summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/18363-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '18363-0.txt')
-rw-r--r--18363-0.txt13947
1 files changed, 13947 insertions, 0 deletions
diff --git a/18363-0.txt b/18363-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..67d27f0
--- /dev/null
+++ b/18363-0.txt
@@ -0,0 +1,13947 @@
+The Project Gutenberg eBook of Heldensagen en legenden van de
+Serviërs, by Woislav M. Petrovitch
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
+of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
+www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
+will have to check the laws of the country where you are located before
+using this eBook.
+
+Title: Heldensagen en legenden van de Serviërs
+
+Author: Woislav M. Petrovitch
+
+Translator: J.P. Wesselink-Van Rossum
+
+Illustrators: William Sewell
+ Gilbert James
+
+Commentator: Chedo Miyatovich
+
+Release Date: April 10, 2023 [eBook #18363]
+
+Language: Dutch
+
+Produced by: Produced by Jeroen Hellingman, and the Online Distributed
+ Proofreading Team at http://dp.rastko.net/ for Project
+ Gutenberg
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HELDENSAGEN EN LEGENDEN VAN
+DE SERVIËRS ***
+
+
+
+
+
+
+ Heldensagen en legenden van de Serviërs
+
+ Door
+
+ Woislav M. Petrovitch
+
+ Attaché bij de Koninklijke Servische Legatie aan het Engelsche hof
+
+ Met een voorbericht van
+
+ Chedo Miyatovich
+
+ Gewezen Servisch gezant aan het Engelsche Hof
+
+ Uit het Engelsch vertaald door
+
+ Mevr. J. P. Wesselink--Van Rossum
+
+ Met 32 gekleurde platen door
+
+ William Sewell & Gilbert James
+
+
+
+
+ Zutphen--W. J. Thieme & Cie--1915
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Inleiding
+
+ I. Historische terugblik
+ II. Bijgeloof en nationale gebruiken
+ III. Servische nationale epische poëzie
+ IV. Kralyevitch Marko; of de Koninklijke prins Marko
+ V. Banovitch Strahinya
+ VI. De tsarina Militza en de Zmay van Yastrebatz
+ VII. Het huwelijk van Maximus Tzrnoyevitch
+ VIII. Het huwelijk van tsaar Doushan den Machtige
+ IX. Tsaar Lazarus en de tsarina Militza
+ X. De gevangenschap en het huwelijk van
+ Stephanus Yakshitch
+ XI. Het huwelijk van koning Voukashin
+ XII. De heiligen verdeelen de schatten
+ XIII. Drie servische balladen
+
+ 1. De bouw van Skadar
+ 2. De stiefzusters
+ 3. De ontvoering van de schoone Iconia
+
+ XIV. Folklore 211
+
+ 1. De ram met de gouden vacht
+ 2. een paviljoen noch in den hemel noch op
+ aarde
+ 3. Pepelyouga
+ 4. De taal der dieren
+ 5. De stiefmoeder en haar stiefdochter
+ 6. Recht en onrecht
+ 7. Wie weinig vraagt, ontvangt veel
+ 8. Bash Tchelik of echt staal
+ 9. De gouden appelboom en de negen
+ pauwinnen
+ 10. Het vogelmeisje
+ 11. Liegen om een weddenschap
+ 12. Het meisje, dat wijzer is dan de
+ tsaar
+ 13. Goede daden zijn onvergankelijk
+ 14. Hij wien God helpt, kan niemand kwaad
+ doen
+ 15. Dieren als vrienden en als vijanden
+ 16. De drie vrijers
+ 17. De droom van den Koningszoon
+ 18. De bijter gebeten
+ 19. Het beroep dat niemand kent
+ 20. De tweelingen met de gouden haren
+
+ XV. Eenige Servische populaire anecdoten
+
+ Verklarende Woordenlijst en Index
+
+
+
+
+
+LIJST VAN ILLUSTRATIES.
+
+
+ God zegene u, o schoon groen meer! In uw boezem zal ik
+ voortaan wonen (titelplaat)
+ Zou hij onmiddellijk ingesloten worden door een dikken
+ mist
+ En daar een boom driemaal schudt
+ Terwijl de kinderen haar vroolijk volgen
+ Op het oogenblik, dat Voukashin zijn zoon zou bereiken
+ Maar dank zij Sharatz kwam ik ten laatste steeds verder van
+ hem af
+ De Doge schoof hoffelijk het gordijn voor den ingang ter
+ zijde
+ Ik zag, hoe zwart haar gelaat was en hoe wit haar handen! Ik
+ huiverde van afschuw
+ In enkele oogenblikken had Sharatz de Veela ingehaald
+ Daar is het zwaard en hier is het aambeeld
+ Hij bejammerde luid het lot van Marko
+ Toen het kasteel ineenstortte, werd Maximus door den vallenden
+ toren geraakt, die hem echter niet ernstig kwetste
+ En de stralen het meisje beschenen
+ De berg Shar, waar Milosh, de herder, met zijn kudde
+ vertoefde
+ Twee harer keken haar gezellin, die in het midden stond,
+ met een veelzeggenden blik aan
+ Werd voor de ochtendschemering door de Veela geslecht
+ Waar zij Pauls grijzen valk den nek omdraaide
+ Waarom weent gij, mijn broeder?
+ En werkelijk, de olifanten kwamen, gelijk hij verwacht
+ had
+ En daar zag hij zijn zuster zitten, met den kop van den
+ slapenden draak op haar knie
+ Marra deed haar gouden gewaad uit
+ De slang kronkelde zich snel om zijn arm
+ Toen eenige veele naar de bron kwamen om te baden
+ Daarop verrees onmiddellijk op die plek een prachtig paleis
+ Ontstelde hij hevig op het zien van de slang tegen den
+ muur
+ Streek dadelijk op den grond neer, waar ze in een meisje
+ veranderde
+ Gelukkig werd de oude vrouw zoo in beslag genomen door het
+ spelen met den vogel
+ Het heele brood is voor u
+ Hij kon geen woord uitbrengen
+ Geef mij uw hand, opdat ik uw ring kan zien
+ Maar wat ook gebeurde, hij volhardde in het gebed
+ Vroeg hij den Era, waar hij den dief verborgen had
+ Kaart van de Balkanstaten
+
+
+
+
+
+VOORBERICHT.
+
+
+De Serviërs hechten de grootste waarde en het meeste gewicht aan de
+sympathieën van een zoo hoog beschaafd, groot en daardoor terecht
+zoo invloedrijk volk als de Britsche natie. Sinds het begin van
+de twintigste eeuw zijn er twee kritieke oogenblikken geweest--de
+annexatie van Bosnië en Herzogovina door Oostenrijk en de oorlog
+tegen de Turken--waarbij wij gelegenheid hebben gehad op te merken,
+van hoe groote praktische beteekenis de Britsche sympathieën, zelfs
+al zijn zij oogenschijnlijk niet meer dan platonisch, voor ons volk
+kunnen zijn. Het is zeer natuurlijk, dat wij den wensch koesteren
+deze sympathieën te behouden en zoo mogelijk nog te vergrooten. Wij
+zijn trotsch op de overwinningen, die ons leger op de dappere Turken
+behaalde, doch wij vleien ons, dat ons volk behalve om zijn militaire
+eigenschappen ook om de andere trekken van zijn nationaal karakter
+zich sympathie en eerbied zal weten te verwerven.
+
+Wij wenschen onzen vrienden ons volk te doen kennen, zooals het is. Wij
+wenschen hen een blik te laten slaan in onze nationale psyche. En
+niets kan een beteren kijk geven in de ziel van het Servische volk
+dan dit uitnemende boek van Woislav M. Petrovitch.
+
+De Serviërs behooren ethnologisch tot de groote familie der Slavische
+volken. Zij zijn neven in den eersten graad van de Russen, Polen,
+Czechen, Slowakken en Bulgaren en zij zijn de broeders der Croaten en
+Slowenen. Sedert de kerk niet langer de volkeren gescheiden houdt en
+om der wille van het geloof geen tweedracht in het leven der volkeren
+kan worden gezaaid, zijn de orthodoxe Serviërs en de Roomsch Katholieke
+Croaten feitelijk één en hetzelfde volk.
+
+Van al de Slavische naties mogen de Serviërs zich er op laten voorstaan
+de meest poëtische te zijn. Hun taal is de rijkste en de meest muzikale
+onder alle Slavische talen. De overleden professor Morfill, die in
+zekeren zin een Panslavist was, heeft herhaaldelijk tegen mij gezegd:
+"Ik zou wenschen, dat gij, Serviërs, zoowel als alle andere Slavische
+volken, met Rusland een politiek verbond vormdet, maar ik zou niet
+willen, dat gij uw schoone en goedontwikkelde taal prijsgaaft om die
+te verwisselen voor de Russische!"
+
+Eens ging hij zelfs zoo ver als zijn meening te kennen te geven,
+dat de toekomstige Vereenigde Staten van de Slaven als voertuig voor
+hun letterkunde en als officieele taal de Servische zouden aannemen,
+wijl die verreweg de edelste en meest muzikale is van alle Slavische
+dialecten.
+
+Toen onze voorouders het westelijk deel van het Balkanschiereiland
+bezetten, vonden zij daar een groot aantal Latijnsche kolonies en
+Grieksche steden en nederzettingen. In den loop van twaalf eeuwen
+hebben wij door wederzijdsche huwelijken veel Grieksch en Latijnsch
+bloed opgenomen. Dientengevolge en onder den invloed van het handels-
+en politiek verkeer met Italië werd onze taal verzacht en onze
+manieren, en de in ons Slavische volk sluimerende liefde voor wat
+schoon, dichterlijk en edel is versterkt. Wij vormen een bijzonder
+Slavische type, gewijzigd door Latijnsche en Grieksche invloeden. De
+Bulgaren zijn een Slavisch volk van een geheel ander type, ontstaan
+door de circulatie van Tartaarsch bloed in Slavische aderen. Dit
+eenvoudige feit verklaart de tegenstelling tusschen de Serviërs en
+Bulgaren en hun onderlinge twisten gedurende de Middeleeuwen en zelfs
+in onzen tijd.
+
+Wat zijn nu de nationale liederen der Serviërs? Het zijn geen liederen,
+gemaakt door beschaafde of litterair geschoolde dichters, maar door
+eenvoudige menschen en die, eenmaal populair geworden, door eenvoudige
+menschen worden gezongen.
+
+Tot in het midden van de negende eeuw leefden de Serviërs voor
+het meerendeel in agrarische- en familiegenootschappen, Zadrooga
+genaamd. Naar M. Petrovitch heeft medegedeeld, verlieten de zoons
+van een boer het huis huns vaders niet, als zij trouwden, maar
+zij bouwden een houten hut op het land, dat het huis van hun vader
+omringde. Heel dikwijls ontstond er een groote nederzetting rondom
+het oorspronkelijke huis, van vaak meer dan honderd personen, mannen
+en vrouwen, die te zamen werkten op het land en de huizen als hun
+gemeenschappelijk eigendom beschouwden, evenals de vruchten van hun
+arbeid. Al de leden van de Zadrooga erkenden het oudste lid van zulk
+een familiegenootschap als hun hoofd en het was de gewoonte, dat
+allen zich 's avonds in het stamhuis rondom hem verzamelden. Nadat
+de zaken, die het boerenbedrijf of andere aangelegenheden betroffen,
+waren afgedaan, werd de familiekring verder bezig gehouden, doordat
+het hoofd of een ander mannelijk lid van de familie een heldendicht
+voordroeg of een der liederen zong, waarin de een of andere historische
+gebeurtenis verhaald werd of waarvan de tekst gewijd was aan een
+gebeurtenis, die eerst kort geleden had plaats gehad.
+
+Bij de openbare samenkomsten, bij kerken en kloosters verzamelden
+zich eveneens groepen mannen en vrouwen rondom de voordragers, die
+in liederen de oude koningen en helden of een bijzonder treffende of
+belangrijke gebeurtenis bezongen.
+
+In Hongaarsch Servië (Syrmia, Banaat, Baschka) maken oude blinde mannen
+er een winstgevend bedrijf van oude of nieuwe liederen te zingen,
+die voor het meerendeel op oude helden of historische gebeurtenissen,
+doch ook wel op de geschiedenis van den dag betrekking hebben. Maar in
+andere deelen van Servië (Shumadiya, Bosnië, Herzogovina, Montenegro,
+Dalmatië) dragen welgestelde boeren zeer dikwijls de heldenliederen
+voor, omringd door een menigte toehoorders en toehoorderessen. Het
+is een zonderling feit, reeds door Vouk S. Karadgitch opgemerkt,
+dat de voordragers van heldenliederen zeer zelden jong zijn, maar
+meestal mannen van middelbaren leeftijd en nog vaker oude mannen. Het
+is, alsof de oude mannen het als hun plicht beschouwen het jonge
+geslacht bekend te maken met de belangrijkste gebeurtenissen uit de
+geschiedenis van het volk en zijn voornaamste helden. Men kan nog
+menig ongeletterde in Servië vinden, maar gij zult niemand vinden,
+die niet in staat is u wat te vertellen over Stephan Nemanya, den
+eersten koning van het Servië uit de Middeleeuwen, over zijn zoon,
+St. Sava, tsaar Doushan, zijn jongen zoon Ourosh, koning Voukashin,
+den koninklijken prins Kralyevitch Marko, tsaar Lazarus en de helden,
+die vielen in den vermaarden slag van Kossovo (1389).
+
+Zonder overdrijving kan dus gezegd worden, dat de Servische boeren
+hun eigen vaderlandsche geschiedenis schreven door haar van het
+eene geslacht op het andere over te vertellen en te bewaren in hun
+rhythmische, tienlettergrepige, rijmlooze verzen. De gooslari [1]
+en de monniken bewaarden het nationaal politieke bewustzijn en de
+nationale kerk voor ondergang gedurende de vijf eeuwen, waarin zij
+slechts Turksche Rayah waren, eenvoudige lieden, gedoemd om niets
+beters te zijn dan slaven van hun meester, den Turk. Wij zouden
+tegenwoordig niets weten van den aanhoudenden guerillaoorlog, dien
+de beste en moedigste mannen van het volk met groote hardnekkigheid
+tegen den onderdrukker van het volk voerden van het begin der zestiende
+eeuw, tot de eerste opkomst van de Shumadia onder Karageorge in 1804,
+indien wij de zoogenaamde Haïdoochke Pesme (Zangen op Haïdooks [2])
+niet bezaten. Lang voor de geschiedenis van het ontstaan van den
+Servischen Nationalen Staat werd geschreven door Stoyan Novakovich,
+den geleerden president van de Servische Academie, werd zij in
+verzen van groote schoonheid en uitdrukking bezongen door den bard
+Vishnyich. En de overwinningen van het Servische leger op de Turken
+en Bulgaren in den oorlog 1912-13 worden nu reeds bezongen door de
+barden in de herbergen en op de jaarmarkten in de dorpen, waar het
+volk in grooten getale bijeenkomt en bij de groote kerkelijke feesten
+op het plein rondom de kerk. Natuurlijk leert een Serviër, die bij
+honderd gelegenheden nationale liederen heeft hooren voordragen, ze
+zelf voordragen, al is hij misschien niet in staat zijn voordracht
+te begeleiden op de goussle. [3] Evenmin valt het hem moeilijk door
+menigen stereotypen regel van oude welbekende zangen te bezigen, in
+verzen de geschieden te verhalen van onzen tijd. Toen ik in 1873 als
+minister van financiën bij de begrootingsdebatten in de Skoupshtina
+een nederlaag leed, werd hiervan dienzelfden avond en den volgenden
+dag in rijmlooze verzen kond gedaan aan het volk.
+
+Naast de zangen, die meer of minder getrouw historische gebeurtenissen
+herdenken, zijn er een menigte nationale liederen, die hun stof aan
+een der talrijke legenden ontleenen. Zij zijn zonder twijfel in het
+leven geroepen onder den invloed van de priesters en monniken en waren
+oorspronkelijk alleen bestemd voor de menigte, die op de kerkelijke
+feesten samenstroomde. Het verheugt mij te zien, dat M. Petrovitch
+in zijn verzameling heeft opgenomen het lied, dat waarschijnlijk het
+oudste onder alle Servische zangen is. Het heet "De Heiligen verdeelen
+de Schatten" en het bewaart de herinnering aan een blijkbaar zeer oude
+overlevering, die op haar beurt weer de heugenis bewaart aan een groote
+ramp, die het stamvolk in Indië trof en vermoedelijk de oorzaak was,
+dat de voorouders van de Slaven Indië moesten verlaten. Het is zeer
+merkwaardig een echo van een groote ramp, die eenmaal Indië teisterde,
+in de nationale zangen van de Serviërs te hooren naklinken.
+
+Dat de Serviërs nationale liederen hadden, waarin zij de Servische
+daden van hun nationale helden bezongen, daarvan werd reeds in de
+veertiende eeuw melding gemaakt. Nicephoras Gregoras, die door den
+Byzantijnschen keizer naar Servië werd gezonden met een diplomatieke
+zending, vertelt de Serviërs hun nationale liederen te hebben hooren
+zingen.
+
+In officieele bescheiden, die bewaard bleven van de vele diplomatieke
+missies, die zich in de zestiende eeuw tusschen Weenen of Buda
+en Konstantinopel bewogen, en wier weg over Servië leidden, wordt
+eveneens melding gemaakt van de heldenzangen, waarin de Serviërs hun
+groote voorouders herdachten.
+
+In die eeuw heeft de eerste poging plaats om eenige van deze nationale
+liederen door de drukpers te vermenigvuldigen, een poging, die onder
+anderen door den dichter Hectorovich uit Ragusa werd ondernomen. In
+de achttiende eeuw werden meer geslaagde pogingen gedaan door den
+Franciscaner monnik Kachich-Mioshich en door den abt Fortis. Maar het
+is aan den geleerden grondlegger van de moderne Servische literatuur,
+Vouk Stephanovitch Karadgitch, dat in dezen de grootste eer toekomt,
+zooals door M. Petrovitch in zijn Inleiding en elders is aangetoond.
+
+M. Petrovitch moet hebben ondervonden, wat de Franschen noemen
+"embarras de richesses." Het was niet zoo gemakkelijk de zangen
+voor een vertaling uit te kiezen. Maar hij heeft ons eenige van
+de schoonste Servische heldendichten gegeven als model van wat de
+Servische nationale dichtkunst voortbracht. Het doet mij alleen leed,
+dat hij daarbij niet een paar voorbeelden heeft opgenomen, van wat
+de Servische vrouwen en meisjes uit de dorpen aan lyrische poëzie
+voortbrengen. Misschien zal hij bij een andere gelegenheid amende
+honorable maken aan onze vrouwelijke landgenooten.
+
+Ik wensch nog enkele woorden toe te voegen aan hetgeen M. Petrovitch
+heeft gezegd omtrent onzen grootsten nationalen held, den koninklijken
+Prins (Kralyevitch) Marko. Zooals hij heeft aangetoond is Marko een
+historische figuur. Maar wat de geschiedenis omtrent hem heeft te
+zeggen is niet veel, en in elk geval niet in staat om te verklaren, hoe
+hij de lievelingsheld werd van het Servische volk. Hij was een eerlijk
+en trouw vazal van den sultan, wat het bijna onaannemelijk maakt, dat
+hij den eerbied en de bewondering der Serviërs heeft opgewekt. Toch
+hebben de Serviërs gedurende de laatste vijf eeuwen hun koninklijken
+Prins Marko geëerd, bewonderd en liefgehad en in de toekomst zullen zij
+evenzeer als in het verleden trotsch op hem zijn. Dit psychologisch
+raadsel heeft de beste Servische en enkele andere historische
+onderzoekers en schrijvers geprikkeld tot een nauwgezet onderzoek. Het
+is duidelijk, dat de meeste liederen op Marko hun dichters moeten zijn
+ingegeven onder den machtigen invloed, die zijn persoonlijkheid op
+zijn landgenooten en zijn tijd uitoefende. Dr. Yagich, Dr. Maretich,
+professor Stoykovich en St. Novakovich zijn allen van meening, dat zijn
+athletische kracht en zijn imposant voorkomen als voornaamste oorzaak
+moeten worden aangemerkt van den indruk, dien hij achterliet. Allen
+stemmen hierin overeen, dat zijn gedrag, zoowel in het dagelijksch
+leven als bij buitengewone gelegenheden, dat was van een waar ridder,
+een _cavaliere servente_, een _chevalier sans peur et sans reproche_.
+
+Zelfs zijn zucht om den sultan als een trouw vazal te dienen werd in
+zijn voordeel uitgelegd als bewijs van de onkreukbare oprechtheid
+van zijn karakter. Waarschijnlijk werd die oprechtheid ook door
+den sultan gewaardeerd en werd Marko hierdoor in staat gesteld niet
+zelden een beroep op den sultan te doen ten gunste van zijn volk,
+bijvoorbeeld als enkele gevangenen en slaven bevrijd en gered moesten
+worden. Zeer zeker was hij de beschermer van arme en lijdende mannen
+en vrouwen en stond hij hen bij, wat het ook kostte, niet zelden
+met gevaar voor zijn eigen leven. Hij moet inderdaad bewijzen van
+toewijding hebben gegeven voor de zaak van het recht; dat is het,
+wat hem bemind maakte, niet alleen onder zijn tijdgenooten, maar
+ook bij hun nakomelingen.--Hij moet gedurende zijn leven bekend zijn
+geweest om zijn vreeze Gods en den eerbied en de liefde, die hij zijn
+moeder toedroeg. De Serviërs teekenden hem naar het model, door zijn
+eigen persoonlijkheid en zijn daden aan het volk geboden. Een van de
+schoonste trekken van zijn ridderlijk karakter, gelijk dat beschreven
+wordt door de nationale barden, is zijn liefde voor en deernis met
+lijdende dieren. Het doet mij leed, dat mijn vriend Petrovitch geen
+voorbeeld gaf van de liederen, die dien trek van onzen nationalen
+held verheerlijken, als bijvoorbeeld het lied: "Marko en de Havik"
+(Vouk ii 53) of "Marko en de Arend" (Vouk ii 54). In beide wordt
+verhaald, hoe deze vogels, toen Marko ziek lag op het open veld,
+gekweld door een hevigen dorst, terwijl de gloeiende zonnestralen
+zijn gelaat verbrandden, uit dankbaarheid voor de vriendelijkheid,
+die hij hun eens betoonde, hem water brachten in hun snavels en hun
+vleugels uitspreidden, om zijn gelaat te beschutten tegen de zon.
+
+Verreweg de beste studie over den Servischen nationalen held is
+geschreven door den Russischen professor Halanski, die het raadsel
+oploste door te wijzen op de natuurlijke sympathie van een volk
+voor den "tragischen held." De historische Marko was zeer zeker een
+"tragisch held". Niets bewijst dat beter dan zijn laatste woorden,
+voor den aanvang van den slag van Rovina (1399), door M. Petrovitch
+in zijn werk aangehaald.
+
+Ik moet er aan toevoegen, dat ook deze verklaring wel gegeven
+wordt: het Servische volk teekent om zoo te zeggen zich zelf in den
+koninklijken Prins Marko. Zijn eigen tragisch lot, zijn deugden en
+zwakheden ziet het gesymboliseerd in de populaire, maar tragische
+figuur van Marko. Zonder twijfel moet Marko in vele opzichten het
+type van een edelen Serviër zijn geweest, anders zou hij den weg
+tot de ziel en het hart van zijn volk niet gevonden hebben. Maar die
+beschouwing is niet zeer bescheiden.
+
+Het zal onzen Britschen vrienden misschien belang inboezemen te
+weten, dat een bloedverwant van de dynastie, waarvan Marko de laatste
+vertegenwoordiger was, een zekere prins John Mussachi in een historisch
+gedenkschrift vermeldt, dat de vader van Marko, koning Voukashin,
+de afstammeling was van een edelman Britanius of Britanicus [4]
+genaamd. Wij zouden er trotsch op zijn, indien bewezen kon worden,
+dat de voorouders van onzen nationalen held op de een of andere wijze
+verwant waren aan het Engelsche Volk.
+
+
+Chedo Miyatovich,
+
+Belgrado, 28 Juni 1914.
+
+Lid van de Koninklijke Servische Academie van Wetenschappen.
+
+
+
+
+INLEIDING
+
+
+Meer dan eens heb ik het betreurd, dat ik niet bij machte was in
+de volgende bladzijden van de bezielende balladen onzer nationale
+barden een metrische overzetting te leveren. Nooit heb ik zoo diep
+als bij deze vertaling beseft, hoezeer mijn leeraren in letterkunde
+dwaalden--al moge er dan ook voor enkele gevallen en onder bepaalde
+omstandigheden eenige waarheid in hun stelling liggen--wanneer zij
+beweerden, dat schoone gedachten beter uitgedrukt worden in proza
+dan in dichtvorm, waarbij men door de regelen van prosodie en metrum
+al te zeer belemmerd wordt. Het is ongetwijfeld waar, dat goed proza
+meer waarde heeft dan middelmatige poëzie, maar geldt dit ook als de
+auteur een groot dichter is?
+
+Het Servische heldendicht verdient ongetwijfeld de aandacht van de
+Engelsche letterkundige wereld en ik waag het de hoop uit te spreken,
+dat de dag komt, waarop een ander Engelsch dichter dan Sir John
+Bowring onder de bekoring van onze balladen zal komen en evenals hij
+zal trachten de Engelsche lezers ook van de meesleepende rhytmische
+eigenschappen van het oorspronkelijke te doen genieten.
+
+In de eerste helft van de negentiende eeuw hebben verschillende
+Duitsche dichters eenige van onze nationale balladen van proza in
+dicht overgebracht en ik kan er niet anders dan trotsch op zijn,
+dat zelfs Goethe daaronder behoorde. Helaas was hij gedwongen een
+Italiaansche vertaling te gebruiken, daar hij de Servische taal niet
+kende--wat wel het geval was met zijn zeer gewaardeerden landgenoot
+Jacob Grimm, die, nadat hij onze muzikale taal had geleerd, om kennis
+te kunnen nemen van de schatten, die er in geschreven zijn, als zijn
+meening uitsprak: "De Servische nationale poëzie verdient werkelijk
+de algemeene aandacht--ik geloof, dat het Servisch algemeen bestudeerd
+zal worden juist terwille van deze balladen."
+
+Een Tchechisch [5] schrijver, Lyoodevit Schtur, schreef in zijn
+verhandeling over de Slavische poëzie "De Indo-Europeesche volken
+drukken alle op hun eigen manier uit, wat zij in zichzelf bevatten
+en wat hun ziel beroert. De Indiër openbaart dit in zijn reusachtige
+tempels; de Pers in zijn heilige boeken, de Egyptenaar in pyramiden,
+obelisken en onmetelijke, geheimzinnige labyrinten; de Helleen in
+zijn prachtige beelden; de Romein in zijn bekoorlijke schilderijen,
+de Duitscher in zijn schoone muziek--de Slaven hebben hun diepst
+gevoelde gedachten neergelegd in balladen en verhalen."
+
+Ik geloof niet, dat ik te veel beweer, als ik zeg, dat van al de
+Slaven de Serviërs het overvloedigst hun ziel hebben uitgestort in
+een poëzie, die volkomen, geheel en al nationaal is. Dat zou niet
+met dezelfde stelligheid gezegd kunnen worden van hun verhalen en
+legenden, die naar mijn meening minder karakteristiek zijn. Wel pleit
+hun verrassende analogie met het folklore van andere volken mee voor de
+eenheid in voorhistorische tijden van het geheele Arische ras. Het zou
+bijvoorbeeld belachelijk zijn voor eenig volk een sprookje als dat van
+"Asschepoester" [6] als "nationaal eigendom" op te eischen, of eenig
+ander, dat eveneens, zooals hun, die eenige studie van het Europeesche
+folklore gemaakt hebben, wel bekend is, in vele talen voortleeft.
+
+Sinds onheugelijke tijden heeft de Serviër een natuurlijk en
+meer dan gewoon talent aan den dag gelegd voor het dichten van
+heldenballaden. Deze gave is het volk eigen gebleven, toen het zich
+uit Noordelijker streken in zijn tegenwoordige woonplaats vestigde,
+waar het de fantasie prikkelend natuurschoon en het verkeer met het
+beschaafde Byzantium er zeer grooten invloed op uitoefenden en de
+voortbrengselen der poëzie tot een ontwikkeling brachten, die ze
+meer dan eenig product van het genie der Noordelijker Slaven deden
+gelijken op het Homerische heldendicht. De schat van zijn geestelijke
+voortbrengselen werd voortdurend vermeerderd door nieuwe indrukken
+en zoo ontstond de nationale poëzie, rijk van vorm en schoon van
+samenstelling. De prachtige wouden van den Balkan, waar de legende en
+de romantiek meer dan in eenigen anderen woudrijken streek van Europa
+een gunstige omgeving voor haar ontwikkeling vonden, het altijd lachend
+uitspansel van Macedonië, de reusachtige Zwarte bergen van Montenegro
+en Herzegowina zijn wel geschikt om zelfs een minder begaafd volk te
+bezielen dan het Servische, dat deze romantische streken gedurende
+de laatste dertien eeuwen bewoonde.
+
+De onvermoeide Servische zanggodin vervulde haar zending evenzeer
+op het slagveld of in het woud als in de liefelijke weiden tusschen
+de kudden of onder de dreigende muren van vorstelijke en heilige
+kloosters. Het geheele volk deelde in haar gaven en wanneer een
+dichter de heldendaden van den een of anderen geliefden nationalen held
+bezongen had of de vrome daden van een monnik of een heilige of eenig
+ander onderwerp had aangeroerd, dat tot het hart van het volk sprak,
+dan stonden er steeds weer andere barden klaar, die de dichterlijke
+schepping tot de hunne maakten en ze in wijder kring verbreidden met
+de wijzigingen, die nu eenmaal al wat mondeling overgebracht wordt,
+vergezellen, en waardoor ze steeds inniger tot het hart van het volk
+spreken. Uit dit karakteristieke, dat aan mondelinge overbrenging
+eigen is, valt het bestaan van verschillende teksten van eenige der
+meest populaire zangen te verklaren.
+
+Door vele eeuwen en meer speciaal gedurende de gruwzame overheersching
+van de Turken konden de voortbrengselen der Servische nationale
+litteratuur enkel voortleven door mondelinge overdracht. De onvermoeide
+monniken toch, die veilig waren binnen de geheiligde muren van hun
+klooster, gebruikten hun vrijen tijd niet met het opteekenen der
+balladen en heldendichten van het volk, doch met het aanleggen van
+biografieën van andere monniken of van dezen of genen vorstelijken
+beschermheer.
+
+Die Serviërs, welke het onder het verlammende bestuur van den
+Sultan niet konden harden, emigreerden in de zeventiende eeuw met
+hun patriarch Arsen Tcharnoyevitch, naar de vlakten van Zuidelijk
+Hongarije. In den loop der twee volgende eeuwen wijdden zij zich
+daar aan de pseudoklassieken van het Westen. Zij beschouwden het
+_infra dignitatem_ over zulke vulgaire onderwerpen als populaire
+dichtkunst en overleveringen te schrijven. De begaafde afstammelingen
+van die beklagenswaardige slachtoffers der sluwe Oostenrijksche
+en Pan-Russische invloeden verspilden hun talenten in ijdele en
+leege nabootsing der pseudo-klassieke voortbrengselen van Italië
+en Frankrijk, en door volijverig de Servische en Oud-Slavische
+werkwoorden op de Russische wijze te vervoegen, schiepen zij een
+monsterachtig letterkundig jargon, dat zij noemden Slavyano-Serbski
+(d.i. Slavisch-Servisch). En als eenig Servisch schrijver zich
+zou vermeten hebben in het welluidende en onvervalschte Servisch
+te schrijven, dat algemeen in zijn vaderland gesproken werd, zou
+hem de vloek getroffen hebben van die op een dwaalspoor gebrachte
+Slavisch-Servische "bestudeerders der Klassieken", die er innig van
+overtuigd waren, dat de roem in de nationale litteratuur alleen te
+behalen was door te schrijven in een taal, die ze zelf nauwelijks
+begrepen, en die tengevolge van de volkomen inconsequentie en
+willekeurige veranderingen ook onverstaanbaar was.
+
+De "bestudeerders der klassieken" kregen hun verdiende loon in de
+eerste helft van de negentiende eeuw, toen zij overstroomd werden
+door den niet te weerhouden vloed van de populaire beweging, aan
+welker spits de boer Vouk Stephanovitch-Karadgitch stond, een man,
+die zich zelf gevormd had en wiens naam voor altijd groot zal blijven
+in de geschiedenis van de Servische letterkunde. Karadgitch is met
+recht de vader van de Servische moderne litteratuur genoemd. Zijn
+ontelbare tegenstanders trachtten hem te verpletteren onder de meest
+beleedigende benamingen, waaraan hun pen en hun tong uitdrukking konden
+geven, maar eindigden, na meer dan vijftig jaren van vruchteloozen
+weerstand, met hun armen wijd voor hem te openen.
+
+Karadgitch schiep een spraakkunst van de Servische volkstaal, waaruit
+hij alle onnoodige graphische teekens verbande; zijn alphabet van
+dertig letters paste zich volkomen aan bij de dertig klanken (vijf
+klinkers en vijf en twintig mede-klinkers) van zijn moedertaal--en
+dientengevolge ontstond een ideale phonetische orthografie, waarin
+de gulden regel gevolgd kon worden: _schrijf zooals gij spreekt
+en spreek zooals gij schrijft_. [7] Hij is van het eene dorp naar
+het andere door Servië gereisd, volijverig de epische en lyrische
+gedichten verzamelend en neerschrijvend de legenden en overleveringen,
+die hij van de lippen der barden opving en van verhalers, niet alleen
+van beroepszangers, maar ook van amateurs.
+
+In zijn pogingen werd hij krachtig gesteund door de Servische
+regeerende vorsten en hij had het geluk zich de intieme vriendschap
+te verwerven der beroemde philologen en geleerden van de laatste eeuw:
+Bartholemy Kopitar, Schaffarik en Grimm. Geholpen door Kopitar slaagde
+Karadgitch er in een academische dictionnaire samen te stellen van de
+Servische taal vertolkt door Latijnsche en Duitsche equivalenten. Dit
+blijft tot op heden de eenig betrouwbare Servische dictionnaire,
+die den Westerschen standaard van zulke boeken nadert. Zijn eerste
+verzameling van Servische populaire gedichten werd in 1814 in Weenen
+uitgegeven. Ze bevatte 200 lyrische zangen, die hij noemde _zenske
+pyesme_ (d.i. vrouwenzangen) en 23 heldenballaden. Dit boek verwekte
+opzien in de letterkundige kringen van Oostenrijk, Servië, Duitschland,
+Rusland en andere landen. Zeven jaar later deed Karadgitch in Leipzig
+een tweede uitgave in drie deelen het licht zien. Deze uitgave bevatte
+406 lyrische zangen en 117 heldendichten. Aan deze uitgave ontleende
+Sir John Bowring de stof voor zijn metrische vertaling van enkele der
+lyrische en epische gedichten, die hij in 1827 uitgaf onder den titel
+_Servische Populaire Poëzie_. Hij droeg het boek op aan Karadgitch,
+die zijn intieme vriend was en leeraar in het Servisch. [8]
+
+Ik heb drie van Bowrings balladen in dit boek overgenomen, om den
+lezers ook een getrouwere weergave van het oorspronkelijke vers te
+bieden dan mogelijk is in proza. Wat de dichterlijke verdiensten
+betreft van deze metrische vertalingen, ik wil mij niet aanmatigen er
+een oordeel over te vellen, maar het moge mij vergund zijn te zeggen,
+dat ik geen getrouwer vertaling heb gezien van onze nationale balladen
+en lyrische zangen, noch in het Engelsch, noch in eenige andere
+taal. De moeilijkheden in aanmerking genomen, die de bestudeering
+van elke Slavische taal (en dit geldt vooral van de Servische) den
+Angel-Sakser biedt, is het verwonderlijk hoe weinig onvolkomenheden
+het werk van Bowring aankleven. Sir John moet een ongewoon talent voor
+vreemde talen hebben bezeten, daar hij ook uit ieder van de andere
+Slavische talen vertaald moet hebben en--naar mij is medegedeeld--met
+dezelfde stiptheid en nauwgezetheid.
+
+De derde uitgave van het werk van Karadgitch verscheen in Weenen,
+tusschen de jaren 1841 en 1866. Het was nu gegroeid tot vijf deelen
+en bevatte 1112 lyrische zangen en 313 heldenballaden. Het is uit
+deze uitgave, dat ik de heldenverhalen, in dit boek opgenomen,
+heb gekozen; en indien ik er misschien in geslaagd ben een nieuw
+geslacht van niet-Servische lezers belang te doen stellen in de
+letterkunde van mijn land, dan zal het mijn verdere eerzucht zijn,
+de onvergelijkelijk veel zwaardere taak te volbrengen om hun in een
+volgend deel een blik te gunnen in onze populaire lyrische poëzie.
+
+Het voorbeeld van Karadgitch volgend hebben veel Serviërs van
+Bosnië en Herzegowina balladen en legenden verzameld, die Karadgitch
+niet heeft hooren voordragen op zijn verschillende reizen, door de
+eigenlijke Servische landen, of waartoe hem de tijd ontbrak om ze in
+te lasschen. Zulke later verzamelde gedichten--werkelijk een zeer
+groot aantal--zijn van tijd tot tijd uitgegeven in de welbekende
+tijdschriften _Bosanska Veela_ (d.i. "de Veela van Bosnië")
+en _Karadgitch_ en het aantal vermeerdert voortdurend nog; niet
+alleen door de ontdekking van oude bronnen, maar ook door de nieuwe
+inspiratie, die een gevolg was van de Balkanoorlogen van 1912-1913.
+
+Tenslotte heb ik nog mijn meest dankbare erkentelijkheid te betuigen
+aan mijn geachten vriend M. Chedo Miyatovich voor zijn onschatbaren
+raad en de aanmoediging, die ik van hem ondervond en voor zijn
+edelmoedige bereidwilligheid om het voorbericht te schrijven, dat mijn
+boek versiert, en eindelijk ook mijn uitgevers te danken voor de hulp,
+die zij mij boden bij het gereedmaken van mijn manuscript voor de pers.
+
+
+W. M. Petrovitch.
+
+189 Queen's Gate, Londen,
+
+Mei 1914.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I. HISTORISCHE TERUGBLIK.
+
+
+De komst van de Serviërs.
+
+
+Voor hun invasie in het Balkan-Schiereiland, die in de zevende eeuw
+plaats had, leefden de Serviërs als een patriarchaal volk in het
+land, dat nu als Galicië bekend is. Ptolemeus, de oude Grieksche
+aardrijkskundige, beschrijft, hoe ze leefden aan de oevers van de
+rivier de Don, ten Noord-Oosten van de zee van Azof. Zij vestigden zich
+voor het meerendeel in die Balkanstreken, welke zij op den huidigen
+dag nog bewonen, namelijk het tegenwoordige koninkrijk Servië,
+Oud-Servië, Macedonië, Bosnië en Herzegowina, Montenegro, Dalmatië,
+Batchka, Banaat, Croatië, Sirmië en Istrië. De oude inwoners van
+deze gewesten, Latijnen, Thraciers, Grieken en Albaneezen, werden
+door de nieuw aangekomenen gemakkelijk naar de Adriatische kust
+opgedrongen. Hun keizer Heraclius (610-641 na Chr.), die niet in
+staat was krachtig weerstand te bieden, stond aan de Serviërs al de
+provincies af, die zij bezet hadden, en zoo was de vrede gekocht. De
+Heidensche en onontwikkelde Servische stammen stonden van nu af in
+geregeld verkeer met de beschaafde Byzantijnen en werden spoedig
+bekeerd tot het christendom; want bijna zonder uitzondering gaat
+de regel op, dat als een volk een ander overwint of onderwerpt, het
+meest beschaafde van de twee, onverschillig of dit het overwonnene
+of de overwinnaar is, zijn beschaving en gewoonten overbrengt op
+het meer barbaarsche. De Serviërs omhelsden echter het Christendom
+pas wat meer algemeen in het begin van de negende eeuw, toen de twee
+broeders Cyrillos en Methodius--de zoogenaamde Slavische apostelen--het
+Evangelie van Christus in de oude Slavische taal overzetten en in die
+taal, welke in dien tijd de omgangstaal was van de Zuidelijke Slaven
+dat Evangelie verkondigden.
+
+
+
+Vroege worstelingen.
+
+
+Daar de Serviërs gedurende de zevende en de achtste eeuw in stammen
+waren verdeeld, werden zij een gemakkelijke prooi van de Byzantijnen,
+de Bulgaren en de Franken, ofschoon geen dezer naburen er ooit in
+slaagde hun het juk der onderwerping blijvend op te leggen. Toen
+werden de Serviërs er zich echter bewust van, dat zij zich slechts
+door hun macht te concentreeren en als een natie naar buiten op
+te treden zouden kunnen handhaven. Dit had tengevolge, dat in het
+begin der negende eeuw een ernstige poging werd gedaan om aan de
+oevers van de rivier de Morava een staat te stichten, waarvan Horea
+Margi (nu Tyoupriya genaamd) de hoofdstad zou zijn. De Bulgaren,
+die vijandig tegenover deze pogingen stonden, slaagden er in aan
+te toonen, hoe ontijdig ze werden ondernomen. Een nieuwe poging
+om een onafhankelijke staat te vormen werd gedaan door de Djoupan
+(graaf) Vlastimir, die er in geslaagd was zich aan de Byzantijnsche
+heerschappij te ontworstelen. Deze nieuwe Staat werd Rashka genaamd
+en strekte zich uit rondom de rivieren Piva, Tara en Lim, het
+stroomgebied van de rivier de Ibar in het Oosten en van dat van de
+Vrbas in het Westen rakende. Reeds in den aanvang echter ontstonden
+er oneenigheden tusschen de leiders, hetgeen de inmenging van den
+Bulgaarschen tzaar Siméon vergemakkelijkte. Tchaslav, de Djoupan
+van een anderen Servischen stam, eischte, hoewel hij er geenerlei
+recht op kon doen gelden, den troon op en werd hierbij ondersteund
+door Siméon, die met goeden uitslag Rashka binnendrong. De Bulgaren
+bleven gedurende zeven jaar in het bezit van het land (924-931),
+toen slaagde Tchaslav er in een nieuwen Staat te stichten, die met
+Rashka het grondgebied van Zetta, Trebinye, Neretva en Houm omvatte.
+
+Na zijn dood heerschte er ook in dit vorstendom weer groote
+verdeeldheid.
+
+In den loop van de volgende eeuw overmeesterde het Byzantijnsche rijk,
+nadat het 't nu verzwakte Bulgarije onderworpen had, ook Rashka,
+waarvan de Groot Djoupan vluchtte. De regent van Zetta, Stephen
+Voïslav (1034-1051) zoon van Dragomir, Djoupan van Trebinye, maakte
+van de gelegenheid gebruik om zich onafhankelijk te verklaren van zijn
+leenheer, den Groot Djoupan van Rashka, en eigende zich Zahoumlije
+(Herzegowina) en eenige andere streken toe. Zijn zoon, Michaylo,
+(1053-1081) slaagde er verder in Rashka onder zijn bewind te brengen
+en verkreeg in het jaar 1077 den koningstitel (rex Sclavorum) van
+paus Gregorius VII. Onder de regeering van koning Bodin, den zoon van
+Michaylo, werd het Servië van Tchaslav hersteld, bovendien werd nu
+Bosnië aan zijn rijk toegevoegd. Maar na den dood van Bodin heerschte
+weer de oude wanorde, voornamelijk wijl verschillende pretendenten
+naar den troon dongen.
+
+
+
+Onderlinge strijd.
+
+
+De onderlinge strijd tusschen de leden van de regeerende families is
+een der karakteristieke verschijnselen, die de geheele geschiedenis
+van Servië door is waar te nemen. Terwijl de krachten verspild worden
+in den strijd voor persoonlijke belangen, en met alle, geoorloofde
+zoowel als ongeoorloofde, middelen er naar gestreefd wordt aan
+de persoonlijke eerzucht te voldoen, werden de nationale belangen
+verwaarloosd. Dit is in alle tijden de groote hinderpaal geweest,
+waarop de vorming van een Servischen staat als politieke eenheid
+voortdurend afstuitte--hoe dikwijls door verschillende regenten ook
+pogingen werden aangewend om dit doel te bereiken.
+
+In 1169 kwam het bewind in handen van een dynastie, die gedurende meer
+dan twee eeuwen (1169-1372) Servië binnen steeds veranderende grenzen
+regeerde. De grondlegger er van was de beroemde Groot Djoupan Stephan
+Nemanya (1169-1196) die door den Byzantijnschen keizer tot Hertog
+van Servië (Groot Djoupan) werd verheven, nadat hij een revolutie had
+geleid, waarvan het resultaat gunstig was voor zijn aanspraken. Door
+zijn dapperheid en wijsheid slaagde hij er niet alleen in de provincies
+te vereenigen, die zijn voorgangers hadden bezeten, maar ook er sommige
+aan toe te voegen, welke nooit Servisch waren geweest. Hij zette Ban
+Koulin, een bondgenoot, op den troon van Bosnië. Verder bevestigde hij
+den orthodoxen godsdienst in zijn staat door het bouwen van een aantal
+kerken en kloosters en door de verbanning van kettersche Bogoumils
+[9]. Wijl hij de zwakte van den ouderdom voelde naderen en mede om
+zijn volk een nieuw bewijs te geven van zijn godsdienstzin, abdiceerde
+de bejaarde Nemanya in 1196 ten gunste van zijn bekwamen tweeden zoon
+Stephanus en trok zich in een klooster terug. Bij zijn troonsbestijging
+in het jaar 1217 nam Stephanus den titel aan van koning van Servië.
+
+Toen de kruisvaarders Constantinopel veroverden, werd Sava, Stephanus'
+jongste broer, door den Griekschen patriarch aan het hoofd gesteld
+van de Grieksche kerk in Servië (1219), hij was de eerste Servische
+aartsbisschop.
+
+Stephanus werd opgevolgd door zijn zoon Radoslav (1223-1233), die
+onttroond werd door zijn broeder Vladislav (1233-1242), welke op zijn
+beurt van den troon werd gestooten door zijn derden broer Ourosh de
+Groote (1242-1276).
+
+Ourosh vergrootte zijn gebied en verhoogde Serviërs aanzien in het
+buitenland. Hij werd onttroond door zijn zoon Dragoutin (1276-1281),
+die na een veldslag tegen de Grieken verloren te hebben, afstand
+deed tengunste van een jongeren broeder Miloutin (1288-1321). Voor
+zich zelf behield hij echter een provincie in het Noorden van den
+Staat. Spoedig daarna ontving Dragoutin van zijn schoonmoeder,
+de koningin van Hongarije, de landen tusschen de Donau, Save en de
+Drina. Hij nam toen den titel aan van koning van Sirmië. Nog bij
+zijn leven schonk Dragoutin zijn troon en een deel van zijn landen
+aan Miloutin; een ander deel kwam weer onder de heerschappij van
+den koning van Hongarije. Miloutin wordt beschouwd als een der
+merkwaardigste afstammelingen van Nemanya. Na zijn dood heerschte
+er de gewone oneenigheden over de troonsopvolging. De orde werd
+hersteld door Miloutins zoon Stephanus Detchanski (1321-1331), die
+de Bulgaren versloeg in den beroemden slag van Velbouzd en geheel
+Bulgarije onderwierp. Het bleef een provincie van Servië, totdat de
+Ottomaansche horden beide overweldigden.
+
+
+
+Doushan de Machtige.
+
+
+Stephanus Detchanski werd onttroond door zijn zoon Doushan den Machtige
+(1331-1355), de uitstekendste en meest roemrijke van alle Servische
+vorsten. Hij streefde er naar het geheele Balkanschiereiland aan zich
+te onderwerpen. Nadat hij er in geslaagd was het geheele Byzantijnsche
+keizerrijk, uitgenomen Constantinopel, te veroveren, riep hij zich
+zelf, in overleg met de _Vlastela_ (Vergadering van Edelen), tot
+tsaar van Servië uit. Hij verhief het Servische aartsbisdom tot den
+rang van patriarchaat. Geheel Albanië en een deel van Griekenland
+onderwierp hij; ook Bulgarije was een zijner vazalstaten. Door zijn
+ontijdigen dood (eenige geschiedschrijvers beweren, dat hij vergiftigd
+is door zijn eigen ministers) was het hem niet vergund zijn grootsche
+plannen te verwezelijken. Onder de regeering van zijn jongen zoon
+Ourosh (1355-1371) ging bijna al wat hij gewrocht had weer te niet,
+tengevolge van de onverzadigbare begeerigheid der machtige edelen,
+die daarmee den weg effenden voor den Ottomaanschen inval. Onder hen,
+die opstonden tegen den nieuwen tsaar, was koning Voukashin. Met zijn
+broer en eenige andere edelen regeerde hij bijna als een onafhankelijk
+vorst over het geheele gebied rondom Prizrend tot het zuiden van
+den Shar dagh [10]. Koning Voukashin en zijn broeder werden in een
+slag tegen de Turken aan de oevers van de rivier de Maritza(1371)
+verslagen en al de Servische landen ten Zuiden van Skoplye (Üsküb)
+werden bezet door de Turken.
+
+
+
+De koninklijke Prins Marko.
+
+
+In hetzelfde jaar stierf tsaar Ourosh, en Marko, de oudste zoon van
+koning Voukashin, de nationale held, van wien wij herhaaldelijk in
+dit boek zullen hooren, riep zich zelf tot koning over de Serviërs
+uit. Maar de Vlastela en de geestelijkheid erkenden hem niet. Zij
+verkozen in 1371 Knez [11] (later tsaar) Lazarus, een bloedverwant
+van tsaar Doushan den Machtige, tot regent van Servië, en Marko,
+wiens vorstendom Prilip een vazalstaat van den sultan was geworden,
+hielp de Turken in hun veldtochten tegen de Christenen. In het jaar
+1399 vond hij den dood in den slag van Rovina in Roemenië; er wordt
+van hem gezegd, dat hij deze gedenkwaardige woorden heeft gesproken:
+"Dat God de overwinning aan de Christenen geve, al moet ik ook onder
+de eersten zijn, die omkomen!"
+
+Het Servische volk gelooft, gelijk wij zullen zien, dat hij niet
+stierf, maar zelfs nu nog leeft.
+
+Prins Lazarus regeerde van 1371 tot 1389 en gedurende zijn regeering
+sloot hij een verbond met den Ban [12] Tvrtko van Bosnië tegen de
+Turken. Ban Tvrtko riep zich zelf uit tot koning van Bosnië en
+beproefde zijn macht uit te breiden in Hongarije, terwijl prins
+Lazarus, bijgestaan door een aantal Servische vorsten, zich gereed
+maakte voor een grooten oorlog tegen de Turken. Maar sultan Amourath,
+op de hoogte gebracht van Lazarus' bedoelingen, viel op 15 Juni 1389 op
+de vlakte van Kossovo onverwacht de Serviërs aan. In dezen slag werd
+aan beide zijden verwoed gevochten en toen de zon haar middaghoogte
+had bereikt, scheen het, of het krijgsgeluk den Servischen wapenen
+gunstig zou zijn.
+
+
+
+Het verraad van Brankovitch.
+
+
+Er was echter verraad in het Servische kamp. Vook (Wolf) Brankovitch,
+een van de groote heeren, die het bevel voerde over een vleugel van
+het Servische leger, was lang naijverig op zijn vorst geweest. Eenige
+geschiedschrijvers verhalen, dat Sultan Amourath er in slaagde hem
+over te halen zijn heer te verraden door de belofte, dat hij onder
+het opperbestuur van den sultan de kroon van Servië zou dragen. Op
+een kritiek oogenblik in den slag wendde de verrader zijn paard om
+en vluchtte van het slagveld, gevolgd door zijn 12.000 man sterke
+troepenmacht, die meende, dat dit een krijgslist was om de Turken
+te misleiden. Daardoor kwamen de Serviërs zeer in het nadeel
+en toen later op den dag de Turken versterkt werden door nieuwe
+troepen onder bevel van des Sultans zoon Bajazet, was de Turksche
+overwinning volkomen. Prins Lazarus werd gevangen genomen en onthoofd;
+de sultan zelf kwam om door de hand van den Servischen voïvode [13]
+Milosh Obilitch.
+
+Niettegenstaande de ramp, waarin Brankovitch ook omkwam, werden
+de Serviërs niet door de Turken onderworpen, dank zij de wijsheid
+en dapperheid van den zoon van Lazarus, Stephanus Lazarevitch
+(1389-1457). Zijn neef, Dyourady Brankovitch (1427-1456), streed
+ook heldhaftig, maar voet voor voet werd zijn staat door de Turken
+veroverd.
+
+
+
+Het eindsucces van de Turken.
+
+
+Na den dood van Dyourady konden de Servische edelen het niet
+eens worden over zijn opvolger, en in de troebelen, die er uit
+voortsproten, slaagden de Turken er ten slotte in de verovering van
+Servië te voltooien, welke tenslotte in 1459 een feit werd. Zij stelden
+zichzelf tot taak de Servische boerenbevolking in Bosnië te bewegen
+den eed van trouw aan den Sultan af te leggen onder voorspiegeling
+van toekomstigen voorspoed en hierin slaagden zij onder de regeering
+van den koning van Bosnië, Stephanus Tomashevitch, die tevergeefs
+beproefde hulp van den paus te verkrijgen. De onderwerping van Bosnië
+was een voldongen feit in 1463 en die van Herzegowina volgde in 1482.
+
+Een Albanisch bevelhebber van Servischen oorsprong, George
+Kastriotovitch-Skander-Beg (1443-1468) streed met succes en met
+grooten heldenmoed voor de vrijheid van Albanië.
+
+De Turken maakten zich echter van dit land meester, zooals zij het
+voor en na van alle Servische landen deden met uitzondering van
+Montenegro, dat zij nooit konden onderwerpen, gedeeltelijk door den
+onvergelijkelijken heldenmoed van de dapperste Serviërs--wien het
+onmogelijk was onder Turksche heerschappij te leven--en gedeeltelijk
+door de ontoegankelijkheid van hun bergachtig land. Menige adellijke
+Servische familie vond een veilige toevlucht in dat land der vrije
+bergbewoners, nog meer gingen naar Ragusa of zochten bescherming
+bij de christelijke vorsten van Walachije en Moldavië. De wreede
+en heerschzuchtige Turksche regeering dwong duizenden families naar
+Hongarije te verhuizen en de afstammelingen van deze lieden worden
+tegenwoordig nog gevonden in Batchka, Banaat, Sirmië en Croatië. Zij,
+die in Servië bleven, werden of gedwongen den Islam te omhelzen of te
+leven als _raya_ (slaven), want de Turksche _Spahis_ (landeigenaren)
+onderdrukten niet alleen de christelijke bevolking, maar verklaarden
+het land verbeurd, dat tot nu toe aan zijn bevolking had behoord.
+
+
+
+De ellende onder het Turksche bestuur.
+
+
+Wij zouden dezen terugblik noodeloos verlengen, indien wij den
+ellendigen toestand van de overwonnen Christenen volledig wilden
+beschrijven en daarom moeten wij volstaan met niet meer dan een schets
+te geven van wat in een meer modern tijdperk plaats greep.
+
+Als de een of ander aktie te krachtig of een toestand acuut wordt,
+moet er vroeg of laat een reactie als gevolg daarvan intreden.
+
+Toen de Turksche gruwelen hun toppunt bereikten, op het einde van de
+achttiende eeuw, volgden de Serviërs het voorbeeld van hun broeders in
+Hongarije en Montenegro en verzamelden zij zich rondom een leider, die
+als door de Voorzienigheid voorbeschikt scheen om hen te bevrijden van
+de schandelijke onderdrukking hunner Aziatische heeren. Die leider,
+een begaafd Serviër, Georg Petrovitch--door de Turken Karageorge
+("Zwarte George") genaamd--verzamelde andere Servische mannen van
+aanzien om zich heen en een algemeene opstand had plaats in 1804. De
+Serviërs streden met succes en verwierven de onafhankelijkheid van
+dat deel van Servië, dat tot de Turksche provincie Belgrado behoorde,
+benevensdie van nog eenig naburig grondgebied. Dit werd slechts
+verkregen door groote opofferingen en door den aangeboren moed der
+Servische krijgslieden. Jammer genoeg scheen het te zijn voorbeschikt,
+dat dit tijdperk minder dan tien jaren duren zou.
+
+
+
+Servië weer onder het juk gebracht.
+
+
+Toen Europa (en meer in het bijzonder Rusland) in oorlog werd gewikkeld
+tegen Napoleon, vond Turkije gelegenheid, doordat de aandacht der
+Groote Mogendheden hierdoor in beslag werd genomen, zijn geleden
+verliezen weer te herstellen; in 1813 werd Servië weer onder het juk
+gebracht. George Petrovitch en andere Servische leiders verlieten het
+land om hulp te zoeken, eerst in Oostenrijk en later in Rusland. In
+hun afwezigheid deed Milosh Obrenovitch, een van de stadhouders
+van Karageorge-Petrovitch, een nieuwe poging om het Servische volk
+te bevrijden van het Turksche juk en hij slaagde er in 1815 in de
+autonomie van de provincie Belgrado te herstellen.
+
+Gedurende den voortgang van zijn krijgsbedrijven keerde George
+Petrovitch naar Servië terug en werd wreedaardig vermoord op bevel
+van Milosh, die zich zelf uitriep tot erfelijk vorst en als zoodanig
+in October 1815 door de Verhevene Porte erkend werd. Milosh was
+een groot tegenstander van de Russische politiek en hij haalde
+zich de vijandschap van dat machtige rijk op den hals, tengevolge
+waarvan hij in 1839 gedwongen werd afstand te doen van den troon ten
+behoeve van zijn zoon Michael (Servisch: "Mihaylo"). Michael was
+een uitnemend diplomaat en had reeds zonder een druppel bloed te
+vergieten verschillende districten aan het onafhankelijke Servië
+toegevoegd. Hij werd opgevolgd door Alexander Karageorgevitch
+(1842-1860), een zoon van Karageorge Petrovitch. Onder het beleidvol
+bestuur van dien vorst werd in Servië een grondwet, die iets op een
+moderne Constitutie leek, ingevoerd en werd de grond gelegd voor zijn
+verdere en snelle ontwikkeling. Maar een ongelukkige buitenlandsche
+politiek, de corruptie onder de hooge staatsambtenaren en voornamelijk
+het verraad van wie oogenschijnlijk zijn vrienden waren, doch die
+er inderdaad op uit waren hem den voet te lichten, dwongen dien
+verlichten prins afstand te doen van den troon en zijn land te
+verlaten. De Skoupshtina (Nationale Vergadering) herstelde Milosh
+op den troon, maar in hetzelfde jaar stierf hij en werd nog eens
+opgevolgd door zijn zoon Michael (1860-1868). Na den moord op dezen
+vorst kwam zijn jeugdige neef Milan (1868-1889) aan de regeering,
+gedurende zijn minderjarigeheid onder voogdij van drie regenten,
+overeenkomstig de Constitutie, die in 1869 werd afgekondigd.
+
+De voornaamste gebeurtenissen gedurende de regeering van Milan waren:
+de oorlog tegen Turkije (1876-1878) en de annexatie van vier nieuwe
+districten; de erkenning van Servië's onafhankelijkheid door het
+beroemde Congres van Berlijn; Servie's verheffing tot een koningrijk
+in 1882; de ongelukkige oorlog tegen Bulgarije, die op aanstoken
+van Oostenrijk werd begonnen en de totstandkoming van een nieuwe
+Constitutie, die met geringe wijzigingen nog van kracht is.
+
+Nadat koning Milan afstand van den troon had gedaan, beklom zijn
+onwaardige zoon Alexander dien. Ondanks de krachtige raadgevingen
+van zijn vrienden en de strenge vermaningen van zijn persoonlijken
+vriend M. Chedo Miyatovich trouwde hij zijn maitresse Draga Mashin,
+onder wier invloed een tijdperk van tirannie begon, dat bijna aan
+Nero herinnerde. Hij ging zoo ver te beproeven de Constitutie te
+vernietigen, waardoor hij zich volkomen van zijn volk vervreemde
+en in de kaart van zijn persoonlijke vijanden speelde, die hem ten
+slotte vermoordden (1903).
+
+
+
+Koning Peter I.
+
+
+De Skoupshtina riep nu den zoon van Alexander Karageorgevitch, den
+tegenwoordigen Peter I Karageorgevitch tot koning uit. Zijn roemrijke
+regeering zal met gouden letters in de moderne Servische geschiedenis
+geschreven staan, want het is aan hem te danken, dat der Christenheid
+een verdrag geschonken werd, tengevolge waarvan de Turk in 1913 bijna
+uit Europa werd verdreven. Maar helaas! De Serviërs zijn nog slechts
+in ongeveer de helft van hun landen een vrij volk; hun broeders in
+het andere deel zuchten nog steeds onder het vreemde juk.
+
+Hoe beknopt deze terugblik ook is, hij zal voldoende zijn om de
+omstandigheden en voorwaarden te laten zien, waaronder de Servische
+nationale poëzie ontstond, waarmede wij ons in de volgende bladzijden
+meer in 't bijzonder zullen bezig houden.
+
+De legenden danken haar ontstaan aan de rampen, veroorzaakt zoowel door
+de zelfzucht der leiders van het Servische volk als door de vreemde
+onderdrukkers; maar nationale tegenspoeden hebben den hartstochtelijken
+drang van dit volk naar de vrijheid niet kunnen uitroeien en deze
+populaire heldenverhalen van den Balkan zijn de uitdrukking van de
+idealen, die het Servische ras ondanks zijn langdurige onderdrukking
+en kwelling bewaard heeft; idealen, die dit eenvoudig volk ook verder
+zullen steunen in de rampen, die het misschien nog zullen treffen, voor
+het de plaats veroverd heeft onder de groote mogendheden, die het door
+zijn volharding en opofferingsgezindheid ten slotte zeker zal innemen.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II. BIJGELOOF EN NATIONALE GEBRUIKEN.
+
+
+
+Algemeene eigenaardigheden.
+
+
+De Serviërs, die het tegenwoordige koninkrijk Servië bewonen, hebben,
+daar zij ontstaan zijn uit een vermenging met de oude, oorspronkelijke
+bevolking van het Balkanschiereiland, het echte nationale type niet
+bewaard. Zij hebben voor het meerendeel een bruine gelaatskleur en
+donker haar; heel zelden komen blonde haren of een lichte gelaatskleur
+voor.
+
+Boshnyaks (Serviërs, die Bosnië bewonen) worden beschouwd als de meest
+typische Serviërs, daar zij het sterkst de nationale karaktertrekken
+hebben bewaard van het zuivere Zuid-Slavische ras.
+
+De gemiddelde Serviër heeft een vrij levendig temperament; hij is
+fijngevoelig en zijn gemoed is zeer ontvankelijk. Zijn geestdrift is
+snel gewekt, maar de meeste aandoeningen zijn in den regel van korten
+duur. Hij is echter buitengewoon ijverig en soms volhardend. Daar een
+oprechte vaderlandsliefde hem bezield, is hij steeds bereid zijn leven
+en eigendom op te offeren voor nationale belangen, die hij buitengewoon
+goed begrijpt, dank zij zijn volmaakte kennis van de geschiedenis
+van zijn volk, die hem van geslacht op geslacht is overgebracht
+door het aangename medium der populaire epische poëzie, bestaande
+uit zeer eenvoudige, rijmlooze verzen van tien lettergrepen. Hij
+is buitengewoon moedig en altijd gereed tot oorlogvoeren, ofschoon
+patriarchaal en conservatief in alles, wat nationaal is, is hij gereed
+en bereid nieuwe ideeën aan te nemen. Maar hij is achterlijk op 't
+gebied van landbouw en industrie. Zeer onderdanig in zijn Zadrooga
+[14] en gehoorzaam aan zijn meerderen, is hij dikwijls despotisch,
+als hij tot macht komt. De geschiedenis van al de Zuidelijke Slaven
+bevat een reeks van schendingen, afzettingen, politieke verheffingen,
+volbracht soms door de meest wreede en verraderlijke middelen, die
+alle in hoofdzaak te wijten zijn aan de aangeboren, en tot nu toe
+onuitroeibaar gebleken fouten, eigen aan het ras: jaloezie en een
+onbeheerscht verlangen naar macht. Deze fouten kwamen natuurlijk het
+duidelijkst uit bij de edellieden; vandaar het verval van de oude
+aristocratie in alle Balkanstaten.
+
+
+
+Heidendom en Godsdienst.
+
+
+Er is maar weinig materiaal beschikbaar betreffende de
+prae-christelijke geschiedenis van de Zuid-Slavische rassen. Hun
+aanbidding der Natuur is niet grondig bestudeerd. Onmiddellijk na de
+Slavische emigratie naar het Balkanschiereiland, gedurende de zevende
+en achtste eeuw, vernietigde het christendom, dat al diep wortel had
+geschoten bij de Byzantijnen, gemakkelijk het oude geloof. De laatste
+getrouwen aan het heidendom leefden in het westelijk deel van het
+schiereiland, in de streken rondom de rivier Neretva en deze werden
+bekeerd tot het christendom onder de regeering van Basileios I. Een
+aantal Croaten waren reeds in de zevende eeuw tot het Christendom
+overgegaan en hadden een bisdom gesticht te Agram (Zagreb). In den
+loop van eenige duizenden jaren oefenden Grieksch-Oostersche mythen
+en legenden, oude Illyrische en Romeinsche propaganda, christelijke
+legenden en apocriefe geschriften zulk een invloed uit op de oude
+godsdiensten van de Zuid-Slavische volken, dat het onmogelijk is
+uit zulk een verward kluwen een zuiver Zuid-Slavische mythologie
+te reconstrueeren.
+
+
+
+De God Peroon.
+
+
+Van Peroon, den Russischen God van den Donder, bij wien de Russische
+heidenen een eed plachten te doen, als zij, omstreeks de tiende eeuw,
+verdragen aangingen of verbonden sloten met de Byzantijnen, resten
+nog slechts enkele onbeteekenende sporen. Er is een dorp in de buurt
+van Spalato, dat den naam Peroon draagt; ook een klein aantal personen
+in Montenegro dragen dien naam [15] en hij bleef eveneens bewaard in
+den naam van een plant, Peroonika (iris), die aan dezen God gewijd
+is. Er is nauwelijks een tuin bij eenige hut in de Servische dorpen,
+waar de iris niet groeit naast de huislook. (Tchu-var-Koutchye). De
+Serviërs zeggen, dat de God nog voortleeft als St. Elias (Elijah),
+en Servische boeren gelooven, dat deze heilige de macht bezit bliksem
+en donder te beheerschen. Zij gelooven ook, dat St. Elias een zuster
+heeft "Ognyena Maria" (Marie de Vlammende), die dikwijls als zijn
+raadgeefster optreedt.
+
+
+De God Volos.
+
+
+De stad "Veless" heeft haar naam gekregen van den Russischen God van
+het vee "Volos"; zoo ook een dorp in het westelijk deel van Servië en
+dan is er nog een klein dorp aan den beneden-Donau, dat Velessnitza
+heet. Maar de wortel van het woord komt voor in het Servische "vo"
+of "voll" (enkelvoud) "volovi" (meervoud) hetgeen "os" beteekent.
+
+
+
+De Zonnegod.
+
+
+Andere natuurverschijnselen werden ook gepersonifieerd en vereerd
+als Goden. De zonnegod "Daybog" (in het Russisch "Daszbog," wat
+letterlijk beteekent "Geef, o God") wiens afbeeldsel gevonden wordt in
+de groep afgoden te Kief, en wiens naam weer verschijnt als eigennaam
+van personen in Rusland, Moldavië en Polen, is voor de Serviërs de
+verpersoonlijking van zonneschijn, leven, voorspoed, van alle goeds.
+
+Maar bij de Zuid-Slavische stammen is onder de overblijfselen van
+afgoden er geen gevonden, die god "Daybog" voorstelt, zooals bij de
+Russen, die houten beelden van hem maakten met een hoofd van zilver
+en een snor van goud.
+
+
+
+De Veele.
+
+
+De Servische legenden bewaren tot heden belangwekkende sporen van de
+aanbidding dezer heidensche goden en van mindere godheden--die nog
+altijd een aanzienlijke plaats in het nationale bijgeloof innemen.
+
+De "numphai" en "potami" genoemd bij den Griekschen historieschrijver
+Procopius, als vrouwelijke godheden van lageren rang, die boschjes,
+wouden, fonteinen, bronnen of meren bewonen, schijnen bewaard te zijn
+gebleven in de Servische populaire Veela (of Vila--in het enkelvoud;
+Veele of Vile--in het meervoud). Er zijn verschillende fonteinen in
+Montenegro, die "Vilin Izvor" zijn genoemd (bijv. op den berg Kom)
+zoo ook in het district Rudnik in Servië. Gedurende de Renaissance
+maakten de Servische dichters van Raga en andere steden in Dalmatië
+dikwijls melding van elfen, dryaden en bergnimfen, door hen geliefd
+als "veele". De Servische barden of troubadours hebben steeds van het
+begin der veertiende eeuw tot op onzen tijd de veele verheerlijkt en
+bezongen, waarbij zij haar beschreven als zeer schoon en van eeuwige
+jeugd, gekleed in rein wit en fijn neteldoek met glinsterend gouden
+haren, die neergolfden over sneeuwwitte boezems. Men geloofde, dat
+de veele de liefelijkste stemmen hadden en gewapend waren met pijl
+en boog. Haar welluidende liederen werden dikwijls aan de oevers
+van de meren of op de weiden, diep in de wouden verborgen, of op
+hooge bergtoppen boven de wolken gehoord. Zij hielden er ook van te
+dansen en de kring, waarbinnen zij haar dans uitvoerden werd Vrzino
+(of Vilino) Kollo genoemd.
+
+Op den berg Kom, in Montenegro, is een van deze ringen, die ongeveer
+twintig meter in doorsnee heeft en "Vilino Kollo" heet. Het verdrag
+van Berlijn noemt een ander, gelegen tusschen Vranya en Kustandil,
+waarover de Servisch-Bulgaarsche grens gelegd werd. Als de veele
+aan het dansen waren, dorst niemand haar te storen, want zij konden
+zeer vijandig tegen de menschen optreden. Evenals de Grieksche nimfen
+waren de veele somtijds ook vriendelijk gestemd, en vaak stonden zij
+de helden bij. Zij konden de zusters van mannen en vrouwen worden,
+konden zelfs huwen en kinderen hebben. Maar zij waren in het geheel
+niet onkwetsbaar. Prins Marko, de lievelingsheld van de Serviërs, werd
+door een veela met bovenmenschelijke kracht begiftigd; zij gaf hem ook
+een bijzonder strijdros ten geschenke, "Sharatz," dat werkelijk bijna
+menschelijke eigenschappen bezat. Een veela werd ook zijn possestrima
+(Geestelijke zuster, of zuster-in-God) en als Marko dringend hulp
+noodig had, daalde zij uit de wolken neer om hem bij te staan. Maar
+zij weigerde hem te helpen, indien hij op Zondagen duelleerde. Bij
+zekere gelegenheid [16] versloeg Marko bijna de Veela Raviyoyla,
+die zijn pobratim (broeder-in-God) Voïvode Milosh had gewond. De
+veele waren zeer bekwaam in het aanwenden van kruiden en kenden de
+eigenschappen van elke bloem en elke bezie; daardoor was Raviyoyla in
+staat de wonden van Milosh te genezen en werd zijn doorstoken hart
+"gezonder dan ooit te voren." Zij geloofden in God en den Heiligen
+Johannes en verafschuwden de Turken. De veele bezaten ook de gave der
+clairvoyance en de zuster-in-God van prins Marko voorspelde zijn dood
+en dien van Sharatz [17]. Veele hadden de macht orkanen en andere
+natuurverschijnselen te bedwingen; zij konden zich veranderen in
+slangen en zwanen. Als zij beleedigd werden, konden zij zeer wreed
+zijn; zij waren in staat hen, die haar met geweld dreigden, van hun
+zintuigen te berooven; zij leidden dan de menschen in diepe wateren of
+maakten prachtige gebouwen en vestingwerken met den grond gelijk [18].
+
+Aan de veele werd ook de macht toegekend om het lot te bepalen van
+pasgeboren kinderen. In den zevenden nacht na de geboorte van een
+kind ziet de Servische boerenvrouw verlangend uit naar de Oossood,
+een veela, die het lot van haar kind zal voorspellen en het is alleen
+de moeder, die de stem van de fee kan hooren.
+
+
+
+Voorbeschikking en onsterfelijkheid.
+
+
+De Serviërs hebben een onverzettelijk geloof in de voorbeschikking
+en zij zeggen dat er geen dood is voor den vastgestelden dag (_Nema
+smrti bez soodyena dana_). Hun geloof in de onsterfelijkheid der ziel
+strekt zich zelfs uit tot die van overigens onbezielde voorwerpen,
+zooals bosschen, meren en bergen. Na den dood van een mensch stelt de
+ziel haar vertrek naar hoogere of lagere sferen uit tot er zekere tijd
+(gewoonlijk veertien dagen) verloopen is; gedurende dien tijd zweeft
+ze in de lucht en heeft ze het vermogen het lichaam van een dier of
+een insect binnen te gaan.
+
+
+
+Goede en kwade geesten.
+
+
+Geesten zijn gewoonlijk goed; in Montenegro gelooft men, dat elk huis
+zijn beschermgeest heeft, dien zij _syen_ of _syenovik_ noemen. Zulke
+syens kunnen het lichaam binnengaan van een mensch, een hond, een
+slang, ja zelfs van een hen. Op dezelfde wijze heeft ieder bosch, meer
+en berg zijn syen, welke ook wel met een Turksch woord _djin_ wordt
+genoemd. Zoo staat bijvoorbeeld de djin van den berg Riyetchki Kom
+aan de noordelijke zijde van het meer van Scutari den voorbijgangers
+niet toe een tak of een blad aan te raken van de eeuwig groene wouden
+aan den bergkant--en als een reiziger een bloem of een blad dorst
+te plukken, zou hij onmiddellijk ingesloten worden door een dichten
+mist en wonderlijke, schrikaanjagende visioenen zouden zich aan hem
+voordoen. In de streek rondom Lurya worden deze boschgeesten door de
+Albaneezen evenzeer gevreesd, zelfs de dorre takken van pijnboomen
+en lariksen durven zij daar niet aanraken. Dit herinnert aan den
+eeredienst van het heilige kreupelbosch, die algemeen was onder de
+oude Litthauwers.
+
+Naast de goede geesten verschijnen ook booze geesten, (byess) demonen
+en duivels (dyavo), door de christenen als heidensche goden beschouwd,
+en ook andere booze geesten (zli doossi), die in de lichamen van doode
+en levende menschen huizen. Deze laatste worden genoemd vookodlaks of
+vlkodlaks (vook, beteekent "wolf", en dlaka, beteekent "haar") en naar
+het volksgeloof zijn zij het, die de zons- en maansverduisteringen
+veroorzaken. Dit herinnert aan het oude Noorsche bijgeloof, dat de
+zon en de maan voortdurend door hongerige wolven vervolgd worden; het
+is een soortgelijke poging om deze natuurverschijnselen te verklaren.
+
+Zelfs nu nog gelooven de Servische boeren, dat eclipsen van de zon
+en maan worden veroorzaakt, doordat deze de prooi worden van een
+hongerigen draak, die ze dreigt te verslinden. Aan deze boosaardige
+en zeer machtige schepsels wordt de vernieling van korenakkers en
+wijngaarden toegeschreven, want zij zijn de oorzaak van de schade,
+die door hagelbrengende wolken wordt aangericht. Als de boeren een
+gedeeltelijke zons- of maansverduistering zien of meenen, dat een
+hagelstorm hen bedreigt, dan vergaderen zij in de dorpsstraten en
+allen--mannen, vrouwen en kinderen--slaan potten en pannen tegen
+elkaar, schieten pistolen af, luiden bellen, teneinde het dreigende
+monster vrees aan te jagen en te verdrijven.
+
+In Montenegro, Herzegowina en Bocca Cattaro gelooven de menschen, dat
+de ziel van een slapende door den wind wordt weggedreven naar den top
+van een berg. Als er daar een aantal verzameld zijn, worden zij woeste
+reuzen, die boomen ontwortelen om ze dan als knuppels te gebruiken,
+en rotsen en steenen naar elkaar toeslingeren. Hun gesis en gebrom
+wordt vooral in lente- en najaarsnachten gehoord. Deze worstelende
+elementen worden niet alleen door menschelijke zielen bewoond, maar
+kunnen de geesten van vele dieren bevatten, bijv. van ossen, honden,
+en zelfs van hanen, maar vooral ossen nemen aan de worstelingen deel.
+
+
+
+Heksen.
+
+
+Vrouwelijke booze geesten worden gewoonlijk genoemd veshtitze
+(enkelvoud, veshtitza, klaarblijkelijk afgeleid van het oude Boheemsche
+woord _ved_, dat "weten" beteekent). Verondersteld wordt, dat het
+oude vrouwen zijn, die door een boozen geest bezeten zijn en die
+een onverzoenlijke vijandschap koesteren tegenover mannen, andere
+vrouwen en het meest tegen kinderen. Zij komen min of meer overeen
+met de wezens, die men elders "heksen" noemt.
+
+Als een oude vrouw gaat slapen, verlaat haar ziel het lichaam en
+dwaalt rond, totdat ze het lichaam van een hen ingaat of nog vaker dat
+van een zwarten nachtvlinder. Fladderend gaat ze die huizen binnen,
+waar een aantal kinderen zijn, want haar lievelingsvoedsel is een
+kinderhart. Nu en dan komen veshtitze te zamen om haar avondeten
+gezamenlijk in de takken van den een of anderen boom te gebruiken. Een
+oude vrouw, die de eigenschappen van een heks heeft, mag aan zulke
+samenkomsten deelnemen, na zich bereid te hebben verklaard zich aan
+de regelen te zullen onderwerpen, welke voorgeschreven zijn door
+de ervaren veshtitze en die meestal bestaan in het uitspreken van
+zekere stereotiepe zinnen. De boeren beproeven zulke schepsels te
+ontdekken en als zij er in slagen een heks te vinden, dan wordt er
+haastig een jury gevormd, aan wie volmacht wordt gegeven om haar ter
+dood te brengen. Een van de onfeilbare middelen, die gebruikt worden,
+om te ontdekken of een verdachte werkelijk een heks is of niet, is de
+waterproef, waarbij het slachtoffer in het water wordt geworpen. Want
+als zij blijft drijven, dan is zij zeker een heks.
+
+In dat geval wordt zij meestal verbrand. Deze proef was ook in
+West-Europa welbekend.
+
+
+
+De Vampiers.
+
+
+Het geloof aan het bestaan van vampiers is in de Balkanstaten algemeen
+verbreid en zelfs in sommige deelen van Westelijk Europa wordt het
+aangetroffen. Eenigen beweren, dat dit bijgeloof verband moet houden
+met de meening, die velen in de orthodoxe kerk aanhangen, dat het
+lichaam van hen, die sterven, nadat de banvloek der kerk hen getroffen
+heeft, niet als het stoffelijk omhulsel van andere stervelingen aan
+ontbinding onderhevig zijn, doch onmiddellijk na den dood in bezit
+worden genomen door booze geesten, die dan op eenzame plaatsen aan
+de menschen verschijnen en hen vermoorden.
+
+In Montenegro worden vampiers _lampirs_ of _tenatz_ genoemd en men
+meent, dat zij het bloed van slapende menschen opzuigen, ook van vee
+en andere dieren en na hun nachtelijke tochten weer in de gedaante
+van muizen naar hun graven terugkeeren. Ten einde te ontdekken,
+waar het graf van de vampier is, nemen de Montenegrijnen een zwart
+paard zonder vlek en brengen het naar het kerkhof. Het verdachte
+lijk wordt opgegraven, doorboord met staken en verbrand. Natuurlijk
+verzet de overheid zich tegen zulke bijgeloovige praktijken; daarbij
+kwam het echter voor, dat de bevolking van een gemeente dreigde
+de woningen te verlaten, zoodat hun dorpen ontvolkt zouden worden,
+indien hun niet werd toegestaan op hun wijze voor hun veiligheid te
+zorgen. De code van keizer Doushan den Machtige beveelt, dat een dorp,
+waar lichamen van gestorven personen zijn opgegraven en verbrand,
+even streng gestraft zal worden als ware er een moord begaan; en
+dat de ban zal worden uitgesproken over een _resnik_, dat is een
+priester, die bij zulk een ceremonie de godsdienstoefening geleid
+heeft. Militchevitch, een beroemd Servisch ethnograaf, verhaalt,
+hoe een resnik in het begin van de negende eeuw gebeden las uit de
+apocriefe boeken van Peronius, als het noodig was den booze uit te
+drijven. De weerzinwekkende gewoonte is geheel onderdrukt in Servië. In
+Montenegro beproefde de aartsbisschop Peter II ze uit te roeien, maar
+volkomen was zijn succes niet. In Bosnië, Istrië en Bulgarije wordt
+er ook nu en dan van gehoord. Het geloof in vampiers is een bijgeloof,
+dat over Roemenië, Albanië en Griekenland algemeen verbreid is [19].
+
+
+
+Aanbidding der natuur.
+
+
+Zelfs in onze dagen zijn er nog sporen over van zon- en maanvereering
+en vele Servische en Bulgaarsche gedichten herdenken het huwelijk
+van de zon en de maan en bezingen _Danitza_ (de morgenster) en
+_Sedmoro Bratye_ (De zeven broeders, klaarblijkelijk de Pleiaden
+[20]). Ieder mensch heeft zijn eigen ster, die aan het uitspansel
+verschijnt op het oogenblik van zijn geboorte en uitgebluscht wordt,
+als hij sterft. Vuur en bliksem worden ook aangebeden. Het is een
+algemeen geloof, dat de aarde rust op water en dat water rust op een
+vuur en dat dit vuur weer op een ander vuur ligt, dat _Zmayevska Vatra_
+(vuur van de draken) wordt genoemd.
+
+Ook de vereering van dieren is tot op onzen tijd bewaard gebleven. De
+Serviërs gelooven niet minder dan dat de beer een mensch is, die voor
+zijn straf in een dier veranderd werd. Dit gelooven zij, omdat de beer
+rechtop kan loopen, evenals een mensch. De Montenegrijnen beschouwen
+den jakhals (canis aureus) als een half-menschelijk wezen, omdat
+zijn gehuil 's nachts klinkt als het weeklagen van een kind. Van de
+hinde (capreolus caprea) wordt verondersteld, dat zij de bijzondere
+bescherming van de veele geniet en daarom zoo dikwijls ontsnapt aan
+den jager. In enkele deelen van Servië en door geheel Montenegro
+wordt het als een zonde beschouwd een vos of een bij te dooden.
+
+De vereering van enkele slangen is algemeen in alle Balkanstaten. In
+Montenegro gelooft men, dat onder elk huis een zwarte slang haar hol
+heeft; als iemand ze zou dooden, dan kan men zeker zijn, dat het hoofd
+van het gezin sterft. Enkele waterslangen met vurige koppen worden
+op één lijn gesteld met de booze draken (of hydra's), die in sommige
+tijden de schepen bedreigen, welke op het meer van Scutari zeilen.
+
+Van een van deze hydra's wordt nog altijd verondersteld, dat hij in het
+meer Rikavatz leeft, in de verlaten bergen van oostelijk Montenegro,
+waar het verborgen monster nu en dan uit de diepte van het water
+oprijst; zijn terugkeer wordt aangekondigd door heftige donderslagen
+en bliksemstralen.
+
+Maar de zuidelijke Slaven hebben van den draak niet dezelfde
+voorstelling als de Hellenen, dat wil zeggen: een monster in de
+gedaante van een reusachtige hagedis of slang, met gekuifden kop,
+vleugels en groote, sterke klauwen, want zij weten, dat deze
+uiterlijke vorm alleen maar wordt gebruikt als een misleidend
+masker. De ware gedaante van den draak is die van een knap jongeling,
+met bovenmenschelijke kracht en moed begiftigd; in de verhalen en
+liederen is hij meestal verliefd op de een of andere schoone prinses
+of keizerin. [21]
+
+
+
+Toovenaars.
+
+
+Onder de heidensche priesters worden _tcharobnitzi_ (toovenaars)
+vermeld, van wie bekend is, dat zij ook in Rusland voorkwamen, waar
+zij gedurende de elfde eeuw het nieuwe christendom ondermijnden. De
+Slavische vertaling van het Evangelie, door de kerk erkend in de
+negende eeuw, geeft den naam tcharobnitzi ook aan de drie Heilige
+Koningen.
+
+Tot diezelfde categorie behoorden de resnitzi, die zooals uit reeds
+genoemde code van Keizer Doushan blijkt, de lichamen van de dooden
+plachten te verbranden. _Resnik_, dat als eigennaam voorkomt in Servië,
+Bosnië en Croatië beteekent naar alle waarschijnlijkheid "degeen,
+die zoekt naar waarheid."
+
+
+
+Godsdienstige ceremoniën bij de offers gebruikt.
+
+
+Door vertalingen van Grieksche heiligenlegenden is de juiste
+terminologie, die gebruikt werd bij allerlei ceremonies, offerfeesten,
+enz. bewaard gebleven. Procopius noemt de ossen als de dieren,
+die meestal werden geofferd, maar wij vinden, dat kalveren, geiten
+en schapen met ossen werden gebruikt door de Poolsche Slaven en
+Litthauwers en dat volgens Byzantijnsche autoriteiten de Russen zelfs
+wel vogels namen.
+
+Wanneer in Montenegro een nieuw huis wordt gebouwd, wordt gewoonlijk
+een ram of een haan geslacht, opdat een hoeksteen besprenkeld kan
+worden met het bloed van dit dier en bij de plechtigheden, waarmee
+het inwijden van een nieuwe fontein vergezeld gaat, wordt een geit
+gedood. Volgens de overlevering schoot Prins Ivan Tzrnoyevitch eens
+vlak voor een grot een ongewoon zware, wilde geit, die, daar ze doornat
+was, zich het water van haar huid schudde, tengevolge waarvan daar
+onmiddellijk een rivier begon te stroomen. Die rivier wordt nu nog
+de rivier van Tzrnoyevitch genoemd.
+
+Het verhaal herinnert aan de horens van geiten en de lichamen van
+geiten, die op het altaar prijken, gewijd aan den Illyrischen God Bind,
+bij een fontein in de provincie Yapod.
+
+Het is een feit, dat Russische en Poolsche Slaven gewoon waren
+menschenoffers te brengen. Wat de zuidelijke Slaven betreft,
+worden zulke offers alleen genoemd in den cyclus van mythen, die
+de geschiedenis behelzen van zekere gebouwen, waarin men bij het
+begin van den bouw een levend mensch begroef of inmetselde, omdat
+het bijgeloof wilde dat ze anders nooit geheel voltooid zouden
+worden. Zulk een legende leeft onder de Serviërs en Montenegrijnen
+voort met betrekking tot het bouwen van de vesting Skadar (Scutari)
+en de brug nabij Vishegrad; bij de Bulgaren met betrekking tot
+het bouwen van het fort Lidga-Hyssar bij Plovdiv en de Kadi-Köpri
+(Turksch voor "de brug van den rechter") over de rivier Stroema; en
+nog onder de moderne Grieken in hun geschiedenis van de brug over de
+rivier Arta en bij de Roemeniërs van de kerk "Curtea de Ardyesh". Het
+is zeer waarschijnlijk, dat zekere raadselachtige bas-reliefs, die
+ovale menschelijke gezichten voorstellen, alleen met oogen, neus en
+mond, welke gevonden zijn onder de cementen muren van oude gebouwen,
+eenig verband houden met genoemde wijze van offeren. Er zijn drie
+zulke hoofden in het fort van Prins Dyouragy Brankovitch te Smederevo
+(Semendria) niet ver van Belgrado aan de binnenzijde van den middelsten
+slottoren aan de Donauzijde, en twee andere tegen den buitenmuur van
+het klooster Rila vlak bij de Doupitchka Kapiya.
+
+
+
+Begrafenisgebruiken.
+
+
+Gedurende het beleg van Constantinopel in het jaar 626 verbrandden de
+Serviërs hun dooden. De Russen deden hetzelfde gedurende de veldslagen
+bij Silistria, 971. In later tijd werden in alle deelen van Rusland
+begrafenisdiensten gehouden, waarna de overblijfselen der dooden
+werden begraven.
+
+De Slaven van Noord-Rusland waren gewoon de asch van den doode in
+een of ander klein vaatwerk te bewaren, dat zij dan op een pilaar
+aan den openbaren weg plaatsten; die gewoonte bleef zelfs in de
+twaalfde eeuw bestaan bij de Vyatitchs van zuidelijk Rusland. Deze
+begrafenisgebruiken zijn het langst bewaard gebleven bij de
+Litthauwers; de laatste heidensche begrafenis, welke vermeld wordt,
+is die van Keystut, den broeder van groothertog Olgerd, in het jaar
+1382. Hij werd verbrand met zijn paarden, wapenen, valken en honden.
+
+Er bestaan nog rechtopstaande steenen, zware steenen platen, of
+vierkante blokken, zelfs kolommen, die in de Middeleeuwen _kami_
+werden genoemd, of _bileg_, en nu _stetjak_ of _mramor_. Zulke
+steenen worden in grooten getale vlak bij elkaar gevonden; er zijn
+er bijvoorbeeld meer dan 6000 in de provincie Vlassenitza en 22,000
+in geheel Herzegowina; eenige worden ook in Dalmatië aangetroffen,
+bijvoorbeeld in Kanovli en in Montenegro te Nikshitch; in Servië
+worden ze echter alleen in Prodigne gevonden. Deze steenen zijn
+gewoonlijk versierd met primitieve nabootsingen van het werk van
+Romeinsche beeldhouwers; bogen op kolommen, plant- en boommotieven,
+zwaarden en schilden, de figuren van krijgslieden, die bogen dragen,
+ruiters, herten, beren, wilde zwijnen en valken; er zijn ook tafereelen
+van mannen en vrouwen, die samen dansen en spelen doen.
+
+Het symbool van het kruis duidt er op, dat het Christendom zijn
+intrede gedaan heeft. Inscripties verschijnen pas na de elfde
+eeuw. Veel grafsteenen hebben klaarblijkelijk hun oorsprong in de
+Middeleeuwen. Eenige graftomben, die ver van de dorpen zijn gelegen,
+worden in de kronieken genoemd bij het aanduiden der grenzen van
+grondgebieden, bijvoorbeeld Bolestino Groblye (het kerkhof van
+Bolestino), bij Ipek en Druzetin Grob (de graftombe van Druzet). In
+Konavla bij Ragusa was er in het jaar 1420 een punt, waar belangrijke
+wegen elkaar kruisten, bekend onder den naam van "Obugonov Grob." Zelfs
+in onze dagen is er daar een grafsteen zonder inscriptie genaamd
+"Obugagn Greb." Het is het graf van den landvoogd Obuganitch,
+een afstammeling van de familie van Lyoubibratitch, beroemd in de
+veertiende eeuw.
+
+
+
+Klassieke en Middeleeuwsche invloeden.
+
+
+Toen het heidendom verdwenen was, gingen in de Zuid-Slavische
+legenden vele elementen uit die der Grieken en Romeinen over. Er
+zijn zoowel verwijzingen naar de keizers Trajanus en Diocletianus,
+als naar mythische personen. In de Balkan-staten wordt Trajanus vaak
+verward met den Griekschen koning Midas. In het jaar 1433 hoorde de
+chevalier Bertrandon de la Broquière van de Grieken te Trajanopel,
+dat deze stad gebouwd was door keizer Trajanus, en dat deze boks-ooren
+had. De historicus Tzetzes noemt ook de boks-ooren van dien keizer
+(ô tia trauou). In Servische legenden schijnt keizer Trajanus ook
+verward te zijn met Daedalus, want hij wordt met oorlogs-vleugels
+aan zijn ooren voorgesteld.
+
+Aan den cyclus van Middeleeuwsche mythen danken wij ook het geloof aan
+de _djins_ (reuzen), die in holen woonden, en die bekend zijn onder
+den Turkschen naam _div_--wat oorspronkelijk een Perzisch woord is. Het
+merkwaardige van hen was, dat zij maar een oog hadden--zij zouden een
+varieteit van de cyclopen genoemd kunnen worden--en in de Bulgaarsche,
+Croatische en Sloveensche mythologie worden zij ook genoemd. Aan de
+oevers van de rivier Moratcha, in Montenegro, bevindt zich een weide,
+Psoglavlya Livada genoemd, met een spelonk, waarin, naar gezegd wordt,
+nog in historische tijden zulke schepsels hebben gewoond.
+
+
+
+De verbreiding van het Christendom.
+
+
+Toen de heidensche Slaven de Romeinsche provinciën bewoonden, was het
+Christendom beperkt tot de Byzantijnsche provincie. In Dalmatië werd
+na den val van Salona de zetel van het aartsbisdom overgebracht naar
+Spalato (Splyet), maar in de pauselijke bullen van de negende eeuw
+bleef het steeds genoemd _Salonitana ecclesia_ en het eischte voor
+zich de jurisdictie op over al de landen tot aan de Donau.
+
+Volgens Constantijn Porphyrogenetus namen de Serviërs in twee
+verschillende tijdperken het Christendom aan, eerst gedurende
+de regeering van keizer Heraclius, die den paus verzocht had een
+aantal priesters te zenden, om deze lieden tot het christendom te
+bekeeren. Het is echter zeer goed bekend, dat de Slaven in Dalmatië,
+zelfs gedurende de regeering van paus Johan IV (640-642) heidenen
+bleven; zonder twijfel verbreidde het christendom zich langzamerhand
+van de Romeinsche steden van Dalmatië over de verschillende Slavische
+provincies. De Croaten behoorden reeds tot de Romeinsche kerk,
+toen haar priesters de Serviërs tot het christendom bekeerden,
+wat geschiedde tusschen de jaren 642 en 731, dat is na den dood van
+paus Johan IV en voor dat Leo de Isauriër zijn betrekkingen met Rome
+had verbroken.
+
+De tweede bekeering van de Zuidelijke Slaven, die nog heidenen waren
+gebleven, geschiedde omstreeks 879 door keizer Basilius I.
+
+In het begin drong het christelijk geloof slechts oppervlakkig
+door, omdat de menschen de Latijnsche gebeden niet begrepen, noch
+de geestelijke boeken. Het schoot veel vaster en sneller wortel,
+toen de oude Slavische taal werd gebruikt in de kerkdiensten.
+
+Tengevolge van de verschillen, die zich voordeden, over beelden en den
+vorm, die hun eeredienst zou aannemen, verminderde de geestdrift voor
+de bekeering der heidenen door de Latijnsche kerk aanmerkelijk. In
+de Byzantijnsche provincies was het echter niet noodig bijzondere
+pogingen in het werk te stellen om de bevolking te kerstenen, want
+deze Slaven kwamen in voortdurend contact met de Grieksche Christenen,
+wier geloof zij zonder dwang overnamen.
+
+Door de Slavische benaming van plaatsen, die in zekere, officieele
+lijsten voorkomen, kan men zien, dat door de Grieksche kerk nieuwe
+bisdommen gevestigd werden, uitsluitend voor de Slaven. De bisschoppen
+leidden hun diensten in het Grieksch, maar de priesters en monniken,
+die geboren Slaven waren, predikten en leerden het volk in zijn eigen
+taal. Aldus bereidden zij den grond voor de groote Slavische apostelen.
+
+De Slavische apostelen van Salonica, Cyrillos en zijn oudere broeder
+Methodius, waren zeer geleerde mannen en wijsgeeren. De voornaamste van
+de twee Cyrillos was priester en bibliothecaris van het patriarchaat,
+daarbij was hij professor in de philosofie aan de Universiteit van het
+Keizerlijk Paleis te Constantinopel en hij was zeer geëerd om zijn
+geleerdheid in geestelijke dingen. Hun groote werk begon in 862 met
+de zending naar keizer Michael III, waarmede de Moravische vorsten
+Ratislav en Svetopluk hen belastten.
+
+De Moraviërs waren reeds tot het Christendom bekeerd, maar zij
+verlangden leeraars in hun midden te hebben, die bekend waren met
+de Slavische taal. Voordat de broeders zich op reis begaven, stelde
+Cyrillos het Slavische alphabet samen en vertaalde het Evangelie.
+
+Zoo werden deze Heilige Boeken voor de Serviërs geschreven in een
+taal, waarmede zij bekend waren en de leerstellingen van den grooten
+Meester verdreven langzaam maar gestadig den ouden primitieven
+godsdienst, die den vorm van zuiver naturalisme had aangenomen. De
+aanbidding der natuur verdween echter niet geheel en heeft zich
+zelfs tot op onze dagen in het volksgeloof op het Balkanschiereiland
+gehandhaafd. In de folklore van deze volken vinden we een aantal
+trekken van het godsdienstig leven en het bijgeloof, afkomstig uit
+voor-christelijke tijden, want na een worsteling van vele jaren hadden
+de heidensche plechtigheden nog slechts ten deele de plaats moeten
+ruimen voor de kerkelijke ceremoniën van de Latijnsche en later van de
+Grieksch-Christelijke Kerk, waartoe thans alle Serviërs, de bewoners
+van Montenegro, Macedonië en een gedeelte van Bosnië behooren.
+
+
+
+Bijgeloof.
+
+
+De fundamenten van het christelijk geloof werden allesbehalve stevig
+gelegd op het Balkanschiereiland, tengevolge van het ontbreken van
+ontwikkelde priesters en het feit, dat de mensch nu eenmaal gehecht
+is aan het oude overgeleverde geloof. Hierin moet waarschijnlijk de
+verklaring gezocht worden voor het verschijnsel, dat de christelijke
+godsdienst hen nooit in het hart gegrepen heeft. Zelfs in onzen tijd
+is het bijgeloof vaak nog sterker dan de godsdienst en verdringt
+dien soms geheel. Het geheele dagelijksch leven van den zuidelijken
+Slaaf is doorweven van allerhande bijgeloof. Zijn bijgeloof hecht een
+bepaalde beteekenis aan 't geen gebeurt, als hij 's morgens opstaat;
+vooral aan 't geen hij het eerst ziet; hij is er bijvoorbeeld zeker
+van een ongelukkigen dag te zullen hebben, als zijn eerste ontmoeting
+die met een monnik is, als hij een huis bouwt, dan moet eerst een
+"gelukkige plek" gevonden worden voor het fundament. 's Nachts wil
+zijn bijgeloof, dat hij op een bepaalde manier ligt; hij geeft er
+nauwlettend acht op, of de hanen tijdig kraaien en of de honden veel
+blaffen en hoe ze blaffen. Hij hecht groote waarde aan het oogenblik,
+waarop de donder het eerst wordt gehoord, aan de soort regen die er
+valt, aan de wijze, waarop de sterren schijnen--of in het geheel niet
+schijnen, en met groote bezorgdheid neemt hij een stralenkrans om de
+maan waar en het schijnen van de zon door een wolk.
+
+Al deze dingen zijn voorteekenen en maken indruk op zijn bijgeloovig
+gemoed. Grooten invloed hebben zij op zijn handelingen. Als hij bij
+voorbeeld van plan is aan een jachtpartij deel te nemen, dan tracht
+hij uit die voorteekenen te voorspellen, of er wild zal zijn of niet;
+hij gelooft, dat hij zeker wat zal schieten, als zijn vrouw of zuster
+(of eenig ander hem goed gezind persoon) over zijn geweer springt,
+voordat hij zijn honden roept. Vooral in het landbouwbedrijf neemt
+het bijgeloof een groote plaats in. Voor enkele bijgeloovigheden is
+het mogelijk zeer goede verklaringen te geven; voor andere echter is
+het vergeefs zoeken naar een redelijken grond. Ondanks dat worden alle
+voorschriften en waarschuwingen, die met het bijgeloof samenhangen,
+algemeen in acht genomen, omdat het volk met de moedermelk inzuigt:
+"het is goed zoo te doen" of uitgaat van de stelling: "onze voorouders
+deden altijd zoo en waren gelukkig, waarom zouden wij niet evenzoo
+doen?"
+
+Het gedijen van vruchtboomen en het rijpen van de vrucht wordt
+bevorderd door toovermiddelen. Een groot aantal feesten wordt
+georganiseerd, om zich een vruchtbaar jaar te verzekeren of om
+overstroomingen, hagelslag, droogte, vorst en andere onheilen te
+voorkomen. Het grootste aantal bijgeloovigheden heeft betrekking op het
+dagelijksch leven, vooral op geboorte, huwelijk en dood. Toovermiddelen
+worden gebruikt om een toekomstigen bruigom of bruid te ontdekken,
+een jonge man verliefd te doen worden op een meisje of omgekeerd;
+ook wel, als dat gewenscht lijkt, hun wederkeerigen haat op te wekken.
+
+Tot toovermiddelen neemt men zijn toevlucht om de wenschen, die de
+bruid koestert omtrent de kinderen, die zij hoopt te krijgen, vervuld
+te zien. Men tracht hun aantal en geslacht te bepalen, hun gezondheid
+te voren vast te stellen en de omstandigheden zoo te regelen, dat ze
+een gunstigen invloed op de geboorte hebben. Men gelooft, dat de dood
+slechts kan komen, als de aartsengel Michael een ziel uit een lichaam
+verwijdert en dat kan slechts op den vastgestelden dag gebeuren.
+
+De voornaamste nationale gewoonten van de Zuidelijke Slaven gaan
+gepaard met een menigte bijgeloovigheden. Daar de Serviërs het
+sterkst in aantal zijn onder de Balkanslaven zullen wij eenige van
+hun gewoonten nader beschouwen, om aan te toonen, hoe weinig van den
+waren christelijken geest te vinden is in sommige van hun godsdienstige
+plechtigheden.
+
+
+
+Het huwelijk.
