summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:53:02 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:53:02 -0700
commit9b4b152be532081cdfd4e028633f79ffeb2db674 (patch)
treeda2c45e39b5013b00fbf48d64a500dd99f7d887b
initial commit of ebook 18305HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--18305-8.txt15492
-rw-r--r--18305-8.zipbin0 -> 304176 bytes
-rw-r--r--18305-h.zipbin0 -> 3800851 bytes
-rw-r--r--18305-h/18305-h.htm14660
-rw-r--r--18305-h/images/f038.jpgbin0 -> 14777 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/f048.jpgbin0 -> 32993 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/f049.jpgbin0 -> 11635 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/f050.jpgbin0 -> 14890 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/f051.gifbin0 -> 17870 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/f052.gifbin0 -> 2876 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/f056-1.gifbin0 -> 3117 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/f056-2.gifbin0 -> 1425 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/f057-1.gifbin0 -> 3291 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/f057-2.gifbin0 -> 2386 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/f057-3.gifbin0 -> 1344 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/f058.gifbin0 -> 4098 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/f059-1.jpgbin0 -> 6900 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/f059-2.gifbin0 -> 3840 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/f061.gifbin0 -> 994 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/f062.gifbin0 -> 713 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/f307.gifbin0 -> 4018 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/front.jpgbin0 -> 57501 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/gen148.gifbin0 -> 5476 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/gen164-1.gifbin0 -> 3322 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/gen164-2.gifbin0 -> 4949 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/gen322.gifbin0 -> 20053 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/gen323.gifbin0 -> 15941 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/gen324.gifbin0 -> 15410 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p000.jpgbin0 -> 78953 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p006.jpgbin0 -> 49906 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p008.jpgbin0 -> 47162 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p022.jpgbin0 -> 49360 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p024.jpgbin0 -> 47253 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p032.jpgbin0 -> 50457 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p038.jpgbin0 -> 41979 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p042.jpgbin0 -> 34994 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p050.jpgbin0 -> 39348 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p056.jpgbin0 -> 72683 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p068.jpgbin0 -> 53752 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p070.jpgbin0 -> 45157 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p082.jpgbin0 -> 40177 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p084.jpgbin0 -> 48239 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p090.jpgbin0 -> 45989 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p092.jpgbin0 -> 49544 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p094.jpgbin0 -> 48130 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p096.jpgbin0 -> 46750 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p098.jpgbin0 -> 55939 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p102.jpgbin0 -> 48900 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p108.jpgbin0 -> 48942 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p112.jpgbin0 -> 39701 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p114.jpgbin0 -> 47884 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p124.jpgbin0 -> 51665 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p128.jpgbin0 -> 46798 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p136.jpgbin0 -> 47620 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p138.jpgbin0 -> 45750 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p146.jpgbin0 -> 41113 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p150.jpgbin0 -> 48828 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p154.jpgbin0 -> 51449 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p162.jpgbin0 -> 47742 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p164.jpgbin0 -> 46713 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p166.jpgbin0 -> 52810 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p168.jpgbin0 -> 48041 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p180.jpgbin0 -> 54850 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p188.jpgbin0 -> 47096 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p190.jpgbin0 -> 78636 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p196.jpgbin0 -> 50718 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p202.jpgbin0 -> 47161 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p204.jpgbin0 -> 50006 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p206.jpgbin0 -> 52765 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p208.jpgbin0 -> 49563 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p214.jpgbin0 -> 47652 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p224.jpgbin0 -> 50847 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p226.jpgbin0 -> 54870 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p236.jpgbin0 -> 57634 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p238.jpgbin0 -> 43257 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p244.jpgbin0 -> 42027 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p248.jpgbin0 -> 44057 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p252.jpgbin0 -> 33781 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p254.jpgbin0 -> 47291 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p256.jpgbin0 -> 45337 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p262.jpgbin0 -> 41490 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p264.jpgbin0 -> 46531 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p270.jpgbin0 -> 55302 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p274.jpgbin0 -> 51523 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p278.jpgbin0 -> 44595 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p286.jpgbin0 -> 46600 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p292.jpgbin0 -> 40468 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p294.jpgbin0 -> 39359 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p304.jpgbin0 -> 46761 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p332.jpgbin0 -> 40798 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p340.jpgbin0 -> 43500 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p346.jpgbin0 -> 42783 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/p372.jpgbin0 -> 47904 bytes
-rw-r--r--18305-h/images/spine.jpgbin0 -> 24316 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
97 files changed, 30168 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/18305-8.txt b/18305-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..7562529
--- /dev/null
+++ b/18305-8.txt
@@ -0,0 +1,15492 @@
+Project Gutenberg's Keltische Mythen and Legenden, by T. W. Rolleston
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Keltische Mythen and Legenden
+
+Author: T. W. Rolleston
+
+Translator: B.C. Goudsmit
+
+Release Date: May 4, 2006 [EBook #18305]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KELTISCHE MYTHEN AND LEGENDEN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Keltische Mythen en Legenden
+
+ Door
+
+ T. W. Rolleston
+
+ Bewerkt door
+
+ Dr. B. C. Goudsmit
+
+
+
+ Zutphen--W. J. Thieme & Cie
+
+
+
+
+
+De Nederlandsche bewerking van deze Keltische Mythen was reeds voor
+een belangrijk deel gevorderd, toen de door ons zoo hoog gewaardeerde
+Dr _B. C. Goudsmit_ door den dood werd weggenomen. Wij slaagden er in
+een bevoegden vertaler te vinden (hij wenscht ongenoemd te blijven)
+voor het voltooien van zijn arbeid.
+
+De uitgevers.
+
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+
+Het verleden kan worden vergeten, het sterft nimmer. De elementen, die
+in de vroegste tijden bij de vorming van een natie in het spel kwamen,
+blijven bestaan en dragen er toe bij haar geschiedenis te maken en
+den stempel te drukken op het karakter en den geest van het volk.
+
+Daarom moet het nasporen van die elementen en het bepalen, voor
+zoover mogelijk, van het deel dat zij hebben gehad aan schering en
+inslag van het leven van een volk, van niet gering belang zijn voor
+hen die inzien, dat uit het verleden het heden en uit het heden de
+toekomst wordt geboren; die zich zelf, hun magen en hun medeburgers
+niet willen beschouwen alleen als voorbijgaande schimmen, zich van de
+eene duisternis in de andere spoedend, maar die weten dat door hen een
+breede historische stroom gaat, van een verwijderden en geheimzinnigen
+oorsprong naar een toekomst, die in hooge mate wordt bepaald door
+al de vroegere omzwervingen van dien menschen-stroom, maar ook,
+in niet geringen graad door hetgeen zij, dank zij hun moed, hun
+vaderlandsliefde, hun kennis en hun verstand, er van verkozen te maken.
+
+De rol door het Keltisch ras gespeeld als vormende kracht in de
+geschiedenis, de literatuur en de kunst van het volk dat de Britsche
+Eilanden bewoont--een volk dat van dat middelpunt uit zijn heerschappij
+heeft uitgebreid over zulk een uitgestrekt gebied van de oppervlakte
+der aarde--is in de volksgedachte onbehoorlijk verkleind geworden. Voor
+een groot deel heeft hieraan schuld de algemeen gangbare benaming
+"Angel-Saksisch" voor het Britsche volk, als ras-aanwijzing. Uit
+een historisch oogpunt is die benaming ten eenenmale verkeerd. Niets
+wettigt deze onderscheiding van twee Neder-Duitsche stammen, wanneer
+wij het ras-karakter van het Britsche volk willen aangeven. Het gebruik
+dier benaming leidt tot ongerijmdheden als die welke de schrijver
+niet lang geleden opmerkte, toen de voorgenomen verheffing van een
+Ierschen bisschop tot kardinaal, door den Paus, in een Engelsch
+blad werd voorgesteld als te zijn ingegeven door den wensch van het
+hoofd der Katholieke kerk om een vriendelijkheid te bewijzen aan
+"het Angel-Saksisch ras."
+
+De juiste benaming voor de bevolking dezer eilanden en voor het
+typische en overheerschende deel van de bevolking van Noord-Amerika,
+is niet Angel-Saksisch maar Angel-Keltisch. Het is juist door deze
+vermenging van Germaansche en Keltische elementen dat het Britsche
+volk eenig is--het is juist die vermenging die aan dat volk het vuur,
+den _élan_, en in literatuur en kunst het gevoel voor stijl, kleur en
+handeling geeft--niet in het algemeen producten van den Germaanschen
+bodem--en te gelijkertijd de vastberadenheid en diepte, den eerbied
+voor oude wetten en gebruiken en de passie voor persoonlijke
+vrijheid, die min of meer vreemd zijn aan de romantische volken
+van Zuid-Europa. Mogen zij aan de Britsche Eilanden nimmer vreemd
+worden! Ook moet het Keltisch element in die eilanden niet worden
+geacht als geheel of zelfs zeer overwegend te zijn geleverd door de
+bevolkingen van den zoogenaamden "Keltischen Rand." Het is thans aan
+de ethnologen wel bekend dat de Saksers volstrekt niet de Keltische of
+met Kelten vermengde bevolkingen uitroeiden die zij in het bezit vonden
+van Groot-Brittannië. De heer E. W. B. Nicholson, bibliothecaris van
+de Bodley-bibliotheek [1] schrijft in zijn belangrijk werk "Keltische
+Nasporingen" (1904):
+
+"Namen niet opzettelijk bedacht om rassen aan te duiden moeten nooit
+worden beschouwd als bewijzen voor ras, maar alleen als bewijzen voor
+het gemeenschappelijke van taal, of staatkundige organisatie. Wij
+noemen een man die Engelsch spreekt, in Engeland woont en een
+klaarblijkelijk Engelschen naam draagt (bijv. Freeman of Newton) een
+Engelschman. Toch geven statistieken van 'betrekkelijke nigrescentie'
+[2] goede gronden om aan te nemen dat Lancashire, West-Yorkshire,
+Staffordshire, Worcestershire, Warwickshire, Leicestershire,
+Rutland, Cambridgeshire, Wiltshire, Somerset en een deel van Sussex
+even Keltisch zijn als Perthshire en Noord-Munster; dat Cheshire,
+Shropshire, Herefordshire, Monmouthshire, Gloucestershire, Devon,
+Dorset, Northamptonshire, Huntingdonshire en Bedfordshire meer
+Keltisch zijn--en even Keltisch als Noord-Wales en Leinster; terwijl
+Buckinghamshire en Hertfordshire zelfs nog meer Keltisch zijn en
+gelijk staan met Zuid-Wales en Ulster." [3]
+
+Het is dus voor een Angel-Keltisch, niet een Angel-Saksisch volk dat
+dit overzicht van de oude geschiedenis, den godsdienst en de mythische
+en romantische literatuur van het Keltisch ras is geschreven. Het is
+te hopen dat dat volk daarin dingen zal vinden, waardig in herinnering
+te blijven als bijdragen tot den algemeenen schat der Europeesche
+cultuur, maar vooral waardig in de herinnering te blijven van hen,
+die meer dan eenig ander levend volk hebben geërfd van het bloed,
+de neigingen en den aanleg der Kelten.
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Inleiding IX
+I. De Kelten in de Oude Geschiedenis 1
+II. De Godsdienst der Kelten 35
+III. De Mythen omtrent de invallen in Ierland 79
+IV. De Oude Milesische Koningen 130
+V. Verhalen van den Cyclus van Ulster 161
+VI. Verhalen van den Cyclus van Ossian 231
+VII. De Reis van Maeldun 285
+VIII. Mythen en verhalen van de Kimbren 305
+ Goden van het huis van Don 322
+ Goden van het huis van Llyr 323
+ Arthur en zijn Magen 324
+ Register 387
+
+
+
+
+
+LIJST VAN ILLUSTRATIES.
+
+
+Koningin Maev (Titelplaat).
+"Wij vreezen niemand" 6
+"Wij zijn op weg naar Rome" 8
+"Onmiddellijk stapte een ander over hem heen toen hij daar nederlag"
+22
+Vercingetorix rijdt langs het Romeinsche Kamp 24
+"Moge Tara voor eeuwig verlaten zijn" 32
+Praehistorische Tumulus te New Grange 38
+Rijen Steenen, te Kermaris, Carnac 42
+Moderne Steenaanbidding te Locronan, Bretagne 50
+Ingang van den Tumulus te New Grange 56
+Menschenoffers in Gallië 68
+"Zij vroegen melk en koren in ruil voor hun Kinderen" 70
+St. Finnen en de Heidensche Aanvoerder 82
+Tuan bespiedt Nemed 84
+De Twee Afgezanten 90
+Corpre en Koning Bres 92
+"Sawan gaf den halster der koe aan den Knaap" 94
+"De Druïde dreef het naar het huis van zijn vader, Kian" 96
+De Boot van Mananan 98
+"Bij de feesten van het Toovervolk" 102
+"Hier bij het meer werkte hij" 108
+Sinend en de Put van Connla 112
+De komst van de Zonen van Miled 114
+Het volk van Dana luistert naar de Muziek der Zwanen 124
+Ethné hoort stemmen 128
+Macha meet den omtrek der Stad uit 136
+"De eerste boom was een wilg" 138
+Midir en Etain 146
+"Op den vloer van de hut vallen zijn vogelveeren af" 150
+Conary in de Netten van het Toovervolk 154
+De Vloek van Macha 162
+De Knaap Setanta Volgt Koning Conor 164
+De Hond van Cullan 166
+Cuchulain vraagt den Koning om wapenen 168
+"Cathbad keek naar de sterren en hij werd zeer verontrust" 180
+Koningin Maev en de Druïde 188
+Cuchulain in den Strijd 190
+"Slaap nu, Cuchulain, bij het graf in Lerga" 196
+"Cuchulain greep Ferdia toen hij viel" 202
+"Het Hoofd ging nog altijd door met roepen en vermanen" 204
+Cuchulain en de Toovermaagden 206
+Emer hoort van de afspraak 208
+De Dood van Cuchulain 214
+Forbay en Koningin Maev 224
+Koning Fergus en de Dwerg 226
+Finn vindt de Oude Mannen in het Bosch 236
+"Finn hoorde de tonen der Tooverharp" 238
+"Ik ben Saba, O Finn" 244
+Oisin en Niam 248
+"Het witte paard was uit hun oogen verdwenen als een krans van
+nevel" 252
+"Zij vonden zich plotseling verward in draden garen" 254
+"Patrick verzoekt zijn schrijvers alles nauwkeurig op te schrijven"
+256
+"Zij joegen hem naar het strand" 262
+"De Fianna richtten een steenen pilaar op, met haar naam in Ogham
+letters" 264
+Dermot nam den Horen en vulde dien 270
+Dermot en Grania 274
+"De troep der Fianna verdween, en liet haar over aan haar smart" 278
+"Het ware beter voor u den man te wreken, die hier verbrand is" 286
+"De helft van het koren van uw land wordt hier gemalen" 292
+"Den vierden dag kwam zij naar hen toe buiten de vesting" 294
+Het offer van Diuran den Rijmer 304
+De Boetedoening van Rhiannon 332
+"Evnissyen legde zijn hand op den zak" 340
+"Ik zal haar niet loslaten" 346
+"Het jammeren en weeklagen werd nog luider dan te voren gehoord" 372
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I: DE KELTEN IN DE OUDE GESCHIEDENIS.
+
+
+
+Oudste mededeelingen.
+
+
+In de kronieken van de classieke volken van omstreeks vijfhonderd
+jaar vóór de Christelijke jaartelling vindt men herhaaldelijk gewag
+gemaakt van een volk, dat met die naties in betrekking stond,
+somtijds in vrede, somtijds in den oorlog, en dat blijkbaar een
+krachtige en invloedrijke plaats innam in het onbekende gebied van
+Midden-Europa. Dit volk wordt door de Grieken de Hyperboreërs of
+Kelten genoemd; de laatste uitdrukking wordt het eerst gevonden bij
+den aardrijkskundige Hecataeus, ongeveer 500 v.C. [4]
+
+Herodotus spreekt omstreeks een halve eeuw later van de Kelten, als
+van een volksstam die "aan gene zijde van de Zuilen van Hercules
+woont"--d.i. in Spanje, en verhaalt eveneens, dat de Donau in hun
+land ontspringt.
+
+Aristoteles wist, dat zij "voorbij Spanje" woonden, dat zij Rome hadden
+ingenomen, en dat zij uitmuntten in krijgshaftige eigenschappen. Van
+tijd tot tijd vinden wij ook andere dan aardrijkskundige mededeelingen
+zelfs bij oude schrijvers. Hellanicus van Lesbos, een geschiedschrijver
+uit de vijfde eeuw v.C., beschrijft de Kelten als handhavers van
+rechtvaardigheid en als mannen, die de deugd liefhadden. Ephorus
+(omstreeks 350 v.C.) geeft drie dichtregels over de Kelten, waarin hij
+zegt, dat zij "dezelfde gewoonten hadden als de Grieken" (het is niet
+duidelijk, wat hij daarmee bedoelt), en dat zij op vriendschappelijken
+voet met dezen verkeerden, die dan ook gastvriendschap met hen
+sloten. Plato echter rangschikt in de "Wetten" de Kelten onder de
+volken, die zich aan dronkenschap overgeven en strijdlustig zijn,
+en men schrijft hun groote barbaarschheid toe bij gelegenheid van
+hun inval in Griekenland en de plundering van Delphi van het jaar 273
+v.C. Hun aanval op Rome en de plundering dier stad omstreeks een eeuw
+vroeger is één der mijlpalen in de oude geschiedenis.
+
+De geschiedenis van dat volk gedurende den tijd, toen het de
+overheerschende macht in Midden-Europa voerde, moet men gissen of
+weder opbouwen uit verspreide aanwijzingen en mededeelingen van op zich
+zelf staande gebeurtenissen in hun optreden tegenover Griekenland en
+Rome, zooals de dierkundige dikwijls een voorwereldlijk dier weder
+opbouwt uit enkele fossiele beenderen. Geen kronieken zijn van hen
+tot op onzen tijd overgeleverd, geen bouwkundige overblijfselen zijn
+tot op onze dagen in wezen gebleven; slechts enkele munten en enkele
+versierselen en bronzen wapenen, met email opgelegd of waarop fijne
+en schoone patronen zijn gegraveerd of gedreven--alleen deze en de
+namen, die dikwijls in wonderlijk gewijzigde vormen verbonden zijn
+gebleven aan de plaatsen, waar zij woonden, van de Zwarte Zee tot
+aan de Britsche Eilanden, zijn zoowat al de zichtbare sporen, die
+ons door dien eertijds zoo machtigen volksstam van zijn beschaving
+en heerschappij zijn nagelaten. Toch kan daaruit en uit die verhalen
+van classieke schrijvers veel met zekerheid worden afgeleid, en nog
+meer kan met tamelijk veel waarschijnlijkheid worden gegist. De groote
+kenner der Keltische geschiedenis en oudheden, die voor enkele jaren
+is overleden, d'Arbois de Jubainville, heeft uit de beschikbare feiten
+een overtuigende schets gegeven der Keltische geschiedenis gedurende
+den tijd, die voorafgegaan is aan dien, waarop zij in het volle
+geschiedkundige licht zijn gekomen tijdens de veroveringen van Caesar
+[5], en van die schets geven wij hier de voornaamste trekken weer.
+
+
+
+Het echte Keltische ras.
+
+
+Om te beginnen, moeten wij het denkbeeld op zijde zetten, dat het
+Keltenland ooit door één enkel zuiver en homogeen ras is bewoond
+geweest. De echte Kelten waren, als wij op dit punt de met zorg
+bestudeerde en goed gedocumenteerde gevolgtrekkingen mogen aannemen
+van Dr. T. Rice Holmes [6] welk betoog wordt bevestigd door de
+eensluidende mededeelingen der oudheid, een rijzig, lichtharig ras,
+oorlogslievend en heerschzuchtig [7], dat oorspronkelijk (zoover
+wij het nog kunnen nagaan) hun woonplaats gehad heeft ergens bij de
+bronnen van den Donau, en die, zoowel door verovering als door op
+vredelievende wijze door te dringen, hun heerschappij uitstrekten
+over Midden-Europa, Gallië, Spanje en de Britsche Eilanden. Zij
+roeiden de oorspronkelijke praehistorische bewoners van die
+streken--palaeolithische en neolithische rassen, dolmen-bouwers en
+bewerkers van brons--niet uit, maar zij legden hun wel hun taal, hun
+industrie en hun overleveringen op, waartegenover zij ongetwijfeld van
+hun kant veel van hen overnamen, vooral, zooals wij zullen zien, op het
+gebied van den godsdienst. Onder de rassen vormden de echte Kelten een
+aristocratische en overheerschende kaste. In die hoedanigheid stonden
+zij, zoowel in Gallië en in Spanje als in Brittannië en in Ierland,
+aan de spits van het gewapend verzet tegen vreemde invallen. Zij
+vingen den krachtigsten stoot op van oorlogen, verbeurdverklaringen
+en verbanning. Het ontbrak hun nooit aan moed, maar zij waren niet
+krachtig of niet eensgezind genoeg om de overhand te krijgen, en zij
+kwamen in veel grootere verhouding om dan de andere bewoners, die
+zij zelf hadden ten onder gebracht. Maar ook verdwenen zij, door hun
+bloed met dat van die andere bewoners te vermengen, waardoor zij den
+stempel van een aantal van hun eigen edele en mannelijke eigenschappen
+op hen drukten. Dit is de reden, dat de karakteristieke eigenschappen
+van die volken, die in onzen tijd Kelten genoemd werden en die de
+Keltische overleveringen en de Keltische taal voortplantten, in enkele
+opzichten zoozeer verschillen van die der Kelten uit de classieke
+geschiedenis en die der Kelten, die de litteratuur en de kunst van het
+oude Griekenland hebben voortgebracht, terwijl zij in andere opzichten
+daarmede zoo treffend overeenkomen. Om slechts één lichamelijk kenmerk
+te kiezen, de bewoners der meer Keltische districten van de Britsche
+eilanden kenmerken zich tegenwoordig door hun donkere gelaatskleur,
+hun haren enz. Zij zijn niet bijzonder donker, maar toch donkerder
+dan het overige gedeelte der bewoners van het koninkrijk. [8] Maar
+de echte Kelten der twaalfde eeuw zijn door Giraldus Cambrensis als
+een licht gekleurd ras beschreven.
+
+
+
+De gouden eeuw der Kelten.
+
+
+Maar wij loopen op ons onderwerp vooruit en moeten terugkeeren tot
+het tijdperk van den oorsprong der Keltische geschiedenis. Evenals
+de sterrenkundigen het bestaan eener onbekende planeet hebben
+ontdekt door de storingen, door deze op de reeds waargenomen planeten
+uitgeoefend, zoo kunnen wij in de vijfde en vierde eeuw vóór Christus
+de aanwezigheid van een groote macht en van krachtige bewegingen
+onderscheiden, die geschiedden achter een sluier, die nooit meer zal
+worden opgelicht. Dit was de Gouden Eeuw der Kelten op het vasteland
+van Europa. Gedurende dat tijdperk voerden de Kelten drie groote en
+voorspoedige oorlogen, die geen geringen invloed hadden op den loop der
+geschiedenis van Zuid-Europa. Omstreeks 500 v.C. veroverden zij Spanje
+op de Carthagers. Een eeuw later zien wij hen bezig met de verovering
+van Noord-Italië op de Etruskers. Zij vestigden zich in grooten
+getale op het gebied, dat later bekend werd als Gallia Cisalpina,
+waar een aantal namen, zooals _Mediolanum_ (Milaan), _Addua_ (Adda),
+_Virodunum_ (Verduno), en misschien _Cremona_ (_creamh_, knoflook)
+[9], er getuigenis van afleggen, dat zij dit gebied hebben bezet. Zij
+hebben nog een grooter herinnering achtergelaten in den voornaamsten
+der Latijnsche dichters, wiens naam, Vergilius, schijnt te wijzen
+op zijn Keltische afstamming [10]. Tegen het einde der vierde eeuw
+overstroomden zij Pannonia, toen zij de Illyriërs ten onder brachten.
+
+
+
+Bondgenootschappen met de Grieken.
+
+
+Al die oorlogen werden ondernomen in bondgenootschap met de Grieken,
+met wie de Kelten in die periode op den meest vriendschappelijken voet
+verkeerden. Door den oorlog met de Carthagers werd het monopolie, dat
+deze bezaten op het gebied van den handel in tin met Brittannië en in
+zilver met de Spaansche mijnwerkers, vernietigd, en de weg over land
+door Frankrijk heen naar Brittannië, ten behoeve waarvoor de Phoceërs
+in het jaar 600 v.C. de haven van Marseille hadden gesticht, werd voor
+goed aan den Griekschen handel verzekerd. Grieken en Kelten waren in
+dat tijdperk verbonden tegen Phoeniciërs en Perzen. De nederlaag,
+Hamilcar te Himera, in Sicilië, door Gelon toegebracht, viel in
+hetzelfde jaar als die van Xerxes te Salamis. Het Carthaagsche leger
+in dien veldtocht bestond uit huurlingen van een half dozijn volken,
+maar in de rangen der Carthagers werd geen enkele Kelt gevonden, en de
+vijandschap der Kelten was een voorname oorzaak, dat de Carthagers de
+Perzen geen hulp boden ter vernietiging van hun gemeenschappelijken
+vijand. Deze feiten bewijzen, dat de Kelten een belangrijke rol
+speelden, om te beletten, dat het Grieksche type van beschaving werd
+overweldigd door de dwingelandij van Oostersche volken, en dat het
+in Europa het onschatbare zaad van vrijheid en menschelijke cultuur
+in het leven hield.
+
+
+
+Alexander de Groote.
+
+
+Wij zien de Kelten weer naar voren treden als een hoogst belangrijken
+factor, toen Hellas van haar kant onder Alexander den Groote haar
+tegenaanval tegen het Oosten begon.
+
+In de vierde eeuw v.C. werd Macedonië door Thracische en Illyrische
+benden aangevallen en bijna vernietigd. Koning Amyntas II werd
+verslagen en in ballingschap gedreven. Zijn zoon Perdiccas II werd in
+den slag gedood. Toen Philippus, een jongere broeder van Perdiccas,
+den onbeteekenenden en waggelenden troon besteeg, dien hij en
+zijn opvolgers tot den zetel van een machtig rijk zouden maken,
+werd hij krachtig gesteund in zijn pogingen de Illyriërs het hoofd
+te bieden door de veroveringen der Kelten in de valleien van den
+Donau en de Po. In de dagen van Alexander werd het bondgenootschap
+voortgezet en misschien meer op wettelijken grondslag gevestigd. Toen
+Alexander op het punt stond, Azië te veroveren (334 v.C.) sloot hij
+eerst een verdrag met de Kelten "die aan de Jonische Golf woonden",
+ten einde zijn Grieksch grondgebied tijdens zijn afwezigheid tegen
+een aanval te beveiligen. Die gebeurtenis is door Ptolemaeus Soter
+beschreven in zijn geschiedenis van de oorlogen van Alexander
+[11]. Het verhaal is zóó levendig, dat het den stempel draagt van
+een authentieke geschiedenis, en een andere merkwaardige getuigenis
+van de waarheid van het verhaal is door de Jubainville aan het licht
+gebracht. Toen de Keltische afgevaardigden, die beschreven worden als
+mannen, hooghartig in hun optreden en van grooten lichaamsbouw, na hun
+zending te hebben volbracht, met den koning dronken, vroeg hij hun,
+naar het verhaal zegt, wat wel datgene was, waarvoor zij het meest
+bevreesd waren. De afgevaardigden antwoordden: "Wij vreezen niemand:
+er is slechts één ding, waarvoor wij bang zijn, en wel, dat de hemel
+op ons zou kunnen neervallen; maar wij stellen niets zoo zeer op prijs
+als de vriendschap van iemand zooals gij." Alexander nam afscheid
+van hen, en fluisterde, na zich tot zijn edelen te hebben gewend,
+"Wat zijn die Kelten toch vreeselijke pochers." Toch was het antwoord,
+met al zijn Keltische bravour en pralerij, niet zonder waardigheid
+en hoffelijkheid. De uitdrukking omtrent het neervallen van den
+hemel schijnt een blik te schenken op het eene of andere primitieve
+geloof of de eene of andere mythe, waarvan de beteekenis niet meer
+te doorgronden is. [12] De nationale eed, waarmede de Kelten zich
+verbonden, aan hun verdrag met Alexander trouw te blijven, is zeer
+merkwaardig. "Als wij dit verdrag niet gestand doen," zoo zeiden zij,
+"moge dan de hemel op ons neervallen en ons verbrijzelen, moge de
+aarde zich openen en ons verzwelgen, moge de zee openbarsten en
+ons overweldigen." De Jubainville vestigt met nadruk de aandacht
+op een plaats uit de "Táin Bo Cuailgne," in het Boek van Leinster,
+[13] waar de helden uit Ulster hun koning, die hen in den strijd
+wenschte te verlaten, ten einde een aanval af te weren op een ander
+gedeelte van het slagveld, mededeelen: De hemel is boven ons, en
+de aarde onder ons, en de zee is om ons heen gelegen. Tenzij de
+hemel met zijn menigte sterren neervalt op den grond, waarop wij
+gekampeerd zijn, of tenzij de aarde door een aardbeving wordt van
+een gereten, of tenzij de golven der blauwe zee over de bosschen
+der levende wereld komen, zullen wij niet wijken. [14] Het overleven
+van dit eigenaardige eedsformulier gedurende meer dan duizend jaar,
+en het weder te voorschijn komen in een mythisch Iersch verdichtsel,
+nadat er het eerst van gehoord is onder de Kelten van Midden-Europa,
+is ongetwijfeld zeer merkwaardig, en is met andere feiten, die wij
+later zullen vermelden, een krachtig bewijs voor de eenheid en de
+onverwoestbaarheid der Keltische beschaving. [15]
+
+
+
+De plundering van Rome.
+
+
+Wij hebben reeds melding gemaakt van twee der groote oorlogen, door
+de op het vasteland wonende Kelten gevoerd; wij komen thans tot den
+derden, dien tegen de Etruskers, die hen ten slotte in botsing bracht
+met de grootste macht van het heidensche Europa, en aanleiding gaf
+tot hun grootste wapenfeit, de plundering van Rome. Omstreeks het
+jaar 400 v.C. schijnt het Keltische rijk het toppunt van zijn macht
+te hebben bereikt. Onder een koning, bij Livius Ambicatus genoemd,
+die waarschijnlijk het hoofd van een overheerschenden stam was in een
+militairen bond, zooals in onze dagen de Duitsche Keizer, schijnen de
+Kelten in sterke mate te zijn samengesmeed tot een politieke eenheid,
+en een op eenzelfde doel gerichte politiek te hebben gevolgd. Daar
+zij aangetrokken waren door het vruchtbare land van Noord-Italië,
+daalden zij af door de passen der Alpen, en wisten zij zich daar,
+na hevige gevechten met de Etruscische inwoners, te handhaven. In
+die dagen drongen de Romeinen van beneden af op de Etruskers aan,
+en Romeinen en Kelten werkten volkomen met elkander in overleg
+en voor dat doel verbonden met elkander samen. Maar de Romeinen,
+die waarschijnlijk een groote minachting hadden voor de Noordelijke
+barbaarsche krijgslieden, hadden de onbezonnenheid oneerlijk spel
+met hen te spelen bij het beleg van Clusium (301 v.C.) welke plaats
+de Romeinen beschouwden als één der bolwerken van Latium tegen het
+noorden. De Kelten herkenden Romeinen, die bij hen gekomen waren in het
+onschendbare karakter van afgevaardigden, als strijders onder de rijen
+van den vijand. De gebeurtenissen, die toen volgden, zijn, in den vorm,
+waarin zij tot ons zijn gekomen, zeer vermengd met legenden, maar er
+zijn toch enkele trekken onder van dramatische kracht en levendigheid,
+waarin het ware karakter der Kelten duidelijk herkenbaar naar voren
+treedt. Zooals ons wordt verhaald, wendden zij zich tot Rome, om
+genoegdoening te krijgen voor het verraad der afgezanten, de drie
+zonen van Fabius Ambustus, den opperpriester. De Romeinen weigerden
+aan dien eisch gehoor te geven, en kozen juist de Fabii tot militaire
+tribunen voor het volgende jaar. Daarop braken de Kelten het beleg
+van Clusium op en trokken regelrecht op Rome af. Zij dachten er niet
+aan, op goed geluk te plunderen of te verwoesten, zij vielen geen
+enkele stad of vesting aan. "Wij zijn op weg naar Rome," zoo riepen
+zij tot de wachten op de muren der provinciesteden, die verwonderd en
+beangst den ontzaglijken troep, die onafgebroken naar het zuiden trok,
+nastaarden. Eindelijk bereikten zij de Allia, enkele mijlen van Rome
+af, waar de geheele beschikbare troepenmacht der stad in slagorde
+stond geschaard om hen tegemoet te trekken. De slag werd geleverd
+den 18den Juli 390, dien ongelukkigen _dies Alliensis_, die lange
+jaren in den Romeinschen kalender de herinnering levendig hield aan de
+diepste vernedering, die de Republiek ooit heeft ondergaan. De Kelten
+omsingelden het Romeinsche leger en vernietigden het in één enkelen
+geweldigen aanval. Drie dagen later waren zij in Rome, en omstreeks
+een jaar bleven zij meester van de stad of van haar puinhoopen,
+totdat een groote geldboete was betaald en de trouweloosheid bij
+Clusium ten volle was gewroken. Omstreeks een eeuw lang nadat het
+vredesverdrag gesloten was, bleef de vrede tusschen de Kelten en
+de Romeinen gehandhaafd, en het verbreken van dien vrede, toen
+enkele Keltische stammen zich met hun ouden vijand, de Etruskers,
+verbonden tijdens den derden Samnietischen oorlog, viel samen met
+het ineenstorten van de Keltische macht. [16] Wij moeten thans nog
+twee vragen bespreken voordat wij het geschiedkundige gedeelte van
+deze Inleiding kunnen afsluiten. In de eerste plaats, wat zijn de
+bewijzen dat de Keltische macht zich gedurende die periode zoover over
+Midden-Europa heeft verspreid? In de tweede plaats, waar waren toen
+de Germaansche volksstammen, en wat was hun verhouding tot de Kelten?
+
+
+
+Keltische plaatsnamen in Europa.
+
+
+Het zou ons te ver tot philologische vraagstukken terugvoeren, die
+alleen de wetenschappelijke beoefenaar der Keltische wetenschappen
+ten volle kan waardeeren, als wij deze vragen volledig zouden willen
+beantwoorden. Men vindt de bewijzen volledig ontwikkeld in het werk van
+de Jubainville, waarnaar wij reeds herhaaldelijk hebben verwezen. De
+studie der Europeesche plaatsnamen vormt den grondslag zijner
+bewijsvoering. Neem bij voorbeeld den Keltischen naam _Noviomagus_,
+samengesteld uit twee Keltische woorden, waarvan het bijvoeglijk
+naamwoord "nieuw" beteekent en _magos_ (in het Iersch _magh_) een
+veld of vlakte. [17] Er waren in de oudheid negen plaatsen met dien
+naam bekend. Zes waren in Frankrijk gelegen, daaronder de plaatsen,
+nu Noyon, in Oise gelegen, Nyon in de Vogezen, Nyons, in Drôme. Buiten
+Frankrijk waren er drie, en wel Nijmegen, in de Nederlanden, Neumagen,
+in het Rijnland en één in Spier, in het Palatinaat.
+
+Het woord _dunum_, dat nog zoo veelvuldig in onzen tijd in
+plaatsnamen kan worden herkend (Dundalk, Dunrobius enz.) en dat
+vesting of kasteel beteekent, is een tweede typisch Keltisch element
+in Europeesche plaatsnamen. Het kwam zeer dikwijls in Frankrijk
+voor--b.v. _Lugdunum_ (Lyon), _Virodunum_ (Verdun). Men vindt het
+ook in Zwitserland--b.v. _Minno-dumun_ (Moudon), _Eburo-dunum_
+(Yverdon)--en in Nederland, waar de naam Leiden kan teruggevoerd
+worden tot het Keltische _Lug-dunum_. In Groot-Brittannië werd de
+Keltische uitdrukking dikwijls eenvoudig vertaald door _castra_;
+zoo werd _Camulo dunum_ Colchester, _Brano-dunum_ Brancaster. In
+Spanje en Portugal worden door classieke schrijvers acht namen,
+die op _dunum_ eindigen, vermeld. In Duitschland kunnen de moderne
+namen Kempton, Karnberg, Liegnitz, teruggevoerd worden tot de
+Keltische vormen _Cambo-dunum_, _Carro-dunum_, _Lugi-dunum_, ook
+vinden wij een _Singi-dunum_, nu Belgrado in Servië, _Novi-dunum_,
+nu Isakstcha, in Rumenië, een _Carro-dunum_ in Zuid-Rusland, bij
+den Dniester, en een ander in Croatië, thans Pitsmeza. _Sego-dunum_,
+nu Rodez, in Frankrijk, wordt ook in Beieren gevonden (Wurzburg) en
+in Engeland _(Sege-dunum)_, nu Wallsend, in Northumberland, en het
+eerste gedeelte, _sego_, vindt men terug in Segorbe _(Sego-briga)_,
+in Spanje. _Briga_ is een Keltisch woord, de oorsprong van ons _burg_,
+en komt in beteekenis overeen met _dunum_.
+
+Nog een ander voorbeeld: het woord _magos_, een vlakte, dat veel
+voorkomt als deel van Iersche plaatsnamen, wordt herhaaldelijk in
+Frankrijk gevonden, en ook buiten Frankrijk; in landen, die niet meer
+Keltisch zijn, komt het voor den dag in Zwitserland (_Uro-magus_, nu
+Promasens) in het Rijnland (_Broco-magus_, _Brumath_), in Nederland,
+zooals wij reeds opmerkten (Nijmegen), verschillende malen in
+Lombardije, en in Oostenrijk.
+
+Wij hebben met die enkele voorbeelden het onderwerp volstrekt niet
+uitgeput, maar zij dienen alleen om een denkbeeld te geven hoezeer
+de Kelten over Europa verbreid waren, en om aan te toonen, dat over
+dat uitgestrekte gebied de taal der Kelten overal dezelfde was. [18]
+
+
+
+Oude Keltische kunst.
+
+
+De overblijfselen van oude Keltische kunstwerken geven alle hetzelfde
+beeld. In het jaar 1846 werd een groote vóór-Romeinsche necropolis
+(doodenstad) ontdekt te Hallstatt, bij Salzburg, in Oostenrijk. Het
+bevat overblijfselen, die naar de meening van Dr. Arthur Evans
+afkomstig zijn uit den tijd van 750 tot 400 v.C. Die overblijfselen
+wijzen in sommige gevallen op een hoogen trap van ontwikkeling en
+beschaving en een uitgebreiden handel. Men vindt daar barnsteen uit
+de Oostzee, Phoenicisch glas en goudblad van Oostersche bewerking. Er
+worden ijzeren zwaarden gevonden, waarvan de gevesten en scheeden
+rijkelijk versierd zijn met goud, ivoor en barnsteen.
+
+De Keltische beschaving, zooals die zich openbaart in de overblijfselen
+te Hallstatt, ontwikkelden zich later in wat men noemt de beschaving
+uit de La-Tène periode. La Tène was een nederzetting aan het
+noordoostelijke uiteinde van het meer van Neuchâtel, en daar zijn een
+aantal voorwerpen van het hoogste belang gevonden, sedert die plaats
+in 1858 voor het eerst werd nagezocht. Die oudheden vertegenwoordigen
+volgens Dr. Evans het hoogtepunt der Gallische beschaving en
+dagteekenen van ongeveer de derde eeuw vóór Christus. Het type der
+kunst, die daar is gevonden, moet beoordeeld worden in het licht van
+een opmerking door Romilly Allan voor eenige jaren gemaakt in zijn
+"Keltische Kunst" (blz. 13).
+
+"De groote moeilijkheid voor het begrijpen der ontwikkeling van de
+Keltische kunst is gelegen in het feit, dat de Kelten, hoewel zij nooit
+nieuwe denkbeelden schijnen te hebben uitgevonden, een buitengewone
+vatbaarheid bleken te hebben, om denkbeelden aan te grijpen en over te
+nemen van de verschillende volken, met wie zij hetzij door oorlogen,
+hetzij door handelsbetrekkingen in aanraking kwamen. En zoodra de
+Kelt een denkbeeld van zijn naburen had overgenomen, was hij in staat
+daaraan een zóó duidelijk Keltische kleur te geven, dat het spoedig
+iets werd, dat volkomen afweek van wat het oorspronkelijk geweest was,
+en dan ook bijna niet meer te herkennen was."
+
+Wat nu de Kelten ontleenden aan de kunstbeschaving, die op het
+vasteland haar hoogtepunt bereikte in de overblijfselen van La Tène,
+waren bepaalde, oorspronkelijk aan de natuur ontleende motieven van
+Grieksche versierselen en wel in de eerste plaats de palmette- en de
+meander-motieven. Maar een eigenaardige karaktertrek van de Kelten
+was het, dat zij in hun kunst er tegen waakten, de natuurlijke vormen
+der planten- en dierenwereld na te bootsen of zelfs maar in de verte
+te naderen. Zij brachten alles terug tot zuivere versiering. Wat zij
+bij hun versieringen beoogden, was de afwisseling van breede kromme en
+golvende lijnen met dicht ineen gedrongen spiralen of krullen, en met
+die eenvoudige grondmotieven, en met overneming van enkele motieven,
+ontleend aan Grieksche kunst, bouwden zij een prachtig en fijn stelsel
+van versiering op, rijk aan afwisseling, dat zij toepasten op wapenen,
+sieraden en huishoudelijke voorwerpen van den meest verschillenden
+aard, in goud, brons, hout en steen, en voor zoover wij in staat zijn
+daarover te oordeelen, ook op geweven stoffen. Eén prachtige wijze
+van versiering van metaalwerk schijnt geheel haar oorsprong gehad te
+hebben in het Keltische gebied. Emailleeren was bij de classieke volken
+onbekend totdat zij het van de Kelten hadden geleerd. Tot zelfs in de
+derde eeuw na Christus was het voor de classieke wereld een vreemde
+bewerking, zooals wij vernemen uit een mededeeling van Philostratus:
+
+"Zij zeggen, dat de barbaren, die in den oceaan gelegen zijn, (Britten)
+die kleuren gieten over verhit koper, dat deze zich daarop vasthechten,
+zoo hard worden als steen, en de patronen bewaren, die daarop zijn
+aangebracht."
+
+Dr. J. Anderson schrijft in de "Verhandelingen van het Genootschap
+van Oudheidkundigen van Schotland:"
+
+"De Galliërs, zoowel als de Britten--van denzelfden Keltischen
+stam--oefenden het emailleeren uit vóór de Romeinsche verovering. De
+werkplaatsen voor het emailleeren te Bibracte, met haar fornuizen,
+smeltkroezen, mallen en bruineersteenen, en met het ruwe email op de
+verschillende trappen van bewerking, zijn voor enkele jaren opgegraven
+uit de puinhoopen der stad, die door Caesar en zijn legioenen verwoest
+was. Maar het email van Bibracte is niets meer dan het werk van
+knoeiers op kunstgebied, vergeleken met het Britsche werk. De zetel
+der kunst was in Brittannië gevestigd, en de stijl der patronen,
+zoowel als de wijze, waarop zij in verband stonden met de voorwerpen,
+waarop de versiering was aangebracht, wezen er met absolute zekerheid
+op, dat zij haar hoogsten trap van inheemsche ontwikkeling had bereikt
+voordat zij in aanraking kwam met de Romeinsche beschaving." [19]
+
+Het Nationale Museum te Dublin bevat een aantal prachtige voorbeelden
+van Iersche decoratieve kunst in goud, brons en email, en de "krachtige
+Keltische kleur" waarvan Romilly Allen spreekt, is even duidelijk
+daar waar te nemen als bij de overblijfselen van Hallstatt of La Tène.
+
+Alles wijst dus op een gemeenschappelijke cultuur, op een volkomen
+gelijkheid in het karakter van het ras, dat men in het geheele
+uitgestrekte grondgebied vindt, en dat bij de oude wereld bekend
+stond als het gebied der Kelten.
+
+
+
+Kelten en Germanen.
+
+
+Maar, zooals wij te voren hebben opgemerkt, dit gebied was niet
+uitsluitend door de Kelten bewoond. In het bijzonder moeten wij
+trachten de vraag te beantwoorden, wie de Germanen, de Teuto-Gothische
+stammen waren, die ten slotte de plaats innamen der Kelten, als
+een uit het noorden afkomstige bedreiging der classieke beschaving;
+en tevens moeten wij nagaan, waar deze hun zetel hadden.
+
+Zij worden genoemd door Pytheas, den voortreffelijken Griekschen
+reiziger en aardrijkskundige (omstreeks 300 v.C.), maar zij spelen
+geen rol in de geschiedenis, totdat zij onder den naam van Cimbren en
+Teutonen in Italië afdaalden, waar zij op het einde der tweede eeuw
+v.C. door Marius werden overwonnen. De oude Grieksche aardrijkskundigen
+van vóór den tijd van Pytheas weten niets van hen af, en schrijven
+het geheele gebied, dat thans als Germaansch bekend staat, aan
+verschillende Keltische stammen toe.
+
+De verklaring, door de Jubainville gegeven, en die door hem is gegrond
+op verschillende philologische overwegingen, is deze, dat de Germanen
+een onderworpen volk waren, te vergelijken met die "onvrije stammen,"
+die in Gallië en in het oude Ierland werden gevonden. Zij leefden
+onder de heerschappij der Kelten, en hadden geen onafhankelijk
+politiek bestaan. De Jubainville is van oordeel, dat alle woorden,
+die samenhangen met wet en regeering en met den oorlog, die zoowel
+voorkomen in de Keltische als in de Teutonische talen, door de Teutonen
+aan de Kelten waren ontleend. De voornaamste daaronder zijn de woorden,
+voorgesteld door het moderne Duitsche woord _Reich_ (Hollandsch,
+_rijk_), _Amt_ (Hollandsch, ambt) en het Gothische _reiks_, Koning,
+welke woorden alle ontwijfelbaar van Keltischen oorsprong zijn. De
+Jubainville telt eveneens onder de woorden, aan het Keltisch ontleend,
+_Bann_, een bevel, _Frei_, vrij; _Geisel_, een gijzelaar, _Erbe_,
+een erfenis; _Werth_, waarde; _Weih_, gewijd, _Magus_, een slaaf
+(Gothisch); _Wini_, een vrouw (Oud-Hoogduitsch); _Skalks_, _Schalk_,
+een slaaf (Gothisch); _Hartha_, slag (Oud-Duitsch); _Helith_, _Held_,
+een held, van denzelfden stam als het woord Kelt; _Heer_, een leger
+(in het Keltisch _choris_); _Sieg_, overwinning; _Beute_, buit;
+_Burg_, een kasteel; en nog een aantal andere woorden.
+
+De etymologische geschiedenis van sommige van die woorden is
+bijzonder merkwaardig. _Amt_, bij voorbeeld, dat woord, dat van
+zoo groote beteekenis is in het moderne Germaansche staatsbestuur,
+kan teruggevoerd worden tot een oud Keltisch woord _ambhactos_,
+dat is samengesteld uit de woorden _ambi_, omtrent en _actos_
+een verleden deelwoord, afgeleid van den Keltischen stam _AG_, dat
+handelen beteekent. Nu is _ambi_ afgeleid van het oorspronkelijke
+Indo-Europeesche _mbhi_, waar de _m_ aan het begin een soort van
+klinker is, die later in het Sanskrit is voorgesteld door _a_. Die
+klinker _m_ werd een _n_ in die Germaansche woorden, die onmiddellijk
+zijn afgeleid van de oorspronkelijke Indo-Europeesche taal. Maar
+het woord, dat nu door _amt_ wordt voorgesteld, komt in zijn oudsten
+Germaanschen vorm voor als _ambaht_, waaruit dus duidelijk blijkt,
+dat het afstamt van het Keltische _ambhactos_.
+
+Zoo wordt het woord _frei_ in zijn oudsten Germaanschen vorm
+gevonden als _frijo-s_, dat afkomstig is van het oorspronkelijke
+Indo-Europeesche _prijo-s_. Het woord beteekent hier echter niet
+vrij; het beteekent bewind (Sanskrit _priya-s_). Wij zien echter,
+hoe in de Keltische taal _prijos_ zijn _p_ aan het begin verliest,
+in het oude Keltisch was de moeilijkheid, die letter uit te spreken
+een eigenaardig kenmerk; tevens veranderde de _j_, volgens een vasten
+regel, in _dd_, en zoo komt in de moderne volkstaal van Wales het woord
+voor onder den vorm _rhydd_--vrij. De Indo-Europeesche beteekenis
+is in de Germaansche talen blijven bestaan in den naam van de godin
+der liefde, _Freia_, en in de woorden _Freund_, vriend, _Friede_,
+vrede. De beteekenis van het woord op het gebied van het burgerlijk
+recht kan tot een Keltischen oorsprong worden teruggebracht, en
+schijnt in dien zin aan het Keltisch ontleend te zijn.
+
+Het Germaansche _Beute_, buit, roof, heeft een bijzonder leerzame
+geschiedenis. Er bestond een Gallisch woord _bodi_, dat gevonden
+wordt in samenstellingen, zooals de plaatsnaam Segobodium (Seveux),
+en verschillende namen van personen en stammen, zooals Boudicca, beter
+bij ons bekend als de "Britsche strijdlustige koningin", Boadicea. Het
+woord beteekende oudtijds "overwinning." Maar de vrucht der overwinning
+is de buit, en in dien stoffelijken zin werd het woord overgenomen
+in het Duitsch, in het Fransch (_butin_), in het Noorsch (_byte_),
+en in de volkstaal van Wales (_budd_). Daarentegen heeft het woord
+zijn hoogere, meer verheven beteekenis gehouden in het Iersch. In
+de Iersche vertaling van Kronijken XXIX, 11, waar de Vulgata in het
+oorspronkelijke luidt: "Tua est, Domine, magnificentia et potentia
+et gloria et victoria", wordt het woord _victoria_ in het Iersch
+vertaald door _búaidh_, en zooals de Jubainville terecht opmerkt,
+"ce n'est pas de butin qu'il s'agit." Hij vervolgt zijn betoog aldus:
+"_Búaidh_ heeft in het Iersch, dank zij een krachtige en voortdurende
+beschaving, de verheven beteekenis gehouden, die het in de taal der
+Gallische aristocratie had. De stoffelijke beteekenis van het woord
+werd alleen opgemerkt door de lagere klassen der bevolking, en het
+is de overlevering van die lagere klassen, die in de Germaansche,
+Fransche en Cymrische talen is bewaard gebleven." [20]
+
+Er waren echter twee dingen, die de Kelten òf niet wilden òf niet
+konden opdringen aan de overwonnen Germaansche stammen--hun taal en hun
+godsdienst. In die twee groote factoren van raseenheid en trots liggen
+de zaden van den opstand der Germanen en ten slotte van het omverwerpen
+der Keltische overmacht. De namen der Germaansche godheden verschillen
+van die der Keltische, ook hun begrafenisgebruiken, waarmede de diepste
+godsdienstige opvattingen der oorspronkelijke rassen samenhangen, zijn
+geheel andere. De Kelten, of ten minste het overheerschende gedeelte
+van hen, begroeven hun dooden, en beschouwden het gebruik van vuur als
+een vernedering, die alleen mocht worden opgelegd aan misdadigers,
+of aan slaven of gevangenen bij die vreeselijke menschenoffers, die
+de grootste smet zijn op hun oorspronkelijke cultuur. De Germanen
+daarentegen begroeven hun beroemde dooden op brandstapels, evenals de
+oude Grieken--en als geen brandstapel kon worden opgericht voor het
+geheele lichaam, dan werden de edelste deelen, zooals hoofd en armen,
+verbrand, terwijl het overige gedeelte werd begraven.
+
+
+
+Ondergang van het Keltische rijk.
+
+
+Wij zullen wel nooit met juistheid te weten komen, wat geschiedde ten
+tijde van den Germaanschen opstand; doch zeker is het, dat ongeveer na
+het jaar 300 v.C. de Kelten allen mogelijken politieken samenhang en
+alle gemeenschappelijk streven hadden verloren, die zij ooit hadden
+bezeten. Als waren zij door de uitbarsting van de eene of andere
+onderaardsche kracht uiteengescheurd, stortten hun stammen als stroomen
+lava neer naar het zuiden, oosten en westen van hun oorspronkelijke
+woonplaats. Enkelen baanden zich een weg naar Noord-Griekenland, waar
+zij het schandelijk vergrijp pleegden, dat hun vroegere vrienden en
+bondgenooten zoozeer ergerde, en wel de plundering van den tempel van
+Delphi (273 v.C.). Anderen hernieuwden, doch met slechter resultaat,
+den ouden strijd met Rome, en kwamen in groote menigte te Sentinum (295
+v.C.) en bij het meer Vadimo (283 v.C.) om. Eén afdeeling drong tot
+Klein-Azië door, en stichtte den Keltischen staat Galatia, waar, zooals
+de Heilige Hieronymus verhaalt, nog in de vierde eeuw na Christus
+een Keltisch dialect werd gesproken. Anderen namen als huurtroepen
+dienst onder Carthago. Een woelige oorlog van Kelten tegen verstrooide
+Germaansche stammen, of tegen andere Kelten, die vroegere golvingen
+van veranderingen in woonplaats en van verovering vertegenwoordigden,
+werd over geheel Midden-Europa, Gallië en Brittannië gevoerd. Toen
+deze tot rust kwam, bleven Gallië en de Britsche eilanden feitelijk de
+eenige overblijfselen der Keltische oppermacht, de eenige landen, die
+nog onder Keltische wetten en onder Keltische leiding stonden. Tegen
+het begin der Christelijke jaartelling waren Gallië en Brittannië
+onder het juk van Rome gekomen, en was het slechts de vraag, hoe lang
+het nog zou duren, voordat zij in ieder opzicht in zeden en karakter
+geheel Romeinsch zouden geworden zijn.
+
+
+
+De eigenaardige historische gesteldheid van Ierland.
+
+
+Ierland was het eenige land, dat nooit door de Romeinsche
+legioenen bezocht, laat staan onderworpen was, en dat in naam zijn
+onafhankelijkheid tegen alle bezoekers wist te handhaven tot aan het
+einde der twaalfde eeuw, doch practisch zelfs nog een goede driehonderd
+jaar later.
+
+Ierland is hierom dan ook van een zoo eigenaardige beteekenis, en
+boezemt ons dan ook hierom zooveel belang in, dat het een zuiver
+inheemsche Keltische beschaving, Keltische instellingen, kunst en
+letterkunde en den oudsten nog in leven gebleven vorm der Keltische
+taal [21] over de kloof draagt, die de oude wereld van de moderne
+scheidt, de heidensche van de Christelijke, en die haar brengt onder
+het volle licht der moderne geschiedenis en der moderne waarneming.
+
+
+
+Het Keltische karakter.
+
+
+De zedelijke zoowel als de lichamelijke karaktertrekken door de
+classieke schrijvers aan de Keltische volken toegeschreven, vertoonen
+een merkwaardige helderheid en bestendigheid. Veel wat omtrent hen
+wordt verhaald, zou, zooals wel te verwachten was, kunnen worden
+gezegd van ieder nog primitief en ongeletterd volk, maar er blijft
+toch zóóveel over, dat hen onder de verschillende menschenrassen
+onderscheidt, dat indien die oude mededeelingen omtrent de Kelten
+zouden worden voorgelezen zonder dat de naam van het ras genoemd werd,
+waarop zij sloegen, iedereen, die alleen door zijn kennis der nieuwe
+geschiedenis daarmede bekend was, zonder een oogenblik te aarzelen
+de Keltische volken zou noemen als die, waarvan in de beschrijving
+werd melding gemaakt.
+
+Sommige van die mededeelingen zijn reeds door ons aangehaald, en wij
+behoeven de bewijzen niet te herhalen, die ontleend zijn aan Plato,
+Ephorus of Arrianus. Maar wel mogen wij hier een opmerking aanhalen,
+die M. Porcius Cato over de Galliërs maakt. "Er zijn twee dingen," zoo
+zegt hij, "waaraan de Galliërs bijzonder gehecht zijn--de krijgskunst
+en de scherpzinnige wijze van uitdrukking" ("rem militarem et argute
+loqui").
+
+
+
+De beschrijving van Caesar.
+
+
+Caesar heeft ons een nauwkeurige en critische beschrijving van hen
+gegeven, zooals hij ze in Gallië heeft leeren kennen. Zij waren, zooals
+hij zegt, bijzonder strijdlustig, maar spoedig door tegenspoed uit het
+veld geslagen. Zij waren zeer bijgeloovig, en onderwierpen zich aan de
+beslissing der Druïden in alle publieke en private aangelegenheden, en
+beschouwden het als de grootste straf, als zij in den ban werden gedaan
+en hun geweigerd werd aan de godsdienstige ceremoniën deel te nemen.
+
+"Zij die op dien grond in den ban zijn gedaan (omdat zij geweigerd
+hadden zich te onderwerpen aan een beslissing der Druïden) worden
+onder de laagsten en de goddeloozen gerekend; iedereen ontvlucht
+hun gezelschap en vermijdt het zich met hen in een mondgesprek te
+begeven, uit vrees, door die nauwere aanraking te worden besmet; zij
+mogen geen rechtsgeding aanhangig maken; en geen enkele betrekking
+wordt hun toevertrouwd. De Druïden zijn meestal vrij van militairen
+dienst en dragen niet, zooals de anderen, in de belasting bij... Door
+dergelijke belooningen aangemoedigd, komen een aantal van hen uit eigen
+beweging in hun scholen, en worden door hun vrienden en bloedverwanten
+daarheen gezonden. Men vertelt, dat zij daar een aantal verzen uit
+het hoofd leeren; enkelen zetten hun opvoeding gedurende twintig
+jaar voort; en evenmin wordt het voor geoorloofd beschouwd die dingen
+(de leerstellingen der Druïden) op schrift te brengen, hoewel zij in
+bijna alle openbare handelingen en private mededeelingen de Grieksche
+letterteekens gebruiken."
+
+De Galliërs waren fel op nieuwtjes en vielen kooplieden en reizigers
+lastig met hun ijdel gesnap [22], zij kwamen gemakkelijk onder den
+invloed van anderen, waren hartstochtelijk en ongeduldig, verzot op
+afwisseling en besluiteloos bij hun beraadslagingen. Tevens waren zij
+merkwaardig slim en verstandig, zeer snel in het gebruik maken van
+iederen kunstgreep, dien zij konden aanwenden en volgden alles na,
+wat zij geschikt achtten. De vindingrijkheid, waarmede zij de gevaren
+der nieuwerwetsche belegeringswerktuigen der Romeinsche legers wisten
+te vermijden, wordt door Caesar in het bijzonder vermeld. Hij spreekt
+met grooten eerbied van hun moed, en schrijft hun doodsverachting,
+ten minste voor een groot deel, toe aan hun innig geloof in de
+onsterfelijkheid der ziel [23]. Een volk, dat in vroeger dagen
+herhaaldelijk Romeinsche legers had vernietigd, Rome had geplunderd, en
+meer dan eens zelfs Caesar geplaatst had in een toestand waarin hij aan
+de grootste zorgen en gevaren was blootgesteld, bestond blijkbaar niet
+uit zwakkelingen, wat ook zijn godsdienstige opvattingen en gebruiken
+mochten zijn. Caesar gaat niet mank aan overgevoelige bewondering van
+zijn vijanden, maar één episode bij het beleg van Avaricum dwingt
+hem er toe, de dapperheid der verdedigers aan de onsterfelijkheid
+over te geven. Een Romeinsche houten stellage of _agger_ was door
+de Romeinen opgericht om boven de muren uit te steken die bleken
+weerstand te kunnen bieden aan de aanvallen van den stormram. De
+Galliërs slaagden er in, dien toestel in brand te steken. Het was
+nu van het hoogste gewicht, de belegeraars te beletten de vlammen te
+blusschen, en een Galliër klom op een gedeelte van den muur boven den
+_agger_ en wierp daarop stukken vet en pik neer, die hem van binnen
+uit werden toegereikt. Hij werd spoedig neergeveld door een werptuig
+van een Romeinschen catapult. Onmiddellijk stapte een ander over hem
+heen toen hij daar neerlag, en vervolgde de taak van zijn makker. Ook
+hij viel neer, maar een derde nam dadelijk zijn plaats in, zoo ook een
+vierde; en die post werd niet verlaten voordat de soldaten ten slotte
+de vlammen hadden gedoofd en de verdedigers hadden gedwongen naar de
+stad terug te keeren, die eindelijk den volgenden dag werd ingenomen.
+
+
+
+Strabo over de Kelten.
+
+
+De aardrijkskundige en reiziger Strabo, die in het jaar 24
+n.C. stierf en dus iets later leefde dan Caesar, weet ons heel wat
+omtrent de Kelten te vertellen. Hij merkt op, dat hun land (in dit
+geval Gallië) dicht bewoond is en hun akkers goed bewerkt, geen
+natuurlijke hulpbronnen worden daar ongebruikt gelaten. De vrouwen
+zijn vruchtbaar en bijzonder goede moeders. Hij beschrijft de mannen
+als oorlogszuchtig, hartstochtelijk, verzot op twistgesprekken,
+gemakkelijk op te hitsen, maar daarbij edelmoedig en onergdenkend,
+zoodat zij gemakkelijk door krijgslisten kunnen worden overwonnen. Zij
+bleken begeerig te zijn naar ontwikkeling en beschaving, en Grieksche
+letters en Grieksche wetenschap waren snel van Massilia uit onder
+hen verspreid; in hun steden werd openbare opvoeding ingesteld. Zij
+vochten beter te paard dan te voet, en in de dagen van Strabo vormden
+zij de bloem der Romeinsche ruiterij. Zij woonden in groote huizen
+gemaakt van boogvormige planken met muren van vlechtwerk--zonder
+twijfel bepleisterd met klei en kalk, zooals in Ierland--en
+dicht met stroo gedekt. Steden van groote beteekenis werden in
+Gallië gevonden, en Caesar maakt gewag van de sterkte der muren,
+die gebouwd waren van steen en hout. Caesar en Strabo zijn het er
+beiden over eens, dat er een zeer scherpe scheiding was tusschen de
+edelen en den ontwikkelden of priesterstand aan den éénen kant en
+het gemeene volk aan den anderen kant, daar de laatsten in strikte
+onderworpenheid gehouden werden. De maatschappelijke verdeeling komt
+in ruwe trekken ongetwijfeld overeen met het onderscheid in ras
+tusschen de echte Kelten en de oorspronkelijke bewoners, die door
+hen waren onderworpen. Terwijl Caesar ons verhaalt, dat de Druïden
+de onsterfelijkheid der ziel verkondigden, voegt Strabo er aan toe,
+dat zij geloofden in de onvernietigbaarheid--wat in sommige opzichten
+de goddelijkheid insluit--van het stoffelijk heelal.
+
+De Keltische krijgsman hield van uiterlijke praal. Alles wat aan het
+leven glans en een indruk van tooneelmatigheid schonk, werkte op zijn
+verbeelding. Zijn wapenen waren rijk versierd, zijn paardentuigen
+waren in brons en email bewerkt, even prachtig ontworpen als eenig
+overblijfsel der Myceensche of Cretensische kunst, zijn kleeding was
+met goud geborduurd. Het tooneel van de overgave van Vercingetorix,
+toen zijn heldhaftige strijd tegen Rome bij den val van Alesia tot een
+einde was gekomen, is de vermelding waard als een typisch Keltisch
+mengsel van ridderlijkheid en van wat de zeer bezadigde Romeinen
+als een kinderachtige pralerij toescheen [24]. Toen hij zag, dat de
+zaak verloren was, riep hij een vergadering der stammen bijeen en
+deelde de verzamelde aanvoerders, aan wier hoofd hij gestaan had in
+een roemrijken, hoewel rampspoedigen oorlog, mede, dat hij bereid was
+zich op te offeren voor zijn nog steeds getrouwe volgelingen--hetzij
+zij als zij dat wilden, zijn hoofd aan Ceasar zouden zenden, hetzij hij
+zich vrijwillig overgaf met het doel gunstiger voorwaarden te bedingen
+voor zijn landgenooten. Het laatste voorstel werd aangenomen. Daarop
+wapende Vercingetorix zich met zijn schitterendste wapenen, bekleedde
+zijn paard met zijn rijkste tuig en, na driemaal om het Romeinsene kamp
+te zijn heen gereden, hield hij voor Caesar stand en legde hij het
+zwaard, dat het eenige overgebleven verdedigingsmiddel der Gallische
+onafhankelijkheid was, voor diens voeten. Caesar zond hem naar Rome,
+waar hij zes jaren lang gevangen werd gehouden, totdat hij ten slotte
+ter dood werd gebracht, toen Caesar zijn triomftocht hield.
+
+
+
+Polybius.
+
+
+Een karakteristiek tooneel uit den slag bij Clastidium (222 v.C.) wordt
+door Polybius beschreven. De Gaesaten [25], zoo verhaalt hij, die
+aan het front van het Keltische leger stonden, kleedden zich voor den
+strijd naakt uit, en het gezicht van die krijgslieden, met hun groote
+gestalte en hun blanke huid, waarop de gouden halsketenen en armbanden
+schitterden, die door al de Kelten zoozeer als versierselen op prijs
+werden gesteld, vervulden de Romeinsche soldaten met eerbiedige vrees
+en ontzag. Maar toen de slag geëindigd was, gingen die versierselen
+bij wagenvrachten naar Rome, om het Kapitool te versieren; en de
+slotopmerking van Polybius over het karakter der Kelten is, dat zij
+"ik zeg niet gewoonlijk, maar steeds en voortdurend, in alles wat zij
+beproefden door hun hartstochten werden medegesleept, en zich nooit
+aan de wetten der rede onderwierpen." Zooals men kan verwachten,
+was de kuischheid, waarvoor de Germanen bekend stonden, nooit, tot
+in de allerlaatste tijden, een Keltische karaktertrek.
+
+
+
+Diodorus.
+
+
+Diodorus Siculus, een tijdgenoot van Julius Caesar en Augustus, die
+in Gallië had gereisd, bevestigt in hoofdzaken de mededeelingen van
+Caesar en Strabo, maar voegt er enkele merkwaardige bijzonderheden
+aan toe. Hij vestigt in het bijzonder de aandacht op de voorliefde der
+Galliërs voor goud. Zelfs harnassen werden van goud vervaardigd. Dit is
+ook een zeer opmerkelijke karaktertrek der Kelten in Ierland, immers
+men heeft daar een verbazend aantal praehistorische overblijfselen
+van goud gevonden, terwijl het vaststaat, dat er nog veel meer
+hebben bestaan, die thans zijn verloren gegaan. De tempels en heilige
+plaatsen, zoo zeggen Posidonius en Diodorus, waren vol van onbeschermde
+gouden offers, die nooit door iemand werden aangeraakt. Hij maakt
+melding van den grooten eerbied aan de barden bewezen, en vestigt
+evenals Cato de aandacht op de wijze van uitdrukking, door de
+welopgevoede Galliërs gebezigd: "Zij zijn geen praatziek volk,
+en zijn er verzot op, zich uit te drukken in raadselen, zoodat de
+hoorder het grootste gedeelte van wat zij willen zeggen, maar moet
+raden." Dit komt volmaakt overeen met de deftige en beschaafde taal
+van het oude Ierland, die in hooge mate kort en zinnebeeldig is. De
+Druïde werd beschouwd als de voorgeschreven tusschenpersoon tusschen
+God en mensch--niemand zou een godsdienstige plechtigheid verrichten
+zonder zijn bijstand.
+
+
+
+Ammianus Marcellinus.
+
+
+Ammianus Marcellinus, die veel later leefde, en wel in de tweede helft
+der vierde eeuw na Christus, had eveneens Gallië bezocht, dat toen
+reeds, zooals duidelijk is, den invloed van Rome sterk had ondervonden.
+
+Doch ook hij verhaalt ons, evenals vroegere schrijvers, van de
+groote gestalte, de schoonheid en het aanmatigende optreden van
+den Gallischen krijgsman. Hij voegt er aan toe, dat het volk, in
+het bijzonder in Aquitanië, merkwaardig helder en zindelijk was in
+zijn uiterlijk--niemand werd in lompen of haveloos aangetroffen. Hij
+beschrijft ons de Gallische vrouw als buitengewoon lang, blauwoogig
+en bijzonder schoon; maar onder zijn bewondering is tamelijk veel
+eerbiedige vrees gemengd, immers hij voegt er aan toe, dat terwijl het
+al gevaarlijk genoeg was tegen een Gallischen man te moeten strijden,
+de zaak hopeloos stond, als zijn vrouw met haar vervaarlijk groote,
+sneeuwwitte armen, die konden neerkomen als catapulten, haar man te
+hulp kwam. Onweerstaanbaar wordt men herinnerd aan de galerij van
+krachtige, onafhankelijke, vurige en heftige vrouwen, zooals Maev,
+Grania, Findabair, Deirdre en de historische figuur van Boadicea,
+die in de mythen en in de geschiedenis der Britsche eilanden naar
+voren treden.
+
+
+
+Rice Holmes over de Galliërs.
+
+
+Het volgende uittreksel uit het werk van Rice Holmes "Caesars
+Verovering van Gallië" moge hier een plaats vinden als een uitnemend
+overzicht van het maatschappelijk beeld van dat gedeelte van het
+gebied der Kelten korten tijd vóór de Christelijke jaartelling,
+en dit komt overeen met alles, wat omtrent de inheemsche Iersche
+beschaving bekend is:
+
+"De Gallische volken waren ver boven den toestand van wilden gestegen;
+en de Kelten uit het binnenland, van wie velen reeds onder Romeinschen
+invloed waren gekomen, hadden een zekeren graad van beschaving
+verkregen, ja zelfs van weelde. Hun broeken, waaraan de provincie haar
+naam van Gallia Bracata ontleende, en hun veelkleurige geruite wollen
+rokken wekten de verbazing op van hun veroveraars. De aanvoerders
+droegen gouden ringen, armbanden en halsketenen; en als die groote,
+blondharige krijgslieden te paard ten strijde trokken, met hun helmen,
+vervaardigd in de gedaante van den kop van een of ander woest dier,
+waarboven waaiende pluimen uitstaken, en met hun metalen wapenrusting,
+hun lange schilden en hun groote rammelende zwaarden, maakten zij
+een schitterende vertooning. Ommuurde steden of groote dorpen, de
+versterkte plaatsen der verschillende stammen, waren op een groot
+aantal heuvels duidelijk zichtbaar. De vlakten waren bedekt met een
+groot aantal open gehuchten. De huizen, van hout en vlechtwerk gebouwd,
+waren ruim en goed met riet bedekt. De akkers waren in den zomer
+geel van het koren. Er waren van stad tot stad wegen aangelegd. De
+rivieren waren overspannen door stevige bruggen; en schuiten, met
+koopwaren beladen, dreven op de rivieren. Schepen, wel lomp van vorm,
+maar grooter dan eenig schip, dat op de Middellandsche Zee werd gezien,
+trotseerden de stormen in de Golf van Biscaye en brachten ladingen over
+tusschen de havens van Bretagne en de kust van Brittannië. Er werd tol
+geheven van de goederen, die over de groote waterwegen werden gevoerd;
+en aan het verpachten van die rechten ontleenden de edelen een groot
+deel van hun rijkdom. Iedere stam had zijn eigen muntstelsel; en de
+kennis der schrijfkunst in Grieksche en Romeinsche letterteekens
+was niet tot de priesters beperkt. De Aeduers waren op de hoogte
+van het pletten van koper en van tin. De mijnwerkers van Aquitanië,
+van Auvergne en van Berry waren beroemd om hun bekwaamheid. In één
+woord, in alles wat bijdroeg tot den uitwendigen voorspoed, hadden
+de volkeren van Gallië ontzaglijke vorderingen gemaakt sedert hun
+stamgenooten voor het eerst met Rome waren in aanraking gekomen." [26]
+
+
+
+
+Zwakheid der Keltische politiek.
+
+
+Maar toch had die aangeboren Keltische beschaving, die in menig
+opzicht zoo aantrekkelijk was en zooveel beloften inhield, blijkbaar
+het ééne of andere gebrek of eenige ongeschiktheid, die de Keltische
+volken belette zich te handhaven tegen de oude beschaving der
+Grieksch-Romeinsche wereld, of tegen de ruwe jeugdige kracht der
+Teutoonsche rassen. Wij zullen trachten na te gaan, wat dit was.
+
+
+
+De classieke staat.
+
+
+Op den bodem van het welslagen der classieke volken lag het begrip
+der burgerlijke gemeenschap, de [Greek: pholis], de _res publica_, als
+een soort van goddelijk bestaan, de bron van zegen voor de menschen,
+om haar ouderdom eerbiedwaardig, maar die toch voortdurend verjongd
+wordt bij ieder volgend geslacht; een macht, waaraan iedereen gaarne
+gehoorzaamt omdat hij weet, dat, al worden zijn trouwe diensten niet
+in de geschiedboeken geboekstaafd en overgeleverd, deze toch zijn
+eigen kortstondig bestaan zullen overleven en het bestaan van zijn
+vaderland of vaderstad ten eeuwigen dage zullen verheffen. Met dien
+geest bezield wees Socrates zijn vrienden, die er op aandrongen, dat
+hij zijn doodvonnis zou ontgaan door gebruik te maken van de middelen
+die zij hem aanboden om te ontsnappen, terecht, omdat zij hem aanzetten
+tot een goddelooze schending der wetten van zijn vaderland. Immers,
+zoo zeide hij, iemands vaderland is heiliger en eerbiedwaardiger dan
+vader of moeder, en hij moet kalm aan de wetten gehoorzamen waaraan
+hij zich heeft onderworpen, om daaronder zijn geheele leven door te
+brengen, daar hij zich anders den gerechten toorn op den hals haalt van
+de groote Broeders der aardsche Wetten, de Wetten der Onderwereld,
+aan wie hij ten slotte rekenschap moet geven van zijn gedrag op
+aarde. In meerdere of mindere mate maakte die verheven opvatting
+van den Staat den practischen godsdienst uit van iedereen onder de
+classieke naties der oudheid, en gaf zij aan den Staat zijn samenhang,
+zijn geschiktheid zich te handhaven en zich verder te ontwikkelen.
+
+
+
+Teutoonsche trouw.
+
+
+Bij de Teutonen werd de kracht van samenhang nog versterkt door een
+andere oorzaak, die bestemd was zich te vermengen met den burgerzin
+en, daarmede vereenigd--ja zelfs dien dikwijls overheerschend--den
+voornaamsten politieken factor te vormen bij de ontwikkeling der
+Europeesche volken. Dit was het gevoel, dat de Germanen bestempelden
+met den naam van _Treue_, de persoonlijke trouw aan een aanvoerder,
+die zich in zeer oude tijden uitstrekte tot een koninklijke dynastie,
+een gevoel dat diep geworteld was in het Teutoonsche karakter, en
+dat nooit door eenige andere menschlijke drijfveer is overtroffen
+als bron van heldhaftige zelfopoffering.
+
+
+
+De godsdienst der Kelten.
+
+
+Geen menschelijke invloeden worden ooit zuiver en onvermengd
+aangetroffen. Het gevoel van persoonlijke trouw was bij de classieke
+volken niet onbekend. Het gevoel van burgerzin en vaderlandsliefde
+schoot, hoewel het bij Teutoonsche rassen slechts langzaam opgroeide,
+daar eindelijk wortel. Geen van beide eigenschappen, trouw en
+burgerzin, waren bij de Kelten onbekend, maar er was nog een andere
+factor, die in hun geval bij hen die eigenschappen overschaduwde en in
+den groei belemmerde, en voor de politieke bezieling en de macht tot
+vestiging van een eenheid zooveel mogelijk bouwstoffen leverde, die de
+classieke volken aan hun vaderlandsliefde en de Teutonen aan hun trouw
+ontleenden. Die factor was de godsdienst; of misschien zou het juister
+en nauwkeuriger zijn te spreken van Priesterdienst--dat is godsdienst,
+in dogma's vastgelegd en door een priesterkaste toegediend. Zooals wij
+bij Caesar hebben gezien, wiens opmerkingen volkomen zijn bevestigd
+door Strabo en door hetgeen in Iersche legenden wordt gevonden [27],
+waren de Druïden de werkelijk souvereine macht in het gebied der
+Kelten. Alle zaken, openbare zoowel als private, waren aan hun gezag
+onderworpen, en de straffen die zij konden opleggen, zoo dikwijls een
+leek zich van hen onafhankelijk trachtte te maken, waren, al berustten
+zij, wat haar practische beteekenis en uitwerking betrof, evenals
+in de middeleeuwen de door de Katholieke kerk opgelegde banvloeken,
+alleen op het bijgeloof der menigte, voldoende, om den meest trotschen
+geest te buigen. Hier lag de ware zwakheid der Keltische politiek. Er
+is misschien geen wet, die duidelijker is geschreven in de lessen der
+geschiedenis, dan dat volken, die geregeerd worden door priesters,
+welke hun gezag ontleenen aan de goedkeuring van een bovennatuurlijken
+wil, daardoor ongeschikt worden voor waren nationalen vooruitgang,
+en wel des te meer, naarmate zij meer onder dien invloed staan. De
+ongedwongen, gezonde strooming van het wereldlijke leven en de
+wereldlijke gedachte, is uit den aard der zaak onvereenigbaar met
+priesterheerschappij. Wat ook de beleden godsdienst moge zijn,
+zooals Druïdendom, Islamisme, Jodendom, Christendom of Fetichisme,
+een priesterkaste, die gezag eischt in wereldsche zaken op grond van
+bovenaardsche bevelen, is onvermijdelijk de vijand van dien geest van
+criticisme, van dien invloed van nieuwe denkbeelden, van die toeneming
+van wereldlijke gedachten, van menschelijk en verstandelijk gezag,
+die de grondvoorwaarden zijn van nationale ontwikkeling.
+
+
+
+De vervloeking van Tara.
+
+
+Een bijzondere en zeer treffende bevestiging van die waarheid wordt
+geleverd door de geschiedenis der oude Keltische wereld. In de
+zesde eeuw na Christus, ruim honderd jaar na de prediking van het
+Christendom door St. Patrick, regeerde een koning, Dermot MacKerval
+[28] in Ierland. Hij was de Ard Righ, of Opperkoning van dat land,
+waarvan het bestuur gevestigd was te Tara, in Meath, en wiens ambt
+met zijn overmacht in naam en volgens de wet over de vijf provinciale
+koningen, een beeld gaf van den aandrang, die het Iersche volk dreef
+naar een ware nationale eenheid. De eerste voorwaarde voor zulk
+een eenheid was blijkbaar de vestiging van een krachtig centraal
+gezag. Een dergelijk gezag werd, zooals wij zeiden, in theorie door
+den opperkoning vertegenwoordigd. Het geschiedde nu, dat één van
+zijn beambten bij het uitoefenen van zijn plicht vermoord werd door
+een aanvoerder, Hugh Guairy genaamd. Guairy was de broeder van een
+bisschop, die een zoogbroeder was van St. Ruadan van Lorrha, en toen
+koning Dermot het bevel zond den moordenaar gevangen te nemen, werd
+hij door de geestelijkheid verborgen gehouden. Dermot liet echter naar
+hem zoeken, rukte hem weg van onder het dak van St. Ruadan en liet
+hem naar Tara brengen, om daar terecht te staan. Onmiddellijk maakten
+de geestelijken van Ierland gemeene zaak tegen den leekenkoning,
+die het gewaagd had een misdadiger, die onder de bescherming der
+geestelijkheid stond, te doen terecht staan. Zij kwamen te Tara samen,
+vastten tegenover den koning [29], en vervloekten hem en den zetel
+van zijn bestuur plechtig. Daarop vertelt ons de kroniekschrijver,
+dat de vrouw van Dermot een profetischen droom had.
+
+"Op de grasvlakte van Tara was een groote, breed gebladerde boom,
+waaraan elf slaven aan het hakken waren; maar iedere spaander, dien zij
+er van afhakten, keerde weder op zijn plaats terug en bleef daar vast
+op zitten, totdat er ten slotte één man kwam, die den boom slechts
+één slag toebracht, en dien daarbij velde [30]."
+
+De schoone boom was de Iersche monarchie, de twaalf houthakkers
+waren de twaalf Heiligen of Apostels van Ierland, en de eenige, die
+hem velde, was St. Ruadan. Het pleidooi van den koning voor zijn
+land, waarvan hij zag, dat het lot in de weegschaal stond, wordt
+met aandoenlijke kracht en met een helder inzicht door den Ierschen
+kroniekschrijver geboekstaafd [31].
+
+"Helaas," zeide hij, "wat een onbillijken strijd hebt gij tegen mij
+aangevangen; het is toch zeker, dat ik het welzijn van Ierland op
+het oog heb, en dat het mijn doel is de tucht daar te handhaven en
+de koninklijke rechten, terwijl gij streeft naar de verwarring van
+Ierland en naar moord en doodslag."
+
+Maar Ruadan zeide: "Moge Tara voor eeuwig verlaten zijn;" en het ontzag
+voor de priesterlijke vervloeking had de overhand. De misdadiger werd
+overgeleverd, Tara werd verlaten, en met uitzondering van een korten
+tijd, toen een krachtige overweldiger, Brian Boru, door geweld de
+macht in handen kreeg, kende Ierland in werkelijkheid geen wereldlijk
+bestuur, totdat die het land werd opgelegd door een veroveraar. De
+laatste woorden der geschiedkundige verhandeling waaruit wij aanhalen,
+zijn de wanhoopskreten van Dermot, waaraan wij ontleenen:
+
+"Wee hem, die met de geestelijkheid der kerken den strijd aanbindt."
+
+Wij hebben die gebeurtenis eenigszins uitvoerig beschreven, omdat zij
+een factor typeert, waarvan wij den grooten invloed op de geschiedenis
+der Keltische volken kunnen volgen gedurende een reeks van hachelijke
+gebeurtenissen van den tijd van Julius Caesar tot op onzen tijd. Wij
+zullen later zien, hoe en waaruit die zich ontwikkelde; genoeg zij het
+daarop de aandacht te vestigen. Het is een factor, die de nationale
+ontwikkeling der Kelten in den weg stond, in de beteekenis, die wij
+daaraan hechten bij de classieke of Teutoonsche volkeren.
+
+
+
+Wat Europa aan de Kelten te danken heeft.
+
+
+Het zou echter een groote dwaling zijn, als wij op dien grond meenden,
+dat de Kelten niet een kracht van groote beteekenis in Europa waren
+geweest. Zij hebben in belangrijke mate bijgedragen tot de cultuur
+van de westelijke wereld. Gedurende vier eeuwen--omstreeks 500 tot
+900 n.C.--was Ierland het toevluchtsoord der wetenschap en de bron van
+letterkundige en philosofische cultuur voor half Europa. De bouw der
+verzen in de Keltische poëzie heeft waarschijnlijk de grootste rol
+gespeeld bij het bepalen van den bouw van alle moderne verzen. De
+mythen en legenden der Gallische en Cymrische volken wekten de
+verbeelding op van een aantal dichters van het Vasteland. Trouwens
+de Kelten schiepen niet zelf eenig litterarisch werk van duurzamen
+bouw, evenmin als zij een duurzamen of indrukwekkenden nationalen
+staatsvorm schiepen. Hun denken en hun voelen was in wezen lyrisch
+en volstrekt niet abstract. Ieder voorwerp of levensbeeld maakte
+een levendigen indruk op hen en bewoog hen diep; zij waren uiterst
+gevoelig, en in hooge mate voor indrukken vatbaar, maar zagen de
+dingen niet in hun breedere en meer ver reikende betrekkingen. Zij
+hadden weinig geschiktheid voor het organiseeren van instellingen,
+voor het dienen van beginselen; maar zij waren, en dat zijn zij nog
+ten huidigen dage, onmisbare en nooit in den steek latende verdedigers
+der menschelijkheid tegenover de tyrannie van beginselen, de koelheid
+en de onvruchtbaarheid van instellingen. De instellingen van het
+koningschap, van burgerzin en vaderlandsliefde, zijn zeer vatbaar om
+tot onvruchtbare beginselen te worden versteend, en dan de ziel in
+boeien te leggen in plaats van die te bezielen. Maar de Kelten hadden
+zich steeds krachtig verzet tegen alles, wat niet den adem des levens
+in zich had, en tegen elken niet in den geest gegrondvesten en slechts
+zuiver uitwendigen vorm van overheersching.
+
+Het is maar al te waar, dat zij te zeer er naar streefden, de schoone
+vruchten van het leven te genieten, zonder de lange en geduldige
+voorbereiding voor den oogst, maar zij hebben een onmetelijken dienst
+bewezen en zullen dit ook doen aan de moderne wereld, door met kracht
+het beginsel op den voorgrond te stellen, dat de ware vruchten van het
+leven een onstoffelijke werkelijkheid zijn, die nooit zonder smart of
+verlies verduisterd of vergeten kan worden te midden van het groote
+samenstel eener stoffelijke beschaving.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II: DE GODSDIENST DER KELTEN.
+
+
+
+Ierland en de godsdienst der Kelten.
+
+
+Wij hebben gezegd, dat onder de Keltische volken de Ieren in de
+voornaamste plaats hierdoor belangrijk zijn, dat zij een aantal
+kenmerkende trekken van een inheemsche Keltische beschaving gebracht
+hebben in het licht van het moderne geschiedkundige onderzoek. Er is
+echter één ding, dat zij niet brachten over de golf, die ons van de
+oude wereld scheidt, en dat is hun godsdienst.
+
+Niet alleen dat zij dien geheel wijzigden; zij lieten dien ouden
+godsdienst zóó volkomen achter zich, dat elke overlevering daaromtrent
+verloren is gegaan. St. Patrick, zelf een Kelt, die Ierland tijdens
+de vijfde eeuw onder den invloed van het Christendom heeft gebracht,
+heeft ons een autobiografisch verhaal van zijn zending nagelaten,
+een geschrift van ontzaglijk veel belang en het oudste verhaal, dat
+omtrent het Christendom van Brittannië is overgebleven; doch dit
+vertelt ons niets omtrent de leerstellingen, die hij uitroeide en
+verving. Wij vernemen veel meer omtrent de godsdienstige opvattingen
+der Kelten door middel van Julius Caesar, die hen van een geheel
+ander standpunt naderde. De groote hoeveelheid litteratuur, waarin
+legenden behandeld worden en die haar tegenwoordigen vorm in Ierland
+innam tusschen de zevende en de twaalfde eeuw, vertoont ons, hoewel zij
+dikwijls blijkbaar teruggaat tot bronnen, die van vóór het Christendom
+dagteekenen, behalve een sterk geloof in toovenarij en een gehechtheid
+aan het volgen van bepaalde ceremonieele en ridderlijke gebruiken,
+practisch niets dat gelijkt op een godsdienstig of zelfs ethisch
+stelsel. Wij weten, dat een aantal hoofden en barden gedurende langen
+tijd weerstand boden aan het nieuwe geloof, en dat dit lange verzet
+aanleiding gaf tot een beslissing bij den slag bij Moyrath in de zesde
+eeuw, maar geen echo van eenigen geestesstrijd, geen vergelijken
+van de ééne leer met de andere, zooals wij bij voorbeeld vinden
+in de mededeelingen omtrent den strijd van Celsus tegen Origenes,
+heeft ons uit die periode van verandering en strijd bereikt. De
+litteratuur van het oude Ierland bevatte, zooals wij zullen zien, een
+aantal oude mythen, en daarin komen sporen voor den dag van wezens,
+die op een bepaald oogenblik goden of natuurlijke krachten moeten
+geweest zijn, maar alles is beroofd van godsdienstige beteekenis, en
+veranderd in verdichting en uitingen van schoonheid. En toch was er,
+zooals Caesar ons mededeelt, een zeer goed ontwikkeld godsdienstig
+stelsel onder de Galliërs, maar wij leeren ook op zijn autoriteit,
+dat de Britsche eilanden het vertegenwoordigende middelpunt van dit
+stelsel waren; zij waren, om het zoo uit te drukken, het Rome van
+den Keltischen godsdienst.
+
+Wat de aard en het wezen van dien godsdienst was, moeten wij thans
+nagaan als een inleiding tot de mythen en legenden, die in meer of
+minder verwijderden zin daaruit zijn ontstaan.
+
+
+
+De volksgodsdienst der Kelten.
+
+
+Maar wij moeten allereerst er de aandacht op vestigen, dat de
+godsdienst der Kelten volstrekt niet zulk een eenvoudige zaak was,
+en niet wat kort kan worden samengevat tot wat wij "Druïdisme"
+noemen. Behalve de officiëele godsdienst was er een geheel van
+populaire vormen en bijgeloovige gebruiken, die uit een diepere en
+oudere bron afkomstig waren dan het Druïdisme, en die bestemd waren
+dit langen tijd te overleven, ja zelfs nog thans zijn zij nog lang
+niet uitgestorven.
+
+
+
+Het megalithische volk.
+
+
+De godsdiensten van primitieve volken zetelen meestal in of ontleenen
+hun oorsprong aan plechtigheden en gebruiken, die in verband staan met
+het begraven van dooden. De oudste volken, die Keltisch grondgebied
+bewonen, in het westen van Europa, waarvan wij eenige vaststaande
+kennis bezitten, zijn een ras zonder naam of bekende geschiedenis,
+maar toch kunnen wij uit hun grafmonumenten, waarvan er nog zooveel
+bestaan, heel wat omtrent hen te weten komen. Het waren de zoogenaamde
+megalithische volken [32], de oprichters van dolmens, cromlechs en
+in kamers verdeelde tumuli, waarvan er in Frankrijk alleen meer dan
+drieduizend zijn geteld. Dolmens worden gevonden van Scandinavië tot
+naar het zuiden, in de westelijke landen van Europa tot aan de Straat
+van Gibraltar en Spanje, en langs de kust der Middellandsche Zee. Zij
+komen voor op sommige der westelijke eilanden der Middellandsche Zee
+en worden ook in Griekenland gevonden, waar zelfs nu nog, in Mycene
+een oude dolmen staat, naast de prachtige grafkamer der Atriden. Men
+mag in ruwe trekken zeggen, dat, als wij een lijn trekken van de
+monding van de Rhône naar het noorden tot aan den Varanger Fjord,
+alle dolmens in Europa, met uitzondering van enkele exemplaren in de
+Middellandsche Zee, ten westen van die lijn gelegen zijn. Ten oosten
+van die lijn vinden wij er geen, totdat wij in Azië komen. Maar zij
+worden weer gevonden aan de overzijde van de Straat van Gibraltar, en
+wel langs de geheele kust van Noord-Afrika, en van daar in oostelijke
+richting door Arabië en Indië, tot zelfs in Japan.
+
+
+
+Dolmens, cromlechs en tumuli.
+
+
+Een Dolmen is een soort van kamer, bestaande uit recht opstaande
+ongehouwen steenen, die meestal gedekt zijn door één enkelen
+grooten steen. Gewoonlijk hebben zij in ontwerp den vorm van een
+wig, en dikwijls kunnen sporen van een voorhof of vestibule worden
+waargenomen. De oorspronkelijke bedoeling van den dolmen was, een
+huis of woonplaats voor den doode voor te stellen. Een cromlech
+(in het gewone spraakgebruik dikwijls met een dolmen verward) is
+eigenlijk een in een cirkelvormigen kring geplaatste verzameling van
+rechtop staande steenen, meestal met een dolmen in het midden. Men is
+van meening, dat de meeste, zoo niet al de nu blootgestelde dolmens
+oorspronkelijk gedekt waren met een groote aardhoogte of met kleinere
+steenen. Dikwijls, zooals in de hier gegeven teekening, zijn groote
+lanen of wegen gevormd van rechtop geplaatste, op zich zelf staande
+steenen, en deze hadden ongetwijfeld de één of andere bedoeling,
+die in verband stond met de godsdienstige gebruiken, welke op die
+plaats in zwang waren. De latere megalithische monumenten, zooals te
+Stonehenge, mogen al van gehouwen steen vervaardigd zijn, maar in ieder
+geval vertoonen de ruwheid van constructie, de afwezigheid van eenige
+beeldhouwkunst (met uitzondering van de teekeningen of symbolen die op
+de oppervlakte gehouwen zijn), de blijkbare bedoeling om een machtigen
+indruk te maken door de ruwe kracht van ontzaglijke monolithische
+massa's, en niet minder geven enkele bepaalde bijkomende kenmerkende
+eigenschappen in hun plan, die later zullen beschreven worden, aan
+deze megalithische monumenten een merkwaardige familiegelijkenis,
+en onderscheiden hen van de in kamers verdeelde graftomben der oude
+Grieken, Egyptenaren en andere meer gevorderde rassen. De eigenlijke
+dolmens maakten ten slotte plaats voor groote in kamers verdeelde
+aardhoogten of tumuli, zooals te New Grange, die wij ook rekenen als
+te behooren aan het megalithische volk. Zij zijn een natuurlijke
+ontwikkeling van den dolmen. De oudste dolmenbouwers waren op den
+neolithischen trap van beschaving, hun wapens waren van gepolijsten
+steen. Maar in de tumuli werd niet alleen steen, maar ook brons,
+en zelfs ijzer gevonden--in het begin, zooals duidelijk blijkt,
+van buiten ingevoerd, maar later in dat gebied vervaardigd.
+
+
+
+Oorsprong van de megalithische bevolking.
+
+
+Omtrent de taal, die oorspronkelijk door dat volk werd gesproken,
+kunnen wij alleen iets afleiden uit de sporen, die daarvan zijn
+overgebleven in die van hun veroveraars, de Kelten. Maar een kaart van
+de verspreiding hunner monumenten wekt onweerstaanbaar de gedachte
+op, dat de bouwmeesters van die monumenten van Noord-Afrikaanschen
+oorsprong waren; dat zij oorspronkelijk niet gewoon waren over
+groote uitgestrektheden de zee over te trekken; dat zij in westelijke
+richting trokken langs Noord-Afrika, dat zij naar Europa overstaken
+daar waar bij Gibraltar de Middellandsche Zee zich vernauwt tot een
+straat van slechts enkele mijlen breedte, en dat zij zich van daar
+uit verspreidden over de westelijke landen van Europa, met inbegrip
+der Britsche eilanden, terwijl zij in oostelijke richting door Arabië
+tot in Azië doordrongen. Wij moeten echter in het oog houden, dat,
+terwijl het megalithische volk oorspronkelijk zonder twijfel een
+afzonderlijk ras was, het ten slotte niet een ras, maar een bepaalde
+cultuur vertegenwoordigde. De menschelijke overblijfselen, die in die
+graven zijn gevonden, met hun groote verschillen in den vorm van den
+schedel, enz. zijn daarvan het duidelijke bewijs. [33] Deze en andere
+overblijfselen wijzen er op, dat de dolmenbouwers in het algemeen een
+hoogstaand en goed ontwikkeld type waren, op de hoogte van landbouw,
+veeteelt en ook eenigszins van zeevaart. De monumenten zelf, die
+dikwijls indrukwekkende afmetingen hebben en het bewijs leveren van
+veel nadenkens en goed georganiseerde samenwerking bij hun bouw,
+wijzen ontwijfelbaar aan, dat in die periode een priesterdom bestond,
+dat belast was met de zorg voor begrafenisplechtigheden, en dat
+geschikt was groote menschenmassa's te beheerschen. Hun dooden werden
+in den regel niet begraven, maar in hun geheel verbrand; de grootere
+monumenten wezen ongetwijfeld de graven aan van aanzienlijke personen,
+terwijl het gemeene volk begraven werd in graftomben, waarvan geen
+sporen meer bestaan.
+
+
+
+De Kelten der vlakten.
+
+
+De Jubainville houdt in zijn beschrijving van de oudste geschiedenis
+der Kelten alleen rekening met twee hoofdgroepen--de Kelten en de
+megalithische bevolking. Maar Bertrand maakt in zijn verdienstelijk
+werk "La Religion des Gaulois" onderscheid tusschen twee elementen
+onder de Kelten zelf. Behalve de megalithische bevolking zijn er nog
+twee groepen van Kelten, die van de vlakten en die van de bergen. De
+Kelten uit de vlakten waren volgens zijn opvatting afkomstig van
+den Donau en kwamen waarschijnlijk reeds omstreeks 1200 v.C. in
+Gallië. Zij waren de stichters der paalwoningen in Zwitserland,
+in de vallei van den Donau en in Ierland. Zij kenden het gebruik
+van metalen en bewerkten goud, tin, brons, en tegen het einde van
+die periode ook ijzer. In afwijking van de megalithische bevolking,
+spraken zij een Keltische taal, [34] hoewel het schijnt, dat Bertrand
+hun volkomen rasovereenkomst met de echte Kelten betwijfelt. Zij waren
+misschien langzamerhand Kelten geworden, in plaats van oorspronkelijk
+echte Kelten te zijn. Zij waren niet oorlogszuchtig; het was een rustig
+volk van veehoeders, landbouwers en ambachtslieden. Zij begroeven hun
+dooden niet, maar verbrandden ze. In een groote nederzetting van hen,
+te Golasecca, in Gallia Cisalpina, zijn 6000 graven gevonden. Bij al
+deze was het lijk verbrand; er was dan ook geen enkele begrafenis,
+waar het lijk niet vooraf verbrand was.
+
+Dat volk trok (zooals Bertrand beweert), niet als veroveraars Gallië
+binnen, maar door zich geleidelijk daar te nestelen, en de leege
+plaatsen in te nemen, waar zij die in valleien en vlakten vonden. Zij
+kwamen over de Alpenpassen, en hun plaats van vertrek was het land
+van den Boven-Donau, dat zooals Herodotus zegt "onder de Kelten
+oprijst." Zij vermengden zich vreedzaam met de megalithische bevolking,
+waaronder zij zich nederzetten, en brachten niet tot ontwikkeling
+eenige van die reeds in aanzien gekomen politieke instellingen,
+die alleen door den oorlog groeien, maar waarschijnlijk droegen
+zij krachtig bij tot de ontwikkeling van het Druïdische stelsel van
+godsdienst en van de bardenpoëzie.
+
+
+
+De Kelten uit de berglanden.
+
+
+Wij hebben eindelijk nog een derde groep, en wel de echte Keltische
+groep, die het spoor van de tweede op den voet volgde. Het was in het
+begin der zesde eeuw, dat deze het eerst ten tooneele verscheen op den
+linkeroever van den Rijn. Terwijl Bertrand de tweede groep Keltisch
+noemt, noemt hij de laatste Galatisch, en vereenzelvigt hij die met
+de Galaten der Grieken en met de Galliërs en de Belgen der Romeinen.
+
+De tweede groep waren, zooals wij zeiden, Kelten uit de vlakten. De
+derde groep waren Kelten uit de bergstreken. De eerste woonplaats,
+die wij van hen kennen, waren de bergketenen van den Balkan en de
+Karpathen. Hun organisatie was die van een militaire aristocratie--zij
+speelden de baas over de onder hen staande bevolking, op wier kosten
+zij leefden door schatting of plundering. Zij zijn de oorlogszuchtige
+Kelten der oude geschiedenis--de plunderaars van Rome en van Delphi, de
+huurlingen, die voor soldij en uit lust voor den oorlog streden in de
+rijen der Carthagers en later der Romeinen. Zij hadden een minachting
+voor landbouw en industrie, hun vrouwen beploegden de akkers, en
+onder hun heerschappij werd de lagere bevolking bijna tot slavernij
+teruggebracht; "plebs paene servorum habetur loco," zooals Caesar ons
+verhaalt. Alleen Ierland ontkwam eeniger mate aan de onderdrukking
+dier militaire aristocratie, en aan de scherpe scheidingslijn, die
+door deze tusschen de beide klassen werd getrokken, maar toch wordt
+zelfs daar een weerspiegeling gevonden van den toestand, zooals die
+in Gallië bestond, zelfs daar vinden wij vrije en onvrije stammen, en
+onderdrukking en onteerende afpersingen van de zijde der heerschende
+klasse.
+
+En toch, al had die heerschende klasse enkele der ondeugden,
+die onbeteugelde kracht eigen zijn, zij had eveneens vele edele
+en humane eigenschappen. Zij waren ontzaglijk dapper, wonderlijk
+ridderlijk, uiterst gevoelig voor poëzie en muziek, en hadden zin
+voor bespiegelende gedachten. Posidonius vond, dat het bardendom
+onder hen bloeide in de eerste eeuw v.C., en omstreeks twee honderd
+jaar vroeger beschrijft Hecataeus van Abdera de met zorg uitgevoerde,
+met muziek gepaarde godsdienstplechtigheden, door de Kelten op een
+eiland in het westen--waarschijnlijk Groot-Brittannië--gevierd ter
+eere van hun god Apollo [35]. Als meest Arische der Ariërs, hadden zij
+de stof in zich voor een groote en vooruitstrevende natie; maar het
+Druïdische stelsel--niet wat zijn wijsbegeerte en wetenschap betreft,
+maar wel zijn priesterlijk-politieke organisatie--was hun verderf,
+en hun noodlottige zwakheid was, dat zij zich daaraan onderwierpen.
+
+De beschaving dier Kelten uit de berglanden verschilde zeer kenmerkend
+van die der Kelten uit de vlakten. Zij waren uit het ijzeren, niet
+uit het bronzen tijdperk; hun dooden werden niet verbrand (wat zij
+als een schande beschouwden), maar begraven.
+
+De landstreken, door hen gewelddadig in bezit genomen, waren
+Zwitserland, Bourgondië, de Palts en noordelijk Frankrijk, gedeelten
+van Brittannië in het westen, en Galatië en Illyrië in het oosten,
+maar kleinere groepen van hen moeten wijd en zijd over het geheele
+Keltische grondgebied zijn binnengedrongen, en een overheerschend
+standpunt hebben ingenomen overal waar zij kwamen.
+
+Er waren, zooals Caesar zegt, drie volken, die Gallië bewoonden, toen
+hij met zijn verovering begon: "zij verschillen onderling in taal,
+gebruiken en wetten". Hij noemde die volken respectievelijk de Belgen,
+de Kelten en de Aquitaniërs. Hij stelt in ruwe trekken hun woonplaats
+vast, die der Belgen in het noorden en oosten, die der Kelten in het
+midden, die der Aquitaniërs in het westen en het zuiden. De Belgen
+zijn de Galaten van Bertrand, terwijl de Aquitaniërs de megalithische
+bevolking uitmaken. Zij waren uit den aard der zaak allen meer of
+minder onder den invloed der Kelten gebracht, en de verschillen in
+taal, die Caesar opmerkte, behoeven niet groot geweest te zijn; toch
+is het de aandacht waard,--en dat is volkomen in overeenstemming met de
+opvattingen van Bertrand,--dat Strabo van de Aquitaniërs mededeelt, dat
+zij duidelijk afweken van de overige bewoners, en overeenkomst hadden
+met de Iberiërs. De taal der overige Gallische volken, zoo voegt hij
+er uitdrukkelijk bij, was niets anders dan dialecten van dezelfde taal.
+
+
+
+De godsdienst der toovenarij.
+
+
+Die drievoudige verdeeling weerspiegelt zich min of meer in
+alle Keltische landen en moet steeds in het oog gehouden worden,
+zoo dikwijls wij spreken van Keltische denkbeelden en Keltischen
+godsdienst en trachten na te gaan, in hoeverre de Keltische volken
+tot de Europeesche beschaving hebben bijgedragen. De mythen- en
+legendenlitteratuur en de kunst der Kelten hebben waarschijnlijk
+hoofdzakelijk haar oorsprong ontleend aan dat gedeelte, dat wordt
+vertegenwoordigd door de Kelten uit de vlakten, zooals Bertrand die
+noemt. Maar die letterkunde van gezangen en mythen werd voortgebracht
+door de klasse der barden ten genoege en tot leering van een
+trotsche, ridderlijke en oorlogszuchtige aristocratie, en moest
+zich dan onvermijdelijk gevormd hebben naar de denkbeelden van die
+aristocratie. Maar zij moest eveneens gekleurd zijn door den diep
+ingrijpenden invloed der godsdienstige denkbeelden en gebruiken,
+die door de megalithische bevolking werden gevolgd--denkbeelden,
+die nu langzaam verbleeken in het opkomende daglicht der
+wetenschap. Die denkbeelden kunnen worden samengevat in het ééne
+woord "toovenarij." Wij moeten thans den aard van dien godsdienst
+der magie in het kort bespreken, immers hij was een machtig element
+bij de vorming van de meeste van die mythen en legenden, die wij
+later moeten behandelen. En, zooals professor Bury opmerkte in zijn
+inaugureele redevoering te Cambridge in 1903:
+
+"Wanneer wij de allermoeilijkste van alle onderzoekingen, het
+ethische vraagstuk, de rol door het ras gespeeld in de ontwikkeling
+der volken en de gevolgen van rassenvermenging willen ter hand nemen,
+dan moeten wij wel in het oog houden, dat de Keltische wereld één der
+voornaamste toegangswegen beheerscht, die leiden naar die geheimzinnige
+prae-Arische voorwereld, waarvan wij moderne Europeanen misschien
+wel veel meer hebben geërfd, dan wij zouden vermoeden."
+
+De eigenlijke wortel van het woord "magie" is onbekend, maar het is
+onmiddellijk afgeleid van de Magi, of priesters van Chaldea en Medië
+in prae-Arische en prae-Semitische tijden, die de voornaamste dragers
+waren van dat stelsel van denkbeelden, dat zoo eigenaardig vermengd
+is met bijgeloof, wijsbegeerte en wetenschappelijke waarneming. De
+fundamenteele opvatting der magie is die van de geestelijke
+levenskracht der geheele natuur. Die geestelijke levenskracht werd
+niet, zooals bij het polytheïsme, van de natuur gescheiden gedacht
+in afzonderlijke goddelijke persoonlijkheden. Zij was opgesloten in
+en innerlijk vastgehecht aan de natuur; zij was duister, onbepaald en
+bekleed met al het ontzagwekkende van een pracht, waarvan de grenzen en
+de aard in een ondoorgrondelijke geheimzinnigheid gehuld zijn. In haar
+meer verwijderden oorsprong was zij, zooals een aantal feiten schijnen
+aan te toonen, verbonden met de doodenvereering, immers de dood werd
+beschouwd als de terugkeer tot de natuur, en als een bekleeding met
+onbestemde en niet te controleeren machten van een geestelijke kracht,
+die vroeger belichaamd was in den concreten, begrensden, handelbaren,
+en daarom minder angstwekkenden vorm van een levende menschelijke
+persoonlijkheid. Toch waren die machten niet geheel buiten controle. De
+begeerte naar controleering, zoowel als het zoeken naar de middelen,
+om dit tot stand te brengen, ontleende het aanzijn aan de eerste ruwe
+toepassingen der geneeskunde. Geneesmiddelen van den één of anderen
+aard behoorden tot één der eerste behoeften van den mensch. En de
+kracht van zekere aan de natuur ontleende stoffen, hetzij uit het
+delfstoffen-, hetzij uit het plantenrijk, om te werken zoowel op het
+lichaam als op den geest, en wel op een wijze, die dikwijls schrik
+en ontsteltenis veroorzaakte, werd uit den aard der zaak opgevat als
+een duidelijk bewijs van wat wij de "magische" opvatting van het
+heelal zouden kunnen noemen. [36] De eerste toovenaars waren zij,
+die een bepaalde kennis hadden verkregen van geneeskundige vergiftige
+kruiden; maar daar de één of andere kracht werd toegeschreven aan ieder
+voorwerp en ieder verschijnsel in de natuur, moest er een soort van
+magische wetenschap ontstaan, gedeeltelijk de vrucht van het echte
+onderzoek, gedeeltelijk van dichterlijke verbeelding, gedeeltelijk
+van priesterbedrog, welke magische wetenschap vastgelegd werd in
+godsdienstige gebruiken en formules, gebonden aan bepaalde plaatsen
+en voorwerpen en door symbolen voorgesteld. Dit geheele onderwerp is
+door Plinius behandeld in een merkwaardig stuk, dat wij om het groote
+belang uitvoerig aanhalen:
+
+
+
+Plinius over den godsdienst der magie.
+
+
+"De magie is één der weinige zaken, die de moeite loonen ze eenigszins
+uitgebreid te bespreken, al ware het alleen hierom, omdat zij, hoewel
+de meest bedriegelijke van alle kunsten, overal en ten alle tijde
+groot vertrouwen heeft ingeboezemd. En het is ook niet te verwonderen,
+dat zij een grooten invloed heeft gekregen, want zij heeft drie
+kunsten in zich vereenigd, die de grootste heerschappij hebben
+verkregen over den geest van den mensch. Terwijl zij in de eerste
+plaats uit de geneeskunde is ontstaan--een feit dat door niemand
+kan worden betwijfeld--en onder den schijn van bezorgdheid voor onze
+gezondheid, is zij in den geest doorgedrongen, en heeft zij den vorm
+aangenomen van een ander geneesmiddel, dat heiliger en inniger is. In
+de tweede plaats heeft zij, als draagster van de meest verleidelijke
+en vleiende beloften, den godsdienst als beweegreden aangenomen,
+over welk onderwerp de menschheid zelfs in onze dagen nog zeer in het
+duister verkeert. En om op dit alles de kroon te zetten, heeft zij haar
+toevlucht genomen tot de sterrenwichelarij, en iedereen verlangt er
+vurig naar, de toekomst te leeren kennen en is er van overtuigd, dat
+die kennis zonder eenigen twijfel van den hemel is te verkrijgen. Daar
+zij dus den geest der menschen in die driedubbele boei gekluisterd
+houdt, heeft zij haar heerschappij uitgestrekt over een aantal volken,
+en de Koningen der Koningen in het oosten gehoorzamen er aan.
+
+"Zij is ongetwijfeld in het oosten uitgevonden--in Perzië en door
+Zoroaster [37]. Alle gezaghebbenden zijn het daarover eens. Maar
+is er niet meer dan één Zoroaster geweest?... Ik heb opgemerkt,
+dat men reeds in oude tijden, ja zelfs bijna altijd, menschen heeft
+gevonden, die in die wetenschap het toppunt van letterkundigen roem
+hebben gevonden--ten minste Pythagoras, Empedocles, Democritus en
+Plato zijn de zeeën overgetrokken, inderdaad meer als ballingen dan
+als reizigers, om zich daarvan op de hoogte te stellen. En als zij
+daarna in hun geboorteland terugkeerden, verhieven zij zich op hun
+kennis der magie en handhaafden zij haar geheime leer.... Bij de
+Latijnsche volken vindt men reeds vroeg sporen daarvan, zooals bij
+voorbeeld in onze Wetten der Twaalf Tafelen [38] en andere monumenten,
+zooals ik in een vroeger boek heb gezegd. Inderdaad was het eerst
+in het jaar 657 na de stichting van Rome, onder het consulaat van
+Cornelius Lentulus Crassus, dat het door een _senatus consultum_
+verboden was menschelijke wezens te offeren, waaruit duidelijk blijkt,
+dat tot op dien tijd afschuwelijke offers werden gebracht. De Galliërs
+zijn onder de bekoring er van gekomen, en dat wel zelfs tot op onze
+dagen, immers was het keizer Tiberius, die de Druïden afschafte en
+de geheele bende van profeten en medicijnmeesters. Maar wat voor nut
+heeft het, verbodsbepalingen uit te vaardigen tegen een kunst, die
+den oceaan is overgetrokken en zelfs tot aan de grenzen der Natuur
+is doorgedrongen?" (_Hist. Nat._ XXX).
+
+Plinius voegt daaraan toe, dat de eerste, van wien hij met zekerheid
+kan uitmaken, dat hij over dat onderwerp heeft geschreven, Osthanes
+is geweest, die Xerxes heeft vergezeld op zijn krijgstocht tegen
+de Grieken, en die de "kiemen van zijn gedrochtelijke kunst" heeft
+verbreid overal waar hij in Europa kwam.
+
+De magie was--zoo meende Plinius--noch inheemsch in Griekenland, noch
+in Italië, maar was in Brittannië zóózeer ingeworteld, en daar beoefend
+met zóó uitgewerkte en met zorg beoefende ceremoniën, dat Plinius zegt,
+dat men haast zou meenen, dat het de Britten waren, die haar aan de
+Perzen, en niet de Perzen, die haar aan de Britten hadden onderwezen.
+
+
+
+Sporen van magie in megalithische monumenten.
+
+
+De indrukwekkende overblijfselen van hun godenvereering, die ons zijn
+nagelaten door de megalithische bevolking, zijn vol aanwijzingen
+omtrent hun godsdienst. Nemen wij als voorbeeld den merkwaardigen
+tumulus van Mané-er-H'oeck, in Bretagne. Dat monument was in het jaar
+1864 door René Galles onderzocht, die het als volkomen ongeschonden
+beschrijft--de oppervlakte van den grond was nog onaangeroerd, en alles
+was zooals de oprichters hem hadden achtergelaten [39]. Aan den ingang
+der rechthoekige kamer was een gebeeldhouwde steenen plaat, waarop een
+geheimzinnig teeken was gegraveerd, misschien wel de totem van een der
+voormannen. Zoodra men de kamer binnentrad, vond men een prachtigen
+oorhanger van groen jaspis, ter grootte van een ei. Op den grond in
+het midden der kamer was een zeer merkwaardige groep, bestaande uit een
+grooteren ring van jadiet, eenigszins ovaal van vorm met een prachtig
+bovenstuk van een bijl, eveneens van jadiet, waarvan de punt op den
+ring rustte. De bijl was een zeer bekend symbool van macht of van een
+godheid en wordt dikwijls gevonden als snijwerk in rotsen, uit het
+Bronzen Tijdperk, en ook op Egyptische hiëroglyphen, Minoïsch snijwerk,
+enz. Op korten afstand daar vandaan lagen twee groote oorhangers van
+jaspis, vervolgens een bovenstuk van een bijl van wit jadiet [40],
+en ten slotte nog een oorhanger van jaspis. Al die voorwerpen waren
+met een blijkbare bedoeling _op een rij_ gerangschikt, en vormden
+een rechte lijn, die nauwkeurig samenviel met één der diagonalen
+van de kamer, van het noordwesten naar het zuidoosten. In één der
+hoeken van de kamer vond men 101 bovenstukken van bijlen in jadiet
+en fibroliet. Er waren geen sporen van beenderen of asch, en evenmin
+vond men er een grafvorm, het geheel was een cenotaaf. "Staan wij,"
+zoo vraagt Bertrand, "hier niet tegenover een godsdienstplechtigheid,
+die met de magie samenhangt?"
+
+
+
+Chiromantie of handwaarzeggerij te Gavr'inis.
+
+
+In verband met het groote grafmonument te Gavr'inis was een zeer
+merkwaardige waarneming gedaan door Albert Maitre, inspecteur van het
+Musée des Antiquités Nationales. Er werden daar--zooals gewoonlijk
+bij andere megalithische monumenten in Ierland en Schotland--een
+aantal steenen gevonden, die gegraveerd waren met een merkwaardig en
+karakteristiek patroon in golvende en concentrische lijnen. Indien men
+nu de merkwaardige lijnen op de vingers onder een lens beschouwt,
+zal men vinden, dat deze volmaakt gelijken op die patronen
+der megalithische graveerkunst. De ééne schijnt wel een volkomen
+afdruk van de andere te zijn. Die lijnen op de menschenhand zijn zóó
+duidelijk en eigenaardig, dat zij, zooals bekend is, zijn aangenomen
+als een middel, om de identiteit van misdadigers vast te stellen. Kon
+die groote gelijkenis het gevolg van toeval zijn? Er is nooit iets
+gevonden, dat met die eigenaardige verzameling van gegraveerde lijnen
+overeenkomt, behalve in verband met deze monumenten. Hebben wij hier
+niet te doen met iets dat met chiromantie in betrekking staat--een
+magische kunst, die in oude en zelfs in moderne tijden veel beoefend
+werd? De hand als een symbool van macht was een zeer bekend magisch
+zinnebeeld, en heeft zelfs in ruime mate haar intrede gedaan in
+het Christelijke symbolisme--zooals bij voorbeeld de groote hand,
+gegraveerd op het ondergedeelte van één der armen van het Kruis van
+Muiredach te Monasterboice.
+
+
+
+Uitgeholde steenen.
+
+
+Een andere merkwaardigheid, die tot nu toe niet is verklaard en die
+gevonden wordt bij een aantal van die monumenten van westelijk Europa
+tot aan Indië, is de aanwezigheid van een klein gat, dat door één
+der steenen is geboord, die de kamer vormen. Was het een opening,
+die bestemd was voor den geest der dooden? Of diende zij om hun
+offers te brengen? Ofwel was het de weg, waarlangs men meende, dat
+openbaringen uit de geestenwereld naar een priester of toovenaar werden
+overgebracht? Of dienden zij voor ieder van die doeleinden? Uitgeholde
+steenen, die geen deel uitmaakten van een dolmen, behooren uit den
+aard der zaak tot de meest gewone overblijfselen der oude godsdienstige
+gebruiken, en worden nog steeds vereerd en gebruikt bij plechtigheden,
+die in verband staan met zwangerschap en dergelijke. Hier moeten wij
+het zinnebeeld zonder eenigen twijfel verklaren als iets, dat met de
+geslachten in verband staat.
+
+
+
+Vereering van steenen.
+
+
+Behalve de hemellichamen vinden wij, dat ook rivieren, boomen,
+bergen en steenen bij dat primitieve volk het voorwerp van vereering
+waren. De vereering van steenen in het bijzonder kwam algemeen voor;
+zij is niet zoo gemakkelijk te verklaren als de vereering, bewezen
+aan voorwerpen, die beweging en levenskracht bezitten. Misschien
+kan een verklaring voor de vereering, verbonden met groote, op
+zich zelf staande massa's van ongehouwen steen, gevonden worden in
+haar gelijkenis met de kunstmatige dolmens en cromlechs [41]. Geen
+enkele vorm van bijgeloof heeft zoolang standgehouden. Het blijkt,
+dat in het jaar 452 n.C. de Synode van Arles diegenen bedreigde, die
+"boomen, putten en steenen aanbaden," en die bedreiging werd herhaald
+door Karel den Groote en door een aantal Synodes en Concilies tot op
+onzen tijd. Toch blijkt uit een teekening, die wij hier weergeven, en
+die enkele jaren geleden op de plaats zelf door Arthur G. Bell werd
+vervaardigd, dat diezelfde wijze van aanbidding in Bretagne nog in
+volle kracht is; wij zien hier, hoe de symbolen en de priesterlijke
+organisatie der Christenheid thans in den dienst zijn gesteld van
+dit onheugelijk oude heidendom. Volgens Bell neemt de geestelijkheid
+met veel tegenzin deel aan die plechtigheden, maar wordt zij daartoe
+gedwongen door de publieke opinie daar ter plaatse. Heilige bronnen,
+waarvan het water volgens de openbare meening ziekten geneest, zijn
+nog in grooten getale in Ierland aanwezig, en de vereering van het
+water van Lourdes, kan, in weerwil dat de Kerk er haar goedkeuring
+aan gehecht heeft, als een toepasselijk voorbeeld op het vasteland
+worden beschouwd.
+
+
+
+Teekens in den vorm van schotels en ringen.
+
+
+Een ander merkwaardig zinnebeeld, waarvan de beteekenis tot nu
+toe nog in het duister ligt, komt herhaaldelijk voor in verband met
+megalithische monumenten. De hier opgenomen teekeningen geven daarvan
+voorbeelden. Op de oppervlakte van den steen zijn holten gemaakt in
+den vorm van schotels; deze zijn dikwijls omgeven met concentrische
+ringen, en van den schotel loopen één of meer lijnen van het middelpunt
+naar een punt buiten den omtrek der ringen. Somtijds is een stelsel
+van die schotels door die lijnen vereenigd, maar meer komt het voor,
+dat zij iets buiten den wijdsten van de ringen eindigen. Die vreemde
+teekens worden niet alleen gevonden in Groot-Brittannië en Ierland en
+in Bretagne, maar ook in verschillende plaatsen van Indië, waar zij
+_mahadéos_ [42] heeten. Wij hebben ook een merkwaardig voorbeeld--want
+dit schijnt het inderdaad te zijn--gevonden in Dupaix "Monumenten
+van Nieuw Spanje." Het is weergegeven in "de Oudheden van Mexico,"
+deel IV, van Lord Kingsborough. Op den cirkelvormigen top van een
+cilindervormigen steen, bekend als de "Steen van het Zegevieren" is
+in het midden een schotel, gegraveerd met negen concentrische cirkels
+daar omheen, en een geleibuis of kanaal, getrokken van den schotel af
+door al de cirkels heen tot aan den rand. Behalve dat het patroon hier
+rijk versierd en nauwkeurig geteekend is, gelijkt het nauwkeurig op
+een typisch Europeesch teeken. Men kan er nauwelijks aan twijfelen, dat
+die teekens een beteekenis hebben, en dat zij overal waar zij gevonden
+worden ook hetzelfde beteekenen, maar nog steeds blijft het voor de
+oudheidkundigen een raadsel, die beteekenis te doorgronden. Misschien
+is de gissing niet te gewaagd, dat het schetsen of plannen zijn van
+een megalithisch graf. De binnenste holte stelt de eigenlijke plaats
+van het graf voor. De cirkels zijn de opgerichte steenen, grachten en
+wallen, die er dikwijls omheen liepen; en de lijn of gang, die van het
+midden naar den rand is getrokken, stelt den onderaardschen toegang
+van het graf voor. Dat die "gang" inderdaad den toegang bedoelt,
+blijkt duidelijk uit de verschillende vormen, die wij aan Simpson
+ontleenen. Daar het graf tevens een heilige plaats of tempel was,
+is het natuurlijk, dat die voorgesteld wordt onder ander snijwerk
+van gewijden aard; het zal wel een symbolische vorm zijn, om uit te
+drukken, dat de plaats gewijde grond was. Wij kunnen onmogelijk zeggen,
+in hoeverre deze opvatting op het Mexicaansche model van toepassing is.
+
+
+
+De tumulus te New Grange.
+
+
+Eén der belangrijkste en rijkst gebeeldhouwde der Europeesche
+megalithische monumenten is de groote in kamers verdeelde tumulus te
+New Grange aan den noordelijken oever van de Boyne, in Ierland. Die
+tumulus, en de andere, die in de nabijheid gevonden worden, komen
+in de oude Iersche mythische litteratuur in twee verschillende
+karakters voor, waarvan de verbinding veelbeteekenend is. Zij worden
+eensdeels beschouwd als de verblijfplaatsen der _Sidhe_, of feeën,
+die waarschijnlijk de godheden der oude Ieren voorstellen, en zij
+zijn eveneens volgens de overleveringen de begraafplaatsen der
+Keltische opperkoningen van het heidensche Ierland. Het verhaal
+der begrafenis van koning Cormac, die ondersteld werd omtrent den
+Christelijken godsdienst te zijn ingelicht lang voordat deze werkelijk
+in Ierland door St. Patrick was gepredikt, en die verbood, dat men hem
+zou begraven op het koninklijke kerkhof aan de Boyne, omdat daaraan
+heidensche overleveringen waren verbonden, wijst er op, dat die plaats
+het middelpunt was van een heidenschen eeredienst, die meer in zich
+sloot dan eenvoudig een begraven van koninklijke personen binnen zijn
+gebied. Ongelukkiger wijze zijn die monumenten niet ongeschonden;
+zij zijn in de negende eeuw geopend en geplunderd door de Denen [43],
+maar er zijn nog bewijzen genoeg aanwezig, die aantoonen, dat zij
+oorspronkelijk als begraafplaatsen dienden, en in verband stonden
+met den eeredienst van een primitieven godsdienst. De belangrijkste
+van deze, de tumulus van New Grange, is geheel en al onderzocht en
+beschreven door George Coffey, den bewaarder der verzameling van
+Keltische oudheden in het Nationale Museum te Dublin [44]. Aan den
+buitenkant gelijkt hij op een groote aardhoogte of een heuvel, die nu
+met struiken is begroeid. Zijn grootste middellijn is 280 Engelsche
+voet en hij is ongeveer 44 voet hoog. Daarbuiten loopt een wijde kring
+van steenen, die oorspronkelijk rechtop schijnen te hebben gestaan,
+vijf en dertig in getal. Binnen dien kring bevindt zich een gracht en
+een wal, en boven op dien wal was een cirkelvormige rand van groote
+steenen gelegd, ter lengte van acht tot tien voet, op den kant gelegd,
+die een groote aardhoogte begrensden, welke later gebleken is uit losse
+steenen te bestaan, die nu, zooals wij gezien hebben, geheel begroeid
+zijn met gras en struiken. Doch het groote belang van dat monument is
+gelegen in het inwendige van die aardhoogte. Omstreeks het einde van
+de zeventiende eeuw kwamen enkele werklieden, die van die aardhoogte
+materiaal haalden voor den weg, toevallig aan den ingang die naar een
+gaanderij naar binnen leidde, en die zich kenmerkte door het feit,
+dat de grenssteen daaronder rijk gebeeldhouwd was met spiralen en
+ruitvormige figuren. Die ingang is juist op het zuid-oosten gelegen. De
+gaanderij is gevormd uit rechtopstaande platen van ongehouwen steen,
+gedekt met dergelijke platen, en wisselt af van omstreeks 5 tot 6
+Engelsche voet in hoogte; zij is 3 voet breed, en loopt over een
+lengte van 62 voet tot recht binnen in de aardhoogte. Hier eindigt
+zij in een kruisvormige kamer ter hoogte van 20 voet, waarvan de
+zoldering, een soort koepel, gevormd is van groote, platte steenen,
+die alle naar het midden gericht zijn, waar zij elkander bijna aan
+den top ontmoeten, en waar een groote platte steen alles bedekt. In
+ieder der drie inhammen van de kruisvormige kamer staat een groote
+steenen bekken, of een ruwe sarcophaag, doch er is geen spoor van
+eenige begrafenis daar overgebleven.
+
+
+
+Symbolisch beeldhouwwerk te New Grange.
+
+
+De steenen zijn alle ruw en onbewerkt, en waren voor het doel waarvoor
+zij dienden gekozen uit de bedding der rivier en andere plaatsen uit
+de onmiddellijke nabijheid. Op hun glad oppervlak, dat verkregen werd
+door platen te hakken uit de oorspronkelijke steengroeven, worden
+de beeldhouwwerken gevonden, die het eenige belangrijke uitmaken
+van dat vreemde monument. Met uitzondering van den grooten steen
+met spiraalvormig graveerwerk en een anderen aan den ingang van de
+aardhoogte, schijnt dat beeldhouwwerk niet de bedoeling gehad te
+hebben, als decoratief werk te dienen, behalve in een zeer ruwen en
+primitieven zin. Er is volstrekt geen poging bij, om een bepaalde
+oppervlakte te bedekken met een stelsel van versieringen, dat in
+overeenstemming is met haar grootte en vorm. De patronen zijn als
+het ware er op gekrabbeld op willekeurige wijze en op willekeurige
+plaatsen. [45] Onder deze is overal de spiraal overheerschend. De
+gelijkenis van enkele dier figuren met de onderstelde vingerafdrukken
+op de steenen te Gavr'inis is zeer merkwaardig. Driedubbele en
+dubbele spiralen worden er eveneens gevonden, zoowel als ruiten en
+zigzaglijnen. In den westelijken inham vindt men een merkwaardige
+ingesneden figuur, die gelijkt op een palmtak of een blad van een
+varen. De teekening van dat voorwerp is naturalistisch, en het
+is moeilijk die te verklaren, zooals Coffey geneigd is te doen,
+als niets anders dan een stuk van een zoogenaamd patroon van een
+"haringgraat." [46] Een dergelijk patroon van een palmblad, waarvan
+echter de nerven loodrecht op de centrale as zijn gerangschikt,
+vindt men in den naburigen grafheuvel van Dowth, te Loughcrew, en
+verbonden met een zonnezinnebeeld, de Swastika, op een klein altaar
+in de Pyreneën, voorgesteld door Bertrand.
+
+
+
+
+Het schipsymbool te New Grange.
+
+
+Een ander merkwaardige, en voor zoover Ierland betreft, zeer
+ongewone teekening vindt men gebeeldhouwd, in den werkelijken inham
+te New Grange. Door verschillende geleerden is zij verklaard als een
+metselaarswerk, als een stuk Phoenicisch schrift, een groep cijfers,
+en ten slotte (en waarschijnlijk terecht) door George Coffey als een
+ruwe voorstelling van een schip met mannen aan boord en met volle
+zeilen. Opmerkelijk is, dat juist daarboven een kleine cirkel is,
+die blijkbaar een deel van het patroon vormt. Een tweede voorbeeld
+vindt men in Dowth. De beteekenis van dat teeken is, zooals wij zullen
+zien, zeer groot. Men heeft ontdekt, dat er op bepaalde steenen in
+den grafheuvel van Locmariaker, in Bretagne [47] een aantal figuren
+voorkomen, die daarmede veel overeenkomst hebben, waarvan één den
+cirkel doet zien op een overeenkomstige plaats als te New Grange. De
+bijl, een Egyptische hiëroglyph voor de godheid en een zeer bekend
+magisch zinnebeeld, is eveneens op dien steen voorgesteld. Zoo vindt
+men ook in een brochure van Dr. Oscar Montelius over het beelhouwwerk
+op de rotsen van Zweden [48], een reproductie (die ook voorkomt in "Het
+Viking-Tijdperk" van DuChaillu) van een ruwe teekening op een rots,
+die ons een aantal schepen doet zien, met mannen aan boord, en met
+den cirkel, waarin twee loodrecht op elkander geplaatste middellijnen
+als kruis geteekend zijn--onmiskenbaar een zonnezinnebeeld--vlak boven
+hen. Dat die schepen (die, evenals het Iersche voorbeeld, dikwijls zóó
+ruw en oppervlakkig zijn voorgesteld dat het niets anders dan symbolen
+zijn, die niemand als schepen zou herkennen, als de sleutel niet
+gegeven was door andere, meer uitgewerkte teekeningen) zoo dikwijls in
+verband met de zonneschijf geteekend zijn, louter als tijdverdrijf of
+met een zuiver decoratief doel, schijnt ons hoogst onwaarschijnlijk
+toe. In de dagen der megalithische bevolking zou een grafmonument,
+het brandpunt van godsdienstige denkbeelden, waarschijnlijk niet bedekt
+zijn met nuttelooze en nietsbeteekenende krabbels. "De mensch heeft,"
+zooals Sir J. Simpson terecht heeft gezegd, "altijd heilige dingen en
+dingen die met graven in betrekking staan, met elkander verbonden." En
+die krabbels vertoonen, in het meerendeel der gevallen, geen zweem
+van een decoratieve bedoeling. Maar als zij een symbolische bedoeling
+hadden, waarvan waren zij dan een symbool?
+
+Wij zijn hier naar onze meening tot een hoogere orde van denkbeelden
+dan die van toovenarij gekomen. De opvatting, die ik zou willen
+verdedigen, lijkt misschien nog al vermetel; toch is zij, zooals wij
+zullen zien, volkomen in de lijn der resultaten voor bepaalde andere
+onderzoekingen omtrent den oorsprong en het karakter der megalithische
+beschaving. Als die opvatting algemeen wordt gehuldigd, zal zij
+ongetwijfeld veel grooter vastheid geven aan onze denkbeelden omtrent
+de betrekkingen van de megalithische Bevolking met Noord-Afrika, en
+omtrent den waren oorsprong van het Druïdisme en de leerstellingen,
+met dat stelsel verbonden. Wij meenen, dat wel als vaststaande
+mag worden aangenomen, dat de zooveel voorkomende verbinding van
+het schip met de zonneschijf bij afbeeldingen op rotsen in Zweden,
+Ierland en Bretagne, niet volkomen toevallig kan zijn. Niemand, bij
+voorbeeld, die zijn aandacht vestigt op het voorbeeld uit Halland,
+hierboven weergegeven, kan er aan twijfelen, dat de beide voorwerpen
+met een bepaalde bedoeling op één schets zijn verbonden.
+
+
+
+Het schipsymbool in Egypte.
+
+
+Dit symbool van het schip, met of zonder de teekening van het
+zonnezinnebeeld, is van zeer ouden datum en komt veelvuldig voor bij
+de kunst in Egypte, die in verband staat met alles wat het begraven
+betreft. Het staat in verband met den dienst van Ra, die 4000 jaar vóór
+Christus werd ingevoerd. Zijn beteekenis als een Egyptisch symbool is
+welbekend. Het schip werd de Boot der Zon genoemd. Het was het schip,
+waarin de Zonnegod zijn tochten deed; inzonderheid dien tocht, dien
+hij in den nacht ondernam naar de kusten der Andere Wereld, waarbij
+hij in zijn schuit de zielen der gelukzalige dooden overvoerde. De
+zonnegod Ra wordt somtijds voorgesteld door een schijf, somtijds ook
+door andere zinnebeelden, die zweefden boven het schip, of daarin
+bevat waren. Ieder die in de gelegenheid is, een blik te slaan op
+de beschilderde of gebeeldhouwde sarcophagen in het Britsch Museum,
+zal een massa voorbeelden vinden. Somtijds zal hij voorstellingen
+vinden van de levenwekkende stralen, die Ra op de boot en hare
+bemanning neerzendt. Nu ziet men bij één der figuren van schepen op
+Zweedsche rotsen te Backa, Bohuslän, zooals die ons worden gegeven
+door Montelius, een schip vol met figuren onder een schijf met drie
+neerdalende stralen, en tevens een tweede schip met een zon met twee
+stralen daarboven. Wij voegen hieraan toe, dat in den tumulus van
+Dowth, in de onmiddellijke nabijheid van dien van New Grange, en die
+volkomen hetzelfde karakter heeft en uit dezelfde periode afkomstig is,
+figuren met stralen en in vier sectoren verdeelde cirkels, blijkbaar
+zinnebeelden der zon, in grooten getale voorkomen zooals eveneens
+het geval is te Loughcrew en andere plaatsen in Ierland, en dat men
+te Dowth eveneens nog een andere teekening van een schip heeft herkend.
+
+In Egypte wordt de zonneboot somtijds voorgesteld met niets anders dan
+het zinnebeeld der zon, somtijds bevat hij de voorstelling van een god
+met ondergeschikte godheden, somtijds bevat hij een aantal passagiers,
+die menschenzielen vertegenwoordigen, en somtijds ook één enkel lijk op
+een lijkbaar. Het megalithische snijwerk bevat eveneens somtijds het
+zinnebeeld der zon, andere keeren niet; de booten zijn somtijds met
+figuren gevuld, andere keeren zijn zij leeg. Als een symbool eenmaal
+is aangenomen en begrepen, is iedere overeengekomen of oppervlakkige
+voorstelling daarvan voldoende. Wij meenen, dat de volledige vorm van
+het megalithische symbool, die van een boot is met menschelijke figuren
+daarin en het zinnebeeld der zon er boven. Die figuren moeten, indien
+wij uitgaan van de onderstelling, dat de zooeven gegeven verklaring
+der teekening juist is, blijkbaar worden opgevat als voorstellingen
+der dooden op weg naar de andere wereld. Het kunnen geen godheden
+zijn, immers voorstellingen der goddelijke machten onder menschelijke
+gedaante waren bij het megalithische volk volkomen onbekend, zelfs
+na de komst der Kelten--zij komen het eerst voor in Gallië onder
+Romeinschen invloed. Maar als die figuren de dooden voorstellen,
+dan hebben wij duidelijk den oorsprong der zoogenaamde "Keltische"
+leer der onsterfelijkheid vóór ons. Zij worden zelfs daar gevonden,
+waar nooit Kelten waren binnengedrongen. Toch wijzen zij op het
+bestaan van die zelfde leer der andere wereld, die, van den tijd van
+Caesar af, steeds verbonden was met het Keltische Druïdisme, en die
+leer was typisch Egyptisch.
+
+
+
+De "Navetas".
+
+
+In verband met dit onderwerp wenschen wij de aandacht te vestigen op
+de theorie van Borlase, dat de typische bedoeling van een Ierschen
+dolmen was, een schip voor te stellen. In Minorca zijn er daarmede
+overeenkomende bouwwerken, die daar door het volk _navetas_ (schepen)
+genoemd worden, zóó duidelijk is de overeenkomst. "Maar", voegt hij
+er aan toe, "reeds lang voordat de holen en _navetas_ van Minorca
+mij bekend waren, had ik de meening gevormd, dat datgene waarvan ik
+zoo dikwijls gesproken heb, als van den 'wigvorm', die zoo algemeen
+wordt waargenomen in de plattegronden van dolmens, zijn oorsprong
+ontleende aan een oorspronkelijke voorstelling van een schip. Wij
+weten, dat werkelijke vaartuigen bij verschillende gelegenheden zijn
+opgegraven uit graftumuli in Scandinavië. In begraafplaatsen uit het
+IJzeren Tijdperk, zoowel in Scandinavië als aan de meer zuidelijk
+gelegen kusten der Oostzee, was het schip de erkende vorm van een
+begraafplaats" [49]. Indien de opvatting van Borlase juist is, hebben
+wij daarin een zeer krachtige bevestiging der symbolische bedoeling,
+die wij toeschrijven aan de voorstellingen der zon op de teekeningen
+van een schip der megalithische bevolking.
+
+
+
+Het schipsymbool in Babylonië.
+
+
+Het schipsymbool kan teruggebracht worden tot omstreeks het jaar
+4000 v.C. in Babylonië, waar iedere godheid haar eigen schip had (dat
+van den god Sin werd het Schip van het Licht genoemd), terwijl haar
+beeld in optocht werd gedragen op een draagbaar, die den vorm had
+van een schip. Jastrow [50] meent, dat dit zijn oorsprong ontleent
+aan een tijd, toen de heilige steden van Babylonië aan de Perzische
+Golf gelegen waren, en toen godsdienstige processies dikwijls op het
+water werden gehouden.
+
+
+
+Het symbool der voeten.
+
+
+Toch is er reden te meenen, dat enkele van die symbolen ouder waren
+dan eenige bekende mythologie, en als het ware tot een mythologischen
+grondslag waren gebracht, die verschillend was bij verschillende
+volken, welke zich uit een thans onbekende bron daarvan meester
+maakten. Een merkwaardig voorbeeld is dat van het symbool der Twee
+Voeten. In Egypte vormden de Voeten van Osiris één der deelen, waarin
+zijn lichaam in de bekende mythe werd gesneden. Zij waren een symbool
+van inbezitneming of van bezoek. "Ik ben op aarde gekomen", zegt het
+"Boek der Dooden" (Hoofdstuk XVII), "en heb met mijn twee voeten bezit
+genomen. Ik ben Tmu". Dit symbool nu van de voeten of van de afdrukken
+der voeten is wijd verspreid. Het wordt gevonden in Indië, als de
+afdruk van den voet van Buddha [51], het wordt gebeeldhouwd op dolmens
+in Bretagne [52] gevonden, en het komt voor op snijwerk in rotsen in
+Scandinavië. [53] In Ierland wordt het opgevat als de voetafdrukken
+van St. Patrick of St. Columba. En het vreemdst van alles is dit,
+dat het onmiskenbaar in Mexico wordt gevonden [54]. Tyler verwijst
+in zijn "Primitieve Beschaving" (II blz. 197) naar de plechtigheid
+der Azteken op den Tweeden Feestdag van den Zonnegod, Tezcatlipoca,
+wanneer zij maïs strooiden vóór zijn heiligdom, en zijn hoogepriester
+bleef toezien, totdat hij de goddelijke voetstappen zag, en dan luide
+verkondigde, "Onze Groote God is gekomen."
+
+
+
+De _Ankh_ op megalithisch beeldhouwwerk.
+
+
+Er zijn zeer krachtige bewijzen voor, dat er een betrekking bestaat
+tusschen de megalitische bevolking en Noord-Afrika. Zoo blijkt het,
+gelijk Sergi duidelijk maakt, dat een aantal teekens (waarschijnlijk
+cijfers) gevonden op ivoren platen op het kerkhof te Naqada, en die
+door Flinders Petrie ontdekt zijn, op Europeesche dolmens gevonden
+worden. Verscheidene latere Egyptische hiëroglyphenteekens, met
+inbegrip van den beroemden _Ankh_ of _crux ansata_, het symbool
+der levenskracht of der opstanding worden eveneens op megalithisch
+beeldhouwwerk gevonden [55]. Uit die overeenstemming trok Letourneau
+de gevolgtrekking "dat de bouwers van onze megalithische monumenten
+uit het zuiden afkomstig waren en verwant waren met de rassen van
+Noord-Afrika." [56]
+
+
+
+Bewijzen uit de taal.
+
+
+Rhys en Brynmor Jones, die de zaak van het linguistische standpunt
+hebben beschouwd, komen tot de gevolgtrekking, dat de Afrikaansche
+oorsprong--ten minste bij benadering--van de oorspronkelijke bevolking
+van Groot Brittannië en Ierland zeer waarschijnlijk is. Zij toonen
+aan, dat de Keltische talen in haar woordvoeging het Hamitische en
+voornamelijk het Egyptische type behouden hebben. [57]
+
+
+
+Egyptische en "Keltische" denkbeelden omtrent onsterfelijkheid.
+
+
+De tot nu toe vaststaande feiten geven ons, naar onze meening,
+geen recht een theorie te ontwerpen over de werkelijke historische
+betrekking der dolmenbouwers van westelijk Europa tot het volk,
+dat den prachtigen godsdienst en de hooge beschaving van het oude
+Egypte schiep. Maar indien wij alle bewijzen beschouwen, die in die
+richting samenkomen, dan schijnt het duidelijk, dat er een zoodanige
+betrekking was. Egypte was het classieke land van godsdienstig
+symbolisme. Het heeft aan Europa het schoonste en meest populaire van
+al zijn godsdienstige symbolen geschonken, dat der goddelijke moeder
+en haar kind. [58] Wij gelooven, dat het eveneens aan de primitieve
+bewoners van west-Europa het diepzinnige symbool gaf van de reizende
+geesten, die naar de wereld van den dood geleid worden door den God
+van het Licht.
+
+De godsdienst van Egypte, en daarin stond die boven dien van eenig
+volk, welks denkbeelden zich, zooals ons bekend is, in zoo oude
+tijden hebben ontwikkeld, concentreerde zich op de leer van een
+toekomstig leven. De prachtige en verbazende graftomben, de uitgewerkte
+ceremonies, de indrukwekkende mythologie, de ontzaglijke verheffing
+van de priesterkaste, al die kenmerken der Egyptische beschaving,
+stonden in het nauwste verband met hun leer van de onsterfelijkheid
+der ziel. Voor den Egyptenaar was de van het lichaam bevrijde ziel
+geen schaduwbeeld, zooals de classieke volken meenden; het toekomstige
+leven was niets anders dan een verlenging van het tegenwoordige; de
+rechtvaardige mensch bevond zich, als hij zijn plaats daar ingenomen
+had, onder zijn bloedverwanten, zijn vrienden, zijn ondergeschikten,
+met het werk en de genietingen, die veel overeenkomst hadden met die op
+aarde. Het lot van den booze was vernietiging; hij werd het slachtoffer
+van het onzichtbare monster, dat de Verslinder der Dooden genoemd werd.
+
+Toen nu de classieke volken voor het eerst belang begonnen te stellen
+in de denkbeelden der Kelten, was de eerste zaak, die den grootsten
+indruk op hen maakte, het Keltische geloof in de onsterfelijkheid,
+dat naar de Galliërs zeiden, "door de Druïden was ingevoerd en
+verspreid." De classieke volken geloofden in de onsterfelijkheid; maar
+welk een beeld geeft Homerus, de bijbel der Grieken, van de verloren,
+verlaagde, van hun menschelijke eigenschappen beroofde schepselen, die
+de gescheiden zielen der menschen voorstelden! Nemen wij bij voorbeeld,
+de beschrijving van de zielen der vrijers, die door Odysseus gedood
+zijn, op het oogenblik dat Hermes ze naar de onderwereld leidt [59].
+
+
+ "Hermes de God, in Kyllene geboren, riep op nu de zielen
+ Van d'in 't gevecht gesneuvelde vrijers; en in de handen
+ Droeg bij den gouden, den prachtigen staf, waarmee hij
+ betoovert
+ D'oogen van hen die hij wil, en andren die slapen, weer opwekt.
+ Fladdrend volgden die zielen, geraakt door zijn staf,
+ Hermes leiding,
+ Evenals vleermuizen snorren, al fladdrend in 't diepste
+ der holen,
+ Doch wanneer één van hen neervalt, de andren vereenigd
+ zich houden.
+ Zoo gingen snorrend de zielen te zamen en Hermes de redder
+ Leidde hen voort langs de donkere paden, den weg naar den
+ Hades."
+
+
+De classieke schrijvers gevoelden terecht, dat de Keltische
+opvatting omtrent de onsterfelijkheid iets geheel anders was dan
+dit begrip. Zij was zoowel meer verheven als meer realistisch; zij
+hield in, dat de mensch na zijn dood in werkelijkheid, in al zijn
+menschelijke betrekkingen blijft voortbestaan, zooals hij bij zijn
+leven was. Met verbazing zagen zij, dat de Kelt geld wilde leenen op
+een schuldbekentenis, die in het leven hiernamaals zou worden afgelost
+[60]. Dit is een volkomen Egyptische opvatting. En ditzelfde trok de
+bijzondere aandacht van Diodorus, toen hij schreef over de Keltische
+opvatting omtrent de onsterfelijkheid--het kwam met niets overeen,
+wat hij buiten Egypte hieromtrent had opgemerkt [61].
+
+
+
+De leer der zielsverhuizing.
+
+
+Een aantal oude schrijvers beweren, dat de Keltische opvatting
+omtrent de onsterfelijkheid de oostersche denkbeelden omtrent de
+zielsverhuizing belichaamde, en om daarvan een verklaring te geven
+werd de hypothese uitgedacht, dat zij die leerstelling aan Pythagoras
+ontleend hadden, die er in de classieke oudheid de vertegenwoordiger
+van was. Zoo zegt Caesar: "Het voornaamste punt van hun (de Druïden)
+leer is, dat de ziel niet te gronde gaat, maar dat deze van het ééne
+lichaam in het andere overgaat." En Diodorus zegt: "Onder hen is de
+leer van Pythagoras in zwang, volgens welke de zielen der menschen
+onsterfelijk zijn en na een bepaalden tijd weer beginnen te leven, na
+een nieuw lichaam te hebben aangenomen." Zeker is het nu, dat sporen
+van die leer in de Iersche legenden voor den dag komen. Zoo wordt
+verhaald, dat het Iersche opperhoofd, Morgan, die een historische
+persoon is, en wiens dood gesteld wordt op het jaar 625 n.C., een
+weddenschap had aangegaan omtrent de plaats, waar een zekere koning,
+Fothad, was gesneuveld in een slag tegen den mythischen held Finn mac
+Cumhal, in de derde eeuw. Hij tracht de juistheid van zijn bewering te
+bewijzen door uit de andere wereld den geest op te roepen van Keelta,
+die de persoon geweest was, die Fothad had verslagen, en die nauwkeurig
+beschrijft, waar het graf kan worden gevonden, en wat in dat graf
+aanwezig was. Hij begint zijn verhaal met aan Morgan te te zeggen
+"Wij waren bij u", en daarna zich tot de aanwezigen wendend, gaat
+hij verder: "Wij waren bij Finn, toen wij van Alba kwamen..." "Stil"
+zegt Morgan, "het is verkeerd van u, een geheim bekend te maken." Het
+geheim is, natuurlijk, dat Morgan een reïncarnatie van Finn was. [62]
+Maar het blijkt toch, dat de Kelten die leer volstrekt niet op dezelfde
+wijze opvatten als dit bij Pythagoras en de oostersche volken het geval
+was. De zielsverhuizing was bij hen niet een noodzakelijk iets. Het
+_kon_ gebeuren, maar in het algemeen gebeurde het niet; het nieuwe
+lichaam, door de dooden aangenomen, bekleedde hen in een andere
+wereld en niet in deze, en voor zoover wij uit oude mededeelingen
+kunnen vernemen, schijnt er geen spoor van een gedachte aan zedelijke
+vergelding aan dien vorm van een toekomstig leven verbonden te zijn
+geweest. Het was niet zoozeer een geloofsartikel als een denkbeeld,
+dat op de verbeelding werkte, en dat, zooals reeds Morgan zeide,
+niet in het volle licht mocht worden gebracht.
+
+Hoe dit ook moge worden opgevat, zeker is het, dat het geloof in de
+onsterfelijkheid de basis was van het Keltische Druïdisme. [63] Caesar
+bevestigt dit uitdrukkelijk, en zegt, dat dit leerstuk door de Druïden
+is aangekweekt, meer om hun moed op te wekken dan om zuiver politieke
+redenen. Een krachtig en innig geloof in een andere wereld, zooals
+dit bij de Kelten gevonden werd, is zeker één der krachtigste middelen
+in de handen van een priesterkaste, die de sleutels van die wereld in
+handen heeft. En nu is het een feit, dat het Druïdisme bestond op de
+Britsche eilanden, in Gallië, en feitelijk, voor zoover wij weten,
+overal waar een Keltisch ras gevonden werd onder een bevolking van
+dolmenbouwers. Er waren Kelten in het Cisalpijnsche Gallië, maar daar
+waren geen dolmens en evenmin Druïden [64]. Wat absoluut vaststaat is,
+dat toen de Kelten, in westelijk Europa kwamen, zij daar een volk
+vonden met een krachtige priesterkaste, godsdienstige ceremoniën,
+en indrukwekkende godsdienstige monumenten; een volk gedrenkt in
+magie en mysticisme en den dienst der onderwereld. Als wij de feiten
+met juistheid inzien, dan schijnt de gevolgtrekking deze te zijn,
+dat het Druïdisme in zijn voornaamste trekken op de gevoelige en aan
+verbeeldingskracht zoo rijke natuur der Kelten is opgelegd--de Kelten
+met hun "buitengewone geschiktheid" denkbeelden op te nemen--door
+de oudere bevolking van westelijk Europa, de megalithische
+bevolking, terwijl zij in dit opzicht in een zekere door ons niet
+in bijzonderheden te volgen betrekking stonden tot de godsdienstige
+beschaving van het oude Egypte. Over dit vraagstuk hangt nog veel
+duisters, en dit zal misschien wel altijd het geval blijven, maar
+als er in die opvatting iets waars is, is de megalithische bevolking
+eenige stappen verder gekomen uit de atmosfeer van geheimzinnigheid,
+die haar heeft omringd, en blijkt het, dat zij een zeer belangrijke
+rol heeft gespeeld in de godsdienstige ontwikkeling van westelijk
+Europa, en in het geschikt maken van dat deel der wereld voor de snelle
+uitbreiding van het bijzondere type van Christendom, dat daarin plaats
+had. Bertrand wijst er in zijn zoo belangrijk hoofdstuk "L'Irlande
+Celtique" [65] op, dat wij zeer snel nadat Ierland tot het Christendom
+was bekeerd, het geheele land overdekt zien met kloosters, die zóó
+volkomen georganiseerd waren, dat alles er op schijnt te wijzen, dat
+het werkelijk Druïdische colleges waren, die _en masse_ van bestemming
+waren veranderd. Caesar deelt ons mede, wat in Gallië de aard en de
+inrichting van die colleges was. Zij waren zeer talrijk. In weerwil
+van de ernstige studie en de strenge tucht, die daar werd geëischt,
+stroomden er een aantal mannen heen, ter wille van de macht, die
+door de Druïden werd uitgeoefend, en de burgerlijke vrijheden en
+voorrechten, die hun leden van alle graden daar genoten. Kunsten en
+wetenschappen werden daar beoefend, en duizenden versregels, waarin
+de leerstellingen van het Druïdisme waren neergelegd, werden daar
+uit het hoofd geleerd. Dit heeft veel overeenkomst met wat wij van
+het Druïdisme in Ierland weten. Een dergelijke organisatie zou met
+heel weinig moeite kunnen overgaan in het Christendom van het type,
+zooals het in Ierland was gevestigd. Het geloof in magische gebruiken
+zou blijven overleven--het oude Iersche Christendom was, zooals de
+talrijke heilige geschriften duidelijk aantoonen, even diep gedrenkt
+in magische denkbeelden als ooit met het Druïdische heidendom het
+geval was geweest. Het geloof in de onsterfelijkheid zou evenals te
+voren blijven bestaan als het voornaamste godsdienstige leerstuk. En
+bovenal zou de heerschappij der priesterkaste over de wereldlijke
+macht ongeschonden bewaard blijven, nog altijd zou waar zijn wat
+Dion Chrysostomus van de Druïden heeft gezegd, dat zij het zijn,
+die bevelen, en dat koningen op gouden tronen, die in schitterende
+paleizen wonen, niets anders zijn dan hun zaakgelastigden en de
+dienaren van hun gedachten [66].
+
+
+
+Caesar over de beschaving der Druïden.
+
+
+De godsdienstige, wijsgeerige en wetenschappelijke beschaving, waarover
+de Druïden het toezicht hielden, wordt door Caesar met den grootsten
+eerbied besproken. "Zij bespreken en behandelen met de jeugd," zoo
+schrijft hij, "een aantal dingen over de sterren en haar bewegingen,
+over de uitgebreidheid van het heelal en van onze aarde, over den aard
+der dingen, over de macht en de majesteit der onsterfelijke goden"
+(VI, 14). Wij zouden er heel wat voor over hebben, als wij eenige
+bijzonderheden konden vernemen over het onderwijs, dat hier wordt
+beschreven. Maar hoewel de Druïden goed op de hoogte waren van de
+schrijfkunst, verboden zij toch uitdrukkelijk hun leerstellingen
+op schrift te brengen; een bijzonder verstandige maatregel, want
+niet alleen omringden zij hun onderwijs met die atmosfeer van
+geheimzinnigheid, die een zoo machtige bekoring uitoefent over den
+menschelijken geest, maar zij verzekerden er zich van, dat zij nooit
+krachtig kon worden betwist.
+
+
+
+Menschenoffers in Gallië.
+
+
+In eigenaardige tegenspraak echter met de verheven woorden
+van Caesar staat het afschuwelijke gebruik van het brengen van
+menschenoffers, waarvan hij opmerkte, dat het algemeen onder de Kelten
+voorkwam. Gevangenen en misdadigers, of, als deze ontbraken, zelfs
+onschuldige slachtoffers, waarschijnlijk kinderen, werden in hoopjes
+bij elkander opgestapeld in groote gevlochten manden, en daarin levend
+verbrand om de gunst der goden te winnen. De gewoonte, menschenoffers
+te brengen, is natuurlijk niet uitsluitend een Druïdisch gebruik--het
+wordt in alle deelen der Oude en der Nieuwe wereld gevonden op een
+zeker peil van beschaving, en was ongetwijfeld een overblijfsel uit den
+tijd der megalithische bevolking. Het feit, dat het in Keltische landen
+moet hebben voortgeleefd nadat een overigens tamelijk hooge staat van
+beschaving en godsdienstige cultuur was bereikt, kan vergeleken worden
+met een dergelijk verschijnsel in Mexico en in Carthago, en moet in
+al die gevallen ongetwijfeld worden toegeschreven aan de onbeperkte
+overheersching eener priesterkaste.
+
+
+
+Menschenoffers in Ierland.
+
+
+Bertrand tracht aan te toonen dat de Druïden buiten die practijken
+stonden, waarvan hij, wat onbegrijpelijk moet geacht worden, zegt
+"dat er geen spoor" van in Ierland te ontdekken valt, hoewel daar
+het Druïdisme, zooals in andere streken van het Keltische gebied,
+oppermachtig was. Er is echter weinig twijfel aan, dat ook in Ierland
+menschenoffers in zwang waren. In een zeer oude verhandeling, den
+"Dinnsenchus", die in het "Boek van Leinster" is bewaard gebleven,
+vindt men, dat in de Moyslaught "de vlakte der aanbidding" een groot
+gouden afgodsbeeld stond, Crom Cruach, (de bloedige Halve Maan). Aan
+dat beeld plachten de Galliërs kinderen te offeren, als zij om schoon
+weder en vruchtbaarheid baden--"zij vroegen dat beeld om melk en koren
+in ruil voor hun kinderen--hoe groot was hun ontzetting en hoe luid
+hun weeklagen!" [67]
+
+
+
+En in Egypte.
+
+
+In Egypte, waar het nationale karakter zeer optimistisch en
+gemakzuchtig was, tuk op pretjes en weinig vatbaar voor fanatieke
+opwinding, vinden wij geen berichten omtrent dergelijke plechtigheden
+op de inscripties en schilderingen op de monumenten, hoewel deze
+ons anders talrijke mededeelingen doen omtrent alle mogelijke
+verschijnselen van het nationale leven en den godsdienst [68]. Manetho
+immers, de Egyptische geschiedschrijver, die geschreven heeft in de
+derde eeuw v.C., deelt ons mede, dat menschenoffers waren afgeschaft
+door Amasis I, in het begin der XVIIIde Dynastie--omstreeks 1600
+v.C. Maar het volkomen stilzwijgen hierover der andere historische
+verhalen bewijst ons, dat, zelfs als wij Manetho mogen gelooven,
+het gebruik in historische tijden uiterst zeldzaam moet geweest zijn,
+en dat men er met tegenzin aan herinnerd werd.
+
+
+
+De namen van Keltische godheden.
+
+
+Wat waren de namen en de attributen van de Keltische
+godheden? Hieromtrent verkeeren wij bijna geheel in het duister. De
+megalithische bevolking stelde zich hare godheden niet voor onder
+een concreten persoonlijken vorm. Steenen, rivieren, putten, boomen,
+en andere natuurlijke voorwerpen waren voor hen de passende symbolen,
+of waren half symbolen, half verpersoonlijkingen der bovennatuurlijke
+krachten, die zij aanbaden. Maar de verbeeldingrijke geest der
+Arische Kelten was daarmede niet tevreden. Caesar verhaalt ons
+van het bestaan van persoonlijke goden met verschillende titels en
+attributen; hij vergelijkt ze met verschillende gestalten uit het
+Romeinsche Pantheon--Mercurius, Apollo, Mars en anderen. Lucanus
+maakt van een drietal godheden melding, Aesus, Teutates en Taranus;
+[69] en het is de vermelding waard, dat wij bij die namen tegenover
+een echte Keltische, dat is Arische overlevering staan. Zoo wordt
+Aesus door Belloguet afgeleid van den Arischen wortel _as_, die "zijn"
+beteekent, en die de Perzen den naam Asura-masda (_l'Esprit Sage_),
+de Umbriërs den naam Aesun, de Scandinaviërs den naam Asa (Goddelijk
+Wezen) leverde. Teutates is afgeleid van een Keltischen wortel,
+die "dapper", "oorlogszuchtig" beteekent, en drukt een godheid uit,
+die met Mars overeenkomt. Taranus (Thor?) is volgens de Jubainville
+de god van den Bliksem (in het Galisch, Cornisch, en Bretonsch is
+_taran_ het woord voor "bliksemflits"). Opschriften met geloften aan
+die goden zijn in Gallië en Brittannië gevonden. Andere opschriften en
+beeldhouwwerken leggen er getuigenis van af, dat er in Gallië een groot
+aantal godheden van minderen rang en ook plaatselijke godheden zijn,
+die meestal voor ons niet meer dan een naam zijn, en zelfs nog niet
+eens dat. In den vorm, waarin wij die hebben, dragen die begrippen
+de duidelijke sporen van Romeinschen invloed. De beeldhouwwerken
+zijn ruwe nabootsingen van den Romeinschen stijl der godsdienstige
+kunst. Maar wij vinden daaronder ook figuren van een veel woester en
+vreemder uiterlijk--goden met driedubbele gezichten, goden met vertakte
+geweien op hun voorhoofd, slangen met ramskoppen en andere symbolen
+van den ouderen godsdienst, die nu niet meer te begrijpen zijn. Zeer
+opmerkelijk is het herhaaldelijk voorkomen van de houding van "Buddha"
+met gekruiste beenen, die zoo veel voorkomt in de godsdienstige kunst
+van het oosten en van Mexico, en daarbij de neiging, die in Egypte
+zoo goed bekend is, om de goden in drietallen te groepeeren.
+
+
+
+Caesar over de Keltische godheden.
+
+
+Caesar, die den Gallischen godsdienst tracht in te passen in de lijst
+der Romeinsche mythologie--wat volkomen hetzelfde was wat de Galliërs
+zelf na de verovering deden--verhaalt, dat zij Mercurius als den
+oppersten der goden beschouwden, en in hem den uitvinder zagen van
+alle kunsten, den god van den handel, en den beschermer der wegen
+en den gids der reizigers. Men mag vermoeden, dat hij zoowel voor de
+Galliërs als voor de Romeinen in het bijzonder de gids was der dooden,
+der reizigers naar de andere wereld. Een aantal bronzen standbeelden
+van Mercurius, van Gallischen oorsprong, zijn nog steeds in wezen;
+de Galliërs hebben dien naam overgenomen, zooals blijkt uit een
+aantal plaatsnamen, aan hem ontleend [70]. Apollo werd beschouwd
+als de godheid der geneesmiddelen en der geneeskunde, Minerva was
+de leermeesteres van kunsten en ambachten, Jupiter heerschte over de
+lucht en Mars had het bestuur van den oorlog. Caesar rangschikt hier
+ongetwijfeld onder vijf typen en onder Romeinsche namen een groot
+aantal Gallische godheden.
+
+
+
+De god der benedenwereld.
+
+
+Volgens Caesar was (naar de Romeinsche benaming) een zeer op den
+voorgrond tredende godheid der Galliërs Dis of Pluto, de god der
+benedenwereld, die door de dooden werd bewoond. Alle Galliërs maken
+er aanspraak op, dat zij van hem zijn afgestamd, en op dien grond
+begonnen zij, zooals Caesar verhaalt, de vier en twintig uur van den
+dag te rekenen van het aanbreken van den avond af [71]. De naam van
+die godheid is niet bekend. d'Arbois de Jubainville is van meening,
+dat hij te zamen Æsus, Teutates, Taranus, en in de Iersche mythologie,
+Balor en de Fomoriërs, de machten van de duisternis, den dood en
+het kwaad voorstelt, en de Keltische mythologie wordt dus verklaard
+als een gewijzigde vorm der overal voorkomende zonnemythe, die de
+opvatting belichaamt van den eeuwigen strijd tusschen dag en nacht.
+
+
+
+De God van het licht.
+
+
+De god van het Licht komt in Gallië en in Ierland voor als Lugh, of
+Lugus, die zijn sporen heeft achtergelaten in een aantal plaatsnamen,
+zooals _Lug-dunum_ (Leiden), Lyon, enz. Lugh komt in de Iersche
+legenden voor met duidelijk te onderscheiden zonneattributen. Als
+hij zijn leger aantreft vóór den grooten strijd tegen de Fomoriërs,
+krijgen zij, zoo zegt de sage, een gevoel, alsof zij het opkomen van
+de zon waarnemen. Maar toch is hij eveneens, zooals wij zullen zien,
+een god der onderwereld, die van moederszijde (Ethlinn, de dochter
+van Balor) tot de machten der Duisternis behoort.
+
+
+
+De Keltische opvatting van den dood.
+
+
+Het is een feit, dat de Keltische opvatting omtrent het rijk van
+den dood in ieder opzicht afweek van die der Grieken en Romeinen,
+en, zooals wij reeds bespraken, overeenkomst had met die van den
+Egyptischen godsdienst. De andere wereld was geen plaats van somberheid
+en van lijden, maar van licht en van bevrijding. De Zon was evenzeer
+de godheid van die wereld als van deze. Er waren daar ongetwijfeld
+ellende, pijn en somberheid, en ook is het zeker, dat die beginselen
+door de Iersche Kelten belichaamd waren in hun mythen van Balor en de
+Fomoriërs, waarover wij zoo aanstonds zullen hooren; maar dat zij in
+het bijzonder verbonden waren met het denkbeeld van den dood, is naar
+mijn meening, een onjuiste onderstelling die berust op misleidende
+vergelijkingen met de denkbeelden der classieke volken. In dit opzicht
+hebben de Kelten eer Noord-Afrikaansche of ook Aziatische opvattingen
+gevolgd, dan die van de Ariërs uit Europa. Alleen als wij er ons
+voldoende rekenschap van geven, dat de Kelten, zooals wij die in de
+geschiedenis kennen, van het instorten der Middel-Europeesche Keltische
+opperheerschappij af een merkwaardige vermenging vertoonden van Arische
+met niet-Arische karaktertrekken, zullen wij tot een juist begrip komen
+van wat zij tot de geschiedenis van Europa hebben bijgedragen en van
+den invloed, dien zij op de Europeesche cultuur hebben uitgeoefend.
+
+
+
+De vijf factoren bij de oude Keltische beschaving.
+
+
+Resumeeren wij nu de gevolgtrekkingen, waarop wij gewezen hebben,
+dan kunnen wij, naar wij meenen, vijf verschillende factoren
+onderscheiden, die ingewerkt hebben op de godsdienstige cultuur
+der Keltische landen, zooals wij die waarnemen vóór de inwerking
+van den invloed der classieke volken en van het Christendom. In de
+eerste plaats hebben wij een aantal populaire vormen van bijgeloof
+en magische gebruiken voor ons, met inbegrip van menschenoffers. Deze
+waren meer of minder gewijzigd naar gelang van de plaats, daar zij nauw
+in verband stonden met locale trekken en eigenschappen, die beschouwd
+werden als de belichaming of de dragers van goddelijke of duivelsche
+macht. Ten tweede bestond er zeker een wel doordachte en wijsgeerige
+geloofsleer, die tot middelpunt van aanbidding de Zon had, als het
+zinnebeeld der goddelijke macht en bestendigheid, en tot middelpunt
+van leerstelling de onsterfelijkheid der ziel. Ten derde had men
+de vereering van gepersonifieerde godheden, Æsus, Teutates, Lugh en
+anderen, die men zich dacht als vertegenwoordigers van natuurkrachten
+of als bewakers der maatschappelijke wetten. Ten vierde stonden de
+Romeinen zeer onder den indruk van het feit, dat er onder de Druïden
+een geheel van leerstellingen van schijnbaar wetenschappelijken aard
+bestond over natuurverschijnselen en den bouw van het heelal, van
+welke leerstellingen wij in bijzonderheden feitelijk ongelukkiger
+wijze niets weten. En ten slotte hebben wij onze aandacht te
+vestigen op de ontzaglijke beteekenis van een priesterorganisatie,
+die het geheele stelsel van godsdienstige en wereldlijke kennis en
+litteratuur in handen had [72], die met zorg die wetenschap beperkte
+tot een bevoorrechte kaste, en die ten gevolge van zijn verstandelijk
+overwicht en van de atmosfeer van godsdienstig ontzag, waarmede zij
+was omgeven, de hoogste macht op maatschappelijk, staatkundig en
+godsdienstig gebied werd in ieder Keltisch land. Wij hebben van die
+elementen als van verschillende zaken gewag gemaakt, en wij kunnen
+ze dan ook inderdaad in gedachten van elkander onderscheiden, maar
+in de practijk waren zij op niet te ontwarren wijze samengeweven, en
+de organisatie der Druïden doortrok en regelde alles. Kunnen wij nu,
+zoo vragen wij, daaronder onderscheiden wat van Keltischen, en wat
+van prae-Keltischen en waarschijnlijk niet-Arischen oorsprong is? Dit
+is een lastiger taak; toch meenen wij, lettende op alle analogieën en
+waarschijnlijkheden, dat wij niet ver van de waarheid afzijn, indien
+wij aan de megalithische bevolking de eigenaardige leerstellingen, de
+godsdienstige gebruiken en de priesterorganisatie van het Druïdendom
+toeschrijven, en aan het Keltische element de gepersonifieerde
+godheden, met den dorst naar wetenschap en bespiegeling; terwijl het
+bijgeloof der groote menigte niets anders was dan de plaatselijke
+vorm, die aangenomen was als gevolg van opvattingen, die even ruim
+verspreid waren als het menschelijke ras.
+
+
+
+De Kelten uit onzen tijd.
+
+
+Met het oog op het onloochenbaar gemengde karakter der volken,
+die in onze dagen "Keltisch" genoemd worden, heeft men dikwijls
+beweerd, dat die uitdrukking niet in werkelijk verband staat met
+eenig ethnologisch feit. De Kelten, die met Caesar in Gallië en
+in Ierland met de Engelschen streden, bestaan, zoo zegt men, niet
+meer--zij zijn op duizenden slagvelden gesneuveld van Alesia tot
+aan de Boyne, en een oudere rassenlaag is in hun plaats naar de
+oppervlakte gekomen. Volgens die opvatting kunnen de echte Kelten
+alleen teruggevonden worden in de groote, rossige Hooglanders van
+Perthshire en het noordwesten van Schotland, en in enkele families
+van het vroeger heerschende ras, die nog in Ierland en in Wales zijn
+overgebleven. Naar onze meening moet worden toegegeven, dat in al die
+opvattingen heel wat waarheid steekt. Toch moet niet worden vergeten,
+dat de afstammelingen der megalithische bevolking in onzen tijd, wat
+hun physieke eigenschappen betreft, diep gedrenkt zijn met Keltisch
+bloed, en wat hun geestelijke eigenschappen betreft met Keltische
+overleveringen en idealen. En evenmin moet men, bij het bespreken
+van die vraagstukken omtrent den aard van het ras en den oorsprong
+daarvan, ooit beweren, dat het karakter van een volk kan worden
+ontleed, zooals men een scheikundige verbinding ontleedt, waarbij
+men eens vooral de samenstellende deelen vaststelt en hun toekomstig
+gedrag en lot bepaalt. Raseigenschappen, hoe machtig en bestendig
+die mogen zijn, zijn geen dood iets, in een ijzeren vorm gegoten, en
+daardoor ongeschikt voor verandering en groei. Zij zijn een deel van de
+levende krachten der wereld; zij zijn vervormbaar en levensvatbaar;
+zij hebben verborgen mogelijkheden met een rijkdom van oorzaken,
+zooals een gelukkige kruising met een afwijkenden, maar ook weer niet
+te zeer afwijkenden stam, of--om een ander gebied te betreden--zooals
+het aannemen van een nieuw godsdienstig of maatschappelijk ideaal
+die op ieder oogenblik kan openen en in werking kan brengen.
+
+Van één zaak zijn wij persoonlijk overtuigd--en wel dat aan
+het vraagstuk van de ethische, maatschappelijke en geestelijke
+ontwikkeling van het volk, dat men den "Keltischen zoom" in Europa
+zou kunnen noemen moet gewerkt worden langs Keltische lijnen; door het
+in stand houden der Keltische overlevering, de Keltische litteratuur,
+de Keltische taal--in één woord, de aanmoediging van al die Keltische
+eigenaardigheden, waarvan dat gemengde ras nu de eenige bewuste
+erfgenaam en bewaker is. Daaraan zal het ras gehoor geven, daardoor
+zal het diep bewogen worden; en de oogst heeft nooit iemand in den
+steek gelaten, die met moed en geloovig vertrouwen den ploeg door dit
+rijke veld heeft getrokken. Aan den anderen kant moet dit werk, zal
+het met vrucht verricht worden, niet in een pedanten, kleingeestigen,
+onverdraagzamen geest geschieden; men moet zich niet angstvallig
+vastklampen aan de uitwendige vormen van het verledene, eenvoudig
+omdat de Keltische geest daarin eertijds uiting heeft gevonden. Laat
+men in het oog houden, dat in het begin der Middeleeuwen Kelten uit
+Ierland de meest bekende ontdekkingsreizigers waren, de meest bekende
+baanbrekers op het gebied van godsdienst, wetenschap en bespiegelende
+gedachten in Europa [73]. Moderne onderzoekers hebben hun lichtende
+voetsporen getrokken over de helft van het heidensche vasteland,
+en de Iersche scholen waren overstroomd met leerlingen, die nergens
+anders de gelegenheid hadden onderwezen te worden. Toen speelde de
+Keltische geest zijn ware rol in het werelddrama, en nooit heeft hij
+een grootere rol gespeeld. Wat die mannen ons hebben nagelaten, moet
+in eere gehouden worden, maar niet als een in een museum opgeborgen
+merkwaardigheid; niets zou meer in strijd zijn met hun vrijen,
+vermetelen, avontuurlijken geest dan het erfdeel te laten versteenen
+in de handen van hen, die aanspraak maken op de erfenis van hun naam
+en hun faam.
+
+
+
+De mythische literatuur.
+
+
+Na de schets, in dit en in het voorafgaande hoofdstuk gegeven
+van de oudste geschiedenis der Kelten en van de krachten, die
+haar hebben gevormd, zullen wij nu overgaan tot het bespreken
+van de mythen- en legendenlitteratuur, waarin hun geest zoo echt
+mogelijk leeft en schittert. Wij zullen hier alle litteratuur, die
+niet speciaal Keltisch is, buiten beschouwing laten. Wij hebben ons
+hier niet bezig te houden met al datgene, wat door andere volken is
+voortgebracht--zooals in de Arthurlegende--op het gebied van mythen
+en vertellingen. Niemand kan meer zeggen, hoeveel Keltisch daarin is,
+en hoeveel niet. En in dergelijke zaken is het meestal de definitieve
+inkleeding, die werkelijk van belang en van waarde is. Wat wij dus
+geven, wordt gegeven zonder toevoegingen of omwerkingen. Natuurlijk
+moeten verhalen dikwijls verkort worden, maar er zal niets in zijn,
+dat niet onmiddellijk uit den Keltischen geest is voortgekomen, en dat
+niet thans nog in de één of andere verscheidenheid der Keltische taal,
+zij het Galisch of Cymrisch, bestaat.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III. DE MYTHEN OMTRENT DE INVALLEN IN IERLAND.
+
+
+
+Het ontstaan der wereld volgens de Kelten.
+
+
+Was er onder de geheime leerstellingen omtrent den "aard der
+dingen", die, zooals Caesar ons mededeelt, nooit door de Druïden
+zijn geboekstaafd, iets dat herinnerde aan een cosmogonie, eenige
+mededeeling omtrent het ontstaan van de wereld en den mensch? Zeker
+was dit het geval. Het zou immers werkelijk vreemd zijn, als de
+Kelten het eenige ras zouden geweest zijn, dat geen mythen had, die
+op dit onderwerp betrekking hadden. Het schouwspel van het heelal
+met al zijn groote en geheimzinnige verschijnselen in den hemel en
+op aarde heeft eerst op de verbeeldingskracht gewerkt, en daarna
+tot bespiegelende beschouwingen geleid bij elk volk, dat voor die
+dingen vatbaarheid heeft. De Kelten bezaten nu beide eigenschappen
+in de hoogste mate, en toch weten wij, behalve in één zinsnede
+omtrent de "onvernietigbaarheid" der wereld, door Strabo tot ons
+gekomen, niets omtrent hun oudste voorstellingen of bespiegelingen
+over dit onderwerp. Ierland bezit een uitgebreide litteratuur op het
+gebied van legenden. Dat alles nam eerst in Christelijke tijden zijn
+tegenwoordigen vorm aan; toch is er zóóveel, dat in wezen heidensch
+is, daarin overgebleven, dat het vreemd zou zijn als Christelijke
+invloeden geleid hadden tot de uitroeiing van alles in die oude
+teksten, dat wees op een niet-Christelijke opvatting omtrent den
+oorsprong der dingen--indien Christelijke uitgevers en verspreiders
+ons zelfs niet het geringste schijnsel hadden gegeven van zulk een
+opvatting. En toch is het werkelijk het geval, dat zij ons dit niet
+geven; er is niets in de oudste legendarische letterkunde der Iersche
+Galiërs, wat de oudste Keltische letterkunde is, die nog bestaat, dat
+overeenkomt met de Babylonische mythe omtrent de verovering van den
+Chaos, van de woeste Noorsche mythe omtrent de schepping van Midgard
+uit het lichaam van Ymir, of de Egyptische mythen der schepping uit
+het oorspronkelijke Water door Thoth, het woord Gods, of zelfs de
+oorspronkelijke folklore opvattingen, die bij bijna iederen wilden
+volksstam gevonden worden. Het is onmogelijk er aan te twijfelen,
+dat de Druïden de één of andere leerstelling over dit onderwerp
+hadden. Maar door die met de meeste vastberadenheid verborgen te
+houden voor de niet-ingewijden en alle leekenbespiegeling over dat
+onderwerp te beletten, schijnt het, dat zij het mythenmakende instinct
+onder de groote menigte ten opzichte der cosmogonie hebben verstikt,
+en er voor hebben gezorgd, dat als hun eigen kaste te gronde ging,
+hun leerstellingen, wat die ook waren, met hen zouden te gronde gaan.
+
+Wij vinden dan ook in de oudste Iersche verhalen omtrent het begin der
+dingen, dat de vertellers niet met de Wereld beginnen, maar met hun
+eigen land, Ierland. Het was wel is waar de gewoonte, aan die verhalen
+der oudste invallen en kolonisaties het verhaal uit den Bijbel te
+doen voorafgaan omtrent de schepping van de wereld en van den mensch,
+en dit bewijst, dat men voelde, dat iets van dien aard werd verlangd;
+maar wij weten volstrekt niet, wat vóór de dagen van het Christendom
+de plaats van het Bijbelsche verhaal innam, en het is te betreuren,
+dat wij waarschijnlijk daaromtrent nooit iets zullen te weten komen.
+
+
+
+De verschillende cyclen van Iersche legenden.
+
+
+De Iersche litteratuur op het gebied van mythen en legenden, zooals
+die in den oudsten vorm tot ons is overgebracht, valt, naar men
+mag aannemen, in vier afdeelingen, en daaraan zullen wij in onze
+bespreking in dit werk vasthouden. In chronologische volgorde zijn
+het de mythologische cyclus, of die der invallen, de Ulster- of
+Conorische Cyclus, de Ossian- of Feniancyclus, en een aantal gemengde
+verhalen en legenden, die moeilijk in een historisch lijstwerk kunnen
+ingevoegd worden.
+
+
+
+De mythologische cyclus.
+
+
+De mythologische cyclus omvat de volgende afdeelingen:
+
+
+ 1. De komst van Portholan in Ierland.
+ 2. De komst van Nemed in Ierland.
+ 3. De komst der Firbolgs in Ierland.
+ 4. De inval der _Tuatha De Danann_, of Volk van den god Dana.
+ 5. De inval der Milesiërs (Zonen van Miled) uit Spanje,
+ en hun verovering van het Volk van Dana.
+
+
+Met de Milesiërs beginnen wij te naderen tot iets, dat op geschiedenis
+gelijkt--zij vertegenwoordigen in de Iersche legenden het Keltische
+ras; en men neemt aan, dat de heerschende Iersche families van hen
+afstammen. Het Volk van Dana zijn blijkbaar goden. De kolonisten of
+overweldigers uit den prae-Danaïschen tijd zijn kolossale, spookachtige
+figuren, die slechts flauw voor den dag komen door de nevelen der
+overlevering, en die weinig duidelijke karaktertrekken hebben. De
+verhalen, die omtrent hen worden gedaan, zijn talrijk en tegenstrijdig,
+en uit deze kunnen wij hier alleen de oudste verhalen mededeelen.
+
+
+
+De komst van Partholan.
+
+
+De Kelten geloofden, zooals Caesar ons heeft medegedeeld, dat zij
+waren afgestamd van den god der onderwereld, den god der dooden. Men
+verhaalt, dat Partholan in Ierland gekomen was uit het westen, waar
+aan de overzijde van den uitgestrekten, nooit bevaren Atlantischen
+Oceaan, het Iersche Tooverland, het land der levenden--dat is het
+land der gelukzalige dooden--gelegen was. De naam van zijn vader
+was Sera (het westen?). Hij kwam met zijn koninklijke gade Dalny
+[74] en een aantal makkers van beide geslachten. Ierland was--en
+dit is een aan de verbeelding ontleende trek, die ten doel heeft
+een denkbeeld te geven van de ontzaglijke oudheid--in die dagen uit
+een natuurkundig oogpunt een geheel ander land dan tegenwoordig. Er
+waren toen slechts drie meren in Ierland, negen rivieren en slechts
+één vlakte. Langzamerhand kwamen er andere bij tijdens de regeering
+der dynastie van Partholan. Volgens de verhalen was één meer, en wel
+het Rurymeer, opengebarsten, toen een graf werd gedolven voor Rury,
+den zoon van Partholan.
+
+
+
+De Fomoriërs.
+
+
+De mannen van Partholan hadden, zoo loopt het verhaal, te strijden
+tegen een vreemd ras, de Fomoriërs genaamd, waarvan wij in latere
+gedeelten van dit werk veel zullen hooren. Zij waren een kolossaal,
+wanstaltig, heftig en wreed volk, dat naar wij mogen aannemen, de
+machten van het kwaad vertegenwoordigde. Eén van hen had den bijnaam
+van _Cenchos_, wat De Voetlooze beteekent, en schijnt dus verwant te
+zijn aan Vitra, den god van het kwaad in de Veda mythologie, welke
+godheid noch voeten noch handen had. Partholan vocht met een aantal
+van die demons om de heerschappij over Ierland, en joeg ze naar de
+noordelijke zeëen, vanwaar zij van tijd tot tijd het land onder zijn
+latere heerschers verontrustten en plunderden.
+
+Het ras van Partholan werd ten slotte door de pest aangetast, en nadat
+zij zich verzameld hadden op de Oude Vlakte (Senmag) om hun dooden te
+kunnen begraven, kwamen zij daar allen om; en weer lag Ierland ledig,
+om later weer opnieuw te worden bezet.
+
+
+
+De legende van Tuan mac Carell.
+
+
+Wie vertelde dan het verhaal? Dit leidt ons er toe, melding te
+maken van een merkwaardige en belangwekkende legende--één der vele
+legendarische mededeelingen, waarin die verhalen uit de mythische
+periode tot ons zijn gekomen. Deze wordt gevonden in het zoogenaamde
+"Boek der Dun Koe", een manuscript van omstreeks het jaar 1100 na
+Christus en dat tot titel draagt "De Legende van Tuan mac Carell".
+
+St. Finnen, een Iersche abt uit de zesde eeuw had, naar verhaald wordt,
+gastvrijheid gezocht bij een opperhoofd, Tuan mac Carell genoemd,
+die niet ver van het klooster van Fin te Moville, (Graafschap
+Donegal) woonde. Tuan weigerde hem den toegang. De heilige ging op
+den drempel van het huis van het opperhoofd zitten, en vastte den
+geheelen Zondag [75], waarop de norsche heidensche krijgsman de deur
+voor hem opende. Tusschen hen ontstonden vriendschapsbetrekkingen,
+en de heilige keerde naar zijn monniken terug.
+
+"Tuan is een uitnemend man," zoo sprak hij tot hen; "hij zal bij
+u komen en u verkwikken, door u de oude vertelsels van Ierland te
+herhalen" [76].
+
+Die menschelijke belangstelling in de oude mythen en legenden van het
+land, is, naar hier moge worden opgemerkt, een even standvastige als
+aangename trek in de litteratuur der oudste Iersche Christenheid.
+
+Tuan kwam kort daarna bij den heilige, om hem een tegenbezoek
+te brengen, en noodigde dezen en zijn leerlingen uit, hem in zijn
+kasteel te komen bezoeken. Zij vroegen hem naar zijn naam en afkomst,
+en hij gaf een wonderbaarlijk antwoord. "Ik ben een man uit Ulster",
+zeide hij. "Mijn naam is Tuan, zoon van Carell. Maar vroeger heette
+ik Tuan, zoon van Starn, zoon van Sera, en mijn vader, Starn, was de
+broeder van Partholan."
+
+"Vertel ons de geschiedenis van Ierland," zoo sprak toen Finnen,
+en Tuan begon. Zooals hij zeide was Partholan de eerste mensch,
+die zich in Ierland nederzette. Na de groote pest, waarvan reeds
+melding is gemaakt, was hij de eenige die in leven bleef, "want er
+is nooit een slachting zóó groot, dat er niet een man aan ontkomt,
+om het verhaal te doen." Tuan was alleen in het land, en hij trok
+rond van de ééne ledige vesting naar de andere, van rots naar rots,
+om een schuilplaats te zoeken tegen de wolven. Zoo leefde hij twee
+en twintig jaar in eenzaamheid voort, in verlaten plaatsen wonend,
+totdat hij stokoud en vreeselijk gebrekkig was geworden.
