diff options
Diffstat (limited to '18363-0.txt')
| -rw-r--r-- | 18363-0.txt | 13947 |
1 files changed, 13947 insertions, 0 deletions
diff --git a/18363-0.txt b/18363-0.txt new file mode 100644 index 0000000..67d27f0 --- /dev/null +++ b/18363-0.txt @@ -0,0 +1,13947 @@ +The Project Gutenberg eBook of Heldensagen en legenden van de +Serviërs, by Woislav M. Petrovitch + +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and +most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms +of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at +www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you +will have to check the laws of the country where you are located before +using this eBook. + +Title: Heldensagen en legenden van de Serviërs + +Author: Woislav M. Petrovitch + +Translator: J.P. Wesselink-Van Rossum + +Illustrators: William Sewell + Gilbert James + +Commentator: Chedo Miyatovich + +Release Date: April 10, 2023 [eBook #18363] + +Language: Dutch + +Produced by: Produced by Jeroen Hellingman, and the Online Distributed + Proofreading Team at http://dp.rastko.net/ for Project + Gutenberg + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HELDENSAGEN EN LEGENDEN VAN +DE SERVIËRS *** + + + + + + + Heldensagen en legenden van de Serviërs + + Door + + Woislav M. Petrovitch + + Attaché bij de Koninklijke Servische Legatie aan het Engelsche hof + + Met een voorbericht van + + Chedo Miyatovich + + Gewezen Servisch gezant aan het Engelsche Hof + + Uit het Engelsch vertaald door + + Mevr. J. P. Wesselink--Van Rossum + + Met 32 gekleurde platen door + + William Sewell & Gilbert James + + + + + Zutphen--W. J. Thieme & Cie--1915 + + + + + + +INHOUD. + + + Inleiding + + I. Historische terugblik + II. Bijgeloof en nationale gebruiken + III. Servische nationale epische poëzie + IV. Kralyevitch Marko; of de Koninklijke prins Marko + V. Banovitch Strahinya + VI. De tsarina Militza en de Zmay van Yastrebatz + VII. Het huwelijk van Maximus Tzrnoyevitch + VIII. Het huwelijk van tsaar Doushan den Machtige + IX. Tsaar Lazarus en de tsarina Militza + X. De gevangenschap en het huwelijk van + Stephanus Yakshitch + XI. Het huwelijk van koning Voukashin + XII. De heiligen verdeelen de schatten + XIII. Drie servische balladen + + 1. De bouw van Skadar + 2. De stiefzusters + 3. De ontvoering van de schoone Iconia + + XIV. Folklore 211 + + 1. De ram met de gouden vacht + 2. een paviljoen noch in den hemel noch op + aarde + 3. Pepelyouga + 4. De taal der dieren + 5. De stiefmoeder en haar stiefdochter + 6. Recht en onrecht + 7. Wie weinig vraagt, ontvangt veel + 8. Bash Tchelik of echt staal + 9. De gouden appelboom en de negen + pauwinnen + 10. Het vogelmeisje + 11. Liegen om een weddenschap + 12. Het meisje, dat wijzer is dan de + tsaar + 13. Goede daden zijn onvergankelijk + 14. Hij wien God helpt, kan niemand kwaad + doen + 15. Dieren als vrienden en als vijanden + 16. De drie vrijers + 17. De droom van den Koningszoon + 18. De bijter gebeten + 19. Het beroep dat niemand kent + 20. De tweelingen met de gouden haren + + XV. Eenige Servische populaire anecdoten + + Verklarende Woordenlijst en Index + + + + + +LIJST VAN ILLUSTRATIES. + + + God zegene u, o schoon groen meer! In uw boezem zal ik + voortaan wonen (titelplaat) + Zou hij onmiddellijk ingesloten worden door een dikken + mist + En daar een boom driemaal schudt + Terwijl de kinderen haar vroolijk volgen + Op het oogenblik, dat Voukashin zijn zoon zou bereiken + Maar dank zij Sharatz kwam ik ten laatste steeds verder van + hem af + De Doge schoof hoffelijk het gordijn voor den ingang ter + zijde + Ik zag, hoe zwart haar gelaat was en hoe wit haar handen! Ik + huiverde van afschuw + In enkele oogenblikken had Sharatz de Veela ingehaald + Daar is het zwaard en hier is het aambeeld + Hij bejammerde luid het lot van Marko + Toen het kasteel ineenstortte, werd Maximus door den vallenden + toren geraakt, die hem echter niet ernstig kwetste + En de stralen het meisje beschenen + De berg Shar, waar Milosh, de herder, met zijn kudde + vertoefde + Twee harer keken haar gezellin, die in het midden stond, + met een veelzeggenden blik aan + Werd voor de ochtendschemering door de Veela geslecht + Waar zij Pauls grijzen valk den nek omdraaide + Waarom weent gij, mijn broeder? + En werkelijk, de olifanten kwamen, gelijk hij verwacht + had + En daar zag hij zijn zuster zitten, met den kop van den + slapenden draak op haar knie + Marra deed haar gouden gewaad uit + De slang kronkelde zich snel om zijn arm + Toen eenige veele naar de bron kwamen om te baden + Daarop verrees onmiddellijk op die plek een prachtig paleis + Ontstelde hij hevig op het zien van de slang tegen den + muur + Streek dadelijk op den grond neer, waar ze in een meisje + veranderde + Gelukkig werd de oude vrouw zoo in beslag genomen door het + spelen met den vogel + Het heele brood is voor u + Hij kon geen woord uitbrengen + Geef mij uw hand, opdat ik uw ring kan zien + Maar wat ook gebeurde, hij volhardde in het gebed + Vroeg hij den Era, waar hij den dief verborgen had + Kaart van de Balkanstaten + + + + + +VOORBERICHT. + + +De Serviërs hechten de grootste waarde en het meeste gewicht aan de +sympathieën van een zoo hoog beschaafd, groot en daardoor terecht +zoo invloedrijk volk als de Britsche natie. Sinds het begin van +de twintigste eeuw zijn er twee kritieke oogenblikken geweest--de +annexatie van Bosnië en Herzogovina door Oostenrijk en de oorlog +tegen de Turken--waarbij wij gelegenheid hebben gehad op te merken, +van hoe groote praktische beteekenis de Britsche sympathieën, zelfs +al zijn zij oogenschijnlijk niet meer dan platonisch, voor ons volk +kunnen zijn. Het is zeer natuurlijk, dat wij den wensch koesteren +deze sympathieën te behouden en zoo mogelijk nog te vergrooten. Wij +zijn trotsch op de overwinningen, die ons leger op de dappere Turken +behaalde, doch wij vleien ons, dat ons volk behalve om zijn militaire +eigenschappen ook om de andere trekken van zijn nationaal karakter +zich sympathie en eerbied zal weten te verwerven. + +Wij wenschen onzen vrienden ons volk te doen kennen, zooals het is. Wij +wenschen hen een blik te laten slaan in onze nationale psyche. En +niets kan een beteren kijk geven in de ziel van het Servische volk +dan dit uitnemende boek van Woislav M. Petrovitch. + +De Serviërs behooren ethnologisch tot de groote familie der Slavische +volken. Zij zijn neven in den eersten graad van de Russen, Polen, +Czechen, Slowakken en Bulgaren en zij zijn de broeders der Croaten en +Slowenen. Sedert de kerk niet langer de volkeren gescheiden houdt en +om der wille van het geloof geen tweedracht in het leven der volkeren +kan worden gezaaid, zijn de orthodoxe Serviërs en de Roomsch Katholieke +Croaten feitelijk één en hetzelfde volk. + +Van al de Slavische naties mogen de Serviërs zich er op laten voorstaan +de meest poëtische te zijn. Hun taal is de rijkste en de meest muzikale +onder alle Slavische talen. De overleden professor Morfill, die in +zekeren zin een Panslavist was, heeft herhaaldelijk tegen mij gezegd: +"Ik zou wenschen, dat gij, Serviërs, zoowel als alle andere Slavische +volken, met Rusland een politiek verbond vormdet, maar ik zou niet +willen, dat gij uw schoone en goedontwikkelde taal prijsgaaft om die +te verwisselen voor de Russische!" + +Eens ging hij zelfs zoo ver als zijn meening te kennen te geven, +dat de toekomstige Vereenigde Staten van de Slaven als voertuig voor +hun letterkunde en als officieele taal de Servische zouden aannemen, +wijl die verreweg de edelste en meest muzikale is van alle Slavische +dialecten. + +Toen onze voorouders het westelijk deel van het Balkanschiereiland +bezetten, vonden zij daar een groot aantal Latijnsche kolonies en +Grieksche steden en nederzettingen. In den loop van twaalf eeuwen +hebben wij door wederzijdsche huwelijken veel Grieksch en Latijnsch +bloed opgenomen. Dientengevolge en onder den invloed van het handels- +en politiek verkeer met Italië werd onze taal verzacht en onze +manieren, en de in ons Slavische volk sluimerende liefde voor wat +schoon, dichterlijk en edel is versterkt. Wij vormen een bijzonder +Slavische type, gewijzigd door Latijnsche en Grieksche invloeden. De +Bulgaren zijn een Slavisch volk van een geheel ander type, ontstaan +door de circulatie van Tartaarsch bloed in Slavische aderen. Dit +eenvoudige feit verklaart de tegenstelling tusschen de Serviërs en +Bulgaren en hun onderlinge twisten gedurende de Middeleeuwen en zelfs +in onzen tijd. + +Wat zijn nu de nationale liederen der Serviërs? Het zijn geen liederen, +gemaakt door beschaafde of litterair geschoolde dichters, maar door +eenvoudige menschen en die, eenmaal populair geworden, door eenvoudige +menschen worden gezongen. + +Tot in het midden van de negende eeuw leefden de Serviërs voor +het meerendeel in agrarische- en familiegenootschappen, Zadrooga +genaamd. Naar M. Petrovitch heeft medegedeeld, verlieten de zoons +van een boer het huis huns vaders niet, als zij trouwden, maar +zij bouwden een houten hut op het land, dat het huis van hun vader +omringde. Heel dikwijls ontstond er een groote nederzetting rondom +het oorspronkelijke huis, van vaak meer dan honderd personen, mannen +en vrouwen, die te zamen werkten op het land en de huizen als hun +gemeenschappelijk eigendom beschouwden, evenals de vruchten van hun +arbeid. Al de leden van de Zadrooga erkenden het oudste lid van zulk +een familiegenootschap als hun hoofd en het was de gewoonte, dat +allen zich 's avonds in het stamhuis rondom hem verzamelden. Nadat +de zaken, die het boerenbedrijf of andere aangelegenheden betroffen, +waren afgedaan, werd de familiekring verder bezig gehouden, doordat +het hoofd of een ander mannelijk lid van de familie een heldendicht +voordroeg of een der liederen zong, waarin de een of andere historische +gebeurtenis verhaald werd of waarvan de tekst gewijd was aan een +gebeurtenis, die eerst kort geleden had plaats gehad. + +Bij de openbare samenkomsten, bij kerken en kloosters verzamelden +zich eveneens groepen mannen en vrouwen rondom de voordragers, die +in liederen de oude koningen en helden of een bijzonder treffende of +belangrijke gebeurtenis bezongen. + +In Hongaarsch Servië (Syrmia, Banaat, Baschka) maken oude blinde mannen +er een winstgevend bedrijf van oude of nieuwe liederen te zingen, +die voor het meerendeel op oude helden of historische gebeurtenissen, +doch ook wel op de geschiedenis van den dag betrekking hebben. Maar in +andere deelen van Servië (Shumadiya, Bosnië, Herzogovina, Montenegro, +Dalmatië) dragen welgestelde boeren zeer dikwijls de heldenliederen +voor, omringd door een menigte toehoorders en toehoorderessen. Het +is een zonderling feit, reeds door Vouk S. Karadgitch opgemerkt, +dat de voordragers van heldenliederen zeer zelden jong zijn, maar +meestal mannen van middelbaren leeftijd en nog vaker oude mannen. Het +is, alsof de oude mannen het als hun plicht beschouwen het jonge +geslacht bekend te maken met de belangrijkste gebeurtenissen uit de +geschiedenis van het volk en zijn voornaamste helden. Men kan nog +menig ongeletterde in Servië vinden, maar gij zult niemand vinden, +die niet in staat is u wat te vertellen over Stephan Nemanya, den +eersten koning van het Servië uit de Middeleeuwen, over zijn zoon, +St. Sava, tsaar Doushan, zijn jongen zoon Ourosh, koning Voukashin, +den koninklijken prins Kralyevitch Marko, tsaar Lazarus en de helden, +die vielen in den vermaarden slag van Kossovo (1389). + +Zonder overdrijving kan dus gezegd worden, dat de Servische boeren +hun eigen vaderlandsche geschiedenis schreven door haar van het +eene geslacht op het andere over te vertellen en te bewaren in hun +rhythmische, tienlettergrepige, rijmlooze verzen. De gooslari [1] +en de monniken bewaarden het nationaal politieke bewustzijn en de +nationale kerk voor ondergang gedurende de vijf eeuwen, waarin zij +slechts Turksche Rayah waren, eenvoudige lieden, gedoemd om niets +beters te zijn dan slaven van hun meester, den Turk. Wij zouden +tegenwoordig niets weten van den aanhoudenden guerillaoorlog, dien +de beste en moedigste mannen van het volk met groote hardnekkigheid +tegen den onderdrukker van het volk voerden van het begin der zestiende +eeuw, tot de eerste opkomst van de Shumadia onder Karageorge in 1804, +indien wij de zoogenaamde Haïdoochke Pesme (Zangen op Haïdooks [2]) +niet bezaten. Lang voor de geschiedenis van het ontstaan van den +Servischen Nationalen Staat werd geschreven door Stoyan Novakovich, +den geleerden president van de Servische Academie, werd zij in +verzen van groote schoonheid en uitdrukking bezongen door den bard +Vishnyich. En de overwinningen van het Servische leger op de Turken +en Bulgaren in den oorlog 1912-13 worden nu reeds bezongen door de +barden in de herbergen en op de jaarmarkten in de dorpen, waar het +volk in grooten getale bijeenkomt en bij de groote kerkelijke feesten +op het plein rondom de kerk. Natuurlijk leert een Serviër, die bij +honderd gelegenheden nationale liederen heeft hooren voordragen, ze +zelf voordragen, al is hij misschien niet in staat zijn voordracht +te begeleiden op de goussle. [3] Evenmin valt het hem moeilijk door +menigen stereotypen regel van oude welbekende zangen te bezigen, in +verzen de geschieden te verhalen van onzen tijd. Toen ik in 1873 als +minister van financiën bij de begrootingsdebatten in de Skoupshtina +een nederlaag leed, werd hiervan dienzelfden avond en den volgenden +dag in rijmlooze verzen kond gedaan aan het volk. + +Naast de zangen, die meer of minder getrouw historische gebeurtenissen +herdenken, zijn er een menigte nationale liederen, die hun stof aan +een der talrijke legenden ontleenen. Zij zijn zonder twijfel in het +leven geroepen onder den invloed van de priesters en monniken en waren +oorspronkelijk alleen bestemd voor de menigte, die op de kerkelijke +feesten samenstroomde. Het verheugt mij te zien, dat M. Petrovitch +in zijn verzameling heeft opgenomen het lied, dat waarschijnlijk het +oudste onder alle Servische zangen is. Het heet "De Heiligen verdeelen +de Schatten" en het bewaart de herinnering aan een blijkbaar zeer oude +overlevering, die op haar beurt weer de heugenis bewaart aan een groote +ramp, die het stamvolk in Indië trof en vermoedelijk de oorzaak was, +dat de voorouders van de Slaven Indië moesten verlaten. Het is zeer +merkwaardig een echo van een groote ramp, die eenmaal Indië teisterde, +in de nationale zangen van de Serviërs te hooren naklinken. + +Dat de Serviërs nationale liederen hadden, waarin zij de Servische +daden van hun nationale helden bezongen, daarvan werd reeds in de +veertiende eeuw melding gemaakt. Nicephoras Gregoras, die door den +Byzantijnschen keizer naar Servië werd gezonden met een diplomatieke +zending, vertelt de Serviërs hun nationale liederen te hebben hooren +zingen. + +In officieele bescheiden, die bewaard bleven van de vele diplomatieke +missies, die zich in de zestiende eeuw tusschen Weenen of Buda +en Konstantinopel bewogen, en wier weg over Servië leidden, wordt +eveneens melding gemaakt van de heldenzangen, waarin de Serviërs hun +groote voorouders herdachten. + +In die eeuw heeft de eerste poging plaats om eenige van deze nationale +liederen door de drukpers te vermenigvuldigen, een poging, die onder +anderen door den dichter Hectorovich uit Ragusa werd ondernomen. In +de achttiende eeuw werden meer geslaagde pogingen gedaan door den +Franciscaner monnik Kachich-Mioshich en door den abt Fortis. Maar het +is aan den geleerden grondlegger van de moderne Servische literatuur, +Vouk Stephanovitch Karadgitch, dat in dezen de grootste eer toekomt, +zooals door M. Petrovitch in zijn Inleiding en elders is aangetoond. + +M. Petrovitch moet hebben ondervonden, wat de Franschen noemen +"embarras de richesses." Het was niet zoo gemakkelijk de zangen +voor een vertaling uit te kiezen. Maar hij heeft ons eenige van +de schoonste Servische heldendichten gegeven als model van wat de +Servische nationale dichtkunst voortbracht. Het doet mij alleen leed, +dat hij daarbij niet een paar voorbeelden heeft opgenomen, van wat +de Servische vrouwen en meisjes uit de dorpen aan lyrische poëzie +voortbrengen. Misschien zal hij bij een andere gelegenheid amende +honorable maken aan onze vrouwelijke landgenooten. + +Ik wensch nog enkele woorden toe te voegen aan hetgeen M. Petrovitch +heeft gezegd omtrent onzen grootsten nationalen held, den koninklijken +Prins (Kralyevitch) Marko. Zooals hij heeft aangetoond is Marko een +historische figuur. Maar wat de geschiedenis omtrent hem heeft te +zeggen is niet veel, en in elk geval niet in staat om te verklaren, hoe +hij de lievelingsheld werd van het Servische volk. Hij was een eerlijk +en trouw vazal van den sultan, wat het bijna onaannemelijk maakt, dat +hij den eerbied en de bewondering der Serviërs heeft opgewekt. Toch +hebben de Serviërs gedurende de laatste vijf eeuwen hun koninklijken +Prins Marko geëerd, bewonderd en liefgehad en in de toekomst zullen zij +evenzeer als in het verleden trotsch op hem zijn. Dit psychologisch +raadsel heeft de beste Servische en enkele andere historische +onderzoekers en schrijvers geprikkeld tot een nauwgezet onderzoek. Het +is duidelijk, dat de meeste liederen op Marko hun dichters moeten zijn +ingegeven onder den machtigen invloed, die zijn persoonlijkheid op +zijn landgenooten en zijn tijd uitoefende. Dr. Yagich, Dr. Maretich, +professor Stoykovich en St. Novakovich zijn allen van meening, dat zijn +athletische kracht en zijn imposant voorkomen als voornaamste oorzaak +moeten worden aangemerkt van den indruk, dien hij achterliet. Allen +stemmen hierin overeen, dat zijn gedrag, zoowel in het dagelijksch +leven als bij buitengewone gelegenheden, dat was van een waar ridder, +een _cavaliere servente_, een _chevalier sans peur et sans reproche_. + +Zelfs zijn zucht om den sultan als een trouw vazal te dienen werd in +zijn voordeel uitgelegd als bewijs van de onkreukbare oprechtheid +van zijn karakter. Waarschijnlijk werd die oprechtheid ook door +den sultan gewaardeerd en werd Marko hierdoor in staat gesteld niet +zelden een beroep op den sultan te doen ten gunste van zijn volk, +bijvoorbeeld als enkele gevangenen en slaven bevrijd en gered moesten +worden. Zeer zeker was hij de beschermer van arme en lijdende mannen +en vrouwen en stond hij hen bij, wat het ook kostte, niet zelden +met gevaar voor zijn eigen leven. Hij moet inderdaad bewijzen van +toewijding hebben gegeven voor de zaak van het recht; dat is het, +wat hem bemind maakte, niet alleen onder zijn tijdgenooten, maar +ook bij hun nakomelingen.--Hij moet gedurende zijn leven bekend zijn +geweest om zijn vreeze Gods en den eerbied en de liefde, die hij zijn +moeder toedroeg. De Serviërs teekenden hem naar het model, door zijn +eigen persoonlijkheid en zijn daden aan het volk geboden. Een van de +schoonste trekken van zijn ridderlijk karakter, gelijk dat beschreven +wordt door de nationale barden, is zijn liefde voor en deernis met +lijdende dieren. Het doet mij leed, dat mijn vriend Petrovitch geen +voorbeeld gaf van de liederen, die dien trek van onzen nationalen +held verheerlijken, als bijvoorbeeld het lied: "Marko en de Havik" +(Vouk ii 53) of "Marko en de Arend" (Vouk ii 54). In beide wordt +verhaald, hoe deze vogels, toen Marko ziek lag op het open veld, +gekweld door een hevigen dorst, terwijl de gloeiende zonnestralen +zijn gelaat verbrandden, uit dankbaarheid voor de vriendelijkheid, +die hij hun eens betoonde, hem water brachten in hun snavels en hun +vleugels uitspreidden, om zijn gelaat te beschutten tegen de zon. + +Verreweg de beste studie over den Servischen nationalen held is +geschreven door den Russischen professor Halanski, die het raadsel +oploste door te wijzen op de natuurlijke sympathie van een volk +voor den "tragischen held." De historische Marko was zeer zeker een +"tragisch held". Niets bewijst dat beter dan zijn laatste woorden, +voor den aanvang van den slag van Rovina (1399), door M. Petrovitch +in zijn werk aangehaald. + +Ik moet er aan toevoegen, dat ook deze verklaring wel gegeven +wordt: het Servische volk teekent om zoo te zeggen zich zelf in den +koninklijken Prins Marko. Zijn eigen tragisch lot, zijn deugden en +zwakheden ziet het gesymboliseerd in de populaire, maar tragische +figuur van Marko. Zonder twijfel moet Marko in vele opzichten het +type van een edelen Serviër zijn geweest, anders zou hij den weg +tot de ziel en het hart van zijn volk niet gevonden hebben. Maar die +beschouwing is niet zeer bescheiden. + +Het zal onzen Britschen vrienden misschien belang inboezemen te +weten, dat een bloedverwant van de dynastie, waarvan Marko de laatste +vertegenwoordiger was, een zekere prins John Mussachi in een historisch +gedenkschrift vermeldt, dat de vader van Marko, koning Voukashin, +de afstammeling was van een edelman Britanius of Britanicus [4] +genaamd. Wij zouden er trotsch op zijn, indien bewezen kon worden, +dat de voorouders van onzen nationalen held op de een of andere wijze +verwant waren aan het Engelsche Volk. + + +Chedo Miyatovich, + +Belgrado, 28 Juni 1914. + +Lid van de Koninklijke Servische Academie van Wetenschappen. + + + + +INLEIDING + + +Meer dan eens heb ik het betreurd, dat ik niet bij machte was in +de volgende bladzijden van de bezielende balladen onzer nationale +barden een metrische overzetting te leveren. Nooit heb ik zoo diep +als bij deze vertaling beseft, hoezeer mijn leeraren in letterkunde +dwaalden--al moge er dan ook voor enkele gevallen en onder bepaalde +omstandigheden eenige waarheid in hun stelling liggen--wanneer zij +beweerden, dat schoone gedachten beter uitgedrukt worden in proza +dan in dichtvorm, waarbij men door de regelen van prosodie en metrum +al te zeer belemmerd wordt. Het is ongetwijfeld waar, dat goed proza +meer waarde heeft dan middelmatige poëzie, maar geldt dit ook als de +auteur een groot dichter is? + +Het Servische heldendicht verdient ongetwijfeld de aandacht van de +Engelsche letterkundige wereld en ik waag het de hoop uit te spreken, +dat de dag komt, waarop een ander Engelsch dichter dan Sir John +Bowring onder de bekoring van onze balladen zal komen en evenals hij +zal trachten de Engelsche lezers ook van de meesleepende rhytmische +eigenschappen van het oorspronkelijke te doen genieten. + +In de eerste helft van de negentiende eeuw hebben verschillende +Duitsche dichters eenige van onze nationale balladen van proza in +dicht overgebracht en ik kan er niet anders dan trotsch op zijn, +dat zelfs Goethe daaronder behoorde. Helaas was hij gedwongen een +Italiaansche vertaling te gebruiken, daar hij de Servische taal niet +kende--wat wel het geval was met zijn zeer gewaardeerden landgenoot +Jacob Grimm, die, nadat hij onze muzikale taal had geleerd, om kennis +te kunnen nemen van de schatten, die er in geschreven zijn, als zijn +meening uitsprak: "De Servische nationale poëzie verdient werkelijk +de algemeene aandacht--ik geloof, dat het Servisch algemeen bestudeerd +zal worden juist terwille van deze balladen." + +Een Tchechisch [5] schrijver, Lyoodevit Schtur, schreef in zijn +verhandeling over de Slavische poëzie "De Indo-Europeesche volken +drukken alle op hun eigen manier uit, wat zij in zichzelf bevatten +en wat hun ziel beroert. De Indiër openbaart dit in zijn reusachtige +tempels; de Pers in zijn heilige boeken, de Egyptenaar in pyramiden, +obelisken en onmetelijke, geheimzinnige labyrinten; de Helleen in +zijn prachtige beelden; de Romein in zijn bekoorlijke schilderijen, +de Duitscher in zijn schoone muziek--de Slaven hebben hun diepst +gevoelde gedachten neergelegd in balladen en verhalen." + +Ik geloof niet, dat ik te veel beweer, als ik zeg, dat van al de +Slaven de Serviërs het overvloedigst hun ziel hebben uitgestort in +een poëzie, die volkomen, geheel en al nationaal is. Dat zou niet +met dezelfde stelligheid gezegd kunnen worden van hun verhalen en +legenden, die naar mijn meening minder karakteristiek zijn. Wel pleit +hun verrassende analogie met het folklore van andere volken mee voor de +eenheid in voorhistorische tijden van het geheele Arische ras. Het zou +bijvoorbeeld belachelijk zijn voor eenig volk een sprookje als dat van +"Asschepoester" [6] als "nationaal eigendom" op te eischen, of eenig +ander, dat eveneens, zooals hun, die eenige studie van het Europeesche +folklore gemaakt hebben, wel bekend is, in vele talen voortleeft. + +Sinds onheugelijke tijden heeft de Serviër een natuurlijk en +meer dan gewoon talent aan den dag gelegd voor het dichten van +heldenballaden. Deze gave is het volk eigen gebleven, toen het zich +uit Noordelijker streken in zijn tegenwoordige woonplaats vestigde, +waar het de fantasie prikkelend natuurschoon en het verkeer met het +beschaafde Byzantium er zeer grooten invloed op uitoefenden en de +voortbrengselen der poëzie tot een ontwikkeling brachten, die ze +meer dan eenig product van het genie der Noordelijker Slaven deden +gelijken op het Homerische heldendicht. De schat van zijn geestelijke +voortbrengselen werd voortdurend vermeerderd door nieuwe indrukken +en zoo ontstond de nationale poëzie, rijk van vorm en schoon van +samenstelling. De prachtige wouden van den Balkan, waar de legende en +de romantiek meer dan in eenigen anderen woudrijken streek van Europa +een gunstige omgeving voor haar ontwikkeling vonden, het altijd lachend +uitspansel van Macedonië, de reusachtige Zwarte bergen van Montenegro +en Herzegowina zijn wel geschikt om zelfs een minder begaafd volk te +bezielen dan het Servische, dat deze romantische streken gedurende +de laatste dertien eeuwen bewoonde. + +De onvermoeide Servische zanggodin vervulde haar zending evenzeer +op het slagveld of in het woud als in de liefelijke weiden tusschen +de kudden of onder de dreigende muren van vorstelijke en heilige +kloosters. Het geheele volk deelde in haar gaven en wanneer een +dichter de heldendaden van den een of anderen geliefden nationalen held +bezongen had of de vrome daden van een monnik of een heilige of eenig +ander onderwerp had aangeroerd, dat tot het hart van het volk sprak, +dan stonden er steeds weer andere barden klaar, die de dichterlijke +schepping tot de hunne maakten en ze in wijder kring verbreidden met +de wijzigingen, die nu eenmaal al wat mondeling overgebracht wordt, +vergezellen, en waardoor ze steeds inniger tot het hart van het volk +spreken. Uit dit karakteristieke, dat aan mondelinge overbrenging +eigen is, valt het bestaan van verschillende teksten van eenige der +meest populaire zangen te verklaren. + +Door vele eeuwen en meer speciaal gedurende de gruwzame overheersching +van de Turken konden de voortbrengselen der Servische nationale +litteratuur enkel voortleven door mondelinge overdracht. De onvermoeide +monniken toch, die veilig waren binnen de geheiligde muren van hun +klooster, gebruikten hun vrijen tijd niet met het opteekenen der +balladen en heldendichten van het volk, doch met het aanleggen van +biografieën van andere monniken of van dezen of genen vorstelijken +beschermheer. + +Die Serviërs, welke het onder het verlammende bestuur van den +Sultan niet konden harden, emigreerden in de zeventiende eeuw met +hun patriarch Arsen Tcharnoyevitch, naar de vlakten van Zuidelijk +Hongarije. In den loop der twee volgende eeuwen wijdden zij zich +daar aan de pseudoklassieken van het Westen. Zij beschouwden het +_infra dignitatem_ over zulke vulgaire onderwerpen als populaire +dichtkunst en overleveringen te schrijven. De begaafde afstammelingen +van die beklagenswaardige slachtoffers der sluwe Oostenrijksche +en Pan-Russische invloeden verspilden hun talenten in ijdele en +leege nabootsing der pseudo-klassieke voortbrengselen van Italië +en Frankrijk, en door volijverig de Servische en Oud-Slavische +werkwoorden op de Russische wijze te vervoegen, schiepen zij een +monsterachtig letterkundig jargon, dat zij noemden Slavyano-Serbski +(d.i. Slavisch-Servisch). En als eenig Servisch schrijver zich +zou vermeten hebben in het welluidende en onvervalschte Servisch +te schrijven, dat algemeen in zijn vaderland gesproken werd, zou +hem de vloek getroffen hebben van die op een dwaalspoor gebrachte +Slavisch-Servische "bestudeerders der Klassieken", die er innig van +overtuigd waren, dat de roem in de nationale litteratuur alleen te +behalen was door te schrijven in een taal, die ze zelf nauwelijks +begrepen, en die tengevolge van de volkomen inconsequentie en +willekeurige veranderingen ook onverstaanbaar was. + +De "bestudeerders der klassieken" kregen hun verdiende loon in de +eerste helft van de negentiende eeuw, toen zij overstroomd werden +door den niet te weerhouden vloed van de populaire beweging, aan +welker spits de boer Vouk Stephanovitch-Karadgitch stond, een man, +die zich zelf gevormd had en wiens naam voor altijd groot zal blijven +in de geschiedenis van de Servische letterkunde. Karadgitch is met +recht de vader van de Servische moderne litteratuur genoemd. Zijn +ontelbare tegenstanders trachtten hem te verpletteren onder de meest +beleedigende benamingen, waaraan hun pen en hun tong uitdrukking konden +geven, maar eindigden, na meer dan vijftig jaren van vruchteloozen +weerstand, met hun armen wijd voor hem te openen. + +Karadgitch schiep een spraakkunst van de Servische volkstaal, waaruit +hij alle onnoodige graphische teekens verbande; zijn alphabet van +dertig letters paste zich volkomen aan bij de dertig klanken (vijf +klinkers en vijf en twintig mede-klinkers) van zijn moedertaal--en +dientengevolge ontstond een ideale phonetische orthografie, waarin +de gulden regel gevolgd kon worden: _schrijf zooals gij spreekt +en spreek zooals gij schrijft_. [7] Hij is van het eene dorp naar +het andere door Servië gereisd, volijverig de epische en lyrische +gedichten verzamelend en neerschrijvend de legenden en overleveringen, +die hij van de lippen der barden opving en van verhalers, niet alleen +van beroepszangers, maar ook van amateurs. + +In zijn pogingen werd hij krachtig gesteund door de Servische +regeerende vorsten en hij had het geluk zich de intieme vriendschap +te verwerven der beroemde philologen en geleerden van de laatste eeuw: +Bartholemy Kopitar, Schaffarik en Grimm. Geholpen door Kopitar slaagde +Karadgitch er in een academische dictionnaire samen te stellen van de +Servische taal vertolkt door Latijnsche en Duitsche equivalenten. Dit +blijft tot op heden de eenig betrouwbare Servische dictionnaire, +die den Westerschen standaard van zulke boeken nadert. Zijn eerste +verzameling van Servische populaire gedichten werd in 1814 in Weenen +uitgegeven. Ze bevatte 200 lyrische zangen, die hij noemde _zenske +pyesme_ (d.i. vrouwenzangen) en 23 heldenballaden. Dit boek verwekte +opzien in de letterkundige kringen van Oostenrijk, Servië, Duitschland, +Rusland en andere landen. Zeven jaar later deed Karadgitch in Leipzig +een tweede uitgave in drie deelen het licht zien. Deze uitgave bevatte +406 lyrische zangen en 117 heldendichten. Aan deze uitgave ontleende +Sir John Bowring de stof voor zijn metrische vertaling van enkele der +lyrische en epische gedichten, die hij in 1827 uitgaf onder den titel +_Servische Populaire Poëzie_. Hij droeg het boek op aan Karadgitch, +die zijn intieme vriend was en leeraar in het Servisch. [8] + +Ik heb drie van Bowrings balladen in dit boek overgenomen, om den +lezers ook een getrouwere weergave van het oorspronkelijke vers te +bieden dan mogelijk is in proza. Wat de dichterlijke verdiensten +betreft van deze metrische vertalingen, ik wil mij niet aanmatigen er +een oordeel over te vellen, maar het moge mij vergund zijn te zeggen, +dat ik geen getrouwer vertaling heb gezien van onze nationale balladen +en lyrische zangen, noch in het Engelsch, noch in eenige andere +taal. De moeilijkheden in aanmerking genomen, die de bestudeering +van elke Slavische taal (en dit geldt vooral van de Servische) den +Angel-Sakser biedt, is het verwonderlijk hoe weinig onvolkomenheden +het werk van Bowring aankleven. Sir John moet een ongewoon talent voor +vreemde talen hebben bezeten, daar hij ook uit ieder van de andere +Slavische talen vertaald moet hebben en--naar mij is medegedeeld--met +dezelfde stiptheid en nauwgezetheid. + +De derde uitgave van het werk van Karadgitch verscheen in Weenen, +tusschen de jaren 1841 en 1866. Het was nu gegroeid tot vijf deelen +en bevatte 1112 lyrische zangen en 313 heldenballaden. Het is uit +deze uitgave, dat ik de heldenverhalen, in dit boek opgenomen, +heb gekozen; en indien ik er misschien in geslaagd ben een nieuw +geslacht van niet-Servische lezers belang te doen stellen in de +letterkunde van mijn land, dan zal het mijn verdere eerzucht zijn, +de onvergelijkelijk veel zwaardere taak te volbrengen om hun in een +volgend deel een blik te gunnen in onze populaire lyrische poëzie. + +Het voorbeeld van Karadgitch volgend hebben veel Serviërs van +Bosnië en Herzegowina balladen en legenden verzameld, die Karadgitch +niet heeft hooren voordragen op zijn verschillende reizen, door de +eigenlijke Servische landen, of waartoe hem de tijd ontbrak om ze in +te lasschen. Zulke later verzamelde gedichten--werkelijk een zeer +groot aantal--zijn van tijd tot tijd uitgegeven in de welbekende +tijdschriften _Bosanska Veela_ (d.i. "de Veela van Bosnië") +en _Karadgitch_ en het aantal vermeerdert voortdurend nog; niet +alleen door de ontdekking van oude bronnen, maar ook door de nieuwe +inspiratie, die een gevolg was van de Balkanoorlogen van 1912-1913. + +Tenslotte heb ik nog mijn meest dankbare erkentelijkheid te betuigen +aan mijn geachten vriend M. Chedo Miyatovich voor zijn onschatbaren +raad en de aanmoediging, die ik van hem ondervond en voor zijn +edelmoedige bereidwilligheid om het voorbericht te schrijven, dat mijn +boek versiert, en eindelijk ook mijn uitgevers te danken voor de hulp, +die zij mij boden bij het gereedmaken van mijn manuscript voor de pers. + + +W. M. Petrovitch. + +189 Queen's Gate, Londen, + +Mei 1914. + + + + + + +HOOFDSTUK I. HISTORISCHE TERUGBLIK. + + +De komst van de Serviërs. + + +Voor hun invasie in het Balkan-Schiereiland, die in de zevende eeuw +plaats had, leefden de Serviërs als een patriarchaal volk in het +land, dat nu als Galicië bekend is. Ptolemeus, de oude Grieksche +aardrijkskundige, beschrijft, hoe ze leefden aan de oevers van de +rivier de Don, ten Noord-Oosten van de zee van Azof. Zij vestigden zich +voor het meerendeel in die Balkanstreken, welke zij op den huidigen +dag nog bewonen, namelijk het tegenwoordige koninkrijk Servië, +Oud-Servië, Macedonië, Bosnië en Herzegowina, Montenegro, Dalmatië, +Batchka, Banaat, Croatië, Sirmië en Istrië. De oude inwoners van +deze gewesten, Latijnen, Thraciers, Grieken en Albaneezen, werden +door de nieuw aangekomenen gemakkelijk naar de Adriatische kust +opgedrongen. Hun keizer Heraclius (610-641 na Chr.), die niet in +staat was krachtig weerstand te bieden, stond aan de Serviërs al de +provincies af, die zij bezet hadden, en zoo was de vrede gekocht. De +Heidensche en onontwikkelde Servische stammen stonden van nu af in +geregeld verkeer met de beschaafde Byzantijnen en werden spoedig +bekeerd tot het christendom; want bijna zonder uitzondering gaat +de regel op, dat als een volk een ander overwint of onderwerpt, het +meest beschaafde van de twee, onverschillig of dit het overwonnene +of de overwinnaar is, zijn beschaving en gewoonten overbrengt op +het meer barbaarsche. De Serviërs omhelsden echter het Christendom +pas wat meer algemeen in het begin van de negende eeuw, toen de twee +broeders Cyrillos en Methodius--de zoogenaamde Slavische apostelen--het +Evangelie van Christus in de oude Slavische taal overzetten en in die +taal, welke in dien tijd de omgangstaal was van de Zuidelijke Slaven +dat Evangelie verkondigden. + + + +Vroege worstelingen. + + +Daar de Serviërs gedurende de zevende en de achtste eeuw in stammen +waren verdeeld, werden zij een gemakkelijke prooi van de Byzantijnen, +de Bulgaren en de Franken, ofschoon geen dezer naburen er ooit in +slaagde hun het juk der onderwerping blijvend op te leggen. Toen +werden de Serviërs er zich echter bewust van, dat zij zich slechts +door hun macht te concentreeren en als een natie naar buiten op +te treden zouden kunnen handhaven. Dit had tengevolge, dat in het +begin der negende eeuw een ernstige poging werd gedaan om aan de +oevers van de rivier de Morava een staat te stichten, waarvan Horea +Margi (nu Tyoupriya genaamd) de hoofdstad zou zijn. De Bulgaren, +die vijandig tegenover deze pogingen stonden, slaagden er in aan +te toonen, hoe ontijdig ze werden ondernomen. Een nieuwe poging +om een onafhankelijke staat te vormen werd gedaan door de Djoupan +(graaf) Vlastimir, die er in geslaagd was zich aan de Byzantijnsche +heerschappij te ontworstelen. Deze nieuwe Staat werd Rashka genaamd +en strekte zich uit rondom de rivieren Piva, Tara en Lim, het +stroomgebied van de rivier de Ibar in het Oosten en van dat van de +Vrbas in het Westen rakende. Reeds in den aanvang echter ontstonden +er oneenigheden tusschen de leiders, hetgeen de inmenging van den +Bulgaarschen tzaar Siméon vergemakkelijkte. Tchaslav, de Djoupan +van een anderen Servischen stam, eischte, hoewel hij er geenerlei +recht op kon doen gelden, den troon op en werd hierbij ondersteund +door Siméon, die met goeden uitslag Rashka binnendrong. De Bulgaren +bleven gedurende zeven jaar in het bezit van het land (924-931), +toen slaagde Tchaslav er in een nieuwen Staat te stichten, die met +Rashka het grondgebied van Zetta, Trebinye, Neretva en Houm omvatte. + +Na zijn dood heerschte er ook in dit vorstendom weer groote +verdeeldheid. + +In den loop van de volgende eeuw overmeesterde het Byzantijnsche rijk, +nadat het 't nu verzwakte Bulgarije onderworpen had, ook Rashka, +waarvan de Groot Djoupan vluchtte. De regent van Zetta, Stephen +Voïslav (1034-1051) zoon van Dragomir, Djoupan van Trebinye, maakte +van de gelegenheid gebruik om zich onafhankelijk te verklaren van zijn +leenheer, den Groot Djoupan van Rashka, en eigende zich Zahoumlije +(Herzegowina) en eenige andere streken toe. Zijn zoon, Michaylo, +(1053-1081) slaagde er verder in Rashka onder zijn bewind te brengen +en verkreeg in het jaar 1077 den koningstitel (rex Sclavorum) van +paus Gregorius VII. Onder de regeering van koning Bodin, den zoon van +Michaylo, werd het Servië van Tchaslav hersteld, bovendien werd nu +Bosnië aan zijn rijk toegevoegd. Maar na den dood van Bodin heerschte +weer de oude wanorde, voornamelijk wijl verschillende pretendenten +naar den troon dongen. + + + +Onderlinge strijd. + + +De onderlinge strijd tusschen de leden van de regeerende families is +een der karakteristieke verschijnselen, die de geheele geschiedenis +van Servië door is waar te nemen. Terwijl de krachten verspild worden +in den strijd voor persoonlijke belangen, en met alle, geoorloofde +zoowel als ongeoorloofde, middelen er naar gestreefd wordt aan +de persoonlijke eerzucht te voldoen, werden de nationale belangen +verwaarloosd. Dit is in alle tijden de groote hinderpaal geweest, +waarop de vorming van een Servischen staat als politieke eenheid +voortdurend afstuitte--hoe dikwijls door verschillende regenten ook +pogingen werden aangewend om dit doel te bereiken. + +In 1169 kwam het bewind in handen van een dynastie, die gedurende meer +dan twee eeuwen (1169-1372) Servië binnen steeds veranderende grenzen +regeerde. De grondlegger er van was de beroemde Groot Djoupan Stephan +Nemanya (1169-1196) die door den Byzantijnschen keizer tot Hertog +van Servië (Groot Djoupan) werd verheven, nadat hij een revolutie had +geleid, waarvan het resultaat gunstig was voor zijn aanspraken. Door +zijn dapperheid en wijsheid slaagde hij er niet alleen in de provincies +te vereenigen, die zijn voorgangers hadden bezeten, maar ook er sommige +aan toe te voegen, welke nooit Servisch waren geweest. Hij zette Ban +Koulin, een bondgenoot, op den troon van Bosnië. Verder bevestigde hij +den orthodoxen godsdienst in zijn staat door het bouwen van een aantal +kerken en kloosters en door de verbanning van kettersche Bogoumils +[9]. Wijl hij de zwakte van den ouderdom voelde naderen en mede om +zijn volk een nieuw bewijs te geven van zijn godsdienstzin, abdiceerde +de bejaarde Nemanya in 1196 ten gunste van zijn bekwamen tweeden zoon +Stephanus en trok zich in een klooster terug. Bij zijn troonsbestijging +in het jaar 1217 nam Stephanus den titel aan van koning van Servië. + +Toen de kruisvaarders Constantinopel veroverden, werd Sava, Stephanus' +jongste broer, door den Griekschen patriarch aan het hoofd gesteld +van de Grieksche kerk in Servië (1219), hij was de eerste Servische +aartsbisschop. + +Stephanus werd opgevolgd door zijn zoon Radoslav (1223-1233), die +onttroond werd door zijn broeder Vladislav (1233-1242), welke op zijn +beurt van den troon werd gestooten door zijn derden broer Ourosh de +Groote (1242-1276). + +Ourosh vergrootte zijn gebied en verhoogde Serviërs aanzien in het +buitenland. Hij werd onttroond door zijn zoon Dragoutin (1276-1281), +die na een veldslag tegen de Grieken verloren te hebben, afstand +deed tengunste van een jongeren broeder Miloutin (1288-1321). Voor +zich zelf behield hij echter een provincie in het Noorden van den +Staat. Spoedig daarna ontving Dragoutin van zijn schoonmoeder, +de koningin van Hongarije, de landen tusschen de Donau, Save en de +Drina. Hij nam toen den titel aan van koning van Sirmië. Nog bij +zijn leven schonk Dragoutin zijn troon en een deel van zijn landen +aan Miloutin; een ander deel kwam weer onder de heerschappij van +den koning van Hongarije. Miloutin wordt beschouwd als een der +merkwaardigste afstammelingen van Nemanya. Na zijn dood heerschte +er de gewone oneenigheden over de troonsopvolging. De orde werd +hersteld door Miloutins zoon Stephanus Detchanski (1321-1331), die +de Bulgaren versloeg in den beroemden slag van Velbouzd en geheel +Bulgarije onderwierp. Het bleef een provincie van Servië, totdat de +Ottomaansche horden beide overweldigden. + + + +Doushan de Machtige. + + +Stephanus Detchanski werd onttroond door zijn zoon Doushan den Machtige +(1331-1355), de uitstekendste en meest roemrijke van alle Servische +vorsten. Hij streefde er naar het geheele Balkanschiereiland aan zich +te onderwerpen. Nadat hij er in geslaagd was het geheele Byzantijnsche +keizerrijk, uitgenomen Constantinopel, te veroveren, riep hij zich +zelf, in overleg met de _Vlastela_ (Vergadering van Edelen), tot +tsaar van Servië uit. Hij verhief het Servische aartsbisdom tot den +rang van patriarchaat. Geheel Albanië en een deel van Griekenland +onderwierp hij; ook Bulgarije was een zijner vazalstaten. Door zijn +ontijdigen dood (eenige geschiedschrijvers beweren, dat hij vergiftigd +is door zijn eigen ministers) was het hem niet vergund zijn grootsche +plannen te verwezelijken. Onder de regeering van zijn jongen zoon +Ourosh (1355-1371) ging bijna al wat hij gewrocht had weer te niet, +tengevolge van de onverzadigbare begeerigheid der machtige edelen, +die daarmee den weg effenden voor den Ottomaanschen inval. Onder hen, +die opstonden tegen den nieuwen tsaar, was koning Voukashin. Met zijn +broer en eenige andere edelen regeerde hij bijna als een onafhankelijk +vorst over het geheele gebied rondom Prizrend tot het zuiden van +den Shar dagh [10]. Koning Voukashin en zijn broeder werden in een +slag tegen de Turken aan de oevers van de rivier de Maritza(1371) +verslagen en al de Servische landen ten Zuiden van Skoplye (Üsküb) +werden bezet door de Turken. + + + +De koninklijke Prins Marko. + + +In hetzelfde jaar stierf tsaar Ourosh, en Marko, de oudste zoon van +koning Voukashin, de nationale held, van wien wij herhaaldelijk in +dit boek zullen hooren, riep zich zelf tot koning over de Serviërs +uit. Maar de Vlastela en de geestelijkheid erkenden hem niet. Zij +verkozen in 1371 Knez [11] (later tsaar) Lazarus, een bloedverwant +van tsaar Doushan den Machtige, tot regent van Servië, en Marko, +wiens vorstendom Prilip een vazalstaat van den sultan was geworden, +hielp de Turken in hun veldtochten tegen de Christenen. In het jaar +1399 vond hij den dood in den slag van Rovina in Roemenië; er wordt +van hem gezegd, dat hij deze gedenkwaardige woorden heeft gesproken: +"Dat God de overwinning aan de Christenen geve, al moet ik ook onder +de eersten zijn, die omkomen!" + +Het Servische volk gelooft, gelijk wij zullen zien, dat hij niet +stierf, maar zelfs nu nog leeft. + +Prins Lazarus regeerde van 1371 tot 1389 en gedurende zijn regeering +sloot hij een verbond met den Ban [12] Tvrtko van Bosnië tegen de +Turken. Ban Tvrtko riep zich zelf uit tot koning van Bosnië en +beproefde zijn macht uit te breiden in Hongarije, terwijl prins +Lazarus, bijgestaan door een aantal Servische vorsten, zich gereed +maakte voor een grooten oorlog tegen de Turken. Maar sultan Amourath, +op de hoogte gebracht van Lazarus' bedoelingen, viel op 15 Juni 1389 op +de vlakte van Kossovo onverwacht de Serviërs aan. In dezen slag werd +aan beide zijden verwoed gevochten en toen de zon haar middaghoogte +had bereikt, scheen het, of het krijgsgeluk den Servischen wapenen +gunstig zou zijn. + + + +Het verraad van Brankovitch. + + +Er was echter verraad in het Servische kamp. Vook (Wolf) Brankovitch, +een van de groote heeren, die het bevel voerde over een vleugel van +het Servische leger, was lang naijverig op zijn vorst geweest. Eenige +geschiedschrijvers verhalen, dat Sultan Amourath er in slaagde hem +over te halen zijn heer te verraden door de belofte, dat hij onder +het opperbestuur van den sultan de kroon van Servië zou dragen. Op +een kritiek oogenblik in den slag wendde de verrader zijn paard om +en vluchtte van het slagveld, gevolgd door zijn 12.000 man sterke +troepenmacht, die meende, dat dit een krijgslist was om de Turken +te misleiden. Daardoor kwamen de Serviërs zeer in het nadeel +en toen later op den dag de Turken versterkt werden door nieuwe +troepen onder bevel van des Sultans zoon Bajazet, was de Turksche +overwinning volkomen. Prins Lazarus werd gevangen genomen en onthoofd; +de sultan zelf kwam om door de hand van den Servischen voïvode [13] +Milosh Obilitch. + +Niettegenstaande de ramp, waarin Brankovitch ook omkwam, werden +de Serviërs niet door de Turken onderworpen, dank zij de wijsheid +en dapperheid van den zoon van Lazarus, Stephanus Lazarevitch +(1389-1457). Zijn neef, Dyourady Brankovitch (1427-1456), streed +ook heldhaftig, maar voet voor voet werd zijn staat door de Turken +veroverd. + + + +Het eindsucces van de Turken. + + +Na den dood van Dyourady konden de Servische edelen het niet +eens worden over zijn opvolger, en in de troebelen, die er uit +voortsproten, slaagden de Turken er ten slotte in de verovering van +Servië te voltooien, welke tenslotte in 1459 een feit werd. Zij stelden +zichzelf tot taak de Servische boerenbevolking in Bosnië te bewegen +den eed van trouw aan den Sultan af te leggen onder voorspiegeling +van toekomstigen voorspoed en hierin slaagden zij onder de regeering +van den koning van Bosnië, Stephanus Tomashevitch, die tevergeefs +beproefde hulp van den paus te verkrijgen. De onderwerping van Bosnië +was een voldongen feit in 1463 en die van Herzegowina volgde in 1482. + +Een Albanisch bevelhebber van Servischen oorsprong, George +Kastriotovitch-Skander-Beg (1443-1468) streed met succes en met +grooten heldenmoed voor de vrijheid van Albanië. + +De Turken maakten zich echter van dit land meester, zooals zij het +voor en na van alle Servische landen deden met uitzondering van +Montenegro, dat zij nooit konden onderwerpen, gedeeltelijk door den +onvergelijkelijken heldenmoed van de dapperste Serviërs--wien het +onmogelijk was onder Turksche heerschappij te leven--en gedeeltelijk +door de ontoegankelijkheid van hun bergachtig land. Menige adellijke +Servische familie vond een veilige toevlucht in dat land der vrije +bergbewoners, nog meer gingen naar Ragusa of zochten bescherming +bij de christelijke vorsten van Walachije en Moldavië. De wreede +en heerschzuchtige Turksche regeering dwong duizenden families naar +Hongarije te verhuizen en de afstammelingen van deze lieden worden +tegenwoordig nog gevonden in Batchka, Banaat, Sirmië en Croatië. Zij, +die in Servië bleven, werden of gedwongen den Islam te omhelzen of te +leven als _raya_ (slaven), want de Turksche _Spahis_ (landeigenaren) +onderdrukten niet alleen de christelijke bevolking, maar verklaarden +het land verbeurd, dat tot nu toe aan zijn bevolking had behoord. + + + +De ellende onder het Turksche bestuur. + + +Wij zouden dezen terugblik noodeloos verlengen, indien wij den +ellendigen toestand van de overwonnen Christenen volledig wilden +beschrijven en daarom moeten wij volstaan met niet meer dan een schets +te geven van wat in een meer modern tijdperk plaats greep. + +Als de een of ander aktie te krachtig of een toestand acuut wordt, +moet er vroeg of laat een reactie als gevolg daarvan intreden. + +Toen de Turksche gruwelen hun toppunt bereikten, op het einde van de +achttiende eeuw, volgden de Serviërs het voorbeeld van hun broeders in +Hongarije en Montenegro en verzamelden zij zich rondom een leider, die +als door de Voorzienigheid voorbeschikt scheen om hen te bevrijden van +de schandelijke onderdrukking hunner Aziatische heeren. Die leider, +een begaafd Serviër, Georg Petrovitch--door de Turken Karageorge +("Zwarte George") genaamd--verzamelde andere Servische mannen van +aanzien om zich heen en een algemeene opstand had plaats in 1804. De +Serviërs streden met succes en verwierven de onafhankelijkheid van +dat deel van Servië, dat tot de Turksche provincie Belgrado behoorde, +benevensdie van nog eenig naburig grondgebied. Dit werd slechts +verkregen door groote opofferingen en door den aangeboren moed der +Servische krijgslieden. Jammer genoeg scheen het te zijn voorbeschikt, +dat dit tijdperk minder dan tien jaren duren zou. + + + +Servië weer onder het juk gebracht. + + +Toen Europa (en meer in het bijzonder Rusland) in oorlog werd gewikkeld +tegen Napoleon, vond Turkije gelegenheid, doordat de aandacht der +Groote Mogendheden hierdoor in beslag werd genomen, zijn geleden +verliezen weer te herstellen; in 1813 werd Servië weer onder het juk +gebracht. George Petrovitch en andere Servische leiders verlieten het +land om hulp te zoeken, eerst in Oostenrijk en later in Rusland. In +hun afwezigheid deed Milosh Obrenovitch, een van de stadhouders +van Karageorge-Petrovitch, een nieuwe poging om het Servische volk +te bevrijden van het Turksche juk en hij slaagde er in 1815 in de +autonomie van de provincie Belgrado te herstellen. + +Gedurende den voortgang van zijn krijgsbedrijven keerde George +Petrovitch naar Servië terug en werd wreedaardig vermoord op bevel +van Milosh, die zich zelf uitriep tot erfelijk vorst en als zoodanig +in October 1815 door de Verhevene Porte erkend werd. Milosh was +een groot tegenstander van de Russische politiek en hij haalde +zich de vijandschap van dat machtige rijk op den hals, tengevolge +waarvan hij in 1839 gedwongen werd afstand te doen van den troon ten +behoeve van zijn zoon Michael (Servisch: "Mihaylo"). Michael was +een uitnemend diplomaat en had reeds zonder een druppel bloed te +vergieten verschillende districten aan het onafhankelijke Servië +toegevoegd. Hij werd opgevolgd door Alexander Karageorgevitch +(1842-1860), een zoon van Karageorge Petrovitch. Onder het beleidvol +bestuur van dien vorst werd in Servië een grondwet, die iets op een +moderne Constitutie leek, ingevoerd en werd de grond gelegd voor zijn +verdere en snelle ontwikkeling. Maar een ongelukkige buitenlandsche +politiek, de corruptie onder de hooge staatsambtenaren en voornamelijk +het verraad van wie oogenschijnlijk zijn vrienden waren, doch die +er inderdaad op uit waren hem den voet te lichten, dwongen dien +verlichten prins afstand te doen van den troon en zijn land te +verlaten. De Skoupshtina (Nationale Vergadering) herstelde Milosh +op den troon, maar in hetzelfde jaar stierf hij en werd nog eens +opgevolgd door zijn zoon Michael (1860-1868). Na den moord op dezen +vorst kwam zijn jeugdige neef Milan (1868-1889) aan de regeering, +gedurende zijn minderjarigeheid onder voogdij van drie regenten, +overeenkomstig de Constitutie, die in 1869 werd afgekondigd. + +De voornaamste gebeurtenissen gedurende de regeering van Milan waren: +de oorlog tegen Turkije (1876-1878) en de annexatie van vier nieuwe +districten; de erkenning van Servië's onafhankelijkheid door het +beroemde Congres van Berlijn; Servie's verheffing tot een koningrijk +in 1882; de ongelukkige oorlog tegen Bulgarije, die op aanstoken +van Oostenrijk werd begonnen en de totstandkoming van een nieuwe +Constitutie, die met geringe wijzigingen nog van kracht is. + +Nadat koning Milan afstand van den troon had gedaan, beklom zijn +onwaardige zoon Alexander dien. Ondanks de krachtige raadgevingen +van zijn vrienden en de strenge vermaningen van zijn persoonlijken +vriend M. Chedo Miyatovich trouwde hij zijn maitresse Draga Mashin, +onder wier invloed een tijdperk van tirannie begon, dat bijna aan +Nero herinnerde. Hij ging zoo ver te beproeven de Constitutie te +vernietigen, waardoor hij zich volkomen van zijn volk vervreemde +en in de kaart van zijn persoonlijke vijanden speelde, die hem ten +slotte vermoordden (1903). + + + +Koning Peter I. + + +De Skoupshtina riep nu den zoon van Alexander Karageorgevitch, den +tegenwoordigen Peter I Karageorgevitch tot koning uit. Zijn roemrijke +regeering zal met gouden letters in de moderne Servische geschiedenis +geschreven staan, want het is aan hem te danken, dat der Christenheid +een verdrag geschonken werd, tengevolge waarvan de Turk in 1913 bijna +uit Europa werd verdreven. Maar helaas! De Serviërs zijn nog slechts +in ongeveer de helft van hun landen een vrij volk; hun broeders in +het andere deel zuchten nog steeds onder het vreemde juk. + +Hoe beknopt deze terugblik ook is, hij zal voldoende zijn om de +omstandigheden en voorwaarden te laten zien, waaronder de Servische +nationale poëzie ontstond, waarmede wij ons in de volgende bladzijden +meer in 't bijzonder zullen bezig houden. + +De legenden danken haar ontstaan aan de rampen, veroorzaakt zoowel door +de zelfzucht der leiders van het Servische volk als door de vreemde +onderdrukkers; maar nationale tegenspoeden hebben den hartstochtelijken +drang van dit volk naar de vrijheid niet kunnen uitroeien en deze +populaire heldenverhalen van den Balkan zijn de uitdrukking van de +idealen, die het Servische ras ondanks zijn langdurige onderdrukking +en kwelling bewaard heeft; idealen, die dit eenvoudig volk ook verder +zullen steunen in de rampen, die het misschien nog zullen treffen, voor +het de plaats veroverd heeft onder de groote mogendheden, die het door +zijn volharding en opofferingsgezindheid ten slotte zeker zal innemen. + + + + + +HOOFDSTUK II. BIJGELOOF EN NATIONALE GEBRUIKEN. + + + +Algemeene eigenaardigheden. + + +De Serviërs, die het tegenwoordige koninkrijk Servië bewonen, hebben, +daar zij ontstaan zijn uit een vermenging met de oude, oorspronkelijke +bevolking van het Balkanschiereiland, het echte nationale type niet +bewaard. Zij hebben voor het meerendeel een bruine gelaatskleur en +donker haar; heel zelden komen blonde haren of een lichte gelaatskleur +voor. + +Boshnyaks (Serviërs, die Bosnië bewonen) worden beschouwd als de meest +typische Serviërs, daar zij het sterkst de nationale karaktertrekken +hebben bewaard van het zuivere Zuid-Slavische ras. + +De gemiddelde Serviër heeft een vrij levendig temperament; hij is +fijngevoelig en zijn gemoed is zeer ontvankelijk. Zijn geestdrift is +snel gewekt, maar de meeste aandoeningen zijn in den regel van korten +duur. Hij is echter buitengewoon ijverig en soms volhardend. Daar een +oprechte vaderlandsliefde hem bezield, is hij steeds bereid zijn leven +en eigendom op te offeren voor nationale belangen, die hij buitengewoon +goed begrijpt, dank zij zijn volmaakte kennis van de geschiedenis +van zijn volk, die hem van geslacht op geslacht is overgebracht +door het aangename medium der populaire epische poëzie, bestaande +uit zeer eenvoudige, rijmlooze verzen van tien lettergrepen. Hij +is buitengewoon moedig en altijd gereed tot oorlogvoeren, ofschoon +patriarchaal en conservatief in alles, wat nationaal is, is hij gereed +en bereid nieuwe ideeën aan te nemen. Maar hij is achterlijk op 't +gebied van landbouw en industrie. Zeer onderdanig in zijn Zadrooga +[14] en gehoorzaam aan zijn meerderen, is hij dikwijls despotisch, +als hij tot macht komt. De geschiedenis van al de Zuidelijke Slaven +bevat een reeks van schendingen, afzettingen, politieke verheffingen, +volbracht soms door de meest wreede en verraderlijke middelen, die +alle in hoofdzaak te wijten zijn aan de aangeboren, en tot nu toe +onuitroeibaar gebleken fouten, eigen aan het ras: jaloezie en een +onbeheerscht verlangen naar macht. Deze fouten kwamen natuurlijk het +duidelijkst uit bij de edellieden; vandaar het verval van de oude +aristocratie in alle Balkanstaten. + + + +Heidendom en Godsdienst. + + +Er is maar weinig materiaal beschikbaar betreffende de +prae-christelijke geschiedenis van de Zuid-Slavische rassen. Hun +aanbidding der Natuur is niet grondig bestudeerd. Onmiddellijk na de +Slavische emigratie naar het Balkanschiereiland, gedurende de zevende +en achtste eeuw, vernietigde het christendom, dat al diep wortel had +geschoten bij de Byzantijnen, gemakkelijk het oude geloof. De laatste +getrouwen aan het heidendom leefden in het westelijk deel van het +schiereiland, in de streken rondom de rivier Neretva en deze werden +bekeerd tot het christendom onder de regeering van Basileios I. Een +aantal Croaten waren reeds in de zevende eeuw tot het Christendom +overgegaan en hadden een bisdom gesticht te Agram (Zagreb). In den +loop van eenige duizenden jaren oefenden Grieksch-Oostersche mythen +en legenden, oude Illyrische en Romeinsche propaganda, christelijke +legenden en apocriefe geschriften zulk een invloed uit op de oude +godsdiensten van de Zuid-Slavische volken, dat het onmogelijk is +uit zulk een verward kluwen een zuiver Zuid-Slavische mythologie +te reconstrueeren. + + + +De God Peroon. + + +Van Peroon, den Russischen God van den Donder, bij wien de Russische +heidenen een eed plachten te doen, als zij, omstreeks de tiende eeuw, +verdragen aangingen of verbonden sloten met de Byzantijnen, resten +nog slechts enkele onbeteekenende sporen. Er is een dorp in de buurt +van Spalato, dat den naam Peroon draagt; ook een klein aantal personen +in Montenegro dragen dien naam [15] en hij bleef eveneens bewaard in +den naam van een plant, Peroonika (iris), die aan dezen God gewijd +is. Er is nauwelijks een tuin bij eenige hut in de Servische dorpen, +waar de iris niet groeit naast de huislook. (Tchu-var-Koutchye). De +Serviërs zeggen, dat de God nog voortleeft als St. Elias (Elijah), +en Servische boeren gelooven, dat deze heilige de macht bezit bliksem +en donder te beheerschen. Zij gelooven ook, dat St. Elias een zuster +heeft "Ognyena Maria" (Marie de Vlammende), die dikwijls als zijn +raadgeefster optreedt. + + +De God Volos. + + +De stad "Veless" heeft haar naam gekregen van den Russischen God van +het vee "Volos"; zoo ook een dorp in het westelijk deel van Servië en +dan is er nog een klein dorp aan den beneden-Donau, dat Velessnitza +heet. Maar de wortel van het woord komt voor in het Servische "vo" +of "voll" (enkelvoud) "volovi" (meervoud) hetgeen "os" beteekent. + + + +De Zonnegod. + + +Andere natuurverschijnselen werden ook gepersonifieerd en vereerd +als Goden. De zonnegod "Daybog" (in het Russisch "Daszbog," wat +letterlijk beteekent "Geef, o God") wiens afbeeldsel gevonden wordt in +de groep afgoden te Kief, en wiens naam weer verschijnt als eigennaam +van personen in Rusland, Moldavië en Polen, is voor de Serviërs de +verpersoonlijking van zonneschijn, leven, voorspoed, van alle goeds. + +Maar bij de Zuid-Slavische stammen is onder de overblijfselen van +afgoden er geen gevonden, die god "Daybog" voorstelt, zooals bij de +Russen, die houten beelden van hem maakten met een hoofd van zilver +en een snor van goud. + + + +De Veele. + + +De Servische legenden bewaren tot heden belangwekkende sporen van de +aanbidding dezer heidensche goden en van mindere godheden--die nog +altijd een aanzienlijke plaats in het nationale bijgeloof innemen. + +De "numphai" en "potami" genoemd bij den Griekschen historieschrijver +Procopius, als vrouwelijke godheden van lageren rang, die boschjes, +wouden, fonteinen, bronnen of meren bewonen, schijnen bewaard te zijn +gebleven in de Servische populaire Veela (of Vila--in het enkelvoud; +Veele of Vile--in het meervoud). Er zijn verschillende fonteinen in +Montenegro, die "Vilin Izvor" zijn genoemd (bijv. op den berg Kom) +zoo ook in het district Rudnik in Servië. Gedurende de Renaissance +maakten de Servische dichters van Raga en andere steden in Dalmatië +dikwijls melding van elfen, dryaden en bergnimfen, door hen geliefd +als "veele". De Servische barden of troubadours hebben steeds van het +begin der veertiende eeuw tot op onzen tijd de veele verheerlijkt en +bezongen, waarbij zij haar beschreven als zeer schoon en van eeuwige +jeugd, gekleed in rein wit en fijn neteldoek met glinsterend gouden +haren, die neergolfden over sneeuwwitte boezems. Men geloofde, dat +de veele de liefelijkste stemmen hadden en gewapend waren met pijl +en boog. Haar welluidende liederen werden dikwijls aan de oevers +van de meren of op de weiden, diep in de wouden verborgen, of op +hooge bergtoppen boven de wolken gehoord. Zij hielden er ook van te +dansen en de kring, waarbinnen zij haar dans uitvoerden werd Vrzino +(of Vilino) Kollo genoemd. + +Op den berg Kom, in Montenegro, is een van deze ringen, die ongeveer +twintig meter in doorsnee heeft en "Vilino Kollo" heet. Het verdrag +van Berlijn noemt een ander, gelegen tusschen Vranya en Kustandil, +waarover de Servisch-Bulgaarsche grens gelegd werd. Als de veele +aan het dansen waren, dorst niemand haar te storen, want zij konden +zeer vijandig tegen de menschen optreden. Evenals de Grieksche nimfen +waren de veele somtijds ook vriendelijk gestemd, en vaak stonden zij +de helden bij. Zij konden de zusters van mannen en vrouwen worden, +konden zelfs huwen en kinderen hebben. Maar zij waren in het geheel +niet onkwetsbaar. Prins Marko, de lievelingsheld van de Serviërs, werd +door een veela met bovenmenschelijke kracht begiftigd; zij gaf hem ook +een bijzonder strijdros ten geschenke, "Sharatz," dat werkelijk bijna +menschelijke eigenschappen bezat. Een veela werd ook zijn possestrima +(Geestelijke zuster, of zuster-in-God) en als Marko dringend hulp +noodig had, daalde zij uit de wolken neer om hem bij te staan. Maar +zij weigerde hem te helpen, indien hij op Zondagen duelleerde. Bij +zekere gelegenheid [16] versloeg Marko bijna de Veela Raviyoyla, +die zijn pobratim (broeder-in-God) Voïvode Milosh had gewond. De +veele waren zeer bekwaam in het aanwenden van kruiden en kenden de +eigenschappen van elke bloem en elke bezie; daardoor was Raviyoyla in +staat de wonden van Milosh te genezen en werd zijn doorstoken hart +"gezonder dan ooit te voren." Zij geloofden in God en den Heiligen +Johannes en verafschuwden de Turken. De veele bezaten ook de gave der +clairvoyance en de zuster-in-God van prins Marko voorspelde zijn dood +en dien van Sharatz [17]. Veele hadden de macht orkanen en andere +natuurverschijnselen te bedwingen; zij konden zich veranderen in +slangen en zwanen. Als zij beleedigd werden, konden zij zeer wreed +zijn; zij waren in staat hen, die haar met geweld dreigden, van hun +zintuigen te berooven; zij leidden dan de menschen in diepe wateren of +maakten prachtige gebouwen en vestingwerken met den grond gelijk [18]. + +Aan de veele werd ook de macht toegekend om het lot te bepalen van +pasgeboren kinderen. In den zevenden nacht na de geboorte van een +kind ziet de Servische boerenvrouw verlangend uit naar de Oossood, +een veela, die het lot van haar kind zal voorspellen en het is alleen +de moeder, die de stem van de fee kan hooren. + + + +Voorbeschikking en onsterfelijkheid. + + +De Serviërs hebben een onverzettelijk geloof in de voorbeschikking +en zij zeggen dat er geen dood is voor den vastgestelden dag (_Nema +smrti bez soodyena dana_). Hun geloof in de onsterfelijkheid der ziel +strekt zich zelfs uit tot die van overigens onbezielde voorwerpen, +zooals bosschen, meren en bergen. Na den dood van een mensch stelt de +ziel haar vertrek naar hoogere of lagere sferen uit tot er zekere tijd +(gewoonlijk veertien dagen) verloopen is; gedurende dien tijd zweeft +ze in de lucht en heeft ze het vermogen het lichaam van een dier of +een insect binnen te gaan. + + + +Goede en kwade geesten. + + +Geesten zijn gewoonlijk goed; in Montenegro gelooft men, dat elk huis +zijn beschermgeest heeft, dien zij _syen_ of _syenovik_ noemen. Zulke +syens kunnen het lichaam binnengaan van een mensch, een hond, een +slang, ja zelfs van een hen. Op dezelfde wijze heeft ieder bosch, meer +en berg zijn syen, welke ook wel met een Turksch woord _djin_ wordt +genoemd. Zoo staat bijvoorbeeld de djin van den berg Riyetchki Kom +aan de noordelijke zijde van het meer van Scutari den voorbijgangers +niet toe een tak of een blad aan te raken van de eeuwig groene wouden +aan den bergkant--en als een reiziger een bloem of een blad dorst +te plukken, zou hij onmiddellijk ingesloten worden door een dichten +mist en wonderlijke, schrikaanjagende visioenen zouden zich aan hem +voordoen. In de streek rondom Lurya worden deze boschgeesten door de +Albaneezen evenzeer gevreesd, zelfs de dorre takken van pijnboomen +en lariksen durven zij daar niet aanraken. Dit herinnert aan den +eeredienst van het heilige kreupelbosch, die algemeen was onder de +oude Litthauwers. + +Naast de goede geesten verschijnen ook booze geesten, (byess) demonen +en duivels (dyavo), door de christenen als heidensche goden beschouwd, +en ook andere booze geesten (zli doossi), die in de lichamen van doode +en levende menschen huizen. Deze laatste worden genoemd vookodlaks of +vlkodlaks (vook, beteekent "wolf", en dlaka, beteekent "haar") en naar +het volksgeloof zijn zij het, die de zons- en maansverduisteringen +veroorzaken. Dit herinnert aan het oude Noorsche bijgeloof, dat de +zon en de maan voortdurend door hongerige wolven vervolgd worden; het +is een soortgelijke poging om deze natuurverschijnselen te verklaren. + +Zelfs nu nog gelooven de Servische boeren, dat eclipsen van de zon +en maan worden veroorzaakt, doordat deze de prooi worden van een +hongerigen draak, die ze dreigt te verslinden. Aan deze boosaardige +en zeer machtige schepsels wordt de vernieling van korenakkers en +wijngaarden toegeschreven, want zij zijn de oorzaak van de schade, +die door hagelbrengende wolken wordt aangericht. Als de boeren een +gedeeltelijke zons- of maansverduistering zien of meenen, dat een +hagelstorm hen bedreigt, dan vergaderen zij in de dorpsstraten en +allen--mannen, vrouwen en kinderen--slaan potten en pannen tegen +elkaar, schieten pistolen af, luiden bellen, teneinde het dreigende +monster vrees aan te jagen en te verdrijven. + +In Montenegro, Herzegowina en Bocca Cattaro gelooven de menschen, dat +de ziel van een slapende door den wind wordt weggedreven naar den top +van een berg. Als er daar een aantal verzameld zijn, worden zij woeste +reuzen, die boomen ontwortelen om ze dan als knuppels te gebruiken, +en rotsen en steenen naar elkaar toeslingeren. Hun gesis en gebrom +wordt vooral in lente- en najaarsnachten gehoord. Deze worstelende +elementen worden niet alleen door menschelijke zielen bewoond, maar +kunnen de geesten van vele dieren bevatten, bijv. van ossen, honden, +en zelfs van hanen, maar vooral ossen nemen aan de worstelingen deel. + + + +Heksen. + + +Vrouwelijke booze geesten worden gewoonlijk genoemd veshtitze +(enkelvoud, veshtitza, klaarblijkelijk afgeleid van het oude Boheemsche +woord _ved_, dat "weten" beteekent). Verondersteld wordt, dat het +oude vrouwen zijn, die door een boozen geest bezeten zijn en die +een onverzoenlijke vijandschap koesteren tegenover mannen, andere +vrouwen en het meest tegen kinderen. Zij komen min of meer overeen +met de wezens, die men elders "heksen" noemt. + +Als een oude vrouw gaat slapen, verlaat haar ziel het lichaam en +dwaalt rond, totdat ze het lichaam van een hen ingaat of nog vaker dat +van een zwarten nachtvlinder. Fladderend gaat ze die huizen binnen, +waar een aantal kinderen zijn, want haar lievelingsvoedsel is een +kinderhart. Nu en dan komen veshtitze te zamen om haar avondeten +gezamenlijk in de takken van den een of anderen boom te gebruiken. Een +oude vrouw, die de eigenschappen van een heks heeft, mag aan zulke +samenkomsten deelnemen, na zich bereid te hebben verklaard zich aan +de regelen te zullen onderwerpen, welke voorgeschreven zijn door +de ervaren veshtitze en die meestal bestaan in het uitspreken van +zekere stereotiepe zinnen. De boeren beproeven zulke schepsels te +ontdekken en als zij er in slagen een heks te vinden, dan wordt er +haastig een jury gevormd, aan wie volmacht wordt gegeven om haar ter +dood te brengen. Een van de onfeilbare middelen, die gebruikt worden, +om te ontdekken of een verdachte werkelijk een heks is of niet, is de +waterproef, waarbij het slachtoffer in het water wordt geworpen. Want +als zij blijft drijven, dan is zij zeker een heks. + +In dat geval wordt zij meestal verbrand. Deze proef was ook in +West-Europa welbekend. + + + +De Vampiers. + + +Het geloof aan het bestaan van vampiers is in de Balkanstaten algemeen +verbreid en zelfs in sommige deelen van Westelijk Europa wordt het +aangetroffen. Eenigen beweren, dat dit bijgeloof verband moet houden +met de meening, die velen in de orthodoxe kerk aanhangen, dat het +lichaam van hen, die sterven, nadat de banvloek der kerk hen getroffen +heeft, niet als het stoffelijk omhulsel van andere stervelingen aan +ontbinding onderhevig zijn, doch onmiddellijk na den dood in bezit +worden genomen door booze geesten, die dan op eenzame plaatsen aan +de menschen verschijnen en hen vermoorden. + +In Montenegro worden vampiers _lampirs_ of _tenatz_ genoemd en men +meent, dat zij het bloed van slapende menschen opzuigen, ook van vee +en andere dieren en na hun nachtelijke tochten weer in de gedaante +van muizen naar hun graven terugkeeren. Ten einde te ontdekken, +waar het graf van de vampier is, nemen de Montenegrijnen een zwart +paard zonder vlek en brengen het naar het kerkhof. Het verdachte +lijk wordt opgegraven, doorboord met staken en verbrand. Natuurlijk +verzet de overheid zich tegen zulke bijgeloovige praktijken; daarbij +kwam het echter voor, dat de bevolking van een gemeente dreigde +de woningen te verlaten, zoodat hun dorpen ontvolkt zouden worden, +indien hun niet werd toegestaan op hun wijze voor hun veiligheid te +zorgen. De code van keizer Doushan den Machtige beveelt, dat een dorp, +waar lichamen van gestorven personen zijn opgegraven en verbrand, +even streng gestraft zal worden als ware er een moord begaan; en +dat de ban zal worden uitgesproken over een _resnik_, dat is een +priester, die bij zulk een ceremonie de godsdienstoefening geleid +heeft. Militchevitch, een beroemd Servisch ethnograaf, verhaalt, +hoe een resnik in het begin van de negende eeuw gebeden las uit de +apocriefe boeken van Peronius, als het noodig was den booze uit te +drijven. De weerzinwekkende gewoonte is geheel onderdrukt in Servië. In +Montenegro beproefde de aartsbisschop Peter II ze uit te roeien, maar +volkomen was zijn succes niet. In Bosnië, Istrië en Bulgarije wordt +er ook nu en dan van gehoord. Het geloof in vampiers is een bijgeloof, +dat over Roemenië, Albanië en Griekenland algemeen verbreid is [19]. + + + +Aanbidding der natuur. + + +Zelfs in onze dagen zijn er nog sporen over van zon- en maanvereering +en vele Servische en Bulgaarsche gedichten herdenken het huwelijk +van de zon en de maan en bezingen _Danitza_ (de morgenster) en +_Sedmoro Bratye_ (De zeven broeders, klaarblijkelijk de Pleiaden +[20]). Ieder mensch heeft zijn eigen ster, die aan het uitspansel +verschijnt op het oogenblik van zijn geboorte en uitgebluscht wordt, +als hij sterft. Vuur en bliksem worden ook aangebeden. Het is een +algemeen geloof, dat de aarde rust op water en dat water rust op een +vuur en dat dit vuur weer op een ander vuur ligt, dat _Zmayevska Vatra_ +(vuur van de draken) wordt genoemd. + +Ook de vereering van dieren is tot op onzen tijd bewaard gebleven. De +Serviërs gelooven niet minder dan dat de beer een mensch is, die voor +zijn straf in een dier veranderd werd. Dit gelooven zij, omdat de beer +rechtop kan loopen, evenals een mensch. De Montenegrijnen beschouwen +den jakhals (canis aureus) als een half-menschelijk wezen, omdat +zijn gehuil 's nachts klinkt als het weeklagen van een kind. Van de +hinde (capreolus caprea) wordt verondersteld, dat zij de bijzondere +bescherming van de veele geniet en daarom zoo dikwijls ontsnapt aan +den jager. In enkele deelen van Servië en door geheel Montenegro +wordt het als een zonde beschouwd een vos of een bij te dooden. + +De vereering van enkele slangen is algemeen in alle Balkanstaten. In +Montenegro gelooft men, dat onder elk huis een zwarte slang haar hol +heeft; als iemand ze zou dooden, dan kan men zeker zijn, dat het hoofd +van het gezin sterft. Enkele waterslangen met vurige koppen worden +op één lijn gesteld met de booze draken (of hydra's), die in sommige +tijden de schepen bedreigen, welke op het meer van Scutari zeilen. + +Van een van deze hydra's wordt nog altijd verondersteld, dat hij in het +meer Rikavatz leeft, in de verlaten bergen van oostelijk Montenegro, +waar het verborgen monster nu en dan uit de diepte van het water +oprijst; zijn terugkeer wordt aangekondigd door heftige donderslagen +en bliksemstralen. + +Maar de zuidelijke Slaven hebben van den draak niet dezelfde +voorstelling als de Hellenen, dat wil zeggen: een monster in de +gedaante van een reusachtige hagedis of slang, met gekuifden kop, +vleugels en groote, sterke klauwen, want zij weten, dat deze +uiterlijke vorm alleen maar wordt gebruikt als een misleidend +masker. De ware gedaante van den draak is die van een knap jongeling, +met bovenmenschelijke kracht en moed begiftigd; in de verhalen en +liederen is hij meestal verliefd op de een of andere schoone prinses +of keizerin. [21] + + + +Toovenaars. + + +Onder de heidensche priesters worden _tcharobnitzi_ (toovenaars) +vermeld, van wie bekend is, dat zij ook in Rusland voorkwamen, waar +zij gedurende de elfde eeuw het nieuwe christendom ondermijnden. De +Slavische vertaling van het Evangelie, door de kerk erkend in de +negende eeuw, geeft den naam tcharobnitzi ook aan de drie Heilige +Koningen. + +Tot diezelfde categorie behoorden de resnitzi, die zooals uit reeds +genoemde code van Keizer Doushan blijkt, de lichamen van de dooden +plachten te verbranden. _Resnik_, dat als eigennaam voorkomt in Servië, +Bosnië en Croatië beteekent naar alle waarschijnlijkheid "degeen, +die zoekt naar waarheid." + + + +Godsdienstige ceremoniën bij de offers gebruikt. + + +Door vertalingen van Grieksche heiligenlegenden is de juiste +terminologie, die gebruikt werd bij allerlei ceremonies, offerfeesten, +enz. bewaard gebleven. Procopius noemt de ossen als de dieren, +die meestal werden geofferd, maar wij vinden, dat kalveren, geiten +en schapen met ossen werden gebruikt door de Poolsche Slaven en +Litthauwers en dat volgens Byzantijnsche autoriteiten de Russen zelfs +wel vogels namen. + +Wanneer in Montenegro een nieuw huis wordt gebouwd, wordt gewoonlijk +een ram of een haan geslacht, opdat een hoeksteen besprenkeld kan +worden met het bloed van dit dier en bij de plechtigheden, waarmee +het inwijden van een nieuwe fontein vergezeld gaat, wordt een geit +gedood. Volgens de overlevering schoot Prins Ivan Tzrnoyevitch eens +vlak voor een grot een ongewoon zware, wilde geit, die, daar ze doornat +was, zich het water van haar huid schudde, tengevolge waarvan daar +onmiddellijk een rivier begon te stroomen. Die rivier wordt nu nog +de rivier van Tzrnoyevitch genoemd. + +Het verhaal herinnert aan de horens van geiten en de lichamen van +geiten, die op het altaar prijken, gewijd aan den Illyrischen God Bind, +bij een fontein in de provincie Yapod. + +Het is een feit, dat Russische en Poolsche Slaven gewoon waren +menschenoffers te brengen. Wat de zuidelijke Slaven betreft, +worden zulke offers alleen genoemd in den cyclus van mythen, die +de geschiedenis behelzen van zekere gebouwen, waarin men bij het +begin van den bouw een levend mensch begroef of inmetselde, omdat +het bijgeloof wilde dat ze anders nooit geheel voltooid zouden +worden. Zulk een legende leeft onder de Serviërs en Montenegrijnen +voort met betrekking tot het bouwen van de vesting Skadar (Scutari) +en de brug nabij Vishegrad; bij de Bulgaren met betrekking tot +het bouwen van het fort Lidga-Hyssar bij Plovdiv en de Kadi-Köpri +(Turksch voor "de brug van den rechter") over de rivier Stroema; en +nog onder de moderne Grieken in hun geschiedenis van de brug over de +rivier Arta en bij de Roemeniërs van de kerk "Curtea de Ardyesh". Het +is zeer waarschijnlijk, dat zekere raadselachtige bas-reliefs, die +ovale menschelijke gezichten voorstellen, alleen met oogen, neus en +mond, welke gevonden zijn onder de cementen muren van oude gebouwen, +eenig verband houden met genoemde wijze van offeren. Er zijn drie +zulke hoofden in het fort van Prins Dyouragy Brankovitch te Smederevo +(Semendria) niet ver van Belgrado aan de binnenzijde van den middelsten +slottoren aan de Donauzijde, en twee andere tegen den buitenmuur van +het klooster Rila vlak bij de Doupitchka Kapiya. + + + +Begrafenisgebruiken. + + +Gedurende het beleg van Constantinopel in het jaar 626 verbrandden de +Serviërs hun dooden. De Russen deden hetzelfde gedurende de veldslagen +bij Silistria, 971. In later tijd werden in alle deelen van Rusland +begrafenisdiensten gehouden, waarna de overblijfselen der dooden +werden begraven. + +De Slaven van Noord-Rusland waren gewoon de asch van den doode in +een of ander klein vaatwerk te bewaren, dat zij dan op een pilaar +aan den openbaren weg plaatsten; die gewoonte bleef zelfs in de +twaalfde eeuw bestaan bij de Vyatitchs van zuidelijk Rusland. Deze +begrafenisgebruiken zijn het langst bewaard gebleven bij de +Litthauwers; de laatste heidensche begrafenis, welke vermeld wordt, +is die van Keystut, den broeder van groothertog Olgerd, in het jaar +1382. Hij werd verbrand met zijn paarden, wapenen, valken en honden. + +Er bestaan nog rechtopstaande steenen, zware steenen platen, of +vierkante blokken, zelfs kolommen, die in de Middeleeuwen _kami_ +werden genoemd, of _bileg_, en nu _stetjak_ of _mramor_. Zulke +steenen worden in grooten getale vlak bij elkaar gevonden; er zijn +er bijvoorbeeld meer dan 6000 in de provincie Vlassenitza en 22,000 +in geheel Herzegowina; eenige worden ook in Dalmatië aangetroffen, +bijvoorbeeld in Kanovli en in Montenegro te Nikshitch; in Servië +worden ze echter alleen in Prodigne gevonden. Deze steenen zijn +gewoonlijk versierd met primitieve nabootsingen van het werk van +Romeinsche beeldhouwers; bogen op kolommen, plant- en boommotieven, +zwaarden en schilden, de figuren van krijgslieden, die bogen dragen, +ruiters, herten, beren, wilde zwijnen en valken; er zijn ook tafereelen +van mannen en vrouwen, die samen dansen en spelen doen. + +Het symbool van het kruis duidt er op, dat het Christendom zijn +intrede gedaan heeft. Inscripties verschijnen pas na de elfde +eeuw. Veel grafsteenen hebben klaarblijkelijk hun oorsprong in de +Middeleeuwen. Eenige graftomben, die ver van de dorpen zijn gelegen, +worden in de kronieken genoemd bij het aanduiden der grenzen van +grondgebieden, bijvoorbeeld Bolestino Groblye (het kerkhof van +Bolestino), bij Ipek en Druzetin Grob (de graftombe van Druzet). In +Konavla bij Ragusa was er in het jaar 1420 een punt, waar belangrijke +wegen elkaar kruisten, bekend onder den naam van "Obugonov Grob." Zelfs +in onze dagen is er daar een grafsteen zonder inscriptie genaamd +"Obugagn Greb." Het is het graf van den landvoogd Obuganitch, +een afstammeling van de familie van Lyoubibratitch, beroemd in de +veertiende eeuw. + + + +Klassieke en Middeleeuwsche invloeden. + + +Toen het heidendom verdwenen was, gingen in de Zuid-Slavische +legenden vele elementen uit die der Grieken en Romeinen over. Er +zijn zoowel verwijzingen naar de keizers Trajanus en Diocletianus, +als naar mythische personen. In de Balkan-staten wordt Trajanus vaak +verward met den Griekschen koning Midas. In het jaar 1433 hoorde de +chevalier Bertrandon de la Broquière van de Grieken te Trajanopel, +dat deze stad gebouwd was door keizer Trajanus, en dat deze boks-ooren +had. De historicus Tzetzes noemt ook de boks-ooren van dien keizer +(ô tia trauou). In Servische legenden schijnt keizer Trajanus ook +verward te zijn met Daedalus, want hij wordt met oorlogs-vleugels +aan zijn ooren voorgesteld. + +Aan den cyclus van Middeleeuwsche mythen danken wij ook het geloof aan +de _djins_ (reuzen), die in holen woonden, en die bekend zijn onder +den Turkschen naam _div_--wat oorspronkelijk een Perzisch woord is. Het +merkwaardige van hen was, dat zij maar een oog hadden--zij zouden een +varieteit van de cyclopen genoemd kunnen worden--en in de Bulgaarsche, +Croatische en Sloveensche mythologie worden zij ook genoemd. Aan de +oevers van de rivier Moratcha, in Montenegro, bevindt zich een weide, +Psoglavlya Livada genoemd, met een spelonk, waarin, naar gezegd wordt, +nog in historische tijden zulke schepsels hebben gewoond. + + + +De verbreiding van het Christendom. + + +Toen de heidensche Slaven de Romeinsche provinciën bewoonden, was het +Christendom beperkt tot de Byzantijnsche provincie. In Dalmatië werd +na den val van Salona de zetel van het aartsbisdom overgebracht naar +Spalato (Splyet), maar in de pauselijke bullen van de negende eeuw +bleef het steeds genoemd _Salonitana ecclesia_ en het eischte voor +zich de jurisdictie op over al de landen tot aan de Donau. + +Volgens Constantijn Porphyrogenetus namen de Serviërs in twee +verschillende tijdperken het Christendom aan, eerst gedurende +de regeering van keizer Heraclius, die den paus verzocht had een +aantal priesters te zenden, om deze lieden tot het christendom te +bekeeren. Het is echter zeer goed bekend, dat de Slaven in Dalmatië, +zelfs gedurende de regeering van paus Johan IV (640-642) heidenen +bleven; zonder twijfel verbreidde het christendom zich langzamerhand +van de Romeinsche steden van Dalmatië over de verschillende Slavische +provincies. De Croaten behoorden reeds tot de Romeinsche kerk, +toen haar priesters de Serviërs tot het christendom bekeerden, +wat geschiedde tusschen de jaren 642 en 731, dat is na den dood van +paus Johan IV en voor dat Leo de Isauriër zijn betrekkingen met Rome +had verbroken. + +De tweede bekeering van de Zuidelijke Slaven, die nog heidenen waren +gebleven, geschiedde omstreeks 879 door keizer Basilius I. + +In het begin drong het christelijk geloof slechts oppervlakkig +door, omdat de menschen de Latijnsche gebeden niet begrepen, noch +de geestelijke boeken. Het schoot veel vaster en sneller wortel, +toen de oude Slavische taal werd gebruikt in de kerkdiensten. + +Tengevolge van de verschillen, die zich voordeden, over beelden en den +vorm, die hun eeredienst zou aannemen, verminderde de geestdrift voor +de bekeering der heidenen door de Latijnsche kerk aanmerkelijk. In +de Byzantijnsche provincies was het echter niet noodig bijzondere +pogingen in het werk te stellen om de bevolking te kerstenen, want +deze Slaven kwamen in voortdurend contact met de Grieksche Christenen, +wier geloof zij zonder dwang overnamen. + +Door de Slavische benaming van plaatsen, die in zekere, officieele +lijsten voorkomen, kan men zien, dat door de Grieksche kerk nieuwe +bisdommen gevestigd werden, uitsluitend voor de Slaven. De bisschoppen +leidden hun diensten in het Grieksch, maar de priesters en monniken, +die geboren Slaven waren, predikten en leerden het volk in zijn eigen +taal. Aldus bereidden zij den grond voor de groote Slavische apostelen. + +De Slavische apostelen van Salonica, Cyrillos en zijn oudere broeder +Methodius, waren zeer geleerde mannen en wijsgeeren. De voornaamste van +de twee Cyrillos was priester en bibliothecaris van het patriarchaat, +daarbij was hij professor in de philosofie aan de Universiteit van het +Keizerlijk Paleis te Constantinopel en hij was zeer geëerd om zijn +geleerdheid in geestelijke dingen. Hun groote werk begon in 862 met +de zending naar keizer Michael III, waarmede de Moravische vorsten +Ratislav en Svetopluk hen belastten. + +De Moraviërs waren reeds tot het Christendom bekeerd, maar zij +verlangden leeraars in hun midden te hebben, die bekend waren met +de Slavische taal. Voordat de broeders zich op reis begaven, stelde +Cyrillos het Slavische alphabet samen en vertaalde het Evangelie. + +Zoo werden deze Heilige Boeken voor de Serviërs geschreven in een +taal, waarmede zij bekend waren en de leerstellingen van den grooten +Meester verdreven langzaam maar gestadig den ouden primitieven +godsdienst, die den vorm van zuiver naturalisme had aangenomen. De +aanbidding der natuur verdween echter niet geheel en heeft zich +zelfs tot op onze dagen in het volksgeloof op het Balkanschiereiland +gehandhaafd. In de folklore van deze volken vinden we een aantal +trekken van het godsdienstig leven en het bijgeloof, afkomstig uit +voor-christelijke tijden, want na een worsteling van vele jaren hadden +de heidensche plechtigheden nog slechts ten deele de plaats moeten +ruimen voor de kerkelijke ceremoniën van de Latijnsche en later van de +Grieksch-Christelijke Kerk, waartoe thans alle Serviërs, de bewoners +van Montenegro, Macedonië en een gedeelte van Bosnië behooren. + + + +Bijgeloof. + + +De fundamenten van het christelijk geloof werden allesbehalve stevig +gelegd op het Balkanschiereiland, tengevolge van het ontbreken van +ontwikkelde priesters en het feit, dat de mensch nu eenmaal gehecht +is aan het oude overgeleverde geloof. Hierin moet waarschijnlijk de +verklaring gezocht worden voor het verschijnsel, dat de christelijke +godsdienst hen nooit in het hart gegrepen heeft. Zelfs in onzen tijd +is het bijgeloof vaak nog sterker dan de godsdienst en verdringt +dien soms geheel. Het geheele dagelijksch leven van den zuidelijken +Slaaf is doorweven van allerhande bijgeloof. Zijn bijgeloof hecht een +bepaalde beteekenis aan 't geen gebeurt, als hij 's morgens opstaat; +vooral aan 't geen hij het eerst ziet; hij is er bijvoorbeeld zeker +van een ongelukkigen dag te zullen hebben, als zijn eerste ontmoeting +die met een monnik is, als hij een huis bouwt, dan moet eerst een +"gelukkige plek" gevonden worden voor het fundament. 