+
+
+Als een kind in een Servische familie geboren wordt, dan wenschen
+de vrienden den ouders geluk met de woorden: "het zij u gegeven te
+leven, tot ge de groene kransen moogt zien!" hetgeen wil zeggen:
+leven tot hun kind getrouwd is. De huwelijken worden het meest in
+het najaar gesloten, in het bijzonder tegen Kerstmis, zeldzamer
+in den zomer. Indien ouders van plan zijn een bruigom voor hun
+dochter of een bruid voor hun zoon te zoeken, dan nemen ze de
+geschiedenis gewoonlijk een heel jaar lang in overweging. Hun
+zoon of dochter vergezelt hen naar verschillende bijeenkomsten,
+om daar iemand te ontmoeten, die geschikt is de echtgenoot van hun
+dochter te worden of de vrouw van hun zoon. Indien een dochter is
+ingelicht omtrent de beslissing harer ouders, moet zij zich haasten
+met haar voorbereidselen: zij moet zorgen, dat de bochtchaluks [22]
+(huwelijksgeschenken), die zij moet uitdeelen onder de bruiloftsgasten
+(svati of svatovi) spoedig gereed zijn. Deze geschenken zijn meestal
+artikelen, die zij eigenhandig maakt, zooals sokken, kousen, hemden,
+handdoeken en reisdekens. Gewoonlijk wordt het huis schoon gemaakt
+en misschien vergroot voor het huwelijk. Als alle toebereidselen zijn
+getroffen, dan mag het gerucht van haar aanstaand huwelijk zich door
+het dorp verspreiden. Daar de huwelijken gewoonlijk door de ouders
+worden vastgesteld, komen verbintenissen uit liefde helaas zelden
+voor. Schaken wordt beschouwd als iets phenomenaals. Er zijn echter
+gevallen, waarin de jongelieden zich niet voegen naar den wil hunner
+ouders met betrekking tot het huwelijk. Indien een meisje verliefd is
+geworden op een jongen man, kan zij haar toevlucht nemen behalve tot
+de gewone middelen en methoden, tot beroepstoovenaressen. Listen,
+die door deze helpsters in de liefde wel worden aanbevolen, zijn
+bijv.: Het meisje kijkt door den bek van een gebraden speenvarken
+(dat gedood is voor het Kerstfeest) naar haar geliefde, waardoor
+hij beslist krankzinnig verliefd op haar wordt. Het voorwerp harer
+liefde zal van minnesmart om haar sterven, als zij naar hem kijkt
+door een gat in een kers of een andere vrucht; zij is er even zeker
+van zijn genegenheid te verwerven, indien zij er in slaagt de aarde
+om te keeren onder een afdruksel van zijn rechtervoet. Deze en veel
+dergelijke toovermiddelen worden gewoonlijk toegepast op of omstreeks
+St. George's dag (23ste April O.S.)
+
+Ook jonge mannen nemen hun toevlucht tot tooverij, indien zij de liefde
+willen opwekken van het een of andere ongevoelige meisje. Indien
+bijvoorbeeld de jonge man zich op een Vrijdagnacht, klokke twaalf
+naar het erf begeeft bij de woning van de jonkvrouwe van zijn hart en
+daar een boom drie maal schudt en even zooveel keeren haar voornaam
+noemt, zal zij zeker aan zijn verlangen gehoor geven en zijn liefde
+beantwoorden. Een even onfeilbaar middel is een bepaalde visch te
+vangen en die bij zijn hart te laten sterven; daarna het vleesch
+te braden, totdat het geheel verkoold is, de overblijfselen tot
+poeder te stampen en dit stilletjes in water of een anderen drank te
+doen.--Indien het meisje overgehaald kan worden het te proeven, kan
+zij er niet meer aan ontkomen hem lief te hebben. Deze hulpmiddelen
+herinneren aan de bekende handeling van den Franschen troubadour
+Pierre Vidal, om de liefde van zijn schoone patrones Donna Azalais de
+Baux te winnen. 't Was een recept, dat succes in de liefde beloofde,
+afkomstig van iemand, die het van een Arabisch monument ontcijferd
+had. De dichter kreeg het van Huges de Baux, een boosaardige, jeugdige
+ridder, de schoonbroer van de schoone Donna Azalais. De lichtgeloovige
+Vidal moest op zekeren maannacht op een varken drie keer rondom het
+kasteel van zijn geliefde rijden. Natuurlijk wist hij niet, dat zijn
+snaaksche vriend al de bewoners op het terras had gebracht om deze
+belachelijke vertooning gade te slaan.
+
+
+
+Huwelijksonderhandelingen.
+
+
+Als de ouders zich een bruid voor hun zoon hebben uitgekozen, sturen
+zij iemand met volkomen volmacht (navodagjya) naar haar ouders, om
+te vragen of zij al dan niet hun toestemming tot een huwelijk van hun
+dochter met den jongeman willen geven. Daar huwelijken zelden worden
+gesloten zonder de hulp van deze gevolmachtigden, zijn er een aantal
+personen, wier eenig ambt het is over huwelijken te onderhandelen. Zij
+ontvangen een som geld, indien hun diensten met succes worden
+bekroond. Naast geldelijke belooning ontvangt de navodagyja van de
+toekomstige bruid op zijn minst een paar sokken. Indien de vader van
+het meisje het voorstel niet aanvaardt, geeft hij gewoonlijk geen
+beslist afwijzend antwoord, maar verschuilt hij zich achter het een of
+ander voorwendsel; hij zegt bijvoorbeeld, dat zijn dochter nog te jong
+is, of dat zij niet geheel gereed is met de voorbereidselen voor haar
+huwelijk. Maar als de jongeman genade in zijn oogen vindt, en de vader
+bereid is zijn toestemming te geven, dan antwoordt hij gewoonlijk, dat
+hij zijn dochter graag getrouwd zou zien met zulk een uitnemend man,
+tenminste als het paar elkaar liefheeft. Dan wordt een samenkomst
+voorbereid, ofschoon dit in werkelijkheid slechts een kwestie van
+vorm is, daar de eindbeslissing in handen van de ouders zelf ligt,
+zonder dat de gevoelens van den aanstaanden man en de vrouw daarbij
+veel gewicht in de schaal leggen. De ouders vragen den jongelieden,
+of zij elkaar mogen lijden; gewoonlijk wordt een bevestigend antwoord
+gegeven, waarop alle aanwezigen elkaar omhelzen. Geschenken worden
+gewisseld, zoowel tusschen de ouders als tusschen den aanstaanden
+echtgenoot en zijn bruid. Deze gebeurtenis wordt dikwijls gevierd door
+het afvuren van pistolen en geweren, teneinde door het geheele dorp
+bekend te maken, dat er huwelijksfeesten op til zijn. Spoedig na de
+plechtigheid, die de inleiding tot een verloving genoemd kan worden,
+brengen de ouders van den jongeman en enkele zeer intieme vrienden een
+officieel bezoek aan de woning der bruid. Het bezoek heeft gewoonlijk
+in den avond plaats en nadat de bruigom aan de bruid een ring heeft
+gegeven, beginnen de feestelijkheden, die tot den volgenden morgen
+duren. Eenige dagen later gaan de bruid en de bruidegom naar de kerk,
+door enkele vrienden vergezeld en de priester doet hun de stereotiepe
+vragen, waaronder deze: "Wenscht gij te trouwen uit vrijen wil?" Waarop
+zij om zoo te zeggen gedwongen zijn "Ja" te antwoorden.
+
+
+
+De huwelijksprocessie.
+
+
+Een week voor den trouwdag, brengen beide families hun huis in
+gereedheid om een groot aantal gasten te ontvangen, die zij gedurende
+verscheidene dagen zeer gastvrij onthalen. Zeer kort geleden nog
+moest de huwelijksprocessie, indien de bruid in een verwijderd dorp
+woonde, soms verscheidene dagen reizen om haar te halen en daar goede
+wegen, waarlangs voertuigen zich konden voortbewegen, niet overal
+voorkwamen, was de geheele, lange stoet vaak genoodzaakt den weg te
+paard af te leggen. Tot de huwelijksstoet behooren de _dever_ [23]
+(dat wil zeggen geleider van de bruid) die haar bij de heele reeks van
+plechtigheden terzijde staat, in zekeren zin haar voogd; de _koom_
+(voornaamste getuige, die bij gelegenheid een soort peetvader van
+de kinderen wordt); en de _stari-svat,_ die de tweede getuige bij
+de huwelijksplechtigheid is. Gedurende de huwelijksplechtigheden
+moet de koom achter den bruigom staan en de stari-svat achter
+de bruid. De stari-svat is ook een soort ceremoniemeester op den
+huwelijksdag; hij bewaart de orde onder de gasten, en presideert
+bij de huwelijksmaaltijden. De dever brengt ook zijn ouders mee
+en de koom en de stari-svat moeten ieder vergezeld zijn van een
+bediende om hen te assisteeren gedurende de plechtigheid. Deze twee
+getuigen moeten zorgen twee groote was-kaarsen bij zich te hebben,
+die gewoonlijk versierd zijn met zijden kant en bloemen, welke met
+veel andere geschenken aan de bruid worden aangeboden.
+
+Voor de processie zich op weg begeeft, vuren de jongelieden pistolen
+af en zingen en dansen, terwijl de ouderen zich neerzetten en
+ververschingen gebruiken. De verschijning van den bruigom in zijn
+huwelijksgewaad, waarbij de hoed met bloemen is versierd, is het
+teeken, waarop een koor van meisjes de traditioneele huwelijksliederen
+inzet. Als de rijtuigen klaarstaan om te vertrekken, zingen zij
+het volgende:
+
+
+
+ Een valk vloog van het kasteel
+ Met een brief onder zijn vleugel
+ Laat den brief vallen op de knie van den vader,
+ Zie, vader! De brief zegt u,
+ Dat uw zoon ver zal reizen,
+ Over veel stroomende rivieren,
+ Door veel groene wouden,
+ Totdat hij u een schoondochter brengt.
+
+
+
+Het _Tzigan_-(Zigeuners) korps begint zijn vroolijke melodieën,
+de bruidegom, de vaandeldrager en andere jongelieden stijgen te
+paard, allen versierd met bloemen, de processie begeeft zich op
+weg naar het huis van de bruid. De ruiters rijden meestal twee aan
+twee, pistolen afschietend en zingende. De processie wordt steeds
+geleid door een vroolijken jongeling, die een _tchoutoura_ meevoert,
+(een plat houten vat) dat rooden wijn bevat. Het is zijn taak ieder,
+die het huwelijksgezelschap op weg mocht ontmoeten, een dronk aan te
+bieden en hij heeft het privilege gedurende het huwelijksfeest ten
+koste van iedereen grappen en geestigheden ten beste te geven. Voor
+dien dag geniet hij de vrijheden van een hofnar en niemand mag zijn
+geestige zetten kwalijk nemen, hoe ruw en onkiesch die soms ook zijn.
+
+Eenige schreden achter de tchoutouradrager rijdt de voïvode (generaal
+of leider), wiens taak het is den eerste bij te staan in zijn
+geestige uitvallen en den vaandeldrager, die de nationale vlag draagt;
+achter hen, in een rijkelijk met bloemen versierd voertuig, rijden
+de bruidsmeisjes, die gekozen worden uit de familiebetrekkingen van
+den bruigom. Met andere geschenken dragen de meisjes het trouwgewaad
+en de bloemen, die de vader van den bruigom voor zijn aanstaande
+schoondochter heeft gekocht. Onmiddellijk achter de bruidsmeisjes
+rijdt de bruigom tusschen den koom en den stari-svat. Daarna komen
+andere bloedverwanten en gasten, twee aan twee in optocht. Soms
+leveren deze huwelijksprocessies een zeer indrukwekkenden aanblik.
+
+
+
+De aankomst.
+
+
+Indien de huwelijksstoet het huis van de bruid nadert, wordt haar
+komst aangekondigd door het afvuren van pistolen en geweren, waarop
+een aantal meisjes verschijnt, die verschillende liederen zingen,
+waarin het verdriet wordt uitgedrukt over het vertrek der bruid uit
+het ouderlijk huis. In enkele deelen van Servië is nog een vreemd,
+oud gebruik overgebleven; de vader van de bruid verlangt, dat aan
+enkele voorwaarden wordt voldaan, eer hij bereid is de poorten van
+het binnenplein voor den stoet te openen. Hij stuurt bijvoorbeeld een
+goed worstelaar, die de mannen uit het gezelschap van den bruidegom
+uitdaagt. Een van de bruiloftsgasten moet hem dan overweldigen,
+voordat de poorten worden geopend. Natuurlijk is de worstelproef in den
+regel niet ernstig gemeend. In andere deelen van het land wordt als
+voorwaarde gesteld, waarop den aangekomenen toegang wordt verleend,
+dat een hunner een pot of ander terra-cotta vaatwerk, dat aan den
+top van den schoorsteen bevestigd is, er met zijn pistool afschiet.
+
+Als aan zulke of andere voorwaarden tot genoegen is voldaan, wordt
+het huwelijksgezelschap in huis toegelaten, en geleid naar tafels,
+beladen met gebraden lams- en varkensvleesch, koeken, vruchten, wijn
+en cognac. De vader van de bruid geeft den vader van den bruidegom de
+eereplaats en onmiddellijk naast hem zit de stari-svat, dan de koom
+en dan de bruidegom. Als de gasten zijn gezeten, wordt er een groote,
+platte koek _(pogatcha)_ voor den vader van den bruidegom neergezet
+en hij legt er eenige goudstukken op; soms ook een geheele keten van
+gouden ducaten, die de bruid later om haar hals moet dragen. Zijn
+voorbeeld wordt onmiddellijk gevolgd door den stari-svat, den koom
+en al de andere gasten. Ten slotte haalt de vader van de bruid
+de huwelijksgift, die hij zijn dochter meegeeft en plaatst die
+op den koek. Al het aldus verzamelde geld wordt aan den stari-svat
+overhandigd, die het te zijner tijd aan de bruid zal geven. Dan brengen
+de bruidsmeisjes het trouwgewaad naar het vertrek van de bruid, waar
+zij haar met groote zorg en veel ceremoniën kleeden. Indien haar toilet
+gemaakt is, neemt een van haar broers of, indien zij die niet heeft,
+een van haar naaste mannelijke bloedverwanten, haar bij de hand om
+haar naar de verzamelde familie en vrienden te geleiden. Zoodra zij
+verschijnt, begroeten de bruiloftsgasten haar met een levendig vuur
+uit hun pistolen; de bruidsmeisjes geleiden haar naar den bruigom,
+aan wien zij een bloemkrans aanbiedt. Daarna wordt zij naar den
+stari-svat en den koom gebracht, wier handen zij kust. Indien deze
+ceremonie is verricht, gaat zij het huis binnen, waar haar ouders op
+lage, houten stoelen voor den haard zitten. Daar werpt zij zich neer,
+en kust den grond voor het vuur. Dat is blijkbaar een overblijfsel
+van de vuuraanbidding, maar nu het symbool van de vereering van
+den huiselijken haard. Zoodra zij is opgestaan, kust het meisje de
+hand van haar vader en moeder, die haar, terwijl zij haar omhelzen,
+den zegen geven. Nu brengt haar broer of bloedverwant, al naar het
+geval is, haar terug naar den bruigom en geeft haar met inachtneming
+van alle vormen aan den dever over, die van dat oogenblik zorg voor
+haar draagt en haar in de eerste plaats de geschenken geeft, die hij
+heeft verzameld.
+
+
+
+Terugkomst uit de kerk.
+
+
+Nadat zij feest hebben gevierd en onthaald zijn, stijgen de
+gasten te paard en onvermoeid hun pistolen afschietend begeven
+zij zich met de bruid naar de naaste kerk. Nadat de godsdienstige
+ceremoniën voorbij zijn, keert het bruiloftsgezelschap terug naar
+de woning van den bruidegom, waar de bruid van haar paard of uit
+haar rijtuig moet stappen op een zak haver. Terwijl de anderen het
+erf opgaan door de hoofdpoort, kiest de bruid meestal een anderen
+ingang, omdat zij bevreesd is anders betooverd te worden. Zoodra
+zij binnenkomt, brengen de familieleden van den bruigom haar een
+bak met verschillende soorten graan, die zij op den grond uitstort,
+"opdat het jaar vruchtbaar moge zijn." Dan brengen zij haar een kind
+van het mannelijk geslacht, dat zij kust, en driemaal opheft. Daarna
+treedt zij het huis binnen; onder haar armen heeft zij brooden en in
+haar handen flesschen wijn--zinnebeelden van weelde en voorspoed.
+
+Ofschoon de bruiloftsgasten goed zijn onthaald in de woning der bruid,
+heeft de reis hun eetlust opnieuw gewekt; daarom nemen zij in dezelfde
+volgorde als wij reeds genoemd hebben aan tafels plaats en worden
+zij onthaald op een groot feestmaal. Gedurende dit maal geven de
+voïvodes en de tchoutouradrager evenals bij het vorige grappen ten
+beste ten koste van iedereen. Deze vroolijke uitlatingen getuigen,
+zooals wij reeds hebben gezegd, gewoonlijk niet van zeer goeden
+smaak, maar niemand voelt er zich door beleedigd, en iedereen lacht
+hartelijk om de minste aardigheid. Gedurende dit feest, en terwijl de
+jongelieden nationale dansen (kollo) uitvoeren en de traditioneele
+bruiloftsliederen zingen, brengt de dever de bruid naar den drempel
+van haar vertrek (vayat) en geeft haar over aan den koom, die haar
+nu binnenleidt, haar hand in die van den bruidegom legt en hen alleen
+laat. De gasten blijven echter vaak in het huis tot het ochtendgrauwen,
+drinkende en zingende.
+
+
+
+Slava (of Krsno Ime)
+
+
+Deze gewoonte wordt beschouwd als een overblijfsel uit de tijden,
+toen de Serviërs tot het christendom werden bekeerd. Iedere
+Servische familie heeft een dag in het jaar, die bekend is als slava,
+gewoonlijk den een of anderen heiligendag, waarop zekere ceremoniën
+worden vervuld, gedeeltelijk van godsdienstigen, gedeeltelijk van
+maatschappelijken aard. De heilige, dien het hoofd der familie herdenkt
+als zijn beschermheilige of naamheilige, wordt ook herdacht door zijn
+kinderen en hun afstammelingen.
+
+Eenige dagen voor de viering komt de priester naar het huis van iederen
+svetchar--den man, die als hoofd der familie den heilige herdenkt--om
+het water te zegenen, dat voor dit doel in een specialen bak gereed
+wordt gehouden, daarna besprenkelt hij het hoofd van alle familieleden
+met het heilige water, waarin hij een klein takje bazielkruid heeft
+gedoopt. Hij gaat daarop van kamer tot kamer om overal dezelfde
+ceremonie te verrichten.
+
+Ten einde hun naamheilige aangenaam te zijn, vasten alle leden
+der familie een week voor het feest. Den avond voor den heiligen
+dag wordt voor het beeld van den heilige een kaars aangestoken,
+die gedurende twee dagen blijft branden. Een of twee dagen voor het
+feest bereiden de vrouwen een kolatch (een bijzondere koek, gemaakt
+van tarwebloem) die ongeveer 37 1/2 c.M. middellijn heeft en ongeveer
+7 1/2 c.M. dik is. De oppervlakte is verdeeld in vier parten, doordat
+ze met een kruis is geteekend; elk vierde deel heeft een schild waarop
+de letters I.N.R.I. staan. In het midden bevindt zich een cirkel,
+en daarbinnen en poskurnik (monogram van deze initalen). Behalve de
+kolatch wordt een andere koek gemaakt van witte tarwe, goed gekookt,
+en vermengd met poedersuiker, gehakte noten en amandelen. Deze wordt
+kolyivo genoemd (letterlijk: "iets, dat met het mes is gedood"). Dit is
+blijkbaar een reliquie uit heidensche tijden, toen men met kolyivo de
+dieren bedoelde, die op het altaar werden geofferd. Toen de Serviërs
+bekeerd waren tot het christelijk geloof, werd hun gezegd, dat de
+God der christenen en zijn heiligen geen dierenoffers en nog minder
+die van een mensch verlangden, en dat daarvoor in de plaats gekookte
+tarwe moest worden gebruikt. Wel eigenaardig is het, dat kolyivo
+slechts bereid wordt voor die heiligen, van wie het volk gelooft,
+dat zij dood zijn en niet voor hen, van wie verondersteld wordt,
+dat zij nog leven, wat bijv. het geval is met St. Elias (Elyah),
+de beschermheilige van den donder, en daarom ook wel de "Donderaar"
+genoemd, de aartsengel Michael en eenige anderen.
+
+
+
+De Slava-ontvangavond.
+
+
+Op den vooravond van den Slavadag wordt er voldoende voedsel voor
+de twee volgende dagen gereedgemaakt en tegen zonsondergang zijn al
+de tafels wel voorzien van ververschingen, berekend op de komst van
+een groot aantal gasten. Vrienden en bloedverwanten worden door een
+boodschapper, die daartoe speciaal wordt uitgezonden, genoodigd. In
+verschillende door het gebruik geijkte vormen wordt deze uitnoodiging
+overgebracht; een er van is de volgende: "Mijn vader (of mijn oom,
+al naar het geval is) heeft mij gezonden om u zijn groeten te brengen
+en noodigt u heden avond in ons huis om een glas cognac te drinken. Wij
+wenschen met u te deelen de zegeningen, die God en onze beschermheilige
+over ons hebben uitgestort. Wij vragen u dringend te komen!" Bij
+deze woorden overhandigt de boodschapper aan den genoodigden gast een
+tchoutoura, gevuld met wijn en versierd met bloemen, waaruit de gast
+dan altijd een teug drinkt. Daarna maakt hij het teeken des kruises
+en zegt: "Ik dank u; dat uw Slava een gelukkige en voorspoedige
+zij!" Na den wijn geproefd te hebben, vervolgt hij: "Wij zullen ons
+best doen om te komen. Wij zijn dankbaar voor de uitnoodiging, die
+ons ten zeerste vereert." Onveranderlijk spreekt hij deze woorden uit,
+hetzij hij werkelijk van plan is de uitnoodiging aan te nemen of niet.
+
+Terwijl de boodschapper op weg is om de gasten uit te noodigen, zijn
+de vrouwen van het huis bezig al de noodige toebereidselen te maken
+voor hun ontvangst. Elke gast roept, als hij den drempel nadert:
+"O heer van het huis, zijt gij bereid gasten te ontvangen?" Zoodra
+hij dat hoort, snelt de svetchar den gast tegemoet en begroet hem
+met deze woorden: "Zeer zeker ben ik dat en ik hoop, dat er nog veel
+meer gasten komen even welkom als gij!" Daarna treedt de gast binnen,
+omhelst den svetchar en zegt: "Ik wensch u een zeer aangenamen avond
+en een gelukkige Slava!" En dan antwoordt de gastheer als ware dat
+van zelf sprekend: "Ik dank u en heet u welkom in mijn huis!"
+
+Op dezelfde wijze worden de andere gasten begroet. Indien zij allen
+aanwezig zijn, noodigt de gastheer hen uit hun handen te wasschen. Want
+geen Servische boer zou ooit gaan zitten, om voedsel te gebruiken,
+voordat hij dit had gedaan. Daarna wijst de gastheer ieder zijn plaats
+aan, altijd met stipte inachtneming van de volgorde, waarop ieders
+rang hem aanspraak geeft.
+
+De meisjes van het huis dienen cognac rond aan de verzamelde gasten
+en deze wordt, althans in den winter, gewoonlijk gewarmd, terwijl er
+honig of suiker aan is toegevoegd. De gasten zijn intusschen blijven
+staan en wachten zwijgend en eerbiedig tot de ceremoniën van de Slava
+zullen beginnen.
+
+De gastheer zet in het midden van de tafel een groote waskaars, die
+hij niet aansteekt, alvorens het teeken des kruises driemaal gemaakt
+te hebben. Daarna neemt hij een bak, waarin wat gloeiende asch ligt,
+plaatst daarin eenige stukjes wierook en laat den geur dan opstijgen
+naar het heiligenbeeld, dat volgens de gewoonte de eereplaats in de
+woning inneemt. Nog steeds met het wierookvat in de hand staat hij
+enkele oogenblikken stil voor elken gast. Indien deze plechtigheid
+voorbij is en er geen priester aanwezig is, noodigt de gastheer zijn
+gasten uit zelf hun gebed op te zeggen. Veel Servische boeren hebben
+het talent om geïmproviseerde gebeden op te zeggen en daar is bij
+deze ceremoniën altijd vraag naar. De gastheer geeft het wierookvat
+aan zijn vrouw, wier plicht het is toe te zien, dat de damp van den
+wierook elk deel van het huis bereikt. Daarna verbreekt de gastheer de
+stilte met het volgende gebed: "Laat ons, o broeders, zeer eerbiedig
+bidden tot den almachtigen Heer, onzen God, en tot de heilige
+Drieëenheid! O Heer, Gij almachtig en genadig Schepper van Hemel en
+Aarde, bevrijd ons, wij bidden het u, van alle onvoorziene kwaad! O,
+Heilige George! (hier noemt hij den naam van den beschermheilige,
+wiens feest zij vieren) onze beschermheilige, bescherm ons en wees
+onze voorspraak bij den Heer onzen God; wij, die hier verzameld zijn,
+vragen het u. Gij heilige Apostelen, gij vier Evangelisten en pilaren,
+op wie de hemelen en de aarde rusten, wij, die zondaars zijn, smeeken
+om uwe bemiddeling;" enz. Als het gebed is geëindigd, maken de gasten
+verscheidene malen het teeken des kruises en dan begint het avondeten.
+
+
+
+Slava toasten.
+
+
+Gedurende de eerste twee of drie gangen gaan de gasten door met
+cognacdrinken; wijn wordt niet gepresenteerd, voordat zij vleesch
+hebben genomen. Bij het drinken van het eerste glas wijn brengt
+de oudste gast, of de voornaamste in rang (gewoonlijk is het de
+dorpsgeestelijke of de burgemeester) den eersten toast, waarvan evenals
+van alle volgende de bewoordingen door de traditie zijn bepaald. In
+sommige deelen van Servië brengt de gastheer zelf den eersten toast
+op den aanzienlijksten van zijne gasten uit, door tot hem de volgende
+woorden te richten: "Ik dank u, evenals al uw broederen, voor de eer,
+die u mij genadiglijk bewijst mijn slava met uw tegenwoordigheid te
+vereeren. Laat ons het eerste glas drinken ter eere van den genadigen
+God. Waar wijn in zijn naam gedronken wordt, daar moge altijd voorspoed
+zijn." De voornaamste gast aanvaardt den toast, maakt het teeken des
+kruises en antwoordt in de volgende bewoordingen: "Ik dank u zeer,
+vriendelijke en milde gastheer! Moge uw slava u voorspoed brengen, en
+laat ons dit tweede glas drinken 'op het betere uur'." De derde toast
+is meestal ter verheerlijking van de Drieëenheid. In het Servisch:
+_Tretya-sretya, sve u slavu Svete Troyitze!_
+
+In enkele deelen van Servië worden er zeven of zelfs meer heildronken
+gebracht, maar deze gewoonte vertoont gelukkig neiging om te
+verdwijnen.
+
+
+
+De ceremonie in de kerk.
+
+
+Den volgenden morgen staan al de leden der familie vroeg op, om het
+huis weer in orde te brengen, en de svetchar gaat naar de naaste
+kerk. Hij neemt de kolyivo, de kolatch, wat wijn, wierook en een
+waskaars mee. Al deze dingen plaatst hij voor het altaar, waar zij
+gedurende den ochtenddienst moeten blijven, waarna de dienstdoende
+priester in de slavakoek van onderen insnijdingen maakt, die
+overeenkomen met de lijnen van het kruis aan de oppervlakte. Daarna
+breekt hij de koek en draait die in een cirkel met behulp van den
+Svetchar, terwijl zij samen zekere gebeden opzeggen. Nadat deze
+ceremonie geëindigd is, neemt de gastheer de eene helft van de koek,
+en laat de andere helft voor den priester. Indien de kerk ver af ligt
+en de gastheer niet lang van huis kan zijn, dan mag de slavakoek in
+zijn eigen huis door hem in tweeën worden gesneden met behulp van zijn
+mannelijke gasten, onder het opzeggen van de voorgeschreven gebeden;
+terwijl zij in een kring staan, houden zij de koek zoo, dat hun duim
+er op is geplaatst en zij haar met vier vingers ondersteunen.
+
+
+
+
+Het slava-feest.
+
+
+Tegen den middag, eenige minuten voordat de zon haar hoogste punt
+bereikt, wordt een deel van de slavakoek op de tafel geplaatst met
+een aangestoken kaars. Aan dit maal in den middag worden gewoonlijk
+veel meer gasten genoodigd dan bij het avondeten van den vorigen
+avond, bovendien heeft op dezen dag zelfs een vreemdeling--welke
+zijn godsdienst ook moge zijn--het recht het huis binnen te gaan en
+gastvrijheid te verlangen. De koninklijke Prins Marko had bijvoorbeeld
+veel vrienden onder de Turken en zij kwamen altijd als gast op zijn
+slavadag. Al de gasten verheffen zich tegelijk van hun zetel, maken
+met grooten eerbied een kruis, en in volmaakte stilte, met gevulde
+glazen, wachten zij op de toespraak, die de Svetchar zal houden. Weer
+worden er drie of misschien meer heildronken uitgebracht en aanvaard
+en natuurlijk worden even dikwijls de glazen geledigd en weer gevuld,
+zelfs nog voor het maal van den middag is begonnen. Etend en drinkend
+ter eere van God, de heilige Drieëenheid, de heilige slava, en zoo
+voort, blijft men bijeen, tot laat in den nacht, wanneer de gasten zich
+herinneren, dat het tijd is om naar huis te gaan. Velen brengen echter
+den geheelen nacht in het huis door en blijven ook nog den volgenden
+dag. Eenige vereerders van goeden wijn ontzagen zich soms niet drie
+achtereenvolgende dagen en nachten te blijven. Deze buitengewone
+toewijding aan de heiligen werd vooral betoond te Nish en in den
+omtrek daarvan, en leverde den beroemden Servischen romanschrijver
+Stephanus Strematz de stof voor een van de mooiste en zonder twijfel
+een van de geestigste romans, die in Servië geschreven zijn.
+
+
+
+De dag voor Kerstmis.
+
+
+Een ander feest, dat de Serviërs evenals andere volken met vele
+plechtigheden en gebruiken van onmiskenbaar heidenschen oorsprong
+vieren, en dat aller hart met vreugde vervult, is het Kerstfeest. Het
+is zelfs een bekende zegswijs van de Serviërs, dat "er geen dag is
+zonder licht--noch eenige werkelijke vreugde zonder Kerstmis."
+
+In den regel staat de Servische boer vroeg op, maar op den dag voor
+Kerstmis (Badgni dan) is ieder nog vroeger dan gewoonlijk bij de
+hand. Want het is de dag, waarop ieder lid van het gezin de handen
+vol werk heeft. Twee of meer der jonge mannen worden van elk huis
+uitgezonden naar het bosch [24] om een jongen eikenboom te hakken en
+thuis te brengen, die _Badgnak_ wordt genoemd. (De afleiding van het
+woord ligt in het duister, het is waarschijnlijk afkomstig van den
+naam van een heidenschen God.)
+
+Als de jonge man, die den boom moet hakken, hem heeft uitgekozen,
+knielt hij neer en woorden van begroeting prevelend en het bij deze
+gelegenheid gebruikelijk gebed opzeggend, werpt hij er een handvol
+koren naar toe; daarna maakt hij driemaal het teeken des kruises en
+draagt dan zorg den kant, waar hij begint met hakken zoo te kiezen,
+dat de boom naar het Oosten moet vallen en wel juist op het oogenblik,
+dat de zon zich boven den horizon vertoont. Hij moet er ook op letten,
+dat de boom bij het op de aarde vallen geen takken aanraakt van een
+nabijstaanden boom, anders zou meer dan waarschijnlijk de voorspoed
+van het huis in het komend jaar worden verstoord. De stam van den
+boom wordt nu in drie blokken gehakt, waarvan het eene wat langer is
+dan de beide andere.
+
+Tegen den avond, als alles gereed is en al de leden van de familie
+verzameld zijn in de keuken, het voornaamste vertrek in de woning,
+wordt een groot vuur ontstoken en het hoofd van de familie brengt
+plechtig de Badgnak binnen, die hij zoo op 't vuur plaatst, dat het
+dikke einde ongeveer 30 c.M. buiten den haard blijft; ondertusschen
+spreekt hij op luiden toon zijn goede wenschen uit voor den voorspoed
+van het huis en alle bewoners.
+
+Op dezelfde manier brengt hij de andere deelen van den Badgnak binnen,
+en als ze alle drie branden, pakken de jonge herders het grootste
+blok vast, want zij gelooven door zoo te doen zich de gehechtheid
+hunner schapen aan haar lammeren te verzekeren, van de koeien aan
+haar kalveren en van alle andere dieren aan haar jongen.
+
+Op dit oogenblik brengt het oudste lid der familie een bos stroo en
+overhandigt dien aan de huisvrouw, aan wie hij tegelijkertijd "een
+goede en gelukkige Badgni dan" wenscht. Dan werpt zij een handvol
+koren naar hem toe, dankt hem voor het stroo en begint in de keuken
+en aangrenzende kamers het stroo op den vloer uit te strooien onder
+het nabootsen van het geklok der hennen, terwijl de kinderen haar
+vroolijk volgen en de geluiden nabootsen, die jonge kuikens maken.
+
+Indien dit gedaan is, moet om te beginnen de moeder een gele kaars
+brengen en een aarden bak, gevuld met brandende kolen.
+
+De vader maakt weer eerbiedig een kruis, steekt de kaars aan en doet
+wat wierook op de asch. Intusschen hebben de overige familieleden
+zich al in een halven kring opgesteld, waarbij de mannen rechts en de
+vrouwen links staan. Nu gaat de vader overluid gebeden opzeggen en
+loopt van het eene einde van den halven kring naar het andere; voor
+ieder staat hij een korte poos stil, opdat de damp van den rookenden
+wierook in het wierookvat, dat hij in zijn rechterhand houdt, ieder op
+zijn beurt in het gelaat komt. De gebeden, die zij bij deze gelegenheid
+opzeggen, duren ongeveer vijftien of twintig minuten en verschillen
+in bijna elk district. Na vijftien gebeden nemen zij allen plaats
+voor het avondeten, dat niet neergezet is op een tafel, maar op den
+grond. Want het wordt als een goede orthodoxe gewoonte beschouwd om
+op den avond voor Kerstmis zakken over den steenen of leemen vloer te
+leggen en kussens in plaats van stoelen te gebruiken. Gedurende het
+avondeten, waarbij geen vleesch wordt gebruikt, drinkt de huisvader
+met geestdrift heildronken op de Badgnak, daarbij gelijktijdig zijn
+wenschen uitsprekende voor hun aller voorspoed in het nieuwe jaar. Hij
+giet ook een glas wijn over de uitstekende einden van het blok. In
+verscheidene deelen van Servië vasten al de boeren--mannen, vrouwen,
+zelfs kleine kinderen--de vijf en veertig dagen voor Kerstmis; zij
+onthouden zich van vleesch, eieren en melkspijs en eten eenvoudig
+groenten en vruchten.
+
+Als het avondeten voorbij is, gaat de geheele familie naar bed,
+behalve een der jonge mannen, die bij het vuur blijft, om toe te zien,
+dat de Badgnak niet geheel verbrandt en het vuur niet uitdooft.
+
+
+
+Kerstdag.
+
+
+Algemeen neemt men aan, dat de plechtigheden en gebruiken bij dit
+kerkelijke feest, dat wij Serviërs in onze eigen taal Bojitch noemen,
+wat "de kleine God" beteekent, niets anders zijn dan min of meer
+gewijzigde vormen van aanbidding van den heidenschen god Dabog (of
+Daybog), dien wij al genoemd hebben.
+
+Onze heidensche voorouders waren gewoon een varken aan hun zonnegod
+te offeren en in onzen tijd is er geen enkel huis in geheel Servië,
+waar met Kerstmis niet als een van zelfsprekend feit, gebraden
+varkensvleesch wordt opgediend. De mannen en jongens van het gezin
+staan op dien dag heel vroeg op, om een groot vuur op het erf aan
+te leggen en een speenvarken aan een spit te braden, waarvoor alle
+voorbereidselen op Badgni dan gemaakt zijn. Op het oogenblik, dat men
+het kleine varken boven het vuur houdt, wordt er om het te begroeten,
+heftig met pistolen of geweren geschoten. Daar schot na schot valt,
+is het duidelijk, dat het geheele dorp in beweging is. Want bijna
+al de gezinnen in het dorp houden deze gewoonte in eere en elke
+jongeman beschouwt het als zijn natuurlijke plicht een pistool af te
+schieten, zoodat de naburige heuvelen telkens weergalmen, alsof er
+een aanhoudende schermutseling plaats heeft. Nog vroeg in den morgen
+gaat een der meisjes naar den gemeenschappelijken put om drinkwater
+te halen, en als zij den put bereikt, brengt zij hem haar groet,
+wenscht hem een gelukkigen Kerstmis en werpt er gelijktijdig een
+handvol koren en een bosje of soms alleen een takje bazielkruid in. Het
+koren wordt geofferd in de hoop, dat de oogst even overvloedig moge
+zijn als het water, en van het bazielkruid verwacht men, dat het het
+water altijd helder en zuiver houdt. De eerste beker water, dien zij
+ophaalt, wordt gebruikt voor het maken van een koek (_Thesnitza),_
+die aan den middagmaaltijd in evenveel stukjes wordt gebroken, als
+het gezin leden telt. Een zilveren geldstuk wordt in het deeg gedaan
+en hij of zij, die het vindt, wordt beschouwd als een lieveling van
+het geluk in het komende jaar.
+
+Gedurende den morgen verwacht elk huis een bezoeker (polaznik), die
+gewoonlijk een jonge knaap is uit een naburig huis. Als de polaznik
+het huis binnen gaat, breekt hij een klein takje van het einde der
+smeulende Badgnak, terwijl hij het hoofd van het gezin begroet met
+de woorden: "Christus is geboren!" en al de anderen antwoorden
+hem met den kreet "waarlijk, Hij is geboren." De moeder werpt
+een handvol tarwe naar hem toe. Dan nadert hij den haard en slaat
+herhaaldelijk op de Badgnak met het takje, dat hij afgebroken heeft,
+zoodat duizenden vonken den schoorsteen in vliegen, daarbij spreekt
+hij zijn heilwenschen uit: "Moge de Heilige Kerstmis dit huis even
+veel schapen, even veel koeken, even veel bijenkorven (en zoo voort)
+geven, als er vonken in dit vuur zijn!" Dan legt hij op de Badgnak,
+hetzij een zilveren, hetzij een gouden geldstuk, dat het hoofd van
+het gezin behoudt om den smid te geven teneinde het door het ijzer te
+smelten als zijn nieuwe ploeg wordt gemaakt, want, naar hij meent,
+is dit een onfeilbaar middel om den grond vruchtbaarder te maken
+en van tegenspoed bevrijd te blijven. De polaznik wordt natuurlijk
+uitgenoodigd te blijven en deel te nemen aan den maaltijd en daarna
+wordt hem een koek voorgezet, die ook een geldstuk bevat, soms van
+goud, soms van zilver.
+
+Na den maaltijd gaan al de jongelieden naar buiten om de een of
+andere sport te beoefenen, meestal sledevaren, terwijl de ouderen
+zich verzamelen rondom een gooslar (een nationalen zanger) en veel,
+ja eindeloos vermaak scheppen in het luisteren naar zijn voordracht
+van hun oude balladen.
+
+
+
+De Dodola, een godsdienstige plechtigheid.
+
+
+De onheilen, die de Servische boeren het meest vreezen, zijn van
+tweeerlei aard--droogte en zeer hevige stormen. In de heidensche
+tijden was er een godin, die, naar men geloofde, heerschappij had
+over de wateren en den regen. Toen de Serviërs tot het christendom
+bekeerd waren, kenden zij de macht om den oceaan, rivieren en stormen
+te bedwingen aan St. Nicolaas toe; en de Dalmatiërs, zeevarende lieden,
+bidden nog altijd alleen tot hem; terwijl men in het hartje van Servië,
+waar de boeren geen begrip hebben van wat groote schepen, en nog minder
+van wat zeeën en meren zijn, zijn toevlucht neemt tot de geliefde godin
+Doda of Dodola, telkens als er een overmatig lange droogte heerscht.
+
+De Dodola is een zeer bijzondere godsdienstige plechtigheid. Gewoonlijk
+wordt een Zigeunermeisje ontkleed en dan dicht omwikkeld met gras en
+bloemen, zoodat zij er bijna geheel onder verborgen is. Zij draagt
+een wijden krans van wilgentakken, doorweven met wilde bloemen om
+haar middel en heupen en in dit fantastisch gewaad moet zij in het
+dorp dansende van huis tot huis gaan, terwijl elke huisvrouw een
+emmer water over haar uitstort en degenen, die haar vergezellen een
+lied zingen, dat tot refrein heeft: Oy Dodo, oy Dodole.
+
+
+
+ Val, o regen! en lieflijke dauw!
+ Oy, Dodo! Oy Dodole!
+ Verfrisch onze weiden en akkers!
+ Oy, Dodo! Oy Dodole!
+
+
+
+In elken volgenden regel wordt telkens voor een andere graansoort
+of een andere plant aan Doda gesmeekt er spoedig regen op te doen
+vallen. Dan geven de vrouwen van de kleine hoeven haar geschenken,
+hetzij voedsel of geld; en de meisjes zingen andere liederen voor haar,
+altijd in hetzelfde rhytme, bedanken, bieden haar goede wenschen aan
+en vertrekken.
+
+
+
+
+
+De Pinksterdagen.
+
+
+Gedurende de Pinksterfeesten gaan ongeveer vijftien meisjes, meestal
+Christen-Zigeunerinnen, van wie een de Banierdraagster, een andere
+de koning en weer een andere de koningin (kralyitza) voorstelt,
+gesluierd en begeleid door een groot aantal eerejonkvrouwen van deur
+tot deur zingende en dansende het geheele dorp door. Haar liederen
+hebben betrekking op het huwelijk, de keuze van een man of vrouw, het
+geluk van het huwelijksleven, de zegen van het bezit van kinderen. Op
+elk vers van haar liederen volgt het refrein, Lado, oy, Lado-leh!,
+wat waarschijnlijk de naam is van de oude Slavonische God der Liefde.
+
+
+
+Palmzondag.
+
+
+In den winter, juist voor den vastentijd, wordt het groote feest
+ter eere van den Dood gevierd, waarbij allen plechtig hun gestorven
+bloedverwanten en vrienden herdenken en zoodra komt niet Palmzondag,
+of allen vereenigen zich in de viering van het nieuwe leven.
+
+Den voorafgaanden Zaterdag verzamelen de meisjes zich op een heuvel
+en dragen verzen voor over de Opstanding van Lazarus en op Zondag,
+voor zonsopgang, komen zij op de plaats samen, waar zij water putten
+en dan voeren ze haar landelijke dansen (kollo) uit, terwijl zij
+daarbij een lied zingen waarin o.a. wordt meegedeeld, dat het water
+dof wordt door het gewei van een damhert en helder door zijn oog [25].
+
+
+
+St. George's Dag.
+
+
+Met St. George's Dag, 23 April (Dyourdyev Dan), lang voordat de
+dag aanbreekt, staan al de leden van een Servisch gezin op en nemen
+een bad in het water, waarin den vorigen dag voor zonsondergang een
+aantal grassen en bloemen zijn geworpen--waarvan elk zijn bijzondere
+beteekenis heeft. Van hem, die niet tijdig opstaat en door de zon in
+bed wordt verrast, wordt gezegd, dat hij in ongenade is gevallen bij
+St. George en dientengevolge maar weinig of geen geluk zat hebben,
+bij al wat hij in de eerstvolgende maanden onderneemt.
+
+Men ziet in deze plechtigheid een bewijs, dat de Servische boeren
+daarmee hun onafhankelijkheid van de verschillende invloeden der
+opnieuw ontwakende natuur verzinnelijken.
+
+Ieder, die hun volksgewoonten bestudeert, zal opmerken, dat elk
+jaargetijde op zijn beurt de Serviërs noopt, wat bij een eenvoudig
+primitief volk ook zeer begrijpelijk is, om ceremoniën in acht te
+nemen, die wijzen op de geheimzinnige betrekking, waarin de mensch
+tot de natuur staat.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III. SERVISCHE NATIONALE EPISCHE POËZIE.
+
+
+
+De belangrijkheid van de balladen.
+
+
+Dat het Servische volk--als Slavische en christelijke
+nationaliteit--niet geheel bezweek onder den Ottomaanschen onderdrukker
+en dat de zuidelijke Slaven na bijna vijf eeuwen van onderwerping
+aan den Turk nog een diep besef behouden hadden van hun nationale
+idealen, is voornamelijk te danken aan de Servische nationale poëzie,
+die in het hart der Balkan-Christenen een diepen haat tegen den Turk
+levendig heeft gehouden en onder de onderdrukte Serviërs de herinnering
+levendig hield aan gemeenschappelijk ondernomen pogingen van verzet,
+welke de nederlaag van den Turk op de slagvelden van Koumanovo,
+Monastir, Prilip, Prizrend, Kirk-Kilisse en Scoetari ten gevolge had.
+
+Wie heeft deze gedichten geschreven? Wij zouden even goed kunnen
+vragen, wie is de schrijver van den Ilias en de Odyssee?
+
+Indien Homerus het collectieve pseudoniem is voor een geheele reeks
+van Helleensche nationale dichters, dan is "het Servische volk" dat
+van de nationale dichters, die Servische epische gedichten door de
+eeuwen heen zongen en voor wie het onverschillig was, of hun naam aan
+hun schepping verbonden werd. De taak van de geleerde Diascevastes uit
+de eeuw van Pisistratus, welke zij met zooveel bekwaamheid vervulden
+in het oude Hellas, is in Servië in het begin der negentiende eeuw
+ondernomen door een boer, die zich zelf had gevormd, den beroemden
+Vouk Stephanovitch-Karadgitch.
+
+De eerste verzameling van Servische nationale gedichten, die hij
+neerschreef, zooals hij ze opving van de lippen der gousslari
+(Servische nationale barden) werd voor het eerst in 1814 te
+Weenen uitgegeven en niet alleen gretig gelezen in Servië en in de
+letterkundige kringen van Oostenrijk en Duitschland, maar ook in
+andere deelen van Europa. Goethe zelf vertaalde een der balladen en
+zijn voorbeeld werd weldra gevolgd door anderen.
+
+Deze gedichten--gelijk ook uit de voorbeelden in dit boek
+blijkt--blijven stilstaan bij den roem van het middeleeuwsche Servische
+rijk, die verloren ging op het noodlottige slagveld van Kossovo (1389).
+
+Toen de Turken de Servische landen onderwierpen en de bloem der
+Servische aristocratie verdreef, vonden deze mannen een toevlucht in
+de kloosters en dorpen, waar de Turksche ruiterij nooit kwam. Daar
+konden zij gedurende eeuwen ongestoord blijven, bezield door de
+welsprekendheid der Servische monniken, die het als hun plicht
+beschouwden voor het volk achter hun oude muren de herinnering te
+bewaren aan oude koningen en tzaren en aan het roemrijk verleden,
+waarin zij op het toppunt van hun macht stonden.
+
+Beroepsbarden trokken van het eene dorp naar het andere, in eenvoudige,
+tienlettergrepige verzen de daden bezingend van Servische helden en
+Haïdooks (roofridders), de eenigen, die nog weerstand boden aan de
+Turksche wreedheden. De barden brachten nieuws rond van politieke en
+andere belangrijke gebeurtenissen, dikwijls meer of minder misvormd, en
+de begaafde Serviërs--want begaafd waren zij en zijn zij nog--vonden
+het niet moeilijk zich het verhaalde later te herinneren en aan
+anderen de geschiedenis weer over te brengen, die hun in dichterlijken
+vorm was meegedeeld. Daar het rhytme van de gedichten gemakkelijk
+is, en de nationale balladen doortrokken waren van den geest, die
+elken waren Serviër bezielt, gebeurt het niet zelden, dat een boer,
+die eens een gedicht heeft gehoord, niet alleen dat kan herhalen,
+zooals hij het gehoord heeft, maar ook passages improviseert, ja,
+hij kan soms zelfs geheel oorspronkelijke balladen samenstellen.
+
+In Servisch Hongarije zijn scholen, waar de blinden deze nationale
+balladen leeren en van de eene jaarmarkt naar de andere trekken,
+om ze voor te dragen voor de boeren, die daar uit verschillende
+Servische landen samenkomen. Maar dit is niet de ware methode. In
+de bergen van Servië, Montenegro, Bosnië en Herzegovina bestaat
+er geen gelegenheid ze werktuigelijk te leeren; zij zijn aan allen
+van kindsbeen af bekend. Indien in den winteravond de leden van een
+Servische familie rondom het vuur zijn verzameld en de vrouwen spinnen,
+dan worden er gedichten opgezegd door hen, die ze het best kennen.
+
+
+
+De Goussle.
+
+
+De balladen worden onveranderd opgezegd onder begeleiding van een
+primitief instrument met één snaar, een _goussle_ genaamd, dat in
+bijna elke woning wordt aangetroffen. De populaire Servische dichter
+Peter Petrovitch liet ons in zijn meesterwerk _Gorsky Viyenatz_
+("De Bergkrans") de volgende regels na, die een spreekwoordelijke
+bekendheid hebben gekregen.
+
+
+ Dye se goussle u kutyi ne tchuyu
+ Tu su mrtva i kutya i lyoudi.
+
+ (Het huis, waarin de goussle niet wordt gehoord,
+ Is dood, en eveneens de menschen, die er wonen.)
+
+
+De oude mannen met volwassen zonen, die geen harden arbeid behoeven
+te doen, zeggen de verzen voor hun kleinkinderen op, welke behagen
+scheppen in de rhythmische poëzie, waaruit zij kennis putten van het
+verleden. Zelfs de abten van de kloosters achten het niet beneden
+zich deze balladen voor te dragen en hun zang te begeleiden met de
+eentonige klanken van de goussle. Maar de uitvoering draagt meer het
+karakter van een voordracht dan van een lied. De snaar wordt slechts
+aan het eind van elk vers even geraakt. In enkele deelen van Servië
+echter wordt op elke lettergreep den nadruk gelegd door een streek met
+den strijkstok te doen en de laatste lettergreep wordt wat uitgehaald.
+
+Deze epische tienlettergrepige versregels bestaan altijd uit vijf
+trochaeën; steeds met een rust na den tweeden voet; en bijna elke
+regel is op zich zelf een volledige zin.
+
+Er is nauwelijks een herberg of wijnhuis in eenig Servisch dorp, waar
+boeren te zamen komen zonder een goussle-speler, om wien zij zich
+vereenigen en naar wiens voordrachten zij met genot luisteren. Bij
+de feesten in de omgeving der kloosters, waar de boeren in grooten
+getale samenkomen, dragen beroepsgousslars heldenzangen voor en
+doen daarbij in sommige passages hun gevoel zoo krachtig spreken,
+dat er ternauwernood een toehoorder is, wiens wangen niet rijkelijk
+bedauwd zijn van tranen. De muziek is buitengewoon eenvoudig, maar
+de eenvoud er van vormt een machtig en indrukwekkend contrast met den
+overvloed van romantiek, die uit de heldendaden van den een of anderen
+lievelingsheld spreekt--van den koninklijke Prins Marko bijvoorbeeld.
+
+Er zijn vele stoute overdrijvingen in deze nationale liederen en het is
+niet te verwonderen, dat zij door Westersche critici onderschat werden,
+wat vooral het geval was met de balladen, waarin de heldendaden van
+den geliefden Marko bezongen worden--die "zijn zwaren staf omhoog
+werpt, zoo hoog, dat hij de wolken raakt, en weer opvangt in zijn
+rechterhand, zonder van zijn trouw strijdros Sharatz af te stijgen".
+
+Het kan zijn, dat de lezer nu en dan op een passage stuit, die hem
+wat ruw toeschijnt, maar hij moet bedenken, dat de balladen gewoonlijk
+door eenvoudige, ongeletterde boeren van geslacht tot geslacht werden
+overgedragen. De meeste van die, welke de daden van den koninklijken
+Prins Marko tot onderwerp hebben, dateeren uit het begin der veertiende
+eeuw, toen de gewoonten, zelfs in Westelijk Europa nog al afweken
+van die, welke nu heerschen. Mijn vertalingen zijn echter zorgvuldig
+herzien door mevrouw C. H. Farnam, die groote belangstelling voor het
+werk koesterde en beproefd heeft het oorspronkelijke tot zijn recht te
+laten komen, ook daar, waar het ons wat ruw voorkomt. Nadat zij eenigen
+tijd in Servië had doorgebracht--zooals vele edele Engelsche vrouwen
+gedaan hebben--de gewonde helden van den Balkan-oorlog verplegende en
+hun pijnen met onuitsprekelijke teederheid en toewijding verzachtende,
+voelde zij zich aangetrokken tot het natuurlijke, aangeboren gevoel
+van eerlijkheid en tot den moed, die haar beschaafden geest in deze
+eenvoudige Serviërs opviel en sedert strekte zich haar belangstelling
+ook uit tot hun geschiedenis en letterkunde. Het is opmerkenswaard,
+dat de geschiedenis van de Servische en andere Zuid-slavische volken,
+ontwikkeld als ze is door hun poëzie--zoo al niet er geheel door
+vervangen--daardoor nationaal eigendom is geworden, en zóó in de
+herinnering van het geheele volk voortleeft, dat een reiziger uit
+het Westen verbaasd moet zijn, als hij zelfs den meest onwetenden
+Servische boer hoort vertellen van de oude koningen en tsaren, van
+de roemrijke dynastie van Nemagnitch en van de daden der nationale
+helden uit alle tijdperken.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV. KRALYEVITCH MARKO; OF DE KONINKLIJKE PRINS MARKO.
+
+
+
+De Marko Legenden.
+
+
+Marko was, zooals wij reeds gezien hebben, de zoon van koning
+Voukashin; zijn moeder was koningin Helene, die de Servische
+troubadours in hun liederen en gedichten den liefelijken, dichterlijken
+naam Yevrossima (Euphrosyne) gaven.
+
+Volgens de overlevering was de prins geboren in het kasteel van Skadar
+(Scoetari) en zijn moeder, die de zuster was van den meest roemruchten
+en vermetelen aller ridders, Momtchilo, droeg op haar zoon gelukkig
+veel van diens heldenmoed en veel van zijn andere deugden over.
+
+Maar er is ook een andere legende, die even populair is, en daarin
+wordt beweerd, dat Marko het kind was van een veela (feeën-koningin)
+en van een Zmay (een draak). Zij, die hem deze laatstgenoemde afkomst
+toeschrijven, verklaren daaruit Marko's geweldige kracht, die hij
+dan van zijn vader, den draak, geërfd moet hebben; eveneens wordt
+daarmee zijn fabelachtig uithoudingsvermogen aannemelijk gemaakt.
+
+In elk geval moet Prins Marko een buitengewoon aantrekkelijke
+persoonlijkheid geweest zijn; hij maakte zulk een levendigen indruk
+op het gemoed van het Servische volk van allen rang en stand, dat
+hij altijd geweest is, tot heden kon blijven en vermoedelijk ook in
+de toekomst wel blijven zal onze meest geliefde held. Ja, er is geen
+Serviër te vinden, zelfs niet in de verst verwijderde districten,
+die geen groote liefde koestert voor Kralyevitch Marko en die u zijn
+geschiedenis niet kan vertellen.
+
+De heldendaden van dezen dapperen prins zijn gelukkig vereeuwigd door
+de nationale barden, die zich allen beijveren hem in hun balladen
+en legenden te beschrijven als een, die het recht lief had en alle
+onderdrukking haatte en de wreker was van alle onrecht. Hij wordt
+zonder uitzondering voorgesteld als iemand van groote lichamelijke
+kracht; zijn voornaamste wapen was zijn zware oorlogsknuppel,
+die honderd pond woog, zestig pond staal en dertig pond zilver,
+het overige was zuiver goud. Hierbij heeft men te bedenken, dat de
+zwaarden en knuppels, die slechts door de menschelijke handen van
+zijn tegenstanders worden gezwaaid, hem nooit kunnen dooden, zij
+kwetsen hem evenmin, en kunnen dezen held ternauwernood raken. Hij
+is in haast alle legenden een bovennatuurlijke persoonlijkheid.
+
+Marko, die zich dikwijls ruw en overijld gedroeg, in het bijzonder
+tegenover de Turken, wiens sultan hij zelfs geweldig ontstelde
+met de verhalen, die hij hem deed van zijn vele bloeddorstige en
+oorlogzuchtige daden, is toch overal, waar daar melding van gemaakt
+wordt, een zeer gehoorzame, liefhebbende en teergevoelige zoon voor
+zijn moeder; en er waren gelegenheden, waarbij hij haar raadpleegde
+en haar raad opvolgde.
+
+Prins Marko was onbevreesd.
+
+Er werd gezegd, dat hij niemand vreesde dan God; en van nature was hij
+een hoffelijk man jegens vrouwen. In Servië is het de gewoonte veel
+wijn te drinken, dien rooden wijn, waarvan wij zoo dikwijls hooren;
+en deze gewoonte hield ook Marko in eere; maar er wordt altijd gezegd,
+en algemeen geloofd, dat hij nooit dronken werd.
+
+De balladen bezingen ook koning Voukashin; Voukashin was gedurende de
+regeering van Doushan den Machtige Staatsraad geweest. De hoofdstad
+van het rijk was Prizrend en Marko werd toen door zijn vader aan het
+hof grootgebracht. Algemeen wordt verondersteld, dat Marko eenigen
+tijd later den Keizer als secretaris en staatsraad bijstond en door
+Doushan, toen deze zijn einde voelde naderen, met de zorg over zijn
+jongen zoon Ourosh werd belast.
+
+
+
+De trouweloosheid van Voukashin.
+
+
+Een ballade verhaalt, dat keizer Doushan de kroon had vermaakt
+aan Voukashin en bij zijn laatsten wil had bepaald, dat die vorst
+gedurende zeven jaar zou regeeren, doch dat hij na verloop van dien
+tijd de regeering zou overdragen aan den tsarevitsch Ourosh. Niet
+alleen verlengde koning Voukashin eigenmachtig zijn regeering tot
+zestien jaar, maar ook toen weigerde hij beslist den schepter neer te
+leggen en wat meer zegt: hij riep zich zelf tot Tsaar uit. De ballade
+beschrijft verder de onophoudelijke binnenlandsche beroeringen,
+die den val van den Servischen Middeleeuwschen Staat verhaastten. En
+zoo komt zelfs in de legende de rechtmatige toorn van het volk tegen
+de rebellen tot uiting en een jammerklacht over den ondergang van
+het tsarenrijk, wanneer door de overlevering op Voukashin de blaam
+en den vloek geworpen wordt van een overweldiger en verrader; hij
+wordt verfoeid om zijn listigheid en trouweloosheid, terwijl zijn
+zoon Marko als de getrouwe verdediger van Prins Ourosh, verheerlijkt
+wordt. Deze is de groote wreker van het onrecht, waaronder de geheele
+natie gebukt gaat en men prijst hem steeds om zijn goed hart, zijn
+verdraagzaamheid in politieke en particuliere aangelegenheden, zijn
+menschelijkheid en bovenal, omdat hij steeds bereid was den strijd
+aan te binden voor de zaak van het recht.
+
+
+
+Het paard Sharatz.
+
+
+Aan de geschiedenis van Marko dient vooraf te gaan een beschrijving
+van Sharatz, zijn zeer geliefd, gevlekt strijdros, waarvan hij nooit
+scheidde.
+
+Sharatz is zonder twijfel ongeëvenaard. Er zijn verschillende lezingen
+van de gebeurtenis, waarbij Marko in het bezit van hem kwam. Eenige
+barden verzekeren, dat Sharatz aan Marko werd gegeven door dezelfde
+veela, die hem van het begin af begiftigd had met zijn wonderbaarlijke
+kracht; maar er zijn anderen, die beweren, dat Marko eens een veulen
+kocht, dat aan melaatschheid leed, en dat door den Prins zelf verpleegd
+werd, zoodat het geheel genas. Hij leerde het wijn drinken en kweekte
+het op tot het prachtige dier, dat het werd.
+
+Weer anderen zeggen, dat Marko in zijn jeugd drie jaar lang een heer
+diende en dat hij als eenige belooning verzocht een keus te mogen
+doen uit de paarden, die toen in de weide graasden. Zijn heer stemde
+er volgaarne in toe en Marko onderzocht, zooals zijn gewoonte was,
+elk paard op zijn beurt door het bij den staart te nemen en rond
+te draaien.
+
+Eindelijk, toen hij bij een bont veulen kwam, greep hij het bij
+den staart; maar dit dier was niet in beweging te brengen en Marko
+kon het ondanks zijn grenzelooze kracht geen stap van zijn plaats
+krijgen. Marko koos dat veulen en het groeide op tot zijn geliefde
+Sharatz.
+
+De Serviërs van Veles noemen nog een groote vlakte bij Demir-Kapi
+"Markova Livada" (weide van Marko). Sharatz beteekent "gevlekt" en
+men beweert, dat de huid van Marko's paard meer op de huid van een
+os dan op die van een gewoon paard geleek.
+
+De Prins gaf hem verschillende lievelingsnamen als Sharin of Sharo
+en bleef gedurende de honderd en zestig jaren, die zij samen waren,
+innig aan hem gehecht.
+
+Dit merkwaardige dier was het snelste en sterkste paard, waarvan
+ooit iemand gehoord heeft en dikwijls slaagde het er in de vliegende
+veela te achterhalen. Het was zoo goed afgericht, dat het steeds
+het juiste oogenblik wist te kiezen, waarop het moest knielen, om
+zijn meester voor een lansstoot van zijn tegenstander te redden. Het
+wist precies, hoe het 't ros van den tegenstander met zijn voorpooten
+kon raken. Indien hij er lust in had, kon Sharatz zoo hoog springen
+als de lengte van drie lansen en over een afstand van vier lansen;
+onder zijn hoeven sprongen glinsterende vonken en de aarde, waarop
+hij trad, kraakte en stukken vlogen in alle richtingen; uit zijn
+neusgaten kwam een trillende, blauwe vlam, ontstellend voor allen,
+die het zagen. Hij beet vijandelijke paarden vaak de ooren af en in
+zijn leven verpletterde en vermorselde hij een groot aantal Turksche
+soldaten. Marko kon gerust dommelen en soms zelfs gaan slapen, indien
+hij door de bergen reed; al den tijd was hij veilig, want Sharatz
+hield zorgvuldig de wacht. Daarom voederde de Prins zijn strijdros met
+brood en wijn uit het vaatwerk, dat hij zelf gebruikte en hij hield
+meer van hem dan van zijn eigen broer; en Sharatz deelde, zooals hem
+ook toekwam, den roem van menige overwinning met zijn heer. Marko
+reed nooit op een ander paard en samen worden zij beschreven als
+"een draak rijdende op een draak."
+
+Er zijn ongeveer acht en dertig gedichten en misschien tweemaal zooveel
+legenden in proza, die een uitvoerige beschrijving geven van Marko's
+indrukwekkende heldenfeiten, en er is nauwelijks een Serviër of een
+Bulgaar te vinden, die er niet althans eenige van kan voordragen. In
+den oorlog van Turkije tegen de Balkanstaten, 1912-1913 nam een
+gouslar, indien hij niet moest vechten, zijn gousle [26] en droeg
+zijn makkers heldendichten voor, waarvan het grootste deel op Marko
+betrekking had. De innige vereering, die de Serviërs dezen geliefden
+Prins toedragen, blijkt een vaste band te zijn tusschen degenen, die
+nog in Servië zelf wonen en hen, die naar allerlei andere landstreken
+verhuisd zijn.
+
+Er zijn natuurlijk verschillende verhalen over den dood van Marko. De
+in eenige legenden vervatte overlevering, die het meest tot zijn
+landgenooten heeft gesproken en hun dichterlijke verbeelding bijzonder
+heeft getroffen, is deze, dat hij nooit stierf. Velen gelooven nog,
+dat hij zich terugtrok in een hol bij zijn kasteel te Prilip, dat
+nog bestaat, om daar te rusten en dat hij daar nu slaapt. Nu en dan
+ontwaakt hij, om te zien, of zijn zwaard al uit de rots is gekomen,
+waar hij het tot het gevest in heeft gestooten. Als het zwaard uit
+de rots is, zal dit voor Marko het teeken zijn, dat het oogenblik
+is aangebroken, om weer onder de Serviërs te verschijnen en het
+Middeleeuwsche keizerrijk te herstellen, dat bij den slag van Kossovo
+[27] verloren ging.
+
+Wat Sharatz betreft, hij eet nog steeds, maar zijn voorraad hooi is
+bijna op.
+
+
+
+
+Prins Marko vertelt van wien het Keizerrijk zal zijn.
+
+
+Vier tabors [28] ontmoetten elkaar op de prachtige vlakte van Kossovo
+bij de witte kerk van Samodrezja [29]. Een leger werd aangevoerd door
+koning Voukashin; het tweede door den despoot [30] Ouglesha; het derde
+door voïvode Goyko en het vierde door tsarevitch Ourosh. De eerste drie
+betwistten elkaar de erfenis van het rijk en waren gereed elkaar te
+doorsteken, zoo vurig verlangden zij er allen naar te regeeren. Zij
+wisten niet, wie aangewezen was als de opvolger van den tsaar en
+wie dus de rechtmatige erfgenaam van den troon was. Koning Voukashin
+verklaarde: "Het keizerrijk werd aan mij nagelaten!" Voïvode Goyko
+riep uit: "Neen! Het keizerrijk behoort mij", en de despoot Ouglesha
+viel toornig in: "Beiden vergist gij u, want weet, dat het rijk _mij_
+toebehoort".
+
+De jeugdige tzarevitch bleef zwijgen, want hij was niet vrijmoedig
+genoeg om in tegenwoordigheid van zijn hooghartige meerderen in jaren
+een enkel woord te zeggen.
+
+Koning Voukashin liet door een getrouw dienaar den aartsbisschop
+Nedelyko van Prizrend naar de vlakte van Kossovo ontbieden om te
+zeggen, wie de rechtmatige heerscher over het rijk was--want hij
+moest het weten, daar hij den roemruchten tsaar Doushan den Machtige
+de laatste biecht had afgenomen en tot zijn laatsten snik bij hem was
+gebleven. Bovendien wist men, dat de aartsbisschop het archief onder
+zijn berusting had en dus in staat zou zijn het testament van den
+keizer te toonen. Ook de despoot liet door zijn vlugsten boodschapper
+een brief naar den aartsbisschop brengen; een derde werd geschreven
+door voïvode Goyoko, die de bezorging opdroeg aan zijn specialen
+koerier en een vierde werd geschreven en verzonden door Ourosh.
+
+Dit geschiedde alles in het geheim, maar de koeriers bereikten
+gelijktijdig Prizrend en ontmoetten elkaar aan de poorten van
+Nedelyko's woning. Nedelyko was juist bezig den ochtenddienst in de
+kathedraal te leiden. De mannen waren woedend over het oponthoud en
+zonder zelfs van hun paarden te stijgen, stormden zij als razenden
+het heilige gebouw binnen, hieven hun karwats op en sloegen zelfs
+den goeden aartsbisschop, terwijl zij hem toevoegden:
+
+"Hoor, o aartsbisschop Nedelyko! Spoed u onmiddellijk naar de vlakte
+van Kossovo. Gij moet zeggen, wien het rijk toebehoort, want gij
+hebt de biecht ontvangen van den roemruchten tsaar en hebt hem het
+laatste sacrament toegediend, en gij zijt het ook, die de registers
+van den staat onder uw berusting hebt. Haast u, haast u, opdat wij
+u niet van ongeduld het hoofd van het lichaam scheiden!"
+
+Aartsbisschop Nedelyko weende van smart bij de grievende vernedering en
+antwoordde aldus: "Scheert u weg, gij dienstknechten van zeer machtige
+vorsten! Scheert u weg uit het huis Gods! Eerst zal ik den dienst Gods
+beëindigen, en dan bekend maken in wiens handen het rijk moet komen!"
+
+Daarna gingen de boodschappers naar buiten. Spoedig kwam de
+aartsbisschop en sprak hen op de volgende wijze toe: "O mijn kinderen,
+boodschappers van den koning zelf en van de prinsen! Ik ontving de
+laatste biecht van den doorluchten tsaar en diende hem de sacramenten
+toe; maar over het keizerrijk of de aangelegenheden van den staat
+sprak hij geen woord, want wij waren slechts vervuld van de zonden, die
+hij had bedreven. Gij moet naar de stad Prilip gaan, want daar is het
+kasteel van den koninklijken Prins Marko--Gij weet, dat Marko van mij
+lezen en schrijven leerde; later was hij secretaris van den keizer en
+toen werd hem de zorg toevertrouwd over de registers en hij zal zeker
+weten, wien de regeering over het keizerrijk is opgedragen. Roept Marko
+naar de vlakte van Kossovo, opdat hij zegt, wie nu tsaar is. Marko
+zal de waarheid zeggen, want hij vreest niemand dan God!"
+
+
+
+Marko wordt geroepen.
+
+
+De boodschappers begaven zich dadelijk op weg en sloegen, toen zij
+te Prilip kwamen, tegen de deuren van het kasteel. Het geklop werd
+gehoord door Yevrossima en zij sprak aldus tegen haar zoon: "O, Marko,
+mijn liefste zoon, wie kloppen daar beneden tegen de poorten? Het is
+mogelijk, dat het boodschappers zijn van uw vader!"
+
+Marko beval de poorten te openen en toen de boodschappers binnen
+traden, bogen zij met grooten eerbied en zeiden: "Dat God steeds met
+u zij, o, edele heer Marko!"
+
+De Prins legde vriendelijk zijn hand op hun hoofd en sprak: "Weest
+welkom, mijn kinderen! Zijn de Servische ridders welvarend? En is
+alles wel met den doorluchten tsaar en koning?"
+
+De koeriers negen weer onderdanig en zeiden: "O, edele heer, zeer
+koninklijke Prins Marko. Allen zijn welvarend, ofschoon wij vreezen
+op geen goeden voet met elkaar! De koning, uw vader, en de prinsen
+twisten ernstig om het keizerrijk op de vlakte van Kossovo, dat
+uitgestrekte veld bij de kerk Samodrezja; zij staan elk oogenblik op
+het punt elkaar met hun zwaarden te doorsteken, want zij weten niet
+aan wien het keizerrijk rechtens toekomt. Gij, o edele Prins, wordt
+nu opgeroepen om den erfgenaam van de keizerlijke troon aan te wijzen."
+
+De bard vertelt dan verder, hoe Marko naar Yevrossima ging en haar
+raad vroeg en ofschoon het algemeen bekend was, dat Marko zelf de
+waarheid liefhad, smeekte zijn goede moeder hem met de volgende
+woorden: "O, Marko, eenige zoon van je moeder! Dat op het voedsel,
+waarmede gij werdt gevoed geen vloek ruste! Spreek geen onwaarheid,
+noch om je vader aangenaam te zijn, noch om aan de eerzucht van je
+ooms te voldoen; maar zeg, ik smeek het je, de waarheid voor God,
+opdat ge uw ziel niet verliest. Het zou beter zijn om te komen,
+dan te zondigen tegen je ziel!"
+
+Marko nam de verzegelde documenten, besteeg Sharatz en reed naar
+de vlakte van Kossovo. Toen hij de tent van zijn vader naderde,
+zag koning Voukashin hem en riep uit:
+
+"O, wat ben ik gelukkig! Hier is mijn zoon Marko; hij zal zeggen,
+dat het rijk mij werd toegewezen, want natuurlijk weet hij, dat het
+overgaat van vader op zoon!"
+
+Marko hoorde dit, maar zei geen enkel woord, en wilde zelfs zijn
+hoofd niet naar de tent des konings wenden.
+
+Toen de despoot Ouglesha Marko zag, sprak hij aldus: "O, hoe gelukkig
+voor mij! hier is mijn neef Marko; hij zal ongetwijfeld zeggen, dat
+het rijk mij toebehoort. Wij zouden samen regeeren als broeders!" Nog
+steeds bleef Marko zwijgen en wendde zijn hoofd zelfs niet in de
+richting van de tent van zijn oom.
+
+Toen voïvode Goyko zijn komst bemerkte, riep hij uit: "O, dat is een
+geluk voor mij! Daar is mijn lieve neef Marko; hij zal stellig zeggen,
+dat het rijk mij werd toevertrouwd. Toen Marko een klein kind was,
+had ik de gewoonte hem hartelijk te liefkoozen, want ik hield van
+hem als van een gouden appel en hij was mij altijd zeer dierbaar. Als
+ik te paard uitreed, nam ik Marko altijd mee. O Marko, beste Marko,
+gij moet zeggen, dat het rijk mij toekomt! In werkelijkheid zult gij
+het zijn, die als tsaar regeert en ik zal uw rechterhand zijn, steeds
+gereed u als uw raadsman terzijde te staan!" Marko zei nog steeds
+geen woord en zich houdende alsof hij voïvode Goyko geheel niet zag
+ging hij regelrecht naar de tent, waarin de tsarevitch Ourosh zich
+bevond en daar steeg hij van zijn Sharatz.
+
+Toen de jonge Ourosh hem zag, sprong hij op van het zijden kussen,
+waarop hij rustte en riep uit: "Hoera! Ziedaar mijn peetvader
+Marko! Hij zal ons nu zeggen, wie de ware tsaar is!" Zij omhelsden
+elkaar, vroegen naar elkaars gezondheid en namen op de rustbank plaats,
+waarvan Ourosh juist was opgestaan.
+
+
+
+
+
+Marko vertelt de waarheid.
+
+
+Eenige tijd verliep; de zon ging onder; de nacht verstreek; de
+ochtend daagde en de kerkklokken riepen allen op tot het doen van
+de ochtendgebeden. Na den dienst gingen de koning, de prinsen en de
+groote heeren naar het kerkhof, waar zij plaats namen aan tafels,
+suikerwerken aten en cognac dronken. Eindelijk sloeg Marko de oude
+documenten open en zei overluid:
+
+"O, mijn beste vader, gij koning Voukashin! Zijt gij ontevreden met uw
+koninkrijk? Dat het in een woestenij verandere, indien gij het zijt. O,
+dat gij een ander rijk kunt begeeren! En gij, mijn oom, despoot
+Ouglesha! Zijt gij niet tevreden binnen uw eigen grondgebied? Is het
+werkelijk te klein voor u, dat gij een rijk begeert, dat aan een ander
+toebehoort? Dat het uwe ook in een woestenij verandere! En gij, mijn
+oom, gij voïvode Goyko! Is uw hertogdom niet uitgestrekt genoeg voor
+u? Moge het ook een woestenij worden! O, dat ook gij streven durft
+naar een ander tsarenrijk! Ziet gij allen het niet en begrijpt gij het
+niet? Indien gij het niet ziet, moge dan, God u evenmin zien kan! Het
+staat duidelijk geschreven in deze registers, dat het keizerrijk aan
+Ourosh werd nagelaten. Van vader zal het overgaan op zoon. Aan dezen
+jongeling behoort nu de keizerlijke kroon van zijn voorouders. Het
+was Ourosh, die door onzen gestorven tsaar op zijn sterfdag tot zijn
+opvolger benoemd werd!" Toen koning Voukaskin dit vernam, sprong
+hij op, trok zijn gouden yatagan en zou zijn zoon er mee doorstoken
+hebben. De Prins vluchtte, achtervolgd door zijn vader, want het paste
+Marko niet, te vechten met zijn vader, om dien misschien doodelijk te
+treffen. Marko liep de kerk van Samodreza om; zijn vader zat hem vlak
+op de hielen, totdat zij driemaal de kerk waren om geweest en toen,
+op het oogenblik, dat Voukashin zijn zoon zou bereiken, sprak op eens
+een geheimzinnige stem van uit de kerk deze woorden:
+
+"Snel de kerk binnen o, gij koninklijke Prins Marko! Ziet ge niet,
+dat gij anders zult omkomen door de hand uws vaders, omdat gij de
+waarheid, die God zoo liefheeft, hebt gesproken?" Plotseling gingen
+de deuren van zelf open en Marko ging binnen; daarna sloten zij zich
+en plaatsten zich tusschen de beide mannen. Koning Youkashin begon
+heftig op de deuren te slaan met zijn korte zwaard, totdat hij zag,
+dat er bloed langs de balk begon te druppelen, waarna hij door berouw
+werd aangegrepen en zuchtte en berouwvol sprak: "Helaas! Ongelukkige
+man, die ik ben! O gij oneindige en hemelsche God! Hoor mij aan! Ik
+heb mijn zoon Marko gedood!" Maar de geheimzinnige stem in de kerk
+zei: "Hoor! Voukashin, gij machtig koning! Hoor, niet uw zoon Marko
+hebt gij gewond, maar gij hebt den engel van den waarachtigen God
+gekwetst." Deze woorden wekten des konings woede weer op en hij
+vloekte Marko met deze woorden: "O, Marko, mijn eenige zoon, dat God
+u doode! Dat niet het graf uw laatste rustplaats zij! Dat u geen zoon
+geboren worde, die na u komt! Dat ons geslacht met u eindige! En meer
+dan dit alles, dat uw ziel niet van uw lichaam scheide, voordat gij
+den Turk als vasal hebt gediend!"
+
+In deze bittere woorden werd Marko door den koning gevloekt, maar
+de nieuwe tsaar, Ourosh, zegende hem, zeggende: "O, mijn geliefde
+peetvader Marko! Dat God u steeds steune! Dat uw woord steeds
+geëerbiedigd en aangenomen worde door alle rechtvaardige mannen in
+de divan!" [31]
+
+
+
+Prins Marko en de Moorsche Hoofdman.
+
+
+Een groot en machtig Moorsch hoofdman had aan de kust van de zee een
+prachtig kasteel laten bouwen, dat twintig verdiepingen hoog was. Toen
+het geheel gereed was, liet hij de prachtigste ruiten in de ramen
+zetten; hij behing de kamers en hallen met de kostbaarste zijden en
+fluweelen stoffen en sprak toen bij zichzelf: "O, mijn Koula! [32]
+Waarom heb ik u opgericht, want er is niemand dan ik om met zachte
+schreden over deze zachte tapijten te gaan en door deze vensters naar
+de blauwe glinsterende zee te zien. Ik heb geen moeder, geen zuster
+en ik heb nog geen vrouw gevonden. Maar ik zal heen gaan en de dochter
+van den sultan ten huwelijk vragen. De sultan zal òf zijn dochter aan
+mij geven òf in een tweegevecht tegenover mij staan." En de daad bij
+het woord voegende schreef hij een brief aan den Sultan te Istamboel
+[33] van den volgenden inhoud:
+
+"O, Sire, ik heb een schoon kasteel gebouwd aan de kust van de
+azuren zee, maar tot nu toe heeft het geen meesteres, want ik heb
+geen vrouw. Daarom vraag ik u mij uw geliefde dochter te geven. Ik
+eisch dit zelfs, want als gij mij uw dochter niet geeft, weet dan,
+dat ge u hebt voor te bereiden op een ontmoeting, waarin we met het
+zwaard in de hand van aangezicht tot aangezicht tegenover elkaar
+zullen staan. Tot dezen strijd daag ik u bij dezen uit!"
+
+De brief bereikte den Sultan en zoodra deze hem gelezen had, liet hij
+onmiddellijk naar iemand uitzien, die de uitdaging in zijn plaats zou
+willen aannemen. Een ontzaglijke som gelds beloofde hij den ridder,
+die den Moor in het tweegevecht zou willen ontmoeten. Menig moedig
+man trok uit, om den Moor te bevechten, maar niet een keerde ooit
+naar Istamboel terug.
+
+Helaas, de Sultan bevond zich weldra in een zeer neteligen toestand,
+want al zijn beste strijders hadden hun leven gelaten door de hand
+van den hooghartigen Moor. Het ergste zou echter nog komen.
+
+De Moor doschte zich op zijn prachtigst uit, gespte zijn
+bewonderingswaardig zwaard om, zadelde zijn ros Bedevia, waarbij hij
+de zeven buikriemen bijzonder stevig bevestigde en gaf het een gouden
+trens. Aan een kant van het zadel hing hij zijn tent, die door zijn
+zwaarsten knots aan de andere zijde in evenwicht gehouden werd. Hij
+sprong als een bliksemstraal op zijn strijdros en zijn scherpe lans
+uitdagend voor zich houdend reed hij recht op Istamboel toe.
+
+Zoodra hij de muren van de vesting bereikte, sloeg hij zijn tent op,
+stak zijn lans stevig in de aarde, bond zijn Bedevia er aan vast en
+legde den inwoners dagelijks deze zware belasting op: een schaap,
+een geheel baksel witte brooden, een vaatje zuivere brandewijn, twee
+vaten roode wijn en een mooi meisje. Elk meisje verkocht hij voor
+veel geld in Talia, nadat zij zijn slavin was geweest en hem had
+gediend. Deze afpersing hield hij drie maanden vol, niemand durfde
+iets tegen hem te ondernemen. En toch had hij hiermee de maat zijner
+boosheid nog niet volgemeten.
+
+
+
+De intocht van den Moor.
+
+
+De inwoners van Istamboel stonden op zekeren dag verlamd van
+schrik, toen de hooghartige Moor, gezeten op zijn vurig ros,
+de stad binnenkwam. Hij ging naar het paleis en riep luid: "Hoor,
+Sultan! Voor het laatst vraag ik u: wilt gij mij uw dochter tot vrouw
+geven?" Toen hij geen antwoord kreeg, beukte hij zoo hevig met zijn
+knots tegen het paleis, dat het gebroken glas uit de ramen als regen
+naar beneden stroomde. Toen de Sultan zag, dat de Moor gemakkelijk op
+deze wijze het paleis zou kunnen verwoesten en zelfs de geheele stad,
+voelde hij zich diep ongelukkig, want hij wist, dat hem ten slotte
+geen andere keus zou overblijven dan den Moor zijn eenige dochter te
+geven. Ofschoon overweldigd van schaamte stemde hij er eindelijk in
+toe. Voldaan over dit succes vroeg de Moor vijftien dagen uitstel,
+voordat het huwelijk zou plaats hebben, opdat hij terug zou kunnen
+gaan naar zijn kasteel en de noodige voorbereidselen treffen.
+
+Toen de dochter van den Sultan van het in wanhoop genomen besluit
+van haar vader hoorde, gilde zij het uit en diep rampzalig riep zij:
+
+"Helaas! Aanschouw mijn verdriet, o Almachtige Allah! Is dit het gevolg
+er van, dat men allerwege mijn schoonheid prees? Voor een Moor? Zou het
+dan mogelijk zijn, dat een Moor een kus zal drukken op mijn gelaat?"
+
+
+
+De Droom van de Sultana.
+
+
+Dien nacht had de Sultana een vreemden droom, waarin haar een man
+verscheen, zeggende: "In het Servische rijk ligt een uitgestrekte
+vlakte, Kossovo; in die vlakte ligt een stad Prilip; en in die stad
+woont de koninklijke Prins Marko, welke overal bekend staat als een
+oprecht en groot held."
+
+De man sprak verder en gaf de Sultana den raad onverwijld een bode
+te zenden naar Prins Marko, om hem te verzoeken haar Zoon-in-God te
+worden, en hem tevens ontzaglijke rijkdommen te beloven. Want hij was
+zonder twijfel het eenige levende wezen, dat kans had den vreeselijken
+Moor te overwinnen en haar dochter te redden van haar schandelijk
+lot. Den volgenden morgen spoedde zij zich naar de vertrekken van den
+Sultan en vertelde hem haar droom. De Sultan schreef onmiddellijk een
+firman [34] en zond dien naar Prins Marko te Prilip. Hij smeekte hem
+zoo spoedig mogelijk naar Istamboel te reizen en de uitdaging van
+den Moor aan te nemen.
+
+Indien hij er inderdaad in slagen zou de prinses te redden, dan zou
+de Sultan hem drie tovars [35] ducaten van zuiver goud geven.
+
+Toen Marko de firman gelezen had, zei hij tegen den jeugdigen koerier
+van den Sultan, welke geboortig was uit Tartarije: "In naam van God,
+ga terug, gij boodschapper van den Sultan, en groet uw meester--mijn
+Vader-in-God--zeg hem, dat ik den Moor niet tegemoet durf treden. Wij
+weten immers allen, dat hij onoverwinnelijk is. Indien hij mijn
+hoofd doormidden kliefde, wat nut zouden mij dan drie tovars goud,
+of drie duizend tovars goud doen?"
+
+De jeugdige Tartaar bracht het antwoord van Marko over, dat de
+Sultana veel verdriet gaf, zoodat zij besloot hem zelf een brief te
+schrijven, waarin zij hem nog eens smeekte de uitdaging aan te nemen
+en de belooning verhoogde tot vijf tovars zuiver goud. Maar Marko,
+die gewoonlijk zoo ridderlijk en hoffelijk tegenover vrouwen was,
+bleef onverzettelijk en antwoordde, dat hij den strijd tegen den
+Moor niet aan zou binden, al werden hem al de schatten van den Sultan
+geschonken; want hij dorst niet.
+
+
+
+De Prinses doet een beroep op Marko.
+
+
+Toen de diepbedroefde bruid hoorde, welk antwoord Marko had gegeven,
+sprong zij op, nam een pen en een stuk papier, stak de pen in haar
+blozende wang en schreef met haar eigen bloed het volgende: "Heil u,
+mijn dierbare broeder-in-God, koninklijke Prins Marko! Wees een waar
+broeder voor mij! Dat God en de heilige Johannes onze getuigen zijn! Ik
+smeek u, laat niet toe, dat ik de vrouw van den Moor word! Ik beloof u
+zeven tovars van zuiver goud, zeven bochtchaluks, die noch geweven,
+noch gesponnen zijn, maar geborduurd met zuiver goud. Bovendien
+zal ik u een gouden schotel geven, versierd met een gouden slang,
+welker opgeheven kop een juweel van onschatbare waarde in den bek
+heeft, waarvan zulk een schitterend licht uitgaat, dat gij daarbij
+in het donkerst uur van den nacht even goed zult kunnen zien als
+op den middag. Hierbij zal ik u ten geschenke geven een schitterend
+bewerkte sabel; deze sabel heeft drie gevesten, alle van zuiver goud
+en in elk is een kostbare steen gezet. De sabel alleen is drie steden
+waard. Ik zal aan dit wapen het zegel van den Sultan hechten, zoodat
+de Groot-Vizier u nooit ter dood zal kunnen veroordeelen, zonder
+daartoe eerst het bevel van Zijne Majesteit te hebben ontvangen."
+
+Toen hij dezen brief had gelezen, dacht Marko lang na en schreef:
+"Helaas! o, mijn geliefde zuster-in-God! Het zou slechts tot mijn
+ongeluk zijn, als ik kwam om voor u te vechten en tot mijn nog grooter
+ongeluk, als ik wegbleef. Want ofschoon ik noch den Sultan, noch
+de Sultana vrees, vrees ik zeer zeker God en den heiligen Johannes,
+in wier naam gij mij hebt aangeroepen. Daarom besloot ik te komen,
+al weet ik, dat ik een zekeren dood te gemoet ga."
+
+
+
+Marko maakt zich gereed de Prinses te hulp te komen.
+
+
+Nadat hij den boodschapper van de prinses had weggezonden, zonder
+hem te zeggen, wat hij besloten was te doen, ging Marko zijn kasteel
+binnen, sloeg zijn mantel om en zette een muts van wolfsvacht op;
+daarna gordde hij zijn zwaard om, koos zijn scherpste lans, en ging
+naar de stallen. Tot meerder zekerheid maakte hij eigenhandig de zeven
+buikriemen onder het zadel van zijn Sharatz vast; daarna bevestigde
+hij een lederen flesch aan een zijde van zijn zadel en hing zijn
+zwaarste strijdknots aan den anderen kant. Nu was hij gereed; hij
+wierp zich op Sharatz en reed naar Istamboel.
+
+Toen hij de plaats van zijn bestemming bereikt had, ging hij niet zijn
+opwachting maken, noch bij den Sultan, noch bij den Groot-Vizier,
+maar nam kalm zijn intrek in een nieuw logement. Dienzelfden avond,
+kort na zonsondergang, leidde hij zijn paard naar een meer om het te
+drenken. Tot verbazing van zijn meester wilde Sharatz echter zelfs
+niets van het water proeven, maar hield zijn kop eerst naar rechts dan
+naar links, totdat Marko de nadering bemerkte van een Turksch meisje,
+bedekt met een langen, met goud geborduurden sluier.
+
+Toen zij den rand van het water bereikte, boog zij diep naar het meer,
+en zei overluid: "God zegene u, o schoon, groen meer! God zegene u,
+want gij zult voor altijd mijn tehuis zijn! In uw boezem zal ik
+voortaan wonen; nu moet ik sterven, o schoon meer; liever kies ik
+zulk een lot dan de bruid te worden van den wreeden Moor!"
+
+
+
+Marko groet de Prinses.
+
+
+Marko trad op het meisje toe en sprak haar aldus aan: "O gij ongelukkig
+Turksch meisje! In welke moeilijkheden bevindt ge u? Wat is het,
+dat u besluiten deed u zelf te verdrinken?"
+
+Zij antwoordde: "Laat mij met vrede, leelijke dervish, [36] waarom
+vraagt gij mij, als gij mij toch niet kunt helpen?"
+
+Toen deed het meisje het verhaal van haar aanstaand huwelijk met den
+Moorschen hoofdman, van de boodschappen, die naar Marko waren gezonden
+en eindelijk vloekte zij Marko in heftige woorden om de ongevoeligheid
+van zijn hart.
+
+Daarop sprak Marko: "O vloek mij niet, lieve zuster-in-God! Marko is
+hier en spreekt nu zelf tegen u!"
+
+Bij het hooren van deze woorden wendde het meisje zich tot den
+beroemden ridder, omhelsde hem en smeekte ernstig:
+
+"Om Gods wil, o, mijn broeder Marko! Laat niet toe, dat de Moor
+mij trouwt!"
+
+Marko was zeer getroffen en zei; "O, lieve zuster-in-God. Ik zweer, dat
+ik, zoolang mijn hoofd op mijn schouders blijft, nooit zal toelaten,
+dat de Moor u bezit. Vertel niet aan anderen, dat gij mij hier hebt
+gezien, maar verzoek den Sultan en uw moeder van avond een maal eten
+gereed te laten maken en naar het logement te brengen, en verzoek hun
+vooral mij overvloedig wijn te zenden. Intusschen zal ik de komst van
+den Moor in het logement afwachten. Als de Moor aan het paleis komt,
+moeten uw ouders hem welwillend ontvangen en zij moeten zoover gaan
+u aan hem over te geven, teneinde twist te voorkomen. Ik ken het
+eenige middel om u te verlossen, indien het de ware God moge behagen
+en indien mijn geluk en mijn kracht mij niet in den steek laten."
+
+De Prins keerde terug naar het logement en het meisje spoedde zich
+naar het paleis.
+
+Toen de Sultan en de Sultana hoorden, dat Marko gekomen was om hen te
+helpen, waren zij zeer getroost en lieten onmiddellijk een weelderig
+maal gereed maken om hem dat te zenden en zij voegden er goeden,
+rooden wijn in overvloed bij.
+
+Alle winkels waren gesloten in Istamboel en overal heerschte stilte,
+toen Marko in vrede den heerlijken wijn dronk. De waard van het
+logement kwam om zijn deuren en vensters te sluiten en toen Marko
+hem vroeg, waarom al de burgers dien dag zoo vroeg hun woningen
+sloten, antwoordde hij: "Op mijn woord, gij zijt hier waarlijk wel een
+vreemdeling! De Moorsche hoofdman heeft de dochter van onzen Sultan ten
+huwelijk gevraagd, en daar zij, tot onze schande, aan hem zal worden
+overgegeven, komt hij heden naar het paleis om haar te halen. En
+bevreesd voor den Moor als wij zijn, sluiten wij allen onze winkels."
+
+Maar Marko stond niet toe, dat de man de deur van het logement sloot,
+want hij wilde den Moor en zijn schitterenden stoet voorbij zien komen.
+
+
+
+De Moor in Istamboel.
+
+
+Op dat zelfde oogenblik, terwijl zij nog spraken, kon Marko het geraas
+hooren, waarmee de Moorsche hoofdman en zijn zwarte volgelingen, op
+zijn minst vijfhonderd in aantal en allen in glinsterende wapenrusting,
+de stad binnentrokken.
+
+De Moor had zijn Bedevia aangezet en deze draafde zoo vurig, dat de
+steenen, die zij met haar hoeven opwierp, in alle richtingen door
+de lucht suisden en ramen en deuren verbrijzelden van al de winkels,
+die zij voorbijging. Toen de cavalcade voor het logement kwam, dacht
+de Moor:
+
+"Bij Allah! Ik ben getroffen van verbazing en verwondering! De vensters
+en deuren van alle winkels in de geheele stad Istamboel zijn gesloten,
+zoo bevreesd is het volk voor mij, maar als ik goed zie, zijn de
+deuren van dit logement nog open. Er moet stellig niemand in zijn,
+anders is hij, die er verblijf houdt, een groote dwaas; het kan ook
+zijn, dat hij een vreemdeling is, en niet weet, welk een vreeselijk
+wezen ik ben." De Moor en zijn gevolg brachten dien nacht in tenten
+voor het paleis door.
+
+Den volgenden dag gaf de Sultan zijn dochter aan den Moorschen
+hoofdman met al de huwelijksgeschenken, die twaalf tovars wogen. Toen
+de huwelijksstoet het logement voorbijging, waar Marko vertoefde,
+merkte de Moor weer de geopende deur op, en dezen keer stuurde hij
+er Bedevia recht op af, om te zien, wie daar toch kon zijn.
+
+
+
+
+
+Sharatz en Bedevia.
+
+
+Marko zat op zijn gemak in de meest geriefelijke kamer, die de trots
+van het logement was; langzaam dronk hij den rooden wijn, waarvan hij
+zooveel hield. Hij dronk niet uit een gewonen drinkbeker, maar uit een
+schaal, die twaalf liter inhield. En telkens, als hij de schaal weer
+gevuld had, dronk hij slechts de helft, en gaf volgens gewoonte de
+andere helft aan zijn Sharatz. De Moor stond op het punt Marko aan te
+vallen, toen Sharatz hem den weg versperde en boosaardig naar Bedevia
+schopte. Toen de Moor zulk een onverwachten tegenstand ontmoette,
+wendde hij onverwijld zijn paard, om zich weer bij den stoet te voegen.
+
+Toen stond Marko op; keerde zijn mantel en muts binnenste buiten,
+waardoor hij op den eersten blik het ontstellende schouwspel bood van
+een wolf; daarna keek hij zijn wapenen en de buikriemen van Sharatz
+zorgvuldig na, sprong op zijn strijdros en galloppeerde den optocht
+na. Hij velde rechts en links de ruiters, totdat hij den dever en
+den tweeden getuige bereikte, welke hij beide doodde.
+
+Den Moorschen hoofdman werd onmiddellijk verteld van den vreemdeling,
+die zich midden door den stoet een weg had gebaand en wie hij had
+gedood, en ook, dat hij er niet uitzag als elk ander ridder, maar
+gekleed was in een wolfsvacht.
+
+
+
+Marko en de Moor.
+
+
+De Moor, die schrijlings op zijn Bedevia zat, zwenkte en sprak Marko
+aldus aan: "Het ongeluk heeft u dezen dag ingehaald, o vreemdeling! Gij
+moet door Satan hier heen gedreven zijn, om mijn gasten te verontrusten
+en zelfs mijn dever en tweeden getuige te dooden; gij moet òf een dwaas
+zijn, die niets weet van wat heden gebeurt, òf gij moet krankzinnig
+zijn geworden; maar misschien zijt gij het leven alleen moe! Op mijn
+woord, ik zal de teugels van mijn Bedevia inhouden, en zevenmaal over
+uw lichaam springen, daarna zal ik uw hoofd afslaan!"
+
+Daarop antwoordde Marko:
+
+"Houd op met deze leugentaal, o Moor! Indien God en mijn gewoon geluk
+mij nu slechts getrouw blijven, dan zult gij zelfs niet in staat
+zijn mij te naderen; dat gij uw voornemen ten uitvoer zoudt brengen
+en over mijn lichaam springen, kan ik mij zelfs niet voorstellen!"
+
+Maar ziet! De Moor hield zijn Bedevia in, gaf haar toen heftig
+de sporen, en werkelijk zou hij over Marko zijn gesprongen, indien
+Sharatz niet de goed getrainde vechter was, die hij was; onmiddellijk
+steigerde hij, waardoor zijn tegenstander tegen zijn voorpooten stiet
+en hij in staat was vlug het rechteroor van Bedevia af te bijten,
+zoodat het bloed over haar nek en borst gutste. Op deze wijze streden
+Marko en de Moor gedurende vier uur. Geen van beiden wilde toegeven
+en toen de Moor eindelijk zag, dat Marko hem zou overweldigen, wendde
+hij zijn paard, Bedevia, om en vluchtte langs de hoofdstraat van
+Istamboel weg. Marko joeg hem achterna. Maar Bedevia van den Moor
+was vlug als een veela van het woud en zou Sharatz zeker ontsnapt
+zijn, indien Marko zich niet plotseling zijn knots had herinnerd,
+die hij naar zijn tegenstander wierp, en waarmee hij hem tusschen
+de schouders raakte. De Moor viel van zijn paard en de Prins hieuw
+hem het hoofd van het lichaam. Daarna greep hij Bedevia, keerde naar
+de straat terug, waar hij de bruid had gelaten en vond haar tot zijn
+verbazing met haar twaalf tovars geschenken alleen op hem wachtende,
+want al de bruiloftsgasten en het gevolg van den Moorschen hoofdman
+waren in galop weggevlucht. Marko geleidde de Prinses terug naar den
+Sultan en wierp het hoofd van den Moorschen hoofdman voor zijn voeten.
+
+De held nam nu afscheid en begaf zich dadelijk op de terugreis naar
+Prilip. Den volgenden morgen ontving hij de zeven tovars goud, die hem
+beloofd waren, de vele kostbare geschenken, die de Prinses had opgesomd
+en eindelijk nog een dankbetuiging voor zijn bewonderingswaardige
+daden, waarin gezegd werd dat de rijke schatten aan goud, die zijn
+vader-in-God, den Sultan toebehoorden, steeds tot zijne beschikking
+stonden.
+
+
+
+Prins Marko maakt een einde aan de huwelijksschatting.
+
+
+Op zekeren morgen heel vroeg reed de koninklijke Prins Marko over de
+vlakte van Kossovo. Toen hij de rivier bereikte, kwam hij een meisje
+van Kossovo tegen en Marko groette haar op de in Servië gebruikelijke
+wijze: "Dat God u helpe, o meisje van Kossovo!"
+
+Het meisje boog zeer diep en antwoordde: "Heil u, onbekende ridder!"
+
+Marko sprak, nadat hij haar een poos had aangekeken: "Lieve zuster,
+gij meisje van Kossovo, gij zijt schoon, ofschoon gij wel wat jonger
+kondt zijn! Gij zijt slank, sterk en bevallig; uw wangen zien gezond,
+en gij hebt een aangenaam en waardig voorkomen. Maar helaas, lieve
+zuster, uw haar is grijs en staat u niet goed. Wie heeft u verdriet
+veroorzaakt? Zeg het mij. Zijt gij zelf de oorzaak of uw moeder of
+uw bejaarde vader."
+
+Het meisje stortte vele bittere tranen en tusschen haar snikken
+antwoordde zij Marko aldus: "O, lieve broeder, gij onbekende ridder! Ik
+zelf ben niet de oorzaak van mijn ongeluk en het is noch mijn moeder
+noch mijn vader, die zooveel verdriet over mij hebben gebracht;
+maar ik heb alle geluk verloren door de schuld van een Moor, die
+aan gene zijde van de zee woont. Hij heeft bezit genomen van de
+geheele vlakte van Kossovo, en heeft behalve andere afpersingen ook
+een vreeselijke belasting opgelegd van dertig ducaten, die door alle
+bruiden betaald moet worden en, vier en dertig door alle bruigoms,
+die huwen willen. Mijn broeders zijn arm en hebben niet het noodige
+geld om mijn belasting te betalen. Daardoor ben ik niet in staat mijn
+minnaar te huwen, en zoo is alle geluk van mij geweken. Barmhartige
+God, zou ik mij zelf niet van het leven benemen?"
+
+Daarop sprak Prins Marko: "Lieve zuster, gij meisje van Kossovo. Speel
+niet met uw leven;--laat al zulke gedachten varen, anders zult gij
+zonde op uw ziel laden! Vertel mij, waar het kasteel is, waar de
+Moorsche heer kan worden gevonden? Ik geloof, dat ik hem iets heb
+te zeggen!"
+
+Hierop antwoordde het meisje: "O, mijn broeder, gij onbekende
+ridder! Waarom vraagt gij naar zijn kasteel? Wat wenschte ik, dat
+het met den grond gelijk werd gemaakt. Misschien hebt gij een meisje
+naar uw hart gevonden en gaat gij nu de huwelijksbelasting betalen,
+of zijt gij de eenige zoon van uw lieve moeder? Ik vrees voor u,
+o broeder, want het kan zijn, dat gij daar omkomt en wat zou uw
+bedroefde en eenzame moeder dan doen?"
+
+Marko stak zijn hand in zijn zak, nam er een beurs uit en overhandigde
+die aan het meisje: "O, zuster, neem deze dertig ducaten, ga naar
+huis en wacht in vrede, totdat uw geluk u roept [37], maar wees zoo
+vriendelijk mij het kasteel van den Moor aan te wijzen, want ik ga
+hem uw huwelijksbelasting betalen!"
+
+Daarop sprak het meisje overweldigd door haar onverwacht geluk aldus:
+"Het is geen kasteel, maar het zijn tenten; dat zij alle vervloekt
+worden! Ziet gij daar niet op de vlakte die zijden vlag wapperen? Daar
+is het paviljoen van den Moor zelf. Daarom heen is een mooie tuin,
+dien hij heeft durven versieren met de hoofden van zeven en zeventig
+Christenhelden, en hij heeft veertig dienstknechten, die dag en nacht
+de wacht houden."
+
+
+
+Marko bezoekt den Moor.
+
+
+Nadat hij dit had vernomen, nam Marko afscheid van het meisje en reed
+naar de tenten. Hij zette zijn paard zoo krachtig aan, dat onder zijn
+hoeven levend vuur scheen op te spatten en uit zijn neusgaten blies een
+helder blauwe vlam. Krankzinnig van toorn reed Marko door het kamp. De
+tranen stroomden uit zijn oogen, die op de vlakte van Kossovo waren
+gericht, toen hij uitriep: "Helaas, o vlakte van Kossovo! O, te denken,
+dat gij dezen dag moest zien! En dat gij na de regeering van onzen
+grooten Keizer [38] getuige moet zijn van de tirannie van een Moor!
