzichtigheid in acht te nemen, want hun toestand zou nog +erger geworden zijn, indien de _Pelgrim_ masteloos rond had gedreven. + +Een paar malen ook moest men, daar de barometer rees, vreezen dat +de wind geheel om zou loopen, namelijk dat hij naar het oosten zou +gaan. In dat geval zouden zij zoo dicht mogelijk aan den wind moeten +houden! + +Een nieuwe zorg voor Dick Sand. Wat zou hij met tegenwind gedaan +hebben? Laveeren? Maar, zoo hij zich daartoe verplicht zag, welke +nieuwe vertraging en hoe licht kon hij dan weder in volle zee +teruggeworpen worden? + +Deze vrees werd gelukkig niet bewaarheid. De wind bleef, na gedurende +eenige dagen gezocht te hebben, nu eens naar het noorden, dan weder +naar het zuiden loopende, eindelijk in het westen staan. Maar het +was altijd een stijve koelte die in het tuig van den _Pelgrim_ blies. + +Het was de 5e April en dus reeds meer dan twee maanden geleden, dat de +_Pelgrim_ Nieuw-Zeeland had verlaten. Twintig dagen achtereen was zijn +loop door tegenwind en langdurige windstilte vertraagd. Vervolgens +had hij zich in gunstige omstandigheden bevonden om spoedig land te +bereiken. Zelfs had zijn snelheid gedurende den storm zeer belangrijk +moeten zijn. Dick Sand schatte de gemiddelde vaart op niet minder dan +op twee honderd mijlen per dag! Hoe kwam het dan dat men nog altijd +geen kust in het gezicht kreeg! Ontvluchtte zij den _Pelgrim_? Het +was volkomen onverklaarbaar! + +En evenwel werd geen land gezien, hoewel een der negers voortdurend +op den uitkijk stond. + +Dikwijls begaf Dick Sand zich zelf in het want. Daar trachtte hij +dan met den verrekijker iets van bergen te ontdekken. De bergketen +der Andes is zeer hoog en het was dus in de wolken dat aan den verren +horizont zich te midden der nevelen een top zou voorgedaan hebben. + +Meermalen werden Tom en zijn kameraden door valsche teekenen van +land misleid. Dampen van vreemde vormen vertoonden zich op den +achtergrond. Het gebeurde soms dat de goede menschen halsstarrig +bleven volhouden dat zij land zagen, maar na eenigen tijd waren zij +dan genoodzaakt te erkennen dat zij de dupes van een gezichtsbedrog +geweest waren. Het gewaande land verplaatste zich, veranderde van +gedaante en verdween eindelijk geheel. + +Maar den 6en April was er eindelijk geen twijfel mogelijk. Het was +acht uur 's morgens. Dick Sand was zoo even in het want geklommen. In +dit oogenblik verdichtten de nevelen zich onder de eerste stralen +der zon en klaarde de horizont geheel op. + +Eindelijk deed Dick Sand den reeds zoo dikwijls geuiten kreet hooren: + +"Land! land! vlak voor den boeg!" + +Bij dezen kreet liep iedereen op het dek, zoowel de kleine Jack, +nieuwsgierig als men op dien leeftijd is, Mevr. Weldon, wier +beproevingen met de landing zouden ophouden, Tom en zijn kameraden, +die eindelijk het Amerikaansche vasteland weder zouden betreden, +en zelfs neef Benedictus, die hoopte een rijke verzameling nieuwe +insecten bijeen te garen. + +Alleen Negoro verscheen niet. + +Iedereen zag toen wat Dick Sand gezien had, deze zeer duidelijk, gene +stellig meenende dat zij het zagen. Maar voor den leerling die zoo +gewoon was den horizont waar te nemen, was er geen dwaling mogelijk +en een uur later bleek het dat hij zich niet bedrogen had. + +Op een afstand van ongeveer vier mijlen strekte zich een vrij lage kust +uit of althans iets dat zich als zoodanig voordeed. Op den achtergrond +moest zich de hooge keten der Andes vertoonen, maar een wolkensluier +belette er de toppen van te zien. + +De _Pelgrim_ liep rechtstreeks en snel op deze kust toe, die zich +zienderoog verder uitstrekte. + +Twee uur later was hij er nog slechts drie mijlen van verwijderd. + +Dit gedeelte van de kust liep in het noord-oosten uit in een vrij +hooge kaap, die een soort van open ree verborg. In het Zuid-oosten +daarentegen, verlengde zij zich tot een smalle landtong. + +Eenige boomen bekroonden een reeks van niet zeer verheven rotsachtige +steilten, die zich scherp tegen den hemel afteekenden. Maar op het +geografisch karakter van het land was het duidelijk, dat de achtergrond +gevormd werd door de hooge bergketen der Andes. + +Overigens was er geen woning, geen haven, geen riviermonding in +'t gezicht die aan een vaartuig tot schuilplaats had kunnen dienen. + +Op dit oogenblik liep de _Pelgrim_ rechtstreeks op het land toe. + +Met het kleine aantal zeilen waarover hij nu beschikken kon en den +wind op de kust, was het Dick Sand onmogelijk hem er af te houden. + +Vooraan liep een lange lijn klippen waartegen de hoog opbruisende +golven braken en een eind weegs het strand op, wit schuimend +uiteenspatten. Er moest daar een geduchte branding zijn. + +Dick Sand, die eenigen tijd op den bak gebleven was om de kust te +observeeren, kwam op het achterschip terug en nam het roer weder +in handen. + +De wind wakkerde steeds aan. De schoenerbrik bevond zich weldra nog +slechts een mijl van het strand af. + +Dick Sand merkte toen een soort van kleine baai op waarin hij besloot +binnen te loopen; maar vóór haar te bereiken moest hij de lijn van +klippen door, waartusschen het moeielijk zou geweest zijn een doortocht +te vinden. De branding toonde aan dat het water overal ontbrak. + +Op dit oogenblik sprong Dingo, die op het dek heen en weder liep, +naar voren en deed, met den kop naar de kust gewend, een klaaglijk +geblaf hooren. Men zou gezegd hebben dat de hond dit strand herkende +en dat zijn instinct hem een smartelijke herinnering in het geheugen +terugbracht. + +Negoro hoorde het zeker, want een onweerstaanbaar gevoel drong hem +buiten de kombuis, en hoewel hij den hond moest vreezen, ging hij +bijna dadelijk over de verschansing hangen. + +Zeer gelukkig voor hem, merkte Dingo, wiens droevig geblaf steeds +tot dat land gericht was, hem niet op. + +Negoro scheen zich over de woeste branding volstrekt niet ongerust +te maken. Mevr. Weldon, die hem waarnam, meende op te merken dat er +zich een lichte blos over zijn gelaat verspreidde en zijn trekken +zich een oogenblik samentrokken. + +Zou Negoro het punt van het vaste land herkend hebben waar de wind +den _Pelgrim_ heen dreef? + +Op dit oogenblik verliet Dick Sand het roer dat hij aan den ouden +Tom overgaf. Een laatste maal nam hij den inham op, die zich allengs +opende. Toen, zich tot Mevr. Weldon wendende, sprak hij met vaste stem: + +"'k Heb geen hoop meer, Mevrouw een schuilplaats te vinden! Over een +half uur zal, niettegenstaande al mijn pogingen, de _Pelgrim_ op de +klippen stooten. We moeten hem op het strand zetten! Ik zal het schip +niet meer naar een haven kunnen brengen! 'k Ben genoodzaakt het op +te offeren om u te redden! Maar tusschen uw geluk en het mijne mag +ik niet aarzelen!" + +"Heb je alles gedaan wat mogelijk was, Dick?" vroeg Mevr. Weldon. + +"Alles," antwoordde de leerling. + +Een oogenblik later ging hij over tot de toebereidselen voor de +schipbreuk. + +Vooreerst werden Mevr. Weldon, Jack, neef Benedictus en Nan met +zwemgordels voorzien. Dick Sand, Tom en de andere zwarten, bekwame +zwemmers namen eveneens maatregelen om de kust te bereiken, indien +zij misschien in zee geworpen werden. + +Hercules werd speciaal belast met de zorg voor Mevr. Weldon. + +De leerling zou voor den kleinen Jack zorgen. Neef Benedictus, die +overigens zeer bedaard was, verscheen op het dek, omhangen met zijn +insectendoos. De leerling beval hem aan Bat en Austin aan. Wat Negoro +aangaat, zijn zonderlinge bedaardheid deed genoeg zien dat hij van +niemand hulp behoefde. + +Dick Sand liet, als uiterste voorzorg, een tiental vaten met +walvischtraan op den bak brengen. + +Deze olie op het juiste oogenblik dat de _Pelgrim_ zich in de branding +zou bevinden, uitgegoten, moest de zee een oogenblik doen bedaren +door de watermolecule glad te maken, hetgeen het passeeren van het +schip tusschen de klippen misschien gemakkelijk zoude maken. + +Dick Sand wilde niets verzuimen dat misschien het geluk van allen +kon verzekeren. + +Nadat al deze voorzorgen genomen waren, kwam de leerling zijn plaats +aan het roerrad weder innemen. + +De _Pelgrim_ was nog slechts twee kabellengten van de kust verwijderd, +in de onmiddellijke nabijheid van de klippen. Zijn bakboordszijde +baadde reeds in het witte schuim der branding. Elk oogenblik kon de +kiel van het vaartuig tegen een verborgen klip stooten. + +Eensklaps zag Dick Sand aan een verandering van de kleur van het water, +dat er een doorvaart tusschen de klippen liep. Hij moest het vaartuig +zonder aarzeling in de opening sturen, om zoo dicht mogelijk bij de +kust te stranden. + +De leerling aarzelde dan ook niet. Een wending van het roer wierp +het schip in de nauwe en bochtige geul. + +Op deze plaats was de zee nog onstuimiger en de golven stoven tot op +het dek. + +De negers waren voor, bij de vaten geposteerd, en wachtten op de +orders van den leerling. + +"Stort de traan uit!" riep Dick Sand. + +Als door tooverij bedaarde de zee onder deze olie, al werd zij in +het volgende oogenblik woedender dan ooit. + +De _Pelgrim_ gleed snel over het gladde water en richtte zich +rechtstreeks naar het strand. + +Plotseling had er een schok plaats. Het schip werd door een geduchte +golf in de hoogte getild en op het strand gezet, terwijl de masten +daarbij vielen zonder iemand te verwonden. + +De romp van den _Pelgrim_, midden doorgebroken door den schok, werd +met geweld door het water overstroomd. Maar het strand was slechts +een halve kabellengte verwijderd, en langs een keten van kleine +zwartachtige rotsen was het gemakkelijk te bereiken. + +Ook waren drie minuten later allen die zich op den _Pelgrim_ bevonden, +aan den voet van het rotsachtige strand ontscheept. + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +WAT MEN DOEN MOET. + + +Na een overtocht dus, langen tijd door windstilte belemmerd, daarna +door noord- en zuidwestenwinden begunstigd--een overtocht die niet +minder dan vier-en-zeventig dagen geduurd had,--werd de _Pelgrim_ +op het strand geworpen. + +Evenwel dankten Mevr. Weldon en haar metgezellen de Voorzienigheid, +zoodra zij behouden aan land waren. + +Het was werkelijk een vasteland en niet een der noodlottige eilanden +van Polynesië waarop de storm hen geworpen had. Den terugkeer in +hun vaderland, op welk punt van Zuid-Amerika zij ook geland waren, +stond naar het scheen, geen ernstige beletselen in den weg. + +Wat de _Pelgrim_ aangaat, deze was verloren. Het was slechts een +geraamte zonder waarde, welks overblijfselen binnen weinige uren door +de branding zouden verspreid zijn. Het zou onmogelijk geweest zijn er +iets van te redden. Maar al mocht Dick Sand het genoegen niet smaken +zijn reeder een onbeschadigd vaartuig thuis te brengen, toch waren, +dank zij hem, zij die er zich op bevonden, frisch en gezond op een +gastvrije kust aangeland en onder deze de vrouw en het kind van James +W. Weldon. + +Wat nu de vraag betreft op welk gedeelte van de Amerikaansche +kust de schoener-brik gestrand was, daarover had men lang kunnen +beraadslagen. Was het, zooals Dick Sand moest veronderstellen, op +de kust van Peru? Misschien, want hij wist door de verkenning van +het Paasch-eiland, dat de _Pelgrim_ door de werking der winden en +ongetwijfeld ook onder den invloed der aequatoriale stroomen, naar het +noord-oosten was gedreven. Van den drie-en-veertigsten breedtegraad, +had hij zeer goed tot den vijftienden kunnen afdrijven. + +Het was dus van belang zoo spoedig mogelijk het juiste punt der kust +te weten waar de schoenerbrik gestrand was. Gesteld dat deze kust +die van Peru was, dan ontbraken de havens, de steden en dorpen er +niet en zou het bijgevolg gemakkelijk zijn de eene of andere bewoonde +plaats te bereiken. Wat dit gedeelte van het strand betrof, het scheen +geheel verlaten. + +Het was een smalle, hier en daar door zwarte rotsen afgewisselde +oever, die door een kustrand van tamelijke hoogte werd afgesloten; deze +kustrand werd zeer onregelmatig doorsneden door groote, trechtervormige +openingen, gevormd door het doorbreken der rots. Hier en daar gaven +eenige zachte hellingen toegang tot den top. + +Ten noorden, op een kwart mijl van de plaats van de stranding, +bevond zich de monding eener kleine rivier, die uit volle zee niet +kon gezien worden. Langs haar oevers hingen talrijke "rhizophoren" +over het water, een soort van wortelboomen, geheel verschillende van +die van hetzelfde geslacht in Indië. + +De steile kust was aan den top bedekt door een dicht bosch, dat steeds +een door den wind in golvende beweging verkeerende groene massa aanbood +en zich uitstrekte tot de bergen op den achtergrond. Wel zou neef +Benedictus, zoo hij in plaats van entomoloog botanist ware geweest, +opgetogen zijn door het ontzaglijk aantal voor hem vreemde boomen! + +Het waren hooge baobabs of apenbroodboomen,--waaraan men verkeerdelijk +een buitengewoon hoogen ouderdom heeft toegeschreven,--plataanboomen, +witte pijnboomen, tamarindeboomen, peperboomen van een bijzondere +soort en honderd andere gewassen, die een Amerikaan uit de noordelijke +streken der nieuwe wereld niet gewoon is te zien. + +Maar als een zonderlinge omstandigheid moet vermeld worden dat men +onder al deze boomsoorten geen enkel exemplaar ontmoet van de talrijke +familie der palmboomen, die meer dan duizend soorten telt en verspreid +zijn over bijna de geheele oppervlakte der aarde. + +Boven het strand zweefde een groot aantal schel schreeuwende vogels, +die grootendeels tot verschillende soorten van zwaluwen behoorden, +zwart van veeren met een staal blauwen weerschijn, maar kastanje-bruin +van kleur boven op den kop. Hier en daar vlogen ook eenige patrijzen +op met een geheel kalen hals en grijs van kleur. + +Mevr. Weldon en Dick Sand merkten op, dat al deze vogels niet zeer wild +schenen te zijn. Men kon ze naderen zonder ze te verjagen. Hadden +zij dan nog niet geleerd den mensch te vreezen en was die kust +zoo verlaten, dat de losbarsting van een vuurwapen er nog nooit +was gehoord? + +Aan den rand der klippen wandelden eenige pelikanen, die zich druk +bezig hielden met den zak dien zij tusschen de takken van hun onderkaak +dragen met kleine vischjes te vullen. + +Eenige meeuwen uit volle zee gekomen, begonnen om den _Pelgrim_ +heen te vliegen. + +Maar deze vogels waren dan ook de eenige wezens die dit gedeelte +van de kust schenen te bezoeken,--ongerekend, voorzeker, een aantal +belangwekkende insecten, die neef Benedictus wel zou opsporen. Maar, +hoe het den kleinen Jack ook ter harte ging, hun kon men den naam +van het land niet vragen, en om dien naam te weten diende men zich +wel tot een inboorling te richten. + +Doch er waren geen inboorlingen, of men zag er althans geen. Evenmin +een hut of tent, noch ten noorden aan den anderen oever van het kleine +riviertje, noch ten zuiden, noch eindelijk op den top van de steile +kust, te midden van de boomen van het dichte woud. Geen rookkolom +zag men boven het bosch ten hemel kronkelen. Geen enkel bewijs, +teeken of indruk gaf te kennen dat dit gedeelte van het vasteland +door menschelijke wezens bezocht werd. + +Dick Sand was tamelijk verwonderd. + +"Waar zijn we? Waar kunnen we zijn?" dacht hij bij zich zelven. "Er +is niemand wien het te vragen!" + +Niemand, inderdaad, en indien zich een inboorling in de nabijheid +bevond, zou Dingo hem stellig geroken en door blaffen aangemeld +hebben. De hond liep heen en weder op de zandige kust met den neus +langs den grond, den staart omlaag, dof knorrende, ongetwijfeld met +zeer vreemde bewegingen, maar noch de nadering van een mensch, noch +die van eenig dier verradende. + +"Zie Dingo toch eens!" zei Mevr. Weldon. + +"Ja, 't is vreemd!" antwoordde de leerling. "Het schijnt dat hij +tracht een spoor te vinden!" + +"Zeer vreemd, dat is zeker!" mompelde Mevr. Weldon. + +"Wat doet Negoro?" vroeg zij. + +"Hij doet, wat Dingo doet," antwoordde Dick Sand. "Hij komt, hij +gaat!.... Maar in alle geval, is hij hier vrij. 'k Heb het recht niet +meer hem bevelen te geven. Zijn dienst is geëindigd met het stranden +van den _Pelgrim_!" + +Werkelijk liep Negoro met groote schreden heen en weder, keerde zich +om, bekeek het strand en de steile kust, als iemand die tracht zich +een of ander feit te herinneren. Kende hij dan dat land? Hij zou +waarschijnlijk geweigerd hebben die vraag te beantwoorden als men hem +haar gedaan had. Het beste was nog, zich niet met den ongezelligen +mensch te bemoeien. Dick Sand zag weldra dat hij zich naar de zijde +van het kleine riviertje begaf, en toen Negoro bij de bocht van den +hoogen oever verdween, dacht hij niet meer aan hem. + +Dingo had wel geblaft toen de kok op den oever verscheen, maar hij +was bijna dadelijk uitgescheiden. + +Men moest nu bedacht zijn op 't geen het noodzakelijkst was. Nu was +het hoog noodig een beschutting, een wijkplaats te vinden, waar men +zich voorloopig kon vestigen en eenig voedsel nemen. Daarna zou men +dan raad schaffen en beslissen wat te doen. + +Over voedsel behoefde men zich niet ongerust te maken. Om niet te +spreken van de hulpbronnen die het land moest opleveren, was de +kombuis of voorraadkamer van het schip geledigd ten voordeele van +de overlevenden van de schipbreuk. De branding had hier en daar, te +midden der klippen die de eb nu bloot had gelegd, een groote menigte +voorwerpen geworpen. Tom en zijn kameraden hadden reeds eenige vaatjes +beschuit, blikken bussen met allerlei voedingstoffen en kisten met +gedroogd vleesch opgevischt. Daar het water ze niet beschadigd had, +was de voeding van den kleinen troep voor langer verzekerd dan ze +noodig zouden hebben om een dorp of vlek te bereiken. In dit opzicht +was er niets te vreezen. Deze verschillende goederen waren reeds door +hen in zekerheid gebracht, zoodat zij bij den vloed niet door de zee +hernomen konden worden. + +Ook aan zoet water was geen gebrek. Dadelijk had Dick Sand zorg +gedragen door Hercules eenige pinten uit de kleine rivier te +laten halen. De sterke neger had zich echter niet met eenige pinten +vergenoegd, maar een ton op den schouder genomen en dezen met versch +en zuiver water gevuld. + +Indien het noodig was vuur aan te steken, was er geen gebrek aan +dood hout in den omtrek en daarenboven konden de wortels der oude +wortelboomen al de brandstof leveren die men noodig had. De oude Tom +was een sterke rooker en als zoodanig steeds voorzien van een zekere +hoeveelheid zwam, goed bewaard in een hermetisch gesloten doos, en +als men het wilde zou men vuurslaan, al was het met de keisteenen +uit het zand aan den oever. + +Er bleef dus nu nog over een plek op te sporen waar de kleine troep +zich zou kunnen verschuilen, indien zij mochten goedvinden één nacht +rust te nemen voordat zij zich weder op marsch begaven. + +En daar was het nu waarlijk de kleine Jack die de bedoelde slaapkamer +vond. Terwijl hij aan den voet van den steilen oever heen en weer +trippelde, ontdekte hij achter een rotswand een van die fraaie, +ruime grotten met gladde wanden, die de zee zelf uitholt, als haar +onstuimige golven de kust beuken. + +Het kind was verrukt. Hij riep zijn moeder, en juichend kwam hij haar +halen om haar zegevierend zijn ontdekking te toonen. + +"Goed, mijn Jack!" antwoordde Mevr. Weldon. "Als we Robinsons waren, +die deze kust lang moesten bewonen, zouden we haar stellig naar jou +een naam geven!" + +De grot was slechts tien of twaalf voet diep en even zoo breed, maar +in de oogen van den kleinen Jack, was het een ontzaglijk hol. Genoeg +dat zij ruim genoeg was om de schipbreukelingen te bergen, en--'t +geen met genoegen door Mevr. Weldon en Nan werd opgemerkt,--zij was +zeer droog. De maan was in haar eerste kwartier, en het was niet te +vreezen dat het getij den voet der steile kust en dus de grot zou +bereiken. Men kon zich dus zonder zorg eenige uren te rusten leggen. + +Tien minuten later waren allen op een tapijt van zeegras +uitgestrekt. Zelfs Negoro had gemeend zich bij het troepje te moeten +voegen en zijn aandeel in den maaltijd te nemen, die gezamenlijk zou +gehouden worden. Ongetwijfeld was het hem minder aangenaam voorgekomen +zich alleen te wagen in het dichte woud, waar doorheen de bochtige +rivier kronkelde. + +Het was één uur na den middag. Het in bussen bewaarde vleesch, de +beschuit, het versche water met eenige druppels rum, waarvan Bat +eenige flesschen gered had, maakten de menu van dezen maaltijd uit. + +Maar al nam Negoro er deel aan, toch mengde hij zich volstrekt niet in +het gesprek, waarin over de maatregelen beraadslaagd werd, die in den +toestand der schipbreukelingen zouden moeten genomen worden. Evenwel +hoorde hij toe, zonder het te laten blijken, en trok ongetwijfeld +zijn voordeel uit hetgeen hij hoorde. + +Gedurende dien tijd waakte Dingo, dien men niet vergeten had, buiten +de grot. Geen levend wezen zou zich op het strand vertoond hebben +zonder dat het getrouwe dier bij tijds gewaarschuwd had. + +Mevr. Weldon, die haar kleinen Jack half liggende en bijna ingeslapen +op haar schoot hield, nam het woord. + +"Dick, mijn vriend," zeide zij, "uit naam van allen zeg ik je dank +voor de zorg en opofferingen die ge u voor ons getroost hebt, maar we +laten je nog niet los. Je zult onze leidsman zijn te land, zooals je +onze kapitein aan boord waart. Al onze hoop is op je gevestigd. Spreek +dus! Wat moeten we doen?" + +Mevr. Weldon, de oude Nan, Tom en zijn kameraden, allen hadden de oogen +op den leerling gevestigd. Zelfs Negoro zag hem met een zonderlinge +belangstelling aan. Blijkbaar was hij zeer nieuwsgierig naar 't geen +Dick zou zeggen. + +Nadat Dick Sand eenige oogenblikken had nagedacht, zeide hij: + +"Mevrouw Weldon, in de eerste plaats is het van het grootste belang te +weten, waar we zijn. Ik geloof dat ons schip geland is op dat gedeelte +van het Amerikaansche strand dat de Peruviaansche kust vormt. De winden +en de stroomen hebben het tot deze breedte gebracht. Maar.... bevinden +we ons hier in een van de zuidelijke provinciën van Peru, namelijk in +het minst bewoonde gedeelte, dat aan de pampa's grenst? Misschien. Bij +het zien van deze woeste kust, die slechts weinig schijnt bezocht te +worden, zou ik het haast zelf gaan gelooven. In dat geval, zou het +kunnen zijn dat we vrij ver van het dichtstbij zijnde dorp verwijderd +waren, 't geen zeer noodlottig zou zijn." + +"Welnu, wat te doen?" herhaalde Mevr. Weldon. + +"Ik zou raden," hernam Dick Sand, deze schuilplaats niet te verlaten +voor dat we goed omtrent onzen toestand zijn ingelicht. Morgen, na een +nacht rust, zouden twee van ons op ontdekking kunnen uitgaan. Zij +moeten dan trachten, zonder zich te ver te verwijderen, eenige +inlanders te ontmoeten, inlichtingen bij hen in te winnen en daarna +naar de grot terugkeeren. Het is niet mogelijk dat men binnen tien +of twaalf mijlen niemand zou vinden." + +"Zouden we ons van elkander scheiden!" zei Mevr. Weldon. + +"Dat komt me noodzakelijk voor," antwoordde de leerling. "Zoo we op +deze wijze volstrekt geen inlichtingen kunnen verkrijgen en wat bijna +onmogelijk is, de streek geheel verlaten blijkt, welnu! dan zullen +we ons best doen om ons op een andere manier uit onze verlegenheid +te redden." + +"En wie van ons zou op ontdekking uitgaan?" vroeg Mevr. Weldon, +na een oogenblik nagedacht te hebben. + +"Dat zouden we moeten bepalen," antwoordde Dick Sand. "Evenwel dunkt +me, dat u, mevrouw, Jack, mijnheer Benedictus en Nan, deze grot +niet moet verlaten. Bat, Hercules, Actéon en Austin zouden dan bij +u blijven, terwijl Tom en ik op verkenning zouden gaan.