+
+"Toen nam Nemed, de zoon van Agnoman Ierland in bezit. Deze (Agnoman)
+was de broeder van mijn vader. Ik zag hem van de klippen af en deed
+voortdurend mijn best, hem te vermijden. Ik had lange haren en
+klauwen, was afgeleefd, grijs, naakt, ongelukkig en ellendig. Op
+zekeren avond viel ik in slaap, en toen ik weer ontwaakte, was ik
+in een hert veranderd. Weer was ik jong en vroolijk van hart. Toen
+zong ik van de komst van Nemed en van zijn ras, en van mijn eigen
+gedaanteverwisseling.... Ik heb een nieuwe gedaante aangenomen een
+ruwe en grijze huid. Overwinning en vreugde zijn gemakkelijk voor mij;
+een korten tijd geleden was ik zwak en hulpeloos."
+
+Daarna was Tuan koning van al het roode wild van Ierland, en bleef
+dat gedurende al den tijd, dat Nemed en zijn ras in Ierland regeerden.
+
+Hij vertelt, hoe de Nemediërs naar Ierland zeilden in een vloot van
+twee en dertig booten, en in iedere boot waren dertig personen. Zij
+zwierven anderhalf jaar over de zeeën, en de meesten van hen stierven
+van honger en dorst of kwamen in een schipbreuk om. Slechts negen
+ontsnapten--Nemed zelf, met vier mannen en vier vrouwen. Deze landde
+in Ierland, en vermenigvuldigden zich in den loop der tijden, totdat
+hun aantal 8060 mannen en vrouwen bedroeg. Daarop stierven zij allen
+op geheimzinnige wijze.
+
+Weer was Tuan oud en gebrekkig geworden, maar hem wachtte weer een
+nieuwe gedaanteverwisseling. Ik stond eens aan den ingang van mijn
+hol--ik herinner mij dat nog duidelijk--en ik wist, dat mijn lichaam
+weer een andere gedaante aannam. Ik was een wild zwijn. En ik zong
+daarover het volgende lied:
+
+
+ "Vandaag ben ik een wild zwijn.... Er was een tijd, dat ik
+ in de vergadering zat, die de uitspraken van Partholan
+ openbaarden. Zij werden gezongen, en ieder prees de
+ melodie. Hoe heerlijk was de trant van mijn schitterend
+ oordeel! Hoe heerlijk voor de bevallige jonge vrouwen! Mijn
+ wagen reed in majesteit en schoonheid rond. Mijn stem was
+ ernstig en liefelijk. Mijn stap was vlug en stevig in den
+ strijd. Mijn gelaat was vol bekoorlijkheid. Maar zie, thans
+ ben ik in een zwart zwijn veranderd."
+
+
+"Zoo sprak ik. En werkelijk was ik een wild zwijn. Daarna werd ik
+weder jong, en ik was verheugd. Ik was koning der kudden wilde
+zwijnen in Ierland, en getrouw aan mijn gewoonte, ging ik mijn
+verblijfplaats rond, als ik in de landen van Ulster terugkeerde, zoo
+dikwijls ellende en ouderdom mij overvielen. Want het was steeds daar,
+dat mijn gedaanteverwisselingen plaats hadden, en daarom keerde ik
+daarheen terug, om de vernieuwing van mijn lichaam af te wachten." Tuan
+vertelt dan verder, hoe Semion, de zoon van Stariat, zich in Ierland
+vestigde. Van hem stamden de Firbolgs af en twee andere stammen,
+die nog in historische tijden bleven voortleven. Weer komt de oude
+dag nader, zijn krachten laten hem in den steek, en hij ondergaat
+weer een nieuwe gedaanteverwisseling; hij wordt "een groote zeearend"
+en verheugt zich weer eens in nieuwe jeugd en kracht. Daarop vertelt
+hij, hoe het Volk van Dana in Ierland kwam, "goden en valsche goden,
+uit wie, zooals iedereen weet, de Iersche geleerden gesproten
+zijn." Daarna kwamen de zonen van Miled, die het Volk van Dana
+overmeesterden. Al dien tijd hield Tuan de gedaante van een zeearend,
+totdat hij, toen hij ontdekte, dat hij op het punt stond weer een
+nieuwe gedaanteverwisseling te ondergaan, negen dagen lang vastte;
+"daarop overviel mij de slaap, en veranderde ik in een zalm". Hij
+geniet van zijn nieuw bestaan, waarbij hij jarenlang aan de valstrikken
+der visschers ontkomt, totdat hij ten slotte door één van hen wordt
+gevangen, en gebracht wordt naar de vrouw van Carell, het opperhoofd
+van het land. "De vrouw had zin in mij en at mij geheel op, waarbij ik
+in haar baarmoeder kwam." Hij wordt weder geboren, en gaat door voor
+Tuan, den zoon van Carell; maar de herinnering van dat voormalige leven
+en van al zijn gedaanteverwisselingen, en van de geheele geschiedenis
+van Ierland, die hij had meegemaakt sedert de dagen van Partholan,
+blijft nog bij hem achter, en hij onderwijst al die dingen aan de
+Christenmonniken, die al die verhalen zorgvuldig bewaren.
+
+Dit allervreemdste verhaal, met zijn atmosfeer van grijze oudheid en
+van naïeve wonderlijkheid, doet ons denken aan de gedaanteverwisseling
+van den Galischen Taliessin, die eveneens in een arend veranderde, en
+wijst op die leer der zielsverhuizing, die zooals wij gezien hebben,
+zoo sterk werkte op de verbeelding der Kelten.
+
+Wij moeten thans eenige bijzonderheden voegen bij de schets der
+opvolgende kolonisaties van Ierland, zooals die in het kort zijn
+aangeduid door Tuan mac Carell.
+
+
+
+De Nemediërs.
+
+
+Zooals wij gezien hebben, waren de Nemediërs verwant aan de
+Partholaniërs. Beiden waren afkomstig uit het geheimzinnige gebied
+der dooden, hoewel latere Iersche verhalen, die trachtten een
+verzoening tot stand te brengen tusschen die mythische opvatting
+en het christendom, het deden voorkomen, alsof zij afstamden van
+bijbelsche aartsvaders en aan aardsche landen zooals Spanje en Scythië
+hun oorsprong te danken hadden. Beiden hadden voortdurend strijd te
+voeren met de Fomoriërs, die volgens de latere legenden zeeroovers
+van over de zee waren, maar die zonder twijfel godheden waren, die
+de machten van duisternis en kwaad voorstelden. Er is geen legende
+bekend, hoe de Fomoriërs in Ierland gekomen zijn en zij werden ook
+nooit beschouwd als een geregeld deel der bevolking. Zij waren even oud
+als de wereld zelf. Nemed vocht met het beste gevolg tegen hen in vier
+groote gevechten, maar hij zelf stierf kort daarna aan de pest, die
+ook tweeduizend van zijn volgelingen ten grave sleepte. De Fomoriërs
+waren toen in staat hun oppermacht over Ierland te vestigen. Zij
+hadden in die dagen twee koningen, Morc en Conann. De macht der
+Fomoriërs had haar krachtigste versterking op het eiland Tory, dat
+zijn woeste klippen en afgronden doet oprijzen uit den Atlantischen
+Oceaan, in de nabijheid van Donegal--een geschikte woonplaats voor dat
+ras, dat zoo rijk was aan geheimzinnigheid en afgrijselijkheid. Zij
+hieven een vreeselijk drukkende schatting van het Iersche volk, en
+wel tweederden van al de melk en tweederden van al de kinderen uit
+het land. Ten slotte stonden de Nemediërs op. Onder aanvoering van
+drie opperhoofden, landen zij op het eiland Tory, nemen de Toren van
+Conann in, en Conann zelf sneuvelt door de hand van den Nemedischen
+aanvoerder Fergus. Maar op dat oogenblik treedt Morc in het gevecht
+op met een nieuwe troepenmacht, en jaagt de Nemediërs geheel op de
+vlucht, die op een dertigtal na sneuvelen:
+
+
+
+ "De mannen van Erin, zij togen ten strijde,
+ Nadat de Fomoriërs kwamen,
+ De zee verzwolg hen allen,
+ Behalve driemaal tien."
+
+
+ Gedicht van Eochy O'Flann, omstreeks 960 n.C.
+
+
+De dertig overlevenden verlaten Ierland in wanhoop. Volgens de oudste
+overlevering zijn zij allen omgekomen zonder nakomelingen achter te
+laten, maar latere verhalen, die trachten uit al die mythen nuchtere
+geschiedenis op te bouwen, stellen het voor, alsof één familie, die
+van het opperhoofd Britan, zich in Groot Brittannië vestigde en hun
+naam aan dat land schonk, terwijl twee andere na vele omzwervingen,
+naar Ierland terugkeerden als de Firbolgs en het Volk van Dana.
+
+
+
+De komst der Firbolgs.
+
+
+Wie waren de Firbolgs, en welke rol hebben zij gespeeld in de Iersche
+legenden? De naam schijnt te beteekenen: "Mannen van de Zakken,"
+en in later tijden werd er een legende uitgedacht, om dien naam te
+verklaren. Er werd verhaald, dat zij, na zich in Griekenland te hebben
+gevestigd, door het volk van dat land onderdrukt werden, die hen aarde
+lieten aantrekken van de vruchtbare valleien naar de rotsachtige
+heuvels, zoodat zij daarvan beploegbaren grond konden maken. Zij
+vervulden hun taak door middel van leeren zakken; maar ten laatste,
+toen zij de onderdrukking moede geworden waren, maakten zij van hun
+zakken booten met leder overtrokken, en zetten daarin koers naar
+Ierland. Nennius echter zegt, dat zij uit Spanje kwamen, want volgens
+hem waren al de verschillende rassen, die Ierland bewoond hebben,
+oorspronkelijk uit Spanje, en "Spanje" is bij hem een rationalistische
+vertaling van de Keltische woorden, die het Land der Dooden aanduiden
+[77]. Zij kwamen in drie groepen, de Fir-Bolg, de Fir-Domnan en de
+Galioin, die allen in het algemeen als Firbolg worden aangeduid. Zij
+spelen geen groote rol in de Iersche mythologie, en hun schijnt een
+zekere trek van slaafschheid en minderwaardigheid eigen te zijn.
+
+Eén van hun koningen, Eochy [78] mac Erc, trouwde met Taltiu, of
+Telta, de dochter van den koning der "Groote Vlakte," (het Land der
+Dooden). Telta had een paleis in de stad, die nu naar haar Telltown
+(eigenlijk Teltin) heet. Daar stierf zij, en daar werd zelfs nog in
+de Middeleeuwen, een groote jaarlijksche bijeenkomst of jaarmarkt
+ter harer eere gehouden.
+
+
+
+De komst van het volk van Dana.
+
+
+Wij komen thans tot verreweg de merkwaardigste en belangrijkste der
+mythische overweldigers en volksplanters van Ierland, het Volk van
+Dana. De naam, _Tuatha De Danann_, beteekent letterlijk "het volk van
+den god, wiens moeder Dana is." Dana draagt somtijds ook een anderen
+naam, en wel dien van Brigitta, een godin, die in het heidensche
+Ierland in hooge eer werd gehouden, wier attributen in de legenden
+grootendeels overgebracht zijn op de Christelijke Heilige Brigitta
+uit de zesde eeuw. In Gallische opschriften vindt men haar naam ook
+wel als "Brigindo" en in Britsche opschriften komt deze voor als
+"Brigantia." Zij was de dochter van het hoogste opperhoofd van het
+Volk van Dana, den god Dagda "Den Goeden." Zij had drie zoons, van wie
+men vertelt, dat zij gemeenschappelijk een eenigen zoon hadden, Eene
+genaamd--wat beteekent "Kennis" of "Poëzie" [79]. Men mag dus zeggen,
+dat Eene de god was, wiens moeder Dana was, en het ras, waaraan zij
+haar naam schonk, waren de duidelijkste vertegenwoordigers, die wij
+in Iersche mythen hebben van de machten van Licht en Kennis. Men zal
+zich herinneren, dat Tuan mac Carell alleen aan het Volk van Dana
+onder al die mythische rassen den naam van "goden" had gegeven. Toch
+komen zij niet als goden voor in den vorm waarin de Iersche legenden
+omtrent hen tot ons zijn gekomen. De invloed van de christelijke
+opvattingen bracht hen terug tot den rang van feeën, of vereenzelvigde
+hen met gevallen engelen. Zij werden door de afstammelingen van Miled
+overwonnen, die worden gedacht als een volkomen menschelijk ras,
+en die een aantal betrekkingen van liefde en oorlog met hen hadden
+tot in latere tijden. Toch is ook in de latere legenden het Volk
+van Dana bekleed met een zekeren luister en met groote verheffing,
+die herinnert aan den hoogen rang, waarvan zij waren afgedaald.
+
+
+
+De populaire opvattingen en die der Barden.
+
+
+Men mag echter niet over het hoofd zien, dat de populaire opvatting
+der godheden, van Dana afgestamd, waarschijnlijk ten allen tijde iets
+anders was dan die der barden en Druïden, of met andere woorden dan
+de scholastieke opvatting. Deze laatsten toch stelt hen, zooals wij
+zullen zien, voor als de godheden, die over wetenschap en poëzie
+heerschen. Dit is geen populaire voorstelling; zij is het product
+der Keltische, Arische verbeelding, zooals die is ingegeven door een
+zuivere verstandelijke opvatting. Het lagere volk, dat grootendeels
+het megalithische element onder de bevolking vertegenwoordigde,
+blijkt hun godheden als aardsche machten te hebben opgevat--_dei
+terreni_, zooals zij uitdrukkelijk genoemd worden in het "Boek van
+Armagh" uit de achtste eeuw [80]--die niet heerschen over wetenschap
+en poëzie, maar veeleer over den landbouw, die toezicht houden over de
+vruchtbaarheid van land en water, en hun woonplaats hebben in heuvelen,
+rivieren en meren. In de litteratuur der barden is de Arische opvatting
+overheerschend; de andere opvatting vindt men in tallooze volksverhalen
+en populaire gebruiken; doch het ligt in den aard der zaak, dat
+in elk geval op zich zelf de beide opvattingen voor een groot deel
+ineengeweven en in elkander zijn doorgedrongen--zoodat er geen scherpe
+scheidingslijn tusschen beide opvattingen in oude tijden kon worden
+getrokken, en die scheiding thans in het geheel niet meer mogelijk is.
+
+
+
+De schatten van het volk van Dana.
+
+
+Tuan mac Carell zegt, dat zij "uit den hemel" in Ierland zijn
+gekomen. Dit is in de latere overlevering geweven tot een verhaal,
+dat leert, hoe zij afkomstig waren uit vier groote steden, wier
+namen zelf het feeënrijken verdichting ademen--Falias, Gorias,
+Fincas en Murias. Hier leerden zij wetenschap en ambachten van
+groote wijzen, van wie er in iedere stad één op den troon zat, en
+uit iedere stad brachten zij een tooverschat mede. Uit Falias was de
+steen afkomstig, de _Lia_ Fail, of Steen van het Noodlot, genaamd,
+waarop de Opperkoningen van Ierland stonden, als zij gekroond werden,
+en die geacht werd de verkiezing van een wettigen vorst te bevestigen
+door onder hem te bulderen, als hij daarop plaats nam. De werkelijke
+steen, die gebruikt werd bij de inhuldiging van een vorst, bestond
+sinds onheugelijke tijden te Tura en werd van daar in het begin der
+zesde eeuw naar Schotland gezonden voor de kroning van Fergus den
+Groote, den zoon van Erc, die zijn broeder Murtagh mac Erc, den koning
+van Ierland vroeg, dien ter leen te mogen hebben. Een oude profetie
+hield in, dat overal waar die steen was, een koning van het Schotsche
+(d.i. Iersch-Milesische) ras zou regeeren. Dit is de beroemde Steen
+van Scone, die nooit meer in Ierland terug kwam, maar door Eduard
+I in 1297 naar Engeland werd vervoerd, en nu de kroningssteen is in
+de Westminster-Abdij. En de oude profetie is niet valsch gebleken,
+daar door de Stuarts en Fergus mac Erc de afstamming der Britsche
+koninklijke familie van de historische koningen van het Milesische
+Ierland kan worden gevolgd.
+
+De tweede schat van het Volk van Dana was het onoverwinnelijke zwaard
+van Lugh met den langen Arm, van wien wij later zullen hooren, en
+dat zwaard kwam uit de stad Gorias. Uit Finias kwam een tooverspeer
+en uit Murias de Groote Ketel van den Dagda, die de eigenschap had,
+een menigte mannen te kunnen voeden zonder dat hij ooit leeg werd.
+
+Met die bezittingen kwam het Volk van Dana, volgens de lezing in het
+"Boek der Invallen" gegeven, in Ierland.
+
+
+
+Het volk van Dana en de Firbolgs.
+
+
+Zij werden in een tooverwolk naar Ierland gedreven, en verschenen
+het eerst in Westelijk Connacht. Toen de wolk optrok, ontdekten de
+Firbolgs hem in een kamp, dat zij reeds te Moyrein hadden versterkt.
+
+De Firbolgs zonden nu één van hun krijgslieden uit, Sreng genaamd,
+om met de geheimzinnige aankomelingen een onderhoud te hebben; en
+het Volk van Dana van hun kant, zonden een krijgsman, Bres genaamd,
+om hen te vertegenwoordigen. De beide afgevaardigden beschouwden met
+groote belangstelling elkanders wapenen. De speren van het Volk van
+Dana, waren, naar ons wordt medegedeeld, licht en van scherpe punten
+voorzien; die der Firbolgs waren zwaar en stomp. De blijkbare bedoeling
+van de legende is, om hier de macht der wetenschap tegenover die der
+ruwe kracht te stellen, en wij worden hier herinnerd aan de Grieksche
+mythen van den strijd der Olympische goden met de Titanen.
+
+Bres stelde den Firbolg Sreng voor, dat de beide rassen Ierland
+gelijkelijk onder elkander zouden verdeelen, en zich zouden vereenigen,
+om hen tegen alle toekomstige indringers te verdedigen. Daarop
+verwisselden zij hun wapenen, en keerde ieder naar zijn eigen kamp
+terug.
+
+
+
+De eerste slag by Moytura.
+
+
+De Firbolgs kwamen echter niet onder den indruk van de grootere
+voortreffelijkheid van het volk van Dana, en besloten hun aanbod af
+te slaan. Zij werden toen handgemeen op de Vlakte van Moytura [81],
+in het Zuiden van het Graafschap Maye, in de nabijheid van de plaats,
+die nu Cong heet. De Firbolgs werden aangevoerd door hun koning,
+mac Ere, en het volk van Dana door Nuada met de Zilveren Hand, die
+zijn naam ontleende aan een ongeluk in dien strijd. Men verhaalt
+toch, dat zijn hand in het gevecht werd afgehakt, en één der bekwame
+handwerkslieden, waaraan de gelederen van het volk van Dana zoo rijk
+waren, maakte voor hem een nieuwe hand van zilver. Door hun magische
+en heelkundige gaven won het Volk van Dana den slag en de koning
+der Firbolgs sneuvelde. Maar er werd toen een billijke overeenkomst
+gesloten: aan de Firbolgs werd de provincie Connacht als grondgebied
+toegekend, terwijl het Volk van Dana het overige deel van Ierland in
+bezit nam. Tot zelfs in de zeventiende eeuw ontdekte de kronykschrijver
+Mac Firbis, dat een aantal bewoners van Connacht hun afstamming terug
+voerden tot diezelfde Firbolgs. Waarschijnlijk waren zij werkelijk
+een historisch ras, en het is niet onmogelijk, dat de strijd tusschen
+hen en het Volk van Dana een stuk werkelijke geschiedenis is geweest,
+dat omgeven is met enkele mythische trekken.
+
+
+
+Het verdrijven van koning Bres.
+
+
+Nuada met de Zilveren Hand zou nu de heerscher over het Volk van Dana
+geweest zijn, maar zijn verminking verbood dit, daar geen misvormd man
+koning van Ierland mocht zijn. Daarom kozen zij Bres, die de zoon was
+van een vrouw uit dat volk, Eri genaamd, maar wiens vader onbekend
+was, om in zijn plaats over hen te heerschen. Dit was niet dezelfde
+Bres, die als afgevaardigde met de Firbolgs had onderhandeld, en die
+gesneuveld was in den slag bij Moytura. Doch Bres had, hoewel hij
+sterk was en schoon te aanschouwen, niet de gave als heerscher, immers
+niet alleen liet hij toe, dat de vijand van Ierland, de Fomoriërs,
+hun onderdrukking en hun schatting in het land weer opnieuw begonnen,
+maar ook legde hij zelf zijn onderdanen hooger belastingen op; daarbij
+was hij zóó gierig, dat hij hoofden en edelen of hofspelers geen
+gastvrijheid verleende. Gebrek aan milddadigheid en gastvrijheid werd
+altijd gerekend onder de ergste ondeugden van een Iersche vorst. Men
+verhaalt nu, dat op zekeren dag de dichter Corpre aan zijn hof kwam,
+die gehuisvest werd in een kleine, donkere kamer zonder vuur of
+huisraad, waar hem na een lang vertoef drie droge koeken zonder ale
+werden voortgezet. Om zich te wreken vervaardigde hij een satiriek
+versje op zijn vrekkigen gastheer:
+
+
+ "Zonder voedsel, snel bediend,
+ Zonder koemelk, waarvan een kalf kan groeien,
+ Zonder woonplaats voor een man te gebruiken in den duisteren
+ nacht,
+ Zonder middelen om een gezelschap van barden te onthalen,--
+ Moge Bres in dien toestand verkeeren."
+
+
+In Ierland onderstelde men, dat een dichterlijke satire een soort
+tooverkracht bezat. Koningen waren er bang voor, zelfs ratten konden
+er door worden uitgeroeid [82]. Dit versje van Corpre werd met
+groot vermaak onder het volk herhaald, en Bres was genoodzaakt zijn
+koningschap neer te leggen. Men zegt, dat dit de eerste satire was,
+die in Ierland werd vervaardigd. Tevens werd Nuada, omdat hij zijn
+zilveren hand had gekregen door de vaardigheid van zijn geneesheer
+Diancecht, of omdat, zooals een andere lezing der legende zegt, een
+veel grootere heelkundige, de zoon van Diancecht, gezorgd had, dat
+de echte hand weer aan de stomp vastgroeide, in plaats van Bres tot
+koning gekozen. De laatste begaf zich nu in toorn en wrok naar zijn
+moeder Eri, en smeekte haar hem raad te geven en hem op de hoogte te
+brengen van zijn afkomst. Eri vertelde hem toen, dat zijn vader Elatha
+was, een koning der Fomoriërs, die in het geheim van over zee bij
+haar was gekomen, en die haar bij zijn vertrek een ring had gegeven,
+met het verzoek, dien nooit aan iemand te geven, behalve aan hem, aan
+wiens vinger hij zou passen. Zij haalde nu den ring te voorschijn,
+en deze paste aan den vinger van Bres, die daarop met haar afdaalde
+naar het strand, waar de Fomorische minnaar geland was; daarna zeilden
+zij te zamen naar het land van zijn vader.
+
+
+
+De tyrannie der Fomoriërs.
+
+
+Elatha herkende den ring, en gaf zijn zoon een leger, om daarmede
+Ierland te heroveren, terwijl hij hem bovendien wegzond om verdere hulp
+te zoeken bij den grootsten der Fomorische koningen, Balor. Deze had
+den bijnaam van "met het kwade oog", omdat de blik van zijn ééne oog
+als een bliksemflits hem kon treffen, op wien hij in woede neerzag. Hij
+was toen echter reeds zóó oud en zwak, dat het groote ooglid neerhing
+over het doodaanbrengende oog, en door zijn manschappen met touwen
+en takels moest worden opgetild zoo dikwijls het oogenblik was
+aangebroken, dat hij het op zijn vijanden moest slaan. Nuada kon
+hem evenmin het hoofd bieden als Bres dit tijdens zijn regeering
+had kunnen doen; en het land zuchtte nog steeds onder den druk der
+Fomoriërs en verlangde smachtend naar een kampioen en verlosser.
+
+
+
+De komst van Lugh.
+
+
+Nu treedt een nieuwe figuur in de mythe op, en wel niemand anders dan
+Lugh, de zoon van Kian, de Zonnegod bij uitnemendheid in het geheele
+gebied der Kelten, wiens naam wij nog thans kunnen terugvinden in een
+aantal historische plaatsnamen op het vasteland van Europa [83]. Om
+zijn verschijning te verklaren, moeten wij voor een oogenblik de
+mededeelingen der oude handschriften, die hier onvolledig zijn, op
+zijde zetten, en die moeten worden aangevuld door een verhaal, dat
+in den volksmond is blijven leven, en zelfs eerst in de negentiende
+eeuw uit dien volksmond is opgevangen door den bekenden Ierschen
+oudheidkundige, O'Donovan [84]. In dit verhaal uit den volksmond zijn
+de namen Balor en die van zijn dochter Ethlinn (de laatste in den
+vorm "Ethnea") bewaard gebleven, behalve nog sommige andere mythische
+personen, maar dien van den vader van Lugh vindt men nog flauw terug in
+Mac-Kineely; de naam van Lugh zelf is vergeten geraakt, en de dood van
+Balor is medegedeeld op een wijze, die niet in overeenstemming is met
+de oude mythe. In het verhaal, zooals wij het hier weergeven, zijn de
+oude namen en de mythische omtrekken bewaard gebleven, maar, waar dit
+noodig was, aangevuld uit de volksoverlevering, waaruit die moderne
+trekken zijn weggelaten, die niet te verzoenen zijn met de mythe.
+
+Het verhaal luidt dan, dat Balor, de koning der Fomoriërs, in een
+Druïdische voorspelling gehoord had, dat hij door zijn kleinzoon
+zou worden gedood. Zijn eenig kind was een nog zeer jong meisje,
+Ethlinn genaamd. Om dan dat noodlot te ontkomen liet hij haar, evenals
+Acrisios, de vader van Danaë, in de Grieksche mythe, opsluiten in
+een hoogen toren, dien hij had laten bouwen op een steilen landtong,
+de Tor Mor, op het eiland Tory. Hij stelde het meisje onder bewaking
+van twaalf oude vrouwen, die streng moesten toezien, dat zij nooit het
+gelaat van een man te zien kreeg, of dat zij zelfs ooit zou ontdekken,
+dat er wezens bestonden van een ander geslacht dan het vrouwelijke. In
+die afzondering groeide Ethlinn--zooals alle in afzondering gehouden
+prinsessen het geval is--op tot een maagd van onovertroffen schoonheid.
+
+Het geval wilde nu, dat er op het vasteland drie broeders waren, Kian,
+Sawan, en Goban, de smid, de groote wapensmid en kunstenaar in de
+Iersche mythen, die overeenkomt met een dergelijke persoonlijkheid in
+de Germaansche mythologie. Kian had een tooverkoe, die zóó overvloedig
+melk gaf, dat iedereen verlangde die koe te bezitten, en hij verplicht
+was, haar streng te bewaken.
+
+Balor besloot zich van die koe meester te maken. Op zekeren dag kwam
+Kian en Sawan naar de smidse, om wapenen voor zich te laten maken, voor
+welk doel zij prachtig staal medebrachten. Kian ging de smidse binnen
+en droeg Sawan de zorg voor de koe op. Nu kwam Balar ten tooneele,
+na de gestalte te hebben aangenomen van een roodharigen jongen,
+en vertelde Sawan, dat hij de broeders in de smidse beluisterd had,
+terwijl zij een plan smeedden, om al het prachtige staal voor hun
+eigen zwaarden te gebruiken, en niets dan gemeen staal voor het zwaard
+van Sawan over te laten. Deze gaf nu in groote woede den halster in
+handen van den jongen en stormde de smidse in, om dit misdadige plan
+te verhinderen. Onmiddellijk voerde Balor de koe weg en sleepte haar
+over zee naar het eiland Tory.
+
+Kian besloot nu, zich op Balor te wreken, en won daartoe den raad in
+van een Druïde priesteres, Birog genaamd. Na zich in vrouwenkleeren te
+hebben gekleed, werd hij door tooverbezweringen over de zee gedreven,
+waar Birog, die hem vergezelde, het tegenover de bewaaksters van
+Ethlinn deed voorkomen, dat zij twee edele vrouwen waren, op het strand
+geworpen, toen zij voor een man vluchtten, die haar wilde ontvoeren,
+en om een schuilplaats smeekte. Zij werden toegelaten; Kian vond
+de gelegenheid toegang te krijgen tot prinses Ethlinn, terwijl de
+vrouwen door Birog in een diepen tooverslaap werden gebracht, en toen
+zij ontwaakten, waren Kian en de Druïden-priesteres verdwenen zooals
+zij gekomen waren. Maar Ethlinn had Kian haar liefde geschonken, en
+spoedig ontdekten haar bewaaksters, dat zij zwanger was. Daar zij den
+toorn van Balor vreesden, trachtten de oude vrouwen haar te overtuigen,
+dat de geheele gebeurtenis slechts een droom was, en spraken er niet
+meer over, maar na verloop van tijd beviel Ethlinn van drie zoons.
+
+Het bericht van die gebeurtenis bereikte Balor, en vol woede en
+vrees beval hij, dat de drie kinderen moesten verdronken worden
+in een maalstroom aan de Iersche kust. De boodschapper, die met die
+opdracht werd belast, rolde de kinderen in een laken, maar toen hij ze
+naar de bepaalde plaats droeg, liet de speld waarmede het laken was
+dichtgemaakt, los, waardoor één der kinderen er uit viel en in een
+kleine baai terecht kwam, die nog ten huidigen dage Port na Delig,
+of de Haven van de Speld genoemd wordt. De beide andere werden,
+zooals bedoeld was, verdronken, en de bediende bracht het bericht,
+dat hij zijn zending had volbracht.
+
+Maar het kind, dat in de baai was gevallen, werd door de
+Druïden-priesteres bewaakt, die het dreef naar de woning van zijn
+vader Kian; deze gaf het ter opvoeding aan zijn broeder den smid,
+welke het kind zijn eigen ambacht onderwees en hem in alle soorten van
+ambacht en handenarbeid bekwaam maakte. Dit kind was Lugh. Toen hij
+opgegroeid was tot een jongeling, plaatste hem het Volk van Dana onder
+de hoede van Duach, "Den duisteren," den koning der Groote Vlakte (het
+Tooverland, of het "Land der Levenden," wat tevens het Land der Dooden
+is), en daar bleef hij totdat hij den mannelijken leeftijd had bereikt.
+
+Lugh was natuurlijk degeen, die bestemd was het Volk van Dana uit
+zijn slavernij te verlossen. Zijn komst wordt medegedeeld in een
+verhaal, dat de Zonne-attributen van algeheele macht naar voren
+brengt, en hem evenals Apollo doet kennen als de godheid, die het
+bestuur heeft over alle menschelijke kennis en alle bekwaamheid op
+het gebied van kunst en geneeskunde. Hij kwam, zoo wordt verhaald,
+om zich in den dienst te stellen van Nuada met den Zilveren Hand,
+en toen de portier van het koninklijke paleis van Tara hem vroeg,
+wat voor werk hij kon doen, antwoordde hij, dat hij timmerman was.
+
+"Wij hebben geen timmerman noodig", zeide de portier; "wij hebben
+een uitstekenden timmerman in den persoon van Luchta, den zoon
+van Luchad". "Ik ben ook smid", zeide Lugh. "Wij hebben al een
+voortreffelijken smid", zeide de portier. "Maar ik ben ook een
+krijgsman", zeide Lugh. "Wij hebben er geen noodig, zeide de portier,
+"zoolang wij Ogma hebben". Lugh gaat voort al de beroepen en kunsten
+te noemen, die hij maar kan bedenken--hij is dichter, harpspeler, een
+man van wetenschap, een geneesheer, een keukenmeester, en zoo voort,
+waarbij hij telkens ten antwoord krijgt, dat iemand van uitstekende
+bekwaamheid in die kunst reeds aan het hof van Nuada in betrekking
+is. "Vraag dan den koning", zeide Lugh, "of hij ook iemand in zijn
+dienst heeft, die volleerd is in ieder van die kunsten, en als dit het
+geval is, zal ik hier niet langer blijven, en niet trachten het paleis
+binnen te komen". Daarop wordt Lugh aangenomen, en hem de bijnaam
+Ildánach gegeven, wat beteekent "De man van Alle Ambachten" de Vorst
+van alle Wetenschappen; terwijl een andere naam, dien hij gewoonlijk
+droeg, Lugh Lamfada was, of Lugh met den Langen Arm. Wij worden hier,
+zooals de Jubainville opmerkt, herinnerd aan de Gallische god, dien
+Caesar vereenzelvigt met Mercurius, "den uitvinder van alle kunsten",
+en voor wien de Galliërs een aantal standbeelden hadden opgericht. De
+Iersche mythe vult die nader aan en noemt ons den Keltischen naam
+van die godheid.
+
+Toen Lugh uit het Land der Levenden kwam, bracht hij een aantal
+toovergeschenken mede. Daaronder waren de Boot van Mananan, de zoon
+van Lir den Zeegod, welke boot de gedachten van den mensch kende en
+overal heen kon reizen, waar zij wilde, en het paard van Mananan,
+dat zoowel over land als over zee kon gaan, en een vreeselijk zwaard,
+dat _Fragarach_ ("De Antwoordgever") heette, en de gave bezat van
+door ieder harnas heen te snijden. Zoo toegerust, kwam hij eens in een
+vergadering van opperhoofden van het Volk van Dana, die samengekomen
+waren om hun schatting te betalen aan de afgevaardigden der Fomorische
+onderdrukkers; en toen die opperhoofden hem zagen, leek het hun alsof
+zij, zooals verhaald wordt, de opkomst van de zon waarnamen op een
+drogen zomerochtend. In plaats van de schatting te betalen, vielen zij
+onder aanvoering van Lugh de Fomoriërs aan, die allen op negen man
+na sneuvelden, welke teruggezonden werden om Balor mede te deelen,
+dat het Volk van Dana hem tartte en in het vervolg geen schatting
+meer wilde betalen. Balor maakte zich toen gereed voor den strijd en
+beval zijn veldheeren, om als zij het Volk van Dana hadden overwonnen,
+het eiland door kabels aan hun schepen te bevestigen en het een heel
+eind in noordelijke richting te sleepen naar het Fomorische gebied
+van ijs en duisternis, waar het hen niet langer zou hinderen.
+
+
+
+De tocht van de zonen van Turenn.
+
+
+Lugh van zijn kant, maakte zich eveneens gereed voor den beslissenden
+strijd; maar om zich van de overwinning te verzekeren, had hij nog
+eenige magische voorwerpen noodig, en die moesten nog verkregen
+worden. Het verhaal, hoe die voorwerpen werden opgespoord, waarbij
+ons ook nog de dood van Kian, den vader van Lugh wordt vermeld, is
+één der merkwaardigste en kostelijkste vertelsels onder de Iersche
+legenden en vormde één van een drietal mythen, die tot den bloem der
+Iersche verdichtselen kan gerekend worden. [85]
+
+Kian, zoo luidt het verhaal, was door Lugh naar het Noorden gezonden,
+om de strijdbare mannen van het Volk van Dana in Ulster op te roepen
+teneinde deel te nemen aan den strijd tegen de Fomoriërs. Op weg,
+bij het overtrekken van de vlakte van Murthemney, bij Dundalk, komt
+hij drie broeders tegen, Brian, Iuchar en Iucharba, zonen van Turenn,
+tusschen wier geslacht en dat van Kian een bloedveete bestond. Hij
+tracht te ontkomen door zich in een varken te veranderen en zich
+bij een kudde te voegen, die in de vlakte huist, maar de broeders
+ontdekken hem en Brian wondt hem door een speerworp. Kian, die weet,
+dat zijn einde nabij is, vraagt toestemming om zich, vóór dat hij
+gedood wordt, weer in menschelijke gedaante te veranderen. "Ik wil
+liever een man dan een varken dooden," zegt Brian, die verreweg de
+voornaamste rol speelt in alle avonturen der broeders. Daarop staat
+Kian in menschengedaante vóór hen, terwijl het bloed, door Brians speer
+vergoten, uit zijn borst vloeit. "Ik heb u verschalkt," roept hij uit,
+"want als gij een varken hadt gedood, hadt gij slechts den bloedprijs
+van een varken behoeven te betalen, maar nu moet gij den bloedprijs
+van een man betalen; er is nooit grootere bloedprijs geweest dan die,
+welken gij moet betalen; en de wapens waarmede gij mij doodt zullen
+het vertellen aan den wreker van het bloed."
+
+"Dan zult gij zonder eenige wapens gedood worden," zegt daarop Brian,
+en hij en zijn broeders steenigen hem en begraven hem in den grond
+ter mansdiepte.
+
+Maar toen Lugh kort daarop dien weg langs ging, schreeuwden de steenen
+in de vlakte luide en vertelden hem over den moord op zijn vader door
+de hand van de zonen van Turenn. Hij graaft het lichaam op en keert
+naar Tara terug, na wraak te hebben gezworen. Hier beschuldigt hij de
+zonen van Turenn tegenover den Opperkoning, en krijgt de toestemming
+hen ter dood te doen brengen of den losprijs te noemen, waarvoor
+hij dat vonnis wil herroepen. Lugh kiest den losprijs, en hij noemt
+de volgende, waarbij hij dingen van groote waarde, die alleen onder
+ongehoorde moeilijkheden te verwerven zijn, onder de namen van gewone
+voorwerpen verbergt: drie appels, een varkenshuid, een speer, een
+wagen met twee paarden, zeven zwijnen, een jachthond, een braadspit en
+ten slotte eischt hij, dat zij boven op een heuvel drie kreten laten
+hooren. De broeders verbinden zich, de boete te betalen, en daarna
+verklaart Lugh de beteekenis er van. De drie appels zijn die, welke
+groeien in den Tuin van de Zon; de varkenshuid is een tooverhuid, die
+iedere wonde heelt en ook iedere ziekte geneest, als zij op den lijder
+kan worden gelegd, zij is in het bezit van den koning van Griekenland;
+de speer is een tooverwapen in het bezit van den koning van Perzië
+(die namen zijn natuurlijk slechts fantaisienamen voor plaatsen in de
+geheimzinnige feeënwereld); de zeven zwijnen behooren aan koning Asal
+van de Goude Pilaren, en al heeft men ze iederen avond geslacht en
+opgegeten, men vindt ze den volgenden dag weder in hun geheel terug;
+het spit behoort aan de zeenimfen van het verzonken eiland Finchory;
+en de drie kreten moet men doen hooren op den heuvel van een woesten
+krijgsman, Mochaen, die met zijn zonen de gelofte heeft afgelegd, dat
+zij iedereen zullen beletten zijn stem op dien heuvel te verheffen. Het
+is een bijna onuitvoerbare taak, zelfs maar één van die werken te
+volvoeren, en de broeders moesten ze alle volbrengen, voor dat zij
+zich konden bevrijden van de schuld en de straf voor den dood van Kian.
+
+Het verhaal loopt dan verder, hoe de zonen van Turenn met ontzaglijken
+moed en met de grootste scherpzinnigheid één voor één al hun
+opdrachten vervullen, maar als zij alle volbracht zijn behalve het
+verwerven van het braadspit en het doen hooren der drie kreten op
+den heuvel van Mochaen, zorgt Lugh door middel van tooverkunsten, dat
+vergeetachtigheid over hen valt, en zij keeren met hun schatten naar
+Ierland terug. Juist deze, in het bijzonder de speer en de varkenshuid,
+zijn het, die Lugh noodig heeft om hem tegen de Fomoriërs te helpen;
+maar zijn wraak is niet volkomen, en na de schatten verkregen te
+hebben, herinnert hij de broeders er aan, dat er nog enkele werken
+moeten vervuld worden. Zij beginnen nu, ten zeerste terneergeslagen,
+te begrijpen, dat zij zijn voor den gek gehouden, en zij gaan droevig
+heen, om, als zij kunnen, het overige van den bloedprijs meester te
+worden. Na langen tijd te hebben rondgezworven, blijkt het hun, dat
+het eiland Finchory niet boven, maar onder de zee is gelegen. Brian
+gaat in een magische waterkleeding naar beneden, ziet de driemaal
+vijftig nimfen in haar paleis, en pakt het gouden braadspit van haar
+haard. De taak op den heuvel van Mochaen is de laatste, die nog moet
+worden volbracht. Na een wanhopig gevecht, dat eindigt met het dooden
+van Mochaen en zijn zonen, verheffen de broeders, doodelijk gewond, hun
+stemmen in drie zachte kreten, en zoo is de bloedprijs betaald. Zij
+zijn echter nog in leven als zij in Ierland terugkeeren, en hun
+bejaarden vader Turenn smeekt Lugh, hem de tooverhuid van het varken
+te leenen, om ze te genezen, maar de onverzoenlijke Lugh weigert dit,
+en de broeders en hun vader sterven tezamen. Zoo eindigt het verhaal.
+
+
+
+De tweede slag bij Moytura.
+
+
+De tweede slag bij Moytura had plaats in een vlakte in het noorden
+van het graafschap Sligo, dat de aandacht trekt door het aantal
+grafmonumenten, die daar nog altijd verspreid liggen. De eerste
+slag was natuurlijk dien welken het Volk van Dana met de Firbolgs
+had geleverd, en het daar bedoelde Moytura lag veel zuidelijker in
+het graafschap Mayo. Het gevecht tegen de Fomoriërs wordt verhaald
+met een verwonderlijken rijkdom van de vreemdste gebeurtenissen. De
+ambachtslieden van het Volk van Dana, Goban de smid, Credné, de
+smeedkunstenaar (of goudsmid) en Luchta, de timmerman, herstellen
+voortdurend de gebroken wapens van het Volk van Dana met magischen
+spoed--drie slagen van Gobans hamer maken een speer of een zwaard,
+Luchta slingert er een handvat tegen aan, dat dadelijk vast blijft
+zitten, en Credné werpt er met zijn tang de klinknagels heen, zoo
+vlug als hij ze kan maken, en zij vliegen op hun plaats. De gewonden
+worden geheeld door de tooverhuid. De vlakte weerklinkt van het geraas
+van den strijd:
+
+"Vreeselijk was de donder, die over het slagveld rolde; de kreten der
+krijgslieden, het breken der schilden, het flikkeren en kletteren van
+de zwaarden, van de rechte zwaarden met ivoren gevesten, de muziek
+en de harmonie der geworpen werpspiesen, en het suizen van speren en
+lansen" [86].
+
+
+
+De dood van Balor.
+
+
+De Fomoriërs brengen hun kampioen Balor naar voren, voor wiens
+vreeselijk oog Nuada met de Zilveren Hand en anderen van het Volk
+van Dana bezwijken. Maar Lugh maakte gebruik van de gelegenheid,
+dat het ooglid van vermoeidheid neerviel en naderde Balor tot op
+korten afstand, en zoodra dat ooglid weer in de hoogte ging wierp hij
+in het oog een grooten steen, die in zijn hersens doordrong, zoodat
+Balor, zooals de profetie had voorspeld dood ter neder lag, door zijn
+kleinzoon getroffen. Toen werden de Fomoriërs totaal verslagen, en
+er wordt geen melding van gemaakt, dat zij ooit weer eenigen invloed
+in Ierland verkregen of daarvan een eenigszins uitgebreid terrein
+plunderden. Lugh, de Ildánach, werd toen op den troon geplaatst,
+die te voren door Nuada was bezet, en de mythe van de overwinning
+van den zonneheld over de macht van duisternis en van geweld is
+hiermede voltooid.
+
+
+
+De harp van den Dagda.
+
+
+Wij zullen hier een aardig verhaal inlasschen, dat betrekking heeft
+op de macht, die het Volk van Dana kon uitoefenen door de betooverende
+uitwerking der muziek. Voordat de Fomoriërs op de vlucht gejaagd waren,
+hadden zij den harpspeler van den Dagda gevangen genomen en voerden
+dien met zich mede. Lugh, de Dagda en de krijgsman Ogma volgden hen
+en kwamen zonder dat men hen herkende, in de feestzaal van het kamp
+der Fomoriërs. Daar zagen zij de harp aan den muur hangen. De Dagda
+riep haar aan, en onmiddellijk vloog zij in zijn handen, op haar weg
+negen mannen der Fomoriërs doodend. De aanroeping van den Dagda is
+eigenaardig, en ongemeen raadselachtig:
+
+"Kom, appelzoete murmelaar", zoo roept hij, "kom raam van harmonie
+met vier hoeken, kom Zomer, kom Winter, uit de monden der harpen en
+zakken en fluiten" [87].
+
+De toespeling op de jaargetijden wijst op de eigenaardigheid bij
+de Indische muziek om bepaalde muzikale wijzen te gebruiken bij
+verschillende jaargetijden (en zelfs bij verschillende uren van
+den dag) en doet eveneens denken aan de Egyptische legende, die
+besproken wordt door Burney in zijn "Geschiedenis der Muziek", waar
+de drie snaren van de lier geacht werden overeen te komen met de drie
+jaargetijden, lente, zomer en winter [88].
+
+Toen de Dagda de harp in zijn bezit had, zoo luidt het verhaal verder,
+speelde hij daarop de "drie edele tonen", die iedere grootmeester
+op de harp moet beheerschen, en wel den Toon der Klacht, die alle
+hoorders deed weenen, den Toon van het Lachen, die hen vroolijk maakte,
+en den Toon van den Slaap, of Lullaby, die allen in een diepen slaap
+dompelde. En onder de bedekking van dien slaap sloop de kampioen van
+het Volk van Dana naar buiten en ontsnapte. Wij merken hierbij op,
+dat in de geheele legendenlitteratuur van Ierland bekwaamheid in de
+muziek, welke kunst een invloed uitoefent, die het meest gelijkt op
+die van een geheimzinnige toovermacht of van een gave der feeën, het
+prerogatief is van het Volk van Dana en hun afstammelingen. Zoo wordt
+in de "Samenspraak der Ouden", een verzameling sprookjes omstreeks de
+dertiende of veertiende eeuw vervaardigd, St. Patrick in aanraking
+gebracht met een minnezanger Cascorach, "een schoonen jongeling met
+gekrulde haren en donkere wenkbrauwen", die een zóó zoete melodie
+speelt, dat de heilige en zijn gevolg in slaap vallen. Volgens het
+verhaal was Cascorach de zoon van een minnezanger uit het Volk van
+Dana. De schrijver van St. Patrick, Brogan merkt op: "Gij gaaft
+ons daar een heerlijk staaltje van uw kunst". "Het zou werkelijk
+goed zijn", zeide St. Patrick, als er niet een klank in was van de
+tooverij eener fee, die het verpest; was dit niet het geval, dan
+zou niets meer dan dit overeenkomen met een hemelsche harmonie. [89]
+Sommige van de schoonste der oude Iersche volksmelodieën,--b.v. de
+_Coulin_--zijn volgens de overlevering door sterfelijke harpspelers
+afgeluisterd bij de feesten der Feeën.
+
+
+
+Namen en karaktertrekken van de godheden van het Volk van Dana.
+
+
+Wij zullen dit verhaal der verovering door het Volk van Dana
+besluiten met een overzicht van de voornaamste goden van het Volk
+van Dana en van hun attributen, welk overzicht van groot nut zal
+zijn voor de lezers der volgende bladzijden. Het beste ons bekende
+overzicht is dat, wat gevonden wordt in de "Critische geschiedenis
+van Ierland", door Standish O'Grady [90]. Dit werk is niet minder
+merkwaardig om zijn critisch inzicht--het werd in 1881 uitgegeven,
+toen men nog weinig hoorde van een wetenschappelijke beoefening der
+Keltische mythologie--dan om de diep-poëtische verbeeldingskracht,
+die nauw verwant was aan die van de dichters der oude mythen zelf,
+waardoor doode vormen uit het verleden opstaan en door den adem des
+levens worden opgewekt. De groote lijnen, waarin O'Grady de typische
+karaktertrekken der hoofdpersonen in den cyclus van Dana heeft
+geschetst, vereischen in onzen tijd nauwelijks eenige verbetering,
+en zijn voor ons bij het hier volgende overzicht van groot nut geweest.
+
+
+
+De Dagda.
+
+
+De Dagda Mor was de vader en het opperhoofd van het Volk van
+Dana. Er is aan hem en aan zijn optreden het denkbeeld van grootheid
+verbonden. In den tweeden slag bij Moytura vellen zijn slagen geheele
+rijen van den vijand, en als hij zijn speer op marsch laat slepen,
+trekt deze een vore in den grond als de gracht, die de grens van een
+provincie aanwijst. In enkele verhalen omtrent die godheid is een
+element van zonderlingen humor aanwezig. Als de Fomoriërs hem voedsel
+geven bij zijn bezoek aan hun kamp, worden de pap en de melk in een
+grooten kuil in den grond gestort, en hij eet die met een lepel,
+die zóó groot is, zooals verhaald wordt, dat een man en een vrouw er
+samen in kunnen liggen. Met dien lepel schrapt hij den kuil uit, als
+de pap op is en met de grootste onverschilligheid laat hij de aarde
+en het grove zand door zijn keel loopen. Wij hebben reeds gezien,
+dat hij zooals het geheele Volk van Dana een meester is in de muziek,
+en tevens volleerd in alle magische kunsten, terwijl hij daarbij een
+harp bezit, die op zijn roep door de lucht komt vliegen. "De neiging,
+om leven toe te kennen aan levenlooze dingen is duidelijk merkbaar
+in de Homerische litteratuur, maar oefent een veel grooteren invloed
+uit in de mythologie van dit land. De levende, vlugge speer van Lugh;
+het tooverschip van Mananan; het sprekende zwaard van Cuchulain; de
+Lia Fail, de Steen van het Noodlot, die van vreugde loeide onder den
+voet van wettige koningen; de golven van den oceaan, die van woede
+en smart bulderden, als die koningen in gevaar waren; de wateren
+van de Avon Dia, die uit vrees bleven stilstaan bij het vreeselijk
+tweegevecht tusschen Cuchulain en Ferdia: die alle zijn slechts enkele
+uit vele voorbeelden [91]. Een legende van lateren tijd verhaalt ons,
+hoe eens bij den dood van een groot geleerde alle boeken in Ierland
+van de boekenplanken op den vloer vielen.
+
+
+
+
+Angus Og.
+
+
+Angus Og (Angus de Jonge), de zoon van den Dagda, verwekt bij Boanna
+(de rivier bij Boyne) was de Iersche liefdegod. Men dacht zich zijn
+paleis te New Grange, aan de Boyne. Ook stelde men zich de vier
+schitterende vogels, die voortdurend boven zijn hoofd zweefden voor,
+als zijn kussen, die in die lieflijke gedaante gematerialiseerd werden,
+en als deze zongen, ontsprong de liefde in de harten van jongelingen
+en en meisjes. Eens werd hij smoorlijk verliefd op een meisje, dat
+hij in den droom had gezien. Hij vertelde de oorzaak van de ziekte,
+die daarvan het gevolg was, aan zijn moeder Boanna, die geheel Ierland
+doorzocht naar het meisje, maar het niet kon vinden. Daarop werd de
+Dagda binnengeroepen, maar wist evenmin, wat hij doen moest, totdat
+hij de hulp inriep van Bov den Roode, den koning van het Munstersche
+volk van Dana--denzelfden, van wien sprake is in het verhaal van
+de kinderen van Lir, en die op de hoogte was van alle mysteriën en
+tooverkunsten. Bov nam de taak op zich, naar het meisje te zoeken,
+en na verloop van een jaar verklaarde hij, dat hij het in den droom
+verschenen meisje had gevonden bij een meer, dat het Meer van den
+Drakenbek heette.
+
+Angus ging nu naar Bov, en na door hem drie dagen te zijn onthaald,
+werd hij gebracht naar den oever van het meer, waar hij driemaal
+vijftig maagden zag, die paar aan paar liepen, terwijl ieder paar aan
+elkander was gekluisterd door een gouden keten, doch één der meisjes
+was meer dan een hoofd grooter dan de overige. "Dat is zij," roept
+Angus uit. "Vertel ons onder welken naam zij bekend is." Bov antwoordt,
+dat zij Caer heet, en dat zij de dochter is van Ethal Anubal, een
+vorst van het volk van Dana, dat in Connacht woont. Angus weeklaagt,
+dat hij niet sterk genoeg is, haar van haar gezellinnen weg te dragen,
+maar op raad van Bov begeeft hij zich om hulp naar Ailell en Maev,
+het sterfelijke koningspaar uit Connacht. Daarop begaven zich de Dagda
+en Angus naar het paleis van Ailell, die hen een week lang feestelijk
+onthaalt en hen daarna naar de reden van hun komst vraagt. Toen zij
+die hadden vermeld, antwoordde deze: "Wij hebben niets te zeggen over
+Ethal Anubal". Toch zonden zij een boodschap naar Ethal, waarbij zij
+hem vragen om de hand van Caer voor Angus, maar Ethal weigert haar af
+te staan. Ten slotte wordt hij belegerd door de verbonden troepen van
+Ailell en den Dagda en gevangen genomen. Toen zij hem ten tweeden male
+Caer ten huwelijk vroegen, zegt hij, dat hij er niet in kon toestemmen,
+"want zij is machtiger dan ik." Hij legt hun uit, dat zij om het
+andere jaar in de gedaante van een meisje en van een zwaan leeft,
+"en op den eersten November", zoo zegt hij, "zult gij haar met
+honderd-vijftig andere zwanen bij het meer van den Drakenbek zien.
+
+Angus gaat daar op den vastgestelden tijd heen en roept haar toe: "Ach,
+kom toch, en spreek met mij!" "Wie roept mij?" vraagt Caer. Angus
+deelt haar mede, wie hij is, en ziet dan, dat hij in een zwaan
+is veranderd. Dit is voor hem een aanwijzing, dat zij toestemt,
+en hij springt in het water, om zich bij zijn geliefde in het meer
+te voegen. Daarna vliegen zij beiden naar het paleis aan de Boyne,
+waarbij zij een zóó goddelijke muziek doen hooren, dat alle hoorders
+gedurende drie dagen en drie nachten in slaap worden gewiegd.
+
+Angus is de bijzondere vriend van jongelingen en meisjes. Dermot van
+de Liefdesplek, een onderhoorige van Finn mac Cumhal, over wien wij
+later zullen hooren, was te zamen met Angus in het paleis aan de Boyne
+opgevoed. Hij was de typische minnaar in de Iersche legende. Toen hij
+gedood was door het wilde zwijn van Ben Bulben, wekt Angus hem weer
+tot leven op en draagt hij hem weg, om met hem in zijn tooverpaleis
+in de onsterfelijkheid te deelen.
+
+
+
+Len van Killarney.
+
+
+Wij hebben reeds gesproken van Bov den Roode, den broeder van den
+Dagda. Naar men zegt, had hij een goudsmid in zijn dienst, Len genaamd,
+"waaraan de Meren van Killarney vroeger hun namen hadden ontleend,
+daar zij eertijds bekend waren onder de namen Locha Lein, de meren van
+Len met de Vele Hamers. Hier, bij het meer, oefende hij zijn ambacht
+uit, omgeven door regenbogen en een overvloed van vurigen dauw [92].
+
+
+
+Lugh.
+
+
+Lugh is reeds beschreven [93]. Hij heeft meer bijzondere attributen
+van de zon dan eenige andere Keltische godheid; en, zooals wij weten,
+was zijn vereering wijd over het Keltische vasteland verspreid. In
+het verhaal over de zonen van Turenn werd ons medegedeeld, dat Lugh
+de Fomoriërs van het westen naderde. Daarop stond Bres, de zoon van
+Balor, op en zeide: "Het verbaast mij, dat de zon heden in het westen
+opkomt, en iederen anderen dag in het oosten." "Mocht dit inderdaad
+het geval zijn," zeiden zijn Druïden. "Wel, wat anders is het dan,
+als het de zon niet is?" zeide Bres. "Het is de glans van het gelaat
+van Lugh met den Langen Arm," antwoordden zij.
+
+Lugh was de vader van Cuchulain, verwekt bij de Milesische maagd
+Dectera; hij was de grootste heldenfiguur in de Iersche legende,
+in wiens geschiedenis een krachtig element der zonnemythe schuilt [94].
+
+
+
+Midir, de trotsche.
+
+
+Midir de trotsche is een zoon van den Dagda. Zijn tooverpaleis is te
+_Bri Leith_, of Slieve Callary in het graafschap Longford. Hij komt
+dikwijls voor in legenden, die gedeeltelijk handelen over menschelijke
+wezens, gedeeltelijk over wezens uit het Volk van Dana, en altijd
+wordt hij voorgesteld als een type van pracht, en in zijn kleeding en
+in zijn persoonlijke schoonheid. Als hij voor koning Eschy verschijnt
+op den heuvel van Tara wordt hij aldus geschetst [95].
+
+"Op zekeren helderen dag in den zomertijd stond Eochaid Airemm,
+de koning van Tara op, en beklom hij de hoogte van Tara [96], om de
+vlakte van Bleg te overzien; de kleur dier vlakte was wonderschoon,
+en daarop stonden de prachtigste boomen met bloesems, die glinsterden
+in alle bekende kleuren. En toen de bovengenoemde Eochy om zich
+heen en in de verte zag, ontdekte hij een jongen vreemden krijgsman
+naast zich op de hoogte. Het kleed, dat de krijgsman droeg, had een
+purperkleur, zijn haar was goudgeel, en zoo lang dat het reikte tot
+boven aan zijn schouders. De oogen van den jeugdigen krijgsman waren
+glinsterend en grijs; in de ééne hand hield hij een fijne, gepunte
+speer, in de andere hand een schild met een witten knop in het midden,
+en gouden edelgesteenten daar bovenop. En Eochaid hield zich stil,
+want hij wist, dat een dergelijk iemand den avond te voren niet in
+Tara was geweest, en evenzeer wist hij, dat de poort, die naar zijn
+gebied leidde, in dien tusschentijd niet geopend was [97].
+
+
+
+Lir en Mananan.
+
+
+Lir treedt, zooals O'Grady opmerkt, in twee verschillende vormen op. In
+den eersten is hij een groot, onpersoonlijk iets, dat geëvenredigd
+is aan de zee; in werkelijkheid de Grieksche Oceanus. In den tweeden
+vorm is hij een afzonderlijke persoonlijkheid, die onzichtbaar woont op
+"Slieve Fuad" in het graafschap Armagh. In de Iersche legenden hooren
+wij weinig van hem, daar de attributen van den zeegod meestal worden
+toegekend aan zijn zoon, Matanan.
+
+Die laatste godheid is één der populaire goden in de Iersche
+mythologie. Hij was heer over de zee, voorbij of onder welke het
+Land der Jeugd of de Eilanden der Dooden moeten gelegen hebben;
+hij was daarom de geleider der menschen naar dat land. Hij was
+doorkneed in allerlei listen en misleidingen, en bezat alle soorten
+van toovermiddelen--de boot, de Oceaanveger genaamd, die gehoorzaamde
+aan de gedachten van hen, die daarin voeren, en die zonder roeiriemen
+of zeilen voortging, het paard Aonbarr, dat zoowel over zee als
+over land kon reizen, en het zwaard, de Antwoorder, waaraan geen
+wapenrusting kon weerstand bieden. Golven met witte koppen heetten
+de Paarden van Mananan, en het was den Zonnegod Cuchulain verboden
+(_tabu_), die te zien--dit wees op den dagelijkschen dood der zon,
+als zij in de westelijke golven onderduikt. Mananan droeg een grooten
+mantel, die iedere kleur kon aannemen, zooals het wijdverspreide
+veld der zee, als het van een hoogte wordt aanschouwd; en men zegt,
+dat als een vijandelijke macht in het land viel, zij zijn donderende
+voetstappen en het wapperen van zijn grooten mantel hoorden, wanneer
+hij als de beschermer van het eiland Erin toornig des nachts hun kamp
+omliep. Men stelde zich voor, dat het eiland Mann, dat flauw van de
+Iersche kust werd gezien, de troon van Mananan was, en zijn naam aan
+dien godheid heeft ontleend.
+
+
+
+De Godin Dana.
+
+
+De grootste der godinnen uit het Volk van Dana, was Dana "de
+moeder der Iersche goden", zooals zij in een oud handschrift wordt
+genoemd. Zij was een dochter van den Dagda, en stond evenals hij in
+verband met denkbeelden van vruchtbaarheid en zegen. Volgens d'Arbois
+de Jubainville was zij identiek met de godin Brigitta, die in het
+Keltische gebied zoo algemeen vereerd werd. Men zegt, dat Brian,
+Iuchar en Iucharba hun zonen waren--deze stellen in werkelijkheid
+slechts één persoon voor, op de gewone Iersche wijze, waarbij de
+goddelijke macht in een drieëenheid wordt voorgesteld. De naam van
+Brian, die in al de heldendaden der broeders de leiding neemt [98],
+is afgeleid van een ouderen vorm Brenos, en onder dien vorm was de
+god, aan wien de Kelten hun overwinningen aan de Allia en te Delphi
+toeschreven door de Romeinsche en Grieksche kronykschrijvers ten
+onrechte aangezien voor een aardschen aanvoerder.
+
+
+
+
+De Morrigan.
+
+
+Er was ook een zeer merkwaardige en bijzondere godin, Morrigan
+[99] genaamd, die alles in zich schijnt te belichamen, wat er maar
+verdorvens en afschuwelijks is onder de bovennatuurlijke machten. Zij
+had er genoegen in, den oorlog onder de menschen te doen ontbranden, en
+streed zelf onder hen mede, waarbij zij zich in een aantal vreeselijke
+gedaanten veranderde en dikwijls in de gestalte van een kraai boven
+vechtende legers zweefde. Eens ontmoette zij Cuchulain en bood hem
+haar liefde aan in den vorm van een menschelijke maagd. Hij wees die
+af, en van dat oogenblik vervolgde zij hem gedurende het grootste
+gedeelte van haar leven. Terwijl zij eens met hem streed te midden
+van den stroom, veranderde zij zich in een waterslang, en vervolgens
+in een bos waterkruiden, waarin zij hem trachtte te verwarren en zoo
+te verdrinken. Maar hij overmeesterde en wondde haar en daarna werd
+zij zijn vriendin. Vóór zijn laatste gevecht trok zij des nachts door
+Emain Macha heen en brak zij, om hem te waarschuwen, den disselboom
+van zijn wagen.
+
+
+
+De golf van Cleena.
+
+
+Eén der meest bekende grenspalen van Ierland was de _Tonn Cliodhna_, of
+"Golf van Cleena" aan het zeestrand bij Glandore Bay in het graafschap
+Cork. Het verhaal over Cleena komt in verschillende lezingen voor,
+die niet met elkander overeenkomen behalve in zóóver, dat zij een
+maagd uit het volk van Dana is geweest, die eens gewoond heeft in het
+land van Mananan, het Land der Jeugd over de Zee. Na van daar met een
+sterfelijken minnaar, zooals één der lezingen luidt, gevlucht te zijn
+landde zij op de zuidkust van Ierland, en haar minnaar, Keevan met
+Krullende Lokken, ging heen om in de bosschen te jagen. Cleena, die
+aan het strand achterbleef, werd in slaap gewiegd door betooverende
+muziek, die gespeeld werd door een minnezanger van Mananan, toen een
+groote golf der zee oprees en haar naar het Tooverland terugbracht,
+terwijl zij haar minnaar troosteloos achterliet. Vandaar werd de
+plaats het Strand der Golf van Cleena genoemd.
+
+
+
+De godin Ainé.
+
+
+Een andere plaatselijke godin was Ainé, de schutsgodin van Munster,
+die nog altijd door de bevolking van het graafschap vereerd wordt. Zij
+was de dochter van Owel, een pleegzoon van Mananan en een Druïde,
+en uit het volk van Dana afkomstig. Zij is in zekeren zin een godin
+der liefde, die voortdurend stervelingen met hartstocht bezielt. Zij
+was ontvoerd, zoo werd verhaald, door Ailill Olum, den koning van
+Munster, die daarom door haar magische kunsten gedood werd, en dat
+verhaal heeft zich in veel later tijd herhaald ten opzichte van
+een anderen sterfelijken minnaar, die echter niet gedood werd, en
+wel een Fitzgerald, wien zij den bekenden graaf baarde, die om zijn
+tooverkunsten beroemd was [100]. Een aantal aristocratische families
+van Munster maakten er aanspraak op, dat zij uit die verbintenis
+waren afgestamd.
+
+Haar naam is nog steeds verbonden aan den "Heuvel van Ainé"
+(Knockainey), bij Loch Gur in Munster. Al de godheden van Dana waren
+in de volksverbeelding aardgoden, _dei terreni_, die in verband
+stonden met vruchtbaarheid en vermenigvuldiging. In de letterkunde
+der barden hoort men niet veel van Ainé, maar in de volksoverlevering
+in die streken speelt zij een belangrijke rol. Op verzoek van haar
+zoon, graaf Gerald beplantte zij in één nacht geheel Knockainey met
+erwten. Zij werd vroeger--en misschien is dit nog het geval--den avond
+vóór Sint Jan door de landbouwers vereerd, die toortsen van hooi en
+stroo droegen, die op stokken gebonden waren en na aangestoken te zijn,
+daarmede in den avond om haar heuvel liepen. Daarna verspreidden zij
+zich over hun bebouwde velden en weiden, en zwaaiden de toortsen over
+de aren en het vee om geluk en een rijken oogst voor het volgende
+jaar te verkrijgen. Op zekeren avond, zoo verhaalt D. Fitzgerald,
+[101] die de plaatselijke overleveringen omtrent die godin heeft
+verzameld, werd de plechtigheid verzuimd ten gevolge van den dood
+van één der buren. Toch zagen de boeren des avonds de toortsen in
+grooter getale dan ooit te voren zich rondom den heuvel bewegen,
+met Ainé zelf voorop, die de processie aanvoerde en regelde.
+
+"Een anderen avond vóór Sint Jan waren een aantal meisjes laat op den
+heuvel blijven staan, terwijl zij de _cliars_ (toortsen) beschouwden en
+aan de spelen deelnamen. Plotseling verscheen Ainé in haar midden, en
+dankte haar voor de eer, die zij haar hadden bewezen, maar zeide, dat
+zij wenschte, dat zij nu naar huis gingen, _daar men den heuvel voor
+zich zelf noodig had_. Zij maakte haar duidelijk, wie zij met _men_
+bedoelde, want na sommige meisjes naar zich toe geroepen te hebben,
+liet zij haar door een ring zien, waarop zij zagen, dat de heuvel
+bezaaid was met menschen, die vroeger onzichtbaar waren geweest."
+
+"Hier", zoo merkt Alfred Nutt op, "hebben wij de oude plechtigheden,
+die uitgevoerd worden op een plek, gewijd aan één der oude
+machten, onder bescherming van die machten en waaraan zij zelf
+deelnemen. Nergens behalve bij de Galiërs zouden wij zulk een
+sprekend voorbeeld kunnen vinden, hoe de feeënwereld identiek is met
+de eerbiedwaardige machten, ten einde hun welgezindheid te verkrijgen,
+ter eere van wie sedert ontelbare jaren, plechtigheden en offers zijn
+gebracht, die eertijds wreed en bloedig waren, doch nu slechts een
+flauwe weerschijn zijn van hun oorspronkelijken vorm. [102]
+
+
+
+Sinend en de put der kennis.
+
+
+Er is een merkwaardige mythe, die, terwijl zij bestemd is, een
+verklaring te geven van den naam van de rivier de Shannon, een bewijs
+is van de vereering der Kelten voor poëzie en wetenschap, verbonden
+met de waarschuwing, dat die twee niet zonder gevaar kunnen worden
+genaderd. Het verhaal luidt "dat de godin Sinend, de dochter van
+Lodan, den zoon van Lir, naar een zekeren put, de put van Connla
+genoemd, ging, die onder de zee is, dat wil zeggen: in het Land der
+Jeugd, in het Tooverland. Het verhaal zegt, "dat dit een put is,
+waar de hazelaars van wijsheid en ingevingen gelegen zijn, dat zijn
+de hazelaars van wetenschap en poëzie, en op hetzelfde uur komen hun
+vruchten en bloesems en bladeren te voorschijn en vallen dan boven in
+den put in dezelfde bui, die op het water een koninklijke golf van
+purper doet ontstaan." Toen Sinend bij den put kwam, had zij enkele
+voorgeschreven plechtigheden of voorbereidingen verzuimd,--welke dit
+waren is ons niet bekend--, en daarom braken de vertoornde wateren los
+en overweldigden haar, en dreven haar naar den oever van den Shannon,
+waar zij stierf; daaraan ontleende de Shannon zijn naam. [103] Die
+mythe van de hazelaars der ingevingen en der kennis, en het verband
+van deze met stijgend water loopt door vele Iersche legenden en is
+prachtig weergegeven door den Ierschen dichter G. W. Russell in de
+volgende versregels:
+
+
+
+ "Een hut verborgen tusschen grassen, die op de helling welig
+ groeien,
+ Met deur en venster wijd geopend, waardoor de sterren heimlijk
+ gluren,
+ Vrij kan 't konijn die schuur betreden, waarbinnen luid de
+ winden loeien,
+ Die buiten op de hooge bergen, langs kam en toppen heftig
+ schuren.
+
+ "En daalt de zon in 't westen neder, kleurt 't avondrood
+ de lucht,
+ Dan werpt de hazelaar ter neder zijn rijk gekleurde, rijpe
+ vrucht,
+ En sterrevormig is de bes, zooals die valt in Connla's put,
+ Want eeuwig levend water stroomt, waar winden suizen om de hut.
+
+
+
+ "Ik denk bij 't vallen van den nacht, die kille dauw doet
+ beven,
+ Hoe door mijn geest dan ongestoord en rein gedachten zweven;
+ Die als de bessen zijn, die vrij in 't luchtruim zich
+ verbreiden,
+ Terwijl de vruchten van den wonderboom zich overal
+ verspreiden."
+
+
+
+
+De komst van de zonen van Miled.
+
+
+Na den tweeden slag bij Moytura regeerde het Volk van Dana in Ierland
+tot aan de komst van de zonen van Miled. Deze worden in de Iersche
+legenden als een volkomen menschelijk ras beschouwd, doch in hun
+oorsprong gaan zij, evenals de overige overweldigers van Ierland,
+terug tot een goddelijk en mythisch voorgeslacht. Miled, wiens naam
+als godheid voorkomt in een Keltische inscriptie uit Hongarije, wordt
+voorgesteld als een zoon van Bilé. Bilé is evenals Balor één der
+namen van den god des Doods, d.i. van de Onderwereld. Zij komen uit
+"Spanje"--de gewone naam gebruikt door de latere nationalistische
+geschiedschrijvers voor het Land der Dooden.
+
+Zij zijn op de volgende wijze in Ierland gekomen: Ith, de grootvader
+van Miled, hield verblijf in een grooten toren, dien zijn vader,
+Bregon in "Spanje" had gebouwd. Op zekeren helderen winterdag, toen
+hij in zijn hoogen toren in westelijke richting keek, zag hij in de
+verte de kust van Ierland, en besloot hij naar het onbekende land
+te zeilen. Hij scheepte zich in met negentig krijgslieden en landde
+te Corcadyna, in het zuid-westen. In verband met deze gebeurtenis
+willen wij een bijzonder schoon gedeelte aanhalen uit de "Iersche
+Mythologische Cyclus", die bovendien de belangstelling waard is. [104]
+
+"Volgens een onbekenden schrijver, door Plutarchus aangehaald, die
+omstreeks het jaar 120 n.C. stierf, en ook door Procopius, die in
+de zesde eeuw n.C. schreef, is "het Land der Dooden" het westelijke
+uiteinde van Groot-Brittannië, dat door een ontoegankelijken muur
+van het oosten is gescheiden. Op de noordkust van Gallië, zoo zegt de
+legende, vindt men een bevolking van zeelieden, wier taak het is de
+dooden van het vasteland over te brengen naar hun laatste woonplaats op
+het eiland Brittannië. De zeelieden, die 's nachts gewekt worden door
+het fluisteren van een geheimzinnige stem, staan op en begeven zich
+naar het strand waar zij schepen vinden, die op hen wachten en hun niet
+toebehooren [105], en daarin onzichtbare wezens, onder wier gewicht
+de schepen bijna tot aan de dolboorden zinken. Zij gaan aan boord en
+komen, zooals één lezing luidt, na één slag met de roeiroemen, volgens
+een andere lezing binnen het uur, op de plaats hunner bestemming,
+hoewel de reis met hun eigen schepen, zelfs met behulp van zeilen,
+minstens een dag en een nacht zou geduurd hebben, voordat zij de kust
+van Spanje hadden bereikt. Zoodra zij aan den anderen oever komen,
+landen de onzichtbare passagiers, en op datzelfde oogenblik ziet
+men, hoe de van hun last bevrijde schepen boven de golven verrijzen,
+terwijl een stem gehoord wordt, welke de namen der nieuw aangekomenen
+aankondigt, die zooeven gevoegd zijn bij de bewoners van het Land
+der Dooden.
+
+"Een slag met de roeiriemen, hoogstens één uur reizen, is voldoende
+voor den middernachtelijken tocht, die de Dooden van het Gallische
+vasteland naar hun laatste woonplaats overbrengt. De ééne of andere
+geheimzinnige wet brengt immers in den nacht de groote tusschenruimten
+bijeen, die het rijk der levenden over dag van dat der dooden
+scheidt. Het was dezelfde wet, die Ith op een schoonen winteravond in
+staat stelde om van den toren van Bregon, in het land der Dooden, de
+kusten van Ierland, of het land der Levenden te zien. Het verschijnsel
+had in den winter plaats; immers de winter is een soort van nacht;
+de winter haalt, evenals de nacht, de slagboomen weg tusschen het
+gebied van den Dood en dat van het Leven; evenals de nacht, zoo geeft
+de winter het leven de gedaante van den dood, en neemt als het ware
+den somberen afgrond weg, die tusschen beide gelegen is."
+
+In dien tijd, zoo luidt de legende, werd Ierland geregeerd door drie
+koningen uit het Volk van Dana, kleinzonen van den Dagda. Het waren
+MacCuill, MacCecht en MacGrené, hun vrouwen heetten Banba, Fohla
+en Eriu. Men ziet hier weer een voorbeeld, hoe bij de Kelten het
+gebruik, om zich goddelijke personen in drietallen voor te stellen
+inheemsch was. De drietallen vertegenwoordigen ieder één persoon,
+en het mythische karakter van dien persoon blijkt uit den naam van
+één van hen, MacGrené, zoon der Zon. De namen der drie godinnen zijn
+ieder op verschillende tijdstippen op Ierland toegepast, maar die van
+de derde, Eriu, is de eenige, die heeft stand gehouden, en is in den
+derden naamval, Erinn, tot op den huidigen dag, een poëtische naam
+voor het land. Zooals de Jubainville opmerkt, beteekent het feit, dat
+Eriu de vrouw van MacGrené is, dat de Zonnegod, de god van den Dag,
+van Leven en Wetenschap met het land is gehuwd en daarover regeert.
+
+Ith vindt bij zijn landing, dat de koning uit het volk van Dana,
+Neit, juist gesneuveld is in een gevecht met de Fomoriërs, en de drie
+zonen, MacCuill en de overigen zijn in de vesting Aileach, in het
+graafschap Donegal, om een regeling te maken omtrent de verdeeling
+van het land onder hun drieën. In het begin verwelkomen zij Ith,
+en vragen zij hem, de erfenis te regelen. Ith geeft zijn oordeel,
+maar ten slotte komt zijn bewondering voor het juist ontdekte land
+naar voren en zegt hij: "Handel naar de wetten der rechtvaardigheid,
+immers het land, waarin gij woont is een goed land, het is rijk aan
+vruchten en honig, aan graan en visch; en bij hitte en bij koude is
+het klimaat gematigd". Uit die lofrede trekken de drie broeders de
+gevolgtrekking, dat Ith booze plannen op hun land heeft, en daarom
+nemen zij hem gevangen en brengen hem ter dood. Doch zijn makkers maken
+zich meester van zijn lijk en dragen het met zich in hun schepen naar
+"Spanje", waarna de kinderen van Miled besluiten wraak te nemen voor
+de beleediging en zich gereed maken een inval in Ierland te doen.
+
+Zij werden aangevoerd door zes-en-dertig bevelhebbers, ieder
+met zijn eigen schip, waarop zijn familie en onderhoorigen waren
+ingescheept. Men zegt, dat twee van het gezelschap onderweg zijn
+omgekomen. Eén van de zonen van Miled, die boven in de mast was
+geklommen om naar de kust van Ierland uit te kijken, viel in zee en
+verdronk. De andere was Skena, de vrouw van den dichter Amergin,
+de zoon van Miled, die onder weg stierf. De Milesiërs begroeven
+haar toen zij landden, en noemden de plaats naar haar "Inverskena?";
+dit was de oude naam der rivier Kenmare in het graafschap Kerry.
+
+"Het was op een Donderdag, den eersten Mei, en de zeventienden dag
+na nieuwe maan, dat de zonen van Miled in Ierland aankwamen. Ook
+Partholan was den eersten Mei in Ierland geland, maar het was op
+een anderen dag der week en der maan; het was ook op den eersten Mei
+dat de pest uitbrak, die in één week tijds zijn geheele ras totaal
+uitroeide. De eerste Mei was gewijd aan Beltené, één der namen van
+den God des Doods, den god, die den mensch het leven schenkt en het
+hun weer ontneemt. Het was dus op den feestdag van dien god, dat de
+zonen van Miled hun verovering van Ierland begonnen." [106]
+
+
+
+De dichter Amergin.
+
+
+Toen de dichter Amergin den voet zette op den bodem van Ierland,
+zong hij, naar verhaald wordt, een vreemd en mystisch lied:
+
+
+ "Ik ben de wind, die waait over zee,
+ Ik ben de golf van den oceaan;
+ Ik ben het gemurmel der golven;
+ Ik ben de os der zeven gevechten;
+ Ik ben de gier op de rots;
+ Ik ben een straal van de zon;
+ Ik ben de schoonste der planten;
+ Ik ben in dapperheid een wild zwijn;
+ Ik ben een zalm in het water;
+ Ik ben een meer in de vlakte;
+ Ik ben de bedrevenheid van den kunstenaar;
+ Ik ben een woord van wetenschap;
+ Ik ben de speerpunt, die aan den strijdt deelneemt;
+ Ik ben de god, die in het hoofd van den mensch het vuur der
+ gedachten schept.
+ Wie is het, die de menigte op den berg licht geeft, zoo
+ niet ik?
+ Wie telt den ouderdom der maan, zoo niet ik?
+ Wie wijst de plaats aan, waar de zon ter ruste gaat, zoo
+ niet ik?"
+
+
+De Jubainville, wiens vertaling hier in hoofdzaak is gevolgd, merkt
+naar aanleiding van die vreemde uiting op:
+
+"Er is een gemis aan orde in dit gedicht; de denkbeelden, hoofdzaken en
+ondergeschikte gedachten, zijn zonder methode door elkander geschud;
+maar er is geen twijfel aan de beteekenis; de _filé_ (dichter)
+is het woord der wetenschap, hij is de god, die den mensch het vuur
+der gedachte geeft; en daar de wetenschap niet gescheiden is van zijn
+doel, daar God en Natuur slechts één zijn, is het wezen van den _filé_,
+vermengd met de winden en de golven, met de wilde dieren en de wapenen
+van den krijgsman" [107].
+
+Er werden nog twee andere gedichten aan Amergin toegeschreven, waarin
+hij het land en de natuurkundige eigenschappen van Ierland aanroept,
+om hem te helpen:
+
+
+ "Ik roep het land van Ierland aan,
+ Schitterende, schitterende zee;
+ Vruchtbare, vruchtbare berg;
+ Open, open bosch!
+ Overvloeiende rivier, overvloeiend in water!
+ Meer rijk aan visch!" [108]
+
+
+
+Het oordeel van Amergin.
+
+
+Het leger der zonen van Miled trekt na landing op Tara aan, waar zij
+de drie koningen uit het Volk van Dana aantreffen, die hen afwachten,
+en stellen hun den eisch, het eiland aan hen af te staan. De drie
+koningen vragen een uitstel van drie dagen, om te overwegen, of
+zij Ierland zullen verlaten, zich zullen onderwerpen of slag zullen
+leveren; en zij stellen daarna voor, de beslissing over te laten aan
+Amergin. Amergin doet uitspraak "het eerste vonnis dat in Ierland was
+uitgesproken". Hij geeft toe, dat de Milesiërs hun vijanden niet bij
+verrassing moeten overrompelen--zij moeten zich negen golven afstand
+van de kust verwijderen en dan terugkeeren; indien zij dan het Volk
+van Dana overwinnen, is het land eerlijk het hunne door het recht
+van verovering.
+
+De zonen van Miled onderwerpen zich aan die beslissing en bestijgen
+hun schepen. Maar nauwelijks zijn zij dien mystieken afstand van
+negen golven weggevaren, toen een mist en een storm werden opgewekt
+door de tooverijen van het Volk van Dana--de kust van Ierland is voor
+hun gezicht verborgen, en zij zwerven verstrooid over den Oceaan. Om
+zich er van te vergewissen, of het een natuurlijke storm is, die
+hen teistert, dan wel een, die door de Druïden is opgewekt, wordt
+een zekere Tranan boven op den mast gezonden, om te zien, of daar de
+wind waait. Hij wordt van den zwaaienden mast afgeslingerd, maar onder
+het vallen, waarbij hij den dood vindt, roept hij zijn scheepsmakkers
+nog toe: "Er is boven geen storm". Amergin, die als dichter,--dat wil
+zeggen als Druïde--in alle critieke omstandigheden de leiding heeft,
+zingt dan zijn tooverformulieren aan Erin. Daarop gaat de wind liggen,
+zij wenden vroolijk de stevens naar het strand. Maar één der hoofden
+der Milesiërs, Eber Donn jubelt in onmenschelijke opgewondenheid
+bij het vooruitzicht, allen, die in Ierland wonen met het zwaard te
+dooden; daarop steekt de storm opnieuw op, waarbij een aantal der
+schepen van de Milesiërs schipbreuk lijden, waaronder ook dat van
+Eber Donn. Tenslotte bereikt een klein deel der Milesiërs het strand,
+en landen in de monding van de Boyne.
+
+
+
+De nederlaag van het volk van Dana.
+
+
+Daarop volgt een groote veldslag tegen het Volk van Dana te
+Teltown. [109] De drie koningen en de drie koninginnen worden met een
+aantal van het volk verslagen en de kinderen van Miled,--de laatste
+van de mythische overweldigers van Ierland--krijgen de oppermacht in
+Ierland. Maar het Volk van Dana wijkt niet terug. Door hun tooverkunst
+werpen zij een sluier van onzichtbaarheid over zich heen, die zij naar
+verkiezing aan- of afleggen. Er zijn van nu af aan twee landen Ierland,
+het onstoffelijke en het aardsche. Het Volk van Dana vertoeft in het
+onstoffelijke Ierland, dat door hun grooten opperheer, den Dagda, onder
+hen verdeeld is. Daar waar het menschelijke oog niets ziet dan groene
+heuvels en wallen, de overblijfselen van vernielde vestingen of graven,
+daar verrijzen de tooverpaleizen der verslagen godheden: daar vieren
+zij hun feesten in eeuwigen zonneschijn, gevoed door het toovervleesch
+en het tooverbier, dat hun onsterfelijke jeugd en schoonheid schenkt,
+en van daar komen zij te voorschijn, om zich met de stervelingen te
+vermengen in liefde en in strijd. De oude mythische letterkunde stelt
+hen voor als helden, schitterend in kracht en in schoonheid. In latere
+tijden, naarmate de Christelijke invloed krachtiger wordt, dalen zij
+af tot toovenaars en feeën, het volk der Sidhe [110]; maar zij zijn
+nooit geheel ten gronde gegaan; tot op onzen tijd leeft het Land der
+Jeugd met zijn bewoners voort in de verbeelding der Iersche boeren.
+
+
+
+De beteekenis der Dana-mythe.
+
+
+Alle mythen, ontstaan bij een primitief volk, zijn symbolen en
+indien wij kunnen ontdekken, wat zij symbolisch voorstellen, hebben
+wij een kostbaren sleutel tot het geestelijk karakter, en somtijds
+zelfs tot de geschiedenis van het volk, waaraan zij hun ontstaan
+te danken hebben. Nu is de beteekenis dezer mythe, zooals die in de
+barden-litteratuur voor den dag komt, volkomen duidelijk, hoewel zij,
+voordat zij ons heeft bereikt, zeer is verwrongen. Het Volk van Dana
+vertegenwoordigt den eerbied der Kelten voor wetenschap, poëzie en
+kunstvaardigheid, natuurlijk vermengd met de andere opvatting der
+goddelijkheid van de machten van het Licht. In hun strijd tegen de
+Firbolgs is duidelijk de overwinning van het verstand over domheid en
+onwetendheid geteekend--de vergelijking van het zware, stompe wapen der
+Firbolgs met de lichte en doordringende speren van het Volk van Dana
+is een aanwijzing, die onmogelijk kan worden misverstaan. En in hun
+strijd met een veel machtiger en gevaarlijker vijand, de Fomoriërs,
+moeten wij blijkbaar den strijd zien tusschen de machten van het
+Licht met het kwaad, zooals dit in een minder positieven vorm is
+voorgesteld door de Firbolgs. De Fomoriërs drukken niet uitsluitend
+stompheid en domheid uit, maar de krachten van tyrannie, wreedheid
+en hebzucht--eer moreele dan verstandelijke duisternis.
+
+
+
+De beteekenis der mythe van de zonen van Miled.
+
+
+Maar de mythe van den strijd tusschen het Volk van Dana en de zonen
+van Miled is moeilijker te begrijpen. Hoe komt het, dat de vorsten
+van licht en schoonheid, die heerschen over alle machten der gedachte
+(magische kunsten en tooverij) bezweken voor een menschenras en door
+hen beroofd werden van hun zoo moeilijk gewonnen erfdeel? Wat is de
+beteekenis van dat inkrimpen van hun macht, wat plotseling plaats
+greep, zoodra de zonen van Miled ten tooneele verschenen? De zonen van
+Miled stonden niet aan de zijde van de machten der duisternis. Zij
+stonden onder de leiding van Amergin, die blijkbaar een belichaming
+was van de voorstelling van poëzie en gedachte. Zij werden met het
+grootste ontzag en den grootsten eerbied beschouwd, en de heerschende
+families van Ierland beweerden van hen af te stammen. Was dan het
+Rijk des Lichts tegen zich zelf verdeeld? Of, zoo niet, tot welke
+opvatting in den Ierschen geest moeten wij de mythen van den inval
+en de overwinning der zonen van Miled terugvoeren?
+
+Het eenige antwoord, dat wij kunnen geven op die vraag, die ons zoo
+zeer in verlegenheid brengt, is dat wij moeten aannemen, dat die mythe
+haar oorsprong ontleende aan een veel lateren tijd dan de overige
+mythen, en dat zij in hoofdtrekken het product was van Christelijke
+invloeden. Het Volk van Dana was in het bezit van het land, maar het
+waren heidensche godheden--en deze konden niet de plaats bekleeden van
+de voorzaten van een Christelijk Ierland. Men moest ze op de één of
+andere wijze kwijt raken, en men moest een ras van minder kinderlijke
+voorouders voor hen in de plaats stellen. Daarom werden de zonen
+van Miled uit "Spanje" gehaald, en begiftigd met de voornaamste
+karaktertrekken, maar iets meer menschelijk voorgesteld, van het
+Volk van Dana. Maar de laatsten worden, in afwijking van de gewone
+houding van het oude Christendom, in het verhaal hunner omverwerping
+met groote teederheid behandeld. Zoo heeft ééne van deze de eer, dat
+zij haar naam mag schenken aan het eiland; de onbeschaamdheid van één
+der veroveraars jegens hen wordt met den dood gestraft, en zelfs als
+zij het oppergezag over den grond verloren hebben, genieten zij nog
+van het leven in de tooverwereld, die zij door hun tooverkunsten voor
+stervelingen onzichtbaar hebben gemaakt. Zij zijn niet langer goden,
+maar toch zijn zij meer dan gewoon menschelijk, en er komen een aantal
+voorbeelden voor, waarin zij ons worden voorgesteld als te voorschijn
+te komen uit hun tooverwereld, te worden omvat in de plooien der
+Christelijke wereld, en de hemelschen gelukzaligheid deelachtig te
+worden. Wij zullen met twee gevallen van die verlossing van het Volk
+van Dana dit hoofdstuk over de Mythen naar aanleiding van den inval
+in Ierland besluiten.
+
+Het eerste is het vreemde en schoone verhaal van de
+gedaanteverwisseling der kinderen van Lir.
+
+
+
+De kinderen van Lir.
+
+
+Lir was een godheid van het Volk van Dana, de vader van den zeegod
+Mananan, die voortdurend voorkomt in tooververtellingen uit den cyclus
+van de kinderen van Miled. Hij was na elkander met twee zusters gehuwd,
+van wie de tweede Aoife [111] heette. Zij was kinderloos, maar de
+vorige vrouw van Lir had hem vier kinderen nagelaten, een meisje,
+Fionuala [112] genaamd, en drie jongens. De innige liefde van Lir
+voor die kinderen wekte de jaloezie der stiefmoeder op, en ten slotte
+besloot zij hen uit den weg te ruimen. Wij maken hier de opmerking,
+dat het Volk van Dana, hoewel zij worden voorgesteld als niet onder
+den invloed van den tijd te staan, en van nature onsterfelijk te zijn,
+toch aan een gewelddadigen dood onderhevig zijn, hetzij door elkanders
+toedoen, hetzij zelfs door stervelingen.
+
+Met het doel haar misdadig plan te volbrengen, gaat Aoife op reis
+naar een naburigen koning uit het Volk van Dana, Bov den Roode, op
+welke reis zij de vier kinderen medeneemt. Toen zij op een eenzame
+plaats bij het meer Derryvaragh in Westmeath gekomen was, beveelt
+zij haar volgelingen, de kinderen te dooden. Deze weigeren dit en
+berispen haar. Daarop besluit zij het zelf te doen, maar, zooals de
+legende zegt, "haar vrouwelijke natuur krijgt de overhand", en in
+plaats van de kinderen te dooden, verandert zij ze door tooverkunsten
+in vier witte zwanen, en legt hun het volgende noodlot op: zij moeten
+driehonderd jaar doorbrengen op de wateren van het meer Derryvaragh,
+driehonderd jaar op de landengte van Moyle (tusschen Ierland en
+Schotland) en driehonderd jaar op den Atlantischen Oceaan bij Erris
+en Inishglory. Daarna, "zoodra de vrouw uit het Zuiden verbonden is
+met den man uit het Noorden", zal de betoovering geëindigd zijn.
+
+Zoodra de kinderen niet met Aoife medekomen in het paleis van Bov,
+wordt haar misdrijf ontdekt, en Bov verandert haar in een "demon der
+lucht". Schreeuwend vliegt zij voort en in de vertelling wordt van
+haar niet meer gesproken. Maar Lir en Bov vinden de zwanenkinderen
+en ontdekken, dat zij niet alleen de menschelijke spraak bezitten,
+maar dat zij ook de gave behouden hebben, om prettige muziek te doen
+hooren, wat een karakteristieke gave is van het Volk van Dana. Uit
+alle deelen van het eiland trekken gezelschappen uit het Volk van
+Dana naar het meer Derryvaragh, om die prettige muziek te hooren,
+en zich met de zwanen te onderhouden en gedurende dien tijd scheen
+een groote rust en welwillendheid over het land verspreid te zijn.
+
+Maar eindelijk brak voor hen den dag aan, dat zij hun stamgenooten
+moesten verlaten en verder moesten gaan leven bij de woeste klippen
+en de voortdurende booze zee der noordelijke kust. Hier leerden zij
+eenzaamheid, storm en koude in al hare verschrikkingen kennen. Daar
+het hun verboden was te landen, vroren hun vederen in de winternachten
+vast aan de rotsen, en dikwijls werden zij door stormen gestooten en
+van elkander afgedreven. Zooals Fionuala zingt:
+
+
+ "Wreed was voor ons Aoife,
+ Die ons betooverde,
+ En ons dreef in het water--
+ Vier schoone zwanen, wit als sneeuw.
+
+ "Ons bad is 't schuimend water,
+ In baaien aan de roode rotsen;
+ Terwijl wij thuis de meede dronken,
+ Lescht thans den dorst het zoute water.
+
+ "Drie zonen en één enkle dochter,
+ Bewonen wij der rotsen spleten,
+ De harde rotsen, wreed voor menschen--
+ Wij zijn in dezen nacht scherpzichtig".
+
+
+Fionuala, de oudste der vier, neemt bij al wat zij doen de leiding,
+en koestert de jongere kinderen zoo teeder als een moeder, terwijl
+ze hen met haar veeren omgeeft in de koude winternachten. Eindelijk
+breekt de tijd aan, dat zij de derde en laatste periode van het hun
+door hun stiefmoeder opgelegde lijden intreden, en zij vluchten naar de
+westelijke kusten van Mayo. Ook daar ondervinden zij veel tegenspoed
+en ellende; maar de zonen van Miled zijn nu in het land gekomen,
+en een jonge landbouwer, Evric genaamd, die aan de oevers van Baai
+Erris woont, ontdekt wie en wat de zwanen zijn, en treedt als hun
+beschermer op. Zij vertellen hem hun geschiedenis, en door hem zou
+dan die geschiedenis bewaard gebleven en overgeleverd zijn. Toen het
+einde van hun lijden nabij was, besloten zij naar het paleis van hun
+vader Lir te vliegen, die naar ons wordt verhaald, in Armagh woont op
+den Heuvel van het Witte Veld, ten einde te zien, hoe het hem gegaan
+is. Dat doen zij; maar daar zij niet weten, wat bij de komst der
+Milesiërs is geschied, zijn zij ontroerd en in verwarring gebracht,
+als zij niets dan groene hoogten en hulststruiken en brandnetels vinden
+op de plaats waar eens het paleis van hun vader stond--en nog staat,
+hoewel zij het niet kunnen zien. Hun oogen zijn, zooals ons wordt
+te begrijpen gegeven, niet in staat het te zien, omdat een hoogere
+bestemming voor hun was weggelegd dan om terug te keeren naar het
+Land der Jeugd.
+
+Aan baai Erris hooren zij voor het eerst het geluid van een
+Christelijke klok. Dat geluid is afkomstig van de bidkapel van een
+kluizenaar, die zich daar heeft gevestigd. Het eerste oogenblik zijn
+de zwanen ontsteld en beangst door het "dunne, vreeselijke geluid",
+maar daarna komen zij naderbij en maken zij zich aan den kluizenaar
+bekend, die hen in het geloof onderricht, en zij zingen met hem de
+kerkelijke oefeningen mede.
+
+Het geval wilde nu, dat een prinses uit Munster, Deoca, ("de vrouw
+uit het Zuiden") zich verloofde met een opperhoofd uit Connacht,
+Lairgnen genaamd, en hem als huwelijksgift verzocht, haar de vier
+zwanen te bezorgen, die zoo prachtig zongen en waarvan de faam tot
+haar was doorgedrongen. Hij vraagt er den kluizenaar om, die echter
+weigert ze af te staan, waarop de "man uit het Noorden" hen met
+geweld aangrijpt bij de zilveren ketenen, waarmede de kluizenaar ze
+aan elkander had gekluisterd en ze naar Deoca voortsleept. Dit is hun
+laatste beproeving. Zoodra zij in haar tegenwoordigheid zijn gekomen,
+overvalt hun een ontzettende gedaanteverwisseling. Het zwanendons valt
+af, en nu vertoonen zich niet de schitterende vormen der godheden
+van het Volk van Dana, maar vier afgeleefde menschelijke wezens,
+met sneeuwwitte haren, ineen geschrompeld door het verval van hun
+hoogen ouderdom. Lairgnen vlucht in ontzetting van de plaats weg,
+maar de kluizenaar maakt dadelijk voorbereidselen om den doop toe
+te dienen, daar de dood voor hen nabij is. "Leg ons in één graf",
+zegt Fionuala, "leg Conn aan mijn rechterhand, Fiachra aan mijn
+linkerhand en Hugh vóór mijn gelaat, want dat was hun gewone plaats
+als ik hen gedurende zoovele winternachten op de zeeën van Moyle
+beschutte." En zoo geschiedde het, en zij gingen naar den hemel;
+zoo luidt het verhaal, de kluizenaar treurde om hen, tot aan het
+einde van zijn aardsch bestaan. [113]
+
+In de geheele Keltische legendenliteratuur is er geen teederder en
+schooner vertelling dan die van de kinderen van Lir.
+
+
+
+De vertelling over Ethné.
+
+
+De verbeelding van den Keltischen bard hield zich altijd met genot
+bezig met dergelijke verhalen omtrent overgangen naar het Christendom,
+waarvan verzoening van de heidensche wereld met de Christelijke het
+onderwerp was. Diezelfde opvatting wordt belichaamd in het verhaal,
+dat wij nu over Ethné zullen weergeven.
+
+Zooals gezegd werd, had Mananan mac Lir een dochter, die ter
+opvoeding was toevertrouwd aan vorst Angus van het Volk van Dana,
+wiens tooverpaleis te Brugh na Boyna was gelegen. Dit is de groote
+grafheuvel aan de Boyne, die thans New Grange heet. Ter zelfder tijd
+werd den opzichter van Angus een dochter geboren, Ethné genaamd,
+die aan de jonge prinses als kamenier werd toegewezen.
+
+Ethné groeide op tot een lief en aanvallig meisje, maar op zekeren
+dag werd ontdekt, dat zij volstrekt geen voedsel gebruikte, hoewel
+de overige leden van het gezin zich als gewoonlijk voedden met de
+toovervarkens van Mananan, die den éénen dag konden worden gegeten en
+voor het maal van den volgenden dag weer levend waren. Men riep Mananan
+naar binnen, om het geheim te doorgronden, en de volgende merkwaardige
+geschiedenis kwam aan het licht. Een der hoofden onder het Volk van
+Dana, die bij Angus op bezoek was geweest en die door de schoonheid van
+het meisje betooverd was, had met geweld getracht haar te bezitten. Dit
+had in den reinen geest van Ethné den zedelijken aard ontwikkeld, die
+den mensch eigen is en bij de goden onder het Volk van Dana onbekend
+is. Zooals het verhaal luidt "haar beschermende demon" verliet haar,
+en een engel van den waren God nam zijn plaats in. Daarna onthield
+zij zich geheel van het toovervoedsel en werd zij op wonderlijke
+wijze door den wil van God gevoed. Na zekeren tijd brachten echter
+Mananan en Angus, die een reis naar het Oosten hadden ondernomen,
+twee koeien daar vandaan mede, waarvan de melk nooit opdroogde, en
+daar men mocht aannemen, dat zij van een heilig land afkomstig waren,
+leefde Ethné van toen af van de melk dier koeien.
+
+Dat alles heet gebeurd te zijn tijdens de regeering van Eremon, den
+eersten Milesischen koning van geheel Ierland, en die een tijdgenoot
+was van koning David. Tijdens de komst van St. Patrick moest dus
+Ethné ongeveer vijftienhonderd jaar oud geweest zijn. Het Volk van
+Dana groeit van den kinderleeftijd op tot den volwassen leeftijd,
+maar dan blijven zij leven, zonder onder den invloed te staan van
+het verloopen van den tijd.
+
+Het gebeurde nu op zekeren zomerdag, dat de prinses, wier kamenier
+Ethné was, met haar geheele dienstpersoneel afdaalde om in de Boyne
+te baden. Toen zij zich daarna weer aankleedden, ontdekte Ethné tot
+haar spijt--en dit feit was natuurlijk een voorbeeld van de goddelijke
+belangstelling in haar lot--dat zij den Sluier der Onzichtbaarheid
+had verloren, die hier wordt opgevat als een toovermiddel, dat zij op
+het lichaam draagt, die haar den toegang verschafte tot het tooverland
+van Dana en haar voor de oogen der stervelingen verborg. Zij kon den
+weg naar het paleis van Angus niet terugvinden, en wandelde heen en
+weer langs de oevers der rivier, terwijl zij tevergeefs naar haar
+gezellinnen en haar woning zocht. Eindelijk kwam zij bij een tuin,
+die door een muur omgeven was, en toen zij door de poort heen zag,
+ontdekte zij aan den binnenkant een steenen huis van vreemden vorm, en
+een man in een lang bruin kleed gehuld. De man was een Christenmonnik,
+en het huis was een kleine kerk of bidkapel. Hij wenkte haar binnen
+te komen, en toen zij hem haar geschiedenis had verteld, bracht hij
+haar naar St. Patrick, die haar opneming onder de sterfelijke menschen
+voltooide, door haar de ceremonie van den doop te doen ondergaan.
+
+Nu volgt een eigenaardig pathetische episode, die ons een blik doet
+slaan in de teederheid, men zou des noods kunnen zeggen het hartzeer,
+waarmede de oude Iersche Christenheid terug zag op de verloren wereld
+van het heidendom. Terwijl Ethné op zekeren dag in de kleine kerk
+aan de Boyne bad, hoorde zij plotseling een suizend geluid in de
+lucht, en ontelbare stemmen, naar het scheen op grooten afstand, die
+weeklaagden en haar naam riepen. Het waren haar verwanten uit het Volk
+van Dana, die nog altijd te vergeefs naar haar zochten. Zij sprong op
+om te antwoorden, maar werd zóó zeer door aandoening overmeesterd,
+dat zij flauw viel op den grond. Na korten tijd kwam ze weer bij,
+maar van dien dag af was zij door een doodelijke ziekte overvallen,
+en korten tijd daarna stierf zij, met het hoofd op de borst van
+St. Patrick, die haar het laatste oliesel toediende, en beschikte,
+dat de kerk naar haar Kill Ethné moest worden genoemd--een naam, die
+zonder twijfel in de dagen, dat dit verhaal werd vervaardigd, door
+een werkelijke kerk aan de oevers van de Boyne gedragen werd. [114]
+
+
+
+Christendom en Heidendom in Ierland.
+
+
+Deze verhalen, in verband met tallooze andere legenden, die zouden
+kunnen worden aangehaald, stellen de houding der oude Keltische
+Christenen, tenminste in Ierland, tegenover de godheden van het
+vroegere geloof, duidelijk in het licht. Zij schijnen het denkbeeld
+buiten te sluiten, dat ten tijde van de bekeering van Ierland tot
+het Christendom, de heidensche godsdienst verbonden was met wreede
+en barbaarsche gebruiken, waarop de nationale herinnering met afschuw
+en ontzetting zou terug zien.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV. DE OUDE MILESISCHE KONINGEN.
+
+
+
+Het Volk van Dana na de Milesische Verovering.
+
+
+De Koningen en helden van het ras der Zonen van Miled vullen nu
+den voorgrond van het tooneel in de legendarische geschiedenis van
+Ierland. Maar, zooals wij hebben aangetoond, de godheden uit het Volk
+van Dana zijn nog volstrekt niet vergeten. Het tooverland, waarin
+zij vertoeven is gewoonlijk voor stervelingen niet toegankelijk, maar
+toch is het altijd dicht bij de hand; de onzichtbare slagboomen kunnen
+door sterfelijke menschen overschreden worden, en dit geschiedt dan
+ook dikwijls, terwijl ook het Volk van Dana zelf dikwijls daaruit te
+voorschijn treden; stervelingen kunnen zich bruiden uit het Tooverland
+winnen, die hen na een tijd geheimzinnig weer verlaten, en vrouwen
+brengen roemrijke kinderen ter wereld, verwekt door bovennatuurlijke
+vaders. En toch, wat ook het Volk van Dana moge geweest zijn in de
+oorspronkelijke vóór-Christelijke opvattingen der Iersche Kelten,
+het zou onjuist zijn te meenen, dat zij in de legenden, zooals deze
+thans tot ons gekomen zijn, te voorschijn treden in het licht van
+goden, zooals wij dien naam opvatten. Voor het meerendeel zijn zij
+schitterend schoon, zij zijn (met enkele beperkingen) onsterfelijk, en
+zij oefenen geheimzinnige machten van tooverij en bezweringen uit. Maar
+geen enkele wijze van zedelijk bestuur der wereld wordt hun zelfs een
+enkel oogenblik toegeschreven, en evenmin wordt hun (in de litteratuur
+der barden) op eenigerlei wijze godsdienstige vereering gebracht. Zij
+sterven nooit een natuurlijken dood, maar zij kunnen door elkander
+en ook door stervelingen gedood worden, en over het geheel genomen
+is het ras der stervelingen het sterkste. Hun kracht ligt, als zij
+(wat dikwijls gebeurt) met menschen in strijd geraken in krijgslisten
+en misleiding; als de strijd eerlijk kan worden uitgevochten tusschen
+de beide vijandige machten, is het de mensch die overwint. De oude
+koningen en helden uit het ras van Miled worden dan ook dikwijls
+voorgesteld als zóó zeer begiftigd met bovennatuurlijke macht, dat
+het onmogelijk is in dit opzicht een duidelijke scheidingslijn te
+trekken tusschen hen en het Volk van Dana. De laatsten, zooals zij
+in de bardenlitteratuur naar voren treden, zijn veel edeler en meer
+verheven wezens, dan de toovergestalten, waarin zij ten slotte in
+de volksverbeelding ontaardden; men kan zeggen, dat zij een plaats
+innamen, gelegen tusschen deze en de Grieksche godheden, zooals die in
+Homerus geteekend zijn. Maar zoowel in Ierland als daarbuiten schijnen
+de Kelten niet die poëtische personificaties hunner idealen van macht
+en schoonheid te hebben vereerd, maar veeleer de elementaire krachten,
+voorgesteld door werkelijke natuurverschijnselen--rotsen, rivieren, de
+zon, den wind, de zee. De krachtigste eed was die, waarbij men zwoer
+bij den Wind en de Zon, of een andere natuurkracht inriep; geen naam
+eener Dana-godheid komt voor in een Iersche eedsformule. Toen echter in
+de latere perioden der bardenlitteratuur, en nog meer in de populaire
+voorstellingen, de Dana-godheden waren begonnen af te dalen tot een
+soort van tooverwezens vinden wij dat een karaktertrek naar voren kwam,
+die waarschijnlijk ouder was dan die, welke hun in de letterkunde wordt
+toegekend, en die in zeker opzicht verhevener is. In de letterkunde
+waren zij blijkbaar oorspronkelijk vertegenwoordigers van wetenschap
+en poëzie--de verstandelijke vermogens van den mensch. Maar in den
+geest van het volk vertegenwoordigden zij, waarschijnlijk ten allen
+tijde en zeker in latere Christelijke tijden, niet verstandelijke
+vermogens, maar die, welke in verband stonden met de vruchtbaarheid der
+aarde. Zij waren, zooals een plaats in het Boek van Armagh hen noemt,
+_dei terreni_, aardgoden, en werden, en worden nog door de landbouwende
+bevolking aangeroepen om vermeerderde opbrengst en vruchtbaarheid
+te schenken. De litterarische opvatting omtrent hen is blijkbaar in
+oorsprong Druïdisch, terwijl de andere de populaire is; en de populaire
+en ongetwijfeld oudere opvatting is de meest duurzame gebleken.
+
+Maar die karaktertrekken der Iersche mythologie zullen beter naar
+voren komen in de vertellingen zelf dan in haar critische behandeling;
+wij zullen dan ook tot de vertellingen terugkeeren.
+
+
+
+De vestiging der Milesiërs in Ierland.
+
+
+De Milesiërs hadden drie aanvoerders, toen zij optrokken om Ierland
+te veroveren--Eber Donn (Bruine Eber), Eber Finn (Blonde Eber), en
+Eremon. Den eerstgenoemden van dezen, werd, zooals wij gezien hebben,
+niet toegestaan, het land binnen te treden--hij kwam om als straf voor
+zijn onbeschaamdheid. Zoodra de overwinning over het Volk van Dana
+vaststond, riepen de beide overgebleven broeders de beslissing in van
+den Druïde Amergin, in verband met hun wederzijdsche aanspraken op
+de oppermacht. Eremon was de oudste van beiden, maar Eber weigerde
+zich aan hem te onderwerpen. Zoo begint de Iersche geschiedenis
+met tweedracht en afgunst. Amergin besliste, dat het land aan
+Eremon zou toebehooren tijdens diens leven, maar na zijn dood op
+Eber zou overgaan. Eber weigerde echter zich aan deze beslissing te
+onderwerpen, en eischte een onmiddellijke verdeeling van het onlangs
+gewonnen gebied. Hierin werd toegestemd, en Eber nam de zuidelijke
+helft van Ierland, "van de Boyne tot aan de Golf van Cleena", [115]
+terwijl Eremon de noordelijke helft in het bezit kreeg. Maar zelfs
+toen konden de broeders niet in vrede leven, en na korten tijd brak de
+oorlog tusschen hen uit. Eber sneuvelde, en Eremon werd alleen koning
+van Ierland, dat hij bestuurde van Tara uit, den traditioneelen zetel
+van dat centrale gezag, dat altijd een droom was van den Ierschen
+geest, maar dat nooit in de Iersche geschiedenis werd verwezenlijkt.
+
+
+
+Tiernmas en Crom Cruach.
+
+
+Er is slechts weinig te vermelden omtrent de koningen, die Eremon
+opvolgden, en de slagen, die zij leverden, en de bosschen, die zij
+velden en de rivieren en meren, die tijdens hun regeering ontstonden,
+totdat wij komen aan de regeering van Tiernmas, den vijfden koning na
+Eremon. Men zegt, dat hij den eeredienst van Crom Cruach, te Moyslaugt
+[de Vlakte der Aanbidding [116]] in Ierland heeft ingevoerd, en dat
+hij zelf met drie vierden van zijn volk is omgekomen, terwijl hij dat
+beeld den dag vóór de Novembermaand aanbad, op welken dag het rijk
+van den winter begon. Crom Cruach was ongetwijfeld een zonnegod,
+maar onder de godheden van het Volk van Dana kan er geen enkele
+worden vastgesteld, die met hem overeenkomt. Ook zou Tiernmas de
+eerste goudmijn in Ierland hebben ontdekt en kleurschakeeringen in
+de volkskleeding hebben ingevoerd. Een slaaf mocht slechts één kleur
+dragen, een boer twee, een soldaat drie, een rijke grondbezitter
+vier, een opperhoofd eener provincie vijf, en een Ollav of koninklijk
+persoon, zes. Ollav was een naam, die op een bepaalden Druïdenrang
+werd toegepast, het beteekent ongeveer hetzelfde als "doctor", in de
+beteekenis van een geleerde. Het is een karakteristieke trek, dat den
+Ollav een titel is toegekend, die gelijk staat met dien van een koning.
+
+
+
+Ollav Fola.
+
+
+De beroemdste Ollav van Ierland was tevens koning, en wel de bekende
+Ollav Fola, die, naar verhaald wordt, ook achttiende koning was van
+Eremon af gerekend en zou geleefd hebben omstreeks 1000 v.C. Hij was
+de Lycurgus of Solon van Ierland, daar hij het land een wetgeving
+schonk; tevens verdeelde hij het land onder den Opperkoning te Tara
+onder de provinciale hoofden, aan ieder van wie zijn eigen rechten
+en verplichtingen werden toegekend. Aan Ollav Fola moet ook de
+stichting eener instelling worden toegeschreven, die wat ook haar
+oorsprong moge zijn, in Ierland van groot gewicht was--het groote
+driejaarlijksche Feest te Tara, waar de onderkoningen en opperhoofden,
+geschiedschrijvers, barden en muziekspelers uit alle deelen van Ierland
+bijeenkwamen om de geslachtsregisters op te maken van de opperhoofden
+der clans, om wetten vast te stellen, rechtsgedingen te behandelen, de
+erfopvolging te regelen, en zoo voort; al die politieke en wetgevende
+werkzaamheden werden opgeluisterd door gezang en feesten. Het was een
+onwrikbare wet, dat in dien tijd alle vijandschappen moesten worden
+op zijde gezet; niemand mocht zijn hand tegen een ander opheffen,
+of zelfs een rechtsgeding beginnen terwijl de Bijeenkomst te Tara
+gehouden werd. Ollav Fola werd beschouwd als de traditioneele stichter
+van al die politieke en nationale instellingen, op dezelfde wijze als
+Goban de Smid werd beschouwd als de stichter van kunsten en ambachten
+en Amergin van de poëzie. Maar het is moeilijk te zeggen, of er aan
+het bestaan van den Milesischen koning eenige vastere historische
+grondslag verbonden was dan aan de andere blijkbaar meer mythische
+personen. Men beweert, dat hij begraven is in den grooten grafheuvel
+te Loughcrew, in Westmeath.
+
+
+
+Kimbay en de stichting van Emain Macha.
+
+
+Met Kimbay (_Cimbaoth_) komen wij (omstreeks 300 v.C.) tot een mijlpaal
+in de geschiedenis. "Al de geschiedkundige berichten omtrent de Ieren,
+die van vóór Kimbay dagteekenen, waren twijfelachtig"--zoo schreef
+de geschiedschrijver uit de elfde eeuw, Tierna van Clonmacnois [117],
+met voor zijn tijd bewonderenswaardige scherpzinnigheid. Er is heel wat
+onzekers in de mededeelingen, die volgen, maar zeker is het, dat wij op
+steviger historischen bodem staan. Met de regeering van Kimbay komt één
+belangrijk feit aan het licht en wel de stichting van het koninkrijk
+Ulster, en daarin Emain Macha, een naam, die bij den Ierschen geleerde
+de herinnering opwekt van luister en heldenmoed. Emain Macha wordt nu
+vertegenwoordigd door de grasrijke wallen van een groote vesting op een
+heuvel, in de onmiddellijke nabijheid van Ard Macha (Armagh). Volgens
+één der woordafleidingen die voorkomen in Keatings "Geschiedenis van
+Ierland", is _Emain_ afgeleid van _eo_, een pen of els, en _muin_,
+van nek, zoodat het woord overeenkomt met "doekspeld", en Emain Macha
+zou dan beteekenen de doekspeld van Macha. Een Iersche doekspeld
+was een groote cirkelvormige ring van goud en brons, waarover een
+lange speld liep, en de groote cirkelvormige wal, die een Keltische
+vesting omgaf, kon in de verbeelding wel worden vergeleken met een
+doekspeld eener reuzin, die haar mantel, of grondgebied bewaakte
+[118]. De legende van Macha vertelt ons, dat zij de Dochter was
+van den Rooden Hugh, een vorst uit Ulster, die twee broeders had,
+Dithorba en Kimbay. Zij spraken met elkander af, dat zij om de beurt
+de regeering over Ierland zouden uitoefenen. Eerst kwam Roode Hugh aan
+de beurt, maar bij zijn dood weigerde Macha de regeering af te staan,
+en vocht daarover met Dithorba, wien zij overwon en doodde. Daarop
+dwong zij even heerschzuchtig Kimbay, haar te huwen en regeerde zij
+als koningin over geheel Ierland. Wij geven het overige deel der
+vertelling in de woorden van Standish O'Grady weer:
+
+"De vijf zonen van Dithorba, vluchtten, nadat zij uit Ulster verdreven
+waren, den Shannon over en spanden in het westen van het koninkrijk
+tegen Macha samen. Daarop ging de koningin alleen naar Connacht,
+waar zij de broeders in het bosch aantrof. Deze, vermoeid van de
+jacht, braadden een wild zwijn, dat zij gedood hadden, en hielden een
+drinkgelag voor een vuur, dat zij hadden aangestoken. Zij verscheen
+in haar meest barsche gedaante, als de godin van den oorlog, rood
+over het geheele gelaat, vreeselijk en afschuwelijk als de oorlog
+zelf, maar met heldere en schitterende oogen. De broeders werden één
+voor één in vlam gezet door haar onheilspellende schoonheid, en één
+voor één overmeesterde en bond zij hen. Daarna tilde zij hen op haar
+rug en keerde naar het noorden terug. Met de pen van haar doekspeld
+zette zij op de vlakte den omtrek der stad Emain Macha uit, waarvan
+de wallen en de grachten werden gemaakt door de gevangen prinsen,
+die als slaven onder haar bevelen werkten."
+
+"De diepere beteekenis van al die soorten van legenden", zoo merkt
+O'Grady op, "is, als de man niet meester kan zijn over den oorlog,
+de oorlog meester over hem zal zijn; en dat zij, die aanspraak hadden
+op het Opperkoningschap over geheel Erin, de oorlogsgoden aan hun
+zijde moesten hebben" [119].
+
+Macha is een voorbeeld van de vermenging der attributen van het Volk
+van Dana met het menschenras, waarover ik reeds heb gesproken.
+
+
+
+Laery en Covac.
+
+
+De volgende koning, die in die legenden op den voorgrond komt te
+staan, is Ugainy de Groote, die niet alleen over geheel Ierland moet
+hebben geregeerd, maar ook over een groot gedeelte van westelijk
+Europa, en gehuwd geweest moet zijn met een Gallische prinses,
+Kesair genaamd. Hij had twee zonen, Laery en Covac. De eerste erfde
+de regeering, maar Covac ziek en verteerd van nijd, trachtte hem te
+dooden, en won den raad in van een Druïde, hoe dit kon geschieden,
+daar Laery, terecht achterdochtig, hem nooit zonder een gewapend
+geleide wilde bezoeken. De Druïde raadde hem aan, zich voor dood te
+doen doorgaan, en aan zijn broeder bericht te doen toekomen, dat hij op
+zijn lijkbaar lag, op het punt van te worden begraven. Dit deed Covac,
+en toen Laery aankwam en zich over het zoogenaamde lijk heenboog, stak
+hij hem zijn wapen in het hart, en doodde tevens één van zijn zoons,
+Ailill [120], die hem vergezelde. Daarop besteeg Covac den troon,
+en onmiddellijk was zijn ziekte geweken.
+
+
+
+Legenden over Maon, den zoon van Ailill.
+
+
+Hij deed echter een onbeschaamde daad jegens een zoon van Ailill,
+Maon genaamd, over wien een aantal legenden bekend zijn. Maon werd als
+kind in de tegenwoordigheid van Covac gebracht, en werd daar, zooals
+Keating zegt, gedwongen een stuk van het hart van zijn vader en van
+zijn grootvader te eten en evenzoo een muis met haar jong. Het kind
+verloor de spraak door de walging, die het overviel, en Covac liet hem
+vrij, toen hij zag, dat het stom, en dus onschadelijk was. Het werd
+toen naar Munster, naar het koninkrijk Feramorc gebracht, waarover
+Scoriath koning was, en daar bleef de jongen eenigen tijd, maar ging
+later naar Gallië, het land van zijn overgrootmoeder Kesair, waar
+zijn lijfwacht den koning vertelde dat hij de erfgenaam was van den
+Ierschen troon; daarom werd hij met groote eer behandeld en groeide
+tot een edel jongeling op. Maar hij liet in het hart van Moriath, de
+dochter van den koning van Feramorc, een hartstocht achter, die niet
+tot bedaren kon worden gebracht, en zij besloot, hem naar Ierland
+te doen terugkeeren. Daarom begiftigde zij den harpspeler van haar
+vader, Craftiny, met een aantal rijke geschenken, en schreef voor hem
+een minnedicht, waarin haar hartstocht voor Maon werd blootgelegd,
+en waarbij Craftiny een betooverende melodie schreef. Toen Craftiny
+in Frankrijk was gekomen, begaf hij zich naar het hof van den koning,
+en vond daar gelegenheid zijn lied aan Maon voor te dragen. Deze was
+zoozeer onder den indruk van de schoonheid en den hartstocht van het
+lied, dat hij zijn spraak terugkreeg en het lied hemelhoog verhief:
+na dat oogenblik was hij niet stom meer. De koning van Gallië rustte
+toen voor hem een gewapende macht uit en zond hem naar Ierland om
+zijn koninkrijk te heroveren. Toen Maon vernam, dat Covac in een
+nabijgelegen plaats was, Dinzigh genaamd, deed hij met zijn leger
+van Galliërs een plotselingen aanval op hem en doodde hem met al
+zijn edelen en zijn lijfwacht. Na de slachting vroeg een Druïde uit
+Covacs troepen één der Galliërs, wie hun aanvoerder was. "De Zeeman"
+(_Loingseach_), antwoordde de Galliër, daarmede bedoelende den
+bevelhebber der vloot, Maon. "Kan hij spreken?" vroeg de Druïde,
+die de waarheid begon te vermoeden. "Ja zeker, kan hij spreken"
+(_Labraidh_), zeide de man, en van dat oogenblik af had Maon, den zoon
+van Ailill, den naam gekregen van "Labra de Zeeman," en was hij onder
+geen anderen naam bekend. Daarna zocht hij Moriath op, huwde haar,
+en regeerde tien jaar over Ierland.
+
+Volgens de overlevering is de naam der provincie Leinster afgeleid
+van dien inval der Galliërs. Zij waren gewapend met speren, die
+blauw-groene ijzeren gevesten hadden, _laighne_ genaamd, en daar hun
+grondgebied in Leinster was toegewezen, en zij zich daar nederzetten,
+werd de provincie in het Iersch naar hen _Laighin_ genoemd--de
+Provincie der Speerdragers. [121]
+
+Een eigenaardig verhaal wordt medegedeeld omtrent Labra den Zeeman na
+zijn troonsbestijging. Hij liet zich slechts eens in het jaar het haar
+knippen, en de man, die dit moest doen, werd door het lot aangewezen
+en onmiddellijk daarna ter dood gebracht. De reden daarvan was, dat
+hij, evenals koning Midas in de soortgelijke Grieksche mythe, lange
+ooren had als die van een paard, en hij dit gebrek niet bekend wilde
+hebben. Eens echter geschiedde het, dat de man, die was aangewezen om
+zijn haar te knippen, de eenige zoon was van een arme weduwe, door
+wier tranen en smeekingen de koning bewogen werd hem het leven te
+schenken, op voorwaarde dat hij bij den Wind en de Zon zou zweren,
+dat hij niemand zou vertellen wat hij zag. De eed werd afgenomen
+en de jonge man keerde naar zijn moeder terug. Maar langzamerhand
+knaagde het geheim zóózeer aan zijn geest, dat hij door een ziekte
+werd overvallen, en op het punt was te sterven, toen een wijze Druïde
+ontboden werd om hem te genezen. "Hij sterft aan een geheim", zeide
+de Druïde, "en hij zal niet genezen, voordat hij het openbaart. Laat
+hem daarom den straatweg langs gaan, totdat hij komt op een plaats,
+waar vier wegen samenkomen. Laat hem dan rechts afslaan, en het geheim
+vertellen aan den eersten boom, dien hij op den weg ziet staan, dan
+zal hij er van verlost zijn en herstellen." Dit deed de jonge man,
+en het bleek, dat de eerste boom een wilg was. Hij hield zijn lip
+dicht tegen den bast, fluisterde daar het geheim tegen aan, en ging
+toen opgewekt als van ouds naar huis. Doch het ongeluk wilde, dat de
+harpspeler Craftiny kort daarna zijn harp brak en een nieuwe noodig
+had, en nu wilde het toeval, dat de eerste boom, dien hij vond, en die
+voor zijn doel geschikt was, de wilg was, die het geheim van den koning
+bezat. Hij hakte dien om, maakte daar zijn harp van en vervulde zijn
+taak dien avond als gewoonlijk in de koningszaal; doch tot verbazing
+der verzamelde gasten, hoorden zij, zoodra de harpspeler de snaren
+aanraakte, dat de harp de woorden deed weerklinken, "Labra de Zeeman
+heeft twee paardenooren." Toen de koning bemerkte, dat zijn geheim
+bekend was, trok hij zijn kap van het hoofd en vertoonde zich zooals
+hij was; en na dien tijd werd niemand meer ter dood gebracht. Wij
+hebben vroeger gezien, dat de werking van de muziek van Craftiny de
+stomheid van Labra had genezen. Zoo ziet men hoe het denkbeeld van
+iets tooverachtigs in de muziek, alsof bovennatuurlijke krachten
+daarin spreken, in de Iersche legenden veel voorkomt.
+
+
+
+De cyclus van legenden van Conary Mor.
+
+
+Wij komen thans tot een cyclus van legenden, die zich concentreeren om,
+of liever afsluiten met de figuur van den opperkoning Conary Mor--een
+cyclus, zóó rijk aan schoonheid, geheimzinnigheid en romantiek, dat
+het, als men dien tot zijn recht wilde doen komen, veel meer ruimte
+zou kosten, dan daaraan binnen de grenzen van dit werk kan worden
+toegekend. [122]
+
+
+
+Etain in het tooverland.
+
+
+De inleidende gebeurtenissen van den cyclus hebben plaats in het
+"Land der Jeugd", het mystieke land van het Volk van Dana, nadat
+zij door de kinderen van Miled van hun macht zijn beroofd. Midir,
+de trotsche zoon van den Dagda, een vorst uit het Volk van Dana, had
+een vrouw, Fuamnach genaamd. Na eenigen tijd nam hij een tweede vrouw,
+Etain, wier schoonheid en bevalligheid met niets te vergelijken was,
+zoodat de uitdrukking "zoo schoon als Etain" een spreekwoordelijke
+vergelijking werd voor iedere schoonheid, die iedere andere maat
+overtrof. Daarom was dan ook Fuamnach jaloersch op haar mededingster,
+en na haar door tooverkunsten in een vlinder te hebben veranderd, wekte
+zij een storm op, die haar uit het paleis verdreef en haar gedurende
+zeven jaar over de lengte en breedte van Erin heendreef. Ten slotte
+echter voerde haar een windvlaag toevallig door een venster van het
+tooverpaleis van Angus aan de Boyne. De onsterfelijken kunnen niet
+voor elkander verborgen blijven, en Angus wist wie zij was. Daar hij
+niet in staat was haar uit de betoovering van Fuamnach te verlossen,
+maakte hij een zonnig priëel voor haar, waar omheen hij alle soorten
+van prachtige, met honig beladen bloemen plaatste, waar zij op leefde
+zoolang zij bij hem was, terwijl hij haar in de verborgenheid van den
+nacht haar oude gedaante teruggaf, en van haar liefde genoot. Eindelijk
+echter werd haar schuilplaats door Fuamnach ontdekt; weer daalde de
+tooverstorm op haar neer en dreef haar weg; en nu overviel haar een
+merkwaardig lot. Toen zij in het paleis van een opperhoofd uit Ulster,
+Etar, gedreven was, viel zij in den drinkbeker van de vrouw van Etar,
+juist op het oogenblik dat deze op het punt was te drinken. Zij werd
+met den overigen inhoud van het glas ingeslikt, en werd, daar zij in
+den moederschoot van de vrouw van Etar was opgenomen, geboren als een
+schijnbaar sterfelijk kind, en groeide tot een bloeiende maagd op,
+zonder iets van haar waren aard en haar afstamming te weten.
+
+
+
+Eochy en Etain.
+
+
+Omstreeks dien tijd geschiedde het, dat Eochy [123], de opperkoning
+van Ierland, die niet gehuwd was, en bij wien de edelen van zijn land
+aandrongen een koningin te kiezen--"want", zoo zeiden zij, "als gij
+dat niet doet, zullen wij onze vrouwen niet op de bijeenkomst te Tara
+brengen"--boden uitzond, om te zoeken naar een schoone en edele maagd,
+die zijn troon zoude deelen. De boden kwamen terug met de tijding,
+dat Etain, de dochter van Etar, de schoonste maagd in Ierland was,
+en de koning ging op reis, om haar te bezoeken. Er volgt hier een
+beschrijving, die één der verhevenste en schitterendste proeven is
+van de Keltische, of misschien zelfs van de geheele litteratuur. Eochy
+vindt Etain met haar gezellinnen bij een fontein, waarheen zij gegaan
+was, om zich het haar te wasschen.
+
+"Zij hield een zilveren kam in haar hand, de kam was met goud versierd;
+en naast haar stond, om zich te wasschen, een zilveren waschbekken,
+waarop vier vogels gedreven waren, en er waren kleine schitterende
+karbonkels op den rand van het bekken. Een heldere purperen mantel
+golfde om haar heen; en daar onder was een tweede mantel versierd met
+zilveren franje; de buitenste mantel was op haar boezem vastgemaakt
+met een gouden gesp. Zij droeg een kleed, waaraan een kap bevestigd
+was, die haar hoofd kon bedekken; dit kleed was stijf en glimmend
+met groene zijde onder rood borduursel, en was over haar borsten
+bevestigd met prachtig bewerkte zilveren en gouden gespen, zoodat
+men het schitterende goud en de groene zijde tegen de zon kon zien
+glinsteren. Op het hoofd had zij twee vlechten van gouden haar,
+en iedere vlecht bestond uit vier strengen; aan het uiteinde dier
+strengen was een kleine bol van goud. En daar was de maagd bezig het
+haar los te maken, om het te wasschen, terwijl haar armen staken door
+de armsgaten van haar hemd. Ieder van haar beide armen was even wit als
+de sneeuw van één enkelen nacht, en ieder van haar wangen was even rose
+gekleurd als het vingerhoedskruid. De tanden in haar mond waren gelijk
+en klein, en schitterden als paarlen. Haar oogen waren blauw als een
+hyacinth, haar lippen fijn en gekleurd als karmozijn; haar schouders
+waren hoog, zacht en wit. Haar polsen waren teeder, glad en wit, haar
+vingers lang en blank; haar nagels schoon en rose. Wit als sneeuw,
+of als het schuim eener golf was haar nek; lang, slank en zoo zacht
+als zijde. Haar dijen waren zacht en wit; haar knieën rond, stevig en
+blank; haar enkels zoo recht als de liniaal van een timmerman. Haar
+voeten waren smal en wit als het schuim van den oceaan; haar oogen
+stonden gelijk in de oogkassen; haar wenkbrauwen waren blauwachtig
+zwart, zooals men ziet op het schild van een kever. Nooit was een
+maagd schooner dan zij, of meer beminnenswaardig, door menschenoogen
+gezien, en het scheen hem toe, dat zij één van diegenen moest zijn,
+die van de tooverhoogten gekomen waren". [124]
+
+De koning dong naar haar hand, maakte haar tot zijn vrouw, en bracht
+haar mede naar Tara.
+
+
+
+De liefdesgeschiedenis van Ailill.
+
+
+Het geschiedde nu, dat de koning een broeder had, Ailill genaamd,
+die, toen hij Etain zag, zóó zeer door haar schoonheid bekoord
+werd, dat hij ziek werd van de hevigheid van zijn hartstocht en
+bijna wegkwijnde. Terwijl hij in dien toestand was, moest Eochy een
+vorstelijke rondreis door Ierland maken. Hij liet zijn broeder--van de
+oorzaak van wiens ziekte niemand eenig vermoeden had--in de hoede van
+Etain achter, en verzocht haar, voor hem al het mogelijke te doen, en
+hem, als hij mocht sterven, met de vereischte plechtigheden te begraven
+en een steen met Ogham-letters op zijn graf op te richten [125].
+
+Etain gaat den broeder bezoeken en vraagt naar de oorzaak van zijn
+ziekte; hij spreekt tot haar in raadselen, maar ten slotte ten gevolge
+van haar teederheid zich niet meer kunnende bedwingen, barst hij los
+in een bekentenis van zijn hartstocht. Zijn beschrijving van het
+smachtend verlangen eener hopelooze liefde is een lyrisch gedicht
+van buitengewone hevigheid. "Zij is meer gesloten dan de huid", roept
+hij uit, "zij is als een strijd tegen een spook, zij overstroomt als
+een vloed, zij is een wapen onder de zee, zij is een hartstocht voor
+een echo". Met "een wapen onder de zee" bedoelt de dichter, dat de
+liefde gelijkt op één der geheime schatten van het toovervolk in het
+koninkrijk van Mananan--even prachtig en even onbereikbaar.
+
+Etain is nu in groote verlegenheid; maar zij komt tot het besluit, met
+een zekere naïeve goedhartigheid, hoewel zij volstrekt niet verliefd
+is op Ailill, dat zij iemand niet kan zien sterven van verlangen naar
+haar, en zij belooft, de zijne te zullen zijn. Misschien moeten wij
+dit zóó opvatten, dat zij door haar feeënaard bewogen werd, niet
+wetende wat goed of kwaad was, maar alleen gevoelig voor genot en
+lijden. Wij moeten erkennen, dat in de Iersche mythen in het algemeen,
+die "feeën" opvatting van zedelijkheid, zooals wij die kunnen noemen,
+zoowel onder het volk van Dana als onder de stervelingen in het
+algemeen overheerschend is--beiden maken den indruk van zedelijk niet
+verantwoordelijk te zijn.
+
+Etain maakt nu een afspraak met Ailill, om hem te ontmoeten in een
+huis buiten Tara--want zij wil niet doen, wat zij haar "roemrijke
+misdaad" noemt, in het paleis van den koning. Maar den avond vóór
+den afgesproken dag valt Ailill in een diepen slaap en verzuimt de
+afspraak. Doch een ander, in zijn gedaante gehuld, komt bij Etain,
+maar alleen, om koel en medelijdend over zijn ziekte te spreken, en
+vertrekt weder. Als de twee elkander weer ontmoeten, is de toestand
+geheel gewijzigd. In zijn tooverslaap is de onheilige hartstocht van
+Ailill voor de koningin volkomen uitgeroeid. Etain van haar kant,
+komt tot de overtuiging, dat er achter de zichtbare gebeurtenissen
+mysteriën verborgen zijn, die zij niet begrijpt.
+
+
+
+Midir de trotsche.
+
+
+De verklaring volgt spoedig. Het wezen, dat bij haar gekomen was
+in de gedaante van Ailill, was haar vroegere echtgenoot, Midir
+de trotsche. Hij komt nu naar haar dingen in zijn ware gedaante,
+wonderschoon en schitterend uitgedost, en dringt er bij haar op aan,
+met hem te vluchten naar het Land der Jeugd, waar zij van nu af
+aan veilig kan zijn, daar haar vijandin, Fuamnach, dood is. Hij was
+het geweest, die den tooverslaap had uitgesproken over de oogen van
+Ailill. De beschrijving van het tooverland, waarheen hij haar wil
+voeren, wordt door hem gegeven in verzen van groote schoonheid.
+
+
+
+Het land der jeugd.
+
+
+ "O blondgelokte vrouw, wilt gij met mij mede gaan naar
+ het wonderland, vol muziek, waar het haar geel is als
+ sleutelbloemen en het lichaam wit als sneeuw?
+
+ Daar spreekt niemand van het "mijne" of het "uwe"--wit zijn
+ de tanden, en zwart de wenkbrauwen; de oogen glinsteren
+ met licht van verschillende kleuren, en de tinten van het
+ vingerhoedskruid zijn op iedere wang.
+
+ Heerlijk voor het oog zijn de vlakten van Erin, maar in
+ vergelijking met de groote vlakten zijn zij een woestijn.
+
+ Koppig is het bier van Erin, maar koppiger is het bier der
+ groote vlakte.
+
+ Eén der wonderen van dat land is, dat de jeugd niet in
+ ouderdom verandert.
+
+ Effen en kalm zijn de rivieren, die er doorheen stroomen; meede
+ en wijnen van iedere soort zijn er in overvloed; daar zijn alle
+ namen schoon, zonder smet; daar baren de vrouwen zonder zonde.
+
+ Wij zien in alle richtingen om ons heen, en niemand ziet ons;
+ de wolk van Adams zonde houdt ons voor hun blikken verborgen.
+
+ O schoone vrouw, als gij naar mijn krachtig volk wilt
+ medegaan, zal het zuiverste goud op uw hoofd geplaatst zijn,
+ het vleesch, dat gij eet, zal ongezouten [126] zwijnenvleesch
+ zijn, versche melk en meede zult gij daar met mij drinken,
+ o blondgelokte vrouw."
+
+
+Wij hebben deze merkwaardige lyrische poëzie in haar geheel gegeven,
+omdat zij, hoewel daarin duidelijk christelijke en ascetische
+denkbeelden te herkennen zijn, over het geheel de heidensche en
+mythische opvatting van het Land der Jeugd, het rijk der dooden,
+voorstelt.
+
+Etain is echter volstrekt niet bereid met een vreemdeling mede te
+gaan en den opperkoning te verlaten voor een man "zonder naam of
+stamboom". Midir zegt haar wie hij is, en vertelt haar tevens haar
+geheele geschiedenis, waarvan zij in haar tegenwoordige incarnatie
+niets weet; en hij voegt daaraan toe, dat zij duizend en twaalf jaar na
+haar geboorte in het Land der Jeugd als een sterfelijk kind herboren
+is uit de vrouw van Etar. Ten slotte stemt Etain er in toe met Midir
+naar haar oude woonplaats terug te keeren, doch alleen op voorwaarde,
+dat de koning in hun scheiding zal toestemmen; daarmede moet Midir
+zich voorloopig tevreden stellen.
+
+
+
+Een partij schaak.
+
+
+Korten tijd daarna komt hij, zooals reeds vroeger vermeld is, [127]
+bij koning Eochy, op den heuvel van Tara. Hij vertelt den koning,
+dat hij gekomen is om met hem een partij schaak te spelen, en haalt
+een schaakbord van zilver voor den dag, met stukken van goud, bezet
+met juweelen. Het was een noodzakelijk iets voor koning en edelen in
+Ierland, om een bekwaam schaakspeler te zijn, en Eochy begint met den
+grootsten ijver te spelen. Midir laat hem spel na spel winnen, en als
+betaling voor zijn verlies volvoert hij door tooverkracht verschillende
+opdrachten van Eochy, zooals het verbeteren van landerijen, het vellen
+van bosschen en het aanleggen van straatwegen door moerassen--hier
+hebben wij een bewijs, hoe het volk van Dana in de volksmeening
+als godheden werden beschouwd, die in verband stonden met landbouw
+en vruchtbaarheid. Na ten slotte de hebzucht van Eochy te hebben
+opgewekt, en dezen te hebben doen gelooven, dat hij de beste der
+beide spelers was, stelt hij hem voor, een laatste spel te spelen,
+terwijl de prijs door den overwinnaar zou worden vastgesteld nadat
+het spel geëindigd was. Nu wordt Eochy verslagen.
+
+"Gij kunt nu uw prijs bepalen", zeide Eochy.
+
+"Als ik het gewild had, zou ik reeds lang den prijs gewonnen hebben".
+
+"Wat wilt gij van mij?", vroeg Eochy.
+
+"Dat ik Etain in mijn armen mag houden en een kus van haar mag
+krijgen", zeide Midir.
+
+De koning zweeg een oogenblik, en zeide daarna: "Gij kunt heden over
+een maand hier komen, en u zal toegestaan worden, wat gij verlangt".
+
+
+
+Midir en Etain.
+
+
+Eochy was op kwaad bedacht, en toen de vastgestelde dag was
+aangebroken, liet hij het paleis van Tara omringen door een grooten
+troep gewapende mannen, om Midir buiten te sluiten. Dit was echter
+vergeefsch; terwijl de koning aan den feestmaaltijd zat, en Etain
+den wijn rondschonk, stond Midir, schitterender dan ooit te voren,
+plotseling in hun midden. Terwijl hij zijn speren in de linkerhand
+hield, sloeg hij de rechterhand om Etain, en het paar steeg licht
+in de lucht en verdween door een dakraam van het paleis. Woedend
+en ontsteld renden de koning en zijn krijgslieden buiten de deur,
+maar het eenige wat zij konden zien, waren twee witte zwanen,
+die in kringen boven het paleis vlogen en die daarna in een lange,
+regelmatige vlucht naar den tooverberg, Slievenamon, vlogen. En zoo
+keerde koningin Etain naar haar verwanten terug.
+
+
+
+Oorlog met het tooverland.
+
+
+Maar Eochy wilde niet in zijn nederlaag berusten, en daarop volgt
+wat naar onze meening, sedert de eerste verdrijving van het volk van
+Dana, de oudste oorlog met het tooverland is, waarvan wordt melding
+gemaakt. Nadat hij te vergeefs Ierland doorzocht had, om zijn vrouw te
+vinden, ontbood hij den Druïde Dalan, om hem te helpen. Dalan trachtte
+een jaar lang, op alle mogelijke wijzen, die hij in zijn macht had,
+te ontdekken, waar zij was. Ten slotte paste hij een toovermiddel toe,
+dat bijzondere kracht moest hebben--"hij maakte drie tooverroeden van
+taxishout, en op de roeden schreef hij een ogham; en door de sleutels
+der wijsheid, die hij bezat, en door de ogham, werd hem geopenbaard,
+dat Etain in den tooverheuvel van Bri-Leith was, en dat Midir haar
+daarheen had gebracht".
+
+Daarop verzamelde Eochy zijn troepen om den tooverheuvel, waar het
+paleis van Midir gelegen was, te bestormen en te verwoesten. Het
+verhaal loopt, dat hij negen jaar lang den éénen heuvel na den
+anderen afgroef, terwijl Midir en de zijnen de verwoesting even snel
+herstelden als zij was aangericht. Ten slotte verzon Midir, in zijn
+laatste vesting teruggedreven, een krijgslist--hij bood aan, Etain
+af te staan, en zond haar met vijftig dienstmaagden naar den koning,
+maar maakte, dat zij allen zóózeer op elkander geleken, dat Eochy de
+ware Etain er niet uit kon ontdekken. Doch, zoo luidt het verhaal,
+zij zelf gaf hem een teeken, waaraan hij haar kon herkennen. De inhoud
+van het verhaal, waarbij Etain de sterveling boven den God verkiest,
+herinnert aan de schoone Hindoe-legende van Damayanti en Nala. Eochy
+kreeg zijn koningin terug, die met hem samenleefde tot aan zijn dood,
+die tien jaar later plaats greep, en deze schonk hem één dochter,
+die naar haar, Etain werd genoemd.
+
+
+
+De vertelling van Conary Mor.
+
+
+Van die laatste Etain stamde de groote koning Conary Mor af, die in
+de Iersche legenden schittert als het hoogste type van koninklijke
+glans, macht en weldadigheid, en wiens overweldiging en dood door
+het volk van Dana werden beraamd als wraakneming voor de verwoesting
+hunner heilige verblijfplaatsen door Eochy. De vertelling, waarin de
+dood van Conary wordt verhaald, is één der oudste en in opzet meest
+barbaarsche van alle Iersche legenden, maar het heeft een schoonheid
+en verbeeldingskracht, die door geen andere legende kan worden
+geëvenaard. Het verhaal van Etain en Midir kan worden beschouwd als
+een inleiding, (door de Ieren _priomscel_ genoemd), voor dit groote
+verhaal, welke inleiding den meer verwijderden oorsprong der verhaalde
+gebeurtenissen doet zien. De afstamming van Conary Mor zal den lezer
+in staat stellen, den samenhang der gebeurtenissen beter te begrijpen.
+
+
+
+
+ Eochy = Etain
+ |
+Cormac, koning van Ulster = Etain Oig (Etain de jongere)
+ |
+Eterskil, koning van Erin = Messbuachalla (de pleegdochter van den
+ | koeherder)
+ |
+ Conary Mor.
+
+
+
+
+De wet van de Geis.
+
+
+Het verhaal van Conary brengt ons voor het eerst in aanraking met
+de wet of de instelling van de _geis_, die van nu af aan een zeer
+belangrijke rol speelt in de Iersche legenden, waar het schenden of het
+inachtnemen van een _geis_ dikwijls een keerpunt is in een tragisch
+verhaal. Wij moeten dus een oogenblik hierbij stilstaan en trachten
+den lezer nauwkeurig te verklaren, wat die eigenaardige instelling was.
+
+In het "Iersche Woordenboek" van Dineen wordt als beteekenis van het
+woord _geis_ [128] gegeven een verplichting, een tooverbezwering,
+een verbod, een taboo, een magisch bevel, waarvan de schending tot
+ramp en dood leidde. In het woordenboek vindt men die beteekenissen
+onder het woord _geas_ opgegeven. Ieder Iersch opperhoofd of man van
+gezag had enkele _geise_, die hem eigen waren en die hij niet mocht
+overtreden. Die _geise_ hadden dikwijls betrekking op een verzameling
+van voorschriften voor ridderlijk gedrag--zoo staat Dermot van de
+liefdeplek, als Grania zich op hem beroept om haar van Finn weg te
+voeren, onder _geise_, om een vrouw geen bescherming te weigeren. Zij
+kunnen ook uitsluitend op bijgeloof of een hersenschim--zoo is
+het één der _geise_ van Conary, dat het hem niet vrij staat drie
+roode ruiters op een weg te volgen, of om vogels te dooden (de
+reden hiervan is, dat, zooals wij zullen zien, zijn totem een vogel
+was). Voor den kampioen uit Ulster, Fergus mac Roy, is het een _geis_,
+dat hij geen uitnoodiging tot een feest mag afslaan; daarop grondt
+zich de Tragedie van de Zonen van Usnach. Het is volstrekt niet
+duidelijk, wie die _geise_ oplegde, of hoe iemand ontdekte, wat zijn
+persoonlijke _geise_, waren--dit was zonder twijfel een zaak, die de
+Druïden moesten weten. Maar zij werden als heilige verplichtingen
+beschouwd, en het verbreken dier _geise_ deed de ergste ongelukken
+vreezen. Oorspronkelijk werden zij zeker beschouwd als een middel,
+om de goede verhouding tot de andere wereld in acht te nemen--de
+Tooverwereld--en waren zij verwant met het welbekende gebruik der
+Polynesiërs ten opzichte van de "tabu." Wij zullen echter de Iersche
+uitdrukking behouden, daar alleen deze op de Iersche gebruiken past.
+
+
+
+De pleegdochter van den Koeherder.
+
+
+Wij zullen thans tot ons onderwerp terugkeeren en de lotgevallen van
+Conary, den achterkleinzoon van Etain volgen. Haar dochter, Etain
+Oig, huwde, zooals wij uit de genealogische tabel gezien hebben,
+met Cormac, den koning van Ulster. Zij baarde haar echtgenoot geen
+andere kinderen dan één meisje. Verbitterd door haar onvruchtbaarheid
+en door het feit, dat hem geen erfgenaam werd geboren, verstootte de
+koning Etain, en beval hij, dat haar dochter zou worden weggenomen
+en in een kuil zou worden geworpen. "Daarop brengen zijn twee slaven
+haar naar een kuil, en toen zij haar daarin legden, lachte zij hen
+vriendelijk toe" [129]. Daarna kunnen zij haar niet aan den dood
+prijs geven, maar brengen haar naar een koeherder van Eterskel,
+den koning van Tara, door wien zij wordt verpleegd en onderwezen
+"totdat zij een uitnemende borduurster was geworden, en er was in
+geheel Ierland geen koningsdochter, liever dan zij." Vandaar dat zij
+den naam droeg van Messbuachalla, ("Messboo'hala"), wat beteekent
+"de pleegdochter van den koeherder."
+
+Uit vrees, dat men haar zal ontdekken, houden de koeherders het meisje
+in een huis van vlechtwerk, waarin slechts één opening in het dak
+is. Maar één van de onderdanen van Eterskel klimt uit nieuwsgierigheid
+op het dak, kijkt naar binnen en ziet daar het schoonste meisje uit
+Ierland. Hij bericht dit den koning, die beveelt, dat een opening in
+den muur moet worden gemaakt, en het meisje moet worden weggehaald,
+daar de koning kinderloos was, en hen door zijn Druïden was voorspeld,
+dat een vrouw van een onbekend ras hem een zoon zou schenken. Daarop
+zeide de koning: "Dit is de vrouw, die mij voorspeld is."
+
+
+
+Afstamming en geboorte van Conary.
+
+
+Voordat zij echter bevrijd was, wordt zij bezocht door een bewoner
+van het Land der Jeugd. Een groote vogel komt daar het dakvenster
+binnen. Op den vloer der hut vallen zijn vogelveeren af en doet hij
+zich kennen als een prachtigen jongeling. Evenals Danaë, evenals
+Leda, evenals Ethlinn, de dochter van Balor, schenkt zij den god
+haar liefde. Voordat zij scheiden, vertelt hij haar, dat zij naar
+den koning zal worden gebracht, maar dat zij haar minnaar uit het
+Land van Dana een zoon zal schenken, die Conary zal heeten, en wien
+het verboden zal zijn op de vogels jacht te maken.
+
+Zoo werd Conary geboren, die opgroeide tot een verstandigen en
+edele jongeling, en opgevoed werd ten huize van een aanzienlijk man,
+Desa, wiens drie achterkleinzoons te gelijk met hem van kindsbeen
+af werden groot gebracht. Zij heetten Ferlee, Fergar en Ferrogan;
+en Conary, hield, zooals verhaald wordt, veel van hen, en leerde hun
+zijn wijsheid.
+
+
+
+Conary de Opperkoning.
+
+
+Toen stierf koning Eterskel en moest een opvolger aangesteld
+worden. In Ierland had de oudste zoon geen recht op den troon of op
+het hoofdschap, maar de bekwaamste en de beste der familie werd door
+de clan op eigenaardige wijze gekozen. In deze geschiedenis hebben
+wij een merkwaardig verhaal, hoe die verkiezing door waarzeggerij
+plaats vindt. Een "stierenfeest" werd gevierd--dat wil zeggen, een
+stier werd geslacht, en de waarzegger moest "zich zat eten en drinken";
+daarna ging hij naar bed, waar een betoovering over hem werd gezongen,
+die hem dwong de waarheid te zeggen. Wien hij in zijn droom zag, zou
+koning worden. Zoo dronk te Aegira, in Achaea, zooals Whitley Stokes
+opmerkt, de Aardpriesteres het versche bloed van een stier voordat zij
+in het hol afdaalde om te profeteeren. De droomer riep in zijn slaap,
+dat hij iemand naakt naar Tara zag gaan met een steen in zijn slinger.
+
+Het stierenfeest werd te Tara gevierd, maar Conary speelde in dien
+tijd met zijn pleegbroeders op de Vlakten van Liffey. Zij gingen uit
+elkander, terwijl Conary naar Dublin ging, waar hij een zwerm groote
+vogels vóór zich zag, schitterend van kleur en schoonheid. Hij joeg ze
+in zijn wagen achterna, maar de vogels gingen steeds een speerworp voor
+hem uit, daalden neder en vlogen verder, zoodat hij ze, voordat zij de
+zeekust bereikten, niet kon inhalen. Daarna steeg hij uit zijn wagen
+en nam zijn slinger om ze te treffen, doch plotseling veranderden zij
+in gewapende mannen, en gingen met speren en zwaarden op hem af. Doch
+één van hen beschermde hem, en zeide: "Ik ben Nemglan, de koning
+der vogels van uw vader; en u is verboden naar de vogels te werpen,
+want er is geen enkele onder, die u niet verwant is." "Tot heden,"
+zeide Conary, "wist ik daar niets van."
+
+"Ga vannacht naar Tara," zeide Nemglan; het stierenfeest wordt daar
+gevierd, en daardoor zult gij koning worden. Een spiernaakt man, die
+tegen het einde van den nacht langs één der wegen naar Tara zal gaan,
+die een steen en een slinger heeft,--die zal koning worden.
+
+Daarom trok Conary zijn kleeren uit, en ging des nachts naakt naar
+Tara, waar alle wegen bewaakt werden door hoofden, die koninklijke
+kleeren bij zich hadden, om hem te kleeden, die in overeenstemming
+met de voorspelling zou komen. Zoodra Conary hen bereikte, kleedden
+zij hem en brachten hem naar binnen, waarna hij tot koning van Erin
+wordt uitgeroepen.
+
+
+
+De geise van Conary.
+
+
+Hier volgt een lange lijst van zijn _geise_, welke hem zoo luidt het
+verhaal, door Nemglan zijn gegeven. "De regeering der vogels zal edel
+zijn," zoo sprak hij, "en dit zullen uw _geise_ zijn:
+
+
+ Gij zult niet rechtsom Tara omloopen, noch linksom Bregia,
+ [130]
+
+ Gij zult op de booze dieren van Cerna niet jagen,
+
+ Gij zult om de negen nachten niet verder gaan dan Tara.
+
+ Gij zult niet slapen in een huis, waar na zonsondergang nog
+ vuur brandt, of waarin van buiten licht gezien wordt.
+
+ Geen drie Rooden zullen vóór u gaan naar het huis van den
+ Roode.
+
+ In uw rijk zal geen rooverij geschieden.
+
+ Na zonsondergang zal geen vrouw alleen of man alleen het huis
+ binnenkomen, waarin gij vertoeft,
+
+ Gij zult niet tusschen beiden komen in een twist tusschen
+ twee van uw dienaren.
+
+
+
+Daarna aanvaardde Conary de regeering, die zich kenmerkte door de
+schoone jaargetijden en de rijke oogsten, die altijd in den geest
+der Ieren samenvielen met de regeering van een goeden koning. Vreemde
+schepen kwamen in de havens, Iederen herfst was er overvloed van eikels
+tot voeding der varkens; de rivieren wemelden van visch. "Tijdens
+zijn regeering doodde niemand een ander in Erin en voor iedereen in
+Erin scheen de stem van zijn makker even liefelijk als de snaren van
+luiten. Van het midden van de lente tot het midden van den herfst
+bewoog geen windje den staart van een koe.
+
+
+
+Begin der wraak.
+
+
+Doch er kwam stoornis uit een andere bron. Conary had alle plundering
+en roof onderdrukt, en zijn drie pleegbroeders, die geboren roovers
+waren, namen hem dat kwalijk. Vol trots en eigenzinnigheid zetten zij
+hun slechte gewoonten voort, en werden ten slotte gevangen genomen,
+terwijl hun handen rood van bloed waren. Conary wilde hen niet ter
+dood veroordeelen, zooals het volk hem verzocht, maar spaarde hen ter
+wille van hun pleegbroederschap. Zij werden echter uit Erin verbannen,
+en hun werd gezegd, dat, als zij dan toch wilden rooven, zij het dan
+maar over zee moesten doen. Op zee ontmoetten zij een ander verbannen
+hoofd, Ingcel den Eenoogige, den zoon van den koning van Brittannië,
+en terwijl zij zich met dezen vereenigden, vielen zij de vesting aan,
+waarin de vader, de moeder en de broeders van Ingcel toen juist als
+gasten aanwezig waren, en allen werden in één nacht gedood. Toen was
+het de beurt van Ingcel om hun hulp in te roepen, ten einde het land
+van Erin te plunderen, en na een troep van andere vogelvrij verklaarden
+bijeengebracht te hebben, waartoe de zeven Manes, de zonen van Ailell
+en Maev van Connacht behoorden, behalve Ferlee, Fergar en Ferrogan,
+deden zij een inval in Ierland, waarbij zij aan land stegen aan de
+kust van Dublin, bij Howth.
+
+Intusschen was Conary door de listen van het Volk van Dana verlokt,
+om één voor één al zijn _geise_ te breken. Hij legt een twist bij
+tusschen twee van zijn ondergeschikten in Munster, en toen zij
+terugreisden naar Tara, zien zij, dat het land rondom verlicht is
+door de flikkering van vuur en in wolken van rook gehuld. Zooals zij
+meenden, plunderde een troep uit het noorden het land, en om daaraan
+te ontkomen, moet de troep van Conary rechts om Tara en links om
+de vlakte van Bregia heen draaien. Maar de rook en de vlammen waren
+een zinsbedrog, door het Toovervolk veroorzaakt, dat nu de strikken
+steviger om den veroordeelden koning heenhaalt. Op zijn tocht voorbij
+Bregia maakt hij jacht op de "booze dieren van Cerna"--wie zij ook
+waren--"maar hij merkte het niet, voordat de jacht geëindigd was."
+
+
+
+De pleisterplaats van Da Derga en de Drie Rooden.
+
+
+Conary moest nu een rustplaats voor den nacht vinden, en hij herinnert
+zich, dat hij niet ver af is van de pleisterplaats van den Heer van
+Leinster, Da Derga, naar wien dit bardengedicht genoemd is. [131]
+Conary was edelmoedig jegens hem geweest toen Da Derga op bezoek
+gekomen was te Tara, en hij besloot daarom zijn gastvrijheid voor dien
+nacht in te roepen. Da Derga woonde in een groot paleis met zeven
+deuren, bij het tegenwoordige Dublin, waarschijnlijk te Donnybrook
+aan den straatweg naar het Zuiden. Toen de stoet daarheen reisde,
+had er een onheilspellende gebeurtenis plaats--Conary zag vóór zich
+op den weg drie ruiters geheel in het rood gekleed, die op roode
+paarden reden. Hij herinnert zich zijn _geis_ ten opzichte van de
+"drie Rooden", en zendt een bode naar voren, om hen te verzoeken
+dat zij achter zullen blijven. Maar hoewel de bode zijn paard
+opzweept, kan hij de drie Roode Ruiters niet dichter naderen dan
+tot op een speerworp. Hij roept hen toe om te keeren en achter
+den koning aan te rijden, maar één van hen, vraagt hem ironisch
+terwijl hij omkijkt, "uit te zien naar belangrijk nieuws uit een
+pleisterplaats." Herhaaldelijk wordt de bode naar hen toegezonden
+met beloften van een ruime belooning, als zij in plaats van Conary
+voor te gaan, achter hem willen rijden. Eindelijk zingt één van hen
+een mystiek, een vreeseliik lied. "Zie mijn zoon, belangrijk is het
+nieuws. Vermoeid zijn de paarden die wij berijden--de paarden van de
+tooverheuvelen. Hoewel wij leven, zijn wij dood. Groot zijn de ketenen:
+verwoesting van het leven; verzadiging van raven; voeding van kraaien;
+wedijver in het dooden; het wetten van het zwaard; schilden met
+gebroken knoppen na zonsondergang. Zie, mijn zoon!" Daarop rijden
+zij voort, en na van hun roode paarden te zijn afgestegen, maken
+zij die vast aan het portaal van de pleisterplaats van Da Derga,
+en gaan binnen zitten. "Ter verklaring voegen wij hieraan toe, dat
+"Derga" "rood" beteekent. Zoo was dus Conary door drie roode ruiters
+voorgegaan naar Het Huis van de Roode. En vol voorgevoelen zegt hij:
+"Al mijn _geise_ hebben mij van nacht gegrepen."
+
+
+
+Verzameling der gasten.
+
+
+Van nu af aan neemt het verhaal van Conary Mor het karakter aan van
+bovennatuurlijke ontzaglijkheid en geheimzinnigheid, waarbij als het
+ware de verbeelding van den bard toeneemt naarmate de crisis nadert. De
+nacht is gevallen en de rooverbende van Ingcel is gekampeerd op de
+oevers der Baai van Dublin. Zij hooren het geraas van den koninklijken
+stoet, en een bode met een bijzonder goed gezicht wordt uitgezonden,
+om te onderzoeken wat dat beteekent. Hij brengt tot antwoord de
+mededeeling, dat een schitterende en talrijke menigte Conary naar
+de pleisterplaats heeft gevolgd. Men hoort een eigenaardig krakend
+geluid. Ingcel vraagt Ferrogan wat dit kan zijn--het blijkt veroorzaakt
+te zijn door een reuzenkrijgsman mac Cecht, die met een vuursteen
+op staal slaat, om voor het feest van den koning vuur te maken. "God
+geve, dat Conary daar van nacht niet is", roepen de zonen van Desa;
+"Wee hem, als hij in de macht van zijn vijanden is gevallen." Maar
+Ingcel herinnert hen aan hun overeenkomst--hij had hen zijn eigen
+vader en broeders ter plundering overgegeven; zij kunnen dus niet
+weigeren, hem te helpen bij den aanval, dien hij tegen Conary in de
+woning van Da Derga beraamt. Een flikkering van het vuur, door Mac
+Cecht ontstoken wordt nu door den troep roovers gezien, terwijl het
+schijnt tusschen de wielen der wagens, die geplaatst zijn langs de
+open deuren der woning. Weer was één der _geise_ van Conary gebroken.
+
+Ingcel en zijn bende richten nu een grooten steenhoop op, waarbij
+ieder één steen aandraagt, opdat er een herinnering aan het gevecht
+overblijve, en tevens een middel om te weten, hoeveel van hen
+sneuvelen, daar ieder overlevende zijn eigen steen weer weghaalt.
+
+
+
+De Morrigan.
+
+
+Het tooneel verplaatst zich nu naar de pleisterplaats van Da Derga,
+waar de vrienden van den koning gekomen zijn en zich voor den nacht
+gereed maken. Een eenzame vrouw komt aan de deur en verzoekt te worden
+toegelaten. "Ieder van haar scheenen waren zoo lang als een weversboom,
+en zij waren zoo donker als de rug van een vliegend hert. Zij droeg een
+grijsachtigen wollen mantel. Het haar reikte haar tot de knieën. Haar
+mond was verdraaid naar één kant van haar hoofd." Zij was de Morrigan,
+bij het Volk van Dana de godin van Dood en Vernietiging. Zij leunde
+tegen den deurpost van het huis en zag boosaardig op den koning en
+zijn gezellen neer. Conary zeide, "vrouw, als gij een tooverheks zijt,
+wat ziet gij dan voor ons?" "Ik zie voor u" antwoordde zij, "dat noch
+vel, noch vleesch van u zal ontkomen uit de plaats, waarin gij gekomen
+zijt, behalve wat vogels in hun klauwen zullen wegdragen." Zij vraagt
+toegelaten te worden. Conary zegt, dat zijn _geis_ hem verbiedt,
+een eenzamen man of een eenzame vrouw na zonsondergang binnen te
+laten. "Indien de koning inderdaad geen plaats heeft in zijn huis,
+om een eenzame vrouw een maaltijd of een te bed te geven, zal zij dit
+wel zonder hem krijgen van iemand, die edelmoediger is." "Laat haar
+dan maar binnen komen," zegt Conary, hoewel het een _geis_ van mij is.
+
+
+
+Conary en zijn gevolg.
+
+
+Nu volgt een langen en schitterende beschrijving, hoe Ingcel den
+stand van zaken in de woning gaat bespieden. Terwijl hij door de
+wielen der wagens kijkt, let hij op alles wat hij ziet en geeft aan
+de zonen van Desa een beschrijving van het uiterlijk en de uitrusting
+van iederen vorst en iederen aanzienlijke in het gevolg van Conary,
+terwijl Ferrogan en zijn broeder dan vertellen wie het is, en hoe hij
+in het aanstaande gevecht verderf zal aanbrengen. Daar is Cormac, de
+zoon van Comor, de koning van Ulster, de schoone en goede; daar zijn
+drie ontzaglijke, zwarte en in het zwart gekleede krijgslieden der
+Picten; daar is de rentmeester van Conary, met overeind staand haar,
+die iederen twist beslecht--men kan een speld hooren vallen als hij
+zijn stem verheft om te spreken, en de dienststaf, dien hij draagt,
+heeft de groote van een molenwiek; daar is de krijgsman mac Cecht,
+die op zijn rug ligt met opgetrokken knieën--deze gelijken op twee
+kale heuvels, zijn oogen zijn als meren, zijn neus een bergtop,
+zijn zwaard schittert als een rivier in de zon. Daar zijn ook de
+drie zonen van Conary, goudgelokt, met zijden kleeren, door het
+geheele dienstpersoneel bemind, met "manieren als volwassen meisjes,
+met harten als broeders, met den moed van beren". Als Ferrogan over
+hen hoort spreken, weent hij en kan hij niet verder gaan voordat
+verscheidene nachtelijke uren voorbij zijn. Drie gijzelaars der
+Fomoriërs met een afschuwelijk uiterlijk zijn daar ook; en Conall
+van de Overwinningen met zijn bloedrood schild; en Duftach van
+Ulster met zijn tooverspeer, die zoodra er een strijd aanstaande is,
+in een brouwsel van slaapverwekkende kruiden moet gehouden worden,
+daar zij anders aan haar greep gaat vlammen en wegvliegt, overal moord
+verspreidend; en drie reuzen van het Eiland Man met paardenmanen, die
+tot aan hun hielen reiken. Er wordt nog een vreemde en bovenaardsche
+eigenaardigheid aan toegevoegd door de beschrijving van drie naakte
+en bloedende gedaanten, die aan touwen van de zoldering afhangen--het
+zijn de dochters van de Bav, een andere naam voor de Morrigan, of godin
+van den oorlog, "drie, die ijzingwekkende voorgevoelens opwekken,"
+zegt het verhaal raadselachtig, "het zijn de drie, die op ieder
+oogenblik gedood worden." Wij moeten ze waarschijnlijk beschouwen
+als onlichamelijke wezens, die oorlog en dood voorspellen en alleen
+voor Ingcel zichtbaar zijn. De voorzaal met haar verschillende kamers
+is vol krijgslieden, schenkers, spelende muzikanten en goochelaars,
+die wonderbaarlijke kunsten verrichten, terwijl Da Derga met zijn
+dienaren spijze en drank uitdeelen. Conary zelf wordt als een jong man
+beschreven; "hij heeft de vurigheid en de geestdrift van een koning
+en het beleid van een wijze; de mantel, dien ik om hem heen zag is zoo
+effen als de nevel van een dag in Mei--in iedere tint liefelijker dan
+deze." Zijn zwaard met gouden gevest ligt naast hem--te armslengte is
+het uit de scheede vrijgekomen en schittert als een lichtstraal. Hij
+is de zachtzinnigste en vriendelijkste en meest volmaakte koning,
+die ooit ter wereld is gekomen, zelfs Conary, de zoon van Eterskil
+.... groot is de teederheid van den slaperigen, eenvoudigen man, totdat
+hij een daad van dapperheid heeft te verrichten. Maar als zijn woede
+en zijn moed zijn opgewekt, als de kampioenen van Erin en Alba bij
+hem in huis zijn, zal de verwoesting niet plaats hebben zoolang hij
+binnen is--het ten onderbrengen van die regeering zou droevig zijn."
+
+
+
+Kampioenen in het huis.
+
+
+Daarop trokken Ingcel en de zonen van Desa op ten aanval en omsingelden
+de pleisterplaats.
+
+"Een oogenblik stilte!" zegt Conary, "wat is dit?"
+
+"Kampioenen in het huis", zegt Conall van de Overwinningen.
+
+"Er zijn voor hen krijgslieden hier," antwoordt Conary.
+
+"Zij zullen van nacht noodig zijn," hervat Conall.
+
+Eén der zonen van Desa stormt het eerst het huis binnen. Zijn
+hoofd wordt afgeslagen en weer naar buiten geworpen. Daarop begint
+de groote strijd. Het huis wordt in brand gestoken, maar het vuur
+wordt gebluscht met wijn en alle mogelijke vloeistoffen, die binnen
+zijn. Conary en zijn volk springen te voorschijn--honderden worden
+verslagen en de roovers worden voorloopig op de vlucht gejaagd. Evenwel
+Conary, die wonderen van dapperheid bij den strijd heeft verricht,
+versmacht van dorst en kan niets meer uitrichten, voordat hij water
+heeft gedronken. Maar de roovers hebben op raad van hun toovernaars
+de rivier de Dodder, die door het terrein van het huis stroomde,
+afgeleid, en alle vloeistoffen in het huis waren verbruikt voor het
+blusschen van den brand.
+
+
+
+De dood van Conary.
+
+
+De koning, die van dorst versmacht, vraagt mac Cecht hem water te
+verschaffen, en mac Cecht wendt zich tot Conall met de vraag, of
+hij voor den koning water wil halen of wil achterblijven om hem te
+beschermen, terwijl mac Cecht water haalt. "Laat de verdediging van
+den koning aan ons over," zegt Conall, "en ga gij het water halen,
+want het is u verzocht." Nu holt mac Cecht met den gouden beker
+van Conary weg, zich een weg banend door de omsingelende troepen,
+en gaat naar water zoeken. Daarop komen Conall en Cormac van Ulster
+en de andere kampioenen op hun beurt naar voren en dooden een groot
+aantal vijanden, sommigen keeren gewond en vermoeid terug naar
+den kleinen troep in huis, terwijl anderen zich door den kring van
+vijanden heenslaan. Conall, Sencha en Duflach houden tot het laatst
+toe bij Conary stand; maar het duurt lang eer mac Cecht terugkeert,
+Conary komt van dorst om en daarop slaan de drie helden er zich door
+heen en ontsnappen, gewond, gebroken en verminkt."
+
+Intusschen was mac Cecht over Ierland voortgehold, terwijl hij als
+een razende naar water zocht. Maar het Toovervolk, waarmede hier
+blijkbaar de elementaire machten bedoeld worden, die de natuurkrachten
+beheerschen, hebben alle bronnen tegen hem verzegeld. Tevergeefs
+gaat hij naar de Bron van Kesaiz in Wicklow; hij gaat naar de groote
+rivieren, Shannon en Slayney, Bann en Borrow--alle verbergen zich
+als hij nadert, ook de meren laten hem in den steek; eindelijk vindt
+hij een meer, Loch Gara in Roscommon, dat verzuimde zich in tijds te
+verbergen, en daar vult hij zijn beker. Des morgens keerde hij terug
+met het kostbare en met moeite veroverde vocht, maar vond, dat alle
+verdedigers gesneuveld of gevlucht waren, terwijl twee der roovers
+juist bezig waren het hoofd van Conary af te slaan. Mac Cecht sloeg
+er één het hoofd af, en wierp een ontzaglijken steenen pilaar den
+tweeden achterna, die juist met het hoofd van Conary ontsnapte. De
+roover viel op de plaats dood, en mac Cecht nam het hoofd van zijn
+meester op, en goot het water in zijn mond. Daarop sprak het hoofd,
+en prees en bedankte hem voor zijn daad.
+
+
+
+De wond van mac Cecht.
+
+
+Een vrouw kwam naderbij en zag mac Cecht uitgeput en gewond op het
+slagveld liggen.
+
+"Kom hier, vrouw," zeide mac Cecht.
+
+"Ik durf niet naderbij te komen," zeide de vrouw, "uit afgrijzen en
+vrees voor u."
+
+Maar hij overreedt haar te komen, en zegt: "Ik weet niet, of het een
+vlieg of een mug of een mier is, die in mijn wond steekt."
+
+De vrouw keek er naar en zag dat een harige wolf met de twee schouders
+in de wond begraven was. Zij pakte het dier bij den staart en trok
+het uit de wond, maar het dier trok van hem zooveel af, "als zijn
+kaken konden bevatten."
+
+"Ja," zeide de vrouw, "dit is een mier van het Oude Land."
+
+En mac Cecht nam het bij den strot en sloeg het voor op het hoofd,
+zoodat het dood viel.
+
+
+
+"Leeft uw Heer nog?"
+
+
+Het verhaal eindigt in een werkelijk heldhaftigen toon. Conall van
+de Overwinningen had, zooals wij gezien hebben, zich na den dood van
+den koning door de vijanden heengeslagen en was naar Teltin getrokken,
+waar hij zijn vader Amorgin in den tuin vóór zijn deur vond. De arm van
+Conall, die het schild droeg was door driemaal vijftig speren gewond,
+en hij bereikte nu Teltin met een half schild, en zijn zwaard en de
+overblijfselen van zijn twee speren.
+
+"Vlug zijn de wolven, die u hebben achterna gezeten, mijn zoon,"
+zoo sprak zijn vader.
+
+"Het is een heftige strijd met krijgslieden, waarin wij gewond zijn,
+o oude held," antwoordde Conall.
+
+"Is uw heer nog in leven?" vroeg Amorgin.
+
+"Hij leeft _niet meer_," zegt Conall.
+
+"Ik zweer bij God, wat de groote stammen van Ulster zweren; hij die
+levend den strijd verlaat, na zijn heer bij zijn vijanden in den dood
+te hebben achtergelaten, is een lafaard."
+
+"Mijn wonden zijn niet wit, oude held," zegt Conall. Hij liet hem
+zijn arm zien, waaraan hij zijn speer had gedragen, en waarop driemaal
+vijftig speerwonden waren. De arm, waarmede hij zijn zwaard hanteerde,
+en die niet door zijn schild beschermd was, verminkt en verbrijzeld
+en gewond en doorboord, zoodat hij alleen nog maar door enkele pezen
+aan het lichaam vastzat.
+
+"Die arm heeft van nacht gevochten, mijn zoon," zegt nu Amorgin.
+
+"Dat is waar, oude held," zegt Conall van de Overwinningen. "Velen
+zijn het, die door dien arm van nacht tegenover de pleisterplaats in
+den dood zijn gevoerd."
+
+
+
+Zoo eindigt de vertelling van Etain en van den overval van het
+Tooverland, en van de wraak der toovermannen op den achterkleinzoon
+van Eochy den Opperkoning.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V. VERHALEN VAN DEN CYCLUS VAN ULSTER.
+
+
+
+De vloek van Macha.
+
+
+Het middelpunt der belangstelling in Iersche legenden verplaatst
+zich nu van Tara naar Ulster, en een groot aantal verhalen van
+heldendaden concentreeren zich om Conor mac Nessa, den Koning van
+Ulster, om Cuchulain, [132], zijn grooten vazal, en de Orde der
+Ridders van den Rooden Tak, die haar zetel had in Emain Macha. Wij
+hebben reeds vroeger de legende verteld omtrent de stichting van
+Emain Macha [133]. Maar Macha, die niet meer een gewone vrouw was,
+maar een boven natuurlijk wezen, komt weer naar voren in verband
+met de geschiedenis van Ulster in een zeer merkwaardig verhaal, dat
+naar men zich voorstelde een verklaring gaf van de vreemde zwakheid
+of hulpeloosheid, die somtijds op critieke oogenblikken geacht werd
+over de krijgslieden der provincie te komen.
+
+De legende verhaalt, dat een vermogende landbouwer uit Ulster,
+Crundchu, de zoon van Agnoman, die op een eenzame plaats tusschen
+de heuvels woonde, op zekeren dag in zijn tuin een jonge vrouw vond
+van buitengewone schoonheid en schitterend gekleed, die hij nooit
+te voren had gezien. Zooals het verhaal luidt was Crundchu een
+weduwnaar, wiens vrouw gestorven was na hem vier zonen te hebben
+geschonken. De vreemde vrouw ging zonder een woord te spreken
+de huiselijke bezigheden verrichten, maakte den maaltijd gereed,
+melkte de koe en nam al de plichten eener huisvrouw op zich. Des
+nachts legde zij zich naast Crunchu neder, en leefde later met hem
+als zijn vrouw, en zij hadden elkander innig lief. Haar naam was
+Macha. Op zekeren dag maakte Crundchu zich gereed om naar een groote
+jaarmarkt of bijeenkomst der mannen van Ulster te gaan, waar zou worden
+feestgevierd, paardenwedrennen en tournooien zouden worden gehouden,
+en muziek gemaakt, in één woord, waar men op elke mogelijke wijze
+zich zou kunnen vermaken. Macha verzocht haar echtgenoot, thuis te
+blijven. Hij bleef echter bij zijn plan. "Beloof mij dan ten minste",
+zeide zij, "dat gij in de vergadering niet over mij spreekt, want ik
+mag slechts zoolang bij u blijven, als over mij niet wordt gesproken".
+
+De opmerking is gemaakt, dat wij hier in de post-classieke Europeesche
+litteratuur voor het eerst het motief zien optreden van de tooverbruid,
+die alleen zóólang bij haar sterfelijken minnaar mag vertoeven als
+bepaalde voorwaarden worden in acht genomen, zooals deze, dat hij
+haar niet mag bespieden of mishandelen, of naar haar herkomst mag
+vragen. Crundchu beloofde aan dat verzoek te zullen gehoorzamen en
+ging naar het feest. Hier behaalden de twee paarden van den Koning
+den éénen prijs na den anderen in de wedrennen, en het volk riep:
+"Er is in Ierland geen vlugger span paarden, dan dat van den Koning".
+
+"Ik heb thuis een vrouw", zeide Crundchu, in een oogenblik van
+onnadenkendheid, "die harder kan loopen dan deze paarden".
+
+"Grijpt dien man", zeide de koning woedend, "en houdt hem gevangen,
+totdat zijn vrouw hier gebracht is, om den wedstrijd te houden".
+
+Daarop gingen boden naar Macha, en zij werd naar de bijeenkomst
+gebracht; maar zij was zwanger. De koning beval haar zich voor den
+wedstrijd gereed te maken. Zij beriep zich op haar toestand. "Ik
+ben op het punt een kind ter wereld te brengen", zeide zij. "Hakt
+dan haar man in stukken", zeide de koning tot zijn lijfwacht. Macha
+wendde zich tot de omstanders. "Helpt mij", riep zij, "want een
+moeder heeft u allen gedragen! Geeft mij slechts een korten tijd
+uitstel, totdat ik het kind heb ter wereld gebracht". Maar de koning
+en de geheele menigte wilden in hun woeste begeerte naar uitspanning
+van geen uitstel weten. "Brengt dan de paarden voor", zeide Macha,
+"en omdat gij geen medelijden hebt, zal er een erger schande over
+u vallen". Toen hield zij een wedren met de paarden, en overtrof ze
+in snelheid, maar nauw had zij den eindpaal bereikt, of zij gaf een
+luiden gil, werd door weeën overvallen, en bracht een tweeling ter
+wereld. Toen zij echter dien gil gaf, werden alle toeschouwers door
+dezelfde smarten overvallen als zij, en hadden zij niet meer kracht
+dan een vrouw in barensnood. En Macha voorspelde: "Van dit uur af zal
+de schaamte, die gij over mij hebt gebracht, iederen man van Ulster
+overvallen. In de uren van uw grootsten nood zult gij zwak en hulpeloos
+zijn als een vrouw in barensnood, en dit zal vijf dagen en vier nachten
+duren--tot in het negende geslacht zal dien vloek op u rusten." En zoo
+geschiedde het; en dit is de reden van de groote zwakheid der mannen
+van Ulster, die de krijgslieden der provincie placht te overvallen.
+
+
+
+Conor mac Nessa.
+
+
+De voornaamste gelegenheid, waarbij die zwakheid zich openbaarde,
+was toen Maev, de koningin van Connacht, den beroemden strooptocht
+deed om het vee van Quelgny te rooven. (_Tain Bo Cuailgné_),
+die het onderwerp is van de machtigste vertelling in de Iersche
+litteratuur. Wij moeten nu de inleidende geschiedenis verhalen, die
+leidt tot dit episch verhaal, en de voornaamste karakters onder de
+oogen onzer lezers brengen.
+
+Fachtna de Reus, koning van Ulster, had tot vrouw Nessa, de dochter
+van Echid met den Gelen Hiel, en zij schonk hem een zoon, Conor
+genaamd. Maar toen Fachtna stierf, volgde Fergus, de zoon van Roy,
+zijn halfbroeder, hem op, daar Conor toen nog zeer jong was. Fergus
+nu beminde Nessa, en zou met haar gehuwd zijn, maar zij stelde
+voorwaarden. "Laat mijn zoon Conor één jaar regeeren," zoo sprak
+zij, "zoodat zijn nakomelingen van een koning afstammen, dan zal ik
+mijn toestemming geven." Fergus stemde er in toe, en de jeugdige
+Conor besteeg den troon. Maar zijn bestuur was zoo verstandig en
+voorspoedig, en zijn beslissingen waren zóó uitstekend, dat, zooals
+Nessa had voorzien, het volk op het einde van het jaar wilde, dat hij
+koning bleef; en Fergus, die meer hield van feestvieren en van jagen
+dan van de beslommeringen van het koningschap, was met die regeling
+tevreden, en bleef een tijdlang aan het hof van Conor, wel groot,
+geëerd en gelukkig, maar niet langer koning.
+
+
+
+De roode tak.
+
+
+In dien tijd viel de grootste glorie van den "Roode Tak" in Ulster;
+zij stamden af van Ross den Roode, den koning van Ulster, en hadden
+nog bloedverwanten in de zijlijn en bondgenooten, die ten slotte
+een soort van krijgszuchtige Orde vormden. De meeste Helden van
+den Rooden Tak komen voor in de legendencyclus van Ulster, zoodat
+het zijn nut heeft, hier hun namen en bloedverwantschap op te geven,
+voordat wij hun daden gaan bespreken. Wij vestigen er de aandacht op,
+dat zij gedeeltelijk bovennatuurlijke voorouders hebben. Ross de Roode
+toch was gehuwd met een vrouw uit het Volk van Dana, en wel met Maga,
+de dochter van Angus Og. [134] Maar tevens had hij als tweede vrouw
+een maagd, Roy genaamd. Zijn afstammelingen zijn:
+
+
+ Maga = Ross de Roode = Roy
+ | |
+ Fachtna de Reus = Nessa Fergus mac Roy
+ |
+ Conor mac Nessa.
+
+
+Maar Maga was tevens gehuwd met den Druïde Cathbad, uit welk huwelijk
+drie dochters geboren waren, wier afstammelingen een belangrijke rol
+speelden in den legendencyclus van Ulster.
+
+
+ Cathbad = Maga
+ |
+ +------------------------------------------+
+ | | |
+ Dectera [135] = Lugh Elva = Usna Finchoom = Amorgin
+ | | |
+ | +-------+------+ |
+ | | | | |
+ Cuchulain Naisi Ainlé Ardan Conall van de
+ Overwinningen
+
+
+
+
+De geboorte van Cuchulain.
+
+
+Het was tijdens de regeering van Conor mac Nessa dat de machtigste
+held van het Keltische ras, Cuchulain, geboren werd, en dit geschiedde
+aldus. Op zekeren dag verdween het meisje Dectera, de dochter van
+Cathbad met vijftig jonge meisjes, haar gezellinnen aan het hof van
+Conor, en drie jaar lang hielp geen zoeken om haar verblijfplaats
+te ontdekken of iets omtrent haar lot gewaar te worden. Eindelijk
+daalde op zekeren zomerschen dag een zwerm vogels neer op de akkers
+bij Emain Macha en begon den oogst en de vruchten te vernielen. De
+koning, met Fergus en anderen van zijn edelen, trok tegen hen uit
+met slingers, maar de vogels vlogen slechts een eind ver weg, en
+lokten hun vervolgers telkens mede, totdat deze bij den Tooverberg
+van Angus aan de Boyne gekomen waren. De nacht daalde neer, en de
+koning zond een troep met Fergus weg om de één of andere woning
+te zoeken, waar zij zich te slapen konden leggen. Er werd een hut
+gevonden, waar zij zich heen begaven om te rusten, maar één van hen,
+die er verder op uittrok, bereikte een deftige woning aan de rivier,
+en toen hij daar binnentrad, kwam hem een jonge man met een schittend
+uiterlijk te gemoet. Bij den vreemdeling was een bekoorlijke vrouw,
+zijn echtgenoote, en vijftig meisjes, die den krijgsman uit Ulster met
+vreugde begroetten. En hij herkende in deze vrouwen Dectera en haar
+gezellinnen, die zij drie jaar gemist hadden, en in den schitterenden
+jongeling Lugh met den Langen Arm, den zoon van Ethtinn. Hij ging met
+zijn bericht terug naar den koning, die onmiddellijk Dectera naar zich
+terug ontbood. Maar zij verzocht een tijd uitstel, onder voorwendsel,
+dat zij ziek was en zoo ging de nacht voorbij; maar des morgens werd
+in de hut onder de krijgslieden van Ulster een pasgeboren mannelijk
+kind gevonden. Het was de gift van Dectera aan Ulster, en met dat
+doel had zij hen naar het tooverpaleis aan de Boyne gelokt. Het kind
+werd door de krijgslieden mede naar huis genomen en toevertrouwd aan
+Finchoom, de zuster van Dectera, die toen haar eigen kind voedde,
+en de jongen werd Setanta genoemd. Het gedeelte van Ulster, dat zich
+uitstrekt van Dundalk naar het zuiden tot Usna in Meath, welk gedeelte
+de Vlakte van Murthemney genoemd wordt, werd als erfdeel aangewezen,
+en later was zijn vesting en zijn woonplaats in Dundalk gelegen.
+
+Men verhaalt, dat de Druïde Morann omtrent het jonge kind het
+volgende voorspelde: "Zijn lof zal in den mond van alle mannen zijn;
+wagenmenners en krijgslieden, koningen en wijzen zullen zijn daden
+verhalen; hij zal de liefde van velen winnen. Dit kind zal al het
+ons aangedane onrecht wreken; hij zal strijden aan uw waterstroomen,
+hij zal al uw twisten beslechten."
+
+
+
+De hond van Cullan.
+
+
+Toen hij oud genoeg was, ging de jonge Setanta naar het hof van Conor
+om opgevoed en onderwezen te worden met de andere zonen van vorsten
+en hoofden. Nu geschiedde de gebeurtenis, waaraan hij den naam van
+Cuchulain ontleende, waarbij hij later bekend zou worden.
+
+Op zekeren namiddag gingen koning Conor en zijn edelen naar een
+feest, waarop zij genoodigd waren in de dun van een rijken smid in
+Quelgny, Cullan genaamd, waar zij ook voornemens waren den nacht
+door te brengen. Setanta zou hen vergezellen, maar toen de stoet
+op weg ging, was hij met zijn makkers midden in een balspel bezig,
+en daarom verzocht hij den koning zonder hem weg te gaan, zeggende,
+dat hij, als het spel was afgeloopen, wel zou volgen. Het koninklijk
+gezelschap kwam tegen het aanbreken van den avond op de plaats van
+bestemming. Cullan ontving hen gastvrij, en in de groote zaal deden
+zij zich te goed aan vleesch en wijn, terwijl de huisheer de poorten
+van zijn vesting grendelde en buiten een ontzaglijken en woesten hond
+losliet, die iederen nacht de eenzame woning bewaakte, en onder wiens
+bescherming Cullan in het minst niet behoefde te vreezen, zelfs voor
+den aanval van een leger.