+
+"Kan ik zulke schande en smart langer dragen? O, dat het een Moor
+vergund werd u te verwoesten. Nu zal ik òf u wreken, òf omkomen!"
+
+De schildwachten bemerkten de komst van Marko en gingen hun heer
+waarschuwen: "O, heer, gij Moor! Een vreemd en woest held, die een
+gevlekt paard berijdt, nadert; en het is ongetwijfeld zijn plan ons
+aan te vallen."
+
+Maar de Moor antwoordde onverschillig: "O, mijn kinderen, gij veertig
+trouwe dienstknechten van mij, die held zal ons niet aanvallen. Hij
+brengt waarschijnlijk zijn huwelijksbelasting en daar het hem spijt
+afstand te doen van de som, die hij moet geven, zet hij zijn ros zoo
+ongeduldig aan. Gij deedt beter hem tegemoet te gaan en te verwelkomen;
+neemt hem zijn paard en wapenen af en wijst hem den weg naar mijn
+tent. Ik geef niet om zijn geld, maar ik heb lust zijn hoofd te
+klieven en zijn strijdros te behouden, dat mij goed aanstaat."
+
+De dienaren gingen heen om zijn bevel uit te voeren, maar toen zij
+Marko van nabij zagen, waren zij zoo ontsteld, dat zij hem niet onder
+de oogen dorsten komen. Zij vluchtten en verborgen zich achter hun
+hoofdman, terwijl zij hun yataghans bij het zien van Marko onder hun
+mantels verborgen.
+
+Toen de onstuimige Prins genaderd was, stapte hij voor de opening
+van de tent van zijn paard en sprak tot zijn getrouw paard: "Loop
+vrijelijk rond, mijn Sharatz, want ik ga deze tent binnen om den
+Moor te spreken; ga niet te ver van deze plek, want mogelijk zou ik
+je noodig kunnen hebben!" Toen ging Marko het paviljoen binnen.
+
+De Moorsche hoofdman zat afgekoelden wijn te drinken, die door een
+christen vrouw en een meisje ingeschonken werd. De Prins begroette den
+Moor: "Dat God u bijsta, mijn heer!" De Moorsche hoofdman antwoordde:
+"Heil u, onbekende ridder! Neem plaats, opdat wij samen wijn kunnen
+drinken, voordat gij mij vertelt, wat u naar hier heeft geleid!"
+
+Prins Marko antwoordde: "Ik heb geen tijd, om met u te drinken,
+maar ik ben hier gekomen met de bedoeling u te spreken. Ik heb een
+meisje naar mijn hart gevonden, mijn gasten wachten met hun paarden
+op eenigen afstand van hier, terwijl ik u mijn huwelijksbelasting
+betaal. Ik zal u dadelijk mijn goud geven, opdat niets meer mijn
+geluk in den weg sta. Zeg mij hoeveel ik moet betalen?"
+
+De Moor antwoordde heel vriendelijk: "Wel, dat hadt gij al lang dienen
+te weten: het zijn dertig ducaten voor bruiden en vier en dertig voor
+bruidegoms; maar daar gij een aanzienlijk ridder schijnt te zijn,
+zou het ons geen van beiden schaden, als gij mij rond honderd ducaten
+gaaft." Prins Marko nam drie ducaten uit zijn zak en legde die voor
+den hooghartigen Moor neer, zeggende: "Geloof mij, ik heb geen geld
+meer; ik zou dankbaar zijn, indien gij wildet wachten, totdat ik het
+huis van mijn bruid bereik, want daar zullen wij zeker veel rijke
+geschenken ontvangen. Ik zal u al de geschenken geven en alleen de
+bruid voor mijzelf behouden!"
+
+
+
+Marko betaalt voor allen.
+
+
+Daarop schreeuwde de machtige Moor verwoed: "Ik geef geen crediet,
+ellendeling! Gij zijt al te stoutmoedig door den gek met mij te
+steken!" Toen sprong hij op, hief zijn knots op en sloeg Marko drie
+of vier maal op de schouders.
+
+Marko zei glimlachend: "Heldhaftige Moor, slaat gij in ernst of doet
+gij het alleen voor de grap?"
+
+De Moor, die voortging met den aanval, siste: "Ik sla in ernst!"
+
+Weer glimlachte Marko en zei: "O, dan beklaag ik u. Indien gij met
+ernstige bedoeling slaat, weet dan, dat ik een knots heb. Ik zal u even
+dikwijls raken, als gij mij geslagen hebt, niet meer! Laten wij het tot
+een eerlijk gevecht maken!" Hiermede hief Marko zijn knots op en sloeg
+den Moor met zulk een kracht, dat hem het hoofd van de schouders viel!
+
+Hierover barstte Marko in lachen uit: "Barmhartige God, u zij dank!
+
+"Hoe snel was het hoofd van den Moorschen held afgeslagen! Het ligt
+voor mij, alsof het nooit op zijn schouders was geweest!"
+
+Hij haalde nu zijn zwaard uit de scheede en de lijfwachten van den Moor
+den een na den ander grijpend, hieuw hij hen het hoofd af, uitgezonderd
+vier, die hij in leven liet om het verhaal van hun meesters einde te
+doen aan allen, die de waarheid wenschten te hooren. Daarna nam hij
+de hoofden van de christenhelden en begroef ze zorgvuldig, opdat geen
+wolven en gieren hen zouden verslinden. Den vier overgebleven dienaren
+droeg hij op over de vlakte van Kossovo te gaan, van het noorden naar
+het zuiden, en van het oosten naar het westen en uit te roepen, dat
+voortaan alle meisjes en jongelingen vrij waren om te trouwen zonder
+de gehate belasting te betalen, want dat de koninklijke Prins Marko
+gekomen was om eens en voor goed voor allen te betalen.
+
+Toen de onderdrukte christenen het nieuws vernamen, vereenigden zich
+allen, zoowel ouden als jongen in den vreugdekreet: "Dat God den
+koninklijken Prins Marko een lang leven schenke! Want Marko heeft ons
+land bevrijd van een monster! Wij bidden God, dat zijn ziel gezuiverd
+moge worden van alle zonde."
+
+
+
+Prins Marko en Bogdan, de Bullebak.
+
+
+Vroeg in den morgen reden drie Servische ridders Kossovo uit; de een
+was Prins Marko van Prilip; de tweede was Relya van Bazar en de derde
+was Milosh van Potzerye. Zij waren op weg naar de zeekust, en hun weg
+leidde door de wijngaarden van Bogdan, den Bullebak. Relya van Bazar
+was een vroolijke, jonge ridder en hij joeg zijn paard steigerend
+door den wijngaard, waarbij hij eenige van de hooge wijnstokken,
+beladen met heerlijke trossen druiven, brak.
+
+Marko vermaande zijn vriend aldus: "Gij deedt beter dezen wijngaard met
+rust te laten, Relya! Indien gij slechts wist aan wien hij toebehoort,
+dan zoudt ge uw paard wel in bedwang houden: want deze bezittingen
+zijn van Bogdan, den Bullebak. Zelf heb ik eens door deze wijngaarden
+gereden; ik was toen jong, ook ik deed mijn Sharatz steigeren, zooals
+gij doet. Maar helaas! Ik werd door Bogdan opgemerkt, die op zijn
+slanke merrie Bedevia reed. Ik wist, dat ik verkeerd deed en daar
+de ware God geen schuldige mannen bijstaat, dorst ik hem niet te
+ontmoeten, maar vluchtte de rotsachtige kust op. Hij vervolgde mij,
+en indien ik mijn trouwe Sharatz niet had gehad, zou hij mij zeker
+hebben gegrepen. Dank zij Sharatz kon ik mij ten laatste echter
+steeds verder van hem verwijderen. Toen Bogdan zag, dat hij mij bij
+de snelheid waarmede ik voortjoeg, nooit zou kunnen inhalen, wierp
+hij mij zijn knots achterna en raakte mij precies met het handvat
+zoodat ik voorover op de ooren van mijn Sharatz viel en slechts met
+de grootste inspanning mijn plaats weer kon innemen. Hoe het zij,
+ik ontsnapte hem. Dit gebeurde ongeveer zeven jaar geleden, sinds
+dien ben ik dezen weg niet meer gegaan."
+
+Toen Marko dit zei, bemerkten de drie ridders in de verte een
+stofwolk, te midden waarvan zij Bogdan herkenden met twaalf bedienden
+te paard. Marko riep uit: "Luistert, mijn beide broeders-in-God! Hier
+is hij! En zeker zal hij ons alle drie dooden, indien wij niet zorgen
+te ontkomen."
+
+Hierop antwoordde Milosh van Potzerye: "O, mijn broeder-in-God,
+gij koninklijke Prins Marko! Het geheele volk gelooft, dat er geen
+grooter helden zijn dan wij, drie Servische ridders; het zou veel
+beter voor ons drieën zijn om te komen dan smadelijk te vluchten!"
+
+Toen Marko dit hoorde, zei hij: "Luistert naar mij, mijn
+broeders-in-God! Indien dit zoo is, laat ons dan den vijand
+verdeelen. Wilt gij Bogdan alleen te gemoet treden of zijn twaalf
+ridders?"
+
+Milosh en Relya gaven er de voorkeur aan Bogdan alleen te bestrijden en
+lieten het aan Marko over zijn twaalf volgelingen tegen te houden. Deze
+verdeeling was Marko zeer aangenaam en nauwelijks waren zij overeen
+gekomen, welk aandeel ieder zou hebben in den strijd, of Bogdan
+naderde aan het hoofd van zijn troep. Hij werd onmiddellijk bezig
+gehouden door Milosh en Relya, terwijl Marko zijn aandacht schonk
+aan de twaalf geleiders. Zijn zware knots zwaaiend dreef hij Sharatz
+op zijn vijanden toe; in zeer korten tijd werden allen op den grond
+geslingerd. Toen steeg Marko van zijn paard, bond hen de handen op
+den rug en dreef hen door de wijngaarden.
+
+Hij was nog slechts een klein eind gegaan, toen hij zag, hoe
+Bogdan zijn twee vrienden voor zich uitdreef, hun armen op gelijke
+wijze gebonden als die van Bogdans volgelingen. Toen hij dit zag,
+werd Marko door vrees bevangen en keek rond naar een middel om te
+ontkomen. Echter herinnerde hij zich op hetzelfde oogenblik, dat de
+drie broeders-in-God elkaar trouw hadden gezworen en dat zij zich
+plechtig verbonden hadden elkaar ten alle tijde te helpen. Hij nam
+de teugels van Sharatz dus steviger in de handen, sloeg het vizier
+van zijn helm over zijn voorhoofd, trok woedend zijn zwaard uit de
+scheede en wierp een woesten, donkeren blik op Bogdan.
+
+
+
+De Bullebak is bevreesd Marko tegemoet te komen.
+
+
+Toen de Bullebak de ontzettende woede en beslistheid in Marko's oogen
+las, trilden zijn beenen onder hem en hij wendde zijn merrie om,
+daar hij niet van aangezicht tot aangezicht tegenover Marko dorst
+te treden. Hij kon echter niet hopen aan de wraak van den Prins te
+ontkomen en daarom riep hij na eene korte wijle:
+
+"Kom, o Marko, laten wij ons met elkaar verzoenen. Wilt gij mijn
+twaalf volgelingen vrij laten? Indien gij daartoe bereid zijt, dan
+zal ik op mijn beurt uw 'broeders-in-God' vrij laten."
+
+Hierin stemde Marko toe en sprong van Sharatz af. Hij maakte van zijn
+zadel een lederen zak met wijn los en allen gingen zitten om zich te
+verfrisschen met den koelen wijn en zich te goed te doen aan versch
+geplukte druiven. Toen zij uitgerust waren, stegen de drie vrienden te
+paard en maakten zich gereed om te vertrekken. Toen zij op het punt
+stonden weg te rijden, sprak Marko aldus Bogdan aan: "Dat het u met
+Gods hulp voorspoedig ga, o Bogdan! En dat wij elkaar eens in goede
+gezondheid weer ontmoeten en weer samen wijn drinken mogen!" Hierop
+antwoordde Bogdan: "Vaarwel! en dat God u steeds helpe, o, koninklijke
+Prins Marko! Maar dat mijn oogen u nooit meer aanschouwen! Gij hebt
+mij heden zoo verschrikt, dat ik niet geloof ooit weer te wenschen
+u te ontmoeten!"
+
+
+
+Prins Marko en opperbevelhebber Voutcha.
+
+
+Luistert! Is het de donder of is het een aardbeving? Geen van beide,
+maar kanonnen bulderen van het fort Varadin: de generaal viert een
+overwinningsfeest, want hij heeft drie Servische helden gevangen
+genomen; de eerste is Milosh van Potzerye, de tweede is Milan van
+Toplitza, en de derde is Ivan Kosantchitch. De opperbevelhebber heeft
+hen in de diepste kerkers van zijn kasteel geworpen, ongezonde holen,
+waar het stilstaande water tot aan de knieën reikt en de beenderen
+van krijgslieden zoo hoog opgestapeld liggen, dat zij tot de schouders
+van een held reiken.
+
+Milosh van Potzerye is van adellijke geboorte; hij is niet gewoon aan
+ontbering en lijden en hij bejammert en betreurt bitter zijn lot,
+terwijl hij verlangend door het traliewerk van de massieve deur in
+de donkere gang naar buiten ziet, vanwaar alleen hulp kan komen. En
+werkelijk na drie dagen ziet hij een boodschapper, tot wien hij roept:
+"O, mijn broeder-in-God! Breng mij iets, waarop ik een bericht kan
+schrijven!"
+
+De man voelde zich gevleid, broeder-in-God genoemd te worden door
+zulk een beroemd held en bracht Milosh snel een rol, waarop hij de
+volgende woorden schreef: "Aan den koninklijken Prins Marko van Prilip:
+o broeder-in-God, gij vorstelijke Marko! Of gij verlangt niet meer van
+mij te hooren, of gij hebt opgehouden mij genegen te zijn! Het lot is
+hard geweest en ik ben gevallen; uw broeder is in de handen van een
+vijand. De Magyaar Voutcha heeft mij gevangen genomen, mij en mijn
+twee wapenbroeders. Wij zijn gedurende drie geheele dagen opgesloten
+in dezen afschuwelijken kerker en het is onmogelijk dat wij er over
+drie dagen nog levend zouden uitkomen. Daarom, indien gij ons wilt
+terug zien, red ons dan, o broeder, hetzij door een heldhaftige daad
+of door een losgeld!" Milosh krabde zijn wang open en zegelde het
+bericht met zijn bloed; daarna overhandigde hij het aan den man met
+twaalf ducaten en smeekte hem er zich mede naar Prilip te spoeden. De
+boodschapper reed zoo snel als hij kon en bereikte de stad Prilip op
+Zondagmorgen. Prins Marko kwam juist uit de kerk, toen de koerier op
+hem toe snelde. Toen de Prins las in welk een ontzettenden toestand
+zijn vrienden zich bevonden, stroomden de tranen langs zijn wangen en
+hij deed er een eed op, dat hij zijn edele broeders-in-God zou redden.
+
+Hier somt de bard op, welke toebereidselen Marko trof, bijna dezelfde
+als in de ballade: "Prins Marko en de Moorsche hoofdman." Daarna
+beschrijft hij de reis van Prilip naar Varadin, maar zonder,
+dat spreekt van zelf, de wonderbaarlijke vlugheid van Sharatz te
+overdrijven, die bij deze gelegenheid over de Donau zwom.
+
+
+
+
+
+De komst van Marko.
+
+
+Toen Marko voor het kasteel van Varadin was aangekomen, sloeg hij zijn
+tent op, haakte zijn lederen wijnzak los, dronk den inhoud leeg uit
+een schaal die twaalf oka's (ongeveer acht en veertig pinten) bevatte,
+en vergat ook nu niet, telkens als hij de schaal vulde, de helft van
+de hoeveelheid wijn zijn geliefden Sharatz aan te bieden. Deze daad
+werd opgemerkt door een schoone Magyaarsche dame, de echtgenoote van
+generaal Voutcha's zoon en daar zij verschrikte op het zien van dezen
+onbekenden held, werd zij plotseling aangegrepen door een koorts,
+die haar gedurende drie jaren zou kwellen, en spoedde zich heen om
+den opperbevelhebber te vertellen, wat zij had gezien; zij beschreef
+hem elke bijzonderheid van Marko's kleeding.
+
+Maar opperbevelhebber Voutcha wendde onverschilligheid voor, troostte
+zijn geliefde schoondochter en beloofde haar, dat hij hem even
+gemakkelijk gevangen zou nemen, als hij het reeds de drie ridders had
+gedaan, die in zijn kerkers lagen. Voutcha riep zijn zoon en beval
+hem drie honderd ruiters te roepen, en den overmoedige onmiddellijk
+te grijpen.
+
+Marko, die zat te genieten van zijn wijn, zag de nadering van
+Velimir niet, maar de getrouwe Sharatz begon den grond met zijn
+rechter voorpoot te bewerken, aldus zijn onopmerkzamen meester
+waarschuwend. Marko begreep hem, wendde zijn hoofd om en zag, dat een
+geheel eskadron hem omsingeld had. Hij dronk nog een schaal wijn,
+wierp de kom op het gras, sprong op zijn paard en viel verwoed het
+leger aan. "Zooals een valk de bedeesde duiven aanvalt." Een deel
+sneed hij in stukken, het tweede rende hij neer met zijn Sharatz en
+het derde verdronk hij in de Donau.
+
+Maar Velimir ontsnapte hem bijna, dank zij zijn eigen vlug
+strijdros. Toen Marko zag, dat Sharatz uitgeput was en onmogelijk het
+paard van Velimir bij kon houden, herinnerde hij zich zijn knots, welke
+hij zoo handig slingerde, dat het zware handvat juist met voldoende
+kracht den jongeman trof om hem ter aarde te werpen. Onmiddellijk
+was Marko naast hem en bond Velimir stevig, waarop hij zich op het
+zachte groene gras wierp en weer zijn wijn ging drinken.
+
+De vrouw van Velimir had alles gezien en zij snelde nu vlug naar den
+generaal, die woedend werd op het hooren van het bericht en beval, dat
+al het belegeringsgeschut afgeschoten zou worden. Daarna verzamelde
+hij drieduizend krijgslieden, besteeg zijn merrie en voerde zijn
+leger aan tegen Marko.
+
+De Magyaren omringden den held volkomen, maar Marko zag er niets
+van onder het drinken van zijn wijn. Sharatz lette echter beter op
+en kwam naast zijn meester staan, die, toen hij bemerkte in welk
+een hachelijke positie hij zich bevond, in het zadel sprong en
+nog verwoeder en onstuimiger dan te voren op de Magyaren inreed,
+met zijn sabel in zijn rechterhand, zijn lans in zijn linker en de
+teugels van Sharatz stevig tusschen zijn tanden. Degenen, die door
+zijn sabel geraakt werden, sloeg hij in tweeën, die, welke hij raakte
+met zijn lans, werden over zijn hoofd geworpen.
+
+
+
+Marko neemt Voutcha gevangen.
+
+
+Na drie of vier ontmoetingen had Marko zooveel Magyaren gedood, dat
+zij, die over waren gebleven, met ontzetting werden vervuld en in
+wanorde vluchtten. Daarop nam Marko generaal Voutcha op dezelfde wijze
+gevangen, als hij het zijn zoon had gedaan. Nadat hij zijn handen had
+gebonden, maakte hij hem aan Sharatz's zadel vast en bracht hem naar
+de plek, waar Velimir lag te kreunen. Beiden maakte hij vast aan de
+merrie van den opperbevelhebber en zoo begaf hij zich op weg naar
+Prilip, waar hij hun in een kerker wierp.
+
+Eenige dagen later ontving hij een brief van de vrouw van Voutcha,
+die hem smeekte Velimir en zijn vader niet te dooden en een groote
+som gelds als losgeld aanbood. Marko zond het volgende antwoord:
+"Luister, gij getrouwe echtgenoote van generaal Voutcha! Indien gij
+wenscht, dat ik mijn gevangenen loslaat, dan hebt gij slechts mijn
+oude vrienden vrij te laten, Milan van Toplitza en Ivan Kosantchitch
+en aan ieder drie tovars goud te geven als schadeloosstelling voor
+den tijd, dien zij in gevangenschap hebben doorgebracht en gij moet
+mij een gelijke som geven, want ik heb van mijn goeden Sharatz te
+veel moeten eischen. En mijn vriend Milosh van Potzerye is ook nog
+in uw kasteel, maar ik geef hem volmacht zijn eigen aangelegenheden
+met u in persoon te regelen, want in wat hij ook eischt, stem ik toe."
+
+De vrouw van den generaal zond onmiddellijk de verlangde hoeveelheid
+goud. Daarna nam zij de sleutels van de kerkers en liet de helden
+vrij. Zij liet eenige barbiers roepen, om hun baard te scheren en hun
+haar en nagels te verzorgen. Daarna bestelde zij een groote hoeveelheid
+zeer fijne wijnen en dure schotels, om aan de edele Serviërs voor te
+zetten en na den feestmaaltijd vertelde zij hun Marko's wondervolle
+daden en smeekte Milosh van Potzerye al zijn invloed te gebruiken om
+Prins Marko over te halen erbarmen te hebben met haar echtgenoot en
+haar zoon. Daarop beloofde Milosh, dat aan haar wensch voldaan zou
+worden en dat zij geen vrees behoefde te hebben. Hij verzocht haar
+alleen, dat hem zou worden gegeven: ten eerste het beste paard uit
+de stallen van generaal Voutcha, dat, waarop Voutcha eens per jaar
+in statie naar de kerk Tekiye reed; ten tweede de vergulde koets,
+getrokken door twaalf Arabische paarden, die door generaal Voutcha
+werd gebruikt, als hij naar Weenen reisde voor zijn bezoeken aan den
+Keizer, want in die koets wilde hij den bejaarden held, Milan van
+Toplitza naar huis rijden. En ten slotte vroeg hij, of zijn vriend
+Toplitza het fraaie gewaad zou mogen dragen, dat Voutcha op Paaschdag
+droeg. In dit alles stemde de vrouw van Voutcha toe, en bovendien
+gaf zij aan elk der der vrienden duizend ducaten, opdat zij op hun
+reis naar Prilip geen dorst zouden behoeven te lijden.
+
+Marko begroette de ridders op hartelijke, broederlijke wijze en liet
+toen generaal Voutcha en zijn Velimir vrij en beval, dat een krachtig
+escorte hen naar Varadin zou geleiden. Toen de edele voïvodes de
+gastvrijheid van Marko gedurende verscheidene dagen hadden genoten
+(en gedurende dien tijd een aanzienlijke hoeveelheid van zijn rooden
+wijn hadden gebruikt) omhelsden zij elkaar en kusten elkaar op de wang;
+de vrienden kusten de onbedekte hand van Marko. Toen begaf zich ieder
+in vrede naar zijn eigen domein.
+
+
+
+De huwelijksprocessie van Prins Marko.
+
+
+Op zekeren avond, toen Prins Marko aan den maaltijd zat met zijn
+bejaarde moeder, verzocht deze hem een meisje naar zijn hart te
+zoeken, opdat zij het gezelschap en den steun mocht hebben van een
+schoondochter. Daarop antwoordde Marko: "God is mijn getuige, o lieve
+moeder. Ik heb door negen koninkrijken en door het geheele Turksche
+rijk gereisd en telkens, als ik een meisje vond, dat ik tot mijn bruid
+wenschte te maken, kwam ik tot de ontdekking, dat u van een andere
+meening waart dan ik. Soms was het, dat u niet vriendelijk gezind waart
+jegens de familie; en als ik een familie vond, die u wel aanstond, dan
+telde zij weer geen meisje, dat genade in uw oogen kon vinden! Echter,
+toen ik door Bulgarije reisde, hield ik mijn Sharatz eens in bij een
+bron, en zie! daar zag ik een meisje, zoo mooi en zoo lief, dat het
+mij plotseling toescheen, alsof het gras waarop ik stond om mij heen
+draaide. Later vernam ik, dat dit meisje de dochter was van koning
+Shishman van Bulgarije. Dit zou ongetwijfeld een passende bruid voor
+mij zijn en daarbij behoort zij tot een familie, waarop weinig valt
+aan te merken! Indien u er dus in toestemt, zal ik dadelijk gaan en
+haar ten huwelijk vragen."
+
+Marko's moeder, die overgelukkig was met de keus van haar zoon, haastte
+zich nog dienzelfden avond de gebruikelijke geschenken gereed te maken,
+want zij vreesde, dat haar zoon nog voor den morgen van inzicht mocht
+veranderen. Maar den volgenden morgen beval Marko, dat Sharatz gezadeld
+zou worden en nadat hij den onontbeerlijken leeren wijnzak aan de
+eene zijde van zijn zadel had gehangen en zijn oorlogsknots aan de
+andere, nam hij afscheid van zijn moeder en reed recht toe recht aan
+naar het kasteel van koning Shishman. De Bulgaarsche vorst zag Marko,
+toen hij nog een heel eind weg was en ging hem tegemoet, om hem te
+begroeten. Toen hij vlak bij was, stapte Marko van Sharatz, strekte
+zijn armen uit en de twee omhelsden elkaar en vroegen naar elkaars
+gezondheid. De koning geleidde Marko binnen het kasteel, terwijl
+Sharatz door de stalknechts naar de koninklijke stallen werd gebracht.
+
+Even later, onder den schitterenden maaltijd, die onmiddellijk ter eere
+van den vorstelijken gast was aangericht, sprong Marko op, boog diep
+voor den koning en vroeg zijn dochter ten huwelijk. De koning was zoo
+verheugd zulk een edelen en dapperen schoonzoon te krijgen, dat hij
+zonder aarzelen toestemde. Marko besteedde drie tovars goud voor den
+ring, dien zijn toekomstige bruid zou dragen en voor de trouwjapon en
+de andere geschenken. Daarna vroeg hij, of hij terug mocht gaan naar
+Prilip om zijn bruiloftsgasten en vrienden te verzamelen en toen hij
+op het punt was het paleis te verlaten, raadde de koningin den prins
+aan, om als geleider van de bruid niet iemand te kiezen, dien hij niet
+onvoorwaardelijk zou kunnen vertrouwen, maar liever zijn eigen broer
+te kiezen of althans een neef. Want, meende zij, een vreemde zou een
+mededinger kunnen blijken, zoo bekoorlijk en schoon was haar dochter.
+
+Toen Marko Prilip naderde, kwam zijn moeder hem tegemoet, om hem
+te begroeten en na hem hartelijk op beide wangen gekust en hem haar
+mooie handen toegestoken te hebben om te kussen, vroeg zij, of hij
+een voorspoedige reis had gehad en met de prinses verloofd was. Marko
+vertelde alles, wat er gebeurd was en vergat niet de woorden te
+herhalen, die de koningin bij het afscheid nemen had gesproken. Hij
+beklaagde zich erover, dat zijn broeders gestorven waren, en dat hij
+ook geen neef had. Zijn moeder, die zeer blij was, raadde Marko aan
+daarover niet te jammeren, maar dadelijk een boodschap te zenden aan
+den Doge van Venetië, en hem uit te noodigen met een gezelschap van
+vijfhonderd te komen, en als koom op te treden. Eveneens moest hij
+een uitnoodiging zenden aan Styepan Zemlyitch om zich met vijfhonderd
+volgelingen bij den bruiloftsstoet te voegen en de geleider van de
+bruid te zijn. Deze raad kwam Marko zeer verstandig voor en dadelijk
+zond hij couriers weg, zooals zijn moeder had bevolen. De Doge
+verscheen spoedig met zijn vijfhonderd ruiters en Styepan Zemlyitch
+eveneens. Marko heette hen hartelijk en gastvrij welkom en er was
+geen gebrek aan goeden wijn.
+
+Het gezelschap begaf zich nu opweg naar het hof van den Bulgaarschen
+koning, die hen allerhartelijkst ontving en hen gedurende drie dagen
+onthaalde. Op den vierden dag maakte het bruiloftsgezelschap zich
+gereed terug te keeren, want het was duidelijk dat, indien zij nog
+drie dagen bleven, den koning geen druppel wijn meer over zou blijven.
+
+Shisman gaf allen vorstelijke geschenken: eenigen gaf hij zijden
+hemden, anderen gouden schalen en borden; aan den geleider van de
+bruid werd een bijzonder kostbaar, met goud geborduurd hemd geschonken.
+
+Toen de bruid opgestegen was, gaf haar koninklijken vader haar aan
+den geleider van de bruid over met deze woorden:
+
+"Hiermee vertrouw ik aan uw zorgen de bruid en haar paard toe, totdat
+gij aan het kasteel van Marko komt; eenmaal daar, moet gij de bruid
+aan Marko overgeven maar haar rijpaard moogt ge zelf behouden!"
+
+
+
+De huwelijksprocessie.
+
+
+De processie reed verder tot aan de Bulgaarsche boschlanden en weiden
+en daar er nu eenmaal geen geluk is zonder eenig ongeluk, woei een
+windvlaag een oogenblik den sluier der bruid terzijde. De Doge van
+Venetië, die vlak naast haar reed, zag het schoone gelaat van het
+meisje en was zoo bekoord door haar buitengewone schoonheid, dat
+hij smoorlijk verliefd op haar werd. Toen de geheele bruiloftsstoet
+halt hield voor den nacht, begaf hij zich onopgemerkt naar de tent
+van Styepan Zemlyitch en sprak hem aldus aan: "O, gij geleider van
+de bruid! Wilt gij mij uw beschermelinge overgeven, opdat wij samen
+kunnen vluchten: ik zal u een laars vol gouden dukaten geven?"
+
+Styepan Zemlyitch antwoordde verontwaardigd:
+
+"Zwijg, Doge van Venetië! Gij verdiendet in steen te veranderen! Zijt
+gij uw leven moe?"
+
+Toen zij den tweeden dag de rustplaats bereikten, sloop de Doge weer
+heimelijk naar de tent van Styepan Zemlyitch en vroeg nog eens om de
+bruid, maar nu bood hij twee laarzen vol dukaten aan. Weer weigerde
+de geleider van de bruid, zeggende:
+
+"Scheer u weg, o Doge! opdat uw hoofd niet doormidden worde
+gekliefd! Heeft iemand ooit gehoord van een koom, die zijn kooma aan
+haar bruidegom ontneemt?"
+
+
+
+De ontrouwe koom.
+
+
+Toen de derde nacht kwam, bood de Doge den geleider van de bruid
+drie laarzen vol dukaten van zuiver goud. Deze geweldige som geld
+was een te grote verzoeking voor den geleider van de bruid en
+hij gaf de bruid over aan den Doge, die haar naar zijn eigen tent
+bracht. Daar verklaarde hij zijn liefde aan het meisje en smeekte haar
+in hartstochtelijke bewoordingen met hem naar Venetië te vluchten,
+waar hij haar alles kon aanbieden, wat het hart maar begeerde. Maar het
+Bulgaarsche meisje wendde zich met tegenzin van hem af. "Om Godswil,
+o Doge van Venetië!" zei zij, "de aarde onder ons zou zeker splijten
+om ons te verzwelgen en de hemelen boven ons zouden vaneen scheuren,
+indien een kooma ontrouw zou zijn aan haar bruidegom."
+
+Maar de Doge hield aan: "O, wees niet zoo dwaas, mijn lieftallige
+kooma. Ik heb vele kooma's gekust en geliefkoosd, maar nooit opende
+zich de aarde onder ons, of scheurden de hemelen,--kom laat ons
+elkaar omhelzen!"
+
+Het meisje meende, dat het 't beste zou zijn zich te houden, alsof
+zij aan zijn wensch gehoor gaf en daarom antwoordde zij: "O mijn koom,
+Doge van Venetië! Mijn bejaarde moeder heeft mij gezegd, dat zij mij
+zou vloeken, indien ik ooit een gebaarden held zou kussen en ik heb
+er een eed op gedaan, slechts een geschoren ridder lief te hebben,
+zooals de koninklijke Prins Marko er een is."
+
+Hierop riep de Doge twee barbiers, een om zijn baard af te scheren
+en de ander om zijn gelaat schoon te wasschen. Terwijl zij hiermede
+bezig waren, bukte het meisje zich en raapte ongemerkt den baard van
+den Doge op en wikkelde dien in de plooien van haar zijden gewaad.
+
+Nu zond de Doge de barbiers weg en beproefde opnieuw de bruid het
+hof te maken, die preutschheid voorwendde en voorgaf te vreezen,
+dat zij beiden zeker zouden omkomen, als Marko hoorde, wat er was
+gebeurd. De Doge bezwoer haar echter niet zoo dwaas te zijn. "Ik heb
+vijfhonderd volgelingen bij mij!" zoo sprak hij. "Marko's tent is ver
+weg. Ziet gij ze niet ginds in de verte? Bovenop is een gouden appel
+bevestigd. In den appel zijn twee groote diamanten geplaatst, die een
+licht verspreiden zoo ver in het rond, dat men in de naburige tenten
+'s avonds geen licht behoeft op te steken."
+
+
+
+
+
+De vlucht van het meisje.
+
+
+Het meisje gaf voor dit wonder van nabij te willen aanschouwen,
+waarop de Doge hoffelijk het gordijn voor den ingang terzijde schoof,
+opdat zij beter zou kunnen zien. Het volgend oogenblik liep zij snel
+als een hinde naar het paviljoen van Prins Marko.
+
+Marko sliep en was ten zeerste verbaasd, toen hij plotseling werd
+gewekt door de binnenkomst van zijn onverwachte bezoekster. Toen hij in
+het meisje zijn toekomstige vrouw herkende, sprak hij haar toornig toe:
+"Gij, meisje van lage geboorte! Is het betamelijk, dat gij mij tegen
+alle christelijke gebruiken in bezoekt?"
+
+Het meisje boog diep en antwoordde: "O, mijn Heer, gij koninklijke
+Prins Marko! Ik ben geen meisje van lage geboorte, maar uit zeer edel
+geslacht. Gij hebt gasten medegebracht, die zeer slechte bedoelingen
+koesteren. Weet dan, dat mijn geleider, Styepan Zemlyitch, mij,
+uw bruid, verkocht aan den Doge van Venetië, voor drie laarzen vol
+goud! Indien gij dit niet kunt gelooven, zie dan hier. Hier is de
+baard van den Doge!" Zij maakte haar gewaad los en haalde daaruit
+den baard van den Doge te voorschijn en toonde hem dien.
+
+Marko's woede keerde zich nu tegen zijn trouwelooze vrienden en bij het
+aanbreken van den dag wikkelde hij zich in zijn mantel van wolfshuid
+en, nadat hij zijn zware knots had genomen, ging hij regelrecht naar
+den geleider van de bruid en naar den koom en sprak:
+
+"Goeden morgen, o geleider van de bruid en koom! Gij leider, waar is
+uw schoonzuster? En gij, o koom, waar is uw kooma?" Steypan Zemlyitch
+bleef zwijgen als een steen, maar de Doge zei: "O, gij koninklijke
+Prins Marko. We bevinden ons in gezelschap van zeer zonderlinge
+lieden; men kan niet eens een grap maken, zonder dat men verkeerd
+wordt begrepen!"
+
+Maar Marko antwoordde: "Uw grap is slecht, o Doge van Venetië! Waar
+is uw baard?" En nog eer de Doge in de gelegenheid was te antwoorden,
+had de Prins zijn zwaard uit de scheede gehaald en zijn hoofd in
+tweeën gespleten.
+
+Styepan Zemlyitch beproefde te ontvluchten, maar Marko snelde hem
+na en raakte hem met zijn vlijmscherp zwaard zoo, dat hij in twee
+helften op den grond viel.
+
+Hierna keerde Marko naar zijn tent terug, beval den stoet verder te
+gaan en kwam zonder verdere ongevallen te Prilip aan.
+
+
+
+Prins Marko en de Moorsche Prinses.
+
+
+Op zekeren dag sprak de moeder van Prins Marko aldus tot haar zoon:
+"O, mijn geliefde zoon, gij koninklijke Prins Marko! Waarom richt
+gij zooveel kerken en altaren op? Of gij hebt ernstig tegen God
+gezondigd en doet boete, òf gij hebt ergens een bovenmatigen rijkdom
+opgestapeld." Toen antwoordde Marko van Prilip haar: "Mijn geliefde,
+bejaarde moeder! Ik zal u de waarheid zeggen. Eens, toen ik door
+het Moorsche land reisde, stond ik vroeg op, om Sharatz aan de bron
+te verfrisschen. Toen ik daar kwam, vond ik twaalf Mooren, die met
+hetzelfde doel waren gekomen--en daar ik in mijn trots mijn beurt niet
+wilde afwachten, stelden de twaalf Mooren zich tegenover mij, omdat
+zij het eerst waren gekomen. Dadelijk begonnen wij te vechten. Ik hief
+mijn zware knots op en velde een van de Mooren ter aarde; zijn elf
+metgezellen vielen mij aan en ik sloeg een tweeden tegen den grond;
+toen vielen de tien overblijvenden mij aan en ik doodde een derden;
+nog negen hielden zich met mij bezig en een vierde beet in het stof;
+de overige acht snelden op mij toe en ik sloeg den vijfden neer; zeven
+streden met mij en den zesden zond ik naar de eeuwigheid;--maar nu
+moest ik nog de overige zes het hoofd bieden, die mij overweldigden;
+zij bonden mijn armen op mijn rug en brachten mij naar hun Sultan, die
+mij in de gevangenis wierp. Daar vertoefde ik acht jaar, waarin ik van
+de jaargetijden enkel den winter kon onderscheiden, wanneer de meisjes
+sneeuwballen door de tralies van mijn kerker wierpen. Een enkelen keer
+wist ik ook, dat 't lente was, als de meisjes mij thijm toewierpen."
+
+
+
+De Moorsche Prinses.
+
+
+Toen het achtste jaar aanbrak, was het niet zoo zeer mijn kerker, die
+mij bedroefde, als een Moorsch meisje, de geliefde dochter van den
+Sultan. Zij verveelde mij door iederen morgen en iederen avond door
+mijn kerkerraam te roepen: "Waarom zoudt gij omkomen in dezen kerker,
+o Marko? Geef mij uw woord, dat gij bereid zijt mij te trouwen en
+ik zal u vrij laten en uw Sharatz ook. Stapels gouden dukaten zal ik
+meenemen; zooveel, o, Marko, als gij ooit gewenscht hebt te bezitten."
+
+Toen maakte zich een diepe wanhoop van mij meester, o mijn moeder, en
+daarom nam ik mijn muts af, legde die op mijn knie en sprak daar als
+volgt tegen: "Bij mijn onwankelbaar geloof. Ik zal u nooit verlaten;
+noch zal ik u ooit vergeten, daarop geef ik u mijn woord! De zon
+zelf verandert dikwijls; in den winter is zij niet dezelfde als in
+den zomer, maar mijn belofte zal ik altijd houden!"
+
+Het meisje verkeerde in de zalige dwaling, dat ik haar trouw had
+gezworen en opende daarom op zekeren avond, toen de schemering
+inviel, de deuren van mijn gevangenis en bracht mij naar mijn
+vurigen Sharatz, terwijl zij voor zich zelf een mooi, edel rasdier
+had laten optuigen. Beide paarden droegen op hun rug zakken gevuld
+met dukaten. Het Moorsche meisje bracht mij mijn meest geharde zwaard
+en wij spoedden ons snel door het Moorsche land.
+
+Toen de duisternis inviel, wierp ik mijzelf op den grond om te slapen,
+de Moorsche prinses deed eveneens, en zie: zij sloeg haar armen om mij
+heen. En ik keek naar haar, moeder, en ik zag hoe zwart haar gelaat was
+en hoe wit haar tanden! Ik huiverde van afschuw en nauwelijks wetende
+wat ik deed, sprong ik op, besteeg mijn Sharatz en galoppeerde als
+een krankzinnige weg, haar alleen achterlatende. Het meisje riep
+mij in doodsangst na: "O, mijn broeder-in-God, gij koninklijke
+Prins Marko! Verlaat mij niet zoo!" Maar ik wilde mijn vlucht niet
+onderbreken. "Toen en daar, o moeder heb ik tegen God gezondigd! Toen
+was het, dat ik goud in overvloed bezat en daarvan heb ik talloos
+veel kerken en altaren gebouwd om mijn zonde te boeten!"
+
+
+
+Prins Marko en de veela.
+
+
+Prins Marko en Milosh van Potzerye reden vroeg in den morgen over den
+schoonen berg Mirotch. Zij droegen hun lansen en lieten hun paarden
+draven. Zij hadden elkaar zoo hartelijk lief, dat zij elkaar nu en dan
+omhelsden. Plotseling begon Marko slaperig te worden op zijn Sharatz
+en beproefde zijn makker over te halen wat te zingen, teneinde hem
+wakker te houden. Daarop antwoordde Milosh: "O, lieve broeder-in-God,
+gij koninklijke Prins Marko! Ik zou graag voor u zingen, maar verleden
+nacht, toen ik met veela Raviyoyla was, dronk ik veel te veel wijn,
+en toen dreigde zij mij, dat zij mijn hart en mijn keel zou doorboren
+met pijlen, als zij mij weer hoorde zingen."
+
+Maar Marko drong aan: "O zing, lieve broeder! Vrees de veela niet,
+zoolang ik, Prins Marko, leef; en zoolang ik mijn Sharatz en mijn
+zeshoekigen knuppel heb!"
+
+Zoo begon Milosh om zijn pobratim genoegen te doen een schoon lied te
+zingen, waarin verhaald werd van hun dappere en deugdzame voorouders;
+hoe zij koninkrijken hadden gesticht en geregeerd over het aanzienlijke
+Macedonische rijk; en hoe elk van deze goede vorsten een altaar of
+een kerk had opgericht.
+
+Het lied beviel Marko zoo zeer, dat hij onder invloed van Milosh
+welluidende stem in slaap viel. Maar de veela hoorde het lied eveneens,
+en met haar zangen wisselde zij die van Milosh telkens af, waarbij
+zij haar best deed, om hem te toonen, dat zij beter zong dan hij. In
+werkelijkheid echter zong Milosh beter, want hij had een prachtige
+stem en dit maakte de veela zeer boos; zij nam twee dunne pijlen,
+spande haar boog en doorboorde eerst zijn keel en daarna zijn hart.
+
+Milosh slaakte een doordringenden kreet: "Helaas, o, mijn
+moeder! Helaas, Marko, mijn broeder-in-God! De veela heeft mij met
+haar boog geschoten! Heb ik u niet gezegd, o pobratim, dat ik niet
+moest zingen op den berg Mirotch?"
+
+
+
+De vervolging van de veela.
+
+
+Deze jammerklacht deed Marko dadelijk ontwaken. Hij sprong luchtig
+uit het zadel, gordde stevig de buikriemen van zijn Sharatz vast,
+omhelsde hem, en fluisterde hem dit in het oor: "Zie, Sharo, gij, op
+wiens snelheid ik vertrouw, gij moet de veela Raviyoyla inhalen; ik zal
+uw hoeven beslaan met zuiver zilver en ze vergulden met het mooiste
+goud; ik zal u bedekken met een zijden mantel, die tot uw knieën zal
+reiken en daarop zal ik mooie zijden kwasten bevestigen, die van uw
+knieën tot aan uw hoeven zullen hangen; uw manen zal ik doorvlechten
+met gouden draden en ze met zeldzame parelen versieren. Maar wee
+u, als gij de veela niet bereikt! Ik zal uw beide oogen uitrukken;
+uw vier pooten zal ik breken; en ik zal u hier verlaten en gij zult
+voor altijd kruipen van de eenen pijnboom naar den anderen; zoo zal
+ik doen als ik mijn lieven broeder Milosh verliezen moet!"
+
+Daarna sprong Marko vlug op Sharatz en reed snel de veela achterna.
+
+Raviyoyla vluchtte reeds over den bergtop, en toen Sharatz haar in het
+oog kreeg, sprong hij haar onstuimig achterna, met sprongen van drie
+lansen hoog zich telkens de lucht inwerpend. In enkele oogenblikken had
+Sharatz de veela ingehaald, die ten zeerste verschrikt omhoog vluchtte,
+naar de wolken. Maar Marko slingerde zonder deernis zijn verreikenden
+knuppel en raakte haar tusschen de blanke schouders. Onmiddellijk viel
+zij ter aarde, Marko raakte haar nog verscheidene keeren, toen zij
+op aarde lag, uitroepende: "O, veela! Dat God het aan u wreke! Waarom
+hebt gij de keel en het hart doorboord van mijn lieven pobratim? Gij
+deedt beter hem genezende kruiden te geven, anders zult gij niet veel
+langer uw hoofd op uw schouders dragen!"
+
+De veela smeekte Marko haar te vergeven, en haar broeder-in-God te
+worden. "Om Gods wil, o mijn broeder Marko, en in den naam van den
+heiligen Johannes," riep zij, "spaar mijn leven, dan zal ik over den
+berg gaan en kruiden zoeken en de wonden van uw pobratim genezen!"
+
+Het aanroepen van den naam van den heilige miste zijn uitwerking op
+Marko niet. Hij liet de veela vrij, die dadelijk ging, hoewel zij
+zich niet buiten het bereik van Marko's gehoor en stem begeven mocht
+en steeds zijn roep moest beantwoorden.
+
+Toen de veela kruiden had verzameld, bracht zij ze aan Milosh en
+genas zijn wonden; niet alleen herstelde zijn stem geheel, maar ze
+was mooier dan te voren en zijn hart was gezonder. Toen reden de
+broeders-in-God regelrecht naar het gebied van Poretch, waar zij de
+rivier Timok over gingen en weldra aan de stad Bregovo kwamen, vanwaar
+zij, na er een poos vertoefd te hebben, vertrokken naar het gebied
+van Vidin. Toen de veela zich weer bij haar zusters gevoegd had,
+waarschuwde zij haar met de volgende woorden: "Luistert, veela's,
+mijn zusters. Schiet geen helden in het gebergte met uw pijlen en
+bogen, zoolang de koninklijke Prins Marko en zijn Sharatz leven. O,
+wat heb ik, beklagenswaardige, heden van zijn handen moeten lijden! Ja,
+ik verbaas er mij over, dat ik nog leef!"
+
+
+
+Prins Marko en de Turksche jagers.
+
+
+Amouradh, de groot-vizier, trok eens uit met een jachtgezelschap
+van twaalf Turksche krijgslieden, waarbij hij ook Prins Marko had
+uitgenoodigd. Zij joegen drie dagen, zonder in het woud op de hellingen
+van het gebergte op wild te stooten. Maar zie, daar zagen zij eensklaps
+een groen meer, waarop een vlucht wilde eenden zwom! De vizier liet
+zijn valk los en beval hem neer te schieten op een goudgevleugelden
+eend. De valk was echter niet eens in de gelegenheid den eend te zien,
+zoo snel vloog deze naar de wolken; wat de valk betrof, die streek
+op de takken van een pijnboom neer.
+
+Toen sprak Prins Marko tot den vizier: "Is het mij vergund, o vizier
+Amouradh, mijn valk los te laten en te beproeven den goudgevleugelden
+eend te vangen?" "Zeker moogt gij dat, Prins Marko," antwoordde
+de vizier.
+
+Toen liet de koninklijke Prins Marko zijn valk los en de vogel steeg
+omhoog naar de wolken, viel daar de prooi met gouden vleugels aan en
+droeg haar omlaag naar den voet van den groenen pijnboom.
+
+Toen de valk van Amouradh dit zag, werd hij zeer opgewonden, en zijn
+natuur getrouw, trachtte hij den buit van den anderen te grijpen;
+hij wendde zich met een heftige beweging naar zijn mededinger en
+beproefde den eend uit zijn klauwen te trekken. Maar de valk van Marko
+was buitengewoon dapper, ook in dit opzicht zijn meester waardig en
+wilde zijn welverdiend zegeteeken aan niemand afstaan dan aan zijn
+meester. Daarom verzette hij zich vinnig tegen den valk van Amouradh
+en trok heftig aan diens trotsche veeren.
+
+Toen de vizier dit zag, werd hij ook opgewonden en stormde in groote
+woede naar de strijdenden en slingerde den valk van Prins Marko
+driftig tegen een pijnboom, zoodat zijn rechter vleugel brak. Daarna
+steeg hij met zijn volgelingen te paard en rende weg van het tooneel
+van zijn gewelddaad.
+
+De edele valk weeklaagde, toen hij op den grond lag, van pijn, en Prins
+Marko kwam spoedig naar hem toe en drukte hem tegen zijn borst, want
+hij hield heel veel van hem. Daarna verbond hij teeder zijn gewonden
+vleugel en sprak den vogel geroerd toe: "Wee u en mij, mijn valk,
+dat wij gingen jagen met den Turk zonder onze dierbare Serviërs,
+want de Turk moet steeds de rechten van anderen schenden!"
+
+Nadat hij den vleugel van den valk had verbonden, sprong Marko op
+Sharatz en rende door het bosch zoo snel als een veela. Weldra had
+hij den berg achter zich gelaten en zag hij de vluchtende Turken voor
+zich. De vizier wendde zich om in het zadel en zag, dat Marko hen
+op eenigen afstand volgde, waarom hij aldus zijn twaalf metgezellen
+aansprak: "Gij, mijn kinderen--gij, twaalf dappere helden; ziet
+gij gindschen bergnevel naderen, die den koninklijken Prins Marko
+omhult? Hoort, hoe geweldig hij zijn Sharatz aanzet. God alleen weet,
+wat ons boven het hoofd hangt!"
+
+
+
+De wraak van Marko.
+
+
+Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of Prins Marko was reeds
+bij hen, terwijl hij zijn glinsterend zwaard zwaaide. Onmiddellijk
+verspreidden de twaalf Turken zich als een zwerm musschen, die
+verschrikt werden door een roofvogel. Marko viel den vizier aan,
+en kliefde met zijn sabel zijn hoofd. Daarna achtervolgde hij de
+twaalf krijgslieden; elk hunner hieuw hij, door hun Turksche sjerp
+heen, doormidden.
+
+Daarna stond hij een oogenblik in twijfel: "O, wat moet ik nu
+doen? Moet ik naar den Sultan te Yedrenet gaan, of deed ik misschien
+beter terug te keeren naar mijn witte kasteel te Prilip?"
+
+Na lang beraad kwam hij tot het besluit, dat het beter zou zijn naar
+den Sultan te gaan en zelf verslag te doen van wat er was gebeurd, dan
+zijn vijanden gelegenheid te geven hem te belasteren bij den Padishah.
+
+Toen Prins Marko te Yedrenet kwam, werd hij onmiddellijk in de
+raadszaal door den Sultan ontvangen.
+
+Een dichter zegt in de beschrijving van Marko's oogen, dat ze even
+helder en wreed waren als die van een hongerigen wolf; en de Sultan
+werd verschrikt door het bliksemend licht, dat er uit straalde. Hij
+achtte het verstandig geen hoogen toon aan te slaan en zei daarom
+vriendelijk tot den held: "O, mijn lieve zoon Marko, waarom zijt gij
+heden zoo verstoord? Hebt gij misschien gebrek aan goud?"
+
+Prins Marko vertelde den Sultan, wat gebeurd was met zijn vizier
+Amouradh; geen enkele bijzonderheid hield hij voor zich. Toen hij
+zijn verhaal geëindigd had, schudde de Sultan van het lachen en stelde
+Prins Marko gerust: "Dat slechts zegeningen uw deel zijn, mijn lieve
+zoon Marko!" zei hij. "Indien gij u anders hadt gedragen, dan zou
+ik u niet mijn zoon genoemd hebben. Iedere Turk kan vizier worden,
+maar er is geen held, die zich met Marko meten kan!" Bij deze woorden
+stak de Sultan zijn hand in zijn met zijde gevoerden zak; haalde er
+een beurs met duizend dukaten uit en bood haar Prins Marko aan met de
+woorden: "Neem dit aan als een gift van mij, o liefste zoon Marko,
+drink wat wijn en ga in vrede!" Marko was gansch niet ongeneigd de
+beurs te aanvaarden en verliet de raadszaal.
+
+Het was echter geen vriendelijkheid, die den Sultan tot deze schijnbare
+edelmoedigheid jegens Marko dreef; integendeel, hij was buitengewoon
+bang voor hem en verlangde slechts naar zijn spoedig vertrek.
+
+
+
+Prins Marko en Moussa Kessedjiya [39].
+
+
+Moussa Arbanass [40] dronk op zekeren dag wijn in een witte herberg
+in Istamboel. Toen hij vrij veel had gedronken, sprak hij aldus:
+"Het zal nu ongeveer negen jaar geleden zijn, dat ik in dienst trad
+van den sultan te Istamboel; toch heeft hij mij nimmer een paard,
+noch wapenen, noch een fluweelen mantel gegeven! Op mijn woord, ik
+zal tegen hem opstaan. Ik zal naar de kust gaan, op de schepen in
+de havens beslag leggen en al de wegen bezetten, die er heen leiden:
+en dan zal ik voor mij zelf een koula bouwen, waarom heen ik galgen
+zal oprichten met ijzeren haken, en daaraan zullen zijn hodja's
+(priesters) en hadji's (pelgrims) hangen."
+
+De bedreigingen, die de Albanees in zijn dronkenschap uitte, voerde
+hij ook werkelijk uit, toen hij zijn roes had uitgeslapen. Hij werd
+een opstandeling, nam bezit van de zeehavens en de hoofdwegen, nam
+de rijke kooplieden gevangen en beroofde hen en hing de hodja's en
+hadji's van den Sultan op. Toen de Sultan van al deze wandaden hoorde,
+zond hij den groot-vizier Tyouprilitch met drie duizend manschappen uit
+om Moussa te onderwerpen. Maar, helaas! Nauwelijks had het Turksche
+leger de kust der zee bereikt, of Moussa joeg het uiteen en nam den
+groot-vizier gevangen. Hij bond hem aan handen en voeten en zond hem
+aldus naar zijn heer te Istamboel terug.
+
+Nu vaardigde de Sultan in wanhoop een proclamatie uit over geheel zijn
+uitgestrekt rijk, waarin hij ontzaglijke rijkdommen beloofde aan den
+ridder, die den oproerling zou overwinnen. Menig dapper ridder trok
+uit om den oproerling te bevechten, maar helaas, niet een keerde naar
+Istamboel terug om het beloofde goud op te eischen! Deze vernedering
+bereidde den Sultan onuitsprekelijk veel verdriet en zorg.
+
+Eindelijk kwam de groot-vizier Tyouprilitch tot hem en zei: "Sire,
+roemrijke Sultan! Indien wij nu slechts den koninklijken Prins Marko
+bij ons hadden! Hij zou Moussa, den Bullebak, zeker overwinnen!"
+
+"O, martel mijn ziel niet door over den vorstelijken ridder Marko te
+spreken! Zijn beenderen moeten reeds lang verbleekt zijn, want er
+zijn op zijn minst drie jaren voorbij gegaan, sinds ik hem in mijn
+donkersten kerker wierp, waarvan de deur stevig gesloten bleef."
+
+Daarop vroeg de vizier: "Genadig heer, wat zoudt u den man geven,
+die Marko levend in uw tegenwoordigheid bracht?" En de machtige
+Sultan antwoordde: "Ik zou hem het vizierschap over Bosnië geven met
+de belofte daar negen jaar te mogen blijven, zonder teruggeroepen
+te worden en ik zou zelfs geen dinar vragen van de inkomsten en
+belastingen, die hij mocht verzamelen."
+
+
+
+Er wordt om Marko gezonden.
+
+
+Dit hoorende spoedde de sluwe vizier zich naar de gevangenis, opende
+de deur van den kerker, haalde er den koninklijken Prins Marko uit en
+leidde hem voor den Sultan. Het haar van Marko was zo lang geworden,
+dat het tot den grond reikte. Op de helft sliep hij 's nachts, terwijl
+hij zich met de andere helft bedekte. Zijn nagels waren zoo lang,
+dat hij er mede kon ploegen, door het vocht en het vuil van den kerker
+was hij zoo veranderd, dat hij zoo zwart leek als een zwarte steen.
+
+Toen de Sultan hem zag, riep hij uit: "Leeft gij nog, Marko?" "Ja ik
+leef nog, maar kan nauwelijks mijn ledematen gebruiken," antwoordde
+de held.
+
+De sultan ging voort en vertelde Marko van de wandaden van Moussa
+en vroeg hem: "Zoudt gij in staat zijn, o, Marko, naar de zeekust
+te gaan en Moussa Kessedjiya te dooden? Indien gij dat wildet doen,
+zou ik u graag zooveel geld geven, als gij maar wenschen kunt."
+
+Hierop antwoordde Prins Marko: "Helaas, o Sire, de vochtigheid van den
+steenen kerker heeft mijn ledematen verlamd en mijn oogen verzwakt. Hoe
+zou ik het wagen met Moussa een tweegevecht aan te gaan? Maar
+indien gij wilt, dat ik die heldendaad onderneem, verleen mij dan
+gastvrijheid in een goede herberg, voorzie mij van een overvloed van
+wijn en brandewijn, vet schapenvleesch en goed wit brood; misschien,
+dat ik dan weer mijn krachten terug krijg. Ik zal het u doen weten,
+zoodra ik mij in staat voel een tweegevecht aan te gaan."
+
+Toen hij dit vernam, riep de Sultan eenige dienaren om Marko te
+wasschen, zijn haar te knippen, hem te scheren en zijn nagels te
+knippen. Daarna liet hij hem met eerbewijzen brengen naar de Nieuwe
+Herberg, waar alles, wat hij begeeren kon, in overvloed aanwezig was.
+
+Marko bleef drie maanden in de herberg, at en dronk vol ijver en zoo
+was hij reeds vrijwel op krachten gekomen, toen de Sultan hem vroeg:
+"Voelt gij u thans in staat Moussa te overwinnen, want mijn arme
+onderdanen zenden mij onophoudelijk klachten over dien vervloekten
+roover?"
+
+En Marko antwoordde den Sultan aldus: "Laat mij een stuk volkomen droog
+hout van een mispelboom brengen, dat negen jaar geleden afgehouwen is,
+opdat ik mijn kracht beproeve!" Toen het stuk hout gebracht werd,
+nam Marko het in zijn rechterhand en drukte het zoo hard samen,
+dat het in drie stukken brak. "Op mijn woord, Sire, mijn tijd is nog
+niet gekomen; het tweegevecht met zulk een gevaarlijk tegenstander
+als Moussa durf ik nog niet aan!"
+
+Dus bleef Marko nog een maand in de Nieuwe Herberg, etende, drinkende
+en rustende, totdat hij zich wat sterker voelde. Daarna vroeg hij
+weer om een droog stuk van een mispelboom. Toen het hout hem werd
+gebracht, drukte hij het met zijn rechterhand samen, totdat het in
+stukken brak en nu kwamen er twee druppels water uit. Toen zei Marko
+tegen den Sultan: "Sire, nu ben ik gereed het tweegevecht aan te gaan."
+
+
+
+Marko bestelt een zwaard.
+
+
+Marko ging regelrecht van het paleis naar Novak, den beroemden
+wapensmid. "Maak mij een mooier zwaard dan gij ooit vervaardigd
+hebt, o, Novak!" zei Marko en hij gaf den wapensmid dertig dukaten
+en ging naar de herberg. Daar bleef hij om de paar volgende dagen te
+besteden aan het drinken van rooden wijn en keerde toen bij den smid
+terug. "Zijt gij met mijn zwaard gereed, o Novak?"
+
+De wapensmid bracht het zwaard en gaf het aan Marko, die vroeg:
+"Is het goed?"
+
+"Daar is het zwaard en hier is het aambeeld; daarop kunt gij de
+hoedanigheid van uw zwaard beproeven?" antwoordde Novak rustig.
+
+Daarop hief Marko zijn zwaard op en sloeg er zoo hard mede op het
+aambeeld dat hij dat recht door midden hakte.
+
+"O Novak de wapensmid, zeg mij naar waarheid,--en moge God u
+helpen--hebt gij ooit een beter zwaard gemaakt?"
+
+En Novak antwoordde: "Daar gij den naam van den waren God aanroept,
+moet ik u in alle oprechtheid antwoorden, dat ik eens een beter zwaard
+heb gemaakt; ja, en dat was ook voor een beter krijgsman. Toen Moussa
+een oproerling werd en zich naar de zeekust begaf, beval hij mij een
+zwaard te maken, waarmede hij recht door het aambeeld sneed evenals
+gij hebt gedaan en eveneens door den eikenstronk, waarop het stond."
+
+Dit maakte Marko woedend.
+
+"Houd uw hand op, Novak, opdat ik u kan betalen voor mijn
+zwaard!" Nauwelijks had de man zijn rechterarm uitgestoken, of Marko
+sloeg dien met een snelle beweging tot bij den schouder af.
+
+"Nu, o Novak, kunt gij van dezen dag af geen beter, noch een
+slechter zwaard maken dan het mijne! En neem deze honderd dukaten
+voor belooning."
+
+
+
+Marko ontmoet Moussa.
+
+
+Toen besteeg Marko zijn Sharatz en reed naar de zee, den geheelen weg
+langs vragende, waar hij Moussa zou kunnen vinden. Op zekeren morgen
+heel vroeg reed hij de engte van Katchanik in, waar hij eensklaps
+Moussa Kessedjiya zag, die bedaard op zijn zwarte paard zat met
+gekruiste beenen en zijn knots naar de wolken wierp en weer met zijn
+rechterhand opving. Toen de twee ridders elkaar ontmoetten, zei Marko
+tegen Moussa: "Ridderlijke Moussa, ga terzijde en laat het pad vrij
+voor mijn Sharatz om voorbij te gaan! Ga terzijde of buig voor mij!"
+
+Hierop antwoordde Moussa: "Ga rustig verder, Marko, begin geen
+twist. Nog beter, laat ons afstijgen en samen wat gebruiken. Ik zal
+nooit terzijde gaan om plaats voor u te maken. Ik weet heel goed,
+dat gij geboren werd uit een koningin in een paleis en op zijden
+kussens werd gelegd. Ongetwijfeld wikkelde uw moeder u in zuivere
+zijde, en maakte zij de zijde vast met gouden draden en gaf u honig
+en suiker; mijn moeder was een arme Albaneesche, en ik werd geboren
+op de koude rotsen naast de schapen, die zij hoedde; en zij wikkelde
+mij in ruwe, zwarte stof en bond die om mij heen met doornentakken;
+zij voedde mij met havermeel--en zij liet er mij een eed op doen, dat
+ik nooit voor iemand opzij zou gaan." Dit hoorende wierp Marko van
+Prilip zijn speer naar de borst van Moussa, maar de woeste Albanees
+ving die met zijn krijgsknots op, ze schampte af, en suisde hoog
+boven zijn hoofd. Toen trok Moussa zijn eigen speer en mikte op de
+borst van Marko. Maar de koninklijke held ving ze op zijn knots op
+en ze brak in drie stukken. Zij trokken nu beiden hun zwaard uit de
+scheede en vielen op elkaar aan. Marko deed een krachtigen uitval,
+maar Moussa stelde zich met zijn knots te weer en Marko's zwaard was
+verbrijzeld. Onmiddellijk hief Moussa zijn eigen zwaard op, om zijn
+tegenstander te raken, maar Marko ving den slag op dezelfde manier
+op en het wapen brak bij het gevest af. Daarna bewerkten zij elkaar
+met hun knotsen, totdat ook deze braken. Toen stegen zij af en grepen
+elkaar met groote woestheid aan. De beroemde helden stonden elkaar,
+de ridderlijke Moussa en de koninklijke Marko. Moussa kon Marko niet
+ter aarde krijgen en Marko kon Moussa niet overwinnen. Een ganschen
+zomermorgen worstelden zij met elkaar. Ongeveer op het middaguur
+kwam wit schuim op de lippen van Moussa en Marko's lippen waren bedekt
+met schuim en bloed.
+
+Toen riep Moussa uit: "Werp mij neer o, Marko! of indien gij dat niet
+kunt, laat mij u dan neerwerpen!"
+
+Marko deed al zijn best, maar zijn pogingen waren vergeefs. Toen
+Moussa dit zag, spande hij zijn laatste krachten in, hief Marko van den
+grond op, wierp hem in het gras en drukte zijn knieën op zijn borst.
+
+Marko riep, toen hij zag in welk gevaar hij zich bevond: "Waar zijt
+gij nu, mijn zuster-in-God, gij veela? Waar zijt gij heden,--dat gij
+geen oogenblik langer leven moogt! Nu zie ik, dat uw eed valsch was,
+toen gij mij zwoert, dat gij mij in gevaar zoudt bijstaan!"
+
+Toen verscheen de veela van achter de wolken en zei: "O, mijn broeder,
+koninklijke Prins Marko! Zijt gij mijn woorden vergeten: Ik heb u
+gezegd, dat gij nooit op Zondag zoudt vechten? Ik kan u niet helpen,
+want het zou niet eerlijk zijn, dat twee tegen een streden. Waar zijn
+uw verborgen dolken?"
+
+Moussa wierp een blik naar de wolken om te zien, vanwaar de stem kwam
+en dit was zijn ongeluk, want Marko maakte van dat oogenblik gebruik,
+trok een verborgen degen en sneed met een plotselingen stoot Moussa's
+lichaam open van zijn middel tot zijn nek.
+
+Marko maakte zich met moeite los uit de omhelzing van den
+afzichtelijken Moussa en daar het lijk op den rug lag, zag de Prins
+door de gapende wond, dat zijn tegenstander drie rijen ribben had
+en drie harten. De wanden van een der harten waren ingevallen, een
+ander klopte nog heftig, op het derde ontwaakte juist een slang, en
+toen deze Marko zag, siste ze tegen Marko: "Dank God, o koninklijke
+Prins Marko, dat ik sliep, terwijl Moussa leefde, want een drievoudig
+ongeluk zou u anders getroffen hebben!"
+
+Toen Marko dit hoorde, stroomden de tranen langs zijn wangen en hij
+jammerde: "Helaas! Genadige God, vergeef mij, ik heb een beter ridder
+gedood dan ik ben!"
+
+Daarna sloeg hij het hoofd van Moussa af met zijn zwaard, stak het
+in den voederzak van Sharatz, en keerde zegevierend naar Istamboel
+terug. Toen hij het hoofd van Moussa voor den Sultan wierp, was
+deze vorst zoo ontsteld, dat hij opsprong "Vrees den doode niet,
+o genadig Sultan! Indien gij reeds verschrikt zijt bij het zien van
+Moussa's hoofd, wat zoudt gij dan wel gedaan hebben, indien gij hem
+levend had ontmoet?"
+
+De Sultan gaf drie tovars goud aan Marko, die naar zijn kasteel te
+Prilip terugkeerde.
+
+Wat Moussa de Bullebak betrof, hij bleef op den top van den berg
+Katchanik.
+
+
+
+De dood van Prins Marko.
+
+
+Vroeg in den morgen, op een rustdag, reed Prins Marko langs het
+strand. Hij volgde een rijpad, dat langs de hellingen van den berg
+Ourvinia voerde, en toen hij bijna den top had bereikt, struikelde
+zijn getrouwe Sharatz plotseling en begon tranen te storten. Zijn
+gekerm trof Marko's hart en hij sprak zijn lieveling aldus aan:
+"Eilaas! lieve Sharo, mijn dierbaarste schat! Zie! wij hebben samen
+gelukkig geleefd gedurende vele zomers, als trouwe makkers; tot nu
+toe zijt gij nooit gestruikeld en heden schreien uw oogen voor het
+eerst: God alleen weet, welk lot ons wacht, maar ik weet, dat dit het
+teeken is, dat uw leven of het mijne in groot gevaar verkeert en dat
+een van ons veroordeeld is te sterven."
+
+Toen Marko aldus tot zijn Sharatz gesproken had, riep de veela van
+den berg Ourvinia tot hem: "Mijn lieve broeder-in-God! O, koninklijke
+Prins Marko! Weet gij, niet mijn broeder, waarom uw paard struikelt? Uw
+Sharatz heeft verdriet om u, zijn meester. Weet, dat gij binnen kort
+van hem zult scheiden!"
+
+Marko antwoordde: "O, gij witte veela! Dat uw keel u pijnige om deze
+uwe woorden: Hoe zou ik in deze wereld ooit gescheiden kunnen leven
+van Sharatz, die mij door menig land en menige stad gedragen heeft
+van den ochtend totdat de zon onderging; geen beter ros betrad onze
+aarde dan Sharatz. Zoolang mijn hoofd op mijn schouders rust, wil ik
+nooit gescheiden zijn van mijn geliefd paard!"
+
+En weer riep de veela: "O, mijn broeder, koninklijke Prins Marko,
+er is geen kracht, die u uw Sharatz ontrukken kan; gij kunt niet
+sterven door het blinkend zwaard van eenig held of de strijdknots
+of de speer van een krijgsman; gij vreest geen held op aarde--maar,
+helaas! gij moet sterven, o, Marko! De dood, de oude vernietiger,
+zal u treffen. Indien gij mij niet wilt gelooven, spoed u dan naar
+den top van den berg, kijk naar rechts en naar links en gij zult twee
+hooge pijnboomen zien, bedekt met nieuwe, groene naalden, en die zich
+hoog verheffen boven de andere boomen van het bosch. Tusschen die
+pijnboomen bevindt zich een bron; stijg daar af en bindt uw Sharatz
+aan een der pijnboomen; buig u dan neer en de bron zal uw gelaat
+weerspiegelen. Zie, en gij zult weten, wanneer de dood u wacht!"
+
+
+
+Marko verneemt zijn lot.
+
+
+Marko volgde de aanwijzingen van de veela, en toen hij op den top
+van den berg kwam, keek hij naar rechts en naar links, en werkelijk,
+hij zag de twee hooge, rechte pijnboomen, juist zooals zij ze hem had
+beschreven; en hij deed alles, wat zij hem had geraden te doen. Toen
+hij in de bron keek, zag hij zijn gelaat weerspiegelen in het water;
+en zie zijn lot was geschreven op de oppervlakte ervan!
+
+Toen stortte hij vele tranen, en sprak aldus: "o gij bedriegelijke
+wereld, eens mijn feeënbloem! Gij waart liefelijk--maar ik vertoefde
+te korten tijd bij u: ternauwernood drie honderd jaar! Het uur om
+te vertrekken is voor mij gekomen!" Daarna trok hij zijn zwaard
+en spoedde zich naar Sharatz; met een houw sloeg hij het dier den
+kop af. Nooit zou hij door een Turk worden bestegen; nooit zou een
+Turksche last op zijn schoften drukken; nooit zou hij de dyugoom [41]
+dragen van de put voor den gehaten Muzelman!
+
+Nu groef Marko een graf voor zijn getrouwen Sharatz en begroef hem
+met meer eer dan hij Andreas, zijn eigen broeder, had begraven.
+
+Daarna brak hij zijn zwaard in vieren, opdat het niet in de handen
+van een Muzelman zou vallen, en opdat de Turk het niet zou zwaaien
+met iets van zijn eigen kracht, waardoor de vloek van het christendom
+op hem zou neerdalen. Daarna brak Marko zijn lans in zeven stukken en
+wierp die in de takken van den pijnboom. Toen nam hij zijn ontzettenden
+knots in zijn rechterhand en wierp dien van den berg Ourvinia ver in de
+donkere safieren zee met de woorden: "Als mijn knots terug keert uit
+de diepten van den oceaan, dan zal er een held komen, zoo groot als
+Marko!" Toen hij zich aldus van al zijn wapenen ontdaan had, nam hij
+uit zijn gordel een gouden tablet, waarop hij deze mededeeling schreef:
+"Aan hem, die over dezen berg gaat en aan hem, die de bron zoekt bij de
+pijnboomen en het lijk van Marko vindt: Weet, dat Marko dood is. Hier
+zijn drie beurzen, gevuld met gouden dukaten. De eene zal Marko's gift
+zijn voor hem, die zijn graf delft; de tweede zal gebruikt worden om
+kerken te versieren; het goud in de derde zal verdeeld worden onder
+de blinden en verminkten, opdat zij in vrede door het land mogen
+trekken en in hun liederen Marko's roemrijke heldendaden prijzen!"
+
+Toen Marko dit geschreven had, bond hij het tablet aan een tak, opdat
+het door de voorbijgangers gezien kon worden. Hij spreidde zijn mantel
+uit op het gras onder de pijnboomen, maakte het teeken des kruises,
+trok zijn bonten muts over zijn oogen en ging liggen......
+
+
+
+Hoe Marko gevonden werd.
+
+
+Het lijk van Marko bleef naast de bron liggen, totdat een geheele
+week voorbij was gegaan. Ondertusschen kwam menig reiziger langs het
+breede pad en zag den ridderlijken Marko, maar allen meenden, dat hij
+sluimerde en bleven op een veiligen afstand, uit vrees den slapenden
+held te wekken. Geluk is de geleider van ongeluk, evenals ongeluk
+dikwijls tot geluk voert; en het gebeurde, dat Vasso, de igouman
+(abt) van den berg Athos, dien weg ging, toen hij naar de witte kerk
+Vilindar reed, vergezeld van den jeugdigen Issaya, zijn dienaar. Toen
+de igouman Marko zag, wenkte hij Issaya, "O, mijn zoon!" zei hij,
+"wees voorzichtig, opdat gij den held niet wekt, want Marko is
+woedend, als hij gestoord wordt en zou ons vernietigen." Daarna keek
+hij angstig rond en zag het opschrift, dat Marko boven zijn hoofd
+had bevestigd. Hij kwam omzichtig nader en las de boodschap. Toen
+steeg hij haastig van zijn paard en greep Marko's hand, maar de held
+bewoog niet! De tranen stroomden Vasso uit de oogen en hij bejammerde
+luid het lot van Marko. Na een poosje nam hij de drie beurzen uit den
+gordel van den beid en stopte ze in zijn eigen gordel. Lang peinsde
+hij erover, waar hij Marko zou begraven; eindelijk legde hij het lijk
+van den held op zijn paard en bracht het naar de kust. Weldra kwam
+hij veilig aan de witte kerk Vilindar en nadat hij de gebruikelijke
+liederen had gezongen en die ceremoniën had verricht, die er bij
+pasten, begroef hij Marko's lijk in het midden van de kerk.
+
+Daar begroef de bejaarde igouman Marko, maar hij plaatste geen monument
+op het graf, opdat geen vijanden de plaats, waar de held begraven lag,
+zouden kunnen ontdekken en wraak nemen op den doode.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V: BANOVITCH STRAHINYA.
+
+
+
+Historische data.
+
+
+De ballade, die op Banovitch Strahinya betrekking heeft, is een van
+de mooiste en beroemdste, die de naamlooze barden van de middeleeuwen
+voortbrachten. De schrijver was waarschijnlijk een dienaar van een
+van Banovitch' afstammelingen en benutte een paar historische en
+biografische data, die hij gevonden moet hebben in de manuscripten,
+welke aan zijn heer toebehoorden of die zich bevonden in de andere
+kasteelen, die hij nu en dan bezocht.
+
+Prins Ourosh (van de dynastie der Nemany's) huwde met Helene, een
+Fransche prinses van het huis de Courtenay en door haar onderhield
+hij vriendschappelijke betrekkingen met het Fransche hof van Karel
+van Anjou in Napels. Hiervan maakte hij gebruik om te onderhandelen
+over een verdrag tusschen Serviërs en Franschen ter verdeeling van
+het Byzantijnsche rijk.
+
+Eenige Servische historici zijn de meening toegedaan, dat Banovitch
+Strahinya werkelijk de doorluchtige Strashimir Balshitch-Nemanyitch
+was, die te zamen met zijn twee broers van 1360-1370 in Skadar, de
+hoofdstad van Noord-Albanië, regeerde en een afstammeling was van de
+oude Provencaalsche familie des Baux.
+
+In de eerste geschriften, waarin hij voorkomt, is de naam Baux
+gelatinizeerd en werd dus Balcius, terwijl de leden der familie, die
+aan het Hof te Napels verkeerden, hun naam in Italiaanschen vorm goten
+en zich Balza noemden. Verder veronderstelt men, dat deze Seigneurs
+des Baux, die den Italiaanschen naam aannamen, door huwelijk met het
+koninklijk huis van Nemanyitch vermaagschapt werden.
+
+Bij hun vestiging in Servische landen veranderden zij hun geslachtsnaam
+dan in Balsha of Balshitch--itch of ich of ic is de eigenaardige
+uitgang van de meeste Servische namen.
+
+Skadar was in dien tijd nog de hoofdstad van Zeta (het Montenegro
+van de moderne tijden). De dappere Nicholas I Petrovitch, de
+tegenwoordige koning van Montenegro, stamt uit een zijlinie van
+Balshitch af. Deze werd door de Groote Mogendheden genoodzaakt de stad
+te ontruimen, nadat hij ze dank zij den heldenmoed van zijn troepen
+veroverd had. Overal, het geheele koninkrijk door, improviseeren
+de Servische barden balladen, waarin zij voor volgende geslachten
+de droeve gebeurtenissen van den tegenwoordigen tijd bewaren, gelijk
+hun voorouders dat deden met de heldendaden van Strahinya. Maar laat
+ons terugkeeren naar de geschiedenis van Banovitch, zooals die in de
+oude ballade wordt gegeven.
+
+
+
+De Valk Banovitch.
+
+
+In de eerste verzen beschrijft de bard den held en looft hem als "een
+valk zonder wederga." Hij vertelt van de bevelen door Banovitch aan
+zijn dienaren en pages gegeven met betrekking tot de voorbereidselen,
+die voor hem zelf getroffen moeten worden; voor zijn getrouw paard
+Dyogo, en den hazewind Caraman, zijn onafscheidelijken metgezel. Hij
+gaat echter niet op jacht; hij is voornemens den bejaarden Youg Bogdan
+te bezoeken en is gekleed in louter zijde en fluweel, prachtig met
+goud geborduurd.
+
+Bogdan, zijn geliefde schoonvader, resideert in zijn weelderig
+kasteel in Kroushevatz. De oude man verheugde er zich in hem te
+zien. Zijn negen zoons en hun vrouwen, evenals de schoonzoons van
+Bogdan, waarvan er een in rechte lijn van koning Nemanya afstamde,
+begroetten hem hartelijk.
+
+Terwijl zij aan het feestvieren waren, werd er een brief gebracht van
+de moeder van Banovitch, waarin zij hem mededeelde, dat zeer talrijke
+Turksche horden op de vlakte van Kossovo gekampeerd waren. Strahinya
+greep den brief en las met ontzetting den vloek zijner moeder: "Wee u
+en uw feestvreugde in het vervloekte kasteel van den vader uwer vrouw!"
+
+In den brief werd verder medegedeeld, dat een hoofdman, Vlah-Ali,
+een even trotsch als hooghartig man, en onafhankelijk niet alleen
+van Mehmed, den groot-vizier, maar ook van Sultan Amouradh zelf,
+zijn kasteel had aangevallen, veroverd en geplunderd, zijn bedienden
+gevangen genomen en zijn vrouw had meegenomen naar zijn tent op een
+berg bij de vlakte van Kossovo, waar zij naar het scheen zonder
+eenigen tegenzin bleef. Youg Bogdan, die de smart van Strahinya
+opmerkte, vroeg hem ongerust of er iets niet in orde was, of hem
+iets in zijn kasteel ontbrak, of een van zijn familieleden hem had
+beleedigd. Banovitch dankte zijn schoonvader en verzekerde hem, dat
+een geheel ander ongeluk hem bedroefde, waarop hij den brief hardop
+voorlas. Banovitch verzocht Youg Bogdan zijn zoons toe te staan hem
+te vergezellen naar de vlakte van Kossovo, daar hij besloten was zijn
+vrouw te redden uit de handen van den vijand. Maar Youg Bogdan, die van
+oordeel was, dat het slechts dwaasheid zou zijn, indien zoo weinigen
+duizenden bloeddorstige Turken tegemoet traden, raadde Banovitch met
+klem aan de gedachte te laten varen. Hij beloofde zelfs een mooiere
+bruid voor hem te zoeken, die hem meer waardig zou zijn dan zijn eigen
+ontrouwe dochter. Maar Strahinya bleef bij zijn besluit en overtuigd
+van het gemis aan ridderlijkheid bij zijn schoonvader, spoedde hij
+zich naar de stallen, weigerde, zoo groot was zijn minachting, de
+hulp van Bogdans bedienden, zadelde Dyogo en steeg onmiddellijk op
+en reed vol verontwaardiging en droefheid weg. Toen hij het plein
+afreed, herinnerde hij zich plotseling Caraman, daarom floot hij en
+onmiddellijk snelde Caraman naar zijn meester en troostte hem.
+
+
+
+Banovitch zoekt den Turk.
+
+
+Zoo reed Banovitch over velden en over bergen recht naar Kossovo
+met moed en blijheid, want zijn hond was hem zelfs nog dierbaarder
+dan zijn paard. Te Kossovo gekomen zag hij de vlakte bedekt met
+tenten en soldaten, en toen hij er naar keek, voelde hij iets als
+vrees in zich; maar ondanks dat riep hij den naam van den waren God
+aan, en vermomd als een Turk doorkruiste hij de vlakte. Gedurende
+verscheidene dagen zocht hij, maar helaas! te vergeefs, de tent van
+Vlah-Ali. Eindelijk, aan de oevers van de Sitnitza gekomen, zag hij
+een ruime, groene tent. Op de middenpaal glinsterde een gouden appel;
+voor den ingang stond een Arabisch paard en trappelde vurig met zijn
+voorpooten op den grond. Strahinya meende stellig, dat dit de tent
+moest zijn van Vlah-Ali en hij zette zijn Dyogo krachtig aan. In een
+oogenblik had hij de tent bereikt met zijn lans in de hand en schoof
+stoutmoedig het zijden gordijn terzijde, dat den ingang bedekte. Tot
+zijn teleurstelling zag hij, dat de eenige aanwezige in de tent een
+oude derwisch was met een witten baard, die hem tot aan de knieën
+reikte. De oude man dronk wijn, iets wat hem verboden was door de
+wetten van zijn orde, en hij beantwoordde den groet van Strahinya,
+die goed Turksch sprak, met een diepen salaam. Toen zei de derwisch
+tot verbazing van Strahinya: "Heil u! o Banovitch Strahinya, heer
+van Klein Banyska bij Kossovo!"
+
+Banovitch werd er eenigszins door van zijn stuk gebracht, maar hij
+liet dit zoo weinig mogelijk blijken en vroeg: "Wie is de man, die
+gij Banovitch Strahinya hebt genoemd?" De halfdronken derwisch lachte
+luid. "Gij kunt mij niet misleiden," zei hij, "ik zou u onmiddellijk
+herkennen, al ontmoette ik u op den top van den berg Goletch." Toen
+vertelde hij Banovitch, hoe hij enkele jaren geleden in zijn kasteel
+gevangen had gezeten en zeer menschelijk behandeld was geworden,
+zelfs dagelijks een zekere hoeveelheid wijn had ontvangen.
+
+Tenslotte had Banovitch hem naar zijn land laten terugkeeren om zijn
+losgeld te verzamelen. Toen hij zijn tehuis bereikte, bemerkte hij, dat
+zijn bezittingen door den Sultan waren verbeurd verklaard en zijn huis
+en andere eigendommen aan de dochters van Pasha's als huwelijksgift
+waren gegeven. Alles was woest en verlaten; hij had zijn fortuin
+verloren--en, voegde hij er bitter aan toe, dientengevolge al zijn
+vrienden--daarom had hij zich genoodzaakt gezien naar Yedrenet [42] te
+rijden, om daar zijn diensten aan den Sultan aan te bieden. De vizier,
+vervolgde hij, vertelde den Sultan, dat hij er uitzag, alsof hij meer
+dan waarschijnlijk een goed soldaat zou zijn, waarop de Sultan hem
+goede kleeren en betere wapens had gegeven en de vizier liet zijn naam
+schrijven op den rol der krijgslieden, die gezworen hadden om voor den
+Sultan te vechten. "Nu", vervolgde hij, "bezit ik geen dinar meer, stel
+mij, bid ik u, in de gelegenheid weer een vermogend man te worden."
+
+Strahinya was diep getroffen door het ongeluk van den derwisch; hij
+steeg van zijn paard, omhelsde hem en sprak de volgende vriendelijke
+woorden tot hem: "Gij zijt mijn broeder-in-God! Ik schenk u graag
+uw losgeld kwijt, en zal u nooit een dinar vragen; dat kunt gij
+mij echter vergelden: Ik zoek nu den hooghartigen Vlah-Ali, die
+mijn kasteel verwoestte en mij mijn vrouw ontroofde! Zeg mij,
+o bejaarde derwisch! Waar kan ik mijn vijand vinden? Ik smeek u
+als mijn broeder-in-God de Turken niet in te lichten omtrent mijn
+tegenwoordigheid hier, en niet toe te staan, dat zij mij met list
+gevangen nemen." De derwisch was blij broeder-in-God te zijn van zulk
+een dapper held als Strahinya en beloofde plechtig hem steeds trouw te
+blijven en dat hij, al zou Strahynia ook de helft van het leger van
+den Sultan vernietigen, hem nooit zou verraden; maar tegelijkertijd
+trachtte hij Banovitch over te halen van zijn voornemen af te zien om
+zulk een onoverwinnelijken en ontzettenden vijand aan te vallen, wiens
+naam zelfs al voldoende was om de besten en braafsten met ontzetting te
+vervullen. Hij beschreef hem uitvoerig het bloeddorstig karakter van
+den onoverwinnelijken opstandeling van den Padishah en gaf Banovitch
+ten slotte de verzekering, dat noch zijn scherp zwaard, noch zijn
+vergiftige speer, noch zijn paard hem iets zouden baten, doch dat
+de verschrikkelijke Vlah-Ali hem levend zou grijpen met zijn ijzeren
+vuisten zijn ledematen in stukken zou breken en zijn oogen uitrukken.
+
+Strahinya lachte luid, toen hij dit hoorde. "O mijn broeder," zei hij,
+"gij bejaarde derwisch! Gij behoeft mij niet te waarschuwen tegen
+één krijgsman; het eenige, wat ik u verzoek, is niet het geheele
+leger van den Sultan tegen mij op de been te brengen. Daar gij elken
+avond en elken morgen uw paarden laat drinken aan de rivier Sitnitza,
+moet gij weten, waar de doorwaadbare plaatsen zijn, en gij zoudt mij
+het rijden door de modderige diepten kunnen besparen!"
+
+Hierop herhaalde de derwisch zijn eed, en riep uit:
+
+
+ Strahni-Bane, ti sokole Srpski!
+ Tvome Dyogu i tvome junashtvu
+ Svud su brodi, dyegody dodyesh vodi! [43]
+
+
+Banovitch ging de rivier over en reed zonder haast naar den berg
+Goletch. Hij was nog aan den voet van den berg, toen de ochtendzon
+de vlakte van Kossovo bescheen, en de tenten en de wapenrustingen
+der soldaten deed glinsteren.
+
+
+
+De trouwelooze echtgenoote.
+
+
+Wat deed de machtige Vlah-Ali, toen de dageraad kwam? De gewoonte van
+den Turk was den slaap slechts te zoeken bij zonsopgang. "Hoe dierbaar
+zijn nieuwe slavin, de echtgenoote van Strahinya, hem was," verhaalt de
+bard, "kan men begrijpen, als ik vertel, dat hij zijn oogen sloot met
+zijn hoofd op haar ivoren schouder." De trouwelooze vrouw sliep niet;
+door de deur der tent keek zij over het slapende kamp. Plotseling
+wekte zij haar nieuwen heer en wees met schrik naar de gestalte van
+een naderend ruiter, in wien zij haar waren echtgenoot had herkend.
+
+Eerst lachte de Turk over haar angst en zei, dat het slechts een
+gezant van den Sultan kon zijn.
+
+"Waarlijk," zei hij, aanstalten makend om weer te gaan rusten,
+"Strahinya zal het niet wagen de tent te naderen!"
+
+Spoedig werd Vlah-Ali weer door zijn gezellin gewekt, die hem zei,
+dat de ruiter geen boodschapper van Amouradh was, maar haar eigen
+echtgenoot, Banovitch Strahinya zelf, en zij waarschuwde Vlah-Ali,
+dat hij in levensgevaar verkeerde.
+
+Nu sprong de machtige Vlah-Ali op, bond een lange, zijden sjerp om,
+bevestigde daarin een scherpe, glinsterende yataghan, gordde snel
+zijn blinkend zwaard om, en zat weldra stevig in zijn zadel.
+
+
+
+Het gevecht.
+
+
+Een oogenblik later verscheen Banovitch, en de ontzettende strijd
+tusschen de twee kampioenen begon--helden van bijna dezelfde
+vermaardheid, ofschoon niet van dezelfde kracht.
+
+Strahinya overlaadde zijn tegenstander met verwijten en schampere
+woorden en Vlah-Ali antwoordde met even beleedigende termen. Maar
+zij vochten niet alleen met woorden; Banovitch gaf Dyogo de sporen
+en wierp met groote kracht zijn speer, die de machtige Turk in zijn
+uitgestoken handen opving en in stukken brak.
+
+"O Strahinya," riep hij spottend, "gij noemt mij een lafaard. Weet
+gij tegen wien gij spreekt? Hier is geen vrouw van uw Servisch land,
+die door uw bedreigingen verontrust kan worden; gij hebt hier te
+doen met den machtigen Vlah-Ali, die noch den Sultan, noch den
+groot-vizier vreest, ja, zelfs niet de ontelbare horden, waarover
+zij bevelen! Allen te zamen, zijn zij voor mij niets dan een zwerm
+mieren!" Aldus sprekende, hield hij zijn forsch paard vlug in en zond
+zijn speer fluitend door de lucht. Zoo recht ging zij op Strahinya's
+borst af, dat hij zeker getroffen zou zijn, indien de rechtvaardige
+God hem niet had geholpen. Dyogo, die gewoon was aan tweegevechten,
+knielde snel en op het juiste oogenblik, zoodat het wapen van den
+Turk over het hoofd van Banovitch vloog en tegen een rots stootte,
+waar het in drie stukken brak.
+
+Nu hun speren vernield waren, grepen de verwoede krijgslieden naar hun
+zware knotsen en snelden op elkaar toe. Hun slagen vielen dof en snel,
+totdat Vlah-Ali Strahinya zoo geweldig raakte, dat hij verdoofd werd
+en voor op den nek van Dyogo viel. Weer stond de ware God Strahinya
+bij; zijn geliefd grijs paard, geoefend in zulke worstelingen,
+bewoog zijn kop en nek zoo behendig, dat zijn meester terug viel in
+het zadel. En nu raakte Strahinya op zijn beurt den schouder van
+zijn tegenstander met groote kracht. Maar de machtige Turk bleef
+oogenschijnlijk ongedeerd zitten, ofschoon de pooten van zijn paard
+nu tot aan de knieën wegzonken in de zwarte aarde.
+
+En zoo ging het gevecht voort, totdat de strijders elkaars knotsen
+braken en naar hun zwaard grepen in de hoop den strijd daarmee
+spoediger te beslissen. Maar zie! Het zwaard van Banovitch was
+geen gewoon wapen; twee sterke smeden hadden er een week aan
+besteed om het te vormen, en het allerfijnste staal te smelten voor
+het lemmet. De Turk deed een snellen houw naar zijn vijand, maar
+Strahinya ving het glinsterend staal met zijn eigen kling op en het
+zwaard was onmiddellijk gescheiden van het gevest. Dit verheugde
+Banovitch zeer en woest op den Turk aandringend, beproefde hij nu
+zijn tegenstander de armen af te hakken. Maar de helden waren tegen
+elkaar opgewassen. Vlah-Ali beschermde zijn hoofd heel handig met het
+overgebleven stompje van zijn zwaard, en stukje bij stukje brak hij
+het wapen van zijn tegenstander weg, totdat beiden weer in dezelfde
+omstandigheden verkeerden. Zij stegen nu af en grepen elkaar stevig
+vast; zij zwoegden en worstelden met al hun kracht.
+
+Eindelijk riep Strahinya, voelende dat zijn krachten opraakten,
+zijn vrouw toe het andere stuk van het zwaard van den Turk te nemen
+en den strijd te beslissen door hetzij zijn hoofd, hetzij dat van
+Vlah-Ali er mee te klieven. Daarop riep Vlah-Ali: "Mijn lieveling! O,
+gij vrouw van Strahinya! Raak mij niet, maar raak liever Banovitch,
+daar gij hem nimmer meer dierbaar kunt zijn; hij zal u steeds laken en
+hoonen. Maar gij zult mij altijd zeer dierbaar zijn. Ik zal u geleiden
+naar Yedrenet, dertig meisjes zullen daar zijn om u te bedienen,
+om uw statiekleed te dragen en uw wijde mouwen. Met bonbons zal ik
+u voeden en u met gouden dukaten bedekken van het hoofd tot de voeten!"
+
+Vrouwen zijn gemakkelijk te misleiden door mooie woorden; en zoo
+sprong de vrouw van Strahinya op, raapte het scherpe lemmet van
+den grond, en wikkelde het zorgvuldig in zachte zijde, want zij was
+bevreesd haar hand te zullen verwonden. Daarna snelde zij vlug naar
+de strijdende helden en zich alle moeite gevende Ali niet te kwetsen,
+sloeg zij heftig op het hoofd van Banovitch en doorsneed den gouden
+pluim en den witten helm. Het lemmet wondde het hoofd van Strahinya
+niet ernstig, maar het bloed stroomde snel en dik over zijn gelaat
+en verblindde hem bijna.
+
+Op dit bittere oogenblik dacht Strahinya aan zijn trouwe Caraman en
+riep hem tweemaal.
+
+De hond snelde verwoed op de trouwelooze vrouw toe en hield haar
+in bedwang, [44] waardoor zij zeer ontstelde en luid gilde. Zij
+wierp het lemmet ver weg en greep den hond bij de ooren. De Turk,
+verontrust en in verwarring gebracht, keek om, ten einde te zien,
+wat er gebeurde. Strahinya werd zoo aangemoedigd door dit nieuwe
+bewijs van de trouw en het verstand van zijn hond, dat hij er nieuwe
+kracht uit putte en van de gunstige gelegenheid gebruik maakte om zijn
+tegenstander op den grond te werpen en hem met zijn tanden te dooden,
+"zooals de wolf een lam slacht." Daarna voerde hij zijn vrouw (die
+door de verstandige Caraman ongedeerd was gelaten) naar het kasteel
+van haar vader terug.
+
+
+
+De terugkeer van den valk.
+
+
+Toen Youg Bogdan en zijn zoons Strahinya bedekt met bloed zagen,
+waren zij ten hoogsten verbaasd, dat een Turk dapper genoeg was om
+een held als Strahinya te wonden. Maar Strahinya vertelde hun het
+schandelijk gedrag van zijn vrouw, en het verhaal maakte Youg Bogdan
+zoo woedend, dat hij zijn zoons beval hun zuster met hun zwaard
+te doorsteken. Maar de altijd ridderlijke Strahinya verzette zich
+hiertegen en riep uit: "O, mijn schoonbroeders, zoudt gij u heden
+met schande bedekken? Tegen wie zoudt gij uw zwaard trekken? Indien
+gij, o broeders, zoo bloeddorstig en moedig zijt, waar waren dan
+uw messen en uw glinsterende zwaarden, toen ik naar de vlakte van
+Kossovo ging? Waarom vergezeldet gij mij toen niet, en spreiddet gij
+uw dapperheid niet ten toon tegenover de woeste Turken? Waarom hebt
+gij toen niet bewezen mijn vrienden te zijn? Ik kan niet toelaten,
+dat gij uw zuster doodt; ook zonder uw hulp zou ik haar zelf hebben
+kunnen dooden. Zij is maar een teere en gemakkelijk te misleiden
+vrouw! Maar ik zal haar niet dooden: integendeel, zij zal mij voortaan
+even dierbaar zijn als voorheen."
+
+De bard eindigt zijn gedicht:
+
+
+ Pomalo ye takiyeh younaka,
+ Ka' shto beshe Strahinyityou Bane!
+
+
+("Hoe weinigen zijn de helden, die vergeleken kunnen worden met
+Banovitch Strahinya!")
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VI. DE TSARINA MILITZA EN DE ZMAY [45] VAN YASTREBATZ.
+
+
+
+Het verhaal van Militza aan den tsaar.
+
+
+"O, Gij eenig en ondeelbaar God! Dat allen u verheerlijken!"--Tsaar
+Lazarus zat aan het avondeten en de tsarina Militza zat met hem aan;
+zij was treurig en neerslachtig. Dit was de tsaar van zijn geliefde
+gade niet gewoon en daarom verontrustte het hem niet weinig. Hij
+vroeg haar teeder: "O, Militza, mijn tsarina! Indien ik u een vraag
+deed, zoudt gij mij dan naar waarheid antwoorden? Waarom zijt gij
+hedenavond zoo droefgeestig, zoo treurig en zoo bleek? Mist gij iets
+in ons kasteel, dat gij gaarne zoudt hebben?"
+
+De tsarina antwoordde: "O, tsaar Lazarus, gij gouden kroon van
+Servië! Waarlijk, wanneer gij ook tot mij spreekt, nooit antwoord
+ik anders dan de waarheid. Niets ontbreekt mij in ons kasteel; maar
+waarlijk ik voel mij diep ongelukkig. Want de Zmay van Yastrebatz komt
+sedert verleden jaar elken nacht in mijn toren om mij te omhelzen."
+
+Tsaar Lazarus zei ten hoogste verbaasd: "Luister naar mij, o tsarina
+Militza! Indien gij u hedenavond hebt teruggetrokken in uw vertrek in
+den witten toren en uw betooverde minnaar komt weer, vraag hem dan
+of er iemand is behalve God, dien hij vreest en of er op deze aarde
+een held gevonden wordt, dien hij hooger acht dan zich zelf!"
+
+Spoedig na het avondeten ging de tsaar naar zijn nauwe en veel
+verdiepingen tellende tchardack, [46] en de tsarina trok zich terug in
+haar toren. Men kon zien, hoe de berg Yastrebatz plotseling gloeide,
+alsof hij in brand stond en hoe uit de vlammen de Zmay over de effen
+vlakte van Kroushevo recht op den toren van de tsarina toevloog.
+
+Toen hij het vertrek van de tsarina binnenging, deed hij zijn feeachtig
+gewaad af en keek teeder naar de schoone vrouw. De tsarina deed, alsof
+zij haar minnaar welkom heette en na een poosje zei zij: "Ik bid u,
+o Zmay van Yastrebatz, u, die zoo onverschrokken naar mijn toren komt,
+zeg mij, of er iemand is naast God, dien gij vreest? En of er in de
+geheele wereld een held leeft, dien gij hooger schat dan u zelf?"
+
+Daarop antwoordde de Zmay verbaasd, "Zwijg, o Militza! (of dat gij
+anders voor altijd sprakeloos moogt blijven!) Deze vraag stelt gij
+mij alleen, omdat gij door Lazarus zijt ingelicht!"
+
+Maar Militza ontkende dit, zeggende: "Neen, dat niet! Dat ik sterve,
+als ik de waarheid niet zeg! Ik vraag het u, omdat ik zie, dat gij
+zulk een uitnemend held zijt."
+
+Toen de Zmay dit hoorde, vertrouwde hij den valschen eed (minder
+gevaarlijk zou het zijn geweest, indien een adder hem had gebeten!) en
+sprak aldus: "O Militza, liefste tsarina! Daar gij mij in oprechtheid
+vraagt, zal ik u naar waarheid antwoorden! Op de geheele aarde vrees
+ik niemand dan God; ook is er geen held, dien ik vrees. Maar op een
+vlakte, Simia genaamd, ligt een dorp, dat bekend is onder den naam
+Koopinovo en in dat dorp woont een Zmay-Despoot Vook; hem vrees ik,
+want ik heb hem gekend vanaf onze dwaze kindsheid. Wij speelden vaak
+samen op den top van den hoogen berg Yastrebatz, en Vook won het
+altijd van mij, wanneer wij het oneens waren. Vook is de eenige,
+dien ik vrees, want hij is de sterkste der Zmay's op deze aarde."
+
+Toen de Zmay deze laatste woorden uitte, verscheen Danitza--de
+morgenster--aan den horizon en de Zmay nam onmiddellijk de vlucht
+naar zijn kasteel.
+
+De tsarina spoedde zich naar de tchardack van Lazarus en vertelde hem,
+wat zij van den Zmay had vernomen. Nadat hij het verhaal gehoord had,
+besloot de tsaar in "dunne letters" een boodschap te zenden naar
+Zmay-Despoot Vook, waarin hij hem meldde, wat hij had vernomen en
+hem smeekte naar Kroushevatz te komen en zijn verfoeilijken vijand,
+den Zmay van Yastrebatz, te dooden. Voor den dienst, dien hij hiermee
+bewees, zou Vook drie tovars dukaten ontvangen en levenslang zou hij
+het bestuur over het koninkrijk Sirmia bekomen.
+
+
+
+Vook als verdediger.
+
+
+De brief kwam in handen van Zmay-Despoot Vook en nadat hij
+hem doorgelezen had, dacht hij er een poos over na, wat hij zou
+doen. Hij had den vriend zijner kinderjaren lief, maar hij kon hem
+zijn schandelijk gedrag niet vergeven. Ten slotte besloot hij met
+den Zmay van Yastrebatz te vechten.
+
+Hij zadelde daarom zijn zwarte paard, dat hem door een veela geschonken
+was en dienzelfden nacht bereikte hij nog de vlakte van Kroushevo;
+daar steeg hij af, sloeg zijn tent op in de tarwevelden van Lazarus
+en dronk koelen wijn.
+
+Ondertusschen was de zon opgegaan, en toen de tsaar op zijn balkon heen
+en weer liep, zag hij eensklaps een tent in zijn akkers, en daarin een
+vreemd en zeer wonderlijk ridder. Hij riep onmiddellijk de tsarina en
+wees haar, wat hij zag. Militza riep uit, dat dit niemand anders dan
+Zmay-Despoot Vook kon zijn, want hij leek veel op haar tooverachtigen
+minnaar, den Zmay van Yastrebatz.
+
+De tsaar zond onmiddellijk een boodschapper naar den vreemdeling,
+om hem te verzoeken dadelijk naar het paleis te komen, waar hem een
+prachtig feest zou wachten. Maar Vook antwoordde, dat hij in zijn
+tent wenschte te blijven en verzocht de tsarina dien nacht de deuren
+van haar vertrekken niet af te sluiten, maar kalm de komst van den
+Zmay van Yastrebatz af te wachten en overigens alles aan haar nieuwen
+beschermer over te laten.