--Negoro zal +wel liever hier blijven?" voegde Dick Sand er bij, terwijl hij den +kok aankeek. + +"Dat zou wel kunnen zijn," antwoordde Negoro, die de man niet was om +zich verder uit te laten. + +"We nemen dan Dingo mede," hernam de leerling. "Hij zou ons op onzen +tocht nuttig kunnen zijn." + +Toen Dingo zijn naam hoorde noemen, vertoonde hij zich aan den ingang +der grot en scheen door een zacht geblaf de plannen van Dick Sand +goed te keuren. + +Sedert de leerling dit voorstel gedaan had, bleef Mevr. Weldon +in gedachten verdiept. Met tegenzin dacht zij aan een scheiding, +hoe kort dan ook. Was het niet mogelijk dat de schipbreuk van den +_Pelgrim_ bij de Indiaansche stammen die de kust, hetzij ten noorden +hetzij ten zuiden bezochten, bekend werd, en was het, ingeval er +strandroovers opdaagden, niet beter dat allen vereenigd waren om hen +terug te dringen. + +Deze tegenwerping tegen het voorstel van Dick Sand, verdiende werkelijk +wel overwogen te worden. + +Zij viel evenwel voor zijn bewijsgronden, daar hij deed opmerken dat +de Indianen niet verward moesten worden met de wilden van Afrika +of Polynesië en dat een aanval van hun zijde waarschijnlijk niet +te vreezen was. Maar dit land binnen te dringen zonder zelfs te +weten tot welke provincie van Zuid Amerika het behoorde, noch op +welken afstand zich het naaste dorp dezer provincie bevond, zou een +hoogstvermoeiende taak geweest zijn. De scheiding kon weliswaar met +ongelegenheden gepaard gaan, maar minder dan een tocht te ondernemen +door een bosch dat zich scheen uit te strekken tot den voet der bergen. + +"Ook," herhaalde Dick Sand, aandringende, "kan ik niet gelooven dat +deze scheiding van langen duur zal zijn, en ik durf wel zeggen dat +zij het niet zal zijn. Als Tom en ik na twee dagen op zijn hoogst +geen woning of geen bewoner ontmoet hebben, keeren we naar de grot +terug. Maar dat zou al te onwaarschijnlijk zijn en we zullen geen +twintig mijlen in het binnenland afgelegd hebben, of we zullen +met de geographische ligging bekend zijn. 't Is mogelijk dat ik me +vergist heb, omdat de middelen om de ligging astronomisch te bepalen +me ontbroken hebben, zoodat het niet onmogelijk is, dat we op een +hoogere of een lagere breedte zijn." + +"'k Moet je gelijk geven, mijn kind!" antwoordde Mevr. Weldon, die +zich zeer ongerust maakte. + +"En u, mijnheer Benedict," vroeg Dick Sand, "wat dunkt u van dit plan?" + +"Ik?...." antwoordde neef Benedictus. + +"Ja, hoe zoudt u er over denken?" + +"Ik kan geen raad geven," antwoordde neef Benedictus. "Ik vind alles +goed wat men voorstelt en ik zal alles doen wat men wil. 't Zou me +heel goed bevallen hier een paar dagen te blijven, dan kon ik dien +tijd besteden om dit strand uit een zuiver entomologisch oogpunt +te bestudeeren." + +"Doe dan zoo als ge wilt," zei Mevr. Weldon tot Dick Sand. "Wij zullen +hier blijven en gij zult met den ouden Tom vertrekken." + +"Dat is dus afgesproken," zei neef Benedictus met de grootste +bedaardheid. "Ik ga een bezoek aan de insecten van het land brengen." + +"Verwijder u niet te ver, mijnheer Benedict," zei de leerling. "We +kunnen u dat niet genoeg op het hart drukken!" + +"Maak je maar niet ongerust, mijn jongen." + +"En breng ons vooral maar niet te veel muskieten mee!" voegde de oude +Tom er bij. + +Eenige minuten later verliet de entomoloog de grot, met zijn kostbare +blikken bus aan een band over den schouder. + +Bijna op hetzelfde oogenblik verliet ook Negoro de grot. Het scheen zoo +in het karakter van den man te liggen zich met niemand af te geven dan +met zich zelven. Maar terwijl neef Benedictus de steile kust beklom, +om den rand van het bosch te gaan doorsnuffelen, verwijderde Negoro +zich, naar de rivier terugkeerende, met langzame schreden en verdween +hij terwijl hij den steilen waterkant voor de tweede maal beklom. + +Jack bleef altijd door slapen. Mevr. Weldon liet hem op den schoot +van Nan en daalde naar het strand af. Dick Sand volgde haar met zijn +kameraden. Zij wilden zich vergewissen of de toekomst der zee zou +toelaten zich naar den romp van den _Pelgrim_ te begeven, alwaar zich +nog een menigte voorwerpen bevonden die de kleine troep kon gebruiken. + +De klippen waarop de schoenerbrik gestrand was, lagen nu +droog. Temidden van overblijfselen van allerlei aard vertoonde zich de +romp van het vaartuig, gedeeltelijk overdekt door de hooge zee. Dit +wekte wel eenigszins de bevreemding op van Dick Sand, want hij wist +dat de vloed op de Amerikaansche kust van de Stille Zuidzee niet hoog +is. Maar dit verschijnsel liet zich toch ook zeer goed verklaren door +den wind die op de kust stond. + +Het terugzien van hun vaartuig maakte op Mevr. Weldon en haar +metgezellen een pijnlijken indruk. Daar hadden zij te zamen zoovele +dagen in lief en leed doorgebracht! Het gezicht van dat arme schip, +half gebroken, zonder mast en zeilen, op zijde liggende als een wezen +van het leven beroofd, deed hun smartelijk aan. + +Maar voordat de zee dien romp geheel zou verzwelgen, moest men hem +bezoeken. + +Dick Sand en de negers konden zich gemakkelijk in het ruim laten +afzakken, na zich door middel van de touwen, die langs de zijde van de +_Pelgrim_ hingen op het dek geheschen te hebben. Terwijl Tom, Hercules, +Bat en Austin zich bezighielden met alles uit de kombuis te halen wat +hun nuttig kon zijn, zoowel spijzen als dranken, drong de leerling +in de kerk door. Den hemel zij dank was het water nog niet in dit +gedeelte van het vaartuig binnengedrongen, daar het achterschip na +de branding boven was gebleven. + +Daar vond Dick Sand vier geweren in goeden staat--uitmuntende +remmingtons,--alsmede een honderdtal patronen. Dit was voldoende om +zijn kleinen troep te wapenen en hen in staat de stellen weerstand +te bieden, indien zij onverhoopt onder weg door Indianen werden +aangevallen. + +De leerling verzuimde ook niet een zakkompas mede te nemen; maar de +scheepskaarten, in een hut van de voorplecht geborgen en door het +water beschadigd, waren nutteloos. + +Ook bevonden er zich in het arsenaal van de _Pelgrim_, eenige van +die stevige houwers of hartsvangers die dienen om den walvisch in +stukken te hakken. Dick Sand koos er zes uit, die bestemd waren om +de bewapening zijner metgezellen volledig te maken, en hij vergat +ook niet een onschadelijk kindergeweer mede te nemen dat den kleinen +Jack toebehoorde. + +Wat de overige voorwerpen betreft, die het schip nog bevatte, zij lagen +hier en daar verspreid, of zij konden niet meer dienen. Bovendien was +het niet noodig zich zoo zwaar te belasten voor de weinige dagen dat de +reis zou duren. Van levensmiddelen, wapenen, ammunutie, was men meer +dan voorzien. Evenwel verzuimde Dick Sand, op raad van Mevr. Weldon, +niet om al het geld mede te nemen dat zich aan boord bevond,--ongeveer +vijfhonderd dollars. + +Het was waarlijk niet veel! Mevr. Weldon had een veel grootere som +in haar bezit gehad, maar men vond ze niet terug. + +Wie anders dan Negoro had gezorgd de eerste bezoeker van het schip +te zijn en wie anders dan hij had den geldvoorraad van kapitein +Hull en van Mevr. Weldon geplunderd? Niemand anders dan hij kon +verdacht worden. Toch twijfelde Dick Sand een oogenblik. Wat hij +van hem wist en opmerkte was wel geschikt om dit sombere karakter, +wien het leed van anderen een glimlach kon afpersen, te vreezen! Ja, +Negoro was een slecht mensch, maar mocht men daaruit besluiten dat +hij een misdadiger was? Zoover kon Dick Sand met zijn rechtschapen +karakter niet gaan. En toch, kon men vermoeden op iemand anders +hebben? Neen, de brave negers hadden geen oogenblik de grot verlaten, +terwijl Negoro over het strand had loopen dwalen. Hij alleen moest +de schuldige zijn. Dick Sand besloot dus Negoro te ondervragen en +des noods zijn zakken te laten doorzoeken, zoodra hij terugkwam. Hij +wilde met zekerheid weten waaraan zich te houden. + +De zon neigde toen ter kim. Op dezen datum, had zij den aequator nog +niet overschreden om warmte en licht in het noordelijk halfrond te +verspreiden, maar zij naderde den evenaar. Zij viel dus bijna loodrecht +op die cirkelvormige lijn waar zee en lucht ineenliepen,--'t geen +den leerling in het denkbeeld versterkte dat hij aangeland was op +een punt van de kust, tusschen den Steenbokskeerkring en den evenaar. + +Mevr. Weldon, Dick Sand en de negers keerden naar de grot terug om +eenige uren rust te genieten. + +"De nacht zal onstuimig zijn," deed Tom opmerken terwijl hij naar +den horizon wees, door dikke wolken verduisterd. + +"Ja," antwoordde Dick Sand, "er zal een stevige koelte waaien. Maar +wat doet het er nu toe! Ons arm schip is verloren en de storm kan +ons niet meer deren!" + +"Gods wil geschiede!" zei Mevr. Weldon. + +Men kwam overeen dat de negers in dezen nacht, die zeer donker +zou zijn beurt om beurt aan den ingang der grot de wacht zouden +houden. Daarenboven kon men zich veilig op de waakzaamheid van Dingo +verlaten. + +Men bemerkte toen dat neef Benedictus, nog niet terug was. + +Hercules riep hem met alle kracht zijner machtige longen, en bijna +onmiddellijk daarop zag men den entomoloog haastig den steilen oever +afklimmen, op gevaar af zich den nek te breken. + +Neef Benedictus was woedend. Hij had geen enkel nieuw insect in het +bosch gevonden, neen, geen enkel dat waard was in zijn verzameling te +prijken! Schorpioenen, duizendpooten en andere myriapoden, zooveel +men maar wilde en zelfs nog meer! En men weet dat neef Benedictus +niet bijzonder ingenomen was met de myriapoden. + +"'t Was wel de moeite waard," voegde hij er bij, "vijf of zes duizend +mijlen te hebben afgelegd, vreeselijke stormen getrotseerd te hebben, +op de kust geworpen te zijn, en dan geen enkele van die Amerikaansche +hexapoden te vinden, die den roem uitmaken van een entymoloogsch +museum! 't Was waarlijk wel de moeite waard!" + +Tot besluit vroeg neef Benedictus, om maar verder te gaan. Hij wilde +geen uur langer op die ellendige kust blijven. + +Mevr. Weldon trachtte haar groot kind tot bedaren te brengen. Zij gaf +hem de hoop dat hij den volgenden dag gelukkiger zou zijn, waarna +allen zich in de grot begaven om er tot zonsopgang te slapen, toen +Tom de opmerking maakte dat Negoro niet teruggekeerd was, hoewel de +nacht reeds was aangebroken. + +"Waar zou hij zijn?" vroeg Mevr. Weldon. + +"Wat scheelt het ons!" zei Bat. + +"Het scheelt ons integendeel veel," antwoordde Mevr. Weldon. "'k Had +liever dat die man bij ons was." + +"U hebt gelijk, mevrouw Weldon," zei Dick Sand; "maar, zoo hij uit +eigen beweging stil uit ons gezelschap verdwenen is, zie ik niet in +hoe we hem zouden kunnen dwingen om weer bij ons te komen! Wie weet +of hij geen reden heeft ons gezelschap voor altoos te mijden!" + +En zoo, dat de anderen hem niet hooren konden, deelde Dick Sand haar +zijn vermoeden mede. Het verwonderde hem niet van haar te hooren dat +ook zij hem verdacht had. Alleen verschilden zij in één punt. + +"Als Negoro terugkomt," zei Mevr. Weldon, "zal hij zijn diefstal op +een veilige plaats geborgen hebben. Mij dunkt, daar we hem toch niet +kunnen overtuigen, zal het beste zijn, hem ons vermoeden verborgen te +houden en hem daardoor in den waan te brengen dat we zijn dupes zijn." + +Mevr. Weldon had gelijk. Dick Sand stemde dan ook geheel met haar in. + +Evenwel riep men Negoro herhaaldelijk naar alle kanten.... Hij +antwoordde niet. Of hij was reeds te ver om te hooren of hij wilde +niet terugkeeren. + +De zwarten waren er niet rouwig om dat zij van zijn tegenwoordigheid +verlost waren, maar zooals Mevr. Weldon terecht gezegd had, hij was +misschien nog meer in de verte dan dichtbij te vreezen! Maar hoe te +verklaren dat Negoro zich geheel alleen in dat onbekende land ging +wagen? Was hij misschien verdwaald, en trachtte hij in dien donkeren +nacht te vergeefs den weg naar de grot te vinden? + +Mevr. Weldon en Dick Sand wisten niet wat zij denken moesten. Hoe +het zij, men mocht, om op Negoro te wachten, zich niet van de rust +berooven die allen zoo noodig hadden. + +Op dit oogenblik begon de hond die op het strand liep, met kracht +te blaffen. + +"Wat scheelt Dingo toch?" vroeg Mevr. Weldon. + +"We moeten het volstrekt weten," antwoordde de leerling. "Misschien +is het Negoro wel!" + +Onmiddellijk begaven Hercules, Bat Austin en Dick Sand zich naar de +monding der rivier. + +Maar toen zij aan den oever kwamen, zagen en hoorden zij niets. Dingo +zweeg nu. + +Dick Sand en de negers keerden naar de grot terug. + +De slaapgelegenheden werden zoo goed mogelijk ingericht. + +De zwarten maakten zich gereed om beurtelings buiten te waken. + +Maar Mevr. Weldon was ongerust en kon niet slapen. Het land waarnaar +zij zoo vurig verlangde, gaf haar tot nog toe niet wat zij gehoopt had, +veiligheid voor de haren en rust voor haar zelf. + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + +HARRIS. + + +Den volgenden morgen, 7 April, zag Austin, die met het krieken van +den dag de wacht hield, Dingo blaffende naar het kleine riviertje +snellen. Bijna op hetzelfde oogenblik traden Mevr. Weldon, Dick Sand +en de negers uit de grot te voorschijn. + +Het leed geen twijfel of er was iets gaande. + +"Dingo heeft een levend wezen geroken, een mensch of een beest," +zei de leerling. + +"In alle geval is het Negoro niet," deed Tom opmerken, "want dan zou +Dingo woedend blaffen." + +"Als het Negoro niet is, waar zou hij dan toch kunnen zijn?" vroeg +Mevr. Weldon, terwijl zij een blik naar Dick Sand wierp die alleen +door haar begrepen werd, "en als hij het niet is, wie is het dan?" + +"Wij zullen het spoedig weten, Mevr. Weldon," antwoordde de leerling. + +Daarna, zich tot Bat, Austin en Hercules wendende: + +"Wapent u, vrienden, en komt mee!" + +De negers namen ieder een geweer en een hartsvanger, evenals Dick Sand +gedaan had. Na de geweren geladen te hebben, richtten allen zich naar +den oever der rivier. + +Mevr. Weldon, Tom en Actéon bleven bij den ingang der grot, waar de +kleine Jack en Nan zich nog bevonden. + +De zon kwam op. Haar stralen, die door de hooge bergen van het oosten +werden opgevangen, kwamen niet rechtstreeks tot het strand; maar tot +den westelijken horizon, zoover het oog reikte, schitterde de zee +onder het eerste licht van den dag. + +Dick Sand en zijn metgezellen hielden het midden van het strand welks +kromming zich met de monding der rivier vereenigde. + +Daar zagen zij Dingo onbeweeglijk als een staande hond, steeds +blaffende. Blijkbaar zag of rook hij een inboorling. + +En werkelijk had de hond het dezen keer niet tegen Negoro, zijn vijand +aan boord. + +Van achter den laatsten hoek van den rotsachtigen oever kwam een man +te voorschijn. Hij naderde voorzichtig en trachtte door vriendelijke +gebaren Dingo te doen bedaren. Men kon zien dat hij volstrekt niet +onverschillig was voor den toorn van het krachtige dier. + +"'t Is Negoro niet!" zeide Hercules. + +"We verliezen niets met den ruil!" antwoordde Bat. + +"Neen," zei de leerling, "'t Is waarschijnlijk een inboorling die ons +het onaangename van onze scheiding zal besparen. Eindelijk zullen we +dan toch eens te weten komen waar we juist zijn!" + +En alle vier wierpen hun geweer op den schouder en liepen snel op +den vreemdeling toe. + +Toen deze hen zag naderen gaf hij in 't eerst teekenen van de +grootste verbazing. Ongetwijfeld verwachtte hij geen vreemdelingen +op dit gedeelte van de kust te ontmoeten. Blijkbaar ook had hij +het wrak van de _Pelgrim_ nog niet opgemerkt, want anders had +hij de tegenwoordigheid van schipbreukelingen zeer natuurlijk +gevonden. Trouwens had ook de branding gedurende den nacht den romp +van het schip geheel vernietigd en bleef er niets anders van over +dan wrakhout dat naar volle zee wegdreef. + +Toen de onbekende de vier gewapende mannen naar zich zag toe komen, +maakte hij in het eerste oogenblik een beweging om terug te keeren. Hij +droeg een geweer aan een riem tegen den schouder en liet het snel van +zijn schouder in zijn hand en uit zijn hand weder tegen zijn schouder +overgaan. Men begrijpt licht dat hij zich niet op zijn gemak gevoelde. + +Dick Sand maakte een gebaar van begroeting, dat de vreemdeling zeker +begreep, want na eenige aarzeling, deed hij eenige stappen voorwaarts. + +Dick Sand kon hem toen goed opnemen. + +Het was een krachtig gebouwd man van hoogstens veertig jaar, met een +levendig oog, grijzende haren en baard, een verweerde gelaatskleur +als van iemand die altijd in de open lucht, in de bosschen of op de +vlakte gezworven heeft. Een soort van kiel van gelooid leder diende +hem voor buis of jas, een breedgerande hoed bedekte zijn hoofd, +leeren laarzen reikten hem tot boven de knie en sporen met groote +wieltjes weerklonken aan de hooge hielen. + +Dick Sand zag dadelijk, 't geen ook werkelijk het geval was, dat hij +niet een van die Indianen, gewone zwervers der pampa's, voor zich had, +maar een van die avonturiers van vreemd bloed, gewoonlijk niet veel +bijzonders, die men menigmaal in verafgelegen streken ontmoet. Het +scheen zelfs, aan zijn stijve houding, aan de roodachtige kleur van +eenige baardharen dat deze onbekende van anglo-saxische oorsprong +moest zijn. In dat geval was hij noch Indiaan, noch Spanjaard. + +En dat bleek werkelijk zoo te zijn, toen hij Dick Sand, die hem in +'t Engelsch zei "wees welkom!" in dezelfde taal zonder eenig vreemd +accent antwoordde. + +"Wees ook gij welkom, jonge vriend," zei de onbekende, naar den +leerling toekomende, wiens hand hij drukte. + +Wat de zwarten aangaat, vergenoegde hij zich met hun een gebaar te +maken, zonder het woord tot hen te richten. + +"Zijt gij Engelschen?" vroeg hij den leerling. + +"Amerikanen," antwoordde Dick Sand. + +"Van het Zuiden?" + +"Van het Noorden." + +Dit antwoord scheen den onbekende te bevallen, die de hand van den +jongeling nog krachtiger en ditmaal goed op zijn Amerikaansch schudde. + +"En mag ik weten jonge vriend," vroeg hij, "hoe ge u op deze kust +bevindt?" + +Maar op dit oogenblik, nam de onbekende den hoed af en groette, +zonder te wachten dat de leerling zijn vraag beantwoord had. + +Mevr. Weldon was tot aan den oever genaderd en stond toen tegenover +hem. + +Zij was het die zijn vraag beantwoordde. + +"Mijnheer," zeide zij, "we zijn schipbreukelingen wier schip gisteren +op die klippen verbrijzeld is!" + +Een gevoel van medelijden was duidelijk op het gelaat van den +onbekende te lezen, wiens blikken het vaartuig zochten dat op het +strand was gezet. + +"Er is niets meer van ons schip overgebleven!" voegde de leerling er +bij. "De branding heeft het van nacht geheel vernield." + +"En onze eerste vraag," hernam Mevr. Weldon, "zal zijn waar we ons +bevinden." + +"Maar weet u dan niet dat dit de kust van Zuid-Amerika is?" antwoordde +de onbekende, die verwonderd scheen over de vraag. "Hadt u eenigen +twijfel hieromtrent?" + +"Ja, mijnheer, want de stroom heeft ons van onzen weg doen afwijken, +dien ik niet met de noodige juistheid heb kunnen opnemen," antwoordde +Dick Sand. "Maar 'k wilde nog wel wat nauwkeuriger weten waar we +zijn. Zijn we niet op de kust van Peru?" + +"Neen, mijn jonge vriend, neen! Een beetje zuidelijker. Ge hebt op +de Boliviaansche kust schipbreuk geleden." + +"O!" was de verbaasde uitroep van Dick Sand. + +"En nog wel op dat zuidelijk gedeelte van Bolivia dat aan Chili +grenst." + +"En welke kaap is dat dan?" vroeg Dick Sand, op het noordelijk +voorgebergte wijzende. + +"Ik kan er u den naam niet van zeggen," antwoordde de onbekende, +"want al ken ik het binnenland vrij goed, omdat ik het zoo dikwijls +doorkruist heb, zoo bezoek ik voor de eerste maal dit strand." + +Dick Sand dacht na over 't geen hij van den vreemdeling vernam. Het +verwonderde hem maar half, want zijn berekening had hem kunnen en +moeten bedriegen, wat de stroomen betrof; maar toch was de vergissing +niet onbelangrijk. Hij meende zich toch te bevinden ongeveer tusschen +de zeven en dertigste en dertigste parallel, volgens zijn verkenning +van het Paasch-eiland, en op de hoogte van de vijf-en-twintigste +parallel was hij gestrand. Het was volstrekt niet onmogelijk dat de +_Pelgrim_ op zulk een lange reis betrekkelijk zoo weinig ter zijde +was afgedreven. + +Bovendien hadden zij volstrekt geen reden om de mededeelingen van +den onbekende in twijfel te trekken, en daar deze kust die van +Beneden-Bolivia was, was er niets vreemds in gelegen dat zij zoo +verlaten was. + +"Mijnheer," zei toen Dick Sand, "ik moet uit uw antwoord besluiten +dat we hier vrij ver van Lima af zijn." + +"Ohé! Lima ligt ver.... daarheen! in het noorden!" + +Mevr. Weldon die eerst vrij wantrouwig was, wegens de verdwijning +van Negoro, nam den vreemdeling met de grootste attentie op, maar zij +kon noch in zijn houding, noch in zijn wijze om zich uit te drukken, +iets ontdekken, dat zijn goede trouw kon doen betwijfelen. + +"Mijnheer," zeide zij, "ik hoop niet dat u mijn vraag indiscreet zal +voorkomen.... u schijnt niet van Peruviaanschen oorsprong te zijn?" + +"Ik ben een Amerikaan zooals u, mevrouw....!" zeide de onbekende, +die een oogenblik wachtte totdat de Amerikaansche hem haar naam +deed kennen. + +"Mevrouw Weldon," antwoordde deze. + +"Mijn naam is Harris, en ik ben geboren in Zuid-Carolina. Maar 't +zal nu twintig jaar geleden zijn dat ik mijn land verliet, om naar +de pampa's van Bolivia te gaan, en het doet me genoegen landgenooten +te ontmoeten." + +"Bewoont u dit gedeelte der provincie, mijnheer Harris?" vroeg +Mevr. Weldon. + +"Neen, mevrouw Weldon," antwoordde Harris, "ik woon in het Zuiden +op de Chiliaansche grens, maar, op dit oogenblik ga ik naar Atacama, +in het noord-oosten." + +"Zijn we dan hier op den rand van de woestijn van dien naam?" vroeg +Dick Sand. + +"Juist, mijn jonge vriend, en deze woestijn strekt zich ver aan de +andere zijde der bergen uit die zich aan den horizon vertoonen." + +"De woestijn van Atacama?" herhaalde Dick Sand. + +"Ja," antwoordde Harris. "Deze woestijn is zooveel als een land op +zich zelf in dit uitgestrekte Zuid-Amerika, waarvan het toch in vele +opzichten verschilt. Het is tegelijk het belangrijkste en het minst +bekende gedeelte van dit vasteland." + +"En reist u er alleen naar toe?" vroeg Mevr. Weldon. + +"O! 