+
+Maar zij hadden niet gedacht aan Setanta! In het midden der
+vroolijkheid en der muziek van het feest werd een vreeselijk geluid
+gehoord, dat iedereen in een oogenblik deed opvliegen. Het was het
+vreeselijk geblaf van de hond van Cullan, die oogenblikkelijk aansloeg,
+toen hij een vreemdeling zag naderen. Spoedig veranderde het geluid
+in het gehuil van een woesten strijd, maar als allen naar de poorten
+stormden, zagen zij in den schijn der lantaarns een jongen man staan,
+terwijl de hond dood aan zijn voeten lag. Toen deze namelijk op hem
+was aangevlogen, had hij hem bij den strot gegrepen en tegen den
+deurpost te pletter geslagen. De krijgslieden droegen den jongen met
+vreugde en bewondering naar binnen, maar spoedig eindigde de triomf,
+want daar stond hun gastheer, zwijgend en droevig over het lijk van
+zijn trouwen vriend, die voor de veiligheid van zijn huis gestorven
+was en het nooit meer zou bewaken.
+
+"Geef mij," zoo sprak toen de jonge Setanta, "een jong van dien hond,
+o Cullan, en ik zal hem zoo dresseeren, dat hij voor u alles zal zijn,
+wat de doode hond was. En geef mij tot dien tijd een schild en een
+speer, en ik zal zelf uw huis bewaken; geen hond heeft het ooit beter
+bewaakt dan ik doen zal."
+
+En het geheele gezelschap juichte om de edelmoedige gelofte, en
+oogenblikkelijk noemden zij den jongeling ter herinnering aan zijn
+eersten heldendaad Cuchulain [136], den Hond van Cullan, en bij dien
+naam was hij tot aan zijn dood bekend.
+
+
+
+Cuchulain neemt de wapenen ter hand.
+
+
+Toen hij ouder was, en de tijd naderde, waarop hij de wapenen van
+den mannelijken leeftijd mocht aannemen, gebeurde het op zekeren
+dag, dat hij dicht langs de plaats ging, waar Cathbad de Druïde
+enkelen van zijn leerlingen onderwees in de kunst der waarzeggerij
+en voorspelling. Een van hen vroeg Cathbad, voor welke soort van
+onderneming die dag wel geschikt zou zijn; en Cathbad antwoordde,
+na een voorspelling te hebben bestudeerd: "De jongeling, die van
+daag de wapenen ter hand zou nemen, zou van alle mannen in Erin
+het beroemdst worden om zijn groote heldendaden, maar zijn leven zal
+vergankelijk en kort zijn." Cuchulain ging door, alsof hij het niet had
+verstaan, en kwam vóór den koning. "Wat wilt gij?" vroeg Conor. "Ik
+wil de wapenen van den mannelijken leeftijd ter hand nemen," zeide
+Cuchulain. "Het zij zoo," zeide de koning, en hij gaf den jongeling
+twee groote speren. Maar Cuchulain schudde ze in zijn hand, en de
+staven splinterden en braken. En zoo deed hij met een aantal andere
+speren; en de wagens, waarin zij hem plaatsten om daarmede te rijden,
+brak hij in stukken door met zijn voeten te stampen, totdat ten slotte
+de krijgswagen van den koning zelf en diens twee speren en zwaard aan
+den knaap werden gebracht, maar deze kon hij niet breken, al spande
+hij zich nog zoo in; daarom kreeg hij die uitrusting in eigendom.
+
+
+
+Hoe hij dong naar de hand van Emer.
+
+
+De jeugdige Cuchulain was nu een zoo schoone en edele jongeling
+geworden, dat iedere maagd of vrouw op wie hij de oogen sloeg onder
+zijn betoovering kwam, en de mannen van Ulster hem smeekten zich
+een vrouw te kiezen. Maar geen van de meisjes bekoorde hem totdat
+hij eindelijk de aanvallige maagd Emer zag, de dochter van Forgall,
+de heer van Lusca, en hij besloot haar hand te vragen. Daarom beval
+hij zijn wagen in te spannen en hij vertrok met Laeg, zijn vriend en
+wagenmenner naar Dun Forgall [137].
+
+Toen hij naderbij kwam, was het meisje in gezelschap van haar
+gezellinnen, de dochters van de vazallen van Forgall, die zij
+onderricht gaf in het borduren, want in die kunst overtrof zij alle
+vrouwen. Zij had "de zes gaven der vrouw--de gave der schoonheid,
+de gave der stem, de gave van vriendelijk spreken, de gave van het
+naaldwerk, de gave der wijsheid en de gave der kuischheid."
+
+Toen zij de paardehoeven hoorde weerklinken en het geratel van den
+wagen in de verte, verzocht zij één der meisjes naar de wallen van
+de Dun te gaan en haar te vertellen wat zij zag. "Er komt een wagen
+aan," zeide het meisje "getrokken door twee paarden met schuddende
+koppen, woest en krachtig; het ééne is grijs, het andere zwart. Uit
+hun bekken blazen zij vuur, en de aardkluiten, die zij achter zich
+opwerpen als zij voorthollen gelijken op een zwerm vogels, die hun
+sporen volgen. In den wagen is een donkere, sombere man, de schoonste
+van alle mannen uit Erin. Hij is gekleed in een karmozijnrooden mantel
+met een gouden gesp, en op zijn rug is een karmozijnrood schild met
+een zilveren rand, waarop figuren van dieren zijn gewerkt. Bij hem
+zit als wagenmenner een lange, slanke, sproetige man met krullend
+rood haar, dat samen gehouden wordt door een haarband van brons, met
+gouden platen aan weerszijden van het gelaat. Hij drijft de paarden
+aan met een prikkel van rood goud."
+
+Terwijl de wagen kwam aanrijden, ging Emer Cuchulain te gemoet en
+groette zij hem. Maar toen hij met zijn liefde bij haar aandrong,
+vertelde zij van de macht en de sluwheid van haar vader Forgall,
+en van de kracht der kampioenen, die haar bewaakten, opdat zij niet
+tegen zijn wil zou huwen. En toen hij nog langer aandrong, zeide zij:
+"Ik wil niet huwen vóór mijn zuster Fial die ouder is dan ik. Zij
+is hier bij mij--zij munt bijzonder uit in naaldwerk." "Het is niet
+Fial, die ik lief heb," zeide Cuchulain. Toen zag hij, terwijl zij
+met elkander spraken, de borst van het meisje boven den rand van
+haar hemd, en zeide hij: "Schoon is die vlakte, die vlakte van het
+schitterende paar." "Niemand komt bij die vlakte," zoo sprak zij,
+"die zijn honderden niet heeft verslagen, en gij moet nog beginnen
+met uw daden."
+
+Daarop verliet Cuchulain haar, en reed hij terug naar Emain Macha.
+
+
+
+Cuchulain in het land van Skatha.
+
+
+Den volgenden dag overlegde Cuchulain, hoe hij zich voor den oorlog zou
+gereed maken en voor de heldendaden, die Emer van hem had geëischt. Nu
+had hij gehoord van een geweldige vrouwelijke krijger, Skatha genaamd,
+die in het Land der Schaduwen [138] woonde, en die jonge helden,
+die bij haar kwamen, schitterende wapenfeiten kon leeren. Daarom
+trok Cuchulain verschillende zeeën over om haar te vinden, en hij had
+velerlei gevaren te trotseeren, zwarte bosschen en verlaten vlakten
+door te trekken, voordat hij berichten kon krijgen van Skatha en
+haar Land. Ten slotte kwam hij in de Vlakte van den Tegenspoed,
+die hij niet kon oversteken zonder vast te raken in haar bodemlooze
+moerassen of kleverige klei, en toen hij bij zich zelf overlegde,
+wat hij zou doen, zag hij een jong man op hem afkomen met een gelaat,
+dat schitterde als de zon, en wiens blik reeds voldoende was vreugde
+en hoop in zijn hart op te wekken. De jonge man gaf hem een wiel en
+beval hem dit voor zich uit te rollen over de vlakte, en het overal
+te volgen, waar het heenging. Cuchulain bracht dus het wiel aan het
+rollen, en terwijl het rolde, schitterde het van het licht, dat als
+stralen uitstraalde uit zijn rand, en de hitte daarvan veroorzaakte,
+dat er een harde weg door het moeras ontstond, waarover Cuchulain
+veilig volgde. Toen hij de Vlakte van den Tegenspoed was doorgetrokken
+en aan de wilde dieren van den gevaarlijken Bergpas was ontsnapt, kwam
+hij aan de Brug der Sprongen, aan de overzijde waarvan het land van
+Skatha gelegen was. Aan deze zijde van de brug vond hij hier een aantal
+zonen van de vorsten van Ierland, die daar gekomen waren om wapenfeiten
+van Skatha te leeren; zij speelden met ballen op de grasvlakte. En
+onder dezen was zijn vriend Ferdia, de zoon van den Firbolg Daman;
+deze allen vroegen hem nieuws uit Ierland. Toen hij hun alles had
+verteld, vroeg hij Ferdia, hoe hij zou kunnen oversteken naar de dun
+van Skatha. De Brug der Sprongen was echter zeer smal en zeer hoog,
+en overbrugde een bergkloof, waar diep beneden de golven eener kokende
+zee schuimden, waarin men vraatzuchtige monsters kon zien zwemmen.
+
+"Niemand onzer is ooit die brug overgetrokken", zeide Ferdia, "immers
+er zijn twee kunstgrepen, die Skatha ons eerst het allerlaatst leert;
+één daarvan is de sprong over de brug, de andere is het werpen van de
+Gae Bolg. Immers als iemand op het ééne uiteinde van de brug stapt,
+gaat het middengedeelte onmiddellijk omhoog en werpt hem terug,
+en als hij er op springt, heeft hij kans mis te springen en in het
+water te vallen, waar de zeemonsters op hem wachten.
+
+Maar Cuchulain wachtte tot den avond, toen hij van zijn vermoeienis
+na de lange reis was bekomen, en trachtte toen de brug over te
+trekken. Driemaal rende hij met een aanloop heen, terwijl hij al zijn
+krachtten in het werk stelde, en trachtte op het midden te springen,
+maar driemaal ging het midden omhoog en wierp hem terug, terwijl
+zijn makkers hem bespotten, omdat hij niet wilde wachten op de hulp
+van Skatha. Maar bij den vierden sprong, kwam hij juist neer op het
+midden van de brug, en met een tweeden sprong was hij er over heen,
+en stond hij voor de sterke vesting van Skatha; deze nu verbaasde
+zich over zijn moed en zijn kracht en nam hem onder haar leerlingen op.
+
+Een jaar en een dag bleef Cuchulain bij Skatha en alle kunstgrepen, die
+zij kon onderwijzen, leerde hij gemakkelijk, en het allerlaatste leerde
+zij hem het gebruik van de Gae Bolg, en gaf zij hem dat vreeselijke
+wapen, dat zij geen kampioen vóór hem wilde schenken, daar zij meende,
+dat niemand het waard was. De wijze nu waarop de Gae Bolg gebruikt
+werd, was deze, dat zij met den voet werd geworpen, en als zij in het
+lichaam van een vijand drong, vulde zij ieder van zijn ledematen en
+openingen met haar weerhaken. Terwijl hij bij Skatha verblijf hield
+was onder al zijn vrienden zijn grootste vriend en zijn mededinger in
+behendigheid en dapperheid, Ferdia, en voordat zij scheidden, deden
+zij de gelofte, dat zij elkander zouden helpen zoolang zij leefden.
+
+
+
+Cuchulain en Aifa.
+
+
+Terwijl nu Cuchulain in het Land der Schaduwen was, voerde Skatha
+juist oorlog met het volk van Vorstin Aifa, die de meest geweldige
+en sterkste was van de vrouwelijke krijgslieden der geheele wereld,
+zoodat zelfs Skatha vreesde met haar te strijden. Daarom mengde Skatha
+in den drank van Cuchulain, toen zij ten oorlog trok, slaapwekkende
+kruiden, opdat hij niet binnen vier en twintig uren zou ontwaken,
+zoodat in dien tusschentijd het leger reeds ver op weg zou zijn,
+daar zij vreesde, dat hem ongelukken zouden treffen, voordat hij
+zijn volle kracht had gekregen. Maar de drank, die bij een ander
+man voor een dag en een nacht voldoende zou geweest zijn, hield
+Cuchulain slechts één uur in slaap; en toen hij ontwaakte greep hij
+zijn wapenen en volgde hij den troep langs de wagensporen, totdat hij
+hen had ingehaald. Daarop slaakte Skatha een zucht, omdat zij wist,
+dat hij zich niet zou laten weerhouden te strijden.
+
+Toen de legers handgemeen werden, verrichtten Cuchulain en de beide
+zonen van Skatha groote wapenfeiten tegen den vijand, en doodden
+zij zes der machtigste krijgslieden van Aifa. Daarop zond Aifa een
+bode naar Skatha en daagde zij haar uit tot een tweegevecht. Maar
+Cuchulain zeide, dat hij tegen de schoone Furie zou strijden in de
+plaats van Skatha, en vroeg het allereerst, wat de dingen waren,
+die zij het meest op prijs stelde. "Waar Aifa het meest aan gehecht
+is," zeide Skatha, "dat zijn haar twee paarden, haar wagen en haar
+wagenmenner." Daarop begon het tweegevecht, maar iedere kunst,
+die zij kenden, beproefden zij te vergeefs tegen elkander, totdat
+eindelijk een slag van Aifa het zwaard van Cuchulain tot aan het
+gevest verbrijzelde. Daarop riep Cuchulain: "Zie eens, de wagen en de
+paarden van Aifa zijn in den bergpas gevallen." Aifa keek toen om,
+waarop Cuchulain op haar losstormde, haar om het middel pakte, over
+zijn schouder wierp en naar het kamp van Skatha droeg. Daar wierp hij
+haar op den grond en hield zijn mes tegen haar hals. Zij smeekte om
+haar leven, en Cuchulain stond dat toe, onder voorwaarde dat zij een
+blijvende vrede met Skatha zou sluiten en gijzelaars zou geven voor
+de vervulling harer gelofte. Daarin stemde zij toe, en Cuchulain en
+zij werden niet alleen vrienden, maar ook geliefden.
+
+
+
+
+De tragedie van Cuchulain en Connla.
+
+
+Voordat Cuchulain het Land der Schaduwen verliet, gaf hij Aifa een
+gouden ring, waarbij hij haar opdroeg, dat als zij hem een zoon zou
+schenken, deze zijn vader in Erin moest zoeken, zoodra hij zóó groot
+was geworden, dat de ring aan zijn vinger zou passen. En Cuchulain
+zeide: "Beveel hem onder _geise_, dat hij zich niet mag bekend maken,
+dat hij voor niemand uit den weg mag gaan en nooit een gevecht mag
+weigeren. En hij moet den naam Connla dragen."
+
+In later jaren werd verhaald, dat op zekeren dag, toen koning Conor
+van Ulster en de edelen van Ulster op een feestelijke bijeenkomst
+waren op het Strand der Voetstappen, zij een kleine bronzen boot van
+over de zee naar zich toe zagen komen, waarin een jonge knaap zat met
+vergulde riemen in de handen. In de boot was een groote hoop steenen,
+en telkens deed de knaap één dier steenen in een slinger en wierp dien
+naar een vliegende zeevogel met zóó groote handigheid, dat de vogel
+levend aan zijn voeten neerviel. En hij gaf nog een aantal andere
+wonderlijke voorbeelden van behendigheid. Daarop zeide Conor, toen de
+boot dichterbij kwam: "Als de volwassen mannen uit het land van dezen
+knaap hier kwamen, zouden zij ons zeker tot poeder vergruizen. Wee
+het land, waarin die jongen zal komen."
+
+Toen de knaap aan land kwam, werd een bode, Condery naar hem gezonden
+met het bevel te verdwijnen. "Ik zal voor u niet teruggaan" zeide de
+knaap, en Condery herhaalde den koning, wat hij gezegd had. Daarop werd
+Conall van de Overwinningen tegen hem gezonden, maar de knaap slingerde
+een grooten steen naar hem toe, en het gegons en de wind, daardoor
+veroorzaakt, sloeg hem ter neder, waarop de knaap op hem sprong en
+zijn armen vastbond met de strop van zijn schild. En zoo geschiedde
+met verschillende anderen, sommigen werden gebonden, anderen gedood,
+maar de knaap tartte de geheele legermacht van Ulster, hem terug te
+jagen, en ook wilde hij noch zijn naam noch zijn afkomst mededeelen.
+
+"Ontbied Cuchulain", zeide daarop koning Conor. Er werd nu een bode
+naar Dundalk gezonden, waar Cuchulain was met zijn vrouw Emer, en hem
+werd bevolen te vechten tegen een vreemden knaap, die Conall van de
+Overwinningen niet had kunnen overwinnen. Emer sloeg haar arm om den
+hals van Cuchulain. "Ga toch niet", smeekte zij. "Dit moet de zoon
+van Aifa zijn. Dood uw eenigen zoon niet". Maar Cuchulain zeide:
+"Houd op vrouw! Al was het Connla zelf, toch zou ik hem dooden voor
+de eer van Ulster", waarop hij beval zijn wagen in te spannen en naar
+het strand ging. Daar vond hij den knaap bezig met het heen en weer
+slingeren van zijn wapens, terwijl hij daarmede wonderlijke dingen
+deed. "Uw spel is alleraardigst, mijn jongen", sprak Cuchulain: "wie
+zijt gij en waar komt gij vandaan?" "Dat mag ik niet bekend maken",
+zeide de knaap. "Dan moet gij sterven" antwoordde Cuchulain. "Het
+zij zoo," zeide de knaap, en daarop vochten zij een tijdlang met
+zwaarden, totdat de knaap sierlijk een lok van het haar van Cuchulain
+afsneed. "Ik heb genoeg van dat kinderspel," zeide Cuchulain, en
+zij worstelden met elkander, maar de knaap ging op een rotsblok
+staan en stond zoo stevig dat Cuchulain hem niet kon verwrikken, en
+in die hardnekkige worsteling, drongen de twee voeten van den knaap
+diep in den steen en veroorzaakten de afdrukken, waaraan de naam van
+Strand der Voetstappen is ontleend. Eindelijk vielen beiden in zee,
+en Cuchulain was op het punt te verdrinken, toen hij zich in eens de
+Gae Bolg herinnerde, en dat wapen tegen den knaap slingerde, zoodat
+zijn buik openscheurde. "Dit heeft Skatha mij nooit geleerd," riep de
+knaap. "Wee mij, ik ben gewond". Cuchulain keek naar hem en zag den
+ring aan zijn vinger. "Het is waar," zeide hij, en hij nam den knaap
+op en droeg hem naar het strand en legde hem neer voor Conor en de
+edelen van Ulster. "Hier is mijn zoon voor u, mannen van Ulster",
+zeide hij. En de knaap zeide: "Dat is waar, en als ik vijf jaar
+onder u had mogen opgroeien, zoudt gij de wereld aan iederen kant
+om u heen veroveren, en zelfs zoover als Rome regeeren. Maar nu dit
+niet het geval is, wijs mij de beroemde krijgslieden aan, die hier
+zijn, opdat ik hen leere kennen en vóór mijn dood afscheid van hen
+moge nemen." Daarop werden zij één voor één naar hem toegebracht,
+en hij kuste hen, nam afscheid van zijn vader en stierf; en de mannen
+van Ulster dolven zijn graf en richtten onder groot rouwbeklag zijn
+grafzuil op. Dit was de eenige zoon, die Cuchulain ooit had, en dien
+zoon doodde hij zelf.
+
+Dit verhaal, zooals wij het hier hebben gegeven, dagteekent van de
+negende eeuw, en wordt gevonden in het "Gele Boek van Lecan". Er zijn
+verschillende Galische lezingen daarvan in poëzie en proza. Het is
+één van de oudste in de litteratuur voorkomende behandelingen van het
+sinds dien zoo goed bekende onderwerp van den dood van een heldhaftigen
+zoon door zijn vader. De Perzische lezing van het verhaal van Sohrab
+en Rustum is in de Engelsche litteratuur bekend geworden door het
+schoone gedicht van Matthew Arnold.
+
+Bij de Iersche lezing zal de lezer hebben opgemerkt, dat de vader
+eenig vermoeden heeft van de identiteit van zijn tegenstander, maar
+hij vecht met hem onder den prikkel van dat hartstochtelijke gevoel
+van trouw en verknochtheid aan zijn vorst en zijn land, wat de meest
+op den voorgrond tredende karaktertrek is van Cuchulain.
+
+Wij hebben om de geschiedenis van Aifa en haar zoon te voltooien, op
+de gebeurtenissen vooruitgeloopen, en keeren weer tot ons onderwerp
+terug en hervatten den draad van ons verhaal.
+
+
+
+De eerste strooptocht van Cuchulain.
+
+
+Na een jaar en een dag in de oorlogskunst geoefend te zijn onder
+Skatha, keerde Cuchulain naar Erin terug, vol verlangen zijn kloekheid
+op de proef te doen stellen en Emer als vrouw te winnen. Daarom beval
+hij zijn wagen te doen aanspannen, en reed weg, om een strooptocht te
+maken naar de stroomen en de moerassen van Connacht, immers tusschen
+Connacht en Ulster was voortdurend strijd langs de grenzen.
+
+En eerst reed hij naar den Witten Steenhoop, die op den hoogsten
+der Bergen van Mourne zijn, en overzag hij het land van Ulster, dat
+zich lachend in de zonneschijn ver onder hem uitstrekte, en beval hij
+zijn wagenmenner, hem den naam te noemen van iederen heuvel, iedere
+vlakte en iedere dun, die hij zag. Daarna in zuidelijke richting
+ziende keek hij over de vlakten van Bregia, en de wagenmenner wees
+hem Tara en Teltin aan en Brugh na Bogna en de groote dun van de
+zonen van Nechtan. "Zijn dat," zoo vroeg Cuchulain, "die zoons
+van Nechtan, van wie verhaald wordt, dat door hun hand meer van de
+mannen van Ulster gevallen zijn dan nog thans op aarde leven?" "Het
+zijn dezelfde," zeide de wagenmenner. "Laat ons dan daarheen rijden,"
+zeide Cuchulain. Zoo reed de wagenmenner zeer tegen zijn zin naar de
+vesting van de zonen van Nechtan, en daar zagen zij op de grasvlakte
+ervoor een steenen pilaar, en daaromheen een bronzen band waarop
+teekens in Oghamschrift waren aangebracht. Cuchulain las deze en het
+hield in, dat iedereen, die op den leeftijd was om wapenen te dragen,
+en naar die vlakte zou komen, het tot _geis_ zou beschouwen, om weg te
+gaan zonder één der bewoners van de dun tot een tweegevecht te hebben
+uitgedaagd. Daarop sloeg Cuchulain zijn armen om den steen heen, en
+na dien heen en weer te hebben geslingerd, lichte hij hem ten laatste
+uit den grond en wierp hem met den bronzen band er bij, in de rivier,
+die dichtbij stroomde. "Ongetwijfeld," sprak de wagenmenner, "zoekt
+gij een gewelddadigen dood, en nu zult gij dien zonder verwijl vinden."
+
+Daarop kwam Foill, de zoon van Nechtan uit de dun, en hij was
+ontstemd, toen hij Cuchulain bemerkte, dien hij slechts voor een
+knaap aanzag. Maar Cuchulain vroeg hem, zijn wapenen te halen,
+"want ik dood geen wagenmenners, of boden of ongewapende mannen," en
+Foill ging de dun binnen. "Gij kunt hem niet dooden," zeide daarop
+de wagenmenner, "want door tooverkrachten is hij onkwetsbaar voor
+de punt of den scherpen kant van eenig zwaard." Maar Cuchulain deed
+in zijn slinger een bal van gehard ijzer, en toen Foill verscheen,
+wierp hij dien tegen hem aan, zoodat hij zijn voorhoofd raakte en
+recht door zijn hersens en zijn schedel heenging; en Cuchulain nam
+zijn hoofd en bond dit aan den rand van zijn wagen. En andere zoons
+van Nechtan, die naar buiten traden, bevocht hij en doodde hen door
+zwaard en speer; daarna stak hij de dun in brand, verliet die toen
+zij in lichte laaie vlam stond en reed opgetogen weg. Op weg zag hij
+een troep wilde zwanen, en zestien van deze bracht hij levend naar
+beneden met zijn slinger, en bond ze aan den wagen, en toen hij een
+kudde wilde herten zag, die zijn paarden niet konden inhalen, steeg
+hij af en joeg ze te voet na, totdat hij twee groote herten ving,
+die hij met riemen en touwen bevestigde aan den wagen.
+
+Maar te Emain Macha kwam een verspieder van koning Conor naar binnen
+loopen om hem nieuws te brengen. "Let op, één enkele wagen nadert
+snel over de vlakte; wilde witte vogels fladderen er om heen en wilde
+herten zijn er aan vastgebonden; hij is overal bedekt met de bloedige
+hoofden van vijanden." En Conor keek uit, om te zien, wie naderde,
+en hij zag dat Cuchulain woedend van strijdlust was en ieder dien hij
+ontmoette zou willen dooden; daarom beval hij, dat een troep vrouwen
+uit Emain Macha naar buiten zoude gaan om hem te gemoet te treden, en
+na haar kleeren te hebben uitgetrokken, naakt op zijn weg zouden gaan
+staan. Dit deden zij, en toen de knaap hen zag, boog hij uit schaamte
+zijn hoofd op den rand van den wagen. Daarop grepen de mannen van Conor
+hem oogenblikkelijk vast en dompelden hem in een kuip koud water, die
+gereed was gezet, maar het water begon over hem te koken en de duigen
+en de hoepels van den kuip barstten uit elkander. Dit herhaalden zij
+voortdurend, totdat zijn woede hem ten slotte verliet, en hij zijn
+vroegere gedaante weder hernam. Daarna kleedden zij hem in nieuwe
+kleeren en noodigden hem uit tot het feest in de feestzaal des konings.
+
+
+
+Cuchulain wint de hand van Emer.
+
+
+Den volgenden dag ging hij naar de dun van Forgall den Sluwe, den vader
+van Emer en hij deed "den Zalmsprong van den held", dien hij van Skatha
+had geleerd, over de wallen van de dun. Daarna vielen de machtige
+mannen van Forgall op hem aan, en hij bracht slechts drie slagen toe,
+en iedere slag doodde acht man, en Forgall zelf viel dood neer, toen
+hij van den wal der dun afviel, om aan Cuchulain te ontkomen. Daarop
+voerde hij Emer mede en haar pleegzuster en twee ladingen goud en
+zilver. Maar buiten de dun zette de zuster van Forgall een troep
+tegen hem aan, en zijn strijdwoede overviel hem weer, en vreeselijk
+waren de slagen, die hij toebracht, zoodat de Glondath stroomde van
+het bloed en het gras van Crofot tot een bloederige modder vertrapt
+werd. Bij iedere stroom van Olbiny tot de Boyne versloeg hij honderd
+man; en zoo won hij de hand van Emer gelijk zij dit verlangd had,
+en bracht hij haar naar Emain Macha en maakte haar tot zijn vrouw,
+en zij scheidden niet meer vóór zijn dood.
+
+
+
+Cuchulain Kampioen van Erin.
+
+
+Een opperhoofd van Ulster, Bricciu van de Vergiftigde Tong genaamd, gaf
+eens een feest, waartoe hij koning Conor en alle helden van den Rooden
+Tak uitnoodigde, en daar hij er altijd behagen in schepte, om strijd
+te verwekken onder de mannen en vrouwen, liet hij de helden onderling
+twisten over de vraag, wie de Kampioen van het land van Erin was. Ten
+slotte werd vastgesteld, dat het kampioenschap moest worden toegekend
+aan één van de drie: Cuchulain, Conall van de Overwinningen en Laery de
+Overwinnaar. Om tusschen die drie te beslissen werd een booze geest,
+De Verschrikkelijke, uit een meer opgeroepen, in welks diepte hij
+huisde. Hij stelde de helden de volgende proef van hun moed voor. Ieder
+van hen mocht van daag zijn hoofd afhakken, onder voorwaarde, dat hij,
+die aanspraak maakte op het kampioenschap, morgen zijn eigen hoofd op
+het blok zou leggen. Conall en Laery wilden de proef niet aanvaarden,
+maar Cuchulain nam die aan, en na een tooverformulier over zijn zwaard
+te hebben uitgesproken, snijdt hij het hoofd van den boozen geest af,
+die onmiddellijk opstond en in het meer sprong na het bloedende hoofd
+in één hand en zijn bijl in de andere te hebben genomen.
+
+Den volgenden dag kwam hij weer terug, gezond en wel, om de vervulling
+van de afspraak te eischen. Cuchulain legde bedrukt doch onverschrokken
+zijn hoofd op het blok. "Strek uw nek uit, boosaard," riep de booze
+geest; "hij is voor mij te kort, om hem te treffen." Cuchulain doet,
+zooals hem bevolen wordt. De booze geest zwaait zijn bijl driemaal
+over zijn slachtoffer, slaat met een plof de bijl op het blok en
+beveelt daarop Cuchulain, die ongedeerd is, op te staan, als Kampioen
+van Ierland en zijn dapperste man.
+
+
+
+Deirdre en de Zonen van Usna.
+
+
+Wij moeten thans terugkomen op een verhaal, waarin Cuchulain een
+rol speelt. Het is het voornaamste der inleidende verhalen van den
+Veeroof van Quelgny.
+
+Zooals verhaald wordt, was er onder de hoofden van Ulster een zekere
+Felim, zoon van Dall, die op zekeren dag een groot festijn voor den
+koning aanrichtte. En de koning kwam met zijn Druïde Cathbad en met
+Fergus mac Roy en een aantal helden van den Rooden Tak, en terwijl zij
+feestvierden onder het gebruik van gebraden vleesch en tarwekoeken
+en Griekschen wijn, kwam een bode uit de vrouwenvertrekken Felim
+mededeelen, dat zijn vrouw hem juist een dochter had geschonken. Daarom
+dronken de hoofden en krijgslieden de gezondheid van het jonge
+kind, en de koning verzocht Cathbad, te waarzeggen op de wijze der
+Druïden en te voorspellen, wat de toekomst voor het kind in den schoot
+had. Cathbad keek naar de sterren en trok den horoskoop van het kind,
+en was zeer ontroerd; ten slotte zeide hij: "Het kind zal de schoonste
+zijn onder de vrouwen van Erin, en zal met een koning huwen, maar om
+haar zullen dood en verderf over de Provincie Ulster komen." Daarop
+wilden de krijgslieden haar onmiddellijk doen ter dood brengen,
+maar Conor verbood dit. "Ik zal den vloek afwenden," zoo sprak hij,
+"want zij zal geen vreemden koning huwen, maar als zij volwassen is,
+zal ik haar tot vrouw nemen:" Daarom liet hij het kind wegnemen, en
+vertrouwde hij het toe als zijn voedster Levarcam, en zij noemde het
+kind Deirdre. Conor beval Levarcam, dat het kind in een sterke dun in
+de eenzaamheid van een groot bosch zou worden opgevoed, en dat geen
+jongman haar zou zien of zij een jongeling zou aanschouwen, voordat
+zij op den leeftijd gekomen was, dat de koning haar kon huwen. En
+daar verbleef zij, zonder iemand anders te zien dan de voedster
+en Cathbad, en somtijds den koning, die nu oud begon te worden,
+en somtijds de dun bezocht, om te zien, dat alles daar in orde was,
+en dat zijn bevelen werden opgevolgd.
+
+Op zekeren dag, toen de tijd voor het huwelijk van Deirdre en Conor
+naderde, keken Deirdre en Levarcam over de wallen van hun dun. Het was
+winter, een heftige sneeuwstorm had 's nachts gewoed, en in de stille,
+vriezende lucht stonden de boomen in zilver gehuld, en de grasvlakte
+vóór de dun was een kleed van onafgebroken wit, behalve dat op één
+plek een der bedienden een kalf had geslacht waarvan het bloed op de
+sneeuw lag. Toen nu Deirdre naar buiten keek, daalde een raaf af van
+een nabijstaande boom en begon het bloed op te likken. "Ach voedster,"
+riep Deirdre plotseling uit, "ik zou eer dan den koning een man
+kunnen liefhebben, met haar zoo zwart als de vleugels van de raaf,
+en met kaken, rood gekleurd als bloed, en met een huid zoo wit als
+sneeuw." "Gij hebt iemand uit de omgeving van Conor geschilderd,"
+zeide de voedster. "Wie is het?" vroeg Deirdre. "Het is Naisi, de
+zoon van Usna, [139] één der Kampioenen van den Rooden Tak," zeide de
+voedster. Daarop smeekte Deirdre Levarcam, haar in de gelegenheid te
+stellen, met Naisi te spreken; en daar de oude vrouw Deirdre liefhad
+en niet wenschte, dat zij met een ouden koning zoude huwen, stemde
+zij er eindelijk in toe. Deirdre smeekte Naisi haar voor Conor te
+redden, maar hij wilde niet, totdat hij ten slotte gewonnen werd door
+haar smeekingen en haar schoonheid, en hij beloofde dat zij de zijne
+zou zijn. Daarop kwam hij op zekeren nacht heimelijk met zijn twee
+broeders, Ardan en Ainlé, en voerde hij Deirdre met Levarcam weg,
+zij ontkwamen aan de vervolging des konings en gingen scheep naar
+Schotland, waar Naisi dienst nam onder den koning der Picten. Doch
+hier konden zij niet blijven, immers de koning kreeg Deirdre te zien,
+en zou haar van Naisi hebben weggenomen, maar Naisi en zijn broeders
+ontsnapten en vestigden zich in de eenzaamheid van den Bergpas Etive
+aan het meer, en woonden daar in het woeste bosch van de jacht en de
+visscherij, zonder met iemand in aanraking te komen dan met elkander
+en hun bedienden.
+
+En de jaren gingen voorbij en Conor liet niets van zich hooren, maar
+toch vergat hij niet, en zijn spionnen hielden hem van alles op de
+hoogte wat Naisi en Deirdre overkwam. Eindelijk, van oordeel zijnde,
+dat Naisi en zijn broeders de eenzaamheid moede zouden zijn, zond hij
+den boezemvriend van Naisi, Fergus, den zoon van Roy naar hem toe,
+met het verzoek, of zij wilden terugkeeren, met de belofte er bij,
+dat alles zou vergeven zijn. Fergus ging blijde op weg, en met vreugde
+hoorden Naisi en zijn broeders de boodschap, maar Deirdre voorzag, dat
+er ongelukken uit zouden voortvloeien, en had Fergus het liefst alleen
+naar huis gezonden. Maar Naisi berispte haar om haar twijfelingen en
+booze vermoedens, en deed haar opmerken, dat zij onder de bescherming
+van Fergus waren, wiens bescherming geen koning in Ierland zoude
+durven schenden; en ten slotte maakten zij zich op om te gaan.
+
+Toen zij in Ierland landden ontmoetten zij daar Baruch, één der
+helden van den Rooden Tak, wiens dun in de onmiddellijke nabijheid was
+gelegen, en deze noodigde Fergus uit op een feest dat hij dien avond
+voor hem had bereid. "Ik kan niet blijven", zeide Fergus, "want ik moet
+Deirdre en de zonen van Usna veilig naar Emain Macha geleiden". "Toch",
+zeide Baruch, "moet gij van avond bij mij blijven, want het is voor
+u een _geis_, een feest te weigeren". Deirdre smeekte hem, hem niet
+te verlaten, maar Fergus werd door het feest aangelokt, en durfde de
+_geis_ niet te verbreken, en hij beval zijn zoons Illan den Blonde
+en Buino den Roode, in zijn plaats de zorg voor het gezelschap op
+zich te nemen, en hij zelf ging mede met Baruch.
+
+Zoo kwam het gezelschap te Emain Macha, en werd ondergebracht in het
+Huis van den Rooden Tak, maar Conor ontving hen niet. Na het avondmaal,
+toen hij stevig en stil zat te drinken, zond hij een bode om Levarcam
+voor zich te voeren. "Hoe gaat het met de zonen van Usna?" vroeg hij
+haar. "Dat gaat goed", zeide zij. Gij hebt de drie dapperste kampioenen
+van Ulster aan uw hof. De koning, die die drie heeft, behoeft geen
+vijand te vreezen." "Hoe gaat het met Deirdre?", vroeg hij. "Zij is
+gezond", zeide de voedster, "maar zij heeft vele jaren in de woestenij
+geleefd, en zware arbeid en zorg hebben haar zeer veranderd--er is
+slechts weinig van haar oude schoonheid overgebleven, O koning". Maar
+na korten tijd ontbood hij één van zijn dienaren, Trendorn genaamd
+en beval hem te gaan naar het Huis van den Rooden Tak en na te gaan,
+wie er was en wat zij deden. Maar toen Trendorn daar aankwam was de
+plaats gegrendeld en afgesloten tegen den nacht, zoodat hij niet kon
+worden toegelaten; eindelijk klom hij op een ladder en keek door een
+hoog venster naar binnen. En daar zag hij de broeders van Naisi en de
+zoons van Fergus, die aan het praten waren en hun wapenen poetsten,
+of zich voor den slaap gereed maakten, en daar zat Naisi met een
+schaakbord voor zich, terwijl hij schaakspeelde met de schoonste
+vrouw, die hij ooit had gezien. Maar terwijl hij in bewondering het
+edele paar gadesloeg, werd hij plotseling ontdekt door één van hen,
+die een kreet slaakte, terwijl hij naar het venster wees. En Naisi
+keek op en zag het, en een schaakstuk van het bord nemende, slingerde
+hij het naar het gelaat van den spion, waardoor bij dezen een oog werd
+uitgestooten. Daarna klom Trendorn haastig de ladder af, en ging met
+zijn bloedig gelaat naar den koning. "Ik heb ze gezien," riep hij,
+"ik heb de schoonste vrouw der wereld gezien, en als Naisi mijn oog
+niet had uitgeworpen, zou ik nu nog naar haar kijken."
+
+Daarop stond Conor op en riep zijn lijfwacht en beval hen de
+zonen van Usna vóór hem te brengen, omdat zij zijn bode hadden
+verminkt. En de lijfwacht ging; maar eerst ging Buino, de zoon
+van Fergus, met zijn gevolg hen tegemoet, en dreef hen met de punt
+van het zwaard terug; Naisi en Deirdre bleven rustig doorgaan met
+schaakspelen. "Immers," zeide Naisi, "het is niet gepast, dat wij
+zouden trachten ons te verdedigen, terwijl wij onder de bescherming
+staan van de zonen van Fergus." Maar Conor ging naar Buino, en kocht
+hem door een rijke schenking aan land om, de hem gegeven opdracht
+in den steek te laten. Daarop nam Illan de verdediging op zich van
+het Huis van den Rooden Tak, maar de twee zoons van Conor doodden
+hem. Doch toen namen ten slotte Naisi en zijn broeders hun wapenen
+op en stortten zich te midden der vijanden, waarbij het aantal van
+hen, die sneuvelden aanzienlijk was. Toen smeekte Conor den Druïde
+Cathbad, een tooverbezwering over hen uit te spreken, tenzij zij
+zouden wegtrekken en niet de vijanden der provincie zouden worden,
+en hij beloofde hun geen kwaad te zullen doen als zij levend gevangen
+genomen zouden worden. Daarop riep Cathbad een meer van slijk op, dat
+zich bij de voeten der zoons van Usna bevond, en zij konden hun voeten
+daar niet van wegtrekken en Naisi greep Deirdre en plaatste haar op
+zijn schouder, want het scheen alsof zij in het slijk zonken. Daarop
+grepen hen de lijfwacht en de dienaren van Conor en bonden hen,
+waarna zij voor den koning werden geleid. En de koning liet man
+voor man voorkomen om de zoons van Usna te dooden doch niemand wilde
+gehoorzamen, totdat ten slotte Owen, de zoon van Duracht en vorst van
+Ferney kwam, het zwaard van Naisi greep, en met één zwaai de hoofden
+van alle drie af sloeg; zoo stierven zij.
+
+Nu maakte Conor zich met geweld van Deirdre meester, en een jaar
+lang leefde zij met hem in het paleis te Emain Macha, maar gedurende
+al dien tijd lachte zij geen enkele maal. Ten slotte zeide Conor:
+"Wat haat gij, Deirdre, het meest op aarde?" En zij antwoordde: "U
+zelf en Owen den zoon van Duracht," en Owen stond er bij. "Dan zult
+gij eenjaar lang naar Owen gaan," zeide Conor. Maar toen Deirdre den
+wagen achter Owen besteeg, hield zij haar oogen op den grond gericht,
+daar zij hen, die haar zoo kwelden, niet wilde zien; en Conor zeide, om
+haar te tergen: "Deirdre, uw blik tusschen mij en Owen is die van een
+ooi tusschen twee rammen." Daarop sprong Deirdre op, en na hals over
+kop uit den wagen gesprongen te zijn, stootte zij haar hoofd tegen een
+steen en viel dood. En men verhaalt, dat er, toen zij haar begroeven,
+uit haar graf en uit dat van Naisi twee taxisboomen groeiden, waarvan
+de toppen, toen zij tot vollen wasdom waren gekomen, tot elkander
+naderden over het dak der groote kerk van Armagh, en samengroeiden,
+zoodat niemand ze kon scheiden.
+
+
+
+De Opstand van Fergus.
+
+
+Toen Fergus mac Roy in Emain Macha terugkeerde na het feest, waartoe
+Baruch hem had uitgenoodigd, en tot de ontdekking kwam, dat de zoons
+van Usna gedood waren, en één van zijn eigen zoons dood was, terwijl
+de andere een verrader was geworden, barste hij tegen Conor los in een
+storm van woede en in vloeken, en zwoer dat hij zich te vuur en te
+zwaard op hem zou wreken. En hij ging regelrecht naar Connacht toe,
+om dienst te nemen bij Ailell en Maev, die koning en koningin van
+dat land waren.
+
+
+
+Koningin Maev.
+
+
+Maar hoewel Ailell koning was, was Maev inderdaad de heerscheres,
+en beval alles zooals zij wilde, en nam elken echtgenoot, dien zij
+wilde, en zond die naar eigen wil terug; want zij was zoo onstuimig
+en krachtig als een godin van den oorlog, en kende geen andere wet
+dan haar eigen wil. Zij was, naar verhaald wordt, lang van gestalte,
+had een lang, bleek gelaat en een rijkdom van haar, zoo geel als rijp
+koren. Toen Fergus bij haar kwam in haar paleis te Rathcroghan, in
+Roscommon, schonk zij hem haar liefde, zooals zij die aan velen vóór
+hem had geschonken, en samen overlegden zij, hoe zij de provincie
+Ulster konden aanvallen en verwoesten.
+
+
+
+De Bruine Stier van Quelgny.
+
+
+Het geschiedde nu, dat Maev een vermaarden rooden stier bezat met een
+wit voorhoofd en witte horens, Finnbenach genaamd, en op zekeren dag,
+toen zij en Ailell hun wederzijdsche bezittingen optelden en tegen
+elkaar opwogen, hoonde hij haar, omdat de Finnbenach niet wilde blijven
+in de handen van een vrouw, maar zich had gehecht aan de kudde van
+Ailell. Daarom ging Maev geërgerd naar haar rentmeester, mac Roth,
+en vroeg hem, of er ergens in Erin een stier was, zoo prachtig als de
+Finnbenach. "Ja zeker," zeide de rentmeester, "er is er een--want de
+Bruine Stier van Quelgny, die aan Dara, den zoon van Fachtna behoort,
+is het prachtigste dier in Ierland." En daarna was het voor Maev alsof
+zij geen kudden groot- of kleinvee had, die iets waard waren, zoolang
+zij niet den Bruinen Stier van Quelgny in haar bezit had. Maar deze
+was in Ulster en de bewoners van Ulster wisten, welk een schat zij
+bezaten, en Maev wist, dat zij den stier niet zouden afstaan zonder er
+om te vechten. Daarom besloten zij en Fergus en Ailell een strooptocht
+tegen Ulster te ondernemen om het bezit van den Bruinen Stier en zoo
+met de provincie in oorlog te komen, immers Fergus verlangde zich te
+wreken en Maev verlangde te strijden, roem te behalen en den stier
+te verkrijgen, terwijl Ailell Maev genoegen wilde doen.
+
+Laat ons hier de opmerking maken, dat die strijd om den stier, die het
+schijnbare onderwerp van het belangrijkste der Keltische legenden is,
+de "Tain Bo Cuailgné", een diepere beteekenis heeft dan oppervlakkig
+lijkt. Hierin is een oud stuk Arische mythologie vastgelegd. De Bruine
+Stier is het Keltische tegenstuk van de Hindoe lucht-godheid, Indra,
+die in de Hindoemythen wordt voorgesteld als een machtige stier, wiens
+loeien is als de Donder, en die de regenvlagen loslaat "als koeien,
+die naar de weiden stroomen." Het optrekken der vijanden uit het Westen
+(Connacht), om den stier te grijpen is een zinnebeeld van het invallen
+van den Nacht. De stier wordt verdedigd door den zonnegod Cuchulain,
+die echter ten slotte overwonnen wordt, waarna de stier voor één
+jaargetijde wordt gevangen. De beide dieren in de Keltische legende
+vertegenwoordigen de lucht in verschillende gedaanten. Zij werden met
+een pracht en een omhaal van woorden beschreven, die bewijzen, dat het
+geen gewone dieren zijn. Eertijds waren zij, zoo luidt het verhaal,
+zwijnenhoeders van het Volk van Dana. Zij waren eerst veranderd in twee
+raven, dan in twee zeemonsters, twee krijgslieden, twee booze geesten,
+twee wormen, en ten slotte in twee koeien [140]. Van den Bruinen Stier
+wordt verteld, dat hij een rug had, breed genoeg voor vijftig kinderen,
+om er op te spelen; als hij boos is op zijn bewaarder, stampt hij den
+man dertig voet in den grond; hij wordt vergeleken met een zeegolf,
+een beer, een draak, een leeuw, terwijl de schrijver voorstellingen
+van zijn kracht en woestheid ophoopt. Wij hebben dus niet te doen
+met een gewonen strooptocht om vee, maar met een mythe, waarvan de
+trekken te herkennen zijn onder de voorstelling daaraan gegeven door
+de gloeiende verbeeldingskracht van den onbekenden Keltischen held,
+die de "Tain" vervaardigde, hoewel de nauwkeurige beteekenis van
+iedere bijzonderheid moeilijk te ontdekken is.
+
+De eerste poging van Maev, om in het bezit te komen van den stier,
+bestond hierin dat zij een gezantschap naar Dara zond, om hem een
+jaar ter leen te vragen, waarbij zij als belooning vijftig vaarzen
+aanbood en zich verbond den stier terug te geven, en als Dara zich in
+Connacht wilde vestigen, kon hij daar evenveel land krijgen, als hij
+nu in Ulster bezat, en een wagen die driemaal zeven _Cumals_ [141]
+waard was, en bovendien de bescherming en de vriendschap van Maev.
+
+Eerst was Dara zeer verheugd met dat vooruitzicht, maar hem werden
+verhalen overgebracht, wat de boden van Maev hadden gezegd, en hoe
+zij verklaard hadden, dat als de stier niet vrijwillig gegeven werd,
+hij met geweld zou genomen worden; daarom zond hij een weigerend en
+uittartend antwoord. "Het was bekend", zeide Maev, "dat de stier
+niet op eerlijke wijze zou worden afgestaan; daarom zal ik er mij
+op oneerlijke wijze van meester maken". En daarom zond zij boden in
+iedere richting, om haar troepen voor den rooftocht te ontbieden.
+
+
+
+
+De Troepen van Koningin Maev.
+
+
+En daar kwamen alle machtige mannen uit Connacht--eerst de zeven
+Mainés, de zoons van Ailell en Maev, ieder met zijn gevolg, en Ket en
+Anluan, de zonen van Maga, met drie duizend gewapende mannen, en de
+geelharige Ferdia, met zijn troep Firbolgs, ontstuimige reuzen, die
+zich verheugden in den oorlog en in krachtige ale. En daar kwamen ook
+de bondgenooten van Maev, een troep mannen uit Leinster, die zóózeer
+de overige overtroffen in vaardigheid in den strijd, dat zij onder
+de troepen van Connacht werden verdeeld, opdat zij geen gevaar voor
+den troep zouden opleveren; eindelijk Cormac, de zoon van Conor,
+met Fergus mac Roy en andere ballingen uit Ulster, die tegen Conor
+in opstand waren gekomen om zijn verraad jegens de zonen van Usna.
+
+
+
+Ulster onder den Vloek.
+
+
+Maar voordat de troep zich op weg begaf naar Ulster, zond Maev haar
+spionnen in het land, om haar mede te deelen, welke voorbereidselen
+daar werden gemaakt. En de spionnen brachten een wonderlijk verhaal
+terug, dat het hart van Maev verheugde, immers zij vertelden,
+dat de Zwakte der bewoners van Ulster [142] over de provincie was
+verspreid. Koning Conor lag in angst te Emain Macha, en zijn zoon
+Cuscrid in zijn eilandvesting, terwijl Owen, de Vorst van Ferney, zoo
+hulpeloos was als een kind; Celtchar, de ontzaglijke grijze krijgsman,
+de zoon van Uthecar Hornskin, en zelfs Conall van de Overwinningen
+lagen steunende en zich krommende in hun bed, en in geheel Ulster
+was er geen hand, die een speer kon opheffen.
+
+
+
+Profetische Stemmen.
+
+
+Toch ging Maev naar den oppersten van haar Druïden, en vroeg hem wat
+haar eigen lot in den oorlog zou zijn. En de Druïde zeide alleen: "Wie
+ook veilig terugkomt, of niet terugkeert, gij zelf zult komen." Maar op
+haar reis terug zag zij plotseling vóór den disselboom van haar wagen
+een jong meisje staan, met vlechten van geel haar, die tot onder haar
+knieën afhingen, en die gekleed was in een groenen mantel; en met een
+gouden weversspoel weefde zij een werk op een weversstoel. "Wie zijt
+gij, meisje?" vroeg Maev, "en wat doet gij?" "Ik ben de profetes,
+Fedelma, van de Tooverhoogte van Croghan," zeide het meisje, "en ik
+weef de vier provincies van Ierland te zamen voor den strooptocht in
+Ulster." "Hoe ziet gij onzen troep?" vroeg Maev. "Ik zie ze allen
+roodgekleurd," antwoordde de profetes. "En toch zijn al de helden
+van Ulster in doodsangst--er is geen enkele die een speer tegen ons
+kan opheffen," zeide Maev. "Ik zie den troep geheel roodgekleurd,"
+zeide Fedelma. "Ik zie een man van kleine gestalte, maar het licht van
+den held schijnt op zijn voorhoofd, het is een aankomende man, jong en
+bescheiden, maar een draak in den strijd, hij gelijkt op Cuchulain van
+Murthemney; hij doet met zijn wapenen schitterende krijgsdaden; door
+hem zullen slachtoffers in hoopen neerstorten. [143] Daarop verdween
+het schijngezicht van het wevende meisje, en Maev vertrok naar huis
+naar Rathecrogan, verbaasd over wat zij had gezien en gehoord.
+
+
+
+Cuchulain brengt den Troep onder Geise.
+
+
+Den volgenden morgen ging de troep op weg onder aanvoering van
+Fergus mac Roy, en toen zij de grenzen van Ulster naderden, beval
+hij hen scherp toe te zien, dat niet Cuchulain van Murthemney,
+die de passen van Ulster in het zuiden bewaakte, hen onverwachts
+zou overvallen. Cuchulain en zijn vader Sualtam [144] waren aan de
+grenzen der provincie, en Cuchulain vermoedde, door een waarschuwing,
+die Fergus hem had gezonden, dat een groot leger naderde en verzocht
+Sualtam noordelijk naar Emania te trekken en de mannen van Ulster
+te waarschuwen. Maar Cuchulain zelf wilde daar niet blijven, want
+hij zeide, dat hij een afspraak had met de kamenier van de vrouw van
+Laery den _bodach_ (pachter), daarom ging hij het bosch in, en daar
+ging hij op één been staan en gebruikte slechts één hand en één oog,
+en sneed een eikenplantje af en draaide het in een cirkelvormig
+teentje van wilgenhout. Daarop sneed hij in Ogham letters, hoe
+het teentje gemaakt was, en hij plaatste het leger van Maev onder
+_geise_, dat zij die plaats niet mochten voorbijgaan, voordat één
+van hen onder dezelfde voorwaarden een dergelijk teentje had gemaakt;
+"en ik zonder mijn vriend Fergus mac Roy" uit, voegde hij er aan toe,
+en schreef zijn naam aan het uiteinde. Daarna plaatste hij het teentje
+rondom den steenen pilaar van Ardcullin, en ging op weg om aan zijn
+afspraak met de kamenier te voldoen. [145]
+
+Toen het leger van Maev te Ardcullin kwam, werd het teentje om de
+pilaar gevonden en naar Fergus gezonden om het te ontcijferen. Niemand
+van de troep kon Cuchulain zijn handeling nadoen, daarom gingen zij
+in het bosch en kampeerden gedurende den nacht. Er had een hevige
+sneeuwval plaats, en allen waren in groote moeilijkheden, maar den
+volgenden dag verrees de zon schitterend, en over de witte vlakte
+trokken zij naar Ulster, in de meening, dat het verbod slechts voor
+één nacht gold.
+
+
+
+De Wadde van den Vertakten Paal.
+
+
+Cuchulain volgde nu onmiddellijk hun spoor, en daarbij schatte hij,
+naar de sporen, die zij hadden achtergelaten, het aantal der troepen op
+achttien _triucha cét_ (54000 man). Na om den troep heen getrokken te
+zijn, ontmoette hij hen nu van voren, en zag hij spoedig twee wagens,
+die spionnen bevatten, welke door Maev vooruitgezonden waren. Deze
+versloeg hij, iederen man met zijn wagenmenner, en na met één slag
+van zijn zwaard een vertakten paal met vier vorken uit het bosch
+te hebben gehakt, dreef hij den paal diep in een wadde der rivier,
+en plaatste op iedere vork een bloedig hoofd. De plaats waar dit
+geschiedde, heette van toen af aan Athgowla [146]. Toen het leger
+kwam, waren zij verbaasd en verschrikt over het gezicht, en Fergus
+verklaarde, dat zij onder _geise_ stonden, de wadde niet te mogen
+overtrekken, voordat één van hen den paal op dezelfde wijze had
+uitgetrokken als hij er in was geslagen, met de vingertoppen van één
+hand. Daarom reed Fergus het water in, om dien kunstgreep te beproeven,
+en zeventien wagens braken onder hem, terwijl hij aan den paal trok,
+doch ten slotte trok hij hem uit; en daar het reeds laat was geworden,
+kampeerde het leger op die plek. Deze listen van Cuchulain hadden ten
+doel, de indringelingen tegen te houden, totdat de mannen van Ulster
+zich van hun zwakheid hadden hersteld.
+
+In het epos, zooals het gegeven wordt in het Boek van Leinster, en de
+andere oude bronnen, heeft er nu een groot tusschenbedrijf plaats,
+waarin Fergus aan Maev uitlegt, wie het is--en wel "mijn kleine
+leerling Setanta"--die het leger zoo hindert, en waarin zijn daden
+als jongeling, waarvan in dit verhaal reeds sommige zijn verteld,
+worden medegedeeld.
+
+
+
+De Wagenmenner van Orlam.
+
+
+Het leger ging den dag daarop verder, en de volgende ontmoeting toont
+ons onzen held in een vriendelijker gemoedsstemming. Hij hoort het
+geluid van het vellen van hout, en toen hij in het woud gaat, vindt
+hij daar een wagenmenner, die behoort tot één der zonen van Ailell
+en Maev, die disselboomen van hulst hakken. "Immers," zegt hij, "wij
+hebben onze wagens vreeselijk beschadigd bij het jagen op dat bekende
+wild, Cuchulain." Cuchulain, die, zooals men zich zal herinneren,
+in gewone tijden een nietige en weinig indrukwekkende gestalte had,
+hoewel hij in den slag in gestalte uitzette en vreeselijk verwrongen
+werd, een symbool van Berserker woede--helpt den wagenmenner bij zijn
+werk. "Zal ik," zoo vraagt hij, "de palen hakken of ze voor u glad
+maken?" "Maak gij ze glad," zeide de wagenmenner. Cuchulain neemt de
+palen bij de punten, en trekt ze tegen de rijen takken tusschen zijn
+toonen door en laat ze dan op dezelfde wijze tusschen zijn vingers
+heen gaan, en geeft ze hem even glad en gepolijst terug, alsof zij door
+een timmerman waren gladgeschaafd. De wagenmenner staart hem verbaasd
+aan. "Ik vermoed, dat het werk, dat ik u liet maken, niet uw gewoon
+werk is," zegt hij. "Wie zijt gij dan toch?" "Ik ben de Cuchulain,
+over wien gij zoo even hebt gesproken." "Dan ben ik zeker een kind
+des doods," zeide de wagenmenner. "Neen," antwoordt Cuchulain, "ik
+dood geen wagenmenners of boden of ongewapende mannen. Maar loop snel
+weg en deel uw meester Orlam mede, dat Cuchulain op het punt is hem
+te bezoeken." De wagenmenner holt weg, maar Cuchulain haalt hem in,
+ontmoet Orlam het eerst, en slaat hem het hoofd af. Een oogenblik
+slechts ziet het leger van Maev hem, terwijl hij die bloedige
+tropee vóór hen heen en weer slingert; daarna verdwijnt hij uit
+het gezicht--het is de eerste glimp, die zij van hun vervolger te
+zien krijgen.
+
+
+
+De Strijdwoede van Cuchulain.
+
+
+Nu volgen een aantal op zich zelf staande gebeurtenissen. Het
+leger van Maev verspreidt zich en verwoest het grondgebied van
+Bregia en van Murthemney, maar zij kunnen niet verder in Ulster
+doordringen. Cuchulain is voortdurend om hen heen, en verslaat hen
+bij twee of drie te gelijk, en niemand weet, waar hij een volgenden
+keer zal nederschieten. Maev zelf is bang, als door de worpen van een
+onzichtbaren slingeraar een eekhoorntje en een lievelingsvogel gedood
+worden, terwijl zij op haar schouders gezeten zijn. Later, als de woede
+van Cuchulain heftiger wordt, daalt hij met bovennatuurlijke kracht
+neer op heele troepen van het leger van Connacht, en honderden vallen
+onder zijn aanval. Er volgt een beschrijving van de karakteristieke
+vervorming of _riastradh_, die hem in zijn strijdwoede overviel. Hij
+werd een ontzagwekkend en veelvormig schepsel, zooals nooit te voren
+gezien was. Ieder deeltje van zijn lichaam beefde als een waterriet
+in stroomend water. Zijn kuiten en hielen en dijen kwamen aan zijn
+voorzijde, en zijn voeten en knieën van achteren, en de spieren in
+zijn nek stonden rechtuit als het hoofd van een jong kind. Zijn ééne
+oog zat diep in zijn hoofd, terwijl het andere naar buiten uitstak,
+zijn mond bereikte zijn ooren, het schuim stroomde uit zijn kaken
+als de wol van een hamel van drie jaar. Zijn hartslagen klonken als
+het gebrul van een leeuw, die zich op zijn prooi stort. Een licht
+scheen boven zijn hoofd, en zijn haar werd verward als ware het de
+takken van een rooden doornstruik, die in de opening van een haag was
+gestopt. Grooter, dikker, harder, langer dan de mast van een groot
+schip was de loodrechte straal van donker bloed, die uit het midden van
+zijn schedel opspoot en zich verspreidde in de vier hoofdrichtingen,
+waarbij een magische nevel van duisternis gevormd werd, die geleek op
+het berookte kleed, dat een koninklijk paleis omhult, als een koning
+tegen het vallen van den avond na een winterdag daar nadert. [147]
+Dit was het beeld, waarin Galische schrijvers de voorstelling van
+bovenmenschelijke woede hulden. Men verhaalt dat eens, bij het gezicht
+van Cuchulain in zijn woede, honderd der krijgslieden van Maev dood
+van afgrijzen neervielen.
+
+
+
+De Overeenkomst aan de Wadde.
+
+
+Maev trachtte hem toen door groote geschenken over te halen, de
+zaak van Ulster in den steek te laten en had een onderhoud met hem,
+waarbij beiden aan de overzijde van een bergpas stonden, waarover
+zij met elkander de zaak bespraken. Zij bekeek hem zorgvuldig en
+werd getroffen door zijn nietig en jongensachtig uiterlijk. Zij
+kon hem niet van zijn trouw jegens Ulster afbrengen, en meer dan
+ooit daalt de dood neder op de troepen van Connacht; de mannen zijn
+bevreesd met minder dan twintig of dertig op strooptochten uit te
+gaan, en 's nachts fluiten door het kamp de steenen uit den slinger
+van Cuchulain voortdurend, die de hersens verbrijzelen of de mannen
+verminken. Eindelijk kwam men door bemiddeling van Fergus tot een
+overeenkomst. Cuchulain verbond zich de troepen niet te hinderen,
+als zij slechts één kampioen tegelijk zonden, met wien Cuchulain
+slag zou leveren bij de wadde der Dee, welke wadde thans die van
+Ferdia heet. [148] Zoolang het gevecht duurde, mocht het leger verder
+trekken, maar als het geëindigd was, moesten zij tot den volgenden
+morgen kampeeren. "Het is beter, dagelijks één man te verliezen dan
+honderd," zeide Maev, en de overeenkomst werd gesloten.
+
+
+
+Fergus en Cuchulain.
+
+
+Er worden dan verschillende tweegevechten vermeld, waarin Cuchulain
+steeds de overwinnaar is. Maev overreedt Fergus zelfs tegen hem in
+het strijdperk te treden, maar Fergus en Cuchulain willen onder geen
+voorwaarde tegen elkander vechten, en Cuchulain doet het voorkomen
+alsof hij voor hem vlucht onder belofte van Fergus, dat hij, als het
+noodig is, hetzelfde voor Cuchulain zal doen. Hoe die belofte gehouden
+werd zullen wij later zien.
+
+
+
+Het rooven van den bruinen stier.
+
+
+Gedurende één van de tweegevechten van Cuchulain met een beroemden
+kampioen, Natchrantal, doet Maev met een derde deel van haar leger
+plotseling een strooptocht in Ulster en dringt zelfs tot Dunseverick,
+op de noordkust, door, op hun tocht plunderend en verwoestend. De
+bruine stier, die oorspronkelijk te Quelgny (Graafschap Down) was,
+was reeds vroeger door de Morrigan [149] gewaarschuwd, zich terug te
+trekken, en hij had daarom met zijn kudde koeien een toevlucht gezocht
+in een bergpas van Slievegallion, in de Graafschap Armagh. Daar
+wordt hij gevonden door de plunderaars van Maev en met de kudde
+in triomf weggevoerd, waarbij zij op den terugtocht Cuchulain
+tegenkomen. Cuchulain doodt den aanvoerder van het geleide--Buic,
+den zoon van Banblai--maar hij kan den stier niet bevrijden, en "dit
+was," zoo wordt verhaald, "de grootste beleediging, die Cuchulain
+kon worden aangedaan gedurende den geheelen strooptocht."
+
+
+
+
+De Morrigan.
+
+
+De strooptocht had nu moeten ophouden, want het doel daarvan was
+bereikt, maar in dien tijd waren de troepen der vier zuidelijke
+provincies [150] bijeengebracht onder Maev teneinde Ulster te
+plunderen, en Cuchulain bleef nog steeds de eenzame bewaker der
+moerassen. Ook hield Maev zich niet aan de afspraak, immers troepen van
+twintig krijgslieden tegelijk werden op hem losgelaten, en het kostte
+hem groote moeite zich te verdedigen. Nu geschiedt de merkwaardige
+episode van zijn strijd tegen de Morrigan. Een jonge vrouw, in een
+veelkleurigen mantel gekleed, verschijnt voor Cuchulain, en zegt hem,
+dat zij de dochter van een koning is, en dat zij aangetrokken is door
+de verhalen van zijn groote krijgsdaden en gekomen om hem haar liefde
+aan te bieden. Cuchulain vertelt haar op ruwe toon, dat hij vermoeid
+en uitgeput is door den oorlog en er geen lust in heeft zich met
+vrouwen af te geven. "Het zal u slecht gaan," zeide daarop de maagd,
+"als gij met mannen zult te doen hebben, en ik zal mij als een aal aan
+uw voeten vasthechten, op den bodem der wadde." Daarna verdween zij met
+haar wagen uit het gezicht en hij zag niets dan een kraai op den tak
+van een boom zitten, en wist, dat hij met de Morrigan had gesproken.
+
+
+
+Het gevecht met Loch.
+
+
+De volgende kampioen, die door Maev tegen hem werd uitgezonden, was
+Loch, de zoon van Mofebis. Om met dien held te kunnen strijden moest
+Cuchulain volgens het verhaal zijn kin met braambessensap insmeren, ten
+einde het te doen voorkomen, alsof hij een baard had, daar anders Loch
+zich niet zou verwaardigen met een knaap te strijden. Zoo streden zij
+dan in de wadde, en Morrigan kwam tegen hem in strijd in de gedaante
+van een witte vaars met roode ooren, maar Cuchulain verbrijzelde haar
+oog met een worp van zijn speer. Daarna kwam zij de rivier op zwemmen
+als een zwarte aal, en hechtte zich vast aan zijn beenen, en voordat
+hij zich van haar kon losmaken, werd hij door Loch gewond. Daarna
+viel zij hem aan als een grijze wolf, en weer werd hij, voordat hij
+haar kon ten onder brengen, door Loch gewond. Daarop maakte zijn
+strijdwoede zich van hem meester en stootte hij de Gae Bolg tegen
+Loch, waarbij hij zijn hart in tweeën spleet. "Laat mij opstaan,"
+zeide Loch, "opdat ik op mijn gelaat moge vallen aan uw zijde van de
+wadde, en niet op den rug naar de mannen van Erin gekeerd." "Het is
+het geschenk van den krijgsman, dat gij vraagt," zeide Cuchulain,
+"en het is toegestaan." Zoo stierf Loch; en, zoo verhaalt men, een
+groote moedeloosheid overviel Cuchulain, want hij was uitgeput door
+voortdurenden strijd en zwaar gewond. Hij had sedert het begin van
+den strooptocht nooit anders geslapen dan op zijn speer geleund;
+en hij zond zijn wagenmenner Laeg, om te zien of hij de mannen van
+Ulster niet eindelijk kon opwekken om hem te hulp te komen.
+
+
+
+Lugh de beschermer.
+
+
+Maar toen hij treurig en terneergeslagen des avonds bij den grafheuvel
+van Lerga ter neder lag, het oog gericht op de kampvuren van het
+groote leger, dat over hem gekampeerd was en op de flikkering van
+hun ontelbare speren, zag hij een grooten en bevalligen krijgsman
+uit de menigte komen, die onstuimig naar voren trad, en geen der
+troepenafdeelingen, langs welke hij heenging draaide het hoofd
+om, om naar hem te zien, of scheen hem zelfs op te merken. Hij
+droeg een zilveren opperkleed met goud geborduurd, en een groenen
+mantel, vastgemaakt met een zilveren gesp; in één hand hield hij een
+zwart schild met een zilveren rand en in de andere twee speren. De
+vreemdeling kwam naar Cuchulain toe en sprak vriendelijk en zachtaardig
+met hem over zijn langen strijd en zijn voortdurend waken en zijn
+pijnlijke wonden, en zeide ten slotte: "Slaap nu, Cuchulain, bij het
+graf van Lerga; slaap drie dagen vast door, en gedurende dien tijd
+zal ik uw plaats innemen en de wadde verdedigen tegen het leger van
+Maev." Daarop zonk Cuchulain in een diepen slaap en in bewusteloosheid,
+terwijl de vreemdeling genezende balsems van magische kracht op zijn
+wonden legde, zoodat hij hersteld en verfrischt weer ontwaakte, en
+gedurende den tijd, dat Cuchulain sliep, verdedigde de vreemdeling de
+wadde tegen de vijanden. En Cuchulain wist, dat het zijn vader Lugh
+was, die van het volk van Dana was gekomen, om zijn zoon te helpen
+in zijn uur van somberheid en wanhoop.
+
+
+
+De opoffering van het knapenkorps.
+
+
+Maar nog steeds lagen de mannen van Ulster hulpeloos ter neer. Nu was
+er in Emain Macha een troep van driemaal vijftig knapen, de zonen
+van alle opperhoofden der provincies, die daar werden opgevoed in
+de wapenen en alle edele kunsten, en dezen stonden niet onder den
+vloek van Macha, daar die alleen gold voor de volwassenen. Maar toen
+zij hoorden van de vreeselijke moeilijkheden, waarin Cuchulain, hun
+speelmakker van niet lang geleden, verkeerde, trokken zij hun lichte
+wapenrusting aan, en namen hun wapenen ter hand en trokken ten strijde
+voor de eer van Ulster en ter hulp van Cuchulain, onder den jongen
+zoon van Conor, Follaman. En Follaman legde de belofte af, dat hij
+niet naar Emain zou terug keeren zonder den diadeem van Ailell als
+trofee. Driemaal reden zij op het leger van Maev in, en versloegen
+driemaal hun eigen aantal, maar tenslotte werden zij overweldigd en
+gedood, en niet één ontsnapte levend.
+
+
+
+Het bloedbad van Murthemney.
+
+
+Dit geschiedde terwijl Cuchulain in diepen slaap lag, en toen hij
+verfrischt en genezen wakker werd, en hoorde wat geschied was, kwam
+zijn woede weer over hem en hij sprong in zijn strijdwagen en reed
+woedend om het leger van Maev heen. En de wagen ploegde de aarde
+totdat de wagensporen geleken op de wallen van een vesting, en de
+zeisen op de wielen grepen en verminkten de lichamen der verzamelde
+vijanden, totdat zij als een muur rondom het kamp waren opgehoopt,
+en toen Cuchulain in zijn woede schreeuwde, gilden de booze geesten
+en spoken in Erin tot antwoord, zoodat de troepen door den schrik en
+de verwarring hijgden en heen en weer ijlden en velen door elkanders
+wapenen omkwamen, en anderen van schrik en vrees. En dit was het groote
+bloedbad van Murthemney, door Cuchulain aangericht om het knapenkorps
+van Emania te wreken; honderddertig vorsten uit het leger van Maev
+werden toen verslagen, behalve paarden en vrouwen en wolfshonden en
+tallooze gewone krijgslieden. Volgens de verhalen streed daar Lugh
+mac Ethlinn aan de zijde van zijn zoon.
+
+
+
+De Clan Calatin.
+
+
+Daarna besloten de mannen van Erin, den Clan Calatin [151] één voor
+één in een tweegevecht tegen Cuchulain te zenden. Nu was Calatin een
+toovenaar, en hij en zijn zeven en twintig zonen vormden als het ware
+slechts één wezen, daar de zonen organen van hun vader waren, en wat
+één van hen deed, deden allen eveneens. Zij waren allen vergiftig,
+zoodat ieder wapen, dat één van hen gebruikte, binnen negen dagen
+doodde, die daarmede even was aangeraakt. Toen dit veelvoudige wezen
+tegenover Cuchulain stond, wierp iedere hand tegelijkertijd een speer
+op hem af, maar Cuchulain ving de acht en twintig speren op zijn
+schild, en geen enkele daarvan deed een droppel bloed vloeien. Daarop
+trok hij zijn zwaard, om de speren weg te strijken, die steil uit
+zijn schild uitstaken, maar terwijl hij dit deed, stortte de Clan
+Calatin op hem af en sloeg hem ter neder, waarbij zijn gelaat op de
+steenen sloeg. Daarop gaf Cuchulain een luiden schreeuw van nood over
+den ongelijken strijd, en één van de ballingen van Ulster, Fiacha,
+de zoon van Firaba, die bij het leger van Maev was, en het gevecht
+gadesloeg, kon den ellendigen toestand van den kampioen niet langer
+aanzien, zoodat hij zijn zwaard trok en met één slag de acht en twintig
+handen afsloeg, die het gelaat van Cuchulain op de keisteenen der
+wadde duwden. Daarop stond Cuchulain op en hakte den Clan Calatin
+in stukken, zoodat geen enkele in leven bleef, om te verhalen wat
+Fiacha gedaan had; anders zoude hij met zijn drieduizend volgelingen
+uit den Clan Rury door Maev ter dood gebracht zijn.
+
+
+
+Ferdia neemt deel aan den strijd.
+
+
+Cuchulain had nu al de machtigsten der mannen van Maev overwonnen,
+behalve hem, die na Fergus het machtigst was, en wel Ferdia,
+den zoon van Daman. En daar Ferdia de oude vriend en medeleerling
+van Cuchulain was, was hij nooit tegen hem opgetrokken; doch nu
+verzocht Maev hem te gaan, maar hij wilde niet. Daarop bood zij hem
+haar dochter, Findabair, met de Schoone Wenkbrauwen, tot vrouw aan,
+als hij Cuchulain aan de wadde wilde aanvallen, maar ook toen wilde
+hij niet. Ten slotte beval zij hem te gaan, daar anders de dichters
+en spotschrijvers gedichten op hem zouden maken en hem openlijk tot
+schande zouden maken, waarna hij woedend en verdrietig zijn toestemming
+gaf en zijn wagenmenner beval zich voor den strijd tegen den volgenden
+dag gereed te maken. Toen was er droefheid onder zijn geheele volk,
+omdat zij wisten, dat als Cuchulain en hun meester een tweegevecht
+aangingen, één van hen niet levend zou terugkeeren.
+
+Zeer vroeg in den morgen reed Ferdia naar de wadde, en legde zich
+daar neder op de kussens en huiden van den wagen en sliep totdat
+Cuchulain zou komen. Eerst toen het helder dag was, hoorde de
+wagenmenner van Ferdia het donderen van den naderenden strijdwagen
+van Cuchulain, en wekte hij zijn meester; de beide vrienden zagen
+elkander weder aan weerszijden van de wadde. En toen zij elkander
+hadden begroet, zeide Cuchulain: "Ferdia, gij hadt niet tegen mij
+ten strijde moeten komen. Waren wij niet, toen wij bij Skatha waren,
+zijde aan zijde in iederen slag, en in ieder bosch en in iedere
+wildernis? Waren wij niet boezemvrienden, trouwe makkers bij feesten
+en in de vergadering? Deelden wij niet hetzelfde bed en denzelfden
+diepen slaap?" Maar Ferdia antwoordde: "O Cuchulain, gij man der
+bewonderenswaardige daden, hoewel wij samen poëzie en wetenschap hebben
+bestudeerd, en hoewel ik u onze vriendschapsdaden heb hooren vermelden,
+toch zal mijn hand u verwonden. Herinner u onze vriendschap niet,
+gij Hond van Ulster, zij zal u niet helpen, zij zal u niet helpen."
+
+Daarna bespraken zij, met welke wapenen zij zouden beginnen te vechten,
+en Ferdia herinnerde Cuchulain aan de kunsten van het werpen met
+werpspiesen, zooals zij die van Skatha hadden geleerd, en zij kwamen
+overeen, daarmede te beginnen. Vooruit en achteruit gonsden de lichte
+werpspiesen over de wadde als bijen op een zomerdag, maar toen de
+middag was aangebroken, had geen enkel wapen de wapenrusting van den
+tegenstander doorboord. Daarop namen zij de zware werpspiesen ter
+hand, en nu begon tenslotte bloed te vloeien, immers de ééne kampioen
+wondde telkens den anderen. Eindelijk brak het einde van den dag
+aan. "Laat ons nu ophouden," zeide Ferdia, en Cuchulain stemde daarin
+toe. Daarop wierp ieder van hen zijn wapenen naar zijn wagenmenner,
+en de vrienden omhelsden en kusten elkander driemaal, en gingen ter
+ruste. Hun paarden werden in dezelfde omheinde plaats geborgen, de
+paardenmenners warmden zich aan hetzelfde vuur, en de helden zonden
+elkander spijzen en drank en geneeskrachtige kruiden voor hun wonden.
+
+Den volgenden dag begaven zij zich weer naar de wadde, en omdat Ferdia
+den vorigen dag de keuze der wapenen gehad had, verzocht hij Cuchulain
+nu te kiezen. [152] Cuchulain koos nu de zware speren met breed lemmer,
+om van dichtbij te vechten, en daarmede streden zij van hun wagens
+af totdat de zon onderging, en menners en paarden afgemat waren en
+het lichaam van ieder der helden met wonden was bedekt. Toen eerst
+eindigden zij den strijd en wierpen hun wapenen neer. En zij kusten
+elkander als te voren, en zooals te voren, deelden zij samen spijs
+en drank en sliepen vreedzaam tot aan den morgen.
+
+Toen de derde dag van den strijd aanbrak, vertoonde Ferdia een boos en
+grimmig gelaat, en Cuchulain verweet hem, dat hij tegen zijn makker
+ten strijde trok ter wille van een meisje, al was zij ook zoo schoon
+als Findabair, die door Maev aan iederen kampioen was aangeboden,
+en ook aan Cuchulain zelf, als de wadde daarmee kon worden gewonnen;
+maar Ferdia zeide: "Edele Hond, als ik u, na daartoe opgeroepen te
+zijn, niet het hoofd had geboden, zou ik mijn woord hebben gebroken,
+en zou ik in Rathcroghan geschandvlekt zijn." Het is nu de beurt van
+Ferdia, de wapenen te kiezen, en zij maken gebruik van hun "zware,
+hard treffende zwaarden," en hoewel zij van elkanders dijen en
+schouders groote stukken vleesch hakken, kan geen van beiden zijn
+tegenstander overwinnen, en eindelijk maakte de avond een einde aan
+den slag. Dien avond gaan zij somber en gedrukt van elkander en er was
+geen wisseling van vriendelijke daden, hun wagenmenners en paarden
+sliepen afzonderlijk. De hartstocht der strijders was tot grimmigen
+ernst gestegen.
+
+
+
+De dood van Ferdia.
+
+
+Op den vierden dag wist Ferdia, dat de strijd zou worden beslist,
+en hij wapende zich met bijzondere zorg. Hij droeg over zijn huid een
+kleed van gestreepte zijde, omzoomd met gouden loovertjes, en daarover
+heen hing een voorschoot van bruin leder. Op zijn buik legde hij een
+vlakke steen, zoo groot als een molensteen, en daarover een stevig,
+dik ijzeren voorschoot, immers hij vreesde, dat Cuchulain dien dag de
+Gae Bolg zou gebruiken. En op zijn hoofd plaatste hij zijn gepluimden
+helm, met karbonkels bezet en met email ingelegd, en hij omgorde zich
+met zijn zwaard met gouden gevest, en hing aan zijn arm zijn breed
+schild met vijftig bronzen knoppen. Zoo stond hij aan de wadde, en
+terwijl hij wachtte, wierp hij zijn wapenen in de hoogte en ving ze
+weder op en deed een aantal bewonderenswaardige daden, terwijl hij
+met zijn machtige wapens speelde zooals een goochelaar met appels
+speelt, en Cuchulain zeide, terwijl hij hem gadesloeg tot Laeg, zijn
+wagenmenner: "Als ik van daag achteruit deins, verwijt mij dan en
+bespot mij en spoor mij tot dapperheid aan, en prijs en bemoedig mij,
+als ik mijn plicht doe, want ik zal al mijn moed noodig hebben."
+
+"O Ferdia," zeide Cuchulain, toen zij den strijd zouden beginnen,
+"wat zullen heden onze wapens zijn?" Gij moogt van daag kiezen,"
+antwoordde Ferdia. "Laten het dan alle zijn," zeide Cuchulain,
+en Ferdia werd vreeselijk terneergeslagen, toen hij dit hoorde,
+maar hij zeide: "Zoo zij het," en daarop begon het gevecht. Tot aan
+den middag streden zij met speren en niemand kon op den ander een
+voordeel behalen. Daarop trok Cuchulain zijn zwaard en trachtte Ferdia
+over den rand van zijn schild heen te treffen; maar de reus Firbolg
+verhinderde dit listig. Driemaal sprong Cuchulain hoog in de lucht
+en trachtte Ferdia over zijn schild heen te treffen, maar iederen
+keer als hij neerkwam ving Ferdia hem op zijn schild op en wierp hem
+als een klein kind in de wadde, en Laeg lachte hem uit, en riep:
+Hij werpt u van zich af, zooals een rivier haar schuim weg werpt;
+hij vermaalt u, zooals een molensteen een graankorrel fijnmaalt; gij,
+kaboutermannetje, noem u nooit meer een krijgsman."
+
+Toen kwam ten slotte bij Cuchulain de woede over hem, en hij zette zich
+tot een reus, totdat hij boven Ferdia uitstak, en het licht van een
+held schitterde rondom zijn hoofd. De twee waren nauw ineengestrengeld,
+terwijl zij ronddraaiden en trappelden en terwijl de booze geesten
+en kabouters en de geesten der bergpassen van het lemmer van hun
+zwaarden schreeuwden en de wateren der wadde in schrik voor hen weken,
+zoodat zij een tijdlang op de droogte streden te midden van de bedding
+der rivier. Nu was Cuchulain een oogenblik minder op zijn hoede, en
+sloeg Ferdia hem met het scherpe van zijn zwaard, dat diep in zijn
+vleesch drong, zoodat de rivier roodgekleurd was van zijn bloed. En
+daarna drukte hij Cuchulain hevig, op hem hakkend en hem stootend,
+zoodat deze het niet langer kon uithouden en Laeg toeschreeuwde,
+hem de Gae Bolg toe te werpen. Toen Ferdia dit hoorde hield hij zijn
+schild naar beneden om zich van onderen te dekken, en Cuchulain joeg
+zijn speer over den rand van zijn schild en door zijn borstharnas in
+zijn borst. En Ferdia hief zijn schild weer op, maar op dat oogenblik
+pakte Cuchulain de Gae Bolg met zijn teenen en wierp het naar boven
+tegen Ferdia, zoodat het door het ijzeren voorschoot heendrong,
+den molensteen, die hem beschermde, in drieën spleet, en diep drong
+in zijn lichaam, zoodat iedere scheur en barst in zijn lichaam met
+haar weerhaken was gevuld. "Het is genoeg," riep Ferdia, "dit is mijn
+dood. Het is erg, Cuchulain, dat ik door uw hand val." Cuchulain greep
+hem, terwijl hij viel, en droeg hem in noordelijke richting door de
+wadde, opdat hij aan de andere zijde zou sterven, en niet aan die
+van de mannen van Erin. Daarna legde hij hem neder, en een flauwte
+overviel Cuchulain, en hij viel, toen Laeg uitriep: "Sta op, Cuchulain,
+immers het leger van Erin zal ons overvallen. Nu Ferdia is gesneuveld,
+zullen zij geen tweegevecht meer toestaan." Maar Cuchulain zeide,
+"waarom zou ik weer opstaan, mijn dienaar, nu hij, die daar ter neder
+ligt, door mijn hand is gevallen?" en hij viel bewusteloos als dood
+ter neder. En het leger van Maev trok de grenzen over naar Ulster
+met geschreeuw en met vreugdekreten, onder het werpen van speren en
+het zingen van krijgsliederen.
+
+Maar voordat zij de Wadde verlieten, namen zij het lijk van Ferdia
+op en legden het in een graf, en bouwden een grafheuvel daarover,
+en richtten een steenen pilaar op met zijn naam en afkomst in
+Oghamschrift. En sommigen van de vrienden van Cuchulain kwamen uit
+Ulster, en droegen dezen naar Murthemney, waar zij hem reinigden en
+zijn wonden in de stroomen afwaschten, en zijn bloedverwanten onder het
+Volk van Dana wierpen tooverkruiden ter genezing in de rivieren. Maar
+hij lag daar, bij voortduring zwak en bedwelmd gedurende verschillende
+dagen.
+
+
+
+Ulster verheft zich eindelijk.
+
+
+Sualtam nu, de vader van Cuchulain, had het paard van zijn zoon
+genomen, den Schimmel van Maehn, en was weer weggereden om te zien,
+of hij op de ééne of andere wijze de mannen van Ulster kon opwekken om
+de provincie te verdedigen. En hij ging op weg, voortdurend uitroepend:
+"De mannen van Ulster worden verslagen, de vrouwen gevangen weggevoerd,
+de koeien medegenomen!" Doch zij staarden hem wezenloos aan, alsof zij
+niet wisten, waarvan hij sprak. Eindelijk kwam hij in Emania, en daar
+waren Cathbad de Druïde en koning Conor, met al hun aanzienlijken en
+edelen, en Sualtam riep hun luidde toe: "De mannen van Ulster worden
+verslagen, de vrouwen gevangen weggevoerd, de koeien medegenomen;
+en Cuchulain moet alleen de bres van Ulster bezetten tegen de vier
+provincies van Erin. Staat op en verdedigt u!" Maar Cathbad zeide
+niets anders dan: "Hij is des doods schuldig, die den koning zoo
+lastig valt;" en Conor zeide: "Toch is het waar, wat de man zegt";
+en de edelen van Ulster schudden het hoofd en mompelden: "Het is
+inderdaad waar."
+
+Daarop draaide Sualtam woedend zijn paard om en was op het punt te
+vertrekken, toen zijn nek door een beweging van zijn schimmel, viel
+tegen den scherpen rand van het schild op zijn rug, waardoor zijn
+hoofd werd afgesneden en op den grond viel. Maar toch bleef het zijn
+boodschap zelfs toen nog herhalen, en eindelijk liet Conor het op een
+pilaar zetten, opdat het rustig zou zijn. Maar toch ging het door met
+schreeuwen en vermanen, totdat eindelijk in den verduisterden geest van
+den koning de waarheid begon door te dringen, en de verglaasde oogen
+der krijgslieden begonnen te glinsteren, en langzaam de betoovering
+van den vloek van Macha van hun geesten en lichamen wegtrok. Daarop
+rees Conor op en zwoer een krachtigen eed, waarbij hij zeide:
+"De hemelen zijn boven, de aarde onder ons, en de zee is om ons
+heen; en als de hemelen niet op ons neerstorten, en de aarde niet
+opengaapt om ons te verzwelgen en de zee de aarde niet overstroomt,
+zal ik zoo zeker als ik leef iedere vrouw naar haar haardstede, en
+iedere koe naar haar stal terugvoeren." [153] Zijn Druïde kondigde
+af, dat het weer gunstig was, en de koning beval zijn boden in iedere
+richting uit te trekken en Ulster te wapen te roepen, en hij noemde
+hun zoowel krijgslieden, die reeds lang dood waren, als de levenden,
+daar de nevel van den vloek nog niet van zijn hersenen was opgetrokken.
+
+Nu de vloek van hen was afgenomen, stroomden de mannen van Ulster
+verheugd op de oproeping toe, en iedereen was bezig speren en zwaarden
+te slijpen, en de wapenrusting aan te trekken en strijdwagens in
+te spannen voor het te velde trekken der mannen van Ulster. Eén
+legerafdeeling kwam onder koning Conor en Keltchar, den zoon van
+Uthecar Hornskin, uit Emania naar het zuiden en een andere kwam uit
+het westen juist op het spoor van het leger van Maev. En de troep
+van Conor stootte op honderd zestig man van Erin in Maeth, die een
+grooten buit van vrouwelijke gevangenen medevoerden, en zij versloegen
+ieder der honderd zestig man en bevrijdden de vrouwen. Daarop trok
+Maev met haar leger terug op Connacht, maar toen zij Slemon Midi,
+den Heuvel van Slane, in Meath, bereikt hadden, vereenigden zich daar
+de troepen uit Ulster en maakten zich gereed slag te leveren. Maev
+zond haar boodschapper mac Roth uit, om het leger van Ulster op de
+Vlakte van Garach gade te slaan en daaromtrent verslag te doen. Mac
+Roth kwam terug met een angstwekkende beschrijving van wat hij gezien
+had. Bij den eersten blik zag hij de vlakte overdekt met herten en
+andere wilde dieren. Deze waren, zoo verklaart Fergus, uit de bosschen
+verjaagd door de naderende troepen der mannen van Ulster. Toen hij
+hen den tweeden keer gadesloeg, zag hij een nevel over de valleien,
+waar boven de toppen der heuvels als eilanden uitstaken. Uit dien
+nevel kwamen donderslagen en bliksemschichten te voorschijn, en een
+storm wierp hem bijna ter neder. "Wat beteekent dit?" vraagt Maev,
+en Fergus vertelt haar, dat de nevel afkomstig is van de diep ademende
+krijgslieden op hun marsch, en het licht de flikkering van hun oogen,
+en de donder het geratel hunner strijdwagens en het gekletter hunner
+wapenen, als zij ten strijde trokken: "Zij meenen, dat zij dien nooit
+zullen bereiken," zegt Fergus. "Wij hebben krijgslieden om hen te
+bestrijden," zegt Maev. "Gij zult die noodig hebben," antwoordt Fergus,
+"immers in geheel Ierland, ja zelfs in de geheele Westelijke Wereld,
+tot aan Griekenland en Scythië en den Toren van Bregon [154] en het
+eiland Gades, zijn er geen mannen, die de mannen van Ulster in hun
+woede kunnen weerstaan."
+
+Daarop volgt een beschrijving van het uiterlijk en de wapenrusting
+van ieder der aanvoerders van de mannen van Ulster.
+
+
+
+De slag bij Garach.
+
+
+De troepen werden handgemeen in de vlakte van Garach in Meath. Fergus,
+die een tweehandig zwaard hanteerde, het zwaard dat, naar gezegd werd,
+als het in den slag werd gezwaaid kringen maakte als een regenboog,
+maaide heele rijen der mannen van Ulster weg met iederen slag [155],
+en de grimmige Maev deed driemaal een uitval op het centrum van den
+vijand. Fergus werd handgemeen met koning Conor, en raakte hem op zijn
+schild met gouden rand, maar Cormac, zijn zoon, smeekte om het leven
+van zijn vader. Fergus wendde zich nu tot Conall van de Overwinningen.
+
+"Gij zijt te vurig," zeide Conall, "tegen uw volk en uw ras voor een
+wellusteling". [156] Fergus hield toen op, de mannen van Ulster te
+dooden, maar in zijn strijdwoede sloeg hij met zijn regenboogzwaard
+tusschen de heuvelen, en sloeg de toppen der drie _Maela_ van Meath
+af, zoodat zij tot op den huidigen dag platte toppen (mael) hebben.
+
+Cuchulain hoorde in zijn bewusteloosheid het gekraak van de slagen
+van Fergus, en toen hij langzaam bijkwam, vroeg hij Laeg, wat dat
+beteekende. "Het is het zwaardgekletter van Fergus," zeide Laeg. Toen
+sprong hij op en zijn lichaam zette zóó zeer uit, dat zijn omslagen
+en zwachtels, die om hem heen gebonden waren, afvlogen, en hij wapende
+zich en stortte zich in den strijd. Daar ontmoette hij Fergus. "Draai
+u hierheen, Fergus," riep hij uit; "ik zal u wasschen als schuim in
+een waterpoel, ik zal over u heen gaan, zooals de staart over de kat
+gaat, ik zal u kastijden, zooals een moeder haar kind kastijdt." "Wie
+spreekt zoo tot mij?" riep Fergus. "Cuchulain mac Sualtam; en vermijd
+mij nu, zooals is afgesproken." [157]
+
+"Dat heb ik beloofd," zeide Fergus, en daarop verdween hij uit het
+gevecht, en tegelijk met hem de mannen van Leinster en die van
+Munster, terwijl zij Maev met haar zeven zoons en het leger van
+Connacht alleen achterlieten.
+
+Het was middag, toen Cuchulain in den strijd kwam; toen de avondzon
+scheen tusschen de bladeren der boomen, bestond zijn strijdwagen
+slechts uit twee wielen en een handvol gebroken stukken hout, terwijl
+het leger van Connacht in volle vlucht was naar de grens. Cuchulain
+haalde Maev in, die onder haar wagen kroop en om genade smeekte. "Ik
+ben niet gewoon, vrouwen te dooden," zeide Cuchulain, en hij beschermde
+haar, totdat zij den Shannon bij Athlone was overgestoken.
+
+
+
+Het gevecht der stieren.
+
+
+Maar de Bruine Stier van Quelgny, die Maev langs een omweg naar
+Connacht had gezonden, ontmoette den Stier van Ailell met witte horens
+op de Vlakte van Aei, en de twee dieren begonnen te vechten; maar de
+Bruine Stier doodde onmiddellijk den anderen, en wierp de stukken over
+het land, zoodat deelen er van verstrooid lagen van Rathcroghan tot
+aan Tara; daarna holde hij dol voort, totdat hij dood viel, loeiende
+en zwart geronnen bloed uitspuwend, op den Bergrug van den Stier,
+tusschen Ulster en Iveagh. Ailell en Maev sloten een zevenjarigen
+vrede met Ulster, en de mannen van Ulster keerden met roem beladen
+naar Emain Macha terug.
+
+Zoo eindigt de "Tain Bo Cuailgné," of de Strooptocht van Vee van
+Quelgny; deze is opgenomen in het "Boek van Leinster" in het jaar 1150
+door de hand van Finn mac Gorman, Bisschop van Kildore, en op het einde
+geschreven: "Gezegend zijn zij, die de 'Tain' letterlijk opzeggen,
+zooals zij hier staat, en het niet in een anderen vorm weergeven."
+
+
+
+Cuchulain in het tooverland.
+
+
+Eén der vreemdste verhalen onder de Keltische legenden vermeldt hoe
+Cuchulain, toen hij na de jacht in slaap lag tegen een steen van een
+pilaar, een droomgezicht had van twee vrouwen uit het Volk van Dana,
+die tot hem naderden, met roeden gewapend en hem om beurten zóó hard
+sloegen, dat hij zoo goed als dood was, en hij geen hand kon opsteken,
+om zich te verdedigen. Den volgenden dag, tot zelfs een jaar daarna,
+lag hij doodziek ter neder, en er was niemand, die hem kon genezen.
+
+Daarop kwam een man, dien niemand kende, die hem beval zich naar den
+steen van den pilaar te begeven, waar hij het droomgezicht had gezien;
+daar kon hij vernemen, wat voor zijn herstel kon worden gedaan. Hij
+vond er een vrouw uit het Volk van Dana in een groenen mantel, en
+wel één van die, welke hem hadden gekastijd, en deze deelde hem mede,
+dat Fand, de Parel der Schoonheid, de vrouw van Mananan den Zeegod,
+op hem verliefd was geworden en dat zij met haar echtgenoot Mananan
+in onmin leefde; haar rijk werd belegerd door drie demonenkoningen,
+tegen wie de hulp van Cuchulain werd ingeroepen, en de prijs voor zijn
+hulp zou de liefde van Fand zijn. Daarop werd Laeg, de wagenmenner,
+door Cuchulain weggezonden om over Fand en haar boodschap berichten
+in te winnen. Hij ging het tooverland binnen, gelegen aan de andere
+zijde van een meer, dat hij in een bronzen tooverboot overstak,
+en kwam tehuis met een verslag van de onovertrefbare schoonheid
+van Fand en de wonderen van het koninkrijk; daarop ging Cuchulain
+daarheen. Hier leverde hij in een dichten nevel een gevecht tegen de
+booze geesten, die beschreven worden als te gelijken op golven der
+zee--ongetwijfeld moeten wij aannemen dat dit de helpers zijn van den
+vertoornden echtgenoot Mananan. Daarop bleef hij bij Fand vertoeven,
+bij wie hij zich een maand lang in alle genietingen van het Tooverland
+verheugde, waarna hij afscheid van haar nam, en een plaats op aarde,
+het Strand van den Taxisboom, afsprak, waar zij hem zou kunnen treffen.
+
+
+
+Fand, Emer en Cuchulain.
+
+
+Maar Emer hoorde van de afspraak; maar hoewel zij meestal de tallooze
+gevallen van ontrouw van Cuchulain gewoonlijk nog al kalm opnam, kwam
+zij bij die gelegenheid aanzetten met vijftig van haar gezellinnen,
+met scherpe messen gewapend, om Fand te dooden. Cuchulain en Fand
+zien reeds van verre haar wagens, en de gewapende vertoornde vrouwen,
+met gouden gespen, die op haar borsten schitterden, en hij maakt
+zich gereed, zijn geliefde te beschermen. Hij spreekt Emer aan in
+een merkwaardig gedicht, waarin hij de schoonheid, de bekwaamheid
+en de magische macht van Fand beschrijft. "Er is niets wat de geest
+kan wenschen of zij bezit het." Emer antwoordt: "Inderdaad schijnt
+de dame, aan wie gij u vasthecht in geen enkel opzicht beter dan ik,
+maar het nieuwe is altijd zoet, en het goed gekende is zuur; gij hebt
+al de wijsheid van heden, Cuchulain! Eertijds leefden wij in eere
+te zamen en zouden dat nog kunnen doen, als ik genade in uw oogen
+kon vinden." "Op mijn eerewoord, dat doet gij, "sprak Cuchulain,
+"en dat zal het geval zijn zoolang ik leef."
+
+"Geef mij dan op," zeide Fand daarop. Maar Emer sprak: "Neen, het
+is beter dat ik de verlatene ben." "Niet alzoo," zeide Fand, "ik ben
+het, die moet heengaan." En de behoefte tot weeklagen overviel Fand,
+en haar ziel in haar was groot, want het was voor haar een schande
+verlaten te worden en weer regelrecht naar huis terug te keeren;
+bovendien was in haar hart een onstuimige liefde voor Cuchulain. [158]
+
+Maar Mananan, de Zoon der Zee, kende haar smart en haar schande
+en kwam haar te hulp, terwijl niemand hem zag, dan alleen zij,
+en zij verwelkomde hem in een mystiek gezang. "Wilt gij bij mij
+terugkeeren?" sprak Mananan, "of wilt gij bij Cuchulain blijven?" "Geen
+van u beiden is inderdaad beter of edeler dan de ander," zeide Fand,
+"maar ik wil met u medegaan, Mananan, want gij hebt geen andere
+gezellin, die u waardig is, terwijl Cuchulain Emer heeft."
+
+Daarom ging zij met Mananan mede, en Cuchulain, die den god niet zag,
+vroeg Laeg, wat er geschiedde. Hij antwoordde: "Fand gaat weg met
+den Zoon der Zee, daar zij geen genade kon vinden in uw oogen."
+
+Daarop sprong Cuchulain in de lucht en vlood van de plaats weg, en
+bleef langen tijd liggen, zonder spijs of drank te willen gebruiken,
+totdat de Druïden hem ten slotte een drank van vergetelheid schonken;
+en naar verhaald wordt schudde Mananan zijn mantel tusschen Cuchulain
+en Fand, opdat zij in der eeuwigheid elkander niet meer zouden
+ontmoeten. [159]
+
+
+
+De wraak van Maev.
+
+
+Hoewel Maev na den slag bij Garach met Ulster vrede sloot deed zij
+toch de gelofte, dat Cuchulain moest vallen, om al de schande en de
+verliezen, die hij over haar en haar provincie had gebracht, en zij
+zocht naar een middel, hoe zij zich op hem zou kunnen wreken.
+
+Nu had de vrouw van den toovenaar Calatin, die bij de wadde door
+Cuchulain was gedood, na diens dood zes kinderen tegelijk ter wereld
+gebracht, en wel drie zoons en drie dochters. Zij waren mismaakt,
+monsterachtig leelijk, vergiftig, tot kwaad geboren; en Maev, die
+van hen had gehoord, zond hen uit, om de tooverkunst te leeren, niet
+alleen die van Ierland maar ook van Alba; en zelfs gingen zij naar
+Babylon om geheime wetenschap op te doen, zoodat zij uitgeleerd in
+tooverkunsten terugkeerden; daarop liet zij hen op Cuchulain los.
+
+
+
+Cuchulain en Blanid.
+
+
+Cuchulain had, behalve den Clan Calatin, nog andere vijanden, en wel
+Erc, den koning van Ierland, den zoon van Cairpre, die door Cuchulain
+in den slag was gedood, en Lewy, den zoon van Curoi, den koning van
+Munster. [160] Immers de vrouw van Curoi, Blanid, was in liefde voor
+Cuchulain ontstoken, en smeekte hem bij haar te komen, en haar weg
+te halen uit de dun van Curvi, en een gunstige gelegenheid af te
+wachten, om de dun aan te vallen, en wel als hij zag, dat de rivier,
+die daaruit stroomde, wit werd. Cuchulain en zijn manschappen wachtten
+daarop in een bosch in de nabijheid, totdat Blanid van oordeel was,
+dat het geschikte oogenblik was aangebroken, en zij stortte toen in
+de rivier de melk van drie koeien. Daarop viel Cuchulain de dun aan,
+nam die bij verrassing in, en doodde Curoi, waarna hij de vrouw
+wegvoerde. Maar Fercartna, de bard van Curoi, ging met hen mede,
+en verraadde zijn bedoelingen niet, totdat hij, toen hij eens in de
+onmiddellijke nabijheid stond van Blanid, naast den wand van de klip
+van Beara, zijn armen om haar heensloeg, zich met haar van de rots
+stortte, op die wijze kwamen zij om, en was Curoi ten opzichte van
+zijn vrouw gewroken.
+
+Al die personen werden nu door Maev door middel van geheime
+boodschappen, door berispingen en vermaningen tegen Cuchulain opgezet,
+en zij wachtten, totdat zij hoorden, dat de vloek van Macha weer
+zwaar rustte op de mannen van Ulster, en daarna verzamelden zij een
+leger en trokken op naar de Vlakte van Murthemney.
+
+
+
+
+De krankzinnigheid van Cuchulain.
+
+
+Eerst waren het de kinderen van Calatin, die schrik en gedruktheid
+op den geest van Cuchulain wierpen, en zij wisten door de overkapte
+distels en de wolfsveeten en waaiende bladeren van het bosch den indruk
+te wekken van gewapende bataljons, die tegen Murthemney optrokken,
+en Cuchulain meende aan alle kanten den rook van brandende woningen
+te zien opstijgen. En twee dagen lang streed hij met de droombeelden,
+totdat hij ziek en uitgeput was. Daarop overreedde hem Cathbad en de
+mannen van Ulster, om zich terug te trekken in een eenzamen bergpas,
+waar vijftig der vorstinnen van Ulster, onder wie ook Niam, de vrouw
+van zijn trouwen vriend Conall van de Overwinningen, hem verpleegden,
+en Niam dwong hem tot de belofte, dat hij de dun waar hij was niet
+zou verlaten, voordat zij hem haar toestemming daartoe gaf.
+
+Maar nog steeds vulden de kinderen van Calatin het land met
+oorlogsverschijningen, en rook en vlammen stegen op, en woeste kreten
+en jammerklachten, met gesnap en gelach van kabouters, en het geschal
+van trompetten en horens werd door den wind aangedragen. En Bave,
+de dochter van Calatin, ging den bergpas binnen, en na de gedaante te
+hebben aangenomen van een dienstmaagd van Niam, riep zij haar op zijde
+en voerde haar tot op een afstand tusschen de bosschen, en legde een
+betoovering over haar, zoodat zij verloren raakte en haar weg naar
+huis niet meer kon terugvinden. Daarop ging Bave in de gedaante van
+Niam naar Cuchulain en riep hem op, om Ulster te bevrijden van de
+legers, die het teisterden, en de Morrigan kwam in den vorm van een
+groote kraai op de plaats waar Cuchulain met de vrouwen zat en kraste
+voortdurend over oorlog en doodslag. Daarop sprong Cuchulain op en
+riep Laeg om zijn wagen in te spannen. Maar toen Laeg den Schimmel
+van Macha ging halen om hem op te tuigen, vlood het paard van hem weg
+en verzette zich, en slechts met de grootste inspanning kon Laeg het
+voor den wagen spannen, terwijl groote tranen zwart bloed langs zijn
+kop stroomden.
+
+Daarop reed Cuchulain weg, na zich in zijn wapenrusting te hebben
+gestoken; en aan iederen kant vervolgden hem gestalten en geluiden
+van verschrikking, die zijn geest benevelden, en toen leek het hem
+of hij een groote rookwolk verlicht door uitbarstingen van roode
+vlammen, boven de wallen van Emain Macha zag, en meende hij, dat hij
+het lijk van Emer over de wallen zag slingeren. Maar toen hij aan
+zijn dun te Murthemney kwam, was Emer in leven, en zij smeekte hem,
+de spookverschijningen uit den weg te gaan, maar hij wilde niet naar
+haar luisteren en nam afscheid van haar. Daarna nam hij afscheid
+van zijn moeder Dectera, en zij gaf hem een beker wijn te drinken,
+maar voordat hij den wijn kon drinken, veranderde deze in bloed, en
+hij slingerde dien weg en sprak: "Het einde van mijn leven is nabij,
+dezen keer zal ik niet levend uit den strijd terug keeren." En Dectera
+en Cathbad smeekten hem, de komst van Conall van de overwinningen af
+te wachten, die op reis was, maar hij wilde dat niet.
+
+
+
+Het waschmeisje aan de wadde.
+
+
+Toen hij aan de wadde kwam op de vlakte van Emania, zag hij daar aan
+het water iets knielen, dat op een jong meisje geleek, en dat weende
+en jammerde, het waschte een hoop bloedige kleeren en krijgswapenen
+in het water, en toen het een druipend buis of borststuk uit het
+water optilde, zag Cuchulain dat dit hem toebehoorde. Toen zij de
+wadde overstaken, verdween zij uit hun gezicht. [161]
+
+
+
+Nog eens Clan Calatin.
+
+
+Na nog eens afscheid genomen te hebben van Conor en de vrouwen in
+Emania, ging hij weer naar Murthemney en den vijand. Maar op weg
+daarheen zag hij aan de kant van de weg drie oude vrouwen, ieder blind
+aan één oog, monsterachtig leelijk en deerniswaardig, zij hadden een
+klein vuur van stokjes gestookt, en braadden daarboven een dooden hond
+aan een spit van hout. Toen Cuchulain voorbij kwam, riepen zij hem toe,
+af te stijgen, bij hen te vertoeven en haar maal te deelen. "Dat zal
+ik werkelijk niet doen," zeide hij. "Als wij een groot feest hadden,"
+spraken zij, "zoudt gij wel gebleven zijn; het past den aanzienlijke
+niet de geringen te minachten." Daarop steeg Cuchulain af, daar hij
+niet wilde, dat men hem voor onwellevend hield tegenover ongelukkigen,
+en hij nam een stuk van het gebraden vleesch, en at dat op, maar de
+hand, waarmede hij het had aangenomen, werd tot aan den schouder
+verlamd, zoodat haar vroegere kracht gebroken was. Immers het was
+voor Cuchulain _geis_ een haard te naderen, waarop gebraden werd,
+en daar voedsel van te nemen, en het was eveneens _geis_ voor hem,
+van zijn naamgenoot te eten. [162]
+
+
+
+De dood van Cuchulain.
+
+
+Cuchulain vond het leger van zijn vijanden bij Slieve Fuad, ten zuiden
+van Armagh, en woedend reed hij tegen hen in, de "donderkunst" op
+hen toepassend, totdat de vlakte met hun dooden bezaaid was. Daarop
+naderde hem een hekeldichter, daartoe door Lewy aangezet, die hem
+om zijn speer vroeg. [163] "Daar hebt ge hem," zeide Cuchulain,
+en wierp die met zóó groote kracht tegen hem aan, dat zij dwars
+door hem heenging en nog bovendien negen man doodde. "Een koning
+zal door die speer vallen," zeiden de zonen van Calatin tot Lewy,
+en Lewy greep haar en wierp haar naar Cuchulain, maar zij trof Laeg,
+den koning der wagenmenners, zoodat zijn ingewanden op de kussens
+van den wagen vielen, en hij nam afscheid van zijn meester en stierf.
+
+Daarop vroeg een tweede hekeldichter om de speer, maar Cuchulain zeide:
+"Ik behoef niet meer dan één verzoek per dag in te willigen." Maar
+de hekeldichter sprak: "Dan zal ik Ulster om uw verzuim beschimpen,"
+en Cuchulain wierp hem toen evenals te voren de speer toe, en nu greep
+Erc haar, die haar terugwierp, waardoor de schimmel van Macha doodelijk
+getroffen werd. Cuchulain trok de speer uit de zijde van het paard,
+en zij namen afscheid van elkander, en de schimmel galoppeerde weg,
+met het halve juk aan den nek.
+
+En ten derden male slingerde Cuchulain zijn speer naar een
+hekeldichter, en Lewy pakte die weer en slingerde haar terug, en
+zij trof Cuchulain zelf, en zijn ingewanden vielen in den wagen,
+en het overgebleven paard de Zwarte Sainglend, brak los en liet hem
+in den steek.
+
+"Ik zou zoo gaarne naar dien kant van het meer gaan om te drinken,"
+sprak Cuchulain, die wist, dat zijn einde nabij was, en zij lieten hem
+gaan, toen hij beloofd had weer tot hen te zullen terugkeeren. Daarop
+nam hij zijn ingewanden bijeen, stak ze in zijn lichaam en ging
+naar den kant van het meer, en dronk, en baadde, en keerde terug
+om te sterven. Er was in de nabijheid een groote steenen pilaar,
+die ten westen van het meer stond, en hij ging daarheen, en sloeg
+zijn gordelriem daaromheen en om zijn borst, opdat hij staande zou
+kunnen sterven, en niet neerliggend; en zijn bloed vloeide in een
+kleinen stroom in het meer, en een otter kwam buiten het meer en
+likte het op. En de vijandelijke troepen verzamelden zich rondom,
+maar durfden hem niet te naderen, terwijl het leven nog in hem was,
+en het licht van den held straalde boven zijn voorhoofd. Daarop kwam
+de Schimmel van Macha, om hem te beschermen, en verstrooide zijn
+vijanden door te bijten en te schoppen.
+
+En daarna kwam een kraai, die zich op zijn schouder neerzette. Toen
+Lewy dit zag, kwam hij nader, haalde het haar van Cuchulain naar één
+kant over diens schouder, en sloeg met zijn zwaard het hoofd af; en het
+zwaard viel uit de hand van Cuchulain en sloeg de hand van Lewy af, in
+zijn val. Als wraak daarvoor namen zij de hand van Cuchulain, en zij
+droegen het hoofd en de hand naar het zuiden naar Tara en begroeven
+die daar, en richtten daarover een hoogte op. Maar Conall van de
+Overwinningen, die zich, toen hij het bericht van den oorlog kreeg,
+naar Cuchulain's zijde spoedde, ontmoette den Schimmel van Macha,
+die stroomde van bloed, en samen gingen zij naar den oever van het
+meer en zagen hem daar zonder hoofd en aan den pilaar gebonden, en
+het paard kwam nader en legde zijn kop op Cuchulains borst. Conall
+reed naar het zuiden om Cuchulain te wreken, en hij ontmoette Lewy
+bij de rivier de Liffey, en omdat Lewy maar één hand had, bond Conall
+één van zijn handen achter zijn rug, en zij vochten den halven dag,
+maar geen van beiden behaalde de overwinning.
+
+Daarop kwam het paard van Conall, de Rood-gespikkelde, en beet een
+stuk uit de zijde van Lewy, en Conall doodde hem, nam zijn hoofd,
+en keerde naar Emain Macha terug. Maar er werd geen feestelijken
+intocht gehouden, toen zij de stad binnentrokken, want Cuchulain,
+de Hond van Ulster, leefde niet meer.
+
+
+
+Het terugwinnen van de Tain.
+
+
+De geschiedenis van de "Tain" of de Strooptocht om den Bruinen
+Stier van Quelgny was volgens de overlevering door niemand anders
+geschreven dan door Fergus mac Roy, maar het groote lied was langen
+tijd verloren. Men meende, dat het in Oghamletters geschreven was op
+houten stokken, die een bard, die ze in bezit had, medegenomen had
+naar Italië, vanwaar zij nooit terugkwamen.
+
+Het terug winnen van de "Tain" is het onderwerp van een aantal
+legenden, die door Sir S. Ferguson in zijn "liederen van Westelijk
+Wales" zijn bijeengebracht in een gedicht, dat getuigt van een zoo
+helder inzicht in de geest der Galische mythen, dat wij het bij het
+weergeven van dit merkwaardig en schoone verhaal zooveel mogelijk
+op den voet zullen volgen. Het verhaal luidt, dat Sanchan Torpest,
+de voornaamste bard van Ierland, eens op een feest na het verlies
+van de "Tain" door den opperkoning Guary gehoond werd met het feit,
+dat hij niet in staat was het meest beroemde en het schitterendste
+der Galische gedichten voor te dragen. Dit tastte den bard in zijn
+eer, en hij besloot te trachten de verloren schat te herwinnen. Wijd
+en zijd door Erin en door Alba zocht hij naar sporen van het lied,
+maar hij kon niets anders dan verspreide stukken vinden. Hij zou zelfs
+door tooverkunsten den geest van Fergus hebben opgeroepen, om hem het
+lied te leeren, zelfs ten koste van zijn eigen leven--want dat zou,
+naar het schijnt, de prijs geweest zijn, die voor de tusschenkomst
+en de hulp van den doode geëischt werd--maar de plaats, waar Fergus
+was begraven en waar de tooverformulieren moesten worden opgezegd,
+kon niet worden ontdekt. Eindelijk zond Sanchan zijn zoon Murgen met
+diens jongeren broeder Eimena op reis naar Italië, om te trachten,
+daar het lot te ontdekken van het op stokken geschreven boek.
+
+Beiden reisden nu in oostelijke en in westelijke richting over Erin,
+totdat Murgen na een langen tocht bij Loch Eïn niet verder kon. Zijn
+broeder ging toen alleen verder, na hem te hebben opgedragen, bij
+een rechtopstaande steen op zijn terugkomst te wachten.
+
+Toen zag Murgen op de plaats waar hij leunde beneden aan de hoeken
+van den steenen pilaar letters in Oghamschrift. "Het is," zeide hij,
+"een grafsteen, en die strepen bevatten waarschijnlijk den naam van den
+één of anderen krijgsman; kon ik de teekens maar ontcijferen." Letter
+na letter spelde hij, totdat hij ontdekte, dat het opschrift luidde:
+_"Hier is Fergus, de Zoon van Roy begraven."_ Hoewel nu Murgen
+wist, welke straf er op stond, deed hij toch een beroep op Fergus,
+om medelijden te hebben met de droefheid van een zoon, en beloofde,
+als hij de "Tain" kon terugkrijgen, zijn leven te zullen offeren,
+zijn bloedverwanten en vrienden en de maagd, die hij liefhad, in den
+steek te zullen laten, opdat zijn vader niet zou worden beschimpt. Maar
+Fergus gaf geen teeken, en daarom deed hij op andere wijze nog eens
+een beroep op Fergus, en zeide: "Fergus, vrouwenliefde laat u nu
+onverschillig, voor kinderliefde, menschelijk instincten, zijt gij
+ongevoelig; maar als gij dan niet ter wille der liefde ontwaakt, doe
+het dan terwille van den zang. Gij waart de eerste, die de Galiërs
+de dichtkunst hebt gegeven; zij hebben tegenwoordig hun schoonste
+gaven verloren, doch laat het lied de eenige schat zijn, die hun in
+hun geboorteland is overgebleven."
+
+Fergus stond op; met hem stak ook een nevel op, zóó dik, dat toen
+Eimena terugkeerde, hij die nevel niet kon doorboren. Den geheelen
+nacht echter hoorde Murgen de liefelijke stem weerklinken, en hoorde
+hij het lied van de "Tain". Bezield keerde hij naar Sancha terug;
+driemaal werd het geheele lied voorgedragen, totdat Murgen zijn
+trouwe geliefde opzocht en haar mededeelde, hoe hij zijn leven en
+zijn liefde voor haar had opgeofferd. De diep bedroefde maagd zegt
+hem, dat de onsterfelijke roem, dien de zanger deelachtig wordt,
+niet opweegt tegen één traan der geliefde.
+
+Daarop zegt Sanchan, dat twee gouden bekers het loon zullen zijn
+van Murgen, als hij de woorden en de melodie van _Tain-Bo-Cueilgne_
+regel voor regel kan voordragen.
+
+En zoo zong Murgen het heerlijke lied, door Fergus vervaardigd, over
+de mannen van Ulster en over Cuchulain en Conall van de Overwinningen
+en over Cuchulains makker Ferdia. Doch zie, daar kwam onder heftige
+donderslagen _Fergus, de Zoon van Roy_ de zaal binnen, en eischte van
+den harpspeler het geëischte loon op. Plotseling veranderde Murgen in
+een stuk klei. "Leg hem," zoo sprak Fergus, "op zijn lijkbaar naast
+mij, nooit zal een inhalige koning mij meer bespotten; slaven zullen
+Sanchan voor den gek houden; maar omdat de maagd voor haar droevig
+lot dient getroost te worden, komt haar het duur gekochte loon,
+de beide gouden bekers, toe.
+
+Doch het meisje wilde van die bekers niets weten en liet ze in den
+oceaan werpen, ver uit het gezicht en de herinnering, en zij voegde
+er de vervloeking aan toe, dat de _Tain-Bo_ met die bekers zou te
+gronde gaan, alsof die nooit was teruggevonden.
+
+En zoo geschiedde het, dat het lied, dat eens ten koste van een zóó
+hoogen prijs was teruggevonden, bijna geheel is verloren gegaan,
+voordat het zelfs eenmaal volledig was gezongen.
+
+
+
+De spookwagen van Cuchulain.
+
+
+Cuchulain komt weer op indrukwekkende wijze ten tooneele in een
+latere legende van Christelijken oorsprong, die gevonden is in het
+"Boek der vale koe," uit de twaalfde eeuw. Het verhaal luidt, dat hij
+door St. Patrick uit de Hel is opgeroepen, om de waarheden van het
+Christendom en de afgrijselijkheid der verdoemenis te bewijzen aan
+den heidenschen vorst, Laery mac Neill, den koning van Ierland. Laery
+staat met St. Benen, een metgezel van St. Patrick op de Vlakte van mac
+Indoc, als een ijzige stormvlaag hen bijna van de voeten rukt. Het is
+de wind van de Hel, nadat deze voor Cuchulain geopend is, zoo verklaart
+Benen. Daarop bedekt een dichte nevel de vlakte, en dadelijk wordt
+een groote tooverwagen met galoppeerende paarden, een schimmel en
+een zwart paard, door den nevel heen zichtbaar. Daarin zijn de beide
+beroemde personen Cuchulain en zijn wagenmenner gezeten, reusachtige
+figuren, gewapend met al den glans van den Galischen krijgsman.
+
+Daarna spreekt Cuchulain met Laery, en dringt er bij hem op aan, "in
+God en den Heiligen Patrick te gelooven, want het is niet een booze
+geest, die tot u gekomen is, maar Chuchulain de zoon van Sualtam." Om
+zijn identiteit te bewijzen, verhaalt hij zijn beroemde krijgsdaden en
+eindigt met een droevige beschrijving van zijn tegenwoordige toestand:
+
+
+ Hoeveel droefheid ik ook geleden heb,
+ O Laery, te land en ter zee--
+ Eén enkele nacht was nog veel erger,
+ Als de booze geest toornig was!
+ Hoe groot mijn heldenmoed ook was,
+ Hoe stevig ook mijn zwaard,
+ De duivel drukte mij met één vinger neder
+ In de roode houtskool!"
+
+
+Hij eindigt met St. Patrick te smeeken hem den hemel te doen beërven
+en de legende verteld dat zijn bede werd verhoord en dat Laery tot
+het Geloof kwam.
+
+
+
+Dood van Conor mac Nessa.
+
+
+Ook om den dood van den heer van Cuchulain, Conor, den koning van
+Ulster, hebben zich Christelijke denkbeelden gegroepeerd. Hij stierf
+op de volgende wijze. Hij had een onrechtvaardigen en wreeden aanval
+gedaan op Mesgedra, den koning van Leinster, bij welke gelegenheid
+die vorst den dood vond door de hand van Conall van de Overwinningen
+[164]. Conall nam de hersenen uit het hoofd van den dooden koning en
+vermengde die met klei, om een slingersteen te vervaardigen--welke
+"hersenballen", zooals zij genoemd worden, beschouwd worden als de
+doodelijkste werptuigen. Die bal werd bewaard in de schatkamer van
+den koning te Emain Macha, waar de kampioen van Connacht, Ket, de zoon
+van Maga, dien op zekeren dag vond, toen hij vermomd op buit uitging
+door Ulster. Ket nam hem weg, en hield hem voortdurend bij zich. Niet
+lang daarna roofden de mannen van Connacht vee uit Ulster en de mannen
+van Ulster, haalden hen onder aanvoering van Conor in bij een wadde
+in Westmeath die nog Athnurchar (de wadde van den geworpen Slinger)
+heet. Een slag was op handen, en een aantal dames van Connacht kwamen
+aan den oever van de rivier om de beroemde krijgslieden van Ulster
+te zien, en vooral Conor, den statigsten man van zijn tijd. Conor was
+ook bereid zich te vertoonen, en daar hij niet anders dan vrouwen zag
+aan den anderen oever, kwam hij dicht bij haar; maar Ket, die in een
+hinderlaag op de loer lag, stond nu op en slingerde den hersenbal naar
+Conor en trof hem midden op het voorhoofd. Conor viel neer, en werd
+door zijn op de vlucht gejaagde volgelingen meegevoerd. Toen zij hem
+naar Emain Macha nog levend thuis hadden gebracht, verklaarde zijn
+geneesheer Fingen, dat hij moest sterven, als de bal uit zijn hoofd
+werd gehaald; deze werd daarom met gouddraad vastgenaaid, en den koning
+werd geraden zich te onthouden van paardrijden en van alle heftige
+inspanning en gemoedsbeweging, opdat hij er geen hinder van zou hebben.
+
+Zeven jaar later zag Conor, dat de zon des middags werd verduisterd,
+en hij liet zijn Druïde komen, om hem de beteekenis van dit voorteeken
+te verklaren. De Druïde vertelt hem in een magische geestverrukking
+van een heuvel in een ver afgelegen land, waarop drie kruisen staan,
+aan elk waarvan een menschelijk gedaante was vastgespijkerd, en één
+van hen is als de Onsterfelijken. "Is hij een boosdoener?" vraagt
+Conor daarop. "Neen," zegt de Druïde, "maar de Zoon van den levenden
+God," en hij verhaalt de koning de geschiedenis van den dood van
+Christus. Conor barst in woede los, en na zijn zwaard getrokken
+te hebben, hakt hij op de eikeboomen in het heilige boschje los,
+en riep hij uit: "Zoo zou ik zijn vijanden behandelen," maar door de
+opwinding en inspanning barstte de hersenbal uit zijn hoofd en hij valt
+dood neer. En zoo is de wraak van Mesgedra vervuld. Met Conor en met
+Cuchulain is de glorie van de Rooden Tak en de overmacht van Ulster
+verdwenen. De volgende cyclus van Iersche legenden, die van Ossian,
+voert weer verschillende karakters ten tooneele, een omgeving van
+een andere natuurgesteldheid en geheel verschillende levensidealen.
+
+
+
+Ket en het everzwijn van mac Datho.
+
+
+Ket, de kampioen van Connacht, wiens voornaamste krijgsdaad het
+verwonden van koning Conor te Ardnurchar was, komt ook voor in een
+zeer dramatisch verhaal, dat tot titel draagt "Het voorsnijden van het
+everzwijn van mac Datho". De geschiedenis luidt aldus: Er woonde eens
+in de provincie Leinster een rijk, gastvrij heer, Mesroda genoemd,
+de zoon van Datho. Hij had twee bezittingen; en wel een hond, die
+harder liep dan eenige andere hond of eenig ander wild dier in Erin
+en een everzwijn, dat het mooiste en grootste was dat ooit door iemand
+was gezien.
+
+De faam van dien hond was over het geheele land verspreid, en groot was
+het aantal vorsten en edelen, die hem wilden bezitten. Zoo kwam het,
+dat Conor, de koning van Ulster en Maev, de koningin van Connacht,
+boden naar mac Datho zonden met de vraag, hun den hond te verkoopen,
+en beide boden kwamen denzelfden dag aan de dun van mac Datho. De bode
+uit Connacht zeide: "Wij zullen u in ruil voor den hond zeshonderd
+melkkoeien geven en een wagen met twee paarden, de beste, die in
+Connacht te vinden zijn, en een jaar later zult gij nog eens hetzelfde
+krijgen." En de bode van koning Conor zeide: "Wij zullen niet minder
+dan Connacht geven en daarbij de vriendschap en het bondgenootschap met
+Ulster, en dat is meer voor u waard dan de vriendschap van Connacht.
+
+Daarop verzonk Mesroda mac Datho in diepe stilte, en drie dagen lang
+weigerde hij te eten en te drinken, en des nachts kon hij niet slapen,
+maar woelde onrustig op zijn bed heen en weer. Zijn vrouw zag in
+welken toestand hij was, en sprak tot hem: "Gij hebt lang gevast,
+Mesroda, hoewel er overvloed van goed voedsel naast u staat, en des
+nachts draait gij uw gelaat tegen den muur, en ik weet zeer goed,
+dat gij niet slaapt. Wat is de reden van uw onrust?"
+
+"Er is een spreuk," antwoordde mac Datho, die luidt: "Vertrouw een
+knecht geen geld, en een vrouw geen geheim."
+
+"Wanneer zou een man met een vrouw spreken," antwoordde zijn vrouw,
+"als hij het niet doet, als hij in moeilijkheden verkeerd? Wat uw
+geest niet kan oplossen, kan misschien die van een ander doen."
+
+Daarop vertelde mac Datho zijn vrouw van het verzoek om zijn hond
+zoowel van Ulster als van Connacht op hetzelfde oogenblik. "En wien
+van beiden ik het weiger, die zal mijn vee wegrooven en mijn mannen
+dooden."
+
+"Hoor dan naar mijn raad," zeide de vrouw. "Geef hem aan beiden,
+en laten zij hem komen halen, en als er geplunderd moet worden, laat
+hen dan liever elkander plunderen; maar in geen geval moogt gij den
+hond houden."
+
+Mac Datho volgde dien wijzen raad, en noodigde de mannen van Ulster en
+Connacht uit op een groot feest op denzelfden dag, onder mededeeling,
+dat zij den hond daarna konden krijgen.
+
+Zoo kwamen dan op den vastgestelden dag Conor van Ulster, en Maev,
+met hun gevolg van vorsten en aanzienlijken bijeen in de dun
+van mac Datho. Daar zagen zij een groot feest aangericht, en mac
+Datho had als hoofdgerecht zijn beroemd everzwijn laten dooden,
+een dier van ontzaglijke grootte. De vraag kwam toen ter sprake,
+wien de eervolle taak zou worden opgedragen, het voor te snijden,
+en Bricriu van de Vergiftigde Tong stelde in overeenstemming met zijn
+strijdlustigen aard voor, dat de krijgslieden van Ulster en Connacht
+hun voornaamste krijgsdaden zouden vergelijken, en het voorsnijden van
+het everzwijn zouden opdragen aan hem, die zich het verdienstelijkst
+had gemaakt bij de gevechten, die steeds aan de grens van beide
+provincies werden geleverd. Na veel heen en weer praten en na veel
+beleedigingen gaat Ket, de zoon van Maga, over het everzwijn staan,
+met het mes in de hand, en daagt ieder der edelen van Ulster uit, hun
+dappere daden met de zijne te vergelijken. Een voor een staan zij op,
+Cuscrid de zoon van Conor, Keltchar, Moonremur, Laery de Zegevierder,
+en anderen--Cuchulain komt in dit verhaal niet ten tooneele--en bij
+ieder verhaal weet Ket de ééne of andere prikkelende mededeeling te
+doen van een ontmoeting, waarbij hij het er beter heeft afgebracht
+dan zij, en één voor één zetten zij zich beschaamd en zwijgend ter
+neder. Eindelijk wordt een kreet van welkom gehoord aan de deur der
+zaal en de mannen van Ulster heffen een gejubel aan. Conall van de
+Overwinningen is ten tooneele verschenen. Hij stapt naar het everzwijn,
+en Ket en zij groeten elkander met ridderlijke hoffelijkheid.
+
+"En nu, welkom, O Conall, man van het ijzeren hart en het vurige bloed;
+scherp als het glanzende ijs, altijd overwinnend opperhoofd; heil u,
+machtige zoon van Finnchoom!" sprak Ket.
+
+En Conall zeide: "Heil u, Ket, bloem der helden, heer der wagens,
+een stormende zee in den slag; een krachtige stier vol majesteit;
+heil u, zoon van Maga!"
+
+"En nu," vervolgde Conall, "sta op van uw plaats bij het everzwijn,
+en maak plaats voor mij."
+
+"Waarom!" antwoordde Ket.
+
+"Zoekt gij met mij te strijden?" zeide Conall. "Gij zult uw zin
+hebben. Bij de goden van mijn volk zweer ik, dat ik sedert ik voor
+het eerst de wapenen ter hand nam, nooit één dag heb doorleefd, dat
+ik niet een man uit Connacht doodde, noch één nacht, dat ik niet een
+strooptocht tegen hen ondernam, en nooit heb ik geslapen, zonder het
+hoofd van een man uit Connacht onder mijn knie gehad te hebben."
+
+"Ik geef toe," zeide daarop Ket, "dat gij een beter krijgsman zijt
+dan ik, en ik sta u het everzwijn af. Maar als mijn broeder Anluan
+hier was, zou hij iedere oorlogsdaad van u het hoofd bieden, en het
+is treurig en een schande, dat hij niet hier is."
+
+"Anluan is hier," riep Conall uit, en daarbij wierp hij uit zijn
+gordelriem het hoofd van Anluan, en smeet het in het gezicht van Ket.
+
+Daarop sprongen allen op en er ontstond een woest geschreeuw en
+rumoer en de zwaarden vlogen van zelf uit de scheeden, en de slag
+woedde in de zaal van mac Datho. Spoedig vlogen de troepen uit de
+deuren van de dun en sloegen en doodden elkander in het open veld,
+totdat de troepen van Connacht op de vlucht gejaagd waren. De hond
+van mac Datho volgde den wagen van koning Ailell van Connacht totdat
+de wagenmenner zijn kop afsloeg, zoodat de oorzaak van den strijd
+door geen van beide partijen werd gewonnen, en mac Datho wel zijn
+hond verloor, maar zijn landen en zijn leven redde.
+
+
+
+De dood van Ket.
+
+
+De dood van Ket wordt verhaald in de "Geschiedenis van Ierland" door
+Keating. Toen hij van een strooptocht in Ulster terugkeerde, werd
+hij overvallen door Conall op een plaats, de wadde van Ket genoemd,
+en zij vochten lang en wanhopig. Ten slotte werd Ket verslagen, maar
+Conall van de Overwinningen was er niet beter aan toe, en lag ter
+neder op het punt van dood te bloeden, toen een andere kampioen van
+Connacht, Beälcu [165] genaamd, hem vond liggen. "Dood mij," zeide
+Conall tot hem, "opdat men niet kan zeggen, dat ik viel door één man
+uit Connacht." Maar Beälchu zeide: "Ik zal iemand niet dooden, die op
+het punt is te sterven, maar ik zal u naar huis brengen, en genezen,
+en zoodra gij uw kracht hebt teruggekregen, zult gij met mij in een
+tweegevecht strijden." Daarop legde Beälchu Conall op een draagbaar,
+en bracht hem naar huis, en liet hem verzorgen, totdat zijn wonden
+genezen waren. Maar toen de drie zonen van Beälchu zagen, hoe sterk
+de de kampioen van Ulster was in zijn volle kracht, besloten zij hem
+te vermoorden, voordat het gevecht zou plaats hebben. Doch door een
+krijgslist wist Conall te bewerken, dat zij in plaats daarvan hun
+eigen vader doodden; en daarna ging hij als overwinnaar zooals hij
+gewoon was, naar Ulster, terwijl hij de hoofden der drie zonen medenam.
+
+
+
+De dood van Maev.
+
+
+Ook het verhaal van den dood van koningin Maev is door Keating
+bewaard gebleven. Toen Fergus mac Roy door Ailell gedood was door een
+speerworp, terwijl hij met Maev in een meer baadde, en toen Ailell
+door Conall gedood was, trok zich Maev terug naar een eiland [166] in
+Loch Ryve, waar zij gewoon was iederen morgen te baden in een vijver
+dicht bij de landingsplaats. Toen Forbay, de zoon van Conor mac Nessa,
+die gewoonte van de koningin had ontdekt, vond hij op zekeren dag
+het middel, onopgemerkt naar den vijver toe te gaan en den afstand te
+meten van den vijver tot aan den oever van het vasteland. Daarna ging
+hij terug naar Emania, waar hij den zoo gemeten afstand uitzette,
+en na een appel op een stok te hebben geplaatst wierp hij daar met
+een slinger voortdurend naar, totdat hij zóó goed op dien afstand had
+leeren mikken, dat hij nooit meer zijn doel miste. Daarop zag hij op
+zekeren dag, na een gunstige gelegenheid aan de oevers van Loch Ryve
+te hebben afgewacht, Maev het water instappen, en na een kogel in zijn
+slinger te hebben geworpen, mikte hij zóó juist op haar, dat hij haar
+in het midden van het voorhoofd trof en zij dood ter neder stortte.
+
+Naar verhaald wordt, had de dappere en krijgszuchtige koningin
+acht en tachtig jaar in Connacht geregeerd. Zij is een treffend
+voorbeeld van de soort vrouwen, die de Galische barden zoo gaarne
+schilderen. Bescheidenheid en zachtheid waren volstrekt niet haar
+gewone karaktertrekken, maar eer een onstuimige, overvloeiende
+levenslust. Men vindt tallooze voorbeelden van oorlogvoerende vrouwen
+zooals Skatha en Aifa, en men herinnert zich de Gallische vrouwen, met
+haar krachtige sneeuwwitte armen, die het zoo gevaarlijk is te tarten,
+van wie de classieke schrijvers ons verhalen. De Gallische barden,
+die in zoo menig opzicht de voorloopers waren van de denkbeelden der
+ridderromantiek, plaatsten de vrouwen niet op een andere lijn dan
+de mannen. Vrouwen werden beoordeeld en behandeld als mannen, noch
+als slavinnen, noch als godinnen, en wij weten, dat zij zelfs nog in
+historische tijden met de mannen ten strijde trokken, een gebruik,
+dat eerst in de zesde eeuw eindigde.
+
+
+
+Fergus mac Leda en het volk der dwergen.
+
+
+Van die verhalen van den Cyclus van Ulster, die niet gegroepeerd zijn
+om de figuur van Cuchulain, is één der meest merkwaardige dat van
+Fergus mac Leda en den Koning van het volk der dwergen. In dit verhaal
+treedt Fergus op als koning van Ulster, maar daar hij een bondgenoot
+was van Conor mac Nessa, en bij den Strooptocht van Quelgny wordt
+voorgesteld als Conor in den oorlog te volgen, moeten wij besluiten,
+dat hij in werkelijkheid een onderkoning was, zooals Cuchulain of
+Owen van Ferney.
+
+Het verhaal opent te Faylinn, of het Land en het Volk der dwergen,
+een ras van Kaboutermannetjes, die een aardige periode voorstellen
+van menschelijke instellingen op verkleinde schaal, maar die (evenals
+dwergen in de literatuur der primitieve rassen meestal worden gedacht)
+begiftigd zijn met toovermacht. Jubdan [167], de koning van Faylinn,
+bluft, als hij bij een feest zich ruim aan wijn heeft te goed gedaan,
+op de grootheid van zijn macht en de onoverwinnelijkheid van zijn
+gewapende troepen--behoort daartoe niet ook de sterke man Glower,
+die er om beroemd is dat hij met één slag van zijn bijl een distel
+kon afhakken? Maar Eisirt,de bard van den koning, heeft iets hooren
+verluiden van een reuzenvolk aan de overzijde der zee, in een land,
+Ulster genoemd, van wie één man een geheel bataljon van het Volk der
+dwergen kan vernietigen, en onvoorzichtig geeft hij daaromtrent den
+pochenden vorst een wenk. Onmiddellijk wordt hij om zijn vermetelheid
+in de gevangenis geworpen, en alleen vrijgelaten onder voorwaarde,
+dat hij dadelijk naar het land dier machtige mannen zal gaan, en de
+bewijzen zal leveren van de waarheid van zijn ongeloofelijk verhaal.
+
+Zoo vertrekt hij dus; en op een schoonen dag vinden dan ook koning
+Fergus en zijn edelen aan de poort van hun dun een nietig kereltje,
+prachtig uitgedost in de kleederen van een koninklijken bard, die
+toegang vraagt. Hij wordt daar binnen gedragen op de hand van Aeda,
+den dwerg en bard van den koning, en nadat hij het hof heeft bekoord
+door zijn verstandige en geestige gezegden, na een rijke belooning
+te hebben ontvangen, die hij dadelijk verdeelt onder de dichters en
+andere hovelingen van Ulster, keert hij weer naar huis terug, waarbij
+hij als gast den dwerg Aeda medeneemt, voor wien het volk der dwergen
+vlucht als ware hij een reus uit "Fomoria," hoewel de gemiddelde
+mannen van Ulster, zooals Eisirt uitlegt, hem als een kind kunnen
+dragen. Jubdan is nu overtuigd, maar Eisirt stelt hem onder _geise_,
+den band der ridderlijkheid waaraan geen Iersch opperhoofd zich kan
+onttrekken zonder schande te ondervinden, om evenals Eisirt gedaan
+heeft, naar het paleis van Fergus te gaan en de pap van den koning
+te proeven. Nadat Jubdan Aeda gezien heeft, is hij zeer ongerust,
+maar hij maakt zich gereed te gaan, en verzoekt Bebo, zijn vrouw,
+hem te vergezellen. "Gij deedt een slechte daad," zoo sprak zij,
+"toen gij Eisirt liet gevangen nemen; maar er is ongetwijfeld niemand
+onder de zon, die u naar rede kan laten luisteren."
+
+Zoo vertrekken zij dan, en het tooverpaard van Jubdan draagt hen
+over de zee, totdat zij Ulster bereiken en tegen middernacht staan
+zij voor het paleis van den koning. "Laat ons de pap eten, zooals
+wij verplicht zijn," zegt Bebo, en vóór het aanbreken van den dag
+weer vertrekken". Zij dringen heimelijk naar binnen en vinden den
+pot met pap, tot welks rand Jubdan alleen maar kan reiken als hij
+boven op zijn paard gaat staan. Toen hij zich voorover boog om de
+pap te bereiken, verliest hij het evenwicht en valt in den pot. Hij
+blijft in de dikke pap vastzitten, en de waschmeiden van Fergus
+vinden hem bij het aanbreken van den dag, terwijl de trouwe Bebo
+luide weeklaagt. Zij dragen hem naar Fergus, die verbaasd is, dat
+hij een andere dwerg, en dat wel met een vrouwelijke dwerg in zijn
+paleis vindt. Hij ontvangt hen gastvrij, maar weigert elk verzoek om
+ze te laten terugkeeren. Het verhaal deelt nu in een geest, Rabelais
+waardig, verschillende avonturen mede, waarin Bebo betrokken is, en
+geeft een aardig gedicht weer, dat door Jubdan zou zijn uitgesproken
+in den vorm van raadgevingen aan de vrouw die in het paleis van Fergus
+belast is met de bezorging van het vuur, omtrent de voordeelen van het
+branden van verschillende soorten hout. Hier volgen enkele uittreksels:
+
+
+ "Verbrand niet den zoeten appelboom met neerhangende takken,
+ met witte bloesems, naar wiens sierlijken kruin iedereen de
+ hand uitstrekt."
+
+ "Verbrand niet den edelen wilg, het onfeilbare sieraad der
+ gedichten; bijen drinken van zijn bloesems, allen verheugen
+ zich in de sierlijke tent."
+
+ "Den fijnen, luchtige boom der Druïden, met zijn bessen, dien
+ moet gij branden; maar vermijd den zachten boom, verbrand
+ niet den slanken hazelaar."
+
+ "Verbrand niet den esschenboom met zijn zwarte kop--hout,
+ dat het wiel aandrijft, dat den ruiter zijn zweep verschaft;
+ de esschenhouten speer is de maatstok van den strijd."
+
+
+Eindelijk kwamen de dwergen in groote menigte om te verzoeken,
+Jubdan los te laten. Toen de koning dit weigerde, bezochten zij
+het land met verschillende rampen. Zoo sneden zij de korenaren af;
+lieten de kalveren alle koeien droog zuigen, bezoedelden de bronnen
+en dergelijke; maar Fergus was verstokt. In hun hoedanigheid van
+aardgoden, _dei terreni_, beloven zij te zullen zorgen, dat de
+vlakten vóór het paleis van Fergus ieder jaar dik met koren zullen
+staan, zonder dat zij behoeven te ploegen of te zaaien, maar alles
+is vergeefs. Eindelijk stemt Fergus er in toe, Jubdan uit te leveren
+tegen de beste zijner tooverschatten, waarop Jubdan ze één voor een
+opsomt--de ketel, die nooit leeg wordt, de harp, die vanzelf speelt,
+en ten slotte maakt hij melding van een paar waterschoenen, waarmede
+ieder, die ze aantrekt even goed over of onder het water kan loopen
+als op het droge. Fergus kiest de schoenen en Jubdan wordt losgelaten.
+
+
+
+De misvorming van Fergus.
+
+
+Maar het is voor een sterveling moeilijk, het van de tooverwereld te
+winnen--een trek van verborgen moedwil is in toovergiften geborgen,
+en dit bleek ook nu weder. Fergus had er nooit genoeg van, de diepten
+der meren en rivieren van Ierland te onderzoeken; maar op zekeren
+dag kwam hij in Loch Rury een vreeselijk monster tegen, de _Muirdris_
+of het rivierpaard, dat dit meer bewoonde, en dat hij nauwelijks kon
+ontkomen door naar den oever te ontvluchten. Door den schrik bij
+die ontmoeting was zijn gezicht geheel scheefgetrokken; maar daar
+een misvormd man in Ierland niet kon regeeren, stelden zijn koningen
+en edelen onder verschillende voorwendsels, alles in het werk, alle
+spiegels uit het paleis verwijderd te houden, en zorgden zij er voor,
+dat hij geen kennis kreeg van den toestand, waarin hij verkeerde. Op
+zekeren dag echter wierp hij een roede naar een dienstmeid wegens de
+eene of andere nalatigheid, waarop de meid verontwaardigd uitriep:
+"Het ware beter voor u, Fergus, als gij u wreektet op het rivierpaard,
+dat uw gezicht heeft verdraaid, dan dappere daden tegenover vrouwen
+te verrichten!" Fergus beval hem een spiegel te brengen, en bekeek
+zich daarin. "Het is waar", zeide hij, "dit heeft het rivierpaard
+van Loch Rury gedaan."
+
+
+
+De dood van Fergus.
+
+
+Daarop trok Fergus de tooverschoenen aan, nam zijn zwaard in de
+hand en ging naar Loch Rury. Een geheelen dag en nacht bleef hij
+onder de golven buiten het gezicht, maar al de mannen van Ulster,
+die aan den oever stonden, zagen het meer koken en rood worden door
+zijn bloed. Toen bij het aanbreken van den dageraad ook de lucht rood
+werd, verrees hij--en in zijn hand hield hij den kop van Muirdris. De
+misvorming was verdwenen! Op zijn bevallig gelaat had iedere trek weer
+symmetrisch zijn plaats ingenomen; en allen die hem zagen ontdekten
+weer in zijn geheele gezicht de koninklijke rust, breed en kalm. Hij
+glimlachte, wierp de tropee op den oever, en sprak "mannen van Ulster,
+ik heb overwonnen"! daarna verzonk hij in de diepte.
+
+Dit schoone verhaal is door Standish Hayes O'Grady in zijn "Silva
+Gadelica" uitgegeven. De luimige behandeling van het tooverelement
+in de geschiedenis zou er op wijzen, dat het behoort tot een latere
+periode der Iersche legenden, maar het tragische en edele slot wijst
+er onmiskenbaar op, dat het paste in de bardenliteratuur van Ulster,
+en het valt binnen dezelfde orde van denkbeelden, als de verhalen
+van Cuchulain, en is zelfs misschien uit dezelfde periode afkomstig.
+
+
+
+Beteekenis van Iersche plaatsnamen.
+
+
+Voordat wij met dezen uitgebreiden cyclus van legendenliteratuur
+eindigen, willen wij nog even wijzen op datgene, wat misschien de
+aandacht van enkele lezers heeft getrokken--hoezeer de voornaamste
+karakters en episodes genoemd zijn in de nog overgebleven plaatsnamen
+van het land. [168] Dit geldt in het algemeen voor Iersche legenden,
+maar vooral voor den cyclus van Ulster. Getrouw hebben die namen,
+gedurende vele eeuwen van duisternis en vergetelheid, gewezen op
+de verborgen schatten van helden-romantiek, die de arbeid van onze
+dagen nu aan het licht brengt. De naam van de kleine stad Ardee,
+brengt ons, [169] zooals wij gezien hebben, den tragischen dood in
+herinnering van Ferdia door toedoen van zijn trouwsten makker, den
+edelsten held van Wales. De puinhoopen van Dun Baruch, waar Fergus
+op het verraderlijke festijn was genoodigd, zien nog neer op de
+wateren van Moyle, waarover Naisi en Deirdre hun tragisch lot tegemoet
+gingen. Ardnurchar, de Heuvel van den Geslingerden Steen, in Westmeath,
+[170] brengt ons de geschiedenis van den fieren monarch voor den geest,
+de menigte toeschouwende vrouwen, en den zich bukkenden vijand met
+het doodelijke werptuig, dat de wraak van Mesgedra droeg. De naam
+Armagh, of Ard Macha, de Heuvel van Macha, bewaart de herinnering aan
+de tooverbruid en haar heldenoffer, terwijl nog steeds de graswal
+zichtbaar is, waar de oorlogsgodin in de oudere legende met de
+pen van haar speld den omtrek uitzette, toen zij de koninklijke
+vesting Ulster stichtte. Wij zouden nog een aantal bladzijden met
+die voorbeelden kunnen vullen. Misschien zijn in geen ander modern
+land plaatsnamen zóó zeer verbonden met bepaalde legenden als in
+Ierland. Poëzie en mythen zijn daar nog altijd nauw verbonden met
+den grond van het land--een feit, waarin een bron van opvoeding en
+bezieling der edelste soort voor de hand ligt, als wij maar in staat
+waren die te zien en de kunst verstonden, daarvan gebruik te maken.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VI: VERHALEN UIT DEN CYCLUS VAN OSSIAN.
+
+
+De Fianna van Erin.
+
+
+Evenals de verhalen van den Cyclus van Ulster zich concentreeren om de
+heldenfiguur van den hond van Cullan, zoo concentreeren zich die van
+den Cyclus van Ossian om de figuur van Finn mac Cumhal [171], wiens
+zoon Oisin [172] (of Ossian, zooals Macpherson hem genoemd heeft in de
+zoogenaamde vertalingen uit het Galisch, waardoor hij voor het eerst
+in de Engelsch sprekende wereld werd ingevoerd) was zoowel een dichter
+als een krijgsman, en is de traditioneele vervaardiger van de meeste
+dier verhalen. Men meent, dat de gebeurtenissen van den Cyclus van
+Ulster hebben plaats gegrepen omstreeks de geboorte van Christus. Die
+van den Cyclus van Ossian vielen meestal tijdens de regeering van
+Cormac mac Art, die leefde in de derde eeuw na Christus. Gedurende
+zijn regeering bereikten de Fianna van Erin, die worden voorgesteld
+als een soort van militaire orde, welke hoofdzakelijk bestond uit de
+leden van twee Clans, Clan Bascna en Clan Morna, en van wie men meende,
+dat zij zich verbonden hadden tot den dienst van den opperkoning en
+tot het verdrijven van vreemde invallers, hun hoogsten roem onder
+het opperbevel van Finn.
+
+De kroniekschrijvers van het oude Ierland behandelden de geschiedenis
+van Finn en de Fianna, in hare voornaamste trekken, als gewone
+geschiedenis. Dit kan zeker niet juist zijn. Ierland had geen vreemde
+overweldigers gedurende de periode, toen de Fianna geacht werden
+gebloeid te hebben, en de verhalen werpen geen spoor van licht op de
+werkelijke geschiedenis van het land; zij hebben veel meer betrekking
+op een tooverland, dat bevolkt is door bovennatuurlijke wezens,
+schoon of verschrikkelijk, dan met een werkelijk deel der aarde,
+dat door echte mannen en vrouwen bewoond wordt. De moderne critische
+lezer van die verhalen zal spoedig inzien, dat het ijdel zou zijn
+te willen zoeken naar eenigen op feiten berustenden grondslag in die
+glinsterende luchtspiegeling. Maar die luchtspiegeling werd geschapen
+door dichters en vertellers van zoo buitengewone gaven voor die soort
+van literatuur, dat zij onmiddellijk een stevig houvast kreeg op de
+verbeelding der Iersche en der Schotsche Galiërs.
+
+
+
+De Ossian-Cyclus.
+
+
+De oudste verhalen van dezen cyclus, die nog zijn overgebleven,
+worden gevonden in handschriften der elfde en der twaalfde eeuw,
+en werden waarschijnlijk enkele eeuwen vroeger samengesteld. Maar de
+cyclus bleef krachtig groeien gedurende een periode van duizend jaar,
+tot aan het "Lied van Oisin in het Land der Jeugd", van Michael Comyn,
+dat omstreeks 1750 werd samengesteld, en dat de lange geschiedenis
+der Galische literatuur afsloot. Men schat, [173] dat indien alle
+vertellingen en gedichten van den Ossian-Cyclus, die nog zijn
+overgebleven, konden worden gedrukt, zij een goede vijf en twintig
+deelen van de grootte van dit werk zouden vullen. Bovendien zou een
+zeer groot gedeelte van die literatuur, al waren er volstrekt geen
+handschriften, gedurende de laatste en de voorafgaande eeuwen kunnen
+zijn opgevangen van de lippen van wat dwaselijk een "ongeletterde"
+boerenstand in de Hooglanden en in de Galisch sprekende gedeelten
+van Ierland is genoemd. Het moet ons zeker wel belang inboezemen,
+het karakter eener literatuur te bestudeeren, die in staat is geweest,
+zulk een betoovering uit te oefenen.
+
+
+
+Verschil met den Cyclus van Ulster.
+
+
+Laat ons beginnen met de opmerking, dat de lezer zich in een geheel
+andere atmosfeer zal vinden dan die waarin de helden van den Cyclus van
+Ulster leven en zich bewegen. Alles spreekt van een latere periode,
+toen het leven liefelijker en zachter was, toen men meer in steden
+en nederzettingen leefde, toen het Volk van Dana duidelijker feëen en
+minder godheden waren, toen in de letterkunde de elementen van wonderen
+en romantiek de overhand hadden, en de ijzeren snaar van heldenmoed
+en zelfopoffering, niet zooveel meer meeklonk. Er is in de Ossian
+litteratuur een bewust genot in de woeste natuur, in landschappen,
+in het gezang van vogels, de muziek der jacht in de bosschen, in
+geheimzinnige en romantische avonturen, wat alles onmiskenbaar spreekt
+van een tijd, toen op het vrije leven in de open lucht "onder de groene
+boomen" werd terugzien en dat geïdealiseerd werd, maar dat leven niet
+meer als regel werd geleefd door hen die het bezingen. Ook is er een
+gewichtig verschil in de plaats der handeling. De verhalen van Conor
+waren het uitvloeisel van een litteraire beweging, die haar oorsprong
+had te midden van de frissche heuvelen of op de sombere door rotsen
+omgeven kusten van Ulster. In den Ossian-Cyclus bevinden wij ons in de
+binnenlanden van het zuiden van Ierland. Veel van de handeling heeft
+plaats te midden der zachte betoovering van het landschap Killarney,
+en het verschil tusschen de beide streken weerspiegelt zich in het
+ethische karakter der vertellingen.
+
+In den Cyclus van Ulster zal men opmerken, dat hoe buitensporig
+men gebruik gemaakt heeft van het bovennatuurlijke element,
+de eindbeteekenis van bijna ieder verhaal, het einddoel, waarop
+de geheele bovennatuurlijke opzet uitloopt, iets werkelijks en
+menschelijks is, iets wat in verband staat met de deugden of de
+ondeugden, de hartstochten of de plichten van mannen en vrouwen. Dit
+is, in het algemeen gezegd, bij den Ossian-Cyclus niet het geval. De
+edeler ader der literatuur schijnt uitgeput te zijn, en wij hebben nu
+schoonheid alleen ter wille van de schoonheid, romantiek ter wille der
+romantiek, afgrijzen of geheimzinnigheid ter wille van de spanning,
+die zij opwekken. De Ossian-verhalen zijn "liefelijke verschijningen,
+gezonden om een oogenblik tot sieraad te strekken." Zij missen dat
+eigenaardige, dat in de edelste kunst, zoowel als in de edelste
+persoonlijkheden wordt gevonden, dat de gave heeft "te waarschuwen,
+te troosten, te beheerschen."
+
+
+
+De komst van Finn.
+
+
+Koning Cormac mac Art was ongetwijfeld een historische figuur, wat
+misschien meer is dan wij van Conor mac Nessa kunnen beweren. Of er
+een werkelijke persoonlijkheid schuilt achter de roemrijke figuur van
+zijn grooten legeraanvoerder Finn, is moeilijker te zeggen. Maar het
+is voor ons doel niet noodig, ons in dit vraagstuk te verdiepen. Hij
+was een schepping van den Keltischen geest in één land en in één
+periode van zijn ontwikkeling, en het is hier onze taak, na te gaan,
+wat voor soort van karakter de Iersche geest wenschte te idealiseeren
+en te dramatiseeren.
+
+Finn stamde, zooals de meeste Iersche helden, gedeeltelijk af van
+het Volk van Dana. Zijn moeder, Murna met den Witten Nek, was de
+kleindochter van Nuada met de Zilveren Hand, die gehuwd was met
+Ethlinn, de dochter van Balor den Fomoriër, die aan Kian den Zonnegod
+Lugh gebaard had. De vader van Finn was Cumhal,de zoon van Trenmor. Hij
+was het opperhoofd van den Clan Bascna, die met den Clan Morna streed
+om de oppermacht over de Fianna, en door dezen werd ten onder gebracht
+en gedood in den slag bij Knock. [174]
+
+Onder den Clan Morna was een man, Lia genaamd, heer van Luachar in
+Connacht, die de schatmeester der Fianna was, en die den zak met
+schatten bewaarde, een zak vervaardigd van de huid van kraanvogels,
+en waarin hij tooverwapenen en kostbare juweelen had, die nog
+afkomstig waren uit den tijd van het Volk van Dana. En hij werd ook
+schatbewaarder van den Clan Morna en bewaarde nog steeds den zak in
+Rath Luachar.
+
+Murna zocht na de nederlaag en den dood van Cumhal een schuilplaats
+in de bosschen van Slieve Bloom, [175] en daar bracht zij een jongen
+ter wereld, dien zij Demna noemde. Uit vrees, dat de Clan Morna
+hem zou ontdekken en dooden, liet zij hem opvoeden in het dichte
+bosch door twee oude vrouwen, en zelf trouwde zij met den koning van
+Kerry. Maar toen Demna tot een knaap was opgegroeid werd hij "Finn"
+of de Blanke genaamd, om de blankheid van zijn huid en zijn gouden
+haren, en onder dien naam was hij later voortdurend bekend. Zijn
+eerste daad was, Lia te dooden, die den zak met schatten van de Fianna
+had, waarna hij zich van den zak meester maakte. Daarna spoorde hij
+zijn oom Crimmal op, die met enkele andere oude mannen, die van de
+hoofden van de Clan Bascna in het leven waren gebleven, en aan het
+zwaard te Castleknock ontsnapt waren, in groote armoede en zeer
+treurig leefden in de schuilhoeken der bosschen van Connacht. Hij
+voorzag hen van een gevolg en een lijfwacht uit de jongelingen, die
+zijn fortuin volgden, en gaf hun den zak met schatten. Hij zelf ging
+uit om poëzie en wetenschap zoo volmaakt mogelijk te leeren van een
+ouden wijze en Druïde, Finegas genaamd, die aan de Boyne woonde. Hier
+in een poel dier rivier woonde onder de takken van een hazelaar,
+waarvan de Noten der Kennis op de rivier vielen, Fintan de Zalm der
+Kennis, waarvan het bekend was, dat wie daarvan at alle wijsheid der
+eeuwen zou bezitten. Finegas had herhaaldelijk getracht dien zalm
+te vangen, maar was daar niet ingeslaagd, totdat Finn gekomen was,
+om zijn leerling te worden. Toen ving hij hem op zekeren dag, en gaf
+hem Finn, om hem te koken, met het bevel daarvan zelf niet te eten,
+maar hem te waarschuwen als hij klaar was. Toen de knaap den zalm
+binnenbracht, zag Finegas, dat zijn uiterlijk veranderd was. "Hebt
+gij van den zalm gegeten?" vroeg hij. "Neen," antwoordde Finn,
+"maar toen ik hem aan het spit omdraaide, brandde ik mijn duim, en
+stak dien in mijn mond." "Neem den Zalm der Kennis en eet er van,"
+zeide Finegas daarop, "want in u is de voorspelling bewaarheid. En
+ga nu heen, want ik kan u niets meer leeren."
+
+Daarna werd Finn even wijs als hij krachtig en dapper was, en men
+verhaalt, dat zoo dikwijls hij wenschte te raden, wat zou gebeuren,
+of wat op een afstand geschiedde, hij slechts zijn duim in den mond
+behoefde te steken, en daarop te bijten, waarna de kennis, die hij
+wenschte te verwerven, de zijne zou zijn.
+
+
+
+Finn en de booze geest.
+
+
+In dien tijd was Goll, de zoon van Morna, de aanvoerder der Fianna van
+Erin, maar toen Finn den mannelijken leeftijd had bereikt, wilde hij
+de plaats van zijn vader Cumhal innemen. Daarom ging hij naar Tara,
+en zat hij tijdens de Groote Vergadering, als niemand zijn hand tegen
+een ander mocht opheffen binnen het grondgebied van Tara, neder onder
+de krijgslieden des konings en de Fianna. Eindelijk merkte de koning
+hem als vreemdeling onder hem op, en vroeg hem zijn naam en afkomst te
+noemen. "Ik ben Finn, de zoon van Cumhal", zeide hij, "en ik ben hier
+gekomen om onder u dienst te nemen, zooals mijn vader gedaan heeft,
+o koning." De koning nam hem gaarne op, en Finn legde een eed af,
+dat hij hem trouw zou dienen. Niet lang daarna kwam de tijd van het
+jaar, waarop Tara verontrust werd door een boozen geest, die tegen het
+aanbreken van den nacht kwam en vuurkogels wierp tegen de koninklijke
+stad en die in vlam zette, en niemand kon den strijd tegen hem opnemen,
+want zoodra hij kwam speelde hij zóó liefelijk op de harp, dat ieder
+die het hoorde, in droomen werd gehuld, en alles op aarde vergat, om
+naar die muziek te kunnen luisteren. Toen dit Finn was medegedeeld,
+ging hij tot den koning en zeide: "Zal ik, als ik den boozen geest
+dood, de plaats van mijn vader krijgen, als hoofd der Fianna?" "Ja
+zeker," zeide de koning en bij eede verbond hij zich daartoe.
+
+Onder de krijgslieden behoorden ook een oude volgeling van Cumhal,
+den vader van Finn, die een tooverspeer bezat met een bronzen kop
+en klampen van Arabisch goud. De kop was omhuld door een leeren
+foedraal, en zij had de eigenschap, dat als het bloote lemmer tegen
+het voorhoofd van iemand gehouden werd, deze een zóó groote kracht en
+krijgswoede zou krijgen, dat hij in iederen strijd onoverwinnelijk
+zou worden. Fiacha gaf die speer aan Finn, en leerde hem hoe die
+te gebruiken, en daarmede wachtte hij de komst af van den boozen
+geest op de wallen van Tara. Toen de nacht viel en de nevelen zich
+in de wijde vlakte rondom den heuvel begonnen te verzamelen, zag
+hij een donkeren vorm snel naar hem toekomen en hoorde hij de tonen
+der tooverharp. Maar door de speer tegen zijn voorhoofd te houden,
+schudde hij de betoovering van zich af, en het spook vluchtte voor
+hem weg naar den Tooverheuvel van Slieve Fuad, en daar haalde Finn
+hem in en doodde hem, en bracht zijn hoofd naar Tara terug.
+
+Daarop plaatste koning Cormac Finn voor de Fianna, en beval hen allen,
+hem gehoorzaamheid te zweren als hun hoofd of anders ergens anders
+dienst te nemen. En het eerst van allen legde Goll mac Morna den eed
+af, en daarop volgden al de overigen, en Finn werd het hoofd van de
+Fianna van Erin, en regeerde over hen totdat hij stierf.
+
+
+
+De voornaamste volgelingen van Finn: Conan mac Lia.
+
+
+Met de komst van Finn bereikten de Fianna van Erin den hoogsten bloei,
+en na zijn dood taande hun roem weer. Want hij regeerde zooals geen
+ander aanvoerder ooit had gedaan, zoowel krachtig als verstandig, en
+nooit koesterde hij tegen iemand een wrok, maar vergaf iemand gaarne
+alle overtredingen behalve trouweloosheid tegen zijn heer. Zoo verhaalt
+men, dat Conan, de zoon van den heer van Luachar, die den zak met
+schatten in bezit had, en die door Finn bij Rath Luachar was verslagen,
+gedurende zeven jaar vogelvrij verklaard en een strooper was, die de
+Fians voortdurend lastig viel, en hier een man, daar een hond doodde,
+woningen in brand stak en het vee weg voerde. Eindelijk werd hij te
+Carn Lewy in Munster in een hoek gedreven, en toen hij zag, dat hij
+niet meer kon ontsnappen, sloop hij achter Finn toen deze na een jacht
+ter neder zat en sloeg van achteren zijn armen om hem heen, waarbij
+hij hem zóó vast hield, dat beweging onmogelijk was. Finn wist, wie
+hem zoo vast hield, en zeide: "Wat wilt gij Conan?" Conan antwoordde:
+"Ik wil met u een verdrag sluiten, dat ik u trouw zal dienen, want
+ik kan uw toorn niet langer ontloopen." Finn lachte daarop en zeide;
+"Het zij zoo, Conan, en als gij blijkt trouw en dapper te zijn, zal
+ik mijn belofte houden." Conan diende hem daarna dertig jaar lang,
+en van al de Fianna was er niemand dapperder en kloeker in den strijd.
+
+
+
+Conan mac Morna.
+
+
+Er was nog een andere Conan, en wel mac Morna, die zwaar en kaal was,
+en lomp in mannelijke oefeningen, maar wiens tong bitter en gemeen was;
+er werd geen edele of dappere daad verricht, die niet door Conan den
+Kale belachelijk werd gemaakt of naar beneden gehaald. Men verhaalt,
+dat hij langs zijn rug en zijn kruis de vacht van een zwart schaap
+droeg in plaats van de huid van een man, en dit kwam op de volgende
+wijze voor den dag. Op zekeren dag, toen Conan met enkele anderen van
+den Fianna in het bosch op jacht was kwamen zij bij een statige dun
+met witte muren, met gedekt gekleurd riet en zij traden naar binnen,
+om daar gastvrijheid te zoeken. Maar toen zij binnen gekomen waren,
+vonden zij er niemand, alleen een groote ledige zaal met pilaren van
+cederhout en zijden behangsels, zooals men die vindt in de zaal van
+een rijken edele. In het midden der zaal was een tafel, gedekt met
+een rijken voorraad zwijnenvleesch en wild, en een groot vat van
+taxishout, vol met rooden wijn, en bekers van goud en zilver. Zij
+zetten zich dus vroolijk neder om te eten en te drinken, daar zij na
+de jacht hongerig waren, en zij spraken en lachten luide rondom de
+tafel. Maar één van hen sprong na korten tijd overeind met een kreet
+van vrees en verbazing, en allen keken om en zagen voor hun oogen,
+dat de met tapijten behangen muren veranderden in ruwe houten balken,
+en de zoldering in gewoon, roetachtig stroo, zooals men dat vindt in de
+hut van een veehoeder. Hieruit bleek het, dat zij door een betoovering
+van het toovervolk waren gevangen, en allen sprongen overeind en
+spoedden zich naar den uitgang, die niet langer hoog en statig was,
+maar verminderd was tot de grootte van een vossegat--behalve Conan de
+Kale, die gulzig de lekkere spijzen op de tafel verslond en nergens
+anders op lette. Nu schreeuwden zij hem toe, en toen de laatste van hen
+naar buiten trad, trachtte hij op te staan en te volgen, maar hij bleek
+vastgeplakt aan zijn stoel, zoodat hij zich niet kon bewegen. Daarom
+holden twee der Fianna, toen zij zagen in welke moeilijkheid hij
+verkeerde, terug, pakten hem bij de armen en trokken zoo hard zij
+konden en bij het wegrukken bleef het grootste deel van zijn kleeding
+en van zijn huid aan den stoel hechten. Niet wetend wat anders met
+hem te doen in zijn pijnlijken toestand, sloegen zij toen op zijn rug
+wat zij het dichtst in hun bereik vonden, namelijk de huid van een
+zwart schaap dat zij namen van de kudde van een boer in de nabijheid,
+en deze groeide daaraan vast en Conan droeg die tot hij stierf.
+
+Hoewel Conan een lafaard was en hij zich zelden in een gevecht waagde
+met de Fianna, viel toch eens, aldus luidt het verhaal, een sterk
+man door zijn hand. Dat was op den dag van den grooten veldslag met
+de rooversbende op den Slachting-heuvel in Kerry [176]. Want Liagan,
+een van de roovers, ging voor den troep staan en daagde den dapperste
+der Fians uit tot een tweegevecht en de Fians duwden spottend Conan
+naar voren. Toen hij verscheen, begon Liagan te lachen, want hij
+had meer kracht dan geest, en hij zeide: "Het is dwaas dat ge komt,
+gij armzalige oude man." En toen Conan nog nader bij kwam hief Liagan
+woest zijn hand op, en Conan zeide: "Voorwaar ge loopt meer gevaar
+van den man achter, dan van den man voor u." Liagan keek om en op dat
+oogenblik sloeg Conan hem het hoofd af, toen wierp hij zijn zwaard
+weg en liep naar de gelederen der lachende Fians. Maar Finn was zeer
+vertoornd, omdat hij de overwinning had behaald door een list.
+
+
+
+Dermot O'Dyna.
+
+
+En een van de voornaamste vrienden van Finn was Dermot van de
+Liefde-Vlek. Hij was zoo schoon en edel van aanblik, dat geen vrouw
+hem liefde kon weigeren, en men zegt dat hij nooit van moeheid afwist
+en dat zijn stap even licht was aan het eind van den langsten dag
+van strijd of jacht, als aan het begin. Tusschen hem en Finn bestond
+warme genegenheid, tot op den dag dat Finn, toen een oud man, Grania,
+dochter van Cormac den Opperkoning, zou huwen; maar Grania deed Dermot
+bij de gewijde verordeningen van de ridderschap van Fian beloven in
+haar bruiloftsnacht met haar te vluchten, hetgeen hij, zeer tegen
+zijn wil, deed en wat hem het leven kostte. Maar Grania ging terug tot
+Finn en toen de Fianna haar zag, werd door het heele kamp in bitteren
+spot gelachen, want zij zouden niet een van de vingers van den doode
+hebben gegeven voor twintig levenden als Grania.
+
+
+
+Keelta mac Ronan en Oisin.
+
+
+Een ander van Finn's hoofdmannen was Keelta mac Ronan, een van zijn
+opzichters en zoowel krachtig krijgsman als welsprekend voordrager
+van verhalen en gedichten. En daar was Oisin, de zoon van Finn,
+de grootste dichter der Kelten, over wien later meer.
+
+
+
+Oscar.
+
+
+Oisin had een zoon, Oscar genaamd, van alle Fians de geweldigste
+krijger. In zijn eersten slag doodde hij drie koningen en in
+zijn onstuimigheid doodde hij ook bij ongeluk zijn eigen vriend en
+medeleerling Linné. Zijn vrouw was de schoone Aideen, die van verdriet
+stierf na Oscar's dood in den slag van Gowra en Oisin begroef haar op
+Ben Edar (Howth) en richtte op haar graf de groote dolmen op, die men
+daar nu nog vindt. Oscar treedt in deze literatuur op als een type
+van harde kracht, met een hart "als van gedraaid hoorn in een schede
+van staal", een karakter even zuiver voor den oorlog geschapen als
+een zwaard of speer.
+
+
+
+Geena mac Luga.
+
+
+Een ander van Finn's sterke mannen was Geena, de zoon van Luga; zijn
+moeder was de krijgshaftige dochter van Finn en zijn vader na verwant
+aan haar vader. Hij was opgevoed door een vrouw die den naam droeg van
+Schoone Mane, die velen van de Fianna had groot gebracht. Toen de tijd
+om de wapens te dragen voor hem gekomen was, verscheen hij voor Finn
+en legde den eed van trouw af en Finn stelde hem aan tot kapitein over
+een afdeeling. Maar mac Luga bleek lui en zelfzuchtig te zijn, steeds
+snoevend op zich zelf en zijn bedrevenheid in het hanteeren der wapens,
+nooit zijn mannen oefenend in de jacht op hert of everzwijn en hij
+placht zijn honden en dienstknechten te slaan. Ten slotte begaf zich
+de geheele afdeeling van de Fians onder hem tot Finn, te Loch Lena, in
+Killarney, en daar dienden zij hun beklag tegen mac Luga in, zeggend:
+"Kies nu, o Finn, of ge ons wilt hebben of den zoon van Luga alleen."
+
+Toen liet Finn mac Luga bij zich komen en ondervroeg hem, maar mac Luga
+kon niets afdoende zeggen over de reden waarom de Fianna niets met hem
+te maken wilde hebben. Toen leerde Finn hem de dingen die pasten voor
+een jongeling van edele geboorte en een aanvoerder, en zij waren deze:
+
+
+
+Leerstellingen van de Fianna.
+
+
+"Zoon van Luga, indien krijgsdienst uw doel is, houd u dan rustig in
+de huishouding van een groot man, wees flink in een moeilijk geval.
+
+"Sla uw hond niet als hij geen schuld heeft; klaag uw vrouw niet aan
+tenzij ge zeker zijt van haar schuld.
+
+"Laat u in het gevecht niet in met een potsenmaker, want o mac Luga,
+hij is slechts een dwaas.
+
+"Gisp niemand die een degelijken naam heeft; meng u niet in een twist;
+bemoei u niet met een dolleman, of een slecht mensch.
+
+"Bewaar twee derden van uw vriendelijkheid voor vrouwen en voor hen
+die op den grond kruipen (kleine kinderen) en voor dichters, en wees
+niet heftig tegen den gemeenen man.
+
+"Voer geen blufferige taal en zeg ook niet dat ge niet wilt toegeven
+wat billijk is; het is schandelijk te boud te spreken tenzij het
+doenlijk is aan uw woorden kracht bij te zetten.
+
+"Verzaak uw heer niet zoolang ge leeft; laat noch voor goud noch voor
+andere belooning in de wereld iemand in den steek dien ge u verbonden
+hebt te zullen beschermen.
+
+"Spreek tegen een hoofd geen kwaad van zijn volk, want dat is geen
+werk voor iemand van goede afkomst."
+
+"Wees geen verklikker, of kwaadspreker; wees geen babbelaar of overijld
+vitzuchtig. Haal u geen strijd aan, al zijt ge nog zulk een goed man."
+
+"Wees geen kroeglooper, bedil oude menschen niet, bemoei u niet met
+den minderen man."
+
+"Wees vrijgevig met uw kost; kies geen vrek tot vertrouwd vriend."
+
+"Dring u niet op bij een hoofd en geef hem ook geen aanleiding kwaad
+van u te spreken."
+
+"Blijf uw zaak getrouw; leg uw wapens niet af voordat de harde kamp
+met zijn wapengeschitter is afgeloopen."
+
+"Wees eer bereid te geven dan te weigeren en laat vriendelijkheid
+voorgaan, O zoon van Luga."
+
+En de zoon van Luga, zoo staat geschreven, nam deze raadgevingen ter
+harte en gaf zijn verkeerde gewoonten op, en hij werd een van Finn's
+beste mannen.
+
+
+
+Karakter van Finn.
+
+
+Dergelijke dingen prentte Finn ook al zijn volgelingen in en de
+besten dezer werden als hij zelf in dapperheid, vriendelijkheid en
+edelmoedigheid. Elk hunner was de goede naam zijner makkers meer waard
+dan zijn eigen en elk placht te zeggen dat in edele eigenschappen
+geen man op de geheele wereld waard was naast Finn te worden gesteld.
+
+Men zeide van hem dat "hij goud weg gaf als waren het bladen uit het
+bosch en zilver als ware het schuim der zee"; en dat wat hij ook aan
+eenig man had geschonken, hij dat nooit als wapen tegen hem gebruikte,
+wanneer hij later twist met hem kreeg.
+
+De dichter Oisin bezong hem eens tot St. Patrick, als volgt:
+
+
+ Dit is wat Finn's oor een vreugde was--
+ Als de veldslag raasde', als aan 't maal men genoot,
+ Als door 't bergdal weerklonk zijner doggen gebas,
+ Als de zwarte lijster in Letter Lee floot.
+
+ Als knersend schuurde' over 't strand het grind
+ Bij het zeewaarts sleepen van zijn oorlogsboot,
+ Als zijn speren doorgierde de morgenwind,
+ Als des meistreels mond hem zijn tooverzang bood.
+
+
+
+Eischen van de Fianna.
+
+
+Ten tijde van Finn werd niemand ooit tot de Fianna van Erin toegelaten
+tenzij hij aan vele zware proeven van zijn voortreffelijkheid kon
+voldoen. Hij moest vertrouwd zijn met de Twaalf Dichtboeken en zelf
+bedreven zijn in het maken van gedichten in het rijm en metrum van de
+meesters der Keltische poëzie. Daarna werd hij tot aan zijn middel in
+den grond begraven en moest hij, met een schild en een hazelaarstok
+zich aldus verdedigen tegen negen krijgslieden, die speren naar hem
+wierpen; werd hij gewond, dan werd hij niet toegelaten. Daarna werd
+zijn haar in vlechten gescheiden en werd hij door de Fians door het
+bosch achterna gezet. Werd hij ingehaald, of indien een haarvlecht
+los ging, of een droge stok onder zijn voet kraakte, dan werd hij
+niet toegelaten. Hij moest in staat zijn over een lat te springen
+ter hoogte van zijn voorhoofd en in volle vaart te loopen onder een
+ter hoogte van zijn knie, en hij moest in staat zijn al loopend een
+doorn uit zijn voet te halen, zonder zijn vaart te verminderen. Hij
+mocht als hij huwde geen bruidschat aannemen.
+
+
+
+Keelta en St. Patrick.
+
+
+Men zeide dat een van de Fians, namelijk Keelta, hoog bejaard werd en
+St. Patrick zag, door wien hij gedoopt werd in het geloof van Christus
+en wien hij verhalen deed van Finn en zijn mannen, die de schrijver
+van Patrick opteekende. En eens vroeg Patrick hem hoe het kwam dat
+de Fianna zoo machtig werd en roemrijk dat geheel Ierland hun daden
+bezong gelijk het sedert dien steeds heeft gedaan. Keelta antwoordde:
+"Waarheid was in onze harten en kracht in onze armen en wat we zeiden
+dat volbrachten wij."
+
+Dat werd ook van Keelta verteld nadat hij St. Patrick had gezien en
+het Geloof had aangenomen. Eens was hij bij Leyney, in Connacht, waar
+het Toovervolk van de Duma-Hoogte elk jaar geducht placht te worden
+verontrust en geplunderd door roovers van over de zee. Zij riepen
+Keelta ter hulpe en door zijn raad en dapperheid werden de roovers
+overwonnen en verdreven, maar Keelta werd zwaar gewond. Toen vroeg
+Keelta Owen, den ziener van het Toovervolk, hem te voorspellen hoe lang
+hij nog had te leven, want hij was reeds een zeer oud man. Owen zeide:
+"Het zal over zeventien jaar zijn, o Keelta die gunstig bekend zijt,
+dat ge zult vallen bij den poel van Tara, en dat zal de geheele
+huishouding des konings smarten." "Datzelfde voorspelde mij mijn
+hoofd en heer, mijn leider en liefhebbend beschermer, Finn," sprak
+Keelta. "En welke belooning zult ge mij nu geven omdat ik u verloste
+van de zwaarste ramp, die u ooit trof?" "Een groote belooning,"
+zeide het Toovervolk, "namelijk jeugd, want door onze macht zult
+ge weer een jong man worden met al de kracht en levendigheid van
+uw bloeitijd." "Neen," zeide Keelta, "dat verhoede God dat ik een
+gedaante zou aannemen door betoovering, of eenige andere dan die mijn
+Schepper, de ware en roemrijke God, mij schonk." En het Toovervolk
+zeide: "Dat is de taal van een waar krijgsman en held en wat ge zegt
+is juist." En zij heelden zijn wonden en alle lichaamskwalen en hij
+wenschte hun zegen en zege en ging zijns weegs.
+
+
+
+De geboorte van Oisin.
+
+
+Eens, toen Finn met zijn makkers en honden van de jacht terugkeerde
+naar hun burcht op den Heuvel van Allen, kwam een mooi jong hert
+opdagen, de jacht snelde het achterna terwijl het den weg insloeg
+die naar hun huis leidde. Weldra bleven al de vervolgers ver achter,
+op Finn zelf na en zijn twee honden Bran en Skolawn. Nu waren deze
+honden van een vreemd ras; want Tyren, zuster van Murna, Finn's
+moeder, was in een hond veranderd geworden door de betoovering van
+een vrouw van het Toovervolk, die Tyren's echtgenoot Ullan beminde;
+en de twee honden van Finn waren de kinderen van Tyren, haar in die
+gedaante geboren. Van alle honden in Ierland waren zij de beste en
+Finn had ze zeer lief, zoodat, naar men zegt, hij slechts tweemaal
+in zijn leven schreide en eens was toen Bran stierf.
+
+Ten laatste, toen de jacht een heuvelrug afging, zag Finn dat het hert
+stil hield en ging liggen, terwijl de twee honden er om heen begonnen
+te spelen en gezicht en lijf te likken. Hij gelastte toen dat niemand
+het dier zou kwaad doen en het volgde hen naar den Heuvel van Allen,
+onder het gaan met de honden spelend.
+
+Denzelfden nacht werd Finn wakker en zag bij zijn bed de schoonste
+vrouw staan, die hij ooit had aanschouwd.
+
+"Ik ben Saba, o Finn," sprak ze, "en ik was het jonge hert dat ge
+heden achterna zette. Omdat ik mijn liefde niet wilde geven aan den
+Druïde van het Toovervolk, de Donkere geheeten, deed hij mij door
+zijn tooverkunst die gedaante aannemen, en ik heb die de drie laatste
+jaren gedragen. Maar een van zijn slaven, die medelijden met mij had,
+openbaarde mij eens, dat indien ik uw grooten Heuvel van Allen kon
+bereiken, o Finn, ik veilig zou zijn voor alle betooveringen, en dat
+ik mijn natuurlijke gedaante terug zou krijgen. Maar ik vreesde door
+uw honden in stukken te worden gescheurd, of door uw jagers te worden
+gewond, totdat ik mij ten laatste liet inhalen door u alleen en Bran en
+Skolawn, die menschenaard hebben en mij geen kwaad zouden doen." "Vrees
+niet, jonge maagd," zeide Finn, "wij, de Fianna, zijn vrij en onze
+gast-vrienden zijn vrij; er is niemand die u hier dwang zal aandoen."
+
+Zoo bleef dan Saba bij Finn en hij maakte haar tot zijn vrouw; en
+zoo vurig was zijn liefde voor haar, dat hij noch in den strijd,
+noch in de jacht eenig behagen vond en maanden lang niet van haar
+zijde week. Zij beminde hem even vurig en hun vreugde in elkander
+was als die der Onsterflijken in het Land der Jeugd. Maar eindelijk
+kreeg Finn bericht, dat de oorlogsschepen van de Noormannen in de
+baai van Dublin waren en hij riep zijn helden ten strijde op. "Want,"
+zoo sprak hij tot Saba, "de mannen van Erin geven ons schatting en
+gastvrijheid om hen te verdedigen tegen den vreemdeling, en het zou
+schande zijn die van hen aan te nemen en niet te geven dat waartoe wij
+ons van onzen kant hebben verbonden." En hij riep in herinnering dat
+groote woord van Goll mac Morna, toen zij eens hard bestookt werden
+door een machtig heir. "Een man," zeide Goll, "overleeft zich zelf,
+niet zijn eer."
+
+Zeven dagen bleef Finn weg en hij verdreef de Noormannen van de kusten
+van Erin. Maar den achtsten dag keerde hij terug en toen hij zijn
+verblijf binnentrad zag hij droefheid in de oogen zijner mannen en
+van hun schoon vrouwenvolk en Saba was niet op den wal zijn terugkomst
+verbeidend. Hij verzocht hun dus hem te vertellen wat er gebeurd was
+en zij zeiden:
+
+"Terwijl gij, onze vader en heer, ver weg waart en den vreemdeling
+versloegt en Saba steeds naar u uitkeek over den heuvelweg, zagen
+wij op zekeren dag iemand naderen die op u scheen te gelijken, met
+Bran en Skolawn aan uw hielen. En we schenen ook te hooren de tonen
+van den jachthoorn van Fian. Toen spoedde zich Saba naar de groote
+poort en wij konden haar niet tegenhouden, zooveel haast had zij
+de spookverschijning te bereiken. Maar toen zij die naderde, bleef
+zij stil staan en deed een luiden en bitteren kreet hooren, en uw
+schijnbeeld sloeg haar met een hazelaarroede en ziet, er was daar geen
+vrouw meer, maar een hert. Toen maakten deze honden daar jacht op en
+telkens als het opnieuw de poort van de burcht trachtte te bereiken,
+keerden zij terug. Wij grepen nu allen zooveel wapens als waarop
+wij de hand konden leggen en snelden naar buiten om den toovenaar
+weg te jagen, maar toen wij ter plaatse kwamen was er niets te zien,
+wel hoorden wij nog het geluid van vluchtende voeten en hondengeblaf,
+en de een dacht dat het van dezen, de ander dat het van een anderen
+kant kwam totdat ten laatste het rumoer wegstierf en alles stil
+werd. Wat wij konden doen, o Finn, dat deden wij; Saba is weg."
+
+Toen sloeg Finn zich op de borst, maar hij sprak geen woord en hij
+ging naar zijn eigen vertrek. Niemand zag hem dien dag nog, of den dag
+daarna. Toen kwam hij te voorschijn en leidde de aangelegenheden van de
+Fianna als van ouds, maar nog zeven jaren daarna bleef hij naar Saba
+zoeken in elk afgelegen dal en donker woud en spelonk van Ierland en
+hij wilde geen andere honden meenemen dan Bran en Skolawn. Ten slotte
+liet hij alle hoop varen haar terug te vinden en ging hij als van
+ouds jagen. Eens, toen hij de jacht volgde op Ben Bulban, in Sligo,
+hoorde hij het muzikaal geblaf der honden eensklaps in woest grommen
+en keffen overgaan, alsof zij met een of ander beest aan het vechten
+waren, en ijlings toesnellend zagen hij en zijn mannen, onder een
+grooten boom, een naakten jongen met lang haar, en de honden om hem
+wilden hem beetpakken, maar Bran en Skolawn vochten met hen en hielden
+hen tegen. En de knaap was groot en welgemaakt en toen de helden
+opdaagden, keek hij onverschrokken naar hen, zich niet bekommerend
+om het gevecht der honden aan zijn voeten. De Fians joegen de honden
+weg en namen den knaap mee naar huis, en Finn was heel stil en zag
+steeds vorschend naar het gelaat van den knaap. Na een wijle kon hij
+zich verstaanbaar maken en dit was het verhaal dat hij deed:
+
+Hij had geen vader gekend, en geen moeder dan een vriendelijke
+dienstmaagd, waarmede hij leefde in een zeer groen en bekoorlijk dal
+aan alle kanten ingesloten door torenhooge rotsen, die niet konden
+worden beklommen, of door diepe kloven in den grond. Des zomers
+leefde hij van vruchten en dergelijken en des winters werd voorraad
+van levensmiddelen voor hem neergelegd in een hol. En soms kwam een
+lange man, met een donker gezicht, die zijn moeder toesprak, nu eens
+teeder, dan weer luid dreigend, maar zij deinsde altijd in vrees
+terug en de man ging toornig heen. Eindelijk kwam er een dag dat de
+donkere man heel lang met zijn moeder sprak in alle tonen van smeken,
+van teederheid en van woede, maar zij bleef steeds op een afstand
+van hem en gaf slechts teekenen van vrees en afschuw. Toen kwam de
+donkere man ten laatste naderbij en sloeg haar met een hazelaarroede;
+daarna keerde hij zich om en ging zijns weegs, maar ditmaal volgde
+zij hem, steeds omkijkend naar haar zoon onder weeklachten. En hij,
+toen hij wilde volgen, was niet in staat een vin te verroeren, en
+schreeuwend van woede en jammer, viel hij op den grond neer en hij
+verloor het bewustzijn. Toen hij tot zichzelf kwam bevond hij zich
+aan den bergkant op Ben Bulban, waar hij eenige dagen bleef, zoekend
+naar dat groen en verborgen dal, dat hij nimmer terug vond. En eenigen
+tijd later vonden hem de honden; maar niemand weet wat er geworden
+is van de dienstmaagd zijn moeder en van den Donkeren Druide.