's Nachts wil +zijn bijgeloof, dat hij op een bepaalde manier ligt; hij geeft er +nauwlettend acht op, of de hanen tijdig kraaien en of de honden veel +blaffen en hoe ze blaffen. Hij hecht groote waarde aan het oogenblik, +waarop de donder het eerst wordt gehoord, aan de soort regen die er +valt, aan de wijze, waarop de sterren schijnen--of in het geheel niet +schijnen, en met groote bezorgdheid neemt hij een stralenkrans om de +maan waar en het schijnen van de zon door een wolk. + +Al deze dingen zijn voorteekenen en maken indruk op zijn bijgeloovig +gemoed. Grooten invloed hebben zij op zijn handelingen. Als hij bij +voorbeeld van plan is aan een jachtpartij deel te nemen, dan tracht +hij uit die voorteekenen te voorspellen, of er wild zal zijn of niet; +hij gelooft, dat hij zeker wat zal schieten, als zijn vrouw of zuster +(of eenig ander hem goed gezind persoon) over zijn geweer springt, +voordat hij zijn honden roept. Vooral in het landbouwbedrijf neemt +het bijgeloof een groote plaats in. Voor enkele bijgeloovigheden is +het mogelijk zeer goede verklaringen te geven; voor andere echter is +het vergeefs zoeken naar een redelijken grond. Ondanks dat worden alle +voorschriften en waarschuwingen, die met het bijgeloof samenhangen, +algemeen in acht genomen, omdat het volk met de moedermelk inzuigt: +"het is goed zoo te doen" of uitgaat van de stelling: "onze voorouders +deden altijd zoo en waren gelukkig, waarom zouden wij niet evenzoo +doen?" + +Het gedijen van vruchtboomen en het rijpen van de vrucht wordt +bevorderd door toovermiddelen. Een groot aantal feesten wordt +georganiseerd, om zich een vruchtbaar jaar te verzekeren of om +overstroomingen, hagelslag, droogte, vorst en andere onheilen te +voorkomen. Het grootste aantal bijgeloovigheden heeft betrekking op het +dagelijksch leven, vooral op geboorte, huwelijk en dood. Toovermiddelen +worden gebruikt om een toekomstigen bruigom of bruid te ontdekken, +een jonge man verliefd te doen worden op een meisje of omgekeerd; +ook wel, als dat gewenscht lijkt, hun wederkeerigen haat op te wekken. + +Tot toovermiddelen neemt men zijn toevlucht om de wenschen, die de +bruid koestert omtrent de kinderen, die zij hoopt te krijgen, vervuld +te zien. Men tracht hun aantal en geslacht te bepalen, hun gezondheid +te voren vast te stellen en de omstandigheden zoo te regelen, dat ze +een gunstigen invloed op de geboorte hebben. Men gelooft, dat de dood +slechts kan komen, als de aartsengel Michael een ziel uit een lichaam +verwijdert en dat kan slechts op den vastgestelden dag gebeuren. + +De voornaamste nationale gewoonten van de Zuidelijke Slaven gaan +gepaard met een menigte bijgeloovigheden. Daar de Serviërs het +sterkst in aantal zijn onder de Balkanslaven zullen wij eenige van +hun gewoonten nader beschouwen, om aan te toonen, hoe weinig van den +waren christelijken geest te vinden is in sommige van hun godsdienstige +plechtigheden. + + + +Het huwelijk. + + +Als een kind in een Servische familie geboren wordt, dan wenschen +de vrienden den ouders geluk met de woorden: "het zij u gegeven te +leven, tot ge de groene kransen moogt zien!" hetgeen wil zeggen: +leven tot hun kind getrouwd is. De huwelijken worden het meest in +het najaar gesloten, in het bijzonder tegen Kerstmis, zeldzamer +in den zomer. Indien ouders van plan zijn een bruigom voor hun +dochter of een bruid voor hun zoon te zoeken, dan nemen ze de +geschiedenis gewoonlijk een heel jaar lang in overweging. Hun +zoon of dochter vergezelt hen naar verschillende bijeenkomsten, +om daar iemand te ontmoeten, die geschikt is de echtgenoot van hun +dochter te worden of de vrouw van hun zoon. Indien een dochter is +ingelicht omtrent de beslissing harer ouders, moet zij zich haasten +met haar voorbereidselen: zij moet zorgen, dat de bochtchaluks [22] +(huwelijksgeschenken), die zij moet uitdeelen onder de bruiloftsgasten +(svati of svatovi) spoedig gereed zijn. Deze geschenken zijn meestal +artikelen, die zij eigenhandig maakt, zooals sokken, kousen, hemden, +handdoeken en reisdekens. Gewoonlijk wordt het huis schoon gemaakt +en misschien vergroot voor het huwelijk. Als alle toebereidselen zijn +getroffen, dan mag het gerucht van haar aanstaand huwelijk zich door +het dorp verspreiden. Daar de huwelijken gewoonlijk door de ouders +worden vastgesteld, komen verbintenissen uit liefde helaas zelden +voor. Schaken wordt beschouwd als iets phenomenaals. Er zijn echter +gevallen, waarin de jongelieden zich niet voegen naar den wil hunner +ouders met betrekking tot het huwelijk. Indien een meisje verliefd is +geworden op een jongen man, kan zij haar toevlucht nemen behalve tot +de gewone middelen en methoden, tot beroepstoovenaressen. Listen, +die door deze helpsters in de liefde wel worden aanbevolen, zijn +bijv.: Het meisje kijkt door den bek van een gebraden speenvarken +(dat gedood is voor het Kerstfeest) naar haar geliefde, waardoor +hij beslist krankzinnig verliefd op haar wordt. Het voorwerp harer +liefde zal van minnesmart om haar sterven, als zij naar hem kijkt +door een gat in een kers of een andere vrucht; zij is er even zeker +van zijn genegenheid te verwerven, indien zij er in slaagt de aarde +om te keeren onder een afdruksel van zijn rechtervoet. Deze en veel +dergelijke toovermiddelen worden gewoonlijk toegepast op of omstreeks +St. George's dag (23ste April O.S.) + +Ook jonge mannen nemen hun toevlucht tot tooverij, indien zij de liefde +willen opwekken van het een of andere ongevoelige meisje. Indien +bijvoorbeeld de jonge man zich op een Vrijdagnacht, klokke twaalf +naar het erf begeeft bij de woning van de jonkvrouwe van zijn hart en +daar een boom drie maal schudt en even zooveel keeren haar voornaam +noemt, zal zij zeker aan zijn verlangen gehoor geven en zijn liefde +beantwoorden. Een even onfeilbaar middel is een bepaalde visch te +vangen en die bij zijn hart te laten sterven; daarna het vleesch +te braden, totdat het geheel verkoold is, de overblijfselen tot +poeder te stampen en dit stilletjes in water of een anderen drank te +doen.--Indien het meisje overgehaald kan worden het te proeven, kan +zij er niet meer aan ontkomen hem lief te hebben. Deze hulpmiddelen +herinneren aan de bekende handeling van den Franschen troubadour +Pierre Vidal, om de liefde van zijn schoone patrones Donna Azalais de +Baux te winnen. 't Was een recept, dat succes in de liefde beloofde, +afkomstig van iemand, die het van een Arabisch monument ontcijferd +had. De dichter kreeg het van Huges de Baux, een boosaardige, jeugdige +ridder, de schoonbroer van de schoone Donna Azalais. De lichtgeloovige +Vidal moest op zekeren maannacht op een varken drie keer rondom het +kasteel van zijn geliefde rijden. Natuurlijk wist hij niet, dat zijn +snaaksche vriend al de bewoners op het terras had gebracht om deze +belachelijke vertooning gade te slaan. + + + +Huwelijksonderhandelingen. + + +Als de ouders zich een bruid voor hun zoon hebben uitgekozen, sturen +zij iemand met volkomen volmacht (navodagjya) naar haar ouders, om +te vragen of zij al dan niet hun toestemming tot een huwelijk van hun +dochter met den jongeman willen geven. Daar huwelijken zelden worden +gesloten zonder de hulp van deze gevolmachtigden, zijn er een aantal +personen, wier eenig ambt het is over huwelijken te onderhandelen. Zij +ontvangen een som geld, indien hun diensten met succes worden +bekroond. Naast geldelijke belooning ontvangt de navodagyja van de +toekomstige bruid op zijn minst een paar sokken. Indien de vader van +het meisje het voorstel niet aanvaardt, geeft hij gewoonlijk geen +beslist afwijzend antwoord, maar verschuilt hij zich achter het een of +ander voorwendsel; hij zegt bijvoorbeeld, dat zijn dochter nog te jong +is, of dat zij niet geheel gereed is met de voorbereidselen voor haar +huwelijk. Maar als de jongeman genade in zijn oogen vindt, en de vader +bereid is zijn toestemming te geven, dan antwoordt hij gewoonlijk, dat +hij zijn dochter graag getrouwd zou zien met zulk een uitnemend man, +tenminste als het paar elkaar liefheeft. Dan wordt een samenkomst +voorbereid, ofschoon dit in werkelijkheid slechts een kwestie van +vorm is, daar de eindbeslissing in handen van de ouders zelf ligt, +zonder dat de gevoelens van den aanstaanden man en de vrouw daarbij +veel gewicht in de schaal leggen. De ouders vragen den jongelieden, +of zij elkaar mogen lijden; gewoonlijk wordt een bevestigend antwoord +gegeven, waarop alle aanwezigen elkaar omhelzen. Geschenken worden +gewisseld, zoowel tusschen de ouders als tusschen den aanstaanden +echtgenoot en zijn bruid. Deze gebeurtenis wordt dikwijls gevierd door +het afvuren van pistolen en geweren, teneinde door het geheele dorp +bekend te maken, dat er huwelijksfeesten op til zijn. Spoedig na de +plechtigheid, die de inleiding tot een verloving genoemd kan worden, +brengen de ouders van den jongeman en enkele zeer intieme vrienden een +officieel bezoek aan de woning der bruid. Het bezoek heeft gewoonlijk +in den avond plaats en nadat de bruigom aan de bruid een ring heeft +gegeven, beginnen de feestelijkheden, die tot den volgenden morgen +duren. Eenige dagen later gaan de bruid en de bruidegom naar de kerk, +door enkele vrienden vergezeld en de priester doet hun de stereotiepe +vragen, waaronder deze: "Wenscht gij te trouwen uit vrijen wil?" Waarop +zij om zoo te zeggen gedwongen zijn "Ja" te antwoorden. + + + +De huwelijksprocessie. + + +Een week voor den trouwdag, brengen beide families hun huis in +gereedheid om een groot aantal gasten te ontvangen, die zij gedurende +verscheidene dagen zeer gastvrij onthalen. Zeer kort geleden nog +moest de huwelijksprocessie, indien de bruid in een verwijderd dorp +woonde, soms verscheidene dagen reizen om haar te halen en daar goede +wegen, waarlangs voertuigen zich konden voortbewegen, niet overal +voorkwamen, was de geheele, lange stoet vaak genoodzaakt den weg te +paard af te leggen. Tot de huwelijksstoet behooren de _dever_ [23] +(dat wil zeggen geleider van de bruid) die haar bij de heele reeks van +plechtigheden terzijde staat, in zekeren zin haar voogd; de _koom_ +(voornaamste getuige, die bij gelegenheid een soort peetvader van +de kinderen wordt); en de _stari-svat,_ die de tweede getuige bij +de huwelijksplechtigheid is. Gedurende de huwelijksplechtigheden +moet de koom achter den bruigom staan en de stari-svat achter +de bruid. De stari-svat is ook een soort ceremoniemeester op den +huwelijksdag; hij bewaart de orde onder de gasten, en presideert +bij de huwelijksmaaltijden. De dever brengt ook zijn ouders mee +en de koom en de stari-svat moeten ieder vergezeld zijn van een +bediende om hen te assisteeren gedurende de plechtigheid. Deze twee +getuigen moeten zorgen twee groote was-kaarsen bij zich te hebben, +die gewoonlijk versierd zijn met zijden kant en bloemen, welke met +veel andere geschenken aan de bruid worden aangeboden. + +Voor de processie zich op weg begeeft, vuren de jongelieden pistolen +af en zingen en dansen, terwijl de ouderen zich neerzetten en +ververschingen gebruiken. De verschijning van den bruigom in zijn +huwelijksgewaad, waarbij de hoed met bloemen is versierd, is het +teeken, waarop een koor van meisjes de traditioneele huwelijksliederen +inzet. Als de rijtuigen klaarstaan om te vertrekken, zingen zij +het volgende: + + + + Een valk vloog van het kasteel + Met een brief onder zijn vleugel + Laat den brief vallen op de knie van den vader, + Zie, vader! De brief zegt u, + Dat uw zoon ver zal reizen, + Over veel stroomende rivieren, + Door veel groene wouden, + Totdat hij u een schoondochter brengt. + + + +Het _Tzigan_-(Zigeuners) korps begint zijn vroolijke melodieën, +de bruidegom, de vaandeldrager en andere jongelieden stijgen te +paard, allen versierd met bloemen, de processie begeeft zich op +weg naar het huis van de bruid. De ruiters rijden meestal twee aan +twee, pistolen afschietend en zingende. De processie wordt steeds +geleid door een vroolijken jongeling, die een _tchoutoura_ meevoert, +(een plat houten vat) dat rooden wijn bevat. Het is zijn taak ieder, +die het huwelijksgezelschap op weg mocht ontmoeten, een dronk aan te +bieden en hij heeft het privilege gedurende het huwelijksfeest ten +koste van iedereen grappen en geestigheden ten beste te geven. Voor +dien dag geniet hij de vrijheden van een hofnar en niemand mag zijn +geestige zetten kwalijk nemen, hoe ruw en onkiesch die soms ook zijn. + +Eenige schreden achter de tchoutouradrager rijdt de voïvode (generaal +of leider), wiens taak het is den eerste bij te staan in zijn +geestige uitvallen en den vaandeldrager, die de nationale vlag draagt; +achter hen, in een rijkelijk met bloemen versierd voertuig, rijden +de bruidsmeisjes, die gekozen worden uit de familiebetrekkingen van +den bruigom. Met andere geschenken dragen de meisjes het trouwgewaad +en de bloemen, die de vader van den bruigom voor zijn aanstaande +schoondochter heeft gekocht. Onmiddellijk achter de bruidsmeisjes +rijdt de bruigom tusschen den koom en den stari-svat. Daarna komen +andere bloedverwanten en gasten, twee aan twee in optocht. Soms +leveren deze huwelijksprocessies een zeer indrukwekkenden aanblik. + + + +De aankomst. + + +Indien de huwelijksstoet het huis van de bruid nadert, wordt haar +komst aangekondigd door het afvuren van pistolen en geweren, waarop +een aantal meisjes verschijnt, die verschillende liederen zingen, +waarin het verdriet wordt uitgedrukt over het vertrek der bruid uit +het ouderlijk huis. In enkele deelen van Servië is nog een vreemd, +oud gebruik overgebleven; de vader van de bruid verlangt, dat aan +enkele voorwaarden wordt voldaan, eer hij bereid is de poorten van +het binnenplein voor den stoet te openen. Hij stuurt bijvoorbeeld een +goed worstelaar, die de mannen uit het gezelschap van den bruidegom +uitdaagt. Een van de bruiloftsgasten moet hem dan overweldigen, +voordat de poorten worden geopend. Natuurlijk is de worstelproef in den +regel niet ernstig gemeend. In andere deelen van het land wordt als +voorwaarde gesteld, waarop den aangekomenen toegang wordt verleend, +dat een hunner een pot of ander terra-cotta vaatwerk, dat aan den +top van den schoorsteen bevestigd is, er met zijn pistool afschiet. + +Als aan zulke of andere voorwaarden tot genoegen is voldaan, wordt +het huwelijksgezelschap in huis toegelaten, en geleid naar tafels, +beladen met gebraden lams- en varkensvleesch, koeken, vruchten, wijn +en cognac. De vader van de bruid geeft den vader van den bruidegom de +eereplaats en onmiddellijk naast hem zit de stari-svat, dan de koom +en dan de bruidegom. Als de gasten zijn gezeten, wordt er een groote, +platte koek _(pogatcha)_ voor den vader van den bruidegom neergezet +en hij legt er eenige goudstukken op; soms ook een geheele keten van +gouden ducaten, die de bruid later om haar hals moet dragen. Zijn +voorbeeld wordt onmiddellijk gevolgd door den stari-svat, den koom +en al de andere gasten. Ten slotte haalt de vader van de bruid +de huwelijksgift, die hij zijn dochter meegeeft en plaatst die +op den koek. Al het aldus verzamelde geld wordt aan den stari-svat +overhandigd, die het te zijner tijd aan de bruid zal geven. Dan brengen +de bruidsmeisjes het trouwgewaad naar het vertrek van de bruid, waar +zij haar met groote zorg en veel ceremoniën kleeden. Indien haar toilet +gemaakt is, neemt een van haar broers of, indien zij die niet heeft, +een van haar naaste mannelijke bloedverwanten, haar bij de hand om +haar naar de verzamelde familie en vrienden te geleiden. Zoodra zij +verschijnt, begroeten de bruiloftsgasten haar met een levendig vuur +uit hun pistolen; de bruidsmeisjes geleiden haar naar den bruigom, +aan wien zij een bloemkrans aanbiedt. Daarna wordt zij naar den +stari-svat en den koom gebracht, wier handen zij kust. Indien deze +ceremonie is verricht, gaat zij het huis binnen, waar haar ouders op +lage, houten stoelen voor den haard zitten. Daar werpt zij zich neer, +en kust den grond voor het vuur. Dat is blijkbaar een overblijfsel +van de vuuraanbidding, maar nu het symbool van de vereering van +den huiselijken haard. Zoodra zij is opgestaan, kust het meisje de +hand van haar vader en moeder, die haar, terwijl zij haar omhelzen, +den zegen geven. Nu brengt haar broer of bloedverwant, al naar het +geval is, haar terug naar den bruigom en geeft haar met inachtneming +van alle vormen aan den dever over, die van dat oogenblik zorg voor +haar draagt en haar in de eerste plaats de geschenken geeft, die hij +heeft verzameld. + + + +Terugkomst uit de kerk. + + +Nadat zij feest hebben gevierd en onthaald zijn, stijgen de +gasten te paard en onvermoeid hun pistolen afschietend begeven +zij zich met de bruid naar de naaste kerk. Nadat de godsdienstige +ceremoniën voorbij zijn, keert het bruiloftsgezelschap terug naar +de woning van den bruidegom, waar de bruid van haar paard of uit +haar rijtuig moet stappen op een zak haver. Terwijl de anderen het +erf opgaan door de hoofdpoort, kiest de bruid meestal een anderen +ingang, omdat zij bevreesd is anders betooverd te worden. Zoodra +zij binnenkomt, brengen de familieleden van den bruigom haar een +bak met verschillende soorten graan, die zij op den grond uitstort, +"opdat het jaar vruchtbaar moge zijn." Dan brengen zij haar een kind +van het mannelijk geslacht, dat zij kust, en driemaal opheft. Daarna +treedt zij het huis binnen; onder haar armen heeft zij brooden en in +haar handen flesschen wijn--zinnebeelden van weelde en voorspoed. + +Ofschoon de bruiloftsgasten goed zijn onthaald in de woning der bruid, +heeft de reis hun eetlust opnieuw gewekt; daarom nemen zij in dezelfde +volgorde als wij reeds genoemd hebben aan tafels plaats en worden +zij onthaald op een groot feestmaal. Gedurende dit maal geven de +voïvodes en de tchoutouradrager evenals bij het vorige grappen ten +beste ten koste van iedereen. Deze vroolijke uitlatingen getuigen, +zooals wij reeds hebben gezegd, gewoonlijk niet van zeer goeden +smaak, maar niemand voelt er zich door beleedigd, en iedereen lacht +hartelijk om de minste aardigheid. Gedurende dit feest, en terwijl de +jongelieden nationale dansen (kollo) uitvoeren en de traditioneele +bruiloftsliederen zingen, brengt de dever de bruid naar den drempel +van haar vertrek (vayat) en geeft haar over aan den koom, die haar +nu binnenleidt, haar hand in die van den bruidegom legt en hen alleen +laat. De gasten blijven echter vaak in het huis tot het ochtendgrauwen, +drinkende en zingende. + + + +Slava (of Krsno Ime) + + +Deze gewoonte wordt beschouwd als een overblijfsel uit de tijden, +toen de Serviërs tot het christendom werden bekeerd. Iedere +Servische familie heeft een dag in het jaar, die bekend is als slava, +gewoonlijk den een of anderen heiligendag, waarop zekere ceremoniën +worden vervuld, gedeeltelijk van godsdienstigen, gedeeltelijk van +maatschappelijken aard. De heilige, dien het hoofd der familie herdenkt +als zijn beschermheilige of naamheilige, wordt ook herdacht door zijn +kinderen en hun afstammelingen. + +Eenige dagen voor de viering komt de priester naar het huis van iederen +svetchar--den man, die als hoofd der familie den heilige herdenkt--om +het water te zegenen, dat voor dit doel in een specialen bak gereed +wordt gehouden, daarna besprenkelt hij het hoofd van alle familieleden +met het heilige water, waarin hij een klein takje bazielkruid heeft +gedoopt. Hij gaat daarop van kamer tot kamer om overal dezelfde +ceremonie te verrichten. + +Ten einde hun naamheilige aangenaam te zijn, vasten alle leden +der familie een week voor het feest. Den avond voor den heiligen +dag wordt voor het beeld van den heilige een kaars aangestoken, +die gedurende twee dagen blijft branden. Een of twee dagen voor het +feest bereiden de vrouwen een kolatch (een bijzondere koek, gemaakt +van tarwebloem) die ongeveer 37 1/2 c.M. middellijn heeft en ongeveer +7 1/2 c.M. dik is. De oppervlakte is verdeeld in vier parten, doordat +ze met een kruis is geteekend; elk vierde deel heeft een schild waarop +de letters I.N.R.I. staan. In het midden bevindt zich een cirkel, +en daarbinnen en poskurnik (monogram van deze initalen). Behalve de +kolatch wordt een andere koek gemaakt van witte tarwe, goed gekookt, +en vermengd met poedersuiker, gehakte noten en amandelen. Deze wordt +kolyivo genoemd (letterlijk: "iets, dat met het mes is gedood"). Dit is +blijkbaar een reliquie uit heidensche tijden, toen men met kolyivo de +dieren bedoelde, die op het altaar werden geofferd. Toen de Serviërs +bekeerd waren tot het christelijk geloof, werd hun gezegd, dat de +God der christenen en zijn heiligen geen dierenoffers en nog minder +die van een mensch verlangden, en dat daarvoor in de plaats gekookte +tarwe moest worden gebruikt. Wel eigenaardig is het, dat kolyivo +slechts bereid wordt voor die heiligen, van wie het volk gelooft, +dat zij dood zijn en niet voor hen, van wie verondersteld wordt, +dat zij nog leven, wat bijv. het geval is met St. Elias (Elyah), +de beschermheilige van den donder, en daarom ook wel de "Donderaar" +genoemd, de aartsengel Michael en eenige anderen. + + + +De Slava-ontvangavond. + + +Op den vooravond van den Slavadag wordt er voldoende voedsel voor +de twee volgende dagen gereedgemaakt en tegen zonsondergang zijn al +de tafels wel voorzien van ververschingen, berekend op de komst van +een groot aantal gasten. Vrienden en bloedverwanten worden door een +boodschapper, die daartoe speciaal wordt uitgezonden, genoodigd. In +verschillende door het gebruik geijkte vormen wordt deze uitnoodiging +overgebracht; een er van is de volgende: "Mijn vader (of mijn oom, +al naar het geval is) heeft mij gezonden om u zijn groeten te brengen +en noodigt u heden avond in ons huis om een glas cognac te drinken. Wij +wenschen met u te deelen de zegeningen, die God en onze beschermheilige +over ons hebben uitgestort. Wij vragen u dringend te komen!" Bij +deze woorden overhandigt de boodschapper aan den genoodigden gast een +tchoutoura, gevuld met wijn en versierd met bloemen, waaruit de gast +dan altijd een teug drinkt. Daarna maakt hij het teeken des kruises +en zegt: "Ik dank u; dat uw Slava een gelukkige en voorspoedige +zij!" Na den wijn geproefd te hebben, vervolgt hij: "Wij zullen ons +best doen om te komen. Wij zijn dankbaar voor de uitnoodiging, die +ons ten zeerste vereert." Onveranderlijk spreekt hij deze woorden uit, +hetzij hij werkelijk van plan is de uitnoodiging aan te nemen of niet. + +Terwijl de boodschapper op weg is om de gasten uit te noodigen, zijn +de vrouwen van het huis bezig al de noodige toebereidselen te maken +voor hun ontvangst. Elke gast roept, als hij den drempel nadert: +"O heer van het huis, zijt gij bereid gasten te ontvangen?" Zoodra +hij dat hoort, snelt de svetchar den gast tegemoet en begroet hem +met deze woorden: "Zeer zeker ben ik dat en ik hoop, dat er nog veel +meer gasten komen even welkom als gij!" Daarna treedt de gast binnen, +omhelst den svetchar en zegt: "Ik wensch u een zeer aangenamen avond +en een gelukkige Slava!" En dan antwoordt de gastheer als ware dat +van zelf sprekend: "Ik dank u en heet u welkom in mijn huis!" + +Op dezelfde wijze worden de andere gasten begroet. Indien zij allen +aanwezig zijn, noodigt de gastheer hen uit hun handen te wasschen. Want +geen Servische boer zou ooit gaan zitten, om voedsel te gebruiken, +voordat hij dit had gedaan. Daarna wijst de gastheer ieder zijn plaats +aan, altijd met stipte inachtneming van de volgorde, waarop ieders +rang hem aanspraak geeft. + +De meisjes van het huis dienen cognac rond aan de verzamelde gasten +en deze wordt, althans in den winter, gewoonlijk gewarmd, terwijl er +honig of suiker aan is toegevoegd. De gasten zijn intusschen blijven +staan en wachten zwijgend en eerbiedig tot de ceremoniën van de Slava +zullen beginnen. + +De gastheer zet in het midden van de tafel een groote waskaars, die +hij niet aansteekt, alvorens het teeken des kruises driemaal gemaakt +te hebben. Daarna neemt hij een bak, waarin wat gloeiende asch ligt, +plaatst daarin eenige stukjes wierook en laat den geur dan opstijgen +naar het heiligenbeeld, dat volgens de gewoonte de eereplaats in de +woning inneemt. Nog steeds met het wierookvat in de hand staat hij +enkele oogenblikken stil voor elken gast. Indien deze plechtigheid +voorbij is en er geen priester aanwezig is, noodigt de gastheer zijn +gasten uit zelf hun gebed op te zeggen. Veel Servische boeren hebben +het talent om geïmproviseerde gebeden op te zeggen en daar is bij +deze ceremoniën altijd vraag naar. De gastheer geeft het wierookvat +aan zijn vrouw, wier plicht het is toe te zien, dat de damp van den +wierook elk deel van het huis bereikt. Daarna verbreekt de gastheer de +stilte met het volgende gebed: "Laat ons, o broeders, zeer eerbiedig +bidden tot den almachtigen Heer, onzen God, en tot de heilige +Drieëenheid! O Heer, Gij almachtig en genadig Schepper van Hemel en +Aarde, bevrijd ons, wij bidden het u, van alle onvoorziene kwaad! O, +Heilige George! (hier noemt hij den naam van den beschermheilige, +wiens feest zij vieren) onze beschermheilige, bescherm ons en wees +onze voorspraak bij den Heer onzen God; wij, die hier verzameld zijn, +vragen het u. Gij heilige Apostelen, gij vier Evangelisten en pilaren, +op wie de hemelen en de aarde rusten, wij, die zondaars zijn, smeeken +om uwe bemiddeling;" enz. Als het gebed is geëindigd, maken de gasten +verscheidene malen het teeken des kruises en dan begint het avondeten. + + + +Slava toasten. + + +Gedurende de eerste twee of drie gangen gaan de gasten door met +cognacdrinken; wijn wordt niet gepresenteerd, voordat zij vleesch +hebben genomen. Bij het drinken van het eerste glas wijn brengt +de oudste gast, of de voornaamste in rang (gewoonlijk is het de +dorpsgeestelijke of de burgemeester) den eersten toast, waarvan evenals +van alle volgende de bewoordingen door de traditie zijn bepaald. In +sommige deelen van Servië brengt de gastheer zelf den eersten toast +op den aanzienlijksten van zijne gasten uit, door tot hem de volgende +woorden te richten: "Ik dank u, evenals al uw broederen, voor de eer, +die u mij genadiglijk bewijst mijn slava met uw tegenwoordigheid te +vereeren. Laat ons het eerste glas drinken ter eere van den genadigen +God. Waar wijn in zijn naam gedronken wordt, daar moge altijd voorspoed +zijn." De voornaamste gast aanvaardt den toast, maakt het teeken des +kruises en antwoordt in de volgende bewoordingen: "Ik dank u zeer, +vriendelijke en milde gastheer! Moge uw slava u voorspoed brengen, en +laat ons dit tweede glas drinken 'op het betere uur'." De derde toast +is meestal ter verheerlijking van de Drieëenheid. In het Servisch: +_Tretya-sretya, sve u slavu Svete Troyitze!_ + +In enkele deelen van Servië worden er zeven of zelfs meer heildronken +gebracht, maar deze gewoonte vertoont gelukkig neiging om te +verdwijnen. + + + +De ceremonie in de kerk. + + +Den volgenden morgen staan al de leden der familie vroeg op, om het +huis weer in orde te brengen, en de svetchar gaat naar de naaste +kerk. Hij neemt de kolyivo, de kolatch, wat wijn, wierook en een +waskaars mee. Al deze dingen plaatst hij voor het altaar, waar zij +gedurende den ochtenddienst moeten blijven, waarna de dienstdoende +priester in de slavakoek van onderen insnijdingen maakt, die +overeenkomen met de lijnen van het kruis aan de oppervlakte. Daarna +breekt hij de koek en draait die in een cirkel met behulp van den +Svetchar, terwijl zij samen zekere gebeden opzeggen. Nadat deze +ceremonie geëindigd is, neemt de gastheer de eene helft van de koek, +en laat de andere helft voor den priester. Indien de kerk ver af ligt +en de gastheer niet lang van huis kan zijn, dan mag de slavakoek in +zijn eigen huis door hem in tweeën worden gesneden met behulp van zijn +mannelijke gasten, onder het opzeggen van de voorgeschreven gebeden; +terwijl zij in een kring staan, houden zij de koek zoo, dat hun duim +er op is geplaatst en zij haar met vier vingers ondersteunen. + + + + +Het slava-feest. + + +Tegen den middag, eenige minuten voordat de zon haar hoogste punt +bereikt, wordt een deel van de slavakoek op de tafel geplaatst met +een aangestoken kaars. Aan dit maal in den middag worden gewoonlijk +veel meer gasten genoodigd dan bij het avondeten van den vorigen +avond, bovendien heeft op dezen dag zelfs een vreemdeling--welke +zijn godsdienst ook moge zijn--het recht het huis binnen te gaan en +gastvrijheid te verlangen. De koninklijke Prins Marko had bijvoorbeeld +veel vrienden onder de Turken en zij kwamen altijd als gast op zijn +slavadag. Al de gasten verheffen zich tegelijk van hun zetel, maken +met grooten eerbied een kruis, en in volmaakte stilte, met gevulde +glazen, wachten zij op de toespraak, die de Svetchar zal houden. Weer +worden er drie of misschien meer heildronken uitgebracht en aanvaard +en natuurlijk worden even dikwijls de glazen geledigd en weer gevuld, +zelfs nog voor het maal van den middag is begonnen. Etend en drinkend +ter eere van God, de heilige Drieëenheid, de heilige slava, en zoo +voort, blijft men bijeen, tot laat in den nacht, wanneer de gasten zich +herinneren, dat het tijd is om naar huis te gaan. Velen brengen echter +den geheelen nacht in het huis door en blijven ook nog den volgenden +dag. Eenige vereerders van goeden wijn ontzagen zich soms niet drie +achtereenvolgende dagen en nachten te blijven. Deze buitengewone +toewijding aan de heiligen werd vooral betoond te Nish en in den +omtrek daarvan, en leverde den beroemden Servischen romanschrijver +Stephanus Strematz de stof voor een van de mooiste en zonder twijfel +een van de geestigste romans, die in Servië geschreven zijn. + + + +De dag voor Kerstmis. + + +Een ander feest, dat de Serviërs evenals andere volken met vele +plechtigheden en gebruiken van onmiskenbaar heidenschen oorsprong +vieren, en dat aller hart met vreugde vervult, is het Kerstfeest. Het +is zelfs een bekende zegswijs van de Serviërs, dat "er geen dag is +zonder licht--noch eenige werkelijke vreugde zonder Kerstmis." + +In den regel staat de Servische boer vroeg op, maar op den dag voor +Kerstmis (Badgni dan) is ieder nog vroeger dan gewoonlijk bij de +hand. Want het is de dag, waarop ieder lid van het gezin de handen +vol werk heeft. Twee of meer der jonge mannen worden van elk huis +uitgezonden naar het bosch [24] om een jongen eikenboom te hakken en +thuis te brengen, die _Badgnak_ wordt genoemd. (De afleiding van het +woord ligt in het duister, het is waarschijnlijk afkomstig van den +naam van een heidenschen God.) + +Als de jonge man, die den boom moet hakken, hem heeft uitgekozen, +knielt hij neer en woorden van begroeting prevelend en het bij deze +gelegenheid gebruikelijk gebed opzeggend, werpt hij er een handvol +koren naar toe; daarna maakt hij driemaal het teeken des kruises en +draagt dan zorg den kant, waar hij begint met hakken zoo te kiezen, +dat de boom naar het Oosten moet vallen en wel juist op het oogenblik, +dat de zon zich boven den horizon vertoont. Hij moet er ook op letten, +dat de boom bij het op de aarde vallen geen takken aanraakt van een +nabijstaanden boom, anders zou meer dan waarschijnlijk de voorspoed +van het huis in het komend jaar worden verstoord. De stam van den +boom wordt nu in drie blokken gehakt, waarvan het eene wat langer is +dan de beide andere. + +Tegen den avond, als alles gereed is en al de leden van de familie +verzameld zijn in de keuken, het voornaamste vertrek in de woning, +wordt een groot vuur ontstoken en het hoofd van de familie brengt +plechtig de Badgnak binnen, die hij zoo op 't vuur plaatst, dat het +dikke einde ongeveer 30 c.M. buiten den haard blijft; ondertusschen +spreekt hij op luiden toon zijn goede wenschen uit voor den voorspoed +van het huis en alle bewoners. + +Op dezelfde manier brengt hij de andere deelen van den Badgnak binnen, +en als ze alle drie branden, pakken de jonge herders het grootste +blok vast, want zij gelooven door zoo te doen zich de gehechtheid +hunner schapen aan haar lammeren te verzekeren, van de koeien aan +haar kalveren en van alle andere dieren aan haar jongen. + +Op dit oogenblik brengt het oudste lid der familie een bos stroo en +overhandigt dien aan de huisvrouw, aan wie hij tegelijkertijd "een +goede en gelukkige Badgni dan" wenscht. Dan werpt zij een handvol +koren naar hem toe, dankt hem voor het stroo en begint in de keuken +en aangrenzende kamers het stroo op den vloer uit te strooien onder +het nabootsen van het geklok der hennen, terwijl de kinderen haar +vroolijk volgen en de geluiden nabootsen, die jonge kuikens maken. + +Indien dit gedaan is, moet om te beginnen de moeder een gele kaars +brengen en een aarden bak, gevuld met brandende kolen. + +De vader maakt weer eerbiedig een kruis, steekt de kaars aan en doet +wat wierook op de asch. Intusschen hebben de overige familieleden +zich al in een halven kring opgesteld, waarbij de mannen rechts en de +vrouwen links staan. Nu gaat de vader overluid gebeden opzeggen en +loopt van het eene einde van den halven kring naar het andere; voor +ieder staat hij een korte poos stil, opdat de damp van den rookenden +wierook in het wierookvat, dat hij in zijn rechterhand houdt, ieder op +zijn beurt in het gelaat komt. De gebeden, die zij bij deze gelegenheid +opzeggen, duren ongeveer vijftien of twintig minuten en verschillen +in bijna elk district. Na vijftien gebeden nemen zij allen plaats +voor het avondeten, dat niet neergezet is op een tafel, maar op den +grond. Want het wordt als een goede orthodoxe gewoonte beschouwd om +op den avond voor Kerstmis zakken over den steenen of leemen vloer te +leggen en kussens in plaats van stoelen te gebruiken. Gedurende het +avondeten, waarbij geen vleesch wordt gebruikt, drinkt de huisvader +met geestdrift heildronken op de Badgnak, daarbij gelijktijdig zijn +wenschen uitsprekende voor hun aller voorspoed in het nieuwe jaar. Hij +giet ook een glas wijn over de uitstekende einden van het blok. In +verscheidene deelen van Servië vasten al de boeren--mannen, vrouwen, +zelfs kleine kinderen--de vijf en veertig dagen voor Kerstmis; zij +onthouden zich van vleesch, eieren en melkspijs en eten eenvoudig +groenten en vruchten. + +Als het avondeten voorbij is, gaat de geheele familie naar bed, +behalve een der jonge mannen, die bij het vuur blijft, om toe te zien, +dat de Badgnak niet geheel verbrandt en het vuur niet uitdooft. + + + +Kerstdag. + + +Algemeen neemt men aan, dat de plechtigheden en gebruiken bij dit +kerkelijke feest, dat wij Serviërs in onze eigen taal Bojitch noemen, +wat "de kleine God" beteekent, niets anders zijn dan min of meer +gewijzigde vormen van aanbidding van den heidenschen god Dabog (of +Daybog), dien wij al genoemd hebben. + +Onze heidensche voorouders waren gewoon een varken aan hun zonnegod +te offeren en in onzen tijd is er geen enkel huis in geheel Servië, +waar met Kerstmis niet als een van zelfsprekend feit, gebraden +varkensvleesch wordt opgediend. De mannen en jongens van het gezin +staan op dien dag heel vroeg op, om een groot vuur op het erf aan +te leggen en een speenvarken aan een spit te braden, waarvoor alle +voorbereidselen op Badgni dan gemaakt zijn. Op het oogenblik, dat men +het kleine varken boven het vuur houdt, wordt er om het te begroeten, +heftig met pistolen of geweren geschoten. Daar schot na schot valt, +is het duidelijk, dat het geheele dorp in beweging is. Want bijna +al de gezinnen in het dorp houden deze gewoonte in eere en elke +jongeman beschouwt het als zijn natuurlijke plicht een pistool af te +schieten, zoodat de naburige heuvelen telkens weergalmen, alsof er +een aanhoudende schermutseling plaats heeft. Nog vroeg in den morgen +gaat een der meisjes naar den gemeenschappelijken put om drinkwater +te halen, en als zij den put bereikt, brengt zij hem haar groet, +wenscht hem een gelukkigen Kerstmis en werpt er gelijktijdig een +handvol koren en een bosje of soms alleen een takje bazielkruid in. Het +koren wordt geofferd in de hoop, dat de oogst even overvloedig moge +zijn als het water, en van het bazielkruid verwacht men, dat het het +water altijd helder en zuiver houdt. De eerste beker water, dien zij +ophaalt, wordt gebruikt voor het maken van een koek (_Thesnitza),_ +die aan den middagmaaltijd in evenveel stukjes wordt gebroken, als +het gezin leden telt. Een zilveren geldstuk wordt in het deeg gedaan +en hij of zij, die het vindt, wordt beschouwd als een lieveling van +het geluk in het komende jaar. + +Gedurende den morgen verwacht elk huis een bezoeker (polaznik), die +gewoonlijk een jonge knaap is uit een naburig huis. Als de polaznik +het huis binnen gaat, breekt hij een klein takje van het einde der +smeulende Badgnak, terwijl hij het hoofd van het gezin begroet met +de woorden: "Christus is geboren!" en al de anderen antwoorden +hem met den kreet "waarlijk, Hij is geboren." De moeder werpt +een handvol tarwe naar hem toe. Dan nadert hij den haard en slaat +herhaaldelijk op de Badgnak met het takje, dat hij afgebroken heeft, +zoodat duizenden vonken den schoorsteen in vliegen, daarbij spreekt +hij zijn heilwenschen uit: "Moge de Heilige Kerstmis dit huis even +veel schapen, even veel koeken, even veel bijenkorven (en zoo voort) +geven, als er vonken in dit vuur zijn!" Dan legt hij op de Badgnak, +hetzij een zilveren, hetzij een gouden geldstuk, dat het hoofd van +het gezin behoudt om den smid te geven teneinde het door het ijzer te +smelten als zijn nieuwe ploeg wordt gemaakt, want, naar hij meent, +is dit een onfeilbaar middel om den grond vruchtbaarder te maken +en van tegenspoed bevrijd te blijven. De polaznik wordt natuurlijk +uitgenoodigd te blijven en deel te nemen aan den maaltijd en daarna +wordt hem een koek voorgezet, die ook een geldstuk bevat, soms van +goud, soms van zilver. + +Na den maaltijd gaan al de jongelieden naar buiten om de een of +andere sport te beoefenen, meestal sledevaren, terwijl de ouderen +zich verzamelen rondom een gooslar (een nationalen zanger) en veel, +ja eindeloos vermaak scheppen in het luisteren naar zijn voordracht +van hun oude balladen. + + + +De Dodola, een godsdienstige plechtigheid. + + +De onheilen, die de Servische boeren het meest vreezen, zijn van +tweeerlei aard--droogte en zeer hevige stormen. In de heidensche +tijden was er een godin, die, naar men geloofde, heerschappij had +over de wateren en den regen. Toen de Serviërs tot het christendom +bekeerd waren, kenden zij de macht om den oceaan, rivieren en stormen +te bedwingen aan St. Nicolaas toe; en de Dalmatiërs, zeevarende lieden, +bidden nog altijd alleen tot hem; terwijl men in het hartje van Servië, +waar de boeren geen begrip hebben van wat groote schepen, en nog minder +van wat zeeën en meren zijn, zijn toevlucht neemt tot de geliefde godin +Doda of Dodola, telkens als er een overmatig lange droogte heerscht. + +De Dodola is een zeer bijzondere godsdienstige plechtigheid. Gewoonlijk +wordt een Zigeunermeisje ontkleed en dan dicht omwikkeld met gras en +bloemen, zoodat zij er bijna geheel onder verborgen is. Zij draagt +een wijden krans van wilgentakken, doorweven met wilde bloemen om +haar middel en heupen en in dit fantastisch gewaad moet zij in het +dorp dansende van huis tot huis gaan, terwijl elke huisvrouw een +emmer water over haar uitstort en degenen, die haar vergezellen een +lied zingen, dat tot refrein heeft: Oy Dodo, oy Dodole. + + + + Val, o regen! en lieflijke dauw! + Oy, Dodo! Oy Dodole! + Verfrisch onze weiden en akkers! + Oy, Dodo! Oy Dodole! + + + +In elken volgenden regel wordt telkens voor een andere graansoort +of een andere plant aan Doda gesmeekt er spoedig regen op te doen +vallen. Dan geven de vrouwen van de kleine hoeven haar geschenken, +hetzij voedsel of geld; en de meisjes zingen andere liederen voor haar, +altijd in hetzelfde rhytme, bedanken, bieden haar goede wenschen aan +en vertrekken. + + + + + +De Pinksterdagen. + + +Gedurende de Pinksterfeesten gaan ongeveer vijftien meisjes, meestal +Christen-Zigeunerinnen, van wie een de Banierdraagster, een andere +de koning en weer een andere de koningin (kralyitza) voorstelt, +gesluierd en begeleid door een groot aantal eerejonkvrouwen van deur +tot deur zingende en dansende het geheele dorp door. Haar liederen +hebben betrekking op het huwelijk, de keuze van een man of vrouw, het +geluk van het huwelijksleven, de zegen van het bezit van kinderen. Op +elk vers van haar liederen volgt het refrein, Lado, oy, Lado-leh!, +wat waarschijnlijk de naam is van de oude Slavonische God der Liefde. + + + +Palmzondag. + + +In den winter, juist voor den vastentijd, wordt het groote feest +ter eere van den Dood gevierd, waarbij allen plechtig hun gestorven +bloedverwanten en vrienden herdenken en zoodra komt niet Palmzondag, +of allen vereenigen zich in de viering van het nieuwe leven. + +Den voorafgaanden Zaterdag verzamelen de meisjes zich op een heuvel +en dragen verzen voor over de Opstanding van Lazarus en op Zondag, +voor zonsopgang, komen zij op de plaats samen, waar zij water putten +en dan voeren ze haar landelijke dansen (kollo) uit, terwijl zij +daarbij een lied zingen waarin o.a. wordt meegedeeld, dat het water +dof wordt door het gewei van een damhert en helder door zijn oog [25]. + + + +St. George's Dag. + + +Met St. George's Dag, 23 April (Dyourdyev Dan), lang voordat de +dag aanbreekt, staan al de leden van een Servisch gezin op en nemen +een bad in het water, waarin den vorigen dag voor zonsondergang een +aantal grassen en bloemen zijn geworpen--waarvan elk zijn bijzondere +beteekenis heeft. Van hem, die niet tijdig opstaat en door de zon in +bed wordt verrast, wordt gezegd, dat hij in ongenade is gevallen bij +St. George en dientengevolge maar weinig of geen geluk zat hebben, +bij al wat hij in de eerstvolgende maanden onderneemt. + +Men ziet in deze plechtigheid een bewijs, dat de Servische boeren +daarmee hun onafhankelijkheid van de verschillende invloeden der +opnieuw ontwakende natuur verzinnelijken. + +Ieder, die hun volksgewoonten bestudeert, zal opmerken, dat elk +jaargetijde op zijn beurt de Serviërs noopt, wat bij een eenvoudig +primitief volk ook zeer begrijpelijk is, om ceremoniën in acht te +nemen, die wijzen op de geheimzinnige betrekking, waarin de mensch +tot de natuur staat. + + + + + +HOOFDSTUK III. SERVISCHE NATIONALE EPISCHE POËZIE. + + + +De belangrijkheid van de balladen. + + +Dat het Servische volk--als Slavische en christelijke +nationaliteit--niet geheel bezweek onder den Ottomaanschen onderdrukker +en dat de zuidelijke Slaven na bijna vijf eeuwen van onderwerping +aan den Turk nog een diep besef behouden hadden van hun nationale +idealen, is voornamelijk te danken aan de Servische nationale poëzie, +die in het hart der Balkan-Christenen een diepen haat tegen den Turk +levendig heeft gehouden en onder de onderdrukte Serviërs de herinnering +levendig hield aan gemeenschappelijk ondernomen pogingen van verzet, +welke de nederlaag van den Turk op de slagvelden van Koumanovo, +Monastir, Prilip, Prizrend, Kirk-Kilisse en Scoetari ten gevolge had. + +Wie heeft deze gedichten geschreven? Wij zouden even goed kunnen +vragen, wie is de schrijver van den Ilias en de Odyssee? + +Indien Homerus het collectieve pseudoniem is voor een geheele reeks +van Helleensche nationale dichters, dan is "het Servische volk" dat +van de nationale dichters, die Servische epische gedichten door de +eeuwen heen zongen en voor wie het onverschillig was, of hun naam aan +hun schepping verbonden werd. De taak van de geleerde Diascevastes uit +de eeuw van Pisistratus, welke zij met zooveel bekwaamheid vervulden +in het oude Hellas, is in Servië in het begin der negentiende eeuw +ondernomen door een boer, die zich zelf had gevormd, den beroemden +Vouk Stephanovitch-Karadgitch. + +De eerste verzameling van Servische nationale gedichten, die hij +neerschreef, zooals hij ze opving van de lippen der gousslari +(Servische nationale barden) werd voor het eerst in 1814 te +Weenen uitgegeven en niet alleen gretig gelezen in Servië en in de +letterkundige kringen van Oostenrijk en Duitschland, maar ook in +andere deelen van Europa. Goethe zelf vertaalde een der balladen en +zijn voorbeeld werd weldra gevolgd door anderen. + +Deze gedichten--gelijk ook uit de voorbeelden in dit boek +blijkt--blijven stilstaan bij den roem van het middeleeuwsche Servische +rijk, die verloren ging op het noodlottige slagveld van Kossovo (1389). + +Toen de Turken de Servische landen onderwierpen en de bloem der +Servische aristocratie verdreef, vonden deze mannen een toevlucht in +de kloosters en dorpen, waar de Turksche ruiterij nooit kwam. Daar +konden zij gedurende eeuwen ongestoord blijven, bezield door de +welsprekendheid der Servische monniken, die het als hun plicht +beschouwden voor het volk achter hun oude muren de herinnering te +bewaren aan oude koningen en tzaren en aan het roemrijk verleden, +waarin zij op het toppunt van hun macht stonden. + +Beroepsbarden trokken van het eene dorp naar het andere, in eenvoudige, +tienlettergrepige verzen de daden bezingend van Servische helden en +Haïdooks (roofridders), de eenigen, die nog weerstand boden aan de +Turksche wreedheden. De barden brachten nieuws rond van politieke en +andere belangrijke gebeurtenissen, dikwijls meer of minder misvormd, en +de begaafde Serviërs--want begaafd waren zij en zijn zij nog--vonden +het niet moeilijk zich het verhaalde later te herinneren en aan +anderen de geschiedenis weer over te brengen, die hun in dichterlijken +vorm was meegedeeld. Daar het rhytme van de gedichten gemakkelijk +is, en de nationale balladen doortrokken waren van den geest, die +elken waren Serviër bezielt, gebeurt het niet zelden, dat een boer, +die eens een gedicht heeft gehoord, niet alleen dat kan herhalen, +zooals hij het gehoord heeft, maar ook passages improviseert, ja, +hij kan soms zelfs geheel oorspronkelijke balladen samenstellen. + +In Servisch Hongarije zijn scholen, waar de blinden deze nationale +balladen leeren en van de eene jaarmarkt naar de andere trekken, +om ze voor te dragen voor de boeren, die daar uit verschillende +Servische landen samenkomen. Maar dit is niet de ware methode. In +de bergen van Servië, Montenegro, Bosnië en Herzegovina bestaat +er geen gelegenheid ze werktuigelijk te leeren; zij zijn aan allen +van kindsbeen af bekend. Indien in den winteravond de leden van een +Servische familie rondom het vuur zijn verzameld en de vrouwen spinnen, +dan worden er gedichten opgezegd door hen, die ze het best kennen. + + + +De Goussle. + + +De balladen worden onveranderd opgezegd onder begeleiding van een +primitief instrument met één snaar, een _goussle_ genaamd, dat in +bijna elke woning wordt aangetroffen. De populaire Servische dichter +Peter Petrovitch liet ons in zijn meesterwerk _Gorsky Viyenatz_ +("De Bergkrans") de volgende regels na, die een spreekwoordelijke +bekendheid hebben gekregen. + + + Dye se goussle u kutyi ne tchuyu + Tu su mrtva i kutya i lyoudi. + + (Het huis, waarin de goussle niet wordt gehoord, + Is dood, en eveneens de menschen, die er wonen.) + + +De oude mannen met volwassen zonen, die geen harden arbeid behoeven +te doen, zeggen de verzen voor hun kleinkinderen op, welke behagen +scheppen in de rhythmische poëzie, waaruit zij kennis putten van het +verleden. Zelfs de abten van de kloosters achten het niet beneden +zich deze balladen voor te dragen en hun zang te begeleiden met de +eentonige klanken van de goussle. Maar de uitvoering draagt meer het +karakter van een voordracht dan van een lied. De snaar wordt slechts +aan het eind van elk vers even geraakt. In enkele deelen van Servië +echter wordt op elke lettergreep den nadruk gelegd door een streek met +den strijkstok te doen en de laatste lettergreep wordt wat uitgehaald. + +Deze epische tienlettergrepige versregels bestaan altijd uit vijf +trochaeën; steeds met een rust na den tweeden voet; en bijna elke +regel is op zich zelf een volledige zin. + +Er is nauwelijks een herberg of wijnhuis in eenig Servisch dorp, waar +boeren te zamen komen zonder een goussle-speler, om wien zij zich +vereenigen en naar wiens voordrachten zij met genot luisteren. Bij +de feesten in de omgeving der kloosters, waar de boeren in grooten +getale samenkomen, dragen beroepsgousslars heldenzangen voor en +doen daarbij in sommige passages hun gevoel zoo krachtig spreken, +dat er ternauwernood een toehoorder is, wiens wangen niet rijkelijk +bedauwd zijn van tranen. De muziek is buitengewoon eenvoudig, maar +de eenvoud er van vormt een machtig en indrukwekkend contrast met den +overvloed van romantiek, die uit de heldendaden van den een of anderen +lievelingsheld spreekt--van den koninklijke Prins Marko bijvoorbeeld. + +Er zijn vele stoute overdrijvingen in deze nationale liederen en het is +niet te verwonderen, dat zij door Westersche critici onderschat werden, +wat vooral het geval was met de balladen, waarin de heldendaden van +den geliefden Marko bezongen worden--die "zijn zwaren staf omhoog +werpt, zoo hoog, dat hij de wolken raakt, en weer opvangt in zijn +rechterhand, zonder van zijn trouw strijdros Sharatz af te stijgen". + +Het kan zijn, dat de lezer nu en dan op een passage stuit, die hem +wat ruw toeschijnt, maar hij moet bedenken, dat de balladen gewoonlijk +door eenvoudige, ongeletterde boeren van geslacht tot geslacht werden +overgedragen. De meeste van die, welke de daden van den koninklijken +Prins Marko tot onderwerp hebben, dateeren uit het begin der veertiende +eeuw, toen de gewoonten, zelfs in Westelijk Europa nog al afweken +van die, welke nu heerschen. Mijn vertalingen zijn echter zorgvuldig +herzien door mevrouw C. H. Farnam, die groote belangstelling voor het +werk koesterde en beproefd heeft het oorspronkelijke tot zijn recht te +laten komen, ook daar, waar het ons wat ruw voorkomt. Nadat zij eenigen +tijd in Servië had doorgebracht--zooals vele edele Engelsche vrouwen +gedaan hebben--de gewonde helden van den Balkan-oorlog verplegende en +hun pijnen met onuitsprekelijke teederheid en toewijding verzachtende, +voelde zij zich aangetrokken tot het natuurlijke, aangeboren gevoel +van eerlijkheid en tot den moed, die haar beschaafden geest in deze +eenvoudige Serviërs opviel en sedert strekte zich haar belangstelling +ook uit tot hun geschiedenis en letterkunde. Het is opmerkenswaard, +dat de geschiedenis van de Servische en andere Zuid-slavische volken, +ontwikkeld als ze is door hun poëzie--zoo al niet er geheel door +vervangen--daardoor nationaal eigendom is geworden, en zóó in de +herinnering van het geheele volk voortleeft, dat een reiziger uit +het Westen verbaasd moet zijn, als hij zelfs den meest onwetenden +Servische boer hoort vertellen van de oude koningen en tsaren, van +de roemrijke dynastie van Nemagnitch en van de daden der nationale +helden uit alle tijdperken. + + + + + +HOOFDSTUK IV. KRALYEVITCH MARKO; OF DE KONINKLIJKE PRINS MARKO. + + + +De Marko Legenden. + + +Marko was, zooals wij reeds gezien hebben, de zoon van koning +Voukashin; zijn moeder was koningin Helene, die de Servische +troubadours in hun liederen en gedichten den liefelijken, dichterlijken +naam Yevrossima (Euphrosyne) gaven. + +Volgens de overlevering was de prins geboren in het kasteel van Skadar +(Scoetari) en zijn moeder, die de zuster was van den meest roemruchten +en vermetelen aller ridders, Momtchilo, droeg op haar zoon gelukkig +veel van diens heldenmoed en veel van zijn andere deugden over. + +Maar er is ook een andere legende, die even populair is, en daarin +wordt beweerd, dat Marko het kind was van een veela (feeën-koningin) +en van een Zmay (een draak). Zij, die hem deze laatstgenoemde afkomst +toeschrijven, verklaren daaruit Marko's geweldige kracht, die hij +dan van zijn vader, den draak, geërfd moet hebben; eveneens wordt +daarmee zijn fabelachtig uithoudingsvermogen aannemelijk gemaakt. + +In elk geval moet Prins Marko een buitengewoon aantrekkelijke +persoonlijkheid geweest zijn; hij maakte zulk een levendigen indruk +op het gemoed van het Servische volk van allen rang en stand, dat +hij altijd geweest is, tot heden kon blijven en vermoedelijk ook in +de toekomst wel blijven zal onze meest geliefde held. Ja, er is geen +Serviër te vinden, zelfs niet in de verst verwijderde districten, +die geen groote liefde koestert voor Kralyevitch Marko en die u zijn +geschiedenis niet kan vertellen. + +De heldendaden van dezen dapperen prins zijn gelukkig vereeuwigd door +de nationale barden, die zich allen beijveren hem in hun balladen +en legenden te beschrijven als een, die het recht lief had en alle +onderdrukking haatte en de wreker was van alle onrecht. Hij wordt +zonder uitzondering voorgesteld als iemand van groote lichamelijke +kracht; zijn voornaamste wapen was zijn zware oorlogsknuppel, +die honderd pond woog, zestig pond staal en dertig pond zilver, +het overige was zuiver goud. Hierbij heeft men te bedenken, dat de +zwaarden en knuppels, die slechts door de menschelijke handen van +zijn tegenstanders worden gezwaaid, hem nooit kunnen dooden, zij +kwetsen hem evenmin, en kunnen dezen held ternauwernood raken. Hij +is in haast alle legenden een bovennatuurlijke persoonlijkheid. + +Marko, die zich dikwijls ruw en overijld gedroeg, in het bijzonder +tegenover de Turken, wiens sultan hij zelfs geweldig ontstelde +met de verhalen, die hij hem deed van zijn vele bloeddorstige en +oorlogzuchtige daden, is toch overal, waar daar melding van gemaakt +wordt, een zeer gehoorzame, liefhebbende en teergevoelige zoon voor +zijn moeder; en er waren gelegenheden, waarbij hij haar raadpleegde +en haar raad opvolgde. + +Prins Marko was onbevreesd. + +Er werd gezegd, dat hij niemand vreesde dan God; en van nature was hij +een hoffelijk man jegens vrouwen. In Servië is het de gewoonte veel +wijn te drinken, dien rooden wijn, waarvan wij zoo dikwijls hooren; +en deze gewoonte hield ook Marko in eere; maar er wordt altijd gezegd, +en algemeen geloofd, dat hij nooit dronken werd. + +De balladen bezingen ook koning Voukashin; Voukashin was gedurende de +regeering van Doushan den Machtige Staatsraad geweest. De hoofdstad +van het rijk was Prizrend en Marko werd toen door zijn vader aan het +hof grootgebracht. Algemeen wordt verondersteld, dat Marko eenigen +tijd later den Keizer als secretaris en staatsraad bijstond en door +Doushan, toen deze zijn einde voelde naderen, met de zorg over zijn +jongen zoon Ourosh werd belast. + + + +De trouweloosheid van Voukashin. + + +Een ballade verhaalt, dat keizer Doushan de kroon had vermaakt +aan Voukashin en bij zijn laatsten wil had bepaald, dat die vorst +gedurende zeven jaar zou regeeren, doch dat hij na verloop van dien +tijd de regeering zou overdragen aan den tsarevitsch Ourosh. Niet +alleen verlengde koning Voukashin eigenmachtig zijn regeering tot +zestien jaar, maar ook toen weigerde hij beslist den schepter neer te +leggen en wat meer zegt: hij riep zich zelf tot Tsaar uit. De ballade +beschrijft verder de onophoudelijke binnenlandsche beroeringen, +die den val van den Servischen Middeleeuwschen Staat verhaastten. En +zoo komt zelfs in de legende de rechtmatige toorn van het volk tegen +de rebellen tot uiting en een jammerklacht over den ondergang van +het tsarenrijk, wanneer door de overlevering op Voukashin de blaam +en den vloek geworpen wordt van een overweldiger en verrader; hij +wordt verfoeid om zijn listigheid en trouweloosheid, terwijl zijn +zoon Marko als de getrouwe verdediger van Prins Ourosh, verheerlijkt +wordt. Deze is de groote wreker van het onrecht, waaronder de geheele +natie gebukt gaat en men prijst hem steeds om zijn goed hart, zijn +verdraagzaamheid in politieke en particuliere aangelegenheden, zijn +menschelijkheid en bovenal, omdat hij steeds bereid was den strijd +aan te binden voor de zaak van het recht. + + + +Het paard Sharatz. + + +Aan de geschiedenis van Marko dient vooraf te gaan een beschrijving +van Sharatz, zijn zeer geliefd, gevlekt strijdros, waarvan hij nooit +scheidde. + +Sharatz is zonder twijfel ongeëvenaard. Er zijn verschillende lezingen +van de gebeurtenis, waarbij Marko in het bezit van hem kwam. Eenige +barden verzekeren, dat Sharatz aan Marko werd gegeven door dezelfde +veela, die hem van het begin af begiftigd had met zijn wonderbaarlijke +kracht; maar er zijn anderen, die beweren, dat Marko eens een veulen +kocht, dat aan melaatschheid leed, en dat door den Prins zelf verpleegd +werd, zoodat het geheel genas. Hij leerde het wijn drinken en kweekte +het op tot het prachtige dier, dat het werd. + +Weer anderen zeggen, dat Marko in zijn jeugd drie jaar lang een heer +diende en dat hij als eenige belooning verzocht een keus te mogen +doen uit de paarden, die toen in de weide graasden. Zijn heer stemde +er volgaarne in toe en Marko onderzocht, zooals zijn gewoonte was, +elk paard op zijn beurt door het bij den staart te nemen en rond +te draaien. + +Eindelijk, toen hij bij een bont veulen kwam, greep hij het bij +den staart; maar dit dier was niet in beweging te brengen en Marko +kon het ondanks zijn grenzelooze kracht geen stap van zijn plaats +krijgen. Marko koos dat veulen en het groeide op tot zijn geliefde +Sharatz. + +De Serviërs van Veles noemen nog een groote vlakte bij Demir-Kapi +"Markova Livada" (weide van Marko). Sharatz beteekent "gevlekt" en +men beweert, dat de huid van Marko's paard meer op de huid van een +os dan op die van een gewoon paard geleek. + +De Prins gaf hem verschillende lievelingsnamen als Sharin of Sharo +en bleef gedurende de honderd en zestig jaren, die zij samen waren, +innig aan hem gehecht. + +Dit merkwaardige dier was het snelste en sterkste paard, waarvan +ooit iemand gehoord heeft en dikwijls slaagde het er in de vliegende +veela te achterhalen. Het was zoo goed afgericht, dat het steeds +het juiste oogenblik wist te kiezen, waarop het moest knielen, om +zijn meester voor een lansstoot van zijn tegenstander te redden. Het +wist precies, hoe het 't ros van den tegenstander met zijn voorpooten +kon raken. Indien hij er lust in had, kon Sharatz zoo hoog springen +als de lengte van drie lansen en over een afstand van vier lansen; +onder zijn hoeven sprongen glinsterende vonken en de aarde, waarop +hij trad, kraakte en stukken vlogen in alle richtingen; uit zijn +neusgaten kwam een trillende, blauwe vlam, ontstellend voor allen, +die het zagen. Hij beet vijandelijke paarden vaak de ooren af en in +zijn leven verpletterde en vermorselde hij een groot aantal Turksche +soldaten. Marko kon gerust dommelen en soms zelfs gaan slapen, indien +hij door de bergen reed; al den tijd was hij veilig, want Sharatz +hield zorgvuldig de wacht. Daarom voederde de Prins zijn strijdros met +brood en wijn uit het vaatwerk, dat hij zelf gebruikte en hij hield +meer van hem dan van zijn eigen broer; en Sharatz deelde, zooals hem +ook toekwam, den roem van menige overwinning met zijn heer. Marko +reed nooit op een ander paard en samen worden zij beschreven als +"een draak rijdende op een draak." + +Er zijn ongeveer acht en dertig gedichten en misschien tweemaal zooveel +legenden in proza, die een uitvoerige beschrijving geven van Marko's +indrukwekkende heldenfeiten, en er is nauwelijks een Serviër of een +Bulgaar te vinden, die er niet althans eenige van kan voordragen. In +den oorlog van Turkije tegen de Balkanstaten, 1912-1913 nam een +gouslar, indien hij niet moest vechten, zijn gousle [26] en droeg +zijn makkers heldendichten voor, waarvan het grootste deel op Marko +betrekking had. De innige vereering, die de Serviërs dezen geliefden +Prins toedragen, blijkt een vaste band te zijn tusschen degenen, die +nog in Servië zelf wonen en hen, die naar allerlei andere landstreken +verhuisd zijn. + +Er zijn natuurlijk verschillende verhalen over den dood van Marko. De +in eenige legenden vervatte overlevering, die het meest tot zijn +landgenooten heeft gesproken en hun dichterlijke verbeelding bijzonder +heeft getroffen, is deze, dat hij nooit stierf. Velen gelooven nog, +dat hij zich terugtrok in een hol bij zijn kasteel te Prilip, dat +nog bestaat, om daar te rusten en dat hij daar nu slaapt. Nu en dan +ontwaakt hij, om te zien, of zijn zwaard al uit de rots is gekomen, +waar hij het tot het gevest in heeft gestooten. Als het zwaard uit +de rots is, zal dit voor Marko het teeken zijn, dat het oogenblik +is aangebroken, om weer onder de Serviërs te verschijnen en het +Middeleeuwsche keizerrijk te herstellen, dat bij den slag van Kossovo +[27] verloren ging. + +Wat Sharatz betreft, hij eet nog steeds, maar zijn voorraad hooi is +bijna op. + + + + +Prins Marko vertelt van wien het Keizerrijk zal zijn. + + +Vier tabors [28] ontmoetten elkaar op de prachtige vlakte van Kossovo +bij de witte kerk van Samodrezja [29]. Een leger werd aangevoerd door +koning Voukashin; het tweede door den despoot [30] Ouglesha; het derde +door voïvode Goyko en het vierde door tsarevitch Ourosh. De eerste drie +betwistten elkaar de erfenis van het rijk en waren gereed elkaar te +doorsteken, zoo vurig verlangden zij er allen naar te regeeren. Zij +wisten niet, wie aangewezen was als de opvolger van den tsaar en +wie dus de rechtmatige erfgenaam van den troon was. Koning Voukashin +verklaarde: "Het keizerrijk werd aan mij nagelaten!" Voïvode Goyko +riep uit: "Neen! Het keizerrijk behoort mij", en de despoot Ouglesha +viel toornig in: "Beiden vergist gij u, want weet, dat het rijk _mij_ +toebehoort". + +De jeugdige tzarevitch bleef zwijgen, want hij was niet vrijmoedig +genoeg om in tegenwoordigheid van zijn hooghartige meerderen in jaren +een enkel woord te zeggen. + +Koning Voukashin liet door een getrouw dienaar den aartsbisschop +Nedelyko van Prizrend naar de vlakte van Kossovo ontbieden om te +zeggen, wie de rechtmatige heerscher over het rijk was--want hij +moest het weten, daar hij den roemruchten tsaar Doushan den Machtige +de laatste biecht had afgenomen en tot zijn laatsten snik bij hem was +gebleven. Bovendien wist men, dat de aartsbisschop het archief onder +zijn berusting had en dus in staat zou zijn het testament van den +keizer te toonen. Ook de despoot liet door zijn vlugsten boodschapper +een brief naar den aartsbisschop brengen; een derde werd geschreven +door voïvode Goyoko, die de bezorging opdroeg aan zijn specialen +koerier en een vierde werd geschreven en verzonden door Ourosh. + +Dit geschiedde alles in het geheim, maar de koeriers bereikten +gelijktijdig Prizrend en ontmoetten elkaar aan de poorten van +Nedelyko's woning. Nedelyko was juist bezig den ochtenddienst in de +kathedraal te leiden. De mannen waren woedend over het oponthoud en +zonder zelfs van hun paarden te stijgen, stormden zij als razenden +het heilige gebouw binnen, hieven hun karwats op en sloegen zelfs +den goeden aartsbisschop, terwijl zij hem toevoegden: + +"Hoor, o aartsbisschop Nedelyko! Spoed u onmiddellijk naar de vlakte +van Kossovo. Gij moet zeggen, wien het rijk toebehoort, want gij +hebt de biecht ontvangen van den roemruchten tsaar en hebt hem het +laatste sacrament toegediend, en gij zijt het ook, die de registers +van den staat onder uw berusting hebt. Haast u, haast u, opdat wij +u niet van ongeduld het hoofd van het lichaam scheiden!" + +Aartsbisschop Nedelyko weende van smart bij de grievende vernedering en +antwoordde aldus: "Scheert u weg, gij dienstknechten van zeer machtige +vorsten! Scheert u weg uit het huis Gods! Eerst zal ik den dienst Gods +beëindigen, en dan bekend maken in wiens handen het rijk moet komen!" + +Daarna gingen de boodschappers naar buiten. Spoedig kwam de +aartsbisschop en sprak hen op de volgende wijze toe: "O mijn kinderen, +boodschappers van den koning zelf en van de prinsen! Ik ontving de +laatste biecht van den doorluchten tsaar en diende hem de sacramenten +toe; maar over het keizerrijk of de aangelegenheden van den staat +sprak hij geen woord, want wij waren slechts vervuld van de zonden, die +hij had bedreven. Gij moet naar de stad Prilip gaan, want daar is het +kasteel van den koninklijken Prins Marko--Gij weet, dat Marko van mij +lezen en schrijven leerde; later was hij secretaris van den keizer en +toen werd hem de zorg toevertrouwd over de registers en hij zal zeker +weten, wien de regeering over het keizerrijk is opgedragen. Roept Marko +naar de vlakte van Kossovo, opdat hij zegt, wie nu tsaar is. Marko +zal de waarheid zeggen, want hij vreest niemand dan God!" + + + +Marko wordt geroepen. + + +De boodschappers begaven zich dadelijk op weg en sloegen, toen zij +te Prilip kwamen, tegen de deuren van het kasteel. Het geklop werd +gehoord door Yevrossima en zij sprak aldus tegen haar zoon: "O, Marko, +mijn liefste zoon, wie kloppen daar beneden tegen de poorten? Het is +mogelijk, dat het boodschappers zijn van uw vader!" + +Marko beval de poorten te openen en toen de boodschappers binnen +traden, bogen zij met grooten eerbied en zeiden: "Dat God steeds met +u zij, o, edele heer Marko!" + +De Prins legde vriendelijk zijn hand op hun hoofd en sprak: "Weest +welkom, mijn kinderen! Zijn de Servische ridders welvarend? En is +alles wel met den doorluchten tsaar en koning?" + +De koeriers negen weer onderdanig en zeiden: "O, edele heer, zeer +koninklijke Prins Marko. Allen zijn welvarend, ofschoon wij vreezen +op geen goeden voet met elkaar! De koning, uw vader, en de prinsen +twisten ernstig om het keizerrijk op de vlakte van Kossovo, dat +uitgestrekte veld bij de kerk Samodrezja; zij staan elk oogenblik op +het punt elkaar met hun zwaarden te doorsteken, want zij weten niet +aan wien het keizerrijk rechtens toekomt. Gij, o edele Prins, wordt +nu opgeroepen om den erfgenaam van de keizerlijke troon aan te wijzen." + +De bard vertelt dan verder, hoe Marko naar Yevrossima ging en haar +raad vroeg en ofschoon het algemeen bekend was, dat Marko zelf de +waarheid liefhad, smeekte zijn goede moeder hem met de volgende +woorden: "O, Marko, eenige zoon van je moeder! Dat op het voedsel, +waarmede gij werdt gevoed geen vloek ruste! Spreek geen onwaarheid, +noch om je vader aangenaam te zijn, noch om aan de eerzucht van je +ooms te voldoen; maar zeg, ik smeek het je, de waarheid voor God, +opdat ge uw ziel niet verliest. Het zou beter zijn om te komen, +dan te zondigen tegen je ziel!" + +Marko nam de verzegelde documenten, besteeg Sharatz en reed naar +de vlakte van Kossovo. Toen hij de tent van zijn vader naderde, +zag koning Voukashin hem en riep uit: + +"O, wat ben ik gelukkig! Hier is mijn zoon Marko; hij zal zeggen, +dat het rijk mij werd toegewezen, want natuurlijk weet hij, dat het +overgaat van vader op zoon!" + +Marko hoorde dit, maar zei geen enkel woord, en wilde zelfs zijn +hoofd niet naar de tent des konings wenden. + +Toen de despoot Ouglesha Marko zag, sprak hij aldus: "O, hoe gelukkig +voor mij! hier is mijn neef Marko; hij zal ongetwijfeld zeggen, dat +het rijk mij toebehoort. Wij zouden samen regeeren als broeders!" Nog +steeds bleef Marko zwijgen en wendde zijn hoofd zelfs niet in de +richting van de tent van zijn oom. + +Toen voïvode Goyko zijn komst bemerkte, riep hij uit: "O, dat is een +geluk voor mij! Daar is mijn lieve neef Marko; hij zal stellig zeggen, +dat het rijk mij werd toevertrouwd. Toen Marko een klein kind was, +had ik de gewoonte hem hartelijk te liefkoozen, want ik hield van +hem als van een gouden appel en hij was mij altijd zeer dierbaar. Als +ik te paard uitreed, nam ik Marko altijd mee. O Marko, beste Marko, +gij moet zeggen, dat het rijk mij toekomt! In werkelijkheid zult gij +het zijn, die als tsaar regeert en ik zal uw rechterhand zijn, steeds +gereed u als uw raadsman terzijde te staan!" Marko zei nog steeds +geen woord en zich houdende alsof hij voïvode Goyko geheel niet zag +ging hij regelrecht naar de tent, waarin de tsarevitch Ourosh zich +bevond en daar steeg hij van zijn Sharatz. + +Toen de jonge Ourosh hem zag, sprong hij op van het zijden kussen, +waarop hij rustte en riep uit: "Hoera! Ziedaar mijn peetvader +Marko! Hij zal ons nu zeggen, wie de ware tsaar is!" Zij omhelsden +elkaar, vroegen naar elkaars gezondheid en namen op de rustbank plaats, +waarvan Ourosh juist was opgestaan. + + + + + +Marko vertelt de waarheid. + + +Eenige tijd verliep; de zon ging onder; de nacht verstreek; de +ochtend daagde en de kerkklokken riepen allen op tot het doen van +de ochtendgebeden. Na den dienst gingen de koning, de prinsen en de +groote heeren naar het kerkhof, waar zij plaats namen aan tafels, +suikerwerken aten en cognac dronken. Eindelijk sloeg Marko de oude +documenten open en zei overluid: + +"O, mijn beste vader, gij koning Voukashin! Zijt gij ontevreden met uw +koninkrijk? Dat het in een woestenij verandere, indien gij het zijt. O, +dat gij een ander rijk kunt begeeren! En gij, mijn oom, despoot +Ouglesha! Zijt gij niet tevreden binnen uw eigen grondgebied? Is het +werkelijk te klein voor u, dat gij een rijk begeert, dat aan een ander +toebehoort? Dat het uwe ook in een woestenij verandere! En gij, mijn +oom, gij voïvode Goyko! Is uw hertogdom niet uitgestrekt genoeg voor +u? Moge het ook een woestenij worden! O, dat ook gij streven durft +naar een ander tsarenrijk! Ziet gij allen het niet en begrijpt gij het +niet? Indien gij het niet ziet, moge dan, God u evenmin zien kan! Het +staat duidelijk geschreven in deze registers, dat het keizerrijk aan +Ourosh werd nagelaten. Van vader zal het overgaan op zoon. Aan dezen +jongeling behoort nu de keizerlijke kroon van zijn voorouders. Het +was Ourosh, die door onzen gestorven tsaar op zijn sterfdag tot zijn +opvolger benoemd werd!" Toen koning Voukaskin dit vernam, sprong +hij op, trok zijn gouden yatagan en zou zijn zoon er mee doorstoken +hebben. De Prins vluchtte, achtervolgd door zijn vader, want het paste +Marko niet, te vechten met zijn vader, om dien misschien doodelijk te +treffen. Marko liep de kerk van Samodreza om; zijn vader zat hem vlak +op de hielen, totdat zij driemaal de kerk waren om geweest en toen, +op het oogenblik, dat Voukashin zijn zoon zou bereiken, sprak op eens +een geheimzinnige stem van uit de kerk deze woorden: + +"Snel de kerk binnen o, gij koninklijke Prins Marko! Ziet ge niet, +dat gij anders zult omkomen door de hand uws vaders, omdat gij de +waarheid, die God zoo liefheeft, hebt gesproken?" Plotseling gingen +de deuren van zelf open en Marko ging binnen; daarna sloten zij zich +en plaatsten zich tusschen de beide mannen. Koning Youkashin begon +heftig op de deuren te slaan met zijn korte zwaard, totdat hij zag, +dat er bloed langs de balk begon te druppelen, waarna hij door berouw +werd aangegrepen en zuchtte en berouwvol sprak: "Helaas! Ongelukkige +man, die ik ben! O gij oneindige en hemelsche God! Hoor mij aan! Ik +heb mijn zoon Marko gedood!" Maar de geheimzinnige stem in de kerk +zei: "Hoor! Voukashin, gij machtig koning! Hoor, niet uw zoon Marko +hebt gij gewond, maar gij hebt den engel van den waarachtigen God +gekwetst." Deze woorden wekten des konings woede weer op en hij +vloekte Marko met deze woorden: "O, Marko, mijn eenige zoon, dat God +u doode! Dat niet het graf uw laatste rustplaats zij! Dat u geen zoon +geboren worde, die na u komt! Dat ons geslacht met u eindige! En meer +dan dit alles, dat uw ziel niet van uw lichaam scheide, voordat gij +den Turk als vasal hebt gediend!" + +In deze bittere woorden werd Marko door den koning gevloekt, maar +de nieuwe tsaar, Ourosh, zegende hem, zeggende: "O, mijn geliefde +peetvader Marko! Dat God u steeds steune! Dat uw woord steeds +geëerbiedigd en aangenomen worde door alle rechtvaardige mannen in +de divan!" [31] + + + +Prins Marko en de Moorsche Hoofdman. + + +Een groot en machtig Moorsch hoofdman had aan de kust van de zee een +prachtig kasteel laten bouwen, dat twintig verdiepingen hoog was. Toen +het geheel gereed was, liet hij de prachtigste ruiten in de ramen +zetten; hij behing de kamers en hallen met de kostbaarste zijden en +fluweelen stoffen en sprak toen bij zichzelf: "O, mijn Koula! [32] +Waarom heb ik u opgericht, want er is niemand dan ik om met zachte +schreden over deze zachte tapijten te gaan en door deze vensters naar +de blauwe glinsterende zee te zien. Ik heb geen moeder, geen zuster +en ik heb nog geen vrouw gevonden. Maar ik zal heen gaan en de dochter +van den sultan ten huwelijk vragen. De sultan zal òf zijn dochter aan +mij geven òf in een tweegevecht tegenover mij staan." En de daad bij +het woord voegende schreef hij een brief aan den Sultan te Istamboel +[33] van den volgenden inhoud: + +"O, Sire, ik heb een schoon kasteel gebouwd aan de kust van de +azuren zee, maar tot nu toe heeft het geen meesteres, want ik heb +geen vrouw. Daarom vraag ik u mij uw geliefde dochter te geven. Ik +eisch dit zelfs, want als gij mij uw dochter niet geeft, weet dan, +dat ge u hebt voor te bereiden op een ontmoeting, waarin we met het +zwaard in de hand van aangezicht tot aangezicht tegenover elkaar +zullen staan. Tot dezen strijd daag ik u bij dezen uit!" + +De brief bereikte den Sultan en zoodra deze hem gelezen had, liet hij +onmiddellijk naar iemand uitzien, die de uitdaging in zijn plaats zou +willen aannemen. Een ontzaglijke som gelds beloofde hij den ridder, +die den Moor in het tweegevecht zou willen ontmoeten. Menig moedig +man trok uit, om den Moor te bevechten, maar niet een keerde ooit +naar Istamboel terug. + +Helaas, de Sultan bevond zich weldra in een zeer neteligen toestand, +want al zijn beste strijders hadden hun leven gelaten door de hand +van den hooghartigen Moor. Het ergste zou echter nog komen. + +De Moor doschte zich op zijn prachtigst uit, gespte zijn +bewonderingswaardig zwaard om, zadelde zijn ros Bedevia, waarbij hij +de zeven buikriemen bijzonder stevig bevestigde en gaf het een gouden +trens. Aan een kant van het zadel hing hij zijn tent, die door zijn +zwaarsten knots aan de andere zijde in evenwicht gehouden werd. Hij +sprong als een bliksemstraal op zijn strijdros en zijn scherpe lans +uitdagend voor zich houdend reed hij recht op Istamboel toe. + +Zoodra hij de muren van de vesting bereikte, sloeg hij zijn tent op, +stak zijn lans stevig in de aarde, bond zijn Bedevia er aan vast en +legde den inwoners dagelijks deze zware belasting op: een schaap, +een geheel baksel witte brooden, een vaatje zuivere brandewijn, twee +vaten roode wijn en een mooi meisje. Elk meisje verkocht hij voor +veel geld in Talia, nadat zij zijn slavin was geweest en hem had +gediend. Deze afpersing hield hij drie maanden vol, niemand durfde +iets tegen hem te ondernemen. En toch had hij hiermee de maat zijner +boosheid nog niet volgemeten. + + + +De intocht van den Moor. + + +De inwoners van Istamboel stonden op zekeren dag verlamd van +schrik, toen de hooghartige Moor, gezeten op zijn vurig ros, +de stad binnenkwam. Hij ging naar het paleis en riep luid: "Hoor, +Sultan! Voor het laatst vraag ik u: wilt gij mij uw dochter tot vrouw +geven?" Toen hij geen antwoord kreeg, beukte hij zoo hevig met zijn +knots tegen het paleis, dat het gebroken glas uit de ramen als regen +naar beneden stroomde. Toen de Sultan zag, dat de Moor gemakkelijk op +deze wijze het paleis zou kunnen verwoesten en zelfs de geheele stad, +voelde hij zich diep ongelukkig, want hij wist, dat hem ten slotte +geen andere keus zou overblijven dan den Moor zijn eenige dochter te +geven. Ofschoon overweldigd van schaamte stemde hij er eindelijk in +toe. Voldaan over dit succes vroeg de Moor vijftien dagen uitstel, +voordat het huwelijk zou plaats hebben, opdat hij terug zou kunnen +gaan naar zijn kasteel en de noodige voorbereidselen treffen. + +Toen de dochter van den Sultan van het in wanhoop genomen besluit +van haar vader hoorde, gilde zij het uit en diep rampzalig riep zij: + +"Helaas! Aanschouw mijn verdriet, o Almachtige Allah! Is dit het gevolg +er van, dat men allerwege mijn schoonheid prees? Voor een Moor? Zou het +dan mogelijk zijn, dat een Moor een kus zal drukken op mijn gelaat?" + + + +De Droom van de Sultana. + + +Dien nacht had de Sultana een vreemden droom, waarin haar een man +verscheen, zeggende: "In het Servische rijk ligt een uitgestrekte +vlakte, Kossovo; in die vlakte ligt een stad Prilip; en in die stad +woont de koninklijke Prins Marko, welke overal bekend staat als een +oprecht en groot held." + +De man sprak verder en gaf de Sultana den raad onverwijld een bode +te zenden naar Prins Marko, om hem te verzoeken haar Zoon-in-God te +worden, en hem tevens ontzaglijke rijkdommen te beloven. Want hij was +zonder twijfel het eenige levende wezen, dat kans had den vreeselijken +Moor te overwinnen en haar dochter te redden van haar schandelijk +lot. Den volgenden morgen spoedde zij zich naar de vertrekken van den +Sultan en vertelde hem haar droom. De Sultan schreef onmiddellijk een +firman [34] en zond dien naar Prins Marko te Prilip. Hij smeekte hem +zoo spoedig mogelijk naar Istamboel te reizen en de uitdaging van +den Moor aan te nemen. + +Indien hij er inderdaad in slagen zou de prinses te redden, dan zou +de Sultan hem drie tovars [35] ducaten van zuiver goud geven. + +Toen Marko de firman gelezen had, zei hij tegen den jeugdigen koerier +van den Sultan, welke geboortig was uit Tartarije: "In naam van God, +ga terug, gij boodschapper van den Sultan, en groet uw meester--mijn +Vader-in-God--zeg hem, dat ik den Moor niet tegemoet durf treden. Wij +weten immers allen, dat hij onoverwinnelijk is. Indien hij mijn +hoofd doormidden kliefde, wat nut zouden mij dan drie tovars goud, +of drie duizend tovars goud doen?" + +De jeugdige Tartaar bracht het antwoord van Marko over, dat de +Sultana veel verdriet gaf, zoodat zij besloot hem zelf een brief te +schrijven, waarin zij hem nog eens smeekte de uitdaging aan te nemen +en de belooning verhoogde tot vijf tovars zuiver goud. Maar Marko, +die gewoonlijk zoo ridderlijk en hoffelijk tegenover vrouwen was, +bleef onverzettelijk en antwoordde, dat hij den strijd tegen den +Moor niet aan zou binden, al werden hem al de schatten van den Sultan +geschonken; want hij dorst niet. + + + +De Prinses doet een beroep op Marko. + + +Toen de diepbedroefde bruid hoorde, welk antwoord Marko had gegeven, +sprong zij op, nam een pen en een stuk papier, stak de pen in haar +blozende wang en schreef met haar eigen bloed het volgende: "Heil u, +mijn dierbare broeder-in-God, koninklijke Prins Marko! Wees een waar +broeder voor mij! Dat God en de heilige Johannes onze getuigen zijn! Ik +smeek u, laat niet toe, dat ik de vrouw van den Moor word! Ik beloof u +zeven tovars van zuiver goud, zeven bochtchaluks, die noch geweven, +noch gesponnen zijn, maar geborduurd met zuiver goud. Bovendien +zal ik u een gouden schotel geven, versierd met een gouden slang, +welker opgeheven kop een juweel van onschatbare waarde in den bek +heeft, waarvan zulk een schitterend licht uitgaat, dat gij daarbij +in het donkerst uur van den nacht even goed zult kunnen zien als +op den middag. Hierbij zal ik u ten geschenke geven een schitterend +bewerkte sabel; deze sabel heeft drie gevesten, alle van zuiver goud +en in elk is een kostbare steen gezet. De sabel alleen is drie steden +waard. Ik zal aan dit wapen het zegel van den Sultan hechten, zoodat +de Groot-Vizier u nooit ter dood zal kunnen veroordeelen, zonder +daartoe eerst het bevel van Zijne Majesteit te hebben ontvangen." + +Toen hij dezen brief had gelezen, dacht Marko lang na en schreef: +"Helaas! o, mijn geliefde zuster-in-God! Het zou slechts tot mijn +ongeluk zijn, als ik kwam om voor u te vechten en tot mijn nog grooter +ongeluk, als ik wegbleef. Want ofschoon ik noch den Sultan, noch +de Sultana vrees, vrees ik zeer zeker God en den heiligen Johannes, +in wier naam gij mij hebt aangeroepen. Daarom besloot ik te komen, +al weet ik, dat ik een zekeren dood te gemoet ga." + + + +Marko maakt zich gereed de Prinses te hulp te komen. + + +Nadat hij den boodschapper van de prinses had weggezonden, zonder +hem te zeggen, wat hij besloten was te doen, ging Marko zijn kasteel +binnen, sloeg zijn mantel om en zette een muts van wolfsvacht op; +daarna gordde hij zijn zwaard om, koos zijn scherpste lans, en ging +naar de stallen. Tot meerder zekerheid maakte hij eigenhandig de zeven +buikriemen onder het zadel van zijn Sharatz vast; daarna bevestigde +hij een lederen flesch aan een zijde van zijn zadel en hing zijn +zwaarste strijdknots aan den anderen kant. Nu was hij gereed; hij +wierp zich op Sharatz en reed naar Istamboel. + +Toen hij de plaats van zijn bestemming bereikt had, ging hij niet zijn +opwachting maken, noch bij den Sultan, noch bij den Groot-Vizier, +maar nam kalm zijn intrek in een nieuw logement. Dienzelfden avond, +kort na zonsondergang, leidde hij zijn paard naar een meer om het te +drenken. Tot verbazing van zijn meester wilde Sharatz echter zelfs +niets van het water proeven, maar hield zijn kop eerst naar rechts dan +naar links, totdat Marko de nadering bemerkte van een Turksch meisje, +bedekt met een langen, met goud geborduurden sluier. + +Toen zij den rand van het water bereikte, boog zij diep naar het meer, +en zei overluid: "God zegene u, o schoon, groen meer! God zegene u, +want gij zult voor altijd mijn tehuis zijn! In uw boezem zal ik +voortaan wonen; nu moet ik sterven, o schoon meer; liever kies ik +zulk een lot dan de bruid te worden van den wreeden Moor!" + + + +Marko groet de Prinses. + + +Marko trad op het meisje toe en sprak haar aldus aan: "O gij ongelukkig +Turksch meisje! In welke moeilijkheden bevindt ge u? Wat is het, +dat u besluiten deed u zelf te verdrinken?" + +Zij antwoordde: "Laat mij met vrede, leelijke dervish, [36] waarom +vraagt gij mij, als gij mij toch niet kunt helpen?" + +Toen deed het meisje het verhaal van haar aanstaand huwelijk met den +Moorschen hoofdman, van de boodschappen, die naar Marko waren gezonden +en eindelijk vloekte zij Marko in heftige woorden om de ongevoeligheid +van zijn hart. + +Daarop sprak Marko: "O vloek mij niet, lieve zuster-in-God! Marko is +hier en spreekt nu zelf tegen u!" + +Bij het hooren van deze woorden wendde het meisje zich tot den +beroemden ridder, omhelsde hem en smeekte ernstig: + +"Om Gods wil, o, mijn broeder Marko! Laat niet toe, dat de Moor +mij trouwt!" + +Marko was zeer getroffen en zei; "O, lieve zuster-in-God. Ik zweer, dat +ik, zoolang mijn hoofd op mijn schouders blijft, nooit zal toelaten, +dat de Moor u bezit. Vertel niet aan anderen, dat gij mij hier hebt +gezien, maar verzoek den Sultan en uw moeder van avond een maal eten +gereed te laten maken en naar het logement te brengen, en verzoek hun +vooral mij overvloedig wijn te zenden. Intusschen zal ik de komst van +den Moor in het logement afwachten. Als de Moor aan het paleis komt, +moeten uw ouders hem welwillend ontvangen en zij moeten zoover gaan +u aan hem over te geven, teneinde twist te voorkomen. Ik ken het +eenige middel om u te verlossen, indien het de ware God moge behagen +en indien mijn geluk en mijn kracht mij niet in den steek laten." + +De Prins keerde terug naar het logement en het meisje spoedde zich +naar het paleis. + +Toen de Sultan en de Sultana hoorden, dat Marko gekomen was om hen te +helpen, waren zij zeer getroost en lieten onmiddellijk een weelderig +maal gereed maken om hem dat te zenden en zij voegden er goeden, +rooden wijn in overvloed bij. + +Alle winkels waren gesloten in Istamboel en overal heerschte stilte, +toen Marko in vrede den heerlijken wijn dronk. De waard van het +logement kwam om zijn deuren en vensters te sluiten en toen Marko +hem vroeg, waarom al de burgers dien dag zoo vroeg hun woningen +sloten, antwoordde hij: "Op mijn woord, gij zijt hier waarlijk wel een +vreemdeling! De Moorsche hoofdman heeft de dochter van onzen Sultan ten +huwelijk gevraagd, en daar zij, tot onze schande, aan hem zal worden +overgegeven, komt hij heden naar het paleis om haar te halen. En +bevreesd voor den Moor als wij zijn, sluiten wij allen onze winkels." + +Maar Marko stond niet toe, dat de man de deur van het logement sloot, +want hij wilde den Moor en zijn schitterenden stoet voorbij zien komen. + + + +De Moor in Istamboel. + + +Op dat zelfde oogenblik, terwijl zij nog spraken, kon Marko het geraas +hooren, waarmee de Moorsche hoofdman en zijn zwarte volgelingen, op +zijn minst vijfhonderd in aantal en allen in glinsterende wapenrusting, +de stad binnentrokken. + +De Moor had zijn Bedevia aangezet en deze draafde zoo vurig, dat de +steenen, die zij met haar hoeven opwierp, in alle richtingen door +de lucht suisden en ramen en deuren verbrijzelden van al de winkels, +die zij voorbijging. Toen de cavalcade voor het logement kwam, dacht +de Moor: + +"Bij Allah! Ik ben getroffen van verbazing en verwondering! De vensters +en deuren van alle winkels in de geheele stad Istamboel zijn gesloten, +zoo bevreesd is het volk voor mij, maar als ik goed zie, zijn de +deuren van dit logement nog open. Er moet stellig niemand in zijn, +anders is hij, die er verblijf houdt, een groote dwaas; het kan ook +zijn, dat hij een vreemdeling is, en niet weet, welk een vreeselijk +wezen ik ben." De Moor en zijn gevolg brachten dien nacht in tenten +voor het paleis door. + +Den volgenden dag gaf de Sultan zijn dochter aan den Moorschen +hoofdman met al de huwelijksgeschenken, die twaalf tovars wogen. Toen +de huwelijksstoet het logement voorbijging, waar Marko vertoefde, +merkte de Moor weer de geopende deur op, en dezen keer stuurde hij +er Bedevia recht op af, om te zien, wie daar toch kon zijn. + + + + + +Sharatz en Bedevia. + + +Marko zat op zijn gemak in de meest geriefelijke kamer, die de trots +van het logement was; langzaam dronk hij den rooden wijn, waarvan hij +zooveel hield. Hij dronk niet uit een gewonen drinkbeker, maar uit een +schaal, die twaalf liter inhield. En telkens, als hij de schaal weer +gevuld had, dronk hij slechts de helft, en gaf volgens gewoonte de +andere helft aan zijn Sharatz. De Moor stond op het punt Marko aan te +vallen, toen Sharatz hem den weg versperde en boosaardig naar Bedevia +schopte. Toen de Moor zulk een onverwachten tegenstand ontmoette, +wendde hij onverwijld zijn paard, om zich weer bij den stoet te voegen. + +Toen stond Marko op; keerde zijn mantel en muts binnenste buiten, +waardoor hij op den eersten blik het ontstellende schouwspel bood van +een wolf; daarna keek hij zijn wapenen en de buikriemen van Sharatz +zorgvuldig na, sprong op zijn strijdros en galloppeerde den optocht +na. Hij velde rechts en links de ruiters, totdat hij den dever en +den tweeden getuige bereikte, welke hij beide doodde. + +Den Moorschen hoofdman werd onmiddellijk verteld van den vreemdeling, +die zich midden door den stoet een weg had gebaand en wie hij had +gedood, en ook, dat hij er niet uitzag als elk ander ridder, maar +gekleed was in een wolfsvacht. + + + +Marko en de Moor. + + +De Moor, die schrijlings op zijn Bedevia zat, zwenkte en sprak Marko +aldus aan: "Het ongeluk heeft u dezen dag ingehaald, o vreemdeling! Gij +moet door Satan hier heen gedreven zijn, om mijn gasten te verontrusten +en zelfs mijn dever en tweeden getuige te dooden; gij moet òf een dwaas +zijn, die niets weet van wat heden gebeurt, òf gij moet krankzinnig +zijn geworden; maar misschien zijt gij het leven alleen moe! Op mijn +woord, ik zal de teugels van mijn Bedevia inhouden, en zevenmaal over +uw lichaam springen, daarna zal ik uw hoofd afslaan!" + +Daarop antwoordde Marko: + +"Houd op met deze leugentaal, o Moor! Indien God en mijn gewoon geluk +mij nu slechts getrouw blijven, dan zult gij zelfs niet in staat +zijn mij te naderen; dat gij uw voornemen ten uitvoer zoudt brengen +en over mijn lichaam springen, kan ik mij zelfs niet voorstellen!" + +Maar ziet! De Moor hield zijn Bedevia in, gaf haar toen heftig +de sporen, en werkelijk zou hij over Marko zijn gesprongen, indien +Sharatz niet de goed getrainde vechter was, die hij was; onmiddellijk +steigerde hij, waardoor zijn tegenstander tegen zijn voorpooten stiet +en hij in staat was vlug het rechteroor van Bedevia af te bijten, +zoodat het bloed over haar nek en borst gutste. Op deze wijze streden +Marko en de Moor gedurende vier uur. Geen van beiden wilde toegeven +en toen de Moor eindelijk zag, dat Marko hem zou overweldigen, wendde +hij zijn paard, Bedevia, om en vluchtte langs de hoofdstraat van +Istamboel weg. Marko joeg hem achterna. Maar Bedevia van den Moor +was vlug als een veela van het woud en zou Sharatz zeker ontsnapt +zijn, indien Marko zich niet plotseling zijn knots had herinnerd, +die hij naar zijn tegenstander wierp, en waarmee hij hem tusschen +de schouders raakte. De Moor viel van zijn paard en de Prins hieuw +hem het hoofd van het lichaam. Daarna greep hij Bedevia, keerde naar +de straat terug, waar hij de bruid had gelaten en vond haar tot zijn +verbazing met haar twaalf tovars geschenken alleen op hem wachtende, +want al de bruiloftsgasten en het gevolg van den Moorschen hoofdman +waren in galop weggevlucht. Marko geleidde de Prinses terug naar den +Sultan en wierp het hoofd van den Moorschen hoofdman voor zijn voeten. + +De held nam nu afscheid en begaf zich dadelijk op de terugreis naar +Prilip. Den volgenden morgen ontving hij de zeven tovars goud, die hem +beloofd waren, de vele kostbare geschenken, die de Prinses had opgesomd +en eindelijk nog een dankbetuiging voor zijn bewonderingswaardige +daden, waarin gezegd werd dat de rijke schatten aan goud, die zijn +vader-in-God, den Sultan toebehoorden, steeds tot zijne beschikking +stonden. + + + +Prins Marko maakt een einde aan de huwelijksschatting. + + +Op zekeren morgen heel vroeg reed de koninklijke Prins Marko over de +vlakte van Kossovo. Toen hij de rivier bereikte, kwam hij een meisje +van Kossovo tegen en Marko groette haar op de in Servië gebruikelijke +wijze: "Dat God u helpe, o meisje van Kossovo!" + +Het meisje boog zeer diep en antwoordde: "Heil u, onbekende ridder!" + +Marko sprak, nadat hij haar een poos had aangekeken: "Lieve zuster, +gij meisje van Kossovo, gij zijt schoon, ofschoon gij wel wat jonger +kondt zijn! Gij zijt slank, sterk en bevallig; uw wangen zien gezond, +en gij hebt een aangenaam en waardig voorkomen. Maar helaas, lieve +zuster, uw haar is grijs en staat u niet goed. Wie heeft u verdriet +veroorzaakt? Zeg het mij. Zijt gij zelf de oorzaak of uw moeder of +uw bejaarde vader." + +Het meisje stortte vele bittere tranen en tusschen haar snikken +antwoordde zij Marko aldus: "O, lieve broeder, gij onbekende ridder! Ik +zelf ben niet de oorzaak van mijn ongeluk en het is noch mijn moeder +noch mijn vader, die zooveel verdriet over mij hebben gebracht; +maar ik heb alle geluk verloren door de schuld van een Moor, die +aan gene zijde van de zee woont. Hij heeft bezit genomen van de +geheele vlakte van Kossovo, en heeft behalve andere afpersingen ook +een vreeselijke belasting opgelegd van dertig ducaten, die door alle +bruiden betaald moet worden en, vier en dertig door alle bruigoms, +die huwen willen. Mijn broeders zijn arm en hebben niet het noodige +geld om mijn belasting te betalen. Daardoor ben ik niet in staat mijn +minnaar te huwen, en zoo is alle geluk van mij geweken. Barmhartige +God, zou ik mij zelf niet van het leven benemen?" + +Daarop sprak Prins Marko: "Lieve zuster, gij meisje van Kossovo. Speel +niet met uw leven;--laat al zulke gedachten varen, anders zult gij +zonde op uw ziel laden! Vertel mij, waar het kasteel is, waar de +Moorsche heer kan worden gevonden? Ik geloof, dat ik hem iets heb +te zeggen!" + +Hierop antwoordde het meisje: "O, mijn broeder, gij onbekende +ridder! Waarom vraagt gij naar zijn kasteel? Wat wenschte ik, dat +het met den grond gelijk werd gemaakt. Misschien hebt gij een meisje +naar uw hart gevonden en gaat gij nu de huwelijksbelasting betalen, +of zijt gij de eenige zoon van uw lieve moeder? Ik vrees voor u, +o broeder, want het kan zijn, dat gij daar omkomt en wat zou uw +bedroefde en eenzame moeder dan doen?" + +Marko stak zijn hand in zijn zak, nam er een beurs uit en overhandigde +die aan het meisje: "O, zuster, neem deze dertig ducaten, ga naar +huis en wacht in vrede, totdat uw geluk u roept [37], maar wees zoo +vriendelijk mij het kasteel van den Moor aan te wijzen, want ik ga +hem uw huwelijksbelasting betalen!" + +Daarop sprak het meisje