't Is niet de eerste keer dat ik die reis maak!" antwoordde de +Amerikaan. "Er is op tweehonderd mijlen van hier een aanzienlijke +hoeve, de hacienda van San-Felice, die het eigendom is van een mijner +broeders, naar wien ik mij voor mijn handel begeef. Als u met mij wilt +gaan, zult u er goed ontvangen worden, en de middelen van vervoer om +naar Atacama te reizen, zullen u daar niet ontbreken. Mijn broeder +zal ze u met genoegen verschaffen." + +Dit aanbod uit eigen beweging gedaan, nam Mevr. Weldon zeer voor den +Amerikaan in, die zich nu tot haar richtte met de vraag: + +"Zijn deze negers uw slaven?" + +En hij wees op Tom en zijn kameraden. + +"We hebben geen slaven meer in de Vereenigde Staten," antwoordde +Mevr. Weldon. "Het Noorden heeft sedert lang de slavernij afgeschaft, +en het Zuiden heeft het voorbeeld van het Noorden wel moeten volgen!" + +"Dat's waar ook," antwoordde Harris. "Ik had vergeten dat de oorlog +van 1862 die ernstige vraag beslist heeft.--Ik hoop dat die brave +menschen 't me zullen vergeven," voegde Harris er bij met een zweem van +spotternij die een Amerikaan uit het Zuiden, tegen negers sprekende, +altijd laat doorschemeren. "Maar toen ik die heeren in uw dienst zag, +dacht ik...." + +"Ze zijn niet en waren niet in mijn dienst, mijnheer," antwoordde +Mevr. Weldon ernstig. + +"We zouden ons vereerd gevoelen u te dienen, mevrouw Weldon," zei toen +de oude Tom. "Maar, mijnheer Harris moet weten dat we aan niemand +toebehooren. Ik ben slaaf geweest, 't is waar en werd als slaaf in +Afrika verkocht toen ik nog maar zes jaar oud was, maar mijn zoon +Bat, die daar staat, is de zoon van een vrijgemaakten vader en onze +kameraden zijn allen uit vrije ouders geboren." + +"Ik moet er u wel zeer geluk mee wenschen!" antwoordde Harris op een +toon dien Mevr. Weldon niet ernstig genoeg vond. "Ook op dezen grond +van Bolivia hebben we geen slaven. Ge hebt dus niets te vreezen en ge +kunt even vrij hier rondwandelen als in de Staten van Nieuw-Engeland." + +Op dit oogenblik kwam de kleine Jack, gevolgd door Nan, de grot uit, +zich de oogen wrijvende. + +Toen hij zijn moeder in 't oog kreeg, liep hij naar haar +toe. Mevr. Weldon omhelsde hem teeder. + +"Wat een aardige, kleine jongen!" zei de Amerikaan. + +"Dat's mijn zoon," antwoordde Mevr. Weldon. + +"O! mevrouw Weldon, u moet u dubbel ongerust gemaakt hebben, nu uw +kind in al uw gevaren deelde!" + +"God heeft hem gespaard, zoowel als ons, mijnheer Harris," antwoordde +Mevr. Weldon. + +"Mag ik hem een kus op zijn gezonde wangen geven?" vroeg Harris. + +"Gaarne," antwoordde Mevr. Weldon. + +Maar "mijnheer Harris" scheen den kleinen Jack niet bijzonder te +bevallen, want hij drukte zich nog vaster tegen zijn moeder aan. + +"Wat!" zei Harris, "wil je niet dat ik je kus! Ben je bang voor me, +mannetje?" + +"Neem 't hem niet kwalijk, mijnheer," haastte zich Mevr. Weldon te +zeggen, "'t Is niets anders dan verlegenheid van hem." + +"Nu, we zullen wel nader kennismaken!" antwoordde Harris. "Als we +maar eens op de hacienda zijn en hij een mooien pony van me krijgt +om op te rijden, zal hij wel veel van me houden! + +"Maar het aanbod van den 'mooien pony' was evenmin geschikt om Jack +te streelen als het voorstel om zich door mijnheer Harris te laten +kussen." + +Mevr. Weldon, die het hinderde dat Jack zoo onaardig was, haastte +zich het gesprek op iets anders te brengen Men moest oppassen den +man niet te kwetsen, die zoo beleefd zijn diensten had aangeboden. + +Dick Sand dacht intusschen over het voorstel na, dat hun zoo +ter rechter tijd gedaan werd, om de hacienda van San-Felice te +bereiken. Het was, zooals Harris gezegd had, een tocht van meer dan +twee honderd mijlen, nu eens door bosschen, dan weder door vlakten, +een zeer vermoeiende reis ongetwijfeld, omdat de middelen van vervoer +volstrekt ontbraken. + +De jeugdige leerling maakte dus eenige opmerkingen in dit opzicht en +wachtte het antwoord af dat de Amerikaan hierop zou geven. + +"'t Is waar, de reis is wat lang," antwoordde Harris, "maar 'k heb +daar op een honderd of wat schreden van den oever een paard dat ik +ter beschikking van mevrouw Weldon en haar zoon wilde stellen. Wat +ons betreft, voor ons is er niets bezwarends en zelfs niet veel +vermoeiends in gelegen den weg te voet af te leggen en als ik van +twee honderd mijlen spreek, wil ik daarmede zeggen door den loop dezer +rivier te volgen, zooals ik 't al eens gedaan heb. Maar, als we onzen +weg dwars door het bosch namen, zou dit den afstand minstens tachtig +mijlen verkorten. Als we dan tien mijlen per dag maakten, dunkt me +dat we de hacienda zonder veel moeite zouden bereiken." + +Mevr. Weldon dankte den Amerikaan. + +"U kunt me niet beter bedanken dan door mijn voorstel aan te nemen," +antwoordde Harris. "'k Heb wel nooit dit bosch doorkruist maar ik +geloof toch wel er mijn weg in te zullen vinden, omdat ik zoo gewoon +ben in de pampa te reizen. Maar er is een ernstiger zaak te bespreken, +die der levensmiddelen namelijk. Ik heb slechts het hoog noodige om +de hacienda van San-Felice te bereiken...." + +"Wat dat aangaat, mijnheer Harris," antwoordde Mevr. Weldon, "we hebben +gelukkig meer dan genoeg levensmiddelen en 't zal ons genoegen doen +ze met u te deelen." + +"Als dat zoo is, mevrouw Weldon, dunkt me dat alles zich best zal +schikken en we maar vertrekken moesten." + +Harris wilde nu zijn paard gaan halen op de plaats waar hij het gelaten +had, toen Dick Sand hem nog even ophield om hem een vraag te doen. + +Het beviel den jeugdigen leerling niet bijzonder, de kuststreek te +verlaten, om zoover in het binnenland door te dringen. De zeeman kwam +bij hem boven en hij had liever de reis langs de kust genomen. + +"Mijnheer Harris," zeide hij, "waarom, in plaats van honderd twintig +mijlen in de woestijn van Atacama af te leggen, niet liever de kust +gevolgd? Was het niet beter de dichtstbij zijnde stad te bereiken, +het zij ten noorden, hetzij ten zuiden?" + +"Maar, mijn jonge vriend," antwoordde Harris, het voorhoofd licht +fronsende. "'k geloof niet dat er op een afstand van drie of vier +honderd mijlen een stad op deze kust is, die ik--het is waar--zeer +weinig ken." + +"Ten noorden, ja," antwoordde Dick Sand, "maar ten zuiden?...." + +"Ten zuiden," hernam de Amerikaan, "zouden we tot Chili de kust +moeten afzakken. Nu is die afstand bijna even ver, en in uw plaats +zou ik liever niet langs de pampa's van de Argentijnsche Republiek +willen reizen. Wat mij betreft, tot mijn groote spijt, zou ik u niet +kunnen vergezellen." + +"Gaan dan de schepen, die van Chili naar Peru varen, niet in 't +gezicht van deze kust voorbij?" vroeg daarop Mevr. Weldon. + +"Neen," antwoordde Harris. "Zij kiezen liever het ruime sop en u hebt +er ook zeker geen ontmoet." + +"Dat is ook zoo," antwoordde Mevr. Weldon."--"Nu, Dick, heb je nog +iets aan mijnheer Harris te vragen?" + +"Nog een enkele vraag, mevrouw Weldon," antwoordde de leerling, die +noode toestemde, "'k Wilde mijnheer Harris nog vragen in welke haven +hij denkt dat we een schip kunnen vinden om naar San-Francisco terug +te keeren?" + +"Dat zou ik u waarlijk niet kunnen zeggen, mijn jonge vriend," +antwoordde de Amerikaan. "Alles wat ik weet, is dat we u op de hacienda +van San-Felice de middelen zullen verschaffen de stad Atacama te +bereiken, en van daar...." + +"Mijnheer Harris," zei nu Mevr. Weldon, "meen niet dat Dick Sand +aarzelt uw aanbod aan te nemen!" + +"Neen, mevrouw Weldon, neen, ik aarzel niet," antwoordde de leerling, +"maar 't spijt me zoo dat we niet eenige graden meer ten noorden of +ten zuiden gestrand zijn! We zouden dan dichter bij een haven geweest +zijn en door deze omstandigheden niet hebben behoeven gebruik te maken +van den goeden wil van mijnheer Harris, omdat we dan gemakkelijker +naar ons vaderland hadden kunnen terugkeeren." + +"Beschik vrij over mij, mevrouw Weldon," hernam Harris. "Ik zeg nog +eens, dat ik maar al te zelden in de gelegenheid ben eens landgenooten +te ontmoeten. 't Is voor mij een wezenlijk genoegen u te verplichten." + +"We nemen uw aanbod aan, mijnheer Harris," antwoordde Mevr. Weldon, +"maar 'k zou u toch niet gaarne van uw paard willen berooven. 'k Ben +een goede voetgangster...." + +"En ik een zeer goede voetganger," antwoordde Harris buigende, "'k Ben +aan lange marschen door de pampa's gewoon en ik zal geen vertraging +in onze karavaan brengen. Neen, mevrouw Weldon, u en uw kleine Jack +zult u van dat paard bedienen. 't Is trouwens ook mogelijk dat we +onderweg eenige bedienden van de hacienda ontmoeten, en daar deze +gewoonlijk te paard zitten, kunnen ze ons hunne paarden afstaan." + +Dick Sand zag nu zeer goed in, dat hij door nieuwe tegenwerpingen te +maken Mevr. Weldon geen pleizier zou doen. + +"Wanneer vertrekken we, mijnheer Harris?" vroeg hij. + +"Van daag nog, mijn jonge vriend," antwoordde Harris. "De regentijd +begint met April en we moeten het mogelijke doen om vóór dien tijd +de hacienda van San-Felice te bereiken. De weg door het woud is +nog de kortste en misschien ook de veiligste. Hij is minder dan +de kust blootgesteld aan de invallen der zwervende Indianen, die +onverbeterlijke plunderaars zijn." + +"Tom, mijn vrienden," zei nu Dick Sand zich tot de negers wendende, +"er blijft ons nu slechts over de toebereidselen tot het vertrek +te maken. Kiest dus uit den scheepsvoorraad, wat het gemakkelijkst +te vervoeren is, en laten we pakken maken, waarvan ieder zijn deel +moet dragen." + +"Mijnheer Dick," zei Hercules, "als u 't wilt, zal ik alles wel +dragen!" + +"Neen, mijn brave Hercules!" antwoordde de leerling, "'t Is beter +dat we den last onder ons verdeelen." + +"Je bent een stevige kameraad, Hercules," zei toen Harris, die den +neger mat alsof deze te koop ware geweest. "Je zoudt veel opgebracht +hebben op de markten van Afrika!" + +"'t Is mogelijk dat ik veel zou kosten," antwoordde Hercules lachende, +"maar de koopers zouden hard moeten loopen, als ze me vangen wilden!" + +Alles was nu afgesproken en om het vertrek te verhaasten, zette ieder +zich aan 't werk. Men had slechts zooveel voorraad voor den kleinen +troep mede te nemen als noodig was voor de reis van de kust naar de +hacienda, namelijk slechts voor een tiental dagen. + +"Maar, voordat we vertrekken, mijnheer Harris," zeide Mevr. Weldon, +"voordat we van uw gastvrijheid gebruik maken, wilde ik u verzoeken +de onze aan te nemen. We bieden haar u van harte aan!" + +"Dat neem ik aan, mevrouw Weldon, volgaarne!" antwoordde Harris +opgeruimd. + +"Binnen eenige minuten zal ons ontbijt klaar zijn." + +"Goed, mevrouw Weldon. Ik maak me die tien minuten ten nutte om mijn +paard te gaan halen. Hij zal wel ontbeten hebben...." + +"Wilt u dat ik met u mee ga, mijnheer?" vroeg Dick Sand den Amerikaan. + +"Zooals ge wilt, mijn jonge vriend," antwoordde Harris. "Kom! Ik zal +u den loop dezer rivier leeren kennen." + +Beiden vertrokken. + +Gedurende dien tijd werd Hercules uitgezonden om den entomoloog op te +zoeken. Neef Benedictus verontrustte zich waarlijk wel over 't geen +rondom hem voorviel! Hij zwierf op dat oogenblik op den top van het +rotsachtige strand en zocht naar een insect dat niet te vinden was +en dat hij dan ook trouwens niet vond. + +Hercules nam hem tegen wil en dank mee. Mevr. Weldon vertelde hem +dat het vertrek bepaald was en dat ze nu een tiental dagen in het +binnenland zouden reizen. + +Neef Benedictus antwoordde dat hij gereed was om te vertrekken en +dat hij met pleizier geheel Amerika wilde doorkruisen als men hem +onderweg maar liet verzamelen. + +Mevr. Weldon hield zich daarop bezig, om met behulp van Nan een +krachtig maal gereed te maken. Een goede voorzorg alvorens zich op +weg te begeven. + +In dien tijd was Harris, vergezeld van Dick Sand, den hoek der rotsen +omgegaan. Zij volgden den oever een drie honderd schreden ver. Op +een zeker punt aangekomen, liet een paard, aan een boom gebonden, +bij de nadering van zijn meester, een vroolijk gehinnik hooren. + +Het was een krachtig dier, van een ras dat Dick Sand niet kende. Met +zijn langen hals, zijn korte lenden en uitgestrekt kruis, zijn +platte schouders, zijn bijna gebocheld voorhoofd, bood dit paard de +onderscheidingskenmerken aan van Arabischen oorsprong. + +"Ge ziet, mijn jonge vriend," zei Harris, "dat het een krachtig dier +is, en ge kunt er op rekenen dat hij ons onderweg niet in den steek +zal laten." + +Harris maakte zijn paard los, nam het bij den toom en klom van +den steilen oever weder naar omlaag, terwijl hij Dick Sand hierbij +voorging. Deze had een vluchtigen blik geworpen, zoowel op de rivier +als op het bosch dat haar beide oevers omzoomde. Doch hij zag niets +dat hem kon verontrusten. + +Toen hij zich wederom bij den Amerikaan gevoegd had, deed hij hem +evenwel plotseling de volgende vraag, die deze moeilijk had kunnen +verwachten. + +"Hebt u van nacht geen Portugees ontmoet, mijnheer Harris, die zich +Negoro noemde?" + +"Negoro?" antwoordde Harris op een toon van iemand die niet begrijpt +wat men wil zeggen. "Wat is er dat voor een, die Negoro?" + +"Dat was de scheepskok," antwoordde Dick Sand, "en hij is eensklaps +verdwenen." + +"Verdronken misschien?" zei Harris. + +"Neen, neen!" antwoordde Dick Sand. "Gisteren avond was hij nog bij +ons, maar van nacht heeft hij ons verlaten en zich waarschijnlijk +langs den oever der rivier uit de voeten gemaakt. Daarom vroeg ik of u, +die van dezen kant gekomen is, hem niet ontmoet hebt?" + +"'k Heb niemand ontmoet," antwoordde de Amerikaan, "en als uw kok zich +alleen in het bosch gewaagd heeft, is er veel kans dat hij verdwaald +is. Misschien nemen we hem onderweg wel op?" + +"Ja.... misschien!" antwoordde Dick Sand. + +Bij hun terugkomst vonden zij het ontbijt gereed. Het bestond als +het maal van den vorigen avond, uit ingemaakte voedingsmiddelen, +pekel-vleesch en beschuit. Harris deed er eer aan als iemand dien de +natuur met een flinken eetlust begiftigd heeft. + +"Kom, kom," zeide hij, "ik zie dat we onderweg niet van honger zullen +omkomen! Dat zal ik niet zeggen van dien armen Portugees, van wien +onze jonge vriend me verteld heeft." + +"O!" riep Mevr. Weldon uit, "heeft Dick Sand u gezegd dat we Negoro +niet terug gezien hebben?" + +"Ja, mevrouw Weldon," antwoordde de leerling, "'k Wilde eens hooren +of mijnheer Harris hem niet ontmoet had." + +"Neen," antwoordde Harris. "Laten we dus dien deserteur, waar hij +is, en houden we ons alleen met het vertrek bezig!--Als 't u blieft, +mevrouw Weldon!" + +Ieder nam het pak op dat voor hem bestemd was. Herkules hielp +Mevr. Weldon te paard en de ondankbare kleine Jack, met zijn geweer +aan den schouderriem, zette zich schrijlings, zonder er zelfs aan te +denken den man te bedanken, die zulk een uitmuntend rijdier te zijner +beschikking stelde. + +Jack, vóór zijn moeder geplaatst, zeide haar toen dat hij het "paard +van den mijnheer" zeer goed mennen kon. + +Men gaf hem dus den teugel in handen, en natuurlijk twijfelde hij +geen oogenblik of hij was het hoofd der karavaan. + + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + +ONDERWEG. + + +Niet zonder eenige bezorgdheid,--die trouwens door niets +gerechtvaardigd scheen,--drong Dick Sand, op driehonderd schreden +van den steilen oever der rivier, in het dichte woud door, welks +moeielijke voetpaden door hem en zijn metgezellen tien dagen lang +gevolgd zouden worden. + +Integendeel was Mevr. Weldon, zij, die als vrouw en moeder, dubbele +reden had zich ongerust te maken, vol vertrouwen. + +Zij had twee zeer ernstige redenen om gerust te zijn: vooreerst werd +deze streek der pampa's niet onveilig gemaakt door inboorlingen, noch +door wilde dieren; vervolgens, omdat men onder de leiding van Harris, +een gids zoo zeker van zich zelven als de Amerikaan scheen te zijn, +niet bevreesd hoefde zijn te verdwalen. + +De marschorder, die zooveel mogelijk gedurende de reis moest +gehandhaafd worden, was de volgende: + +Aan het hoofd van den kleinen troep hadden zich Dick Sand en Harris +gesteld, beiden gewapend, de een met zijn lang geweer, de ander met +zijn remmington. + +Daarna kwamen Bat en Austin, insgelijks gewapend ieder met een geweer +en een hartsvanger. + +Achter hen volgden Mevr. Weldon en de kleine Jack te paard; daarna +Nan en Tom. + +Achteraan werd de marsch gesloten door Actéon, gewapend met een vierde +remmington-geweer en door Herkules met een bijl in den gordel. + +Dingo liep heen en weer en zooals Dick Sand deed opmerken, altijd als +een hond die een spoor zocht. Sedert de schipbreuk van de _Pelgrim_ +den hond op deze kust had geworpen, was hij in zijn wijze van doen +geheel veranderd. Hij scheen onrustig en bijna onophoudelijk liet hij +een dof gebrom hooren, eer klaaglijk dan woedend. Hoewel niemand het +zich kon verklaren, werd het door allen opgemerkt. + +Wat neef Benedictus betreft, ook deze had men evenmin als aan Dingo +een plaats in de marschorde kunnen aanwijzen. Tenzij men hem aan een +leiband gehouden had, zou hij haar niet bewaard hebben. Zijn blikken +doos met een band over den schouder geslagen, zijn netje in de hand, +zijn groot oogglas om den hals gehangen, nu eens achter, dan weder +vooraan, kroop hij door het hooge gras, bespiedde hij de orthoptera +(rechtvleugelige insecten), of andere insecten op "ptera", op het +gevaar af van zich door de een of andere vergiftige slang te laten +bijten. + +In het eerst maakte Mevr. Weldon zich ongerust en riep hem elk +oogenblik, maar niets mocht baten. + +"Neef Benedict," zeide zij eindelijk, "'k verzoek u dringend u niet +te verwijderen en voor de laatste maal druk ik u op het hart mijn +waarschuwing niet in den wind te slaan." + +"Maar nicht," antwoordde de onhandelbare entomoloog, "als ik een +insect zie...." + +"Als u een insect ziet," hernam Mevr. Weldon, "zult u het arme diertje +wel met vrede willen laten of u zult me in de noodzakelijkheid brengen +u uw bus te ontnemen!" + +"Me mijn bus ontnemen!" riep Neef Benedictus uit, alsof het gold hem +zijn ingewanden uit het lijf te scheuren. + +"Uw bus en uw net," voegde Mevr. Weldon er onmeedoogend bij. + +"Mijn net, nicht! En waarom niet mijn bril! U zoudt het niet +durven! Neen! u zoudt het niet durven!" + +"En zelfs uw bril, dien vergat ik nog! Ik dank u, neef Benedict, +er mij aan te herinneren dat ik het middel had u blind te maken en +u daardoor te noodzaken gehoorzaam te zijn!" + +Na deze driedubbele bedreiging hield neef zich een uur lang bedaard, +die ongehoorzame neef. Daarna begon hij opnieuw af te dwalen, en daar +hij het toch gedaan zou hebben, ook zonder net, zonder bus en zonder +bril, zoo was het maar het best hem zijn gang te laten gaan. Maar +Hercules nam op zich speciaal op hem te letten,--'t geen ook meer +bijzonder tot zijn taak behoorde,--en men kwam overeen dat hij met hem +zou handelen als neef Benedictus met een insect, dat hij hem namelijk, +als hij 't noodig oordeelde, zou vangen en hem even voorzichtig zou +terugbrengen als de andere met een zeldzaam exemplaar der lepidoptera +(schubvleugeligen) zou gedaan hebben. + +Nadat dit geregeld was, hield men zich niet meer met neef Benedictus +bezig. + +Men heeft gezien dat de kleine troep goed gewapend en op haar hoede +was. Doch, zooals Harris telkens verzekerde, was er geen andere +ontmoeting te vreezen dan met zwervende Indianen en waarschijnlijk +zou men ook die niet zien. + +In ieder geval waren de genomen