+
+Toen de tsaar het antwoord van Vook ontving, gaf hij last een
+uitgezocht maal gereed te maken en naar diens tent te brengen,
+waarbij een groote hoeveelheid roode wijn niet werd vergeten.
+
+De dag ging voorbij zonder dat er iets bijzonders gebeurde en toen
+de nacht naderde, trok de schoone Militza zich terug. Als gewoonlijk
+werd de berg Yastrebatz met een gloed overtogen, en zijn heer vloog
+uit de vlammen regelrecht naar den toren van de tsarina en sloop in
+haar kamer, nadat hij zijn magisch gewaad had uitgetrokken, Plotseling
+hoorde hij de stem van Zmay-Despoot Vook zeggen: "Gij, die u vermeten
+hebt de Servische tsarina te omhelzen, kom oogenblikkelijk uit den
+witten toren!"
+
+Ten zeerste ontsteld vloekte de Zmay van Yastrebatz de tsarina aldus:
+"Zie, Militza, dat God u vernietige! Gij hebt mij toch aan Lazarus
+verraden!"
+
+Dit zeggende deed hij zijn magisch gewaad aan, en spoedde zich
+heen. Inplaats van als anders zich naar zijn kasteel op den Yastrebatz
+te richten, ging hij recht omhoog de wolken in. Vook zat hem dicht
+op de hielen en toen hij hem op zeer groote hoogte naderde, sloeg
+hij hem heftig met zijn knots en brak zijn beide vleugels.
+
+De Zmay van Yastrebatz viel snel als een steen ter aarde, waar
+hij zich als een slang kronkelde en deerniswaardig kreunde.--"Dat
+zoo elke held gestraft worde, die zijn geheimen aan zijn minnares
+toevertrouwt!" kermde hij. Hij had niet lang den tijd om zich aan
+zijn bittere overpeinzingen over te geven, want Vook was hem gevolgd,
+en zoodra hij afgestegen was, sloeg hij den Zmay het hoofd af. Daarna
+begaf hij zich naar Lazarus en wierp het hoofd voor hem op den grond.
+
+De tsaar was zoo verschrikt bij het zien van het afgrijselijke
+voorwerp, dat hij plotseling door een hevige koorts werd
+aangegrepen. Maar hij gaf Vook het beloofde goud en vaardigde een
+keizerlijk decreet uit, waarbij hij hem machtigde voor het overige van
+zijn leven onafhankelijk over Sirmia te regeeren. Bovendien beloofde
+hij Vook, dat zoo hij ooit gebrek aan goud mocht krijgen, hij zich
+slechts tot den tsaar behoefde te wenden, om onmiddellijk uit den nood
+geholpen te worden. De bard eindigt: "En zij leefden lang en gelukkig
+te zamen, hielpen elkaar steeds, gelijk goede buren en landgenooten
+moeten doen; en de roem van den held leeft in den volksmond voort. De
+dag, waarop de straf aan den Zmay van Yastrebatz voltrokken werd,
+geldt nog altijd als de gelukkigste van het geheele jaar!"
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VII. HET HUWELIJK VAN MAXIMUS TZRNOYEVITCH.
+
+
+
+De ballade.
+
+
+Deze ballade, welke den koning van Montenegro--Nicholas
+Petrovitch--inspireerde voor zijn drama "De keizerin van de
+Balkanstaten," is ongetwijfeld het schoonste nationale gedicht,
+dat in Montenegro ooit werd gedicht en gezongen. Het zou zelfs een
+groot dichter onmogelijk blijken de zeer karakteristieke beeldspraak
+en het effect, dat door de eigenaardige woordvorming verkregen werd,
+in een vertaling tot zijn recht te doen komen, terwijl ook veel van
+wat typeerend is voor de godsdienstige opvattingen, de gewoonten en
+het bijgeloof voor den niet-ingewijde verloren gaat.
+
+Een Fransch spreekwoord zegt: "quand on n'a pas ce que l'on aime,
+on aime ce que l'on a;" aldus hoop ik ook, dat de lezer genoegen zal
+willen nemen met de volgende overzetting in proza van een buitengewoon
+belangwekkend nationaal gedicht.
+
+
+
+Het verhaal.
+
+
+Ivan Tzrnoyevitch [47] zeilde over de Adriatische zee naar Venetië om
+een bezoek te brengen aan den doge en zijn dochter ten huwelijk te
+vragen voor zijn zoon Maximus. Hij bleef daar drie jaren, gedurende
+welken tijd hij drie tovars goud uitgaf. Bij zijn vertrek aan het
+einde van dit tijdperk werd overeengekomen, dat hij het volgende
+jaar zou terugkeeren met zijn zoon en duizend of meer gasten voor
+de huwelijksfeestelijkheden. De doge met zijn beide zoons en een
+honderdtal van de hoogste waardigheidsbekleeders vergezelden Ivan
+naar zijn galei en de Montenegrijnsche vorst herhaalde zijn belofte
+het volgend jaar te zullen terugkeeren met zijn gasten en zijn zoon,
+die naar hij verzekerde een zoo edel held en een zoo knap jongeling
+was, dat men zelfs uit een verzameling van duizend Montenegrijnen
+of duizend Venetianen zijn gelijke vergeefs zoeken zou. De doge,
+die buitengewoon verheugd was zulk een edel held tot schoonzoon te
+hebben, omhelsde Ivan zeggende: "Ik dank u, mijn vriend, voor deze
+woorden! Hoe gelukkig ben ik een dergelijken schoonzoon te hebben
+gevonden, die onder duizenden zijn weerga niet vindt. Ik zal hem meer
+liefhebben dan het licht mijner oogen, en zal kostbare geschenken
+voor hem gereed maken: paarden en valken, helmen met gouden pluimen
+en mantels, waarop hij trotsch zal zijn. Maar als hij niet zoo knap
+is als gij gezegd hebt--wee u!"
+
+Daarna zeilde Ivan weg naar Zablak. Toen hij zijn kasteel naderde,
+voelde hij zich zeer gelukkig en spoorde zijn paard Zdral aan om des
+te eerder thuis te zijn. Zijn getrouwe gade zag hem reeds van verre
+en gaf onmiddellijk bevel aan de bedienden om toebereidselen te maken
+voor de ontvangst van hun heer. Zij maakte uit het vroolijk voorkomen
+van haar echtgenoot op, dat hij geslaagd was in zijn zending.
+
+Toen Ivan op het plein van zijn kasteel aankwam, hielpen eenigen zijner
+dienaren hem bij het afstijgen van zijn paard, anderen ontdeden hem
+van zijn wapenrusting en wapenen en zijn zoon Maximus bracht hem een
+zilveren zitbank, opdat hij kon plaatsnemen en rusten. Ivan wendde
+zich om, teneinde zijn zoon te danken, maar zie! Een ongeluk was hem
+overkomen. Gedurende de afwezigheid van zijn vader was Maximus bezocht
+door de pokken--dien vreeselijken geesel!--en zijn eens knap gelaat
+was zoo met putten en litteekens overdekt, dat het te afzichtelijk
+was om er naar te kijken. De bard verzekert ons, dat het nauwelijks
+mogelijk was een leelijker man te vinden dan Maximus was geworden.
+
+De vorst herinnerde zich dadelijk zijn verzekering aan den doge,
+dat er onder duizenden geen knapper jongeman gevonden zou worden dan
+zijn zoon en hij was heel treurig.
+
+Zijn lange knevel hing neer tot op zijn schouders [48] en met de oogen
+op den grond gericht zat hij zwijgend en moedeloos. Zijn gade zag met
+bezorgdheid de neerslachtigheid van haar echtgenoot en beproefde hem
+op te beuren. De plooien van haar sleepend gewaad samennemend en de
+einden van haar mouwen, kwam zij nader en na een nijging gemaakt te
+hebben, kuste zij zijn hand. "Ik bid u, mijn heer," zei zij, "zeg
+mij, waarom zijt gij zoo treurig? Zijt gij in uw zending misschien
+niet geslaagd? Hebt gij de dochter van den doge niet met onzen zoon
+verloofd? Is zij misschien niet schoon genoeg om uw schoondochter
+te worden? Hebt gij spijt van de drie tovars goud, die gij hebt
+uitgegeven?"
+
+Daarop vermande Ivan zich en antwoordde, dat het een geheel ander
+ongeluk was, dat hem drukte. Hij vertelde, dat hij de toestemming
+van den doge voor de verloving had verkregen, en dat zijn dochter
+zoo schoon was, dat zelfs de veele niet met haar vergeleken konden
+worden; dat het niet de gedachte was aan het uitgegeven geld, die
+hem kwelde--want zijn kasteel was vol gestapeld met schatten en het
+wegnemen van drie tovars dukaten had den voorraad nauwelijks merkbaar
+verminderd. Neen, de ware oorzaak van zijn ongeluk was, dat hij den
+doge had beloofd hem als schoonzoon een jongeling te geven, die de
+knapste was onder duizenden en dat de doge, indien hij hem nu zijn
+zoon Maximus voorstelde gelijk deze nu was, stellig vertoornd zou
+zijn em hem den oorlog zou verklaren.
+
+Toen de vorstin dit vernam, verweet zij Ivan, dat hij zich terwille
+van een bruid had laten verleiden dergelijke verzekeringen en beloften
+te doen, terwijl hij in Montenegro zelf een veel mooier meisje had
+kunnen vinden, wier familie een verbintenis met de zijne waardig
+zou zijn. Vorst Ivan was ervan overtuigd, dat hij onverstandig had
+gehandeld, en hij besloot van de verloving af te zien en verbood aan
+zijn vrienden hem geluk te wenschen.
+
+
+
+De boodschap van den Doge.
+
+
+Negen jaren verliepen, en het scheen, dat de verloving geheel en
+al vergeten was en dat de dochter van den doge na niets van Ivan te
+hebben gehoord met een anderen prins was getrouwd.
+
+Maar op zekeren dag kwam er een boodschap van den doge, waarin hij den
+vorst van Montenegro verweet, dat hij zijn dochter sinds negen jaren
+niets had laten hooren, en dat deze zich intusschen "van een knop
+ontwikkeld had tot een schoone roos." Verder verzocht hij Ivan aan
+zijn stille, geduldige dochter te schrijven en haar onomwonden mee
+te deelen, wat hij besloten had met betrekking tot het voorgenomen
+huwelijk te doen; mocht het zijn, dat hij zijn zoon zoo'n kostelijk
+meisje niet waardig keurde, dan moest hij het haar eindelijk toch
+meedeelen, zoodat men in de gelegenheid was naar een andere passende
+partij voor haar uit te zien.
+
+De vorst werd vervuld van diepe smart, toen hij de boodschap van den
+doge las. Wat kon hij doen of zeggen? Na lang gepeinsd te hebben zocht
+hij zijn vorstelijke gade op en sprak haar op deze wijze toe. "O,
+mijn lieveling, met uw zachte oogen! Ik bid u, raad mij nu, wat te
+doen! Zal ik een boodschap naar het meisje zenden en haar zeggen,
+dat zij vrij is een ander huwelijk te sluiten, of zal ik haar wat
+anders schrijven?"
+
+De vorstin was een wijze vrouw en zij gaf haar echtgenoot een
+verstandigen raad [49]: "O mijn heer, Tzrnoyevitch Ivo! Werd ooit
+een man geraden door een vrouw? Dit is nooit gebeurd en zal nooit
+gebeuren. Want wij vrouwen hebben lange haren, doch slechts weinig
+hersenen. Maar daar gij mijn meening hebt gevraagd, waag ik het te
+zeggen, dat het een zonde voor God zou zijn en een schande voor de
+wereld, indien gij het geluk van het meisje zoudt vernietigen, door
+een eenmaal overeengekomen verloving te verbreken. Luister naar mij,
+mijn heer! Waarvoor maakt gij u eigenlijk bezorgd? Indien de pokken
+het gelaat van uw zoon hebben misvormd, dan past het uw vrienden
+daar ginds in aanmerking te nemen, dat de ziekte, die hem bezocht,
+er de oorzaak van is--wie zou durven zeggen, dat hij daartegen
+gevrijwaard is? En dan, indien gij vreest, dat men u moeilijkheden
+bereidt, wanneer gij te Venetië komt, dan herinner ik er u aan, dat
+gij torens vol dukaten hebt. Gij hebt den doge beloofd, dat gij met
+duizend svats zoudt komen, maar waarom zoudt gij niet tweeduizend
+uitgezochte helden en ruiters medenemen? Indien de Venetianen zien,
+met welk een groote macht gij reist, dan zullen zij u niet durven
+aanvallen, al ware uw zoon blind. Verzamel daarom de svats en haast
+u de bruid naar hier te brengen. O, mijn heer, verlies geen tijd meer
+door uw geest nog langer met gepeins te plagen."
+
+Deze stoutmoedige woorden troffen den vorst zoo, dat hij in lachen
+uitbarstte. Hij liet door een renbode dadelijk een brief van den
+volgenden inhoud naar Venetië brengen: "O, mijn vriend, gij doge van
+Venetië! Gij zoudt kunnen hooren, indien gij slechts luisterdet, het
+gebulder van mijn dertig kanonnen, die ik ga afvuren van de tinnen
+van mijn vesting! O, vriend, talm geen oogenblik, maar stuur dadelijk
+mij en mijn zoon en al onze svats galeien tegemoet. Vaarwel!"
+
+Daarna zond Ivan een boodschapper naar Milosh Obrenbegovitch, om hem
+uit te noodigen zijn stari-svat te zijn en zich te doen vergezellen
+van zooveel helden, als hij maar met eenige mogelijkheid binnen de
+provincies van Antivari en Dulzigno kon vinden. Hij schreef ook aan
+zijn neef kapitein Yovan, en noodigde ook hem uit ter bruiloft te
+komen met zooveel vrienden als hem maar wilden vergezellen.
+
+Boden werden naar andere vrienden gezonden, die met blijdschap
+de uitnoodiging van Ivan ontvingen en weldra was de vlakte van
+Zablak bezaaid met hun ontelbare tenten. Op zekeren morgen bemerkte
+Ivan, dat kapitein Yovan, den leider der bruid, treurig langs de
+borstweringen van het kasteel op en neer liep en telkens zijn oog
+liet gaan over de lansknechten, stalmeesters en vlaggen van het
+kamp aan zijn voeten. Vorst Ivan wilde niet, dat iemand ongelukkig
+was te midden van de feestelijke toebereidselen en vroeg daarom aan
+kapitein Yovan naar de oorzaak van zijn droefgeestigheid. Yovan zei,
+dat indien het hem vergund was te zeggen, wat hem op het hart lag,
+hij den vorst zou raden een groot feest gereed te doen maken voor die
+tallooze Montenegrijnen, welke voor zijn kasteel gekampeerd lagen en
+boden door het kamp te zenden om allen aan te zeggen, dat zij naar
+huis moesten terugkeeren, opdat de oogst hunner akkers niet te loor
+zou gaan. Gebeurde dit niet, dan zou het land beroofd zijn van zijn
+verdedigers tegen den erfvijand, den Turk, die van hun afwezigheid
+gebruik zou kunnen maken om het land aan te vallen. Yovan ging in
+een adem voort en vertelde den vorst, dat hij den vorigen nacht in
+een droom gezien had hoe het uitspansel plotseling met donkere wolken
+werd bedekt; uit die wolken was een bliksemstraal op zijn vorstelijk
+kasteel gevallen en had het met den grond gelijk gemaakt; daarna
+was een brand uitgebroken, die de mooie hoofdstad Zablak verteerd
+had. Toen het kasteel ineenstortte, was Maximus, door den vallenden
+toren geraakt, die hem echter niet ernstig kwetste.
+
+"Hoe het zij" besloot Yovan, "indien er eenige waarheid in droomen
+schuilt, dan moest Maximus hetzij sterven, hetzij in Venetië ernstig
+gewond worden en indien ik door eenig Venetiaan zou worden beleedigd,
+dan zouden al mijn volgelingen, vijf honderd man uit Podgoritza,
+liever sterven dan de mij aangedane beleediging ongewroken laten."
+
+Vorst Ivan lachte hartelijk, toen Yovan had geëindigd, en zei, dat
+zijn goede vriend zijn booze droomen te wijten had aan het feit, dat
+zijn kussens te hoog of te laag waren geweest. En na gezegd te hebben
+"droomen zijn bedrog, alleen God is waarachtig" wendde hij zich af,
+om te bevelen de dertig kanonnen van de vesting ten teeken van vertrek
+af te vuren.
+
+Toen het geschut bulderde, vooral toen de beroemde kanonnen Krgno
+en Zelenko in beweging kwamen, trilde de geheele vallei; de zwarte
+bergen weergalmden en het water van de Zetina werd beroerd tot in
+haar diepste diepten. Eenige ruiters werden van hun paard geslingerd,
+en zij, die stonden, vielen op hun knieën in het gras; want het is
+iets geweldigs, als het vestinggeschut buldert!
+
+
+
+De huwelijksprocessie vertrekt.
+
+
+De svats begaven zich in de beste stemming op weg; eenigen zetten hun
+rossen aan en lieten ze rennen, anderen dronken en zongen vroolijke
+bruiloftsliederen onder het voortgaan. In hun midden reed vorst
+Ivan op zijn strijdros Zdral, met twee trotsche valken op zijn
+schouders; aan zijn rechterzijde reed Maximus en aan zijn linker
+Milosh Obrenbegovitch. Vorst Ivan keek dikwijls naar zijn metgezellen,
+en maakte onwillekeurig een vergelijking tusschen beiden. Plotseling
+beval hij halt te houden en sprak op luiden toon aldus: "Luistert,
+o mijn broeders, gij doorluchtige svats! Ik heb u een plan voor te
+leggen en ik hoop, dat het uw goedkeuring zal wegdragen. Wij staan op
+het punt ons in te schepen, o broeders, en zullen spoedig te Venetië
+aankomen. Maar ziet naar mijn zoon, hoezeer zijn voorkomen door een
+afschuwelijke ziekte is bedorven: hij is onbetwistbaar de leelijkste
+van ons allen! Helaas! Toen ik negen jaar geleden in Venetië was,
+prees ik hem als de knapste jongeling, die te vinden was onder duizend
+Montenegrijnen; ja zelfs onder duizend Venetianen. Daarom, mijn
+broeders, ben ik hedenmorgen zeer treurig en stemt mij de gedachte aan
+de ontmoeting met den doge niet vroolijk. Let op, de Venetianen zullen
+ons aanvallen, zoo groot zal hun teleurstelling zijn. Maar ziet, o mijn
+dappere svats! Wij hebben hier bij ons een held, die zijns gelijke in
+mannelijk schoon onder geen der onzen vindt, evenmin onder de trotsche
+Venetianen. Ik spreek van den voïvode Milosh Obrenbegovitch. Laat ons
+den gepluimden helm van het hoofd van mijn zoon nemen en dien op het
+hoofd van Milosh zetten, zoodat hij voor den bruidegom zal doorgaan,
+totdat wij in vrede bezit hebben genomen van het meisje!"
+
+Op de svats maakte het plan van Ivan grooten indruk, maar zij aarzelden
+om te spreken, uit vrees de gevoelens van Maximus te kwetsen, die een
+driftig jongeling was en die mogelijk door het voorstel beleedigd kon
+zijn. Maar de voïvode Milosh zei genadig: "O Ivan, onze heer! Waarom
+doet gij een vergeefsch beroep op de svats? Geef mij er liever uw hand
+op, dat het plan in geen enkel opzicht uw edelen zoon beleedigt. Zweer
+mij bij den waren God, dat gij het ons slechts geopenbaard hebt na
+overleg met uw zoon, en dan zal ik mij op mijn eer plechtig verbinden
+de bruid voor Maximus te verkrijgen zonder een gevecht. Maar gij moet
+er in toestemmen, mij als belooning voor het spelen van de valsche rol
+de geschenken af te staan, die mij als bruigom gegeven zullen worden
+en dat er niemand van mij eischen zal ze met een ander te deelen,
+doch dat ik ze alle voor mij zelf zal mogen behouden!"
+
+Ivan barstte in lachen uit en riep: "O, Milosh, Servische voïvode! Wat
+de geschenken betreft, waarover gij spreekt, ik geef u mijn woord,
+vaster en harder zelfs dan steen, dat niemand een poging zal doen
+ze met u te deelen! Stel u slechts in het bezit van de bruid en wees
+haar leider, totdat wij de stad Zablak bereikt hebben en ik beloof u
+twee laarzen vol dukaten, een gouden beker, die negen liters wijn kan
+bevatten, de merrie Bedevia, de stammoeder van een mijner grootste
+stoeterijen evenals mijn Zdral en ik zal u een sabel aangorden,
+die dertig beurzen gouden dukaten waard is."
+
+Allen keurden het plan goed en nadat zij den onderscheidenden helm en
+de versierselen van den bruigom op het hoofd van den voïvode Milosh
+hadden geplaatst, vervolgden zij hun reis, en na op de wateren van
+de Adriatische zee heen en weer gewiegd te zijn, bereikten zij zonder
+wederwaardigheden Venetië.
+
+Een groot aantal lieden, nieuwsgierig om de Montenegrijnen te zien,
+stroomden van alle kanten toe, vooral ook om zich zelf te overtuigen,
+dat Maximus werkelijk zoo'n edele en knappe prins was als zij hadden
+gehoord.
+
+Toen de Venetiaansche prinsen van hun dienaren hoorden, dat hun
+aanstaande schoonbroer werkelijk zoo knap was als zijn vader hem negen
+jaar tevoren had beschreven, kwamen zij levendig, met uitgestrekte
+armen om hem te omhelzen en hem welkom te heeten. Zij wezen hem de
+vertrekken in hun paleis, die gereed waren gemaakt voor de vorstelijke
+gasten en allen werden zeer geriefelijk geherbergd.
+
+De bruiloftsfeesten duurden drie dagen en daarna kwam het uur van
+vertrek. Onder het gedonder van het geschut verzamelden de svats zich
+op het groote plein, en wachtten op de bevelen van vorst Ivan en zijn
+edelen zoon. Zij voelden zich niet op hun gemak, toen zij zagen,
+dat de poort gesloten was en er aan beide zijden twee Moorsche en
+twee Venetiaansche soldaten met getrokken zwaard stonden, terwijl het
+lemmet en zelfs hun armen met bloed bedekt waren. Hun onrust nam nog
+toe, toen zij na geruimen tijd noch hun vorst, noch de bruid en den
+bruidegom zagen verschijnen. Zij begonnen luid te morren, tot zij
+plotseling het geluid van paardenhoeven op het marmeren plaveisel
+hoorden en den voïvode Milosh zagen, die beproefde zijn paard te
+bedwingen met de teugels, terwijl hij het zacht de sporen gaf, opdat
+het zou springen en steigeren.
+
+
+
+De huwelijksgiften.
+
+
+Achter Milosh reden de beide schoonbroeders, die de geschenken
+brachten. De oudste leidde een zwart paard zonder een enkele vlek;
+het had een zilveren zadel op, versierd met zwaar goud, waarop de
+schoone bruid zat, die een grijzen valk droeg.
+
+"Aanvaard, o, mijn dierbare en edele Maximus," zei de prins, "deze
+schoone maagd met haar zwart paard en haar grijzen valk als een teeken
+van onze liefde, want gij zijt in waarheid de trots uwer broeders!"
+
+Milosh boog diep over den nek van zijn paard, toen hij den prins
+dankte voor zijn welwillende woorden en de bruid aanvaardde met
+de geschenken, die zij meebracht. De tweede broeder schonk nu den
+bruigom een sabel in gouden scheede, zeggende: "Draag dit, o broeder,
+en wees er trotsch op!" Daarna kwam de vader der bruid. Wat een
+prachtig geschenk droeg hij in zijn handen! Een helm en in de pluim
+ervan glansde een kostbare steen, die schitterde als de zon, zoodat
+men er niet lang in kon zien. Maar het geschenk, dat de moeder der
+bruid hem gaf, was prachtiger dan alle andere. Het was een hemd van
+zuiver goud, dat noch geweven noch gedraaid was, maar geheel met de
+vingers was gemaakt; in de kraag, die een adder voorstelde ("en een
+adder zal hem tenslotte bijten") was een schitterende diamant, die
+zulk een lichtgloed uitstraalde, dat hij nooit een kandelaar noodig
+zou hebben, als hij zijn bruid in haar slaapkamer ging bezoeken. Al
+de svats waren verbaasd over de kostbaarheid der geschenken.
+
+Nu kwam de bejaarde broeder van den doge, Yesdimir, die een baard
+droeg, welke tot zijn middel reikte; hij liep langzaam en steunde
+op een gouden staf. Bittere tranen stroomden uit zijn oogen. Het is
+waar, hij had goede redenen om te weenen. Gedurende zijn lange leven
+had hij na elkaar zeven vrouwen gehad, maar hem waren noch zoons,
+noch dochters geboren. Daarom droeg hij al zijn liefde over op zijn
+nicht, die hij als een dochter beschouwde en die in zijn hart de
+plaats vervulde van de kinderen, waarmede hij weleer hoopte gezegend
+te worden. Nu het geliefde meisje op het punt stond te vertrekken
+naar een ver verwijderd land, was hij diep bedroefd. Hij droeg iets
+zeldzaams en wonderlijks opgevouwen onder zijn arm, en toen hij de
+svats naderde, noemde hij den bruigom bij zijn naam. Deze verscheen
+dadelijk en de eerbiedwaardige man sloeg om de schouders van den
+jongen man een prachtigen mantel, die niet alleen hemzelf bedekte
+maar ook zijn paard tot aan de hoeven reikte. Hoe kostbaar was die:
+en daarbij kon hij den held nooit anders dan geluk aanbrengen! Er werd
+gezegd, dat er alleen dertig beurzen goud noodig waren geweest voor
+het voeren er van, en welk een som moest de stof zelf hebben gekost.
+
+Prins Maximus sloeg alles gade en zag met naijverige oogen, hoe
+de voïvode Milosh de geschenken ontving, die voor hem, den waren
+bruidegom, bestemd waren. Toen de groote poort van het plein werd
+geopend, en de svats achter elkaar er uitgingen, ontving ieder van
+de dienaren van den doge een stuk kostbare zijde en een doos, die
+verschillende geschenken bevatte. Daarna zeilden zij in de galeien weg.
+
+Weldra bereikten zij de vlakte van Zablak, waar zij samen waren
+gekomen, toen zij hun reis begonnen. Prins Maximus was vooruit
+gereden met zijn tien wapenbroeders, teneinde zoo spoedig mogelijk
+het heugelijk bericht aan zijn moeder mede te deelen. Toen de
+voïvode Milosh zag, dat Prins Maximus uit het gezicht was, gaf hij
+zijn paard de sporen en toen hij bij de bruid en den dever kwam,
+nam hij stoutmoedig de hand van het edele meisje. De bruid, die in
+haar onschuld meende, dat hij Prins Maximus was, sloeg haar sluier
+terug en reikte den valschen bruigom haar hand.
+
+
+
+De Prinses verneemt de misleiding.
+
+
+Zij, die in de nabijheid waren, deden, alsof zij het voorval niet
+hadden opgemerkt, maar vorst Ivan zelf zag, wat er gebeurd was en
+het verontrustte hem zeer. Hij reed naar de bruid en sprak haar aldus
+aan: "Raak hem niet aan met uw hand, o, mijn lieve schoondochter! Of
+dat gij getroffen worde door een verlamming! Sluier uw oogen! Of
+dat het gezicht u steeds ontbreke! Hoe kunt gij zoo handelen in
+tegenwoordigheid van al de svats? Ziet gij dien held op zijn zwarte
+paard en met zijn lans in de hand? Ziet gij zijn glinsterend schild
+en zijn gelaat door pokken geschonden? Dat is mijn zoon Maximus,
+dien ik tegenover uw vader prees, toen ik uw hand voor hem vroeg,
+zeggende, dat er geen knapper jongeling onder duizenden te vinden was
+dan hij. Maar ik was bevreesd aan u en uw vader mijn zoon te vertoonen,
+toen zijn gelaat geschonden was en daarom namen wij onze toevlucht
+tot een krijgslist en maakten de voïvode tijdelijk tot uw bruigom,
+teneinde er in te slagen u in vrede naar hier te brengen. Door zich
+daartoe te leenen kreeg Milosh het recht op al de geschenken, die
+toegewezen waren aan den bruidegom!"
+
+De woorden van haar schoonvader troffen het edele meisje als een
+donderslag. Zij bracht haar paard tot staan en weigerde verder te
+gaan zeggende: "O, mijn schoonvader, vorst Ivan! Gij zelf zijt de
+bewerker van het ongeluk van uw eigen zoon, door Milosh voor den echten
+bruigom uit te geven. Waarom hebt gij zoo gehandeld? Dat de ware God
+u hiervoor uw verdiende loon geve! Wat doet het er toe of zijn gelaat
+pokdalig is? Allen staan wij bloot aan die ziekte en werden wij door
+haar bezocht, dan zouden de gevolgen mogelijk nog erger zijn. Indien
+zijn gelaat geschonden is, zijn oogen zijn zeker nog helder en zijn
+hart is zoo gezond als altijd. Indien gij hadt gemeend, dat uw zoon
+nog te jong was om mijn echtgenoot te zijn, dan hadt gij dat moeten
+zeggen en ik zou negen jaar in het paleis van mijn vader hebben
+gewacht--maar zelfs dan zou ik zeker niet gemaakt hebben, dat gij van
+schaamte zoudt moeten blozen voor uw eigen edelen in Zablak. Nu deedt
+gij beter de geschenken over te geven aan den rechtmatigen eigenaar,
+uw zoon Maximus, anders zal ik geen stap verder gaan, al zoudt gij
+mij dreigen mijn oogen uit te steken".
+
+Toen vorst Ivan deze besliste woorden hoorde, was hij ten zeerste
+verontrust en hij riep zijn vrienden en voïvodes bijeen, om hem te
+raden wat te doen. Maar geen hunner dorst een woord te zeggen, want
+zij herinnerden zich welke overeenkomst getroffen was, voordat zij
+de zee over zeilden.
+
+
+
+Het aanbod van Milosh.
+
+
+Voïvode Milosh zag, dat niemand wilde spreken; hij gaf zijn paard de
+sporen en sprak vorst Ivan aldus aan: "O Ivan, onze heer! Houdt gij
+uw belofte niet? Indien gij ze niet gestand doet, dat gij zelf dan
+voortaan slechts leven moogt om bedrogen te worden! Hebt gij mij niet
+uw woord gegeven, dat de huwelijksgeschenken zonder uitzondering voor
+mij zouden zijn? Maar nu zint gij er op om uw woord te breken! Daar
+men zoo weinig op u kan vertrouwen, stem ik er in toe--terwille van
+den vrede onder onze broeders en svats--van de eerste twee geschenken
+afstand te doen: ik geef aan uw zoon de schoone bruid terug en haar
+paard en al het met goud en zilver versierde paardentuig. Naar recht,
+en volgens onpartijdig oordeel zou ik volkomen gerechtigd zijn het
+schoone meisje te trouwen--want zij werd mij gegeven door allen, die
+er toe gerechtigd waren, door haar ouders en haar broeders. Hierover
+zal ik echter niets meer zeggen, en u eenvoudig deze beide geschenken
+laten met den grijzen valk. Hier, ik geef uw zoon zelfs de gouden
+scheede over en het glinsterend zwaard, maar ik zal er nooit in
+toestemmen den helm, den mantel en het gouden hemd over te geven;
+want ik ben besloten die naar mijn eigen land mee te voeren en ze aan
+mijn vrienden en broeders te toonen die, ik ben er zeker van,--er
+trotsch op zullen zijn. Ik zweer bij mijn geloof in den waren God,
+dat ik deze drie geschenken niet zal afstaan."
+
+Al de svats, getroffen door het edele gedrag van Milosh, prezen hem
+en dankten hem voor wat hij terwille van den vrede opofferde, maar
+zij ondervonden een krachtig verzet bij de bruid, die zich niet kon
+verzoenen met den afstand van de kostbare geschenken en vooral niet
+met het verlies van het gouden hemd. Daarop riep zij luid om Prins
+Maximus. Dit verschrikte Vorst Ivan zeer, en hij beproefde het meisje
+aldus te kalmeeren:
+
+"O, mijn lieftallige schoondochter, gij Venetiaansch meisje! Roep
+mijn zoon niet, want wij hebben hem groot onrecht aangedaan. Prins
+Maximus heeft een fijn gevoel van eer en is een dapper man. Ik vrees
+boven alles een strijd en onze feeststemming kan zoo gemakkelijk
+veranderen in rouw. Ik bezit in Zablak een toren vol gouden schatten;
+die zal ik u geven en gij kunt er mede doen, wat gij wilt!"
+
+Maar het meisje was niet gemakkelijk te overreden en zij riep nog eens
+om Prins Maximus, die met allen spoed ten tooneele verscheen. "O,
+Maximus, eenige zoon van uw moeder!" begon de bruid: "Dat zij u
+verlieze! Dat de krijgslieden een draagbaar maken van uw lansen en
+met uw schild uw graftombe bedekken! Dat uw gelaat bloze van schaamte
+op den dag des oordeels even als het dat heden doet om het geschil
+met voïvode Milosh! Waarom hebt gij er in toegestemd de geschenken
+aan een ander over te laten, terwijl zij alleen den rechtmatigen
+bruidegom toekomen? Ik geef niets om al de andere geschenken; laat
+Milosh ze meenemen, en dat een hevige vloed hem verderve met al zijn
+schatten. Maar het verlies van het gouden hemd kan ik niet dragen;
+ik heb het zelf voor u gemaakt; het heeft mij drie jaren gekost;
+drie meisjes hielpen mij eraan; ik was mijn gezicht bijna kwijt,
+toen ik dit hemd klaar had en al den tijd dacht ik aan u. Het is uw
+plicht het hemd onmiddellijk aan voïvode Milosh te ontnemen, want
+anders zweer ik bij den waren God, dat ik geen stap voorwaarts zal
+doen; maar ik zal mijn paard op zijn weg terugvoeren, en als ik het
+zeestrand bereik, zal ik een blad plukken van de aloë en met zijn
+doornen mijn gelaat zoo krabben, dat het bloed er uit stroomt; dan
+zal ik door mijn valk een boodschap aan mijn bejaarden vader zenden
+en hem smeeken al zijn strijders te wapen te roepen en op te rukken
+om uw Zablak te veroveren en te plunderen, en u aldus te laten boeten
+voor uw schandelijk gedrag!"
+
+
+
+De aanval van Maximus.
+
+
+Toen Prins Maximus dit gehoord had, draaide hij zijn paard om en gaf
+het zoo heftig de sporen, dat het vel van het kniegewricht van zijn
+strijdros barstte en het bloed zijn hoeven besprenkelde. Dol van
+pijn sprong het paard drie lansen hoog de lucht in en vier lansen
+vooruit, zoodat het voortschoot als de bliksem. Milosh barstte in
+lachen uit, zeggende: "God zij geprezen! Wat gebeurt er plotseling
+met den jongen." Maar zijn vroolijkheid was van korten duur, want nu
+stuurde Prins Maximus recht op Milosh aan en wierp hem woedend zijn
+lans naar het hoofd. [50]
+
+Hij raakte Milosh zoo krachtig, dat zijn beide oogen barstten en hij
+van zijn paard viel. Maximus viel zoo heftig aan, dat hij hem zijn
+hoofd in tweeën spleet; daarna nam hij zijn bruid van haar geleider
+en snelde het kasteel binnen. [51]
+
+Toen de krijgslieden van Milosh zagen, dat hun bevelhebber viel,
+stormden zij verwoed op de volgelingen van Prins Maximus los en een
+gevecht ontstond, dat maar weinigen overleefden.
+
+
+
+Maximus wordt een Turk.
+
+
+De overlevering wil, dat Prins Maximus zoo walgde van hetgeen gebeurd
+was, dat hij den doge uitnoodigde om met een groote strijdmacht in
+Zablak een inval te doen en Montenegro te veroveren; wat hem zelf
+betrof, hij zou naar Istamboel gaan en den Islam omhelzen. Dit
+deed hij.
+
+Nu besloot een broeder van Milosh, Yovan Obrenbegovitch genaamd, die
+vermoedde, dat de bedoeling van Maximus was een groote strijdmacht
+van den Sultan te verkrijgen om Montenegro te veroveren, zich voor
+hetzelfde doel naar den Sultan te begeven. Maar het was zijn bedoeling,
+om zoo hij er ook in slaagde een leger van den Sultan te krijgen,
+dit niet te gebruiken tegen zijn vaderland Montenegro, maar tegen
+Prins Maximus.
+
+Op hun weg naar Istamboel ontmoetten de twee mannen elkaar en zij
+verschenen te zamen voor den Sultan, die zeer wel wist, wie zij
+waren, en oordeelde, dat zij goede diensten konden bewijzen in zijn
+strijd tegen de christenen, gelijk zoovele andere ontevredenen van de
+christelijke hoven, waarom hij hen uiterst vriendelijk ontving. Zij
+omhelsden den Mohamedaanschen godsdienst en namen Turksche namen aan:
+voïvode Yovan werd Mehmed-Bey Obrenbegovitch genoemd, en Prins Maximus
+Scander-beg Ivanbegovitch. Nadat zij als getrouwe Turken den Sultan
+negen jaar hadden gediend, benoemde hij hen, zoo tevreden was hij
+over hun gedrag, tot vizier; aan Mehmed-Bey Obrenbegovitch gaf hij
+als leengoed de vlakte van Ducadyin, en aan Scander-beg (den zoon
+van Prins Ivan) schonk hij Skoetari aan de rivier Boyana.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VIII. HET HUWELIJK VAN TSAAR DOUSHAN DEN MACHTIGEN.
+
+
+
+Doushan zendt Theodoor naar Ledyen.
+
+
+Koning Michael van Ledyen had een schoone dochter, Roksanda, en
+toen tsaar Doushan haar ten huwelijk vroeg, stemde de koning daar
+dadelijk in toe. De verloving kwam door tusschenpersonen tot stand,
+zonder dat Doushan de prinses gezien had; hij riep daarom Theodoor,
+zijn kanselier, bij zich en zei: "Luister naar mij, mijn trouwe
+Theodoor! Gij moet naar koning Michael in de witte stad Ledyen gaan
+en gij moet hem vragen den datum voor de huwelijksfeestelijkheden te
+bepalen. Gij moet ook de andere gebruikelijke voorbereidselen met
+hem regelen en er u van overtuigen, of de weergalooze Roksanda een
+geschikte tsarina is voor onze Servische landen."
+
+Theodoor beloofde zijn zending trouw te vervullen en nadat hij de
+noodige toebereidselen gemaakt had, begaf hij zich op weg naar de
+Venetiaansche provincie.
+
+Toen hij aan de witte stad Ledyen kwam, ontving de koning hem hoffelijk
+en schonk hem gedurende een geheele week gastvrijheid.
+
+Toen sprak Theodoor aldus tot den koning: "O, vriend van mijn heer,
+gij ridderlijke koning Michael! Mijn tsaar heeft mij niet alleen
+naar hier gezonden om uw wijn te drinken; hij wenscht, dat ik de
+noodige afspraken maak voor zijn huwelijk; zeg mij dus, wanneer mijn
+heer kan komen? Welken tijd van het jaar schikt het u het best om
+hem te ontvangen? Hoeveel svats zal hij meebrengen, als hij komt,
+om de schoone maagd Roksanda te komen halen? Mijn heer heeft mij ook
+opgedragen u als zijn wensch kenbaar te maken, dat mij het geluk ten
+deel valle de schoone prinses te zien."
+
+Hierop antwoordde de koning: "O, mijn vriend Theodoor! Breng mijn
+groeten over aan den tsaar en zeg hem, dat hij zooveel svats mede kan
+brengen als hij wil; zeg hem ook, dat hij mag komen om het meisje,
+wanneer hij maar wil; maar verzoek hem uit mijn naam in geen geval zijn
+neven mede te brengen, de beide Voïnovitchs, Voukashin en Petrashin,
+want ik heb vernomen, dat zij zeer twistziek zijn, als zij te veel
+gedronken hebben en ik vrees, dat zij de eensgezindheid gedurende
+de feestelijkheden zullen verstoren. Wat de prinses betreft, zij zal
+te gelegener tijd bij u komen en uit uw handen den ring van uw heer
+ontvangen, gelijk de goede, oude gewoonte meebrengt."
+
+
+
+Prinses Roksanda.
+
+
+Bij het vallen van den avond werd Theodoor in een niet verlichte kamer
+geleid, en terwijl hij zich afvroeg, wanneer de kandelaren gebracht
+zouden worden, zie, daar stond de prinses voor hem, gehuld in een
+dichte duisternis.
+
+Theodoor voelde zich beleedigd door de poets, die hem gespeeld was;
+maar hij wanhoopte niet. Hij had den prachtigen ring van zijn heer
+bij zich; die was zoo rijk bezet met kostbare steenen, dat, toen hij
+hem te voorschijn haalde, de geheele kamer verlicht was en de stralen
+het meisje beschenen, die, naar het den gezant toescheen, schooner
+was dan de witte veela zelf. Theodoor bood den verlovingsring aan en
+gaf de prinses tevens duizend dukaten. Daarna geleidden haar broeders
+haar terug naar haar vertrekken.
+
+Den volgenden morgen nam Theodoor afscheid van den koning en aanvaardde
+de thuisreis; toen hij te Prisrend aankwam, vroeg de tsaar levendig:
+"O, mijn getrouwe Theodoor! Hebt gij het meisje Roksanda gezien en
+hebt gij haar den ring gegeven! Welk nieuws brengt gij mij mee van
+koning Michael?"
+
+En Theodoor antwoordde: "Ja, mijn heer, ik zag uw bruid en schonk haar
+uw ring; maar de woorden ontbreken mij om de betooverende schoonheid
+van Prinses Roksanda te beschrijven! Vergeefs zou men haarsgelijke
+in Servië zoeken! En koning Michael gaf mij deze boodschap mee:
+gij kunt het meisje halen, wanneer gij wilt, en gij kunt zooveel
+svats meenemen, als gij verkiest. Maar de koning verzoekt u dit eene:
+dat gij onder geen enkele voorwaarde de Voïnovitchs, uw beide neven
+meeneemt, want zij zijn minnaars van den wijnbeker en zijn spoedig
+beleedigd; zij zouden dronkemanstwisten kunnen teweeg brengen en het
+zou misschien moeilijk zijn hun geschillen op een vredelievende manier
+te beslechten."
+
+Toen hij dit hoorde, sloeg de tsaar met zijn rechterhand op zijn
+knie en riep uit: "Helaas! Dat God mij helpe! Is de slechte naam
+van mijn neven reeds zoover verbreid! Bij mijn onwankelbaar geloof,
+ik zal beiden onmiddellijk na de huwelijksfeestelijkheden aan de
+poorten van hun kasteel Voutchitrn laten ophangen, opdat zij niet
+langer over de heele wereld mijn naam te schande maken!"
+
+
+
+De processie begeeft zich op weg.
+
+
+Spoedig daarop riep de tsaar zijn svats bijeen en toen zij allen
+verzameld waren, leverden zij een schitterend schouwspel op. De
+huwelijksprocessie nam haar weg over de vlakte van Kossovo en toen
+zij voorbij de muren van het kasteel Voutchitrn kwam, keken de twee
+jeugdige Voïnovitchs neer op den ruiterstoet en zeiden treurig tegen
+elkaar: "Onze oom moet boos op ons zijn, anders zou hij ons zeker
+hebben uitgenoodigd om deel te nemen aan zijn huwelijksfeest! De een
+of andere schurk moet kwaad over ons hebben gesproken. Dat honderd
+onheilen komen over hem, die ons dit heeft aangedaan! Onze tsaar gaat
+naar het Venetiaansche land en heeft geen enkelen held in zijn gevolg,
+noch een naasten bloedverwant op wien hij, als gevaar hem dreigt,
+rekenen kan. De Venetianen zijn reeds van oudsher bekend als zeer sluw
+en geslepen, en zij kunnen onzen doorluchtigen tsaar dooden! En toch,
+hem te vergezellen zonder dat wij zijn uitgenoodigd, is meer dan wij
+durven doen".
+
+Daarop sprak hun bejaarde moeder: "O, mijn kinderen, gij
+Voïnovitchs! Gij hebt een broeder in de bergen, Milosh, den
+schaapherder; ofschoon de jongste, is hij de grootste held van u allen
+en hij zal een middel vinden om onze eer hoog te houden. De tsaar
+heeft nooit van hem gehoord. Ik raad u hem een boodschap te zenden
+en hem te verzoeken naar het kasteel Voutchitrn te komen; meld hem
+de ware reden niet, maar zeg hem, dat zijn moeder, die oud is, elk
+oogenblik kan sterven, en dat zij hem haar zegen wenscht te geven. Zeg
+hem haast te maken, indien hij zijn moeder nog levend wil vinden!"
+
+Deze raad scheen den beiden broeders goed. Zij schreven een brief
+en zonden dien met spoed naar den berg Shar, waar Milosh met zijn
+kudde vertoefde.
+
+Toen Milosh den brief las, veranderde zijn gelaat en hij stortte
+bittere tranen. Zijn smart werd opgemerkt door dertig herders, die hem
+omringden: "O, Milosh, dapper hoofdman!" riepen zij. "Vele berichten
+hebben u bereikt, maar nooit hebben wij u tranen zien storten, als
+gij ze laast. Van waar kwam deze brief, en welk slecht nieuws brengt
+hij? Vertel het ons gauw, wij smeeken het u!"
+
+Milosh sprong op en sprak zijn herders aldus aan: "Luistert, o herders,
+mijn dierbaarste broeders! Dit bericht komt van het kasteel. Mijn
+moeder ligt op haar doodsbed en zij roept mij, om mij haar zegen
+te geven, opdat mijn ziel niet gevloekt zij. Ik moet mij tot haar
+spoeden, en ik draag u op tijdens mijn afwezigheid goed op de schapen
+te passen."
+
+Toen Milosh het witte kasteel naderde, zagen zijn broeders hem vanaf
+een toren en zij trokken uit om hem tegemoet te gaan; hun bejaarde
+moeder volgde ook. Milosh was verbaasd haar te zien en zei verwijtend:
+
+"Waarom, waarde broeders, meldt gij ongeluk, als er geen grond voor
+is en als alles goed met u is! Dat de Almachtige u deze misleiding
+vergeve."
+
+En zijn broeders antwoordden: "Kom binnen, waarde broeder, er _is_
+toch een groot ongeluk!"
+
+De jonge mannen omhelsden elkaar en Milosh kuste de hand zijner
+moeder. Toen deden de broers het verhaal van de verloving van hun oom
+en hoe hij naar het Venetiaansche land trok zonder zijn beide neven
+te hebben uitgenoodigd in den huwelijksstoet mede te rijden en zij
+besloten hun verhaal met deze smeekbede: "O, lieve broeder Milosh! Gij
+moet den tsaar vergezellen, ja, al zijt gij niet genoodigd. Zoo hij
+door eenig ongeluk bedreigd werd, zoudt gij uw oom kunnen bijstaan. Gij
+kunt gaan en terugkeeren--zonder u aan iemand bekend te maken!"
+
+Milosh was daartoe dadelijk bereid en hij antwoordde verheugd: "Ik
+zal gaan, o, mijn broeders. Ja, hoe zou ik anders kunnen? Indien ik
+niet bereid was onzen dierbaren oom bij te staan, wien anders zou ik
+het dan willen doen?"
+
+Daarop begonnen zijn broers de noodige toebereidselen te maken. Peter
+ging naar den stal om zijn paard, Koulash, te zadelen, terwijl
+Vankashin bleef om toe te zien, dat Milosh van een passende uitrusting
+werd voorzien. Eerst trok hij hem een fijn hemd aan, dat van den hals
+tot het middel met goud geborduurd was; van daaraf was het geweven van
+witte zijde. Op het hemd waren drie dunne, sierlijke linten bevestigd;
+dan een vest, versierd met dertig gouden knoopen; daarover een gouden
+borstharnas, dat ongeveer vijftien pond woog. En ook in onderdeelen
+werd zijn uitrusting verzorgd als ware hij een prins; tenslotte hing
+hij over zijn breede schouders een ruwen Bulgaarschen herdersmantel,
+die hem geheel omhulde en zette hem een Bulgaarschen bonten muts met
+een hoogen punt op het hoofd, zoodat hij zoo volkomen op een zwarten
+Bulgaar geleek, dat zelfs zijn eigen moeder hem niet herkend zou
+hebben. Nu brachten de broeders hem een krijgslans en een knots en
+het betrouwbare zwaard van hun ouden vader Voïn. Toen leidde Peter
+Koulash voor, waarop hij een berenhuid had gelegd, opdat de tsaar
+het welbekende paard niet zou herkennen.
+
+
+
+
+Milosh voegt zich bij den stoet.
+
+
+Milosh was nu gereed om te vertrekken en toen hij afscheid van
+zijn broeders nam, gaven zij hem dezen raad: "Indien gij bij de
+bruiloftsgasten komt, zullen zij u vragen, wie gij zijt en vanwaar gij
+komt. Gij moet antwoorden, dat gij van het land Karavallahia komt,
+waar gij een Turksch heer hebt gediend, Radoul-bey, die u uw loon
+niet wilde uitbetalen, waarom gij nu uitziet naar een milddadiger
+heer. Zeg daarbij, dat, daar gij toevallig bericht hebt ontvangen
+van het huwelijk van den tsaar, gij zijt komen aanrijden om u bij
+de bedienden van het gezelschap te voegen, niet om eenig loon te
+ontvangen, maar dat gij graag wilt dienen voor een stuk brood en een
+glas rooden wijn. Intusschen moet gij de teugels van uw paard stevig
+in handen houden, want Koulash is gewoon in hetzelfde gelid te gaan
+als de strijdrossen van den tsaar en hij zou u kunnen verraden!"
+
+Nadat de broeders hun goeden raad gegeven hadden, nam Milosh afscheid
+van hen en van zijn moeder en stuurde hij zijn paard in de richting
+van den huwelijksstoet; in het gebergte Zagoryé haalde hij hen in. Toen
+zij den vreemdeling zagen, riepen de svats hem aan.
+
+"Vanwaar komt gij, kleine, jeugdige Bulgaar?" En Milosh antwoordde:
+"Van verre!" gelijk zijn broeders hem hadden aangeraden. Toen namen
+de svats hem dadelijk in hun kring op, zeggende: "Dat gij gelukkig
+in ons gezelschap moogt zijn, kleine, jonge Bulgaar! Wij zijn altijd
+blij, als we weer iemand meer in onze nabijheid hebben!"
+
+Het vorstelijk gezelschap, stralend van de schitterende kleuren
+der luisterrijke uniformen, terwijl de lansen en harnassen in de
+zon glinsterden, reed door, totdat het in een vallei kwam. Nu had
+Milosh de slechte gewoonte, die hij zich in het gebergte Shar bij
+het hoeden van zijn schapen had eigen gemaakt, om tegen den middag
+in te slapen en terwijl zijn Koulash fier voortstapte, viel hij in
+een diepen slaap en zoo kwam het, dat zijn hand de teugels losser
+vast hield. Zoodra Koulash voelde, dat de toom losser was, kromde
+hij zijn nek en vloog als een pijl uit den boog door de rijen van
+den ruiterstoet, waarbij hij paarden en ruiters omverwierp, totdat
+hij de paarden van den tsaar had bereikt. Toen drong hij zich in hun
+gelid en nam denzelfden, langzamen, regelmatigen pas aan.
+
+Maar nu was de geheele stoet in wanorde geraakt en een menigte Lales
+[52] zou op de onschuldige oorzaak van de beroering zijn aangevallen,
+indien Doushan niet tusschenbeide was gekomen om hem te beschermen:
+"Slaat dezen jeugdigen Bulgaar niet; hij is een herder en herders
+hebben de gewoonte tegen den middag in te dommelen onder het hoeden
+van hun schapen; weest niet boos, maar maakt hem zacht wakker."
+
+Daarop wekten de svats Milosh, roepende: "Ontwaak, o dwaze, jonge
+Bulgaar! Dat de Almachtige uw oude moeder spare, die u niet heeft
+kunnen doen begrijpen, dat gij het niet wagen moogt u bij het
+gezelschap van den tsaar te voegen!"
+
+
+
+De sprong van Koulash.
+
+
+Milosh ontwaakte plotseling en zag, dat de tsaar met zijn diepe,
+zwarte oogen naar hem keek en zie! zijn Koulash liep in de koninklijke
+rij. Hij draalde geen oogenblik, maar nam de teugels stevig in de hand
+en gaf zijn paard flink de sporen. Een oogenblik trilde Koulash van
+zijn kop tot zijn hoeven, daarna sprong hij als waanzinnig in in de
+lucht, drie lansen hoog, vier lansen ver terzijde, en over een afstand
+van zooveel lansen vooruit, dat niemand ze kon tellen! Vuur kwam
+uit zijn bek en blauwe vlammen kwamen uit zijn neusvleugels! Twaalf
+duizend svats aanschouwden met ontzag en bewondering den verbazenden
+sprong van het Bulgaarsche paard en riepen als één man uit: "Vader
+der barmhartigheid, welk een groot wonder!" Toen zeiden eenigen
+tegen anderen: "Hoe komt zulk een goed paard in het bezit van zoo
+iemand? Zulk een wonder hebben wij te voren nooit gezien!"
+
+Anderen zeiden: "Er was werkelijk één ros als dit in de stallen van
+den schoonzoon van onzen tsaar; en nu is het in bezit van zijn neven,
+de beide broeders Voïnovitchs".
+
+Onder de helden, die het paard bewonderden, waren Voutché van
+Dyakovitza, Yanko van Nestopolyé en een jongeling uit Priepolyé. Dezen
+spraken aldus tegen elkaar: "Wat een prachtig paard heeft die
+Bulgaar! Zijns gelijke is in dezen huwelijksstoet niet te vinden,
+zelfs onze eigen tsaar heeft er geen zoo. Laat ons wat achter blijven
+en trachten er hem van te berooven".
+
+Toen zij Klissoura bereikten, waren de drie ruiters ver achter
+de andere svats; en Milosh reed daar ook alleen. Toen naderden de
+helden hem en terwijl zij zich zeer beleefd voordeden, spraken zij
+hem aldus aan: "Luister naar ons, gij jeugdige Bulgaar! Wilt gij uw
+paard voor een beter ruilen? Wij zullen u bovendien honderd dukaten
+geven en daarbij een ploeg en een paar ossen, opdat gij uw akkers
+kunt bebouwen en in vrede het overige van uw dagen kunt slijten!"
+
+Maar Milosh antwoordde: "Laat mij met rust, o, gij drie machtige
+ruiters! Ik wensch geen beter paard dan dat, hetwelk ik reeds heb;
+want hebt gij niet gezien, dat ik dit zelfs niet rustig kan houden? En
+wat uw koopsom betreft, wat zou ik met zooveel dukaten doen? Ik weet
+niet, hoe ik ze moet wegen en ik kan ook niet tellen tot honderd. Wat
+zou ik doen met uw ploeg en ossen? Mijn vader heeft nooit een ploeg op
+zijn akkers gebruikt en toch hebben zijn kinderen nooit honger gekend!"
+
+
+
+De strijd om Koulash.
+
+
+Op het hooren van dit antwoord zeiden de drie ruiters toornig: "Gij
+deedt beter ons voorstel te aanvaarden, o, hooghartige Bulgaar, opdat
+wij niet met geweld uw paard nemen!" Op deze bedreiging antwoordde
+Milosh: "Het is waar: met geweld neemt men zelfs landen en steden;
+hoe gemakkelijk moet het dan aan drie mannen niet vallen om mijn paard
+met geweld te ontnemen! Daarom ruil ik het liever, want ik ben niet
+in staat te voet te reizen".
+
+Dit zeggende deed Milosh alsof hij gewillig afstand van Koulash deed;
+hij stak zijn rechterhand onder zijn ruwen mantel. Zij meenden, dat
+hij zijn sporen wilde afnemen, maar zij vergisten zich deerlijk, want
+dadelijk daarop kwam zijn zeshoekige knots te voorschijn en voordat
+zij nog van hun verbijstering bekomen waren, gaf Milosh Voutché een
+zacht tikje, dat hem drie keer na elkaar deed ombuitelen. Daarna sprak
+Milosh hem spottend toe: "Dat de vruchtbaarheid uwer wijngaarden in
+uw vreedzaam landgoed Dyakovitza even groot zij als uw dapperheid!"
+
+Toen hij zag, hoe het zijn makker verging, vluchtte Yanko in allerijl,
+maar Koulash had bijna geen tijd noodig om het vluchtende paard te
+achterhalen en Milosh liet op den schouder van zijn ruiter zulk een
+slag vallen, dat ook hij op den grond werd geslingerd, waar hij vier
+keer omtuimelde, voordat hij liggen bleef.
+
+"Wacht even! O, Yanko!" smaalde Milosh. "Dat de vruchtbaarheid der
+appelboomen op uw vreedzaam landgoed even overvloedig zij als de
+dapperheid, die gij heden aan den dag hebt gelegd!"
+
+Nu bleef nog slechts de man uit Priepolyé over, die ondertusschen een
+eind verder was gevlucht. Maar de snelheid van zijn paard baatte hem
+niet bij de vlugheid van Koulash en Milosh bereikte hem spoedig en
+gaf hem met zijn strijdknots een tik, die hem niet minder dan zes keer
+kopje deed duikelen. Of hij het hooren kon of niet, Milosh riep luid
+uit: "Houd u vast, o jonge man van Priepolyé, en als gij teruggaat
+naar Priepolyé, dan moogt gij er wat mij aangaat tegen de meisjes op
+pochen, hoe gij heden met geweld een Bulgaarsch paard hebt genomen".
+
+Hierop wendde Milosh zijn ros om en bereikte weldra den
+huwelijksstoet. Te zijner tijd bereikte de processie de witte stad
+Ledyen en de Serviërs sloegen hun witte tenten onder de muren op. De
+stalknechts gaven aan de paarden gerst, maar zij gaven niets aan
+Koulash. Toen Milosh dit zag, nam hij in zijn linkerhand een voederzak
+en van paard tot paard loopend, nam hij met zijn rechterhand van elk
+een handvol weg, totdat hij den zak voor zijn trouwen Koulash had
+gevuld. Daarna ging hij naar den opperwijnschenker en verzocht hem
+om een glas wijn. Maar deze weigerde, zeggende: "Ga heen, gij zwarte
+Bulgaar! Indien gij uw ruwen Bulgaarschen houten nap had meegebracht,
+zou ik er wellicht een dronk ingeschonken hebben, maar deze gouden
+bekers zijn niet voor u!" Milosh wierp een donkeren blik op den lompen
+wijnbewaarder, en liet dien volgen door een zachten tik op zijn wang,
+die drie gezonde tanden naar zijn keel zond. Toen werd de man bang en
+hij verzocht Milosh: "Laat uw hand rusten, o machtige Bulgaar! Gij
+zult wijn in overvloed hebben, zelfs al zou onze tsaar er bij te
+kort komen".
+
+Maar Milosh lette niet meer op den man, doch hielp zich zelf. Toen
+hij door den pittigen wijn verkwikt was, daagde de dag en de zon
+begon te schijnen.
+
+
+
+De eerste proef.
+
+
+Toen Milosh in de frissche schoonheid van den vroegen morgen stond
+te drinken, riep een page van koning Michael luid van een toren van
+het koninklijk kasteel: "Luister o, Servische tsaar Doushan! Zie,
+in de vallei onder de muren der stad bevindt zich de kampioen van
+onzen koning! Gij moet een tweegevecht met hem aangaan, gij zelf
+of een plaatsvervanger. Indien gij hem niet overwint, zult gij deze
+plaats niet ongedeerd verlaten, evenmin zal een uwer bruiloftsgasten
+terugkeeren! En nog minder zult gij prinses Roksanda met u meevoeren!"
+
+Doushan hoorde de hooghartige boodschap en hij zond een omroeper,
+die een krachtige stem had, rond onder de bruiloftsgasten. Hier en
+daar stond hij stil om de boodschap van den tsaar luid uit te roepen:
+"Heeft een moeder het leven geschonken aan een onbevreesden held,
+die de uitdaging voor onzen tsaar wil aannemen? Hij, die dapper genoeg
+is om den strijd tegen den kampioen aan te binden, zal door den tsaar
+in den adelstand worden verheven."
+
+Maar helaas! toen de omroeper het kamp door was gegaan, was niemand
+naar voren getreden, om de eer op te eischen voor den tsaar te
+strijden.
+
+Toen Doushan dit hoorde, sloeg hij met zijn rechterhand op zijn
+knie en riep uit: "Wee mij! o machtige Schepper! Indien ik nu mijn
+lievelingsneven, de twee voïnovitchs bij mij had, dan zou ik niet
+zonder kampioen zijn. De tsaar had nauwelijks zijn jammerklacht
+geslaakt, of Milosh, zijn paard bij den toom leidend, verscheen voor
+de tent van den tsaar.
+
+"O, mijn heer, gij machtige tsaar!" zei hij, "staat gij mij toe dit
+tweegevecht aan te gaan?"
+
+De tsaar antwoordde: "Gij moogt het aanvaarden, o jeugdige
+Bulgaar! Maar helaas, er is maar weinig kans, dat gij dien pochenden
+kampioen van den koning kunt overwinnen. Maar als gij slaagt, waarlijk
+dan zal ik u in den adelstand verheffen!"
+
+Milosh sprong in het zadel en toen hij zijn vurigen Koulash van den
+tsaar afwendde, wierp hij achteloos zijn lans over zijn schouder
+met de punt naar achteren. Dit ziende riep Doushan hem toe: "O,
+mijn zoon, draag uw lans zoo niet. Draag de punt vooruit, opdat
+de trotsche Venetianen u niet uitlachen!" Maar Milosh antwoordde:
+"Zie toe, o tsaar, dat gij uw eigen waardigheid hoog houdt, en maak u
+niet bezorgd over de mijne! Indien het noodig is, zal ik gemakkelijk
+mijn lans op het juiste oogenblik omkeeren, zoo niet, dan kan ik ze
+even goed op deze verkeerde manier houden!"
+
+Terwijl Milosh over de vlakte van Ledyen reed, zagen de vrouwen
+en meisjes van Ledyen hem, en lachend riepen zij uit: "Heiligen in
+den hemel! Een wonder! Welk een plaatsvervanger voor een Servisch
+keizer! De jonge man heeft zelfs geen ordentelijke kleeren aan! Wees
+blij, gij kampioen van den koning, want gij zult nauwelijks uw zwaard
+uit de scheede behoeven te halen!"
+
+Ondertusschen had Milosh de tent bereikt, waarin de kampioen van
+den Venetiaanschen koning zat. Voor den ingang had hij zijn lans
+diep in den grond gestoken en hieraan had hij zijn grijs paard
+vastgebonden. Milosh sprak aldus den kampioen aan: "Sta op, kleine,
+blanke Venetiaansche heer; wij zullen samen vechten voor de eer van
+onze meesters!"
+
+Maar de kampioen antwoordde toornig: "Scheer u weg, gij leelijke,
+zwarte Bulgaar! Mijn zwaard is niet voor dezulken als gij zijt! Ik
+zou mijn staal niet willen bezoedelen door het in zulk een in lompen
+gehulden kerel te steken!"
+
+Deze opmerking maakte Milosh zeer boos en hij riep uit: "Sta op,
+hooghartige Venetiaan! Gij hebt werkelijk een rijker gewaad; ik zal
+het u ontnemen en wie zal dan de mooiere veeren hebben?"
+
+Nu sprong de kampioen op en besteeg zijn grijs paard, dat hij over het
+veld liet steigeren en springen. Milosh stond er kalm naar te kijken,
+totdat de Venetiaan plotseling zijn lans recht naar de borst van
+Milosh slingerde. De behoedzame Serviër ving ze op den gouden knop
+van zijn knots op en terwijl hij het wapen over zijn hoofd wierp,
+brak hij het in drie stukken.
+
+Deze behendigheid verontrustte den kampioen en hij riep uit: "Wacht een
+oogenblik, jij leelijke, zwarte Bulgaar! Mijn lans deugde niet, wacht,
+totdat ik er een betere heb gekregen!" Hiermede gaf hij zijn paard de
+sporen, maar Milosh riep hem na: "Wacht, gij blanke Venetiaan! Gij
+zult mij niet ontkomen!" Tegelijk gaf hij zijn Koulash de sporen,
+joeg den lafhartigen kampioen achterna, en vervolgde hem tot vlak aan
+de poorten van Ledyen. Jammer genoeg voor den vluchteling waren de
+poorten gesloten! Een oogenblik stond de kampioen besluiteloos stil en
+dit oogenblik was zijn laatste. Milosh zond zijn onfeilbare lans af;
+zij floot door de morgenlucht en de kampioen was aan de poort genageld.
+
+Toen steeg Milosh van zijn paard, sloeg het hoofd van den Venetiaan
+af, en wierp het in den voederzak van Koulash. Daarna greep hij het
+grijze paard en reed er mee naar den tsaar. "Hier, o machtige tsaar",
+zei hij, "is het hoofd van den kampioen van den koning!"
+
+Doushan was meer dan verheugd over zijn dapperheid en gaf hem veel
+goud. "Ga, mijn zoon" zei hij vriendelijk, "drink wat goeden wijn,
+en dadelijk zal ik u in den adelstand verheffen!"
+
+
+
+De tweede proef.
+
+
+Nauwelijks had Milosh plaats genomen achter zijn beker wijn of weer
+riep een page met luider stem van het koninklijk kasteel: "Zie, o
+Servische tsaar! Ginds beneden in de weide kunt gij drie vurige paarden
+gezadeld zien; op iederen rug is een vlammend zwaard bevestigd met
+de punt omhoog. Indien gij in vrede van hier wilt gaan en de dochter
+van den koning medenemen, dan moet gij of uw plaatsvervanger over
+deze vlammende zwaarden springen."
+
+Weer zond de tsaar een omroeper zijn kamp rond: "O, Serviërs" riep
+hij, "heeft niet een moeder het leven geschonken aan een held, die
+den sprong wil wagen over de drie paarden en de vlammende zwaarden,
+die op hun rug zijn bevestigd?"
+
+Weer ging hij het geheele kamp door, waarbij hij er voor zorgde, dat
+zijn woorden door elken svat gehoord konden worden, maar weer kwam
+er geen enkele held zich aanbieden. Terwijl de tsaar nog in angstig
+gepeins over het vraagstuk verzonken zat, keek hij op en zie! weer
+stond Milosh voor hem. "O, roemruchtige tsaar!" zei hij, "staat gij mij
+toe deze heldendaad te beproeven?" En de tsaar antwoordde dadelijk:
+"Zeker moogt gij gaan, mijn lieve zoon! Maar doe eerst dien lompen
+Bulgaarschen mantel af! Dat God den dommen kleermaker straffe, die
+hem zoo maakte!" Maar Milosh zei:
+
+"Wees gerust, o machtige tsaar en drink uw koelen wijn! Maak u niet
+bezorgd over mijn ruwen mantel. Indien de held een hart heeft, dan zal
+zijn mantel hem niet in den weg zijn; en indien een schaap haar vacht
+te zwaar vindt, dan is er geen schaap in haar noch wol op haar huid!"
+
+Zoo reed hij naar de weide van Ledyen, waar de drie paarden naast
+elkaar vastgebonden stonden en den grond met hun voorpooten
+omwoelden. De jonge man steeg van zijn Koulash af en ging op
+verscheidene passen van het derde paard naast hem staan; daarna
+streelde hij Koulash zacht over zijn trotschen nek en zei: "Je zult
+hier rustig staan blijven, totdat ik weer op het zadel kom!" Toen liep
+hij de paarden voorbij, bleef op korten afstand van het eerste paard
+staan, waar hij zich omwendde, zoodat zijn gelaat naar de op eenigen
+afstand van elkaar op een rij geplaatste paarden gekeerd was. Daarna
+danste hij eerst op den eenen voet en toen op den anderen, waarop hij
+plotseling als een vlug hert vooruit schoot en toen, hoog opspringende,
+zich over de drie paarden met de vlammende zwaarden wierp, waarna
+hij veilig op het zadel van zijn eigen Koulash terecht kwam. Nadat
+hij dit gedaan had, nam hij de teugels van de drie rossen, en reed
+er mede in triomf naar den Servischen tsaar.
+
+
+
+De derde proef.
+
+
+Heel spoedig kwam de page van den Venetiaanschen koning weer naar
+den toren van het koninklijk kasteel en sprak aldus: "Luister,
+gij tsaar van de Serviërs! Onder den hoogsten toren van dit kasteel
+bevindt zich een slanke lans, waarop een gouden appel is gestoken;
+op twaalf pas afstand is een ring: gij moet een pijl door den ring
+schieten en den appel doorboren--gij of uw afgezant!"
+
+Dezen keer wilde Milosh niet wachten, tot de omroeper zijn boodschap
+gedaan had, maar ging regelrecht naar den tsaar en verkreeg zijn
+toestemming om de taak te vervullen. Na zijn gouden pijl en boog
+genomen te hebben, begaf hij zich naar de aangewezen plaats, plaatste
+zijn pijl op het koord van den boog en de pijl ging recht door den
+ring en trof het hart van den appel, dien hij in zijn hand opving,
+toen hij viel. Weer schonk de tsaar hem ontelbaar veel gouden dukaten.
+
+
+
+De vierde proef.
+
+
+Nauwelijks was dit wonderbare heldenfeit volbracht, of de vorstelijke
+page verscheen weer op den toren van het kasteel:
+
+"Zie, o tsaar van de Serviërs! De twee koninklijke prinsen hebben
+voor het paleis des konings drie schoone meisjes gebracht, allen
+precies gelijk en gekleed in gelijke gewaden. De koning verzoekt u
+te raden, wie van de drie prinsessen Roksanda is! Wee u, als gij een
+ander meisje aanraakt dan Roksanda! Gij zult de prinses niet als uw
+bruid meevoeren, noch zult gij heengaan met uw hoofd op uw schouders,
+en evenmin zullen uw gasten deze plaats levend verlaten!"
+
+Toen Doushan deze boodschap hoorde, liet hij dadelijk zijn raadsman
+Theodoor komen en beval: "Ga, Theodoor, en zeg wie Roksanda is!" Maar
+Theodoor verklaarde, dat hij haar maar zoo'n kort oogenblik had gezien,
+dat het hem onmogelijk zou zijn van de drie meisjes, die allen op
+elkaar geleken, de eene aan te wijzen, die hij gezien had bij het
+licht van den ring zijns meesters.
+
+Toen hij dit hoorde, sloeg de tsaar in wanhoop met zijn hand
+op zijn knie, uitroepende: "Helaas: helaas! Moeten wij na vele
+verbazingwekkende heldendaden te hebben uitgevoerd, terugkeeren zonder
+de bruid en geschandvlekt in de oogen van ons volk?" Juist op dat
+oogenblik kwam Milosh, die begrepen had in welke moeilijkheden de
+tsaar zich bevond, naar de keizerlijke tent en sprak aldus: "Staat
+gij mij toe, o tsaar, om voor u te raden wie van de meisjes prinses
+Roksanda is?" En de tsaar antwoordde verheugd: "Mijn volmacht hebt
+gij, o mijn lievelingszoon. Maar gering is de hoop, dat gij juist
+zult raden, daar gij de prinses nooit te voren hebt gezien!"
+
+Daarop antwoordde Milosh "Wees niet bevreesd, mijn roemruchtige
+heer! Toen ik nog een herder was en in het gebergte Shar de wacht
+hield bij twaalf duizend schapen, werden er in een nacht drie honderd
+lammeren geboren en ik was in staat van elk lam te zeggen uit welke
+moeder het geboren was. Hoeveel gemakkelijker zal het zijn Roksanda
+te herkennen, die toch eenige gelijkenis moet hebben met haar broers!"
+
+"Ga, ga dan, mijn lievelingszoon! Dat God u bijsta, wanneer gij
+raadt. Indien gij slaagt, dan zal ik u het geheele land van Skender
+geven; gij zult er heerschen, zoolang gij leeft!"
+
+Milosh ging over de uitgestrekte vlakte, totdat hij aan de plaats
+kwam, waar de drie meisjes stonden te wachten. Met een snelle en
+onverwachte beweging, zwaaide hij den ruwen bonten muts van zijn
+hoofd, wierp hij den zwaren mantel van zijn schouders, waardoor het
+scharlaken fluweel en het gouden harnas, dat er onder verborgen was,
+zichtbaar werden. Waarlijk, hij schitterde in het groene veld als de
+ondergaande zon achter een bosch! Milosh spreidde zijn mantel op het
+gras uit en wierp daarop ringen, parelen en kostbare steenen. Daarna
+trok hij zijn fijn-gehard zwaard uit de scheede en sprak de drie mooie
+meisjes aldus aan: "Dat zij, die prinses Roksanda is, haar sleep bij
+elkaar neme en haar mouwen en deze ringen, parelen en kostbare steenen
+oprape! Indien iemand anders dan Roksanda deze schoone voorwerpen zou
+durven aanraken, zweer ik bij mijn vast geloof, dat ik haar dadelijk
+beide handen zal afhouwen, ja, tot aan haar ellebogen!"
+
+De drie schoone meisjes waren ontsteld en twee van haar keken
+beteekenisvol naar haar gezellin, die in het midden stond. Dit was de
+prinses en na een oogenblik aarzelens nam Roksanda haar zijden sleep
+en mouwen bijeen en begon de ringen, parelen en kostbare steenen
+op te rapen. De twee andere meisjes waren op het punt te vluchten,
+maar Milosh nam haar zacht bij de hand en geleidde alle drie naar
+den tsaar, aan wien hij prinses Roksanda voorstelde; deze eer viel
+ook een van haar gezellinnen te beurt, die als haar hofdame bij haar
+blijven mocht, maar het andere meisje hield hij voor zich zelf. De
+tsaar kuste Milosh tusschen zijn vurige oogen; nog altijd wist hij
+niet, wie Milosh was of vanwaar hij kwam.
+
+
+
+Het vertrek der Serviërs.
+
+
+De ceremoniemeesters riepen nu overluid: "Maak u gereed, gij svats! Het
+wordt hoog tijd, dat wij ons naar huis spoeden!" En de svats maakten
+zich gereed voor de reis en spoedig begaven zij zich op weg en namen
+de schoone prinses Roksanda mee.
+
+Toen zij de poorten van de stad verlieten, naderde Milosh den tsaar en
+zei: "O, mijn heer, gij Servische tsaar Doushan, luister naar mij! Er
+is in de stad Ledyen een geweldig held, Balatchko, de voïvode genaamd;
+ik ken hem en hij kent mij. Balatchko heeft drie hoofden: uit een
+er van komt een blauwe vlam, uit het andere blaast een ijskoude
+wind. Wee hem, naar wien een van deze gericht is! Maar indien een
+held ze weerstaat, dan is het niet moeilijk Balatchko te verslaan,
+als zijn wind en vlam hem hebben verlaten. De Venetiaansche koning
+heeft hem zeven jaar geoefend, want het is zijn voornemen hem te
+gebruiken om den koninklijken huwelijksstoet te vernietigen en prinses
+Roksanda te bevrijden, voor het geval gij er in zoudt slagen haar in
+uw bezit te krijgen. Nu is het zeker, dat hij hem zal zenden om u te
+overvallen. Vervolg uw weg en ik zal achter blijven met driehonderd
+uitgelezen helden, om het monster tegen te houden, als het u vervolgt."
+
+Daarom bleef Milosh met zijn driehonderd makkers in het groene woud,
+terwijl de svats verder gingen met de schoone prinses Roksanda.
+
+De svats hadden ternauwernood hun tenten opgebroken, of koning Michael
+liet den voïvode Balatchko roepen. "O Balatchko, mijn getrouwe
+dienstknecht," zei hij, "kunt gij vertrouwen op uw dapperheid en
+uittrekken tegen de svats van den tsaar, om mijn dochter Roksanda
+terug te brengen?"
+
+En Balatchko antwoordde: "Mijn heer, gij koning van Ledyen! Zeg
+mij eerst, wie die moedige held was, die de groote heldendaden heeft
+verricht, waartoe gij den Servischen tsaar hebt uitgedaagd?" De koning
+van Ledyen antwoordde hem: "O, Balatchko, mijn getrouwe dienaar? Hij is
+geen held; hij is slechts een jeugdige zwarte Bulgaar." En Balatchko
+antwoordde: "Neen, gij vergist u; hij is geen zwarte Bulgaar. Ik
+ken hem goed; hij is prins Milosh Voïnovitch zelf, dien zelfs
+den Servischen tsaar niet kon herkennen onder zijn vermomming als
+herder. Waarlijk, hij is geen gewoon held, en een, die niet licht
+geacht mag worden door eenig krijgsman, hoe onbevreesd hij ook moge
+zijn." Toch drong de koning aan: "Trek op tegen de svats, o voïvode
+Balatchko! Indien gij de prinses weer terugwint, dan geef ik u haar
+tot vrouw!"
+
+
+
+De strijd met Balatchko.
+
+
+Op het vernemen van deze belofte zadelde Balatchko zijn merrie
+Bedevia en begaf zich op weg om de svats te vervolgen, vergezeld van
+zeshonderd Venetiaansche kurassiers. Toen zij het bosch bereikten,
+zagen zij Koulash midden op den hoofdweg staan en Milosh te voet
+achter hem. Balatchko sprak den prins aan met deze woorden: "O
+Milosh, klaarblijkelijk hebt gij op mij gewacht!" Hierna richtte
+hij zijn blauwe vlam op hem, die slechts het bont van Milosh zengde;
+waarop hij, toen hij zag, dat hij den held geen ernstig letsel had
+toegebracht, zijn ijskouden wind over hem liet heengaan. Koulash
+tuimelde driemaal om en in het stof, maar de wind had geen invloed op
+zijn meester. Met den uitroep: "Hier hebt gij iets, dat gij niet had
+verwacht!" slingerde Milosh zijn driehoekige knots en gaf Balatchko
+een zachten slag, die hem uit het zadel lichtte. Toen wierp Milosh
+zijn lans en stak den kerel aan den grond, waarna hij de drie hoofden
+afsloeg en ze in den voederzak van Koulash wierp. Na dit gedaan te
+hebben besteeg hij zijn paard en voerde zijn driehonderd Serviërs aan
+tegen de Venetiaansche kurassiers en kliefde driehonderd hoofden;
+de overlevenden werden op de vlucht gedreven. Daarna haastte hij
+zich en haalde spoedig den tsaar in, aan wiens voeten hij de drie
+grimmige hoofden van Balatchko wierp. De tsaar verheugde zich
+over zijn overwinning en gaf hem duizend dukaten, daarna zette de
+processie haar tocht naar Prisrend voort. Midden op de vlakte van
+Kossovo ging de weg van Milosh naar de vesting Voutchitrn naar rechts,
+en hij naderde den tsaar om afscheid van hem te nemen. "Dat God met u
+zij, mijn lieve oom!" zei hij. Toen pas hoorde de tsaar, dat de man,
+dien hij voor een Bulgaar gehouden had, niemand anders was dan zijn
+neef Prins Milosh Voïnovitch. Overstelpt door blijdschap riep hij
+uit: "Zijt gij het, mijn lieve Milosh? Zijt gij het, mijn liefste
+neef? Gelukkig is de moeder, die u het leven schonk, en gelukkig de
+oom, die zulk een dapperen neef heeft! Waarom hebt gij u niet dadelijk
+bekend gemaakt? Waarlijk, ik zou u niet buiten gesloten hebben van
+mijn gezelschap."
+
+Wee hem, die zijn eigen bloedverwanten over het hoofd ziet.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IX. TSAAR LAZARUS EN DE TSARINA MILITZA.
+
+
+
+Het voorgevoel van de tsarina.
+
+
+Toen zij op zekeren avond samen aan het avondeten zaten, sprak tsarina
+Militza aldus tot tsaar Lazarus:
+
+"O Lazarus, gij gouden kroon van Servië! Gij zult morgen naar de
+vlakte van Kossovo gaan met uw hertogen en dienaren, maar helaas,
+gij zult niemand in het paleis achterlaten om mijn brieven aan u te
+bezorgen, en de uwe van Kossovo naar mij te brengen. Gij neemt ook
+mijn negen broeders Yougovitchs met u mede; ik verzoek u althans een
+van mijn broeders bij mij te laten, op wien ik kan vertrouwen en bij
+wien ik kan zweren!" [53]
+
+En de tsaar antwoordde: "O, mijn vrouwe, gij tsarina Militza! Welken
+van uw broeders zoudt gij het liefst thuis houden." Daarop sprak de
+tsarina: "Het liefst zou ik Boshko Yougovitch bij mij houden!"
+
+Hierin stemde de tsaar toe. "O, mijn vrouwe, tsarina Militza! Als de
+ochtend daagt en de zon boven de kim rijst en de poorten van de vesting
+geopend worden, dan kunt gij naar de hoofdpoort gaan, waardoor het
+geheele leger, voorafgegaan door zijn standaards, zal uittrekken--de
+ridders met krijgsmanslansen worden aangevoerd door Boshko Yougovitch,
+die de vlag met het gouden kruis zal dragen. Groet hem uit mijn naam
+en zeg hem uit mijn naam, dat ik hem verlof geef met u in ons witte
+kasteel te blijven en zijn vlag over te dragen aan wien hij wil!"
+
+Toen de morgen daagde en de zon scheen, werden de poorten van de
+vesting geopend en tsarina Militza verscheen aan de hoofdpoort der
+stad, en zie! het machtige leger maakte zich gereed uit te trekken;
+aan het hoofd reden de roemruchtige ridders, aangevoerd door Boshko
+Yougovitch. Boshko stond op het punt zijn bruin paard te bestijgen,
+een heerlijk met gouden harnachement opgetuigd dier. Op den vlaggestok
+was een gouden appel bevestigd en van het groote kruis hingen gouden
+kwasten neer, die zachtjes tegen de schouders van Boshko tikten.
+
+Tsarina Militza naderde haar broer en haar teedere armen om zijn
+hals slaande sprak zij hem met haar lieve stem aldus toe: "O, mijn
+lieve broeder, onze tsaar heeft u aan mij gegeven en wenscht, dat
+gij niet ten oorlog trekt naar Kossovo. Hij draagt u op uw vlag over
+te geven aan wien gij wenscht en in Kroushavatz te blijven, opdat ik
+een broeder heb op wien ik kan vertrouwen!"
+
+Maar Boshko Yougovitch antwoordde: "Ga terug, o lieve zuster, naar uw
+witte kasteel! Ik wil niet terugkeeren, noch deze vlag uit mijn handen
+geven, al kreeg ik Kroushavatz [54] zelf als belooning. Hoe zou ik
+kunnen verdragen dat mijn makkers zeiden: 'Ziet naar den lafaard Boshko
+Yougovitch! Hij durft niet naar Kossovo gaan, om zijn bloed te storten
+voor de zaak van het Heilige Kruis en zijn geloof!'" Hierna maakte
+hij zich los uit de omhelzing zijner zuster en sprong in het zadel.
+
+Ziet! Daar komt de bejaarde Youg-Bogdan aan het hoofd van een rij van
+zijn zeven andere zoons! De tsarina beproefde achtereenvolgens ieder
+hunner tegen te houden, maar te vergeefs. Voïn Yougovitch, de achtste
+broer, was de laatste in de rij; hij wilde evenmin als zijn broeders
+luisteren en toen hij verder ging viel de arme tsarina voor de voeten
+der paarden in zwijm. De doorluchtige Lazarus zag zijn geliefde gade
+neervallen en daar hij de oorzaak van haar verdriet begreep, stortte
+hij tranen. Na snel rechts en links een blik geworpen te hebben,
+ontwaardde hij zijn vertrouwden dienstknecht Golouban en riep hem
+toe: "O Golouban, mijn getrouwe knecht! Stijg van uw ros en breng de
+tsarina in uw heldhaftige armen zacht naar haar slanken toren. God
+en ik stellen u vrij van den dienst in den oorlog, blijf in ons witte
+kasteel in de nabijheid van de tsarina!"
+
+Op het hooren van deze woorden verbleekte Golouban en tranen stroomden
+langs zijn wangen, toen hij afsteeg van zijn Laboud. [55] Hij nam
+de tsarina in zijn armen en droeg haar in den slanken, hoogen toren,
+zooals de tsaar bevolen had; maar nadat hij dit gedaan had, kon hij
+niet langer weerstand bieden aan den wensch van zijn hart om naar
+Kossovo te gaan; daarom snelde hij terug naar zijn ros, gaf het de
+sporen en reed snel zijn makkers achterna.
+
+
+
+Nieuws van den veldslag.
+
+
+Zie, den volgenden morgen, toen het daagde, streken twee
+onheilspellende raven van het slagveld van Kossovo neer op den witten
+toren van den doorluchtigen tsaar Lazarus. De een zei tegen den ander:
+"Is dit het kasteel van den beroemden vorst Lazarus? Is er geen
+levende ziel in?"
+
+Slechts een in het kasteel hoorde het. Tsarina Militza trad op het
+balkon van haar toren en smeekend sprak zij de twee raven aldus
+aan: "Ter wille van alles, wat u dierbaar is, o gij twee donkere
+raven! Vanwaar komt gij? Komt gij niet aangevlogen van het slagveld
+van Kossovo? Hebt gij daar twee machtige legers gezien? O, zeg het
+mij. Hebben zij elkander ontmoet? Welke van de twee zal overwinnen?"
+
+Daarop antwoordden de beide raven: "Dat onheil ons treffe, indien wij
+de waarheid niet tot u spreken, o schoone keizerin Militza! Wij komen
+werkelijk aanvliegen van de vlakte van Kossovo. Ja! Daar hebben wij
+twee machtige legers gezien; twee tsaren zijn omgekomen. [56] Van de
+Turken zijn er maar weinigen in leven gebleven, de overlevenden van
+de Serviërs zijn bedekt met wonden en bloed!"
+
+
+
+De trouwe Miloutin.
+
+
+Nauwelijks hadden de raven uitgesproken, of de tsarina zag een
+ruiter naderen, dien zij herkende. Zijn linkerarm hing hulpeloos
+neer; hij was overdekt met zeventien wonden; bloed liep langs zijn
+paard. De tsarina riep hem toe op een toon van ontzetting: "Helaas,
+helaas! Zijt gij het, mijn getrouwe Miloutin? Hebt gij dan uw tsaar
+verraderlijk achtergelaten op de vlakte van Kossovo?"
+
+Maar Miloutin antwoordde langzaam en pijnlijk: "Help mij, o vrouwe,
+bij het afstijgen van mijn paard! Bet mijn gelaat met koel water en
+verfrisch mij met rozekleurigen wijn, want met zware wonden is mijn
+lichaam overdekt!"
+
+De tsarina liep naar hem toe en hielp hem bij het afstijgen van zijn
+met bloed bedekt paard, bette zijn gelaat met koel water en bracht
+wijn aan zijn verdroogde lippen. Toen zij hem aldus had verkwikt,
+sprak zij: "Wat voor vreeselijke dingen zijn er gebeurd, o gij trouwe
+dienstknecht, te Kossovo, op de vlakte? Waar is de roemruchte prins
+Lazarus omgekomen? Waar kwam de bejaarde Youg-Bogdan om? Waar vielen
+de negen broeders Yougovitch? Waar Voïvode Milosh? Waar kwam Vouk
+Brankovitch om? Waar Ban Strahiyna?"
+
+Daarop bracht de krijgsman er met moeite en kreunend uit:
+
+"Allen bleven te Kossovo, o vrouwe! Waar de doorluchtige Prins Lazarus
+omkwam, daar zijn vele, vele lansen gebroken, zoowel Turksche als
+Servische, maar minder Turksche dan Servische, die daar, o vrouwe,
+werden opgeheven bij de verdediging van onzen geliefden heer, den
+roemruchtigen Prins Lazarus. En uw vader, o vrouwe, kwam bij den
+eersten aanval om. Ook uw negen broeders vielen--getrouw bleven zij bij
+elkaar. Totdat hij stierf, hadt gij daar den dapperen Boshko kunnen
+zien, zijn vlag wapperend in den wind, terwijl hij her en derwaarts
+snelde en de Turken verspreidde als een valk, die onder een vlucht
+bedeesde duiven neerstrijkt. Daar bij het riviertje de Sitnitza, waar
+het bloed den helden tot boven de knieën reikte, kwam Ban Strahiyna om.
+
+"Maar onze helden stierven niet alleen! Twaalf duizend Turken liggen
+neer op de vlakte. Sultan Mourat [57] werd verslagen door voïvode
+Milosh. Dat God hem al zijn zonden vergeve! De held heeft aan het
+Servische volk de herinnering aan vele edele daden nagelaten, welke
+de barden zullen bezingen, zoolang menschen leven en Kossovo is,
+wat het is. Wat den verrader Vouk betreft, vervloekt zij zij, die hem
+het leven schonk! Hij bedroog onzen tsaar te Kossovo. Twaalf duizend
+onzer beste en krachtigste ruiters misleidde hij en bracht hij op
+een dwaalspoor, o, vrouwe! Vervloekt voor altijd zij zijn nageslacht!"
+
+
+
+Historische aanteekening.
+
+
+Onveranderlijk werpen de barden de verantwoordelijkheid voor
+den grooten tegenspoed der Servische wapenen, die hen trof in
+dien beroemden slag te Kossovo, op Vouk Brankovitch, die een der
+schoonzoons was van tsaar Lazarus. Eenigen van onze historici zijn
+er van overtuigd, dat er een groot deel waarheid schuilt in deze
+_licencia poëtica_ en zij wijzen op het feit, dat de geschiedenis der
+middeleeuwen van Servië vele voorbeelden bevat van ontevredenen als
+Vouk Brankovitch, die verleid door mooie beloften van sluwe Turksche
+staatslieden, naar Stamboel gingen om nuttige werktuigen te worden in
+de handen der Ottomaansche krijgsoversten, die daardoor in staat waren
+de Slaven van de Balkanstaten te onderwerpen. Maar de waarheid is, dat
+onze tegenspoed voornamelijk te wijten was aan de ongehoorzaamheid der
+Servische Heeren, die bijna onafhankelijk over Bosnië en Herzegovina
+regeerden. Deze edelen hadden geen gevolg gegeven aan den oproep van
+tsaar Lazarus om zich met al hun mannen bij zijn leger te voegen en
+zoo kwam het, dat het Servische leger aanmerkelijk kleiner was dan
+het Turksche.
+
+Maar hoe het zij, de nederlaag, die de Serviërs leden in dien
+gedenkwaardigen slag, maakte diepen indruk op het volk, en de
+Serviërs hebben sinds dien steeds geloofd, dat alleen aan dit onheil
+de verplettering van het Servische rijk door den Turk geweten moet
+worden. Deze meening hield gedurende vier eeuwen stand in het hart
+der onderdrukte Serviërs. Na dien stonden zij herhaaldelijk tegen
+hun onderdrukkers op, onder anderen in het begin der vorige eeuw
+onder leiding van twee Servische prinsen: George Petrovitch, den
+grootvader van den tegenwoordigen koning Peter I Karageorgevitch
+in het jaar 1804, en Milosh Obrenovitch in 1815. Maar nog een eeuw
+moest verloopen eer de gelegenheid kwam voor een beslissenden slag,
+waarbij de slag van Kossovo gewroken werd. Dat geschiedde in den
+beroemden slag van Koumanova in 1913, waar meer Turken vielen dan
+vijf eeuwen geleden Serviërs. Toen pas was Servië gelukkig!
+
+Schrijver dezes maakte de Balkanveldtocht van 1912-1913 mee, en was
+getuige van roemrijke daden en wapenfeiten van zijn landgenooten, die
+vergelijkenderwijs gesproken in geen enkel opzicht onderdoen voor die
+van hun voorouders uit de middeleeuwen, toen Milosh Obilitch, Marko
+Kralyevitch, Ban Strahiyna en anderen de Serviërs aanvoerden. Het was
+een indrukwekkend gezicht, toen het Servische leger na afloop van
+den oorlog als overwinnaar in Belgrado terugkeerde. De intocht der
+soldaten ging onder ontelbare triomf bogen door, waarboven reusachtige
+opschriften prijkten:
+
+"Voor Kossovo: Koumanovo" en "Voor Slivnitza: Bregalnitza."
+
+De onvermoeide Servische barden houden zich nu bezig met de
+heldendaden in den tegenwoordigen tijd bedreven te Monastir, Koumanovo,
+Periep (Prilip), Scoetari (Skadar) enz. en die zij zoodoende aan de
+vergetelheid ontrukken. Elk der volgende geslachten zal zich opnieuw
+verheugen over den triomf van den Serviër op den onderdrukker van
+zijn ras, aan wien tenslotte het rijk van zijn dappere voorouders
+ontworsteld werd--zooal niet in zijn geheele uitgestrektheid, gelijk
+die onder de regeering van tsaar Doushan den Machtigen was, dan toch
+voor zoover het zich uitstrekte in den tijd van tsaar Lazarus.
+
+Wat tsaar Lazarus verloor, werd herwonnen door zijn dappere
+landslieden, mede dank zij het wijs beleid van onzen tegenwoordigen
+koning Peter I.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK X. DE GEVANGENSCHAP EN HET HUWELIJK VAN STEPHANUS
+YAKSHITCH. [58]
+
+
+
+De waarschuwing van de Veela.
+
+
+De ochtendstond was nog niet aangebroken, nog had Danitza [59]
+haar gelaat niet vertoond, toen een veela van den top van den berg
+Avala bij Belgrado luid Demitrius en Stephanus, de twee gebroeders
+Yakshitch riep: "O, gij broeders Yakshitch! Slechts ongunst verbergt
+het lot dezen morgen voor u in zijn schoot! Ziet gij niet, dat de
+machtige Turk zich heeft opgemaakt om de heerlijke stad Belgrado van
+drie kanten aan te vallen? Luistert, ik zal u de Pasha's bij name
+noemen. De vizier van Tyoopria is met veertigduizend man troepen
+gekomen; de Pasha van Vidin leidt een leger van dertig duizend; en
+de Pasha van Novi Bazar heeft twintigduizend woeste Janitsaren om
+zich verzameld! Indien gij mij niet wilt gelooven, klim dan op den
+top van een uwer torens en kijk over de breede vlakte van Belgrado!"
+
+Op het hooren van deze plechtige verzekering keek Demitrius uit,
+en zag werkelijk, wat de veela had gezegd. Indien er regen uit
+den hemel ware gevallen, dan zou er geen druppel op den grond zijn
+neergekomen, zoo dicht was de vlakte bedekt door de menigte Turken
+met hun paarden! Bij den aanblik daarvan werd hij met schrik vervuld
+en zonder zich een oogenblik te bedenken snelde hij naar zijn stal,
+zadelde zijn paard en ontsloot de hoofdpoort van de vesting, rende
+naar buiten en liet de sleutels in de poort steken. Hij haalde de
+teugels niet in voordat hij een groot bosch bereikt had, en nu stond
+de zon reeds hoog aan den hemel. Hij sprong uit het zadel, ging aan
+de oevers van de verkoelende rivier Yahorika zitten en sprak aldus
+bij zich zelf: "Helaas, Demitrius, gij verdient het om te komen! Hoe
+hebt gij aldus uw eenigen broeder Stephanus kunnen achterlaten?"
+
+Overstelpt door berouw over zijn lafheid, wilde hij naar Belgrado
+terugkeeren, maar het was te laat. De Turken waren de stad reeds
+door de geopende poort binnen getrokken. Er was niemand, die zich
+tegen hen verzette en na de stad geplunderd te hebben trokken zij af,
+waarbij zij verscheidene gevangenen mede voerden, onder wie zich ook
+Stephanus Yakshitch bevond. Zij onthoofdden hem niet om zijn ongewone
+schoonheid en omdat zij ook zeer goed bekend waren met zijn heldenmoed,
+waarvan de faam wijd en zijd verbreid was. Zij brachten Stephanus in
+tegenwoordigheid van den vizier van Tyoopria, die zoo aangenaam verrast
+was, toen hij hem zag, dat hij beval zijn handen vrij te maken en hem
+zijn paard en wapenen terug te geven. Hij gaf ook een groot feestmaal,
+waarbij een groot aantal kanonnen werden afgeschoten. Hierna keerde
+de vizier van Tyoopria met zijn geheele leger in triomf terug naar
+Stamboel, waar hij zijn aanzienlijken gevangene voor den Sultan leidde.
+
+
+
+Stephanus en de Sultan.
+
+
+De machtige Padisha zat op zijn sidjadé, [60] en nadat hij Stephanus
+had voorgesteld, nam de vizier in zijn nabijheid plaats. Stephanus
+maakte een diepe neiging en kuste de muil en de knie van den
+sultan. Daarna noodigde de sultan hem uit een zetel te nemen dicht
+bij hem en sprak aldus:
+
+"O heldhaftige Stephanus Yakshitch! Indien gij een Turk wilt worden,
+(Dat Allah u bescherme)! dan zal ik u tot mijn Groot-vizier van Bosnië
+in de stad Travnik maken! Gij zult zeven andere viziers hebben, die
+aan uw bevelen zullen gehoorzamen; ik zal u mijn eenige dochter ten
+huwelijk geven en voor u zorgen als voor mijn eigen zoon!"
+
+Hierop antwoordde Stephanus met vaste stem: "O, groote Padisha! Gij
+machtige beheerscher der wereld! Ik zal nooit een Turk worden en het
+Heilige Kruis verzaken, ja, al boodt gij mij uw eigen kroon aan! Ik
+ben bereid mijn leven te geven voor het heilige, christelijke geloof!"
+
+Op het hooren van deze stoutmoedige woorden werd de sultan
+zeer verstoord en gaf bevel Stephanus terecht te stellen. Maar
+Stephanus bezat een goed vriend in den vizier van Tyoopria, die
+op dit kritieke oogenblik den sultan smeekte niet toe te geven aan
+zijn toorn. "Laat, in den naam van Allah, o mijn Padisha," zei hij,
+"een zoo onverschrokken jongeman niet onthoofden! Ik heb hem mijn
+eerewoord gegeven, o sultan, dat gij zijn leven niet zoudt nemen! Stel
+hem onder borgtocht in mijn handen! Ik zal u evenveel gouden dukaten
+geven als hij op uw weegschaal weegt en zal hem bewaken in mijn kasteel
+te Tyoopria, waar, ik beloof het u, ik hem het Mohammedaansche geloof
+zal leeren liefhebben."
+
+De sultan stond zijn vizier genadiglijk dit verzoek toe en Stephanus
+vertrok met den Turk naar zijn provincie.
+
+
+
+Stephanus te Tyoopria.
+
+
+Toen de vizier te Tyoopria kwam, noodigde hij Stephanus uit om te
+genieten van al de weelde van zijn kasteel en gedurende een geheel jaar
+beproefde hij door voorkomendheid en vriendelijkheid den Servischen
+prins tot het geloof van den Muzelman over te halen. Toen al zijn
+pogingen mislukten, riep hij zijn hodja's [61] en kadi's [62] zoowel
+als de edellieden van zijn district op en deze mannen spraken aldus
+tegen Stephanus:
+
+"O, Stephanus, de vizier heeft ons bevolen u tot het ware geloof te
+bekeeren. Indien gij dit wilt omhelzen, dan zal hij u zijn eenige
+dochter ten huwelijk geven--zij is mooier dan de witte veela zelf--en
+hij zal u dan doen aanwijzen tot Groot-vizier van Novi Bazar. Maar
+indien gij weigert een Turk te worden, dan zal zijn djelat [63]
+uw hoofd doormidden splijten."
+
+Hierop antwoordde Stephanus: "Ik dank u, eerwaardige hodja's en
+kadi's! Maar ik zou liever mijn leven willen verliezen voor de zaak
+van ons heilig geloof en de wet van onzen Heer Jezus, dan te leven
+en een Turk te worden."
+
+De vizier wendde zich treurig af, en beval zijn djelat prins Stephanus
+te onthoofden. Maar weer stond Stephanus' goed gesternte hem bij. De
+Groot-vizier van Novi Bazar kwam naar den vizier van Tyoopria en
+smeekte hem den jongen man niet te onthoofden. "Herinnert gij u niet,"
+zei hij, "dat gij beloofd hebt hem niet naar het leven te staan? Het
+zou beter zijn hem aan mij onder borgstelling over te leveren. Ik
+zal u tweemaal zijn gewicht in gouden dukaten geven, en ik beloof
+plechtig dat ik, indien ik hem in mijn provincie Novi Bazar heb,
+er zeker in slagen zal hem tot den Islam te bekeeren!"
+
+De vizier van Tyoopria nam het aanbod aan en Stephanus was dus voor
+den tweeden keer gered van den dood.
+
+
+
+Stephanus te Novi Bazar.
+
+
+Toen de vizier te Novi Bazar aankwam, stuurde hij om zijn knecht
+Hoossein.
+
+"Luister, Hoossein, mijn getrouwe dienaar!" zei hij.
+
+"Neem dezen duur gekochten gevangene en leid hem door de kerkers,
+totdat gij aan den twaalfden komt; laat hem daarin en sluit de twaalf
+deuren zorgvuldig achter u, zoodat hij noch zon noch maan kan zien. Mij
+dunkt, dan zal hij spoedig bereid zijn een Mohammedaan te worden!"
+
+Hoossein deed gelijk hem bevolen was en Stephanus werd voor een
+half jaar gevangen gezet. Na verloop van dien tijd kreeg de vizier
+medelijden met hem. Hij liet zijn eenige dochter Haykoona roepen en
+sprak haar aldus aan: "Mijn liefste dochter, mijn hart van zuiver
+goud! Luister naar de woorden van uw vader! Ga terug naar uw toren,
+open uw gouden kasten en tooi u met uw rijksten opschik. Trek uw
+mooiste gewaad van rose zijde aan, dat versierd is met fluweelen
+lussen en gouden draden en sla over dat alles uw van goud geweven
+mantel. Neem in uw rechter hand een gouden appel en onder uw arm
+deze flesch; het is een drank, bereid van planten en bloemetjes uit
+het bosch. Het wordt genoemd 'water der vergetelheid.' Men heeft mij
+gezegd, dat hij, die zijn gezicht er mede wascht en er van drinkt, zijn
+bloedverwanten moet haten en zijn godsdienst. Ga naar de diepste der
+torengewelven en open de twaalf deuren; sluit ze weer alle zorgvuldig
+achter u. Indien gij bij prins Stephanus komt, geef hem dan deze
+flesch met haar wondervollen inhoud. Hij zal stellig zijn gelaat er
+mede wasschen en er van drinken: dan zal hij zijn geloof vergeten,
+den Islam omhelzen en u trouwen!"