overweldigd door haar onverwacht geluk aldus: +"Het is geen kasteel, maar het zijn tenten; dat zij alle vervloekt +worden! Ziet gij daar niet op de vlakte die zijden vlag wapperen? Daar +is het paviljoen van den Moor zelf. Daarom heen is een mooie tuin, +dien hij heeft durven versieren met de hoofden van zeven en zeventig +Christenhelden, en hij heeft veertig dienstknechten, die dag en nacht +de wacht houden." + + + +Marko bezoekt den Moor. + + +Nadat hij dit had vernomen, nam Marko afscheid van het meisje en reed +naar de tenten. Hij zette zijn paard zoo krachtig aan, dat onder zijn +hoeven levend vuur scheen op te spatten en uit zijn neusgaten blies een +helder blauwe vlam. Krankzinnig van toorn reed Marko door het kamp. De +tranen stroomden uit zijn oogen, die op de vlakte van Kossovo waren +gericht, toen hij uitriep: "Helaas, o vlakte van Kossovo! O, te denken, +dat gij dezen dag moest zien! En dat gij na de regeering van onzen +grooten Keizer [38] getuige moet zijn van de tirannie van een Moor! + +"Kan ik zulke schande en smart langer dragen? O, dat het een Moor +vergund werd u te verwoesten. Nu zal ik òf u wreken, òf omkomen!" + +De schildwachten bemerkten de komst van Marko en gingen hun heer +waarschuwen: "O, heer, gij Moor! Een vreemd en woest held, die een +gevlekt paard berijdt, nadert; en het is ongetwijfeld zijn plan ons +aan te vallen." + +Maar de Moor antwoordde onverschillig: "O, mijn kinderen, gij veertig +trouwe dienstknechten van mij, die held zal ons niet aanvallen. Hij +brengt waarschijnlijk zijn huwelijksbelasting en daar het hem spijt +afstand te doen van de som, die hij moet geven, zet hij zijn ros zoo +ongeduldig aan. Gij deedt beter hem tegemoet te gaan en te verwelkomen; +neemt hem zijn paard en wapenen af en wijst hem den weg naar mijn +tent. Ik geef niet om zijn geld, maar ik heb lust zijn hoofd te +klieven en zijn strijdros te behouden, dat mij goed aanstaat." + +De dienaren gingen heen om zijn bevel uit te voeren, maar toen zij +Marko van nabij zagen, waren zij zoo ontsteld, dat zij hem niet onder +de oogen dorsten komen. Zij vluchtten en verborgen zich achter hun +hoofdman, terwijl zij hun yataghans bij het zien van Marko onder hun +mantels verborgen. + +Toen de onstuimige Prins genaderd was, stapte hij voor de opening +van de tent van zijn paard en sprak tot zijn getrouw paard: "Loop +vrijelijk rond, mijn Sharatz, want ik ga deze tent binnen om den +Moor te spreken; ga niet te ver van deze plek, want mogelijk zou ik +je noodig kunnen hebben!" Toen ging Marko het paviljoen binnen. + +De Moorsche hoofdman zat afgekoelden wijn te drinken, die door een +christen vrouw en een meisje ingeschonken werd. De Prins begroette den +Moor: "Dat God u bijsta, mijn heer!" De Moorsche hoofdman antwoordde: +"Heil u, onbekende ridder! Neem plaats, opdat wij samen wijn kunnen +drinken, voordat gij mij vertelt, wat u naar hier heeft geleid!" + +Prins Marko antwoordde: "Ik heb geen tijd, om met u te drinken, +maar ik ben hier gekomen met de bedoeling u te spreken. Ik heb een +meisje naar mijn hart gevonden, mijn gasten wachten met hun paarden +op eenigen afstand van hier, terwijl ik u mijn huwelijksbelasting +betaal. Ik zal u dadelijk mijn goud geven, opdat niets meer mijn +geluk in den weg sta. Zeg mij hoeveel ik moet betalen?" + +De Moor antwoordde heel vriendelijk: "Wel, dat hadt gij al lang dienen +te weten: het zijn dertig ducaten voor bruiden en vier en dertig voor +bruidegoms; maar daar gij een aanzienlijk ridder schijnt te zijn, +zou het ons geen van beiden schaden, als gij mij rond honderd ducaten +gaaft." Prins Marko nam drie ducaten uit zijn zak en legde die voor +den hooghartigen Moor neer, zeggende: "Geloof mij, ik heb geen geld +meer; ik zou dankbaar zijn, indien gij wildet wachten, totdat ik het +huis van mijn bruid bereik, want daar zullen wij zeker veel rijke +geschenken ontvangen. Ik zal u al de geschenken geven en alleen de +bruid voor mijzelf behouden!" + + + +Marko betaalt voor allen. + + +Daarop schreeuwde de machtige Moor verwoed: "Ik geef geen crediet, +ellendeling! Gij zijt al te stoutmoedig door den gek met mij te +steken!" Toen sprong hij op, hief zijn knots op en sloeg Marko drie +of vier maal op de schouders. + +Marko zei glimlachend: "Heldhaftige Moor, slaat gij in ernst of doet +gij het alleen voor de grap?" + +De Moor, die voortging met den aanval, siste: "Ik sla in ernst!" + +Weer glimlachte Marko en zei: "O, dan beklaag ik u. Indien gij met +ernstige bedoeling slaat, weet dan, dat ik een knots heb. Ik zal u even +dikwijls raken, als gij mij geslagen hebt, niet meer! Laten wij het tot +een eerlijk gevecht maken!" Hiermede hief Marko zijn knots op en sloeg +den Moor met zulk een kracht, dat hem het hoofd van de schouders viel! + +Hierover barstte Marko in lachen uit: "Barmhartige God, u zij dank! + +"Hoe snel was het hoofd van den Moorschen held afgeslagen! Het ligt +voor mij, alsof het nooit op zijn schouders was geweest!" + +Hij haalde nu zijn zwaard uit de scheede en de lijfwachten van den Moor +den een na den ander grijpend, hieuw hij hen het hoofd af, uitgezonderd +vier, die hij in leven liet om het verhaal van hun meesters einde te +doen aan allen, die de waarheid wenschten te hooren. Daarna nam hij +de hoofden van de christenhelden en begroef ze zorgvuldig, opdat geen +wolven en gieren hen zouden verslinden. Den vier overgebleven dienaren +droeg hij op over de vlakte van Kossovo te gaan, van het noorden naar +het zuiden, en van het oosten naar het westen en uit te roepen, dat +voortaan alle meisjes en jongelingen vrij waren om te trouwen zonder +de gehate belasting te betalen, want dat de koninklijke Prins Marko +gekomen was om eens en voor goed voor allen te betalen. + +Toen de onderdrukte christenen het nieuws vernamen, vereenigden zich +allen, zoowel ouden als jongen in den vreugdekreet: "Dat God den +koninklijken Prins Marko een lang leven schenke! Want Marko heeft ons +land bevrijd van een monster! Wij bidden God, dat zijn ziel gezuiverd +moge worden van alle zonde." + + + +Prins Marko en Bogdan, de Bullebak. + + +Vroeg in den morgen reden drie Servische ridders Kossovo uit; de een +was Prins Marko van Prilip; de tweede was Relya van Bazar en de derde +was Milosh van Potzerye. Zij waren op weg naar de zeekust, en hun weg +leidde door de wijngaarden van Bogdan, den Bullebak. Relya van Bazar +was een vroolijke, jonge ridder en hij joeg zijn paard steigerend +door den wijngaard, waarbij hij eenige van de hooge wijnstokken, +beladen met heerlijke trossen druiven, brak. + +Marko vermaande zijn vriend aldus: "Gij deedt beter dezen wijngaard met +rust te laten, Relya! Indien gij slechts wist aan wien hij toebehoort, +dan zoudt ge uw paard wel in bedwang houden: want deze bezittingen +zijn van Bogdan, den Bullebak. Zelf heb ik eens door deze wijngaarden +gereden; ik was toen jong, ook ik deed mijn Sharatz steigeren, zooals +gij doet. Maar helaas! Ik werd door Bogdan opgemerkt, die op zijn +slanke merrie Bedevia reed. Ik wist, dat ik verkeerd deed en daar +de ware God geen schuldige mannen bijstaat, dorst ik hem niet te +ontmoeten, maar vluchtte de rotsachtige kust op. Hij vervolgde mij, +en indien ik mijn trouwe Sharatz niet had gehad, zou hij mij zeker +hebben gegrepen. Dank zij Sharatz kon ik mij ten laatste echter +steeds verder van hem verwijderen. Toen Bogdan zag, dat hij mij bij +de snelheid waarmede ik voortjoeg, nooit zou kunnen inhalen, wierp +hij mij zijn knots achterna en raakte mij precies met het handvat +zoodat ik voorover op de ooren van mijn Sharatz viel en slechts met +de grootste inspanning mijn plaats weer kon innemen. Hoe het zij, +ik ontsnapte hem. Dit gebeurde ongeveer zeven jaar geleden, sinds +dien ben ik dezen weg niet meer gegaan." + +Toen Marko dit zei, bemerkten de drie ridders in de verte een +stofwolk, te midden waarvan zij Bogdan herkenden met twaalf bedienden +te paard. Marko riep uit: "Luistert, mijn beide broeders-in-God! Hier +is hij! En zeker zal hij ons alle drie dooden, indien wij niet zorgen +te ontkomen." + +Hierop antwoordde Milosh van Potzerye: "O, mijn broeder-in-God, +gij koninklijke Prins Marko! Het geheele volk gelooft, dat er geen +grooter helden zijn dan wij, drie Servische ridders; het zou veel +beter voor ons drieën zijn om te komen dan smadelijk te vluchten!" + +Toen Marko dit hoorde, zei hij: "Luistert naar mij, mijn +broeders-in-God! Indien dit zoo is, laat ons dan den vijand +verdeelen. Wilt gij Bogdan alleen te gemoet treden of zijn twaalf +ridders?" + +Milosh en Relya gaven er de voorkeur aan Bogdan alleen te bestrijden en +lieten het aan Marko over zijn twaalf volgelingen tegen te houden. Deze +verdeeling was Marko zeer aangenaam en nauwelijks waren zij overeen +gekomen, welk aandeel ieder zou hebben in den strijd, of Bogdan +naderde aan het hoofd van zijn troep. Hij werd onmiddellijk bezig +gehouden door Milosh en Relya, terwijl Marko zijn aandacht schonk +aan de twaalf geleiders. Zijn zware knots zwaaiend dreef hij Sharatz +op zijn vijanden toe; in zeer korten tijd werden allen op den grond +geslingerd. Toen steeg Marko van zijn paard, bond hen de handen op +den rug en dreef hen door de wijngaarden. + +Hij was nog slechts een klein eind gegaan, toen hij zag, hoe +Bogdan zijn twee vrienden voor zich uitdreef, hun armen op gelijke +wijze gebonden als die van Bogdans volgelingen. Toen hij dit zag, +werd Marko door vrees bevangen en keek rond naar een middel om te +ontkomen. Echter herinnerde hij zich op hetzelfde oogenblik, dat de +drie broeders-in-God elkaar trouw hadden gezworen en dat zij zich +plechtig verbonden hadden elkaar ten alle tijde te helpen. Hij nam +de teugels van Sharatz dus steviger in de handen, sloeg het vizier +van zijn helm over zijn voorhoofd, trok woedend zijn zwaard uit de +scheede en wierp een woesten, donkeren blik op Bogdan. + + + +De Bullebak is bevreesd Marko tegemoet te komen. + + +Toen de Bullebak de ontzettende woede en beslistheid in Marko's oogen +las, trilden zijn beenen onder hem en hij wendde zijn merrie om, +daar hij niet van aangezicht tot aangezicht tegenover Marko dorst +te treden. Hij kon echter niet hopen aan de wraak van den Prins te +ontkomen en daarom riep hij na eene korte wijle: + +"Kom, o Marko, laten wij ons met elkaar verzoenen. Wilt gij mijn +twaalf volgelingen vrij laten? Indien gij daartoe bereid zijt, dan +zal ik op mijn beurt uw 'broeders-in-God' vrij laten." + +Hierin stemde Marko toe en sprong van Sharatz af. Hij maakte van zijn +zadel een lederen zak met wijn los en allen gingen zitten om zich te +verfrisschen met den koelen wijn en zich te goed te doen aan versch +geplukte druiven. Toen zij uitgerust waren, stegen de drie vrienden te +paard en maakten zich gereed om te vertrekken. Toen zij op het punt +stonden weg te rijden, sprak Marko aldus Bogdan aan: "Dat het u met +Gods hulp voorspoedig ga, o Bogdan! En dat wij elkaar eens in goede +gezondheid weer ontmoeten en weer samen wijn drinken mogen!" Hierop +antwoordde Bogdan: "Vaarwel! en dat God u steeds helpe, o, koninklijke +Prins Marko! Maar dat mijn oogen u nooit meer aanschouwen! Gij hebt +mij heden zoo verschrikt, dat ik niet geloof ooit weer te wenschen +u te ontmoeten!" + + + +Prins Marko en opperbevelhebber Voutcha. + + +Luistert! Is het de donder of is het een aardbeving? Geen van beide, +maar kanonnen bulderen van het fort Varadin: de generaal viert een +overwinningsfeest, want hij heeft drie Servische helden gevangen +genomen; de eerste is Milosh van Potzerye, de tweede is Milan van +Toplitza, en de derde is Ivan Kosantchitch. De opperbevelhebber heeft +hen in de diepste kerkers van zijn kasteel geworpen, ongezonde holen, +waar het stilstaande water tot aan de knieën reikt en de beenderen +van krijgslieden zoo hoog opgestapeld liggen, dat zij tot de schouders +van een held reiken. + +Milosh van Potzerye is van adellijke geboorte; hij is niet gewoon aan +ontbering en lijden en hij bejammert en betreurt bitter zijn lot, +terwijl hij verlangend door het traliewerk van de massieve deur in +de donkere gang naar buiten ziet, vanwaar alleen hulp kan komen. En +werkelijk na drie dagen ziet hij een boodschapper, tot wien hij roept: +"O, mijn broeder-in-God! Breng mij iets, waarop ik een bericht kan +schrijven!" + +De man voelde zich gevleid, broeder-in-God genoemd te worden door +zulk een beroemd held en bracht Milosh snel een rol, waarop hij de +volgende woorden schreef: "Aan den koninklijken Prins Marko van Prilip: +o broeder-in-God, gij vorstelijke Marko! Of gij verlangt niet meer van +mij te hooren, of gij hebt opgehouden mij genegen te zijn! Het lot is +hard geweest en ik ben gevallen; uw broeder is in de handen van een +vijand. De Magyaar Voutcha heeft mij gevangen genomen, mij en mijn +twee wapenbroeders. Wij zijn gedurende drie geheele dagen opgesloten +in dezen afschuwelijken kerker en het is onmogelijk dat wij er over +drie dagen nog levend zouden uitkomen. Daarom, indien gij ons wilt +terug zien, red ons dan, o broeder, hetzij door een heldhaftige daad +of door een losgeld!" Milosh krabde zijn wang open en zegelde het +bericht met zijn bloed; daarna overhandigde hij het aan den man met +twaalf ducaten en smeekte hem er zich mede naar Prilip te spoeden. De +boodschapper reed zoo snel als hij kon en bereikte de stad Prilip op +Zondagmorgen. Prins Marko kwam juist uit de kerk, toen de koerier op +hem toe snelde. Toen de Prins las in welk een ontzettenden toestand +zijn vrienden zich bevonden, stroomden de tranen langs zijn wangen en +hij deed er een eed op, dat hij zijn edele broeders-in-God zou redden. + +Hier somt de bard op, welke toebereidselen Marko trof, bijna dezelfde +als in de ballade: "Prins Marko en de Moorsche hoofdman." Daarna +beschrijft hij de reis van Prilip naar Varadin, maar zonder, +dat spreekt van zelf, de wonderbaarlijke vlugheid van Sharatz te +overdrijven, die bij deze gelegenheid over de Donau zwom. + + + + + +De komst van Marko. + + +Toen Marko voor het kasteel van Varadin was aangekomen, sloeg hij zijn +tent op, haakte zijn lederen wijnzak los, dronk den inhoud leeg uit +een schaal die twaalf oka's (ongeveer acht en veertig pinten) bevatte, +en vergat ook nu niet, telkens als hij de schaal vulde, de helft van +de hoeveelheid wijn zijn geliefden Sharatz aan te bieden. Deze daad +werd opgemerkt door een schoone Magyaarsche dame, de echtgenoote van +generaal Voutcha's zoon en daar zij verschrikte op het zien van dezen +onbekenden held, werd zij plotseling aangegrepen door een koorts, +die haar gedurende drie jaren zou kwellen, en spoedde zich heen om +den opperbevelhebber te vertellen, wat zij had gezien; zij beschreef +hem elke bijzonderheid van Marko's kleeding. + +Maar opperbevelhebber Voutcha wendde onverschilligheid voor, troostte +zijn geliefde schoondochter en beloofde haar, dat hij hem even +gemakkelijk gevangen zou nemen, als hij het reeds de drie ridders had +gedaan, die in zijn kerkers lagen. Voutcha riep zijn zoon en beval +hem drie honderd ruiters te roepen, en den overmoedige onmiddellijk +te grijpen. + +Marko, die zat te genieten van zijn wijn, zag de nadering van +Velimir niet, maar de getrouwe Sharatz begon den grond met zijn +rechter voorpoot te bewerken, aldus zijn onopmerkzamen meester +waarschuwend. Marko begreep hem, wendde zijn hoofd om en zag, dat een +geheel eskadron hem omsingeld had. Hij dronk nog een schaal wijn, +wierp de kom op het gras, sprong op zijn paard en viel verwoed het +leger aan. "Zooals een valk de bedeesde duiven aanvalt." Een deel +sneed hij in stukken, het tweede rende hij neer met zijn Sharatz en +het derde verdronk hij in de Donau. + +Maar Velimir ontsnapte hem bijna, dank zij zijn eigen vlug +strijdros. Toen Marko zag, dat Sharatz uitgeput was en onmogelijk het +paard van Velimir bij kon houden, herinnerde hij zich zijn knots, welke +hij zoo handig slingerde, dat het zware handvat juist met voldoende +kracht den jongeman trof om hem ter aarde te werpen. Onmiddellijk +was Marko naast hem en bond Velimir stevig, waarop hij zich op het +zachte groene gras wierp en weer zijn wijn ging drinken. + +De vrouw van Velimir had alles gezien en zij snelde nu vlug naar den +generaal, die woedend werd op het hooren van het bericht en beval, dat +al het belegeringsgeschut afgeschoten zou worden. Daarna verzamelde +hij drieduizend krijgslieden, besteeg zijn merrie en voerde zijn +leger aan tegen Marko. + +De Magyaren omringden den held volkomen, maar Marko zag er niets +van onder het drinken van zijn wijn. Sharatz lette echter beter op +en kwam naast zijn meester staan, die, toen hij bemerkte in welk +een hachelijke positie hij zich bevond, in het zadel sprong en +nog verwoeder en onstuimiger dan te voren op de Magyaren inreed, +met zijn sabel in zijn rechterhand, zijn lans in zijn linker en de +teugels van Sharatz stevig tusschen zijn tanden. Degenen, die door +zijn sabel geraakt werden, sloeg hij in tweeën, die, welke hij raakte +met zijn lans, werden over zijn hoofd geworpen. + + + +Marko neemt Voutcha gevangen. + + +Na drie of vier ontmoetingen had Marko zooveel Magyaren gedood, dat +zij, die over waren gebleven, met ontzetting werden vervuld en in +wanorde vluchtten. Daarop nam Marko generaal Voutcha op dezelfde wijze +gevangen, als hij het zijn zoon had gedaan. Nadat hij zijn handen had +gebonden, maakte hij hem aan Sharatz's zadel vast en bracht hem naar +de plek, waar Velimir lag te kreunen. Beiden maakte hij vast aan de +merrie van den opperbevelhebber en zoo begaf hij zich op weg naar +Prilip, waar hij hun in een kerker wierp. + +Eenige dagen later ontving hij een brief van de vrouw van Voutcha, +die hem smeekte Velimir en zijn vader niet te dooden en een groote +som gelds als losgeld aanbood. Marko zond het volgende antwoord: +"Luister, gij getrouwe echtgenoote van generaal Voutcha! Indien gij +wenscht, dat ik mijn gevangenen loslaat, dan hebt gij slechts mijn +oude vrienden vrij te laten, Milan van Toplitza en Ivan Kosantchitch +en aan ieder drie tovars goud te geven als schadeloosstelling voor +den tijd, dien zij in gevangenschap hebben doorgebracht en gij moet +mij een gelijke som geven, want ik heb van mijn goeden Sharatz te +veel moeten eischen. En mijn vriend Milosh van Potzerye is ook nog +in uw kasteel, maar ik geef hem volmacht zijn eigen aangelegenheden +met u in persoon te regelen, want in wat hij ook eischt, stem ik toe." + +De vrouw van den generaal zond onmiddellijk de verlangde hoeveelheid +goud. Daarna nam zij de sleutels van de kerkers en liet de helden +vrij. Zij liet eenige barbiers roepen, om hun baard te scheren en hun +haar en nagels te verzorgen. Daarna bestelde zij een groote hoeveelheid +zeer fijne wijnen en dure schotels, om aan de edele Serviërs voor te +zetten en na den feestmaaltijd vertelde zij hun Marko's wondervolle +daden en smeekte Milosh van Potzerye al zijn invloed te gebruiken om +Prins Marko over te halen erbarmen te hebben met haar echtgenoot en +haar zoon. Daarop beloofde Milosh, dat aan haar wensch voldaan zou +worden en dat zij geen vrees behoefde te hebben. Hij verzocht haar +alleen, dat hem zou worden gegeven: ten eerste het beste paard uit +de stallen van generaal Voutcha, dat, waarop Voutcha eens per jaar +in statie naar de kerk Tekiye reed; ten tweede de vergulde koets, +getrokken door twaalf Arabische paarden, die door generaal Voutcha +werd gebruikt, als hij naar Weenen reisde voor zijn bezoeken aan den +Keizer, want in die koets wilde hij den bejaarden held, Milan van +Toplitza naar huis rijden. En ten slotte vroeg hij, of zijn vriend +Toplitza het fraaie gewaad zou mogen dragen, dat Voutcha op Paaschdag +droeg. In dit alles stemde de vrouw van Voutcha toe, en bovendien +gaf zij aan elk der der vrienden duizend ducaten, opdat zij op hun +reis naar Prilip geen dorst zouden behoeven te lijden. + +Marko begroette de ridders op hartelijke, broederlijke wijze en liet +toen generaal Voutcha en zijn Velimir vrij en beval, dat een krachtig +escorte hen naar Varadin zou geleiden. Toen de edele voïvodes de +gastvrijheid van Marko gedurende verscheidene dagen hadden genoten +(en gedurende dien tijd een aanzienlijke hoeveelheid van zijn rooden +wijn hadden gebruikt) omhelsden zij elkaar en kusten elkaar op de wang; +de vrienden kusten de onbedekte hand van Marko. Toen begaf zich ieder +in vrede naar zijn eigen domein. + + + +De huwelijksprocessie van Prins Marko. + + +Op zekeren avond, toen Prins Marko aan den maaltijd zat met zijn +bejaarde moeder, verzocht deze hem een meisje naar zijn hart te +zoeken, opdat zij het gezelschap en den steun mocht hebben van een +schoondochter. Daarop antwoordde Marko: "God is mijn getuige, o lieve +moeder. Ik heb door negen koninkrijken en door het geheele Turksche +rijk gereisd en telkens, als ik een meisje vond, dat ik tot mijn bruid +wenschte te maken, kwam ik tot de ontdekking, dat u van een andere +meening waart dan ik. Soms was het, dat u niet vriendelijk gezind waart +jegens de familie; en als ik een familie vond, die u wel aanstond, dan +telde zij weer geen meisje, dat genade in uw oogen kon vinden! Echter, +toen ik door Bulgarije reisde, hield ik mijn Sharatz eens in bij een +bron, en zie! daar zag ik een meisje, zoo mooi en zoo lief, dat het +mij plotseling toescheen, alsof het gras waarop ik stond om mij heen +draaide. Later vernam ik, dat dit meisje de dochter was van koning +Shishman van Bulgarije. Dit zou ongetwijfeld een passende bruid voor +mij zijn en daarbij behoort zij tot een familie, waarop weinig valt +aan te merken! Indien u er dus in toestemt, zal ik dadelijk gaan en +haar ten huwelijk vragen." + +Marko's moeder, die overgelukkig was met de keus van haar zoon, haastte +zich nog dienzelfden avond de gebruikelijke geschenken gereed te maken, +want zij vreesde, dat haar zoon nog voor den morgen van inzicht mocht +veranderen. Maar den volgenden morgen beval Marko, dat Sharatz gezadeld +zou worden en nadat hij den onontbeerlijken leeren wijnzak aan de +eene zijde van zijn zadel had gehangen en zijn oorlogsknots aan de +andere, nam hij afscheid van zijn moeder en reed recht toe recht aan +naar het kasteel van koning Shishman. De Bulgaarsche vorst zag Marko, +toen hij nog een heel eind weg was en ging hem tegemoet, om hem te +begroeten. Toen hij vlak bij was, stapte Marko van Sharatz, strekte +zijn armen uit en de twee omhelsden elkaar en vroegen naar elkaars +gezondheid. De koning geleidde Marko binnen het kasteel, terwijl +Sharatz door de stalknechts naar de koninklijke stallen werd gebracht. + +Even later, onder den schitterenden maaltijd, die onmiddellijk ter eere +van den vorstelijken gast was aangericht, sprong Marko op, boog diep +voor den koning en vroeg zijn dochter ten huwelijk. De koning was zoo +verheugd zulk een edelen en dapperen schoonzoon te krijgen, dat hij +zonder aarzelen toestemde. Marko besteedde drie tovars goud voor den +ring, dien zijn toekomstige bruid zou dragen en voor de trouwjapon en +de andere geschenken. Daarna vroeg hij, of hij terug mocht gaan naar +Prilip om zijn bruiloftsgasten en vrienden te verzamelen en toen hij +op het punt was het paleis te verlaten, raadde de koningin den prins +aan, om als geleider van de bruid niet iemand te kiezen, dien hij niet +onvoorwaardelijk zou kunnen vertrouwen, maar liever zijn eigen broer +te kiezen of althans een neef. Want, meende zij, een vreemde zou een +mededinger kunnen blijken, zoo bekoorlijk en schoon was haar dochter. + +Toen Marko Prilip naderde, kwam zijn moeder hem tegemoet, om hem +te begroeten en na hem hartelijk op beide wangen gekust en hem haar +mooie handen toegestoken te hebben om te kussen, vroeg zij, of hij +een voorspoedige reis had gehad en met de prinses verloofd was. Marko +vertelde alles, wat er gebeurd was en vergat niet de woorden te +herhalen, die de koningin bij het afscheid nemen had gesproken. Hij +beklaagde zich erover, dat zijn broeders gestorven waren, en dat hij +ook geen neef had. Zijn moeder, die zeer blij was, raadde Marko aan +daarover niet te jammeren, maar dadelijk een boodschap te zenden aan +den Doge van Venetië, en hem uit te noodigen met een gezelschap van +vijfhonderd te komen, en als koom op te treden. Eveneens moest hij +een uitnoodiging zenden aan Styepan Zemlyitch om zich met vijfhonderd +volgelingen bij den bruiloftsstoet te voegen en de geleider van de +bruid te zijn. Deze raad kwam Marko zeer verstandig voor en dadelijk +zond hij couriers weg, zooals zijn moeder had bevolen. De Doge +verscheen spoedig met zijn vijfhonderd ruiters en Styepan Zemlyitch +eveneens. Marko heette hen hartelijk en gastvrij welkom en er was +geen gebrek aan goeden wijn. + +Het gezelschap begaf zich nu opweg naar het hof van den Bulgaarschen +koning, die hen allerhartelijkst ontving en hen gedurende drie dagen +onthaalde. Op den vierden dag maakte het bruiloftsgezelschap zich +gereed terug te keeren, want het was duidelijk dat, indien zij nog +drie dagen bleven, den koning geen druppel wijn meer over zou blijven. + +Shisman gaf allen vorstelijke geschenken: eenigen gaf hij zijden +hemden, anderen gouden schalen en borden; aan den geleider van de +bruid werd een bijzonder kostbaar, met goud geborduurd hemd geschonken. + +Toen de bruid opgestegen was, gaf haar koninklijken vader haar aan +den geleider van de bruid over met deze woorden: + +"Hiermee vertrouw ik aan uw zorgen de bruid en haar paard toe, totdat +gij aan het kasteel van Marko komt; eenmaal daar, moet gij de bruid +aan Marko overgeven maar haar rijpaard moogt ge zelf behouden!" + + + +De huwelijksprocessie. + + +De processie reed verder tot aan de Bulgaarsche boschlanden en weiden +en daar er nu eenmaal geen geluk is zonder eenig ongeluk, woei een +windvlaag een oogenblik den sluier der bruid terzijde. De Doge van +Venetië, die vlak naast haar reed, zag het schoone gelaat van het +meisje en was zoo bekoord door haar buitengewone schoonheid, dat +hij smoorlijk verliefd op haar werd. Toen de geheele bruiloftsstoet +halt hield voor den nacht, begaf hij zich onopgemerkt naar de tent +van Styepan Zemlyitch en sprak hem aldus aan: "O, gij geleider van +de bruid! Wilt gij mij uw beschermelinge overgeven, opdat wij samen +kunnen vluchten: ik zal u een laars vol gouden dukaten geven?" + +Styepan Zemlyitch antwoordde verontwaardigd: + +"Zwijg, Doge van Venetië! Gij verdiendet in steen te veranderen! Zijt +gij uw leven moe?" + +Toen zij den tweeden dag de rustplaats bereikten, sloop de Doge weer +heimelijk naar de tent van Styepan Zemlyitch en vroeg nog eens om de +bruid, maar nu bood hij twee laarzen vol dukaten aan. Weer weigerde +de geleider van de bruid, zeggende: + +"Scheer u weg, o Doge! opdat uw hoofd niet doormidden worde +gekliefd! Heeft iemand ooit gehoord van een koom, die zijn kooma aan +haar bruidegom ontneemt?" + + + +De ontrouwe koom. + + +Toen de derde nacht kwam, bood de Doge den geleider van de bruid +drie laarzen vol dukaten van zuiver goud. Deze geweldige som geld +was een te grote verzoeking voor den geleider van de bruid en +hij gaf de bruid over aan den Doge, die haar naar zijn eigen tent +bracht. Daar verklaarde hij zijn liefde aan het meisje en smeekte haar +in hartstochtelijke bewoordingen met hem naar Venetië te vluchten, +waar hij haar alles kon aanbieden, wat het hart maar begeerde. Maar het +Bulgaarsche meisje wendde zich met tegenzin van hem af. "Om Godswil, +o Doge van Venetië!" zei zij, "de aarde onder ons zou zeker splijten +om ons te verzwelgen en de hemelen boven ons zouden vaneen scheuren, +indien een kooma ontrouw zou zijn aan haar bruidegom." + +Maar de Doge hield aan: "O, wees niet zoo dwaas, mijn lieftallige +kooma. Ik heb vele kooma's gekust en geliefkoosd, maar nooit opende +zich de aarde onder ons, of scheurden de hemelen,--kom laat ons +elkaar omhelzen!" + +Het meisje meende, dat het 't beste zou zijn zich te houden, alsof +zij aan zijn wensch gehoor gaf en daarom antwoordde zij: "O mijn koom, +Doge van Venetië! Mijn bejaarde moeder heeft mij gezegd, dat zij mij +zou vloeken, indien ik ooit een gebaarden held zou kussen en ik heb +er een eed op gedaan, slechts een geschoren ridder lief te hebben, +zooals de koninklijke Prins Marko er een is." + +Hierop riep de Doge twee barbiers, een om zijn baard af te scheren +en de ander om zijn gelaat schoon te wasschen. Terwijl zij hiermede +bezig waren, bukte het meisje zich en raapte ongemerkt den baard van +den Doge op en wikkelde dien in de plooien van haar zijden gewaad. + +Nu zond de Doge de barbiers weg en beproefde opnieuw de bruid het +hof te maken, die preutschheid voorwendde en voorgaf te vreezen, +dat zij beiden zeker zouden omkomen, als Marko hoorde, wat er was +gebeurd. De Doge bezwoer haar echter niet zoo dwaas te zijn. "Ik heb +vijfhonderd volgelingen bij mij!" zoo sprak hij. "Marko's tent is ver +weg. Ziet gij ze niet ginds in de verte? Bovenop is een gouden appel +bevestigd. In den appel zijn twee groote diamanten geplaatst, die een +licht verspreiden zoo ver in het rond, dat men in de naburige tenten +'s avonds geen licht behoeft op te steken." + + + + + +De vlucht van het meisje. + + +Het meisje gaf voor dit wonder van nabij te willen aanschouwen, +waarop de Doge hoffelijk het gordijn voor den ingang terzijde schoof, +opdat zij beter zou kunnen zien. Het volgend oogenblik liep zij snel +als een hinde naar het paviljoen van Prins Marko. + +Marko sliep en was ten zeerste verbaasd, toen hij plotseling werd +gewekt door de binnenkomst van zijn onverwachte bezoekster. Toen hij in +het meisje zijn toekomstige vrouw herkende, sprak hij haar toornig toe: +"Gij, meisje van lage geboorte! Is het betamelijk, dat gij mij tegen +alle christelijke gebruiken in bezoekt?" + +Het meisje boog diep en antwoordde: "O, mijn Heer, gij koninklijke +Prins Marko! Ik ben geen meisje van lage geboorte, maar uit zeer edel +geslacht. Gij hebt gasten medegebracht, die zeer slechte bedoelingen +koesteren. Weet dan, dat mijn geleider, Styepan Zemlyitch, mij, +uw bruid, verkocht aan den Doge van Venetië, voor drie laarzen vol +goud! Indien gij dit niet kunt gelooven, zie dan hier. Hier is de +baard van den Doge!" Zij maakte haar gewaad los en haalde daaruit +den baard van den Doge te voorschijn en toonde hem dien. + +Marko's woede keerde zich nu tegen zijn trouwelooze vrienden en bij het +aanbreken van den dag wikkelde hij zich in zijn mantel van wolfshuid +en, nadat hij zijn zware knots had genomen, ging hij regelrecht naar +den geleider van de bruid en naar den koom en sprak: + +"Goeden morgen, o geleider van de bruid en koom! Gij leider, waar is +uw schoonzuster? En gij, o koom, waar is uw kooma?" Steypan Zemlyitch +bleef zwijgen als een steen, maar de Doge zei: "O, gij koninklijke +Prins Marko. We bevinden ons in gezelschap van zeer zonderlinge +lieden; men kan niet eens een grap maken, zonder dat men verkeerd +wordt begrepen!" + +Maar Marko antwoordde: "Uw grap is slecht, o Doge van Venetië! Waar +is uw baard?" En nog eer de Doge in de gelegenheid was te antwoorden, +had de Prins zijn zwaard uit de scheede gehaald en zijn hoofd in +tweeën gespleten. + +Styepan Zemlyitch beproefde te ontvluchten, maar Marko snelde hem +na en raakte hem met zijn vlijmscherp zwaard zoo, dat hij in twee +helften op den grond viel. + +Hierna keerde Marko naar zijn tent terug, beval den stoet verder te +gaan en kwam zonder verdere ongevallen te Prilip aan. + + + +Prins Marko en de Moorsche Prinses. + + +Op zekeren dag sprak de moeder van Prins Marko aldus tot haar zoon: +"O, mijn geliefde zoon, gij koninklijke Prins Marko! Waarom richt +gij zooveel kerken en altaren op? Of gij hebt ernstig tegen God +gezondigd en doet boete, òf gij hebt ergens een bovenmatigen rijkdom +opgestapeld." Toen antwoordde Marko van Prilip haar: "Mijn geliefde, +bejaarde moeder! Ik zal u de waarheid zeggen. Eens, toen ik door +het Moorsche land reisde, stond ik vroeg op, om Sharatz aan de bron +te verfrisschen. Toen ik daar kwam, vond ik twaalf Mooren, die met +hetzelfde doel waren gekomen--en daar ik in mijn trots mijn beurt niet +wilde afwachten, stelden de twaalf Mooren zich tegenover mij, omdat +zij het eerst waren gekomen. Dadelijk begonnen wij te vechten. Ik hief +mijn zware knots op en velde een van de Mooren ter aarde; zijn elf +metgezellen vielen mij aan en ik sloeg een tweeden tegen den grond; +toen vielen de tien overblijvenden mij aan en ik doodde een derden; +nog negen hielden zich met mij bezig en een vierde beet in het stof; +de overige acht snelden op mij toe en ik sloeg den vijfden neer; zeven +streden met mij en den zesden zond ik naar de eeuwigheid;--maar nu +moest ik nog de overige zes het hoofd bieden, die mij overweldigden; +zij bonden mijn armen op mijn rug en brachten mij naar hun Sultan, die +mij in de gevangenis wierp. Daar vertoefde ik acht jaar, waarin ik van +de jaargetijden enkel den winter kon onderscheiden, wanneer de meisjes +sneeuwballen door de tralies van mijn kerker wierpen. Een enkelen keer +wist ik ook, dat 't lente was, als de meisjes mij thijm toewierpen." + + + +De Moorsche Prinses. + + +Toen het achtste jaar aanbrak, was het niet zoo zeer mijn kerker, die +mij bedroefde, als een Moorsch meisje, de geliefde dochter van den +Sultan. Zij verveelde mij door iederen morgen en iederen avond door +mijn kerkerraam te roepen: "Waarom zoudt gij omkomen in dezen kerker, +o Marko? Geef mij uw woord, dat gij bereid zijt mij te trouwen en +ik zal u vrij laten en uw Sharatz ook. Stapels gouden dukaten zal ik +meenemen; zooveel, o, Marko, als gij ooit gewenscht hebt te bezitten." + +Toen maakte zich een diepe wanhoop van mij meester, o mijn moeder, en +daarom nam ik mijn muts af, legde die op mijn knie en sprak daar als +volgt tegen: "Bij mijn onwankelbaar geloof. Ik zal u nooit verlaten; +noch zal ik u ooit vergeten, daarop geef ik u mijn woord! De zon +zelf verandert dikwijls; in den winter is zij niet dezelfde als in +den zomer, maar mijn belofte zal ik altijd houden!" + +Het meisje verkeerde in de zalige dwaling, dat ik haar trouw had +gezworen en opende daarom op zekeren avond, toen de schemering +inviel, de deuren van mijn gevangenis en bracht mij naar mijn +vurigen Sharatz, terwijl zij voor zich zelf een mooi, edel rasdier +had laten optuigen. Beide paarden droegen op hun rug zakken gevuld +met dukaten. Het Moorsche meisje bracht mij mijn meest geharde zwaard +en wij spoedden ons snel door het Moorsche land. + +Toen de duisternis inviel, wierp ik mijzelf op den grond om te slapen, +de Moorsche prinses deed eveneens, en zie: zij sloeg haar armen om mij +heen. En ik keek naar haar, moeder, en ik zag hoe zwart haar gelaat was +en hoe wit haar tanden! Ik huiverde van afschuw en nauwelijks wetende +wat ik deed, sprong ik op, besteeg mijn Sharatz en galoppeerde als +een krankzinnige weg, haar alleen achterlatende. Het meisje riep +mij in doodsangst na: "O, mijn broeder-in-God, gij koninklijke +Prins Marko! Verlaat mij niet zoo!" Maar ik wilde mijn vlucht niet +onderbreken. "Toen en daar, o moeder heb ik tegen God gezondigd! Toen +was het, dat ik goud in overvloed bezat en daarvan heb ik talloos +veel kerken en altaren gebouwd om mijn zonde te boeten!" + + + +Prins Marko en de veela. + + +Prins Marko en Milosh van Potzerye reden vroeg in den morgen over den +schoonen berg Mirotch. Zij droegen hun lansen en lieten hun paarden +draven. Zij hadden elkaar zoo hartelijk lief, dat zij elkaar nu en dan +omhelsden. Plotseling begon Marko slaperig te worden op zijn Sharatz +en beproefde zijn makker over te halen wat te zingen, teneinde hem +wakker te houden. Daarop antwoordde Milosh: "O, lieve broeder-in-God, +gij koninklijke Prins Marko! Ik zou graag voor u zingen, maar verleden +nacht, toen ik met veela Raviyoyla was, dronk ik veel te veel wijn, +en toen dreigde zij mij, dat zij mijn hart en mijn keel zou doorboren +met pijlen, als zij mij weer hoorde zingen." + +Maar Marko drong aan: "O zing, lieve broeder! Vrees de veela niet, +zoolang ik, Prins Marko, leef; en zoolang ik mijn Sharatz en mijn +zeshoekigen knuppel heb!" + +Zoo begon Milosh om zijn pobratim genoegen te doen een schoon lied te +zingen, waarin verhaald werd van hun dappere en deugdzame voorouders; +hoe zij koninkrijken hadden gesticht en geregeerd over het aanzienlijke +Macedonische rijk; en hoe elk van deze goede vorsten een altaar of +een kerk had opgericht. + +Het lied beviel Marko zoo zeer, dat hij onder invloed van Milosh +welluidende stem in slaap viel. Maar de veela hoorde het lied eveneens, +en met haar zangen wisselde zij die van Milosh telkens af, waarbij +zij haar best deed, om hem te toonen, dat zij beter zong dan hij. In +werkelijkheid echter zong Milosh beter, want hij had een prachtige +stem en dit maakte de veela zeer boos; zij nam twee dunne pijlen, +spande haar boog en doorboorde eerst zijn keel en daarna zijn hart. + +Milosh slaakte een doordringenden kreet: "Helaas, o, mijn +moeder! Helaas, Marko, mijn broeder-in-God! De veela heeft mij met +haar boog geschoten! Heb ik u niet gezegd, o pobratim, dat ik niet +moest zingen op den berg Mirotch?" + + + +De vervolging van de veela. + + +Deze jammerklacht deed Marko dadelijk ontwaken. Hij sprong luchtig +uit het zadel, gordde stevig de buikriemen van zijn Sharatz vast, +omhelsde hem, en fluisterde hem dit in het oor: "Zie, Sharo, gij, op +wiens snelheid ik vertrouw, gij moet de veela Raviyoyla inhalen; ik zal +uw hoeven beslaan met zuiver zilver en ze vergulden met het mooiste +goud; ik zal u bedekken met een zijden mantel, die tot uw knieën zal +reiken en daarop zal ik mooie zijden kwasten bevestigen, die van uw +knieën tot aan uw hoeven zullen hangen; uw manen zal ik doorvlechten +met gouden draden en ze met zeldzame parelen versieren. Maar wee +u, als gij de veela niet bereikt! Ik zal uw beide oogen uitrukken; +uw vier pooten zal ik breken; en ik zal u hier verlaten en gij zult +voor altijd kruipen van de eenen pijnboom naar den anderen; zoo zal +ik doen als ik mijn lieven broeder Milosh verliezen moet!" + +Daarna sprong Marko vlug op Sharatz en reed snel de veela achterna. + +Raviyoyla vluchtte reeds over den bergtop, en toen Sharatz haar in het +oog kreeg, sprong hij haar onstuimig achterna, met sprongen van drie +lansen hoog zich telkens de lucht inwerpend. In enkele oogenblikken had +Sharatz de veela ingehaald, die ten zeerste verschrikt omhoog vluchtte, +naar de wolken. Maar Marko slingerde zonder deernis zijn verreikenden +knuppel en raakte haar tusschen de blanke schouders. Onmiddellijk viel +zij ter aarde, Marko raakte haar nog verscheidene keeren, toen zij +op aarde lag, uitroepende: "O, veela! Dat God het aan u wreke! Waarom +hebt gij de keel en het hart doorboord van mijn lieven pobratim? Gij +deedt beter hem genezende kruiden te geven, anders zult gij niet veel +langer uw hoofd op uw schouders dragen!" + +De veela smeekte Marko haar te vergeven, en haar broeder-in-God te +worden. "Om Gods wil, o mijn broeder Marko, en in den naam van den +heiligen Johannes," riep zij, "spaar mijn leven, dan zal ik over den +berg gaan en kruiden zoeken en de wonden van uw pobratim genezen!" + +Het aanroepen van den naam van den heilige miste zijn uitwerking op +Marko niet. Hij liet de veela vrij, die dadelijk ging, hoewel zij +zich niet buiten het bereik van Marko's gehoor en stem begeven mocht +en steeds zijn roep moest beantwoorden. + +Toen de veela kruiden had verzameld, bracht zij ze aan Milosh en +genas zijn wonden; niet alleen herstelde zijn stem geheel, maar ze +was mooier dan te voren en zijn hart was gezonder. Toen reden de +broeders-in-God regelrecht naar het gebied van Poretch, waar zij de +rivier Timok over gingen en weldra aan de stad Bregovo kwamen, vanwaar +zij, na er een poos vertoefd te hebben, vertrokken naar het gebied +van Vidin. Toen de veela zich weer bij haar zusters gevoegd had, +waarschuwde zij haar met de volgende woorden: "Luistert, veela's, +mijn zusters. Schiet geen helden in het gebergte met uw pijlen en +bogen, zoolang de koninklijke Prins Marko en zijn Sharatz leven. O, +wat heb ik, beklagenswaardige, heden van zijn handen moeten lijden! Ja, +ik verbaas er mij over, dat ik nog leef!" + + + +Prins Marko en de Turksche jagers. + + +Amouradh, de groot-vizier, trok eens uit met een jachtgezelschap +van twaalf Turksche krijgslieden, waarbij hij ook Prins Marko had +uitgenoodigd. Zij joegen drie dagen, zonder in het woud op de hellingen +van het gebergte op wild te stooten. Maar zie, daar zagen zij eensklaps +een groen meer, waarop een vlucht wilde eenden zwom! De vizier liet +zijn valk los en beval hem neer te schieten op een goudgevleugelden +eend. De valk was echter niet eens in de gelegenheid den eend te zien, +zoo snel vloog deze naar de wolken; wat de valk betrof, die streek +op de takken van een pijnboom neer. + +Toen sprak Prins Marko tot den vizier: "Is het mij vergund, o vizier +Amouradh, mijn valk los te laten en te beproeven den goudgevleugelden +eend te vangen?" "Zeker moogt gij dat, Prins Marko," antwoordde +de vizier. + +Toen liet de koninklijke Prins Marko zijn valk los en de vogel steeg +omhoog naar de wolken, viel daar de prooi met gouden vleugels aan en +droeg haar omlaag naar den voet van den groenen pijnboom. + +Toen de valk van Amouradh dit zag, werd hij zeer opgewonden, en zijn +natuur getrouw, trachtte hij den buit van den anderen te grijpen; +hij wendde zich met een heftige beweging naar zijn mededinger en +beproefde den eend uit zijn klauwen te trekken. Maar de valk van Marko +was buitengewoon dapper, ook in dit opzicht zijn meester waardig en +wilde zijn welverdiend zegeteeken aan niemand afstaan dan aan zijn +meester. Daarom verzette hij zich vinnig tegen den valk van Amouradh +en trok heftig aan diens trotsche veeren. + +Toen de vizier dit zag, werd hij ook opgewonden en stormde in groote +woede naar de strijdenden en slingerde den valk van Prins Marko +driftig tegen een pijnboom, zoodat zijn rechter vleugel brak. Daarna +steeg hij met zijn volgelingen te paard en rende weg van het tooneel +van zijn gewelddaad. + +De edele valk weeklaagde, toen hij op den grond lag, van pijn, en Prins +Marko kwam spoedig naar hem toe en drukte hem tegen zijn borst, want +hij hield heel veel van hem. Daarna verbond hij teeder zijn gewonden +vleugel en sprak den vogel geroerd toe: "Wee u en mij, mijn valk, +dat wij gingen jagen met den Turk zonder onze dierbare Serviërs, +want de Turk moet steeds de rechten van anderen schenden!" + +Nadat hij den vleugel van den valk had verbonden, sprong Marko op +Sharatz en rende door het bosch zoo snel als een veela. Weldra had +hij den berg achter zich gelaten en zag hij de vluchtende Turken voor +zich. De vizier wendde zich om in het zadel en zag, dat Marko hen +op eenigen afstand volgde, waarom hij aldus zijn twaalf metgezellen +aansprak: "Gij, mijn kinderen--gij, twaalf dappere helden; ziet +gij gindschen bergnevel naderen, die den koninklijken Prins Marko +omhult? Hoort, hoe geweldig hij zijn Sharatz aanzet. God alleen weet, +wat ons boven het hoofd hangt!" + + + +De wraak van Marko. + + +Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of Prins Marko was reeds +bij hen, terwijl hij zijn glinsterend zwaard zwaaide. Onmiddellijk +verspreidden de twaalf Turken zich als een zwerm musschen, die +verschrikt werden door een roofvogel. Marko viel den vizier aan, +en kliefde met zijn sabel zijn hoofd. Daarna achtervolgde hij de +twaalf krijgslieden; elk hunner hieuw hij, door hun Turksche sjerp +heen, doormidden. + +Daarna stond hij een oogenblik in twijfel: "O, wat moet ik nu +doen? Moet ik naar den Sultan te Yedrenet gaan, of deed ik misschien +beter terug te keeren naar mijn witte kasteel te Prilip?" + +Na lang beraad kwam hij tot het besluit, dat het beter zou zijn naar +den Sultan te gaan en zelf verslag te doen van wat er was gebeurd, dan +zijn vijanden gelegenheid te geven hem te belasteren bij den Padishah. + +Toen Prins Marko te Yedrenet kwam, werd hij onmiddellijk in de +raadszaal door den Sultan ontvangen. + +Een dichter zegt in de beschrijving van Marko's oogen, dat ze even +helder en wreed waren als die van een hongerigen wolf; en de Sultan +werd verschrikt door het bliksemend licht, dat er uit straalde. Hij +achtte het verstandig geen hoogen toon aan te slaan en zei daarom +vriendelijk tot den held: "O, mijn lieve zoon Marko, waarom zijt gij +heden zoo verstoord? Hebt gij misschien gebrek aan goud?" + +Prins Marko vertelde den Sultan, wat gebeurd was met zijn vizier +Amouradh; geen enkele bijzonderheid hield hij voor zich. Toen hij +zijn verhaal geëindigd had, schudde de Sultan van het lachen en stelde +Prins Marko gerust: "Dat slechts zegeningen uw deel zijn, mijn lieve +zoon Marko!" zei hij. "Indien gij u anders hadt gedragen, dan zou +ik u niet mijn zoon genoemd hebben. Iedere Turk kan vizier worden, +maar er is geen held, die zich met Marko meten kan!" Bij deze woorden +stak de Sultan zijn hand in zijn met zijde gevoerden zak; haalde er +een beurs met duizend dukaten uit en bood haar Prins Marko aan met de +woorden: "Neem dit aan als een gift van mij, o liefste zoon Marko, +drink wat wijn en ga in vrede!" Marko was gansch niet ongeneigd de +beurs te aanvaarden en verliet de raadszaal. + +Het was echter geen vriendelijkheid, die den Sultan tot deze schijnbare +edelmoedigheid jegens Marko dreef; integendeel, hij was buitengewoon +bang voor hem en verlangde slechts naar zijn spoedig vertrek. + + + +Prins Marko en Moussa Kessedjiya [39]. + + +Moussa Arbanass [40] dronk op zekeren dag wijn in een witte herberg +in Istamboel. Toen hij vrij veel had gedronken, sprak hij aldus: +"Het zal nu ongeveer negen jaar geleden zijn, dat ik in dienst trad +van den sultan te Istamboel; toch heeft hij mij nimmer een paard, +noch wapenen, noch een fluweelen mantel gegeven! Op mijn woord, ik +zal tegen hem opstaan. Ik zal naar de kust gaan, op de schepen in +de havens beslag leggen en al de wegen bezetten, die er heen leiden: +en dan zal ik voor mij zelf een koula bouwen, waarom heen ik galgen +zal oprichten met ijzeren haken, en daaraan zullen zijn hodja's +(priesters) en hadji's (pelgrims) hangen." + +De bedreigingen, die de Albanees in zijn dronkenschap uitte, voerde +hij ook werkelijk uit, toen hij zijn roes had uitgeslapen. Hij werd +een opstandeling, nam bezit van de zeehavens en de hoofdwegen, nam +de rijke kooplieden gevangen en beroofde hen en hing de hodja's en +hadji's van den Sultan op. Toen de Sultan van al deze wandaden hoorde, +zond hij den groot-vizier Tyouprilitch met drie duizend manschappen uit +om Moussa te onderwerpen. Maar, helaas! Nauwelijks had het Turksche +leger de kust der zee bereikt, of Moussa joeg het uiteen en nam den +groot-vizier gevangen. Hij bond hem aan handen en voeten en zond hem +aldus naar zijn heer te Istamboel terug. + +Nu vaardigde de Sultan in wanhoop een proclamatie uit over geheel zijn +uitgestrekt rijk, waarin hij ontzaglijke rijkdommen beloofde aan den +ridder, die den oproerling zou overwinnen. Menig dapper ridder trok +uit om den oproerling te bevechten, maar helaas, niet een keerde naar +Istamboel terug om het beloofde goud op te eischen! Deze vernedering +bereidde den Sultan onuitsprekelijk veel verdriet en zorg. + +Eindelijk kwam de groot-vizier Tyouprilitch tot hem en zei: "Sire, +roemrijke Sultan! Indien wij nu slechts den koninklijken Prins Marko +bij ons hadden! Hij zou Moussa, den Bullebak, zeker overwinnen!" + +"O, martel mijn ziel niet door over den vorstelijken ridder Marko te +spreken! Zijn beenderen moeten reeds lang verbleekt zijn, want er +zijn op zijn minst drie jaren voorbij gegaan, sinds ik hem in mijn +donkersten kerker wierp, waarvan de deur stevig gesloten bleef." + +Daarop vroeg de vizier: "Genadig heer, wat zoudt u den man geven, +die Marko levend in uw tegenwoordigheid bracht?" En de machtige +Sultan antwoordde: "Ik zou hem het vizierschap over Bosnië geven met +de belofte daar negen jaar te mogen blijven, zonder teruggeroepen +te worden en ik zou zelfs geen dinar vragen van de inkomsten en +belastingen, die hij mocht verzamelen." + + + +Er wordt om Marko gezonden. + + +Dit hoorende spoedde de sluwe vizier zich naar de gevangenis, opende +de deur van den kerker, haalde er den koninklijken Prins Marko uit en +leidde hem voor den Sultan. Het haar van Marko was zo lang geworden, +dat het tot den grond reikte. Op de helft sliep hij 's nachts, terwijl +hij zich met de andere helft bedekte. Zijn nagels waren zoo lang, +dat hij er mede kon ploegen, door het vocht en het vuil van den kerker +was hij zoo veranderd, dat hij zoo zwart leek als een zwarte steen. + +Toen de Sultan hem zag, riep hij uit: "Leeft gij nog, Marko?" "Ja ik +leef nog, maar kan nauwelijks mijn ledematen gebruiken," antwoordde +de held. + +De sultan ging voort en vertelde Marko van de wandaden van Moussa +en vroeg hem: "Zoudt gij in staat zijn, o, Marko, naar de zeekust +te gaan en Moussa Kessedjiya te dooden? Indien gij dat wildet doen, +zou ik u graag zooveel geld geven, als gij maar wenschen kunt." + +Hierop antwoordde Prins Marko: "Helaas, o Sire, de vochtigheid van den +steenen kerker heeft mijn ledematen verlamd en mijn oogen verzwakt. Hoe +zou ik het wagen met Moussa een tweegevecht aan te gaan? Maar +indien gij wilt, dat ik die heldendaad onderneem, verleen mij dan +gastvrijheid in een goede herberg, voorzie mij van een overvloed van +wijn en brandewijn, vet schapenvleesch en goed wit brood; misschien, +dat ik dan weer mijn krachten terug krijg. Ik zal het u doen weten, +zoodra ik mij in staat voel een tweegevecht aan te gaan." + +Toen hij dit vernam, riep de Sultan eenige dienaren om Marko te +wasschen, zijn haar te knippen, hem te scheren en zijn nagels te +knippen. Daarna liet hij hem met eerbewijzen brengen naar de Nieuwe +Herberg, waar alles, wat hij begeeren kon, in overvloed aanwezig was. + +Marko bleef drie maanden in de herberg, at en dronk vol ijver en zoo +was hij reeds vrijwel op krachten gekomen, toen de Sultan hem vroeg: +"Voelt gij u thans in staat Moussa te overwinnen, want mijn arme +onderdanen zenden mij onophoudelijk klachten over dien vervloekten +roover?" + +En Marko antwoordde den Sultan aldus: "Laat mij een stuk volkomen droog +hout van een mispelboom brengen, dat negen jaar geleden afgehouwen is, +opdat ik mijn kracht beproeve!" Toen het stuk hout gebracht werd, +nam Marko het in zijn rechterhand en drukte het zoo hard samen, +dat het in drie stukken brak. "Op mijn woord, Sire, mijn tijd is nog +niet gekomen; het tweegevecht met zulk een gevaarlijk tegenstander +als Moussa durf ik nog niet aan!" + +Dus bleef Marko nog een maand in de Nieuwe Herberg, etende, drinkende +en rustende, totdat hij zich wat sterker voelde. Daarna vroeg hij +weer om een droog stuk van een mispelboom. Toen het hout hem werd +gebracht, drukte hij het met zijn rechterhand samen, totdat het in +stukken brak en nu kwamen er twee druppels water uit. Toen zei Marko +tegen den Sultan: "Sire, nu ben ik gereed het tweegevecht aan te gaan." + + + +Marko bestelt een zwaard. + + +Marko ging regelrecht van het paleis naar Novak, den beroemden +wapensmid. "Maak mij een mooier zwaard dan gij ooit vervaardigd +hebt, o, Novak!" zei Marko en hij gaf den wapensmid dertig dukaten +en ging naar de herberg. Daar bleef hij om de paar volgende dagen te +besteden aan het drinken van rooden wijn en keerde toen bij den smid +terug. "Zijt gij met mijn zwaard gereed, o Novak?" + +De wapensmid bracht het zwaard en gaf het aan Marko, die vroeg: +"Is het goed?" + +"Daar is het zwaard en hier is het aambeeld; daarop kunt gij de +hoedanigheid van uw zwaard beproeven?" antwoordde Novak rustig. + +Daarop hief Marko zijn zwaard op en sloeg er zoo hard mede op het +aambeeld dat hij dat recht door midden hakte. + +"O Novak de wapensmid, zeg mij naar waarheid,--en moge God u +helpen--hebt gij ooit een beter zwaard gemaakt?" + +En Novak antwoordde: "Daar gij den naam van den waren God aanroept, +moet ik u in alle oprechtheid antwoorden, dat ik eens een beter zwaard +heb gemaakt; ja, en dat was ook voor een beter krijgsman. Toen Moussa +een oproerling werd en zich naar de zeekust begaf, beval hij mij een +zwaard te maken, waarmede hij recht door het aambeeld sneed evenals +gij hebt gedaan en eveneens door den eikenstronk, waarop het stond." + +Dit maakte Marko woedend. + +"Houd uw hand op, Novak, opdat ik u kan betalen voor mijn +zwaard!" Nauwelijks had de man zijn rechterarm uitgestoken, of Marko +sloeg dien met een snelle beweging tot bij den schouder af. + +"Nu, o Novak, kunt gij van dezen dag af geen beter, noch een +slechter zwaard maken dan het mijne! En neem deze honderd dukaten +voor belooning." + + + +Marko ontmoet Moussa. + + +Toen besteeg Marko zijn Sharatz en reed naar de zee, den geheelen weg +langs vragende, waar hij Moussa zou kunnen vinden. Op zekeren morgen +heel vroeg reed hij de engte van Katchanik in, waar hij eensklaps +Moussa Kessedjiya zag, die bedaard op zijn zwarte paard zat met +gekruiste beenen en zijn knots naar de wolken wierp en weer met zijn +rechterhand opving. Toen de twee ridders elkaar ontmoetten, zei Marko +tegen Moussa: "Ridderlijke Moussa, ga terzijde en laat het pad vrij +voor mijn Sharatz om voorbij te gaan! Ga terzijde of buig voor mij!" + +Hierop antwoordde Moussa: "Ga rustig verder, Marko, begin geen +twist. Nog beter, laat ons afstijgen en samen wat gebruiken. Ik zal +nooit terzijde gaan om plaats voor u te maken. Ik weet heel goed, +dat gij geboren werd uit een koningin in een paleis en op zijden +kussens werd gelegd. Ongetwijfeld wikkelde uw moeder u in zuivere +zijde, en maakte zij de zijde vast met gouden draden en gaf u honig +en suiker; mijn moeder was een arme Albaneesche, en ik werd geboren +op de koude rotsen naast de schapen, die zij hoedde; en zij wikkelde +mij in ruwe, zwarte stof en bond die om mij heen met doornentakken; +zij voedde mij met havermeel--en zij liet er mij een eed op doen, dat +ik nooit voor iemand opzij zou gaan." Dit hoorende wierp Marko van +Prilip zijn speer naar de borst van Moussa, maar de woeste Albanees +ving die met zijn krijgsknots op, ze schampte af, en suisde hoog +boven zijn hoofd. Toen trok Moussa zijn eigen speer en mikte op de +borst van Marko. Maar de koninklijke held ving ze op zijn knots op +en ze brak in drie stukken. Zij trokken nu beiden hun zwaard uit de +scheede en vielen op elkaar aan. Marko deed een krachtigen uitval, +maar Moussa stelde zich met zijn knots te weer en Marko's zwaard was +verbrijzeld. Onmiddellijk hief Moussa zijn eigen zwaard op, om zijn +tegenstander te raken, maar Marko ving den slag op dezelfde manier +op en het wapen brak bij het gevest af. Daarna bewerkten zij elkaar +met hun knotsen, totdat ook deze braken. Toen stegen zij af en grepen +elkaar met groote woestheid aan. De beroemde helden stonden elkaar, +de ridderlijke Moussa en de koninklijke Marko. Moussa kon Marko niet +ter aarde krijgen en Marko kon Moussa niet overwinnen. Een ganschen +zomermorgen worstelden zij met elkaar. Ongeveer op het middaguur +kwam wit schuim op de lippen van Moussa en Marko's lippen waren bedekt +met schuim en bloed. + +Toen riep Moussa uit: "Werp mij neer o, Marko! of indien gij dat niet +kunt, laat mij u dan neerwerpen!" + +Marko deed al zijn best, maar zijn pogingen waren vergeefs. Toen +Moussa dit zag, spande hij zijn laatste krachten in, hief Marko van den +grond op, wierp hem in het gras en drukte zijn knieën op zijn borst. + +Marko riep, toen hij zag in welk gevaar hij zich bevond: "Waar zijt +gij nu, mijn zuster-in-God, gij veela? Waar zijt gij heden,--dat gij +geen oogenblik langer leven moogt! Nu zie ik, dat uw eed valsch was, +toen gij mij zwoert, dat gij mij in gevaar zoudt bijstaan!" + +Toen verscheen de veela van achter de wolken en zei: "O, mijn broeder, +koninklijke Prins Marko! Zijt gij mijn woorden vergeten: Ik heb u +gezegd, dat gij nooit op Zondag zoudt vechten? Ik kan u niet helpen, +want het zou niet eerlijk zijn, dat twee tegen een streden. Waar zijn +uw verborgen dolken?" + +Moussa wierp een blik naar de wolken om te zien, vanwaar de stem kwam +en dit was zijn ongeluk, want Marko maakte van dat oogenblik gebruik, +trok een verborgen degen en sneed met een plotselingen stoot Moussa's +lichaam open van zijn middel tot zijn nek. + +Marko maakte zich met moeite los uit de omhelzing van den +afzichtelijken Moussa en daar het lijk op den rug lag, zag de Prins +door de gapende wond, dat zijn tegenstander drie rijen ribben had +en drie harten. De wanden van een der harten waren ingevallen, een +ander klopte nog heftig, op het derde ontwaakte juist een slang, en +toen deze Marko zag, siste ze tegen Marko: "Dank God, o koninklijke +Prins Marko, dat ik sliep, terwijl Moussa leefde, want een drievoudig +ongeluk zou u anders getroffen hebben!" + +Toen Marko dit hoorde, stroomden de tranen langs zijn wangen en hij +jammerde: "Helaas! Genadige God, vergeef mij, ik heb een beter ridder +gedood dan ik ben!" + +Daarna sloeg hij het hoofd van Moussa af met zijn zwaard, stak het +in den voederzak van Sharatz, en keerde zegevierend naar Istamboel +terug. Toen hij het hoofd van Moussa voor den Sultan wierp, was +deze vorst zoo ontsteld, dat hij opsprong "Vrees den doode niet, +o genadig Sultan! Indien gij reeds verschrikt zijt bij het zien van +Moussa's hoofd, wat zoudt gij dan wel gedaan hebben, indien gij hem +levend had ontmoet?" + +De Sultan gaf drie tovars goud aan Marko, die naar zijn kasteel te +Prilip terugkeerde. + +Wat Moussa de Bullebak betrof, hij bleef op den top van den berg +Katchanik. + + + +De dood van Prins Marko. + + +Vroeg in den morgen, op een rustdag, reed Prins Marko langs het +strand. Hij volgde een rijpad, dat langs de hellingen van den berg +Ourvinia voerde, en toen hij bijna den top had bereikt, struikelde +zijn getrouwe Sharatz plotseling en begon tranen te storten. Zijn +gekerm trof Marko's hart en hij sprak zijn lieveling aldus aan: +"Eilaas! lieve Sharo, mijn dierbaarste schat! Zie! wij hebben samen +gelukkig geleefd gedurende vele zomers, als trouwe makkers; tot nu +toe zijt gij nooit gestruikeld en heden schreien uw oogen voor het +eerst: God alleen weet, welk lot ons wacht, maar ik weet, dat dit het +teeken is, dat uw leven of het mijne in groot gevaar verkeert en dat +een van ons veroordeeld is te sterven." + +Toen Marko aldus tot zijn Sharatz gesproken had, riep de veela van +den berg Ourvinia tot hem: "Mijn lieve broeder-in-God! O, koninklijke +Prins Marko! Weet gij, niet mijn broeder, waarom uw paard struikelt? Uw +Sharatz heeft verdriet om u, zijn meester. Weet, dat gij binnen kort +van hem zult scheiden!" + +Marko antwoordde: "O, gij witte veela! Dat uw keel u pijnige om deze +uwe woorden: Hoe zou ik in deze wereld ooit gescheiden kunnen leven +van Sharatz, die mij door menig land en menige stad gedragen heeft +van den ochtend totdat de zon onderging; geen beter ros betrad onze +aarde dan Sharatz. Zoolang mijn hoofd op mijn schouders rust, wil ik +nooit gescheiden zijn van mijn geliefd paard!" + +En weer riep de veela: "O, mijn broeder, koninklijke Prins Marko, +er is geen kracht, die u uw Sharatz ontrukken kan; gij kunt niet +sterven door het blinkend zwaard van eenig held of de strijdknots +of de speer van een krijgsman; gij vreest geen held op aarde--maar, +helaas! gij moet sterven, o, Marko! De dood, de oude vernietiger, +zal u treffen. Indien gij mij niet wilt gelooven, spoed u dan naar +den top van den berg, kijk naar rechts en naar links en gij zult twee +hooge pijnboomen zien, bedekt met nieuwe, groene naalden, en die zich +hoog verheffen boven de andere boomen van het bosch. Tusschen die +pijnboomen bevindt zich een bron; stijg daar af en bindt uw Sharatz +aan een der pijnboomen; buig u dan neer en de bron zal uw gelaat +weerspiegelen. Zie, en gij zult weten, wanneer de dood u wacht!" + + + +Marko verneemt zijn lot. + + +Marko volgde de aanwijzingen van de veela, en toen hij op den top +van den berg kwam, keek hij naar rechts en naar links, en werkelijk, +hij zag de twee hooge, rechte pijnboomen, juist zooals zij ze hem had +beschreven; en hij deed alles, wat zij hem had geraden te doen. Toen +hij in de bron keek, zag hij zijn gelaat weerspiegelen in het water; +en zie zijn lot was geschreven op de oppervlakte ervan! + +Toen stortte hij vele tranen, en sprak aldus: "o gij bedriegelijke +wereld, eens mijn feeënbloem! Gij waart liefelijk--maar ik vertoefde +te korten tijd bij u: ternauwernood drie honderd jaar! Het uur om +te vertrekken is voor mij gekomen!" Daarna trok hij zijn zwaard +en spoedde zich naar Sharatz; met een houw sloeg hij het dier den +kop af. Nooit zou hij door een Turk worden bestegen; nooit zou een +Turksche last op zijn schoften drukken; nooit zou hij de dyugoom [41] +dragen van de put voor den gehaten Muzelman! + +Nu groef Marko een graf voor zijn getrouwen Sharatz en begroef hem +met meer eer dan hij Andreas, zijn eigen broeder, had begraven. + +Daarna brak hij zijn zwaard in vieren, opdat het niet in de handen +van een Muzelman zou vallen, en opdat de Turk het niet zou zwaaien +met iets van zijn eigen kracht, waardoor de vloek van het christendom +op hem zou neerdalen. Daarna brak Marko zijn lans in zeven stukken en +wierp die in de takken van den pijnboom. Toen nam hij zijn ontzettenden +knots in zijn rechterhand en wierp dien van den berg Ourvinia ver in de +donkere safieren zee met de woorden: "Als mijn knots terug keert uit +de diepten van den oceaan, dan zal er een held komen, zoo groot als +Marko!" Toen hij zich aldus van al zijn wapenen ontdaan had, nam hij +uit zijn gordel een gouden tablet, waarop hij deze mededeeling schreef: +"Aan hem, die over dezen berg gaat en aan hem, die de bron zoekt bij de +pijnboomen en het lijk van Marko vindt: Weet, dat Marko dood is. Hier +zijn drie beurzen, gevuld met gouden dukaten. De eene zal Marko's gift +zijn voor hem, die zijn graf delft; de tweede zal gebruikt worden om +kerken te versieren; het goud in de derde zal verdeeld worden onder +de blinden en verminkten, opdat zij in vrede door het land mogen +trekken en in hun liederen Marko's roemrijke heldendaden prijzen!" + +Toen Marko dit geschreven had, bond hij het tablet aan een tak, opdat +het door de voorbijgangers gezien kon worden. Hij spreidde zijn mantel +uit op het gras onder de pijnboomen, maakte het teeken des kruises, +trok zijn bonten muts over zijn oogen en ging liggen...... + + + +Hoe Marko gevonden werd. + + +Het lijk van Marko bleef naast de bron liggen, totdat een geheele +week voorbij was gegaan. Ondertusschen kwam menig reiziger langs het +breede pad en zag den ridderlijken Marko, maar allen meenden, dat hij +sluimerde en bleven op een veiligen afstand, uit vrees den slapenden +held te wekken. Geluk is de geleider van ongeluk, evenals ongeluk +dikwijls tot geluk voert; en het gebeurde, dat Vasso, de igouman +(abt) van den berg Athos, dien weg ging, toen hij naar de witte kerk +Vilindar reed, vergezeld van den jeugdigen Issaya, zijn dienaar. Toen +de igouman Marko zag, wenkte hij Issaya, "O, mijn zoon!" zei hij, +"wees voorzichtig, opdat gij den held niet wekt, want Marko is +woedend, als hij gestoord wordt en zou ons vernietigen." Daarna keek +hij angstig rond en zag het opschrift, dat Marko boven zijn hoofd +had bevestigd. Hij kwam omzichtig nader en las de boodschap. Toen +steeg hij haastig van zijn paard en greep Marko's hand, maar de held +bewoog niet! De tranen stroomden Vasso uit de oogen en hij bejammerde +luid het lot van Marko. Na een poosje nam hij de drie beurzen uit den +gordel van den beid en stopte ze in zijn eigen gordel. Lang peinsde +hij erover, waar hij Marko zou begraven; eindelijk legde hij het lijk +van den held op zijn paard en bracht het naar de kust. Weldra kwam +hij veilig aan de witte kerk Vilindar en nadat hij de gebruikelijke +liederen had gezongen en die ceremoniën had verricht, die er bij +pasten, begroef hij Marko's lijk in het midden van de kerk. + +Daar begroef de bejaarde igouman Marko, maar hij plaatste geen monument +op het graf, opdat geen vijanden de plaats, waar de held begraven lag, +zouden kunnen ontdekken en wraak nemen op den doode. + + + + + +HOOFDSTUK V: BANOVITCH STRAHINYA. + + + +Historische data. + + +De ballade, die op Banovitch Strahinya betrekking heeft, is een van +de mooiste en beroemdste, die de naamlooze barden van de middeleeuwen +voortbrachten. De schrijver was waarschijnlijk een dienaar van een +van Banovitch' afstammelingen en benutte een paar historische en +biografische data, die hij gevonden moet hebben in de manuscripten, +welke aan zijn heer toebehoorden of die zich bevonden in de andere +kasteelen, die hij nu en dan bezocht. + +Prins Ourosh (van de dynastie der Nemany's) huwde met Helene, een +Fransche prinses van het huis de Courtenay en door haar onderhield +hij vriendschappelijke betrekkingen met het Fransche hof van Karel +van Anjou in Napels. Hiervan maakte hij gebruik om te onderhandelen +over een verdrag tusschen Serviërs en Franschen ter verdeeling van +het Byzantijnsche rijk. + +Eenige Servische historici zijn de meening toegedaan, dat Banovitch +Strahinya werkelijk de doorluchtige Strashimir Balshitch-Nemanyitch +was, die te zamen met zijn twee broers van 1360-1370 in Skadar, de +hoofdstad van Noord-Albanië, regeerde en een afstammeling was van de +oude Provencaalsche familie des Baux. + +In de eerste geschriften, waarin hij voorkomt, is de naam Baux +gelatinizeerd en werd dus Balcius, terwijl de leden der familie, die +aan het Hof te Napels verkeerden, hun naam in Italiaanschen vorm goten +en zich Balza noemden. Verder veronderstelt men, dat deze Seigneurs +des Baux, die den Italiaanschen naam aannamen, door huwelijk met het +koninklijk huis van Nemanyitch vermaagschapt werden. + +Bij hun vestiging in Servische landen veranderden zij hun geslachtsnaam +dan in Balsha of Balshitch--itch of ich of ic is de eigenaardige +uitgang van de meeste Servische namen. + +Skadar was in dien tijd nog de hoofdstad van Zeta (het Montenegro +van de moderne tijden). De dappere Nicholas I Petrovitch, de +tegenwoordige koning van Montenegro, stamt uit een zijlinie van +Balshitch af. Deze werd door de Groote Mogendheden genoodzaakt de stad +te ontruimen, nadat hij ze dank zij den heldenmoed van zijn troepen +veroverd had. Overal, het geheele koninkrijk door, improviseeren +de Servische barden balladen, waarin zij voor volgende geslachten +de droeve gebeurtenissen van den tegenwoordigen tijd bewaren, gelijk +hun voorouders dat deden met de heldendaden van Strahinya. Maar laat +ons terugkeeren naar de geschiedenis van Banovitch, zooals die in de +oude ballade wordt gegeven. + + + +De Valk Banovitch. + + +In de eerste verzen beschrijft de bard den held en looft hem als "een +valk zonder wederga." Hij vertelt van de bevelen door Banovitch aan +zijn dienaren en pages gegeven met betrekking tot de voorbereidselen, +die voor hem zelf getroffen moeten worden; voor zijn getrouw paard +Dyogo, en den hazewind Caraman, zijn onafscheidelijken metgezel. Hij +gaat echter niet op jacht; hij is voornemens den bejaarden Youg Bogdan +te bezoeken en is gekleed in louter zijde en fluweel, prachtig met +goud geborduurd. + +Bogdan, zijn geliefde schoonvader, resideert in zijn weelderig +kasteel in Kroushevatz. De oude man verheugde er zich in hem te +zien. Zijn negen zoons en hun vrouwen, evenals de schoonzoons van +Bogdan, waarvan er een in rechte lijn van koning Nemanya afstamde, +begroetten hem hartelijk. + +Terwijl zij aan het feestvieren waren, werd er een brief gebracht van +de moeder van Banovitch, waarin zij hem mededeelde, dat zeer talrijke +Turksche horden op de vlakte van Kossovo gekampeerd waren. Strahinya +greep den brief en las met ontzetting den vloek zijner moeder: "Wee u +en uw feestvreugde in het vervloekte kasteel van den vader uwer vrouw!" + +In den brief werd verder medegedeeld, dat een hoofdman, Vlah-Ali, +een even trotsch als hooghartig man, en onafhankelijk niet alleen +van Mehmed, den groot-vizier, maar ook van Sultan Amouradh zelf, +zijn kasteel had aangevallen, veroverd en geplunderd, zijn bedienden +gevangen genomen en zijn vrouw had meegenomen naar zijn tent op een +berg bij de vlakte van Kossovo, waar zij naar het scheen zonder +eenigen tegenzin bleef. Youg Bogdan, die de smart van Strahinya +opmerkte, vroeg hem ongerust of er iets niet in orde was, of hem +iets in zijn kasteel ontbrak, of een van zijn familieleden hem had +beleedigd. Banovitch dankte zijn schoonvader en verzekerde hem, dat +een geheel ander ongeluk hem bedroefde, waarop hij den brief hardop +voorlas. Banovitch verzocht Youg Bogdan zijn zoons toe te staan hem +te vergezellen naar de vlakte van Kossovo, daar hij besloten was zijn +vrouw te redden uit de handen van den vijand. Maar Youg Bogdan, die van +oordeel was, dat het slechts dwaasheid zou zijn, indien zoo weinigen +duizenden bloeddorstige Turken tegemoet traden, raadde Banovitch met +klem aan de gedachte te laten varen. Hij beloofde zelfs een mooiere +bruid voor hem te zoeken, die hem meer waardig zou zijn dan zijn eigen +ontrouwe dochter. Maar Strahinya bleef bij zijn besluit en overtuigd +van het gemis aan ridderlijkheid bij zijn schoonvader, spoedde hij +zich naar de stallen, weigerde, zoo groot was zijn minachting, de +hulp van Bogdans bedienden, zadelde Dyogo en steeg onmiddellijk op +en reed vol verontwaardiging en droefheid weg. Toen hij het plein +afreed, herinnerde hij zich plotseling Caraman, daarom floot hij en +onmiddellijk snelde Caraman naar zijn meester en troostte hem. + + + +Banovitch zoekt den Turk. + + +Zoo reed Banovitch over velden en over bergen recht naar Kossovo +met moed en blijheid, want zijn hond was hem zelfs nog dierbaarder +dan zijn paard. Te Kossovo gekomen zag hij de vlakte bedekt met +tenten en soldaten, en toen hij er naar keek, voelde hij iets als +vrees in zich; maar ondanks dat riep hij den naam van den waren God +aan, en vermomd als een Turk doorkruiste hij de vlakte. Gedurende +verscheidene dagen zocht hij, maar helaas! te vergeefs, de tent van +Vlah-Ali. Eindelijk, aan de oevers van de Sitnitza gekomen, zag hij +een ruime, groene tent. Op de middenpaal glinsterde een gouden appel; +voor den ingang stond een Arabisch paard en trappelde vurig met zijn +voorpooten op den grond. Strahinya meende stellig, dat dit de tent +moest zijn van Vlah-Ali en hij zette zijn Dyogo krachtig aan. In een +oogenblik had hij de tent bereikt met zijn lans in de hand en schoof +stoutmoedig het zijden gordijn terzijde, dat den ingang bedekte. Tot +zijn teleurstelling zag hij, dat de eenige aanwezige in de tent een +oude derwisch was met een witten baard, die hem tot aan de knieën +reikte. De oude man dronk wijn, iets wat hem verboden was door de +wetten van zijn orde, en hij beantwoordde den groet van Strahinya, +die goed Turksch sprak, met een diepen salaam. Toen zei de derwisch +tot verbazing van Strahinya: "Heil u! o Banovitch Strahinya, heer +van Klein Banyska bij Kossovo!" + +Banovitch werd er eenigszins door van zijn stuk gebracht, maar hij +liet dit zoo weinig mogelijk blijken en vroeg: "Wie is de man, die +gij Banovitch Strahinya hebt genoemd?" De halfdronken derwisch lachte +luid. "Gij kunt mij niet misleiden," zei hij, "ik zou u onmiddellijk +herkennen, al ontmoette ik u op den top van den berg Goletch." Toen +vertelde hij Banovitch, hoe hij enkele jaren geleden in zijn kasteel +gevangen had gezeten en zeer menschelijk behandeld was geworden, +zelfs dagelijks een zekere hoeveelheid wijn had ontvangen. + +Tenslotte had Banovitch hem naar zijn land laten terugkeeren om zijn +losgeld te verzamelen. Toen hij zijn tehuis bereikte, bemerkte hij, dat +zijn bezittingen door den Sultan waren verbeurd verklaard en zijn huis +en andere eigendommen aan de dochters van Pasha's als huwelijksgift +waren gegeven. Alles was woest en verlaten; hij had zijn fortuin +verloren--en, voegde hij er bitter aan toe, dientengevolge al zijn +vrienden--daarom had hij zich genoodzaakt gezien naar Yedrenet [42] te +rijden, om daar zijn diensten aan den Sultan aan te bieden. De vizier, +vervolgde hij, vertelde den Sultan, dat hij er uitzag, alsof hij meer +dan waarschijnlijk een goed soldaat zou zijn, waarop de Sultan hem +goede kleeren en betere wapens had gegeven en de vizier liet zijn naam +schrijven op den rol der krijgslieden, die gezworen hadden om voor den +Sultan te vechten. "Nu", vervolgde hij, "bezit ik geen dinar meer, stel +mij, bid ik u, in de gelegenheid weer een vermogend man te worden." + +Strahinya was diep getroffen door het ongeluk van den derwisch; hij +steeg van zijn paard, omhelsde hem en sprak de volgende vriendelijke +woorden tot hem: "Gij zijt mijn broeder-in-God! Ik schenk u graag +uw losgeld kwijt, en zal u nooit een dinar vragen; dat kunt gij +mij echter vergelden: Ik zoek nu den hooghartigen Vlah-Ali, die +mijn kasteel verwoestte en mij mijn vrouw ontroofde! Zeg mij, +o bejaarde derwisch! Waar kan ik mijn vijand vinden? Ik smeek u +als mijn broeder-in-God de Turken niet in te lichten omtrent mijn +tegenwoordigheid hier, en niet toe te staan, dat zij mij met list +gevangen nemen." De derwisch was blij broeder-in-God te zijn van zulk +een dapper held als Strahinya en beloofde plechtig hem steeds trouw te +blijven en dat hij, al zou Strahynia ook de helft van het leger van +den Sultan vernietigen, hem nooit zou verraden; maar tegelijkertijd +trachtte hij Banovitch over te halen van zijn voornemen af te zien om +zulk een onoverwinnelijken en ontzettenden vijand aan te vallen, wiens +naam zelfs al voldoende was om de besten en braafsten met ontzetting te +vervullen. Hij beschreef hem uitvoerig het bloeddorstig karakter van +den onoverwinnelijken opstandeling van den Padishah en gaf Banovitch +ten slotte de verzekering, dat noch zijn scherp zwaard, noch zijn +vergiftige speer, noch zijn paard hem iets zouden baten, doch dat +de verschrikkelijke Vlah-Ali hem levend zou grijpen met zijn ijzeren +vuisten zijn ledematen in stukken zou breken en zijn oogen uitrukken. + +Strahinya lachte luid, toen hij dit hoorde. "O mijn broeder," zei hij, +"gij bejaarde derwisch! Gij behoeft mij niet te waarschuwen tegen +één krijgsman; het eenige, wat ik u verzoek, is niet het geheele +leger van den Sultan tegen mij op de been te brengen. Daar gij elken +avond en elken morgen uw paarden laat drinken aan de rivier Sitnitza, +moet gij weten, waar de doorwaadbare plaatsen zijn, en gij zoudt mij +het rijden door de modderige diepten kunnen besparen!" + +Hierop herhaalde de derwisch zijn eed, en riep uit: + + + Strahni-Bane, ti sokole Srpski! + Tvome Dyogu i tvome junashtvu + Svud su brodi, dyegody dodyesh vodi! [43] + + +Banovitch ging de rivier over en reed zonder haast naar den berg +Goletch. Hij was nog aan den voet van den berg, toen de ochtendzon +de vlakte van Kossovo bescheen, en de tenten en de wapenrustingen +der soldaten deed glinsteren. + + + +De trouwelooze echtgenoote. + + +Wat deed de machtige Vlah-Ali, toen de dageraad kwam? De gewoonte van +den Turk was den slaap slechts te zoeken bij zonsopgang. "Hoe dierbaar +zijn nieuwe slavin, de echtgenoote van Strahinya, hem was," verhaalt de +bard, "kan men begrijpen, als ik vertel, dat hij zijn oogen sloot met +zijn hoofd op haar ivoren schouder." De trouwelooze vrouw sliep niet; +door de deur der tent keek zij over het slapende kamp. Plotseling +wekte zij haar nieuwen heer en wees met schrik naar de gestalte van +een naderend ruiter, in wien zij haar waren echtgenoot had herkend. + +Eerst lachte de Turk over haar angst en zei, dat het slechts een +gezant van den Sultan kon zijn. + +"Waarlijk," zei hij, aanstalten makend om weer te gaan rusten, +"Strahinya zal het niet wagen de tent te naderen!" + +Spoedig werd Vlah-Ali weer door zijn gezellin gewekt, die hem zei, +dat de ruiter geen boodschapper van Amouradh was, maar haar eigen +echtgenoot, Banovitch Strahinya zelf, en zij waarschuwde Vlah-Ali, +dat hij in levensgevaar verkeerde. + +Nu sprong de machtige Vlah-Ali op, bond een lange, zijden sjerp om, +bevestigde daarin een scherpe, glinsterende yataghan, gordde snel +zijn blinkend zwaard om, en zat weldra stevig in zijn zadel. + + + +Het gevecht. + + +Een oogenblik later verscheen Banovitch, en de ontzettende strijd +tusschen de twee kampioenen begon--helden van bijna dezelfde +vermaardheid, ofschoon niet van dezelfde kracht. + +Strahinya overlaadde zijn tegenstander met verwijten en schampere +woorden en Vlah-Ali antwoordde met even beleedigende termen. Maar +zij vochten niet alleen met woorden; Banovitch gaf Dyogo de sporen +en wierp met groote kracht zijn speer, die de machtige Turk in zijn +uitgestoken handen opving en in stukken brak. + +"O Strahinya," riep hij spottend, "gij noemt mij een lafaard. Weet +gij tegen wien gij spreekt? Hier is geen vrouw van uw Servisch land, +die door uw bedreigingen verontrust kan worden; gij hebt hier te +doen met den machtigen Vlah-Ali, die noch den Sultan, noch den +groot-vizier vreest, ja, zelfs niet de ontelbare horden, waarover +zij bevelen! Allen te zamen, zijn zij voor mij niets dan een zwerm +mieren!" Aldus sprekende, hield hij zijn forsch paard vlug in en zond +zijn speer fluitend door de lucht. Zoo recht ging zij op Strahinya's +borst af, dat hij zeker getroffen zou zijn, indien de rechtvaardige +God hem niet had geholpen. Dyogo, die gewoon was aan tweegevechten, +knielde snel en op het juiste oogenblik, zoodat het wapen van den +Turk over het hoofd van Banovitch vloog en tegen een rots stootte, +waar het in drie stukken brak. + +Nu hun speren vernield waren, grepen de verwoede krijgslieden naar hun +zware knotsen en snelden op elkaar toe. Hun slagen vielen dof en snel, +totdat Vlah-Ali Strahinya zoo geweldig raakte, dat hij verdoofd werd +en voor op den nek van Dyogo viel. Weer stond de ware God Strahinya +bij; zijn geliefd grijs paard, geoefend in zulke worstelingen, +bewoog zijn kop en nek zoo behendig, dat zijn meester terug viel in +het zadel. En nu raakte Strahinya op zijn beurt den schouder van +zijn tegenstander met groote kracht. Maar de machtige Turk bleef +oogenschijnlijk ongedeerd zitten, ofschoon de pooten van zijn paard +nu tot aan de knieën wegzonken in de zwarte aarde. + +En zoo ging het gevecht voort, totdat de strijders elkaars knotsen +braken en naar hun zwaard grepen in de hoop den strijd daarmee +spoediger te beslissen. Maar zie! Het zwaard van Banovitch was +geen gewoon wapen; twee sterke smeden hadden er een week aan +besteed om het te vormen, en het allerfijnste staal te smelten voor +het lemmet. De Turk deed een snellen houw naar zijn vijand, maar +Strahinya ving het glinsterend staal met zijn eigen kling op en het +zwaard was onmiddellijk gescheiden van het gevest. Dit verheugde +Banovitch zeer en woest op den Turk aandringend, beproefde hij nu +zijn tegenstander de armen af te hakken. Maar de helden waren tegen +elkaar opgewassen. Vlah-Ali beschermde zijn hoofd heel handig met het +overgebleven stompje van zijn zwaard, en stukje bij stukje brak hij +het wapen van zijn tegenstander weg, totdat beiden weer in dezelfde +omstandigheden verkeerden. Zij stegen nu af en grepen elkaar stevig +vast; zij zwoegden en worstelden met al hun kracht. + +Eindelijk riep Strahinya, voelende dat zijn krachten opraakten, +zijn vrouw toe het andere stuk van het zwaard van den Turk te nemen +en den strijd te beslissen door hetzij zijn hoofd, hetzij dat van +Vlah-Ali er mee te klieven. Daarop riep Vlah-Ali: "Mijn lieveling! O, +gij vrouw van Strahinya! Raak mij niet, maar raak liever Banovitch, +daar gij hem nimmer meer dierbaar kunt zijn; hij zal u steeds laken en +hoonen. Maar gij zult mij altijd zeer dierbaar zijn. Ik zal u geleiden +naar Yedrenet, dertig meisjes zullen daar zijn om u te bedienen, +om uw statiekleed te dragen en uw wijde mouwen. Met bonbons zal ik +u voeden en u met gouden dukaten bedekken van het hoofd tot de voeten!" + +Vrouwen zijn gemakkelijk te misleiden door mooie woorden; en zoo +sprong de vrouw van Strahinya op, raapte het scherpe lemmet van +den grond, en wikkelde het zorgvuldig in zachte zijde, want zij was +bevreesd haar hand te zullen verwonden. Daarna snelde zij vlug naar +de strijdende helden en zich alle moeite gevende Ali niet te kwetsen, +sloeg zij heftig op het hoofd van Banovitch en doorsneed den gouden +pluim en den witten helm. Het lemmet wondde het hoofd van Strahinya +niet ernstig, maar het bloed stroomde snel en dik over zijn gelaat +en verblindde hem bijna. + +Op dit bittere oogenblik dacht Strahinya aan zijn trouwe Caraman en +riep hem tweemaal. + +De hond snelde verwoed op de trouwelooze vrouw toe en hield haar +in bedwang, [44] waardoor zij zeer ontstelde en luid gilde. Zij +wierp het lemmet ver weg en greep den hond bij de ooren. De Turk, +verontrust en in verwarring gebracht, keek om, ten einde te zien, +wat er gebeurde. Strahinya werd zoo aangemoedigd door dit nieuwe +bewijs van de trouw en het verstand van zijn hond, dat hij er nieuwe +kracht uit putte en van de gunstige gelegenheid gebruik maakte om zijn +tegenstander op den grond te werpen en hem met zijn tanden te dooden, +"zooals de wolf een lam slacht." Daarna voerde hij zijn vrouw (die +door de verstandige Caraman ongedeerd was gelaten) naar het kasteel +van haar vader terug. + + + +De terugkeer van den valk. + + +Toen Youg Bogdan en zijn zoons Strahinya bedekt met bloed zagen, +waren zij ten hoogsten verbaasd, dat een Turk dapper genoeg was om +een held als Strahinya te wonden. Maar Strahinya vertelde hun het +schandelijk gedrag van zijn vrouw, en het verhaal maakte Youg Bogdan +zoo woedend, dat hij zijn zoons beval hun zuster met hun zwaard +te doorsteken. Maar de altijd ridderlijke Strahinya verzette zich +hiertegen en riep uit: "O, mijn schoonbroeders, zoudt gij u heden +met schande bedekken? Tegen wie zoudt gij uw zwaard trekken? Indien +gij, o broeders, zoo bloeddorstig en moedig zijt, waar waren dan +uw messen en uw glinsterende zwaarden, toen ik naar de vlakte van +Kossovo ging? Waarom vergezeldet gij mij toen niet, en spreiddet gij +uw dapperheid niet ten toon tegenover de woeste Turken? Waarom hebt +gij toen niet bewezen mijn vrienden te zijn? Ik kan niet toelaten, +dat gij uw zuster doodt; ook zonder uw hulp zou ik haar zelf hebben +kunnen dooden. Zij is maar een teere en gemakkelijk te misleiden +vrouw! Maar ik zal haar niet dooden: integendeel, zij zal mij voortaan +even dierbaar zijn als voorheen." + +De bard eindigt zijn gedicht: + + + Pomalo ye takiyeh younaka, + Ka' shto beshe Strahinyityou Bane! + + +("Hoe weinigen zijn de helden, die vergeleken kunnen worden met +Banovitch Strahinya!") + + + + + +HOOFDSTUK VI. DE TSARINA MILITZA EN DE ZMAY [45] VAN YASTREBATZ. + + + +Het verhaal van Militza aan den tsaar. + + +"O, Gij eenig en ondeelbaar God! Dat allen u verheerlijken!"--Tsaar +Lazarus zat aan het avondeten en de tsarina Militza zat met hem aan; +zij was treurig en neerslachtig. Dit was de tsaar van zijn geliefde +gade niet gewoon en daarom verontrustte het hem niet weinig. Hij +vroeg haar teeder: "O, Militza, mijn tsarina! Indien ik u een vraag +deed, zoudt gij mij dan naar waarheid antwoorden? Waarom zijt gij +hedenavond zoo droefgeestig, zoo treurig en zoo bleek? Mist gij iets +in ons kasteel, dat gij gaarne zoudt hebben?" + +De tsarina antwoordde: "O, tsaar Lazarus, gij gouden kroon van +Servië! Waarlijk, wanneer gij ook tot mij spreekt, nooit antwoord +ik anders dan de waarheid. Niets ontbreekt mij in ons kasteel; maar +waarlijk ik voel mij diep ongelukkig. Want de Zmay van Yastrebatz komt +sedert verleden jaar elken nacht in mijn toren om mij te omhelzen." + +Tsaar Lazarus zei ten hoogste verbaasd: "Luister naar mij, o tsarina +Militza! Indien gij u hedenavond hebt teruggetrokken in uw vertrek in +den witten toren en uw betooverde minnaar komt weer, vraag hem dan +of er iemand is behalve God, dien hij vreest en of er op deze aarde +een held gevonden wordt, dien hij hooger acht dan zich zelf!" + +Spoedig na het avondeten ging de tsaar naar zijn nauwe en veel +verdiepingen tellende tchardack, [46] en de tsarina trok zich terug in +haar toren. Men kon zien, hoe de berg Yastrebatz plotseling gloeide, +alsof hij in brand stond en hoe uit de vlammen de Zmay over de effen +vlakte van Kroushevo recht op den toren van de tsarina toevloog. + +Toen hij het vertrek van de tsarina binnenging, deed hij zijn feeachtig +gewaad af en keek teeder naar de schoone vrouw. De tsarina deed, alsof +zij haar minnaar welkom heette en na een poosje zei zij: "Ik bid u, +o Zmay van Yastrebatz, u, die zoo onverschrokken naar mijn toren komt, +zeg mij, of er iemand is naast God, dien gij vreest? En of er in de +geheele wereld een held leeft, dien gij hooger schat dan u zelf?" + +Daarop antwoordde de Zmay verbaasd, "Zwijg, o Militza! (of dat gij +anders voor altijd sprakeloos moogt blijven!) Deze vraag stelt gij +mij alleen, omdat gij door Lazarus zijt ingelicht!" + +Maar Militza ontkende dit, zeggende: "Neen, dat niet! Dat ik sterve, +als ik de waarheid niet zeg! Ik vraag het u, omdat ik zie, dat gij +zulk een uitnemend held zijt." + +Toen de Zmay dit hoorde, vertrouwde hij den valschen eed (minder +gevaarlijk zou het zijn geweest, indien een adder hem had gebeten!) en +sprak aldus: "O Militza, liefste tsarina! Daar gij mij in oprechtheid +vraagt, zal ik u naar waarheid antwoorden! Op de geheele aarde vrees +ik niemand dan God; ook is er geen held, dien ik vrees. Maar op een +vlakte, Simia genaamd, ligt een dorp, dat bekend is onder den naam +Koopinovo en in dat dorp woont een Zmay-Despoot Vook; hem vrees ik, +want ik heb hem gekend vanaf onze dwaze kindsheid. Wij speelden vaak +samen op den top van den hoogen berg Yastrebatz, en Vook won het +altijd van mij, wanneer wij het oneens waren. Vook is de eenige, +dien ik vrees, want hij is de sterkste der Zmay's op deze aarde." + +Toen de Zmay deze laatste woorden uitte, verscheen Danitza--de +morgenster--aan den horizon en de Zmay nam onmiddellijk de vlucht +naar zijn kasteel. + +De tsarina spoedde zich naar de tchardack van Lazarus en vertelde hem, +wat zij van den Zmay had vernomen. Nadat hij het verhaal gehoord had, +besloot de tsaar in "dunne letters" een boodschap te zenden naar +Zmay-Despoot Vook, waarin hij hem meldde, wat hij had vernomen en +hem smeekte naar Kroushevatz te komen en zijn verfoeilijken vijand, +den Zmay van Yastrebatz, te dooden. Voor den dienst, dien hij hiermee +bewees, zou Vook drie tovars dukaten ontvangen en levenslang zou hij +het bestuur over het koninkrijk Sirmia bekomen. + + + +Vook als verdediger. + + +De brief kwam in handen van Zmay-Despoot Vook en nadat hij +hem doorgelezen had, dacht hij er een poos over na, wat hij zou +doen. Hij had den vriend zijner kinderjaren lief, maar hij kon hem +zijn schandelijk gedrag niet vergeven. Ten slotte besloot hij met +den Zmay van Yastrebatz te vechten. + +Hij zadelde daarom zijn zwarte paard, dat hem door een veela geschonken +was en dienzelfden nacht bereikte hij nog de vlakte van Kroushevo; +daar steeg hij af, sloeg zijn tent op in de tarwevelden van Lazarus +en dronk koelen wijn. + +Ondertusschen was de zon opgegaan, en toen de tsaar op zijn balkon heen +en weer liep, zag hij eensklaps een tent in zijn akkers, en daarin een +vreemd en zeer wonderlijk ridder. Hij riep onmiddellijk de tsarina en +wees haar, wat hij zag. Militza riep uit, dat dit niemand anders dan +Zmay-Despoot Vook kon zijn, want hij leek veel op haar tooverachtigen +minnaar, den Zmay van Yastrebatz. + +De tsaar zond onmiddellijk een boodschapper naar den vreemdeling, +om hem te verzoeken dadelijk naar het paleis te komen, waar hem een +prachtig feest zou wachten. Maar Vook antwoordde, dat hij in zijn +tent wenschte te blijven en verzocht de tsarina dien nacht de deuren +van haar vertrekken niet af te sluiten, maar kalm de komst van den +Zmay van Yastrebatz af te wachten en overigens alles aan haar nieuwen +beschermer over te laten. + +Toen de tsaar het antwoord van Vook ontving, gaf hij last een +uitgezocht maal gereed te maken en naar diens tent te brengen, +waarbij een groote hoeveelheid roode wijn niet werd vergeten. + +De dag ging voorbij zonder dat er iets bijzonders gebeurde en toen +de nacht naderde, trok de schoone Militza zich terug. Als gewoonlijk +werd de berg Yastrebatz met een gloed overtogen, en zijn heer vloog +uit de vlammen regelrecht naar den toren van de tsarina en sloop in +haar kamer, nadat hij zijn magisch gewaad had uitgetrokken, Plotseling +hoorde hij de stem van Zmay-Despoot Vook zeggen: "Gij, die u vermeten +hebt de Servische tsarina te omhelzen, kom oogenblikkelijk uit den +witten toren!" + +Ten zeerste ontsteld vloekte de Zmay van Yastrebatz de tsarina aldus: +"Zie, Militza, dat God u vernietige! Gij hebt mij toch aan Lazarus +verraden!" + +Dit zeggende deed hij zijn magisch gewaad aan, en spoedde zich +heen. Inplaats van als anders zich naar zijn kasteel op den Yastrebatz +te richten, ging hij recht omhoog de wolken in. Vook zat hem dicht +op de hielen en toen hij hem op zeer groote hoogte naderde, sloeg +hij hem heftig met zijn knots en brak zijn beide vleugels. + +De Zmay van Yastrebatz viel snel als een steen ter aarde, waar +hij zich als een slang kronkelde en deerniswaardig kreunde.