+
+Finn gaf hem den naam Oisin (Klein Hert) en hij werd een befaamd
+krijgsman, maar veel meer beroemd werd hij door de zangen en verhalen
+die hij maakte; zoodat van alle dingen die nu worden verteld over de
+Fianna van Erin, de menschen plegen te zeggen: "Aldus zong de bard
+Oisin, zoon van Finn."
+
+
+
+Oisin en Niam.
+
+
+Het geschiedde dat op een neveligen zomermorgen toen Finn en Oisin
+met vele metgezellen jaagden aan de oevers van Loch Lena, zij een
+jonge maagd op hen af zagen komen, zeldzaam schoon, een sneeuwwit ros
+berijdend. Zij droeg het gewaad eener koningin, op het hoofd een gouden
+kroon en een donkerbruine zijden mantel, met rood gouden sterren bezet,
+viel om haar heen en sleepte op den grond. De hoeven van haar paard
+waren met zilver beslagen en op zijn hoofd wuifden gouden manen. Toen
+zij naderbij kwam, zeide zij tot Finn: "Van heel ver ben ik gekomen
+en nu heb ik u eindelijk gevonden, Finn, zoon van Cumhal."
+
+Toen zeide Finn: "Wat is uw land en van welken stam zijt gij, jonge
+maagd, en wat wenscht ge van mij?"
+
+"Mijn naam", sprak zij, "is Niam met het Gouden Haar. Ik ben de dochter
+van den koning van het Land der Jeugd en wat mij hier heeft gebracht
+is liefde tot uw zoon Oisin." Daarop wendde zij zich tot Oisin en zij
+sprak tot hem met de stem van iemand die nooit iets vroeg of het werd
+haar toegestaan.
+
+"Wilt ge met mij gaan, Oisin, naar het land mijns vaders?"
+
+En Oisin zeide: "Ik ben bereid, en tot het eind der wereld"; want de
+betoovering had zoo machtig gewerkt, dat hij om niets op aarde meer
+gaf, dan om de liefde te hebben van Niam met het Hoofd van Goud.
+
+Toen vertelde de jonge maagd van het land over de zee, waarheen zij
+haar minnaar had geroepen en terwijl zij sprak viel een droomerige
+stilte over alle dingen, geen paard schudde zijn toom, geen hond
+blafte, geen windzuchtje deed de bladen der boomen bewegen voordat zij
+had geëindigd. En wat zij zeide scheen liefelijker en wonderbaarlijker
+terwijl zij het uitsprak, dan wat zij zich later konden herinneren
+ooit te hebben gehoord, maar voor zoover zij zich konden herinneren
+was het als volgt:
+
+
+ "Verheven boven alle droomen, schooner
+ Dan ooit uw oogen zagen is het land.
+ Daar draagt de vruchtboom heel het jaar zijn vrucht,
+ En heel het jaar staat bloeiend daar de bloem.
+
+ "Daar druipt de woudboom van den wilden honig;
+ Nooit wordt de vloed van mede' en wijn er schaars.
+ Hij die daar woont kent pijn of ziekte niet,
+ Dood en verval genaakt hem nimmermeer.
+
+ "Hij wordt het feest niet zat, de jacht niet moe,
+ Nooit zal muziek verstommen in de hal;
+ Goud en kleinoden van het Land der Jeugd
+ Verduistren wat een mensen ooit droomde aan glans.
+
+ "Gij zult er paarden van den wonder-stam
+ En honden hebben sneller dan de wind;
+ U volgen honderd eedlen in den strijd
+ En honderd maagden zingen u in slaap.
+
+ "Uw voorhoofd zal een kroon der hoogste macht
+ Uw zijde dragen tooverkrachtig zwaard,
+ Heer zult gij zijn van heel het Land der Jeugd
+ En heer van Niam met het Hoofd van Goud."
+
+
+Toen het tooverlied ophield zagen de Fians Oisin het tooverros
+bestijgen en de jonge maagd omvatten, en voordat zij zich
+konden verroeren of spreken, wendde zij het paard en trok aan den
+rinkelenden teugel, en door de boschvlakte spoedden zij zich, zooals
+een lichtstraal over het land schiet wanneer wolken over de zon heen
+trekken; en nimmer kreeg de Fianna Oisin, zoon van Finn, op aarde
+wederom te zien.
+
+Wat hem later wedervoer echter is bekend. Vreemd als zijn geboorte
+was ook zijn einde, want hij zag wonderen van het Land der Jeugd
+met sterflijke oogen en beleefde het die met sterflijke lippen te
+kunnen vertellen.
+
+
+
+De reis naar het tooverland.
+
+
+Toen het witte ros met zijn berijders de zee bereikte, liep het luchtig
+over de golven en weldra verdwenen de groene wouden en voorgebergten
+van Erin uit het gezicht. En nu scheen de zon met kracht en de
+berijders gingen door een gouden nevel, waarbij Oisin alle bewustheid
+verloor van waar hij was en of hij zee of land onder de hoeven van
+zijn paard had. Maar soms verschenen hun vreemde gezichten in den
+mist, want torens en poorten van paleizen doemden op en verdwenen
+en eens snelde hen een ree zonder horens voorbij nagezet door een
+witten hond met een rood oor; en later zagen zij een jonge maagd op
+een bruin ros voorbijrijden, die een gouden appel in de hand hield,
+en vlak achter haar volgde een jonge ruiter op een wit ros, met een
+purperen mantel op zijn rug hangend en een zwaard met goud gevest
+in de hand. En Oisin zou de prinses hebben gevraagd wie en wat deze
+verschijningen waren, maar Niam verzocht hem niets te vragen en
+te doen alsof hij niet lette op eenig spooksel dat zij zouden zien
+voordat zij in het Land der Jeugd waren gekomen.
+
+
+
+Oisin's terugkomst.
+
+
+Het verhaal meldt verder hoe Oisin verschillende avonturen beleefde
+in het Land der Jeugd, o.a. de bevrijding van een gevangen prinses
+van een reus van Fomor. Maar ten slotte, na een verblijf van wat hem
+drie weken leek in het Land der Jeugd, was hij verzadigd van geneugten
+van allerlei aard en verlangde hij zijn geboorteland weer te bezoeken
+en zijn oude kameraden weer te zien. Hij beloofde daarna terug te
+keeren en Niam gaf hem het witte tooverros, dat hem over de zee naar
+het tooverland had gebracht, maar maande hem aan om wanneer hij weer
+in het land van Erin was gekomen, niet af te stijgen en den aardschen
+grond niet met zijn voeten aan te raken, anders zou de terugkeer naar
+het Land der Jeugd hem voor altijd zijn afgesneden. Toen maakte Oisin
+zich op en stak andermaal den mystieken oceaan over, zoodat hij zich
+ten slotte bevond aan de westkust van Ierland. Hier gekomen, sloeg
+hij dadelijk den weg in naar den Heuvel van Allen, waar Finn gewoon
+was te legeren, maar door de bosschen trekkend, verwonderde het hem
+dat hij niets merkte van de jagers van Finn en hij verbaasde zich
+over de kleine gestalte van de menschen die hij den grond zag bebouwen.
+
+Ten laatste, komend van het boschpad op de groote vlakte waar de Heuvel
+Allen placht te verrijzen, breed en groen, met zijn wal die vele
+woningen met witte muren omsloot en het groote hooge gebouw in het
+midden, zag hij alleen groene hoogten begroeid met weelderig onkruid
+en doornstruiken en koeien weidden er. Toen beving hem een vreemd
+afgrijzen en hij dacht dat een of andere betoovering van het Tooverland
+zijn oogen met valsche vizioenen misleidde. Hij strekte de armen uit
+en riep de namen Finn en Oscar, maar niemand antwoordde, en hij dacht
+dat de honden hem misschien zouden hooren, hij riep derhalve Bran en
+Skolawn en spitste de ooren om het flauwste geritsel of gefluister
+op te vangen van de wereld, waarvan de aanblik hem werd onthouden,
+maar hij hoorde slechts den wind in de doornen zuchten. Toen reed hij
+ontsteld van de plek, met het gezicht gekeerd naar de oostelijke zee,
+want het was zijn plan Ierland dwars door te trekken en van het eene
+eind tot het andere, om aan zijn betoovering te ontkomen.
+
+
+
+De betoovering verbroken.
+
+
+Maar toen hij dicht bij de oostelijke zee kwam en zich nu bevond op
+de plek geheeten het Dal van de Lysters [177], zag hij op een veld
+op den heuvelkant een aantal mannen, die een grooten rolsteen van hun
+beploegd land trachtten te wentelen, en een opzichter die hun bevelen
+gaf. Hij reed op hen af met het voornemen hun te vragen naar Finn en
+de Fianna. Toen hij naderde hielden allen met hun werk op om hem aan te
+staren, want hij leek hun een bode van het Toovervolk of een engel uit
+den hemel. Hij was langer en forscher dan de mannen die zij kenden, met
+staalblauwe oogen en gebruinde blozende wangen; in zijn mond als het
+ware rijen paarlen en blond haar krulde onder den helmrand uit. En toen
+Oisin naar hun nietige gestalten keek, door arbeid en zorg gekromd,
+en naar den steen dien zij met moeite uit zijn bedding trachtte te
+lichten, werd hij door medelijden bezield en hij dacht bij zichzelf:
+"Zóó waren zelfs niet de lijfeigenen van Erin toen ik ging naar het
+Land der Jeugd" en hij bukte van uit zijn zadel om hen te helpen. Hij
+zette zijn hand tegen den steen en met een geweldigen ruk lichtte hij
+hem op en liet hem van den heuvel rollen. En de mannen juichten hem
+in verbazing toe; maar weldra ging hun gejuich over in kreten van
+schrik en verslagenheid, en zij vluchtten, elkander verdringend en
+omver gooiend in hun haast om weg te komen van de vreeselijke plek,
+want een verschrikkelijk wonder had plaats gehad. Oisin's zadelriem
+was gebroken terwijl hij den steen had opgelicht en hij viel met
+het hoofd voor op den grond. Oogenblikkelijk daarna was het witte
+ros uit hun oogen verdwenen als een kring van mist en dat wat zwak
+en waggelend van den grond oprees was geen jeugdig krijgsman, maar
+een hoogbejaard man, met witten baard en uitgedroogd, die tastend de
+handen uitstrekte en zwak en bitter kreunde. En zijn donkerroode mantel
+en geel zijden tuniek waren nu slechts grove eigengesponnen stof met
+een gordel van hennep bevestigd en het zwaard met goud gevest was
+een ruwe eiken stok, zooals bedelaars dragen, die de wegen afloopen
+van het eene boerenhuis naar het andere.
+
+Toen het volk zag, dat het gericht dat voltrokken was niet hun gold,
+kwam het terug en vond den ouden man voorover liggen op den grond,
+het gezicht in de armen verborgen. Zij lichtten hem op en vroegen wie
+hij was en wat hem was overkomen. Oisin keek met doffen blik om zich en
+zeide toen: "Ik was Oisin, de zoon van Finn, en ik bid u, zeg mij waar
+hij woont, want zijn burcht op den Heuvel van Allen is nu een wildernis
+en ik heb hem niet gezien of zijn jachthoorn gehoord van de westelijke
+tot de oostelijke zee". Toen keken de mannen elkander en Oisin vreemd
+aan, en de opzichter vroeg: "Welken Finn bedoelt gij, want daar zijn
+velen van dien naam in Erin?" Oisin zeide: "Natuurlijk Finn mac Cumhal
+mac Trenmor, hoofdman van de Fianna van Erin". Toen zeide de opzichter:
+"Gij zijt gek, oude man, en ge hebt ons gek gemaakt, dat we u hielden
+voor een jongeling, zooals wij straks deden. Maar wij althans zijn
+nu weer bij ons verstand, en wij weten dat Finn zoon van Cumhal en
+zijn geheel geslacht al drie honderd jaren dood zijn. In den slag
+van Gowra viel Oscar, zoon van Oisin, en Finn in den slag van Brea,
+zooals de geschiedschrijvers ons vertellen, en de liederen van Oisin,
+van wien niemand weet hoe hij gestorven is, worden op groote lui's
+feesten door onze harpspelers gezongen. Maar nu is de Talkenn [178],
+Patrick, in Ierland gekomen en heeft ons gepreekt van den Eenigen
+God en van Christus zijn Zoon, door wier macht een einde is gemaakt
+aan die vroegere tijden en gebruiken; en Finn en zijn Fianna, met hun
+festijnen en jachten en krijgs- en minnezangen, worden niet zoo bij
+ons geëerd als de monnikken en de maagden van den Heiligen Patrick
+en de psalmen en gebeden die dagelijks opgaan om ons te reinigen van
+zonden en ons te redden van het vuur van het laatste oordeel". Maar
+Oisin antwoordde, slechts half hoorend en nog minder begrijpend wat
+tegen hem was gezegd: "Indien uw God Finn en Oscar heeft gedood,
+zou ik zeggen dat God een sterk man is". Toen gingen zij allen tegen
+hem te keer en sommigen namen steenen op, maar de opzichter verzocht
+hen hem met rust te laten totdat de Talkenn met hem had gesproken en
+totdat hij zou gelasten wat met hem zou geschieden.
+
+
+
+Oisin en Patrick.
+
+
+Zij brachten hem aldus bij Patrick, die hem vriendelijk en gastvrij
+behandelde en hij vertelde Patrick alles wat hem was wedervaren. Maar
+Patrick gelastte zijn schrijvers alles nauwkeurig op te teekenen,
+opdat de herinnering aan de helden die Oisin had gekend, en aan het
+vroolijke en vrije leven dat zij hadden geleid in de bosschen en dalen
+en wildernissen van Erin, nimmer door de menschen zou worden vergeten.
+
+Deze merkwaardige legende is alleen bekend door het moderne
+Iersch gedicht, omstreeks 1750 door Michael Comyn geschreven,
+een gedicht dat de zwanenzang van de Iersche literatuur kan worden
+genoemd. Ongetwijfeld bediende Comyn zich van vroeger overleverde
+stof; maar hoewel de oude gedichten van Ossian ons vertellen van de
+verlenging van Oisin's leven, zoodat hij St. Patrick kon ontmoeten en
+hem verhalen doen van de Fianna, zijn de episoden van Niam's liefde en
+het verblijf in het Land der Jeugd ons alleen bekend uit het gedicht
+van Michael Comyn.
+
+
+
+Het betooverde hol.
+
+
+Dit verhaal, dat ik put uit S. H. O'Grady's uitgave in "Silva
+Gadelica", meldt dat Finn eens een groote jacht hield in het district
+Corann, in Noordelijk Connacht, waarover zekere Conaran heerschte,
+een heer van het volk van Dana. Vertoornd over het binnendringen der
+Fianna in zijn jachtgebied, zond hij zijn drie dochters, toovenaressen,
+om wraak te nemen op de stervelingen.
+
+Finn, zoo luidt het verhaal, en Conan de Kale, met Finn's twee
+lievelingshonden, sloegen de jacht gade van den top van den heuvel
+van Keshcorran en luisterden naar het geschreeuw van de opjagers,
+de hoornstooten en het hondengeblaf, toen zij, op den heuvel loopend,
+kwamen aan de opening van een groot hol, waarvoor drie tooverkollen
+waren gezeten met een boos en terugstootend uiterlijk. Zij hadden om
+drie kromme stokken van hulst naar links strengen draad gewonden en
+waren daarmede aan het spinnen toen Finn met zijn gevolg kwam. Om hen
+meer van nabij te zien, naderden de krijgslieden, toen zij zich opeens
+verstrikt vonden in strengen van het draad dat de tooverkollen over de
+plek hadden gesponnen als de web van een spin en doodelijke flauwte en
+beving kwam over hen, zoodat zij zonder moeite door de tooverkollen
+konden worden vastgebonden en in de donkere schuilhoeken van het hol
+gebracht. Toen kwamen anderen van de jacht naar Finn zoeken. Allen
+wedervoer hetzelfde--zij verloren al hun kracht en dapperheid bij de
+aanraking van het betooverde draad, en werden gekneveld en het hol
+binnengedragen, totdat de geheele partij gebonden lag, terwijl de
+honden buiten blaften en huilden.
+
+Nu grepen de heksen hun scherpe, breed gegroefde harde zwaarden en
+waren op het punt om de gevangenen aan te vallen en hen te dooden,
+maar eerst keken zij bij de opening van het hol rond, om te zien of
+er ook een achterblijver was op wien zij nog niet de hand hadden
+gelegd. Op dat oogenblik kwam Goll mac Morna, "de woedende leeuw,
+de aanval-toorts, de grootzielige", aanzetten, en er volgde een
+wanhopig gevecht, dat daarmee eindigde dat Goll twee der tooverkollen
+in tweeën kliefde en dat hij de derde, Irnan geheeten, bedwong en
+knevelde. Toen hij op het punt stond haar te dooden, smeekte zij
+om genade--"Voorzeker, het ware beter voor u de geheele Fianna
+te hebben"--en hij schonk haar het leven op voorwaarde dat zij de
+gevangenen zou verlossen.
+
+Zij gingen het hol binnen en eén voor eén werden de gevangenen los
+gemaakt, te beginnen met den dichter Fergus Truelips en de "mannen
+der wetenschap", en allen gingen op den heuvel zitten om weer bij te
+komen, terwijl Fergus een loflied zong ter eere van den redder Goll;
+en Irnan verdween.
+
+Weldra naderde hun een monster, een toornige furie, met vurige,
+met bloed beloopen oogen, een wijde muil met brokkelige slagtanden,
+nagels als die van een wild dier en gewapend als een krijgsman. Zij
+legde Finn de _geise_ op haar zijn mannen in tweegevecht te geven,
+totdat zij er genoeg van had. Het was niemand anders dan de derde
+zuster Irnan, die door Goll was gespaard. Te vergeefs verzocht Finn
+Oisin, Oscar, Keelta en de andere voornaamste krijgers van de Fianna
+tegen haar te vechten; allen verklaarden zich niet daartoe in staat,
+na de slechte behandeling en den smaad die zij hadden ondergaan. Ten
+slotte, toen Finn zelf op het punt stond tegen Irnan op te treden,
+zeide Goll: "O Finn, het betaamt u niet met een oud wijf te vechten"
+en voor den tweeden keer trok hij zijn zwaard tegen deze afschuwelijke
+vijandin. Ten slotte, na een wanhopig gevecht, doorboorde hij haar
+schild en haar hart, zoodat het lemmet aan den anderen kant uitstak,
+en zij viel dood neer. Toen legde de Fianna de burcht van Conaran in
+de asch en nam alle schatten daar in bezit, terwijl Finn aan Goll zijn
+eigen dochter gaf, Keva met de Blanke Huid, en terwijl zij de burcht
+als een hoop gloeiende sintels achterlieten, keerden zij terug naar
+den Heuvel van Allen.
+
+
+
+De jacht van Slievegallion.
+
+
+Deze mooie geschiedenis, die in dichtvorm is gegeven als zijnde verteld
+door Oisin, in de Handelingen van het Ossian'sch Genootschap, verhaalt
+dat Cullan de Smid (hier voorgesteld als een Danaansche godheid),
+die op of bij de bergen woonde van Slievegallion, in het graafschap
+Armagh, twee dochters had, Ainé en Milucra, die beiden Finn mac
+Cumhal beminden. Zij waren jaloersch van elkander; en toen Ainé zich
+eens liet ontvallen dat zij nimmer een man met grijs haar zou willen
+hebben, zag Milucra de kans schoon Finn's liefde voor zich alleen te
+winnen. Zij verzamelde haar vrienden onder de Danaans, om het kleine
+grijze meer dat ligt op den top van Slievegallion en zij betooverden
+het water er van.
+
+Deze inleiding, draagt, zooals kan worden opgemerkt, sterke sporen
+van later aan het oorspronkelijk verhaal te zijn toegevoegd in een
+tijdperk van mindere ontwikkeling, of door een minder denkende klasse
+in wier handen de legende was gekomen. De werkelijke beteekenis van
+de gedaanteverwisseling, die daarin wordt verhaald, is waarschijnlijk
+veel dieper.
+
+De geschiedenis vertelt verder dat kort daarna Finn's honden, Bran en
+Skolawn, een hert opjoegen bij den Heuvel van Allen en het noordwaarts
+dreven totdat de jacht eindigde op den top van Slievegallion, een berg
+die, evenals Slievenamon [179] in het zuiden, in het oude Ierland een
+waar brandpunt was van Danaansche tooverkunst en legenden. Finn volgde
+de honden alleen, totdat het jonge hert op een bergrug verdween. Er
+naar zoekend, kwam Finn eindelijk bij het kleine meer op den bergtop
+en zag aan den oever er van een vrouw, wonderbaarlijk schoon, die daar
+zat te jammeren en te schreien. Finn vroeg waarom zij zoo bedroefd
+was. Zij zeide dat een gouden ring, waaraan zij veel waarde hechtte,
+van haar vinger in het meer was gevallen, en zij legde Finn als _geise_
+op dat hij in het meer zou springen en den ring voor haar zoeken.
+
+Finn deed aldus, en na in elken schuilhoek van het meer te hebben
+gedoken, vond hij den ring, en alvorens hij uit het water kwam, gaf
+hij dien aan de vrouw. Onmiddellijk daarop sprong zij in het meer
+en verdween. Finn vermoedde toen, dat een of andere betoovering op
+hem werd bewerkt, en weldra wist hij wat het was, want toen hij op
+het droge stapte viel hij van louter zwakte neer en toen hij weer
+opstond was hij een waggelende, zwakke en oude man, met sneeuwwit
+haar en uitgedroogd, zoodat zelfs zijn trouwe honden hem niet kenden,
+maar om het meer liepen zoekend naar hun verloren meester.
+
+Inmiddels werd Finn vermist in zijn paleis op den Heuvel van Allen en
+weldra begaf zich een troep op het spoor waarop men hem het hert had
+zien jagen. Zij zochten aan het meer op Slievegallion en vonden daar
+een ellendigen en verlamden ouden man, dien zij ondervroegen, maar
+die niets anders kon doen dan zich op de borst slaan en jammeren. Ten
+laatste wenkte de oude man Keelta naderbij te komen, fluisterde hem
+zwakjes eenige woorden in het oor, en ziet, het was Finn zelf! Toen
+de kreten van verbazing en gejammer der Fianna ophielden, fluisterde
+Finn Keelta het verhaal van zijn betoovering toe en hij zeide dat
+de bewerker er van moest zijn de dochter van Cullan de Smid, die
+woonde in den tooverheuvel van Slievegallion. De Fianna, Finn op
+een baar dragend, begaf zich onmiddellijk naar den heuvel en begon
+met kracht te graven. Drie dagen en nachten achtereen groeven zij in
+den Tooverheuvel en drongen ten slotte in de binnenste wijkplaatsen;
+plotseling stond een jonge maagd voor hen, die een drinkbeker van
+rood goud in de hand hield. Hij werd aan Finn gegeven, die er uit
+dronk en aanstonds kreeg hij zijn gedaante en zijn schoonheid weer,
+maar zijn haar bleef nog wit als zilver. Ook dit zou door een anderen
+dronk in zijn vroegeren staat zijn gebracht, maar Finn liet het blijven
+zooals het was en zilverwit bleef zijn haar tot den dag van zijn dood.
+
+Op dit verhaal is een zeer treffend, allegorisch drama gebouwd, "De
+Maske van Finn", door Standish O'Grady, die, ongetwijfeld terecht,
+de geschiedenis opvat als symboliseerend het verwerven van wijsheid
+en verstand door lijden. Een leider van mannen moet afdalen tot het
+meer van tranen en zwakheid en wanhoop kennen, alvorens zijn geest
+hen kan gebruiken tot groote doeleinden.
+
+Er is een antiek grafmonument op den bergtop dat de boeren van
+het district nog houden--of hielden in de dagen voor de Openbare
+Lagere scholen--voor het verblijf van de "Heks van het Meer", en een
+eigenaardig pad, dat nooit door menschelijke voeten is afgesleten
+en dat van het rotsgraf voert naar het meer, wordt toegeschreven aan
+het heen en weer gaan van dat bovennatuurlijk wezen.
+
+
+
+Het "Gesprek der Ouden."
+
+
+Een van de belangwekkendste en aantrekkelijkste overblijfselen
+van Ossiansche literatuur is het "Gesprek der Ouden", _Agallamk na
+Senorach_, een lang stuk in verhaaltrant van omstreeks de dertiende
+eeuw. Het werd uitgegeven met een vertaling in O'Grady's "Silva
+Gadelica". Het is niet zoozeer een vertelling dan wel een verzameling
+van vertellingen handig in een mythisch kader geplaatst. Het "Gesprek"
+begint met ons Keelta mac Ronan en Oisin zoon van Finn voor te stellen,
+elk vergezeld van acht krijgslieden, al wat overbleef van de groote
+corporatie der Fianna na den slag van Gowra en de daarop volgende
+verstrooiing van de Orde. Een levendige beschrijving wordt ons gegeven
+van de grijze oude krijgers, die hun tijd hebben overleefd en voor het
+laatst bijeenkomen op de burcht van een vroeger vermaarde aanvoerster
+Camha geheeten, en van hun melancholiek gesprek over vervlogen dagen,
+totdat ten slotte een langdurig zwijgen intrad.
+
+
+
+Keelta ontmoet St. Patrick.
+
+
+Ten laatste besluiten Keelta en Oisin van elkander te gaan; Oisin,
+van wien wij verder weinig hooren, gaat naar den Tooverberg, waar
+zijn Danaansche moeder (hier Blai geheeten) woont, terwijl Keelta
+over de vlakte van Meath trekt, totdat hij te Drumderg komt, waar hij
+St. Patrick en zijn monnikken aantreft. Hoe dit chronologisch mogelijk
+is, de schrijver geeft zich geen moeite dat te verklaren en hij toont
+geen bekendheid met de legende van Oisin in het Land der Jeugd. "De
+geestelijken", aldus het verhaal, "zagen Keelta en zijn troep naderen
+en vrees beving hen voor de lange mannen met de groote wolfshonden die
+hen vergezelden, want zij waren niet van denzelfden tijd en een met
+de geestelijkheid." Patrick besprenkelt daarop de helden met gewijd
+water, ten gevolge waarvan legioenen van demonen, die over hen heen
+hadden gezworven, vluchten in de heuvels en dalen, en "de geweldige
+mannen zetten zich." Na den naam van zijn gast te hebben gevraagd,
+zegt Patrick dan dat hij een gunst van hem te verzoeken heeft--hij
+wenschte een bron van zuiver water te vinden om het volk van Bregia
+en Meath mee te doopen.
+
+
+
+De bron van Tradaban.
+
+
+Keelta, die elke beek en heuvel en sterkte en bosch in het land
+kent, neemt daarop Patrick bij de hand en geleidt hem "totdat,"
+zooals de schrijver zegt, "zij vlak voor zich een bron zagen,
+parelend en doorschijnend helder. De grootte en dikte van de kers en
+van de _fothlacht_, of eereprijs, die er bij groeide bracht hen in
+verbazing." Toen begon Keelta te vertellen van de vermaardheid en
+schoonheden van de plek, en droeg een verrukkelijk gedichtje voor
+tot lof er van.
+
+"O, bron van het Strand der twee Vrouwen, schoon is uw kers, weelderig
+en vertakt; sedert uw productie ongerept bleef, kan uw beekpunge niet
+groeien. Buiten uw oevers kan men uw forellen zien, uw wilde zwijnen
+in de wildernis; de herten van uw schoon rots-land, uw gespikkelde
+en roodgeborste reeën! Uw eikels en beukenooten alle hangend aan de
+takken der boomen; uw visch in wijde mondingen van rivieren; lieflijk
+de kleuren van uw kabbelende stroomen, o gij die azuur-getint zijt en
+dan weer groen door weerspiegelingen van omringend struikgewas." [180]
+
+
+
+St. Patrick en Iersche legende.
+
+
+Nadat de krijgslieden waren onthaald vraagt Patrick: "Was hij, Finn
+mac Cumhal, met wien ge waart, een goed heer?" Keelta prijst Finn's
+edel karakter en beschrijft verder in bijzonderheden de heerlijkheden
+van zijn huishouding, waarop Patrick zegt:
+
+"Ware het niet dat het vrome leven daaronder lijdt, dat het aanleiding
+geeft het gebed te verwaarloozen en gemeenschap met God te verzaken,
+wij zouden, al pratend met u, krijgsman, den tijd snel voelen
+voorbijgaan!"
+
+Keelta doet een ander verhaal van de Fianna, en Patrick, nu geheel
+geboeid door den betooveraar, roept uit: "Geluk en zegen mogen met u
+zijn, Keelta! Dit is voor mij een verlichting van geest en gemoed. En
+doe ons nu een ander verhaal."
+
+Aldus besluit de inleiding van het "Gesprek." Zooals doorgaans het
+geval is bij den aanhef van Iersche vertellingen, kon het moeilijk
+beter zijn aangelegd; de toets is zoo licht, en is zulk een gelukkige
+mengeling van pathos, poëzie en humor en er is zooveel waardigheid in
+het schetsen der voorgestelde menschelijke karakters. De rest van het
+stuk bestaat in het tentoonspreiden van een groote massa topographische
+en legendaire kennis door Keelta, gevolgd door het onveranderlijke:
+"Geluk en zegen mogen met u zijn!" van Patrick.
+
+Zij gaan samen, de krijgsman en de heilige, als Patrick naar Tara
+reist, en telkens wanneer Patrick of een ander van het gezelschap een
+heuvel, of een sterkte, of een bron ziet, vraagt hij Keelta wat het
+is, en Keelta zegt dan den naam en vertelt een Fian-legende om die
+te verklaren, en aldus voert de geschiedenis door een massa legenden,
+tot dat men een troep uit Tara ontmoet, met den koning aan het hoofd,
+die nu de rol van vrager op zich neemt. Het "Gesprek", zooals wij
+het nu voor ons hebben, breekt plotseling af, waar het verhaal
+hoe de _Lia Fail_ uit Ierland werd gehaald, zal beginnen [181]. De
+beteekenis van het "Gesprek" ligt in de verhalen van Keelta en de
+gedichten in den loop er van ingevoegd. Er zijn ongeveer een honderdtal
+vertellingen, die handelen over strooptochten en veldslagen, minnarijen
+en festijnen van de Fians, maar het grootste aantal heeft betrekking op
+het verkeer tusschen het Toovervolk en de Fianna. Tusschen de Fianna
+en dat volk bestaan voortdurend betrekkingen zoowel van liefde als
+van oorlog. Sommige der verhalen zijn zeer uitgebreid en bewerkt in
+den verhevensten stijl, waartoe de schrijver in staat was. Een van
+de beste is dat van de toover-_Brugh_, of verblijf van Slievenamon,
+die Patrick en Keelta toevallig voorbijgaan, en waarvan Keelta de
+volgende geschiedenis vertelt.
+
+
+
+De Brugh van Slievenamon.
+
+
+Eens toen Finn en Keelta en vijf andere kampioenen van de Fianna te
+Torach, in het noorden, op de jacht waren, joegen zij een mooi ree op
+dat voor hen uit vluchtte en dat zij den ganschen dag achterna zetten,
+totdat zij tegen den avond den berg van Slievenamon bereikten, toen het
+ree plotseling onder de aarde scheen te verdwijnen. Zulk een jacht is,
+in de Ossian'sche literatuur, het gewone voorspel van een avontuur in
+het Tooverland. De nacht viel nu snel in met zwaren sneeuw en storm,
+en zoekend naar een schuilplaats, ontdekte de Fianna in het bosch een
+groote verlichte _Brugh_, of woon, waar zij toegang vroegen. Toen zij
+binnen kwamen bevonden zij zich in een ruime hal, sterk verlicht,
+met acht-en-twintig krijgslieden en evenveel schoone maagden met
+blonde haren: een dezer was gezeten op een zetel van kristal en deed
+op een harp prachtige muziek hooren. Nadat de Fian-krijgers waren
+onthaald op de heerlijkste spijzen en dranken, wordt hun verteld
+dat hun gastheeren zijn Donn, zoon van Midir den Trotsche, en zijn
+broeder, en dat zij oorlog voeren met de rest van het Danaansche volk
+en driemaal jaarlijks slag daarmee te leveren hebben op de vlakte voor
+de _Brugh_. In den beginne had elk van de acht-en-twintig duizend
+krijgers onder zich. Nu zijn allen verslagen op de aanwezigen na,
+en de overlevenden hebben een van hun maagden uitgezonden in de
+gedaante van een ree, om de Fianna naar hun paleis te lokken en hulp
+te krijgen in den slag die morgen moet worden geleverd. Feitelijk
+heeft men hier een variant op het welbekende thema van de bevrijding
+van het Tooverland. Finn en zijn metgezellen zijn altijd bereid tot
+een gevecht en er volgt een wanhopige slag die van den avond tot den
+morgen duurt, want het Tooverheir valt 's nachts aan. De aanvallers
+worden teruggeslagen, en verliezen meer dan duizend van hun mannen;
+maar Oscar, Dermot en mac Luga worden zwaar gewond. Zij worden door
+tooverkruiden genezen en er volgen meer gevechten en avonturen,
+totdat, een jaar later, Finn den vijand dwingt vrede te sluiten en
+gijzelaars te geven wanneer de Fianna naar de aarde terugkeert en zich
+bij hun makkers voegt. Nauwelijks heeft Keelta zijn verhaal geëindigd,
+staande op dezelfde plaats waar zij het Tooverpaleis hadden gevonden
+in den stormnacht, of men ziet een jong krijgsman naderen. Hij wordt
+aldus beschreven: "Een hemd van vorstelijk satijn omsloot zijn huid;
+daarover een tuniek van dezelfde stof en een scharlaken mantel met
+franje, door een gouden speld op zijn borst bevestigd; in zijn hand
+een zwaard met goud gevest en een gouden helm op zijn hoofd." Zeer
+kenmerkend voor deze literatuur is behagen in kleur en stoffelijke
+praal. Deze schitterende persoonlijkheid blijkt te zijn Donn mac
+Midir, een van de achtentwintig die Finn had geholpen, en hij komt
+voor zichzelf en zijn volk hulde brengen aan St. Patrick, die voor
+den nacht zijn gastvrijheid aanvaardt; want in het "Gesprek" zijn de
+betrekkingen tusschen de Kerk en de Tooverwereld zeer hartelijk.
+
+
+
+De drie jonge krijgers.
+
+
+Nergens in de Keltische literatuur komt het behagen in wonderen
+en mysterie zoo merkwaardig tot uiting als in het "Gesprek". De
+schrijver van dit stuk was een meester in de kunst om, als het ware,
+de stevige omlijsting der dingen doorzichtig te maken en laat ons
+er door heen schijnsels van een andere wereld zien, met de onze
+samenhangend en toch op zich zelf staande, met andere wetten en
+kenmerkende eigenschappen. Welke die wetten waren komt men nooit
+te weten. De Kelt maakte, althans in Ierland, geen systeem van het
+onbekende, maar liet het voor een oogenblik door het ondoorzichtige
+van onze aarde heen schijnen en het schijnsel dan verdwijnen voordat
+we begrepen wat wij hadden gezien. Daar is bijv. dit incident in
+Keelta's beschrijving van de Fianna. Drie jonge krijgers komen bij
+Finn dienst nemen, vergezeld van een reusachtigen hond. Zij treffen
+een overeenkomst met hem, zeggend welke diensten zij kunnen bewijzen
+en welke belooning zij verwachten en stellen als voorwaarde dat zij
+afgezonderd van de rest van het heir zullen kampeeren en dat wanneer
+het nacht is geen man bij hen zal komen en hen zien zal.
+
+Finn vraagt de reden van dit verbod en die is: van de drie krijgers
+moet er elken nacht een sterven en de beide anderen moeten hem bewaken;
+daarom wilden zij niet gestoord worden. Een verklaring hiervan wordt
+niet gegeven; de schrijver laat ons onder den indruk van het mysterie.
+
+
+
+De schoone reuzin.
+
+
+Daar is, om een ander voorbeeld te kiezen: het verhaal van de
+schoone reuzin. Op zekeren dag toen Finn en zijn krijgslieden aan het
+middagmaal van de jacht uitrustten, zagen zij een reusachtige gedaante
+naderen. Het bleek te zijn een jonge reuzenmaagd, die zeide te heeten
+Vivionn (Bebhionn), dochter van Treon, uit het Land der Maagden. De
+gouden ringen aan haar vingeren waren zoo dik als het juk van een os
+en zij was verblindend schoon. Toen zij haar vergulden, met juweelen
+bezetten helm afzette stroomde haar mooi, golvend gouden haar in zeven
+maal twintig krullen uit elkaar en Finn riep: "Groote Goden, die wij
+aanbidden, Cormac en Ethné en de vrouwen van de Fianna zouden het
+een geweldig wonder achten Vivionn, de bloeiende dochter van Treon,
+te zien." De maagd verhaalde dat zij tegen haar zin was verloofd met
+een minnaar, Aeda geheeten, de zoon van een naburigen koning; dat zij
+van een visscher, die door den storm naar haar kust was gedreven, had
+vernomen van Finn's macht en edelen aard, en nu was gekomen om zijn
+bescherming in te roepen. Terwijl zij sprak merkte de Fianna opeens,
+dat een tweede reusachtige gedaante nabij was. Het was een jonge man
+met fijne trekken en boven beschrijving schoon, die een rood schild
+en een geweldige speer droeg. Zonder iets te zeggen naderde hij en
+voordat de verbaasde Fianna hem kon toespreken dreef hij zijn speer
+door het lijf der maagd en ging verder. Woedend over deze schending
+van zijn bescherming, riep Finn zijn hoofden op om den moordenaar
+te achtervolgen en te dooden. Keelta en anderen zetten hem achterna
+naar het zeestrand en volgden hem in de branding, maar hij schreed
+voort in de zee en een groote galei kwam hem tegemoet en voerde hem
+weg naar onbekende streken. Ontmoedigd bij Finn terugkomend, vonden
+zij de maagd stervend. Zij verdeelde haar goud en juweelen onder
+hen en de Fianna begroef haar onder een grooten heuvel, en richtte
+een steenen pilaar op haar graf op met haar naam in Ogham schrift,
+op de plaats sedert dier, geheten de Hoogte van de Doode Vrouw.
+
+In dit verhaal vindt men naast het geheimzinnige element, dat der
+schoonheid. Deze vereeniging komt vaak voor in dit tijdperk der
+Keltische literatuur; en hieraan is het misschien te danken dat, hoewel
+deze verhalen van nergens schijnen te komen en nergens heen te leiden,
+maar zich bewegen in een droomwereld waar geen jacht is of hij schijnt
+te eindigen in het Tooverland en geen gevecht dat eenig verband houdt
+met aardsche nooden of doeleinden, waar al wat wezenlijk is geneigd
+is zich op te lossen in een tooverlicht en van gedaante verandert
+als een ochtendnevel, zij toch in het geheugen blijven hangen, met
+die steeds werkende bekoring die ze gedurende vele eeuwen in leven
+heeft gehouden aan den haard van den Galischen boer.
+
+
+
+St. Patrick, Oisin en Keelta.
+
+
+Alvorens van het "Gesprek" af te stappen moet een ander belangrijk
+punt worden vermeld in verband er mee. Voor het gewone publiek zijn
+vermoedelijk de meest bekende dingen in Ossian'sche literatuur--ik
+heb hiermede natuurlijk op het oog de echte Keltische poëzie onder
+dien naam, niet den pseudo-Ossian van Macpherson--die dialogen waarin
+de heidensche en de christelijke idealen tegenover elkander worden
+gesteld, vaak in een geest van luimige overdrijving, of van satire. De
+vroegste van die stukken worden gevonden in het manuscript geheeten
+"Het boek van den Deken van Lismore", waarin James Macgregor, Deken van
+Lismore in Argyllshire, eenigen tijd vóór het jaar 1518, neerschreef
+al wat hij zich kon herinneren of op het spoor komen van traditioneele
+Galische poëzie in zijn tijd. Het valt op te merken dat tot op die
+periode en, trouwens, lang daarna Schotsen en IerschKeltisch eén taal
+en een literatuur vormden, waarvan de groote geschreven monumenten
+in Ierland waren, al behoorden zij evenzeer aan den Kelt van de
+Hooglanden, en de twee takken van het Keltisch hadden een volstrekt
+gemeenschappelijken voorraad van dichterlijke overlevering. Deze
+Oisin-en-Patrick dialogen worden in grooten getale gevonden zoowel
+in Ierland als in de Hooglanden, hoewel, zooals ik zeide, "Het boek
+van den Deken van Lismore" het eerste thans bestaande geschrift is,
+waarin ze zijn opgeteekend. Welk verband bestaat er dan tusschen
+deze dialogen en de Keelta-en-Patrick dialogen waarmede wij kennis
+maken in het "Gesprek." De vragen welke inderdaad het oudst waren,
+waar zij respectievelijk ontstonden en welke strooming van gedachte of
+gevoel elk vertegenwoordigde, vormen een letterkundig probleem van het
+grootste gewicht, zooals Alfred Nutt heeft aangetoond; en een dat geen
+criticus tot hiertoe heeft getracht op te lossen, of zelfs--tenzij
+heel kort geleden--aan de orde te stellen. Want hoewel deze beide
+pogingen om, in fantastischen en artistieken vorm, de voeling
+tusschen heidendom en Christendom voor te stellen bijna identisch
+zijn in bewerking en omlijsting, behalve dat de eene in verzen is,
+de ander in proza, verschillen zij toch sterk in hun opvatting.
+
+In de Oisin-dialogen [182] is veel ruwe scherts en onrijpe theologie,
+meer overeenkomstig die van een Engelsch mysteriespel dan eenig mij
+bekend Keltisch geschrift. St. Patrick is, zooals Nutt opmerkt,
+in deze balladen "een knorrige en domme dweper die het vervelend
+eentonig steeds heeft over de verdoemenis van Finn en zijn makkers;
+een hardvochtig meester voor den armen ouden blinden reus dien hij
+voedsel misgunt en tegen wien hij minne streken uithaalt om hem
+door angst tot het Christendom te drijven". Nu bevat het "Gesprek"
+hiervan niets. Keelta wordt Christen met heel zijn hart en volkomen
+overgave en aan de vrienden en metgezellen van zijn jeugd wordt
+verlossing niet ontzegd. Zelfs verzekert Patrick Keelta van de
+verlossing van verscheidene hunner, o.a. van Finn zelf. Een van het
+Danaansche volk, die bard is geweest bij de Fianna, bracht Patrick
+in verrukking met zijn zangen. Brogan, de schrijver dien St. Patrick
+gebruikt om de Fian-legenden op te teekenen zegt: "Indien er muziek
+is in den hemel, waarom zou ze niet op aarde zijn? Daarom is het ook
+niet goed de zangen van de minstreels te weren". Patrick antwoordde:
+"Zoo iets zeg ik dan ook niet" en inderdaad den minstreel wordt de
+hemel beloofd voor zijn kunst.
+
+Aldus zijn de aangename verhoudingen die in het "Gesprek"
+overheerschend zijn, tusschen de vertegenwoordigers der twee
+tijdperken. Keelta vertegenwoordigt al wat hoffelijk, waardig,
+edelmoedig en dapper is in het heidendom, en Patrick al wat
+liefderijk en beminnelijk is in het Christendom; en in plaats dat
+de twee tijdperken in heftig antagonisme tegenover elkander staan
+en door een niet te overbruggen kloof zijn gescheiden, blijken al de
+schoonste trekken in elk met elkander overeen te stemmen en elkander
+aan te vullen.
+
+
+
+Verhalen van Dermot.
+
+
+Een aantal eigenaardige legenden hebben tot middelpunt Dermot O' Dyna,
+die vermeld is als een van Finn mac Cumhal's bekendste volgelingen. Hij
+zou kunnen worden beschreven als een soort Galische Adonis, een
+type van schoonheid en aantrekkelijkheid, de held van tallooze
+liefde-verhalen; en, evenals Adonis, werd zijn dood veroorzaakt door
+een wild zwijn.
+
+
+
+De ever van Ben Bulben.
+
+
+De ever was geen gewoon beest. Ziehier de geschiedenis van zijn
+afkomst: Donn, de vader van Dermot, gaf het kind aan Angus Og om het
+groot te brengen in zijn paleis aan de Boyne. Zijn moeder, die Donn
+ontrouw was, baarde een ander kind, waarvan Roc, de opzichter van
+Angus, de vader was. Eens, toen het kind van den opzichter tusschen
+de knieën van Donn liep om aan sommige honden te ontkomen die op den
+vloer van de hal vochten drukte Donn het zoo tusschen zijn knieën dat
+het onmiddellijk werd gedood en hij wierp toen het lijkje den honden
+toe. Toen de opzichter zijn kind dood vond en (met behulp van Finn)
+de oorzaak ontdekte, haalde hij de staf van een Druïde en sloeg er het
+lijk mee, waarop, in plaats van het doode kind, een groot wild zwijn
+verrees, zonder ooren of staart; en hij sprak tot het beest: "Ik draag
+u op Dermot O' Dyna den dood te brengen"; en het beest holde de hal
+uit en zwierf rond in de bosschen van Ben Bulben in het graafschap
+Sligo tot de tijd kwam dat zijn bestemming zou worden vervuld.
+
+Maar Dermot groeide op tot een prachtigen jongeling, onvermoeid op
+de jacht, onversaagd in den oorlog, geliefd door al zijn makkers van
+de Fianna, waarbij hij zich voegde zoodra hij daartoe den leeftijd had.
+
+
+
+Hoe Dermot de liefde-vlek kreeg.
+
+
+Hij heette Dermot van de Liefde-Vlek en een eigenaardige en mooie
+volksmythe door dr. Douglas Hyde [183] opgeteekend vertelt hoe hij
+aan die benaming kwam. Op zekeren dag was hij met drie makkers,
+Goll, Conan, en Oscar, op de jacht, en laat in den avond zochten zij
+een rustplaats. Zij vonden weldra een hut, waarin zich bevonden een
+oude man, een jong meisje, een hamel en een kat. Hier vroegen zij
+gastvrijheid en deze werd hun geschonken. Maar, zooals gewoonlijk in
+deze mythen, het was een huis van mysterie.
+
+Toen zij gingen zitten om te eten, stond de hamel op en klom op
+tafel. Een na den ander van de Fianna trachtte hem er af te gooien,
+maar het dier schudde hen van zich af op den vloer. Goli slaagde er ten
+slotte in het van de tafel te smijten maar ook hem was het eindelijk
+de baas en het kreeg hen allen onder zijn voeten. Toen gelastte de
+oude man de kat den hamel weg te brengen en vast te binden en zij
+deed dat zonder moeite. De vier kampioenen wilden, diep beschaamd, de
+hut dadelijk verlaten; maar de oude man maakte hun duidelijk dat hun
+goede naam niet had geleden--de hamel waarmede zij hadden gevochten,
+was de Wereld, en de kat was de macht die de wereld zelf zou vernielen,
+namelijk de Dood.
+
+Toen het nacht was begaven de vier helden zich ter ruste in een
+groote kamer en het jonge meisje kwam in dezelfde kamer slapen; en
+het heet dat haar schoonheid de muren van de kamer bestraalde als
+een kaars. Een na den ander van de Fianna ging naar haar bed, maar
+zij weerde allen af. "Ik behoorde u eenmaal toe", zeide zij tot elk,
+"en zal dat nimmer weer doen". Dermot kwam het laatst. "O, Dermot",
+zeide zij, "ook u gaf ik mij eenmaal, en ik kan dat nooit weer doen,
+want ik ben Jeugd; maar kom hier en ik zal u zoo teekenen, dat geen
+vrouw u ooit kan zien zonder u te beminnen". Toen raakte zij zijn
+voorhoofd aan en liet de Liefde-Vlek daar; en dat wekte de liefde
+der vrouwen voor hem zoolang hij leefde.
+
+
+
+De vervolging van den harden knecht.
+
+
+De vervolging van den Gilla Dacar is een ander Fian-verhaal waarin
+Dermot een hoofdrol speelt. De Fianna, zoo luidt de geschiedenis,
+was op zekeren dag op de jacht op de heuvels en door de bosschen van
+Munster en terwijl Finn en zijn kapiteins op een heuvelrug stonden te
+luisteren naar het blaffen der honden en de tonen van den jachthoorn
+uit het donkere bosch onder hen, zagen zij een kolossalen, leelijken,
+wanstaltigen boer naderen, die een groote grof gebouwde merrie bij
+den halster voort trok. Hij gaf te kennen dat hij bij Finn in dienst
+wenschte te treden. Men noemde hem, zoo zeide hij, Gilla Dacar (de
+harde Gilly) omdat hij de stugste knecht was van wien ooit een heer
+diensten en gehoorzaamheid kreeg. Ondanks dat weinig belovend begin,
+nam Finn, wiens beginsel was nooit eenig verzoeker af te wijzen,
+hem in zijn dienst; en de Fianna begon nu hun ruwen makker tot
+mikpunt van allerlei grove grappen te maken, die daarmee eindigden
+dat dertien hunner, o.a. Conan de Kale, allen het paard van den Gilla
+Dacar bestegen. De nieuweling klaagde hierop dat men hem voor den gek
+hield en hij schuifelde in groot misnoegen weg totdat hij over den
+heuvelrug was, toen stroopte hij zijn kleeren op en liep in westelijke
+richting, sneller dan de wind in Maart, naar het zeestrand in het
+graafschap Kerry. Het paard, dat tot dusverre met hangende ooren had
+stil gestaan terwijl de dertien berijders het te vergeefs afrosten om
+het aan het loopen te brengen, wierp nu opeens den kop omhoog en rende
+in een woest galop zijn meester achterna. De Fianna liep mee, zoo goed
+als het ging onder het lachen, terwijl Conan, verschrikt en woedend,
+hen uitschold, omdat zij hem en zijn makkers niet ter hulp kwamen. Ten
+slotte werd de zaak ernstig. De Gilla Dacar sprong in zee en de merrie
+volgde hem met haar dertien berijders en nog een die er in geslaagd was
+haar bij den staart vast te houden juist toen zij het strand verliet;
+en allen verdwenen weldra in het fabelland van het Westen.
+
+
+
+Dermot bij de bron.
+
+
+Finn en de rest der Fianna berieden nu met elkander wat zij zouden
+doen, en zij kwamen ten slotte overeen een schip uit te rusten en
+hun makkers te gaan zoeken. Na vele dagen reizens bereikten zij een
+eiland door steile rotsen beveiligd. Als de vlugste van den troep, werd
+Dermot O'Dyna gezonden om ze te beklimmen en, zoo hij kon, een middel
+te vinden om de rest van den troep naar boven te helpen. Toen hij op
+den top kwam bevond hij zich in een heerlijk land vol vogelgezang
+en bijengegons en beekjesgemurmel, maar zonder teeken van te zijn
+bewoond. Een donker bosch ingaand, kwam hij spoedig aan een bron,
+waarbij een vreemd bewerkte drinkhoorn hing. Toen hij dien vulde om
+er uit te drinken kwam er uit de bron een dof, dreigend gemompel,
+maar hij had te veel dorst, om zich daaraan te storen, en hij dronk
+volop. Kort daarop kwam een gewapend krijgsman door het bosch, die hem
+heftige verwijten deed, omdat hij uit zijn bron had gedronken. Toen
+vochten de Ridder van de Bron en Dermot den geheelen namiddag met
+elkander, zonder dat de een den ander de baas kon worden; toen het
+avond werd sprong de ridder eensklaps in de bron en verdween. Den
+volgenden dag gebeurde hetzelfde; op den derden dag echter, sloeg
+Dermot, toen de ridder den sprong wilde doen, de armen om hem heen,
+en beiden gingen samen in de diepte.
+
+
+
+De verlossing uit het Tooverland.
+
+
+Dermot bevond zich nu, na een oogenblik van duisternis en
+bewusteloosheid, in het Tooverland. Een man met een waardig uiterlijk
+deed hem bijkomen en bracht hem naar het kasteel van een machtig
+koning, waar hij gastvrij werd onthaald. Men beduidde hem dat de
+diensten van een kampioen als hij noodig waren om strijd te voeren
+tegen een mededingend monarch. Het is hetzelfde motief dat men vindt in
+de avonturen van Cuchulain met Fand en dat zoo dikwijls in Keltische
+tooververhalen opduikt. Finn en zijn makkers, ziende dat Dermot niet
+tot hen terugkeerde, bereikten den top der klippen en na door het
+bosch te zijn getrokken, kwamen zij aan een groot hol, dat hen ten
+slotte voerde naar hetzelfde land waar Dermot was aangekomen. Ook
+vernamen zij dat daar waren de veertien mannen der Fianna, die met
+de merrie van den Harden Gilly waren meegevoerd. Hij was natuurlijk
+de koning die hun diensten noodig had en die dit middel had bedacht
+om een dertigtal van den bloem der Iersche krijgslieden tot zich te
+lokken. Finn en zijn mannen gaan met de grootste opgewektheid ten
+strijde en vernietigen den vijand als kaf; Oscar doodt den zoon
+van den mededingenden monarch (die de Koning van "Griekenland"
+is geheeten). Finn verwerft de liefde van zijn dochter, Tasha met
+de Blanke Armen, en het verhaal besluit met een aardige mengeling
+van vroolijkheid en mysterie. "Welke belooning verlangt ge voor uw
+goede diensten?" vraagt de Tooverkoning aan Finn. "Gij waart vroeger
+in mijn dienst," antwoordt Finn, "en ik herinner me niet u eenige
+belooning te hebben gegeven. Laat de eene dienst tegenover de andere
+staan." "Daar zal ik nooit in toestemmen," roept Conan de Kale. "Zal
+ik geen vergoeding krijgen voor het wegvoeren op uw wilde merrie en
+over de zee?" "Wat verlangt ge?" vraagt de Tooverkoning. "Geen goud
+of bezittingen," antwoordt Conan, "maar mijn eer heeft geleden en
+laat deze voldoening krijgen. Zet tien van uw mooiste vrouwen op de
+wilde merrie, o koning, en laat uw eigen vrouw haar bij den staart
+vasthouden, en laat hen naar Eria worden overgebracht, op dezelfde
+wijze als wij hierheen werden gesleept, en ik zal den smaad, dien wij
+ondergingen, voldoende geboet achten." Daarop glimlachte de koning, en
+zich tot Finn wendend zeide hij: "O Finn, aanschouw uw mannen." Finn
+keerde zich om, om naar hen te kijken, maar toen hij weer omkeek was
+het tooneel veranderd--de Tooverkoning en zijn heir en de geheele
+Tooverwereld waren verdwenen en hij bevond zich met zijn metgezellen
+en de schoonarmige Tasha, staande op den oever van de kleine baai in
+Kerry, van waaruit de Harde Gilly en de merrie in zee waren gegaan
+en zijn mannen hadden weggevoerd. En toen maakten allen zich blijde
+op naar het groote vaste kamp der Fianna op den Heuvel van Allen,
+om het bruilofsfeest van Finn en Tasha te vieren.
+
+
+
+De invloed van het Christendom op de ontwikkeling der Iersche
+literatuur.
+
+
+Dit verhaal met zijn boeiende mengeling van humor, fantasie, tooverij
+en wilde liefde, kan worden beschouwd als een typisch staal van de
+Fian-legenden op hun best. Vergeleken met de Conoriaansche legenden
+wijzen zij, zooals ik heb aangeduid, op een eigenaardig gebrek
+aan eenig heroïsch of ernstig element. Deze edeler stemming stierf
+uit, naarmate het Christendom meer veld won, dat zich voor bepaalde
+godsdienstige doeleinden meester maakte van den ernstiger verhevener
+kant van den Keltischen geest, aan de wereldsche literatuur alleen
+de elementen van het wonderbaarlijke en romantische overlatend. Zoo
+volkomen geschiedde dit, dat terwijl de Finn-legenden tot op heden zijn
+blijven leven onder de Galisch sprekende bevolking en een onderwerp
+van letterkundige behandeling waren zoolang het Galisch nog werd
+geschreven, de vroegere cyclus bijna geheel uit de volksherinnering
+verloren ging, of alleen gebrekkig bleef leven; en zonder de eerste
+handschriften, waarin de verhalen gelukkig zijn bewaard gebleven, zou
+zulk een werk als de "Tain Bo Cuailgné"--ongetwijfeld het grootste
+dat de Keltische geest ooit in de literatuur voortbracht--thans
+onherroepelijk verloren zijn.
+
+
+
+De verhalen van Deirdre en Grania.
+
+
+Niets kan het onderscheid tusschen de beide cyclen beter toelichten
+dan een vergelijking van het Deirdre-verhaal met dat hetwelk wij
+nu moeten behandelen--het verhaal van Dermot en Grania. Dit laatste
+klinkt van een zeker standpunt beschouwd als een echo van het eerste,
+zoo groot is de overeenkomst tusschen beiden in de intrige. Daar
+hebt ge de volgende geschiedenis in geraamte: "Een schoone maagd
+is verloofd met een befaamd en machtig minnaar, veel ouder dan zij
+zelf. Zij wendt zich van hem af om een jonger minnaar te zoeken en
+vestigt haar keus op een van zijn volgelingen, een dappere en schoone
+jongeling, dien zij, hoewel tegen zijn zin, overreedt met haar te
+vluchten. Na aan de vervolging te zijn ontkomen, vestigen zij zich
+voor een poos op een afstand van den bedrogen minnaar, die zijn tijd
+afwacht, totdat hij ten slotte onder den schijn eener verraderlijke
+verzoening, den dood van zijn jongeren medeminnaar weet te bewerken
+en hij de vrouw weer in zijn macht krijgt". Vroeg men een beoefenaar
+van Keltische legenden naar bovenstaand overzicht te luisteren en
+te zeggen op welk verhaal het sloeg, hij zou zeker antwoorden dat
+het moet zijn of het verhaal van de Vervolging van Dermot en Grania,
+of dat van het Lot der Zonen van Usna; maar welk van de beide zou hij
+bepaald onmogelijk kunnen zeggen. Toch zijn de beide verhalen in toon
+en karakter hemelsbreed verschillend.
+
+
+
+Grania en Dermot.
+
+
+In het Fian-verhaal is Grania de dochter van Cormac mac Art,
+Opperkoning van Ierland. Zij is verloofd met Finn mac Cumhal, dien
+we in dezen tijd hebben te beschouwen als een oud en in den oorlog
+vergrijsd, maar nog machtig krijgsman. De beroemde hoofdlieden der
+Fianna komen allen te Tara bijeen voor het bruiloftsfeest, en als zij
+aan het maal zijn gezeten, laat Grania haar blikken over hen gaan
+en vraagt hun namen aan haar vader's Druïde, Dara. "Het is vreemd"
+zegt zij, "dat Finn mij niet voor Oisin vroeg, in plaats van voor
+zich zelf. "Oisin zou u niet durven nemen," zegt Dara. Na de ronde
+te hebben gedaan door het gezelschap, vraagt Grania: "Wie is die man
+met de vlek op zijn voorhoofd, met de lieflijke stem, krullend donker
+haar en blozende wangen?" "Dat is Dermot O'Dyna," antwoordt de Druïde,
+"met de witte tanden, helder gelaat, de beste minnaar van vrouwen
+en maagden in de geheele wereld." Nu bereidt Grania een slaapdrank,
+dien zij door haar vrouwelijke bediende in een beker laat rondgaan
+bij den koning, bij Finn en het geheele gezelschap, met uitzondering
+van de hoofden der Fianna. Als de drank zijn werking heeft verricht,
+gaat zij tot Oisin. "Wilt ge dat ik u minne, Oisin?" vraagt zij. "Dat
+wil ik niet," zegt Oisin, "en ook geen andere vrouw die met Finn
+verloofd is." Grania, die heel goed wist wat Oisin's antwoord zou zijn,
+wendt zich nu tot Dermot, op wien zij het in werkelijkheid begrepen
+had. Eerst weigert hij iets met haar te maken te hebben. "Ik leg u
+de verplichting (_geise_) op, o Dermot, mij hedenavond uit Tara te
+voeren." "Dat is een slechte verplichting," zegt Dermot, "en waarom
+legt ge mij die op en niet aan de koningszonen die aan deze tafel
+zijn gezeten?" Grania verklaart dan dat zij Dermot altijd heeft lief
+gehad sedert zij hem, jaren tevoren van uit haar zonnig prieel, zag
+deelnemen aan een grooten werpwedstrijd, op de weide te Tara, en dien
+winnen. Dermot, nog altijd zeer onwillig, bepleit Finn's verdiensten en
+voert bovendien aan dat Finn de sleutels der koninklijke vesting heeft,
+zoodat zij die 's nachts niet kunnen verlaten. "In mijn priëel is een
+geheime poort," zegt Grania. "Ik ben onder _geise_ niet door een poort
+te gaan," antwoordt Dermot, nog worstelend tegen zijn noodlot. Grania
+wil niets van deze uitvluchten weten--men heeft haar gezegd dat elke
+Fian-krijgsman over een palissade kan springen met behulp van zijn
+speer als polsstok; en zij gaat alles in gereedheid brengen voor haar
+schaking. In groote verlegenheid wendt Dermot zich tot Oisin, Keelta,
+Oscar en de anderen, om te weten wat hij moet doen. Allen heeten hem
+zijn _geise_ na te komen--de verplichting die Grania hem had opgelegd
+om haar te helpen--en met tranen neemt hij afscheid van hen.
+
+Buiten het prieel gekomen smeekte hij Grania andermaal terug te
+keeren. "Ik zal zeker niet terug gaan," zegt Grania, "of van u
+scheiden voordat de dood ons scheidt." "Dan, vooruit, o Grania",
+zegt Dermot. Na een mijl te hebben afgelegd zegt Grania: "Ik ben
+heusch moede, o kleinzoon van Dyna." "Het is het geschikte oogenblik
+om moede te zijn", zegt Dermot, die een laatste poging doet om uit de
+klem te raken, "en nu weer naar uw huishouding terug te gaan, want ik
+verklaar als echt krijgsman dat ik in der eeuwigheid niet u of een
+andere vrouw zal dragen." "Dat is niet noodig," zegt Grania en zij
+wijst hem aan waar hij paarden en een wagen vinden kan, en Dermot,
+zich ten slotte in het onvermijdelijke schikkend, spant de paarden
+in en zij slaan den weg in naar de wadde van Luan aan de Shannon. [184]
+
+
+
+De vervolging.
+
+
+Den volgenden dag begeeft Finn, ziedend van woede, zich met zijn
+krijgers op weg en volgt hun spoor. Hij spoort elke stopplaats op,
+en vindt de steenen hut die Dermot voor hen maakte als schuilplaats,
+en het bed van biezen, en de overblijfselen van het maal dat zij hadden
+gegeten. En telkens vindt hij een stuk brood, of rauwe zalm--waardoor
+Dermot Finn op een fijne manier doet weten dat hij de rechten van zijn
+heer heeft geëerbiedigd en Grania als een zuster heeft behandeld. Maar
+deze kieschheid van Dermot is heelemaal niet naar den zin van Grania,
+en zij geeft hem haar wenschen te kennen op een wijze die merkwaardig
+overeenkomt met een episode in het verhaal van Tristan en Isolde van
+Bretagne, zooals dat door Heinrich von Freiberg wordt gedaan. Zij
+gaan door een natte plek en Grania wordt met water bespat. Zij wendt
+zich tot haar metgezel: "Gij zijt een geweldig krijgsman, o Dermot,
+in den slag, bij belegeringen en rooftochten, toch komt het mij voor
+dat deze waterdroppel meer durf heeft dan gij." Deze wenk dat hij zich
+op een te eerbiedigen afstand hield, werd door Dermot begrepen. De
+teerling is nu geworpen en voortaan zal hij Finn en zijn vroegere
+makkers nooit meer ontmoeten dan met gevelde speer.
+
+Het verhaal verliest nu veel van de oorspronkelijkheid en bekoring
+van het begin en somt een beetje droog een aantal episoden op, waarin
+Dermot door de Fianna wordt aangevallen of belegerd, en zich en zijn
+gezellen redt door wonderen van stoutheid of handigheid, of door middel
+van de tooverkunsten van zijn pleegvader, Angus Og. Zij worden over
+geheel Ierland achterna gezet en de dolmens in dat land worden door
+het volk met hen in verband gebracht, daar zij in de overleveringen
+van de boeren "Bedden van Dermot en Grania" worden genoemd.
+
+Het karakter van Grania is steeds met groote consequentie
+geteekend. Zij is geen heldhaftige vrouw--zij heeft niet de eenvoudige,
+vurige aandriften en onwankelbare toewijding van een Deirdre. Deze
+laatste is veel primitiever. Grania is een merkwaardig modern
+en wat men noemen zou "hysterisch" type--eigenzinnig, ongedurig,
+hartstochtelijk, maar vol vrouwelijke bekoring.
+
+
+
+Dermot en Finn sluiten vrede.
+
+
+Na zestien jaar vogelvrij te zijn verklaard, wordt ten slotte voor
+Dermot vrede verkregen, door tusschenkomst van Angus, met Koning
+Cormac en met Finn. Dermot krijgt het hem toekomend vaderlijk erfdeel,
+de Cantred van Dyna, en andere landen in het verre Westen, en Cormac
+geeft Finn een andere zijner dochters. "Geruimen tijd bleven zij
+vreedzaam bij elkander, en men zeide dat geen man, toen levend, rijker
+was aan goud en zilver, kudden schapen en runderen dan Dermot O'Dyna,
+ook geen die meer buit maakte." [185] Grania baart Dermot vier zonen
+en een dochter.
+
+Maar Grania is niet tevreden voordat "de twee eerste mannen in Erin,
+namelijk Cormac zoon van Art en Finn zoon van Cumhal" in haar huis
+zijn onthaald. "En wie weet," voegt zij er bij, "of onze dochter dan
+niet een geschikten echtgenoot zou vinden?" Dermot geeft een beetje
+angstig toe; de Koning en Finn nemen de uitnoodiging aan en zij en
+hun gevolg worden een jaar lang in Rath Grania ontvangen.
+
+
+
+Finn's wraak.
+
+
+Op zekeren nacht, tegen het eind van jaar, wordt Dermot uit zijn
+slaap gewekt door het blaffen van een hond. Hij schrikt op, "zoodat
+Grania hem vast hield en haar armen om hem heen sloeg en vroeg wat hij
+gezien had." Het is het geluid van een hond", zegt Dermot, "en het is
+vreemd dat ik dat in den nacht hoor." "De Goden mogen u beschermen,"
+zegt Grania; "dat is het Danaanschvolk, dat u verontrust. Ga weer
+liggen." Maar driemaal maakt het hondengeblaf hem wakker en 's morgens
+trekt hij gewapend met zwaard en slinger op, gevolgd door zijn hond,
+om te zien wat er gaande is.
+
+Op den berg van Ben Bulben in Sligo ontmoet hij Finn met een
+jachtgezelschap van de Fianna. Zij zijn nu evenwel niet op de jacht,
+maar worden opgejaagd; want zij hebben het betooverd wild zwijn zonder
+ooren of staart, het Everzwijn van Ben Bulben, doen ontwaken, dat dien
+morgen dertig hunner heeft gedood. "En gij, maak u uit de voeten," zegt
+Finn, wel wetend dat Dermot nimmer voor een gevaar zal terugdeinzen;
+"want gij zijt onder _geise_ geen zwijn te jagen." "Hoe zoo?" zegt
+Dermot en Finn vertelt hem de onheilspellende geschiedenis van den
+dood van het opzichterskind en zijn herleving in de gedaante van
+dit zwijn en zijn opdracht van wraak. "Op mijn woord," sprak Dermot,
+"het is om mij te dooden dat gij deze jacht zijt begonnen, o Finn;
+en indien het mijn lot is dat ik hier zal sterven, heb ik nu niet de
+macht het te ontgaan."
+
+Het beest verschijnt op den berg en Dermot laat den hond op hem los,
+maar de hond vlucht verschrikt. Dan slingert Dermot een steen, die
+het zwijn precies in het midden van zijn voorhoofd raakt, maar het
+den huid zelfs niet schramt. Het beest is nu vlak bij hem en Dermot
+slaat het met zijn zwaard, maar het wapen vliegt in twee stukken en
+niet éen borstel van het zwijn is afgesneden. Bij den aanval op het
+zwijn valt Dermot er over heen en wordt een eindje gedragen, zich
+aan den rug vasthoudend; ten slotte echter schudt het zwijn hem af
+op den grond en hem "heftig met buitengewone kracht bespringend,"
+rijt het Dermot's ingewanden uit zijn lijf, terwijl Dermot, die het
+gevest van zijn zwaard nog in de hand heeft, het beest de hersens
+inslaat, zoodat het dood naast hem neer valt.
+
+
+
+Dood van Dermot.
+
+
+Dan komt de onverzoenlijke Finn nader en bukt zich over Dermot in
+zijn doodsstrijd. "Het behaagt mij wel u in dezen toestand te zien,
+o Dermot," zegt hij, "en ik zou willen dat alle vrouwen in Ierland
+u nu zagen; want uw uitnemende schoonheid is in leelijkheid en uw
+prachtige gestalte in mismaaktheid verkeerd." Dermot herinnert Finn
+er aan, hoe hij hem eens van een doodelijk gevaar redde toen hij in
+het huis van Derc tijdens een feest werd aangevallen, en smeekt dat
+hij hem zal genezen met een dronk waters uit zijn handen, want Finn
+heeft het tooververmogen een gewonde gezond te maken met een dronk
+bronwater in zijn beide handen opgehaald. "Hier is geen bron," zegt
+Finn. "Dat is niet waar," zegt Dermot, "want negen schreden van u af
+is de beste bron van zuiver water in de wereld." Ten slotte gaat Finn,
+op verzoek van Oscar en de Fianna en na herinnering aan de vele daden
+in vroeger dagen door Dermot om zijnent wil gedaan, naar de bron,
+maar voordat hij het water bij Dermot brengt, laat hij het door zijn
+vingers vallen. Hij gaat nogeens en andermaal laat hij het water
+vallen, "al denkend over Grania", en Dermot slaakt een zucht van
+angst als hij dat ziet. Oisin verklaart dan dat als Finn het water
+niet aanstonds brengt, hij of Finn den berg niet levend zal verlaten
+en Finn gaat nog eens naar de bron, maar het is nu te laat; Dermot is
+dood voordat de genezende dronk zijn lippen kan bereiken. Dan neemt
+Finn Dermot's hond, de hoofden der Fianna leggen hun mantels over den
+doode en zij keeren terug naar Rath Grania. Grania, den hond ziende
+die door Finn wordt geleid, begrijpt wat er gebeurd is en valt in
+zwijm op den wal van de Rath. Als zij tot bewustzijn is teruggekeerd
+geeft Oisin haar de hond, tegen den zin van Finn, en de Fianna trekt
+af, haar met haar smart alleen latend. Als de menschen van Grania's
+huishouding naar buiten gaan om het lijk van Dermot binnen te halen
+vinden zij daar Angus Og en zijn troep van het Volk van Dana, die,
+na drie vreeselijke, smartelijke kreten te hebben aangeheven, het lijk
+op een vergulde baar wegdragen en Angus verklaart, dat hoewel hij den
+doode niet weer levend kan maken, "ik zal een ziel in hem brengen,
+zoodat hij elken dag met mij kan spreken."
+
+
+
+Grania's einde.
+
+
+Bij een verhaal als dit behoort voor den modernen smaak een romantisch
+en sentimenteel besluit; en dat is dan ook daaraan gegeven toen
+dr. P. W. Joyce het over vertelde in zijn "Old Celtic Romances," even
+als dat geschiedde met het verhaal van Deirdre, door bijna elk modern
+auteur, die het behandelde [186]. Maar de Celtische verteller voelde
+het anders. Het verhaal van Deirdre's einde is vreeselijk wreed,
+dat van Grania cynisch en spottend; geen van beiden is ook maar in
+het minst sentimenteel. Grania is in den beginne woedend op Finn en
+zendt haar zonen buitenslands om wapenfeiten te leeren, zoodat zij
+zich op hem zouden kunnen wreken wanneer de tijd daar is. Maar Finn,
+geslepen en vooruitziende als hij in dit verhaal wordt voorgesteld,
+weet dit gevaar af te wenden. Als de tragedie op Ben Bulben in Grania's
+wuft gemoed een beetje is begonnen te verflauwen, begeeft hij zich
+tot haar en hoewel aanvankelijk met verachting en verontwaardiging
+behandeld, vrijt hij naar haar zoo kiesch en met zooveel teederheid,
+dat hij haar ten slotte weet te overreden [187] en hij voert haar
+als bruid terug naar den Heuvel van Allen. Als de Fianna het paar zoo
+teeder ziet naderen, barsten zij uit in gelach en spottende kreten,
+"zoodat Grania beschaamd het hoofd liet zinken." "Wij vertrouwen, o
+Finn," roept Oisin, "dat gij voortaan Grania wel zult houden." Aldus
+maakte Grania vrede tusschen Finn en haar zonen en zij bleef bij Finn
+als zijn vrouw tot op zijn dood.
+
+
+
+Twee stroomingen van Fian-legenden.
+
+
+Men zal opgemerkt hebben dat in deze legende Finn niet als een
+sympathieke figuur optreedt. Al onze belangstelling is voor Dermot. Van
+dit standpunt bezien is het verhaal typisch voor een zekere klasse
+van Fian-vertellingen. Zooals er twee mededingende stammen waren in
+de Fian-organisatie--de Clan Bascna en de Clan Morna--die soms om de
+oppermacht slaags raakten, zoo zijn er twee stroomingen van legenden,
+die respectievelijk uit de eene of de andere van die bronnen schijnen
+te komen; in een ervan wordt Finn verheerlijkt, terwijl hij in de
+andere wordt verkleind ten gunste van Goll mac Morna, of een anderen
+held met wien hij in botsing komt.
+
+
+
+Einde van de Fianna.
+
+
+De geschiedenis van het einde der Fianna wordt verteld in een
+aantal stukken, sommige in proza, andere in verzen, alle echter
+daarin overeenstemmend, dat zij deze gebeurtenis als een stuk zuivere
+geschiedenis weergeven, zonder iets van de bovennatuurlijke en mystieke
+atmosfeer, waarin bijna al de Fian-legenden zijn gedompeld.
+
+Na den dood van Cormac mac Art werd zijn zoon Cairbry Opperkoning van
+Ierland. Hij had een schoone dochter genaamd _Sgeimh Solais_ (Licht van
+Schoonheid) die ten huwelijk werd gevraagd door een zoon van den Koning
+der Decies. Tot het huwelijk werd besloten en de Fianna eischte een
+losgeld of schatting van twintig baren goud, wat hun, naar men zegt,
+in den regel bij zulke gelegenheden werd betaald. Naar het schijnt
+was de Fianna nu een bijzondere macht in den Staat geworden, en een
+drukkende macht, die zware schattingen en lastige privilegiën eischte
+van koningen en onderkoningen in geheel Ierland. Cairbry besloot haar
+er onder te krijgen en hij meende nu een goede gelegenheid daartoe
+te hebben. Hij weigerde daarom betaling van het losgeld en riep
+al de koningen der provincies op hem tegen de Fianna te helpen; de
+hoofdtroep daarvan kwam onmiddellijk in opstand voor hetgeen zij hun
+rechten achtten. Nu brak de oude veete tusschen Clan Bascna en Clan
+Morna opnieuw uit; laatstgenoemde koos de zijde van den Opperkoning,
+terwijl Clan Bascna, bijgestaan door den Koning van Munster en zijn
+troepen, die alleen hun zijde kozen, tegen Cairbry optrok.
+
+
+
+De slag van Gowra.
+
+
+Dat alles klinkt zeer zakelijk en waarschijnlijk, maar hoeveel
+werkelijkheid daarin steekt is zeer moeilijk te zeggen. De beslissende
+slag van den oorlog, die nu volgde, had plaats te Gowra (Gabhra),
+waarvan de naam is overgebleven is in Garristown, graafschap
+Dublin. Toen de tegenstanders in slagorde waren geschaard, knielden
+zij alvorens elkander aan te vallen en kusten zij Erin's gewijden
+grond. Het verhaal van den slag in de lezingen en verzen, waarvan
+een is gedrukt in de Verhandelingen van het Ossian'sch Genootschap,
+en een tweede mooiere in Campbell's "De Fians" [188] wordt geacht
+door Oisin te zijn gedaan aan St. Patrick. Hij legt groot gewicht op
+de heldendaden van zijn zoon Oscar:
+
+
+ "Mijn zoon spoedde zijn vaart
+ Door de strijdscharen van Tara
+ Als een havik schiet door een vogel-vlucht,
+ Of een rotsblok wentlend een bergrug af."
+
+
+
+De dood van Oscar.
+
+Het was een strijd op leven en dood en de slachting was aan beide
+zijden geweldig. Alleen oude mannen en knapen, zegt men, bleven in Erin
+over na dat gevecht. De Fianna werd bijna geheel uitgeroeid en Oscar
+kwam om. Hij en de Koning van Ierland, Cairbry, vochten met elkander
+en de een doodde den ander. Terwijl Oscar nog adem haalt, al was er op
+zijn lijf geen hand breedte meer zonder een wond, vond zijn vader hem:
+
+
+ "Ik vond hem liggend, mijn eigen zoon,
+ Op zijn linker elboog, het schild aan de zij;
+ Zijn rechter hand omknelde het zwaard,
+ Door zijn kolder vloeide het bloed.
+
+ "Oscar blikte naar mij op--
+ Wee was mij dat gezicht!
+ Hij strekte beide' armen naar mij uit,
+ Trachtend op te rijzen en mij te gemoeten.
+
+ "Ik greep de hand van mijn zoon
+ En zette mij aan zijn linker zij;
+ En sinds ik daar zat bij hem,
+ Kon niets op aarde meer mij deren."
+
+
+Wanneer Finn (in de Schotsche lezing) om zijn kleinzoon komt treuren,
+roept hij uit:
+
+
+ "Wee, dat niet ik het was die viel
+ In den slag van het kaal zonnig Gavra.
+ En dat gij schreedt rechts en links
+ Voor de Fians uit, Oscar.
+
+
+Maar Oscar antwoordt:
+
+
+ "Waart gij de gevallene
+ In den slag van het kaal zonnig Gavra.
+ Niet één zucht, rechts noch links,
+ Zou om u gehoord zijn van Oscar.
+
+ "Niemand wist ooit
+ Sloeg in mijn borst een hart van vleesch,
+ Dan wel een van kronkelend hoorn
+ En daar over een schede van staal.
+
+ "Maar het huilen der doggen naast mij,
+ En de weeklacht der oude helden,
+ En het beurlings weenen der vrouwen,
+ Dat kwelt mij het hart."
+
+
+Oscar sterft na de goden te hebben gedankt voor zijn vader's redding,
+Oisin en Keelta lichten hem op een baar van speren en dragen hem weg
+onder zijn banier "De Vreeselijke Schoof", om te worden begraven op
+het veld waarop hij stierf en waar een groote groene grafheuvel nog
+zijn naam draagt. Finn neemt geen deel aan den slag. Men zegt dat
+hij later "met een schip" kwam om het slagveld te overzien en dat
+hij schreide om Oscar, iets dat hij nog slechts eenmaal te voren had
+gedaan, om zijn hond Bran, dien hij zelf bij ongeluk doodde. Misschien
+is de vermelding van het schip een aanwijzing, dat hij toen niet meer
+tot de levenden behoorde en de aarde weer kwam bezoeken van uit het
+overzeesche rijk des Doods.
+
+Er is in dit verhaal van den slag van Gowra een melancholieke
+grootschheid, die daaraan een bijzondere plaats geeft in de
+Ossian'sche literatuur. Het is een passende lijkzang voor een
+legendair tijdvak. Campbell vertelt ons dat de Schotsche boertjes
+en schaapherders gewoon waren hun mutsen af te zetten als zij het
+opzegden. Hij voegt er een zonderling en roerend brok modern folklore
+bij, dat daarmee in verband staat. Twee mannen, zoo heet het, waren
+'s nachts uit, waarschijnlijk om schapen te stelen, of voor een andere
+roofexpeditie, en onder het gaan vertelden zij Fian-verhalen, toen zij
+twee reusachtige schimachtige gedaanten zagen die met elkander spraken
+over het dal heen. Een van de verschijningen zeide tot de andere:
+"Ziet ge dien man daar beneden? Ik was bij de tweede gevechtslijn
+op den dag van Gowra en deze man daar weet alles daarvan beter dan
+ik zelf".
+
+
+
+Het einde van Finn.
+
+
+Wat Finn zelf aangaat, het is zonderling dat in al wat er bestaat
+van de Ossian'sche literatuur geen volledig verhaal van zijn
+dood voorkomt. In de dichterlijke legenden wordt er van gewaagd
+en schrijvers van annalen bepalen zelfs den datum er van, maar de
+berichten komen niet overeen en dat geldt ook van de data. Noch van de
+schrijvers van annalen, noch van de dichters kan over het onderwerp
+helder licht worden verkregen. Finn schijnt te zijn opgelost in den
+toovernevel, die zoovele van zijn daden bij zijn leven omgeeft. Maar
+volgens een volkoverlevering stierven hij en zijn groote metgezellen
+Oscar en Keelta en Oisin en de rest nooit, maar worden zij, evenals
+Keizer Barbarossa, vastgehouden in een betooverd hol, waar zij den
+bepaalden tijd afwachten om roemrijk weer te verschijnen en hun land
+te verlossen van tirannie en onrecht.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VII: DE REIS VAN MAELDUN.
+
+
+Naast de legenden die zich om groote heldhaftige namen ophoopen en
+het karakter van geschiedenis dragen, of althans beweren te dragen,
+zijn er vele andere, groote en kleine, die van avonturen vertellen
+die zich geheel bewegen in romantische sferen, buiten aardsche ruimte
+en tijd. Als een staal er van geef ik hier den korten inhoud van de
+"Reis van Maeldun," een zeer merkwaardig en schitterend werk van
+verdichting, voorkomend in het handschrift getiteld het "Boek van
+de Dun Koe" (omstreeks 1100) en andere oude bronnen, en uitgegeven
+met een vertaling (waaraan ik hier de volgende uittreksels ontleen)
+door dr. Whitley Stokes in de "Revue Celtique" van 1888 en 1889. Het
+is slechts een van de vele dergelijke wonderreizen die men in de oude
+Iersche literatuur aantreft, maar men denkt dat het de eerste van
+allen en een model voor de anderen is geweest, en het heeft de eer
+gehad--in den verkorten en gewijzigden vorm door Joyce gegeven in zijn
+"Oude Keltische Verhalen"--de stof te hebben geleverd voor de "Reis
+van Maeldune" aan Tennyson, die daarvan een verwonderlijke schepping
+heeft gemaakt van rythmus en kleur, een soort allegorie der Iersche
+geschiedenis vormend. Men zal aan het slot opmerken dat wij in het
+ongewone geval verkeeren dat wij den naam kennen van den auteur van dat
+stuk primitieve literatuur, hoewel hij geen aanspraak er op maakt de
+"Reis" te hebben samengesteld, maar alleen de gebeurtenissen er van te
+hebben "geordend." Jammer genoeg kunnen wij niet zeggen wanneer hij
+leefde, maar het verhaal zooals wij het kennen, dateert vermoedelijk
+van de negende eeuw. De sfeer er van is zuiver christelijk en het
+heeft geen mythologische beteekenis dan voor zoover het leert, dat
+de duistere bevelen van waarzeggers moeten worden gehoorzaamd. Geen
+avontuur of zelfs bijzonderheid van gewicht is weggelaten in het
+volgend overzicht van het verhaal, dat aldus volledig wordt gegeven
+omdat de lezer het kan beschouwen als vertegenwoordigend een groot
+en belangrijk deel der Iersche legende-literatuur. Behalve de bron
+waaruit ik put, de "Revue Celtique," is mij geen andere getrouwe
+Engelsche reproductie van dit verwonderlijk verhaal bekend.
+
+De "Reis van Maeldun" begint zooals Iersche verhalen vaak doen,
+met ons te vertellen hoe de held ter wereld kwam.
+
+Daar was een beroemd man van de clan der Owens van Aran, genaamd
+Ailill van den Rand van den Slag, die zijn koning op een strooptocht
+vergezelde naar een ander gebied. Op zekeren nacht kampeerden zij
+bij een kerk en een nonnenklooster. Te middernacht zag Ailill, die
+zich bij de kerk bevond, een non uit het klooster komen om de klok te
+luiden voor het gebed en hij vatte haar bij de hand. In oud-Ierland
+werden godsdienstige personen in oorlogstijd niet bijster ontzien
+en Ailill ontzag de non niet. Toen zij scheidden, zeide zij tot hem:
+"Van welken stam zijt gij en wat is uw naam?" Daarop zeide de held:
+"Ailill van den Rand van den Slag is mijn naam en ik ben van de Owens
+van Aran, in Thomond."
+
+Niet lang daarna werd Aillil gedood door roovers uit Leix, die de
+kerk van Dooclone boven zijn graf verbrandden.
+
+Op zijn tijd werd de non een zoon geboren en zij gaf hem den naam
+Maeldun. Hij werd heimelijk gebracht naar haar vriendin, de koningin
+van het gebied, en deze bracht Maeldun groot. "Hij was inderdaad
+welgemaakt en het is de vraag of er ooit iemand zoo schoon was als
+hij. Zoo groeide hij op, totdat hij geschikt was wapens te dragen. Hij
+was toen zeer levendig, vroolijk en dartel. Bij het spelen overtrof
+hij al zijn makkers in het werpen van ballen, in loopen en springen,
+werpen met steenen en narennen van paarden."
+
+Eens tergde hem een trotsche jonge krijgsman, dien hij had verslagen,
+omdat hij niets wist van zijn familie en afkomst. Maeldun ging tot
+zijn pleegmoeder, de koningin, en zeide: "Ik zal niet eten of drinken
+vóór gij mij zegt wie mijn moeder en mijn vader zijn." "Ik ben uw
+moeder", zeide de koningin, "want geen vrouw had ooit haar zoon meer
+lief dan ik u lief heb". Maar Maeldun drong er op aan alles te weten
+en de koningin bracht hem ten slotte tot zijn eigen moeder, de non,
+die hem zeide: "Uw vader was Ailill van de Owens van Aran." Toen ging
+Maeldun naar zijn eigen familie, die hem goed ontving; en hij nam als
+gasten mee zijn drie geliefde pleegbroeders, zonen van den koning en
+de koningin die hem hadden groot gebracht.
+
+Een poos later was Maeldun toevallig met een troep jonge krijgslieden
+samen, die op het kerkhof van de vernielde kerk van Doocloone steenen
+wilden gooien. Maeldun had, terwijl hij een steen oplichtte, den voet
+geplant op een verschroeiden en zwarten zandsteen; en een monnik,
+Briccne [189] geheeten, die er bij stond, zeide tot hem: "Het ware
+beter dat gij den man wreektet die hier verbrand werd, dan steenen
+te werpen over zijn verbrande beenderen."
+
+"Wie was dat?" vroeg Maeldun.
+
+"Ailill, uw vader", zeide men hem.
+
+"Wie versloeg hem?", vroeg hij.
+
+"Roovers uit Leix", zeiden zij, "en zij doodden hem op deze plaats."
+
+Toen wierp Maeldun den steen neer, dien hij op het punt stond te
+gooien, en sloeg zijn mantel om zich heen en ging naar huis; en hij
+vroeg den weg naar Leix. Men zeide hem dat hij daar alleen over zee
+kon komen [190].
+
+Op raad van een Druïde bouwde hij zich nu een boot, of visschersboot,
+van huiden driemaal over elkaar gewikkeld om een houten geraamte; en
+de waarzegger zeide hem ook dat zeventien mannen slechts hem moesten
+vergezellen, op welken dag hij moest beginnen met den bouw van de
+boot en op welken dag hij zee moest kiezen.
+
+Toen zijn troep gereed was, stak hij van wal en heesch het zeil,
+maar hij had nog slechts een korten afstand afgelegd toen zijn drie
+pleegbroeders naar de baai kwamen en smeekten hen mee te nemen. "Gaat
+naar huis", zeide Maeldun, "want ik mag niet meer meenemen dan ik
+nu heb". Maar de drie jongelingen wilden niet van Maeldun scheiden
+en zij wierpen zich in zee. Hij keerde om, opdat zij niet zouden
+verdrinken en nam hen op in zijn boot. Zooals wij zullen zien,
+werden alle gestraft voor deze overtreding, en werd Maeldun tot
+zwerven veroordeeld, totdat hij had geboet.
+
+Iersche barden-verhalen munten uit in hun inzet. Zooals gewoonlijk
+is in dit geval de _mise-en-scène_ bewonderenswaardig bedacht. Het
+nu volgend verhaal vertelt hoe, na op een eiland den man te
+hebben gezien die zijn vader doodde, maar niet in staat daar te
+landen, Maeldun en zijn gezelschap in volle zee worden gedreven,
+en een groot aantal eilanden bezoeken, waarop zij vele vreemde
+avonturen hebben. Feitelijk wordt het verhaal een _cento_ (reeks)
+van vertellingen en gebeurtenissen, sommige niet zeer belangwekkend,
+terwijl in andere, zooals het avontuur van het Eiland met den Zilveren
+Pijler, of het Eiland met den Brandenden Muur, of dat waarin de episode
+van den arend plaats heeft, het Keltische gevoel voor schoonheid,
+fantasie en mysterie op een in de literatuur misschien onovertroffen
+wijze tot uitdrukking komt.
+
+In de hier volgende bewerking heb ik de verzen, die Joyce aan
+het slot van elk avontuur geeft, weggelaten. Zij recapituleeren
+slechts het proza-verhaal en worden niet gevonden bij de oudste
+handschrift-autoriteiten.
+
+
+
+Het eiland van den moordenaar.
+
+
+Maeldun en zijn bemanning hadden den ganschen dag en den halven
+nacht geroeid, toen zij twee kleine naakte eilanden bereikten, met
+twee forten er op; men hoorde gewapende mannen twisten. "Blijf op
+een afstand van mij", riep een hunner, "want ik ben meer dan gij. Ik
+was het die Ailill van den Rand van den Slag doodde en de kerk van
+Doocloone boven zijn graf verbrandde en geen bloedverwant heeft zijn
+dood op mij gewroken. En gij hebt nooit zoo iets gedaan".
+
+Toen was Maeldun op het punt te landen en German [191] en Diuran
+de Rijmer riepen dat God hen geleid had naar de plaats waar zij
+wezen wilden. Maar eensklaps stak een sterke wind op en joeg hen
+den onmetelijken oceaan op en Maeldun zeide tot zijn pleegbroeders:
+"Dit is uw schuld, omdat gij aan boord kwaamt ondanks de woorden van
+den Druïde". En zij konden geen antwoord geven, dan alleen door een
+poosje te zwijgen.
+
+
+
+Het eiland met de mieren.
+
+
+Zij dreven drie dagen en drie nachten, niet wetend waarheen te roeien,
+toen zij, bij het aanbreken van den derden dag het gedruisch van
+brekers hoorden en zoodra de zon was opgegaan bereikten zij een
+eiland. Hier, voor dat zij konden landen, ontmoetten zij een zwerm
+van roofgierige mieren, elk ter grootte van een veulen, die van het
+strand en in zee kwamen om hen te bereiken; zij maakten zich dus
+spoedig uit de voeten en zagen in drie dagen geen land.
+
+
+
+Het eiland met de groote vogels.
+
+
+Dit was een terrasvormig eiland, geheel door boomen omgeven en met
+groote vogels in de boomen. Maeldun landde eerst alleen en doorzocht
+het eiland met zorg, zonder iets kwaads te vinden; de overigen volgden
+toen en doodden en aten vele van de vogels, terwijl zij andere op
+hun boot meenamen.
+
+
+
+Het eiland met het woeste beest.
+
+
+Dit was een groot zandig eiland, er was een beest op als een paard,
+maar met pooten als die van een hond. Het vloog op hen aan om hen te
+verslinden, maar zij gingen tijdig heen en werden door het beest met
+steenen van het strand geworpen toen zij weg roeiden.
+
+
+
+Het eiland met de reuzenpaarden.
+
+
+Een groot vlak eiland; het lot bepaalde dat German en Diuran dat het
+eerst zouden onderzoeken. Zij vonden een groote groene renbaan, waarop
+de afdrukken waren van paardenhoeven, elk zoo groot als het zeil van
+een schip, en er lagen basten van noten van reusachtige afmetingen en
+veel buit. Bevreesd scheepten zij zich weer ijlings in en van uit zee
+zagen zij een wedren aan den gang en hoorden zij een groote menigte
+schreeuwen, het witte of het bruine paard toejuichend, en zij zagen de
+reuzenpaarden loopen, vlugger dan de wind. [192] Zij roeiden weg zoo
+snel zij konden, meenend dat zij een verzameling demonen hadden gezien.
+
+
+
+Het eiland met de steenen deur.
+
+
+Een volle week ging voorbij en toen ontdekten zij een groot hoog
+eiland met een huis op het strand. Een deur met een steenen vleugel
+leidde naar de zee en de golven wierpen onophoudelijk zalmen er door
+heen in het huis. Maeldun en zijn troep gingen binnen en vonden geen
+menschen in het huis; maar een groot bed lag gereed voor het hoofd
+aan wien het behoorde en een bed voor telkens drie van zijn mannen,
+en spijs en drank naast elk bed. Maldun en zijn troep aten en dronken
+hun bekomst en vertrokken toen weer.
+
+
+
+Het eiland met de appelen.
+
+
+Toen zij daar waren gekomen, hadden zij geruimen tijd gereisd,
+en voedsel had hun ontbroken en zij waren hongerig. Dit eiland had
+steile kanten, waarvan bosschen afhingen; in het voorbijgaan langs de
+rotsen brak Maeldun een tak af en hield die in de hand. Drie dagen
+en nachten zeilden zij langs de rotsen en vonden geen toegang tot
+het eiland, maar tegen dien tijd waren drie appels gegroeid aan het
+uiteinde van Maeldun's tak en aan elken appel had de bemanning voor
+veertig dagen genoeg.
+
+
+
+Het eiland met het wonderbeest.
+
+
+Dit eiland had een steenen omheining; daarbinnen rende een geweldig
+groot dier voortdurend om het eiland heen. En nu en dan ging het naar
+den top van het eiland en verrichtte dan een wonderbaarlijk feit: het
+draaide zijn lijf voortdurend om in zijn huid, die onbeweeglijk bleef,
+soms daarentegen draaide het de huid altijd door om het lijf. Toen het
+de mannen zag, snelde het op hen af, maar zij ontkwamen, al wegroeiend
+met steenen geworpen. Een van de steenen drong door Maeldun's schild
+en bleef zitten in de kiel van de boot.
+
+
+
+Het eiland met de bijtende paarden.
+
+
+Hier waren vele groote beesten op paarden gelijkend, die voortdurend
+stukken vleesch uit elkanders lijf scheurden, zoodat het eiland vol
+bloed lag. Zij roeiden ijlings weg, en zij waren nu ontmoedigd en
+treurig, want zij wisten niet waar zij zich bevonden, of hoe zij den
+weg en hulp zouden vinden.
+
+
+
+Het eiland met de gloeiende zwijnen.
+
+
+Zeer moede, hongerig en dorstig kwamen zij aan het tiende eiland,
+dat vol boomen was beladen met gouden appels. Onder de boomen liepen
+roode beesten, als gloeiende zwijnen, die met hun pooten tegen
+de boomen schopten; dan vielen de appels en de beesten verslonden
+die. De beesten kwamen alleen 's morgens te voorschijn, als een aantal
+vogels het eiland verlieten, en zwommen in zee tot het negende uur,
+keerden dan om en zwommen terug tot zonsondergang en aten de appels
+den geheelen nacht door.
+
+Maeldun en zijn gezellen landden 's nachts en voelden den bodem
+heet onder hun voeten van de gloeiende zwijnen in hun ondergrondsche
+holen. Zij verzamelden zooveel appels als zij maar konden, die goed
+waren zoowel voor den honger als voor den dorst, laadden die in hun
+boot en kozen opnieuw, verfrischt, zee.
+
+
+
+Het eiland met de kleine kat.
+
+
+De appels waren op toen zij hongerig en dorstig het elfde eiland
+bereikten. Dit was, als het ware, een hooge witte toren van kalk, die
+tot de wolken reikte, en op den wal er om heen stonden groote huizen
+wit als sneeuw. Zij traden het grootste er van binnen en vonden er geen
+mensch, maar een kleine kat spelend op steenen pilaren, die midden in
+het huis waren; zij sprong van den een naar den ander. Zij keek een
+beetje naar de Iersche krijgers, maar hield niet op met haar spel. Aan
+de wanden van het huis hingen drie rijen voorwerpen: een rij gouden
+en zilveren borstspelden en een van gouden en zilveren halskettingen,
+elk zoo dik als de hoepel van een vat, en een van groote zwaarden met
+gouden en zilveren gevesten. Dekens en schitterende gewaden lagen
+in het vertrek, en er was ook een gebraden os en een zijde spek en
+overvloed van drank. "Is dit voor ons achtergelaten?", zeide Maeldun
+tot de kat. Zij keek hem een oogenblik aan en zette toen haar spel
+voort. Toen aten en dronken zij en sliepen en bergden op wat er van
+het voedsel overbleef. Den volgenden dag, toen zij zich opmaakten om
+het huis te verlaten, nam de jongste van Maeldun's pleegbroeders een
+ketting van den wand en hij wilde die meenemen toen de kat eensklaps
+"als een vurige pijl door hem heen sprong" en hij viel als een hoop
+asch op den grond. Daarop bracht Maeldun, die den diefstal van het
+kleinood had verboden, de kat tot bedaren en hing de ketting weer op,
+en zij strooiden de asch van den dooden jongeling op het strand en
+gingen weer op zee.
+
+
+
+Het eiland met de zwarte en witte schapen.
+
+
+Dit werd door een metalen staketsel in tweeën verdeeld: aan den
+eenen kant was een kudde zwarte, aan den anderen kant een kudde
+witte schapen. Tusschen beiden was een groote man die beide kudden
+verzorgde en soms bracht hij een wit schaap onder de zwarte, in welk
+geval het onmiddellijk zwart werd, of een zwart schaap onder de witte,
+dat dan dadelijk wit werd. [193] Bij wijze van proef wierp Maeldun
+een geschilden witten stok aan den kant der zwarte schapen. Hij werd
+dadelijk zwart, waarop zij verschrikt de plaats verlieten, zonder
+te landen.
+
+
+
+Het eiland met het reuzenvee.
+
+
+Een groot en uitgestrekt eiland met een kudde groote zwijnen. Zij
+doodden een klein varken en braadden het ter plaatse, omdat het te
+groot was om aan boord te nemen. Het eiland verhief zich tot een
+zeer hoogen berg en Druan en German gingen van den top er van het
+land bekijken. Op weg daarheen vonden zij een breede rivier. Om de
+diepte van het water te peilen dompelde German het handvat van zijn
+speer er in, dat dadelijk als door vloeibaar vuur werd verteerd. Aan
+den anderen oever was een groote man die een kudde bewaakte van wat
+ossen leken te zijn. Hij riep hun toe de kalveren niet te storen,
+zij gingen dus niet verder en zeilden snel weg.
+
+
+
+Het eiland met den molen.
+
+
+Hier vonden zij een groote, somber uitziende molen, waarin een
+reusachtige molenaar koren maalde. "De helft van het graan van uw
+land," zeide hij, "wordt hier gemalen. Hier komt om te worden vermalen
+al wat de menschen elkander niet gunnen". Zwaar en talrijk waren de
+ladingen die zij er heen zagen gaan en al wat in den molen was gemalen
+werd naar het westen weggevoerd. Zij kruisten zich en vertrokken.
+
+
+
+Het eiland met de zwarte rouwdragers.
+
+
+Een eiland vol zwarte menschen die voortdurend schreiden
+en jammerden. Een van de twee nog overgebleven pleegbroeders van
+Maeldun landde er, werd onmiddellijk zwart en begon te schreien als de
+overigen. Twee anderen gingen hem halen; hun trof hetzelfde lot. Toen
+gingen weer anderen, de hoofden met doeken omwonden, opdat zij het
+land niet zouden zien en de lucht niet inademen, en zij grepen de twee
+vermisten en voerden die met geweld mee, maar niet den pleegbroeder. De
+twee geredden konden hun gedrag alleen verklaren door te zeggen dat
+zij moesten doen, zooals zij anderen om zich heen zagen doen.
+
+
+
+Het eiland met de vier heggen.
+
+
+Vier heggen van goud, zilver, koper en kristal verdeelden dat eiland in
+vier deelen: in het eene waren koningen, in het andere koninginnen,
+in het derde krijgslieden, in het vierde jonge maagden. Toen zij
+landden gaf een maagd hun voedsel, dat op kaas geleek en dat ieder
+man smaakte zooals hij dat wenschte, en een bedwelmenden drank, die
+hen drie dagen in slaap bracht. Toen zij ontwaakten waren zij op hun
+boot in zee, en van het eiland en zijn bewoners was niets te zien.
+
+
+
+Het eiland met de glazen brug.
+
+
+Hier komen wij tot een van de uitvoerigst beschreven en
+schilderachtigste van al de reisgebeurtenissen. Op het eiland dat zij
+nu bereikten was een sterkte met een metalen deur en een glazen brug
+leidde er heen. Toen zij over de brug wilden gaan, wierp deze hen
+terug. [194] Een vrouw kwam uit de sterkte met een emmer in de hand,
+zij lichtte een glazen plaat van de brug, liet haar emmer neer in
+het water er onder en keerde naar de sterkte terug. Zij sloegen op
+den metalen slagboom voor hen om toegang te krijgen, maar het geluid
+door het metaal voortgebracht deed hen tot den volgenden morgen in
+slaap vallen. Dit herhaalde zich driemaal en de vrouw hield telkens
+een ironische toespraak over Maeldun. Den vierden dag echter kwam
+zij hun tegemoet over de brug, met een witten mantel om, een gouden
+band om het haar, zilveren sandalen aan de rose voeten en een hemd
+van zeer dunne zijde op het lijf.
+
+"Ik heet u welkom, o Maeldun," zeide zij en zij verwelkomde elk
+van de bemanning bij zijn eigen naam. Toen nam ze hen mede naar het
+groote huis, wees den hoofdman een bed aan, en verder een bed voor
+telkens drie man. Zij gaf hun overvloed van spijs en drank, alles
+uit haar eenen emmer, en elk man vond daarin wat hij begeerde. Toen
+zij was heengegaan, vroegen zij Maeldun of zij de maagd voor hem
+zouden trachten te winnen. "Hoe zou het u kwaad kunnen met haar
+te spreken?" zeide Maeldun. Zij doen aldus en zij antwoordt: "Ik
+weet niet, en heb ook nooit geweten wat zonde is." Dit herhaalt
+zij tweemaal. "Morgen," zegt zij ten slotte, "zult gij antwoord
+hebben." Maar als de morgen komt, bevinden zij zich wederom op zee
+zonder een spoor van eiland, of sterkte, of vrouw.
+
+
+
+Het eiland met de schreeuwende vogels.
+
+
+Zij hooren van verre groot geschreeuw en zingen, als van psalmen,
+en na een dag en nacht roeien komen zij eindelijk aan een eiland,
+vol met zwarte, bruine en gespikkelde vogels, die alle schreeuwen en
+praten. Zij zeilen weg zonder te landen.
+
+
+
+Het eiland van den kluizenaar.
+
+
+Hier vonden zij een boschrijk eiland vol met vogels, en er was slechts
+éen man, die geen andere bekleeding had dan zijn haar. Zij vroegen hem
+naar zijn land en afkomst. Hij antwoordde dat hij uit Ierland afkomstig
+was en zee gekozen had [195] met een zode van zijn geboorteland
+onder zijn voeten. God had de zode in een eiland veranderd, er elk
+jaar een voet breedte en een boom aan toevoegend. De vogels waren
+al zijn familie en zij blijven daar allen tot den dag des oordeels,
+door engelen wonderbaarlijk gevoed. Hij onthaalde hen drie nachten,
+toen zeilden zij weg.
+
+
+
+Het eiland met de wonderfontein.
+
+
+Dit eiland heeft een gouden wal en een zachten witten grond, dons
+gelijk. Zij vonden daar weer een kluizenaar, alleen in zijn haar
+gekleed. Er was een fontein, die Vrijdag en Woensdag wei of water,
+Zondag en op verjaardagen van martelaren melk, op verjaardagen van
+de Apostelen, Maria en Johannes den Dooper en op de dagen van hoog
+water ale en wijn geeft.
+
+
+
+Het eiland met de smidse.
+
+
+Toen zij dit naderden, hoorden zij uit de verte als het ware het
+geraas van een geweldige smidse en hoorden zij menschen over hen
+zelf spreken. "Het schijnen kleine jongens", zeide een, "ginds, in
+een kleine trog". Zij roeiden haastig weg, maar wendden de boot niet,
+om niet den schijn op zich te laden van te vluchten; maar een poosje
+daarna kwam een reusachtige smid uit de smederij, die in zijn tang
+een groot blok gloeiend ijzer hield, dat hij hun achterna wierp,
+en de geheele zee er om heen kookte, toen het achter hun boot viel.
+
+
+
+De zee van zuiver glas.
+
+
+Hierop roeiden zij totdat zij op een zee kwamen, die op groen glas
+geleek. Zoo zuiver was het dat de steenen en het zand der zee duidelijk
+er door heen zichtbaar waren; en zij zagen geen monsters of beesten
+bij de klippen, maar alleen de schoone kiezels en het groene zand. Zij
+voeren een groot deel van den dag op die zee en groot was haar glans
+en haar schoonheid.
+
+
+
+Het eiland onder de zee. [196]
+
+
+Daarna bevonden zij zich op een zee, dun als mist, die hun boot niet
+scheen te kunnen dragen. Zij zagen in de diepten vestingen met daken,
+en een mooi land er om heen. Een monsterachtig beest huisde daar in
+een boom met kudden vee er om en er onder een gewapend krijgsman. Ten
+spijt van den krijgsman strekte het beest nu en dan zijn langen nek
+omlaag, greep een van de kudde en verslond het. Zeer bevreesd door
+deze zee te zinken zeilden zij er over heen weg.
+
+
+
+Het eiland der voorspelling.
+
+
+Toen zij daar aankwamen vonden zij het water tot hooge rotsen er
+om heen en toen zij omlaag keken zagen zij een menigte menschen op
+het eiland, die tegen hen schreeuwden: "Zij zijn het, zij zijn het",
+totdat zij buiten adem waren. Toen kwam een vrouw die hen van beneden
+met groote noten wierp, die zij verzamelden en meenamen. Toen zij
+vertrokken hoorden zij de menschen elkander toeschreeuwen: "Waar zijn
+ze nu?" "Zij zijn heengegaan." "Dat is niet waar." "Vermoedelijk", zegt
+het verhaal, "was er iemand van wien de eilandbewoners een voorspelling
+hadden dat hij hun land zou verwoesten en hen er uit verjagen."
+
+
+
+Het eiland met het spuitend water.
+
+
+Hier spoot een groote stroom uit den eenen kant van het eiland en
+welfde er over heen als een regenboog, op het strand aan den anderen
+kant neerstortend. En toen zij hun speren staken in den stroom
+boven hen, haalden zij zooveel zalmen er uit als zij maar wilden en
+het eiland was vol van den stank van de zalmen die zij niet konden
+meenemen.
+
+
+
+Het eiland met de zilveren zuil.
+
+
+Het volgende wonder dat zij ontmoetten vormt een van de merkwaardigste
+en meest fantastische episoden van de reis. Het was een groote
+viervlakkige zilveren zuil, uit de zee oprijzend. Elk van de vier
+kanten was zoo breed als twee roeislagen van de boot. Er was geen zode
+aarde aan den voet, de kolom rees uit den onmetelijken oceaan op en
+de top ging schuil in de lucht. Van dien top af werd een groot zilver
+net ver weg in zee geworpen en door een maas van dat net zeilden
+zij heen. Toen zij dat deden hakte Diuran een stuk van het net
+af. "Verniel het niet," zeide Maeldun, "want hetgeen we zien is het
+werk van machtige mannen." Diuran zeide: "Ik doe dit ter eere van God's
+naam, opdat ons verhaal geloof vinde, en als ik weer in Ierland kom,
+zal ik dit stuk zilver op het hooge altaar van Armagh offeren." Het
+woog twee-en-een-half ons toen het later in Armagh werd gewogen.
+
+"En toen hoorden zij een stem van den top van gindsche zuil, machtig,
+helder en duidelijk. Maar zij kenden de taal niet die zij sprak,
+of de woorden die zij uitbracht."
+
+
+
+Het eiland met het voetstuk.
+
+
+Het volgend eiland stond op een voet of voetstuk, dat uit de zee
+oprees, en zij konden geen toegang er toe vinden. In het onderste
+gedeelte van het voetstuk was een deur, die dicht en gesloten was,
+die zij niet konden open krijgen; en zij zeilden weg zonder iemand
+te hebben gezien en gesproken.
+
+
+
+
+Het eiland van de vrouwen.
+
+
+Hier vonden zij den wal van een geweldige burcht, waarin een woning
+stond. Zij landden om er naar te kijken en zetten zich op een heuveltje
+in de nabijheid. Binnen de burcht zagen zij zeventien meisjes bezig
+een groot bad gereed te maken. Weldra daarna kwam een rijk gekleed
+ruiter op een renpaard aanzetten, hij steeg af en ging naar binnen,
+terwijl een van de meisjes voor het paard zorgde. Toen ging de ruiter
+in het bad en zij zagen dat het een vrouw was. Kort daarop kwam een
+der meisjes naar buiten en noodigde hen binnen te komen, zeggend:
+"De Koningin noodigt u." Ze gingen de burcht binnen en baadden en
+zetten zich aan tafel, elke man met een meisje tegenover zich en
+Maeldun tegenover de koningin. En Maeldun trouwde met de koningin en
+elk der meisjes met een zijner mannen, en toen het nacht werd kreeg
+elk een kamer met een baldakijn. Den volgenden morgen maakten zij
+zich gereed tot de afreis, maar de koningin wilde niet dat zij zouden
+vertrekken en zeide: "Blijft hier, dan zult gij nooit door ouderdom
+worden bezocht, maar ten eeuwigen dage blijven zooals gij nu zijt en
+wat ge den vorigen nacht hadt, zult ge altijd hebben. En niet langer
+van het eene eiland naar het andere zwerven op den oceaan."
+
+Zij vertelde toen aan Maeldun, dat zij de moeder was van de zeventien
+meisjes die zij gezien hadden en haar gemaal was koning van het eiland
+geweest. Hij was nu dood en zij regeerde in zijn plaats. Elken dag
+ging zij naar de groote vlakte in het binnenland van het eiland om
+recht te spreken en zij keerde dan 's avonds naar de burcht terug.
+
+Zoo bleven zij daar drie wintermaanden, maar toen die om waren leek
+het hun dat het drie jaren waren geweest en de mannen kregen er genoeg
+van en verlangden naar hun eigen land te vertrekken.
+
+"Wat zullen wij daar vinden, dat beter is dan dit?" zeide Maeldun.
+
+Maar de mannen bleven morren en klagen en ten slotte zeiden zij:
+"Groot is de liefde van Maeldun voor deze vrouw. Laat hij alleen
+achterblijven als hij dat wil, maar wij willen gaan naar ons eigen
+land." Maeldun echter wilde niet achtergelaten worden en op zekeren
+dag toen de koningin weg was om recht te spreken scheepten zij zich
+in en voeren weg. Zij waren echter nog niet ver toen de koningin
+kwam aanrijden met een kluwen touw in de hand, dat zij hun achterna
+wierp. Maeldun ving het op en het bleef zich aan zijn hand hechten,
+zoodat hij zich niet los kon maken en de koningin, die het andere einde
+van het kluwen vasthield, trok hen terug aan land. En zij bleven nog
+drie maanden op het eiland.
+
+Nog tweemaal gebeurde hetzelfde en ten slotte beweerden de mannen dat
+Maeldun met opzet het kluwen vasthield, zoo groot was zijn liefde voor
+de vrouw. Den volgenden keer ving dan ook een ander man het kluwen op,
+maar het bleef zich als te voren (bij Maeldun) aan zijn hand hechten;
+Diuran kapte daarop de hand af, die met het kluwen in zee viel. "Toen
+zij dat zag begon zij te jammeren en te schreeuwen, zoodat men over
+het geheele land niets hoorde dan gejammer en geschreeuw". En aldus
+ontkwamen zij uit het eiland van de vrouwen.
+
+
+
+Het eiland met de roode bessen.
+
+
+Op dit eiland waren boomen met groote roode bessen, die een
+dronkenmakend en slaapwekkend sap gaven. Zij vermengden het met
+water om de werking ervan te verzwakken, vulden hun vaten er mee en
+zeilden weg.
+
+
+
+Het eiland met den arend.
+
+
+Een groot eiland, met bosschen van eiken en taxis aan den eenen kant,
+en aan den anderen een vlakte, waarop kudden schapen, en een klein
+meer er in; en zij vonden daar ook een kleine kerk en een fort en
+een ouden grijzen geestelijke, alleen door zijn haar gedekt. Maeldun
+vroeg hem wie hij was.
+
+"Ik ben de vijftiende van de monniken van St. Brennan van Birr",
+zeide hij. "Wij gingen onzen pelgrimstocht op zee maken en zij
+stierven allen, behalve ik". Hij liet hun het tafeltje (? kalender)
+van den Heiligen Brennan zien en zij knielden er voor en Maeldun kuste
+het. Zij bleven daar een seizoen, levende van de schapen op het eiland.
+
+Eens zagen zij uit het zuidwesten iets opdagen wat een wolk scheen te
+zijn. Toen het nader kwam echter, zagen zij het wuiven van wieken en
+merkten zij dat het een reusachtige vogel was. Hij kwam op het eiland
+en zeer moede neerstrijkend op een heuvel bij het meer begon hij de
+roode bessen te eten, druiven gelijk, die groeiden op een boomtak,
+zoo groot als een volwassen eik, die hij had meegebracht, en het
+sap en stukken van de bessen vielen in het meer, al het water rood
+kleurend. Vreezend dat hij hen met zijn klauwen zou grijpen en hen
+naar zee dragen, verscholen zij zich in de bosschen en hielden zij
+den vogel in het oog. Na een poosje evenwel ging Maeldun naar den voet
+van den heuvel, maar de vogel deed hem geen kwaad en toen volgden de
+anderen behoedzaam achter hun schilden en een hunner plukte bessen
+van den tak dien de vogel in zijn klauwen hield, maar hij deed hem
+geen kwaad en keek heelemaal niet naar hem. En zij zagen dat hij heel
+oud was en zijn pluimage dof en vergaan.
+
+Des middags kwamen twee arenden uit het zuidwesten en streken neer
+voor den grooten vogel en na een poos te hebben uitgerust begonnen zij
+de insecten weg te pikken, waarvan het op zijn kaken, oogen en ooren
+wemelde. Zij gingen daarmee voort tot 's avonds, toen aten alle drie
+nu van de bessen. Den volgenden dag, toen het groote beest geheel was
+gereinigd, sprong het in het meer en begonnen de twee arenden hem weer
+te pikken en te reinigen. Tot den derden dag bleef de groote vogel
+zijn veeren gladstrijken en zijn vleugels schudden en zijn veeren
+werden glanzig en dik, en toen, zich hoog in de lucht verheffend,
+vloog het driemaal het eiland rond en terug naar het verblijf vanwaar
+hij was gekomen, en zijn vlucht was nu vlug en krachtig; zoodat het
+hun duidelijk werd dat dit was geweest zijn vernieuwing van ouderdom
+tot jeugd, overeenkomstig de woorden van den profeet: _Uw jeugd is
+vernieuwd als die van den adelaar._ [197]
+
+Toen zeide Diuran: "Laat ons in dit meer baden en ons verjongen waar
+de vogel verjongd werd." "Neen," zeide een der anderen, "want de vogel
+heeft zijn venijn daarin achter gelaten". Maar Diuran sprong er in en
+dronk van het water. Van dat oogenblik af, bleven zijn oogen zoolang
+hij leefde sterk en helder, geen tand viel uit zijn kaak, geen haar
+van zijn hoofd en hij wist nooit wat ziekte of gebrekkigheid was.
+
+Hierop namen zij afscheid van den kluizenaar en begaven zij zich
+andermaal op zee.
+
+
+
+Het eiland met de lachende menschen.
+
+
+Hier zagen zij een groot aantal mannen die aanhoudend lachten
+en speelden. Zij lootten met elkaar wie zou landen en het eiland
+onderzoeken en het lot viel op Maeldun's pleegbroeder. Maar toen
+hij den voet er op zette, begon hij met de anderen te lachen en te
+spelen en hij kon niet ophouden en wilde ook niet teruggaan tot zijn
+makkers. Zij lieten hem dus achter en gingen heen. [198]
+
+
+
+Het eiland met den wal van vlammen.
+
+
+Zij kwamen nu in het gezicht van een eiland dat niet groot was en het
+had een wal van vlammen die voortdurend een kring er om vormden. Er
+was een opening in een deel van den wal en wanneer zij die opening
+tegenover zich kregen, zagen zij het geheele eiland er door heen
+en zij zagen de bewoners, mannen en vrouwen, vele en schoone, die
+versierde gewaden droegen, met gouden vaten in de handen. En de
+feestmuziek die zij maakten drong tot de ooren der reizigers. Zij
+vertoefden daar geruimen tijd, sloegen dit wonder gade, "en zij vonden
+het verrukkelijk te aanschouwen."
+
+
+
+Het eiland van den monnik van Tory.
+
+
+In de verte tusschen de golven zagen zij wat zij voor een witten
+vogel op het water hielden. Naderbij komend merkten zij dat het een
+oud man was, met zijn grijs haar tot eenige bedekking; hij knielde
+telkens ootmoedig op een breede rots.
+
+"Van Torach [199] ben ik hier gekomen", zeide hij, "en het is daar
+dat ik werd grootgebracht. Ik was daar kok in het klooster en ik
+placht het voedsel van de kerk voor mijzelf te verkoopen, zoodat ik
+ten slotte groote schatten had aan kleeding en koperen vaten en goed
+gebonden boeken en al wat de mensch begeert. Groot was mijn trots en
+mijn aanmatiging.
+
+"Eens toen ik een graf dolf om een lijfeigene te begraven die op het
+eiland was gebracht, klonk een stem van beneden, waar een heilig man
+begraven lag, die sprak: "Leg niet het lijk van een zondaar op mij,
+een heilig vroom persoon!"
+
+Na een woordenwisseling begroef de monnik het lijk ergens anders
+en hem werd een eeuwigdurende belooning daarvoor beloofd. Niet lang
+daarna ging hij op zee met een boot, waarin al zijn schatten waren
+bijeengebracht, vermoedelijk met het plan met zijn buit van het eiland
+te vluchten. Een sterke wind dreef hem ver in zee en toen hij geen land
+meer zag, hield de boot op een zekere plaats stil. Hij zag dicht bij
+zich een man (engel) op een golf zitten. "Waar gaat ge heen?" zeide
+de man. "Op een prettige reis, ik kijk nu uit", zeide de monnik. "Ge
+zoudt het niet prettig vinden, als ge wist wat om u heen is", zeide de
+man. "Zoover als ge zien kunt zijt ge door een troep demonen omringd,
+wegens uw hebzucht en trots, en diefstal en andere slechte daden. Uw
+boot heeft stil gehouden en zal ook niet verdergaan tenzij gij mij
+gehoorzaamt, en de vlammen van de hel zullen u bereiken."
+
+Hij naderde de boot en legde zijn hand op den arm van den vluchteling,
+die beloofde hem te gehoorzamen.
+
+"Werp in zee", sprak hij, "al de schatten die in uw boot zijn."
+
+"Het is jammer," zeide de monnik, "dat zij verloren zouden gaan."
+
+"Zij zullen volstrekt niet verloren gaan. Er zal iemand zijn, dien
+ge daarmee zult helpen."
+
+Daarop wierp de monnik alles in zee, op een kleinen houten beker
+na, en hij smeet riemen en roer weg. De man gaf hem een voorraad
+wei en zeven koeken en gelastte hem te blijven daar waar zijn boot
+zou stil houden. De wind en de golven dreven hem hier en daar, tot
+dat ten slotte de boot tot rust kwam op de rots waar de zwervers
+hem vonden. Er was daar niets dan de kale rots, maar gedachtig aan
+hetgeen hem was gelast, stapte hij op een smallen uitstekenden rand,
+die door de golven werd omspoeld, en de boot verliet hem onmiddellijk
+en de rots werd breeder voor hem. Daar bleef hij zeven jaren, gevoed
+door otters die hem zalm brachten uit de zee en zelfs brandend hout om
+ze te koken en zijn beker werd dagelijks met goeden drank gevuld. "En
+geen vocht, of hitte, of koude deert mij op deze plaats."
+
+Op het middaguur werd wonderbaarlijk voedsel voor de geheele bemanning
+gebracht, en toen zeide de oude tot hen:
+
+"Ge zult allen uw land bereiken, en de man die uw vader doodde, o
+Maeldun, ge zult hem vinden in een burcht voor u. En dood hem niet,
+maar vergeef hem; omdat God u van vele groote gevaren heeft gered,
+en ook gij mannen zijt die den dood verdient."
+
+Toen zeiden zij hem vaarwel en gingen hun gewonen weg.
+
+
+
+Het eiland met den valk.
+
+
+Dit is niet bewoond en er zijn alleen kudden schapen en ossen. Zij
+landen daar en eten hun bekomst, en een van hen ziet een grooten
+valk. "Deze valk," zegt hij, "gelijkt op de valken van Ierland." "Houd
+hem in het oog," zegt Maeldun, "en zie hoe hij van ons gaat." Hij
+vloog naar het zuidoosten en zij roeiden hem den geheelen dag na
+totdat het avond werd.
+
+
+
+De thuiskomst.
+
+
+Toen het nacht werd kregen zij een land in het gezicht als Ierland;
+en weldra bereikten zij een klein eiland, waar zij met hun prauw
+strandden. Het was het eiland waar de man woonde die Ailill had gedood.
+
+Zij gingen naar de burcht op het eiland en hoorden daar binnen mannen
+met elkander praten, terwijl zij aan den maaltijd zaten. Een man zeide:
+
+"Het zou ons slecht bekomen, als we nu Maeldun ontmoetten."
+
+"Die Maeldun is verdronken," zeide een ander.
+
+"Misschien is hij het die u van nacht uit den slaap zal wekken,"
+zeide een derde.
+
+"Wat zouden wij doen, als hij nu kwam?" zeide een vierde.
+
+"Dat is niet moeilijk te beantwoorden," zeide hun hoofd. "Hartelijk
+zou hij worden verwelkomd als hij kwam, want hij heeft langen tijd
+in groote moeilijkheden verkeerd."
+
+Toen sloeg Maeldun met den houten klopper op de deur. "Wie is
+daar?" vroeg de deurwachter.
+
+"Maeldun is hier," zeide hij.
+
+Zij traden in vrede het huis binnen en hartelijk werden zij verwelkomd
+en zij werden in nieuwe gewaden gedost. En toen deden zij het verhaal
+van al de wonderen, die God hun had laten zien, overeenkomstig de
+woorden van den "heiligen dichter," die zeide, _Haec olim meminisse
+juvabit_ [200].
+
+Toen ging Maeldun naar zijn eigen huis en familie en Diuran de Rijmer
+nam het stuk zilver mee, dat hij had gehakt uit het net van de zuil
+en legde het neer op het hoog altaar van Armagh in triumf en gejuich
+over de wonderen die God aan hen had verricht. En zij vertelden nog
+eens de geschiedenis van al hun wedervaren, al de wonderen die zij
+hadden gezien te land en te zee, en de gevaren die zij hadden geloopen.
+
+Het verhaal eindigt met de volgende woorden:
+
+"Aed de Blonde (Aed Finn [201]), de voornaamste wijze van Ierland,
+bewerkte dit verhaal zooals het hier geschreven staat; en hij deed
+aldus tot genot voor den geest, en voor de menschen in Ierland na hem."
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VIII: MYTHEN EN VERHALEN VAN DE KIMBREN.
+
+
+
+Barden-philosophie.
+
+
+In het begin van ons derde hoofdstuk werd gewezen op het ontbreken
+van eenige wereld-mythe of wijsgeerige verklaring van den oorsprong
+en de inrichting der dingen in de oudste Keltische literatuur. In
+de Galische [202] letterkunde is, voor zoover ik weet, niets dat
+zelfs kan worden geacht de oudste Keltische denkbeelden over dat
+onderwerp weer te geven. Anders is het met Wales gesteld. Hier
+bestond gedurende geruimen tijd een kern van leering die beoogde
+althans een deel te omvatten van die oude Druïden-denkbeelden, die,
+zooals Caesar ons vertelt, alleen aan de ingewijden werden meegedeeld
+en nooit neergeschreven. Deze leering wordt voornamelijk gevonden in
+twee deelen getiteld "Barddas", een compilatie saamgesteld door een
+bard en geleerde uit Wales, genaamd Llewellyn Sion, van Glamorgan,
+uit materiaal in zijn bezit, omstreeks het einde der zestiende eeuw
+en, met een vertaling, uitgegeven door J. A. Williams ap Ithel
+voor het M.S. Genootschap van Wales. Moderne beoefenaars van het
+Keltisch spreken vol minachting over de pretensies van werken als
+deze, eenige werkelijke antieke gedachten in zich te bergen. Zoo
+schrijft Ivor B. John: "Alle gedachte aan een esoterische barden-leer,
+vóór-Christelijke mythische wijsbegeerte omvattende, moet ten eenenmale
+worden op zij gezet". En verder: "De onzin over het onderwerp gesproken
+is voor een groot deel het gevolg van de oncritische fantasie van
+pseudo-oudheidkenners van de zestiende tot de achttiende eeuw". [203]
+Toch was de Orde der barden zeker te eeniger tijd in het bezit van
+zulk een leer. Die Orde bleef in Wales vrijwel voortdurend bestaan. En
+hoewel geen critisch denker met eenige zekerheid een theorie over
+vóór-Christelijke leer zou bouwen op een document uit de zestiende
+eeuw, lijkt het niet verstandig de mogelijkheid geheel te verwerpen
+dat sommige fragmenten van antieke wetenschap nog zoo laat zouden
+zijn blijven hangen in barden-overlevering.
+
+In elk geval is "Barddas" een werk van groot wijsgeerig belang,
+en zelfs wanneer het niets weergeeft dan een zekere strooming der
+Kimbrische gedachte in de zestiende eeuw, is het de aandacht van den
+beoefenaar van Keltische dingen niet onwaardig. Het beweert ook niet
+zuiver Druïdisch te zijn, want Christelijke personen en episoden uit de
+Christelijke geschiedenis komen er veel in voor. Maar nu en dan treft
+ons een gedachtengang, die, wat dan ook, stellig niet Christelijk is,
+en die getuigt van een zelfstandig wijsgeerig stelsel.
+
+In dit stelsel worden twee primaire wezens aangenomen, God en
+Cytrawl, die respectievelijk vertegenwoordigen het beginsel van
+kracht die tot leven voert, en dat van verwoesting die tot het niet
+leidt. Cythrawl wordt verwezenlijkt in Annwn [204], dat kan worden
+weergegeven met Afgrond, of Chaos. In den beginne was er niets dan
+God en Annwn. Organisch leven begon met het Woord--God sprak zijn
+onuitsprekelijken Naam uit en de "Manred werd gevormd." De "Manred"
+was de allereerste stof van het heelal. Zij wordt voorgesteld als
+een menigte kleine ondeelbare deeltjes--feitelijk atomen--waarvan
+elk een microcosmos is, want in elk is God geheel, terwijl elk
+tegelijkertijd een deel is van God, het Geheel. Al het nu bestaande
+wordt voorgesteld door drie concentrische cirkels. De binnenste,
+waar leven ontspringt uit Annwn, heet "Abred," en is het stadium
+van worsteling en evolutie--de strijd tusschen leven en Cytrawl. De
+volgende is de cirkel van "Gwynfyd," of Reinheid, waarin het leven
+zich openbaart als een reine blijde kracht, die over het booze
+heeft getriumfeerd. De laatste en buitenste cirkel heet "Ceugant," of
+Oneindigheid. Hier ontbreken alle predikaten en deze cirkel, graphisch
+voorgesteld niet door een gesloten lijn, maar door divergeerende
+stralen, is bewoond door God alleen.
+
+Het volgend uittreksel uit "Barddas," waarin de beweerde bardenleering
+in catechismusvorm is weergegeven, kan dienen om den gedachtengang
+van den schrijver te toonen:
+
+"Vr. Waaruit zijt gij voortgekomen?
+
+"Antw. Ik kwam uit de Groote Wereld en begon bij Annwn.
+
+"Vr. Waar zijt ge nu en hoe kwaamt ge waar ge nu zijt?
+
+"Antw. Ik ben in de Kleine Wereld, waar ik kwam na door den cirkel
+van Abred te zijn gegaan, en nu ik een Mensch ben, aan het einde en
+de uiterste grenzen er van.
+
+"Vr. Wat waart ge voor dat ge een Mensch werdt, in den cirkel van
+Abred?
+
+"Antw. Ik was in Annwn het minst mogelijke dat vatbaar is om te leven,
+en het dichtst mogelijke bij volstrekten dood; en ik kwam in elken
+vorm en door elken vorm, passend bij een lichaam en leven tot den
+menschelijken staat langs den cirkel van Abred, waar mijn toestand
+moeilijk en treurig was gedurende de eeuw der eeuwen, van het oogenblik
+af dat ik in Annwn van de dooden werd gescheiden, door de genade Gods,
+en Zijn groote edelmoedigheid en Zijn onbeperkte en eindelooze liefde.
+
+"Vr. Door hoeveel verschillende vormen gingt ge en wat overkwam u?
+
+"Antw. Door elken vorm die levensvatbaar is, in het water, in den
+grond, in de lucht. En ik onderging alle moeilijkheid, alle ontbering,
+alle kwaad en alle lijden, en slechts luttel was de goedheid of
+Gwynfyd, voordat ik een mensch werd.... Gwynfyd kan niet worden
+bereikt zonder alles te zien en te weten, maar het is niet mogelijk
+alles te zien of te weten zonder alles te lijden.... En er kan geen
+volkomen en volmaakte liefde zijn die niet die dingen voortbrengt,
+noodig om te leiden tot de kennis die tot Gwynfyd leidt."
+
+Elk wezen, zoo heet het, zal ten slotte den cirkel van Gwynfyd bereiken
+[205].
+
+
+
+Er is veel hierin dat ons doet denken aan Gnostische of Oostersche
+ideeën. Stellig verschilt het sterk van de Christelijke orthodoxie der
+zestiende eeuw. Als een product van den Kimbrischen geest van dien
+tijd kan de lezer het nemen voor hetgeen het waard is, zonder zich
+te bekommeren hetzij om oudheidkundige theorieën of de wederleggingen
+daarvan.
+
+Wenden wij ons nu tot het werkelijk oude werk dat niet philosophisch
+is, maar een werk van de verbeelding, door Britsche barden en
+vertellers van de Middeneeuwen voortgebracht. Maar alvorens uiteen
+te zetten wat wij in deze literatuur zullen vinden, moeten wij een
+oogenblik stilstaan bij iets dat we er niet in zullen vinden.
+
+
+
+De Arthur-sage.
+
+
+Bij de meerderheid der moderne lezers, die geen bijzondere studie van
+het onderwerp hebben gemaakt, zal, wanneer sprake is van oude Britsche
+legenden onvermijdelijk de herinnering opkomen aan de heldenfeiten
+van de Arthur-sage; zij zullen denken aan het fabelpaleis te Caerleon
+aan de Usk; aan de Ridders van de Tafelronde die op edele avonturen
+uit gaan; aan het zoeken naar den Graal; aan de zondige liefde van
+Lancelot, bloem der Ridderschap, voor de koningin; aan den laatsten
+grooten slag bij de noordzee; aan de reis van Arthur, zwaar gewond
+maar onsterflijk, naar het mystieke dal van Avalon. Maar feitelijk
+zullen zij in de eigen literatuur van het middeneeuwsche Wales weinig
+of niets van dat alles vinden--geen Tafelronde, geen Lancelot, geen
+zoeken naar den Graal, geen eiland van Avalon, voordat de bewoners
+van Wales daarover uit den vreemde hoorden; en hoewel er inderdaad
+een Arthur was in deze literatuur, verschilt hij ten eenenmale van
+den Arthur in wat wij nu noemen de Arthur-sage.
+
+
+
+Nennius.
+
+
+Het vroegst vinden wij Arthur vermeld in het werk van den
+Britschen geschiedschrijver Nennius, die zijn "Historia Britonum"
+omstreeks het jaar 800 schreef. Hij beroept zich op verschillende
+bronnen--oude monumenten en geschriften van Brittannië en Ierland
+(in verband met het laatste land vermeldt hij de legende van
+Partholan), Romeinsche jaarboeken en kronieken van heiligen, in het
+bijzonder St. Germanus. Hij geeft een fantastisch verromeinschte en
+verchristelijkte voorstelling van de Britsche geschiedenis en laat de
+Britten afstammen van Trojaansche en Romeinsche voorouders. Maar zijn
+verhaal over Arthur is èn sober èn kort. Arthur, die, volgens Nennius,
+in de zesde eeuw leefde, was geen koning; hij was van minder edele
+afkomst dan vele andere Britsche hoofden, die hem echter, om zijn
+groote talenten als militair _imperator_ of _dux bellorum_, tot hun
+leider kozen tegen de Saksers, die hij in twaalf veldslagen versloeg;
+de laatste was die bij den Berg Badon. Arthur's ambt was ongetwijfeld
+een overblijfsel van de Romeinsche krijgsorganisatie en er is geen
+reden aan zijn historisch bestaan te twijfelen, hoe ondoordringbaar
+ook de sluier moge zijn, die nu over zijn dapper en vaak zegevierende
+vechten voor orde en beschaving in die rampzalige eeuw is uitgebreid.
+
+
+
+Geoffrey van Monmouth.
+
+
+Dan hebben we Geoffrey van Monmouth, bisschop van St. Asaph, die zijn
+"Historia Regum Britaniae" in Zuid-Wales schreef, in het begin van de
+twaalfde eeuw. Dit werk is een stoute poging om sobere geschiedenis
+te maken van een massa mythische of legendaire stof, hoofdzakelijk
+geput, zoo men den schrijver gelooven mag, uit een oud boek, door zijn
+oom Walter, aartsdeken van Oxford, uit Brittannië meegebracht. Het
+vermelden van Brittannië in dit verband is, zooals wij zullen zien,
+zeer gewichtig. Geoffrey schreef bepaaldelijk om de daden van Arthur te
+herdenken, die nu optreedt als een koning, zoon van Uther Pendragon en
+van Igerna, de vrouw van Gorlois Hertog van Cornwallis, tot wie Uther
+toegang kreeg in de gedaante van haar echtgenoot door de tooverkunsten
+van Merlin. Hij stelt het begin van Arthur's regeering in het jaar 505,
+verhaalt van zijn oorlogen tegen de Saksers en zegt dat hij ten slotte
+niet alleen geheel Brittannië, maar Ierland, Noorwegen, Gallië en Dacië
+veroverde, en met goed gevolg een eisch van de Romeinen, die schatting
+en hulde vorderden, weerstond. Hij hield zijn hof te Caerleon aan
+de Usk. Terwijl hij op het vasteland was en met Rome strijd voerde,
+maakte zijn neef Modred zich meester van de kroon en huwde zijn
+vrouw Guanhumara. Hierop keerde Arthur terug en na den verrader te
+Winchester te hebben verslagen, doodde hij hem in een laatsten slag
+in Cornwallis, waar Arthur zelf zwaar gewond werd (A.D. 542). De
+koningin trok zich terug in een klooster te Caerleon. Voor zijn dood
+droeg Arthur zijn rijk over op zijn bloedverwant Constantine, en
+werd toen op geheimzinnige wijze weggevoerd naar het "eiland Avalon"
+om te worden genezen, en "de rest is zwijgen." Arthur's tooverzwaard
+"Caliburn" (in de taal van Wales _Caladuwlch_; zie blz. 205, noot)
+wordt door Geoffrey vermeld en beschreven als te zijn gemaakt in
+Avalon, een woord waarmede een soort van tooverland schijnt te zijn
+bedoeld, een Land der Dooden, misschien verwant met het Noorsche
+_Valhall_. Eerst in later tijden werd Avalon aangewezen als te zijn
+een bestaande plaats in Brittannië (Glastonbury). In het verhaal
+van Geoffrey komt niets voor over den Heiligen Graal, of Lancelot,
+of de Tafelronde, en behoudens de toespeling op Avalon ontbreekt het
+mystieke element van de Arthur-sage. Evenals Nennius wijst Geoffrey de
+Britten een fantastischen klassieken oorsprong aan. Zijn zoogenaamde
+geschiedenis is volmaakt waardeloos als een vermelding van feiten,
+maar is een ware mijn gebleken voor dichters en kroniekschrijvers en
+haar komt de eer toe de stof te hebben geleverd voor het vroegste
+Engelsche tragisch drama "Gorboduc" en voor Shakespeare's "King
+Lear"; en de auteur kan worden aangemerkt als de vader--althans
+van den quasi-historischen kant beschouwd--van de Arthur-sage, die
+hij samenstelde gedeeltelijk uit verhalen van den historischen _dux
+bellorum_ van Nennius, gedeeltelijk uit poëtische uitbreidingen daarvan
+gemaakt in Bretagne door afstammelingen van ballingen uit Wales,
+van welke er vele daarheen vluchtten juist toen Arthur oorlog voerde
+tegen de heidensche Saksers. Het boek van Geoffrey had een verbazend
+succes. Het werd al spoedig in het Fransch vertaald door Wace, die
+"Li Romans de Brut" schreef omstreeks 1155, met bijzonderheden uit
+Bretagner bronnen er bijgevoegd, en uit het Fransch van Wace vertaald
+in het Angel-Saksisch door Layamon, die aldus Malory's bewerkingen van
+latere Fransche proza-verhalen vóór was. Met uitzondering van enkele
+geleerden die vruchteloos protesteerden, twijfelde niemand aan de
+zuiver historische waarde, en het had de belangrijke uitwerking aan
+de vroegere Britsche geschiedenis een nieuwe waardigheid te geven
+in de schatting van vastelands- en Engelsche vorsten. Op den troon
+van Arthur te zitten werd op zich zelf als een glorie beschouwd,
+door monarchen uit het geslacht der Plantagenets, die geen droppel
+van Arthur's of van eenig Britsch bloed in de aderen hadden.
+
+
+
+De sage in Bretagne: Marie de France.
+
+
+Nu iets over de bronnen van Bretagne. Jammer genoeg, geen regel
+van de oude literatuur van Bretagne is tot ons gekomen en voor
+de kennis daarvan moeten wij afgaan op hetgeen daarover voorkomt
+in het werk van Fransche schrijvers. Een van de eersten dezer is
+de Anglo-Normandische dichteres die zich Marie de France noemt en
+die omstreeks 1150 en daarna schreef. Zij dichtte o.a. een aantal
+"Lais," of verhalen, die zij uitdrukkelijk en herhaaldelijk zegt te
+zijn vertaald of bewerkt naar bronnen van Bretagne. Soms beweert zij
+het oorspronkelijke precies te hebben weergegeven:
+
+
+ "Les contes que jo sai verais (que je sais vrais)
+ Dunt li Bretun unt fait les lais
+ Vos conterai assez briefment;
+ Et cief (sauf) di cest coumencement
+ Selunc la lettre è l' escriture."
+
+
+Feitelijk wordt in de verhalen weinig over Arthur gezegd, maar de
+gebeurtenissen er in vallen in zijn tijd--_en cet temps tint Artus la
+terre_--en de toespelingen, o.a. een vermelding van de Tafelronde,
+wijzen klaarblijkelijk er op dat het onderwerp algemeen bekend was
+onder hen voor wie deze "Lais" van Bretagne bestemd waren. Lancelot
+wordt niet genoemd, maar er is een "Lai" over zekeren Lanval, die
+door Arthur's koningin wordt bemind, maar die haar afwijst omdat hij
+een tooveres tot minnares heeft in het "isle d'Avalon." Gawain wordt
+genoemd en een episode wordt verteld in den "Lai de Chevrefoil"
+van Tristan en Isolde, over wier dienstmaagd "Brangien" zoodanig
+wordt gesproken, dat de toehoorders blijkbaar wisten welke rol
+zij had gespeeld in Isolde's huwelijksnacht. Om kort te gaan, wij
+hebben hier het bewijs dat zich in Bretagne een wijd verbreide en
+goed ontwikkelde massa ridderlegenden om de persoon van Arthur had
+opgehoopt. Zoo welbekend zijn de legenden, dat bloote toespelingen op
+personen en episoden daarin evengoed begrepen worden als verwijzingen
+naar Tennyson's "Idylls" het bij ons zouden zijn in onzen tijd. De
+"Lais" van Marie de France wijzen derhalve sterk op Bretagne als de
+ware bakermat van de Arthur-sage, van haar riddelijken en romantischen
+kant. Zij maken echter geen melding van den Graal.
+
+
+
+Chrestien de Troyes.
+
+
+Ten slotte en bovenal hebben wij het werk van den Franschen dichter
+Chrestien de Troyes, die in 1165, evenals Marie de France, "Lais"
+uit Bretagne begon te vertalen en die feitelijk de Arthur-sage in de
+poëtische literatuur van Europa bracht en er de voornaamste trekken
+en haar karakter aan gaf. Hij schreef een "Tristan" (nu verloren
+gegaan). Hij (zoo niet Walter Map) bracht Lancelot van het Meer in het
+verhaal; hij schreef een _Conte del Graal_, waarin voor het eerst de
+Graal-legende en Perceval voorkomen, al liet hij het verhaal onvoltooid
+en al vertelt hij ons niet wat de "Graal" werkelijk was [206]. Hij
+schreef ook een lang _conte d'aventure_, getiteld "Erec," bevattende
+de geschiedenis van Geraint en Enid. Dit zijn de vroegste gedichten
+die wij bezitten, waarin de Arthur van de ridderlegende sterk op den
+voorgrond treedt. Welke waren de bronnen van Chrestien? Ongetwijfeld
+voor een groot deel uit Bretagne. Troyes ligt in Champagne, dat in 1019
+door Eudes, Graaf van Blois, met Blois was vereenigd en weer na een
+periode van scheiding er mee was hereenigd, door Graaf Theobald van
+Blois in 1128. Maria, Gravin van Champagne, was de beschermvrouw van
+Chrestien. En er waren nauwe banden tusschen de heerschende vorsten
+van Blois en Bretagne. Alain II, een Hertog van Bretagne, had in de
+tiende eeuw een zuster van den Graaf van Blois gehuwd en in het eerste
+vierde gedeelte van de dertiende eeuw huwde Jean I van Bretagne Blanche
+van Champagne, terwijl hun dochter Alix in 1254 Jean de Chastillon,
+Graaf van Blois, huwde. Het is derhalve hoogst waarschijnlijk, dat door
+minstreels die hun meesters uit Bretagne aan het hof van Blois volgen,
+van het midden der tiende eeuw af, een groot aantal "Lais" en legenden
+uit Bretagne hun weg vonden tot de Fransche literatuur in de elfde,
+twaalfde en dertiende eeuwen. Maar het is ook zeker dat de legenden
+van Bretagne zelf sterk onder Fransche invloeden waren geraakt en
+dat wij aan de _Matière de France_, zooals die door middeneeuwsche
+schrijvers werd genoemd [207]--i.e. de legenden van Karel de Groote en
+zijn Paladynen--de Tafelronde verschuldigd zijn en de riddergebruiken
+toegeschreven aan Arthur's hof te Caerleon aan de Usk.
+
+
+
+Bleheris.
+
+
+Men moet niet vergeten (iets waarop miss Jessie L. Weston met nadruk
+heeft gewezen in haar onwaardeerbare studies over de Arthur-sage)
+dat Gautier van Denain, de eerste van de voortzetters of omwerkers
+van Chrestien de Troyes, als zijn bron voor de verhalen van Gawain
+zekeren Bleheris noemt, een dichter "geboren en opgegroeid in
+Wales." Men houdt dezen vergeten bard voor identiek met _famosus
+ille fabulator, Bledhericus_, vermeld door Giraldus Cambrensis, en
+met den Bréris, dien Thomas van Bretagne aanhaalt als een autoriteit
+voor de Tristan-geschiedenis.
+
+
+
+Conclusie betreffende den oorsprong van de Arthur-sage.
+
+
+Bij gebrek evenwel aan eenige inlichting omtrent den tijd waarin
+Bleheris schreef, of wat hij precies schreef, moet dunkt mij, de
+meening stand houden, dat de Arthur-sage, zooals wij die nu hebben,
+niet uit Wales en zelfs niet alleen uit Bretagne afkomstig is. De
+ballingen uit Wales, die omstreeks de zesde eeuw een deel van Bretagne
+koloniseerden, moeten vele verhalen van den historischen Arthur
+hebben meegebracht. Zij moeten ook hebben meegebracht legenden van de
+Keltische godheid Artaius, een god voor wien in Frankrijk altaren zijn
+gevonden. Deze personages gingen ten slotte in elkaar over, evenals in
+Ierland de christelijke St. Brigit samenviel met de heidensche godin
+Brigindo [208]. Wij krijgen aldus een mythische figuur, die iets van
+de goddelijke hoogheid verbindt met een bepaalde woonplaats op aarde
+en een plaats in de geschiedenis. Aldus onstond een Arthur-sage, die
+in haar Bretagner vorm (niet in haar Wales-vorm) zeer verrijkt was
+met materiaal geput uit de legenden van Karel de Groote en zijn pairs,
+terwijl zij èn in Bretagne èn in Wales een centrum werd, waarom heen
+zich een massa onzeker legende-materiaal groepeerde, betrekking hebbend
+op allerlei Keltische personages, menschelijke en goddelijke. Chrestien
+de Troyes, naar materiaal uit Bretagne werkende, gaf haar ten slotte
+den vorm waarin zij de wereld veroverde en waarin zij in de twaalfde
+en dertiende eeuwen werd wat de Faust-legende in later tijden was:
+het erkend voertuig voor de idealen en de verlangens van een tijdperk.
+
+
+
+De sage in Wales.
+
+
+Uit het vasteland en in het bijzonder uit Bretagne, kwam
+de geschiedenis van Arthur gewijzigd en verheerlijkt in Wales
+terug. Wijlen dr. Heinrich Zimmer merkt in een van zijn schitterende
+studies over het onderwerp op, dat "er in de literatuur van Wales
+stellige getuigenis is, dat vorst Rhys ap Tewdwr uit Zuid-Wales, die
+in Bretagne was geweest, van daar in 1070 naar Wales de wetenschap
+van Arthur's Tafelronde meebracht, waar die natuurlijk tot hiertoe
+onbekend was" [209] En men weet dat vele edelen uit Bretagne de banier
+van Willem de Veroveraar naar Engeland volgden [210]. Zij die de sage
+in Wales invoerden vonden daar echter al een aanzienlijke massa stof
+over Arthur van een geheel verschillend karakter. Behalve de tradities
+van den historischen Arthur, den _dux bellorum_ van Nennius, was er de
+Keltische godheid Artaius. Het is vermoedelijk een herinnering aan die
+godheid die wij onder den naam Arthur aantreffen in het eenige echte
+Arthur-verhaal in Wales dat wij bezitten, de geschiedenis van Kilhwch
+en Olwen in de "Mabinogion." Veel van de Arthur-sage aan Chrestien en
+andere schrijvers van het vasteland ontleend, werd in Wales vertaald en
+bewerkt, evenals in andere Europeesche landen, maar feitelijk maakte
+zij later en geringer indruk in Wales dan bijna overal elders. Zij
+kwam in botsing met bestaande tradities daar, zoowel historische als
+mythologische; zij bevatte veel dat den geest daar geheel vreemd
+was en zij bleef daar altijd iets van een ander land dat niet was
+geassimileerd. In Ierland drong zij in het geheel niet door.
+
+Natuurlijk maken deze weinige inleidende opmerkingen er geen aanspraak
+op een bespreking van de Arthur-sage te zijn--een uitgebreid onderwerp
+met tallooze vertakkingen, historische, mythologische, mystieke en wat
+niet al--maar beoogen zij alleen de betrekking tusschen die sage en
+de echte Keltische literatuur aan te wijzen en te verklaren waarom
+wij daarvan zoo weinig zullen hooren in de volgende mededeelingen
+over Kimbrische mythen en legenden. Zij was een groote geestelijke
+mythe die, ontstaan uit de vroeger beschreven bronnen, het geheele
+vasteland veroverde zooals de held er van werd ondersteld dat met
+de wapens te hebben gedaan, maar zij kan niet worden beschouwd als
+een bijzonder bezit van het Keltische ras, ook komt zij niet voor in
+eenige Keltische taal, tenzij vertaald, of bewerkt.
+
+
+
+Galische en Kimbrische legenden.
+
+
+De mythen en legenden van het Keltische ras, die tot ons zijn gekomen
+in de taal van Wales zijn in sommige opzichten van een ander karakter
+dan die welke wij in het Galisch bezitten. Het materiaal van Wales is
+lang niet zoo rijk, ook niet zoo oud. De verhalen van de "Mabinogion"
+zijn in hoofdzaak geput uit het veertiend' eeuwsch handschrift. "Het
+Roode Boek van Hergest." Een er van, het verhaal van Taliesin, kwam
+uit een andere bron, een manuscript van de zestiende eeuw. De vier
+oudste verhalen in de "Mabinogion" worden door de geleerden ondersteld
+hun tegenwoordigen vorm te hebben aangenomen in de tiende of elfde
+eeuw, terwijl verscheidene Iersche verhalen, zooals de geschiedenis
+van Etain en Midir of de Dood van Conary, tot de zevende of achtste
+eeuw teruggaan. Men zal zich herinneren dat de geschiedenis van den
+inval van Partholan aan Nennius bekend was, die omstreeks het jaar
+800 schreef. Zooals daarom te verwachten was, zijn de mythologische
+elementen in de verhalen uit Wales doorgaans veel verwarder en
+moeilijker te ontcijferen dan in de vroegere Iersche verhalen. Het
+mythische is van minder belang, de geschiedenis van meer belang
+geworden; het is den bard minder er om te doen een gewijden tekst
+te overleveren dan het hof van een vorst afleiding te bezorgen. Wij
+moeten ook in het oog houden dat de invloed van de continentale
+ridderverhalen in de verhalen van Wales duidelijk merkbaar is en hen
+feitelijk eventueel geheel gaat beheerschen.
+
+
+
+Galische en continentale romantiek.
+
+
+In vele opzichten liep de Iersche Kelt vooruit op de ideeën in die
+verhalen. De voorname hoofschheid die vijanden elkander betoonden
+[211], de zonderlinge trots die een krijgsman verbood partij te trekken
+van den hulpeloozen toestand van een gewond tegenstander [212],
+de overdreven vormelijkheid waarmede de plichten of voorschriften
+behoorende bij ieders kaste of stand werden in acht genomen [213]--deze
+geheele sfeer van gedachten en gevoelens die ons zoo vreemd zou
+voorkomen, indien wij een voorbeeld er van aantroffen in de klassieke
+literatuur, zou zeer gewoon en natuurlijk lijken in continentale
+verhalen van de twaalfde en latere eeuwen. Eeuwen vroeger was die
+een kenmerkende trek in de Galische literatuur. Toch ontbreekt in de
+Iersche verhalen, hetzij Ultoniaansche of Ossian'sche, dat element,
+dat sedert dien als het meest belangrijke motief in een romantisch
+verhaal werd beschouwd, zoo goed als geheel. Dat is het element der
+liefde, of liever der vrouwenvereering. De continentale verteller
+begreep dat hij niets vermocht zonder dit motief van handeling. Maar
+de "beminde" van den Engelschen, Franschen, of Duitschen ridder,
+wier kleuren hij droeg, om wier gunst hij ongekende ontberingen en
+gevaren verduurde, komt niet voor in de Galische literatuur. Het zou
+den Ierschen Kelt ongerijmd hebben toegeschenen, de intrige van een
+ernstig verhaal te laten draaien om de soort van hartstocht, die de
+middeneeuwsche Dulcinea haar trouwen ridder wist in te boezemen. In de
+twee beroemdste en populairste Galische verhalen van minne, dat van
+Deirdre, en "De Vervolging van Dermot en Grania," zijn het de vrouwen
+die de mannen trachten te winnen en de mannen gaan zeer ongaarne
+er toe over te begaan wat zij weten te zijn: de dwaasheid hun toe
+te geven. Deze romantische ridderlijke soort van liefde nu, die de
+vrouw tot een godin idealiseerde en den dienst zijner dame voor den
+ridder tot een heiligen plicht maakte, is, hoewel zij in Wales nimmer
+zoo in aanzien kwam als in continentale en Engelsche verhalen, toch
+daar duidelijk waarneembaar. Wij kunnen die vervolgen in "Kilhwch en
+Olwen," betrekkelijk een oud verhaal. Zij komt duidelijk uit in latere
+verhalen, als "Peredur" en "De Vrouw van de Bron." Het is een teeken
+in welke mate de literatuur van Wales, vergeleken bij de Iersche,
+haar zuiver Keltischen geest had verloren en vreemde invloeden had
+ondergaan--ik zeg natuurlijk niet tot haar schade.
+
+
+
+Galische en Kimbrische mythologie: Nudd.
+
+
+De oudste verhalen van Wales, die welke geheeten zijn "De vier takken
+van de Mabinogi" [214] zijn het rijkst aan mythologische elementen,
+maar deze komen in meer of min herkenbaren vorm voor in bijna
+alle middeneeuwsche verhalen, en zelfs, na vele veranderingen,
+bij Malory. Wij kunnen duidelijk zekere mythologische figuren
+onderscheiden, aan alle Keltische geschriften gemeen. Zoo vinden
+wij bijv. een personage genaamd Nudd of Lludd, blijkbaar een
+zonnegodheid. Een tempel stammend uit Romeinsche tijden en hem
+toegewijd onder den naam van Nodens, is ontdekt te Lydney, aan de
+Severn. Op een bronzen bord, dicht bij de plek gevonden, is een
+voorstelling van den god. Hij is omgeven door een stralenkrans
+en vergezeld door vliegende geesten en door Tritons. Dat doet ons
+denken aan de Danaansche godheden en hun nauwe betrekking tot de zee;
+en wanneer wij vinden dat in legenden van Wales een epitheton met
+Nudd is verbonden, beteekenend "met de zilveren hand" (hoewel geen
+bestaande legende van Wales de beteekenis van dat epitheton vertelt),
+valt het ons niet moeilijk dezen Nudd een te verklaren met Nuada met
+de zilveren hand, die de Dananen aanvoerde in den slag van Moytura
+[215]. Onder zijn naam Lludd had hij, zegt men, een tempel op de
+plaats van St. Paul te Londen, waarvan de ingang, volgens Geoffrey
+van Monmouth, in de taal van Bretagne _Parth Lludd_ werd geheeten,
+wat de Saksers vertaalden met _Ludes Geat_, ons tegenwoordig Ludgate.
+
+
+
+Llyr en Manawyddan.
+
+
+Zoo kunnen wij, wanneer wij een mythologische persoon aantreffen
+Llyr geheeten, met een zoon genaamd Manawyddan, die een voorname rol
+speelt in legenden van Wales, hen veilig in verband brengen met den
+Ierschen Lir en zijn zoon Mananan, goden van de zee. Llyr-cester,
+nu Leicester, was een centrum van den eeredienst van Llyr.
+
+
+
+Llew Llaw Gyffes.
+
+
+Ten slotte kunnen wij wijzen op een figuur in de "Mabinogi" (in de
+vertelling getiteld "Math zoon van Mathowny"). De naam er van wordt
+gegeven als Llew Llaw Gyffes, wat de verteller uit Wales vertolkt met
+"De leeuw met de vaste hand," en een verhaal, dat hier later volgt,
+wordt gedaan om den naam te verklaren. Maar wanneer wij zien dat deze
+held eigenschappen vertoont die er op wijzen dat hij een zonnegodheid
+is, zoo bijv. een verbazend snelle groei van kind tot man, en wanneer
+wij bovendien van professor Rhys vernemen dat Gyffes oorspronkelijk
+beteekende, niet "vast" of "zeker," maar "lang" [216], dan wordt het
+duidelijk, dat wij hier een flauwe en afgebroken herinnering hebben
+aan de godheid die de Galen noemden Lugh met den langen arm [217],
+_Lugh Lamh Fada_. De verkeerd begrepen naam bleef leven en om het
+misverstand zette zich legendaire stof, die bij het volk rond ging,
+tot een nieuw verhaal vast.
+
+Men zou deze overeenstemmingen nog verder in bijzonderheden kunnen
+aantoonen. Hier kunnen wij volstaan met er op te wijzen als bewijs
+voor den gemeenschappelijken oorsprong van de Galische en Kimbrische
+mythologie [218]. In beide literaturen hebben wij denzelfden kring
+van mythologische ideeën. Maar in Wales zijn die moeilijker te
+onderscheiden; de figuren en hun bloedverwantschap in den Olympus van
+Wales zijn minder nauwkeurig omschreven, wisselender. Het is alsof een
+aantal verschillende stammen, wat oorspronkelijk dezelfde concepties
+waren, onder verschillende namen belichaamden en verschillende legenden
+er om heen weefden. De bardenliteratuur, zooals wij die nu kennen,
+getuigt nu eens van het op den voorgrond treden van een, dan eens
+van een ander dezer stam-vereeringen. Eenheid te brengen in deze
+wisselende voorstellingen is ten eenenmale onmogelijk; toch kunnen
+we iets doen om den lezer een draad te geven in het doolhof.
+
+
+
+De geslachten van Don en van Llyr.
+
+
+Twee groote goddelijke geslachten of familiën kunnen worden
+onderscheiden--dat van Don, een moeder-godin (vertegenwoordigend de
+Galische Dana), wier echtgenoot is Beli, de Iersche Bilé, god van
+den Dood, en wier afstammelingen zijn de Kinderen van het Licht;
+en dat van Llyr, de Galische Lir, die hier vertegenwoordigt, niet
+een Danaansche godheid, maar iets meer overeenkomend met de Iersche
+Fomoriërs. Evenals in het geval van de Iersche mythe, zijn de twee
+familiën door onderling huwelijk verbonden--Penardun, een dochter van
+Don, is gehuwd met Llyr. Don zelf heeft een broeder, Math, wiens naam
+beteekent rijkdom of schat (verg. het Grieksch Pluton, _plautos_)
+en zij stammen af van een niet scherp gekarakteriseerde figuur,
+Mathonwy geheeten.
+
+
+
+
+ GODEN VAN HET HUIS VAN DON.
+
+ Manogan Mathonwy
+ | |
+ | +-----------------+
+ | | |
+ Beli --+-- Don Math
+ (Dood, Iersch | (Moeder-Godin (rijkdom,
+ Bilé) | Iersch Dana) vermeerdering)
+ |
+ +---------------+----+--------+----------+-----------+------------+---------+---------+
+ | | | | | | | |
+ Gwydion --+-- Arianrod Gilvaethwy Amaethon Govannan Nudd Penardun Nynniaw
+(Wetenschap en | ("Zilverkring", (landbouw) (smeedkunst, of Lludd (m. en Peibaw
+ licht; doodt | Dauwgodin) Iersch Goban) (Hemel-god) Llyr)
+ Pryderi) | |
+ | |
+ +------------+-+---------+ |
+ | | | Gwyn
+Nwyvre Llew Dylan (Bewaker van het
+(atmosfeer, Llaw (Zee-god) Schimmenrijk,
+ ruimte) Gyffes in Somerset
+ (Zonne-god, "Avalon" geheeten)
+ de Iersche
+ Lugh)
+
+
+
+
+
+ GODEN VAN HET HUIS VAN LLYR.
+
+
+ Iweriadd --+-- Llyr --+-- Penardun --+-- Euroswydd
+ (=Ierland--i.e., | (Iersch | (Dochter van |
+ westelijk land van | Lir) | Don) |
+ het Schimmenrijk) | | |
+ | | |
+ +-------------+------------------+ | +------+--------+
+ | | | | |
+ Bran Branwen --+-- Matholwch Manawyddan ---- Rhiannon Nissyen Evnissyen
+ (reuzengod (Minne- | (Koning (Iersch Mananan,
+ van het godin) | van Ierland) god van
+Schimmenrijk, | de Zee,
+een minstreel; Gwern toovenaar)
+ later Urien)
+
+
+
+ Pwyll --+-- Rhiannon
+ (Hoofd van |
+ het Schim- |
+ menrijk) |
+ |
+ Pryderi ---- Kicva
+ (heer van het
+ Schimmenrijk)
+
+
+
+Het geslacht van Arthur.
+
+
+In het pantheon van godheden vertegenwoordigd in de vier oude Mabinogi,
+kwam in een lateren tijd, uit een andere stambron, een andere groep
+met Arthur, den god Artaius, aan het hoofd. Hij komt in plaats van
+Gwydion zoon van Don, en de andere godheden van zijn kring nemen
+meer of minder precies de plaatsen in van anderen van den vroegeren
+kring. De hier bijgevoegde genealogische tafels strekken om den lezer
+te helpen aan een algemeen overzicht van de betrekkingen tusschen
+deze personages en hun attributen. Men moet evenwel in het oog houden
+dat deze rangschikkingen in tabellen een schijn van nauwkeurigheid
+en consequentie geven die niet wordt teruggevonden in het wisselend
+karakter van de werkelijke mythen als een geheel beschouwd. Als een
+schetskaart van een zeer lastig en duister gebied kunnen zij echter
+den lezer, die het voor het eerst betreedt, helpen zijn richting
+daarin te vinden, en dat is het eenig doel dat zij beoogen.
+
+
+ ARTHUR EN ZIJN MAGEN.
+
+ Anlawdd
+ |
+ +-------------+--------------+-----------+
+ | | |
+Yspaddaden Custennin Kilwyd -+- Goleuddydd
+ | | |
+ Olwen +-----+-+-------+ Kilhwch--Olwen
+ | | |
+ Goreu Erbin Igerna -+- Uther Ben
+ | | (= Bran)
+ Geraint |
+ |
+ +-------+---------------+
+ | |
+ Arthur Lot --+-- Gwyar
+ (= Gwydion) (= Lludd) | (Gore, een
+ | oorlogsgodin)
+ |
+ +---------------+---+----------------------+
+ | | |
+ Gwalchmai Medrawt Gwalchaved
+ (Valk van Mei = (= Dylan,later (Valk van den Zomer,
+ Llew Llaw Gyffes, Sir Mordred) later Sir Galahad;
+ later Sir Gawain oorspronkelijk identisch
+ met Gwalchmai)
+
+
+
+Gwyn ap Nudd.
+
+
+De godheid Gwyn ap Nudd geheeten heeft, naar men zegt, evenals Finn
+in de Galische legende [219], dieper en blijvender indruk op de
+volksverbeelding in Wales gemaakt dan eenige andere godheid. Machtig
+krijger en jager, vermeit hij zich in het gekraak van brekende speren,
+en, evenals Odin, verzamelt hij de zielen van doode helden in zijn
+donker rijk, want, hoewel hij behoort tot de familie der Licht-goden,
+is het schimmenrijk zijn bijzonder domein. Het gevecht tusschen hem
+en Gwythur ap Greidawl (Victor, zoon van den Schroeier) om Creudylad,
+dochter van Lludd, dat elken Meidag wordt herhaald tot het eind der
+tijden, beteekent blijkbaar den strijd tusschen winter en zomer om de
+bebloemde en vruchtbare aarde. "Later," schrijft Squire, "werd hij
+gehouden voor den Koning van de _Tylwyth Teg_, de feeën van Wales,
+en zijn naam als zoodanig is nog niet geheel uitgestorven in zijn
+laatste verblijfplaats, het romantisch dal van Neath.... Hij is de
+wilde Jager van Wales in het Westen van Engeland en het is zijn jacht,
+die soms in verlaten oorden des nachts wordt gehoord" [220]. Hij komt
+voor als een god van oorlog en dood in een prachtig gedicht uit het
+"Zwarte Boek van Caermarthen," waar hij wordt voorgesteld in gesprek
+met een prins, Gwyddneu Garanhir geheeten, die zijn bescherming was
+komen vragen. Ik haal eenige coupletten aan: men vindt het gedicht
+in zijn geheel in Squire's voortreffelijk boek.
+
+
+ "Ik kom uit veldslag en strijdgewoel
+ Met een schild in de hand;
+ Mijn helm is in twee door de stooten der speren.
+
+ "Rond gehoefd is mijn paard, de schrik van den strijd,
+ Fairy [221] is mijn naam, Gwyn de zoon van Nudd,
+ Die Crewrdilad minde, de dochter van Lludd.
+
+ . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
+
+ "Ik ben geweest waar Gwendolen gedood werd,
+ De zoon van Ceidaw, de held van den zang,
+ Waar de raven krijschten boven bloed.
+
+ "Ik ben geweest waar Bran vermoord werd,
+ De zoon van Iweridd, wijd beroemd,
+ Waar de raven van het slagveld krijschten.
+
+ "Ik ben geweest waar Llacheu gedood werd,
+ De zoon van Arthur, geprezen in zangen,
+ Toen de raven krijschten boven bloed.
+
+ "Ik ben geweest waar Mewrig vermoord werd,
+ De zoon van Carreian, met eere bekend,
+ Toen de raven krijschten boven vleesch.
+
+ "Ik ben geweest waar Gwallawg vermoord werd,
+ De zoon van Goholeth, aan kundigheid rijk,
+ Die Lloegyr weerstond, den zoon van Lleynawg.
+
+ "Ik ben geweest waar Brittanje's strijdscharen verslagen
+ werden,
+ Van oost tot noord:
+ Ik ben het geleide van het graf.
+
+ "Ik ben geweest waar Brittanje's strijdscharen verslagen
+ werden,
+ Van oost tot zuid:
+ Ik ben in leven, zij des doods."
+
+
+
+Myrddin, of Merlin.
+
+
+Een godheid genaamd Myrddin neemt in Arthur's mythologischen cyclus
+de plaats in van den Hemel- en Zonnegod, Nudd. Een van de Triaden
+van Wales vertelt ons dat Brittannië, vóór dat het bewoond was,
+_Clas Myrddin_ werd genoemd, Myrddin's gebied. [222] Dat herinnert
+aan de Iersche gewoonte een geliefkoosde plek een "kooi van de zon"
+te noemen--Deirdre geeft dien naam aan haar geliefd Schotsch thuis
+in Glen Etive. Professor Rhys onderstelt dat Myrddin de godheid was,
+die in het bijzonder werd vereerd te Stonehenge, dat volgens Britsche
+overlevering, vermeld door Geoffrey van Monmouth, opgericht werd door
+"Merlin," de toovenaar die de gedaante voorstelt waartoe Myrddin onder
+Christelijke invloeden was ingekrompen. Wij vernemen dat het verblijf
+van Merlin was een glazen huis, of een bosch bloeiende meidoorn, of
+een soort rook of mist in de lucht, of "een gebied noch van ijzer,
+of staal, of hout, of steen, maar van lucht zonder meer, door een
+betoovering zoo machtig dat zij nooit kan worden ongedaan gemaakt
+zoolang de wereld blijft bestaan" [223]. Ten slotte daalde hij
+neer op het eiland Bardsey, "voorbij het uiterste meest westelijke
+punt van Carnarvonshire.... hij ging met negen hem volgende barden
+en nam met zich mee de "Dertien Schatten van Brittannië," die van
+toen af voor de menschheid verloren waren." Professor Rhys wijst
+er op dat een Grieksch reiziger Demetrius genaamd, die wordt gezegd
+Brittannië te hebben bezocht in de eerste eeuw v. Chr., gewaagt van
+een eiland in het westen, waar "Kronos" werd ondersteld gevangen te
+zijn gehouden met de hem vergezellende godheden, terwijl Briareus de
+wacht over hem hield in zijn slaap, "want slaap was de boei voor hem
+gesmeed." Ongetwijfeld hebben we hier een lezing, gehelleniseerd zooals
+de gewoonte was van klassieke schrijvers met barbaarsche mythen, van
+een Britsch verhaal van het afdalen van den Zonnegod in de westelijke
+zee en zijn gevangenneming daar door de machten der duisternis, met
+de bezittingen en toovermachten behoorende aan Licht en Leven [224].
+
+
+
+Nynniaw en Peibaw.
+
+
+De twee personages, Nynniaw en Peibaw geheeten, die in de genealogische
+tabel voorkomen, spelen een zeer kleine rol in de Kimbrische
+mythologie, maar een verhaal waarin zij optreden, is op zich zelf
+belangwekkend en heeft een uitmuntende moraal. Zij worden voorgesteld
+[225] als twee broeders, Koningen van Brittannië, die op een helderen
+sterrenacht samen wandelen. "Zie welk een mooi uitgestrekt veld ik
+heb," zeide Nynniaw. "Waar is het?" vroeg Peibaw. "Daar omhoog en zoo
+ver als je kunt zien," zeide Nynniaw, naar den hemel wijzend. "Maar zie
+eens naar al mijn vee, dat op jou veld graast," zeide Peibaw. "Waar
+is dat?" vroeg Nynniaw. "Al de gouden sterren," zeide Peibaw, "met
+de maan als schaapherder." "Zij zullen niet grazen op mijn veld,"
+riep Nynniaw. "En ik zeg dat zij dat wèl zullen doen," antwoordde
+Peibaw. "Ik zeg neen." "En ik zeg ja." En zoo ging het door; eerst
+twistten zij met elkander, toen voerden zij oorlog en legers werden
+vernield en landen verwoest, totdat ten slotte de broeders in ossen
+werden veranderd als straf voor hun domheid en twistzucht.
+
+
+
+De "Mabinogion."
+
+
+Wij komen nu tot het werk waarin de voornaamste schatten van Kimbrische
+mythen en legenden zestig jaren geleden door Lady Charlotte Guest
+werden bijeengebracht en aan de wereld gegeven in een vertaling die
+een der meesterstukken is van de Engelsche literatuur. De titel van
+dit werk, "Mabinogion," is het meervoud van het woord _Mabinogi_,
+dat beteekent een verhaal behoorend tot hetgeen een leerling-bard in
+zijn mars had, een verhaal zooals elke bard noodzakelijk te leeren had
+als deel van zijn opvoeding, wat hij ook later aan zijn _répertoire_
+mocht toevoegen. Feitelijk zijn de _Mabinogi_ in het boek niet anders
+dan de vier verhalen het eerst gegeven in de editie van Alfred Nutt,
+getiteld de "Vier takken van de Mabinogi" en die een samenhangend
+geheel vormen. Zij behooren tot de oudste overblijfselen van de
+mythologische sagen van Wales.
+
+
+
+Pwyll, hoofd van het Schimmenrijk.
+
+
+Het eerste er van is de geschiedenis van Pwyll, Vorst van Dyfed, en
+verhaalt hoe die Vorst zijn titel kreeg van _Pen Annwn_, of "Hoofd
+van het Schimmenrijk"--met Annwn wordt namelijk in de literatuur van
+Wales het Keltische Land der Dooden, of Tooverland aangeduid. Het is
+een verhaal met een mythologischen grondslag, maar dat den zuiversten
+geest van ridderlijke eer en adel ademt.
+
+Pwyll, zoo heet het, was op zekeren dag aan het jagen in de bosschen
+van Glyn Cuch, toen hij een troep honden, niet de zijne, een hert zagen
+achterna zetten. Deze honden waren sneeuwwit met roode ooren. Als
+Pwyll eenige ervaring had gehad in deze dingen, zou hij dadelijk
+hebben geweten wat voor jacht er aan den gang was, want dit zijn de
+kleuren van Tooverland--de roodharige man, de hond met roode ooren
+gaan steeds met hekserij gepaard [226]. Maar Pwyll joeg de vreemde
+honden weg en wilde zijn eigen honden het wild achterna zenden,
+toen een ruiter met een edel voorkomen opdaagde en hem verwijten deed
+wegens zijn lompheid. Pwyll bood aan hem genoegdoening te geven en het
+verhaal gaat nu over in het veel voorkomend onderwerp, de bevrijding
+van het Tooverland. De naam van den vreemdeling is Arawn, een koning
+in Annun. Hij wordt bemoeilijkt en met onttroning bedreigd door
+een mededinger, Havgan, en hij zoekt de hulp van Pwyll, en vraagt
+hem over een jaar Havgan in tweegevecht te ontmoeten. Inmiddels
+zal hij Pwyll zijn eigen gedaante doen aannemen. Pwyll zal in zijn
+koninkrijk heerschen tot den gewichtigen dag, terwijl Arawn in de
+gedaante van Pwyll in Dyfed zal gaan regeeren. Hij leert Pwyll hoe
+hij met den vijand moet omgaan. Havgan moet met eén enkelen slag
+worden geveld--wordt hem een tweede slag gegeven dan herleeft hij
+weer onmiddellijk zoo sterk als ooit te voren.
+
+Pwyll stemde toe in het avontuur en ging diensvolgens in Arawn's
+gedaante naar het koninkrijk Annwn. Hier bevond hij zich in een
+onvoorziene moeilijkheid. De schoone vrouw van Arawn begroette hem als
+haar echtgenoot. Maar toen het tijd voor hem werd ter ruste te gaan,
+keerde hij het gelaat naar den muur, en zeide hij geen woord tot haar
+en raakte hij haar niet aan totdat het morgen werd. Toen stonden zij
+op, en Pwyll ging op de jacht en regeerde zijn rijk en deed alles
+alsof hij de vorst was over het land. En hoeveel genegenheid hij de
+koningin ook bij dag in het openbaar betoonde, hij bracht elken nacht
+door als de eerste.
+
+Eindelijk brak de dag van het tweegevecht aan, en evenals de hoofden in
+Galische verhalen, ontmoetten Pwyll en Havgan elkander midden in een
+wadde van de rivier. Zij vochten en bij de eerste botsing werd Havgan
+de lengte van een speer over het kruis van zijn paard geslingerd en
+viel doodelijk gewond [227] "In 's hemels naam," zeide hij, "dood mij
+en voltooi uw werk." "Dat zou mij nog rouwen," zeide Pwyll. "Doode
+u wie wil, ik wil niet." Toen wist Havgan dat zijn einde daar was en
+hij gelastte zijn edelen hem weg te dragen; en Pwyll bezette met zijn
+leger de twee rijken van Annwn en maakte zich meester van al het land
+en ontving de hulde van zijn vorsten en edelen.
+
+Toen reed hij alleen weg om te Glyn Cuch met Arawn samen te komen,
+zooals zij hadden afgesproken. Arawn dankte hem voor al wat hij
+gedaan had en voegde er bij: "Wanneer ge naar uw eigen rijk gaat,
+zult gij zien wat ik voor u heb gedaan." Zij verwisselden andermaal
+van gedaante en elk reed in zijn eigen gedaante om van zijn eigen
+land bezit te nemen.
+
+Aan het hof van Annwn werd de dag in vreugde feestelijk doorgebracht,
+hoewel niemand dan Arawn wist dat er iets ongewoons had plaats
+gehad. Toen de nacht kwam kuste en liefkoosde Arawn zijn vrouw
+als van ouds en zij peinsde lang over de oorzaak van zijn omkeer
+tegenover haar en over zijn vroegere verandering een jaar en een
+dag tevoren. En terwijl zij over deze dingen nadacht sprak Arawn
+twee of drie maal tot haar, maar kreeg geen antwoord. Hij vroeg
+haar toen waarom zij bleef zwijgen. "Ik zeg u", sprak zij, "dat ik
+in een jaar niet zooveel gesproken heb op deze plaats." "Spraken
+we niet voortdurend?" vroeg hij. "Neen", zeide zij, "gedurende het
+geheele jaar dat verloopen is, was er tusschen ons noch gesprek,
+noch gemeenschap". "Goede hemel!" dacht Arawn, "nooit vond ik een
+vriend zoo trouw en standvastig". Toen vertelde hij zijn koningin
+wat er gebeurd was. "Gij hebt inderdaad de hand gelegd op een trouwen
+vriend", zeide zij.
+
+En Pwyll riep, toen hij in zijn eigen land terug was, zijn edelen
+bijeen en vroeg hun hoe hij het, naar hun meening, in het afgeloopen
+jaar, als koning had gemaakt. "Heer", zeiden zij, "uw wijsheid was
+nooit zoo groot en gij waart nooit zoo vriendelijk en vrijgevig, en uw
+rechtvaardigheid kwam nooit zoo treffend uit als dit jaar". Toen deed
+Pwyl hun het verhaal van zijn avontuur. "Voorwaar, Heer", zeiden zij,
+"breng dank aan den hemel voor zulk een makker en onthoud ons niet
+het bestuur dat wij in het afgeloopen jaar genoten." "Ik neem den
+hemel ten getuige, dat ik dat niet doen zal", zeide Pwyll.
+
+En de beide koningen versterkten de vriendschap die tusschen hen
+bestond en zonden elkander rijke geschenken van paarden en honden en
+juweelen; en tot herinnering aan het avontuur voerde Pwyl voortaan
+den titel van "Heer van Annwn".
+
+
+
+Het huwelyk van Pwyll en Rhiannon.
+
+
+Dicht bij het kasteel van Narberth, waar Pwyll zijn hof hield, was een
+berg, genaamd de Berg van Arberth; wie er op zat, zoo werd geloofd,
+zou een vreemd avontuur hebben; òf hij zou slagen en wonden krijgen,
+òf hij zou een wonder zien. Op zekeren dag toen al zijn edelen te
+Narberth bijeen waren voor een feest verklaarde Pwyll, dat hij op
+den berg zou gaan zitten en afwachten wat er zou gebeuren.
+
+Hij deed aldus en na een poos zag hij op den weg die naar den berg
+voerde, een vrouw naderen, gekleed in gewaden die als goud glansden
+en gezeten op een zuiver wit paard. "Is er onder u iemand, die deze
+vrouw kent?" vroeg Pwyll aan zijn mannen. "Daar is er geen", zeiden
+zij. "Gaat haar dan te gemoet en vraagt wie zij is!" Maar toen zij
+naar de vrouw toe reden, ging zij terug, en hoe snel zij ook reden,
+zij bleef steeds op denzelfden afstand van hen, hoewel zij nooit van
+den rustigen gang scheen af te wijken, dien zij in den beginne al
+naderend had aangenomen.
+
+Herhaaldelijk trachtte Pwyll de vrouw te laten inhalen en ondervragen,
+maar het was alles te vergeefs--niemand kon dicht bij haar komen.
+
+Den volgenden dag beklom Pwyll weer den berg en andermaal naderde de
+schoone vrouw op haar wit ros. Nu zette Pwyll zelf haar achterna, maar
+zij wendde zich voor hem om, zooals zij voor zijn dienaren had gedaan,
+totdat hij ten slotte riep: "O jonkvrouw, ter wille van hem dien gij
+het meest lief hebt, blijf". "Ik zal gaarne blijven", zeide zij,
+"en het zou beter zijn geweest voor uw paard, indien gij het lang
+geleden hadt gevraagd".
+
+Pwyll ondervroeg haar toen aangaande de oorzaak van haar komst en
+zij zeide: "Ik ben Rhiannon, de dochter van Hevydd Hen [228] en men
+wilde mij aan een echtgenoot geven tegen mijn zin. Maar ik wilde geen
+echtgenoot hebben en dat wel omdat ik u lief heb; en ik wil er ook
+nog geen hebben indien ge mij afwijst." "Bij den hemel!" zeide Pwyll,
+"als ik kon kiezen onder al de vrouwen en jonkvrouwen van de wereld,
+u zou ik kiezen."
+
+Zij komen nu overeen dat Pwyll haar over een jaar zou komen opeischen
+in het paleis van Hevydd Hen.
+
+Pwyll hield zijn afspraak en kwam met een gevolg van honderd ridders
+en vond een prachtig maal voor hem in gereedheid en hij zat naast
+zijn dame, met haar vader aan den anderen kant. Terwijl zij aten
+en praatten kwam een lange jongeling met bruin haar en koninklijke
+houding, in satijn gekleed, die Pwyll en zijn ridders begroette. Pwyll
+noodigde hem uit te gaan zitten. "Neen, ik ben gekomen om u een
+gunst te vragen:" "Wat gij verlangt, zult gij hebben," zeide Pwyll
+argeloos, "als het in mijn macht is." "O," riep Rhiannon, "waarom
+gaaft gij dat antwoord?" "Gaf hij het niet ten aanhoore van al deze
+edelen?" zeide de jongeling; "en nu is de gunst die ik vraag uw bruid
+Rhiannon te hebben en het feestmaal dat hier is aangerecht." Pwyll
+zweeg. "Zwijg zoolang ge wilt," zeide Rhiannon. "Nooit gebruikte een
+man zijn verstand slechter dan gij hebt gedaan." Zij vertelt hem,
+dat de bruinharige jonge man Gwawl is, zoon van Clud, en dat hij de
+minnaar is voor wien zij was gevlucht naar Pwyll.
+
+Pwyll is door zijn woord gebonden en Rhiannon verklaart, dat het
+feestmaal niet aan Gwawl kan worden gegeven, want dat is niet in
+Pwyll's macht, maar dat zij zelf over een jaar zijn bruid zal zijn;
+Gwawl zal haar dan komen opeischen en er zal dan weer een feestmaal
+worden gereed gemaakt. Inmiddels beraamt zij een plan met Pwyll en
+geeft hem een tooverzak, waarvan hij gebruik zal maken als de tijd
+daar is.
+
+Een jaar verstreek. Gwawl kwam overeenkomstig de afspraak en
+wederom werd een groot maal aangericht, waaraan hij en niet Pwyll
+de eereplaats had. Maar terwijl het gezelschap pret maakte kwam een
+bedelaar, gekleed in lompen en met oude zware schoenen, in de zaal:
+hij droeg een zak zooals bedelaars plegen te doen. Nederig vroeg hij
+een gunst van Gwawl. Het was alleen dat men hem van het maal eten zou
+geven, zijn zak vol. Vroolijk stemde Gwawl toe en een dienaar ging
+den zak vullen. Maar hoeveel er ook werd in gestopt, hij werd niet
+voller--gaandeweg waren al de goede dingen op tafel er in gegaan;
+en Gwawl riep ten slotte: "Bij mijn ziel, zal die zak nooit vol
+worden?" "Dat zal hij niet, dat zweer ik," antwoordde Pwyll--want hij
+was natuurlijk de vermomde bedelaar--"tenzij de een of andere man rijk
+aan land en geld in den zak met zijn voeten stampt en zegt: "Genoeg
+is hierin gedaan." Rhiannon drong bij Gwawl aan, dat hij een eind zou
+maken aan de vraatzucht van den zak. Hij stopte zijn beide voeten er
+in, onmiddellijk trok Pwyll de randen van den zak over het hoofd van
+Gwawl en bond hem vast. Toen blies hij op zijn hoorn; de ridders, die
+hem waren gevolgd en die zich buiten hadden verborgen, snelden toe en
+namen de volgelingen van Gwawl gevangen. "Wat is in den zak?" riepen
+zij en anderen antwoordden. "Een das" en nu speelden zij het spel van
+"Das in den zak," sloegen er op en schopten hem door de zaal.
+
+Eindelijk hoorde men een stem uit den zak. "Heer," riep Gwawl,
+"hoor mij toch; ik verdien niet in een zak te worden gedood." "Hij
+spreekt de waarheid," zeide Hevydd Hen.
+
+Men kwam nu overeen, dat Gwawl aan Pwyll de middelen zou verschaffen om
+al de smeekelingen en minstreels, die op de bruiloft zouden komen, te
+voldoen en dat hij van Rhiannon zou afzien en nimmer wraak zou zoeken
+voor hetgeen hem was aangedaan. Dit werd door borgtochten bevestigd,
+Gwawl en zijn mannen werden in vrijheid gesteld en gingen naar hun
+eigen gebied. En Pwyll huwde Rhiannon en gaf aan allen vorstelijke
+geschenken; en ten slotte, toen het maal was afgeloopen, reisde het
+paar naar het paleis van Narberth in Dyfed, waar Rhiannon aan al de
+edelen en hun vrouwen in haar nieuw land een ring, of een armband, of
+een kostbaren steen schonk; en zij regeerden over het land in vrede,
+zoowel dat jaar als het volgende. Maar zooals de lezer zal zien,
+hebben we nog niet afgedaan met Gwawl.