+
+Het Turksche meisje haakte naar geen grooter geluk, want sinds zij
+den knappen Servischen prins gezien had, had een vreemd verlangen
+haar gepijnigd. In haar droomen zag zij niemand dan hem; en overdag
+werd zij verteerd van koorts.
+
+
+
+Stephanus en de dochter van den vizier.
+
+
+Daarom voldeed zij met groote levendigheid aan den wensch van haar
+vader en toen zij Stephanus bereikte, begroette zij hem teeder:
+"Heil u, o Servische held! Dat God met u zij!" En de ridderlijke prins
+beantwoordde haar groet: "Dat God u helpe, o weergalooze Haykoona!"
+
+Toen zei het mooie meisje: "O, prins Stephanus, ik schat u hooger dan
+mijn zwarte oogen! Het smart mij, dat uw gelaat zoo donker geworden
+is en gij een zoo ellendig leven moet leiden in de gevangenisgewelven
+van mijn vader. Neem deze flesch verkoelend water; wasch uw heldhaftig
+gelaat met het vocht en drink er van!"
+
+De held nam de flesch uit de mooie handen; maar hij was
+verstandig! Zonder aarzeling verbrijzelde hij haar tegen den steenen
+muur, waarbij hij er wel zorg voor droeg, dat geen druppel hem
+bespatte. Het Turksche meisje bloosde van toorn, maar een oogenblik
+later beheerschte zij zich en een teederen blik op den prins werpende,
+zei zij lieftallig: "Ik smeek u, word een Turk en trouw mij! Ik houd
+meer van u dan van mijn zwarte oogen."
+
+Maar Stephanus was tegen de verleiding bestand en hij antwoordde
+streng: "O, Turksche jonkvrouwe, dat ongeluk u vergezelle! Gij weet,
+dat mijn geloof een christen verbiedt een Turk te kussen! De hemelen
+boven ons zouden vaneen scheuren en steenen zouden op ons hoofd
+neervallen!"
+
+De dochter van den vizier had den prins oprecht lief en ofschoon het
+voor haar hooghartig gemoed niet gemakkelijk was zich over zulk een
+afwijzing heen te zetten, sprak zij toch aldus: "O prins Stephanus,
+waarlijk ik heb u meer lief dan mijn eigen oogen! Ik zou voor al den
+rijkdom dezer wereld niet gedoopt willen zijn, maar indien gij mij
+bezweert, dat gij mij lief zult hebben en belooft mij te trouwen,
+dan wil ik zelfs het christelijk geloof omhelzen! Laat ons veel
+goud nemen uit mijns vaders schatkamers en te zamen vluchten naar uw
+heerlijk Belgrado."
+
+Toen hij dit hoorde, sprong de jonge prins verheugd op en opende
+zijn armen voor het mooie meisje. Hij was volstrekt niet ongevoelig
+voor haar bekoorlijkheden en hij riep met vuur uit: "Gij hebt mijn
+prinselijke belofte, dat ik u zal liefhebben en trouw blijven--gelijk
+de plicht van een goed ridder is. Dat de Heere Jezus in den hemel
+mijn getuige zij!"
+
+Toen opende de jonge dochter van den vizier achtereenvolgens
+de twaalf deuren en het jonge paar stond weldra in de heerlijke,
+frissche lucht, onder het uitspansel, dat bezaaid was met sterren en
+bestraald werd door het licht der maan. Zij namen drie tovars goud en
+uit haar vaders stallen twee van zijn beste paarden. En het meisje
+gaf Stephanus een sabel, bezet met groote diamanten--het was half
+Novi Bazar waard--zeggende: "Neem dit zwaard, mijn geliefde heer,
+opdat gij niet gedwongen wordt te zwichten voor mindere helden,
+indien wij op onzen weg mochten aangevallen worden!"
+
+Toen stegen zij op hun paarden en zetten ze tot snelle vaart aan:
+in een nacht legden ze een afstand tusschen zich en het kasteel van
+den vizier, waarover een karavaan niet minder dan drie dagen en drie
+nachten zou gedaan hebben.
+
+Den volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag bereikten zij
+Belgrado en onmiddellijk liet prins Stephanus twaalf monniken komen,
+die het mooie Turksche meisje doopten, waarna het jonge paar gelukkig
+vereenigd werd.
+
+
+
+Het slot van de ballade.
+
+
+De bard eindigt zijn ballade met de volgende woorden, die dikwijls
+het slot van een Montenegrijnsche ballade vormen: "Dit gebeurde op
+zekeren tijd; laat ons, o broeders, God bidden, dat hij onzen heiligen
+Vladika [64] een goede gezondheid schenke! Amen o God, tot Wien wij
+altijd bidden!"
+
+In den regel eindigen de Servische barden zoo niet; zij stellen er
+zich mee tevreden hun toehoorders een goede gezondheid toe te wenschen.
+
+
+
+Historische aanteekening.
+
+
+Gedurende de lange periode van Ottomaansche overheersching over
+de lijdende christelijke rassen van de Balkanstaten waren er aan
+de hoven der christenvorsten altijd ontevredenen, die de sluwe
+Turksche staatslieden maar al te gemakkelijk geneigd vonden hun
+trouw aan hun rechtmatige heeren te breken. Zij vonden steeds
+groote gastvrijheid te Constantinopel en werden vaak met rijkdom
+en eerbewijzen overladen. Daarvoor bewezen zij dan zeer gewichtige
+diensten aan de sultans in hun vele veldtochten, daar zij natuurlijk
+goed bekend waren met den strategischen toestand van hun land en vaak
+ook met gewichtige staatsgeheimen. Soms dienden deze verraders den Turk
+door in hun eigen land voornamelijk onder de boeren ontevredenheid te
+zaaien. Zij verzekerden dan, dat de bevolking het beter zou hebben
+onder Ottomaansch bestuur. Onder den invloed van zulke afvalligen
+kwam het landvolk in Bosnië en Herzegovina ten tijde van den slag van
+Kossovo (1389) tegen zijn heerschers in opstand en nam het geen deel
+aan den gedenkwaardigen veldslag.
+
+Het aantal voorbeelden van een dergelijk verraad, dat Montenegro
+oplevert, is echter zeer gering. Van de vroegste tijden af werd
+het bewoond door de edelsten van de Servische aristocratie en
+haar helden. Daar werd het aannemen van het geloof van den Islam,
+onverschillig om welke reden of op welk motief ook als de grootste
+lafhartigheid beschouwd, waaraan een christen zich schuldig kon maken.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XI. HET HUWELIJK VAN KONING VOUKASHIN.
+
+
+
+De boodschap aan Vidossava.
+
+
+Koning Voukashin [65] van Skadar aan de Boyana [66] schreef een boek
+[67] en zond dat naar Herzegovina, naar de witte stad Pirlitor [68]
+tegenover den berg Dourmitor. Hij schreef het in het geheim, en in
+het geheim zond hij het aan de schoone Vidossava, de eenzame gade
+van den voïvode Momtchilo. Aldus was de inhoud van het boek:
+
+"Heil u, Vidossava, echtgenoote van Momtchilo! Waarom woont gij
+te midden van ijs en sneeuw? Indien gij opziet van de muren van uw
+kasteel, dan ziet gij den berg Dourmitor met sneeuw en ijs, niet alleen
+in den winter, maar ook midden in den zomer; indien gij naar beneden
+kijkt, zie, daar stroomt uw onstuimige rivier, de Tarra, die op haar
+golven hout en steenen draagt. Er zijn geen doorwaadbare plaatsen, noch
+bruggen die haar overspannen; ze is slechts omgeven door pijnboomen en
+stukken rots. Waarom zoudt gij geen vergif toedienen aan uw echtgenoot
+of hem aan mij verraden? Dan zoudt gij naar mij kunnen vlieden, naar
+de vlakke zeekust in mijn witte stad aan de Boyana. Ik zal u gaarne
+trouwen en gij zult mijn koningin worden. Gij zult zijde spinnen
+op een gouden spoel, zitten op gouden kussens en fluweel dragen,
+geborduurd met goud. En hoe prachtig is deze stad Skadar aan de
+Boyana! Als gij neerziet op de vruchtbare hellingen boven de muren,
+dan rust uw blik op ontelbare vijgen en olijvenboomen en wijngaarden
+vol druiventrossen; als gij omlaag kijkt, zie! hoe wit de vlakten zijn
+van nijgende tarwevelden en groen van de sappige weiden. Door de weiden
+stroomt de heldergroene Boyana; haar wateren worden bevolkt door alle
+soorten van visschen, die gij versch opgediend op tafel zult hebben,
+indien gij dat wenscht."
+
+
+
+Het verraad van Vidossava.
+
+
+Toen Vidossava het boek had gelezen, schreef zij haar antwoord in fijne
+letters: "Mijn heer, gij koning Voukashin! Het is geen gemakkelijke
+taak den voïvode Momtchilo te verraden, nog minder gemakkelijk is het
+hem te vergiftigen. Momtchilo heeft een zuster, Yevrossima genaamd,
+die zijn gerechten gereed maakt en voor hem van elk gerecht iets
+gebruikt. Hij heeft negen broers en twaalf volle neven, die wijn
+schenken in zijn gouden beker; zij drinken altijd vóór hem, eer hij
+een teug neemt! Ook, o koning! bezit de voïvode Momtchilo een paard,
+Yaboutchilo genaamd, dat vleugels heeft en vliegen kan, zoo ver als
+zijn meester maar wil. Dit is nog niet alles. Mijn echtgenoot heeft een
+zwaard, versierd met diamanten, zoo groot als de oogen van een meisje;
+hiermede gewapend vreest hij niemand dan God. Maar luister naar mij,
+o koning Voukashin! Verzamel een ontzaglijk groot leger! Voer uw helden
+naar het meer, en verberg u daar in de bosschen. Het is de gewoonte
+van Momtchilo elken Zondagmorgen op de jacht te gaan; dan rijdt hij
+uit met zijn negen broeders en twaalf neven, en wordt daarbij vergezeld
+door een wacht van veertig mannen uit zijn kasteel. Op den avond, die
+aan den volgenden Zondag vooraf gaat, zal ik Yaboutchilo de vleugels
+afbranden; het met juweelen bezette zwaard zal ik in gezouten bloed
+doopen, zoodat het Momtchilo onmogelijk zal zijn het uit de scheede
+te trekken: aldus zult gij in staat zijn hem te overwinnen."
+
+Toen dit boek in handen kwam van koning Voukashin, werd zijn hart
+verheugd, en hij verzamelde een groote strijdmacht en trok op naar
+Herzegovina. Hij trok naar het meer bij het kasteel van Momtchilo,
+waar hij zich in de naburige bosschen verborg.
+
+Aan den vooravond van den Zondag trok Momtchilo zich in zijn slaapkamer
+terug om te rusten op de zijden kussens, toen, zie! zijn gade tot hem
+kwam. Zij legde zich niet neer op de zijden kussens, maar bleef naast
+haar echtgenoot staan en haar tranen vielen op zijn hoofd. Toen hij
+de warme tranen op zijn ridderlijke wangen voelde, keek de voïvode
+op en zei:
+
+"O, Vidossava, mijn getrouwe gade! Welk groot verdriet heeft u
+getroffen, dat gij tranen op mijn hoofd stort?"
+
+En Vidossava antwoordde: "Mijn heer, gij voïvode Momtchilo. Ik heb
+geen ander verdriet dan over u. Ik heb van een wonder gehoord, dat
+mijn eigen oogen niet hebben gezien. Men heeft mij gezegd, dat gij
+een gevleugeld paard hebt, maar ik kan het verhaal niet gelooven. Het
+zal u het een of ander machtig kwaad brengen en ik vrees, dat gij
+zult omkomen!"
+
+
+
+Het gevleugelde paard.
+
+
+Momtchilo was gewoonlijk voorzichtig, maar dezen keer liep hij in den
+val: "Vidossava, mijn dierbare gade," zei hij teeder, "indien dat de
+oorzaak van uw verdriet is, dan kan ik u gemakkelijk troosten. Gij
+zult de vleugels van mijn ros Tchile [69] zien; als de eerste hanen
+kraaien, ga dan naar beneden, naar de stallen; dan zult gij zien,
+hoe Tchile zijn vleugels ontplooit."
+
+Na dit gezegd te hebben, legde hij zich weer neer om te slapen. Maar
+niet alzoo Vidossava. Zij bleef waken om het eerste hanengekraai te
+hooren en toen zij het geluid vernam, sprong zij op, stak een lantaarn
+en een kaars aan, nam wat kalfsvet en teer en spoedde zich naar de
+stallen. En zie! Zij zag, hoe Yaboutchilo zijn vleugels ontplooide,
+die tot aan zijn hoeven reikten. Vidossava smeerde de vleugels met vet
+en teer in en stak ze met haar kaars in brand. Wat niet verbrandde,
+bond zij stevig onder den buik van het paard vast. Hierna ging zij
+naar het arsenaal en doopte het lievelingszwaard van Momtchilo in
+gezouten bloed. Daarna keerde zij naar de kamer van haar gade terug.
+
+
+
+De droom van Momtchilo.
+
+
+Bij het aanbreken van den dag ontwaakte Momtchilo en sprak tot
+Vidossava: "Mijn geliefde gade! Heden nacht heb ik een vreemden droom
+gehad: plotseling verscheen een nevel wolk van het vervloekte land
+Vassoye, die den berg Dourmitor omhulde. Ik reed door de wolk met
+mijn negen geliefde broeders en twaalf volle neven, vergezeld van mijn
+veertig wachten. In dien nevel, o, mijn geliefde Vidossava! verloren
+wij elkaar uit het oog; en nooit ontmoetten wij elkaar meer! God
+alleen weet, wat deze droom beteekent; maar ik heb een voorgevoel,
+dat het een of ander onheil ons weldra zal treffen!"
+
+Vidossava beproefde haar heer gerust te stellen. "Vrees niet, mijn
+geliefde heer!" zei zij; "droomen zijn bedrog, God verlaat u niet!"
+
+
+
+De hinderlaag.
+
+
+Momtchilo kleedde zich voor de jacht en wandelde uit zijn witten toren
+naar het plein, waar zijn negen broeders, twaalf neven en veertig
+wachten reeds op hem wachtten. Zijn gade leidde zijn Yaboutchilo
+naar hem toe; hij sprong in het zadel en als gewoonlijk reed hij
+met zijn gevolg ter jacht. Zonder dat een hunner iets vermoedde,
+bereikten zij het meer, waar eensklaps een groote strijdmacht hen
+omringde. Momtchilo greep naar zijn zwaard, maar helaas, hij was niet
+in staat het uit de scheede te trekken. Toen riep hij bitter uit:
+"Luistert, mijn geliefde broeders! Mijn gade Vidossava heeft mij
+verraden, geeft mij een zwaard?"
+
+Haastig gehoorzaamden zijn broeders; zij gaven hem het beste zwaard,
+dat zij hadden! Toen zei Momtchilo weer: "Luistert, mijn geliefde
+broeders: gij zult de vleugels van het leger aanvallen en ik zal
+tegen het midden den strijd aanbinden."
+
+Machtig God, welk een heerlijk wonder! "Hoe gelukkig zoudt gij
+u achten, als gij, mijn broeders [70], dat wonder hadt gezien:
+hoe voïvode Momtchilo zijn zwaard zwaaide, en zich een weg baande
+door den muur van vijanden!" Echter werden er meer verpletterd door
+Yaboutchilo dan door het zwaard van den held! Maar helaas een droevig
+ongeluk wachtte hem ten slotte. Toen hij zich door den vijand had
+heengeslagen, volgden de negen zwarte paarden van zijn broeders hem;
+maar de zadels waren leeg!
+
+Toen Momtchilo dit zag, barstte zijn moedig hart haast van verdriet
+over het verlies van zijn negen geliefde broeders; de arm, waarin
+hij zijn zwaard hield, viel slap langs zijn zijde; en wetende, dat
+hij niet langer zou kunnen vechten, gaf hij Yaboutchilo de sporen,
+opdat deze zijn vleugels zou uitspreiden en naar zijn kasteel vliegen.
+
+Maar helaas! Voor het eerst gehoorzaamde zijn paard niet aan de
+sporen. Toen sprak Momtchilo verwijtend:
+
+"O, Yaboutchilo, dat de wolven u verslinden! Menig keer hebt gij van
+hier gevlogen, alleen uit tijdverdrijf en nu ik in gevaar verkeer,
+wilt gij niet vliegen!"
+
+En het ros antwoordde hinnikend: "Mijn heer, machtige voïvode
+Momtchilo! Vloek mij niet, en beproef niet mij verder te dwingen! Heden
+kan ik niet vliegen! Dat God uw Vidossava straffe! Dezen nacht
+heeft zij de punten van mijn beide vleugels verbrand. Wat zij niet
+verbrandde, heeft zij stevig onder mijn buikriem vastgebonden. O, mijn
+geliefde meester; gij deedt beter te trachten alleen te ontsnappen. Ik
+kan u niet helpen!"
+
+Toen Momtchilo dit hoorde, biggelden de tranen langs zijn heldhaftig
+gelaat. Het kostte hem moeite van zijn geliefde Yaboutchilo af te
+stijgen; na een laatste liefkozing vermande hij zich en met drie
+sprongen bevond hij zich voor den ingang van zijn kasteel. En zie! de
+massieve poorten waren gesloten en gegrendeld.
+
+
+
+Broeder en zuster.
+
+
+Toen hij dit zag, riep Momtchilo luid zijn zuster toe: "O Yevrossima,
+mijn geliefde zuster! Laat een rol linnen naar beneden, opdat ik
+tegen den muur van het kasteel kan opklimmen en ontkomen, voordat
+mijn vervolgers mij hebben ingehaald!"
+
+Yevrossima hoorde de smeekbede en antwoordde onder een vloed van
+tranen: "Helaas, mijn geliefde broeder, gij voïvode Momtchilo! Hoe
+kan ik een linnen band naar beneden laten, nu mijn schoonzuster,
+uw ontrouwe Vidossava, mijn haren aan een balk heeft vastgebonden?"
+
+Maar zusters hebben een week hart voor broers [71] en Yevrossima
+rukte, terwille van haar eenigen broer, zoo hevig met haar hoofd,
+dat zij los kwam, maar haar haren aan den balk liet; toen nam zij een
+rol linnen, maakte het eene eind vast en wierp het ander eind over den
+muur van af den wal. Momtchilo greep het linnen en klom snel op naar
+den rand van den wal. Hij was op het punt in de vesting te springen,
+toen zijn trouwelooze gade snel kwam aanloopen, en met een scherp
+zwaard het linnen boven de handen van Momtchilo doorsneed.
+
+Terzelfder tijd was de strijdmacht van Voukashin genaderd en Momtchilo
+stortte neer op hun lansen en zwaarden. Toen de koning den held zag
+vallen, spoedde hij zich naar de plek en doorstak hem het hart met
+een hevigen stoot. Hij stiet zoo heftig, dat het zwaard door den
+muur drong.
+
+
+
+De dood van Momtchilo.
+
+
+Voïvode Momtchilo was een buitengewoon held, en hij was in staat deze
+laatste woorden tegen koning Voukashin te spreken: "Mijn laatste
+verzoek aan u, o koning Voukashin, is, dat gij mijn trouwelooze
+Vidossava niet huwt, want zij zal ook u verraden. Heden heeft zij
+mij aan u verraden, morgen zal zij u hetzelfde aandoen! Veel beter
+zou het zijn mijn lieve zuster Yevrossima te huwen, de lieftalligste
+van alle meisjes. Zij zal u altijd trouw zijn en u een held schenken,
+even groot als gij zelf zijt!"
+
+Dit zei voïvode Momtchilo, toen hij worstelde met den bleeken
+dood. Toen hij het gezegd had, vloog zijn ziel hemelwaarts.
+
+De poorten van het kasteel werden nu geopend en de ontrouwe Vidossava
+kwam naar buiten om koning Voukashin welkom te heeten. Nadat zij hem
+begroet had, ging zij hem voor naar haar witten toren en wees hem een
+plaats aan haar gouden tafel. Zij bood hem fijne wijnen aan en vele
+kostbare gerechten. Daarna ging zij naar het arsenaal en bracht hem
+de wapenrusting en de wapenen van Momtchilo. Maar merkwaardig! De
+helm, die Momtchilo juist paste, viel koning Voukashin neer op de
+schouders. Een van Momtchilo's kaplaarzen was groot genoeg voor de
+twee voeten van koning Voukashin. Het zwaard van Momtchilo was een
+armlengte te lang, toen koning Voukashin het aan zijn gordel paste!
+
+
+
+De straf van Vidossava.
+
+
+Toen hij dit alles zag, riep koning Voukashin uit: "Helaas! Wee
+mij! Dat God mij vergeve! Welk een trouweloos monster moet deze
+jeugdige Vidossava zijn om zulk een held te verraden, wiens gelijke
+over de geheele wereld vergeefs gezocht moet worden! Hoe kon ik,
+rampzalige, verwachten, dat zulk een vrouw mij trouw zou blijven?"
+
+Na dit gezegd te hebben, riep hij luid zijn bedienden, die Vidossava
+grepen en haar mooie ledematen aan de staarten van vier paarden bonden,
+die ze toen voor het kasteel Pirlitor uiteen joegen.
+
+Vreeselijk lot, aldus werd ze levend aan stukken gescheurd.
+
+Daarna plunderde de koning het kasteel van Momtchilo en voerde
+Yevrossima weg naar Skadar aan de Boyana. Later betoonde hij zich haar
+liefde waardig trouwde haar en zij schonk hem Marko en Andreas. En
+inderdaad, Marko erfde den heldenmoed van voïvode Momtchilo en zoo
+werd de voorspelling van zijn oom vervuld.
+
+
+
+Historische aanteekening.
+
+
+Hoe ruw de gewoonten ook mogen zijn, waarvan in deze ballade uit de
+veertiende eeuw een beeld gegeven wordt, in mijn verzameling is ze
+toch ongetwijfeld een plaats waard. Ze werd neergeschreven door Vouk
+St. Karadgitch, die ze opving van de lippen van een Servischen bard,
+en ik kan niet genoeg mijn spijt uitdrukken over mijn onmacht om
+in een andere taal de schoone en stoutmoedige vergelijkingen en de
+even kernachtige als welsprekende uitdrukkingen tot haar recht te
+laten komen.
+
+De Fransche troubadours der middeleeuwen kozen zelden de ontrouw
+van vrouwen als thema; waarschijnlijk omdat een geval als in onze
+ballade beschreven werd hetzij onbekend was, hetzij te algemeen,
+om als belangrijk te worden beschouwd. Indien Servische barden de
+wispelturigheid en het verraad van het zwakkere geslacht niet dan
+bij hooge uitzondering bezongen, dan kwam dat door den weerzin, die
+in Servië door de ontrouw, zoowel van den echtgenoot als van zijn
+gade wordt opgewekt. Ongetwijfeld heeft de bard in een klooster, dat
+hij op een zijner reizen aandeed, een of andere kroniek opgedoken,
+waaraan hij eenige feiten ontleende betreffende het huwelijk van
+koning Voukashin en, evenals de Fransche troubadour, die uit het
+sobere historische materiaal, dat hem ten dienste stond, het verhaal
+van den slag bij Ronceval opbouwde, heeft zijn fantasie aangevuld,
+wat hem aan feiten ontbrak.
+
+Voor het algemeen oordeel over de ontrouw vindt men een aanwijzing in
+de barbaarsche straf, die de bard Vidossava oplegt. Het mag zeker
+als een groote merkwaardigheid gelden, dat ik bij mijn nasporingen
+geen enkele ballade heb gevonden, waarin ontrouw van den kant van
+een echtgenoot voorkomt.
+
+In de balladen, die betrekking hebben op Prins Marko zien wij, dat
+hij altijd ridderlijk jegens vrouwen was, vooral tegenover weduwen
+en onderdrukte meisjes, onverschillig welke haar maatschappelijke
+positie of godsdienst ook waren. Hij is bereid Turksche meisjes
+bij te staan en zelfs zijn leven voor haar te wagen. In de ballade
+getiteld: "De gevangenschap en het huwelijk van Stephanus Yakshitch"
+verhaalt de bard, hoe hij de liefde opwekt van een hartstochtelijk
+Turksch meisje, die hij echter afwijst; reeds de enkele gedachte aan
+een verbintenis tusschen een Christen en een Mohammedaansche vrouw
+wekt zijn verontwaardiging. Het kan zijn, dat koning Voukashin voor
+Vidossava's huwelijk met voïvode Momtchilo omgang met haar had, maar
+indien dat zoo was, dan moet het meer een politieke verbintenis zijn
+geweest dan een zaak van het hart.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XII DE HEILIGEN VERDEELEN DE SCHATTEN. [72]
+
+
+
+De bard begint.
+
+
+Genadige schepper! Dondert het of schudt de aarde? Of kan het zijn
+het loeien van den stormachtigen oceaan, die zijn golven tegen het
+strand beukt? [73]
+
+Neen, het is geen donder, noch is de aarde aan het schudden of de
+onstuimige Oceaan bezig tegen het strand te beuken.
+
+Zie! de heiligen verdeelen onder elkaar de schatten des Hemels, van
+de Aarde en van de Zee; de Heilige Petrus en de Heilige Nicolaas,
+Johannes en Elias; onder hen is ook de Heilige Panthelias.
+
+Plotseling nadert met langzame, sleepende schreden, Beata Maria;
+de tranen stroomen haar langs het bleeke gelaat.
+
+"Lieve zuster" sprak de heilige Elias, "gij Beata Maria! Welk groot
+ongeluk heeft u getroffen, dat de tranen langs uw wangen stroomen?"
+
+Daarop sprak Beata Maria onder haar snikken door: "O mijn lieve
+broeder, gij Donderaar Elias. Hoe kan ik nalaten tranen te storten,
+nu ik juist uit Indië ben teruggekeerd, uit Indië, dat gevloekte
+land? In dat ontaarde land heerscht volstrekte regeeringloosheid; het
+volk heeft geen eerbied voor zijn meerderen; kinderen gehoorzamen hun
+ouders niet; ouders vertreden hun kinderen onder hun eigen voeten. (dat
+hun wangen blozen bij den divan [74] voor God, die de waarheid zelf
+is). De eene _koom_ beschuldigt den ander voor den rechter en legt
+een valsche getuigenis tegen hem af--waarmee hij zijn eigen ziel
+verliest, en nadeel toebrengt aan hem, die als getuige aanwezig is
+geweest bij zijn huwelijk of doop; de broeder daagt den broeder uit
+tot een tweegevecht; een bruid is niet veilig in handen van een dezer,
+en helaas, zelfs nog ontzettender dingen heb ik gezien!"
+
+De Donderaar Elias gaf ten antwoord: "O, lieve zuster, gij Beata
+Maria. Wisch deze tranen af van uw lieftallig gelaat. Indien wij
+deze schatten hebben verdeeld, zullen wij naar den divan tot onzen
+Almachtigen Schepper gaan. Tot Hem willen wij bidden, dat Hij in
+Zijn oneindige genade ons de sleutels verleene der Zeven Hemelen,
+om die er mede te sluiten. Ik zal de wolken verzegelen, zoodat er
+geen droppel regen meer uit neervalt, noch stortregen, noch zachte
+dauw. Ook zullen de zilveren stralen der maan gedurende den nacht
+niet schijnen. Alzoo zal er gedurende drie volle jaren een ontzettende
+droogte heerschen en noch tarwe, noch wijn zal er groeien, ja, zelfs
+niet zooveel als er noodig is voor de Heilige Mis."
+
+Beata Maria was getroost en wischte de tranen weg van haar melkwit
+gelaat. En de heiligen gingen voort met het verdeelen der schatten:
+Petrus koos wijn en tarwe en de sleutels van het Hemelsche Rijk:
+Elias koos den bliksem en den donder; Panthelias de groote hitte;
+Johannes broederschap en koomschap, zoowel als het Heilige Kruis;
+Nicolaas koos de zeeën met de galeien er op.
+
+
+
+De Gramschap van God.
+
+
+Toen begaven allen zich naar den divan bij den Almachtige, tot Wien
+zij onophoudelijk baden, drie lichte dagen en drie duistere nachten
+lang. Zij baden en inderdaad hun gebeden werden verhoord: God gaf
+hun de sleutels van de Hemelen.
+
+Zij sloten de Zeven Hemelen af en drukten zegels op de wolken en ziet,
+drie volle jaren viel er geen druppel regen, noch stortregen, noch
+zachte dauw. Het zilveren licht der maan scheen niet en er groeide
+geen wijn, noch ontsproot de tarwe in den verschroeiden grond, zelfs
+niet zooveel als noodig was voor de behoeften der Heilige Kerk.
+
+Aanschouwt wat gebeurde! De zwarte aarde spleet; levenden werden er
+in verzwolgen--God zond een afgrijselijke plaag, die ouden en jongen
+wegmaaide, hen scheidende, die elkaar dierbaar waren. De weinigen,
+die dit overleefden, hadden bitter berouw en wendden zich tot God
+den Heer, in Wien zij waarachtig geloofden en Die hen nu zegende.
+
+En Gods zegen, dien Hij dezen menschen gaf, is gebleven tot op dezen
+dag: er zou een zomer en een winter zijn, elk jaar een!
+
+ Zooals het lang geleden was, zoo is het ook nu. "Aangebeden
+ God dat onze dankzeggingen U bereiken! Wat geschied is,
+ dat het nooit weer geschiede."
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIII. DRIE SERVISCHE BALLADEN.
+
+
+
+De bouw van Skadar (Scoetari). [75]
+
+De volgende gedichten zijn overgenomen uit Sir John Bowrings "Servian
+popular Poetry", London 1827. Deze vertalingen zijn in dien vorm
+opgenomen, om eenig denkbeeld te geven van den vorm van het nationale
+gedicht, waaraan de stof van dit boek voor het grootste gedeelte
+ontleend is.
+
+
+ Drie broeders kwamen overeen een vesting te bouwen.
+ Het waren de gebroeders Mrnyavtchevitch,
+ Kraly Vukashin [76] was de oudste broeder;
+ En de tweede was voïvode-Uglesha;
+ En de derde, de jongste broeder, Goïko.
+ Volle drie jaren werkten zij aan de vesting,
+ De vesting Skadra, aan de rivier Boyana;
+ Volle drie jaren werkten ook drie honderd werklieden.
+ IJdel was de poging om de grondvesten voor den muur te leggen.
+ Nog ijdeler die om de vesting zelf op te trekken:
+ Wat des avonds door de werklieden was opgetrokken,
+ Werd voor de ochtendschemering door de veela geslecht.
+ Toen in 't vierde jaar opnieuw werd begonnen,
+ Hoor! de veela van den met bosch begroeiden berg
+ Riep--"Gij koning Vukashin! IJdel is uw pogen!
+ Nooit, nooit zult gij de vesting bouwen,
+ Indien gij niet twee gelijknamige wezens vindt,
+ Indien gij niet vindt Stoyan en Stoyana:
+ En deze beiden,--die elkaar liefhebben,
+ Zij moeten onder het fundament worden ingemetseld.
+ Dan alleen zullen de fundamenten de vesting dragen,
+ Dan kunt gij de muren optrekken."
+ Toen Vukashin de woorden der veela hoorde,
+ Riep hij spoedig tot Dessimir, zijn dienstknecht:
+ "Luister Dessimir, mijn getrouwe dienstknecht,
+ Gij waart mij steeds een trouw dienaar;
+ Van dezen dag af zult gij mijn zoon zijn;
+ Span mijn renpaarden voor mijn zegewagen,
+ Belaad dien met zes lasten gouden schatten,
+ Reis de geheele wijde wereld door, en breng mij,
+ Breng mij mede die twee wezens van één naam,
+ Breng mij die twee, die elkaar zoo liefhebben,
+ Breng mij Stoyan en Stoyana.
+ Steel hen, zoo ge hen met goud niet kunt koopen,
+ Breng hen hier naar Skadar aan de Boyana. [77]
+ Wij zullen hen begraven onder de fundamenten van den muur,
+ Dan zullen de fundamenten den muur kunnen dragen,
+ Dan zullen wij onze vesting Skadar kunnen bouwen."
+
+ Dessimir gehoorzaamde aan het bevel van zijn meester.
+ Hij spande onmiddellijk de paarden voor den wagen,
+ Vulde dien met zes lasten gouden schatten.
+ Door de geheele wijde wereld reed de getrouwe dienstknecht
+ En rondzwervend vroeg hij overal naar de gelijknamige
+ schepsels,
+ Naar de tweelingen--naar Stoyan en Stoyana;--
+ Volle drie jaren zocht hij hen--zocht hen te vergeefs:
+ Nergens vond hij Stoyan en Stoyana.
+ Toen spoedde hij zich huiswaarts naar zijn meester;
+ Hij bracht den koning zijn paarden en zijn wagen en
+ Gaf hem zijn zes lasten gouden schatten.
+ "Hier, mijn vorst, zijn uw paarden en wagen:
+ Hier hebt gij uw gouden schatten--
+ Vergeefs zocht ik deze gelijknamige wezens:
+ Nergens vond ik Stoyan en Stoyana."
+ Toen Vukashin zijn dienaar had ontslagen,
+ Riep hij onmiddellijk zijn bouwmeester Rado.
+ En Rado riep zijn driehonderd werklieden;
+ En zij vingen weer aan de vesting Skadar te bouwen;
+ Maar 's avonds slechtte de veela hun werk weer.
+ Vergeefs trachtten zij de fundamenten van den muur te leggen;
+ Vergeefsch was hun poging de vesting Skadar te bouwen.
+ En de veela van het bergwoud riep:
+ "Vukashin, luister, luister naar mij!
+ Gij verkwist uw rijkdom en verspilt uw kracht.
+ Vergeefs tracht gij het fundament voor den muur te leggen,
+ Vergeefs poogt gij de vestingmuren op te richten!
+ Luister nu naar mij: gij zijt met drie broeders.
+ Ieder heeft tehuis een getrouwe gade.
+ Zij, die morgen naar de Boyana komt,
+ Zij, die de rantsoenen aan de werklieden brengt,
+ Sluit haar diep in der muren fundamenten
+ Zoodoende zullen de fundamenten stevigheid erlangen.
+ Dan zult gij de sterkte aan de Boyana bouwen.
+
+ Toen de koning de veela hoorde,
+ Riep hij terstond zijn beide broeders tot zich:
+ "Hoort mijn woorden, hoort nu mijn woorden, broeders!
+ Aldus sprak de veela van het woud op den berg:
+ Verspil niet langer uw schatten en uw kracht
+ Met uw vergeefsche pogingen om de vesting te bouwen
+ Op een wrak en ondeugdelijk fundament.
+ Voorts zei de veela van het woud op den berg:
+ Ieder uwer bezit een getrouwe gade;
+ Ieder een getrouwe bruid, die uw woning bestiert;
+ Zij, die morgen naar de vesting komt,
+ Zij, die de werklieden hun rantsoen brengt,
+ Worde onder de fundamenten van den muur ingemetseld;
+ Dan zullen de fundamenten de vesting dragen,
+ Dan kan de vesting aan de Boyana verrijzen.
+ Nu dan broeders! In Gods heilige tegenwoordigheid
+ Laat ieder zweren het vreeselijke geheim te bewaren;
+ Dat het noodlot beslisse, wie de eerste zal zijn,
+ Die haar weg neemt naar de rivier van Skadar."
+ En elk der broers zwoer in Gods heilige tegenwoordigheid
+ Het vreeselijke geheim voor zijn vrouw te bewaren.
+
+ Toen de nacht op de aarde was neergedaald,
+ Spoedde zich ieder naar zijn eigen witte woning;
+ Ieder nam deel aan het liefelijk avondmaal,
+ Ieder zocht zijn bed voor den verkwikkenden slaap.
+ Zie! Toen gebeurde er een verbazingwekkend wonder.
+ Het eerst brak Vukashin zelf zijn eed,
+ Toen hij zijn vrouw het vreeselijk geheim toefluisterde:
+ "Verschuil u! mijn getrouwe gade, houd u verborgen!
+ Ga morgen niet naar de Boyana!
+ Breng den werklieden morgen geen voedsel!
+ Anders, mijn schoone! zal het u uw jonge leven kosten
+ En onder de muren zal men u insluiten!"
+ Ook Uglesha brak zijn eed!
+ En hij gaf zijn vrouw met deze woorden raad:
+ "Begeef u niet noodeloos in gevaar, liefste lief!
+ Ga morgen niet naar de Boyana!
+ Breng den werklieden hun rantsoen niet!
+ Anders kon het zijn, dat gij van uw vriend nu reeds gescheiden
+ werdt,
+ Het kon zijn, dat gij ingesloten werdt onder het fundament!"
+
+ Getrouw aan zijn eed, fluisterde de jonge Goïko
+ Geen woord ter waarschuwing aan zijn lieftallige gade.
+
+ Toen de ochtend begon te grauwen,
+ Stonden al de broeders bij het aanbreken van den dag op,
+ En ieder spoedde zich naar de Boyana:
+ Aanschouwt nu! twee edele jonge vrouwen:
+ Ze zijn half-zusters, de oudste zusters--
+ De een brengt haar door de sneeuw gebleekt linnen
+ Om het nog eens in de zomerzon te bleeken.
+ Zie! zij komt naar de bleekvelden--
+ Daar blijft zij staan--zij doet geen stap nader.
+ Zie! de tweede, met de kruik van roode klei;
+ Zie! zij komt--zij vult ze in het stroompje;
+ Daar praat zij met andere vrouwen--draalt--
+ Ja! zij draalt--doch komt geen schrede nader.
+
+ De jeugdige vrouw van Goïko draalt thuis;
+ Want zij heeft een kindje in de wieg.
+ Geen volle maand oud is de kleine lieveling:
+ Maar de tijd van het maal nadert;
+ En haar bejaarde moeder zet haar aan tot arbeid;
+ Liefst zou zij de dienstmaagd roepen om haar te bevelen
+ Het middagmaal naar de Boyana te brengen.
+ "Niet zoo!" zei de jonge gade van Goïko;
+ "Blijf, zit rustig neer, ik bid u moeder!
+ Wieg het kindje in zijn wieg:
+ Ik zelf zal het voedsel naar Skadar brengen.
+ In het aangezicht van God zou het een schande zijn.
+ Een beleediging en schande voor het geheele volk,
+ Indien geen van ons drieën bereid zou zijn om het te dragen."
+
+ Zoo bleef zij thuis, de bejaarde moeder.
+ En zij wiegde de kleine lieveling in de wieg.
+ Toen stond Goïko's jeugdige gade op,
+ Riep alle dienstmaagden om zich heen,
+ Gaf haar het voedsel, en gaf bevel haar te volgen.
+ Toen zij de stroomende rivier Boyana bereikten,
+ En Mrnyavtchevitch Goïko haar zag,
+ Omhelsde hij met verscheurd hart zijn jeugdige gade;
+ Kuste duizend keer haar sneeuwwit voorhoofd.
+ Brandende tranen vloeiden snel van zijn oogleden--
+
+ En hij sprak met van smart gebroken stem:
+ "O mijn gade, mijn eigen: hoe innig ben ik over u bekommerd.
+ Hebt gij geen oogenblik gedroomd, dat gij moest omkomen?
+ Waarom hebt gij onze kleine verlaten?
+ Wie zal onze kleine baden in uw afwezigheid?
+ Wie zal de borst ontblooten om de zuigeling te voeden?"
+ Meer en steeds meer zou hij nog willen spreken,
+ Maar de koning stond het niet toe. Vukashin
+ Grijpt haar blanke hand en roept
+ Meester Rado--hem, den bouwmeester;
+ En hij roept zijn driehonderd werklieden.
+
+ Maar de jonggehuwde glimlacht en waant het
+ Alles een grap--geen vrees overvalt haar.
+ Als de driehonderd werklieden zich om haar verzamelen,
+ De steenen opstapelen en de balken rondom haar.
+ Zij hebben haar nu ingesloten tot den gordel.
+ Hooger verheffen de muren en balken zich, steeds hooger;
+ Eindelijk begrijpt de rampzalige het lot dat haar wacht.
+ En zij gilt luid in haar wanhoop;
+ In haar smart smeekt zij haar echtgenoot en zijn broeders:
+ "Kunt gij aan God denken? hebt gij geen medelijden?
+ Kunt gij mij aldus insluiten, mij, jong en gezond?"
+ Maar te vergeefsch, tevergeefsch waren haar smeekingen;
+ En haar broeders verlieten haar, toen zij voortging met
+ smeeken.
+
+ Schaamte en vrees volgden toen op verwijten
+ En met deerniswekkende stem riep zij tot haar echtgenoot:
+ "Kan het, kan het zijn, mijn heer en echtgenoot,
+ Dat gij mij, zoo jong, meedoogenloos laat insluiten?
+ Laat ons gaan en mijn bejaarde moeder opzoeken:
+ Laat ons gaan--mijn moeder, zij is rijk:
+ Zij zal een slaaf koopen--een man of een vrouw,
+ Dien gij begraven kunt onder de fundamenten van den muur."
+
+ Toen de moeder-gade--de gade en moeder,
+ Zag, dat haar smeekbeden en klachten onverhoord verklonken,
+ Richtte zij zich tot Neimar Rado: [78]
+ "In Gods naam, mijn broeder Neimar Rado,
+ Laat een opening voor deze sneeuwwitte borst,
+ Laat mij deze sneeuwwitte borst vrij kunnen opheffen,
+ Als mijn sprakelooze Yovo tot mij komt.
+ Als hij komt, o laat hem mijn borst ledigen!"
+ Rado beval den werklieden aan haar verzoek te voldoen
+ En een venster te laten voor haar sneeuwwitte borst,
+ Zoodat zij haar vrij zou kunnen opheffen,
+ Als haar sprakelooze Yovo tot haar zou komen,
+ Als hij kwam om uit haar borst te drinken.
+ Nog eens riep zij tot Neimar Rado,
+ "Neimar Rado! In Gods naam, mijn broeder!
+ Laat ook voor mijn oogen een klein venster,
+ Opdat deze oogen onze witte woning zien kunnen,
+ Als mijn Yovo naar mij toe gebracht wordt,
+ Als mijn Yovo naar huis wordt gedragen."
+ Rado beval zijn werklieden haar te gehoorzamen.
+ En voor die heldere oogen een klein venster te laten,
+ Opdat haar oogen haar eigen witte woning zouden zien,
+ Als haar kindje Yovo tot haar gebracht werd,
+ Als zij het kindje Yovo naar huis zouden brengen.
+
+ Zoo bouwden zij den zwaren muur rondom haar.
+ En brachten toen het kindje in zijn wieg
+ Dat een lange poos door zijn moeder gezoogd werd
+ Toen werd haar stem zwak--toen zweeg zij geheel.
+ Nog vloeide de stroom en voedde het kind:
+
+ Ruim een jaar hing hij aan haar borst;
+ Nog vloeide de stroom--en hij vloeit nog steeds. [79]
+ Als de levensstroom in haar opdroogt,
+ Komen de vrouwen daarheen--de plaats behoudt haar kracht--
+ Komen ze daarheen om haar schreiende kinderen te stillen.
+
+
+
+II. De Stiefzusters.
+
+
+ Een hooge, slanke den stond tusschen twee groene lorkenboomen.
+ Lorkenboomen waren zij niet, deze twee,
+ En geen hooge, slanke den stond er tusschen.
+ Het waren broeders, kinderen van een moeder.
+ De een was Paul; de andere broeder Radool,
+ En middenin Yelitza, hun zuster.
+ Hartelijk was de liefde, die de broeders haar toedroegen;
+ Menig teeken van genegenheid gaven zij haar,
+ Soms een schitterend geschenk en dikwijls kleinigheden,
+ En ten laatste een mes met zilveren heft.
+ En versierd met goud; dat gaven zij hun zuster.
+
+ Toen Pauls jeugdige gade dit had gehoord,
+ Verhief haar boezem zich van jaloezie:
+ En zij riep verwoed tot de gade van Radool:
+ "Ach zuster! Mijn zuster in den Heer,
+ Kent gij een plant van demonische kracht,
+ Die verderf over onze zuster kan brengen?"
+ De gade van Radool antwoordde snel:
+ "In Godsnaam, zuster, wat bedoelt gij?
+ Van tooverkruiden weet ik niets--En wist ik het wel,
+ Nooit zou ik u ervan vertellen, nooit;
+ Want mijn broeders hebben mij lief; ja, ze hebben mij lief.
+ Van hun liefde geven zij mij menigmaal bewijs."
+
+ Toen Pauls jeugdige gade dit antwoord had vernomen,
+ Begaf zij zich naar het paard in de weide,
+ Bracht het een doodelijke wonde toe, en spoedde
+ Zich naar haar echtgenoot, dien zij aldus aansprak:--
+ "Uw zuster, die gij liefhebt, is die liefde onwaardig,
+ Uw gaven zijn aan deze onwaardige slechts verspild;
+ Uw ros, dat in de weide liep, heeft zij doorstoken."
+ Toen wendde Paul zich tot Yelitza, zijne zuster
+ En vroeg: "Waarom deedt gij 't?--Dat God er u voor straffe!"
+
+ Doch toen de maagd ontkende en zwoer:
+ "Bij mijn leven en bij uw leven, ik deed het niet!"
+ Toen twijfelde hij niet meer aan zijn zuster.
+ Waarop Pauls jonge gade, toen zij dit merkte,
+ Zich 's avonds heimelijk spoedde naar den tuin,
+ Waar zij Pauls grijzen valk den nek omdraaide--
+ Toen spoedde zij zich naar haar echtgenoot en zei:
+ "Uw zuster, die gij liefhebt, is die liefde onwaardig,
+ En uw gaven zijn aan deze onwaardige slechts verspild,
+ Zie! Zij doodde Uw lievelingsvalk."
+
+ Paul ondervroeg Yelitza, zijne zuster.
+
+ "Zeg mij waarom, en God moge u straffen!"
+
+ Maar hoog en luid bezwoer zijn zuster:
+ "Ik was het niet, bij mijn leven, broeder;
+ Bij mijn leven en het uwe, ik deed het niet!"
+ En de broer geloofde zijn zuster weer.
+ Toen Pauls jeugdige vrouw dit bemerkte,
+ Sloop zij 's avonds van den avondmaaltijd weg,
+ En stal het gouden mes en daarmede vermoordde,
+ Vermoordde zij haar arme kindje in de wieg!
+ En toen de ochtendstond den morgen bracht,
+ Wekte zij schreeuwend haar echtgenoot
+ "Wee!" schreeuwde zij en reet haar wangen open:
+ "Boos is de liefde, die gij uw zuster toedraagt.
+ En uw gaven zijn aan deze onwaardige verspild;
+ Ons kindje in de wieg heeft zij doorstoken!
+ Zult gij nog langer aan mijn woorden twijfelen?
+ Zie! het mes is in uw zusters gordel."
+
+ Paul sprong op, als door den waanzin overmeesterd,
+ Onstuimig stormde hij naar de verdieping boven,
+ Waar zijn zuster op haar matten sliep
+ Met het gouden mes onder haar kussen.
+ Snel greep hij het gouden mes,--en trok het--
+ Hij trok het nijgend uit de zilveren scheede;--
+ En zie, 't was vochtig van het bloed,--
+ 't Was rood en met geronnen bloed bedekt!
+ Toen Paul, de edele, dit zag, greep hij haar vast,--
+ Hij knelde haar kleine, mooie hand en vloekte haar:
+ "Dat Gods vloek op u ruste, zuster!
+ Gij hebt mijn lievelingspaard vermoord;
+ Uw hand vermoordde ook mijn edele valk;
+ Maar gij hadt de hulpelooze zuigeling moeten sparen."
+
+ Nog luider en op hooger toon nog zwoer zijn zuster:
+ "Ik was het niet, bij mijn leven, mijn broeder,
+ Bij mijn leven en bij uw leven, ik zweer het u!
+ Maar indien gij op mijn eed geen acht wilt geven;
+ Voer mij dan naar de open vlakten der wildernis;
+ Bind uw zuster aan de staarten uwer paarden;
+ Laat vier paarden mijn ledematen vaneen scheuren."
+ En de broer vertrouwde zijn zuster niet!
+ Woest greep hij haar blanke armen--en droeg haar
+ Naar de verwijderde vlakten--de open wildernis;--
+ Aan de staarten van vier paarden bond hij haar
+ En hij joeg ze voort over de woestenij;--
+ En ziet! waar een druppel stortte van haar bloed,
+ Daar ontsproot een bloem,--een geurig bloempje;
+ Waar haar lichaam viel, toen het dood en verminkt was,
+ Daar rees een kerk op uit de wildernis.
+
+ Korte tijd verliep; een noodlottige ziekte
+ Overviel Pauls jeugdige gade;--de ziekte
+ Lag negen lange jaren op haar,--een zware ziekte!
+ Hondstarwegras schoot op tusschen haar beenderen
+ En daartusschen nestelden toornige slangen,
+ Die, ofschoon verborgen, de helderheid van het licht harer
+ oogen dronken.
+ Toen betreurde zij haar lot en toen zij wanhopend treurde,
+ Sprak zij aldus tot Paul, haar echtgenoot:
+ "O breng mij, Paul, mijn heer
+ En voer mij naar de kerk uwer zuster,
+ Want zoo er redding is, vind ik ze mooglijk daar."
+
+ Toen Paul de bede van zijn gade hoorde,
+ Droeg hij haar naar zijn zusters kerk
+ En nauwelijks had hun voet 't portaal der kerk betreden,
+ Of zij vernamen een geheimzinnige stem:
+ "Kom hier niet, jonge vrouw! kom hier niet!
+ Want deze kerk kan u noch redding, noch genezing geven."
+ Groot was haar zielesmart, toen zij dit hoorde;
+ En smeekend zei de vrouw tot Paul, haar heer:
+ "In Godsnaam, Paul, mijn echtgenoot, mijn heer!
+ Breng mij nooit, nooit naar onze woning terug!
+ Bind mij aan de staarten van de wilde paarden en jaag ze,
+ Jaag ze in de onmetelijke wildernis;
+ Laat hen mijn ellendige ledematen uiteen rukken."
+
+ En Paul verhoorde de bede van zijn gade.
+ Hij bond haar aan de staarten van vier wilde paarden;
+ Joeg ze voort over de groote vlakte der woestenij
+ En waar een druppel van haar bloed neerviel,
+ Daar sprongen stekelige doornen en distels op
+ En waar het lichaam viel, toen het dood was,
+ Stroomden de wateren toe en vormden een stilstaand meer.
+ Over het meer zwom een klein, zwart paard,
+ Naast hem dreef een gouden wieg,
+ Op de wieg zat een jonge, grijze valk,
+ In de wieg sluimerde een klein kindje,
+ Met de blanke hand zijner moeder om zijn keel:
+ En die hand omknelde een gouden mes.
+
+
+
+III. De ontvoering van de schoone Iconia.
+
+
+ Gouden wijn drinkt Theodorus van Stalatch, [80]
+ In zijn kasteel Stalatch aan de Morava;
+ Zijn bejaarde moeder schenkt hem wijn in.
+ Terwijl de wijn-dampen naar zijn hoofd stijgen--
+ Spreekt de moeder aldus tot den held:
+ "Mijn zoon! Gij, Theodorus van Stalatch!
+ Zeg mij, waarom zijt gij niet gehuwd?
+ Gij zijt in de dagen van jeugd en schoonheid:
+ In uw woning zou uw bejaarde moeder
+ Nu graag uw kinderen rondom zich zien spelen."
+ En hij, Theodorus van Stalatch, antwoordde:
+ "God is mijn getuige, o mijn bejaarde moeder!
+ Ik heb door menig land en stad gezworven
+ Maar nooit vond ik het gezochte meisje;
+ Of, als ik het meisje vond, dan vond ik nooit
+ In uw hart vriendelijke gevoelens jegens haar;
+ En als gij u vriendelijk en voorkomend toondet,
+ Dan vond ik het meisje valsch en trouweloos.
+ Maar toen ik gisteren, bij zonsondergang,
+ Dwaalde bij de rivier de Ressava,
+ Zie: daar zag ik dertig liefelijke maagden
+ Bezig op de oevers haar garen en linnen te bleeken:
+ Onder haar bevond zich de schoone Iconia,
+ De schoonste dochter van vorst Miloutin;
+ Van hem, den vorstelijken heerscher over Resseva.
+ Zij zou waarlijk een bruid zijn om lief te hebben.
+ Zij zou waarlijk Uw genegenheid waard zijn:
+ Maar dat meisje is reeds verloofd;
+ Haar hand is beloofd aan George Irene--
+ Aan Irene, voor Sredoi, zijn bloedverwant.
+ Maar ik wil dat meisje winnen--ik wil haar winnen
+ Of de poging zal mij mijn leven kosten, moeder!"
+ Zijn moeder ontried hem dit en waarschuwde hem--
+ "Zeg dat niet, mijn zoon! het meisje is verloofd;
+ Het is geen grap! zij is verwant aan monarchen."
+
+ Maar de held sloeg geen acht op zijn moeder:
+ Luid riep hij tot Dobrivoy, zijn knecht--
+ "Dobrivoy! kom hier, trouwe dienstknecht!
+ Breng mijn bruine paard voor, en maak het gereed.
+ Leg het het zilveren zadel op den rug,
+ Tuig het op met de met goud geboorde teugels."
+ Toen het ros gereed was, ging hij er heen,
+ Hij wierp zich op zijn rug, gaf het de sporen,
+ En stuurde 't naar de kalme rivier de Morava,
+ Die door de vreedzame vlakte van Ressava stroomt.
+
+ En hij bereikte de kalme rivier Ressava;
+ Daar zag hij weer de dertig maagden--
+ Daar zag hij de schoone Iconia,
+ Toen veinsde de held een plotselinge ongesteldheid;
+ Vroeg om hulp; en begroette haar hoffelijk--
+ "God in den hooge zij met u, lieftallig meisje!"
+ En de lieftalligste beantwoordde zijn woorden,
+ "En u zij zaligheid, vreemdeling en krijgsman?"
+ "Lief meisje! in naam van de liefde des hemels,
+ Wilt gij mij een beker verkoelend water geven?
+ Want een hevige koorts gloeit in mij;
+ Ik durf niet van mijn paard te stijgen, schoon meisje!
+ Want mijn ros heeft een boozen trek--
+ Tweemaal wil hij zijn ruiter niet laten opstijgen."
+
+ Warm en ernstig was het medelijden van het meisje;
+ En met lieve stem sprak zij hem aldus aan:
+ "Neen! dat niet--dat niet, gij onbekende krijgsman!
+ Hard en zwaar is het water van de Ressava;
+ Hard en zwaar zelfs voor gezonde krijgslieden;
+ Hoe veel te meer voor hen, die door koorts aangetast en
+ vermoeid zijn!
+ Wacht, en ik zal U een beker wijn brengen."
+ Snel trippelde het meisje naar haar woning;
+ Zij keerde terug met een gouden beker met wijn,
+ Dien zij Theodorus van Stalatch toereikte.
+ Hij strekte zijn hand uit; echter niet den beker wijn,
+ Maar de hand van het meisje greep hij
+ En met een zwaai wierp hij haar op zijn kastanjebruin paard
+ achter zich:
+ Driemaal omwond hij haar met zijn lederen gordel,
+ En ten slotte bond hij haar ook met zijn degenriem;
+ En hij bracht haar naar zijn eigen witte woning.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIV. FOLKLORE.
+
+
+
+De ram met de gouden vacht.
+
+
+Eens ging een jager naar de bergen om te jagen, en daar kwam hem
+een ram met een gouden vacht tegemoet. De jager nam zijn geweer om
+hem te schieten, maar de ram snelde op hem toe en voordat de jager
+kon schieten, stootte de ram hem met zijn horens en hij viel dood
+neer. Eenige dagen later vonden zijn vrienden zijn lijk; zij wisten
+niet, wie hem gedood had; zij namen het lijk mee naar huis en begroeven
+het. De vrouw van den jager hing het geweer tegen den muur van haar
+hut. Toen haar zoon opgroeide, vroeg hij haar verlof om het te nemen
+en ermee op jacht te gaan. Zij wilde het echter niet toestaan, en zei:
+"Nooit mag je mij weer om dit geweer vragen. Het redde het leven van
+je vader niet en ik zou niet willen, dat het ook de oorzaak van jou
+dood werd!"
+
+Op zekeren dag nam de jongeling het geweer stilletjes weg en ging
+ermee het bosch in om te jagen. Heel spoedig kwam dezelfde ram uit
+het dichte kreupelhout aansnellen en zei: "Ik heb uw vader gedood; nu
+is het uw beurt!" Dit verschrikte den jongeman en onder den uitroep:
+"God helpe mij!" haalde hij den haan van zijn geweer over en zie! de
+ram viel dood neer.
+
+De jongeling was buitengewoon blij, dat hij den ram met de gouden
+vacht gedood had, zoo was er geen tweede in het geheele land. Hij
+ontdeed den ram van zijn huid en droeg de vacht naar huis,--zeer prat
+ging hij op zijn dapperheid. Gaandeweg verspreidde het nieuws zich
+over het land, totdat het 't hof bereikte en de koning den jeugdigen
+jager beval hem de vacht van den ram te brengen, opdat hij er zich
+van overtuigen kon welke soorten van beesten er in zijn bosschen
+werden gevonden. Toen de jongeling de vacht bij den koning bracht,
+zei deze tot hem: "Vraag wat gij wilt voor deze vacht, en ik zal u
+geven, wat gij vraagt!" Maar de jongeling antwoordde: "ik zou haar
+voor niets ter wereld willen verkoopen."
+
+Toevallig was de eerste minister een oom van den jeugdigen jager,
+maar hij was zijn vriend niet; integendeel hij was zijn grootste
+vijand. Daarom zei hij tegen den koning: "Daar hij u de huid niet wil
+verkoopen, moet gij hem iets opdragen, wat bepaald onmogelijk is!" De
+koning riep den jongeman weer bij zich en beval hem een wijngaard te
+planten en over zeven dagen den nieuwen wijn van den eersten oogst
+te brengen.
+
+De jongeling begon te schreien en smeekte om ontheven te worden
+van deze onmogelijk te vervullen opdracht; maar de koning bleef bij
+hetgeen hij bevolen had en zei:
+
+"Indien gij over zeven dagen mijn bevel niet hebt uitgevoerd, dan
+zal uw hoofd worden afgeslagen!"
+
+
+
+De jongeling vindt hulp.
+
+
+Nog steeds schreiende begaf de jongeling zich naar huis en vertelde
+zijn moeder alles, wat bij zijn bezoek aan den koning was voorgevallen
+en zij antwoordde: "Heb ik je niet gezegd, mijn zoon, dat het geweer
+je het leven zou kosten?"
+
+In diepe smart en verwarring verliet de jongeman het dorp en liep een
+heel eind het bosch in. Eensklaps stond een meisje voor hem, dat hem
+vroeg: "Waarom weent gij, mijn broeder?" En hij antwoordde boos:
+
+"Vervolg uw weg! Gij kunt mij niet helpen!" Daarom liep hij verder,
+maar het meisje volgde hem en verzocht hem nogmaals haar de oorzaak
+van zijn tranen te zeggen, "want misschien," voegde zij er aan toe,
+"is het mogelijk, dat ik u helpen kan."
+
+Toen stond hij stil en zei: "Ik zal het u vertellen, maar ik weet,
+dat God alleen mij kan helpen." Toen vertelde hij haar alles, wat er
+met hem was gebeurd en welke taak hem was opgedragen. Toen zij het
+verhaal had gehoord, zei zij: "Wees niet bevreesd, mijn broeder, maar
+ga naar den koning en vraag hem, waar hij wenscht, dat de wijngaard
+zal geplant worden en laat dien dan aanleggen in volkomen rechte
+lijnen. Daarna moet gij een zak nemen met een takje thijm erin; leg
+u dan te slapen op de plaats, waar de wijngaard zal moeten komen en
+gij zult zien, dat hij binnen zeven dagen rijpe druiven zal dragen."
+
+Hij keerde naar huis terug en vertelde zijn moeder, wat het meisje,
+dat hij had ontmoet, gezegd had, en welke belachelijke dingen hij
+zou moeten doen. Maar zijn moeder zei ernstig: "Ga, ga, mijn zoon,
+doe zooals het meisje zegt; in elk geval kun je er niet slechter aan
+toe worden dan je nu bent."
+
+Hij ging dus naar den koning, gelijk het meisje hem had gezegd,
+en de koning gaf hem de aanwijzing, die hij verlangde. Toch was hij
+nog altijd treurig, toen hij zich met zijn tak thijm neerlegde op de
+aangewezen plek.
+
+Toen hij den volgenden morgen wakker werd, zag hij, dat de wijnstokken
+al geplant waren; den tweeden morgen waren zij bedekt met bladeren;
+en op den zevenden dag droegen zij rijpe druiven. Niettegenstaande
+de voorspelling van het meisje, was hij verbaasd rijpe druiven te
+zien in een tijd van het jaar, waarin zij nergens te vinden waren;
+maar hij plukte ze, perste wijn, en bovendien nam hij een mand vol
+rijpe vruchten mede naar den koning.
+
+
+
+De tweede taak.
+
+
+Toen hij het paleis bereikte, stond de koning en zijn geheele
+hofhouding verbaasd. De eerste minister zei: "Wij moeten hem iets
+opdragen, dat absoluut onmogelijk is!" en hij gaf den koning den raad
+den jongeling te bevelen--een kasteel te bouwen van de slagtanden
+van olifanten.
+
+Toen hij deze onvervulbare opdracht vernomen had, ging de jongeling
+weenende naar huis, en vertelde zijn moeder, wat er gebeurd was en
+voegde er aan toe: "Dit moeder, is volkomen onmogelijk!" Maar weer
+gaf zijn moeder hem raad en zei: "Ga, mijn jongen, het dorp uit,
+misschien ontmoet je het meisje weer!"
+
+De jongeling gehoorzaamde, en werkelijk, zoodra hij de plaats bereikte,
+waar hij den vorigen keer het meisje had ontmoet, stond zij weer voor
+hem en zei: "Dit zal ook gemakkelijk gaan; maar ga eerst naar den
+koning en vraag hem een schip met driehonderd vaten wijn en evenveel
+kruiken brandewijn en ook twintig timmerlieden. Dan gaat ge naar
+die en die plaats tusschen twee bergen; ge damt daar de beek af, en
+giet er al den wijn en den brandewijn in. De olifanten zullen op die
+plaats komen om water te drinken en zij zullen dronken op den grond
+vallen. Dan moeten uw timmerlieden dadelijk de slagtanden afzagen en
+die naar de plaats brengen, waar de koning zijn kasteel gebouwd wil
+hebben. Daar moogt gij u te slapen leggen en binnen zeven dagen zal
+het kasteel gereed zijn."
+
+Toen de jongeman dit gehoord had, spoedde hij zich naar huis,
+en vertelde zijn moeder alles, wat het meisje hem gezegd had. De
+moeder was vol vertrouwen en raadde haar zoon aan te doen, wat
+het meisje hem had voorgeschreven. Hij ging dus naar den koning en
+verzocht hem om het schip, de driehonderd vaten wijn en brandewijn
+en ook om de twintig timmerlieden; en de koning gaf hem alles, wat
+hij verlangde. Daarna ging hij naar de plek, die het meisje hem had
+aangewezen en deed alles, wat zij hem had aangeraden. En werkelijk,
+de olifanten kwamen, gelijk hij verwacht had, dronken en vielen daarna
+bedwelmd neer. De timmerlieden hieuwen de ontelbare slagtanden af,
+brachten die naar de aangewezen plaats en begonnen te bouwen en
+binnen zeven dagen was het kasteel gereed. Toen de koning dit zag,
+was hij weer verbaasd en zei tot zijn eersten minister: "Wat moet ik
+nu met hem doen? Het is geen gewone jongeman! God alleen weet, wie
+hij is!" Daarop antwoordde de ambtenaar: "Geef hem nog een opdracht
+en als het hem gelukt ook die ten uitvoer te brengen, dan heeft hij
+bewezen een bovennatuurlijk wezen te zijn."
+
+
+
+De derde taak.
+
+
+Opnieuw gaf hij den koning raad. Deze riep den jongeman en zei tot hem,
+dat hij hem uit zeker koninkrijk een prinses moest brengen, die daar
+in een zeker kasteel woonde. "Indien gij haar niet bij mij brengt,
+zult gij zekerlijk uw leven verliezen!" Toen de jongeman dit hoorde,
+ging hij regelrecht naar zijn moeder en noemde haar zijn nieuwe taak,
+waarop zijn moeder hem den raad gaf zijne vriendin, het meisje, nog
+eens op te zoeken. Hij spoedde zich naar de plek buiten het dorp,
+naar de plaats, waar hij de vorige keeren haar ontmoet had en toen
+hij er aankwam, verscheen zij weer. Zij luisterde aandachtig naar
+het verhaal van het laatste bezoek, dat de jongeman aan het hof had
+gebracht en zei toen: "Ga naar den koning en vraag hem om een galei; in
+de galei moeten twintig winkels worden gemaakt, elk met verschillende
+koopwaren; in elken winkel moet ook een knappe jongeman zijn om de
+waren te verkoopen. Op uw reis zult gij een man ontmoeten, die een
+arend draagt; gij moet zijn arend koopen en er den prijs voor betalen,
+dien hij vraagt. Dan zult gij een tweeden man ontmoeten, die in zijn
+net een karper met gouden schubben draagt; gij moet, het koste wat
+het kost, den karper koopen. De derde man, dien gij zult ontmoeten,
+zal een duif dragen, die gij ook moet koopen. Dan moet gij een veer
+uit den staart van den arend, een schub van den karper, en een veer
+van den linkervleugel van de duif nemen--en dan de dieren hun vrijheid
+geven. Indien gij het verre land bereikt en bij het kasteel zijt,
+waar de prinses woont, dan moet gij alle winkels openen en elken
+jongeman bevelen bij zijn deur te gaan staan. En de meisjes, die
+naar den oever komen om water te halen, zullen zeker zeggen, dat zij
+nooit te voren een schip gezien hebben, dat met zulke wonderbare en
+mooie voorwerpen beladen was. Het nieuws zal ook de prinses bereiken,
+die dadelijk aan haar vader toestemming zal vragen, om de galei te
+gaan bekijken. Als zij aan boord komt met haar hofdames, moet gij
+het gezelschap van den eenen winkel naar den anderen brengen, en de
+mooiste koopwaren, die gij hebt, voor haar uitspreiden; aldus moet
+gij haar afleiden en bezighouden en aan boord van uw galei houden,
+tot het avond wordt. Dan moet gij plotseling onder zeil gaan; het zal
+dan zoo donker zijn, dat uw vertrek niet opgemerkt wordt. De prinses
+zal een lievelingsvogel op haar schouder hebben en als zij bemerkt,
+dat de galei wegzeilt, zal zij de vogel loslaten en hij zal naar het
+paleis vliegen met een bericht aan haar vader, waarin zij hem meldt,
+wat haar is overkomen. Als gij ziet, dat de vogel is weggevlogen,
+moet gij de veer van den arend verbranden; de arend zal verschijnen
+en indien gij hem beveelt den vogel te vangen, dan zal hij dat
+onmiddellijk doen. Daarna zal de prinses een kiezelsteen in de zee
+werpen en oogenblikkelijk zal het schip stil liggen. Daarop moet
+gij dadelijk de schubbe van den karper verbranden; de karper zal
+naar u toekomen en gij moet hem bevelen den kiezelsteen te zoeken
+en op te slikken. Zoodra dat gedaan is, zal de galei weer verder
+zeilen. Dan zult gij eenigen tijd in vrede uw weg kunnen vervolgen;
+maar als gij een bepaalde plek tusschen twee bergen bereikt, zal uw
+galei plotseling versteenen en gij zult u zeer verontrusten. Dan zal
+de prinses u bevelen haar wat levenswater te brengen, waarop gij de
+veer van de duif moet verbranden, en als de vogel verschijnt moet
+gij haar een klein fleschje geven, waarin zij u den levenselixer
+zal brengen. Dan kan uw galei weer verder zeilen en gij zult zonder
+verdere avonturen met de prinses thuis komen."
+
+De jongeling keerde terug bij zijn moeder en zij raadde hem aan te
+doen, zooals het meisje hem had voorgeschreven. Hij begaf zich dus
+naar den koning en vroeg om de dingen, die hij noodig had voor zijn
+onderneming, en weer gaf de koning hem alles, waarom hij vroeg.
+
+Op zijn reis ging het juist, zooals het meisje voorspeld had en hij
+slaagde er in de prinses in triomf thuis te brengen. De koning zag
+vanaf het balkon, waar hij zich met zijn eersten minister bevond, de
+galei terugkeeren en de eerste minister zei: "Nu moet u hem werkelijk
+dooden, zoodra hij landt; anders zult u hem nooit weer kwijt raken!"
+
+Toen de galei de haven bereikte, stapte de prinses met haar hofdames
+het eerst aan land; daarna volgden de knappe jonge mannen, die de
+waren te koop hadden aangeboden en eindelijk de jongeman zelf. De
+koning had zijn beul bevolen zich gereed te houden, en zoodra de
+jongeman aan land stapte, werd hij door de dienaren van den koning
+gegrepen en zijn hoofd werd afgekapt.
+
+De koning was van plan de schoone prinses te trouwen--en zoodra hij
+haar zag, naderde hij haar met complimenten en vleierijen. Maar de
+prinses wilde niet naar zijn honigzoete woorden luisteren; zij wendde
+zich af en vroeg: "waar is de jongeman, die mij geschaakt heeft en
+die zooveel deed om mij hier te brengen?"
+
+En toen zij zag, dat zijn hoofd was afgeslagen, nam zij onmiddellijk
+de kleine flesch en goot wat van den inhoud over het lichaam en zie! de
+jongeman stond volmaakt gezond op. Toen de koning en zijn minister dit
+wonder aanschouwden, zei de laatste: "Deze jongeman moet nu wijzer
+zijn dan ooit, want was hij niet gestorven--en is hij niet tot het
+leven teruggekeerd?" Waarop de koning, die verlangend was te weten,
+of het inderdaad waar was, dat hij, die, na uit den dood weer verrezen
+te zijn, alle dingen wist, den beul beval hem zelf het hoofd af te
+houwen, waarbij hij er op rekende, dat de prinses hem tot het leven
+zou terugroepen door de kracht van haar wonderdoend levenswater.
+
+Maar toen het hoofd van den koning afgehouwen was, wilde de prinses
+er niet van hooren hem het leven terug te schenken; integendeel: zij
+schreef dadelijk aan haar vader, wien zij vertelde, dat zij een groote
+liefde had opgevat voor den jongeman en dat het haar innigste wensch
+was hem te trouwen. Zij verhaalde haar vader alles, wat er gebeurd
+was. Haar vader antwoordde, dat hij de keuze zijner dochter goedkeurde
+en hij deelde den eersten minister mee, dat hij hem en zijn volk den
+oorlog zou verklaren, indien zij den jongeman niet tot hun vorst zouden
+uitroepen. De mannen van dat land zagen onmiddellijk in, dat dit niet
+anders dan rechtvaardig zou zijn en zoo werd de jongeman koning. Hij
+huwde de schoone prinses en gaf groote landgoederen en titels aan al
+de knappe jongelieden, die hem bij zijn expeditie hadden geholpen.
+
+
+
+Een paviljoen noch in den hemel noch op aarde. [81]
+
+
+Er leefde eens een tsaar, die drie zoons en een dochter had. De
+laatste werd in een kooi bewaakt, want hij had haar lief, zooals hij
+zijn eigen oogen lief had. Toen het meisje opgroeide, verzocht zij
+haar vader een avond te mogen uitgaan met haar broeders, en de tsaar
+stond haar verzoek toe.
+
+Nauwelijks had zij het paleis verlaten of een draak vloog naar omlaag,
+greep de prinses en verdween, ondanks het verweer van haar broeders,
+in de wolken. De prinsen haastten zich hun vader te vertellen, wat
+er was gebeurd, en zij smeekten hem hun zuster te mogen gaan zoeken.
+
+Daarop gaf hun ongelukkige vader elk hunner een paard en een volledige
+uitrusting voor een lange reis, en zij begaven zich op weg om haar
+te zoeken. Toen zij lang gereisd hadden, zagen zij in de verte een
+paviljoen, dat noch in den hemel, noch op aarde was, maar dat er
+midden tusschenin hing. Toen zij er vlak onder waren, kwamen zij op het
+denkbeeld, dat hun zuster zich daar wel kon bevinden en zij begonnen
+te overwegen, hoe zij het 't best zouden kunnen bereiken. Eindelijk
+besloten zij, dat een hunner zijn paard zou dooden, de huid in reepen
+snijden, daarvan een riem maken, en na het eene eind aan een pijl
+te hebben bevestigd, den riem met den pijl omhoog te schieten, en
+dat wel zóó krachtig, dat de pijlspits diep in het geraamte van het
+paviljoen zou boren, waarna zij in de gelegenheid zouden zijn om naar
+boven te klimmen. De twee jongere broers stelden den oudsten voor,
+dat hij zijn paard zou dooden, maar hij weigerde. De tweede wilde het
+zijne evenmin ten offer brengen; toen doodde de jongste, ziende dat er
+niets anders op zat, zijn paard, sneed de huid tot een langen riem,
+bevestigde een eind aan zijn pijl en schoot regelrecht omhoog naar
+het paviljoen, waar de pijl stevig bleef zitten.
+
+Den volgenden dag moesten zij uitmaken, wie langs den riem omhoog
+zou klimmen; weer weigerden de twee oudste broers en zoo viel het
+den jongsten ten deel dit waagstuk te ondernemen. Daar hij zeer vlug
+was, bereikte hij weldra het paviljoen; hij dwaalde van de eene kamer
+naar de andere en kwam eindelijk in een vertrek, waar hij zijn zuster
+zag zitten met den kop van den slapenden draak op haar knie. Toen de
+prinses haar broer zag, was zij buitengewoon bang voor zijn leven en
+zij smeekte hem te vluchten, voordat de draak zou ontwaken.
+
+
+
+De prins doodt den draak.
+
+
+Maar de moedige jongeman kon niet doen, wat zijn zuster van hem
+verlangde. Hij greep zijn knots en sloeg den draak op den kop. Het
+monster wees met een van zijn klauwen, naar de plek waar hij geraakt
+was en zei tegen het meisje: "Hier heeft mij iets gebeten!" Weer
+hief de prins zijn knots op en hij gaf weer een slag op het hoofd
+van den draak; maar blijkbaar had dit op den draak niet den minsten
+invloed, want hij wees weer onverschillig naar de plek, zeggende:
+"Weer heeft mij iets gebeten!"
+
+De jonge prins was op het punt voor den derden keer toe te slaan,
+toen zijn zuster op een plek wees, waar de draak een doodelijke wond
+kon krijgen en zijn knots op de aangewezen plek richtende, sloeg hij
+toe en de draak bezweek onmiddellijk. De prinses maakte zich dadelijk
+vrij van het hoofd van den draak, snelde vlug naar haar broer om hem
+een kus te geven en verlangde er toen naar hem de verschillende kamers
+te toonen.
+
+Eerst bracht zij hem naar een kamer, waar een zwart paard stond,
+vastgebonden in een stal en gedekt met een zadel en een harnas met
+zilveren versierselen. Daarna bracht zij hem naar een tweede kamer,
+waar zij een wit paard vonden, ook geheel opgetuigd, maar zijn
+harnachement was van zuiver goud. Daarna bracht zij hem in een derde
+kamer, waar een mooi Arabisch paard stond, welks zadel, stijgbeugels
+en teugels bezet waren met kostbare steenen.
+
+Vervolgens bracht de prinses haar broer naar een kamer, waar op een
+gouden tabouret een meisje zat, dat bezig was te borduren met gouden
+draden. Vandaar bracht zij hem in een tweede vertrek, waar een meisje
+gouden draden spon. Tenlaatste gingen zij een derde kamer binnen,
+waar een meisje parelen zat te rijgen, en voor haar op een gouden
+schaal zat een gouden hen met haar kuikens de parelen te sorteeren.
+
+Nadat hij zijn nieuwsgierigheid had bevredigd, ging de prins weer
+terug naar de kamer, waar hij den dooden draak had achter gelaten en
+wierp het lijk op de aarde; alleen reeds op het zien van het lijk
+van den draak, geraakten de twee oudste broeders buiten zich zelf
+van schrik. Daarna liet de prins zijn zuster langzaam omlaag en op
+haar volgden de drie meisjes met haar werk. Terwijl hij daarmee bezig
+was, riep hij iets tegen zijn broers en hij maakte gebaren--om hun te
+beduiden, aan wien ieder der meisjes zou behooren. Hij behield voor
+zich zelf haar, die bezig was geweest met het rijgen der parelen en
+hij vergat ook de gouden hen en de kuikens niet.
+
+
+
+De trouweloosheid van de broeders.
+
+
+Zijn broeders, die den jeugdigen prins zijn heldenmoed benijdden
+en jaloersch waren op zijn gelukkig geslaagde heldenfeiten, maakten
+zich nu schuldig aan een laaghartige daad. Zij sneden den riem door,
+opdat hij de aarde niet zou kunnen bereiken, en haastig braken zij op,
+waarbij zij hun zuster en de geheele buit meenamen.
+
+Op hun weg naar huis ontmoetten zij een schaapherder, die zijn schapen
+hoedde en hem haalden zij over zich te vermommen en zich voor hun
+jongsten broeder uit te geven, terwijl zij aan hun zuster en haar
+drie maagden bevel gaven het geheim strikt te bewaren.
+
+Er verliep eenige tijd; toen vernam de jongste prins, dat zijn
+broeders en de vermomde herder op het punt stonden de drie meisjes
+te trouwen. Deze mededeeling scheen letterlijk juist te zijn, want
+op den dag, waarop zijn oudste broer zou trouwen, besteeg hij het
+zwarte paard, vloog omlaag en steeg af vlak voor de kerk. Daar wachtte
+hij het oogenblik af, waarop de stoet naar buiten zou komen en toen
+zijn broer te paard zou stijgen, naderde hij snel, hief zijn knots
+op en gaf hem een hevigen slag, zoodat hij op hetzelfde oogenblik
+neerviel. Toen besteeg de jonge prins het zwarte paard weer en werd
+onmiddellijk weer naar het geheimzinnige paviljoen teruggevoerd.
+
+Op den trouwdag van zijn tweeden broer werd het heldenfeit nu op het
+witte paard herhaald, zonder dat iemand er eenig vermoeden van had,
+wie die vreemde aanvaller was.
+
+Nu kwam de beurt aan den herder. Op den dag van diens huwelijk met het
+derde meisje besteeg de jonge prins het Arabische ros, stapte af op
+het kerkplein, juist op het oogenblik, dat de trouwstoet op het punt
+stond terug te keeren. Dezen keer sloeg hij den bruidegom zoo hevig
+op zijn hoofd, dat hij dood neerviel. De gasten stegen gezwind van hun
+paard en omringden den prins, die geen poging deed te ontsnappen, maar
+zich bekend maakte als de derde zoon van hun tsaar. Hij vertelde hun,
+dat de voorgewende prins, die hij naar de andere wereld had gezonden,
+slechts een gewoon herder was, en dat zijn broeders hem uit naijver in
+het betooverde paviljoen hadden gelaten, waar hij zijn zuster gevonden
+en den draak gedood had. Alles, wat hij zei, werd dadelijk bevestigd
+door zijn zuster en de drie meisjes. Toen de tsaar dit vernam, was
+hij zeer vertoornd op zijn twee oudste zoons en hij verbande hen voor
+altijd uit zijn paleis. En wat zijn dapperen jongsten zoon betrof, hij
+liet hem met het derde meisje huwen en wees hem aan als de erfgenaam
+van den troon en van alles, wat hij bezat.
+
+
+
+Pepelyouga.
+
+
+Op een hooggelegen weiland, bij een onmetelijk diepen afgrond waren
+eenige meisjes bezig met spinnen, terwijl zij haar vee hoedden, toen
+een oude, vreemd uitziende man met een witten baard, die hem tot aan
+den gordel reikte, naderde en tot haar sprak: "O, schoone meisjes,
+neemt u in acht voor den afgrond, want indien een uwer haar spoel van
+de klip zou laten vallen, dan zou haar moeder op hetzelfde oogenblik
+in een koe veranderen!"
+
+Na dit gezegd te hebben, verdween de oude man en de meisjes, die
+onthutst waren door zijn woorden, naderden, terwijl zij het vreemde
+geval bespraken, het ravijn tot dicht bij den rand; eensklaps was hun
+belangstelling voor de diepe kloof gewekt. Zij gluurden nieuwsgierig
+over den rand, als verwachtten zij iets ongewoons te zullen zien,
+totdat eensklaps de mooiste van haar allen haar spoel uit haar hand
+liet vallen, en voor dat zij die weer kon grijpen, viel zij van rots
+tot rots in de diepte onder haar. Toen zij dien avond thuis kwam,
+bevond zij, wat zij reeds gevreesd had, dat de voorspelling bewaarheid
+was, want haar moeder stond, veranderd in een koe, voor de deur.
+
+Korten tijd daarna hertrouwde haar vader. Zijn nieuwe vrouw was
+een weduwe en bracht een eigen dochter in haar nieuw tehuis. Dit
+meisje was door de natuur allesbehalve begunstigd, en de moeder begon
+onmiddellijk haat te koesteren tegen haar stiefdochter om haar goed
+uiterlijk. Zij verbood haar voortaan haar gelaat te wasschen, haar
+haar te kammen of van kleeren te verwisselen en op alle mogelijke
+manieren trachtte zij haar ongelukkig te maken.
+
+Op zekeren dag gaf zij haar een zak vol hennep, zeggende: "Indien
+gij dit niet spint, en zorgt dat het van avond tot een mooi kluwen
+geworden is, behoeft gij niet thuis te komen, want dan ben ik van
+plan u te dooden."
+
+Het arme meisje was diep terneergeslagen; zij liep achter het vee,
+onderwijl met ijver spinnende, maar op het middaguur, toen het vee
+zich neerlegde om te rusten, zag zij, dat zij nog slechts heel weinig
+gevorderd was en zij begon bitter te weenen.
+
+Nu werd haar moeder dagelijks met het andere vee naar de weide gedreven
+en toen zij de tranen van haar dochter zag, kwam zij nader en vroeg,
+waarom zij schreide, waarop het meisje haar alles vertelde. Toen
+troostte de koe haar dochter met de woorden: "Mijn lief kind, wees
+getroost! Laat mij de hennep in mijn mond nemen en ze kauwen; ze zal
+als een draad uit mijn oor komen. Je hebt niets anders te doen dan
+het einde te nemen en het op een klos te winden."
+
+Dit gebeurde; de hennep was weldra gesponnen en toen het meisje ze
+'s avonds aan haar stiefmoeder gaf, was deze ten hoogste verbaasd.
+
+Den volgenden morgen beval de vrouw het meisje op ruwen toon een
+nog grooteren zak hennep te spinnen en toen het meisje, dank zij
+haar moeders hulp alles spon en opwond, gaf haar stiefmoeder haar
+den volgenden dag tweemaal zooveel om te Spinnen. Desondanks bracht
+het meisje 's avonds zelfs die ongewone hoeveelheid goed gesponnen
+thuis, waaruit de stiefmoeder opmaakte, dat zij niet alleen spon,
+maar dat andere meisjes, haar vriendinnen, haar hielpen. Daarom zond
+zij den volgenden morgen haar eigen dochter om het meisje te bespieden
+en haar te vertellen, wat zij zou zien. Het meisje merkte spoedig,
+dat de koe de arme wees hielp door de hennep te kauwen, terwijl deze
+niets anders te doen had, dan de draad op een klos te winden. Zij
+snelde naar huis en vertelde haar moeder, wat zij had gezien. Deze
+drong er toen op aan, dat haar man bevel zou geven die bijzondere
+koe te slachten. Eerst aarzelde haar echtgenoot, maar daar zijn vrouw
+meer en meer aandrong, besloot hij te doen, wat zij verlangde.
+
+
+
+De belofte.
+
+
+Toen zij hoorde, wat besloten was, schreide de stiefdochter meer dan
+ooit en toen haar moeder vroeg, wat er aan scheelde, vertelde zij haar
+onder tranen wat er zou gebeuren. Daarop zei de koe tot haar dochter:
+"Wisch uw tranen af en schrei niet meer. Indien zij mij slachten, moet
+gij er alleen maar voor zorgen, dat ge niets van mijn vleesch eet,
+en na den maaltijd zorgvuldig mijn beenderen verzamelt. Begraaf die
+achter het huis onder een steen; mocht gij ooit hulp noodig hebben,
+kom dan naar mijn graf en daar zult gij vinden, wat gij zoekt."
+
+De koe werd gedood, en toen het vleesch werd opgediend, weigerde het
+arme meisje er van te eten; zij wendde voor, dat zij geen honger had;
+na den maaltijd verzamelde zij met groote zorg de beenderen en begroef
+die op de plek, die door haar moeder was aangewezen.
+
+De naam van het meisje was Marra, maar daar zij het ruwste huiswerk
+moest doen, zooals waterdragen, wasschen en vegen werd zij door haar
+stiefmoeder en stiefzuster "Pepelyouga" (asschepoester) genoemd.
+
+Op zekeren Zondag, toen de stiefmoeder en stiefzuster zich gekleed
+hadden om naar de kerk te gaan, strooide de vrouw door het huis een
+mandvol gierst en zei: "Luister, Pepelyouga; zoo gij al de gierst
+niet hebt opgeraapt en zoo het eten niet gereed is, als wij uit de
+kerk komen, dan zal ik je dooden!"
+
+Toen zij vertrokken waren, begon het arme meisje te schreien. Zij
+dacht: "wat het eten betreft, dat kan ik gemakkelijk gereed maken,
+maar hoe zou het mogelijk zijn, al de gierst op te rapen?" Maar op
+hetzelfde oogenblik dacht zij aan de woorden van de koe: indien ge ooit
+hulp noodig hebt, kom dan slechts naar mijn graf achter het huis en
+daar zult gij onmiddellijk vinden, wat gij zoekt. Dadelijk snelde zij
+naar buiten, en toen zij het graf naderde, zie! een koffer lag wijd
+geopend op het graf, en daarin waren prachtige gewaden en alles wat
+noodig was voor het toilet eener dame. Twee duiven zaten op het deksel
+van den koffer, en toen het meisje nader kwam, zeiden zij tegen haar:
+"Marra, neem het gewaad, dat ge het mooist vindt, uit den koffer,
+kleed je en ga naar de kerk; en wat de gierst en het werk betreft,
+daar zullen wij op toezien en zorgen, dat alles in orde is!"
+
+
+
+Marra gaat naar de kerk.
+
+
+Marra had geen tweede uitnoodiging noodig; zij nam het eerste zijden
+kleed, dat haar hand aanraakte, kleedde zich en ging naar de kerk, waar
+haar komst groot opzien baarde. Iedereen, mannen zoowel als vrouwen,
+bewonderden haar schoonheid en de dure kleeren, maar zij vroegen
+elkaar vergeefs, wie zij was en van waar zij kwam. Er was toevallig
+dien dag een prins in de kerk en ook hij bewonderde het schoone meisje.
+
+Juist voor de dienst was afgeloopen, sloop het meisje de kerk uit en
+snelde naar huis, deed haar kleeren uit en legde ze weer in den koffer,
+die zich onmiddellijk sloot en onzichtbaar werd. Daarna spoedde zij
+zich naar de keuken en bemerkte, dat het middagmaal gereed was en
+de gierst verzameld in de mand. Spoedig daarop kwam haar stiefmoeder
+met haar dochter terug en zij waren er verbaasd over, dat de gierst
+opgeraapt en de maaltijd gereed en al het overige werk ook klaar
+was. De wensch om het geheim te kennen, kwelde de stiefmoeder nu
+geweldig.
+
+Den volgenden Zondag gebeurde alles als te voren, behalve, dat het
+meisje een zilveren kleed in de koffer vond en de prins haar nog
+meer bewonderde, zoozeer, dat hij niet in staat was ook maar een
+oogenblik zijn oogen van haar af te wenden. Op den derden Zondag
+maakten moeder en dochter zich weer gereed naar de kerk te gaan en
+nadat zij de gierst weer had neergestrooid, herhaalde zij haar vorige
+bedreigingen. Zoodra zij vertrokken waren, liep het meisje regelrecht
+naar het graf harer moeder, waar zij evenals bij de vorige gelegenheid
+de open koffer en dezelfde twee duiven vond. Dezen keer vond zij een
+gewaad van gouden kant. Zij kleedde er zich haastig in en ging naar de
+kerk, waar zij nog meer dan te voren door allen werd bewonderd. Wat
+de zoon van den tsaar betrof, hij was dezen keer gekomen met het
+voornemen haar niet uit het oog te verliezen, maar haar te volgen
+en te zien, waar zij heenging. Toen de dienst dus ten einde liep,
+en het meisje stil als te voren vertrok, volgde de verliefde prins
+haar. Marra spoedde zich voort, want zij had niet al te veel tijd
+en onder het loopen, verloor zij een van haar gouden muiltjes. Zij
+was te gehaast om stil te staan en het op te rapen. Maar de prins,
+die het meisje uit het oog had verloren, zag het muiltje en stak het
+in zijn zak. Marra deed haar gouden gewaad uit, toen zij thuis kwam,
+borg het op in den koffer en spoedde zich naar het huis.
+
+
+
+De Prins zoekt het mooie meisje.
+
+
+De prins besloot nu van huis tot huis te gaan, het geheele rijk van
+zijn vader door, om de eigenares van het muiltje te vinden, en alle
+mooie meisjes uit te noodigen het gouden muiltje aan te passen. Maar
+helaas, zijn pogingen schenen tot mislukking gedoemd; voor eenige
+meisjes was het muiltje te lang, voor anderen te kort en voor weer
+anderen te nauw. Er was er niet een, wien het paste.
+
+Op zijn tocht van de eene deur naar de andere kwam de prins eindelijk
+aan het huis van Marra's vader. De stiefmoeder had hem verwacht
+en had haar stiefdochter onder een grooten voedertrog op het erf
+verborgen. Toen de prins haar vroeg, of zij dochters had, antwoordde
+zij, dat zij er maar een had en zij bracht haar dochter bij hem. De
+prins verzocht het meisje het muiltje te passen, maar hoe zij ook
+wrong, er was zelfs geen ruimte genoeg voor haar teenen! Daarop vroeg
+de prins, of het waar was, dat er geen ander meisje in het huis was,
+en de stiefmoeder antwoordde, dat dit werkelijk waar was.
+
+Op hetzelfde oogenblik vloog een haan op den voedertrog en kraaide
+krachtig: "_Kook-oo-ryeh-koooo!_ Hier is zij onder dezen trog!"
+
+De stiefmoeder riep woedend uit: "Sst--! Ga heen! Dat een arend je
+grijpe en met je wegvliege!" De nieuwsgierigheid van den prins was
+gewekt; hij liep naar den trog, tilde dien op, en, tot zijn groote
+verbazing zag hij daar het meisje, dat hij driemaal in de kerk had
+gezien, gekleed in hetzelfde gouden gewaad, dat zij den laatsten keer
+had gedragen, en met slechts een muiltje aan.
+
+Toen de prins het meisje herkende, was hij buiten zich zelf van
+vreugde. Snel paste hij het muiltje aan haar sierlijken voet; het
+paste haar niet alleen uitstekend, maar vormde een paar met dat,
+hetwelk zij reeds aan haar linkervoet had. Hij tilde haar teeder op
+en geleidde haar naar zijn paleis. Later verwierf hij haar liefde en
+zij leefden gelukkig samen.
+
+
+
+De taal der dieren.
+
+
+Hoeveel overeenstemming er is in de folklore van verschillende volken
+wordt op zeldzame wijze geïllustreerd door het volgend verhaal, dat een
+treffende gelijkenis vertoont met een verhaal, dat ook bij de negers
+van West-Afrika algemeen bekend is. Daarin wordt door den Koning
+der Dieren aan den held als gunst toegestaan de taal der dieren te
+verstaan; hij ontvangt daarbij de waarschuwing, dat hij zal sterven,
+zoodra hij aan iemand het bezit van deze gave openbaart. De gave,
+die hem verleend is, maakt hem tot een rijk man; hij lacht om een
+gesprek tusschen dieren, die hij beluistert; zijn vrouw vraagt hem,
+waarom hij lacht. Tot op dit punt zijn de beide verhalen aan elkaar
+gelijk, maar in het West-Afrikaansche verhaal openbaart de man het
+geheim en boet zijn overtreding met den dood; terwijl het Servische
+slot veel minder tragisch is, zooals wij zullen zien.
+
+Een rijk landbouwer had een schaapherder, die hem een groot aantal
+jaren trouw en eerlijk had gediend. Op zekeren dag, toen hij zijn
+schapen door een bosch naar de weide leidde, hoorde hij een sissend
+geluid en hij vroeg zich verbaasd af, wat het kon zijn. Aandachtig
+luisterend liep hij steeds dichter naar de plaats, van waar het geluid
+kwam; en nu zag hij, dat het bosch in brand stond en dat het gesis
+werd uitgestooten door een slang, die door vlammen was omringd. De
+herder keek toe, wat het arme schepsel zou doen in haar nood en toen
+de slang den schaapherder zag, riep ze te midden der vlammen uit:
+"O, herder, ik smeek u, red mij uit dit vuur!" De herder stak haar
+zijn staf toe en de slang kronkelde zich snel om den stok, om zijn
+arm en verder tot zijn schouders en rondom zijn hals.
+
+Toen de herder besefte, wat er gebeurde, werd hij aangegrepen door
+afschuw, en riep uit: "Wat zijt gij van plan te doen, gij ondankbaar
+schepsel! Heb ik je leven gered, om het mijne te verliezen?" En de
+slang antwoordde hem: "Wees niet bang, mijn redder! Maar breng mij naar
+het huis van mijn vader! Mijn vader is de koning van de slangenwereld."
+
+De herder beproefde de slang te bewegen medelijden met hem te hebben
+en smeekte hem te willen verontschuldigen; want hij kon zijn schapen
+niet verlaten.
+
+Daarop zei de slang tot hem: "Wees gerust, mijn vriend! Maak u niet
+bezorgd over uw schapen; er zal niets met ze gebeuren, maar haast u
+nu naar het huis van mijn vader!" De herder ging dus met de slang om
+zijn hals door het bosch, totdat zij aan een grot kwamen, waarvan de
+ingang door slangenlichamen werd bedekt. Toen zij bij de poort kwamen,
+siste de gids van den herder tegen haar dienaressen, waarop al de
+slangen onmiddellijk uit elkaar gingen, en een weg voor den herder
+open lieten, die er zonder eenig letsel te bekomen doorging. Toen
+zei de slang tegen haar redder: "Als wij voor mijn vader verschijnen,
+zal hij u zeker als belooning voor uw vriendelijkheid jegens mij alles
+geven, wat gij wenscht: goud, zilver en kostbare steenen; maar niets
+van dat alles moet gij aannemen. Ik zou u aanraden te vragen de taal
+der dieren te leeren verstaan. Hij zal zich ongetwijfeld tegen uw
+wensch verzetten, maar eindelijk zal hij toegeven."
+
+Zij traden nu de vertrekken van den koning binnen, die blijkbaar
+aanmerkelijk verlicht vroeg: "Mijn dochter, waar zijt gij al dien
+tijd geweest?"
+
+Het reptiel vertelde toen alles van den brand in het bosch en
+van de vriendelijkheid van den schaapherder, die zijn leven had
+gered. Nu richtte de slangenkoning zich aangedaan tot den herder:
+"Welke belooning mag ik u geven, omdat gij het leven van mijn dochter
+hebt gered?"
+
+De herder antwoordde: "Ik wensch niets dan de macht om de taal der
+dieren te kunnen spreken en te begrijpen." Maar de vorst zei: "Dat is
+niets voor u, want indien ik u die macht gaf, en gij zoudt het geheim
+aan een ander mededeelen, dan zoudt gij onmiddellijk sterven. Kies
+daarom iets anders."
+
+Maar de herder bleef volhouden. "Indien gij mij wilt beloonen, schenk
+mij dan de gave om de taal der dieren te verstaan; indien gij mijn
+wensch niet wilt vervullen, dan hebben wij niets meer met elkaar te
+bespreken; ik zeg u vaarwel!"
+
+En werkelijk wendde hij zich om teneinde weg te gaan. Maar de koning,
+die zag, dat hij volharden zou bij zijn besluit, hield hem terug
+en riep uit: "Kom hier, mijn vriend! Daar gij zoo vurig verlangt de
+taal der dieren te begrijpen, zal die gave u niet onthouden worden;
+open uw mond!"
+
+De herder gehoorzaamde, en de slangenkoning blies in zijn mond en zei:
+"Blaas nu in mijn mond!" De herder deed wat hem gezegd werd, en de
+slangenkoning blies een tweeden keer in den mond van den herder. Toen
+sprak hij: "Nu bezit gij de taal der dieren. Ga in vrede; maar zorg
+er goed voor, dat gij uw geheim niet aan een ander meedeelt, anders
+zult gij op hetzelfde oogenblik sterven!"
+
+De herder nam afscheid van zijn vrienden en toen hij door het bosch
+terugging, hoorde en verstond hij alles, wat de vogels en planten
+en andere levende schepsels tegen elkaar zeiden. Toen hij zijn kudde
+bereikte en al zijn schapen in veiligheid vond, zooals hem was beloofd,
+legde hij zich neer op het gras om te rusten.
+
+
+
+De begraven Schat.
+
+
+Ternauwernood had hij zich neergevlijd, of twee raven streken neer
+op een boom en begonnen samen te praten. "Indien deze schaapherder
+wist, wat er zich op de plek bevindt, waar dat zwarte schaap ligt,
+dan zou hij zeker de aarde opgraven, en hij zou het hol ontdekken,
+dat vol zilver en goud is."
+
+De herder ging dadelijk naar zijn heer en vertelde hem, wat hij wist
+van den begraven schat. Deze reed met een kar naar de aangegeven
+plaats, groef diep in de aarde en zie! hij vond een hol vol zilver
+en goud. Dat alles laadde hij op zijn kar en bracht den schat naar
+huis. Deze heer was een eerlijk en edelmoedig man en hij gaf den
+geheelen schat aan zijn herder, zeggende: "Neem dit, mijn zoon; het
+was aan u, dat God het gaf! Ik zou je aanraden, een huis te bouwen,
+te trouwen en met dit geld de een of andere goede zaak te beginnen."
+
+De herder deed, zooals zijn vriendelijke heer hem had aangeraden en
+gaandeweg verdubbelde zijn rijkdom en hij werd de rijkste man niet
+alleen in zijn dorp, maar in het geheele gewest. Nu nam hij zelf
+schaapherders in dienst en vee- en zwijnenhoeders om zijn groote
+kudden te verzorgen. Op zekeren dag, juist voor Kerstmis, zei hij
+tegen zijn vrouw: "Maak wijn en eetwaren gereed, want morgen zullen
+wij naar onze hoeven gaan en onze knechts onthalen." Zijn vrouw deed
+gelijk hij bevolen had en den volgenden dag gingen zij naar hun hoeven
+en de heer sprak tot zijn mannen: "Komt nu allen, en eet en drinkt
+te zamen; wat de schapen betreft, ik zelf zal vannacht voor ze zorgen."
+
+Zoo ging de vriendelijke man zijn schapen hoeden. Omstreeks middernacht
+begonnen de wolven te huilen en zijn honden blaften uitdagend. De
+wolven zeiden in hun eigen taal tegen de honden: "Kunnen wij komen en
+de schapen dooden? Er zal genoeg zijn ook voor u." Daarop antwoordden
+de honden in hun eigen taal: "O zeker, kom toch, wij wenschen ook
+een feestmaal!" Maar onder de honden was een heel oude, die maar twee
+tanden over had. Dat trouwe dier blafte verwoed tegen de wolven: "Naar
+den duivel met jelui allemaal! Zoolang ik deze twee tanden heb, zult
+gij de schapen van mijn heer niet aanraken!" En hun meester hoorde
+en begreep alles, wat zij zeiden. Den volgenden morgen beval hij
+zijn knechts al de honden, behalve den ouden, te dooden. De knechts
+smeekten hun meester dit niet te doen. Zij zeiden: "Beste meester,
+het is zonde hen te dooden!"
+
+Maar de heer gedoogde geen tegenspraak en beval streng: "Doet,
+zooals ik bevolen heb!" Daarna stegen hij en zijn vrouw te paard
+en zij begaven zich op weg naar huis; hij op een hengst en zij op
+een merrie. Op de reis bleef de merrie wat achter den hengst. Deze
+hinnikte en zei: "Haast je wat, waarom treuzel je zoo?" En de merrie
+antwoordde: "Voor jou is het niet moeilijk--jij draagt alleen je
+heer, en ik draag een tirannieke vrouw, wier bevelen een last voor
+het geheele huishouden zijn!"
+
+
+
+De lastige vrouw.
+
+
+Toen hij dit hoorde, keerde de heer zich om en barstte in lachen
+uit. Zijn vrouw merkte zijn plotselinge vroolijkheid op, gaf haar
+merrie de sporen en toen zij haar echtgenoot had bereikt, vroeg zij
+hem, waarom hij had gelachen. Hij antwoordde: "Er was geen bepaalde
+reden voor; ik lachte maar zoo--" Maar de vrouw was niet tevreden met
+dit antwoord, en liet haar man niet met rust. Tevergeefs beproefde
+hij er zich af te maken met de woorden:
+
+"Vraag mij niet langer; als ik je de ware reden zeg, waarom ik heb
+gelachen, dan moet ik dadelijk sterven!"
+
+Maar zij geloofde haar man niet, en hoe vaker hij weigerde het haar
+te vertellen, des te hardnekkiger drong zij er op aan, dat hij het
+zou doen, totdat de arme man eindelijk ten einde raad was door haar
+aandringen.
+
+Zoodra zij thuis waren, beval de man een doodkist gereed te maken en
+toen die gereed en voor de huisdeur was geplaatst, zei hij tegen zijn
+vrouw: "Ik zal in deze kist gaan liggen, want op hetzelfde oogenblik,
+waarop ik je vertel, waarom ik lachte, zal ik sterven." Hij ging dus in
+de kist liggen, en toen hij nog een laatsten blik in het rond wierp,
+zag hij zijn getrouwe hond van de akkers komen. Het arme dier liep op
+de doodkist van zijn meester toe en ging huilende van verdriet naast
+zijn hoofd zitten. Toen zijn heer dit zag, vroeg hij zijn vrouw den
+hond eten te geven. De vrouw bracht brood en gaf het aan den hond,
+die er niet naar taalde, nog minder er van at. Het stuk brood trok
+echter een haan aan, die naderbij kwam en er van begon te pikken. De
+hond verweet hem dit en zei: "Jij onverzadigbaar schepsel! Je denkt
+aan niets dan aan eten en je ziet niet, dat onze beste heer op het
+punt staat te sterven!"