--"Dat +zoo elke held gestraft worde, die zijn geheimen aan zijn minnares +toevertrouwt!" kermde hij. Hij had niet lang den tijd om zich aan +zijn bittere overpeinzingen over te geven, want Vook was hem gevolgd, +en zoodra hij afgestegen was, sloeg hij den Zmay het hoofd af. Daarna +begaf hij zich naar Lazarus en wierp het hoofd voor hem op den grond. + +De tsaar was zoo verschrikt bij het zien van het afgrijselijke +voorwerp, dat hij plotseling door een hevige koorts werd +aangegrepen. Maar hij gaf Vook het beloofde goud en vaardigde een +keizerlijk decreet uit, waarbij hij hem machtigde voor het overige van +zijn leven onafhankelijk over Sirmia te regeeren. Bovendien beloofde +hij Vook, dat zoo hij ooit gebrek aan goud mocht krijgen, hij zich +slechts tot den tsaar behoefde te wenden, om onmiddellijk uit den nood +geholpen te worden. De bard eindigt: "En zij leefden lang en gelukkig +te zamen, hielpen elkaar steeds, gelijk goede buren en landgenooten +moeten doen; en de roem van den held leeft in den volksmond voort. De +dag, waarop de straf aan den Zmay van Yastrebatz voltrokken werd, +geldt nog altijd als de gelukkigste van het geheele jaar!" + + + + + +HOOFDSTUK VII. HET HUWELIJK VAN MAXIMUS TZRNOYEVITCH. + + + +De ballade. + + +Deze ballade, welke den koning van Montenegro--Nicholas +Petrovitch--inspireerde voor zijn drama "De keizerin van de +Balkanstaten," is ongetwijfeld het schoonste nationale gedicht, +dat in Montenegro ooit werd gedicht en gezongen. Het zou zelfs een +groot dichter onmogelijk blijken de zeer karakteristieke beeldspraak +en het effect, dat door de eigenaardige woordvorming verkregen werd, +in een vertaling tot zijn recht te doen komen, terwijl ook veel van +wat typeerend is voor de godsdienstige opvattingen, de gewoonten en +het bijgeloof voor den niet-ingewijde verloren gaat. + +Een Fransch spreekwoord zegt: "quand on n'a pas ce que l'on aime, +on aime ce que l'on a;" aldus hoop ik ook, dat de lezer genoegen zal +willen nemen met de volgende overzetting in proza van een buitengewoon +belangwekkend nationaal gedicht. + + + +Het verhaal. + + +Ivan Tzrnoyevitch [47] zeilde over de Adriatische zee naar Venetië om +een bezoek te brengen aan den doge en zijn dochter ten huwelijk te +vragen voor zijn zoon Maximus. Hij bleef daar drie jaren, gedurende +welken tijd hij drie tovars goud uitgaf. Bij zijn vertrek aan het +einde van dit tijdperk werd overeengekomen, dat hij het volgende +jaar zou terugkeeren met zijn zoon en duizend of meer gasten voor +de huwelijksfeestelijkheden. De doge met zijn beide zoons en een +honderdtal van de hoogste waardigheidsbekleeders vergezelden Ivan +naar zijn galei en de Montenegrijnsche vorst herhaalde zijn belofte +het volgend jaar te zullen terugkeeren met zijn gasten en zijn zoon, +die naar hij verzekerde een zoo edel held en een zoo knap jongeling +was, dat men zelfs uit een verzameling van duizend Montenegrijnen +of duizend Venetianen zijn gelijke vergeefs zoeken zou. De doge, +die buitengewoon verheugd was zulk een edel held tot schoonzoon te +hebben, omhelsde Ivan zeggende: "Ik dank u, mijn vriend, voor deze +woorden! Hoe gelukkig ben ik een dergelijken schoonzoon te hebben +gevonden, die onder duizenden zijn weerga niet vindt. Ik zal hem meer +liefhebben dan het licht mijner oogen, en zal kostbare geschenken +voor hem gereed maken: paarden en valken, helmen met gouden pluimen +en mantels, waarop hij trotsch zal zijn. Maar als hij niet zoo knap +is als gij gezegd hebt--wee u!" + +Daarna zeilde Ivan weg naar Zablak. Toen hij zijn kasteel naderde, +voelde hij zich zeer gelukkig en spoorde zijn paard Zdral aan om des +te eerder thuis te zijn. Zijn getrouwe gade zag hem reeds van verre +en gaf onmiddellijk bevel aan de bedienden om toebereidselen te maken +voor de ontvangst van hun heer. Zij maakte uit het vroolijk voorkomen +van haar echtgenoot op, dat hij geslaagd was in zijn zending. + +Toen Ivan op het plein van zijn kasteel aankwam, hielpen eenigen zijner +dienaren hem bij het afstijgen van zijn paard, anderen ontdeden hem +van zijn wapenrusting en wapenen en zijn zoon Maximus bracht hem een +zilveren zitbank, opdat hij kon plaatsnemen en rusten. Ivan wendde +zich om, teneinde zijn zoon te danken, maar zie! Een ongeluk was hem +overkomen. Gedurende de afwezigheid van zijn vader was Maximus bezocht +door de pokken--dien vreeselijken geesel!--en zijn eens knap gelaat +was zoo met putten en litteekens overdekt, dat het te afzichtelijk +was om er naar te kijken. De bard verzekert ons, dat het nauwelijks +mogelijk was een leelijker man te vinden dan Maximus was geworden. + +De vorst herinnerde zich dadelijk zijn verzekering aan den doge, +dat er onder duizenden geen knapper jongeman gevonden zou worden dan +zijn zoon en hij was heel treurig. + +Zijn lange knevel hing neer tot op zijn schouders [48] en met de oogen +op den grond gericht zat hij zwijgend en moedeloos. Zijn gade zag met +bezorgdheid de neerslachtigheid van haar echtgenoot en beproefde hem +op te beuren. De plooien van haar sleepend gewaad samennemend en de +einden van haar mouwen, kwam zij nader en na een nijging gemaakt te +hebben, kuste zij zijn hand. "Ik bid u, mijn heer," zei zij, "zeg +mij, waarom zijt gij zoo treurig? Zijt gij in uw zending misschien +niet geslaagd? Hebt gij de dochter van den doge niet met onzen zoon +verloofd? Is zij misschien niet schoon genoeg om uw schoondochter +te worden? Hebt gij spijt van de drie tovars goud, die gij hebt +uitgegeven?" + +Daarop vermande Ivan zich en antwoordde, dat het een geheel ander +ongeluk was, dat hem drukte. Hij vertelde, dat hij de toestemming +van den doge voor de verloving had verkregen, en dat zijn dochter +zoo schoon was, dat zelfs de veele niet met haar vergeleken konden +worden; dat het niet de gedachte was aan het uitgegeven geld, die +hem kwelde--want zijn kasteel was vol gestapeld met schatten en het +wegnemen van drie tovars dukaten had den voorraad nauwelijks merkbaar +verminderd. Neen, de ware oorzaak van zijn ongeluk was, dat hij den +doge had beloofd hem als schoonzoon een jongeling te geven, die de +knapste was onder duizenden en dat de doge, indien hij hem nu zijn +zoon Maximus voorstelde gelijk deze nu was, stellig vertoornd zou +zijn em hem den oorlog zou verklaren. + +Toen de vorstin dit vernam, verweet zij Ivan, dat hij zich terwille +van een bruid had laten verleiden dergelijke verzekeringen en beloften +te doen, terwijl hij in Montenegro zelf een veel mooier meisje had +kunnen vinden, wier familie een verbintenis met de zijne waardig +zou zijn. Vorst Ivan was ervan overtuigd, dat hij onverstandig had +gehandeld, en hij besloot van de verloving af te zien en verbood aan +zijn vrienden hem geluk te wenschen. + + + +De boodschap van den Doge. + + +Negen jaren verliepen, en het scheen, dat de verloving geheel en +al vergeten was en dat de dochter van den doge na niets van Ivan te +hebben gehoord met een anderen prins was getrouwd. + +Maar op zekeren dag kwam er een boodschap van den doge, waarin hij den +vorst van Montenegro verweet, dat hij zijn dochter sinds negen jaren +niets had laten hooren, en dat deze zich intusschen "van een knop +ontwikkeld had tot een schoone roos." Verder verzocht hij Ivan aan +zijn stille, geduldige dochter te schrijven en haar onomwonden mee +te deelen, wat hij besloten had met betrekking tot het voorgenomen +huwelijk te doen; mocht het zijn, dat hij zijn zoon zoo'n kostelijk +meisje niet waardig keurde, dan moest hij het haar eindelijk toch +meedeelen, zoodat men in de gelegenheid was naar een andere passende +partij voor haar uit te zien. + +De vorst werd vervuld van diepe smart, toen hij de boodschap van den +doge las. Wat kon hij doen of zeggen? Na lang gepeinsd te hebben zocht +hij zijn vorstelijke gade op en sprak haar op deze wijze toe. "O, +mijn lieveling, met uw zachte oogen! Ik bid u, raad mij nu, wat te +doen! Zal ik een boodschap naar het meisje zenden en haar zeggen, +dat zij vrij is een ander huwelijk te sluiten, of zal ik haar wat +anders schrijven?" + +De vorstin was een wijze vrouw en zij gaf haar echtgenoot een +verstandigen raad [49]: "O mijn heer, Tzrnoyevitch Ivo! Werd ooit +een man geraden door een vrouw? Dit is nooit gebeurd en zal nooit +gebeuren. Want wij vrouwen hebben lange haren, doch slechts weinig +hersenen. Maar daar gij mijn meening hebt gevraagd, waag ik het te +zeggen, dat het een zonde voor God zou zijn en een schande voor de +wereld, indien gij het geluk van het meisje zoudt vernietigen, door +een eenmaal overeengekomen verloving te verbreken. Luister naar mij, +mijn heer! Waarvoor maakt gij u eigenlijk bezorgd? Indien de pokken +het gelaat van uw zoon hebben misvormd, dan past het uw vrienden +daar ginds in aanmerking te nemen, dat de ziekte, die hem bezocht, +er de oorzaak van is--wie zou durven zeggen, dat hij daartegen +gevrijwaard is? En dan, indien gij vreest, dat men u moeilijkheden +bereidt, wanneer gij te Venetië komt, dan herinner ik er u aan, dat +gij torens vol dukaten hebt. Gij hebt den doge beloofd, dat gij met +duizend svats zoudt komen, maar waarom zoudt gij niet tweeduizend +uitgezochte helden en ruiters medenemen? Indien de Venetianen zien, +met welk een groote macht gij reist, dan zullen zij u niet durven +aanvallen, al ware uw zoon blind. Verzamel daarom de svats en haast +u de bruid naar hier te brengen. O, mijn heer, verlies geen tijd meer +door uw geest nog langer met gepeins te plagen." + +Deze stoutmoedige woorden troffen den vorst zoo, dat hij in lachen +uitbarstte. Hij liet door een renbode dadelijk een brief van den +volgenden inhoud naar Venetië brengen: "O, mijn vriend, gij doge van +Venetië! Gij zoudt kunnen hooren, indien gij slechts luisterdet, het +gebulder van mijn dertig kanonnen, die ik ga afvuren van de tinnen +van mijn vesting! O, vriend, talm geen oogenblik, maar stuur dadelijk +mij en mijn zoon en al onze svats galeien tegemoet. Vaarwel!" + +Daarna zond Ivan een boodschapper naar Milosh Obrenbegovitch, om hem +uit te noodigen zijn stari-svat te zijn en zich te doen vergezellen +van zooveel helden, als hij maar met eenige mogelijkheid binnen de +provincies van Antivari en Dulzigno kon vinden. Hij schreef ook aan +zijn neef kapitein Yovan, en noodigde ook hem uit ter bruiloft te +komen met zooveel vrienden als hem maar wilden vergezellen. + +Boden werden naar andere vrienden gezonden, die met blijdschap +de uitnoodiging van Ivan ontvingen en weldra was de vlakte van +Zablak bezaaid met hun ontelbare tenten. Op zekeren morgen bemerkte +Ivan, dat kapitein Yovan, den leider der bruid, treurig langs de +borstweringen van het kasteel op en neer liep en telkens zijn oog +liet gaan over de lansknechten, stalmeesters en vlaggen van het +kamp aan zijn voeten. Vorst Ivan wilde niet, dat iemand ongelukkig +was te midden van de feestelijke toebereidselen en vroeg daarom aan +kapitein Yovan naar de oorzaak van zijn droefgeestigheid. Yovan zei, +dat indien het hem vergund was te zeggen, wat hem op het hart lag, +hij den vorst zou raden een groot feest gereed te doen maken voor die +tallooze Montenegrijnen, welke voor zijn kasteel gekampeerd lagen en +boden door het kamp te zenden om allen aan te zeggen, dat zij naar +huis moesten terugkeeren, opdat de oogst hunner akkers niet te loor +zou gaan. Gebeurde dit niet, dan zou het land beroofd zijn van zijn +verdedigers tegen den erfvijand, den Turk, die van hun afwezigheid +gebruik zou kunnen maken om het land aan te vallen. Yovan ging in +een adem voort en vertelde den vorst, dat hij den vorigen nacht in +een droom gezien had hoe het uitspansel plotseling met donkere wolken +werd bedekt; uit die wolken was een bliksemstraal op zijn vorstelijk +kasteel gevallen en had het met den grond gelijk gemaakt; daarna +was een brand uitgebroken, die de mooie hoofdstad Zablak verteerd +had. Toen het kasteel ineenstortte, was Maximus, door den vallenden +toren geraakt, die hem echter niet ernstig kwetste. + +"Hoe het zij" besloot Yovan, "indien er eenige waarheid in droomen +schuilt, dan moest Maximus hetzij sterven, hetzij in Venetië ernstig +gewond worden en indien ik door eenig Venetiaan zou worden beleedigd, +dan zouden al mijn volgelingen, vijf honderd man uit Podgoritza, +liever sterven dan de mij aangedane beleediging ongewroken laten." + +Vorst Ivan lachte hartelijk, toen Yovan had geëindigd, en zei, dat +zijn goede vriend zijn booze droomen te wijten had aan het feit, dat +zijn kussens te hoog of te laag waren geweest. En na gezegd te hebben +"droomen zijn bedrog, alleen God is waarachtig" wendde hij zich af, +om te bevelen de dertig kanonnen van de vesting ten teeken van vertrek +af te vuren. + +Toen het geschut bulderde, vooral toen de beroemde kanonnen Krgno +en Zelenko in beweging kwamen, trilde de geheele vallei; de zwarte +bergen weergalmden en het water van de Zetina werd beroerd tot in +haar diepste diepten. Eenige ruiters werden van hun paard geslingerd, +en zij, die stonden, vielen op hun knieën in het gras; want het is +iets geweldigs, als het vestinggeschut buldert! + + + +De huwelijksprocessie vertrekt. + + +De svats begaven zich in de beste stemming op weg; eenigen zetten hun +rossen aan en lieten ze rennen, anderen dronken en zongen vroolijke +bruiloftsliederen onder het voortgaan. In hun midden reed vorst +Ivan op zijn strijdros Zdral, met twee trotsche valken op zijn +schouders; aan zijn rechterzijde reed Maximus en aan zijn linker +Milosh Obrenbegovitch. Vorst Ivan keek dikwijls naar zijn metgezellen, +en maakte onwillekeurig een vergelijking tusschen beiden. Plotseling +beval hij halt te houden en sprak op luiden toon aldus: "Luistert, +o mijn broeders, gij doorluchtige svats! Ik heb u een plan voor te +leggen en ik hoop, dat het uw goedkeuring zal wegdragen. Wij staan op +het punt ons in te schepen, o broeders, en zullen spoedig te Venetië +aankomen. Maar ziet naar mijn zoon, hoezeer zijn voorkomen door een +afschuwelijke ziekte is bedorven: hij is onbetwistbaar de leelijkste +van ons allen! Helaas! Toen ik negen jaar geleden in Venetië was, +prees ik hem als de knapste jongeling, die te vinden was onder duizend +Montenegrijnen; ja zelfs onder duizend Venetianen. Daarom, mijn +broeders, ben ik hedenmorgen zeer treurig en stemt mij de gedachte aan +de ontmoeting met den doge niet vroolijk. Let op, de Venetianen zullen +ons aanvallen, zoo groot zal hun teleurstelling zijn. Maar ziet, o mijn +dappere svats! Wij hebben hier bij ons een held, die zijns gelijke in +mannelijk schoon onder geen der onzen vindt, evenmin onder de trotsche +Venetianen. Ik spreek van den voïvode Milosh Obrenbegovitch. Laat ons +den gepluimden helm van het hoofd van mijn zoon nemen en dien op het +hoofd van Milosh zetten, zoodat hij voor den bruidegom zal doorgaan, +totdat wij in vrede bezit hebben genomen van het meisje!" + +Op de svats maakte het plan van Ivan grooten indruk, maar zij aarzelden +om te spreken, uit vrees de gevoelens van Maximus te kwetsen, die een +driftig jongeling was en die mogelijk door het voorstel beleedigd kon +zijn. Maar de voïvode Milosh zei genadig: "O Ivan, onze heer! Waarom +doet gij een vergeefsch beroep op de svats? Geef mij er liever uw hand +op, dat het plan in geen enkel opzicht uw edelen zoon beleedigt. Zweer +mij bij den waren God, dat gij het ons slechts geopenbaard hebt na +overleg met uw zoon, en dan zal ik mij op mijn eer plechtig verbinden +de bruid voor Maximus te verkrijgen zonder een gevecht. Maar gij moet +er in toestemmen, mij als belooning voor het spelen van de valsche rol +de geschenken af te staan, die mij als bruigom gegeven zullen worden +en dat er niemand van mij eischen zal ze met een ander te deelen, +doch dat ik ze alle voor mij zelf zal mogen behouden!" + +Ivan barstte in lachen uit en riep: "O, Milosh, Servische voïvode! Wat +de geschenken betreft, waarover gij spreekt, ik geef u mijn woord, +vaster en harder zelfs dan steen, dat niemand een poging zal doen +ze met u te deelen! Stel u slechts in het bezit van de bruid en wees +haar leider, totdat wij de stad Zablak bereikt hebben en ik beloof u +twee laarzen vol dukaten, een gouden beker, die negen liters wijn kan +bevatten, de merrie Bedevia, de stammoeder van een mijner grootste +stoeterijen evenals mijn Zdral en ik zal u een sabel aangorden, +die dertig beurzen gouden dukaten waard is." + +Allen keurden het plan goed en nadat zij den onderscheidenden helm en +de versierselen van den bruigom op het hoofd van den voïvode Milosh +hadden geplaatst, vervolgden zij hun reis, en na op de wateren van +de Adriatische zee heen en weer gewiegd te zijn, bereikten zij zonder +wederwaardigheden Venetië. + +Een groot aantal lieden, nieuwsgierig om de Montenegrijnen te zien, +stroomden van alle kanten toe, vooral ook om zich zelf te overtuigen, +dat Maximus werkelijk zoo'n edele en knappe prins was als zij hadden +gehoord. + +Toen de Venetiaansche prinsen van hun dienaren hoorden, dat hun +aanstaande schoonbroer werkelijk zoo knap was als zijn vader hem negen +jaar tevoren had beschreven, kwamen zij levendig, met uitgestrekte +armen om hem te omhelzen en hem welkom te heeten. Zij wezen hem de +vertrekken in hun paleis, die gereed waren gemaakt voor de vorstelijke +gasten en allen werden zeer geriefelijk geherbergd. + +De bruiloftsfeesten duurden drie dagen en daarna kwam het uur van +vertrek. Onder het gedonder van het geschut verzamelden de svats zich +op het groote plein, en wachtten op de bevelen van vorst Ivan en zijn +edelen zoon. Zij voelden zich niet op hun gemak, toen zij zagen, +dat de poort gesloten was en er aan beide zijden twee Moorsche en +twee Venetiaansche soldaten met getrokken zwaard stonden, terwijl het +lemmet en zelfs hun armen met bloed bedekt waren. Hun onrust nam nog +toe, toen zij na geruimen tijd noch hun vorst, noch de bruid en den +bruidegom zagen verschijnen. Zij begonnen luid te morren, tot zij +plotseling het geluid van paardenhoeven op het marmeren plaveisel +hoorden en den voïvode Milosh zagen, die beproefde zijn paard te +bedwingen met de teugels, terwijl hij het zacht de sporen gaf, opdat +het zou springen en steigeren. + + + +De huwelijksgiften. + + +Achter Milosh reden de beide schoonbroeders, die de geschenken +brachten. De oudste leidde een zwart paard zonder een enkele vlek; +het had een zilveren zadel op, versierd met zwaar goud, waarop de +schoone bruid zat, die een grijzen valk droeg. + +"Aanvaard, o, mijn dierbare en edele Maximus," zei de prins, "deze +schoone maagd met haar zwart paard en haar grijzen valk als een teeken +van onze liefde, want gij zijt in waarheid de trots uwer broeders!" + +Milosh boog diep over den nek van zijn paard, toen hij den prins +dankte voor zijn welwillende woorden en de bruid aanvaardde met +de geschenken, die zij meebracht. De tweede broeder schonk nu den +bruigom een sabel in gouden scheede, zeggende: "Draag dit, o broeder, +en wees er trotsch op!" Daarna kwam de vader der bruid. Wat een +prachtig geschenk droeg hij in zijn handen! Een helm en in de pluim +ervan glansde een kostbare steen, die schitterde als de zon, zoodat +men er niet lang in kon zien. Maar het geschenk, dat de moeder der +bruid hem gaf, was prachtiger dan alle andere. Het was een hemd van +zuiver goud, dat noch geweven noch gedraaid was, maar geheel met de +vingers was gemaakt; in de kraag, die een adder voorstelde ("en een +adder zal hem tenslotte bijten") was een schitterende diamant, die +zulk een lichtgloed uitstraalde, dat hij nooit een kandelaar noodig +zou hebben, als hij zijn bruid in haar slaapkamer ging bezoeken. Al +de svats waren verbaasd over de kostbaarheid der geschenken. + +Nu kwam de bejaarde broeder van den doge, Yesdimir, die een baard +droeg, welke tot zijn middel reikte; hij liep langzaam en steunde +op een gouden staf. Bittere tranen stroomden uit zijn oogen. Het is +waar, hij had goede redenen om te weenen. Gedurende zijn lange leven +had hij na elkaar zeven vrouwen gehad, maar hem waren noch zoons, +noch dochters geboren. Daarom droeg hij al zijn liefde over op zijn +nicht, die hij als een dochter beschouwde en die in zijn hart de +plaats vervulde van de kinderen, waarmede hij weleer hoopte gezegend +te worden. Nu het geliefde meisje op het punt stond te vertrekken +naar een ver verwijderd land, was hij diep bedroefd. Hij droeg iets +zeldzaams en wonderlijks opgevouwen onder zijn arm, en toen hij de +svats naderde, noemde hij den bruigom bij zijn naam. Deze verscheen +dadelijk en de eerbiedwaardige man sloeg om de schouders van den +jongen man een prachtigen mantel, die niet alleen hemzelf bedekte +maar ook zijn paard tot aan de hoeven reikte. Hoe kostbaar was die: +en daarbij kon hij den held nooit anders dan geluk aanbrengen! Er werd +gezegd, dat er alleen dertig beurzen goud noodig waren geweest voor +het voeren er van, en welk een som moest de stof zelf hebben gekost. + +Prins Maximus sloeg alles gade en zag met naijverige oogen, hoe +de voïvode Milosh de geschenken ontving, die voor hem, den waren +bruidegom, bestemd waren. Toen de groote poort van het plein werd +geopend, en de svats achter elkaar er uitgingen, ontving ieder van +de dienaren van den doge een stuk kostbare zijde en een doos, die +verschillende geschenken bevatte. Daarna zeilden zij in de galeien weg. + +Weldra bereikten zij de vlakte van Zablak, waar zij samen waren +gekomen, toen zij hun reis begonnen. Prins Maximus was vooruit +gereden met zijn tien wapenbroeders, teneinde zoo spoedig mogelijk +het heugelijk bericht aan zijn moeder mede te deelen. Toen de +voïvode Milosh zag, dat Prins Maximus uit het gezicht was, gaf hij +zijn paard de sporen en toen hij bij de bruid en den dever kwam, +nam hij stoutmoedig de hand van het edele meisje. De bruid, die in +haar onschuld meende, dat hij Prins Maximus was, sloeg haar sluier +terug en reikte den valschen bruigom haar hand. + + + +De Prinses verneemt de misleiding. + + +Zij, die in de nabijheid waren, deden, alsof zij het voorval niet +hadden opgemerkt, maar vorst Ivan zelf zag, wat er gebeurd was en +het verontrustte hem zeer. Hij reed naar de bruid en sprak haar aldus +aan: "Raak hem niet aan met uw hand, o, mijn lieve schoondochter! Of +dat gij getroffen worde door een verlamming! Sluier uw oogen! Of +dat het gezicht u steeds ontbreke! Hoe kunt gij zoo handelen in +tegenwoordigheid van al de svats? Ziet gij dien held op zijn zwarte +paard en met zijn lans in de hand? Ziet gij zijn glinsterend schild +en zijn gelaat door pokken geschonden? Dat is mijn zoon Maximus, +dien ik tegenover uw vader prees, toen ik uw hand voor hem vroeg, +zeggende, dat er geen knapper jongeling onder duizenden te vinden was +dan hij. Maar ik was bevreesd aan u en uw vader mijn zoon te vertoonen, +toen zijn gelaat geschonden was en daarom namen wij onze toevlucht +tot een krijgslist en maakten de voïvode tijdelijk tot uw bruigom, +teneinde er in te slagen u in vrede naar hier te brengen. Door zich +daartoe te leenen kreeg Milosh het recht op al de geschenken, die +toegewezen waren aan den bruidegom!" + +De woorden van haar schoonvader troffen het edele meisje als een +donderslag. Zij bracht haar paard tot staan en weigerde verder te +gaan zeggende: "O, mijn schoonvader, vorst Ivan! Gij zelf zijt de +bewerker van het ongeluk van uw eigen zoon, door Milosh voor den echten +bruigom uit te geven. Waarom hebt gij zoo gehandeld? Dat de ware God +u hiervoor uw verdiende loon geve! Wat doet het er toe of zijn gelaat +pokdalig is? Allen staan wij bloot aan die ziekte en werden wij door +haar bezocht, dan zouden de gevolgen mogelijk nog erger zijn. Indien +zijn gelaat geschonden is, zijn oogen zijn zeker nog helder en zijn +hart is zoo gezond als altijd. Indien gij hadt gemeend, dat uw zoon +nog te jong was om mijn echtgenoot te zijn, dan hadt gij dat moeten +zeggen en ik zou negen jaar in het paleis van mijn vader hebben +gewacht--maar zelfs dan zou ik zeker niet gemaakt hebben, dat gij van +schaamte zoudt moeten blozen voor uw eigen edelen in Zablak. Nu deedt +gij beter de geschenken over te geven aan den rechtmatigen eigenaar, +uw zoon Maximus, anders zal ik geen stap verder gaan, al zoudt gij +mij dreigen mijn oogen uit te steken". + +Toen vorst Ivan deze besliste woorden hoorde, was hij ten zeerste +verontrust en hij riep zijn vrienden en voïvodes bijeen, om hem te +raden wat te doen. Maar geen hunner dorst een woord te zeggen, want +zij herinnerden zich welke overeenkomst getroffen was, voordat zij +de zee over zeilden. + + + +Het aanbod van Milosh. + + +Voïvode Milosh zag, dat niemand wilde spreken; hij gaf zijn paard de +sporen en sprak vorst Ivan aldus aan: "O Ivan, onze heer! Houdt gij +uw belofte niet? Indien gij ze niet gestand doet, dat gij zelf dan +voortaan slechts leven moogt om bedrogen te worden! Hebt gij mij niet +uw woord gegeven, dat de huwelijksgeschenken zonder uitzondering voor +mij zouden zijn? Maar nu zint gij er op om uw woord te breken! Daar +men zoo weinig op u kan vertrouwen, stem ik er in toe--terwille van +den vrede onder onze broeders en svats--van de eerste twee geschenken +afstand te doen: ik geef aan uw zoon de schoone bruid terug en haar +paard en al het met goud en zilver versierde paardentuig. Naar recht, +en volgens onpartijdig oordeel zou ik volkomen gerechtigd zijn het +schoone meisje te trouwen--want zij werd mij gegeven door allen, die +er toe gerechtigd waren, door haar ouders en haar broeders. Hierover +zal ik echter niets meer zeggen, en u eenvoudig deze beide geschenken +laten met den grijzen valk. Hier, ik geef uw zoon zelfs de gouden +scheede over en het glinsterend zwaard, maar ik zal er nooit in +toestemmen den helm, den mantel en het gouden hemd over te geven; +want ik ben besloten die naar mijn eigen land mee te voeren en ze aan +mijn vrienden en broeders te toonen die, ik ben er zeker van,--er +trotsch op zullen zijn. Ik zweer bij mijn geloof in den waren God, +dat ik deze drie geschenken niet zal afstaan." + +Al de svats, getroffen door het edele gedrag van Milosh, prezen hem +en dankten hem voor wat hij terwille van den vrede opofferde, maar +zij ondervonden een krachtig verzet bij de bruid, die zich niet kon +verzoenen met den afstand van de kostbare geschenken en vooral niet +met het verlies van het gouden hemd. Daarop riep zij luid om Prins +Maximus. Dit verschrikte Vorst Ivan zeer, en hij beproefde het meisje +aldus te kalmeeren: + +"O, mijn lieftallige schoondochter, gij Venetiaansch meisje! Roep +mijn zoon niet, want wij hebben hem groot onrecht aangedaan. Prins +Maximus heeft een fijn gevoel van eer en is een dapper man. Ik vrees +boven alles een strijd en onze feeststemming kan zoo gemakkelijk +veranderen in rouw. Ik bezit in Zablak een toren vol gouden schatten; +die zal ik u geven en gij kunt er mede doen, wat gij wilt!" + +Maar het meisje was niet gemakkelijk te overreden en zij riep nog eens +om Prins Maximus, die met allen spoed ten tooneele verscheen. "O, +Maximus, eenige zoon van uw moeder!" begon de bruid: "Dat zij u +verlieze! Dat de krijgslieden een draagbaar maken van uw lansen en +met uw schild uw graftombe bedekken! Dat uw gelaat bloze van schaamte +op den dag des oordeels even als het dat heden doet om het geschil +met voïvode Milosh! Waarom hebt gij er in toegestemd de geschenken +aan een ander over te laten, terwijl zij alleen den rechtmatigen +bruidegom toekomen? Ik geef niets om al de andere geschenken; laat +Milosh ze meenemen, en dat een hevige vloed hem verderve met al zijn +schatten. Maar het verlies van het gouden hemd kan ik niet dragen; +ik heb het zelf voor u gemaakt; het heeft mij drie jaren gekost; +drie meisjes hielpen mij eraan; ik was mijn gezicht bijna kwijt, +toen ik dit hemd klaar had en al den tijd dacht ik aan u. Het is uw +plicht het hemd onmiddellijk aan voïvode Milosh te ontnemen, want +anders zweer ik bij den waren God, dat ik geen stap voorwaarts zal +doen; maar ik zal mijn paard op zijn weg terugvoeren, en als ik het +zeestrand bereik, zal ik een blad plukken van de aloë en met zijn +doornen mijn gelaat zoo krabben, dat het bloed er uit stroomt; dan +zal ik door mijn valk een boodschap aan mijn bejaarden vader zenden +en hem smeeken al zijn strijders te wapen te roepen en op te rukken +om uw Zablak te veroveren en te plunderen, en u aldus te laten boeten +voor uw schandelijk gedrag!" + + + +De aanval van Maximus. + + +Toen Prins Maximus dit gehoord had, draaide hij zijn paard om en gaf +het zoo heftig de sporen, dat het vel van het kniegewricht van zijn +strijdros barstte en het bloed zijn hoeven besprenkelde. Dol van +pijn sprong het paard drie lansen hoog de lucht in en vier lansen +vooruit, zoodat het voortschoot als de bliksem. Milosh barstte in +lachen uit, zeggende: "God zij geprezen! Wat gebeurt er plotseling +met den jongen." Maar zijn vroolijkheid was van korten duur, want nu +stuurde Prins Maximus recht op Milosh aan en wierp hem woedend zijn +lans naar het hoofd. [50] + +Hij raakte Milosh zoo krachtig, dat zijn beide oogen barstten en hij +van zijn paard viel. Maximus viel zoo heftig aan, dat hij hem zijn +hoofd in tweeën spleet; daarna nam hij zijn bruid van haar geleider +en snelde het kasteel binnen. [51] + +Toen de krijgslieden van Milosh zagen, dat hun bevelhebber viel, +stormden zij verwoed op de volgelingen van Prins Maximus los en een +gevecht ontstond, dat maar weinigen overleefden. + + + +Maximus wordt een Turk. + + +De overlevering wil, dat Prins Maximus zoo walgde van hetgeen gebeurd +was, dat hij den doge uitnoodigde om met een groote strijdmacht in +Zablak een inval te doen en Montenegro te veroveren; wat hem zelf +betrof, hij zou naar Istamboel gaan en den Islam omhelzen. Dit +deed hij. + +Nu besloot een broeder van Milosh, Yovan Obrenbegovitch genaamd, die +vermoedde, dat de bedoeling van Maximus was een groote strijdmacht +van den Sultan te verkrijgen om Montenegro te veroveren, zich voor +hetzelfde doel naar den Sultan te begeven. Maar het was zijn bedoeling, +om zoo hij er ook in slaagde een leger van den Sultan te krijgen, +dit niet te gebruiken tegen zijn vaderland Montenegro, maar tegen +Prins Maximus. + +Op hun weg naar Istamboel ontmoetten de twee mannen elkaar en zij +verschenen te zamen voor den Sultan, die zeer wel wist, wie zij +waren, en oordeelde, dat zij goede diensten konden bewijzen in zijn +strijd tegen de christenen, gelijk zoovele andere ontevredenen van de +christelijke hoven, waarom hij hen uiterst vriendelijk ontving. Zij +omhelsden den Mohamedaanschen godsdienst en namen Turksche namen aan: +voïvode Yovan werd Mehmed-Bey Obrenbegovitch genoemd, en Prins Maximus +Scander-beg Ivanbegovitch. Nadat zij als getrouwe Turken den Sultan +negen jaar hadden gediend, benoemde hij hen, zoo tevreden was hij +over hun gedrag, tot vizier; aan Mehmed-Bey Obrenbegovitch gaf hij +als leengoed de vlakte van Ducadyin, en aan Scander-beg (den zoon +van Prins Ivan) schonk hij Skoetari aan de rivier Boyana. + + + + + +HOOFDSTUK VIII. HET HUWELIJK VAN TSAAR DOUSHAN DEN MACHTIGEN. + + + +Doushan zendt Theodoor naar Ledyen. + + +Koning Michael van Ledyen had een schoone dochter, Roksanda, en +toen tsaar Doushan haar ten huwelijk vroeg, stemde de koning daar +dadelijk in toe. De verloving kwam door tusschenpersonen tot stand, +zonder dat Doushan de prinses gezien had; hij riep daarom Theodoor, +zijn kanselier, bij zich en zei: "Luister naar mij, mijn trouwe +Theodoor! Gij moet naar koning Michael in de witte stad Ledyen gaan +en gij moet hem vragen den datum voor de huwelijksfeestelijkheden te +bepalen. Gij moet ook de andere gebruikelijke voorbereidselen met +hem regelen en er u van overtuigen, of de weergalooze Roksanda een +geschikte tsarina is voor onze Servische landen." + +Theodoor beloofde zijn zending trouw te vervullen en nadat hij de +noodige toebereidselen gemaakt had, begaf hij zich op weg naar de +Venetiaansche provincie. + +Toen hij aan de witte stad Ledyen kwam, ontving de koning hem hoffelijk +en schonk hem gedurende een geheele week gastvrijheid. + +Toen sprak Theodoor aldus tot den koning: "O, vriend van mijn heer, +gij ridderlijke koning Michael! Mijn tsaar heeft mij niet alleen +naar hier gezonden om uw wijn te drinken; hij wenscht, dat ik de +noodige afspraken maak voor zijn huwelijk; zeg mij dus, wanneer mijn +heer kan komen? Welken tijd van het jaar schikt het u het best om +hem te ontvangen? Hoeveel svats zal hij meebrengen, als hij komt, +om de schoone maagd Roksanda te komen halen? Mijn heer heeft mij ook +opgedragen u als zijn wensch kenbaar te maken, dat mij het geluk ten +deel valle de schoone prinses te zien." + +Hierop antwoordde de koning: "O, mijn vriend Theodoor! Breng mijn +groeten over aan den tsaar en zeg hem, dat hij zooveel svats mede kan +brengen als hij wil; zeg hem ook, dat hij mag komen om het meisje, +wanneer hij maar wil; maar verzoek hem uit mijn naam in geen geval zijn +neven mede te brengen, de beide Voïnovitchs, Voukashin en Petrashin, +want ik heb vernomen, dat zij zeer twistziek zijn, als zij te veel +gedronken hebben en ik vrees, dat zij de eensgezindheid gedurende +de feestelijkheden zullen verstoren. Wat de prinses betreft, zij zal +te gelegener tijd bij u komen en uit uw handen den ring van uw heer +ontvangen, gelijk de goede, oude gewoonte meebrengt." + + + +Prinses Roksanda. + + +Bij het vallen van den avond werd Theodoor in een niet verlichte kamer +geleid, en terwijl hij zich afvroeg, wanneer de kandelaren gebracht +zouden worden, zie, daar stond de prinses voor hem, gehuld in een +dichte duisternis. + +Theodoor voelde zich beleedigd door de poets, die hem gespeeld was; +maar hij wanhoopte niet. Hij had den prachtigen ring van zijn heer +bij zich; die was zoo rijk bezet met kostbare steenen, dat, toen hij +hem te voorschijn haalde, de geheele kamer verlicht was en de stralen +het meisje beschenen, die, naar het den gezant toescheen, schooner +was dan de witte veela zelf. Theodoor bood den verlovingsring aan en +gaf de prinses tevens duizend dukaten. Daarna geleidden haar broeders +haar terug naar haar vertrekken. + +Den volgenden morgen nam Theodoor afscheid van den koning en aanvaardde +de thuisreis; toen hij te Prisrend aankwam, vroeg de tsaar levendig: +"O, mijn getrouwe Theodoor! Hebt gij het meisje Roksanda gezien en +hebt gij haar den ring gegeven! Welk nieuws brengt gij mij mee van +koning Michael?" + +En Theodoor antwoordde: "Ja, mijn heer, ik zag uw bruid en schonk haar +uw ring; maar de woorden ontbreken mij om de betooverende schoonheid +van Prinses Roksanda te beschrijven! Vergeefs zou men haarsgelijke +in Servië zoeken! En koning Michael gaf mij deze boodschap mee: +gij kunt het meisje halen, wanneer gij wilt, en gij kunt zooveel +svats meenemen, als gij verkiest. Maar de koning verzoekt u dit eene: +dat gij onder geen enkele voorwaarde de Voïnovitchs, uw beide neven +meeneemt, want zij zijn minnaars van den wijnbeker en zijn spoedig +beleedigd; zij zouden dronkemanstwisten kunnen teweeg brengen en het +zou misschien moeilijk zijn hun geschillen op een vredelievende manier +te beslechten." + +Toen hij dit hoorde, sloeg de tsaar met zijn rechterhand op zijn +knie en riep uit: "Helaas! Dat God mij helpe! Is de slechte naam +van mijn neven reeds zoover verbreid! Bij mijn onwankelbaar geloof, +ik zal beiden onmiddellijk na de huwelijksfeestelijkheden aan de +poorten van hun kasteel Voutchitrn laten ophangen, opdat zij niet +langer over de heele wereld mijn naam te schande maken!" + + + +De processie begeeft zich op weg. + + +Spoedig daarop riep de tsaar zijn svats bijeen en toen zij allen +verzameld waren, leverden zij een schitterend schouwspel op. De +huwelijksprocessie nam haar weg over de vlakte van Kossovo en toen +zij voorbij de muren van het kasteel Voutchitrn kwam, keken de twee +jeugdige Voïnovitchs neer op den ruiterstoet en zeiden treurig tegen +elkaar: "Onze oom moet boos op ons zijn, anders zou hij ons zeker +hebben uitgenoodigd om deel te nemen aan zijn huwelijksfeest! De een +of andere schurk moet kwaad over ons hebben gesproken. Dat honderd +onheilen komen over hem, die ons dit heeft aangedaan! Onze tsaar gaat +naar het Venetiaansche land en heeft geen enkelen held in zijn gevolg, +noch een naasten bloedverwant op wien hij, als gevaar hem dreigt, +rekenen kan. De Venetianen zijn reeds van oudsher bekend als zeer sluw +en geslepen, en zij kunnen onzen doorluchtigen tsaar dooden! En toch, +hem te vergezellen zonder dat wij zijn uitgenoodigd, is meer dan wij +durven doen". + +Daarop sprak hun bejaarde moeder: "O, mijn kinderen, gij +Voïnovitchs! Gij hebt een broeder in de bergen, Milosh, den +schaapherder; ofschoon de jongste, is hij de grootste held van u allen +en hij zal een middel vinden om onze eer hoog te houden. De tsaar +heeft nooit van hem gehoord. Ik raad u hem een boodschap te zenden +en hem te verzoeken naar het kasteel Voutchitrn te komen; meld hem +de ware reden niet, maar zeg hem, dat zijn moeder, die oud is, elk +oogenblik kan sterven, en dat zij hem haar zegen wenscht te geven. Zeg +hem haast te maken, indien hij zijn moeder nog levend wil vinden!" + +Deze raad scheen den beiden broeders goed. Zij schreven een brief +en zonden dien met spoed naar den berg Shar, waar Milosh met zijn +kudde vertoefde. + +Toen Milosh den brief las, veranderde zijn gelaat en hij stortte +bittere tranen. Zijn smart werd opgemerkt door dertig herders, die hem +omringden: "O, Milosh, dapper hoofdman!" riepen zij. "Vele berichten +hebben u bereikt, maar nooit hebben wij u tranen zien storten, als +gij ze laast. Van waar kwam deze brief, en welk slecht nieuws brengt +hij? Vertel het ons gauw, wij smeeken het u!" + +Milosh sprong op en sprak zijn herders aldus aan: "Luistert, o herders, +mijn dierbaarste broeders! Dit bericht komt van het kasteel. Mijn +moeder ligt op haar doodsbed en zij roept mij, om mij haar zegen +te geven, opdat mijn ziel niet gevloekt zij. Ik moet mij tot haar +spoeden, en ik draag u op tijdens mijn afwezigheid goed op de schapen +te passen." + +Toen Milosh het witte kasteel naderde, zagen zijn broeders hem vanaf +een toren en zij trokken uit om hem tegemoet te gaan; hun bejaarde +moeder volgde ook. Milosh was verbaasd haar te zien en zei verwijtend: + +"Waarom, waarde broeders, meldt gij ongeluk, als er geen grond voor +is en als alles goed met u is! Dat de Almachtige u deze misleiding +vergeve." + +En zijn broeders antwoordden: "Kom binnen, waarde broeder, er _is_ +toch een groot ongeluk!" + +De jonge mannen omhelsden elkaar en Milosh kuste de hand zijner +moeder. Toen deden de broers het verhaal van de verloving van hun oom +en hoe hij naar het Venetiaansche land trok zonder zijn beide neven +te hebben uitgenoodigd in den huwelijksstoet mede te rijden en zij +besloten hun verhaal met deze smeekbede: "O, lieve broeder Milosh! Gij +moet den tsaar vergezellen, ja, al zijt gij niet genoodigd. Zoo hij +door eenig ongeluk bedreigd werd, zoudt gij uw oom kunnen bijstaan. Gij +kunt gaan en terugkeeren--zonder u aan iemand bekend te maken!" + +Milosh was daartoe dadelijk bereid en hij antwoordde verheugd: "Ik +zal gaan, o, mijn broeders. Ja, hoe zou ik anders kunnen? Indien ik +niet bereid was onzen dierbaren oom bij te staan, wien anders zou ik +het dan willen doen?" + +Daarop begonnen zijn broers de noodige toebereidselen te maken. Peter +ging naar den stal om zijn paard, Koulash, te zadelen, terwijl +Vankashin bleef om toe te zien, dat Milosh van een passende uitrusting +werd voorzien. Eerst trok hij hem een fijn hemd aan, dat van den hals +tot het middel met goud geborduurd was; van daaraf was het geweven van +witte zijde. Op het hemd waren drie dunne, sierlijke linten bevestigd; +dan een vest, versierd met dertig gouden knoopen; daarover een gouden +borstharnas, dat ongeveer vijftien pond woog. En ook in onderdeelen +werd zijn uitrusting verzorgd als ware hij een prins; tenslotte hing +hij over zijn breede schouders een ruwen Bulgaarschen herdersmantel, +die hem geheel omhulde en zette hem een Bulgaarschen bonten muts met +een hoogen punt op het hoofd, zoodat hij zoo volkomen op een zwarten +Bulgaar geleek, dat zelfs zijn eigen moeder hem niet herkend zou +hebben. Nu brachten de broeders hem een krijgslans en een knots en +het betrouwbare zwaard van hun ouden vader Voïn. Toen leidde Peter +Koulash voor, waarop hij een berenhuid had gelegd, opdat de tsaar +het welbekende paard niet zou herkennen. + + + + +Milosh voegt zich bij den stoet. + + +Milosh was nu gereed om te vertrekken en toen hij afscheid van +zijn broeders nam, gaven zij hem dezen raad: "Indien gij bij de +bruiloftsgasten komt, zullen zij u vragen, wie gij zijt en vanwaar gij +komt. Gij moet antwoorden, dat gij van het land Karavallahia komt, +waar gij een Turksch heer hebt gediend, Radoul-bey, die u uw loon +niet wilde uitbetalen, waarom gij nu uitziet naar een milddadiger +heer. Zeg daarbij, dat, daar gij toevallig bericht hebt ontvangen +van het huwelijk van den tsaar, gij zijt komen aanrijden om u bij +de bedienden van het gezelschap te voegen, niet om eenig loon te +ontvangen, maar dat gij graag wilt dienen voor een stuk brood en een +glas rooden wijn. Intusschen moet gij de teugels van uw paard stevig +in handen houden, want Koulash is gewoon in hetzelfde gelid te gaan +als de strijdrossen van den tsaar en hij zou u kunnen verraden!" + +Nadat de broeders hun goeden raad gegeven hadden, nam Milosh afscheid +van hen en van zijn moeder en stuurde hij zijn paard in de richting +van den huwelijksstoet; in het gebergte Zagoryé haalde hij hen in. Toen +zij den vreemdeling zagen, riepen de svats hem aan. + +"Vanwaar komt gij, kleine, jeugdige Bulgaar?" En Milosh antwoordde: +"Van verre!" gelijk zijn broeders hem hadden aangeraden. Toen namen +de svats hem dadelijk in hun kring op, zeggende: "Dat gij gelukkig +in ons gezelschap moogt zijn, kleine, jonge Bulgaar! Wij zijn altijd +blij, als we weer iemand meer in onze nabijheid hebben!" + +Het vorstelijk gezelschap, stralend van de schitterende kleuren +der luisterrijke uniformen, terwijl de lansen en harnassen in de +zon glinsterden, reed door, totdat het in een vallei kwam. Nu had +Milosh de slechte gewoonte, die hij zich in het gebergte Shar bij +het hoeden van zijn schapen had eigen gemaakt, om tegen den middag +in te slapen en terwijl zijn Koulash fier voortstapte, viel hij in +een diepen slaap en zoo kwam het, dat zijn hand de teugels losser +vast hield. Zoodra Koulash voelde, dat de toom losser was, kromde +hij zijn nek en vloog als een pijl uit den boog door de rijen van +den ruiterstoet, waarbij hij paarden en ruiters omverwierp, totdat +hij de paarden van den tsaar had bereikt. Toen drong hij zich in hun +gelid en nam denzelfden, langzamen, regelmatigen pas aan. + +Maar nu was de geheele stoet in wanorde geraakt en een menigte Lales +[52] zou op de onschuldige oorzaak van de beroering zijn aangevallen, +indien Doushan niet tusschenbeide was gekomen om hem te beschermen: +"Slaat dezen jeugdigen Bulgaar niet; hij is een herder en herders +hebben de gewoonte tegen den middag in te dommelen onder het hoeden +van hun schapen; weest niet boos, maar maakt hem zacht wakker." + +Daarop wekten de svats Milosh, roepende: "Ontwaak, o dwaze, jonge +Bulgaar! Dat de Almachtige uw oude moeder spare, die u niet heeft +kunnen doen begrijpen, dat gij het niet wagen moogt u bij het +gezelschap van den tsaar te voegen!" + + + +De sprong van Koulash. + + +Milosh ontwaakte plotseling en zag, dat de tsaar met zijn diepe, +zwarte oogen naar hem keek en zie! zijn Koulash liep in de koninklijke +rij. Hij draalde geen oogenblik, maar nam de teugels stevig in de hand +en gaf zijn paard flink de sporen. Een oogenblik trilde Koulash van +zijn kop tot zijn hoeven, daarna sprong hij als waanzinnig in in de +lucht, drie lansen hoog, vier lansen ver terzijde, en over een afstand +van zooveel lansen vooruit, dat niemand ze kon tellen! Vuur kwam +uit zijn bek en blauwe vlammen kwamen uit zijn neusvleugels! Twaalf +duizend svats aanschouwden met ontzag en bewondering den verbazenden +sprong van het Bulgaarsche paard en riepen als één man uit: "Vader +der barmhartigheid, welk een groot wonder!" Toen zeiden eenigen +tegen anderen: "Hoe komt zulk een goed paard in het bezit van zoo +iemand? Zulk een wonder hebben wij te voren nooit gezien!" + +Anderen zeiden: "Er was werkelijk één ros als dit in de stallen van +den schoonzoon van onzen tsaar; en nu is het in bezit van zijn neven, +de beide broeders Voïnovitchs". + +Onder de helden, die het paard bewonderden, waren Voutché van +Dyakovitza, Yanko van Nestopolyé en een jongeling uit Priepolyé. Dezen +spraken aldus tegen elkaar: "Wat een prachtig paard heeft die +Bulgaar! Zijns gelijke is in dezen huwelijksstoet niet te vinden, +zelfs onze eigen tsaar heeft er geen zoo. Laat ons wat achter blijven +en trachten er hem van te berooven". + +Toen zij Klissoura bereikten, waren de drie ruiters ver achter +de andere svats; en Milosh reed daar ook alleen. Toen naderden de +helden hem en terwijl zij zich zeer beleefd voordeden, spraken zij +hem aldus aan: "Luister naar ons, gij jeugdige Bulgaar! Wilt gij uw +paard voor een beter ruilen? Wij zullen u bovendien honderd dukaten +geven en daarbij een ploeg en een paar ossen, opdat gij uw akkers +kunt bebouwen en in vrede het overige van uw dagen kunt slijten!" + +Maar Milosh antwoordde: "Laat mij met rust, o, gij drie machtige +ruiters! Ik wensch geen beter paard dan dat, hetwelk ik reeds heb; +want hebt gij niet gezien, dat ik dit zelfs niet rustig kan houden? En +wat uw koopsom betreft, wat zou ik met zooveel dukaten doen? Ik weet +niet, hoe ik ze moet wegen en ik kan ook niet tellen tot honderd. Wat +zou ik doen met uw ploeg en ossen? Mijn vader heeft nooit een ploeg op +zijn akkers gebruikt en toch hebben zijn kinderen nooit honger gekend!" + + + +De strijd om Koulash. + + +Op het hooren van dit antwoord zeiden de drie ruiters toornig: "Gij +deedt beter ons voorstel te aanvaarden, o, hooghartige Bulgaar, opdat +wij niet met geweld uw paard nemen!" Op deze bedreiging antwoordde +Milosh: "Het is waar: met geweld neemt men zelfs landen en steden; +hoe gemakkelijk moet het dan aan drie mannen niet vallen om mijn paard +met geweld te ontnemen! Daarom ruil ik het liever, want ik ben niet +in staat te voet te reizen". + +Dit zeggende deed Milosh alsof hij gewillig afstand van Koulash deed; +hij stak zijn rechterhand onder zijn ruwen mantel. Zij meenden, dat +hij zijn sporen wilde afnemen, maar zij vergisten zich deerlijk, want +dadelijk daarop kwam zijn zeshoekige knots te voorschijn en voordat +zij nog van hun verbijstering bekomen waren, gaf Milosh Voutché een +zacht tikje, dat hem drie keer na elkaar deed ombuitelen. Daarna sprak +Milosh hem spottend toe: "Dat de vruchtbaarheid uwer wijngaarden in +uw vreedzaam landgoed Dyakovitza even groot zij als uw dapperheid!" + +Toen hij zag, hoe het zijn makker verging, vluchtte Yanko in allerijl, +maar Koulash had bijna geen tijd noodig om het vluchtende paard te +achterhalen en Milosh liet op den schouder van zijn ruiter zulk een +slag vallen, dat ook hij op den grond werd geslingerd, waar hij vier +keer omtuimelde, voordat hij liggen bleef. + +"Wacht even! O, Yanko!" smaalde Milosh. "Dat de vruchtbaarheid der +appelboomen op uw vreedzaam landgoed even overvloedig zij als de +dapperheid, die gij heden aan den dag hebt gelegd!" + +Nu bleef nog slechts de man uit Priepolyé over, die ondertusschen een +eind verder was gevlucht. Maar de snelheid van zijn paard baatte hem +niet bij de vlugheid van Koulash en Milosh bereikte hem spoedig en +gaf hem met zijn strijdknots een tik, die hem niet minder dan zes keer +kopje deed duikelen. Of hij het hooren kon of niet, Milosh riep luid +uit: "Houd u vast, o jonge man van Priepolyé, en als gij teruggaat +naar Priepolyé, dan moogt gij er wat mij aangaat tegen de meisjes op +pochen, hoe gij heden met geweld een Bulgaarsch paard hebt genomen". + +Hierop wendde Milosh zijn ros om en bereikte weldra den +huwelijksstoet. Te zijner tijd bereikte de processie de witte stad +Ledyen en de Serviërs sloegen hun witte tenten onder de muren op. De +stalknechts gaven aan de paarden gerst, maar zij gaven niets aan +Koulash. Toen Milosh dit zag, nam hij in zijn linkerhand een voederzak +en van paard tot paard loopend, nam hij met zijn rechterhand van elk +een handvol weg, totdat hij den zak voor zijn trouwen Koulash had +gevuld. Daarna ging hij naar den opperwijnschenker en verzocht hem +om een glas wijn. Maar deze weigerde, zeggende: "Ga heen, gij zwarte +Bulgaar! Indien gij uw ruwen Bulgaarschen houten nap had meegebracht, +zou ik er wellicht een dronk ingeschonken hebben, maar deze gouden +bekers zijn niet voor u!" Milosh wierp een donkeren blik op den lompen +wijnbewaarder, en liet dien volgen door een zachten tik op zijn wang, +die drie gezonde tanden naar zijn keel zond. Toen werd de man bang en +hij verzocht Milosh: "Laat uw hand rusten, o machtige Bulgaar! Gij +zult wijn in overvloed hebben, zelfs al zou onze tsaar er bij te +kort komen". + +Maar Milosh lette niet meer op den man, doch hielp zich zelf. Toen +hij door den pittigen wijn verkwikt was, daagde de dag en de zon +begon te schijnen. + + + +De eerste proef. + + +Toen Milosh in de frissche schoonheid van den vroegen morgen stond +te drinken, riep een page van koning Michael luid van een toren van +het koninklijk kasteel: "Luister o, Servische tsaar Doushan! Zie, +in de vallei onder de muren der stad bevindt zich de kampioen van +onzen koning! Gij moet een tweegevecht met hem aangaan, gij zelf +of een plaatsvervanger. Indien gij hem niet overwint, zult gij deze +plaats niet ongedeerd verlaten, evenmin zal een uwer bruiloftsgasten +terugkeeren! En nog minder zult gij prinses Roksanda met u meevoeren!" + +Doushan hoorde de hooghartige boodschap en hij zond een omroeper, +die een krachtige stem had, rond onder de bruiloftsgasten. Hier en +daar stond hij stil om de boodschap van den tsaar luid uit te roepen: +"Heeft een moeder het leven geschonken aan een onbevreesden held, +die de uitdaging voor onzen tsaar wil aannemen? Hij, die dapper genoeg +is om den strijd tegen den kampioen aan te binden, zal door den tsaar +in den adelstand worden verheven." + +Maar helaas! toen de omroeper het kamp door was gegaan, was niemand +naar voren getreden, om de eer op te eischen voor den tsaar te +strijden. + +Toen Doushan dit hoorde, sloeg hij met zijn rechterhand op zijn +knie en riep uit: "Wee mij! o machtige Schepper! Indien ik nu mijn +lievelingsneven, de twee voïnovitchs bij mij had, dan zou ik niet +zonder kampioen zijn. De tsaar had nauwelijks zijn jammerklacht +geslaakt, of Milosh, zijn paard bij den toom leidend, verscheen voor +de tent van den tsaar. + +"O, mijn heer, gij machtige tsaar!" zei hij, "staat gij mij toe dit +tweegevecht aan te gaan?" + +De tsaar antwoordde: "Gij moogt het aanvaarden, o jeugdige +Bulgaar! Maar helaas, er is maar weinig kans, dat gij dien pochenden +kampioen van den koning kunt overwinnen. Maar als gij slaagt, waarlijk +dan zal ik u in den adelstand verheffen!" + +Milosh sprong in het zadel en toen hij zijn vurigen Koulash van den +tsaar afwendde, wierp hij achteloos zijn lans over zijn schouder +met de punt naar achteren. Dit ziende riep Doushan hem toe: "O, +mijn zoon, draag uw lans zoo niet. Draag de punt vooruit, opdat +de trotsche Venetianen u niet uitlachen!" Maar Milosh antwoordde: +"Zie toe, o tsaar, dat gij uw eigen waardigheid hoog houdt, en maak u +niet bezorgd over de mijne! Indien het noodig is, zal ik gemakkelijk +mijn lans op het juiste oogenblik omkeeren, zoo niet, dan kan ik ze +even goed op deze verkeerde manier houden!" + +Terwijl Milosh over de vlakte van Ledyen reed, zagen de vrouwen +en meisjes van Ledyen hem, en lachend riepen zij uit: "Heiligen in +den hemel! Een wonder! Welk een plaatsvervanger voor een Servisch +keizer! De jonge man heeft zelfs geen ordentelijke kleeren aan! Wees +blij, gij kampioen van den koning, want gij zult nauwelijks uw zwaard +uit de scheede behoeven te halen!" + +Ondertusschen had Milosh de tent bereikt, waarin de kampioen van +den Venetiaanschen koning zat. Voor den ingang had hij zijn lans +diep in den grond gestoken en hieraan had hij zijn grijs paard +vastgebonden. Milosh sprak aldus den kampioen aan: "Sta op, kleine, +blanke Venetiaansche heer; wij zullen samen vechten voor de eer van +onze meesters!" + +Maar de kampioen antwoordde toornig: "Scheer u weg, gij leelijke, +zwarte Bulgaar! Mijn zwaard is niet voor dezulken als gij zijt! Ik +zou mijn staal niet willen bezoedelen door het in zulk een in lompen +gehulden kerel te steken!" + +Deze opmerking maakte Milosh zeer boos en hij riep uit: "Sta op, +hooghartige Venetiaan! Gij hebt werkelijk een rijker gewaad; ik zal +het u ontnemen en wie zal dan de mooiere veeren hebben?" + +Nu sprong de kampioen op en besteeg zijn grijs paard, dat hij over het +veld liet steigeren en springen. Milosh stond er kalm naar te kijken, +totdat de Venetiaan plotseling zijn lans recht naar de borst van +Milosh slingerde. De behoedzame Serviër ving ze op den gouden knop +van zijn knots op en terwijl hij het wapen over zijn hoofd wierp, +brak hij het in drie stukken. + +Deze behendigheid verontrustte den kampioen en hij riep uit: "Wacht een +oogenblik, jij leelijke, zwarte Bulgaar! Mijn lans deugde niet, wacht, +totdat ik er een betere heb gekregen!" Hiermede gaf hij zijn paard de +sporen, maar Milosh riep hem na: "Wacht, gij blanke Venetiaan! Gij +zult mij niet ontkomen!" Tegelijk gaf hij zijn Koulash de sporen, +joeg den lafhartigen kampioen achterna, en vervolgde hem tot vlak aan +de poorten van Ledyen. Jammer genoeg voor den vluchteling waren de +poorten gesloten! Een oogenblik stond de kampioen besluiteloos stil en +dit oogenblik was zijn laatste. Milosh zond zijn onfeilbare lans af; +zij floot door de morgenlucht en de kampioen was aan de poort genageld. + +Toen steeg Milosh van zijn paard, sloeg het hoofd van den Venetiaan +af, en wierp het in den voederzak van Koulash. Daarna greep hij het +grijze paard en reed er mee naar den tsaar. "Hier, o machtige tsaar", +zei hij, "is het hoofd van den kampioen van den koning!" + +Doushan was meer dan verheugd over zijn dapperheid en gaf hem veel +goud. "Ga, mijn zoon" zei hij vriendelijk, "drink wat goeden wijn, +en dadelijk zal ik u in den adelstand verheffen!" + + + +De tweede proef. + + +Nauwelijks had Milosh plaats genomen achter zijn beker wijn of weer +riep een page met luider stem van het koninklijk kasteel: "Zie, o +Servische tsaar! Ginds beneden in de weide kunt gij drie vurige paarden +gezadeld zien; op iederen rug is een vlammend zwaard bevestigd met +de punt omhoog. Indien gij in vrede van hier wilt gaan en de dochter +van den koning medenemen, dan moet gij of uw plaatsvervanger over +deze vlammende zwaarden springen." + +Weer zond de tsaar een omroeper zijn kamp rond: "O, Serviërs" riep +hij, "heeft niet een moeder het leven geschonken aan een held, die +den sprong wil wagen over de drie paarden en de vlammende zwaarden, +die op hun rug zijn bevestigd?" + +Weer ging hij het geheele kamp door, waarbij hij er voor zorgde, dat +zijn woorden door elken svat gehoord konden worden, maar weer kwam +er geen enkele held zich aanbieden. Terwijl de tsaar nog in angstig +gepeins over het vraagstuk verzonken zat, keek hij op en zie! weer +stond Milosh voor hem. "O, roemruchtige tsaar!" zei hij, "staat gij mij +toe deze heldendaad te beproeven?" En de tsaar antwoordde dadelijk: +"Zeker moogt gij gaan, mijn lieve zoon! Maar doe eerst dien lompen +Bulgaarschen mantel af! Dat God den dommen kleermaker straffe, die +hem zoo maakte!" Maar Milosh zei: + +"Wees gerust, o machtige tsaar en drink uw koelen wijn! Maak u niet +bezorgd over mijn ruwen mantel. Indien de held een hart heeft, dan zal +zijn mantel hem niet in den weg zijn; en indien een schaap haar vacht +te zwaar vindt, dan is er geen schaap in haar noch wol op haar huid!" + +Zoo reed hij naar de weide van Ledyen, waar de drie paarden naast +elkaar vastgebonden stonden en den grond met hun voorpooten +omwoelden. De jonge man steeg van zijn Koulash af en ging op +verscheidene passen van het derde paard naast hem staan; daarna +streelde hij Koulash zacht over zijn trotschen nek en zei: "Je zult +hier rustig staan blijven, totdat ik weer op het zadel kom!" Toen liep +hij de paarden voorbij, bleef op korten afstand van het eerste paard +staan, waar hij zich omwendde, zoodat zijn gelaat naar de op eenigen +afstand van elkaar op een rij geplaatste paarden gekeerd was. Daarna +danste hij eerst op den eenen voet en toen op den anderen, waarop hij +plotseling als een vlug hert vooruit schoot en toen, hoog opspringende, +zich over de drie paarden met de vlammende zwaarden wierp, waarna +hij veilig op het zadel van zijn eigen Koulash terecht kwam. Nadat +hij dit gedaan had, nam hij de teugels van de drie rossen, en reed +er mede in triomf naar den Servischen tsaar. + + + +De derde proef. + + +Heel spoedig kwam de page van den Venetiaanschen koning weer naar +den toren van het koninklijk kasteel en sprak aldus: "Luister, +gij tsaar van de Serviërs! Onder den hoogsten toren van dit kasteel +bevindt zich een slanke lans, waarop een gouden appel is gestoken; +op twaalf pas afstand is een ring: gij moet een pijl door den ring +schieten en den appel doorboren--gij of uw afgezant!" + +Dezen keer wilde Milosh niet wachten, tot de omroeper zijn boodschap +gedaan had, maar ging regelrecht naar den tsaar en verkreeg zijn +toestemming om de taak te vervullen. Na zijn gouden pijl en boog +genomen te hebben, begaf hij zich naar de aangewezen plaats, plaatste +zijn pijl op het koord van den boog en de pijl ging recht door den +ring en trof het hart van den appel, dien hij in zijn hand opving, +toen hij viel. Weer schonk de tsaar hem ontelbaar veel gouden dukaten. + + + +De vierde proef. + + +Nauwelijks was dit wonderbare heldenfeit volbracht, of de vorstelijke +page verscheen weer op den toren van het kasteel: + +"Zie, o tsaar van de Serviërs! De twee koninklijke prinsen hebben +voor het paleis des konings drie schoone meisjes gebracht, allen +precies gelijk en gekleed in gelijke gewaden. De koning verzoekt u +te raden, wie van de drie prinsessen Roksanda is! Wee u, als gij een +ander meisje aanraakt dan Roksanda! Gij zult de prinses niet als uw +bruid meevoeren, noch zult gij heengaan met uw hoofd op uw schouders, +en evenmin zullen uw gasten deze plaats levend verlaten!" + +Toen Doushan deze boodschap hoorde, liet hij dadelijk zijn raadsman +Theodoor komen en beval: "Ga, Theodoor, en zeg wie Roksanda is!" Maar +Theodoor verklaarde, dat hij haar maar zoo'n kort oogenblik had gezien, +dat het hem onmogelijk zou zijn van de drie meisjes, die allen op +elkaar geleken, de eene aan te wijzen, die hij gezien had bij het +licht van den ring zijns meesters. + +Toen hij dit hoorde, sloeg de tsaar in wanhoop met zijn hand +op zijn knie, uitroepende: "Helaas: helaas! Moeten wij na vele +verbazingwekkende heldendaden te hebben uitgevoerd, terugkeeren zonder +de bruid en geschandvlekt in de oogen van ons volk?" Juist op dat +oogenblik kwam Milosh, die begrepen had in welke moeilijkheden de +tsaar zich bevond, naar de keizerlijke tent en sprak aldus: "Staat +gij mij toe, o tsaar, om voor u te raden wie van de meisjes prinses +Roksanda is?" En de tsaar antwoordde verheugd: "Mijn volmacht hebt +gij, o mijn lievelingszoon. Maar gering is de hoop, dat gij juist +zult raden, daar gij de prinses nooit te voren hebt gezien!" + +Daarop antwoordde Milosh "Wees niet bevreesd, mijn roemruchtige +heer! Toen ik nog een herder was en in het gebergte Shar de wacht +hield bij twaalf duizend schapen, werden er in een nacht drie honderd +lammeren geboren en ik was in staat van elk lam te zeggen uit welke +moeder het geboren was. Hoeveel gemakkelijker zal het zijn Roksanda +te herkennen, die toch eenige gelijkenis moet hebben met haar broers!" + +"Ga, ga dan, mijn lievelingszoon! Dat God u bijsta, wanneer gij +raadt. Indien gij slaagt, dan zal ik u het geheele land van Skender +geven; gij zult er heerschen, zoolang gij leeft!" + +Milosh ging over de uitgestrekte vlakte, totdat hij aan de plaats +kwam, waar de drie meisjes stonden te wachten. Met een snelle en +onverwachte beweging, zwaaide hij den ruwen bonten muts van zijn +hoofd, wierp hij den zwaren mantel van zijn schouders, waardoor het +scharlaken fluweel en het gouden harnas, dat er onder verborgen was, +zichtbaar werden. Waarlijk, hij schitterde in het groene veld als de +ondergaande zon achter een bosch! Milosh spreidde zijn mantel op het +gras uit en wierp daarop ringen, parelen en kostbare steenen. Daarna +trok hij zijn fijn-gehard zwaard uit de scheede en sprak de drie mooie +meisjes aldus aan: "Dat zij, die prinses Roksanda is, haar sleep bij +elkaar neme en haar mouwen en deze ringen, parelen en kostbare steenen +oprape! Indien iemand anders dan Roksanda deze schoone voorwerpen zou +durven aanraken, zweer ik bij mijn vast geloof, dat ik haar dadelijk +beide handen zal afhouwen, ja, tot aan haar ellebogen!" + +De drie schoone meisjes waren ontsteld en twee van haar keken +beteekenisvol naar haar gezellin, die in het midden stond. Dit was de +prinses en na een oogenblik aarzelens nam Roksanda haar zijden sleep +en mouwen bijeen en begon de ringen, parelen en kostbare steenen +op te rapen. De twee andere meisjes waren op het punt te vluchten, +maar Milosh nam haar zacht bij de hand en geleidde alle drie naar +den tsaar, aan wien hij prinses Roksanda voorstelde; deze eer viel +ook een van haar gezellinnen te beurt, die als haar hofdame bij haar +blijven mocht, maar het andere meisje hield hij voor zich zelf. De +tsaar kuste Milosh tusschen zijn vurige oogen; nog altijd wist hij +niet, wie Milosh was of vanwaar hij kwam. + + + +Het vertrek der Serviërs. + + +De ceremoniemeesters riepen nu overluid: "Maak u gereed, gij svats! Het +wordt hoog tijd, dat wij ons naar huis spoeden!" En de svats maakten +zich gereed voor de reis en spoedig begaven zij zich op weg en namen +de schoone prinses Roksanda mee. + +Toen zij de poorten van de stad verlieten, naderde Milosh den tsaar en +zei: "O, mijn heer, gij Servische tsaar Doushan, luister naar mij! Er +is in de stad Ledyen een geweldig held, Balatchko, de voïvode genaamd; +ik ken hem en hij kent mij. Balatchko heeft drie hoofden: uit een +er van komt een blauwe vlam, uit het andere blaast een ijskoude +wind. Wee hem, naar wien een van deze gericht is! Maar indien een +held ze weerstaat, dan is het niet moeilijk Balatchko te verslaan, +als zijn wind en vlam hem hebben verlaten. De Venetiaansche koning +heeft hem zeven jaar geoefend, want het is zijn voornemen hem te +gebruiken om den koninklijken huwelijksstoet te vernietigen en prinses +Roksanda te bevrijden, voor het geval gij er in zoudt slagen haar in +uw bezit te krijgen. Nu is het zeker, dat hij hem zal zenden om u te +overvallen. Vervolg uw weg en ik zal achter blijven met driehonderd +uitgelezen helden, om het monster tegen te houden, als het u vervolgt." + +Daarom bleef Milosh met zijn driehonderd makkers in het groene woud, +terwijl de svats verder gingen met de schoone prinses Roksanda. + +De svats hadden ternauwernood hun tenten opgebroken, of koning Michael +liet den voïvode Balatchko roepen. "O Balatchko, mijn getrouwe +dienstknecht," zei hij, "kunt gij vertrouwen op uw dapperheid en +uittrekken tegen de svats van den tsaar, om mijn dochter Roksanda +terug te brengen?" + +En Balatchko antwoordde: "Mijn heer, gij koning van Ledyen! Zeg +mij eerst, wie die moedige held was, die de groote heldendaden heeft +verricht, waartoe gij den Servischen tsaar hebt uitgedaagd?" De koning +van Ledyen antwoordde hem: "O, Balatchko, mijn getrouwe dienaar? Hij is +geen held; hij is slechts een jeugdige zwarte Bulgaar." En Balatchko +antwoordde: "Neen, gij vergist u; hij is geen zwarte Bulgaar. Ik +ken hem goed; hij is prins Milosh Voïnovitch zelf, dien zelfs +den Servischen tsaar niet kon herkennen onder zijn vermomming als +herder. Waarlijk, hij is geen gewoon held, en een, die niet licht +geacht mag worden door eenig krijgsman, hoe onbevreesd hij ook moge +zijn." Toch drong de koning aan: "Trek op tegen de svats, o voïvode +Balatchko! Indien gij de prinses weer terugwint, dan geef ik u haar +tot vrouw!" + + + +De strijd met Balatchko. + + +Op het vernemen van deze belofte zadelde Balatchko zijn merrie +Bedevia en begaf zich op weg om de svats te vervolgen, vergezeld van +zeshonderd Venetiaansche kurassiers. Toen zij het bosch bereikten, +zagen zij Koulash midden op den hoofdweg staan en Milosh te voet +achter hem. Balatchko sprak den prins aan met deze woorden: "O +Milosh, klaarblijkelijk hebt gij op mij gewacht!" Hierna richtte +hij zijn blauwe vlam op hem, die slechts het bont van Milosh zengde; +waarop hij, toen hij zag, dat hij den held geen ernstig letsel had +toegebracht, zijn ijskouden wind over hem liet heengaan. Koulash +tuimelde driemaal om en in het stof, maar de wind had geen invloed op +zijn meester. Met den uitroep: "Hier hebt gij iets, dat gij niet had +verwacht!" slingerde Milosh zijn driehoekige knots en gaf Balatchko +een zachten slag, die hem uit het zadel lichtte. Toen wierp Milosh +zijn lans en stak den kerel aan den grond, waarna hij de drie hoofden +afsloeg en ze in den voederzak van Koulash wierp. Na dit gedaan te +hebben besteeg hij zijn paard en voerde zijn driehonderd Serviërs aan +tegen de Venetiaansche kurassiers en kliefde driehonderd hoofden; +de overlevenden werden op de vlucht gedreven. Daarna haastte hij +zich en haalde spoedig den tsaar in, aan wiens voeten hij de drie +grimmige hoofden van Balatchko wierp. De tsaar verheugde zich +over zijn overwinning en gaf hem duizend dukaten, daarna zette de +processie haar tocht naar Prisrend voort. Midden op de vlakte van +Kossovo ging de weg van Milosh naar de vesting Voutchitrn naar rechts, +en hij naderde den tsaar om afscheid van hem te nemen. "Dat God met u +zij, mijn lieve oom!" zei hij. Toen pas hoorde de tsaar, dat de man, +dien hij voor een Bulgaar gehouden had, niemand anders was dan zijn +neef Prins Milosh Voïnovitch. Overstelpt door blijdschap riep hij +uit: "Zijt gij het, mijn lieve Milosh? Zijt gij het, mijn liefste +neef? Gelukkig is de moeder, die u het leven schonk, en gelukkig de +oom, die zulk een dapperen neef heeft! Waarom hebt gij u niet dadelijk +bekend gemaakt? Waarlijk, ik zou u niet buiten gesloten hebben van +mijn gezelschap." + +Wee hem, die zijn eigen bloedverwanten over het hoofd ziet. + + + + + + +HOOFDSTUK IX. TSAAR LAZARUS EN DE TSARINA MILITZA. + + + +Het voorgevoel van de tsarina. + + +Toen zij op zekeren avond samen aan het avondeten zaten, sprak tsarina +Militza aldus tot tsaar Lazarus: + +"O Lazarus, gij gouden kroon van Servië! Gij zult morgen naar de +vlakte van Kossovo gaan met uw hertogen en dienaren, maar helaas, +gij zult niemand in het paleis achterlaten om mijn brieven aan u te +bezorgen, en de uwe van Kossovo naar mij te brengen. Gij neemt ook +mijn negen broeders Yougovitchs met u mede; ik verzoek u althans een +van mijn broeders bij mij te laten, op wien ik kan vertrouwen en bij +wien ik kan zweren!" [53] + +En de tsaar antwoordde: "O, mijn vrouwe, gij tsarina Militza! Welken +van uw broeders zoudt gij het liefst thuis houden." Daarop sprak de +tsarina: "Het liefst zou ik Boshko Yougovitch bij mij houden!" + +Hierin stemde de tsaar toe. "O, mijn vrouwe, tsarina Militza! Als de +ochtend daagt en de zon boven de kim rijst en de poorten van de vesting +geopend worden, dan kunt gij naar de hoofdpoort gaan, waardoor het +geheele leger, voorafgegaan door zijn standaards, zal uittrekken--de +ridders met krijgsmanslansen worden aangevoerd door Boshko Yougovitch, +die de vlag met het gouden kruis zal dragen. Groet hem uit mijn naam +en zeg hem uit mijn naam, dat ik hem verlof geef met u in ons witte +kasteel te blijven en zijn vlag over te dragen aan wien hij wil!" + +Toen de morgen daagde en de zon scheen, werden de poorten van de +vesting geopend en tsarina Militza verscheen aan de hoofdpoort der +stad, en zie! het machtige leger maakte zich gereed uit te trekken; +aan het hoofd reden de roemruchtige ridders, aangevoerd door Boshko +Yougovitch. Boshko stond op het punt zijn bruin paard te bestijgen, +een heerlijk met gouden harnachement opgetuigd dier. Op den vlaggestok +was een gouden appel bevestigd en van het groote kruis hingen gouden +kwasten neer, die zachtjes tegen de schouders van Boshko tikten. + +Tsarina Militza naderde haar broer en haar teedere armen om zijn +hals slaande sprak zij hem met haar lieve stem aldus toe: "O, mijn +lieve broeder, onze tsaar heeft u aan mij gegeven en wenscht, dat +gij niet ten oorlog trekt naar Kossovo. Hij draagt u op uw vlag over +te geven aan wien gij wenscht en in Kroushavatz te blijven, opdat ik +een broeder heb op wien ik kan vertrouwen!" + +Maar Boshko Yougovitch antwoordde: "Ga terug, o lieve zuster, naar uw +witte kasteel! Ik wil niet terugkeeren, noch deze vlag uit mijn handen +geven, al kreeg ik Kroushavatz [54] zelf als belooning. Hoe zou ik +kunnen verdragen dat mijn makkers zeiden: 'Ziet naar den lafaard Boshko +Yougovitch! Hij durft niet naar Kossovo gaan, om zijn bloed te storten +voor de zaak van het Heilige Kruis en zijn geloof!'" Hierna maakte +hij zich los uit de omhelzing zijner zuster en sprong in het zadel. + +Ziet! Daar komt de bejaarde Youg-Bogdan aan het hoofd van een rij van +zijn zeven andere zoons! De tsarina beproefde achtereenvolgens ieder +hunner tegen te houden, maar te vergeefs. Voïn Yougovitch, de achtste +broer, was de laatste in de rij; hij wilde evenmin als zijn broeders +luisteren en toen hij verder ging viel de arme tsarina voor de voeten +der paarden in zwijm. De doorluchtige Lazarus zag zijn geliefde gade +neervallen en daar hij de oorzaak van haar verdriet begreep, stortte +hij tranen. Na snel rechts en links een blik geworpen te hebben, +ontwaardde hij zijn vertrouwden dienstknecht Golouban en riep hem +toe: "O Golouban, mijn getrouwe knecht! Stijg van uw ros en breng de +tsarina in uw heldhaftige armen zacht naar haar slanken toren. God +en ik stellen u vrij van den dienst in den oorlog, blijf in ons witte +kasteel in de nabijheid van de tsarina!" + +Op het hooren van deze woorden verbleekte Golouban en tranen stroomden +langs zijn wangen, toen hij afsteeg van zijn Laboud. [55] Hij nam +de tsarina in zijn armen en droeg haar in den slanken, hoogen toren, +zooals de tsaar bevolen had; maar nadat hij dit gedaan had, kon hij +niet langer weerstand bieden aan den wensch van zijn hart om naar +Kossovo te gaan; daarom snelde hij terug naar zijn ros, gaf het de +sporen en reed snel zijn makkers achterna. + + + +Nieuws van den veldslag. + + +Zie, den volgenden morgen, toen het daagde, streken twee +onheilspellende raven van het slagveld van Kossovo neer op den witten +toren van den doorluchtigen tsaar Lazarus. De een zei tegen den ander: +"Is dit het kasteel van den beroemden vorst Lazarus? Is er geen +levende ziel in?" + +Slechts een in het kasteel hoorde het. Tsarina Militza trad op het +balkon van haar toren en smeekend sprak zij de twee raven aldus +aan: "Ter wille van alles, wat u dierbaar is, o gij twee donkere +raven! Vanwaar komt gij? Komt gij niet aangevlogen van het slagveld +van Kossovo? Hebt gij daar twee machtige legers gezien? O, zeg het +mij. Hebben zij elkander ontmoet? Welke van de twee zal overwinnen?" + +Daarop antwoordden de beide raven: "Dat onheil ons treffe, indien wij +de waarheid niet tot u spreken, o schoone keizerin Militza! Wij komen +werkelijk aanvliegen van de vlakte van Kossovo. Ja! Daar hebben wij +twee machtige legers gezien; twee tsaren zijn omgekomen. [56] Van de +Turken zijn er maar weinigen in leven gebleven, de overlevenden van +de Serviërs zijn bedekt met wonden en bloed!" + + + +De trouwe Miloutin. + + +Nauwelijks hadden de raven uitgesproken, of de tsarina zag een +ruiter naderen, dien zij herkende. Zijn linkerarm hing hulpeloos +neer; hij was overdekt met zeventien wonden; bloed liep langs zijn +paard. De tsarina riep hem toe op een toon van ontzetting: "Helaas, +helaas! Zijt gij het, mijn getrouwe Miloutin? Hebt gij dan uw tsaar +verraderlijk achtergelaten op de vlakte van Kossovo?" + +Maar Miloutin antwoordde langzaam en pijnlijk: "Help mij, o vrouwe, +bij het afstijgen van mijn paard! Bet mijn gelaat met koel water en +verfrisch mij met rozekleurigen wijn, want met zware wonden is mijn +lichaam overdekt!" + +De tsarina liep naar hem toe en hielp hem bij het afstijgen van zijn +met bloed bedekt paard, bette zijn gelaat met koel water en bracht +wijn aan zijn verdroogde lippen. Toen zij hem aldus had verkwikt, +sprak zij: "Wat voor vreeselijke dingen zijn er gebeurd, o gij trouwe +dienstknecht, te Kossovo, op de vlakte? Waar is de roemruchte prins +Lazarus omgekomen? Waar kwam de bejaarde Youg-Bogdan om? Waar vielen +de negen broeders Yougovitch? Waar Voïvode Milosh? Waar kwam Vouk +Brankovitch om? Waar Ban Strahiyna?" + +Daarop bracht de krijgsman er met moeite en kreunend uit: + +"Allen bleven te Kossovo, o vrouwe! Waar de doorluchtige Prins Lazarus +omkwam, daar zijn vele, vele lansen gebroken, zoowel Turksche als +Servische, maar minder Turksche dan Servische, die daar, o vrouwe, +werden opgeheven bij de verdediging van onzen geliefden heer, den +roemruchtigen Prins Lazarus. En uw vader, o vrouwe, kwam bij den +eersten aanval om. Ook uw negen broeders vielen--getrouw bleven zij bij +elkaar. Totdat hij stierf, hadt gij daar den dapperen Boshko kunnen +zien, zijn vlag wapperend in den wind, terwijl hij her en derwaarts +snelde en de Turken verspreidde als een valk, die onder een vlucht +bedeesde duiven neerstrijkt. Daar bij het riviertje de Sitnitza, waar +het bloed den helden tot boven de knieën reikte, kwam Ban Strahiyna om. + +"Maar onze helden stierven niet alleen! Twaalf duizend Turken liggen +neer op de vlakte. Sultan Mourat [57] werd verslagen door voïvode +Milosh. Dat God hem al zijn zonden vergeve! De held heeft aan het +Servische volk de herinnering aan vele edele daden nagelaten, welke +de barden zullen bezingen, zoolang menschen leven en Kossovo is, +wat het is. Wat den verrader Vouk betreft, vervloekt zij zij, die hem +het leven schonk! Hij bedroog onzen tsaar te Kossovo. Twaalf duizend +onzer beste en krachtigste ruiters misleidde hij en bracht hij op +een dwaalspoor, o, vrouwe! Vervloekt voor altijd zij zijn nageslacht!" + + + +Historische aanteekening. + + +Onveranderlijk werpen de barden de verantwoordelijkheid voor +den grooten tegenspoed der Servische wapenen, die hen trof in +dien beroemden slag te Kossovo, op Vouk Brankovitch, die een der +schoonzoons was van tsaar Lazarus. Eenigen van onze historici zijn +er van overtuigd, dat er een groot deel waarheid schuilt in deze +_licencia poëtica_ en zij wijzen op het feit, dat de geschiedenis der +middeleeuwen van Servië vele voorbeelden bevat van ontevredenen als +Vouk Brankovitch, die verleid door mooie beloften van sluwe Turksche +staatslieden, naar Stamboel gingen om nuttige werktuigen te worden in +de handen der Ottomaansche krijgsoversten, die daardoor in staat waren +de Slaven van de Balkanstaten te onderwerpen. Maar de waarheid is, dat +onze tegenspoed voornamelijk te wijten was aan de ongehoorzaamheid der +Servische Heeren, die bijna onafhankelijk over Bosnië en Herzegovina +regeerden. Deze edelen hadden geen gevolg gegeven aan den oproep van +tsaar Lazarus om zich met al hun mannen bij zijn leger te voegen en +zoo kwam het, dat het Servische leger aanmerkelijk kleiner was dan +het Turksche. + +Maar hoe het zij, de nederlaag, die de Serviërs leden in dien +gedenkwaardigen slag, maakte diepen indruk op het volk, en de +Serviërs hebben sinds dien steeds geloofd, dat alleen aan dit onheil +de verplettering van het Servische rijk door den Turk geweten moet +worden. Deze meening hield gedurende vier eeuwen stand in het hart +der onderdrukte Serviërs. Na dien stonden zij herhaaldelijk tegen +hun onderdrukkers op, onder anderen in het begin der vorige eeuw +onder leiding van twee Servische prinsen: George Petrovitch, den +grootvader van den tegenwoordigen koning Peter I Karageorgevitch +in het jaar 1804, en Milosh Obrenovitch in 1815. Maar nog een eeuw +moest verloopen eer de gelegenheid kwam voor een beslissenden slag, +waarbij de slag van Kossovo gewroken werd. Dat geschiedde in den +beroemden slag van Koumanova in 1913, waar meer Turken vielen dan +vijf eeuwen geleden Serviërs. Toen pas was Servië gelukkig! + +Schrijver dezes maakte de Balkanveldtocht van 1912-1913 mee, en was +getuige van roemrijke daden en wapenfeiten van zijn landgenooten, die +vergelijkenderwijs gesproken in geen enkel opzicht onderdoen voor die +van hun voorouders uit de middeleeuwen, toen Milosh Obilitch, Marko +Kralyevitch, Ban Strahiyna en anderen de Serviërs aanvoerden. Het was +een indrukwekkend gezicht, toen het Servische leger na afloop van +den oorlog als overwinnaar in Belgrado terugkeerde. De intocht der +soldaten ging onder ontelbare triomf bogen door, waarboven reusachtige +opschriften prijkten: + +"Voor Kossovo: Koumanovo" en "Voor Slivnitza: Bregalnitza." + +De onvermoeide Servische barden houden zich nu bezig met de +heldendaden in den tegenwoordigen tijd bedreven te Monastir, Koumanovo, +Periep (Prilip), Scoetari (Skadar) enz. en die zij zoodoende aan de +vergetelheid ontrukken. Elk der volgende geslachten zal zich opnieuw +verheugen over den triomf van den Serviër op den onderdrukker van +zijn ras, aan wien tenslotte het rijk van zijn dappere voorouders +ontworsteld werd--zooal niet in zijn geheele uitgestrektheid, gelijk +die onder de regeering van tsaar Doushan den Machtigen was, dan toch +voor zoover het zich uitstrekte in den tijd van tsaar Lazarus. + +Wat tsaar Lazarus verloor, werd herwonnen door zijn dappere +landslieden, mede dank zij het wijs beleid van onzen tegenwoordigen +koning Peter I. + + + + + + +HOOFDSTUK X. DE GEVANGENSCHAP EN HET HUWELIJK VAN STEPHANUS +YAKSHITCH. [58] + + + +De waarschuwing van de Veela. + + +De ochtendstond was nog niet aangebroken, nog had Danitza [59] +haar gelaat niet vertoond, toen een veela van den top van den berg +Avala bij Belgrado luid Demitrius en Stephanus, de twee gebroeders +Yakshitch riep: "O, gij broeders Yakshitch! Slechts ongunst verbergt +het lot dezen morgen voor u in zijn schoot! Ziet gij niet, dat de +machtige Turk zich heeft opgemaakt om de heerlijke stad Belgrado van +drie kanten aan te vallen? Luistert, ik zal u de Pasha's bij name +noemen. De vizier van Tyoopria is met veertigduizend man troepen +gekomen; de Pasha van Vidin leidt een leger van dertig duizend; en +de Pasha van Novi Bazar heeft twintigduizend woeste Janitsaren om +zich verzameld! Indien gij mij niet wilt gelooven, klim dan op den +top van een uwer torens en kijk over de breede vlakte van Belgrado!" + +Op het hooren van deze plechtige verzekering keek Demitrius uit, +en zag werkelijk, wat de veela had gezegd. Indien er regen uit +den hemel ware gevallen, dan zou er geen druppel op den grond zijn +neergekomen, zoo dicht was de vlakte bedekt door de menigte Turken +met hun paarden! Bij den aanblik daarvan werd hij met schrik vervuld +en zonder zich een oogenblik te bedenken snelde hij naar zijn stal, +zadelde zijn paard en ontsloot de hoofdpoort van de vesting, rende +naar buiten en liet de sleutels in de poort steken. Hij haalde de +teugels niet in voordat hij een groot bosch bereikt had, en nu stond +de zon reeds hoog aan den hemel. Hij sprong uit het zadel, ging aan +de oevers van de verkoelende rivier Yahorika zitten en sprak aldus +bij zich zelf: "Helaas, Demitrius, gij verdient het om te komen! Hoe +hebt gij aldus uw eenigen broeder Stephanus kunnen achterlaten?" + +Overstelpt door berouw over zijn lafheid, wilde hij naar Belgrado +terugkeeren, maar het was te laat. De Turken waren de stad reeds +door de geopende poort binnen getrokken. Er was niemand, die zich +tegen hen verzette en na de stad geplunderd te hebben trokken zij af, +waarbij zij verscheidene gevangenen mede voerden, onder wie zich ook +Stephanus Yakshitch bevond. Zij onthoofdden hem niet om zijn ongewone +schoonheid en omdat zij ook zeer goed bekend waren met zijn heldenmoed, +waarvan de faam wijd en zijd verbreid was. Zij brachten Stephanus in +tegenwoordigheid van den vizier van Tyoopria, die zoo aangenaam verrast +was, toen hij hem zag, dat hij beval zijn handen vrij te maken en hem +zijn paard en wapenen terug te geven. Hij gaf ook een groot feestmaal, +waarbij een groot aantal kanonnen werden afgeschoten. Hierna keerde +de vizier van Tyoopria met zijn geheele leger in triomf terug naar +Stamboel, waar hij zijn aanzienlijken gevangene voor den Sultan leidde. + + + +Stephanus en de Sultan. + + +De machtige Padisha zat op zijn sidjadé, [60] en nadat hij Stephanus +had voorgesteld, nam de vizier in zijn nabijheid plaats. Stephanus +maakte een diepe neiging en kuste de muil en de knie van den +sultan. Daarna noodigde de sultan hem uit een zetel te nemen dicht +bij hem en sprak aldus: + +"O heldhaftige Stephanus Yakshitch! Indien gij een Turk wilt worden, +(Dat Allah u bescherme)! dan zal ik u tot mijn Groot-vizier van Bosnië +in de stad Travnik maken! Gij zult zeven andere viziers hebben, die +aan uw bevelen zullen gehoorzamen; ik zal u mijn eenige dochter ten +huwelijk geven en voor u zorgen als voor mijn eigen zoon!" + +Hierop antwoordde Stephanus met vaste stem: "O, groote Padisha! Gij +machtige beheerscher der wereld! Ik zal nooit een Turk worden en het +Heilige Kruis verzaken, ja, al boodt gij mij uw eigen kroon aan! Ik +ben bereid mijn leven te geven voor het heilige, christelijke geloof!" + +Op het hooren van deze stoutmoedige woorden werd de sultan +zeer verstoord en gaf bevel Stephanus terecht te stellen. Maar +Stephanus bezat een goed vriend in den vizier van Tyoopria, die +op dit kritieke oogenblik den sultan smeekte niet toe te geven aan +zijn toorn. "Laat, in den naam van Allah, o mijn Padisha," zei hij, +"een zoo onverschrokken jongeman niet onthoofden! Ik heb hem mijn +eerewoord gegeven, o sultan, dat gij zijn leven niet zoudt nemen! Stel +hem onder borgtocht in mijn handen! Ik zal u evenveel gouden dukaten +geven als hij op uw weegschaal weegt en zal hem bewaken in mijn kasteel +te Tyoopria, waar, ik beloof het u, ik hem het Mohammedaansche geloof +zal leeren liefhebben." + +De sultan stond zijn vizier genadiglijk dit verzoek toe en Stephanus +vertrok met den Turk naar zijn provincie. + + + +Stephanus te Tyoopria. + + +Toen de vizier te Tyoopria kwam, noodigde hij Stephanus uit om te +genieten van al de weelde van zijn kasteel en gedurende een geheel jaar +beproefde hij door voorkomendheid en vriendelijkheid den Servischen +prins tot het geloof van den Muzelman over te halen. Toen al zijn +pogingen mislukten, riep hij zijn hodja's [61] en kadi's [62] zoowel +als de edellieden van zijn district op en deze mannen spraken aldus +tegen Stephanus: + +"O, Stephanus, de vizier heeft ons bevolen u tot het ware geloof te +bekeeren. Indien gij dit wilt omhelzen, dan zal hij u zijn eenige +dochter ten huwelijk geven--zij is mooier dan de witte veela zelf--en +hij zal u dan doen aanwijzen tot Groot-vizier van Novi Bazar. Maar +indien gij weigert een Turk te worden, dan zal zijn djelat [63] +uw hoofd doormidden splijten." + +Hierop antwoordde Stephanus: "Ik dank u, eerwaardige hodja's en +kadi's! Maar ik zou liever mijn leven willen verliezen voor de zaak +van ons heilig geloof en de wet van onzen Heer Jezus, dan te leven +en een Turk te worden." + +De vizier wendde zich treurig af, en beval zijn djelat prins Stephanus +te onthoofden. Maar weer stond Stephanus' goed gesternte hem bij. De +Groot-vizier van Novi Bazar kwam naar den vizier van Tyoopria en +smeekte hem den jongen man niet te onthoofden. "Herinnert gij u niet," +zei hij, "dat gij beloofd hebt hem niet naar het leven te staan? Het +zou beter zijn hem aan mij onder borgstelling over te leveren. Ik +zal u tweemaal zijn gewicht in gouden dukaten geven, en ik beloof +plechtig dat ik, indien ik hem in mijn provincie Novi Bazar heb, +er zeker in slagen zal hem tot den Islam te bekeeren!" + +De vizier van Tyoopria nam het aanbod aan en Stephanus was dus voor +den tweeden keer gered van den dood. + + + +Stephanus te Novi Bazar. + + +Toen de vizier te Novi Bazar aankwam, stuurde hij om zijn knecht +Hoossein. + +"Luister, Hoossein, mijn getrouwe dienaar!" zei hij. + +"Neem dezen duur gekochten gevangene en leid hem door de kerkers, +totdat gij aan den twaalfden komt; laat hem daarin en sluit de twaalf +deuren zorgvuldig achter u, zoodat hij noch zon noch maan kan zien. Mij +dunkt, dan zal hij spoedig bereid zijn een Mohammedaan te worden!" + +Hoossein deed gelijk hem bevolen was en Stephanus werd voor een +half jaar gevangen gezet. Na verloop van dien tijd kreeg de vizier +medelijden met hem. Hij liet zijn eenige dochter Haykoona roepen en +sprak haar aldus aan: "Mijn liefste dochter, mijn hart van zuiver +goud! Luister naar de woorden van uw vader! Ga terug naar uw toren, +open uw gouden kasten en tooi u met uw rijksten opschik. Trek uw +mooiste gewaad van rose zijde aan, dat versierd is met fluweelen +lussen en gouden draden en sla over dat alles uw van goud geweven +mantel. Neem in uw rechter hand een gouden appel en onder uw arm +deze flesch; het is een drank, bereid van planten en bloemetjes uit +het bosch. Het wordt genoemd 'water der vergetelheid.' Men heeft mij +gezegd, dat hij, die zijn gezicht er mede wascht en er van drinkt, zijn +bloedverwanten moet haten en zijn godsdienst. Ga naar de diepste der +torengewelven en open de twaalf deuren; sluit ze weer alle zorgvuldig +achter u. Indien gij bij prins Stephanus komt, geef hem dan deze +flesch met haar wondervollen inhoud. Hij zal stellig zijn gelaat er +mede wasschen en er van drinken: dan zal hij zijn geloof vergeten, +den Islam omhelzen en u trouwen!" + +Het Turksche meisje haakte naar geen grooter geluk, want sinds zij +den knappen Servischen prins gezien had, had een vreemd verlangen +haar gepijnigd. In haar droomen zag zij niemand dan hem; en overdag +werd zij verteerd van koorts. + + + +Stephanus en de dochter van den vizier. + + +Daarom voldeed zij met groote levendigheid aan den wensch van haar +vader en toen zij Stephanus bereikte, begroette zij hem teeder: +"Heil u, o Servische held! Dat God met u zij!" En de ridderlijke prins +beantwoordde haar groet: "Dat God u helpe, o weergalooze Haykoona!" + +Toen zei het mooie meisje: "O, prins Stephanus, ik schat u hooger dan +mijn zwarte oogen! Het smart mij, dat uw gelaat zoo donker geworden +is en gij een zoo ellendig leven moet leiden in de gevangenisgewelven +van mijn vader. Neem deze flesch verkoelend water; wasch uw heldhaftig +gelaat met het vocht en drink er van!" + +De held nam de flesch uit de mooie handen; maar hij was +verstandig! Zonder aarzeling verbrijzelde hij haar tegen den steenen +muur, waarbij hij er wel zorg voor droeg, dat geen druppel hem +bespatte. Het Turksche meisje bloosde van toorn, maar een oogenblik +later beheerschte zij zich en een teederen blik op den prins werpende, +zei zij lieftallig: "Ik smeek u, word een Turk en trouw mij! Ik houd +meer van u dan van mijn zwarte oogen." + +Maar Stephanus was tegen de verleiding bestand en hij antwoordde +streng: "O, Turksche jonkvrouwe, dat ongeluk u vergezelle! Gij weet, +dat mijn geloof een christen verbiedt een Turk te kussen! De hemelen +boven ons zouden vaneen scheuren en steenen zouden op ons hoofd +neervallen!" + +De dochter van den vizier had den prins oprecht lief en ofschoon het +voor haar hooghartig gemoed niet gemakkelijk was zich over zulk een +afwijzing heen te zetten, sprak zij toch aldus: "O prins Stephanus, +waarlijk ik heb u meer lief dan mijn eigen oogen! Ik zou voor al den +rijkdom dezer wereld niet gedoopt willen zijn, maar indien gij mij +bezweert, dat gij mij lief zult hebben en belooft mij te trouwen, +dan wil ik zelfs het christelijk geloof omhelzen! Laat ons veel +goud nemen uit mijns vaders schatkamers en te zamen vluchten naar uw +heerlijk Belgrado." + +Toen hij dit hoorde, sprong de jonge prins verheugd op en opende +zijn armen voor het mooie meisje. Hij was volstrekt niet ongevoelig +voor haar bekoorlijkheden en hij riep met vuur uit: "Gij hebt mijn +prinselijke belofte, dat ik u zal liefhebben en trouw blijven--gelijk +de plicht van een goed ridder is. Dat de Heere Jezus in den hemel +mijn getuige zij!" + +Toen opende de jonge dochter van den vizier achtereenvolgens +de twaalf deuren en het jonge paar stond weldra in de heerlijke, +frissche lucht, onder het uitspansel, dat bezaaid was met sterren en +bestraald werd door het licht der maan. Zij namen drie tovars goud en +uit haar vaders stallen twee van zijn beste paarden. En het meisje +gaf Stephanus een sabel, bezet met groote diamanten--het was half +Novi Bazar waard--zeggende: "Neem dit zwaard, mijn geliefde heer, +opdat gij niet gedwongen wordt te zwichten voor mindere helden, +indien wij op onzen weg mochten aangevallen worden!" + +Toen stegen zij op hun paarden en zetten ze tot snelle vaart aan: +in een nacht legden ze een afstand tusschen zich en het kasteel van +den vizier, waarover een karavaan niet minder dan drie dagen en drie +nachten zou gedaan hebben. + +Den volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag bereikten zij +Belgrado en onmiddellijk liet prins Stephanus twaalf monniken komen, +die het mooie Turksche meisje doopten, waarna het jonge paar gelukkig +vereenigd werd. + + + +Het slot van de ballade. + + +De bard eindigt zijn ballade met de volgende woorden, die dikwijls +het slot van een Montenegrijnsche ballade vormen: "Dit gebeurde op +zekeren tijd; laat ons, o broeders, God bidden, dat hij onzen heiligen +Vladika [64] een goede gezondheid schenke! Amen o God, tot Wien wij +altijd bidden!" + +In den regel eindigen de Servische barden zoo niet; zij stellen er +zich mee tevreden hun toehoorders een goede gezondheid toe te wenschen. + + + +Historische aanteekening. + + +Gedurende