+
+
+
+Riannon's boete.
+
+
+Nu was Pwyll nog zonder een erfgenaam voor den troon en zijn edelen
+drongen er op aan dat hij een andere vrouw zou nemen. "Geef ons nog een
+jaar," zeide hij, "en als er dan nog geen erfgenaam is, zal geschieden
+naar uw wensch." Voor dat het jaar om was werd hun te Narberth een
+zoon geboren. Maar hoewel zes vrouwen waakten om op moeder en kind te
+passen, gebeurde het tegen den morgen dat zij allen in slaap vielen,
+en Rhiannon sliep ook, en toen de vrouwen wakker werden, ziet, toen was
+het kind weg! "Wij zullen daarvoor verbrand worden," zeiden de vrouwen
+en in hun angst beraamden zij een vreeselijk plan: zij doodden het pas
+geworpen jong van een jachthond en legden de beenderen bij Rhiannon,
+wier gelaat en handen zij, in haar slaap, met bloed besmeerden; en
+toen zij wakker werd en naar haar kind vroeg, zeiden zij dat zij het
+'s nachts had verslonden en hen met woeste kracht had bedwongen toen
+zij het haar hadden willen beletten--en wat zij ook zeide en deed,
+de zes vrouwen hielden hun verhaal vol.
+
+Toen het Pwyll ter oore kwam wilde hij Rhiannon niet verstooten,
+zooals zijn edelen hem nu weer verzochten te doen, maar een boete
+werd haar opgelegd--namelijk dat zij elken dag zou zitten bij de
+afstijgplaats van de poort van het kasteel, het verhaal doen aan
+elken vreemdeling die kwam, en aanbieden hen op haar rug naar het
+kasteel te dragen. En dat deed zij een deel van het jaar.
+
+
+
+Pryderi wordt gevonden.
+
+
+Nu leefde er in dien tijd een man genaamd Teirnyon van Gwent Is Coed,
+die de mooiste merrie van de wereld had, maar zij had een ongeluk,
+dat hoewel zij elken eersten Meinacht een veulen wierp, niemand ooit
+wist wat er van de veulens werd. Ten laatste besloot Teirnyon achter
+de waarheid te komen en den eersten nacht, dat de merrie zou werpen,
+wapende hij zich en waakte in den stal. De merrie wierp en het veulen
+ging staan en Teirnyon bewonderde de grootte en de schoonheid er
+van, toen hij buiten een groot geraas hoorde en een lange arm in
+een klauw eindigend werd door het stalraam gestoken en pakte het
+veulen. Teirnyon sloeg dadelijk met zijn zwaard op den arm, dien hij
+van den elleboog scheidde zoodat hij naar binnen viel met het veulen,
+en men hoorde buiten groot gejammer en rumoer. Hij snelde naar buiten,
+de deur achter zich open latend, maar door de duisternis van den nacht
+kon hij niets zien en hij volgde een poos het rumoer. Toen kwam hij
+terug en ziet, bij de deur vond hij een kind gewikkeld in luren en
+in een mantel van satijn. Hij nam het kind op en bracht het naar zijn
+slapende vrouw. Zij had geen kinderen en zij had het kind lief zoodra
+zij het zag en maakte haar dienstmaagden wijs dat zij zelf het gebaard
+had. En zij noemden het Gwri met het gouden haar, want zijn haar was
+goudgeel; en het groeide zoo sterk dat het na twee jaren zoo groot
+en stevig was als een kind van zes jaren; en weldra werd het veulen,
+dat dien nacht was geworpen, gezadeld en hem te berijden gegeven.
+
+Terwijl dit plaats had, hoorde Teirnyon het verhaal van Rhiannon
+en haar straf. En toen de knaap opgroeide, bekeek hij zijn gelaat
+aandachtig en hij zag dat het kind de trekken had van Pwyll, Vorst
+van Dyfed. Hij vertelde dit aan zijn vrouw en zij kwamen overeen het
+kind naar Narberth te brengen, en dat Rhiannon van haar boete zou
+worden ontheven.
+
+Toen zij het kasteel naderden, Teirnyon met twee ridders en het kind op
+zijn veulen, zat Rhiannon bij de afstijgplaats. "Mannen", zeide zij,
+"gaat niet verder aldus: ik zal ieder van u het paleis binnen dragen,
+en dat is mijn boete, omdat ik mijn eigen zoon doodde en opat." Maar
+zij wilden niet gedragen worden en gingen naar binnen. Pwyll was blijde
+Teirnyon te zien en bereidde hem een maal. Later vertelde Teirnyon aan
+Pwyll en Rhiannon het avontuur van den man en het veulen en hoe zij
+het kind hadden gevonden. "En zie, hier is uw zoon, vrouwe", zeide
+Teirnyon, "en wie die leugen over u vertelde deed verkeerd." Allen
+aan tafel herkenden den knaap onmiddellijk als het kind van Pwyll,
+en Rhiannon riep: "Ik zweer, dat als dit zoo is, er een eind is aan
+mijn onrust." En een der hoofden Pendaran zeide: "Terecht hebt gij
+uw zoon Pryderi (onrust) genoemd en hem past wel de naam van Pryderi,
+zoon van Pwyll, Heer van Annwn." Men kwam overeen dat het kind Pryderi
+zou heeten en zoo werd hij voortaan genoemd.
+
+Teirnyon reed naar huis, overladen met betuigingen van dank, liefde
+en blijdschap; en Pwyll bood hem rijke geschenken aan van paarden en
+juweelen en honden, maar hij wilde geen enkel aannemen. En Pryderi
+werd opgevoed zooals het voor een koningszoon paste, in alle edele
+gebruiken en kundigheden, en toen zijn vader Pwyll stierf, regeerde
+hij in zijn plaats over de Zeven Staten van Dyfed. En hij breidde die
+uit met vele schoone gebieden en hij nam ten slotte tot vrouw Kicra,
+dochter van Gwynn Gohoyw, die afstamde van het geslacht van Vorst
+Casnar van Brittannië.
+
+
+
+
+Het verhaal van Bran en Branwen.
+
+
+Bendigeid Vran, of "Bran de gezegende"--met dezen laatsten naam zullen
+wij hem hier noemen--bevond zich eens, toen hij Koning was geworden
+van het Eiland der Machtigen (Brittannië), in zijn hof te Harlech. En
+hij had bij zich zijn broeder Manawyddan zoon van Llyr, en zijn zuster
+Branwen, en de twee zonen, Nissyen en Evnissyen, die Penardun, zijn
+moeder, aan Eurosswyd had gebaard. Nu was Nissyen een zachtaardig
+jongeling, die vrede placht te stichten onder zijn verwanten en hen
+er toe bracht bevriend te worden wanneer hun toorn het hevigst was;
+maar Evnissyen hield van niets zoozeer dan vrede in twist en strijd
+te doen verkeeren.
+
+Op zekeren namiddag, toen Bran, zoon van Llyr, op de rots van Harlech
+naar de zee zat te kijken, zag hij dertien schepen bij gunstigen wind
+snel van den kant van Ierland naderen. Zij waren vroolijk opgetuigd,
+van de masten wapperden gekleurde vlaggen en toen zij dichtbij waren,
+kon men op het voorste schip een man zien staan die een schild met
+de punt naar boven droeg, ten teeken van vrede [229].
+
+Toen de vreemdelingen landden, begroetten zij Bran en legden zij
+de reden van hun komst uit. Matholwch [230], Koning van Ierland,
+bevond zich bij hen; de schepen waren de zijne en hij was gekomen
+om de hand te vragen van Bran's zuster, Branwen, opdat Ierland en
+Brittannië samen zouden zijn verbonden en beiden machtiger zouden
+worden. "Nu was Branwen een van de drie voornaamste vrouwen van het
+eiland en zij was de schoonste jonkvrouw van de wereld."
+
+De Ieren werden gastvrij onthaald en, na zijn edelen te hebben
+geraadpleegd, kwam Bran overeen zijn zuster aan Matholwch te geven. De
+bruiloft zou te Aberffraw worden gehouden en het gezelschap kwam
+voor het feest in tenten bijeen, omdat in geen huis plaats was voor
+de reuzengestalte van Bran. Zij dronken en waren vroolijk in vrede
+en vriendschap en Branwen werd de vrouw van den Ierschen Koning.
+
+Den volgenden dag kwam Evnissyen bij toeval daar waar de paarden van
+Matholwch op een rij stonden en hij vroeg van wien ze waren. "Het
+zijn de paarden van Matholwch, die met uw zuster is getrouwd." "En
+heeft men aldus gehandeld met een maagd zooals zij", sprak hij, "en
+bovendien mijn zuster, haar uithuwelijkend zonder mijn toestemming? Zij
+konden mij geen grooter beleediging aandoen." Hierop snelde hij naar
+de paarden, sneed hun de lippen af, de ooren en de staarten, en waar
+hij de oogleden kon beet krijgen, sneed hij die af tot op het been.
+
+Toen Matholwch vernam wat er gebeurd was, was hij zoowel vertoornd
+als verbijsterd en hij gelastte zijn mannen zee te kiezen. Bran zond
+boden om te vernemen wat er was voorgevallen en toen hij was ingelicht
+zond hij Manawyddan en twee anderen om verontschuldigingen aan te
+bieden. Matholwch zou voor elk mishandeld paard een gaaf paard krijgen
+en bovendien een zilveren staf zoo groot als hij zelf en een gouden
+schotel zoo groot als zijn gezicht. "En laat hij bij mij komen",
+voegde hij er bij, "en wij zullen vrede maken op de wijze zooals
+hij dat verlangt". Maar wat Evnissyen aangaat, hij was de zoon van
+Bran's moeder en Bran kon hem daarom niet ter dood brengen, zooals
+hij verdiende.
+
+
+
+
+De tooverketel.
+
+
+Matholwch nam deze voorwaarden aan, maar niet met groote opgewektheid,
+en Bran bood hem nu nog een schat aan, namelijk een tooverketel,
+die de eigenschap had dat als een gedood man daarin werd geworpen,
+hij er levend en gezond weer uitkwam, maar hij zou niet kunnen
+spreken. Matholwch en Bran onderhielden zich nu over den ketel, die
+oorspronkelijk, naar het schijnt, uit Ierland kwam. Er was een meer
+in dat land dicht bij een burcht (zeker een tooverburcht), geheeten
+het Meer met den Ketel. Hier had Matholwch eens een leelijken langen
+kerel ontmoet met een vrouw grooter dan hij zelf, en de ketel was aan
+zijn rug vastgemaakt. Zij traden in dienst van Matholwch. Zes weken
+daarna bracht de vrouw een zoon ter wereld, die een geheel gewapend
+krijgsman was. Wij moeten blijkbaar aannemen dat dit elke zes weken
+gebeurde, want tegen het einde van het jaar, had dit zonderlinge paar,
+die een oorlogsgod en godin schijnen te zijn, een aantal kinderen,
+die zich door hun voortdurende twisten en gewelddadigheden in het
+geheele land gehaat maakten. Om van hen af te komen liet Matholwch
+ten slotte een huis van ijzer maken en hij lokte hen er in. Toen liet
+hij de deur grendelen en kolen om de muren opstapelen en witgloeiend
+maken, in de hoop de familie levend te verbranden. Maar zoodra de
+ijzeren muren witgloeiend en week waren geworden, drongen de man en
+de vrouw er doorheen en ontkwamen, maar de kinderen bleven achter
+en kwamen om. Bran vertelde toen de geschiedenis verder. De man, die
+ Llassar Llaesgyvnewid was geheeten en zijn vrouw Kymideu Kymeinvoll,
+ staken over naar Brittannië, waar Bran hen opnam, en als dank voor
+ zijn vriendelijkheid gaven zij hem den ketel. En sedert dien hadden
+ zij het land bevolkt met hun afstammelingen, die overal voorspoed
+ hadden en in goed versterkte burchten woonden en de beste wapens
+ hadden die men ooit zag.
+
+Zoo kreeg dan Matholwch den ketel tegelijk met zijn vrouw en zeilde
+ terug naar Ierland, waar Branwen de edelen en edelvrouwen van het
+ land onthaalde en elk bij hun vertrek, "een gesp, of een ring,
+ of een vorstelijk juweel schonk, wat deftig stond als men bij het
+ heengaan er mee werd gezien." En toen het jaar om was baarde Branwen
+ Matholwch een zoon, die Gwern werd geheeten.
+
+
+
+
+De straf van Branwen.
+
+
+Nu komt iets onbegrijpelijks in het verhaal. Eerst in het tweede jaar,
+naar het schijnt, werden de mannen van Ierland verontwaardigd over
+de beleediging door Evnissyen hun Koning aangedaan, en zij namen
+wraak door Branwen tot keukenmeid te degradeeren en zij lieten den
+slager haar elken dag een klap om de ooren geven. Zij verboden ook
+alle schepen en veerbooten naar Cambria over te steken en ieder die
+van daar naar Ierland kwam werd gevangen genomen, opdat geen bericht
+over de slechte behandeling van Branwen Bran ter oore zou komen. Maar
+Branwen kweekte een jongen spreeuw op in een hoek van haar baktrog,
+en op zekeren dag bond zij den vogel een brief onder de vleugels en
+leerde hem wat hij doen moest. Hij vloog naar Brittannië en toen hij
+Bran aantrof te Caer Seiont in Arvon, ging hij op zijn schouders
+zitten, en sloeg met zijn veeren en de brief werd gevonden en
+gelezen. Onmiddellijk maakte Bran zich gereed tot een grooten strijd
+met Ierland, en zeilde daarheen met een vloot, terwijl hij zijn land
+liet onder de hoede van zijn zoon Caradawc en zes andere hoofden.
+
+
+
+
+
+Bran's inval.
+
+
+Weldra kwamen boden Matholwch vertellen van een wonderlijk schouwspel
+dat zij hadden gezien; op de zee groeide een bosch en naast het
+bosch een berg met een hoogen rug in het midden en twee meren, een
+aan elken kant. En bosch en berg bewogen zich naar de Iersche kust
+toe. Branwen wordt geroepen om zoo zij kon te verklaren wat dit
+beduidde. Zij vertelt hen dat het bosch is de masten en raas van
+de Britsche vloot en de berg is Bran, haar broeder, die in ondiep
+water komt, "want geen schip kan hem bergen"; de rug is zijn neus
+en de meren zijn beide oogen [231].
+
+De Koning van Ierland en zijn edelen gaan onmiddellijk samen te rade,
+hoe zij dit gevaar zullen afwenden en zie hier wat zij besloten: Een
+groote zaal zou worden gebouwd, groot genoeg om Bran te bevatten--dit
+zou, zoo hoopte men, hem doen bedaren--daar zou een groot feestmaal
+voor hem en zijn mannen worden aangerecht en Matholwch zou hem het
+koninkrijk Ierland afstaan en hem huldigen. Dit alles geschiedde op
+raad van Branwen. Maar de Ieren bedachten er iets listigs bij. Aan
+elke twee haken van elk der honderd pijlers in de zaal zouden twee
+leeren zakken worden gehangen, elk met een gewapend krijgsman er in
+gereed de gasten aan te vallen wanneer het oogenblik zou zijn gekomen.
+
+
+
+De meelzakken.
+
+
+Evnissyen echter dwaalde door de zaal vóór de overige gasten en de
+toebereidselen tot het maal "met woeste blikken" bekijkend, zag hij
+de zakken die van de pylers afhingen. "Wat is er in dien zak?" vroeg
+hij aan een der Ieren. "Meel, goede heer", zeide de Ier. Evnissyen
+legde zijn hand op den zak en tastte met zijn vingers totdat hij
+kwam aan het hoofd van den man die er in was. Toen "drukte hij het
+hoofd plat totdat hij voelde dat zijn vingers door de beenderen in
+de hersens samen kwamen". Hij ging naar den volgenden zak en deed
+dezelfde vraag. "Meel", zeide de Iersche dienaar, maar Evnissyen
+verpletterde ook het hoofd van dezen krijgsman en zoo deed hij met
+al de tweehonderd zakken. Zelfs met een krijgsman wiens hoofd was
+bedekt met een ijzeren helm.
+
+Toen begon het feestmaal en er heerschte vrede en eendracht
+en Matholwch legde de oppermacht over Ierland neer, die werd
+overgedragen op den knaap Gwern. En allen liefkoosden het mooie
+kind, totdat hij bij Evnissyen kwam, die hem eensklaps greep en in
+het brandend haardvuur wierp. Branwen had hem willen naspringen,
+maar Bran hield haar tegen. En toen wapende men zich vlug en er
+was rumoer en geschreeuw en de Iersche en Britsche krijgers werden
+handgemeen en vochten tot dat het nacht werd.
+
+
+
+Dood van Evnissyen.
+
+
+Maar 's nachts maakten de Ieren den tooverketel warm en wierpen daarin
+de lijken van hun dooden, die er den volgenden dag weer gezond uit
+kwamen, maar stom. Toen Evnissyen dat zag, werd hij door wroeging
+aangegrepen, omdat hij de mannen van Brittannië in zulk een benarden
+toestand had gebracht. "Wee mij zoo ik geen uitweg vind". En hij
+verborg zich onder de Iersche dooden en werd met de overigen in den
+ketel geworpen aan het eind van den tweeden dag en hij rekte zich
+zoo uit dat hij den ketel in vier stukken scheurde, en zijn eigen
+hart barstte van de inspanning en hij stierf.
+
+
+
+Het wonderlijke hoofd.
+
+
+Ten slotte werden al de Ieren gedood en al de Britten op zeven
+na, behalve Bran, die door een giftigen pijl aan den voet werd
+gewond. Tot de zeven behoorden Pryderi en Manawyddan. Toen beval
+Bran hen zijn hoofd af te snijden: "En neem het met u", zeide hij,
+"naar Londen en begraaf het daar in den Witten Berg [232], die naar
+Frankrijk is gekeerd, en zoolang het daar is zal geen vreemdeling
+in het land vallen. Op de reis zal het Hoofd met u spreken en even
+prettig gezelschap zijn als ooit in leven. Te Harlech zult gij zeven
+jaar feest vieren en de vogelen van Rhiannon zullen voor u zingen. En
+te Gwales in Penvro zult ge tachtig jaren feest vieren en het Hoofd
+zal tot u spreken en in goeden staat zijn totdat ge de deur open doet
+die naar Cornwallis is gekeerd. Daarna moogt ge niet langer toeven,
+en moet ge naar Londen reizen en het Hoofd begraven."
+
+Toen sneden de zeven Bran's hoofd af en vertrokken met Branwen,
+om zijn bevel op te volgen. Maar toen Branwen te Aber Alaw landde,
+riep zij: "Wee mij dat ik ooit werd geboren; twee eilanden zijn om
+mij verwoest." En zij gaf een diepe zucht en haar hart brak. Zij
+maakten een vierhoekig graf voor haar aan de oevers van de Alaw en
+de plek werd _Ynys Branwen_ genoemd tot op dezen dag [233].
+
+De zeven bevonden, dat tijdens Bran's afwezigheid Cawallan, zoon
+van Beli, Brittannië had veroverd en de zes kapiteins van Caradawc
+gedood. Door tooverkunst had hij over Caradawc den Sluier der
+Begoocheling geworpen en Caradawc zag alleen het zwaard, dat steeds
+doodde, maar niet hem die het voerde, en zijn hart brak van droefheid
+bij dien aanblik.
+
+Zij gingen toen naar Harlech en bleven daar zeven jaren luisterend
+naar het gezang van Rhiannon's vogelen--"al de zangen die zij ooit
+hadden gehoord, waren in vergelijking daarmee onaangenaam." Toen
+gingen zij naar Gwales in Penvro en vonden een mooie en ruime zaal,
+met het uitzicht op zee. Toen zij die binnentraden vergaten zij al het
+verdriet van het verleden en al wat hun wedervaren was en zij bleven
+daar tachtig jaren in vreugde en pret, terwijl het wonderlijke Hoofd
+met hen sprak alsof het leefde. En barden noemen dit "het Onthaal van
+het Edele Hoofd." Er waren drie deuren in de zaal en een er van die
+naar Cornwallis en Aber Henvelyn was gekeerd, was gesloten, maar de
+twee andere waren open. Toen de tijd was verstreken, zeide Heilyn,
+zoon van Gwyn:
+
+"Wee mij, als ik niet de deur open om te zien of waar is wat
+gezegd werd." En hij opende de deur en onmiddellijk overvielen hun
+herinnering en verdriet en zij vertrokken dadelijk naar Londen en
+begroeven het Hoofd in den Witten Berg, waar het bleef totdat Arthur
+het opgroef, want hij wilde dat het land alleen door den sterken arm
+zou worden verdedigd. En dit was "de Derde Noodlottige Onthulling"
+in Brittannië.
+
+Aldus besluit dit woeste verhaal, blijkbaar vol mythologische
+elementen, waartoe de sleutel lang verloren is geraakt. De trekken
+van Noorsche wreedheid die er in voorkomen hebben sommige critici
+doen vermoeden dat het zijn tegenwoordigen vorm kreeg onder den
+invloed van de Noorsche of IJslandsche literatuur. Het karakter van
+Evnissyen kan ongetwijfeld steun geven aan deze gissing. De typische
+kwaadstoker komt natuurlijk in zuiver Keltische sagen voor, maar
+gewoonlijk niet met den heldhaftigen trek die bij Evnissyen's einde
+uitkomt, ook bereikt de Iersche "giftige tong" lang niet denzelfden
+graad van demonische boosaardigheid.
+
+
+
+Het verhaal van Pryderi en Manawyddan.
+
+
+Na de gebeurtenissen in de vorige verhalen trokken Pryderi en
+Manawyddan zich terug in het gebied van eerstgenoemde en Manawyddan
+nam tot vrouw Rhiannon, de moeder van zijn vriend. Daar leefden
+zij gelukkig en voorspoedig totdat op zekeren dag toen zij waren
+op den Gorsedd, of Hoogte, bij Narberth, een donderslag werd
+gehoord en er viel een dikke mist zoodat niets in de ronde kon
+worden gezien. Toen de mist optrok, ziet, toen lag het land kaal
+voor hen--geen huizen en menschen, vee en oogst was te zien, alles
+was verlaten en onbewoond. Het paleis van Narberth stond er nog,
+maar ledig en verlaten--niemand was overgebleven dan Pryderi en
+Manawyddan en hun vrouwen Kicva en Rhiannon.
+
+Zij leefden twee jaren van de voorraden die zij hadden en van de buit
+die zij doodden en van wilden honing; en toen begonnen zij het moede
+te worden. "Laat ons naar Lloegyr [234] gaan", zeide toen Manawyddan
+"en het een of andere werk zoeken om in ons onderhoud te voorzien". En
+zij gingen naar Hereford en vestigden zich daar, en Manawyddan en
+Pryderi begonnen zadels en tuigen te maken en Manawyddan versierde die
+met blauw email, zooals hij dat geleerd had van een groot ambachtsman,
+Llassar Llaesgywydd. Na eenigen tijd echter, toen de andere zadelmakers
+van Hereford merkten dat niemand ander werk wilde koopen dan dat van
+Manawyddan, spanden zij samen om hem te dooden. En Pryderi had met
+hen willen vechten, maar Manawyddan vond het beter ergens anders heen
+te gaan en aldus geschiedde.
+
+Zij vestigden zich nu in eene andere stad, waar zij schilden
+maakten, zooals men nooit gezien had, en ook hier werden zij door
+de concurreerende handwerkslieden verdreven. Hetzelfde geschiedde
+nog in een andere stad, waar zij schoenen maakten; en ten slotte
+besloten zij naar Dyfed terug te gaan. Zij hielden hun honden bij
+zich en leefden als tevoren van de jacht.
+
+Eens joegen zij een wit everzwijn op en zetten het te vergeefs
+na totdat het hen voerde naar een groot en hoog kasteel, geheel
+nieuw gebouwd op een plek waar zij nooit te voren een gebouw hadden
+gezien. Het zwijn liep het kasteel binnen, de honden volgden en,
+tegen den raad in van Manawyddan, die wist dat er tooverij in het
+spel was, ging Pryderi naar binnen om de honden te halen.
+
+Hij vond in het midden van het binnenplein een marmeren fontein en
+daarnaast stond op een marmeren plaat een gouden kom. Getroffen door
+de rijke bewerking van de kom, pakte hij die op om ze te bekijken;
+hij kon zijn hand niet wegtrekken en geen enkel geluid voortbrengen,
+maar bleef daar als aan den grond genageld en stom naast de fontein.
+
+Manawyddan ging terug naar Narberth en vertelde Rhiannon wat er
+gebeurd was. "Een slecht makker zijt gij geweest", zeide zij, "en een
+goed makker hebt gij verloren". Den volgenden dag ging zij zelf het
+kasteel doorzoeken. Zij vond Pryderi nog altijd de kom vasthoudend
+en niet in staat te spreken. Nu greep ook zij de kom, waarna haar
+hetzelfde lot trof, en onmiddellijk daarna kwam een donderslag en er
+viel een dikke mist en toen die optrok was het kasteel verdwenen met
+al wat het bevatte, met inbegrip van de twee betooverden.
+
+Manawyddan keerde nu terug naar Narberth, waar nu nog alleen Kicva,
+Pryderi's vrouw, was overgebleven. En toen zij zag dat zij en
+Manawyddan alleen waren, "was zij zoo bedroefd, dat het haar niet
+schelen kon of zij leefde of stierf". Toen Manawyddan dat zag, zeide
+hij tot haar: "Gij doet verkeerd zoo bedroefd te zijn, indien dat
+uit vrees voor mij is. Ik verzeker u, dat al ware ik in den bloei
+der jeugd ik den trouw jegens Pryderi zou bewaren en dat zal ik ook
+jegens u". "De Hemel beloone u", zeide zij, "en ik had dat van u
+verwacht". En nu vatte zij moed en was blijde.
+
+Kicva en Manawyddan trachtten nu opnieuw zich te onderhouden door
+in Lloegyr schoenen te maken, maar dezelfde vijandelijkheid dreef
+hen terug naar Dyfed. Ditmaal echter nam Manawyddan een vracht
+tarwe mede en hij zaaide die en maakte drie velden gereed voor een
+tarwe-oogst. Zoo verging de tijd tot de velden rijp waren. En hij
+keek naar een er van en zeide: "Dat zal ik morgen maaien". Maar toen
+hij vroeg in den grauwen dagraad kwam, vond hij niets dan stroo--elke
+aar was van de schacht afgesneden en meegenomen.
+
+Den volgenden dag geschiedde hetzelfde met het tweede veld. Maar
+den daarop volgenden dag wapende hij zich en hield de wacht bij
+het derde veld om te zien wie kwam plunderen. Te middernacht toen
+hij waakte hoorde hij een groot geraas, en ziet, een talrijk heir
+van muizen kwam het veld overstroomen; elk klom op een schacht en
+knabbelde aan de aren en ging er mee van door. Boos joeg hij ze weg,
+maar zij vluchtten veel sneller dan hij kon loopen, alle op eén na,
+die langzamer in haar bewegingen was; hij slaagde er in die in te
+halen, bond haar in zijn handschoen, nam ze mee naar Narberth en
+vertelde Kicva wat er was gebeurd. "Morgen", zeide hij, "zal ik den
+dief dien ik heb gepakt, ophangen", maar Kicva achtte het beneden
+zijn waardigheid wraak te nemen op een muis.
+
+Den volgenden dag ging hij naar den Berg van Narberth en stelde op het
+hoogste punt twee palen op voor een galg. Terwijl hij daarmede bezig
+was, kwam een arme scholier naar hem toe, en hij was de eerste mensch
+dien Manawyddan in Dyfed had gezien, zijn eigen makkers uitgezonderd,
+sedert de betoovering begon.
+
+De scholier vroeg hem wat hij ging doen en verzocht hem de muis los
+te laten. "Het past een man van uw rang weinig zulk een kruipend dier
+aan te raken." "Ik zal haar niet los laten, bij den Hemel", zeide
+Manawyddan en hij bleef daarbij, hoewel de scholier hem een pond bood,
+om haar vrij te laten. "Het kan mij niet schelen", zeide de scholier;
+"maar ik zou een man van stand niet gaarne zulk een kruipend dier
+zien aanraken" en dit zeggende vervolgde hij zijn weg.
+
+Terwijl Manawyddan bezig was den kruisbalk te plaatsen op de twee palen
+van zijn galg, kwam een priester aanrijden op een getuigd paard en nu
+volgde hetzelfde gesprek. De priester bood drie pond voor het leven
+van de muis, maar Manawyddan weigerde er geld voor te nemen. "Het is
+goed, heer, doe wat gij wilt", zeide de priester, en ook hij ging heen.
+
+Toen deed Manawyddan een strik om den hals van de muis en was op het
+punt die op te trekken, toen hij een bisschop hem zag naderen met
+een groot gevolg van vrachtpaarden en dienaren. En hij hield op en
+vroeg des bisschops zegen. "De zegen des Hemels zij met u", zeide de
+bisschop; "wat waart gij doende?" "Een dief op te hangen", antwoordde
+Manawyddan. De bisschop bood zeven pond, "liever dan een man van
+uw stand een zoo gemeen kruipend dier te zien ombrengen." Manawyddan
+weigerde. Toen werd hem vierentwintig pond geboden, en toen het dubbele
+daarvan, toen al de paarden en het reisgoed van den bisschop--alles te
+vergeefs. "Daar gij het daarvoor niet doen wilt", zeide de bisschop,
+"zeg dan voor welken prijs gij wilt." "Dat wil ik doen", zeide
+Manawyddan; "ik wil de vrijheid van Rhiannon en Prideri." "Die zult
+gij hebben", zeide de (gewaande) bisschop. Daarna vraagt Manawyddan dat
+de betoovering voor altijd van de zeven Gebieden van Dyfed zal worden
+weggenomen en hij dringt er ten slotte op aan, dat de bisschop hem
+zal zeggen wie de muis is en waarom de betoovering over het land was
+gebracht. "Ik ben Llwyd, zoon van Kilcoed", antwoordde de toovenaar,
+"en de muis is mijn vrouw; ware zij niet zwanger, gij zoudt haar
+nooit hebben ingehaald." Hij geeft vervolgens een verklaring die ons
+terugvoert tot de eerste _Mabinogi_ van de Bruiloft van Rhiannon. Het
+land was betooverd geworden om het kwaad te wreken Llwyd's vriend,
+Gwawl zoon van Clud, aangedaan, met wien de vader van Pryderi en
+zijn ridders "Das in den zak" hadden gespeeld aan het hof van Hevydd
+Hen. De muizen waren de edelen en de vrouwen van Llwyd's hof.
+
+De toovenaar moet dan verder beloven, dat geen wraak meer zal worden
+genomen op Pryderi, Rhiannon, of Manawyddan, en toen de twee betooverde
+gevangenen terug waren gegeven, wordt de muis vrij gelaten. Toen raakte
+Llwyd die met een tooverstaf aan en zij veranderde in een jonge vrouw
+"de schoonste die men ooit zag." En rondkijkend zag Manawyddan het
+geheele land bebouwd en bevolkt als in zijn besten staat, en vol
+kudden en woningen. "Welke last," vraagt hij, "was Pryderi en Rhiannon
+opgelegd?" "Pryderi heeft de kloppers van de poort van mijn paleis
+om zijn nek gehad en Rhiannon de halsbanden van de ezels nadat zij
+hooi hadden gedragen." En dat was hun last geweest.
+
+
+
+
+Het verhaal van Math zoon van Mathonwy.
+
+
+Het vorige verhaal was er een van tooverij en vizioenen, waarin het
+mythologisch element slechts zwak is. Het verhaal echter waartoe we nu
+komen, voert ons in een kennelijk mythologische sfeer. Het hoofdmotief
+er van toont ons de Machten van het Licht in strijd met die van de
+Onderwereld om de gewaardeerde bezittingen van deze laatste; in dit
+geval een kudde tooverzwijnen. Bij het begin van het verhaal worden
+wij voorgesteld aan de godheid Math, van wien de bard ons vertelt,
+dat hij niet kon bestaan tenzij zijn voeten lagen in den schoot
+van een maagd, behalve wanneer het land door oorlog wordt beroerd
+[235]. Math wordt gezegd te zijn heer van Gwynedd, terwijl Pryderi
+heerscht over de een-en-twintig gebieden van het zuiden. Bij Math
+waren zijn neven Gwydion en Gilvaethwy zonen van Don, die voor hem in
+het land rechtspraken, terwijl Math lag met de voeten in den schoot
+van de schoonste maagd van het land en van haar tijd, Goewin dochter
+van Pebin van Dol Pebin in Arvon.
+
+
+
+Gwydion en de zwijnen van Pryderi.
+
+
+Gilvaethwy werd smoorlijk verliefd op Goewin en vertrouwde het
+geheim toe aan zijn broeder. Gwydion nam op zich hem te verschaffen
+wat hij begeerde. Hij ging dus op zekeren dag tot Math en vroeg van
+hem vergunning zich tot Pryderi te begeven en van hem te vragen als
+geschenk, voor Math, een kudde zwijnen hem geschonken door Arawn Koning
+van Annwn. "Het zijn beesten," zeide hij, "zooals men die te voren op
+dit eiland niet kende... hun vleesch is beter dan dat van ossen." Math
+heette hem te gaan en hij en Gilvaethwy vertrokken met tien makkers
+naar Dyfed. Zij gingen naar het paleis van Pryderi als barden vermomd
+en Gwydion werd, na te zijn onthaald aan een maal, verzocht het hof
+een verhaal te doen. Na iedereen met zijn voordracht in verrukking
+te hebben gebracht vroeg hij de zwijnen ten geschenke. Maar Pryderi
+had zich tegenover zijn volk verbonden ze noch te verkoopen, noch
+weg te geven voordat zij in het land het dubbel van hun getal hadden
+voortgebracht. "Maar gij kunt ze toch ruilen," zeide Gwydion, en door
+tooverkunsten bracht hij in een vizioen twaalf prachtig opgetuigde
+paarden en twaalf jachthonden en gaf die aan Pryderi en maakte zich
+zoo gauw hij kon met de zwijnen uit de voeten, "want," zeide hij tot
+zijn makkers, "het vizioen zal niet langer duren dan van dit uur tot
+hetzelfde uur morgen."
+
+Wat beoogd was kwam te gebeuren--Pryderi viel in het land om zijn
+zwijnen terug te krijgen, Math trok gewapend tegen hem op en Gilvaethwy
+greep de gelegenheid aan en maakte Goewin tot zijn vrouw, hoewel zij
+onwillig was.
+
+
+
+
+Dood van Pryderi.
+
+
+De oorlog werd beslist door een tweegevecht tusschen Gwydion
+en Pryderi. "En door kracht en geweld en door de tooverkunst en
+bezweringen van Gwydion, kwam Pryderi om. En te Maen Tyriawc, boven
+Melenryd, werd hij begraven en daar is zijn graf".
+
+
+
+De boete van Gwydion en Gilvaethwy.
+
+
+Toen Math terugkeerde vernam hij wat Gilvaethwy had gedaan en hij
+nam Goewin tot zijn koningin, maar Gwydion en Gilvaethwy werden
+vogelvrij verklaard en woonden aan de grenzen van het land. Ten
+slotte kwamen zij bij Math om hun straf te ondergaan. "Gij kunt mijn
+schande niet goed maken, daargelaten de dood van Pryderi", zeide hij,
+"maar nu gij hier gekomen zijt om u aan mijn wil te onderwerpen,
+zal ik onmiddellijk met uw straf beginnen". En hij veranderde hen in
+herten, met het bevel over een jaar terug te komen.
+
+Zij kwamen op den bepaalden tijd en brachten een jong hert mee. En
+het jonge hert werd in menschelijke gedaante gebracht en gedoopt, en
+Gwydion en Gilvaethwy werden in wilde zwijnen veranderd. Aan het eind
+van het volgend jaar kwamen zij terug met een jong, waarmede geschiedde
+zooals te voren met het jonge hert, en van de broeders werden wolven
+gemaakt. Weer verstreek een jaar; zij kregen hun menschelijken aard
+terug en Math gaf bevel dat zij zouden worden gewasschen en gezalfd
+en rijk gekleed zooals het betaamde.
+
+
+
+De Kinderen van Arianrod: Dylan.
+
+
+Nu rees de vraag van de aanstelling van een nieuwe maagd als
+voet-houdster en Gwydion stelt zijn zuster Anrianrod voor. Zij maakt
+tot dat doel haar opwachting en Math vraagt haar of zij maagd is. "Ik
+weet niet anders heer, dan dat ik het ben", zegt zij. Maar zij schoot
+te kort bij een tooverproef door Math opgelegd en bracht twee zonen
+ter wereld. Een dezer werd Dylan "Zoon van den Golf" genoemd, blijkbaar
+een Kimbrische zee-godheid. Onmiddellijk nadat hij was gedoopt "sprong
+hij in zee en zwom zoo goed als de beste visch.....Onder hem brak nooit
+een golf". Een wilde poëzie der zee omgeeft zijn naam in legenden uit
+Wales. Toen hij stierf, men zegt door de hand van zijn oom Govannon,
+schreiden alle golven van Brittannië en Ierland om hem. Het geraas van
+den in vallenden vloed bij de monding der rivier Conway wordt nog de
+"doodszucht van Dylan" genoemd.
+
+
+
+Llew Llaw Gyffes.
+
+
+Het tweede kind werd door Gwydion gegrepen en onder zijn bescherming
+groot gebracht. Evenals andere zonne-helden, groeide hij zeer snel;
+toen hij vier jaar telde, was hij zoo groot alsof hij acht was en het
+bevalligste kind dat men ooit zag. Op zekeren dag nam Gwydion hem mee
+om zijn moeder Arianrod te bezoeken. Zij haatte de kinderen waardoor
+het onrechtmatige van haar aanspraken aan het licht was gekomen en
+maakte Gwydion verwijten, omdat hij het kind voor haar bracht. "Hoe
+heet hij?", vroeg zij. "Voorwaar", zeide Gwydion, "hij heeft nog geen
+naam". "Dan leg ik hem dit lot op", zeide Anrianrod, "dat hij nooit een
+naam zal hebben voordat ik hem dien geef". Waarop Gwydion in gramschap
+heenging en hij bleef dien nacht in zijn kasteel te Caer Dathyl.
+
+Hoewel het feit uit dit verhaal niet blijkt, moet men in het oog
+houden, dat Gwydion, in de oudere mythologie, de vader is van
+Arianrod's kinderen.
+
+
+
+Hoe Llew aan zijn naam kwam.
+
+
+Hij was besloten een naam te krijgen voor zijn zoon. Den volgenden
+dag ging hij naar het strand beneden Caer Arianrod en nam den jongen
+mee. Hier zette hij zich in een boot en als meester in de tooverkunst
+gaf hij zich het uiterlijk van een schoenmaker en den jongen dat van
+een leerling, en hij begon schoenen te maken uit rietgras en zeewier,
+dat hij deed lijken op leer uit Cordova. Men berichtte Arianrod van
+de verwonderlijke schoenen die een vreemde schoenlapper bezig was te
+maken en zij zond haar maat om een paar te hebben. Gwydion maakte ze te
+groot. Toen zond zij opnieuw en hij maakte ze te klein. Toen ging ze
+zelf om te laten passen. Terwijl dit gebeurde, kwam een tuinkoninkje
+op den mast van de boot zitten en de jongen nam een boog en schoot
+een pijl af, die den poot doorboorde tusschen spier en been. Arianrod
+bewonderde het mooie schot. "Voorwaar", sprak zij, "met een vaste
+hand (_llaw gyffes_) mikte de leeuw (_llew_)". "Geen dank aan u",
+riep Gwydion, "maar nu heeft hij een naam gekregen. Voortaan zal hij
+Llew Llaw Gyffes heeten."
+
+Zooals wij zagen beteekent de naam hetzelfde als het Galisch Lugh
+Lamfada, Lugh (licht) met den Langen Arm; zoodat wij hier een voorbeeld
+hebben van een legende die groeide om een verkeerd begrepen naam,
+geërfd van een half vergeten mythologie.
+
+
+
+Hoe Llew wapens droeg.
+
+
+De schoenen werden onmiddellijk weer rietgras en zeewier, en
+Arianrod, boos omdat zij er was ingeloopen, legde een nieuwen vloek
+op den jongen. "Hij zal nimmer wapens dragen voor dat ik hem er mee
+bedeel." Maar Gwydion ging met den jongen naar Caer Arianrod in de
+gedaante van twee barden en wekte door tooverkunst het vizioen van
+een aanval van gewapende mannen op het kasteel. Arianrod geeft hun
+wapens om de verdedigers te helpen en vindt zich dus opnieuw door
+Gwydion's grootere slimheid bedrogen.
+
+
+
+Llew's Bloem-vrouw.
+
+Toen zeide zij: "Hij zal nimmer een vrouw hebben van het ras dat
+thans de aarde bewoont." Dit deed een moeilijkheid oprijzen die
+zelfs Gwydion's macht te boven ging en hij begaf zich tot Math, den
+oppersten meester in de tooverkunst. "Welnu", zeide Math, "wij zullen,
+gij en ik samen, een vrouw voor hem zien te maken uit bloemen." En
+zij namen de bloesems van den eik en de bloesems van de brem en de
+bloesems van de spirea en vormden daaruit een maagd, zoo schoon en
+bevallig als een man ooit zag. En zij doopten haar en gaven haar den
+naam "Blodeuwedd of Bloem-gezicht." Zij trouwden haar met Llew en
+gaven hem het Dinodig-gebied om over te heerschen, en daar woonden
+Llew en zijn jonge vrouw een seizoen gelukkig en door allen bemind.
+
+
+
+Llew verraden.
+
+
+Maar Blodeuwedd was haar mooien naam en oorsprong niet waardig. Eens
+toen Llew weg was voor een bezoek met Math, kwam een edele, genaamd
+Gronw Pebyr, in de buurt van Llew's paleis jagen en Blodeuwedd beminde
+hem van het oogenblik af dat zij hem zag. Dien nacht sliepen zij
+samen en den volgenden en den daarop volgenden en toen beraamden
+zij hoe voorgoed van Llew af te komen. Maar Llew is, evenals de
+Gothische zonne-held Siegfried, onkwetsbaar, behalve onder bijzondere
+omstandigheden en Blodeuwedd moet van hem te weten komen hoe hij kan
+worden gedood. Zij doet dit, zorg voor zijn welzijn voorwendend. Het
+is een lastig geval. Llew kan alleen worden gedood door een speer
+waaraan een jaar is gewerkt en alleen gedurende de Offerande van de
+Hostie op Zondagen. Verder kan hij niet worden gedood in of buiten
+een huis, te paard of te voet. Het eenige middel is feitelijk, dat
+hij met éen voet zal staan op een dooden bok, met den ander in een
+ketel, die als bad wordt gebruikt met riet overdekt; wordt hij in deze
+houding getroffen door een speer, gemaakt zooals werd aangegeven, dan
+kan de wond noodlottig zijn, anders niet. Na een jaar, waarin Gronw
+aan de speer had gewerkt, vroeg Blodeuwedd Llew haar duidelijker te
+laten zien waartegen zij moest waken en om haar te believen nam hij
+de vereischte houding aan. Gronw, die in een bosch in de buurt op den
+loer was, slingerde de noodlottige speer en de kop, die vergiftigd was,
+drong in Llew's lijf, maar de schacht brak. Toen veranderde Llew in
+een arend en met een harden schreeuw steeg hij hoog op in de lucht
+en werd niet meer gezien. En Gronw nam zijn kasteel en zijn landen
+in bezit, die hij voegde bij zijn eigen.
+
+De berichten hiervan kwamen ten slotte Gwydion en Math ter oore en
+Gwydion maakte zich op om Llew te vinden. Hij kwam bij een zijner
+vassallen, van wien hij vernam dat een zeug, hem toebehoorend, elken
+dag verdween en niet te vinden was, maar geregeld elken nacht thuis
+kwam. Gwydion volgde de zeug, en zij ging ver weg tot het meer sedert
+dien genaamd Nant y Llew, waar zij onder een boom stil hield en begon
+te eten. Gwydion wilde zien wat zij at en hij bevond dat het rottend
+vleesch was, dat een adelaar hoog in den boom gezeten liet vallen
+en het kwam hem voor dat de adelaar Llew was. Gwydion zong hem toe
+en lokte hem gaandeweg den boom af, totdat hij bij zijn knie kwam,
+toen sloeg hij hem met zijn tooverstaf en bracht hij hem weer in de
+gedaante van Llew, maar tot vel en been uitgeteerd--"niemand zag ooit
+een treuriger schouwspel."
+
+
+
+Llew's genezing.
+
+
+Toen Llew genezen was namen hij en Gwydion wraak op hun
+vijanden. Blodeuwedd werd in een uil veranderd en gelast het daglicht
+te schuwen, en Gronw werd gedood door den worp van een speer van Llew,
+die door een steenen plaat ging om hem te bereiken, en de plaat,
+met het gat er in door Llew's speer gemaakt, blijft tot op dezen
+dag aan den oever van de rivier Cynvael te Ardudwy. En Llew nam voor
+den tweeden keer bezit van zijn landen en regeerde voorspoedig zijn
+leven lang.
+
+De vier voorgaande verhalen worden geheeten de Vier Takken van de
+Mabinogi en vormen het oudste en belangrijkste deel van de verzameling
+genaamd het "Mabinogion."
+
+
+
+De droom van Maxen Wledig.
+
+
+De rij der verhalen in het "Mabinogion" volgende, zooals die in
+Nutt's uitgave voorkomen, komen we nu tot een, dat zuiver fictie is,
+zonder eenig mythisch of legendarisch element. Het verhaalt hoe Maxen
+Wledig, Keizer van Rome, een levendigen droom had, waarin hij in een
+vreemd land werd gevoerd, waar hij een koning zag op een ivoren stoel
+gezeten, die met een stalen vijl uit een gouden stang schaakstukken
+sneed. Naast hem zat, op een gouden troon, de schoonste maagd die
+hij ooit had aanschouwd. Toen hij wakker werd was hij verliefd op de
+droommaagd en hij zond overal boden heen om zoo mogelijk te weten te
+komen welk land en volk hem waren verschenen. Zij bleken van Brittannië
+te zijn. Maxen ging daarheen, vrijde naar de maagd en huwde haar. Bij
+zijn afwezigheid werd zijn rijk te Rome door een overweldiger in bezit
+genomen, maar met behulp van zijn Britsche vrienden heroverde hij zijn
+gebied en velen hunner vestigden zich daar met hem, terwijl anderen
+naar Brittannië terugkeerden. Dezen namen vreemde vrouwen mee, maar
+sneden hun, zoo zegt men, de tong af, opdat zij de taal van de Britten
+niet zouden bederven. Zoo oud en machtig was dus de toewijding aan
+hun taal van de Kimbren, van wie de mythische bard Taliesin voorspelde:
+
+
+ "Hun God zullen zij loven,
+ Hun taal zullen zij houden,
+ Hun land zullen zij derven
+ Behalve woest Walia".
+
+
+
+
+Het verhaal van Lludd en Llevelys.
+
+
+Dit verhaal staat in verband met het vorige in de afdeeling getiteld
+Romantische Britsche geschiedenis. Het verhaalt hoe Lludd, zoon
+van Beli, en zijn broeder Llevelys, respectievelijk regeerden over
+Brittannië en Frankrijk en hoe Lludd de hulp van zijn broeder inriep
+om de drie plagen die het land teisterden tot staan te brengen. Deze
+drie plagen waren: ten eerste de aanwezigheid van een demonisch ras
+de Coraniërs geheeten; ten tweede een vreeselijke gil die in elk huis
+in Brittannië den avond vóor Mei gehoord werd en de menschen geweldig
+deed schrikken; ten derde het onverklaarbaar verdwijnen elken nacht
+van alle voorraden in het hof des konings, zoodat niets dat niet
+door de huishouding was gebruikt, den volgenden morgen kon worden
+gevonden. Lludd en Llevelys bespraken deze dingen door een metalen
+buis, want de Coraniërs konden alles hooren wat er gesproken werd,
+wanneer de winden het eenmaal hadden opgevangen--een eigenschap die ook
+werd toegeschreven aan Math, zoon van Mathonwy. Llevelys vernietigde
+de Coraniërs door Lludd een aantal giftige insekten te geven,
+die moesten worden gestampt en over het volk worden uitgestrooid,
+bij een volksverzameling. Deze insekten zouden de Coraniërs dooden,
+maar het volk van Brittannië zou er niet door worden aangetast. De
+gil kwam volgens Llevelys van twee draken die elkaar eens in het jaar
+bevochten. Zij moesten worden gedood, door hen dronken te maken met
+mede, die moest worden gebracht in een kuil, gegraven precies in het
+centrum van Brittannië--bij meting bleek dat te zijn te Oxford. De
+voorraden, zeide Llevelys, werden weggenomen door een reus-toovenaar;
+Lludd wachtte hem op, zooals hem was gelast, en overwon hem in een
+gevecht en maakte hem voortaan tot zijn trouwen vazal. Aldus verlosten
+Lludd en Llevelys het eiland van zijn drie plagen.
+
+
+
+Arthur-verhalen.
+
+
+Wij komen nu tot vijf Arthur-verhalen; een daarvan, dat van Kilhwch
+en Olwen, is de eenige oorspronkelijke Arthur-legende die in de
+literatuur van Wales tot ons is gekomen. De overigen zijn, zooals
+we zagen, meer of minder weerspiegelingen uit de Arthur-literatuur,
+door vreemde handen op het vasteland in woord gebracht.
+
+
+
+Kilhwch en Olwen.
+
+
+Kilwch was een zoon van Kilydd en diens vrouw Goleuddydd en, zoo
+zegt men, een neef van Arthur. Toen zijn moeder was gestorven, nam
+Kilydd een andere vrouw en zij, jaloersch op haar stiefzoon, legde hem
+een tocht op die beloofde lang te duren en gevaarlijk te zijn. "Ik
+verklaar", zeide zij, "dat het uw lot is"--de Galen zouden gezegd
+hebben _geis_--"geen vrouw te zullen vinden voór gij Olwen krijgt,
+dochter van Yspaddaden Penkawr". [236]. En Kilhwch bloosde bij den
+naam en "liefde voor de maagd doortrilde zijn geheel lichaam". Op raad
+van zijn vader begaf hij zich naar het Hof van Arthur, om te vernemen
+hoe en waar hij haar zou kunnen vinden en naar haar hand dingen.
+
+En nu wordt schitterend beschreven hoe de jongeling in den bloei zijner
+schoonheid, op een edel ros met goud opgetuigd en vergezeld van twee
+gestreepte hazewinden met witte borsten en kettingen van robijnen om
+den nek, op reis ging naar Koning Arthur. "En de grashalm boog niet
+onder hem, zoo licht was de tred van zijn ros."
+
+
+
+Kilhwch aan het Hof van Arthur.
+
+
+Na eenige moeilijkheden met den portier en met Arthur's hofmeester,
+Kai, die den jongeling niet wilde toelaten, terwijl het gezelschap aan
+den maaltijd zat, werd Kilhwch voor den Koning gebracht en hij zeide
+wie hij was en wat hij wenschte. "Ik vraag die gunst," zeide hij,
+"van u en ook van uwe krijgers," en hij noemt dan een ontzaglijke
+lijst op vol mythologische personen en bijzonderheden--Bedwyr, Gwyn
+ap Nudd, Kai, Manawyddan [237], Geraint en vele anderen, waaronder
+"Morvran zoon van Tegid, tegen wien niemand vocht in den slag van
+Camlan om reden van zijn leelijkheid; iedereen dacht dat hij een duivel
+was," en "Sandde Bryd Angel, dien niemand in den slag van Camlan met
+een speer aanraakte om zijn schoonheid; iedereen dacht dat hij een
+dienende engel was." De lijst omvat vele twintigtallen van namen,
+ook vele vrouwen, zoo, bijv. "Creiddylad de dochter van Lludd met
+de Zilveren Hand--zij was de prachtigste maagd van de drie Eilanden
+van de Machtigen en om haar vechten Gwythyr de zoon van Greidawl en
+Gwyn de zoon van Nudd elken eersten Meidag tot den dag des oordeels,"
+en de twee Isoldes en Arthur's Koningin Gwenhwyvar. "Al dezen riep
+Kilydd's zoon Kilhwch aan om zijn gunst te verkrijgen."
+
+Maar Arthur had nooit gehoord van Olwen of haar familie. Hij beloofde
+naar haar te laten zoeken, maar na een jaar konden geen berichten over
+haar worden ingewonnen en Kilhwch verklaarde dat hij zou vertrekken
+en Arthur in schande verlaten. Ten slotte krijgen Kai en Bedwyr,
+met den gids Kynddelig, last aan het zoeken te gaan.
+
+
+
+Arthur's dienaren.
+
+
+Deze personages zijn geheel verschillend van die welke met dezelfde
+namen worden genoemd bij Malory of Tennyson. Kai, zoo heet het, kon
+negen dagen onder water blijven. Hij kon zich, wanneer hij wilde,
+zoo lang maken als een boom in het bosch. Zoo heet was zijn lijf,
+dat niets dat hij in de hand droeg zelfs in den zwaarsten regen
+nat kon worden. "Heel slim was Kai." Wat Bedwyr aangaat--de latere
+Sir Bedivere--van hem wordt verteld, dat niemand hem evenaarde in
+vlugheid en dat, hoewel eenarmig, hij op het slagveld drie krijgers,
+welke dan ook, stond; zijn lans maakte een wond voor negen. Behalve
+de drie gingen nog mee aan het zoeken Gwrhyr, die alle talen kende,
+en Gwalchmai, zoon van Arthur's zuster Gwyar, en Menw, die, door
+tooverkunsten, het geheele gezelschap onzichtbaar kon maken.
+
+
+
+Custennin.
+
+
+Het gezelschap reisde totdat zij kwamen aan een groot kasteel; er was
+daar een kudde schapen met een herder die een kettinghond bij zich
+had zoo groot als een paard. De adem van dezen herder, zoo heet het,
+kon een boom doen verbranden. "Hij liet geen gelegenheid voorbijgaan
+zonder kwaad te doen." Hij ontving het gezelschap echter goed,
+vertelde dat hij Custennin was, broeder van Yspaddaden wiens kasteel
+voor hen stond, en bracht hen in zijn huis bij zijn vrouw. De vrouw
+bleek een zuster te zijn van Kilhwch's moeder Goleuddydd, en zij was
+blijde haar neef te zien, maar het bedroefde haar dat hij Olwen kwam
+zoeken, "want niemand kwam daar ooit levend van terug". Het schijnt
+dat Custennin en zijn gezin veel geleden hebben van Yspaddaden--al
+hun zonen op eén na waren gedood omdat Yspaddaden zijn broeder zijn
+deel van het vaderlijk goed misgunde. Zij verbonden zich derhalve
+met de helden in hun nasporingen.
+
+
+
+Olwen met het Witte Spoor.
+
+
+Den volgenden dag kwam Olwen naar het huis van den herder, zooals
+gewoonlijk, want zij placht daar elken Zaterdag haar haren te
+wasschen, en telkens wanneer zij dat deed liet zij al haar ringen
+in de kom achter en liet ze nooit weer halen. Zij wordt beschreven
+in een van die schilderachtige passages, waarin de Keltische passie
+voor schoonheid zoo keurig uiting heeft gevonden.
+
+"De maagd was gekleed in een gewaad van vlam-kleurige zijde en om
+haar hals was een ketting van rood goud met kostbare smaragden en
+robijnen er op. Haar hoofd was geler dan de bloem van de brem en
+haar huid blanker dan het schuim van den golf, en blanker waren haar
+handen en vingers dan de bloesems van de bosch-anemoon te midden van
+het schuim van de weide-bron. Het oog van den afgerichten havik,
+de blik van den valk na driemaal ruiën was niet helderder dan de
+hare. Haar boezem was sneeuwiger dan de borst van den zwaan, haar
+wang rooder dan de roodste rozen. Wie haar aanschouwde blaakte van
+liefde voor haar. Vier witte klavers bloeiden op waar zij ook haar
+voet neer zette. En daarom werd zij Olwen [238] genoemd".
+
+Kilhwch en zij onderhielden zich samen en beminden elkaar en zij heette
+hem haar van haar vader te vragen en hem niets te weigeren van hetgeen
+hij zou vorderen. Zij had haar woord gegeven niet tegen zijn zin te
+trouwen, want zijn leven zou slechts duren totdat zij was getrouwd.
+
+
+
+Yspaddaden.
+
+
+Den volgenden dag ging het gezelschap naar het kasteel en zag
+Yspaddaden. Hij scheepte hen af met verschillende uitvluchten en toen
+zij heen gingen slingerde hij hun een giftigen pijl achterna. Bedwyr
+ving dien op en wierp dien terug, hem in de knie wondend en Yspaddaden
+verwenschte hem in buitengewoon krachtige taal; de woorden schenen
+te knetteren en te sissen als vlammen. Dit geschiedde drie malen en
+ten laatste deelde Yspaddaden mee wat er moest worden gedaan om Olwen
+te krijgen.
+
+
+
+Wat Kilhwch werd opgelegd.
+
+
+Dat was zeer veel. Een groote heuvel moet worden beploegd, bezaaid
+en gemaaid in eén dag; alleen Amathaon zoon van Don kan dat en hij
+wil niet. Govannon, de smid, moet het ploegijzer bij elk braakland
+reinigen en hij wil dat niet doen. De twee bruine ossen van Gwlwlyd
+moeten den ploeg trekken en hij wil ze niet leenen. Honing negen
+maal zoeter dan die van de bij moet er zijn om mede te maken voor
+het bruiloftsmaal. Een tooverketel, een toovermand waaruit elke
+spijs komt die men begeert, een tooverhoorn, het zwaard van den reus
+Gwrnach--dat alles moet worden verkregen; en vele andere geheime
+en moeilijke dingen, zoowat veertig in het geheel, voordat Kilhwch
+Olwen de zijne kan noemen. Het moeilijkst is de kam en schaar te
+krijgen tusschen de ooren van Twrch Trwyth, een koning die in een
+monsterachtig everzwijn is veranderd. Om het zwijn te jagen moeten een
+aantal andere dingen worden volbracht--het welp van Geid zoon van Eri
+moet worden gepakt en een zekere leeren riem om hem vast te houden en
+een zekeren halsring voor den riem en een ketting voor den ring, en
+Mabron zoon van Modron moet jager zijn en het paard van Gweddw moet
+Mabon dragen, en Gwynn zoon van Nudd moet helpen, "dien God stelde
+over het duivelengebroed in Annwn.... hij zal hun nooit afgestaan
+worden", enz., zoodat de beroemde _eric_ (boete) van de zonen van
+Turenn in vergelijking daarmede onbeteekend lijkt. "Moeilijkheden zult
+gij ondervinden, en slapelooze nachten kennen bij het zoeken hiervan
+(de prijs van de bruid) en als gij dien niet krijgt, zult gij ook mijn
+dochter niet hebben". Kilhwch heeft slechts eén antwoord voor elken
+eisch. "Het zal mij gemakkelijk vallen dit tot stand te brengen,
+hoewel ge misschien denkt dat het niet gemakkelijk zal zijn. En ik
+zal uw dochter krijgen en gij zult uw leven verliezen".
+
+Zij gaan dus op weg om het werk te volbrengen en op hun weg naar
+huis ontmoeten zij Gwrnach den Reus, wiens zwaard Kai, voorgevend een
+zwaard-polijster te zijn, door een list vermeestert. Weer aan Arthur's
+slot gekomen, vertellen zij den Koning wat zij te doen hebben en hij
+belooft hun zijn hulp. Het eerste wonder dat zij verrichtten was het
+ontdekken en bevrijden van Mabon zoon van Modron, "die zijn moeder
+werd afgenomen, toen hij drie nachten oud was, en men weet niet waar
+hij nu is, en of hij levend of dood is." Gwrhyr doet onderzoek naar
+hem bij den Zwarten Lijster van Cilgwri, die zoo oud is, dat een
+smid's aambeeld, waaraan hij gewoon was te pikken, tot de grootte van
+een noot is afgesleten; maar hij heeft nooit van Mabon gehoord. Hij
+brengt hen echter naar een nog ouder dier, het Hert van Redynvre,
+en zoo verder naar den Uil van Cwm Cawlwyd en den Arend van Gwern
+Abwy, en den Zalm van Llyn Llyd, het oudste van de levende dingen,
+en zij vinden ten slotte Mabon gevangen in den steenen kerker van
+Gloucester en, met de hulp van Arthur, verlossen zij hem en zoo is
+dan de tweede taak vervuld. Op de een of andere manier, door list,
+dapperheid, of tooverkunst wordt elk feit volbracht, tot het laatste
+en gevaarlijkste, het verkrijgen van "het bloed der zwarte heks Orddu,
+dochter van de witte heks Orwen, van Penn Nart Govid, aan de grenzen
+der Hel." Het gevecht daar gelijkt zeer op dat van Finn in het hol
+van Keshcorran, maar Arthur klooft ten slotte de heks in tweeën en
+Kaw van Noord-Brittannië neemt haar bloed.
+
+Zij maakten zich nu weer op naar het kasteel van Yspaddaden en hij
+erkent zijn nederlaag. Goreu zoon van Custennin snijdt hem het hoofd
+af en dien nacht werd Olwen de gelukkige vrouw van Kilhwch, en de
+mannen van Arthur gingen uiteen, ieder naar zijn eigen land.
+
+
+
+De droom van Rhonabwy.
+
+
+Rhonabwy was een ruiter onder Madawc zoon van Maredudd, wiens
+broeder Iorwerth in opstand tegen hem kwam; en Rhonabwy ging met
+de troepen van Madawc om hem te onderwerpen. Zich met een paar
+makkers in een kleine hut begevend om er den nacht door te brengen,
+legt hij zich ter ruste op een geel kalfsvel bij het vuur, terwijl
+zijn vrienden liggen op smerige legers van stroo en twijgen. Op
+het kalfsvel heeft hij een wonderlijken droom. Hij ziet voor zich
+het hof en het kamp van Arthur--hier de _quasi_-historische koning,
+niet de legendaire godheid van het vorig verhaal, noch de Arthur van
+de Fransche ridderverhalen--als hij zich begeeft naar den berg Badon
+voor zijn groot gevecht met de heidenen. Zekere Iddawc voert hem naar
+den Koning die lacht om Rhonabwy en zijn vrienden en vraagt: "Waar,
+Iddawc, vondt gij deze kleine mannen?" "Ik vond hen daar ginder op
+den weg." "Ik vind het jammer," zeide Arthur, "dat mannen van zulke
+gestalte over het eiland heerschen, na de mannen die het vroeger
+bezaten." De aandacht van Rhonabwy wordt gevestigd op een steen in
+den ring des Konings. "Een van de eigenschappen van dien steen is,
+dat hij u in staat stelt u te herinneren wat gij hier heden nacht
+ziet; hadt gij den steen niet gezien, gij zoudt niet in staat zijn
+geweest u iets daarvan te herinneren."
+
+De verschillende helden en metgezellen, die Arthur's leger vormen,
+worden uitvoerig beschreven met al de kleurigheid en fijnheid van
+details die den Keltischen verteller zoo lief zijn. De voornaamste
+gebeurtenis die verteld wordt, is een schaakpartij van Arthur met
+den ridder Owain zoon van Urien. Terwijl de partij aan den gang is,
+plagen en storen de ridders van Arthur Owein's raven, maar, als Owein
+zich beklaagt, zegt Arthur alleen: "Speel uw spel." Later winnen de
+raven het en is het Owein's beurt Arthur te verzoeken op zijn spel
+te letten. Toen nam Arthur de gouden schaakstukken en verpletterde
+die tot stof in zijn hand en verzocht Owen zijn raven tot rust te
+brengen, hetgeen geschiedde, en vrede heerschte weer. Rhonabwy, zoo
+heet het, sliep drie dagen en nachten op het kalfsvel, voordat hij
+uit zijn wonderlijken droom ontwaakte. In een epiloog wordt gezegd,
+dat van geen bard wordt verwacht dat hij dit verhaal uit het hoofd
+kent en zonder boek, "om de verschillende kleuren op de paarden, en
+de vele wonderlijke kleuren van de wapens en van de wapenrustingen,
+en van de kostbare sjerpen, en van de kracht-brengende steenen." De
+"Droom van Rhonabwy" is veeleer een schitterende visioen uit het
+verleden dan een verhaal in den gewonen zin van het woord.
+
+
+
+De Vrouw van de Bron.
+
+
+Wij hebben hier een reproductie in de taal van Wales van den
+_Conte_, getiteld "Le Chevalier au lion" van Chrestien de Troyes. De
+hoofdpersoon daarin is Owain zoon van Urien, die optreedt in een
+karakter, den geest van de Keltische legende even vreemd als algemeen
+op het vasteland voorkomend: dat van dolend ridder.
+
+
+
+Kymon's avontuur.
+
+
+In de inleiding wordt ons verteld dat Kymon, een ridder aan Arthur's
+Hof, een vreemd en ongelukkig avontuur had. Uit rijden gaande om een
+of andere ridderlijke daad te doen, kwam hij aan een prachtig kasteel,
+waar hij gastvrij werd ontvangen door vierentwintig joffers, van wie
+"de minst bekoorlijke bekoorlijker was dan Gwenhwyvar, de vrouw van
+Arthur, wanneer zij er op haar bekoorlijkst uitzag bij de Offerande
+op den Dag van de Geboorte, of bij het Paasch-feest". Bij hen was een
+edelman, die, nadat Kymon had gegeten, vroeg wat hij wenschte. Kymon
+vertelde dat hij zijn portuur zocht in het vechten. De heer van het
+kasteel glimlachte en heette hem als volgt te doen: hij moest den weg
+naar het dal inslaan en door het bosch gaan, tot dat hij kwam aan
+een open ruimte met een hoogte in het midden. Op de hoogte zou hij
+een zwarten man zien van een geweldige gestalte, met éen oog en éen
+voet, die een groote ijzeren knots droeg. Hij was de boschwachter en
+duizende wilde dieren, herten, slangen en al wat meer zouden om hem
+aan het eten zijn. Hij zou Kymon wijzen wat hij zocht.
+
+Kymon volgde den raad en de zwarte man wees hem een weg, die hem zou
+voeren naar een bron onder een hoogen boom; daarnaast zou hij vinden
+een zilveren kom op een marmeren plaat, Kymon moest de kom nemen en
+die vol water op de plaat uitstorten, dan zou een hagel- en donderbui
+volgen, daarna zou zich heerlijke muziek van zangvogels doen hooren,
+en dan zou een ridder verschijnen in een zwarte wapenrusting, op
+een koolzwart paard, met een zwarte wiek op zijn lans. "En als dat
+avontuur u niet veel te stellen geeft, dan behoeft gij verder in uw
+leven niet meer te zoeken".
+
+
+
+Het karakter van de vertellingen van Wales.
+
+
+Laat ons hier even stil staan, om er op te wijzen dat we
+klaarblijkelijk zijn in de sfeer van de middeneeuwsche vertelling en
+ver van die der Keltische mythologie. Misschien heeft het Keltische
+"Land der Jeugd" in de verte die gebieden van schoonheid en mysterie
+aan de hand gedaan, waarin de ridder van Arthur zich begeeft een
+avontuur zoekend. Maar het landschap, de motieven, de gebeurtenissen,
+zijn ten eenenmale verschillend. En hoe schoon zijn zij--hoe gedrenkt
+in het tooverlicht der verdichting! De kleuren leven en gloeien,
+het bosch ruischt ons in de ooren, de adem van dien lentetijd van
+onze moderne wereld omgeeft ons, terwijl wij den eenzamen ruiter
+volgen langs het grazige spoor in een onbekende wereld van gevaar
+en heerlijkheid. Terwijl de verhalen van het vasteland in sommige
+opzichten grooter zijn dan die uit Wales, rijker aan gedachten, dieper,
+halen zij niet daarbij in de fijne artisticiteit waarmede het uiterlijk
+voorkomen der dingen wordt weergegeven, de toover-atmosfeer volgehouden
+en de lezer in steeds toenemende spanning stap voor stap wordt geleid
+bij de ontwikkeling van het verhaal. Ook staan deze verhalen uit Wales
+geen jota achter wat betreft den edelen en ridderlijken geest dien
+zij ademen. Een mooier school van karakter en zeden is nauwelijks in
+de literatuur te vinden. Hoe vreemd dat gedurende vele eeuwen deze
+onvergelijkelijke schat in ons midden onopgemerkt bleef! En hoe groot
+moet onze dankbaarheid zijn aan de ongenoemde barden wier brein dien
+schiep, en aan de fijne hand die het eerst hem tot een bezit maakte
+voor de gansche Engelsch sprekende wereld!
+
+
+
+Nederlaag van Kymon.
+
+
+Maar keeren wij tot ons verhaal terug. Kymon deed zooals hem gezegd
+was, de Zwarte Ridder verscheen, zwijgend zetten zij hun lansen in
+positie en vielen zij elkander aan. Kymon werd op den grond geworpen,
+terwijl zijn vijand, zonder een blik op hem, de schacht van zijn
+lans door den teugel van Kymon's paard haalde en daarmee wegreed
+in de richting waarvan hij gekomen was. Kymon ging te voet naar
+het kasteel terug, waar niemand hem vroeg hoe het hem was gegaan,
+maar zij gaven hem een ander paard, "een donkerbruine telganger,
+met neusgaten rood als vuur", waarop hij naar Caerleon terug reed.
+
+
+
+Owain en de Zwarte Ridder.
+
+
+Owain was natuurlijk geprikkeld door het verhaal van Kymon en den
+volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag, reed hij uit om
+hetzelfde avontuur te zoeken. Alles ging zooals met Kymon, maar Owain
+wondde den Zwarten Ridder zoo ernstig, dat deze zijn paard wendde en
+vluchtte. Owain zette hem wild achterna. Zij kwamen aan een "groot en
+prachtig kasteel." Zij reden over de ophaalbrug, waarvan de buitenste
+slagboom viel toen de Zwarte Ridder er overheen ging. Maar zoo dicht
+was Owain hem op de hielen dat de slagboom achter hem viel, zijn
+paard in tweeën snijdend achter het zadel en hij zelf bleef gevangen
+tusschen de buiten- en de binnenpoort van de ophaalbrug. Terwijl hij
+in dezen hachelijken toestand verkeerde, kwam een meisje tot hem en
+gaf hem een ring. Als hij dien droeg met den steen naar beneden en in
+de hand geklemd, zou hij onzichtbaar worden en wanneer de dienaren van
+den heer van het kasteel op hem afkwamen, moest hij hen ontwijken en
+haar volgen. Zij deed dit, blijkbaar wetend wie hij was, "want als
+vriend zijt gij de oprechtste, en als minnaar de meest getrouwe."
+
+Owain deed zooals hem was gezegd en het meisje verstopte
+hem. Denzelfden nacht hoorde men luide weeklagen in het kasteel--de
+heer er van was gestorven aan de wond hem door Owain toegebracht. Kort
+daarna kreeg Owain de meesteres van het kasteel te zien en hij werd
+geheel vervuld van liefde tot haar. Luned, het meisje dat hem had
+bevrijd, deed voor hem aanzoek bij haar en hij werd haar gemaal en
+heer van het Kasteel van de Bron en al de bezittingen van den Zwarten
+Ridder. En hij verdedigde daarna de bron met lans en zwaard, zooals
+zijn voorganger had gedaan, en eischte van zijn verslagen tegenstanders
+groote sommen als losgeld, die hij verdeelde onder zijn baronnen en
+ridders. Aldus bracht hij drie jaren door.
+
+
+
+Het zoeken naar Owain.
+
+
+Na dien tijd reed Arthur, met zijn neef Gwalchmai en met Kymon als
+gids, aan het hoofd van een troep uit om berichten aangaande Owain
+in te winnen. Zij kwamen aan de bron en hier ontmoetten zij Owain;
+men kende elkaar niet, omdat de helmen waren neergelaten. En eerst
+werd Kai van het paard geworpen en toen Gwalchmai en Owain vocht en
+na een poos werd Gwalchmai van zijn helm beroofd. Owain zeide: "Heer
+Gwalchmai, ik kende u niet; neem mijn zwaard en mijn wapens." Toen
+zeide Gwalchmai: "Gij, Owain, zijt de overwinnaar, neem gij mijn
+zwaard." Arthur maakte hoffelijk een einde aan den twist, door beider
+zwaarden te nemen en zij reden toen allen naar het Kasteel van de
+Bron, waar Owain hen met groote blijdschap onthaalde. En hij ging
+met Arthur terug naar Caerleon, zijn gravin belovend dat hij daar
+slechts drie maanden zou blijven en dan terugkeeren.
+
+
+
+Owain vergeet zijn vrouw.
+
+
+Maar aan het Hof van Arthur vergat hij zijn liefde en zijn plicht en
+hij bleef daar drie jaren. Toen die om waren kwam een edelvrouw op een
+met goud opgetuigd paard aanrijden en zij zocht Owain en nam den ring
+van zijn hand. "Dus", sprak zij, "zal geschieden met den bedrieger,
+den verrader, den trouwelooze, den eerlooze en den onbezonnene." Daarop
+wendde zij haar paard en vertrok. En Owain, verpletterd door schaamte
+en wroeging, ontvluchtte de menschen en leefde in een woest land met
+wilde beesten, totdat zijn lichaam uitteerde en zijn haar lang werd
+en zijn kleeren wegrotten.
+
+
+
+Owain en de leeuw.
+
+
+Aldus veranderd en den dood nabij door ontbering en gebrek, werd hij
+door zekere gravin (een weduwe) en haar dienstmaagden opgenomen en door
+tooverbalsems herkreeg hij zijn kracht; en hoewel zij hem smeekten bij
+hen te blijven, reed hij weer weg, verlaten woeste landen zoekend. Hier
+vond hij een leeuw, die met een groote slang vocht. Owain doodde de
+slang en de leeuw volgde hem en dartelde om hem heen, alsof hij een
+hazewind was die hij had groot gebracht. En hij bezorgde hem voedsel
+door herten te vangen, waarvan Owain een deel voor zich zelf kookte,
+terwijl hij den leeuw de rest gaf; en het beest hield 's nachts de
+wacht over hem.
+
+
+
+Luned's bevrijding.
+
+
+Owain vindt dan een gevangen meisje, dat hij hoort zuchten, hoewel
+hij haar en zij hem niet kon zien. Op zijn vragen antwoordde zij
+dat haar naam Luned was--zij was de dienares van een gravin wier
+echtgenoot haar had verlaten, "en hij was de vriend die mij het liefst
+was op de wereld." Twee pages van de gravin hadden hem belasterd,
+en omdat zij hem verdedigde was zij veroordeeld te worden verbrand
+indien, voordat een jaar om was, hij (namelijk Owain zoon van Urien)
+niet was verschenen om haar te verlossen. En morgen zou het jaar om
+zijn. Den volgenden dag ontmoette Owain de twee jongelingen die Luned
+ter terechtstelling brachten en hij vocht met hen, overwon hen met
+behulp van den leeuw, bevrijdde Luned en keerde terug naar het Kasteel
+van de Bron, waar hij zich met zijn liefste verzoende. En hij nam
+haar mee naar het Hof van Arthur, en zij was daar zijn vrouw zoo lang
+zij leefde. Ten slotte komt een avontuur, waarin hij, nog altijd met
+behulp van zijn leeuw, een zwarten reus overwint en vier-en-twintig
+edele vrouwen bevrijdt, en de reus zweert zijn slechte leven af en
+belooft zoo lang hij leeft een hospitium voor reizenden te houden.
+
+"En van nu af aan bleef Owain aan het Hof van Arthur, zeer geliefd,
+als hoofd van zijn huishouding, totdat hij met zijn volgelingen heen
+ging; en deze waren het leger van driehonderd raven, die Kenverchyn
+[239] hem had gelaten. En waar Owain ook met dezen ging, was hij
+overwinnaar. En dit is het verhaal van de Vrouw van de Bron."
+
+
+
+Het verhaal van Enid en Geraint.
+
+
+In dit verhaal, dat schijnt te zijn gegrond op den "Erec" van
+Chrestien de Troyes, is de hoofdzaak noch het mythologische, noch het
+avontuurlijke, maar het sentimenteele. Hoe Geraint zijn liefste vond
+en naar haar vrijde--zij de dochter van een groot heer, die slechte
+tijden beleefde; hoe hij voor haar een steekspel hield met Edeyrn,
+zoon van Nudd--een Kimbrische godheid herschapen in den "Ridder van den
+Sperwer"; hoe hij, van zijn liefde voor haar geheel vervuld, zijn faam
+en plicht begon te verwaarloozen; hoe hij de woorden verkeerd begreep,
+die zij over hem heen mompelde toen zij meende dat hij sliep, en aan
+haar trouw twijfelde; hoe onwaardig hij haar behandelde en in hoe
+menige bittere proef zij haar liefde en trouw bewees--met dat alles
+zijn Engelsche lezers zoo vertrouwd geraakt door Tennyson's "Enid,"
+dat wij er hier niet bij behoeven stil te staan. In dit geval heeft
+Tennyson het oorspronkelijke verhaal zeer op den voet gevolgd.
+
+
+
+Graal-legenden: Het verhaal van Peredur.
+
+
+Het verhaal van Peredur is van veel gewicht en beteekenis in verband
+met den oorsprong van de Graal-legende. Peredur komt overeen met den
+Perceval van Chrestien de Troyes, aan wien wij het oudst bestaande
+gedicht over den Graal te danken hebben; maar deze auteur liet zijn
+Graal-verhaal onvoltooid en wij vernemen nooit van hem wat de Graal
+precies was, of waaraan hij zijn belangrijkheid ontleende. Wenden
+wij ons om opheldering tot "Peredur," die ongetwijfeld een ouderen
+vorm dezer legende voorstelt, dan worden wij teleurgesteld. Want
+men zou "Peredur" kunnen noemen de Graal-geschiedenis zonder den
+Graal [240]. De vreemde personages, voorwerpen en gebeurtenissen,
+die de gewone omlijsting vormen voor het verschijnen van dezen
+mystieken schat, zijn allen daar; wij ademen zelfs de atmosfeer
+van het Graal-Kasteel; maar van den Graal zelf wordt heelemaal niet
+gesproken. Het verhaal behandelt alleen de wraak door den held genomen
+voor het dooden van een bloedverwant, en tot dat doel alleen worden
+de geheimen van het Kasteel der Wonderen voor hem onthuld.
+
+Bij het begin van het verhaal vernemen wij dat Peredur in de
+beteekenisvolle positie verkeerde van een zevende zoon te zijn: wat in
+deze wereld van mystieke vertelling wil zeggen: voorbestemd tot groote
+en vreemde lotgevallen. Zijn vader Evrawc, een graaf uit het Noorden,
+en zijn zes broeders waren gevallen in den strijd. Peredur's moeder,
+een dergelijk lot voor haar jongste kind vreezend, had hem daarom groot
+gebracht in een bosch, hem alle kennis onthoudend van ridderschap
+of oorlog voeren en van dingen als strijdrossen of wapens. Hier
+groeide hij op, in manieren en kennis een eenvoudig landman, maar
+van verbazende lichaamskracht en werkzaamheid.
+
+
+
+Hij gaat avonturen zoeken.
+
+
+Op zekeren dag zag hij drie ridders aan den zoom van het bosch. Zij
+waren alle drie van Arthur's Hof--Gwalchmai, Geneir en Owain. Verrukt
+door den aanblik vroeg hij zijn moeder wat dat voor wezens waren. "Dat
+zijn engelen, mijn zoon," zeide zij. "Voorwaar," zeide Peredur, "dan
+wil ik gaan en met hen een engel worden." Hij gaat hun tegemoet en
+verneemt weldra wat zij zijn. Owain legt hem vriendelijk uit hoe een
+zadel, een schild, een zwaard, al de uitrustingen bij het oorlogvoeren
+worden gebruikt; en Peredur pikte denzelfden avond een beenig, gevlekt
+trekpaard op, en maakte het een zadel en tuig van twijgen gemaakt
+en nagebootst naar wat hij had gezien. Ziende dat hij besloten was
+uit te trekken op ridderlijke daden gaf zijn moeder hem haar zegen
+en allerlei inlichtingen en ried hem het Hof van Arthur te zoeken;
+"daar zijn de beste en de stoutste en de schoonste mannen."
+
+
+
+Zijn eerste wapenfeit.
+
+
+Peredur besteeg zijn Rozinant, nam als wapens een handvol stokken
+met scherpe punten mee en reed naar het Hof van Arthur. Hier werd hij
+door den hofmeester, Kai, ruw teruggewezen om zijn boersch voorkomen,
+maar een dwerg en een dwergin, die een jaar aan het Hof waren geweest,
+zonder daar een woord tot iemand te spreken, riepen: "Edele Peredur,
+zoon van Evrawc; 's Hemels welkom zij u gebracht, bloem der ridders
+en licht der ridderschap." Kai bestrafte de dwergen, omdat zij het
+zwijgen verbraken met het huldigen van een kerel als Peredur, en toen
+deze wenschte voor Arthur te worden gebracht, heette hij hem eerst
+een vreemden ridder te gaan bekampen, die zoo even het geheele Hof
+had uitgedaagd door Gwenhwyvar een beker met wijn in het gezicht te
+gooien, en tegen wien allen opzagen te strijden. Peredur begaf zich
+onmiddellijk naar de plaats waar de woeste ridder snoevend op en neer
+liep, in afwachting van een tegenstander, en in het gevecht dat nu
+volgde doorboorde hij hem den schedel met een van zijn puntige stokken
+en doodde hem. Toen kwam Owain naar buiten en vond Peredur, die zijn
+gevallen vijand met zich sleepte. "Wat voert gij daar uit?" vroeg
+Owain. "Die ijzeren bedekking," zeide Peredur "wil maar niet van hem
+afkomen; tenminste niet zoo als ik het aanleg." Owain wees hem nu hoe
+hij het pantser moest losmaken en Peredur nam het mee met de wapens
+en het paard van den ridder en reed uit om nieuwe avonturen te zoeken.
+
+Hier vinden wij het karakter van _der reine Thor_, de dappere en
+reine onnoozele bloed, duidelijk en levendig geschilderd.
+
+Nadat hij het Hof van Arthur verliet had Peredur vele gevechten
+waarin hij gemakkelijk de overwinning behaalde; hij zond de verslagen
+ridders naar Caerleon aan de Usk met de boodschap, dat hij hen had
+verslagen ter eere van Arthur en in zijn dienst, maar dat hij, Peredur,
+nooit weer aan het Hof zou terugkeeren voordat hij de beleediging
+der dwergen op Kai had gewroken; deze werd diensvolgens door Arthur
+gegispt, waarover hij zeer bedroefd was.
+
+
+
+Het Kasteel der Wonderen.
+
+
+Wij komen nu, wat de lezer onmiddellijk zal herkennen, in de sfeer
+van de Graal-legende. Peredur kwam aan een kasteel naast een meer,
+waar hij een eerwaardig man vond met dienaren om hem heen, die in het
+meer vischten. Toen Peredur naderbij kwam, stond de bejaarde man op en
+ging het kasteel binnen, en Peredur zag, dat hij kreupel was. Peredur
+ging naar binnen en werd gastvrij ontvangen in een groote zaal. De
+bejaarde man vroeg hem na afloop van het maal, of hij met het zwaard
+wist om te gaan en beloofde hem alle ridderlijke kundigheden te leeren,
+en "de zeden en gebruiken van verschillende landen en hoffelijkheid en
+vriendelijkheid en een edele houding". En hij voegde er bij: "Ik ben
+uw oom, uw moeder's broeder." Ten slotte heette hij hem weg te rijden
+en er aan te denken, dat wat hij ook mocht zien dat hem verbaast,
+hij niet naar de beteekenis er van moest vragen indien niemand zoo
+heusch was hem te onderrichten. Dit is de proef van gehoorzaamheid
+en zelfbeheersching waarover de rest van het avontuur loopt.
+
+Verder rijdend, kwam Peredur aan een groot woest bosch, waarachter
+hij een groot kasteel vond, het Kasteel der Wonderen. Hij ging
+door de open deur binnen en vond een statigen grijzen man gezeten
+in een groote zaal, met vele pages om hem heen, die Peredur waardig
+ontving. Aan den maaltijd zat Peredur naast den heer van het kasteel,
+die, toen zij gegeten hadden, hem vroeg of hij vechten kon met
+een zwaard. "Als ik onderricht kreeg", zeide Peredur, "zou ik het
+wel kunnen, denk ik." Toen gaf de heer van het kasteel Peredur een
+zwaard en gelastte hem op een grooten ijzeren ring in den vloer te
+slaan. Peredur deed dit en sneed den ring in tweeën, maar ook het
+zwaard vloog in twee stukken. "Sluit de stukken aan elkaar", zeide de
+lord. Peredur deed dit en zoowel zwaard als ring werden weer éen. Een
+tweeden keer geschiedde datzelfde met denzelfden uitslag. Den derden
+keer konden de stukken van zwaard en ring niet meer een geheel vormen.
+
+"Gij zijt gekomen op twee derden van uw kracht", zeide de lord. Hij
+vertelde daarop dat ook hij Peredur's oom was en broeder van
+den lord van het meer, bij wien Peredur den vorigen nacht had
+doorgebracht. Terwijl zij in gesprek waren kwamen twee jongelingen
+in de zaal; zij droegen een geweldig groote speer, van wier spits
+drie stroomen bloed op den grond vielen en al de aanwezigen begonnen,
+toen zij dit zagen, met groot geschreeuw te jammeren en te weeklagen,
+maar de lord sloeg er geen acht op en brak zijn gesprek met Peredur
+niet af. Daarna kwamen twee meisjes binnen, die tusschen zich in
+een groot blad droegen, waarop, te midden van een massa bloed, een
+manshoofd lag. Daarop werd zelfs nog luider dan te voren gejammerd en
+geweeklaagd. Maar ten slotte werd het stil en Peredur werd naar zijn
+kamer gebracht. Gedachtig de aanmaning van den lord van het meer,
+had hij geen verbazing aan den dag gelegd over hetgeen hij zag,
+en ook niet gevraagd wat het beteekende. Hij reed nu weer uit om
+andere avonturen te zoeken, die hij in overstelpende hoeveelheid
+vond en die geen bijzonder verband houden met het hoofdthema. Het
+mysterie van het kasteel wordt eerst op de laatste bladzijden van
+het verhaal verklaard. Het hoofd op het zilveren blad was dat van
+een neef van Peredur. De lans was het wapen waarmee hij was gedood
+en waarmee ook de oom van Peredur, de lord van het meer, kreupel was
+gemaakt. Deze dingen waren aan Peredur getoond, om hem te prikkelen
+tot het wreken van het kwaad, en om zijn geschiktheid voor die taak
+te toonen. De "negen toovenaressen van Gloucester" waren, zegt men,
+zij, die de bloedverwanten van Peredur dat kwaad berokkenden. Toen hij
+dat vernam viel Peredur, met hulp van Arthur, de toovenaressen aan,
+die alle werden gedood, en de wraak was voltrokken.
+
+
+
+De Conte del Graal.
+
+
+Het verhaal van Chrestien de Troyes genaamd de "Conte del Graal,"
+of "Perceval le Gallois," bracht de geschiedenis in de Europeesche
+literatuur. Het werd geschreven omstreeks 1180. Het inleidend
+gedeelte komt overeen met "Peredur," de held wordt hier Perceval
+genoemd. Hij wordt in ridderlijke kundigheden opgeleid door een
+ouden ridder Gonemans geheeten, die hem waarschuwt tegen te veel
+praten en vragen te doen. Als hij komt aan het Kasteel der Wonderen
+worden in de zaal gebracht een van bloed druipende lans, een "graal"
+vergezeld van twee dubbelarmige kandelaars, waarvan het licht door
+het schijnsel van den graal wordt overstraald, een zilveren schotel
+en een zwaard; dit laatste wordt aan Perceval gegeven. Het bloedend
+hoofd van het verhaal uit Wales verschijnt niet, ook wordt ons niet
+verteld wat de graal was. Toen Perceval den volgenden dag uit reed,
+ontmoette hij een meisje dat hem heftige verwijten deed, omdat hij
+niet had gevraagd naar de beteekenis van hetgeen hij zag--had hij
+dat gedaan dan zou de kreupele koning (hier dezelfde als de heer van
+het Kasteel der Wonderen) weer beter zijn geworden. Perceval's zonde,
+dat hij zijn moeder tegen haar zin verliet, was de reden dat hij werd
+weerhouden van het stellen van de vraag, die de betoovering zou hebben
+verbroken. Dit is een zeer pover brok vinding, want het was blijkbaar
+Peredur's lot zich te wapenen en het Graal-avontuur te bestaan, en
+hij beging geen zonde met dit te doen. Verder in het verhaal ontmoet
+Perceval een afzichtelijk uitziende joffer die hem verwenscht omdat hij
+verzuimde vragen te doen aangaande de lans en de andere wonderen--had
+hij dat gedaan dan zou de koning weer beter zijn geworden en zijn land
+in vrede hebben geregeerd, maar nu zullen maagden onteerd, ridders
+gedood, vrouwen tot weduwen en kinderen tot weezen gemaakt worden.
+
+Deze opvatting van de vraag-episode lijkt mij radikaal verschillend van
+die welke werd aangenomen in de lezing van Wales. Het is kenmerkend
+voor Peredur dat hij altijd doet zooals hem door de bevoegde macht
+wordt voorgeschreven. De vraag was een proef van gehoorzaamheid
+en zelfbeheersching en hij bestond die. In toover-literatuur
+wordt nieuwsgierigheid dikwijls bestraft, bescheidenheid en
+terughoudendheid nooit. Het verhaal uit Wales behoudt hier, dunkt
+mij, den oorspronkelijken vorm der geschiedenis. Maar de Fransche
+schrijvers beschouwden ten onrechte het niet stellen van vragen als
+een fout van den held en bedachten een oppervlakkige en ongemotiveerde
+theorie van de episode en haar gevolgen. Toch, vreemd genoeg, vond de
+Fransche opvatting ingang in latere lezingen van het verhaal uit Wales
+en zulk een lezing is die welke voorkomt in de "Mabinogion." Tegen
+het eind van het verhaal ontmoet Peredur een afschuwelijke joffer,
+wier schrikwekkend uiterlijk levendig wordt beschreven, en die hem
+heftig gispt, omdat hij niet vroeg naar de beteekenis van de wonderen
+op het Kasteel. "Hadt gij dat gedaan, de koning zou weer gezond zijn
+geworden en in zijn land zou de vrede zijn teruggekeerd. Terwijl
+hij van nu af gevechten en conflicten zal hebben te doorstaan, en
+zijn ridders zullen omkomen, en vrouwen zullen weduwen worden en
+meisjes zonder bruidschat worden achtergelaten, en dat alles door uw
+schuld." Ik beschouw deze walgelijke joffer als klaarblijkelijk in
+het verhaal van Wales te zijn geschoven. Zij kwam er in rechtstreeks
+uit het geschrift van Chrestien. Dat zij niet oorspronkelijk behoorde
+bij het verhaal van Peredur schijnt te blijken uit het feit, dat in
+dat verhaal de kreupele lord, die Peredur vermaant zich van vragen
+te onthouden, volgens haar juist de persoon is, die er bij zou hebben
+gewonnen als hij het wel gedaan had. Feitelijk doet Peredur de vraag
+nimmer en zij speelt geen rol in de ontknooping van de geschiedenis.
+
+Chrestien's onvoltooid verhaal bericht van verdere avonturen van
+Peredur en van zijn vriend en makker, den ridder Gauvain, maar geeft
+nimmer een verklaring van de beteekenis der geheimzinnige dingen in het
+kasteel gezien. Zijn voortzetters, van welke Gautier de eerste was,
+berichten dat de Graal was de Beker van het Laatste Avondmaal en de
+lans die welke bij de kruisiging Christus in de zijde had doorboord;
+en dat Peredur ten slotte terugkeert naar het kasteel, de noodige
+vraag doet en zijn oom opvolgt als heer van het kasteel en bewaarder
+van de schatten ervan.
+
+
+
+Wolfram von Eschenbach.
+
+
+In de geschiedenis zooals die is gegeven door Wolfram von Eschenbach,
+die omstreeks 1200 schreef--zoowat twintig jaar later dan Chrestien
+de Troyes, met wiens werk hij bekend was--vinden wij een nieuwe en
+eenige voorstelling van den Graal. Hij zegt van de ridders van het
+Graal-Kasteel:
+
+
+ "Si lebent von einem steine
+ Des geslähte ist vîl reine....
+ Es heizet _lapsit [lapis] exillîs_,
+ Der stein ist ouch genannt der Grâl." [241]
+
+
+Hij was oorspronkelijk uit den hemel gehaald door een vlucht engelen en
+neergelegd in Anjou, als de waardigste streek om hem te ontvangen. De
+werking er van wordt onderhouden door een duif die telkens op Goede
+Vrijdag uit den hemel komt en op den Graal een gewijde hostie legt. Hij
+wordt bewaard in het Kasteel van Munsalväsche (Montsalvat) en bewaakt
+door vierhonderd ridders, die allen, met uitzondering van hun koning,
+de gelofte der kuischheid hebben afgelegd. De koning mag trouwen,
+en hem is dat zelfs, ten einde de opvolging te verzekeren, door den
+Graal bevolen, die zijn boodschappen aan de menschen overbrengt,
+door schrift dat er zichtbaar op wordt en dat verdwijnt wanneer het
+is ontcijferd. Ten tijde van Parzival is Anfortas de koning. Hij kan
+niet sterven in tegenwoordigheid van den Graal, maar hij lijdt aan
+een wond die, omdat hij die kreeg door wereldschen trots en in het
+najagen van verboden liefde, door den invloed van den Graal niet kan
+worden geheeld voordat de voorbestemde verlosser de betoovering zal
+verbreken. Dit had Parzival moeten doen door te vragen: "Wat schort u,
+oom?" De Fransche lezing laat Parzival in nieuwsgierigheid te kort
+schieten--Wolfram vat het te kort schieten op als een gebrek aan
+sympathie. In elk geval schiet hij te kort en vindt den volgenden
+morgen het kasteel verlaten en zijn paard voor hem gereed staand
+bij de poort; als hij vertrekt wordt hij bespot door dienaren, die
+aan de vensters van de torens verschijnen. Na vele avonturen, geheel
+verschillend zoowel van die in Chrestien's "Conte del Graal", als in
+"Peredur", vindt Parzival, die de maagd Condwiramur heeft gehuwd,
+zijn weg terug naar het Graal-Kasteel--dat niemand bezoeken kan dan
+die daartoe is voorbestemd en door den Graal zelf verkozen--verbreekt
+de betoovering en heerscht over de Graal-gebieden, terwijl zijn zoon
+Loherangrain de Ridder van den Zwaan wordt, die rond trekt om onrecht
+goed te maken, en die, evenals alle Graal-ridders, zijn naam en afkomst
+niet aan de buitenwereld mag openbaren. Wolfram vertelt, dat hij zijn
+verhaal in hoofdzaak ontleende aan den Provençaalschen dichter Kyot
+of Guiot--"Kyot, der meister wol bekannt"--die op zijn beurt--maar dit
+is waarschijnlijk niets dan een romantische verdichting--beweerde het
+verhaal te hebben gevonden in een Arabisch boek te Toledo, geschreven
+door een heiden genaamd Flegetanis.
+
+
+
+De voortzetters van Chrestien.
+
+
+Wat precies het materiaal mag zijn geweest voor Chrestien de Troyes
+kunnen wij niet zeggen, maar zijn verschillende mede-werkers en
+voortzetters, in het bijzonder Manessin, staan allen stil bij het
+Christelijk karakter van hetgeen Parzival in het kasteel werd vertoond,
+en de vraag rijst: hoe kwam het aan dat karakter? Uit de geschiedenis
+van Wales, stellig de meest verouderde vorm der legende, blijkt dat het
+dit karakter niet van den beginne af had. Een aanwijzing in een van de
+Fransche vervolgen op Chrestien's "Conte", kan dienen om ons op het
+spoor te brengen. Gautier, de schrijver van dat vervolg, vertelt ons
+van een poging van Gauvain (Sir Gawain) om het Graal-avontuur ten einde
+te brengen. Hij slaagt ten deele en dit gedeeltelijk succes heeft ten
+gevolge, dat de landen om het kasteel, die woest en onbebouwd waren,
+weer bloeiend en vruchtbaar werden. Behalve zijn andere eigenschappen,
+heeft de Graal dus een toovermacht om aanwas, rijkdom en verjonging
+te bevorderen.
+
+
+
+De Graal een talisman van overvloed.
+
+
+Het karakter van een hoorn des overvloeds, een zinnebeeld en bewerker
+van overvloed en levenskracht, is nauw met den Graal verbonden
+in alle lezingen van de legende. Zelfs in de verhevenste en minst
+wereldsche er van, de "Parzival" van Wolfram von Eschenbach, komt
+dit sterk uit. Een zieke of gewonde die er naar keek kon niet binnen
+de week sterven, ook konden de dienaren er van niet oud worden:
+"al keek iemand er ook twee honderd jaar naar, zijn haar zou nimmer
+vergrijzen." De Graal-ridders leefden er van, schijnbaar doordat hij
+in alle soorten van spijs en drank het brood veranderde dat pages
+hun aanboden. Elk had het voedsel dat hem leek, _à son gré_--van dat
+woord _gré_, _gréable_ was de naam Gral, die in de Fransche lezingen
+voorkwam, geacht te zijn afgeleid. [242] Alle wenschen werden er
+door vervuld. In Wolfram's gedicht was de Graal, zooals wij zagen,
+hoewel verband houdend met de H. Hostie, een steen, geen beker. Hij
+komt dus voor als een overblijfsel van de oude steen-aanbidding. Het
+is opmerkelijk dat een dergelijke Steen des Overvloeds ook voorkomt
+in "Peredur", hoewel niet als een der mysteries van het kasteel. Hij
+werd bewaakt door een zwarte slang, die Peredur doodde, en hij gaf
+den steen aan zijn vriend Etlyn.
+
+
+
+De Keltische ketel des overvloeds.
+
+
+De lezer is nu algeheel vertrouwd geraakt met een voorwerp dat
+het karakter heeft van een talisman van overvloed en verjonging in
+Keltische mythen. Als Ketel van den Dagda kwam hij in Ierland met
+de Danaans uit hun geheimzinnig tooverland. In legenden van Wales
+kreeg Bran de Gezegende hem uit Ierland, waar hij weer terug kwam als
+deel van Branwen's bruidschat. In een vreemd en mystisch gedicht van
+Taliesin komt hij voor als behoorend tot den buit van 't Schimmenrijk
+of Annwn, van daar meegebracht door Arthur, in een tragisch avontuur
+waarvan overigens geen melding wordt gemaakt. Volgens Taliesin wordt
+hij bewaard in Caer Pedryvan, het Kasteel van Pwyll; het vuur dat hem
+verwarmde werd aangeblazen door den adem van negen maagden, de rand
+was met paarlen bezet en het voedsel van een lafaard of meineedige
+kon er niet op worden gekookt [243]:
+
+
+ "Ben ik niet een wien roem zal geworden, als zanger
+ In Caer Pedryvan viermaal te worden gehoord?
+ 't Eerste woord van den ketel, wanneer werd het gesproken?
+ Door den adem van negen maagden werd hij zachtkens verwarmd.
+ Is het niet de ketel van den heerscher van Annwn? Hoe is
+ zijn gedaante?
+ Zijn rand is geheel in paarlen gevat.
+ Hij zal geen spijs koken van lafaard of meineedige.
+ Een hel oplaaiend zwaard zal tegen hem geheven worden,
+ En gelaten in de hand van Lleminawg.
+ En voor de deur van de poort van Uffern [244] brandde de lamp.
+ Toen wij gingen met Arthur--een schitterend bestaan--
+ Keerde geen, buiten zeven, van Caer Vedwyd [245] weer.
+
+
+Nog vroeger vertegenwoordigt de ketel de Zon, die in de vroegste
+Arisch-Indische mythen voorkomt als een gouden vat, dat licht,
+warmte en vruchtbaarheid uitstort. De lans is het bliksemwapen van
+den Dondergod, Indra, die in de Noorsche mythologie als de hamer van
+Thor verschijnt. Het zoeken naar deze dingen beteekent dat men zich
+den een of anderen goddelijken kampioen voorstelde als hersteller van
+de heilzame opvolging der seizoenen, door de eene of andere tijdelijke
+storing in de war gebracht, zooals deze nog in onze dagen hongersnood
+en jammer over Indië brengen.
+
+Nu hebben wij blijkbaar in "Peredur," het verhaal uit Wales, een
+schets van het oorspronkelijke Keltische verhaal, maar de Graal komt
+er niet in voor. Men mag evenwel aannemen uit Gautier's vervolg op
+Chrestien's gedicht, dat een talisman van overvloed voorkwam in oude
+lezingen van de legende op het vasteland, vermoedelijk Bretagne. In
+éen lezing althans--die waarop Wolfram zijn "Parzival" bouwde--was
+die talisman een steen. Maar in den regel zal het niet een steen
+zijn geweest, maar een ketel of vat van den een of anderen aard,
+bedeeld met de gewone eigenschappen van den tooverketel der Keltische
+mythen. Dit vat werd in verband gebracht met een van bloed druipende
+lans. Dit waren de suggestieve bestanddeelen waaruit een onbekende
+zanger, in een oogenblik van inspiratie het oude verhaal van wraak en
+verlossing omzette in de mystische vertelling die dadelijk hart en
+ziel van de Christenheid vervulde. De tooverketel werd de beker van
+het H. Avondmaal, de lans werd belast met een vreeselijker schuld
+dan de dood van Peredur's bloedverwant [246]. Keltische poëzie,
+Duitsche mystiek, Christelijke ridderlijkheid, en tooverbegrippen,
+die nog hangen aan de ruwe steenen gedenkteekens van West Europa--dat
+alles vereenigde zich om het Graal-verhaal te vormen en het die
+zonderlingebekoring te geven die er toe leidde dat kunstenaar na
+kunstenaar het gedurende zeven eeuwen herschiep. En wie kan nu
+nog zeggen dat het eindelijk heeft uitgediend en dat de torens van
+Montsalvat zijn opgegaan in den nevel waaruit zij te voorschijn kwamen.
+
+
+
+Het verhaal van Taliesin.
+
+
+Van de verhalen in de verzameling door Lady Charlotte Guest de
+"Mabinogion" genoemd, wordt alleen het verhaal van de geboorte en
+de avonturen van den mythischen bard Taliesin, den Amergin van
+de Kimbrische legende, niet gevonden in het veertiende-eeuwsch
+handschrift getiteld "Het Roode Boek van Hergest." Het is geput uit
+een handschrift van het laatst der zestiende of zeventiende eeuw
+en schijnt nooit in Wales zeer populair te zijn geweest. Veel van
+de zeer duistere poëzie aan Taliesin toegeschreven kan men er in
+vinden en dit is veel ouder dan het proza. Het doel van het verhaal
+is trouwens, zooals Nutt heeft aangetoond in zijn uitgave van de
+"Mabinogion," veeleer een soort van omlijsting te vormen teneinde
+verspreide verzen toegeschreven aan Taliesin aan elkaar te rijgen,
+dan een samenhangend verhaal over hem en zijn daden te vertellen.
+
+De geschiedenis van de geboorte van den held is het belangwekkendst
+van het verhaal. Daar leefde, zoo heette het, "in den tijd van Arthur
+van de Tafelronde", [247] een man genaamd Tegid Voel van Penllyn,
+wiens vrouw Ceridwen heette. Zij hebben een zoon genaamd Avagddu, die
+de leelijkste man van de wereld was. Om zijn gebrek aan schoonheid te
+vergoeden besloot zijn moeder een wijze van hem te maken. Daartoe nam
+zij, in overeenstemming met de kunst van de boeken van Feryllt, [248]
+haar toevlucht tot de groote Keltische bron van magischen invloed--een
+ketel. Zij begon een "ketel van inspiratie en wetenschap voor haar
+zoon te koken, opdat hij waardig zou worden ontvangen om zijn kennis
+van de mysterieën van den toekomstigen staat der wereld." De ketel zou
+een jaar en een dag niet mogen ophouden te koken en slechts in drie
+droppels er van zou de tooverkracht van het brouwsel worden gevonden.
+
+Zij stelde Gwion Bach, zoon van Gwreang van Llanfair, aan om in
+den ketel te roeren, en een blinden man Morda geheeten, om het vuur
+aan den gang te houden, en zij hield bezweringen over den ketel en
+deed er tooverkruiden in van tijd tot tijd, zooals Feryllt's boek
+voorschreef. Maar op zekeren dag tegen het eind van het jaar vlogen
+drie droppels van het toovervocht uit den ketel en kwamen terecht op
+Gwion's vinger. Evenals Finn mac Cumhal bij een dergelijke gelegenheid,
+bracht hij zijn vinger in den mond, en hij werd daarop onmiddellijk met
+bovennatuurlijk inzicht begiftigd. Hij begreep, dat hij had verworven
+wat voor Avagddu was bestemd, en hij begreep ook dat Ceridwen hem er
+voor zou ombrengen als zij kon. Hij vluchtte daarom naar zijn eigen
+land, en de ketel, beroofd van de gewijde droppels, bevatte nu niets
+dan vergif; door de werking daarvan barstte de ketel en het vocht liep
+in een nabijen stroom en vergiftigde de paarden van Gwyddno Garanhir,
+die van het water dronken. Vandaar dat de stroom van dien tijd af
+heette het Vergif van de Paarden van Gwyddno.
+
+Nu kwam Ceridwen voor den dag en zag dat haar werk van een jaar
+verloren was. In haar woede sloeg zij Morda met een blok brandhout een
+oog uit en zette toen Gwion Bach achterna. Hij zag haar en veranderde
+zich in een haas. Zij werd een hazewind. Hij sprong in de rivier en
+werd een visch en zij zette hem als otter achterna. Hij werd een vogel,
+zij een havik. Toen veranderde hij zich in een graankorrel en viel
+onder de andere korrels op een dorschvloer en zij werd een zwarte
+hen en verslond hem. Negen maanden later baarde zij hem als kind;
+en zij had het willen dooden, maar zij kon het niet omdat het zoo
+schoon was: "Zij stopte het dus in een leeren zak en smeet den zak
+in zee op God's genade."
+
+
+
+De buitenkans van Elphin.
+
+
+Nu had Gwyddno, de man van de vergiftigde paarden, een dam voor de
+zalmvangst aan het strand tusschen Dyvi en Aberystwyth. En zijn zoon
+Elphin, een arme onfortuinlijke knaap, vischte op zekeren dag den
+leeren zak op, toen die tegen den dam dreef. Zij openden den zak en
+vonden het kind er in. "Zie, welk een stralend gelaat!" [249] zeide
+Gwyddno. "Hij zij Taliesin geheeten", zeide Elphin. En zij brachten
+zeer voorzichtig het kind naar huis en voedden het op als hun eigen. En
+dit was Taliesin, de eerste bard van de Kimbren; en het eerste gedicht
+dat hij maakte, was een loflied op Elphin en een voorspelling van geluk
+in de toekomst. En deze werd bewaarheid, want Elphin steeg dagelijks in
+rijkdom en aanzien en in de genegenheid en de gunst van Koning Arthur.
+
+Maar op zekeren dag dat Koning Arthur en al wat tot hem behoorde, boven
+mate werden geroemd, pochte Elphin erop, dat hij een vrouw had even
+deugdzaam als er maar een was aan Arthur's Hof, en een bard knapper dan
+de barden des Konings; en hij werd in de gevangenis geworpen totdat zou
+blijken, dat hij zijn pochen goed kon maken. En terwijl hij daar lag
+met een zilveren ketting om de voeten, werd een verdorven kerel, Rhun
+geheeten, gezonden om de vrouw van Elphin het hof te maken en bewijzen
+mee te brengen van hare zwakheid; en men zeide, dat er geen maagd of
+vrouw was met wie Rhun verkeerde, of er werd kwaad van haar gesproken.
+
+Taliesin ried toen zijn meesteres zich te verstoppen, en zij gaf haar
+kleeren en juweelen aan een van de keukenmeiden, die Rhun ontving
+alsof zij de meesteres was van het huis. En na het avondeten diende
+Rhun de meid drank toe en zij werd beschonken en viel in diepen slaap;
+toen sneed Rhun een harer vingers af, waaraan de zegelring stak die
+Elphin een poosje te voren aan zijn vrouw had gezonden. Rhun bracht
+den vinger met den ring er aan naar Arthur's Hof.
+
+Den dag daarop werd Elphin uit de gevangenis gehaald en men liet hem
+den vinger met den ring zien, waarop hij zeide: "Met uw welnemen,
+machtige Koning, ik ontken niet, dat de ring van mij is, maar de
+vinger waaraan hij steekt was nooit van mijn vrouw. Want dit is
+de pink en de ring past er precies aan, maar mijn vrouw kon hem
+ternauwernood aan haar duim houden. En bovendien is mijn vrouw gewoon
+elken Zaterdagavond haar nagels te knippen en deze nagel is zeker
+niet in een maand geknipt. En ten derde, de hand waaraan deze vinger
+hoorde heeft minder dan drie dagen geleden roggedeeg gekneed, maar mijn
+vrouw heeft nooit roggedeeg gekneed sedert zij mijn vrouw is geweest."
+
+Toen was de Koning boos, omdat zijn proef mislukt was en hij zond
+Elphin naar de gevangenis terug, totdat hij kon bewijzen wat hij
+omtrent zijn bard had beweerd.
+
+
+
+Taliesin, de voornaamste bard van Brittannië.
+
+
+Toen ging Taliesin naar het Hof en op een feestdag toen de barden
+en minstreels des Konings voor hem zouden zingen, stak Taliesin,
+toen zij hem, die rustig in een hoek zat, voorbijgingen, zijn lippen
+vooruiten speelde "Blerwm, blerwm", met zijn vinger op den mond. En
+toen de barden voor den Koning zouden optreden, ziet, toen was er een
+betoovering over hen, en zij konden niets doen dan buigen voor hem en
+spelen "Blerwm, blerwm", met hun vingers op de lippen. En hun hoofd
+Heinin zeide: "O Koning, wij zijn niet dronken van wijn, maar stom
+onder den invloed van den geest, die daar zit in gindschen hoek,
+in de gedaante van een kind." Toen werd Taliesin voor den Koning
+gebracht en men vroeg hem wie hij was en waar hij vandaan kwam. En
+hij zong als volgt:
+
+
+ "Eerste der barden ben ik bij Elphin,
+ En het land mijner afkomst is het rijk der zomersterren;
+ Idno en Heinin noemden mij Merddin,
+ In 't eind zal mij ieder wezen noemen Taliesin.
+
+ "Ik was met mijn Heer in de hoogste sferen,
+ Toen Lucifer viel in de diepte der hel;
+ Ik droeg een banier voor Alexander uit;
+ Ik ken de namen der sterren van noord tot zuid.
+
+ "Ik was in Kanaan toen Absalom gedood werd,
+ Ik was in het hof van Don vóór de geboorte van Gwydion.
+ Ik was op de plaats der kruisiging van den barmhartigen
+ Zoon Gods;
+ Ik was tot driemaal toe in de gevangenis van Arianrod.
+
+ "Ik was in Azië met Noach in de ark,
+ Ik zag de verdelging van Sodom en Gomorrah.
+ Ik was in Indië toen Rome gebouwd werd.
+ Nu kwam ik hier naar wat van Troja [250] nog bleef.
+
+ "Ik was met mijn Heer in des ezels kribbe,
+ Ik sterkte Mozes door de wateren van den Jordaan;
+ Ik was in den hemel met Maria Magdalena;
+ Ik ontving de Muze uit den ketel van Ceridwen.
+
+ "Ik zal tot den jongsten dag zijn op het vlak der aarde;
+ En men weet niet of mijn lichaam vleesch is dan visch.
+
+ "Toen was ik negen maanden
+ In den schoot van de heks Ceridwen;
+ Ik was aanvank'lijk kleine Gwion,
+ En in 't eind ben ik Taliesin." [251]
+
+
+Terwijl Taliesin zong, stak een groote storm op, en het kasteel trilde
+door het geweld er van. Toen liet de Koning Elphin voor zich brengen
+en toen hij kwam vielen, bij de muziek van Taliesin's stem en harp, de
+kettingen van zelf van hem en hij was vrij. En vele andere gedichten
+betreffende geheime dingen van verleden en toekomst zong Taliesin
+voor den Koning en zijn edelen, en hij voorspelde dat de Saksers in
+het land zouden komen en de Kimbren verdrukken, en hij voorspelde
+ook dat zij heen zouden gaan wanneer de dag zou zijn gekomen.
+
+
+
+Besluit.
+
+
+We eindigen hiermede dit lange overzicht van de legendaire literatuur
+der Kelten. De stof is zeer rijk en het is uit den aard der zaak
+niet mogelijk in een boekdeel als dit meer te doen dan de voornaamste
+strooming aan te wijzen van de ontwikkeling der legendaire literatuur
+tot op den tijd, toen het mythische en legendaire element geheel
+verdween en vrije literaire vinding daarvoor in de plaats kwam. De
+lezer dezer bladzijden zal echter, naar wij hopen, een algemeen
+begrip van het onderwerp hebben verkregen, dat hem zal in staat
+stellen de beteekenis te begrijpen van verhalen, die wij hier niet
+konden behandelen, en daaraan de hun passende plaats te geven in
+een of ander van de groote cyclen van Keltische legenden. Men zal
+opmerken, dat wij het uitgebreide gebied van de Keltische folk-lore
+niet betraden. Folk-lore werd niet geacht te vallen binnen het kader
+van dit werk. Folk-lore kan soms verbasterde mythologie geven,
+soms mythologie in wording. In beide gevallen is het bijzondere
+kenmerk er van dat ze behoort tot en komt van een klasse van menschen
+wier dagelijksch leven hen in nauwe aanraking brengt met den grond,
+werkers op het veld en in het bosch, die met eenvoudige oprechtheid, in
+verhalen of door tooverformules hun indrukken weergeven van natuurlijke
+of bovennatuurlijke machten, die hun eigen leven omringen. Mythologie
+in den eigenlijken zin van het woord treedt eerst daar op waar
+verstand en verbeelding tot een trap van ontwikkeling zijn gekomen,
+hooger dan die gewoonlijk voor den boerengeest bereikbaar--waar de
+mensch is begonnen zijn verspreide indrukken samen te vatten en den
+aandrang heeft gevoeld daarvan dichterlijke scheppingen te maken,
+die universeele begrippen weergeven. Natuurlijk wordt hiermee niet
+beweerd, dat er altijd een scherpe grens kan worden getrokken tusschen
+mythologie en folk-lore; toch lijkt het mij gegrond het onderscheid te
+maken en ik heb getracht dat in deze bladzijden in het oog te houden.
+
+Na de twee historische overzichten, waarmede onze verhandeling begon,
+was het doel van het boek meer letterkundig dan wetenschappelijk. Ik
+heb evenwel gepoogd, waar de gelegenheid zich voordeed, uitkomsten
+mede te deelen van latere critische geschriften over de overblijfselen
+van Keltische mythen en legenden, die althans kunnen strekken den
+lezer aan te duiden den aard der critische problemen, die daarmee
+samenhangen. Ik hoop, dat daardoor de waarde van het boek voor
+den studeerende iets is verhoogd, terwijl het aan de attractie
+er van voor den gewonen lezer geen afbreuk doet. Verder kan ik
+in dien zin dit werk als wetenschappelijk laten gelden, dat het
+zooveel mogelijk eenige aanpassing van de stof aan den populairen
+smaak vermijdt. Zulk een aanpassing, wanneer ze geschiedt met een
+uitgesproken artistiek doel, is natuurlijk volkomen gewettigd; ware
+het anders, wij zouden de helft van de groote wereldpoëzie moeten
+veroordeelen. Maar hier was het doel de mythen en legenden der Kelten
+weer te geven zooals zij in de werkelijkheid zijn. Het ruwe is niet
+weggedoezeld, pijnlijke of monsterlijke dingen zijn niet weggelaten,
+behalve in enkele gevallen, waar het noodig was te bedenken, dat dit
+boek zich richt tot een breeder kring dan die van wetenschappelijke
+beoefenaars alleen. De lezer kan er, geloof ik, van verzekerd zijn,
+dat hij hier heeft een in wezen onpartijdige en niet geïdealiseerde
+voorstelling van den Keltischen kijk op het leven en de wereld, in
+een tijd, toen de Kelt nog een vrij, onafhankelijk, natuurlijk leven
+leidde, zijn opvattingen uitwerkte in de Keltische taal en niet meer
+aan vreemde bronnen ontleende dan hij kon assimileeren en zijn eigen
+maken. De aldus behandelde legendaire literatuur is de oudste niet
+klassieke letterkunde van Europa. Dit geeft haar, dunkt mij, al op
+zichzelf voldoende aanspraak op onze volle aandacht. Welke andere
+aanspraken zij moge hebben, hierover zouden vele bladzijden kunnen
+worden gevuld met aanhalingen uit de oordeelkundige lofuitingen er
+aan toegekend door beoordeelaars niet van Keltische nationaliteit, van
+Matthew Arnold af. Hier moge zij voor zichzelf spreken. Zij zal ons,
+geloof ik, leeren dat, zooals Maeldun zeide van een van de wonderen,
+die hij op zijn reis in het Tooverland ontmoette: "Wat wij hier zien
+was het werk van machtige mannen."
+
+
+
+
+DE UITSPRAAK VAN KELTISCHE NAMEN.
+
+
+Het is onmogelijk de namen nauwkeurig weer te geven zonder de levende
+stem. Maar met behulp van de phonetische teekens hier gegeven, waar dat
+noodig is, en lettend op de volgende algemeene regelen, zal de lezer
+de juiste uitspraak zoo nabij komen als dat voor hem noodig kan zijn.
+
+
+
+I. Galisch.
+
+
+Klinkers worden uitgesproken als in het Fransch of Duitsch: dus _i_
+(lang) als _ee_, _e_ (lang) als _a_ in "date" _u_ (lang) als _oo_. Een
+schrapje boven een letter beteekent dat die lang is; dun wordt dus
+uitgesproken "doon" (niet "dewn").
+
+_ch_ is een keelklank, zooals in het woord "loch." Hij wordt nooit
+uitgesproken met een _t_ klank, zooals in het Engelsch "chip".
+
+_c_ is altijd gelijk _k_.
+
+_gh_ is stom, zooals in het Engelsch.
+
+
+
+II. Kimbrisch.
+
+
+_w_ als medeklinker wordt uitgesproken als in het Engelsch; is zij
+een klinker als _oo_.
+
+_y_als _ee_ zoo ze lang is, als _u_ in "but", zoo ze kort is.
+
+_ch_ en _c_ als in het Galisch.
+
+_dd_ is als _th_ in "breathe".
+
+_f_ is als _v_; _ff_ als Engelsche _f_.
+
+De Engelsche lezer wage zich maar liever niet aan den klank _ll_. Het
+is een dikke _l_, zooiets tusschen _cl_ en _th_.
+
+Klinkers als in het Keltisch, maar men houde in het oog dat er
+feitelijk geen tweeklanken zijn in de taal van Wales [252] bij
+combinaties van klinkers krijgt elk zijn eigen klank.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Te Oxford, dus genaamd naar den stichter, Sir T. Bodley (N.v.d.v.).
+
+[2] Het voorkomen van het donkere type onder de bewoners. (N.v.d.v.).
+
+[3] Met betrekking tot den naam "Freeman" voegt de heer Nicholson er
+nog bij: "Niemand was meer hartgrondig "Engelsch" in zijn sympathieën
+dan de groote historicus van dien naam en vermoedelijk zou niemand zich
+hardnekkiger hebben verzet tegen de onderstelling dat hij misschien
+uit Wales afstamde; toch heb ik zijn bijna physiek evenbeeld ontmoet
+in een pachter uit Wales (Evans geheeten), die op een paar minuten
+afstands van Pwllheli woonde."
+
+[4] Hij maakt gewag van "Nyrax, een Keltische stad" en van "Massalia
+(Marseille), een stad van Liguria in het land der Kelten" ("Fragmenta
+Hist. Graec.")
+
+[5] In zijn "Premiers Habitants de l'Europe," deel II.
+
+[6] "Caesars Verovering van Gallië", blz. 251-327.
+
+[7] De ouden waren geen nauwkeurige waarnemers van physieke
+karaktertrekken. Zij beschrijven de Kelten in bijna dezelfde
+bewoordingen, die zij voor de Germaansche rassen gebruiken. Rice Holmes
+is van meening, dat het eenige verschil uit een physiek oogpunt in
+het feit gelegen was, dat de lichte haarkleur der Germanen blond,
+doch die der Kelten rood was. In een belangrijk gedeelte van het
+reeds aangehaalde boek (blz. 315) maakt hij de volgende opmerking:
+"Al houden wij ook zooveel mogelijk rekening met het feit, dat ander
+bloed er mede vermengd is, waardoor het type der oorsponkelijke
+Keltische of Gallische overweldigers van dit eiland aanzienlijk is
+gewijzigd, worden wij toch getroffen door het feit, dat er onder alle
+Keltisch sprekende landgenooten een aantal exemplaren gevonden worden
+van een type, dat ook bestaat in die gedeelten van Brittannië, die
+gekoloniseerd werden door Britsche indringers, en in die gedeelten van
+Gallië waarin de Gallische indringers zich in grooten getale schijnen
+te hebben neergezet, zoowel als in Noord-Italië, waar eertijds de
+Keltische indringers de overhand hadden; en evenzoo treft ons het feit,
+dat dit type, _zelfs onder zijn meer blonde vertegenwoordigers, zoowel
+voor den oppervlakkigen als voor den wetenschappelijken waarnemer
+duidelijk verschilt van dat der zuiverste vertegenwoordigers der
+oude Germanen_. De welbekende schilderij van Sir David Wilkie, "Het
+lezen der Waterloo Courant", doet, zooals Daniel Wilson opmerkte, het
+verschil tusschen beide typen duidelijk uitkomen. Zet een Hooglander
+uit Perthshire naast een uit Sussex. Beiden hebben licht haar, maar
+het roode haar en de roode baard van den Schot zal duidelijk afwijken
+van het lichte haar van den Engelschman, en hun gelaatstrekken zullen
+nog sterker verschillen. Ik herinner mij eens in den trein tusschen
+Inverness en Lairey gezeten te hebben met twee boschwachters. Zij
+waren beiden lang, forsch gebouwd en blond, en behoorden blijkbaar
+tot het Scandinavische type, dat zooals Dr. Beddoe zegt, in het
+hooge noorden van Schotland zoo veelvuldig wordt aangetroffen, maar
+zoowel in de kleur van hun haar als in hun uiterlijk in het algemeen
+verschilden zij volkomen van de lange, lichtharige Hooglanders,
+die ik in Perthshire had ontmoet. Er was geen spoor van rood in
+hun haar, en hun lange baarden waren absoluut geel. Het overwicht
+van rood onder de Keltisch sprekende bevolking is naar mijn meening
+een treffend kenmerk. Niet alleen dat wij op iedere honderd man elf
+vinden, wier haar absoluut rood is, maar op den ondergrond der zwart-
+en donkerbruin gekleurden kan dezelfde tint worden ontdekt."
+
+[8] Men zie de kaart ter vergelijking der kleur van de haren en de
+gelaatskleur in Ripley "Rassen van Europa", blz. 318. In Frankrijk
+echter zijn de bewoners van Bretagne geen donker ras in vergelijking
+met het overige deel der bevolking. Zij bestaan gedeeltelijk uit
+de oude Gallische volken en gedeeltelijk uit kolonisten uit Wales,
+die bij den Saksischen inval waren verjaagd.
+
+[9] Zie, wat die namen betreft, Holder "Altceltischer Sprachsatz".
+
+[10] Het is niet onmogelijk, dat Vergilius beteekent de "zeer
+schitterende" of uitstekende; een natuurlijke vorm voor een
+eigennaam _Ver_ is dikwijls in Gallische namen (Vercingetorix,
+Vercassivellasimus, enz.) een versterkend voorvoegsel, zooals het
+moderne Iersche _fior_. De naam van het dorp, waar Vergilius geboren
+was, Andes (thans Pietola), is Keltisch. Zijn liefde voor de natuur,
+zijn mysticisme en zijn krachtig gevoel voor zekere decoratieve
+eigenschappen in taal en rhythmus, zijn sterk op den voorgrond
+tredende Keltische eigenschappen. De uitdrukkingen, die Tennyson
+over hem bezigt, "liefhebber van landschappen, beheerscher der taal,"
+zijn in dit opzicht kenschetsend.
+
+[11] Ptolemaeus, een vriend en waarschijnlijk zelfs een halfbroeder
+van Alexander, was zonder twijfel er bij tegenwoordig, toen dit
+voorval plaats had. Zijn werk is niet meer overgebleven, maar wordt
+aangehaald door Arrianus en andere geschiedschrijvers.
+
+[12] Het doet ons denken aan het volksverhaal omtrent Henny Penny,
+die den koning ging vertellen, dat de hemel neerviel.
+
+[13] Het Boek van Leinster is een manuscript uit de twaalfde eeuw. De
+lezing der "Táin", daarin gegeven, dateert waarschijnlijk uit de
+achtste eeuw. Zie de Jubainville, "Premiers Habitants," II 316.
+
+[14] Dr. Douglas Hyde geeft in zijn "Letterkundige Geschiedenis van
+Ierland" (blz. 7), een eenigszins afwijkende vertaling.
+
+[15] Het is eveneens een bewijs van de groote nauwkeurigheid van het
+verhaal van Ptolemaeus.
+
+[16] De Romeinsche geschiedenis maakt melding van verscheidene
+botsingen met de Kelten gedurende die periode, maar de Jubainville
+heeft aangetoond, dat die verhalen bijna alle zeker mythen zijn. Zie
+"Premiers Habitants," II 318-323.
+
+[17] B.v. Moymell (_magh-meala_) de Vlakte van Honig, een Gallische
+naam voor Tooverland, en een aantal plaatsnamen.
+
+[18] Voor deze en een aantal andere voorbeelden zie de Jubainville
+"Premiers Habitants" II, blz. 255 env.
+
+[19] Aangehaald door Romilly Allen in "Keltische Kunst" blz. 136.
+
+[20] "Premiers Habitants", II 355, 356.
+
+[21] Het Iersch is waarschijnlijk een oudere vorm der Keltische
+taal dan de volkstaal van Wales. Dit blijkt uit een aantal
+taalkundige bijzonderheden der Iersche taal, waarvan wij hier één
+der merkwaardigste in het kort zullen vermelden. De Goidelische of
+Galische Kelten, die volgens de gewone theorie het eerst de Britsche
+eilanden koloniseerden, en die door opvolgende golven van inval door
+hun stamgenooten van het vasteland naar het uiterste westen werden
+gedreven, hadden een bijzonderen tegenzin tegen het uitspreken der
+letter _p_. Zoo wordt het Indo-Europeesche voorzetsel _pare_, dat in
+het Grieksch door par'a, naast of in de onmiddellijke nabijheid, wordt
+voorgesteld, in het oud Keltisch _are_, zooals in den naam _Are morici_
+(de Armorikers, zij die _ar muir_, aan de zee wonen); _Are-dunum_
+(Ardin in Frankrijk); _Are-cluta_, de plaats bij de Clota (Clyde),
+het tegenwoordige Dumbarton; _Are-taunon_ in Duitschland (bij het
+Taunus gebergte), enz. Als de _p_ niet eenvoudig werd weggelaten,
+veranderde zij gewoonlijk in een _c_ (_k_, _g_). Maar omstreeks de
+zesde eeuw v.C. had er in de taal der Kelten van het vaste land een
+merkwaardige verandering plaats. Op een onverklaarbare wijze kregen
+zij het vermogen de _p_ uit te spreken, en zelfs zetten zij die in
+de plaats van de bestaande _c_ klanken; zoo werd het oorspronkelijke
+_Cretanis_: _Pretanis_, Brittannië, het getal _qetuares_ (vier)
+werd _petuares_, enz. Keltische plaatsnamen in Spanje toonen aan,
+dat die verandering moet hebben plaats gehad vóórdat de Kelten dat
+land hebben veroverd, 500 v.C. Nu toont een vergelijking van een
+aantal Iersche woorden en die uit de volkstaal van Wales duidelijk
+aan, dat de Ieren die _p_ vermijden terwijl de bewoners van Wales er
+volstrekt geen bezwaar tegen hebben. Hier volgen enkele voorbeelden:
+
+
+
+------
+TABLE
+
+ Iersch Wales Nederlands
+ crann prenn boom
+ mac map zoon
+ cenn pen hoofd
+ clumh (cluv) pluv veer
+ cúig pimp vijf
+------
+
+
+
+De gevolgtrekking schijnt voor de hand te liggen, dat het Iersch
+den ouderen vorm der taal moet voorstellen. Merkwaardig is het, dat
+zelfs tot een betrekkelijk laat tijdstip de Ieren hun tegenzin tegen
+de _p_ bewaard hebben. Zoo veranderden zij het Latijnsche _Pascha_
+(Paschen) in _Casg_; _purpur_, in _curcair_, _pulsatio_ (door het
+Fransche _pouls_) in _cuisle_. Wij moeten echter opmerken, dat
+Nicholson in zijn "Keltische onderzoekingen" tracht aan te toonen,
+dat de zoogenaamde Indo-Europeesche _p_--dat is de _p_ die alleen
+staat en niet met een anderen medeklinker is verbonden--in een vroege
+periode door de Goidelische Kelten werd uitgesproken. Men kan niet
+zeggen, dat het onderwerp reeds volkomen is opgehelderd.
+
+[22] "De Ieren," zoo zegt Edmund Spenser, in zijn "Overzicht van den
+tegenwoordigen toestand van Ierland," "plegen gewoonlijk boodschappers
+heen en weer te zenden om nieuws te hooren, en als iemand een ander
+ontmoet, zegt hij bijna onmiddellijk, wat voor nieuws is er?"
+
+[23] Zie hieromtrent Spenser: "Ik heb groote krijgslieden hooren
+vertellen, dat zij in alle veldtochten die zij in vreemde landen
+hadden medegemaakt, nooit bevalliger ruiters gezien hebben dan de
+Ieren, noch iemand die dapperder is in den aanval. Zij zijn zeer
+dapper en forsch. Zij verdragen meestal uitstekend koude, inspanning,
+honger en alle ontberingen, zij zijn krachtig van hand, vlug van voet,
+zeer oplettend en voorzichtig in hun ondernemingen, zij hebben groote
+tegenwoordigheid van geest, en hebben een groote doodsverachting."
+
+[24] Het verhaal van de overgave van Vercingetorix wordt door Caesar
+niet gedaan, en berust uitsluitend op het gezag van Plutarchus en
+den geschiedschrijver Florus, maar wordt door de geleerden (Mommsen,
+Long, enz.) als authentiek beschouwd.
+
+[25] Dit was een stam die zijn naam ontleende aan den _gaesum_, een
+soort Keltische werpspies, wat hun voornaamste wapen was. De gedraaide
+gouden halsketen (_torques_) komt als typisch versiersel voor bij
+het bekende standbeeld van den stervenden Galliër, gewoonlijk genoemd
+"De Stervende Gladiator". Een aantal modellen zijn voorhanden in het
+nationale museum te Dublin.
+
+[26] "Caesars Verovering van Gallië, blz. 10, 11. Wij voegen
+hieraan toe, dat de aristocratische Kelten evenals de Teutonen
+dolichocephalen waren--d.w.z. hun hoofden waren lang in vergelijking
+met de breedte. Dit is bewezen uit overblijfselen gevonden in het
+bekken van de Marne, dat sterk door hen bevolkt was. In één geval
+werd het skelet van den langen Gallischen soldaat gevonden met zijn
+strijdwagen, zijn ijzeren helm en zwaard, die thans zijn in het
+Museum van St. Germain. De bewoners der Britsche eilanden zijn over
+het algemeen dolichocephaal, immers het "Alpentype", met rond hoofd
+komt daar slechts zelden voor. De bewoners van het tegenwoordige
+Frankrijk zijn eveneens rondhoofdig. Thans weten wij echter, dat de
+vorm van het hoofd volstrekt geen constant rassenkenmerk is. Deze
+verandert snel in een nieuwe omgeving zooals blijkt uit metingen van
+de afstammelingen van hen, die naar Amerika zijn verhuisd. Men zie
+een artikel hierover van Professor Haddon in "Nature," 3 Nov. 1910.
+
+[27] In de "Tain Bo Cuailgne", onder andere, mag de Koning van Ulster
+niet met een boodschapper spreken totdat de Druïde Cathbad hem heeft
+ondervraagd. Men haalt zich hier de regels voor den geest van Sir
+Samuel Ferguson in zijn Iersch epos "Congal":
+
+
+
+ "Want steeds nog,
+ sinds de tijden
+ Dat Cathbad Usnachs zoons een wreeden dood deed lijden,
+ Door hen in vuile modderzee te smoren,
+ Die door een gruwlijk tooverwoord werd opbezworen,
+ Aan Creeveroe's bloedge poort, verbeiden
+ Verderf en smaad den vorst, die zich door priesterwoord
+ laat leiden.
+
+
+
+[28] In het Keltisch, Diarmuid mac Cearbhaill.
+
+[29] Het was de gewoonte, evenals in Indië, dat iemand, die door een
+meerdere verongelijkt was, of zich dit verbeeldde, ging zitten voor
+den drempel van hem, die geweigerd had hem recht te doen, en dat hij
+vastte totdat hem recht was gedaan. In Ierland werd een tooverkracht
+toegeschreven aan die plechtige handeling; de gevolgen daarvan konden
+worden afgewend, als ook de andere partij vastte.
+
+[30] "Silva Gadelica", door S. H. O'Grady, blz. 73.
+
+[31] De bron, waaraan dit ontleend is, is een verhaal, dat gevonden
+wordt op een perkamenten handschrift uit de vijftiende eeuw, dat in
+het jaar 1814 in Lismore Castle is ontdekt, en dat door S. H. O'Grady
+in zijn "Silva Gadelica" is vertaald. Het verhaal wordt toegeschreven
+aan een beambte aan het hof van Dermot.
+
+[32] Van het Grieksche _megas_, groot, en _lithos_, steen.
+
+[33] Zie Borlase, "Dolmens van Ierland," blz. 605, 606, waar dit
+onderwerp wordt besproken.
+
+[34] Professor Ridgeway (zie Verslagen der Brit. Assoc. van 1908) heeft
+beweerd, dat de megalithische bevolking een Arische taal sprak; anders
+zouden, zoo meende hij, meer sporen van haar invloed overgebleven
+zijn in het Keltisch, dat daarvoor in de plaats is gekomen. Zoowel
+het gezag der grootste geleerden als de directe bewijzen, die wij
+bezitten, schijnen tegen die opvatting te pleiten.
+
+[35] Zie Holder, "Altceltischer Sprachschatz" sub voce "Hyperboreoi."
+
+[36] Men lette op het Grieksche woord _pharmakon_ = geneesmiddel,
+vergif, toovermiddel; naar men mij mededeelt, is in Centraal Afrika
+het woord voor toovermiddel _mankwala_, wat ook geneesmiddel beteekent.
+
+[37] Indien Plinius bedoeld heeft, dat het daar het eerst werd
+vastgelegd en geregeld, kan hij wel gelijk hebben gehad, maar de
+opvattingen, waarop de toovenarij berusten, zijn in haar wezen over
+de geheele aarde verspreid en onheugelijk oud.
+
+[38] Ingevoerd in het jaar 451 v.C. Livius noemt ze "de bron van
+alle publieke en private recht." Zij stonden op het forum tot aan de
+derde eeuw n.C., maar zij zijn nu verloren, behalve enkele fragmenten,
+die in verschillende commentaren zijn bewaard gebleven.
+
+[39] Zie "Revue Archéologique", Deel XII, 1865, "Fouilles de René
+Galles."
+
+[40] Jadiet wordt niet in Europa, ten minste niet in den natuurstaat,
+gevonden; het dichtst bij vindt men het in China.
+
+[41] Kleine steenen, kristallen en edelgesteenten werden echter
+ook vereerd. De beroemde groote steen van Pergamos was het doel van
+een gezantschap uit Rome naar die stad gezonden ten tijde van den
+Tweeden Punischen oorlog, daar de Sibyllijnsche boeken de overwinning
+voorspelden aan de bezitters van dien steen. Hij werd onder groot
+vreugdebetoon in het jaar 205 naar Rome gebracht. Men zegt, dat hij
+ongeveer de grootte had van een mansvuist, en hij was waarschijnlijk
+een meteoorsteen. Men vergelijke hiermede de mythe bij Hesiodus, die
+verhaalt, hoe Kronos een steen verslond in de meening, dat deze zijn
+zoon Zeus was. Het was toen mogelijk, een steen voor een godheid aan
+te zien.
+
+[42] Zie "Archaïsch beeldhouwwerk", 1867 van Sir J. Simpson.
+
+[43] Dit feit wordt vermeld in de "Annalen der Vier Meesters" onder
+het jaar 861 en in de "Annalen van Ulster", onder het jaar 862.
+
+[44] Zie "Handelingen van de Koninklijke Iersche Academie," Deel XXX,
+Afdeeling I, 1892, en "New Grange," door G. Coffey, 1912.
+
+[45] Men moet echter in het oog houden, dat de versiering, zeker in
+sommige, en misschien in alle gevallen, was aangebracht voordat de
+steenen in den juisten stand waren geplaatst. Dit is eveneens het
+geval te Gavr'inis.
+
+[46] Hij heeft die opvatting gewijzigd in zijn laatste werk, "New
+Grange," 1912.
+
+[47] "Verhandelingen der Koninklijke Iersche Academie," Deel VIII,
+1863, blz. 400 en G. Coffey, aangehaald werk blz. 30.
+
+[48] "Les Sculptures de Rochers de la Suède," voorlezing gehouden
+op het Praehistorisch Congres, Stockholm, 1874; zie ook G. Coffey,
+aangehaald werk, blz. 60.
+
+[49] "Dolmens van Ierland", blz. 701-704.
+
+[50] "De Godsdienst van Babylonië en Assyrië."
+
+[51] Een goed voorbeeld uit Amaravati (naar Fergusson) vindt men bij
+Bertrand, "La Religion des Gaulois", blz. 389.
+
+[52] Sergi "Het Ras aan de Middellandsche Zee," blz. 313.
+
+[53] Te Lökeberget, Bohuslän; zie Montelius in zijn aangehaald werk.
+
+[54] Zie Lord Kingsborough "Oudheden van Mexico" op verschillende
+plaatsen, en het Humboldt-fragment van Mexicaansch schilderwerk
+(weergegeven in Churchwards "Teekenen en Symbolen van den
+Oorspronkelijken Mensen").
+
+[55] Zie Sergi, in zijn bovengenoemd werk, blz. 290, over den Ankh
+op een Franschen dolmen.
+
+[56] "Bulletin de la Société d'Anthropologie," Paris, April 1893.
+
+[57] "De bevolking van Wales", blz. 616-664, waar het onderwerp
+volledig besproken wordt in een aanhangsel door Professor J. Morris
+Jones. "De prae-Arische taaleigens, die nog bestaan in de talen van
+Wales en Ierland, waren afgeleid uit een taal, die nauw verwant was
+met talen van Egypte en van de Berbers."
+
+[58] Flinders Petrie, "Egypte en Israël", blz. 137, 899.
+
+[59] Homerus, Odyssee XXIV, 1-11.
+
+[60] Valerius Maximus (omstreeks 30 n.C.) en andere schrijvers maken
+melding van dit gebruik.
+
+[61] Boek V.
+
+[62] De Jubainville, "Iersche Mythologische Cyclus" blz. 191 env.
+
+[63] De etymologie van het woord Druïde is niet langer een onopgelost
+raadsel. Het vermoeden is uitgesproken, dat het laatste gedeelte
+van het woord in verband stond met den Arischen wortel VID, die ook
+voorkomt in "wijsheid", in het Latijnsche _videre_, enz. Thurneysen
+heeft aangetoond, dat die wortel in verband met het versterkende
+woordje _dru_ het woord _dru-vids_ vormt, dat in het Gallisch wordt
+voorgesteld door _draoi_, een Druïde, evenals een ander versterkend
+woordje, _su_, met _vids_ het Gallisch _saoi_, een wijze (sage) vormt.
+
+[64] Zie Rice Holmes "De Verovering van Caesar", blz. 15 en
+blz. 532-536. Wij merken hier op, dat Rhys van meening is, dat
+het Druïdisme de godsdienst was van de oorspronkelijke bewoners
+van Westelijk Europa, van de Oostzee tot aan Gibraltar ("Keltisch
+Brittannië" blz. 73). Maar zekerheid hebben wij eerst, waar Kelten
+en dolmenbouwers vereenigd waren. Caesar merkt omtrent de Germanen
+op, dat zij geen Druïden hadden en weinig gewicht hechtten aan
+offerplechtigheden.
+
+[65] "La Religion des Gaulois," leçon XX.
+
+[66] Ontleend aan Bertrand, aangehaald werk, blz. 279.
+
+[67] "De Iersche Mythologische Cyclus," door d'Arbois de Jubainville,
+blz. 61. De genoemde "Dinnsenchus" is een oud Christelijk
+document. Geen spoor van een wezen als Crom Cruach is tot nu toe
+gevonden in de heidensche letterkunde van Ierland, noch in de
+geschriften van St. Patrick, en wij gelooven dan ook, dat zelfs in
+den tijd van St. Patrick menschenoffers nog alleen slechts in de
+herinnering bestonden.
+
+[68] Een voorstelling van een menschenoffer is echter voor eenige
+jaren ontdekt in een tempel der Zon in de Ethiopische hoofdstad, Meroë.
+
+[69] "Gij (Kelten), die door het vergieten van wreed bloed den
+onmeedoogenden Teutates, den afgrijselijken Æsus met zijn barbaarsche
+altaren en Taranus, wiens eeredienst niet zachtzinniger is dan die
+van de Scythische Diana, (aan wie krijgsgevangenen werden geofferd),
+meent te verzoenen." (Lucanus, "Pharsalia" I, 444). Een altaar,
+aan Æsus gewijd, is te Parijs ontdekt.
+
+[70] Mont Mercure, Mercoeur, Mercoirey, Montmartre (Mons Mercurii),
+enz.
+
+[71] Tot nog op dezen tijd gebruikt de landbouwende bevolking in vele
+streken van Frankrijk uitdrukkingen als _annuit_, _o'né_, _anneue_
+enz., die alle "van avond" beteekenen, in plaats van _aujourd'hui_
+(Bertrand, La Religion des Gaules, blz. 356).
+
+[72] De _fili_, of beroepsdichters, waren, zooals wij uitdrukkelijk
+vermelden, een onderdeel van de kaste der Druïden.
+
+[73] Bij voorbeeld, Pelagius in de vijfde eeuw, Columba, Columbanus
+en St. Gallus in de zesde eeuw; Fridolijn, _Viator_ "de Reiziger"
+genoemd, en Fursa in de zevende eeuw; Virgilius (Feargal) van Salzburg,
+die zich te Rome moest verantwoorden, omdat hij de bolvormige gedaante
+der aarde leeraarde, in de achtste eeuw; Dicuil "de Aardrijkskundige,"
+en Johannes Scotus Erigena--de grootmeester van den geest in zijn
+tijd--in de negende eeuw.
+
+[74] Dealgnaid. Wij zijn hier, evenals op enkele andere plaatsen,
+verplicht geweest, de Iersche namen zóó te veranderen, dat zij door
+onze lezers kunnen worden uitgesproken.
+
+[75] Zie blz. 31, noot 2.
+
+[76] Wij volgen in dit verhaal de vertaling van R. I. Best, van den
+"Ierschen Mythologischen Cyclus" en d'Arbois de Jubainville.
+
+[77] De Jubainville "Iersche Mythologische Cyclus", blz. 75.
+
+[78] Spreek uit zooals in het Engelsch Yeo' hee.
+
+[79] De wetenschap der Druïden, werd, zooals wij zien in verzen
+overgebracht, en de dichters van beroep waren een tak van de kaste
+der Druïden.
+
+[80] Meyer en Nutt, "Reis van Bran," II, 197.
+
+[81] "Moytura" beteekent "De Vlakte der Torens," d.i. grafmonumenten.
+
+[82] Shakespeare maakt hierop een toespeling in zijn "As You Like
+It". "Er zijn nooit zooveel verzen op mij gemaakt," zegt Rosalind,
+"sedert de dagen van Pythagoras, toen ik een Iersche rat was--wat ik
+mij nauwelijks kan herinneren."
+
+[83] Lyon, Leiden, Laon waren alle in oude tijden bekend als
+_Lugdunum_, de Vesting van Lugh-Luguvallum was de naam van een stad
+bij den Muur van Hadrianus, in Romeinsch Brittannië.
+
+[84] Het verhaal wordt door hem gegeven in een noot bij de "Vier
+Meesters," Deel I, blz. 18 en wordt ook weergegeven door de
+Jubainville.
+
+[85] De twee andere zijn: "Het lot van de kinderen van Lir" en "Het
+lot van de zonen van Usna." De verhalen van "De tocht der zonen van
+Turenn" en van "De kinderen van Lir" zijn door ons volledig vertaald
+in het werk "Groote daden van Finn en andere Bardenverhalen," en dat
+van "de Zonen van Usna" (de Legenden van Deirdre) in de "Cuchulain"
+van Miss Eleonor Hull, beide uitgegeven door Harrap en Co.
+
+[86] Vertaling van O'Curry uit het gedicht "De slag bij Moytura".
+
+[87] O'Curry, "Zeden en Gewoonten", III 214.
+
+[88] De oude verdeeling van het jaar bij de Ieren bevatte slechts drie
+jaargetijden, daar de herfst bij den zomer was ingedeeld (O'Curry,
+"Zeden en Gewoonten", III 217.)
+
+[89] S. H. O'Grady, "Silva Gadelica", blz. 191.
+
+[90] Blz. 104 env. en verder op verschillende plaatsen.
+
+[91] O'Grady, ter aangehaalde plaatse.
+
+[92] O'Grady, ter aangehaalde plaatse.
+
+[93] Zie blz. 97.
+
+[94] Miss Hull heeft dat onderwerp in den breede ontwikkeld in de
+inleiding van haar onschatbaar werk, "De sage van Cuchullin."
+
+[95] Zie het verhaal "Etain en Midir", in Hoofdstuk IV.
+
+[96] De naam Tara is afgeleid van een verbogen vorm van het
+zelfstandig naamwoord _Teamhair_ dat beteekent "de plaats van
+het wijde uitzicht". Het is nu een breede, grasrijke heuvel in het
+graafschap Meath, bedekt met aardewerken, die de plaats aanduiden der
+oude koninklijke gebouwen, die men nog alle naar oude beschrijvingen
+kan terugvinden.
+
+[97] Zie het verhaal van Etain en Midir. Hfdst. IV.
+
+[98] Zie blz. 99.
+
+[99] Wij kunnen niet instemmen met O'Grady, waar hij die godin met
+Dana vereenzelvigt, hoewel de naam "De Groote Koningin" schijnt
+te beteekenen.
+
+[100] Gerald, de vierde Graaf van Desmond. Men verhaalt, dat hij in
+het jaar 1398 is verdwenen, en de legende zegt, dat hij nog altijd
+leeft onder de wateren van Loch Gur, en dat men hem eens in de zeven
+jaar op zijn wit paard om de oevers heen kan zien rijden. Hij had
+den bijnaam van "Gerald de Dichter" wegens de geestige en vernuftige
+gedichten, die hij in het Galisch vervaardigde. Toovenarij, poëzie en
+wetenschap waren in den geest der oude Ieren in één begrip vereenigd.
+
+[101] "Populaire vertellingen van Ierland", door D. Fitzgerald in
+"Revue Celtique," Deel IV.
+
+[102] "De Reis van Bran", Deel II, blz. 219.
+
+[103] In het Iersch, _Sionnain_.
+
+[104] Vertaling van R. L. Best.
+
+[105] De zonneschepen, die men in snijwerk op dolmens vindt. Zie
+Hoofdstuk II, blz. 156 env. Men houdt in het oog, dat de Keltische
+geesten, hoewel onzichtbaar, stoffelijk zijn en gewicht hebben,
+in tegenstelling met die bij Vergilius en Dante.
+
+[106] De Jubainville, "Iersche Mythologische Cyclus", blz. 136. Beltené
+is de moderne Iersche naam voor de maand Mei, en is afgeleid van een
+oudere stam, die bewaard is gebleven in het Oud Iersche samengestelde
+woord "_epelta_", "dood".
+
+[107] "Iersche Mythologische Cyclus", blz. 138.
+
+[108] Ook hier volgen wij de vertaling van de Jubainville; maar men
+zie ook in verband met dit en de vorige gedichten de "Verhandelingen
+van het Ossian-Genootschap", Deel V.
+
+[109] Teltin, zoo genoemd naar de godin Telta. Zie blz. 88.
+
+[110] Uitgesproken als het Engelsche "Shee". Het beteekent letterlijk
+het Volk der (Feeën) Hoogten.
+
+[111] In het Engelsch uitgesproken als "Eefa".
+
+[112] Die naam beteekent "Meisje met den blanken schouder".
+
+[113] De hier in het kort weergegeven vertelling wordt volledig gegeven
+in het werk van den Schrijver "Groote daden van Finn" (Harrap en Co.).
+
+[114] Het verdient vermelding, dat de lettergreep "Kill", die in
+zoo veel Iersche plaatsnamen gevonden wordt (Kilkenny, Killiney,
+Kilcooley, enz.), meestal het Latijnsche _cella_, een kloostercel,
+tempelvertrek of kerk, voorstelt.
+
+[115] Cleena (_Cliodhna_) was een vorstin uit het Volk van Dana,
+omtrent wie een legende verhaald wordt, die in verband staat met de
+baai van Glandore in het Graafschap Cork. Zie blz. 111.
+
+[116] Zie blz. 69.
+
+[117] "Omnia monumenta Scotorum anti Cimbaoth incerta erant." Tierna,
+die in 1088 stierf, was Abt van Clonmacnois, een beroemd klooster en
+een middelpunt van opvoeding in het Middeleeuwsche Ierland.
+
+[118] Vergelijk het schoone gedicht van een modern Keltisch schrijver
+(Sir Samuel Ferguson). "De Mantel der Weduwe" (het Britsche Rijk in
+de dagen van Koningin Victoria).
+
+[119] "Critische geschiedenis van Ierland", blz. 180.
+
+[120] Spreek uit "El'yill."
+
+[121] De uitgang _ster_ in drie van de namen der Iersche provincies, is
+van Noorschen oorsprong, en is een overblijfsel van de veroveringen
+der Vikings in Ierland. Alleen Connacht, tot waar de Vikings
+niet binnengedrongen zijn, heeft zijn Ierschen naam ongewijzigd
+behouden. Ulster (in het Iersch _ulaidh_) heeft, zooals gezegd
+wordt, zijn naam ontleend aan Ollav Fola, Munster (_Mumhan_) aan
+koning Eocho Mumho, den tienden koning na Eremon, en Connacht was
+"het land van de kinderen van Conn"--den Conn der Honderd Veldslagen,
+en die in 157 n.C. was gestorven.
+
+[122] Wij verwijzen echter onze lezers naar het verhaal van Etain
+en Midir, zooals het volledig wordt gegeven door A. H. Leahy
+("Heldenverhalen van Ierland") en naar de "Groote Daden van Finn",
+van den schrijver van dit werk; bovendien naar het verhaal van Conary,
+zooals dit door Sir S. Ferguson wordt gegeven ("Gedichten 1886"),
+in het gedicht, dat door Dr. Whitley Stokes het verhevenste gedicht
+wordt genoemd, dat ooit door een Ier is geschreven.
+
+[123] In het Engelsch uitgesproken als "Yeo'hee".
+
+[124] Wij halen de vertaling van A. H. Leahy aan uit een handschrift
+uit de vijftiende eeuw ("Heldendichten uit Ierland aan Egerton
+ontleend", Deel I, blz. 12). Men vindt dit verhaal echter ook in
+oudere bronnen.
+
+[125] Ogham-letters, die bestonden uit rechte lijnen, op een bepaalde
+wijze gerangschikt rondom de as van een steenenpilaar met vierkante
+doorsnede, werden gewoonlijk gebruikt als grafschriften en als
+geschrift in het algemeen voordat het Romeinsche alphabet in Ierland
+werd ingevoerd.
+
+[126] Dit is een toespeling op de magische zwijnen van Mananan, die
+dagelijks gedood en weer versch werden gegeten, en wier vleesch de
+eeuwige jeugd bij het volk van Dana in stand hield.
+
+[127] Zie blz. 108.
+
+[128] In het Engelsch uitgesproken als "gaysh," meervoud "gaisha."
+
+[129] Wij citeeren uit de vertaling van Whitley Stokes (_Revue
+Celtique_), Januari 1901, en volgende nummers.
+
+[130] Bregia was de groote vlakte ten Oosten van Tara tusschen Boyne
+en Liffey.
+
+[131] "De Verwoesting van de Pleisterplaats van Da Derga."
+
+[132] In het Engelsch uitgesproken als "Koohoo'lin".
+
+[133] Zie blz. 134.
+
+[134] Zie blz. 106, waar die godheid wordt besproken.
+
+[135] Dectera had tevens een sterfelijken echtgenoot, Sualtam,
+die beschouwd
+werd als de vader van Cuchulain.
+
+[136] Het is de vermelding waard, dat onder de karakters, die voorkomen
+in den legendencyclus van Ulster, een aantal namen voorkomen, waarvan
+het woord _Cu_ (hond) een deel uitmaakt. Zoo hebben wij Curoc, Cucorb,
+Beälcu, enz. Dit staat ongetwijfeld in verband met den Ierschen
+wolfshond, een prachtig type van kracht en schoonheid.
+
+[137] Het tegenwoordige Lusk, een dorp aan de kust enkele mijlen ten
+noorden van Dublin.
+
+[138] Door de overeenkomst in naam werd het bovennatuurlijke land
+van Skatha "het Schaduwland" reeds vroegtijdig vereenzelvigd met
+de eilanden Skaje, waar de Cuchulain Pieken getuigenis afleggen van
+die legende.
+
+[139] Zie genealogische tabel, blz. 164.
+
+[140] Miss Hull, De Cuchulain Sage, blz. 72, waar de zonnetheorie
+van den Bruinen Stier uitgebreid wordt behandeld.
+
+[141] Een _cumal_ was de standaardmunt in het Keltische Ierland. Als
+zoodanig wordt hij door St. Patrick genoemd. Hij stond in prijs gelijk
+met een slavin.
+
+[142] De vloek door Macha op hen gelegd. Zie blz. 161.
+
+[143] Cuchulain was, als de Zoon van den God Lugh, niet onder den
+vloek van Macha, waaronder de overige bewoners van Ulster stonden.
+
+[144] Zijn vermeende vader, de sterfelijke echtgenoot van Dectera.
+
+[145] In de Iersche bardische litteratuur behoorde evenmin als in de
+Homerische epische gedichten, kuischheid tot het mannelijke ideaal
+voor goden en menschen.
+
+[146] "De Wadde van den Vertakten Paal".
+
+[147] Wij citeeren uit de vertaling van Standish Hayes O'Grady, in de
+"Cuchulain Mythe" van Miss Hull.
+
+[148] _Ath Ferdia_, wat in het Engelsch wordt uitgesproken en
+thans gespeld als "Ardee". Het ligt in het Graafschap Louth, aan de
+zuidelijke grens van de vlakte van Murthemney, wat het grondgebied
+van Cuchulain was.
+
+[149] Zie blz. 111.
+
+[150] In het oude Ierland waren vijf provincies, waarbij Munster
+voor twee werd geteld, of zooals enkele oude autoriteiten verklaren,
+het grondgebied van den opperkoning in Meath en Westmeath als een
+afzonderlijke provincie wordt gerekend.
+
+[151] "Clan" beteekent in het Galisch kinderen of kroost. Clan Calatin
+beteekent dus de zonen van Calatin.
+
+[152] De lezer zal, bij veel wilds en barbaarsch in dit Iersche
+epos "de Tain" getroffen worden door de idealen van ridderlijkheid
+en welwillendheid, die hier zoo veelvuldig aan het licht komen. Wij
+moeten er aan herinneren, dat, zooals A. H. Leahy in zijn "Heldenromans
+van Ierland" in het licht stelt, de legende van den Strooptocht van
+Quelgny op zijn laatst een eeuw ouder is dan alle andere ridderromans,
+hetzij Galisch, hetzij van het Vasteland. Zij wordt gevonden in het
+"Boek van Leinster", een handschrift uit de twaalfde eeuw, zoowel
+als in andere vormen, en was ongetwijfeld veel ouder dan in den daar
+gegeven vorm. "Het geheele verhaal," zegt Leahy, "dagteekent uit het
+allereerste begin der litteratuur van modern Europa."
+
+[153] Een ander voorbeeld van het blijven voortleven der eedsformule,
+die door de Keltische afgezanten tegenover Alexander den Groote was
+uitgesproken. Zie blz. 7.
+
+[154] Zie blz. 115.
+
+[155] Het zwaard van Fergus was een tooverwapen de _Caladcholg_
+(knotsige stooter) genoemd, een naam, waarvan het meer beroemde
+Latijnsche "Excalibur", een gelatiniseerde verbastering is.
+
+[156] Dit slaat op de geschiedenis met Deirdre.
+
+[157] Zie blz. 193.
+
+[158] Vertaling van A. H. Leahy, "Heldenromans van Ierland," Deel I.
+
+[159] De mantel van Mananan (zie blz. 110) stelt de zee voor--hier
+in haar verdeelende en vervreemdende macht.
+
+[160] Die Curoi komt voor in verschillende verhalen uit den Cyclus
+van Ulster, met zóódanige attributen, dat het duidelijk blijkt,
+dat hij geen sterfelijk koning, maar een plaatselijke godheid was.
+
+[161] Die spookverschijning van het waschmeisje der wadde komt in
+Iersche legenden veelvuldig voor.
+
+[162] Zie blz. 148 in betrekking tot _geis_ "zijn naamgenoot" heeft
+natuurlijk betrekking op het verhaal van den Hond van Cullan, blz. 166
+en 167.
+
+[163] Het was een eerezaak, een bard niets te weigeren; er is zelfs
+een verhaal, dat een koning zijn oog gaf, toen het hem gevraagd werd.
+
+[164] Het verhaal wordt in den breede gedaan door den schrijver dezes
+in zijn "Heldendaden aan Finn."
+
+[165] In het Engelsch uitgesproken "Bay-al-koo."
+
+[166] Inis Clothrann, nu bekend onder den naam van Quakers eiland. De
+vijver bestaat niet meer.
+
+[167] In het Engelsch uitgesproken als "Youb'dan".
+
+[168] Dr. P. W. Joyce, "Iersche plaatsnamen" schenkt een rijke bron
+van inlichtingen op dit gebied.
+
+[169] Blz. 193, noot.
+
+[170] De naam is zoowel aan den heuvel _ard_, als aan de wadde
+daaronder, _atha_ gegeven.
+
+[171] In het Engelsch uitgesproken als "mac Cool".
+
+[172] In het Engelsch uitgesproken als "Usheen".
+
+[173] Het is natuurlijk niet onmogelijk, dat de tegenwoordige herleving
+van het Galisch als een gesproken taal, tot het begin van een nieuw
+hoofdstuk in die geschiedenis zal leiden.
+
+[174] Nu Castleknock, bij Dublin.
+
+[175] In de Graafschap van den koning.
+
+[176] De heuvel draagt nog den naam, Knockanar.
+
+[177] Glanismole, bij Dublin.
+
+[178] Talkenn, of Houweel-hoofd, was een naam dien de Ieren aan
+St. Patrick gaven. Vermoedelijk sloeg dat op den vorm van zijn tonsuur.
+
+[179] Uit te spreken als "Sleeve-na-món", klemtoon op de laatste
+lettergreep. Het beteekent de Berg van de (Toover) Vrouwen.
+
+[180] Naar de (Engelsche) vertaling van S. H. O'Grady.
+
+[181] Zie blz. 90.
+
+[182] Voorbeelden hiervan zijn met vertalingen opgenomen in de
+"Handelingen van het Ossian'sch Genootschap."
+
+[183] Ontleend aan het verhaal van een boer in het graafschap Galway
+en te Rennes uitgegeven in Dr. Hyde's "An Sgeuluidhe Goadhalach",
+vol. ii (geen vertaling).
+
+[184] Thans Athlone (_Atha Luain_).
+
+[185] Hoe kenmerkend is deze naïeve aanwijzing dat het houden van
+strooptochten bij zijn buren in Keltisch Ierland werd beschouwd als
+de natuurlijke en loffelijke bezigheid van een landedelman? Vergelijk
+Spenser's beschouwing over de idealen gekoesterd door de lersche
+barden van zijn tijd, "View of the Present State of Ireland," blz. 641
+(Globe-editie.)
+
+[186] Dr John Todhunter alleen, geloof ik, heeft in zijn "Three Irish
+Bardic Tales," zich gehouden aan het antieke slot van het verhaal
+van Deirdre.
+
+[187] Dit doet denken aan Shakespeare's "Richard III" (Noot v.d.v.)
+
+[188] "Waifs and Strays of Celtic Tradition", Argyllshire-reeks. Het
+verhaal werd in verzen opgeteekend, woord voor woord, uit den mond
+van Roderick mac Fadyen in Tiree, 1868.
+
+[189] Dit is klaarblijkelijk een herinnering aan Briccriu met de
+Giftige Tong, de onheilstichter der Ultonianen.
+
+[190] De Arans zijn drie eilanden aan den ingang van de
+Galway-baai. Zij zijn bepaald een museum van geheimzinnige ruines.
+
+[191] Spreek uit "Ghermawn"--de "G" hard.
+
+[192] De oude Ieren hielden bijzonder veel van wedrennen; deze worden
+in een gedicht van de negende eeuw ter eere van Mei als een van de
+attracties van die maand genoemd. De naam Mei voorkomend in een ouden
+Gallischen kalender beteekent: "De maand van paardenrennen."
+
+[193] Van het zelfde verschijnsel was, naar gemeld wordt, Peredur
+getuige in het verhaal uit Wales van dien naam in de "Mabinogion".
+
+[194] Evenals de brug die tot Skatha's burcht voert, blz. 171.
+
+[195] Wij hebben waarschijnlijk hieronder te verstaan, dat hij
+een kluizenaar was, die een eilandje zocht om er in afzondering en
+overdenking te leven. De westelijke eilanden van Ierland bevatten
+talrijke puinhoopen van hutten en bidkapellen, door afzonderlijke
+monniken of kleine gemeenten gebouwd.
+
+[196] Tennyson is ongemeen gelukkig geweest in de beschrijving van
+die eilanden onder de zee.
+
+[197] Ps. CIII, 5.
+
+[198] Dit was de laatste der drie pleegbroeders die de reis niet
+hadden moeten meemaken.
+
+[199] Het Tory-eiland voorbij de kust van Donegal. Er was daar een
+klooster en een kerk gewijd aan St. Columba.
+
+[200] "Eens zullen we ons verlustigen in de herinnering aan deze
+dingen." De aanhaling is uit Virgilius, "Aen." 1,203. "Heilige dichter"
+is een vertaling van Horatius' _vates sacer_.
+
+[201] Van dezen wijze en dichter is uit eenige andere bron niets
+bekend. Hem zij lof en dank, wie hij ook moge zijn geweest.
+
+[202] Het Keltisch van de Schotsche Hooglanden. (N.v.d.v.).
+
+[203] "The Mabinogion", blz. 45 en 54.
+
+[204] Spreek uit "Annoon". Dit woord werd in de oudste literatuur
+gebruikt voor Schimmenrijk of Tooverland.
+
+[205] "Barddas," deel I, blz. 224 e.v.
+
+[206] Hoe vreemd het ons ook moge voorkomen, de aard van dit voorwerp
+stond volstrekt niet van den beginne af vast. In het gedicht van
+Wolfram von Eschenbach was het een steen met toovermacht bedeeld. Door
+de eerste vertellers wordt het woord afgeleid van _gréable_, iets
+prettigs om te bezitten en te genieten en waardoor men _à son gré_
+kon hebben wat men wenschte. Over de Graal-legende later, in verband
+met het verhaal uit Wales: "Peredur."
+
+[207] In tegenstelling met de andere groote vooraadschuur van poëtische
+legenden, de _Matière de Bretagne_--i.e. de Arthur-sage.
+
+[208] Zie blz. 88.
+
+[209] "Cultur der Gegenwart" I, IX.
+
+[210] Een lijst van hen komt voor in Lobineau's "Histoire de Bretagne."
+
+[211] Zie e.g. blz. 223 en 199 _noot_.
+
+[212] Zie blz. 215 en een dergelijk geval in des schrijver's "High
+Deeds of Finn," blz. 82.
+
+[213] Zie blz. 213 en het verhaal van het terug krijgen van de "Tain,"
+blz. 215.
+
+[214] "Pwyll Koning van Dyfed," "Bran en Branwen," "Math Zoon van
+Mathonwy," en "Manawyddan Zoon van Lyr."
+
+[215] Zie blz. 91.
+
+[216] "Hibbert Lectures" blz. 237-240.
+
+[217] Zie blz. 73, 94 enz. Natuurlijk is Lugh = Lux, licht. De
+Keltische woorden _Lamh_ en _Llaw_ werden beurtelings voor hand,
+of arm gebruikt.
+
+[218] In zijn "Mythology of the British Islands," 1905, heeft de
+heer Squire op heldere en boeiende wijze de jongste uitkomsten van
+de onderzoekingen over dit onderwerp bijeengebracht.
+
+[219] Finn en Gwynn zijn respectievelijk de Galische en Kimbrische
+vormen van den zelfden naam, beteekenend schoon of blank.
+
+[220] "Mythology of the British Islands" blz. 225.
+
+[221] In den tekst staat "Fairy" en de schrijver teekent zelf daarbij
+in een noot aan: "De beteekenis schijnt hier onzeker, en wordt
+verschillend weergegeven." Hoe, dat zegt hij niet. Ik liet het woord
+dan ook maar onvertaald. (Noot v.d.v.)
+
+[222] Fransch _Clos_ (Noot v.d.v.)
+
+[223] Rhys, "Hibbert Lectures"; de aanhaling is uit de oude sage van
+Merlin, uitgegeven door de "English Text Society," blz. 693.
+
+[224] Mythology of the British Islands," blz 325, 326; Rhys, "Hibbert
+Lectures," blz. 115 en v.
+
+[225] In de "Iolo MSS.," verzameld door Edward Williams.
+
+[226] Zie blz. 95, 250.
+
+[227] Het blijkt dat wij hier ver zijn van de primitieve Keltische
+legende. De helden vechten als ridders in de middeneeuwen, te paard,
+elkander met hun lansen stekend, niet op wagens of te voet, en niet
+met de vreemde wapens die voorkomen in Galische krijgsverhalen.
+
+[228] Hen, de Oude; een epitheton dat doorgaans aan iets overouds
+doet denken in verband met mythologische overlevering.
+
+[229] Blijkbaar was dit het driehoekige Normandische schild, niet het
+ronde of ovale Keltische. Het is reeds opgemerkt, dat in deze verhalen
+uit Wales, de ridders, wanneer zij vechten, elkander met speren steken.
+
+[230] Men kan uitspreken: "Matholaw."
+
+[231] Vergelijk de beschrijving van Mac Cecht in het verhaal van de
+pleisterplaats van De Derga blz. 156.
+
+[232] Waar nu de Tower van Londen staat.
+
+[233] Deze verhalen worden altijd, in Ierland en Wales, in betrekking
+gebracht met bestaande begraafplaatsen. In 1813 werd een grafurne
+ gevonden, bevattende asch en half verbrande beenderen, op de plek
+ die naar de traditie werd ondersteld het graf te zijn van Branwen.
+
+[234] Saksisch Brittannië.
+
+[235] Dit is een verwrongen herinnering aan een gebruik dat aan de
+hoven van vorsten in Wales schijnt te hebben geheerscht, dat een
+hooggeplaatst beambte in zijn schoot de voeten van den koning zou
+houden, wanneer deze aan den maaltijd zat.
+
+[236] "Hagedoorn, Koning der Reuzen."
+
+[237] De goden van de familie van Don worden dus beschouwd als dienaren
+van Arthur, die in dit verhaal klaarblijkelijk de god Artaius is.
+
+[238] "Zij met het Witte Spoor". Vergelijk de beschrijving van Etain
+blz. 141, 142.
+
+[239] Er is geen andere vermelding van dezen Kenverchyn, of hoe
+Owain aan zijn raven-leger kwam, waarvan ook sprake is in "De droom
+van Rhonabwy." Klaarblijkelijk hebben wij hier te doen met een brok
+antieke mythologie in een moderner gewaad gestoken.
+
+[240] Evenals het verhaal uit Bretagne van "Peronnik de Dwaas,"
+vertaald in "Le Foyer Breton" door Emile Souvestre. De lettergreep
+_Per_ die in alle vormen van den naam van den held voorkomt beteekent
+in de taal van Wales en Cornwallis kom of vat (Iersch _coira_--zie
+blz. 19, noot). In geen geval is een afdoende afleiding gevonden van
+het tweede gedeelte van den naam.
+
+[241] "Zij worden gevoed door een steen van den edelsten aard... hij
+is genaamd _lapis exillis_; de steen is ook genaamd de Graal." Lapis
+exillîs schijnt een verbastering te zijn van _lapis ex celis_,
+"de steen uit den hemel."
+
+[242] De juiste afleiding is van het Middeleeuwsch Latijnsch
+_cratella_, klein vat of kelk.
+
+[243] Een dergelijke selectieve werking wordt door Wolfram aan den
+Graal toegeschreven. Hij kan alleen worden opgelicht door een reine
+maagd, wanneer hij in de zaal wordt gedragen, en geen heiden kan hem
+zien of er goeds door ondervinden. Dezelfde gedachte komt ook sterk
+uit in het verhaal, dat de eerste geschiedenis van den Graal vertelt,
+door Robert de Borron, omstreeks 1210; de onreine en zondige kan
+er geen goeds door ondervinden. Maar Borron roert het Perceval- of
+"zoek"-gedeelte van het verhaal in het geheel niet aan.
+
+[244] Hades.
+
+[245] Caer Vedwyd beteekent Kasteel van de Feestvreugde. Ik volg de
+lezing van dit gedicht gegeven door Squire in zijn "Mythology of the
+British Islands," waar men het in zijn geheel kan vinden.
+
+[246] De combinatie van voorwerpen in het Graal-Kasteel is zeer
+beteekenisvol. Het waren een zwaard, een speer en een vat, of,
+in sommige lezingen, een steen. De tooverschatten die de Danaans
+in Ierland brachten waren--een zwaard, een speer, een ketel en een
+steen. Zie blz. 90, 91.
+
+[247] De Tafelronde wordt in Kimbrische legenden niet genoemd voór
+de vijftiende eeuw.
+
+[248] Vergilius, in zijn middeneeuwsch karakter als toovenaar.
+
+[249] Taliesin.
+
+[250] Zinspeling op de denkbeeldige Trojaansche voorouders der Britten.
+
+[251] Ik heb dit zonderlinge gedicht een beetje bekort. Het verband
+met ideeën over zielsverhuizing, zooals in de legende van Tuan mac
+Carell (zie blz. 82 e.v.), is duidelijk. Men herinnert zich, dat
+Tuan's laatste phase een visch was, en Taliesin werd gevonden in een
+dam voor de zalmvangst.
+
+[252] In zijn Voorlezingen "Taal en Taalstudie", bewerkt door dr
+J. Beckering Vinckers (Haarlem, Erven Bohn), onderscheidt Whitney:
+_a_ het Ersisch of Keltisch van Ierland; _b_ het Galisch of Keltisch
+van de Schotsche Hooglanden; _c_ het weinig belangrijke dialect van
+het eiland Man; _d_ het Keltisch van het Prinsdom Wales; _e_ het
+sedert het begin dezer eeuw uitgestorven dialect van Cornwallis; _f_
+dat van Bretagne (Armorica) in Frankrijk. De drie eerste vormen de
+noordelijke, de drie laatste de zuidelijke of Kimbrische groep der
+Keltische taalfamilie. (Noot van den v.)
+
+
+
+
+ MOOIE BOEKEN
+ UITGEGEVEN DOOR
+ W. J. THIEME & CIE, ZUTPHEN.
+
+
+ Guerber, Mythen en Legenden uit de Middeleeuwen.
+ Guerber, Mythen en Legenden van Griekenland en Rome.
+ Guerber, Noorsche Mythen.
+ Davis, Mythen en Legenden van Japan.
+ Rolleston, Keltische Mythen.
+ Cotterill, Oud Hellas.
+ Cotterill, Italië in de Middeleeuwen (najaar 1916).
+ Tappan, De Geschiedenis van het Grieksche Volk.
+ Tappan, De Geschiedenis van het Romeinsche Volk.
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Keltische Mythen and Legenden, by T. W. Rolleston
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KELTISCHE MYTHEN AND LEGENDEN ***
+
+***** This file should be named 18305-8.txt or 18305-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/8/3/0/18305/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/18305-8.zip b/18305-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..279a9f9
--- /dev/null
+++ b/18305-8.zip
Binary files differ
diff --git a/18305-h.zip b/18305-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..4248419
--- /dev/null
+++ b/18305-h.zip
Binary files differ
diff --git a/18305-h/18305-h.htm b/18305-h/18305-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..e7428e5
--- /dev/null
+++ b/18305-h/18305-h.htm
@@ -0,0 +1,14660 @@
+
+<!DOCTYPE html
+PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1">
+
+<title>Keltische Mythen en Legenden</title>
+<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="author" content="T.&nbsp;W. Rolleston">
+<meta name="DC.Creator" content="T.&nbsp;W. Rolleston">
+<meta name="DC.Title" content="Keltische Mythen en Legenden">
+<meta name="DC.Date" content="##### 2006">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css">
+
+
+body
+{
+font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif;
+margin: 1.58em 16% 1.58em 16%;
+text-align: left;
+}
+
+/****** Title Page ******/
+
+h1.docTitle
+{
+font-size: 1.6em;
+line-height: 2em;
+}
+
+h2.docImprint, h1.docTitle, h2.byline, h2.docTitle
+{
+text-align: center;
+}
+
+h2.byline
+{
+font-size: 1.1em;
+line-height: 1.44em;
+font-weight: normal;
+}
+
+span.docAuthor
+{
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+
+h2.docImprint
+{
+font-size: 1.2em;
+font-weight: normal;
+}
+
+/******* Headers ******/
+
+.div0
+{
+padding-bottom: 1.6em;
+}
+
+.div1
+{
+padding-bottom: 1.44em;
+}
+
+.div2
+{
+padding-bottom: 1.2em;
+}
+
+.div3, .div4, .div5
+{
+padding-bottom: 1.0em;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+clear: both;
+}
+
+h1
+{
+font-size: 1.44em;
+line-height: 1.5em;
+}
+
+h1.label
+{
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.2em;
+margin-bottom: 0;
+}
+
+h2
+{
+font-size: 1.44em;
+line-height: 1.5em;
+}
+
+h2.label
+{
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.2em;
+margin-bottom: 0;
+}
+
+h3
+{
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.2em;
+}
+
+h3.label
+{
+font-size: 1.0em;
+line-height: 1.2em;
+margin-bottom: 0;
+}
+
+h4
+{
+font-size: 1.0em;
+line-height: 1.2em;
+}
+
+h4.lghead
+{
+margin-left: 10%;
+margin-right: 10%;
+}
+
+h5
+{
+font-size: 1.0em;
+line-height: 1.0em;
+font-style: italic;
+}
+
+h6
+{
+font-size: 1.0em;
+line-height: 1.0em;
+font-style: italic;
+}
+
+/****** Paragraphs ******/
+
+p
+{
+text-indent: 0;
+}
+
+.alignleft
+{
+text-align: left;
+}
+
+.aligncenter
+{
+text-align: center;
+}
+
+.alignright
+{
+text-align: right;
+}
+
+.alignblock
+{
+text-align: justify;
+}
+
+p.poetry
+{
+margin: 0em 10% 1.58em 10%;
+}
+
+p.line
+{
+margin: 0 10% 0 10%;
+}
+
+p.beforeline, p.afterline
+{
+margin-top: 1em;
+}
+
+p.initial
+{
+text-indent: 0em;
+}
+
+p.argument, p.note
+{
+font-size: 0.9em;
+line-height: 1.2em;
+text-indent: 0em;
+}
+
+p.argument
+{
+margin: 1.58em 10% 1.58em 10%;
+}
+
+p.quote
+{
+font-size: 0.9em;
+line-height: 1.2em;
+margin: 1.58em 5% 1.58em 5%;
+}
+
+div.blockquote
+{
+font-size: 0.9em;
+line-height: 1.2em;
+margin: 1.58em 5% 1.58em 5%;
+}
+
+
+/****** Figures ******/
+
+div.divFigure
+{
+text-align: center;
+}
+
+.floatLeft
+{
+float: left;
+margin: 10px 10px 10px 0;
+}
+
+.floatRight
+{
+float: right;
+margin: 10px 0 10px 10px;
+}
+
+p.figureHead
+{
+text-align: center;
+}
+
+p.figure, p.legend
+{
+font-size: 80%;
+margin-top: 0;
+text-align: center;
+}
+
+p.smallprint, li.smallprint
+{
+font-size: 80%;
+color: #666666;
+}
+
+/* Special cases for Filipino Riddles */
+
+p.question
+{
+text-align: left;
+margin-bottom: 0em;
+}
+
+p.answer
+{
+text-align: right;
+margin-top: 0em;
+}
+
+p.explanation
+{
+margin-left: 0.9em;
+margin-right: 0.9em;
+font-size: smaller;
+}
+
+
+/****** Sidenotes ******/
+
+.leftnote
+{
+position:absolute;
+left:1%;
+height:0em;
+width:14%;
+font-size: 0.8em;
+text-indent: 0em;
+line-height: 1.2em;
+}
+
+/****** Page Numbers ******/
+
+.pagenum
+{
+display: inline;
+font-size: 70%;
+text-align: right;
+position: absolute; right: 1%;
+padding: 0 0 0 0;
+margin: 0 0 0 0;
+}
+
+.pagenum a
+{
+text-decoration: none;
+}
+
+
+/****** Footnotes ******/
+
+a.noteref:hover
+{
+text-decoration: none;
+}
+
+a.noteref
+{
+font-size: 80%;
+vertical-align: 0.25em;
+text-decoration: none;
+}
+
+div.footnotes
+{
+padding: 0 0 0 0;
+margin-top: 1em;
+}
+
+hr.fnsep
+{
+width: 25%;
+text-align: left;
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+}
+
+p.footnote
+{
+font-size: 80%;
+margin-top: 0.5em;
+margin-bottom: 0.5em;
+}
+
+p.footnote .label
+{
+float: left;
+text-align: left;
+width: 2em;
+}
+
+/****** Poetry ******/
+
+div.poem
+{
+text-align: left;
+margin-left: 5%;
+width: 90%;
+position: relative;
+}
+
+.poem h4
+{
+margin-left: 5em;
+font-weight: normal;
+text-decoration: underline;
+}
+
+.poem .stanza
+{
+margin-top: 1em;
+}
+
+.poem .linenum
+{
+position: absolute;
+top: auto;
+left: -2.5em;
+margin: 0;
+text-indent: 0;
+font-size: 90%;
+text-align: center;
+width: 1.75em;
+color: #777;
+}
+
+.poem .i0 { display: block; margin-left: 2em; }
+.poem .i1 { display: block; margin-left: 3em; }
+.poem .i2 { display: block; margin-left: 4em; }
+.poem .i3 { display: block; margin-left: 5em; }
+.poem .i4 { display: block; margin-left: 6em; }
+.poem .i5 { display: block; margin-left: 7em; }
+.poem .i6 { display: block; margin-left: 8em; }
+.poem .i7 { display: block; margin-left: 9em; }
+.poem .i8 { display: block; margin-left: 10em; }
+.poem .i9 { display: block; margin-left: 11em; }
+
+
+
+/****** Annotations ******/
+
+span.corr
+{
+border-bottom: 1px dotted red;
+}
+
+span.abbr
+{
+border-bottom: 1px dotted gray;
+}
+
+span.measure
+{
+border-bottom: 1px dotted green;
+}
+
+.letterspaced
+{
+letter-spacing: 0.2em;
+}
+
+.smallcaps
+{
+font-variant: small-caps;
+}
+
+
+/****** Anchors ******/
+
+a.hidden:hover
+{
+text-decoration: none;
+}
+
+a.hidden
+{
+text-decoration: none;
+}
+
+hr
+{
+width: 45%;
+margin-top: 1em;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+clear: both;
+text-align: center;
+height: 1px;
+}
+
+
+
+
+
+body
+{
+background: #FFFFFF;
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+
+body, a.hidden
+{
+color: black;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+color: #001FA4;
+font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif;
+}
+
+.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend
+{
+color: #001FA4;
+}
+
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+color: #AAAAAA;
+}
+
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+color: red;
+}
+
+
+</style></head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+Project Gutenberg's Keltische Mythen and Legenden, by T. W. Rolleston
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Keltische Mythen and Legenden
+
+Author: T. W. Rolleston
+
+Translator: B.C. Goudsmit
+
+Release Date: May 4, 2006 [EBook #18305]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KELTISCHE MYTHEN AND LEGENDEN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+<div class="frontmatter"><p class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e166">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant."></p>
+</div><p>
+</p>
+<p class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e166">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<p></p>
+<div id="d0e89" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p000.jpg" alt="Koningin Maev"></p>
+<p class="figureHead">Koningin Maev</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<h1 class="docTitle">Keltische Mythen en Legenden</h1>
+<h2 class="byline">Door
+<br>
+<span class="docAuthor">T.&nbsp;W. Rolleston</span>
+<br>
+Bewerkt door
+<br>
+<span class="docAuthor">Dr. B.&nbsp;C. Goudsmit</span>
+
+
+</h2>
+<h2 class="docImprint">Zutphen&#8212;W.&nbsp;J. Thieme &amp; Cie</h2><p class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e166">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<p>De Nederlandsche bewerking van deze Keltische Mythen was reeds voor een belangrijk deel gevorderd, toen de door ons zoo hoog
+gewaardeerde Dr <span class="smallcaps">B.&nbsp;C. Goudsmit</span> door den dood werd weggenomen. Wij slaagden er in een bevoegden vertaler te vinden (hij wenscht ongenoemd te blijven) voor
+het voltooien van zijn arbeid.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">De uitgevers.</span>
+
+
+<a id="d0e127"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e127">IX</a>]</span></p>
+<p class="div1"><a id="d0e128"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e166">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Inleiding.</h2>
+<p>Het verleden kan worden vergeten, het sterft nimmer. De elementen, die in de vroegste tijden bij de vorming van een natie
+in het spel kwamen, blijven bestaan en dragen er toe bij haar geschiedenis te maken en den stempel te drukken op het karakter
+en den geest van het volk.
+
+</p>
+<p>Daarom moet het nasporen van die elementen en het bepalen, voor zoover mogelijk, van het deel dat zij hebben gehad aan schering
+en inslag van het leven van een volk, van niet gering belang zijn voor hen die inzien, dat uit het verleden het heden en uit
+het heden de toekomst wordt geboren; die zich zelf, hun magen en hun medeburgers niet willen beschouwen alleen als voorbijgaande
+schimmen, zich van de eene duisternis in de andere spoedend, maar die weten dat door hen een breede historische stroom gaat,
+van een verwijderden en geheimzinnigen oorsprong naar een toekomst, die in hooge mate wordt bepaald door al de vroegere omzwervingen
+van dien menschen-stroom, maar ook, in niet geringen graad door hetgeen zij, dank zij hun moed, hun vaderlandsliefde, hun
+kennis en hun verstand, er van verkozen te maken.