beschikkingen voldoende om dezen des +noods in toom te houden. + +De paden, die door het dichte woud liepen, verdienden dien naam +eigenlijk niet. Het waren meer sporen voor dieren dan doorgangen voor +menschen. Men kon er dan ook slechts moeielijk op vooruitkomen en +daarom had Harris den gemiddelden afstand van vijf tot zes mijlen, +dien de kleine troep zou afleggen, dan ook wijselijk op twaalf uren +berekend. + +Het weer was overigens zeer schoon. De zon stond hoog en verspreidde +bijna loodrecht haar schitterende stralen. Op de vlakte zou deze +warmte onverdraaglijk geweest zijn, 't geen Harris niet verzuimde +te doen opmerken; maar onder dat ondoordringbare dak van bladeren, +verdroeg men haar gemakkelijk en ongestraft. + +De meeste boomen in dit bosch waren, zoowel Mevr. Weldon als haren +zwarten en blanken medereizigers, onbekend. Toch zou een deskundige +opgemerkt hebben dat zij merkwaardiger waren door hunne hoedanigheid +dan door hunne grootte. Hier was het de "bauhinia" of ijzerhout-boom; +daar de "molompi", identisch met den pterocarpus of sandelhoutboom, +vast en licht hout, goed om pagaaien of roeiriemen van te maken, en +welks stam een groote hoeveelheid hars oplevert: verderop waren het +"geelboomen", vol beladen met hun gele kleurstof, en "pokhoutboomen," +tot twaalf voet dik, maar van mindere hoedanigheid dan de gewone +pokhoutboomen. + +Dick Sand vroeg onder het gaan den naam dezer verschillende +houtsoorten. + +"Zijt ge dan nooit op de kust van Zuid-Amerika geweest?" vroeg Harris +hem, alvorens op zijn vragen te antwoorden. + +"Nooit," antwoordde de leerling, "nooit was ik op mijn reizen in de +gelegenheid deze kusten te bezoeken en om de waarheid te zeggen geloof +ik niet dat iemand mij ooit als deskundige er iets van verteld heeft." + +"Maar de kusten van Columbië, die van Chili of Patagonië hebt ge toch +wel bezocht?" + +"Neen, nooit." + +"Maar Mevr. Weldon heeft misschien dit gedeelte van het nieuwe +vasteland bezocht?" vroeg Harris. "De Amerikaansche dames zijn niet +bang om een reisje te maken en ongetwijfeld...." + +"Neen, mijnheer Harris," antwoordde Mevr. Weldon. "De handelsbelangen +van mijn man voerden hem nergens dan naar Nieuw-Zeeland en ik ben +nergens anders met hem mee geweest. Geen van ons kent dus dit gedeelte +van beneden-Bolivia." + +"Welnu, mevrouw Weldon, u en uwe reisgenooten, u zult een zonderling +land zien, dat zeer verschilt van de streken van Peru, Brazilië of +de Argentijnsche Republiek. Zijn bloemen- en dierenschat wekken de +verbazing op van den natuurkundige. Men kan met recht zeggen dat u op +een goede plaats schipbreuk hebt geleden, en als men ooit het toeval +mag dankzeggen...." + +"'k Geloof liever dat het niet het toeval is, dat ons geleid heeft, +mijnheer Harris, maar God." + +"Ja, ja, God!" antwoordde Harris, op den toon van iemand die niet veel +hecht aan de tusschenkomst der Voorzienigheid in de wereldsche zaken. + +Daar dus niemand van den kleinen troep noch het land, noch zijn +voortbrengselen kende, maakte Harris er zich een waar genoegen van +om de vreemdste boomen van het woud op te noemen. + +Het was waarlijk jammer dat neef Benedictus behalve entomoloog +ook niet botanist was! Had hij tot nog toe geen zeldzame of nieuwe +insecten gevonden, in plantenkunde zou hij prachtige ontdekkingen +gedaan hebben. Er was een rijkdom van planten en gewassen van allerlei +grootte, welks bestaan in de tropische wouden der Nieuwe-Wereld nog +niet vastgesteld had kunnen worden. Neef Benedictus zou anders zeker +zijn naam aan eenig voortbrengsel van het plantenrijk geschonken en +hem daardoor vereeuwigd hebben. Maar hij hield niet van de kruidkunde +en wist er ook niets van. Hij had zelfs, zeer natuurlijk, een afkeer +van bloemen, onder voorwendsel dat er waren die zich veroorloven de +insecten in haar bloemkronen op te sluiten en ze met haar giftige +sappen te dooden. + +Het bosch was somtijds moerassig en overal met dunne waterstraaltjes +doorsneden, die door de kleine rivier gevormd werden. Eenige dezer +beken waren wat breeder, en konden slechts op sommige plaatsen +doorwaad worden. + +Langs haar oevers groeiden bundels biezen, waaraan Harris den naam +van papyrus gaf. Hij vergiste zich niet en deze grasachtige planten +schoten in overvloed van onder den vochtigen waterkant uit. + +Na het moeras, overdekte het dichte geboomte opnieuw de smalle paden +van het bosch. + +Harris deed aan Mevr. Weldon en aan Dick Sand zeer schoone +ebbenhoutboomen opmerken, dikker dan de gewone ebbenboom en die zwarter +en harder hout opleveren dan het hout dat gewoonlijk in den handel +voorkomt. Verder waren het mangoboomen, die nog talrijk voorkwamen, +alhoewel zij vrij ver van de zee af waren. Zij waren als bekleed met +verfmos dat langs de stammen tot de takken opklom. Door hun dichte +schaduw, hun heerlijke vruchten, mochten zij met recht kostbare boomen +heeten en toch, zoo vertelde Harris, zou geen inlander er de soort +van durven voortplanten. "Die een mangoboom plant, sterft!" Dat was +de bijgeloovige machtspreuk van het land. + +Op den middag van deze eerste dagreis, begon de kleine troep, +na een poos halt gehouden te hebben, een licht hellend terrein +te beklimmen. Het waren nog de hellingen niet van de keten op den +voorgrond, maar een soort van golvend bergvlak dat de vlakte met de +bergen verbond. + +Daar zouden de iets minder dicht staande boomen, hier en daar in +groepen vereenigd, het gaan gemakkelijker gemaakt hebben, indien de +bodem niet met grasachtige planten bedekt was. Men zou zich daar in +de bamboes- en kreupelbosschen van Oost-Indië gewaand hebben. De +plantengroei scheen minder weelderig dan in de lage vallei van de +kleine rivier, maar toch nog weelderiger dan die der gematigde +luchtstreken van de Oude of de Nieuwe Wereld. De indigo groeide +er rijkelijk en volgens Harris ging deze plant met recht voor de +weelderigst groeiende plant van het land door. Niet zoodra werd er +een veld verlaten of deze woekerplant, die daar even veracht wordt +als de distel of netel bij ons, maakte er zich dadelijk meester van. + +Eén boom scheen er in dit bosch te ontbreken, die in dit gedeelte +van het nieuwe vasteland zeer algemeen had moeten voorkomen. Het +was de caoutchouc-boom. Werkelijk zijn de "ficus prinoïdes," de +"castilloa elastica," de "cecropia peltato," de "collophora utilis," +de "emeraria latifolia," en vooral de "syphonia elastica," die tot +verschillende familiën behooren, in de provinciën van Zuid-Amerika +rijkelijk voorhanden. En toch zag men er--vreemd genoeg--geen enkele. + +Nu had Dick Sand juist aan zijn kleinen vriend Jack beloofd hem +caoutchouc-boomen te laten zien. Hoe groot was dus nu de teleurstelling +voor den kleinen jongen, die zich verbeeldde dat de kalbasflesschen, +de sprekende poppen, de gelede hansworsten en de elastieke ballen, heel +natuurlijk aan die boomen groeiden. Hij beklaagde er zich bitter over. + +"Geduld maar, mannetje!" zei Harris tot hem. "We zullen van die +caoutchoucfiguren bij honderden, in den omtrek der hacienda vinden!" + +"Van die mooie, echt elastieke?" vroeg de kleine Jack. + +"Zoo elastiek mogelijk.--Maar kom, wil ik je al vast eens een lekkere +vrucht geven om je dorst te lesschen?" + +En dit zeggende plukte Harris van een boom eenige vruchten die zoo +saprijk als perziken waren. + +"Is u wel zeker, mijnheer Harris," vroeg Mevr. Weldon, "dat deze +vrucht niet ongezond is?" + +"'k Zal u geruststellen, mevrouw," antwoordde de Amerikaan die met +smaak in een van deze vruchten beet. "'t Is een mango." + +En zonder zich langer te bedenken, volgde de kleine Jack het voorbeeld +van Harris. Hij verklaarde dat "die peren" zeer lekker waren, zoodat +de boom dadelijk schatting moest betalen. + +Deze mangoboomen behooren tot de soort welker vruchten in Maart +en April rijp zijn, terwijl andere het eerst in September zijn, +en bijgevolg waren hun mango's juist goed. + +"Ja! dat 's lekker!" zei de kleine Jack, met den mond vol. "Maar mijn +vriend Dick heeft me caoutchouc-speelgoed beloofd, als ik zoet was, +en nu wil ik het hebben!" + +"Je zult het hebben, Jack," antwoordde Mevr. Weldon, "mijnheer Harris +belooft het u immers. + +"Maar dat is 't niet alleen," hernam Jack, "mijn vriend Dick heeft +me nog meer beloofd!" + +"Wat heeft je vriend Dick je dan nog meer beloofd?" vroeg Harris +glimlachende. + +"Vliegenvogeltjes, mijnheer." + +"En je zult vliegenvogeltjes ook hebben, mijn ventje, maar verder +op.... verder!" antwoordde Harris. + +Nu had de kleine Jack werkelijk het recht eenige van die bekoorlijke +kolibrietjes te vorderen, want hij bevond zich in een land waar zij in +overvloed moesten voorkomen. De Indianen, die de kunst verstaan hun +veeren te vlechten, hebben de dichterlijkste namen aan deze juweelen +van vogeltjes gegeven. Zij noemen ze of de "stralen" of "de haren der +zon." Hier is het "de kleine koning der bloemen," daar, "de hemelsche +bloem, die in haar vlucht de aardsche bloem komt liefkoozen." Dan weder +noemen zij den kolibri "de bundel edelgesteenten, die in de stralen +der zon schittert!" Men kan zelfs aannemen dat hun verbeelding voor +ieder der honderd vijftig soorten waaruit dit bewonderenswaardige +geslacht der kolibries bestaat een nieuwe dichterlijke benaming heeft +weten te vinden. + +Hoe talrijk nu evenwel deze vliegenvogeltjes in de bosschen van Bolivia +hadden moeten zijn, moest de kleine Jack zich vooralsnog met de belofte +van Harris vergenoegen. Volgens den Amerikaan was men nog te dicht +bij de kust en hielden de kolibries niet van deze woeste streken, zoo +dicht bij den Oceaan. De tegenwoordigheid van den mensch verschrikte +ze niet en in de hacienda hoorde men den ganschen dag niets anders, +dan hun geschreeuw van "téretére", en het gegons hunner vleugels, +gelijk aan dat van een spinnewiel. + +"O! hoe graag was ik er al!" riep de kleine Jack uit. + +Het zekerste middel spoedig aan de hacienda van San-Felice te zijn, +was zich onderweg niet op te houden. Mevr. Weldon en haar reisgenooten +besteedden dus slechts den kortst mogelijken tijd aan den slaap. + +Het bosch veranderde reeds van gedaante. Hier en daar vertoonden +zich reeds open plekken tusschen het minder dichte geboomte. De +bodem, die nu en dan door het grastapijt heendrong, vertoonde nu +zijn samenstelling uit rooskleurig graniet, gelijk aan vakken +lapis-lazuli. Op eenige hoogten woekerden de salsaparrilla +(steekwinde), een plant met vleeschachtige knollen, die een +onbegrijpelijke verwarde massa vormden. Dan was het bosch met zijn +smalle voetpaden ver te verkiezen. + +Vóór het ondergaan der zon bevond zich de kleine troep op ongeveer +acht mijlen van het punt waarvan zij vertrokken was. Deze tocht was +zonder eenige bijzondere gebeurtenis en zelfs zonder groote vermoeienis +afgelegd geworden. Weliswaar was het de eerste dagreis en de volgende +marschen zouden ongetwijfeld vermoeiender zijn. + +Met algemeen goedvinden besloot men op deze plaats halt te houden. Zij +wilden nu geen eigenlijk kamp inrichten, maar eenvoudig een plek +in orde brengen om te rusten. Eén man, die om de twee uur afgelost +werd, zou voldoende zijn om 's nachts wacht te houden, daar noch de +inlanders, noch de wilde dieren werkelijk te vreezen waren. + +Men vond niets beters voor schuilplaats dan een kolossale mangoboom, +welks uitgebreide, zeer dichte takken een soort van natuurlijke +veranda vormden. Desnoods had men zich in zijn loof kunnen nestelen. + +Alleenlijk deed zich bij de aankomst van den kleinen troep een +oorverdoovend concert in den top van den boom hooren. + +De mangoboom diende tot verblijf van een gansche kolonie veelkleurige +papegaaien, babbelachtige, twistzieke, wreede vogels, die andere +levende vogels aanvallen, en waarin men zich als men ze wilde +beoordeelen naar haar familieleden die in Europa in kooien gehouden +worden, schromelijk zou bedriegen. + +Deze papegaaien maakten zulk een geraas, dat Dick Sand er over dacht +een geweerschot op hen te lossen, om ze tot zwijgen te brengen of op +de vlucht te jagen. Maar Harris ried het hem af, onder voorwendsel +dat het beter was in deze eenzame streken zijn tegenwoordigheid door +de losbarsting van een vuurwapen niet te verraden. + +"Laten we ons stil houden," zei hij "dan hebben we geen gevaar te +vreezen." + +Terstond hield men zich nu bezig met het bereiden van den avondmaaltijd +zonder dat men zelfs noodig had tot het koken der spijzen over +te gaan. Het souper bestond namelijk uit ingemaakt voedsel en uit +beschuit. Een beekje dat zich door het gras kronkelde, verschafte +drinkbaar water, 't welk men echter niet dronk, zonder er eenige +druppels rum bijgevoegd te hebben. En wat het dessert betreft, +de mangoboom bood in overvloed zijn saprijke vruchten aan, die de +papegaaien evenwel niet lieten plukken zonder er door een vervaarlijk +geschreeuw tegen op te komen. + +Toen het souper was afgeloopen, begon de avond te vallen. De duisternis +verhief zich langzaam van den grond naar den top der boomen, waarvan +het gebladerte zich weldra sterk tegen den nog helderen hemel +afteekende. De eerste sterren geleken op schitterende bloemen, die +aan het eind der hoogste takken glinsterden. De wind ging met den +naderenden nacht liggen en suisde niet meer in de twijgen. Zelfs de +papegaaien waren stom geworden. De natuur sliep in en noodigde alle +levende wezens uit, haar in haren diepen slaap te volgen. + +De toebereidselen voor het nachtverblijf konden niet dan hoogst +eenvoudig zijn. + +"Zouden we van nacht geen groot vuur aansteken?" vroeg Dick Sand +den Amerikaan. + +"Waarom?" antwoordde Harris. "De nachten zijn gelukkig niet koud en +onze kolossale mangoboom zal den grond voor uitdamping bewaren. We +behoeven noch voor kou, noch voor vochtigheid bang te zijn. Nogmaals +zeg ik u, wat ik u straks zeide! Laten we ons incognito houden. Geen +vuur, noch geweervuur, of er moet nood zijn." + +"Ik geloof nu ook wel," zei Mevrouw Weldon, "dat we niets van de +Indianen en zelfs van de woudloopers te vreezen hebben, waarvan u +ons vertelde, mijnheer Harris. Maar zijn er nog geen andere loopers, +op vier pooten, die het gezicht van een vuur op een afstand houdt?" + +"Mevrouw Weldon," antwoordde de Amerikaan, "u doet de wilde dieren +van dit land te veel eer aan! Werkelijk zijn zij banger voor den +mensch dan deze voor hen!" + +"We zijn in een bosch," zei Jack, "en er zijn altijd dieren in de +bosschen." + +"Er zijn bosschen en bosschen, mijn jongen, zooals er dieren en dieren +zijn!" antwoordde Harris lachende. "Verbeeld je dat je in een groot +park bent. Inderdaad zeggen de Indianen niet zonder reden van dit land: +'Es como el paradiso!' Het is als een aardsch paradijs!" + +"Zouden er dan ook geen slangen zijn?" + +"Neen, Jack, er zijn geen slangen, je kunt gerust slapen," antwoordde +Mevr. Weldon. + +"En leeuwen dan?" vroeg Jack. + +"Geen schaduw van leeuwen mannetje!" antwoordde Harris. + +"Tijgers dan?" + +"Vraag eens aan je Mama, of ze ooit gehoord heeft dat er tijgers in +dit land zijn." + +"Nooit," antwoordde Mevr. Weldon. + +"Nu goed!" zei neef Benedictus, die bij toeval op de hoogte van +het gesprek was, "al zijn er dan geen tijgers of geen leeuwen in de +Nieuwe-Wereld, wat volkomen waar is, dan vindt men er toch conguars +en jaguars." + +"Zijn die ondeugend?" vroeg de kleine Jack. + +"Ondeugend?" antwoordde Harris, "één inlander durft die dieren wel +aanvallen en wij zijn niet zoo velen,--Hercules alleen is sterk genoeg +om twee jaguars tegelijk te verbrijzelen, een met elke hand!" + +"Zal je goed oppassen, Hercules," zei toen de kleine Jack, "en als +je een beest ziet dat komt om ons te bijten...." + +"Dan zal ik het bijten, mijnheer Jack!" antwoordde Hercules, zijn +mond met prachtige tanden gewapend, openend. + +"Ja, je zult oppassen, Hercules," zei de leerling, "maar je kameraden +en ik, we zullen je om beurten aflossen." + +"Neen, mijnheer Dick," antwoordde Actéon. "Hercules, Bat, Austin en +ik, we kunnen dat werk met ons vieren best af, u gaat den geheelen +nacht maar gerust slapen." + +"'k Dank u, Actéon," antwoordde Dick Sand, "maar ik moet...." + +"Neen! Laat die goede menschen doen zooals ze willen, waarde Dick!" zei +toen Mevr. Weldon. + +"Ik zal ook de wacht houden!" voegde de kleine Jack er nog bij, +wiens oogleden zich reeds sloten. + +"Ja, ja, Jack jij zult ook de wacht houden!" antwoordde zijn moeder +die hem niet wilde tegenspreken. + +"Maar," zei de kleine jongen toen weder, "al zijn er geen leeuwen en +al zijn er geen tijgers in het bosch, dan zijn er toch wel wolven!" + +"'t Zijn er ook wolven naar!" antwoordde de Amerikaan, "'t Zijn zelfs +geen wolven, maar een soort van vossen, of liever van die boschhonden +die men 'guara's' noemt. + +"En die guara's, die bijten dan toch?" vroeg de kleine Jack. + +"Kom, kom! Dingo zou die beesten in eens ophappen!" + +"'t Doet er niet toe," antwoordde Jack, al geeuwende, "guara's zijn +toch wolven, omdat men ze wolven noemt!" + +En daarop sliep Jack gerust in, in de armen van Nan, die tegen den stam +van den mangoboom zat geleund. Mevr. Weldon, bij haar uitgestrekt, +gaf haren kleinen jongen nog een kus en ook hààr vermoeide oogen +sloten zich weldra. + +Eenige oogenblikken later bracht Hercules neef Benedictus naar +de rustplaats terug; hij was juist weggeslopen om een jacht op de +"cocuyo's" of vuurvliegen te beginnen, die de elegante dames in het +haar dragen, als zooveel levende edelgesteenten. Deze insecten, die een +helder, blauwachtig licht verspreiden uit twee onder hun borstschild +gelegen vlekjes, zijn zeer talrijk in Zuid-Amerika. Neef Benedictus +meende er dus een goeden voorraad van op te doen; maar Hercules liet +er hem den tijd niet toe, en bracht hem, ondanks zijn tegenstribbelen, +naar de halte terug. Want als Hercules een consigne had, dan bracht hij +het op militaire wijze ten uitvoer,--'t geen voorzeker een aanzienlijk +aantal lichtvliegen van gevangenschap redde in de blikken bus van +den entomoloog. + +Eenige oogenblikken later waren allen, uitgenomen de reus die de +wacht hield, gerust ingeslapen. + + + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + +HONDERD MIJLEN IN TIEN DAGEN. + + +Gewoonlijk worden de boschreizigers of woudloopers, die in de bosschen +onder den blooten hemel geslapen hebben, gewekt door een fantastisch +en onaangenaam gehuil. Er is van alles in dit morgenconcert, gekakel, +geknor, gekras, gegrinnik, geblaf en bijna "gepraat", als men dat zoo +noemen mag, dat de reeks van al deze verschillende geluiden besluit. + +Het zijn de apen, die op deze wijze het begin van den dag in het +woud begroeten. Daar ontmoet men de kleine "marikina", de gestreepte +meerkat, de "grijze mono", wiens huid de Indianen gebruiken om het +slot hunner geweren te bedekken, de sagoe's, herkenbaar aan hunne twee +lange haarbossen en nog vele andere soorten van die talrijke familie. + +Van al die vierhandige dieren zijn de "guéribas", met den grijpstaart +en het Beëlzebub-gezicht ontegenzeglijk de merkwaardigste. Zoodra de +zon opkomt, heft de oudste van den troep met indrukwekkende en sombere +stem een eentonig psalmgezang aan. Hij is de bariton van de bende. De +jonge tenors herhalen na hem de morgen-symphonie. De Indianen zeggen +dan dat de guériba's "hun paternosters opzeggen". + +Maar dien morgen scheen het dat de apen hun gewoon gebed niet deden, +want men hoorde ze niet en toch hebben zij een vèr klinkende stem, +want het geluid ontstaat door de snelle trilling van een soort van +beenachtige trommel, gevormd door een uitzetting van het tongbeen. + +In één woord, wegens de een of andere reden hielden noch de guériba's, +noch de sagoe's, noch de andere vierhandige dieren van dat onmetelijke +woud dien morgen hun gewoon concert. + +Dat zou den zwervenden Indianen niet bijzonder bevallen zijn. Niet +omdat deze inboorlingen zoo bijzonder gesteld zijn op deze soort +van koraalmuziek, maar omdat zij gaarne jacht maken op de apen, +wier vleesch, vooral gekookt, uitmuntend is. + +Dick Sand en zijn reisgenooten waren zeker niet bekend met deze +gewoonten der guériba's, want dan zou het voor hen een reden tot +verwondering geweest zijn ze niet te hooren. Zij ontwaakten dus de +een na den ander, verkwikt door die weinige uren slaap, die door geen +enkel alarm was gestoord geworden. + +De kleine Jack was niet de laatste om zich uit te rekken. Zijn eerste +vraag was of Hercules 's nachts ook een wolf had opgegeten. Geen wolf +had zich vertoond en bijgevolg had Hercules nog niet ontbeten. + +Dit was trouwens met allen het geval en na het morgengebed hield Nan +zich bezig met het toebereiden van den maaltijd. + +De spijskaart was dezelfde als die van het souper van den vorigen dag, +maar met den eetlust, die door de morgenlucht van het bosch gescherpt +was, dacht niemand er aan om in dit opzicht lastig te zijn. Het was +vóór alles noodig kracht op te doen voor een flinken dagmarsch en dit +werd dan ook terecht door allen begrepen. Voor het eerst misschien +snapte neef Benedictus dat eten geen onverschillige of nuttelooze +verrichting van het leven was. Alleen verklaarde hij dat hij dit land +niet was komen "bezoeken", om er met de handen in de zakken in rond +te wandelen en dat, zoodra Hercules hem weer belette jacht te maken op +de cocuyo's en andere vuurvliegen, Hercules met hem, neef Benedictus, +zou te doen hebben. + +Deze bedreiging scheen den reus nog al geen bijzondere vrees in te +boezemen. Evenwel nam Mevr. Weldon hem ter zijde en zeide hem dat +hij haar groot kind maar wat rechts en links moest laten rondloopen, +maar hem toch niet uit het oog verliezen. Men diende neef Benedictus +niet geheel en al de genoegens te onthouden, op zijn leeftijd zoo +natuurlijk. + +Ten zeven ure 's morgens hernam de kleine troep den weg naar het oosten +en behield daarbij dezelfde orde in het marcheeren als den vorigen dag. + +Nog altijd niets dan bosch. Op dien maagdelijken grond waar warmte +en vochtigheid zich vereenigden om den plantengroei sneller te doen +ontwikkelen, was het wel te denken dat het plantenrijk zich in al zijn +rijkdom zou voordoen. De parallel van dat uitgestrekte bergvlak liep +bijna ineen met de tropische breedten en de zon schoot er gedurende +eenige maanden van den zomer haar loodrechte stralen. Er was dus +een ontzaglijke warmtevoorraad in de terreinen opgestapeld, welker +ondergrond vochtig bleef. Ook was er niets prachtiger om te aanschouwen +dan die opeenvolging van bosschen of liever dat eindelooze woud. + +Toch had Dick Sand het volgende opgemerkt, namelijk dat men zich in de +streek der pampa's bevond. Nu is pampa een woord uit de taal "quichna", +dat "vlakte" beteekent. En, indien zijn geheugen hem niet bedroog, +meende hij zich te herinneren dat die vlakten de volgende kenmerken +aanboden: gebrek aan water, afwezigheid van boomen, gemis aan steenen; +verder een weelderigen overvloed van distels in het regenseizoen, +distels, die in het warme jaargetijde struiken worden en alsdan +ondoordringbare kreupelbosschen vormen, dan ook dwergboompjes, +doornachtige struiken, wat vereenigd, aan deze vlakten een dor en +woest voorkomen verleent. + +Nu was dit, sedert de kleine troep onder het geleide van den Amerikaan +het kustland verlaten had, geenszins het geval. Altoos bleef het woud +zich tot de grenzen van den horizon uitstrekken. Dat kon onmogelijk +de pampa zijn zooals de leerling zich die had voorgesteld. Had het +dan werkelijk de natuur behaagd om, zooals Harris gezegd had, een +afzonderlijke streek te maken van die hoogvlakte van Atacama, waarvan +hij overigens niets anders wist dan dat zij een der uitgestrektste +woestijnen van Zuid-Amerika, tusschen de Andes en de Stille Zuidzee +vormde? + +Dick Sand wierp dienzelfden dag eenige vragen over dit onderwerp op +en gaf den Amerikaan zijn verwondering over dit zonderling voorkomen +der pampa te kennen. + +Maar hij werd dadelijk door Harris uit den waan geholpen, die hen over +dit gedeelte van Bolivia de nauwkeurigste bijzonderheden mededeelde +en daardoor bewijzen gaf van zijn groote kennis van het land. + +"Ge hebt gelijk, mijn jonge vriend," zei hij tot den leerling. "De +werkelijke pampa is wel degelijk zoo als de reisbeschrijvingen haar +u hebben afgeschilderd, dat is te zeggen een vrij dorre vlakte, die +dikwijls moeilijk te bereizen is. Zij doet ons denken aan onze prairiën +van Noord-Amerika,--met het onderscheid dat deze wat moerassiger +zijn. Ja, zoodanig is wel de pampa van den Rio-Colorado; zoodanig zijn +de 'Llanos' van den Orinoco en van Venezuela. Maar hier zijn we in een +landstreek welker voorkomen me zelf doet verbaasd staan. 