de lange periode van Ottomaansche overheersching over +de lijdende christelijke rassen van de Balkanstaten waren er aan +de hoven der christenvorsten altijd ontevredenen, die de sluwe +Turksche staatslieden maar al te gemakkelijk geneigd vonden hun +trouw aan hun rechtmatige heeren te breken. Zij vonden steeds +groote gastvrijheid te Constantinopel en werden vaak met rijkdom +en eerbewijzen overladen. Daarvoor bewezen zij dan zeer gewichtige +diensten aan de sultans in hun vele veldtochten, daar zij natuurlijk +goed bekend waren met den strategischen toestand van hun land en vaak +ook met gewichtige staatsgeheimen. Soms dienden deze verraders den Turk +door in hun eigen land voornamelijk onder de boeren ontevredenheid te +zaaien. Zij verzekerden dan, dat de bevolking het beter zou hebben +onder Ottomaansch bestuur. Onder den invloed van zulke afvalligen +kwam het landvolk in Bosnië en Herzegovina ten tijde van den slag van +Kossovo (1389) tegen zijn heerschers in opstand en nam het geen deel +aan den gedenkwaardigen veldslag. + +Het aantal voorbeelden van een dergelijk verraad, dat Montenegro +oplevert, is echter zeer gering. Van de vroegste tijden af werd +het bewoond door de edelsten van de Servische aristocratie en +haar helden. Daar werd het aannemen van het geloof van den Islam, +onverschillig om welke reden of op welk motief ook als de grootste +lafhartigheid beschouwd, waaraan een christen zich schuldig kon maken. + + + + + + +HOOFDSTUK XI. HET HUWELIJK VAN KONING VOUKASHIN. + + + +De boodschap aan Vidossava. + + +Koning Voukashin [65] van Skadar aan de Boyana [66] schreef een boek +[67] en zond dat naar Herzegovina, naar de witte stad Pirlitor [68] +tegenover den berg Dourmitor. Hij schreef het in het geheim, en in +het geheim zond hij het aan de schoone Vidossava, de eenzame gade +van den voïvode Momtchilo. Aldus was de inhoud van het boek: + +"Heil u, Vidossava, echtgenoote van Momtchilo! Waarom woont gij +te midden van ijs en sneeuw? Indien gij opziet van de muren van uw +kasteel, dan ziet gij den berg Dourmitor met sneeuw en ijs, niet alleen +in den winter, maar ook midden in den zomer; indien gij naar beneden +kijkt, zie, daar stroomt uw onstuimige rivier, de Tarra, die op haar +golven hout en steenen draagt. Er zijn geen doorwaadbare plaatsen, noch +bruggen die haar overspannen; ze is slechts omgeven door pijnboomen en +stukken rots. Waarom zoudt gij geen vergif toedienen aan uw echtgenoot +of hem aan mij verraden? Dan zoudt gij naar mij kunnen vlieden, naar +de vlakke zeekust in mijn witte stad aan de Boyana. Ik zal u gaarne +trouwen en gij zult mijn koningin worden. Gij zult zijde spinnen +op een gouden spoel, zitten op gouden kussens en fluweel dragen, +geborduurd met goud. En hoe prachtig is deze stad Skadar aan de +Boyana! Als gij neerziet op de vruchtbare hellingen boven de muren, +dan rust uw blik op ontelbare vijgen en olijvenboomen en wijngaarden +vol druiventrossen; als gij omlaag kijkt, zie! hoe wit de vlakten zijn +van nijgende tarwevelden en groen van de sappige weiden. Door de weiden +stroomt de heldergroene Boyana; haar wateren worden bevolkt door alle +soorten van visschen, die gij versch opgediend op tafel zult hebben, +indien gij dat wenscht." + + + +Het verraad van Vidossava. + + +Toen Vidossava het boek had gelezen, schreef zij haar antwoord in fijne +letters: "Mijn heer, gij koning Voukashin! Het is geen gemakkelijke +taak den voïvode Momtchilo te verraden, nog minder gemakkelijk is het +hem te vergiftigen. Momtchilo heeft een zuster, Yevrossima genaamd, +die zijn gerechten gereed maakt en voor hem van elk gerecht iets +gebruikt. Hij heeft negen broers en twaalf volle neven, die wijn +schenken in zijn gouden beker; zij drinken altijd vóór hem, eer hij +een teug neemt! Ook, o koning! bezit de voïvode Momtchilo een paard, +Yaboutchilo genaamd, dat vleugels heeft en vliegen kan, zoo ver als +zijn meester maar wil. Dit is nog niet alles. Mijn echtgenoot heeft een +zwaard, versierd met diamanten, zoo groot als de oogen van een meisje; +hiermede gewapend vreest hij niemand dan God. Maar luister naar mij, +o koning Voukashin! Verzamel een ontzaglijk groot leger! Voer uw helden +naar het meer, en verberg u daar in de bosschen. Het is de gewoonte +van Momtchilo elken Zondagmorgen op de jacht te gaan; dan rijdt hij +uit met zijn negen broeders en twaalf neven, en wordt daarbij vergezeld +door een wacht van veertig mannen uit zijn kasteel. Op den avond, die +aan den volgenden Zondag vooraf gaat, zal ik Yaboutchilo de vleugels +afbranden; het met juweelen bezette zwaard zal ik in gezouten bloed +doopen, zoodat het Momtchilo onmogelijk zal zijn het uit de scheede +te trekken: aldus zult gij in staat zijn hem te overwinnen." + +Toen dit boek in handen kwam van koning Voukashin, werd zijn hart +verheugd, en hij verzamelde een groote strijdmacht en trok op naar +Herzegovina. Hij trok naar het meer bij het kasteel van Momtchilo, +waar hij zich in de naburige bosschen verborg. + +Aan den vooravond van den Zondag trok Momtchilo zich in zijn slaapkamer +terug om te rusten op de zijden kussens, toen, zie! zijn gade tot hem +kwam. Zij legde zich niet neer op de zijden kussens, maar bleef naast +haar echtgenoot staan en haar tranen vielen op zijn hoofd. Toen hij +de warme tranen op zijn ridderlijke wangen voelde, keek de voïvode +op en zei: + +"O, Vidossava, mijn getrouwe gade! Welk groot verdriet heeft u +getroffen, dat gij tranen op mijn hoofd stort?" + +En Vidossava antwoordde: "Mijn heer, gij voïvode Momtchilo. Ik heb +geen ander verdriet dan over u. Ik heb van een wonder gehoord, dat +mijn eigen oogen niet hebben gezien. Men heeft mij gezegd, dat gij +een gevleugeld paard hebt, maar ik kan het verhaal niet gelooven. Het +zal u het een of ander machtig kwaad brengen en ik vrees, dat gij +zult omkomen!" + + + +Het gevleugelde paard. + + +Momtchilo was gewoonlijk voorzichtig, maar dezen keer liep hij in den +val: "Vidossava, mijn dierbare gade," zei hij teeder, "indien dat de +oorzaak van uw verdriet is, dan kan ik u gemakkelijk troosten. Gij +zult de vleugels van mijn ros Tchile [69] zien; als de eerste hanen +kraaien, ga dan naar beneden, naar de stallen; dan zult gij zien, +hoe Tchile zijn vleugels ontplooit." + +Na dit gezegd te hebben, legde hij zich weer neer om te slapen. Maar +niet alzoo Vidossava. Zij bleef waken om het eerste hanengekraai te +hooren en toen zij het geluid vernam, sprong zij op, stak een lantaarn +en een kaars aan, nam wat kalfsvet en teer en spoedde zich naar de +stallen. En zie! Zij zag, hoe Yaboutchilo zijn vleugels ontplooide, +die tot aan zijn hoeven reikten. Vidossava smeerde de vleugels met vet +en teer in en stak ze met haar kaars in brand. Wat niet verbrandde, +bond zij stevig onder den buik van het paard vast. Hierna ging zij +naar het arsenaal en doopte het lievelingszwaard van Momtchilo in +gezouten bloed. Daarna keerde zij naar de kamer van haar gade terug. + + + +De droom van Momtchilo. + + +Bij het aanbreken van den dag ontwaakte Momtchilo en sprak tot +Vidossava: "Mijn geliefde gade! Heden nacht heb ik een vreemden droom +gehad: plotseling verscheen een nevel wolk van het vervloekte land +Vassoye, die den berg Dourmitor omhulde. Ik reed door de wolk met +mijn negen geliefde broeders en twaalf volle neven, vergezeld van mijn +veertig wachten. In dien nevel, o, mijn geliefde Vidossava! verloren +wij elkaar uit het oog; en nooit ontmoetten wij elkaar meer! God +alleen weet, wat deze droom beteekent; maar ik heb een voorgevoel, +dat het een of ander onheil ons weldra zal treffen!" + +Vidossava beproefde haar heer gerust te stellen. "Vrees niet, mijn +geliefde heer!" zei zij; "droomen zijn bedrog, God verlaat u niet!" + + + +De hinderlaag. + + +Momtchilo kleedde zich voor de jacht en wandelde uit zijn witten toren +naar het plein, waar zijn negen broeders, twaalf neven en veertig +wachten reeds op hem wachtten. Zijn gade leidde zijn Yaboutchilo +naar hem toe; hij sprong in het zadel en als gewoonlijk reed hij +met zijn gevolg ter jacht. Zonder dat een hunner iets vermoedde, +bereikten zij het meer, waar eensklaps een groote strijdmacht hen +omringde. Momtchilo greep naar zijn zwaard, maar helaas, hij was niet +in staat het uit de scheede te trekken. Toen riep hij bitter uit: +"Luistert, mijn geliefde broeders! Mijn gade Vidossava heeft mij +verraden, geeft mij een zwaard?" + +Haastig gehoorzaamden zijn broeders; zij gaven hem het beste zwaard, +dat zij hadden! Toen zei Momtchilo weer: "Luistert, mijn geliefde +broeders: gij zult de vleugels van het leger aanvallen en ik zal +tegen het midden den strijd aanbinden." + +Machtig God, welk een heerlijk wonder! "Hoe gelukkig zoudt gij +u achten, als gij, mijn broeders [70], dat wonder hadt gezien: +hoe voïvode Momtchilo zijn zwaard zwaaide, en zich een weg baande +door den muur van vijanden!" Echter werden er meer verpletterd door +Yaboutchilo dan door het zwaard van den held! Maar helaas een droevig +ongeluk wachtte hem ten slotte. Toen hij zich door den vijand had +heengeslagen, volgden de negen zwarte paarden van zijn broeders hem; +maar de zadels waren leeg! + +Toen Momtchilo dit zag, barstte zijn moedig hart haast van verdriet +over het verlies van zijn negen geliefde broeders; de arm, waarin +hij zijn zwaard hield, viel slap langs zijn zijde; en wetende, dat +hij niet langer zou kunnen vechten, gaf hij Yaboutchilo de sporen, +opdat deze zijn vleugels zou uitspreiden en naar zijn kasteel vliegen. + +Maar helaas! Voor het eerst gehoorzaamde zijn paard niet aan de +sporen. Toen sprak Momtchilo verwijtend: + +"O, Yaboutchilo, dat de wolven u verslinden! Menig keer hebt gij van +hier gevlogen, alleen uit tijdverdrijf en nu ik in gevaar verkeer, +wilt gij niet vliegen!" + +En het ros antwoordde hinnikend: "Mijn heer, machtige voïvode +Momtchilo! Vloek mij niet, en beproef niet mij verder te dwingen! Heden +kan ik niet vliegen! Dat God uw Vidossava straffe! Dezen nacht +heeft zij de punten van mijn beide vleugels verbrand. Wat zij niet +verbrandde, heeft zij stevig onder mijn buikriem vastgebonden. O, mijn +geliefde meester; gij deedt beter te trachten alleen te ontsnappen. Ik +kan u niet helpen!" + +Toen Momtchilo dit hoorde, biggelden de tranen langs zijn heldhaftig +gelaat. Het kostte hem moeite van zijn geliefde Yaboutchilo af te +stijgen; na een laatste liefkozing vermande hij zich en met drie +sprongen bevond hij zich voor den ingang van zijn kasteel. En zie! de +massieve poorten waren gesloten en gegrendeld. + + + +Broeder en zuster. + + +Toen hij dit zag, riep Momtchilo luid zijn zuster toe: "O Yevrossima, +mijn geliefde zuster! Laat een rol linnen naar beneden, opdat ik +tegen den muur van het kasteel kan opklimmen en ontkomen, voordat +mijn vervolgers mij hebben ingehaald!" + +Yevrossima hoorde de smeekbede en antwoordde onder een vloed van +tranen: "Helaas, mijn geliefde broeder, gij voïvode Momtchilo! Hoe +kan ik een linnen band naar beneden laten, nu mijn schoonzuster, +uw ontrouwe Vidossava, mijn haren aan een balk heeft vastgebonden?" + +Maar zusters hebben een week hart voor broers [71] en Yevrossima +rukte, terwille van haar eenigen broer, zoo hevig met haar hoofd, +dat zij los kwam, maar haar haren aan den balk liet; toen nam zij een +rol linnen, maakte het eene eind vast en wierp het ander eind over den +muur van af den wal. Momtchilo greep het linnen en klom snel op naar +den rand van den wal. Hij was op het punt in de vesting te springen, +toen zijn trouwelooze gade snel kwam aanloopen, en met een scherp +zwaard het linnen boven de handen van Momtchilo doorsneed. + +Terzelfder tijd was de strijdmacht van Voukashin genaderd en Momtchilo +stortte neer op hun lansen en zwaarden. Toen de koning den held zag +vallen, spoedde hij zich naar de plek en doorstak hem het hart met +een hevigen stoot. Hij stiet zoo heftig, dat het zwaard door den +muur drong. + + + +De dood van Momtchilo. + + +Voïvode Momtchilo was een buitengewoon held, en hij was in staat deze +laatste woorden tegen koning Voukashin te spreken: "Mijn laatste +verzoek aan u, o koning Voukashin, is, dat gij mijn trouwelooze +Vidossava niet huwt, want zij zal ook u verraden. Heden heeft zij +mij aan u verraden, morgen zal zij u hetzelfde aandoen! Veel beter +zou het zijn mijn lieve zuster Yevrossima te huwen, de lieftalligste +van alle meisjes. Zij zal u altijd trouw zijn en u een held schenken, +even groot als gij zelf zijt!" + +Dit zei voïvode Momtchilo, toen hij worstelde met den bleeken +dood. Toen hij het gezegd had, vloog zijn ziel hemelwaarts. + +De poorten van het kasteel werden nu geopend en de ontrouwe Vidossava +kwam naar buiten om koning Voukashin welkom te heeten. Nadat zij hem +begroet had, ging zij hem voor naar haar witten toren en wees hem een +plaats aan haar gouden tafel. Zij bood hem fijne wijnen aan en vele +kostbare gerechten. Daarna ging zij naar het arsenaal en bracht hem +de wapenrusting en de wapenen van Momtchilo. Maar merkwaardig! De +helm, die Momtchilo juist paste, viel koning Voukashin neer op de +schouders. Een van Momtchilo's kaplaarzen was groot genoeg voor de +twee voeten van koning Voukashin. Het zwaard van Momtchilo was een +armlengte te lang, toen koning Voukashin het aan zijn gordel paste! + + + +De straf van Vidossava. + + +Toen hij dit alles zag, riep koning Voukashin uit: "Helaas! Wee +mij! Dat God mij vergeve! Welk een trouweloos monster moet deze +jeugdige Vidossava zijn om zulk een held te verraden, wiens gelijke +over de geheele wereld vergeefs gezocht moet worden! Hoe kon ik, +rampzalige, verwachten, dat zulk een vrouw mij trouw zou blijven?" + +Na dit gezegd te hebben, riep hij luid zijn bedienden, die Vidossava +grepen en haar mooie ledematen aan de staarten van vier paarden bonden, +die ze toen voor het kasteel Pirlitor uiteen joegen. + +Vreeselijk lot, aldus werd ze levend aan stukken gescheurd. + +Daarna plunderde de koning het kasteel van Momtchilo en voerde +Yevrossima weg naar Skadar aan de Boyana. Later betoonde hij zich haar +liefde waardig trouwde haar en zij schonk hem Marko en Andreas. En +inderdaad, Marko erfde den heldenmoed van voïvode Momtchilo en zoo +werd de voorspelling van zijn oom vervuld. + + + +Historische aanteekening. + + +Hoe ruw de gewoonten ook mogen zijn, waarvan in deze ballade uit de +veertiende eeuw een beeld gegeven wordt, in mijn verzameling is ze +toch ongetwijfeld een plaats waard. Ze werd neergeschreven door Vouk +St. Karadgitch, die ze opving van de lippen van een Servischen bard, +en ik kan niet genoeg mijn spijt uitdrukken over mijn onmacht om +in een andere taal de schoone en stoutmoedige vergelijkingen en de +even kernachtige als welsprekende uitdrukkingen tot haar recht te +laten komen. + +De Fransche troubadours der middeleeuwen kozen zelden de ontrouw +van vrouwen als thema; waarschijnlijk omdat een geval als in onze +ballade beschreven werd hetzij onbekend was, hetzij te algemeen, +om als belangrijk te worden beschouwd. Indien Servische barden de +wispelturigheid en het verraad van het zwakkere geslacht niet dan +bij hooge uitzondering bezongen, dan kwam dat door den weerzin, die +in Servië door de ontrouw, zoowel van den echtgenoot als van zijn +gade wordt opgewekt. Ongetwijfeld heeft de bard in een klooster, dat +hij op een zijner reizen aandeed, een of andere kroniek opgedoken, +waaraan hij eenige feiten ontleende betreffende het huwelijk van +koning Voukashin en, evenals de Fransche troubadour, die uit het +sobere historische materiaal, dat hem ten dienste stond, het verhaal +van den slag bij Ronceval opbouwde, heeft zijn fantasie aangevuld, +wat hem aan feiten ontbrak. + +Voor het algemeen oordeel over de ontrouw vindt men een aanwijzing in +de barbaarsche straf, die de bard Vidossava oplegt. Het mag zeker +als een groote merkwaardigheid gelden, dat ik bij mijn nasporingen +geen enkele ballade heb gevonden, waarin ontrouw van den kant van +een echtgenoot voorkomt. + +In de balladen, die betrekking hebben op Prins Marko zien wij, dat +hij altijd ridderlijk jegens vrouwen was, vooral tegenover weduwen +en onderdrukte meisjes, onverschillig welke haar maatschappelijke +positie of godsdienst ook waren. Hij is bereid Turksche meisjes +bij te staan en zelfs zijn leven voor haar te wagen. In de ballade +getiteld: "De gevangenschap en het huwelijk van Stephanus Yakshitch" +verhaalt de bard, hoe hij de liefde opwekt van een hartstochtelijk +Turksch meisje, die hij echter afwijst; reeds de enkele gedachte aan +een verbintenis tusschen een Christen en een Mohammedaansche vrouw +wekt zijn verontwaardiging. Het kan zijn, dat koning Voukashin voor +Vidossava's huwelijk met voïvode Momtchilo omgang met haar had, maar +indien dat zoo was, dan moet het meer een politieke verbintenis zijn +geweest dan een zaak van het hart. + + + + + +HOOFDSTUK XII DE HEILIGEN VERDEELEN DE SCHATTEN. [72] + + + +De bard begint. + + +Genadige schepper! Dondert het of schudt de aarde? Of kan het zijn +het loeien van den stormachtigen oceaan, die zijn golven tegen het +strand beukt? [73] + +Neen, het is geen donder, noch is de aarde aan het schudden of de +onstuimige Oceaan bezig tegen het strand te beuken. + +Zie! de heiligen verdeelen onder elkaar de schatten des Hemels, van +de Aarde en van de Zee; de Heilige Petrus en de Heilige Nicolaas, +Johannes en Elias; onder hen is ook de Heilige Panthelias. + +Plotseling nadert met langzame, sleepende schreden, Beata Maria; +de tranen stroomen haar langs het bleeke gelaat. + +"Lieve zuster" sprak de heilige Elias, "gij Beata Maria! Welk groot +ongeluk heeft u getroffen, dat de tranen langs uw wangen stroomen?" + +Daarop sprak Beata Maria onder haar snikken door: "O mijn lieve +broeder, gij Donderaar Elias. Hoe kan ik nalaten tranen te storten, +nu ik juist uit Indië ben teruggekeerd, uit Indië, dat gevloekte +land? In dat ontaarde land heerscht volstrekte regeeringloosheid; het +volk heeft geen eerbied voor zijn meerderen; kinderen gehoorzamen hun +ouders niet; ouders vertreden hun kinderen onder hun eigen voeten. (dat +hun wangen blozen bij den divan [74] voor God, die de waarheid zelf +is). De eene _koom_ beschuldigt den ander voor den rechter en legt +een valsche getuigenis tegen hem af--waarmee hij zijn eigen ziel +verliest, en nadeel toebrengt aan hem, die als getuige aanwezig is +geweest bij zijn huwelijk of doop; de broeder daagt den broeder uit +tot een tweegevecht; een bruid is niet veilig in handen van een dezer, +en helaas, zelfs nog ontzettender dingen heb ik gezien!" + +De Donderaar Elias gaf ten antwoord: "O, lieve zuster, gij Beata +Maria. Wisch deze tranen af van uw lieftallig gelaat. Indien wij +deze schatten hebben verdeeld, zullen wij naar den divan tot onzen +Almachtigen Schepper gaan. Tot Hem willen wij bidden, dat Hij in +Zijn oneindige genade ons de sleutels verleene der Zeven Hemelen, +om die er mede te sluiten. Ik zal de wolken verzegelen, zoodat er +geen droppel regen meer uit neervalt, noch stortregen, noch zachte +dauw. Ook zullen de zilveren stralen der maan gedurende den nacht +niet schijnen. Alzoo zal er gedurende drie volle jaren een ontzettende +droogte heerschen en noch tarwe, noch wijn zal er groeien, ja, zelfs +niet zooveel als er noodig is voor de Heilige Mis." + +Beata Maria was getroost en wischte de tranen weg van haar melkwit +gelaat. En de heiligen gingen voort met het verdeelen der schatten: +Petrus koos wijn en tarwe en de sleutels van het Hemelsche Rijk: +Elias koos den bliksem en den donder; Panthelias de groote hitte; +Johannes broederschap en koomschap, zoowel als het Heilige Kruis; +Nicolaas koos de zeeën met de galeien er op. + + + +De Gramschap van God. + + +Toen begaven allen zich naar den divan bij den Almachtige, tot Wien +zij onophoudelijk baden, drie lichte dagen en drie duistere nachten +lang. Zij baden en inderdaad hun gebeden werden verhoord: God gaf +hun de sleutels van de Hemelen. + +Zij sloten de Zeven Hemelen af en drukten zegels op de wolken en ziet, +drie volle jaren viel er geen druppel regen, noch stortregen, noch +zachte dauw. Het zilveren licht der maan scheen niet en er groeide +geen wijn, noch ontsproot de tarwe in den verschroeiden grond, zelfs +niet zooveel als noodig was voor de behoeften der Heilige Kerk. + +Aanschouwt wat gebeurde! De zwarte aarde spleet; levenden werden er +in verzwolgen--God zond een afgrijselijke plaag, die ouden en jongen +wegmaaide, hen scheidende, die elkaar dierbaar waren. De weinigen, +die dit overleefden, hadden bitter berouw en wendden zich tot God +den Heer, in Wien zij waarachtig geloofden en Die hen nu zegende. + +En Gods zegen, dien Hij dezen menschen gaf, is gebleven tot op dezen +dag: er zou een zomer en een winter zijn, elk jaar een! + + Zooals het lang geleden was, zoo is het ook nu. "Aangebeden + God dat onze dankzeggingen U bereiken! Wat geschied is, + dat het nooit weer geschiede." + + + + + +HOOFDSTUK XIII. DRIE SERVISCHE BALLADEN. + + + +De bouw van Skadar (Scoetari). [75] + +De volgende gedichten zijn overgenomen uit Sir John Bowrings "Servian +popular Poetry", London 1827. Deze vertalingen zijn in dien vorm +opgenomen, om eenig denkbeeld te geven van den vorm van het nationale +gedicht, waaraan de stof van dit boek voor het grootste gedeelte +ontleend is. + + + Drie broeders kwamen overeen een vesting te bouwen. + Het waren de gebroeders Mrnyavtchevitch, + Kraly Vukashin [76] was de oudste broeder; + En de tweede was voïvode-Uglesha; + En de derde, de jongste broeder, Goïko. + Volle drie jaren werkten zij aan de vesting, + De vesting Skadra, aan de rivier Boyana; + Volle drie jaren werkten ook drie honderd werklieden. + IJdel was de poging om de grondvesten voor den muur te leggen. + Nog ijdeler die om de vesting zelf op te trekken: + Wat des avonds door de werklieden was opgetrokken, + Werd voor de ochtendschemering door de veela geslecht. + Toen in 't vierde jaar opnieuw werd begonnen, + Hoor! de veela van den met bosch begroeiden berg + Riep--"Gij koning Vukashin! IJdel is uw pogen! + Nooit, nooit zult gij de vesting bouwen, + Indien gij niet twee gelijknamige wezens vindt, + Indien gij niet vindt Stoyan en Stoyana: + En deze beiden,--die elkaar liefhebben, + Zij moeten onder het fundament worden ingemetseld. + Dan alleen zullen de fundamenten de vesting dragen, + Dan kunt gij de muren optrekken." + Toen Vukashin de woorden der veela hoorde, + Riep hij spoedig tot Dessimir, zijn dienstknecht: + "Luister Dessimir, mijn getrouwe dienstknecht, + Gij waart mij steeds een trouw dienaar; + Van dezen dag af zult gij mijn zoon zijn; + Span mijn renpaarden voor mijn zegewagen, + Belaad dien met zes lasten gouden schatten, + Reis de geheele wijde wereld door, en breng mij, + Breng mij mede die twee wezens van één naam, + Breng mij die twee, die elkaar zoo liefhebben, + Breng mij Stoyan en Stoyana. + Steel hen, zoo ge hen met goud niet kunt koopen, + Breng hen hier naar Skadar aan de Boyana. [77] + Wij zullen hen begraven onder de fundamenten van den muur, + Dan zullen de fundamenten den muur kunnen dragen, + Dan zullen wij onze vesting Skadar kunnen bouwen." + + Dessimir gehoorzaamde aan het bevel van zijn meester. + Hij spande onmiddellijk de paarden voor den wagen, + Vulde dien met zes lasten gouden schatten. + Door de geheele wijde wereld reed de getrouwe dienstknecht + En rondzwervend vroeg hij overal naar de gelijknamige + schepsels, + Naar de tweelingen--naar Stoyan en Stoyana;-- + Volle drie jaren zocht hij hen--zocht hen te vergeefs: + Nergens vond hij Stoyan en Stoyana. + Toen spoedde hij zich huiswaarts naar zijn meester; + Hij bracht den koning zijn paarden en zijn wagen en + Gaf hem zijn zes lasten gouden schatten. + "Hier, mijn vorst, zijn uw paarden en wagen: + Hier hebt gij uw gouden schatten-- + Vergeefs zocht ik deze gelijknamige wezens: + Nergens vond ik Stoyan en Stoyana." + Toen Vukashin zijn dienaar had ontslagen, + Riep hij onmiddellijk zijn bouwmeester Rado. + En Rado riep zijn driehonderd werklieden; + En zij vingen weer aan de vesting Skadar te bouwen; + Maar 's avonds slechtte de veela hun werk weer. + Vergeefs trachtten zij de fundamenten van den muur te leggen; + Vergeefsch was hun poging de vesting Skadar te bouwen. + En de veela van het bergwoud riep: + "Vukashin, luister, luister naar mij! + Gij verkwist uw rijkdom en verspilt uw kracht. + Vergeefs tracht gij het fundament voor den muur te leggen, + Vergeefs poogt gij de vestingmuren op te richten! + Luister nu naar mij: gij zijt met drie broeders. + Ieder heeft tehuis een getrouwe gade. + Zij, die morgen naar de Boyana komt, + Zij, die de rantsoenen aan de werklieden brengt, + Sluit haar diep in der muren fundamenten + Zoodoende zullen de fundamenten stevigheid erlangen. + Dan zult gij de sterkte aan de Boyana bouwen. + + Toen de koning de veela hoorde, + Riep hij terstond zijn beide broeders tot zich: + "Hoort mijn woorden, hoort nu mijn woorden, broeders! + Aldus sprak de veela van het woud op den berg: + Verspil niet langer uw schatten en uw kracht + Met uw vergeefsche pogingen om de vesting te bouwen + Op een wrak en ondeugdelijk fundament. + Voorts zei de veela van het woud op den berg: + Ieder uwer bezit een getrouwe gade; + Ieder een getrouwe bruid, die uw woning bestiert; + Zij, die morgen naar de vesting komt, + Zij, die de werklieden hun rantsoen brengt, + Worde onder de fundamenten van den muur ingemetseld; + Dan zullen de fundamenten de vesting dragen, + Dan kan de vesting aan de Boyana verrijzen. + Nu dan broeders! In Gods heilige tegenwoordigheid + Laat ieder zweren het vreeselijke geheim te bewaren; + Dat het noodlot beslisse, wie de eerste zal zijn, + Die haar weg neemt naar de rivier van Skadar." + En elk der broers zwoer in Gods heilige tegenwoordigheid + Het vreeselijke geheim voor zijn vrouw te bewaren. + + Toen de nacht op de aarde was neergedaald, + Spoedde zich ieder naar zijn eigen witte woning; + Ieder nam deel aan het liefelijk avondmaal, + Ieder zocht zijn bed voor den verkwikkenden slaap. + Zie! Toen gebeurde er een verbazingwekkend wonder. + Het eerst brak Vukashin zelf zijn eed, + Toen hij zijn vrouw het vreeselijk geheim toefluisterde: + "Verschuil u! mijn getrouwe gade, houd u verborgen! + Ga morgen niet naar de Boyana! + Breng den werklieden morgen geen voedsel! + Anders, mijn schoone! zal het u uw jonge leven kosten + En onder de muren zal men u insluiten!" + Ook Uglesha brak zijn eed! + En hij gaf zijn vrouw met deze woorden raad: + "Begeef u niet noodeloos in gevaar, liefste lief! + Ga morgen niet naar de Boyana! + Breng den werklieden hun rantsoen niet! + Anders kon het zijn, dat gij van uw vriend nu reeds gescheiden + werdt, + Het kon zijn, dat gij ingesloten werdt onder het fundament!" + + Getrouw aan zijn eed, fluisterde de jonge Goïko + Geen woord ter waarschuwing aan zijn lieftallige gade. + + Toen de ochtend begon te grauwen, + Stonden al de broeders bij het aanbreken van den dag op, + En ieder spoedde zich naar de Boyana: + Aanschouwt nu! twee edele jonge vrouwen: + Ze zijn half-zusters, de oudste zusters-- + De een brengt haar door de sneeuw gebleekt linnen + Om het nog eens in de zomerzon te bleeken. + Zie! zij komt naar de bleekvelden-- + Daar blijft zij staan--zij doet geen stap nader. + Zie! de tweede, met de kruik van roode klei; + Zie! zij komt--zij vult ze in het stroompje; + Daar praat zij met andere vrouwen--draalt-- + Ja! zij draalt--doch komt geen schrede nader. + + De jeugdige vrouw van Goïko draalt thuis; + Want zij heeft een kindje in de wieg. + Geen volle maand oud is de kleine lieveling: + Maar de tijd van het maal nadert; + En haar bejaarde moeder zet haar aan tot arbeid; + Liefst zou zij de dienstmaagd roepen om haar te bevelen + Het middagmaal naar de Boyana te brengen. + "Niet zoo!" zei de jonge gade van Goïko; + "Blijf, zit rustig neer, ik bid u moeder! + Wieg het kindje in zijn wieg: + Ik zelf zal het voedsel naar Skadar brengen. + In het aangezicht van God zou het een schande zijn. + Een beleediging en schande voor het geheele volk, + Indien geen van ons drieën bereid zou zijn om het te dragen." + + Zoo bleef zij thuis, de bejaarde moeder. + En zij wiegde de kleine lieveling in de wieg. + Toen stond Goïko's jeugdige gade op, + Riep alle dienstmaagden om zich heen, + Gaf haar het voedsel, en gaf bevel haar te volgen. + Toen zij de stroomende rivier Boyana bereikten, + En Mrnyavtchevitch Goïko haar zag, + Omhelsde hij met verscheurd hart zijn jeugdige gade; + Kuste duizend keer haar sneeuwwit voorhoofd. + Brandende tranen vloeiden snel van zijn oogleden-- + + En hij sprak met van smart gebroken stem: + "O mijn gade, mijn eigen: hoe innig ben ik over u bekommerd. + Hebt gij geen oogenblik gedroomd, dat gij moest omkomen? + Waarom hebt gij onze kleine verlaten? + Wie zal onze kleine baden in uw afwezigheid? + Wie zal de borst ontblooten om de zuigeling te voeden?" + Meer en steeds meer zou hij nog willen spreken, + Maar de koning stond het niet toe. Vukashin + Grijpt haar blanke hand en roept + Meester Rado--hem, den bouwmeester; + En hij roept zijn driehonderd werklieden. + + Maar de jonggehuwde glimlacht en waant het + Alles een grap--geen vrees overvalt haar. + Als de driehonderd werklieden zich om haar verzamelen, + De steenen opstapelen en de balken rondom haar. + Zij hebben haar nu ingesloten tot den gordel. + Hooger verheffen de muren en balken zich, steeds hooger; + Eindelijk begrijpt de rampzalige het lot dat haar wacht. + En zij gilt luid in haar wanhoop; + In haar smart smeekt zij haar echtgenoot en zijn broeders: + "Kunt gij aan God denken? hebt gij geen medelijden? + Kunt gij mij aldus insluiten, mij, jong en gezond?" + Maar te vergeefsch, tevergeefsch waren haar smeekingen; + En haar broeders verlieten haar, toen zij voortging met + smeeken. + + Schaamte en vrees volgden toen op verwijten + En met deerniswekkende stem riep zij tot haar echtgenoot: + "Kan het, kan het zijn, mijn heer en echtgenoot, + Dat gij mij, zoo jong, meedoogenloos laat insluiten? + Laat ons gaan en mijn bejaarde moeder opzoeken: + Laat ons gaan--mijn moeder, zij is rijk: + Zij zal een slaaf koopen--een man of een vrouw, + Dien gij begraven kunt onder de fundamenten van den muur." + + Toen de moeder-gade--de gade en moeder, + Zag, dat haar smeekbeden en klachten onverhoord verklonken, + Richtte zij zich tot Neimar Rado: [78] + "In Gods naam, mijn broeder Neimar Rado, + Laat een opening voor deze sneeuwwitte borst, + Laat mij deze sneeuwwitte borst vrij kunnen opheffen, + Als mijn sprakelooze Yovo tot mij komt. + Als hij komt, o laat hem mijn borst ledigen!" + Rado beval den werklieden aan haar verzoek te voldoen + En een venster te laten voor haar sneeuwwitte borst, + Zoodat zij haar vrij zou kunnen opheffen, + Als haar sprakelooze Yovo tot haar zou komen, + Als hij kwam om uit haar borst te drinken. + Nog eens riep zij tot Neimar Rado, + "Neimar Rado! In Gods naam, mijn broeder! + Laat ook voor mijn oogen een klein venster, + Opdat deze oogen onze witte woning zien kunnen, + Als mijn Yovo naar mij toe gebracht wordt, + Als mijn Yovo naar huis wordt gedragen." + Rado beval zijn werklieden haar te gehoorzamen. + En voor die heldere oogen een klein venster te laten, + Opdat haar oogen haar eigen witte woning zouden zien, + Als haar kindje Yovo tot haar gebracht werd, + Als zij het kindje Yovo naar huis zouden brengen. + + Zoo bouwden zij den zwaren muur rondom haar. + En brachten toen het kindje in zijn wieg + Dat een lange poos door zijn moeder gezoogd werd + Toen werd haar stem zwak--toen zweeg zij geheel. + Nog vloeide de stroom en voedde het kind: + + Ruim een jaar hing hij aan haar borst; + Nog vloeide de stroom--en hij vloeit nog steeds. [79] + Als de levensstroom in haar opdroogt, + Komen de vrouwen daarheen--de plaats behoudt haar kracht-- + Komen ze daarheen om haar schreiende kinderen te stillen. + + + +II. De Stiefzusters. + + + Een hooge, slanke den stond tusschen twee groene lorkenboomen. + Lorkenboomen waren zij niet, deze twee, + En geen hooge, slanke den stond er tusschen. + Het waren broeders, kinderen van een moeder. + De een was Paul; de andere broeder Radool, + En middenin Yelitza, hun zuster. + Hartelijk was de liefde, die de broeders haar toedroegen; + Menig teeken van genegenheid gaven zij haar, + Soms een schitterend geschenk en dikwijls kleinigheden, + En ten laatste een mes met zilveren heft. + En versierd met goud; dat gaven zij hun zuster. + + Toen Pauls jeugdige gade dit had gehoord, + Verhief haar boezem zich van jaloezie: + En zij riep verwoed tot de gade van Radool: + "Ach zuster! Mijn zuster in den Heer, + Kent gij een plant van demonische kracht, + Die verderf over onze zuster kan brengen?" + De gade van Radool antwoordde snel: + "In Godsnaam, zuster, wat bedoelt gij? + Van tooverkruiden weet ik niets--En wist ik het wel, + Nooit zou ik u ervan vertellen, nooit; + Want mijn broeders hebben mij lief; ja, ze hebben mij lief. + Van hun liefde geven zij mij menigmaal bewijs." + + Toen Pauls jeugdige gade dit antwoord had vernomen, + Begaf zij zich naar het paard in de weide, + Bracht het een doodelijke wonde toe, en spoedde + Zich naar haar echtgenoot, dien zij aldus aansprak:-- + "Uw zuster, die gij liefhebt, is die liefde onwaardig, + Uw gaven zijn aan deze onwaardige slechts verspild; + Uw ros, dat in de weide liep, heeft zij doorstoken." + Toen wendde Paul zich tot Yelitza, zijne zuster + En vroeg: "Waarom deedt gij 't?--Dat God er u voor straffe!" + + Doch toen de maagd ontkende en zwoer: + "Bij mijn leven en bij uw leven, ik deed het niet!" + Toen twijfelde hij niet meer aan zijn zuster. + Waarop Pauls jonge gade, toen zij dit merkte, + Zich 's avonds heimelijk spoedde naar den tuin, + Waar zij Pauls grijzen valk den nek omdraaide-- + Toen spoedde zij zich naar haar echtgenoot en zei: + "Uw zuster, die gij liefhebt, is die liefde onwaardig, + En uw gaven zijn aan deze onwaardige slechts verspild, + Zie! Zij doodde Uw lievelingsvalk." + + Paul ondervroeg Yelitza, zijne zuster. + + "Zeg mij waarom, en God moge u straffen!" + + Maar hoog en luid bezwoer zijn zuster: + "Ik was het niet, bij mijn leven, broeder; + Bij mijn leven en het uwe, ik deed het niet!" + En de broer geloofde zijn zuster weer. + Toen Pauls jeugdige vrouw dit bemerkte, + Sloop zij 's avonds van den avondmaaltijd weg, + En stal het gouden mes en daarmede vermoordde, + Vermoordde zij haar arme kindje in de wieg! + En toen de ochtendstond den morgen bracht, + Wekte zij schreeuwend haar echtgenoot + "Wee!" schreeuwde zij en reet haar wangen open: + "Boos is de liefde, die gij uw zuster toedraagt. + En uw gaven zijn aan deze onwaardige verspild; + Ons kindje in de wieg heeft zij doorstoken! + Zult gij nog langer aan mijn woorden twijfelen? + Zie! het mes is in uw zusters gordel." + + Paul sprong op, als door den waanzin overmeesterd, + Onstuimig stormde hij naar de verdieping boven, + Waar zijn zuster op haar matten sliep + Met het gouden mes onder haar kussen. + Snel greep hij het gouden mes,--en trok het-- + Hij trok het nijgend uit de zilveren scheede;-- + En zie, 't was vochtig van het bloed,-- + 't Was rood en met geronnen bloed bedekt! + Toen Paul, de edele, dit zag, greep hij haar vast,-- + Hij knelde haar kleine, mooie hand en vloekte haar: + "Dat Gods vloek op u ruste, zuster! + Gij hebt mijn lievelingspaard vermoord; + Uw hand vermoordde ook mijn edele valk; + Maar gij hadt de hulpelooze zuigeling moeten sparen." + + Nog luider en op hooger toon nog zwoer zijn zuster: + "Ik was het niet, bij mijn leven, mijn broeder, + Bij mijn leven en bij uw leven, ik zweer het u! + Maar indien gij op mijn eed geen acht wilt geven; + Voer mij dan naar de open vlakten der wildernis; + Bind uw zuster aan de staarten uwer paarden; + Laat vier paarden mijn ledematen vaneen scheuren." + En de broer vertrouwde zijn zuster niet! + Woest greep hij haar blanke armen--en droeg haar + Naar de verwijderde vlakten--de open wildernis;-- + Aan de staarten van vier paarden bond hij haar + En hij joeg ze voort over de woestenij;-- + En ziet! waar een druppel stortte van haar bloed, + Daar ontsproot een bloem,--een geurig bloempje; + Waar haar lichaam viel, toen het dood en verminkt was, + Daar rees een kerk op uit de wildernis. + + Korte tijd verliep; een noodlottige ziekte + Overviel Pauls jeugdige gade;--de ziekte + Lag negen lange jaren op haar,--een zware ziekte! + Hondstarwegras schoot op tusschen haar beenderen + En daartusschen nestelden toornige slangen, + Die, ofschoon verborgen, de helderheid van het licht harer + oogen dronken. + Toen betreurde zij haar lot en toen zij wanhopend treurde, + Sprak zij aldus tot Paul, haar echtgenoot: + "O breng mij, Paul, mijn heer + En voer mij naar de kerk uwer zuster, + Want zoo er redding is, vind ik ze mooglijk daar." + + Toen Paul de bede van zijn gade hoorde, + Droeg hij haar naar zijn zusters kerk + En nauwelijks had hun voet 't portaal der kerk betreden, + Of zij vernamen een geheimzinnige stem: + "Kom hier niet, jonge vrouw! kom hier niet! + Want deze kerk kan u noch redding, noch genezing geven." + Groot was haar zielesmart, toen zij dit hoorde; + En smeekend zei de vrouw tot Paul, haar heer: + "In Godsnaam, Paul, mijn echtgenoot, mijn heer! + Breng mij nooit, nooit naar onze woning terug! + Bind mij aan de staarten van de wilde paarden en jaag ze, + Jaag ze in de onmetelijke wildernis; + Laat hen mijn ellendige ledematen uiteen rukken." + + En Paul verhoorde de bede van zijn gade. + Hij bond haar aan de staarten van vier wilde paarden; + Joeg ze voort over de groote vlakte der woestenij + En waar een druppel van haar bloed neerviel, + Daar sprongen stekelige doornen en distels op + En waar het lichaam viel, toen het dood was, + Stroomden de wateren toe en vormden een stilstaand meer. + Over het meer zwom een klein, zwart paard, + Naast hem dreef een gouden wieg, + Op de wieg zat een jonge, grijze valk, + In de wieg sluimerde een klein kindje, + Met de blanke hand zijner moeder om zijn keel: + En die hand omknelde een gouden mes. + + + +III. De ontvoering van de schoone Iconia. + + + Gouden wijn drinkt Theodorus van Stalatch, [80] + In zijn kasteel Stalatch aan de Morava; + Zijn bejaarde moeder schenkt hem wijn in. + Terwijl de wijn-dampen naar zijn hoofd stijgen-- + Spreekt de moeder aldus tot den held: + "Mijn zoon! Gij, Theodorus van Stalatch! + Zeg mij, waarom zijt gij niet gehuwd? + Gij zijt in de dagen van jeugd en schoonheid: + In uw woning zou uw bejaarde moeder + Nu graag uw kinderen rondom zich zien spelen." + En hij, Theodorus van Stalatch, antwoordde: + "God is mijn getuige, o mijn bejaarde moeder! + Ik heb door menig land en stad gezworven + Maar nooit vond ik het gezochte meisje; + Of, als ik het meisje vond, dan vond ik nooit + In uw hart vriendelijke gevoelens jegens haar; + En als gij u vriendelijk en voorkomend toondet, + Dan vond ik het meisje valsch en trouweloos. + Maar toen ik gisteren, bij zonsondergang, + Dwaalde bij de rivier de Ressava, + Zie: daar zag ik dertig liefelijke maagden + Bezig op de oevers haar garen en linnen te bleeken: + Onder haar bevond zich de schoone Iconia, + De schoonste dochter van vorst Miloutin; + Van hem, den vorstelijken heerscher over Resseva. + Zij zou waarlijk een bruid zijn om lief te hebben. + Zij zou waarlijk Uw genegenheid waard zijn: + Maar dat meisje is reeds verloofd; + Haar hand is beloofd aan George Irene-- + Aan Irene, voor Sredoi, zijn bloedverwant. + Maar ik wil dat meisje winnen--ik wil haar winnen + Of de poging zal mij mijn leven kosten, moeder!" + Zijn moeder ontried hem dit en waarschuwde hem-- + "Zeg dat niet, mijn zoon! het meisje is verloofd; + Het is geen grap! zij is verwant aan monarchen." + + Maar de held sloeg geen acht op zijn moeder: + Luid riep hij tot Dobrivoy, zijn knecht-- + "Dobrivoy! kom hier, trouwe dienstknecht! + Breng mijn bruine paard voor, en maak het gereed. + Leg het het zilveren zadel op den rug, + Tuig het op met de met goud geboorde teugels." + Toen het ros gereed was, ging hij er heen, + Hij wierp zich op zijn rug, gaf het de sporen, + En stuurde 't naar de kalme rivier de Morava, + Die door de vreedzame vlakte van Ressava stroomt. + + En hij bereikte de kalme rivier Ressava; + Daar zag hij weer de dertig maagden-- + Daar zag hij de schoone Iconia, + Toen veinsde de held een plotselinge ongesteldheid; + Vroeg om hulp; en begroette haar hoffelijk-- + "God in den hooge zij met u, lieftallig meisje!" + En de lieftalligste beantwoordde zijn woorden, + "En u zij zaligheid, vreemdeling en krijgsman?" + "Lief meisje! in naam van de liefde des hemels, + Wilt gij mij een beker verkoelend water geven? + Want een hevige koorts gloeit in mij; + Ik durf niet van mijn paard te stijgen, schoon meisje! + Want mijn ros heeft een boozen trek-- + Tweemaal wil hij zijn ruiter niet laten opstijgen." + + Warm en ernstig was het medelijden van het meisje; + En met lieve stem sprak zij hem aldus aan: + "Neen! dat niet--dat niet, gij onbekende krijgsman! + Hard en zwaar is het water van de Ressava; + Hard en zwaar zelfs voor gezonde krijgslieden; + Hoe veel te meer voor hen, die door koorts aangetast en + vermoeid zijn! + Wacht, en ik zal U een beker wijn brengen." + Snel trippelde het meisje naar haar woning; + Zij keerde terug met een gouden beker met wijn, + Dien zij Theodorus van Stalatch toereikte. + Hij strekte zijn hand uit; echter niet den beker wijn, + Maar de hand van het meisje greep hij + En met een zwaai wierp hij haar op zijn kastanjebruin paard + achter zich: + Driemaal omwond hij haar met zijn lederen gordel, + En ten slotte bond hij haar ook met zijn degenriem; + En hij bracht haar naar zijn eigen witte woning. + + + + + +HOOFDSTUK XIV. FOLKLORE. + + + +De ram met de gouden vacht. + + +Eens ging een jager naar de bergen om te jagen, en daar kwam hem +een ram met een gouden vacht tegemoet. De jager nam zijn geweer om +hem te schieten, maar de ram snelde op hem toe en voordat de jager +kon schieten, stootte de ram hem met zijn horens en hij viel dood +neer. Eenige dagen later vonden zijn vrienden zijn lijk; zij wisten +niet, wie hem gedood had; zij namen het lijk mee naar huis en begroeven +het. De vrouw van den jager hing het geweer tegen den muur van haar +hut. Toen haar zoon opgroeide, vroeg hij haar verlof om het te nemen +en ermee op jacht te gaan. Zij wilde het echter niet toestaan, en zei: +"Nooit mag je mij weer om dit geweer vragen. Het redde het leven van +je vader niet en ik zou niet willen, dat het ook de oorzaak van jou +dood werd!" + +Op zekeren dag nam de jongeling het geweer stilletjes weg en ging +ermee het bosch in om te jagen. Heel spoedig kwam dezelfde ram uit +het dichte kreupelhout aansnellen en zei: "Ik heb uw vader gedood; nu +is het uw beurt!" Dit verschrikte den jongeman en onder den uitroep: +"God helpe mij!" haalde hij den haan van zijn geweer over en zie! de +ram viel dood neer. + +De jongeling was buitengewoon blij, dat hij den ram met de gouden +vacht gedood had, zoo was er geen tweede in het geheele land. Hij +ontdeed den ram van zijn huid en droeg de vacht naar huis,--zeer prat +ging hij op zijn dapperheid. Gaandeweg verspreidde het nieuws zich +over het land, totdat het 't hof bereikte en de koning den jeugdigen +jager beval hem de vacht van den ram te brengen, opdat hij er zich +van overtuigen kon welke soorten van beesten er in zijn bosschen +werden gevonden. Toen de jongeling de vacht bij den koning bracht, +zei deze tot hem: "Vraag wat gij wilt voor deze vacht, en ik zal u +geven, wat gij vraagt!" Maar de jongeling antwoordde: "ik zou haar +voor niets ter wereld willen verkoopen." + +Toevallig was de eerste minister een oom van den jeugdigen jager, +maar hij was zijn vriend niet; integendeel hij was zijn grootste +vijand. Daarom zei hij tegen den koning: "Daar hij u de huid niet wil +verkoopen, moet gij hem iets opdragen, wat bepaald onmogelijk is!" De +koning riep den jongeman weer bij zich en beval hem een wijngaard te +planten en over zeven dagen den nieuwen wijn van den eersten oogst +te brengen. + +De jongeling begon te schreien en smeekte om ontheven te worden +van deze onmogelijk te vervullen opdracht; maar de koning bleef bij +hetgeen hij bevolen had en zei: + +"Indien gij over zeven dagen mijn bevel niet hebt uitgevoerd, dan +zal uw hoofd worden afgeslagen!" + + + +De jongeling vindt hulp. + + +Nog steeds schreiende begaf de jongeling zich naar huis en vertelde +zijn moeder alles, wat bij zijn bezoek aan den koning was voorgevallen +en zij antwoordde: "Heb ik je niet gezegd, mijn zoon, dat het geweer +je het leven zou kosten?" + +In diepe smart en verwarring verliet de jongeman het dorp en liep een +heel eind het bosch in. Eensklaps stond een meisje voor hem, dat hem +vroeg: "Waarom weent gij, mijn broeder?" En hij antwoordde boos: + +"Vervolg uw weg! Gij kunt mij niet helpen!" Daarom liep hij verder, +maar het meisje volgde hem en verzocht hem nogmaals haar de oorzaak +van zijn tranen te zeggen, "want misschien," voegde zij er aan toe, +"is het mogelijk, dat ik u helpen kan." + +Toen stond hij stil en zei: "Ik zal het u vertellen, maar ik weet, +dat God alleen mij kan helpen." Toen vertelde hij haar alles, wat er +met hem was gebeurd en welke taak hem was opgedragen. Toen zij het +verhaal had gehoord, zei zij: "Wees niet bevreesd, mijn broeder, maar +ga naar den koning en vraag hem, waar hij wenscht, dat de wijngaard +zal geplant worden en laat dien dan aanleggen in volkomen rechte +lijnen. Daarna moet gij een zak nemen met een takje thijm erin; leg +u dan te slapen op de plaats, waar de wijngaard zal moeten komen en +gij zult zien, dat hij binnen zeven dagen rijpe druiven zal dragen." + +Hij keerde naar huis terug en vertelde zijn moeder, wat het meisje, +dat hij had ontmoet, gezegd had, en welke belachelijke dingen hij +zou moeten doen. Maar zijn moeder zei ernstig: "Ga, ga, mijn zoon, +doe zooals het meisje zegt; in elk geval kun je er niet slechter aan +toe worden dan je nu bent." + +Hij ging dus naar den koning, gelijk het meisje hem had gezegd, +en de koning gaf hem de aanwijzing, die hij verlangde. Toch was hij +nog altijd treurig, toen hij zich met zijn tak thijm neerlegde op de +aangewezen plek. + +Toen hij den volgenden morgen wakker werd, zag hij, dat de wijnstokken +al geplant waren; den tweeden morgen waren zij bedekt met bladeren; +en op den zevenden dag droegen zij rijpe druiven. Niettegenstaande +de voorspelling van het meisje, was hij verbaasd rijpe druiven te +zien in een tijd van het jaar, waarin zij nergens te vinden waren; +maar hij plukte ze, perste wijn, en bovendien nam hij een mand vol +rijpe vruchten mede naar den koning. + + + +De tweede taak. + + +Toen hij het paleis bereikte, stond de koning en zijn geheele +hofhouding verbaasd. De eerste minister zei: "Wij moeten hem iets +opdragen, dat absoluut onmogelijk is!" en hij gaf den koning den raad +den jongeling te bevelen--een kasteel te bouwen van de slagtanden +van olifanten. + +Toen hij deze onvervulbare opdracht vernomen had, ging de jongeling +weenende naar huis, en vertelde zijn moeder, wat er gebeurd was en +voegde er aan toe: "Dit moeder, is volkomen onmogelijk!" Maar weer +gaf zijn moeder hem raad en zei: "Ga, mijn jongen, het dorp uit, +misschien ontmoet je het meisje weer!" + +De jongeling gehoorzaamde, en werkelijk, zoodra hij de plaats bereikte, +waar hij den vorigen keer het meisje had ontmoet, stond zij weer voor +hem en zei: "Dit zal ook gemakkelijk gaan; maar ga eerst naar den +koning en vraag hem een schip met driehonderd vaten wijn en evenveel +kruiken brandewijn en ook twintig timmerlieden. Dan gaat ge naar +die en die plaats tusschen twee bergen; ge damt daar de beek af, en +giet er al den wijn en den brandewijn in. De olifanten zullen op die +plaats komen om water te drinken en zij zullen dronken op den grond +vallen. Dan moeten uw timmerlieden dadelijk de slagtanden afzagen en +die naar de plaats brengen, waar de koning zijn kasteel gebouwd wil +hebben. Daar moogt gij u te slapen leggen en binnen zeven dagen zal +het kasteel gereed zijn." + +Toen de jongeman dit gehoord had, spoedde hij zich naar huis, +en vertelde zijn moeder alles, wat het meisje hem gezegd had. De +moeder was vol vertrouwen en raadde haar zoon aan te doen, wat +het meisje hem had voorgeschreven. Hij ging dus naar den koning en +verzocht hem om het schip, de driehonderd vaten wijn en brandewijn +en ook om de twintig timmerlieden; en de koning gaf hem alles, wat +hij verlangde. Daarna ging hij naar de plek, die het meisje hem had +aangewezen en deed alles, wat zij hem had aangeraden. En werkelijk, +de olifanten kwamen, gelijk hij verwacht had, dronken en vielen daarna +bedwelmd neer. De timmerlieden hieuwen de ontelbare slagtanden af, +brachten die naar de aangewezen plaats en begonnen te bouwen en +binnen zeven dagen was het kasteel gereed. Toen de koning dit zag, +was hij weer verbaasd en zei tot zijn eersten minister: "Wat moet ik +nu met hem doen? Het is geen gewone jongeman! God alleen weet, wie +hij is!" Daarop antwoordde de ambtenaar: "Geef hem nog een opdracht +en als het hem gelukt ook die ten uitvoer te brengen, dan heeft hij +bewezen een bovennatuurlijk wezen te zijn." + + + +De derde taak. + + +Opnieuw gaf hij den koning raad. Deze riep den jongeman en zei tot hem, +dat hij hem uit zeker koninkrijk een prinses moest brengen, die daar +in een zeker kasteel woonde. "Indien gij haar niet bij mij brengt, +zult gij zekerlijk uw leven verliezen!" Toen de jongeman dit hoorde, +ging hij regelrecht naar zijn moeder en noemde haar zijn nieuwe taak, +waarop zijn moeder hem den raad gaf zijne vriendin, het meisje, nog +eens op te zoeken. Hij spoedde zich naar de plek buiten het dorp, +naar de plaats, waar hij de vorige keeren haar ontmoet had en toen +hij er aankwam, verscheen zij weer. Zij luisterde aandachtig naar +het verhaal van het laatste bezoek, dat de jongeman aan het hof had +gebracht en zei toen: "Ga naar den koning en vraag hem om een galei; in +de galei moeten twintig winkels worden gemaakt, elk met verschillende +koopwaren; in elken winkel moet ook een knappe jongeman zijn om de +waren te verkoopen. Op uw reis zult gij een man ontmoeten, die een +arend draagt; gij moet zijn arend koopen en er den prijs voor betalen, +dien hij vraagt. Dan zult gij een tweeden man ontmoeten, die in zijn +net een karper met gouden schubben draagt; gij moet, het koste wat +het kost, den karper koopen. De derde man, dien gij zult ontmoeten, +zal een duif dragen, die gij ook moet koopen. Dan moet gij een veer +uit den staart van den arend, een schub van den karper, en een veer +van den linkervleugel van de duif nemen--en dan de dieren hun vrijheid +geven. Indien gij het verre land bereikt en bij het kasteel zijt, +waar de prinses woont, dan moet gij alle winkels openen en elken +jongeman bevelen bij zijn deur te gaan staan. En de meisjes, die +naar den oever komen om water te halen, zullen zeker zeggen, dat zij +nooit te voren een schip gezien hebben, dat met zulke wonderbare en +mooie voorwerpen beladen was. Het nieuws zal ook de prinses bereiken, +die dadelijk aan haar vader toestemming zal vragen, om de galei te +gaan bekijken. Als zij aan boord komt met haar hofdames, moet gij +het gezelschap van den eenen winkel naar den anderen brengen, en de +mooiste koopwaren, die gij hebt, voor haar uitspreiden; aldus moet +gij haar afleiden en bezighouden en aan boord van uw galei houden, +tot het avond wordt. Dan moet gij plotseling onder zeil gaan; het zal +dan zoo donker zijn, dat uw vertrek niet opgemerkt wordt. De prinses +zal een lievelingsvogel op haar schouder hebben en als zij bemerkt, +dat de galei wegzeilt, zal zij de vogel loslaten en hij zal naar het +paleis vliegen met een bericht aan haar vader, waarin zij hem meldt, +wat haar is overkomen. Als gij ziet, dat de vogel is weggevlogen, +moet gij de veer van den arend verbranden; de arend zal verschijnen +en indien gij hem beveelt den vogel te vangen, dan zal hij dat +onmiddellijk doen. Daarna zal de prinses een kiezelsteen in de zee +werpen en oogenblikkelijk zal het schip stil liggen. Daarop moet +gij dadelijk de schubbe van den karper verbranden; de karper zal +naar u toekomen en gij moet hem bevelen den kiezelsteen te zoeken +en op te slikken. Zoodra dat gedaan is, zal de galei weer verder +zeilen. Dan zult gij eenigen tijd in vrede uw weg kunnen vervolgen; +maar als gij een bepaalde plek tusschen twee bergen bereikt, zal uw +galei plotseling versteenen en gij zult u zeer verontrusten. Dan zal +de prinses u bevelen haar wat levenswater te brengen, waarop gij de +veer van de duif moet verbranden, en als de vogel verschijnt moet +gij haar een klein fleschje geven, waarin zij u den levenselixer +zal brengen. Dan kan uw galei weer verder zeilen en gij zult zonder +verdere avonturen met de prinses thuis komen." + +De jongeling keerde terug bij zijn moeder en zij raadde hem aan te +doen, zooals het meisje hem had voorgeschreven. Hij begaf zich dus +naar den koning en vroeg om de dingen, die hij noodig had voor zijn +onderneming, en weer gaf de koning hem alles, waarom hij vroeg. + +Op zijn reis ging het juist, zooals het meisje voorspeld had en hij +slaagde er in de prinses in triomf thuis te brengen. De koning zag +vanaf het balkon, waar hij zich met zijn eersten minister bevond, de +galei terugkeeren en de eerste minister zei: "Nu moet u hem werkelijk +dooden, zoodra hij landt; anders zult u hem nooit weer kwijt raken!" + +Toen de galei de haven bereikte, stapte de prinses met haar hofdames +het eerst aan land; daarna volgden de knappe jonge mannen, die de +waren te koop hadden aangeboden en eindelijk de jongeman zelf. De +koning had zijn beul bevolen zich gereed te houden, en zoodra de +jongeman aan land stapte, werd hij door de dienaren van den koning +gegrepen en zijn hoofd werd afgekapt. + +De koning was van plan de schoone prinses te trouwen--en zoodra hij +haar zag, naderde hij haar met complimenten en vleierijen. Maar de +prinses wilde niet naar zijn honigzoete woorden luisteren; zij wendde +zich af en vroeg: "waar is de jongeman, die mij geschaakt heeft en +die zooveel deed om mij hier te brengen?" + +En toen zij zag, dat zijn hoofd was afgeslagen, nam zij onmiddellijk +de kleine flesch en goot wat van den inhoud over het lichaam en zie! de +jongeman stond volmaakt gezond op. Toen de koning en zijn minister dit +wonder aanschouwden, zei de laatste: "Deze jongeman moet nu wijzer +zijn dan ooit, want was hij niet gestorven--en is hij niet tot het +leven teruggekeerd?" Waarop de koning, die verlangend was te weten, +of het inderdaad waar was, dat hij, die, na uit den dood weer verrezen +te zijn, alle dingen wist, den beul beval hem zelf het hoofd af te +houwen, waarbij hij er op rekende, dat de prinses hem tot het leven +zou terugroepen door de kracht van haar wonderdoend levenswater. + +Maar toen het hoofd van den koning afgehouwen was, wilde de prinses +er niet van hooren hem het leven terug te schenken; integendeel: zij +schreef dadelijk aan haar vader, wien zij vertelde, dat zij een groote +liefde had opgevat voor den jongeman en dat het haar innigste wensch +was hem te trouwen. Zij verhaalde haar vader alles, wat er gebeurd +was. Haar vader antwoordde, dat hij de keuze zijner dochter goedkeurde +en hij deelde den eersten minister mee, dat hij hem en zijn volk den +oorlog zou verklaren, indien zij den jongeman niet tot hun vorst zouden +uitroepen. De mannen van dat land zagen onmiddellijk in, dat dit niet +anders dan rechtvaardig zou zijn en zoo werd de jongeman koning. Hij +huwde de schoone prinses en gaf groote landgoederen en titels aan al +de knappe jongelieden, die hem bij zijn expeditie hadden geholpen. + + + +Een paviljoen noch in den hemel noch op aarde. [81] + + +Er leefde eens een tsaar, die drie zoons en een dochter had. De +laatste werd in een kooi bewaakt, want hij had haar lief, zooals hij +zijn eigen oogen lief had. Toen het meisje opgroeide, verzocht zij +haar vader een avond te mogen uitgaan met haar broeders, en de tsaar +stond haar verzoek toe. + +Nauwelijks had zij het paleis verlaten of een draak vloog naar omlaag, +greep de prinses en verdween, ondanks het verweer van haar broeders, +in de wolken. De prinsen haastten zich hun vader te vertellen, wat +er was gebeurd, en zij smeekten hem hun zuster te mogen gaan zoeken. + +Daarop gaf hun ongelukkige vader elk hunner een paard en een volledige +uitrusting voor een lange reis, en zij begaven zich op weg om haar +te zoeken. Toen zij lang gereisd hadden, zagen zij in de verte een +paviljoen, dat noch in den hemel, noch op aarde was, maar dat er +midden tusschenin hing. Toen zij er vlak onder waren, kwamen zij op het +denkbeeld, dat hun zuster zich daar wel kon bevinden en zij begonnen +te overwegen, hoe zij het 't best zouden kunnen bereiken. Eindelijk +besloten zij, dat een hunner zijn paard zou dooden, de huid in reepen +snijden, daarvan een riem maken, en na het eene eind aan een pijl +te hebben bevestigd, den riem met den pijl omhoog te schieten, en +dat wel zóó krachtig, dat de pijlspits diep in het geraamte van het +paviljoen zou boren, waarna zij in de gelegenheid zouden zijn om naar +boven te klimmen. De twee jongere broers stelden den oudsten voor, +dat hij zijn paard zou dooden, maar hij weigerde. De tweede wilde het +zijne evenmin ten offer brengen; toen doodde de jongste, ziende dat er +niets anders op zat, zijn paard, sneed de huid tot een langen riem, +bevestigde een eind aan zijn pijl en schoot regelrecht omhoog naar +het paviljoen, waar de pijl stevig bleef zitten. + +Den volgenden dag moesten zij uitmaken, wie langs den riem omhoog +zou klimmen; weer weigerden de twee oudste broers en zoo viel het +den jongsten ten deel dit waagstuk te ondernemen. Daar hij zeer vlug +was, bereikte hij weldra het paviljoen; hij dwaalde van de eene kamer +naar de andere en kwam eindelijk in een vertrek, waar hij zijn zuster +zag zitten met den kop van den slapenden draak op haar knie. Toen de +prinses haar broer zag, was zij buitengewoon bang voor zijn leven en +zij smeekte hem te vluchten, voordat de draak zou ontwaken. + + + +De prins doodt den draak. + + +Maar de moedige jongeman kon niet doen, wat zijn zuster van hem +verlangde. Hij greep zijn knots en sloeg den draak op den kop. Het +monster wees met een van zijn klauwen, naar de plek waar hij geraakt +was en zei tegen het meisje: "Hier heeft mij iets gebeten!" Weer +hief de prins zijn knots op en hij gaf weer een slag op het hoofd +van den draak; maar blijkbaar had dit op den draak niet den minsten +invloed, want hij wees weer onverschillig naar de plek, zeggende: +"Weer heeft mij iets gebeten!" + +De jonge prins was op het punt voor den derden keer toe te slaan, +toen zijn zuster op een plek wees, waar de draak een doodelijke wond +kon krijgen en zijn knots op de aangewezen plek richtende, sloeg hij +toe en de draak bezweek onmiddellijk. De prinses maakte zich dadelijk +vrij van het hoofd van den draak, snelde vlug naar haar broer om hem +een kus te geven en verlangde er toen naar hem de verschillende kamers +te toonen. + +Eerst bracht zij hem naar een kamer, waar een zwart paard stond, +vastgebonden in een stal en gedekt met een zadel en een harnas met +zilveren versierselen. Daarna bracht zij hem naar een tweede kamer, +waar zij een wit paard vonden, ook geheel opgetuigd, maar zijn +harnachement was van zuiver goud. Daarna bracht zij hem in een derde +kamer, waar een mooi Arabisch paard stond, welks zadel, stijgbeugels +en teugels bezet waren met kostbare steenen. + +Vervolgens bracht de prinses haar broer naar een kamer, waar op een +gouden tabouret een meisje zat, dat bezig was te borduren met gouden +draden. Vandaar bracht zij hem in een tweede vertrek, waar een meisje +gouden draden spon. Tenlaatste gingen zij een derde kamer binnen, +waar een meisje parelen zat te rijgen, en voor haar op een gouden +schaal zat een gouden hen met haar kuikens de parelen te sorteeren. + +Nadat hij zijn nieuwsgierigheid had bevredigd, ging de prins weer +terug naar de kamer, waar hij den dooden draak had achter gelaten en +wierp het lijk op de aarde; alleen reeds op het zien van het lijk +van den draak, geraakten de twee oudste broeders buiten zich zelf +van schrik. Daarna liet de prins zijn zuster langzaam omlaag en op +haar volgden de drie meisjes met haar werk. Terwijl hij daarmee bezig +was, riep hij iets tegen zijn broers en hij maakte gebaren--om hun te +beduiden, aan wien ieder der meisjes zou behooren. Hij behield voor +zich zelf haar, die bezig was geweest met het rijgen der parelen en +hij vergat ook de gouden hen en de kuikens niet. + + + +De trouweloosheid van de broeders. + + +Zijn broeders, die den jeugdigen prins zijn heldenmoed benijdden +en jaloersch waren op zijn gelukkig geslaagde heldenfeiten, maakten +zich nu schuldig aan een laaghartige daad. Zij sneden den riem door, +opdat hij de aarde niet zou kunnen bereiken, en haastig braken zij op, +waarbij zij hun zuster en de geheele buit meenamen. + +Op hun weg naar huis ontmoetten zij een schaapherder, die zijn schapen +hoedde en hem haalden zij over zich te vermommen en zich voor hun +jongsten broeder uit te geven, terwijl zij aan hun zuster en haar +drie maagden bevel gaven het geheim strikt te bewaren. + +Er verliep eenige tijd; toen vernam de jongste prins, dat zijn +broeders en de vermomde herder op het punt stonden de drie meisjes +te trouwen. Deze mededeeling scheen letterlijk juist te zijn, want +op den dag, waarop zijn oudste broer zou trouwen, besteeg hij het +zwarte paard, vloog omlaag en steeg af vlak voor de kerk. Daar wachtte +hij het oogenblik af, waarop de stoet naar buiten zou komen en toen +zijn broer te paard zou stijgen, naderde hij snel, hief zijn knots +op en gaf hem een hevigen slag, zoodat hij op hetzelfde oogenblik +neerviel. Toen besteeg de jonge prins het zwarte paard weer en werd +onmiddellijk weer naar het geheimzinnige paviljoen teruggevoerd. + +Op den trouwdag van zijn tweeden broer werd het heldenfeit nu op het +witte paard herhaald, zonder dat iemand er eenig vermoeden van had, +wie die vreemde aanvaller was. + +Nu kwam de beurt aan den herder. Op den dag van diens huwelijk met het +derde meisje besteeg de jonge prins het Arabische ros, stapte af op +het kerkplein, juist op het oogenblik, dat de trouwstoet op het punt +stond terug te keeren. Dezen keer sloeg hij den bruidegom zoo hevig +op zijn hoofd, dat hij dood neerviel. De gasten stegen gezwind van hun +paard en omringden den prins, die geen poging deed te ontsnappen, maar +zich bekend maakte als de derde zoon van hun tsaar. Hij vertelde hun, +dat de voorgewende prins, die hij naar de andere wereld had gezonden, +slechts een gewoon herder was, en dat zijn broeders hem uit naijver in +het betooverde paviljoen hadden gelaten, waar hij zijn zuster gevonden +en den draak gedood had. Alles, wat hij zei, werd dadelijk bevestigd +door zijn zuster en de drie meisjes. Toen de tsaar dit vernam, was +hij zeer vertoornd op zijn twee oudste zoons en hij verbande hen voor +altijd uit zijn paleis. En wat zijn dapperen jongsten zoon betrof, hij +liet hem met het derde meisje huwen en wees hem aan als de erfgenaam +van den troon en van alles, wat hij bezat. + + + +Pepelyouga. + + +Op een hooggelegen weiland, bij een onmetelijk diepen afgrond waren +eenige meisjes bezig met spinnen, terwijl zij haar vee hoedden, toen +een oude, vreemd uitziende man met een witten baard, die hem tot aan +den gordel reikte, naderde en tot haar sprak: "O, schoone meisjes, +neemt u in acht voor den afgrond, want indien een uwer haar spoel van +de klip zou laten vallen, dan zou haar moeder op hetzelfde oogenblik +in een koe veranderen!" + +Na dit gezegd te hebben, verdween de oude man en de meisjes, die +onthutst waren door zijn woorden, naderden, terwijl zij het vreemde +geval bespraken, het ravijn tot dicht bij den rand; eensklaps was hun +belangstelling voor de diepe kloof gewekt. Zij gluurden nieuwsgierig +over den rand, als verwachtten zij iets ongewoons te zullen zien, +totdat eensklaps de mooiste van haar allen haar spoel uit haar hand +liet vallen, en voor dat zij die weer kon grijpen, viel zij van rots +tot rots in de diepte onder haar. Toen zij dien avond thuis kwam, +bevond zij, wat zij reeds gevreesd had, dat de voorspelling bewaarheid +was, want haar moeder stond, veranderd in een koe, voor de deur. + +Korten tijd daarna hertrouwde haar vader. Zijn nieuwe vrouw was +een weduwe en bracht een eigen dochter in haar nieuw tehuis. Dit +meisje was door de natuur allesbehalve begunstigd, en de moeder begon +onmiddellijk haat te koesteren tegen haar stiefdochter om haar goed +uiterlijk. Zij verbood haar voortaan haar gelaat te wasschen, haar +haar te kammen of van kleeren te verwisselen en op alle mogelijke +manieren trachtte zij haar ongelukkig te maken. + +Op zekeren dag gaf zij haar een zak vol hennep, zeggende: "Indien +gij dit niet spint, en zorgt dat het van avond tot een mooi kluwen +geworden is, behoeft gij niet thuis te komen, want dan ben ik van +plan u te dooden." + +Het arme meisje was diep terneergeslagen; zij liep achter het vee, +onderwijl met ijver spinnende, maar op het middaguur, toen het vee +zich neerlegde om te rusten, zag zij, dat zij nog slechts heel weinig +gevorderd was en zij begon bitter te weenen. + +Nu werd haar moeder dagelijks met het andere vee naar de weide gedreven +en toen zij de tranen van haar dochter zag, kwam zij nader en vroeg, +waarom zij schreide, waarop het meisje haar alles vertelde. Toen +troostte de koe haar dochter met de woorden: "Mijn lief kind, wees +getroost! Laat mij de hennep in mijn mond nemen en ze kauwen; ze zal +als een draad uit mijn oor komen. Je hebt niets anders te doen dan +het einde te nemen en het op een klos te winden." + +Dit gebeurde; de hennep was weldra gesponnen en toen het meisje ze +'s avonds aan haar stiefmoeder gaf, was deze ten hoogste verbaasd. + +Den volgenden morgen beval de vrouw het meisje op ruwen toon een +nog grooteren zak hennep te spinnen en toen het meisje, dank zij +haar moeders hulp alles spon en opwond, gaf haar stiefmoeder haar +den volgenden dag tweemaal zooveel om te Spinnen. Desondanks bracht +het meisje 's avonds zelfs die ongewone hoeveelheid goed gesponnen +thuis, waaruit de stiefmoeder opmaakte, dat zij niet alleen spon, +maar dat andere meisjes, haar vriendinnen, haar hielpen. Daarom zond +zij den volgenden morgen haar eigen dochter om het meisje te bespieden +en haar te vertellen, wat zij zou zien. Het meisje merkte spoedig, +dat de koe de arme wees hielp door de hennep te kauwen, terwijl deze +niets anders te doen had, dan de draad op een klos te winden. Zij +snelde naar huis en vertelde haar moeder, wat zij had gezien. Deze +drong er toen op aan, dat haar man bevel zou geven die bijzondere +koe te slachten. Eerst aarzelde haar echtgenoot, maar daar zijn vrouw +meer en meer aandrong, besloot hij te doen, wat zij verlangde. + + + +De belofte. + + +Toen zij hoorde, wat besloten was, schreide de stiefdochter meer dan +ooit en toen haar moeder vroeg, wat er aan scheelde, vertelde zij haar +onder tranen wat er zou gebeuren. Daarop zei de koe tot haar dochter: +"Wisch uw tranen af en schrei niet meer. Indien zij mij slachten, moet +gij er alleen maar voor zorgen, dat ge niets van mijn vleesch eet, +en na den maaltijd zorgvuldig mijn beenderen verzamelt. Begraaf die +achter het huis onder een steen; mocht gij ooit hulp noodig hebben, +kom dan naar mijn graf en daar zult gij vinden, wat gij zoekt." + +De koe werd gedood, en toen het vleesch werd opgediend, weigerde het +arme meisje er van te eten; zij wendde voor, dat zij geen honger had; +na den maaltijd verzamelde zij met groote zorg de beenderen en begroef +die op de plek, die door haar moeder was aangewezen. + +De naam van het meisje was Marra, maar daar zij het ruwste huiswerk +moest doen, zooals waterdragen, wasschen en vegen werd zij door haar +stiefmoeder en stiefzuster "Pepelyouga" (asschepoester) genoemd. + +Op zekeren Zondag, toen de stiefmoeder en stiefzuster zich gekleed +hadden om naar de kerk te gaan, strooide de vrouw door het huis een +mandvol gierst en zei: "Luister, Pepelyouga; zoo gij al de gierst +niet hebt opgeraapt en zoo het eten niet gereed is, als wij uit de +kerk komen, dan zal ik je dooden!" + +Toen zij vertrokken waren, begon het arme meisje te schreien. Zij +dacht: "wat het eten betreft, dat kan ik gemakkelijk gereed maken, +maar hoe zou het mogelijk zijn, al de gierst op te rapen?" Maar op +hetzelfde oogenblik dacht zij aan de woorden van de koe: indien ge ooit +hulp noodig hebt, kom dan slechts naar mijn graf achter het huis en +daar zult gij onmiddellijk vinden, wat gij zoekt. Dadelijk snelde zij +naar buiten, en toen zij het graf naderde, zie! een koffer lag wijd +geopend op het graf, en daarin waren prachtige gewaden en alles wat +noodig was voor het toilet eener dame. Twee duiven zaten op het deksel +van den koffer, en toen het meisje nader kwam, zeiden zij tegen haar: +"Marra, neem het gewaad, dat ge het mooist vindt, uit den koffer, +kleed je en ga naar de kerk; en wat de gierst en het werk betreft, +daar zullen wij op toezien en zorgen, dat alles in orde is!" + + + +Marra gaat naar de kerk. + + +Marra had geen tweede uitnoodiging noodig; zij nam het eerste zijden +kleed, dat haar hand aanraakte, kleedde zich en ging naar de kerk, waar +haar komst groot opzien baarde. Iedereen, mannen zoowel als vrouwen, +bewonderden haar schoonheid en de dure kleeren, maar zij vroegen +elkaar vergeefs, wie zij was en van waar zij kwam. Er was toevallig +dien dag een prins in de kerk en ook hij bewonderde het schoone meisje. + +Juist voor de dienst was afgeloopen, sloop het meisje de kerk uit en +snelde naar huis, deed haar kleeren uit en legde ze weer in den koffer, +die zich onmiddellijk sloot en onzichtbaar werd. Daarna spoedde zij +zich naar de keuken en bemerkte, dat het middagmaal gereed was en +de gierst verzameld in de mand. Spoedig daarop kwam haar stiefmoeder +met haar dochter terug en zij waren er verbaasd over, dat de gierst +opgeraapt en de maaltijd gereed en al het overige werk ook klaar +was. De wensch om het geheim te kennen, kwelde de stiefmoeder nu +geweldig. + +Den volgenden Zondag gebeurde alles als te voren, behalve, dat het +meisje een zilveren kleed in de koffer vond en de prins haar nog +meer bewonderde, zoozeer, dat hij niet in staat was ook maar een +oogenblik zijn oogen van haar af te wenden. Op den derden Zondag +maakten moeder en dochter zich weer gereed naar de kerk te gaan en +nadat zij de gierst weer had neergestrooid, herhaalde zij haar vorige +bedreigingen. Zoodra zij vertrokken waren, liep het meisje regelrecht +naar het graf harer moeder, waar zij evenals bij de vorige gelegenheid +de open koffer en dezelfde twee duiven vond. Dezen keer vond zij een +gewaad van gouden kant. Zij kleedde er zich haastig in en ging naar de +kerk, waar zij nog meer dan te voren door allen werd bewonderd. Wat +de zoon van den tsaar betrof, hij was dezen keer gekomen met het +voornemen haar niet uit het oog te verliezen, maar haar te volgen +en te zien, waar zij heenging. Toen de dienst dus ten einde liep, +en het meisje stil als te voren vertrok, volgde de verliefde prins +haar. Marra spoedde zich voort, want zij had niet al te veel tijd +en onder het loopen, verloor zij een van haar gouden muiltjes. Zij +was te gehaast om stil te staan en het op te rapen. Maar de prins, +die het meisje uit het oog had verloren, zag het muiltje en stak het +in zijn zak. Marra deed haar gouden gewaad uit, toen zij thuis kwam, +borg het op in den koffer en spoedde zich naar het huis. + + + +De Prins zoekt het mooie meisje. + + +De prins besloot nu van huis tot huis te gaan, het geheele rijk van +zijn vader door, om de eigenares van het muiltje te vinden, en alle +mooie meisjes uit te noodigen het gouden muiltje aan te passen. Maar +helaas, zijn pogingen schenen tot mislukking gedoemd; voor eenige +meisjes was het muiltje te lang, voor anderen te kort en voor weer +anderen te nauw. Er was er niet een, wien het paste. + +Op zijn tocht van de eene deur naar de andere kwam de prins eindelijk +aan het huis van Marra's vader. De stiefmoeder had hem verwacht +en had haar stiefdochter onder een grooten voedertrog op het erf +verborgen. Toen de prins haar vroeg, of zij dochters had, antwoordde +zij, dat zij er maar een had en zij bracht haar dochter bij hem. De +prins verzocht het meisje het muiltje te passen, maar hoe zij ook +wrong, er was zelfs geen ruimte genoeg voor haar teenen! Daarop vroeg +de prins, of het waar was, dat er geen ander meisje in het huis was, +en de stiefmoeder antwoordde, dat dit werkelijk waar was. + +Op hetzelfde oogenblik vloog een haan op den voedertrog en kraaide +krachtig: "_Kook-oo-ryeh-koooo!_ Hier is zij onder dezen trog!" + +De stiefmoeder riep woedend uit: "Sst--! Ga heen! Dat een arend je +grijpe en met je wegvliege!" De nieuwsgierigheid van den prins was +gewekt; hij liep naar den trog, tilde dien op, en, tot zijn groote +verbazing zag hij daar het meisje, dat hij driemaal in de kerk had +gezien, gekleed in hetzelfde gouden gewaad, dat zij den laatsten keer +had gedragen, en met slechts een muiltje aan. + +Toen de prins het meisje herkende, was hij buiten zich zelf van +vreugde. Snel paste hij het muiltje aan haar sierlijken voet; het +paste haar niet alleen uitstekend, maar vormde een paar met dat, +hetwelk zij reeds aan haar linkervoet had. Hij tilde haar teeder op +en geleidde haar naar zijn paleis. Later verwierf hij haar liefde en +zij leefden gelukkig samen. + + + +De taal der dieren. + + +Hoeveel overeenstemming er is in de folklore van verschillende volken +wordt op zeldzame wijze geïllustreerd door het volgend verhaal, dat een +treffende gelijkenis vertoont met een verhaal, dat ook bij de negers +van West-Afrika algemeen bekend is. Daarin wordt door den Koning +der Dieren aan den held als gunst toegestaan de taal der dieren te +verstaan; hij ontvangt daarbij de waarschuwing, dat hij zal sterven, +zoodra hij aan iemand het bezit van deze gave openbaart. De gave, +die hem verleend is, maakt hem tot een rijk man; hij lacht om een +gesprek tusschen dieren, die hij beluistert; zijn vrouw vraagt hem, +waarom hij lacht. Tot op dit punt zijn de beide verhalen aan elkaar +gelijk, maar in het West-Afrikaansche verhaal openbaart de man het +geheim en boet zijn overtreding met den dood; terwijl het Servische +slot veel minder tragisch is, zooals wij zullen zien. + +Een rijk landbouwer had een schaapherder, die hem een groot aantal +jaren trouw en eerlijk had gediend. Op zekeren dag, toen hij zijn +schapen door een bosch naar de weide leidde, hoorde hij een sissend +geluid en hij vroeg zich verbaasd af, wat het kon zijn. Aandachtig +luisterend liep hij steeds dichter naar de plaats, van waar het geluid +kwam; en nu zag hij, dat het bosch in brand stond en dat het gesis +werd uitgestooten door een slang, die door vlammen was omringd. De +herder keek toe, wat het arme schepsel zou doen in haar nood en toen +de slang den schaapherder zag, riep ze te midden der vlammen uit: +"O, herder, ik smeek u, red mij uit dit vuur!" De herder stak haar +zijn staf toe en de slang kronkelde zich snel om den stok, om zijn +arm en verder tot zijn schouders en rondom zijn hals. + +Toen de herder besefte, wat er gebeurde, werd hij aangegrepen door +afschuw, en riep uit: "Wat zijt gij van plan te doen, gij ondankbaar +schepsel! Heb ik je leven gered, om het mijne te verliezen?" En de +slang antwoordde hem: "Wees niet bang, mijn redder! Maar breng mij naar +het huis van mijn vader! Mijn vader is de koning van de slangenwereld." + +De herder beproefde de slang te bewegen medelijden met hem te hebben +en smeekte hem te willen verontschuldigen; want hij kon zijn schapen +niet verlaten. + +Daarop zei de slang tot hem: "Wees gerust, mijn vriend! Maak u niet +bezorgd over uw schapen; er zal niets met ze gebeuren, maar haast u +nu naar het huis van mijn vader!" De herder ging dus met de slang om +zijn hals door het bosch, totdat zij aan een grot kwamen, waarvan de +ingang door slangenlichamen werd bedekt. Toen zij bij de poort kwamen, +siste de gids van den herder tegen haar dienaressen, waarop al de +slangen onmiddellijk uit elkaar gingen, en een weg voor den herder +open lieten, die er zonder eenig letsel te bekomen doorging. Toen +zei de slang tegen haar redder: "Als wij voor mijn vader verschijnen, +zal hij u zeker als belooning voor uw vriendelijkheid jegens mij alles +geven, wat gij wenscht: goud, zilver en kostbare steenen; maar niets +van dat alles moet gij aannemen. Ik zou u aanraden te vragen de taal +der dieren te leeren verstaan. Hij zal zich ongetwijfeld tegen uw +wensch verzetten, maar eindelijk zal hij toegeven." + +Zij traden nu de vertrekken van den koning binnen, die blijkbaar +aanmerkelijk verlicht vroeg: "Mijn dochter, waar zijt gij al dien +tijd geweest?" + +Het reptiel vertelde toen alles van den brand in het bosch en +van de vriendelijkheid van den schaapherder, die zijn leven had +gered. Nu richtte de slangenkoning zich aangedaan tot den herder: +"Welke belooning mag ik u geven, omdat gij het leven van mijn dochter +hebt gered?" + +De herder antwoordde: "Ik wensch niets dan de macht om de taal der +dieren te kunnen spreken en te begrijpen." Maar de vorst zei: "Dat is +niets voor u, want indien ik u die macht gaf, en gij zoudt het geheim +aan een ander mededeelen, dan zoudt gij onmiddellijk sterven. Kies +daarom iets anders." + +Maar de herder bleef volhouden. "Indien gij mij wilt beloonen, schenk +mij dan de gave om de taal der dieren te verstaan; indien gij mijn +wensch niet wilt vervullen, dan hebben wij niets meer met elkaar te +bespreken; ik zeg u vaarwel!" + +En werkelijk wendde hij zich om teneinde weg te gaan. Maar de koning, +die zag, dat hij volharden zou bij zijn besluit, hield hem terug +en riep uit: "Kom hier, mijn vriend! Daar gij zoo vurig verlangt de +taal der dieren te begrijpen, zal die gave u niet onthouden worden; +open uw mond!" + +De herder gehoorzaamde, en de slangenkoning blies in zijn mond en zei: +"Blaas nu in mijn mond!" De herder deed wat hem gezegd werd, en de +slangenkoning blies een tweeden keer in den mond van den herder. Toen +sprak hij: "Nu bezit gij de taal der dieren. Ga in vrede; maar zorg +er goed voor, dat gij uw geheim niet aan een ander meedeelt, anders +zult gij op hetzelfde oogenblik sterven!" + +De herder nam afscheid van zijn vrienden en toen hij door het bosch +terugging, hoorde en verstond hij alles, wat de vogels en planten +en andere levende schepsels tegen elkaar zeiden. Toen hij zijn kudde +bereikte en al zijn schapen in veiligheid vond, zooals hem was beloofd, +legde hij zich neer op het gras om te rusten. + + + +De begraven Schat. + + +Ternauwernood had hij zich neergevlijd, of twee raven streken neer +op een boom en begonnen samen te praten. "Indien deze schaapherder +wist, wat er zich op de plek bevindt, waar dat zwarte schaap ligt, +dan zou hij zeker de aarde opgraven, en hij zou het hol ontdekken, +dat vol zilver en goud is." + +De herder ging dadelijk naar zijn heer en vertelde hem, wat hij wist +van den begraven schat. Deze reed met een kar naar de aangegeven +plaats, groef diep in de aarde en zie! hij vond een hol vol zilver +en goud. Dat alles laadde hij op zijn kar en bracht den schat naar +huis. Deze heer was een eerlijk en edelmoedig man en hij gaf den +geheelen schat aan zijn herder, zeggende: "Neem dit, mijn zoon; het +was aan u, dat God het gaf! Ik zou je aanraden, een huis te bouwen, +te trouwen en met dit geld de een of andere goede zaak te beginnen." + +De herder deed, zooals zijn vriendelijke heer hem had aangeraden en +gaandeweg verdubbelde zijn rijkdom en hij werd de rijkste man niet +alleen in zijn dorp, maar in het geheele gewest. Nu nam hij zelf +schaapherders in dienst en vee- en zwijnenhoeders om zijn groote +kudden te verzorgen. Op zekeren dag, juist voor Kerstmis, zei hij +tegen zijn vrouw: "Maak wijn en eetwaren gereed, want morgen zullen +wij naar onze hoeven gaan en onze knechts onthalen." Zijn vrouw deed +gelijk hij bevolen had en den volgenden dag gingen zij naar hun hoeven +en de heer sprak tot zijn mannen: "Komt nu allen, en eet en drinkt +te zamen; wat de schapen betreft, ik zelf zal vannacht voor ze zorgen." + +Zoo ging de vriendelijke man zijn schapen hoeden. Omstreeks middernacht +begonnen de wolven te huilen en zijn honden blaften uitdagend. De +wolven zeiden in hun eigen taal tegen de honden: "Kunnen wij komen en +de schapen dooden? Er zal genoeg zijn ook voor u." Daarop antwoordden +de honden in hun eigen taal: "O zeker, kom toch, wij wenschen ook +een feestmaal!" Maar onder de honden was een heel oude, die maar twee +tanden over had. Dat trouwe dier blafte verwoed tegen de wolven: "Naar +den duivel met jelui allemaal! Zoolang ik deze twee tanden heb, zult +gij de schapen van mijn heer niet aanraken!" En hun meester hoorde +en begreep alles, wat zij zeiden. Den volgenden morgen beval hij +zijn knechts al de honden, behalve den ouden, te dooden. De knechts +smeekten hun meester dit niet te doen. Zij zeiden: "Beste meester, +het is zonde hen te dooden!" + +Maar de heer gedoogde geen tegenspraak en beval streng: "Doet, +zooals ik bevolen heb!" Daarna stegen hij en zijn vrouw te paard +en zij begaven zich op weg naar huis; hij op een hengst en zij op +een merrie. Op de reis bleef de merrie wat achter den hengst. Deze +hinnikte en zei: "Haast je wat, waarom treuzel je zoo?" En de merrie +antwoordde: "Voor jou is het niet moeilijk--jij draagt alleen je +heer, en ik draag een tirannieke vrouw, wier bevelen een last voor +het geheele huishouden zijn!" + + + +De lastige vrouw. + + +Toen hij dit hoorde, keerde de heer zich om en barstte in lachen +uit. Zijn vrouw merkte zijn plotselinge vroolijkheid op, gaf haar +merrie de sporen en toen zij haar echtgenoot had bereikt, vroeg zij +hem, waarom hij had gelachen. Hij antwoordde: "Er was geen bepaalde +reden voor; ik lachte maar zoo--" Maar de vrouw was niet tevreden met +dit antwoord, en liet haar man niet met rust. Tevergeefs beproefde +hij er zich af te maken met de woorden: + +"Vraag mij niet langer; als ik je de ware reden zeg, waarom ik heb +gelachen, dan moet ik dadelijk sterven!" + +Maar zij geloofde haar man niet, en hoe vaker hij weigerde het haar +te vertellen, des te hardnekkiger drong zij er op aan, dat hij het +zou doen, totdat de arme man eindelijk ten einde raad was door haar +aandringen. + +Zoodra zij thuis waren, beval de man een doodkist gereed te maken en +toen die gereed en voor de huisdeur was geplaatst, zei hij tegen zijn +vrouw: "Ik zal in deze kist gaan liggen, want op hetzelfde oogenblik, +waarop ik je vertel, waarom ik lachte, zal ik sterven." Hij ging dus in +de kist liggen, en toen hij nog een laatsten blik in het rond wierp, +zag hij zijn getrouwe hond van de akkers komen. Het arme dier liep op +de doodkist van zijn meester toe en ging huilende van verdriet naast +zijn hoofd zitten. Toen zijn heer dit zag, vroeg hij zijn vrouw den +hond eten te geven. De vrouw bracht brood en gaf het aan den hond, +die er niet naar taalde, nog minder er van at. Het stuk brood trok +echter een haan aan, die naderbij kwam en er van begon te pikken. De +hond verweet hem dit en zei: "Jij onverzadigbaar schepsel! Je denkt +aan niets dan aan eten en je ziet niet, dat onze beste heer op het +punt staat te sterven!" + +Op deze bestraffing antwoordde de haan: "Laat hem dood gaan, als hij +zoo'n dwaas man is! Ik heb een honderdtal vrouwen en ik verzamel haar +allen rondom een graankorrel, dien ik gevonden heb, en als zij allen +bijeen zijn, eet ik hem zelf op! Mocht een harer daar geen genoegen +mee nemen, dan pik ik naar haar; maar hij, de dwaas, is niet in staat +een vrouw te regeeren." + +Hierop sprong de man uit de kist, nam een stok en riep tot zijn vrouw: +"Kom in huis, vrouw, en ik zal je vertellen, waarom ik heb gelachen!" + +Toen zij zag, wat de bedoeling van haar man was, verzocht zijn vrouw +hem van zijn voornemen af te zien en beloofde nooit meer nieuwsgierig +te zijn of te beproeven zich in zijn zaken te mengen. + + + +De stiefmoeder en haar stiefdochter. + + +Er was eens een meisje, dat met haar stiefmoeder samen woonde. De +vrouw haatte haar stiefdochter buitengewoon, daar zij mooier was dan +haar eigen dochter, die zij mee had gebracht naar het huis. Zij deed +haar uiterste best de eigen vader van het arme meisje tegen haar op +te zetten en dit deed zij met zulk een goeden uitslag, dat hij weldra +zijn eigen kind begon uit te schelden, ja zelfs te haten. + +Op zekeren dag zei de vrouw tegen haar echtgenoot: "Wij moeten je +dochter wegsturen. Zij moet de wereld ingaan om zelf haar fortuin +te zoeken!" En hij antwoordde: "Hoe kunnen wij het arme meisje +wegzenden? Waar zou zij alleen heen moeten?" Maar de slechte +stiefmoeder antwoordde: "Morgen moet je ver met haar de bosschen +ingaan, haar daar achter laten, en je dan naar huis spoeden--anders +wil ik niet langer bij je wonen." + +Eindelijk gaf de ongelukkige vader toe en zei: "Maak tenminste wat +voor het meisje klaar, opdat zij niet van honger omkomt." + +Daarom bakte de stiefmoeder een koek en gaf dien den volgenden morgen, +toen zij met haar vader het huis verliet, aan het meisje mee. De man +en zijn dochter stapten voort, totdat zij midden in het bosch waren, +en toen sloop de vader weg en keerde naar huis terug. + +Den geheelen dag dwaalde het meisje in het bosch rond om een pad +te zoeken, maar zij kon er geen vinden. Het werd intusschen steeds +donkerder en eindelijk klom zij in een boom; zij vreesde door het een +of andere wilde dier verslonden te worden, indien zij gedurende den +nacht op den grond bleef. En werkelijk den ganschen nacht huilden de +wolven zoo bloeddorstig onder den boom, dat het arme meisje in haar +zenuwachtigen angst bijna was gevallen. + +Den volgenden morgen klom zij weer naar beneden en dwaalde weer rond +om een weg te vinden, maar hoe verder zij liep, des te dichter werd +het bosch; er scheen geen einde aan te zijn. Toen het weer donker werd, +keek zij rond naar een anderen geschikten boom, waarin zij tusschen de +takken veilig den nacht zou kunnen doorbrengen. Maar eensklaps zag zij +een lichtglans door de duisternis. Zij meende, dat het misschien een +woning kon zijn en liep er heen. En werkelijk, zij kwam spoedig aan een +groot, mooi huis; de deuren stonden open. Zij ging binnen en zag veel +sierlijke kamers; in een er van stond een groote tafel met brandende +lichten er op. Zij dacht, dat dit een woning van roovers moest zijn, +maar zij was hoegenaamd niet bang. Want zij zei tegen zich zelf: +"Alleen rijke menschen behoeven bang voor roovers te zijn; ik, een arm, +eenvoudig meisje, behoef voor niets te vreezen; ik zal hun zeggen, dat +ik graag voor hen wil werken, als zij mij iets te eten willen geven." + + + + +Een vreemde woning. + + +Daarna nam zij den koek uit haar tasch, maakte het teeken des kruises +[82] en begon haar maal. Nauwelijks was zij begonnen te eten of een +haan verscheen en vloog naast haar, alsof hij om een deel er van +vroeg. Het goede meisje kruimelde een stukje van haar koek en voerde +het hem. Kort daarna kwam een kleine hond en begon op zijn wijze van +zijn vriendelijke gevoelens jegens haar blijk te geven. Het meisje +brak weer een stuk van haar koek af, nam het hondje voorzichtig op +haar schoot en begon het te voeren en te liefkoozen. Daarna kwam een +kat en daarmede deed zij hetzelfde. + +Eensklaps hoorde zij een luid gebrul, en schrok geweldig, toen zij een +leeuw zag naderen. Het groote dier kwispelde echter zoo vriendelijk +met zijn staart, en het keek zoo goedaardig uit zijn oogen, dat haar +moed weer terugkeerde en zij hem een stuk koek gaf, wat de leeuw opat; +daarna lekte hij haar hand. Dit bewijs van dankbaarheid stelde het +meisje volkomen gerust; zij streelde den leeuw zacht en gaf hem nog +meer van haar koek. + +Eensklaps hoorde het meisje een heftig gekletter van wapenen en +zij viel bijna flauw, toen zij een schepsel in een berenhuid de +kamer zag binnenkomen. De haan, de hond, de kat en de leeuw snelden +het tegemoet en sprongen er omheen, waarbij zij hun uiterste best +deden om te toonen, hoe verheugd zij waren. Zij, arm kind, kon niet +anders denken dan dat dit vreemde gedrocht een wreed schepsel was +en zij verwachtte niet anders dan dat het haar zou bespringen en +verslinden. Maar het monster wierp zijn berenhuid van zijn hoofd en +schouders en plotseling glinsterde de geheele kamer van de pracht van +zijn gouden gewaden. Het meisje verloor bijna haar bezinning, toen zij +een knap man met edel voorkomen voor zich zag. Hij naderde haar en zei: +"Wees niet bevreesd! Ik ben geen woestaard, ik ben de zoon van den +tsaar; en als ik op de jacht ga, dan kom ik gewoonlijk vermomd hier +in deze berenhuid, opdat de menschen mij niet herkennen. Behalve gij, +weet niemand, dat ik een man ben; de menschen denken, dat ik een +geest ben en ontvluchten mij. Niemand durft dit huis voorbij gaan, +nog minder er binnen treden, want het is bekend, dat ik er woon. Gij +zijt de eerste, die het gewaagd hebt, binnen te komen, waarschijnlijk +wist gij, dat ik geen geest ben?" + +Daarop vertelde het meisje den prins alles van haar slechte stiefmoeder +en verzekerde, dat zij niets van deze woning wist, noch wie er in +woonde. Toen de jonge prins, bewogen van verontwaardiging en medelijden +haar verhaal had gehoord, zei hij: "Uw stiefmoeder haatte u, maar God +had u lief. Ik heb u ook zeer lief, en indien gij voelt, dat gij mijn +liefde zoudt kunnen