+
+</p>
+<p>De rol door het Keltisch ras gespeeld als vormende kracht in de geschiedenis, de literatuur en de kunst van het volk dat de
+Britsche Eilanden bewoont&#8212;een volk dat van dat middelpunt uit zijn heerschappij heeft uitgebreid over zulk een uitgestrekt
+gebied van de oppervlakte der aarde&#8212;is in de volksgedachte onbehoorlijk verkleind geworden. Voor een groot deel heeft hieraan
+schuld de algemeen gangbare benaming &#8220;Angel-Saksisch&#8221; voor het Britsche volk, als ras-aanwijzing. Uit een historisch oogpunt
+is die benaming ten eenenmale verkeerd. Niets wettigt deze onderscheiding van twee Neder-Duitsche stammen, wanneer wij het
+ras-karakter van het Britsche volk willen aangeven. Het gebruik dier benaming leidt tot ongerijmdheden als die welke de schrijver
+niet lang geleden opmerkte, toen de voorgenomen verheffing van een Ierschen bisschop tot kardinaal, door den Paus, in een
+Engelsch blad werd voorgesteld als te zijn ingegeven door den wensch <a id="d0e137"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e137">X</a>]</span>van het hoofd der Katholieke kerk om een vriendelijkheid te bewijzen aan &#8220;het Angel-Saksisch ras.&#8221;
+
+</p>
+<p>De juiste benaming voor de bevolking dezer eilanden en voor het typische en overheerschende deel van de bevolking van Noord-Amerika,
+is niet Angel-Saksisch maar Angel-Keltisch. Het is juist door deze vermenging van Germaansche en Keltische elementen dat het
+Britsche volk eenig is&#8212;het is juist die vermenging die aan dat volk het vuur, den <i>&eacute;lan</i>, en in literatuur en kunst het gevoel voor stijl, kleur en handeling geeft&#8212;niet in het algemeen producten van den Germaanschen
+bodem&#8212;en te gelijkertijd de vastberadenheid en diepte, den eerbied voor oude wetten en gebruiken en de passie voor persoonlijke
+vrijheid, die min of meer vreemd zijn aan de romantische volken van Zuid-Europa. Mogen zij aan de Britsche Eilanden nimmer
+vreemd worden! Ook moet het Keltisch element in die eilanden niet worden geacht als geheel of zelfs zeer overwegend te zijn
+geleverd door de bevolkingen van den zoogenaamden &#8220;Keltischen Rand.&#8221; Het is thans aan de ethnologen wel bekend dat de Saksers
+volstrekt niet de Keltische of met Kelten vermengde bevolkingen uitroeiden die zij in het bezit vonden van Groot-Brittanni&euml;.
+De heer E.&nbsp;W.&nbsp;B. Nicholson, bibliothecaris van de Bodley-bibliotheek<a id="d0e144src" href="#d0e144" class="noteref">1</a> schrijft in zijn belangrijk werk &#8220;Keltische Nasporingen&#8221; (1904):
+
+</p>
+<p>&#8220;Namen niet opzettelijk bedacht om rassen aan te duiden moeten nooit worden beschouwd als bewijzen voor ras, maar alleen als
+bewijzen voor het gemeenschappelijke van taal, of staatkundige organisatie. Wij noemen een man die Engelsch spreekt, in Engeland
+woont en een klaarblijkelijk Engelschen naam draagt (bijv. Freeman of Newton) een Engelschman. Toch geven statistieken van
+&#8216;betrekkelijke nigrescentie&#8217;<a id="d0e152src" href="#d0e152" class="noteref">2</a> goede gronden om aan te nemen dat Lancashire, West-Yorkshire, Staffordshire, Worcestershire, Warwickshire, <a id="d0e158"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e158">XI</a>]</span>Leicestershire, Rutland, Cambridgeshire, Wiltshire, Somerset en een deel van Sussex even Keltisch zijn als Perthshire en Noord-Munster;
+dat Cheshire, Shropshire, Herefordshire, Monmouthshire, Gloucestershire, Devon, Dorset, Northamptonshire, Huntingdonshire
+en Bedfordshire meer Keltisch zijn&#8212;en even Keltisch als Noord-Wales en Leinster; terwijl Buckinghamshire en Hertfordshire
+zelfs nog meer Keltisch zijn en gelijk staan met Zuid-Wales en Ulster.&#8221;<a id="d0e160src" href="#d0e160" class="noteref">3</a>
+
+</p>
+<p>Het is dus voor een Angel-Keltisch, niet een Angel-Saksisch volk dat dit overzicht van de oude geschiedenis, den godsdienst
+en de mythische en romantische literatuur van het Keltisch ras is geschreven. Het is te hopen dat dat volk daarin dingen zal
+vinden, waardig in herinnering te blijven als bijdragen tot den algemeenen schat der Europeesche cultuur, maar vooral waardig
+in de herinnering te blijven van hen, die meer dan eenig ander levend volk hebben ge&euml;rfd van het bloed, de neigingen en den
+aanleg der Kelten.
+
+
+
+
+<a id="d0e165"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e165">XIII</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e144" href="#d0e144src" class="noteref">1</a></span> Te Oxford, dus genaamd naar den stichter, Sir T. Bodley (<span class="abbr" title="Noot van den vertaler"><abbr title="Noot van den vertaler">N.v.d.v.</abbr></span>).
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e152" href="#d0e152src" class="noteref">2</a></span> Het voorkomen van het donkere type onder de bewoners. (<span class="abbr" title="Noot van den vertaler"><abbr title="Noot van den vertaler">N.v.d.v.</abbr></span>).
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e160" href="#d0e160src" class="noteref">3</a></span> Met betrekking tot den naam &#8220;Freeman&#8221; voegt de heer Nicholson er nog bij: &#8220;Niemand was meer hartgrondig &#8220;Engelsch&#8221; in zijn
+sympathie&euml;n dan de groote historicus van dien naam en vermoedelijk zou niemand zich hardnekkiger hebben verzet tegen de onderstelling
+dat hij misschien uit Wales afstamde; toch heb ik zijn bijna physiek evenbeeld ontmoet in een pachter uit Wales (Evans geheeten),
+die op een paar minuten afstands van Pwllheli woonde.&#8221;
+</p>
+</div>
+<p class="div1"><a id="d0e166"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e166">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Inhoud<span class="corr" title="Bron: ">.</span></h2>
+<p>
+</p>
+<table width="100%">
+<tr valign="top">
+<td valign="top"> </td>
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e128">Inleiding</a></span>
+</td>
+<td valign="top">IX</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">I. </td>
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e840">De Kelten in de Oude Geschiedenis</a></span>
+</td>
+<td valign="top">1</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">II. </td>
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e1752">De Godsdienst der Kelten</a></span>
+</td>
+<td valign="top">35</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">III. </td>
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e2534">De Mythen omtrent de invallen in Ierland</a></span>
+</td>
+<td valign="top">79</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">IV. </td>
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e3402">De Oude Milesische Koningen</a></span>
+</td>
+<td valign="top">130</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">V. </td>
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e3947">Verhalen van den Cyclus van Ulster</a></span>
+</td>
+<td valign="top">161</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">VI. </td>
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e4950">Verhalen van den Cyclus van Ossian</a></span>
+</td>
+<td valign="top">231</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">VII. </td>
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e5776">De Reis van Maeld&#363;n</a></span>
+</td>
+<td valign="top">285</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">VIII. </td>
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e6176">Mythen en verhalen van de Kimbren</a></span>
+</td>
+<td valign="top">305</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"> </td>
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e6516">Goden van het huis van D&#333;n</a></span>
+</td>
+<td valign="top">322</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"> </td>
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e6521">Goden van het huis van Llyr</a></span>
+</td>
+<td valign="top">323</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"> </td>
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e6531">Arthur en zijn Magen</a></span>
+</td>
+<td valign="top">324</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"> </td>
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e7512">Register</a></span>
+</td>
+<td valign="top">387</td>
+</tr>
+</table><p>
+
+<a id="d0e306"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e306">XIV</a>]</span></p>
+<p class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e166">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Lijst van illustraties.</h2>
+<p>
+</p>
+<table width="100%">
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e89">Koningin Maev</a></span>
+</td>
+<td valign="top">(<i>Titelplaat</i>).
+</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e962">&#8220;Wij vreezen niemand&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">6</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e1012">&#8220;Wij zijn op weg naar Rome&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">8</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e1567">&#8220;Onmiddellijk stapte een ander over hem heen toen hij daar nederlag&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">22</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e1589">Vercingetorix rijdt langs het Romeinsche Kamp</a></span>
+</td>
+<td valign="top">24</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e1729">&#8220;Moge Tara voor eeuwig verlaten zijn&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">32</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e1814">Praehistorische Tumulus te New Grange</a></span>
+</td>
+<td valign="top">38</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e1849">Rijen Steenen, te Kermaris, Carnac</a></span>
+</td>
+<td valign="top">42</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e1993">Moderne Steenaanbidding te Locronan, Bretagne</a></span>
+</td>
+<td valign="top">50</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e2081">Ingang van den Tumulus te New Grange</a></span>
+</td>
+<td valign="top">56</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e2326">Menschenoffers in Galli&euml;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">68</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e2412">&#8220;Zij vroegen melk en koren in ruil voor hun Kinderen&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">70</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e2600">St. Finnen en de Heidensche Aanvoerder</a></span>
+</td>
+<td valign="top">82</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e2629">Tuan bespiedt Nemed</a></span>
+</td>
+<td valign="top">84</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e2717">De Twee Afgezanten</a></span>
+</td>
+<td valign="top">90</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e2758">Corpre en Koning Bres</a></span>
+</td>
+<td valign="top">92</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e2812">&#8220;Sawan gaf den halster der koe aan den Knaap&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">94</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e2825">&#8220;De Dru&iuml;de dreef het naar het huis van zijn vader, Kian&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">96</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e2844">De Boot van Mananan</a></span>
+</td>
+<td valign="top">98</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e2883">&#8220;Bij de feesten van het Toovervolk&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">102</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e2980">&#8220;Hier bij het meer werkte hij&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">108</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e3056">Sinend en de Put van Connla</a></span>
+</td>
+<td valign="top">112</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e3135">De komst van de Zonen van Miled</a></span>
+</td>
+<td valign="top">114</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e3313">Het volk van Dana luistert naar de Muziek der Zwanen</a></span>
+</td>
+<td valign="top">124</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e3382">Ethn&eacute; hoort stemmen</a></span>
+</td>
+<td valign="top">128</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e3485">Macha meet den omtrek der Stad uit</a></span>
+</td>
+<td valign="top">136</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e3520">&#8220;De eerste boom was een wilg&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">138<a id="d0e533"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e533">XV</a>]</span></td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e3660">Midir en Etain</a></span>
+</td>
+<td valign="top">146</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e3760">&#8220;Op den vloer van de hut vallen zijn vogelveeren af&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">150</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e3837">Conary in de Netten van het Toovervolk</a></span>
+</td>
+<td valign="top">154</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e3969">De Vloek van Macha</a></span>
+</td>
+<td valign="top">162</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e3996">De Knaap Setanta Volgt Koning Conor</a></span>
+</td>
+<td valign="top">164</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e4051">De Hond van Cullan</a></span>
+</td>
+<td valign="top">166</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e4085">Cuchulain vraagt den Koning om wapenen</a></span>
+</td>
+<td valign="top">168</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e4195">&#8220;Cathbad keek naar de sterren en hij werd zeer verontrust</a></span>&#8221; 180
+</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e4298">Koningin Maev en de Dru&iuml;de</a></span>
+</td>
+<td valign="top">188</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e4343">Cuchulain in den Strijd</a></span>
+</td>
+<td valign="top">190</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e4421">&#8220;Slaap nu, Cuchulain, bij het graf in Lerga&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">196</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e4484">&#8220;Cuchulain greep Ferdia toen hij viel&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">202</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e4508">&#8220;Het Hoofd ging nog altijd door met roepen en vermanen&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">204</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e4546">Cuchulain en de Toovermaagden</a></span>
+</td>
+<td valign="top">206</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e4590">Emer hoort van de afspraak</a></span>
+</td>
+<td valign="top">208</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e4697">De Dood van Cuchulain</a></span>
+</td>
+<td valign="top">214</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e4845">Forbay en Koningin Maev</a></span>
+</td>
+<td valign="top">224</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e4874">Koning Fergus en de Dwerg</a></span>
+</td>
+<td valign="top">226</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e5016">Finn vindt de Oude Mannen in het Bosch</a></span>
+</td>
+<td valign="top">236</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e5034">&#8220;Finn hoorde de tonen der Tooverharp&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">238</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e5153">&#8220;Ik ben Saba, O Finn&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">244</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e5190">Ois&#299;n en Niam</a></span>
+</td>
+<td valign="top">248</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e5288">&#8220;Het witte paard was uit hun oogen verdwenen als een krans van nevel&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">252</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e5309">&#8220;Zij vonden zich plotseling verward in draden garen&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">254</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e5339">&#8220;Patrick verzoekt zijn schrijvers alles nauwkeurig op te schrijven&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">256</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e5446">&#8220;Zij joegen hem naar het strand&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">262</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e5468">&#8220;De Fianna richtten een steenen pilaar op, met haar naam in Ogham letters&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">264<a id="d0e748"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e748">XVI</a>]</span></td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e5531">Dermot nam den Horen en vulde dien</a></span>
+</td>
+<td valign="top">270</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e5579">Dermot en Grania</a></span>
+</td>
+<td valign="top">274</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e5628">&#8220;De troep der Fianna verdween, en liet haar over aan haar smart&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">278</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e5786">&#8220;Het ware beter voor u den man te wreken, die hier verbrand is&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">286</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e5913">&#8220;De helft van het koren van uw land wordt hier gemalen&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">292</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e5960">&#8220;Den vierden dag kwam zij naar hen toe buiten de vesting&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">294</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e6150">Het offer van Diuran den Rijmer</a></span>
+</td>
+<td valign="top">304</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e6728">De Boetedoening van Rhiannon</a></span>
+</td>
+<td valign="top">332</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e6820">&#8220;Evnissyen legde zijn hand op den zak&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">340</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e6899">&#8220;Ik zal haar niet loslaten&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">346</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><span class="smallcaps"><a href="#d0e7252">&#8220;Het jammeren en weeklagen werd nog luider dan te voren gehoord&#8221;</a></span>
+</td>
+<td valign="top">372</td>
+</tr>
+</table><p>
+
+
+</p>
+</div><a id="d0e838"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e838">1</a>]</span><div class="bodytext">
+<p class="div1"><a id="d0e840"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e166">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk I: De Kelten in de oude geschiedenis.</h2>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Oudste mededeelingen.</h3>
+<p>In de kronieken van de classieke volken van omstreeks vijfhonderd jaar v&oacute;&oacute;r de Christelijke jaartelling vindt men herhaaldelijk
+gewag gemaakt van een volk, dat met die naties in betrekking stond, somtijds in vrede, somtijds in den oorlog, en dat blijkbaar
+een krachtige en invloedrijke plaats innam in het onbekende gebied van Midden-Europa. Dit volk wordt door de Grieken de Hyperbore&euml;rs
+of Kelten genoemd; de laatste uitdrukking wordt het eerst gevonden bij den aardrijkskundige Hecataeus, ongeveer 500 <span class="abbr" title="voor Christus"><abbr title="voor Christus">v.C.</abbr></span><a id="d0e850src" href="#d0e850" class="noteref">1</a>
+
+</p>
+<p>Herodotus spreekt omstreeks een halve eeuw later van de Kelten, als van een volksstam die &#8220;aan gene zijde van de Zuilen van
+Hercules woont&#8221;&#8212;<span class="abbr" title="dat is"><abbr title="dat is">d.i.</abbr></span> in Spanje, en verhaalt eveneens, dat de Donau in hun land ontspringt.
+
+</p>
+<p>Aristoteles wist, dat zij &#8220;voorbij Spanje&#8221; woonden, dat zij Rome hadden ingenomen, en dat zij uitmuntten in krijgshaftige
+eigenschappen. Van tijd tot tijd vinden wij ook andere dan aardrijkskundige mededeelingen zelfs bij oude schrijvers. Hellanicus
+van Lesbos, een geschiedschrijver uit de vijfde eeuw <span class="abbr" title="voor Christus"><abbr title="voor Christus">v.C.</abbr></span>, beschrijft de Kelten als handhavers van rechtvaardigheid en als mannen, die de deugd liefhadden. Ephorus (omstreeks 350
+<span class="abbr" title="voor Christus"><abbr title="voor Christus">v.C.</abbr></span>) geeft drie dichtregels over de Kelten, waarin hij zegt, dat zij &#8220;dezelfde gewoonten hadden als de Grieken&#8221; (het is niet
+duidelijk, wat hij daarmee bedoelt), en dat zij op vriendschappelijken voet met dezen verkeerden, die dan ook gastvriendschap
+met hen sloten. Plato echter rangschikt in de &#8220;Wetten&#8221; de Kelten onder de volken, die zich aan dronkenschap overgeven en strijdlustig
+zijn, en men schrijft hun groote barbaarschheid toe bij gelegenheid van hun inval in Griekenland en de plundering van Delphi
+van het jaar 273 <span class="abbr" title="voor Christus"><abbr title="voor Christus">v.C.</abbr></span> Hun aanval op Rome en de plundering dier stad omstreeks een eeuw vroeger is &eacute;&eacute;n der mijlpalen in de oude geschiedenis.
+<a id="d0e875"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e875">2</a>]</span></p>
+<p>De geschiedenis van dat volk gedurende den tijd, toen het de overheerschende macht in Midden-Europa voerde, moet men gissen
+of weder opbouwen uit verspreide aanwijzingen en mededeelingen van op zich zelf staande gebeurtenissen in hun optreden tegenover
+Griekenland en Rome, zooals de dierkundige dikwijls een voorwereldlijk dier weder opbouwt uit enkele fossiele beenderen. Geen
+kronieken zijn van hen tot op onzen tijd overgeleverd, geen bouwkundige overblijfselen zijn tot op onze dagen in wezen gebleven;
+slechts enkele munten en enkele versierselen en bronzen wapenen, met email opgelegd of waarop fijne en schoone patronen zijn
+gegraveerd of gedreven&#8212;alleen deze en de namen, die dikwijls in wonderlijk gewijzigde vormen verbonden zijn gebleven aan de
+plaatsen, waar zij woonden, van de Zwarte Zee tot aan de Britsche Eilanden, zijn zoowat al de zichtbare sporen, die ons door
+dien eertijds zoo machtigen volksstam van zijn beschaving en heerschappij zijn nagelaten. Toch kan daaruit en uit die verhalen
+van classieke schrijvers veel met zekerheid worden afgeleid, en nog meer kan met tamelijk veel waarschijnlijkheid worden gegist.
+De groote kenner der Keltische geschiedenis en oudheden, die voor enkele jaren is overleden, d&#8217;Arbois de Jubainville, heeft
+uit de beschikbare feiten een overtuigende schets gegeven der Keltische geschiedenis gedurende den tijd, die voorafgegaan
+is aan dien, waarop zij in het volle geschiedkundige licht zijn gekomen tijdens de veroveringen van Caesar<a id="d0e878src" href="#d0e878" class="noteref">2</a>, en van die schets geven wij hier de voornaamste trekken weer.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het echte Keltische ras.</h3>
+<p>Om te beginnen, moeten wij het denkbeeld op zijde zetten, dat het Keltenland ooit door &eacute;&eacute;n enkel zuiver en homogeen ras is
+bewoond geweest. De echte Kelten waren, als wij op dit punt de met zorg bestudeerde en goed gedocumenteerde gevolgtrekkingen
+mogen aannemen van Dr. T. Rice Holmes<a id="d0e886src" href="#d0e886" class="noteref">3</a> welk betoog wordt bevestigd door de eensluidende mededeelingen <a id="d0e889"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e889">3</a>]</span>der oudheid, een rijzig, lichtharig ras, oorlogslievend en heerschzuchtig<a id="d0e891src" href="#d0e891" class="noteref">4</a>, dat oorspronkelijk (zoover wij het nog kunnen nagaan) hun woonplaats gehad heeft ergens bij de bronnen van den Donau, en
+die, zoowel door verovering als door op vredelievende wijze door te dringen, hun heerschappij uitstrekten over Midden-Europa,
+Galli&euml;, Spanje en de Britsche Eilanden. Zij roeiden de oorspronkelijke praehistorische bewoners van die streken&#8212;palaeolithische
+en neolithische rassen, dolmen-bouwers en bewerkers van brons&#8212;niet uit, maar <a id="d0e897"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e897">4</a>]</span>zij legden hun wel hun taal, hun industrie en hun overleveringen op, waartegenover zij ongetwijfeld van hun kant veel van
+hen overnamen, vooral, zooals wij zullen zien, op het gebied van den godsdienst. Onder de rassen vormden de echte Kelten een
+aristocratische en overheerschende kaste. In die hoedanigheid stonden zij, zoowel in Galli&euml; en in Spanje als in Brittanni&euml;
+en in Ierland, aan de spits van het gewapend verzet tegen vreemde invallen. Zij vingen den krachtigsten stoot op van oorlogen,
+verbeurdverklaringen en verbanning. Het ontbrak hun nooit aan moed, maar zij waren niet krachtig of niet eensgezind genoeg
+om de overhand te krijgen, en zij kwamen in veel grootere verhouding om dan de andere bewoners, die zij zelf hadden ten onder
+gebracht. Maar ook verdwenen zij, door hun bloed met dat van die andere bewoners te vermengen, waardoor zij den stempel van
+een aantal van hun eigen edele en mannelijke eigenschappen op hen drukten. Dit is de reden, dat de karakteristieke eigenschappen
+van die volken, die in onzen tijd Kelten genoemd werden en die de Keltische overleveringen en de Keltische taal voortplantten,
+in enkele opzichten zoozeer verschillen van die der Kelten uit de classieke geschiedenis en die der Kelten, die de litteratuur
+en de kunst van het oude Griekenland hebben voortgebracht, terwijl zij in andere opzichten daarmede zoo treffend overeenkomen.
+Om slechts &eacute;&eacute;n lichamelijk kenmerk te kiezen, de bewoners der meer Keltische districten van de Britsche eilanden kenmerken
+zich tegenwoordig door hun donkere gelaatskleur, hun haren enz. Zij zijn niet bijzonder donker, maar toch donkerder dan het
+overige gedeelte der bewoners van het koninkrijk.<a id="d0e899src" href="#d0e899" class="noteref">5</a> Maar de echte Kelten der twaalfde eeuw zijn door Giraldus Cambrensis als een licht gekleurd ras beschreven.
+
+<a id="d0e905"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e905">5</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De gouden eeuw der Kelten.</h3>
+<p>Maar wij loopen op ons onderwerp vooruit en moeten terugkeeren tot het tijdperk van den oorsprong der Keltische geschiedenis.
+Evenals de sterrenkundigen het bestaan eener onbekende planeet hebben ontdekt door de storingen, door deze op de reeds waargenomen
+planeten uitgeoefend, zoo kunnen wij in de vijfde en vierde eeuw v&oacute;&oacute;r Christus de aanwezigheid van een groote macht en van
+krachtige bewegingen onderscheiden, die geschiedden achter een sluier, die nooit meer zal worden opgelicht. Dit was de Gouden
+Eeuw der Kelten op het vasteland van Europa. Gedurende dat tijdperk voerden de Kelten drie groote en voorspoedige oorlogen,
+die geen geringen invloed hadden op den loop der geschiedenis van Zuid-Europa. Omstreeks 500 <span class="abbr" title="voor Christus"><abbr title="voor Christus">v.C.</abbr></span> veroverden zij Spanje op de Carthagers. Een eeuw later zien wij hen bezig met de verovering van Noord-Itali&euml; op de Etruskers.
+Zij vestigden zich in grooten getale op het gebied, dat later bekend werd als Gallia Cisalpina, waar een aantal namen, zooals
+<i>Mediolanum</i> (Milaan), <i>Addua</i> (Adda), <i>Virodunum</i> (Verduno), en misschien <i>Cremona</i> (<i>creamh</i>, knoflook)<a id="d0e929src" href="#d0e929" class="noteref">6</a>, er getuigenis van afleggen, dat zij dit gebied hebben bezet. Zij hebben nog een grooter herinnering achtergelaten in den
+voornaamsten der Latijnsche dichters, wiens naam, Vergilius, schijnt te wijzen op zijn Keltische afstamming<a id="d0e937src" href="#d0e937" class="noteref">7</a>. Tegen het einde der vierde eeuw overstroomden zij Pannonia, toen zij de Illyri&euml;rs ten onder brachten.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Bondgenootschappen met de Grieken.</h3>
+<p>Al die oorlogen werden ondernomen in bondgenootschap met de Grieken, met wie de Kelten in die periode op den <a id="d0e951"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e951">6</a>]</span>meest vriendschappelijken voet verkeerden. Door den oorlog met de Carthagers werd het monopolie, dat deze bezaten op het gebied
+van den handel in tin met Brittanni&euml; en in zilver met de Spaansche mijnwerkers, vernietigd, en de weg over land door Frankrijk
+heen naar Brittanni&euml;, ten behoeve waarvoor de Phoce&euml;rs in het jaar 600 <span class="abbr" title="voor Christus"><abbr title="voor Christus">v.C.</abbr></span> de haven van Marseille hadden gesticht, werd voor goed aan den Griekschen handel verzekerd. Grieken en Kelten waren in dat
+tijdperk verbonden tegen Phoenici&euml;rs en Perzen. De nederlaag, Hamilcar te Himera, in Sicili&euml;, door Gelon toegebracht, viel
+in hetzelfde jaar als die van Xerxes te Salamis. Het Carthaagsche leger in dien veldtocht bestond uit huurlingen van een half
+dozijn volken, maar in de rangen der Carthagers werd geen enkele Kelt gevonden, en de vijandschap der Kelten was een voorname
+oorzaak, dat de Carthagers de Perzen geen hulp boden ter vernietiging van hun gemeenschappelijken vijand. Deze feiten bewijzen,
+dat de Kelten een belangrijke rol speelden, om te beletten, dat het Grieksche type van beschaving werd overweldigd door de
+dwingelandij van Oostersche volken, en dat het in Europa het onschatbare zaad van vrijheid en menschelijke cultuur in het
+leven hield.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Alexander de Groote.</h3>
+<p>Wij zien de Kelten weer naar voren treden als een hoogst belangrijken factor, toen Hellas van haar kant onder Alexander den
+Groote haar tegenaanval tegen het Oosten begon.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e962" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p006.jpg" alt="&#8220;Wij vreezen niemand&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Wij vreezen niemand&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>In de vierde eeuw <span class="abbr" title="voor Christus"><abbr title="voor Christus">v.C.</abbr></span> werd Macedoni&euml; door Thracische en Illyrische benden aangevallen en bijna vernietigd. Koning Amyntas&nbsp;II werd verslagen en
+in ballingschap gedreven. Zijn zoon Perdiccas&nbsp;II werd in den slag gedood. Toen Philippus, een jongere broeder van Perdiccas,
+den onbeteekenenden en waggelenden troon besteeg, dien hij en zijn opvolgers tot den zetel van een machtig rijk zouden maken,
+werd hij krachtig gesteund in zijn pogingen de Illyri&euml;rs het hoofd te bieden door de veroveringen der Kelten in de valleien
+van den Donau en de Po. In de dagen van Alexander werd het bondgenootschap <a id="d0e971"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e971">7</a>]</span>voortgezet en misschien meer op wettelijken grondslag gevestigd. Toen Alexander op het punt stond, Azi&euml; te veroveren (334
+<span class="abbr" title="voor Christus"><abbr title="voor Christus">v.C.</abbr></span>) sloot hij eerst een verdrag met de Kelten &#8220;die aan de Jonische Golf woonden&#8221;, ten einde zijn Grieksch grondgebied tijdens
+zijn afwezigheid tegen een aanval te beveiligen. Die gebeurtenis is door Ptolemaeus Soter beschreven in zijn geschiedenis
+van de oorlogen van Alexander<a id="d0e976src" href="#d0e976" class="noteref">8</a>. Het verhaal is z&oacute;&oacute; levendig, dat het den stempel draagt van een authentieke geschiedenis, en een andere merkwaardige getuigenis
+van de waarheid van het verhaal is door de Jubainville aan het licht gebracht. Toen de Keltische afgevaardigden, die beschreven
+worden als mannen, hooghartig in hun optreden en van grooten lichaamsbouw, na hun zending te hebben volbracht, met den koning
+dronken, vroeg hij hun, naar het verhaal zegt, wat wel datgene was, waarvoor zij het meest bevreesd waren. De afgevaardigden
+antwoordden: &#8220;Wij vreezen niemand: er is slechts &eacute;&eacute;n ding, waarvoor wij bang zijn, en wel, dat de hemel op ons zou kunnen
+neervallen; maar wij stellen niets zoo zeer op prijs als de vriendschap van iemand zooals gij.&#8221; Alexander nam afscheid van
+hen, en fluisterde, na zich tot zijn edelen te hebben gewend, &#8220;Wat zijn die Kelten toch vreeselijke pochers.&#8221; Toch was het
+antwoord, met al zijn Keltische bravour en pralerij, niet zonder waardigheid en hoffelijkheid. De uitdrukking omtrent het
+neervallen van den hemel schijnt een blik te schenken op het eene of andere primitieve geloof of de eene of andere mythe,
+waarvan de beteekenis niet meer te doorgronden is.<a id="d0e979src" href="#d0e979" class="noteref">9</a> De nationale eed, waarmede de Kelten zich verbonden, aan hun verdrag met Alexander trouw te blijven, is zeer merkwaardig.
+&#8220;Als wij dit verdrag niet gestand doen,&#8221; zoo zeiden zij, &#8220;moge dan de hemel op ons neervallen en ons verbrijzelen, moge de
+aarde zich openen <a id="d0e982"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e982">8</a>]</span>en ons verzwelgen, moge de zee openbarsten en ons overweldigen.&#8221; De Jubainville vestigt met nadruk de aandacht op een plaats
+uit de &#8220;T&aacute;in Bo Cuailgne,&#8221; in het Boek van Leinster,<a id="d0e984src" href="#d0e984" class="noteref">10</a> waar de helden uit Ulster hun koning, die hen in den strijd wenschte te verlaten, ten einde een aanval af te weren op een
+ander gedeelte van het slagveld, mededeelen: De hemel is boven ons, en de aarde onder ons, en de zee is om ons heen gelegen.
+Tenzij de hemel met zijn menigte sterren neervalt op den grond, waarop wij gekampeerd zijn, of tenzij de aarde door een aardbeving
+wordt van een gereten, of tenzij de golven der blauwe zee over de bosschen der levende wereld komen, zullen wij niet wijken.<a id="d0e987src" href="#d0e987" class="noteref">11</a> Het overleven van dit eigenaardige eedsformulier gedurende meer dan duizend jaar, en het weder te voorschijn komen in een
+mythisch Iersch verdichtsel, nadat er het eerst van gehoord is onder de Kelten van Midden-Europa, is ongetwijfeld zeer merkwaardig,
+en is met andere feiten, die wij later zullen vermelden, een krachtig bewijs voor de eenheid en de onverwoestbaarheid der
+Keltische beschaving.<a id="d0e990src" href="#d0e990" class="noteref">12</a>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De plundering van Rome.</h3>
+<p>Wij hebben reeds melding gemaakt van twee der groote oorlogen, door de op het vasteland wonende Kelten gevoerd; wij komen
+thans tot den derden, dien tegen de Etruskers, die hen ten slotte in botsing bracht met de grootste macht van het heidensche
+Europa, en aanleiding gaf tot hun grootste wapenfeit, de plundering van Rome. Omstreeks het jaar 400 v.C. schijnt het Keltische
+rijk het toppunt van zijn macht te hebben bereikt. Onder een koning, bij Livius Ambicatus genoemd, die waarschijnlijk het
+hoofd van een overheerschenden stam was in een militairen bond, zooals in onze dagen de Duitsche <a id="d0e998"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e998">9</a>]</span>Keizer, schijnen de Kelten in sterke mate te zijn samengesmeed tot een politieke eenheid, en een op eenzelfde doel gerichte
+politiek te hebben gevolgd. Daar zij aangetrokken waren door het vruchtbare land van Noord-Itali&euml;, daalden zij af door de
+passen der Alpen, en wisten zij zich daar, na hevige gevechten met de Etruscische inwoners, te handhaven. In die dagen drongen
+de Romeinen van beneden af op de Etruskers aan, en Romeinen en Kelten werkten volkomen met elkander in overleg en voor dat
+doel verbonden met elkander samen. Maar de Romeinen, die waarschijnlijk een groote minachting hadden voor de Noordelijke barbaarsche
+krijgslieden, hadden de onbezonnenheid oneerlijk spel met hen te spelen bij het beleg van Clusium (301 v.C.) welke plaats
+de Romeinen beschouwden als &eacute;&eacute;n der bolwerken van Latium tegen het noorden. De Kelten herkenden Romeinen, die bij hen gekomen
+waren in het onschendbare karakter van afgevaardigden, als strijders onder de rijen van den vijand. De gebeurtenissen, die
+toen volgden, zijn, in den vorm, waarin zij tot ons zijn gekomen, zeer vermengd met legenden, maar er zijn toch enkele trekken
+onder van dramatische kracht en levendigheid, waarin het ware karakter der Kelten duidelijk herkenbaar naar voren treedt.
+Zooals ons wordt verhaald, wendden zij zich tot Rome, om genoegdoening te krijgen voor het verraad der afgezanten, de drie
+zonen van Fabius Ambustus, den opperpriester. De Romeinen weigerden aan dien eisch gehoor te geven, en kozen juist de Fabii
+tot militaire tribunen voor het volgende jaar. Daarop braken de Kelten het beleg van Clusium op en trokken regelrecht op Rome
+af. Zij dachten er niet aan, op goed geluk te plunderen of te verwoesten, zij vielen geen enkele stad of vesting aan. &#8220;Wij
+zijn op weg naar Rome,&#8221; zoo riepen zij tot de wachten op de muren der provinciesteden, die verwonderd en beangst den ontzaglijken
+troep, die onafgebroken naar het zuiden trok, nastaarden. Eindelijk bereikten zij de Allia, enkele mijlen van Rome af, waar
+de geheele beschikbare troepenmacht der stad in slagorde stond geschaard om hen tegemoet te trekken. De slag werd geleverd
+den 18<sup>den</sup> <a id="d0e1003"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1003">10</a>]</span>Juli 390, dien ongelukkigen <i>dies Alliensis</i>, die lange jaren in den Romeinschen kalender de herinnering levendig hield aan de diepste vernedering, die de Republiek ooit
+heeft ondergaan. De Kelten omsingelden het Romeinsche leger en vernietigden het in &eacute;&eacute;n enkelen geweldigen aanval. Drie dagen
+later waren zij in Rome, en omstreeks een jaar bleven zij meester van de stad of van haar puinhoopen, totdat een groote geldboete
+was betaald en de trouweloosheid bij Clusium ten volle was gewroken. Omstreeks een eeuw lang nadat het vredesverdrag gesloten
+was, bleef de vrede tusschen de Kelten en de Romeinen gehandhaafd, en het verbreken van dien vrede, toen enkele Keltische
+stammen zich met hun ouden vijand, de Etruskers, verbonden tijdens den derden Samnietischen oorlog, viel samen met het ineenstorten
+van de Keltische macht.<a id="d0e1008src" href="#d0e1008" class="noteref">13</a> Wij moeten thans nog twee vragen bespreken voordat wij het geschiedkundige gedeelte van deze Inleiding kunnen afsluiten.
+In de eerste plaats, wat zijn de bewijzen dat de Keltische macht zich gedurende die periode zoover over Midden-Europa heeft
+verspreid? In de tweede plaats, waar waren toen de Germaansche volksstammen, en wat was hun verhouding tot de Kelten?
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e1012" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p008.jpg" alt="&#8220;Wij zijn op weg naar Rome&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Wij zijn op weg naar Rome&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Keltische plaatsnamen in Europa.</h3>
+<p>Het zou ons te ver tot philologische vraagstukken terugvoeren, die alleen de wetenschappelijke beoefenaar der Keltische wetenschappen
+ten volle kan waardeeren, als wij deze vragen volledig zouden willen beantwoorden. Men vindt de bewijzen volledig ontwikkeld
+in het werk van de Jubainville, waarnaar wij reeds herhaaldelijk hebben verwezen. De studie der Europeesche plaatsnamen vormt
+den grondslag zijner bewijsvoering. Neem bij voorbeeld den Keltischen naam <i>Noviomagus</i>, samengesteld uit twee Keltische woorden, waarvan het bijvoeglijk naamwoord &#8220;nieuw&#8221; beteekent en <i>magos</i> (in <a id="d0e1027"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1027">11</a>]</span>het Iersch <i>magh</i>) een veld of vlakte.<a id="d0e1032src" href="#d0e1032" class="noteref">14</a> Er waren in de oudheid negen plaatsen met dien naam bekend. Zes waren in Frankrijk gelegen, daaronder de plaatsen, nu Noyon,
+in Oise gelegen, Nyon in de Vogezen, Nyons, in Dr&ocirc;me. Buiten Frankrijk waren er drie, en wel Nijmegen, in de Nederlanden,
+Neumagen, in het Rijnland en &eacute;&eacute;n in Spier, in het Palatinaat.
+
+</p>
+<p>Het woord <i>dunum</i>, dat nog zoo veelvuldig in onzen tijd in plaatsnamen kan worden herkend (Dundalk, Dunrobius enz.) en dat vesting of kasteel
+beteekent, is een tweede typisch Keltisch element in Europeesche plaatsnamen. Het kwam zeer dikwijls in Frankrijk voor&#8212;<span class="abbr" title="bijvoorbeeld"><abbr title="bijvoorbeeld">b.v.</abbr></span> <i>Lugdunum</i> (Lyon), <i>Virodunum</i> (Verdun). Men vindt het ook in Zwitserland&#8212;<span class="abbr" title="bijvoorbeeld"><abbr title="bijvoorbeeld">b.v.</abbr></span> <i>Minno-dumun</i> (Moudon), <i>Eburo-dunum</i> (Yverdon)&#8212;en in Nederland, waar de naam Leiden kan teruggevoerd worden tot het Keltische <i>Lug-dunum</i>. In Groot-Brittanni&euml; werd de Keltische uitdrukking dikwijls eenvoudig vertaald door <i>castra</i>; zoo werd <i>Camulo dunum</i> Colchester, <i>Brano-dunum</i> Brancaster. In Spanje en Portugal worden door classieke schrijvers acht namen, die op <i>dunum</i> eindigen, vermeld. In Duitschland kunnen de moderne namen Kempton, Karnberg, Liegnitz, teruggevoerd worden tot de Keltische
+vormen <i>Cambo-dunum</i>, <i>Carro-dunum</i>, <i>Lugi-dunum</i>, ook vinden wij een <i>Singi-dunum</i>, nu Belgrado in Servi&euml;, <i>Novi-dunum</i>, nu Isakstcha, in Rumeni&euml;, een <i>Carro-dunum</i> in Zuid-Rusland, bij den Dniester, en een ander in Croati&euml;, thans Pitsmeza. <i>Sego-dunum</i>, nu Rodez, in Frankrijk, wordt ook in Beieren gevonden (Wurzburg) en in Engeland <i>(Sege-dunum)</i>, nu Wallsend, in Northumberland, en het eerste gedeelte, <i>sego</i>, vindt men terug in Segorbe <i>(Sego-briga)</i>, in Spanje. <i>Briga</i> is een Keltisch woord, de oorsprong van ons <i>burg</i>, en komt in beteekenis overeen met <i>dunum</i>.
+
+</p>
+<p>Nog een ander voorbeeld: het woord <i>magos</i>, een vlakte, dat veel voorkomt als deel van Iersche plaatsnamen, wordt herhaaldelijk in Frankrijk gevonden, en ook buiten
+Frankrijk; in landen, die niet meer Keltisch zijn, komt het voor den dag <a id="d0e1122"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1122">12</a>]</span>in Zwitserland (<i>Uro-magus</i>, nu Promasens) in het Rijnland (<i>Broco-magus</i>, <i>Brumath</i>), in Nederland, zooals wij reeds opmerkten (Nijmegen), verschillende malen in Lombardije, en in Oostenrijk.
+
+</p>
+<p>Wij hebben met die enkele voorbeelden het onderwerp volstrekt niet uitgeput, maar zij dienen alleen om een denkbeeld te geven
+hoezeer de Kelten over Europa verbreid waren, en om aan te toonen, dat over dat uitgestrekte gebied de taal der Kelten overal
+dezelfde was.<a id="d0e1135src" href="#d0e1135" class="noteref">15</a>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Oude Keltische kunst.</h3>
+<p>De overblijfselen van oude Keltische kunstwerken geven alle hetzelfde beeld. In het jaar 1846 werd een groote v&oacute;&oacute;r-Romeinsche
+necropolis (doodenstad) ontdekt te Hallstatt, bij Salzburg, in Oostenrijk. Het bevat overblijfselen, die naar de meening van
+Dr. Arthur Evans afkomstig zijn uit den tijd van 750 tot 400 v.C. Die overblijfselen wijzen in sommige gevallen op een hoogen
+trap van ontwikkeling en beschaving en een uitgebreiden handel. Men vindt daar barnsteen uit de Oostzee, Phoenicisch glas
+en goudblad van Oostersche bewerking. Er worden ijzeren zwaarden gevonden, waarvan de gevesten en scheeden rijkelijk versierd
+zijn met goud, ivoor en barnsteen.
+
+</p>
+<p>De Keltische beschaving, zooals die zich openbaart in de overblijfselen te Hallstatt, ontwikkelden zich later in wat men noemt
+de beschaving uit de La-T&egrave;ne periode. La T&egrave;ne was een nederzetting aan het noordoostelijke uiteinde van het meer van Neuch&acirc;tel,
+en daar zijn een aantal voorwerpen van het hoogste belang gevonden, sedert die plaats in 1858 voor het eerst werd nagezocht.
+Die oudheden vertegenwoordigen volgens Dr. Evans het hoogtepunt der Gallische beschaving en dagteekenen van ongeveer de derde
+eeuw v&oacute;&oacute;r Christus. Het type der kunst, die daar is gevonden, moet beoordeeld worden in het licht van een opmerking door Romilly
+Allan voor eenige jaren gemaakt in zijn &#8220;Keltische Kunst&#8221; (blz. 13).
+<a id="d0e1145"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1145">13</a>]</span></p>
+<p>&#8220;De groote moeilijkheid voor het begrijpen der ontwikkeling van de Keltische kunst is gelegen in het feit, dat de Kelten,
+hoewel zij nooit nieuwe denkbeelden schijnen te hebben uitgevonden, een buitengewone vatbaarheid bleken te hebben, om denkbeelden
+aan te grijpen en over te nemen van de verschillende volken, met wie zij hetzij door oorlogen, hetzij door handelsbetrekkingen
+in aanraking kwamen. En zoodra de Kelt een denkbeeld van zijn naburen had overgenomen, was hij in staat daaraan een z&oacute;&oacute; duidelijk
+Keltische kleur te geven, dat het spoedig iets werd, dat volkomen afweek van wat het oorspronkelijk geweest was, en dan ook
+bijna niet meer te herkennen was.&#8221;
+
+</p>
+<p>Wat nu de Kelten ontleenden aan de kunstbeschaving, die op het vasteland haar hoogtepunt bereikte in de overblijfselen van
+La T&egrave;ne, waren bepaalde, oorspronkelijk aan de natuur ontleende motieven van Grieksche versierselen en wel in de eerste plaats
+de palmette- en de meander-motieven. Maar een eigenaardige karaktertrek van de Kelten was het, dat zij in hun kunst er tegen
+waakten, de natuurlijke vormen der planten- en dierenwereld na te bootsen of zelfs maar in de verte te naderen. Zij brachten
+alles terug tot zuivere versiering. Wat zij bij hun versieringen beoogden, was de afwisseling van breede kromme en golvende
+lijnen met dicht ineen gedrongen spiralen of krullen, en met die eenvoudige grondmotieven, en met overneming van enkele motieven,
+ontleend aan Grieksche kunst, bouwden zij een prachtig en fijn stelsel van versiering op, rijk aan afwisseling, dat zij toepasten
+op wapenen, sieraden en huishoudelijke voorwerpen van den meest verschillenden aard, in goud, brons, hout en steen, en voor
+zoover wij in staat zijn daarover te oordeelen, ook op geweven stoffen. E&eacute;n prachtige wijze van versiering van metaalwerk
+schijnt geheel haar oorsprong gehad te hebben in het Keltische gebied. Emailleeren was bij de classieke volken onbekend totdat
+zij het van de Kelten hadden geleerd. Tot zelfs in de derde eeuw na Christus was het voor de classieke wereld een vreemde
+bewerking, zooals wij vernemen uit een mededeeling van Philostratus:
+<a id="d0e1150"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1150">14</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Zij zeggen, dat de barbaren, die in den oceaan gelegen zijn, (Britten) die kleuren gieten over verhit koper, dat deze zich
+daarop vasthechten, zoo hard worden als steen, en de patronen bewaren, die daarop zijn aangebracht.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dr. J. Anderson schrijft in de &#8220;Verhandelingen van het Genootschap van Oudheidkundigen van Schotland:&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De Galli&euml;rs, zoowel als de Britten&#8212;van denzelfden Keltischen stam&#8212;oefenden het emailleeren uit v&oacute;&oacute;r de Romeinsche verovering.
+De werkplaatsen voor het emailleeren te Bibracte, met haar fornuizen, smeltkroezen, mallen en bruineersteenen, en met het
+ruwe <span class="corr" title="Bron: emaril">email</span> op de verschillende trappen van bewerking, zijn voor enkele jaren opgegraven uit de puinhoopen der stad, die door Caesar
+en zijn legioenen verwoest was. Maar het email van Bibracte is niets meer dan het werk van knoeiers op kunstgebied, vergeleken
+met het Britsche werk. De zetel der kunst was in Brittanni&euml; gevestigd, en de stijl der patronen, zoowel als de wijze, waarop
+zij in verband stonden met de voorwerpen, waarop de versiering was aangebracht, wezen er met absolute zekerheid op, dat zij
+haar hoogsten trap van inheemsche ontwikkeling had bereikt voordat zij in aanraking kwam met de Romeinsche beschaving.&#8221;<a id="d0e1160src" href="#d0e1160" class="noteref">16</a>
+
+</p>
+<p>Het Nationale Museum te Dublin bevat een aantal prachtige voorbeelden van Iersche decoratieve kunst in goud, brons en email,
+en de &#8220;krachtige Keltische kleur&#8221; waarvan Romilly Allen spreekt, is even duidelijk daar waar te nemen als bij de overblijfselen
+van Hallstatt of La T&egrave;ne.
+
+</p>
+<p>Alles wijst dus op een gemeenschappelijke cultuur, op een volkomen gelijkheid in het karakter van het ras, dat men in het
+geheele uitgestrekte grondgebied vindt, en dat bij de oude wereld bekend stond als het gebied der Kelten.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Kelten en Germanen.</h3>
+<p>Maar, zooals wij te voren hebben opgemerkt, dit gebied was niet uitsluitend door de Kelten bewoond. In het bijzonder moeten
+wij trachten de vraag te beantwoorden, wie de Germanen, <a id="d0e1172"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1172">15</a>]</span>de Teuto-Gothische stammen waren, die ten slotte de plaats innamen der Kelten, als een uit het noorden afkomstige bedreiging
+der classieke beschaving; en tevens moeten wij nagaan, waar deze hun zetel hadden.
+
+</p>
+<p>Zij worden genoemd door Pytheas, den voortreffelijken Griekschen reiziger en aardrijkskundige (omstreeks 300 v.C.), maar zij
+spelen geen rol in de geschiedenis, totdat zij onder den naam van Cimbren en Teutonen in Itali&euml; afdaalden, waar zij op het
+einde der tweede eeuw v.C. door Marius werden overwonnen. De oude Grieksche aardrijkskundigen van v&oacute;&oacute;r den tijd van Pytheas
+weten niets van hen af, en schrijven het geheele gebied, dat thans als Germaansch bekend staat, aan verschillende Keltische
+stammen toe.
+
+</p>
+<p>De verklaring, door de Jubainville gegeven, en die door hem is gegrond op verschillende philologische overwegingen, is deze,
+dat de Germanen een onderworpen volk waren, te vergelijken met die &#8220;onvrije stammen,&#8221; die in Galli&euml; en in het oude Ierland
+werden gevonden. Zij leefden onder de heerschappij der Kelten, en hadden geen onafhankelijk politiek bestaan. De Jubainville
+is van oordeel, dat alle woorden, die samenhangen met wet en regeering en met den oorlog, die zoowel voorkomen in de Keltische
+als in de Teutonische talen, door de Teutonen aan de Kelten waren ontleend. De voornaamste daaronder zijn de woorden, voorgesteld
+door het moderne Duitsche woord <i>Reich</i> (Hollandsch, <i>rijk</i>), <i>Amt</i> (Hollandsch, ambt) en het Gothische <i>reiks</i>, Koning, welke woorden alle ontwijfelbaar van Keltischen oorsprong zijn. De Jubainville telt eveneens onder de woorden, aan
+het Keltisch ontleend, <i>Bann</i>, een bevel, <i>Frei</i>, vrij; <i>Geisel</i>, een gijzelaar, <i>Erbe</i>, een erfenis; <i>Werth</i>, waarde; <i>Weih</i>, gewijd, <i>Magus</i>, een slaaf (Gothisch); <i>Wini</i>, een vrouw (Oud-Hoogduitsch); <i>Skalks</i>, <i>Schalk</i>, een slaaf (Gothisch); <i>Hartha</i>, slag (Oud-Duitsch); <i>Helith</i>, <i>Held</i>, een held, van denzelfden stam als het woord Kelt; <i>Heer</i>, een leger (in het Keltisch <i>choris</i>); <i>Sieg</i>, overwinning; <i>Beute</i>, buit; <i>Burg</i>, een kasteel; en nog een aantal andere woorden.
+<a id="d0e1244"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1244">16</a>]</span></p>
+<p>De etymologische geschiedenis van sommige van die woorden is bijzonder merkwaardig. <i>Amt</i>, bij voorbeeld, dat woord, dat van zoo groote beteekenis is in het moderne Germaansche staatsbestuur, kan teruggevoerd worden
+tot een oud Keltisch woord <i>ambhactos</i>, dat is samengesteld uit de woorden <i>ambi</i>, omtrent en <i>actos</i> een verleden deelwoord, afgeleid van den Keltischen stam <i>AG</i>, dat handelen beteekent. Nu is <i>ambi</i> afgeleid van het oorspronkelijke Indo-Europeesche <i>mbhi</i>, waar de <i>m</i> aan het begin een soort van klinker is, die later in het Sanskrit is voorgesteld door <i>a</i>. Die klinker <i>m</i> werd een <i>n</i> in die Germaansche woorden, die onmiddellijk zijn afgeleid van de oorspronkelijke Indo-Europeesche taal. Maar het woord,
+dat nu door <i>amt</i> wordt voorgesteld, komt in zijn oudsten Germaanschen vorm voor als <i>ambaht</i>, waaruit dus duidelijk blijkt, dat het afstamt van het Keltische <i>ambhactos</i>.
+
+</p>
+<p>Zoo wordt het woord <i>frei</i> in zijn oudsten Germaanschen vorm gevonden als <i>frijo-s</i>, dat afkomstig is van het oorspronkelijke Indo-Europeesche <i>prijo-s</i>. Het woord beteekent hier echter niet vrij; het beteekent bewind (Sanskrit <i>priya-s</i>). Wij zien echter, hoe in de Keltische taal <i>prijos</i> zijn <i>p</i> aan het begin verliest, in het oude Keltisch was de moeilijkheid, die letter uit te spreken een eigenaardig kenmerk; tevens
+veranderde de <i>j</i>, volgens een vasten regel, in <i>dd</i>, en zoo komt in de moderne volkstaal van Wales het woord voor onder den vorm <i>rhydd</i>&#8212;vrij. De Indo-Europeesche beteekenis is in de Germaansche talen blijven bestaan in den naam van de godin der liefde, <i>Freia</i>, en in de woorden <i>Freund</i>, vriend, <i>Friede</i>, vrede. De beteekenis van het woord op het gebied van het burgerlijk recht kan tot een Keltischen oorsprong worden teruggebracht,
+en schijnt in dien zin aan het Keltisch ontleend te zijn.
+
+</p>
+<p>Het Germaansche <i>Beute</i>, buit, roof, heeft een bijzonder leerzame geschiedenis. Er bestond een Gallisch woord <i>bodi</i>, dat gevonden wordt in samenstellingen, zooals de plaatsnaam Segobodium (Seveux), en verschillende namen van personen en
+stammen, zooals Boudicca, beter bij ons bekend als de &#8220;Britsche strijdlustige koningin&#8221;, Boadicea. Het woord beteekende <a id="d0e1335"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1335">17</a>]</span>oudtijds &#8220;overwinning.&#8221; Maar de vrucht der overwinning is de buit, en in dien stoffelijken zin werd het woord overgenomen
+in het Duitsch, in het Fransch (<i>butin</i>), in het Noorsch (<i>byte</i>), en in de volkstaal van Wales (<i>budd</i>). Daarentegen heeft het woord zijn hoogere, meer verheven beteekenis gehouden in het Iersch. In de Iersche vertaling van
+Kronijken XXIX, 11, waar de Vulgata in het oorspronkelijke luidt: &#8220;Tua est, Domine, magnificentia et potentia et gloria et
+victoria&#8221;, wordt het woord <i>victoria</i> in het Iersch vertaald door <i>b&uacute;aidh</i>, en zooals de Jubainville terecht opmerkt, &#8220;ce n&#8217;est pas de butin qu&#8217;il s&#8217;agit.&#8221; Hij vervolgt zijn betoog aldus: &#8220;<i>B&uacute;aidh</i> heeft in het Iersch, dank zij een krachtige en voortdurende beschaving, de verheven beteekenis gehouden, die het in de taal
+der Gallische aristocratie had. De stoffelijke beteekenis van het woord werd alleen opgemerkt door de lagere klassen der bevolking,
+en het is de overlevering van die lagere klassen, die in de Germaansche, Fransche en Cymrische talen is bewaard gebleven.&#8221;<a id="d0e1355src" href="#d0e1355" class="noteref">17</a>
+
+</p>
+<p>Er waren echter twee dingen, die de Kelten &ograve;f niet wilden &ograve;f niet konden opdringen aan de overwonnen Germaansche stammen&#8212;hun
+taal en hun godsdienst. In die twee groote factoren van raseenheid en trots liggen de zaden van den opstand der Germanen en
+ten slotte van het omverwerpen der Keltische overmacht. De namen der Germaansche godheden verschillen van die der Keltische,
+ook hun begrafenisgebruiken, waarmede de diepste godsdienstige opvattingen der oorspronkelijke rassen samenhangen, zijn geheel
+andere. De Kelten, of ten minste het overheerschende gedeelte van hen, begroeven hun dooden, en beschouwden het gebruik van
+vuur als een vernedering, die alleen mocht worden opgelegd aan misdadigers, of aan slaven of gevangenen bij die vreeselijke
+menschenoffers, die de grootste smet zijn op hun oorspronkelijke cultuur. De Germanen daarentegen begroeven hun beroemde dooden
+op brandstapels, evenals de oude Grieken&#8212;en als geen brandstapel kon worden opgericht voor het geheele <a id="d0e1360"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1360">18</a>]</span>lichaam, dan werden de edelste deelen, zooals hoofd en armen, verbrand, terwijl het overige gedeelte werd begraven.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Ondergang van het Keltische rijk.</h3>
+<p>Wij zullen wel nooit met juistheid te weten komen, wat geschiedde ten tijde van den Germaanschen opstand; doch zeker is het,
+dat ongeveer na het jaar 300 v.C. de Kelten allen mogelijken politieken samenhang en alle gemeenschappelijk streven hadden
+verloren, die zij ooit hadden bezeten. Als waren zij door de uitbarsting van de eene of andere onderaardsche kracht uiteengescheurd,
+stortten hun stammen als stroomen lava neer naar het zuiden, oosten en westen van hun oorspronkelijke woonplaats. Enkelen
+baanden zich een weg naar Noord-Griekenland, waar zij het schandelijk vergrijp pleegden, dat hun vroegere vrienden en bondgenooten
+zoozeer ergerde, en wel de plundering van den tempel van Delphi (273 v.C.). Anderen hernieuwden, doch met slechter resultaat,
+den ouden strijd met Rome, en kwamen in groote menigte te Sentinum (295 v.C.) en bij het meer Vadimo (283 v.C.) om. E&eacute;n afdeeling
+drong tot Klein-Azi&euml; door, en stichtte den Keltischen staat Galatia, waar, zooals de Heilige Hieronymus verhaalt, nog in de
+vierde eeuw na Christus een Keltisch dialect werd gesproken. Anderen namen als huurtroepen dienst onder Carthago. Een woelige
+oorlog van Kelten tegen verstrooide Germaansche stammen, of tegen andere Kelten, die vroegere golvingen van veranderingen
+in woonplaats en van verovering vertegenwoordigden, werd over geheel Midden-Europa, Galli&euml; en Brittanni&euml; gevoerd. Toen deze
+tot rust kwam, bleven Galli&euml; en de Britsche eilanden feitelijk de eenige overblijfselen der Keltische oppermacht, de eenige
+landen, die nog onder Keltische wetten en onder Keltische leiding stonden. Tegen het begin der Christelijke jaartelling waren
+Galli&euml; en Brittanni&euml; onder het juk van Rome gekomen, en was het slechts de vraag, hoe lang het nog zou duren, voordat zij
+in ieder opzicht in zeden en karakter geheel Romeinsch zouden geworden zijn.
+
+<a id="d0e1367"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1367">19</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De eigenaardige historische gesteldheid van Ierland.</h3>
+<p>Ierland was het eenige land, dat nooit door de Romeinsche legioenen bezocht, laat staan onderworpen was, en dat in naam zijn
+onafhankelijkheid tegen alle bezoekers wist te handhaven tot aan het einde der twaalfde eeuw, doch practisch zelfs nog een
+goede driehonderd jaar later.
+
+</p>
+<p>Ierland is hierom dan ook van een zoo eigenaardige beteekenis, en boezemt ons dan ook hierom zooveel belang in, dat het een
+zuiver inheemsche Keltische beschaving, Keltische instellingen, kunst en letterkunde en den oudsten nog in leven gebleven
+vorm der Keltische taal<a id="d0e1375src" href="#d0e1375" class="noteref">18</a> over de kloof draagt, die <a id="d0e1522"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1522">20</a>]</span>de oude wereld van de moderne scheidt, de heidensche van de Christelijke, en die haar brengt onder het volle licht der moderne
+geschiedenis en der moderne waarneming.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het Keltische karakter.</h3>
+<p>De zedelijke zoowel als de lichamelijke karaktertrekken door de classieke schrijvers aan de Keltische volken toegeschreven,
+vertoonen een merkwaardige helderheid en bestendigheid. Veel wat omtrent hen wordt verhaald, zou, zooals wel te verwachten
+was, kunnen worden gezegd van ieder nog primitief en ongeletterd volk, maar er blijft toch z&oacute;&oacute;veel over, dat hen onder de
+verschillende menschenrassen onderscheidt, dat indien die oude mededeelingen omtrent de Kelten zouden worden voorgelezen zonder
+dat de naam van het ras genoemd werd, waarop zij sloegen, iedereen, die alleen door zijn kennis der nieuwe geschiedenis daarmede
+bekend was, zonder een oogenblik te aarzelen de Keltische volken zou noemen als die, waarvan in de beschrijving werd melding
+gemaakt.
+
+</p>
+<p>Sommige van die mededeelingen zijn reeds door ons aangehaald, en wij behoeven de bewijzen niet te herhalen, die ontleend zijn
+aan Plato, Ephorus of Arrianus. Maar wel mogen wij hier een opmerking aanhalen, die M. Porcius Cato over de Galli&euml;rs maakt.
+&#8220;Er zijn twee dingen,&#8221; zoo zegt hij, &#8220;waaraan de Galli&euml;rs bijzonder gehecht zijn&#8212;de krijgskunst en de scherpzinnige wijze
+van uitdrukking&#8221; (<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>rem militarem et argute loqui&#8221;).
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De beschrijving van Caesar.</h3>
+<p>Caesar heeft ons een nauwkeurige en critische beschrijving van hen gegeven, zooals hij ze in Galli&euml; heeft leeren kennen. Zij
+waren, zooals hij zegt, bijzonder strijdlustig, maar spoedig door tegenspoed uit het veld geslagen. Zij waren zeer bijgeloovig,
+en onderwierpen zich aan de beslissing der Dru&iuml;den in alle publieke en private aangelegenheden, en beschouwden <a id="d0e1541"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1541">21</a>]</span>het als de grootste straf, als zij in den ban werden gedaan en hun geweigerd werd aan de godsdienstige ceremoni&euml;n deel te
+nemen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij die op dien grond in den ban zijn gedaan (omdat zij geweigerd hadden zich te onderwerpen aan een beslissing der Dru&iuml;den)
+worden onder de laagsten en de goddeloozen gerekend; iedereen ontvlucht hun gezelschap en vermijdt het zich met hen in een
+mondgesprek te begeven, uit vrees, door die nauwere aanraking te worden besmet; zij mogen geen rechtsgeding aanhangig maken;
+en geen enkele betrekking wordt hun toevertrouwd. De Dru&iuml;den zijn meestal vrij van militairen dienst en dragen niet, zooals
+de anderen, in de belasting bij... Door dergelijke belooningen aangemoedigd, komen een aantal van hen uit eigen beweging in
+hun scholen, en worden door hun vrienden en bloedverwanten daarheen gezonden. Men vertelt, dat zij daar een aantal verzen
+uit het hoofd leeren; enkelen zetten hun opvoeding gedurende twintig jaar voort; en evenmin wordt het voor geoorloofd beschouwd
+die dingen (de leerstellingen der Dru&iuml;den) op schrift te brengen, hoewel zij in bijna alle openbare handelingen en private
+mededeelingen de Grieksche letterteekens gebruiken.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Galli&euml;rs waren fel op nieuwtjes en vielen kooplieden en reizigers lastig met hun ijdel gesnap<a id="d0e1547src" href="#d0e1547" class="noteref">19</a>, zij kwamen gemakkelijk onder den invloed van anderen, waren hartstochtelijk en ongeduldig, verzot op afwisseling en besluiteloos
+bij hun beraadslagingen. Tevens waren zij merkwaardig slim en verstandig, zeer snel in het gebruik maken van iederen kunstgreep,
+dien zij konden aanwenden en volgden alles na, wat zij geschikt achtten. De vindingrijkheid, waarmede zij de gevaren der nieuwerwetsche
+belegeringswerktuigen der Romeinsche legers wisten te vermijden, wordt door Caesar in het bijzonder vermeld. Hij spreekt met
+grooten eerbied van hun moed, en schrijft hun doodsverachting, ten minste voor een groot deel, toe aan hun <a id="d0e1553"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1553">22</a>]</span>innig geloof in de onsterfelijkheid der ziel<a id="d0e1555src" href="#d0e1555" class="noteref">20</a>. Een volk, dat in vroeger dagen herhaaldelijk Romeinsche legers had vernietigd, Rome had geplunderd, en meer dan eens zelfs
+Caesar geplaatst had in een toestand waarin hij aan de grootste zorgen en gevaren was blootgesteld, bestond blijkbaar niet
+uit zwakkelingen, wat ook zijn godsdienstige opvattingen en gebruiken mochten zijn. Caesar gaat niet mank aan overgevoelige
+bewondering van zijn vijanden, maar &eacute;&eacute;n episode bij het beleg van Avaricum dwingt hem er toe, de dapperheid der verdedigers
+aan de onsterfelijkheid over te geven. Een Romeinsche houten stellage of <i>agger</i> was door de Romeinen opgericht om boven de muren uit te steken die bleken weerstand te kunnen bieden aan de aanvallen van
+den stormram. De Galli&euml;rs slaagden er in, dien toestel in brand te steken. Het was nu van het hoogste gewicht, de belegeraars
+te beletten de vlammen te blusschen, en een Galli&euml;r klom op een gedeelte van den muur boven den <i>agger</i> en wierp daarop stukken vet en pik neer, die hem van binnen uit werden toegereikt. Hij werd spoedig neergeveld door een werptuig
+van een Romeinschen catapult. Onmiddellijk stapte een ander over hem heen toen hij daar neerlag, en vervolgde de taak van
+zijn makker. Ook hij viel neer, maar een derde nam dadelijk zijn plaats in, zoo ook een vierde; en die post werd niet verlaten
+voordat de soldaten ten slotte de vlammen hadden gedoofd en de verdedigers hadden gedwongen naar de stad terug te keeren,
+die eindelijk den volgenden dag werd ingenomen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e1567" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p022.jpg" alt="&#8220;Onmiddellijk stapte een ander over hem heen toen hij daar nederlag&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Onmiddellijk stapte een ander over hem heen toen hij daar nederlag&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Strabo over de Kelten.</h3>
+<p>De aardrijkskundige en reiziger Strabo, die in het jaar 24 n.C. stierf en dus iets later leefde dan Caesar, weet ons heel
+wat omtrent de Kelten te vertellen. Hij merkt op, dat hun land <a id="d0e1576"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1576">23</a>]</span>(in dit geval Galli&euml;) dicht bewoond is en hun akkers goed bewerkt, geen natuurlijke hulpbronnen worden daar ongebruikt gelaten.
+De vrouwen zijn vruchtbaar en bijzonder goede moeders. Hij beschrijft de mannen als oorlogszuchtig, hartstochtelijk, verzot
+op twistgesprekken, gemakkelijk op te hitsen, maar daarbij edelmoedig en onergdenkend, zoodat zij gemakkelijk door krijgslisten kunnen worden overwonnen. Zij bleken begeerig te zijn naar ontwikkeling en beschaving,
+en Grieksche letters en Grieksche wetenschap waren snel van Massilia uit onder hen verspreid; in hun steden werd openbare
+opvoeding ingesteld. Zij vochten beter te paard dan te voet, en in de dagen van Strabo vormden zij de bloem der Romeinsche
+ruiterij. Zij woonden in groote huizen gemaakt van boogvormige planken met muren van vlechtwerk&#8212;zonder twijfel bepleisterd
+met klei en kalk, zooals in Ierland&#8212;en dicht met stroo gedekt. Steden van groote beteekenis werden in Galli&euml; gevonden, en
+Caesar maakt gewag van de sterkte der muren, die gebouwd waren van steen en hout. Caesar en Strabo zijn het er beiden over
+eens, dat er een zeer scherpe scheiding was tusschen de edelen en den ontwikkelden of priesterstand aan den &eacute;&eacute;nen kant en
+het gemeene volk aan den anderen kant, daar de laatsten in strikte onderworpenheid gehouden werden. De maatschappelijke verdeeling
+komt in ruwe trekken ongetwijfeld overeen met het onderscheid in ras tusschen de echte Kelten en de oorspronkelijke bewoners,
+die door hen waren onderworpen. Terwijl Caesar ons verhaalt, dat de Dru&iuml;den de onsterfelijkheid der ziel verkondigden, voegt
+Strabo er aan toe, dat zij geloofden in de onvernietigbaarheid&#8212;wat in sommige opzichten de goddelijkheid insluit&#8212;van het stoffelijk
+heelal.
+
+</p>
+<p>De Keltische krijgsman hield van uiterlijke praal. Alles wat aan het leven glans en een indruk van tooneelmatigheid schonk,
+werkte op zijn verbeelding. Zijn wapenen waren rijk versierd, zijn paardentuigen waren in brons en email bewerkt, even prachtig
+ontworpen als eenig overblijfsel der Myceensche of Cretensische kunst, zijn kleeding was met goud geborduurd. Het tooneel
+van de overgave van Vercingetorix, toen zijn <a id="d0e1583"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1583">24</a>]</span>heldhaftige strijd tegen Rome bij den val van Alesia tot een einde was gekomen, is de vermelding waard als een typisch Keltisch
+mengsel van ridderlijkheid en van wat de zeer bezadigde Romeinen als een kinderachtige pralerij toescheen<a id="d0e1585src" href="#d0e1585" class="noteref">21</a>. Toen hij zag, dat de zaak verloren was, riep hij een vergadering der stammen bijeen en deelde de verzamelde aanvoerders,
+aan wier hoofd hij gestaan had in een roemrijken, hoewel rampspoedigen oorlog, mede, dat hij bereid was zich op te offeren
+voor zijn nog steeds getrouwe volgelingen&#8212;hetzij zij als zij dat wilden, zijn hoofd aan Ceasar zouden zenden, hetzij hij zich
+vrijwillig overgaf met het doel gunstiger voorwaarden te bedingen voor zijn landgenooten. Het laatste voorstel werd aangenomen.
+Daarop wapende Vercingetorix zich met zijn schitterendste wapenen, bekleedde zijn paard met zijn rijkste tuig en, na driemaal
+om het Romeinsene kamp te zijn heen gereden, hield hij voor Caesar stand en legde hij het zwaard, dat het eenige overgebleven
+verdedigingsmiddel der Gallische onafhankelijkheid was, voor diens voeten. Caesar zond hem naar Rome, waar hij zes jaren lang
+gevangen werd gehouden, totdat hij ten slotte ter dood werd gebracht, toen Caesar zijn triomftocht hield.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e1589" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p024.jpg" alt="Vercingetorix rijdt langs het Romeinsche Kamp"></p>
+<p class="figureHead">Vercingetorix rijdt langs het Romeinsche Kamp</p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Polybius.</h3>
+<p>Een karakteristiek tooneel uit den slag bij Clastidium (222 v.C.) wordt door Polybius beschreven. De Gaesaten<a id="d0e1598src" href="#d0e1598" class="noteref">22</a>, zoo verhaalt hij, die aan het front van het Keltische leger stonden, kleedden zich voor den strijd naakt uit, en het gezicht
+van die krijgslieden, met hun groote gestalte en hun blanke huid, waarop de gouden halsketenen en armbanden schitterden, <a id="d0e1607"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1607">25</a>]</span>die door al de Kelten zoozeer als versierselen op prijs werden gesteld, vervulden de Romeinsche soldaten met eerbiedige vrees
+en ontzag. Maar toen de slag ge&euml;indigd was, gingen die versierselen bij wagenvrachten naar Rome, om het Kapitool te versieren;
+en de slotopmerking van Polybius over het karakter der Kelten is, dat zij &#8220;ik zeg niet gewoonlijk, maar steeds en voortdurend,
+in alles wat zij beproefden door hun hartstochten werden medegesleept, en zich nooit aan de wetten der rede onderwierpen.&#8221;
+Zooals men kan verwachten, was de kuischheid, waarvoor de Germanen bekend stonden, nooit, tot in de allerlaatste tijden, een
+Keltische karaktertrek.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Diodorus.</h3>
+<p>Diodorus Siculus, een tijdgenoot van Julius Caesar en Augustus, die in Galli&euml; had gereisd, bevestigt in hoofdzaken de mededeelingen
+van Caesar en Strabo, maar voegt er enkele merkwaardige bijzonderheden aan toe. Hij vestigt in het bijzonder de aandacht op
+de voorliefde der Galli&euml;rs voor goud. Zelfs harnassen werden van goud vervaardigd. Dit is ook een zeer opmerkelijke karaktertrek
+der Kelten in Ierland, immers men heeft daar een verbazend aantal praehistorische overblijfselen van goud gevonden, terwijl
+het vaststaat, dat er nog veel meer hebben bestaan, die thans zijn verloren gegaan. De tempels en heilige plaatsen, zoo zeggen
+Posidonius en Diodorus, waren vol van onbeschermde gouden offers, die nooit door iemand werden aangeraakt. Hij maakt melding
+van den grooten eerbied aan de barden bewezen, en vestigt evenals Cato de aandacht op de wijze van uitdrukking, door de welopgevoede
+Galli&euml;rs gebezigd: &#8220;Zij zijn geen praatziek volk, en zijn er verzot op, zich uit te drukken in raadselen, zoodat de hoorder
+het grootste gedeelte van wat zij willen zeggen, maar moet raden.&#8221; Dit komt volmaakt overeen met de deftige en beschaafde
+taal van het oude Ierland, die in hooge mate kort en zinnebeeldig is. De Dru&iuml;de werd beschouwd als de voorgeschreven tusschenpersoon
+tusschen God en mensch&#8212;niemand zou een godsdienstige plechtigheid verrichten zonder zijn bijstand.
+
+<a id="d0e1614"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1614">26</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Ammianus Marcellinus.</h3>
+<p>Ammianus Marcellinus, die veel later leefde, en wel in de tweede helft der vierde eeuw na Christus, had eveneens Galli&euml; bezocht,
+dat toen reeds, zooals duidelijk is, den invloed van Rome sterk had ondervonden.
+
+</p>
+<p>Doch ook hij verhaalt ons, evenals vroegere schrijvers, van de groote gestalte, de schoonheid en het aanmatigende optreden
+van den Gallischen krijgsman. Hij voegt er aan toe, dat het volk, in het bijzonder in Aquitani&euml;, merkwaardig helder en zindelijk
+was in zijn uiterlijk&#8212;niemand werd in lompen of haveloos aangetroffen. Hij beschrijft ons de Gallische vrouw als buitengewoon
+lang, blauwoogig en bijzonder schoon; maar onder zijn bewondering is tamelijk veel eerbiedige vrees gemengd, immers hij voegt
+er aan toe, dat terwijl het al gevaarlijk genoeg was tegen een Gallischen man te moeten strijden, de zaak hopeloos stond,
+als zijn vrouw met haar vervaarlijk groote, sneeuwwitte armen<span class="corr" title="Bron: &#8221;"></span>, die konden neerkomen als catapulten, haar man te hulp kwam. Onweerstaanbaar wordt men herinnerd aan de galerij van krachtige,
+onafhankelijke, vurige en heftige vrouwen, zooals Maev, Grania, Findabair, Deirdre en de historische figuur van Boadicea,
+die in de mythen en in de geschiedenis der Britsche eilanden naar voren treden.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Rice Holmes over de Galli&euml;rs.</h3>
+<p>Het volgende uittreksel uit het werk van Rice Holmes &#8220;Caesars Verovering van Galli&euml;&#8221; moge hier een plaats vinden als een uitnemend
+overzicht van het maatschappelijk beeld van dat gedeelte van het gebied der Kelten korten tijd v&oacute;&oacute;r de Christelijke jaartelling,
+en dit komt overeen met alles, wat omtrent de inheemsche Iersche beschaving bekend is:
+
+</p>
+<p>&#8220;De Gallische volken waren ver boven den toestand van wilden gestegen; en de Kelten uit het binnenland, van wie velen reeds
+onder Romeinschen invloed waren gekomen, hadden een zekeren graad van beschaving verkregen, ja zelfs van weelde. Hun broeken,
+waaraan de provincie haar naam van Gallia Bracata ontleende, en hun veelkleurige geruite wollen <a id="d0e1631"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1631">27</a>]</span>rokken wekten de verbazing op van hun veroveraars. De aanvoerders droegen gouden ringen, armbanden en halsketenen; en als
+die groote, blondharige krijgslieden te paard ten strijde trokken, met hun helmen, vervaardigd in de gedaante van den kop
+van een of ander woest dier, waarboven waaiende pluimen uitstaken, en met hun metalen wapenrusting, hun lange schilden en
+hun groote rammelende zwaarden, maakten zij een schitterende vertooning. Ommuurde steden of groote dorpen, de versterkte plaatsen
+der verschillende stammen, waren op een groot aantal heuvels duidelijk zichtbaar. De vlakten waren bedekt met een groot aantal
+open gehuchten. De huizen, van hout en vlechtwerk gebouwd, waren ruim en goed met riet bedekt. De akkers waren in den zomer
+geel van het koren. Er waren van stad tot stad wegen aangelegd. De rivieren waren overspannen door stevige bruggen; en schuiten,
+met koopwaren beladen, dreven op de rivieren. Schepen, wel lomp van vorm, maar grooter dan eenig schip, dat op de Middellandsche
+Zee werd gezien, trotseerden de stormen in de Golf van Biscaye en brachten ladingen over tusschen de havens van Bretagne en
+de kust van Brittanni&euml;. Er werd tol geheven van de goederen, die over de groote waterwegen werden gevoerd; en aan het verpachten
+van die rechten ontleenden de edelen een groot deel van hun rijkdom. Iedere stam had zijn eigen muntstelsel; en de kennis
+der schrijfkunst in Grieksche en Romeinsche letterteekens was niet tot de priesters beperkt. De Aeduers waren op de hoogte
+van het pletten van koper en van tin. De mijnwerkers van Aquitani&euml;, van Auvergne en van Berry waren beroemd om hun bekwaamheid.
+In &eacute;&eacute;n woord, in alles wat bijdroeg tot den uitwendigen voorspoed, hadden de volkeren van Galli&euml; ontzaglijke vorderingen gemaakt
+sedert hun stamgenooten voor het eerst met Rome waren in aanraking gekomen.<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span><a id="d0e1635src" href="#d0e1635" class="noteref">23</a>
+
+<a id="d0e1646"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1646">28</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Zwakheid der Keltische politiek.</h3>
+<p>Maar toch had die aangeboren Keltische beschaving, die in menig opzicht zoo aantrekkelijk was en zooveel beloften inhield,
+blijkbaar het &eacute;&eacute;ne of andere gebrek of eenige ongeschiktheid, die de Keltische volken belette zich te handhaven tegen de oude
+beschaving der Grieksch-Romeinsche wereld, of tegen de ruwe jeugdige kracht der Teutoonsche rassen. Wij zullen trachten na
+te gaan, wat dit was.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De classieke staat.</h3>
+<p>Op den bodem van het welslagen der classieke volken lag het begrip der burgerlijke gemeenschap, de [Greek: pholis], de <i>res publica</i>, als een soort van goddelijk bestaan, de bron van zegen voor de menschen, om haar ouderdom eerbiedwaardig, maar die toch
+voortdurend verjongd wordt bij ieder volgend geslacht; een macht, waaraan iedereen gaarne gehoorzaamt omdat hij weet, dat,
+al worden zijn trouwe diensten niet in de geschiedboeken geboekstaafd en overgeleverd, deze toch zijn eigen kortstondig bestaan
+zullen overleven en het bestaan van zijn vaderland of vaderstad ten eeuwigen dage zullen verheffen. Met dien geest bezield
+wees Socrates zijn vrienden, die er op aandrongen, dat hij zijn doodvonnis zou ontgaan door gebruik te maken van de middelen
+die zij hem aanboden om te ontsnappen, terecht, omdat zij hem aanzetten tot een goddelooze schending der wetten van zijn vaderland.
+Immers, zoo zeide hij, iemands vaderland is heiliger en eerbiedwaardiger dan vader of moeder, en hij moet kalm aan de wetten
+gehoorzamen waaraan hij zich heeft onderworpen, om daaronder zijn geheele leven door te brengen, daar hij zich anders den
+gerechten toorn op den hals haalt van de groote Broeders der <a id="d0e1660"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1660">29</a>]</span>aardsche Wetten, de Wetten der Onderwereld, aan wie hij ten slotte rekenschap moet geven van zijn gedrag op aarde. In meerdere
+of mindere mate maakte die verheven opvatting van den Staat den practischen godsdienst uit van iedereen onder de classieke
+naties der oudheid, en gaf zij aan den Staat zijn samenhang, zijn geschiktheid zich te handhaven en zich verder te ontwikkelen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Teutoonsche trouw.</h3>
+<p>Bij de Teutonen werd de kracht van samenhang nog versterkt door een andere oorzaak, die bestemd was zich te vermengen met
+den burgerzin en, daarmede vereenigd&#8212;ja zelfs dien dikwijls overheerschend&#8212;den voornaamsten politieken factor te vormen bij
+de ontwikkeling der Europeesche volken. Dit was het gevoel, dat de Germanen bestempelden met den naam van <i>Treue</i>, de persoonlijke trouw aan een aanvoerder, die zich in zeer oude tijden uitstrekte tot een koninklijke dynastie, een gevoel
+dat diep geworteld was in het Teutoonsche karakter, en dat nooit door eenige andere menschlijke drijfveer is overtroffen als
+bron van heldhaftige zelfopoffering.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De godsdienst der Kelten.</h3>
+<p>Geen menschelijke invloeden worden ooit zuiver en <span class="corr" title="Bron: overmengd">onvermengd</span> aangetroffen. Het gevoel van persoonlijke trouw was bij de classieke volken niet onbekend. Het gevoel van burgerzin en vaderlandsliefde
+schoot, hoewel het bij Teutoonsche rassen slechts langzaam opgroeide, daar eindelijk wortel. Geen van beide eigenschappen,
+trouw en burgerzin, waren bij de Kelten onbekend, maar er was nog een andere factor, die in hun geval bij hen die eigenschappen
+overschaduwde en in den groei belemmerde, en voor de politieke bezieling en de macht tot vestiging van een eenheid zooveel
+mogelijk bouwstoffen leverde, die de classieke volken aan hun vaderlandsliefde en de Teutonen aan hun trouw ontleenden. Die
+factor was de godsdienst; of misschien zou het juister en nauwkeuriger zijn te spreken van Priesterdienst&#8212;dat is godsdienst,
+in dogma&#8217;s vastgelegd en door een priesterkaste toegediend. Zooals wij <a id="d0e1678"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1678">30</a>]</span>bij Caesar hebben gezien, wiens opmerkingen volkomen zijn bevestigd door Strabo en door hetgeen in Iersche legenden wordt
+gevonden<a id="d0e1680src" href="#d0e1680" class="noteref">24</a>, waren de Dru&iuml;den de werkelijk souvereine macht in het gebied der Kelten. Alle zaken, openbare zoowel als private, waren
+aan hun gezag onderworpen, en de straffen die zij konden opleggen, zoo dikwijls een leek zich van hen onafhankelijk trachtte
+te maken, waren, al berustten zij, wat haar practische beteekenis en uitwerking betrof, evenals in de middeleeuwen de door
+de Katholieke kerk opgelegde banvloeken, alleen op het bijgeloof der menigte, voldoende, om den meest trotschen geest te buigen.
+Hier lag de ware zwakheid der Keltische politiek. Er is misschien geen wet, die duidelijker is geschreven in de lessen der
+geschiedenis, dan dat volken, die geregeerd worden door priesters, welke hun gezag ontleenen aan de goedkeuring van een bovennatuurlijken
+wil, daardoor ongeschikt worden voor waren nationalen vooruitgang, en wel des te meer, naarmate zij meer onder dien invloed
+staan. De ongedwongen, gezonde strooming van het wereldlijke leven en de wereldlijke gedachte, is uit den aard der zaak onvereenigbaar
+met priesterheerschappij. Wat ook de beleden godsdienst moge zijn, zooals Dru&iuml;dendom, Islamisme, Jodendom, Christendom of
+Fetichisme, een priesterkaste, die gezag eischt in wereldsche zaken op grond van bovenaardsche bevelen, is onvermijdelijk
+de vijand van dien geest van criticisme, van dien invloed van nieuwe denkbeelden, van die toeneming van wereldlijke gedachten,
+van menschelijk en verstandelijk gezag, die de grondvoorwaarden zijn van nationale ontwikkeling.
+
+<a id="d0e1697"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1697">31</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De vervloeking van Tara.</h3>
+<p>Een bijzondere en zeer treffende bevestiging van die waarheid wordt geleverd door de geschiedenis der oude Keltische wereld.
+In de zesde eeuw na Christus, ruim honderd jaar na de prediking van het Christendom door St. Patrick, regeerde een koning,
+Dermot MacKerval<a id="d0e1703src" href="#d0e1703" class="noteref">25</a> in Ierland. Hij was de Ard Righ, of Opperkoning van dat land, waarvan het bestuur gevestigd was te Tara, in Meath, en wiens
+ambt met zijn overmacht in naam en volgens de wet over de vijf provinciale koningen, een beeld gaf van den aandrang, die het
+Iersche volk dreef naar een ware nationale eenheid. De eerste voorwaarde voor zulk een eenheid was blijkbaar de vestiging
+van een krachtig centraal gezag. Een dergelijk gezag werd, zooals wij zeiden, in theorie door den opperkoning vertegenwoordigd.
+Het geschiedde nu, dat &eacute;&eacute;n van zijn beambten bij het uitoefenen van zijn plicht vermoord werd door een aanvoerder, Hugh Guairy
+genaamd. Guairy was de broeder van een bisschop, die een zoogbroeder was van St. Ruadan van Lorrha, en toen koning Dermot
+het bevel zond den moordenaar gevangen te nemen, werd hij door de geestelijkheid verborgen gehouden. Dermot liet echter naar
+hem zoeken, rukte hem weg van onder het dak van St. Ruadan en liet hem naar Tara brengen, om daar terecht te staan. Onmiddellijk
+maakten de geestelijken van Ierland gemeene zaak tegen den leekenkoning, die het gewaagd had een misdadiger, die onder de
+bescherming der geestelijkheid stond, te doen terecht staan. Zij kwamen te Tara samen, vastten tegenover den koning<a id="d0e1706src" href="#d0e1706" class="noteref">26</a>, en vervloekten hem en den zetel van zijn bestuur plechtig. Daarop vertelt ons de kroniekschrijver, dat de vrouw van Dermot
+een profetischen droom had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Op de grasvlakte van Tara was een groote, breed gebladerde <a id="d0e1711"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1711">32</a>]</span>boom, waaraan elf slaven aan het hakken waren; maar iedere spaander, dien zij er van afhakten, keerde weder op zijn plaats
+terug en bleef daar vast op zitten, totdat er ten slotte &eacute;&eacute;n man kwam, die den boom slechts &eacute;&eacute;n slag toebracht, en dien daarbij
+velde<a id="d0e1713src" href="#d0e1713" class="noteref">27</a>.<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>
+
+</p>
+<p>De schoone boom was de Iersche monarchie, de twaalf houthakkers waren de twaalf Heiligen of Apostels van Ierland, en de eenige,
+die hem velde, was St. Ruadan. Het pleidooi van den koning voor zijn land, waarvan hij zag, dat het lot in de weegschaal stond,
+wordt met aandoenlijke kracht en met een helder inzicht door den Ierschen kroniekschrijver geboekstaafd<a id="d0e1721src" href="#d0e1721" class="noteref">28</a>.
+
+</p>
+<p>&#8220;Helaas,&#8221; zeide hij, &#8220;wat een onbillijken strijd hebt gij tegen mij aangevangen; het is toch zeker, dat ik het welzijn van
+Ierland op het oog heb, en dat het mijn doel is de tucht daar te handhaven en de koninklijke rechten, terwijl gij streeft
+naar de verwarring van Ierland en naar moord en doodslag.&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar Ruadan zeide: &#8220;Moge Tara voor eeuwig verlaten zijn;&#8221; en het ontzag voor de priesterlijke vervloeking had de overhand.
+De misdadiger werd overgeleverd, Tara werd verlaten, en met uitzondering van een korten tijd, toen een krachtige overweldiger,
+Brian Boru, door geweld de macht in handen kreeg, kende Ierland in werkelijkheid geen wereldlijk bestuur, totdat die het land
+werd opgelegd door een veroveraar. De laatste woorden der geschiedkundige verhandeling waaruit wij aanhalen, zijn de wanhoopskreten
+van Dermot, waaraan wij ontleenen:
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e1729" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p032.jpg" alt="&#8220;Moge Tara voor eeuwig verlaten zijn&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Moge Tara voor eeuwig verlaten zijn&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Wee hem, die met de geestelijkheid der kerken den strijd aanbindt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Wij hebben die gebeurtenis eenigszins uitvoerig beschreven, omdat zij een factor typeert, waarvan wij den grooten invloed
+op de geschiedenis der Keltische volken kunnen volgen gedurende <a id="d0e1737"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1737">33</a>]</span>een reeks van hachelijke gebeurtenissen van den tijd van Julius Caesar tot op onzen tijd. Wij zullen later zien, hoe en waaruit
+die zich ontwikkelde; genoeg zij het daarop de aandacht te vestigen. Het is een factor, die de nationale ontwikkeling der
+Kelten in den weg stond, in de beteekenis, die wij daaraan hechten bij de classieke of Teutoonsche volkeren.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Wat Europa aan de Kelten te danken heeft.</h3>
+<p>Het zou echter een groote dwaling zijn, als wij op dien grond meenden, dat de Kelten niet een kracht van groote beteekenis
+in Europa waren geweest. Zij hebben in belangrijke mate bijgedragen tot de cultuur van de westelijke wereld. Gedurende vier
+eeuwen&#8212;omstreeks 500 tot 900 n.C.&#8212;was Ierland het toevluchtsoord der wetenschap en de bron van letterkundige en philosofische
+cultuur voor half Europa. De bouw der verzen in de Keltische po&euml;zie heeft waarschijnlijk de grootste rol gespeeld bij het
+bepalen van den bouw van alle moderne verzen. De mythen en legenden der <span class="corr" title="Bron: Galische">Gallische</span> en Cymrische volken wekten de verbeelding op van een aantal dichters van het Vasteland. Trouwens de Kelten schiepen niet
+zelf eenig litterarisch werk van duurzamen bouw, evenmin als zij een duurzamen of indrukwekkenden nationalen staatsvorm schiepen.
+Hun denken en hun voelen was in wezen lyrisch en volstrekt niet abstract. Ieder voorwerp of levensbeeld maakte een levendigen
+indruk op hen en bewoog hen diep; zij waren uiterst gevoelig, en in hooge mate voor indrukken vatbaar, maar zagen de dingen
+niet in hun breedere en meer ver reikende betrekkingen. Zij hadden weinig geschiktheid voor het organiseeren van instellingen,
+voor het dienen van beginselen; maar zij waren, en dat zijn zij nog ten huidigen dage, onmisbare en nooit in den steek latende
+verdedigers der menschelijkheid tegenover de tyrannie van beginselen, de koelheid en de onvruchtbaarheid van instellingen.
+De instellingen van het koningschap, van burgerzin en vaderlandsliefde, zijn zeer vatbaar om tot onvruchtbare beginselen te
+worden versteend, en dan de ziel in boeien te leggen in plaats van die te bezielen. <a id="d0e1747"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1747">34</a>]</span>Maar de Kelten hadden zich steeds krachtig verzet tegen alles, wat niet den adem des levens in zich had, en tegen elken niet
+in den geest gegrondvesten en slechts zuiver uitwendigen vorm van overheersching.
+
+</p>
+<p>Het is maar al te waar, dat zij te zeer er naar streefden, de schoone vruchten van het leven te genieten, zonder de lange
+en geduldige voorbereiding voor den oogst, maar zij hebben een onmetelijken dienst bewezen en zullen dit ook doen aan de moderne
+wereld, door met kracht het beginsel op den voorgrond te stellen, dat de ware vruchten van het leven een onstoffelijke werkelijkheid
+zijn, die nooit zonder smart of verlies verduisterd of vergeten kan worden te midden van het groote samenstel eener stoffelijke
+beschaving.
+
+
+
+<a id="d0e1751"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1751">35</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e850" href="#d0e850src" class="noteref">1</a></span> Hij maakt gewag van &#8220;Nyrax, een Keltische stad&#8221; en van <span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>Massalia (Marseille<span class="corr" title="Bron: ">)</span>, een stad van Liguria in het land der Kelten&#8221; (&#8220;Fragmenta Hist. Graec.&#8221;)
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e878" href="#d0e878src" class="noteref">2</a></span> In zijn &#8220;Premiers Habitants de l&#8217;Europe,&#8221; deel II.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e886" href="#d0e886src" class="noteref">3</a></span> &#8220;Caesars Verovering van Galli&euml;&#8221;, blz. 251&#8211;327.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e891" href="#d0e891src" class="noteref">4</a></span> De ouden waren geen nauwkeurige waarnemers van physieke karaktertrekken. Zij beschrijven de Kelten in bijna dezelfde bewoordingen,
+die zij voor de Germaansche rassen gebruiken. Rice Holmes is van meening, dat het eenige verschil uit een physiek oogpunt
+in het feit gelegen was, dat de lichte haarkleur der Germanen blond, doch die der Kelten rood was. In een belangrijk gedeelte
+van het reeds aangehaalde boek (blz. 315) maakt hij de volgende opmerking: &#8220;Al houden wij ook zooveel mogelijk rekening met
+het feit, dat ander bloed er mede vermengd is, waardoor het type der oorsponkelijke Keltische of Gallische overweldigers van
+dit eiland aanzienlijk is gewijzigd, worden wij toch getroffen door het feit, dat er onder alle Keltisch sprekende landgenooten
+een aantal exemplaren gevonden worden van een type, dat ook bestaat in die gedeelten van Brittanni&euml;, die gekoloniseerd werden
+door Britsche indringers, en in die gedeelten van Galli&euml; waarin de Gallische indringers zich in grooten getale schijnen te
+hebben neergezet, zoowel als in Noord-Itali&euml;, waar eertijds de Keltische indringers de overhand hadden; en evenzoo treft ons
+het feit, dat dit type, <i>zelfs onder zijn meer blonde vertegenwoordigers, zoowel voor den oppervlakkigen als voor den wetenschappelijken waarnemer
+duidelijk verschilt van dat der zuiverste vertegenwoordigers der oude Germanen</i>. De welbekende schilderij van Sir David Wilkie, &#8220;Het lezen der Waterloo Courant&#8221;, doet, zooals Daniel Wilson opmerkte, het
+verschil tusschen beide typen duidelijk uitkomen. Zet een Hooglander uit Perthshire naast een uit Sussex. Beiden hebben licht
+haar, maar het roode haar en de roode baard van den Schot zal duidelijk afwijken van het lichte haar van den Engelschman,
+en hun gelaatstrekken zullen nog sterker verschillen. Ik herinner mij eens in den trein tusschen Inverness en Lairey gezeten
+te hebben met twee boschwachters. Zij waren beiden lang, forsch gebouwd en blond, en behoorden blijkbaar tot het Scandinavische
+type, dat zooals Dr. Beddoe zegt, in het hooge noorden van Schotland zoo veelvuldig wordt aangetroffen, maar zoowel in de
+kleur van hun haar als in hun uiterlijk in het algemeen verschilden zij volkomen van de lange, lichtharige Hooglanders, die
+ik in Perthshire had ontmoet. Er was geen spoor van rood in hun haar, en hun lange baarden waren absoluut geel. Het overwicht
+van rood onder de Keltisch sprekende bevolking is naar mijn meening een treffend kenmerk. Niet alleen dat wij op iedere honderd
+man elf vinden, wier haar absoluut rood is, maar op den ondergrond der zwart- en donkerbruin gekleurden kan dezelfde tint
+worden ontdekt.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e899" href="#d0e899src" class="noteref">5</a></span> Men zie de kaart ter vergelijking der kleur van de haren en de gelaatskleur in Ripley &#8220;Rassen van Europa<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>, blz. 318. In Frankrijk echter zijn de bewoners van Bretagne geen donker ras in vergelijking met het overige deel der bevolking.
+Zij bestaan gedeeltelijk uit de oude Gallische volken en gedeeltelijk uit kolonisten uit Wales, die bij den Saksischen inval
+waren verjaagd.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e929" href="#d0e929src" class="noteref">6</a></span> Zie, wat die namen<span class="corr" title="Bron: ,"></span> betreft, Holder &#8220;Altceltischer Sprachsatz&#8221;.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e937" href="#d0e937src" class="noteref">7</a></span> Het is niet onmogelijk, dat Vergilius beteekent de &#8220;zeer schitterende&#8221; of uitstekende; een natuurlijke vorm voor een eigennaam
+<i>Ver</i> is dikwijls in Gallische namen (Vercingetorix, Vercassivellasimus, enz.) een versterkend voorvoegsel, zooals het moderne
+Iersche <i>fior</i>. De naam van het dorp, waar Vergilius geboren was, Andes (thans Pietola), is Keltisch. Zijn liefde voor de natuur, zijn mysticisme
+en zijn krachtig gevoel voor zekere decoratieve eigenschappen in taal en rhythmus, zijn sterk op den voorgrond tredende Keltische
+eigenschappen. De uitdrukkingen, die Tennyson over hem bezigt, &#8220;liefhebber van landschappen, beheerscher der taal,&#8221; zijn in
+dit opzicht kenschetsend.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e976" href="#d0e976src" class="noteref">8</a></span> Ptolemaeus, een vriend en waarschijnlijk zelfs een halfbroeder van Alexander, was zonder twijfel er bij tegenwoordig, toen
+dit voorval plaats had. Zijn werk is niet meer overgebleven, maar wordt aangehaald door Arrianus en andere geschiedschrijvers.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e979" href="#d0e979src" class="noteref">9</a></span> Het doet ons denken aan het volksverhaal omtrent Henny Penny, die den koning ging vertellen, dat de hemel neerviel.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e984" href="#d0e984src" class="noteref">10</a></span> Het Boek van Leinster is een manuscript uit de twaalfde eeuw. De lezing der &#8220;T&aacute;in&#8221;, daarin gegeven, dateert waarschijnlijk
+uit de achtste eeuw. Zie de Jubainville, &#8220;Premiers Habitants,&#8221; II 316.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e987" href="#d0e987src" class="noteref">11</a></span> Dr. Douglas Hyde geeft in zijn &#8220;Letterkundige Geschiedenis van Ierland&#8221; (blz. 7), een eenigszins afwijkende vertaling.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e990" href="#d0e990src" class="noteref">12</a></span> Het is eveneens een bewijs van de groote nauwkeurigheid van het verhaal van Ptolemaeus.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1008" href="#d0e1008src" class="noteref">13</a></span> De Romeinsche geschiedenis maakt melding van verscheidene botsingen met de Kelten gedurende die periode, maar de Jubainville
+heeft aangetoond, dat die verhalen bijna alle zeker mythen zijn. Zie &#8220;Premiers Habitants,&#8221; II 318&#8211;323.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1032" href="#d0e1032src" class="noteref">14</a></span> <span class="abbr" title="Bijvoorbeeld"><abbr title="Bijvoorbeeld">B.v.</abbr></span> Moymell (<i>magh-meala</i>) de Vlakte van Honig, een Gallische naam voor Tooverland, en een aantal plaatsnamen.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1135" href="#d0e1135src" class="noteref">15</a></span> Voor deze en een aantal andere voorbeelden zie de Jubainville &#8220;Premiers Habitants&#8221; II, blz. 255 env.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1160" href="#d0e1160src" class="noteref">16</a></span> Aangehaald door Romilly Allen in &#8220;Keltische Kunst&#8221; blz. 136.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1355" href="#d0e1355src" class="noteref">17</a></span> &#8220;Premiers Habitants&#8221;, II 355, 356.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1375" href="#d0e1375src" class="noteref">18</a></span> Het Iersch is waarschijnlijk een oudere vorm der Keltische taal dan de volkstaal van Wales. Dit blijkt uit een aantal taalkundige
+bijzonderheden der Iersche taal, waarvan wij hier &eacute;&eacute;n der merkwaardigste in het kort zullen vermelden. De Goidelische of Galische
+Kelten, die volgens de gewone theorie het eerst de Britsche eilanden koloniseerden, en die door opvolgende golven van inval
+door hun stamgenooten van het vasteland naar het uiterste westen werden gedreven, hadden een bijzonderen tegenzin tegen het
+uitspreken der letter <i>p</i>. Zoo wordt het Indo-Europeesche voorzetsel <i>pare</i>, dat in het Grieksch door <span class="Greek">&#960;&#945;&#961;&#8049;</span>, naast of in de onmiddellijke nabijheid, wordt voorgesteld, in het oud Keltisch <i>are</i>, zooals in den naam <i>Are morici</i> (de Armorikers, zij die <i>ar muir</i>, aan de zee wonen<span class="corr" title="Bron: ">)</span>; <i>Are-dunum</i> (Ardin in Frankrijk); <i>Are-cluta</i>, de plaats bij de Clota (Clyde), het tegenwoordige Dumbarton; <i>Are-taunon</i> in Duitschland (bij het Taunus gebergte), enz. Als de <i>p</i> niet eenvoudig werd weggelaten, veranderde zij gewoonlijk in een <i>c</i> (<i>k</i>, <i>g</i>). Maar omstreeks de zesde eeuw v.C. had er in de taal der Kelten van het vaste land een merkwaardige verandering plaats.
+Op een onverklaarbare wijze kregen zij het vermogen de <i>p</i> uit te spreken, en zelfs zetten zij die in de plaats van de bestaande <i>c</i> klanken; zoo werd het oorspronkelijke <i>Cretanis</i>: <i>Pretanis</i>, Brittanni&euml;, het getal <i>qetuares</i> (vier) werd <i>petuares</i>, enz. Keltische plaatsnamen in Spanje toonen aan, dat die verandering moet hebben plaats gehad v&oacute;&oacute;rdat de Kelten dat land
+hebben veroverd, 500 v.C. Nu toont een vergelijking van een aantal Iersche woorden en die uit de volkstaal van Wales duidelijk
+aan, dat de Ieren die <i>p</i> vermijden terwijl de bewoners van Wales er volstrekt geen bezwaar tegen hebben. Hier volgen enkele voorbeelden:
+
+
+</p>
+<p class="footnote"></p>
+<table width="100%">
+<tr valign="top">
+<td valign="top">Iersch </td>
+<td valign="top">Wales </td>
+<td valign="top"><span class="corr" title="Bron: Engelsch">Nederlands</span>
+
+</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">crann </td>
+<td valign="top">prenn </td>
+<td valign="top">boom
+
+</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">mac </td>
+<td valign="top">map </td>
+<td valign="top">zoon
+
+</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">cenn </td>
+<td valign="top">pen </td>
+<td valign="top">hoofd
+
+</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">clumh (cluv) </td>
+<td valign="top">pluv </td>
+<td valign="top">veer
+
+</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">c&uacute;ig </td>
+<td valign="top">pimp </td>
+<td valign="top">vijf</td>
+</tr>
+</table><p>
+
+
+</p>
+<p class="footnote">De gevolgtrekking schijnt voor de hand te liggen, dat het Iersch den ouderen vorm der taal moet voorstellen. Merkwaardig is
+het, dat zelfs tot een betrekkelijk laat tijdstip de Ieren hun tegenzin tegen de <i>p</i> bewaard hebben. Zoo veranderden zij het Latijnsche <i>Pascha</i> (Paschen) in <i>Casg</i>; <a id="d0e1499"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1499">20n</a>]</span><i>purpur</i>, in <i>curcair</i>, <i>pulsatio</i> (door het Fransche <i>pouls</i>) in <i>cuisle</i>. Wij moeten echter opmerken, dat Nicholson in zijn &#8220;Keltische onderzoekingen&#8221; tracht aan te toonen, dat de zoogenaamde Indo-Europeesche
+<i>p</i>&#8212;dat is de <i>p</i> die alleen staat en niet met een anderen medeklinker is verbonden&#8212;in een vroege periode door de Goidelische Kelten werd uitgesproken.
+Men kan niet zeggen, dat het onderwerp reeds volkomen is opgehelderd.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1547" href="#d0e1547src" class="noteref">19</a></span> &#8220;De Ieren,&#8221; zoo zegt Edmund Spenser, in zijn &#8220;Overzicht van den tegenwoordigen toestand van Ierland<span class="corr" title="Bron: ">,</span>&#8221; &#8220;plegen gewoonlijk boodschappers heen en weer te zenden om nieuws te hooren, en als iemand een ander ontmoet, zegt hij bijna
+onmiddellijk, wat voor nieuws is er?&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1555" href="#d0e1555src" class="noteref">20</a></span> Zie hieromtrent Spenser: &#8220;Ik heb groote krijgslieden hooren vertellen, dat zij in alle veldtochten die zij in vreemde landen
+hadden medegemaakt, nooit bevalliger ruiters gezien hebben dan de Ieren, noch iemand die dapperder is in den aanval. Zij zijn
+zeer dapper en forsch. Zij verdragen meestal uitstekend koude, inspanning, honger en alle ontberingen, zij zijn krachtig van
+hand, vlug van voet, zeer oplettend en voorzichtig in hun ondernemingen, zij hebben groote tegenwoordigheid van geest, en
+hebben een groote doodsverachting.<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span></p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1585" href="#d0e1585src" class="noteref">21</a></span> Het verhaal van de overgave van Vercingetorix wordt door Caesar niet gedaan, en berust uitsluitend op het gezag van Plutarchus
+en den geschiedschrijver Florus, maar wordt door de geleerden (Mommsen, Long, enz.) als authentiek beschouwd.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1598" href="#d0e1598src" class="noteref">22</a></span> Dit was een stam die zijn naam ontleende aan den <i>gaesum</i>, een soort Keltische werpspies, wat hun voornaamste wapen was. De gedraaide gouden halsketen (<i>torques</i>) komt als typisch versiersel voor bij het bekende standbeeld van den stervenden Galli&euml;r, gewoonlijk genoemd &#8220;De Stervende
+Gladiator&#8221;. Een aantal modellen zijn voorhanden in het nationale museum te Dublin.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1635" href="#d0e1635src" class="noteref">23</a></span> &#8220;Caesars Verovering van Galli&euml;, blz. 10, 11. Wij voegen hieraan toe, dat de aristocratische Kelten evenals de Teutonen dolichocephalen
+waren&#8212;<span class="abbr" title="dat wil zeggen"><abbr title="dat wil zeggen">d.w.z.</abbr></span> hun hoofden waren lang in vergelijking met de breedte. Dit is bewezen uit overblijfselen gevonden in het bekken van de Marne,
+dat sterk door hen bevolkt was. In &eacute;&eacute;n geval werd het skelet van den langen Gallischen soldaat gevonden met zijn strijdwagen,
+zijn ijzeren helm en <a id="d0e1640"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1640">27n</a>]</span>zwaard, die thans zijn in het Museum van St. Germain. De bewoners der Britsche eilanden zijn over het algemeen dolichocephaal,
+immers het &#8220;Alpentype&#8221;, met rond hoofd komt daar slechts zelden voor. De bewoners van het tegenwoordige Frankrijk zijn eveneens
+rondhoofdig. Thans weten wij echter, dat de vorm van het hoofd volstrekt geen constant rassenkenmerk is. Deze verandert snel
+in een nieuwe omgeving zooals blijkt uit metingen van de afstammelingen van hen, die naar Amerika zijn verhuisd. Men zie een
+artikel hierover van Professor Haddon in &#8220;Nature,&#8221; 3 <span class="abbr" title="November"><abbr title="November">Nov.</abbr></span> 1910.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1680" href="#d0e1680src" class="noteref">24</a></span> In de &#8220;Tain Bo Cuailgne&#8221;, onder andere, mag de Koning van Ulster niet met een boodschapper spreken totdat de Dru&iuml;de Cathbad
+hem heeft ondervraagd. Men haalt zich hier de regels voor den geest van Sir Samuel Ferguson in zijn Iersch epos &#8220;Congal&#8221;:
+
+</p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Want steeds nog, sinds de tijden
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Dat Cathbad Usnachs zoons een wreeden dood deed lijden,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Door hen in vuile modderzee te smoren,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Die door een gruwlijk tooverwoord werd opbezworen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Aan Creeveroe&#8217;s bloedge poort, verbeiden
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Verderf en smaad den vorst, die zich door priesterwoord laat leiden.</span></p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1703" href="#d0e1703src" class="noteref">25</a></span> In het Keltisch, Diarmuid mac Cearbhaill.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1706" href="#d0e1706src" class="noteref">26</a></span> Het was de gewoonte, evenals in Indi&euml;, dat iemand, die door een meerdere verongelijkt was, of zich dit verbeeldde, ging zitten
+voor den drempel van hem, die geweigerd had hem recht te doen, en dat hij vastte totdat hem recht was gedaan. In Ierland werd
+een tooverkracht toegeschreven aan die plechtige handeling; de gevolgen daarvan konden worden afgewend, als ook de andere
+partij vastte.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1713" href="#d0e1713src" class="noteref">27</a></span> &#8220;Silva Gadelica&#8221;, door S.&nbsp;H. O&#8217;Grady, blz. 73.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1721" href="#d0e1721src" class="noteref">28</a></span> De bron, waaraan dit ontleend is, is een verhaal, dat gevonden wordt op een perkamenten handschrift uit de vijftiende eeuw,
+dat in het jaar 1814 in Lismore Castle is ontdekt, en dat door S.&nbsp;H. O&#8217;Grady in zijn &#8220;Silva Gadelica&#8221; is vertaald. Het verhaal
+wordt toegeschreven aan een beambte aan het hof van Dermot.
+</p>
+</div>
+<p class="div1"><a id="d0e1752"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e166">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk II: De Godsdienst der Kelten.</h2>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Ierland en de godsdienst der Kelten.</h3>
+<p>Wij hebben gezegd, dat onder de Keltische volken de Ieren in de voornaamste plaats hierdoor belangrijk zijn, dat zij een aantal
+kenmerkende trekken van een inheemsche Keltische beschaving gebracht hebben in het licht van het moderne geschiedkundige onderzoek.
+Er is echter &eacute;&eacute;n ding, dat zij niet brachten over de golf, die ons van de oude wereld scheidt, en dat is hun godsdienst.
+
+</p>
+<p>Niet alleen dat zij dien geheel wijzigden; zij lieten dien ouden godsdienst z&oacute;&oacute; volkomen achter zich, dat elke overlevering
+daaromtrent verloren is gegaan. St. Patrick, zelf een Kelt, die Ierland tijdens de vijfde eeuw onder den invloed van het Christendom
+heeft gebracht, heeft ons een autobiografisch verhaal van zijn zending nagelaten, een geschrift van ontzaglijk veel belang
+en het oudste verhaal, dat omtrent het Christendom van Brittanni&euml; is overgebleven; doch dit vertelt ons niets omtrent de leerstellingen,
+die hij uitroeide en verving. Wij vernemen veel meer omtrent de godsdienstige opvattingen der Kelten door middel van Julius
+Caesar, die hen van een geheel ander standpunt naderde. De groote hoeveelheid litteratuur, waarin legenden behandeld worden
+en die haar tegenwoordigen vorm in Ierland innam tusschen de zevende en de twaalfde eeuw, vertoont ons, hoewel zij dikwijls
+blijkbaar teruggaat tot bronnen, die van v&oacute;&oacute;r het Christendom dagteekenen, behalve een sterk geloof in toovenarij en een gehechtheid
+aan het volgen van bepaalde ceremonieele en ridderlijke gebruiken, practisch niets dat gelijkt op een godsdienstig of zelfs
+ethisch stelsel. Wij weten, dat een aantal hoofden en barden gedurende langen tijd weerstand boden aan het nieuwe geloof,
+en dat dit lange verzet aanleiding gaf tot een beslissing bij den slag bij Moyrath in de zesde eeuw, maar geen echo van eenigen
+geestesstrijd, geen vergelijken van de &eacute;&eacute;ne leer met de andere, zooals wij bij voorbeeld vinden in de mededeelingen omtrent
+den strijd van Celsus tegen Origenes, heeft ons uit die periode van verandering <a id="d0e1762"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1762">36</a>]</span>en strijd bereikt. De litteratuur van het oude Ierland bevatte, zooals wij zullen zien, een aantal oude mythen, en daarin
+komen sporen voor den dag van wezens, die op een bepaald oogenblik goden of natuurlijke krachten moeten geweest zijn, maar
+alles is beroofd van godsdienstige beteekenis, en veranderd in verdichting en uitingen van schoonheid. En toch was er, zooals
+Caesar ons mededeelt, een zeer goed ontwikkeld godsdienstig stelsel onder de Galli&euml;rs, maar wij leeren ook op zijn autoriteit,
+dat de Britsche eilanden het vertegenwoordigende middelpunt van dit stelsel waren; zij waren, om het zoo uit te drukken, het
+Rome van den Keltischen godsdienst.
+
+</p>
+<p>Wat de aard en het wezen van dien godsdienst was, moeten wij thans nagaan als een inleiding tot de mythen en legenden, die
+in meer of minder verwijderden zin daaruit zijn ontstaan.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De volksgodsdienst der Kelten.</h3>
+<p>Maar wij moeten allereerst er de aandacht op vestigen, dat de godsdienst der Kelten volstrekt niet zulk een eenvoudige zaak
+was, en niet wat kort kan worden samengevat tot wat wij &#8220;Dru&iuml;disme&#8221; noemen. Behalve de offici&euml;ele godsdienst was er een geheel
+van populaire vormen en bijgeloovige gebruiken, die uit een diepere en oudere bron afkomstig waren dan het Dru&iuml;disme, en die
+bestemd waren dit langen tijd te overleven, ja zelfs nog thans zijn zij nog lang niet uitgestorven.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het megalithische volk.</h3>
+<p>De godsdiensten van primitieve volken zetelen meestal in of ontleenen hun oorsprong aan plechtigheden en gebruiken, die in
+verband staan met het begraven van dooden. De oudste volken, die Keltisch grondgebied bewonen, in het westen van Europa, waarvan
+wij eenige vaststaande kennis bezitten, zijn een ras zonder naam of bekende geschiedenis, maar toch kunnen wij uit hun grafmonumenten,
+waarvan er nog zooveel bestaan, heel wat omtrent hen te weten komen. Het waren de zoogenaamde megalithische volken<a id="d0e1776src" href="#d0e1776" class="noteref">1</a>, de oprichters van dolmens, cromlechs en in kamers verdeelde tumuli, waarvan er in <a id="d0e1785"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1785">37</a>]</span>Frankrijk alleen meer dan drieduizend zijn geteld. Dolmens worden gevonden van Scandinavi&euml; tot naar het zuiden, in de westelijke
+landen van Europa tot aan de Straat van Gibraltar en Spanje, en langs de kust der Middellandsche Zee. Zij komen voor op sommige
+der westelijke eilanden der Middellandsche Zee en worden ook in Griekenland gevonden, waar zelfs nu nog, in Mycene een oude
+dolmen staat, naast de prachtige grafkamer der Atriden. Men mag in ruwe trekken zeggen, dat, als wij een lijn trekken van
+de monding van de Rh&ocirc;ne naar het noorden tot aan den Varanger Fjord, alle dolmens in Europa, met uitzondering van enkele exemplaren
+in de Middellandsche Zee, ten westen van die lijn gelegen zijn. Ten oosten van die lijn vinden wij er geen, totdat wij in
+Azi&euml; komen. Maar zij worden weer gevonden aan de overzijde van de Straat van Gibraltar, en wel langs de geheele kust van Noord-Afrika,
+en van daar in oostelijke richting door Arabi&euml; en Indi&euml;, tot zelfs in Japan.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Dolmens, cromlechs en tumuli.</h3>
+<p>Een Dolmen is een soort van kamer, bestaande uit recht opstaande ongehouwen steenen, die meestal gedekt zijn door &eacute;&eacute;n enkelen
+grooten steen. Gewoonlijk hebben zij in ontwerp den vorm van een wig, en dikwijls kunnen sporen van een voorhof of vestibule
+worden waargenomen. De oorspronkelijke bedoeling van den dolmen was, een huis of woonplaats voor den doode voor te stellen.
+Een cromlech (in het gewone spraakgebruik dikwijls met een dolmen verward) is eigenlijk een in een cirkelvormigen kring geplaatste
+verzameling van rechtop staande steenen, meestal met een dolmen in het midden. Men is van meening, dat de meeste, zoo niet
+al de nu blootgestelde dolmens oorspronkelijk gedekt waren met een groote aardhoogte of met kleinere steenen. Dikwijls, zooals
+in de hier gegeven teekening, zijn groote lanen of wegen gevormd van rechtop geplaatste, op zich zelf staande steenen, en
+deze hadden ongetwijfeld de &eacute;&eacute;n of andere bedoeling, die in verband stond met de godsdienstige gebruiken, welke op <a id="d0e1792"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1792">38</a>]</span>die plaats in zwang waren. De latere megalithische monumenten, zooals te Stonehenge, mogen al van gehouwen steen vervaardigd
+zijn, maar in ieder geval vertoonen de ruwheid van constructie, de afwezigheid van eenige beeldhouwkunst (met uitzondering
+van de teekeningen of symbolen die op de oppervlakte gehouwen zijn), de blijkbare bedoeling om een machtigen indruk te maken
+door de ruwe kracht van ontzaglijke monolithische massa&#8217;s, en niet minder geven enkele bepaalde bijkomende kenmerkende eigenschappen
+in hun plan, die later zullen beschreven worden, aan deze megalithische monumenten een merkwaardige familiegelijkenis, en
+onderscheiden hen van de in kamers verdeelde graftomben der oude Grieken, Egyptenaren en andere meer gevorderde rassen. De
+eigenlijke dolmens maakten ten slotte plaats voor groote in kamers verdeelde aardhoogten of tumuli, zooals te New Grange,
+die wij ook rekenen als te behooren aan het megalithische volk. Zij zijn een natuurlijke ontwikkeling van den dolmen. De oudste
+dolmenbouwers waren op den neolithischen trap van beschaving, hun wapens waren van gepolijsten steen. Maar in de tumuli werd
+niet alleen steen, maar ook brons, en zelfs ijzer gevonden&#8212;in het begin, zooals duidelijk blijkt, van buiten ingevoerd, maar
+later in dat gebied vervaardigd.
+
+
+</p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/f038.jpg" alt="Dolmen te Proleek, Ierland."></p>
+<p class="figureHead">Dolmen te Proleek, Ierland.</p>
+<p>(Naar <i>Borlase</i>).
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Oorsprong van de megalithische bevolking.</h3>
+<p>Omtrent de taal, die oorspronkelijk door dat volk werd gesproken, kunnen wij alleen iets afleiden uit de sporen, die daarvan
+zijn overgebleven in die van hun veroveraars, de Kelten. Maar een kaart van de verspreiding hunner monumenten wekt onweerstaanbaar
+de gedachte op, dat de bouwmeesters van die monumenten van Noord-Afrikaanschen oorsprong waren; <a id="d0e1808"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1808">39</a>]</span>dat zij oorspronkelijk niet gewoon waren over groote uitgestrektheden de zee over te trekken; dat zij in westelijke richting
+trokken langs Noord-Afrika, dat zij naar Europa overstaken daar waar bij Gibraltar de Middellandsche Zee zich vernauwt tot
+een straat van slechts enkele mijlen breedte, en dat zij zich van daar uit verspreidden over de westelijke landen van Europa,
+met inbegrip der Britsche eilanden, terwijl zij in oostelijke richting door Arabi&euml; tot in Azi&euml; doordrongen. Wij moeten echter
+in het oog houden, dat, terwijl het megalithische volk oorspronkelijk zonder twijfel een afzonderlijk ras was, het ten slotte
+niet een ras, maar een bepaalde cultuur vertegenwoordigde. De menschelijke overblijfselen, die in die graven zijn gevonden,
+met hun groote verschillen in den vorm van den schedel, enz. zijn daarvan het duidelijke bewijs.<a id="d0e1810src" href="#d0e1810" class="noteref">2</a> Deze en andere overblijfselen wijzen er op, dat de dolmenbouwers in het algemeen een hoogstaand en goed ontwikkeld type waren,
+op de hoogte van landbouw, veeteelt en ook eenigszins van zeevaart. De monumenten zelf, die dikwijls indrukwekkende afmetingen
+hebben en het bewijs leveren van veel nadenkens en goed georganiseerde samenwerking bij hun bouw, wijzen ontwijfelbaar aan,
+dat in die periode een priesterdom bestond, dat belast was met de zorg voor begrafenisplechtigheden, en dat geschikt was groote
+menschenmassa&#8217;s te beheerschen. Hun dooden werden in den regel niet begraven, maar in hun geheel verbrand; de grootere monumenten
+wezen ongetwijfeld de graven aan van aanzienlijke personen, terwijl het gemeene volk begraven werd in graftomben, waarvan
+geen sporen meer bestaan.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e1814" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p038.jpg" alt="Praehistorische Tumulus te New Grange"></p>
+<p class="figureHead">Praehistorische Tumulus te New Grange</p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Kelten der vlakten.</h3>
+<p>De Jubainville houdt in zijn beschrijving van de oudste geschiedenis der Kelten alleen rekening met twee hoofdgroepen&#8212;de Kelten
+en de megalithische bevolking. Maar Bertrand maakt in zijn verdienstelijk werk &#8220;La Religion des Gaulois&#8221; onderscheid tusschen
+twee elementen onder de Kelten zelf. Behalve de megalithische bevolking zijn er nog twee groepen <a id="d0e1823"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1823">40</a>]</span>van Kelten, die van de vlakten en die van de bergen. De Kelten uit de vlakten waren volgens zijn opvatting afkomstig van den
+Donau en kwamen waarschijnlijk reeds omstreeks 1200 v.C. in Galli&euml;. Zij waren de stichters der paalwoningen in Zwitserland,
+in de vallei van den Donau en in Ierland. Zij kenden het gebruik van metalen en bewerkten goud, tin, brons, en tegen het einde
+van die periode ook ijzer. In afwijking van de megalithische bevolking, spraken zij een Keltische taal,<a id="d0e1825src" href="#d0e1825" class="noteref">3</a> hoewel het schijnt, dat Bertrand hun volkomen rasovereenkomst met de echte Kelten betwijfelt. Zij waren misschien langzamerhand
+Kelten geworden, in plaats van oorspronkelijk echte Kelten te zijn. Zij waren niet oorlogszuchtig; het was een rustig volk
+van veehoeders, landbouwers en ambachtslieden. Zij begroeven hun dooden niet, maar verbrandden ze. In een groote nederzetting
+van hen, te Golasecca, in Gallia Cisalpina, zijn 6000 graven gevonden. Bij al deze was het lijk verbrand; er was dan ook geen
+enkele begrafenis, waar het lijk niet vooraf verbrand was.
+
+</p>
+<p>Dat volk trok (zooals Bertrand beweert), niet als veroveraars Galli&euml; binnen, maar door zich geleidelijk daar te nestelen,
+en de leege plaatsen in te nemen, waar zij die in valleien en vlakten vonden. Zij kwamen over de Alpenpassen, en hun plaats
+van vertrek was het land van den Boven-Donau, dat zooals Herodotus zegt &#8220;onder de Kelten oprijst.&#8221; Zij vermengden zich vreedzaam
+met de megalithische bevolking, waaronder zij zich nederzetten, en brachten niet tot ontwikkeling eenige van die reeds in
+aanzien gekomen politieke instellingen, die alleen door den oorlog groeien, maar waarschijnlijk droegen zij krachtig bij tot
+de ontwikkeling van het Dru&iuml;dische stelsel van godsdienst en van de bardenpo&euml;zie.
+
+<a id="d0e1830"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1830">41</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Kelten uit de berglanden.</h3>
+<p>Wij hebben eindelijk nog een derde groep, en wel de echte Keltische groep, die het spoor van de tweede op den voet volgde.
+Het was in het begin der zesde eeuw, dat deze het eerst ten tooneele verscheen op den linkeroever van den Rijn. Terwijl Bertrand
+de tweede groep Keltisch noemt, noemt hij de laatste Galatisch, en vereenzelvigt hij die met de Galaten der Grieken en met
+de Galli&euml;rs en de Belgen der Romeinen.
+
+</p>
+<p>De tweede groep waren, zooals wij zeiden, Kelten uit de vlakten. De derde groep waren Kelten uit de bergstreken. De eerste
+woonplaats, die wij van hen kennen, waren de bergketenen van den Balkan en de Karpathen. Hun organisatie was die van een militaire
+aristocratie&#8212;zij speelden de baas over de onder hen staande bevolking, op wier kosten zij leefden door schatting of plundering.
+Zij zijn de oorlogszuchtige Kelten der oude geschiedenis&#8212;de plunderaars van Rome en van Delphi, de huurlingen, die voor soldij
+en uit lust voor den oorlog streden in de rijen der Carthagers en later der Romeinen. Zij hadden een minachting voor landbouw
+en industrie, hun vrouwen beploegden de akkers, en onder hun heerschappij werd de lagere bevolking bijna tot slavernij teruggebracht;
+&#8220;plebs paene servorum habetur loco,&#8221; zooals Caesar ons verhaalt. Alleen Ierland ontkwam eeniger mate aan de onderdrukking
+dier militaire aristocratie, en aan de scherpe scheidingslijn, die door deze tusschen de beide klassen werd getrokken, maar
+toch wordt zelfs daar een weerspiegeling gevonden van den toestand, zooals die in Galli&euml; bestond, zelfs daar vinden wij vrije
+en onvrije stammen, en onderdrukking en onteerende afpersingen van de zijde der heerschende klasse.
+
+</p>
+<p>En toch, al had die heerschende klasse enkele der ondeugden, die onbeteugelde kracht eigen zijn, zij had eveneens vele edele
+en humane eigenschappen. Zij waren ontzaglijk dapper, wonderlijk ridderlijk, uiterst gevoelig voor po&euml;zie en muziek, en hadden
+zin voor bespiegelende gedachten. Posidonius vond, dat het bardendom onder hen bloeide in de eerste eeuw v.C., en <a id="d0e1840"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1840">42</a>]</span>omstreeks twee honderd jaar vroeger beschrijft Hecataeus van Abdera de met zorg uitgevoerde, met muziek gepaarde godsdienstplechtigheden,
+door de Kelten op een eiland in het westen&#8212;waarschijnlijk Groot-Brittanni&euml;&#8212;gevierd ter eere van hun god Apollo<a id="d0e1842src" href="#d0e1842" class="noteref">4</a>. Als meest Arische der Ari&euml;rs, hadden zij de stof in zich voor een groote en vooruitstrevende natie; maar het Dru&iuml;dische
+stelsel&#8212;niet wat zijn wijsbegeerte en wetenschap betreft, maar wel zijn priesterlijk-politieke organisatie&#8212;was hun verderf,
+en hun noodlottige zwakheid was, dat zij zich daaraan onderwierpen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e1849" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p042.jpg" alt="Rijen Steenen, te Kermaris, Carnac"></p>
+<p class="figureHead">Rijen Steenen, te Kermaris, Carnac</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De beschaving dier Kelten uit de berglanden verschilde zeer kenmerkend van die der Kelten uit de vlakten. Zij waren uit het
+ijzeren, niet uit het bronzen tijdperk; hun dooden werden niet verbrand (wat zij als een schande beschouwden), maar begraven.
+
+</p>
+<p>De landstreken, door hen gewelddadig in bezit genomen, waren Zwitserland, Bourgondi&euml;, de Palts en noordelijk Frankrijk, gedeelten
+van Brittanni&euml; in het westen, en Galati&euml; en Illyri&euml; in het oosten, maar kleinere groepen van hen moeten wijd en zijd over
+het geheele Keltische grondgebied zijn binnengedrongen, en een overheerschend standpunt hebben ingenomen overal waar zij kwamen.
+
+</p>
+<p>Er waren, zooals Caesar zegt, drie volken, die Galli&euml; bewoonden, toen hij met zijn verovering begon: &#8220;zij verschillen onderling
+in taal, gebruiken en wetten&#8221;. Hij noemde die volken respectievelijk de Belgen, de Kelten en de Aquitani&euml;rs. Hij stelt in
+ruwe trekken hun woonplaats vast, die der Belgen in het noorden en oosten, die der Kelten in het midden, die der Aquitani&euml;rs
+in het westen en het zuiden. De Belgen zijn de Galaten van Bertrand, terwijl de Aquitani&euml;rs de megalithische bevolking uitmaken.
+Zij waren uit den aard der zaak allen meer of minder onder den invloed der Kelten gebracht, en de verschillen in taal, die
+Caesar opmerkte, behoeven niet groot geweest te zijn; toch is het de aandacht waard,&#8212;en dat is <a id="d0e1859"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1859">43</a>]</span>volkomen in overeenstemming met de opvattingen van Bertrand,&#8212;dat Strabo van de Aquitani&euml;rs mededeelt, dat zij duidelijk afweken
+van de overige bewoners, en overeenkomst hadden met de Iberi&euml;rs. De taal der overige Gallische volken, zoo voegt hij er uitdrukkelijk
+bij, was niets anders dan dialecten van dezelfde taal.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De godsdienst der toovenarij.</h3>
+<p>Die drievoudige verdeeling weerspiegelt zich min of meer in alle Keltische landen en moet steeds in het oog gehouden worden,
+zoo dikwijls wij spreken van Keltische denkbeelden en Keltischen godsdienst en trachten na te gaan, in hoeverre de Keltische
+volken tot de Europeesche beschaving hebben bijgedragen. De mythen- en legendenlitteratuur en de kunst der Kelten hebben waarschijnlijk
+hoofdzakelijk haar oorsprong ontleend aan dat gedeelte, dat wordt vertegenwoordigd door de Kelten uit de vlakten, zooals Bertrand
+die noemt. Maar die letterkunde van gezangen en mythen werd voortgebracht door de klasse der barden ten genoege en tot leering
+van een trotsche, ridderlijke en oorlogszuchtige aristocratie, en moest zich dan onvermijdelijk gevormd hebben naar de denkbeelden
+van die aristocratie. Maar zij moest eveneens gekleurd zijn door den diep ingrijpenden invloed der godsdienstige denkbeelden
+en gebruiken, die door de megalithische bevolking werden gevolgd&#8212;denkbeelden, die nu langzaam verbleeken in het opkomende
+daglicht der wetenschap. Die denkbeelden kunnen worden samengevat in het &eacute;&eacute;ne woord &#8220;toovenarij.&#8221; Wij moeten thans den aard
+van dien godsdienst der magie in het kort bespreken, immers hij was een machtig element bij de vorming van de meeste van die
+mythen en legenden, die wij later moeten behandelen. En, zooals professor Bury opmerkte in zijn inaugureele redevoering te
+Cambridge in 1903:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wanneer wij de allermoeilijkste van alle onderzoekingen, het ethische vraagstuk, de rol door het ras gespeeld in de ontwikkeling
+der volken en de gevolgen van rassenvermenging willen ter hand nemen, dan moeten wij wel in het oog houden, <a id="d0e1868"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1868">44</a>]</span>dat de Keltische wereld &eacute;&eacute;n der voornaamste toegangswegen beheerscht, die leiden naar die geheimzinnige prae-Arische voorwereld,
+waarvan wij moderne Europeanen misschien wel veel meer hebben ge&euml;rfd, dan wij zouden vermoeden.&#8221;
+
+</p>
+<p>De eigenlijke wortel van het woord &#8220;magie&#8221; is onbekend, maar het is onmiddellijk afgeleid van de Magi, of priesters van Chaldea
+en Medi&euml; in prae-Arische en prae-Semitische tijden, die de voornaamste dragers waren van dat stelsel van denkbeelden, dat
+zoo eigenaardig vermengd is met bijgeloof, wijsbegeerte en wetenschappelijke waarneming. De fundamenteele opvatting der magie
+is die van de geestelijke levenskracht der geheele natuur. Die geestelijke levenskracht werd niet, zooals bij het polythe&iuml;sme,
+van de natuur gescheiden gedacht in afzonderlijke goddelijke persoonlijkheden. Zij was opgesloten in en innerlijk vastgehecht
+aan de natuur; zij was duister, onbepaald en bekleed met al het ontzagwekkende van een pracht, waarvan de grenzen en de aard
+in een ondoorgrondelijke geheimzinnigheid gehuld zijn. In haar meer verwijderden oorsprong was zij, zooals een aantal feiten
+schijnen aan te toonen, verbonden met de doodenvereering, immers de dood werd beschouwd als de terugkeer tot de natuur, en
+als een bekleeding met onbestemde en niet te controleeren machten van een geestelijke kracht, die vroeger belichaamd was in
+den concreten, begrensden, handelbaren, en daarom minder angstwekkenden vorm van een levende menschelijke persoonlijkheid.
+Toch waren die machten niet geheel buiten controle. De begeerte naar controleering, zoowel als het zoeken naar de middelen,
+om dit tot stand te brengen, ontleende het aanzijn aan de eerste ruwe toepassingen der geneeskunde. Geneesmiddelen van den
+&eacute;&eacute;n of anderen aard behoorden tot &eacute;&eacute;n der eerste behoeften van den mensch. En de kracht van zekere aan de natuur ontleende
+stoffen, hetzij uit het delfstoffen-, hetzij uit het plantenrijk, om te werken zoowel op het lichaam als op den geest, en
+wel op een wijze, die dikwijls schrik en ontsteltenis veroorzaakte, werd uit den aard der zaak opgevat als een duidelijk bewijs
+van wat wij de &#8220;magische&#8221; opvatting van het <a id="d0e1872"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1872">45</a>]</span>heelal zouden kunnen noemen.<a id="d0e1874src" href="#d0e1874" class="noteref">5</a> De eerste toovenaars waren zij, die een bepaalde kennis hadden verkregen van geneeskundige vergiftige kruiden; maar daar
+de &eacute;&eacute;n of andere kracht werd toegeschreven aan ieder voorwerp en ieder verschijnsel in de natuur, moest er een soort van magische
+wetenschap ontstaan, gedeeltelijk de vrucht van het echte onderzoek, gedeeltelijk van dichterlijke verbeelding, gedeeltelijk
+van priesterbedrog, welke magische wetenschap vastgelegd werd in godsdienstige gebruiken en formules, gebonden aan bepaalde
+plaatsen en voorwerpen en door symbolen voorgesteld. Dit geheele onderwerp is door Plinius behandeld in een merkwaardig stuk,
+dat wij om het groote belang uitvoerig aanhalen:
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Plinius over den godsdienst der magie.</h3>
+<p>&#8220;De magie is &eacute;&eacute;n der weinige zaken, die de moeite loonen ze eenigszins uitgebreid te bespreken, al ware het alleen hierom,
+omdat zij, hoewel de meest bedriegelijke van alle kunsten, overal en ten alle tijde groot vertrouwen heeft ingeboezemd. En
+het is ook niet te verwonderen, dat zij een grooten invloed heeft gekregen, want zij heeft drie kunsten in zich vereenigd,
+die de grootste heerschappij hebben verkregen over den geest van den mensch. Terwijl zij in de eerste plaats uit de geneeskunde
+is ontstaan&#8212;een feit dat door niemand kan worden betwijfeld&#8212;en onder den schijn van bezorgdheid voor onze gezondheid, is zij
+in den geest doorgedrongen, en heeft zij den vorm aangenomen van een ander geneesmiddel, dat heiliger en inniger is. In de
+tweede plaats heeft zij, als draagster van de meest verleidelijke en vleiende beloften, den godsdienst als beweegreden aangenomen,
+over welk onderwerp de menschheid zelfs in onze dagen nog zeer in het duister verkeert. En om op dit alles de kroon te zetten,
+heeft zij haar toevlucht genomen tot de sterrenwichelarij, en iedereen verlangt er vurig naar, de toekomst te leeren kennen
+en is er van overtuigd, <a id="d0e1888"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1888">46</a>]</span>dat die kennis zonder eenigen twijfel van den hemel is te verkrijgen. Daar zij dus den geest der menschen in die driedubbele
+boei gekluisterd houdt, heeft zij haar heerschappij uitgestrekt over een aantal volken, en de Koningen der Koningen in het
+oosten gehoorzamen er aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij is ongetwijfeld in het oosten uitgevonden&#8212;in Perzi&euml; en door Zoroaster<a id="d0e1892src" href="#d0e1892" class="noteref">6</a>. Alle gezaghebbenden zijn het daarover eens. Maar is er niet meer dan &eacute;&eacute;n Zoroaster geweest?... Ik heb opgemerkt, dat men
+reeds in oude tijden, ja zelfs bijna altijd, menschen heeft gevonden, die in die wetenschap het toppunt van letterkundigen
+roem hebben gevonden&#8212;ten minste Pythagoras, Empedocles, Democritus en Plato zijn de <span class="corr" title="Bron: ze&euml;en">zee&euml;n</span> overgetrokken, inderdaad meer als ballingen dan als reizigers, om zich daarvan op de hoogte te stellen. En als zij daarna
+in hun geboorteland terugkeerden, verhieven zij zich op hun kennis der magie en handhaafden zij haar geheime leer.... Bij
+de Latijnsche volken vindt men reeds vroeg sporen daarvan, zooals bij voorbeeld in onze Wetten der Twaalf Tafelen<a id="d0e1898src" href="#d0e1898" class="noteref">7</a> en andere monumenten, zooals ik in een vroeger boek heb gezegd. Inderdaad was het eerst in het jaar 657 na de stichting van
+Rome, onder het consulaat van Cornelius Lentulus Crassus, dat het door een <i>senatus consultum</i> verboden was menschelijke wezens te offeren, waaruit duidelijk blijkt, dat tot op dien tijd afschuwelijke offers werden gebracht.
+De Galli&euml;rs zijn onder de bekoring er van gekomen, en dat wel zelfs tot op onze dagen, immers was het keizer Tiberius, die
+de Dru&iuml;den afschafte en de geheele bende van profeten en medicijnmeesters. Maar wat voor nut heeft het, verbodsbepalingen
+uit te vaardigen tegen een kunst, die den oceaan is overgetrokken en zelfs tot aan de grenzen der Natuur is doorgedrongen?&#8221;
+(<i>Hist. Nat.</i> XXX).
+<a id="d0e1907"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1907">47</a>]</span></p>
+<p>Plinius voegt daaraan toe, dat de eerste, van wien hij met zekerheid kan uitmaken, dat hij over dat onderwerp heeft geschreven,
+Osthanes is geweest, die Xerxes heeft vergezeld op zijn krijgstocht tegen de Grieken, en die de &#8220;kiemen van zijn gedrochtelijke
+kunst&#8221; heeft verbreid overal waar hij in Europa kwam.
+
+</p>
+<p>De magie was&#8212;zoo meende Plinius&#8212;noch inheemsch in Griekenland, noch in Itali&euml;, maar was in Brittanni&euml; z&oacute;&oacute;zeer ingeworteld,
+en daar beoefend met z&oacute;&oacute; uitgewerkte en met zorg beoefende ceremoni&euml;n, dat Plinius zegt, dat men haast zou meenen, dat het
+de Britten waren, die haar aan de Perzen, en niet de Perzen, die haar aan de Britten hadden onderwezen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Sporen van magie in megalithische monumenten.</h3>
+<p>De indrukwekkende overblijfselen van hun godenvereering, die ons zijn nagelaten door de megalithische bevolking, zijn vol
+aanwijzingen omtrent hun godsdienst. Nemen wij als voorbeeld den merkwaardigen tumulus van Man&eacute;-er-H&#8217;oeck, in Bretagne. Dat
+monument was in het jaar 1864 door Ren&eacute; Galles onderzocht, die het als volkomen ongeschonden beschrijft&#8212;de oppervlakte van
+den grond was nog onaangeroerd, en alles was zooals de oprichters hem hadden achtergelaten<a id="d0e1917src" href="#d0e1917" class="noteref">8</a>. Aan den ingang der rechthoekige kamer was een gebeeldhouwde steenen plaat, waarop een geheimzinnig teeken was gegraveerd,
+misschien wel de totem van een der voormannen. Zoodra men de kamer binnentrad, vond men een prachtigen oorhanger van groen
+jaspis, ter grootte van een ei. Op den grond in het midden der kamer was een zeer merkwaardige groep, bestaande uit een grooteren
+ring van jadiet, eenigszins ovaal van vorm met een prachtig bovenstuk van een bijl, eveneens van jadiet, waarvan de punt op
+den ring rustte. De bijl was een zeer bekend symbool van macht of van een godheid en wordt dikwijls gevonden als snijwerk
+in rotsen, uit het Bronzen Tijdperk, en ook op Egyptische hi&euml;roglyphen, Mino&iuml;sch snijwerk, enz. Op korten afstand daar vandaan
+lagen twee groote <a id="d0e1920"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1920">48</a>]</span>oorhangers van jaspis, vervolgens een bovenstuk van een bijl van wit jadiet<a id="d0e1922src" href="#d0e1922" class="noteref">9</a>, en ten slotte nog een oorhanger van jaspis. Al die voorwerpen waren met een blijkbare bedoeling <i>op een rij</i> gerangschikt, en vormden een rechte lijn, die nauwkeurig samenviel met &eacute;&eacute;n der diagonalen van de kamer, van het noordwesten
+naar het zuidoosten. In &eacute;&eacute;n der hoeken van de kamer vond men 101 bovenstukken van bijlen in jadiet en fibroliet. Er waren
+geen sporen van beenderen of asch, en evenmin vond men er een grafvorm, het geheel was een cenotaaf. &#8220;Staan wij,&#8221; zoo vraagt
+Bertrand, &#8220;hier niet tegenover een godsdienstplechtigheid, die met de magie samenhangt?&#8221;
+
+</p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/f048.jpg" alt="Steenen uit Bretagne, gegraveerd met afdrukken van voeten, bijlen, afdrukken van vingers enz."></p>
+<p class="figureHead">Steenen uit Bretagne, gegraveerd met afdrukken van voeten, bijlen, afdrukken van vingers enz.</p>
+<p>(<i>Sergi.</i>)
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Chiromantie of handwaarzeggerij te Gavr&#8217;inis.</h3>
+<p>In verband met het groote grafmonument te Gavr&#8217;inis was een zeer merkwaardige waarneming gedaan door Albert Maitre, inspecteur
+van het Mus&eacute;e des Antiquit&eacute;s Nationales. Er werden daar&#8212;zooals gewoonlijk bij andere megalithische monumenten in Ierland en
+Schotland&#8212;een aantal steenen gevonden, die gegraveerd waren met een merkwaardig en karakteristiek patroon in golvende en concentrische
+lijnen. Indien men nu de merkwaardige lijnen op de vingers onder <a id="d0e1942"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1942">49</a>]</span>een lens beschouwt, zal men vinden, dat deze volmaakt gelijken op die patronen der megalithische graveerkunst. De &eacute;&eacute;ne schijnt
+wel een volkomen afdruk van de andere te zijn. Die lijnen op de menschenhand zijn z&oacute;&oacute; duidelijk en eigenaardig, dat zij, zooals
+bekend is, zijn aangenomen als een middel, om de identiteit van misdadigers vast te stellen. Kon die groote gelijkenis het
+gevolg van toeval zijn? Er is nooit iets gevonden, dat met die eigenaardige verzameling van gegraveerde lijnen overeenkomt,
+behalve in verband met deze monumenten. Hebben wij hier niet te doen met iets dat met chiromantie in betrekking staat&#8212;een
+magische kunst, die in oude en zelfs in moderne tijden veel beoefend werd? De hand als een symbool van macht was een zeer
+bekend magisch zinnebeeld, en heeft zelfs in ruime mate haar intrede gedaan in het Christelijke symbolisme&#8212;zooals bij voorbeeld
+de groote hand, gegraveerd op het ondergedeelte van &eacute;&eacute;n der armen van het Kruis van Muiredach te Monasterboice.
+
+</p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/f049.jpg" alt="Dolmen te Trie, Frankrijk."></p>
+<p class="figureHead">Dolmen te Trie, Frankrijk.</p>
+<p>(Naar <i>Guilhabaud</i>.)<span class="corr" title="Bron: ."></span>
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Uitgeholde steenen.</h3>
+<p>Een andere merkwaardigheid, die tot nu toe niet is verklaard en die gevonden wordt bij een aantal van die monumenten van westelijk
+Europa tot aan Indi&euml;, is de aanwezigheid van een klein gat, dat door &eacute;&eacute;n der steenen is geboord, die de kamer vormen. Was
+het een opening, die bestemd was voor den geest der dooden? Of diende zij om hun offers te brengen? Ofwel was het de weg,
+waarlangs men meende, dat openbaringen uit de geestenwereld naar een priester of toovenaar werden overgebracht? Of dienden
+zij voor ieder van die doeleinden? Uitgeholde steenen, die geen deel uitmaakten van een dolmen, behooren uit den aard der
+zaak tot de meest gewone overblijfselen der oude godsdienstige gebruiken, en <a id="d0e1960"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1960">50</a>]</span>worden nog steeds vereerd en gebruikt bij plechtigheden, die in verband staan met zwangerschap en dergelijke. Hier moeten
+wij het zinnebeeld zonder eenigen twijfel verklaren als iets, dat met de geslachten in verband staat.
+
+
+</p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/f050.jpg" alt="Dolmens in Dekan, Indi&euml;."></p>
+<p class="figureHead">Dolmens in Dekan, Indi&euml;.</p>
+<p>(Naar <i>Meadows-Taylor</i>.)
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Vereering van steenen.</h3>
+<p>Behalve de hemellichamen vinden wij, dat ook rivieren, boomen, bergen en steenen bij dat primitieve volk het voorwerp van
+vereering waren. De vereering van steenen in het bijzonder kwam algemeen voor; zij is niet zoo gemakkelijk te verklaren als
+de vereering, bewezen aan voorwerpen, die beweging en levenskracht bezitten. Misschien kan een verklaring voor de vereering,
+verbonden met groote, op zich zelf staande massa&#8217;s van ongehouwen steen, gevonden worden in haar gelijkenis met de kunstmatige
+dolmens en cromlechs<a id="d0e1976src" href="#d0e1976" class="noteref">10</a>. Geen enkele vorm van bijgeloof heeft zoolang standgehouden. Het blijkt, dat in het jaar 452 n.C. de Synode van Arles diegenen
+bedreigde, die &#8220;boomen, putten en steenen aanbaden,&#8221; en die bedreiging werd herhaald door Karel den Groote en door een aantal
+Synodes en Concilies tot op onzen tijd. Toch blijkt uit een teekening, die wij hier weergeven, en die enkele jaren geleden
+op de plaats zelf door Arthur G. Bell werd vervaardigd, dat diezelfde wijze van aanbidding in Bretagne <a id="d0e1979"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1979">51</a>]</span>nog in volle kracht is; wij zien hier, hoe de symbolen en de priesterlijke organisatie der Christenheid thans in den dienst
+zijn gesteld van dit onheugelijk oude heidendom. Volgens Bell neemt de geestelijkheid met veel tegenzin deel aan die plechtigheden,
+maar wordt zij daartoe gedwongen door de publieke opinie daar ter plaatse. Heilige bronnen, waarvan het water volgens de openbare
+meening ziekten geneest, zijn nog in grooten getale in Ierland aanwezig, en de vereering van het water van Lourdes, kan, in
+weerwil dat de Kerk er haar goedkeuring aan gehecht heeft, als een toepasselijk voorbeeld op het vasteland worden beschouwd.
+
+</p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/f051.gif" alt="Teekens in den vorm van schotels en ringen in Schotland."></p>
+<p class="figureHead">Teekens in den vorm van schotels en ringen in Schotland.</p>
+<p>(Naar <i>Sir J. Simpson</i>.)<span class="corr" title="Bron: ."></span>
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e1993" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p050.jpg" alt="Moderne Steenaanbidding te Locronan, Bretagne"></p>
+<p class="figureHead">Moderne Steenaanbidding te Locronan, Bretagne</p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Teekens in den vorm van schotels en ringen.</h3>
+<p>Een ander merkwaardig zinnebeeld, waarvan de beteekenis tot nu toe nog in het duister ligt, komt herhaaldelijk voor in verband
+met megalithische monumenten. De hier opgenomen teekeningen geven daarvan voorbeelden. Op de oppervlakte van den steen zijn
+holten gemaakt in den vorm van schotels; deze zijn dikwijls omgeven met concentrische ringen, <a id="d0e2002"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2002">52</a>]</span>en van den schotel loopen &eacute;&eacute;n of meer lijnen van het middelpunt naar een punt buiten den omtrek der ringen. Somtijds is een
+stelsel van die schotels door die lijnen vereenigd, maar meer komt het voor, dat zij iets buiten den wijdsten van de ringen
+eindigen. Die vreemde teekens worden niet alleen gevonden in Groot-Brittanni&euml; en Ierland en in Bretagne, maar ook in verschillende
+plaatsen van Indi&euml;, waar zij <i>mahad&eacute;os</i><a id="d0e2006src" href="#d0e2006" class="noteref">11</a> heeten. Wij hebben ook een merkwaardig voorbeeld&#8212;want dit schijnt het inderdaad te zijn&#8212;gevonden in Dupaix &#8220;Monumenten van
+Nieuw Spanje.&#8221; Het is weergegeven in &#8220;de Oudheden van Mexico,&#8221; deel IV, van Lord Kingsborough. Op den cirkelvormigen top van
+een cilindervormigen steen, bekend als de &#8220;Steen van het Zegevieren&#8221; is in het midden een schotel, gegraveerd met negen concentrische
+cirkels daar omheen, en een geleibuis of kanaal, getrokken van den schotel af door al de cirkels heen tot aan den rand. Behalve
+dat het patroon hier rijk versierd en nauwkeurig geteekend is, gelijkt het nauwkeurig op een typisch Europeesch teeken. Men
+kan er nauwelijks aan twijfelen, dat die teekens een beteekenis hebben, en dat zij overal waar zij gevonden worden ook hetzelfde
+beteekenen, maar nog steeds blijft het voor de oudheidkundigen een raadsel, die beteekenis te doorgronden. Misschien is de
+gissing niet te gewaagd, dat het schetsen of plannen zijn van een megalithisch graf. De binnenste holte stelt de eigenlijke
+plaats van het graf voor. De cirkels zijn de opgerichte steenen, grachten en wallen, die er dikwijls omheen liepen; en de
+lijn of gang, die van het midden naar den rand is getrokken, stelt den onderaardschen toegang van het graf voor. Dat die &#8220;gang&#8221;
+inderdaad den toegang bedoelt, blijkt duidelijk uit de verschillende vormen, die wij aan Simpson ontleenen. Daar <a id="d0e2009"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2009">53</a>]</span>het graf tevens een heilige plaats of tempel was, is het natuurlijk, dat die voorgesteld wordt onder ander snijwerk van gewijden
+aard; het zal wel een symbolische vorm zijn, om uit te drukken, dat de plaats gewijde grond was. Wij kunnen onmogelijk zeggen,
+in hoeverre deze opvatting op het Mexicaansche model van toepassing is.
+
+</p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/f052.gif" alt="Verschillende vormen van schotels en ringen."></p>
+<p class="figureHead">Verschillende vormen van schotels en ringen.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De tumulus te New Grange.</h3>
+<p>E&eacute;n der belangrijkste en rijkst gebeeldhouwde der Europeesche megalithische monumenten is de groote in kamers verdeelde tumulus
+te New Grange aan den noordelijken oever van de Boyne, in Ierland. Die tumulus, en de andere, die in de nabijheid gevonden
+worden, komen in de oude Iersche mythische litteratuur in twee verschillende karakters voor, waarvan de verbinding veelbeteekenend
+is. Zij worden eensdeels beschouwd als de verblijfplaatsen der <i>Sidhe</i>, of fee&euml;n, die waarschijnlijk de godheden der oude Ieren voorstellen, en zij zijn eveneens volgens de overleveringen de begraafplaatsen
+der Keltische opperkoningen van het heidensche Ierland. Het verhaal der begrafenis van koning Cormac, die ondersteld werd
+omtrent den Christelijken godsdienst te zijn ingelicht lang voordat deze werkelijk in Ierland door St. Patrick was gepredikt,
+en die verbood, dat men hem zou begraven op het koninklijke kerkhof aan de Boyne, omdat daaraan heidensche overleveringen
+waren verbonden, wijst er op, dat die plaats het middelpunt was van een heidenschen eeredienst, die meer in zich sloot dan
+eenvoudig een begraven van koninklijke personen binnen zijn gebied. Ongelukkiger wijze zijn die monumenten niet ongeschonden;
+zij zijn in de negende eeuw geopend en geplunderd door de Denen<a id="d0e2023src" href="#d0e2023" class="noteref">12</a>, maar er zijn nog bewijzen genoeg aanwezig, die aantoonen, dat zij oorspronkelijk als begraafplaatsen dienden, en in verband
+stonden met den eeredienst van een primitieven godsdienst. De belangrijkste van deze, de tumulus van New Grange, is geheel
+en al <a id="d0e2026"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2026">54</a>]</span>onderzocht en beschreven door George Coffey, den bewaarder der verzameling van Keltische oudheden in het Nationale Museum
+te Dublin<a id="d0e2028src" href="#d0e2028" class="noteref">13</a>. Aan den buitenkant gelijkt hij op een groote aardhoogte of een heuvel, die nu met struiken is begroeid. Zijn grootste middellijn
+is <span class="measure" title="85 meter">280 Engelsche voet</span> en hij is ongeveer <span class="measure" title="13 meter">44 voet</span> hoog. Daarbuiten loopt een wijde kring van steenen, die oorspronkelijk rechtop schijnen te hebben gestaan, vijf en dertig
+in getal. Binnen dien kring bevindt zich een gracht en een wal, en boven op dien wal was een cirkelvormige rand van groote
+steenen gelegd, ter lengte van acht tot tien voet, op den kant gelegd, die een groote aardhoogte begrensden, welke later gebleken
+is uit losse steenen te bestaan, die nu, zooals wij gezien hebben, geheel begroeid zijn met gras en struiken. Doch het groote
+belang van dat monument is gelegen in het inwendige van die aardhoogte. Omstreeks het einde van de zeventiende eeuw kwamen
+enkele werklieden, die van die aardhoogte materiaal haalden voor den weg, toevallig aan den ingang die naar een gaanderij
+naar binnen leidde, en die zich kenmerkte door het feit, dat de grenssteen daaronder rijk gebeeldhouwd was met spiralen en
+ruitvormige figuren. Die ingang is juist op het zuid-oosten gelegen. De gaanderij is gevormd uit rechtopstaande platen van
+ongehouwen steen, gedekt met dergelijke platen, en wisselt af van omstreeks <span class="measure" title="150 to 180 centimeter">5 tot 6 Engelsche voet</span> in hoogte; zij is <span class="measure" title="90 centimeter">3 voet</span> breed, en loopt over een lengte van <span class="measure" title="19 meter">62 voet</span> tot recht binnen in de aardhoogte. Hier eindigt zij in een kruisvormige kamer ter hoogte van <span class="measure" title="6 meter">20 voet</span>, waarvan de zoldering, een soort koepel, gevormd is van groote, platte steenen, die alle naar het midden gericht zijn, waar
+zij elkander bijna aan den top ontmoeten, en waar een groote platte steen alles bedekt. In ieder der drie inhammen van de
+kruisvormige kamer staat een groote steenen bekken, of een ruwe sarcophaag, doch er is geen spoor van eenige begrafenis daar
+overgebleven.
+
+<a id="d0e2049"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2049">55</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Symbolisch beeldhouwwerk te New Grange.</h3>
+<p>De steenen zijn alle ruw en onbewerkt, en waren voor het doel waarvoor zij dienden gekozen uit de bedding der rivier en andere
+plaatsen uit de onmiddellijke nabijheid. Op hun glad oppervlak, dat verkregen werd door platen te hakken uit de oorspronkelijke
+steengroeven, worden de beeldhouwwerken gevonden, die het eenige belangrijke uitmaken van dat vreemde monument. Met uitzondering
+van den grooten steen met spiraalvormig graveerwerk en een anderen aan den ingang van de aardhoogte, schijnt dat beeldhouwwerk
+niet de bedoeling gehad te hebben, als decoratief werk te dienen, behalve in een zeer ruwen en primitieven zin. Er is volstrekt
+geen poging bij, om een bepaalde oppervlakte te bedekken met een stelsel van versieringen, dat in overeenstemming is met haar
+grootte en vorm. De patronen zijn als het ware er op gekrabbeld op willekeurige wijze en op willekeurige plaatsen.<a id="d0e2055src" href="#d0e2055" class="noteref">14</a> Onder deze is overal de spiraal overheerschend. De gelijkenis van enkele dier figuren met de onderstelde vingerafdrukken
+op de steenen te Gavr&#8217;inis is zeer merkwaardig. Driedubbele en dubbele spiralen worden er eveneens gevonden, zoowel als ruiten
+en zigzaglijnen. In den westelijken inham vindt men een merkwaardige ingesneden figuur, die gelijkt op een palmtak of een
+blad van een varen. De teekening van dat voorwerp is naturalistisch, en het is moeilijk die te verklaren, zooals Coffey geneigd
+is te doen, als niets anders dan een stuk van een zoogenaamd patroon van een &#8220;haringgraat.&#8221;<a id="d0e2058src" href="#d0e2058" class="noteref">15</a> Een dergelijk patroon van een palmblad, waarvan echter de nerven loodrecht op de centrale as zijn gerangschikt, vindt men
+in den naburigen grafheuvel van Dowth, te Loughcrew, en verbonden met een zonnezinnebeeld, de Swastika, op een klein altaar
+in de Pyrene&euml;n, voorgesteld door Bertrand.
+
+<a id="d0e2061"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2061">56</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het schipsymbool te New Grange.</h3>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/f056-1.gif" alt="Zonneschip (met zeil?) van New Greange, Ierland."></p>
+<p class="figureHead">Zonneschip (met zeil?) van New Greange, Ierland.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/f056-2.gif" alt="Zonneschip van Locmariaker, Bretagne"></p>
+<p class="figureHead">Zonneschip van Locmariaker, Bretagne</p>
+<p>(Naar <i>Ferguson</i>).
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e2081" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p056.jpg" alt="Ingang van den Tumulus te New Grange"></p>
+<p class="figureHead">Ingang van den Tumulus te New Grange</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Een ander merkwaardige, en voor zoover Ierland betreft, zeer ongewone teekening vindt men gebeeldhouwd, in den werkelijken
+inham te New Grange. Door verschillende geleerden is zij verklaard als een metselaarswerk, als een stuk Phoenicisch schrift,
+een groep cijfers, en ten slotte (en waarschijnlijk terecht) door George Coffey als een ruwe voorstelling van een schip met
+mannen aan boord en met volle zeilen. Opmerkelijk is, dat juist daarboven een kleine cirkel is, die blijkbaar een deel van
+het patroon vormt. Een tweede voorbeeld vindt men in Dowth. De beteekenis van dat teeken is, zooals wij zullen zien, zeer
+groot. Men heeft ontdekt, dat er op bepaalde steenen in den grafheuvel van Locmariaker, in Bretagne<a id="d0e2087src" href="#d0e2087" class="noteref">16</a> een aantal figuren voorkomen, die daarmede veel overeenkomst hebben, waarvan &eacute;&eacute;n den cirkel doet zien op een overeenkomstige
+plaats als te New Grange. De bijl, een Egyptische hi&euml;roglyph voor de godheid en een zeer bekend magisch zinnebeeld, is eveneens
+op dien steen voorgesteld. Zoo vindt men ook in een brochure van Dr. Oscar Montelius over het beelhouwwerk op de rotsen van
+Zweden<a id="d0e2093src" href="#d0e2093" class="noteref">17</a>, een reproductie (die ook voorkomt in &#8220;Het Viking-Tijdperk&#8221; van DuChaillu) van een ruwe teekening op een rots, die ons een
+aantal schepen doet zien, met mannen aan boord, en met den cirkel, waarin twee loodrecht op elkander geplaatste middellijnen
+als kruis geteekend zijn&#8212;onmiskenbaar een zonnezinnebeeld&#8212;vlak boven hen. Dat die schepen (die, evenals het Iersche voorbeeld,
+dikwijls z&oacute;&oacute; ruw <a id="d0e2096"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2096">57</a>]</span>en oppervlakkig zijn voorgesteld dat het niets anders dan symbolen zijn, die niemand als schepen zou herkennen, als de sleutel
+niet gegeven was door andere, meer uitgewerkte teekeningen) zoo dikwijls in verband met de zonneschijf geteekend zijn, louter
+als tijdverdrijf of met een zuiver decoratief doel, schijnt ons hoogst onwaarschijnlijk toe. In de dagen der megalithische
+bevolking zou een grafmonument, het brandpunt van godsdienstige denkbeelden, waarschijnlijk niet bedekt zijn met nuttelooze
+en niets<span class="corr" title="Bron: beteekende">beteekenende</span> krabbels. &#8220;De mensch heeft,&#8221; zooals Sir J. Simpson terecht heeft gezegd, &#8220;altijd heilige dingen en dingen die met graven
+in betrekking staan, met elkander verbonden.&#8221; En die krabbels vertoonen, in het meerendeel der gevallen, geen zweem van een
+decoratieve bedoeling. Maar als zij een symbolische bedoeling hadden, waarvan waren zij dan een symbool?
+
+
+</p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/f057-1.gif" alt="Zonneschip van Halland, Zweden."></p>
+<p class="figureHead">Zonneschip van Halland, Zweden.</p>
+<p>(Naar <i>Montelius</i>).
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/f057-2.gif" alt="Schip (met Zeil?) van Ryx&ouml;."></p>
+<p class="figureHead">Schip (met Zeil?) van Ryx&ouml;.</p>
+<p>(Naar <i>Du Chaillu</i>).
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/f057-3.gif" alt="Teekening van een Schip (met zonnezinnebeeld?) van Scania, Zweden."></p>
+<p class="figureHead">Teekening van een Schip (met zonnezinnebeeld?) van Scania, Zweden.</p>
+<p>(Naar <i>Du Chaillu</i>).
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Wij zijn hier naar onze meening tot een hoogere orde van denkbeelden dan die van toovenarij gekomen. De opvatting, die ik
+zou willen verdedigen, lijkt misschien nog al vermetel; toch is zij, zooals wij zullen zien, volkomen in de lijn der resultaten
+voor bepaalde andere onderzoekingen omtrent den oorsprong en het karakter der megalithische beschaving. Als die opvatting
+algemeen wordt gehuldigd, zal zij ongetwijfeld veel grooter vastheid geven aan onze denkbeelden omtrent de betrekkingen van
+de megalithische Bevolking met Noord-Afrika, en omtrent den waren oorsprong van het Dru&iuml;disme en de leerstellingen, met dat
+stelsel verbonden. Wij <a id="d0e2130"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2130">58</a>]</span>meenen, dat wel als vaststaande mag worden aangenomen, dat de zooveel voorkomende verbinding van het schip met de zonneschijf
+bij afbeeldingen op rotsen in Zweden, Ierland en Bretagne, niet volkomen toevallig kan zijn. Niemand, bij voorbeeld, die zijn
+aandacht vestigt op het voorbeeld uit Halland, hierboven weergegeven, kan er aan twijfelen, dat de beide voorwerpen met een
+bepaalde bedoeling op &eacute;&eacute;n schets zijn verbonden.
+
+
+</p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/f058.gif" alt="Egyptische Zonnebark XXIIe Dynastie."></p>
+<p class="figureHead">Egyptische Zonnebark XXIIe Dynastie.</p>
+<p>(<i>Britsch Museum</i>).
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het schipsymbool in Egypte.</h3>
+<p>Dit symbool van het schip, met of zonder de teekening van het zonnezinnebeeld, is van zeer ouden datum en komt veelvuldig
+voor bij de kunst in Egypte, die in verband staat met alles wat het begraven betreft. Het staat in verband met den dienst
+van R&#257;, die 4000 jaar v&oacute;&oacute;r Christus werd ingevoerd. Zijn beteekenis als een Egyptisch symbool is welbekend. Het schip werd
+de Boot der Zon genoemd. Het was het schip, waarin de Zonnegod zijn tochten deed; inzonderheid dien tocht, dien hij in den
+nacht ondernam naar de kusten der Andere Wereld, waarbij hij in zijn schuit de zielen der gelukzalige dooden overvoerde. De
+zonnegod R&#257; wordt somtijds voorgesteld door een schijf, somtijds ook door andere zinnebeelden, die zweefden boven het schip,
+of daarin bevat waren. Ieder die in de gelegenheid is, een blik te slaan op de beschilderde of gebeeldhouwde sarcophagen in
+het Britsch Museum, zal een massa voorbeelden vinden. Somtijds zal hij voorstellingen vinden van de levenwekkende stralen,
+die R&#257; op de <a id="d0e2146"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2146">59</a>]</span>boot en hare bemanning neerzendt. Nu ziet men bij &eacute;&eacute;n der figuren van schepen op Zweedsche rotsen te Backa, Bohusl&auml;n, zooals
+die ons worden gegeven door Montelius, een schip vol met figuren onder een schijf met drie neerdalende stralen, en tevens
+een tweede schip met een zon met twee stralen daarboven. Wij voegen hieraan toe, dat in den tumulus van Dowth, in de onmiddellijke
+nabijheid van dien van New Grange, en die volkomen hetzelfde karakter heeft en uit dezelfde periode afkomstig is, figuren
+met stralen en in vier sectoren verdeelde cirkels, blijkbaar zinnebeelden der zon, in grooten getale voorkomen zooals eveneens
+het geval is te Loughcrew en andere plaatsen in Ierland, en dat men te Dowth eveneens nog een andere teekening van een schip
+heeft herkend.
+
+
+</p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/f059-1.jpg" alt="Egyptische Zonneboot, met den god Khnemu en ondergeschikte godheden."></p>
+<p class="figureHead">Egyptische Zonneboot, met den god Khnemu en ondergeschikte godheden.</p>
+<p><i>Britsch Museum</i>.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/f059-2.gif" alt="Egyptische schuit, met de figuur van R&#257;, die een Ankh vasthoudt, bevat in de Zonneschijf. XIXe Dynastie."></p>
+<p class="figureHead">Egyptische schuit, met de figuur van R&#257;, die een <i>Ankh</i> vasthoudt, bevat in de Zonneschijf. XIXe Dynastie.
+</p>
+<p>(<i>Britsch Museum</i>).
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>In Egypte wordt de zonneboot somtijds voorgesteld met niets anders dan het zinnebeeld der zon, somtijds bevat hij de voorstelling
+van een god met ondergeschikte godheden, somtijds bevat hij een aantal passagiers, die menschenzielen vertegenwoordigen, en
+somtijds ook &eacute;&eacute;n enkel lijk op een lijkbaar. Het megalithische snijwerk bevat eveneens somtijds het zinnebeeld der zon, andere
+keeren niet; de booten zijn somtijds met figuren gevuld, andere keeren zijn zij leeg. Als een symbool eenmaal is aangenomen
+en begrepen, is iedere overeengekomen of oppervlakkige voorstelling daarvan voldoende. Wij meenen, dat de volledige vorm van
+het megalithische symbool, die van een boot is met menschelijke figuren daarin en het zinnebeeld der zon er boven. Die figuren
+moeten, indien wij uitgaan van de onderstelling, dat de zooeven gegeven <a id="d0e2170"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2170">60</a>]</span>verklaring der teekening juist is, blijkbaar worden opgevat als voorstellingen der dooden op weg naar de andere wereld. Het
+kunnen geen godheden zijn, immers voorstellingen der goddelijke machten onder menschelijke gedaante waren bij het megalithische
+volk volkomen onbekend, zelfs na de komst der Kelten&#8212;zij komen het eerst voor in Galli&euml; onder Romeinschen invloed. Maar als
+die figuren de dooden voorstellen, dan hebben wij duidelijk den oorsprong der zoogenaamde &#8220;Keltische&#8221; leer der onsterfelijkheid
+v&oacute;&oacute;r ons. Zij worden zelfs daar gevonden, waar nooit Kelten waren binnengedrongen. Toch wijzen zij op het bestaan van die
+zelfde leer der andere wereld, die, van den tijd van Caesar af, steeds verbonden was met het Keltische Dru&iuml;disme, en die leer
+was typisch Egyptisch.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De &#8220;Navetas&#8221;.</h3>
+<p>In verband met dit onderwerp wenschen wij de aandacht te vestigen op de theorie van Borlase, dat de typische bedoeling van
+een Ierschen dolmen was, een schip voor te stellen. In Minorca zijn er daarmede overeenkomende bouwwerken, die daar door het
+volk <i>navetas</i> (schepen) genoemd worden, z&oacute;&oacute; duidelijk is de overeenkomst. &#8220;Maar&#8221;, voegt hij er aan toe, &#8220;reeds lang voordat de holen en
+<i>navetas</i> van Minorca mij bekend waren, had ik de meening gevormd, dat datgene waarvan ik zoo dikwijls gesproken heb, als van den &#8216;wigvorm&#8217;,
+die zoo algemeen wordt waargenomen in de plattegronden van dolmens, zijn oorsprong ontleende aan een oorspronkelijke voorstelling
+van een schip. Wij weten, dat werkelijke vaartuigen bij verschillende gelegenheden zijn opgegraven uit graftumuli in Scandinavi&euml;.
+In begraafplaatsen uit het IJzeren Tijdperk, zoowel in Scandinavi&euml; als aan de meer zuidelijk gelegen kusten der Oostzee, was
+het schip de erkende vorm van een begraafplaats<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span><a id="d0e2185src" href="#d0e2185" class="noteref">18</a>. Indien de opvatting van Borlase juist is, hebben wij daarin een zeer krachtige bevestiging der symbolische bedoeling, die
+wij toeschrijven aan de voorstellingen <a id="d0e2188"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2188">61</a>]</span>der zon op de teekeningen van een schip der megalithische bevolking.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het schipsymbool in Babyloni&euml;.</h3>
+<p>Het schipsymbool kan teruggebracht worden tot omstreeks het jaar 4000 v.C. in Babyloni&euml;, waar iedere godheid haar eigen schip
+had (dat van den god Sin werd het Schip van het Licht genoemd), terwijl haar beeld in optocht werd gedragen op een draagbaar,
+die den vorm had van een schip. Jastrow<a id="d0e2195src" href="#d0e2195" class="noteref">19</a> meent, dat dit zijn oorsprong ontleent aan een tijd, toen de heilige steden van Babyloni&euml; aan de Perzische Golf gelegen waren,
+en toen godsdienstige processies dikwijls op het water werden gehouden.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het symbool der voeten.</h3>
+<p></p>
+<div class="divFigure floatRight">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/f061.gif" alt="Het symbool der twee voeten."></p>
+<p class="figureHead">Het symbool der twee voeten.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Toch is er reden te meenen, dat enkele van die symbolen ouder waren dan eenige bekende mythologie, en als het ware tot een
+mythologischen grondslag waren gebracht, die verschillend was bij verschillende volken, welke zich uit een thans onbekende
+bron daarvan meester maakten. Een merkwaardig voorbeeld is dat van het symbool der Twee Voeten. In Egypte vormden de Voeten
+van Osiris &eacute;&eacute;n der deelen, waarin zijn lichaam in de bekende mythe werd gesneden. Zij waren een symbool van inbezitneming
+of van bezoek. &#8220;Ik ben op aarde gekomen&#8221;, zegt het &#8220;Boek der Dooden&#8221; (Hoofdstuk XVII), &#8220;en heb met mijn twee voeten bezit
+genomen. Ik ben Tmu&#8221;. Dit symbool nu van de voeten of van de afdrukken der voeten is wijd verspreid. Het wordt gevonden in
+Indi&euml;, als de afdruk van den voet van Buddha<a id="d0e2208src" href="#d0e2208" class="noteref">20</a>, het wordt gebeeldhouwd op dolmens in Bretagne<a id="d0e2211src" href="#d0e2211" class="noteref">21</a> gevonden, en het komt voor op snijwerk in rotsen in Scandinavi&euml;.<a id="d0e2214src" href="#d0e2214" class="noteref">22</a> In Ierland wordt het opgevat als de voetafdrukken van St. <a id="d0e2217"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2217">62</a>]</span>Patrick of St. Columba. En het vreemdst van alles is dit, dat het onmiskenbaar in Mexico wordt gevonden<a id="d0e2219src" href="#d0e2219" class="noteref">23</a>. Tyler verwijst in zijn &#8220;Primitieve Beschaving&#8221; (II blz. 197) naar de plechtigheid der Azteken op den Tweeden Feestdag van
+den Zonnegod, Tezcatlipoca, wanneer zij ma&iuml;s strooiden v&oacute;&oacute;r zijn heiligdom, en zijn hoogepriester bleef toezien, totdat hij
+de goddelijke voetstappen zag, en dan luide verkondigde, &#8220;Onze Groote God is gekomen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De <i>Ankh</i> op megalithisch beeldhouwwerk.
+</h3>
+<p></p>
+<div class="divFigure floatLeft">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/f062.gif" alt="De Ankh."></p>
+<p class="figureHead">De <i>Ankh</i>.
+</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p>Er zijn zeer krachtige bewijzen voor, dat er een betrekking bestaat tusschen de megalitische bevolking en Noord-Afrika. Zoo
+blijkt het, gelijk Sergi duidelijk maakt, dat een aantal teekens (waarschijnlijk cijfers) gevonden op ivoren platen op het
+kerkhof te Naqada, en die door Flinders Petrie ontdekt zijn, op Europeesche dolmens gevonden worden. Verscheidene latere Egyptische
+hi&euml;roglyphenteekens, met inbegrip van den beroemden <i>Ankh</i> of <i>crux ansata</i>, het symbool der levenskracht of der opstanding worden eveneens op megalithisch beeldhouwwerk gevonden<a id="d0e2247src" href="#d0e2247" class="noteref">24</a>. Uit die overeenstemming trok Letourneau de gevolgtrekking &#8220;dat de bouwers van onze megalithische monumenten uit het zuiden
+afkomstig waren en verwant waren met de rassen van Noord-Afrika.&#8221;<a id="d0e2250src" href="#d0e2250" class="noteref">25</a>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Bewijzen uit de taal.</h3>
+<p>Rhys en Brynmor Jones, die de zaak van het linguistische standpunt hebben beschouwd, komen tot de gevolgtrekking, dat de Afrikaansche
+oorsprong&#8212;ten minste bij benadering&#8212;van de oorspronkelijke bevolking van Groot Brittanni&euml; en Ierland zeer waarschijnlijk is.
+Zij toonen aan, dat de Keltische <a id="d0e2258"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2258">63</a>]</span>talen in haar woordvoeging het Hamitische en voornamelijk het Egyptische type behouden hebben.<a id="d0e2260src" href="#d0e2260" class="noteref">26</a>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Egyptische en &#8220;Keltische&#8221; denkbeelden omtrent onsterfelijkheid.</h3>
+<p>De tot nu toe vaststaande feiten geven ons, naar onze meening, geen recht een theorie te ontwerpen over de werkelijke historische
+betrekking der dolmenbouwers van westelijk Europa tot het volk, dat den prachtigen godsdienst en de hooge beschaving van het
+oude Egypte schiep. Maar indien wij alle bewijzen beschouwen, die in die richting samenkomen, dan schijnt het duidelijk, dat
+er een zoodanige betrekking was. Egypte was het classieke land van godsdienstig symbolisme. Het heeft aan Europa het schoonste
+en meest populaire van al zijn godsdienstige symbolen geschonken, dat der goddelijke moeder en haar kind.<a id="d0e2268src" href="#d0e2268" class="noteref">27</a> Wij gelooven, dat het eveneens aan de primitieve bewoners van west-Europa het diepzinnige symbool gaf van de reizende geesten,
+die naar de wereld van den dood geleid worden door den God van het Licht.
+
+</p>
+<p>De godsdienst van Egypte, en daarin stond die boven dien van eenig volk, welks denkbeelden zich, zooals ons bekend is, in
+zoo oude tijden hebben ontwikkeld, concentreerde zich op de leer van een toekomstig leven. De prachtige en verbazende graftomben,
+de uitgewerkte ceremonies, de indrukwekkende mythologie, de ontzaglijke verheffing van de priesterkaste, al die kenmerken
+der Egyptische beschaving, stonden in het nauwste verband met hun leer van de onsterfelijkheid der ziel. Voor den Egyptenaar
+was de van het lichaam bevrijde ziel geen schaduwbeeld, zooals de classieke volken meenden; het toekomstige leven was niets
+anders dan een verlenging van het tegenwoordige; de rechtvaardige mensch bevond zich, als hij zijn plaats daar ingenomen had,
+onder zijn bloedverwanten, <a id="d0e2276"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2276">64</a>]</span>zijn vrienden, zijn ondergeschikten, met het werk en de genietingen, die veel overeenkomst hadden met die op aarde. Het lot
+van den booze was vernietiging; hij werd het slachtoffer van het onzichtbare monster, dat de Verslinder der Dooden genoemd
+werd.
+
+</p>
+<p>Toen nu de classieke volken voor het eerst belang begonnen te stellen in de denkbeelden der Kelten, was de eerste zaak, die
+den grootsten indruk op hen maakte, het Keltische geloof in de onsterfelijkheid, dat naar de Galli&euml;rs zeiden, &#8220;door de Dru&iuml;den
+was ingevoerd en verspreid.&#8221; De classieke volken geloofden in de onsterfelijkheid; maar welk een beeld geeft Homerus, de bijbel
+der Grieken, van de verloren, verlaagde, van hun menschelijke eigenschappen beroofde schepselen, die de gescheiden zielen
+der menschen voorstelden! Nemen wij bij voorbeeld, de beschrijving van de zielen der vrijers, die door Odysseus gedood zijn,
+op het oogenblik dat Hermes ze naar de onderwereld leidt<a id="d0e2280src" href="#d0e2280" class="noteref">28</a>.
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Hermes de God, in Kyllene geboren, riep op nu de zielen
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Van d&#8217;in &#8217;t gevecht gesneuvelde vrijers; en in de handen
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Droeg bij den gouden, den prachtigen staf, waarmee hij betoovert
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">D&#8217;oogen van hen die hij wil, en andren die slapen, weer opwekt.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Fladdrend volgden die zielen, geraakt door zijn staf, Hermes leiding,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Evenals vleermuizen snorren, al fladdrend in &#8217;t diepste der holen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Doch wanneer &eacute;&eacute;n van hen neervalt, de andren vereenigd zich houden.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Zoo gingen snorrend de zielen te zamen en Hermes de redder
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Leidde hen voort langs de donkere paden, den weg naar den Hades.&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>De classieke schrijvers gevoelden terecht, dat de Keltische opvatting omtrent de onsterfelijkheid iets geheel anders was dan
+dit begrip. Zij was zoowel meer verheven als meer realistisch; zij hield in, dat de mensch na zijn dood in werkelijkheid,
+in al zijn menschelijke betrekkingen blijft voortbestaan, zooals hij bij zijn leven was. Met verbazing zagen zij, dat de Kelt
+geld wilde leenen op een schuldbekentenis, die in het leven hiernamaals zou worden afgelost<a id="d0e2304src" href="#d0e2304" class="noteref">29</a>. Dit is een volkomen Egyptische opvatting. En ditzelfde trok de bijzondere aandacht van <a id="d0e2307"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2307">65</a>]</span>Diodorus, toen hij schreef over de Keltische opvatting omtrent de onsterfelijkheid&#8212;het kwam met niets overeen, wat hij buiten
+Egypte hieromtrent had opgemerkt<a id="d0e2309src" href="#d0e2309" class="noteref">30</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De leer der zielsverhuizing.</h3>
+<p>Een aantal oude schrijvers beweren, dat de Keltische opvatting omtrent de onsterfelijkheid de oostersche denkbeelden omtrent
+de zielsverhuizing belichaamde, en om daarvan een verklaring te geven werd de hypothese uitgedacht, dat zij die leerstelling
+aan Pythagoras ontleend hadden, die er in de classieke oudheid de vertegenwoordiger van was. Zoo zegt Caesar: &#8220;Het voornaamste
+punt van hun (de Dru&iuml;den) leer is, dat de ziel niet te gronde gaat, maar dat deze van het &eacute;&eacute;ne lichaam in het andere overgaat.&#8221;
+En Diodorus zegt: &#8220;Onder hen is de leer van Pythagoras in zwang, volgens welke de zielen der menschen onsterfelijk zijn en
+na een bepaalden tijd weer beginnen te leven, na een nieuw lichaam te hebben aangenomen.&#8221; Zeker is het nu, dat sporen van
+die leer in de Iersche legenden voor den dag komen. Zoo wordt verhaald, dat het Iersche opperhoofd, Morgan, die een historische
+persoon is, en wiens dood gesteld wordt op het jaar 625 n.C., een weddenschap had aangegaan omtrent de plaats, waar een zekere
+koning, Fothad, was gesneuveld in een slag tegen den mythischen held Finn mac Cumhal, in de derde eeuw. Hij tracht de juistheid
+van zijn bewering te bewijzen door uit de andere wereld den geest op te roepen van Keelta, die de persoon geweest was, die
+Fothad had verslagen, en die nauwkeurig beschrijft, waar het graf kan worden gevonden, en wat in dat graf aanwezig was. Hij
+begint zijn verhaal met aan Morgan te te zeggen &#8220;Wij waren bij u&#8221;, en daarna zich tot de aanwezigen wendend, gaat hij verder:
+&#8220;Wij waren bij Finn, toen wij van Alba kwamen...&#8221; &#8220;Stil&#8221; zegt Morgan, &#8220;het is verkeerd van u, een geheim bekend te maken.&#8221;
+Het geheim is, natuurlijk, dat Morgan een re&iuml;ncarnatie van Finn was.<a id="d0e2317src" href="#d0e2317" class="noteref">31</a> Maar het blijkt <a id="d0e2320"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2320">66</a>]</span>toch, dat de Kelten die leer volstrekt niet op dezelfde wijze opvatten als dit bij Pythagoras en de oostersche volken het
+geval was. De zielsverhuizing was bij hen niet een noodzakelijk iets. Het <i>kon</i> gebeuren, maar in het algemeen gebeurde het niet; het nieuwe lichaam, door de dooden aangenomen, bekleedde hen in een andere
+wereld en niet in deze, en voor zoover wij uit oude mededeelingen kunnen vernemen, schijnt er geen spoor van een gedachte
+aan zedelijke vergelding aan dien vorm van een toekomstig leven verbonden te zijn geweest. Het was niet zoozeer een geloofsartikel
+als een denkbeeld, dat op de verbeelding werkte, en dat, zooals reeds Morgan zeide, niet in het volle licht mocht worden gebracht.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e2326" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p068.jpg" alt="Menschenoffers in Galli&euml;"></p>
+<p class="figureHead">Menschenoffers in Galli&euml;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Hoe dit ook moge worden opgevat, zeker is het, dat het geloof in de onsterfelijkheid de basis was van het Keltische Dru&iuml;disme.<a id="d0e2332src" href="#d0e2332" class="noteref">32</a> Caesar bevestigt dit uitdrukkelijk, en zegt, dat dit leerstuk door de Dru&iuml;den is aangekweekt, meer om hun moed op te wekken
+dan om zuiver politieke redenen. Een krachtig en innig geloof in een andere wereld, zooals dit bij de Kelten gevonden werd,
+is zeker &eacute;&eacute;n der krachtigste middelen in de handen van een priesterkaste, die de sleutels van die wereld in handen heeft.