't Is waar, +'t is de eerste keer dat ik dezen weg over het bergvlak neem, omdat +hij het voordeel heeft onze reis te verkorten. Maar al heb ik de +eigenlijke pampa nog nooit gezien, weet ik toch wel dat deze streek +zeer van haar verschilt. Wat de pampa aangaat, ge zoudt haar vinden, +niet tusschen de Cordilleras van het westen en de hooge keten der +Andes, maar aan gene zijde der bergen, op het geheel oostelijk gedeelte +van het vasteland dat zich uitstrekt tot den Atlantischen Oceaan." + +"Moeten we de keten der Andes overtrekken?" vroeg Dick Sand levendig. + +"Wel neen, mijn jonge vriend, wel neen," antwoordde de Amerikaan +glimlachend. "'k Zei: ge zoudt haar vinden, en niet: ge zult haar +vinden. Stel je gerust, we verlaten dit bergvlak niet, waarvan +de grootste hoogten zich niet boven de vijftien honderd voet +verheffen. Als we de Cordilleras hadden moeten overtrekken met de +eenvoudige middelen van vervoer waarover we beschikken, zou ik je +nooit tot een dergelijke onderneming hebben overgehaald." + +"Dan zou het ook waarlijk beter zijn geweest," antwoordde Dick Sand, +"noordelijk of zuidelijk de kust te volgen." + +"O! honderdmaal beter!" hernam Harris. "Maar de hacienda van San-Felice +is aan deze zijde van de Cordilleras gelegen. Onze reis zal dus +evenmin nu, als later, eenige wezenlijke moeilijkheid opleveren." + +"En vreest u niet te verdwalen in de bosschen die u voor 't eerst +doortrekt?" vroeg Dick Sand. + +"Neen, mijn jonge vriend, neen," antwoordde Harris. "'k Weet wel +dat zulk een woud als een onmetelijke zee is, of liever als de bodem +eener zee, waar zelfs een zeeman geen hoogte zou kunnen nemen om zijn +positie te verkennen. Maar, ik ben gewoon in de bosschen te reizen, +en heb niets noodig om mijn weg te vinden als de schikking van zekere +boomen, de richting hunner bladeren, de gedaante of de samenstelling +van den bodem, een menigte bijzonderheden die u ontgaan! Wees er +zeker van dat ik u en de uwen zal brengen waar ge wezen wilt!" + +Dit alles werd zeer stellig door Harris gezegd. Dick Sand en hij +liepen vooraan en praatten dikwijls, zonder dat iemand zich in hun +gesprek mengde. Mocht de leerling soms al eens eenige zorg hebben, +die de Amerikaan niet altijd kon verdrijven, dan hield hij die liever +voor zich. + +De 8e, 9e, 10e, 11e en 12e April verliepen op deze wijze zonder dat +er iets bijzonders op de reis voorviel. Men legde niet meer dan acht +of negen mijlen per twaalf uur af. De oogenblikken aan den maaltijd +of aan de rust gewijd, volgden elkander geregeld op, en hoewel zich +reeds eenige vermoeienis begon te openbaren, was de gezondheidstoestand +nog zeer voldoende. + +De kleine Jack had wel wat te lijden tengevolge van dit leven in de +bosschen, waaraan hij niet gewoon was en dat zeer eentonig voor hem +werd. En daarbij was men al de beloften die men hem gedaan had niet +nagekomen. De mannetjes van caoutchouc, de vliegenvogeltjes, dat alles +scheen hoe langer zoo meer op den achtergrond te geraken. Er was ook +sprake geweest hem de prachtigste papegaaien van de wereld te laten +zien en zij moesten in deze rijke bosschen niet ontbreken. Waar waren +ze dan nu, die papegaaien met hun groen gevederte, bijna alle uit +deze streken afkomstig, de ara's met kale wangen, zeer lange puntige +staarten en schitterende kleuren, wier pooten nooit den grond aanraken, +en de camindé's, die meer bijzonder tot de tropische gewesten behooren, +verder de veelkleurige langstaartpapegaaien, met het gevederde gelaat, +en eindelijk al die snapachtige vogels die, naar het zeggen der +Indianen, nog de taal der uitgestorven stammen spreken? + +Van papegaaien zag de kleine Jack slechts de jako's of ongekuifde +aschkleurige boomlorries, met rooden staart, die onder de boomen +krioelden. Maar deze jako's waren niet nieuw voor hem. Zij zijn door +de geheele wereld verspreid. In alle deelen der aarde doen zij de +huizen van hun onverdraaglijk gekakel weergalmen en van de gansche +familie der "psittacini", zijn zij het gemakkelijkst praten te leeren. + +Doch, Jack was niet de eenige die ontevreden was, neef Benedictus +was het ook. Men had hem onderweg wat heen en weer laten loopen en +evenwel vond hij geen enkel insect dat waardig was zijn verzameling te +verrijken. 's Avonds weigerden zelfs de vuurvliegen hardnekkig zich +aan hem te vertoonen en hem door hun lichtgevende borstschilden aan +te trekken. De natuur scheen waarlijk den spot te drijven met den +ongelukkigen entomoloog, wiens humeur onuitstaanbaar werd. + +Nog vier dagen lang bleven zij den marsch onder dezelfde omstandigheden +voortzetten. Den 16en April moest men den van de kust af aan afgelegden +weg op niet minder dan honderd mijlen schatten. Indien Harris niet +verdwaald was,--en hij verzekerde dit zonder aarzelen,--dan was de +hacienda van San-Felice niet meer dan twintig mijlen verwijderd +van het punt waar de halte dien dag gehouden werd. Nog omstreeks +acht-en-veertig uren en de kleine troep zou een veilig dak vinden, +waaronder hij eindelijk van zijn vermoeienissen zou kunnen uitrusten. + +Alhoewel zij nu de hoogvlakte in haar gansche uitgestrektheid waren +doorgetrokken, hadden zij geen enkelen inboorling, geen enkelen +zwervenden Indiaan in het onmetelijk woud ontmoet. + +Meermalen had Dick Sand, zonder er iets van te zeggen, spijt gevoeld +dat zij niet op een ander gedeelte der kust gestrand waren! Meer ten +zuiden of meer ten noorden zouden zij in overvloed gehuchten, dorpen +en plantages op hun weg ontmoet en Mevr. Weldon en haar reisgenooten +een schuilplaats gevonden hebben. + +Maar, scheen deze streek al door den mensch verlaten te zijn, met +de dieren was dit in de laatste dagen geenszins het geval. Somwijlen +hoorde men een langgerekten klagenden kreet, dien Harris toeschreef aan +eenige van die groote luiaards, de gewone gasten van die uitgestrekte +boschachtige streken die men "ai's" noemt. + +Dien zelfden dag liet zich ook, onder de middaghalte een gefluit in de +lucht hooren, zoo vreemd klinkend, dat Mevr. Weldon er zich ongerust +over maakte. + +"Wat is dat?" vroeg zij, opspringende. + +"Een slang!" riep Dick Sand, terwijl hij met zijn geladen geweer zich +voor Mevr. Weldon wierp. + +En werkelijk kon het zeer goed zijn dat er eenig kruipend gedierte +in het gras tot nabij de plaats der halte was geslopen. Er was niets +vreemds in gelegen dat het een dier enorme "sukuru's", een soort van +boa's was, die somtijds veertig voet lengte hebben. + +Maar Harris herinnerde dadelijk Dick Sand, dat de negers reeds volgden +en hij stelde Mevr. Weldon gerust. + +Volgens hem had geen sukuru dit gefluit kunnen voortbrengen, omdat deze +slang niet fluit, maar het verkondigde de tegenwoordigheid van zekere +onschadelijke viervoetige dieren, die vrij talrijk in dit land zijn. + +"Verontrust u dus niet," zeide hij, "en maak vooral geen beweging, +die de dieren kan doen verschrikken." + +"Maar welke dieren zijn het toch?" vroeg Dick Sand, die het zich tot +wet maakte den Amerikaan te ondervragen en te doen spreken, terwijl +deze zich trouwens nooit liet bidden om hem te antwoorden. + +"Het zijn antilopen, mijn jonge vriend," antwoordde Harris. + +"O! wat zou ik ze graag eens zien!" riep Jack. + +"Dat zal moeielijk gaan, mijn ventje," antwoordde de Amerikaan, +"zeer moeielijk!" + +"Zouden we niet kunnen probeeren die fluitende antilopen te +naderen?" hernam Dick Sand. + +"O! ge zoudt geen drie stappen gedaan hebben," antwoordde de Amerikaan +het hoofd schuddend, "of de gansche troep zou op de vlucht gaan! 'k +Raad je dus je niet te bewegen!" + +Maar Dick Sand had zijn redenen om nieuwsgierig te zijn. Hij wilde +zien, en met het geweer in de hand, sloop hij in het gras. Onmiddellijk +vlogen een dozijn bevallige gazellen, met kleine puntige horens +bliksemsnel voorbij. De helroode kleur van hun haar teekende zich +als een vurige wolk tegen het geboomte af. + +"Ik heb het je wel gezegd," zei Harris, toen de leerling zijn plaats +weder innam. + +Was het wezenlijk onmogelijk deze antilopen door hun verbazende +vlugheid duidelijk te onderscheiden, zoo was dit niet het geval met +een anderen troep dieren, die denzelfden dag werden opgemerkt. Die +dieren kon men, hoewel onvolkomen, zien, maar hun verschijning gaf +aanleiding tot een vrij zonderlinge woordenwisseling tusschen Harris +en eenigen zijner metgezellen. + +De kleine troep had zich tegen vier uur 's avonds een oogenblik op +een open plek in het bosch opgehouden, toen drie of vier ontzaglijk +groote beesten uit een kreupelbosch op een honderd schreden van hen +af te voorschijn kwamen en oogenblikkelijk met verwonderlijke snelheid +op de vlucht gingen. + +Ondanks de aanbevelingen van den Amerikaan had de leerling vlug +zijn geweer aangelegd en op een dezer dieren vuur gegeven. Maar, op +het oogenblik dat het schot afging, was het wapen snel door Harris +afgewend en Dick Sand had, hoe handig hij ook was, zijn doel gemist. + +"Geen geweerschoten! geen geweerschoten!" zei de Amerikaan. + +"Maar, dat zijn giraffen!" riep Dick Sand uit, zonder iets anders op +de opmerking van Harris te antwoorden. + +"Giraffen!" herhaalde Jack, terwijl hij zich op zijn zaal +oprichtte. "Waar zijn ze gebleven, die groote dieren?" + +"Giraffen!" antwoordde Mevr. Weldon. "Je vergist je, mijn waarde +Dick. Er zijn geen giraffen in Amerika." + +"U hebt gelijk," zei Harris, die mede verbaasd scheen, "er kunnen +geen giraffen in dit land zijn!" + +"Maar hoe dan?...." zei Dick Sand. + +"'k Weet waarlijk niet wat ik er van denken moet!" antwoordde +Harris. "Heeft je gezicht je niet bedrogen en zouden die dieren geen +struisvogels geweest zijn?" + +"Struisvogels!" herhaalden Dick Sand en Mevr. Weldon, terwijl zij +elkander zeer verwonderd aankeken. + +"Ja, eenvoudig struisvogels," herhaalde Harris. + +"Maar struisvogels zijn vogels," hernam Dick Sand, "en ze hebben maar +twee pooten!" + +"Welnu," antwoordde Harris, "'k meende juist te zien dat de dieren +die daar zoo snel op de vlucht gingen, tweebeenige waren!" + +"Tweebeenige dieren!" herhaalde de leerling. + +"Me dunkt toch dat ik beesten met vier pooten gezien heb," zei +Mevr. Weldon. + +"Ik ook," voegde de oude Tom er bij, wiens woorden door Bat, Actéon +en Austin bevestigd werden. + +"Viervoetige struisvogels!" riep Harris lachend uit. "Dat zou nog al +aardig zijn!" + +"Ook meenden we," hernam Dick Sand, "dat het giraffen en geen +struisvogels waren." + +"Neen, mijn jonge vriend, neen!" zei Harris. "Je hebt stellig verkeerd +gezien, maar dat laat zich best verklaren door de snelheid waarmee +die beesten op de vlucht zijn gegaan. 't Is trouwens jagers meermalen +overkomen zich even als gij te vergissen!" + +Wat de Amerikaan zeide, was zeer aannemelijk. Tusschen een grooten +struisvogel en een giraffe van gemiddelde grootte, op zekeren afstand +gezien, is het gemakkelijk zich te vergissen. Of ze een bek of een +snuit aan het eind van hun langen naar achteren gebogen hals hebben, +is op een afstand niet zoo gemakkelijk te onderscheiden en desnoods +zoude men kunnen zeggen dat een struisvogel slechts een halve giraffe +is. De achterpooten ontbreken hem slechts. Dit tweebeenig en dit +vierbeenig dier, onvoorzien snel voorbijgaande, kunnen desnoods met +elkander verward worden. + +Het beste bewijs overigens dat Mevr. Weldon en de anderen zich +vergisten is, dat er geen giraffen in Amerika zijn. + +Dick Sand maakte toen de volgende opmerking: + +"Maar ik dacht dat er evenmin struisvogels als giraffen in de Nieuwe +wereld zijn?" + +"Ja wel, mijn jonge vriend," antwoordde Harris, "en juist bezit +Zuid-Amerika er een bijzondere soort van. Tot deze soort behoort de +'nandoe', die je daar zoo even gezien hebt!" + +Harris had gelijk. De nandoe is een steltlooper, die in de vlakten +van Zuid-Amerika vrij veel voorkomt, en zijn vleesch, vooral van een +jong dier, is een zeer goed voedsel. Dit sterke dier, dat somtijds +twee vademen hoog is, heeft een rechten bek, lange vleugels, bestaande +uit dichte vederen van blauwachtige kleur, de pooten gevormd uit drie +vingers met nagels voorzien,--hetgeen hem duidelijk onderscheidt van +de struisvogels van Afrika. + +Deze zeer nauwkeurige bijzonderheden werden door Harris medegedeeld, +die bijzonder goed op de hoogte van de gewoonten der nandoes +bleek. Mevr. Weldon en haar reisgenooten moesten toestemmen dat zij +zich vergist hadden. + +"'t Is bovendien zeer goed mogelijk dat we nog een anderen troep +van die struisvogels ontmoeten. Mocht dat zoo zijn, kijk dan beter +en zie nooit meer vogels voor viervoetige dieren aan! Maar vooral, +mijn jonge vriend, vergeet mijn raad niet en schiet op geen dieren +meer! 't Is gelukkig niet noodig dat we jagen om ons levensmiddelen +te verschaffen.... en nog eens, de losbarsting van een vuurwapen moet +onze tegenwoordigheid in dit bosch niet verraden." + +Dick Sand bleef evenwel in gedachten verzonken. Andermaal kwam twijfel +bij hem op. + +Den volgenden dag, den 17en April, werd de reis hervat en verzekerde +de Amerikaan, dat nu geen vier-en-twintig uren meer zouden verloopen +of de kleine troep zou in de hacienda van San-Felice gehuisvest zijn. + +"Dáár, Mevr. Weldon," voegde hij er bij, "zult u al de zorg ontvangen +die uw toestand vereischt. Eenige dagen van rust moeten u weer geheel +opknappen. Misschien zult u in die hoeve wel niet de weelde vinden, +waaraan u in uw woning te San-Francisco gewoon zijt, maar u zult zien +dat het in de woningen op onze ontginningen in het binnenland niet +aan de geriefelijkheden des levens ontbreekt. We zijn nu juist niet +heelemaal wilden." + +"Mijnheer Harris," antwoordde Mevr. Weldon, "al kunnen we niet anders +dan u dankzeggen voor uw edelmoedige hulp, zoo doen we dat althans +van ganscher harte. Ja! 't is tijd dat we aankomen!" + +"Gevoelt u zich bijzonder vermoeid, mevrouw Weldon?" + +"Aan mij is niets gelegen!" antwoordde Mevr. Weldon, "maar ik merk +dat mijn kleine Jack langzamerhand uitgeput raakt! De koorts begint +hem tusschenbeide beet te nemen!" + +"Ja," antwoordde Harris, "en ofschoon het klimaat van dit bergvlak +zeer gezond is, kan het niet ontkend worden dat er in Maart en April +tusschenpoozende koortsen heerschen." + +"Dat is zeker," zei nu Dick Sand, "maar de steeds zorgende natuur +heeft dan ook weder hier het geneesmiddel voor de kwaal bij de hand!" + +"En hoe dat, mijn jonge vriend?" vroeg Harris, die zich onwetend hield. + +"Zijn we dan hier niet in de streek der kinasoorten?" vroeg Dick Sand. + +"'t Is waar ook," zei Harris, "je hebt volkomen gelijk. De boomen +die den kostbaren kinabast verschaffen, zijn hier thuis." + +"'k Heb me al verwonderd dat ik er nog geen gezien heb," hernam +Dick Sand. + +"Ja, mijn jonge vriend," antwoordde Harris, "die boomen zijn zoo +gemakkelijk niet te onderscheiden. Hoewel zij dikwijls vrij hoog en +hun bladeren groot zijn, hun bloemen rooskleurig en heerlijk van +geur, ontdekt men ze toch niet gemakkelijk. Zeldzaam ontmoet men +ze in groepen. Ze zijn eerder hier en daar in het bosch verspreid, +zoo dat de Indianen die de kina inoogsten, ze niet anders dan aan +hun altijd groene bladeren herkennen." + +"Zoudt u zoo goed willen zijn, mijnheer Harris," zei Mevr. Weldon, +"om, als u een van die boomen ziet, hem mij dan te wijzen?" + +"Welzeker, mevrouw Weldon, maar u zult in de hacienda sulphas chinini +vinden en dat zout is nog beter om de koorts te verdrijven dan de +eenvoudige bast van een boom." [24] + +Deze laatste dagreis liep zonder eenig bijzonder voorval ten +einde. De avond kwam en de gewone toebereidselen voor den nacht werden +gemaakt. Tot nog toe had het niet geregend, doch het weder scheen +te zullen veranderen, want er steeg een warme walm uit den bodem op, +die weldra in een dikken mist overging. + +Men naderde nu werkelijk het regenseizoen. Gelukkig zou den volgenden +dag een geriefelijk thuis aan den kleinen troep worden aangeboden. Nog +eenige uren slechts moesten er verloopen. + +Alhoewel men volgens Harris, die zijn berekening niet anders kon +maken dan naar den tijd dat de reis geduurd had, niet verder dan zes +mijlen van de hacienda kon verwijderd zijn, werden de gewone voorzorgen +voor den nacht genomen. Tom en zijn kameraden zouden om beurten wacht +houden. Dick Sand was er op gesteld dat niets in dit opzicht verzuimd +werd. Minder dan ooit wilde hij zijn gewone voorzichtigheid uit het +oog verliezen, want een vreeselijk vermoeden had in zijn gemoed wortel +geschoten, maar hij wilde nog niets zeggen. + +De rustplaats voor den nacht bevond zich aan den voet van een groep +groote boomen. Tengevolge van sterke vermoeidheid waren Mevr. Weldon en +de haren reeds in slaap, toen zij door een luiden kreet gewekt werden. + +"Wat is er?" vroeg Dick Sand, die de eerste van allen, onmiddellijk +overeind was. + +"Ik ben het! ik heb geschreeuwd!" antwoordde neef Benedictus. + +"En wat scheelt er aan?" vroeg Mevr. Weldon. + +"'k Ben daar juist gebeten!" + +"Door een slang....? vroeg Mevr. Weldon verschrikt. + +"Neen, neen! 't Is geen slang, maar een insect," antwoordde +Benedictus. "Daar heb ik hem, ik heb 'm." + +"Welnu, dood het dan, je insect," zei Harris, "en laat ons gerust +slapen, mijnheer Benedict!" + +"Een insect dood maken!" riep neef Benedictus. "Verstrekt niet! 'k +moet eens zien wat het is!" + +"Een muskiet!" zei Harris, de schouders ophalende. + +"Welnu! 