beantwoorden, zou ik u willen trouwen--wilt gij +mijn vrouw zijn?" "Ja", antwoordde het meisje. + +Den volgenden morgen nam de prins het meisje mee naar het paleis van +zijn vader en zij werden getrouwd. Na een poosje verzocht de vrouw +van den prins toestemming om haar vader te mogen bezoeken. De prins +stond het haar gaarne toe en gekleed in een mooie, met goud geborduurde +japon ging zij naar haar oude tehuis. Haar vader was afwezig en haar +moeder vreesde, zoodra zij haar zag komen, dat zij kwam om zich te +wreken. Daarom snelde zij haar tegemoet en zei: "Ziet gij nu, dat ik +u den weg van het geluk op gezonden heb?" De stiefdochter omhelsde +de vrouw en kuste haar; zij omhelsde haar stiefzuster ook. Daarna +nam zij plaats en wachtte op de terugkomst van haar vader. Daar hij +echter niet kwam, was zij eindelijk wel genoodzaakt, hoe ongaarne ook, +heen te gaan zonder hem te hebben gezien. Toen zij vertrok, gaf zij +veel geld aan haar stiefmoeder, maar toen zij op eenigen afstand bas, +balde de ondankbare vrouw toch haar vuist naar haar en mompelde: +"Wacht maar, jij vervloekt schepsel, je zult de eenige niet zijn, +die zoo sierlijk gekleed gaat; ik zal mijn eigen dochter denzelfden +weg opzenden!" + + + +De naijver van de stiefmoeder. + + +De man kwam niet terug voor laat in den avond. Toen ging zijn vrouw hem +tegemoet en zei: "Luister man! Ik ben van plan ook mijn eigen dochter +de wereld in te zenden, opdat ook zij haar fortuin kan zoeken; want +jou dochter kwam heden terug om ons te bezoeken en zie! zij schitterde +van al het goud." + +De man zuchtte en gaf zijn toestemming. + +Den volgenden morgen bakte de vrouw voor haar dochter verscheidene +koeken, ook gaf zij haar wat gebraden vleesch mee en zond haar met +haar vader het bosch in. De ongelukkige vader geleidde haar--evenals +hij het zijn eigen dochter had gedaan--naar het diepst van het +bosch, sloop toen weg, en liet haar alleen. Toen het meisje zag, +dat haar vader verdwenen was, wandelde zij langzaam voort door het +woud, totdat zij de poort van hetzelfde huis bereikte, waarin haar +stiefzuster het geluk had gevonden. Zij trad binnen, sloot de deur +en besloot ze voor niemand te openen. Daarna nam zij een koek uit +haar tasch en begon haar maal. Intusschen kwamen de haan, de hond en +de kat binnen en begonnen om haar heen te springen, hopende dat zij +hun iets te eten zou geven; maar zij riep boos uit: "Maakt, dat je +weg komt, leelijke dieven! Ik heb ternauwernood genoeg voor mijzelf; +ik wil jelui niets geven!" En toen begon zij hen te slaan, waarop +de hond jankte. De leeuw, die het jammeren van zijn vriend hoorde, +sprong woedend toe en doodde het onvriendelijke meisje. + +Den volgenden morgen reed de prins met zijn echtgenoote uit om te +gaan jagen. Zij kwamen aan het huis en zagen, wat er gebeurd was en +toen de prinses haar stiefzuster aan haar kleeren herkende, nam zij +het verscheurde gewaad bijeen en bracht het naar de woning van haar +vader. Dezen keer vond zij haar vader thuis en hij was werkelijk +heel gelukkig, toen hij vernam, dat zijn lieve dochter getrouwd +was met een knappen prins. Maar toen hij hoorde, wat de dochter van +zijn vrouw was overkomen, was hij werkelijk bedroefd en riep uit: +"Haar moeder heeft haar straf verdiend van Gods hand, omdat zij je +zonder reden haatte. Zij is bij de put, ik zal er heen gaan en haar +het droeve nieuws vertellen." + +Toen zijn vrouw hoorde, wat er gebeurd was, zei zij: "O, man, ik kan +het niet verdragen je dochter te zien; laten wij haar en den zoon +van den tsaar dooden! Doe het, of ik zal dadelijk in de put springen!" + +De man antwoordde verontwaardigd: "Nu, spring dan! Ik zal mijn eigen +kind niet vermoorden!" + +En de slechte vrouw zei: "Als je haar niet kunt dooden, goed,--maar +het is mij onmogelijk haar weer te zien!" Daarop sprong zij in de +put en was dood. + + + +Recht en onrecht. + + +Er was een koning, die twee zoons had; de een was sluw en +onrechtvaardig en de andere goed en rechtvaardig. Toen zijn tijd +gekomen was, stierf de koning en de onrechtvaardige zoon zei tegen +zijn broeder: "Daar gij jonger zijt dan ik, kunt gij niet verwachten, +dat ik den troon met u deel; gij deedt daarom beter het paleis te +verlaten. Neem deze driehonderd tzechins [83] en een paard mee; +dat is jou aandeel in de erfenis." + +De jongere broer nam het goud en zijn paard en na een oogenblik +nagedacht te hebben zei hij: "God zij geprezen! Hoeveel van het +geheele koninkrijk is mijn deel geworden!" + +Eenigen tijd later ontmoetten de beide broers elkaar bij toeval +op een weg, en de jongste begroette den oudste aldus: "God helpe u, +broeder!" En de oudste antwoordde: "Dat God u een ongeluk zende! Waarom +roept gij steeds Gods naam aan tegen mij? Onrecht is beter dan recht." + +Daarop antwoordde de goede broeder: "Ik wed, dat onrecht niet beter +is dan recht!" + +Zij wedden om honderd tzechins en kwamen overeen de beslissing aan den +eersten voorbijganger, die zij zouden ontmoeten, over te laten. Na een +poosje gereden te hebben, ontmoetten zij Satan, die zich als een monnik +had verkleed en zij verzochten hem in hun geschil te beslissen. Satan +antwoordde onmiddellijk, dat onrecht beter was dan recht; daarmee +verloor de rechtvaardige broeder honderd tzechins. Toen gingen zij +opnieuw een weddenschap aan voor dezelfde som, en vervolgens een derde; +en telkens besliste de Duivel--elken keer verschillend vermomd--voor +het onrecht. Ten slotte verloor de goede broeder zelfs zijn paard; +maar hij was volstrekt niet overtuigd en dacht na. "Wel! ik heb al +mijn tzechins verloren, dat is waar, maar ik heb mijn oogen nog en +dezen keer zal ik om mijn oogen wedden." Zoo gingen zij de weddenschap +nog eens aan; de onrechtvaardige broer wachtte echter niet eens op de +uitspraak van een ander, maar nam zijn ponjaard, en stak zijn broer +de oogen uit, zeggende: "Laat het recht u nu maar helpen, nu gij geen +oogen meer hebt!" + +De arme jongeling zei tegen zijn wreeden broeder: "Ik heb mijn oogen +verloren terwille van Gods rechtvaardigheid, maar ik verzoek u, mijn +broeder, mij wat water in een kom te geven, opdat ik mijn wonden kan +wasschen en mij onder een pijnboom bij de bron te brengen!" + +De onrechtvaardige broer deed, wat hem werd verzocht en vertrok toen. + + + +Het genezende water. + + +De ongelukkige jongeling bleef tot diep in den nacht onbewegelijk +zitten, toen eenige veele naar de bron kwamen om te baden en hij een +harer tegen haar zusters hoorde zeggen: "Zusters, weet gij, dat de +prinses lijdende is aan melaatschheid en de koning, haar vader, al de +beroemde geneesheeren heeft geraadpleegd, maar geen enkele haar kan +redden? Maar als de koning de genezende kracht van dit water kende, +zou hij er zeker een weinig van nemen en zijn dochter er in baden. Dan +zou zij volkomen herstellen." + +Toen de hanen begonnen te kraaien, verdwenen de veele; de prins +kroop naar de bron, om de wonderbare hoedanigheden van het water +te onderzoeken. Hij bette er zijn oogen mee en zie! Zijn gezicht +was onmiddellijk teruggekeerd. Daarna vulde hij zijn kom met het +water en spoedde zich naar den koning, wiens dochter lijdende was +aan melaatschheid. Toen hij aan het paleis kwam, zei hij tegen de +wachthebbende officieren, dat hij de prinses kon genezen in een +dag en een nacht. De officieren deelden het den koning mede, die +dadelijk toestond, dat hij zijn middel beproefde. En de prinses was +genezen. Dit stemde den koning zoo gelukkig, dat hij de helft van +zijn koninkrijk aan den jongen prins afstond en hem ook zijn dochter +tot vrouw gaf. Zoo werd de rechtvaardige broeder de schoonzoon van +den koning en zijn staatsraad. + +Het nieuws van deze groote gebeurtenis verspreidde zich over het +koninkrijk en kwam ten slotte ook den onrechtvaardigen prins ter +oore. Hij dacht, dat zijn broer zijn geluk onder den pijnboom moest +hebben gevonden; hij ging daar dus ook zijn geluk beproeven. Daar +aangekomen doorstak hij zijn eigen oogen. Laat in den avond kwamen de +veele baden en de prins hoorde met verbazing, hoe zij spraken over het +herstel der prinses. "Iemand moet ons bespied hebben," zei een harer, +"toen wij spraken over de hoedanigheden, die dit water bezit. Misschien +slaat ook nu iemand ons gade. Laten we eens rond zien!" Toen zij +onder den pijnboom kwamen, vonden zij den jongeman, die zijn geluk +was komen zoeken en zij scheurden hem onmiddellijk in vieren. + +En aldus kreeg de slechte prins de straf voor zijn onrechtvaardigheid. + + + + + +Wie weinig vraagt, ontvangt veel. + + +Er leefden eens drie broers, die in plaats van groote bezittingen +slechts een pereboom hun eigendom konden noemen. Om de beurt zouden zij +bij den boom de wacht houden, terwijl de twee anderen zich verhuurden +om te werken. Op zekeren nacht zond God zijn engel om te zien, hoe +de broeders het maakten, en, indien zij in moeilijkheden verkeerden, +hun toestand te verbeteren. De engel kwam vermomd als een bedelaar en +toen hij een der broeders aantrof, die de wacht hield bij den boom, +verzocht hij om een peer. De jongeman nam een paar vruchten, die +tot zijn eigen deel van den boom benoorden, overhandigde ze aan den +bedelaar en zei: "Neem deze peren van mijn deel van den boom; die, +welke aan mijn broeders behooren, kan ik u niet geven." De engel nam +de vruchten, dankte den jongeman en verdween. + +Den volgenden dag was het de beurt van den tweeden broeder om over +de vruchten te waken, en weer kwam de engel in de gedaante van een +bedelaar en vroeg om een peer. Deze broer gaf ook van zijn eigen deel +van den boom, zeggende: "Neem deze; zij zijn van mij, maar van die, +welke aan mijn broeders behooren, durf ik niet te geven." + +De engel nam de vruchten dankbaar aan en verdween. + +De derde broer had een gelijke ervaring. + +Toen de vierde dag kwam, vermomde de engel zich als een monnik en +kwam heel vroeg, opdat hij de drie broers thuis zou kunnen vinden, +en zei tegen de jongelieden: "Komt met mij mede, ik zal u een beter +leven geven!" Zonder verdere vragen te stellen gehoorzaamden zij hem. + +Weldra kwamen zij aan een rivier, waardoor het water hevig stroomde +en de engel vroeg aan den oudsten broer: "Wat wenscht gij te +bezitten?" Hij antwoordde: "Ik zou willen, dat al dit water in wijn +veranderde en dat het mij toebehoorde!" De engel maakte het teeken +des kruises met zijn stok en zie! Wijn stroomde in plaats van water +en op hetzelfde oogenblik werden op de oevers van het stroompje +verscheidene tonnen zichtbaar en er verschenen mannen, die ze met +wijn vulden; in een woord: er was een heel dorp ontstaan. Daarna +wendde de engel zich weer tot den jongeman en zei: "Hier is wat gij +verlangdet, vaarwel!" En hij vervolgde zijn reis met de anderen. De +drie liepen voort, totdat zij aan een veld kwamen, waarop een groot +aantal duiven rondliepen, en de engel vroeg aan den tweeden broer: +"Nu, en wat zoudt gij wenschen te bezitten?" En hij antwoordde: +"Ik zou wenschen, dat de duiven in schapen veranderden en dat die mij +toebehoorden!" Weer maakte de engel het teeken des kruises in de lucht, +en zie! Schapen in plaats van duiven bedekten het veld. Plotseling +verrezen er vele melkhuizen; meisjes waren bezig de schapen te melken, +anderen schonken de melk over en weer anderen maakten room. Er was ook +een slachthuis, waar mannen bezig waren; enkelen sneden het vleesch +in groote stukken, anderen wogen het en weer anderen verkochten +het en namen er het geld voor in ontvangst. Daarna sprak de engel: +"Hier is alles, wat gij verlangdet; vaarwel!" + +Nu ging de engel verder met den jongsten broer, en nadat hij het +veld over was gegaan, vroeg hij: "Wat verlangt gij te bezitten?" De +jonge man antwoordde: "Ik zou mij tot den gelukkigsten man rekenen, +indien God zoo genadig was mij een vrouw te schenken van zuiver +christelijk bloed!" + +Daarop antwoordde de engel: "O, dat is nog al moeilijk; er zijn +maar drie zulke vrouwen in de geheele wereld en twee van haar zijn +getrouwd. De jongste, dat is waar, is een jong meisje, maar reeds +dingen twee jonge mannen naar haar hand." + +Zij reisden verder en kwamen in een stad, waar een machtig tsaar woonde +met zijn dochter. Zij was werkelijk van zuiver christelijk bloed. De +reizigers traden het paleis binnen en troffen er twee prinsen aan, +die daar reeds waren en hun huwelijksappels [84] op de tafel hadden +gelegd. De jonge man legde nu ook zijn appel op de tafel. Toen de +tsaar de nieuw aangekomenen zag, zei hij tot hen, die hem omringden: +"Wat zullen wij nu doen. Genen zijn vorstelijke prinsen, en dezen +zien er uit als bedelaars!" Daarop sprak de engel: "Laat het geschil +aldus beslist worden: de prinses moet drie wijnstokken in den tuin +planten, en elk der drie, die aanzoek deden, er een aanwijzen. Met +hem, aan wiens wijnstok den volgenden morgen druiven gevonden worden, +zal de prinses trouwen!" Dit plan had aller instemming en de prinses +plantte dus drie wijnstokken. + +Toen de volgende morgen daagde, zie! hingen er druiven in groote +trossen aan den wijnstok, die aan den armen man was toegewezen. Daarom +kon de tsaar zijn dochter niet weigeren aan den jongsten broeder. Na +het huwelijk leidde de engel het jonge paar naar het bosch, waar hij +beiden een vol jaar alleen liet. + + + +De Engel keert terug. + + +Toen zond God opnieuw zijn engel, zeggende: "Daal neer naar de aarde +en zie, hoe deze armen nu leven; indien zij in ellende verkeeren, +moet gij hen helpen en hun toestand verbeteren!" + +De engel gehoorzaamde onmiddellijk en weer als bedelaar verkleed, +ging hij eerst naar den oudsten broer. Hij vroeg hem om een glas +wijn. Maar de rijke man weigerde: "Indien ik iedereen een glas wijn +zou moeten geven, zou er niets voor mij overblijven!" + +Hierop maakte de engel het teeken des kruises met zijn stok en +onmiddellijk stroomde er weer water door de rivier evenals te +voren. Toen wendde hij zich tot den man en zei: "Dit was niet voor u, +keer terug naar den pereboom, en ga voort met dien te bewaken!" + +Daarna ging de engel naar den tweeden broer, wiens velden bedekt waren +met schapen en vroeg hem om een plak kaas, maar de rijke man weigerde, +zeggende: "Indien ik iedereen een plak kaas zou moeten geven, dan zou +er geen voor mij overblijven!" Weer maakte de engel het teeken des +kruises met zijn stok en zie! Al de schapen veranderden onmiddellijk +in duiven, die weer wegvlogen. Toen sprak hij tot den tweeden broer: +"Dit was stellig niet voor u; ga naar den pereboom en houd daarbij +weer de wacht!" + +Eindelijk ging de engel naar den jongsten broeder om te zien, hoe hij +het maakte en vond hem met zijn vrouw in het bosch, waar hij leefde +als een arm man in een hut. Hij verzocht de hut te mogen binnen komen +en daar den nacht te mogen doorbrengen. Zij heetten hem hartelijk +welkom, maar zeiden hem, dat zij hem niet zoo'n goed onderkomen +konden verschaffen, als zij zouden wenschen. "Wij zijn," zoo voegden +zij er aan toe, "heel arme menschen." Waarop de engel antwoordde: +"Spreek zoo niet; ik zal heel tevreden zijn met hetgeen gij hebt!" + +Zij vroegen zich af, wat zij zouden doen, want er was geen koren in +de hut, waar zij goed brood van konden bakken. Gewoonlijk maalden +zij boomschors fijn en bakten dat in den oven. Zulk brood bereidde de +vrouw nu voor haar gast en zette het in den oven om te bakken. Even +later ging zij naar haar baksel kijken, en was aangenaam verrast, +toen zij een echt brood zag liggen. + +Toen het paar dit wonder zag, hieven zij hun handen ten hemel en +zeiden: "Wij danken u, o God! dat wij nu in staat zijn onzen gast te +onthalen!" Nadat zij hun gast het brood hadden voorgezet, brachten zij +een kom water en zie! Toen zij dronken, zagen zij, dat het wijn was. + +Toen maakte de engel nog eens het teeken des kruises met zijn stok over +de hut, en daarop verrees onmiddellijk op de plek een prachtig paleis, +dat een overvloed van alles bevatte. Daarop zegende de engel het paar +en verdween. De nederige en godvreezende man en vrouw leefden daar +verder gelukkig. + + + +Bash Tchelik of echt staal. + + +Er leefde eens een tsaar, die drie zoons en drie dochters had. Toen +ouderdom hem overviel en het stervensuur voor hem sloeg, riep hij zijn +kinderen tot zich en hij beval zijn zoons, dat zij hun zusters zouden +geven aan den eersten, die naar haar hand mochten dingen. "Doet, +zooals ik ulieden zeg," voegde de stervende tsaar er aan toe, +"of vreest mijn vloek!" + +Kort nadat de tsaar gestorven was, werd er op zekeren nacht heftig op +de poort van het paleis geklopt, zoodat het geheele gebouw schudde; +een geweldig gebulder, gegil en geblaas werd vernomen; het scheen, +alsof het paleis gebeukt werd door een hevigen orkaan. Al de hovelingen +werden aangegrepen door een onuitsprekelijke vrees en eensklaps werd +een stem van buiten gehoord: "O, prinsen, opent de deur!" Daarop riep +de oudste broeder uit: "Doe niet open!" De tweede broer voegde er aan +toe: "Doe voor niets ter wereld open!" Maar de jongste broeder zei: +"Ik moet de deur openen!" En hij sprong naar de deur en wierp die +open. Toen hij het gedaan had, kwam er iets binnen, maar de broeders +konden slechts een helder licht zien, waaruit deze dringende woorden +hen toeklonken: "Ik ben gekomen om uw oudste zuster ten huwelijk +te vragen en haar terstond mee te nemen; want ik heb geen tijd te +verliezen; evenmin zal ik een tweeden keer kunnen komen om haar te +vragen! Antwoordt snel. Wilt gij haar geven of niet? Dat is het, +wat ik wil weten." + +De oudste broeder antwoordde: "Ik wil haar niet geven. Ik kan u niet +zien, ik weet niet wie gij zijt, en evenmin vanwaar gij komt. Vanavond +is het voor het eerst, dat ik uw stem heb gehoord en gij dringt er +op aan mijn zuster dadelijk mede te nemen. Ik zou niet eens weten, +waar ik mijn zuster nu en dan zou kunnen bezoeken!" + +De tweede broer zei eveneens: "Ik geef mijn toestemming niet, dat +gij mijn zuster vannacht met u meevoert!" + +Maar de jongste broeder verzette zich en zei: "Indien gij haar niet +wilt geven, dan doe ik het. Hebt gij de woorden van onzen vader niet +onthouden?" Daarna nam hij zijn zuster bij haar hand [85] en gaf +haar aan den onzichtbaren gast, die aanzoek gedaan had, zeggende: +"Dat zij een getrouwe en gehoorzame echtgenoote zij!" + +Op het oogenblik, waarop de prinses den drempel overging, viel ieder +in het paleis van ontsteltenis op den grond, zoo ontzettend waren +de bliksemschichten en zoo luid de donderslagen. Het geheele gebouw +schudde, alsof het zou instorten. Maar de storm ging voorbij en de +dag brak aan. Dien morgen werd er vlijtig gezocht, of er eenig spoor +gevonden kon worden van den vreemden bezoeker of van den weg, dien +hij was gegaan; maar helaas, alle pogingen waren vruchteloos. + +Den volgenden nacht omstreeks denzelfden tijd werd een gelijk geraas +rondom het paleis vernomen en een stem aan de deur riep uit: "O, +prinsen, doet de deur open!" + +Door vrees aangegrepen dorsten zij niet ongehoorzaam te zijn. Toen +sprak de meedoogenlooze stem weer: "Geef mij uw tweede zuster, ik +ben gekomen, om haar ten huwelijk te vragen!" + +De oudste broer verzette zich: "Ik wil mijn toestemming niet geven!" De +tweede broer zei eveneens: "Ik wil mijn zuster niet weggeven!" Maar +de jongste was bereid. "Ik zal haar geven!" zei hij. "Zijt gij reeds +vergeten, wat onze vader bevolen heeft in het uur van zijn dood?" + +Daarop nam de jongste prins zijn zuster bij de hand en gaf haar +aan den onzichtbaren bezoeker, zeggende: "Neem haar, dat zij trouw +en gehoorzaam zij!" Zoo vertrok de bezoeker met de prinses en den +volgenden dag was er geen spoor meer van haar te vinden. + +Den derden nacht op hetzelfde uur trilde de aarde en het paleis schudde +op zijn grondvesten, zoo geweldig was de beroering in het rond. Weer +werd een geheimzinnige stem van buiten gehoord. De prinsen openden +de deur en weer trad een onzichtbare gast binnen en zei: "Ik kom uw +jongste zuster ten huwelijk vragen!" De twee oudste broers riepen +gelijktijdig uit: "Wij willen onze zuster niet in den nacht geven; +wij moeten weten, aan wien wij haar geven, zoodat wij haar kunnen +bezoeken, als wij het wenschen!" Maar weer riep de jongste broer uit: +"Ik zal haar geven, als gij het niet wilt! Zijt gij dan vergeten, wat +onze vader ons heeft gezegd? Zoolang is het nog niet geleden!" Met deze +woorden nam hij het meisje bij de hand en gaf haar aan den onzichtbaren +gast, zeggende: "Neem haar mee! En dat zij u vreugde en geluk geve!" + + + +De prinsen begeven zich op weg. + + +Den volgenden morgen bespraken de broers het lot van hun zusters en +smart vervulde hun hart. "Groote God!" zeiden zij, "welk een geweldig +wonder! Wij weten niet, welk lot onze zusters te beurt is gevallen; +noch weten wij, waarheen zij zijn gegaan, noch met wien zij zijn +getrouwd!" Eindelijk besloten zij hun geliefde zusters te gaan zoeken +en na de noodige toebereidselen voor de reis te hebben getroffen, +begaven zij zich op weg voor het onderzoek. + +Zij reisden enkele dagen en verdwaalden toen in een dicht woud, waar +zij een geheelen dag ronddoolden. Toen de duisternis viel, kwamen +zij overeen den nacht door te brengen op een plaats, waar zij water +konden vinden. Toen zij dus aan een meer kwamen, besloten zij daar +te overnachten en zij gingen zitten om wat te eten. Toen zij op het +punt stonden zich te slapen te leggen, stelde de oudste broer voor, +dat de anderen zouden slapen, en hij de wacht zou houden. De twee +jongere broers gingen dus slapen, terwijl hij de wacht hield. + +Te middernacht kwam het water in hevige beroering en hij, die de +wacht hield, was vervuld van schrik, toen hij uit het midden van +het water iets naar zich toe zag bewegen. Toen het nader kwam, zag +hij, dat het een monsterachtige krokodil was met twee reusachtige +ooren. Het monster viel den prins met al zijn kracht aan, maar de +dappere prins ving het op de punt van zijn zwaard op en kliefde snel +zijn kop doormidden. Daarna hieuw hij het de ooren af en borg die in +zijn tasch; maar het lijk wierp hij terug in het meer. Spoedig daarop +brak de morgen aan, maar de twee jongere broeders sliepen rustig door, +onbewust van den heldenmoed van hun broer. + +Op gepasten tijd wekte de prins de jongemannen en zonder te zeggen, +wat er gebeurd was, raadde hij aan de reis te vervolgen. Zij reisden +den geheelen dag en weer verdwaalden zij in een dicht bosch; zij +besloten den nacht bij een klein meer door te brengen en legden +snel een vuur aan. Nadat zij hadden gegeten, zeide de tweede broer: +"Vannacht zult gij beiden slapen en ik zal waken." En zoo sliepen de +oudste en de jongste broer, terwijl de tweede de wacht hield. + +Eensklaps begon het water in het meer te bewegen en zie! Een krokodil +met twee koppen verscheen en snelde verwoed op de drie broeders +toe. Maar de tweede broeder was geen lafaard; hij gaf het monster +een ontzettenden slag met zijn glinsterend zwaard, en de krokodil +viel dood neer. Toen hieuw de prins het de vier ooren af, deed ze +in zijn tasch en wierp het afzichtelijke lijk in het meer. De twee +slapende broeders wisten van dit alles niets en sliepen, totdat de +zon opging. De dappere prins riep uit: "Staat op, broeders, het is +hoog tijd!" Zij stonden onmiddellijk op en maakten zich gereed verder +te gaan, zonder te weten waarheen. + +Een groote vrees vervulde hun hart, toen zij bemerkten, dat zij zich in +een vreeselijke woestijn bevonden; hier dwaalden zij drie lange dagen +rond, en toen hun voedsel op was, dachten zij niet anders, dan dat zij +van honger zouden omkomen in dit vreemde land, dat van een onmetelijke +uitgestrektheid scheen te zijn. Toen richtten zij hun vurige gebeden +tot den Almachtige en baden Hem, dat het Hem mocht behagen hun uitkomst +te geven en zie! Eindelijk zagen zij een uitgestrekt watervlak. Groot +was nu hun vreugde; zij overlegden samen en kwamen overeen, dat zij +den nacht zouden doorbrengen aan den oever van dat meer. + +Nadat zij hun dorst hadden gelescht, legden zij een helder vuur aan +en toen het uur voor slapen aanbrak, stelde de jongste broer voor: +"Heden nacht is het mijn beurt, gij beiden gaat slapen en ik zal +waken!" Zoo gingen de beide oudste broers slapen en de jongste bleef +wakker; scherp keek hij rond en dikwijls wierp hij een blik over het +meer. Tegen middernacht bemerkte hij beweging in het water, en terwijl +hij verbaasd toekeek, werd het meer zoo onstuimig, dat een golf over +den oever sloeg en het vuur bijna uitdoofde. Het volgend oogenblik +verscheen een afschuwelijke krokodil met drie koppen. Deze snelde +verwoed op de broeders toe, blijkbaar van plan hen te verslinden. Maar +de jongste prins was niet minder dapper dan zijn twee broers; hij trok +zijn zwaard uit de scheede en toen het monster met wijd opengesperde +kaken op hem toe kwam, gaf hij het achtereenvolgens drie ontzettende +slagen, waarmee hij de drie koppen afhieuw. Daarna sneed hij de zes +ooren af, deed die in zijn tasch en wierp het lijk en de koppen in +het meer. + + + +De negen reuzen. + + +Ondertusschen was het vuur uitgedoofd en daar er niets was om opnieuw +vuur, te maken en de prins zijn broers niet wilde wekken, ging hij een +eindje de woestijn in, in de hoop eenige brandstof te zullen vinden, +maar helaas hij zocht vergeefs. Hij klom op een rots en zag eindelijk +den gloed van een vuur. Daar het scheen, dat het vuur niet heel ver weg +was, besloot hij er heen te gaan, om brandende stukken hout te halen, +waarmee hij zijn eigen vuur weer zou kunnen aansteken. Hij daalde dus +van de rots af en spoedde zich een poos door de woestijn. Eindelijk +kwam hij aan een hol, waar hij negen reuzen rondom een groot vuur +zag zitten. Zij roosterden twee mannen aan het spit, een aan elken +kant. Op het vuur stond een ketel vol met ledematen van menschen. + +Toen de prins dit zag, werd hij aangegrepen door afschuw, en graag +zou hij weer weggesneld zijn, maar het was te laat. Hij begroette +de reuzen dus met deze woorden: "Goeden avond, makkers, ik heb u al +geruimen tijd gezocht!" Zij heetten hem vriendschappelijk welkom en +beantwoordden zijn groet aldus: "Dat God u helpe, daar gij een onzer +zijt!" De slimme prins zei: "Wel, ik zal altijd een trouw vriend van +u blijven en zou mijn leven voor u willen geven!" + +"Wel", riep een der reuzen, "daar gij van plan zijt u bij ons te +voegen, zijt gij ongetwijfeld bereid menschenvleesch te eten en met +ons mee te gaan, als wij uit gaan om buit te zoeken?" + +Daarop antwoordde de zoon van den tsaar: "Zeer zeker! Ik ben bereid +alles te doen, wat gij doet." Toen de reuzen dit hoorden, zeiden zij: +"Dan is het goed! Kom bij ons zitten!" Toen nam het geheele gezelschap +plaats rondom het vuur en zij begonnen het vleesch uit den ketel te +halen en te eten. De zoon van den tsaar deed alsof hij at, maar hij +misleidde hen handig, want inplaats van het op te eten, wierp hij +het vleesch achter zich. + +Na het avondeten riepen de reuzen: "Laat ons nu op de jacht gaan, +want wij moeten morgen ook wat te eten hebben!" Zij begaven zich dus +alle negen op weg; de prins was de tiende van het gezelschap. "Ga +met ons mee", zeiden de reuzen tegen den prins, "wij zullen naar een +naburige stad gaan, waar een tsaar woont: want uit die stad hebben +wij reeds verscheidene jaren ons voedsel gehaald!" Toen zij aan de +plaats kwamen, rooiden de reuzen twee pijnboomen. Bij den muur van +de stad gekomen, plaatsten zij een boom er tegenaan en bevalen den +prins: "Ga boven op den muur staan, dan zullen wij u den tweeden boom +aanreiken, dien gij aan den anderen kant tegen den muur moet zetten, +zoodat wij langs den stam in de stad kunnen neerdalen." + +De prins gehoorzaamde, en, toen hij boven op den muur was, zei hij: +"Ik weet niet, hoe ik het moet doen, ik ben niet bekend in deze plaats +en zie geen kans den boom over den muur te werpen; laat alsjeblieft een +van allen naar boven komen en mij wijzen, hoe ik het moet doen!" Daarop +klom een der reuzen naar boven, greep den top van den boom en wierp +den stam over den muur, terwijl hij den hoogsten tak in zijn handen +hield. De prins benutte dit oogenblik om zijn zwaard te trekken, en +zonder dat zij, die beneden stonden, het merkten, sloeg hij met een +slag het hoofd van den reus af en wierp zijn lijk over den muur. Toen +zei hij tegen de anderen: "Komt nu een voor een naar boven, opdat ik +u in de stad kan neerlaten, zooals ik het onzen eersten makker heb +gedaan." De reuzen, die niets kwaads vermoedden, klommen den een na +den ander naar boven en de prins hieuw hen een voor een het hoofd af, +totdat hij ze alle negen had gedood. Daarna daalde hij langzaam neer +langs den pijnboom en bereikte den grond binnen den stadsmuur. + +Toen hij door de straten liep, was hij verbaasd geen levende ziel +daar aan te treffen; de geheele stad scheen verlaten! Daarom zei hij +tot zich zelf: "Deze leelijke reuzen moeten al de inwoners van deze +stad hebben vernietigd!" + + + +De slapende prinses. + + +Hij bleef doorloopen en zag eindelijk een zeer hoogen toren; door +een van de luchtgaten scheen licht. Hij opende de deur en liep recht +door naar de kamer, vanwaar hij meende, dat het licht kwam. Ze was +allerprachtigst versierd met goud en fluweel en op een luisterrijke +rustbank lag een meisje te slapen. Het meisje was buitengewoon mooi en +nadat de prins zich eenige oogenblikken in haar aanblik verlustigd had, +ontstelde hij hevig op het zien van een slang tegen den muur; ze bewoog +haar afschuwelijken kop, klaarblijkelijk met de bedoeling het meisje op +haar voorhoofd tusschen de oogen te raken. Maar de prins snelde vlug +naar voren met zijn getrokken ponjaard en doorboorde den kop van de +slang, zoodat die tegen den muur werd genageld, waarbij hij uitriep: +"Dat God geve, dat mijn ponjaard door niemand uit den muur getrokken +kan worden dan door mij!" Daarna snelde hij heen, klom den muur van den +stad weer over, juist zooals hij was gekomen. Hij nam een brandend stuk +hout uit het vuur en spoedde zich naar de plaats, waar hij zijn broers +had achtergelaten en waar hij hen nog slapende vond. Hij legde opnieuw +een vuur aan. Intusschen was de zon opgekomen; hij wekte zijn broers +en onmiddellijk zetten zij hun reis voort. Dienzelfden dag kwamen zij +aan den weg, die naar de stad voerde, waarvan wij gehoord hebben. Het +was de gewoonte van den tsaar, die in de stad woonde, elken morgen +naar buiten te wandelen, waarbij hij telkens de groote slachting +weer door de reuzen onder zijn volk aangericht, bejammerde. Zijn +grootste angst was, dat zijn eenige dochter hun eens ten prooi zou +vallen. Op dezen dag wandelde hij ongewoon vroeg door de straten, +die alle geheel verlaten waren. Na een poosje kwam hij aan een deel +van den stadsmuur, waartegen de pijnboom van de reuzen leunde. Hij +ging er heen en ontwaarde, dat de lijken van de negen reuzen, de +ontzettende vijanden van zijn volk, alle met afgehouwen hoofd op +den grond lagen. Toen de tsaar dit wonder zag, was hij buitengewoon +gelukkig en het volk verzamelde zich weldra om hem heen en bad God +een gelukkig en lang leven te geven aan den held, die de reuzen had +gedood. Op datzelfde oogenblik kwamen de bedienden van het kasteel +aansnellen en deelden den tsaar mede, dat een slang bijna den dood +van zijn dochter had veroorzaakt. Toen hij dit vernam, spoedde hij +zich naar zijn dochter en toen hij haar kamer binnen kwam, was hij +verbaasd een afschuwelijke groote slang tegen den muur genageld te +zien. Hij beproefde dadelijk den ponjaard er uit te trekken, maar +hij was er niet toe instaat. + +Daarop vaardigde de tsaar een proclamatie uit door het geheele rijk, +waarin hij mededeelde, dat de held, die de negen reuzen gedood en de +slang doorstoken had, indien hij naar het vorstelijk paleis kwam, +kostbare geschenken en de dochter van den tsaar ten huwelijk zou +ontvangen. De inhoud van de proclamatie was snel door het geheele +rijk bekend en op bevel van den tsaar werd in elke herberg langs de +hoofdwegen een beambte op wacht geplaatst, die aan elken reiziger moest +vragen, of hij ook iets wist van den held, die de negen reuzen had +gedood. Indien iemand inlichtingen kon geven, moest hij onmiddellijk +voor den tsaar verschijnen en vertellen, wat hij wist, en dan zou hij +beloond worden. De bevelen van den tsaar werden letterlijk uitgevoerd. + +De drie prinsen, die hun zusters zochten, brachten eens den nacht +door in een van de herbergen van dat land en na het avondeten +begonnen zij een levendig gesprek met den herbergier, in den loop +waarvan de snoevende waard pochte op zijn heldendaden en eindelijk +aan de prinsen vroeg: "Vertel mij nu eens, welke heldenfeiten gij, +jongemannen verricht hebt!" + +Daarop begon de oudste broer aldus: "Toen mijn broeders en ik ons op +weg begaven om onze zusters te zoeken, besloten wij den eersten nacht +door te brengen aan de oevers van een meer midden in een uitgestrekt +bosch. Op mijn voorstel gingen mijn broers slapen, terwijl ik de wacht +hield. Zoodra zij ingeslapen waren, rees een ontzettende krokodil uit +het meer op om mijn broeders te verslinden, maar ik ontving hem met +de punt van mijn zwaard en hieuw zijn kop van zijn lichaam: indien +gij het niet gelooft, hier zijn de ooren van het monster!" Bij deze +woorden haalde de oudste broer de ooren van den krokodil uit zijn +tasch en legde ze op de tafel. + +Toen de tweede broer dit hoorde, zei hij: "En ik hield den tweeden +nacht de wacht, mijn broeders, terwijl gij sliept; en uit het meer +verrees een krokodil met twee koppen. Ik snelde er met mijn zwaard +heen en hieuw de twee koppen af! Indien gij mij niet gelooft, +ziet! Hier zijn de vier ooren van het monster!" Bij deze woorden +haalde hij de ooren uit zijn tasch en lei ze voor hen op de tafel, +tot groote verbazing van zijn toehoorders. + + + +De held gevonden. + + +Maar de jongste broeder zweeg. De waard zei tegen hem: "Op mijn woord, +jongeman, uw broeders zijn waarlijk helden. Laat eens hooren, of gij +ook het een of ander heldenfeit hebt verricht?" + +Toen begon de jongste broer te vertellen: "Ik heb ook een kleinigheid +gedaan. Toen wij den derden nacht aan de oevers van een meer kwamen +in een woestijn, om daar den nacht door te brengen, gingt gij, mijn +broeders, rusten, en ik bleef wakker om de wacht te houden. Tegen +middernacht werd het meer zeer onstuimig, en een krokodil met drie +koppen stormde er uit met de bedoeling u te verslinden; maar ik ontving +hem op de punt van mijn zwaard en het gelukte mij het monster de koppen +af te slaan. Indien gij mij niet gelooft, ziet: hier zijn de zes ooren +van het monster!" Dit verbaasde zelfs zijn broeders en de jongeman +vervolgde: "Intusschen was ons vuur uitgedoofd en ging ik brandstof +zoeken. Door de woestijn dwalende ontmoette ik negen reuzen......" en +zoo ging hij voort hen zijn verwonderlijke daden te vertellen. Toen +het verhaal geëindigd was, haastte de herbergier zich naar den tsaar, +aan wien hij alles vertelde. Deze gaf hem geld en beval de broeders +voor te brengen. Toen zij verschenen, vroeg de tsaar aan den jongsten +prins: "Zijt gij het waarlijk, die al deze wonderen in mijn stad hebt +gedaan en het leven van mijn eenige dochter hebt gered?" + +"Ja, o, koning!" antwoordde de prins. Daarop gaf de tsaar, vervuld +van groote vreugde en dankbaarheid zijn dochter ten huwelijk aan den +dapperen prins en benoemde hem tot zijn eersten minister. Wat zijn +broeders betrof, de tsaar sprak hen aldus aan: "Indien gij bij uw +broer verlangt te blijven, dan zal ik echtgenooten voor u zoeken, +en kasteelen voor u laten bouwen!" + +Maar de twee broers dankten den koning en vertelden, dat zij reeds +getrouwd waren en dat zij het zoeken naar hun verloren zusters wilden +voortzetten. + +De tsaar keurde dit besluit goed en nadat hij hun twee muilezels +beladen met goud had gegeven, namen de twee broers afscheid en +vertrokken zij. Spoedig begon de jongste broer aan zijn drie zusters te +denken. Het zou hem leed hebben gedaan zijn vrouw te moeten verlaten +om haar te gaan zoeken, en bovendien wilde de tsaar niet toestaan, +dat hij het hof verliet. Maar de prins kwijnde langzaam weg door het +verdriet over zijn zusters. + +Op zekeren dag ging de tsaar op de jacht en zei tegen den prins: +"Blijf in het paleis en neem deze negen sleutels en houd ze in uw +zak. Gij kunt drie of vier kamers met deze sleutels openen; daar zult +gij onmetelijke schatten aan goud, zilver en edelgesteenten vinden. Ja, +indien ge het verlangt, kunt gij zelfs de acht kamers openen, maar +waag het niet de negende open te sluiten. Indien gij dat deedt, +dan zou het u slecht vergaan!" + + + +Bash Tchelik. + + +Zoodra de tsaar het paleis had verlaten, begon de jonge prins de deuren +van al de acht kamers te openen, de een na de ander, en waarlijk, +hij vond veel goud, zilver en andere kostbare dingen. Eindelijk kwam +hij aan de negende kamer en redeneerde bij zich zelf: "Ik heb veel +buitengewone avonturen overleefd, nooit werd ik door iets verrast; +waarom zou ik bang zijn mij in deze kamer te wagen?" + +Na deze woorden opende hij de deur, en wat denkt gij, dat hij daar +zag? In het midden van de kamer stond een vreemde man, wiens beenen +tot aan zijn knieën in het ijzer zaten en zijn armen tot aan zijn +ellebogen; in de vier hoeken der kamer waren kettingen bevestigd +aan dikke balken en al de kettingen kwamen samen in een ring, die +om den hals van den man zat, zoodat hij niet de minste beweging kon +maken. Voor hem was een fontein, waaruit het water door een gouden pijp +naar een gouden bassin stroomde. Naast hem stond een gouden kroes, +ingelegd met kostbare steenen. Hoe sterk de man ook verlangde om van +het water te drinken, hij kon zich niet ver genoeg bewegen om den kroes +te bereiken. Toen de prins dit alles zag, was hij werkelijk verbaasd +en ging terug; maar de man kreunde: "In 's hemelsnaam, kom bij mij!" + +De prins naderde en de man zei: "Doe een goede daad! Geef mij nu een +beker water en wees er van verzekerd, dat ik u beloonen zal met nog +een leven!" + +De prins dacht bij zich zelf: "Is er iets beters, dan twee levens +te bezitten?" Hij nam dus den kroes, vulde dien met water, en +overhandigde hem aan den man, die gretig dronk. Toen vroeg de prins +hem: "Zeg mij nu, hoe gij heet?" De man antwoordde: "Mijn naam is +Bash Tchelik (Echt Staal)." De prins maakte een beweging naar de +deur, maar weer smeekte de man hem: "Geef mij nog een kroes water +en ik zal er u een tweede leven bij geven!" De prins dacht: "Nu, als +hij mij een tweede leven geeft, dan zal ik er met het mijne mee drie +hebben! Dat zal wonderbaarlijk zijn!" Daarom vulde hij opnieuw den +kroes en overhandigde dien aan den vreemden gevangene, die hem gulzig +ledigde. De prins wendde zich naar de deur, maar de man riep uit: +"O, held, ga niet heen! Kom een oogenblik terug! Nu gij twee goede +daden hebt gedaan, doe nu ook een derde en als belooning zal ik u +een derde leven geven. Neem dezen kroes, vul dien met water en giet +het over mijn hoofd!" + +De prins zag geen enkele reden om dit te weigeren; hij vulde den kom +met water, en goot het over het hoofd van den man. Nauwelijks had hij +dit gedaan, of Bash Tchelik verbrak den ijzeren band om zijn hals, +sprong snel als een bliksemschicht op en zie! hij had vleugels. Hij +stormde naar de deur, voordat de verbaasde prins een beweging kon +maken en nadat hij de dochter van den tsaar gegrepen had, de vrouw +van zijn bevrijder, vloog hij de lucht in en verdween. + +Toen de tsaar van de jacht terug kwam, vertelde zijn schoonzoon hem +alles, wat er gebeurd was en de tsaar was werkelijk zeer bedroefd +en riep uit: "Waarom hebt gij dit gedaan? Heb ik u niet gezegd +de negende kamer niet te openen?" De prins antwoordde nederig: +"Wees niet boos, ik zal Bash Tchelik gaan opzoeken, want ik wil mijn +vrouw gaan halen." Maar de tsaar ontraadde het hem, en zei: "Ga niet, +voor niets ter wereld! Gij kent dezen man niet; het heeft mij menig +leger gekost, voordat het mij gelukte hem gevangen te nemen. Blijf +in vrede, waar gij zijt, en ik zal een nog betere vrouw voor u zoeken +dan mijn dochter was, en wees er van verzekerd, dat ik u zal blijven +liefhebben als mijn eigen zoon!" Maar de prins wilde niet luisteren +naar den raad van zijn schoonvader; hij nam geld voor de reis mee, +zadelde een paard en ging Bash Tchelik opzoeken. + + + +De prins vindt zijn zuster. + + +Na eenigen tijd kwam de jonge man aan een stad. Voor het raam van +een kasteel riep een meisje: "O prins, stijg van uw paard en kom naar +onze binnenplaats!" De prins deed, wat hem verzocht werd; het meisje +ontmoette hem op het plein en hij was ten hoogste verbaasd in haar zijn +oudste zuster te herkennen. Zij omhelsden en kusten elkaar en zijn +zuster zei: "Kom binnen, mijn broer." Toen zij binnen waren, vroeg +de prins aan zijn zuster, wie haar echtgenoot was en zij antwoordde: +"Ik ben getrouwd met den koning der draken en hij heeft er een eed op +gedaan, dat hij mijn broers zal dooden, zoodra hij hen ontmoet. Daarom +zal ik je verbergen en hem eerst vragen, wat hij zou doen, indien je +voor hem verscheen. Mocht hij zeggen, dat hij je geen kwaad zal doen, +dan alleen zal ik hem van je tegenwoordigheid verwittigen." Toen +verborg zij haar broer en zijn paard. Tegen den avond vloog de draak +naar huis en het heele huis straalde van licht. Zoodra hij binnen was, +riep hij zijn vrouw. "Lieve, ik ruik menschenvleesch. Zeg mij dadelijk, +wie hier is!" Zij antwoordde: "Er is niemand!" Maar de draak zei: +"Dat is onmogelijk!" Toen vroeg zijn vrouw hem: "Antwoord mij naar +waarheid: zoudt gij mijn broeders kwaad doen, indien een van hen hier +zou komen, om mij te bezoeken?" En de koning der draken antwoordde: +"Uw oudsten en uw tweeden broer zou ik slachten en braden, maar uw +jongsten broer zou ik geen kwaad doen." + +Toen zei zij: "Mijn jongste broer, uw schoonbroer, is hier." Daarop +sprak de koning: "Laat hem binnen komen." En toen de prins verscheen, +strekte de koning zijn armen uit, omhelsde zijn schoonbroer en sprak: +"Welkom, o broeder!" En de prins antwoordde: "Ik hoop, dat gij wel +vaart!" Daarna vertelden zij elkaar al hun avonturen van het begin +tot het einde en zetten zich aan het avondeten. + +Eindelijk vertelde de prins zijn schoonbroer, dat hij Bash Tchelik +zocht. De draak gaf hem dezen raad: "Ga niet verder! Ik zal u een +en ander van hem vertellen; den dag, waarop hij uit zijn gevangenis +ontsnapte, had ik met vijf duizend van mijn draken een ontmoeting +met hem en na een hevig gevecht ontsnapte hij zegevierend. Gij +ziet dus, dat er al heel weinig hoop voor u alleen is om hem te +overmeesteren. Daarom raad ik u als vriend uw plan te laten varen en +in vrede naar huis te keeren; indien gij geld noodig hebt, zal ik u +geven, wat gij verlangt." + +Maar de prins antwoordde: "Ik dank u zeer voor al uw goede wenken +en raadgevingen, maar ik kan niet anders doen dan Bash Tchelik gaan +zoeken!" En hij dacht, "waarom zou ik het niet doen, daar ik drie +levens te verliezen heb?" + +Toen de koning der draken zag, dat hij hem niet kon overreden, gaf hij +hem een veer, die hij droeg en sprak: "Neem deze veer en als gij ooit +mijn hulp noodig hebt, hebt gij haar slechts te verbranden en ik zal +dadelijk met mijn geheele strijdmacht tot u komen." De prins nam de +veer dankbaar aan, en begaf zich weer op weg om Bash Tchelik te zoeken. + + + +De tweede zuster. + + +Na een tijd gereisd te hebben kwam hij weer aan een stad; hij reed +onder den toren van een prachtig kasteel, toen een raam werd geopend +en hij een stem hoorde roepen: + +"Stijg van uw paard, o prins, en kom naar onze binnenplaats." De prins +gaf onmiddellijk gehoor aan de uitnoodiging en toen hij het paleis +binnenging, was hij ten hoogste verbaasd zijn tweede zuster te zien, +die zich in zijn armen wierp en tranen stortte van vreugde. Daarna +bracht zij haar broer in haar particulier vertrek en hij vroeg haar: +"Met wien zijt gij getrouwd, lieve zuster?" + +En zij antwoordde: "Mijn echtgenoot is de koning der arenden." Toen +de koning terugkeerde, verwelkomde zijn liefhebbende vrouw hem, +maar hij riep dadelijk uit: "Wie is de vermetele man, die nu +in mijn kasteel is? Zeg het mij onmiddellijk!" Zij loog en zei: +"Niemand!" Toen begonnen zij aan het avondeten en de prinses vroeg +aan haar echtgenoot: "Zeg mij naar waarheid: zoudt gij mijn broers +kwaad doen, indien een van hen hier zou durven komen, om mij te +bezoeken?" En de koning der arenden antwoordde: "Wat uw oudsten en +uw tweeden broer betreft, ik verzeker u, dat ik hen zou dooden; +maar uw derden broer zou ik welkom heeten en helpen zooveel ik +kon." Toen vatte zij moed en vertelde hem: "Mijn jongste broer, uw +schoonbroeder, is hier om mij te bezoeken!" Daarop beval de koning +aan zijn bedienden den prins bij hem te brengen en toen de bedienden +gehoorzaamden en de prins verscheen, stond hij op en omhelsde en kuste +zijn schoonbroeder en zei: "Welkom, mijn lieve schoonbroeder!" En de +prins, getroffen door zijn vriendelijkheid, sprak zeer hoffelijk: +"Dank u, mijn broeder! Ik hoop, dat het u goed gaat!" De koning +verzocht hem dadelijk plaats te nemen aan tafel en na het avondeten +vertelde de prins zijn wonderlijke avonturen en eindigde met te +vertellen, dat hij Bash Tchelik zocht. Toen hij dit hoorde, raadde +de koning der arenden hem zoo ernstig mogelijk zijn gewaagd plan af +en voegde er aan toe: "Laat dien duivel met rust! Ik zou u aanraden +hier te blijven; gij zult alles, wat gij verlangt, in mijn kasteel +vinden." Maar de vermetele prins wilde geen oogenblik naar dezen raad +luisteren en den volgenden morgen maakte hij zich gereed om zijn reis +te vervolgen en Bash Tchelik te zoeken. Toen plukte de koning, ziende +dat het besluit van zijn schoonbroeder onwankelbaar was, een mooie +veer uit zijn gewaad, overhandigde die aan zijn schoonbroer en zei: +"Neem deze veer, o broeder, en indien gij ooit hulp noodig hebt, +hebt gij haar slechts te verbranden en ik zal u dadelijk te hulp +komen met mijn geheele leger." + +De prins aanvaardde zeer dankbaar de veer, nam afscheid en vertrok +om zijn vijand te zoeken. + + + +De derde zuster. + + +Na eenigen tijd kwam hij in een derde stad, waar hij op dezelfde wijze +zijn derde zuster vond. Zij was getrouwd met den koning der valken, +die hem ook vriendschappelijk welkom heette, en hem een veer gaf voor +het geval, dat hij in nood mocht verkeeren. + + + + +De prins vindt zijn vrouw. + + +Na van de eene plaats naar de andere te zijn getrokken, vond hij +eindelijk zijn vrouw in een hol. Toen zijn vrouw hem zag, riep zij +uit: "Hoe ter wereld komt gij hier, beste man?" Hij vertelde haar, +welke avonturen hij had beleefd en zei: "Laat ons samen vluchten, +vrouw!" Maar zij antwoordde: "Hoe zouden wij kunnen vluchten; Bash +Tchelik zal ons zeker inhalen: hij zou u dooden en en mij terug halen +en straffen." Toch overreedde de prins, die wist, dat hij drie levens +had, zijn vrouw met hem te gaan. + +Nauwelijks hadden zij den ingang van het hol bereikt, of Bash Tchelik +hoorde hen vertrekken en snelde hen achterna. Na korten tijd bereikte +hij hen, nam de prinses terug en zei verwijtend tegen den prins: "O +prins, gij hebt uw vrouw gestolen! Dezen keer vergeef ik u, omdat ik +mij herinner u drie levens te hebben toegestaan. Dus kunt gij gaan, +maar als gij nog eens om uw vrouw hier durft komen, dan zal ik u +dooden!" Daarop verdween Bash Tchelik met de prinses en liet haar +echtgenoot in diep gepeins achter. Wat hij nu zou doen? Eindelijk +besloot hij zijn geluk nog eens te proeven en toen hij weer bij het +hol kwam, koos hij een oogenblik, waarop Bash Tchelik afwezig was en +nam zijn vrouw weer mee. Maar weer bemerkte Bash Tchelik spoedig, dat +zij vluchtten, en weer haalde hij hen na korten tijd in. Nu richtte hij +zijn boog op den prins en zei: "Wat verkiest gij: geschoten te worden +door dezen pijl of onthoofd door mijn zwaard?" De prins verzocht nog +eens vergiffenis en Bash Tchelik schonk ze hem, waarbij hij zei: "Dezen +keer vergeef ik u ook, maar wees ervan verzekerd, als gij nog eens +durft te komen om uw vrouw te halen, dat ik u dan zonder genade dood." + +Toch beproefde de prins zijn geluk nog eens en na weer gegrepen te +zijn door Bash Tchelik, verzocht hij nog eens om vergiffenis. Omdat +hij hem uit eigen vrijen wil drie levens had gegeven luisterde Bash +Tchelik naar zijn smeekbede, maar zei: "Wees gewaarschuwd, stel +het eene leven, dat God u heeft gegeven, niet in de waagschaal!" Nu +de prins inzag, dat hij tegen zulk een macht niets kon uitrichten, +aanvaardde hij de terugreis, waarbij hij er voortdurend over peinsde, +hoe hij ooit zijn vrouw uit de macht van Bash Tchelik zou kunnen +bevrijden. Eensklaps schoot hem wat te binnen: hij herinnerde zich, +wat zijn schoonbroers gezegd hadden, toen zij hem een veer uit hun +gewaad hadden gegeven. Daarop besloot hij nog eens te gaan en te +beproeven zijn vrouw te redden. "Indien ik in ongelegenheid kom," +dacht hij, "zal ik de veeren verbranden en mijn schoonbroers zullen +mij te hulp komen." + +Daarop keerde de prins naar het hol van Bash Tchelik terug. Zijn +vrouw was ten hoogste verbaasd hem te zien en riep uit: "Gij zijt +uw leven dus moe, dat gij ten vierde male komt om mij!" Maar de +prins liet zijn vrouw de veeren zien en verklaarde haar het nut er +van en hij kreeg van haar gedaan, dat zij nog eens wilde beproeven +met hem te vluchten. Nauwelijks hadden zij echter het hol verlaten, +of Bash Tchelik stormde hen achterna roepende: "Sta stil, prins, gij +kunt mij niet ontkomen!" De prins, die zag, dat zij in het grootste +gevaar verkeerden, verbrandde haastig alle drie de veeren en toen Bash +Tchelik met getrokken zwaard naderde om hem te dooden, o, welk een +machtig wonder! Op datzelfde oogenblik kwam tot zijn hulp aanvliegen +de drakenkoning met zijn leger draken, de koning der arenden met +zijn wreede arenden en de valkenkoning met al zijn valken. Allen +vielen verwoed op Bash Tchelik aan, maar ondanks de stroomen +bloed, die vergoten werden, scheen Bash Tchelik onoverwinnelijk en +eindelijk greep hij de prinses en vluchtte. Na den slag vonden de drie +schoonbroeders den prins dood; zij besloten dadelijk hem tot het leven +terug te roepen. Zij vroegen aan drie draken, wie van hen in den kortst +mogelijken tijd eenig water uit den Jordaan kon brengen. De eerste zei: +"Ik zou het in een half uur kunnen brengen!" De tweede verklaarde: +"Ik zal het in tien minuten brengen!" De derde verzekerde: "Ik breng +het in negen seconden!" Daarop zond de koning den derden draak en +werkelijk hij gebruikte zijn vurige macht ten volle en keerde in +negen seconden terug. De koning nam het genezende water, goot het +op de gapende wonden van zijn schoonbroer en terwijl dit geschiedde, +genazen de wonden en de prins sprong levend overeind. + +De koningen gaven hem den volgenden raad: "Keer, nu gij van den +dood zijt gered in vrede huiswaarts." Maar de prins verzekerde, +dat hij nog eens wilde beproeven zijn geliefde vrouw te redden. De +koningen beproefden er hem van terug te houden; zeggende: "Ga niet, +want gij zult verloren zijn, als gij het doet! Gij weet heel goed, +dat gij nu slechts het eene leven hebt, dat God u gegeven heeft." Maar +de prins wilde niet luisteren. Daarop zeiden de koningen: "Als gij +niet anders wilt, ga dan! Maar doe geen vergeefsche pogingen meer +om met uw vrouw te vluchten! Laat uw vrouw aan Bash Tchelik vragen, +waar zijn kracht schuilt. Kom ons dat vertellen, opdat wij u helpen +kunnen hem te overwinnen." + + + +Het geheim van de kracht. + + +Dezen keer sloop de prins stil naar het hol en zei, zooals de koningen +hem hadden aangeraden, tot zijn vrouw, dat zij Bash Tchelik moest +vragen, waarin zijn kracht school. Toen Bash Tchelik dien avond thuis +kwam, vroeg de prinses: "Ik bid u, vertel mij, waarin schuilt toch het +geheim van uw kracht?" Toen Bash Tchelik dit hoorde, lachte hij en zei: +"Mijn kracht ligt in mijn sabel!" De prinses knielde voor het zwaard +en begon te bidden. Daarop barstte Bash Tchelik in nog luider gelach +uit en riep: "O, dwaze vrouw! Mijn kracht ligt niet in mijn zwaard, +maar in mijn pijl en boog!" Toen knielde de prinses voor den boog en +de pijlen, doch Bash Tchelik schaterde van het lachen en riep uit: +"O, dwaze vrouw! Mijn kracht schuilt noch in mijn boog noch in mijn +pijlen! Maar vertel mij, wie heeft u gezegd mij te vragen, waarin mijn +kracht schuilt? Indien uw echtgenoot leefde, zou ik kunnen vermoeden, +dat hij het was, die het weten wilde!" Maar de prinses verzekerde, dat +niemand haar had aangezet het te vragen en hij geloofde, wat zij zei. + +Na eenigen tijd kwam de prins, en toen zijn vrouw hem zei, dat zij +niets van Bash Tchelik te weten kon komen, zei hij: "Beproef het nog +eens!" en ging heen. + +Toen Bash Tchelik thuis kwam, vroeg de prinses weer naar het geheim +van zijn kracht. Toen antwoordde hij: "Daar gij zooveel belang stelt +in mijn kracht, zal ik u de waarheid vertellen." En hij begon: "Ver +van hier bevindt zich een hooge berg en in dien berg woont een vos; +in de vos is een hart en in dat hart leeft een vogel; in dien vogel +ligt al mijn kracht. Maar het is heel moeilijk den vos te vangen, +want hij kan zich veranderen in alles, wat hij wil!" + +Toen Bash Tchelik den volgenden morgen het hol verliet, kwam de +prins en vernam het geheim van zijn vrouw. Toen ging hij regelrecht +naar zijn schoonbroers, die, nadat zij het verhaal hadden gehoord, +dadelijk met hem meegingen om den berg te vinden. Dit gelukte hen +spoedig; zij lieten arenden los om den vos na te jagen, waarop de +vos snel naar het meer liep en zich daar in een zes-vleugelige eend +veranderde. Toen de valken de eend nazetten, vloog hij de wolken +in. Hierop vervolgden de draken hem; de eend veranderde weer in een +vos; de andere arenden omringden hem, en eindelijk werd hij gevangen. + +Toen gaven de drie koningen bevel den vos open te snijden en zijn +hart uit zijn lichaam te nemen. Toen dit gedaan was, werd er een +groot vuur gemaakt en uit het hart van den vos namen zij een vogel, +dien zij in het vuur wierpen en verbrandden. + +Zoo kwam Bash Tchelik om; en zoo herkreeg de prins eindelijk zijn +geliefde en trouwe gade. + + + +De gouden appelboom en de negen pauwinnen. + + +Er was eens een koning, die drie zoons had. In den tuin van het paleis +groeide een gouden appelboom, die in een en denzelfden nacht bloeide +en rijpe vruchten droeg. Maar gedurende den nacht kwam een dief en +plukte de gouden appelen, en niemand wist hem te ontdekken. Op zekeren +dag overlegde de koning met zijn zoons en zei: "Het was mij heel +wat waard, als ik wist, wat er met de vruchten van onzen appelboom +gebeurt!" Daarop antwoordde de oudste zoon: "Ik zal vannacht onder +den appelboom de wacht houden en zien, wie de vruchten plukt." + +Toen de avond daalde, legde de prins zich onder den appelboom om de +wacht te houden; maar terwijl de appels rijpten, viel hij in slaap en +ontwaakte niet voor den volgenden morgen, toen de appels verdwenen +waren. Hij vertelde zijn vader, wat er was gebeurd, waarop zijn +broeder, de tweede zoon, aanbood dien nacht de wacht te houden. Maar +hij had niet meer succes dan zijn oudste broer. + +Het was nu de beurt van zijn jongsten zoon om zijn geluk te beproeven +en toen de nacht kwam, plaatste deze een bed onder den boom en legde +zich neer om te slapen. Ongeveer middernacht werd hij wakker en keek op +naar den boom. En zie! de appels rijpten juist en het geheele kasteel +was verlicht door hun glans. Op dat oogenblik vlogen negen pauwinnen +naar den boom en streken neer op de takken, waar acht harer gingen +zitten om de vruchten te plukken. Maar de negende streek dadelijk op +den grond neer, waar ze in een meisje veranderde. Zoo mooi was zij, dat +men vergeefs naar haar gelijke zou zoeken door het geheele koninkrijk. + +De prins werd onmiddellijk doodelijk verliefd op zijn bezoekster en +het mooie meisje was volstrekt niet onwillig om te blijven en met den +jongeman te praten. Zoo verstreken een paar uren. Ten laatste zei +het meisje, dat zij niet langer mocht blijven. Zij dankte de prins +voor de appels, die haar zusters hadden geplukt; maar hij vroeg, +of zij hem er althans een wilde geven om mee naar huis te nemen. + +Het meisje glimlachte lieftallig en overhandigde hem twee appels, +een voor hem zelf, den anderen voor zijn vader, den koning. Toen +veranderde zij weer in een pauwin, voegde zich bij haar zusters en +allen vlogen heen. + +Den volgenden morgen bracht de prins de twee appels naar zijn +vader. De koning, die zeer tevreden was, prees zijn zoon, en den +volgenden nacht begaf de gelukkige prins zich evenals den vorigen +keer naar den boom en 's morgens bracht hij weer twee appels bij +zijn vader. Toen dit verscheidene nachten gebeurd was, werden zijn +twee broers jaloersch, omdat zij niet instaat waren geweest te doen, +wat hij had gedaan. Toen bood een slechte, oude vrouw den ontevreden +prinsen aan hun het geheim te openbaren. Den volgenden avond sloop +de oude vrouw zachtjes onder het bed van den jongen prins en verborg +zich daar. Spoedig daarop verscheen de prins en viel dadelijk evenals +de vorige keeren in slaap. Toen het middernacht was, zie! streken +de pauwinnen als gewoonlijk neer; acht gingen er op de takken van +den appelboom zitten, maar de negende daalde neer op het bed van den +prins en veranderde dadelijk in een meisje. Toen de oude vrouw deze +vreemde gedaanteverwisseling zag, kroop zij zachtjes nader en sneed +een lok van het haar van het meisje af, waarop dit dadelijk opstond +en weer in een pauwin veranderde en met haar zusters verdween. Toen +sprong de jonge prins op, verwonderd over het plotseling vertrek van +zijn geliefde, en keek overal rond. Hij zag de oude vrouw, sleurde +haar onder het bed vandaan en beval zijn knechts haar vast te binden +aan de staarten van vier paarden en haar zoo te dooden. + +Maar de pauwinnen kwamen nooit terug, tot groot verdriet van den prins, +die luid weenend uiting gaf aan zijn smart. + +Weenen beweegt geen enkelen berg, en eindelijk besloot de prins de +wijde wereld in te gaan, om zijn liefste te vinden en niet terug +te keeren, voordat hij haar had gevonden. Als een goed zoon vroeg +hij toestemming aan zijn vader, die al zijn best deed, hem van dit +gewaagde plan af te brengen en hem een veel mooiere bruid beloofde +uit zijn uitgestrekt koninkrijk--want hij was er zeker van, dat elk +meisje blij zou zijn zulk een dapperen prins te trouwen. + + + +De prins gaat op onderzoek uit. + + +Maar al zijn vaderlijke raad was vergeefsch, zoodat de koning den +prins tenslotte toestond te doen, wat zijn hart verlangde en de +bedroefde prins vertrok slechts van een bediende vergezeld, om zijn +liefste te zoeken. Nadat hij een langen tijd had gereisd, kwam hij +eindelijk aan den oever van een groot meer, waarbij een prachtig +kasteel stond, waarin een heel oude vrouw woonde, een koningin met +haar eenige dochter. De prins vroeg de bejaarde koningin smeekend: +"Ik bid u, grootmoeder, vertel mij, wat u weet van de negen gouden +pauwinnen?" De koningin antwoordde: "O, mijn zoon, ik ken deze +pauwinnen heel goed, want zij komen elken dag om twaalf uur naar +dit meer om te baden. Maar deedt gij niet beter deze pauwinnen te +vergeten en zoudt gij niet liever naar dit mooie meisje zien. Zij is +mijn eenige dochter en zal mijn rijkdommen en schatten erven en gij +kunt dan alles met haar deelen." Maar de prins, die ongeduldig was +om de pauwinnen te vinden, luisterde niet eens naar de koningin. Toen +de oude dame zijn onverschilligheid zag, kocht zij zijn knecht om en +gaf hem een blaasbalg, zeggende: "Ziet gij dit? Indien gij morgen naar +het meer gaat, blaas dan stilletjes achter in den hals van uw meester, +hij zal in slaap vallen en niet tegen de pauwinnen kunnen spreken." + +De ontrouwe knecht stemde er in toe om precies te doen, wat de koningin +hem beval, en toen zij naar het meer gingen, maakte hij van de eerste +gunstige gelegenheid gebruik om met den blaasbalg achter den hals van +zijn armen heer te blazen, waarop de prins in een zoo diepen slaap +viel, dat hij wel een doode geleek. Spoedig daarna vlogen de acht +pauwinnen naar het meer, en de negende streek neer op het paard van +den prins, omhelsde hem en sprak: "Ontwaak lieveling! Word wakker, +geliefde! O, doe het!" Helaas, de arme prins bleef als dood. Toen +verdwenen al de pauwinnen, nadat zij hadden gebaad. + +Kort na haar vertrek ontwaakte de prins en vroeg aan zijn knecht: +"Wat is er gebeurd? Zijn zij hier geweest?" De knecht antwoordde, +dat zij er werkelijk waren geweest; dat acht harer in het meer hadden +gebaad, terwijl de negende hem geliefkoosd en gekust had en beproefd +had hem uit den slaap te wekken. Toen hij dit hoorde, was de prins +zoo boos, dat hij er bijna toe gekomen was om zich zelf te dooden. + +Den volgenden morgen gebeurde hetzelfde. Maar bij deze gelegenheid +verzocht de pauwin aan den knecht den prins te zeggen, dat zij den +volgenden dag voor het laatst zou terugkeeren. Toen de derde dag +daagde, ging de prins weer naar het meer, en uit vrees weer in te +slapen, galoppeerde hij langs den oever, in plaats van langzaam +stapvoets te gaan. Maar zijn bedriegelijke knecht volgde hem dicht +op de hielen en vond weer gelegenheid den blaasbalg te gebruiken, +en weer viel de prins in slaap. + +Kort daarna verschenen de pauwinnen; acht gingen zich als gewoonlijk +baden, en de negende streek neer op het paard van den prins, en +beproefde hem te wekken. Zij omhelsde hem en sprak aldus: "Word wakker, +lieveling. Liefste, sta op! O, mijn ziel!" Maar haar pogingen waren +vruchteloos; de prins sliep, alsof hij dood was. Toen sprak zij tot +den knecht: "Als uw heer wakker wordt, zeg hem dan, dat hij den kop +van den spijker moet afslaan; dan alleen zal hij in staat zijn mij +weer te vinden." + +Na dit gezegd te hebben, verdween de pauwin met haar zusters en +nauwelijks waren zij verdwenen, of de prins ontwaakte en vroeg aan zijn +knecht: "Zijn zij er geweest?" En de boosaardige man antwoordde: "Ja; +zij, die neerstreek op uw paard, gaf mij bevel u te zeggen, dat gij, +indien gij haar terug wenscht te vinden, eerst den kop van den spijker +af moet slaan." Toen de prins dit hoorde, haalde hij zijn zwaard uit +de scheede en sloeg zijn ontrouwen dienstknecht het hoofd af. + + + +De prins zet zijn tocht voort. + + +Nu hervatte de prins zijn pelgrimstocht alleen en na lang reizen kwam +hij aan een berg, waar hij een kluizenaar ontmoette, die hem gastvrij +ontving. In den loop van het gesprek vroeg de prins aan zijn gastheer, +of hij iets wist omtrent de negen pauwinnen. De kluizenaar antwoordde: +"O, mijn zoon, gij zijt werkelijk gelukkig. God zelf heeft u den +rechten weg gewezen. Van hier tot haar woning is het maar een halve +dagreis; morgen zal ik u den weg wijzen." + +De prins stond den volgenden morgen heel vroeg op, maakte zich +gereed voor de reis, dankte den kluizenaar voor het onderdak, dat +hij hem gegeven had en vervolgde zijn weg volgens de aanwijzingen, +die hem verstrekt werden. Hij kwam aan een groote poort en toen hij +er door gegaan was, richtte hij zich naar rechts; tegen den middag +zag hij eenige witte muren. Dat verheugde hem buitengewoon. Toen +hij aan het kasteel kwam, vroeg hij den weg naar het paleis van de +negen pauwinnen en voortgaande bereikte hij het spoedig. Hij werd +natuurlijk aangeroepen door de wacht, zijn naam werd gevraagd en +vanwaar hij kwam. Toen de koningin hoorde, dat hij gekomen was, was +zij overstelpt van vreugde en in een meisje veranderend, snelde zij +naar de poort en bracht den prins in het paleis. + +Er werd feest gevierd, en een groote vreugde heerschte, toen later +hun huwelijksvoltrekking werd gevierd, en na de bruiloft bleef de +prins in het paleis en leefde daar in vrede. + +Op zekeren dag ging de koningin vergezeld van een bediende in het park +van het paleis wandelen; de prins bleef in het paleis. Vóór zij ging, +gaf de koningin aan haar echtgenoot de sleutels van twaalf kelders, +waarbij zij sprak: "gij moogt in al de kelders gaan op een na; +ga onder geen voorwaarde in den twaalfden; ge moogt de deur zelfs +niet openen." De vraag, wat er toch wel in den twaalfden kelder zou +kunnen zijn, begon den prins al spoedig te kwellen; en na den eenen +kelder na den anderen te hebben geopend, stond hij aarzelend voor den +twaalfden. Wie aarzelt, is verloren, en zoo stak de prins eindelijk +den sleutel in het slot en het volgend oogenblik trad hij de verboden +ruimte binnen. In het midden van den vloer stond een reusachtig vat met +drie sterke ijzeren hoepels er omheen. Het spongat was open en daaruit +klonk een gedempte stem, die zei: "Ik bid u, broeder, geef mij een +dronk water, anders sterf ik van dorst!" De prins nam een glas water +en goot het door het spongat; dadelijk daarop sprong een hoepel. Daarna +sprak de stem weer: "O, broeder, geef mij meer water, opdat ik niet van +dorst omkom!" De goedhartige prins ledigde een tweede glas in het vat +en een tweede hoepel sprong onmiddellijk stuk. Weer smeekte de stem: +"O, broeder, geef mij nog een derde glas! Ik verga nog van dorst!" De +prins haastte zich aan den wensch van den onzichtbaren spreker te +voldoen, en nadat hij voor den derden keer water gegeven had, barstte +de derde hoepel. Het vat viel in stukken en een groote draak werkte +er zich uit, stormde door de deur en vloog de lucht in. Spoedig daarna +ontmoette hij de koningin, die op den terugweg naar het paleis was en +hij voerde haar met zich mee. Vreeselijk ontdaan deelde de bediende den +prins mee, wat gebeurd was en het nieuws trof hem als een donderslag. + +Een oogenblik was de prins als waanzinnig, maar daarna werd hij kalmer +en besloot zich opnieuw op weg te begeven, om zijn geliefde koningin +te zoeken. Op zijn tochten kwam hij aan een rivier, en liep langs +den oever; in een kleine holte zag hij een kleinen visch springen en +moeite doen om er uit te komen. + +Toen de visch den prins zag, smeekte hij met deerniswekkende stem: +"Wees mijn broeder-in-God! Werp mij weer in de rivier; het kan zijn, +dat de dag komt, waarop ik u van dienst kan zijn! Maar zorg er voor +een schubbe van mij te nemen en als gij in nood verkeert, wrijf die +dan zacht." De prins nam den visch op, trok hem een schubbe uit en +wierp het arme dier in het water; daarna wikkelde hij de schubbe +zorgvuldig in zijn zakdoek. + +Toen hij zijn weg vervolgde, zag hij een vos, die gevangen zat in een +klem; het dier sprak hem aan en zei: "Wees mijn broeder-in-God! Bevrijd +mij, bid ik u uit dezen wreeden klem, en ik zal u misschien nog +eens van dienst zijn. Maar neem een haar van mijn staart en als +gij in nood verkeert, wrijf dat dan zacht!" De prins nam een haar +uit den staart van den vos en liet hem vrij. Hij trok verder en +zag een wolf in een klem. En de wolf smeekte hem met deze woorden: +"Wees mijn broeder-in-God en verlos mij! Het kan zijn, dat gij op +zekeren dag mijn hulp noodig hebt; neem daarom een haar van mijn +vacht en mocht gij ooit mijn hulp noodig hebben, dan hebt gij maar +zacht te wrijven!" Ook dat deed de prins. + +Hoe vermoeid hij ook was, de prins vervolgde zijn weg. Eenige dagen +later bevond hij zich in de bergen. Daar ontmoette hij een man, tot +wien hij zei: "O, mijn broeder-in-God! Kunt gij mij den weg wijzen +naar het kasteel van den koning der draken?" Gelukkig had de man +van dit kasteel gehoord en hij was instaat hem den weg te wijzen; +hij lichtte den prins ook nauwkeurig in over den duur van de reis. + + + + + +De prins vindt zijn vrouw. + + +De prins dankte den vreemdeling en vervolgde zijn weg met nieuwen moed, +totdat hij aan de plaats kwam, waar de koning der draken woonde. Hij +trad het kasteel stoutmoedig binnen en vond er zijn vrouw; nadat zij +aan hun vreugde over de ontmoeting uiting hadden gegeven, overlegden +zij, hoe zij zouden ontsnappen. Ten slotte namen zij vlugge paarden +uit de stallen, maar nauwelijks waren zij op weg, of de draak kwam +terug. Toen hij zag, dat de koningin ontsnapt was, overlegde hij met +zijn strijdros: "Wat raad je mij aan? Zullen wij eerst eten en drinken, +of zullen wij hen dadelijk achtervolgen!" Het paard antwoordde: "Laten +we ons eerst verfrisschen, want we zullen hen stellig vangen." Na den +maaltijd steeg de draak te paard en binnen enkele minuten bereikten +zij de vluchtelingen. Hij greep de koningin en sprak tot den prins: +"Ga in vrede! Voor dezen keer vergeef ik u, omdat gij mij bevrijd +hebt uit den kelder: maar waag het niet mijn pad nog eens te kruisen, +want een tweeden keer zal ik u geen vergiffenis schenken." + +De arme prins aanvaardde treurig den terugweg, maar spoedig bemerkte +hij, dat hij zonder zijn vrouw niet zou kunnen leven. Wat het ook +kosten mocht, hij moest een tweede poging wagen om haar te redden. Hij +keerde dus op zijn schreden terug en ging den tweeden dag het kasteel +weer binnen en vond zijn vrouw badende in tranen. Het was duidelijk, +dat zij een list te baat moesten nemen, indien zij wilden ontkomen aan +de magische macht van den drakenkoning, en nadat zij over de vraag +hadden nagedacht, zei de prins: "Als de draak vanavond thuis komt, +vraag hem dan, vanwaar hij zijn paard kreeg; mogelijk ben ik in staat +mij een paard te verschaffen, dat even vlug is: dan alleen zouden +wij met kans op slagen een nieuwe poging om te ontvluchten kunnen +wagen." Met deze woorden verliet hij zijn vrouw. Toen de drakenkoning +terugkeerde, begon de koningin hem te liefkoozen en genoegelijk met +hem te babbelen; eindelijk zei zij: "Wat bewonder ik uw prachtig +paard! Het is stellig geen gewoon ras! Waar hebt gij zulk een vlug +ros gevonden?" En de drakenkoning antwoordde: "O, zijns gelijke kan +niemand krijgen. In een zekeren berg woont een oude vrouw, die twaalf +wonderpaarden in haar stallen heeft; het zou niemand gemakkelijk vallen +uit te maken, welk het edelste is! In een hoek staat er echter een, +dat oogenschijnlijk melaatsch is; maar het is feitelijk het beste +van den geheelen stal en hij, die zich zijn meester mag noemen, +kan hooger rijden zelfs dan de wolken. Mijn paard is een van die +paarden. Eer iemand een er van kan krijgen, moet hij de oude vrouw +drie dagen dienen. Zij heeft een merrie en een veulen, en wie haar +knecht is, moet ze drie dagen en drie nachten verzorgen; indien hij +erin slaagt ze te bewaken en ze aan de oude vrouw terug te brengen, +mag hij een paard uit den stal kiezen. Maar indien de knecht niet goed +op de merrie en het veulen past, dan schiet hij er het leven bij in." + + + +De oude vrouw en haar paarden. + + +Den volgenden morgen, toen de draak het kasteel had verlaten, +kwam de prins en de koningin vertelde, wat zij had vernomen. Na +een haastig afscheid van zijn vrouw begaf de prins zich met allen +spoed naar den berg en nadat hij de vrouw had gevonden, sprak hij: +"God helpe u, grootmoeder!" + +En zij beantwoordde den groet: "Dat God ook u helpe, mijn zoon! Welke +goede wind voerde u hierheen, en wat verlangt gij?" Hij antwoordde: +"Ik zou u graag dienen!" Waarop de oude vrouw sprak: "Zeer goed, +mijn zoon! Indien gij met goed gevolg drie dagen en drie nachten waakt +over mijn merrie en haar veulen, dan zal ik u beloonen met een paard, +dat gij zelf uit mijn stallen moogt kiezen; maar indien gij ze niet +zorgvuldig bewaakt, dan moet ge sterven." + +Toen bracht zij den prins op het binnenplein, waar hij dicht bij +elkaar vele staken in het rond zag staan en op elk der staken op een +na zag hij een menschelijk hoofd. De eene staak riep voortdurend: +"Geef mij een hoofd, o grootmoeder! Geef mij een hoofd!" De oude +vrouw zei: "Dit zijn alle hoofden van hen, die mij hebben gediend; +zij slaagden er niet in mijn merrie en haar veulen goed te bewaken; +daarom moesten zij met hun hoofd betalen!" Maar de prins werd niet bang +door hetgeen hij zag en hij nam de voorwaarde van de oude vrouw aan. + +Toen de avond daalde, steeg hij op de merrie en reed op haar naar +het weiland; het veulen volgde. Hij bleef op de merrie zitten, maar +tegen middernacht dommelde hij wat in en viel eindelijk vast in +slaap. Toen hij wakker werd, zag hij tot zijn groote ontsteltenis, +dat hij op een boomstronk zat en den teugel van de merrie in zijn +hand hield. Hij sprong er af en begon dadelijk naar het bedriegelijke +dier te zoeken. Spoedig kwam hij aan een rivier; die herinnerde hem +aan den kleinen visch en nadat hij de schubbe uit zijn zakdoek had +genomen, begon hij haar zacht tusschen zijn vingers te wrijven en +zie, onmiddellijk verscheen de visch en vroeg: "Wat scheelt er aan, +mijn broeder-in-God?" De prins antwoordde: "Mijn merrie is gevlucht +en ik weet niet, waar ik haar moet zoeken!" En de visch antwoordde: +"Zie, hier is zij; zij heeft zich veranderd in een visch en haar veulen +in een kleinen visch! Sla eens met den teugel op het water en roep: +'Doora! Merrie van de oude vrouw!'" + +De prins deed, wat hem werd gezegd en dadelijk kwamen de merrie en +het veulen uit het water; hij deed de merrie den teugel weer aan, +steeg te paard en reed naar huis; het jonge veulen draafde zijn moeder +achterna. De oude vrouw bracht zonder een woord te spreken wat voedsel +voor den prins en nam de merrie mee naar den stal, sloeg haar met een +pook en zei: "Heb ik je niet gezegd je bij de visschen te voegen." De +merrie antwoordde: "Ik ben bij de visschen geweest, maar de visschen +zijn zijn vrienden en zij hebben mij aan hem verraden." Daarop zei +de oude vrouw: "Vannacht gaat gij bij de vossen!" + +Toen de avond daalde, steeg de prins weer op de merrie en reed naar +het veld; het veulen volgde zijn moeder. Weer besloot hij in het zadel +te blijven zitten en de wacht te houden, maar tegen middernacht werd +hij weer overvallen door den slaap en weer merkte hij niet, wat er +om hem gebeurde. Toen hij den volgenden morgen ontwaakte, zie! Hij +zat op een boomstronk en hield den teugel vast. Dit verontrustte hem +zeer, en hij keek overal rond. Maar hoe hij ook zocht, hij kon geen +spoor van de merrie en haar veulen vinden. Toen herinnerde hij zich +zijn vriend den vos, en hij nam het haar van den vossestaart uit zijn +zakdoek en hij wreef dat zacht tusschen zijn vingers. + +Onmiddellijk stond de vos voor hem. "Wat scheelt er aan, mijn +broeder-in-God?" vroeg hij. De prins klaagde over zijn ongeluk en +zei, dat hij zijn merrie kwijt was en niet wist, hoe hij haar weer +opvangen kon. De vos stelde hem spoedig gerust: "De merrie is bij +ons; zij heeft zich veranderd in een vos en haar veulen in een jongen +vos. Sla een keer met den teugel op den grond en roep: 'Doora! Merrie +van de oude vrouw!'" Hij deed aldus en zie! De merrie en het veulen +verschenen voor hem. Hij deed haar den teugel aan, steeg op en toen +hij thuiskwam, gaf de oude vrouw hem voedsel, bracht de merrie naar +den stal en sloeg haar met den pook, terwijl zij zei: "Waarom heb je +je niet in een vos veranderd, jij ongehoorzaam schepsel?" De merrie +verzette zich echter en zei: "Ik heb mij in een vos veranderd; maar +de vossen zijn zijn vrienden, daarom verraadden zij mij!" Hierop zei +de oude vrouw: "Den volgenden keer ga je naar de wolven!" + +Toen de avond viel, ging de prins op weg met de merrie, en weer +herhaalde zich dezelfde geschiedenis. Den volgenden morgen zat hij +weer op een boomstronk en nu riep hij den wolf. Deze zei: "De merrie +van de oude vrouw is bij ons; zij heeft de gedaante van een wolvin +aangenomen en het veulen die van een jong wolfje; sla den grond eens +met den teugel en roep: 'Doora! Merrie van de oude vrouw!'" De prins +deed, wat de wolf hem aanried en de merrie verscheen weer voor hem +met het veulen achter zich. + +Hij steeg weer op en ging naar het huis van de oude vrouw. Bij zijn +aankomst was zij bezig een maaltijd te bereiden. Nadat zij voedsel +voor hem had neergezet, bracht zij de merrie naar den stal en sloeg +haar met een pook. "Heb ik je niet gezegd naar de wolven te gaan, jij +ellendig schepsel?" schold zij. Maar weer verzette de merrie zich en +zei: "Ik ging naar de wolven, maar ook zij zijn zijn vrienden en zij +hebben mij verraden!" Toen ging de vrouw terug naar het huis en de +prins zei tegen haar: "Nu, grootmoeder, ik geloof, dat ik u eerlijk +heb gediend; nu hoop ik, dat gij mij zult geven, wat gij mij beloofd +hebt!" De oude vrouw antwoordde: "O, mijn zoon, waarlijk, een belofte +moet men houden! Kom mee naar den stal; daar staan twaalf paarden; +gij moogt daaruit het paard kiezen, dat u het best aanstaat." + + + +De keus van den prins. + + +Daarop zei de prins vastbesloten: "Wel, waarom zou ik lastig in +mijn keus zijn? Geef mij het melaatsche paard, dat daar in den hoek +staat." De oude vrouw deed al haar best er hem van af te houden +dat leelijke paard te nemen. Zij sprak: "Waarom zijt gij zoo dwaas +een melaatschen knol te nemen, terwijl gij het mooiste paard kunt +hebben?" Maar de prins bleef bij zijn keus: "Geef mij liever dat, +hetwelk ik koos, zooals wij overeen gekomen zijn!" + +Toen de oude vrouw zag, dat hij niet te overreden was, gaf zij toe, en +de prins nam afscheid en voerde zijn paard mee. Toen zij aan een bosch +kwamen, roskamde en verzorgde hij het paard en zijn huid glansde als +zuiver goud. Daarna steeg hij op en het paard, dat als een vogel vloog, +bracht hem in enkele seconden bij het kasteel van den drakenkoning. + +De prins ging dadelijk binnen en begroette de koningin met de woorden: +"Haast u, alles is gereed voor onze vlucht!" De koningin was gereed, +en binnen enkele minuten spoedden zij zich heen, snel als de wind op +den rug van het wondervolle paard. + +Kort nadat zij waren vertrokken, kwam de drakenkoning thuis en toen hij +bemerkte, dat de koningin weer verdwenen was, sprak hij de volgende +woorden tegen zijn paard: "Wat zullen wij doen? Zullen wij ons eerst +verfrisschen, of zullen wij de vluchtelingen dadelijk achtervolgen?" + +Hierop antwoordde het paard: "Gij kunt doen, wat gij wilt, maar wij +zullen hen nooit inhalen!" + +Toen hij dit hoorde, wierp de drakenkoning zich dadelijk op zijn paard +en in een oogenblik waren zij weg. Na een poosje keek de prins om en +zag den drakenkoning op eenigen afstand achter zich. Hij zette zijn +paard aan, maar dit zei: "Wees niet bevreesd. Het is volstrekt niet +noodig harder te loopen." De drakenkoning naderde meer en meer; zoo +dichtbij kwam hij, dat zijn paard in staat was met zijn broeder te +spreken. "O, lieve broeder, ga wat langzamer, ik smeek het u, anders +zal ik omkomen, zoo houd ik het niet uit!" Maar het paard van den +prins antwoordde: "Neen, waarom zijt gij ook zoo dwaas dat monster +te dragen? Werp uw hoeven in de hoogte en gooi hem tegen een rots, +en kom dan met mij mee!" Bij deze woorden schudde het paard van den +drakenkoning den kop, kromde den rug en sloeg de hoeven zoo verwoed +omhoog, dat zijn ruiter tegen een rots werd geworpen en dood liggen +bleef. Toen het dit zag, stond het paard van den prins stil. Zijn +broeder kwam aandraven en daar steeg de koningin toen op. Zoo kwamen +zij gelukkig in haar eigen land, waar zij in grooten voorspoed verder +leefden en regeerden. + + + + + +Het vogelmeisje. + + +Er was eens een koning, die een eenigen zoon had, dien hij, toen hij +opgegroeid was, uitzond om een geschikte vrouw te zoeken. De prins +begaf zich op reis; maar ofschoon hij de geheele wereld rondreisde, +slaagde hij er niet in een bruid te vinden. Ten slotte, toen zijn +beurs en zijn geduld uitgeput waren, besloot hij te sterven en opdat +er geen spoor van hem zou achterblijven, klom hij op een hoogen berg +met het voornemen zich van den top naar beneden te werpen. Hij was +op het punt zich van den hoogsten top te storten, toen een stem deze +geheimzinnige woorden uitte: "Wacht! wacht! O man! Dood u zelf niet, +voor de driehonderdvijfenzestig in een jaar om zijn!" + +De prins beproefde tevergeefs te ontdekken, vanwaar de stem kwam. Daar +hij niemand zag, vroeg hij: "Wie zijt gij, die tegen mij spreekt? Laat +u zien! Indien gij wist, hoe groot mijn verdriet is, dan zoudt gij +mij zeker niet trachten te weerhouden!" Daarop verscheen een oud +man, met haren zoo wit als sneeuw en hij zei tot den ongelukkigen +prins: "Ik weet heel goed, hoe gij lijdt; luister naar mij. Ziet +gij gindschen hoogen heuvel?" De zoon van den koning antwoordde: +"Ja stellig." "Heel goed," vervolgde de oude man, "daar zit dag en +nacht op een en dezelfde plek, op den top van dien heuvel, een oude +vrouw met gouden haren; zij houdt een vogel op haar schoot. Hij, +die dien vogel kan bemachtigen, is de gelukkigste man op aarde. Maar +indien gij uw geluk wilt beproeven, moet gij omzichtig te werk gaan; +gij moet de oude vrouw stilletjes naderen en voordat zij u ziet, +moet gij haar bij de haren vatten. Indien zij u ziet, voordat gij +haar gegrepen hebt, dan verandert gij oogenblikkelijk in een steen, +gelijk al met zoo vele jonge mannen gebeurd is, die gij daar in den +vorm van blokken marmer zult zien staan!" + + + +De oude heks. + + +Toen de prins deze woorden hoorde, dacht hij na. "Het is mij alles +om het even; ik zal gaan en als ik er in slaag haar te grijpen, des +te beter voor mij; en mocht zij mij zien, voordat ik haar grijp, dan +kan ik toch niet meer dan sterven, wat ik toch reeds van plan was te +doen." Hij dankte dus den ouden man en ging opgeruimd verder om zijn +geluk te beproeven. Weldra beklom hij den anderen heuvel en zag de +oude vrouw, die hij van achteren heel behoedzaam naderde. Gelukkig +werd de oude vrouw zoo in beslag genomen door het spelen met den +vogel, dat de prins heel dicht bij kon komen zonder opgemerkt te +worden. Toen sprong hij plotseling naar voren en greep haar bij de +gouden haren. Hierop begon zij zoo hard te gillen, dat de berg, als +door een aardbeving bewogen, schudde. Maar de moedige prins hield haar +stevig vast. Toen riep de oude vrouw uit: "Laat mij los, en vraag, +wat gij maar wenscht!" En de prins antwoordde: "Ik zal u loslaten, +indien gij mij dien vogel geeft, en indien gij dadelijk al de jonge +mannen weer in het leven terugroept, die gij hebt betooverd." De +oude vrouw was genoodzaakt zijn eisch in te willigen en zij gaf +den vogel. Daarna blies zij van haar lippen een blauwen wind naar +de versteende gestalten, waardoor zij onmiddellijk weer levende +menschen werden. De edele prins kuste den vogel in zijn handen van +blijdschap, waarop deze in een buitengewoon mooi meisje veranderde, +dat de toovenares naar het scheen behekst had, om jonge mannen tot +zich te lokken en een afschuwelijk lot te bereiden. + +De prins was zoo ingenomen met zijn gezellin, dat hij onmiddellijk +verliefd op haar werd. Toen zij van de plaats weggingen, gaf het meisje +hem een stok, waarmee hij, naar zij zei, alles zou kunnen doen, wat +hij wenschte. Dadelijk verlangde de prins de middelen te bezitten +om te reizen, zooals het een prins en zijn verloofde betaamt; hij +sloeg met den stok op een rots en onmiddellijk stroomde er een vloed +van goudstukken uit, waarvan zij zooveel namen, als zij voor de reis +noodig hadden. Toen zij aan een rivier kwamen, raakte de prins het +water aan met zijn stok en een pad ontstond, waarover zij droogvoets +konden gaan. Een eindje verder werden zij aangevallen door een troep +wolven, maar de prins verdedigde zijn bruid met zijn stok en een voor +een veranderden de wolven in mieren. + +En nog veel meer avonturen beleefden zij. Eindelijk bereikten zij +veilig het huis van den prins. Toen trouwden zij en leefden verder +gelukkig. + + + + +Liegen om een weddenschap. + + +Op zekeren dag zond een vader zijn zoon naar den molen met koren, +dat gemalen moest worden. Toen hij vertrok, waarschuwde zijn vader +hem het koren niet te malen in een molen, waar hij een baardeloos man +[86] mocht aantreffen. + +Toen de jongen eindelijk aan een molen kwam, was hij dus teleurgesteld +daar een baardeloos man aan te treffen. + +"God zegene u, Baardelooze!" groette de jongen. + +"Dat God u helpe!" antwoordde de molenaar. + +"Mag ik mijn koren hier malen?" vroeg de jongen. + +"Ja, waarom niet?" antwoordde de man zonder baard, "mijn koren zal +spoedig gemalen zijn, dan kunt gij dat van u malen, zoolang gij wilt." + +Maar de jongen herinnerde zich de waarschuwing van zijn vader, verliet +dezen molen, en ging naar een anderen, verder de beek op. Baardeloos +nam echter wat graan, koos een korteren weg, zoodat hij den tweeden +molen het eerst bereikte en begon ook daar zijn koren te malen. Toen +de jongen er aankwam en zag, dat de molenaar weer een baardeloos +man was, haastte hij zich naar een derden molen; maar weer spoedde +Baardeloos er zich heen langs een korter pad en kwam er voor den jongen +aan. Hetzelfde herhaalde zich bij den vierden molen, zoodat de jongen +tot de gevolgtrekking kwam, dat alle molenaars mannen zonder baard +waren. Hij zette daarom zijn zak neer en wachtte tot het koren van +Baardeloos gemalen was op zijn beurt. Toen al zijn koren gemalen was, +zei Baardeloos: "Luister, mijn jongen! Laten wij een brood bakken +van uw koren." + +De jongen had het bevel van zijn vader niet vergeten om zich niet in +te laten met molenaars zonder baard, maar toen hij geen voorwendsel +vond om het verzoek af te wijzen nam hij het voorstel aan. Nu nam +Baardeloos al het meel, vermengde het met water, dat de jongen hem +bracht, en maakte aldus een heel groot brood. Daarna stookten zij +den oven en bakten het brood, dat zij, toen het gereed was, tegen +den muur plaatsten. + +Toen zei de molenaar: "Luister, mijn jongen! Indien wij dit brood nu +met ons tweeën deelden, zou er voor ieder van ons te weinig zijn. Laten +wij elkaar daarom verhalen vertellen en wie den grootsten leugen +vertelt, zal het geheele brood voor zich alleen hebben." + +De jongen dacht een oogenblik na, en daar hij geen anderen uitweg zag, +nam hij den voorslag aan en zei: "Heel goed, maar gij moet beginnen." + +Toen vertelde Baardeloos verschillende verhalen, totdat hij geheel +uitgeput was. Toen zei de jongen: "Wel, mijn waarde Baardeloos, +het is jammer, dat u in het geheel niets meer weet, want wat gij +gezegd hebt, is werkelijk niets; luister maar, en ik zal u de volle +waarheid vertellen." + + + +Het verhaal van den jongen. + + +"In mijn jonge dagen, toen ik een oud man was, bezaten wij vele +bijenkorven; ik placht de bijen elken morgen te tellen; dat was +makkelijk genoeg, maar wat ik nooit kon klaar spelen, dat was het +tellen van de bijenkorven. Nu, op zekeren morgen, toen ik de bijen +telde, was ik ten hoogste verbaasd, toen ik merkte, dat de beste +bij ontbrak. Ik zadelde daarom een haan, steeg er op, en begaf mij +op weg om mijn bij te zoeken. Ik vond eindelijk haar spoor bij het +zeestrand en zag, dat zij de zee over gestoken was. Ik besloot haar +te volgen. Toen ik het water over was, bemerkte ik, dat een boer de +bij had gevangen; hij ploegde met haar zijn land en was voornemens +er gierst op te zaaien. Ik riep toen: 'Dat is mijn bij! Hoe komt gij +er aan?' En de ploeger antwoordde: 'Broeder, indien dit werkelijk uw +bij is, kom dan hier en neem haar!' Ik ging er dus heen en hij gaf +mij mijn bij terug en een zak vol gierst bovendien voor de diensten, +die mijn bij hem had bewezen. Ik nam den zak op mijn rug en legde +het zadel van den haan op de bij. Daarna steeg ik op en leidde den +haan achter mij aan, opdat die wat zou kunnen uitrusten. Toen ik de +zee weer overstak, ging een van de koorden van mijn zak los en al +de gierst stroomde in het water. Toen ik den overkant had bereikt, +was het reeds nacht. Daarom stapte ik af en liet de bij los om te +kunnen grazen; wat den haan betreft, hem maakte ik dicht bij mij +vast en gaf hem wat hooi. Daarna legde ik mij te slapen. Hoe groot +was mijn verbazing, toen ik den volgenden morgen opstond, en zag, +dat wolven gedurende den nacht mijn bij hadden verslonden, en de +honig over de vallei verspreid lag; het was een laag, die tot de +knieën reikte en tot aan de enkels op de heuvels. Ik wist me geen +raad om den honig te verzamelen. Toen herinnerde ik mij, dat ik een +kleinen bijl bij mij had. Ik ging dus naar de bosschen om een dier +te vangen, teneinde een zak van zijn huid te maken. Toen ik het bosch +bereikte, zag ik twee herten op een poot dansen; ik haalde mijn bijl +te voorschijn, kapte hun eenigen poot af en greep ze beiden. Van deze +twee herten stroopte ik drie huiden af, maakte van elk een zak en +verzamelde daar al den honig in. Daarna laadde ik de zakken op den +haan en begaf mij weer op weg om thuis te komen. Toen ik thuis kwam, +merkte ik, dat mijn vader pas geboren was en ik kreeg bevel naar den +hemel te gaan om wat heilig water te halen. Ik wist niet, hoe ik daar +komen moest, maar toen ik over het geval nadacht, herinnerde ik mij +de gierst, die in de zee was gevallen. Ik ging naar de plaats terug +en zag, dat het koren tot aan den hemel was gegroeid, want de plaats, +waar het gevallen was, was nogal vochtig. Ik klom dus langs een van +de stengels omhoog. Toen ik den hemel bereikt had, was de gierst +intusschen rijp geworden en een engel oogstte het graan, bakte er een +brood van en at dat op met wat warme melk. Ik groette hem en zei: +'God zegene u!' De engel antwoordde: 'Dat God u helpe!' en hij gaf +mij wat heilig water. Op mijn terugweg bemerkte ik, dat het hevig +had geregend en de zee zoo hoog was gestegen, dat ze mijn gierst +had meegevoerd! Ik maakte mij bezorgd en vroeg mezelf af, hoe ik nu +weer op de aarde terug zou komen. Eindelijk herinnerde ik mij, dat +ik lang haar had; het was zoo lang, dat het tot den grond reikte, +als ik rechtop stond; als ik zat, kwam het tot mijn ooren. Nu, ik +nam mijn mes en sneed het eene haar na het andere af en