+
+Op deze bestraffing antwoordde de haan: "Laat hem dood gaan, als hij
+zoo'n dwaas man is! Ik heb een honderdtal vrouwen en ik verzamel haar
+allen rondom een graankorrel, dien ik gevonden heb, en als zij allen
+bijeen zijn, eet ik hem zelf op! Mocht een harer daar geen genoegen
+mee nemen, dan pik ik naar haar; maar hij, de dwaas, is niet in staat
+een vrouw te regeeren."
+
+Hierop sprong de man uit de kist, nam een stok en riep tot zijn vrouw:
+"Kom in huis, vrouw, en ik zal je vertellen, waarom ik heb gelachen!"
+
+Toen zij zag, wat de bedoeling van haar man was, verzocht zijn vrouw
+hem van zijn voornemen af te zien en beloofde nooit meer nieuwsgierig
+te zijn of te beproeven zich in zijn zaken te mengen.
+
+
+
+De stiefmoeder en haar stiefdochter.
+
+
+Er was eens een meisje, dat met haar stiefmoeder samen woonde. De
+vrouw haatte haar stiefdochter buitengewoon, daar zij mooier was dan
+haar eigen dochter, die zij mee had gebracht naar het huis. Zij deed
+haar uiterste best de eigen vader van het arme meisje tegen haar op
+te zetten en dit deed zij met zulk een goeden uitslag, dat hij weldra
+zijn eigen kind begon uit te schelden, ja zelfs te haten.
+
+Op zekeren dag zei de vrouw tegen haar echtgenoot: "Wij moeten je
+dochter wegsturen. Zij moet de wereld ingaan om zelf haar fortuin
+te zoeken!" En hij antwoordde: "Hoe kunnen wij het arme meisje
+wegzenden? Waar zou zij alleen heen moeten?" Maar de slechte
+stiefmoeder antwoordde: "Morgen moet je ver met haar de bosschen
+ingaan, haar daar achter laten, en je dan naar huis spoeden--anders
+wil ik niet langer bij je wonen."
+
+Eindelijk gaf de ongelukkige vader toe en zei: "Maak tenminste wat
+voor het meisje klaar, opdat zij niet van honger omkomt."
+
+Daarom bakte de stiefmoeder een koek en gaf dien den volgenden morgen,
+toen zij met haar vader het huis verliet, aan het meisje mee. De man
+en zijn dochter stapten voort, totdat zij midden in het bosch waren,
+en toen sloop de vader weg en keerde naar huis terug.
+
+Den geheelen dag dwaalde het meisje in het bosch rond om een pad
+te zoeken, maar zij kon er geen vinden. Het werd intusschen steeds
+donkerder en eindelijk klom zij in een boom; zij vreesde door het een
+of andere wilde dier verslonden te worden, indien zij gedurende den
+nacht op den grond bleef. En werkelijk den ganschen nacht huilden de
+wolven zoo bloeddorstig onder den boom, dat het arme meisje in haar
+zenuwachtigen angst bijna was gevallen.
+
+Den volgenden morgen klom zij weer naar beneden en dwaalde weer rond
+om een weg te vinden, maar hoe verder zij liep, des te dichter werd
+het bosch; er scheen geen einde aan te zijn. Toen het weer donker werd,
+keek zij rond naar een anderen geschikten boom, waarin zij tusschen de
+takken veilig den nacht zou kunnen doorbrengen. Maar eensklaps zag zij
+een lichtglans door de duisternis. Zij meende, dat het misschien een
+woning kon zijn en liep er heen. En werkelijk, zij kwam spoedig aan een
+groot, mooi huis; de deuren stonden open. Zij ging binnen en zag veel
+sierlijke kamers; in een er van stond een groote tafel met brandende
+lichten er op. Zij dacht, dat dit een woning van roovers moest zijn,
+maar zij was hoegenaamd niet bang. Want zij zei tegen zich zelf:
+"Alleen rijke menschen behoeven bang voor roovers te zijn; ik, een arm,
+eenvoudig meisje, behoef voor niets te vreezen; ik zal hun zeggen, dat
+ik graag voor hen wil werken, als zij mij iets te eten willen geven."
+
+
+
+
+Een vreemde woning.
+
+
+Daarna nam zij den koek uit haar tasch, maakte het teeken des kruises
+[82] en begon haar maal. Nauwelijks was zij begonnen te eten of een
+haan verscheen en vloog naast haar, alsof hij om een deel er van
+vroeg. Het goede meisje kruimelde een stukje van haar koek en voerde
+het hem. Kort daarna kwam een kleine hond en begon op zijn wijze van
+zijn vriendelijke gevoelens jegens haar blijk te geven. Het meisje
+brak weer een stuk van haar koek af, nam het hondje voorzichtig op
+haar schoot en begon het te voeren en te liefkoozen. Daarna kwam een
+kat en daarmede deed zij hetzelfde.
+
+Eensklaps hoorde zij een luid gebrul, en schrok geweldig, toen zij een
+leeuw zag naderen. Het groote dier kwispelde echter zoo vriendelijk
+met zijn staart, en het keek zoo goedaardig uit zijn oogen, dat haar
+moed weer terugkeerde en zij hem een stuk koek gaf, wat de leeuw opat;
+daarna lekte hij haar hand. Dit bewijs van dankbaarheid stelde het
+meisje volkomen gerust; zij streelde den leeuw zacht en gaf hem nog
+meer van haar koek.
+
+Eensklaps hoorde het meisje een heftig gekletter van wapenen en
+zij viel bijna flauw, toen zij een schepsel in een berenhuid de
+kamer zag binnenkomen. De haan, de hond, de kat en de leeuw snelden
+het tegemoet en sprongen er omheen, waarbij zij hun uiterste best
+deden om te toonen, hoe verheugd zij waren. Zij, arm kind, kon niet
+anders denken dan dat dit vreemde gedrocht een wreed schepsel was
+en zij verwachtte niet anders dan dat het haar zou bespringen en
+verslinden. Maar het monster wierp zijn berenhuid van zijn hoofd en
+schouders en plotseling glinsterde de geheele kamer van de pracht van
+zijn gouden gewaden. Het meisje verloor bijna haar bezinning, toen zij
+een knap man met edel voorkomen voor zich zag. Hij naderde haar en zei:
+"Wees niet bevreesd! Ik ben geen woestaard, ik ben de zoon van den
+tsaar; en als ik op de jacht ga, dan kom ik gewoonlijk vermomd hier
+in deze berenhuid, opdat de menschen mij niet herkennen. Behalve gij,
+weet niemand, dat ik een man ben; de menschen denken, dat ik een
+geest ben en ontvluchten mij. Niemand durft dit huis voorbij gaan,
+nog minder er binnen treden, want het is bekend, dat ik er woon. Gij
+zijt de eerste, die het gewaagd hebt, binnen te komen, waarschijnlijk
+wist gij, dat ik geen geest ben?"
+
+Daarop vertelde het meisje den prins alles van haar slechte stiefmoeder
+en verzekerde, dat zij niets van deze woning wist, noch wie er in
+woonde. Toen de jonge prins, bewogen van verontwaardiging en medelijden
+haar verhaal had gehoord, zei hij: "Uw stiefmoeder haatte u, maar God
+had u lief. Ik heb u ook zeer lief, en indien gij voelt, dat gij mijn
+liefde zoudt kunnen beantwoorden, zou ik u willen trouwen--wilt gij
+mijn vrouw zijn?" "Ja", antwoordde het meisje.
+
+Den volgenden morgen nam de prins het meisje mee naar het paleis van
+zijn vader en zij werden getrouwd. Na een poosje verzocht de vrouw
+van den prins toestemming om haar vader te mogen bezoeken. De prins
+stond het haar gaarne toe en gekleed in een mooie, met goud geborduurde
+japon ging zij naar haar oude tehuis. Haar vader was afwezig en haar
+moeder vreesde, zoodra zij haar zag komen, dat zij kwam om zich te
+wreken. Daarom snelde zij haar tegemoet en zei: "Ziet gij nu, dat ik
+u den weg van het geluk op gezonden heb?" De stiefdochter omhelsde
+de vrouw en kuste haar; zij omhelsde haar stiefzuster ook. Daarna
+nam zij plaats en wachtte op de terugkomst van haar vader. Daar hij
+echter niet kwam, was zij eindelijk wel genoodzaakt, hoe ongaarne ook,
+heen te gaan zonder hem te hebben gezien. Toen zij vertrok, gaf zij
+veel geld aan haar stiefmoeder, maar toen zij op eenigen afstand bas,
+balde de ondankbare vrouw toch haar vuist naar haar en mompelde:
+"Wacht maar, jij vervloekt schepsel, je zult de eenige niet zijn,
+die zoo sierlijk gekleed gaat; ik zal mijn eigen dochter denzelfden
+weg opzenden!"
+
+
+
+De naijver van de stiefmoeder.
+
+
+De man kwam niet terug voor laat in den avond. Toen ging zijn vrouw hem
+tegemoet en zei: "Luister man! Ik ben van plan ook mijn eigen dochter
+de wereld in te zenden, opdat ook zij haar fortuin kan zoeken; want
+jou dochter kwam heden terug om ons te bezoeken en zie! zij schitterde
+van al het goud."
+
+De man zuchtte en gaf zijn toestemming.
+
+Den volgenden morgen bakte de vrouw voor haar dochter verscheidene
+koeken, ook gaf zij haar wat gebraden vleesch mee en zond haar met
+haar vader het bosch in. De ongelukkige vader geleidde haar--evenals
+hij het zijn eigen dochter had gedaan--naar het diepst van het
+bosch, sloop toen weg, en liet haar alleen. Toen het meisje zag,
+dat haar vader verdwenen was, wandelde zij langzaam voort door het
+woud, totdat zij de poort van hetzelfde huis bereikte, waarin haar
+stiefzuster het geluk had gevonden. Zij trad binnen, sloot de deur
+en besloot ze voor niemand te openen. Daarna nam zij een koek uit
+haar tasch en begon haar maal. Intusschen kwamen de haan, de hond en
+de kat binnen en begonnen om haar heen te springen, hopende dat zij
+hun iets te eten zou geven; maar zij riep boos uit: "Maakt, dat je
+weg komt, leelijke dieven! Ik heb ternauwernood genoeg voor mijzelf;
+ik wil jelui niets geven!" En toen begon zij hen te slaan, waarop
+de hond jankte. De leeuw, die het jammeren van zijn vriend hoorde,
+sprong woedend toe en doodde het onvriendelijke meisje.
+
+Den volgenden morgen reed de prins met zijn echtgenoote uit om te
+gaan jagen. Zij kwamen aan het huis en zagen, wat er gebeurd was en
+toen de prinses haar stiefzuster aan haar kleeren herkende, nam zij
+het verscheurde gewaad bijeen en bracht het naar de woning van haar
+vader. Dezen keer vond zij haar vader thuis en hij was werkelijk
+heel gelukkig, toen hij vernam, dat zijn lieve dochter getrouwd
+was met een knappen prins. Maar toen hij hoorde, wat de dochter van
+zijn vrouw was overkomen, was hij werkelijk bedroefd en riep uit:
+"Haar moeder heeft haar straf verdiend van Gods hand, omdat zij je
+zonder reden haatte. Zij is bij de put, ik zal er heen gaan en haar
+het droeve nieuws vertellen."
+
+Toen zijn vrouw hoorde, wat er gebeurd was, zei zij: "O, man, ik kan
+het niet verdragen je dochter te zien; laten wij haar en den zoon
+van den tsaar dooden! Doe het, of ik zal dadelijk in de put springen!"
+
+De man antwoordde verontwaardigd: "Nu, spring dan! Ik zal mijn eigen
+kind niet vermoorden!"
+
+En de slechte vrouw zei: "Als je haar niet kunt dooden, goed,--maar
+het is mij onmogelijk haar weer te zien!" Daarop sprong zij in de
+put en was dood.
+
+
+
+Recht en onrecht.
+
+
+Er was een koning, die twee zoons had; de een was sluw en
+onrechtvaardig en de andere goed en rechtvaardig. Toen zijn tijd
+gekomen was, stierf de koning en de onrechtvaardige zoon zei tegen
+zijn broeder: "Daar gij jonger zijt dan ik, kunt gij niet verwachten,
+dat ik den troon met u deel; gij deedt daarom beter het paleis te
+verlaten. Neem deze driehonderd tzechins [83] en een paard mee;
+dat is jou aandeel in de erfenis."
+
+De jongere broer nam het goud en zijn paard en na een oogenblik
+nagedacht te hebben zei hij: "God zij geprezen! Hoeveel van het
+geheele koninkrijk is mijn deel geworden!"
+
+Eenigen tijd later ontmoetten de beide broers elkaar bij toeval
+op een weg, en de jongste begroette den oudste aldus: "God helpe u,
+broeder!" En de oudste antwoordde: "Dat God u een ongeluk zende! Waarom
+roept gij steeds Gods naam aan tegen mij? Onrecht is beter dan recht."
+
+Daarop antwoordde de goede broeder: "Ik wed, dat onrecht niet beter
+is dan recht!"
+
+Zij wedden om honderd tzechins en kwamen overeen de beslissing aan den
+eersten voorbijganger, die zij zouden ontmoeten, over te laten. Na een
+poosje gereden te hebben, ontmoetten zij Satan, die zich als een monnik
+had verkleed en zij verzochten hem in hun geschil te beslissen. Satan
+antwoordde onmiddellijk, dat onrecht beter was dan recht; daarmee
+verloor de rechtvaardige broeder honderd tzechins. Toen gingen zij
+opnieuw een weddenschap aan voor dezelfde som, en vervolgens een derde;
+en telkens besliste de Duivel--elken keer verschillend vermomd--voor
+het onrecht. Ten slotte verloor de goede broeder zelfs zijn paard;
+maar hij was volstrekt niet overtuigd en dacht na. "Wel! ik heb al
+mijn tzechins verloren, dat is waar, maar ik heb mijn oogen nog en
+dezen keer zal ik om mijn oogen wedden." Zoo gingen zij de weddenschap
+nog eens aan; de onrechtvaardige broer wachtte echter niet eens op de
+uitspraak van een ander, maar nam zijn ponjaard, en stak zijn broer
+de oogen uit, zeggende: "Laat het recht u nu maar helpen, nu gij geen
+oogen meer hebt!"
+
+De arme jongeling zei tegen zijn wreeden broeder: "Ik heb mijn oogen
+verloren terwille van Gods rechtvaardigheid, maar ik verzoek u, mijn
+broeder, mij wat water in een kom te geven, opdat ik mijn wonden kan
+wasschen en mij onder een pijnboom bij de bron te brengen!"
+
+De onrechtvaardige broer deed, wat hem werd verzocht en vertrok toen.
+
+
+
+Het genezende water.
+
+
+De ongelukkige jongeling bleef tot diep in den nacht onbewegelijk
+zitten, toen eenige veele naar de bron kwamen om te baden en hij een
+harer tegen haar zusters hoorde zeggen: "Zusters, weet gij, dat de
+prinses lijdende is aan melaatschheid en de koning, haar vader, al de
+beroemde geneesheeren heeft geraadpleegd, maar geen enkele haar kan
+redden? Maar als de koning de genezende kracht van dit water kende,
+zou hij er zeker een weinig van nemen en zijn dochter er in baden. Dan
+zou zij volkomen herstellen."
+
+Toen de hanen begonnen te kraaien, verdwenen de veele; de prins
+kroop naar de bron, om de wonderbare hoedanigheden van het water
+te onderzoeken. Hij bette er zijn oogen mee en zie! Zijn gezicht
+was onmiddellijk teruggekeerd. Daarna vulde hij zijn kom met het
+water en spoedde zich naar den koning, wiens dochter lijdende was
+aan melaatschheid. Toen hij aan het paleis kwam, zei hij tegen de
+wachthebbende officieren, dat hij de prinses kon genezen in een
+dag en een nacht. De officieren deelden het den koning mede, die
+dadelijk toestond, dat hij zijn middel beproefde. En de prinses was
+genezen. Dit stemde den koning zoo gelukkig, dat hij de helft van
+zijn koninkrijk aan den jongen prins afstond en hem ook zijn dochter
+tot vrouw gaf. Zoo werd de rechtvaardige broeder de schoonzoon van
+den koning en zijn staatsraad.
+
+Het nieuws van deze groote gebeurtenis verspreidde zich over het
+koninkrijk en kwam ten slotte ook den onrechtvaardigen prins ter
+oore. Hij dacht, dat zijn broer zijn geluk onder den pijnboom moest
+hebben gevonden; hij ging daar dus ook zijn geluk beproeven. Daar
+aangekomen doorstak hij zijn eigen oogen. Laat in den avond kwamen de
+veele baden en de prins hoorde met verbazing, hoe zij spraken over het
+herstel der prinses. "Iemand moet ons bespied hebben," zei een harer,
+"toen wij spraken over de hoedanigheden, die dit water bezit. Misschien
+slaat ook nu iemand ons gade. Laten we eens rond zien!" Toen zij
+onder den pijnboom kwamen, vonden zij den jongeman, die zijn geluk
+was komen zoeken en zij scheurden hem onmiddellijk in vieren.
+
+En aldus kreeg de slechte prins de straf voor zijn onrechtvaardigheid.
+
+
+
+
+
+Wie weinig vraagt, ontvangt veel.
+
+
+Er leefden eens drie broers, die in plaats van groote bezittingen
+slechts een pereboom hun eigendom konden noemen. Om de beurt zouden zij
+bij den boom de wacht houden, terwijl de twee anderen zich verhuurden
+om te werken. Op zekeren nacht zond God zijn engel om te zien, hoe
+de broeders het maakten, en, indien zij in moeilijkheden verkeerden,
+hun toestand te verbeteren. De engel kwam vermomd als een bedelaar en
+toen hij een der broeders aantrof, die de wacht hield bij den boom,
+verzocht hij om een peer. De jongeman nam een paar vruchten, die
+tot zijn eigen deel van den boom benoorden, overhandigde ze aan den
+bedelaar en zei: "Neem deze peren van mijn deel van den boom; die,
+welke aan mijn broeders behooren, kan ik u niet geven." De engel nam
+de vruchten, dankte den jongeman en verdween.
+
+Den volgenden dag was het de beurt van den tweeden broeder om over
+de vruchten te waken, en weer kwam de engel in de gedaante van een
+bedelaar en vroeg om een peer. Deze broer gaf ook van zijn eigen deel
+van den boom, zeggende: "Neem deze; zij zijn van mij, maar van die,
+welke aan mijn broeders behooren, durf ik niet te geven."
+
+De engel nam de vruchten dankbaar aan en verdween.
+
+De derde broer had een gelijke ervaring.
+
+Toen de vierde dag kwam, vermomde de engel zich als een monnik en
+kwam heel vroeg, opdat hij de drie broers thuis zou kunnen vinden,
+en zei tegen de jongelieden: "Komt met mij mede, ik zal u een beter
+leven geven!" Zonder verdere vragen te stellen gehoorzaamden zij hem.
+
+Weldra kwamen zij aan een rivier, waardoor het water hevig stroomde
+en de engel vroeg aan den oudsten broer: "Wat wenscht gij te
+bezitten?" Hij antwoordde: "Ik zou willen, dat al dit water in wijn
+veranderde en dat het mij toebehoorde!" De engel maakte het teeken
+des kruises met zijn stok en zie! Wijn stroomde in plaats van water
+en op hetzelfde oogenblik werden op de oevers van het stroompje
+verscheidene tonnen zichtbaar en er verschenen mannen, die ze met
+wijn vulden; in een woord: er was een heel dorp ontstaan. Daarna
+wendde de engel zich weer tot den jongeman en zei: "Hier is wat gij
+verlangdet, vaarwel!" En hij vervolgde zijn reis met de anderen. De
+drie liepen voort, totdat zij aan een veld kwamen, waarop een groot
+aantal duiven rondliepen, en de engel vroeg aan den tweeden broer:
+"Nu, en wat zoudt gij wenschen te bezitten?" En hij antwoordde:
+"Ik zou wenschen, dat de duiven in schapen veranderden en dat die mij
+toebehoorden!" Weer maakte de engel het teeken des kruises in de lucht,
+en zie! Schapen in plaats van duiven bedekten het veld. Plotseling
+verrezen er vele melkhuizen; meisjes waren bezig de schapen te melken,
+anderen schonken de melk over en weer anderen maakten room. Er was ook
+een slachthuis, waar mannen bezig waren; enkelen sneden het vleesch
+in groote stukken, anderen wogen het en weer anderen verkochten
+het en namen er het geld voor in ontvangst. Daarna sprak de engel:
+"Hier is alles, wat gij verlangdet; vaarwel!"
+
+Nu ging de engel verder met den jongsten broer, en nadat hij het
+veld over was gegaan, vroeg hij: "Wat verlangt gij te bezitten?" De
+jonge man antwoordde: "Ik zou mij tot den gelukkigsten man rekenen,
+indien God zoo genadig was mij een vrouw te schenken van zuiver
+christelijk bloed!"
+
+Daarop antwoordde de engel: "O, dat is nog al moeilijk; er zijn
+maar drie zulke vrouwen in de geheele wereld en twee van haar zijn
+getrouwd. De jongste, dat is waar, is een jong meisje, maar reeds
+dingen twee jonge mannen naar haar hand."
+
+Zij reisden verder en kwamen in een stad, waar een machtig tsaar woonde
+met zijn dochter. Zij was werkelijk van zuiver christelijk bloed. De
+reizigers traden het paleis binnen en troffen er twee prinsen aan,
+die daar reeds waren en hun huwelijksappels [84] op de tafel hadden
+gelegd. De jonge man legde nu ook zijn appel op de tafel. Toen de
+tsaar de nieuw aangekomenen zag, zei hij tot hen, die hem omringden:
+"Wat zullen wij nu doen. Genen zijn vorstelijke prinsen, en dezen
+zien er uit als bedelaars!" Daarop sprak de engel: "Laat het geschil
+aldus beslist worden: de prinses moet drie wijnstokken in den tuin
+planten, en elk der drie, die aanzoek deden, er een aanwijzen. Met
+hem, aan wiens wijnstok den volgenden morgen druiven gevonden worden,
+zal de prinses trouwen!" Dit plan had aller instemming en de prinses
+plantte dus drie wijnstokken.
+
+Toen de volgende morgen daagde, zie! hingen er druiven in groote
+trossen aan den wijnstok, die aan den armen man was toegewezen. Daarom
+kon de tsaar zijn dochter niet weigeren aan den jongsten broeder. Na
+het huwelijk leidde de engel het jonge paar naar het bosch, waar hij
+beiden een vol jaar alleen liet.
+
+
+
+De Engel keert terug.
+
+
+Toen zond God opnieuw zijn engel, zeggende: "Daal neer naar de aarde
+en zie, hoe deze armen nu leven; indien zij in ellende verkeeren,
+moet gij hen helpen en hun toestand verbeteren!"
+
+De engel gehoorzaamde onmiddellijk en weer als bedelaar verkleed,
+ging hij eerst naar den oudsten broer. Hij vroeg hem om een glas
+wijn. Maar de rijke man weigerde: "Indien ik iedereen een glas wijn
+zou moeten geven, zou er niets voor mij overblijven!"
+
+Hierop maakte de engel het teeken des kruises met zijn stok en
+onmiddellijk stroomde er weer water door de rivier evenals te
+voren. Toen wendde hij zich tot den man en zei: "Dit was niet voor u,
+keer terug naar den pereboom, en ga voort met dien te bewaken!"
+
+Daarna ging de engel naar den tweeden broer, wiens velden bedekt waren
+met schapen en vroeg hem om een plak kaas, maar de rijke man weigerde,
+zeggende: "Indien ik iedereen een plak kaas zou moeten geven, dan zou
+er geen voor mij overblijven!" Weer maakte de engel het teeken des
+kruises met zijn stok en zie! Al de schapen veranderden onmiddellijk
+in duiven, die weer wegvlogen. Toen sprak hij tot den tweeden broer:
+"Dit was stellig niet voor u; ga naar den pereboom en houd daarbij
+weer de wacht!"
+
+Eindelijk ging de engel naar den jongsten broeder om te zien, hoe hij
+het maakte en vond hem met zijn vrouw in het bosch, waar hij leefde
+als een arm man in een hut. Hij verzocht de hut te mogen binnen komen
+en daar den nacht te mogen doorbrengen. Zij heetten hem hartelijk
+welkom, maar zeiden hem, dat zij hem niet zoo'n goed onderkomen
+konden verschaffen, als zij zouden wenschen. "Wij zijn," zoo voegden
+zij er aan toe, "heel arme menschen." Waarop de engel antwoordde:
+"Spreek zoo niet; ik zal heel tevreden zijn met hetgeen gij hebt!"
+
+Zij vroegen zich af, wat zij zouden doen, want er was geen koren in
+de hut, waar zij goed brood van konden bakken. Gewoonlijk maalden
+zij boomschors fijn en bakten dat in den oven. Zulk brood bereidde de
+vrouw nu voor haar gast en zette het in den oven om te bakken. Even
+later ging zij naar haar baksel kijken, en was aangenaam verrast,
+toen zij een echt brood zag liggen.
+
+Toen het paar dit wonder zag, hieven zij hun handen ten hemel en
+zeiden: "Wij danken u, o God! dat wij nu in staat zijn onzen gast te
+onthalen!" Nadat zij hun gast het brood hadden voorgezet, brachten zij
+een kom water en zie! Toen zij dronken, zagen zij, dat het wijn was.
+
+Toen maakte de engel nog eens het teeken des kruises met zijn stok over
+de hut, en daarop verrees onmiddellijk op de plek een prachtig paleis,
+dat een overvloed van alles bevatte. Daarop zegende de engel het paar
+en verdween. De nederige en godvreezende man en vrouw leefden daar
+verder gelukkig.
+
+
+
+Bash Tchelik of echt staal.
+
+
+Er leefde eens een tsaar, die drie zoons en drie dochters had. Toen
+ouderdom hem overviel en het stervensuur voor hem sloeg, riep hij zijn
+kinderen tot zich en hij beval zijn zoons, dat zij hun zusters zouden
+geven aan den eersten, die naar haar hand mochten dingen. "Doet,
+zooals ik ulieden zeg," voegde de stervende tsaar er aan toe,
+"of vreest mijn vloek!"
+
+Kort nadat de tsaar gestorven was, werd er op zekeren nacht heftig op
+de poort van het paleis geklopt, zoodat het geheele gebouw schudde;
+een geweldig gebulder, gegil en geblaas werd vernomen; het scheen,
+alsof het paleis gebeukt werd door een hevigen orkaan. Al de hovelingen
+werden aangegrepen door een onuitsprekelijke vrees en eensklaps werd
+een stem van buiten gehoord: "O, prinsen, opent de deur!" Daarop riep
+de oudste broeder uit: "Doe niet open!" De tweede broer voegde er aan
+toe: "Doe voor niets ter wereld open!" Maar de jongste broeder zei:
+"Ik moet de deur openen!" En hij sprong naar de deur en wierp die
+open. Toen hij het gedaan had, kwam er iets binnen, maar de broeders
+konden slechts een helder licht zien, waaruit deze dringende woorden
+hen toeklonken: "Ik ben gekomen om uw oudste zuster ten huwelijk
+te vragen en haar terstond mee te nemen; want ik heb geen tijd te
+verliezen; evenmin zal ik een tweeden keer kunnen komen om haar te
+vragen! Antwoordt snel. Wilt gij haar geven of niet? Dat is het,
+wat ik wil weten."
+
+De oudste broeder antwoordde: "Ik wil haar niet geven. Ik kan u niet
+zien, ik weet niet wie gij zijt, en evenmin vanwaar gij komt. Vanavond
+is het voor het eerst, dat ik uw stem heb gehoord en gij dringt er
+op aan mijn zuster dadelijk mede te nemen. Ik zou niet eens weten,
+waar ik mijn zuster nu en dan zou kunnen bezoeken!"
+
+De tweede broer zei eveneens: "Ik geef mijn toestemming niet, dat
+gij mijn zuster vannacht met u meevoert!"
+
+Maar de jongste broeder verzette zich en zei: "Indien gij haar niet
+wilt geven, dan doe ik het. Hebt gij de woorden van onzen vader niet
+onthouden?" Daarna nam hij zijn zuster bij haar hand [85] en gaf
+haar aan den onzichtbaren gast, die aanzoek gedaan had, zeggende:
+"Dat zij een getrouwe en gehoorzame echtgenoote zij!"
+
+Op het oogenblik, waarop de prinses den drempel overging, viel ieder
+in het paleis van ontsteltenis op den grond, zoo ontzettend waren
+de bliksemschichten en zoo luid de donderslagen. Het geheele gebouw
+schudde, alsof het zou instorten. Maar de storm ging voorbij en de
+dag brak aan. Dien morgen werd er vlijtig gezocht, of er eenig spoor
+gevonden kon worden van den vreemden bezoeker of van den weg, dien
+hij was gegaan; maar helaas, alle pogingen waren vruchteloos.
+
+Den volgenden nacht omstreeks denzelfden tijd werd een gelijk geraas
+rondom het paleis vernomen en een stem aan de deur riep uit: "O,
+prinsen, doet de deur open!"
+
+Door vrees aangegrepen dorsten zij niet ongehoorzaam te zijn. Toen
+sprak de meedoogenlooze stem weer: "Geef mij uw tweede zuster, ik
+ben gekomen, om haar ten huwelijk te vragen!"
+
+De oudste broer verzette zich: "Ik wil mijn toestemming niet geven!" De
+tweede broer zei eveneens: "Ik wil mijn zuster niet weggeven!" Maar
+de jongste was bereid. "Ik zal haar geven!" zei hij. "Zijt gij reeds
+vergeten, wat onze vader bevolen heeft in het uur van zijn dood?"
+
+Daarop nam de jongste prins zijn zuster bij de hand en gaf haar
+aan den onzichtbaren bezoeker, zeggende: "Neem haar, dat zij trouw
+en gehoorzaam zij!" Zoo vertrok de bezoeker met de prinses en den
+volgenden dag was er geen spoor meer van haar te vinden.
+
+Den derden nacht op hetzelfde uur trilde de aarde en het paleis schudde
+op zijn grondvesten, zoo geweldig was de beroering in het rond. Weer
+werd een geheimzinnige stem van buiten gehoord. De prinsen openden
+de deur en weer trad een onzichtbare gast binnen en zei: "Ik kom uw
+jongste zuster ten huwelijk vragen!" De twee oudste broers riepen
+gelijktijdig uit: "Wij willen onze zuster niet in den nacht geven;
+wij moeten weten, aan wien wij haar geven, zoodat wij haar kunnen
+bezoeken, als wij het wenschen!" Maar weer riep de jongste broer uit:
+"Ik zal haar geven, als gij het niet wilt! Zijt gij dan vergeten, wat
+onze vader ons heeft gezegd? Zoolang is het nog niet geleden!" Met deze
+woorden nam hij het meisje bij de hand en gaf haar aan den onzichtbaren
+gast, zeggende: "Neem haar mee! En dat zij u vreugde en geluk geve!"
+
+
+
+De prinsen begeven zich op weg.
+
+
+Den volgenden morgen bespraken de broers het lot van hun zusters en
+smart vervulde hun hart. "Groote God!" zeiden zij, "welk een geweldig
+wonder! Wij weten niet, welk lot onze zusters te beurt is gevallen;
+noch weten wij, waarheen zij zijn gegaan, noch met wien zij zijn
+getrouwd!" Eindelijk besloten zij hun geliefde zusters te gaan zoeken
+en na de noodige toebereidselen voor de reis te hebben getroffen,
+begaven zij zich op weg voor het onderzoek.
+
+Zij reisden enkele dagen en verdwaalden toen in een dicht woud, waar
+zij een geheelen dag ronddoolden. Toen de duisternis viel, kwamen
+zij overeen den nacht door te brengen op een plaats, waar zij water
+konden vinden. Toen zij dus aan een meer kwamen, besloten zij daar
+te overnachten en zij gingen zitten om wat te eten. Toen zij op het
+punt stonden zich te slapen te leggen, stelde de oudste broer voor,
+dat de anderen zouden slapen, en hij de wacht zou houden. De twee
+jongere broers gingen dus slapen, terwijl hij de wacht hield.
+
+Te middernacht kwam het water in hevige beroering en hij, die de
+wacht hield, was vervuld van schrik, toen hij uit het midden van
+het water iets naar zich toe zag bewegen. Toen het nader kwam, zag
+hij, dat het een monsterachtige krokodil was met twee reusachtige
+ooren. Het monster viel den prins met al zijn kracht aan, maar de
+dappere prins ving het op de punt van zijn zwaard op en kliefde snel
+zijn kop doormidden. Daarna hieuw hij het de ooren af en borg die in
+zijn tasch; maar het lijk wierp hij terug in het meer. Spoedig daarop
+brak de morgen aan, maar de twee jongere broeders sliepen rustig door,
+onbewust van den heldenmoed van hun broer.
+
+Op gepasten tijd wekte de prins de jongemannen en zonder te zeggen,
+wat er gebeurd was, raadde hij aan de reis te vervolgen. Zij reisden
+den geheelen dag en weer verdwaalden zij in een dicht bosch; zij
+besloten den nacht bij een klein meer door te brengen en legden
+snel een vuur aan. Nadat zij hadden gegeten, zeide de tweede broer:
+"Vannacht zult gij beiden slapen en ik zal waken." En zoo sliepen de
+oudste en de jongste broer, terwijl de tweede de wacht hield.
+
+Eensklaps begon het water in het meer te bewegen en zie! Een krokodil
+met twee koppen verscheen en snelde verwoed op de drie broeders
+toe. Maar de tweede broeder was geen lafaard; hij gaf het monster
+een ontzettenden slag met zijn glinsterend zwaard, en de krokodil
+viel dood neer. Toen hieuw de prins het de vier ooren af, deed ze
+in zijn tasch en wierp het afzichtelijke lijk in het meer. De twee
+slapende broeders wisten van dit alles niets en sliepen, totdat de
+zon opging. De dappere prins riep uit: "Staat op, broeders, het is
+hoog tijd!" Zij stonden onmiddellijk op en maakten zich gereed verder
+te gaan, zonder te weten waarheen.
+
+Een groote vrees vervulde hun hart, toen zij bemerkten, dat zij zich in
+een vreeselijke woestijn bevonden; hier dwaalden zij drie lange dagen
+rond, en toen hun voedsel op was, dachten zij niet anders, dan dat zij
+van honger zouden omkomen in dit vreemde land, dat van een onmetelijke
+uitgestrektheid scheen te zijn. Toen richtten zij hun vurige gebeden
+tot den Almachtige en baden Hem, dat het Hem mocht behagen hun uitkomst
+te geven en zie! Eindelijk zagen zij een uitgestrekt watervlak. Groot
+was nu hun vreugde; zij overlegden samen en kwamen overeen, dat zij
+den nacht zouden doorbrengen aan den oever van dat meer.
+
+Nadat zij hun dorst hadden gelescht, legden zij een helder vuur aan
+en toen het uur voor slapen aanbrak, stelde de jongste broer voor:
+"Heden nacht is het mijn beurt, gij beiden gaat slapen en ik zal
+waken!" Zoo gingen de beide oudste broers slapen en de jongste bleef
+wakker; scherp keek hij rond en dikwijls wierp hij een blik over het
+meer. Tegen middernacht bemerkte hij beweging in het water, en terwijl
+hij verbaasd toekeek, werd het meer zoo onstuimig, dat een golf over
+den oever sloeg en het vuur bijna uitdoofde. Het volgend oogenblik
+verscheen een afschuwelijke krokodil met drie koppen. Deze snelde
+verwoed op de broeders toe, blijkbaar van plan hen te verslinden. Maar
+de jongste prins was niet minder dapper dan zijn twee broers; hij trok
+zijn zwaard uit de scheede en toen het monster met wijd opengesperde
+kaken op hem toe kwam, gaf hij het achtereenvolgens drie ontzettende
+slagen, waarmee hij de drie koppen afhieuw. Daarna sneed hij de zes
+ooren af, deed die in zijn tasch en wierp het lijk en de koppen in
+het meer.
+
+
+
+De negen reuzen.
+
+
+Ondertusschen was het vuur uitgedoofd en daar er niets was om opnieuw
+vuur, te maken en de prins zijn broers niet wilde wekken, ging hij een
+eindje de woestijn in, in de hoop eenige brandstof te zullen vinden,
+maar helaas hij zocht vergeefs. Hij klom op een rots en zag eindelijk
+den gloed van een vuur. Daar het scheen, dat het vuur niet heel ver weg
+was, besloot hij er heen te gaan, om brandende stukken hout te halen,
+waarmee hij zijn eigen vuur weer zou kunnen aansteken. Hij daalde dus
+van de rots af en spoedde zich een poos door de woestijn. Eindelijk
+kwam hij aan een hol, waar hij negen reuzen rondom een groot vuur
+zag zitten. Zij roosterden twee mannen aan het spit, een aan elken
+kant. Op het vuur stond een ketel vol met ledematen van menschen.
+
+Toen de prins dit zag, werd hij aangegrepen door afschuw, en graag
+zou hij weer weggesneld zijn, maar het was te laat. Hij begroette
+de reuzen dus met deze woorden: "Goeden avond, makkers, ik heb u al
+geruimen tijd gezocht!" Zij heetten hem vriendschappelijk welkom en
+beantwoordden zijn groet aldus: "Dat God u helpe, daar gij een onzer
+zijt!" De slimme prins zei: "Wel, ik zal altijd een trouw vriend van
+u blijven en zou mijn leven voor u willen geven!"
+
+"Wel", riep een der reuzen, "daar gij van plan zijt u bij ons te
+voegen, zijt gij ongetwijfeld bereid menschenvleesch te eten en met
+ons mee te gaan, als wij uit gaan om buit te zoeken?"
+
+Daarop antwoordde de zoon van den tsaar: "Zeer zeker! Ik ben bereid
+alles te doen, wat gij doet." Toen de reuzen dit hoorden, zeiden zij:
+"Dan is het goed! Kom bij ons zitten!" Toen nam het geheele gezelschap
+plaats rondom het vuur en zij begonnen het vleesch uit den ketel te
+halen en te eten. De zoon van den tsaar deed alsof hij at, maar hij
+misleidde hen handig, want inplaats van het op te eten, wierp hij
+het vleesch achter zich.
+
+Na het avondeten riepen de reuzen: "Laat ons nu op de jacht gaan,
+want wij moeten morgen ook wat te eten hebben!" Zij begaven zich dus
+alle negen op weg; de prins was de tiende van het gezelschap. "Ga
+met ons mee", zeiden de reuzen tegen den prins, "wij zullen naar een
+naburige stad gaan, waar een tsaar woont: want uit die stad hebben
+wij reeds verscheidene jaren ons voedsel gehaald!" Toen zij aan de
+plaats kwamen, rooiden de reuzen twee pijnboomen. Bij den muur van
+de stad gekomen, plaatsten zij een boom er tegenaan en bevalen den
+prins: "Ga boven op den muur staan, dan zullen wij u den tweeden boom
+aanreiken, dien gij aan den anderen kant tegen den muur moet zetten,
+zoodat wij langs den stam in de stad kunnen neerdalen."
+
+De prins gehoorzaamde, en, toen hij boven op den muur was, zei hij:
+"Ik weet niet, hoe ik het moet doen, ik ben niet bekend in deze plaats
+en zie geen kans den boom over den muur te werpen; laat alsjeblieft een
+van allen naar boven komen en mij wijzen, hoe ik het moet doen!" Daarop
+klom een der reuzen naar boven, greep den top van den boom en wierp
+den stam over den muur, terwijl hij den hoogsten tak in zijn handen
+hield. De prins benutte dit oogenblik om zijn zwaard te trekken, en
+zonder dat zij, die beneden stonden, het merkten, sloeg hij met een
+slag het hoofd van den reus af en wierp zijn lijk over den muur. Toen
+zei hij tegen de anderen: "Komt nu een voor een naar boven, opdat ik
+u in de stad kan neerlaten, zooals ik het onzen eersten makker heb
+gedaan." De reuzen, die niets kwaads vermoedden, klommen den een na
+den ander naar boven en de prins hieuw hen een voor een het hoofd af,
+totdat hij ze alle negen had gedood. Daarna daalde hij langzaam neer
+langs den pijnboom en bereikte den grond binnen den stadsmuur.
+
+Toen hij door de straten liep, was hij verbaasd geen levende ziel
+daar aan te treffen; de geheele stad scheen verlaten! Daarom zei hij
+tot zich zelf: "Deze leelijke reuzen moeten al de inwoners van deze
+stad hebben vernietigd!"
+
+
+
+De slapende prinses.
+
+
+Hij bleef doorloopen en zag eindelijk een zeer hoogen toren; door
+een van de luchtgaten scheen licht. Hij opende de deur en liep recht
+door naar de kamer, vanwaar hij meende, dat het licht kwam. Ze was
+allerprachtigst versierd met goud en fluweel en op een luisterrijke
+rustbank lag een meisje te slapen. Het meisje was buitengewoon mooi en
+nadat de prins zich eenige oogenblikken in haar aanblik verlustigd had,
+ontstelde hij hevig op het zien van een slang tegen den muur; ze bewoog
+haar afschuwelijken kop, klaarblijkelijk met de bedoeling het meisje op
+haar voorhoofd tusschen de oogen te raken. Maar de prins snelde vlug
+naar voren met zijn getrokken ponjaard en doorboorde den kop van de
+slang, zoodat die tegen den muur werd genageld, waarbij hij uitriep:
+"Dat God geve, dat mijn ponjaard door niemand uit den muur getrokken
+kan worden dan door mij!" Daarna snelde hij heen, klom den muur van den
+stad weer over, juist zooals hij was gekomen. Hij nam een brandend stuk
+hout uit het vuur en spoedde zich naar de plaats, waar hij zijn broers
+had achtergelaten en waar hij hen nog slapende vond. Hij legde opnieuw
+een vuur aan. Intusschen was de zon opgekomen; hij wekte zijn broers
+en onmiddellijk zetten zij hun reis voort. Dienzelfden dag kwamen zij
+aan den weg, die naar de stad voerde, waarvan wij gehoord hebben. Het
+was de gewoonte van den tsaar, die in de stad woonde, elken morgen
+naar buiten te wandelen, waarbij hij telkens de groote slachting
+weer door de reuzen onder zijn volk aangericht, bejammerde. Zijn
+grootste angst was, dat zijn eenige dochter hun eens ten prooi zou
+vallen. Op dezen dag wandelde hij ongewoon vroeg door de straten,
+die alle geheel verlaten waren. Na een poosje kwam hij aan een deel
+van den stadsmuur, waartegen de pijnboom van de reuzen leunde. Hij
+ging er heen en ontwaarde, dat de lijken van de negen reuzen, de
+ontzettende vijanden van zijn volk, alle met afgehouwen hoofd op
+den grond lagen. Toen de tsaar dit wonder zag, was hij buitengewoon
+gelukkig en het volk verzamelde zich weldra om hem heen en bad God
+een gelukkig en lang leven te geven aan den held, die de reuzen had
+gedood. Op datzelfde oogenblik kwamen de bedienden van het kasteel
+aansnellen en deelden den tsaar mede, dat een slang bijna den dood
+van zijn dochter had veroorzaakt. Toen hij dit vernam, spoedde hij
+zich naar zijn dochter en toen hij haar kamer binnen kwam, was hij
+verbaasd een afschuwelijke groote slang tegen den muur genageld te
+zien. Hij beproefde dadelijk den ponjaard er uit te trekken, maar
+hij was er niet toe instaat.
+
+Daarop vaardigde de tsaar een proclamatie uit door het geheele rijk,
+waarin hij mededeelde, dat de held, die de negen reuzen gedood en de
+slang doorstoken had, indien hij naar het vorstelijk paleis kwam,
+kostbare geschenken en de dochter van den tsaar ten huwelijk zou
+ontvangen. De inhoud van de proclamatie was snel door het geheele
+rijk bekend en op bevel van den tsaar werd in elke herberg langs de
+hoofdwegen een beambte op wacht geplaatst, die aan elken reiziger moest
+vragen, of hij ook iets wist van den held, die de negen reuzen had
+gedood. Indien iemand inlichtingen kon geven, moest hij onmiddellijk
+voor den tsaar verschijnen en vertellen, wat hij wist, en dan zou hij
+beloond worden. De bevelen van den tsaar werden letterlijk uitgevoerd.
+
+De drie prinsen, die hun zusters zochten, brachten eens den nacht
+door in een van de herbergen van dat land en na het avondeten
+begonnen zij een levendig gesprek met den herbergier, in den loop
+waarvan de snoevende waard pochte op zijn heldendaden en eindelijk
+aan de prinsen vroeg: "Vertel mij nu eens, welke heldenfeiten gij,
+jongemannen verricht hebt!"
+
+Daarop begon de oudste broer aldus: "Toen mijn broeders en ik ons op
+weg begaven om onze zusters te zoeken, besloten wij den eersten nacht
+door te brengen aan de oevers van een meer midden in een uitgestrekt
+bosch. Op mijn voorstel gingen mijn broers slapen, terwijl ik de wacht
+hield. Zoodra zij ingeslapen waren, rees een ontzettende krokodil uit
+het meer op om mijn broeders te verslinden, maar ik ontving hem met
+de punt van mijn zwaard en hieuw zijn kop van zijn lichaam: indien
+gij het niet gelooft, hier zijn de ooren van het monster!" Bij deze
+woorden haalde de oudste broer de ooren van den krokodil uit zijn
+tasch en legde ze op de tafel.
+
+Toen de tweede broer dit hoorde, zei hij: "En ik hield den tweeden
+nacht de wacht, mijn broeders, terwijl gij sliept; en uit het meer
+verrees een krokodil met twee koppen. Ik snelde er met mijn zwaard
+heen en hieuw de twee koppen af! Indien gij mij niet gelooft,
+ziet! Hier zijn de vier ooren van het monster!" Bij deze woorden
+haalde hij de ooren uit zijn tasch en lei ze voor hen op de tafel,
+tot groote verbazing van zijn toehoorders.
+
+
+
+De held gevonden.
+
+
+Maar de jongste broeder zweeg. De waard zei tegen hem: "Op mijn woord,
+jongeman, uw broeders zijn waarlijk helden. Laat eens hooren, of gij
+ook het een of ander heldenfeit hebt verricht?"
+
+Toen begon de jongste broer te vertellen: "Ik heb ook een kleinigheid
+gedaan. Toen wij den derden nacht aan de oevers van een meer kwamen
+in een woestijn, om daar den nacht door te brengen, gingt gij, mijn
+broeders, rusten, en ik bleef wakker om de wacht te houden. Tegen
+middernacht werd het meer zeer onstuimig, en een krokodil met drie
+koppen stormde er uit met de bedoeling u te verslinden; maar ik ontving
+hem op de punt van mijn zwaard en het gelukte mij het monster de koppen
+af te slaan. Indien gij mij niet gelooft, ziet: hier zijn de zes ooren
+van het monster!" Dit verbaasde zelfs zijn broeders en de jongeman
+vervolgde: "Intusschen was ons vuur uitgedoofd en ging ik brandstof
+zoeken. Door de woestijn dwalende ontmoette ik negen reuzen......" en
+zoo ging hij voort hen zijn verwonderlijke daden te vertellen. Toen
+het verhaal geëindigd was, haastte de herbergier zich naar den tsaar,
+aan wien hij alles vertelde. Deze gaf hem geld en beval de broeders
+voor te brengen. Toen zij verschenen, vroeg de tsaar aan den jongsten
+prins: "Zijt gij het waarlijk, die al deze wonderen in mijn stad hebt
+gedaan en het leven van mijn eenige dochter hebt gered?"
+
+"Ja, o, koning!" antwoordde de prins. Daarop gaf de tsaar, vervuld
+van groote vreugde en dankbaarheid zijn dochter ten huwelijk aan den
+dapperen prins en benoemde hem tot zijn eersten minister. Wat zijn
+broeders betrof, de tsaar sprak hen aldus aan: "Indien gij bij uw
+broer verlangt te blijven, dan zal ik echtgenooten voor u zoeken,
+en kasteelen voor u laten bouwen!"
+
+Maar de twee broers dankten den koning en vertelden, dat zij reeds
+getrouwd waren en dat zij het zoeken naar hun verloren zusters wilden
+voortzetten.
+
+De tsaar keurde dit besluit goed en nadat hij hun twee muilezels
+beladen met goud had gegeven, namen de twee broers afscheid en
+vertrokken zij. Spoedig begon de jongste broer aan zijn drie zusters te
+denken. Het zou hem leed hebben gedaan zijn vrouw te moeten verlaten
+om haar te gaan zoeken, en bovendien wilde de tsaar niet toestaan,
+dat hij het hof verliet. Maar de prins kwijnde langzaam weg door het
+verdriet over zijn zusters.
+
+Op zekeren dag ging de tsaar op de jacht en zei tegen den prins:
+"Blijf in het paleis en neem deze negen sleutels en houd ze in uw
+zak. Gij kunt drie of vier kamers met deze sleutels openen; daar zult
+gij onmetelijke schatten aan goud, zilver en edelgesteenten vinden. Ja,
+indien ge het verlangt, kunt gij zelfs de acht kamers openen, maar
+waag het niet de negende open te sluiten. Indien gij dat deedt,
+dan zou het u slecht vergaan!"
+
+
+
+Bash Tchelik.
+
+
+Zoodra de tsaar het paleis had verlaten, begon de jonge prins de deuren
+van al de acht kamers te openen, de een na de ander, en waarlijk,
+hij vond veel goud, zilver en andere kostbare dingen. Eindelijk kwam
+hij aan de negende kamer en redeneerde bij zich zelf: "Ik heb veel
+buitengewone avonturen overleefd, nooit werd ik door iets verrast;
+waarom zou ik bang zijn mij in deze kamer te wagen?"
+
+Na deze woorden opende hij de deur, en wat denkt gij, dat hij daar
+zag? In het midden van de kamer stond een vreemde man, wiens beenen
+tot aan zijn knieën in het ijzer zaten en zijn armen tot aan zijn
+ellebogen; in de vier hoeken der kamer waren kettingen bevestigd
+aan dikke balken en al de kettingen kwamen samen in een ring, die
+om den hals van den man zat, zoodat hij niet de minste beweging kon
+maken. Voor hem was een fontein, waaruit het water door een gouden pijp
+naar een gouden bassin stroomde. Naast hem stond een gouden kroes,
+ingelegd met kostbare steenen. Hoe sterk de man ook verlangde om van
+het water te drinken, hij kon zich niet ver genoeg bewegen om den kroes
+te bereiken. Toen de prins dit alles zag, was hij werkelijk verbaasd
+en ging terug; maar de man kreunde: "In 's hemelsnaam, kom bij mij!"
+
+De prins naderde en de man zei: "Doe een goede daad! Geef mij nu een
+beker water en wees er van verzekerd, dat ik u beloonen zal met nog
+een leven!"
+
+De prins dacht bij zich zelf: "Is er iets beters, dan twee levens
+te bezitten?" Hij nam dus den kroes, vulde dien met water, en
+overhandigde hem aan den man, die gretig dronk. Toen vroeg de prins
+hem: "Zeg mij nu, hoe gij heet?" De man antwoordde: "Mijn naam is
+Bash Tchelik (Echt Staal)." De prins maakte een beweging naar de
+deur, maar weer smeekte de man hem: "Geef mij nog een kroes water
+en ik zal er u een tweede leven bij geven!" De prins dacht: "Nu, als
+hij mij een tweede leven geeft, dan zal ik er met het mijne mee drie
+hebben! Dat zal wonderbaarlijk zijn!" Daarom vulde hij opnieuw den
+kroes en overhandigde dien aan den vreemden gevangene, die hem gulzig
+ledigde. De prins wendde zich naar de deur, maar de man riep uit:
+"O, held, ga niet heen! Kom een oogenblik terug! Nu gij twee goede
+daden hebt gedaan, doe nu ook een derde en als belooning zal ik u
+een derde leven geven. Neem dezen kroes, vul dien met water en giet
+het over mijn hoofd!"
+
+De prins zag geen enkele reden om dit te weigeren; hij vulde den kom
+met water, en goot het over het hoofd van den man. Nauwelijks had hij
+dit gedaan, of Bash Tchelik verbrak den ijzeren band om zijn hals,
+sprong snel als een bliksemschicht op en zie! hij had vleugels. Hij
+stormde naar de deur, voordat de verbaasde prins een beweging kon
+maken en nadat hij de dochter van den tsaar gegrepen had, de vrouw
+van zijn bevrijder, vloog hij de lucht in en verdween.
+
+Toen de tsaar van de jacht terug kwam, vertelde zijn schoonzoon hem
+alles, wat er gebeurd was en de tsaar was werkelijk zeer bedroefd
+en riep uit: "Waarom hebt gij dit gedaan? Heb ik u niet gezegd
+de negende kamer niet te openen?" De prins antwoordde nederig:
+"Wees niet boos, ik zal Bash Tchelik gaan opzoeken, want ik wil mijn
+vrouw gaan halen." Maar de tsaar ontraadde het hem, en zei: "Ga niet,
+voor niets ter wereld! Gij kent dezen man niet; het heeft mij menig
+leger gekost, voordat het mij gelukte hem gevangen te nemen. Blijf
+in vrede, waar gij zijt, en ik zal een nog betere vrouw voor u zoeken
+dan mijn dochter was, en wees er van verzekerd, dat ik u zal blijven
+liefhebben als mijn eigen zoon!" Maar de prins wilde niet luisteren
+naar den raad van zijn schoonvader; hij nam geld voor de reis mee,
+zadelde een paard en ging Bash Tchelik opzoeken.
+
+
+
+De prins vindt zijn zuster.
+
+
+Na eenigen tijd kwam de jonge man aan een stad. Voor het raam van
+een kasteel riep een meisje: "O prins, stijg van uw paard en kom naar
+onze binnenplaats!" De prins deed, wat hem verzocht werd; het meisje
+ontmoette hem op het plein en hij was ten hoogste verbaasd in haar zijn
+oudste zuster te herkennen. Zij omhelsden en kusten elkaar en zijn
+zuster zei: "Kom binnen, mijn broer." Toen zij binnen waren, vroeg
+de prins aan zijn zuster, wie haar echtgenoot was en zij antwoordde:
+"Ik ben getrouwd met den koning der draken en hij heeft er een eed op
+gedaan, dat hij mijn broers zal dooden, zoodra hij hen ontmoet. Daarom
+zal ik je verbergen en hem eerst vragen, wat hij zou doen, indien je
+voor hem verscheen. Mocht hij zeggen, dat hij je geen kwaad zal doen,
+dan alleen zal ik hem van je tegenwoordigheid verwittigen." Toen
+verborg zij haar broer en zijn paard. Tegen den avond vloog de draak
+naar huis en het heele huis straalde van licht. Zoodra hij binnen was,
+riep hij zijn vrouw. "Lieve, ik ruik menschenvleesch. Zeg mij dadelijk,
+wie hier is!" Zij antwoordde: "Er is niemand!" Maar de draak zei:
+"Dat is onmogelijk!" Toen vroeg zijn vrouw hem: "Antwoord mij naar
+waarheid: zoudt gij mijn broeders kwaad doen, indien een van hen hier
+zou komen, om mij te bezoeken?" En de koning der draken antwoordde:
+"Uw oudsten en uw tweeden broer zou ik slachten en braden, maar uw
+jongsten broer zou ik geen kwaad doen."
+
+Toen zei zij: "Mijn jongste broer, uw schoonbroer, is hier." Daarop
+sprak de koning: "Laat hem binnen komen." En toen de prins verscheen,
+strekte de koning zijn armen uit, omhelsde zijn schoonbroer en sprak:
+"Welkom, o broeder!" En de prins antwoordde: "Ik hoop, dat gij wel
+vaart!" Daarna vertelden zij elkaar al hun avonturen van het begin
+tot het einde en zetten zich aan het avondeten.
+
+Eindelijk vertelde de prins zijn schoonbroer, dat hij Bash Tchelik
+zocht. De draak gaf hem dezen raad: "Ga niet verder! Ik zal u een
+en ander van hem vertellen; den dag, waarop hij uit zijn gevangenis
+ontsnapte, had ik met vijf duizend van mijn draken een ontmoeting
+met hem en na een hevig gevecht ontsnapte hij zegevierend. Gij
+ziet dus, dat er al heel weinig hoop voor u alleen is om hem te
+overmeesteren. Daarom raad ik u als vriend uw plan te laten varen en
+in vrede naar huis te keeren; indien gij geld noodig hebt, zal ik u
+geven, wat gij verlangt."
+
+Maar de prins antwoordde: "Ik dank u zeer voor al uw goede wenken
+en raadgevingen, maar ik kan niet anders doen dan Bash Tchelik gaan
+zoeken!" En hij dacht, "waarom zou ik het niet doen, daar ik drie
+levens te verliezen heb?"
+
+Toen de koning der draken zag, dat hij hem niet kon overreden, gaf hij
+hem een veer, die hij droeg en sprak: "Neem deze veer en als gij ooit
+mijn hulp noodig hebt, hebt gij haar slechts te verbranden en ik zal
+dadelijk met mijn geheele strijdmacht tot u komen." De prins nam de
+veer dankbaar aan, en begaf zich weer op weg om Bash Tchelik te zoeken.
+
+
+
+De tweede zuster.
+
+
+Na een tijd gereisd te hebben kwam hij weer aan een stad; hij reed
+onder den toren van een prachtig kasteel, toen een raam werd geopend
+en hij een stem hoorde roepen:
+
+"Stijg van uw paard, o prins, en kom naar onze binnenplaats." De prins
+gaf onmiddellijk gehoor aan de uitnoodiging en toen hij het paleis
+binnenging, was hij ten hoogste verbaasd zijn tweede zuster te zien,
+die zich in zijn armen wierp en tranen stortte van vreugde. Daarna
+bracht zij haar broer in haar particulier vertrek en hij vroeg haar:
+"Met wien zijt gij getrouwd, lieve zuster?"
+
+En zij antwoordde: "Mijn echtgenoot is de koning der arenden." Toen
+de koning terugkeerde, verwelkomde zijn liefhebbende vrouw hem,
+maar hij riep dadelijk uit: "Wie is de vermetele man, die nu
+in mijn kasteel is? Zeg het mij onmiddellijk!" Zij loog en zei:
+"Niemand!" Toen begonnen zij aan het avondeten en de prinses vroeg
+aan haar echtgenoot: "Zeg mij naar waarheid: zoudt gij mijn broers
+kwaad doen, indien een van hen hier zou durven komen, om mij te
+bezoeken?" En de koning der arenden antwoordde: "Wat uw oudsten en
+uw tweeden broer betreft, ik verzeker u, dat ik hen zou dooden;
+maar uw derden broer zou ik welkom heeten en helpen zooveel ik
+kon." Toen vatte zij moed en vertelde hem: "Mijn jongste broer, uw
+schoonbroeder, is hier om mij te bezoeken!" Daarop beval de koning
+aan zijn bedienden den prins bij hem te brengen en toen de bedienden
+gehoorzaamden en de prins verscheen, stond hij op en omhelsde en kuste
+zijn schoonbroeder en zei: "Welkom, mijn lieve schoonbroeder!" En de
+prins, getroffen door zijn vriendelijkheid, sprak zeer hoffelijk:
+"Dank u, mijn broeder! Ik hoop, dat het u goed gaat!" De koning
+verzocht hem dadelijk plaats te nemen aan tafel en na het avondeten
+vertelde de prins zijn wonderlijke avonturen en eindigde met te
+vertellen, dat hij Bash Tchelik zocht. Toen hij dit hoorde, raadde
+de koning der arenden hem zoo ernstig mogelijk zijn gewaagd plan af
+en voegde er aan toe: "Laat dien duivel met rust! Ik zou u aanraden
+hier te blijven; gij zult alles, wat gij verlangt, in mijn kasteel
+vinden." Maar de vermetele prins wilde geen oogenblik naar dezen raad
+luisteren en den volgenden morgen maakte hij zich gereed om zijn reis
+te vervolgen en Bash Tchelik te zoeken. Toen plukte de koning, ziende
+dat het besluit van zijn schoonbroeder onwankelbaar was, een mooie
+veer uit zijn gewaad, overhandigde die aan zijn schoonbroer en zei:
+"Neem deze veer, o broeder, en indien gij ooit hulp noodig hebt,
+hebt gij haar slechts te verbranden en ik zal u dadelijk te hulp
+komen met mijn geheele leger."
+
+De prins aanvaardde zeer dankbaar de veer, nam afscheid en vertrok
+om zijn vijand te zoeken.
+
+
+
+De derde zuster.
+
+
+Na eenigen tijd kwam hij in een derde stad, waar hij op dezelfde wijze
+zijn derde zuster vond. Zij was getrouwd met den koning der valken,
+die hem ook vriendschappelijk welkom heette, en hem een veer gaf voor
+het geval, dat hij in nood mocht verkeeren.
+
+
+
+
+De prins vindt zijn vrouw.
+
+
+Na van de eene plaats naar de andere te zijn getrokken, vond hij
+eindelijk zijn vrouw in een hol. Toen zijn vrouw hem zag, riep zij
+uit: "Hoe ter wereld komt gij hier, beste man?" Hij vertelde haar,
+welke avonturen hij had beleefd en zei: "Laat ons samen vluchten,
+vrouw!" Maar zij antwoordde: "Hoe zouden wij kunnen vluchten; Bash
+Tchelik zal ons zeker inhalen: hij zou u dooden en en mij terug halen
+en straffen." Toch overreedde de prins, die wist, dat hij drie levens
+had, zijn vrouw met hem te gaan.
+
+Nauwelijks hadden zij den ingang van het hol bereikt, of Bash Tchelik
+hoorde hen vertrekken en snelde hen achterna. Na korten tijd bereikte
+hij hen, nam de prinses terug en zei verwijtend tegen den prins: "O
+prins, gij hebt uw vrouw gestolen! Dezen keer vergeef ik u, omdat ik
+mij herinner u drie levens te hebben toegestaan. Dus kunt gij gaan,
+maar als gij nog eens om uw vrouw hier durft komen, dan zal ik u
+dooden!" Daarop verdween Bash Tchelik met de prinses en liet haar
+echtgenoot in diep gepeins achter. Wat hij nu zou doen? Eindelijk
+besloot hij zijn geluk nog eens te proeven en toen hij weer bij het
+hol kwam, koos hij een oogenblik, waarop Bash Tchelik afwezig was en
+nam zijn vrouw weer mee. Maar weer bemerkte Bash Tchelik spoedig, dat
+zij vluchtten, en weer haalde hij hen na korten tijd in. Nu richtte hij
+zijn boog op den prins en zei: "Wat verkiest gij: geschoten te worden
+door dezen pijl of onthoofd door mijn zwaard?" De prins verzocht nog
+eens vergiffenis en Bash Tchelik schonk ze hem, waarbij hij zei: "Dezen
+keer vergeef ik u ook, maar wees ervan verzekerd, als gij nog eens
+durft te komen om uw vrouw te halen, dat ik u dan zonder genade dood."
+
+Toch beproefde de prins zijn geluk nog eens en na weer gegrepen te
+zijn door Bash Tchelik, verzocht hij nog eens om vergiffenis. Omdat
+hij hem uit eigen vrijen wil drie levens had gegeven luisterde Bash
+Tchelik naar zijn smeekbede, maar zei: "Wees gewaarschuwd, stel
+het eene leven, dat God u heeft gegeven, niet in de waagschaal!" Nu
+de prins inzag, dat hij tegen zulk een macht niets kon uitrichten,
+aanvaardde hij de terugreis, waarbij hij er voortdurend over peinsde,
+hoe hij ooit zijn vrouw uit de macht van Bash Tchelik zou kunnen
+bevrijden. Eensklaps schoot hem wat te binnen: hij herinnerde zich,
+wat zijn schoonbroers gezegd hadden, toen zij hem een veer uit hun
+gewaad hadden gegeven. Daarop besloot hij nog eens te gaan en te
+beproeven zijn vrouw te redden. "Indien ik in ongelegenheid kom,"
+dacht hij, "zal ik de veeren verbranden en mijn schoonbroers zullen
+mij te hulp komen."
+
+Daarop keerde de prins naar het hol van Bash Tchelik terug. Zijn
+vrouw was ten hoogste verbaasd hem te zien en riep uit: "Gij zijt
+uw leven dus moe, dat gij ten vierde male komt om mij!" Maar de
+prins liet zijn vrouw de veeren zien en verklaarde haar het nut er
+van en hij kreeg van haar gedaan, dat zij nog eens wilde beproeven
+met hem te vluchten. Nauwelijks hadden zij echter het hol verlaten,
+of Bash Tchelik stormde hen achterna roepende: "Sta stil, prins, gij
+kunt mij niet ontkomen!" De prins, die zag, dat zij in het grootste
+gevaar verkeerden, verbrandde haastig alle drie de veeren en toen Bash
+Tchelik met getrokken zwaard naderde om hem te dooden, o, welk een
+machtig wonder! Op datzelfde oogenblik kwam tot zijn hulp aanvliegen
+de drakenkoning met zijn leger draken, de koning der arenden met
+zijn wreede arenden en de valkenkoning met al zijn valken. Allen
+vielen verwoed op Bash Tchelik aan, maar ondanks de stroomen
+bloed, die vergoten werden, scheen Bash Tchelik onoverwinnelijk en
+eindelijk greep hij de prinses en vluchtte. Na den slag vonden de drie
+schoonbroeders den prins dood; zij besloten dadelijk hem tot het leven
+terug te roepen. Zij vroegen aan drie draken, wie van hen in den kortst
+mogelijken tijd eenig water uit den Jordaan kon brengen. De eerste zei:
+"Ik zou het in een half uur kunnen brengen!" De tweede verklaarde:
+"Ik zal het in tien minuten brengen!" De derde verzekerde: "Ik breng
+het in negen seconden!" Daarop zond de koning den derden draak en
+werkelijk hij gebruikte zijn vurige macht ten volle en keerde in
+negen seconden terug. De koning nam het genezende water, goot het
+op de gapende wonden van zijn schoonbroer en terwijl dit geschiedde,
+genazen de wonden en de prins sprong levend overeind.
+
+De koningen gaven hem den volgenden raad: "Keer, nu gij van den
+dood zijt gered in vrede huiswaarts." Maar de prins verzekerde,
+dat hij nog eens wilde beproeven zijn geliefde vrouw te redden. De
+koningen beproefden er hem van terug te houden; zeggende: "Ga niet,
+want gij zult verloren zijn, als gij het doet! Gij weet heel goed,
+dat gij nu slechts het eene leven hebt, dat God u gegeven heeft." Maar
+de prins wilde niet luisteren. Daarop zeiden de koningen: "Als gij
+niet anders wilt, ga dan! Maar doe geen vergeefsche pogingen meer
+om met uw vrouw te vluchten! Laat uw vrouw aan Bash Tchelik vragen,
+waar zijn kracht schuilt. Kom ons dat vertellen, opdat wij u helpen
+kunnen hem te overwinnen."
+
+
+
+Het geheim van de kracht.
+
+
+Dezen keer sloop de prins stil naar het hol en zei, zooals de koningen
+hem hadden aangeraden, tot zijn vrouw, dat zij Bash Tchelik moest
+vragen, waarin zijn kracht school. Toen Bash Tchelik dien avond thuis
+kwam, vroeg de prinses: "Ik bid u, vertel mij, waarin schuilt toch het
+geheim van uw kracht?" Toen Bash Tchelik dit hoorde, lachte hij en zei:
+"Mijn kracht ligt in mijn sabel!" De prinses knielde voor het zwaard
+en begon te bidden. Daarop barstte Bash Tchelik in nog luider gelach
+uit en riep: "O, dwaze vrouw! Mijn kracht ligt niet in mijn zwaard,
+maar in mijn pijl en boog!" Toen knielde de prinses voor den boog en
+de pijlen, doch Bash Tchelik schaterde van het lachen en riep uit:
+"O, dwaze vrouw! Mijn kracht schuilt noch in mijn boog noch in mijn
+pijlen! Maar vertel mij, wie heeft u gezegd mij te vragen, waarin mijn
+kracht schuilt? Indien uw echtgenoot leefde, zou ik kunnen vermoeden,
+dat hij het was, die het weten wilde!" Maar de prinses verzekerde, dat
+niemand haar had aangezet het te vragen en hij geloofde, wat zij zei.
+
+Na eenigen tijd kwam de prins, en toen zijn vrouw hem zei, dat zij
+niets van Bash Tchelik te weten kon komen, zei hij: "Beproef het nog
+eens!" en ging heen.
+
+Toen Bash Tchelik thuis kwam, vroeg de prinses weer naar het geheim
+van zijn kracht. Toen antwoordde hij: "Daar gij zooveel belang stelt
+in mijn kracht, zal ik u de waarheid vertellen." En hij begon: "Ver
+van hier bevindt zich een hooge berg en in dien berg woont een vos;
+in de vos is een hart en in dat hart leeft een vogel; in dien vogel
+ligt al mijn kracht. Maar het is heel moeilijk den vos te vangen,
+want hij kan zich veranderen in alles, wat hij wil!"
+
+Toen Bash Tchelik den volgenden morgen het hol verliet, kwam de
+prins en vernam het geheim van zijn vrouw. Toen ging hij regelrecht
+naar zijn schoonbroers, die, nadat zij het verhaal hadden gehoord,
+dadelijk met hem meegingen om den berg te vinden. Dit gelukte hen
+spoedig; zij lieten arenden los om den vos na te jagen, waarop de
+vos snel naar het meer liep en zich daar in een zes-vleugelige eend
+veranderde. Toen de valken de eend nazetten, vloog hij de wolken
+in. Hierop vervolgden de draken hem; de eend veranderde weer in een
+vos; de andere arenden omringden hem, en eindelijk werd hij gevangen.
+
+Toen gaven de drie koningen bevel den vos open te snijden en zijn
+hart uit zijn lichaam te nemen. Toen dit gedaan was, werd er een
+groot vuur gemaakt en uit het hart van den vos namen zij een vogel,
+dien zij in het vuur wierpen en verbrandden.
+
+Zoo kwam Bash Tchelik om; en zoo herkreeg de prins eindelijk zijn
+geliefde en trouwe gade.
+
+
+
+De gouden appelboom en de negen pauwinnen.
+
+
+Er was eens een koning, die drie zoons had. In den tuin van het paleis
+groeide een gouden appelboom, die in een en denzelfden nacht bloeide
+en rijpe vruchten droeg. Maar gedurende den nacht kwam een dief en
+plukte de gouden appelen, en niemand wist hem te ontdekken. Op zekeren
+dag overlegde de koning met zijn zoons en zei: "Het was mij heel
+wat waard, als ik wist, wat er met de vruchten van onzen appelboom
+gebeurt!" Daarop antwoordde de oudste zoon: "Ik zal vannacht onder
+den appelboom de wacht houden en zien, wie de vruchten plukt."
+
+Toen de avond daalde, legde de prins zich onder den appelboom om de
+wacht te houden; maar terwijl de appels rijpten, viel hij in slaap en
+ontwaakte niet voor den volgenden morgen, toen de appels verdwenen
+waren. Hij vertelde zijn vader, wat er was gebeurd, waarop zijn
+broeder, de tweede zoon, aanbood dien nacht de wacht te houden. Maar
+hij had niet meer succes dan zijn oudste broer.
+
+Het was nu de beurt van zijn jongsten zoon om zijn geluk te beproeven
+en toen de nacht kwam, plaatste deze een bed onder den boom en legde
+zich neer om te slapen. Ongeveer middernacht werd hij wakker en keek op
+naar den boom. En zie! de appels rijpten juist en het geheele kasteel
+was verlicht door hun glans. Op dat oogenblik vlogen negen pauwinnen
+naar den boom en streken neer op de takken, waar acht harer gingen
+zitten om de vruchten te plukken. Maar de negende streek dadelijk op
+den grond neer, waar ze in een meisje veranderde. Zoo mooi was zij, dat
+men vergeefs naar haar gelijke zou zoeken door het geheele koninkrijk.
+
+De prins werd onmiddellijk doodelijk verliefd op zijn bezoekster en
+het mooie meisje was volstrekt niet onwillig om te blijven en met den
+jongeman te praten. Zoo verstreken een paar uren. Ten laatste zei
+het meisje, dat zij niet langer mocht blijven. Zij dankte de prins
+voor de appels, die haar zusters hadden geplukt; maar hij vroeg,
+of zij hem er althans een wilde geven om mee naar huis te nemen.
+
+Het meisje glimlachte lieftallig en overhandigde hem twee appels,
+een voor hem zelf, den anderen voor zijn vader, den koning. Toen
+veranderde zij weer in een pauwin, voegde zich bij haar zusters en
+allen vlogen heen.
+
+Den volgenden morgen bracht de prins de twee appels naar zijn
+vader. De koning, die zeer tevreden was, prees zijn zoon, en den
+volgenden nacht begaf de gelukkige prins zich evenals den vorigen
+keer naar den boom en 's morgens bracht hij weer twee appels bij
+zijn vader. Toen dit verscheidene nachten gebeurd was, werden zijn
+twee broers jaloersch, omdat zij niet instaat waren geweest te doen,
+wat hij had gedaan. Toen bood een slechte, oude vrouw den ontevreden
+prinsen aan hun het geheim te openbaren. Den volgenden avond sloop
+de oude vrouw zachtjes onder het bed van den jongen prins en verborg
+zich daar. Spoedig daarop verscheen de prins en viel dadelijk evenals
+de vorige keeren in slaap. Toen het middernacht was, zie! streken
+de pauwinnen als gewoonlijk neer; acht gingen er op de takken van
+den appelboom zitten, maar de negende daalde neer op het bed van den
+prins en veranderde dadelijk in een meisje. Toen de oude vrouw deze
+vreemde gedaanteverwisseling zag, kroop zij zachtjes nader en sneed
+een lok van het haar van het meisje af, waarop dit dadelijk opstond
+en weer in een pauwin veranderde en met haar zusters verdween. Toen
+sprong de jonge prins op, verwonderd over het plotseling vertrek van
+zijn geliefde, en keek overal rond. Hij zag de oude vrouw, sleurde
+haar onder het bed vandaan en beval zijn knechts haar vast te binden
+aan de staarten van vier paarden en haar zoo te dooden.
+
+Maar de pauwinnen kwamen nooit terug, tot groot verdriet van den prins,
+die luid weenend uiting gaf aan zijn smart.
+
+Weenen beweegt geen enkelen berg, en eindelijk besloot de prins de
+wijde wereld in te gaan, om zijn liefste te vinden en niet terug
+te keeren, voordat hij haar had gevonden. Als een goed zoon vroeg
+hij toestemming aan zijn vader, die al zijn best deed, hem van dit
+gewaagde plan af te brengen en hem een veel mooiere bruid beloofde
+uit zijn uitgestrekt koninkrijk--want hij was er zeker van, dat elk
+meisje blij zou zijn zulk een dapperen prins te trouwen.
+
+
+
+De prins gaat op onderzoek uit.
+
+
+Maar al zijn vaderlijke raad was vergeefsch, zoodat de koning den
+prins tenslotte toestond te doen, wat zijn hart verlangde en de
+bedroefde prins vertrok slechts van een bediende vergezeld, om zijn
+liefste te zoeken. Nadat hij een langen tijd had gereisd, kwam hij
+eindelijk aan den oever van een groot meer, waarbij een prachtig
+kasteel stond, waarin een heel oude vrouw woonde, een koningin met
+haar eenige dochter. De prins vroeg de bejaarde koningin smeekend:
+"Ik bid u, grootmoeder, vertel mij, wat u weet van de negen gouden
+pauwinnen?" De koningin antwoordde: "O, mijn zoon, ik ken deze
+pauwinnen heel goed, want zij komen elken dag om twaalf uur naar
+dit meer om te baden. Maar deedt gij niet beter deze pauwinnen te
+vergeten en zoudt gij niet liever naar dit mooie meisje zien. Zij is
+mijn eenige dochter en zal mijn rijkdommen en schatten erven en gij
+kunt dan alles met haar deelen." Maar de prins, die ongeduldig was
+om de pauwinnen te vinden, luisterde niet eens naar de koningin. Toen
+de oude dame zijn onverschilligheid zag, kocht zij zijn knecht om en
+gaf hem een blaasbalg, zeggende: "Ziet gij dit? Indien gij morgen naar
+het meer gaat, blaas dan stilletjes achter in den hals van uw meester,
+hij zal in slaap vallen en niet tegen de pauwinnen kunnen spreken."
+
+De ontrouwe knecht stemde er in toe om precies te doen, wat de koningin
+hem beval, en toen zij naar het meer gingen, maakte hij van de eerste
+gunstige gelegenheid gebruik om met den blaasbalg achter den hals van
+zijn armen heer te blazen, waarop de prins in een zoo diepen slaap
+viel, dat hij wel een doode geleek. Spoedig daarna vlogen de acht
+pauwinnen naar het meer, en de negende streek neer op het paard van
+den prins, omhelsde hem en sprak: "Ontwaak lieveling! Word wakker,
+geliefde! O, doe het!" Helaas, de arme prins bleef als dood. Toen
+verdwenen al de pauwinnen, nadat zij hadden gebaad.
+
+Kort na haar vertrek ontwaakte de prins en vroeg aan zijn knecht:
+"Wat is er gebeurd? Zijn zij hier geweest?" De knecht antwoordde,
+dat zij er werkelijk waren geweest; dat acht harer in het meer hadden
+gebaad, terwijl de negende hem geliefkoosd en gekust had en beproefd
+had hem uit den slaap te wekken. Toen hij dit hoorde, was de prins
+zoo boos, dat hij er bijna toe gekomen was om zich zelf te dooden.
+
+Den volgenden morgen gebeurde hetzelfde. Maar bij deze gelegenheid
+verzocht de pauwin aan den knecht den prins te zeggen, dat zij den
+volgenden dag voor het laatst zou terugkeeren. Toen de derde dag
+daagde, ging de prins weer naar het meer, en uit vrees weer in te
+slapen, galoppeerde hij langs den oever, in plaats van langzaam
+stapvoets te gaan. Maar zijn bedriegelijke knecht volgde hem dicht
+op de hielen en vond weer gelegenheid den blaasbalg te gebruiken,
+en weer viel de prins in slaap.
+
+Kort daarna verschenen de pauwinnen; acht gingen zich als gewoonlijk
+baden, en de negende streek neer op het paard van den prins, en
+beproefde hem te wekken. Zij omhelsde hem en sprak aldus: "Word wakker,
+lieveling. Liefste, sta op! O, mijn ziel!" Maar haar pogingen waren
+vruchteloos; de prins sliep, alsof hij dood was. Toen sprak zij tot
+den knecht: "Als uw heer wakker wordt, zeg hem dan, dat hij den kop
+van den spijker moet afslaan; dan alleen zal hij in staat zijn mij
+weer te vinden."
+
+Na dit gezegd te hebben, verdween de pauwin met haar zusters en
+nauwelijks waren zij verdwenen, of de prins ontwaakte en vroeg aan zijn
+knecht: "Zijn zij er geweest?" En de boosaardige man antwoordde: "Ja;
+zij, die neerstreek op uw paard, gaf mij bevel u te zeggen, dat gij,
+indien gij haar terug wenscht te vinden, eerst den kop van den spijker
+af moet slaan." Toen de prins dit hoorde, haalde hij zijn zwaard uit
+de scheede en sloeg zijn ontrouwen dienstknecht het hoofd af.
+
+
+
+De prins zet zijn tocht voort.
+
+
+Nu hervatte de prins zijn pelgrimstocht alleen en na lang reizen kwam
+hij aan een berg, waar hij een kluizenaar ontmoette, die hem gastvrij
+ontving. In den loop van het gesprek vroeg de prins aan zijn gastheer,
+of hij iets wist omtrent de negen pauwinnen. De kluizenaar antwoordde:
+"O, mijn zoon, gij zijt werkelijk gelukkig. God zelf heeft u den
+rechten weg gewezen. Van hier tot haar woning is het maar een halve
+dagreis; morgen zal ik u den weg wijzen."
+
+De prins stond den volgenden morgen heel vroeg op, maakte zich
+gereed voor de reis, dankte den kluizenaar voor het onderdak, dat
+hij hem gegeven had en vervolgde zijn weg volgens de aanwijzingen,
+die hem verstrekt werden. Hij kwam aan een groote poort en toen hij
+er door gegaan was, richtte hij zich naar rechts; tegen den middag
+zag hij eenige witte muren. Dat verheugde hem buitengewoon. Toen
+hij aan het kasteel kwam, vroeg hij den weg naar het paleis van de
+negen pauwinnen en voortgaande bereikte hij het spoedig. Hij werd
+natuurlijk aangeroepen door de wacht, zijn naam werd gevraagd en
+vanwaar hij kwam. Toen de koningin hoorde, dat hij gekomen was, was
+zij overstelpt van vreugde en in een meisje veranderend, snelde zij
+naar de poort en bracht den prins in het paleis.
+
+Er werd feest gevierd, en een groote vreugde heerschte, toen later
+hun huwelijksvoltrekking werd gevierd, en na de bruiloft bleef de
+prins in het paleis en leefde daar in vrede.
+
+Op zekeren dag ging de koningin vergezeld van een bediende in het park
+van het paleis wandelen; de prins bleef in het paleis. Vóór zij ging,
+gaf de koningin aan haar echtgenoot de sleutels van twaalf kelders,
+waarbij zij sprak: "gij moogt in al de kelders gaan op een na;
+ga onder geen voorwaarde in den twaalfden; ge moogt de deur zelfs
+niet openen." De vraag, wat er toch wel in den twaalfden kelder zou
+kunnen zijn, begon den prins al spoedig te kwellen; en na den eenen
+kelder na den anderen te hebben geopend, stond hij aarzelend voor den
+twaalfden. Wie aarzelt, is verloren, en zoo stak de prins eindelijk
+den sleutel in het slot en het volgend oogenblik trad hij de verboden
+ruimte binnen. In het midden van den vloer stond een reusachtig vat met
+drie sterke ijzeren hoepels er omheen. Het spongat was open en daaruit
+klonk een gedempte stem, die zei: "Ik bid u, broeder, geef mij een
+dronk water, anders sterf ik van dorst!" De prins nam een glas water
+en goot het door het spongat; dadelijk daarop sprong een hoepel. Daarna
+sprak de stem weer: "O, broeder, geef mij meer water, opdat ik niet van
+dorst omkom!" De goedhartige prins ledigde een tweede glas in het vat
+en een tweede hoepel sprong onmiddellijk stuk. Weer smeekte de stem:
+"O, broeder, geef mij nog een derde glas! Ik verga nog van dorst!" De
+prins haastte zich aan den wensch van den onzichtbaren spreker te
+voldoen, en nadat hij voor den derden keer water gegeven had, barstte
+de derde hoepel. Het vat viel in stukken en een groote draak werkte
+er zich uit, stormde door de deur en vloog de lucht in. Spoedig daarna
+ontmoette hij de koningin, die op den terugweg naar het paleis was en
+hij voerde haar met zich mee. Vreeselijk ontdaan deelde de bediende den
+prins mee, wat gebeurd was en het nieuws trof hem als een donderslag.
+
+Een oogenblik was de prins als waanzinnig, maar daarna werd hij kalmer
+en besloot zich opnieuw op weg te begeven, om zijn geliefde koningin
+te zoeken. Op zijn tochten kwam hij aan een rivier, en liep langs
+den oever; in een kleine holte zag hij een kleinen visch springen en
+moeite doen om er uit te komen.
+
+Toen de visch den prins zag, smeekte hij met deerniswekkende stem:
+"Wees mijn broeder-in-God! Werp mij weer in de rivier; het kan zijn,
+dat de dag komt, waarop ik u van dienst kan zijn! Maar zorg er voor
+een schubbe van mij te nemen en als gij in nood verkeert, wrijf die
+dan zacht." De prins nam den visch op, trok hem een schubbe uit en
+wierp het arme dier in het water; daarna wikkelde hij de schubbe
+zorgvuldig in zijn zakdoek.
+
+Toen hij zijn weg vervolgde, zag hij een vos, die gevangen zat in een
+klem; het dier sprak hem aan en zei: "Wees mijn broeder-in-God! Bevrijd
+mij, bid ik u uit dezen wreeden klem, en ik zal u misschien nog
+eens van dienst zijn. Maar neem een haar van mijn staart en als
+gij in nood verkeert, wrijf dat dan zacht!" De prins nam een haar
+uit den staart van den vos en liet hem vrij. Hij trok verder en
+zag een wolf in een klem. En de wolf smeekte hem met deze woorden:
+"Wees mijn broeder-in-God en verlos mij! Het kan zijn, dat gij op
+zekeren dag mijn hulp noodig hebt; neem daarom een haar van mijn
+vacht en mocht gij ooit mijn hulp noodig hebben, dan hebt gij maar
+zacht te wrijven!" Ook dat deed de prins.
+
+Hoe vermoeid hij ook was, de prins vervolgde zijn weg. Eenige dagen
+later bevond hij zich in de bergen. Daar ontmoette hij een man, tot
+wien hij zei: "O, mijn broeder-in-God! Kunt gij mij den weg wijzen
+naar het kasteel van den koning der draken?" Gelukkig had de man
+van dit kasteel gehoord en hij was instaat hem den weg te wijzen;
+hij lichtte den prins ook nauwkeurig in over den duur van de reis.
+
+
+
+
+
+De prins vindt zijn vrouw.
+
+
+De prins dankte den vreemdeling en vervolgde zijn weg met nieuwen moed,
+totdat hij aan de plaats kwam, waar de koning der draken woonde. Hij
+trad het kasteel stoutmoedig binnen en vond er zijn vrouw; nadat zij
+aan hun vreugde over de ontmoeting uiting hadden gegeven, overlegden
+zij, hoe zij zouden ontsnappen. Ten slotte namen zij vlugge paarden
+uit de stallen, maar nauwelijks waren zij op weg, of de draak kwam
+terug. Toen hij zag, dat de koningin ontsnapt was, overlegde hij met
+zijn strijdros: "Wat raad je mij aan? Zullen wij eerst eten en drinken,
+of zullen wij hen dadelijk achtervolgen!" Het paard antwoordde: "Laten
+we ons eerst verfrisschen, want we zullen hen stellig vangen." Na den
+maaltijd steeg de draak te paard en binnen enkele minuten bereikten
+zij de vluchtelingen. Hij greep de koningin en sprak tot den prins:
+"Ga in vrede! Voor dezen keer vergeef ik u, omdat gij mij bevrijd
+hebt uit den kelder: maar waag het niet mijn pad nog eens te kruisen,
+want een tweeden keer zal ik u geen vergiffenis schenken."
+
+De arme prins aanvaardde treurig den terugweg, maar spoedig bemerkte
+hij, dat hij zonder zijn vrouw niet zou kunnen leven. Wat het ook
+kosten mocht, hij moest een tweede poging wagen om haar te redden. Hij
+keerde dus op zijn schreden terug en ging den tweeden dag het kasteel
+weer binnen en vond zijn vrouw badende in tranen. Het was duidelijk,
+dat zij een list te baat moesten nemen, indien zij wilden ontkomen aan
+de magische macht van den drakenkoning, en nadat zij over de vraag
+hadden nagedacht, zei de prins: "Als de draak vanavond thuis komt,
+vraag hem dan, vanwaar hij zijn paard kreeg; mogelijk ben ik in staat
+mij een paard te verschaffen, dat even vlug is: dan alleen zouden
+wij met kans op slagen een nieuwe poging om te ontvluchten kunnen
+wagen." Met deze woorden verliet hij zijn vrouw. Toen de drakenkoning
+terugkeerde, begon de koningin hem te liefkoozen en genoegelijk met
+hem te babbelen; eindelijk zei zij: "Wat bewonder ik uw prachtig
+paard! Het is stellig geen gewoon ras! Waar hebt gij zulk een vlug
+ros gevonden?" En de drakenkoning antwoordde: "O, zijns gelijke kan
+niemand krijgen. In een zekeren berg woont een oude vrouw, die twaalf
+wonderpaarden in haar stallen heeft; het zou niemand gemakkelijk vallen
+uit te maken, welk het edelste is! In een hoek staat er echter een,
+dat oogenschijnlijk melaatsch is; maar het is feitelijk het beste
+van den geheelen stal en hij, die zich zijn meester mag noemen,
+kan hooger rijden zelfs dan de wolken. Mijn paard is een van die
+paarden. Eer iemand een er van kan krijgen, moet hij de oude vrouw
+drie dagen dienen. Zij heeft een merrie en een veulen, en wie haar
+knecht is, moet ze drie dagen en drie nachten verzorgen; indien hij
+erin slaagt ze te bewaken en ze aan de oude vrouw terug te brengen,
+mag hij een paard uit den stal kiezen. Maar indien de knecht niet goed
+op de merrie en het veulen past, dan schiet hij er het leven bij in."
+
+
+
+De oude vrouw en haar paarden.
+
+
+Den volgenden morgen, toen de draak het kasteel had verlaten,
+kwam de prins en de koningin vertelde, wat zij had vernomen. Na
+een haastig afscheid van zijn vrouw begaf de prins zich met allen
+spoed naar den berg en nadat hij de vrouw had gevonden, sprak hij:
+"God helpe u, grootmoeder!"
+
+En zij beantwoordde den groet: "Dat God ook u helpe, mijn zoon! Welke
+goede wind voerde u hierheen, en wat verlangt gij?" Hij antwoordde:
+"Ik zou u graag dienen!" Waarop de oude vrouw sprak: "Zeer goed,
+mijn zoon! Indien gij met goed gevolg drie dagen en drie nachten waakt
+over mijn merrie en haar veulen, dan zal ik u beloonen met een paard,
+dat gij zelf uit mijn stallen moogt kiezen; maar indien gij ze niet
+zorgvuldig bewaakt, dan moet ge sterven."
+
+Toen bracht zij den prins op het binnenplein, waar hij dicht bij
+elkaar vele staken in het rond zag staan en op elk der staken op een
+na zag hij een menschelijk hoofd. De eene staak riep voortdurend:
+"Geef mij een hoofd, o grootmoeder! Geef mij een hoofd!" De oude
+vrouw zei: "Dit zijn alle hoofden van hen, die mij hebben gediend;
+zij slaagden er niet in mijn merrie en haar veulen goed te bewaken;
+daarom moesten zij met hun hoofd betalen!" Maar de prins werd niet bang
+door hetgeen hij zag en hij nam de voorwaarde van de oude vrouw aan.
+
+Toen de avond daalde, steeg hij op de merrie en reed op haar naar
+het weiland; het veulen volgde. Hij bleef op de merrie zitten, maar
+tegen middernacht dommelde hij wat in en viel eindelijk vast in
+slaap. Toen hij wakker werd, zag hij tot zijn groote ontsteltenis,
+dat hij op een boomstronk zat en den teugel van de merrie in zijn
+hand hield. Hij sprong er af en begon dadelijk naar het bedriegelijke
+dier te zoeken. Spoedig kwam hij aan een rivier; die herinnerde hem
+aan den kleinen visch en nadat hij de schubbe uit zijn zakdoek had
+genomen, begon hij haar zacht tusschen zijn vingers te wrijven en
+zie, onmiddellijk verscheen de visch en vroeg: "Wat scheelt er aan,
+mijn broeder-in-God?" De prins antwoordde: "Mijn merrie is gevlucht
+en ik weet niet, waar ik haar moet zoeken!" En de visch antwoordde:
+"Zie, hier is zij; zij heeft zich veranderd in een visch en haar veulen
+in een kleinen visch! Sla eens met den teugel op het water en roep:
+'Doora! Merrie van de oude vrouw!'"
+
+De prins deed, wat hem werd gezegd en dadelijk kwamen de merrie en
+het veulen uit het water; hij deed de merrie den teugel weer aan,
+steeg te paard en reed naar huis; het jonge veulen draafde zijn moeder
+achterna. De oude vrouw bracht zonder een woord te spreken wat voedsel
+voor den prins en nam de merrie mee naar den stal, sloeg haar met een
+pook en zei: "Heb ik je niet gezegd je bij de visschen te voegen." De
+merrie antwoordde: "Ik ben bij de visschen geweest, maar de visschen
+zijn zijn vrienden en zij hebben mij aan hem verraden." Daarop zei
+de oude vrouw: "Vannacht gaat gij bij de vossen!"
+
+Toen de avond daalde, steeg de prins weer op de merrie en reed naar
+het veld; het veulen volgde zijn moeder. Weer besloot hij in het zadel
+te blijven zitten en de wacht te houden, maar tegen middernacht werd
+hij weer overvallen door den slaap en weer merkte hij niet, wat er
+om hem gebeurde. Toen hij den volgenden morgen ontwaakte, zie! Hij
+zat op een boomstronk en hield den teugel vast. Dit verontrustte hem
+zeer, en hij keek overal rond. Maar hoe hij ook zocht, hij kon geen
+spoor van de merrie en haar veulen vinden. Toen herinnerde hij zich
+zijn vriend den vos, en hij nam het haar van den vossestaart uit zijn
+zakdoek en hij wreef dat zacht tusschen zijn vingers.
+
+Onmiddellijk stond de vos voor hem. "Wat scheelt er aan, mijn
+broeder-in-God?" vroeg hij. De prins klaagde over zijn ongeluk en
+zei, dat hij zijn merrie kwijt was en niet wist, hoe hij haar weer
+opvangen kon. De vos stelde hem spoedig gerust: "De merrie is bij
+ons; zij heeft zich veranderd in een vos en haar veulen in een jongen
+vos. Sla een keer met den teugel op den grond en roep: 'Doora! Merrie
+van de oude vrouw!'" Hij deed aldus en zie! De merrie en het veulen
+verschenen voor hem. Hij deed haar den teugel aan, steeg op en toen
+hij thuiskwam, gaf de oude vrouw hem voedsel, bracht de merrie naar
+den stal en sloeg haar met den pook, terwijl zij zei: "Waarom heb je
+je niet in een vos veranderd, jij ongehoorzaam schepsel?" De merrie
+verzette zich echter en zei: "Ik heb mij in een vos veranderd; maar
+de vossen zijn zijn vrienden, daarom verraadden zij mij!" Hierop zei
+de oude vrouw: "Den volgenden keer ga je naar de wolven!"
+
+Toen de avond viel, ging de prins op weg met de merrie, en weer
+herhaalde zich dezelfde geschiedenis. Den volgenden morgen zat hij
+weer op een boomstronk en nu riep hij den wolf. Deze zei: "De merrie
+van de oude vrouw is bij ons; zij heeft de gedaante van een wolvin
+aangenomen en het veulen die van een jong wolfje; sla den grond eens
+met den teugel en roep: 'Doora! Merrie van de oude vrouw!'" De prins
+deed, wat de wolf hem aanried en de merrie verscheen weer voor hem
+met het veulen achter zich.
+
+Hij steeg weer op en ging naar het huis van de oude vrouw. Bij zijn
+aankomst was zij bezig een maaltijd te bereiden. Nadat zij voedsel
+voor hem had neergezet, bracht zij de merrie naar den stal en sloeg
+haar met een pook. "Heb ik je niet gezegd naar de wolven te gaan, jij
+ellendig schepsel?" schold zij. Maar weer verzette de merrie zich en
+zei: "Ik ging naar de wolven, maar ook zij zijn zijn vrienden en zij
+hebben mij verraden!" Toen ging de vrouw terug naar het huis en de
+prins zei tegen haar: "Nu, grootmoeder, ik geloof, dat ik u eerlijk
+heb gediend; nu hoop ik, dat gij mij zult geven, wat gij mij beloofd
+hebt!" De oude vrouw antwoordde: "O, mijn zoon, waarlijk, een belofte
+moet men houden! Kom mee naar den stal; daar staan twaalf paarden;
+gij moogt daaruit het paard kiezen, dat u het best aanstaat."
+
+
+
+De keus van den prins.
+
+
+Daarop zei de prins vastbesloten: "Wel, waarom zou ik lastig in
+mijn keus zijn? Geef mij het melaatsche paard, dat daar in den hoek
+staat." De oude vrouw deed al haar best er hem van af te houden
+dat leelijke paard te nemen. Zij sprak: "Waarom zijt gij zoo dwaas
+een melaatschen knol te nemen, terwijl gij het mooiste paard kunt
+hebben?" Maar de prins bleef bij zijn keus: "Geef mij liever dat,
+hetwelk ik koos, zooals wij overeen gekomen zijn!"
+
+Toen de oude vrouw zag, dat hij niet te overreden was, gaf zij toe, en
+de prins nam afscheid en voerde zijn paard mee. Toen zij aan een bosch
+kwamen, roskamde en verzorgde hij het paard en zijn huid glansde als
+zuiver goud. Daarna steeg hij op en het paard, dat als een vogel vloog,
+bracht hem in enkele seconden bij het kasteel van den drakenkoning.
+
+De prins ging dadelijk binnen en begroette de koningin met de woorden:
+"Haast u, alles is gereed voor onze vlucht!" De koningin was gereed,
+en binnen enkele minuten spoedden zij zich heen, snel als de wind op
+den rug van het wondervolle paard.
+
+Kort nadat zij waren vertrokken, kwam de drakenkoning thuis en toen hij
+bemerkte, dat de koningin weer verdwenen was, sprak hij de volgende
+woorden tegen zijn paard: "Wat zullen wij doen? Zullen wij ons eerst
+verfrisschen, of zullen wij de vluchtelingen dadelijk achtervolgen?"
+
+Hierop antwoordde het paard: "Gij kunt doen, wat gij wilt, maar wij
+zullen hen nooit inhalen!"
+
+Toen hij dit hoorde, wierp de drakenkoning zich dadelijk op zijn paard
+en in een oogenblik waren zij weg. Na een poosje keek de prins om en
+zag den drakenkoning op eenigen afstand achter zich. Hij zette zijn
+paard aan, maar dit zei: "Wees niet bevreesd. Het is volstrekt niet
+noodig harder te loopen." De drakenkoning naderde meer en meer; zoo
+dichtbij kwam hij, dat zijn paard in staat was met zijn broeder te
+spreken. "O, lieve broeder, ga wat langzamer, ik smeek het u, anders
+zal ik omkomen, zoo houd ik het niet uit!" Maar het paard van den
+prins antwoordde: "Neen, waarom zijt gij ook zoo dwaas dat monster
+te dragen? Werp uw hoeven in de hoogte en gooi hem tegen een rots,
+en kom dan met mij mee!" Bij deze woorden schudde het paard van den
+drakenkoning den kop, kromde den rug en sloeg de hoeven zoo verwoed
+omhoog, dat zijn ruiter tegen een rots werd geworpen en dood liggen
+bleef. Toen het dit zag, stond het paard van den prins stil. Zijn
+broeder kwam aandraven en daar steeg de koningin toen op. Zoo kwamen
+zij gelukkig in haar eigen land, waar zij in grooten voorspoed verder
+leefden en regeerden.
+
+
+
+
+
+Het vogelmeisje.
+
+
+Er was eens een koning, die een eenigen zoon had, dien hij, toen hij
+opgegroeid was, uitzond om een geschikte vrouw te zoeken. De prins
+begaf zich op reis; maar ofschoon hij de geheele wereld rondreisde,
+slaagde hij er niet in een bruid te vinden. Ten slotte, toen zijn
+beurs en zijn geduld uitgeput waren, besloot hij te sterven en opdat
+er geen spoor van hem zou achterblijven, klom hij op een hoogen berg
+met het voornemen zich van den top naar beneden te werpen. Hij was
+op het punt zich van den hoogsten top te storten, toen een stem deze
+geheimzinnige woorden uitte: "Wacht! wacht! O man! Dood u zelf niet,
+voor de driehonderdvijfenzestig in een jaar om zijn!"
+
+De prins beproefde tevergeefs te ontdekken, vanwaar de stem kwam. Daar
+hij niemand zag, vroeg hij: "Wie zijt gij, die tegen mij spreekt? Laat
+u zien! Indien gij wist, hoe groot mijn verdriet is, dan zoudt gij
+mij zeker niet trachten te weerhouden!" Daarop verscheen een oud
+man, met haren zoo wit als sneeuw en hij zei tot den ongelukkigen
+prins: "Ik weet heel goed, hoe gij lijdt; luister naar mij. Ziet
+gij gindschen hoogen heuvel?" De zoon van den koning antwoordde:
+"Ja stellig." "Heel goed," vervolgde de oude man, "daar zit dag en
+nacht op een en dezelfde plek, op den top van dien heuvel, een oude
+vrouw met gouden haren; zij houdt een vogel op haar schoot. Hij,
+die dien vogel kan bemachtigen, is de gelukkigste man op aarde. Maar
+indien gij uw geluk wilt beproeven, moet gij omzichtig te werk gaan;
+gij moet de oude vrouw stilletjes naderen en voordat zij u ziet,
+moet gij haar bij de haren vatten. Indien zij u ziet, voordat gij
+haar gegrepen hebt, dan verandert gij oogenblikkelijk in een steen,
+gelijk al met zoo vele jonge mannen gebeurd is, die gij daar in den
+vorm van blokken marmer zult zien staan!"
+
+
+
+De oude heks.
+
+
+Toen de prins deze woorden hoorde, dacht hij na. "Het is mij alles
+om het even; ik zal gaan en als ik er in slaag haar te grijpen, des
+te beter voor mij; en mocht zij mij zien, voordat ik haar grijp, dan
+kan ik toch niet meer dan sterven, wat ik toch reeds van plan was te
+doen." Hij dankte dus den ouden man en ging opgeruimd verder om zijn
+geluk te beproeven. Weldra beklom hij den anderen heuvel en zag de
+oude vrouw, die hij van achteren heel behoedzaam naderde. Gelukkig
+werd de oude vrouw zoo in beslag genomen door het spelen met den
+vogel, dat de prins heel dicht bij kon komen zonder opgemerkt te
+worden. Toen sprong hij plotseling naar voren en greep haar bij de
+gouden haren. Hierop begon zij zoo hard te gillen, dat de berg, als
+door een aardbeving bewogen, schudde. Maar de moedige prins hield haar
+stevig vast. Toen riep de oude vrouw uit: "Laat mij los, en vraag,
+wat gij maar wenscht!" En de prins antwoordde: "Ik zal u loslaten,
+indien gij mij dien vogel geeft, en indien gij dadelijk al de jonge
+mannen weer in het leven terugroept, die gij hebt betooverd." De
+oude vrouw was genoodzaakt zijn eisch in te willigen en zij gaf
+den vogel. Daarna blies zij van haar lippen een blauwen wind naar
+de versteende gestalten, waardoor zij onmiddellijk weer levende
+menschen werden. De edele prins kuste den vogel in zijn handen van
+blijdschap, waarop deze in een buitengewoon mooi meisje veranderde,
+dat de toovenares naar het scheen behekst had, om jonge mannen tot
+zich te lokken en een afschuwelijk lot te bereiden.