't is een vlieg," antwoordde neef Benedictus, "en zeker een +heel vreemde!" + +Dick Sand had een klein zaklantaarntje aangestoken en ging er mee +naar den lastigen neef. + +"Groote goedheid!" riep deze uit. "Dat maakt al mijn teleurstellingen +goed! Eindelijk heb ik dan toch een ontdekking gedaan!" + +De geestvervoering van den goeden man grensde aan waanzin. Hij +beschouwde zijn vlieg met zegevierende blikken! Hij had ze wel +willen kussen! + +"Maar wat is het dan toch?" vroeg Mevrouw Weldon. + +"Een diptera (tweevleugelig insect) nicht, een prachtige diptera!" + +En neef Benedictus liet haar een vlieg zien, kleiner dan een bij, +van een doffe kleur en aan het onderste gedeelte van haar lichaam +geel gestreept. + +"Die vlieg is toch niet vergiftig?" vroeg Mevr. Weldon. + +"Neen, nicht, neen, althans niet voor menschen. Maar voor dieren, +zooals voor antilopen, voor buffels, zelfs voor olifanten, is 't +wat anders!" + +"Maar zeg ons nu eindelijk toch eens welke vlieg het is," zei Dick +Sand. + +"Die vlieg," antwoordde de entomoloog, "die vlieg, die ik hier tusschen +mijn vingers heb, die vlieg! is een tsetsé!.... Dat is de vermaarde +diptera, de roem van haar land, maar toch wel vreemd, tot nog toe +heeft men nog nooit een tsetsé in Amerika gevonden!" + +Dick Sand had den moed niet neef Benedictus te vragen in welk +werelddeel die geduchte tsetsé alleen wordt aangetroffen! + +En toen zijn reisgenooten, na dit voorval, hun afgebroken slaap hervat +hadden, deed Dick Sand, ondanks zijn zware vermoeidheid, den ganschen +nacht geen oog meer dicht! + + + + +ACHTTIENDE HOOFDSTUK. + +HET VREESELIJK WOORD! + + +Het werd tijd dat de reizigers de hacienda bereikten. Ten gevolge +van buitengewone vermoeidheid was Mevr. Weldon in de onmogelijkheid +een reis te vervolgen onder zulke bezwarende omstandigheden. Het was +waarlijk een treurig gezicht, die kleine jongen met dat hoog roode +gezicht in de aanvallen van koorts, en dan weder zoo bleek in de +tusschenpoozen. Zijn moeder maakte zich zoo ongerust, dat zij Jack +zelfs niet aan de zorgen van de goede Nan had willen toevertrouwen +en hem aanhoudend half liggend in haar armen hield. + +Ja! het was tijd dat zij aankwamen! Volgens den Amerikaan zouden +zij dan ook denzelfden avond van den dag, die aan den hemel kwam, +den avond van den 18n April, eindelijk in de hacienda van San-Felice +een veilige schuilplaats vinden. + +Welk een moedige en sterke natuur Mevr. Weldon ook had, zoo was toch +een reis van twaalf dagen en daarbij twaalf nachten onder den blooten +hemel doorgebracht, meer dan genoeg om haar geheel aftematten. Maar +voor een kind was het nog erger en het gezicht van den kleinen zieken +Jack die zelfs de eenvoudigste oppassing moest missen, was alleen +voldoende haar geheel neer te slaan. + +Dick Sand, Nan, Tom en zijn reismakkers hadden de vermoeienissen der +reis beter verdragen. + +Wel begonnen de levensmiddelen te verminderen, maar gebrek hadden +zij nog geenszins gehad, zoodat hun gezondheid dan ook voldoende was. + +Wat Harris aangaat, hij scheen tegen de ongemakken van die +langdurige tochten door de bosschen bestand te zijn en 't bleek dat +de vermoeienissen geen vat op hem hadden. Alleen merkte Dick Sand op, +dat hij, naarmate zij de hacienda naderden, meer in gedachten en minder +rond in zijn omgang was dan vroeger. Het tegendeel zou natuurlijker +geweest zijn. Dat was althans de meening van den leerling, die den +Amerikaan hoe langer hoe meer begon te wantrouwen. En toch, welk +belang dreef Harris aan hen te bedriegen? Dick Sand zou het niet hebben +kunnen zeggen, maar nog meer dan vroeger hield hij hun gids in 't oog. + +De Amerikaan, van zijn kant, gevoelde dat Dick hem niet vertrouwde, +en dit wantrouwen deed hem in tegenwoordigheid van zijn "jongen vriend" +nog stilzwijgender zijn. + +Men was weder op marsch gegaan. + +In het bosch, dat nu minder dicht was, waren de boomen hier en daar +in groepen verspreid en vormden geen ondoordringbare massa's meer. Zou +dat nu de werkelijke pampa zijn, waarvan Harris gesproken had? + +Gedurende de eerste uren van den dag, werd de ongerustheid van Dick +Sand door geen enkel voorval vergroot. Alleen werden er twee feiten +door hem opgemerkt. Misschien waren zij niet van groot gewicht, +maar in de omstandigheden waarin zij verkeerden, mocht geen enkele +bijzonderheid onopgemerkt voorbijgaan. + +Het was vooreerst de houding van Dingo, die meer bijzonder de aandacht +van den leerling trok. + +De hond namelijk, die gedurende den ganschen tocht een spoor scheen +te volgen, werd geheel anders, en dat bijna plotseling. Tot nog toe +slechts met den neus op den grond, het gras of de struiken beruikende, +zweeg hij, of deed hij een soort van klagend geblaf hooren, naar het +scheen de uitdrukking van smart of van verdriet. + +Dien dag nu werd het geblaf van het zonderlinge dier weder luid +klinkend, somtijds woedend, zooals het vroeger was, toen Negoro op +het dek van den _Pelgrim_ verscheen. + +Eensklaps kwam er een vermoeden bij Dick Sand op, in welk vermoeden +hij door Tom versterkt werd, die zeide: + +"'t Is toch vreemd, mijnheer Dick! Dingo snuffelt niet meer langs den +grond, zooals hij gisteren nog deed! Hij loopt met den neus in den +wind, hij is ontsteld en zijn haar staat overeind! Men zou zeggen, +dat hij in de verte...." + +"Negoro ruikt, niet waar?" antwoordde Dick Sand, die den arm van den +ouden neger aangreep en hem een teeken gaf om zacht te spreken. + +"Negoro, mijnheer Dick. Zou 't niet kunnen zijn, dat hij ons spoor +gevolgd heeft?..." + +"Ja, Tom, en dat hij op dit zelfde oogenblik niet ver af is?" + +"Maar.... waarom?" zei Tom. + +"Of Negoro kende dit land niet," hernam Dick Sand, "en in dat +geval had hij het grootste belang erbij ons niet uit het gezicht +te verliezen...." + +"Of?...." zei Tom, die den leerling ontsteld aankeek. + +"Of," hernam Dick Sand, "hij kende het, en dan...." + +"Maar hoe zou Negoro dit land kennen? Hij is er nog nooit geweest!" + +"Nog nooit geweest!" mompelde Dick Sand. "Maar zeker is het dat Dingo +doet alsof de man dien hij verfoeit, weder dicht bij is ons!" + +Daarna viel hij zich in de rede, om den hond te roepen die aarzelend +naar hem toe kwam. + +"Wel," zei hij, "Negoro, Negoro!" + +Dingo beantwoordde dit met een woedend geblaf. Deze naam had de gewone +uitwerking op hem, en hij sprong vooruit, alsof Negoro zich achter +het kreupelhout had verscholen. + +Harris had dit geheele tooneel gezien. Met de lippen een weinig op +elkaar gedrukt, trad hij op den leerling toe. + +"Wat vraag je toch aan Dingo?" + +"O! dat beteekent niet veel, mijnheer Harris," antwoordde de oude +Tom gekscheerend. "We vragen hem naar den scheepsmakker dien we +verloren hebben!" + +"Ah!" zei de Amerikaan, "naar dien Portugees, den scheepskok, van +wien je me al verteld hebt?" + +"Ja," antwoordde Tom. "Als men Dingo hoort, zou men zeggen dat Negoro +in de buurt is!" + +"Hoe zou hij hier hebben kunnen komen!" antwoordde Harris. "Hij is +nooit in dit land geweest, voor zoover ik weet!" + +"Of hij moet het voor ons geheim gehouden hebben," antwoordde Tom. + +"Dat zou vreemd zijn," zei Harris. "Maar als je wilt, zullen we 't +kreupelhout doorzoeken. 't Kan wezen dat de arme drommel hulp behoeft, +dat hij in nood is...." + +"'t Is onnoodig, mijnheer Harris," antwoordde Dick Sand. "Als Negoro +den weg hierheen heeft kunnen vinden, zal hij wel verder terecht +komen. Hij is mans genoeg!" + +"Zooals je wilt," antwoordde Harris. + +"Koest, stil, Dingo," zei Dick gebiedend tot den hond, om een eind +aan het gesprek te maken. + +De tweede opmerking van den leerling had betrekking op het paard van +den Amerikaan. + +Het bleek niet "dat hij den stal rook," zooals paarden gewoonlijk +doen. Het snoof geen lucht op, verhaastte zijn stap niet, het blies +niet door zijn neusgaten, liet geen gehinnik hooren, zooals zij +gewoonlijk doen als zij den stal naderen. Hij scheen even onverschillig +alsof de hacienda, die hij toch goed moest kennen, eenige honderden +mijlen daar vandaan geweest was. + +"Het is geen paard dat thuis komt!" dacht de leerling. + +En evenwel had Harris den vorigen dag reeds gezegd, dat zij nog slechts +zes mijlen van hun doel af waren en van die zes mijlen hadden zij er +zeker vier afgelegd. + +Behalve dat nu het paard niets van den stal rook, dien het toch +zeker hoog noodig had, was er ook niets waaruit zij de nabijheid +eener groote nederzetting konden opmaken, zooals toch de hacienda +van San-Felice moest zijn. + +Hoe onverschillig Mevr. Weldon ook moest zijn voor alles wat haar +kind niet betrof, was zij toch getroffen door de verlatenheid +der streek. Hoe! geen enkele inlander, geen enkele bediende van +de hacienda, en nog wel op zulk een kleinen afstand! Was Harris +verdwaald? Neen, dat denkbeeld verwierp zij. Een nieuwe vertraging +zou de dood van haren kleinen Jack zijn? + +Intusschen ging Harris altijd vooruit; maar hij scheen de diepten +van het bosch te peilen en naar rechts en links te kijken, als iemand +die niet zeker van zich zelven.... of van den weg is!.... + +Mevr. Weldon sloot de oogen om hem niet meer te zien! + +Na een vlakte van omstreeks een mijl te zijn doorgetrokken, kwamen +zij weder in het bosch, dat hier evenwel niet zoo dicht meer was als +in het westen en zette de kleine troep haren marsch onder de groote +boomen voort. + +Ten vier ure 's avonds kwam men bij een kreupelbosch, waar niet lang +geleden een troep machtige dieren zich een doortocht had gebaand. + +Dick Sand nam alles om zich heen met de grootste attentie op. + +Op een hoogte, die de menschelijke lengte ver overtrof, waren de +takken afgescheurd of gebroken. Daarbij was het groen met geweld van +een gerukt en waren er op den eenigszins moerassigen grond, die nu +bloot gekomen was, voetstappen van jaguars of conguars te zien. + +Zouden het "ai's" of andere luiaards geweest zijn, welke die indrukken +op den grond hadden achtergelaten? Doch hoe dan de gebroken takken +op zulk een hoogte te verklaren? + +Alleen olifanten hadden dergelijke indrukken, zulke breede +sporen kunnen achterlaten en een verwoesting in het kreupelbosch +aanrichten. Maar olifanten zijn er niet in Amerika. Die ontzaglijke +dikhuidige dieren worden in de Nieuwe-Wereld niet gevonden en zijn +er ook nooit geweest, terwijl men ze er ook nooit heeft kunnen +acclimatiseeren. + +De onderstelling dat daar olifanten zouden doorgetrokken zijn, was +dus volstrekt onaannemelijk. + +Hoe het zij, Dick Sand liet niet blijken wat dit onverklaarbare +feit hem zoo al te denken gaf en te overwegen. Hij ondervroeg zelfs +den Amerikaan niet meer in dit opzicht. Wat toch kon hij verwachten +van iemand die getracht had hem giraffen voor struisvogels te doen +aanzien? Harris zou ook daarvan de een of andere meer of minder goed +verzonnen verklaring hebben gegeven, die toch niets aan den toestand +veranderd had. + +Hoe het zij, de meening van Dick omtrent Harris was gevestigd. Hij +was nu overtuigd dat hij te doen had met een verrader en wachtte +slechts op een gelegenheid om zijn valschheid aan de kaak te stellen, +alles zeide hem dat deze gelegenheid zich weldra zou voordoen. + +Maar wat kon het geheime doel van Harris zijn? Welke toekomst gingen de +overlevenden van de _Pelgrim_ te gemoet? Dick Sand gevoelde dat zijn +verantwoordelijkheid met de stranding van de _Pelgrim_ niet geëindigd +was. Hij moest altijd, en meer dan ooit, zorgen voor het heil van hen, +die de schipbreuk op deze kust geworpen had. Hij alleen was het, +die deze vrouw, dit jonge kind, deze negers, al zijn lotgenooten +moest redden! Mocht hij aan boord al iets hebben kunnen beproeven, +mocht hij als zeeman hebben kunnen handelen, welk besluit zou hij +hier nemen, te midden van de vreeselijke beproevingen die hij voorzag? + +Dick Sand wilde de oogen niet sluiten voor de ontzettende werkelijkheid +die elk oogenblik onbetwistbaarder werd. In deze omstandigheid werd +hij weder de kapitein van vijftien jaren, die hij aan boord van de +_Pelgrim_ geweest was. Maar hij wilde niets zeggen, dat de arme moeder +kon verontrusten, voordat het oogenblik van handelen gekomen was! + +En hij zeide niets, zelf niet, toen hij aan den oever van een vrij +breeden stroom gekomen zijnde en de kleine troep een honderd schreden +vooruit gaande, eenige reusachtige dieren zag, die zich in het hooge +riet en gewassen aan den oever verborgen. + +"Nijlpaarden! nijlpaarden!" was hij op het punt om uit te roepen. + +En werkelijk waren het van die dikhuiden met groote koppen en lange +gebochelde snuiten, wier bek bezet is met groote tanden, die meer dan +een voet ver uitsteken, ineengedrongen op hun korte pooten, en waarvan +de huid, onbehaard, taankleurig rood is? Nijlpaarden in Amerika! + +Den geheelen dag werd de marsch voortgezet, maar bezwaarlijk. Zelfs de +sterksten konden van vermoeidheid bijna niet verder. Het werd inderdaad +tijd, dat men aankwam of wel zou men genoodzaakt zijn halt te houden. + +Mevr. Weldon, die zich uitsluitend met haar kleinen Jack bezighield, +voelde misschien geen vermoeidheid, maar haar krachten waren +uitgeput. Allen waren meer of minder afgemat. Een verheven geestkracht, +in het gevoel van plicht, hield Dick Sand staande. + +Tegen zes uur 's avonds vond de oude Tom in het gras een voorwerp +dat zijn aandacht trok. Het was een wapen, een soort van mes, van +bijzondere gedaante, gevormd uit een breed, gebogen lemmet en gevat +in een ivoren heft van vrij ruwe bewerking. + +Tom gaf dit mes aan Dick Sand, die het nauwkeurig bekeek en het +eindelijk aan den Amerikaan toonde, met de woorden: + +"De inboorlingen zijn ongetwijfeld niet ver meer!" + +"Inderdaad," antwoordde Harris, "en toch...." + +"Toch?...." herhaalde Dick Sand, die Harris strak aankeek. + +"We moesten nu zeer dicht bij de hacienda zijn," hernam Harris +aarzelend, "en 'k weet niet...." + +"Waar we zijn?" zei Dick Sand driftig. + +"We kunnen nu niet verder dan drie mijlen van de hacienda meer af +zijn. Maar ik wilde den kortsten weg door het bosch nemen en ik heb +misschien ongelijk gehad!" + +"Misschien!" herhaalde Dick Sand. + +"'t Zou dunkt me niet kwaad zijn als ik vooruit ging," zei Harris. + +"Neen, mijnheer Harris, we gaan niet van elkaar," antwoordde Dick +Sand op stelligen toon. + +"Zooals ge wilt!" hernam de Amerikaan. "Maar in den nacht zal 't me +moeilijk vallen u te geleiden." + +"Dat doet er niet toe!" antwoordde Dick Sand. "We zullen halt +houden. Mevr. Weldon zal 't zeker goedvinden nog één nacht in het +bosch door te brengen, en morgen, als 't helder dag is, gaan we weer +op weg! Nog twee of drie mijlen, die we in een uurtje zullen afleggen!" + +"Goed," antwoordde Harris. + +Op dit oogenblik liet Dingo een woedend geblaf hooren. + +"Hier, Dingo, hier!" riep Dick Sand. "Je weet wel dat er niemand is, +en dat we hier in de wildernis zijn!" + +Men besloot dus nog eens halt te houden. Mevr. Weldon liet haar +metgezellen hun gang gaan, zonder een woord te zeggen. Haar kleine +Jack was met de koorts in haar armen ingesluimerd. + +Men zocht naar een goed plaatsje om er den nacht door te brengen. + +Dick Sand was druk bezig met onder het dichte gebladerte van eenige +bijeenstaande boomen alles voor den nacht in gereedheid te brengen, +toen de oude Tom, die hem hierin te hulp kwam, plotseling stil hield, +uitroepende: + +"Mijnheer Dick, kom eens gauw hier en kijk eens!" + +"Wat scheelt er aan, ouwe Tom?" vroeg Dick Sand op den bedaarden toon +van iemand, die op alles voorbereid is. + +"Daar.... daar...." zei Tom, "op die boomen.... bloedvlekken!.... En +op den grond.... verminkte leden!...." + +Dick Sand vloog naar de plaats die de oude Tom hem aanwees. Toen, +tot zich zelven komende, zeide hij: + +"Zwijg toch, Tom, zwijg." + +En werkelijk lagen daar op den grond afgesneden handen, en bij die +menschelijke overblijfselen, eenige gebroken jukken, en een gesprongen +ketting! + +Mevr. Weldon had gelukkig niets van die afschuwelijke voorwerpen +gezien. + +Wat Harris aangaat, hij hield zich ter zijde en wie hem op dit +oogenblik bespied had, zou getroffen zijn geweest door de verandering +die bij hem plaats greep. Zijn gelaat had iets woests. + +Dingo had zich bij Dick Sand gevoegd en blafte als razend tegen die +bloedige overblijfselen. + +Het kostte den leerling moeite den hond weg te jagen. + +Intusschen was de oude Tom, op het gezicht van die jukken, van dien +gebroken ketting onbeweeglijk, als in den bodem vastgeworteld, blijven +staan. De oogen bovenmate wijd gesperd, de handen saamgewrongen, +keek hij strak vóór zich en mompelde deze onsamenhangende woorden: + +"Heel klein.... als heel klein kind, heb ik die jukken gezien!...." + +En ongetwijfeld kwamen de herinneringen uit zijn eerste kindsheid, +als in nevelen gehuld, bij hem op. Hij trachtte zich zekere zaken te +binnen te brengen!... Hij was op het punt te spreken!.... + +"Spreek niet, Tom!" herhaalde Dick Sand. "Voor mevrouw Weldon, voor +ons allen, zwijg!" + +En de leerling nam den ouden neger mede. + +Een andere plaats op eenigen afstand, werd nu gekozen en voor den +nacht in gereedheid gebracht. + +Ofschoon de maaltijd toebereid was, had niemand lust er deel aan +te nemen. Zij waren te zeer afgemat om te eten, maar daarenboven +verkeerden allen onder den indruk eener ongerustheid die aan schrik +grensde. + +Allengs begon het nacht te worden, die dezen keer buitengewoon +donker was. De hemel was met dikke onstuimige wolken bedekt. Men zag +tusschen de boomen door aan de westerkim, tengevolge van de warmte, +eenige bliksemflitsen flikkeren. De wind was gaan liggen, geen blad +bewoog zich. Een diepe stilte volgde op het geruisch van den dag, +en het was alsof de zware dampkring, met electriciteit verzadigd, +ongeschikt werd tot het overbrengen van geluiden. + +Dick Sand, Austin en Bat waakten te zamen. Zij trachtten in dien +stikdonkeren nacht te zien, te hooren of eenig lichtschijnsel, eenig +verdacht geluid hun oogen of ooren trof. Maar niets verstoorde de +stilte noch de duisternis van het woud. + +Tom was niet ingesluimerd, maar in zijn herinneringen verdiept, zat +hij met gebogen hoofd onbeweeglijk, alsof hij door een plotselingen +slag was getroffen. + +Mevr. Weldon wiegde haar kind in haar armen en had slechts gedachten +voor hem. + +Alleen neef Benedictus sliep misschien, want hij was de eenige die den +algemeenen indruk niet deelde. Zijn voorgevoelens gingen zoo ver niet. + +Plotseling tegen elf uur, deed zich een langgerekt, grootsch gebrul +hooren. + +Tom richtte zich in zijn volle lengte op en strekte zijn hand uit naar +een dicht kreupelbosch, op zijn hoogst een mijl van daar verwijderd. + +Dick Sand pakte hem bij den arm, maar kon niet beletten dat Tom +luidkeels uitriep: + +"De leeuw! de leeuw!" + +De oude neger had het gebrul herkend, dat hij zoo dikwijls in zijn +kindsheid had gehoord!" + +"De leeuw!" herhaalde hij. + +Dick Sand kon zich niet langer inhouden en vloog met den hartsvanger +in de hand op de plaats toe, door Harris ingenomen.... + +Maar Harris was weg, en zijn paard verdwenen met hem. + +Als door den donder getroffen, had er nu een soort van omkeering +plaats in het gemoed van Dick Sand.... Hij was niet waar hij gemeend +had te zijn! + +De _Pelgrim_ was dus niet op de Amerikaansche kust gestrand? 't Was +dus niet op het Paasch-eiland welks ligging de leerling had opgenomen, +maar een ander eiland, juist ten westen van dit vasteland gelegen, +evenals het Paascheiland ten westen van Amerika ligt. + +Het kompas had hem gedurende een gedeelte van de reis bedrogen, men +weet hoe! Door den storm op een verkeerden weg gebracht, was hij kaap +Hoorn omgevaren en van de Stille zuidzee in den Atlantischen Oceaan +geraakt. De snelheid van zijn schip, die hij slechts onvolkomen kon +berekenen, was, buiten zijn weten, door de kracht van den orkaan +verdubbeld geworden! + +Dat was de reden waarom er geen caoutchouc- noch kinaboomen waren en +de voortbrengselen van Zuid-Amerika aan dat land ontbraken, dat noch +de hoogvlakte van Atacama, noch de Boliviaansche pampa was! + +Er was nu geen twijfel aan, het waren giraffen en geen struisvogels, +die bij de open plek in het woud op de vlucht waren gegaan! Het +waren olifanten die door het dichte kreupelhout trokken! Het waren +nijlpaarden, wier rust in het hooge gras door Dick Sand gestoord +was! Het was wel degelijk de tsetsé-vlieg, dat tweevleugelig insect, +door Benedictus gevangen, de geduchte tsetsé die de dieren der +karavanen door haar steken doet bezwijken! + +En om de kroon op dit alles te zetten, het was wel het gebrul van +den leeuw, dat door het bosch weerklonk! En de jukken, die ketens, +dat wonderlijk gevormde mes, dat alles was het gereedschap van +den slavenhandelaar! Die afgesneden handen, het waren handen van +opgevangen menschen! + +De Portugees Negoro en de Amerikaan Harris moesten het samen eens zijn! + +En het vreeselijk woord, door Dick geraden, ontsnapte eindelijk aan +zijn lippen: + +"Afrika! Midden-Afrika! Het Afrika der slavenhandelaars en der slaven!" + + + + +NEGENTIENDE HOOFDSTUK. + +DE SLAVENHANDEL. + + +De slavenhandel! Iedereen kent de beteekenis van dit woord, dat nooit +in de menschelijke taal had moeten opgenomen worden. De afschuwelijke +handel die langen tijd gedreven werd ten voordeele der Europeesche +volken, in 't bezit van overzeesche koloniën, is reeds sedert een +aantal jaren verboden. Toch wakkert het menschonteerend misbruik nog +steeds voort op uitgebreide schaal en voornamelijk in Midden-Afrika. En +nog altijd, in onze XXe eeuw, de eeuw van verlichting en beschaving, +ontbreekt de handteekening van eenige zoogenaamde christelijke staten +aan het verbond, gesloten tot afschaffing der slavernij. + +Men zou misschien meenen dat er geen slavenhandel meer is, dat +nu koop en verkoop van menschelijke wezens hebben opgehouden te +bestaan! Helaas in geenen deele! en dit is het wat de lezer moet +weten, indien hij het belang in het vervolg dezer geschiedenis wil +stellen, dat het onderwerp verdient. Hij moet weten dat nog in den +tijd waarin wij leven, de menschenjachten werkelijkheid zijn, die een +geheel vasteland dreigen te ontvolken, om te voorzien in het onderhoud +van eenige slaven-koloniën, waar en hoe die barbaarsche strooptochten +plaats hebben, het bloed dat zij kosten, wat al branden en plunderingen +zij uitlokken en eindelijk ten voordeele van wie zij plaats hebben. + +De geschiedenis leert, dat de handel in negers het eerst in de XVe +eeuw in zwang kwam en wel onder de volgende omstandigheden: + +Na uit Spanje verdreven te zijn, hadden de Mohamedanen de wijk genomen +naar de kust van Afrika, aan gene zijde der straat. Hier werden zij +evenwel hardnekkig vervolgd door de Portugeezen, die toen dit gedeelte +van het kustland bewoonden. Een zeker aantal dezer vluchtelingen werd +gevangen genomen en naar Portugal gevoerd. Tot slavernij gebracht, +maakten zij de eerste kern uit van Afrikaansche slaven, die sedert +de Christelijke jaartelling in westelijk Europa is gevormd geworden. + +Nu behoorden deze Muzelmannen meerendeels tot rijke families, +die hen tegen hooge prijzen wilden los koopen, 't geen evenwel de +Portugeezen weigerden, hoe hoog het losgeld ook