+En nu is het een feit, dat het Dru&iuml;disme bestond op de Britsche eilanden, in Galli&euml;, en feitelijk, voor zoover wij weten,
+overal waar een Keltisch ras gevonden werd onder een bevolking van dolmenbouwers. Er waren Kelten in het Cisalpijnsche Galli&euml;,
+maar daar waren geen dolmens en evenmin Dru&iuml;den<a id="d0e2362src" href="#d0e2362" class="noteref">33</a>. Wat absoluut vaststaat is, dat toen de Kelten, in westelijk Europa kwamen, zij daar een volk vonden <a id="d0e2370"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2370">67</a>]</span>met een krachtige priesterkaste, godsdienstige ceremoni&euml;n, en indrukwekkende godsdienstige monumenten; een volk gedrenkt in
+magie en mysticisme en den dienst der onderwereld. Als wij de feiten met juistheid inzien, dan schijnt de gevolgtrekking deze
+te zijn, dat het Dru&iuml;disme in zijn voornaamste trekken op de gevoelige en aan verbeeldingskracht zoo rijke natuur der Kelten
+is opgelegd&#8212;de Kelten met hun &#8220;buitengewone geschiktheid&#8221; denkbeelden op te nemen&#8212;door de oudere bevolking van westelijk Europa,
+de megalithische bevolking, terwijl zij in dit opzicht in een zekere door ons niet in bijzonderheden te volgen betrekking
+stonden tot de godsdienstige beschaving van het oude Egypte. Over dit vraagstuk hangt nog veel duisters, en dit zal misschien
+wel altijd het geval blijven, maar als er in die opvatting iets waars is, is de megalithische bevolking eenige stappen verder
+gekomen uit de atmosfeer van geheimzinnigheid, die haar heeft omringd, en blijkt het, dat zij een zeer belangrijke rol heeft
+gespeeld in de godsdienstige ontwikkeling van westelijk Europa, en in het geschikt maken van dat deel der wereld voor de snelle
+uitbreiding van het bijzondere type van Christendom, dat daarin plaats had. Bertrand wijst er in zijn zoo belangrijk hoofdstuk
+&#8220;L&#8217;Irlande Celtique&#8221;<a id="d0e2372src" href="#d0e2372" class="noteref">34</a> op, dat wij zeer snel nadat Ierland tot het Christendom was bekeerd, het geheele land overdekt zien met kloosters, die z&oacute;&oacute;
+volkomen georganiseerd waren, dat alles er op schijnt te wijzen, dat het werkelijk Dru&iuml;dische colleges waren, die <i>en masse</i> van bestemming waren veranderd. Caesar deelt ons mede, wat in Galli&euml; de aard en de inrichting van die colleges was. Zij waren
+zeer talrijk. In weerwil van de ernstige studie en de strenge tucht, die daar werd ge&euml;ischt, stroomden er een aantal mannen
+heen, ter wille van de macht, die door de Dru&iuml;den werd uitgeoefend, en de burgerlijke vrijheden en voorrechten, die hun leden
+van alle <a id="d0e2378"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2378">68</a>]</span>graden daar genoten. Kunsten en wetenschappen werden daar beoefend, en duizenden versregels, waarin de leerstellingen van
+het Dru&iuml;disme waren neergelegd, werden daar uit het hoofd geleerd. Dit heeft veel overeenkomst met wat wij van het Dru&iuml;disme
+in Ierland weten. Een dergelijke organisatie zou met heel weinig moeite kunnen overgaan in het Christendom van het type, zooals
+het in Ierland was gevestigd. Het geloof in magische gebruiken zou blijven overleven&#8212;het oude Iersche Christendom was, zooals
+de talrijke heilige geschriften duidelijk aantoonen, even diep gedrenkt in magische denkbeelden als ooit met het Dru&iuml;dische
+heidendom het geval was geweest. Het geloof in de onsterfelijkheid zou evenals te voren blijven bestaan als het voornaamste
+godsdienstige leerstuk. En bovenal zou de heerschappij der priesterkaste over de wereldlijke macht ongeschonden bewaard blijven,
+nog altijd zou waar zijn wat Dion Chrysostomus van de Dru&iuml;den heeft gezegd, dat zij het zijn, die bevelen, en dat koningen
+op gouden tronen, die in schitterende paleizen wonen, niets anders zijn dan hun zaakgelastigden en de dienaren van hun gedachten<a id="d0e2380src" href="#d0e2380" class="noteref">35</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Caesar over de beschaving der Dru&iuml;den.</h3>
+<p>De godsdienstige, wijsgeerige en wetenschappelijke beschaving, waarover de Dru&iuml;den het toezicht hielden, wordt door Caesar
+met den grootsten eerbied besproken. &#8220;Zij bespreken en behandelen met de jeugd,&#8221; zoo schrijft hij, &#8220;een aantal dingen over
+de sterren en haar bewegingen, over de uitgebreidheid van het heelal en van onze aarde, over den aard der dingen, over de
+macht en de majesteit der onsterfelijke goden&#8221; (VI, 14). Wij zouden er heel wat voor over hebben, als wij eenige bijzonderheden
+konden vernemen over het onderwijs, dat hier wordt beschreven. Maar hoewel de Dru&iuml;den goed op de hoogte waren van de schrijfkunst,
+verboden zij toch uitdrukkelijk hun leerstellingen op schrift te brengen; een bijzonder verstandige maatregel, want niet <a id="d0e2388"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2388">69</a>]</span>alleen omringden zij hun onderwijs met die atmosfeer van geheimzinnigheid, die een zoo machtige bekoring uitoefent over den
+menschelijken geest, maar zij verzekerden er zich van, dat zij nooit krachtig kon worden betwist.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Menschenoffers in Galli&euml;.</h3>
+<p>In eigenaardige tegenspraak echter met de verheven woorden van Caesar staat het afschuwelijke gebruik van het brengen van
+menschenoffers, waarvan hij opmerkte, dat het algemeen onder de Kelten voorkwam. Gevangenen en misdadigers, of, als deze ontbraken,
+zelfs onschuldige slachtoffers, waarschijnlijk kinderen, werden in hoopjes bij elkander opgestapeld in groote gevlochten manden,
+en daarin levend verbrand om de gunst der goden te winnen. De gewoonte, menschenoffers te brengen, is natuurlijk niet uitsluitend
+een Dru&iuml;disch gebruik&#8212;het wordt in alle deelen der Oude en der Nieuwe wereld gevonden op een zeker peil van beschaving, en
+was ongetwijfeld een overblijfsel uit den tijd der megalithische bevolking. Het feit, dat het in Keltische landen moet hebben
+voortgeleefd nadat een overigens tamelijk hooge staat van beschaving en godsdienstige cultuur was bereikt, kan vergeleken
+worden met een dergelijk verschijnsel in Mexico en in Carthago, en moet in al die gevallen ongetwijfeld worden toegeschreven
+aan de onbeperkte overheersching eener priesterkaste.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Menschenoffers in Ierland.</h3>
+<p>Bertrand tracht aan te toonen dat de Dru&iuml;den buiten die practijken stonden, waarvan hij, wat onbegrijpelijk moet geacht worden,
+zegt &#8220;dat er geen spoor&#8221; van in Ierland te ontdekken valt, hoewel daar het Dru&iuml;disme, zooals in andere streken van het Keltische
+gebied, oppermachtig was. Er is echter weinig twijfel aan, dat ook in Ierland menschenoffers in zwang waren. In een zeer oude
+verhandeling, den &#8220;Dinnsenchus<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>, die in het &#8220;Boek van Leinster&#8221; is bewaard gebleven, vindt men, dat in de Moyslaught &#8220;de vlakte der aanbidding&#8221; een groot
+gouden afgodsbeeld stond, Crom Cruach, (de bloedige Halve Maan). Aan dat beeld plachten de <span class="corr" title="Bron: Gali&euml;rs">Galli&euml;rs</span> kinderen te offeren, <a id="d0e2406"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2406">70</a>]</span>als zij om schoon weder en vruchtbaarheid baden&#8212;&#8220;zij vroegen dat beeld om melk en koren in ruil voor hun kinderen&#8212;hoe groot
+was hun ontzetting en hoe luid hun weeklagen!&#8221;<a id="d0e2408src" href="#d0e2408" class="noteref">36</a>
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e2412" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p070.jpg" alt="&#8220;Zij vroegen melk en koren in ruil voor hun Kinderen&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Zij vroegen melk en koren in ruil voor hun Kinderen&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>En in Egypte.</h3>
+<p>In Egypte, waar het nationale karakter zeer optimistisch en gemakzuchtig was, tuk op pretjes en weinig vatbaar voor fanatieke
+opwinding, vinden wij geen berichten omtrent dergelijke plechtigheden op de inscripties en schilderingen op de monumenten,
+hoewel deze ons anders talrijke mededeelingen doen omtrent alle mogelijke verschijnselen van het nationale leven en den godsdienst<a id="d0e2421src" href="#d0e2421" class="noteref">37</a>. Manetho immers, de Egyptische geschiedschrijver, die geschreven heeft in de derde eeuw v.C., deelt ons mede, dat menschenoffers
+waren afgeschaft door Amasis&nbsp;I, in het begin der XVIII<sup>de</sup> Dynastie&#8212;omstreeks 1600 v.C. Maar het volkomen stilzwijgen hierover der andere historische verhalen bewijst ons, dat, zelfs
+als wij Manetho mogen gelooven, het gebruik in historische tijden uiterst zeldzaam moet geweest zijn, en dat men er met tegenzin
+aan herinnerd werd.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De namen van Keltische godheden.</h3>
+<p>Wat waren de namen en de attributen van de Keltische godheden? Hieromtrent verkeeren wij bijna geheel in het duister. De megalithische
+bevolking stelde zich hare godheden niet voor onder een concreten persoonlijken vorm. Steenen, rivieren, putten, boomen, en
+andere natuurlijke voorwerpen waren voor hen de passende symbolen, of waren half symbolen, half verpersoonlijkingen der bovennatuurlijke
+krachten, die zij aanbaden. Maar de verbeeldingrijke geest der Arische Kelten was daarmede niet tevreden. Caesar verhaalt
+ons van het bestaan <a id="d0e2432"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2432">71</a>]</span>van persoonlijke goden met verschillende titels en attributen; hij vergelijkt ze met verschillende gestalten uit het Romeinsche
+Pantheon&#8212;Mercurius, Apollo, Mars en anderen. Lucanus maakt van een drietal godheden melding, Aesus, Teutates en Taranus;<a id="d0e2434src" href="#d0e2434" class="noteref">38</a> en het is de vermelding waard, dat wij bij die namen tegenover een echte Keltische, dat is Arische overlevering staan. Zoo
+wordt Aesus door Belloguet afgeleid van den Arischen wortel <i>as</i>, die &#8220;zijn&#8221; beteekent, en die de Perzen den naam Asura-masda (<i>l&#8217;Esprit Sage</i>), de Umbri&euml;rs den naam Aesun, de Scandinavi&euml;rs den naam Asa (Goddelijk Wezen) leverde. Teutates is afgeleid van een Keltischen
+wortel, die &#8220;dapper&#8221;, &#8220;oorlogszuchtig&#8221; beteekent, en drukt een godheid uit, die met Mars overeenkomt. Taranus (Thor?) is volgens
+de Jubainville de god van den Bliksem (in het Galisch, Cornisch, en Bretonsch is <i>taran</i> het woord voor &#8220;bliksemflits&#8221;). Opschriften met geloften aan die goden zijn in Galli&euml; en Brittanni&euml; gevonden. Andere opschriften
+en beeldhouwwerken leggen er getuigenis van af, dat er in Galli&euml; een groot aantal godheden van minderen rang en ook plaatselijke
+godheden zijn, die meestal voor ons niet meer dan een naam zijn, en zelfs nog niet eens dat. In den vorm, waarin wij die hebben,
+dragen die begrippen de duidelijke sporen van Romeinschen invloed. De beeldhouwwerken zijn ruwe nabootsingen van den Romeinschen
+stijl der godsdienstige kunst. Maar wij vinden daaronder ook figuren van een veel woester en vreemder uiterlijk&#8212;goden met
+driedubbele gezichten, goden met vertakte geweien op hun voorhoofd, slangen met ramskoppen en andere symbolen van den ouderen
+godsdienst, die nu niet meer te begrijpen zijn. Zeer opmerkelijk is het herhaaldelijk voorkomen van de houding van &#8220;Buddha&#8221;
+met gekruiste beenen, die zoo veel voorkomt in de godsdienstige kunst van het oosten en van <a id="d0e2446"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2446">72</a>]</span>Mexico, en daarbij de neiging, die in Egypte zoo goed bekend is, om de goden in drietallen te groepeeren.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Caesar over de Keltische godheden.</h3>
+<p>Caesar, die den Gallischen godsdienst tracht in te passen in de lijst der Romeinsche mythologie&#8212;wat volkomen hetzelfde was
+wat de Galli&euml;rs zelf na de verovering deden&#8212;verhaalt, dat zij Mercurius als den oppersten der goden beschouwden, en in hem
+den uitvinder zagen van alle kunsten, den god van den handel, en den beschermer der wegen en den gids der reizigers. Men mag
+vermoeden, dat hij zoowel voor de Galli&euml;rs als voor de Romeinen in het bijzonder de gids was der dooden, der reizigers naar
+de andere wereld. Een aantal bronzen standbeelden van Mercurius, van Gallischen oorsprong, zijn nog steeds in wezen; de Galli&euml;rs
+hebben dien naam overgenomen, zooals blijkt uit een aantal plaatsnamen, aan hem ontleend<a id="d0e2453src" href="#d0e2453" class="noteref">39</a>. Apollo werd beschouwd als de godheid der geneesmiddelen en der geneeskunde, Minerva was de leermeesteres van kunsten en
+ambachten, Jupiter heerschte over de lucht en Mars had het bestuur van den oorlog. Caesar rangschikt hier ongetwijfeld onder
+vijf typen en onder Romeinsche namen een groot aantal Gallische godheden.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De god der benedenwereld.</h3>
+<p>Volgens Caesar was (naar de Romeinsche benaming) een zeer op den voorgrond tredende godheid der Galli&euml;rs Dis of Pluto, de
+god der benedenwereld, die door de dooden werd bewoond. Alle Galli&euml;rs maken er aanspraak op, dat zij van hem zijn afgestamd,
+en op dien grond begonnen zij, zooals Caesar verhaalt, de vier en twintig uur van den dag te rekenen van het aanbreken van
+den avond af<a id="d0e2461src" href="#d0e2461" class="noteref">40</a>. De naam van die godheid is niet bekend. d&#8217;Arbois de Jubainville is van meening, dat hij te zamen &AElig;sus, Teutates, Taranus,
+en in de Iersche <a id="d0e2479"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2479">73</a>]</span>mythologie, Balor en de Fomori&euml;rs, de machten van de duisternis, den dood en het kwaad voorstelt, en de Keltische mythologie
+wordt dus verklaard als een gewijzigde vorm der overal voorkomende zonnemythe, die de opvatting belichaamt van den eeuwigen
+strijd tusschen dag en nacht.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De God van het licht.</h3>
+<p>De god van het Licht komt in Galli&euml; en in Ierland voor als Lugh, of Lugus, die zijn sporen heeft achtergelaten in een aantal
+plaatsnamen, zooals <i>Lug-dunum</i> (Leiden), Lyon, enz. Lugh komt in de Iersche legenden voor met duidelijk te onderscheiden zonneattributen. Als hij zijn leger
+aantreft v&oacute;&oacute;r den grooten strijd tegen de Fomori&euml;rs, krijgen zij, zoo zegt de sage, een gevoel, alsof zij het opkomen van
+de zon waarnemen. Maar toch is hij eveneens, zooals wij zullen zien, een god der onderwereld, die van moederszijde (Ethlinn,
+de dochter van Balor) tot de machten der Duisternis behoort.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Keltische opvatting van den dood.</h3>
+<p>Het is een feit, dat de Keltische opvatting omtrent het rijk van den dood in ieder opzicht afweek van die der Grieken en Romeinen,
+en, zooals wij reeds bespraken, overeenkomst had met die van den Egyptischen godsdienst. De andere wereld was geen plaats
+van somberheid en van lijden, maar van licht en van bevrijding. De Zon was evenzeer de godheid van die wereld als van deze.
+Er waren daar ongetwijfeld ellende, pijn en somberheid, en ook is het zeker, dat die beginselen door de Iersche Kelten belichaamd
+waren in hun mythen van Balor en de Fomori&euml;rs, waarover wij zoo aanstonds zullen hooren; maar dat zij in het bijzonder verbonden
+waren met het denkbeeld van den dood, is naar mijn meening, een onjuiste onderstelling die berust op misleidende vergelijkingen
+met de denkbeelden der classieke volken. In dit opzicht hebben de Kelten eer Noord-Afrikaansche of ook Aziatische opvattingen
+gevolgd, dan die van de Ari&euml;rs uit Europa. Alleen als wij er ons voldoende rekenschap van geven, dat de Kelten, zooals wij
+die in de geschiedenis kennen, van het instorten der Middel-Europeesche <a id="d0e2494"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2494">74</a>]</span>Keltische opperheerschappij af een merkwaardige vermenging vertoonden van Arische met niet-Arische karaktertrekken, zullen
+wij tot een juist begrip komen van wat zij tot de geschiedenis van Europa hebben bijgedragen en van den invloed, dien zij
+op de Europeesche cultuur hebben uitgeoefend.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De vijf factoren bij de oude Keltische beschaving.</h3>
+<p>Resumeeren wij nu de gevolgtrekkingen, waarop wij gewezen hebben, dan kunnen wij, naar wij meenen, vijf verschillende factoren
+onderscheiden, die ingewerkt hebben op de godsdienstige cultuur der Keltische landen, zooals wij die waarnemen v&oacute;&oacute;r de inwerking
+van den invloed der classieke volken en van het Christendom. In de eerste plaats hebben wij een aantal populaire vormen van
+bijgeloof en magische gebruiken voor ons, met inbegrip van menschenoffers. Deze waren meer of minder gewijzigd naar gelang
+van de plaats, daar zij nauw in verband stonden met locale trekken en eigenschappen, die beschouwd werden als de belichaming
+of de dragers van goddelijke of duivelsche macht. Ten tweede bestond er zeker een wel doordachte en wijsgeerige geloofsleer,
+die tot middelpunt van aanbidding de Zon had, als het zinnebeeld der goddelijke macht en bestendigheid, en tot middelpunt
+van leerstelling de onsterfelijkheid der ziel. Ten derde had men de vereering van gepersonifieerde godheden, &AElig;sus, Teutates,
+Lugh en anderen, die men zich dacht als vertegenwoordigers van natuurkrachten of als bewakers der maatschappelijke wetten.
+Ten vierde stonden de Romeinen zeer onder den indruk van het feit, dat er onder de Dru&iuml;den een geheel van leerstellingen van
+schijnbaar wetenschappelijken aard bestond over natuurverschijnselen en den bouw van het heelal, van welke leerstellingen
+wij in bijzonderheden feitelijk ongelukkiger wijze niets weten. En ten slotte hebben wij onze aandacht te vestigen op de ontzaglijke
+beteekenis van een priesterorganisatie, die het geheele stelsel van godsdienstige en wereldlijke kennis en litteratuur in
+handen had<a id="d0e2501src" href="#d0e2501" class="noteref">41</a>, die met zorg die wetenschap beperkte <a id="d0e2507"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2507">75</a>]</span>tot een bevoorrechte kaste, en die ten gevolge van zijn verstandelijk overwicht en van de atmosfeer van godsdienstig ontzag,
+waarmede zij was omgeven, de hoogste macht op maatschappelijk, staatkundig en godsdienstig gebied werd in ieder Keltisch land.
+Wij hebben van die elementen als van verschillende zaken gewag gemaakt, en wij kunnen ze dan ook inderdaad in gedachten van
+elkander onderscheiden, maar in de practijk waren zij op niet te ontwarren wijze samengeweven, en de organisatie der Dru&iuml;den
+doortrok en regelde alles. Kunnen wij nu, zoo vragen wij, daaronder onderscheiden wat van Keltischen, en wat van prae-Keltischen
+en waarschijnlijk niet-Arischen oorsprong is? Dit is een lastiger taak; toch meenen wij, lettende op alle analogie&euml;n en waarschijnlijkheden,
+dat wij niet ver van de waarheid afzijn, indien wij aan de megalithische bevolking de eigenaardige leerstellingen, de godsdienstige
+gebruiken en de priesterorganisatie van het Dru&iuml;dendom toeschrijven, en aan het Keltische element de gepersonifieerde godheden,
+met den dorst naar wetenschap en bespiegeling; terwijl het bijgeloof der groote menigte niets anders was dan de plaatselijke
+vorm, die aangenomen was als gevolg van opvattingen, die even ruim verspreid waren als het menschelijke ras.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Kelten uit onzen tijd.</h3>
+<p>Met het oog op het onloochenbaar gemengde karakter der volken, die in onze dagen &#8220;Keltisch&#8221; genoemd worden, heeft men dikwijls
+beweerd, dat die uitdrukking niet in werkelijk verband staat met eenig ethnologisch feit. De Kelten, die met Caesar in Galli&euml;
+en in Ierland met de Engelschen streden, bestaan, zoo zegt men, niet meer&#8212;zij zijn op duizenden slagvelden gesneuveld van
+Alesia tot aan de Boyne, en een oudere rassenlaag is in hun plaats naar de oppervlakte gekomen. Volgens die opvatting kunnen
+de echte Kelten alleen teruggevonden worden in de groote, rossige Hooglanders van Perthshire en het noordwesten van Schotland,
+en in enkele families van het vroeger heerschende ras, die nog in Ierland <a id="d0e2514"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2514">76</a>]</span>en in Wales zijn overgebleven. Naar onze meening moet worden toegegeven, dat in al die opvattingen heel wat waarheid steekt.
+Toch moet niet worden vergeten, dat de afstammelingen der megalithische bevolking in onzen tijd, wat hun physieke eigenschappen
+betreft, diep gedrenkt zijn met Keltisch bloed, en wat hun geestelijke eigenschappen betreft met Keltische overleveringen
+en idealen. En evenmin moet men, bij het bespreken van die vraagstukken omtrent den aard van het ras en den oorsprong daarvan,
+ooit beweren, dat het karakter van een volk kan worden ontleed, zooals men een scheikundige verbinding ontleedt, waarbij men
+eens vooral de samenstellende deelen vaststelt en hun toekomstig gedrag en lot bepaalt. Raseigenschappen, hoe machtig en bestendig
+die mogen zijn, zijn geen dood iets, in een ijzeren vorm gegoten, en daardoor ongeschikt voor verandering en groei. Zij zijn
+een deel van de levende krachten der wereld; zij zijn vervormbaar en levensvatbaar; zij hebben verborgen mogelijkheden met
+een rijkdom van oorzaken, zooals een gelukkige kruising met een afwijkenden, maar ook weer niet te zeer afwijkenden stam,
+of&#8212;om een ander gebied te betreden&#8212;zooals het aannemen van een nieuw godsdienstig of maatschappelijk ideaal die op ieder oogenblik
+kan openen en in werking kan brengen.
+
+</p>
+<p>Van &eacute;&eacute;n zaak zijn wij persoonlijk overtuigd&#8212;en wel dat aan het vraagstuk van de ethische, maatschappelijke en geestelijke
+ontwikkeling van het volk, dat men den &#8220;Keltischen zoom&#8221; in Europa zou kunnen noemen moet gewerkt worden langs Keltische lijnen;
+door het in stand houden der Keltische overlevering, de Keltische litteratuur, de Keltische taal&#8212;in &eacute;&eacute;n woord, de aanmoediging
+van al die Keltische eigenaardigheden, waarvan dat gemengde ras nu de eenige bewuste erfgenaam en bewaker is. Daaraan zal
+het ras gehoor geven, daardoor zal het diep bewogen worden; en de oogst heeft nooit iemand in den steek gelaten, die met moed
+en geloovig vertrouwen den ploeg door dit rijke veld heeft getrokken. Aan den anderen kant moet dit werk, zal het met vrucht
+verricht worden, niet in een pedanten, kleingeestigen, onverdraagzamen <a id="d0e2518"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2518">77</a>]</span>geest geschieden; men moet zich niet angstvallig vastklampen aan de uitwendige vormen van het verledene, eenvoudig omdat de
+Keltische geest daarin eertijds uiting heeft gevonden. Laat men in het oog houden, dat in het begin der Middeleeuwen Kelten
+uit Ierland de meest bekende ontdekkingsreizigers waren, de meest bekende baanbrekers op het gebied van godsdienst, wetenschap
+en bespiegelende gedachten in Europa<a id="d0e2520src" href="#d0e2520" class="noteref">42</a>. Moderne onderzoekers hebben hun lichtende voetsporen getrokken over de helft van het heidensche vasteland, en de Iersche
+scholen waren overstroomd met leerlingen, die nergens anders de gelegenheid hadden onderwezen te worden. Toen speelde de Keltische
+geest zijn ware rol in het werelddrama, en nooit heeft hij een grootere rol gespeeld. Wat die mannen ons hebben nagelaten,
+moet in eere gehouden worden, maar niet als een in een museum opgeborgen merkwaardigheid; niets zou meer in strijd zijn met
+hun vrijen, vermetelen, avontuurlijken geest dan het erfdeel te laten versteenen in de handen van hen, die aanspraak maken
+op de erfenis van hun naam en hun faam.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De mythische literatuur.</h3>
+<p>Na de schets, in dit en in het voorafgaande hoofdstuk gegeven van de oudste geschiedenis der Kelten en van de krachten, die
+haar hebben gevormd, zullen wij nu overgaan tot het bespreken van de mythen- en legendenlitteratuur, waarin hun geest zoo
+echt mogelijk leeft en schittert. Wij zullen hier alle litteratuur, die niet speciaal Keltisch is, buiten beschouwing laten.
+Wij hebben ons hier niet bezig te houden met al datgene, wat door andere volken is voortgebracht&#8212;zooals in de Arthurlegende&#8212;op
+het gebied van mythen en vertellingen. Niemand kan meer zeggen, hoeveel Keltisch daarin is, en hoeveel <a id="d0e2531"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2531">78</a>]</span>niet. En in dergelijke zaken is het meestal de definitieve inkleeding, die werkelijk van belang en van waarde is. Wat wij
+dus geven, wordt gegeven zonder toevoegingen of omwerkingen. Natuurlijk moeten verhalen dikwijls verkort worden, maar er zal
+niets in zijn, dat niet onmiddellijk uit den Keltischen geest is voortgekomen, en dat niet thans nog in de &eacute;&eacute;n of andere verscheidenheid
+der Keltische taal, zij het Galisch of Cymrisch, bestaat.
+
+
+<a id="d0e2533"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2533">79</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1776" href="#d0e1776src" class="noteref">1</a></span> Van het Grieksche <i>megas</i>, groot, en <i>lithos</i>, steen.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1810" href="#d0e1810src" class="noteref">2</a></span> Zie Borlase, &#8220;Dolmens van Ierland,&#8221; blz. 605, 606, waar dit onderwerp wordt besproken.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1825" href="#d0e1825src" class="noteref">3</a></span> Professor Ridgeway (zie Verslagen der Brit. Assoc. van 1908) heeft beweerd, dat de megalithische bevolking een Arische taal
+sprak; anders zouden, zoo meende hij, meer sporen van haar invloed overgebleven zijn in het Keltisch, dat daarvoor in de plaats
+is gekomen. Zoowel het gezag der grootste geleerden als de directe bewijzen, die wij bezitten, schijnen tegen die opvatting
+te pleiten.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1842" href="#d0e1842src" class="noteref">4</a></span> Zie Holder, &#8220;Altceltischer Sprachschatz&#8221; sub voce &#8220;Hyperboreoi.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1874" href="#d0e1874src" class="noteref">5</a></span> Men lette op het Grieksche woord <i>pharmakon</i> = geneesmiddel, vergif, toovermiddel; naar men mij mededeelt, is in Centraal Afrika het woord voor toovermiddel <i>mankwala</i>, wat ook geneesmiddel beteekent.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1892" href="#d0e1892src" class="noteref">6</a></span> Indien Plinius bedoeld heeft, dat het daar het eerst werd vastgelegd en geregeld, kan hij wel gelijk hebben gehad, maar de
+opvattingen, waarop de toovenarij berusten, zijn in haar wezen over de geheele aarde verspreid en onheugelijk oud.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1898" href="#d0e1898src" class="noteref">7</a></span> Ingevoerd in het jaar 451 v.C. Livius noemt ze &#8220;de bron van alle publieke en private recht.&#8221; Zij stonden op het forum tot
+aan de derde eeuw n.C., maar zij zijn nu verloren, behalve enkele fragmenten, die in verschillende commentaren zijn bewaard
+gebleven.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1917" href="#d0e1917src" class="noteref">8</a></span> Zie &#8220;Revue Arch&eacute;ologique&#8221;, Deel XII, 1865, &#8220;Fouilles de Ren&eacute; Galles.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1922" href="#d0e1922src" class="noteref">9</a></span> Jadiet wordt niet in Europa, ten minste niet in den natuurstaat, gevonden; het dichtst bij vindt men het in China.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1976" href="#d0e1976src" class="noteref">10</a></span> Kleine steenen, kristallen en edelgesteenten werden echter ook vereerd. De beroemde groote steen van Pergamos was het doel
+van een gezantschap uit Rome naar die stad gezonden ten tijde van den Tweeden Punischen oorlog, daar de Sibyllijnsche boeken
+de overwinning voorspelden aan de bezitters van dien steen. Hij werd onder groot vreugdebetoon in het jaar 205 naar Rome gebracht.
+Men zegt, dat hij ongeveer de grootte had van een mansvuist, en hij was waarschijnlijk een meteoorsteen. Men vergelijke hiermede
+de mythe bij Hesiodus, die verhaalt, hoe Kronos een steen verslond in de meening, dat deze zijn zoon Zeus was. Het was toen
+mogelijk, een steen voor een godheid aan te zien.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2006" href="#d0e2006src" class="noteref">11</a></span> Zie &#8220;Archa&iuml;sch beeldhouwwerk&#8221;, 1867 van Sir J. Simpson.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2023" href="#d0e2023src" class="noteref">12</a></span> Dit feit wordt vermeld in de &#8220;Annalen der Vier Meesters&#8221; onder het jaar 861 en in de &#8220;Annalen van Ulster&#8221;, onder het jaar
+862.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2028" href="#d0e2028src" class="noteref">13</a></span> Zie &#8220;Handelingen van de Koninklijke Iersche Academie,&#8221; Deel XXX, Afdeeling I, 1892, en &#8220;New Grange,&#8221; door G. Coffey, 1912.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2055" href="#d0e2055src" class="noteref">14</a></span> Men moet echter in het oog houden, dat de versiering, zeker in sommige, en misschien in alle gevallen, was aangebracht voordat
+de steenen in den juisten stand waren geplaatst. Dit is eveneens het geval te Gavr&#8217;inis.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2058" href="#d0e2058src" class="noteref">15</a></span> Hij heeft die opvatting gewijzigd in zijn laatste werk, &#8220;New Grange,&#8221; 1912.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2087" href="#d0e2087src" class="noteref">16</a></span> &#8220;Verhandelingen der Koninklijke Iersche Academie,&#8221; Deel VIII, 1863, <span class="corr" title="Bron: bl">blz</span>. 400 en G. Coffey, aangehaald werk blz. 30.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2093" href="#d0e2093src" class="noteref">17</a></span> &#8220;Les Sculptures de Rochers de la Su&egrave;de,&#8221; voorlezing gehouden op het Praehistorisch Congres, Stockholm, 1874; zie ook G. Coffey,
+aangehaald werk, blz. 60.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2185" href="#d0e2185src" class="noteref">18</a></span> &#8220;Dolmens van Ierland&#8221;, blz. 701&#8211;704.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2195" href="#d0e2195src" class="noteref">19</a></span> &#8220;De Godsdienst van Babyloni&euml; en Assyri&euml;.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2208" href="#d0e2208src" class="noteref">20</a></span> Een goed voorbeeld uit Amaravati (naar Fergusson) vindt men bij Bertrand, &#8220;La Religion des Gaulois&#8221;, blz. 389.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2211" href="#d0e2211src" class="noteref">21</a></span> Sergi &#8220;Het Ras aan de Middellandsche Zee,&#8221; blz. 313.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2214" href="#d0e2214src" class="noteref">22</a></span> Te L&ouml;keberget, Bohusl&auml;n; zie Montelius in zijn aangehaald werk.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2219" href="#d0e2219src" class="noteref">23</a></span> Zie Lord Kingsborough &#8220;Oudheden van Mexico&#8221; op verschillende plaatsen, en het Humboldt-fragment van Mexicaansch schilderwerk
+(weergegeven in Churchwards &#8220;Teekenen en Symbolen van den <span class="corr" title="Bron: Oorspronkelen">Oorspronkelijken</span> Mensen&#8221;).
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2247" href="#d0e2247src" class="noteref">24</a></span> Zie Sergi, in zijn bovengenoemd werk, blz. 290, over den Ankh op een Franschen dolmen.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2250" href="#d0e2250src" class="noteref">25</a></span> &#8220;Bulletin de la Soci&eacute;t&eacute; d&#8217;Anthropologie,&#8221; Paris, April 1893.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2260" href="#d0e2260src" class="noteref">26</a></span> &#8220;De bevolking van Wales&#8221;, blz. 616&#8211;664, waar het onderwerp volledig besproken wordt in een aanhangsel door Professor J. Morris
+Jones. &#8220;De prae-Arische taaleigens, die nog bestaan in de talen van Wales en Ierland, waren afgeleid uit een taal, die nauw
+verwant was met talen van Egypte en van de Berbers.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2268" href="#d0e2268src" class="noteref">27</a></span> Flinders Petrie, &#8220;Egypte en Isra&euml;l<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>, blz. 137, 899.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2280" href="#d0e2280src" class="noteref">28</a></span> Homerus, Odyssee XXIV, 1&#8211;11.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2304" href="#d0e2304src" class="noteref">29</a></span> Valerius Maximus (omstreeks 30 n.C.) en andere schrijvers maken melding van dit gebruik.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2309" href="#d0e2309src" class="noteref">30</a></span> Boek V.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2317" href="#d0e2317src" class="noteref">31</a></span> De Jubainville, &#8220;Iersche Mythologische Cyclus&#8221; blz. 191 env.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2332" href="#d0e2332src" class="noteref">32</a></span> De etymologie van het woord Dru&iuml;de is niet langer een onopgelost raadsel. Het vermoeden is uitgesproken, dat het laatste gedeelte
+van het woord in verband stond met den Arischen wortel VID, die ook voorkomt in &#8220;wijsheid&#8221;, in het Latijnsche <i>videre</i>, enz. Thurneysen heeft aangetoond, dat die wortel in verband met het versterkende woordje <i>dru</i> het woord <i>dru-vids</i> vormt, dat in het <span class="corr" title="Bron: Galisch">Gallisch</span> wordt voorgesteld door <i>draoi</i>, een Dru&iuml;de, evenals een ander versterkend woordje, <i>su</i>, met <i>vids</i> het <span class="corr" title="Bron: Galisch">Gallisch</span> <i>saoi</i>, een wijze (sage) vormt.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2362" href="#d0e2362src" class="noteref">33</a></span> Zie Rice Holmes &#8220;De Verovering van Caesar&#8221;, blz. 15 en blz. 532&#8211;536. Wij merken hier op, dat Rhys van meening is, dat het
+Dru&iuml;disme de godsdienst was van de oorspronkelijke bewoners van Westelijk Europa, van de Oostzee tot aan Gibraltar (<span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>Keltisch Brittanni&euml;&#8221; blz. 73). Maar <a id="d0e2367"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2367">67n</a>]</span>zekerheid hebben wij eerst, waar Kelten en dolmenbouwers vereenigd waren. Caesar merkt omtrent de Germanen op, dat zij geen
+Dru&iuml;den hadden en weinig gewicht hechtten aan offerplechtigheden.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2372" href="#d0e2372src" class="noteref">34</a></span> &#8220;La Religion des Gaulois,&#8221; le&ccedil;on XX.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2380" href="#d0e2380src" class="noteref">35</a></span> Ontleend aan Bertrand, aangehaald werk, blz. 279.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2408" href="#d0e2408src" class="noteref">36</a></span> &#8220;De Iersche Mythologische Cyclus,&#8221; door d&#8217;Arbois de Jubainville, blz. 61. De genoemde &#8220;Dinnsenchus&#8221; is een oud Christelijk
+document. Geen spoor van een wezen als Crom Cruach is tot nu toe gevonden in de heidensche letterkunde van Ierland, noch in
+de geschriften van St. Patrick, en wij gelooven dan ook, dat zelfs in den tijd van St. Patrick menschenoffers nog alleen slechts
+in de herinnering bestonden.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2421" href="#d0e2421src" class="noteref">37</a></span> Een voorstelling van een menschenoffer is echter voor eenige jaren ontdekt in een tempel der Zon in de Ethiopische hoofdstad,
+Mero&euml;.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2434" href="#d0e2434src" class="noteref">38</a></span> &#8220;Gij (Kelten), die door het vergieten van wreed bloed den onmeedoogenden Teutates, den afgrijselijken &AElig;sus met zijn barbaarsche
+altaren en Taranus, wiens eeredienst niet zachtzinniger is dan die van de Scythische Diana, (aan wie krijgsgevangenen werden
+geofferd), meent te verzoenen.&#8221; (Lucanus, &#8220;Pharsalia&#8221; I, 444). Een altaar, aan &AElig;sus gewijd, is te Parijs ontdekt.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2453" href="#d0e2453src" class="noteref">39</a></span> Mont Mercure, Mercoeur, Mercoirey, Montmartre (Mons Mercurii), enz.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2461" href="#d0e2461src" class="noteref">40</a></span> Tot nog op dezen tijd gebruikt de landbouwende bevolking in vele streken van Frankrijk uitdrukkingen als <i>annuit</i>, <i>o&#8217;n&eacute;</i>, <i>anneue</i> enz., die alle &#8220;van avond&#8221; beteekenen, in plaats van <i>aujourd&#8217;hui</i> (Bertrand, La Religion des Gaules, blz. 356).
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2501" href="#d0e2501src" class="noteref">41</a></span> De <i>fili</i>, of beroepsdichters, waren, zooals wij uitdrukkelijk vermelden, een onderdeel van de kaste der Dru&iuml;den.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2520" href="#d0e2520src" class="noteref">42</a></span> Bij voorbeeld, Pelagius in de vijfde eeuw, Columba, Columbanus en St. Gallus in de zesde eeuw; Fridolijn, <i>Viator</i> &#8220;de Reiziger&#8221; genoemd, en Fursa in de zevende eeuw; Virgilius (Feargal) van Salzburg, die zich te Rome moest verantwoorden,
+omdat hij de bolvormige gedaante der aarde leeraarde, in de achtste eeuw; Dicuil &#8220;de Aardrijkskundige,&#8221; en Johannes Scotus
+Erigena&#8212;de grootmeester van den geest in zijn tijd&#8212;in de negende eeuw.
+</p>
+</div>
+<p class="div1"><a id="d0e2534"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e166">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk III. De Mythen omtrent de invallen in Ierland.</h2>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het ontstaan der wereld volgens de Kelten.</h3>
+<p>Was er onder de geheime leerstellingen omtrent den &#8220;aard der dingen&#8221;, die, zooals Caesar ons mededeelt, nooit door de Dru&iuml;den
+zijn geboekstaafd, iets dat herinnerde aan een cosmogonie, eenige mededeeling omtrent het ontstaan van de wereld en den mensch?
+Zeker was dit het geval. Het zou immers werkelijk vreemd zijn, als de Kelten het eenige ras zouden geweest zijn, dat geen
+mythen had, die op dit onderwerp betrekking hadden. Het schouwspel van het heelal met al zijn groote en geheimzinnige verschijnselen
+in den hemel en op aarde heeft eerst op de verbeeldingskracht gewerkt, en daarna tot bespiegelende beschouwingen geleid bij
+elk volk, dat voor die dingen vatbaarheid heeft. De Kelten bezaten nu beide eigenschappen in de hoogste mate, en toch weten
+wij, behalve in &eacute;&eacute;n zinsnede omtrent de &#8220;onvernietigbaarheid&#8221; der wereld, door Strabo tot ons gekomen, niets omtrent hun oudste
+voorstellingen of bespiegelingen over dit onderwerp. Ierland bezit een uitgebreide litteratuur op het gebied van legenden.
+Dat alles nam eerst in Christelijke tijden zijn tegenwoordigen vorm aan; toch is er z&oacute;&oacute;veel, dat in wezen heidensch is, daarin
+overgebleven, dat het vreemd zou zijn als Christelijke invloeden geleid hadden tot de uitroeiing van alles in die oude teksten,
+dat wees op een niet-Christelijke opvatting omtrent den oorsprong der dingen&#8212;indien Christelijke uitgevers en verspreiders
+ons zelfs niet het geringste schijnsel hadden gegeven van zulk een opvatting. En toch is het werkelijk het geval, dat zij
+ons dit niet geven; er is niets in de oudste legendarische letterkunde der Iersche Gali&euml;rs, wat de oudste Keltische letterkunde
+is, die nog bestaat, dat overeenkomt met de Babylonische mythe omtrent de verovering van den Chaos, van de woeste Noorsche
+mythe omtrent de schepping van Midgard uit het lichaam van Ymir, of de Egyptische mythen der schepping uit het oorspronkelijke
+Water door Thoth, het woord Gods, of zelfs de oorspronkelijke <a id="d0e2542"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2542">80</a>]</span>folklore opvattingen, die bij bijna iederen wilden volksstam gevonden worden. Het is onmogelijk er aan te twijfelen, dat de
+Dru&iuml;den de &eacute;&eacute;n of andere leerstelling over dit onderwerp hadden. Maar door die met de meeste vastberadenheid verborgen te
+houden voor de niet-ingewijden en alle leekenbespiegeling over dat onderwerp te beletten, schijnt het, dat zij het mythenmakende
+instinct onder de groote menigte ten opzichte der cosmogonie hebben verstikt, en er voor hebben gezorgd, dat als hun eigen
+kaste te gronde ging, hun leerstellingen, wat die ook waren, met hen zouden te gronde gaan.
+
+</p>
+<p>Wij vinden dan ook in de oudste Iersche verhalen omtrent het begin der dingen, dat de vertellers niet met de Wereld beginnen,
+maar met hun eigen land, Ierland. Het was wel is waar de gewoonte, aan die verhalen der oudste invallen en kolonisaties het
+verhaal uit den Bijbel te doen voorafgaan omtrent de schepping van de wereld en van den mensch, en dit bewijst, dat men voelde,
+dat iets van dien aard werd verlangd; maar wij weten volstrekt niet, wat v&oacute;&oacute;r de dagen van het Christendom de plaats van het
+Bijbelsche verhaal innam, en het is te betreuren, dat wij waarschijnlijk daaromtrent nooit iets zullen te weten komen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De verschillende cyclen van Iersche legenden.</h3>
+<p>De Iersche litteratuur op het gebied van mythen en legenden, zooals die in den oudsten vorm tot ons is overgebracht, valt,
+naar men mag aannemen, in vier afdeelingen, en daaraan zullen wij in onze bespreking in dit werk vasthouden. In chronologische
+volgorde zijn het de mythologische cyclus, of die der invallen, de Ulster- of Conorische Cyclus, de Ossian- of Feniancyclus,
+en een aantal gemengde verhalen en legenden, die moeilijk in een historisch lijstwerk kunnen ingevoegd worden.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De mythologische cyclus.</h3>
+<p>De mythologische cyclus omvat de volgende afdeelingen:
+
+
+</p>
+<ul>
+<li>1. De komst van Portholan in Ierland.
+
+</li>
+<li>2. De komst van Nemed in Ierland.
+<a id="d0e2561"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2561">81</a>]</span></li>
+<li>3. De komst der Firbolgs in Ierland.
+
+</li>
+<li>4. De inval der <i>Tuatha De Danann</i>, of Volk van den god Dana.
+
+</li>
+<li>5. De inval der Milesi&euml;rs (Zonen van Miled) uit Spanje, en hun verovering van het Volk van Dana.</li>
+</ul><p>
+
+
+</p>
+<p>Met de Milesi&euml;rs beginnen wij te naderen tot iets, dat op geschiedenis gelijkt&#8212;zij vertegenwoordigen in de Iersche legenden
+het Keltische ras; en men neemt aan, dat de heerschende Iersche families van hen afstammen. Het Volk van Dana zijn blijkbaar
+goden. De kolonisten of overweldigers uit den prae-Dana&iuml;schen tijd zijn kolossale, spookachtige figuren, die slechts flauw
+voor den dag komen door de nevelen der overlevering, en die weinig duidelijke karaktertrekken hebben. De verhalen, die omtrent
+hen worden gedaan, zijn talrijk en tegenstrijdig, en uit deze kunnen wij hier alleen de oudste verhalen mededeelen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De komst van Partholan.</h3>
+<p>De Kelten geloofden, zooals Caesar ons heeft medegedeeld, dat zij waren afgestamd van den god der onderwereld, den god der
+dooden. Men verhaalt, dat Partholan in Ierland gekomen was uit het westen, waar aan de overzijde van den uitgestrekten, nooit
+bevaren Atlantischen Oceaan, het Iersche Tooverland, het land der levenden&#8212;dat is het land der gelukzalige dooden&#8212;gelegen
+was. De naam van zijn vader was Sera (het westen?). Hij kwam met zijn koninklijke gade Dalny<a id="d0e2579src" href="#d0e2579" class="noteref">1</a> en een aantal makkers van beide geslachten. Ierland was&#8212;en dit is een aan de verbeelding ontleende trek, die ten doel heeft
+een denkbeeld te geven van de ontzaglijke oudheid&#8212;in die dagen uit een natuurkundig oogpunt een geheel ander land dan tegenwoordig.
+Er waren toen slechts drie meren in Ierland, negen rivieren en slechts &eacute;&eacute;n vlakte. Langzamerhand kwamen er andere bij tijdens
+de regeering der dynastie van Partholan. Volgens de verhalen was &eacute;&eacute;n meer, <a id="d0e2582"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2582">82</a>]</span>en wel het Rurymeer, opengebarsten, toen een graf werd gedolven voor Rury, den zoon van Partholan.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Fomori&euml;rs.</h3>
+<p>De mannen van Partholan hadden, zoo loopt het verhaal, te strijden tegen een vreemd ras, de Fomori&euml;rs genaamd, waarvan wij
+in latere gedeelten van dit werk veel zullen hooren. Zij waren een kolossaal, wanstaltig, heftig en wreed volk, dat naar wij
+mogen aannemen, de machten van het kwaad vertegenwoordigde. E&eacute;n van hen had den bijnaam van <i>Cenchos</i>, wat De Voetlooze beteekent, en schijnt dus verwant te zijn aan Vitra, den god van het kwaad in de Veda mythologie, welke
+godheid noch voeten noch handen had. Partholan vocht met een aantal van die demons om de heerschappij over Ierland, en joeg
+ze naar de noordelijke ze&euml;en, vanwaar zij van tijd tot tijd het land onder zijn latere heerschers verontrustten en plunderden.
+
+</p>
+<p>Het ras van Partholan werd ten slotte door de pest aangetast, en nadat zij zich verzameld hadden op de Oude Vlakte (Senmag)
+om hun dooden te kunnen begraven, kwamen zij daar allen om; en weer lag Ierland ledig, om later weer opnieuw te worden bezet.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De legende van Tuan mac Carell.</h3>
+<p>Wie vertelde dan het verhaal? Dit leidt ons er toe, melding te maken van een merkwaardige en belangwekkende legende&#8212;&eacute;&eacute;n der
+vele legendarische mededeelingen, waarin die verhalen uit de mythische periode tot ons zijn gekomen. Deze wordt gevonden in
+het zoogenaamde &#8220;Boek der Dun Koe&#8221;, een manuscript van omstreeks het jaar 1100 na Christus en dat tot titel draagt &#8220;De Legende
+van Tuan mac Carell&#8221;.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e2600" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p082.jpg" alt="St. Finnen en de Heidensche Aanvoerder"></p>
+<p class="figureHead">St. Finnen en de Heidensche Aanvoerder</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>St. Finnen, een Iersche abt uit de zesde eeuw had, naar verhaald wordt, gastvrijheid gezocht bij een opperhoofd, Tuan mac
+Carell genoemd, die niet ver van het klooster van Fin te Moville, (Graafschap Donegal) woonde. Tuan weigerde hem den toegang.
+De heilige ging op den drempel van het huis <a id="d0e2606"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2606">83</a>]</span>van het opperhoofd zitten, en vastte den geheelen Zondag<a id="d0e2608src" href="#d0e2608" class="noteref">2</a>, waarop de norsche heidensche krijgsman de deur voor hem opende. Tusschen hen ontstonden vriendschapsbetrekkingen, en de
+heilige keerde naar zijn monniken terug.
+
+</p>
+<p>&#8220;Tuan is een uitnemend man,&#8221; zoo sprak hij tot hen; &#8220;hij zal bij u komen en u verkwikken, door u de oude vertelsels van Ierland
+te herhalen&#8221;<a id="d0e2613src" href="#d0e2613" class="noteref">3</a>.
+
+</p>
+<p>Die menschelijke belangstelling in de oude mythen en legenden van het land, is, naar hier moge worden opgemerkt, een even
+standvastige als aangename trek in de litteratuur der oudste Iersche Christenheid.
+
+</p>
+<p>Tuan kwam kort daarna bij den heilige, om hem een tegenbezoek te brengen, en noodigde dezen en zijn leerlingen uit, hem in
+zijn kasteel te komen bezoeken. Zij vroegen hem naar zijn naam en afkomst, en hij gaf een wonderbaarlijk antwoord. &#8220;Ik ben
+een man uit Ulster&#8221;, zeide hij. &#8220;Mijn naam is Tuan, zoon van Carell. Maar vroeger heette ik Tuan, zoon van Starn, zoon van
+Sera, en mijn vader, Starn, was de broeder van Partholan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vertel ons de geschiedenis van Ierland,&#8221; zoo sprak toen Finnen, en Tuan begon. Zooals hij zeide was Partholan de eerste mensch,
+die zich in Ierland nederzette. Na de groote pest, waarvan reeds melding is gemaakt, was hij de eenige die in leven bleef,
+&#8220;want er is nooit een slachting z&oacute;&oacute; groot, dat er niet een man aan ontkomt, om het verhaal te doen.&#8221; Tuan was alleen in het
+land, en hij trok rond van de &eacute;&eacute;ne ledige vesting naar de andere, van rots naar rots, om een schuilplaats te zoeken tegen
+de wolven. Zoo leefde hij twee en twintig jaar in eenzaamheid voort, in verlaten plaatsen wonend, totdat hij stokoud en vreeselijk
+gebrekkig was geworden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Toen nam Nemed, de zoon van Agnoman Ierland in bezit. Deze (Agnoman) was de broeder van mijn vader. Ik zag hem van de klippen
+af en deed voortdurend mijn best, hem te vermijden. <a id="d0e2624"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2624">84</a>]</span>Ik had lange haren en klauwen, was afgeleefd, grijs, naakt, ongelukkig en ellendig. Op zekeren avond viel ik in slaap, en
+toen ik weer ontwaakte, was ik in een hert veranderd. Weer was ik jong en vroolijk van hart. Toen zong ik van de komst van
+Nemed en van zijn ras, en van mijn eigen gedaanteverwisseling.... <span class="corr" title="Bron: &#8220;"></span>Ik heb een nieuwe gedaante aangenomen een ruwe en grijze huid. Overwinning en vreugde zijn gemakkelijk voor mij; een korten
+tijd geleden was ik zwak en hulpeloos.&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e2629" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p084.jpg" alt="Tuan bespiedt Nemed"></p>
+<p class="figureHead">Tuan bespiedt Nemed</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Daarna was Tuan koning van al het roode wild van Ierland, en bleef dat gedurende al den tijd, dat Nemed en zijn ras in Ierland
+regeerden.
+
+</p>
+<p>Hij vertelt, hoe de Nemedi&euml;rs naar Ierland zeilden in een vloot van twee en dertig booten, en in iedere boot waren dertig
+personen. Zij zwierven anderhalf jaar over de zee&euml;n, en de meesten van hen stierven van honger en dorst of kwamen in een schipbreuk
+om. Slechts negen ontsnapten&#8212;Nemed zelf, met vier mannen en vier vrouwen. Deze landde in Ierland, en vermenigvuldigden zich
+in den loop der tijden, totdat hun aantal 8060 mannen en vrouwen bedroeg. Daarop stierven zij allen op geheimzinnige wijze.
+
+</p>
+<p>Weer was Tuan oud en gebrekkig geworden, maar hem wachtte weer een nieuwe gedaanteverwisseling. Ik stond eens aan den ingang
+van mijn hol&#8212;ik herinner mij dat nog duidelijk&#8212;en ik wist, dat mijn lichaam weer een andere gedaante aannam. Ik was een wild
+zwijn. En ik zong daarover het volgende lied:
+
+
+</p>
+<div class="blockquote">
+<p>&#8220;Vandaag ben ik een wild zwijn.... Er was een tijd, dat ik in de vergadering zat, die de uitspraken van Partholan openbaarden.
+Zij werden gezongen, en ieder prees de melodie. Hoe heerlijk was de trant van mijn schitterend oordeel! Hoe heerlijk voor
+de bevallige jonge vrouwen! Mijn wagen reed in majesteit en schoonheid rond. Mijn stem was ernstig en liefelijk. Mijn stap
+was vlug en stevig in den strijd. Mijn gelaat was vol bekoorlijkheid. Maar zie, thans ben ik in een zwart zwijn veranderd.&#8221;
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo sprak ik. En werkelijk was ik een wild zwijn. Daarna werd ik weder jong, en ik was verheugd. Ik was koning der <a id="d0e2645"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2645">85</a>]</span>kudden wilde zwijnen in Ierland, en getrouw aan mijn gewoonte, ging ik mijn verblijfplaats rond, als ik in de landen van Ulster
+terugkeerde, zoo dikwijls ellende en ouderdom mij overvielen. Want het was steeds daar, dat mijn gedaanteverwisselingen plaats
+hadden, en daarom keerde ik daarheen terug, om de vernieuwing van mijn lichaam af te wachten.&#8221; Tuan vertelt dan verder, hoe
+Semion, de zoon van Stariat, zich in Ierland vestigde. Van hem stamden de Firbolgs af en twee andere stammen, die nog in historische
+tijden bleven voortleven. Weer komt de oude dag nader, zijn krachten laten hem in den steek, en hij ondergaat weer een nieuwe
+gedaanteverwisseling; hij wordt &#8220;een groote zeearend&#8221; en verheugt zich weer eens in nieuwe jeugd en kracht. Daarop vertelt
+hij, hoe het Volk van Dana in Ierland kwam, &#8220;goden en valsche goden, uit wie, zooals iedereen weet, de Iersche geleerden gesproten
+zijn.&#8221; Daarna kwamen de zonen van Miled, die het Volk van Dana overmeesterden. Al dien tijd hield Tuan de gedaante van een
+zeearend, totdat hij, toen hij ontdekte, dat hij op het punt stond weer een nieuwe gedaanteverwisseling te ondergaan, negen
+dagen lang vastte; &#8220;daarop overviel mij de slaap, en veranderde ik in een zalm&#8221;. Hij geniet van zijn nieuw bestaan, waarbij
+hij jarenlang aan de valstrikken der visschers ontkomt, totdat hij ten slotte door &eacute;&eacute;n van hen wordt gevangen, en gebracht
+wordt naar de vrouw van Carell, het opperhoofd van het land. &#8220;De vrouw had zin in mij en at mij geheel op, waarbij ik in haar
+baarmoeder kwam.&#8221; Hij wordt weder geboren, en gaat door voor Tuan, den zoon van Carell; maar de herinnering van dat voormalige
+leven en van al zijn gedaanteverwisselingen, en van de geheele geschiedenis van Ierland, die hij had meegemaakt sedert de
+dagen van Partholan, blijft nog bij hem achter, en hij onderwijst al die dingen aan de Christenmonniken, die al die verhalen
+zorgvuldig bewaren.
+
+</p>
+<p>Dit allervreemdste verhaal, met zijn atmosfeer van grijze oudheid en van na&iuml;eve wonderlijkheid, doet ons denken aan de gedaanteverwisseling
+van den Galischen Taliessin, die eveneens <a id="d0e2649"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2649">86</a>]</span>in een arend veranderde, en wijst op die leer der zielsverhuizing, die zooals wij gezien hebben, zoo sterk werkte op de verbeelding
+der Kelten.
+
+</p>
+<p>Wij moeten thans eenige bijzonderheden voegen bij de schets der opvolgende kolonisaties van Ierland, zooals die in het kort
+zijn aangeduid door Tuan mac Carell.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Nemedi&euml;rs.</h3>
+<p>Zooals wij gezien hebben, waren de Nemedi&euml;rs verwant aan de Partholani&euml;rs. Beiden waren afkomstig uit het geheimzinnige gebied
+der dooden, hoewel latere Iersche verhalen, die trachtten een verzoening tot stand te brengen tusschen die mythische opvatting
+en het christendom, het deden voorkomen, alsof zij afstamden van bijbelsche aartsvaders en aan aardsche landen zooals Spanje
+en Scythi&euml; hun oorsprong te danken hadden. Beiden hadden voortdurend strijd te voeren met de Fomori&euml;rs, die volgens de latere
+legenden zeeroovers van over de zee waren, maar die zonder twijfel godheden waren, die de machten van duisternis en kwaad
+voorstelden. Er is geen legende bekend, hoe de Fomori&euml;rs in Ierland gekomen zijn en zij werden ook nooit beschouwd als een
+geregeld deel der bevolking. Zij waren even oud als de wereld zelf. Nemed vocht met het beste gevolg tegen hen in vier groote
+gevechten, maar hij zelf stierf kort daarna aan de pest, die ook tweeduizend van zijn volgelingen ten grave sleepte. De Fomori&euml;rs
+waren toen in staat hun oppermacht over Ierland te vestigen. Zij hadden in die dagen twee koningen, Morc en Conann. De macht
+der Fomori&euml;rs had haar krachtigste versterking op het eiland Tory, dat zijn woeste klippen en afgronden doet oprijzen uit
+den Atlantischen Oceaan, in de nabijheid van Donegal&#8212;een geschikte woonplaats voor dat ras, dat zoo rijk was aan geheimzinnigheid
+en afgrijselijkheid. Zij hieven een vreeselijk drukkende schatting van het Iersche volk, en wel tweederden van al de melk
+en tweederden van al de kinderen uit het land. Ten slotte stonden de Nemedi&euml;rs op. Onder aanvoering van drie opperhoofden,
+landen zij op het eiland Tory, <a id="d0e2658"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2658">87</a>]</span>nemen de Toren van Conann in, en Conann zelf sneuvelt door de hand van den Nemedischen aanvoerder Fergus. Maar op dat oogenblik
+treedt Morc in het gevecht op met een nieuwe troepenmacht, en jaagt de Nemedi&euml;rs geheel op de vlucht, die op een dertigtal
+na sneuvelen:
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;De mannen van Erin, zij togen ten strijde,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Nadat de Fomori&euml;rs kwamen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">De zee verzwolg hen allen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Behalve driemaal tien.&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p><i>Gedicht van Eochy O&#8217;Flann, omstreeks</i> 960 n.C.
+
+
+</p>
+<p>De dertig overlevenden verlaten Ierland in wanhoop. Volgens de oudste overlevering zijn zij allen omgekomen zonder nakomelingen
+achter te laten, maar latere verhalen, die trachten uit al die mythen nuchtere geschiedenis op te bouwen, stellen het voor,
+alsof &eacute;&eacute;n familie, die van het opperhoofd Britan, zich in Groot Brittanni&euml; vestigde en hun naam aan dat land schonk, terwijl
+twee andere na vele omzwervingen, naar Ierland terugkeerden als de Firbolgs en het Volk van Dana.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De komst der Firbolgs.</h3>
+<p>Wie waren de Firbolgs, en welke rol hebben zij gespeeld in de Iersche legenden? De naam schijnt te beteekenen: &#8220;Mannen van
+de Zakken,&#8221; en in later tijden werd er een legende uitgedacht, om dien naam te verklaren. Er werd verhaald, dat zij, na zich
+in Griekenland te hebben gevestigd, door het volk van dat land onderdrukt werden, die hen aarde lieten aantrekken van de vruchtbare
+valleien naar de rotsachtige heuvels, zoodat zij daarvan beploegbaren grond konden maken. Zij vervulden hun taak door middel
+van leeren zakken; maar ten laatste, toen zij de onderdrukking moede geworden waren, maakten zij van hun zakken booten met
+leder overtrokken, en zetten daarin koers naar Ierland. Nennius echter zegt, dat zij uit Spanje kwamen, want volgens hem waren
+al de verschillende rassen, die Ierland bewoond hebben, oorspronkelijk uit Spanje, en &#8220;Spanje&#8221; is bij hem een rationalistische
+vertaling van de Keltische woorden, die het Land der Dooden aanduiden<a id="d0e2680src" href="#d0e2680" class="noteref">4</a>. Zij <a id="d0e2683"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2683">88</a>]</span>kwamen in drie groepen, de Fir-Bolg, de Fir-Domnan en de Galioin, die allen in het algemeen als Firbolg worden aangeduid.
+Zij spelen geen groote rol in de Iersche mythologie, en hun schijnt een zekere trek van slaafschheid en minderwaardigheid
+eigen te zijn.
+
+</p>
+<p>E&eacute;n van hun koningen, Eochy<a id="d0e2687src" href="#d0e2687" class="noteref">5</a> mac Erc, trouwde met Taltiu, of Telta, de dochter van den koning der &#8220;Groote Vlakte,&#8221; (het Land der Dooden). Telta had een
+paleis in de stad, die nu naar haar Telltown (eigenlijk Teltin) heet. Daar stierf zij, en daar werd zelfs nog in de Middeleeuwen,
+een groote jaarlijksche bijeenkomst of jaarmarkt ter harer eere gehouden.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De komst van het volk van Dana.</h3>
+<p>Wij komen thans tot verreweg de merkwaardigste en belangrijkste der mythische overweldigers en volksplanters van Ierland,
+het Volk van Dana. De naam, <i>Tuatha De Danann</i>, beteekent letterlijk &#8220;het volk van den god, wiens moeder Dana is.&#8221; Dana draagt somtijds ook een anderen naam, en wel dien
+van Brigitta, een godin, die in het heidensche Ierland in hooge eer werd gehouden, wier attributen in de legenden grootendeels
+overgebracht zijn op de Christelijke Heilige Brigitta uit de zesde eeuw. In Gallische opschriften vindt men haar naam ook
+wel als &#8220;Brigindo&#8221; en in Britsche opschriften komt deze voor als &#8220;Brigantia.&#8221; Zij was de dochter van het hoogste opperhoofd
+van het Volk van Dana, den god Dagda &#8220;Den Goeden.&#8221; Zij had drie zoons, van wie men vertelt, dat zij gemeenschappelijk een
+eenigen zoon hadden, Eene genaamd&#8212;wat beteekent &#8220;Kennis&#8221; of &#8220;Po&euml;zie&#8221;<a id="d0e2698src" href="#d0e2698" class="noteref">6</a>. Men mag dus zeggen, dat Eene de god was, wiens moeder Dana was, en het ras, waaraan zij haar naam schonk, waren de duidelijkste
+vertegenwoordigers, die wij in Iersche mythen hebben van de machten van Licht en Kennis. Men zal zich herinneren, dat Tuan
+mac Carell alleen aan het Volk van Dana onder al die mythische <a id="d0e2701"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2701">89</a>]</span>rassen den naam van &#8220;goden&#8221; had gegeven. Toch komen zij niet als goden voor in den vorm waarin de Iersche legenden omtrent
+hen tot ons zijn gekomen. De invloed van de christelijke opvattingen bracht hen terug tot den rang van fee&euml;n, of vereenzelvigde
+hen met gevallen engelen. Zij werden door de afstammelingen van Miled overwonnen, die worden gedacht als een volkomen menschelijk
+ras, en die een aantal betrekkingen van liefde en oorlog met hen hadden tot in latere tijden. Toch is ook in de latere legenden
+het Volk van Dana bekleed met een zekeren luister en met groote verheffing, die herinnert aan den hoogen rang, waarvan zij
+waren afgedaald.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De populaire opvattingen en die der Barden.</h3>
+<p>Men mag echter niet over het hoofd zien, dat de populaire opvatting der godheden, van Dana afgestamd, waarschijnlijk ten allen
+tijde iets anders was dan die der barden en Dru&iuml;den, of met andere woorden dan de scholastieke opvatting. Deze laatsten toch
+stelt hen, zooals wij zullen zien, voor als de godheden, die over wetenschap en po&euml;zie heerschen. Dit is geen populaire voorstelling;
+zij is het product der Keltische, Arische verbeelding, zooals die is ingegeven door een zuivere verstandelijke opvatting.
+Het lagere volk, dat grootendeels het megalithische element onder de bevolking vertegenwoordigde, blijkt hun godheden als
+aardsche machten te hebben opgevat&#8212;<i>dei terreni</i>, zooals zij uitdrukkelijk genoemd worden in het &#8220;Boek van Armagh&#8221; uit de achtste eeuw<a id="d0e2711src" href="#d0e2711" class="noteref">7</a>&#8212;die niet heerschen over wetenschap en po&euml;zie, maar veeleer over den landbouw, die toezicht houden over de vruchtbaarheid
+van land en water, en hun woonplaats hebben in heuvelen, rivieren en meren. In de litteratuur der barden is de Arische opvatting
+overheerschend; de andere opvatting vindt men in tallooze volksverhalen en populaire gebruiken; doch het ligt in den aard
+der zaak, dat in elk geval op zich zelf de beide opvattingen voor een groot deel ineengeweven en in elkander zijn doorgedrongen&#8212;zoodat
+er geen scherpe scheidingslijn tusschen <a id="d0e2714"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2714">90</a>]</span>beide opvattingen in oude tijden kon worden getrokken, en die scheiding thans in het geheel niet meer mogelijk is.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e2717" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p090.jpg" alt="De Twee Afgezanten"></p>
+<p class="figureHead">De Twee Afgezanten</p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De schatten van het volk van Dana.</h3>
+<p>Tuan mac Carell zegt, dat zij &#8220;uit den hemel&#8221; in Ierland zijn gekomen. Dit is in de latere overlevering geweven tot een verhaal,
+dat leert, hoe zij afkomstig waren uit vier groote steden, wier namen zelf het fee&euml;nrijken verdichting ademen&#8212;Falias, Gorias,
+Fincas en Murias. Hier leerden zij wetenschap en ambachten van groote wijzen, van wie er in iedere stad &eacute;&eacute;n op den troon zat,
+en uit iedere stad brachten zij een tooverschat mede. Uit Falias was de steen afkomstig, de <i>Lia</i> Fail, of Steen van het Noodlot, genaamd, waarop de Opperkoningen van Ierland stonden, als zij gekroond werden, en die geacht
+werd de verkiezing van een wettigen vorst te bevestigen door onder hem te bulderen, als hij daarop plaats nam. De werkelijke
+steen, die gebruikt werd bij de inhuldiging van een vorst, bestond sinds onheugelijke tijden te Tura en werd van daar in het
+begin der zesde eeuw naar Schotland gezonden voor de kroning van Fergus den Groote, den zoon van Erc, die zijn broeder Murtagh
+mac Erc, den koning van Ierland vroeg, dien ter leen te mogen hebben. Een oude profetie hield in, dat overal waar die steen
+was, een koning van het Schotsche (<span class="abbr" title="dat is"><abbr title="dat is">d.i.</abbr></span> Iersch-Milesische) ras zou regeeren. Dit is de beroemde Steen van Scone, die nooit meer in Ierland terug kwam, maar door
+Eduard I in 1297 naar Engeland werd vervoerd, en nu de kroningssteen is in de Westminster-Abdij. En de oude profetie is niet
+valsch gebleken, daar door de Stuarts en Fergus mac Erc de afstamming der Britsche koninklijke familie van de historische
+koningen van het Milesische Ierland kan worden gevolgd.
+
+</p>
+<p>De tweede schat van het Volk van Dana was het onoverwinnelijke zwaard van Lugh met den langen Arm, van wien wij later zullen
+hooren, en dat zwaard kwam uit de stad Gorias. Uit Finias kwam een tooverspeer en uit Murias de Groote Ketel van den Dagda,
+die de eigenschap had, een menigte <a id="d0e2734"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2734">91</a>]</span>mannen te kunnen voeden zonder dat hij ooit leeg werd.
+
+</p>
+<p>Met die bezittingen kwam het Volk van Dana, volgens de lezing in het &#8220;Boek der Invallen&#8221; gegeven, in Ierland.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het volk van Dana en de Firbolgs.</h3>
+<p>Zij werden in een tooverwolk naar Ierland gedreven, en verschenen het eerst in Westelijk Connacht. Toen de wolk optrok, ontdekten
+de Firbolgs hem in een kamp, dat zij reeds te Moyrein hadden versterkt.
+
+</p>
+<p>De Firbolgs zonden nu &eacute;&eacute;n van hun krijgslieden uit, Sreng genaamd, om met de geheimzinnige aankomelingen een onderhoud te
+hebben; en het Volk van Dana van hun kant, zonden een krijgsman, Bres genaamd, om hen te vertegenwoordigen. De beide afgevaardigden
+beschouwden met groote belangstelling elkanders wapenen. De speren van het Volk van Dana, waren, naar ons wordt medegedeeld,
+licht en van scherpe punten voorzien; die der Firbolgs waren zwaar en stomp. De blijkbare bedoeling van de legende is, om
+hier de macht der wetenschap tegenover die der ruwe kracht te stellen, en wij worden hier herinnerd aan de Grieksche mythen
+van den strijd der Olympische goden met de Titanen.
+
+</p>
+<p>Bres stelde den Firbolg Sreng voor, dat de beide rassen Ierland gelijkelijk onder elkander zouden verdeelen, en zich zouden
+vereenigen, om hen tegen alle toekomstige indringers te verdedigen. Daarop verwisselden zij hun wapenen, en keerde ieder naar
+zijn eigen kamp terug.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De eerste slag by Moytura.</h3>
+<p>De Firbolgs kwamen echter niet onder den indruk van de grootere voortreffelijkheid van het volk van Dana, en besloten hun
+aanbod af te slaan. Zij werden toen handgemeen op de Vlakte van Moytura<a id="d0e2752src" href="#d0e2752" class="noteref">8</a>, in het Zuiden van het Graafschap Maye, in de nabijheid van de plaats, die nu Cong heet. De Firbolgs werden aangevoerd door
+hun koning, mac Ere, en het volk van Dana door Nuada met de Zilveren Hand, die zijn naam ontleende aan een ongeluk in dien
+strijd. Men verhaalt toch, <a id="d0e2755"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2755">92</a>]</span>dat zijn hand in het gevecht werd afgehakt, en &eacute;&eacute;n der bekwame handwerkslieden, waaraan de gelederen van het volk van Dana
+zoo rijk waren, maakte voor hem een nieuwe hand van zilver. Door hun magische en heelkundige gaven won het Volk van Dana den
+slag en de koning der Firbolgs sneuvelde. Maar er werd toen een billijke overeenkomst gesloten: aan de Firbolgs werd de provincie
+Connacht als grondgebied toegekend, terwijl het Volk van Dana het overige deel van Ierland in bezit nam. Tot zelfs in de zeventiende
+eeuw ontdekte de kronykschrijver Mac Firbis, dat een aantal bewoners van Connacht hun afstamming terug voerden tot diezelfde
+Firbolgs. Waarschijnlijk waren zij werkelijk een historisch ras, en het is niet onmogelijk, dat de strijd tusschen hen en
+het Volk van Dana een stuk werkelijke geschiedenis is geweest, dat omgeven is met enkele mythische trekken.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e2758" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p092.jpg" alt="Corpre en Koning Bres"></p>
+<p class="figureHead">Corpre en Koning Bres</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het verdrijven <span class="corr" title="Bron: ">van</span> koning Bres.
+</h3>
+<p>Nuada met de Zilveren Hand zou nu de heerscher over het Volk van Dana geweest zijn, maar zijn verminking verbood dit, daar
+geen misvormd man koning van Ierland mocht zijn. Daarom kozen zij Bres, die de zoon was van een vrouw uit dat volk, Eri genaamd,
+maar wiens vader onbekend was, om in zijn plaats over hen te heerschen. Dit was niet dezelfde Bres, die als afgevaardigde
+met de Firbolgs had onderhandeld, en die gesneuveld was in den slag bij Moytura. Doch Bres had, hoewel hij sterk was en schoon
+te aanschouwen, niet de gave als heerscher, immers niet alleen liet hij toe, dat de vijand van Ierland, de Fomori&euml;rs, hun
+onderdrukking en hun schatting in het land weer opnieuw begonnen, maar ook legde hij zelf zijn onderdanen hooger belastingen
+op; daarbij was hij z&oacute;&oacute; gierig, dat hij hoofden en edelen of hofspelers geen gastvrijheid verleende. Gebrek aan milddadigheid
+en gastvrijheid werd altijd gerekend onder de ergste ondeugden van een Iersche vorst. Men verhaalt nu, dat op zekeren dag
+de dichter Corpre aan zijn hof kwam, die gehuisvest werd in een kleine, donkere kamer zonder vuur of huisraad, waar hem na
+een lang vertoef <a id="d0e2770"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2770">93</a>]</span>drie droge koeken zonder ale werden voortgezet. Om zich te wreken vervaardigde hij een satiriek versje op zijn vrekkigen gastheer:
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Zonder voedsel, snel bediend,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Zonder koemelk, waarvan een kalf kan groeien,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Zonder woonplaats voor een man te gebruiken in den duisteren nacht,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Zonder middelen om een gezelschap van barden te onthalen,&#8212;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Moge Bres in dien toestand verkeeren.&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>In Ierland onderstelde men, dat een dichterlijke satire een soort tooverkracht bezat. Koningen waren er bang voor, zelfs ratten
+konden er door worden uitgeroeid<a id="d0e2785src" href="#d0e2785" class="noteref">9</a>. Dit versje van Corpre werd met groot vermaak onder het volk herhaald, en Bres was genoodzaakt zijn koningschap neer te leggen.
+Men zegt, dat dit de eerste satire was, die in Ierland werd vervaardigd. Tevens werd Nuada, omdat hij zijn zilveren hand had
+gekregen door de vaardigheid van zijn geneesheer Diancecht, of omdat, zooals een andere lezing der legende zegt, een veel
+grootere heelkundige, de zoon van Diancecht, gezorgd had, dat de echte hand weer aan de stomp vastgroeide, in plaats van Bres
+tot koning gekozen. De laatste begaf zich nu in toorn en wrok naar zijn moeder Eri, en smeekte haar hem raad te geven en hem
+op de hoogte te brengen van zijn afkomst. Eri vertelde hem toen, dat zijn vader Elatha was, een koning der Fomori&euml;rs, die
+in het geheim van over zee bij haar was gekomen, en die haar bij zijn vertrek een ring had gegeven, met het verzoek, dien
+nooit aan iemand te geven, behalve aan hem, aan wiens vinger hij zou passen. Zij haalde nu den ring te voorschijn, en deze
+paste aan den vinger van Bres, die daarop met haar afdaalde naar het strand, waar de Fomorische minnaar geland was; daarna
+zeilden zij te zamen naar het land van zijn vader.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De tyrannie der Fomori&euml;rs.</h3>
+<p>Elatha herkende den ring, en gaf zijn zoon een leger, om daarmede Ierland te heroveren, terwijl hij hem bovendien wegzond
+<a id="d0e2793"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2793">94</a>]</span>om verdere hulp te zoeken bij den grootsten der Fomorische koningen, Balor. Deze had den bijnaam van &#8220;met het kwade oog&#8221;,
+omdat de blik van zijn &eacute;&eacute;ne oog als een bliksemflits hem kon treffen, op wien hij in woede neerzag. Hij was toen echter reeds
+z&oacute;&oacute; oud en zwak, dat het groote ooglid neerhing over het doodaanbrengende oog, en door zijn manschappen met touwen en takels
+moest worden opgetild zoo dikwijls het oogenblik was aangebroken, dat hij het op zijn vijanden moest slaan. Nuada kon hem
+evenmin het hoofd bieden als Bres dit tijdens zijn regeering had kunnen doen; en het land zuchtte nog steeds onder den druk
+der Fomori&euml;rs en verlangde smachtend naar een kampioen en verlosser.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De komst van Lugh.</h3>
+<p>Nu treedt een nieuwe figuur in de mythe op, en wel niemand anders dan Lugh, de zoon van Kian, de Zonnegod bij uitnemendheid
+in het geheele gebied der Kelten, wiens naam wij nog thans kunnen terugvinden in een aantal historische plaatsnamen op het
+vasteland van Europa<a id="d0e2800src" href="#d0e2800" class="noteref">10</a>. Om zijn verschijning te verklaren, moeten wij voor een oogenblik de mededeelingen der oude handschriften, die hier onvolledig
+zijn, op zijde zetten, en die moeten worden aangevuld door een verhaal, dat in den volksmond is blijven leven, en zelfs eerst
+in de negentiende eeuw uit dien volksmond is opgevangen door den bekenden Ierschen oudheidkundige, O&#8217;Donovan<a id="d0e2806src" href="#d0e2806" class="noteref">11</a>. In dit verhaal uit den volksmond zijn de namen Balor en die van zijn dochter Ethlinn (de laatste in den vorm &#8220;Ethnea&#8221;) bewaard
+gebleven, behalve nog sommige andere mythische personen, maar dien van den vader van Lugh vindt men nog flauw terug in Mac-Kineely;
+de naam van Lugh zelf is vergeten geraakt, en de dood van Balor is medegedeeld op een wijze, die niet in overeenstemming is
+met de oude mythe. In het verhaal, zooals wij het hier weergeven, <a id="d0e2809"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2809">95</a>]</span>zijn de oude namen en de mythische omtrekken bewaard gebleven, maar, waar dit noodig was, aangevuld uit de volksoverlevering,
+waaruit die moderne trekken zijn weggelaten, die niet te verzoenen zijn met de mythe.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e2812" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p094.jpg" alt="&#8220;Sawan gaf den halster der koe aan den Knaap&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Sawan gaf den halster der koe aan den Knaap&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Het verhaal luidt dan, dat Balor, de koning der Fomori&euml;rs, in een Dru&iuml;dische voorspelling gehoord had, dat hij door zijn kleinzoon
+zou worden gedood. Zijn eenig kind was een nog zeer jong meisje, Ethlinn genaamd. Om dan dat noodlot te ontkomen liet hij
+haar, evenals Acrisios, de vader van Dana&euml;, in de Grieksche mythe, opsluiten in een hoogen toren, dien hij had laten bouwen
+op een steilen landtong, de Tor M&#333;r, op het eiland Tory. Hij stelde het meisje onder bewaking van twaalf oude vrouwen, die
+streng moesten toezien, dat zij nooit het gelaat van een man te zien kreeg, of dat zij zelfs ooit zou ontdekken, dat er wezens
+bestonden van een ander geslacht dan het vrouwelijke. In die afzondering groeide Ethlinn&#8212;zooals alle in afzondering gehouden
+prinsessen het geval is&#8212;op tot een maagd van onovertroffen schoonheid.
+
+</p>
+<p>Het geval wilde nu, dat er op het vasteland drie broeders waren, Kian, Sawan, en Goban, de smid, de groote wapensmid en kunstenaar
+in de Iersche mythen, die overeenkomt met een dergelijke persoonlijkheid in de Germaansche mythologie. Kian had een tooverkoe,
+die z&oacute;&oacute; overvloedig melk gaf, dat iedereen verlangde die koe te bezitten, en hij verplicht was, haar streng te bewaken.
+
+</p>
+<p>Balor besloot zich van die koe meester te maken. Op zekeren dag kwam Kian en Sawan naar de smidse, om wapenen voor zich te
+laten maken, voor welk doel zij prachtig staal medebrachten. Kian ging de smidse binnen en droeg Sawan de zorg voor de koe
+op. Nu kwam Balar ten tooneele, na de gestalte te hebben aangenomen van een roodharigen jongen, en vertelde Sawan, dat hij
+de broeders in de smidse beluisterd had, terwijl zij een plan smeedden, om al het prachtige staal voor hun eigen zwaarden
+te gebruiken, en niets dan gemeen staal voor het zwaard van Sawan over te laten. Deze gaf nu in groote woede den halster in
+handen van den jongen en stormde <a id="d0e2822"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2822">96</a>]</span>de smidse in, om dit misdadige plan te verhinderen. Onmiddellijk voerde Balor de koe weg en sleepte haar over zee naar het
+eiland Tory.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e2825" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p096.jpg" alt="&#8220;De Dru&iuml;de dreef het naar het huis van zijn vader, Kian&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;De Dru&iuml;de dreef het naar het huis van zijn vader, Kian&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Kian besloot nu, zich op Balor te wreken, en won daartoe den raad in van een Dru&iuml;de priesteres, Bir&#333;g genaamd. Na zich in
+vrouwenkleeren te hebben gekleed, werd hij door tooverbezweringen over de zee gedreven, waar Bir&#333;g, die hem vergezelde, het
+tegenover de bewaaksters van Ethlinn deed voorkomen, dat zij twee edele vrouwen waren, op het strand geworpen, toen zij voor
+een man vluchtten, die haar wilde ontvoeren, en om een schuilplaats smeekte. Zij werden toegelaten; Kian vond de gelegenheid
+toegang te krijgen tot prinses Ethlinn, terwijl de vrouwen door Bir&#333;g in een diepen tooverslaap werden gebracht, en toen zij
+ontwaakten, waren Kian en de Dru&iuml;den-priesteres verdwenen zooals zij gekomen waren. Maar Ethlinn had Kian haar liefde geschonken,
+en spoedig ontdekten haar bewaaksters, dat zij zwanger was. Daar zij den toorn van Balor vreesden, trachtten de oude vrouwen
+haar te overtuigen, dat de geheele gebeurtenis slechts een droom was, en spraken er niet meer over, maar na verloop van tijd
+beviel Ethlinn van drie zoons.
+
+</p>
+<p>Het bericht van die gebeurtenis bereikte Balor, en vol woede en vrees beval hij, dat de drie kinderen moesten verdronken worden
+in een maalstroom aan de Iersche kust. De boodschapper, die met die opdracht werd belast, rolde de kinderen in een laken,
+maar toen hij ze naar de bepaalde plaats droeg, liet de speld waarmede het laken was dichtgemaakt, los, waardoor &eacute;&eacute;n der kinderen
+er uit viel en in een kleine baai terecht kwam, die nog ten huidigen dage Port na Delig, of de Haven van de Speld genoemd
+wordt. De beide andere werden, zooals bedoeld was, verdronken, en de bediende bracht het bericht, dat hij zijn zending had
+volbracht.
+
+</p>
+<p>Maar het kind, dat in de baai was gevallen, werd door de Dru&iuml;den-priesteres bewaakt, die het dreef naar de woning van zijn
+vader Kian; deze gaf het ter opvoeding aan zijn broeder den smid, welke het kind zijn eigen ambacht onderwees en hem in <a id="d0e2835"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2835">97</a>]</span>alle soorten van ambacht en handenarbeid bekwaam maakte. Dit kind was Lugh. Toen hij opgegroeid was tot een jongeling, plaatste
+hem het Volk van Dana onder de hoede van Duach, &#8220;Den duisteren,&#8221; den koning der Groote Vlakte (het Tooverland, of het &#8220;Land
+der Levenden,&#8221; wat tevens het Land der Dooden is), en daar bleef hij totdat hij den mannelijken leeftijd had bereikt.
+
+</p>
+<p>Lugh was natuurlijk degeen, die bestemd was het Volk van Dana uit zijn slavernij te verlossen. Zijn komst wordt medegedeeld
+in een verhaal, dat de Zonne-attributen van algeheele macht naar voren brengt, en hem evenals Apollo doet kennen als de godheid,
+die het bestuur heeft over alle menschelijke kennis en alle bekwaamheid op het gebied van kunst en geneeskunde. Hij kwam,
+zoo wordt verhaald, om zich in den dienst te stellen van Nuada met den Zilveren Hand, en toen de portier van het koninklijke
+paleis van Tara hem vroeg, wat voor werk hij kon doen, antwoordde hij, dat hij timmerman was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij hebben geen timmerman noodig&#8221;, zeide de portier; &#8220;wij hebben een uitstekenden timmerman in den persoon van Luchta, den
+zoon van Luchad&#8221;. &#8220;Ik ben ook smid&#8221;, zeide Lugh. &#8220;Wij hebben al een voortreffelijken smid&#8221;, zeide de portier. &#8220;Maar ik ben
+ook een krijgsman&#8221;, zeide Lugh. &#8220;Wij hebben er geen noodig, zeide de portier, &#8220;zoolang wij Ogma hebben&#8221;. Lugh gaat voort al
+de beroepen en kunsten te noemen, die hij maar kan bedenken&#8212;hij is dichter, harpspeler, een man van wetenschap, een geneesheer,
+een keukenmeester, en zoo voort, waarbij hij telkens ten antwoord krijgt, dat iemand van uitstekende bekwaamheid in die kunst
+reeds aan het hof van Nuada in betrekking is. &#8220;Vraag dan den koning&#8221;, zeide Lugh, &#8220;of hij ook iemand in zijn dienst heeft,
+die volleerd is in ieder van die kunsten, en als dit het geval is, zal ik hier niet langer blijven, en niet trachten het paleis
+binnen te komen&#8221;. Daarop wordt Lugh aangenomen, en hem de bijnaam Ild&aacute;nach gegeven, wat beteekent &#8220;De man van Alle Ambachten&#8221;
+de Vorst van alle Wetenschappen; terwijl een andere naam, dien hij gewoonlijk droeg, Lugh Lamfada was, of Lugh met den Langen
+Arm. Wij <a id="d0e2841"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2841">98</a>]</span>worden hier, zooals de Jubainville opmerkt, herinnerd aan de Gallische god, dien Caesar vereenzelvigt met Mercurius, &#8220;den
+uitvinder van alle kunsten&#8221;, en voor wien de Galli&euml;rs een aantal standbeelden hadden opgericht. De Iersche mythe vult die
+nader aan en noemt ons den Keltischen naam van die godheid.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e2844" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p098.jpg" alt="De Boot van Mananan"></p>
+<p class="figureHead">De Boot van Mananan</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Toen Lugh uit het Land der Levenden kwam, bracht hij een aantal toovergeschenken mede. Daaronder waren de Boot van Mananan,
+de zoon van Lir den Zeegod, welke boot de gedachten van den mensch kende en overal heen kon reizen, waar zij wilde, en het
+paard van Mananan, dat zoowel over land als over zee kon gaan, en een vreeselijk zwaard, dat <i>Fragarach</i> (&#8220;De Antwoordgever&#8221;) heette, en de gave bezat van door ieder harnas heen te snijden. Zoo toegerust, kwam hij eens in een
+vergadering van opperhoofden van het Volk van Dana, die samengekomen waren om hun schatting te betalen aan de afgevaardigden
+der Fomorische onderdrukkers; en toen die opperhoofden hem zagen, leek het hun alsof zij, zooals verhaald wordt, de opkomst
+van de zon waarnamen op een drogen zomerochtend. In plaats van de schatting te betalen, vielen zij onder aanvoering van Lugh
+de Fomori&euml;rs aan, die allen op negen man na sneuvelden, welke teruggezonden werden om Balor mede te deelen, dat het Volk van
+Dana hem tartte en in het vervolg geen schatting meer wilde betalen. Balor maakte zich toen gereed voor den strijd en beval
+zijn veldheeren, om als zij het Volk van Dana hadden overwonnen, het eiland door kabels aan hun schepen te bevestigen en het
+een heel eind in noordelijke richting te sleepen naar het Fomorische gebied van ijs en duisternis, waar het hen niet langer
+zou hinderen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De tocht van de zonen van Turenn.</h3>
+<p>Lugh van zijn kant, maakte zich eveneens gereed voor den beslissenden strijd; maar om zich van de overwinning te verzekeren,
+had hij nog eenige magische voorwerpen noodig, en die moesten nog verkregen worden. Het verhaal, hoe die voorwerpen werden
+opgespoord, waarbij ons ook nog de dood van Kian, den vader van Lugh wordt vermeld, is &eacute;&eacute;n der <a id="d0e2858"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2858">99</a>]</span>merkwaardigste en kostelijkste vertelsels onder de Iersche legenden en vormde &eacute;&eacute;n van een drietal mythen, die tot den bloem
+der Iersche verdichtselen kan gerekend worden.<a id="d0e2860src" href="#d0e2860" class="noteref">12</a>
+
+</p>
+<p>Kian, zoo luidt het verhaal, was door Lugh naar het Noorden gezonden, om de strijdbare mannen van het Volk van Dana in Ulster
+op te roepen teneinde deel te nemen aan den strijd tegen de Fomori&euml;rs. Op weg, bij het overtrekken van de vlakte van Murthemney,
+bij Dundalk, komt hij drie broeders tegen, Brian, Iuchar en Iucharba, zonen van Turenn, tusschen wier geslacht en dat van
+Kian een bloedveete bestond. Hij tracht te ontkomen door zich in een varken te veranderen en zich bij een kudde te voegen,
+die in de vlakte huist, maar de broeders ontdekken hem en Brian wondt hem door een speerworp. Kian, die weet, dat zijn einde
+nabij is, vraagt toestemming om zich, v&oacute;&oacute;r dat hij gedood wordt, weer in menschelijke gedaante te veranderen. &#8220;Ik wil liever
+een man dan een varken dooden,&#8221; zegt Brian, die verreweg de voornaamste rol speelt in alle avonturen der broeders. Daarop
+staat Kian in menschengedaante v&oacute;&oacute;r hen, terwijl het bloed, door Brians speer vergoten, uit zijn borst vloeit. &#8220;Ik heb u verschalkt,&#8221;
+roept hij uit, &#8220;want als gij een varken hadt gedood, hadt gij slechts den bloedprijs van een varken behoeven te betalen, maar
+nu moet gij den bloedprijs van een man betalen; er is nooit grootere bloedprijs geweest dan die, welken gij moet betalen;
+en de wapens waarmede gij mij doodt zullen het vertellen aan den wreker van het bloed.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zult gij zonder eenige wapens gedood worden,&#8221; zegt daarop Brian, en hij en zijn broeders steenigen hem en begraven hem
+in den grond ter mansdiepte.
+
+</p>
+<p>Maar toen Lugh kort daarop dien weg langs ging, schreeuwden de steenen in de vlakte luide en vertelden hem over den <a id="d0e2869"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2869">100</a>]</span>moord op zijn vader door de hand van de zonen van Turenn. Hij graaft het lichaam op en keert naar Tara terug, na wraak te
+hebben gezworen. Hier beschuldigt hij de zonen van Turenn tegenover den Opperkoning, en krijgt de toestemming hen ter dood
+te doen brengen of den losprijs te noemen, waarvoor hij dat vonnis wil herroepen. Lugh kiest den losprijs, en hij noemt de
+volgende, waarbij hij dingen van groote waarde, die alleen onder ongehoorde moeilijkheden te verwerven zijn, onder de namen
+van gewone voorwerpen verbergt: drie appels, een varkenshuid, een speer, een wagen met twee paarden, zeven zwijnen, een jachthond,
+een braadspit en ten slotte eischt hij, dat zij boven op een heuvel drie kreten laten hooren. De broeders verbinden zich,
+de boete te betalen, en daarna verklaart Lugh de beteekenis er van. De drie appels zijn die, welke groeien in den Tuin van
+de Zon; de varkenshuid is een tooverhuid, die iedere wonde heelt en ook iedere ziekte geneest, als zij op den lijder kan worden
+gelegd, zij is in het bezit van den koning van Griekenland; de speer is een tooverwapen in het bezit van den koning van Perzi&euml;
+(die namen zijn natuurlijk slechts fantaisienamen voor plaatsen in de geheimzinnige fee&euml;nwereld); de zeven zwijnen behooren
+aan koning Asal van de Goude Pilaren, en al heeft men ze iederen avond geslacht en opgegeten, men vindt ze den volgenden dag
+weder in hun geheel terug; het spit behoort aan de zeenimfen van het verzonken eiland Finchory; en de drie kreten moet men
+doen hooren op den heuvel van een woesten krijgsman, Mochaen, die met zijn zonen de gelofte heeft afgelegd, dat zij iedereen
+zullen beletten zijn stem op dien heuvel te verheffen. Het is een bijna onuitvoerbare taak, zelfs maar &eacute;&eacute;n van die werken
+te volvoeren, en de broeders moesten ze alle volbrengen, voor dat zij zich konden bevrijden van de schuld en de straf voor
+den dood van Kian.
+
+</p>
+<p>Het verhaal loopt dan verder, hoe de zonen van Turenn met ontzaglijken moed en met de grootste scherpzinnigheid &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n
+al hun opdrachten vervullen, maar als zij alle volbracht zijn behalve het verwerven van het braadspit en het doen hooren der
+drie kreten op den heuvel van Mochaen, zorgt Lugh <a id="d0e2873"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2873">101</a>]</span>door middel van tooverkunsten, dat vergeetachtigheid over hen valt, en zij keeren met hun schatten naar Ierland terug. Juist
+deze, in het bijzonder de speer en de varkenshuid, zijn het, die Lugh noodig heeft om hem tegen de Fomori&euml;rs te helpen; maar
+zijn wraak is niet volkomen, en na de schatten verkregen te hebben, herinnert hij de broeders er aan, dat er nog enkele werken
+moeten vervuld worden. Zij beginnen nu, ten zeerste terneergeslagen, te begrijpen, dat zij zijn voor den gek gehouden, en
+zij gaan droevig heen, om, als zij kunnen, het overige van den bloedprijs meester te worden. Na langen tijd te hebben rondgezworven,
+blijkt het hun, dat het eiland Finchory niet boven, maar onder de zee is gelegen. Brian gaat in een magische waterkleeding
+naar beneden, ziet de driemaal vijftig nimfen in haar paleis, en pakt het gouden braadspit van haar haard. De taak op den
+heuvel van Mochaen is de laatste, die nog moet worden volbracht. Na een wanhopig gevecht, dat eindigt met het dooden van Mochaen
+en zijn zonen, verheffen de broeders, doodelijk gewond, hun stemmen in drie zachte kreten, en zoo is de bloedprijs betaald.
+Zij zijn echter nog in leven als zij in Ierland terugkeeren, en hun bejaarden vader Turenn smeekt Lugh, hem de tooverhuid
+van het varken te leenen, om ze te genezen, maar de onverzoenlijke Lugh weigert dit, en de broeders en hun vader sterven tezamen.
+Zoo eindigt het verhaal.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De tweede slag bij Moytura.</h3>
+<p>De tweede slag bij Moytura had plaats in een vlakte in het noorden van het graafschap Sligo, dat de aandacht trekt door het
+aantal grafmonumenten, die daar nog altijd verspreid liggen. De eerste slag was natuurlijk dien welken het Volk van Dana met
+de Firbolgs had geleverd, en het daar bedoelde Moytura lag veel zuidelijker in het graafschap Mayo. Het gevecht tegen de Fomori&euml;rs
+wordt verhaald met een verwonderlijken rijkdom van de vreemdste gebeurtenissen. De ambachtslieden van het Volk van Dana, Goban
+de smid, Credn&eacute;, de smeedkunstenaar (of goudsmid) en Luchta, de timmerman, herstellen voortdurend de gebroken wapens van het
+Volk van <a id="d0e2880"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2880">102</a>]</span>Dana met magischen spoed&#8212;drie slagen van Gobans hamer maken een speer of een zwaard, Luchta slingert er een handvat tegen
+aan, dat dadelijk vast blijft zitten, en Credn&eacute; werpt er met zijn tang de klinknagels heen, zoo vlug als hij ze kan maken,
+en zij vliegen op hun plaats. De gewonden worden geheeld door de tooverhuid. De vlakte weerklinkt van het geraas van den strijd:
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e2883" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p102.jpg" alt="&#8220;Bij de feesten van het Toovervolk&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Bij de feesten van het Toovervolk&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Vreeselijk was de donder, die over het slagveld rolde; de kreten der krijgslieden, het breken der schilden, het flikkeren
+en kletteren van de zwaarden, van de rechte zwaarden met ivoren gevesten, de muziek en de harmonie der geworpen werpspiesen,
+en het suizen van speren en lansen&#8221;<a id="d0e2889src" href="#d0e2889" class="noteref">13</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De dood van Balor.</h3>
+<p>De Fomori&euml;rs brengen hun kampioen Balor naar voren, voor wiens vreeselijk oog Nuada met de Zilveren Hand en anderen van het
+Volk van Dana bezwijken. Maar Lugh maakte gebruik van de gelegenheid, dat het ooglid van vermoeidheid neerviel en naderde
+Balor tot op korten afstand, en zoodra dat ooglid weer in de hoogte ging wierp hij in het oog een grooten steen, die in zijn
+hersens doordrong, zoodat Balor, zooals de profetie had voorspeld dood ter neder lag, door zijn kleinzoon getroffen. Toen
+werden de Fomori&euml;rs totaal verslagen, en er wordt geen melding van gemaakt, dat zij ooit weer eenigen invloed in Ierland verkregen
+of daarvan een eenigszins uitgebreid terrein plunderden. Lugh, de Ild&aacute;nach, werd toen op den troon geplaatst, die te voren
+door Nuada was bezet, en de mythe van de overwinning van den zonneheld over de macht van duisternis en van geweld is hiermede
+voltooid.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De harp van den Dagda.</h3>
+<p>Wij zullen hier een aardig verhaal inlasschen, dat betrekking heeft op de macht, die het Volk van Dana kon uitoefenen door
+de betooverende uitwerking der muziek. Voordat de Fomori&euml;rs op de vlucht gejaagd waren, hadden zij den harpspeler van den
+Dagda gevangen genomen en voerden dien met <a id="d0e2902"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2902">103</a>]</span>zich mede. Lugh, de Dagda en de krijgsman Ogma volgden hen en kwamen zonder dat men hen herkende, in de feestzaal van het
+kamp der Fomori&euml;rs. Daar zagen zij de harp aan den muur hangen. De Dagda riep haar aan, en onmiddellijk vloog zij in zijn
+handen, op haar weg negen mannen der Fomori&euml;rs doodend. De aanroeping van den Dagda is eigenaardig, en ongemeen raadselachtig:
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom, appelzoete murmelaar&#8221;, zoo roept hij, &#8220;kom raam van harmonie met vier hoeken, kom Zomer, kom Winter, uit de monden der
+harpen en zakken en fluiten&#8221;<a id="d0e2906src" href="#d0e2906" class="noteref">14</a>.
+
+</p>
+<p>De toespeling op de jaargetijden wijst op de eigenaardigheid bij de Indische muziek om bepaalde muzikale wijzen te gebruiken
+bij verschillende jaargetijden (en zelfs bij verschillende uren van den dag) en doet eveneens denken aan de Egyptische legende,
+die besproken wordt door Burney in zijn &#8220;Geschiedenis der Muziek&#8221;, waar de drie snaren van de lier geacht werden overeen te
+komen met de drie jaargetijden, lente, zomer en winter<a id="d0e2911src" href="#d0e2911" class="noteref">15</a>.
+
+</p>
+<p>Toen de Dagda de harp in zijn bezit had, zoo luidt het verhaal verder, speelde hij daarop de &#8220;drie edele tonen&#8221;, die iedere
+grootmeester op de harp moet beheerschen, en wel den Toon der Klacht, die alle hoorders deed weenen, den Toon van het Lachen,
+die hen vroolijk maakte, en den Toon van den Slaap, of Lullaby, die allen in een diepen slaap dompelde. En onder de bedekking
+van dien slaap sloop de kampioen van het Volk van Dana naar buiten en ontsnapte. Wij merken hierbij op, dat in de geheele
+legendenlitteratuur van Ierland bekwaamheid in de muziek, welke kunst een invloed uitoefent, die het meest gelijkt op die
+van een geheimzinnige toovermacht of van een gave der fee&euml;n, het prerogatief is van het Volk van Dana en hun afstammelingen.
+Zoo wordt in de &#8220;Samenspraak der Ouden&#8221;, een verzameling sprookjes omstreeks <a id="d0e2918"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2918">104</a>]</span>de dertiende of veertiende eeuw vervaardigd, St. Patrick in aanraking gebracht met een minnezanger Cascorach, &#8220;een schoonen
+jongeling met gekrulde haren en donkere wenkbrauwen&#8221;, die een z&oacute;&oacute; zoete melodie speelt, dat de heilige en zijn gevolg in slaap
+vallen. Volgens het verhaal was Cascorach de zoon van een minnezanger uit het Volk van Dana. De schrijver van St. Patrick,
+Brogan merkt op: &#8220;Gij gaaft ons daar een heerlijk staaltje van uw kunst&#8221;. &#8220;Het zou werkelijk goed zijn&#8221;, zeide St. Patrick,
+als er niet een klank in was van de tooverij eener fee, die het verpest; was dit niet het geval, dan zou niets meer dan dit
+overeenkomen met een hemelsche harmonie.<a id="d0e2920src" href="#d0e2920" class="noteref">16</a><span class="corr" title="Bron: ."></span> Sommige van de schoonste der oude Iersche volksmelodie&euml;n,&#8212;b.v. de <i>Coulin</i>&#8212;zijn volgens de overlevering door sterfelijke harpspelers afgeluisterd bij de feesten der Fee&euml;n.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Namen en karaktertrekken van de godheden van het Volk van Dana.</h3>
+<p>Wij zullen dit verhaal der verovering door het Volk van Dana besluiten met een overzicht van de voornaamste goden van het
+Volk van Dana en van hun attributen, welk overzicht van groot nut zal zijn voor de lezers der volgende bladzijden. Het beste
+ons bekende overzicht is dat, wat gevonden wordt in de &#8220;Critische geschiedenis van Ierland&#8221;, door Standish O&#8217;Grady<a id="d0e2932src" href="#d0e2932" class="noteref">17</a>. Dit werk is niet minder merkwaardig om zijn critisch inzicht&#8212;het werd in 1881 uitgegeven, toen men nog weinig hoorde van
+een wetenschappelijke beoefening der Keltische mythologie&#8212;dan om de diep-po&euml;tische verbeeldingskracht, die nauw verwant was
+aan die van de dichters der oude mythen zelf, waardoor doode vormen uit het verleden opstaan en door den adem des levens worden
+opgewekt. De groote lijnen, waarin O&#8217;Grady de typische karaktertrekken der hoofdpersonen in den cyclus van Dana heeft geschetst,
+vereischen in onzen tijd nauwelijks eenige verbetering, en zijn voor ons bij het hier volgende overzicht van groot nut geweest.
+<a id="d0e2935"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2935">105</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Dagda.</h3>
+<p>De Dagda M&#333;r was de vader en het opperhoofd van het Volk van Dana. Er is aan hem en aan zijn optreden het denkbeeld van grootheid
+verbonden. In den tweeden slag bij Moytura vellen zijn slagen geheele rijen van den vijand, en als hij zijn speer op marsch
+laat slepen, trekt deze een vore in den grond als de gracht, die de grens van een provincie aanwijst. In enkele verhalen omtrent
+die godheid is een element van zonderlingen humor aanwezig. Als de Fomori&euml;rs hem voedsel geven bij zijn bezoek aan hun kamp,
+worden de pap en de melk in een grooten kuil in den grond gestort, en hij eet die met een lepel, die z&oacute;&oacute; groot is, zooals
+verhaald wordt, dat een man en een vrouw er samen in kunnen liggen. Met dien lepel schrapt hij den kuil uit, als de pap op
+is en met de grootste onverschilligheid laat hij de aarde en het grove zand door zijn keel loopen. Wij hebben reeds gezien,
+dat hij zooals het geheele Volk van Dana een meester is in de muziek, en tevens volleerd in alle magische kunsten, terwijl
+hij daarbij een harp bezit, die op zijn roep door de lucht komt vliegen. &#8220;De neiging, om leven toe te kennen aan levenlooze
+dingen is duidelijk merkbaar in de Homerische litteratuur, maar oefent een veel grooteren invloed uit in de mythologie van
+dit land. De levende, vlugge speer van Lugh; het tooverschip van Mananan; het sprekende zwaard van Cuchulain; de Lia Fail,
+de Steen van het Noodlot, die van vreugde loeide onder den voet van wettige koningen; de golven van den oceaan, die van woede
+en smart bulderden, als die koningen in gevaar waren; de wateren van de Avon Dia, die uit vrees bleven stilstaan bij het vreeselijk
+tweegevecht tusschen Cuchulain en Ferdia: die alle zijn slechts enkele uit vele voorbeelden<a id="d0e2941src" href="#d0e2941" class="noteref">18</a>. Een legende van lateren tijd verhaalt ons, hoe eens bij den dood van een groot geleerde alle boeken in Ierland van de boekenplanken
+op den vloer vielen.
+
+<a id="d0e2944"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2944">106</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Angus &#332;g.</h3>
+<p>Angus &#332;g (Angus de Jonge), de zoon van den Dagda, verwekt bij Boanna (de rivier bij Boyne) was de Iersche liefdegod. Men dacht
+zich zijn paleis te New Grange, aan de Boyne. Ook stelde men zich de vier schitterende vogels, die voortdurend boven zijn
+hoofd zweefden voor, als zijn kussen, die in die lieflijke gedaante gematerialiseerd werden, en als deze zongen, ontsprong
+de liefde in de harten van jongelingen en en meisjes. Eens werd hij smoorlijk verliefd op een meisje, dat hij in den droom
+had gezien. Hij vertelde de oorzaak van de ziekte, die daarvan het gevolg was, aan zijn moeder Boanna, die geheel Ierland
+doorzocht naar het meisje, maar het niet kon vinden. Daarop werd de Dagda binnengeroepen, maar wist evenmin, wat hij doen
+moest, totdat hij de hulp inriep van B&#333;v den Roode, den koning van het Munstersche volk van Dana&#8212;denzelfden, van wien sprake
+is in het verhaal van de kinderen van Lir, en die op de hoogte was van alle mysteri&euml;n en tooverkunsten. B&#333;v nam de taak op
+zich, naar het meisje te zoeken, en na verloop van een jaar verklaarde hij, dat hij het in den droom verschenen meisje had
+gevonden bij een meer, dat het Meer van den Drakenbek heette.
+
+</p>
+<p>Angus ging nu naar B&#333;v, en na door hem drie dagen te zijn onthaald, werd hij gebracht naar den oever van het meer, waar hij
+driemaal vijftig maagden zag, die paar aan paar liepen, terwijl ieder paar aan elkander was gekluisterd door een gouden keten,
+doch &eacute;&eacute;n der meisjes was meer dan een hoofd grooter dan de overige. &#8220;Dat is zij,&#8221; roept Angus uit. &#8220;Vertel ons onder welken
+naam zij bekend is.&#8221; B&#333;v antwoordt, dat zij Caer heet, en dat zij de dochter is van Ethal Anubal, een vorst van het volk van
+Dana, dat in Connacht woont. Angus weeklaagt, dat hij niet sterk genoeg is, haar van haar gezellinnen weg te dragen, maar
+op raad van B&#333;v begeeft hij zich om hulp naar Ailell en Maev, het sterfelijke koningspaar uit Connacht. Daarop begaven zich
+de Dagda en Angus naar het paleis van Ailell, die hen een week lang feestelijk onthaalt en hen daarna <a id="d0e2952"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2952">107</a>]</span>naar de reden van hun komst vraagt. Toen zij die hadden vermeld, antwoordde deze: &#8220;Wij hebben niets te zeggen over Ethal Anubal&#8221;.
+Toch zonden zij een boodschap naar Ethal, waarbij zij hem vragen om de hand van Caer voor Angus, maar Ethal weigert haar af
+te staan. Ten slotte wordt hij belegerd door de verbonden troepen van Ailell en den Dagda en gevangen genomen. Toen zij hem
+ten tweeden male Caer ten huwelijk vroegen, zegt hij, dat hij er niet in kon toestemmen, &#8220;want zij is machtiger dan ik.&#8221; Hij
+legt hun uit, dat zij om het andere jaar in de gedaante van een meisje en van een zwaan leeft, &#8220;en op den eersten November&#8221;,
+zoo zegt hij, &#8220;zult gij haar met honderd-vijftig andere zwanen bij het meer van den Drakenbek zien.
+
+</p>
+<p>Angus gaat daar op den vastgestelden tijd heen en roept haar toe: &#8220;Ach, kom toch, en spreek met mij!&#8221; &#8220;Wie roept mij?&#8221; vraagt
+Caer. Angus deelt haar mede, wie hij is, en ziet dan, dat hij in een zwaan is veranderd. Dit is voor hem een aanwijzing, dat
+zij toestemt, en hij springt in het water, om zich bij zijn geliefde in het meer te voegen. Daarna vliegen zij beiden naar
+het paleis aan de Boyne, waarbij zij een z&oacute;&oacute; goddelijke muziek doen hooren, dat alle hoorders gedurende drie dagen en drie
+nachten in slaap worden gewiegd.
+
+</p>
+<p>Angus is de bijzondere vriend van jongelingen en meisjes. Dermot van de Liefdesplek, een onderhoorige van Finn mac Cumhal,
+over wien wij later zullen hooren, was te zamen met Angus in het paleis aan de Boyne opgevoed. Hij was de typische minnaar
+in de Iersche legende. Toen hij gedood was door het wilde zwijn van Ben Bulben, wekt Angus hem weer tot leven op en draagt
+hij hem weg, om met hem in zijn tooverpaleis in de onsterfelijkheid te deelen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Len van Killarney.</h3>
+<p>Wij hebben reeds gesproken van B&#333;v den Roode, den broeder van den Dagda. Naar men zegt, had hij een goudsmid in zijn dienst,
+Len genaamd, &#8220;waaraan de Meren van Killarney vroeger hun namen hadden ontleend, daar zij eertijds bekend <a id="d0e2963"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2963">108</a>]</span>waren onder de namen Locha Lein, de meren van Len met de Vele Hamers. Hier, bij het meer, oefende hij zijn ambacht uit, omgeven
+door regenbogen en een overvloed van vurigen dauw<a id="d0e2965src" href="#d0e2965" class="noteref">19</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Lugh.</h3>
+<p>Lugh is reeds beschreven<a id="d0e2973src" href="#d0e2973" class="noteref">20</a>. Hij heeft meer bijzondere attributen van de zon dan eenige andere Keltische godheid; en, zooals wij weten, was zijn vereering
+wijd over het Keltische vasteland verspreid. In het verhaal over de zonen van Turenn werd ons medegedeeld, dat Lugh de Fomori&euml;rs
+van het westen naderde. Daarop stond Bres, de zoon van Balor, op en zeide: &#8220;Het verbaast mij, dat de zon heden in het westen
+opkomt, en iederen anderen dag in het oosten.&#8221; &#8220;Mocht dit inderdaad het geval zijn,&#8221; zeiden zijn Dru&iuml;den. &#8220;Wel, wat anders
+is het dan, als het de zon niet is?&#8221; zeide Bres. &#8220;Het is de glans van het gelaat van Lugh met den Langen Arm,&#8221; antwoordden
+zij.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e2980" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p108.jpg" alt="&#8220;Hier bij het meer werkte hij&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Hier bij het meer werkte hij&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Lugh was de vader van Cuchulain, verwekt bij de Milesische maagd Dectera; hij was de grootste heldenfiguur in de Iersche legende,
+in wiens geschiedenis een krachtig element der zonnemythe schuilt<a id="d0e2986src" href="#d0e2986" class="noteref">21</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Midir, de trotsche.</h3>
+<p>Midir de trotsche is een zoon van den Dagda. Zijn tooverpaleis is te <i>Bri Leith</i>, of Slieve Callary in het graafschap Longford. Hij komt dikwijls voor in legenden, die gedeeltelijk handelen over menschelijke
+wezens, gedeeltelijk over wezens uit het Volk van Dana, en altijd wordt hij voorgesteld als een type van pracht, en in zijn
+kleeding en in zijn persoonlijke schoonheid. Als hij voor koning Eschy verschijnt op den heuvel van Tara wordt hij aldus geschetst<a id="d0e2997src" href="#d0e2997" class="noteref">22</a>.
+
+</p>
+<p>&#8220;Op zekeren helderen dag in den zomertijd stond Eochaid Airemm, de koning van Tara op, en beklom hij de hoogte van <a id="d0e3005"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3005">109</a>]</span>Tara<a id="d0e3007src" href="#d0e3007" class="noteref">23</a>, om de vlakte van Bleg te overzien; de kleur dier vlakte was wonderschoon, en daarop stonden de prachtigste boomen met bloesems,
+die glinsterden in alle bekende kleuren. En toen de bovengenoemde Eochy om zich heen en in de verte zag, ontdekte hij een
+jongen vreemden krijgsman naast zich op de hoogte. Het kleed, dat de krijgsman droeg, had een purperkleur, zijn haar was goudgeel,
+en zoo lang dat het reikte tot boven aan zijn schouders. De oogen van den jeugdigen krijgsman waren glinsterend en grijs;
+in de &eacute;&eacute;ne hand hield hij een fijne, gepunte speer, in de andere hand een schild met een witten knop in het midden, en gouden
+edelgesteenten daar bovenop. En Eochaid hield zich stil, want hij wist, dat een dergelijk iemand den avond te voren niet in
+Tara was geweest, en evenzeer wist hij, dat de poort, die naar zijn gebied leidde, in dien tusschentijd niet geopend was<a id="d0e3013src" href="#d0e3013" class="noteref">24</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Lir en Mananan.</h3>
+<p>Lir treedt, zooals O&#8217;Grady opmerkt, in twee verschillende vormen op. In den eersten is hij een groot, onpersoonlijk iets,
+dat ge&euml;venredigd is aan de zee; in werkelijkheid de Grieksche Oceanus. In den tweeden vorm is hij een afzonderlijke persoonlijkheid,
+die onzichtbaar woont op &#8220;Slieve Fuad&#8221; in het graafschap Armagh. In de Iersche legenden hooren wij weinig van hem, daar de
+attributen van den zeegod meestal worden toegekend aan zijn zoon, Matanan.
+
+</p>
+<p>Die laatste godheid is &eacute;&eacute;n der populaire goden in de Iersche mythologie. Hij was heer over de zee, voorbij of onder welke
+het Land der Jeugd of de Eilanden der Dooden moeten gelegen hebben; hij was daarom de geleider der menschen naar dat land.
+Hij was doorkneed in allerlei listen en misleidingen, en bezat alle soorten van toovermiddelen&#8212;de boot, de Oceaanveger genaamd,
+die gehoorzaamde aan de gedachten <a id="d0e3023"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3023">110</a>]</span>van hen, die daarin voeren, en die zonder roeiriemen of zeilen voortging, het paard Aonbarr, dat zoowel over zee als over
+land kon reizen, en het zwaard, de Antwoorder, waaraan geen wapenrusting kon weerstand bieden. Golven met witte koppen heetten
+de Paarden van Mananan, en het was den Zonnegod Cuchulain verboden (<i>tabu</i>), die te zien&#8212;dit wees op den dagelijkschen dood der zon, als zij in de westelijke golven onderduikt. Mananan droeg een grooten
+mantel, die iedere kleur kon aannemen, zooals het wijdverspreide veld der zee, als het van een hoogte wordt aanschouwd; en
+men zegt, dat als een vijandelijke macht in het land viel, zij zijn donderende voetstappen en het wapperen van zijn grooten
+mantel hoorden, wanneer hij als de beschermer van het eiland Erin toornig des nachts hun kamp omliep. Men stelde zich voor,
+dat het eiland Mann, dat flauw van de Iersche kust werd gezien, de troon van Mananan was, en zijn naam aan dien godheid heeft
+ontleend.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Godin Dana.</h3>
+<p>De grootste der godinnen uit het Volk van Dana, was Dana &#8220;de moeder der Iersche goden&#8221;, zooals zij in een oud handschrift
+wordt genoemd. Zij was een dochter van den Dagda, en stond evenals hij in verband met denkbeelden van vruchtbaarheid en zegen.
+Volgens d&#8217;Arbois de Jubainville was zij identiek met de godin Brigitta, die in het Keltische gebied zoo algemeen vereerd werd.
+Men zegt, dat Brian, Iuchar en Iucharba hun zonen waren&#8212;deze stellen in werkelijkheid slechts &eacute;&eacute;n persoon voor, op de gewone
+Iersche wijze, waarbij de goddelijke macht in een drie&euml;enheid wordt voorgesteld. De naam van Brian, die in al de heldendaden
+der broeders de leiding neemt<a id="d0e3033src" href="#d0e3033" class="noteref">25</a>, is afgeleid van een ouderen vorm Brenos, en onder dien vorm was de god, aan wien de Kelten hun overwinningen aan de Allia
+en te Delphi toeschreven door de Romeinsche en Grieksche kronykschrijvers ten onrechte aangezien voor een aardschen aanvoerder.
+
+<a id="d0e3036"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3036">111</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Morrigan.</h3>
+<p>Er was ook een zeer merkwaardige en bijzondere godin, Morrigan<a id="d0e3042src" href="#d0e3042" class="noteref">26</a> genaamd, die alles in zich schijnt te belichamen, wat er maar verdorvens en afschuwelijks is onder de bovennatuurlijke machten.
+Zij had er genoegen in, den oorlog onder de menschen te doen ontbranden, en streed zelf onder hen mede, waarbij zij zich in
+een aantal vreeselijke gedaanten veranderde en dikwijls in de gestalte van een kraai boven vechtende legers zweefde. Eens
+ontmoette zij Cuchulain en bood hem haar liefde aan in den vorm van een menschelijke maagd. Hij wees die af, en van dat oogenblik
+vervolgde zij hem gedurende het grootste gedeelte van haar leven. Terwijl zij eens met hem streed te midden van den stroom,
+veranderde zij zich in een waterslang, en vervolgens in een bos waterkruiden, waarin zij hem trachtte te verwarren en zoo
+te verdrinken. Maar hij overmeesterde en wondde haar en daarna werd zij zijn vriendin. V&oacute;&oacute;r zijn laatste gevecht trok zij
+des nachts door Emain Macha heen en brak zij, om hem te waarschuwen, den disselboom van zijn wagen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De golf van Cleena.</h3>
+<p>E&eacute;n der meest bekende grenspalen van Ierland was de <i>Tonn Cliodhna</i>, of &#8220;Golf van Cleena&#8221; aan het zeestrand bij Glandore Bay in het graafschap Cork. Het verhaal over Cleena komt in verschillende
+lezingen voor, die niet met elkander overeenkomen behalve in z&oacute;&oacute;ver, dat zij een maagd uit het volk van Dana is geweest, die
+eens gewoond heeft in het land van Mananan, het Land der Jeugd over de Zee. Na van daar met een sterfelijken minnaar, zooals
+&eacute;&eacute;n der lezingen luidt, gevlucht te zijn landde zij op de zuidkust van Ierland, en haar minnaar, Keevan met Krullende Lokken,
+ging heen om in de bosschen te jagen. Cleena, die aan het strand achterbleef, werd in slaap gewiegd door betooverende muziek,
+die gespeeld werd door een minnezanger van Mananan, toen een <a id="d0e3053"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3053">112</a>]</span>groote golf der zee oprees en haar naar het Tooverland terugbracht, terwijl zij haar minnaar troosteloos achterliet. Vandaar
+werd de plaats het Strand der Golf van Cleena genoemd.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e3056" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p112.jpg" alt="Sinend en de Put van Connla"></p>
+<p class="figureHead">Sinend en de Put van Connla</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De godin Ain&eacute;.</h3>
+<p>Een andere plaatselijke godin was Ain&eacute;, de schutsgodin van Munster, die nog altijd door de bevolking van het graafschap vereerd
+wordt. Zij was de dochter van Owel, een pleegzoon van Mananan en een Dru&iuml;de, en uit het volk van Dana afkomstig. Zij is in
+zekeren zin een godin der liefde, die voortdurend stervelingen met hartstocht bezielt. Zij was ontvoerd, zoo werd verhaald,
+door Ailill Olum, den koning van Munster, die daarom door haar magische kunsten gedood werd, en dat verhaal heeft zich in
+veel later tijd herhaald ten opzichte van een anderen sterfelijken minnaar, die echter niet gedood werd, en wel een Fitzgerald,
+wien zij den bekenden graaf baarde, die om zijn tooverkunsten beroemd was<a id="d0e3065src" href="#d0e3065" class="noteref">27</a>. Een aantal aristocratische families van Munster maakten er aanspraak op, dat zij uit die verbintenis waren afgestamd.
+
+</p>
+<p>Haar naam is nog steeds verbonden aan den &#8220;Heuvel van Ain&eacute;&#8221; (Knockainey), bij Loch Gur in Munster. Al de godheden van Dana
+waren in de volksverbeelding aardgoden, <i>dei terreni</i>, die in verband stonden met vruchtbaarheid en vermenigvuldiging. In de letterkunde der barden hoort men niet veel van Ain&eacute;,
+maar in de volksoverlevering in die streken speelt zij een belangrijke rol. Op verzoek van haar zoon, graaf Gerald beplantte
+zij in &eacute;&eacute;n nacht geheel Knockainey met erwten. Zij werd vroeger&#8212;en misschien is dit nog het geval&#8212;den avond v&oacute;&oacute;r Sint Jan
+door de landbouwers vereerd, die toortsen van hooi en stroo droegen, die op stokken gebonden waren en na aangestoken te zijn,
+daarmede in den avond om haar heuvel <a id="d0e3073"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3073">113</a>]</span>liepen. Daarna verspreidden zij zich over hun bebouwde velden en weiden, en zwaaiden de toortsen over de aren en het vee om
+geluk en een rijken oogst voor het volgende jaar te verkrijgen. Op zekeren avond, zoo verhaalt D. Fitzgerald,<a id="d0e3075src" href="#d0e3075" class="noteref">28</a> die de plaatselijke overleveringen omtrent die godin heeft verzameld, werd de plechtigheid verzuimd ten gevolge van den dood
+van &eacute;&eacute;n der buren. Toch zagen de boeren des avonds de toortsen in grooter getale dan ooit te voren zich rondom den heuvel
+bewegen, met Ain&eacute; zelf voorop, die de processie aanvoerde en regelde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een anderen avond v&oacute;&oacute;r Sint Jan waren een aantal meisjes laat op den heuvel blijven staan, terwijl zij de <i>cliars</i> (toortsen) beschouwden en aan de spelen deelnamen. Plotseling verscheen Ain&eacute; in haar midden, en dankte haar voor de eer,
+die zij haar hadden bewezen, maar zeide, dat zij wenschte, dat zij nu naar huis gingen, <i>daar men den heuvel voor zich zelf noodig had</i>. Zij maakte haar duidelijk, wie zij met <i>men</i> bedoelde, want na sommige meisjes naar zich toe geroepen te hebben, liet zij haar door een ring zien, waarop zij zagen, dat
+de heuvel bezaaid was met menschen, die vroeger onzichtbaar waren geweest.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hier&#8221;, zoo merkt Alfred Nutt op, &#8220;hebben wij de oude plechtigheden, die uitgevoerd worden op een plek, gewijd aan &eacute;&eacute;n der
+oude machten, onder bescherming van die machten en waaraan zij zelf deelnemen. Nergens behalve bij de Gali&euml;rs zouden wij zulk
+een sprekend voorbeeld kunnen vinden, hoe de fee&euml;nwereld identiek is met de eerbiedwaardige machten, ten einde hun welgezindheid
+te verkrijgen, ter eere van wie sedert ontelbare jaren, plechtigheden en offers zijn gebracht, die eertijds wreed en bloedig
+waren, doch nu slechts een flauwe weerschijn zijn van hun oorspronkelijken vorm.<a id="d0e3091src" href="#d0e3091" class="noteref">29</a>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Sinend en de put der kennis.</h3>
+<p>Er is een merkwaardige mythe, die, terwijl zij bestemd is, een verklaring te geven van den naam van de rivier de Shannon,
+<a id="d0e3099"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3099">114</a>]</span>een bewijs is van de vereering der Kelten voor po&euml;zie en wetenschap, verbonden met de waarschuwing, dat die twee niet zonder
+gevaar kunnen worden genaderd. Het verhaal luidt &#8220;dat de godin Sinend, de dochter van Lodan, den zoon van Lir, naar een zekeren
+put, de put van Connla genoemd, ging, die onder de zee is, dat wil zeggen: in het Land der Jeugd, in het Tooverland. Het verhaal
+zegt, &#8220;dat dit een put is, waar de hazelaars van wijsheid en ingevingen gelegen zijn, dat zijn de hazelaars van wetenschap
+en po&euml;zie, en op hetzelfde uur komen hun vruchten en bloesems en bladeren te voorschijn en vallen dan boven in den put in
+dezelfde bui, die op het water een koninklijke golf van purper doet ontstaan.&#8221; Toen Sinend bij den put kwam, had zij enkele
+voorgeschreven plechtigheden of voorbereidingen verzuimd,&#8212;welke dit waren is ons niet bekend&#8212;, en daarom braken de vertoornde
+wateren los en overweldigden haar, en dreven haar naar den oever van den Shannon, waar zij stierf; daaraan ontleende de Shannon
+zijn naam.<a id="d0e3101src" href="#d0e3101" class="noteref">30</a> Die mythe van de hazelaars der ingevingen en der kennis, en het verband van deze met stijgend water loopt door vele Iersche
+legenden en is prachtig weergegeven door den Ierschen dichter G.&nbsp;W. Russell in de volgende versregels:
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Een hut verborgen tusschen grassen, die op de helling welig groeien,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Met deur en venster wijd geopend, waardoor de sterren heimlijk gluren,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Vrij kan &#8217;t konijn die schuur betreden, waarbinnen luid de winden loeien,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Die buiten op de hooge bergen, langs kam en toppen heftig schuren.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;En daalt de zon in &#8217;t westen neder, kleurt &#8217;t avondrood de lucht,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Dan werpt de hazelaar ter neder zijn rijk gekleurde, rijpe vrucht,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">En sterrevormig is de bes, zooals die valt in Connla&#8217;s put,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Want eeuwig levend water stroomt, waar winden suizen om de hut.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Ik denk bij &#8217;t vallen van den nacht, die kille dauw doet beven,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Hoe door mijn geest dan ongestoord en rein gedachten zweven;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Die als de bessen zijn, die vrij in &#8217;t luchtruim zich verbreiden,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Terwijl de vruchten van den wonderboom zich overal verspreiden.&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p></p>
+<div id="d0e3135" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p114.jpg" alt="De komst van de Zonen van Miled"></p>
+<p class="figureHead">De komst van de Zonen van Miled</p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De komst van de zonen van Miled.</h3>
+<p>Na den tweeden slag bij Moytura regeerde het Volk van Dana in Ierland tot aan de komst van de zonen van Miled. <a id="d0e3144"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3144">115</a>]</span>Deze worden in de Iersche legenden als een volkomen menschelijk ras beschouwd, doch in hun oorsprong gaan zij, evenals de
+overige overweldigers van Ierland, terug tot een goddelijk en mythisch voorgeslacht. Miled, wiens naam als godheid voorkomt
+in een Keltische inscriptie uit Hongarije, wordt voorgesteld als een zoon van Bil&eacute;. Bil&eacute; is evenals Balor &eacute;&eacute;n der namen van
+den god des Doods, d.i. van de Onderwereld. Zij komen uit &#8220;Spanje&#8221;&#8212;de gewone naam gebruikt door de latere nationalistische
+geschiedschrijvers voor het Land der Dooden.
+
+</p>
+<p>Zij zijn op de volgende wijze in Ierland gekomen: Ith, de grootvader van Miled, hield verblijf in een grooten toren, dien
+zijn vader, Bregon in &#8220;Spanje&#8221; had gebouwd. Op zekeren helderen winterdag, toen hij in zijn hoogen toren in westelijke richting
+keek, zag hij in de verte de kust van Ierland, en besloot hij naar het onbekende land te zeilen. Hij scheepte zich in met
+negentig krijgslieden en landde te Corcadyna, in het zuid-westen. In verband met deze gebeurtenis willen wij een bijzonder
+schoon gedeelte aanhalen uit de &#8220;Iersche Mythologische Cyclus&#8221;, die bovendien de belangstelling waard is.<a id="d0e3148src" href="#d0e3148" class="noteref">31</a>
+
+</p>
+<p>&#8220;Volgens een onbekenden schrijver, door Plutarchus aangehaald, die omstreeks het jaar 120 n.C. stierf, en ook door Procopius,
+die in de zesde eeuw n.C. schreef, is &#8220;het Land der Dooden&#8221; het westelijke uiteinde van Groot-Brittanni&euml;, dat door een ontoegankelijken
+muur van het oosten is gescheiden. Op de noordkust van Galli&euml;, zoo zegt de legende, vindt men een bevolking van zeelieden,
+wier taak het is de dooden van het vasteland over te brengen naar hun laatste woonplaats op het eiland Brittanni&euml;. De zeelieden,
+die &#8217;s nachts gewekt worden door het fluisteren van een geheimzinnige stem, staan op en begeven zich naar het strand waar
+zij schepen vinden, die op hen wachten en hun niet toebehooren<a id="d0e3153src" href="#d0e3153" class="noteref">32</a>, en daarin onzichtbare <a id="d0e3162"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3162">116</a>]</span>wezens, onder wier gewicht de schepen bijna tot aan de dolboorden zinken. Zij gaan aan boord en komen, zooals &eacute;&eacute;n lezing luidt,
+na &eacute;&eacute;n slag met de roeiroemen, volgens een andere lezing binnen het uur, op de plaats hunner bestemming, hoewel de reis met
+hun eigen schepen, zelfs met behulp van zeilen, minstens een dag en een nacht zou geduurd hebben, voordat zij de kust van
+Spanje hadden bereikt. Zoodra zij aan den anderen oever komen, landen de onzichtbare passagiers, en op datzelfde oogenblik
+ziet men, hoe de van hun last bevrijde schepen boven de golven verrijzen, terwijl een stem gehoord wordt, welke de namen der
+nieuw aangekomenen aankondigt, die zooeven gevoegd zijn bij de bewoners van het Land der Dooden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een slag met de roeiriemen, hoogstens &eacute;&eacute;n uur reizen, is voldoende voor den middernachtelijken tocht, die de Dooden van het
+Gallische vasteland naar hun laatste woonplaats overbrengt. De &eacute;&eacute;ne of andere geheimzinnige wet brengt immers in den nacht
+de groote tusschenruimten bijeen, die het rijk der levenden over dag van dat der dooden scheidt. Het was dezelfde wet, die
+Ith op een schoonen winteravond in staat stelde om van den toren van Bregon, in het land der Dooden, de kusten van Ierland,
+of het land der Levenden te zien. Het verschijnsel had in den winter plaats; immers de winter is een soort van nacht; de winter
+haalt, evenals de nacht, de slagboomen weg tusschen het gebied van den Dood en dat van het Leven; evenals de nacht, zoo geeft
+de winter het leven de gedaante van den dood, en neemt als het ware den somberen afgrond weg, die tusschen beide gelegen is.&#8221;
+
+</p>
+<p>In dien tijd, zoo luidt de legende, werd Ierland geregeerd door drie koningen uit het Volk van Dana, kleinzonen van den Dagda.
+Het waren MacCuill, MacCecht en MacGren&eacute;, hun vrouwen heetten Banba, Fohla en Eriu. Men ziet hier weer een voorbeeld, hoe
+bij de Kelten het gebruik, om zich goddelijke personen in drietallen voor te stellen inheemsch was. De drietallen vertegenwoordigen
+ieder &eacute;&eacute;n persoon, en het mythische karakter van dien persoon blijkt uit den naam van &eacute;&eacute;n van hen, <a id="d0e3168"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3168">117</a>]</span>MacGren&eacute;, zoon der Zon. De namen der drie godinnen zijn ieder op verschillende tijdstippen op Ierland toegepast, maar die
+van de derde, Eriu, is de eenige, die heeft stand gehouden, en is in den derden naamval, Erinn, tot op den huidigen dag, een
+po&euml;tische naam voor het land. Zooals de Jubainville opmerkt, beteekent het feit, dat Eriu de vrouw van MacGren&eacute; is, dat de
+Zonnegod, de god van den Dag, van Leven en Wetenschap met het land is gehuwd en daarover regeert.
+
+</p>
+<p>Ith vindt bij zijn landing, dat de koning uit het volk van Dana, Neit, juist gesneuveld is in een gevecht met de Fomori&euml;rs,
+en de drie zonen, MacCuill en de overigen zijn in de vesting Aileach, in het graafschap Donegal, om een regeling te maken
+omtrent de verdeeling van het land onder hun drie&euml;n. In het begin verwelkomen zij Ith, en vragen zij hem, de erfenis te regelen.
+Ith geeft zijn oordeel, maar ten slotte komt zijn bewondering voor het juist ontdekte land naar voren en zegt hij: &#8220;Handel
+naar de wetten der rechtvaardigheid, immers het land, waarin gij woont is een goed land, het is rijk aan vruchten en honig,
+aan graan en visch; en bij hitte en bij koude is het klimaat gematigd&#8221;. Uit die lofrede trekken de drie broeders de gevolgtrekking,
+dat Ith booze plannen op hun land heeft, en daarom nemen zij hem gevangen en brengen hem ter dood. Doch zijn makkers maken
+zich meester van zijn lijk en dragen het met zich in hun schepen naar &#8220;Spanje&#8221;, waarna de kinderen van Miled besluiten wraak
+te nemen voor de beleediging en zich gereed maken een inval in Ierland te doen.
+
+</p>
+<p>Zij werden aangevoerd door zes-en-dertig bevelhebbers, ieder met zijn eigen schip, waarop zijn familie en onderhoorigen waren
+ingescheept. Men zegt, dat twee van het gezelschap onderweg zijn omgekomen. E&eacute;n van de zonen van Miled, die boven in de mast
+was geklommen om naar de kust van Ierland uit te kijken, viel in zee en verdronk. De andere was Skena, de vrouw van den dichter
+Amergin, de zoon van Miled, die onder weg stierf. De Milesi&euml;rs begroeven haar toen zij landden, en noemden de plaats naar
+haar &#8220;Inverskena?&#8221;; dit was de oude naam der rivier Kenmare in het graafschap Kerry.
+<a id="d0e3174"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3174">118</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Het was op een Donderdag, den eersten Mei, en de zeventienden dag na nieuwe maan, dat de zonen van Miled in Ierland aankwamen.
+Ook Partholan was den eersten Mei in Ierland geland, maar het was op een anderen dag der week en der maan; het was ook op
+den eersten Mei dat de pest uitbrak, die in &eacute;&eacute;n week tijds zijn geheele ras totaal uitroeide. De eerste Mei was gewijd aan
+Belten&eacute;, &eacute;&eacute;n der namen van den God des Doods, den god, die den mensch het leven schenkt en het hun weer ontneemt. Het was
+dus op den feestdag van dien god, dat de zonen van Miled hun verovering van Ierland begonnen.&#8221;<a id="d0e3177src" href="#d0e3177" class="noteref">33</a>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De dichter Amergin.</h3>
+<p>Toen de dichter Amergin den voet zette op den bodem van Ierland, zong hij, naar verhaald wordt, een vreemd en mystisch lied:
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Ik ben de wind, die waait over zee,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik ben de golf van den oceaan;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik ben het gemurmel der golven;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik ben de os der zeven gevechten;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik ben de gier op de rots;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik ben een straal van de zon;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik ben de schoonste der planten;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik ben in dapperheid een wild zwijn;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik ben een zalm in het water;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik ben een meer in de vlakte;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik ben de bedrevenheid van den kunstenaar;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik ben een woord van wetenschap;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik ben de speerpunt, die aan den strijdt deelneemt;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik ben de god, die in het hoofd van den mensch het vuur der gedachten schept.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Wie is het, die de menigte op den berg licht geeft, zoo niet ik?
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Wie telt den ouderdom der maan, zoo niet ik?
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Wie wijst de plaats aan, waar de zon ter ruste gaat, zoo niet ik?&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>De Jubainville, wiens vertaling hier in hoofdzaak is gevolgd, merkt naar aanleiding van die vreemde uiting op:
+
+</p>
+<p>&#8220;Er is een gemis aan orde in dit gedicht; de denkbeelden, hoofdzaken en ondergeschikte gedachten, zijn zonder methode door
+elkander geschud; maar er is geen twijfel aan de beteekenis; <a id="d0e3227"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3227">119</a>]</span>de <i>fil&eacute;</i> (dichter) is het woord der wetenschap, hij is de god, die den mensch het vuur der gedachte geeft; en daar de wetenschap niet
+gescheiden is van zijn doel, daar God en Natuur slechts &eacute;&eacute;n zijn, is het wezen van den <i>fil&eacute;</i>, vermengd met de winden en de golven, met de wilde dieren en de wapenen van den krijgsman&#8221;<a id="d0e3235src" href="#d0e3235" class="noteref">34</a>.
+
+</p>
+<p>Er werden nog twee andere gedichten aan Amergin toegeschreven, waarin hij het land en de natuurkundige eigenschappen van Ierland
+aanroept, om hem te helpen:
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Ik roep het land van Ierland aan,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Schitterende, schitterende zee;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Vruchtbare, vruchtbare berg;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Open, open bosch!
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Overvloeiende rivier, overvloeiend in water!
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Meer rijk aan visch!&#8221;<a id="d0e3253src" href="#d0e3253" class="noteref">35</a></span></p>
+</div>
+</div>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het oordeel van Amergin.</h3>
+<p>Het leger der zonen van Miled trekt na landing op Tara aan, waar zij de drie koningen uit het Volk van Dana aantreffen, die
+hen afwachten, en stellen hun den eisch, het eiland aan hen af te staan. De drie koningen vragen een uitstel van drie dagen,
+om te overwegen, of zij Ierland zullen verlaten, zich zullen onderwerpen of slag zullen leveren; en zij stellen daarna voor,
+de beslissing over te laten aan Amergin. Amergin doet uitspraak &#8220;het eerste vonnis dat in Ierland was uitgesproken&#8221;. Hij geeft
+toe, dat de Milesi&euml;rs hun vijanden niet bij verrassing moeten overrompelen&#8212;zij moeten zich negen golven afstand van de kust
+verwijderen en dan terugkeeren; indien zij dan het Volk van Dana overwinnen, is het land eerlijk het hunne door het recht
+van verovering.
+
+</p>
+<p>De zonen van Miled onderwerpen zich aan die beslissing en bestijgen hun schepen. Maar nauwelijks zijn zij dien mystieken afstand
+van negen golven weggevaren, toen een mist en een storm werden opgewekt door de tooverijen van het Volk van <a id="d0e3262"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3262">120</a>]</span>Dana&#8212;de kust van Ierland is voor hun gezicht verborgen, en zij zwerven verstrooid over den Oceaan. Om zich er van te vergewissen,
+of het een natuurlijke storm is, die hen teistert, dan wel een, die door de Dru&iuml;den is opgewekt, wordt een zekere Tranan boven
+op den mast gezonden, om te zien, of daar de wind waait. Hij wordt van den zwaaienden mast afgeslingerd, maar onder het vallen,
+waarbij hij den dood vindt, roept hij zijn scheepsmakkers nog toe: &#8220;Er is boven geen storm&#8221;. Amergin, die als dichter,&#8212;dat
+wil zeggen als Dru&iuml;de&#8212;in alle critieke omstandigheden de leiding heeft, zingt dan zijn tooverformulieren aan Erin. Daarop
+gaat de wind liggen, zij wenden vroolijk de stevens naar het strand. Maar &eacute;&eacute;n der hoofden der Milesi&euml;rs, Eber Donn jubelt
+in onmenschelijke opgewondenheid bij het vooruitzicht, allen, die in Ierland wonen met het zwaard te dooden; daarop steekt
+de storm opnieuw op, waarbij een aantal der schepen van de Milesi&euml;rs schipbreuk lijden, waaronder ook dat van Eber Donn. Tenslotte
+bereikt een klein deel der Milesi&euml;rs het strand, en landen in de monding van de Boyne.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De nederlaag van het volk van Dana.</h3>
+<p>Daarop volgt een groote veldslag tegen het Volk van Dana te Teltown.<a id="d0e3269src" href="#d0e3269" class="noteref">36</a> De drie koningen en de drie koninginnen worden met een aantal van het volk verslagen en de kinderen van Miled,&#8212;de laatste
+van de mythische overweldigers van Ierland&#8212;krijgen de oppermacht in Ierland. Maar het Volk van Dana wijkt niet terug. Door
+hun tooverkunst werpen zij een sluier van onzichtbaarheid over zich heen, die zij naar verkiezing aan- of afleggen. Er zijn
+van nu af aan twee landen Ierland, het onstoffelijke en het aardsche. Het Volk van Dana vertoeft in het onstoffelijke Ierland,
+dat door hun grooten opperheer, den Dagda, onder hen verdeeld is. Daar waar het menschelijke oog niets ziet dan groene heuvels
+en wallen, de overblijfselen van vernielde vestingen of graven, daar verrijzen de tooverpaleizen der verslagen godheden: daar
+vieren zij hun feesten <a id="d0e3275"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3275">121</a>]</span>in eeuwigen zonneschijn, gevoed door het toovervleesch en het tooverbier, dat hun onsterfelijke jeugd en schoonheid schenkt,
+en van daar komen zij te voorschijn, om zich met de stervelingen te vermengen in liefde en in strijd. De oude mythische letterkunde
+stelt hen voor als helden, schitterend in kracht en in schoonheid. In latere tijden, naarmate de Christelijke invloed krachtiger
+wordt, dalen zij af tot toovenaars en fee&euml;n, het volk der Sidhe<a id="d0e3277src" href="#d0e3277" class="noteref">37</a>; maar zij zijn nooit geheel ten gronde gegaan; tot op onzen tijd leeft het Land der Jeugd met zijn bewoners voort in de verbeelding
+der Iersche boeren.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De beteekenis der Dana-mythe.</h3>
+<p>Alle mythen, ontstaan bij een primitief volk, zijn symbolen en indien wij kunnen ontdekken, wat zij symbolisch voorstellen,
+hebben wij een kostbaren sleutel tot het geestelijk karakter, en somtijds zelfs tot de geschiedenis van het volk, waaraan
+zij hun ontstaan te danken hebben. Nu is de beteekenis dezer mythe, zooals die in de barden-litteratuur voor den dag komt,
+volkomen duidelijk, hoewel zij, voordat zij ons heeft bereikt, zeer is verwrongen. Het Volk van Dana vertegenwoordigt den
+eerbied der Kelten voor wetenschap, po&euml;zie en kunstvaardigheid, natuurlijk vermengd met de andere opvatting der goddelijkheid
+van de machten van het Licht. In hun strijd tegen de Firbolgs is duidelijk de overwinning van het verstand over domheid en
+onwetendheid geteekend&#8212;de vergelijking van het zware, stompe wapen der Firbolgs met de lichte en doordringende speren van
+het Volk van Dana is een aanwijzing, die onmogelijk kan worden misverstaan. En in hun strijd met een veel machtiger en gevaarlijker
+vijand, de Fomori&euml;rs, moeten wij blijkbaar den strijd zien tusschen de machten van het Licht met het kwaad, zooals dit in
+een minder positieven vorm is voorgesteld door de Firbolgs. De Fomori&euml;rs drukken niet uitsluitend stompheid en domheid uit,
+maar de krachten van tyrannie, wreedheid en hebzucht&#8212;eer moreele dan verstandelijke duisternis.
+
+<a id="d0e3285"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3285">122</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De beteekenis der mythe van de zonen van Miled.</h3>
+<p>Maar de mythe van den strijd tusschen het Volk van Dana en de zonen van Miled is moeilijker te begrijpen. Hoe komt het, dat
+de vorsten van licht en schoonheid, die heerschen over alle machten der gedachte (magische kunsten en tooverij) bezweken voor
+een menschenras en door hen beroofd werden van hun zoo moeilijk gewonnen erfdeel? Wat is de beteekenis van dat inkrimpen van
+hun macht, wat plotseling plaats greep, zoodra de zonen van Miled ten tooneele verschenen? De zonen van Miled stonden niet
+aan de zijde van de machten der duisternis. Zij stonden onder de leiding van Amergin, die blijkbaar een belichaming was van
+de voorstelling van po&euml;zie en gedachte. Zij werden met het grootste ontzag en den grootsten eerbied beschouwd, en de heerschende
+families van Ierland beweerden van hen af te stammen. Was dan het Rijk des Lichts tegen zich zelf verdeeld? Of, zoo niet,
+tot welke opvatting in den Ierschen geest moeten wij de mythen van den inval en de overwinning der zonen van Miled terugvoeren?
+
+</p>
+<p>Het eenige antwoord, dat wij kunnen geven op die vraag, die ons zoo zeer in verlegenheid brengt, is dat wij moeten aannemen,
+dat die mythe haar oorsprong ontleende aan een veel lateren tijd dan de overige mythen, en dat zij in hoofdtrekken het product
+was van Christelijke invloeden. Het Volk van Dana was in het bezit van het land, maar het waren heidensche godheden&#8212;en deze
+konden niet de plaats bekleeden van de voorzaten van een Christelijk Ierland. Men moest ze op de &eacute;&eacute;n of andere wijze kwijt
+raken, en men moest een ras van minder kinderlijke voorouders voor hen in de plaats stellen. Daarom werden de zonen van Miled
+uit &#8220;Spanje&#8221; gehaald, en begiftigd met de voornaamste karaktertrekken, maar iets meer menschelijk voorgesteld, van het Volk
+van Dana. Maar de laatsten worden, in afwijking van de gewone houding van het oude Christendom, in het verhaal hunner omverwerping
+met groote teederheid behandeld. Zoo heeft &eacute;&eacute;ne van deze de eer, dat zij haar naam mag schenken aan het eiland; de onbeschaamdheid
+van &eacute;&eacute;n der veroveraars jegens hen wordt met <a id="d0e3293"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3293">123</a>]</span>den dood gestraft, en zelfs als zij het oppergezag over den grond verloren hebben, genieten zij nog van het leven in de tooverwereld,
+die zij door hun tooverkunsten voor stervelingen onzichtbaar hebben gemaakt. Zij zijn niet langer goden, maar toch zijn zij
+meer dan gewoon menschelijk, en er komen een aantal voorbeelden voor, waarin zij ons worden voorgesteld als te voorschijn
+te komen uit hun tooverwereld, te worden omvat in de plooien der Christelijke wereld, en de hemelschen gelukzaligheid deelachtig
+te worden. Wij zullen met twee gevallen van die verlossing van het Volk van Dana dit hoofdstuk over de Mythen naar aanleiding
+van den inval in Ierland besluiten.
+
+</p>
+<p>Het eerste is het vreemde en schoone verhaal van de gedaanteverwisseling der kinderen van Lir.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De kinderen van Lir.</h3>
+<p>Lir was een godheid van het Volk van Dana, de vader van den zeegod Mananan, die voortdurend voorkomt in tooververtellingen
+uit den cyclus van de kinderen van Miled. Hij was na elkander met twee zusters gehuwd, van wie de tweede Aoife<a id="d0e3302src" href="#d0e3302" class="noteref">38</a> heette. Zij was kinderloos, maar de vorige vrouw van Lir had hem vier kinderen nagelaten, een meisje, Fionuala<a id="d0e3305src" href="#d0e3305" class="noteref">39</a> genaamd, en drie jongens. De innige liefde van Lir voor die kinderen wekte de jaloezie der stiefmoeder op, en ten slotte
+besloot zij hen uit den weg te ruimen. Wij maken hier de opmerking, dat het Volk van Dana, hoewel zij worden voorgesteld als
+niet onder den invloed van den tijd te staan, en van nature onsterfelijk te zijn, toch aan een gewelddadigen dood onderhevig
+zijn, hetzij door elkanders toedoen, hetzij zelfs door stervelingen.
+
+</p>
+<p>Met het doel haar misdadig plan te volbrengen, gaat Aoife op reis naar een naburigen koning uit het Volk van Dana, B&#333;v den
+Roode, op welke reis zij de vier kinderen medeneemt. Toen zij op een eenzame plaats bij het meer Derryvaragh in Westmeath
+gekomen was, beveelt zij haar volgelingen, de <a id="d0e3310"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3310">124</a>]</span>kinderen te dooden. Deze weigeren dit en berispen haar. Daarop besluit zij het zelf te doen, maar, zooals de legende zegt,
+&#8220;haar vrouwelijke natuur krijgt de overhand&#8221;, en in plaats van de kinderen te dooden, verandert zij ze door tooverkunsten
+in vier witte zwanen, en legt hun het volgende noodlot op: zij moeten driehonderd jaar doorbrengen op de wateren van het meer
+Derryvaragh, driehonderd jaar op de landengte van Moyle (tusschen Ierland en Schotland) en driehonderd jaar op den Atlantischen
+Oceaan bij Erris en Inishglory. Daarna, &#8220;zoodra de vrouw uit het Zuiden verbonden is met den man uit het Noorden&#8221;, zal de
+betoovering ge&euml;indigd zijn.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e3313" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p124.jpg" alt="Het volk van Dana luistert naar de Muziek der Zwanen"></p>
+<p class="figureHead">Het volk van Dana luistert naar de Muziek der Zwanen</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Zoodra de kinderen niet met Aoife medekomen in het paleis van B&#333;v, wordt haar misdrijf ontdekt, en B&#333;v verandert haar in een
+&#8220;demon der lucht&#8221;. Schreeuwend vliegt zij voort en in de vertelling wordt van haar niet meer gesproken. Maar Lir en B&#333;v vinden
+de zwanenkinderen en ontdekken, dat zij niet alleen de menschelijke spraak bezitten, maar dat zij ook de gave behouden hebben,
+om prettige muziek te doen hooren, wat een karakteristieke gave is van het Volk van Dana. Uit alle deelen van het eiland trekken
+gezelschappen uit het Volk van Dana naar het meer Derryvaragh, om die prettige muziek te hooren, en zich met de zwanen te
+onderhouden en gedurende dien tijd scheen een groote rust en welwillendheid over het land verspreid te zijn.
+
+</p>
+<p>Maar eindelijk brak voor hen den dag aan, dat zij hun stamgenooten moesten verlaten en verder moesten gaan leven bij de woeste
+klippen en de voortdurende booze zee der noordelijke kust. Hier leerden zij eenzaamheid, storm en koude in al hare verschrikkingen
+kennen. Daar het hun verboden was te landen, vroren hun vederen in de winternachten vast aan de rotsen, en dikwijls werden
+zij door stormen gestooten en van elkander afgedreven. Zooals Fionuala zingt:
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Wreed was voor ons Aoife,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Die ons betooverde,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">En ons dreef in het water&#8212;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Vier schoone zwanen, wit als sneeuw.</span></p>
+</div>
+</div><a id="d0e3330"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3330">125</a>]</span><div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Ons bad is &#8217;t schuimend water,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">In baaien aan de roode rotsen;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Terwijl wij thuis de meede dronken,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Lescht thans den dorst het zoute water.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Drie zonen en &eacute;&eacute;n enkle dochter,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Bewonen wij der rotsen spleten,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">De harde rotsen, wreed voor menschen&#8212;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Wij zijn in <span class="corr" title="Bron: &#8221;"></span>dezen nacht scherpzichtig&#8221;.</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>Fionuala, de oudste der vier, neemt bij al wat zij doen de leiding, en koestert de jongere kinderen zoo teeder als een moeder,
+terwijl ze hen met haar veeren omgeeft in de koude winternachten. Eindelijk breekt de tijd aan, dat zij de derde en laatste
+periode van het hun door hun stiefmoeder opgelegde lijden intreden, en zij vluchten naar de westelijke kusten van Mayo. Ook
+daar ondervinden zij veel tegenspoed en ellende; maar de zonen van Miled zijn nu in het land gekomen, en een jonge landbouwer,
+Evric genaamd, die aan de oevers van Baai Erris woont, ontdekt wie en wat de zwanen zijn, en treedt als hun beschermer op.
+Zij vertellen hem hun geschiedenis, en door hem zou dan die geschiedenis bewaard gebleven en overgeleverd zijn. Toen het einde
+van hun lijden nabij was, besloten zij naar het paleis van hun vader Lir te vliegen, die naar ons wordt verhaald, in Armagh
+woont op den Heuvel van het Witte Veld, ten einde te zien, hoe het hem gegaan is. Dat doen zij; maar daar zij niet weten,
+wat bij de komst der Milesi&euml;rs is geschied, zijn zij ontroerd en in verwarring gebracht, als zij niets dan groene hoogten
+en hulststruiken en brandnetels vinden op de plaats waar eens het paleis van hun vader stond&#8212;en nog staat, hoewel zij het
+niet kunnen zien. Hun oogen zijn, zooals ons wordt te begrijpen gegeven, niet in staat het te zien, omdat een hoogere bestemming
+voor hun was weggelegd dan om terug te keeren naar het Land der Jeugd.
+
+</p>
+<p>Aan baai Erris hooren zij voor het eerst het geluid van een Christelijke klok. Dat geluid is afkomstig van de bidkapel van
+een kluizenaar, die zich daar heeft gevestigd. Het eerste oogenblik zijn de zwanen ontsteld en beangst door het &#8220;dunne, vreeselijke
+geluid&#8221;, maar daarna komen zij naderbij en maken zij <a id="d0e3355"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3355">126</a>]</span>zich aan den kluizenaar bekend, die hen in het geloof onderricht, en zij zingen met hem de kerkelijke oefeningen mede.
+
+</p>
+<p>Het geval wilde nu, dat een prinses uit Munster, Deoca, (&#8220;de vrouw uit het Zuiden&#8221;) zich verloofde met een opperhoofd uit
+Connacht, Lairgnen genaamd, en hem als huwelijksgift verzocht, haar de vier zwanen te bezorgen, die zoo prachtig zongen en
+waarvan de faam tot haar was doorgedrongen. Hij vraagt er den kluizenaar om, die echter weigert ze af te staan, waarop de
+&#8220;man uit het Noorden&#8221; hen met geweld aangrijpt bij de zilveren ketenen, waarmede de kluizenaar ze aan elkander had gekluisterd
+en ze naar Deoca voortsleept. Dit is hun laatste beproeving. Zoodra zij in haar tegenwoordigheid zijn gekomen, overvalt hun
+een ontzettende gedaanteverwisseling. Het zwanendons valt af, en nu vertoonen zich niet de schitterende vormen der godheden
+van het Volk van Dana, maar vier afgeleefde menschelijke wezens, met sneeuwwitte haren, ineen geschrompeld door het verval
+van hun hoogen ouderdom. Lairgnen vlucht in ontzetting van de plaats weg, maar de kluizenaar maakt dadelijk voorbereidselen
+om den doop toe te dienen, daar de dood voor hen nabij is. &#8220;Leg ons in &eacute;&eacute;n graf&#8221;, zegt Fionuala, &#8220;leg Conn aan mijn rechterhand,
+Fiachra aan mijn linkerhand en Hugh v&oacute;&oacute;r mijn gelaat, want dat was hun gewone plaats als ik hen gedurende zoovele winternachten
+op de zee&euml;n van Moyle beschutte.&#8221; En zoo geschiedde het, en zij gingen naar den hemel; zoo luidt het verhaal, de kluizenaar
+treurde om hen, tot aan het einde van zijn aardsch bestaan.<a id="d0e3359src" href="#d0e3359" class="noteref">40</a>
+
+</p>
+<p>In de geheele Keltische legendenliteratuur is er geen teederder en schooner vertelling dan die van de kinderen van Lir.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De vertelling over Ethn&eacute;.</h3>
+<p>De verbeelding van den Keltischen bard hield zich altijd met genot bezig met dergelijke verhalen omtrent overgangen naar het
+Christendom, waarvan verzoening van de heidensche wereld met de Christelijke het onderwerp was. Diezelfde opvatting <a id="d0e3369"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3369">127</a>]</span>wordt belichaamd in het verhaal, dat wij nu over Ethn&eacute; zullen weergeven.
+
+</p>
+<p>Zooals gezegd werd, had Mananan mac Lir een dochter, die ter opvoeding was toevertrouwd aan vorst Angus van het Volk van Dana,
+wiens tooverpaleis te Brugh na Boyna was gelegen. Dit is de groote grafheuvel aan de Boyne, die thans New Grange heet. Ter
+zelfder tijd werd den opzichter van Angus een dochter geboren, Ethn&eacute; genaamd, die aan de jonge prinses als kamenier werd toegewezen.
+
+</p>
+<p>Ethn&eacute; groeide op tot een lief en aanvallig meisje, maar op zekeren dag werd ontdekt, dat zij volstrekt geen voedsel gebruikte,
+hoewel de overige leden van het gezin zich als gewoonlijk voedden met de toovervarkens van Mananan, die den &eacute;&eacute;nen dag konden
+worden gegeten en voor het maal van den volgenden dag weer levend waren. Men riep Mananan naar binnen, om het geheim te doorgronden,
+en de volgende merkwaardige geschiedenis kwam aan het licht. Een der hoofden onder het Volk van Dana, die bij Angus op bezoek
+was geweest en die door de schoonheid van het meisje betooverd was, had met geweld getracht haar te bezitten. Dit had in den
+reinen geest van Ethn&eacute; den zedelijken aard ontwikkeld, die den mensch eigen is en bij de goden onder het Volk van Dana onbekend
+is. Zooals het verhaal luidt &#8220;haar beschermende demon&#8221; verliet haar, en een engel van den waren God nam zijn plaats in. Daarna
+onthield zij zich geheel van het toovervoedsel en werd zij op wonderlijke wijze door den wil van God gevoed. Na zekeren tijd
+brachten echter Mananan en Angus, die een reis naar het Oosten hadden ondernomen, twee koeien daar vandaan mede, waarvan de
+melk nooit opdroogde, en daar men mocht aannemen, dat zij van een heilig land afkomstig waren, leefde Ethn&eacute; van toen af van
+de melk dier koeien.
+
+</p>
+<p>Dat alles heet gebeurd te zijn tijdens de regeering van Eremon, den eersten Milesischen koning van geheel Ierland, en die
+een tijdgenoot was van koning David. Tijdens de komst van St. Patrick moest dus Ethn&eacute; ongeveer vijftienhonderd jaar oud geweest
+zijn. Het Volk van Dana groeit van den <a id="d0e3377"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3377">128</a>]</span>kinderleeftijd op tot den volwassen leeftijd, maar dan blijven zij leven, zonder onder den invloed te staan van het verloopen
+van den tijd.
+
+</p>
+<p>Het gebeurde nu op zekeren zomerdag, dat de prinses, wier kamenier Ethn&eacute; was, met haar geheele dienstpersoneel afdaalde om
+in de Boyne te baden. Toen zij zich daarna weer aankleedden, ontdekte Ethn&eacute; tot haar spijt&#8212;en dit feit was natuurlijk een
+voorbeeld van de goddelijke belangstelling in haar lot&#8212;dat zij den Sluier der Onzichtbaarheid had verloren, die hier wordt
+opgevat als een toovermiddel, dat zij op het lichaam draagt, die haar den toegang verschafte tot het tooverland van Dana en
+haar voor de oogen der stervelingen verborg. Zij kon den weg naar het paleis van Angus niet terugvinden, en wandelde heen
+en weer langs de oevers der rivier, terwijl zij tevergeefs naar haar gezellinnen en haar woning zocht. Eindelijk kwam zij
+bij een tuin, die door een muur omgeven was, en toen zij door de poort heen zag, ontdekte zij aan den binnenkant een steenen
+huis van vreemden vorm, en een man in een lang bruin kleed gehuld. De man was een Christenmonnik, en het huis was een kleine
+kerk of bidkapel. Hij wenkte haar binnen te komen, en toen zij hem haar geschiedenis had verteld, bracht hij haar naar St.
+Patrick, die haar opneming onder de sterfelijke menschen voltooide, door haar de ceremonie van den doop te doen ondergaan.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e3382" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p128.jpg" alt="Ethn&eacute; hoort stemmen"></p>
+<p class="figureHead">Ethn&eacute; hoort stemmen</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Nu volgt een eigenaardig pathetische episode, die ons een blik doet slaan in de teederheid, men zou des noods kunnen zeggen
+het hartzeer, waarmede de oude Iersche Christenheid terug zag op de verloren wereld van het heidendom. Terwijl Ethn&eacute; op zekeren
+dag in de kleine kerk aan de Boyne bad, hoorde zij plotseling een suizend geluid in de lucht, en ontelbare stemmen, naar het
+scheen op grooten afstand, die weeklaagden en haar naam riepen. Het waren haar verwanten uit het Volk van Dana, die nog altijd
+te vergeefs naar haar zochten. Zij sprong op om te antwoorden, maar werd z&oacute;&oacute; zeer door aandoening overmeesterd, dat zij flauw
+viel op den grond. Na korten tijd kwam ze weer bij, maar van dien dag af was zij door <a id="d0e3388"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3388">129</a>]</span>een doodelijke ziekte overvallen, en korten tijd daarna stierf zij, met het hoofd op de borst van St. Patrick, die haar het
+laatste oliesel toediende, en beschikte, dat de kerk naar haar Kill Ethn&eacute; moest worden genoemd&#8212;een naam, die zonder twijfel
+in de dagen, dat dit verhaal werd vervaardigd, door een werkelijke kerk aan de oevers van de Boyne gedragen werd.<a id="d0e3390src" href="#d0e3390" class="noteref">41</a>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Christendom en Heidendom in Ierland.</h3>
+<p>Deze verhalen, in verband met tallooze andere legenden, die zouden kunnen worden aangehaald, stellen de houding der oude Keltische
+Christenen, tenminste in Ierland, tegenover de godheden van het vroegere geloof, duidelijk in het licht. Zij schijnen het
+denkbeeld buiten te sluiten, dat ten tijde van de bekeering van Ierland tot het Christendom, de heidensche godsdienst verbonden
+was met wreede en barbaarsche gebruiken, waarop de nationale herinnering met afschuw en ontzetting zou terug zien.
+
+
+
+<a id="d0e3401"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3401">130</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2579" href="#d0e2579src" class="noteref">1</a></span> Dealgnaid. Wij zijn hier, evenals op enkele andere plaatsen, verplicht geweest, de Iersche namen z&oacute;&oacute; te veranderen, dat zij
+door onze lezers kunnen worden uitgesproken.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2608" href="#d0e2608src" class="noteref">2</a></span> Zie blz. 31, noot 2.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2613" href="#d0e2613src" class="noteref">3</a></span> Wij volgen in dit verhaal de vertaling van R.&nbsp;I. Best, van den &#8220;Ierschen Mythologischen Cyclus&#8221; en d&#8217;Arbois de Jubainville.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2680" href="#d0e2680src" class="noteref">4</a></span> De Jubainville &#8220;Iersche Mythologische Cyclus&#8221;, blz. 75.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2687" href="#d0e2687src" class="noteref">5</a></span> Spreek uit zooals in het Engelsch Yeo&#8217; hee.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2698" href="#d0e2698src" class="noteref">6</a></span> De wetenschap der Dru&iuml;den, werd, zooals wij zien in verzen overgebracht, en de dichters van beroep waren een tak van de kaste
+der Dru&iuml;den.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2711" href="#d0e2711src" class="noteref">7</a></span> Meyer en Nutt, &#8220;Reis van Bran,&#8221; II, 197.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2752" href="#d0e2752src" class="noteref">8</a></span> &#8220;Moytura&#8221; beteekent &#8220;De Vlakte der Torens,&#8221; d.i. grafmonumenten.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2785" href="#d0e2785src" class="noteref">9</a></span> Shakespeare maakt hierop een toespeling in zijn &#8220;As You Like It&#8221;. &#8220;Er zijn nooit zooveel verzen op mij gemaakt,&#8221; zegt Rosalind,
+&#8220;sedert de dagen van Pythagoras, toen ik een Iersche rat was&#8212;wat ik mij nauwelijks kan herinneren.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2800" href="#d0e2800src" class="noteref">10</a></span> Lyon, Leiden, Laon waren alle in oude tijden bekend als <i>Lugdunum</i>, de Vesting van Lugh-Luguvallum was de naam van een stad bij den Muur van Hadrianus, in Romeinsch Brittanni&euml;.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2806" href="#d0e2806src" class="noteref">11</a></span> Het verhaal wordt door hem gegeven in een noot bij de &#8220;Vier Meesters,&#8221; Deel I, blz. 18 en wordt ook weergegeven door de Jubainville.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2860" href="#d0e2860src" class="noteref">12</a></span> De twee andere zijn: &#8220;Het lot van de kinderen van Lir&#8221; en &#8220;Het lot van de zonen van Usna.&#8221; De verhalen van &#8220;De tocht der zonen
+van Turenn&#8221; en van &#8220;De kinderen van Lir&#8221; zijn door ons volledig vertaald in het werk &#8220;Groote daden van Finn en andere Bardenverhalen,&#8221;
+en dat van &#8220;de Zonen van Usna&#8221; (de Legenden van Deirdre) in de &#8220;Cuchulain&#8221; van Miss Eleonor Hull, beide uitgegeven door Harrap
+en Co.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2889" href="#d0e2889src" class="noteref">13</a></span> Vertaling van O&#8217;Curry uit het gedicht &#8220;De slag bij Moytura&#8221;.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2906" href="#d0e2906src" class="noteref">14</a></span> O&#8217;Curry, &#8220;Zeden en Gewoonten&#8221;, III 214.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2911" href="#d0e2911src" class="noteref">15</a></span> De oude verdeeling van het jaar bij de Ieren bevatte slechts drie jaargetijden, daar de herfst bij den zomer was ingedeeld
+(O&#8217;Curry, &#8220;Zeden en Gewoonten&#8221;, III 217.<span class="corr" title="Bron: ">)</span></p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2920" href="#d0e2920src" class="noteref">16</a></span> S.&nbsp;H. O&#8217;Grady, &#8220;Silva Gadelica&#8221;, blz. 191.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2932" href="#d0e2932src" class="noteref">17</a></span> Blz. 104 env. en verder op verschillende plaatsen.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2941" href="#d0e2941src" class="noteref">18</a></span> O&#8217;Grady, ter aangehaalde plaatse.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2965" href="#d0e2965src" class="noteref">19</a></span> O&#8217;Grady, ter aangehaalde plaatse.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2973" href="#d0e2973src" class="noteref">20</a></span> Zie blz. <a href="#d0e2835">97</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2986" href="#d0e2986src" class="noteref">21</a></span> Miss Hull heeft dat onderwerp in den breede ontwikkeld in de inleiding van haar onschatbaar werk, &#8220;De sage van Cuchullin.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2997" href="#d0e2997src" class="noteref">22</a></span> Zie het verhaal &#8220;Etain en Midir<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>, in Hoofdstuk IV.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3007" href="#d0e3007src" class="noteref">23</a></span> De naam Tara is afgeleid van een verbogen vorm van het zelfstandig naamwoord <i>Teamhair</i> dat beteekent &#8220;de plaats van het wijde uitzicht&#8221;. Het is nu een breede, grasrijke heuvel in het graafschap Meath, bedekt
+met aardewerken, die de plaats aanduiden der oude koninklijke gebouwen, die men nog alle naar oude beschrijvingen kan terugvinden.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3013" href="#d0e3013src" class="noteref">24</a></span> Zie het verhaal van Etain en Midir. Hfdst. IV.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3033" href="#d0e3033src" class="noteref">25</a></span> Zie blz. 99.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3042" href="#d0e3042src" class="noteref">26</a></span> Wij kunnen niet instemmen met O&#8217;Grady, waar hij die godin met Dana vereenzelvigt, hoewel de naam &#8220;De Groote Koningin&#8221; schijnt
+te beteekenen.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3065" href="#d0e3065src" class="noteref">27</a></span> Gerald, de vierde Graaf van Desmond. Men verhaalt, dat hij in het jaar 1398 is verdwenen, en de legende zegt, dat hij nog
+altijd leeft onder de wateren van Loch Gur, en dat men hem eens in de zeven jaar op zijn wit paard om de oevers heen kan zien
+rijden. Hij had den bijnaam van &#8220;Gerald de Dichter&#8221; wegens de geestige en vernuftige gedichten, die hij in het Galisch vervaardigde.
+Toovenarij, po&euml;zie en wetenschap waren in den geest der oude Ieren in &eacute;&eacute;n begrip vereenigd.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3075" href="#d0e3075src" class="noteref">28</a></span> &#8220;Populaire vertellingen van Ierland&#8221;, door D. Fitzgerald in &#8220;Revue Celtique,&#8221; Deel IV.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3091" href="#d0e3091src" class="noteref">29</a></span> &#8220;De Reis van Bran&#8221;, Deel II, blz. 219.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3101" href="#d0e3101src" class="noteref">30</a></span> In het Iersch, <i>Sionnain</i>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3148" href="#d0e3148src" class="noteref">31</a></span> Vertaling van R.&nbsp;L. Best.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3153" href="#d0e3153src" class="noteref">32</a></span> De zonneschepen, die men in snijwerk op dolmens vindt. Zie <a href="#d0e1752">Hoofdstuk II</a>, blz. <a href="#d0e3861">156</a> env. Men houdt in het oog, dat de Keltische geesten, hoewel onzichtbaar, stoffelijk zijn en gewicht hebben, in tegenstelling
+met die bij Vergilius en Dante.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3177" href="#d0e3177src" class="noteref">33</a></span> De Jubainville, &#8220;Iersche Mythologische Cyclus&#8221;, blz. 136. Belten&eacute; is de moderne Iersche naam voor de maand Mei, en is afgeleid
+van een oudere stam, die bewaard is gebleven in het Oud Iersche samengestelde woord &#8220;<i>epelta</i>&#8221;, &#8220;dood&#8221;.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3235" href="#d0e3235src" class="noteref">34</a></span> &#8220;Iersche Mythologische Cyclus&#8221;, blz. 138.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3253" href="#d0e3253src" class="noteref">35</a></span> Ook hier volgen wij de vertaling van de Jubainville; maar men zie ook in verband met dit en de vorige gedichten de &#8220;Verhandelingen
+van het Ossian-Genootschap&#8221;, Deel V.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3269" href="#d0e3269src" class="noteref">36</a></span> Teltin, zoo genoemd naar de godin Telta. Zie blz. <a href="#d0e2683">88</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3277" href="#d0e3277src" class="noteref">37</a></span> Uitgesproken als het Engelsche &#8220;Shee&#8221;. Het beteekent letterlijk het Volk der (Fee&euml;n) Hoogten.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3302" href="#d0e3302src" class="noteref">38</a></span> In het Engelsch uitgesproken als &#8220;Eefa&#8221;.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3305" href="#d0e3305src" class="noteref">39</a></span> Die naam beteekent &#8220;Meisje met den blanken schouder&#8221;.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3359" href="#d0e3359src" class="noteref">40</a></span> De hier in het kort weergegeven vertelling wordt volledig gegeven in het werk van den Schrijver &#8220;Groote daden van Finn&#8221; (Harrap
+en Co.).
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3390" href="#d0e3390src" class="noteref">41</a></span> Het verdient vermelding, dat de lettergreep &#8220;Kill&#8221;, die in zoo veel Iersche plaatsnamen gevonden wordt (Kilkenny, Killiney,
+Kilcooley, enz.), meestal het Latijnsche <i>cella</i>, een kloostercel, tempelvertrek of kerk, voorstelt.
+</p>
+</div>
+<p class="div1"><a id="d0e3402"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e166">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk IV. De Oude Milesische Koningen.</h2>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het Volk van Dana na de Milesische Verovering.</h3>
+<p>De Koningen en helden van het ras der Zonen van Miled vullen nu den voorgrond van het tooneel in de legendarische geschiedenis
+van Ierland. Maar, zooals wij hebben aangetoond, de godheden uit het Volk van Dana zijn nog volstrekt niet vergeten. Het tooverland,
+waarin zij vertoeven is gewoonlijk voor stervelingen niet toegankelijk, maar toch is het altijd dicht bij de hand; de onzichtbare
+slagboomen kunnen door sterfelijke menschen overschreden worden, en dit geschiedt dan ook dikwijls, terwijl ook het Volk van
+Dana zelf dikwijls daaruit te voorschijn treden; stervelingen kunnen zich bruiden uit het Tooverland winnen, die hen na een
+tijd geheimzinnig weer verlaten, en vrouwen brengen roemrijke kinderen ter wereld, verwekt door bovennatuurlijke vaders. En
+toch, wat ook het Volk van Dana moge geweest zijn in de oorspronkelijke v&oacute;&oacute;r-Christelijke opvattingen der Iersche Kelten,
+het zou onjuist zijn te meenen, dat zij in de legenden, zooals deze thans tot ons gekomen zijn, te voorschijn treden in het
+licht van goden, zooals wij dien naam opvatten. Voor het meerendeel zijn zij schitterend schoon, zij zijn (met enkele beperkingen)
+onsterfelijk, en zij oefenen geheimzinnige machten van tooverij en bezweringen uit. Maar geen enkele wijze van zedelijk bestuur
+der wereld wordt hun zelfs een enkel oogenblik toegeschreven, en evenmin wordt hun (in de litteratuur der barden) op eenigerlei
+wijze godsdienstige vereering gebracht. Zij sterven nooit een natuurlijken dood, maar zij kunnen door elkander en ook door
+stervelingen gedood worden, en over het geheel genomen is het ras der stervelingen het sterkste. Hun kracht ligt, als zij
+(wat dikwijls gebeurt) met menschen in strijd geraken in krijgslisten en misleiding; als de strijd eerlijk kan worden uitgevochten
+tusschen de beide vijandige machten, is het de mensch die overwint. De oude koningen en helden uit het ras van Miled worden
+dan ook dikwijls voorgesteld als z&oacute;&oacute; zeer begiftigd met bovennatuurlijke macht, dat het onmogelijk is <a id="d0e3410"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3410">131</a>]</span>in dit opzicht een duidelijke scheidingslijn te trekken tusschen hen en het Volk van Dana. De laatsten, zooals zij in de bardenlitteratuur
+naar voren treden, zijn veel edeler en meer verheven wezens, dan de toovergestalten, waarin zij ten slotte in de volksverbeelding
+ontaardden; men kan zeggen, dat zij een plaats innamen, gelegen tusschen deze en de Grieksche godheden, zooals die in Homerus
+geteekend zijn. Maar zoowel in Ierland als daarbuiten schijnen de Kelten niet die po&euml;tische personificaties hunner idealen
+van macht en schoonheid te hebben vereerd, maar veeleer de elementaire krachten, voorgesteld door werkelijke natuurverschijnselen&#8212;rotsen,
+rivieren, de zon, den wind, de zee. De krachtigste eed was die, waarbij men zwoer bij den Wind en de Zon, of een andere natuurkracht
+inriep; geen naam eener Dana-godheid komt voor in een Iersche eedsformule. Toen echter in de latere perioden der bardenlitteratuur,
+en nog meer in de populaire voorstellingen, de Dana-godheden waren begonnen af te dalen tot een soort van tooverwezens vinden
+wij dat een karaktertrek naar voren kwam, die waarschijnlijk ouder was dan die, welke hun in de letterkunde wordt toegekend,
+en die in zeker opzicht verhevener is. In de letterkunde waren zij blijkbaar oorspronkelijk vertegenwoordigers van wetenschap
+en po&euml;zie&#8212;de verstandelijke vermogens van den mensch. Maar in den geest van het volk vertegenwoordigden zij, waarschijnlijk
+ten allen tijde en zeker in latere Christelijke tijden, niet verstandelijke vermogens, maar die, welke in verband stonden
+met de vruchtbaarheid der aarde. Zij waren, zooals een plaats in het Boek van Armagh hen noemt, <i>dei terreni</i>, aardgoden, en werden, en worden nog door de landbouwende bevolking aangeroepen om vermeerderde opbrengst en vruchtbaarheid
+te schenken. De litterarische opvatting omtrent hen is blijkbaar in oorsprong Dru&iuml;disch, terwijl de andere de populaire is;
+en de populaire en ongetwijfeld oudere opvatting is de meest duurzame gebleken.
+
+</p>
+<p>Maar die karaktertrekken der Iersche mythologie zullen beter naar voren komen in de vertellingen zelf dan in haar <a id="d0e3417"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3417">132</a>]</span>critische behandeling; wij zullen dan ook tot de vertellingen terugkeeren.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De vestiging der Milesi&euml;rs in Ierland.</h3>
+<p>De Milesi&euml;rs hadden drie aanvoerders, toen zij optrokken om Ierland te veroveren&#8212;Eber Donn (Bruine Eber), Eber Finn (Blonde
+Eber), en Eremon. Den eerstgenoemden van dezen, werd, zooals wij gezien hebben, niet toegestaan, het land binnen te treden&#8212;hij
+kwam om als straf voor zijn onbeschaamdheid. Zoodra de overwinning over het Volk van Dana vaststond, riepen de beide overgebleven
+broeders de beslissing in van den Dru&iuml;de Amergin, in verband met hun wederzijdsche aanspraken op de oppermacht. Eremon was
+de oudste van beiden, maar Eber weigerde zich aan hem te onderwerpen. Zoo begint de Iersche geschiedenis met tweedracht en
+afgunst. Amergin besliste, dat het land aan Eremon zou toebehooren tijdens diens leven, maar na zijn dood op Eber zou overgaan.
+Eber weigerde echter zich aan deze beslissing te onderwerpen, en eischte een onmiddellijke verdeeling van het onlangs gewonnen
+gebied. Hierin werd toegestemd, en Eber nam de zuidelijke helft van Ierland, &#8220;van de Boyne tot aan de Golf van Cleena&#8221;,<a id="d0e3424src" href="#d0e3424" class="noteref">1</a> terwijl Eremon de noordelijke helft in het bezit kreeg. Maar zelfs toen konden de broeders niet in vrede leven, en na korten
+tijd brak de oorlog tusschen hen uit. Eber sneuvelde, en Eremon werd alleen koning van Ierland, dat hij bestuurde van Tara
+uit, den traditioneelen zetel van dat centrale gezag, dat altijd een droom was van den Ierschen geest, maar dat nooit in de
+Iersche geschiedenis werd verwezenlijkt.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Tiernmas en Crom Cruach.</h3>
+<p>Er is slechts weinig te vermelden omtrent de koningen, die Eremon opvolgden, en de slagen, die zij leverden, en de bosschen,
+die zij velden en de rivieren en meren, die tijdens hun regeering ontstonden, totdat wij komen aan de <a id="d0e3438"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3438">133</a>]</span>regeering van Tiernmas, den vijfden koning na Eremon. Men zegt, dat hij den eeredienst van Crom Cruach, te Moyslaugt [de Vlakte
+der Aanbidding<a id="d0e3440src" href="#d0e3440" class="noteref">2</a>] in Ierland heeft ingevoerd, en dat hij zelf met drie vierden van zijn volk is omgekomen, terwijl hij dat beeld den dag v&oacute;&oacute;r
+de Novembermaand aanbad, op welken dag het rijk van den winter begon. Crom Cruach was ongetwijfeld een zonnegod, maar onder
+de godheden van het Volk van Dana kan er geen enkele worden vastgesteld, die met hem overeenkomt. Ook zou Tiernmas de eerste
+goudmijn in Ierland hebben ontdekt en kleurschakeeringen in de volkskleeding hebben ingevoerd. Een slaaf mocht slechts &eacute;&eacute;n
+kleur dragen, een boer twee, een soldaat drie, een rijke grondbezitter vier, een opperhoofd eener provincie vijf, en een Ollav
+of koninklijk persoon, zes. Ollav was een naam, die op een bepaalden Dru&iuml;denrang werd toegepast, het beteekent ongeveer hetzelfde
+als &#8220;doctor&#8221;, in de beteekenis van een geleerde. Het is een karakteristieke trek, dat den Ollav een titel is toegekend, die
+gelijk staat met dien van een koning.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Ollav F&#333;la.</h3>
+<p>De beroemdste Ollav van Ierland was tevens koning, en wel de bekende Ollav F&#333;la, die, naar verhaald wordt, ook achttiende
+koning was van Eremon af gerekend en zou geleefd hebben omstreeks 1000 v.C. Hij was de Lycurgus of Solon van Ierland, daar
+hij het land een wetgeving schonk; tevens verdeelde hij het land onder den Opperkoning te Tara onder de provinciale hoofden,
+aan ieder van wie zijn eigen rechten en verplichtingen werden toegekend. Aan Ollav F&#333;la moet ook de stichting eener instelling
+worden toegeschreven, die wat ook haar oorsprong moge zijn, in Ierland van groot gewicht was&#8212;het groote driejaarlijksche Feest
+te Tara, waar de onderkoningen en opperhoofden, geschiedschrijvers, barden en muziekspelers uit alle deelen van Ierland bijeenkwamen
+om de geslachtsregisters op te maken van de opperhoofden der clans, om wetten vast te stellen, rechtsgedingen te behandelen,
+<a id="d0e3451"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3451">134</a>]</span>de erfopvolging te regelen, en zoo voort; al die politieke en wetgevende werkzaamheden werden opgeluisterd door gezang en
+feesten. Het was een onwrikbare wet, dat in dien tijd alle vijandschappen moesten worden op zijde gezet; niemand mocht zijn
+hand tegen een ander opheffen, of zelfs een rechtsgeding beginnen terwijl de Bijeenkomst te Tara gehouden werd. Ollav F&#333;la
+werd beschouwd als de traditioneele stichter van al die politieke en nationale instellingen, op dezelfde wijze als Goban de
+Smid werd beschouwd als de stichter van kunsten en ambachten en Amergin van de po&euml;zie. Maar het is moeilijk te zeggen, of
+er aan het bestaan van den Milesischen koning eenige vastere historische grondslag verbonden was dan aan de andere blijkbaar
+meer mythische personen. Men beweert, dat hij begraven is in den grooten grafheuvel te Loughcrew, in Westmeath.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Kimbay en de stichting van Emain Macha.</h3>
+<p>Met Kimbay (<i>Cimbaoth</i>) komen wij (omstreeks 300 v.C.) tot een mijlpaal in de geschiedenis. &#8220;Al de geschiedkundige berichten omtrent de Ieren, die
+van v&oacute;&oacute;r Kimbay dagteekenen, waren twijfelachtig&#8221;&#8212;zoo schreef de geschiedschrijver uit de elfde eeuw, Tierna van Clonmacnois<a id="d0e3461src" href="#d0e3461" class="noteref">3</a>, met voor zijn tijd bewonderenswaardige scherpzinnigheid. Er is heel wat onzekers in de mededeelingen, die volgen, maar zeker
+is het, dat wij op steviger historischen bodem staan. Met de regeering van Kimbay komt &eacute;&eacute;n belangrijk feit aan het licht en
+wel de stichting van het koninkrijk Ulster, en daarin Emain Macha, een naam, die bij den Ierschen geleerde de herinnering
+opwekt van luister en heldenmoed. Emain Macha wordt nu vertegenwoordigd door de grasrijke wallen van een groote vesting op
+een heuvel, in de onmiddellijke nabijheid van Ard Macha (Armagh). Volgens &eacute;&eacute;n der woordafleidingen die voorkomen in Keatings
+&#8220;Geschiedenis van Ierland&#8221;, <span class="corr" title="Bron: in">is</span> <i>Emain</i> afgeleid van <a id="d0e3470"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3470">135</a>]</span><i>eo</i>, een pen of els, en <i>muin</i>, van nek, zoodat het woord overeenkomt met &#8220;doekspeld&#8221;, en Emain Macha zou dan beteekenen de doekspeld van Macha. Een Iersche
+doekspeld was een groote cirkelvormige ring van goud en brons, waarover een lange speld liep, en de groote cirkelvormige wal,
+die een Keltische vesting omgaf, kon in de verbeelding wel worden vergeleken met een doekspeld eener reuzin, die haar mantel,
+of grondgebied bewaakte<a id="d0e3477src" href="#d0e3477" class="noteref">4</a>. De legende van Macha vertelt ons, dat zij de Dochter was van den Rooden Hugh, een vorst uit Ulster, die twee broeders had,
+Dithorba en Kimbay. Zij spraken met elkander af, dat zij om de beurt de regeering over Ierland zouden uitoefenen. Eerst kwam
+Roode Hugh aan de beurt, maar bij zijn dood weigerde Macha de regeering af te staan, en vocht daarover met Dithorba, wien
+zij overwon en doodde. Daarop dwong zij even heerschzuchtig Kimbay, haar te huwen en regeerde zij als koningin over geheel
+Ierland. Wij geven het overige deel der vertelling in de woorden van Standish O&#8217;Grady weer:
+
+</p>
+<p>&#8220;De vijf zonen van Dithorba, vluchtten, nadat zij uit Ulster verdreven waren, den Shannon over en spanden in het westen van
+het koninkrijk tegen Macha samen. Daarop ging de koningin alleen naar Connacht, waar zij de broeders in het bosch aantrof.
+Deze, vermoeid van de jacht, braadden een wild zwijn, dat zij gedood hadden, en hielden een drinkgelag voor een vuur, dat
+zij hadden aangestoken. Zij verscheen in haar meest barsche gedaante, als de godin van den oorlog, rood over het geheele gelaat,
+vreeselijk en afschuwelijk als de oorlog zelf, maar met heldere en schitterende oogen. De broeders werden &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n in
+vlam gezet door haar onheilspellende schoonheid, en &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n overmeesterde en bond zij hen. Daarna tilde zij hen op haar
+rug en keerde naar het noorden terug. Met de pen van haar doekspeld zette zij op de vlakte den omtrek der stad Emain Macha
+uit, waarvan <a id="d0e3482"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3482">136</a>]</span>de wallen en de grachten werden gemaakt door de gevangen prinsen, die als slaven onder haar bevelen werkten.&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e3485" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p136.jpg" alt="Macha meet den omtrek der Stad uit"></p>
+<p class="figureHead">Macha meet den omtrek der Stad uit</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;De diepere beteekenis van al die soorten van legenden&#8221;, zoo merkt O&#8217;Grady op, &#8220;is, als de man niet meester kan zijn over
+den oorlog, de oorlog meester over hem zal zijn; en dat zij, die aanspraak hadden op het Opperkoningschap over geheel Erin,
+de oorlogsgoden aan hun zijde moesten hebben&#8221;<a id="d0e3491src" href="#d0e3491" class="noteref">5</a>.
+
+</p>
+<p>Macha is een voorbeeld van de vermenging der attributen van het Volk van Dana met het menschenras, waarover ik reeds heb gesproken.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Laery en Covac.</h3>
+<p>De volgende koning, die in die legenden op den voorgrond komt te staan, is Ugainy de Groote, die niet alleen over geheel Ierland
+moet hebben geregeerd, maar ook over een groot gedeelte van westelijk Europa, en gehuwd geweest moet zijn met een Gallische
+prinses, Kesair genaamd. Hij had twee zonen, Laery en Covac. De eerste erfde de regeering, maar Covac ziek en verteerd van
+nijd, trachtte hem te dooden, en won den raad in van een Dru&iuml;de, hoe dit kon geschieden, daar Laery, terecht achterdochtig,
+hem nooit zonder een gewapend geleide wilde bezoeken. De Dru&iuml;de raadde hem aan, zich voor dood te doen doorgaan, en aan zijn
+broeder bericht te doen toekomen, dat hij op zijn lijkbaar lag, op het punt van te worden begraven. Dit deed Covac, en toen
+Laery aankwam en zich over het zoogenaamde lijk heenboog, stak hij hem zijn wapen in het hart, en doodde tevens &eacute;&eacute;n van zijn
+zoons, Ailill<a id="d0e3501src" href="#d0e3501" class="noteref">6</a>, die hem vergezelde. Daarop besteeg Covac den troon, en onmiddellijk was zijn ziekte geweken.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Legenden over Maon, den zoon van Ailill.</h3>
+<p>Hij deed echter een onbeschaamde daad jegens een zoon van Ailill, Maon genaamd, over wien een aantal legenden bekend zijn.