+
+De prins was zoo ingenomen met zijn gezellin, dat hij onmiddellijk
+verliefd op haar werd. Toen zij van de plaats weggingen, gaf het meisje
+hem een stok, waarmee hij, naar zij zei, alles zou kunnen doen, wat
+hij wenschte. Dadelijk verlangde de prins de middelen te bezitten
+om te reizen, zooals het een prins en zijn verloofde betaamt; hij
+sloeg met den stok op een rots en onmiddellijk stroomde er een vloed
+van goudstukken uit, waarvan zij zooveel namen, als zij voor de reis
+noodig hadden. Toen zij aan een rivier kwamen, raakte de prins het
+water aan met zijn stok en een pad ontstond, waarover zij droogvoets
+konden gaan. Een eindje verder werden zij aangevallen door een troep
+wolven, maar de prins verdedigde zijn bruid met zijn stok en een voor
+een veranderden de wolven in mieren.
+
+En nog veel meer avonturen beleefden zij. Eindelijk bereikten zij
+veilig het huis van den prins. Toen trouwden zij en leefden verder
+gelukkig.
+
+
+
+
+Liegen om een weddenschap.
+
+
+Op zekeren dag zond een vader zijn zoon naar den molen met koren,
+dat gemalen moest worden. Toen hij vertrok, waarschuwde zijn vader
+hem het koren niet te malen in een molen, waar hij een baardeloos man
+[86] mocht aantreffen.
+
+Toen de jongen eindelijk aan een molen kwam, was hij dus teleurgesteld
+daar een baardeloos man aan te treffen.
+
+"God zegene u, Baardelooze!" groette de jongen.
+
+"Dat God u helpe!" antwoordde de molenaar.
+
+"Mag ik mijn koren hier malen?" vroeg de jongen.
+
+"Ja, waarom niet?" antwoordde de man zonder baard, "mijn koren zal
+spoedig gemalen zijn, dan kunt gij dat van u malen, zoolang gij wilt."
+
+Maar de jongen herinnerde zich de waarschuwing van zijn vader, verliet
+dezen molen, en ging naar een anderen, verder de beek op. Baardeloos
+nam echter wat graan, koos een korteren weg, zoodat hij den tweeden
+molen het eerst bereikte en begon ook daar zijn koren te malen. Toen
+de jongen er aankwam en zag, dat de molenaar weer een baardeloos
+man was, haastte hij zich naar een derden molen; maar weer spoedde
+Baardeloos er zich heen langs een korter pad en kwam er voor den jongen
+aan. Hetzelfde herhaalde zich bij den vierden molen, zoodat de jongen
+tot de gevolgtrekking kwam, dat alle molenaars mannen zonder baard
+waren. Hij zette daarom zijn zak neer en wachtte tot het koren van
+Baardeloos gemalen was op zijn beurt. Toen al zijn koren gemalen was,
+zei Baardeloos: "Luister, mijn jongen! Laten wij een brood bakken
+van uw koren."
+
+De jongen had het bevel van zijn vader niet vergeten om zich niet in
+te laten met molenaars zonder baard, maar toen hij geen voorwendsel
+vond om het verzoek af te wijzen nam hij het voorstel aan. Nu nam
+Baardeloos al het meel, vermengde het met water, dat de jongen hem
+bracht, en maakte aldus een heel groot brood. Daarna stookten zij
+den oven en bakten het brood, dat zij, toen het gereed was, tegen
+den muur plaatsten.
+
+Toen zei de molenaar: "Luister, mijn jongen! Indien wij dit brood nu
+met ons tweeën deelden, zou er voor ieder van ons te weinig zijn. Laten
+wij elkaar daarom verhalen vertellen en wie den grootsten leugen
+vertelt, zal het geheele brood voor zich alleen hebben."
+
+De jongen dacht een oogenblik na, en daar hij geen anderen uitweg zag,
+nam hij den voorslag aan en zei: "Heel goed, maar gij moet beginnen."
+
+Toen vertelde Baardeloos verschillende verhalen, totdat hij geheel
+uitgeput was. Toen zei de jongen: "Wel, mijn waarde Baardeloos,
+het is jammer, dat u in het geheel niets meer weet, want wat gij
+gezegd hebt, is werkelijk niets; luister maar, en ik zal u de volle
+waarheid vertellen."
+
+
+
+Het verhaal van den jongen.
+
+
+"In mijn jonge dagen, toen ik een oud man was, bezaten wij vele
+bijenkorven; ik placht de bijen elken morgen te tellen; dat was
+makkelijk genoeg, maar wat ik nooit kon klaar spelen, dat was het
+tellen van de bijenkorven. Nu, op zekeren morgen, toen ik de bijen
+telde, was ik ten hoogste verbaasd, toen ik merkte, dat de beste
+bij ontbrak. Ik zadelde daarom een haan, steeg er op, en begaf mij
+op weg om mijn bij te zoeken. Ik vond eindelijk haar spoor bij het
+zeestrand en zag, dat zij de zee over gestoken was. Ik besloot haar
+te volgen. Toen ik het water over was, bemerkte ik, dat een boer de
+bij had gevangen; hij ploegde met haar zijn land en was voornemens
+er gierst op te zaaien. Ik riep toen: 'Dat is mijn bij! Hoe komt gij
+er aan?' En de ploeger antwoordde: 'Broeder, indien dit werkelijk uw
+bij is, kom dan hier en neem haar!' Ik ging er dus heen en hij gaf
+mij mijn bij terug en een zak vol gierst bovendien voor de diensten,
+die mijn bij hem had bewezen. Ik nam den zak op mijn rug en legde
+het zadel van den haan op de bij. Daarna steeg ik op en leidde den
+haan achter mij aan, opdat die wat zou kunnen uitrusten. Toen ik de
+zee weer overstak, ging een van de koorden van mijn zak los en al
+de gierst stroomde in het water. Toen ik den overkant had bereikt,
+was het reeds nacht. Daarom stapte ik af en liet de bij los om te
+kunnen grazen; wat den haan betreft, hem maakte ik dicht bij mij
+vast en gaf hem wat hooi. Daarna legde ik mij te slapen. Hoe groot
+was mijn verbazing, toen ik den volgenden morgen opstond, en zag,
+dat wolven gedurende den nacht mijn bij hadden verslonden, en de
+honig over de vallei verspreid lag; het was een laag, die tot de
+knieën reikte en tot aan de enkels op de heuvels. Ik wist me geen
+raad om den honig te verzamelen. Toen herinnerde ik mij, dat ik een
+kleinen bijl bij mij had. Ik ging dus naar de bosschen om een dier
+te vangen, teneinde een zak van zijn huid te maken. Toen ik het bosch
+bereikte, zag ik twee herten op een poot dansen; ik haalde mijn bijl
+te voorschijn, kapte hun eenigen poot af en greep ze beiden. Van deze
+twee herten stroopte ik drie huiden af, maakte van elk een zak en
+verzamelde daar al den honig in. Daarna laadde ik de zakken op den
+haan en begaf mij weer op weg om thuis te komen. Toen ik thuis kwam,
+merkte ik, dat mijn vader pas geboren was en ik kreeg bevel naar den
+hemel te gaan om wat heilig water te halen. Ik wist niet, hoe ik daar
+komen moest, maar toen ik over het geval nadacht, herinnerde ik mij
+de gierst, die in de zee was gevallen. Ik ging naar de plaats terug
+en zag, dat het koren tot aan den hemel was gegroeid, want de plaats,
+waar het gevallen was, was nogal vochtig. Ik klom dus langs een van
+de stengels omhoog. Toen ik den hemel bereikt had, was de gierst
+intusschen rijp geworden en een engel oogstte het graan, bakte er een
+brood van en at dat op met wat warme melk. Ik groette hem en zei:
+'God zegene u!' De engel antwoordde: 'Dat God u helpe!' en hij gaf
+mij wat heilig water. Op mijn terugweg bemerkte ik, dat het hevig
+had geregend en de zee zoo hoog was gestegen, dat ze mijn gierst
+had meegevoerd! Ik maakte mij bezorgd en vroeg mezelf af, hoe ik nu
+weer op de aarde terug zou komen. Eindelijk herinnerde ik mij, dat
+ik lang haar had; het was zoo lang, dat het tot den grond reikte,
+als ik rechtop stond; als ik zat, kwam het tot mijn ooren. Nu, ik
+nam mijn mes en sneed het eene haar na het andere af en bond ze aan
+elkaar, terwijl ik er langs naar beneden ging. De duisternis overviel
+mij echter, voordat ik den grond bereikte en ik besloot daarom een
+grooten knoop te leggen en daarop den nacht door te brengen! Maar
+wat moest ik beginnen zonder vuur? De tondeldoos had ik bij mij,
+maar ik had geen hout. Plotseling herinnerde ik mij, dat ik in mijn
+vestjeszakje een naainaald had. Ik vond ze, spleet ze doormidden en
+maakte een groot vuur, dat mij heerlijk verwarmde. Toen legde ik mij
+te slapen. Terwijl ik sliep, zengde ongelukkigerwijs de vlam het haar,
+en hals over kop viel ik op den grond, en daar zonk ik tot aan mijn
+gordel in de aarde. Ik liep overal rond om te zien, hoe ik er uit
+zou kunnen komen en toen ik merkte, dat ik stevig ingegraven zat,
+liep ik hard naar huis om een spade te halen. Ik kwam terug en groef
+mij zelf uit. Zoodra ik bevrijd was, nam ik het heilige water weer op
+en ging naar huis. Toen ik aankwam, waren er maaiers aan het werk op
+het veld. Het was zoo'n warme dag, dat ik vreesde, dat de menschen
+zouden doodbranden en riep hen toe: 'Waarom brengt gij onze merrie
+niet hier, die twee dagreizen lang is, en een halven dag breed en
+op wier rug groote wilgenboomen groeien; zij zou wat schaduw kunnen
+geven op de plaats, waar gij werkt?' Mijn vader, die dit hoorde, bracht
+snel de merrie en de maaiers werkten nu in de schaduw voort. Toen nam
+ik een kruik, om water te halen. Bij de put gekomen zag ik, dat het
+water bevroren was. Daarom nam ik mijn hoofd af en brak het ijs stuk,
+vulde de kruik en bracht het water bij de maaiers. Toen zij mij zagen,
+vroegen zij mij: 'Waar is uw hoofd?' Ik hief mijn hand op, en tot mijn
+groote verbazing zat mijn hoofd niet op mijn schouders. Toen eerst
+bedacht ik, dat ik het bij de put had laten liggen. Ik ging dadelijk
+terug, maar bemerkte, dat een vos mij voor was geweest en bezig was
+mijn hoofd te verslinden. Ik naderde langzaam en gaf het beest een zoo
+krachtigen schop, dat het van angst een klein boekje liet vallen. Dit
+raapte ik op, opende het en vond er deze woorden in geschreven: 'Het
+geheele brood is voor u, en Baardeloos zal er niets van meehebben!'"
+
+Met deze woorden nam de jongen het brood en maakte zich uit de
+voeten. Wat Baardeloos betreft, hij was sprakeloos van verbazing en
+bleef den jongen met open mond nastaren.
+
+
+
+
+Het meisje, dat wijzer is dan de tsaar.
+
+
+Lang geleden leefde er een oude man, die in een armoedige hut
+woonde. Hij bezat slechts een ding in de wereld en dat was een
+dochter, die zoo verstandig was, dat zij zelfs haar ouden vader kon
+onderrichten.
+
+Op zekeren dag ging de man naar den tsaar om te bedelen en de tsaar,
+verbaasd over zijn beschaafde manieren, vroeg hem, wie hem geleerd
+had zoo goed te spreken. Hij vertelde den tsaar, waar hij woonde en
+dat het zijn dochter was, die hem geleerd had zoo welsprekend te zijn.
+
+"En van wie ontving uw dochter haar onderricht?" vroeg de tsaar.
+
+"God en onze armoede hebben haar zoo wijsgemaakt," antwoordde de
+arme man.
+
+Daarop gaf de tsaar hem dertig eieren en zei: "Breng deze aan
+uw dochter en beveel haar er kuikens uit te voorschijn te doen
+komen. Indien zij dit met goed gevolg volbrengt, zal ik haar rijke
+geschenken geven, maar indien zij faalt, zult gij gemarteld worden."
+
+De arme man ging weenende terug naar zijn hut en vertelde alles aan
+zijn dochter. Het meisje zag dadelijk, dat de eieren, die de tsaar
+gezonden had, gekookt waren, en verzocht haar vader zich ter ruste te
+leggen, terwijl zij overlegde, wat haar te doen stond. Toen de oude
+man sliep, vulde het meisje een pot met water en kookte eenige boonen.
+
+Den volgenden morgen wekte zij haar vader en verzocht hem een paar
+ossen voor den ploeg te spannen en langs den weg te gaan ploegen,
+waar de tsaar voorbij zou komen. "Als gij hem ziet komen", zei
+zij, "neem dan een handvol boonen, en terwijl gij zaait moet gij
+roepen: 'Gaat voort, ossen, en dat God geve, dat de gekookte boonen
+ontkiemen!' Als de tsaar dan vraagt: 'Hoe kunt gij van gekookte boonen
+vruchten verwachten?' Moet gij hem antwoorden: 'Evengoed als men van
+gekookte eieren kuikens kan krijgen!'"
+
+De oude man deed, zooals zijn dochter hem zei en ging heen om te
+ploegen. Toen hij den tsaar zag, nam hij een handvol boonen en riep
+uit: "Gaat voort, ossen! En dat God geve, dat de gekookte boonen
+ontkiemen!"
+
+Toen de tsaar dit hoorde, liet hij zijn rijtuig stilstaan en zei tegen
+den man: "Maar arme man, hoe kunt gij verwachten, dat gekookte boonen
+vrucht dragen?"
+
+"Even goed als gekookte eieren kuikens kunnen voortbrengen," antwoordde
+de op het oog eenvoudige, arme man.
+
+De tsaar lachte en ging verder, maar hij had den ouden man
+herkend en vermoedde, dat zijn dochter hem het antwoord in den
+mond had gegeven. Hij zond daarom dienaren uit om den boer in zijn
+tegenwoordigheid te brengen. Toen de oude man kwam, gaf de tsaar
+hem een bos vlas en zei: "Neem dit en maak daarvan al de zeilen,
+die noodig zijn voor een schip; indien gij het niet doet, zult gij
+uw leven verliezen."
+
+De arme man nam het vlas met de grootste vrees aan en ging in tranen
+badende naar huis om zijn dochter te vertellen, welke nieuwe opdracht
+hij gekregen had. Dit verstandige meisje stelde hem gerust en zei,
+dat hij maar kalm moest zijn en dat zij wel een plan zou beramen. Den
+volgenden morgen gaf zij haar vader een klein stukje hout en verzocht
+hem er mede naar den tsaar te gaan met het verzoek daarvan al de
+noodige werktuigen om te spinnen en te weven te laten maken, opdat hij
+in staat zou zijn het bevel van Zijne Majesteit uit te voeren. De oude
+man gehoorzaamde en toen de tsaar het buitengewone verzoek hoorde,
+was hij ten hoogste verbaasd over de schranderheid van het meisje,
+en om niet door haar overtroffen te worden, nam hij een klein glas,
+zeggende: "Neem dit kleine glas mee naar uw dochter en zeg haar,
+dat zij er de zee mee moet ledigen, zoodat er droog land komt, waar
+nu zee is."
+
+De oude man ging met een bezwaard hart naar huis, om dit aan zijn
+dochter te vertellen. Maar het meisje stelde hem weer gerust, en den
+volgenden morgen gaf zij hem een pond werk, zeggende: "Breng dit naar
+den tsaar en zeg, dat ik de zee zal droog maken, indien hij met dit
+werk de bronnen van alle rivieren verstopt."
+
+
+
+De tsaar stuurt om het meisje.
+
+
+De vader ging terug naar den tsaar en zei hem, wat zijn dochter had
+voorgezegd en de tsaar, die nu inzag, dat het meisje verstandiger was
+dan hij zelf, gaf bevel, dat zij voor hem gebracht zou worden. Toen
+zij verscheen, vroeg de tsaar haar: "Kunt gij raden, wat op den
+grootsten afstand gehoord kan worden?" En het meisje antwoordde:
+"Uwe Majesteit, er zijn twee dingen: de donder en de leugen kunnen
+op den grootsten afstand gehoord worden!"
+
+De verbaasde tsaar greep naar zijn baard, en zich tot zijn hovelingen
+wendende, riep hij uit: "Raadt eens, wat mijn baard waard is?" Eenigen
+zeiden zooveel, weer anderen zooveel; maar het meisje zei tegen den
+tsaar, dat geen van zijn hovelingen goed had geraden. "De baard van Uwe
+Majesteit is evenveel waard als drie zomerregens," zei zij. De tsaar,
+die verbaasder dan ooit was, zei: "Het meisje heeft goed geraden!"
+
+Toen vroeg hij haar zijn vrouw te willen worden, want "ik heb u lief"
+zei hij. Het meisje was verliefd geworden op den tsaar; zij neeg
+diep voor hem en sprak: "Gij doorluchtige Majesteit! Laat het zijn,
+gelijk gij verlangt! Maar ik verzoek Uwe Majesteit eigenhandig op een
+stuk perkament te schrijven, dat zoo Uwe Majesteit zelf of een uwer
+hovelingen ontevreden op mij is en ik dientengevolge uit uw paleis
+verbannen zou worden, het mij toegestaan is dat mee te nemen, waar
+ik het meest van houd."
+
+De tsaar stemde daar met vreugde in toe, schreef de verklaring en
+hechtte er zijn zegel aan.
+
+Eenige jaren gingen gelukkig voorbij, maar er kwam eindelijk een dag,
+waarop de tsaar zich beleedigd voelde door de tsarina en hij sprak
+toornig: "Gij zult mijn vrouw niet langer zijn; ik beveel u het paleis
+te verlaten!"
+
+De tsarina antwoordde gehoorzaam: "O, zeer doorluchtige tsaar, ik zal
+gehoorzamen; sta mij toe nog een nacht in het paleis te vertoeven en
+morgen zal ik vertrekken."
+
+Hierin stemde de tsaar toe.
+
+Dien avond mengde de tsarina eenige kruiden in den wijn en gaf den
+beker aan den tsaar, terwijl zij zei: "Drink, o zeer roemruchtige
+tsaar! En wees vol moed! Ik zal heengaan, maar geloof mij, ik zal
+gelukkiger zijn dan toen ik u den eersten keer ontmoette!"
+
+Nadat de tsaar had gedronken, viel hij in slaap. Toen zette de tsarina,
+die een koets in gereedheid had gehouden, den tsaar er in en voerde
+hem weg naar de hut van haar vader.
+
+Toen de tsaar den volgenden morgen wakker werd en zag, dat hij in
+een hut was, riep hij uit: "Wie bracht mij hierheen?"
+
+"Ik deed het," antwoordde de tsarina.
+
+De tsaar werd boos en zei: "Hoe hebt gij dat durven doen? Heb ik u
+niet gezegd, dat gij niet langer mijn vrouw zijt?"
+
+In plaats van te antwoorden, haalde de tsarina het perkament te
+voorschijn en hij stond met stomheid geslagen.
+
+Toen sprak de tsarina: "Zooals gij ziet, gij hebt mij beloofd, dat
+ik, indien ge mij uit het paleis bandet, mee mocht nemen, wat mij
+het liefste was!"
+
+Toen hij dit hoorde, keerde de liefde van den tsaar voor zijn gade
+terug; hij nam haar in zijn armen en samen keerden zij naar het
+paleis terug.
+
+
+
+Goede daden zijn onvergankelijk.
+
+
+Er leefden eens een man en een vrouw, die een zoon hadden. Toen de
+jongen opgroeide, deden zijn ouders hun best hem een goede opvoeding
+te geven, die hem van nut zou zijn in zijn verdere leven. Hij was een
+goede, kalme jongen en bovenal vreesde hij God. Nadat hij zijn studiën
+voltooid had, vertrouwde zijn vader hem een galei toe, die beladen
+was met verschillende goederen, waarmee hij handel kon drijven in
+verre landen. Zoodoende zou hij de steun van zijn ouders worden op
+hun ouden dag.
+
+
+
+De eerste reis.
+
+
+Op zijn eerste reis ontmoette hij op zekeren dag een Turksch schip,
+waarin hij hoorde schreien. Hij riep de zeelieden op het Turksche
+schip toe: "Ik bid u, zeg mij, waarom er zoo'n verdriet aan boord
+van uw schip is!" En zij antwoordden: "Wij hebben veel slaven, die
+in verschillende deelen der wereld gevangen zijn genomen en die wij
+geketend hebben. Zij zijn het, die schreien en jammeren." Daarop
+zei de jongeman: "Ik verzoek u, o broeders, vraagt aan uw kapitein,
+of hij mij wil toestaan de slaven te koopen voor een som geld?" De
+zeelieden riepen hun kapitein, die bereid was te onderhandelen en ten
+slotte gaf de jongeman zijn schip met de geheele lading aan den Turk
+in ruil voor zijn schip met slaven.
+
+De jongeman vroeg aan elken slaaf, vanwaar hij kwam; hij gaf aan
+allen de vrijheid terug en zei, dat ieder naar zijn eigen land mocht
+terugkeeren.
+
+Onder de slaven was een oude vrouw, die een zeer mooi meisje aan den
+arm hield. Toen hij vroeg, vanwaar zij kwamen, antwoordde de oude
+vrouw schreiende: "Wij komen van een veraf gelegen land. Dit jonge
+meisje is de eenige dochter van den tsaar; ik heb haar groot gebracht
+van haar kindsheid af. Op een ongelukkigen dag wandelde zij in de
+tuinen van het paleis en dwaalde af naar een eenzame plek, waar drie
+vervloekte Turken haar zagen en grepen. Zij begon te gillen en ik,
+die toevallig in de nabijheid was, snelde toe, om haar te helpen,
+maar helaas, ik kon haar niet redden en de Turken voerden ons beiden
+mee en brachten ons aan boord van deze galei." Toen smeekten de goede
+verzorgster en het schoone meisje den jongeman, daar zij den weg naar
+hun eigen land niet kenden en ook de middelen om terug te keeren niet
+bezaten, haar met zich mee te nemen. En hiertoe was hij bereid; ja,
+hij was dadelijk verliefd geworden op de prinses, en nu trouwde hij
+het arme meisje, dat geen tehuis had, en keerde met haar en de oude
+vrouw naar huis terug.
+
+Bij hun aankomst vroeg zijn vader, waar zijn galei en de lading was
+en hij vertelde hem, hoe hij de slaven had vrijgekocht en hun de
+vrijheid had hergeven. "Dit meisje" zei hij, "is de dochter van een
+tsaar, en deze oude vrouw is haar verzorgster; daar zij niet naar
+haar land konden terugkeeren, nam ik haar mee en ik heb het meisje
+getrouwd." Daarover was zijn vader zeer verstoord, en hij zei: "O,
+dwaze zoon, wat hebt gij gedaan? Waarom hebt gij zoo dom zonder mijn
+toestemming over mijn eigendom beschikt?" En hij joeg hem het huis uit.
+
+Gelukkig voor den jongeman bood een goede buurman hem gastvrijheid
+aan--en ook zijn vrouw en haar oude verzorgster; hij woonde langen
+tijd in de buurt, en poogde telkens, geholpen door zijn moeder en
+vele vrienden zijn vader te bewegen hem vergiffenis te schenken.
+
+
+
+De tweede reis.
+
+
+Na eenigen tijd liet zijn vader zich vermurwen en ontving zijn zoon
+weer in zijn huis met zijn jonge vrouw en haar verzorgster. Spoedig
+daarna kocht hij een tweede galei, grooter en mooier dan de eerste
+en laadde die vol koopwaren, waarmede zijn zoon groote winsten zou
+kunnen behalen, indien hij het tenminste verstandig aanlegde.
+
+De jongeman zeilde weg met dit nieuwe schip; hij liet zijn vrouw
+en haar verzorgster in de woning zijner ouders achter en spoedig
+kwam hij aan een stad, waar hij een droevig schouwspel zag. Hij zag
+soldaten bezig arme boeren te grijpen en in de gevangenis te werpen
+en hij vroeg: "Waarom, broeders, zijt gij zoo wreed tegen deze
+arme lieden?" En de soldaten antwoordden: "Omdat zij de belasting
+aan den tsaar niet hebben betaald." De jongeman ging dadelijk naar
+den officier en zei: "Zeg mij asjeblieft, hoeveel deze arme lieden
+betalen moeten." De officier noemde hem de verschuldigde som en zonder
+aarzeling verkocht de jongeman zijn schip met lading en al en voldeed
+de schulden van al de gevangenen. Nu keerde hij naar huis terug,
+en voor zijn vader neerknielende, verhaalde hij, wat er gebeurd was
+en bad om zijn vergiffenis.
+
+Maar dezen keer was de woede van zijn vader buitengewoon en hij joeg
+hem zijn huis uit.
+
+Wat kon de ongelukkige zoon doen in dit nieuwe verdriet? Hoe kon hij
+bedelen, hij, wiens ouders zoo welgesteld waren? Weer wendden oude
+vrienden der familie hun invloed bij zijn vader aan en drongen er op
+aan, dat hij medelijden zou hebben met zijn zoon en hem weer ontvangen,
+"want", zeiden zij, "het is zeker, dat zijn lijden hem verstandiger
+heeft gemaakt en dat hij nooit meer zoo dwaas zal doen." Eindelijk
+zwichtte zijn vader, nam hem weer in huis en rustte een derde galei
+uit, veel grooter en mooier dan de eerste twee.
+
+
+
+De derde reis.
+
+
+De jonge man was meer dan blij met zijn geluk en het portret van zijn
+geliefde vrouw liet hij op het roer van zijn schip schilderen en dat
+van de oude verzorgster op den achtersteven.
+
+Nadat al de toebereidselen voor zijn reis getroffen waren, nam
+hij afscheid van zijn ouders, zijn vrouw en de andere leden van de
+familie en lichtte het anker. Nadat hij eenigen tijd gezeild had,
+kwam hij aan een groote stad, waar een tsaar woonde; hij liet het
+anker vallen en kanonschoten lossen, om de stad te begroeten. Tegen
+den avond zond de tsaar een van zijn ministers uit, om te hooren,
+wie de vreemdeling was en vanwaar hij kwam en hem mede te deelen,
+dat zijn heer den volgenden morgen om negen uur een bezoek aan de
+galei zou brengen. De minister was verbaasd op het roer het portret te
+zien van de keizerlijke prinses, die hem, toen zij nog een kind was,
+door den tsaar ten huwelijk was beloofd--en op den achtersteven dat
+van de oude verzorgster; hij maakte echter geen opmerking en vertelde
+niemand, wat hij had gezien. Om negen uur den volgenden morgen kwam
+de tsaar aan boord van de galei in gezelschap van zijn ministers, en
+toen hij al pratende met den kapitein op het dek heen en weer liep,
+zag ook hij het portret van het meisje, dat op het roer geschilderd
+was en dat van de oude vrouw op den achtersteven en hij herkende
+dadelijk de trekken van zijn eenige dochter en haar verzorgster,
+die door de Turken gevangen genomen waren. Dadelijk koesterde hij de
+hoop, dat zijn geliefd kind nog leefde en gezond was, maar hij was zoo
+aangedaan, dat hij er niet over spreken dorst. Hij beheerschte zich
+zooveel mogelijk en noodigde den kapitein uit dien middag om twee uur
+in zijn paleis te komen; hij was voornemens hem dan te ondervragen
+en hoopte, dat zijn hartewensch vervuld zou worden.
+
+Precies om twee uur verscheen de kapitein in het paleis en de tsaar
+begon hem dadelijk op omslachtige manier te ondervragen over het
+meisje, wier portret hij op het roer van zijn galei had gezien. Was
+zij een van zijn bloedverwanten en zoo ja, in welken graad? Hij was
+ook nieuwsgierig naar de oude vrouw, wier portret op den achtersteven
+was geschilderd.
+
+De jonge kapitein giste dadelijk, dat de tsaar de vader moest zijn van
+zijn vrouw, en hij vertelde hem woord voor woord al zijn avonturen,
+waarbij hij niet verzuimde mee te deelen, dat hij, toen hij hoorde,
+dat het jonge meisje en haar verzorgster den weg naar haar land
+vergeten waren, medelijden met haar had gehad en later het meisje had
+getrouwd. Toen de tsaar dit hoorde, riep hij uit: "Dat meisje is mijn
+eenig kind en de oude vrouw haar verzorgster; spoed u en breng mijn
+dochter hier, opdat ik haar nog eens zie, voordat ik sterf. Breng uw
+ouders en uw geheele familie ook hier; uw vader zal mijn broeder zijn
+en uw moeder mijn zuster, want gij zijt mijn zoon en de erfgenaam van
+mijn kroon. Ga en verkoop al uw bezittingen en kom, opdat wij gelukkig
+samen in mijn paleis kunnen leven!" Toen riep hij de tsarina, zijn
+vrouw, en al zijn ministers, opdat zij het heugelijk nieuws zouden
+hooren, en er heerschte groote vreugde aan het hof.
+
+Daarna gaf de tsaar den kapitein een prachtig schip en verzocht hem
+zijn eigen galei achter te laten. De jongeman was natuurlijk heel
+dankbaar, maar hij zei: "O, doorluchtige tsaar! Mijn ouders zullen mij
+niet gelooven, indien gij mij niet een van uw ministers als getuige
+meegeeft." Daarop gaf de tsaar als zijn metgezel voor de reis den
+minister mee, wien hij zijn dochter ten huwelijk had beloofd.
+
+De vader van den kapitein was zeer verbaasd zijn zoon zoo spoedig te
+zien terugkeeren en met zulk een prachtig schip. Toen vertelde de
+jongeman aan zijn vader en de anderen alles, wat hem was overkomen
+en de keizerlijke minister bevestigde zijn woorden. Toen de prinses
+den minister zag, riep zij blijde uit: "Ja waarlijk, alles wat hij
+gezegd heeft, is waar; dit is de minister van mijn vader, die mijn
+bruigom had moeten worden." Toen verkochten de man en zijn familie
+al hun eigendommen en gingen aan boord van het schip.
+
+
+
+De verraderlijke minister.
+
+
+Nu was de minister een slecht man, en hij beraamde een plan om den
+jongen echtgenoot der prinses te dooden, opdat hij haar zou kunnen
+trouwen en eens tsaar worden. Op een avond, toen de jongeman zich
+op het dek bevond, voegde hij zich bij hem om met hem te praten. De
+kapitein had een rein geweten, en dacht aan geen kwaad, zoodat hij
+geheel onvoorbereid was, toen de minister hem greep en over boord
+wierp. Het schip zeilde snel; het was onmogelijk het in te halen en
+hij bleef hoe langer hoe meer achter. Het was nog een geluk, dat het
+dicht bij het land gebeurde en hij spoedig door de golven op het
+strand geworpen werd. Maar helaas! Dit land was slechts een kale,
+onbewoonde rots.
+
+Intusschen was de minister terug geslopen naar zijn hut en toen den
+volgenden morgen gemerkt werd, dat de kapitein verdwenen was, begonnen
+allen te weenen en te jammeren, en vermoedden, dat hij in den nacht
+over boord was gevallen en verdronken. Zijn familie was ontroostbaar,
+vooral zijn vrouw, die hem zeer lief had. Toen zij aan het paleis
+van den tsaar kwamen en vertelden, dat de jonge man verdronken was,
+rouwde het geheele hof met hen.
+
+Gedurende vijftien dagen was de ongelukkige schoonzoon van den tsaar
+veroordeeld tot hongerlijden; hij kon zich alleen voeden met het
+schaarsche gras, dat op het rotsige eilandje groeide. Zijn huid werd
+gebruind door de felle zon, en zijn kleeren werden vuil en kwamen
+vol scheuren, zoodat niemand hem herkend zou hebben. Op den ochtend
+van den vijftienden dag had hij het geluk een ouden man op het strand
+te zien, die op een stok leunde en bezig was met visschen. Hij riep
+den ouden man dadelijk aan en smeekte hem hulp te verleenen om van de
+rots af te komen. De oude visscher zei: "Ik zal u helpen, als gij mij
+wilt betalen!" "Hoe kan ik u betalen; ik heb slechts deze havelooze
+plunje en niets meer?"
+
+"O, wat dat betreft," antwoordde de oude man, "gij kunt een
+schuldbekentenis schrijven en onderteekenen, waarbij gij mij belooft
+de helft te zullen geven van hetgeen gij ooit zult bezitten." Deze
+belofte deed de jongeman met vreugde. Toen haalde de oude man
+schrijfgereedschap te voorschijn en de jongeman onderteekende de
+overeenkomst, waarna zij beiden in de visschersboot van den ouden
+man wegzeilden naar het vasteland. Daarna trok de jongeman als een
+bedelaar van huis tot huis en van dorp tot dorp op bloote voeten,
+verbrand en hongerig.
+
+
+
+De terugkomst van den jongeman.
+
+
+Na een reis van dertig dagen, bracht zijn goed gesternte hem naar de
+stad van den tsaar en hij zette zich met den staf in de hand bij de
+poorten van het paleis neer; nog altijd droeg hij zijn trouwring aan
+zijn vinger, waarop zijn naam en die van zijn vrouw gegraveerd was. De
+bedienden van den tsaar hadden medelijden met hem; zij boden hem een
+nachtverblijf in het paleis aan en gaven hem een deel van hun eigen
+maal. Den volgenden morgen ging hij naar den tuin van het paleis,
+maar de tuinman kwam en joeg hem weg, waarbij hij hem toevoegde, dat
+de tsaar en zijn familie spoedig voorbij zouden komen. Hij verwijderde
+zich en ging in een hoek op het gras zitten, tot hij plotseling de
+tsaar met zijn eigen vader en moeder zag loopen en zijn geliefde
+vrouw arm in arm met zijn vijand, den minister. Hij maakte zich niet
+dadelijk bekend, en de tsaar en zijn gevolg gingen voorbij en gaven hem
+aalmoezen. Hij strekte zijn hand uit om ze te ontvangen en toen trok de
+trouwring aan zijn vinger de aandacht der prinses. Zij herkende dien
+dadelijk, maar het was ongelooflijk, dat de bedelaar haar echtgenoot
+kon zijn en zij zei tegen hem: "Geef mij uw hand, opdat ik uw ring
+kan zien!" De minister trachtte dit te verhinderen, maar de prinses
+sloeg geen acht op hem, en zij bekeek den ring en zag, dat haar eigen
+naam en dien van haar echtgenoot er in gegraveerd waren. Haar hart
+was zeer ontroerd, maar zij deed haar best om haar aandoening niet te
+toonen en zei niets. Bij de terugkomst in het paleis ging zij naar haar
+vader en vertelde hem, wat zij had gezien. "Laat u hem, alsjeblieft,
+voor u komen; dan kunnen wij onderzoeken, hoe hij in het bezit van den
+ring komt!" De tsaar zond onmiddellijk een bediende om den bedelaar
+te halen. Het bevel werd dadelijk uitgevoerd, en toen de vreemdeling
+verscheen, vroeg de tsaar hem zijn naam, van waar hij kwam en hoe hij
+den ring had verkregen. De ongelukkige jonge man kon zijn vermomming
+niet langer handhaven, hij vertelde dus aan den tsaar, wie hij was
+en verder al de avonturen, die hij had beleefd, sedert de minister
+hem verraderlijk in de zee geworpen had! "Zie!" zei hij ten laatste:
+"de genade van onzen Heer heeft mij terug gebracht bij mijn ouders
+en mijn vrouw."
+
+Bijna buiten zich zelf van vreugde liet de tsaar de ouders van den
+jongeman komen en deelde hun het goede nieuws mede. Wie is in staat
+de vreugde uit te drukken van het bejaarde paar, toen zij hun zoon
+herkenden. De woorden ontbreken ons de vreugde te beschrijven, die het
+geheele hof vervulde. De bedienden maakten welriekende baden voor den
+jongeman gereed en brachten hem prachtige gewaden. De tsaar beval,
+dat hij als tsaar gekroond zou worden en gedurende verscheidene
+dagen waren er schitterende feesten, waaraan heel de stad deelnam;
+ieder zong, danste en richtte feestmalen aan. De oude tsaar beval den
+slechten minister voor zijn schoonzoon te verschijnen, opdat deze
+naar eigen goeddunken over hem zou beslissen. Maar de jonge tsaar
+had een vriendelijk hart; hij vergaf hem dus op voorwaarde, dat hij
+het rijk onmiddellijk zou verlaten en gedurende zijn regeering nooit
+meer zou terugkeeren.
+
+De nieuwe tsaar had ternauwernood het bewind aanvaard, of de oude
+visscher, die hem van het rotsachtig eiland had gered, vroeg bij
+hem toegelaten te worden. De tsaar ontving zijn bevrijder dadelijk,
+die daarop zijn geschreven belofte te voorschijn haalde. "Heel goed,
+oude man," zei de tsaar: "nu ben ik heerscher, maar ik zal even trouw
+mijn woord houden, alsof ik een bedelaar was, die maar weinig te
+deelen heeft; laten wij dus mijn bezittingen in twee gelijke deelen
+verdeelen." De tsaar nam nu de boeken en begon de steden te verdeelen;
+telkens, als hij een naam noemde, zei hij: "dit is voor u"--en dan
+"dit is voor mij." Zoo teekende hij alles op een kaart aan, totdat het
+geheele czarenrijk tusschen hen beiden was verdeeld, van de grootste
+stad tot de kleinste hut.
+
+Toen de tsaar gereed was, sprak de oude man: "Neem alles terug! Ik
+ben geen man van deze wereld; ik ben een engel van God, die mij
+zond om u te redden voor uw goede daden. Regeer nu en wees gelukkig,
+en dat gij lang moogt leven in volkomen voorspoed!" Na deze woorden
+verdween hij plotseling, en de jonge tsaar regeerde nog vele jaren
+gelukkig en voorspoedig.
+
+
+
+
+
+Hij, wien God helpt, kan niemand kwaad doen.
+
+
+Er leefden eens een man en een vrouw en zij waren gezegend met drie
+zoons. De jongste was de knapste en hij had een beter hart dan zijn
+broers, die hem een dwaas vonden. Toen de drie broers den mannelijken
+leeftijd hadden bereikt, gingen zij samen naar hun vader en vroegen
+toestemming om te trouwen. De vader was verlegen met dien plotselingen
+wensch van zijn zoons en zei, dat hij eerst met zijn vrouw over het
+antwoord wilde overleggen.
+
+
+
+De eerste tocht.
+
+
+Eenige dagen later riep de man zijn zoons bij zich en zei hun, dat
+zij naar de naburige stad moesten gaan om werk te zoeken. "Hij, die
+mij de mooiste reisdeken brengt, krijgt van mij toestemming om het
+eerst te trouwen," zei hij.
+
+De broeders gingen op weg naar de naburige stad. Onderweg begonnen de
+twee oudste broers den gek te steken met den jongsten; zij bespotten
+zijn eenvoud en eindelijk noodzaakten zij hem een anderen weg te nemen.
+
+Verlaten door zijn boosaardige broers, bad de jongeman tot God hem bij
+te staan. Eindelijk kwam hij aan een meer, aan welks versten oever
+een prachtig kasteel lag. Het kasteel behoorde aan een tiranniek en
+wreed prins, die lang geleden was gestorven. De jonge prinses was
+buitengewoon schoon, en menig aanzoek om haar hand had zij reeds
+gehad. Zij, die aanzoek deden, werden steeds gastvrij ontvangen,
+maar als zij naar hun kamers gingen, verscheen onveranderlijk de
+gestorven heer van het kasteel als een vampier en worgde hen.
+
+Toen de jongste broer aan het strand stond, en zich afvroeg, hoe hij
+het meer zou oversteken, zag de prinses hem vanuit haar venster en
+zij gaf een knecht dadelijk bevel de boot te nemen en den jongeman
+bij haar te brengen. Toen hij verscheen, was hij wel wat verlegen,
+maar het edele meisje stelde hem met eenige vriendelijke woorden
+gerust--want hij maakte werkelijk een goeden indruk op haar en zij
+hield van hem op het eerste gezicht. Zij vroeg hem, vanwaar hij
+kwam en waarheen hij dacht te gaan, en de jonge man vertelde haar,
+wat zijn vader hem en zijn broers had opgedragen.
+
+Toen de prinses dit hoorde, zei zij tot den jongeman: "Gij zult
+vannacht hier blijven en morgen zullen wij zien, wat wij kunnen doen
+om u te helpen."
+
+Nadat zij het avondeten hadden gebruikt, geleidde de prinses haar gast
+naar een groene kamer en voor zij hem "goeden nacht" wenschte, zei zij:
+"Dit is uw kamer. Word niet bang, als vannacht iets ongewoons mocht
+gebeuren; verontrust u er niet over."
+
+Daar hij een eenvoudige jongen was, kon hij niet eens zijn oogen
+sluiten, zoo was hij onder den indruk van al het moois om hem heen.
+
+Plotseling, tegen middernacht, hoorde hij een groot geraas. Onder het
+rumoer door hoorde hij duidelijk een geheimzinnige stem fluisteren:
+"Deze jongeling zal den prinselijken kroon erven; niemand kan hem
+kwaad doen!" De jongen nam zijn toevlucht tot een ernstig gebed,
+en toen de dag begon te grauwen, stond hij veilig en gezond op.
+
+Toen de prinses wakker werd, zond zij een bediende om den jongeman
+in haar tegenwoordigheid te leiden; deze was uiterst verbaasd hem
+nog levend aan te treffen; dat was de prinses ook en iedereen in
+het kasteel.
+
+Na het ontbijt gaf de prinses aan haar gast een prachtige reisdeken
+en zei: "Breng deze deken aan uw vader en indien hij nog wat anders
+verlangt, hebt ge slechts terug te keeren." De jongeman dankte
+zijn schoone gastvrouw en nam met een diepe buiging afscheid van
+haar. Toen hij thuiskwam, vond hij zijn beide broeders daar reeds;
+zij lieten hun vader de dekens zien, die zij hadden meegebracht. Toen
+de jongste de zijne uitspreidde, waren zij verbaasd en riepen uit:
+"Hoe zijt gij in het bezit gekomen van zulk een kostbare deken;
+die moet ge gestolen hebben!"
+
+
+
+De tweede tocht.
+
+
+Eindelijk zei de vader om hen te kalmeeren: "Gaat nog eens de wereld
+in en hij, die mij een ketting terug brengt, lang genoeg om er ons
+huis negen keer mee te omspannen, zal mijn toestemming hebben om het
+eerst te trouwen!" Aldus slaagde de vader er in zijn zoons tevreden
+te stellen. De twee oudste broers gingen hun eigen weg en de jongste
+haastte zich terug naar de prinses. Toen hij aankwam, vroeg zij hem:
+"Wat heeft uw vader u nu bevolen te doen?" En hij antwoordde: "Ieder
+onzer moet trachten een ketting mee te brengen, lang genoeg om ons
+huis negen maal te omspannen." De prinses heette hem weer welkom en
+na het souper wees zij hem een gele kamer en zei: "Er zal vannacht
+weer iemand komen om u bang te maken; maar gij moet geen aandacht aan
+hem schenken en morgen zullen wij zien, wat wij voor u kunnen doen."
+
+En ja, omstreeks middernacht kwamen er een menigte geesten rond zijn
+bed dansen en maakten een vreeselijk geraas, maar hij volgde den raad
+der prinses en bleef kalm en rustig. Den volgenden morgen kwam er weer
+een bediende, om hem voor de prinses te geleiden en na het ontbijt gaf
+zij hem een mooie doos. Zij zei: "Neem deze doos mee naar uw vader en
+als hij nog wat anders wenscht, dan hebt gij slechts terug te keeren."
+
+De jongeman dankte haar en nam afscheid. Weer bemerkte hij, dat zijn
+broers voor hem waren thuisgekomen met hun kettingen, maar de hunne
+waren niet lang genoeg, zelfs niet om het huis een keer te omspannen,
+en zij waren ten zeerste verbaasd, toen hun jongste broer uit de doos,
+die de prinses hem had gegeven een reusachtigen gouden ketting haalde
+van de vereischte lengte. Verteerd door jaloezie riepen zij uit:
+"Gij zult den goeden naam van onze familie te schande maken, want
+dezen ketting moet gij gestolen hebben!"
+
+
+
+
+
+De derde tocht.
+
+
+Eindelijk zond de vader, moe van hun gekrakeel, hen weer weg, zeggende:
+"Gaat; laat ieder uwer zijn liefste meebrengen en ik zal u toestemming
+geven te trouwen." Daarop gingen de twee oudste broers vroolijk naar
+de meisjes, die zij liefhadden en de jongste spoedde zich weer naar
+de prinses om haar den wensch van zijn vader over te brengen. Toen
+zij hoorde, wat deze verlangde, zei de prinses: "Gij moet een derden
+nacht hier doorbrengen en dan zullen wij zien, wat wij doen kunnen."
+
+Na samen het souper gebruikt te hebben, bracht zij hem in een roode
+kamer. Gedurende den nacht hoorde hij weer een geluid, waarbij
+het bloed haast stolde van angst en in de duisternis fluisterde
+een geheimzinnige stem: "Deze jongeman staat op het punt zich mijn
+bezittingen en mijn kroon toe te eigenen!" Hij werd aangevallen door
+spoken en vampiers en uit zijn bed gesleept; maar wat er ook gebeurde,
+hij volhardde in het gebed en God redde hem.
+
+Toen hij den volgenden morgen voor de prinses verscheen, wenschte
+zij hem geluk met zijn dapperheid en zei hem, dat hij haar liefde
+had gewonnen. De jongeman was overstelpt van geluk en ofschoon hij
+het geheim van zijn liefde eigener beweging nooit geopenbaard zou
+hebben, beminde ook hij de prinses. Een barbier werd geroepen om het
+uiterlijk van den jongeman te verzorgen en een kleermaker om hem als
+prins te kleeden. Toen dit gedaan was, ging het paar naar de kapel
+van het kasteel en zij werden getrouwd.
+
+Eenige dagen later reden zij naar het dorp van den jongeman en
+toen zij voor zijn woning stil hielden, hoorden zij veel vreugde en
+muziek, waaruit zij opmaakten, dat de beide broers hun huwelijksfeest
+vierden. De jongere broer klopte aan de poort en toen de vader kwam,
+herkende hij zijn zoon niet in den rijk uitgedosten prins, die voor hem
+stond. Hij was verbaasd, dat zulke aanzienlijke gasten hem een bezoek
+zouden brengen en nog meer, toen de prins zei: "Goede man, wilt ge
+ons voor den nacht gastvrijheid verleenen?" De vader antwoordde: "Heel
+graag, maar wij vieren juist feest in ons huis, en ik ben bang, de deze
+eenvoudige lieden u met hun gezang en muziek zullen storen." Hierop
+zei de jonge prins: "O, neen, ik zou het prettig vinden de boeren te
+zien feestvieren, en mijn vrouw zal het nog prettiger vinden!"
+
+Nu gingen zij het huis binnen en terwijl de gastvrouw diep voor hen
+neeg, zei de prins tegen haar: "Wat moet u gelukkig zijn, dat ge uw
+beide zoons op denzelfden dag getrouwd ziet!" De vrouw zuchtte. "Ach,"
+zei zij, "aan den eenen kant beleef ik vreugde, aan den anderen kant
+verdriet; ik had een derden zoon, die ook de wereld in is gegaan en
+wie weet, welk onheil hem is overkomen."
+
+Na een poos vond de prins gelegenheid zijn oude kamer binnen te gaan,
+en een van zijn oude pakken kleeren over zijn prinselijk gewaad
+aan te trekken. Daarna keerde, hij naar de kamer terug, waar het
+feestmaal was gereed gezet en bleef achter de deur staan. Heel gauw
+zagen zijn beide broers hem en zij riepen uit: "Zie eens hier, vader,
+daar is u veel geprezen zoon, die heenging en stal als een dief!" De
+vader wendde zich om en toen hij den jongeman zag, riep hij uit:
+"Waar zijt gij zoo lang geweest en waar is uw liefste?"
+
+Toen sprak de jongste zoon: "Maak mij geen verwijten, het gaat mij
+even goed als u!" Onder het spreken legde hij zijn oude kleeren af
+en zijn prinselijk gewaad kwam te voorschijn. Daarna deed hij zijn
+verhaal en stelde zijn vrouw aan zijn ouders voor.
+
+De broers drukten nu hun spijt uit over hun gedrag en de prins schonk
+hun grootmoedig vergiffenis, waarna zij elkaar omhelsden; het feestmaal
+werd voortgezet en gedurende dagen werd er feest gevierd. Ten slotte
+verdeelde de jonge prins onder zijn vader en broeder groote stukken van
+zijn nieuwe landen en zij leefden allen lang en gelukkig met elkaar.
+
+
+
+
+
+Dieren als vrienden en als vijanden. [87]
+
+
+Eens, heel lang geleden, leefde er in een ver verwijderd land een
+jong edelman, die zoo buitengewoon arm was, dat zijn geheele bezitting
+bestond in een oud kasteel, een fraai paard, een trouwen hond en een
+goed geweer.
+
+Deze edelman besteedde al zijn tijd met jagen en schieten en leefde
+uitsluitend van de opbrengst van de jacht.
+
+Op zekeren dag besteeg hij zijn welverzorgd paard en reed naar het
+naburige woud, als gewoonlijk vergezeld van zijn trouwen hond. Toen
+hij in het bosch kwam, steeg hij af, maakte zijn paard stevig vast
+aan een jongen boom en ging toen diep het struikgewas in om het
+wild op te sporen. De hond rende een eind voor zijn meester uit,
+en het paard bleef geheel alleen rustig staan grazen. Nu gebeurde
+het, dat een hongerige vos voorbij kwam, en toen hij zag, hoe goed
+gevoed en verzorgd het paard er uit zag, bleef hij staan om hem te
+bewonderen. Langzamerhand kwam hij zoo onder de bekoring van het
+prachtige paard, dat hij zich in het gras neerlegde om het gezelschap
+te houden.
+
+Eenigen tijd daarna kwam de jongeman uit het bosch terug en droeg
+een hert, dat hij gedood had. Hij was buitengewoon verbaasd een vos
+naast zijn paard te zien liggen. Hij hief dus zijn geweer op met
+het plan hem te dooden; maar de vos rende recht op hem toe en zei:
+"Dood mij niet! Neem mij mee; ik zal u trouw dienen. Ik zal op uw
+mooi paard passen, als gij in het bosch zijt."
+
+De vos zag er zoo deerniswaardig uit, dat de edelman medelijden met
+hem kreeg en op zijn voorstel inging. Daarop steeg hij te paard,
+legde het hert, dat hij geschoten had, voor zich en reed naar zijn
+oude kasteel, op de hielen gevolgd door zijn hond en zijn nieuwen
+dienstknecht, den vos.
+
+Toen de jonge edelman zijn avondeten gereed maakte vergat hij niet den
+vos een behoorlijk aandeel te geven en deze wenschte zich zelf geluk,
+wijl hij waarschijnlijk nooit meer hongerig zou zijn, tenminste niet,
+zoolang hij zulk een ervaren jager diende.
+
+Den volgenden morgen ging de edelman weer op de jacht; de vos
+vergezelde hem ook nu. Toen de jongeman afsteeg en als gewoonlijk
+zijn paard aan een boom vastbond, legde de vos zich dicht bij het
+paard neer om het gezelschap te houden.
+
+Nu kwam er, terwijl de jager diep het bosch in was om naar wild
+te zoeken, een hongerige beer naar de plaats, waar het paard was
+vastgebonden en ziende hoe heerlijk vet het was, rende hij er heen om
+het te dooden. Daarop sprong de vos op en verzocht den beer het paard
+geen kwaad te doen. Hij voegde er aan toe, dat hij, als hij honger had,
+slechts behoefde te wachten, totdat zijn meester terugkwam uit het
+bosch en dan, hij was er zeker van, zou zijn heer hem ook meenemen
+naar zijn kasteel en voedsel geven en voor hem zorgen, zooals hij
+voor zijn paard, zijn hond en voor hemzelf zorgde.
+
+De beer dacht er eenigen tijd over na, heel wijs en diep, en besloot
+eindelijk den raad van den vos op te volgen. Hij ging daarom rustig
+naast het paard liggen en wachtte op den terugkeer van den jager. Toen
+de jonge edelman uit het bosch kwam, was hij ten zeerste verbaasd een
+grooten beer bij zijn paard te zien en na het hert, dat hij geschoten
+had, van zijn schouders te hebben laten vallen, hief hij zijn geweer
+op en was op het punt het beest te schieten. Maar de vos liep hard
+naar den jager toe en smeekte hem het leven van den beer te sparen
+en hem ook in zijn dienst te nemen. Daartoe besloot de edelman; en
+nadat hij zijn paard had bestegen, reed hij terug naar zijn kasteel,
+gevolgd door den hond, den vos en den beer.
+
+Den volgenden morgen, toen de jongeman weer met zijn hond naar het
+bosch was gegaan, en de vos en de beer rustig bij het paard lagen,
+sprong een hongerige wolf, die het paard zag, uit het kreupelhout om
+het te dooden. Maar de vos en de beer snelden op hem toe en verzochten
+hem het dier geen kwaad te doen. Zij vertelden hem aan welk een goeden
+meester het behoorde en dat hij er zeker van kon zijn, als hij maar
+wilde wachten, dat ook hij in dienst genomen en goed verzorgd zou
+worden. De wolf, hoe hongerig hij ook was, meende, dat 't het best
+was hun raad op te volgen en hij ging bij hen in het gras liggen,
+totdat hun meester uit het bosch kwam.
+
+Gij kunt u voorstellen, hoe verbaasd de jonge edelman was, toen hij
+een afschuwelijken, grooten wolf bij zijn paard zag liggen!
+
+Maar toen de vos hem het geval had verklaard, stemde hij er in toe
+den wolf ook in zijn dienst te nemen. Zoo gebeurde het, dat hij dien
+dag naar huis reed, gevolgd door den hond, den vos, den beer en den
+wolf. Daar zij allen hongerig waren, was het hert, dat hij geschoten
+had, niet te veel voor het avondeten van dien avond en het ontbijt voor
+den volgenden morgen. Niet veel dagen later voegde zich een muis bij
+het gezelschap en daarna verzocht een mol zoo nederig om opgenomen te
+worden, dat de goede edelman het niet over zijn hart kon verkrijgen
+zijn verzoek af te slaan. Eindelijk kwam ook de groote vogel, de
+Kumrekusha--een vogel, die zoo sterk is, dat hij in zijn klauwen een
+paard met zijn ruiter kan dragen! Spoedig daarop voegde een haas zich
+bij het gezelschap. De edelman droeg groote zorg voor zijn dieren en
+voedde ze geregeld en goed, zoodat zij allen buitengewoon veel van
+hem hielden.
+
+
+
+De raad der dieren.
+
+
+Op zekeren dag zei de vos tegen den beer: "Mijn beste Bruintje, ga
+alsjeblieft naar het bosch en haal mij een mooi groot blok, waarop ik
+plaats kan nemen, terwijl ik de zeer gewichtige vergadering presideer,
+die wij zullen houden."
+
+Bruin, die een grooten eerbied koesterde voor het scherpe vernuft
+en het goede beleid van den vos, ging er dadelijk op uit om een blok
+te zoeken en kwam spoedig met een heel zwaar terug, waarmede de vos
+zich zeer ingenomen betoonde. Daarna riep hij al de dieren om zich
+heen en na op het blok hout te zijn geklommen, sprak hij hen aldus aan:
+
+"Gij allen, mijn vrienden, weet welk een goeden, vriendelijken
+meester wij hebben. Maar hij is niet alleen heel vriendelijk, hij is
+ook zeer eenzaam. Ik stel dus voor, dat wij een geschikte vrouw voor
+hem gaan zoeken."
+
+De vergadering was blijkbaar zeer ingenomen met dit denkbeeld en
+antwoordde eenstemmig: "Dit zou werkelijk heel goed zijn, indien wij
+slechts een meisje kenden, waardig de vrouw van onzen heer te zijn;
+maar dat is niet het geval."
+
+Toen sprak de vos: "Ik weet, dat de koning een zeer mooie dochter
+heeft, en ik vind haar zoo geschikt voor onzen heer, dat ik voorstel
+haar te nemen. Verder stel ik voor, dat onze vriend de Kumrekusha
+dadelijk naar het paleis van den koning vliegt, en daarboven blijft
+zweven, totdat de prinses naar buiten komt om te wandelen." Daar de
+Kumrekusha blij was iets voor zijn goeden meester te kunnen doen,
+vloog hij onmiddellijk weg zonder zelfs de beslissing af te wachten,
+die de vergadering over het voorstel zou nemen.
+
+Juist voordat de avond inviel, kwam de prinses naar buiten om voor
+het paleis van haar vader te wandelen, waarop de groote vogel haar
+greep en zacht op zijn groote, uitgespreide vleugels zette en zoo
+bracht hij haar vlug naar het kasteel van den jongen edelman.
+
+De koning was buitengewoon bedroefd, toen hij hoorde, dat zijn dochter
+was weggevoerd; hij liet overal proclamaties voorlezen, waarin groote
+belooningen werden beloofd aan ieder, die haar terug zou brengen of
+zelfs maar de mededeeling deed, waar men haar zou kunnen vinden. Langen
+tijd waren al zijn beloften vergeefsch; want niemand in het geheele
+rijk wist iets van het verblijf van de prinses.
+
+Maar eindelijk, toen de koning er reeds aan wanhoopte, of hij haar
+ooit terug zou zien, kwam een oude zigeunervrouw naar het paleis
+en vroeg aan den koning: "Wat zult u mij geven, als ik uw dochter,
+de prinses, terugbreng?"
+
+De koning antwoordde snel: "Ik zal u graag alles geven, wat gij vraagt,
+indien gij mijn dochter maar terugbrengt!"
+
+De oude zigeunervrouw ging terug naar haar hut in het bosch en
+beproefde alle tooverkunsten om uit te vinden, waar de prinses
+was. Eindelijk ontdekte zij, dat de prinses in een oud kasteel woonde,
+in een ver afgelegen land, met een jongen edelman, die haar getrouwd
+had.
+
+
+
+Het toovertapijt.
+
+
+De zigeunervrouw was zeer verheugd, toen zij dit wist en, nadat zij
+een zweep in haar hand had genomen, ging zij dadelijk midden op een
+klein tapijt zitten en sloeg er met haar zweep op. Toen verhief het
+tapijt zich van den grond en droeg haar snel door de lucht naar het
+verre land, waar de jonge edelman in een eenzaam, oud kasteel met
+zijn mooie vrouw en zijn trouw gezelschap van dieren leefde.
+
+Toen de zigeuner vrouw bij het kasteel kwam, liet zij het tapijt
+neerdalen op het gras onder de boomen; zij liet het daar liggen en
+ging rond om te zien, of zij de prinses op haar wandeling in het park
+ook zou kunnen ontmoeten.
+
+Weldra kwam de schoone vrouw uit het kasteel en dadelijk liep de oude,
+leelijke vrouw op haar toe, begon haar te vleien en allerhande vreemde
+verhalen te doen. Ja, zij was zoo'n goede vertelster, dat de prinses
+al lang moe van het wandelen was, voordat zij vermoeid was van het
+luisteren. Toen zij het zachte tapijt dus op het groene gras zag
+liggen, zette zij er zich op neer om wat te rusten. Zoodra zij plaats
+had genomen, ging de sluwe, oude zigeunervrouw naast haar zitten:
+en nadat zij naar zweep had gegrepen, sloeg zij er verwoed mede
+op het tapijt. Het volgend oogenblik bemerkte de prinses, dat zij
+op het tapijt werd weggedragen van het kasteel van haar echtgenoot
+en na korten tijd liet de vrouw haar neerdalen in den tuin van het
+koninklijk paleis.
+
+Gij kunt u gemakkelijk indenken, hoe blij de koning was, toen hij zijn
+geliefde dochter terug zag en hoe edelmoedig hij de oude zigeunervrouw
+behandelde; hij gaf haar zelfs meer dan zij vroeg. Van nu af aan
+liet de koning de prinses in een afgezonderden toren wonen. Slechts
+twee kameniers mochten haar gezelschap houden, zoo bevreesd was hij,
+dat zij hem weer ontstolen zou worden.
+
+Ondertusschen riep de vos, die zag, hoe rampzalig en neerslachtig
+zijn jonge meester er uitzag, nadat zijn vrouw op onverklaarbare wijze
+ontvoerd was en nadat hij gehoord had, welke voorzorgsmaatregelen de
+koning genomen had, om te voorkomen, dat de prinses weer weggevoerd
+zou worden, nog eens de dieren samen tot een algemeene beraadslaging.
+
+Toen allen vereenigd waren, sprak de vos hen aldus aan: "Gij allen,
+mijn vrienden, weet, hoe gelukkig onze vriendelijke heer getrouwd
+was; maar gij weet ook, dat zijn vrouw hem ontstolen is en dat hij
+er nu veel erger aan toe is, dan hij was, voordat wij de prinses voor
+hem vonden.
+
+"_Toen_ was hij eenzaam; _nu_ is hij meer dan eenzaam--hij voelt zich
+verlaten! Zoo staat de zaak en daarom is het onze plicht, die van zijn
+getrouwe dienaren, om haar op de een of andere manier naar hem terug
+te voeren. Maar gemakkelijk zal dat niet gaan, daar de koning zijn
+dochter voor alle zekerheid in een sterken toren gevangen houdt. Ik
+wanhoop echter niet; luistert naar mijn plan; ik zal mij in een mooie
+kat veranderen en gaan spelen in den tuin van het paleis onder de
+ramen van den toren, die door de prinses wordt bewoond. Ik durf wedden,
+dat zij zal verlangen mij te bezitten, zoodra zij mij ziet en zij zal
+haar kameniers naar beneden zenden om mij te vangen en bij haar te
+brengen. Maar ik zal er wel voor oppassen, dat de kameniers mij niet
+vangen, zoodat de prinses eindelijk de bevelen van haar vader om den
+toren niet te verlaten zal vergeten en zelf in den tuin zal komen,
+om te zien, of zij zelf niet meer succes heeft. Ik zal doen, of ik
+mij laat vangen, en op dat oogenblik moet onze vriend de Kumrekusha,
+die in de omgeving van het paleis blijft zweven, snel naar beneden
+schieten, de prinses grijpen en evenals den vorigen keer wegvoeren. Op
+deze wijze hoop ik, beste vrienden, dat wij in staat zullen zijn onzen
+goeden meester zijn vrouw terug te geven. Keurt gij mijn plan goed?"
+
+De vergadering was natuurlijk maar al te blij zulk een wijs raadgever
+te hebben, die hen in staat stelde hun dankbaarheid te toonen aan hun
+heer. De Kumrekusha nam den vos onder zijn vleugels en vloog met hem
+weg; beiden waren even verlangend het plan uit te voeren en den ouden,
+opgeruimden trek weer terug te brengen op het gelaat van hun heer.
+
+Toen de Kumrekusha bij den toren kwam, waarin de prinses woonde,
+zette hij den vos stilletjes neer onder de boomen, waar deze dadelijk
+in een mooie kat veranderde, die allerhande bevallige sprongen maakte
+onder het raam, waarvoor de prinses zat. Het vel van de kat was in
+de meest verschillende tinten gekleurd en het duurde niet lang, of
+de prinses merkte haar op en zond haar beide vrouwen naar beneden om
+haar te vangen en bij zich te brengen in den toren.
+
+De twee kameniers kwamen in den tuin en riepen: "poesje, poesje!" met
+haar liefste stem; zij hielden haar brood en melk voor, maar boden
+het tevergeefs aan. De kat sprong vroolijk den tuin rond en wilde
+zich niet laten vangen.
+
+Eindelijk werd de prinses, die er voor haar raam naar had staan kijken,
+ongeduldig. Zij ging zelf naar beneden den tuin in en zei bestraffend:
+"Ge maakt de kat bang; laat mij eens beproeven haar te vangen!" Toen
+zij de kat naderde, die zich nu gewillig scheen te laten pakken,
+daalde de Kumrekusha snel neer, greep de prinses bij het middel en
+droeg haar hoog in de lucht.
+
+De verschrikte kameniers liepen naar den koning om hem te vertellen,
+wat er met de prinses was gebeurd; waarop de koning onmiddellijk
+al zijn hazewinden losliet om de kat te grijpen, die de oorzaak was
+geweest, dat de prinses ten tweede male werd weggevoerd. De honden
+volgden de kat kort op de hielen en waren op het punt haar te vangen,
+toen zij nog juist bijtijds een hol zag met een heel nauwe opening,
+dat een goede schuilplaats bood. Wel beproefden de honden haar te
+volgen en zij verwijdden de opening met hun pooten, maar alles was
+vergeefsch; na geruimen tijd verwoed te hebben geblaft, werden zij
+eindelijk moe en slopen beschaamd terug naar de stallen van den koning.
+
+Toen al de hazewinden uit het gezicht waren, veranderde de kat zich
+weer in een vos, en rende rechtstreeks naar het kasteel, waar hij zijn
+jongen meester in de gelukkigste stemming aantrof, want de Kumrekusha
+had zijn mooie vrouw reeds teruggebracht.
+
+
+
+De koning verklaart den oorlog aan de dieren.
+
+
+De koning was buitengewoon boos, toen hij bemerkte, dat hij zijn
+dochter weer verloren had en wat vooral zijn woede opwekte, dat was
+het feit, dat zulke armzalige dieren als een vogel en een kat er
+ondanks al zijn voorzorgen in geslaagd waren haar weg te voeren. In
+zijn groote woede besloot hij dus een algemeenen oorlog aan de dieren
+te verklaren en hen geheel uit te roeien. Voor dit doel verzamelde
+hij een groot leger, en besloot het zelf aan te voeren. De plannen
+van den koning waren weldra door het geheele koninkrijk bekend. En 't
+was naar aanleiding hiervan, dat de vos voor den derden keer al zijn
+vrienden bijeen riep--den beer, den wolf, den Kumrekusha, de muis,
+den mol en den haas--voor een groote vergadering.
+
+Toen allen verzameld waren, sprak de vos hen aldus aan: "Mijn vrienden,
+de koning heeft ons den oorlog verklaard, en is van plan ons geheel
+uit te roeien. Het is nu onze plicht ons te verdedigen zoo goed als
+wij kunnen. Laat elk onzer zien, hoeveel dieren hij in staat is aan
+te monsteren. Hoeveel van uw broeders, beeroom, denkt _gij_ te kunnen
+aanwerven om ons te helpen?"
+
+De beer ging zoo snel hij kon op zijn achterpooten staan en riep uit:
+"Ik ben er zeker van er honderd te kunnen verzamelen."
+
+"En hoeveel van _uw_ vrienden kunt gij bijeenbrengen, mijn goede
+wolf?" vroeg de vos nieuwsgierig.
+
+"Ik kan op zijn minst vijfhonderd wolven meebrengen," zei de wolf
+met een air van gewicht.
+
+De vos knikte zeer voldaan, en vervolgde: "En wat kunt _gij_ voor
+ons doen, beste meester haas?"
+
+"Wel ik denk er ongeveer achthonderd te kunnen brengen," zei de
+haas voorzichtig.
+
+"En wat kunt _gij_ doen, mijn lieve kleine muis?"
+
+"O, ik breng zeker drieduizend muizen mee."
+
+"Dat is werkelijk heel goed!--En _gij_ mijnheer mol?"
+
+"Ik ben er zeker van er achtduizend te kunnen verzamelen."
+
+"En hoe groot is het aantal dat _gij_ denkt te kunnen brengen, mijn
+groote vriend Kumrekusha?"
+
+"Ik vrees niet meer dan twee of driehonderd op zijn hoogst," zei de
+Kumrekusha treurig.
+
+"Heel goed; gaat nu allen dadelijk uw vrienden verzamelen; indien gij
+er zooveel hebt bijeengebracht, als maar mogelijk is, zullen wij kunnen
+besluiten, hoe wij moeten handelen," zei de vos; waarna de vergadering
+werd gesloten en de dieren zich in verschillende richtingen door het
+woud verspreidden.
+
+Niet lang daarna werden ongewone geluiden gehoord in de nabijheid van
+het kasteel. De boomen schudden geweldig, en het gebrom der beren,
+en het korte, scherpe geblaf der wolven verbrak de gewone rust van
+het bosch. Het leger der dieren trok van alle kanten op de aangegeven
+plaats samen. Toen allen verzameld waren, gaf de vos in de volgende
+woorden een uiteenzetting van de plannen: "Als het leger van den
+koning den eersten nacht na den grooten opmarsch halt houdt om te
+rusten, dan moet gij, beren en wolven, u gereed houden om de paarden
+te dooden. Indien het leger desondanks toch verder gaat, dan moet gij,
+muizen, gereed zijn al de zadelriemen en gordels door te bijten, als
+de soldaten den tweeden nacht rusten, en gij, hazen, moet de koorden
+doorknagen waaraan de mannen het kanon voorttrekken. Indien de koning
+den tocht toch voortzet, moet gij, mollen, gedurende den derden nacht
+de aarde uitgraven onder den weg, dien zij den volgenden dag zullen
+nemen--en een greppel maken volle vijftien meter breed en twintig
+meter diep, rondom het kamp. Als het leger den volgenden morgen over
+den grond marcheert, die ondergraven is, moet gij, Kumrekusha's zware
+steenen neer werpen, terwijl de aarde onder hun voeten bezwijkt."
+
+Het plan werd goedgekeurd en alle dieren gingen vlug heen, om de hun
+aangewezen taak uit te voeren.
+
+Toen het leger van den koning ontwaakte na den eersten nacht van rust
+op den grooten marsch, merkten de soldaten tot hun groote ontsteltenis,
+dat al de paarden gedood waren. Dit treurige nieuws werd dadelijk aan
+den koning gemeld; maar hij zond eenvoudig om nieuwe paarden--en toen
+deze laat op den dag kwamen, vervolgden zij hun weg.
+
+Den tweeden nacht kropen de muizen stilletjes het kamp binnen en
+knabbelden ijverig aan de zadels en aan de gordels der soldaten,
+terwijl de hazen even vlijtig knaagden aan de koorden, waaraan de
+manschappen het kanon voorttrokken.
+
+Den volgenden morgen waren de soldaten hevig verschrikt, toen
+zij zagen, welk onheil de dieren hadden aangericht. Maar de koning
+kalmeerde hen en zond een boodschap naar de stad om nieuwe zadels en
+gordels. Toen die eindelijk gebracht waren, vervolgde hij vastbesloten
+zijn marsch, bezield met nog meer haat tegen deze aanmatigende en
+verachtelijke vijanden.
+
+Den derden nacht, terwijl de soldaten sliepen, groeven de
+mollen onafgebroken door, teneinde een onderaardsche gracht te
+graven. Omstreeks middernacht liet de vos de beren aanrukken om de
+mollen te helpen en de ladingen zand weg te dragen.
+
+Den volgenden morgen waren de soldaten opgetogen, toen zij merkten,
+dat er dien nacht geen nieuwe onheilen gesticht schenen en zij
+begaven zich met nieuwen moed op reis. Maar aan hun marsch kwam
+spoedig een einde, want weldra zakten de ruiters en de artillerie
+door den hollen bodem en toen de koning dit merkte, zei hij: "Laat
+ons terugkeeren. Ik zie, dat God zelf tegen ons is in dezen oorlog,
+die wij aan de dieren hebben verklaard. Ik geef alle pogingen op om
+mij over mijn dochter te wreken."
+
+Toen keerde het leger terug onder het gejuich der soldaten, maar de
+manschappen bemerkten tot hun groote verbazing en vrees, dat zij,
+onverschillig welke richting zij ook insloegen, steeds door den grond
+zakten. Om hun ontsteltenis nog grooter te maken lieten de kumrekusha's
+nu zware steenen op hen neervallen, die hen geheel verpletterden. Op
+deze manier kwam de koning met zijn heele leger om.
+
+Heel spoedig daarna ging de jonge edelman, die de dochter van den
+koning had getrouwd, naar de hoofdstad van den vijand, en nam bezit
+van het paleis van den koning; hij nam al zijn dieren mee; en daar
+leefden zij allen lang en gelukkig met elkaar.
+
+
+
+
+
+De drie vrijers.
+
+
+In een ver verwijderd land leefde lang geleden een koning, die maar
+een kind had--een buitengewoon mooie dochter. Velen dongen naar de
+hand van de prinses en onder hen waren drie jonge edellieden, van wie
+de koning veel hield. Daar de koning echter van alle drie evenveel
+hield, kon hij niet besluiten aan wien hij zijn dochter tot vrouw zou
+geven.--Op zekeren dag riep hij de drie jonge edellieden bij zich en
+sprak als volgt: "Gaat alle drie een reis door de wereld maken. Hij,
+die mij het merkwaardigste van zijn reis mee terugbrengt, zal mijn
+schoonzoon worden."
+
+De drie begaven zich dadelijk op weg, waarbij elk hunner een
+verschillende richting insloeg; elk der drie koos een ander land om
+merkwaardige dingen te zoeken.
+
+Niet lang duurde het, of een der jonge edelen vond een prachtig tapijt,
+dat, wie er ook op ging zitten, snel door de lucht droeg.
+
+Een der anderen vond een bewonderingswaardigen verrekijker, waardoor
+hij iedereen en alles op de wereld kon zien en zelfs het veelkleurige
+zand op den bodem van de groote, diepe zee.
+
+De derde vond een wonderdadige zalf, die elke ziekte in de wereld
+kon genezen, en zelfs dooden tot het leven kon terugroepen.
+
+Nu waren de edele reizigers ver van elkaar af, toen zij deze
+wonderlijke dingen vonden. Maar toen de jongeman, die den verrekijker
+had gevonden, er door keek, zag hij een van zijn vroegere vrienden
+en tegenwoordige medeminnaars met een tapijt op zijn schouder loopen
+en daarom begaf hij zich op weg om zich bij hem te voegen. Daar hij
+door zijn wonderlijken verrekijker altijd kon zien, waar de andere
+edelman was, kostte het hem niet veel moeite den ander te vinden en
+toen de twee elkaar hadden getroffen, gingen zij naast elkaar op het
+tapijt zitten en het droeg hen door de lucht, totdat ook de derde
+reiziger zich bij hen voegde. Op zekeren dag, toen ieder had verteld,
+welke merkwaardige dingen hij op reis had ontmoet, riep een hunner
+plotseling: "Laat ons nu eens zien, wat de mooie prinses doet en waar
+zij is." Toen keek de edelman, die den verrekijker had gevonden,
+er doorheen, en zag tot zijn groote ontsteltenis en verslagenheid,
+dat de dochter des konings heel ziek lag en op het punt was te sterven.
+
+Hij vertelde dit aan zijn twee vrienden en medeminnaars en ook zij
+stonden als van den donder getroffen door het slechte nieuws--totdat
+hij, die de zalf had gevonden, zich eensklaps de wonderdadige kracht
+van zijn middel herinnerde en uitriep: "Ik ben er zeker van, dat
+ik haar zou kunnen genezen, als ik het paleis maar spoedig genoeg
+bereikte!" Toen de edelman, die het merkwaardige tapijt had gevonden,
+dit hoorde, riep hij uit: "Laten we op mijn tapijt gaan zitten,
+en het zal ons snel naar het paleis van den koning brengen!"
+
+Daarop gingen de drie edellieden op het tapijt zitten, dat zich
+onmiddellijk in de lucht verhief, en hen regelrecht naar het paleis
+droeg.
+
+De koning ontving hen dadelijk, maar zei treurig: "Het spijt mij
+voor u, want uw reizen zijn vergeefsch geweest. De prinses is helaas
+stervende; zij kan dus geen uwer trouwen!"
+
+Maar de edelman, die de wonderdadige zalf bezat, zei eerbiedig:
+"Vrees niet, sire, de prinses zal niet sterven!" En na toestemming
+te hebben gekregen om het vertrek binnen te gaan, waar zij ziek lag,
+legde hij de zalf zoo, dat zij ze kon ruiken. Na enkele oogenblikken
+leefde de prinses weer op en toen haar kamenier een weinig van de
+zalf in haar hand had gewreven, herstelde zij zoo snel, dat zij zich
+na enkele dagen reeds beter voelde, dan voor haar ziekte.
+
+De koning was zoo blij, dat zijn dochter hem uit den dood was
+teruggegeven, dat hij verzekerde, dat niemand haar zou trouwen dan
+de jonge edelman, wiens wonderdadige zalf haar had genezen.
+
+
+
+
+De twist.
+
+
+Maar nu ontstond er een groote twist tusschen de drie jonge edelen;
+hij, die de zalf had gevonden, verzekerde, dat de prinses gestorven
+zou zijn, als hij haar niet genezen had, en dat zij dan niemand zou
+hebben kunnen trouwen; de edelman, die den wonderbaren verrekijker had
+gevonden, verzekerde, dat zij zonder hem nooit zouden hebben geweten,
+dat de prinses stervende was en zijn vriend dan ook niet de zalf
+zou hebben gebracht om haar te genezen, terwijl de derde edelman hun
+bewees, dat zonder medewerking van zijn tapijt noch de zalf noch de
+verrekijker de prinses iets zou hebben geholpen, daar zij zulk een
+afstand op andere wijze niet intijds zouden hebben afgelegd om haar
+te redden.
+
+Toen de koning van dezen twist hoorde, sprak hij tot hen: "Mijne
+heeren, uit hetgeen gij gezegd hebt, merk ik, dat het niet billijk
+zou zijn mijn dochter aan een uwer te geven; daarom verzoek ik u het
+denkbeeld om haar te trouwen geheel op te geven en weer vrienden te
+worden, zooals gij waart, voordat gij medeminnaars werdt."
+
+De drie jonge edelen zagen in, dat de koning geen beter besluit had
+kunnen nemen; daarom verlieten zij allen hun vaderland en begaven
+zich naar een verwijderde woestijn, waar zij als kluizenaars gingen
+leven. En de koning gaf de prinses aan een ander edelman.
+
+Vele, vele jaren waren voorbij gegaan, sinds het huwelijk van de
+prinses, toen haar echtgenoot door haar vader naar een ver verwijderd
+land werd gezonden, waarmede hij in oorlog was gewikkeld. De edelman
+nam zijn vrouw, de prinses, met zich mee, daar het mogelijk was,
+dat hij genoodzaakt zou zijn heel lang weg te blijven. Nu gebeurde
+het, dat een hevige storm opstak, juist toen het schip, waarop de
+prinses en haar echtgenoot zich bevonden, een vreemde kust naderde,
+en toen de orkaan op zijn hevigst was, sloeg het schip tegen rotsen,
+en ging dadelijk onder. Allen aan boord kwamen in de golven om,
+uitgenomen de prinses, die zich stevig vasthield aan een boot en door
+wind en getij naar de kust werd gedreven. Dit was, naar het scheen,
+een onbewoond land, en toen zij een klein hol in een rots ontdekte,
+bleef zij daar en leefde er gedurende drie jaren; zij voedde zich
+met wilde grassen en vruchten. Elken dag zocht zij naar een weg om
+door het bosch, dat het hol omgaf, te ontkomen, maar zij kon er geen
+vinden. Op zekeren dag echter, toen zij zich verder dan gewoonlijk
+van het hol had verwijderd, kwam zij eensklaps bij een ander hol,
+dat tot haar groote verbazing door een kleine deur was afgesloten. Zij
+beproefde herhaaldelijk de deur te openen, want zij was voornemens daar
+den nacht door te brengen; maar al haar pogingen waren vruchteloos,
+zoo stevig was de deur gesloten.
+
+Eindelijk echter riep een diepe stem van uit het hol: "Wie is daar
+aan de deur?"
+
+Op het hooren van een menschelijke stem was de prinses zoo ontsteld,
+dat zij gedurende enkele oogenblikken niet kon antwoorden; toen
+zij zich hersteld had, zei zij: "Ik smeek u de deur voor mij te
+openen!" Onmiddellijk werd de deur van binnen geopend en zij zag
+tot haar schrik een ouden man met een dikken, grijzen baard, die tot
+aan zijn middel reikte en lange witte haren, die over zijn schouders
+golfden.
+
+Wat de prinses het meest beangst maakte, was, dat zij hier, in dezelfde
+woestijn, waar zij drie jaar had gewoond zonder een levende ziel te
+ontmoeten, nu een man aantrof.
+
+De kluizenaar en de prinses keken elkaar lang en ernstig aan zonder
+een woord te spreken. Eindelijk echter zei de oude man: "Zeg mij:
+zijt gij een engel of een dochter van deze wereld?"
+
+Toen antwoordde de prinses: "Oude man, laat mij een oogenblik
+uitrusten en dan zal ik u mijn geheele geschiedenis vertellen, ook
+wat de oorzaak is, dat ik hier ben."
+
+De kluizenaar haalde eenige wilde peren te voorschijn, en toen de
+prinses er een paar van gebruikt had, begon zij hem te vertellen,
+wie zij was en hoe zij in deze woestijn kwam. Zij zei: "Ik ben de
+dochter van een koning, en eens, vele jaren geleden, hebben drie
+jonge edellieden van mijns vaders hof mij aan den koning ten huwelijk
+gevraagd. Nu was de koning dezen drie jongen mannen allen even genegen,
+zoodat hij niet graag een hunner leed deed; daarom zond hij ze heen om
+verre landen te doorreizen en beloofde hun, dat hij bij hun terugkomst
+een beslissing zou nemen.
+
+"De drie edellieden bleven langen tijd weg; en terwijl zij nog ergens
+buitenslands waren, werd ik gevaarlijk ziek. Ik was op het punt
+te sterven, toen zij alle drie plotseling terugkeerden; een hunner
+bracht een wonderdadige zalf mee, die mij onmiddellijk genas; de twee
+anderen brachten even merkwaardige dingen mede--een tapijt, dat elk,
+die er zich op neerzette, door de lucht kon dragen, een verrekijker,
+waarmede men iedereen en alles in de wereld tot zelfs het zand op
+den bodem van de zee kon zien."
+
+
+
+De herkenning.
+
+
+Zoover was de prinses met haar verhaal gekomen, toen de kluizenaar
+haar plotseling in de rede viel met de woorden: "Alles, wat daarna
+gebeurde, weet ik even goed als gij. Zie mij aan, dochter! Ik was een
+dier edellieden, die dongen naar uw hand en hier is de wonderbare
+verrekijker." En de kluizenaar haalde, voordat hij verder ging,
+het instrument uit een nis in den wand van het hol te voorschijn.
+
+"Mijn twee vrienden en medeminnaars kwamen met mij naar deze
+woestijn. Wij gingen echter dadelijk van elkaar en hebben elkaar
+nooit meer ontmoet. Ik weet niet, of zij nog leven of dood zijn,
+maar ik wil naar hen uitzien."
+
+De kluizenaar keek toen door zijn verrekijker en zag, dat de beide
+andere edellieden evenals hij leefden in holen in verschillende deelen
+van de woestijn. Nadat hij dit had ontdekt, nam hij de prinses bij de
+hand en voerde haar naar de andere kluizenaars. Toen allen hereend
+waren, vertelde de prinses haar avonturen, die zij had beleefd,
+sinds het vergaan van het schip, waarin haar echtgenoot omgekomen
+was en waarvan zij alleen werd gered.
+
+Het deed de drie edele kluizenaars genoegen haar nog eens levend te
+zien; maar zij waren het er dadelijk over eens, dat zij haar naar
+den koning, haar vader, moesten terugzenden.
+
+Zij gaven de prinses toen den wonderbaren verrekijker en de
+wonderdoende zalf en zetten haar op het wonderdadige tapijt, dat
+haar en haar schatten snel en veilig naar het paleis van haar vader
+bracht. En wat de drie edellieden betrof, zij bleven, steeds als
+kluizenaars levende, in de woestijn, met dit verschil echter, dat
+zij elkaar nu en dan bezochten, zoodat de jaren hen niet zoo lang en
+eentonig leken. Want zij hadden elkaar nog vele avonturen te vertellen.
+
+De koning was buitengewoon blij, dat hij zijn eenig kind weer veilig
+terugzag en de prinses leefde vele jaren met haar vader; maar noch
+de koning noch de prinses konden de drie edelen geheel vergeten,
+die terwille van haar als kluizenaars leefden in de woestijn van een
+ver verwijderd land.
+
+
+
+
+De droom van den koningszoon.
+
+
+Er was eens een koning, die drie zoons had. Op zekeren avond, toen
+de jonge prinsen zich te slapen legden, zeide de koning tot hen,
+dat zij goed acht moesten geven op 't geen zij droomden en dat zij
+hem den volgenden morgen hun droom moesten vertellen. Den volgenden
+morgen gingen de prinsen, zoodra zij ontwaakten, naar hun vader en
+toen de koning hen zag, vroeg hij den oudste:
+
+"Nu, wat hebt gij gedroomd?"
+
+De prins antwoordde: "Ik heb gedroomd, dat ik de erfgenaam van den
+troon was."
+
+En de tweede zei: "Ik droomde, dat ik de eerste onderdaan in het
+koninkrijk zou zijn."
+
+Toen sprak de jongste: "Ik droomde, dat ik mijn handen waschte en dat
+de prinsen, mijn broeders, de kom vasthielden, terwijl de koningin,
+mijn moeder, fijne handdoeken ophield, waaraan ik mijn handen zou
+kunnen afdrogen en Uwe Majesteit zelf schonk er water over heen uit
+een gouden emmer."
+
+De koning werd, toen hij dit hoorde, zeer vertoornd en riep uit:
+"Wat! ik--de koning--zou water schenken over de handen van mijn
+eigen zoon! Verwijder u onmiddellijk uit mijn paleis en uit mijn
+koninkrijk! Gij zijt niet langer mijn zoon."
+
+De arme, jonge prins deed al zijn best vrede met zijn vader te sluiten,
+en zei, dat hij toch werkelijk niet te laken was om hetgeen hij had
+gedroomd; maar de koning werd steeds woedender, en wierp eindelijk
+eigenhandig de prins uit het paleis.
+
+Zoo was de prins genoodzaakt verschillende landen door te trekken,
+totdat hij op zekeren dag in een groot bosch een hol ontdekte, dat hij
+binnen ging om er in te rusten. Daar vond hij tot zijn groote verbazing
+en vreugde een grooten ketel vol maïs, die op het vuur stond te koken
+en daar hij buitengewoon hongerig was, bediende hij zich zelf van de
+maïs. Hij ging daarmede door, tot hij tot zijn ontsteltenis bemerkte,
+dat hij bijna al de maïs had opgegeten. Bevreesd, dat er onheil uit zou
+kunnen voortkomen, keek hij rond naar een plaats, waar hij zich zou
+kunnen verbergen. Op dat oogenblik ontstond een groot geraas aan den
+ingang van het hol, en hij had zich nauwelijks in een donkeren hoek
+teruggetrokken, of een blinde, oude man kwam binnen. Hij zat op een
+groote geit, terwijl hij een groot aantal geiten voor zich uitdreef.
+
+De oude man reed regelrecht naar den ketel; toen hij bemerkte, dat
+bijna al de maïs er uit verdwenen was, vermoedde hij, dat er iemand
+in het hol moest zijn en tastend ging hij het hol rond, totdat hij
+den prins greep,
+
+"Wie zijt gij?" vroeg hij boos en de prins antwoordde:
+
+"Ik ben een arme zwerver, die de wereld doortrekt, een dak heb ik
+niet en ik smeek u mij gastvrijheid te verleenen."
+
+"Wel," sprak de oude man, "waarom niet? Ik zal tenminste iemand
+hebben, die toezicht op mijn maïs houdt, als ik met mijn geiten in
+het bosch ben."
+
+Zoo leefden zij eenigen tijd te zamen; de prins bleef in het hol,
+om de maïs te koken, terwijl de oude man zijn geiten elken morgen
+het woud indreef.
+
+Op zekeren dag zei de oude man echter tot den prins: "Ik vind, dat gij
+heden met de geiten moest uitgaan; ik zal thuis blijven bij de maïs."
+
+Hierin stemde de prins toe, daar hij er genoeg van had altijd rustig
+in het hol te blijven. Maar de oude man voegde er aan toe: "Vergeet
+een ding niet! Er zijn negen verschillende heuvels; gij kunt de geiten
+vrij op acht er van laten grazen, maar in geen geval moet gij naar
+den negenden gaan. Daar verblijven de veele en zij zullen u zeker de
+oogen uitsteken, evenals zij het mij hebben gedaan, indien gij het
+waagt op haar heuvel te komen."
+
+De prins dankte den ouden man voor zijn waarschuwing, steeg daarna
+op de groote geit en dreef de andere geiten voor zich uit naar buiten.
+
+Voortdurend achter de geiten aanrijdend, deed hij achtereenvolgens
+alle acht heuvels aan en toen hij den laatsten bereikte, kon hij
+den negenden zien. Toen kon hij de verzoeking niet weerstaan dien
+op te gaan. Daarom zei hij tegen zich zelf: "Ik wil het er op wagen,
+wat er ook gebeure!"
+
+
+
+De Prins en de veele.
+
+
+Ternauwernood had hij zijn voet op den negenden heuvel gezet, of
+de veele omringden hem, en maakten zich gereed hem de oogen uit te
+steken. Op het laatste oogenblik viel hem echter een gelukkige gedachte
+in en hij riep haastig: "Lieve veele, waarom zoudt gij deze zonde op
+uw hoofd laden? Ik stel u voor de volgende afspraak te maken. Indien
+gij over een boom springt, dien ik daar neer zal leggen, moogt gij
+mij de oogen uitsteken, en ik zal er u niet om laken!"
+
+De veele stemden hierin toe en de prins ging heen en haalde een grooten
+boom, dien hij bijna tot aan den wortel doormidden hieuw. Toen hij
+dit gedaan had, dreef hij er een wig in, om de twee helften van
+elkaar te houden. Nadat hij den stam weer rechtop had geplaatst,
+sprong hij er eerst over en zei toen tegen de veele: "Nu is het uw
+beurt. Laat eens zien, of gij over den boom kunt springen!"
+
+Een veela beproefde er over te springen, maar toen zij tusschen de
+twee helften zweefde, sloeg de prins de wigge er uit, de stam sloot
+zich en hield de veela vast. Toen werden al de anderen bang en zij
+verzochten hem den stam te openen en haar zuster vrij te laten; op
+haar beurt beloofden zij, dat zij hem alles zouden geven, wat hij mocht
+vragen. Toen sprak de prins: "Ik verlang niets anders dan dat ik mijn
+oogen mag behouden en dat gij het gezicht teruggeeft aan den armen,
+ouden man." De veele gaven hem nu een bosje kruiden, zeiden hem, dat
+hij dat op de oogen van den ouden man moest leggen, waarna hij het
+gezicht terug zou krijgen. De prins nam het kruid, opende den boom
+een weinig, zoodat de veela vrij kwam, en reed toen op de geit terug
+naar het hol, waarbij hij weer al de andere geiten voor zich uit dreef.
+
+Toen hij thuiskwam, legde hij dadelijk het kruid op de oogen van den
+ouden man en oogenblikkelijk had deze tot zijn buitengewone verbazing
+en vreugde zijn gezicht terug.
+
+Den volgenden morgen gaf de oude man, voordat hij op zijn geit uitreed,
+aan den prins de sleutels van acht kabinetjes, die in het hol waren;
+hij waarschuwde hem in geen geval het negende kabinet te openen,
+al hing de sleutel vlak tegenover de deur. Daarna vertrok hij, nadat
+hij den prins nog had opgedragen er goed voor te zorgen, dat de maïs
+voor het avondeten gereed kwam.
+
+Toen hij alleen was gelaten in het hol, begon hij er over te peinzen,
+wat er toch wel in het negende kabinet zou kunnen zijn en eindelijk
+kon hij geen weerstand bieden aan de verzoeking den sleutel te nemen
+en de deur te openen om er een blik in te werpen.
+
+
+
+Het gouden paard.
+
+
+Wat was hij verbaasd, toen hij een gouden paard met een gouden hazewind
+naast zich zag en verder een gouden hen met gouden kuikens, die bezig
+waren gouden gierstkorrels op te pikken.
+
+De jonge prins staarde er eenigen tijd naar en bewonderde hun
+schoonheid; toen sprak hij tot het gouden paard:
+
+"Vriend, ik geloof, dat het beter is, dat wij deze plek verlaten,
+voordat de oude man terugkomt."
+
+"Heel best," antwoordde het gouden paard. "Ik ben volkomen bereid
+heen te gaan, maar sla den goeden raad, dien ik u geven zal, niet in
+den wind. Ga zooveel linnen halen, als ge krijgen kunt om over de
+steenen bij den ingang van het hol te leggen; want als de oude man
+het gekletter van mijn hoeven hoort, zal hij u zeker dooden. Verder
+moet gij een kleinen steen meenemen, een druppel water en een schaar
+en op het oogenblik, dat ik u zeg, dat ge ze neer moet werpen, moet
+gij mij dadelijk gehoorzamen--anders zijt gij verloren."
+
+De prins deed alles, wat het gouden paard had bevolen, en na de
+gouden hen met de kuikens in den zak te hebben gedaan, nam hij dien
+onder zijn arm, steeg te paard en reed snel het hol uit, waarbij
+de gouden hazewind, dien hij aan een leeren riem meevoerde, hem
+volgde. Maar zoodra zij in de open lucht waren, hoorde de oude man,
+ofschoon hij ver weg op een verwijderden berg zijn geiten hoedde,
+het gekletter van de gouden hoeven en hij riep tegen zijn groote geit:
+"Zij zijn weggeloopen. Laten we hen dadelijk volgen."
+
+In merkwaardig korten tijd zat de oude man op zijn groote geit
+den prins dicht op de hielen. Toen zei het paard: "Werp uw kleinen
+steen neer!"
+
+Op hetzelfde oogenblik, waarop de prins het steentje had neergeworpen,
+verhief zich een rotsige berg tusschen hem en den ouden man, en voordat
+de geit er overgeklommen was, had het gouden paard een heel stuk op
+de vervolgers gewonnen. Maar heel spoedig had de oude man hen weer
+ingehaald en toen riep het paard: "Werp den druppel water neer!"
+
+De prins gehoorzaamde onmiddellijk en zag toen tot zijn verbazing,
+dat een breede rivier tusschen hem en zijn vervolger stroomde.
+
+Het kostte den ouden man en zijn geit zooveel tijd om de rivier over
+te steken, dat de prins op zijn gouden paard hem ver voor kwam; maar
+desondanks duurde het niet lang, of het paard had de geit weer zoo
+dicht achter zich, dat het riep: "Werp de schaar neer!" En toen de
+geit er over liep, bezeerde zij ernstig haar pooten.
+
+Toen de oude man dit zag, riep hij uit: "Nu ik merk, dat ik u niet
+kan inhalen, moogt gij houden, wat gij genomen hebt. Maar gij zult
+verstandig doen naar mijn raad te luisteren. De menschen zullen u
+zeker dooden om uw gouden paard; daarom deedt gij beter dadelijk een
+ezel te koopen, en met de huid uw paard te overdekken en doe hetzelfde
+met uw gouden hazewind."
+
+Toen hij dit gezegd had, wendde de oude man zich om en keerde terug
+naar zijn hol; de prins volgde zijn raad onmiddellijk op en bedekte
+zijn gouden paard met een ezelhuid en zijn gouden hazewind eveneens.
+
+Na een lange reis kwam de prins onverwacht in het koninkrijk van zijn
+vader. Daar hoorde hij, dat de koning een gracht had laten graven,
+die driehonderd meter breed en vierhonderd meter diep was en dat hij
+had laten bekend maken, dat hij, die zijn paard er over kon laten
+springen, de prinses, zijn dochter, tot vrouw zou krijgen.
+
+Bijna een geheel jaar was verloopen sedert de bekendmaking, maar
+tot nu toe had zich niemand aan den sprong gewaagd. Toen de prins dit
+hoorde, zei hij: "Ik zal er met mijn ezel en mijn hond over springen,"
+en hij sprong er over.
+
+De koning was echter zeer boos, toen hij vernam, dat een armoedig
+gekleed man op een ezel den sprong over de breede gracht had durven
+doen, die zijn dapperste ridders had afgeschrikt; daarom liet hij den
+vermomden prins met zijn ezel en zijn hond in een van zijn diepste
+kerkers werpen.
+
+Den volgenden morgen stuurde de koning een van zijn bedienden om te
+zien, of de man nog leefde, doch deze snelde zeer ontsteld naar hem
+terug en vertelde hem, dat hij in den kerker inplaats van een armen man
+met een ezel, een jongen, fraai uitgedoschten ridder, een gouden paard,
+een gouden hazewind en een gouden hen omringd door gouden kuikens, die
+gouden gierstkorrels van den grond oppikten, had aangetroffen. Toen
+sprak de koning: "Dat moet een machtig prins zijn." Daarom gaf hij
+bevel aan de koningin en de prinsen, zijn zoons, om alles voor de
+ontvangst van den vreemdeling gereed te maken en te zorgen, dat hij
+zijn handen zou kunnen wasschen. Toen ging hij zelf naar beneden,
+naar den kerker en bracht den prins met veel plichtplegingen naar
+boven, waarmee hij de slechte behandeling, die de prins ondergaan had,
+weer wilde goedmaken. De koning zelf nam een gouden emmer vol water,
+en schonk het over de handen van den prins, terwijl de beide prinsen
+de kom vasthielden en de koningin fijne handdoeken ophield, waaraan
+hij zijn handen kon drogen.
+
+Toen dit gedaan was, riep de jonge prins uit: "Nu is mijn droom
+vervuld," en op eens herkenden zij hem en zij waren zeer blij hem
+weer in hun midden te zien.
+
+
+
+
+De bijter gebeten.
+
+
+Er was eens een oud man, die telkens, als hij hoorde, dat iemand
+zich er over beklaagde, dat hij zooveel zoons had, lachte en zei:
+"Ik wilde, dat het God behaagde mij honderd zoons te geven!"
+
+Dit zei hij voor de grap; maar in den loop van den tijd kreeg hij
+inderdaad honderd zoons.
+
+Hij had moeite genoeg om verschillende ambachten voor zijn zoons
+te vinden, maar toen zij eenmaal allen gevestigd waren, werkten zij
+ijverig en verdienden een overvloed van geld. Nu deed zich echter een
+nieuwe moeielijkheid voor. Op zekeren dag kwam de oudste zoon naar
+hem toe en zei: "Lieve vader, ik geloof, dat het meer dan tijd is,
+dat ik trouw."
+
+Ternauwernood had hij dit gezegd, of de tweede zoon kwam, en zei:
+"Beste vader, ik geloof, dat het hoog tijd is, dat u eens naar een
+vrouw voor mij uitziet."
+
+Een oogenblik later kwam de derde zoon en vroeg: "Lieve vader, vindt
+u niet, dat het hoog tijd is, dat u een vrouw voor mij zoekt?" Met
+dezelfde boodschap kwamen ook de vierde en de vijfde, tot het geheele
+honderdtal hetzelfde verzoek had gedaan. Allen wenschten te trouwen en
+verzochten hun vader zoo spoedig mogelijk een vrouw voor hen te zoeken.
+
+De oude man was niet weinig in verlegenheid gebracht door deze
+verzoeken; hij zei evenwel tegen zijn zoons: "Heel goed, mijn zoons,
+_ik_ heb er niets tegen, dat gij trouwt; ik vrees echter, dat het
+niet gemakkelijk zal gaan. Gij vraagt alle honderd een vrouw, en ik
+betwijfel, of er wel honderd huwbare meisjes in de vijftien dorpen
+van onze omgeving te vinden zijn."
+
+Maar hierop antwoordden de zoons: "Maak u daarover niet ongerust;
+bestijg uw paard en neem in uw zak een voldoend aantal verlovingskoeken
+mee. Gij moet ook een stok in uw hand nemen, waarin gij een inkerving
+maakt, telkens als gij een meisje ziet. Het komt er niet op aan, of
+zij mooi of leelijk, kreupel of blind is--maak een insnijding voor
+elk meisje, dat u ontmoet."
+
+De oude man zei: "Dat is heel verstandig gesproken, mijn zoons! Ik
+zal precies doen, wat gij mij gezegd hebt."
+
+Hij steeg dus te paard, nam een zak vol koeken op zijn schouders en
+een langen stok in zijn hand en vertrok om de omgeving af te zoeken
+naar meisjes, die zijn zoons zouden kunnen trouwen.
+
+De oude man reisde van dorp tot dorp, een gansche maand lang en als
+hij een meisje zag, maakte hij een insnijding in zijn stok. Maar het
+verveelde hem toch en hij begon te tellen, hoeveel kerfjes hij reeds
+had. Toen hij ze zorgvuldig had geteld, telkens en telkens weer, om er
+zeker van te zijn, dat hij er geen had overgeslagen, kon hij het toch
+niet verder dan vierenzeventig brengen, zoodat er nog zesentwintig
+ontbraken om het honderdtal vol te maken. Maar hij was zoo afgemat
+door zijn reis van een maand, dat hij besloot naar huis terug te
+keeren. Onder het rijden zag hij een priester, die ossen voortdreef,
+welke voor een ploeg waren gespannen. De priester was, naar het
+scheen, over het een of ander zeer diep in gedachten verzonken. Nu
+was de oude man een beetje verbaasd, toen hij zag, dat de priester
+zijn eigen korenvelden ploegde, zonder dat hij zelfs een jongen had
+om hem te helpen; daarom riep hij hem toe: "Waarom bestuurt ge zelf
+uw ossen?" Maar de priester hief zelfs zijn hoofd niet op om te zien,
+wie hem riep; zoo was zijn aandacht in beslag genomen door zijn werk,
+het voortdrijven van zijn ossen en het sturen van zijn ploeg.
+
+De oude man dacht, dat hij niet luid genoeg had gesproken, daarom
+riep hij nog eens zoo hard als hij kon: "Laat uw ossen een oogenblik
+stilstaan en vertel mij eens, waarom gij zelf bezig zijt met ploegen,
+en waarom geen jongen u helpt--en dat nog wel op een heiligendag!"
+
+Nu antwoordde de priester--wien het zweet langs het gelaat liep,
+zoo hard werkte hij--knorrig: "Ik bezweer u bij uw ouden dag, laat
+mij met rust! Ik kan u mijn ongeluk niet vertellen."