ware, dat hun werd +aangeboden. Zij wilden het vreemde goud niet, maar wel de armen die +hun ontbraken voor den arbeid der opkomende koloniën, of beter gezegd, +zij hadden slavenarmen noodig. + +Daar nu de Muzelmaansche familie hun gevangen bloedverwanten niet +konden loskoopen, boden zij aan hen in te ruilen tegen een grooter +aantal Afrikaansche negers, waarvan zij zich maar al te gemakkelijk +konden meester maken. Dit aanbod werd aangenomen door de Portugeezen, +die hun voordeel in dezen ruilhandel vonden, en ziedaar de wijze +waarop de slavenhandel in Europa ontstond. + +Tegen het einde der XVIe eeuw was deze schandelijke handel algemeen in +zwang gekomen en geenszins in strijd met de nog barbaarsche zeden. Alle +staten beschermden hem, teneinde des te sneller en zekerder de eilanden +der Nieuwe-Wereld te koloniseeren. Want het waren juist de negerslaven +die het dáár konden uithouden, waar de blanken, niet aan het klimaat +gewoon en nog ongeschikt om de hitte van de tropische luchtstreek te +verdragen, bij duizenden waren omgekomen. Het vervoer der negers naar +de Amerikaansche koloniën had dus geregeld plaats met bijzondere, +daartoe bestemde vaartuigen en deze overzeesche handelstak gaf +het aanzijn aan belangrijke kantoren op verschillende punten der +Afrikaansche kust. De "koopwaar" kostte weinig aan het land van +uitvoer en de winsten waren aanzienlijk. + +Maar hoe noodig in alle opzichten de stichting der overzeesche +koloniën ook ware, kon zij toch die markten van menschenvleesch +niet rechtvaardigen. Weldra verhieven zich edelmoedige stemmen, +die openlijk tegen den slavenhandel der negers opkwamen en bij de +Europeesche gouvernementen aandrongen uit naam der menschelijkheid +er de afschaffing van uit te vaardigen. + +In 1751 stelden de kwakers zich aan het hoofd der afschaffingsbeweging, +in den boezem zelf van dat Noord-Amerika, waar honderd jaren later de +oorlog tusschen de noordelijke en zuidelijke Staten zou losbarsten, +waarvan deze kwestie der slavernij de aanleiding was. Verschillende +Staten van het Noorden: Virginië, Connecticut, Massachusets, +Pennsylvanië vaardigden de afschaffing der slavernij uit en stelden +de slaven in vrijheid, die met groote kosten naar hun bezittingen +gevoerd waren. + +Maar de strijd door de kwakers begonnen, bepaalde zich niet tot de +noordelijke Staten der Nieuwe-Wereld. De voorstanders der slavernij +werden hevig bestreden tot aan gene zijde van den Oceaan. Frankrijk, +en meer in het bijzonder Engeland, wierven aanhangers voor deze +rechtvaardige zaak. + +"Mogen de koloniën te gronde gaan, eerder dan een beginsel!" was +de leus die door de gansche oude wereld weerklonk, en, ondanks de +groote staatkundige en commercieele belangen in de zaak betrokken, +verspreidde zij zich door Europa. + +De stoot was gegeven. In 1807 schafte Engeland den slavenhandel in +zijn koloniën af en Frankrijk volgde dat voorbeeld in 1814. De twee +machtige natiën sloten een verbond betreffende deze zaak, dat door +Napoleon gedurende de Honderd Dagen werd bevestigd. + +Intusschen was dit nog niets meer dan een zuiver theoretische +verklaring. De slavenhalers doorkruisten onophoudelijk de zeeën en +losten hun "ebbenhouten lading" in de koloniale havens. + +Om een einde te maken aan dezen handel, moesten meer praktische +maatregelen worden genomen. De Vereenigde Staten in 1820, Engeland in +1824, verklaarden den slavenhandel als een daad van zeerooverij en als +zeeroovers hen die hem dreven. Als zoodanig beliepen zij de doodstraf +en werden hardnekkig vervolgd. Frankrijk trad weldra toe tot dit +nieuwe verbond. Maar de Zuidelijke Staten van Amerika, de Spaansche en +Portugeesche koloniën namen geen deel aan het afschaffingsverbond en de +uitvoer der negers duurde ten hunnen voordeele voort, niettegenstaande +het algemeen erkende recht van visitatie, dat zich bepaalde tot het +onderzoek naar de vlag der verdachte schepen. + +Evenwel had de nieuwe wet der afschaffing geen terugwerkende kracht +meer. Men maakte wel geen nieuwe slaven meer, maar de ouden hadden +hun vrijheid nog niet teruggekregen. + +In deze omstandigheden was het, dat Engeland het voorbeeld gaf. Den +14n Mei 1833 stelde een algemeene verordening alle negers der +koloniën van Groot-Brittannië in vrijheid en in Augustus 1838, werden +zeshonderd-zeventigduizend slaven vrij verklaard. + +Tien jaren later, in 1848, stelde de Republiek de slaven der Fransche +koloniën vrij, ten bedrage van tweehonderd zestig duizend negers. + +In 1864 brak de oorlog uit tusschen de Noordelijke en Zuidelijke Staten +van Noord Amerika, het Noorden volbracht het werk der vrijmaking en +verspreidde haar over geheel Noord-Amerika. + +Het waren dus de drie groote machten, die dit werk van +menschlievendheid hadden tot stand gebracht. Thans wordt de +slavenhandel alleen nog maar gedreven ten behoeve der Spaansche of +Portugeesche koloniën en om aan de behoeften te voldoen der Oostersche, +Turksche of Arabische volkeren. Moge Brazilië zijn oude slaven nog +niet in vrijheid gesteld hebben, het verkrijgt althans geen nieuwe +en de kinderen der zwarten worden er vrij geboren. + +Het is in de binnenlanden van Afrika, na de bloedige oorlogen die +tusschen de Afrikaansche opperhoofden wegens de menschenjacht gevoerd +worden, dat gansche stammen tot slavernij gedoemd worden. De karavanen +gaan dan in twee tegengestelde richtingen op weg: de eene naar het +westen, naar de Portugeesche koloniën van Angola; de andere naar het +oosten, naar Mozambique. Van deze ongelukkigen, waarvan slechts een +klein gedeelte hun bestemming bereikt, worden eenigen naar Cuba of +naar Madagascar, anderen naar de Arabische of Turksche provinciën +van Azië, naar Mekka of Mascate gezonden. De Engelsche en Fransche +kruisers kunnen dezen handel slechts onvoldoende beletten, tengevolge +van de moeilijkheid om zulk een uitgestrekte kustlijn te bewaken. + +Maar is het cijfer van dien schandelijken uitvoer nog aanzienlijk? + +Ja! Men schat op niet minder dan tachtig duizend het aantal slaven dat +op de kust aankomt en dit getal schijnt slechts het tiende gedeelte der +vermoorde inboorlingen te bedragen. Na die afgrijselijke slachtingen +zijn de verwoeste velden verlaten en de verbrande dorpen ontvolkt, +de stroomen voeren lijken mede en wilde dieren waren overal rond in +het land. Na den afloop dezer menschenjachten herkende Livingstone +de provinciën niet meer, die hij eenige maanden vroeger bezocht +had. Al de overige reizigers, Grant, Speke, Burton, Cameron, +Stanley spreken in denzelfden geest over de boschrijke hoogvlakte +van Midden-Afrika, het voornaamste tooneel van de oorlogen tusschen +de verschillende opperhoofden. In de streek der groote meren, over de +gansche uitgestrekte landstreek, die de markt van Zanzibar voorziet, +in Bernoe en Fezzan, verder ten zuiden, op de oevers van de Nyassa +en de Zambesi, meer ten westen, in de distrikten van de boven-Zaïre +die de stoutmoedige Stanley nog voor niet lang is door getrokken, +overal hetzelfde schouwspel, verwoesting, moord, ontvolking. Zal +dan de slavernij in Afrika eerst ophouden met de verdwijning van +het zwarte ras en zal het gaan met dit ras als met het Australische +in Nieuw-Holland? + +Maar eens zal de markt der Spaansche en Portugeesche koloniën gesloten +zijn en deze uitvoerhandel een einde nemen; beschaafde volken kunnen +den slavenhandel niet langer dulden! + +En inderdaad moet ditzelfde jaar, waarin dit geschreven wordt, 1878, +de vrijmaking zien van al de slaven die zich nog in het bezit der +Christen-Staten bevinden. Evenwel zullen de Mohamedaansche volken +den handel, die het Afrikaansche vasteland ontvolkt, nog gedurende +vele jaren instandhouden. Naar Turkije toch heeft de belangrijkste +uitvoer van zwarten plaats, daar het cijfer der inboorlingen, die +aan hun land ontrukt en naar de oostkust opgezonden worden, jaarlijks +meer dan veertigduizend bedraagt. Vele jaren vóór den veldtocht van +Egypte, werden de negers van Sennaar bij duizenden aan de negers +van Darfoer verkocht en wederkeerig. Generaal Bonaparte kocht zelfs +een vrij groot aantal dezer zwarten, waarvan hij soldaten maakte, +die op de wijze der Mamelukken georganiseerd waren. Sedert dien tijd, +is in deze eeuw, waarvan het vier vijfde gedeelte reeds verloopen is, +helaas! de slavenhandel in Afrika niet verminderd. Integendeel. + +En werkelijk is het Mohamedanisme den slavenhandel gunstig. De +zwarte slaaf moet in het Turksche land den blanken slaaf van vroeger +vervangen. Ook wordt de verfoeilijke handel door kooplieden van +allerlei landaard in het groot gedreven. Zij vullen op die wijze het te +kort aan, dat bij de rassen voorkomt, die uitsterven en eenmaal geheel +zullen verdwijnen, omdat zij zich niet door den arbeid herstellen. Deze +slaven worden, evenals ten tijde van Bonaparte dikwijls soldaat. Bij +zekere volken van den Boven-Niger, maken zij voor de helft de legers +der Afrikaansche opperhoofden uit. In dezen toestand is hun lot niet +veel slechter dan dat der vrije menschen. Wanneer overigens de slaaf +geen soldaat is, is hij een munt die koers heeft en zelfs in Egypte, en +Bornoe, worden officieren en ambtenaars met deze munt betaald. Willem +Lejean heeft het gezien en het ons medegedeeld. + +Zoodanig is dus de tegenwoordige toestand van den slavenhandel. + +Moeten wij er nog bijvoegen dat een aantal lasthebbers der groote +Europeesche mogendheden zich niet schamen een betreurenswaardige +toegevendheid voor dien handel aan den dag te leggen? Niets is +zekerder, en terwijl de kruisers de hutten van de Atlantische zee en +den Indischen oceaan bewaken, wordt in het binnenland geregeld handel +gedreven, gaan de karavanen onder de oogen van zekere ambtenaren huns +weegs en hebben de moorden, waarbij tien zwarten omkomen om één slaaf +te leveren, op geregelde tijden plaats! + +Ook begrijpt men nu, welke vreeselijke beteekenis in de woorden lag +opgesloten, door Dick Sand uitgesproken: + +"Afrika! Midden-Afrika! Het Afrika der slavenhandelaars en der slaven!" + +En hij bedroog zich niet: Het was het Afrika met al zijne gevaren +voor zijn reisgenooten en voor hem. + +Maar op welk gedeelte van het Afrikaansche vasteland had een +onverklaarbaar noodlot hem doen aanlanden? Op de westkust blijkbaar, +en wat deze treurige omstandigheid nog treuriger maakte, was dat +de jeugdige leerling tot de overtuiging kwam dat de Pelgrim juist +gestrand was op de kust van Angola, waar de karavanen aankomen, +die dit geheele gedeelte van Afrika voorzien. + +En werkelijk was dit zoo. Het was het land, dat eenige jaren later +Cameron ten zuiden en Stanley ten noorden zouden doortrekken, ten koste +van bovenmenschelijke inspanning! Van dat uitgebreide grondgebied, +dat uit drie provinciën bestaat, Benguela, Congo, en Angola, kende +men toen slechts het kustland. Het strekte zich uit van den Nourse +ten zuiden, tot den Zaïre ten noorden, terwijl twee voorname steden +er twee havens bezitten, Benguela en St. Paul de Loanda, hoofdstad +der kolonie, die aan het koninkrijk Portugal toebehoort. + +Het binnenland van deze uitgestrekte streek was toen bijna +onbekend. Weinige reizigers hadden er zich durven wagen. Een noodlottig +klimaat, een warme en vochtige bodem, die koortsen doet ontstaan, +barbaarsche inboorlingen waar van eenige nog menscheneters zijn, +een aanhoudende oorlog van de stammen onderling, het wantrouwen der +slavenhandelaars tegen iedereen vreemdeling, die de geheimen van +hun schandelijken handel tracht te doorgronden, zoodanig zijn de +moeilijkheden en de gevaren die overwonnen moeten worden in deze +provincie van Angola, een der gevaarlijkste van Midden-Afrika. + +Tuckey was in 1816 den Congo tot boven de watervallen van Yellala +opgevaren, 't geen slechts een tocht was van hoogstens twee honderd +mijlen. Dit eenvoudig uitstapje was niet voldoende om het land grondig +te doen kennen en toch had het den dood gekost van de meeste geleerden +en officieren die den tocht medemaakten. + +Zeven en dertig jaren later was Livingstone van de Kaap de Goede +Hoop tot den boven-Zambesi doorgedrongen. In de maand November 1853, +reisde hij met een ongehoorde stoutmoedigheid, Afrika van het zuiden +naar het noordoosten door, stak den Coango, een der zijtakken van den +Congo over, en kwam den 31n Mei 1854 te St.-Paul de Loanda aan. Het +was de eerste doortocht door de onbekende groote Portugeesche kolonie. + +Achttien jaren later zouden twee stoutmoedige ontdekkers Afrika van +het oosten naar het westen doorreizen en ten koste van ontzettende +moeilijkheden, de een ten zuiden, de andere ten noorden van Angola +weder uitkomen. + +De eerste dezer reizigers was de luitenant der Engelsche marine +Verny-Howet Cameron. In 1872 had men alle reden om te meenen dat +het met den tocht van den Amerikaan Stanley, die ter opsporing van +Livingstone naar de landstreek om de groote meren was uitgezonden, zeer +hachelijk gesteld was. Luitenant Cameron bood aan hem op te zoeken. Het +aanbod werd aangenomen. Cameron, vergezeld van dokter Dillon, den +luitent Cecil Murphy en Robert Moffat, neef van Livingstone, vertrok +van Zanzibar. Na den Ougogo te zijn overgetrokken, ontmoette hij het +lijk van Livingstone, dat door zijn getrouwe bedienden naar de oostkust +gevoerd werd. Daarna zette hij zijn tocht naar het westen voort, met +den onwrikbaren wil, van de eene kust naar de andere te trekken. Hij +doorreisde Ounyanyembé, Ougoenda, Kahouélé waar hij de papieren van +den grooten reiziger verzamelde, stak het Tanganyika-meer, de bergen +van Bambarré, den Loualaba over, dien hij niet kon afzakken en na al +deze provincies, die door den oorlog verwoest, door den slavenhandel +ontvolkt waren, verder Kilemmba, Ouroua, de bronnen van den Lomané, +Oulouda, Lovalé bezocht te hebben, na Coanza en de onmetelijke bosschen +doorkruist te hebben, waarin Harris Dick Sand en diens reisgenooten had +doen verdwalen, zag de onvermoeide Cameron eindelijk den Atlantischen +oceaan vóór zich en kwam te St.-Phillippe de Benguela aan. Deze reis +van drie jaar en vier maanden had het leven gekost aan twee zijner +reisgenooten, dokter Dillon en Robert Moffat. + +Bijna onmiddellijk daarop zou de Engelschman Cameron in deze +reeks van ontdekkingen opgevolgd worden door den Amerikaan Henry +Moroland Stanley. Men weet dat deze stoutmoedige korrespondent van +den _New-York Herald_, uitgezonden om Livingstone op te sporen, hem +den 30n October 1971 te Oujiji aan de oevers van het Tanganyika-meer +gevonden had. Maar hetgeen Stanley uit een oogpunt van menschelijkheid +zoo gelukkig volbracht had, wilde hij in het belang der geografische +wetenschap opnieuw beginnen. + +Zijn doel was toen de algeheele verkenning van den Loualaba-stroom +dien hij slechts even gezien had. Cameron bevond zich nog in de +provinciën van midden-Afrika, toen Stanley, in November 1874, +Bagamoyo op de oostkust verliet, en een-en-twintig maanden later, +den 24n Augustus 1876, uit Oujiji door de pokken ontvolkt, vertrok, in +vier-en-zeventig dagen den overtocht van het meer te Nyangwé volbracht, +een groote slavenmarkt, die reeds door Livingstone en Cameron bezocht +was, en de vreeselijkste tooneelen bijwoonde op de strooptochten, +ondernomen door de officieren van den Sultan van Zanzibar, in de +landen der Maroungous en Marryouemas. + +Stanley nam toen de noodige maatregelen om den loop van den +Loualaba te verkennen en dezen stroom tot aan zijn monding af te +zakken. Honderd veertig lastdragers, te Nyangwé gehuurd, en negentien +booten vormden het materieel en personeel van zijn tocht. In het +begin reeds moest hij de menscheneters van Oegousoe bestrijden +en zich al dadelijk bezighouden met het overdragen der booten, +teneinde onbevaarbare watervallen om te gaan. Onder den evenaar, op +het punt waar de Loualaba zich naar het noord-oosten kromt, werd de +kleine vloot van Stanley aangevallen door vier-en-vijftig booten, +bemand met verscheidene honderden inboorlingen, die op de vlucht +werden gedreven. Daarna bevestigde de moedige Amerikaan, die tot +den tweeden graad N.B. de rivier weder opvoer, dat de Loualâba niet +anders was dan de Boven-Zaïre of Congo en dat hij, door den loop +dezer rivier te volgen, rechtstreeks naar de zee zou afzakken. Dit +ondernam hij onder een bijna dagelijksch gevecht tegen de stammen +aan de oevers. Den 3n Juni 1877, bij den overtocht der watervallen +van Massassa, verloor hij een zijner reisgenooten, Francis Prook, +en hij zelf werd den 18n Juli met zijn boot in de watervallen van +M'bélo medegesleept en ontsnapte als door een wonder aan den dood. + +Eindelijk kwam Henry Stanley, den 6n Augustus, bij het dorp van Ni +Sanda aan, nog vier dagen van de kust verwijderd. Twee dagen later, +vond hij te Banza M'bouko de levensmiddelen, die twee kooplieden +van Emboma daarheen hadden gezonden, en eindelijk rustte hij uit in +deze kleine stad van de kuststreek, verouderd op vijfendertig-jarigen +leeftijd door vermoeienissen en ontberingen, na het Afrikaansche vaste +land van de eene kust naar de andere dwars te zijn doorgetrokken, +een reis die hem twee jaren en negen maanden van zijn leven gekost +had. Maar de loop van den Loualâba was nu tot den Atlantischen Oceaan +bekend geworden, en indien de Nijl de groote slagader van het noorden +is en de Zambesi die van het oosten, dan weet men nu dat Afrika in het +westen nog een derde rivier bezit, een van de grootste der wereld, +de rivier namelijk die in haar loop van twee duizend negen honderd +mijlen [25], onder de namen van Loualâba, Zaïre en Congo de streek +der meren vereenigt met den Atlantischen oceaan. + +Intusschen was, niettegenstaande deze twee reizen, die van Stanley +en van Cameron, de provincie van Angola nagenoeg onbekend gebleven +in het jaar 1873, het tijdperk waarop de _Pelgrim_ op de kust van +Afrika gestrand was. Het eenige wat men er van wist, was, dat zij +het tooneel van den slavenhandel in het westen was, dank zij haar +belangrijke markten van Bihé, Cassange en Kazondé. + +En in dit land was het, dat Dick Sand tot op meer dan honderd mijlen +van de kuststreek was medegevoerd, met eene vrouw, uitgeput door +vermoeienis en smart, een bijna stervend kind en reisgenooten, +die als geboren negers een gereede prooi waren voor de roofzucht +der slavenhandelaars. + +Ja, het was Afrika en niet dat Amerika waar noch de inboorlingen, +noch de wilde dieren, noch het klimaat wezenlijk geducht zijn. Het +was niet de gelukkige en welvarende streek tusschen de Cordilleras en +de kust waar talrijke dorpen worden aangetroffen en de vestingen der +zendelingen gastvrij voor iederen reiziger openstaan. Helaas! zij waren +veraf, de provincies van Peru en Bolivia waar de storm de _Pelgrim_ +ongetwijfeld zou gebracht hebben, indien een misdadige hand hem +niet van zijn weg had doen afwijken en waar voor schipbreukelingen +zoovele gemakkelijke gelegenheden bestonden om naar hun vaderland +terug te keeren! + +Het was het vreeselijke Angola en niet het gedeelte van de kust dat +rechtstreeks door de Portugeesche overheid bewaakt werd, maar het +middelpunt der kolonie die doorkruist werd door de slavenkaravanen +onder de zweep der havildars. + +Wat wist Dick Sand van het land waar het verraad hem geworpen had? Niet +veel. Alleen maar wat de zendelingen der XVIe en XVIIe eeuw en de +Portugeesche kooplieden, die den weg volgen van St.-Paul de Loanda +naar den Zaïre over San-Salvador, er van gezegd hadden en wat dokter +Livingstone er van verhaald had ten tijde van zijn reis van 1853, +en dat was voldoende om een minder sterke ziel dan de zijne geheel +uit het veld te slaan. + +En werkelijk was de toestand verschrikkelijk. + + + + +TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +HARRIS EN NEGORO. + + +Den dag volgenden op dien toen Dick Sand en zijn reisgenooten hun +laatste halte in het bosch hielden, hadden twee mannen drie mijlen +van daar een vooraf door hen beraamde samenkomst. + +Deze twee mannen waren Harris en Negoro, en men zal zien wat op +rekening van het toeval moest geschreven worden, dat den Portugees +van Nieuw-Zeeland samenbracht met den Amerikaan dien zijn vak van +slavenhandelaar verplichtte dikwijls deze provincie van West-Afrika +te doorkruisen. + +Harris en Negoro waren aan den voet van een reusachtige vijgeboom +gaan zitten, aan den oever eener snel vlietende beek, die tusschen +een dubbele haag stroomde. + +Het gesprek nam een aanvang, want de Portugees en de Amerikaan +hadden elkander pas ontmoet en al dadelijk had het geloopen over de +omstandigheden die in de laatste uren waren voorgevallen. + +"En dus, Harris," zeide Negoro, "heb je den kleinen troep van kapitein +Sand, zooals zij dien leerling van vijftien jaar noemden, niet verder +in Angola mee kunnen nemen!" + +"Neen, kameraad," antwoordde Harris "en 't verwondert me zelfs +dat ik ze nog, honderd mijlen ver minstens, van de kust heb kunnen +meetronen! Sedert verscheiden dagen keek mijn jonge vriend Dick Sand me +met een wantrouwend oog aan, zijn vermoeden ging allengs in zekerheid +over, en waarachtig...." + +"Nog honderd mijlen verder, Harris, waren die menschen nog zekerder +in onze handen geweest! Ze moeten ons toch daarom niet ontsnappen!" + +"En hoe zouden ze dat kunnen?" antwoordde Harris, die de schouders +optrok. "Ik zeg je nog eens, Negoro, 't was meer dan tijd me stilletjes +uit de voeten te maken! 'k Heb tien maal in de oogen van mijn jongen +vriend gelezen dat hij lust had me een kogel door den kop te jagen en +mijn maag kan die pruimen van twaalf in een pond niet best verteren!" + +"Nu, goed!" zei Negoro. "Ik heb ook een rekening met dien leerling +te vereffenen...." + +"Ga je gang en vereffen je rekening met den interest er bij, +kameraad. Wat mij betreft, 't was me best gelukt hem deze provincie te +laten slikken voor de woestijn van Atacama, die ik vroeger bezocht heb, +maar daar had je die kleine aap, die om zijn caoutchouc-speelgoed en +zijn kolibries riep, de moeder die om haar kina zanikte, de neef die +volstrekt lichtkevers wilde vinden!.... 