bond ze aan +elkaar, terwijl ik er langs naar beneden ging. De duisternis overviel +mij echter, voordat ik den grond bereikte en ik besloot daarom een +grooten knoop te leggen en daarop den nacht door te brengen! Maar +wat moest ik beginnen zonder vuur? De tondeldoos had ik bij mij, +maar ik had geen hout. Plotseling herinnerde ik mij, dat ik in mijn +vestjeszakje een naainaald had. Ik vond ze, spleet ze doormidden en +maakte een groot vuur, dat mij heerlijk verwarmde. Toen legde ik mij +te slapen. Terwijl ik sliep, zengde ongelukkigerwijs de vlam het haar, +en hals over kop viel ik op den grond, en daar zonk ik tot aan mijn +gordel in de aarde. Ik liep overal rond om te zien, hoe ik er uit +zou kunnen komen en toen ik merkte, dat ik stevig ingegraven zat, +liep ik hard naar huis om een spade te halen. Ik kwam terug en groef +mij zelf uit. Zoodra ik bevrijd was, nam ik het heilige water weer op +en ging naar huis. Toen ik aankwam, waren er maaiers aan het werk op +het veld. Het was zoo'n warme dag, dat ik vreesde, dat de menschen +zouden doodbranden en riep hen toe: 'Waarom brengt gij onze merrie +niet hier, die twee dagreizen lang is, en een halven dag breed en +op wier rug groote wilgenboomen groeien; zij zou wat schaduw kunnen +geven op de plaats, waar gij werkt?' Mijn vader, die dit hoorde, bracht +snel de merrie en de maaiers werkten nu in de schaduw voort. Toen nam +ik een kruik, om water te halen. Bij de put gekomen zag ik, dat het +water bevroren was. Daarom nam ik mijn hoofd af en brak het ijs stuk, +vulde de kruik en bracht het water bij de maaiers. Toen zij mij zagen, +vroegen zij mij: 'Waar is uw hoofd?' Ik hief mijn hand op, en tot mijn +groote verbazing zat mijn hoofd niet op mijn schouders. Toen eerst +bedacht ik, dat ik het bij de put had laten liggen. Ik ging dadelijk +terug, maar bemerkte, dat een vos mij voor was geweest en bezig was +mijn hoofd te verslinden. Ik naderde langzaam en gaf het beest een zoo +krachtigen schop, dat het van angst een klein boekje liet vallen. Dit +raapte ik op, opende het en vond er deze woorden in geschreven: 'Het +geheele brood is voor u, en Baardeloos zal er niets van meehebben!'" + +Met deze woorden nam de jongen het brood en maakte zich uit de +voeten. Wat Baardeloos betreft, hij was sprakeloos van verbazing en +bleef den jongen met open mond nastaren. + + + + +Het meisje, dat wijzer is dan de tsaar. + + +Lang geleden leefde er een oude man, die in een armoedige hut +woonde. Hij bezat slechts een ding in de wereld en dat was een +dochter, die zoo verstandig was, dat zij zelfs haar ouden vader kon +onderrichten. + +Op zekeren dag ging de man naar den tsaar om te bedelen en de tsaar, +verbaasd over zijn beschaafde manieren, vroeg hem, wie hem geleerd +had zoo goed te spreken. Hij vertelde den tsaar, waar hij woonde en +dat het zijn dochter was, die hem geleerd had zoo welsprekend te zijn. + +"En van wie ontving uw dochter haar onderricht?" vroeg de tsaar. + +"God en onze armoede hebben haar zoo wijsgemaakt," antwoordde de +arme man. + +Daarop gaf de tsaar hem dertig eieren en zei: "Breng deze aan +uw dochter en beveel haar er kuikens uit te voorschijn te doen +komen. Indien zij dit met goed gevolg volbrengt, zal ik haar rijke +geschenken geven, maar indien zij faalt, zult gij gemarteld worden." + +De arme man ging weenende terug naar zijn hut en vertelde alles aan +zijn dochter. Het meisje zag dadelijk, dat de eieren, die de tsaar +gezonden had, gekookt waren, en verzocht haar vader zich ter ruste te +leggen, terwijl zij overlegde, wat haar te doen stond. Toen de oude +man sliep, vulde het meisje een pot met water en kookte eenige boonen. + +Den volgenden morgen wekte zij haar vader en verzocht hem een paar +ossen voor den ploeg te spannen en langs den weg te gaan ploegen, +waar de tsaar voorbij zou komen. "Als gij hem ziet komen", zei +zij, "neem dan een handvol boonen, en terwijl gij zaait moet gij +roepen: 'Gaat voort, ossen, en dat God geve, dat de gekookte boonen +ontkiemen!' Als de tsaar dan vraagt: 'Hoe kunt gij van gekookte boonen +vruchten verwachten?' Moet gij hem antwoorden: 'Evengoed als men van +gekookte eieren kuikens kan krijgen!'" + +De oude man deed, zooals zijn dochter hem zei en ging heen om te +ploegen. Toen hij den tsaar zag, nam hij een handvol boonen en riep +uit: "Gaat voort, ossen! En dat God geve, dat de gekookte boonen +ontkiemen!" + +Toen de tsaar dit hoorde, liet hij zijn rijtuig stilstaan en zei tegen +den man: "Maar arme man, hoe kunt gij verwachten, dat gekookte boonen +vrucht dragen?" + +"Even goed als gekookte eieren kuikens kunnen voortbrengen," antwoordde +de op het oog eenvoudige, arme man. + +De tsaar lachte en ging verder, maar hij had den ouden man +herkend en vermoedde, dat zijn dochter hem het antwoord in den +mond had gegeven. Hij zond daarom dienaren uit om den boer in zijn +tegenwoordigheid te brengen. Toen de oude man kwam, gaf de tsaar +hem een bos vlas en zei: "Neem dit en maak daarvan al de zeilen, +die noodig zijn voor een schip; indien gij het niet doet, zult gij +uw leven verliezen." + +De arme man nam het vlas met de grootste vrees aan en ging in tranen +badende naar huis om zijn dochter te vertellen, welke nieuwe opdracht +hij gekregen had. Dit verstandige meisje stelde hem gerust en zei, +dat hij maar kalm moest zijn en dat zij wel een plan zou beramen. Den +volgenden morgen gaf zij haar vader een klein stukje hout en verzocht +hem er mede naar den tsaar te gaan met het verzoek daarvan al de +noodige werktuigen om te spinnen en te weven te laten maken, opdat hij +in staat zou zijn het bevel van Zijne Majesteit uit te voeren. De oude +man gehoorzaamde en toen de tsaar het buitengewone verzoek hoorde, +was hij ten hoogste verbaasd over de schranderheid van het meisje, +en om niet door haar overtroffen te worden, nam hij een klein glas, +zeggende: "Neem dit kleine glas mee naar uw dochter en zeg haar, +dat zij er de zee mee moet ledigen, zoodat er droog land komt, waar +nu zee is." + +De oude man ging met een bezwaard hart naar huis, om dit aan zijn +dochter te vertellen. Maar het meisje stelde hem weer gerust, en den +volgenden morgen gaf zij hem een pond werk, zeggende: "Breng dit naar +den tsaar en zeg, dat ik de zee zal droog maken, indien hij met dit +werk de bronnen van alle rivieren verstopt." + + + +De tsaar stuurt om het meisje. + + +De vader ging terug naar den tsaar en zei hem, wat zijn dochter had +voorgezegd en de tsaar, die nu inzag, dat het meisje verstandiger was +dan hij zelf, gaf bevel, dat zij voor hem gebracht zou worden. Toen +zij verscheen, vroeg de tsaar haar: "Kunt gij raden, wat op den +grootsten afstand gehoord kan worden?" En het meisje antwoordde: +"Uwe Majesteit, er zijn twee dingen: de donder en de leugen kunnen +op den grootsten afstand gehoord worden!" + +De verbaasde tsaar greep naar zijn baard, en zich tot zijn hovelingen +wendende, riep hij uit: "Raadt eens, wat mijn baard waard is?" Eenigen +zeiden zooveel, weer anderen zooveel; maar het meisje zei tegen den +tsaar, dat geen van zijn hovelingen goed had geraden. "De baard van Uwe +Majesteit is evenveel waard als drie zomerregens," zei zij. De tsaar, +die verbaasder dan ooit was, zei: "Het meisje heeft goed geraden!" + +Toen vroeg hij haar zijn vrouw te willen worden, want "ik heb u lief" +zei hij. Het meisje was verliefd geworden op den tsaar; zij neeg +diep voor hem en sprak: "Gij doorluchtige Majesteit! Laat het zijn, +gelijk gij verlangt! Maar ik verzoek Uwe Majesteit eigenhandig op een +stuk perkament te schrijven, dat zoo Uwe Majesteit zelf of een uwer +hovelingen ontevreden op mij is en ik dientengevolge uit uw paleis +verbannen zou worden, het mij toegestaan is dat mee te nemen, waar +ik het meest van houd." + +De tsaar stemde daar met vreugde in toe, schreef de verklaring en +hechtte er zijn zegel aan. + +Eenige jaren gingen gelukkig voorbij, maar er kwam eindelijk een dag, +waarop de tsaar zich beleedigd voelde door de tsarina en hij sprak +toornig: "Gij zult mijn vrouw niet langer zijn; ik beveel u het paleis +te verlaten!" + +De tsarina antwoordde gehoorzaam: "O, zeer doorluchtige tsaar, ik zal +gehoorzamen; sta mij toe nog een nacht in het paleis te vertoeven en +morgen zal ik vertrekken." + +Hierin stemde de tsaar toe. + +Dien avond mengde de tsarina eenige kruiden in den wijn en gaf den +beker aan den tsaar, terwijl zij zei: "Drink, o zeer roemruchtige +tsaar! En wees vol moed! Ik zal heengaan, maar geloof mij, ik zal +gelukkiger zijn dan toen ik u den eersten keer ontmoette!" + +Nadat de tsaar had gedronken, viel hij in slaap. Toen zette de tsarina, +die een koets in gereedheid had gehouden, den tsaar er in en voerde +hem weg naar de hut van haar vader. + +Toen de tsaar den volgenden morgen wakker werd en zag, dat hij in +een hut was, riep hij uit: "Wie bracht mij hierheen?" + +"Ik deed het," antwoordde de tsarina. + +De tsaar werd boos en zei: "Hoe hebt gij dat durven doen? Heb ik u +niet gezegd, dat gij niet langer mijn vrouw zijt?" + +In plaats van te antwoorden, haalde de tsarina het perkament te +voorschijn en hij stond met stomheid geslagen. + +Toen sprak de tsarina: "Zooals gij ziet, gij hebt mij beloofd, dat +ik, indien ge mij uit het paleis bandet, mee mocht nemen, wat mij +het liefste was!" + +Toen hij dit hoorde, keerde de liefde van den tsaar voor zijn gade +terug; hij nam haar in zijn armen en samen keerden zij naar het +paleis terug. + + + +Goede daden zijn onvergankelijk. + + +Er leefden eens een man en een vrouw, die een zoon hadden. Toen de +jongen opgroeide, deden zijn ouders hun best hem een goede opvoeding +te geven, die hem van nut zou zijn in zijn verdere leven. Hij was een +goede, kalme jongen en bovenal vreesde hij God. Nadat hij zijn studiën +voltooid had, vertrouwde zijn vader hem een galei toe, die beladen +was met verschillende goederen, waarmee hij handel kon drijven in +verre landen. Zoodoende zou hij de steun van zijn ouders worden op +hun ouden dag. + + + +De eerste reis. + + +Op zijn eerste reis ontmoette hij op zekeren dag een Turksch schip, +waarin hij hoorde schreien. Hij riep de zeelieden op het Turksche +schip toe: "Ik bid u, zeg mij, waarom er zoo'n verdriet aan boord +van uw schip is!" En zij antwoordden: "Wij hebben veel slaven, die +in verschillende deelen der wereld gevangen zijn genomen en die wij +geketend hebben. Zij zijn het, die schreien en jammeren." Daarop +zei de jongeman: "Ik verzoek u, o broeders, vraagt aan uw kapitein, +of hij mij wil toestaan de slaven te koopen voor een som geld?" De +zeelieden riepen hun kapitein, die bereid was te onderhandelen en ten +slotte gaf de jongeman zijn schip met de geheele lading aan den Turk +in ruil voor zijn schip met slaven. + +De jongeman vroeg aan elken slaaf, vanwaar hij kwam; hij gaf aan +allen de vrijheid terug en zei, dat ieder naar zijn eigen land mocht +terugkeeren. + +Onder de slaven was een oude vrouw, die een zeer mooi meisje aan den +arm hield. Toen hij vroeg, vanwaar zij kwamen, antwoordde de oude +vrouw schreiende: "Wij komen van een veraf gelegen land. Dit jonge +meisje is de eenige dochter van den tsaar; ik heb haar groot gebracht +van haar kindsheid af. Op een ongelukkigen dag wandelde zij in de +tuinen van het paleis en dwaalde af naar een eenzame plek, waar drie +vervloekte Turken haar zagen en grepen. Zij begon te gillen en ik, +die toevallig in de nabijheid was, snelde toe, om haar te helpen, +maar helaas, ik kon haar niet redden en de Turken voerden ons beiden +mee en brachten ons aan boord van deze galei." Toen smeekten de goede +verzorgster en het schoone meisje den jongeman, daar zij den weg naar +hun eigen land niet kenden en ook de middelen om terug te keeren niet +bezaten, haar met zich mee te nemen. En hiertoe was hij bereid; ja, +hij was dadelijk verliefd geworden op de prinses, en nu trouwde hij +het arme meisje, dat geen tehuis had, en keerde met haar en de oude +vrouw naar huis terug. + +Bij hun aankomst vroeg zijn vader, waar zijn galei en de lading was +en hij vertelde hem, hoe hij de slaven had vrijgekocht en hun de +vrijheid had hergeven. "Dit meisje" zei hij, "is de dochter van een +tsaar, en deze oude vrouw is haar verzorgster; daar zij niet naar +haar land konden terugkeeren, nam ik haar mee en ik heb het meisje +getrouwd." Daarover was zijn vader zeer verstoord, en hij zei: "O, +dwaze zoon, wat hebt gij gedaan? Waarom hebt gij zoo dom zonder mijn +toestemming over mijn eigendom beschikt?" En hij joeg hem het huis uit. + +Gelukkig voor den jongeman bood een goede buurman hem gastvrijheid +aan--en ook zijn vrouw en haar oude verzorgster; hij woonde langen +tijd in de buurt, en poogde telkens, geholpen door zijn moeder en +vele vrienden zijn vader te bewegen hem vergiffenis te schenken. + + + +De tweede reis. + + +Na eenigen tijd liet zijn vader zich vermurwen en ontving zijn zoon +weer in zijn huis met zijn jonge vrouw en haar verzorgster. Spoedig +daarna kocht hij een tweede galei, grooter en mooier dan de eerste +en laadde die vol koopwaren, waarmede zijn zoon groote winsten zou +kunnen behalen, indien hij het tenminste verstandig aanlegde. + +De jongeman zeilde weg met dit nieuwe schip; hij liet zijn vrouw +en haar verzorgster in de woning zijner ouders achter en spoedig +kwam hij aan een stad, waar hij een droevig schouwspel zag. Hij zag +soldaten bezig arme boeren te grijpen en in de gevangenis te werpen +en hij vroeg: "Waarom, broeders, zijt gij zoo wreed tegen deze +arme lieden?" En de soldaten antwoordden: "Omdat zij de belasting +aan den tsaar niet hebben betaald." De jongeman ging dadelijk naar +den officier en zei: "Zeg mij asjeblieft, hoeveel deze arme lieden +betalen moeten." De officier noemde hem de verschuldigde som en zonder +aarzeling verkocht de jongeman zijn schip met lading en al en voldeed +de schulden van al de gevangenen. Nu keerde hij naar huis terug, +en voor zijn vader neerknielende, verhaalde hij, wat er gebeurd was +en bad om zijn vergiffenis. + +Maar dezen keer was de woede van zijn vader buitengewoon en hij joeg +hem zijn huis uit. + +Wat kon de ongelukkige zoon doen in dit nieuwe verdriet? Hoe kon hij +bedelen, hij, wiens ouders zoo welgesteld waren? Weer wendden oude +vrienden der familie hun invloed bij zijn vader aan en drongen er op +aan, dat hij medelijden zou hebben met zijn zoon en hem weer ontvangen, +"want", zeiden zij, "het is zeker, dat zijn lijden hem verstandiger +heeft gemaakt en dat hij nooit meer zoo dwaas zal doen." Eindelijk +zwichtte zijn vader, nam hem weer in huis en rustte een derde galei +uit, veel grooter en mooier dan de eerste twee. + + + +De derde reis. + + +De jonge man was meer dan blij met zijn geluk en het portret van zijn +geliefde vrouw liet hij op het roer van zijn schip schilderen en dat +van de oude verzorgster op den achtersteven. + +Nadat al de toebereidselen voor zijn reis getroffen waren, nam +hij afscheid van zijn ouders, zijn vrouw en de andere leden van de +familie en lichtte het anker. Nadat hij eenigen tijd gezeild had, +kwam hij aan een groote stad, waar een tsaar woonde; hij liet het +anker vallen en kanonschoten lossen, om de stad te begroeten. Tegen +den avond zond de tsaar een van zijn ministers uit, om te hooren, +wie de vreemdeling was en vanwaar hij kwam en hem mede te deelen, +dat zijn heer den volgenden morgen om negen uur een bezoek aan de +galei zou brengen. De minister was verbaasd op het roer het portret te +zien van de keizerlijke prinses, die hem, toen zij nog een kind was, +door den tsaar ten huwelijk was beloofd--en op den achtersteven dat +van de oude verzorgster; hij maakte echter geen opmerking en vertelde +niemand, wat hij had gezien. Om negen uur den volgenden morgen kwam +de tsaar aan boord van de galei in gezelschap van zijn ministers, en +toen hij al pratende met den kapitein op het dek heen en weer liep, +zag ook hij het portret van het meisje, dat op het roer geschilderd +was en dat van de oude vrouw op den achtersteven en hij herkende +dadelijk de trekken van zijn eenige dochter en haar verzorgster, +die door de Turken gevangen genomen waren. Dadelijk koesterde hij de +hoop, dat zijn geliefd kind nog leefde en gezond was, maar hij was zoo +aangedaan, dat hij er niet over spreken dorst. Hij beheerschte zich +zooveel mogelijk en noodigde den kapitein uit dien middag om twee uur +in zijn paleis te komen; hij was voornemens hem dan te ondervragen +en hoopte, dat zijn hartewensch vervuld zou worden. + +Precies om twee uur verscheen de kapitein in het paleis en de tsaar +begon hem dadelijk op omslachtige manier te ondervragen over het +meisje, wier portret hij op het roer van zijn galei had gezien. Was +zij een van zijn bloedverwanten en zoo ja, in welken graad? Hij was +ook nieuwsgierig naar de oude vrouw, wier portret op den achtersteven +was geschilderd. + +De jonge kapitein giste dadelijk, dat de tsaar de vader moest zijn van +zijn vrouw, en hij vertelde hem woord voor woord al zijn avonturen, +waarbij hij niet verzuimde mee te deelen, dat hij, toen hij hoorde, +dat het jonge meisje en haar verzorgster den weg naar haar land +vergeten waren, medelijden met haar had gehad en later het meisje had +getrouwd. Toen de tsaar dit hoorde, riep hij uit: "Dat meisje is mijn +eenig kind en de oude vrouw haar verzorgster; spoed u en breng mijn +dochter hier, opdat ik haar nog eens zie, voordat ik sterf. Breng uw +ouders en uw geheele familie ook hier; uw vader zal mijn broeder zijn +en uw moeder mijn zuster, want gij zijt mijn zoon en de erfgenaam van +mijn kroon. Ga en verkoop al uw bezittingen en kom, opdat wij gelukkig +samen in mijn paleis kunnen leven!" Toen riep hij de tsarina, zijn +vrouw, en al zijn ministers, opdat zij het heugelijk nieuws zouden +hooren, en er heerschte groote vreugde aan het hof. + +Daarna gaf de tsaar den kapitein een prachtig schip en verzocht hem +zijn eigen galei achter te laten. De jongeman was natuurlijk heel +dankbaar, maar hij zei: "O, doorluchtige tsaar! Mijn ouders zullen mij +niet gelooven, indien gij mij niet een van uw ministers als getuige +meegeeft." Daarop gaf de tsaar als zijn metgezel voor de reis den +minister mee, wien hij zijn dochter ten huwelijk had beloofd. + +De vader van den kapitein was zeer verbaasd zijn zoon zoo spoedig te +zien terugkeeren en met zulk een prachtig schip. Toen vertelde de +jongeman aan zijn vader en de anderen alles, wat hem was overkomen +en de keizerlijke minister bevestigde zijn woorden. Toen de prinses +den minister zag, riep zij blijde uit: "Ja waarlijk, alles wat hij +gezegd heeft, is waar; dit is de minister van mijn vader, die mijn +bruigom had moeten worden." Toen verkochten de man en zijn familie +al hun eigendommen en gingen aan boord van het schip. + + + +De verraderlijke minister. + + +Nu was de minister een slecht man, en hij beraamde een plan om den +jongen echtgenoot der prinses te dooden, opdat hij haar zou kunnen +trouwen en eens tsaar worden. Op een avond, toen de jongeman zich +op het dek bevond, voegde hij zich bij hem om met hem te praten. De +kapitein had een rein geweten, en dacht aan geen kwaad, zoodat hij +geheel onvoorbereid was, toen de minister hem greep en over boord +wierp. Het schip zeilde snel; het was onmogelijk het in te halen en +hij bleef hoe langer hoe meer achter. Het was nog een geluk, dat het +dicht bij het land gebeurde en hij spoedig door de golven op het +strand geworpen werd. Maar helaas! Dit land was slechts een kale, +onbewoonde rots. + +Intusschen was de minister terug geslopen naar zijn hut en toen den +volgenden morgen gemerkt werd, dat de kapitein verdwenen was, begonnen +allen te weenen en te jammeren, en vermoedden, dat hij in den nacht +over boord was gevallen en verdronken. Zijn familie was ontroostbaar, +vooral zijn vrouw, die hem zeer lief had. Toen zij aan het paleis +van den tsaar kwamen en vertelden, dat de jonge man verdronken was, +rouwde het geheele hof met hen. + +Gedurende vijftien dagen was de ongelukkige schoonzoon van den tsaar +veroordeeld tot hongerlijden; hij kon zich alleen voeden met het +schaarsche gras, dat op het rotsige eilandje groeide. Zijn huid werd +gebruind door de felle zon, en zijn kleeren werden vuil en kwamen +vol scheuren, zoodat niemand hem herkend zou hebben. Op den ochtend +van den vijftienden dag had hij het geluk een ouden man op het strand +te zien, die op een stok leunde en bezig was met visschen. Hij riep +den ouden man dadelijk aan en smeekte hem hulp te verleenen om van de +rots af te komen. De oude visscher zei: "Ik zal u helpen, als gij mij +wilt betalen!" "Hoe kan ik u betalen; ik heb slechts deze havelooze +plunje en niets meer?" + +"O, wat dat betreft," antwoordde de oude man, "gij kunt een +schuldbekentenis schrijven en onderteekenen, waarbij gij mij belooft +de helft te zullen geven van hetgeen gij ooit zult bezitten." Deze +belofte deed de jongeman met vreugde. Toen haalde de oude man +schrijfgereedschap te voorschijn en de jongeman onderteekende de +overeenkomst, waarna zij beiden in de visschersboot van den ouden +man wegzeilden naar het vasteland. Daarna trok de jongeman als een +bedelaar van huis tot huis en van dorp tot dorp op bloote voeten, +verbrand en hongerig. + + + +De terugkomst van den jongeman. + + +Na een reis van dertig dagen, bracht zijn goed gesternte hem naar de +stad van den tsaar en hij zette zich met den staf in de hand bij de +poorten van het paleis neer; nog altijd droeg hij zijn trouwring aan +zijn vinger, waarop zijn naam en die van zijn vrouw gegraveerd was. De +bedienden van den tsaar hadden medelijden met hem; zij boden hem een +nachtverblijf in het paleis aan en gaven hem een deel van hun eigen +maal. Den volgenden morgen ging hij naar den tuin van het paleis, +maar de tuinman kwam en joeg hem weg, waarbij hij hem toevoegde, dat +de tsaar en zijn familie spoedig voorbij zouden komen. Hij verwijderde +zich en ging in een hoek op het gras zitten, tot hij plotseling de +tsaar met zijn eigen vader en moeder zag loopen en zijn geliefde +vrouw arm in arm met zijn vijand, den minister. Hij maakte zich niet +dadelijk bekend, en de tsaar en zijn gevolg gingen voorbij en gaven hem +aalmoezen. Hij strekte zijn hand uit om ze te ontvangen en toen trok de +trouwring aan zijn vinger de aandacht der prinses. Zij herkende dien +dadelijk, maar het was ongelooflijk, dat de bedelaar haar echtgenoot +kon zijn en zij zei tegen hem: "Geef mij uw hand, opdat ik uw ring +kan zien!" De minister trachtte dit te verhinderen, maar de prinses +sloeg geen acht op hem, en zij bekeek den ring en zag, dat haar eigen +naam en dien van haar echtgenoot er in gegraveerd waren. Haar hart +was zeer ontroerd, maar zij deed haar best om haar aandoening niet te +toonen en zei niets. Bij de terugkomst in het paleis ging zij naar haar +vader en vertelde hem, wat zij had gezien. "Laat u hem, alsjeblieft, +voor u komen; dan kunnen wij onderzoeken, hoe hij in het bezit van den +ring komt!" De tsaar zond onmiddellijk een bediende om den bedelaar +te halen. Het bevel werd dadelijk uitgevoerd, en toen de vreemdeling +verscheen, vroeg de tsaar hem zijn naam, van waar hij kwam en hoe hij +den ring had verkregen. De ongelukkige jonge man kon zijn vermomming +niet langer handhaven, hij vertelde dus aan den tsaar, wie hij was +en verder al de avonturen, die hij had beleefd, sedert de minister +hem verraderlijk in de zee geworpen had! "Zie!" zei hij ten laatste: +"de genade van onzen Heer heeft mij terug gebracht bij mijn ouders +en mijn vrouw." + +Bijna buiten zich zelf van vreugde liet de tsaar de ouders van den +jongeman komen en deelde hun het goede nieuws mede. Wie is in staat +de vreugde uit te drukken van het bejaarde paar, toen zij hun zoon +herkenden. De woorden ontbreken ons de vreugde te beschrijven, die het +geheele hof vervulde. De bedienden maakten welriekende baden voor den +jongeman gereed en brachten hem prachtige gewaden. De tsaar beval, +dat hij als tsaar gekroond zou worden en gedurende verscheidene +dagen waren er schitterende feesten, waaraan heel de stad deelnam; +ieder zong, danste en richtte feestmalen aan. De oude tsaar beval den +slechten minister voor zijn schoonzoon te verschijnen, opdat deze +naar eigen goeddunken over hem zou beslissen. Maar de jonge tsaar +had een vriendelijk hart; hij vergaf hem dus op voorwaarde, dat hij +het rijk onmiddellijk zou verlaten en gedurende zijn regeering nooit +meer zou terugkeeren. + +De nieuwe tsaar had ternauwernood het bewind aanvaard, of de oude +visscher, die hem van het rotsachtig eiland had gered, vroeg bij +hem toegelaten te worden. De tsaar ontving zijn bevrijder dadelijk, +die daarop zijn geschreven belofte te voorschijn haalde. "Heel goed, +oude man," zei de tsaar: "nu ben ik heerscher, maar ik zal even trouw +mijn woord houden, alsof ik een bedelaar was, die maar weinig te +deelen heeft; laten wij dus mijn bezittingen in twee gelijke deelen +verdeelen." De tsaar nam nu de boeken en begon de steden te verdeelen; +telkens, als hij een naam noemde, zei hij: "dit is voor u"--en dan +"dit is voor mij." Zoo teekende hij alles op een kaart aan, totdat het +geheele czarenrijk tusschen hen beiden was verdeeld, van de grootste +stad tot de kleinste hut. + +Toen de tsaar gereed was, sprak de oude man: "Neem alles terug! Ik +ben geen man van deze wereld; ik ben een engel van God, die mij +zond om u te redden voor uw goede daden. Regeer nu en wees gelukkig, +en dat gij lang moogt leven in volkomen voorspoed!" Na deze woorden +verdween hij plotseling, en de jonge tsaar regeerde nog vele jaren +gelukkig en voorspoedig. + + + + + +Hij, wien God helpt, kan niemand kwaad doen. + + +Er leefden eens een man en een vrouw en zij waren gezegend met drie +zoons. De jongste was de knapste en hij had een beter hart dan zijn +broers, die hem een dwaas vonden. Toen de drie broers den mannelijken +leeftijd hadden bereikt, gingen zij samen naar hun vader en vroegen +toestemming om te trouwen. De vader was verlegen met dien plotselingen +wensch van zijn zoons en zei, dat hij eerst met zijn vrouw over het +antwoord wilde overleggen. + + + +De eerste tocht. + + +Eenige dagen later riep de man zijn zoons bij zich en zei hun, dat +zij naar de naburige stad moesten gaan om werk te zoeken. "Hij, die +mij de mooiste reisdeken brengt, krijgt van mij toestemming om het +eerst te trouwen," zei hij. + +De broeders gingen op weg naar de naburige stad. Onderweg begonnen de +twee oudste broers den gek te steken met den jongsten; zij bespotten +zijn eenvoud en eindelijk noodzaakten zij hem een anderen weg te nemen. + +Verlaten door zijn boosaardige broers, bad de jongeman tot God hem bij +te staan. Eindelijk kwam hij aan een meer, aan welks versten oever +een prachtig kasteel lag. Het kasteel behoorde aan een tiranniek en +wreed prins, die lang geleden was gestorven. De jonge prinses was +buitengewoon schoon, en menig aanzoek om haar hand had zij reeds +gehad. Zij, die aanzoek deden, werden steeds gastvrij ontvangen, +maar als zij naar hun kamers gingen, verscheen onveranderlijk de +gestorven heer van het kasteel als een vampier en worgde hen. + +Toen de jongste broer aan het strand stond, en zich afvroeg, hoe hij +het meer zou oversteken, zag de prinses hem vanuit haar venster en +zij gaf een knecht dadelijk bevel de boot te nemen en den jongeman +bij haar te brengen. Toen hij verscheen, was hij wel wat verlegen, +maar het edele meisje stelde hem met eenige vriendelijke woorden +gerust--want hij maakte werkelijk een goeden indruk op haar en zij +hield van hem op het eerste gezicht. Zij vroeg hem, vanwaar hij +kwam en waarheen hij dacht te gaan, en de jonge man vertelde haar, +wat zijn vader hem en zijn broers had opgedragen. + +Toen de prinses dit hoorde, zei zij tot den jongeman: "Gij zult +vannacht hier blijven en morgen zullen wij zien, wat wij kunnen doen +om u te helpen." + +Nadat zij het avondeten hadden gebruikt, geleidde de prinses haar gast +naar een groene kamer en voor zij hem "goeden nacht" wenschte, zei zij: +"Dit is uw kamer. Word niet bang, als vannacht iets ongewoons mocht +gebeuren; verontrust u er niet over." + +Daar hij een eenvoudige jongen was, kon hij niet eens zijn oogen +sluiten, zoo was hij onder den indruk van al het moois om hem heen. + +Plotseling, tegen middernacht, hoorde hij een groot geraas. Onder het +rumoer door hoorde hij duidelijk een geheimzinnige stem fluisteren: +"Deze jongeling zal den prinselijken kroon erven; niemand kan hem +kwaad doen!" De jongen nam zijn toevlucht tot een ernstig gebed, +en toen de dag begon te grauwen, stond hij veilig en gezond op. + +Toen de prinses wakker werd, zond zij een bediende om den jongeman +in haar tegenwoordigheid te leiden; deze was uiterst verbaasd hem +nog levend aan te treffen; dat was de prinses ook en iedereen in +het kasteel. + +Na het ontbijt gaf de prinses aan haar gast een prachtige reisdeken +en zei: "Breng deze deken aan uw vader en indien hij nog wat anders +verlangt, hebt ge slechts terug te keeren." De jongeman dankte +zijn schoone gastvrouw en nam met een diepe buiging afscheid van +haar. Toen hij thuiskwam, vond hij zijn beide broeders daar reeds; +zij lieten hun vader de dekens zien, die zij hadden meegebracht. Toen +de jongste de zijne uitspreidde, waren zij verbaasd en riepen uit: +"Hoe zijt gij in het bezit gekomen van zulk een kostbare deken; +die moet ge gestolen hebben!" + + + +De tweede tocht. + + +Eindelijk zei de vader om hen te kalmeeren: "Gaat nog eens de wereld +in en hij, die mij een ketting terug brengt, lang genoeg om er ons +huis negen keer mee te omspannen, zal mijn toestemming hebben om het +eerst te trouwen!" Aldus slaagde de vader er in zijn zoons tevreden +te stellen. De twee oudste broers gingen hun eigen weg en de jongste +haastte zich terug naar de prinses. Toen hij aankwam, vroeg zij hem: +"Wat heeft uw vader u nu bevolen te doen?" En hij antwoordde: "Ieder +onzer moet trachten een ketting mee te brengen, lang genoeg om ons +huis negen maal te omspannen." De prinses heette hem weer welkom en +na het souper wees zij hem een gele kamer en zei: "Er zal vannacht +weer iemand komen om u bang te maken; maar gij moet geen aandacht aan +hem schenken en morgen zullen wij zien, wat wij voor u kunnen doen." + +En ja, omstreeks middernacht kwamen er een menigte geesten rond zijn +bed dansen en maakten een vreeselijk geraas, maar hij volgde den raad +der prinses en bleef kalm en rustig. Den volgenden morgen kwam er weer +een bediende, om hem voor de prinses te geleiden en na het ontbijt gaf +zij hem een mooie doos. Zij zei: "Neem deze doos mee naar uw vader en +als hij nog wat anders wenscht, dan hebt gij slechts terug te keeren." + +De jongeman dankte haar en nam afscheid. Weer bemerkte hij, dat zijn +broers voor hem waren thuisgekomen met hun kettingen, maar de hunne +waren niet lang genoeg, zelfs niet om het huis een keer te omspannen, +en zij waren ten zeerste verbaasd, toen hun jongste broer uit de doos, +die de prinses hem had gegeven een reusachtigen gouden ketting haalde +van de vereischte lengte. Verteerd door jaloezie riepen zij uit: +"Gij zult den goeden naam van onze familie te schande maken, want +dezen ketting moet gij gestolen hebben!" + + + + + +De derde tocht. + + +Eindelijk zond de vader, moe van hun gekrakeel, hen weer weg, zeggende: +"Gaat; laat ieder uwer zijn liefste meebrengen en ik zal u toestemming +geven te trouwen." Daarop gingen de twee oudste broers vroolijk naar +de meisjes, die zij liefhadden en de jongste spoedde zich weer naar +de prinses om haar den wensch van zijn vader over te brengen. Toen +zij hoorde, wat deze verlangde, zei de prinses: "Gij moet een derden +nacht hier doorbrengen en dan zullen wij zien, wat wij doen kunnen." + +Na samen het souper gebruikt te hebben, bracht zij hem in een roode +kamer. Gedurende den nacht hoorde hij weer een geluid, waarbij +het bloed haast stolde van angst en in de duisternis fluisterde +een geheimzinnige stem: "Deze jongeman staat op het punt zich mijn +bezittingen en mijn kroon toe te eigenen!" Hij werd aangevallen door +spoken en vampiers en uit zijn bed gesleept; maar wat er ook gebeurde, +hij volhardde in het gebed en God redde hem. + +Toen hij den volgenden morgen voor de prinses verscheen, wenschte +zij hem geluk met zijn dapperheid en zei hem, dat hij haar liefde +had gewonnen. De jongeman was overstelpt van geluk en ofschoon hij +het geheim van zijn liefde eigener beweging nooit geopenbaard zou +hebben, beminde ook hij de prinses. Een barbier werd geroepen om het +uiterlijk van den jongeman te verzorgen en een kleermaker om hem als +prins te kleeden. Toen dit gedaan was, ging het paar naar de kapel +van het kasteel en zij werden getrouwd. + +Eenige dagen later reden zij naar het dorp van den jongeman en +toen zij voor zijn woning stil hielden, hoorden zij veel vreugde en +muziek, waaruit zij opmaakten, dat de beide broers hun huwelijksfeest +vierden. De jongere broer klopte aan de poort en toen de vader kwam, +herkende hij zijn zoon niet in den rijk uitgedosten prins, die voor hem +stond. Hij was verbaasd, dat zulke aanzienlijke gasten hem een bezoek +zouden brengen en nog meer, toen de prins zei: "Goede man, wilt ge +ons voor den nacht gastvrijheid verleenen?" De vader antwoordde: "Heel +graag, maar wij vieren juist feest in ons huis, en ik ben bang, de deze +eenvoudige lieden u met hun gezang en muziek zullen storen." Hierop +zei de jonge prins: "O, neen, ik zou het prettig vinden de boeren te +zien feestvieren, en mijn vrouw zal het nog prettiger vinden!" + +Nu gingen zij het huis binnen en terwijl de gastvrouw diep voor hen +neeg, zei de prins tegen haar: "Wat moet u gelukkig zijn, dat ge uw +beide zoons op denzelfden dag getrouwd ziet!" De vrouw zuchtte. "Ach," +zei zij, "aan den eenen kant beleef ik vreugde, aan den anderen kant +verdriet; ik had een derden zoon, die ook de wereld in is gegaan en +wie weet, welk onheil hem is overkomen." + +Na een poos vond de prins gelegenheid zijn oude kamer binnen te gaan, +en een van zijn oude pakken kleeren over zijn prinselijk gewaad +aan te trekken. Daarna keerde, hij naar de kamer terug, waar het +feestmaal was gereed gezet en bleef achter de deur staan. Heel gauw +zagen zijn beide broers hem en zij riepen uit: "Zie eens hier, vader, +daar is u veel geprezen zoon, die heenging en stal als een dief!" De +vader wendde zich om en toen hij den jongeman zag, riep hij uit: +"Waar zijt gij zoo lang geweest en waar is uw liefste?" + +Toen sprak de jongste zoon: "Maak mij geen verwijten, het gaat mij +even goed als u!" Onder het spreken legde hij zijn oude kleeren af +en zijn prinselijk gewaad kwam te voorschijn. Daarna deed hij zijn +verhaal en stelde zijn vrouw aan zijn ouders voor. + +De broers drukten nu hun spijt uit over hun gedrag en de prins schonk +hun grootmoedig vergiffenis, waarna zij elkaar omhelsden; het feestmaal +werd voortgezet en gedurende dagen werd er feest gevierd. Ten slotte +verdeelde de jonge prins onder zijn vader en broeder groote stukken van +zijn nieuwe landen en zij leefden allen lang en gelukkig met elkaar. + + + + + +Dieren als vrienden en als vijanden. [87] + + +Eens, heel lang geleden, leefde er in een ver verwijderd land een +jong edelman, die zoo buitengewoon arm was, dat zijn geheele bezitting +bestond in een oud kasteel, een fraai paard, een trouwen hond en een +goed geweer. + +Deze edelman besteedde al zijn tijd met jagen en schieten en leefde +uitsluitend van de opbrengst van de jacht. + +Op zekeren dag besteeg hij zijn welverzorgd paard en reed naar het +naburige woud, als gewoonlijk vergezeld van zijn trouwen hond. Toen +hij in het bosch kwam, steeg hij af, maakte zijn paard stevig vast +aan een jongen boom en ging toen diep het struikgewas in om het +wild op te sporen. De hond rende een eind voor zijn meester uit, +en het paard bleef geheel alleen rustig staan grazen. Nu gebeurde +het, dat een hongerige vos voorbij kwam, en toen hij zag, hoe goed +gevoed en verzorgd het paard er uit zag, bleef hij staan om hem te +bewonderen. Langzamerhand kwam hij zoo onder de bekoring van het +prachtige paard, dat hij zich in het gras neerlegde om het gezelschap +te houden. + +Eenigen tijd daarna kwam de jongeman uit het bosch terug en droeg +een hert, dat hij gedood had. Hij was buitengewoon verbaasd een vos +naast zijn paard te zien liggen. Hij hief dus zijn geweer op met +het plan hem te dooden; maar de vos rende recht op hem toe en zei: +"Dood mij niet! Neem mij mee; ik zal u trouw dienen. Ik zal op uw +mooi paard passen, als gij in het bosch zijt." + +De vos zag er zoo deerniswaardig uit, dat de edelman medelijden met +hem kreeg en op zijn voorstel inging. Daarop steeg hij te paard, +legde het hert, dat hij geschoten had, voor zich en reed naar zijn +oude kasteel, op de hielen gevolgd door zijn hond en zijn nieuwen +dienstknecht, den vos. + +Toen de jonge edelman zijn avondeten gereed maakte vergat hij niet den +vos een behoorlijk aandeel te geven en deze wenschte zich zelf geluk, +wijl hij waarschijnlijk nooit meer hongerig zou zijn, tenminste niet, +zoolang hij zulk een ervaren jager diende. + +Den volgenden morgen ging de edelman weer op de jacht; de vos +vergezelde hem ook nu. Toen de jongeman afsteeg en als gewoonlijk +zijn paard aan een boom vastbond, legde de vos zich dicht bij het +paard neer om het gezelschap te houden. + +Nu kwam er, terwijl de jager diep het bosch in was om naar wild +te zoeken, een hongerige beer naar de plaats, waar het paard was +vastgebonden en ziende hoe heerlijk vet het was, rende hij er heen om +het te dooden. Daarop sprong de vos op en verzocht den beer het paard +geen kwaad te doen. Hij voegde er aan toe, dat hij, als hij honger had, +slechts behoefde te wachten, totdat zijn meester terugkwam uit het +bosch en dan, hij was er zeker van, zou zijn heer hem ook meenemen +naar zijn kasteel en voedsel geven en voor hem zorgen, zooals hij +voor zijn paard, zijn hond en voor hemzelf zorgde. + +De beer dacht er eenigen tijd over na, heel wijs en diep, en besloot +eindelijk den raad van den vos op te volgen. Hij ging daarom rustig +naast het paard liggen en wachtte op den terugkeer van den jager. Toen +de jonge edelman uit het bosch kwam, was hij ten zeerste verbaasd een +grooten beer bij zijn paard te zien en na het hert, dat hij geschoten +had, van zijn schouders te hebben laten vallen, hief hij zijn geweer +op en was op het punt het beest te schieten. Maar de vos liep hard +naar den jager toe en smeekte hem het leven van den beer te sparen +en hem ook in zijn dienst te nemen. Daartoe besloot de edelman; en +nadat hij zijn paard had bestegen, reed hij terug naar zijn kasteel, +gevolgd door den hond, den vos en den beer. + +Den volgenden morgen, toen de jongeman weer met zijn hond naar het +bosch was gegaan, en de vos en de beer rustig bij het paard lagen, +sprong een hongerige wolf, die het paard zag, uit het kreupelhout om +het te dooden. Maar de vos en de beer snelden op hem toe en verzochten +hem het dier geen kwaad te doen. Zij vertelden hem aan welk een goeden +meester het behoorde en dat hij er zeker van kon zijn, als hij maar +wilde wachten, dat ook hij in dienst genomen en goed verzorgd zou +worden. De wolf, hoe hongerig hij ook was, meende, dat 't het best +was hun raad op te volgen en hij ging bij hen in het gras liggen, +totdat hun meester uit het bosch kwam. + +Gij kunt u voorstellen, hoe verbaasd de jonge edelman was, toen hij +een afschuwelijken, grooten wolf bij zijn paard zag liggen! + +Maar toen de vos hem het geval had verklaard, stemde hij er in toe +den wolf ook in zijn dienst te nemen. Zoo gebeurde het, dat hij dien +dag naar huis reed, gevolgd door den hond, den vos, den beer en den +wolf. Daar zij allen hongerig waren, was het hert, dat hij geschoten +had, niet te veel voor het avondeten van dien avond en het ontbijt voor +den volgenden morgen. Niet veel dagen later voegde zich een muis bij +het gezelschap en daarna verzocht een mol zoo nederig om opgenomen te +worden, dat de goede edelman het niet over zijn hart kon verkrijgen +zijn verzoek af te slaan. Eindelijk kwam ook de groote vogel, de +Kumrekusha--een vogel, die zoo sterk is, dat hij in zijn klauwen een +paard met zijn ruiter kan dragen! Spoedig daarop voegde een haas zich +bij het gezelschap. De edelman droeg groote zorg voor zijn dieren en +voedde ze geregeld en goed, zoodat zij allen buitengewoon veel van +hem hielden. + + + +De raad der dieren. + + +Op zekeren dag zei de vos tegen den beer: "Mijn beste Bruintje, ga +alsjeblieft naar het bosch en haal mij een mooi groot blok, waarop ik +plaats kan nemen, terwijl ik de zeer gewichtige vergadering presideer, +die wij zullen houden." + +Bruin, die een grooten eerbied koesterde voor het scherpe vernuft +en het goede beleid van den vos, ging er dadelijk op uit om een blok +te zoeken en kwam spoedig met een heel zwaar terug, waarmede de vos +zich zeer ingenomen betoonde. Daarna riep hij al de dieren om zich +heen en na op het blok hout te zijn geklommen, sprak hij hen aldus aan: + +"Gij allen, mijn vrienden, weet welk een goeden, vriendelijken +meester wij hebben. Maar hij is niet alleen heel vriendelijk, hij is +ook zeer eenzaam. Ik stel dus voor, dat wij een geschikte vrouw voor +hem gaan zoeken." + +De vergadering was blijkbaar zeer ingenomen met dit denkbeeld en +antwoordde eenstemmig: "Dit zou werkelijk heel goed zijn, indien wij +slechts een meisje kenden, waardig de vrouw van onzen heer te zijn; +maar dat is niet het geval." + +Toen sprak de vos: "Ik weet, dat de koning een zeer mooie dochter +heeft, en ik vind haar zoo geschikt voor onzen heer, dat ik voorstel +haar te nemen. Verder stel ik voor, dat onze vriend de Kumrekusha +dadelijk naar het paleis van den koning vliegt, en daarboven blijft +zweven, totdat de prinses naar buiten komt om te wandelen." Daar de +Kumrekusha blij was iets voor zijn goeden meester te kunnen doen, +vloog hij onmiddellijk weg zonder zelfs de beslissing af te wachten, +die de vergadering over het voorstel zou nemen. + +Juist voordat de avond inviel, kwam de prinses naar buiten om voor +het paleis van haar vader te wandelen, waarop de groote vogel haar +greep en zacht op zijn groote, uitgespreide vleugels zette en zoo +bracht hij haar vlug naar het kasteel van den jongen edelman. + +De koning was buitengewoon bedroefd, toen hij hoorde, dat zijn dochter +was weggevoerd; hij liet overal proclamaties voorlezen, waarin groote +belooningen werden beloofd aan ieder, die haar terug zou brengen of +zelfs maar de mededeeling deed, waar men haar zou kunnen vinden. Langen +tijd waren al zijn beloften vergeefsch; want niemand in het geheele +rijk wist iets van het verblijf van de prinses. + +Maar eindelijk, toen de koning er reeds aan wanhoopte, of hij haar +ooit terug zou zien, kwam een oude zigeunervrouw naar het paleis +en vroeg aan den koning: "Wat zult u mij geven, als ik uw dochter, +de prinses, terugbreng?" + +De koning antwoordde snel: "Ik zal u graag alles geven, wat gij vraagt, +indien gij mijn dochter maar terugbrengt!" + +De oude zigeunervrouw ging terug naar haar hut in het bosch en +beproefde alle tooverkunsten om uit te vinden, waar de prinses +was. Eindelijk ontdekte zij, dat de prinses in een oud kasteel woonde, +in een ver afgelegen land, met een jongen edelman, die haar getrouwd +had. + + + +Het toovertapijt. + + +De zigeunervrouw was zeer verheugd, toen zij dit wist en, nadat zij +een zweep in haar hand had genomen, ging zij dadelijk midden op een +klein tapijt zitten en sloeg er met haar zweep op. Toen verhief het +tapijt zich van den grond en droeg haar snel door de lucht naar het +verre land, waar de jonge edelman in een eenzaam, oud kasteel met +zijn mooie vrouw en zijn trouw gezelschap van dieren leefde. + +Toen de zigeuner vrouw bij het kasteel kwam, liet zij het tapijt +neerdalen op het gras onder de boomen; zij liet het daar liggen en +ging rond om te zien, of zij de prinses op haar wandeling in het park +ook zou kunnen ontmoeten. + +Weldra kwam de schoone vrouw uit het kasteel en dadelijk liep de oude, +leelijke vrouw op haar toe, begon haar te vleien en allerhande vreemde +verhalen te doen. Ja, zij was zoo'n goede vertelster, dat de prinses +al lang moe van het wandelen was, voordat zij vermoeid was van het +luisteren. Toen zij het zachte tapijt dus op het groene gras zag +liggen, zette zij er zich op neer om wat te rusten. Zoodra zij plaats +had genomen, ging de sluwe, oude zigeunervrouw naast haar zitten: +en nadat zij naar zweep had gegrepen, sloeg zij er verwoed mede +op het tapijt. Het volgend oogenblik bemerkte de prinses, dat zij +op het tapijt werd weggedragen van het kasteel van haar echtgenoot +en na korten tijd liet de vrouw haar neerdalen in den tuin van het +koninklijk paleis. + +Gij kunt u gemakkelijk indenken, hoe blij de koning was, toen hij zijn +geliefde dochter terug zag en hoe edelmoedig hij de oude zigeunervrouw +behandelde; hij gaf haar zelfs meer dan zij vroeg. Van nu af aan +liet de koning de prinses in een afgezonderden toren wonen. Slechts +twee kameniers mochten haar gezelschap houden, zoo bevreesd was hij, +dat zij hem weer ontstolen zou worden. + +Ondertusschen riep de vos, die zag, hoe rampzalig en neerslachtig +zijn jonge meester er uitzag, nadat zijn vrouw op onverklaarbare wijze +ontvoerd was en nadat hij gehoord had, welke voorzorgsmaatregelen de +koning genomen had, om te voorkomen, dat de prinses weer weggevoerd +zou worden, nog eens de dieren samen tot een algemeene beraadslaging. + +Toen allen vereenigd waren, sprak de vos hen aldus aan: "Gij allen, +mijn vrienden, weet, hoe gelukkig onze vriendelijke heer getrouwd +was; maar gij weet ook, dat zijn vrouw hem ontstolen is en dat hij +er nu veel erger aan toe is, dan hij was, voordat wij de prinses voor +hem vonden. + +"_Toen_ was hij eenzaam; _nu_ is hij meer dan eenzaam--hij voelt zich +verlaten! Zoo staat de zaak en daarom is het onze plicht, die van zijn +getrouwe dienaren, om haar op de een of andere manier naar hem terug +te voeren. Maar gemakkelijk zal dat niet gaan, daar de koning zijn +dochter voor alle zekerheid in een sterken toren gevangen houdt. Ik +wanhoop echter niet; luistert naar mijn plan; ik zal mij in een mooie +kat veranderen en gaan spelen in den tuin van het paleis onder de +ramen van den toren, die door de prinses wordt bewoond. Ik durf wedden, +dat zij zal verlangen mij te bezitten, zoodra zij mij ziet en zij zal +haar kameniers naar beneden zenden om mij te vangen en bij haar te +brengen. Maar ik zal er wel voor oppassen, dat de kameniers mij niet +vangen, zoodat de prinses eindelijk de bevelen van haar vader om den +toren niet te verlaten zal vergeten en zelf in den tuin zal komen, +om te zien, of zij zelf niet meer succes heeft. Ik zal doen, of ik +mij laat vangen, en op dat oogenblik moet onze vriend de Kumrekusha, +die in de omgeving van het paleis blijft zweven, snel naar beneden +schieten, de prinses grijpen en evenals den vorigen keer wegvoeren. Op +deze wijze hoop ik, beste vrienden, dat wij in staat zullen zijn onzen +goeden meester zijn vrouw terug te geven. Keurt gij mijn plan goed?" + +De vergadering was natuurlijk maar al te blij zulk een wijs raadgever +te hebben, die hen in staat stelde hun dankbaarheid te toonen aan hun +heer. De Kumrekusha nam den vos onder zijn vleugels en vloog met hem +weg; beiden waren even verlangend het plan uit te voeren en den ouden, +opgeruimden trek weer terug te brengen op het gelaat van hun heer. + +Toen de Kumrekusha bij den toren kwam, waarin de prinses woonde, +zette hij den vos stilletjes neer onder de boomen, waar deze dadelijk +in een mooie kat veranderde, die allerhande bevallige sprongen maakte +onder het raam, waarvoor de prinses zat. Het vel van de kat was in +de meest verschillende tinten gekleurd en het duurde niet lang, of +de prinses merkte haar op en zond haar beide vrouwen naar beneden om +haar te vangen en bij zich te brengen in den toren. + +De twee kameniers kwamen in den tuin en riepen: "poesje, poesje!" met +haar liefste stem; zij hielden haar brood en melk voor, maar boden +het tevergeefs aan. De kat sprong vroolijk den tuin rond en wilde +zich niet laten vangen. + +Eindelijk werd de prinses, die er voor haar raam naar had staan kijken, +ongeduldig. Zij ging zelf naar beneden den tuin in en zei bestraffend: +"Ge maakt de kat bang; laat mij eens beproeven haar te vangen!" Toen +zij de kat naderde, die zich nu gewillig scheen te laten pakken, +daalde de Kumrekusha snel neer, greep de prinses bij het middel en +droeg haar hoog in de lucht. + +De verschrikte kameniers liepen naar den koning om hem te vertellen, +wat er met de prinses was gebeurd; waarop de koning onmiddellijk +al zijn hazewinden losliet om de kat te grijpen, die de oorzaak was +geweest, dat de prinses ten tweede male werd weggevoerd. De honden +volgden de kat kort op de hielen en waren op het punt haar te vangen, +toen zij nog juist bijtijds een hol zag met een heel nauwe opening, +dat een goede schuilplaats bood. Wel beproefden de honden haar te +volgen en zij verwijdden de opening met hun pooten, maar alles was +vergeefsch; na geruimen tijd verwoed te hebben geblaft, werden zij +eindelijk moe en slopen beschaamd terug naar de stallen van den koning. + +Toen al de hazewinden uit het gezicht waren, veranderde de kat zich +weer in een vos, en rende rechtstreeks naar het kasteel, waar hij zijn +jongen meester in de gelukkigste stemming aantrof, want de Kumrekusha +had zijn mooie vrouw reeds teruggebracht. + + + +De koning verklaart den oorlog aan de dieren. + + +De koning was buitengewoon boos, toen hij bemerkte, dat hij zijn +dochter weer verloren had en wat vooral zijn woede opwekte, dat was +het feit, dat zulke armzalige dieren als een vogel en een kat er +ondanks al zijn voorzorgen in geslaagd waren haar weg te voeren. In +zijn groote woede besloot hij dus een algemeenen oorlog aan de dieren +te verklaren en hen geheel uit te roeien. Voor dit doel verzamelde +hij een groot leger, en besloot het zelf aan te voeren. De plannen +van den koning waren weldra door het geheele koninkrijk bekend. En 't +was naar aanleiding hiervan, dat de vos voor den derden keer al zijn +vrienden bijeen riep--den beer, den wolf, den Kumrekusha, de muis, +den mol en den haas--voor een groote vergadering. + +Toen allen verzameld waren, sprak de vos hen aldus aan: "Mijn vrienden, +de koning heeft ons den oorlog verklaard, en is van plan ons geheel +uit te roeien. Het is nu onze plicht ons te verdedigen zoo goed als +wij kunnen. Laat elk onzer zien, hoeveel dieren hij in staat is aan +te monsteren. Hoeveel van uw broeders, beeroom, denkt _gij_ te kunnen +aanwerven om ons te helpen?" + +De beer ging zoo snel hij kon op zijn achterpooten staan en riep uit: +"Ik ben er zeker van er honderd te kunnen verzamelen." + +"En hoeveel van _uw_ vrienden kunt gij bijeenbrengen, mijn goede +wolf?" vroeg de vos nieuwsgierig. + +"Ik kan op zijn minst vijfhonderd wolven meebrengen," zei de wolf +met een air van gewicht. + +De vos knikte zeer voldaan, en vervolgde: "En wat kunt _gij_ voor +ons doen, beste meester haas?" + +"Wel ik denk er ongeveer achthonderd te kunnen brengen," zei de +haas voorzichtig. + +"En wat kunt _gij_ doen, mijn lieve kleine muis?" + +"O, ik breng zeker drieduizend muizen mee." + +"Dat is werkelijk heel goed!--En _gij_ mijnheer mol?" + +"Ik ben er zeker van er achtduizend te kunnen verzamelen." + +"En hoe groot is het aantal dat _gij_ denkt te kunnen brengen, mijn +groote vriend Kumrekusha?" + +"Ik vrees niet meer dan twee of driehonderd op zijn hoogst," zei de +Kumrekusha treurig. + +"Heel goed; gaat nu allen dadelijk uw vrienden verzamelen; indien gij +er zooveel hebt bijeengebracht, als maar mogelijk is, zullen wij kunnen +besluiten, hoe wij moeten handelen," zei de vos; waarna de vergadering +werd gesloten en de dieren zich in verschillende richtingen door het +woud verspreidden. + +Niet lang daarna werden ongewone geluiden gehoord in de nabijheid van +het kasteel. De boomen schudden geweldig, en het gebrom der beren, +en het korte, scherpe geblaf der wolven verbrak de gewone rust van +het bosch. Het leger der dieren trok van alle kanten op de aangegeven +plaats samen. Toen allen verzameld waren, gaf de vos in de volgende +woorden een uiteenzetting van de plannen: "Als het leger van den +koning den eersten nacht na den grooten opmarsch halt houdt om te +rusten, dan moet gij, beren en wolven, u gereed houden om de paarden +te dooden. Indien het leger desondanks toch verder gaat, dan moet gij, +muizen, gereed zijn al de zadelriemen en gordels door te bijten, als +de soldaten den tweeden nacht rusten, en gij, hazen, moet de koorden +doorknagen waaraan de mannen het kanon voorttrekken. Indien de koning +den tocht toch voortzet, moet gij, mollen, gedurende den derden nacht +de aarde uitgraven onder den weg, dien zij den volgenden dag zullen +nemen--en een greppel maken volle vijftien meter breed en twintig +meter diep, rondom het kamp. Als het leger den volgenden morgen over +den grond marcheert, die ondergraven is, moet gij, Kumrekusha's zware +steenen neer werpen, terwijl de aarde onder hun voeten bezwijkt." + +Het plan werd goedgekeurd en alle dieren gingen vlug heen, om de hun +aangewezen taak uit te voeren. + +Toen het leger van den koning ontwaakte na den eersten nacht van rust +op den grooten marsch, merkten de soldaten tot hun groote ontsteltenis, +dat al de paarden gedood waren. Dit treurige nieuws werd dadelijk aan +den koning gemeld; maar hij zond eenvoudig om nieuwe paarden--en toen +deze laat op den dag kwamen, vervolgden zij hun weg. + +Den tweeden nacht kropen de muizen stilletjes het kamp binnen en +knabbelden ijverig aan de zadels en aan de gordels der soldaten, +terwijl de hazen even vlijtig knaagden aan de koorden, waaraan de +manschappen het kanon voorttrokken. + +Den volgenden morgen waren de soldaten hevig verschrikt, toen +zij zagen, welk onheil de dieren hadden aangericht. Maar de koning +kalmeerde hen en zond een boodschap naar de stad om nieuwe zadels en +gordels. Toen die eindelijk gebracht waren, vervolgde hij vastbesloten +zijn marsch, bezield met nog meer haat tegen deze aanmatigende en +verachtelijke vijanden. + +Den derden nacht, terwijl de soldaten sliepen, groeven de +mollen onafgebroken door, teneinde een onderaardsche gracht te +graven. Omstreeks middernacht liet de vos de beren aanrukken om de +mollen te helpen en de ladingen zand weg te dragen. + +Den volgenden morgen waren de soldaten opgetogen, toen zij merkten, +dat er dien nacht geen nieuwe onheilen gesticht schenen en zij +begaven zich met nieuwen moed op reis. Maar aan hun marsch kwam +spoedig een einde, want weldra zakten de ruiters en de artillerie +door den hollen bodem en toen de koning dit merkte, zei hij: "Laat +ons terugkeeren. Ik zie, dat God zelf tegen ons is in dezen oorlog, +die wij aan de dieren hebben verklaard. Ik geef alle pogingen op om +mij over mijn dochter te wreken." + +Toen keerde het leger terug onder het gejuich der soldaten, maar de +manschappen bemerkten tot hun groote verbazing en vrees, dat zij, +onverschillig welke richting zij ook insloegen, steeds door den grond +zakten. Om hun ontsteltenis nog grooter te maken lieten de kumrekusha's +nu zware steenen op hen neervallen, die hen geheel verpletterden. Op +deze manier kwam de koning met zijn heele leger om. + +Heel spoedig daarna ging de jonge edelman, die de dochter van den +koning had getrouwd, naar de hoofdstad van den vijand, en nam bezit +van het paleis van den koning; hij nam al zijn dieren mee; en daar +leefden zij allen lang en gelukkig met elkaar. + + + + + +De drie vrijers. + + +In een ver verwijderd land leefde lang geleden een koning, die maar +een kind had--een buitengewoon mooie dochter. Velen dongen naar de +hand van de prinses en onder hen waren drie jonge edellieden, van wie +de koning veel hield. Daar de koning echter van alle drie evenveel +hield, kon hij niet besluiten aan wien hij zijn dochter tot vrouw zou +geven.--Op zekeren dag riep hij de drie jonge edellieden bij zich en +sprak als volgt: "Gaat alle drie een reis door de wereld maken. Hij, +die mij het merkwaardigste van zijn reis mee terugbrengt, zal mijn +schoonzoon worden." + +De drie begaven zich dadelijk op weg, waarbij elk hunner een +verschillende richting insloeg; elk der drie koos een ander land om +merkwaardige dingen te zoeken. + +Niet lang duurde het, of een der jonge edelen vond een prachtig tapijt, +dat, wie er ook op ging zitten, snel door de lucht droeg. + +Een der anderen vond een bewonderingswaardigen verrekijker, waardoor +hij iedereen en alles op de wereld kon zien en zelfs het veelkleurige +zand op den bodem van de groote, diepe zee. + +De derde vond een wonderdadige zalf, die elke ziekte in de wereld +kon genezen, en zelfs dooden tot het leven kon terugroepen. + +Nu waren de edele reizigers ver van elkaar af, toen zij deze +wonderlijke dingen vonden. Maar toen de jongeman, die den verrekijker +had gevonden, er door keek, zag hij een van zijn vroegere vrienden +en tegenwoordige medeminnaars met een tapijt op zijn schouder loopen +en daarom begaf hij zich op weg om zich bij hem te voegen. Daar hij +door zijn wonderlijken verrekijker altijd kon zien, waar de andere +edelman was, kostte het hem niet veel moeite den ander te vinden en +toen de twee elkaar hadden getroffen, gingen zij naast elkaar op het +tapijt zitten en het droeg hen door de lucht, totdat ook de derde +reiziger zich bij hen voegde. Op zekeren dag, toen ieder had verteld, +welke merkwaardige dingen hij op reis had ontmoet, riep een hunner +plotseling: "Laat ons nu eens zien, wat de mooie prinses doet en waar +zij is." Toen keek de edelman, die den verrekijker had gevonden, +er doorheen, en zag tot zijn groote ontsteltenis en verslagenheid, +dat de dochter des konings heel ziek lag en op het punt was te sterven. + +Hij vertelde dit aan zijn twee vrienden en medeminnaars en ook zij +stonden als van den donder getroffen door het slechte nieuws--totdat +hij, die de zalf had gevonden, zich eensklaps de wonderdadige kracht +van zijn middel herinnerde en uitriep: "Ik ben er zeker van, dat +ik haar zou kunnen genezen, als ik het paleis maar spoedig genoeg +bereikte!" Toen de edelman, die het merkwaardige tapijt had gevonden, +dit hoorde, riep hij uit: "Laten we op mijn tapijt gaan zitten, +en het zal ons snel naar het paleis van den koning brengen!" + +Daarop gingen de drie edellieden op het tapijt zitten, dat zich +onmiddellijk in de lucht verhief, en hen regelrecht naar het paleis +droeg. + +De koning ontving hen dadelijk, maar zei treurig: "Het spijt mij +voor u, want uw reizen zijn vergeefsch geweest. De prinses is helaas +stervende; zij kan dus geen uwer trouwen!" + +Maar de edelman, die de wonderdadige zalf bezat, zei eerbiedig: +"Vrees niet, sire, de prinses zal niet sterven!" En na toestemming +te hebben gekregen om het vertrek binnen te gaan, waar zij ziek lag, +legde hij de zalf zoo, dat zij ze kon ruiken. Na enkele oogenblikken +leefde de prinses weer op en toen haar kamenier een weinig van de +zalf in haar hand had gewreven, herstelde zij zoo snel, dat zij zich +na enkele dagen reeds beter voelde, dan voor haar ziekte. + +De koning was zoo blij, dat zijn dochter hem uit den dood was +teruggegeven, dat hij verzekerde, dat niemand haar zou trouwen dan +de jonge edelman, wiens wonderdadige zalf haar had genezen. + + + + +De twist. + + +Maar nu ontstond er een groote twist tusschen de drie jonge edelen; +hij, die de zalf had gevonden, verzekerde, dat de prinses gestorven +zou zijn, als hij haar niet genezen had, en dat zij dan niemand zou +hebben kunnen trouwen; de edelman, die den wonderbaren verrekijker had +gevonden, verzekerde, dat zij zonder hem nooit zouden hebben geweten, +dat de prinses stervende was en zijn vriend dan ook niet de zalf +zou hebben gebracht om haar te genezen, terwijl de derde edelman hun +bewees, dat zonder medewerking van zijn tapijt noch de zalf noch de +verrekijker de prinses iets zou hebben geholpen, daar zij zulk een +afstand op andere wijze niet intijds zouden hebben afgelegd om haar +te redden. + +Toen de koning van dezen twist hoorde, sprak hij tot hen: "Mijne +heeren, uit hetgeen gij gezegd hebt, merk ik, dat het niet billijk +zou zijn mijn dochter aan een uwer te geven; daarom verzoek ik u het +denkbeeld om haar te trouwen geheel op te geven en weer vrienden te +worden, zooals gij waart, voordat gij medeminnaars werdt." + +De drie jonge edelen zagen in, dat de koning geen beter besluit had +kunnen nemen; daarom verlieten zij allen hun vaderland en begaven +zich naar een verwijderde woestijn, waar zij als kluizenaars gingen +leven. En de koning gaf de prinses aan een ander edelman. + +Vele, vele jaren waren voorbij gegaan, sinds het huwelijk van de +prinses, toen haar echtgenoot door haar vader naar een ver verwijderd +land werd gezonden, waarmede hij in oorlog was gewikkeld. De edelman +nam zijn vrouw, de prinses, met zich mee, daar het mogelijk was, +dat hij genoodzaakt zou zijn heel lang weg te blijven. Nu gebeurde +het, dat een hevige storm opstak, juist toen het schip, waarop de +prinses en haar echtgenoot zich bevonden, een vreemde kust naderde, +en toen de orkaan op zijn hevigst was, sloeg het schip tegen rotsen, +en ging dadelijk onder. Allen aan boord kwamen in de golven om, +uitgenomen de prinses, die zich stevig vasthield aan een boot en door +wind en getij naar de kust werd gedreven. Dit was, naar het scheen, +een onbewoond land, en toen zij een klein hol in een rots ontdekte, +bleef zij daar en leefde er gedurende drie jaren; zij voedde zich +met wilde grassen en vruchten. Elken dag zocht zij naar een weg om +door het bosch, dat het hol omgaf, te ontkomen, maar zij kon er geen +vinden. Op zekeren dag echter, toen zij zich verder dan gewoonlijk +van het hol had verwijderd, kwam zij eensklaps bij een ander hol, +dat tot haar groote verbazing door een kleine deur was afgesloten. Zij +beproefde herhaaldelijk de deur te openen, want zij was voornemens daar +den nacht door te brengen; maar al haar pogingen waren vruchteloos, +zoo stevig was de deur gesloten. + +Eindelijk echter riep een diepe stem van uit het hol: "Wie is daar +aan de deur?" + +Op het hooren van een menschelijke stem was de prinses zoo ontsteld, +dat zij gedurende enkele oogenblikken niet kon antwoorden; toen +zij zich hersteld had, zei zij: "Ik smeek u de deur voor mij te +openen!" Onmiddellijk werd de deur van binnen geopend en zij zag +tot haar schrik een ouden man met een dikken, grijzen baard, die tot +aan zijn middel reikte en lange witte haren, die over zijn schouders +golfden. + +Wat de prinses het meest beangst maakte, was, dat zij hier, in dezelfde +woestijn, waar zij drie jaar had gewoond zonder een levende ziel te +ontmoeten, nu een man aantrof. + +De kluizenaar en de prinses keken elkaar lang en ernstig aan zonder +een woord te spreken. Eindelijk echter zei de oude man: "Zeg mij: +zijt gij een engel of een dochter van deze wereld?" + +Toen antwoordde de prinses: "Oude man, laat mij een oogenblik +uitrusten en dan zal ik u mijn geheele geschiedenis vertellen, ook +wat de oorzaak is, dat ik hier ben." + +De kluizenaar haalde eenige wilde peren te voorschijn, en toen de +prinses er een paar van gebruikt had, begon zij hem te vertellen, +wie zij was en hoe zij in deze woestijn kwam. Zij zei: "Ik ben de +dochter van een koning, en eens, vele jaren geleden, hebben drie +jonge edellieden van mijns vaders hof mij aan den koning ten huwelijk +gevraagd. Nu was de koning dezen drie jongen mannen allen even genegen, +zoodat hij niet graag een hunner leed deed; daarom zond hij ze heen om +verre landen te doorreizen en beloofde hun, dat hij bij hun terugkomst +een beslissing zou nemen. + +"De drie edellieden bleven langen tijd weg; en terwijl zij nog ergens +buitenslands waren, werd ik gevaarlijk ziek. Ik was op het punt +te sterven, toen zij alle drie plotseling terugkeerden; een hunner +bracht een wonderdadige zalf mee, die mij onmiddellijk genas; de twee +anderen brachten even merkwaardige dingen mede--een tapijt, dat elk, +die er zich op neerzette, door de lucht kon dragen, een verrekijker, +waarmede men iedereen en alles in de wereld tot zelfs het zand op +den bodem van de zee kon zien." + + + +De herkenning. + + +Zoover was de prinses met haar verhaal gekomen, toen de kluizenaar +haar plotseling in de rede viel met de woorden: "Alles, wat daarna +gebeurde, weet ik even goed als gij. Zie mij aan, dochter! Ik was een +dier edellieden, die dongen naar uw hand en hier is de wonderbare +verrekijker." En de kluizenaar haalde, voordat hij verder ging, +het instrument uit een nis in den wand van het hol te voorschijn. + +"Mijn twee vrienden en medeminnaars kwamen met mij naar deze +woestijn. Wij gingen echter dadelijk van elkaar en hebben elkaar +nooit meer ontmoet. Ik weet niet, of zij nog leven of dood zijn, +maar ik wil naar hen uitzien." + +De kluizenaar keek toen door zijn verrekijker en zag, dat de beide +andere edellieden evenals hij leefden in holen in verschillende deelen +van de woestijn. Nadat hij dit had ontdekt, nam hij de prinses bij de +hand en voerde haar naar de andere kluizenaars. Toen allen hereend +waren, vertelde de prinses haar avonturen, die zij had beleefd, +sinds het vergaan van het schip, waarin haar echtgenoot omgekomen +was en waarvan zij alleen werd gered. + +Het deed de drie edele kluizenaars genoegen haar nog eens levend te +zien; maar zij waren het er dadelijk over eens, dat zij haar naar +den koning, haar vader, moesten terugzenden. + +Zij gaven de prinses toen den wonderbaren verrekijker en de +wonderdoende zalf en zetten haar op het wonderdadige tapijt, dat +haar en haar schatten snel en veilig naar het paleis van haar vader +bracht. En wat de drie edellieden betrof, zij bleven, steeds als +kluizenaars levende, in de woestijn, met dit verschil echter, dat +zij elkaar nu en dan bezochten, zoodat de jaren hen niet zoo lang en +eentonig leken. Want zij hadden elkaar nog vele avonturen te vertellen. + +De koning was buitengewoon blij, dat hij zijn eenig kind weer veilig +terugzag en de prinses leefde vele jaren met haar vader; maar noch +de koning noch de prinses konden de drie edelen geheel vergeten, +die terwille van haar als kluizenaars leefden in de woestijn van een +ver verwijderd land. + + + + +De droom van den koningszoon. + + +Er was eens een koning, die drie zoons had. Op zekeren avond, toen +de jonge prinsen zich te slapen legden, zeide de koning tot hen, +dat zij goed acht moesten geven op 't geen zij droomden en dat zij +hem den volgenden morgen hun droom moesten vertellen. Den volgenden +morgen gingen de prinsen, zoodra zij ontwaakten, naar hun vader en +toen de koning hen zag, vroeg hij den oudste: + +"Nu, wat hebt gij gedroomd?" + +De prins antwoordde: "Ik heb gedroomd, dat ik de erfgenaam van den +troon was." + +En de tweede zei: "Ik droomde, dat ik de eerste onderdaan in het +koninkrijk zou zijn." + +Toen sprak de jongste: "Ik droomde, dat ik mijn handen waschte en dat +de prinsen, mijn broeders, de kom vasthielden, terwijl de koningin, +mijn moeder, fijne handdoeken ophield, waaraan ik mijn handen zou +kunnen afdrogen en Uwe Majesteit zelf schonk er water over heen uit +een gouden emmer." + +De koning werd, toen hij dit hoorde, zeer vertoornd en riep uit: +"Wat! ik--de koning--zou water schenken over de handen van mijn +eigen zoon! Verwijder u onmiddellijk uit mijn paleis en uit mijn +koninkrijk! Gij zijt niet langer mijn zoon." + +De arme, jonge prins deed al zijn best vrede met zijn vader te sluiten, +en zei, dat hij toch werkelijk niet te laken was om hetgeen hij had +gedroomd; maar de koning werd steeds woedender, en wierp eindelijk +eigenhandig de prins uit het paleis. + +Zoo was de prins genoodzaakt verschillende landen door te trekken, +totdat hij op zekeren dag in een groot bosch een hol ontdekte, dat hij +binnen ging om er in te rusten. Daar vond hij tot zijn groote verbazing +en vreugde een grooten ketel vol maïs, die op het vuur stond te koken +en daar hij buitengewoon hongerig was, bediende hij zich zelf van de +maïs. Hij ging daarmede door, tot hij tot zijn ontsteltenis bemerkte, +dat hij bijna al de maïs had opgegeten. Bevreesd, dat er onheil uit zou +kunnen voortkomen, keek hij rond naar een plaats, waar hij zich zou +kunnen verbergen. Op dat oogenblik ontstond een groot geraas aan den +ingang van het hol, en hij had zich nauwelijks in een donkeren hoek +teruggetrokken, of een blinde, oude man kwam binnen. Hij zat op een +groote geit, terwijl hij een groot aantal geiten voor zich uitdreef. + +De oude man reed regelrecht naar den ketel; toen hij bemerkte, dat +bijna al de maïs er uit verdwenen was, vermoedde hij, dat er iemand +in het hol moest zijn en tastend ging hij het hol rond, totdat hij +den prins greep, + +"Wie zijt gij?" vroeg hij boos en de prins antwoordde: + +"Ik ben een arme zwerver, die de wereld doortrekt, een dak heb ik +niet en ik smeek u mij gastvrijheid te verleenen." + +"Wel," sprak de oude man, "waarom niet? Ik zal tenminste iemand +hebben, die toezicht op mijn maïs houdt, als ik met mijn geiten in +het bosch ben." + +Zoo leefden zij eenigen tijd te zamen; de prins bleef in het hol, +om de maïs te koken, terwijl de oude man zijn geiten elken morgen +het woud indreef. + +Op zekeren dag zei de oude man echter tot den prins: "Ik vind, dat gij +heden met de geiten moest uitgaan; ik zal thuis blijven bij de maïs." + +Hierin stemde de prins toe, daar hij er genoeg van had altijd rustig +in het hol te blijven. Maar de oude man voegde er aan toe: "Vergeet +een ding niet! Er zijn negen verschillende heuvels; gij kunt de geiten +vrij op acht er van laten grazen, maar in geen geval moet gij naar +den negenden gaan. Daar verblijven de veele en zij zullen u zeker de +oogen uitsteken, evenals zij het mij hebben gedaan, indien gij het +waagt op haar heuvel te komen." + +De prins dankte den ouden man voor zijn waarschuwing, steeg daarna +op de groote geit en dreef de andere geiten voor zich uit naar buiten. + +Voortdurend achter de geiten aanrijdend, deed hij achtereenvolgens +alle acht heuvels aan en toen hij den laatsten bereikte, kon hij +den negenden zien. Toen kon hij de verzoeking niet weerstaan dien +op te gaan. Daarom zei hij tegen zich zelf: "Ik wil het er op wagen, +wat er ook gebeure!" + + + +De Prins en de veele. + + +Ternauwernood had hij zijn voet op den negenden heuvel gezet, of +de veele omringden hem, en maakten zich gereed hem de oogen uit te +steken. Op het laatste oogenblik viel hem echter een gelukkige gedachte +in en hij riep haastig: "Lieve veele, waarom zoudt gij deze zonde op +uw hoofd laden? Ik stel u voor de volgende afspraak te maken. Indien +gij over een boom springt, dien ik daar neer zal leggen, moogt gij +mij de oogen uitsteken, en ik zal er u niet om laken!" + +De veele stemden hierin toe en de prins ging heen en haalde een grooten +boom, dien hij bijna tot aan den wortel doormidden hieuw. Toen hij +dit gedaan had, dreef hij er een wig in, om de twee helften van +elkaar te houden. Nadat hij den stam weer rechtop had geplaatst, +sprong hij er eerst over en zei toen tegen de veele: "Nu is het uw +beurt. Laat eens zien, of gij over den boom kunt springen!" + +Een veela beproefde er over te springen, maar toen zij tusschen de +twee helften zweefde, sloeg de prins de wigge er uit, de stam sloot +zich en hield de veela vast. Toen werden al de anderen bang en zij +verzochten hem den stam te openen en haar zuster vrij te laten; op +haar beurt beloofden zij, dat zij hem alles zouden geven, wat hij mocht +vragen. Toen sprak de prins: "Ik verlang niets anders dan dat ik mijn +oogen mag behouden en dat gij het gezicht teruggeeft aan den armen, +ouden man." De veele gaven hem nu een bosje kruiden, zeiden hem, dat +hij dat op de oogen van den ouden man moest leggen, waarna hij het +gezicht terug zou krijgen. De prins nam het kruid, opende den boom +een weinig, zoodat de veela vrij kwam, en reed toen op de geit terug +naar het hol, waarbij hij weer al de andere geiten voor zich uit dreef. + +Toen hij thuiskwam, legde hij dadelijk het kruid op de oogen van den +ouden man en oogenblikkelijk had deze tot zijn buitengewone verbazing +en vreugde zijn gezicht terug. + +Den volgenden morgen gaf de oude man, voordat hij op zijn geit uitreed, +aan den prins de sleutels van acht kabinetjes, die in het hol waren; +hij waarschuwde hem in geen geval het negende kabinet te openen, +al hing de sleutel vlak tegenover de deur. Daarna vertrok hij, nadat +hij den prins nog had opgedragen er goed voor te zorgen, dat de maïs +voor het avondeten gereed kwam. + +Toen hij alleen was gelaten in het hol, begon hij er over te peinzen, +wat er toch wel in het negende kabinet zou kunnen zijn en eindelijk +kon hij geen weerstand bieden aan de verzoeking den sleutel te nemen +en de deur te openen om er een blik in te werpen. + + + +Het gouden paard. + + +Wat was hij verbaasd, toen hij een gouden paard met een gouden hazewind +naast zich zag en verder een gouden hen met gouden kuikens, die bezig +waren gouden gierstkorrels op te pikken. + +De jonge prins staarde er eenigen tijd naar en bewonderde hun +schoonheid; toen sprak hij tot het gouden paard: + +"Vriend, ik geloof, dat het beter is, dat wij deze plek verlaten, +voordat de oude man terugkomt." + +"Heel best," antwoordde het gouden paard. "Ik ben volkomen bereid +heen te gaan, maar sla den goeden raad, dien ik u geven zal, niet in +den wind. Ga zooveel linnen halen, als ge krijgen kunt om over de +steenen bij den ingang van het hol te leggen; want als de oude man +het gekletter van mijn hoeven hoort, zal hij u zeker dooden. Verder +moet gij een kleinen steen meenemen, een druppel water en een schaar +en op het oogenblik, dat ik u zeg, dat ge ze neer moet werpen, moet +gij mij dadelijk gehoorzamen--anders zijt gij verloren." + +De prins deed alles, wat het gouden paard had bevolen, en na de +gouden hen met de kuikens in den zak te hebben gedaan, nam hij dien +onder zijn arm, steeg te paard en reed snel het hol uit, waarbij +de gouden hazewind, dien hij aan een leeren riem meevoerde, hem +volgde. Maar zoodra zij in de open lucht waren, hoorde de oude man, +ofschoon hij ver weg op een verwijderden berg zijn geiten hoedde, +het gekletter van de gouden hoeven en hij riep tegen zijn groote geit: +"Zij zijn weggeloopen. Laten we hen dadelijk volgen." + +In merkwaardig korten tijd zat de oude man op zijn groote geit +den prins dicht op de hielen. Toen zei het paard: "Werp uw kleinen +steen neer!" + +Op hetzelfde oogenblik, waarop de prins het steentje had neergeworpen, +verhief zich een rotsige berg tusschen hem en den ouden man, en voordat +de geit er overgeklommen was, had het gouden paard een heel stuk op +de vervolgers gewonnen. Maar heel spoedig had de oude man hen weer +ingehaald en toen riep het paard: "Werp den druppel water neer!" + +De prins gehoorzaamde onmiddellijk en zag toen tot zijn verbazing, +dat een breede rivier tusschen hem en zijn vervolger stroomde. + +Het kostte den ouden man en zijn geit zooveel tijd om de rivier over +te steken, dat de prins op zijn gouden paard hem ver voor kwam; maar +desondanks duurde het niet lang, of het paard had de geit weer zoo +dicht achter zich, dat het riep: "Werp de schaar neer!" En toen de +geit er over liep, bezeerde zij ernstig haar pooten. + +Toen de oude man dit zag, riep hij uit: "Nu ik merk, dat ik u niet +kan inhalen, moogt gij houden, wat gij genomen hebt. Maar gij zult +verstandig doen naar mijn raad te luisteren. De menschen zullen u +zeker dooden om uw gouden paard; daarom deedt gij beter dadelijk een +ezel te koopen, en met de huid uw paard te overdekken en doe hetzelfde +met uw gouden hazewind." + +Toen hij dit gezegd had, wendde de oude man zich om en keerde terug +naar zijn hol; de prins volgde zijn raad onmiddellijk op en bedekte +zijn gouden paard met een ezelhuid en zijn gouden hazewind eveneens. + +Na een lange reis kwam de prins onverwacht in het koninkrijk van zijn +vader. Daar hoorde hij, dat de koning een gracht had laten graven, +die driehonderd meter breed en vierhonderd meter diep was en dat hij +had laten bekend maken, dat hij, die zijn paard er over kon laten +springen, de prinses, zijn dochter, tot vrouw zou krijgen. + +Bijna een geheel jaar was verloopen sedert de bekendmaking, maar +tot nu toe had zich niemand aan den sprong gewaagd. Toen de prins dit +hoorde, zei hij: "Ik zal er met mijn ezel en mijn hond over springen," +en hij sprong er over. + +De koning was echter zeer boos, toen hij vernam, dat een armoedig +gekleed man op een ezel den sprong over de breede gracht had durven +doen, die zijn dapperste ridders had afgeschrikt; daarom liet hij den +vermomden prins met zijn ezel en zijn hond in een van zijn diepste +kerkers werpen. + +Den volgenden morgen stuurde de koning een van zijn bedienden om te +zien, of de man nog leefde, doch deze snelde zeer ontsteld naar hem +terug en vertelde hem, dat hij in den kerker inplaats van een armen man +met een ezel, een jongen, fraai uitgedoschten ridder, een gouden paard, +een gouden hazewind en een gouden hen omringd door gouden kuikens, die +gouden gierstkorrels van den grond oppikten, had aangetroffen. Toen +sprak de koning: "Dat moet een machtig prins zijn." Daarom gaf hij +bevel aan de koningin en de prinsen, zijn zoons, om alles voor de +ontvangst van den vreemdeling gereed te maken en te zorgen, dat hij +zijn handen zou kunnen wasschen. Toen ging hij zelf naar beneden, +naar den kerker en bracht den prins met veel plichtplegingen naar +boven, waarmee hij de slechte behandeling, die de prins ondergaan had, +weer wilde goedmaken. De koning zelf nam een gouden emmer vol water, +en schonk het over de handen van den prins, terwijl de beide prinsen +de kom vasthielden en de koningin fijne handdoeken ophield, waaraan +hij zijn handen kon drogen. + +Toen dit gedaan was, riep de jonge prins uit: "Nu is mijn droom +vervuld," en op eens herkenden zij hem en zij waren zeer blij hem +weer in hun midden te zien. + + + + +De bijter gebeten. + + +Er was eens een oud man, die telkens, als hij hoorde, dat iemand +zich er over beklaagde, dat hij zooveel zoons had, lachte en zei: +"Ik wilde, dat het God behaagde mij honderd zoons te geven!" + +Dit zei hij voor de grap; maar in den loop van den tijd kreeg hij +inderdaad honderd zoons. + +Hij had moeite genoeg om verschillende ambachten voor zijn zoons +te vinden, maar toen zij eenmaal allen gevestigd waren, werkten zij +ijverig en verdienden een overvloed van geld. Nu deed zich echter een +nieuwe moeielijkheid voor. Op zekeren dag kwam de oudste zoon naar +hem toe en zei: "Lieve vader, ik geloof, dat het meer dan tijd is, +dat ik trouw." + +Ternauwernood had hij dit gezegd, of de tweede zoon kwam, en zei: +"Beste vader, ik geloof, dat het hoog tijd is, dat u eens naar een +vrouw voor mij uitziet." + +Een oogenblik later kwam de derde zoon en vroeg: "Lieve vader, vindt +u niet, dat het hoog tijd is, dat u een vrouw voor mij zoekt?" Met +dezelfde boodschap kwamen ook de vierde en de vijfde, tot het geheele +honderdtal hetzelfde verzoek had gedaan. Allen wenschten te trouwen en +verzochten hun vader zoo spoedig mogelijk een vrouw voor hen te zoeken. + +De oude man was niet weinig in verlegenheid gebracht door deze +verzoeken; hij zei evenwel tegen zijn zoons: "Heel goed, mijn zoons, +_ik_ heb er niets tegen, dat gij trouwt; ik vrees echter, dat het +niet gemakkelijk zal gaan. Gij vraagt alle honderd een vrouw, en ik +betwijfel, of er wel honderd huwbare meisjes in de vijftien dorpen +van onze omgeving te vinden zijn." + +Maar hierop antwoordden de zoons: "Maak u daarover niet ongerust; +bestijg uw paard en neem in uw zak een voldoend aantal verlovingskoeken +mee. Gij moet ook een stok in uw hand nemen, waarin gij een inkerving +maakt, telkens als gij een meisje ziet. Het komt er niet op aan, of +zij mooi of leelijk, kreupel of blind is--maak een insnijding voor +elk meisje, dat u ontmoet." + +De oude man zei: "Dat is heel verstandig gesproken, mijn zoons! Ik +zal precies doen, wat gij mij gezegd hebt." + +Hij steeg dus te paard, nam een zak vol koeken op zijn schouders en +een langen stok in zijn hand en vertrok om de omgeving af te zoeken +naar meisjes, die zijn zoons zouden kunnen trouwen. + +De oude man reisde van dorp tot dorp, een gansche maand lang en als +hij een meisje zag, maakte hij een insnijding in zijn stok. Maar het +verveelde hem toch en hij begon te tellen, hoeveel kerfjes hij reeds +had. Toen hij ze zorgvuldig had geteld, telkens en telkens weer, om er +zeker van te zijn, dat hij er geen had overgeslagen, kon hij het toch +niet verder dan vierenzeventig brengen, zoodat er nog zesentwintig +ontbraken om het honderdtal vol te maken. Maar hij was zoo afgemat +door zijn reis van een maand, dat hij besloot naar huis terug te +keeren. Onder het rijden zag hij een priester, die ossen voortdreef, +welke voor een ploeg waren gespannen. De priester was, naar het +scheen, over het een of ander zeer diep in gedachten verzonken. Nu +was de oude man een beetje verbaasd, toen hij zag, dat de priester +zijn eigen korenvelden ploegde, zonder dat hij zelfs een jongen had +om hem te helpen; daarom riep hij hem toe: "Waarom bestuurt ge zelf +uw ossen?" Maar de priester hief zelfs zijn hoofd niet op om te zien, +wie hem riep; zoo was zijn aandacht in beslag genomen door zijn werk, +het voortdrijven van zijn ossen en het sturen van zijn ploeg. + +De oude man dacht, dat hij niet luid genoeg had gesproken, daarom +riep hij nog eens zoo hard als hij kon: "Laat uw ossen een oogenblik +stilstaan en vertel mij eens, waarom gij zelf bezig zijt met ploegen, +en waarom geen jongen u helpt--en dat nog wel op een heiligendag!" + +Nu antwoordde de priester--wien het zweet langs het gelaat liep, +zoo hard werkte hij--knorrig: "Ik bezweer u bij uw ouden dag, laat +mij met rust! Ik kan u mijn ongeluk niet vertellen." + + + + + +De honderd dochters. + + +Maar dit antwoord maakte den ouden man nog nieuwsgieriger en nog +sterker drong hij er op aan te mogen hooren, waarom de priester op een +heiligendag werkte. Eindelijk, toen het hem begon te vervelen, zuchtte +de priester diep en zei: "Nu, als gij het _wilt_ weten, ik ben de +eenige man in mijn gezin. God heeft mij gezegend met honderd dochters?" + +De oude man was overgelukkig, toen hij dit hoorde en riep vroolijk uit: +"Dat komt goed uit! Het is precies, wat ik noodig heb, want _ik_ +heb honderd zoons, en daar gij honderd dochters hebt, kunnen wij +vrienden worden!" + +Zoodra de priester dit hoorde, werd hij vriendelijk en spraakzaam en +noodigde den ouden man uit den nacht in zijn huis door te brengen. Hij +liet zijn ploeg op den akker staan en dreef zijn ossen terug naar het +dorp. Juist voor zij het huis bereikten, zei hij tegen den ouden man: +"Ga zelf in huis, terwijl ik mijn ossen vastbind." + +Maar nauwelijks had de oude man het erf betreden, of de vrouw van +den priester liep hard op hem toe met een dikken stok en riep: +"Wij nebben geen brood genoeg voor onze honderd dochters en daarom +kunnen wij geen bedelaars en ook geen bezoekers ontvangen," en met +deze woorden joeg ze hem weg. + +Spoedig daarna kwam de priester uit de schuur en toen hij den ouden +man op den weg voor het hek zag zitten, vroeg hij hem, waarom hij +het huis niet was binnen gegaan, gelijk hij hem gezegd had. + +Daarop antwoordde de oude man: "Ik ben naar binnen gegaan, maar uw +vrouw joeg mij weg!" + +Toen sprak de priester: "Wacht een oogenblik, totdat ik u kom +halen." Toen ging hij gauw het huis in, en schold zijn vrouw flink +uit. Hij riep haar toe: "Wat hebt gij gedaan? Welk een mooie kans +hebt gij daar bedorven! De man, die naar binnen kwam, moeten wij te +vriend houden, want hij heeft honderd zoons, die onze dochters graag +willen trouwen!" + +Toen de vrouw dit hoorde, trok zij vlug een ander gewaad aan en +maakte snel haar en hoofdtooi op. Daarna glimlachte zij heel lief, +en heette met de grootst mogelijke voorkomendheid den ouden man +welkom, toen haar man hem binnen bracht. Ja ze deed, alsof zij +er zich niets meer van herinnerde, dat er iemand de deur uit was +gejaagd. En daar de oude man voor alles verlangde de echtgenooten +voor zijn zoons te vinden, deed hij ook, alsof hij niet wist, dat de +glimlachende vrouw des huizes dezelfde was, die hem met een stok had +weggejaagd. De oude man bracht dus den nacht in het huis door en den +volgenden morgen vroeg hij den priester in allen vorm hem zijn honderd +dochters voor zijn honderd zoons te geven. Daarop zei de priester, +dat hij daartoe gaarne bereid was en er reeds met zijn dochters over +gesproken had en dat ook zij bereid waren. Toen haalde de oude man +de verlovingskoeken te voorschijn en legde ze naast zich neer op +de tafel; en hij gaf elk meisje ook een stuk geld. Daarna gaf elk +der verloofde meisjes hem voor dien zoon, met wien zij verloofd was, +een klein geschenk mee. Deze geschenken deed de oude man in den zak, +waarin de "verlovingskoeken" waren geweest. Daarna steeg hij te paard +en reed vroolijk naar huis. Er heerschte groote vreugde in zijn gezin, +toen men hoorde, hoe goed hij was geslaagd en dat hij werkelijk honderd +meisjes had gevonden, die gereed en bereid waren uitgehuwelijkt te +worden en dat deze honderd de dochters van een priester waren. + +De zoons drongen er op aan, dat zonder dralen een begin zou worden +gemaakt met de voorbereidselen tot het huwelijk en zij begonnen +dadelijk de gasten te noodigen, die deel uit zouden maken van de +huwelijksprocessie, welke zich naar het huis van den priester begeven +en de bruiden thuis zou brengen. + +Maar hier deed zich een andere moeielijkheid voor. De oude vader moest +twee honderd geleiders voor de bruiden zoeken (voor elke bruid twee); +honderd kooms; honderd starisvats; honderd chaious (hardloopende +voetknechten, die voor de processie uitgaan) en drie honderd voïvodes +(vaandeldragers); en bovendien een behoorlijk aantal andere gasten. Om +deze allen te vinden, moest de vader drie jaar de omgeving afjagen; +doch eindelijk waren ze gevonden en er werd een dag bepaald, waarop +zij bij zijn huis zouden samenkomen om zich vandaar in processie naar +het huis van den priester te begeven. + + + +De huwelijksprocessie. + + +Op den bepaalden dag verzamelden zich al de genoodigde gasten bij het +huis van den ouden man. Na veel geraas en verwarring, en na rijkelijk +genoten te hebben van het feestmaal, stelde de huwelijksprocessie +zich in beweging en begaf zich op weg naar het huis van den priester, +waar de honderd bruiden zich al gereed gemaakt hadden voor haar +vertrek naar haar nieuw tehuis. + +Zoo groot was de verwarring bij het vertrek geweest, dat de oude +man niet eens merkte, dat een van de honderd zoons ontbrak en hem in +het geheel niet miste bij het groeten en praten en drinken, waartoe +hij als vader van de bruidegoms verplicht was. Nu had deze jonge man +zoo lang en hard gewerkt om zich gereed te maken voor den trouwdag, +dat hij eerst wakker werd lang nadat de processie was vertrokken; +iedereen scheen evenals zijn vader zooveel aan zijn hoofd te hebben, +dat niemand hem miste. + +De huwelijksprocessie kwam in goede orde aan het huis van den priester, +waar reeds een feestmaal voor hen was aangericht. Na de noodige eer +bewezen te hebben aan de vele goede dingen en nadat al de ceremonies +vervuld waren, die bij zoo'n gelegenheid in acht genomen moeten worden, +werden de honderd bruiden aan haar geleiders gegeven en de processie +begaf zich op den terugweg naar het huis van den ouden man. Maar daar +zij eerst vertrokken, toen het al vrij laat in den middag was, werd +er besloten dat men den nacht ergens onderweg zou doorbrengen. Toen +zij daarom aan een rivier kwamen, "de Ongelukkige" genaamd, stelden +eenigen, daar het al donker was, voor aan den oever te overnachten +en niet eerst de rivier over te steken. Anderen, die deel uitmaakten +van de partij, bevalen echter met groote warmte aan de rivier over te +steken en te kampeeren aan den anderen kant. Daartoe werd eindelijk na +veel heen en weer praten besloten; de processie ging dus de brug over. + +Maar juist toen de trouwpartij halverwege de brug was, bogen de +beide leuningen naar elkaar toe en daardoor werden de menschen zoo +dicht op elkaar gedrukt, dat zij nauwelijks ruimte hadden om adem te +halen--laat staan om zich voor- of achteruit te bewegen. + + + +De zwarte reus. + + +Gedurende eenigen tijd bleven zij zoo op elkaar gepakt staan; +eenigen schreeuwden en scholden, anderen waren stil, omdat zij bang +waren. Eindelijk verscheen een zwarte reus, die hen met vreeselijke +stem toeschreeuwde: + +"Wie zijt gij allen? Vanwaar komt gij? Waar gaat gij heen?" + +De stoutmoedigsten onder hen antwoordden: "Wij gaan naar het huis +van onzen vriend en brengen de honderd bruiden thuis van zijn honderd +zoons; maar, helaas, wij hebben ons op deze brug gewaagd na het vallen +van den avond en nu worden wij zoo tegen elkaar gedrukt, dat wij noch +voor- noch achteruit kunnen." + +"En waar is uw oude vriend?" vroeg de zwarte reus. + +Nu richtten aller oogen zich op den ouden man. Deze keek den reus aan, +die onmiddellijk tegen hem zei: "Luister, oude man! Wilt gij mij geven, +wat gij thuis vergeten hebt, als ik uw vrienden over de brug laat?" + +De oude man dacht een oogenblik na, wat hij thuis vergeten kon hebben, +maar hij kon zich niet voorstellen, dat dit iets bijzonders zou kunnen +zijn, en daarbij hoorde hij van alle kanten het gekreun en gekerm +van zijn gasten. Daarom antwoordde hij: "Nu, ik zal het u geven, +als gij den