+
+
+
+
+
+De honderd dochters.
+
+
+Maar dit antwoord maakte den ouden man nog nieuwsgieriger en nog
+sterker drong hij er op aan te mogen hooren, waarom de priester op een
+heiligendag werkte. Eindelijk, toen het hem begon te vervelen, zuchtte
+de priester diep en zei: "Nu, als gij het _wilt_ weten, ik ben de
+eenige man in mijn gezin. God heeft mij gezegend met honderd dochters?"
+
+De oude man was overgelukkig, toen hij dit hoorde en riep vroolijk uit:
+"Dat komt goed uit! Het is precies, wat ik noodig heb, want _ik_
+heb honderd zoons, en daar gij honderd dochters hebt, kunnen wij
+vrienden worden!"
+
+Zoodra de priester dit hoorde, werd hij vriendelijk en spraakzaam en
+noodigde den ouden man uit den nacht in zijn huis door te brengen. Hij
+liet zijn ploeg op den akker staan en dreef zijn ossen terug naar het
+dorp. Juist voor zij het huis bereikten, zei hij tegen den ouden man:
+"Ga zelf in huis, terwijl ik mijn ossen vastbind."
+
+Maar nauwelijks had de oude man het erf betreden, of de vrouw van
+den priester liep hard op hem toe met een dikken stok en riep:
+"Wij nebben geen brood genoeg voor onze honderd dochters en daarom
+kunnen wij geen bedelaars en ook geen bezoekers ontvangen," en met
+deze woorden joeg ze hem weg.
+
+Spoedig daarna kwam de priester uit de schuur en toen hij den ouden
+man op den weg voor het hek zag zitten, vroeg hij hem, waarom hij
+het huis niet was binnen gegaan, gelijk hij hem gezegd had.
+
+Daarop antwoordde de oude man: "Ik ben naar binnen gegaan, maar uw
+vrouw joeg mij weg!"
+
+Toen sprak de priester: "Wacht een oogenblik, totdat ik u kom
+halen." Toen ging hij gauw het huis in, en schold zijn vrouw flink
+uit. Hij riep haar toe: "Wat hebt gij gedaan? Welk een mooie kans
+hebt gij daar bedorven! De man, die naar binnen kwam, moeten wij te
+vriend houden, want hij heeft honderd zoons, die onze dochters graag
+willen trouwen!"
+
+Toen de vrouw dit hoorde, trok zij vlug een ander gewaad aan en
+maakte snel haar en hoofdtooi op. Daarna glimlachte zij heel lief,
+en heette met de grootst mogelijke voorkomendheid den ouden man
+welkom, toen haar man hem binnen bracht. Ja ze deed, alsof zij
+er zich niets meer van herinnerde, dat er iemand de deur uit was
+gejaagd. En daar de oude man voor alles verlangde de echtgenooten
+voor zijn zoons te vinden, deed hij ook, alsof hij niet wist, dat de
+glimlachende vrouw des huizes dezelfde was, die hem met een stok had
+weggejaagd. De oude man bracht dus den nacht in het huis door en den
+volgenden morgen vroeg hij den priester in allen vorm hem zijn honderd
+dochters voor zijn honderd zoons te geven. Daarop zei de priester,
+dat hij daartoe gaarne bereid was en er reeds met zijn dochters over
+gesproken had en dat ook zij bereid waren. Toen haalde de oude man
+de verlovingskoeken te voorschijn en legde ze naast zich neer op
+de tafel; en hij gaf elk meisje ook een stuk geld. Daarna gaf elk
+der verloofde meisjes hem voor dien zoon, met wien zij verloofd was,
+een klein geschenk mee. Deze geschenken deed de oude man in den zak,
+waarin de "verlovingskoeken" waren geweest. Daarna steeg hij te paard
+en reed vroolijk naar huis. Er heerschte groote vreugde in zijn gezin,
+toen men hoorde, hoe goed hij was geslaagd en dat hij werkelijk honderd
+meisjes had gevonden, die gereed en bereid waren uitgehuwelijkt te
+worden en dat deze honderd de dochters van een priester waren.
+
+De zoons drongen er op aan, dat zonder dralen een begin zou worden
+gemaakt met de voorbereidselen tot het huwelijk en zij begonnen
+dadelijk de gasten te noodigen, die deel uit zouden maken van de
+huwelijksprocessie, welke zich naar het huis van den priester begeven
+en de bruiden thuis zou brengen.
+
+Maar hier deed zich een andere moeielijkheid voor. De oude vader moest
+twee honderd geleiders voor de bruiden zoeken (voor elke bruid twee);
+honderd kooms; honderd starisvats; honderd chaious (hardloopende
+voetknechten, die voor de processie uitgaan) en drie honderd voïvodes
+(vaandeldragers); en bovendien een behoorlijk aantal andere gasten. Om
+deze allen te vinden, moest de vader drie jaar de omgeving afjagen;
+doch eindelijk waren ze gevonden en er werd een dag bepaald, waarop
+zij bij zijn huis zouden samenkomen om zich vandaar in processie naar
+het huis van den priester te begeven.
+
+
+
+De huwelijksprocessie.
+
+
+Op den bepaalden dag verzamelden zich al de genoodigde gasten bij het
+huis van den ouden man. Na veel geraas en verwarring, en na rijkelijk
+genoten te hebben van het feestmaal, stelde de huwelijksprocessie
+zich in beweging en begaf zich op weg naar het huis van den priester,
+waar de honderd bruiden zich al gereed gemaakt hadden voor haar
+vertrek naar haar nieuw tehuis.
+
+Zoo groot was de verwarring bij het vertrek geweest, dat de oude
+man niet eens merkte, dat een van de honderd zoons ontbrak en hem in
+het geheel niet miste bij het groeten en praten en drinken, waartoe
+hij als vader van de bruidegoms verplicht was. Nu had deze jonge man
+zoo lang en hard gewerkt om zich gereed te maken voor den trouwdag,
+dat hij eerst wakker werd lang nadat de processie was vertrokken;
+iedereen scheen evenals zijn vader zooveel aan zijn hoofd te hebben,
+dat niemand hem miste.
+
+De huwelijksprocessie kwam in goede orde aan het huis van den priester,
+waar reeds een feestmaal voor hen was aangericht. Na de noodige eer
+bewezen te hebben aan de vele goede dingen en nadat al de ceremonies
+vervuld waren, die bij zoo'n gelegenheid in acht genomen moeten worden,
+werden de honderd bruiden aan haar geleiders gegeven en de processie
+begaf zich op den terugweg naar het huis van den ouden man. Maar daar
+zij eerst vertrokken, toen het al vrij laat in den middag was, werd
+er besloten dat men den nacht ergens onderweg zou doorbrengen. Toen
+zij daarom aan een rivier kwamen, "de Ongelukkige" genaamd, stelden
+eenigen, daar het al donker was, voor aan den oever te overnachten
+en niet eerst de rivier over te steken. Anderen, die deel uitmaakten
+van de partij, bevalen echter met groote warmte aan de rivier over te
+steken en te kampeeren aan den anderen kant. Daartoe werd eindelijk na
+veel heen en weer praten besloten; de processie ging dus de brug over.
+
+Maar juist toen de trouwpartij halverwege de brug was, bogen de
+beide leuningen naar elkaar toe en daardoor werden de menschen zoo
+dicht op elkaar gedrukt, dat zij nauwelijks ruimte hadden om adem te
+halen--laat staan om zich voor- of achteruit te bewegen.
+
+
+
+De zwarte reus.
+
+
+Gedurende eenigen tijd bleven zij zoo op elkaar gepakt staan;
+eenigen schreeuwden en scholden, anderen waren stil, omdat zij bang
+waren. Eindelijk verscheen een zwarte reus, die hen met vreeselijke
+stem toeschreeuwde:
+
+"Wie zijt gij allen? Vanwaar komt gij? Waar gaat gij heen?"
+
+De stoutmoedigsten onder hen antwoordden: "Wij gaan naar het huis
+van onzen vriend en brengen de honderd bruiden thuis van zijn honderd
+zoons; maar, helaas, wij hebben ons op deze brug gewaagd na het vallen
+van den avond en nu worden wij zoo tegen elkaar gedrukt, dat wij noch
+voor- noch achteruit kunnen."
+
+"En waar is uw oude vriend?" vroeg de zwarte reus.
+
+Nu richtten aller oogen zich op den ouden man. Deze keek den reus aan,
+die onmiddellijk tegen hem zei: "Luister, oude man! Wilt gij mij geven,
+wat gij thuis vergeten hebt, als ik uw vrienden over de brug laat?"
+
+De oude man dacht een oogenblik na, wat hij thuis vergeten kon hebben,
+maar hij kon zich niet voorstellen, dat dit iets bijzonders zou kunnen
+zijn, en daarbij hoorde hij van alle kanten het gekreun en gekerm
+van zijn gasten. Daarom antwoordde hij: "Nu, ik zal het u geven,
+als gij den stoet maar laat doorgaan."
+
+Toen zei de zwarte reus tot het gezelschap: "Gij hoort allen, wat hij
+heeft beloofd en gij zijt allen mijn getuigen bij de overeenkomst. Over
+drie dagen zal ik mijn prijs komen halen."
+
+Nadat hij dit gezegd had, maakte de reus de brug ruimer en de geheele
+processie ging er veilig over naar den anderen kant. De lust om den
+nacht in de open lucht te vertoeven, was den menschen echter ontgaan
+en zij gingen daarom zoo snel zij konden verder en vroeg in den morgen
+bereikten zij het huis van den ouden man.
+
+Toen hij van het vreemde avontuur hoorde, dat hen was overkomen,
+begreep de oudste zoon, die thuis was gelaten, spoedig, hoe de zaak
+stond en hij ging naar zijn vader en zei: "O, vader, u heeft _mij_
+aan den zwarten reus verkocht!"
+
+Toen was de oude man zeer bedroefd en verontrust; maar zijn vrienden
+troostten hem en zeiden: "Wees niet bang! Er zal niets van komen."
+
+De huwelijksplechtigheden zouden met grooten luister gevierd
+worden. Maar juist, toen het feest zijn hoogtepunt had bereikt,
+op den derden dag, verscheen de zwarte reus voor de deur en riep:
+"Nu, geef mij dadelijk, wat gij mij beloofd hebt."
+
+De oude man trad bevend naar voren en vroeg: "Wat verlangt gij?"
+
+"Niets anders, dan wat gij mij hebt beloofd!" antwoordde de zwarte
+reus.
+
+Daar hij zijn belofte niet mocht breken, was de oude man, hoezeer
+'t hem ook smartte, genoodzaakt zijn oudsten zoon aan den reus over
+te geven, die daarop sprak: "Nu neem ik uw zoon mee, maar over drie
+jaren kunt gij naar de Ongelukkige rivier komen en hem weer meenemen."
+
+Na dit gezegd te hebben, verdween de zwarte reus, en voerde den
+jongeman met zich mee. Deze werd zijn leerjongen in zijn werkplaats,
+waar de reus het beroep van toovenaar uitoefende.
+
+Vanaf dat oogenblik had de arme, oude man geen gelukkig oogenblik
+meer. Hij was altijd bedroefd en angstig en telde elk jaar en elke
+maand, en elke week en zelfs iederen dag, tot het ochtendgrauwen
+van den laatsten dag verkondigde, dat de drie jaren om waren. Toen
+nam hij een staf in zijn hand en haastte zich naar den oever van de
+Ongelukkige rivier. Zoodra hij de rivier bereikte, kwam de zwarte
+reus hem tegemoet en vroeg hem: "Waarvoor komt gij?"
+
+De oude man antwoordde, dat hij kwam om zijn zoon mee naar huis te
+nemen, zooals zij overeengekomen waren. Daarop hield de reus hem een
+blad voor, waarop een musch, een tortelduif en een kwartel zaten
+en zei tegen den ouden man: "Als gij kunt zeggen, wie uw zoon is,
+dan kunt gij hem meenemen."
+
+De oude man keek aandachtig naar de drie vogels, en keek telkens weer,
+maar eindelijk was hij genoodzaakt te bekennen, dat hij niet wist,
+wie zijn zoon was. Zoo was hij genoodzaakt alleen terug te gaan en
+hij voelde zich nog veel rampzaliger dan te voren. Nauwelijks was
+hij echter halverwege zijn huis, of hij bedacht zich en ging terug
+naar de rivier met het voornemen om een van de vogels aan te wijzen,
+die hem, gelijk hij zich nu herinnerde strak had aangezien.
+
+Toen hij de Ongelukkige rivier bereikte, kwam de reus hem weer tegemoet
+en weer hield hij hem een blad voor, waarop dezen keer een patrijs,
+een mees en een zanglijster zaten en hij sprak: "Nu, oude man, vertel,
+wie uw zoon is!"
+
+De bezorgde vader keek elken vogel op de rij af oplettend aan, maar
+hij voelde zich nog onzekerder dan den vorigen keer en daarop ging
+hij bitter schreiend weer heen.
+
+
+
+
+De oude vrouw.
+
+
+Juist toen de oude man door een woud ging, dat zich tusschen de rivier
+de Ongelukkige en zijn huis uitstrekte, kwam een oude vrouw hem tegen
+en zei: "Wacht een oogenblik! Waar gaat gij zoo haastig heen? En
+waarom zijt gij zoo bedroefd?" De man was zoo diep in gedachten
+verzonken, dat hij in het eerst geen acht sloeg op de oude vrouw,
+maar zij volgde hem, en riep nog eens en herhaalde haar vraag met nog
+meer aandrang dan den eersten keer. Toen stond hij eindelijk stil en
+vertelde haar, welk een ontzettend ongeluk hem had getroffen. Toen
+de oude vrouw het geheele verhaal had gehoord, zei zij opgeruimd:
+"Wees niet terneergeslagen. Wees niet bang! Ga weer terug naar de
+rivier en als de reus de drie vogels weer brengt, kijk ze dan scherp
+in de oogen. Als gij ziet, dat een der vogels een traan in een zijner
+oogen heeft, grijp hem dan en houd dien vast; want dan heeft hij een
+menschelijke ziel."
+
+De oude man dankte haar hartelijk voor haar raad en ging voor
+den derden keer terug naar de Ongelukkige rivier. Weer verscheen
+de zwarte reus en hij keek heel vroolijk, toen hij een musch, een
+duif en een specht op zijn blad bracht en zei: "Vooruit, oude man,
+zeg maar, wie uw zoon is!" Toen keek de vader de vogels scherp in
+de oogen en hij zag, dat in het rechteroog van de duif een traan
+biggelde. Oogenblikkelijk greep hij den vogel stevig vast en sprak:
+"Dit is mijn zoon!" Het volgende oogenblik merkte hij, dat hij zijn
+oudsten zoon stevig bij den schouder hield en hij nam hem zingende
+en roepende van vreugde gauw mee naar huis, en gaf hem daar over aan
+zijn oudste schoondochter, de vrouw van zijn zoon.
+
+Nu leefden zij allen eenigen tijd heel gelukkig met elkaar. Op zekeren
+dag zei de jonge man echter tegen zijn vader: "Als leerling in de
+werkplaats van den zwarten reus heb ik een groot aantal tooverkunsten
+geleerd. Nu ben ik van plan mij in een mooi paard te veranderen,
+en u moet mij naar de markt brengen en voor een goede som geld
+verkoopen. Maar denk er aan, dat u den halster niet erbij geeft."
+
+De vader deed gelijk zijn zoon hem had gezegd. Den volgenden marktdag
+ging hij naar de stad met een mooi paard, dat hij te koop aanbood. Veel
+koopers kwamen om hem heen staan om het paard te bewonderen en steeds
+grooter sommen geld boden zij er voor, zoodat de oude man eindelijk
+in staat was het dier voor twee duizend dukaten te verkoopen.
+
+Toen hij het geld ontving, zorgde hij er goed voor den halster niet
+te verliezen en hij keerde naar huis terug, veel rijker dan hij ooit
+gedroomd had te zullen worden.
+
+Eenige dagen later zond de man, die het paard gekocht had, het met
+een knecht naar de rivier om het te laten baden en terwijl het in het
+water was, rukte het paard zich los van den knecht en galloppeerde
+naar een naburig bosch. Daar nam het zijn ware gedaante weer aan en
+keerde terug naar het huis van zijn vader.
+
+Na eenigen tijd zei de jonge man tot zijn vader: "Nu zal ik mij in
+een os veranderen; u kunt mij weer naar de markt brengen om mij te
+verkoopen; zorg er echter voor het koord, waaraan gij mij leidt,
+niet af te geven."
+
+Den volgenden marktdag ging de oude man dus naar de markt, en voerde
+een fraaien os aan een touw met zich mee. Spoedig vond hij een kooper,
+die tienmaal den gewonen prijs voor den os betaalde. De kooper vroeg
+ook om het touw om den os naar huis te leiden, maar de oude man zei:
+
+"Wat hebt gij aan zoo'n oud ding? Gij deedt beter een nieuw te
+koopen!" en toen hij heenging, nam hij het touw mee.
+
+Dien avond, toen de knechts van den kooper den os naar de weide
+dreven, liep hij weg, vluchtte naar het naaste bosch en na weer zijn
+menschelijke gedaante te hebben aangenomen, keerde hij terug naar
+het huis zijns vaders.
+
+Aan den vooravond van den volgenden marktdag zei de jongeman tegen
+zijn vader: "Nu zal ik mij in een koe met gouden horens veranderen,
+en u kunt mij evenals de vorige keeren verkoopen, maar zorg er voor
+het koord niet af te geven."
+
+Den volgenden morgen veranderde hij zich in een koe; de oude man
+bracht ze naar de markt en kreeg er drie honderd kronen voor.
+
+Maar de zwarte reus had gehoord, dat zijn vorige leerling veel geld
+maakte door het vak te beoefenen, dat hij hem had geleerd, en daar
+hij naijverig op hem was, maakte hij een einde aan de winsten van
+den jongeman.
+
+
+
+De reus koopt de koe.
+
+
+Daarom kwam hij den derden keer zelf naar de markt als kooper,
+en zoodra hij de mooie koe met de gouden horens zag, wist hij, dat
+dit niemand anders kon zijn dan zijn oud-leerling. Hij naderde dus
+den ouden man, en na hooger geboden te hebben dan de andere koopers,
+betaalde hij den prijs, dien hij geboden had. Dadelijk daarop greep
+hij het koord en trachtte het den verschrikten ouden man te ontrukken,
+die uitriep: "Ik heb u het touw niet verkocht, maar de koe!" en hij
+hield het touw met beide handen vast.
+
+"O, neen!" zei de kooper, "volgens de wet en het gewoonterecht is het
+touw in den koop inbegrepen! Wie een koe koopt, koopt ook het koord,
+waaraan zij wordt geleid!" Eenige toeschouwers, die zich verbaasden
+en pret hadden, zeiden, dat dit volkomen juist was; daarom was de
+oude man wel verplicht het koord te geven.
+
+De zwarte reus, die zeer voldaan was over zijn koop, nam de koe mee
+naar zijn kasteel, en nadat hij zware ijzers aan haar pooten had
+bevestigd, maakte hij haar vast in den kelder. Elken morgen gaf de
+reus wat water en hooi aan de koe, maar de ijzers maakte hij niet los.
+
+Op zekeren avond gelukte het de koe toch zich uit de ijzeren ketenen
+te bevrijden; ze opende dadelijk de kelderdeur met haar horens en
+rende weg.
+
+Den volgenden morgen ging de zwarte reus als gewoonlijk met water
+en hooi voor de koe den kelder in. Toen hij zag, dat de koe was
+weggeloopen, wierp hij het hooi neer en snelde weg om haar te
+achtervolgen.
+
+Zoodra hij haar in het oog kreeg, veranderde hij zich in een wolf,
+die onder woedend gehuil op haar toesnelde; maar zijn knappe leerling
+veranderde zich dadelijk van een koe in een beer, waarop de reus de
+gedaante van een leeuw aannam; toen veranderde de beer zich in een
+tijger, en de leeuw veranderde in een krokodil, waarop de tijger
+zich weer in een musch veranderde. Hierop veranderde de reus zich
+van een krokodil in een havik en de leerling nam onmiddellijk de
+gedaante van een haas aan; toen de havik dit zag, veranderde hij
+in een hazewind. Toen veranderde de leerling van een haas in een
+valk en de hazewind werd een arend, waarop de leerling in een visch
+veranderde. Daarop veranderde de reus van een arend in een muis en
+dadelijk daarna liep de leerling hem als een kat achterna; nu wist de
+reus niets beters te doen dan zich in een hoop gierst te veranderen,
+waarop de leerling een hen met kuikens werd, die gretig al de gierst
+begonnen op te pikken, wat hun gelukte op een korrel na, juist die,
+waarin de meester zat; deze veranderde zich nu in een eekhoorn, maar
+onmiddellijk werd de leerling een havik; hij schoot op den eekhoorn
+neer en doodde hem.
+
+Op deze wijze versloeg de leerling zijn meester, den zwarten reus en
+wreekte zich voor al het lijden, dat hij van hem had moeten verduren,
+toen hij het vak van toovenaar leerde.
+
+Nadat hij den eekhoorn had gedood, nam de havik zijn eigen gedaante
+weer aan en de jonge man keerde vroolijk naar zijn vader terug,
+dien hij in den loop des tijds onmetelijk rijk maakte.
+
+
+
+
+Het beroep dat niemand kent.
+
+
+Lang geleden leefde er een arm menschenpaar, dat een zoon had. De oude
+man en zijn vrouw werkten heel hard om hun kind behoorlijk groot te
+kunnen brengen, en hoopten, dat hij op zijn beurt voor hen zou zorgen
+op hun ouden dag.
+
+Maar toen de jongen volwassen was, zei hij tegen zijn ouders:
+"Nu ben ik een man en ik ben van plan te trouwen, daarom wensch ik,
+dat u dadelijk naar den koning gaat en hem vraagt mij zijn dochter
+tot vrouw te geven." De verbaasde ouders berispten hem en zeiden:
+"Waar denk je aan? Wij hebben niets dan deze armoedige hut om ons
+te beschutten en ternauwernood genoeg brood om ons te voeden; wij
+durven niet eens in de nabijheid van den koning komen--noch minder
+hem te vragen je zijn dochter tot vrouw te geven."
+
+De zoon drong er echter op aan, dat zij zouden doen, wat hij verlangde
+en dreigde hen te zullen verlaten en de wereld in te gaan, indien
+zij niet voldeden aan zijn wensch. Daar zij merkten, dat het hem
+werkelijk ernst was met zijn verzoek, beloofden de ongelukkige ouders,
+dat zij zouden gaan, en 's konings dochter voor hem als vrouw zouden
+vragen. Daarop maakte de moeder in tegenwoordigheid van haar zoon
+een huwelijkskoek en toen hij gereed was, deed zij hem in een zak,
+nam een staf in haar hand en ging regelrecht naar het paleis, waar
+de koning woonde. Daar verzochten de bedienden van den koning haar
+binnen te komen; zij brachten haar in de hal, waar de koning gewoon
+was arme lieden te ontvangen, die kwamen om aalmoezen te vragen en
+verzoekschriften aan te bieden.
+
+De arme, oude vrouw stond in de hal verlegen en beschaamd om haar
+versleten, armoedige kleeren; zij zag er uit, of zij van steen was,
+totdat de koning vriendelijk tegen haar zei: "Wat verlangt gij van
+mij, moedertje?"
+
+Maar zij dorst toch niet aan den koning te zeggen, waarom zij
+was gekomen; daarom stamelde zij in haar verlegenheid: "Niets,
+Uwe Majesteit."
+
+Daar moest de koning even om glimlachen en hij zei: "Misschien komt
+gij om een aalmoes te vragen?"
+
+Toen zei de oude vrouw zeer verlegen: "Ja, Uwe Majesteit, alsjeblieft!"
+
+Nu riep de koning zijn bedienden en gaf hun bevel de oude vrouw tien
+kronen te geven, wat zij deden. Nadat zij dit geld had gekregen, dankte
+zij Zijne Majesteit en keerde naar huis terug, bij zich zelf zeggende:
+"Ik wed, dat mijn zoon, als hij dit geld ziet, er niet meer over zal
+spreken van ons heen te gaan."
+
+Maar hierin had zij zich schromelijk vergist, want nauwelijks was
+zij de hut binnen gegaan of haar zoon kwam en vroeg ongeduldig:
+"Wel, moeder, heeft u gedaan, wat ik u heb gevraagd?"
+
+Nu riep zij uit: "Geef dat dwaze denkbeeld nu eens en voor goed op,
+mijn zoon. Hoe kon je verwachten, dat ik den koning zijn dochter voor
+jou ten huwelijk zou vragen? Dat zou voor een rijk edelman nog een
+stoutmoedige daad zijn; hoe zouden _wij_ dan aan zoo iets kunnen
+denken? Doch zie eens, wat een massa geld ik heb meegebracht. Nu
+kunt gij zelf naar een passende vrouw uitzien en zul je de dochter
+van den koning vergeten."
+
+Toen de jonge man zijn moeder zoo hoorde spreken, werd hij zeer boos
+en zei tegen haar: "Wat kan mij het geld van den koning schelen? Ik
+verlang zijn geld niet, maar ik eisch zijn dochter! Ik zie, dat u
+mij voor den gek houdt; ik ga u dus verlaten, ik zal gaan--waar mijn
+oogen mij heenleiden."
+
+De arme oude ouders baden en smeekten hem hen op hun ouden dag niet
+te verlaten, maar hij bezweek eerst voor hun aandrang, toen zij hem
+oprecht beloofden, dat de moeder den volgenden dag weer naar den
+koning zou gaan en hem nu werkelijk zou vragen zijn dochter aan hun
+zoon uit te huwelijken.
+
+Daarop ging de oude vrouw den, volgenden morgen weer naar het paleis
+en de bedienden lieten haar in dezelfde hal, waar zij den vorigen
+keer was geweest. Toen de koning haar daar zag staan, vroeg hij:
+"Wat verlangt gij nu, moedertje?" Maar zij voelde zich zoo beschaamd,
+dat zij ternauwernood kon stamelen: "Niets, Uwe Majesteit."
+
+De koning, die veronderstelde, dat zij weer kwam bedelen, beval zijn
+bedienden haar ook dezen keer tien kronen te geven.
+
+Met dit geld keerde de arme vrouw naar haar hut terug; baar zoon
+kwam haar reeds tegemoet en vroeg: "Wel moeder, _dezen_ keer hoop
+ik, dat gij gedaan hebt, wat ik heb gevraagd?" Maar zij antwoordde:
+"Ach, mijn lieve zoon, laat 's konings dochter met rust. Hoe kun je in
+ernst aan een huwelijk met haar denken? Zelfs al wilde zij je trouwen,
+waar is het huis, waarheen je haar zoudt brengen? Zwijg er dus over
+en neem dit geld, dat ik je heb meegebracht."
+
+Op het hooren van deze woorden was de zoon nog boozer dan te voren
+en hij zei scherp: "Daar ik zie, dat u mij met de dochter van den
+koning niet wilt laten trouwen, ga ik op staanden voet heen om nooit
+meer terug te keeren," en hij snelde de hut uit. Zijn ouders liepen
+hem hard achterna en haalden hem eindelijk over om terug te keeren,
+door hem te bezweren, dat zijn moeder den volgenden morgen weer naar
+den koning zou gaan--en waarlijk en oprecht dezen keer Zijne Majesteit
+om zijn dochter zou vragen.
+
+De jonge man stemde er dus in toe terug te keeren en tot den volgenden
+dag te wachten.
+
+'s Morgens ging de moeder met een bezwaard hart naar het paleis en werd
+evenals te voren in tegenwoordigheid van den koning gebracht. Nu hij
+haar hier voor den derden keer zag, vroeg Zijne Majesteit ongeduldig:
+"Wat verlangt gij nu weer, oude vrouw?" En over het geheele lichaam
+bevende zei zij: "Om u te dienen, Uwe Majesteit--niets." Toen riep
+de koning uit:
+
+"Maar dat is onmogelijk. Iets moet gij verlangen. Zeg mij dadelijk de
+waarheid, indien gij aan uw leven gehecht zijt." Daarop was de oude
+vrouw wel genoodzaakt het geheele verhaal aan den koning te doen;
+dat haar zoon den wensch koesterde de prinses te trouwen en haar
+had gedwongen den koning te gaan vragen hem zijn dochter tot vrouw
+te geven.
+
+Toen de koning alles had gehoord, zei hij: "Wel, indien mijn dochter
+haar toestemming geeft, zal ik er niets tegen inbrengen." Hij zei
+daarop tot zijn bedienden, dat zij de prinses moesten gaan halen. Toen
+zij kwam, vertelde hij haar alles en vroeg haar: "Zijt gij bereid
+den zoon van deze oude vrouw te trouwen?"
+
+
+
+De voorwaarde.
+
+
+De prinses antwoordde: "Waarom niet? Indien hij alleen maar eerst
+het beroep leert, dat niemand kent!" Daarop beval de koning aan zijn
+bedienden de arme vrouw geld te geven, die nu met een verlicht hart
+naar haar hut terugkeerde.
+
+Zoodra zij binnen kwam, vroeg haar zoon: "Hebt u de toestemming?" En
+zij antwoordde: "Laat mij eerst wat op adem komen. _Nu_ heb ik het
+werkelijk aan den koning gevraagd: maar het heeft je niet veel verder
+gebracht, want de prinses verzekert, dat zij je niet wil trouwen,
+tenzij je het beroep hebt geleerd, dat niemand kent!"
+
+"O, dat doet er niets toe!" riep de zoon uit. "Nu ik de voorwaarde
+ken, komt alles in orde!" Den volgenden dag begaf de jongeman zich
+op reis. Hij trok de wereld in om den man te zoeken, die hem het
+beroep zou kunnen leeren, dat niemand kende. Op zekeren dag, toen hij
+heel moe was van het loopen en heel terneergeslagen ging hij op een
+gevallen boomstronk aan den kant van den weg zitten. Nadat hij zoo
+een poosje had gezeten, kwam er een vrouw naar hem toe, die vroeg:
+"waarom zijt gij zoo treurig, mijn vriend?" En hij antwoordde:
+"Waarom vraagt gij mij dat, als gij mij niet kunt helpen?" Maar zij
+vervolgde: "Vertel mij maar, wat er aan scheelt en misschien kan ik
+u helpen." Daarop zei hij: "Nu, als gij het dan bepaald weten wilt,
+ik reis al geruimen tijd de wereld door om den meester te vinden,
+die mij het ambacht kan leeren, dat niemand kent."
+
+"O, is het anders niet," riep de oude vrouw, "luister dan maar naar
+mij! Wees niet bang, ga recht het bosch in, dat voor u ligt en daar
+zult gij vinden, wat gij noodig hebt."
+
+De jonge man was heel blij, toen hij dit hoorde, stond dadelijk op en
+ging naar het bosch. Toen hij vrij ver het bosch in was gegaan, zag
+hij een groot kasteel en terwijl hij er naar stond te kijken en zich
+afvroeg, wie daar wel kon wonen, kwamen er vier reuzen uit naar buiten
+rennen, die hem met donderende stem vroegen: "Wenscht gij het ambacht
+te leeren, dat niemand kent?" Hij antwoordde: "Ja, dat is precies de
+reden, waarom ik hier kom." Daarop namen zij hem mee in het kasteel.
+
+Den volgenden morgen maakten de reuzen zich gereed om op de jacht
+te gaan en voordat zij vertrokken, zeiden zij tot hem: "Gij moogt
+in geen geval de eerste kamer bij de eetzaal binnengaan." Nauwelijks
+echter waren de reuzen goed en wel uit het gezicht, of de jonge man
+begon aldus bij zich zelf te overleggen: "Ik zie heel goed in, dat ik
+ergens terecht ben gekomen, waar ik nooit levend vandaan raak; daarom
+kan ik even goed in de kamer gaan; voor mij blijft het hetzelfde,
+wat er ook van komt." Daarom ging hij er heen, deed de deur een
+eindje open en gluurde naar binnen. Daar stond een gouden ezel,
+gebonden aan een gouden voederbak. Hij keek er een poosje naar en
+was juist op het punt de deur te sluiten, toen de ezel zei: "Kom
+binnen, neem den halster van mijn hoofd en steek hem stilletjes bij
+je. Hij zal je goede diensten kunnen bewijzen, als je hem maar weet te
+gebruiken." Hij nam den halster dus en na de deur gesloten te hebben,
+verborg hij hem vlug onder zijn kleeren. Hij zat nog niet heel lang,
+of de reuzen kwamen terug. Zij vroegen hem dadelijk, of hij in de
+eerste kamer was geweest en hij antwoordde allesbehalve op zijn gemak:
+"Neen, ik ben er niet in geweest." "Maar wij weten, dat gij er wel in
+zijt geweest," zeiden de reuzen zeer vertoornd en zij namen groote
+stokken en sloegen hem zoo geweldig, dat hij ternauwernood op zijn
+voeten kon staan. Het was zijn geluk, dat hij den halster onder zijn
+kleeren om zijn middel had gewonden, anders zouden zij hem zeker
+doodgeslagen hebben.
+
+Den volgenden dag maakten de reuzen zich weer gereed om op de jacht
+te gaan, maar voordat zij vertrokken, gaven zij hem opnieuw bevel in
+geen geval de tweede kamer binnen te gaan.
+
+Bijna onmiddellijk na hun vertrek, werd hij zoo vreeselijk
+nieuwsgierig, wat er wel in de tweede kamer zou zijn, dat hij geen
+weerstand kon bieden aan de verzoeking om de deur te openen. Hij stond
+nog een oogenblik aarzelend voor de deur stil, maar bedacht toen:
+"Ik ben toch al meer dood dan levend; veel erger kan het toch niet
+worden!" Daarop opende hij de deur en keek naar binnen. Hij was zeer
+verbaasd, toen hij daar een heel mooi meisje zag, in louter goud en
+zilver gekleed, dat bezig was haar haar te kammen; in elke vlecht
+hechtte zij een grooten diamant. Hij bleef haar eenige oogenblikken
+bewonderen en stond juist op het punt de deur weer te sluiten, toen zij
+sprak: "Wacht even, jonge man. Neem dezen sleutel en zorg er voor hem
+goed te bewaren. Hij zal u eens te pas komen, als gij slechts weet,
+hoe gij hem gebruiken moet." Toen kwam hij binnen om den sleutel
+van het meisje aan te nemen, waarna hij het vertrek verliet, de deur
+achter zich sloot en ging zitten op de plaats, waar hij gezeten had.
+
+Hij had daar niet lang gezeten, of de reuzen kwamen terug van de
+jacht. Zoodra zij het huis binnen kwamen, namen zij groote stokken
+om hem te slaan, terwijl zij vroegen, of hij in de tweede kamer was
+geweest. Bevend van angst antwoordde hij: "Neen, dat ben ik niet!"
+
+"Maar wij weten, dat het wel zoo is," schreeuwden de reuzen hevig
+vertoornd en sloegen hem nog erger dan den eersten keer.
+
+
+
+De derde kamer.
+
+
+Den volgenden morgen, toen de reuzen als gewoonlijk ter jacht gingen,
+zeiden zij tegen hem: "Ga niet in de derde kamer, voor niets ter
+wereld; want als gij dat doet, dan zullen wij niet als de vorige
+keeren barmhartigheid met je betrachten! Dan kunt gij er op rekenen,
+dat wij je doodslaan!" Maar ternauwernood waren de reuzen uit het
+gezicht, of de jongeman zei tot zich zelf: "Het is waarschijnlijk,
+dat zij mij zullen dooden, of ik er binnenga of niet. Bovendien,
+al dooden zij mij niet, zij hebben mij toch al zoo erg geslagen,
+dat ik meer dood dan levend ben; ik zal dus in elk geval de derde
+kamer binnengaan." Hij stond op en opende de derde kamer. Maar hoe
+ontstelde hij, toen hij zag, dat de kamer vol menschenhoofden was! Deze
+hoofden behoorden aan jonge mannen, die evenals hij gekomen waren om
+het beroep te leeren, dat niemand kent en die, na zich stipt aan de
+bevelen van de reuzen te hebben gehouden, toch door hen gedood waren.
+
+De jongeman wendde zich snel om, teneinde zich te verwijderen, toen
+een der hoofden riep: "Wees niet bang, maar kom binnen!" Daarop ging
+hij de kamer in. Toen gaf het hoofd hem een ijzeren ketting en zei:
+"Pas goed op dezen ketting, want hij zal u van dienst zijn, indien
+gij er een goed gebruik van weet te maken!" Hij nam den ketting dus
+en toen hij de kamer verlaten had, sloot hij de deur.
+
+Hij ging op zijn gewone plaats zitten om de komst der reuzen af te
+wachten. Onderwijl werd hij zeer bevreesd, want hij was er volkomen
+op voorbereid, dat zij hem zouden dooden.
+
+Zoodra de reuzen thuis kwamen, namen zij hun stokken op en begonnen
+zij hem te slaan zonder zich zelfs een oogenblik den tijd te gunnen om
+hem een vraag te stellen. Zij sloegen hem zoo heftig, dat hij zoo goed
+als dood liggen bleef, daarna wierpen zij hem het huis uit en zeiden:
+"Ga nu heen, nu gij het beroep geleerd hebt, dat niemand kent."
+
+Nadat hij geruimen tijd gelegen had op de plek, waar zij hem hadden
+neergeworpen, en zich zeer pijnlijk en ellendig gevoelde, beproefde
+hij eindelijk zich te bewegen, waarbij hij tot zich zelf zei: "Nu,
+als zij mij werkelijk het ambacht geleerd hebben, dat niemand kent,
+dan kan ik terwille van 's konings dochter met vreugde alle pijnen
+lijden--als ik haar maar win."
+
+Na geruimen tijd gereisd te hebben, kwam de jongeman aan het paleis van
+den koning, wiens dochter hij wenschte te trouwen. Toen hij het paleis
+zag, was hij buitengewoon treurig; hij herinnerde zich de woorden van
+de prinses, want ondanks al zijn rondreizen en lijden had hij geen
+ambacht geleerd, laat staan het beroep, "dat niemand kent." Terwijl
+hij nog nadacht, wat hij het best zou kunnen doen, herinnerde hij zich
+eensklaps den halster, den sleutel en den ijzeren ketting, die hij,
+verborgen onder zijn kleeren, steeds mee had gedragen, sinds hij het
+kasteel van de vier reuzen had verlaten. Toen zei hij tot zich zelf:
+"Laat ik eens zien, wat deze dingen kunnen doen!" Hij nam den halster
+en sloeg er mee op den grond en onmiddellijk stond een mooi paard,
+fraai opgetuigd voor hem. Daarna sloeg hij de aarde met den ijzeren
+ketting en dadelijk verschenen een haas en een hazewind. De haas begon
+hard te loopen en de hazewind achtervolgde hem. Een oogenblik later
+herkende de jongeman zich zelf nauwelijks, want hij zag zich gekleed
+in een fraai jachtcostuum en hij zat op het paard en vervolgde den
+haas, die een richting insloeg, welke hem vlak onder het raam van
+'s konings paleis moest voeren. Nu wilde het toeval, dat de koning
+juist voor een venster stond en naar buiten keek. Dadelijk zag hij
+den mooien hazewind, die den haas nazat, en het zeer mooie paard
+met een jager in schitterend jachtcostuum er op. De koning was zoo
+ingenomen met het voorkomen van het paard en den hazewind, dat hij
+eenige bedienden riep en hen den vreemdeling nazond om dezen uit te
+noodigen in het kasteel te komen. Maar toen de jongeman een aantal
+menschen roepende en schreeuwende achter zich hoorde, reed hij snel
+achter een dikken struik, waar hij even den halster en den ijzeren
+ketting schudde. In een ommezien waren het paard, de hazewind en de
+haas verdwenen en hij zat weer op den grond onder de boomen, gekleed
+in zijn oude, versleten kleeren. Intusschen waren de knechts van den
+koning naderbij gekomen en toen zij hem daar zagen zitten, vroegen zij
+hem, of hij een knappen jager op een mooi paard voorbij had zien komen.
+
+Hij gaf hun ruw ten antwoord: "Neen: ik heb niemand voorbij zien komen,
+ik stel er ook geen belang in, wie er voorbij gaat!"
+
+Toen vervolgden de dienaren van den koning hun weg en doorzochten
+het bosch, waarbij zij zoo hard riepen als zij konden, maar het was
+alles vergeefsch, zij zagen noch hoorden iets van den jager. Eindelijk
+gingen zij terug naar den koning en vertelden hem, dat het paard en
+de jager zoo buitengewoon hard reden, dat zij niets van hem bespeurd
+hadden in het bosch.
+
+
+
+De zoon keert terug.
+
+
+Nu besloot de jongeman naar de hut te gaan, waar zijn ouders
+woonden. Zij waren blij, toen zij hem terugzagen.
+
+Den volgenden dag zei de zoon tegen zijn vader: "Nu vader, zal
+ik u toonen, wat ik heb geleerd. Ik zal mij zelf veranderen in
+een mooi paard en u moet mij naar de stad brengen en verkoopen,
+maar zorg er voor, dat u den halster niet weggeeft, anders moet ik
+altijd een paard blijven!" Hij veranderde zich onmiddellijk in een
+paard van buitengewone schoonheid, en heel hooge prijzen werden voor
+hem geboden; maar de oude man zette den prijs hooger en hooger bij
+elk bod. Het nieuws verspreidde zich snel door de stad, dat er een
+prachtig paard op de markt te koop was en eindelijk hoorde de koning
+zelf er van. Hij zond eenige bedienden om het paard voor hem te halen,
+zoodat hij het zou kunnen zien.
+
+De oude man bracht het paard dadelijk voor het paleis en de koning kon,
+nadat hij het een poos bewonderd had, niet nalaten uit te roepen:
+"Op mijn woord, ofschoon ik een koning ben, heb ik nog nooit zoo'n
+mooi paard gezien, noch minder ooit op zoo'n beest gezeten!"
+
+Toen vroeg hij den ouden man, of hij het hem wilde verkoopen. "Ik wil
+het heel graag aan Uwe Majesteit verkoopen", zei de oude man, "maar
+alleen het paard, den halster niet." Daarop lachte de koning en zei:
+"Wat zou ik met uw vuilen halster moeten doen? Voor zulk een paard
+wil ik een halster van goud laten maken!" Het paard werd nu voor zeer
+hoogen prijs aan den koning verkocht en de oude man keerde met het
+geld terug.
+
+Den volgenden morgen heerschte er groote beweging en ontsteltenis in
+de koninklijke stallen, want het mooie paard was gedurende den nacht
+verdwenen. En op hetzelfde oogenblik, dat het paard zich uit de voeten
+had gemaakt, keerde de jongeman in de hut zijner ouders terug.
+
+Een paar dagen later zei de jongeman tegen zijn vader: "Nu zal ik mij
+in een mooie kerk veranderen en niet ver van het koninklijk paleis
+gaan staan en als de koning het gebouw mocht willen koopen, dan kunt
+gij het hem verkoopen, maar zorg er voor den sleutel niet af te geven,
+anders moet ik altijd een kerk blijven!"
+
+Toen de koning dien morgen opstond en naar zijn raam ging om uit te
+kijken, zag hij een mooie kerk, die hij tevoren nooit had gezien. Hij
+stuurde zijn knechts op onderzoek uit, en spoedig daarna kwamen zij
+terug en vertelden, dat "de kerk aan een ouden pelgrim behoorde,
+die zei, dat hij bereid was ze te verkoopen, indien de koning ze
+wenschte te koopen".
+
+Daarna liet de koning vragen voor welken prijs hij ze wilde verkoopen
+en de pelgrim antwoordde: "Ze is heel veel geld waard."
+
+
+
+Hooger geboden dan de koning.
+
+
+Terwijl de knechts met den vader onderhandelden, naderde er een
+oude vrouw. Dit was dezelfde oude vrouw, die den jongeman naar het
+kasteel van de vier reuzen had gezonden; zij zelf was er ook geweest
+en had het ambacht geleerd, dat niemand kende. Daar zij dadelijk
+begreep, wat er aan de hand was, en zij er allerminst op gesteld
+was een mededinger in haar beroep toe te laten, besloot zij den
+jongeman onschadelijk te maken. Daarom bood zij steeds hooger dan de
+koning, en bood tenlaatste zulk een groote som baar geld, dat de man
+verbaasd en verlegen werd op het zien van al het geld, dat zij hem
+toonde. Hij nam haar bod dus aan, maar terwijl hij het geld telde,
+vergat hij geheel en al den sleutel. Eindelijk herinnerde hij zich,
+wat zijn zoon hem had gezegd, en, daar hij een onheil vreesde, liep
+hij de oude vrouw hard achterna en vroeg den sleutel terug. Maar de
+oude vrouw was niet te overreden den sleutel terug te geven. Ze zei,
+dat die bij de kerk behoorde, die zij had gekocht en betaald. Toen
+hij begon te merken, dat zij den sleutel in geen geval terug zou
+willen geven, werd de oude man hoe langer hoe meer bevreesd, dat zijn
+verzuim zijn zoon duur te staan zou komen. Daarom greep hij de oude
+vrouw bij haar hals en dwong haar den sleutel te laten vallen. Zij
+deed haar uiterste best hem weer terug te krijgen en terwijl zij en
+de oude man worstelden veranderde de sleutel in een duif en vloog
+weg hoog in de lucht over de tuinen van het paleis.
+
+Toen de oude vrouw dat zag, veranderde zij zich in een havik en joeg
+de duif na. Maar juist toen de havik op haar neer wilde schieten,
+veranderde de duif in een mooi bouquet, dat in de handen van de dochter
+des konings viel, die juist in den tuin wandelde. Toen veranderde
+de havik weer in een oude vrouw, die naar de poort van het paleis
+ging. Dringend verzocht zij de prinses haar het bouquet te geven of
+althans een enkele bloem er uit.
+
+Maar de prinses zei: "Neen! voor niets ter wereld! Deze bloemen vielen
+uit den hemel op mij neer." Maar de oude vrouw was vast besloten een
+der bloemen te krijgen en ging daarom regelrecht naar den koning en
+smeekte hem zoo deerniswaardig, dat hij zijn dochter bevelen zou haar
+een bloem te geven, dat de koning, die meende dat de vrouw een der
+bloemen noodig had om van een ziekte te genezen, zijn dochter bij
+zich riep en beval er een aan de bedelaarster te geven.
+
+Maar juist, toen de koning dit zei, veranderde het bouquet in een
+hoop gierst, die zich over den grond verspreidde. Toen veranderde de
+oude vrouw vlug in een hen met kuikens en begon gretig de korrels op
+te pikken. Maar eensklaps verdween de gierst en in de plaats er van
+stond een vos, die op de hen toesprong en haar doodde.
+
+Daarna veranderde de vos in een jongeman, die aan den verbaasden
+koning en de prinses verklaarde, dat hij gekomen was om de hand van
+de prinses te vragen en dat hij de wereld rond was getrokken, tot hij
+iemand gevonden had, die hem het beroep, dat niemand kent, had geleerd.
+
+Toen de koning en zijn dochter dit hoorden, verklaarden zij zich
+bereid de belofte te houden, die zij gegeven hadden.
+
+Kort daarop trouwde de dochter van den koning den zoon der arme
+lieden. De koning liet voor de prinses en haar echtgenoot een paleis
+vlak bij het zijne bouwen. Daar woonden zij lang en kregen er een
+overvloed van kinderen en men zegt, dat eenige van hun afstammelingen
+nog leven, en dat die dikwijls naar de kerk gaan bidden, die altijd
+open moet blijven, omdat de sleutel er van veranderd is in een jonge
+man, die de dochter van den koning trouwde, nadat hij bewezen had
+aan de gestelde voorwaarden te kunnen voldoen en terwille van haar
+het beroep had geleerd, "dat niemand kent."
+
+
+
+De tweelingen met de gouden haren.
+
+
+Lang, lang geleden leefde er een jonge koning, die heel graag zou
+trouwen, maar niet wist, waar hij het best deed naar een vrouw
+te zoeken.
+
+Op zekeren avond, toen hij vermomd door de straten van zijn hoofdstad
+liep, wat hij dikwijls deed, stond hij stil om te luisteren bij een
+open raam, waar hij drie jonge meisjes vroolijk hoorde babbelen.
+
+De meisjes spraken over het gerucht, dat den laatsten tijd de rondte
+door de stad deed, dat de koning van plan was spoedig te trouwen.
+
+Een der meisjes riep uit: "Indien de koning mij wilde trouwen, dan
+zou ik hem een zoon geven, die de grootste held in de wereld zou zijn."
+
+Het tweede meisje sprak: "En als ik zijn vrouw zou zijn, dan zou ik
+hem twee zoons tegelijk geven--de tweelingen met het gouden haar."
+
+En het derde meisje verzekerde, dat zij, als de koning _haar_ zou
+trouwen, hem een dochter zou geven, wier schoonheid door niemand ter
+wereld geëvenaard zou worden!
+
+De jonge koning luisterde naar dit alles, dacht eenigen tijd na over
+haar woorden en beproefde vast te stellen, wie van de meisjes hij het
+best deed tot vrouw te nemen. Eindelijk besloot hij, dat zij het zijn
+zou, die gezegd had hem een tweeling met gouden haren te schenken.
+
+Toen hij hiertoe besloten had, gaf hij bevel dadelijk de
+voorbereidselen tot zijn huwelijk te treffen en kort daarna, toen
+alles gereed was, trouwde hij het tweede van de drie meisjes.
+
+Verscheidene maanden na zijn huwelijk kreeg de koning, die in oorlog
+was met naburige vorsten, bericht, dat zijn leger een nederlaag had
+geleden en dat het wenschelijk was, dat hij zich onverwijld naar het
+kamp spoedde. Hij verliet daarom zijn hoofdstad, liet de jonge koningin
+in zijn paleis achter met zijn stiefmoeder, en ging naar het leger.
+
+Nu haatte de stiefmoeder van den koning haar schoondochter. Toen
+de jonge koningin haar bevalling voelde naderen, vertelde de oude
+koningin haar, dat het de gewoonte in de koninklijke familie was,
+dat de erfgenaam van den troon op een vliering geboren werd.
+
+De jonge koningin, die niets wist van de gewoonten bij vorstelijke
+families, (behalve dan hetgeen zij gehoord of gezien had sinds
+haar huwelijk met den koning) geloofde onvoorwaardelijk, wat haar
+schoonmoeder haar vertelde, ofschoon zij het wel erg jammer vond haar
+mooie vertrekken te moeten verlaten voor een armoedige vlieringkamer.
+
+Toen de tweelingen met de gouden haren geboren waren, beraamde de oude
+koningin het plan hen uit de wieg te stelen en twee leelijke, kleine
+honden in hun plaats te leggen. Zij liet de mooie tweelingjongetjes
+met de gouden haren levend begraven op een afgelegen plek in de
+tuinen van het paleis en zond daarna bericht aan den koning, dat de
+jonge koningin hem twee kleine honden had geschonken inplaats van
+de erfgenamen, waarop hij had gehoopt. De slechte stiefmoeder zei in
+haar brief aan den koning, dat zij zelf hierover niet verbaasd was,
+ofschoon zij zich zijn teleurstelling kon voorstellen en het haar
+om zijnentwil veel leed deed. Zij zelf had echter de jonge koningin
+er reeds lang van verdacht te groote vriendschap te koesteren voor
+kabouters en feeën en allerhande soorten booze geesten.
+
+Toen de koning dezen brief ontving, werd hij vreeselijk woedend,
+omdat hij het jonge meisje alleen getrouwd had, daar zij hem beloofd
+had tweelingen met gouden haren als erfgenaam voor zijn troon te
+zullen schenken.
+
+Hij zond bericht aan de oude koningin, dat zijn vrouw dadelijk in den
+vochtigsten kelder van het kasteel geworpen moest worden, een bevel,
+dat door de booze vrouw zonder verwijl werd uitgevoerd. Dientengevolge
+werd de arme, jonge koningin in een ellendigen, donkeren kerker onder
+het paleis op water en brood gevangen gezet.
+
+
+
+De belofte van de jonge koningin.
+
+
+Er was maar een heel klein gat in deze gevangenis--nauwelijks genoeg
+om licht en lucht door te laten. Toch wist de oude koningin gedaan
+te krijgen, dat een groot aantal menschen dit hol voorbij ging en
+ieder, die voorbij kwam, kreeg het bevel er naar te spuwen en de
+ongelukkige jonge koningin te beleedigen door haar toe te roepen:
+"Zijt gij werkelijk de koningin? Zijt gij het meisje, dat den koning
+bedroog teneinde koningin te worden? Waar zijn uw tweelingen met
+de gouden haren? Gij hebt den koning en uw vrienden bedrogen en nu
+hebben de heksen u misleid!"
+
+Maar de jonge koning, ofschoon hij ontzettend boos was en gekweld
+werd door zijn groote teleurstelling, was tegelijk te bedroefd om
+naar zijn paleis te willen terugkeeren. Hij bleef dus negen jaren
+weg. Toen hij er eindelijk in toestemde om terug te keeren, werd zijn
+aandacht het eerst getrokken door twee mooie, jonge boomen in den tuin,
+precies gelijk van vorm en even groot.
+
+Deze boomen hadden beide gouden bladeren en gouden bloesems en waren
+uit zich zelf gegroeid op de plaats, waar de stiefmoeder van den
+koning de twee jongetjes met de gouden haren, die zij uit de wieg
+gestolen had, had laten begraven.
+
+De koning bewonderde deze boomen buitengewoon en hij kon er niet genoeg
+naar kijken. Maar dit stond de oude koningin volstrekt niet aan, want
+zij wist, dat de beide jonge prinsen begraven waren juist op de plaats,
+waar de boomen groeiden en zij was altijd bang, dat op de een of andere
+manier den koning ter oore zou komen, wat zij gedaan had. Zij hield
+zich daarom ziek en zei, dat zij er zeker van was te zullen sterven,
+tenzij haar stiefzoon bevel gaf de twee boomen met de gouden bladeren
+om te houwen en een bed voor haar te laten maken uit hun hout.
+
+Daar de koning niet de schuld van haar dood wilde dragen, gaf hij
+bevel aan haar wensch gehoor te geven, ofschoon het hem zeer speet,
+dat hij zijn lievelingsboomen zou moeten missen. .
+
+Een bed werd spoedig gemaakt van het hout der twee boomen en de
+oogenschijnlijk zieke, oude koningin werd er in gelegd, gelijk zij had
+verlangd. Zij was overgelukkig, dat de boomen met de gouden bladeren
+uit den tuin verdwenen waren, maar tegen middernacht werd zij wakker
+en kon zij den slaap niet meer vatten. Want het scheen haar toe,
+dat de planken, waarvan haar bed was gemaakt, met elkaar spraken!
+
+"Hoe maakt gij het, mijn broeder?" En de andere plank antwoordde:
+"Dank je, ik maak het het heel goed; hoe maakt gij het?"
+
+"O, best," antwoordde de eerste plank; "maar ik zou wel willen weten,
+hoe het met onze arme moeder gaat in haar donkeren kerker! Misschien
+heeft zij honger en dorst!"
+
+De booze, oude koningin kon den ganschen nacht geen oog meer dicht
+doen, toen zij dit gesprek tusschen de planken van haar bed had
+gehoord. Den volgenden morgen stond zij heel vroeg op en begaf zich
+naar den koning. Zij dankte hem, dat hij haar wenschen vervuld had en
+zei, dat zij zich al veel beter voelde, maar dat zij er zeker van was
+nooit geheel te zullen herstellen, tenzij de planken van haar nieuwe
+bed stuk gehakt werden en in het vuur werden geworpen. Het speet
+den koning ook de planken te moeten verliezen, die uit zijn twee
+lievelingsboomen waren gemaakt, maar hij kon niet weigeren alles te
+doen, wat tot een volkomen herstel van zijn stiefmoeder kon leiden.
+
+Het nieuwe bed werd dus in stukken gehouwen en in het vuur
+geworpen. Maar terwijl de planken gloeiden en knetterden, vlogen
+twee vonken van het vuur op het binnenplein en het volgend oogenblik
+dartelden twee jonge lammeren met gouden vacht en gouden horens op
+het plein rond.
+
+De koning bewonderde hen zeer en vroeg, wie ze daar gebracht had en
+aan wien ze behoorden. Hij stuurde zelfs een omroeper verscheidene
+keeren door de stad om den eigenaar van lammeren met een gouden vacht
+op te roepen voor den koning te verschijnen; maar niemand kwam,
+zoodat hij ten slotte van oordeel was, dat hij ze gerust als zijn
+eigendom kon beschouwen.
+
+De koning droeg groote zorg voor deze twee mooie lammeren en gaf
+elken dag aanwijzingen omtrent hun voeding en verzorging; maar dit
+stond zijn stiefmoeder in het geheel niet aan. Zij kon zelfs niet
+naar de lammeren met de gouden vacht en de gouden horens kijken,
+zonder zich de tweelingen met de gouden haren te herinneren.
+
+Na een poosje gaf zij dus weer voor gevaarlijk ziek te zijn en zei,
+dat zij er zeker van was, spoedig te zullen sterven, tenzij de twee
+lammeren gedood en hun vleesch voor haar gekookt zou worden.
+
+De koning hield zelfs nog meer van zijn lammeren dan hij van zijn
+boomen met de gouden bladeren had gehouden, maar hij kon niet lang
+weerstand bieden aan de tranen en gebeden van de oude koningin, vooral
+niet nu zij zeer ziek scheen te zijn. De lammeren werden dus gedood
+en aan een knecht werd opgedragen hun gouden vacht naar de rivier te
+dragen en het bloed er goed uit te wasschen. Maar terwijl de bediende
+ze onder water hield, glipten zij op de een of andere manier uit zijn
+vingers en dreven met den stroom mede, die op deze plaats juist heel
+snel was. Nu gebeurde het, dat een eind stroomafwaarts een jager langs
+de rivier liep, en toen hij toevallig op het water keek, zag hij iets
+vreemds drijven. Hij stapte in de rivier en vischte er een doos uit,
+die hij mee naar huis nam en daar opende. Tot zijn onuitsprekelijke
+verbazing vond hij in de doos twee jongens met gouden haren. De
+jager had zelf geen kinderen; hij nam daarom de tweelingen aan, die
+hij uit het water had opgevischt, en bracht ze groot, alsof het zijn
+eigen zoons waren geweest. Toen de tweelingen waren opgegroeid tot
+knappe, jonge mannen, zei een hunner tot hun pleegvader: "Maak twee
+bedelaarspakken voor ons en laat ons de wereld rondreizen!" Maar
+de jager antwoordde: "Neen, ik zal een fijn pak kleeren voor ieder
+van u laten maken, zooals past voor twee jonge mannen van zoo edel
+voorkomen." Toen echter de beide tweelingen er op aandrongen toch niet
+zooveel geld nutteloos uit te geven door mooie kleeren te koopen en
+hem vertelden, dat zij er op stonden als bedelaars de wereld in te
+gaan, deed de jager--die gewoon was zijn knappe pleegzoons hun zin te
+geven--wat zij verlangden en bestelde twee stellen kleeren, gelijk de
+bedelaars dragen. De twee zoons verkleedden zich toen als bedelaars,
+verborgen zoo goed als het ging hun mooie gouden haren en begaven zich
+toen op weg om in de wereld rond te zien. Zij namen een goussle mede en
+een cimbaal en voorzagen in hun levensonderhoud door zingen en spelen.
+
+
+
+De zoons van den koning.
+
+
+Zij hadden zoo eenigen tijd rondgereisd, toen zij aan het paleis van
+den koning kwamen. Daar het vrij laat in den middag was geworden,
+vroegen de jonge muzikanten verlof om den nacht in een van de
+bijgebouwen te mogen doorbrengen, daar zij arm waren en niemand in
+de stad kenden. De oude koningin, die juist op het binnenplein was,
+zag hen en zei scherp, toen zij hun verzoek hoorde, dat bedelaars
+niet toegelaten konden worden, in welk deel ook van het koninklijk
+paleis. De beide reizigers zeiden, dat zij hadden gehoopt voor hun
+logies te betalen met hun liederen en gezang, daar een hunner bij de
+goussle zong en de andere bij de cimbaal.
+
+Maar hierdoor werd de oude koningin niet verteederd. Zij bleef er
+op aandringen, dat zij onmiddellijk heen zouden gaan. Gelukkig voor
+de beide broeders kwam de koning zelf op het plein, juist op het
+oogenblik, dat zijn stiefmoeder hen toornig gebood heen te gaan. Hij
+beval zijn bedienden dadelijk een slaapplaats voor de muzikanten
+in orde te brengen en de beide broers een goed avondmaal voor te
+zetten. Nadat zij hun avondeten gebruikt hadden, beval de koning hen
+in zijn tegenwoordigheid te brengen, opdat hij over hun bekwaamheden
+zou kunnen oordeelen, en misschien met hun gezang hem den avond zouden
+kunnen korten. Nadat de twee jonge mannen de ververschingen gebruikt
+hadden, die voor hen waren gereed gemaakt, voerde de bediende hen
+in tegenwoordigheid van den koning, en zij begonnen deze ballade
+te zingen:
+
+"De mooie vogel, de zwaluw, bouwde zorgvuldig haar nest in het paleis
+van den koning. In het nest bracht zij twee van haar jongen groot. Een
+leelijke, zwarte vogel kwam echter naar het nest van de zwaluw, om haar
+geluk te verstoren en haar twee kleinen te dooden. En de leelijke,
+zwarte vogel slaagde er in het geluk van de arme, kleine zwaluw te
+vernietigen. Hoewel de kleinen nog jong en zwak waren en nog niet in
+staat om te vliegen, werden zij echter gered en zoodra zij opgegroeid
+waren en hun vleugels konden uitslaan, gingen zij naar het paleis,
+waar hun moeder, de aardige zwaluw, haar nest had gebouwd."
+
+Dit vreemde lied zongen de twee minstreelen zoo liefelijk, dat de
+koning er zeer door was bekoord en hun naar den zin van het lied vroeg.
+
+Hierop namen de twee armelijk gekleede jonge mannen hun hoeden af,
+waardoor de prachtige lokken van hun gouden haar over hun schouders
+neervielen en het schijnsel der lampen er in weerkaatsten kon, zoodat
+de geheele zaal verlicht werd door hun glans. Toen traden zij naar
+voren en vertelden den koning, wat hen en hun moeder was gebeurd en
+zij overtuigden hem, dat zij werkelijk zijn eigen zoons waren.
+
+De koning geraakte buiten zich zelf van woede, toen hij al de wreede
+dingen hoorde, die zijn stiefmoeder had bedreven en hij gaf bevel haar
+te verbranden. Daarna ging hij met de beide prinsen met de gouden
+haren naar den ellendigen kerker, waarin zijn ongelukkige vrouw
+zooveel jaren had gevangen gezeten en hij bracht haar terug in haar
+prachtig paleis. Toen zij daar haar zoons met de gouden haren terug
+zag en merkte hoeveel hun vader van hen hield, vergat zij spoedig
+haar lange jaren van ellende. Wat den koning betreft, hij voelde,
+dat hij nooit genoeg kon doen, om al het onrecht goed te maken, dat
+de koningin had geleden en een vergoeding te geven voor al de gevaren,
+waaraan zijn tweelingzoons blootgesteld waren geweest. Hij voelde, dat
+hij te gereedelijk al de verhalen van de oude koningin had geloofd,
+omdat hij nooit de moeite had genomen zich te overtuigen, of al de
+vreemde dingen, die zij verteld had, waarheid of leugen waren.
+
+Na al deze zelfkwelling en verdriet en ellende kwam alles ten laatste
+weer goed. Nog lang mochten de koning met zijn vrouw en hun tweelingen
+met de gouden haren gelukkig samen leven.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XV. EENIGE SERVISCHE POPULAIRE ANECDOTEN.
+
+
+
+St. Petrus en het zand.
+
+
+Een stedeling ging op zekeren dag naar buiten om te jagen en kwam om
+twaalf uur aan het huis van een boer, dien hij kende. De man noodigde
+hem uit het middagmaal te blijven gebruiken. Onder het eten keek de
+stadsbewoner rond en bemerkte, dat er maar weinig bouwgrond om de
+hoeve lag. Maar rotsen en steenen waren er in overvloed. Hierover
+verbaasd riep de stedeling uit: "In naam van alles, wat bestaat,
+mijn vriend, hoe ter wereld kunt gij, goede lieden, in dit dorp leven
+zonder vruchtbaren grond! En vanwaar deze massa rotsen en steenen!"
+
+"Het is werkelijk een groot ongeluk!" antwoordde de boer. "De menschen
+zeggen, dat onze voorouders van hun voorvaders gehoord hebben, dat,
+toen Onze Lieve Heer op deze aarde rondwandelde, de heilige Petrus
+Hem vergezelde en op zijn rug een zak vol zand droeg. Nu en dan
+moet Onze Lieve Heer een zandkorrel genomen en neergeworpen hebben
+om een berg te maken, waarbij hij telkens zei: 'Dat deze korrel zich
+vermenigvuldige!' Toen zij hier aankwamen, barstte de zak van Petrus
+en de helft van den inhoud werd om dit dorp uitgestrooid".
+
+
+
+Waarom het Servische volk arm is.
+
+
+De volkeren der wereld ontmoetten elkaar eens op het midden
+van de aarde, om de goede dingen van het leven onder elkaar te
+verdeelen. Eerst overlegden zij, hoe zij het zouden aanleggen. Eenigen
+raadden aan er om te loten, maar de Christenen, die wel wisten, dat
+zij als de verstandigsten in staat zouden zijn de meest gewenschte
+gaven te verkrijgen en die dus allerminst verlangden dit door het lot
+uitgemaakt te zien, sloegen voor (en het denkbeeld werd dadelijk door
+allen aanvaard) dat ieder om de beurt iets goeds zou wenschen en dit
+dan ook zou worden gegeven. De mannen van Italië mochten het eerst
+kiezen en zij verlangden wijsheid. De Britten zeiden: "Wij willen
+de zee hebben." De Turken: "En wij willen akkers hebben." De Russen:
+"Wij willen bosschen en mijnen hebben". De Franschen: "En wij willen
+geld en oorlog hebben". En wat wilt gij Serviërs? "Wachten, totdat
+wij tot een besluit zijn gekomen!" antwoordden de Serviërs. En zij
+zijn het nog altijd niet met elkaar eens over het antwoord!
+
+
+
+De zigeuners en de edelman.
+
+
+Een heel rijk en machtig edelman reed eens zijn uitgestrekte
+bezittingen rond. Van verre zagen vier Tziganen [88] dat hij alleen
+was. Zij sloegen een begeerig oog op de mooie paarden voor zijn rijtuig
+en namen zich voor er hem van te berooven. Toen het rijtuig naderde,
+snelden zij er heen, namen eerbiedig hun muts af, knielden voor hem
+neer en een hunner begon te spreken: "O hoe gelukkig zijn wij een
+gelegenheid te hebben U, zeer genadig heer, onze diepe dankbaarheid
+te betoonen voor de edele daden en de vele giften, waarmede uw
+gestorven en edelmoedige vader ons overstelpt heeft! Sta ons, daar
+wij geen geschenken van waarde bij ons hebben, toe, dat wij ons voor
+uw rijtuig spannen en u naar huis trekken". De hooghartige edelman,
+trotsch op de goede daden van zijn vader, stemde er gaarne in toe
+zich dezen ongewonen vorm van hoffelijkheid te laten welgevallen. Twee
+zigeuners spanden daarop de paarden uit, gingen zelf voor het rijtuig
+loopen en trokken het een eind. Maar eensklaps sneden zij zich los
+en liepen hard terug naar de andere schavuiten, die zich al met de
+paarden uit de voeten hadden gemaakt.
+
+
+
+Waarom de priester verdronk.
+
+
+Eenige boeren en een priester gingen eens een rivier over. Plotseling
+kwam er storm op en de boot kantelde. Allen waren goede zwemmers
+behalve de arme priester, en toen de boeren hun boot bereikt en die
+weer recht in het water hadden geplaatst, wat hun heel spoedig gelukte,
+zagen zij, dat de priester nog in de golven worstelde. Zij riepen
+hem toe hun de hand te reiken, opdat zij hem konden redden, maar hij
+aarzelde en verdronk. De boeren gingen het droevig nieuws aan zijn
+weduwe vertellen, die, toen zij het hoorde, uitriep: "Hoe jammer! Maar
+indien gij _uw_ hand hadt uitgestoken, dan zou hij die zeker hebben
+gegrepen en dan zou zijn kostbaar leven gespaard zijn gebleven--want
+het was zijn gewoonte altijd te ontvangen en nooit iets te _geven!_"
+
+
+
+De Era [89] van de andere wereld.
+
+
+Een Turk en zijn vrouw rustten in de schaduw van een boom. De Turk
+ging naar de rivier om zijn paard water te geven en zijn vrouw bleef
+zijn terugkomst afwachten. Juist op dat oogenblik kwam een Era voorbij
+en groette de Turksche vrouw: "Allah helpe u, edele vrouwe!"
+
+"Dat God u helpe," antwoordde zij; "vanwaar komt gij?" "Ik kom van
+de Andere Wereld, edele vrouw." "Indien gij in de Andere Wereld zijt
+geweest, hebt gij dan misschien mijn zoon Mouyo gezien, die eenige
+maanden geleden is gestorven?" "O, natuurlijk heb ik hem gezien;
+hij is mijn naaste buurman." "Dat maakt mij werkelijk gelukkig! Hoe
+maakt hij het?" "Het gaat hem goed, God zij geprezen! Maar hij zou wat
+meer tabak kunnen gebruiken, en wat meer zakgeld om zwarte koffie te
+betalen." "Gaat gij weer terug? Ja? Zoudt gij dan zoo goed willen zijn
+hem deze beurs te overhandigen met de groeten van zijn ouders?" De
+Era nam het geld, en verzekerde, dat hij zeer verheugd was zulk een
+aangename verrassing aan den jongeman te kunnen bereiden en hij maakte,
+dat hij weg kwam. Weldra keerde de Turk terug en zijn vrouw vertelde
+hem, wat er was gebeurd. Hij begreep dadelijk, dat zij beet genomen
+was, en zonder zich den tijd te gunnen om haar verwijten te maken,
+steeg hij te paard en galoppeerde den Era na, die, toen hij bemerkte,
+dat hij vervolgd werd, dadelijk vermoedde, dat de ruiter de echtgenoot
+van de lichtgeloovige vrouw moest zijn, en zich zoo veel haastte,
+als hij maar kon, om weg te komen. Dicht in de buurt stond een molen;
+de Era stormde er binnen en sprak den molenaar aldus aan: "Om Godswil,
+broeder, vlucht! Ginds komt een Turksch ruiter met getrokken zwaard
+aan; hij zal u dooden. Ik heb het hem hooren zeggen en ik kom hard
+hierheen loopen om u bijtijds te waarschuwen." De molenaar had geen
+tijd om naar bijzonderheden te vragen; hij wist, hoe wreed de Turken
+waren, en zonder een woord te verspillen, rende hij den molen uit en
+vluchtte naar de naburige rotsen.
+
+Intusschen zette de Era den hoed van den molenaar op zijn eigen hoofd
+en strooide overvloedig meel over zijn kleeren, zoodat hij er als
+een molenaar uitzag. Nauwelijks was dit gedaan, of de Turk kwam. Hij
+steeg van zijn paard en haastig vroeg hij den Era, waar hij den dief
+verborgen had. De Era wees onverschillig naar den vluchtenden molenaar
+op de rots, waarop de Turk hem verzocht op zijn paard te willen passen,
+terwijl hij den oplichter zou gaan grijpen. Toen de Turk een goed
+eind den heuvel op was, borstelde onze Era zijn kleeren af, steeg
+vlug te paard en galoppeerde weg. De Turk greep den echten molenaar
+en vroeg: "Waar is het geld, dat gij van mijn vrouw hebt afgenomen,
+jij oplichter?" De arme molenaar maakte het teeken des kruises [90]
+en zei: "God beware me! Ik heb uw edele vrouw nooit gezien, nog veel
+minder heb ik ooit geld aan haar ontnomen."
+
+Na ongeveer een half uur gepraat was de Turk overtuigd van de onschuld
+van den molenaar en hij keerde terug naar de plaats, waar hij zijn
+paard had achtergelaten. Maar zie! Er was niets van een paard te
+bespeuren! Hij wandelde treurig terug naar zijn vrouw en toen zij zag,
+dat haar echtgenoot geen paard had, vroeg zij verbaasd: "Waar ben je
+geweest, en wat is er van je paard geworden?" De Turk antwoordde:
+"Jij hebt geld naar je lieven zoon gezonden, daarom dacht ik, dat
+het goed was hem het paard er bij te zenden, opdat hij in de andere
+wereld niet te voet behoeft te gaan!"
+
+
+
+Ieder moet een ambacht verstaan.
+
+
+Een koning ging eens varen in zijn weelderig ingericht pleizierjacht,
+vergezeld van de koningin en een dochter. Zij hadden zich nog maar
+even van de kust verwijderd, toen een krachtige wind de galei ver de
+zee indreef, waar ze eindelijk tegen een kale rots stiet. Gelukkig
+was er een klein bootje bij het jacht en de koning wist er zijn
+vrouw en dochter mee te redden. Na geruimen tijd heen en weer
+geslingerd te zijn, lachte het geluk de schipbreukelingen weer toe;
+zij begonnen vogels en drijvende bladeren te zien, wat aantoonde
+dat zij land naderden. En weldra kregen zij de kust in het gezicht;
+daar de zee nu kalm was, waren zij instaat zonder verdere avonturen
+te landen. De koning kende, echter geen ambacht, en hij had ook geen
+geld bij zich. Hij was dus genoodzaakt zijn diensten als schaapherder
+aan te bieden aan een rijken grondbezitter, die hem een hut gaf en
+een kudde schapen om voor te zorgen.
+
+In deze idyllische en eenvoudige omstandigheden leefden zij
+verscheidene jaren tevreden, zonder spijt te gevoelen over het gemis
+van de pracht en de praal, die hen vroeger omgeven hadden.
+
+Op zekeren dag verdwaalde de eenige zoon van den heerscher over dit
+vreemde land, toen hij bezig was een vos na te jagen, en bij die
+gelegenheid zag hij de schoone dochter van onzen herder. Nauwelijks
+had hij zijn oogen op het meisje geslagen, of hij werd dol verliefd op
+haar en zij was niet ongenegen de verzekeringen van onvergankelijke
+genegenheid aan te hooren, die hij in haar ooren stamelde. Zij
+ontmoetten elkaar telkens weer en het meisje stemde erin toe den
+prins te trouwen, als haar ouders toestemming gaven tot de verbintenis.
+
+Eerst deelde de prins zijn wensch aan zijn eigen ouders mee, die
+natuurlijk zeer verbaasd waren over de schijnbaar dwaze keuze van hun
+zoon en hun toestemming niet wilden geven. Maar de prins verzekerde
+plechtig, dat zijn besluit onwrikbaar vast stond; hij zou òf het
+meisje trouwen, dat hij lief had, òf zijn geheele leven ongetrouwd
+blijven. Eindelijk kreeg zijn koninklijke vader medelijden met hem
+en zond zijn eersten adjudant in het geheim naar den herder, om dezen
+de hand van zijn dochter voor den prins te vragen.
+
+
+
+De voorwaarde.
+
+
+Toen de adjudant kwam en de koninklijke boodschap overbracht, vroeg
+de herder hem: "Kent de koninklijke prins een beroep?" De adjudant
+was verbaasd over zulk een vraag. "God verhoede het, dwaze man!" riep
+hij uit, "hoe kunt gij verwachten, dat de troonopvolger een ambacht
+kent? De menschen leeren een ambacht om in hun levensonderhoud
+te voorzien, vorsten bezitten landen en steden en behoeven niet
+te werken".
+
+Maar de herder bleef volhouden en zei: "Indien de prins geen beroep
+kent, dan zal hij mijn schoonzoon niet worden".
+
+De boodschapper van den koning keerde in het paleis terug en deed
+den koning verslag van zijn onderhoud met den herder. Iedereen in het
+geheele paleis was verbaasd, toen het nieuws bekend werd, want allen
+hadden verwacht, dat de herder zich buitengewoon gevleid zou gevoelen,
+dat de koning de hand van zijn dochter voor zijn zoon vroeg en haar
+bevoorrechtte boven de vele koninklijke en keizerlijke prinsessen,
+die hij maar had behoeven te vragen om ze bereid te vinden den prins
+te trouwen.
+
+De koning zond weer een boodschapper naar den herder, maar de man bleef
+op zijn stuk staan. "Zoolang de prins", zei hij, "geen ambacht kent,
+zal ik hem de hand mijner dochter niet geven."
+
+Toen de tweede onderhandelaar met hetzelfde antwoord naar het paleis
+terugkeerde, deelde de koning zijn zoon de voorwaarde van den herder
+mede en de koninklijke prins besloot dan maar te trachten er aan
+te voldoen.
+
+Hij begon met de geheele stad van huis tot huis langs te gaan,
+om een eenvoudig en gemakkelijk ambacht uit te kiezen. Terwijl
+hij door de straat liep, zag hij verschillende handwerkslieden aan
+hun werk, maar hij bleef niet staan, voordat hij aan de werkplaats
+kwam van een tapijt-maker en dit ambacht leek hem even gemakkelijk
+als winstgevend. Hij bood daarom zijn diensten aan den baas aan,
+die volgaarne op zich nam hem het ambacht te leeren. Na eenigen tijd
+ontving de prins een bewijs van bekwaamheid, waarop hij naar den herder
+ging en het hem met het proefstuk van zijn handenarbeid toonde. De
+herder bekeek ze en vroeg den prins: "Hoeveel zoudt gij kunnen krijgen
+voor dit tapijt?" De prins antwoordde: "Indien het van gras gemaakt
+was, zou ik het voor drie stuivers kunnen verkoopen." "Wel, dat is
+een prachtig bedrijf!" antwoordde de herder, "drie stuivers vandaag
+en nog drie stuivers morgen, dat zou zes stuiver maken, en na nog
+twee dagen zoudt gij een schelling hebben verdiend! Indien ik dit
+ambacht eenige jaren vroeger had gekend, zou ik nu geen herder zijn."
+
+Daarop deed hij den prins en zijn gevolg het verhaal van zijn vorig
+leven en van het ongeluk, dat hem getroffen had, waarover allen ten
+zeerste verbaasd waren. Gij kunt er zeker van zijn, dat het den prins
+verheugde, dat zijn geliefde van hooge geboorte, en dus een waardig
+gezellin voor een koningszoon was. En wat zijn vader betrof, die was
+bijzonder blij, dat zijn zoon niet de dochter van een eenvoudigen
+herder had liefgekregen, maar een koninklijke prinses. Het huwelijk
+werd nu met groote pracht gevierd en toen de feestelijkheden waren
+afgeloopen, gaf de koning aan den herder een mooi schip en een goed
+bewapend geleide, waarmee hij naar zijn land terugkeerde en er zijn
+koninklijken troon weer in bezit nam.
+
+
+
+Einde.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] De Servische nationale barden.
+
+[2] Haïdooks--dolende ridders.
+
+[3] Een primitief instrument met een snaar, dat in elk Servisch huis
+wordt gevonden.
+
+[4] Mussachi's gedenkschrift in Karl Hopf's Chroniques Graeco-Romaines.
+
+[5] Tchech is een beter synonym voor het onjuiste Bohemer.
+
+[6] In 't Servisch Pepelyouga, waarin pepel, of--met als o uitgesproken
+l--pepeo, beteekent sintel of asch; ouga, dat het achtervoegsel is,
+komt in beteekenis overeen met het Engelsche one of het Italiaansche
+ella.
+
+[7] Zie _Servische conversatie spraakkunst_, door Woislav M. Petrovitch
+uitg. Julius Groos, Heidelberg, 1914 (Londen: David Nutt, 212
+Shaftesbury Avenue, W.C.), Inleiding pp. 1-8.
+
+[8] Dit was een van de vele eerbewijzen, die de boer, welke zich zelf
+gevormd had, ontving. Hij werd door de universiteit te Jena tot doctor
+honoris causa benoemd. Later werd hij medewerkend of eerelid van de
+meeste Academies van Wetenschappen in Europa; de hoogste orden van de
+in Servië regeerende vorsten werden hem geschonken, en de keizers van
+Oostenrijk, Rusland en Duitschland vereerden hem met gelijke bewijzen
+van hun gunst.
+
+[9] Protestanten van de Grieksch orthodoxe kerk, die zich later in
+Bosnië vestigden.
+
+[10] Zie het gedicht: "Tsaar Ourosh en de Edelen of De Koninklijke
+Prins Marko vertelt aan wien het keizerrijk zal behooren."
+
+[11] De titel komt overeen met dien van prins.
+
+[12] "Ban" is de oorspronkelijke titel van de regeerders van Bosnië.
+
+[13] Voïvode beteekende oorspronkelijk "leider van een leger" of
+"generaal". Als adellijke titel komt het overeen met het Engelsche
+"Duke" dat, afgeleid van het Latijnsche dux, dezelfde wortelbeteekenis
+bezit.
+
+[14] De mannelijke leden van een Servische familie blijven na hun
+huwelijk in het ouderlijk huis wonen. Indien het huis te klein is, om
+het jonge paar te huisvesten, wordt het familiehuis met een bijgebouw
+vergroot. Op deze manier kan het huis tot in het oneindige uitgebreid
+worden en het is bekend, dat wel tachtig leden van een familie samen
+hebben gewoond. Zulke familievereenigingen worden "zadrooga" genoemd.
+
+[15] Een van de hoofdpersonen in het drama van koning Nikita "_De
+Keizerin van de Balkanstaten_" is een krijgsman, genaamd Peroon.
+
+[16] Zie Prins Marko en de "Veela" bladz. 104.
+
+[17] Zie De dood van "Marko" bladz. 117.
+
+[18] Zie "Het bouwen van Skadar" bladz. 198.
+
+[19] Monnik Marcus van Seres: Zêtêsis peri boulcholachôn, ed. Lambros;
+Neos Hellênomnêmôn I (1904) 336-352.
+
+[20] Pleiaden zijn ook bekend onder den naam Sedam Vlashitya.
+
+[21] Zie "De Tsarina Militza en de Zmay van Yastrebatz" bladz. 130.
+
+[22] Een Servisch woord van Turkschen oorsprong.
+
+[23] Deze persoon is gewoonlijk een broer of een zeer intieme vriend
+van den bruigom. Hij komt eenigszins overeen met den bruidsjonker,
+maar zijn functies zijn gewichtiger, zooals blijken zal.
+
+[24] Bosschen werden tot kort geleden beschouwd als gemeenschappelijk
+eigendom. Zelfs in onze dagen staat het iederen boer vrij een
+Badgnak-boom te hakken in welk bosch hij wil, al is het 't eigendom
+van vreemdelingen.
+
+[25] Aangehaald door den historicus Leopold von Ranke.
+
+[26] Een instrument, dat eentonige, dreunende geluiden voortbrengt en
+dat in veel opzichten op een lier gelijkt. In den ouden tijd werd dit
+instrument bespeeld door minstreelen boven de dertig jaar. Jongere
+mannen speelden fluit, viool of een soort doedelzak.
+
+[27] Ten einde te illustreeren hoe vast dit geloof in geheel Servië
+wortel heeft geschoten, haalt de schrijver het volgende uit zijn
+artikel (verkort) aan: "Hoe een Servische Prins uit de veertiende
+eeuw in den laatsten oorlog op een wonderlijke wijze een overwinning
+behaalde." _The International Psychic Gazette_ Mei 1913.
+
+"Toen wij verleden jaar den 15den November te Skoplye (Uskub) kwamen,
+gaven de Servische officieren een betrekkelijk kostbaar feestmaal in
+hun kazerne ter eere van den generaal-chirurgijn Bourke en de twee
+Britsche afdeelingen van het Roode Kruis, bij welke gelegenheid de
+bejaarde generaal Mishitch ons het volgende voorval vertelde uit den
+slag van Prilip, die een paar dagen te voren was geleverd.
+
+"Onze infanterie had voor dien slag, welke eenig is in de
+geschiedenis der veldslagen, het bevel gekregen een geforceerden
+marsch te maken. Zij moest aan den voet van den berg Prilip, waarop
+eens het kasteel van Marko stond, wachten op de uitwerking van onze
+artillerie, die zoowel in aantal als in hoedanigheid, die der Turken
+overtrof. Zij was gewaarschuwd het fort vooral niet te bestormen,
+voordat het bevel daartoe door den opperbevelhebber gegeven was. Dit
+was volstrekt niet overbodig, want onze soldaten hadden kort te voren
+verscheidene slagen met de punt van de bajonet gewonnen en waren er
+van overtuigd, dat niets de Turken zoo kon verschrikken als het gezicht
+van de glinsterende bajonetten der Servische troepen. Ook wisten zij,
+dat enkel het geroep _Na noge!_ van de Bulgaren, voldoende was geweest
+om de Turken bij Kirk-Klissé en Lülé Bourgass op de vlucht te jagen.
+
+"Gedurende den vroegen morgen hield de infanterie zich rustig,
+maar reeds bij de eerste kanonschoten merkten wij een ongewone
+beweging onder onze troepen en spoedig daarna hoorden wij een woest
+geschreeuw en zagen wij hen als wolven regelrecht op het kasteel van
+den koninklijken Prins Marko aansnellen. Ik kon hooren, hoe kapitein
+Agatonovitch hen beval te blijven staan en het sein tot den aanval
+van den generaal af te wachten.
+
+"Toen de troepencommandanten zagen, dat discipline machteloos
+bleek, beproefden zij te vergeefs een beroep te doen op het gezond
+verstand van de soldaten. Zij voorspelden hen een zekeren dood,
+indien zij tenminste de uitwerking der artillerie niet afwachtten,
+maar hun woorden werden overstemd door het gebulder van het Turksche
+belegeringsgeschut en de mitrailleuses, en onze soldaten liepen
+regelrecht het vuur in, waar zij bij dozijnen schenen te vallen! Het
+was een afschuwelijk gezicht. Ik was niet in staat mijn manschappen
+tot staan te brengen. Mijn bloed stolde, ik sloot mijn oogen. Een
+rampzalige nederlaag! Demoraliseering van de andere troepen! Mijn
+eigen degradatie was zeker!
+
+"Na een poosje hield onze artillerie op met vuren, daar zij anders de
+eigen troepen gedood zou hebben, die nu de bajonetten kruisten met de
+Turksche infanterie. Eenige oogenblikken later zagen wij de Servische
+nationale kleuren van den slottoren van het kasteel van Kralyevitch
+Marko wapperen. De Turken vluchtten in de grootste wanorde. De
+overwinning onzer troepen was even volkomen als snel geweest!
+
+"Toen wij iets later op het tooneel van den strijd kwamen, werd er een
+parade bevolen. Na het appel merkten wij, dat ons verlies betrekkelijk
+onbeteekend was. Ik prees mijn helden voor hun dapper gedrag, maar
+berispte hen scherp over hun ongehoorzaamheid. Bij mijn laatste
+vermanende woorden riepen die duizenden soldaten als uit een mond:
+'_Kralyevitch Marko beval: Voorwaarts! Heeft u hem niet gezien op
+zijn Sharatz?_'
+
+"Het was mij duidelijk, dat de overlevering van Kralyevitch zoo diep in
+het hart van deze eerlijke en heldhaftige mannen was gegrift, dat zij
+in hun levendig enthousiasme de incarnatie van hun held hadden gezien.
+
+"Ik zond de troepen weg en beval hun de geheele week een dubbel
+rantsoen voedsel en wijn te geven. Elke tiende man ontving een
+'_Medalya za Hrabrost_' (medaille voor moed)."
+
+[28] Tabor is een Turksch woord en beteekent leger of kamp.
+
+[29] Andere barden zeggen "Gratchanitza".
+
+[30] Despoot was een eeretitel van de Byzantijnsche keizers, daarna
+van de leden van hun familie, die naderhand als ambtstitel overging
+op hun vazallen en gouverneurs. In rang volgde de despoot onmiddellijk
+op den koning.
+
+[31] Divan is een Turksch woord voor "Senaat".
+
+[32] Koula is het Servische woord voor "Kasteel".
+
+[33] Istamboel is de Turksche naam voor Konstantinopel.
+
+[34] Firman is een Turksch woord voor keizerlijken "brief" of
+"decreet".
+
+[35] Met tovar, een Servische maat, werd een hoeveelheid bedoeld,
+die een normaal paard op zijn rug kan dragen. Het is nu een verouderde
+term.
+
+[36] Dervish is een kerkelijk ambtenaar bij de Mohamedanen. Voor den
+ongeloovige is het een scheldwoord.
+
+[37] Wat in 't Servisch beteekent "totdat gij trouwt".
+
+[38] Dit doelt op Lazarus, die in den slag van Kossovo viel.
+
+[39] _Kessedjiya_ beteekent "vechtersbaas", "bullebak", en is de
+bijnaam van den Albaneeschen roofridder Moussa, die gedurende jaren
+des sultans macht tartte. De gebeurtenis beschreven in het gedicht,
+waarop hier volgens sommige Servische historici wordt gedoeld--,
+verhaalt een voorval, dat werkelijk plaats had in het begin van de
+veertiende eeuw. Er is nauwelijks een herberg of wijnhuis in de dorpen
+der zuidelijke Slaven te vinden, waar niet op den voorgevel de ruwe
+fresco prijkt, die het tweegevecht van Marko en Moussa voorstelt.
+
+[40] Arbanass is een andere naam voor Albanees
+
+[41] Dyugoom, een koperen watervat, van binnen geëmailleerd.
+
+[42] Adrianopel.
+
+[43] Deze regels worden beschouwd als de schoonste, welke ooit door
+eenig Servisch bard zijn geschreven; vrij vertaald beteekenen zij:
+"O heer Strahinya, gij roemrijke Servische valk! Gij die steeds op
+uw trouw paard Dyogo, en op uw eigen moed vertrouwt, zult, waar gij
+ook gaat, een weg vinden, waar geen gevaar u bedreigt."
+
+[44] Hier wijst de bard in de naïeve beschouwingen, waarmede hij zijn
+verhaal onderbreekt, op het verschijnsel, dat het schoone geslacht
+altijd op slechten voet staat met trouwe honden.
+
+[45] Zmay is het Servische woord voor "draak", maar in dit gedicht
+wordt het figuurlijk gebruikt, om de bovenmenschelijke eigenschappen
+aan te duiden, die naar men aanneemt de helden bezitten.
+
+[46] Tchardack is een Turksch woord en beteekent een toren, voorzien
+van balkons.
+
+[47] Vorst over Zetta en Montenegro, in het begin van de vijftiende
+eeuw afzonderlijke staten.
+
+[48] Deze uitdrukking komt in veel van de gedichten voor en duidt op
+de diepste neerslachtigheid en teleurstelling.
+
+[49] In dit vers drukt de troubadour de meening uit--volstrekt niet
+complimenteus tegenover vrouwen, doch in de Balkanstaten wordt dat
+oordeel algemeen onderschreven--dat vrouwen lange haren hebben en
+korte hersenen. (Dooge kosse a pameti kratke).
+
+[50] Een andere lezing van deze ballade meldt, dat Maximus Milosh
+uitdaagde tot een duel, waarin de Prins overwinnaar bleef.
+
+[51] Anderen beweren, dat Maximus niet vluchtte, maar bleef en streed
+tot hij uitgeput was door zijn ontelbare wonden en dat hij toen een
+bovenmenschelijke poging deed en er in slaagde zijn bruid te bevrijden.
+
+[52] Dit is de volksnaam voor Serviërs, die in Batchka en Banat wonen,
+provincies die nu onder Oostenrijksch-Hongaarsch bestuur zijn.
+
+[53] De liefde van een zuster voor haar broer is spreekwoordelijk
+in Servië. Geheele balladen zijn gewijd aan schoone voorbeelden van
+zulk een liefde. In Servië kan geen zuster een plechtiger eed zweren,
+dan die welke zij aflegt bij den naam van haar broer.
+
+[54] Kroushavatz was onder de regeering van tsaar Lazarus
+Hrebélianovitch en dus tijdens den vermaarden slag van Kossovo
+(A.D. 1389) de hoofdstad van het uitgestrekte Servische keizerrijk.
+
+[55] Laboud beteekent witte zwaan.
+
+[56] De Turksche Sultan Amourath I kwam om door de hand van voïvode
+Milosh. Die groote Servische held doorstak hem met zijn verborgen
+ponjaard, toen hij, beschuldigd van verraad, in de tegenwoordigheid
+van den sultan werd geleid.
+
+[57] Verkorting van Amourad of Amourath.
+
+[58] Een ballade uit Montenegro, uit het district Byelopavlitch.
+
+[59] Danitza is de morgenster. De Servische barden beginnen vaak hun
+gedichten met de vermelding van den ochtendstond en de verschijning
+van "Danitza". Verscheidene algemeen bekende balladen beginnen aldus:
+De maan beknort de ster Danitza: "Waar zijt gij geweest? Waarmee hebt
+gij uw tijd verspild?" En Danitza deelt dan ter verontschuldiging van
+haar lang wegblijven onveranderlijk aan de Maan mede, hetgeen zij in
+den nacht, gedurende haar afwezigheid heeft gezien, meestal een slechte
+daad van een Turk of een bewijs van karakterloosheid van een jongen
+man tegenover zijn broer of een ander bloedverwant, een oneerlijkheid
+bij de verdeeling van het vaderlijk erfdeel, of iets dergelijks.
+
+[60] Een sidjadé is een divan.
+
+[61] Een hodja is een Mohammedaansch priester.
+
+[62] De kadi is een Ottomaansch rechter.
+
+[63] De djelat is de beul.
+
+[64] Een Vladika is in Servië een "bisschop". In Montenegro waren
+de leden van het huis Petrovitch-Niegosh zoowel wereldlijke als
+geestelijke heerschers. Het was Vladika Danilo Petrovitch, oom van
+den tegenwoordigen koning van Montenego, die het allereerst den titel
+aannam van erfelijk prins.
+
+[65] Koning Voukashin, de vader van prins Marko, was een leenman van
+keizer Doushan, den Machtigen.
+
+[66] Boyana is de rivier, aan welker oever Scoetari is gebouwd.
+
+[67] De Servische barden van de veertiende eeuw gebruikten
+onveranderlijk het woord "boek" als zij een brief bedoelen.
+
+[68] Of volgens enkele barden Piritor. Men beweert, dat de muren van
+het kasteel in Herzegovina nog aangewezen kunnen worden.
+
+[69] Tchile verkleinwoord van Yaboutchilo, den vollen naam van
+het paard.
+
+[70] Men dient in het oog te houden, dat zulke balladen door de barden
+voorgedragen worden voor groote bijeenkomsten van allerlei leeftijd
+en beiderlei geslacht; waarbij zij zich soms rechtstreeks tot hun
+hoorders wenden.
+
+[71] Dit is weer een voorbeeld van de innigheid der zusterlijke liefde,
+waarvan wij reeds vroeger hebben gesproken.
+
+[72] Deze ballade is naar alle waarschijnlijkheid een in mythologisch
+gewaad gestoken herinnering aan een geweldige voorhistorische
+catastrophe; zij toont duidelijker dan eenige andere oude herinnering
+van het dichterlijke Servische volk de opvallende overeenstemming
+tusschen de overleveringen der verschillende volkeren.
+
+[73] Dit begin zou menigen lezer in verwarring kunnen brengen, als
+niet werd meegedeeld, dat de beroering niet wordt teweeg gebracht
+door de heiligen, maar, wat een Servisch auditorium heel goed weet,
+deze inleiding enkel haar ontstaan dankt aan de behoefte, die de bard
+voelt om zijn verhaal met een effectvollen aanhef te beginnen, teneinde
+zich daardoor van de volle aandacht zijner toehoorders te verzekeren.
+
+[74] Divan beteekent in het Servisch een vergadering van een
+regeeringslichaam. In dezen zin beteekent het 't Laatste Oordeel.
+
+[75] Skadar of Skadra afgeleid van de Italiaansche benaming Scodra
+of ook Scoetari, de tegenwoordige hoofdstad van Albanië. Scoetari
+heeft sinds onheugelijke tijden aan de Serviërs behoord.
+
+[76] Kraly beteekent Koning.
+
+[77] Boyana is de naam van de rivier, die de muren van Skadar bespoelt
+
+[78] Neimar beteekent architect.
+
+[79] Sir John Bowring, die in 1827 hierover schreef, verhaalt, dat
+een kleine stroom van vloeibare koolzure kalk op de muren van Scoetari
+wordt aangemerkt als een blijk van de waarheid dezer geschiedenis. Vouk
+St. Karadgitch zegt, dat het Servische volk zelfs nu nog gelooft,
+dat geen groot gebouw met succes opgericht kan worden, zonder dat er
+een levend wezen ingemetseld wordt. Daarom vermijden zij de nabijheid
+van zulke gebouwen, als men bezig is ze op te trekken, want er wordt
+gezegd, dat het reeds voldoende is, wanneer slechts de geest van zulk
+een ongelukkige wordt ingemetseld, waarop echter een spoedige dood
+volgt. Srpske Narodne Pyesme, Weenen 1875, deel II p. 124 noot 20.
+
+[80] Een vervallen vesting aan de oevers van de rivier Morava. Den
+zelfden naam draagt een stad in Midden-Servië, niet ver verwijderd
+van het kasteel van Theodorus.
+
+[81] Deze legende werd opgeteekend, en aan Vouk St. Karadgitch
+medegedeeld door vorst Michaël Obrenovitch III, die ze in zijn jeugd
+van zijn kindermeid had gehoord.
+
+[82] De christenen van de Balkanstaten maken gewoonlijk een kruis
+voor en na hun maaltijd.
+
+[83] Een gouden muntstuk van ongeveer 12 gulden.
+
+[84] De appel is een symbolisch geschenk, dat hij, die naar haar hand
+dingt, het meisje zijner keuze aanbiedt.
+
+[85] Het is de gewoonte bij de Serviërs, dat een van de broers het
+meisje aan den toekomstigen bruigom geeft.
+
+[86] Baardeloosheid is het kenmerk van de listige en verraderlijke
+naturen.
+
+[87] Dit en de volgende verhalen in dit hoofdstuk zijn met vriendelijke
+toestemming van M. Chede Miyatovitch ontleend aan de Servische Folklore
+van mevrouw C. Miyatovitch.
+
+[88] Tziganen of Zigeuners in Servië en eigenlijk in het geheele
+Balkanschiereiland zijn voornamelijk paardenhandelaars. Het stelen
+en verkoopen van paarden is hun hoofdbedrijf.
+
+[89] Era is een naam, die aan de boeren van het district Ouzitze
+(Westelijk Servië) wordt gegeven. Zij hebben den naam heel geestig
+en sluw te zijn en zouden de Ieren van Servië genoemd kunnen worden.
+
+[90] Als Serviërs zeer verbaasd over iets zijn, maken zij onwillekeurig
+het teeken des kruises.
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HELDENSAGEN EN LEGENDEN VAN DE
+SERVIËRS ***
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions will
+be renamed.
+
+Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
+law means that no one owns a United States copyright in these works,
+so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
+United States without permission and without paying copyright
+royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
+of this license, apply to copying and distributing Project
+Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
+concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
+and may not be used if you charge for an eBook, except by following
+the terms of the trademark license, including paying royalties for use
+of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
+copies of this eBook, complying with the trademark license is very
+easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
+of derivative works, reports, performances and research. Project
+Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
+do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
+by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
+license, especially commercial redistribution.
+
+START: FULL LICENSE
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase “Project
+Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
+Project Gutenberg™ License available with this file or online at
+www.gutenberg.org/license.
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
+Gutenberg™ electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or
+destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your
+possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
+Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound
+by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
+person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
+1.E.8.
+
+1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this
+agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™
+electronic works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
+Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
+of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual
+works in the collection are in the public domain in the United
+States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
+United States and you are located in the United States, we do not
+claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
+displaying or creating derivative works based on the work as long as
+all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
+that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting
+free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™
+works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
+Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily
+comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
+same format with its attached full Project Gutenberg™ License when
+you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
+in a constant state of change. If you are outside the United States,
+check the laws of your country in addition to the terms of this
+agreement before downloading, copying, displaying, performing,
+distributing or creating derivative works based on this work or any
+other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no
+representations concerning the copyright status of any work in any
+country other than the United States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
+immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear
+prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work
+on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
+phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
+performed, viewed, copied or distributed:
+
+ This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+ most other parts of the world at no cost and with almost no
+ restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
+ under the terms of the Project Gutenberg License included with this
+ eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
+ United States, you will have to check the laws of the country where
+ you are located before using this eBook.
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is
+derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
+contain a notice indicating that it is posted with permission of the
+copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
+the United States without paying any fees or charges. If you are
+redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
+Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
+either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
+obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™
+trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
+additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
+will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works
+posted with the permission of the copyright holder found at the
+beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg™.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg™ License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
+any word processing or hypertext form. However, if you provide access
+to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format
+other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
+version posted on the official Project Gutenberg™ website
+(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
+to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
+of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
+Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
+full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works
+provided that:
+
+• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
+ to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has
+ agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
+ within 60 days following each date on which you prepare (or are
+ legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
+ payments should be clearly marked as such and sent to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
+ Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
+ Literary Archive Foundation.”
+
+• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
+ License. You must require such a user to return or destroy all
+ copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
+ all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
+ works.
+
+• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
+ any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
+ receipt of the work.
+
+• You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg™ works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
+Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
+are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
+from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
+the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
+forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
+Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
+electronic works, and the medium on which they may be stored, may
+contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
+or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
+other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
+cannot be read by your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
+of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium
+with your written explanation. The person or entity that provided you
+with the defective work may elect to provide a replacement copy in
+lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
+or entity providing it to you may choose to give you a second
+opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
+the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
+without further opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you “AS-IS”, WITH NO
+OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of
+damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
+violates the law of the state applicable to this agreement, the
+agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
+limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
+unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
+remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
+accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
+production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
+electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
+including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
+the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
+or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or
+additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any
+Defect you cause.
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™
+
+Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of
+computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
+exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
+from people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™'s
+goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg™ and future
+generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
+Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
+www.gutenberg.org
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
+U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
+Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
+to date contact information can be found at the Foundation's website
+and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without
+widespread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
+DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
+state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations. To
+donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
+Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be
+freely shared with anyone. For forty years, he produced and
+distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of
+volunteer support.
+
+Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
+the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
+necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
+edition.
+
+Most people start at our website which has the main PG search
+facility: www.gutenberg.org
+
+This website includes information about Project Gutenberg™,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.