'k Was waarachtig ten einde +raad, en nadat ik hun met groote moeite struisvogels voor giraffen +had verkocht.... dat 's een mooie, die, Negoro!--wist ik niets meer +te verzinnen! Nu, ik merkte heel goed dat mijn jonge vriend niets +meer van al mijn verklaringen geloofde! Daarna zijn we op sporen van +olifanten gevallen en zijn er zich nijlpaarden mee gaan bemoeien! En +je weet, Negoro, nijlpaarden en olifanten in Amerika, dat's even goed +als eerlijke lui in de gevangenissen van Benguela! En ziedaar, om 't +spel te volmaken, krijgt die oude neger 't in zijn kop, aan den voet +van een boom jukken en stukken ketting op te schommelen, waarvan eenige +slaven zich ontdaan hadden om te vluchten! Op 't zelfde oogenblik brult +de leeuw, om alles te bederven, want 't is moeielijk zijn gebrul voor +'t miauwen van een poesje te laten doorgaan! 'k Heb daarom net nog +tijd gehad om op mijn paard te springen en me uit de voeten te maken!" + +"'k Vat het!" antwoordde Negoro. "Toch zou 'k ze liever honderd mijlen +dieper 't land in willen hebben!" + +"Men doet wat men kan, kameraad," antwoordde Harris. "Wat jou aangaat, +die onze karavaan van de kust af, op den voet volgde, 't is maar goed +dat je op een afstand gebleven bent. Ze roken je! Er is een zekere +Dingo, die niet veel van je schijnt te houden. Wat heb je dat dier +toch gedaan?" + +"Niets," antwoordde Negoro, "maar 't zal niet lang duren of ik zal +'m een kogel door zijn kop jagen." + +"Zooals jij er een van Dick Sand zoudt gekregen hebben, als je maar +een klein stukje van je persoon op twee honderd passen van zijn geweer +hadt laten zien. Hij schiet goed mijn jonge vriend, en onder ons moet +ik zeggen dat hij in zijn soort een degelijke jongen is!" + +"Al is hij nog zoo degelijk, Harris, hij zal me zijn onbeschaamdheid +duur betalen," antwoordde Negoro, op wiens gelaat een onverzoenbare +wreedheid te lezen stond. + +"Komaan," mompelde Harris, "mijn kameraad is dezelfde gebleven! Het +reizen heeft hem niet veranderd!" + +Daarna hernam hij na een oogenblik stilte: + +"Zeg eens, Negoro, toen ik je daar zoo onverwachts op het tooneel van +de schipbreuk, aan de monding van de Longa ontmoette, had je juist dien +tijd om me die brave menschen aan te bevelen en me te verzoeken ze +zoo ver mogelijk door dat gewaande Bolivia te geleiden, maar je hebt +me niet gezegd, wat je sedert twee jaar alzoo hebt uitgevoerd! Twee +jaar van ons afwisselend bestaan, dat's een heele tijd, kameraad! Op +zekeren dag, nadat je het geleide van een trein slaven op je genomen +hebt, voor rekening van den ouden Alvez, van wien we weinig meer dan +de nederige agenten zijn, heb je Cassange verlaten en niets meer van je +laten hooren! 'k Heb dikwijls gedacht dat je misschien onaangenaamheden +gehad hadt met de Engelsche kruisers en dat ze je opgehangen hadden!" + +"'t Heeft niet veel gescheeld, Harris." + +"'t Zal je nog wel eens gebeuren, Negoro." + +"'k Dankje zeer!" + +"Wat zal 'k je zeggen?" antwoordde Harris met wijsgeerige +onverschilligheid, "'t is een van de kansen van 't vak! Men drijft +geen slavenhandel op de kust van Afrika zonder er zijn nek aan te +wagen! Hebben ze je gepakt?...." + +"Ja." + +"De Engelschen?" + +"Neen! de Portugeezen." + +"Vóór of na de lading gelost te hebben?" vroeg Harris. + +"Na...." antwoordde Negoro, die een weinig met zijn antwoord +aarzelde. "Die Portugeezen hangen tegenwoordig de braven uit! Ze +willen van geen slavernij meer weten, hoewel zij er langen tijd tot +hun voordeel van hebben gebruikt gemaakt! Ik was verraden en werd +nagegaan. Ze hebben me ingerekend...." + +"En veroordeeld?...." + +"Om mijn dagen te eindigen in de gevangenis van St.-Paul de Loanda." + +"Bij alle duivels!" riep Harris uit. "Een gevangenis! Een ongezonde +plaats voor menschen als wij, gewoon om in de open lucht te leven! Ik +voor mij was liever maar gehangen!" + +"Men ontsnapt niet aan de galg," antwoordde Negoro, "maar wel uit +de gevangenis...." + +"Heb je kunnen ontvluchten?...." + +"Ja, Harris! Pas veertien dagen nadat ze me gevangen gezet hadden, +kon ik me verstoppen in 't hol van een Engelsche stoomboot, met +bestemming naar Auckland op Nieuw-Zeeland. Een vaatje water, een kist +met geconserveerd voedsel, waar tusschen ik gekropen was, hebben me +gedurende den ganschen overtocht eten en drinken verschaft. Je kunt +begrijpen dat ik, toen we eens in zee waren schrikkelijk geleden +heb in mijn gedwongen schuilhoek. Maar als 'k onbezonnen genoeg +geweest was me te vertoonen, zou 'k naar 't scheepshol teruggebracht +zijn en, vrijwillig of niet, zou de pijniging 't zelfde geweest +zijn! Daarenboven zou men me bij mijn aankomst te Auckland, opnieuw +in handen van de Engelsche overheden gesteld hebben en me naar de +gevangenis van Loanda teruggebracht, of misschien wel opgehangen +hebben, zooals je straks zei! Daarom reisde 'k liever incognito." + +"En zonder je overtocht te betalen!" riep Harris lachend uit. "Jongen, +dat 's wat al te erg, voeding en overtocht gratis!...." + +"Ja," hernam Negoro, "maar dertig dagen in het scheepsruim!...." + +"Nu ja, dat's voorbij, Negoro. Dus ben je naar Nieuw-Zeeland gegaan, +naar 't land der Maoris! Maar je bent er van teruggekomen. Heeft de +terugkeer op dezelfde wijze plaats gehad?" + +"Neen, Harris, je kunt begrijpen dat ik, toen 'k daar was, geheel +vervuld rondliep met de gedachte om naar Angola terug te keeren en +mijn vak van slavenhandelaar weer op te nemen." + +"Ja!" antwoordde Harris, "men heeft zijn vak lief.... door gewoonte!" + +"Achttien maanden lang...." + +Nauwelijks had Negoro deze woorden uitgesproken, of hij zweeg +eensklaps. Hij had den arm van zijn makker beetgepakt en luisterde. + +"Harris," zei hij met gesmoorde stem, "heb je daar in die biezen geen +geruisch gehoord?" + +"'k Meende 't ook te hooren," antwoordde Harris, die zijn geweer opnam, +waarvan de haan altijd gespannen was. + +Negoro en hij sprongen op, keken om zich heen en luisterden met de +grootste aandacht. + +"'t Is niets," zei weldra Harris. "'t Is de beek die door den stroom +gezwollen is en nu meer geruisch maakt. Je bent in die twee jaren de +geluiden van het woud ontwend, maar dat zal wel weer terugkomen. Ga +dus voort met verhaal van je avonturen. Als ik met het verleden bekend +ben, zullen we over de toekomst praten." + +Negoro en Harris hadden zich wederom aan den voet van den vijgeboom +geplaatst. De Portugees hernam het gesprek met deze woorden: + +"Gedurende achttien maanden heb ik te Auckland een plantenleven +geleid. Toen de stoomboot eenmaal was aangekomen, had ik zonder +gezien te worden van boord kunnen gaan, maar zonder een piaster, +zonder een dollar op zak! 'k Heb om te leven allerlei ambachten bij +de hand moeten nemen...." + +"Zelfs het ambacht van eerlijk man, Negoro?" + +"Zooals je zegt, Harris." + +"Arme jongen!" + +"Nu wachtte ik wel altijd op een gelegenheid, die zich maar niet +voordeed, toen de _Pelgrim_, een walvischvaarder, in de haven van +Auckland binnenviel." + +"Is dat het vaartuig dat op de kust van Angola gestrand is?" + +"Hetzelfde, Harris, en dat waarop Mevr. Weldon, haar kind en haar neef +den overtocht zouden meemaken. Nu zag ik er in mijn hoedanigheid van +zeeman, ik was zelfs tweede stuurman aan boord van een slavenhaler +geweest, volstrekt niet tegen op om weer dienst op een vaartuig te +nemen.... 'k Bood dus den kapitein van de _Pelgrim_ mijn diensten +aan, maar de equipage was voltallig. Zeer gelukkig voor mij, was de +kok van de schoenerbrik gedeserteerd. Nu is er geen zeeman of hij kan +koken. Ik bood me dus aan als kok. Bij gebrek aan beter nam men me aan, +en eenige dagen later had de _Pelgrim_ de kust van Nieuw-Zeeland uit +het gezicht verloren." + +"Maar," vroeg Harris, "naar mijn jonge vriend me verteld heeft, was +volstrekt niet de kust van Afrika de bestemming van de _Pelgrim_. Hoe +ben je daar dan toch aangeland?" + +"Dick Sand zal het zich zeker nog niet kunnen begrijpen en misschien +zal hij 't wel nooit begrijpen," antwoordde Negoro; "maar 'k zal je +vertellen wat er gebeurd is, Harris, en als je wilt kan je 't hem +wel overbrengen." + +"Hoe dan?" antwoordde Harris. "Zeg op, kameraad, zeg op." + +"De _Pelgrim_," hernam Negoro, "zette koers naar Valparaiso. Toen +'k me inscheepte, dacht ik niet verder dan tot Chili te gaan. Dat was +altijd een goede helft van den weg tusschen Nieuw-Zeeland en Angola +en 'k was dan verscheiden duizenden mijlen dichter bij de kust van +Afrika. Maar 't toeval wilde dat drie weken, na Auckland verlaten te +hebben, kapitein Hull, die den _Pelgrim_ commandeerde, bij de jacht +op een walvisch met zijn equipage omkwam. Van dien dag af bleven er +maar twee zeelieden aan boord over, de leerling en de kok Negoro." + +"En jij hebt het commando van 't schip op je genomen?" vroeg Harris. + +"Dat was ik eerst van plan, maar 'k merkte dat men mij wantrouwde. Er +waren vijf sterke negers aan boord, vrije mannen! 'k Zou geen meester +geweest zijn en bij nadere overweging bleef ik wat ik bij 't vertrek +was, de kok van den _Pelgrim_." + +"Dus was 't toeval dat dit schip koers deed zetten naar de kust +van Afrika?" + +"Neen, Harris," antwoordde Negoro, "er was in dit geheele avontuur +geen ander toeval dan onze ontmoeting bij een van je uitstapjes als +slavenhandelaar en dat nog wel juist op dit gedeelte van de kust waar +de _Pelgrim_ gestrand is. Maar wat nu het in 't gezicht komen van +Angola betreft, dat is geheel en al met mijn wil, mijn geheimen wil +geschied. Je jonge vriend, die nog zeer onbedreven in de zeevaartkunde +is, kon zijn positie niet verkennen dan door middel van de log en het +kompas. Welnu, op zekeren dag is de log verloren gegaan terwijl er 's +nachts iets met het kompas is gebeurd, zoodat de _Pelgrim_, door een +hevigen storm beloopen, een verkeerden koers genomen heeft. De lange +duur van den overtocht was dus onverklaarbaar voor Dick Sand en zou +dit voor den bekwaamsten zeeman geweest zijn. Zonder dat de leerling +het kon weten, noch zelfs vermoeden, werd Kaap Hoorn omgevaren, maar +ik Harris, ik herkende hem in dichte nevels gehuld. Toen heeft de +kompasnaald door mijn toedoen haar ware richting hernomen en is het +schip door dien geduchten orkaan naar het noord-oosten voortgejaagd +en op de kust van Afrika geworpen, juist op het strand van Angola +waar ik wilde aankomen!" + +"En op dat zelfde oogenblik, Negoro," antwoordde Harris, "heeft het +toeval mij naar die plaats gevoerd om je te ontvangen en die brave +menschen naar 't binnenland te geleiden. Zij meenden en konden niets +anders meenen dan in Amerika te zijn, en 't is me niet moeielijk +geweest hen deze provincie voor Beneden-Bolivia te doen houden, +waarmede ze juist eenige overeenkomst heeft." + +"Ja, ze hebben 't geloofd, zooals je jonge vriend het Paasch-eiland +meende te verkennen, toen ze in 't gezicht van Tristan d'Acunha +voorbijstormden in vliegend weer." + +"Iedereen zou er zich in vergist hebben, Negoro." + +"Dat weet ik, Harris, en 'k rekende wel degelijk partij van die +vergissing te trekken. Welnu, mijn doel is bereikt, mevrouw Weldon +en haar reisgenooten bevinden zich op 't oogenblik in 't binnenland +van Afrika, waarheen ik ze wilde voeren!" + +"Maar nu," antwoordde Harris, "weten ze toch waar zij zijn!" + +"Wat is daar nu aan gelegen!" riep Negoro. + +"En welk plan heb je nu met die menschen?" vroeg Harris. + +"Welk plan!" antwoordde Negoro..... + +"Maar, voordat ik je dat zeg, Harris, vertel me eens wat van onzen +meester Alvez, den slavenhandelaar, dien ik in geen twee jaar gezien +heb!" + +"O! die oude schurk is heel wel!" antwoordde Harris, "en 't zal hem +zeker genoegen doen, je weer te zien." + +"Is hij op de markt van Bihé?" vroeg Negoro." + +"Neen, kameraad, sedert een jaar woont hij in zijn nederzetting +van Kazondé." + +"En hoe gaat het met de zaken?". + +"Goed, voor den duivel!" riep Harris uit, "ofschoon 't hoe langer +hoe moeilijker wordt voor den handel, althans op deze kust. Zoowel +de Portugeesche overheden, als de Engelsche kruisers, maken den +uitvoer lastig. Alleen in de omstreken van Mossamedés, ten zuiden +van Angola, kan de inscheping der negers nog met eenige kans op +succes geschieden. Ook zijn op dit oogenblik de loodsen opgepropt met +slaven, die op schepen wachten om ze naar de Spaansche koloniën over +te brengen. Ze over Benguela of St.-Paul de Loanda te vervoeren, is +niet mogelijk. De gouverneurs verstaan geen reden meer, en de chefes +[26] evenmin. Men zal zich dus moeten wenden tot de factorijen in de +binnenlanden en dat denkt de oude Alvez te doen. Hij zal zich naar den +kant van Nyangwé en het Tanganyika-meer begeven, om daar zijn stoffen +tegen ivoor en slaven in te ruilen. Met Boven-Egypte en de kust van +Mozambique, die geheel Madagascar voorzien, gaan de zaken altijd +goed. Maar weldra, vrees ik, zal de tijd komen, dat de slavenhandel +een einde zal nemen. De Engelschen maken groote vorderingen in de +binnenlanden van Afrika. De zendelingen gaan steeds vooruit en werken +onze plannen tegen! Die vervloekte Livingstone zal, zegt men, na de +streek der meren doorzocht te hebben, naar Angola gaan. Dan spreekt +men van een luitenant Cameron, die plan heeft het vasteland van het +oosten naar het westen over te steken. Men vreest dat de Amerikaan +Stanley dit ook zal doen! Al die bezoeken zullen onze werkzaamheden +zeer benadeelen, Negoro, en als we onze belangen goed begrijpen, dan +moet geen van die pioniers naar Europa terugkeeren om te vertellen +wat hij in Afrika al zoo gezien heeft!" + +Zou men niet gezegd hebben, als men deze schoeljes aldus hoorde +redeneeren, dat zij spraken als eerlijke kooplieden wier zaken voor +het oogenblik door een handelscrisis bedreigd werden? Wie zou denken +dat er in plaats van balen koffie of vaten suiker sprake was van +menschelijke wezens, die als koopwaren moesten verzonden worden? Die +slavenhandelaars hebben geen begrip meer van recht of onrecht. Het +zedelijk gevoel ontbreekt hun geheel, en al hadden zij het, dan zouden +zij het te midden der ijselijkheden van den Afrikaanschen slavenhandel +spoedig verliezen. + +Doch, daarin had Harris gelijk, toen hij zeide dat met die stoutmoedige +reizigers, wier naam onafscheidelijk verbonden is aan de ontdekkingen +in Midden-Afrika, de beschaving allengs in die woeste streken +doordrong. Aan het hoofd staat David Livingstone, na hem komen Grant, +Speke, Burton, Cameron, Stanley, allen helden, die als weldoeners +der menschheid een onvergankelijken roem zullen achterlaten. + +Toen het gesprek zoover gevorderd was, wist Harris hoe de twee laatste +levensjaren van Negoro waren doorgebracht. De oude zaakgelastigde +van den slavenhandelaar Alvez, de losgebroken gevangene van Loanda, +stond weder voor hem zooals hij hem altijd gekend had, als iemand +namelijk, tot alles in staat. Maar welke plannen Negoro had met de +schipbreukelingen van de _Pelgrim_, wist Harris nog niet; hij vroeg +het daarom zijn medeplichtige. + +"En wat zal je nu met die menschen uitvoeren?" vroeg hij. + +"De eene partij," antwoordde Negoro, als iemand wiens besluit reeds +sedert lang genomen is, "verkoop ik als slaven en de andere...." + +De Portugees eindigde niet, maar op zijn woest gelaat stond genoeg +te lezen. + +"Welke zal je verkoopen?" vroeg Harris. + +"De negers, die mevrouw Weldon vergezellen," antwoordde Negoro. "Die +oude Tom is misschien niet veel waard, maar de andere zijn vier kloeke +snaken, die veel geld zullen opbrengen op de markt van Kazondé!" + +"Dat zal waar zijn, Negoro!" antwoordde Harris. "Vier flinke negers, +gewoon aan den arbeid en zoo geheel anders dan het domme vee dat we +uit het binnenland krijgen! Je zult ze duur verkoopen, daar kan je +zeker van zijn! Slaven, die in Amerika zijn geboren en op de markten +van Angola te koop worden aangeboden, zijn zeldzaam!--Maar, jongen ja, +je hebt me nog niet verteld of er ook nog wat geld was aan boord van +den _Pelgrim_?" + +"O! maar een honderd dollars of wat, die ik nog gered heb! Gelukkig +reken ik op eenige gelden die me nog toekomen......" + +"Welke gelden, kameraad?" vroeg Harris nieuwsgierig. + +"Niets!" .... antwoordde Negoro die tot zijn spijt meer gezegd had +dan hij had willen loslaten. + +"Er blijft nu nog alleen maar over je van die kostbare koopwaar +meester te maken," zeide Haris. + +"Zou dat dan zoo moeilijk zijn?" vroeg Negoro. + +"Neen kameraad. Tien mijlen van hier, aan de Coanza, is op 't oogenblik +een karavaan gekampeerd, aangevoerd door den Arabier Ibn Hamis, die +alleen op mijn terugkomst wacht om naar Kazondé op weg te gaan. Er +zijn bij die karavaan meer inlandsche soldaten dan noodig is om Dick +Sand en zijn reisgenooten gevangen te nemen. Als nu mijn jonge vriend +maar op de gedachte komt naar de Coanza te gaan....." + +"Maar zàl hij op die gedachte komen?" + +"Zeker wel," antwoordde Harris, "omdat hij het gevaar niet kan +vermoeden dat hij daar loopt en te verstandig is om er aan te denken +naar de kust terug te keeren langs denzelfden weg, dien we samen hebben +afgelegd. Hij zou te midden van die onmetelijke wouden verdwalen. Hij +zal dus stellig trachten een van de rivieren te bereiken, die naar +de kust stroomen, om die dan op een vlot af te zakken. Hij kan geen +ander besluit nemen en, ik ken hem, hij zal het nemen." + +"Ja.... misschien!...." antwoordde Negoro, die de zaak overdacht. + +"Je moet niet 'misschien' zeggen," hernam Harris, "maar 'zeker'. Ik +voor mij ben er zoo zeker van, alsof 'k mijn jongen vriend rendez-vous +gegeven had aan de oevers van de Coanza!" + +"Welnu," antwoordde Negoro, "op marsch! Ik ken Dick Sand. Hij zal +zich geen uur ophouden en we moeten hem vooruit zien te komen." + +"Op marsch, kameraad!" + +Harris en Negoro stonden beiden op, toen het geluid, dat reeds +eens de aandacht van den Portugees getrokken had, zich weder deed +hooren. Het was een geruisch tusschen de stengels van de hooge biezen +aan den oever. + +Negoro bleef staan en greep de hand van Harris. + +Plotseling deed zich een dof gebrom hooren en vertoonde zich een hond +aan den voet van den snellen oever, met geopenden bek, gereed om een +sprong te nemen. + +"Dingo!" riep Harris. + +"Dezen keer zal hij me niet ontsnappen!" antwoordde Negoro. + +Dingo was op het punt zich op hem te werpen toen Negoro, Harris het +geweer uit de handen rukkend, driftig aanlei en vuur gaf. + +Een langgerekt, klaaglijk gehuil volgde onmiddellijk op de losbranding +en Dingo verdween tusschen de dubbele rij struiken die de beek +omzoomden. + +Negoro daalde dadelijk langs den steilen oever naar beneden. + +De biezen waren met bloeddruppels overdekt, en een lange roode streep +was op de keisteenen van de beek zichtbaar. + +"Eindelijk heb ik met dat vervloekte beest eens afgerekend!" riep +Negoro. + +Harris had, zonder een woord te spreken, dit gansche tooneel +gadegeslagen. + +"'t Schijnt, Negoro, dat die hond een bijzonderen hekel aan je had." + +"Dat schijnt zoo, maar dat zal nu wel uit zijn!" + +"En waarom had hij zoo'n pik op je, kameraad?" + +"Och! een oude zaak die we samen te vereffenen hadden!" + +"Een oude zaak?" drong Harris aan. + +Negoro liet zich niet verder uit, en Harris besloot er uit dat de +Portugees een of ander avontuur uit zijn verleden voor hem verzweeg, +maar hij drong niet verder aan. + +Eenige oogenblikken later richtten zij zich, den loop der beek volgend, +door het bosch, naar de Coanza. + + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Typen: sprinkhanen, krekels, enz. + +[2] Typen: mierenleeuwen. + +[3] Typen: bijen, wespen, mieren. + +[4] Typen: vlinders, enz. + +[5] Typen: bladluizen, vlooien. + +[6] Typen: meikevers, glimwormen, enz. + +[7] Typen: muggen, muskieten, enz. + +[8] Typen: stylops. + +[9] Typen: myten, enz. + +[10] Typen: suikergasten, enz. + +[11] "Sand" beteekent "Zand" in 't Engelsch. + +[12] Zeeterm voor "heen en weerslingeren". + +[13] Verkorting van Bartholomeus. + +[14] Militaire school van den Staat New-York. + +[15] Men weet dat er nog eene andere verdeeling der gelede dieren +is, namelijk die in _vier_ klassen: de kreeftachtige, spinachtige, +duizendpooten en insecten.--Vert. + +[16] Bij deze bewerking verliest het spek van den walvisch ongeveer +een tiende van het gewicht. + +[17] Een kabellengte, een eigenaardige maat bij de marine, bedraagt +een lengte van honderd twintig vademen, dat is twee honderd meters. + +[18] Uittreksel uit den "_Dictionnaire illustré_" van Vorepièrre. + +[19] 57 kilometers. + +[20] De Engelsche en Fransche barometers zijn in duimen en strepen +gegradueerd. Acht- en twintig duim zeven tiende staan gelijk met +728 millimeters. + +[21] 716 millimeters. + +[22] 709 millimeters. + +[23] Ongeveer 166 kilometers. + +[24] Eertijds vergenoegde men zich met dezen bast tot poeder te +stampen, dat den naam droeg van "Jezuïeten-poeder", omdat de Jezuïeten +van Rome er in 1640 van hun Amerikaansche zending een aanzienlijke +hoeveelheid van kregen. + +[25] 4,650 kilometers. + +[26] Titel, dien men geeft aan de Portugeesche hoofden der +nederzettingen van minderen rang. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Een Kapitein van 15 Jaar, by Jules Verne + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN KAPITEIN VAN 15 JAAR *** + +***** This file should be named 18425-8.txt or 18425-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/8/4/2/18425/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