stoet maar laat doorgaan." + +Toen zei de zwarte reus tot het gezelschap: "Gij hoort allen, wat hij +heeft beloofd en gij zijt allen mijn getuigen bij de overeenkomst. Over +drie dagen zal ik mijn prijs komen halen." + +Nadat hij dit gezegd had, maakte de reus de brug ruimer en de geheele +processie ging er veilig over naar den anderen kant. De lust om den +nacht in de open lucht te vertoeven, was den menschen echter ontgaan +en zij gingen daarom zoo snel zij konden verder en vroeg in den morgen +bereikten zij het huis van den ouden man. + +Toen hij van het vreemde avontuur hoorde, dat hen was overkomen, +begreep de oudste zoon, die thuis was gelaten, spoedig, hoe de zaak +stond en hij ging naar zijn vader en zei: "O, vader, u heeft _mij_ +aan den zwarten reus verkocht!" + +Toen was de oude man zeer bedroefd en verontrust; maar zijn vrienden +troostten hem en zeiden: "Wees niet bang! Er zal niets van komen." + +De huwelijksplechtigheden zouden met grooten luister gevierd +worden. Maar juist, toen het feest zijn hoogtepunt had bereikt, +op den derden dag, verscheen de zwarte reus voor de deur en riep: +"Nu, geef mij dadelijk, wat gij mij beloofd hebt." + +De oude man trad bevend naar voren en vroeg: "Wat verlangt gij?" + +"Niets anders, dan wat gij mij hebt beloofd!" antwoordde de zwarte +reus. + +Daar hij zijn belofte niet mocht breken, was de oude man, hoezeer +'t hem ook smartte, genoodzaakt zijn oudsten zoon aan den reus over +te geven, die daarop sprak: "Nu neem ik uw zoon mee, maar over drie +jaren kunt gij naar de Ongelukkige rivier komen en hem weer meenemen." + +Na dit gezegd te hebben, verdween de zwarte reus, en voerde den +jongeman met zich mee. Deze werd zijn leerjongen in zijn werkplaats, +waar de reus het beroep van toovenaar uitoefende. + +Vanaf dat oogenblik had de arme, oude man geen gelukkig oogenblik +meer. Hij was altijd bedroefd en angstig en telde elk jaar en elke +maand, en elke week en zelfs iederen dag, tot het ochtendgrauwen +van den laatsten dag verkondigde, dat de drie jaren om waren. Toen +nam hij een staf in zijn hand en haastte zich naar den oever van de +Ongelukkige rivier. Zoodra hij de rivier bereikte, kwam de zwarte +reus hem tegemoet en vroeg hem: "Waarvoor komt gij?" + +De oude man antwoordde, dat hij kwam om zijn zoon mee naar huis te +nemen, zooals zij overeengekomen waren. Daarop hield de reus hem een +blad voor, waarop een musch, een tortelduif en een kwartel zaten +en zei tegen den ouden man: "Als gij kunt zeggen, wie uw zoon is, +dan kunt gij hem meenemen." + +De oude man keek aandachtig naar de drie vogels, en keek telkens weer, +maar eindelijk was hij genoodzaakt te bekennen, dat hij niet wist, +wie zijn zoon was. Zoo was hij genoodzaakt alleen terug te gaan en +hij voelde zich nog veel rampzaliger dan te voren. Nauwelijks was +hij echter halverwege zijn huis, of hij bedacht zich en ging terug +naar de rivier met het voornemen om een van de vogels aan te wijzen, +die hem, gelijk hij zich nu herinnerde strak had aangezien. + +Toen hij de Ongelukkige rivier bereikte, kwam de reus hem weer tegemoet +en weer hield hij hem een blad voor, waarop dezen keer een patrijs, +een mees en een zanglijster zaten en hij sprak: "Nu, oude man, vertel, +wie uw zoon is!" + +De bezorgde vader keek elken vogel op de rij af oplettend aan, maar +hij voelde zich nog onzekerder dan den vorigen keer en daarop ging +hij bitter schreiend weer heen. + + + + +De oude vrouw. + + +Juist toen de oude man door een woud ging, dat zich tusschen de rivier +de Ongelukkige en zijn huis uitstrekte, kwam een oude vrouw hem tegen +en zei: "Wacht een oogenblik! Waar gaat gij zoo haastig heen? En +waarom zijt gij zoo bedroefd?" De man was zoo diep in gedachten +verzonken, dat hij in het eerst geen acht sloeg op de oude vrouw, +maar zij volgde hem, en riep nog eens en herhaalde haar vraag met nog +meer aandrang dan den eersten keer. Toen stond hij eindelijk stil en +vertelde haar, welk een ontzettend ongeluk hem had getroffen. Toen +de oude vrouw het geheele verhaal had gehoord, zei zij opgeruimd: +"Wees niet terneergeslagen. Wees niet bang! Ga weer terug naar de +rivier en als de reus de drie vogels weer brengt, kijk ze dan scherp +in de oogen. Als gij ziet, dat een der vogels een traan in een zijner +oogen heeft, grijp hem dan en houd dien vast; want dan heeft hij een +menschelijke ziel." + +De oude man dankte haar hartelijk voor haar raad en ging voor +den derden keer terug naar de Ongelukkige rivier. Weer verscheen +de zwarte reus en hij keek heel vroolijk, toen hij een musch, een +duif en een specht op zijn blad bracht en zei: "Vooruit, oude man, +zeg maar, wie uw zoon is!" Toen keek de vader de vogels scherp in +de oogen en hij zag, dat in het rechteroog van de duif een traan +biggelde. Oogenblikkelijk greep hij den vogel stevig vast en sprak: +"Dit is mijn zoon!" Het volgende oogenblik merkte hij, dat hij zijn +oudsten zoon stevig bij den schouder hield en hij nam hem zingende +en roepende van vreugde gauw mee naar huis, en gaf hem daar over aan +zijn oudste schoondochter, de vrouw van zijn zoon. + +Nu leefden zij allen eenigen tijd heel gelukkig met elkaar. Op zekeren +dag zei de jonge man echter tegen zijn vader: "Als leerling in de +werkplaats van den zwarten reus heb ik een groot aantal tooverkunsten +geleerd. Nu ben ik van plan mij in een mooi paard te veranderen, +en u moet mij naar de markt brengen en voor een goede som geld +verkoopen. Maar denk er aan, dat u den halster niet erbij geeft." + +De vader deed gelijk zijn zoon hem had gezegd. Den volgenden marktdag +ging hij naar de stad met een mooi paard, dat hij te koop aanbood. Veel +koopers kwamen om hem heen staan om het paard te bewonderen en steeds +grooter sommen geld boden zij er voor, zoodat de oude man eindelijk +in staat was het dier voor twee duizend dukaten te verkoopen. + +Toen hij het geld ontving, zorgde hij er goed voor den halster niet +te verliezen en hij keerde naar huis terug, veel rijker dan hij ooit +gedroomd had te zullen worden. + +Eenige dagen later zond de man, die het paard gekocht had, het met +een knecht naar de rivier om het te laten baden en terwijl het in het +water was, rukte het paard zich los van den knecht en galloppeerde +naar een naburig bosch. Daar nam het zijn ware gedaante weer aan en +keerde terug naar het huis van zijn vader. + +Na eenigen tijd zei de jonge man tot zijn vader: "Nu zal ik mij in +een os veranderen; u kunt mij weer naar de markt brengen om mij te +verkoopen; zorg er echter voor het koord, waaraan gij mij leidt, +niet af te geven." + +Den volgenden marktdag ging de oude man dus naar de markt, en voerde +een fraaien os aan een touw met zich mee. Spoedig vond hij een kooper, +die tienmaal den gewonen prijs voor den os betaalde. De kooper vroeg +ook om het touw om den os naar huis te leiden, maar de oude man zei: + +"Wat hebt gij aan zoo'n oud ding? Gij deedt beter een nieuw te +koopen!" en toen hij heenging, nam hij het touw mee. + +Dien avond, toen de knechts van den kooper den os naar de weide +dreven, liep hij weg, vluchtte naar het naaste bosch en na weer zijn +menschelijke gedaante te hebben aangenomen, keerde hij terug naar +het huis zijns vaders. + +Aan den vooravond van den volgenden marktdag zei de jongeman tegen +zijn vader: "Nu zal ik mij in een koe met gouden horens veranderen, +en u kunt mij evenals de vorige keeren verkoopen, maar zorg er voor +het koord niet af te geven." + +Den volgenden morgen veranderde hij zich in een koe; de oude man +bracht ze naar de markt en kreeg er drie honderd kronen voor. + +Maar de zwarte reus had gehoord, dat zijn vorige leerling veel geld +maakte door het vak te beoefenen, dat hij hem had geleerd, en daar +hij naijverig op hem was, maakte hij een einde aan de winsten van +den jongeman. + + + +De reus koopt de koe. + + +Daarom kwam hij den derden keer zelf naar de markt als kooper, +en zoodra hij de mooie koe met de gouden horens zag, wist hij, dat +dit niemand anders kon zijn dan zijn oud-leerling. Hij naderde dus +den ouden man, en na hooger geboden te hebben dan de andere koopers, +betaalde hij den prijs, dien hij geboden had. Dadelijk daarop greep +hij het koord en trachtte het den verschrikten ouden man te ontrukken, +die uitriep: "Ik heb u het touw niet verkocht, maar de koe!" en hij +hield het touw met beide handen vast. + +"O, neen!" zei de kooper, "volgens de wet en het gewoonterecht is het +touw in den koop inbegrepen! Wie een koe koopt, koopt ook het koord, +waaraan zij wordt geleid!" Eenige toeschouwers, die zich verbaasden +en pret hadden, zeiden, dat dit volkomen juist was; daarom was de +oude man wel verplicht het koord te geven. + +De zwarte reus, die zeer voldaan was over zijn koop, nam de koe mee +naar zijn kasteel, en nadat hij zware ijzers aan haar pooten had +bevestigd, maakte hij haar vast in den kelder. Elken morgen gaf de +reus wat water en hooi aan de koe, maar de ijzers maakte hij niet los. + +Op zekeren avond gelukte het de koe toch zich uit de ijzeren ketenen +te bevrijden; ze opende dadelijk de kelderdeur met haar horens en +rende weg. + +Den volgenden morgen ging de zwarte reus als gewoonlijk met water +en hooi voor de koe den kelder in. Toen hij zag, dat de koe was +weggeloopen, wierp hij het hooi neer en snelde weg om haar te +achtervolgen. + +Zoodra hij haar in het oog kreeg, veranderde hij zich in een wolf, +die onder woedend gehuil op haar toesnelde; maar zijn knappe leerling +veranderde zich dadelijk van een koe in een beer, waarop de reus de +gedaante van een leeuw aannam; toen veranderde de beer zich in een +tijger, en de leeuw veranderde in een krokodil, waarop de tijger +zich weer in een musch veranderde. Hierop veranderde de reus zich +van een krokodil in een havik en de leerling nam onmiddellijk de +gedaante van een haas aan; toen de havik dit zag, veranderde hij +in een hazewind. Toen veranderde de leerling van een haas in een +valk en de hazewind werd een arend, waarop de leerling in een visch +veranderde. Daarop veranderde de reus van een arend in een muis en +dadelijk daarna liep de leerling hem als een kat achterna; nu wist de +reus niets beters te doen dan zich in een hoop gierst te veranderen, +waarop de leerling een hen met kuikens werd, die gretig al de gierst +begonnen op te pikken, wat hun gelukte op een korrel na, juist die, +waarin de meester zat; deze veranderde zich nu in een eekhoorn, maar +onmiddellijk werd de leerling een havik; hij schoot op den eekhoorn +neer en doodde hem. + +Op deze wijze versloeg de leerling zijn meester, den zwarten reus en +wreekte zich voor al het lijden, dat hij van hem had moeten verduren, +toen hij het vak van toovenaar leerde. + +Nadat hij den eekhoorn had gedood, nam de havik zijn eigen gedaante +weer aan en de jonge man keerde vroolijk naar zijn vader terug, +dien hij in den loop des tijds onmetelijk rijk maakte. + + + + +Het beroep dat niemand kent. + + +Lang geleden leefde er een arm menschenpaar, dat een zoon had. De oude +man en zijn vrouw werkten heel hard om hun kind behoorlijk groot te +kunnen brengen, en hoopten, dat hij op zijn beurt voor hen zou zorgen +op hun ouden dag. + +Maar toen de jongen volwassen was, zei hij tegen zijn ouders: +"Nu ben ik een man en ik ben van plan te trouwen, daarom wensch ik, +dat u dadelijk naar den koning gaat en hem vraagt mij zijn dochter +tot vrouw te geven." De verbaasde ouders berispten hem en zeiden: +"Waar denk je aan? Wij hebben niets dan deze armoedige hut om ons +te beschutten en ternauwernood genoeg brood om ons te voeden; wij +durven niet eens in de nabijheid van den koning komen--noch minder +hem te vragen je zijn dochter tot vrouw te geven." + +De zoon drong er echter op aan, dat zij zouden doen, wat hij verlangde +en dreigde hen te zullen verlaten en de wereld in te gaan, indien +zij niet voldeden aan zijn wensch. Daar zij merkten, dat het hem +werkelijk ernst was met zijn verzoek, beloofden de ongelukkige ouders, +dat zij zouden gaan, en 's konings dochter voor hem als vrouw zouden +vragen. Daarop maakte de moeder in tegenwoordigheid van haar zoon +een huwelijkskoek en toen hij gereed was, deed zij hem in een zak, +nam een staf in haar hand en ging regelrecht naar het paleis, waar +de koning woonde. Daar verzochten de bedienden van den koning haar +binnen te komen; zij brachten haar in de hal, waar de koning gewoon +was arme lieden te ontvangen, die kwamen om aalmoezen te vragen en +verzoekschriften aan te bieden. + +De arme, oude vrouw stond in de hal verlegen en beschaamd om haar +versleten, armoedige kleeren; zij zag er uit, of zij van steen was, +totdat de koning vriendelijk tegen haar zei: "Wat verlangt gij van +mij, moedertje?" + +Maar zij dorst toch niet aan den koning te zeggen, waarom zij +was gekomen; daarom stamelde zij in haar verlegenheid: "Niets, +Uwe Majesteit." + +Daar moest de koning even om glimlachen en hij zei: "Misschien komt +gij om een aalmoes te vragen?" + +Toen zei de oude vrouw zeer verlegen: "Ja, Uwe Majesteit, alsjeblieft!" + +Nu riep de koning zijn bedienden en gaf hun bevel de oude vrouw tien +kronen te geven, wat zij deden. Nadat zij dit geld had gekregen, dankte +zij Zijne Majesteit en keerde naar huis terug, bij zich zelf zeggende: +"Ik wed, dat mijn zoon, als hij dit geld ziet, er niet meer over zal +spreken van ons heen te gaan." + +Maar hierin had zij zich schromelijk vergist, want nauwelijks was +zij de hut binnen gegaan of haar zoon kwam en vroeg ongeduldig: +"Wel, moeder, heeft u gedaan, wat ik u heb gevraagd?" + +Nu riep zij uit: "Geef dat dwaze denkbeeld nu eens en voor goed op, +mijn zoon. Hoe kon je verwachten, dat ik den koning zijn dochter voor +jou ten huwelijk zou vragen? Dat zou voor een rijk edelman nog een +stoutmoedige daad zijn; hoe zouden _wij_ dan aan zoo iets kunnen +denken? Doch zie eens, wat een massa geld ik heb meegebracht. Nu +kunt gij zelf naar een passende vrouw uitzien en zul je de dochter +van den koning vergeten." + +Toen de jonge man zijn moeder zoo hoorde spreken, werd hij zeer boos +en zei tegen haar: "Wat kan mij het geld van den koning schelen? Ik +verlang zijn geld niet, maar ik eisch zijn dochter! Ik zie, dat u +mij voor den gek houdt; ik ga u dus verlaten, ik zal gaan--waar mijn +oogen mij heenleiden." + +De arme oude ouders baden en smeekten hem hen op hun ouden dag niet +te verlaten, maar hij bezweek eerst voor hun aandrang, toen zij hem +oprecht beloofden, dat de moeder den volgenden dag weer naar den +koning zou gaan en hem nu werkelijk zou vragen zijn dochter aan hun +zoon uit te huwelijken. + +Daarop ging de oude vrouw den, volgenden morgen weer naar het paleis +en de bedienden lieten haar in dezelfde hal, waar zij den vorigen +keer was geweest. Toen de koning haar daar zag staan, vroeg hij: +"Wat verlangt gij nu, moedertje?" Maar zij voelde zich zoo beschaamd, +dat zij ternauwernood kon stamelen: "Niets, Uwe Majesteit." + +De koning, die veronderstelde, dat zij weer kwam bedelen, beval zijn +bedienden haar ook dezen keer tien kronen te geven. + +Met dit geld keerde de arme vrouw naar haar hut terug; baar zoon +kwam haar reeds tegemoet en vroeg: "Wel moeder, _dezen_ keer hoop +ik, dat gij gedaan hebt, wat ik heb gevraagd?" Maar zij antwoordde: +"Ach, mijn lieve zoon, laat 's konings dochter met rust. Hoe kun je in +ernst aan een huwelijk met haar denken? Zelfs al wilde zij je trouwen, +waar is het huis, waarheen je haar zoudt brengen? Zwijg er dus over +en neem dit geld, dat ik je heb meegebracht." + +Op het hooren van deze woorden was de zoon nog boozer dan te voren +en hij zei scherp: "Daar ik zie, dat u mij met de dochter van den +koning niet wilt laten trouwen, ga ik op staanden voet heen om nooit +meer terug te keeren," en hij snelde de hut uit. Zijn ouders liepen +hem hard achterna en haalden hem eindelijk over om terug te keeren, +door hem te bezweren, dat zijn moeder den volgenden morgen weer naar +den koning zou gaan--en waarlijk en oprecht dezen keer Zijne Majesteit +om zijn dochter zou vragen. + +De jonge man stemde er dus in toe terug te keeren en tot den volgenden +dag te wachten. + +'s Morgens ging de moeder met een bezwaard hart naar het paleis en werd +evenals te voren in tegenwoordigheid van den koning gebracht. Nu hij +haar hier voor den derden keer zag, vroeg Zijne Majesteit ongeduldig: +"Wat verlangt gij nu weer, oude vrouw?" En over het geheele lichaam +bevende zei zij: "Om u te dienen, Uwe Majesteit--niets." Toen riep +de koning uit: + +"Maar dat is onmogelijk. Iets moet gij verlangen. Zeg mij dadelijk de +waarheid, indien gij aan uw leven gehecht zijt." Daarop was de oude +vrouw wel genoodzaakt het geheele verhaal aan den koning te doen; +dat haar zoon den wensch koesterde de prinses te trouwen en haar +had gedwongen den koning te gaan vragen hem zijn dochter tot vrouw +te geven. + +Toen de koning alles had gehoord, zei hij: "Wel, indien mijn dochter +haar toestemming geeft, zal ik er niets tegen inbrengen." Hij zei +daarop tot zijn bedienden, dat zij de prinses moesten gaan halen. Toen +zij kwam, vertelde hij haar alles en vroeg haar: "Zijt gij bereid +den zoon van deze oude vrouw te trouwen?" + + + +De voorwaarde. + + +De prinses antwoordde: "Waarom niet? Indien hij alleen maar eerst +het beroep leert, dat niemand kent!" Daarop beval de koning aan zijn +bedienden de arme vrouw geld te geven, die nu met een verlicht hart +naar haar hut terugkeerde. + +Zoodra zij binnen kwam, vroeg haar zoon: "Hebt u de toestemming?" En +zij antwoordde: "Laat mij eerst wat op adem komen. _Nu_ heb ik het +werkelijk aan den koning gevraagd: maar het heeft je niet veel verder +gebracht, want de prinses verzekert, dat zij je niet wil trouwen, +tenzij je het beroep hebt geleerd, dat niemand kent!" + +"O, dat doet er niets toe!" riep de zoon uit. "Nu ik de voorwaarde +ken, komt alles in orde!" Den volgenden dag begaf de jongeman zich +op reis. Hij trok de wereld in om den man te zoeken, die hem het +beroep zou kunnen leeren, dat niemand kende. Op zekeren dag, toen hij +heel moe was van het loopen en heel terneergeslagen ging hij op een +gevallen boomstronk aan den kant van den weg zitten. Nadat hij zoo +een poosje had gezeten, kwam er een vrouw naar hem toe, die vroeg: +"waarom zijt gij zoo treurig, mijn vriend?" En hij antwoordde: +"Waarom vraagt gij mij dat, als gij mij niet kunt helpen?" Maar zij +vervolgde: "Vertel mij maar, wat er aan scheelt en misschien kan ik +u helpen." Daarop zei hij: "Nu, als gij het dan bepaald weten wilt, +ik reis al geruimen tijd de wereld door om den meester te vinden, +die mij het ambacht kan leeren, dat niemand kent." + +"O, is het anders niet," riep de oude vrouw, "luister dan maar naar +mij! Wees niet bang, ga recht het bosch in, dat voor u ligt en daar +zult gij vinden, wat gij noodig hebt." + +De jonge man was heel blij, toen hij dit hoorde, stond dadelijk op en +ging naar het bosch. Toen hij vrij ver het bosch in was gegaan, zag +hij een groot kasteel en terwijl hij er naar stond te kijken en zich +afvroeg, wie daar wel kon wonen, kwamen er vier reuzen uit naar buiten +rennen, die hem met donderende stem vroegen: "Wenscht gij het ambacht +te leeren, dat niemand kent?" Hij antwoordde: "Ja, dat is precies de +reden, waarom ik hier kom." Daarop namen zij hem mee in het kasteel. + +Den volgenden morgen maakten de reuzen zich gereed om op de jacht +te gaan en voordat zij vertrokken, zeiden zij tot hem: "Gij moogt +in geen geval de eerste kamer bij de eetzaal binnengaan." Nauwelijks +echter waren de reuzen goed en wel uit het gezicht, of de jonge man +begon aldus bij zich zelf te overleggen: "Ik zie heel goed in, dat ik +ergens terecht ben gekomen, waar ik nooit levend vandaan raak; daarom +kan ik even goed in de kamer gaan; voor mij blijft het hetzelfde, +wat er ook van komt." Daarom ging hij er heen, deed de deur een +eindje open en gluurde naar binnen. Daar stond een gouden ezel, +gebonden aan een gouden voederbak. Hij keek er een poosje naar en +was juist op het punt de deur te sluiten, toen de ezel zei: "Kom +binnen, neem den halster van mijn hoofd en steek hem stilletjes bij +je. Hij zal je goede diensten kunnen bewijzen, als je hem maar weet te +gebruiken." Hij nam den halster dus en na de deur gesloten te hebben, +verborg hij hem vlug onder zijn kleeren. Hij zat nog niet heel lang, +of de reuzen kwamen terug. Zij vroegen hem dadelijk, of hij in de +eerste kamer was geweest en hij antwoordde allesbehalve op zijn gemak: +"Neen, ik ben er niet in geweest." "Maar wij weten, dat gij er wel in +zijt geweest," zeiden de reuzen zeer vertoornd en zij namen groote +stokken en sloegen hem zoo geweldig, dat hij ternauwernood op zijn +voeten kon staan. Het was zijn geluk, dat hij den halster onder zijn +kleeren om zijn middel had gewonden, anders zouden zij hem zeker +doodgeslagen hebben. + +Den volgenden dag maakten de reuzen zich weer gereed om op de jacht +te gaan, maar voordat zij vertrokken, gaven zij hem opnieuw bevel in +geen geval de tweede kamer binnen te gaan. + +Bijna onmiddellijk na hun vertrek, werd hij zoo vreeselijk +nieuwsgierig, wat er wel in de tweede kamer zou zijn, dat hij geen +weerstand kon bieden aan de verzoeking om de deur te openen. Hij stond +nog een oogenblik aarzelend voor de deur stil, maar bedacht toen: +"Ik ben toch al meer dood dan levend; veel erger kan het toch niet +worden!" Daarop opende hij de deur en keek naar binnen. Hij was zeer +verbaasd, toen hij daar een heel mooi meisje zag, in louter goud en +zilver gekleed, dat bezig was haar haar te kammen; in elke vlecht +hechtte zij een grooten diamant. Hij bleef haar eenige oogenblikken +bewonderen en stond juist op het punt de deur weer te sluiten, toen zij +sprak: "Wacht even, jonge man. Neem dezen sleutel en zorg er voor hem +goed te bewaren. Hij zal u eens te pas komen, als gij slechts weet, +hoe gij hem gebruiken moet." Toen kwam hij binnen om den sleutel +van het meisje aan te nemen, waarna hij het vertrek verliet, de deur +achter zich sloot en ging zitten op de plaats, waar hij gezeten had. + +Hij had daar niet lang gezeten, of de reuzen kwamen terug van de +jacht. Zoodra zij het huis binnen kwamen, namen zij groote stokken +om hem te slaan, terwijl zij vroegen, of hij in de tweede kamer was +geweest. Bevend van angst antwoordde hij: "Neen, dat ben ik niet!" + +"Maar wij weten, dat het wel zoo is," schreeuwden de reuzen hevig +vertoornd en sloegen hem nog erger dan den eersten keer. + + + +De derde kamer. + + +Den volgenden morgen, toen de reuzen als gewoonlijk ter jacht gingen, +zeiden zij tegen hem: "Ga niet in de derde kamer, voor niets ter +wereld; want als gij dat doet, dan zullen wij niet als de vorige +keeren barmhartigheid met je betrachten! Dan kunt gij er op rekenen, +dat wij je doodslaan!" Maar ternauwernood waren de reuzen uit het +gezicht, of de jongeman zei tot zich zelf: "Het is waarschijnlijk, +dat zij mij zullen dooden, of ik er binnenga of niet. Bovendien, +al dooden zij mij niet, zij hebben mij toch al zoo erg geslagen, +dat ik meer dood dan levend ben; ik zal dus in elk geval de derde +kamer binnengaan." Hij stond op en opende de derde kamer. Maar hoe +ontstelde hij, toen hij zag, dat de kamer vol menschenhoofden was! Deze +hoofden behoorden aan jonge mannen, die evenals hij gekomen waren om +het beroep te leeren, dat niemand kent en die, na zich stipt aan de +bevelen van de reuzen te hebben gehouden, toch door hen gedood waren. + +De jongeman wendde zich snel om, teneinde zich te verwijderen, toen +een der hoofden riep: "Wees niet bang, maar kom binnen!" Daarop ging +hij de kamer in. Toen gaf het hoofd hem een ijzeren ketting en zei: +"Pas goed op dezen ketting, want hij zal u van dienst zijn, indien +gij er een goed gebruik van weet te maken!" Hij nam den ketting dus +en toen hij de kamer verlaten had, sloot hij de deur. + +Hij ging op zijn gewone plaats zitten om de komst der reuzen af te +wachten. Onderwijl werd hij zeer bevreesd, want hij was er volkomen +op voorbereid, dat zij hem zouden dooden. + +Zoodra de reuzen thuis kwamen, namen zij hun stokken op en begonnen +zij hem te slaan zonder zich zelfs een oogenblik den tijd te gunnen om +hem een vraag te stellen. Zij sloegen hem zoo heftig, dat hij zoo goed +als dood liggen bleef, daarna wierpen zij hem het huis uit en zeiden: +"Ga nu heen, nu gij het beroep geleerd hebt, dat niemand kent." + +Nadat hij geruimen tijd gelegen had op de plek, waar zij hem hadden +neergeworpen, en zich zeer pijnlijk en ellendig gevoelde, beproefde +hij eindelijk zich te bewegen, waarbij hij tot zich zelf zei: "Nu, +als zij mij werkelijk het ambacht geleerd hebben, dat niemand kent, +dan kan ik terwille van 's konings dochter met vreugde alle pijnen +lijden--als ik haar maar win." + +Na geruimen tijd gereisd te hebben, kwam de jongeman aan het paleis van +den koning, wiens dochter hij wenschte te trouwen. Toen hij het paleis +zag, was hij buitengewoon treurig; hij herinnerde zich de woorden van +de prinses, want ondanks al zijn rondreizen en lijden had hij geen +ambacht geleerd, laat staan het beroep, "dat niemand kent." Terwijl +hij nog nadacht, wat hij het best zou kunnen doen, herinnerde hij zich +eensklaps den halster, den sleutel en den ijzeren ketting, die hij, +verborgen onder zijn kleeren, steeds mee had gedragen, sinds hij het +kasteel van de vier reuzen had verlaten. Toen zei hij tot zich zelf: +"Laat ik eens zien, wat deze dingen kunnen doen!" Hij nam den halster +en sloeg er mee op den grond en onmiddellijk stond een mooi paard, +fraai opgetuigd voor hem. Daarna sloeg hij de aarde met den ijzeren +ketting en dadelijk verschenen een haas en een hazewind. De haas begon +hard te loopen en de hazewind achtervolgde hem. Een oogenblik later +herkende de jongeman zich zelf nauwelijks, want hij zag zich gekleed +in een fraai jachtcostuum en hij zat op het paard en vervolgde den +haas, die een richting insloeg, welke hem vlak onder het raam van +'s konings paleis moest voeren. Nu wilde het toeval, dat de koning +juist voor een venster stond en naar buiten keek. Dadelijk zag hij +den mooien hazewind, die den haas nazat, en het zeer mooie paard +met een jager in schitterend jachtcostuum er op. De koning was zoo +ingenomen met het voorkomen van het paard en den hazewind, dat hij +eenige bedienden riep en hen den vreemdeling nazond om dezen uit te +noodigen in het kasteel te komen. Maar toen de jongeman een aantal +menschen roepende en schreeuwende achter zich hoorde, reed hij snel +achter een dikken struik, waar hij even den halster en den ijzeren +ketting schudde. In een ommezien waren het paard, de hazewind en de +haas verdwenen en hij zat weer op den grond onder de boomen, gekleed +in zijn oude, versleten kleeren. Intusschen waren de knechts van den +koning naderbij gekomen en toen zij hem daar zagen zitten, vroegen zij +hem, of hij een knappen jager op een mooi paard voorbij had zien komen. + +Hij gaf hun ruw ten antwoord: "Neen: ik heb niemand voorbij zien komen, +ik stel er ook geen belang in, wie er voorbij gaat!" + +Toen vervolgden de dienaren van den koning hun weg en doorzochten +het bosch, waarbij zij zoo hard riepen als zij konden, maar het was +alles vergeefsch, zij zagen noch hoorden iets van den jager. Eindelijk +gingen zij terug naar den koning en vertelden hem, dat het paard en +de jager zoo buitengewoon hard reden, dat zij niets van hem bespeurd +hadden in het bosch. + + + +De zoon keert terug. + + +Nu besloot de jongeman naar de hut te gaan, waar zijn ouders +woonden. Zij waren blij, toen zij hem terugzagen. + +Den volgenden dag zei de zoon tegen zijn vader: "Nu vader, zal +ik u toonen, wat ik heb geleerd. Ik zal mij zelf veranderen in +een mooi paard en u moet mij naar de stad brengen en verkoopen, +maar zorg er voor, dat u den halster niet weggeeft, anders moet ik +altijd een paard blijven!" Hij veranderde zich onmiddellijk in een +paard van buitengewone schoonheid, en heel hooge prijzen werden voor +hem geboden; maar de oude man zette den prijs hooger en hooger bij +elk bod. Het nieuws verspreidde zich snel door de stad, dat er een +prachtig paard op de markt te koop was en eindelijk hoorde de koning +zelf er van. Hij zond eenige bedienden om het paard voor hem te halen, +zoodat hij het zou kunnen zien. + +De oude man bracht het paard dadelijk voor het paleis en de koning kon, +nadat hij het een poos bewonderd had, niet nalaten uit te roepen: +"Op mijn woord, ofschoon ik een koning ben, heb ik nog nooit zoo'n +mooi paard gezien, noch minder ooit op zoo'n beest gezeten!" + +Toen vroeg hij den ouden man, of hij het hem wilde verkoopen. "Ik wil +het heel graag aan Uwe Majesteit verkoopen", zei de oude man, "maar +alleen het paard, den halster niet." Daarop lachte de koning en zei: +"Wat zou ik met uw vuilen halster moeten doen? Voor zulk een paard +wil ik een halster van goud laten maken!" Het paard werd nu voor zeer +hoogen prijs aan den koning verkocht en de oude man keerde met het +geld terug. + +Den volgenden morgen heerschte er groote beweging en ontsteltenis in +de koninklijke stallen, want het mooie paard was gedurende den nacht +verdwenen. En op hetzelfde oogenblik, dat het paard zich uit de voeten +had gemaakt, keerde de jongeman in de hut zijner ouders terug. + +Een paar dagen later zei de jongeman tegen zijn vader: "Nu zal ik mij +in een mooie kerk veranderen en niet ver van het koninklijk paleis +gaan staan en als de koning het gebouw mocht willen koopen, dan kunt +gij het hem verkoopen, maar zorg er voor den sleutel niet af te geven, +anders moet ik altijd een kerk blijven!" + +Toen de koning dien morgen opstond en naar zijn raam ging om uit te +kijken, zag hij een mooie kerk, die hij tevoren nooit had gezien. Hij +stuurde zijn knechts op onderzoek uit, en spoedig daarna kwamen zij +terug en vertelden, dat "de kerk aan een ouden pelgrim behoorde, +die zei, dat hij bereid was ze te verkoopen, indien de koning ze +wenschte te koopen". + +Daarna liet de koning vragen voor welken prijs hij ze wilde verkoopen +en de pelgrim antwoordde: "Ze is heel veel geld waard." + + + +Hooger geboden dan de koning. + + +Terwijl de knechts met den vader onderhandelden, naderde er een +oude vrouw. Dit was dezelfde oude vrouw, die den jongeman naar het +kasteel van de vier reuzen had gezonden; zij zelf was er ook geweest +en had het ambacht geleerd, dat niemand kende. Daar zij dadelijk +begreep, wat er aan de hand was, en zij er allerminst op gesteld +was een mededinger in haar beroep toe te laten, besloot zij den +jongeman onschadelijk te maken. Daarom bood zij steeds hooger dan de +koning, en bood tenlaatste zulk een groote som baar geld, dat de man +verbaasd en verlegen werd op het zien van al het geld, dat zij hem +toonde. Hij nam haar bod dus aan, maar terwijl hij het geld telde, +vergat hij geheel en al den sleutel. Eindelijk herinnerde hij zich, +wat zijn zoon hem had gezegd, en, daar hij een onheil vreesde, liep +hij de oude vrouw hard achterna en vroeg den sleutel terug. Maar de +oude vrouw was niet te overreden den sleutel terug te geven. Ze zei, +dat die bij de kerk behoorde, die zij had gekocht en betaald. Toen +hij begon te merken, dat zij den sleutel in geen geval terug zou +willen geven, werd de oude man hoe langer hoe meer bevreesd, dat zijn +verzuim zijn zoon duur te staan zou komen. Daarom greep hij de oude +vrouw bij haar hals en dwong haar den sleutel te laten vallen. Zij +deed haar uiterste best hem weer terug te krijgen en terwijl zij en +de oude man worstelden veranderde de sleutel in een duif en vloog +weg hoog in de lucht over de tuinen van het paleis. + +Toen de oude vrouw dat zag, veranderde zij zich in een havik en joeg +de duif na. Maar juist toen de havik op haar neer wilde schieten, +veranderde de duif in een mooi bouquet, dat in de handen van de dochter +des konings viel, die juist in den tuin wandelde. Toen veranderde +de havik weer in een oude vrouw, die naar de poort van het paleis +ging. Dringend verzocht zij de prinses haar het bouquet te geven of +althans een enkele bloem er uit. + +Maar de prinses zei: "Neen! voor niets ter wereld! Deze bloemen vielen +uit den hemel op mij neer." Maar de oude vrouw was vast besloten een +der bloemen te krijgen en ging daarom regelrecht naar den koning en +smeekte hem zoo deerniswaardig, dat hij zijn dochter bevelen zou haar +een bloem te geven, dat de koning, die meende dat de vrouw een der +bloemen noodig had om van een ziekte te genezen, zijn dochter bij +zich riep en beval er een aan de bedelaarster te geven. + +Maar juist, toen de koning dit zei, veranderde het bouquet in een +hoop gierst, die zich over den grond verspreidde. Toen veranderde de +oude vrouw vlug in een hen met kuikens en begon gretig de korrels op +te pikken. Maar eensklaps verdween de gierst en in de plaats er van +stond een vos, die op de hen toesprong en haar doodde. + +Daarna veranderde de vos in een jongeman, die aan den verbaasden +koning en de prinses verklaarde, dat hij gekomen was om de hand van +de prinses te vragen en dat hij de wereld rond was getrokken, tot hij +iemand gevonden had, die hem het beroep, dat niemand kent, had geleerd. + +Toen de koning en zijn dochter dit hoorden, verklaarden zij zich +bereid de belofte te houden, die zij gegeven hadden. + +Kort daarop trouwde de dochter van den koning den zoon der arme +lieden. De koning liet voor de prinses en haar echtgenoot een paleis +vlak bij het zijne bouwen. Daar woonden zij lang en kregen er een +overvloed van kinderen en men zegt, dat eenige van hun afstammelingen +nog leven, en dat die dikwijls naar de kerk gaan bidden, die altijd +open moet blijven, omdat de sleutel er van veranderd is in een jonge +man, die de dochter van den koning trouwde, nadat hij bewezen had +aan de gestelde voorwaarden te kunnen voldoen en terwille van haar +het beroep had geleerd, "dat niemand kent." + + + +De tweelingen met de gouden haren. + + +Lang, lang geleden leefde er een jonge koning, die heel graag zou +trouwen, maar niet wist, waar hij het best deed naar een vrouw +te zoeken. + +Op zekeren avond, toen hij vermomd door de straten van zijn hoofdstad +liep, wat hij dikwijls deed, stond hij stil om te luisteren bij een +open raam, waar hij drie jonge meisjes vroolijk hoorde babbelen. + +De meisjes spraken over het gerucht, dat den laatsten tijd de rondte +door de stad deed, dat de koning van plan was spoedig te trouwen. + +Een der meisjes riep uit: "Indien de koning mij wilde trouwen, dan +zou ik hem een zoon geven, die de grootste held in de wereld zou zijn." + +Het tweede meisje sprak: "En als ik zijn vrouw zou zijn, dan zou ik +hem twee zoons tegelijk geven--de tweelingen met het gouden haar." + +En het derde meisje verzekerde, dat zij, als de koning _haar_ zou +trouwen, hem een dochter zou geven, wier schoonheid door niemand ter +wereld geëvenaard zou worden! + +De jonge koning luisterde naar dit alles, dacht eenigen tijd na over +haar woorden en beproefde vast te stellen, wie van de meisjes hij het +best deed tot vrouw te nemen. Eindelijk besloot hij, dat zij het zijn +zou, die gezegd had hem een tweeling met gouden haren te schenken. + +Toen hij hiertoe besloten had, gaf hij bevel dadelijk de +voorbereidselen tot zijn huwelijk te treffen en kort daarna, toen +alles gereed was, trouwde hij het tweede van de drie meisjes. + +Verscheidene maanden na zijn huwelijk kreeg de koning, die in oorlog +was met naburige vorsten, bericht, dat zijn leger een nederlaag had +geleden en dat het wenschelijk was, dat hij zich onverwijld naar het +kamp spoedde. Hij verliet daarom zijn hoofdstad, liet de jonge koningin +in zijn paleis achter met zijn stiefmoeder, en ging naar het leger. + +Nu haatte de stiefmoeder van den koning haar schoondochter. Toen +de jonge koningin haar bevalling voelde naderen, vertelde de oude +koningin haar, dat het de gewoonte in de koninklijke familie was, +dat de erfgenaam van den troon op een vliering geboren werd. + +De jonge koningin, die niets wist van de gewoonten bij vorstelijke +families, (behalve dan hetgeen zij gehoord of gezien had sinds +haar huwelijk met den koning) geloofde onvoorwaardelijk, wat haar +schoonmoeder haar vertelde, ofschoon zij het wel erg jammer vond haar +mooie vertrekken te moeten verlaten voor een armoedige vlieringkamer. + +Toen de tweelingen met de gouden haren geboren waren, beraamde de oude +koningin het plan hen uit de wieg te stelen en twee leelijke, kleine +honden in hun plaats te leggen. Zij liet de mooie tweelingjongetjes +met de gouden haren levend begraven op een afgelegen plek in de +tuinen van het paleis en zond daarna bericht aan den koning, dat de +jonge koningin hem twee kleine honden had geschonken inplaats van +de erfgenamen, waarop hij had gehoopt. De slechte stiefmoeder zei in +haar brief aan den koning, dat zij zelf hierover niet verbaasd was, +ofschoon zij zich zijn teleurstelling kon voorstellen en het haar +om zijnentwil veel leed deed. Zij zelf had echter de jonge koningin +er reeds lang van verdacht te groote vriendschap te koesteren voor +kabouters en feeën en allerhande soorten booze geesten. + +Toen de koning dezen brief ontving, werd hij vreeselijk woedend, +omdat hij het jonge meisje alleen getrouwd had, daar zij hem beloofd +had tweelingen met gouden haren als erfgenaam voor zijn troon te +zullen schenken. + +Hij zond bericht aan de oude koningin, dat zijn vrouw dadelijk in den +vochtigsten kelder van het kasteel geworpen moest worden, een bevel, +dat door de booze vrouw zonder verwijl werd uitgevoerd. Dientengevolge +werd de arme, jonge koningin in een ellendigen, donkeren kerker onder +het paleis op water en brood gevangen gezet. + + + +De belofte van de jonge koningin. + + +Er was maar een heel klein gat in deze gevangenis--nauwelijks genoeg +om licht en lucht door te laten. Toch wist de oude koningin gedaan +te krijgen, dat een groot aantal menschen dit hol voorbij ging en +ieder, die voorbij kwam, kreeg het bevel er naar te spuwen en de +ongelukkige jonge koningin te beleedigen door haar toe te roepen: +"Zijt gij werkelijk de koningin? Zijt gij het meisje, dat den koning +bedroog teneinde koningin te worden? Waar zijn uw tweelingen met +de gouden haren? Gij hebt den koning en uw vrienden bedrogen en nu +hebben de heksen u misleid!" + +Maar de jonge koning, ofschoon hij ontzettend boos was en gekweld +werd door zijn groote teleurstelling, was tegelijk te bedroefd om +naar zijn paleis te willen terugkeeren. Hij bleef dus negen jaren +weg. Toen hij er eindelijk in toestemde om terug te keeren, werd zijn +aandacht het eerst getrokken door twee mooie, jonge boomen in den tuin, +precies gelijk van vorm en even groot. + +Deze boomen hadden beide gouden bladeren en gouden bloesems en waren +uit zich zelf gegroeid op de plaats, waar de stiefmoeder van den +koning de twee jongetjes met de gouden haren, die zij uit de wieg +gestolen had, had laten begraven. + +De koning bewonderde deze boomen buitengewoon en hij kon er niet genoeg +naar kijken. Maar dit stond de oude koningin volstrekt niet aan, want +zij wist, dat de beide jonge prinsen begraven waren juist op de plaats, +waar de boomen groeiden en zij was altijd bang, dat op de een of andere +manier den koning ter oore zou komen, wat zij gedaan had. Zij hield +zich daarom ziek en zei, dat zij er zeker van was te zullen sterven, +tenzij haar stiefzoon bevel gaf de twee boomen met de gouden bladeren +om te houwen en een bed voor haar te laten maken uit hun hout. + +Daar de koning niet de schuld van haar dood wilde dragen, gaf hij +bevel aan haar wensch gehoor te geven, ofschoon het hem zeer speet, +dat hij zijn lievelingsboomen zou moeten missen. . + +Een bed werd spoedig gemaakt van het hout der twee boomen en de +oogenschijnlijk zieke, oude koningin werd er in gelegd, gelijk zij had +verlangd. Zij was overgelukkig, dat de boomen met de gouden bladeren +uit den tuin verdwenen waren, maar tegen middernacht werd zij wakker +en kon zij den slaap niet meer vatten. Want het scheen haar toe, +dat de planken, waarvan haar bed was gemaakt, met elkaar spraken! + +"Hoe maakt gij het, mijn broeder?" En de andere plank antwoordde: +"Dank je, ik maak het het heel goed; hoe maakt gij het?" + +"O, best," antwoordde de eerste plank; "maar ik zou wel willen weten, +hoe het met onze arme moeder gaat in haar donkeren kerker! Misschien +heeft zij honger en dorst!" + +De booze, oude koningin kon den ganschen nacht geen oog meer dicht +doen, toen zij dit gesprek tusschen de planken van haar bed had +gehoord. Den volgenden morgen stond zij heel vroeg op en begaf zich +naar den koning. Zij dankte hem, dat hij haar wenschen vervuld had en +zei, dat zij zich al veel beter voelde, maar dat zij er zeker van was +nooit geheel te zullen herstellen, tenzij de planken van haar nieuwe +bed stuk gehakt werden en in het vuur werden geworpen. Het speet +den koning ook de planken te moeten verliezen, die uit zijn twee +lievelingsboomen waren gemaakt, maar hij kon niet weigeren alles te +doen, wat tot een volkomen herstel van zijn stiefmoeder kon leiden. + +Het nieuwe bed werd dus in stukken gehouwen en in het vuur +geworpen. Maar terwijl de planken gloeiden en knetterden, vlogen +twee vonken van het vuur op het binnenplein en het volgend oogenblik +dartelden twee jonge lammeren met gouden vacht en gouden horens op +het plein rond. + +De koning bewonderde hen zeer en vroeg, wie ze daar gebracht had en +aan wien ze behoorden. Hij stuurde zelfs een omroeper verscheidene +keeren door de stad om den eigenaar van lammeren met een gouden vacht +op te roepen voor den koning te verschijnen; maar niemand kwam, +zoodat hij ten slotte van oordeel was, dat hij ze gerust als zijn +eigendom kon beschouwen. + +De koning droeg groote zorg voor deze twee mooie lammeren en gaf +elken dag aanwijzingen omtrent hun voeding en verzorging; maar dit +stond zijn stiefmoeder in het geheel niet aan. Zij kon zelfs niet +naar de lammeren met de gouden vacht en de gouden horens kijken, +zonder zich de tweelingen met de gouden haren te herinneren. + +Na een poosje gaf zij dus weer voor gevaarlijk ziek te zijn en zei, +dat zij er zeker van was, spoedig te zullen sterven, tenzij de twee +lammeren gedood en hun vleesch voor haar gekookt zou worden. + +De koning hield zelfs nog meer van zijn lammeren dan hij van zijn +boomen met de gouden bladeren had gehouden, maar hij kon niet lang +weerstand bieden aan de tranen en gebeden van de oude koningin, vooral +niet nu zij zeer ziek scheen te zijn. De lammeren werden dus gedood +en aan een knecht werd opgedragen hun gouden vacht naar de rivier te +dragen en het bloed er goed uit te wasschen. Maar terwijl de bediende +ze onder water hield, glipten zij op de een of andere manier uit zijn +vingers en dreven met den stroom mede, die op deze plaats juist heel +snel was. Nu gebeurde het, dat een eind stroomafwaarts een jager langs +de rivier liep, en toen hij toevallig op het water keek, zag hij iets +vreemds drijven. Hij stapte in de rivier en vischte er een doos uit, +die hij mee naar huis nam en daar opende. Tot zijn onuitsprekelijke +verbazing vond hij in de doos twee jongens met gouden haren. De +jager had zelf geen kinderen; hij nam daarom de tweelingen aan, die +hij uit het water had opgevischt, en bracht ze groot, alsof het zijn +eigen zoons waren geweest. Toen de tweelingen waren opgegroeid tot +knappe, jonge mannen, zei een hunner tot hun pleegvader: "Maak twee +bedelaarspakken voor ons en laat ons de wereld rondreizen!" Maar +de jager antwoordde: "Neen, ik zal een fijn pak kleeren voor ieder +van u laten maken, zooals past voor twee jonge mannen van zoo edel +voorkomen." Toen echter de beide tweelingen er op aandrongen toch niet +zooveel geld nutteloos uit te geven door mooie kleeren te koopen en +hem vertelden, dat zij er op stonden als bedelaars de wereld in te +gaan, deed de jager--die gewoon was zijn knappe pleegzoons hun zin te +geven--wat zij verlangden en bestelde twee stellen kleeren, gelijk de +bedelaars dragen. De twee zoons verkleedden zich toen als bedelaars, +verborgen zoo goed als het ging hun mooie gouden haren en begaven zich +toen op weg om in de wereld rond te zien. Zij namen een goussle mede en +een cimbaal en voorzagen in hun levensonderhoud door zingen en spelen. + + + +De zoons van den koning. + + +Zij hadden zoo eenigen tijd rondgereisd, toen zij aan het paleis van +den koning kwamen. Daar het vrij laat in den middag was geworden, +vroegen de jonge muzikanten verlof om den nacht in een van de +bijgebouwen te mogen doorbrengen, daar zij arm waren en niemand in +de stad kenden. De oude koningin, die juist op het binnenplein was, +zag hen en zei scherp, toen zij hun verzoek hoorde, dat bedelaars +niet toegelaten konden worden, in welk deel ook van het koninklijk +paleis. De beide reizigers zeiden, dat zij hadden gehoopt voor hun +logies te betalen met hun liederen en gezang, daar een hunner bij de +goussle zong en de andere bij de cimbaal. + +Maar hierdoor werd de oude koningin niet verteederd. Zij bleef er +op aandringen, dat zij onmiddellijk heen zouden gaan. Gelukkig voor +de beide broeders kwam de koning zelf op het plein, juist op het +oogenblik, dat zijn stiefmoeder hen toornig gebood heen te gaan. Hij +beval zijn bedienden dadelijk een slaapplaats voor de muzikanten +in orde te brengen en de beide broers een goed avondmaal voor te +zetten. Nadat zij hun avondeten gebruikt hadden, beval de koning hen +in zijn tegenwoordigheid te brengen, opdat hij over hun bekwaamheden +zou kunnen oordeelen, en misschien met hun gezang hem den avond zouden +kunnen korten. Nadat de twee jonge mannen de ververschingen gebruikt +hadden, die voor hen waren gereed gemaakt, voerde de bediende hen +in tegenwoordigheid van den koning, en zij begonnen deze ballade +te zingen: + +"De mooie vogel, de zwaluw, bouwde zorgvuldig haar nest in het paleis +van den koning. In het nest bracht zij twee van haar jongen groot. Een +leelijke, zwarte vogel kwam echter naar het nest van de zwaluw, om haar +geluk te verstoren en haar twee kleinen te dooden. En de leelijke, +zwarte vogel slaagde er in het geluk van de arme, kleine zwaluw te +vernietigen. Hoewel de kleinen nog jong en zwak waren en nog niet in +staat om te vliegen, werden zij echter gered en zoodra zij opgegroeid +waren en hun vleugels konden uitslaan, gingen zij naar het paleis, +waar hun moeder, de aardige zwaluw, haar nest had gebouwd." + +Dit vreemde lied zongen de twee minstreelen zoo liefelijk, dat de +koning er zeer door was bekoord en hun naar den zin van het lied vroeg. + +Hierop namen de twee armelijk gekleede jonge mannen hun hoeden af, +waardoor de prachtige lokken van hun gouden haar over hun schouders +neervielen en het schijnsel der lampen er in weerkaatsten kon, zoodat +de geheele zaal verlicht werd door hun glans. Toen traden zij naar +voren en vertelden den koning, wat hen en hun moeder was gebeurd en +zij overtuigden hem, dat zij werkelijk zijn eigen zoons waren. + +De koning geraakte buiten zich zelf van woede, toen hij al de wreede +dingen hoorde, die zijn stiefmoeder had bedreven en hij gaf bevel haar +te verbranden. Daarna ging hij met de beide prinsen met de gouden +haren naar den ellendigen kerker, waarin zijn ongelukkige vrouw +zooveel jaren had gevangen gezeten en hij bracht haar terug in haar +prachtig paleis. Toen zij daar haar zoons met de gouden haren terug +zag en merkte hoeveel hun vader van hen hield, vergat zij spoedig +haar lange jaren van ellende. Wat den koning betreft, hij voelde, +dat hij nooit genoeg kon doen, om al het onrecht goed te maken, dat +de koningin had geleden en een vergoeding te geven voor al de gevaren, +waaraan zijn tweelingzoons blootgesteld waren geweest. Hij voelde, dat +hij te gereedelijk al de verhalen van de oude koningin had geloofd, +omdat hij nooit de moeite had genomen zich te overtuigen, of al de +vreemde dingen, die zij verteld had, waarheid of leugen waren. + +Na al deze zelfkwelling en verdriet en ellende kwam alles ten laatste +weer goed. Nog lang mochten de koning met zijn vrouw en hun tweelingen +met de gouden haren gelukkig samen leven. + + + + + +HOOFDSTUK XV. EENIGE SERVISCHE POPULAIRE ANECDOTEN. + + + +St. Petrus en het zand. + + +Een stedeling ging op zekeren dag naar buiten om te jagen en kwam om +twaalf uur aan het huis van een boer, dien hij kende. De man noodigde +hem uit het middagmaal te blijven gebruiken. Onder het eten keek de +stadsbewoner rond en bemerkte, dat er maar weinig bouwgrond om de +hoeve lag. Maar rotsen en steenen waren er in overvloed. Hierover +verbaasd riep de stedeling uit: "In naam van alles, wat bestaat, +mijn vriend, hoe ter wereld kunt gij, goede lieden, in dit dorp leven +zonder vruchtbaren grond! En vanwaar deze massa rotsen en steenen!" + +"Het is werkelijk een groot ongeluk!" antwoordde de boer. "De menschen +zeggen, dat onze voorouders van hun voorvaders gehoord hebben, dat, +toen Onze Lieve Heer op deze aarde rondwandelde, de heilige Petrus +Hem vergezelde en op zijn rug een zak vol zand droeg. Nu en dan +moet Onze Lieve Heer een zandkorrel genomen en neergeworpen hebben +om een berg te maken, waarbij hij telkens zei: 'Dat deze korrel zich +vermenigvuldige!' Toen zij hier aankwamen, barstte de zak van Petrus +en de helft van den inhoud werd om dit dorp uitgestrooid". + + + +Waarom het Servische volk arm is. + + +De volkeren der wereld ontmoetten elkaar eens op het midden +van de aarde, om de goede dingen van het leven onder elkaar te +verdeelen. Eerst overlegden zij, hoe zij het zouden aanleggen. Eenigen +raadden aan er om te loten, maar de Christenen, die wel wisten, dat +zij als de verstandigsten in staat zouden zijn de meest gewenschte +gaven te verkrijgen en die dus allerminst verlangden dit door het lot +uitgemaakt te zien, sloegen voor (en het denkbeeld werd dadelijk door +allen aanvaard) dat ieder om de beurt iets goeds zou wenschen en dit +dan ook zou worden gegeven. De mannen van Italië mochten het eerst +kiezen en zij verlangden wijsheid. De Britten zeiden: "Wij willen +de zee hebben." De Turken: "En wij willen akkers hebben." De Russen: +"Wij willen bosschen en mijnen hebben". De Franschen: "En wij willen +geld en oorlog hebben". En wat wilt gij Serviërs? "Wachten, totdat +wij tot een besluit zijn gekomen!" antwoordden de Serviërs. En zij +zijn het nog altijd niet met elkaar eens over het antwoord! + + + +De zigeuners en de edelman. + + +Een heel rijk en machtig edelman reed eens zijn uitgestrekte +bezittingen rond. Van verre zagen vier Tziganen [88] dat hij alleen +was. Zij sloegen een begeerig oog op de mooie paarden voor zijn rijtuig +en namen zich voor er hem van te berooven. Toen het rijtuig naderde, +snelden zij er heen, namen eerbiedig hun muts af, knielden voor hem +neer en een hunner begon te spreken: "O hoe gelukkig zijn wij een +gelegenheid te hebben U, zeer genadig heer, onze diepe dankbaarheid +te betoonen voor de edele daden en de vele giften, waarmede uw +gestorven en edelmoedige vader ons overstelpt heeft! Sta ons, daar +wij geen geschenken van waarde bij ons hebben, toe, dat wij ons voor +uw rijtuig spannen en u naar huis trekken". De hooghartige edelman, +trotsch op de goede daden van zijn vader, stemde er gaarne in toe +zich dezen ongewonen vorm van hoffelijkheid te laten welgevallen. Twee +zigeuners spanden daarop de paarden uit, gingen zelf voor het rijtuig +loopen en trokken het een eind. Maar eensklaps sneden zij zich los +en liepen hard terug naar de andere schavuiten, die zich al met de +paarden uit de voeten hadden gemaakt. + + + +Waarom de priester verdronk. + + +Eenige boeren en een priester gingen eens een rivier over. Plotseling +kwam er storm op en de boot kantelde. Allen waren goede zwemmers +behalve de arme priester, en toen de boeren hun boot bereikt en die +weer recht in het water hadden geplaatst, wat hun heel spoedig gelukte, +zagen zij, dat de priester nog in de golven worstelde. Zij riepen +hem toe hun de hand te reiken, opdat zij hem konden redden, maar hij +aarzelde en verdronk. De boeren gingen het droevig nieuws aan zijn +weduwe vertellen, die, toen zij het hoorde, uitriep: "Hoe jammer! Maar +indien gij _uw_ hand hadt uitgestoken, dan zou hij die zeker hebben +gegrepen en dan zou zijn kostbaar leven gespaard zijn gebleven--want +het was zijn gewoonte altijd te ontvangen en nooit iets te _geven!_" + + + +De Era [89] van de andere wereld. + + +Een Turk en zijn vrouw rustten in de schaduw van een boom. De Turk +ging naar de rivier om zijn paard water te geven en zijn vrouw bleef +zijn terugkomst afwachten. Juist op dat oogenblik kwam een Era voorbij +en groette de Turksche vrouw: "Allah helpe u, edele vrouwe!" + +"Dat God u helpe," antwoordde zij; "vanwaar komt gij?" "Ik kom van +de Andere Wereld, edele vrouw." "Indien gij in de Andere Wereld zijt +geweest, hebt gij dan misschien mijn zoon Mouyo gezien, die eenige +maanden geleden is gestorven?" "O, natuurlijk heb ik hem gezien; +hij is mijn naaste buurman." "Dat maakt mij werkelijk gelukkig! Hoe +maakt hij het?" "Het gaat hem goed, God zij geprezen! Maar hij zou wat +meer tabak kunnen gebruiken, en wat meer zakgeld om zwarte koffie te +betalen." "Gaat gij weer terug? Ja? Zoudt gij dan zoo goed willen zijn +hem deze beurs te overhandigen met de groeten van zijn ouders?" De +Era nam het geld, en verzekerde, dat hij zeer verheugd was zulk een +aangename verrassing aan den jongeman te kunnen bereiden en hij maakte, +dat hij weg kwam. Weldra keerde de Turk terug en zijn vrouw vertelde +hem, wat er was gebeurd. Hij begreep dadelijk, dat zij beet genomen +was, en zonder zich den tijd te gunnen om haar verwijten te maken, +steeg hij te paard en galoppeerde den Era na, die, toen hij bemerkte, +dat hij vervolgd werd, dadelijk vermoedde, dat de ruiter de echtgenoot +van de lichtgeloovige vrouw moest zijn, en zich zoo veel haastte, +als hij maar kon, om weg te komen. Dicht in de buurt stond een molen; +de Era stormde er binnen en sprak den molenaar aldus aan: "Om Godswil, +broeder, vlucht! Ginds komt een Turksch ruiter met getrokken zwaard +aan; hij zal u dooden. Ik heb het hem hooren zeggen en ik kom hard +hierheen loopen om u bijtijds te waarschuwen." De molenaar had geen +tijd om naar bijzonderheden te vragen; hij wist, hoe wreed de Turken +waren, en zonder een woord te verspillen, rende hij den molen uit en +vluchtte naar de naburige rotsen. + +Intusschen zette de Era den hoed van den molenaar op zijn eigen hoofd +en strooide overvloedig meel over zijn kleeren, zoodat hij er als +een molenaar uitzag. Nauwelijks was dit gedaan, of de Turk kwam. Hij +steeg van zijn paard en haastig vroeg hij den Era, waar hij den dief +verborgen had. De Era wees onverschillig naar den vluchtenden molenaar +op de rots, waarop de Turk hem verzocht op zijn paard te willen passen, +terwijl hij den oplichter zou gaan grijpen. Toen de Turk een goed +eind den heuvel op was, borstelde onze Era zijn kleeren af, steeg +vlug te paard en galoppeerde weg. De Turk greep den echten molenaar +en vroeg: "Waar is het geld, dat gij van mijn vrouw hebt afgenomen, +jij oplichter?" De arme molenaar maakte het teeken des kruises [90] +en zei: "God beware me! Ik heb uw edele vrouw nooit gezien, nog veel +minder heb ik ooit geld aan haar ontnomen." + +Na ongeveer een half uur gepraat was de Turk overtuigd van de onschuld +van den molenaar en hij keerde terug naar de plaats, waar hij zijn +paard had achtergelaten. Maar zie! Er was niets van een paard te +bespeuren! Hij wandelde treurig terug naar zijn vrouw en toen zij zag, +dat haar echtgenoot geen paard had, vroeg zij verbaasd: "Waar ben je +geweest, en wat is er van je paard geworden?" De Turk antwoordde: +"Jij hebt geld naar je lieven zoon gezonden, daarom dacht ik, dat +het goed was hem het paard er bij te zenden, opdat hij in de andere +wereld niet te voet behoeft te gaan!" + + + +Ieder moet een ambacht verstaan. + + +Een koning ging eens varen in zijn weelderig ingericht pleizierjacht, +vergezeld van de koningin en een dochter. Zij hadden zich nog maar +even van de kust verwijderd, toen een krachtige wind de galei ver de +zee indreef, waar ze eindelijk tegen een kale rots stiet. Gelukkig +was er een klein bootje bij het jacht en de koning wist er zijn +vrouw en dochter mee te redden. Na geruimen tijd heen en weer +geslingerd te zijn, lachte het geluk de schipbreukelingen weer toe; +zij begonnen vogels en drijvende bladeren te zien, wat aantoonde +dat zij land naderden. En weldra kregen zij de kust in het gezicht; +daar de zee nu kalm was, waren zij instaat zonder verdere avonturen +te landen. De koning kende, echter geen ambacht, en hij had ook geen +geld bij zich. Hij was dus genoodzaakt zijn diensten als schaapherder +aan te bieden aan een rijken grondbezitter, die hem een hut gaf en +een kudde schapen om voor te zorgen. + +In deze idyllische en eenvoudige omstandigheden leefden zij +verscheidene jaren tevreden, zonder spijt te gevoelen over het gemis +van de pracht en de praal, die hen vroeger omgeven hadden. + +Op zekeren dag verdwaalde de eenige zoon van den heerscher over dit +vreemde land, toen hij bezig was een vos na te jagen, en bij die +gelegenheid zag hij de schoone dochter van onzen herder. Nauwelijks +had hij zijn oogen op het meisje geslagen, of hij werd dol verliefd op +haar en zij was niet ongenegen de verzekeringen van onvergankelijke +genegenheid aan te hooren, die hij in haar ooren stamelde. Zij +ontmoetten elkaar telkens weer en het meisje stemde erin toe den +prins te trouwen, als haar ouders toestemming gaven tot de verbintenis. + +Eerst deelde de prins zijn wensch aan zijn eigen ouders mee, die +natuurlijk zeer verbaasd waren over de schijnbaar dwaze keuze van hun +zoon en hun toestemming niet wilden geven. Maar de prins verzekerde +plechtig, dat zijn besluit onwrikbaar vast stond; hij zou òf het +meisje trouwen, dat hij lief had, òf zijn geheele leven ongetrouwd +blijven. Eindelijk kreeg zijn koninklijke vader medelijden met hem +en zond zijn eersten adjudant in het geheim naar den herder, om dezen +de hand van zijn dochter voor den prins te vragen. + + + +De voorwaarde. + + +Toen de adjudant kwam en de koninklijke boodschap overbracht, vroeg +de herder hem: "Kent de koninklijke prins een beroep?" De adjudant +was verbaasd over zulk een vraag. "God verhoede het, dwaze man!" riep +hij uit, "hoe kunt gij verwachten, dat de troonopvolger een ambacht +kent? De menschen leeren een ambacht om in hun levensonderhoud +te voorzien, vorsten bezitten landen en steden en behoeven niet +te werken". + +Maar de herder bleef volhouden en zei: "Indien de prins geen beroep +kent, dan zal hij mijn schoonzoon niet worden". + +De boodschapper van den koning keerde in het paleis terug en deed +den koning verslag van zijn onderhoud met den herder. Iedereen in het +geheele paleis was verbaasd, toen het nieuws bekend werd, want allen +hadden verwacht, dat de herder zich buitengewoon gevleid zou gevoelen, +dat de koning de hand van zijn dochter voor zijn zoon vroeg en haar +bevoorrechtte boven de vele koninklijke en keizerlijke prinsessen, +die hij maar had behoeven te vragen om ze bereid te vinden den prins +te trouwen. + +De koning zond weer een boodschapper naar den herder, maar de man bleef +op zijn stuk staan. "Zoolang de prins", zei hij, "geen ambacht kent, +zal ik hem de hand mijner dochter niet geven." + +Toen de tweede onderhandelaar met hetzelfde antwoord naar het paleis +terugkeerde, deelde de koning zijn zoon de voorwaarde van den herder +mede en de koninklijke prins besloot dan maar te trachten er aan +te voldoen. + +Hij begon met de geheele stad van huis tot huis langs te gaan, +om een eenvoudig en gemakkelijk ambacht uit te kiezen. Terwijl +hij door de straat liep, zag hij verschillende handwerkslieden aan +hun werk, maar hij bleef niet staan, voordat hij aan de werkplaats +kwam van een tapijt-maker en dit ambacht leek hem even gemakkelijk +als winstgevend. Hij bood daarom zijn diensten aan den baas aan, +die volgaarne op zich nam hem het ambacht te leeren. Na eenigen tijd +ontving de prins een bewijs van bekwaamheid, waarop hij naar den herder +ging en het hem met het proefstuk van zijn handenarbeid toonde. De +herder bekeek ze en vroeg den prins: "Hoeveel zoudt gij kunnen krijgen +voor dit tapijt?" De prins antwoordde: "Indien het van gras gemaakt +was, zou ik het voor drie stuivers kunnen verkoopen." "Wel, dat is +een prachtig bedrijf!" antwoordde de herder, "drie stuivers vandaag +en nog drie stuivers morgen, dat zou zes stuiver maken, en na nog +twee dagen zoudt gij een schelling hebben verdiend! Indien ik dit +ambacht eenige jaren vroeger had gekend, zou ik nu geen herder zijn." + +Daarop deed hij den prins en zijn gevolg het verhaal van zijn vorig +leven en van het ongeluk, dat hem getroffen had, waarover allen ten +zeerste verbaasd waren. Gij kunt er zeker van zijn, dat het den prins +verheugde, dat zijn geliefde van hooge geboorte, en dus een waardig +gezellin voor een koningszoon was. En wat zijn vader betrof, die was +bijzonder blij, dat zijn zoon niet de dochter van een eenvoudigen +herder had liefgekregen, maar een koninklijke prinses. Het huwelijk +werd nu met groote pracht gevierd en toen de feestelijkheden waren +afgeloopen, gaf de koning aan den herder een mooi schip en een goed +bewapend geleide, waarmee hij naar zijn land terugkeerde en er zijn +koninklijken troon weer in bezit nam. + + + +Einde. + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] De Servische nationale barden. + +[2] Haïdooks--dolende ridders. + +[3] Een primitief instrument met een snaar, dat in elk Servisch huis +wordt gevonden. + +[4] Mussachi's gedenkschrift in Karl Hopf's Chroniques Graeco-Romaines. + +[5] Tchech is een beter synonym voor het onjuiste Bohemer. + +[6] In 't Servisch Pepelyouga, waarin pepel, of--met als o uitgesproken +l--pepeo, beteekent sintel of asch; ouga, dat het achtervoegsel is, +komt in beteekenis overeen met het Engelsche one of het Italiaansche +ella. + +[7] Zie _Servische conversatie spraakkunst_, door Woislav M. Petrovitch +uitg. Julius Groos, Heidelberg, 1914 (Londen: David Nutt, 212 +Shaftesbury Avenue, W.C.), Inleiding pp. 1-8. + +[8] Dit was een van de vele eerbewijzen, die de boer, welke zich zelf +gevormd had, ontving. Hij werd door de universiteit te Jena tot doctor +honoris causa benoemd. Later werd hij medewerkend of eerelid van de +meeste Academies van Wetenschappen in Europa; de hoogste orden van de +in Servië regeerende vorsten werden hem geschonken, en de keizers van +Oostenrijk, Rusland en Duitschland vereerden hem met gelijke bewijzen +van hun gunst. + +[9] Protestanten van de Grieksch orthodoxe kerk, die zich later in +Bosnië vestigden. + +[10] Zie het gedicht: "Tsaar Ourosh en de Edelen of De Koninklijke +Prins Marko vertelt aan wien het keizerrijk zal behooren." + +[11] De titel komt overeen met dien van prins. + +[12] "Ban" is de oorspronkelijke titel van de regeerders van Bosnië. + +[13] Voïvode beteekende oorspronkelijk "leider van een leger" of +"generaal". Als adellijke titel komt het overeen met het Engelsche +"Duke" dat, afgeleid van het Latijnsche dux, dezelfde wortelbeteekenis +bezit. + +[14] De mannelijke leden van een Servische familie blijven na hun +huwelijk in het ouderlijk huis wonen. Indien het huis te klein is, om +het jonge paar te huisvesten, wordt het familiehuis met een bijgebouw +vergroot. Op deze manier kan het huis tot in het oneindige uitgebreid +worden en het is bekend, dat wel tachtig leden van een familie samen +hebben gewoond. Zulke familievereenigingen worden "zadrooga" genoemd. + +[15] Een van de hoofdpersonen in het drama van koning Nikita "_De +Keizerin van de Balkanstaten_" is een krijgsman, genaamd Peroon. + +[16] Zie Prins Marko en de "Veela" bladz. 104. + +[17] Zie De dood van "Marko" bladz. 117. + +[18] Zie "Het bouwen van Skadar" bladz. 198. + +[19] Monnik Marcus van Seres: Zêtêsis peri boulcholachôn, ed. Lambros; +Neos Hellênomnêmôn I (1904) 336-352. + +[20] Pleiaden zijn ook bekend onder den naam Sedam Vlashitya. + +[21] Zie "De Tsarina Militza en de Zmay van Yastrebatz" bladz. 130. + +[22] Een Servisch woord van Turkschen oorsprong. + +[23] Deze persoon is gewoonlijk een broer of een zeer intieme vriend +van den bruigom. Hij komt eenigszins overeen met den bruidsjonker, +maar zijn functies zijn gewichtiger, zooals blijken zal. + +[24] Bosschen werden tot kort geleden beschouwd als gemeenschappelijk +eigendom. Zelfs in onze dagen staat het iederen boer vrij een +Badgnak-boom te hakken in welk bosch hij wil, al is het 't eigendom +van vreemdelingen. + +[25] Aangehaald door den historicus Leopold von Ranke. + +[26] Een instrument, dat eentonige, dreunende geluiden voortbrengt en +dat in veel opzichten op een lier gelijkt. In den ouden tijd werd dit +instrument bespeeld door minstreelen boven de dertig jaar. Jongere +mannen speelden fluit, viool of een soort doedelzak. + +[27] Ten einde te illustreeren hoe vast dit geloof in geheel Servië +wortel heeft geschoten, haalt de schrijver het volgende uit zijn +artikel (verkort) aan: "Hoe een Servische Prins uit de veertiende +eeuw in den laatsten oorlog op een wonderlijke wijze een overwinning +behaalde." _The International Psychic Gazette_ Mei 1913. + +"Toen wij verleden jaar den 15den November te Skoplye (Uskub) kwamen, +gaven de Servische officieren een betrekkelijk kostbaar feestmaal in +hun kazerne ter eere van den generaal-chirurgijn Bourke en de twee +Britsche afdeelingen van het Roode Kruis, bij welke gelegenheid de +bejaarde generaal Mishitch ons het volgende voorval vertelde uit den +slag van Prilip, die een paar dagen te voren was geleverd. + +"Onze infanterie had voor dien slag, welke eenig is in de +geschiedenis der veldslagen, het bevel gekregen een geforceerden +marsch te maken. Zij moest aan den voet van den berg Prilip, waarop +eens het kasteel van Marko stond, wachten op de uitwerking van onze +artillerie, die zoowel in aantal als in hoedanigheid, die der Turken +overtrof. Zij was gewaarschuwd het fort vooral niet te bestormen, +voordat het bevel daartoe door den opperbevelhebber gegeven was. Dit +was volstrekt niet overbodig, want onze soldaten hadden kort te voren +verscheidene slagen met de punt van de bajonet gewonnen en waren er +van overtuigd, dat niets de Turken zoo kon verschrikken als het gezicht +van de glinsterende bajonetten der Servische troepen. Ook wisten zij, +dat enkel het geroep _Na noge!_ van de Bulgaren, voldoende was geweest +om de Turken bij Kirk-Klissé en Lülé Bourgass op de vlucht te jagen. + +"Gedurende den vroegen morgen hield de infanterie zich rustig, +maar reeds bij de eerste kanonschoten merkten wij een ongewone +beweging onder onze troepen en spoedig daarna hoorden wij een woest +geschreeuw en zagen wij hen als wolven regelrecht op het kasteel van +den koninklijken Prins Marko aansnellen. Ik kon hooren, hoe kapitein +Agatonovitch hen beval te blijven staan en het sein tot den aanval +van den generaal af te wachten. + +"Toen de troepencommandanten zagen, dat discipline machteloos +bleek, beproefden zij te vergeefs een beroep te doen op het gezond +verstand van de soldaten. Zij voorspelden hen een zekeren dood, +indien zij tenminste de uitwerking der artillerie niet afwachtten, +maar hun woorden werden overstemd door het gebulder van het Turksche +belegeringsgeschut en de mitrailleuses, en onze soldaten liepen +regelrecht het vuur in, waar zij bij dozijnen schenen te vallen! Het +was een afschuwelijk gezicht. Ik was niet in staat mijn manschappen +tot staan te brengen. Mijn bloed stolde, ik sloot mijn oogen. Een +rampzalige nederlaag! Demoraliseering van de andere troepen! Mijn +eigen degradatie was zeker! + +"Na een poosje hield onze artillerie op met vuren, daar zij anders de +eigen troepen gedood zou hebben, die nu de bajonetten kruisten met de +Turksche infanterie. Eenige oogenblikken later zagen wij de Servische +nationale kleuren van den slottoren van het kasteel van Kralyevitch +Marko wapperen. De Turken vluchtten in de grootste wanorde. De +overwinning onzer troepen was even volkomen als snel geweest! + +"Toen wij iets later op het tooneel van den strijd kwamen, werd er een +parade bevolen. Na het appel merkten wij, dat ons verlies betrekkelijk +onbeteekend was. Ik prees mijn helden voor hun dapper gedrag, maar +berispte hen scherp over hun ongehoorzaamheid. Bij mijn laatste +vermanende woorden riepen die duizenden soldaten als uit een mond: +'_Kralyevitch Marko beval: Voorwaarts! Heeft u hem niet gezien op +zijn Sharatz?_' + +"Het was mij duidelijk, dat de overlevering van Kralyevitch zoo diep in +het hart van deze eerlijke en heldhaftige mannen was gegrift, dat zij +in hun levendig enthousiasme de incarnatie van hun held hadden gezien. + +"Ik zond de troepen weg en beval hun de geheele week een dubbel +rantsoen voedsel en wijn te geven. Elke tiende man ontving een +'_Medalya za Hrabrost_' (medaille voor moed)." + +[28] Tabor is een Turksch woord en beteekent leger of kamp. + +[29] Andere barden zeggen "Gratchanitza". + +[30] Despoot was een eeretitel van de Byzantijnsche keizers, daarna +van de leden van hun familie, die naderhand als ambtstitel overging +op hun vazallen en gouverneurs. In rang volgde de despoot onmiddellijk +op den koning. + +[31] Divan is een Turksch woord voor "Senaat". + +[32] Koula is het Servische woord voor "Kasteel". + +[33] Istamboel is de Turksche naam voor Konstantinopel. + +[34] Firman is een Turksch woord voor keizerlijken "brief" of +"decreet". + +[35] Met tovar, een Servische maat, werd een hoeveelheid bedoeld, +die een normaal paard op zijn rug kan dragen. Het is nu een verouderde +term. + +[36] Dervish is een kerkelijk ambtenaar bij de Mohamedanen. Voor den +ongeloovige is het een scheldwoord. + +[37] Wat in 't Servisch beteekent "totdat gij trouwt". + +[38] Dit doelt op Lazarus, die in den slag van Kossovo viel. + +[39] _Kessedjiya_ beteekent "vechtersbaas", "bullebak", en is de +bijnaam van den Albaneeschen roofridder Moussa, die gedurende jaren +des sultans macht tartte. De gebeurtenis beschreven in het gedicht, +waarop hier volgens sommige Servische historici wordt gedoeld--, +verhaalt een voorval, dat werkelijk plaats had in het begin van de +veertiende eeuw. Er is nauwelijks een herberg of wijnhuis in de dorpen +der zuidelijke Slaven te vinden, waar niet op den voorgevel de ruwe +fresco prijkt, die het tweegevecht van Marko en Moussa voorstelt. + +[40] Arbanass is een andere naam voor Albanees + +[41] Dyugoom, een koperen watervat, van binnen geëmailleerd. + +[42] Adrianopel. + +[43] Deze regels worden beschouwd als de schoonste, welke ooit door +eenig Servisch bard zijn geschreven; vrij vertaald beteekenen zij: +"O heer Strahinya, gij roemrijke Servische valk! Gij die steeds op +uw trouw paard Dyogo, en op uw eigen moed vertrouwt, zult, waar gij +ook gaat, een weg vinden, waar geen gevaar u bedreigt." + +[44] Hier wijst de bard in de naïeve beschouwingen, waarmede hij zijn +verhaal onderbreekt, op het verschijnsel, dat het schoone geslacht +altijd op slechten voet staat met trouwe honden. + +[45] Zmay is het Servische woord voor "draak", maar in dit gedicht +wordt het figuurlijk gebruikt, om de bovenmenschelijke eigenschappen +aan te duiden, die naar men aanneemt de helden bezitten. + +[46] Tchardack is een Turksch woord en beteekent een toren, voorzien +van balkons. + +[47] Vorst over Zetta en Montenegro, in het begin van de vijftiende +eeuw afzonderlijke staten. + +[48] Deze uitdrukking komt in veel van de gedichten voor en duidt op +de diepste neerslachtigheid en teleurstelling. + +[49] In dit vers drukt de troubadour de meening uit--volstrekt niet +complimenteus tegenover vrouwen, doch in de Balkanstaten wordt dat +oordeel algemeen onderschreven--dat vrouwen lange haren hebben en +korte hersenen. (Dooge kosse a pameti kratke). + +[50] Een andere lezing van deze ballade meldt, dat Maximus Milosh +uitdaagde tot een duel, waarin de Prins overwinnaar bleef. + +[51] Anderen beweren, dat Maximus niet vluchtte, maar bleef en streed +tot hij uitgeput was door zijn ontelbare wonden en dat hij toen een +bovenmenschelijke poging deed en er in slaagde zijn bruid te bevrijden. + +[52] Dit is de volksnaam voor Serviërs, die in Batchka en Banat wonen, +provincies die nu onder Oostenrijksch-Hongaarsch bestuur zijn. + +[53] De liefde van een zuster voor haar broer is spreekwoordelijk +in Servië. Geheele balladen zijn gewijd aan schoone voorbeelden van +zulk een liefde. In Servië kan geen zuster een plechtiger eed zweren, +dan die welke zij aflegt bij den naam van haar broer. + +[54] Kroushavatz was onder de regeering van tsaar Lazarus +Hrebélianovitch en dus tijdens den vermaarden slag van Kossovo +(A.D. 1389) de hoofdstad van het uitgestrekte Servische keizerrijk. + +[55] Laboud beteekent witte zwaan. + +[56] De Turksche Sultan Amourath I kwam om door de hand van voïvode +Milosh. Die groote Servische held doorstak hem met zijn verborgen +ponjaard, toen hij, beschuldigd van verraad, in de tegenwoordigheid +van den sultan werd geleid. + +[57] Verkorting van Amourad of Amourath. + +[58] Een ballade uit Montenegro, uit het district Byelopavlitch. + +[59] Danitza is de morgenster. De Servische barden beginnen vaak hun +gedichten met de vermelding van den ochtendstond en de verschijning +van "Danitza". Verscheidene algemeen bekende balladen beginnen aldus: +De maan beknort de ster Danitza: "Waar zijt gij geweest? Waarmee hebt +gij uw tijd verspild?" En Danitza deelt dan ter verontschuldiging van +haar lang wegblijven onveranderlijk aan de Maan mede, hetgeen zij in +den nacht, gedurende haar afwezigheid heeft gezien, meestal een slechte +daad van een Turk of een bewijs van karakterloosheid van een jongen +man tegenover zijn broer of een ander bloedverwant, een oneerlijkheid +bij de verdeeling van het vaderlijk erfdeel, of iets dergelijks. + +[60] Een sidjadé is een divan. + +[61] Een hodja is een Mohammedaansch priester. + +[62] De kadi is een Ottomaansch rechter. + +[63] De djelat is de beul. + +[64] Een Vladika is in Servië een "bisschop". In Montenegro waren +de leden van het huis Petrovitch-Niegosh zoowel wereldlijke als +geestelijke heerschers. Het was Vladika Danilo Petrovitch, oom van +den tegenwoordigen koning van Montenego, die het allereerst den titel +aannam van erfelijk prins. + +[65] Koning Voukashin, de vader van prins Marko, was een leenman van +keizer Doushan, den Machtigen. + +[66] Boyana is de rivier, aan welker oever Scoetari is gebouwd. + +[67] De Servische barden van de veertiende eeuw gebruikten +onveranderlijk het woord "boek" als zij een brief bedoelen. + +[68] Of volgens enkele barden Piritor. Men beweert, dat de muren van +het kasteel in Herzegovina nog aangewezen kunnen worden. + +[69] Tchile verkleinwoord van Yaboutchilo, den vollen naam van +het paard. + +[70] Men dient in het oog te houden, dat zulke balladen door de barden +voorgedragen worden voor groote bijeenkomsten van allerlei leeftijd +en beiderlei geslacht; waarbij zij zich soms rechtstreeks tot hun +hoorders wenden. + +[71] Dit is weer een voorbeeld van de innigheid der zusterlijke liefde, +waarvan wij reeds vroeger hebben gesproken. + +[72] Deze ballade is naar alle waarschijnlijkheid een in mythologisch +gewaad gestoken herinnering aan een geweldige voorhistorische +catastrophe; zij toont duidelijker dan eenige andere oude herinnering +van het dichterlijke Servische volk de opvallende overeenstemming +tusschen de overleveringen der verschillende volkeren. + +[73] Dit begin zou menigen lezer in verwarring kunnen brengen, als +niet werd meegedeeld, dat de beroering niet wordt teweeg gebracht +door de heiligen, maar, wat een Servisch auditorium heel goed weet, +deze inleiding enkel haar ontstaan dankt aan de behoefte, die de bard +voelt om zijn verhaal met een effectvollen aanhef te beginnen, teneinde +zich daardoor van de volle aandacht zijner toehoorders te verzekeren. + +[74] Divan beteekent in het Servisch een vergadering van een +regeeringslichaam. In dezen zin beteekent het 't Laatste Oordeel. + +[75] Skadar of Skadra afgeleid van de Italiaansche benaming Scodra +of ook Scoetari, de tegenwoordige hoofdstad van Albanië. Scoetari +heeft sinds onheugelijke tijden aan de Serviërs behoord. + +[76] Kraly beteekent Koning. + +[77] Boyana is de naam van de rivier, die de muren van Skadar bespoelt + +[78] Neimar beteekent architect. + +[79] Sir John Bowring, die in 1827 hierover schreef, verhaalt, dat +een kleine stroom van vloeibare koolzure kalk op de muren van Scoetari +wordt aangemerkt als een blijk van de waarheid dezer geschiedenis. Vouk +St. Karadgitch zegt, dat het Servische volk zelfs nu nog gelooft, +dat geen groot gebouw met succes opgericht kan worden, zonder dat er +een levend wezen ingemetseld wordt. Daarom vermijden zij de nabijheid +van zulke gebouwen, als men bezig is ze op te trekken, want er wordt +gezegd, dat het reeds voldoende is, wanneer slechts de geest van zulk +een ongelukkige wordt ingemetseld, waarop echter een spoedige dood +volgt. Srpske Narodne Pyesme, Weenen 1875, deel II p. 124 noot 20. + +[80] Een vervallen vesting aan de oevers van de rivier Morava. Den +zelfden naam draagt een stad in Midden-Servië, niet ver verwijderd +van het kasteel van Theodorus. + +[81] Deze legende werd opgeteekend, en aan Vouk St. Karadgitch +medegedeeld door vorst Michaël Obrenovitch III, die ze in zijn jeugd +van zijn kindermeid had gehoord. + +[82] De christenen van de Balkanstaten maken gewoonlijk een kruis +voor en na hun maaltijd. + +[83] Een gouden muntstuk van ongeveer 12 gulden. + +[84] De appel is een symbolisch geschenk, dat hij, die naar haar hand +dingt, het meisje zijner keuze aanbiedt. + +[85] Het is de gewoonte bij de Serviërs, dat een van de broers het +meisje aan den toekomstigen bruigom geeft. + +[86] Baardeloosheid is het kenmerk van de listige en verraderlijke +naturen. + +[87] Dit en de volgende verhalen in dit hoofdstuk zijn met vriendelijke +toestemming van M. Chede Miyatovitch ontleend aan de Servische Folklore +van mevrouw C. Miyatovitch. + +[88] Tziganen of Zigeuners in Servië en eigenlijk in het geheele +Balkanschiereiland zijn voornamelijk paardenhandelaars. Het stelen +en verkoopen van paarden is hun hoofdbedrijf. + +[89] Era is een naam, die aan de boeren van het district Ouzitze +(Westelijk Servië) wordt gegeven. Zij hebben den naam heel geestig +en sluw te zijn en zouden de Ieren van Servië genoemd kunnen worden. + +[90] Als Serviërs zeer verbaasd over iets zijn, maken zij onwillekeurig +het teeken des kruises. + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HELDENSAGEN EN LEGENDEN VAN DE +SERVIËRS *** + +Updated editions will replace the previous one--the old editions will +be renamed. + +Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright +law means that no one owns a United States copyright in these works, +so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the +United States without permission and without paying copyright +royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part +of this license, apply to copying and distributing Project +Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ +concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, +and may not be used if you charge for an eBook, except by following +the terms of the trademark license, including paying royalties for use +of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for +copies of this eBook, complying with the trademark license is very +easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation +of derivative works, reports, performances and research. Project +Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may +do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected +by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark +license, especially commercial redistribution. + +START: FULL LICENSE + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase “Project +Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full +Project Gutenberg™ License available with this file or online at +www.gutenberg.org/license. + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project +Gutenberg™ electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or +destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your +possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a +Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound +by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the +person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph +1.E.8. + +1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this +agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ +electronic works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the +Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection +of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual +works in the collection are in the public domain in the United +States. If an individual work is unprotected by copyright law in the +United States and you are located in the United States, we do not +claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, +displaying or creating derivative works based on the work as long as +all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope +that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting +free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ +works in compliance with the terms of this agreement for keeping the +Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily +comply with the terms of this agreement by keeping this work in the +same format with its attached full Project Gutenberg™ License when +you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are +in a constant state of change. If you are outside the United States, +check the laws of your country in addition to the terms of this +agreement before downloading, copying, displaying, performing, +distributing or creating derivative works based on this work or any +other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no +representations concerning the copyright status of any work in any +country other than the United States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other +immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear +prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work +on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the +phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, +performed, viewed, copied or distributed: + + This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and + most other parts of the world at no cost and with almost no + restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it + under the terms of the Project Gutenberg License included with this + eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the + United States, you will have to check the laws of the country where + you are located before using this eBook. + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is +derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not +contain a notice indicating that it is posted with permission of the +copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in +the United States without paying any fees or charges. If you are +redistributing or providing access to a work with the phrase “Project +Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply +either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or +obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ +trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any +additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms +will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works +posted with the permission of the copyright holder found at the +beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg™. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg™ License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including +any word processing or hypertext form. However, if you provide access +to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format +other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official +version posted on the official Project Gutenberg™ website +(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense +to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means +of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain +Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the +full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works +provided that: + +• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed + to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has + agreed to donate royalties under this paragraph to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid + within 60 days following each date on which you prepare (or are + legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty + payments should be clearly marked as such and sent to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in + Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg + Literary Archive Foundation.” + +• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ + License. You must require such a user to return or destroy all + copies of the works possessed in a physical medium and discontinue + all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ + works. + +• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of + any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days of + receipt of the work. + +• You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg™ works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project +Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than +are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing +from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of +the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set +forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +works not protected by U.S. copyright law in creating the Project +Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ +electronic works, and the medium on which they may be stored, may +contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate +or corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged disk or +other medium, a computer virus, or computer codes that damage or +cannot be read by your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right +of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium +with your written explanation. The person or entity that provided you +with the defective work may elect to provide a replacement copy in +lieu of a refund. If you received the work electronically, the person +or entity providing it to you may choose to give you a second +opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If +the second copy is also defective, you may demand a refund in writing +without further opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you “AS-IS”, WITH NO +OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of +damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement +violates the law of the state applicable to this agreement, the +agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or +limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or +unenforceability of any provision of this agreement shall not void the +remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in +accordance with this agreement, and any volunteers associated with the +production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ +electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, +including legal fees, that arise directly or indirectly from any of +the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this +or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or +additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any +Defect you cause. + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ + +Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of +computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It +exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations +from people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™'s +goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg™ and future +generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see +Sections 3 and 4 and the Foundation information page at +www.gutenberg.org + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by +U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, +Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up +to date contact information can be found at the Foundation's website +and official page at www.gutenberg.org/contact + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without +widespread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine-readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To SEND +DONATIONS or determine the status of compliance for any particular +state visit www.gutenberg.org/donate + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. To +donate, please visit: www.gutenberg.org/donate + +Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project +Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be +freely shared with anyone. For forty years, he produced and +distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of +volunteer support. + +Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in +the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not +necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper +edition. + +Most people start at our website which has the main PG search +facility: www.gutenberg.org + +This website includes information about Project Gutenberg™, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