+Maon werd als kind in de tegenwoordigheid van Covac gebracht, en werd daar, zooals Keating zegt, gedwongen <a id="d0e3509"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3509">137</a>]</span>een stuk van het hart van zijn vader en van zijn grootvader te eten en evenzoo een muis met haar jong. Het kind verloor de
+spraak door de walging, die het overviel, en Covac liet hem vrij, toen hij zag, dat het stom, en dus onschadelijk was. Het
+werd toen naar Munster, naar het koninkrijk Feramorc gebracht, waarover Scoriath koning was, en daar bleef de jongen eenigen
+tijd, maar ging later naar Galli&euml;, het land van zijn overgrootmoeder Kesair, waar zijn lijfwacht den koning vertelde dat hij
+de erfgenaam was van den Ierschen troon; daarom werd hij met groote eer behandeld en groeide tot een edel jongeling op. Maar
+hij liet in het hart van Moriath, de dochter van den koning van Feramorc, een hartstocht achter, die niet tot bedaren kon
+worden gebracht, en zij besloot, hem naar Ierland te doen terugkeeren. Daarom begiftigde zij den harpspeler van haar vader,
+Craftiny, met een aantal rijke geschenken, en schreef voor hem een minnedicht, waarin haar hartstocht voor Maon werd blootgelegd,
+en waarbij Craftiny een betooverende melodie schreef. Toen Craftiny in Frankrijk was gekomen, begaf hij zich naar het hof
+van den koning, en vond daar gelegenheid zijn lied aan Maon voor te dragen. Deze was zoozeer onder den indruk van de schoonheid
+en den hartstocht van het lied, dat hij zijn spraak terugkreeg en het lied hemelhoog verhief: na dat oogenblik was hij niet
+stom meer. De koning van Galli&euml; rustte toen voor hem een gewapende macht uit en zond hem naar Ierland om zijn koninkrijk te
+heroveren. Toen Maon vernam, dat Covac in een nabijgelegen plaats was, Dinzigh genaamd, deed hij met zijn leger van Galli&euml;rs
+een plotselingen aanval op hem en doodde hem met al zijn edelen en zijn lijfwacht. Na de slachting vroeg een Dru&iuml;de uit Covacs
+troepen &eacute;&eacute;n der Galli&euml;rs, wie hun aanvoerder was. &#8220;De Zeeman&#8221; (<i>Loingseach</i>), antwoordde de Galli&euml;r, daarmede bedoelende den bevelhebber der vloot, Maon. &#8220;Kan hij spreken?&#8221; vroeg de Dru&iuml;de, die de
+waarheid begon te vermoeden. &#8220;Ja zeker, kan hij spreken&#8221; (<i>Labraidh</i>), zeide de man, en van dat oogenblik af had Maon, den zoon van Ailill, den naam gekregen van &#8220;Labra de Zeeman,&#8221; en <a id="d0e3517"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3517">138</a>]</span>was hij onder geen anderen naam bekend. Daarna zocht hij Moriath op, huwde haar, en regeerde tien jaar over Ierland.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e3520" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p138.jpg" alt="&#8220;De eerste boom was een wilg&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;De eerste boom was een wilg&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Volgens de overlevering is de naam der provincie Leinster afgeleid van dien inval der Galli&euml;rs. Zij waren gewapend met speren,
+die blauw-groene ijzeren gevesten hadden, <i>laighne</i> genaamd, en daar hun grondgebied in Leinster was toegewezen, en zij zich daar nederzetten, werd de provincie in het Iersch
+naar hen <i>Laighin</i> genoemd&#8212;de Provincie der Speerdragers.<a id="d0e3532src" href="#d0e3532" class="noteref">7</a><span class="corr" title="Bron: ."></span>
+
+</p>
+<p>Een eigenaardig verhaal wordt medegedeeld omtrent Labra den Zeeman na zijn troonsbestijging. Hij liet zich slechts eens in
+het jaar het haar knippen, en de man, die dit moest doen, werd door het lot aangewezen en onmiddellijk daarna ter dood gebracht.
+De reden daarvan was, dat hij, evenals koning Midas in de soortgelijke Grieksche mythe, lange ooren had als die van een paard,
+en hij dit gebrek niet bekend wilde hebben. Eens echter geschiedde het, dat de man, die was aangewezen om zijn haar te knippen,
+de eenige zoon was van een arme weduwe, door wier tranen en smeekingen de koning bewogen werd hem het leven te schenken, op
+voorwaarde dat hij bij den Wind en de Zon zou zweren, dat hij niemand zou vertellen wat hij zag. De eed werd afgenomen en
+de jonge man keerde naar zijn moeder terug. Maar langzamerhand knaagde het geheim z&oacute;&oacute;zeer aan zijn geest, dat hij door een
+ziekte werd overvallen, en op het punt was te sterven, toen een wijze Dru&iuml;de ontboden werd om hem te genezen. &#8220;Hij sterft
+aan een geheim&#8221;, zeide de Dru&iuml;de, &#8220;en hij zal niet genezen, voordat hij het openbaart. Laat hem daarom den straatweg langs
+gaan, totdat hij komt op een plaats, waar <a id="d0e3547"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3547">139</a>]</span>vier wegen samenkomen. Laat hem dan rechts afslaan, en het geheim vertellen aan den eersten boom, dien hij op den weg ziet
+staan, dan zal hij er van verlost zijn en herstellen.&#8221; Dit deed de jonge man, en het bleek, dat de eerste boom een wilg was.
+Hij hield zijn lip dicht tegen den bast, fluisterde daar het geheim tegen aan, en ging toen opgewekt als van ouds naar huis.
+Doch het ongeluk wilde, dat de harpspeler Craftiny kort daarna zijn harp brak en een nieuwe noodig had, en nu wilde het toeval,
+dat de eerste boom, dien hij vond, en die voor zijn doel geschikt was, de wilg was, die het geheim van den koning bezat. Hij
+hakte dien om, maakte daar zijn harp van en vervulde zijn taak dien avond als gewoonlijk in de koningszaal; doch tot verbazing
+der verzamelde gasten, hoorden zij, zoodra de harpspeler de snaren aanraakte, dat de harp de woorden deed weerklinken, &#8220;Labra
+de Zeeman heeft twee paardenooren.&#8221; Toen de koning bemerkte, dat zijn geheim bekend was, trok hij zijn kap van het hoofd en
+vertoonde zich zooals hij was; en na dien tijd werd niemand meer ter dood gebracht. Wij hebben vroeger gezien, dat de werking
+van de muziek van Craftiny de stomheid van Labra had genezen. Zoo ziet men hoe het denkbeeld van iets tooverachtigs in de
+muziek, alsof bovennatuurlijke krachten daarin spreken, in de Iersche legenden veel voorkomt.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De cyclus van legenden van Conary M&#333;r.</h3>
+<p>Wij komen thans tot een cyclus van legenden, die zich concentreeren om, of liever afsluiten met de figuur van den opperkoning
+Conary M&#333;r&#8212;een cyclus, z&oacute;&oacute; rijk aan schoonheid, geheimzinnigheid en romantiek, dat het, als men dien tot zijn recht wilde
+doen komen, veel meer ruimte zou kosten, dan daaraan binnen de grenzen van dit werk kan worden toegekend.<a id="d0e3554src" href="#d0e3554" class="noteref">8</a>
+
+
+<a id="d0e3557"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3557">140</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Etain in het tooverland.</h3>
+<p>De inleidende gebeurtenissen van den cyclus hebben plaats in het &#8220;Land der Jeugd&#8221;, het mystieke land van het Volk van Dana,
+nadat zij door de kinderen van Miled van hun macht zijn beroofd. Midir, de trotsche zoon van den Dagda, een vorst uit het
+Volk van Dana, had een vrouw, Fuamnach genaamd. Na eenigen tijd nam hij een tweede vrouw, Etain, wier schoonheid en bevalligheid
+met niets te vergelijken was, zoodat de uitdrukking &#8220;zoo schoon als Etain&#8221; een spreekwoordelijke vergelijking werd voor iedere
+schoonheid, die iedere andere maat overtrof. Daarom was dan ook Fuamnach jaloersch op haar mededingster, en na haar door tooverkunsten
+in een vlinder te hebben veranderd, wekte zij een storm op, die haar uit het paleis verdreef en haar gedurende zeven jaar
+over de lengte en breedte van Erin heendreef. Ten slotte echter voerde haar een windvlaag toevallig door een venster van het
+tooverpaleis van Angus aan de Boyne. De onsterfelijken kunnen niet voor elkander verborgen blijven, en Angus wist wie zij
+was. Daar hij niet in staat was haar uit de betoovering van Fuamnach te verlossen, maakte hij een zonnig pri&euml;el voor haar,
+waar omheen hij alle soorten van prachtige, met honig beladen bloemen plaatste, waar zij op leefde zoolang zij bij hem was,
+terwijl hij haar in de verborgenheid van den nacht haar oude gedaante teruggaf, en van haar liefde genoot. Eindelijk echter
+werd haar schuilplaats door Fuamnach ontdekt; weer daalde de tooverstorm op haar neer en dreef haar weg; en nu overviel haar
+een merkwaardig lot. Toen zij in het paleis van een opperhoofd uit Ulster, Etar, gedreven was, viel zij in den drinkbeker
+van de vrouw van Etar, juist op het oogenblik dat deze op het punt was te drinken. Zij werd met den overigen inhoud van het
+glas ingeslikt, en werd, daar zij in den moederschoot van de vrouw van Etar was opgenomen, geboren als een schijnbaar sterfelijk
+kind, en groeide tot een bloeiende maagd op, zonder iets van haar waren aard en haar afstamming te weten.
+
+<a id="d0e3563"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3563">141</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Eochy en Etain.</h3>
+<p>Omstreeks dien tijd geschiedde het, dat Eochy<a id="d0e3569src" href="#d0e3569" class="noteref">9</a>, de opperkoning van Ierland, die niet gehuwd was, en bij wien de edelen van zijn land aandrongen een koningin te kiezen&#8212;&#8220;want&#8221;,
+zoo zeiden zij, &#8220;als gij dat niet doet, zullen wij onze vrouwen niet op de bijeenkomst te Tara brengen&#8221;&#8212;boden uitzond, om
+te zoeken naar een schoone en edele maagd, die zijn troon zoude deelen. De boden kwamen terug met de tijding, dat Etain, de
+dochter van Etar, de schoonste maagd in Ierland was, en de koning ging op reis, om haar te bezoeken. Er volgt hier een beschrijving,
+die &eacute;&eacute;n der verhevenste en schitterendste proeven is van de Keltische, of misschien zelfs van de geheele litteratuur. Eochy
+vindt Etain met haar gezellinnen bij een fontein, waarheen zij gegaan was, om zich het haar te wasschen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij hield een zilveren kam in haar hand, de kam was met goud versierd; en naast haar stond, om zich te wasschen, een zilveren
+waschbekken, waarop vier vogels gedreven waren, en er waren kleine schitterende karbonkels op den rand van het bekken. Een
+heldere purperen mantel golfde om haar heen; en daar onder was een tweede mantel versierd met zilveren franje; de buitenste
+mantel was op haar boezem vastgemaakt met een gouden gesp. Zij droeg een kleed, waaraan een kap bevestigd was, die haar hoofd
+kon bedekken; dit kleed was stijf en glimmend met groene zijde onder rood borduursel, en was over haar borsten bevestigd met
+prachtig bewerkte zilveren en gouden gespen, zoodat men het schitterende goud en de groene zijde tegen de zon kon zien glinsteren.
+Op het hoofd had zij twee vlechten van gouden haar, en iedere vlecht bestond uit vier strengen; aan het uiteinde dier strengen
+was een kleine bol van goud. En daar was de maagd bezig het haar los te maken, om het te wasschen, terwijl haar armen staken
+door de armsgaten van haar hemd. Ieder van haar beide armen was even wit als de sneeuw van &eacute;&eacute;n enkelen nacht, en ieder van
+haar wangen was even rose gekleurd als het vingerhoedskruid. <a id="d0e3574"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3574">142</a>]</span>De tanden in haar mond waren gelijk en klein, en schitterden als paarlen. Haar oogen waren blauw als een hyacinth, haar lippen
+fijn en gekleurd als karmozijn; haar schouders waren hoog, zacht en wit. Haar polsen waren teeder, glad en wit, haar vingers
+lang en blank; haar nagels schoon en rose. Wit als sneeuw, of als het schuim eener golf was haar nek; lang, slank en zoo zacht
+als zijde. Haar dijen waren zacht en wit; haar knie&euml;n rond, stevig en blank; haar enkels zoo recht als de liniaal van een
+timmerman. Haar voeten waren smal en wit als het schuim van den oceaan; haar oogen stonden gelijk in de oogkassen; haar wenkbrauwen
+waren blauwachtig zwart, zooals men ziet op het schild van een kever. Nooit was een maagd schooner dan zij, of meer beminnenswaardig,
+door menschenoogen gezien, en het scheen hem toe, dat zij &eacute;&eacute;n van diegenen moest zijn, die van de tooverhoogten gekomen waren&#8221;.<a id="d0e3576src" href="#d0e3576" class="noteref">10</a>
+
+</p>
+<p>De koning dong naar haar hand, maakte haar tot zijn vrouw, en bracht haar mede naar Tara.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De liefdesgeschiedenis van Ailill.</h3>
+<p>Het geschiedde nu, dat de koning een broeder had, Ailill genaamd, die, toen hij Etain zag, z&oacute;&oacute; zeer door haar schoonheid bekoord
+werd, dat hij ziek werd van de hevigheid van zijn hartstocht en bijna wegkwijnde. Terwijl hij in dien toestand was, moest
+Eochy een vorstelijke rondreis door Ierland maken. Hij liet zijn broeder&#8212;van de oorzaak van wiens ziekte niemand eenig vermoeden
+had&#8212;in de hoede van Etain achter, en verzocht haar, voor hem al het mogelijke te doen, en hem, als hij mocht sterven, met
+de vereischte plechtigheden te begraven en een steen met Ogham-letters op zijn graf op te richten<a id="d0e3589src" href="#d0e3589" class="noteref">11</a>.
+
+</p>
+<p>Etain gaat den broeder bezoeken en vraagt naar de oorzaak <a id="d0e3594"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3594">143</a>]</span>van zijn ziekte; hij spreekt tot haar in raadselen, maar ten slotte ten gevolge van haar teederheid zich niet meer kunnende
+bedwingen, barst hij los in een bekentenis van zijn hartstocht. Zijn beschrijving van het smachtend verlangen eener hopelooze
+liefde is een lyrisch gedicht van buitengewone hevigheid. &#8220;Zij is meer gesloten dan de huid&#8221;, roept hij uit, &#8220;zij is als een
+strijd tegen een spook, zij overstroomt als een vloed, zij is een wapen onder de zee, zij is een hartstocht voor een echo&#8221;.
+Met &#8220;een wapen onder de zee&#8221; bedoelt de dichter, dat de liefde gelijkt op &eacute;&eacute;n der geheime schatten van het toovervolk in het
+koninkrijk van Mananan&#8212;even prachtig en even onbereikbaar.
+
+</p>
+<p>Etain is nu in groote verlegenheid; maar zij komt tot het besluit, met een zekere <span class="corr" title="Bron: nai&euml;ve">na&iuml;eve</span> goedhartigheid, hoewel zij volstrekt niet verliefd is op Ailill, dat zij iemand niet kan zien sterven van verlangen naar
+haar, en zij belooft, de zijne te zullen zijn. Misschien moeten wij dit z&oacute;&oacute; opvatten, dat zij door haar fee&euml;naard bewogen
+werd, niet wetende wat goed of kwaad was, maar alleen gevoelig voor genot en lijden. Wij moeten erkennen, dat in de Iersche
+mythen in het algemeen, die &#8220;fee&euml;n&#8221; opvatting van zedelijkheid, zooals wij die kunnen noemen, zoowel onder het volk van Dana
+als onder de stervelingen in het algemeen overheerschend is&#8212;beiden maken den indruk van zedelijk niet verantwoordelijk te
+zijn.
+
+</p>
+<p>Etain maakt nu een afspraak met Ailill, om hem te ontmoeten in een huis buiten Tara&#8212;want zij wil niet doen, wat zij haar &#8220;roemrijke
+misdaad&#8221; noemt, in het paleis van den koning. Maar den avond v&oacute;&oacute;r den afgesproken dag valt Ailill in een diepen slaap en verzuimt
+de afspraak. Doch een ander, in zijn gedaante gehuld, komt bij Etain, maar alleen, om koel en medelijdend over zijn ziekte
+te spreken, en vertrekt weder. Als de twee elkander weer ontmoeten, is de toestand geheel gewijzigd. In zijn tooverslaap is
+de onheilige hartstocht van Ailill voor de koningin volkomen uitgeroeid. Etain van haar kant, komt tot de overtuiging, dat
+er achter de zichtbare gebeurtenissen mysteri&euml;n verborgen zijn, die zij niet begrijpt.
+
+
+<a id="d0e3603"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3603">144</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Midir de trotsche.</h3>
+<p>De verklaring volgt spoedig. Het wezen, dat bij haar gekomen was in de gedaante van Ailill, was haar vroegere echtgenoot,
+Midir de trotsche. Hij komt nu naar haar dingen in zijn ware gedaante, wonderschoon en schitterend uitgedost, en dringt er
+bij haar op aan, met hem te vluchten naar het Land der Jeugd, waar zij van nu af aan veilig kan zijn, daar haar vijandin,
+Fuamnach, dood is. Hij was het geweest, die den tooverslaap had uitgesproken over de oogen van Ailill. De beschrijving van
+het tooverland, waarheen hij haar wil voeren, wordt door hem gegeven in verzen van groote schoonheid.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het land der jeugd.</h3>
+<div class="blockquote">
+<p>&#8220;O blondgelokte vrouw, wilt gij met mij mede gaan naar het wonderland, vol muziek, waar het haar geel is als sleutelbloemen
+en het lichaam wit als sneeuw?
+
+
+</p>
+<p>Daar spreekt niemand van het &#8220;mijne&#8221; of het &#8220;uwe&#8221;&#8212;wit zijn de tanden, en zwart de wenkbrauwen; de oogen glinsteren met licht
+van verschillende kleuren, en de tinten van het vingerhoedskruid zijn op iedere wang.
+
+
+</p>
+<p>Heerlijk voor het oog zijn de vlakten van Erin, maar in vergelijking met de groote vlakten zijn zij een woestijn.
+
+
+</p>
+<p>Koppig is het bier van Erin, maar koppiger is het bier der groote vlakte.
+
+
+</p>
+<p>E&eacute;n der wonderen van dat land is, dat de jeugd niet in ouderdom verandert.
+
+
+</p>
+<p>Effen en kalm zijn de rivieren, die er doorheen stroomen; meede en wijnen van iedere soort zijn er in overvloed; daar zijn
+alle namen schoon, zonder smet; daar baren de vrouwen zonder zonde.
+
+
+</p>
+<p>Wij zien in alle richtingen om ons heen, en niemand ziet ons; de wolk van Adams zonde houdt ons voor hun blikken verborgen.
+
+
+</p>
+<p>O schoone vrouw, als gij naar mijn krachtig volk wilt medegaan, zal het zuiverste goud op uw hoofd geplaatst zijn, het vleesch,
+dat gij eet, zal ongezouten<a id="d0e3629src" href="#d0e3629" class="noteref">12</a> zwijnenvleesch zijn, versche melk en meede zult gij daar met mij drinken, o blondgelokte vrouw.&#8221;
+
+</p>
+</div>
+<p>Wij hebben deze merkwaardige lyrische po&euml;zie in haar geheel gegeven, omdat zij, hoewel daarin duidelijk christelijke en ascetische
+denkbeelden te herkennen zijn, over het geheel de heidensche en mythische opvatting van het Land der Jeugd, het rijk der dooden,
+voorstelt.
+<a id="d0e3634"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3634">145</a>]</span></p>
+<p>Etain is echter volstrekt niet bereid met een vreemdeling mede te gaan en den opperkoning te verlaten voor een man &#8220;zonder
+naam of stamboom&#8221;. Midir zegt haar wie hij is, en vertelt haar tevens haar geheele geschiedenis, waarvan zij in haar tegenwoordige
+incarnatie niets weet; en hij voegt daaraan toe, dat zij duizend en twaalf jaar na haar geboorte in het Land der Jeugd als
+een sterfelijk kind herboren is uit de vrouw van Etar. Ten slotte stemt Etain er in toe met Midir naar haar oude woonplaats
+terug te keeren, doch alleen op voorwaarde, dat de koning in hun scheiding zal toestemmen; daarmede moet Midir zich voorloopig
+tevreden stellen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Een partij schaak.</h3>
+<p>Korten tijd daarna komt hij, zooals reeds vroeger vermeld is,<a id="d0e3642src" href="#d0e3642" class="noteref">13</a> bij koning Eochy, op den heuvel van Tara. Hij vertelt den koning, dat hij gekomen is om met hem een partij schaak te spelen,
+en haalt een schaakbord van zilver voor den dag, met stukken van goud, bezet met juweelen. Het was een noodzakelijk iets voor
+koning en edelen in Ierland, om een bekwaam schaakspeler te zijn, en Eochy begint met den grootsten ijver te spelen. Midir
+laat hem spel na spel winnen, en als betaling voor zijn verlies volvoert hij door tooverkracht verschillende opdrachten van
+Eochy, zooals het verbeteren van landerijen, het vellen van bosschen en het aanleggen van straatwegen door moerassen&#8212;hier
+hebben wij een bewijs, hoe het volk van Dana in de volksmeening als godheden werden beschouwd, die in verband stonden met
+landbouw en vruchtbaarheid. Na ten slotte de hebzucht van Eochy te hebben opgewekt, en dezen te hebben doen gelooven, dat
+hij de beste der beide spelers was, stelt hij hem voor, een laatste spel te spelen, terwijl de prijs door den overwinnaar
+zou worden vastgesteld nadat het spel ge&euml;indigd was. Nu wordt Eochy verslagen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij kunt nu uw prijs bepalen&#8221;, zeide Eochy.
+<a id="d0e3650"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3650">146</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Als ik het gewild had, zou ik reeds lang den prijs gewonnen hebben&#8221;.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat wilt gij van mij?&#8221;, vroeg Eochy.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat ik Etain in mijn armen mag houden en een kus van haar mag krijgen&#8221;, zeide Midir.
+
+</p>
+<p>De koning zweeg een oogenblik, en zeide daarna: &#8220;Gij kunt heden over een maand hier komen, en u zal toegestaan worden, wat
+gij verlangt&#8221;.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e3660" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p146.jpg" alt="Midir en Etain"></p>
+<p class="figureHead">Midir en Etain</p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Midir en Etain.</h3>
+<p>Eochy was op kwaad bedacht, en toen de vastgestelde dag was aangebroken, liet hij het paleis van Tara omringen door een grooten
+troep gewapende mannen, om Midir buiten te sluiten. Dit was echter vergeefsch; terwijl de koning aan den feestmaaltijd zat,
+en Etain den wijn rondschonk, stond Midir, schitterender dan ooit te voren, plotseling in hun midden. Terwijl hij zijn speren
+in de linkerhand hield, sloeg hij de rechterhand om Etain, en het paar steeg licht in de lucht en verdween door een dakraam
+van het paleis. Woedend en ontsteld renden de koning en zijn krijgslieden buiten de deur, maar het eenige wat zij konden zien,
+waren twee witte zwanen, die in kringen boven het paleis vlogen en die daarna in een lange, regelmatige vlucht naar den tooverberg,
+Slievenamon, vlogen. En zoo keerde koningin Etain naar haar verwanten terug.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Oorlog met het tooverland.</h3>
+<p>Maar Eochy wilde niet in zijn nederlaag berusten, en daarop volgt wat naar onze meening, sedert de eerste verdrijving van
+het volk van Dana, de oudste oorlog met het tooverland is, waarvan wordt melding gemaakt. Nadat hij te vergeefs Ierland doorzocht
+had, om zijn vrouw te vinden, ontbood hij den Dru&iuml;de Dalan, om hem te helpen. Dalan trachtte een jaar lang, op alle mogelijke
+wijzen, die hij in zijn macht had, te ontdekken, waar zij was. Ten slotte paste hij een toovermiddel toe, dat bijzondere kracht
+moest hebben&#8212;&#8220;hij maakte drie tooverroeden van taxishout, en op de roeden schreef hij een ogham; en door de sleutels der wijsheid,
+die hij bezat, en door de <a id="d0e3674"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3674">147</a>]</span>ogham, werd hem geopenbaard, dat Etain in den tooverheuvel van Bri-Leith was, en dat Midir haar daarheen had gebracht&#8221;.
+
+</p>
+<p>Daarop verzamelde Eochy zijn troepen om den tooverheuvel, waar het paleis van Midir gelegen was, te bestormen en te verwoesten.
+Het verhaal loopt, dat hij negen jaar lang den &eacute;&eacute;nen heuvel na den anderen afgroef, terwijl Midir en de zijnen de verwoesting
+even snel herstelden als zij was aangericht. Ten slotte verzon Midir, in zijn laatste vesting teruggedreven, een krijgslist&#8212;hij
+bood aan, Etain af te staan, en zond haar met vijftig dienstmaagden naar den koning, maar maakte, dat zij allen z&oacute;&oacute;zeer op
+elkander geleken, dat Eochy de ware Etain er niet uit kon ontdekken. Doch, zoo luidt het verhaal, zij zelf gaf hem een teeken,
+waaraan hij haar kon herkennen. De inhoud van het verhaal, waarbij Etain de sterveling boven den God verkiest, herinnert aan
+de schoone Hindoe-legende van Damayanti en Nala. Eochy kreeg zijn koningin terug, die met hem samenleefde tot aan zijn dood,
+die tien jaar later plaats greep, en deze schonk hem &eacute;&eacute;n dochter, die naar haar, Etain werd genoemd.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De vertelling van Conary M&#333;r.</h3>
+<p>Van die laatste Etain stamde de groote koning Conary M&#333;r af, die in de Iersche legenden schittert als het hoogste type van
+koninklijke glans, macht en weldadigheid, en wiens overweldiging en dood door het volk van Dana werden beraamd als wraakneming
+voor de verwoesting hunner heilige verblijfplaatsen door Eochy. De vertelling, waarin de dood van Conary wordt verhaald, is
+&eacute;&eacute;n der oudste en in opzet meest barbaarsche van alle Iersche legenden, maar het heeft een schoonheid en verbeeldingskracht,
+die door geen andere legende kan worden ge&euml;venaard. Het verhaal van Etain en Midir kan worden beschouwd als een inleiding,
+(door de Ieren <i>priomscel</i> genoemd), voor dit groote verhaal, welke inleiding den meer verwijderden oorsprong der verhaalde gebeurtenissen doet zien.
+De afstamming van Conary M&#333;r zal den lezer in staat stellen, den samenhang der gebeurtenissen beter te begrijpen.
+
+<a id="d0e3686"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3686">148</a>]</span></p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/gen148.gif" alt="De afstamming van Conary M&#333;r."></p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De wet van de Geis.</h3>
+<p>Het verhaal van Conary brengt ons voor het eerst in aanraking met de wet of de instelling van de <i>geis</i>, die van nu af aan een zeer belangrijke rol speelt in de Iersche legenden, waar het schenden of het inachtnemen van een <i>geis</i> dikwijls een keerpunt is in een tragisch verhaal. Wij moeten dus een oogenblik hierbij stilstaan en trachten den lezer nauwkeurig
+te verklaren, wat die eigenaardige instelling was.
+
+</p>
+<p>In het &#8220;Iersche Woordenboek&#8221; van Dineen wordt als beteekenis van het woord <i>geis</i><a id="d0e3709src" href="#d0e3709" class="noteref">14</a> gegeven een verplichting, een tooverbezwering, een verbod, een taboo, een magisch bevel, waarvan de schending tot ramp en
+dood leidde. In het woordenboek vindt men die beteekenissen onder het woord <i>geas</i> opgegeven. Ieder Iersch opperhoofd of man van gezag had enkele <i>geise</i>, die hem eigen waren en die hij niet mocht overtreden. Die <i>geise</i> hadden dikwijls betrekking op een verzameling van voorschriften voor ridderlijk gedrag&#8212;zoo staat Dermot van de liefdeplek,
+als Grania zich op hem beroept om haar van Finn weg te voeren, onder <i>geise</i>, om een vrouw geen bescherming te weigeren. Zij kunnen ook uitsluitend op bijgeloof of een hersenschim&#8212;zoo is het &eacute;&eacute;n der
+<i>geise</i> van Conary, dat het hem niet vrij staat drie roode ruiters op een weg te volgen, of om vogels te dooden (de reden hiervan
+is, dat, zooals wij zullen zien, zijn totem een vogel was). Voor den kampioen uit Ulster, Fergus mac Roy, is het een <i>geis</i>, dat hij geen uitnoodiging tot een feest mag afslaan; daarop grondt zich de Tragedie van de Zonen van Usnach. Het is volstrekt
+niet duidelijk, wie die <i>geise</i> oplegde, of hoe iemand ontdekte, wat <a id="d0e3733"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3733">149</a>]</span>zijn persoonlijke <i>geise</i>, waren&#8212;dit was zonder twijfel een zaak, die de Dru&iuml;den moesten weten. Maar zij werden als heilige verplichtingen beschouwd,
+en het verbreken dier <i>geise</i> deed de ergste ongelukken vreezen. Oorspronkelijk werden zij zeker beschouwd als een middel, om de goede verhouding tot de
+andere wereld in acht te nemen&#8212;de Tooverwereld&#8212;en waren zij verwant met het welbekende gebruik der Polynesi&euml;rs ten opzichte
+van de &#8220;tabu.&#8221; Wij zullen echter de Iersche uitdrukking behouden, daar alleen deze op de Iersche gebruiken past.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De pleegdochter van den Koeherder.</h3>
+<p>Wij zullen thans tot ons onderwerp terugkeeren en de lotgevallen van Conary, den achterkleinzoon van Etain volgen. Haar dochter,
+Etain Oig, huwde, zooals wij uit de genealogische tabel gezien hebben, met Cormac, den koning van Ulster. Zij baarde haar
+echtgenoot geen andere kinderen dan &eacute;&eacute;n meisje. Verbitterd door haar onvruchtbaarheid en door het feit, dat hem geen erfgenaam
+werd geboren, verstootte de koning Etain, en beval hij, dat haar dochter zou worden weggenomen en in een kuil zou worden geworpen.
+&#8220;Daarop brengen zijn twee slaven haar naar een kuil, en toen zij haar daarin legden, lachte zij hen vriendelijk toe&#8221;<a id="d0e3746src" href="#d0e3746" class="noteref">15</a>. Daarna kunnen zij haar niet aan den dood prijs geven, maar brengen haar naar een koeherder van Eterskel, den koning van
+Tara, door wien zij wordt verpleegd en onderwezen &#8220;totdat zij een uitnemende borduurster was geworden, en er was in geheel
+Ierland geen koningsdochter, liever dan zij.&#8221; Vandaar dat zij den naam droeg van Messbuachalla, (&#8220;Messboo&#8217;hala<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>), wat beteekent &#8220;de pleegdochter van den koeherder.&#8221;
+
+</p>
+<p>Uit vrees, dat men haar zal ontdekken, houden de koeherders het meisje in een huis van vlechtwerk, waarin slechts &eacute;&eacute;n opening
+in het dak is. Maar &eacute;&eacute;n van de onderdanen van Eterskel klimt uit nieuwsgierigheid op het dak, kijkt naar binnen en ziet daar
+het schoonste meisje uit Ierland. Hij bericht <a id="d0e3757"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3757">150</a>]</span>dit den koning, die beveelt, dat een opening in den muur moet worden gemaakt, en het meisje moet worden weggehaald, daar de
+koning kinderloos was, en hen door zijn Dru&iuml;den was voorspeld, dat een vrouw van een onbekend ras hem een zoon zou schenken.
+Daarop zeide de koning: &#8220;Dit is de vrouw, die mij voorspeld is.&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e3760" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p150.jpg" alt="&#8220;Op den vloer van de hut vallen zijn vogelveeren af&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Op den vloer van de hut vallen zijn vogelveeren af&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Afstamming en geboorte van Conary.</h3>
+<p>Voordat zij echter bevrijd was, wordt zij bezocht door een bewoner van het Land der Jeugd. Een groote vogel komt daar het
+dakvenster binnen. Op den vloer der hut vallen zijn vogelveeren af en doet hij zich kennen als een prachtigen jongeling. Evenals
+Dana&euml;, evenals Leda, evenals Ethlinn, de dochter van Balor, schenkt zij den god haar liefde. Voordat zij scheiden, vertelt
+hij haar, dat zij naar den koning zal worden gebracht, maar dat zij haar minnaar uit het Land van Dana een zoon zal schenken,
+die Conary zal heeten, en wien het verboden zal zijn op de vogels jacht te maken.
+
+</p>
+<p>Zoo werd Conary geboren, die opgroeide tot een verstandigen en edele jongeling, en opgevoed werd ten huize van een aanzienlijk
+man, Desa, wiens drie achterkleinzoons te gelijk met hem van kindsbeen af werden groot gebracht. Zij heetten Ferlee, Fergar
+en Ferrogan; en Conary, hield, zooals verhaald wordt, veel van hen, en leerde hun zijn wijsheid.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Conary de Opperkoning.</h3>
+<p>Toen stierf koning Eterskel en moest een opvolger aangesteld worden. In Ierland had de oudste zoon geen recht op den troon
+of op het hoofdschap, maar de bekwaamste en de beste der familie werd door de clan op eigenaardige wijze gekozen. In deze
+geschiedenis hebben wij een merkwaardig verhaal, hoe die verkiezing door waarzeggerij plaats vindt. Een &#8220;stierenfeest&#8221; werd
+gevierd&#8212;dat wil zeggen, een stier werd geslacht, en de waarzegger moest &#8220;zich zat eten en drinken&#8221;; daarna ging hij naar bed,
+waar een betoovering over hem werd gezongen, die hem dwong de waarheid te zeggen. Wien hij in zijn droom zag, zou koning worden.
+Zoo dronk te Aegira, in Achaea, <a id="d0e3776"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3776">151</a>]</span>zooals Whitley Stokes opmerkt, de Aardpriesteres het versche bloed van een stier voordat zij in het hol afdaalde om te profeteeren.
+De droomer riep in zijn slaap, dat hij iemand naakt naar Tara zag gaan met een steen in zijn slinger.
+
+</p>
+<p>Het stierenfeest werd te Tara gevierd, maar Conary speelde in dien tijd met zijn pleegbroeders op de Vlakten van Liffey. Zij
+gingen uit elkander, terwijl Conary naar Dublin ging, waar hij een zwerm groote vogels v&oacute;&oacute;r zich zag, schitterend van kleur
+en schoonheid. Hij joeg ze in zijn wagen achterna, maar de vogels gingen steeds een speerworp voor hem uit, daalden neder
+en vlogen verder, zoodat hij ze, voordat zij de zeekust bereikten, niet kon inhalen. Daarna steeg hij uit zijn wagen en nam
+zijn slinger om ze te treffen, doch plotseling veranderden zij in gewapende mannen, en gingen met speren en zwaarden op hem
+af. Doch &eacute;&eacute;n van hen beschermde hem, en zeide: &#8220;Ik ben Nemglan, de koning der vogels van uw vader; en u is verboden naar de
+vogels te werpen, want er is geen enkele onder, die u niet verwant is.&#8221; &#8220;Tot heden,&#8221; zeide Conary, &#8220;wist ik daar niets van.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga vannacht naar Tara,&#8221; zeide Nemglan; het stierenfeest wordt daar gevierd, en daardoor zult gij koning worden. Een spiernaakt
+man, die tegen het einde van den nacht langs &eacute;&eacute;n der wegen naar Tara zal gaan, die een steen en een slinger heeft,&#8212;die zal
+koning worden.
+
+</p>
+<p>Daarom trok Conary zijn kleeren uit, en ging des nachts naakt naar Tara, waar alle wegen bewaakt werden door hoofden, die
+koninklijke kleeren bij zich hadden, om hem te kleeden, die in overeenstemming met de voorspelling zou komen. Zoodra Conary
+hen bereikte, kleedden zij hem en brachten hem naar binnen, waarna hij tot koning van Erin wordt uitgeroepen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De geise van Conary.</h3>
+<p>Hier volgt een lange lijst van zijn <i>geise</i>, welke hem zoo luidt het verhaal, door Nemglan zijn gegeven. &#8220;De regeering der vogels zal edel zijn,&#8221; zoo sprak hij, &#8220;en
+dit zullen uw <i>geise</i> zijn:
+
+
+<a id="d0e3795"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3795">152</a>]</span></p>
+<div class="blockquote">
+<p>Gij zult niet rechtsom Tara omloopen, noch linksom Bregia,<a id="d0e3799src" href="#d0e3799" class="noteref">16</a>
+
+Gij zult op de booze dieren van Cerna niet jagen,
+
+Gij zult om de negen nachten niet verder gaan dan Tara.
+
+Gij zult niet slapen in een huis, waar na <span class="corr" title="Bron: zons ondergang">zonsondergang</span> nog vuur brandt, of waarin van buiten licht gezien wordt.
+
+Geen drie Rooden zullen v&oacute;&oacute;r u gaan naar het huis van den Roode.
+
+In uw rijk zal geen rooverij geschieden.
+
+Na zonsondergang zal geen vrouw alleen of man alleen het huis binnenkomen, waarin gij vertoeft,
+
+Gij zult niet tusschen beiden komen in een twist tusschen twee van uw dienaren.
+
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Daarna aanvaardde Conary de regeering, die zich kenmerkte door de schoone jaargetijden en de rijke oogsten, die altijd in
+den geest der Ieren samenvielen met de regeering van een goeden koning. Vreemde schepen kwamen in de havens, Iederen herfst
+was er overvloed van eikels tot voeding der varkens; de rivieren wemelden van visch. &#8220;Tijdens zijn regeering doodde niemand
+een ander in Erin en voor iedereen in Erin scheen de stem van zijn makker even liefelijk als de snaren van luiten. Van het
+midden van de lente tot het midden van den herfst bewoog geen windje den staart van een koe.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Begin der wraak.</h3>
+<p>Doch er kwam stoornis uit een andere bron. Conary had alle plundering en roof onderdrukt, en zijn drie pleegbroeders, die
+geboren roovers waren, namen hem dat kwalijk. Vol trots en eigenzinnigheid zetten zij hun slechte gewoonten voort, en werden
+ten slotte gevangen genomen, terwijl hun handen rood van bloed waren. Conary wilde hen niet ter dood veroordeelen, zooals
+het volk hem verzocht, maar spaarde hen ter wille van hun pleegbroederschap. Zij werden echter uit Erin verbannen, en hun
+werd gezegd, dat, als zij dan toch wilden rooven, zij het dan maar over zee moesten doen. Op zee ontmoetten zij een ander
+verbannen hoofd, Ingcel den Eenoogige, den zoon van den koning van Brittanni&euml;, en terwijl zij zich met dezen vereenigden,
+vielen zij de vesting aan, waarin de vader, de moeder en de broeders van Ingcel toen juist als gasten aanwezig <a id="d0e3813"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3813">153</a>]</span>waren, en allen werden in &eacute;&eacute;n nacht gedood. Toen was het de beurt van Ingcel om hun hulp in te roepen, ten einde het land
+van Erin te plunderen, en na een troep van andere vogelvrij verklaarden bijeengebracht te hebben, waartoe de zeven Manes,
+de zonen van Ailell en Maev van Connacht behoorden, behalve Ferlee, Fergar en Ferrogan, deden zij een inval in Ierland, waarbij
+zij aan land stegen aan de kust van Dublin, bij Howth.
+
+</p>
+<p>Intusschen was Conary door de listen van het Volk van Dana verlokt, om &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n al zijn <i>geise</i> te breken. Hij legt een twist bij tusschen twee van zijn ondergeschikten in Munster, en toen zij terugreisden naar Tara,
+zien zij, dat het land rondom verlicht is door de flikkering van vuur en in wolken van rook gehuld. Zooals zij meenden, plunderde
+een troep uit het noorden het land, en om daaraan te ontkomen, moet de troep van Conary rechts om Tara en links om de vlakte
+van Bregia heen draaien. Maar de rook en de vlammen waren een zinsbedrog, door het Toovervolk veroorzaakt, dat nu de strikken
+steviger om den veroordeelden koning heenhaalt. Op zijn tocht voorbij Bregia maakt hij jacht op de &#8220;booze dieren van Cerna&#8221;&#8212;wie
+zij ook waren&#8212;&#8220;maar hij merkte het niet, voordat de jacht ge&euml;indigd was.&#8221;
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De pleisterplaats van Da Derga en de Drie Rooden.</h3>
+<p>Conary moest nu een rustplaats voor den nacht vinden, en hij herinnert zich, dat hij niet ver af is van de pleisterplaats
+van den Heer van Leinster, Da Derga, naar wien dit bardengedicht genoemd is.<a id="d0e3825src" href="#d0e3825" class="noteref">17</a> Conary was edelmoedig jegens hem geweest toen Da Derga op bezoek gekomen was te Tara, en hij besloot daarom zijn gastvrijheid
+voor dien nacht in te roepen. Da Derga woonde in een groot paleis met zeven deuren, bij het tegenwoordige Dublin, waarschijnlijk
+te Donnybrook aan den straatweg naar het Zuiden. Toen de stoet daarheen reisde, had er een onheilspellende gebeurtenis plaats&#8212;Conary
+zag v&oacute;&oacute;r zich op den weg drie ruiters geheel in het rood gekleed, <a id="d0e3828"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3828">154</a>]</span>die op roode paarden reden. Hij herinnert zich zijn <i>geis</i> ten opzichte van de &#8220;drie Rooden&#8221;, en zendt een bode naar voren, om hen te verzoeken dat zij achter zullen blijven. Maar
+hoewel de bode zijn paard opzweept, kan hij de drie Roode Ruiters niet dichter naderen dan tot op een speerworp. Hij roept
+hen toe om te keeren en achter den koning aan te rijden, maar &eacute;&eacute;n van hen, vraagt hem ironisch terwijl hij omkijkt, &#8220;uit te
+zien naar belangrijk nieuws uit een pleisterplaats.&#8221; Herhaaldelijk wordt de bode naar hen toegezonden met beloften van een
+ruime belooning, als zij in plaats van Conary voor te gaan, achter hem willen rijden. Eindelijk zingt &eacute;&eacute;n van hen een mystiek,
+een vreeseliik lied. &#8220;Zie mijn zoon, belangrijk is het nieuws. Vermoeid zijn de paarden die wij berijden&#8212;de paarden van de
+tooverheuvelen. Hoewel wij leven, zijn wij dood. Groot zijn de ketenen: verwoesting van het leven; verzadiging van raven;
+voeding van kraaien; wedijver in het dooden; het wetten van het zwaard; schilden met gebroken knoppen na zonsondergang. Zie,
+mijn zoon!&#8221; Daarop rijden zij voort, en na van hun roode paarden te zijn afgestegen, maken zij die vast aan het portaal van
+de pleisterplaats van Da Derga, en gaan binnen zitten. &#8220;Ter verklaring voegen wij hieraan toe, dat &#8220;Derga&#8221; &#8220;rood&#8221; beteekent.
+Zoo was dus Conary door drie roode ruiters voorgegaan naar Het Huis van de Roode. En vol voorgevoelen zegt hij: &#8220;Al mijn <i>geise</i> hebben mij van nacht gegrepen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e3837" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p154.jpg" alt="Conary in de Netten van het Toovervolk"></p>
+<p class="figureHead">Conary in de Netten van het Toovervolk</p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Verzameling der gasten.</h3>
+<p>Van nu af aan neemt het verhaal van Conary M&#333;r het karakter aan van bovennatuurlijke ontzaglijkheid en geheimzinnigheid, waarbij
+als het ware de verbeelding van den bard toeneemt naarmate de crisis nadert. De nacht is gevallen en de rooverbende van Ingcel
+is gekampeerd op de oevers der Baai van Dublin. Zij hooren het geraas van den koninklijken stoet, en een bode met een bijzonder
+goed gezicht wordt uitgezonden, om te onderzoeken wat dat beteekent. Hij brengt tot antwoord de mededeeling, dat een schitterende
+en talrijke <a id="d0e3846"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3846">155</a>]</span>menigte Conary naar de pleisterplaats heeft gevolgd. Men hoort een eigenaardig krakend geluid. Ingcel vraagt Ferrogan wat
+dit kan zijn&#8212;het blijkt veroorzaakt te zijn door een reuzenkrijgsman mac Cecht, die met een vuursteen op staal slaat, om voor
+het feest van den koning vuur te maken. &#8220;God geve, dat Conary daar van nacht niet is&#8221;, roepen de zonen van Desa; &#8220;Wee hem,
+als hij in de macht van zijn vijanden is gevallen.&#8221; Maar Ingcel herinnert hen aan hun overeenkomst&#8212;hij had hen zijn eigen
+vader en broeders ter plundering overgegeven; zij kunnen dus niet weigeren, hem te helpen bij den aanval, dien hij tegen Conary
+in de woning van Da Derga beraamt. Een flikkering van het vuur, door Mac Cecht ontstoken wordt nu door den troep roovers gezien,
+terwijl het schijnt tusschen de wielen der wagens, die geplaatst zijn langs de open deuren der woning. Weer was &eacute;&eacute;n der <i>geise</i> van Conary gebroken.
+
+</p>
+<p>Ingcel en zijn bende richten nu een grooten steenhoop op, waarbij ieder &eacute;&eacute;n steen aandraagt, opdat er een herinnering aan
+het gevecht overblijve, en tevens een middel om te weten, hoeveel van hen sneuvelen, daar ieder overlevende zijn eigen steen
+weer weghaalt.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Morrigan.</h3>
+<p>Het tooneel verplaatst zich nu naar de pleisterplaats van Da Derga, waar de vrienden van den koning gekomen zijn en zich voor
+den nacht gereed maken. Een eenzame vrouw komt aan de deur en verzoekt te worden toegelaten. &#8220;Ieder van haar scheenen waren
+zoo lang als een weversboom, en zij waren zoo donker als de rug van een vliegend hert. Zij droeg een grijsachtigen wollen
+mantel. Het haar reikte haar tot de knie&euml;n. Haar mond was verdraaid naar &eacute;&eacute;n kant van haar hoofd.&#8221; Zij was de Morrigan, bij
+het Volk van Dana de godin van Dood en <span class="corr" title="Bron: Vernieting">Vernietiging</span>. Zij leunde tegen den deurpost van het huis en zag boosaardig op den koning en zijn gezellen neer. Conary zeide, &#8220;vrouw,
+als gij een tooverheks zijt, wat ziet gij dan voor ons?&#8221; &#8220;Ik zie voor u&#8221; antwoordde zij, &#8220;dat noch vel, noch <a id="d0e3861"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3861">156</a>]</span>vleesch van u zal ontkomen uit de plaats, waarin gij gekomen zijt, behalve wat vogels in hun klauwen zullen wegdragen.&#8221; Zij
+vraagt toegelaten te worden. Conary zegt, dat zijn <i>geis</i> hem verbiedt, een eenzamen man of een eenzame vrouw na zonsondergang binnen te laten. &#8220;Indien de koning inderdaad geen plaats
+heeft in zijn huis, om een eenzame vrouw een maaltijd of een te bed te geven, zal zij dit wel zonder hem krijgen van iemand,
+die edelmoediger is.&#8221; &#8220;Laat haar dan maar binnen komen,&#8221; zegt Conary, hoewel het een <i>geis</i> van mij is.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Conary en zijn gevolg.</h3>
+<p>Nu volgt een langen en schitterende beschrijving, hoe Ingcel den stand van zaken in de woning gaat bespieden. Terwijl hij
+door de wielen der wagens kijkt, let hij op alles wat hij ziet en geeft aan de zonen van Desa een beschrijving van het uiterlijk
+en de uitrusting van iederen vorst en iederen aanzienlijke in het gevolg van Conary, terwijl Ferrogan en zijn broeder dan
+vertellen wie het is, en hoe hij in het aanstaande gevecht verderf zal aanbrengen. Daar is Cormac, de zoon van Comor, de koning
+van Ulster, de schoone en goede; daar zijn drie ontzaglijke, zwarte en in het zwart gekleede krijgslieden der Picten; daar
+is de rentmeester van Conary, met overeind staand haar, die iederen twist beslecht&#8212;men kan een speld hooren vallen als hij
+zijn stem verheft om te spreken, en de dienststaf, dien hij draagt, heeft de groote van een molenwiek; daar is de krijgsman
+mac Cecht, die op zijn rug ligt met opgetrokken knie&euml;n&#8212;deze gelijken op twee kale heuvels, zijn oogen zijn als meren, zijn
+neus een bergtop, zijn zwaard schittert als een rivier in de zon. Daar zijn ook de drie zonen van Conary, goudgelokt, met
+zijden kleeren, door het geheele dienstpersoneel bemind, met &#8220;manieren als volwassen meisjes, met harten als broeders, met
+den moed van beren&#8221;. Als Ferrogan over hen hoort spreken, weent hij en kan hij niet verder gaan voordat verscheidene nachtelijke
+uren voorbij zijn. Drie gijzelaars der Fomori&euml;rs met een afschuwelijk uiterlijk zijn daar ook; en Conall van de Overwinningen
+met zijn bloedrood schild; en Duftach <a id="d0e3874"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3874">157</a>]</span>van Ulster met zijn tooverspeer, die zoodra er een strijd aanstaande is, in een brouwsel van slaapverwekkende kruiden moet
+gehouden worden, daar zij anders aan haar greep gaat vlammen en wegvliegt, overal moord verspreidend; en drie reuzen van het
+Eiland Man met paardenmanen, die tot aan hun hielen reiken. Er wordt nog een vreemde en bovenaardsche eigenaardigheid aan
+toegevoegd door de beschrijving van drie naakte en bloedende gedaanten, die aan touwen van de zoldering afhangen&#8212;het zijn
+de dochters van de Bav, een andere naam voor de Morrigan, of godin van den oorlog, &#8220;drie, die ijzingwekkende voorgevoelens
+opwekken,&#8221; zegt het verhaal raadselachtig, &#8220;het zijn de drie, die op ieder oogenblik gedood worden.&#8221; Wij moeten ze waarschijnlijk
+beschouwen als onlichamelijke wezens, die oorlog en dood voorspellen en alleen voor Ingcel zichtbaar zijn. De voorzaal met
+haar verschillende kamers is vol krijgslieden, schenkers, spelende muzikanten en goochelaars, die wonderbaarlijke kunsten
+verrichten, terwijl Da Derga met zijn dienaren spijze en drank uitdeelen. Conary zelf wordt als een jong man beschreven; &#8220;hij
+heeft de vurigheid en de geestdrift van een koning en het beleid van een wijze; de mantel, dien ik om hem heen zag is zoo
+effen als de nevel van een dag in Mei&#8212;in iedere tint liefelijker dan deze.&#8221; Zijn zwaard met gouden gevest ligt naast hem&#8212;te
+armslengte is het uit de scheede vrijgekomen en schittert als een lichtstraal. Hij is de zachtzinnigste en vriendelijkste
+en meest volmaakte koning, die ooit ter wereld is gekomen, zelfs Conary, de zoon van Eterskil .... groot is de teederheid
+van den slaperigen, eenvoudigen man, totdat hij een daad van dapperheid heeft te verrichten. Maar als zijn woede en zijn moed
+zijn opgewekt, als de kampioenen van Erin en Alba bij hem in huis zijn, zal de verwoesting niet plaats hebben zoolang hij
+binnen is&#8212;het ten onderbrengen van die regeering zou droevig zijn.&#8221;
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Kampioenen in het huis.</h3>
+<p>Daarop trokken Ingcel en de zonen van Desa op ten aanval en omsingelden de pleisterplaats.
+<a id="d0e3881"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3881">158</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Een oogenblik stilte!&#8221; zegt Conary, &#8220;wat is dit?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kampioenen in het huis&#8221;, zegt Conall van de Overwinningen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Er zijn voor hen krijgslieden hier,&#8221; antwoordt Conary.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij zullen van nacht noodig zijn,&#8221; hervat Conall.
+
+</p>
+<p>E&eacute;n der zonen van Desa stormt het eerst het huis binnen. Zijn hoofd wordt afgeslagen en weer naar buiten geworpen. Daarop
+begint de groote strijd. Het huis wordt in brand gestoken, maar het vuur wordt gebluscht met wijn en alle mogelijke vloeistoffen,
+die binnen zijn. Conary en zijn volk springen te voorschijn&#8212;honderden worden verslagen en de roovers worden voorloopig op
+de vlucht gejaagd. Evenwel Conary, die wonderen van dapperheid bij den strijd heeft verricht, versmacht van dorst en kan niets
+meer uitrichten, voordat hij water heeft gedronken. Maar de roovers hebben op raad van hun toovernaars de rivier de Dodder,
+die door het terrein van het huis stroomde, afgeleid, en alle vloeistoffen in het huis waren verbruikt voor het blusschen
+van den brand.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De dood van Conary.</h3>
+<p>De koning, die van dorst versmacht, vraagt mac Cecht hem water te verschaffen, en mac Cecht wendt zich tot Conall met de vraag,
+of hij voor den koning water wil halen of wil achterblijven om hem te beschermen, terwijl mac Cecht water haalt. &#8220;Laat de
+verdediging van den koning aan ons over,&#8221; zegt Conall, &#8220;en ga gij het water halen, want het is u verzocht.&#8221; Nu holt mac Cecht
+met den gouden beker van Conary weg, zich een weg banend door de omsingelende troepen, en gaat naar water zoeken. Daarop komen
+Conall en Cormac van Ulster en de andere kampioenen op hun beurt naar voren en dooden een groot aantal vijanden, sommigen
+keeren gewond en vermoeid terug naar den kleinen troep in huis, terwijl anderen zich door den kring van vijanden heenslaan.
+Conall, Sencha en Duflach houden tot het laatst toe bij Conary stand; maar het duurt lang eer mac Cecht terugkeert, Conary
+komt van dorst om en daarop slaan de drie helden er zich door heen en ontsnappen, gewond, gebroken en verminkt.&#8221;
+<a id="d0e3897"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3897">159</a>]</span></p>
+<p>Intusschen was mac Cecht over Ierland voortgehold, terwijl hij als een razende naar water zocht. Maar het Toovervolk, waarmede
+hier blijkbaar de elementaire machten bedoeld worden, die de natuurkrachten beheerschen, hebben alle bronnen tegen hem verzegeld.
+Tevergeefs gaat hij naar de Bron van Kesaiz in Wicklow; hij gaat naar de groote rivieren, Shannon en Slayney, Bann en Borrow&#8212;alle
+verbergen zich als hij nadert, ook de meren laten hem in den steek; eindelijk vindt hij een meer, Loch Gara in Roscommon,
+dat verzuimde zich in tijds te verbergen, en daar vult hij zijn beker. Des morgens keerde hij terug met het kostbare en met
+moeite veroverde vocht, maar vond, dat alle verdedigers gesneuveld of gevlucht waren, terwijl twee der roovers juist bezig
+waren het hoofd van Conary af te slaan. Mac Cecht sloeg er &eacute;&eacute;n het hoofd af, en wierp een ontzaglijken steenen pilaar den
+tweeden achterna, die juist met het hoofd van Conary ontsnapte. De roover viel op de plaats dood, en mac Cecht nam het hoofd
+van zijn meester op, en goot het water in zijn mond. Daarop sprak het hoofd, en prees en bedankte hem voor zijn daad.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De wond van mac Cecht.</h3>
+<p>Een vrouw kwam naderbij en zag mac Cecht uitgeput en gewond op het slagveld liggen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom hier, vrouw,&#8221; zeide mac Cecht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik durf niet naderbij te komen,&#8221; zeide de vrouw, &#8220;uit afgrijzen en vrees voor u.&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar hij overreedt haar te komen, en zegt: &#8220;Ik weet niet, of het een vlieg of een mug of een mier is, die in mijn wond steekt.&#8221;
+
+</p>
+<p>De vrouw keek er naar en zag dat een harige wolf met de twee schouders in de wond begraven was. Zij pakte het dier bij den
+staart en trok het uit de wond, maar het dier trok van hem zooveel af, &#8220;als zijn kaken konden bevatten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zeide de vrouw, &#8220;dit is een mier van het Oude Land.&#8221;
+
+</p>
+<p>En mac Cecht nam het bij den strot en sloeg het voor op het hoofd, zoodat het dood viel.
+
+
+<a id="d0e3917"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3917">160</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>&#8220;Leeft uw Heer nog?&#8221;</h3>
+<p>Het verhaal eindigt in een werkelijk heldhaftigen toon. Conall van de Overwinningen had, zooals wij gezien hebben, zich na
+den dood van den koning door de vijanden heengeslagen en was naar Teltin getrokken, waar hij zijn vader Amorgin in den tuin
+v&oacute;&oacute;r zijn deur vond. De arm van Conall, die het schild droeg was door driemaal vijftig speren gewond, en hij bereikte nu Teltin
+met een half schild, en zijn zwaard en de overblijfselen van zijn twee speren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vlug zijn de wolven, die u hebben achterna gezeten, mijn zoon,&#8221; zoo sprak zijn vader.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is een heftige strijd met krijgslieden, waarin wij gewond zijn, o oude held,&#8221; antwoordde Conall.
+
+</p>
+<p>&#8220;Is uw heer nog in leven?&#8221; vroeg Amorgin.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij leeft <i>niet meer</i>,&#8221; zegt Conall.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zweer bij God, wat de groote stammen van Ulster zweren; hij die levend den strijd verlaat, na zijn heer bij zijn vijanden
+in den dood te hebben achtergelaten, is een lafaard.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn wonden zijn niet wit, oude held,&#8221; zegt Conall. Hij liet hem zijn arm zien, waaraan hij zijn speer had gedragen, en waarop
+driemaal vijftig speerwonden waren. De arm, waarmede hij zijn zwaard hanteerde, en die niet door zijn schild beschermd was,
+verminkt en verbrijzeld en gewond en doorboord, zoodat hij alleen nog maar door enkele pezen aan het lichaam vastzat.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die arm heeft van nacht gevochten, mijn zoon,&#8221; zegt nu Amorgin.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is waar, oude held,&#8221; zegt Conall van de Overwinningen. &#8220;Velen zijn het, die door dien arm van nacht tegenover de pleisterplaats
+in den dood zijn gevoerd.&#8221;
+</p>
+<hr><p>
+
+</p>
+<p>Zoo eindigt de vertelling van Etain en van den overval van het Tooverland, en van de wraak der toovermannen op den achterkleinzoon
+van Eochy den Opperkoning.
+
+
+
+<a id="d0e3946"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3946">161</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3424" href="#d0e3424src" class="noteref">1</a></span> Cleena (<i>Cliodhna</i>) was een vorstin uit het Volk van Dana, omtrent wie een legende verhaald wordt, die in verband staat met de baai van Glandore
+in het Graafschap Cork. Zie blz. <a href="#d0e3036">111</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3440" href="#d0e3440src" class="noteref">2</a></span> Zie blz. <a href="#d0e2388">69</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3461" href="#d0e3461src" class="noteref">3</a></span> &#8220;Omnia monumenta Scotorum anti Cimbaoth incerta erant.&#8221; Tierna, die in 1088 stierf, was Abt van Clonmacnois, een beroemd klooster
+en een middelpunt van opvoeding in het Middeleeuwsche Ierland.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3477" href="#d0e3477src" class="noteref">4</a></span> Vergelijk het schoone gedicht van een modern Keltisch schrijver (Sir Samuel Ferguson). &#8220;De Mantel der Weduwe&#8221; (het Britsche
+Rijk in de dagen van Koningin Victoria).
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3491" href="#d0e3491src" class="noteref">5</a></span> &#8220;Critische geschiedenis van Ierland&#8221;, blz. 180.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3501" href="#d0e3501src" class="noteref">6</a></span> Spreek uit &#8220;El&#8217;yill.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3532" href="#d0e3532src" class="noteref">7</a></span> De uitgang <i>ster</i> in drie van de namen der Iersche provincies, is van Noorschen oorsprong, en is een overblijfsel van de veroveringen der Vikings
+in Ierland. Alleen Connacht, tot waar de Vikings niet binnengedrongen zijn, heeft zijn Ierschen naam ongewijzigd behouden.
+Ulster (in het Iersch <i>ulaidh</i>) heeft, zooals gezegd wordt, zijn naam ontleend aan Ollav F&#333;la, Munster (<i>Mumhan</i>) aan koning Eocho Mumho, den tienden koning na Eremon, en Connacht was &#8220;het land van de kinderen van Conn&#8221;&#8212;den Conn der Honderd
+Veldslagen, en die in 157 n.C. was gestorven.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3554" href="#d0e3554src" class="noteref">8</a></span> Wij verwijzen echter onze lezers naar het verhaal van Etain en Midir, zooals het volledig wordt gegeven door A.&nbsp;H. Leahy (&#8220;Heldenverhalen
+van Ierland&#8221;) en naar de &#8220;Groote Daden van Finn&#8221;, van den schrijver van dit werk; bovendien naar het verhaal van Conary, zooals
+dit door Sir S. Ferguson wordt gegeven (&#8220;Gedichten 1886&#8221;), in het gedicht, dat door Dr. Whitley Stokes het verhevenste gedicht
+wordt genoemd, dat ooit door een Ier is geschreven.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3569" href="#d0e3569src" class="noteref">9</a></span> In het Engelsch uitgesproken als &#8220;Yeo&#8217;hee&#8221;.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3576" href="#d0e3576src" class="noteref">10</a></span> Wij halen de vertaling van A.&nbsp;H. Leahy aan uit een handschrift uit de vijftiende eeuw (&#8220;Heldendichten uit Ierland aan Egerton
+ontleend<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>, Deel I, blz. 12). Men vindt dit verhaal echter ook in oudere bronnen.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3589" href="#d0e3589src" class="noteref">11</a></span> Ogham-letters, die bestonden uit rechte lijnen, op een bepaalde wijze gerangschikt rondom de as van een steenenpilaar met
+vierkante doorsnede, werden gewoonlijk gebruikt als grafschriften en als geschrift in het algemeen voordat het Romeinsche
+alphabet in Ierland werd ingevoerd.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3629" href="#d0e3629src" class="noteref">12</a></span> Dit is een toespeling op de magische zwijnen van Mananan, die dagelijks gedood en weer versch werden gegeten, en wier vleesch
+de eeuwige jeugd bij het volk van Dana in stand hield.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3642" href="#d0e3642src" class="noteref">13</a></span> Zie blz. <a href="#d0e2963">108</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3709" href="#d0e3709src" class="noteref">14</a></span> In het Engelsch uitgesproken als &#8220;gaysh,&#8221; meervoud &#8220;gaisha.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3746" href="#d0e3746src" class="noteref">15</a></span> Wij citeeren uit de vertaling van Whitley Stokes (<i>Revue Celtique</i>), Januari 1901, en volgende nummers.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3799" href="#d0e3799src" class="noteref">16</a></span> Bregia was de groote vlakte ten Oosten van Tara tusschen Boyne en Liffey.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3825" href="#d0e3825src" class="noteref">17</a></span> &#8220;De Verwoesting van de Pleisterplaats van Da Derga.&#8221;
+</p>
+</div>
+<p class="div1"><a id="d0e3947"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e166">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk V. Verhalen van den Cyclus van Ulster.</h2>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De vloek van Macha.</h3>
+<p>Het middelpunt der belangstelling in Iersche legenden verplaatst zich nu van Tara naar Ulster, en een groot aantal verhalen
+van heldendaden concentreeren zich om Conor mac Nessa, den Koning van Ulster, om Cuchulain,<a id="d0e3955src" href="#d0e3955" class="noteref">1</a>, zijn grooten vazal, en de Orde der Ridders van den Rooden Tak, die haar zetel had in Emain Macha. Wij hebben reeds vroeger
+de legende verteld omtrent de stichting van Emain Macha<a id="d0e3958src" href="#d0e3958" class="noteref">2</a>. Maar Macha, die niet meer een gewone vrouw was, maar een boven natuurlijk wezen, komt weer naar voren in verband met de
+geschiedenis van Ulster in een zeer merkwaardig verhaal, dat naar men zich voorstelde een verklaring gaf van de vreemde zwakheid
+of hulpeloosheid, die somtijds op critieke oogenblikken geacht werd over de krijgslieden der provincie te komen.
+
+</p>
+<p>De legende verhaalt, dat een vermogende landbouwer uit Ulster, Crundchu, de zoon van Agnoman, die op een eenzame plaats tusschen
+de heuvels woonde, op zekeren dag in zijn tuin een jonge vrouw vond van buitengewone schoonheid en schitterend gekleed, die
+hij nooit te voren had gezien. Zooals het verhaal luidt was Crundchu een weduwnaar, wiens vrouw gestorven was na hem vier
+zonen te hebben geschonken. De vreemde vrouw ging zonder een woord te spreken de huiselijke bezigheden verrichten, maakte
+den maaltijd gereed, melkte de koe en nam al de plichten eener huisvrouw op zich. Des nachts legde zij zich naast Crunchu
+neder, en leefde later met hem als zijn vrouw, en zij hadden elkander innig lief. Haar naam was Macha. Op zekeren dag maakte
+Crundchu zich gereed om naar een groote jaarmarkt of bijeenkomst der mannen van Ulster te gaan, waar zou worden feestgevierd,
+paardenwedrennen en tournooien zouden worden gehouden, en muziek gemaakt, in &eacute;&eacute;n woord, waar men op elke mogelijke wijze zich
+zou kunnen vermaken. Macha verzocht haar echtgenoot, <a id="d0e3966"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3966">162</a>]</span>thuis te blijven. Hij bleef echter bij zijn plan. &#8220;Beloof mij dan ten minste&#8221;, zeide zij, &#8220;dat gij in de vergadering niet
+over mij spreekt, want ik mag slechts zoolang bij u blijven, als over mij niet wordt gesproken&#8221;.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e3969" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p162.jpg" alt="De Vloek van Macha"></p>
+<p class="figureHead">De Vloek van Macha</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De opmerking is gemaakt, dat wij hier in de post-classieke Europeesche litteratuur voor het eerst het motief zien optreden
+van de tooverbruid, die alleen z&oacute;&oacute;lang bij haar sterfelijken minnaar mag vertoeven als bepaalde voorwaarden worden in acht
+genomen, zooals deze, dat hij haar niet mag bespieden of mishandelen, of naar haar herkomst mag vragen. Crundchu beloofde
+aan dat verzoek te zullen gehoorzamen en ging naar het feest. Hier behaalden de twee paarden van den Koning den &eacute;&eacute;nen prijs
+na den anderen in de wedrennen, en het volk riep: &#8220;Er is in Ierland geen vlugger span paarden, dan dat van den Koning&#8221;.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb thuis een vrouw&#8221;, zeide Crundchu, in een oogenblik van onnadenkendheid, &#8220;die harder kan loopen dan deze paarden&#8221;.
+
+</p>
+<p>&#8220;Grijpt dien man&#8221;, zeide de koning woedend, &#8220;en houdt hem gevangen, totdat zijn vrouw hier gebracht is, om den wedstrijd te
+houden&#8221;.
+
+</p>
+<p>Daarop gingen boden naar Macha, en zij werd naar de bijeenkomst gebracht; maar zij was zwanger. De koning beval haar zich
+voor den wedstrijd gereed te maken. Zij beriep zich op haar toestand. &#8220;Ik ben op het punt een kind ter wereld te brengen&#8221;,
+zeide zij. &#8220;Hakt dan haar man in stukken&#8221;, zeide de koning tot zijn lijfwacht. Macha wendde zich tot de omstanders. &#8220;Helpt
+mij&#8221;, riep zij, &#8220;want een moeder heeft u allen gedragen! Geeft mij slechts een korten tijd uitstel, totdat ik het kind heb
+ter wereld gebracht&#8221;. Maar de koning en de geheele menigte wilden in hun woeste begeerte naar uitspanning van geen uitstel
+weten. &#8220;Brengt dan de paarden voor&#8221;, zeide Macha, &#8220;en omdat gij geen medelijden hebt, zal er een erger schande over u vallen&#8221;.
+Toen hield zij een wedren met de paarden, en overtrof ze in snelheid, maar nauw had zij den eindpaal bereikt, of zij gaf een
+luiden gil, werd door wee&euml;n <a id="d0e3981"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3981">163</a>]</span>overvallen, en bracht een tweeling ter wereld. Toen zij echter dien gil gaf, werden alle toeschouwers door dezelfde smarten
+overvallen als zij, en hadden zij niet meer kracht dan een vrouw in barensnood. En Macha voorspelde: &#8220;Van dit uur af zal de
+schaamte, die gij over mij hebt gebracht, iederen man van Ulster overvallen. In de uren van uw grootsten nood zult gij zwak
+en hulpeloos zijn als een vrouw in barensnood, en dit zal vijf dagen en vier nachten duren&#8212;tot in het negende geslacht zal
+dien vloek op u rusten.&#8221; En zoo geschiedde het; en dit is de reden van de groote zwakheid der mannen van Ulster, die de krijgslieden
+der provincie placht te overvallen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Conor mac Nessa.</h3>
+<p>De voornaamste gelegenheid, waarbij die zwakheid zich openbaarde, was toen Maev, de koningin van Connacht, den beroemden strooptocht
+deed om het vee van Quelgny te rooven. (<i>Tain Bo Cuailgn&eacute;</i>), die het onderwerp is van de machtigste vertelling in de Iersche litteratuur. Wij moeten nu de inleidende geschiedenis verhalen,
+die leidt tot dit episch verhaal, en de voornaamste karakters onder de oogen onzer lezers brengen.
+
+</p>
+<p>Fachtna de Reus, koning van Ulster, had tot vrouw Nessa, de dochter van Echid met den Gelen Hiel, en zij schonk hem een zoon,
+Conor genaamd. Maar toen Fachtna stierf, volgde Fergus, de zoon van Roy, zijn halfbroeder, hem op, daar Conor toen nog zeer
+jong was. Fergus nu beminde Nessa, en zou met haar gehuwd zijn, maar zij stelde voorwaarden. &#8220;Laat mijn zoon Conor &eacute;&eacute;n jaar
+regeeren,&#8221; zoo sprak zij, &#8220;zoodat zijn nakomelingen van een koning afstammen, dan zal ik mijn toestemming geven.&#8221; Fergus stemde
+er in toe, en de jeugdige Conor besteeg den troon. Maar zijn bestuur was zoo verstandig en voorspoedig, en zijn beslissingen
+waren z&oacute;&oacute; uitstekend, dat, zooals Nessa had voorzien, het volk op het einde van het jaar wilde, dat hij koning bleef; en Fergus,
+die meer hield van feestvieren en van jagen dan van de beslommeringen van het koningschap, was met die regeling tevreden,
+en bleef een tijdlang <a id="d0e3993"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3993">164</a>]</span>aan het hof van Conor, wel groot, ge&euml;erd en gelukkig, maar niet langer koning.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e3996" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p164.jpg" alt="De Knaap Setanta Volgt Koning Conor"></p>
+<p class="figureHead">De Knaap Setanta Volgt Koning Conor</p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De roode tak.</h3>
+<p>In dien tijd viel de grootste glorie van den &#8220;Roode Tak&#8221; in Ulster; zij stamden af van Ross den Roode, den koning van Ulster,
+en hadden nog bloedverwanten in de zijlijn en bondgenooten, die ten slotte een soort van krijgszuchtige Orde vormden. De meeste
+Helden van den Rooden Tak komen voor in de legendencyclus van Ulster, zoodat het zijn nut heeft, hier hun namen en bloedverwantschap
+op te geven, voordat wij hun daden gaan bespreken. Wij vestigen er de aandacht op, dat zij gedeeltelijk bovennatuurlijke voorouders
+hebben. Ross de Roode toch was gehuwd met een vrouw uit het Volk van Dana, en wel met Maga, de dochter van Angus Og.<a id="d0e4005src" href="#d0e4005" class="noteref">3</a> Maar tevens had hij als tweede vrouw een maagd, Roy genaamd. Zijn afstammelingen zijn:
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/gen164-1.gif" alt="De afstammelingen van Ross de Roode."></p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p>Maar Maga was tevens gehuwd met den Dru&iuml;de Cathbad, uit welk huwelijk drie dochters geboren waren, wier afstammelingen een
+belangrijke rol speelden in den legendencyclus van Ulster.
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/gen164-2.gif" alt="De afstammelingen van Cathbad en Maga."></p>
+</div><p>
+
+
+<a id="d0e4027src" href="#d0e4027" class="noteref">4</a>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De geboorte van Cuchulain.</h3>
+<p>Het was tijdens de regeering van Conor mac Nessa dat de machtigste held van het Keltische ras, Cuchulain, geboren werd, en
+dit geschiedde aldus. Op zekeren dag verdween het <a id="d0e4035"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4035">165</a>]</span>meisje Dectera, de dochter van Cathbad met vijftig jonge meisjes, haar gezellinnen aan het hof van Conor, en drie jaar lang
+hielp geen zoeken om haar verblijfplaats te ontdekken of iets omtrent haar lot gewaar te worden. Eindelijk daalde op zekeren
+zomerschen dag een zwerm vogels neer op de akkers bij Emain Macha en begon den oogst en de vruchten te vernielen. De koning,
+met Fergus en anderen van zijn edelen, trok tegen hen uit met slingers, maar de vogels vlogen slechts een eind ver weg, en
+lokten hun vervolgers telkens mede, totdat deze bij den Tooverberg van Angus aan de Boyne gekomen waren. De nacht daalde neer,
+en de koning zond een troep met Fergus weg om de &eacute;&eacute;n of andere woning te zoeken, waar zij zich te slapen konden leggen. Er
+werd een hut gevonden, waar zij zich heen begaven om te rusten, maar &eacute;&eacute;n van hen, die er verder op uittrok, bereikte een deftige
+woning aan de rivier, en toen hij daar binnentrad, kwam hem een jonge man met een schittend uiterlijk te gemoet. Bij den vreemdeling
+was een bekoorlijke vrouw, zijn echtgenoote, en vijftig meisjes, die den krijgsman uit Ulster met vreugde begroetten. En hij
+herkende in deze vrouwen Dectera en haar gezellinnen, die zij drie jaar gemist hadden, en in den schitterenden jongeling Lugh
+met den Langen Arm, den zoon van Ethtinn. Hij ging met zijn bericht terug naar den koning, die onmiddellijk Dectera naar zich
+terug ontbood. Maar zij verzocht een tijd uitstel, onder voorwendsel, dat zij ziek was en zoo ging de nacht voorbij; maar
+des morgens werd in de hut onder de krijgslieden van Ulster een pasgeboren mannelijk kind gevonden. Het was de gift van Dectera
+aan Ulster, en met dat doel had zij hen naar het tooverpaleis aan de Boyne gelokt. Het kind werd door de krijgslieden mede
+naar huis genomen en toevertrouwd aan Finchoom, de zuster van Dectera, die toen haar eigen kind voedde, en de jongen werd
+Setanta genoemd. Het gedeelte van Ulster, dat zich uitstrekt van Dundalk naar het zuiden tot Usna in Meath, welk gedeelte
+de Vlakte van Murthemney genoemd wordt, werd als erfdeel aangewezen, en later was zijn vesting en zijn woonplaats in Dundalk
+gelegen.
+<a id="d0e4037"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4037">166</a>]</span></p>
+<p>Men verhaalt, dat de Dru&iuml;de Morann omtrent het jonge kind het volgende voorspelde: &#8220;Zijn lof zal in den mond van alle mannen
+zijn; wagenmenners en krijgslieden, koningen en wijzen zullen zijn daden verhalen; hij zal de liefde van velen winnen. Dit
+kind zal al het ons aangedane onrecht wreken; hij zal strijden aan uw waterstroomen, hij zal al uw twisten beslechten.<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De hond van Cullan.</h3>
+<p>Toen hij oud genoeg was, ging de jonge Setanta naar het hof van Conor om opgevoed en onderwezen te worden met de andere zonen
+van vorsten en hoofden. Nu geschiedde de gebeurtenis, waaraan hij den naam van Cuchulain ontleende, waarbij hij later bekend
+zou worden.
+
+</p>
+<p>Op zekeren namiddag gingen koning Conor en zijn edelen naar een feest, waarop zij genoodigd waren in de dun van een rijken
+smid in Quelgny, Cullan genaamd, waar zij ook voornemens waren den nacht door te brengen. Setanta zou hen vergezellen, maar
+toen de stoet op weg ging, was hij met zijn makkers midden in een balspel bezig, en daarom verzocht hij den koning zonder
+hem weg te gaan, zeggende, dat hij, als het spel was afgeloopen, wel zou volgen. Het koninklijk gezelschap kwam tegen het
+aanbreken van den avond op de plaats van bestemming. Cullan ontving hen gastvrij, en in de groote zaal deden zij zich te goed
+aan vleesch en wijn, terwijl de huisheer de poorten van zijn vesting grendelde en buiten een ontzaglijken en woesten hond
+losliet, die iederen nacht de eenzame woning bewaakte, en onder wiens bescherming Cullan in het minst niet behoefde te vreezen,
+zelfs voor den aanval van een leger.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e4051" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p166.jpg" alt="De Hond van Cullan"></p>
+<p class="figureHead">De Hond van Cullan</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Maar zij hadden niet gedacht aan Setanta! In het midden der vroolijkheid en der muziek van het feest werd een vreeselijk geluid
+gehoord, dat iedereen in een oogenblik deed opvliegen. Het was het vreeselijk geblaf van de hond van Cullan, die oogenblikkelijk
+aansloeg, toen hij een vreemdeling zag naderen. Spoedig veranderde het geluid in het gehuil van een woesten strijd, maar als
+allen naar de poorten stormden, zagen zij in den schijn der lantaarns een jongen man staan, terwijl de <a id="d0e4057"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4057">167</a>]</span>hond dood aan zijn voeten lag. Toen deze namelijk op hem was aangevlogen, had hij hem bij den strot gegrepen en tegen den
+deurpost te pletter geslagen. De krijgslieden droegen den jongen met vreugde en bewondering naar binnen, maar spoedig eindigde
+de triomf, want daar stond hun gastheer, zwijgend en droevig over het lijk van zijn trouwen vriend, die voor de veiligheid
+van zijn huis gestorven was en het nooit meer zou bewaken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Geef mij,&#8221; zoo sprak toen de jonge Setanta, &#8220;een jong van dien hond, o Cullan, en ik zal hem zoo dresseeren, dat hij voor
+u alles zal zijn, wat de doode hond was. En geef mij tot dien tijd een schild en een speer, en ik zal zelf uw huis bewaken;
+geen hond heeft het ooit beter bewaakt dan ik doen zal.&#8221;
+
+</p>
+<p>En het geheele gezelschap juichte om de edelmoedige gelofte, en oogenblikkelijk noemden zij den jongeling ter herinnering
+aan zijn eersten heldendaad Cuchulain<a id="d0e4063src" href="#d0e4063" class="noteref">5</a>, den Hond van Cullan, en bij dien naam was hij tot aan zijn dood bekend.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Cuchulain neemt de wapenen ter hand.</h3>
+<p>Toen hij ouder was, en de tijd naderde, waarop hij de wapenen van den mannelijken leeftijd mocht aannemen, gebeurde het op
+zekeren dag, dat hij dicht langs de plaats ging, waar Cathbad de Dru&iuml;de enkelen van zijn leerlingen onderwees in de kunst
+der waarzeggerij en voorspelling. Een van hen vroeg Cathbad, voor welke soort van onderneming die dag wel geschikt zou zijn;
+en Cathbad antwoordde, na een voorspelling te hebben bestudeerd: &#8220;De jongeling, die van daag de wapenen ter hand zou nemen,
+zou van alle mannen in Erin het beroemdst worden om zijn groote heldendaden, maar zijn leven zal vergankelijk en kort zijn.&#8221;
+Cuchulain ging door, alsof hij het niet had verstaan, en kwam v&oacute;&oacute;r den koning. &#8220;Wat wilt gij?&#8221; vroeg Conor. &#8220;Ik wil de wapenen
+van den <a id="d0e4074"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4074">168</a>]</span>mannelijken leeftijd ter hand nemen,&#8221; zeide Cuchulain. &#8220;Het zij zoo,&#8221; zeide de koning, en hij gaf den jongeling twee groote
+speren. Maar Cuchulain schudde ze in zijn hand, en de staven splinterden en braken. En zoo deed hij met een aantal andere
+speren; en de wagens, waarin zij hem plaatsten om daarmede te rijden, brak hij in stukken door met zijn voeten te stampen,
+totdat ten slotte de krijgswagen van den koning zelf en diens twee speren en zwaard aan den knaap werden gebracht, maar deze
+kon hij niet breken, al spande hij zich nog zoo in; daarom kreeg hij die uitrusting in eigendom.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Hoe hij dong naar de hand van Emer.</h3>
+<p>De jeugdige Cuchulain was nu een zoo schoone en edele jongeling geworden, dat iedere maagd of vrouw op wie hij de oogen sloeg
+onder zijn betoovering kwam, en de mannen van Ulster hem smeekten zich een vrouw te kiezen. Maar geen van de meisjes bekoorde
+hem totdat hij eindelijk de aanvallige maagd Emer zag, de dochter van Forgall, de heer van Lusca, en hij besloot haar hand
+te vragen. Daarom beval hij zijn wagen in te spannen en hij vertrok met Laeg, zijn vriend en wagenmenner naar Dun Forgall<a id="d0e4081src" href="#d0e4081" class="noteref">6</a>.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e4085" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p168.jpg" alt="Cuchulain vraagt den Koning om wapenen"></p>
+<p class="figureHead">Cuchulain vraagt den Koning om wapenen</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Toen hij naderbij kwam, was het meisje in gezelschap van haar gezellinnen, de dochters van de vazallen van Forgall, die zij
+onderricht gaf in het borduren, want in die kunst overtrof zij alle vrouwen. Zij had &#8220;de zes gaven der vrouw&#8212;de gave der schoonheid,
+de gave der stem, de gave van vriendelijk spreken, de gave van het naaldwerk, de gave der wijsheid en de gave der kuischheid.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen zij de paardehoeven hoorde weerklinken en het geratel van den wagen in de verte, verzocht zij &eacute;&eacute;n der meisjes naar de
+wallen van de Dun te gaan en haar te vertellen wat zij zag. &#8220;Er komt een wagen aan,&#8221; zeide het meisje &#8220;getrokken door twee
+paarden met schuddende koppen, woest en krachtig; het &eacute;&eacute;ne is grijs, het andere zwart. Uit hun bekken blazen zij vuur, en
+de aardkluiten, die zij achter zich opwerpen als zij <a id="d0e4093"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4093">169</a>]</span>voorthollen gelijken op een zwerm vogels, die hun sporen volgen. In den wagen is een donkere, sombere man, de schoonste van
+alle mannen uit Erin. Hij is gekleed in een karmozijnrooden mantel met een gouden gesp, en op zijn rug is een karmozijnrood
+schild met een zilveren rand, waarop figuren van dieren zijn gewerkt. Bij hem zit als wagenmenner een lange, slanke, sproetige
+man met krullend rood haar, dat samen gehouden wordt door een haarband van brons, met gouden platen aan weerszijden van het
+gelaat. Hij drijft de paarden aan met een prikkel van rood goud.&#8221;
+
+</p>
+<p>Terwijl de wagen kwam aanrijden, ging Emer Cuchulain te gemoet en groette zij hem. Maar toen hij met zijn liefde bij haar
+aandrong, vertelde zij van de macht en de sluwheid van haar vader Forgall, en van de kracht der kampioenen, die haar bewaakten,
+opdat zij niet tegen zijn wil zou huwen. En toen hij nog langer aandrong, zeide zij: &#8220;Ik wil niet huwen v&oacute;&oacute;r mijn zuster Fial
+die ouder is dan ik. Zij is hier bij mij&#8212;zij munt bijzonder uit in naaldwerk.&#8221; &#8220;Het is niet Fial, die ik lief heb,&#8221; zeide
+Cuchulain. Toen zag hij, terwijl zij met elkander spraken, de borst van het meisje boven den rand van haar hemd, en zeide
+hij: &#8220;Schoon is die vlakte, die vlakte van het schitterende paar.&#8221; &#8220;Niemand komt bij die vlakte,&#8221; zoo sprak zij, &#8220;die zijn
+honderden niet heeft verslagen, en gij moet nog beginnen met uw daden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daarop verliet Cuchulain haar, en reed hij terug naar Emain Macha.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Cuchulain in het land van Skatha.</h3>
+<p>Den volgenden dag overlegde Cuchulain, hoe hij zich voor den oorlog zou gereed maken en voor de heldendaden, die Emer van
+hem had ge&euml;ischt. Nu had hij gehoord van een geweldige vrouwelijke krijger, Skatha genaamd, die in het Land der Schaduwen<a id="d0e4104src" href="#d0e4104" class="noteref">7</a> woonde, en die jonge helden, die bij haar kwamen, schitterende wapenfeiten kon leeren. Daarom trok Cuchulain <a id="d0e4107"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4107">170</a>]</span>verschillende zee&euml;n over om haar te vinden, en hij had velerlei gevaren te trotseeren, zwarte bosschen en verlaten vlakten
+door te trekken, voordat hij berichten kon krijgen van Skatha en haar Land. Ten slotte kwam hij in de Vlakte van den Tegenspoed,
+die hij niet kon oversteken zonder vast te raken in haar bodemlooze moerassen of kleverige klei, en toen hij bij zich zelf
+overlegde, wat hij zou doen, zag hij een jong man op hem afkomen met een gelaat, dat schitterde als de zon, en wiens blik
+reeds voldoende was vreugde en hoop in zijn hart op te wekken. De jonge man gaf hem een wiel en beval hem dit voor zich uit
+te rollen over de vlakte, en het overal te volgen, waar het heenging. Cuchulain bracht dus het wiel aan het rollen, en terwijl
+het rolde, schitterde het van het licht, dat als stralen uitstraalde uit zijn rand, en de hitte daarvan veroorzaakte, dat
+er een harde weg door het moeras ontstond, waarover Cuchulain veilig volgde. Toen hij de Vlakte van den Tegenspoed was doorgetrokken
+en aan de wilde dieren van den gevaarlijken Bergpas was ontsnapt, kwam hij aan de Brug der Sprongen, aan de overzijde waarvan
+het land van Skatha gelegen was. Aan deze zijde van de brug vond hij hier een aantal zonen van de vorsten van Ierland, die
+daar gekomen waren om wapenfeiten van Skatha te leeren; zij speelden met ballen op de grasvlakte. En onder dezen was zijn
+vriend Ferdia, de zoon van den Firbolg Daman; deze allen vroegen hem nieuws uit Ierland. Toen hij hun alles had verteld, vroeg
+hij Ferdia, hoe hij zou kunnen oversteken naar de dun van Skatha. De Brug der Sprongen was echter zeer smal en zeer hoog,
+en overbrugde een bergkloof, waar diep beneden de golven eener kokende zee schuimden, waarin men vraatzuchtige monsters kon
+zien zwemmen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Niemand onzer is ooit die brug overgetrokken&#8221;, zeide Ferdia, &#8220;immers er zijn twee kunstgrepen, die Skatha ons eerst het allerlaatst
+leert; &eacute;&eacute;n daarvan is de sprong over de brug, <a id="d0e4111"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4111">171</a>]</span>de andere is het werpen van de Gae Bolg. Immers als iemand op het &eacute;&eacute;ne uiteinde van de brug stapt, gaat het middengedeelte
+onmiddellijk omhoog en werpt hem terug, en als hij er op springt, heeft hij kans mis te springen en in het water te vallen,
+waar de zeemonsters op hem wachten.
+
+</p>
+<p>Maar Cuchulain wachtte tot den avond, toen hij van zijn vermoeienis na de lange reis was bekomen, en trachtte toen de brug
+over te trekken. Driemaal rende hij met een aanloop heen, terwijl hij al zijn krachtten in het werk stelde, en trachtte op
+het midden te springen, maar driemaal ging het midden omhoog en wierp hem terug, terwijl zijn makkers hem bespotten, omdat
+hij niet wilde wachten op de hulp van Skatha. Maar bij den vierden sprong, kwam hij juist neer op het midden van de brug,
+en met een tweeden sprong was hij er over heen, en stond hij voor de sterke vesting van Skatha; deze nu verbaasde zich over
+zijn moed en zijn kracht en nam hem onder haar leerlingen op.
+
+</p>
+<p>Een jaar en een dag bleef Cuchulain bij Skatha en alle kunstgrepen, die zij kon onderwijzen, leerde hij gemakkelijk, en het
+allerlaatste leerde zij hem het gebruik van de Gae Bolg, en gaf zij hem dat vreeselijke wapen, dat zij geen kampioen v&oacute;&oacute;r
+hem wilde schenken, daar zij meende, dat niemand het waard was. De wijze nu waarop de Gae Bolg gebruikt werd, was deze, dat
+zij met den voet werd geworpen, en als zij in het lichaam van een vijand drong, vulde zij ieder van zijn ledematen en openingen
+met haar weerhaken. Terwijl hij bij Skatha verblijf hield was onder al zijn vrienden zijn grootste vriend en zijn mededinger
+in behendigheid en dapperheid, Ferdia, en voordat zij scheidden, deden zij de gelofte, dat zij elkander zouden helpen zoolang
+zij leefden.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Cuchulain en Aifa.</h3>
+<p>Terwijl nu Cuchulain in het Land der Schaduwen was, voerde Skatha juist oorlog met het volk van Vorstin Aifa, die de meest
+geweldige en sterkste was van de vrouwelijke krijgslieden der geheele wereld, zoodat zelfs Skatha vreesde met <a id="d0e4122"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4122">172</a>]</span>haar te strijden. Daarom mengde Skatha in den drank van Cuchulain, toen zij ten oorlog trok, slaapwekkende kruiden, opdat
+hij niet binnen vier en twintig uren zou ontwaken, zoodat in dien tusschentijd het leger reeds ver op weg zou zijn, daar zij
+vreesde, dat hem ongelukken zouden treffen, voordat hij zijn volle kracht had gekregen. Maar de drank, die bij een ander man
+voor een dag en een nacht voldoende zou geweest zijn, hield Cuchulain slechts &eacute;&eacute;n uur in slaap; en toen hij ontwaakte greep
+hij zijn wapenen en volgde hij den troep langs de wagensporen, totdat hij hen had ingehaald. Daarop slaakte Skatha een zucht,
+omdat zij wist, dat hij zich niet zou laten weerhouden te strijden.
+
+</p>
+<p>Toen de legers handgemeen werden, verrichtten Cuchulain en de beide zonen van Skatha groote wapenfeiten tegen den vijand,
+en doodden zij zes der machtigste krijgslieden van Aifa. Daarop zond Aifa een bode naar Skatha en daagde zij haar uit tot
+een tweegevecht. Maar Cuchulain zeide, dat hij tegen de schoone Furie zou strijden in de plaats van Skatha, en vroeg het allereerst,
+wat de dingen waren, die zij het meest op prijs stelde. &#8220;Waar Aifa het meest aan gehecht is,&#8221; zeide Skatha, &#8220;dat zijn haar
+twee paarden, haar wagen en haar wagenmenner.&#8221; Daarop begon het tweegevecht, maar iedere kunst, die zij kenden, beproefden
+zij te vergeefs tegen elkander, totdat eindelijk een slag van Aifa het zwaard van Cuchulain tot aan het gevest verbrijzelde.
+Daarop riep Cuchulain: &#8220;Zie eens, de wagen en de paarden van Aifa zijn in den bergpas gevallen.&#8221; Aifa keek toen om, waarop
+Cuchulain op haar losstormde, haar om het middel pakte, over zijn schouder wierp en naar het kamp van Skatha droeg. Daar wierp
+hij haar op den grond en hield zijn mes tegen haar hals. Zij smeekte om haar leven, en Cuchulain stond dat toe, onder voorwaarde
+dat zij een blijvende vrede met Skatha zou sluiten en gijzelaars zou geven voor de vervulling harer gelofte. Daarin stemde
+zij toe, en Cuchulain en zij werden niet alleen vrienden, maar ook geliefden.
+
+<a id="d0e4126"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4126">173</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De tragedie van Cuchulain en Connla.</h3>
+<p>Voordat Cuchulain het Land der Schaduwen verliet, gaf hij Aifa een gouden ring, waarbij hij haar opdroeg, dat als zij hem
+een zoon zou schenken, deze zijn vader in Erin moest zoeken, zoodra hij z&oacute;&oacute; groot was geworden, dat de ring aan zijn vinger
+zou passen. En Cuchulain zeide: &#8220;Beveel hem onder <i>geise</i>, dat hij zich niet mag bekend maken, dat hij voor niemand uit den weg mag gaan en nooit een gevecht mag weigeren. En hij
+moet den naam Connla dragen.&#8221;
+
+</p>
+<p>In later jaren werd verhaald, dat op zekeren dag, toen koning Conor van Ulster en de edelen van Ulster op een feestelijke
+bijeenkomst waren op het Strand der Voetstappen, zij een kleine bronzen boot van over de zee naar zich toe zagen komen, waarin
+een jonge knaap zat met vergulde riemen in de handen. In de boot was een groote hoop steenen, en telkens deed de knaap &eacute;&eacute;n
+dier steenen in een slinger en wierp dien naar een vliegende zeevogel met z&oacute;&oacute; groote handigheid, dat de vogel levend aan zijn
+voeten neerviel. En hij gaf nog een aantal andere wonderlijke voorbeelden van behendigheid. Daarop zeide Conor, toen de boot
+dichterbij kwam: &#8220;Als de volwassen mannen uit het land van dezen knaap hier kwamen, zouden zij ons zeker tot poeder vergruizen.
+Wee het land, waarin die jongen zal komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen de knaap aan land kwam, werd een bode, Condery naar hem gezonden met het bevel te verdwijnen. &#8220;Ik zal voor u niet teruggaan&#8221;
+zeide de knaap, en Condery herhaalde den koning, wat hij gezegd had. Daarop werd Conall van de Overwinningen tegen hem gezonden,
+maar de knaap slingerde een grooten steen naar hem toe, en het gegons en de wind, daardoor veroorzaakt, sloeg hem ter neder,
+waarop de knaap op hem sprong en zijn armen vastbond met de strop van zijn schild. En zoo geschiedde met verschillende anderen,
+sommigen werden gebonden, anderen gedood, maar de knaap tartte de geheele legermacht van Ulster, hem terug te jagen, en ook
+wilde hij noch zijn naam noch zijn afkomst mededeelen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ontbied Cuchulain&#8221;, zeide daarop koning Conor. Er werd <a id="d0e4141"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4141">174</a>]</span>nu een bode naar Dundalk gezonden, waar Cuchulain was met zijn vrouw Emer, en hem werd bevolen te vechten tegen een vreemden
+knaap, die Conall van de Overwinningen niet had kunnen overwinnen. Emer sloeg haar arm om den hals van Cuchulain. &#8220;Ga toch
+niet&#8221;, smeekte zij. &#8220;Dit moet de zoon van Aifa zijn. Dood uw eenigen zoon niet&#8221;. Maar Cuchulain zeide: &#8220;Houd op vrouw! Al
+was het Connla zelf, toch zou ik hem dooden voor de eer van Ulster&#8221;, waarop hij beval zijn wagen in te spannen en naar het
+strand ging. Daar vond hij den knaap bezig met het heen en weer slingeren van zijn wapens, terwijl hij daarmede wonderlijke
+dingen deed. &#8220;Uw spel is alleraardigst, mijn jongen&#8221;, sprak Cuchulain: &#8220;wie zijt gij en waar komt gij vandaan?&#8221; &#8220;Dat mag ik
+niet bekend maken&#8221;, zeide de knaap. &#8220;Dan moet gij sterven&#8221; antwoordde Cuchulain. &#8220;Het zij zoo,&#8221; zeide de knaap, en daarop
+vochten zij een tijdlang met zwaarden, totdat de knaap sierlijk een lok van het haar van Cuchulain afsneed. &#8220;Ik heb genoeg
+van dat kinderspel,&#8221; zeide Cuchulain, en zij worstelden met elkander, maar de knaap ging op een rotsblok staan en stond zoo
+stevig dat Cuchulain hem niet kon verwrikken, en in die hardnekkige worsteling, drongen de twee voeten van den knaap diep
+in den steen en veroorzaakten de afdrukken, waaraan de naam van Strand der Voetstappen is ontleend. Eindelijk vielen beiden
+in zee, en Cuchulain was op het punt te verdrinken, toen hij zich in eens de Gae Bolg herinnerde, en dat wapen tegen den knaap
+slingerde, zoodat zijn buik openscheurde. &#8220;Dit heeft Skatha mij nooit geleerd,&#8221; riep de knaap. &#8220;Wee mij, ik ben gewond&#8221;. Cuchulain
+keek naar hem en zag den ring aan zijn vinger. &#8220;Het is waar,&#8221; zeide hij, en hij nam den knaap op en droeg hem naar het strand
+en legde hem neer voor Conor en de edelen van Ulster. &#8220;Hier is mijn zoon voor u, mannen van Ulster&#8221;, zeide hij. En de knaap
+zeide: &#8220;Dat is waar, en als ik vijf jaar onder u had mogen opgroeien, zoudt gij de wereld aan iederen kant om u heen veroveren,
+en zelfs zoover als Rome regeeren. Maar nu dit niet het geval is, wijs mij de beroemde krijgslieden aan, die hier zijn, opdat
+ik hen leere <a id="d0e4143"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4143">175</a>]</span>kennen en v&oacute;&oacute;r mijn dood afscheid van hen moge nemen.&#8221; Daarop werden zij &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n naar hem toegebracht, en hij kuste hen,
+nam afscheid van zijn vader en stierf; en de mannen van Ulster dolven zijn graf en richtten onder groot rouwbeklag zijn grafzuil
+op. Dit was de eenige zoon, die Cuchulain ooit had, en dien zoon doodde hij zelf.
+
+</p>
+<p>Dit verhaal, zooals wij het hier hebben gegeven, dagteekent van de negende eeuw, en wordt gevonden in het &#8220;Gele Boek van Lecan&#8221;.
+Er zijn verschillende Galische lezingen daarvan in po&euml;zie en proza. Het is &eacute;&eacute;n van de oudste in de litteratuur voorkomende
+behandelingen van het sinds dien zoo goed bekende onderwerp van den dood van een heldhaftigen zoon door zijn vader. De Perzische
+lezing van het verhaal van Sohrab en Rustum is in de Engelsche litteratuur bekend geworden door het schoone gedicht van Matthew
+Arnold.
+
+</p>
+<p>Bij de Iersche lezing zal de lezer hebben opgemerkt, dat de vader eenig vermoeden heeft van de identiteit van zijn tegenstander,
+maar hij vecht met hem onder den prikkel van dat hartstochtelijke gevoel van trouw en verknochtheid aan zijn vorst en zijn
+land, wat de meest op den voorgrond tredende karaktertrek is van Cuchulain.
+
+</p>
+<p>Wij hebben om de geschiedenis van Aifa en haar zoon te voltooien, op de gebeurtenissen vooruitgeloopen, en keeren weer tot
+ons onderwerp terug en hervatten den draad van ons verhaal.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De eerste strooptocht van Cuchulain.</h3>
+<p>Na een jaar en een dag in de oorlogskunst geoefend te zijn onder Skatha, keerde Cuchulain naar Erin terug, vol verlangen zijn
+kloekheid op de proef te doen stellen en Emer als vrouw te winnen. Daarom beval hij zijn wagen te doen aanspannen, en reed
+weg, om een strooptocht te maken naar de stroomen en de moerassen van Connacht, immers tusschen Connacht en Ulster was voortdurend
+strijd langs de grenzen.
+
+</p>
+<p>En eerst reed hij naar den Witten Steenhoop, die op den hoogsten der Bergen van Mourne zijn, en overzag hij het land <a id="d0e4158"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4158">176</a>]</span>van Ulster, dat zich lachend in de zonneschijn ver onder hem uitstrekte, en beval hij zijn wagenmenner, hem den naam te noemen
+van iederen heuvel, iedere vlakte en iedere d&#363;n, die hij zag. Daarna in zuidelijke richting ziende keek hij over de vlakten
+van Bregia, en de wagenmenner wees hem Tara en Teltin aan en Brugh na Bogna en de groote d&#363;n van de zonen van Nechtan. &#8220;Zijn
+dat,&#8221; zoo vroeg Cuchulain, &#8220;die zoons van Nechtan, van wie verhaald wordt, dat door hun hand meer van de mannen van Ulster
+gevallen zijn dan nog thans op aarde leven?&#8221; &#8220;Het zijn dezelfde,&#8221; zeide de wagenmenner. &#8220;Laat ons dan daarheen rijden,&#8221; zeide
+Cuchulain. Zoo reed de wagenmenner zeer tegen zijn zin naar de vesting van de zonen van Nechtan, en daar zagen zij op de grasvlakte
+ervoor een steenen pilaar, en daaromheen een bronzen band waarop teekens in Oghamschrift waren aangebracht. Cuchulain las
+deze en het hield in, dat iedereen, die op den leeftijd was om wapenen te dragen, en naar die vlakte zou komen, het tot <i>geis</i> zou beschouwen, om weg te gaan zonder &eacute;&eacute;n der bewoners van de d&#363;n tot een tweegevecht te hebben uitgedaagd. Daarop sloeg
+Cuchulain zijn armen om den steen heen, en na dien heen en weer te hebben geslingerd, lichte hij hem ten laatste uit den grond
+en wierp hem met den bronzen band er bij, in de rivier, die dichtbij stroomde. &#8220;Ongetwijfeld,&#8221; sprak de wagenmenner, &#8220;zoekt
+gij een gewelddadigen dood, en nu zult gij dien zonder verwijl vinden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daarop kwam Foill, de zoon van Nechtan uit de d&#363;n, en hij was ontstemd, toen hij Cuchulain bemerkte, dien hij slechts voor
+een knaap aanzag. Maar Cuchulain vroeg hem, zijn wapenen te halen, &#8220;want ik dood geen wagenmenners, of boden of ongewapende
+mannen,&#8221; en Foill ging de d&#363;n binnen. &#8220;Gij kunt hem niet dooden,&#8221; zeide daarop de wagenmenner, &#8220;want door tooverkrachten is
+hij onkwetsbaar voor de punt of den scherpen kant van eenig zwaard.&#8221; Maar Cuchulain deed in zijn slinger een bal van gehard
+ijzer, en toen Foill verscheen, wierp hij dien tegen hem aan, zoodat hij zijn voorhoofd raakte en recht door zijn hersens
+en zijn schedel heenging; en Cuchulain <a id="d0e4165"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4165">177</a>]</span>nam zijn hoofd en bond dit aan den rand van zijn wagen. En andere zoons van Nechtan, die naar buiten traden, bevocht hij en
+doodde hen door zwaard en speer; daarna stak hij de d&#363;n in brand, verliet die toen zij in lichte laaie vlam stond en reed
+opgetogen weg. Op weg zag hij een troep wilde zwanen, en zestien van deze bracht hij levend naar beneden met zijn slinger,
+en bond ze aan den wagen, en toen hij een kudde wilde herten zag, die zijn paarden niet konden inhalen, steeg hij af en joeg
+ze te voet na, totdat hij twee groote herten ving, die hij met riemen en touwen bevestigde aan den wagen.
+
+</p>
+<p>Maar te Emain Macha kwam een verspieder van koning Conor naar binnen loopen om hem nieuws te brengen. &#8220;Let op, &eacute;&eacute;n enkele
+wagen nadert snel over de vlakte; wilde witte vogels fladderen er om heen en wilde herten zijn er aan vastgebonden; hij is
+overal bedekt met de bloedige hoofden van vijanden.&#8221; En Conor keek uit, om te zien, wie naderde, en hij zag dat Cuchulain
+woedend van strijdlust was en ieder dien hij ontmoette zou willen dooden; daarom beval hij, dat een troep vrouwen uit Emain
+Macha naar buiten zoude gaan om hem te gemoet te treden, en na haar kleeren te hebben uitgetrokken, naakt op zijn weg zouden
+gaan staan. Dit deden zij, en toen de knaap hen zag, boog hij uit schaamte zijn hoofd op den rand van den wagen. Daarop grepen
+de mannen van Conor hem oogenblikkelijk vast en dompelden hem in een kuip koud water, die gereed was gezet, maar het water
+begon over hem te koken en de duigen en de hoepels van den kuip barstten uit elkander. Dit herhaalden zij voortdurend, totdat
+zijn woede hem ten slotte verliet, en hij zijn vroegere gedaante weder hernam. Daarna kleedden zij hem in nieuwe kleeren en
+noodigden hem uit tot het feest in de feestzaal des konings.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Cuchulain wint de hand van Emer.</h3>
+<p>Den volgenden dag ging hij naar de d&#363;n van Forgall den Sluwe, den vader van Emer en hij deed &#8220;den Zalmsprong van den held&#8221;,
+dien hij van Skatha had geleerd, over de wallen van de d&#363;n. Daarna vielen de machtige mannen van Forgall op <a id="d0e4174"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4174">178</a>]</span>hem aan, en hij bracht slechts drie slagen toe, en iedere slag doodde acht man, en Forgall zelf viel dood neer, toen hij van
+den wal der d&#363;n afviel, om aan Cuchulain te ontkomen. Daarop voerde hij Emer mede en haar pleegzuster en twee ladingen goud
+en zilver. Maar buiten de d&#363;n zette de zuster van Forgall een troep tegen hem aan, en zijn strijdwoede overviel hem weer,
+en vreeselijk waren de slagen, die hij toebracht, zoodat de Glondath stroomde van het bloed en het gras van Crofot tot een
+bloederige modder vertrapt werd. Bij iedere stroom van Olbiny tot de Boyne versloeg hij honderd man; en zoo won hij de hand
+van Emer gelijk zij dit verlangd had, en bracht hij haar naar Emain Macha en maakte haar tot zijn vrouw, en zij scheidden
+niet meer v&oacute;&oacute;r zijn dood.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Cuchulain Kampioen van Erin.</h3>
+<p>Een opperhoofd van Ulster, Bricciu van de Vergiftigde Tong genaamd, gaf eens een feest, waartoe hij koning Conor en alle helden
+van den Rooden Tak uitnoodigde, en daar hij er altijd behagen in schepte, om strijd te verwekken onder de mannen en vrouwen,
+liet hij de helden onderling twisten over de vraag, wie de Kampioen van het land van Erin was. Ten slotte werd vastgesteld,
+dat het kampioenschap moest worden toegekend aan &eacute;&eacute;n van de drie: Cuchulain, Conall van de Overwinningen en Laery de Overwinnaar.
+Om tusschen die drie te beslissen werd een booze geest, De Verschrikkelijke, uit een meer opgeroepen, in welks diepte hij
+huisde. Hij stelde de helden de volgende proef van hun moed voor. Ieder van hen mocht van daag zijn hoofd afhakken, onder
+voorwaarde, dat hij, die aanspraak maakte op het kampioenschap, morgen zijn eigen hoofd op het blok zou leggen. Conall en
+Laery wilden de proef niet aanvaarden, maar Cuchulain nam die aan, en na een tooverformulier over zijn zwaard te hebben uitgesproken,
+snijdt hij het hoofd van den boozen geest af, die onmiddellijk opstond en in het meer sprong na het bloedende hoofd in &eacute;&eacute;n
+hand en zijn bijl in de andere te hebben genomen.
+
+</p>
+<p>Den volgenden dag kwam hij weer terug, gezond en wel, <a id="d0e4183"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4183">179</a>]</span>om de vervulling van de afspraak te eischen. Cuchulain legde bedrukt doch onverschrokken zijn hoofd op het blok. &#8220;Strek uw
+nek uit, boosaard,&#8221; riep de booze geest; &#8220;hij is voor mij te kort, om hem te treffen.&#8221; Cuchulain doet, zooals hem bevolen
+wordt. De booze geest zwaait zijn bijl driemaal over zijn slachtoffer, slaat met een plof de bijl op het blok en beveelt daarop
+Cuchulain, die ongedeerd is, op te staan, als Kampioen van Ierland en zijn dapperste man.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Deirdre en de Zonen van Usna.</h3>
+<p>Wij moeten thans terugkomen op een verhaal, waarin Cuchulain een rol speelt. Het is het voornaamste der inleidende verhalen
+van den Veeroof van Quelgny.
+
+</p>
+<p>Zooals verhaald wordt, was er onder de hoofden van Ulster een zekere Felim, zoon van Dall, die op zekeren dag een groot festijn
+voor den koning aanrichtte. En de koning kwam met zijn Dru&iuml;de Cathbad en met Fergus mac Roy en een aantal helden van den Rooden
+Tak, en terwijl zij feestvierden onder het gebruik van gebraden vleesch en tarwekoeken en Griekschen wijn, kwam een bode uit
+de vrouwenvertrekken Felim mededeelen, dat zijn vrouw hem juist een dochter had geschonken. Daarom dronken de hoofden en krijgslieden
+de gezondheid van het jonge kind, en de koning verzocht Cathbad, te waarzeggen op de wijze der Dru&iuml;den en te voorspellen,
+wat de toekomst voor het kind in den schoot had. Cathbad keek naar de sterren en trok den horoskoop van het kind, en was zeer
+ontroerd; ten slotte zeide hij: &#8220;Het kind zal de schoonste zijn onder de vrouwen van Erin, en zal met een koning huwen, maar
+om haar zullen dood en verderf over de Provincie Ulster komen.&#8221; Daarop wilden de krijgslieden haar onmiddellijk doen ter dood
+brengen, maar Conor verbood dit. &#8220;Ik zal den vloek afwenden,&#8221; zoo sprak hij, &#8220;want zij zal geen vreemden koning huwen, maar
+als zij volwassen is, zal ik haar tot vrouw nemen:&#8221; Daarom liet hij het kind wegnemen, en vertrouwde hij het toe als zijn
+voedster Levarcam, en zij noemde het kind Deirdre. Conor beval Levarcam, dat het <a id="d0e4192"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4192">180</a>]</span>kind in een sterke d&#363;n in de eenzaamheid van een groot bosch zou worden opgevoed, en dat geen jongman haar zou zien of zij
+een jongeling zou aanschouwen, voordat zij op den leeftijd gekomen was, dat de koning haar kon huwen. En daar verbleef zij,
+zonder iemand anders te zien dan de voedster en Cathbad, en somtijds den koning, die nu oud begon te worden, en somtijds de
+d&#363;n bezocht, om te zien, dat alles daar in orde was, en dat zijn bevelen werden opgevolgd.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e4195" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p180.jpg" alt="&#8220;Cathbad keek naar de sterren en hij werd zeer verontrust&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Cathbad keek naar de sterren en hij werd zeer verontrust&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Op zekeren dag, toen de tijd voor het huwelijk van Deirdre en Conor naderde, keken Deirdre en Levarcam over de wallen van
+hun d&#363;n. Het was winter, een heftige sneeuwstorm had &#8217;s nachts gewoed, en in de stille, vriezende lucht stonden de boomen
+in zilver gehuld, en de grasvlakte v&oacute;&oacute;r de d&#363;n was een kleed van onafgebroken wit, behalve dat op &eacute;&eacute;n plek een der bedienden
+een kalf had geslacht waarvan het bloed op de sneeuw lag. Toen nu Deirdre naar buiten keek, daalde een raaf af van een nabijstaande
+boom en begon het bloed op te likken. &#8220;Ach voedster,&#8221; riep Deirdre plotseling uit, &#8220;ik zou eer dan den koning een man kunnen
+liefhebben, met haar zoo zwart als de vleugels van de raaf, en met kaken, rood gekleurd als bloed, en met een huid zoo wit
+als sneeuw.&#8221; &#8220;Gij hebt iemand uit de omgeving van Conor geschilderd,&#8221; zeide de voedster. &#8220;Wie is het?&#8221; vroeg Deirdre. &#8220;Het
+is Naisi, de zoon van Usna,<a id="d0e4201src" href="#d0e4201" class="noteref">8</a> &eacute;&eacute;n der Kampioenen van den Rooden Tak,&#8221; zeide de voedster. Daarop smeekte Deirdre Levarcam, haar in de gelegenheid te stellen,
+met Naisi te spreken; en daar de oude vrouw Deirdre liefhad en niet wenschte, dat zij met een ouden koning zoude huwen, stemde
+zij er eindelijk in toe. Deirdre smeekte Naisi haar voor Conor te redden, maar hij wilde niet, totdat hij ten slotte gewonnen
+werd door haar smeekingen en haar schoonheid, en hij beloofde dat zij de zijne zou zijn. Daarop kwam hij op zekeren nacht
+heimelijk met zijn twee broeders, Ardan en Ainl&eacute;, en voerde hij Deirdre met Levarcam weg, zij ontkwamen aan de vervolging
+des konings en gingen scheep naar Schotland, waar Naisi dienst <a id="d0e4207"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4207">181</a>]</span>nam onder den koning der Picten. Doch hier konden zij niet blijven, immers de koning kreeg Deirdre te zien, en zou haar van
+Naisi hebben weggenomen, maar Naisi en zijn broeders ontsnapten en vestigden zich in de eenzaamheid van den Bergpas Etive
+aan het meer, en woonden daar in het woeste bosch van de jacht en de visscherij, zonder met iemand in aanraking te komen dan
+met elkander en hun bedienden.
+
+</p>
+<p>En de jaren gingen voorbij en Conor liet niets van zich hooren, maar toch vergat hij niet, en zijn spionnen hielden hem van
+alles op de hoogte wat Naisi en Deirdre overkwam. Eindelijk, van oordeel zijnde, dat Naisi en zijn broeders de eenzaamheid
+moede zouden zijn, zond hij den boezemvriend van Naisi, Fergus, den zoon van Roy naar hem toe, met het verzoek, of zij wilden
+terugkeeren, met de belofte er bij, dat alles zou vergeven zijn. Fergus ging blijde op weg, en met vreugde hoorden Naisi en
+zijn broeders de boodschap, maar Deirdre voorzag, dat er ongelukken uit zouden voortvloeien, en had Fergus het liefst alleen
+naar huis gezonden. Maar Naisi berispte haar om haar twijfelingen en booze vermoedens, en deed haar opmerken, dat zij onder
+de bescherming van Fergus waren, wiens bescherming geen koning in Ierland zoude durven schenden; en ten slotte maakten zij
+zich op om te gaan.
+
+</p>
+<p>Toen zij in Ierland landden ontmoetten zij daar Baruch, &eacute;&eacute;n der helden van den Rooden Tak, wiens d&#363;n in de onmiddellijke nabijheid
+was gelegen, en deze noodigde Fergus uit op een feest dat hij dien avond voor hem had bereid. &#8220;Ik kan niet blijven&#8221;, zeide
+Fergus, &#8220;want ik moet Deirdre en de zonen van Usna veilig naar Emain Macha geleiden&#8221;. &#8220;Toch&#8221;, zeide Baruch, &#8220;moet gij van
+avond bij mij blijven, want het is voor u een <i>geis</i>, een feest te weigeren&#8221;. Deirdre smeekte hem, hem niet te verlaten, maar Fergus werd door het feest aangelokt, en durfde
+de <i>geis</i> niet te verbreken, en hij beval zijn zoons Illan den Blonde en Buino den Roode, in zijn plaats de zorg voor het gezelschap
+op zich te nemen, en hij zelf ging mede met Baruch.
+
+</p>
+<p>Zoo kwam het gezelschap te Emain Macha, en werd ondergebracht in het Huis van den Rooden Tak, maar Conor <a id="d0e4221"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4221">182</a>]</span>ontving hen niet. Na het avondmaal, toen hij stevig en stil zat te drinken, zond hij een bode om Levarcam voor zich te voeren.
+&#8220;Hoe gaat het met de zonen van Usna?&#8221; vroeg hij haar. &#8220;Dat gaat goed&#8221;, zeide zij. Gij hebt de drie dapperste kampioenen van
+Ulster aan uw hof. De koning, die die drie heeft, behoeft geen vijand te vreezen.&#8221; &#8220;Hoe gaat het met Deirdre?&#8221;, vroeg hij.
+&#8220;Zij is gezond&#8221;, zeide de voedster, &#8220;maar zij heeft vele jaren in de woestenij geleefd, en zware arbeid en zorg hebben haar
+zeer veranderd&#8212;er is slechts weinig van haar oude schoonheid overgebleven, O koning&#8221;. Maar na korten tijd ontbood hij &eacute;&eacute;n
+van zijn dienaren, Trendorn genaamd en beval hem te gaan naar het Huis van den Rooden Tak en na te gaan, wie er was en wat
+zij deden. Maar toen Trendorn daar aankwam was de plaats gegrendeld en afgesloten tegen den nacht, zoodat hij niet kon worden
+toegelaten; eindelijk klom hij op een ladder en keek door een hoog venster naar binnen. En daar zag hij de broeders van Naisi
+en de zoons van Fergus, die aan het praten waren en hun wapenen poetsten, of zich voor den slaap gereed maakten, en daar zat
+Naisi met een schaakbord voor zich, terwijl hij schaakspeelde met de schoonste vrouw, die hij ooit had gezien. Maar terwijl
+hij in bewondering het edele paar gadesloeg, werd hij plotseling ontdekt door &eacute;&eacute;n van hen, die een kreet slaakte, terwijl
+hij naar het venster wees. En Naisi keek op en zag het, en een schaakstuk van het bord nemende, slingerde hij het naar het
+gelaat van den spion, waardoor bij dezen een oog werd uitgestooten. Daarna klom Trendorn haastig de ladder af, en ging met
+zijn bloedig gelaat naar den koning. &#8220;Ik heb ze gezien,&#8221; riep hij, &#8220;ik heb de schoonste vrouw der wereld gezien, en als Naisi
+mijn oog niet had uitgeworpen, zou ik nu nog naar haar kijken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daarop stond Conor op en riep zijn lijfwacht en beval hen de zonen van Usna v&oacute;&oacute;r hem te brengen, omdat zij zijn bode hadden
+verminkt. En de lijfwacht ging; maar eerst ging Buino, de zoon van Fergus, met zijn gevolg hen tegemoet, en dreef hen met
+de punt van het zwaard terug; Naisi en Deirdre <a id="d0e4225"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4225">183</a>]</span>bleven rustig doorgaan met schaakspelen. &#8220;Immers,&#8221; zeide Naisi, &#8220;het is niet gepast, dat wij zouden trachten ons te verdedigen,
+terwijl wij onder de bescherming staan van de zonen van Fergus.&#8221; Maar Conor ging naar Buino, en kocht hem door een rijke schenking
+aan land om, de hem gegeven opdracht in den steek te laten. Daarop nam Illan de verdediging op zich van het Huis van den Rooden
+Tak, maar de twee zoons van Conor doodden hem. Doch toen namen ten slotte Naisi en zijn broeders hun wapenen op en stortten
+zich te midden der vijanden, waarbij het aantal van hen, die sneuvelden aanzienlijk was. Toen smeekte Conor den Dru&iuml;de Cathbad,
+een tooverbezwering over hen uit te spreken, tenzij zij zouden wegtrekken en niet de vijanden der provincie zouden worden,
+en hij beloofde hun geen kwaad te zullen doen als zij levend gevangen genomen zouden worden. Daarop riep Cathbad een meer
+van slijk op, dat zich bij de voeten der zoons van Usna bevond, en zij konden hun voeten daar niet van wegtrekken en Naisi
+greep Deirdre en plaatste haar op zijn schouder, want het scheen alsof zij in het slijk zonken. Daarop grepen hen de lijfwacht
+en de dienaren van Conor en bonden hen, waarna zij voor den koning werden geleid. En de koning liet man voor man voorkomen
+om de zoons van Usna te dooden doch niemand wilde gehoorzamen, totdat ten slotte Owen, de zoon van Duracht en vorst van Ferney
+kwam, het zwaard van Naisi greep, en met &eacute;&eacute;n zwaai de hoofden van alle drie af sloeg; zoo stierven zij.
+
+</p>
+<p>Nu maakte Conor zich met geweld van Deirdre meester, en een jaar lang leefde zij met hem in het paleis te Emain Macha, maar
+gedurende al dien tijd lachte zij geen enkele maal. Ten slotte zeide Conor: &#8220;Wat haat gij, Deirdre, het meest op aarde?&#8221; En
+zij antwoordde: &#8220;U zelf en Owen den zoon van Duracht,&#8221; en Owen stond er bij. &#8220;Dan zult gij eenjaar lang naar Owen gaan,&#8221; zeide
+Conor. Maar toen Deirdre den wagen achter Owen besteeg, hield zij haar oogen op den grond gericht, daar zij hen, die haar
+zoo kwelden, niet wilde zien; en Conor zeide, om haar te tergen: &#8220;Deirdre, uw blik tusschen mij en Owen is die van een ooi
+tusschen twee rammen.&#8221; <a id="d0e4229"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4229">184</a>]</span>Daarop sprong Deirdre op, en na hals over kop uit den wagen gesprongen te zijn, stootte zij haar hoofd tegen een steen en
+viel dood. En men verhaalt, dat er, toen zij haar begroeven, uit haar graf en uit dat van Naisi twee taxisboomen groeiden,
+waarvan de toppen, toen zij tot vollen wasdom waren gekomen, tot elkander naderden over het dak der groote kerk van Armagh,
+en samengroeiden, zoodat niemand ze kon scheiden.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Opstand van Fergus.</h3>
+<p>Toen Fergus mac Roy in Emain Macha terugkeerde na het feest, waartoe Baruch hem had uitgenoodigd, en tot de ontdekking kwam,
+dat de zoons van Usna gedood waren, en &eacute;&eacute;n van zijn eigen zoons dood was, terwijl de andere een verrader was geworden, barste
+hij tegen Conor los in een storm van woede en in vloeken, en zwoer dat hij zich te vuur en te zwaard op hem zou wreken. En
+hij ging regelrecht naar Connacht toe, om dienst te nemen bij Ailell en Maev, die koning en koningin van dat land waren.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Koningin Maev.</h3>
+<p>Maar hoewel Ailell koning was, was Maev inderdaad de heerscheres, en beval alles zooals zij wilde, en nam elken echtgenoot,
+dien zij wilde, en zond die naar eigen wil terug; want zij was zoo onstuimig en krachtig als een godin van den oorlog, en
+kende geen andere wet dan haar eigen wil. Zij was, naar verhaald wordt, lang van gestalte, had een lang, bleek gelaat en een
+rijkdom van haar, zoo geel als rijp koren. Toen Fergus bij haar kwam in haar paleis te Rathcroghan, in Roscommon, schonk zij
+hem haar liefde, zooals zij die aan velen v&oacute;&oacute;r hem had geschonken, en samen overlegden zij, hoe zij de provincie Ulster konden
+aanvallen en verwoesten.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Bruine Stier van Quelgny.</h3>
+<p>Het geschiedde nu, dat Maev een vermaarden rooden stier bezat met een wit voorhoofd en witte horens, Finnbenach genaamd, en
+op zekeren dag, toen zij en Ailell hun wederzijdsche bezittingen optelden en tegen elkaar opwogen, hoonde hij haar, omdat
+de Finnbenach niet wilde blijven in de handen <a id="d0e4246"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4246">185</a>]</span>van een vrouw, maar zich had gehecht aan de kudde van Ailell. Daarom ging Maev ge&euml;rgerd naar haar rentmeester, <span class="corr" title="Bron: macRoth">mac Roth</span>, en vroeg hem, of er ergens in Erin een stier was, zoo prachtig als de Finnbenach. &#8220;Ja zeker,&#8221; zeide de rentmeester, &#8220;er
+is er een&#8212;want de Bruine Stier van Quelgny, die aan Dara, den zoon van Fachtna behoort, is het prachtigste dier in Ierland.&#8221;
+En daarna was het voor Maev alsof zij geen kudden groot- of kleinvee had, die iets waard waren, zoolang zij niet den Bruinen
+Stier van Quelgny in haar bezit had. Maar deze was in Ulster en de bewoners van Ulster wisten, welk een schat zij bezaten,
+en Maev wist, dat zij den stier niet zouden afstaan zonder er om te vechten. Daarom besloten zij en Fergus en Ailell een strooptocht
+tegen Ulster te ondernemen om het bezit van den Bruinen Stier en zoo met de provincie in oorlog te komen, immers Fergus verlangde
+zich te wreken en Maev verlangde te strijden, roem te behalen en den stier te verkrijgen, terwijl Ailell Maev genoegen wilde
+doen.
+
+</p>
+<p>Laat ons hier de opmerking maken, dat die strijd om den stier, die het schijnbare onderwerp van het belangrijkste der Keltische
+legenden is, de &#8220;Tain Bo Cuailgn&eacute;&#8221;, een diepere beteekenis heeft dan oppervlakkig lijkt. Hierin is een oud stuk Arische mythologie
+vastgelegd. De Bruine Stier is het Keltische tegenstuk van de Hindoe lucht-godheid, Indra, die in de Hindoemythen wordt voorgesteld
+als een machtige stier, wiens loeien is als de Donder, en die de regenvlagen loslaat &#8220;als koeien, die naar de weiden stroomen.&#8221;
+Het optrekken der vijanden uit het Westen (Connacht), om den stier te grijpen is een zinnebeeld van het invallen van den Nacht.
+De stier wordt verdedigd door den zonnegod Cuchulain, die echter ten slotte overwonnen wordt, waarna de stier voor &eacute;&eacute;n jaargetijde
+wordt gevangen. De beide dieren in de Keltische legende vertegenwoordigen de lucht in verschillende gedaanten. Zij werden
+met een pracht en een omhaal van woorden beschreven, die bewijzen, dat het geen gewone dieren zijn. Eertijds waren zij, zoo
+luidt het verhaal, zwijnenhoeders van het Volk van Dana. Zij waren eerst veranderd in twee raven, <a id="d0e4253"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4253">186</a>]</span>dan in twee zeemonsters, twee krijgslieden, twee booze geesten, twee wormen, en ten slotte in twee koeien<a id="d0e4255src" href="#d0e4255" class="noteref">9</a>. Van den Bruinen Stier wordt verteld, dat hij een rug had, breed genoeg voor vijftig kinderen, om er op te spelen; als hij
+boos is op zijn bewaarder, stampt hij den man dertig voet in den grond; hij wordt vergeleken met een zeegolf, een beer, een
+draak, een leeuw, terwijl de schrijver voorstellingen van zijn kracht en woestheid ophoopt. Wij hebben dus niet te doen met
+een gewonen strooptocht om vee, maar met een mythe, waarvan de trekken te herkennen zijn onder de voorstelling daaraan gegeven
+door de gloeiende verbeeldingskracht van den onbekenden Keltischen held, die de &#8220;Tain&#8221; vervaardigde, hoewel de nauwkeurige
+beteekenis van iedere bijzonderheid moeilijk te ontdekken is.
+
+</p>
+<p>De eerste poging van Maev, om in het bezit te komen van den stier, bestond hierin dat zij een gezantschap naar Dara zond,
+om hem een jaar ter leen te vragen, waarbij zij als belooning vijftig vaarzen aanbood en zich verbond den stier terug te geven,
+en als Dara zich in Connacht wilde vestigen, kon hij daar evenveel land krijgen, als hij nu in Ulster bezat, en een wagen
+die driemaal zeven <i>Cumals</i><a id="d0e4262src" href="#d0e4262" class="noteref">10</a> waard was, en bovendien de bescherming en de vriendschap van Maev.
+
+</p>
+<p>Eerst was Dara zeer verheugd met dat vooruitzicht, maar hem werden verhalen overgebracht, wat de boden van Maev hadden gezegd,
+en hoe zij verklaard hadden, dat als de stier niet vrijwillig gegeven werd, hij met geweld zou genomen worden; daarom zond
+hij een weigerend en uittartend antwoord. &#8220;Het was bekend&#8221;, zeide Maev, &#8220;dat de stier niet op eerlijke wijze zou worden afgestaan;
+daarom zal ik er mij op oneerlijke wijze van meester maken&#8221;. En daarom zond zij boden in iedere richting, om haar troepen
+voor den rooftocht te ontbieden.
+
+<a id="d0e4270"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4270">187</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Troepen van Koningin Maev.</h3>
+<p>En daar kwamen alle machtige mannen uit Connacht&#8212;eerst de zeven Main&eacute;s, de zoons van Ailell en Maev, ieder met zijn gevolg,
+en Ket en Anluan, de zonen van Maga, met drie duizend gewapende mannen, en de geelharige Ferdia, met zijn troep Firbolgs,
+ontstuimige reuzen, die zich verheugden in den oorlog en in krachtige ale. En daar kwamen ook de bondgenooten van Maev, een
+troep mannen uit Leinster, die z&oacute;&oacute;zeer de overige overtroffen in vaardigheid in den strijd, dat zij onder de troepen van Connacht
+werden verdeeld, opdat zij geen gevaar voor den troep zouden opleveren; eindelijk Cormac, de zoon van Conor, met Fergus mac
+Roy en andere ballingen uit Ulster, die tegen Conor in opstand waren gekomen om zijn verraad jegens de zonen van Usna.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Ulster onder den Vloek.</h3>
+<p>Maar voordat de troep zich op weg begaf naar Ulster, zond Maev haar spionnen in het land, om haar mede te deelen, welke voorbereidselen
+daar werden gemaakt. En de spionnen brachten een wonderlijk verhaal terug, dat het hart van Maev verheugde, immers zij vertelden,
+dat de Zwakte der bewoners van Ulster<a id="d0e4281src" href="#d0e4281" class="noteref">11</a> over de provincie was verspreid. Koning Conor lag in angst te Emain Macha, en zijn zoon Cuscrid in zijn eilandvesting, terwijl
+Owen, de Vorst van Ferney, zoo hulpeloos was als een kind; Celtchar, de ontzaglijke grijze krijgsman, de zoon van Uthecar
+Hornskin, en zelfs Conall van de Overwinningen lagen steunende en zich krommende in hun bed, en in geheel Ulster was er geen
+hand, die een speer kon opheffen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Profetische Stemmen.</h3>
+<p>Toch ging Maev naar den oppersten van haar Dru&iuml;den, en vroeg hem wat haar eigen lot in den oorlog zou zijn. En de Dru&iuml;de zeide
+alleen: &#8220;Wie ook veilig terugkomt, of niet terugkeert, gij zelf zult komen.&#8221; Maar op haar reis terug zag zij plotseling v&oacute;&oacute;r
+den disselboom van haar wagen een jong <a id="d0e4292"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4292">188</a>]</span>meisje staan, met vlechten van geel haar, die tot onder haar knie&euml;n afhingen, en die gekleed was in een groenen mantel; en
+met een gouden weversspoel weefde zij een werk op een weversstoel. &#8220;Wie zijt gij, meisje?&#8221; vroeg Maev, &#8220;en wat doet gij?&#8221;
+&#8220;Ik ben de profetes, Fedelma, van de Tooverhoogte van Croghan,&#8221; zeide het meisje, &#8220;en ik weef de vier provincies van Ierland
+te zamen voor den strooptocht in Ulster.&#8221; &#8220;Hoe ziet gij onzen troep?&#8221; vroeg Maev. &#8220;Ik zie ze allen roodgekleurd,&#8221; antwoordde
+de profetes. &#8220;En toch zijn al de helden van Ulster in doodsangst&#8212;er is geen enkele die een speer tegen ons kan opheffen,&#8221;
+zeide Maev. &#8220;Ik zie den troep geheel roodgekleurd,&#8221; zeide Fedelma. &#8220;Ik zie een man van kleine gestalte, maar het licht van
+den held schijnt op zijn voorhoofd, het is een aankomende man, jong en bescheiden, maar een draak in den strijd, hij gelijkt
+op Cuchulain van Murthemney; hij doet met zijn wapenen schitterende krijgsdaden; door hem zullen slachtoffers in hoopen neerstorten.<a id="d0e4294src" href="#d0e4294" class="noteref">12</a> Daarop verdween het schijngezicht van het wevende meisje, en Maev vertrok naar huis naar Rathecrogan, verbaasd over wat zij
+had gezien en gehoord.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e4298" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p188.jpg" alt="Koningin Maev en de Dru&iuml;de"></p>
+<p class="figureHead">Koningin Maev en de Dru&iuml;de</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Cuchulain brengt den Troep onder Geise.</h3>
+<p>Den volgenden morgen ging de troep op weg onder aanvoering van Fergus mac Roy, en toen zij de grenzen van Ulster naderden,
+beval hij hen scherp toe te zien, dat niet Cuchulain van Murthemney, die de passen van Ulster in het zuiden bewaakte, hen
+onverwachts zou overvallen. Cuchulain en zijn vader Sualtam<a id="d0e4307src" href="#d0e4307" class="noteref">13</a> waren aan de grenzen der provincie, en Cuchulain vermoedde, door een waarschuwing, die Fergus hem had gezonden, dat een groot
+leger naderde en verzocht Sualtam noordelijk naar Emania te trekken en de mannen van Ulster te waarschuwen. Maar Cuchulain
+zelf wilde daar niet blijven, want hij zeide, dat hij een afspraak had met de kamenier van de vrouw van Laery den <i>bodach</i> (pachter), daarom ging hij <a id="d0e4313"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4313">189</a>]</span>het bosch in, en daar ging hij op &eacute;&eacute;n been staan en gebruikte slechts &eacute;&eacute;n hand en &eacute;&eacute;n oog, en sneed een eikenplantje af en
+draaide het in een cirkelvormig teentje van wilgenhout. Daarop sneed hij in <span class="corr" title="Bron: Oghan">Ogham</span> letters, hoe het teentje gemaakt was, en hij plaatste het leger van Maev onder <i>geise</i>, dat zij die plaats niet mochten voorbijgaan, voordat &eacute;&eacute;n van hen onder dezelfde voorwaarden een dergelijk teentje had gemaakt;
+&#8220;en ik zonder mijn vriend Fergus mac Roy&#8221; uit, voegde hij er aan toe, en schreef zijn naam aan het uiteinde. Daarna plaatste
+hij het teentje rondom den steenen pilaar van Ardcullin, en ging op weg om aan zijn afspraak met de kamenier te voldoen.<a id="d0e4321src" href="#d0e4321" class="noteref">14</a>
+
+</p>
+<p>Toen het leger van Maev te Ardcullin kwam, werd het teentje om de pilaar gevonden en naar Fergus gezonden om het te ontcijferen.
+Niemand van de troep kon Cuchulain zijn handeling nadoen, daarom gingen zij in het bosch en kampeerden gedurende den nacht.
+Er had een hevige sneeuwval plaats, en allen waren in groote moeilijkheden, maar den volgenden dag verrees de zon schitterend,
+en over de witte vlakte trokken zij naar Ulster, in de meening, dat het verbod slechts voor &eacute;&eacute;n nacht gold.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Wadde van den Vertakten Paal.</h3>
+<p>Cuchulain volgde nu onmiddellijk hun spoor, en daarbij schatte hij, naar de sporen, die zij hadden achtergelaten, het aantal
+der troepen op achttien <i>triucha c&eacute;t</i> (54000 man). Na om den troep heen getrokken te zijn, ontmoette hij hen nu van voren, en zag hij spoedig twee wagens, die
+spionnen bevatten, welke door Maev vooruitgezonden waren. Deze versloeg hij, iederen man met zijn wagenmenner, en na met &eacute;&eacute;n
+slag van zijn zwaard een vertakten paal met vier vorken uit het bosch te hebben gehakt, dreef hij den paal diep in een wadde
+der rivier, en plaatste op iedere vork een bloedig hoofd. De plaats waar dit geschiedde, heette van toen af aan Athgowla<a id="d0e4334src" href="#d0e4334" class="noteref">15</a>. Toen <a id="d0e4337"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4337">190</a>]</span>het leger kwam, waren zij verbaasd en verschrikt over het gezicht, en Fergus verklaarde, dat zij onder <i>geise</i> stonden, de wadde niet te mogen overtrekken, voordat &eacute;&eacute;n van hen den paal op dezelfde wijze had uitgetrokken als hij er in
+was geslagen, met de vingertoppen van &eacute;&eacute;n hand. Daarom reed Fergus het water in, om dien kunstgreep te beproeven, en zeventien
+wagens braken onder hem, terwijl hij aan den paal trok, doch ten slotte trok hij hem uit; en daar het reeds laat was geworden,
+kampeerde het leger op die plek. Deze listen van Cuchulain hadden ten doel, de indringelingen tegen te houden, totdat de mannen
+van Ulster zich van hun zwakheid hadden hersteld.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e4343" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p190.jpg" alt="Cuchulain in den Strijd"></p>
+<p class="figureHead">Cuchulain in den Strijd</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>In het epos, zooals het gegeven wordt in het Boek van Leinster, en de andere oude bronnen, heeft er nu een groot tusschenbedrijf
+plaats, waarin Fergus aan Maev uitlegt, wie het is&#8212;en wel &#8220;mijn kleine leerling Setanta&#8221;&#8212;die het leger zoo hindert, en waarin
+zijn daden als jongeling, waarvan in dit verhaal reeds sommige zijn verteld, worden medegedeeld.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Wagenmenner van Orlam.</h3>
+<p>Het leger ging den dag daarop verder, en de volgende ontmoeting toont ons onzen held in een vriendelijker gemoedsstemming.
+Hij hoort het geluid van het vellen van hout, en toen hij in het woud gaat, vindt hij daar een wagenmenner, die behoort tot
+&eacute;&eacute;n der zonen van Ailell en Maev, die disselboomen van hulst hakken. &#8220;Immers,&#8221; zegt hij, &#8220;wij hebben onze wagens vreeselijk
+beschadigd bij het jagen op dat bekende wild, Cuchulain.&#8221; Cuchulain, die, zooals men zich zal herinneren, in gewone tijden
+een nietige en weinig indrukwekkende gestalte had, hoewel hij in den slag in gestalte uitzette en vreeselijk verwrongen werd,
+een symbool van Berserker woede&#8212;helpt den wagenmenner bij zijn werk. &#8220;Zal ik,&#8221; zoo vraagt hij, &#8220;de palen hakken of ze voor
+u glad maken?&#8221; &#8220;Maak gij ze glad,&#8221; zeide de wagenmenner. Cuchulain neemt de palen bij de punten, en trekt ze tegen de rijen
+takken tusschen zijn toonen door en laat ze dan op dezelfde wijze tusschen zijn vingers heen <a id="d0e4354"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4354">191</a>]</span>gaan, en geeft ze hem even glad en gepolijst terug, alsof zij door een timmerman waren gladgeschaafd. De wagenmenner staart
+hem verbaasd aan. &#8220;Ik vermoed, dat het werk, dat ik u liet maken, niet uw gewoon werk is,&#8221; zegt hij. &#8220;Wie zijt gij dan toch?&#8221;
+&#8220;Ik ben de Cuchulain, over wien gij zoo even hebt gesproken.&#8221; &#8220;Dan ben ik zeker een kind des doods,&#8221; zeide de wagenmenner.
+&#8220;Neen,&#8221; antwoordt Cuchulain, &#8220;ik dood geen wagenmenners of boden of ongewapende mannen. Maar loop snel weg en deel uw meester
+Orlam mede, dat Cuchulain op het punt is hem te bezoeken.&#8221; De wagenmenner holt weg, maar Cuchulain haalt hem in, ontmoet Orlam
+het eerst, en slaat hem het hoofd af. Een oogenblik slechts ziet het leger van Maev hem, terwijl hij die bloedige tropee v&oacute;&oacute;r
+hen heen en weer slingert; daarna verdwijnt hij uit het gezicht&#8212;het is de eerste glimp, die zij van hun vervolger te zien
+krijgen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Strijdwoede van Cuchulain.</h3>
+<p>Nu volgen een aantal op zich zelf staande gebeurtenissen. Het leger van Maev verspreidt zich en verwoest het grondgebied van
+Bregia en van Murthemney, maar zij kunnen niet verder in Ulster doordringen. Cuchulain is voortdurend om hen heen, en verslaat
+hen bij twee of drie te gelijk, en niemand weet, waar hij een volgenden keer zal nederschieten. Maev zelf is bang, als door
+de worpen van een onzichtbaren slingeraar een eekhoorntje en een lievelingsvogel gedood worden, terwijl zij op haar schouders
+gezeten zijn. Later, als de woede van Cuchulain heftiger wordt, daalt hij met bovennatuurlijke kracht neer op heele troepen
+van het leger van Connacht, en honderden vallen onder zijn aanval. Er volgt een beschrijving van de karakteristieke vervorming
+of <i>riastradh</i>, die hem in zijn strijdwoede overviel. Hij werd een ontzagwekkend en veelvormig schepsel, zooals nooit te voren gezien was.
+Ieder deeltje van zijn lichaam beefde als een waterriet in stroomend water. Zijn kuiten en hielen en dijen kwamen aan zijn
+voorzijde, en zijn voeten en knie&euml;n van achteren, en de spieren in zijn nek stonden rechtuit als het hoofd van een jong kind.
+Zijn &eacute;&eacute;ne <a id="d0e4364"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4364">192</a>]</span>oog zat diep in zijn hoofd, terwijl het andere naar buiten uitstak, zijn mond bereikte zijn ooren, het schuim stroomde uit
+zijn kaken als de wol van een hamel van drie jaar. Zijn hartslagen klonken als het gebrul van een leeuw, die zich op zijn
+prooi stort. Een licht scheen boven zijn hoofd, en zijn haar werd verward als ware het de takken van een rooden doornstruik,
+die in de opening van een haag was gestopt. Grooter, dikker, harder, langer dan de mast van een groot schip was de loodrechte
+straal van donker bloed, die uit het midden van zijn schedel opspoot en zich verspreidde in de vier hoofdrichtingen, waarbij
+een magische nevel van duisternis gevormd werd, die geleek op het berookte kleed, dat een koninklijk paleis omhult, als een
+koning tegen het vallen van den avond na een winterdag daar nadert.<a id="d0e4366src" href="#d0e4366" class="noteref">16</a> Dit was het beeld, waarin Galische schrijvers de voorstelling van bovenmenschelijke woede hulden. Men verhaalt dat eens,
+bij het gezicht van Cuchulain in zijn woede, honderd der krijgslieden van Maev dood van afgrijzen neervielen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Overeenkomst aan de Wadde.</h3>
+<p>Maev trachtte hem toen door groote geschenken over te halen, de zaak van Ulster in den steek te laten en had een onderhoud
+met hem, waarbij beiden aan de overzijde van een bergpas stonden, waarover zij met elkander de zaak bespraken. Zij bekeek
+hem zorgvuldig en werd getroffen door zijn nietig en jongensachtig uiterlijk. Zij kon hem niet van zijn trouw jegens Ulster
+afbrengen, en meer dan ooit daalt de dood neder op de troepen van Connacht; de mannen zijn bevreesd met minder dan twintig
+of dertig op strooptochten uit te gaan, en &#8217;s nachts fluiten door het kamp de steenen uit den slinger van Cuchulain voortdurend,
+die de hersens verbrijzelen of de mannen verminken. Eindelijk kwam men door bemiddeling van Fergus tot een overeenkomst. Cuchulain
+verbond zich de troepen niet te hinderen, als zij slechts &eacute;&eacute;n kampioen tegelijk <a id="d0e4374"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4374">193</a>]</span>zonden, met wien Cuchulain slag zou leveren bij de wadde der Dee, welke wadde thans die van Ferdia heet.<a id="d0e4376src" href="#d0e4376" class="noteref">17</a> Zoolang het gevecht duurde, mocht het leger verder trekken, maar als het ge&euml;indigd was, moesten zij tot den volgenden morgen
+kampeeren. &#8220;Het is beter, dagelijks &eacute;&eacute;n man te verliezen dan honderd,&#8221; zeide Maev, en de overeenkomst werd gesloten.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Fergus en Cuchulain.</h3>
+<p>Er worden dan verschillende tweegevechten vermeld, waarin Cuchulain steeds de overwinnaar is. Maev overreedt Fergus zelfs
+tegen hem in het strijdperk te treden, maar Fergus en Cuchulain willen onder geen voorwaarde tegen elkander vechten, en Cuchulain
+doet het voorkomen alsof hij voor hem vlucht onder belofte van Fergus, dat hij, als het noodig is, hetzelfde voor Cuchulain
+zal doen. Hoe die belofte gehouden werd zullen wij later zien.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het rooven van den bruinen stier.</h3>
+<p>Gedurende &eacute;&eacute;n van de tweegevechten van Cuchulain met een beroemden kampioen, Natchrantal, doet Maev met een derde deel van
+haar leger plotseling een strooptocht in Ulster en dringt zelfs tot Dunseverick, op de noordkust, door, op hun tocht plunderend
+en verwoestend. De bruine stier, die oorspronkelijk te Quelgny (Graafschap Down) was, was reeds vroeger door de Morrigan<a id="d0e4391src" href="#d0e4391" class="noteref">18</a> gewaarschuwd, zich terug te trekken, en hij had daarom met zijn kudde koeien een toevlucht gezocht in een bergpas van Slievegallion,
+in de Graafschap Armagh. Daar wordt hij gevonden door de plunderaars van Maev en met de kudde in triomf weggevoerd, waarbij
+zij op den terugtocht Cuchulain tegenkomen. Cuchulain doodt den aanvoerder van het geleide&#8212;Buic, den zoon van Banblai&#8212;maar
+hij kan den stier niet bevrijden, en &#8220;dit was,&#8221; zoo wordt verhaald, &#8220;de grootste beleediging, die Cuchulain kon worden aangedaan
+gedurende den geheelen strooptocht.&#8221;
+
+<a id="d0e4397"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4397">194</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Morrigan.</h3>
+<p>De strooptocht had nu moeten ophouden, want het doel daarvan was bereikt, maar in dien tijd waren de troepen der vier zuidelijke
+provincies<a id="d0e4403src" href="#d0e4403" class="noteref">19</a> bijeengebracht onder Maev teneinde Ulster te plunderen, en Cuchulain bleef nog steeds de eenzame bewaker der moerassen. Ook
+hield Maev zich niet aan de afspraak, immers troepen van twintig krijgslieden tegelijk werden op hem losgelaten, en het kostte
+hem groote moeite zich te verdedigen. Nu geschiedt de merkwaardige episode van zijn strijd tegen de Morrigan. Een jonge vrouw,
+in een veelkleurigen mantel gekleed, verschijnt voor Cuchulain, en zegt hem, dat zij de dochter van een koning is, en dat
+zij aangetrokken is door de verhalen van zijn groote krijgsdaden en gekomen om hem haar liefde aan te bieden. Cuchulain vertelt
+haar op ruwe toon, dat hij vermoeid en uitgeput is door den oorlog en er geen lust in heeft zich met vrouwen af te geven.
+&#8220;Het zal u slecht gaan,&#8221; zeide daarop de maagd, &#8220;als gij met mannen zult te doen hebben, en ik zal mij als een aal aan uw
+voeten vasthechten, op den bodem der wadde.&#8221; Daarna verdween zij met haar wagen uit het gezicht en hij zag niets dan een kraai
+op den tak van een boom zitten, en wist, dat hij met de Morrigan had gesproken.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het gevecht met Loch.</h3>
+<p>De volgende kampioen, die door Maev tegen hem werd uitgezonden, was Loch, de zoon van Mofebis. Om met dien held te kunnen
+strijden moest Cuchulain volgens het verhaal zijn kin met braambessensap insmeren, ten einde het te doen voorkomen, alsof
+hij een baard had, daar anders Loch zich niet zou verwaardigen met een knaap te strijden. Zoo streden zij dan in de wadde,
+en Morrigan kwam tegen hem in strijd in de gedaante van een witte vaars met roode ooren, maar Cuchulain verbrijzelde haar
+oog met een worp van zijn speer. <a id="d0e4411"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4411">195</a>]</span>Daarna kwam zij de rivier op zwemmen als een zwarte aal, en hechtte zich vast aan zijn beenen, en voordat hij zich van haar
+kon losmaken, werd hij door Loch gewond. Daarna viel zij hem aan als een grijze wolf, en weer werd hij, voordat hij haar kon
+ten onder brengen, door Loch gewond. Daarop maakte zijn strijdwoede zich van hem meester en stootte hij de Gae Bolg tegen
+Loch, waarbij hij zijn hart in twee&euml;n spleet. &#8220;Laat mij opstaan,&#8221; zeide Loch, &#8220;opdat ik op mijn gelaat moge vallen aan uw
+zijde van de wadde, en niet op den rug naar de mannen van Erin gekeerd.&#8221; &#8220;Het is het geschenk van den krijgsman, dat gij vraagt,&#8221;
+zeide Cuchulain, &#8220;en het is toegestaan.&#8221; Zoo stierf Loch; en, zoo verhaalt men, een groote moedeloosheid overviel Cuchulain,
+want hij was uitgeput door voortdurenden strijd en zwaar gewond. Hij had sedert het begin van den strooptocht nooit anders
+geslapen dan op zijn speer geleund; en hij zond zijn wagenmenner Laeg, om te zien of hij de mannen van Ulster niet eindelijk
+kon opwekken om hem te hulp te komen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Lugh de beschermer.</h3>
+<p>Maar toen hij treurig en terneergeslagen des avonds bij den grafheuvel van Lerga ter neder lag, het oog gericht op de kampvuren
+van het groote leger, dat over hem gekampeerd was en op de flikkering van hun ontelbare speren, zag hij een grooten en bevalligen
+krijgsman uit de menigte komen, die onstuimig naar voren trad, en geen der troepenafdeelingen, langs welke hij heenging draaide
+het hoofd om, om naar hem te zien, of scheen hem zelfs op te merken. Hij droeg een zilveren opperkleed met goud geborduurd,
+en een groenen mantel, vastgemaakt met een zilveren gesp; in &eacute;&eacute;n hand hield hij een zwart schild met een zilveren rand en
+in de andere twee speren. De vreemdeling kwam naar Cuchulain toe en sprak vriendelijk en zachtaardig met hem over zijn langen
+strijd en zijn voortdurend waken en zijn pijnlijke wonden, en zeide ten slotte: &#8220;Slaap nu, Cuchulain, bij het graf van Lerga;
+slaap drie dagen vast door, en gedurende dien tijd zal ik uw <a id="d0e4418"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4418">196</a>]</span>plaats innemen en de wadde verdedigen tegen het leger van Maev.&#8221; Daarop zonk Cuchulain in een diepen slaap en in bewusteloosheid,
+terwijl de vreemdeling genezende balsems van magische kracht op zijn wonden legde, zoodat hij hersteld en verfrischt weer
+ontwaakte, en gedurende den tijd, dat Cuchulain sliep, verdedigde de vreemdeling de wadde tegen de vijanden. En Cuchulain
+wist, dat het zijn vader Lugh was, die van het volk van Dana was gekomen, om zijn zoon te helpen in zijn uur van somberheid
+en wanhoop.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e4421" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p196.jpg" alt="&#8220;Slaap nu, Cuchulain, bij het graf in Lerga&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Slaap nu, Cuchulain, bij het graf in Lerga&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De opoffering van het knapenkorps.</h3>
+<p>Maar nog steeds lagen de mannen van Ulster hulpeloos ter neer. Nu was er in Emain Macha een troep van driemaal vijftig knapen,
+de zonen van alle opperhoofden der provincies, die daar werden opgevoed in de wapenen en alle edele kunsten, en dezen stonden
+niet onder den vloek van Macha, daar die alleen gold voor de volwassenen. Maar toen zij hoorden van de vreeselijke moeilijkheden,
+waarin Cuchulain, hun speelmakker van niet lang geleden, verkeerde, trokken zij hun lichte wapenrusting aan, en namen hun
+wapenen ter hand en trokken ten strijde voor de eer van Ulster en ter hulp van Cuchulain, onder den jongen zoon van Conor,
+Follaman. En Follaman legde de belofte af, dat hij niet naar Emain zou terug keeren zonder den diadeem van Ailell als trofee.
+Driemaal reden zij op het leger van Maev in, en versloegen driemaal hun eigen aantal, maar tenslotte werden zij overweldigd
+en gedood, en niet &eacute;&eacute;n ontsnapte levend.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het bloedbad van Murthemney.</h3>
+<p>Dit geschiedde terwijl Cuchulain in diepen slaap lag, en toen hij verfrischt en genezen wakker werd, en hoorde wat geschied
+was, kwam zijn woede weer over hem en hij sprong in zijn strijdwagen en reed woedend om het leger van Maev heen. En de wagen
+ploegde de aarde totdat de wagensporen geleken op de wallen van een vesting, en de zeisen op de wielen grepen en verminkten
+de lichamen der verzamelde vijanden, totdat zij als een muur rondom het kamp waren opgehoopt, <a id="d0e4435"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4435">197</a>]</span>en toen Cuchulain in zijn woede schreeuwde, gilden de booze geesten en spoken in Erin tot antwoord, zoodat de troepen door
+den schrik en de verwarring hijgden en heen en weer ijlden en velen door elkanders wapenen omkwamen, en anderen van schrik
+en vrees. En dit was het groote bloedbad van Murthemney, door Cuchulain aangericht om het knapenkorps van Emania te wreken;
+honderddertig vorsten uit het leger van Maev werden toen verslagen, behalve paarden en vrouwen en wolfshonden en tallooze
+gewone krijgslieden. Volgens de verhalen streed daar Lugh mac Ethlinn aan de zijde van zijn zoon.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Clan Calatin.</h3>
+<p>Daarna besloten de mannen van Erin, den Clan Calatin<a id="d0e4442src" href="#d0e4442" class="noteref">20</a> &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n in een tweegevecht tegen Cuchulain te zenden. Nu was Calatin een toovenaar, en hij en zijn zeven en twintig
+zonen vormden als het ware slechts &eacute;&eacute;n wezen, daar de zonen organen van hun vader waren, en wat &eacute;&eacute;n van hen deed, deden allen
+eveneens. Zij waren allen vergiftig, zoodat ieder wapen, dat &eacute;&eacute;n van hen gebruikte, binnen negen dagen doodde, die daarmede
+even was aangeraakt. Toen dit veelvoudige wezen tegenover Cuchulain stond, wierp iedere hand tegelijkertijd een speer op hem
+af, maar Cuchulain ving de acht en twintig speren op zijn schild, en geen enkele daarvan deed een droppel bloed vloeien. Daarop
+trok hij zijn zwaard, om de speren weg te strijken, die steil uit zijn schild uitstaken, maar terwijl hij dit deed, stortte
+de Clan Calatin op hem af en sloeg hem ter neder, waarbij zijn gelaat op de steenen sloeg. Daarop gaf Cuchulain een luiden
+schreeuw van nood over den ongelijken strijd, en &eacute;&eacute;n van de ballingen van Ulster, Fiacha, de zoon van Firaba, die bij het
+leger van Maev was, en het gevecht gadesloeg, kon den ellendigen toestand van den kampioen niet langer aanzien, zoodat hij
+zijn zwaard trok en met &eacute;&eacute;n slag de acht en twintig handen afsloeg, die het gelaat van Cuchulain <a id="d0e4445"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4445">198</a>]</span>op de keisteenen der wadde duwden. Daarop stond Cuchulain op en hakte den Clan Calatin in stukken, zoodat geen enkele in leven
+bleef, om te verhalen wat Fiacha gedaan had; anders zoude hij met zijn drieduizend volgelingen uit den Clan Rury door Maev
+ter dood gebracht zijn.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Ferdia neemt deel aan den strijd.</h3>
+<p>Cuchulain had nu al de machtigsten der mannen van Maev overwonnen, behalve hem, die na Fergus het machtigst was, en wel Ferdia,
+den zoon van Daman. En daar Ferdia de oude vriend en medeleerling van Cuchulain was, was hij nooit tegen hem opgetrokken;
+doch nu verzocht Maev hem te gaan, maar hij wilde niet. Daarop bood zij hem haar dochter, Findabair, met de Schoone Wenkbrauwen,
+tot vrouw aan, als hij Cuchulain aan de wadde wilde aanvallen, maar ook toen wilde hij niet. Ten slotte beval zij hem te gaan,
+daar anders de dichters en spotschrijvers gedichten op hem zouden maken en hem openlijk tot schande zouden maken, waarna hij
+woedend en verdrietig zijn toestemming gaf en zijn wagenmenner beval zich voor den strijd tegen den volgenden dag gereed te
+maken. Toen was er droefheid onder zijn geheele volk, omdat zij wisten, dat als Cuchulain en hun meester een tweegevecht aangingen,
+&eacute;&eacute;n van hen niet levend zou terugkeeren.
+
+</p>
+<p>Zeer vroeg in den morgen reed Ferdia naar de wadde, en legde zich daar neder op de kussens en huiden van den wagen en sliep
+totdat Cuchulain zou komen. Eerst toen het helder dag was, hoorde de wagenmenner van Ferdia het donderen van den naderenden
+strijdwagen van Cuchulain, en wekte hij zijn meester; de beide vrienden zagen elkander weder aan weerszijden van de wadde.
+En toen zij elkander hadden begroet, zeide Cuchulain: &#8220;Ferdia, gij hadt niet tegen mij ten strijde moeten komen. Waren wij
+niet, toen wij bij Skatha waren, zijde aan zijde in iederen slag, en in ieder bosch en in iedere wildernis? Waren wij niet
+boezemvrienden, trouwe makkers bij feesten en in de vergadering? Deelden wij niet hetzelfde bed en denzelfden diepen slaap?&#8221;
+Maar Ferdia antwoordde: <a id="d0e4454"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4454">199</a>]</span>&#8220;O Cuchulain, gij man der bewonderenswaardige daden, hoewel wij samen po&euml;zie en wetenschap hebben bestudeerd, en hoewel ik
+u onze vriendschapsdaden heb hooren vermelden, toch zal mijn hand u verwonden. Herinner u onze vriendschap niet, gij Hond
+van Ulster, zij zal u niet helpen, zij zal u niet helpen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daarna bespraken zij, met welke wapenen zij zouden beginnen te vechten, en Ferdia herinnerde Cuchulain aan de kunsten van
+het werpen met werpspiesen, zooals zij die van Skatha hadden geleerd, en zij kwamen overeen, daarmede te beginnen. Vooruit
+en achteruit gonsden de lichte werpspiesen over de wadde als bijen op een zomerdag, maar toen de middag was aangebroken, had
+geen enkel wapen de wapenrusting van den tegenstander doorboord. Daarop namen zij de zware werpspiesen ter hand, en nu begon
+tenslotte bloed te vloeien, immers de &eacute;&eacute;ne kampioen wondde telkens den anderen. Eindelijk brak het einde van den dag aan.
+&#8220;Laat ons nu ophouden,&#8221; zeide Ferdia, en Cuchulain stemde daarin toe. Daarop wierp ieder van hen zijn wapenen naar zijn wagenmenner,
+en de vrienden omhelsden en kusten elkander driemaal, en gingen ter ruste. Hun paarden werden in dezelfde omheinde plaats
+geborgen, de paardenmenners warmden zich aan hetzelfde vuur, en de helden zonden elkander spijzen en drank en geneeskrachtige
+kruiden voor hun wonden.
+
+</p>
+<p>Den volgenden dag begaven zij zich weer naar de wadde, en omdat Ferdia den vorigen dag de keuze der wapenen gehad had, verzocht
+hij Cuchulain nu te kiezen.<a id="d0e4460src" href="#d0e4460" class="noteref">21</a> Cuchulain koos nu de zware speren met breed lemmer, om van dichtbij <a id="d0e4463"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4463">200</a>]</span>te vechten, en daarmede streden zij van hun wagens af totdat de zon onderging, en menners en paarden afgemat waren en het
+lichaam van ieder der helden met wonden was bedekt. Toen eerst eindigden zij den strijd en wierpen hun wapenen neer. En zij
+kusten elkander als te voren, en zooals te voren, deelden zij samen spijs en drank en sliepen vreedzaam tot aan den morgen.
+
+</p>
+<p>Toen de derde dag van den strijd aanbrak, vertoonde Ferdia een boos en grimmig gelaat, en Cuchulain verweet hem, dat hij tegen
+zijn makker ten strijde trok ter wille van een meisje, al was zij ook zoo schoon als Findabair, die door Maev aan iederen
+kampioen was aangeboden, en ook aan Cuchulain zelf, als de wadde daarmee kon worden gewonnen; maar Ferdia zeide: &#8220;Edele Hond,
+als ik u, na daartoe opgeroepen te zijn, niet het hoofd had geboden, zou ik mijn woord hebben gebroken, en zou ik in Rathcroghan
+geschandvlekt zijn.&#8221; Het is nu de beurt van Ferdia, de wapenen te kiezen, en zij maken gebruik van hun &#8220;zware, hard treffende
+zwaarden,&#8221; en hoewel zij van elkanders dijen en schouders groote stukken vleesch hakken, kan geen van beiden zijn tegenstander
+<span class="corr" title="Bron: overoverwinnen">overwinnen</span>, en eindelijk maakte de avond een einde aan den slag. Dien avond gaan zij somber en gedrukt van elkander en er was geen wisseling
+van vriendelijke daden, hun wagenmenners en paarden sliepen afzonderlijk. De hartstocht der strijders was tot grimmigen ernst
+gestegen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De dood van Ferdia.</h3>
+<p>Op den vierden dag wist Ferdia, dat de strijd zou worden beslist, en hij wapende zich met bijzondere zorg. Hij droeg over
+zijn huid een kleed van gestreepte zijde, omzoomd met gouden loovertjes, en daarover heen hing een voorschoot van bruin leder.
+Op zijn buik legde hij een vlakke steen, zoo groot als een molensteen, en daarover een stevig, dik ijzeren voorschoot, immers
+hij vreesde, dat Cuchulain dien dag de Gae Bolg zou gebruiken. En op zijn hoofd plaatste hij zijn gepluimden helm, met karbonkels
+bezet en met email ingelegd, <a id="d0e4475"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4475">201</a>]</span>en hij omgorde zich met zijn zwaard met gouden gevest, en hing aan zijn arm zijn breed schild met vijftig bronzen knoppen.
+Zoo stond hij aan de wadde, en terwijl hij wachtte, wierp hij zijn wapenen in de hoogte en ving ze weder op en deed een aantal
+bewonderenswaardige daden, terwijl hij met zijn machtige wapens speelde zooals een goochelaar met appels speelt, en Cuchulain
+zeide, terwijl hij hem gadesloeg tot Laeg, zijn wagenmenner: &#8220;Als ik van daag achteruit deins, verwijt mij dan en bespot mij
+en spoor mij tot dapperheid aan, en prijs en bemoedig mij, als ik mijn plicht doe, want ik zal al mijn moed noodig hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O Ferdia,&#8221; zeide Cuchulain, toen zij den strijd zouden beginnen, &#8220;wat zullen heden onze wapens zijn?&#8221; Gij moogt van daag
+kiezen,&#8221; antwoordde Ferdia. &#8220;Laten het dan alle zijn,&#8221; zeide Cuchulain, en Ferdia werd vreeselijk terneergeslagen, toen hij
+dit hoorde, maar hij zeide: &#8220;Zoo zij het,&#8221; en daarop begon het gevecht. Tot aan den middag streden zij met speren en niemand
+kon op den ander een voordeel behalen. Daarop trok Cuchulain zijn zwaard en trachtte Ferdia over den rand van zijn schild
+heen te treffen; maar de reus Firbolg verhinderde dit listig. Driemaal sprong Cuchulain hoog in de lucht en trachtte Ferdia
+over zijn schild heen te treffen, maar iederen keer als hij neerkwam ving Ferdia hem op zijn schild op en wierp hem als een
+klein kind in de wadde, en Laeg lachte hem uit, en riep: Hij werpt u van zich af, zooals een rivier haar schuim weg werpt;
+hij vermaalt u, zooals een molensteen een graankorrel fijnmaalt; gij, kaboutermannetje, noem u nooit meer een krijgsman.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen kwam ten slotte bij Cuchulain de woede over hem, en hij zette zich tot een reus, totdat hij boven Ferdia uitstak, en
+het licht van een held schitterde rondom zijn hoofd. De twee waren nauw ineengestrengeld, terwijl zij ronddraaiden en trappelden
+en terwijl de booze geesten en kabouters en de geesten der bergpassen van het lemmer van hun zwaarden schreeuwden en de wateren
+der wadde in schrik voor hen weken, zoodat zij een tijdlang op de droogte streden te midden <a id="d0e4481"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4481">202</a>]</span>van de bedding der rivier. Nu was Cuchulain een oogenblik minder op zijn hoede, en sloeg Ferdia hem met het scherpe van zijn
+zwaard, dat diep in zijn vleesch drong, zoodat de rivier roodgekleurd was van zijn bloed. En daarna drukte hij Cuchulain hevig,
+op hem hakkend en hem stootend, zoodat deze het niet langer kon uithouden en Laeg toeschreeuwde, hem de Gae Bolg toe te werpen.
+Toen Ferdia dit hoorde hield hij zijn schild naar beneden om zich van onderen te dekken, en Cuchulain joeg zijn speer over
+den rand van zijn schild en door zijn borstharnas in zijn borst. En Ferdia hief zijn schild weer op, maar op dat oogenblik
+pakte Cuchulain de Gae Bolg met zijn teenen en wierp het naar boven tegen Ferdia, zoodat het door het ijzeren voorschoot heendrong,
+den molensteen, die hem beschermde, in drie&euml;n spleet, en diep drong in zijn lichaam, zoodat iedere scheur en barst in zijn
+lichaam met haar weerhaken was gevuld. &#8220;Het is genoeg,&#8221; riep Ferdia, &#8220;dit is mijn dood. Het is erg, Cuchulain, dat ik door
+uw hand val.&#8221; Cuchulain greep hem, terwijl hij viel, en droeg hem in noordelijke richting door de wadde, opdat hij aan de
+andere zijde zou sterven, en niet aan die van de mannen van Erin. Daarna legde hij hem neder, en een flauwte overviel Cuchulain,
+en hij viel, toen Laeg uitriep: &#8220;Sta op, Cuchulain, immers het leger van Erin zal ons overvallen. Nu Ferdia is gesneuveld,
+zullen zij geen tweegevecht meer toestaan.&#8221; Maar Cuchulain zeide, &#8220;waarom zou ik weer opstaan, mijn dienaar, nu hij, die daar
+ter neder ligt, door mijn hand is gevallen?&#8221; en hij viel bewusteloos als dood ter neder. En het leger van Maev trok de grenzen
+over naar Ulster met geschreeuw en met vreugdekreten, onder het werpen van speren en het zingen van krijgsliederen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e4484" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p202.jpg" alt="&#8220;Cuchulain greep Ferdia toen hij viel&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Cuchulain greep Ferdia toen hij viel&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Maar voordat zij de Wadde verlieten, namen zij het lijk van Ferdia op en legden het in een graf, en bouwden een grafheuvel
+daarover, en richtten een steenen pilaar op met zijn naam en afkomst in Oghamschrift. En sommigen van de vrienden van Cuchulain
+kwamen uit Ulster, en droegen dezen naar Murthemney, waar zij hem reinigden en zijn wonden in <a id="d0e4490"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4490">203</a>]</span>de stroomen afwaschten, en zijn bloedverwanten onder het Volk van Dana wierpen tooverkruiden ter genezing in de rivieren.
+Maar hij lag daar, bij voortduring zwak en bedwelmd gedurende verschillende dagen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Ulster verheft zich eindelijk.</h3>
+<p>Sualtam nu, de vader van Cuchulain, had het paard van zijn zoon genomen, den Schimmel van Maehn, en was weer weggereden om
+te zien, of hij op de &eacute;&eacute;ne of andere wijze de mannen van Ulster kon opwekken om de provincie te verdedigen. En hij ging op
+weg, voortdurend uitroepend: &#8220;De mannen van Ulster worden verslagen, de vrouwen gevangen weggevoerd, de koeien medegenomen!&#8221;
+Doch zij staarden hem wezenloos aan, alsof zij niet wisten, waarvan hij sprak. Eindelijk kwam hij in Emania, en daar waren
+Cathbad de Dru&iuml;de en koning Conor, met al hun aanzienlijken en edelen, en Sualtam riep hun luidde toe: &#8220;De mannen van Ulster
+worden verslagen, de vrouwen gevangen weggevoerd, de koeien medegenomen; en Cuchulain moet alleen de bres van Ulster bezetten
+tegen de vier provincies van Erin. Staat op en verdedigt u!&#8221; Maar Cathbad zeide niets anders dan: &#8220;Hij is des doods schuldig,
+die den koning zoo lastig valt;&#8221; en Conor zeide: &#8220;Toch is het waar, wat de man zegt&#8221;; en de edelen van Ulster schudden het
+hoofd en mompelden: &#8220;Het is inderdaad waar.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daarop draaide Sualtam woedend zijn paard om en was op het punt te vertrekken, toen zijn nek door een beweging van zijn schimmel,
+viel tegen den scherpen rand van het schild op zijn rug, waardoor zijn hoofd werd afgesneden en op den grond viel. Maar toch
+bleef het zijn boodschap zelfs toen nog herhalen, en eindelijk liet Conor het op een pilaar zetten, opdat het rustig zou zijn.
+Maar toch ging het door met schreeuwen en vermanen, totdat eindelijk in den verduisterden geest van den koning de waarheid
+begon door te dringen, en de verglaasde oogen der krijgslieden begonnen te glinsteren, en langzaam de betoovering van den
+vloek van Macha van hun geesten en lichamen wegtrok. Daarop rees Conor op en <a id="d0e4499"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4499">204</a>]</span>zwoer een krachtigen eed, waarbij hij zeide: &#8220;De hemelen zijn boven, de aarde onder ons, en de zee is om ons heen; en als
+de hemelen niet op ons neerstorten, en de aarde niet opengaapt om ons te verzwelgen en de zee de aarde niet overstroomt, zal
+ik zoo zeker als ik leef iedere vrouw naar haar haardstede, en iedere koe naar haar stal terugvoeren.&#8221;<a id="d0e4501src" href="#d0e4501" class="noteref">22</a> Zijn Dru&iuml;de kondigde af, dat het weer gunstig was, en de koning beval zijn boden in iedere richting uit te trekken en Ulster
+te wapen te roepen, en hij noemde hun zoowel krijgslieden, die reeds lang dood waren, als de levenden, daar de nevel van den
+vloek nog niet van zijn hersenen was opgetrokken.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e4508" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p204.jpg" alt="&#8220;Het Hoofd ging nog altijd door met roepen en vermanen&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Het Hoofd ging nog altijd door met roepen en vermanen&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Nu de vloek van hen was afgenomen, stroomden de mannen van Ulster verheugd op de oproeping toe, en iedereen was bezig speren
+en zwaarden te slijpen, en de wapenrusting aan te trekken en strijdwagens in te spannen voor het te velde trekken der mannen
+van Ulster. E&eacute;n legerafdeeling kwam onder koning Conor en Keltchar, den zoon van Uthecar Hornskin, uit Emania naar het zuiden
+en een andere kwam uit het westen juist op het spoor van het leger van Maev. En de troep van Conor stootte op honderd zestig
+man van Erin in Maeth, die een grooten buit van vrouwelijke gevangenen medevoerden, en zij versloegen ieder der honderd zestig
+man en bevrijdden de vrouwen. Daarop trok Maev met haar leger terug op Connacht, maar toen zij Slemon Midi, den Heuvel van
+Slane, in Meath, bereikt hadden, vereenigden zich daar de troepen uit Ulster en maakten zich gereed slag te leveren. Maev
+zond haar boodschapper mac Roth uit, om het leger van Ulster op de Vlakte van Garach gade te slaan en daaromtrent verslag
+te doen. Mac Roth kwam terug met een angstwekkende beschrijving van wat hij gezien had. Bij den eersten blik zag hij de vlakte
+overdekt met herten en andere wilde dieren. Deze waren, zoo verklaart Fergus, uit de bosschen verjaagd door de naderende troepen
+der mannen van Ulster. Toen hij hen <a id="d0e4514"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4514">205</a>]</span>den tweeden keer gadesloeg, zag hij een nevel over de valleien, waar boven de toppen der heuvels als eilanden uitstaken. Uit
+dien nevel kwamen donderslagen en bliksemschichten te voorschijn, en een storm wierp hem bijna ter neder. &#8220;Wat beteekent dit?&#8221;
+vraagt Maev, en Fergus vertelt haar, dat de nevel afkomstig is van de diep ademende krijgslieden op hun marsch, en het licht
+de flikkering van hun oogen, en de donder het geratel hunner strijdwagens en het gekletter hunner wapenen, als zij ten strijde
+trokken: &#8220;Zij meenen, dat zij dien nooit zullen bereiken,&#8221; zegt Fergus. &#8220;Wij hebben krijgslieden om hen te bestrijden,&#8221; zegt
+Maev. &#8220;Gij zult die noodig hebben,&#8221; antwoordt Fergus, &#8220;immers in geheel Ierland, ja zelfs in de geheele Westelijke Wereld,
+tot aan Griekenland en Scythi&euml; en den Toren van Bregon<a id="d0e4516src" href="#d0e4516" class="noteref">23</a> en het eiland Gades, zijn er geen mannen, die de mannen van Ulster in hun woede kunnen weerstaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daarop volgt een beschrijving van het uiterlijk en de wapenrusting van ieder der aanvoerders van de mannen van Ulster.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De slag bij Garach.</h3>
+<p>De troepen werden handgemeen in de vlakte van Garach in Meath. Fergus, die een tweehandig zwaard hanteerde, het zwaard dat,
+naar gezegd werd, als het in den slag werd gezwaaid kringen maakte als een regenboog, maaide heele rijen der mannen van Ulster
+weg met iederen slag<a id="d0e4529src" href="#d0e4529" class="noteref">24</a>, en de grimmige Maev deed driemaal een uitval op het centrum van den vijand. Fergus werd handgemeen met koning Conor, en
+raakte hem op zijn schild met gouden rand, maar Cormac, zijn zoon, smeekte om het leven van zijn vader. Fergus wendde zich
+nu tot Conall van de Overwinningen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij zijt te vurig,&#8221; zeide Conall, &#8220;tegen uw volk en uw ras voor een wellusteling&#8221;.<a id="d0e4537src" href="#d0e4537" class="noteref">25</a> Fergus hield toen op, de mannen <a id="d0e4540"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4540">206</a>]</span>van Ulster te dooden, maar in zijn strijdwoede sloeg hij met zijn regenboogzwaard tusschen de heuvelen, en sloeg de toppen
+der drie <i>Maela</i> van Meath af, zoodat zij tot op den huidigen dag platte toppen (mael) hebben.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e4546" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p206.jpg" alt="Cuchulain en de Toovermaagden"></p>
+<p class="figureHead">Cuchulain en de Toovermaagden</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Cuchulain hoorde in zijn bewusteloosheid het gekraak van de slagen van Fergus, en toen hij langzaam bijkwam, vroeg hij Laeg,
+wat dat beteekende. &#8220;Het is het zwaardgekletter van Fergus,&#8221; zeide Laeg. Toen sprong hij op en zijn lichaam zette z&oacute;&oacute; zeer
+uit, dat zijn omslagen en zwachtels, die om hem heen gebonden waren, afvlogen, en hij wapende zich en stortte zich in den
+strijd. Daar ontmoette hij Fergus. &#8220;Draai u hierheen, Fergus,&#8221; riep hij uit; &#8220;ik zal u wasschen als schuim in een waterpoel,
+ik zal over u heen gaan, zooals de staart over de kat gaat, ik zal u kastijden, zooals een moeder haar kind kastijdt.&#8221; &#8220;Wie
+spreekt zoo tot mij?&#8221; riep Fergus. &#8220;Cuchulain mac Sualtam; en vermijd mij nu, zooals is afgesproken.&#8221;<a id="d0e4552src" href="#d0e4552" class="noteref">26</a>
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat heb ik beloofd,&#8221; zeide Fergus, en daarop verdween hij uit het gevecht, en tegelijk met hem de mannen van Leinster en
+die van Munster, terwijl zij Maev met haar zeven zoons en het leger van Connacht alleen achterlieten.
+
+</p>
+<p>Het was middag, toen Cuchulain in den strijd kwam; toen de avondzon scheen tusschen de bladeren der boomen, bestond zijn strijdwagen
+slechts uit twee wielen en een handvol gebroken stukken hout, terwijl het leger van Connacht in volle vlucht was naar de grens.
+Cuchulain haalde Maev in, die onder haar wagen kroop en om genade smeekte. &#8220;Ik ben niet gewoon, vrouwen te dooden,&#8221; zeide
+Cuchulain, en hij beschermde haar, totdat zij den Shannon bij Athlone was overgestoken.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het gevecht der stieren.</h3>
+<p>Maar de Bruine Stier van Quelgny, die Maev langs een omweg naar Connacht had gezonden, ontmoette den Stier van Ailell met
+witte horens op de Vlakte van Aei, en de twee dieren begonnen te vechten; maar de Bruine Stier doodde onmiddellijk <a id="d0e4567"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4567">207</a>]</span>den anderen, en wierp de stukken over het land, zoodat deelen er van verstrooid lagen van Rathcroghan tot aan Tara; daarna
+holde hij dol voort, totdat hij dood viel, loeiende en zwart geronnen bloed uitspuwend, op den Bergrug van den Stier, tusschen
+Ulster en Iveagh<span class="corr" title="Bron: ">.</span> Ailell en Maev sloten een zevenjarigen vrede met Ulster, en de mannen van Ulster keerden met roem beladen naar Emain Macha
+terug.
+
+</p>
+<p>Zoo eindigt de &#8220;Tain Bo Cuailgn&eacute;,&#8221; of de Strooptocht van Vee van Quelgny; deze is opgenomen in het &#8220;Boek van Leinster&#8221; in
+het jaar 1150 door de hand van Finn mac Gorman, Bisschop van Kildore, en op het einde geschreven: &#8220;Gezegend zijn zij, die
+de <span class="corr" title="Bron: &#8220;">&#8216;</span>Tain<span class="corr" title="Bron: ">&#8217;</span> letterlijk opzeggen, zooals zij hier staat, en het niet in een anderen vorm weergeven.&#8221;
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Cuchulain in het tooverland.</h3>
+<p>E&eacute;n der vreemdste verhalen onder de Keltische legenden vermeldt hoe Cuchulain, toen hij na de jacht in slaap lag tegen een
+steen van een pilaar, een droomgezicht had van twee vrouwen uit het Volk van Dana, die tot hem naderden, met roeden gewapend
+en hem om beurten z&oacute;&oacute; hard sloegen, dat hij zoo goed als dood was, en hij geen hand kon opsteken, om zich te verdedigen. Den
+volgenden dag, tot zelfs een jaar daarna, lag hij doodziek ter neder, en er was niemand, die hem kon genezen.
+
+</p>
+<p>Daarop kwam een man, dien niemand kende, die hem beval zich naar den steen van den pilaar te begeven, waar hij het droomgezicht
+had gezien; daar kon hij vernemen, wat voor zijn herstel kon worden gedaan. Hij vond er een vrouw uit het Volk van Dana in
+een groenen mantel, en wel &eacute;&eacute;n van die, welke hem hadden gekastijd, en deze deelde hem mede, dat Fand, de Parel der Schoonheid,
+de vrouw van Mananan den Zeegod, op hem verliefd was geworden en dat zij met haar echtgenoot Mananan in onmin leefde; haar
+rijk werd belegerd door drie demonenkoningen, tegen wie de hulp van Cuchulain werd ingeroepen, en de prijs voor zijn hulp
+zou de liefde van Fand zijn. Daarop werd Laeg, de wagenmenner, <a id="d0e4587"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4587">208</a>]</span>door Cuchulain weggezonden om over Fand en haar boodschap berichten in te winnen. Hij ging het tooverland binnen, gelegen
+aan de andere zijde van een meer, dat hij in een bronzen tooverboot overstak, en kwam tehuis met een verslag van de onovertrefbare
+schoonheid van Fand en de wonderen van het koninkrijk; daarop ging Cuchulain daarheen. Hier leverde hij in een dichten nevel
+een gevecht tegen de booze geesten, die beschreven worden als te gelijken op golven der zee&#8212;ongetwijfeld moeten wij aannemen
+dat dit de helpers zijn van den vertoornden echtgenoot Mananan. Daarop bleef hij bij Fand vertoeven, bij wie hij zich een
+maand lang in alle genietingen van het Tooverland verheugde, waarna hij afscheid van haar nam, en een plaats op aarde, het
+Strand van den Taxisboom, afsprak, waar zij hem zou kunnen treffen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e4590" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p208.jpg" alt="Emer hoort van de afspraak"></p>
+<p class="figureHead">Emer hoort van de afspraak</p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Fand, Emer en Cuchulain.</h3>
+<p>Maar Emer hoorde van de afspraak; maar hoewel zij meestal de tallooze gevallen van ontrouw van Cuchulain gewoonlijk nog al
+kalm opnam, kwam zij bij die gelegenheid aanzetten met vijftig van haar gezellinnen, met scherpe messen gewapend, om Fand
+te dooden. Cuchulain en Fand zien reeds van verre haar wagens, en de gewapende vertoornde vrouwen, met gouden gespen, die
+op haar borsten schitterden, en hij maakt zich gereed, zijn geliefde te beschermen. Hij spreekt Emer aan in een merkwaardig
+gedicht, waarin hij de schoonheid, de bekwaamheid en de magische macht van Fand beschrijft. &#8220;Er is niets wat de geest kan
+wenschen of zij bezit het.&#8221; Emer antwoordt: &#8220;Inderdaad schijnt de dame, aan wie gij u vasthecht in geen enkel opzicht beter
+dan ik, maar het nieuwe is altijd zoet, en het goed gekende is zuur; gij hebt al de wijsheid van heden, Cuchulain! Eertijds
+leefden wij in eere te zamen en zouden dat nog kunnen doen, als ik genade in uw oogen kon vinden.&#8221; &#8220;Op mijn eerewoord, dat
+doet gij, &#8220;sprak Cuchulain, &#8220;en dat zal het geval zijn zoolang ik leef.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geef mij dan op,&#8221; zeide Fand daarop. Maar Emer sprak: &#8220;Neen, het is beter dat ik de verlatene ben.&#8221; &#8220;Niet alzoo,&#8221; <a id="d0e4601"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4601">209</a>]</span>zeide Fand, &#8220;ik ben het, die moet heengaan.&#8221; En de behoefte tot weeklagen overviel Fand, en haar ziel in haar was groot, want
+het was voor haar een schande verlaten te worden en weer regelrecht naar huis terug te keeren; bovendien was in haar hart
+een onstuimige liefde voor Cuchulain.<a id="d0e4603src" href="#d0e4603" class="noteref">27</a>
+
+</p>
+<p>Maar Mananan, de Zoon der Zee, kende haar smart en haar schande en kwam haar te hulp, terwijl niemand hem zag, dan alleen
+zij, en zij verwelkomde hem in een mystiek gezang. &#8220;Wilt gij bij mij terugkeeren?&#8221; sprak Mananan, &#8220;of wilt gij bij Cuchulain
+blijven?&#8221; &#8220;Geen van u beiden is inderdaad beter of edeler dan de ander,&#8221; zeide Fand, &#8220;maar ik wil met u medegaan, Mananan,
+want gij hebt geen andere gezellin, die u waardig is, terwijl Cuchulain Emer heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daarom ging zij met Mananan mede, en Cuchulain, die den god niet zag, vroeg Laeg, wat er geschiedde. Hij antwoordde: &#8220;Fand
+gaat weg met den Zoon der Zee, daar zij geen genade kon vinden in uw oogen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daarop sprong Cuchulain in de lucht en vlood van de plaats weg, en bleef langen tijd liggen, zonder spijs of drank te willen
+gebruiken, totdat de Dru&iuml;den hem ten slotte een drank van vergetelheid schonken; en naar verhaald wordt schudde Mananan zijn
+mantel tusschen Cuchulain en Fand, opdat zij in der eeuwigheid elkander niet meer zouden ontmoeten.<a id="d0e4612src" href="#d0e4612" class="noteref">28</a>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De wraak van Maev.</h3>
+<p>Hoewel Maev na den slag bij Garach met Ulster vrede sloot deed zij toch de gelofte, dat Cuchulain moest vallen, om al de schande
+en de verliezen, die hij over haar en haar provincie had gebracht, en zij zocht naar een middel, hoe zij zich op hem zou kunnen
+wreken.
+
+</p>
+<p>Nu had de vrouw van den toovenaar Calatin, die bij de wadde door Cuchulain was gedood, na diens dood zes kinderen tegelijk
+ter wereld gebracht, en wel drie zoons en drie dochters. Zij waren mismaakt, monsterachtig leelijk, vergiftig, <a id="d0e4625"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4625">210</a>]</span>tot kwaad geboren; en Maev, die van hen had gehoord, zond hen uit, om de tooverkunst te leeren, niet alleen die van Ierland
+maar ook van Alba; en zelfs gingen zij naar Babylon om geheime wetenschap op te doen, zoodat zij uitgeleerd in tooverkunsten
+terugkeerden; daarop liet zij hen op Cuchulain los.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Cuchulain en Blanid.</h3>
+<p>Cuchulain had, behalve den Clan Calatin, nog andere vijanden, en wel Erc, den koning van Ierland, den zoon van Cairpre, die
+door Cuchulain in den slag was gedood, en Lewy, den zoon van Curoi, den koning van Munster.<a id="d0e4632src" href="#d0e4632" class="noteref">29</a> Immers de vrouw van Curoi, Blanid, was in liefde voor Cuchulain ontstoken, en smeekte hem bij haar te komen, en haar weg
+te halen uit de d&#363;n van Curvi, en een gunstige gelegenheid af te wachten, om de d&#363;n aan te vallen, en wel als hij zag, dat
+de rivier, die daaruit stroomde, wit werd. Cuchulain en zijn manschappen wachtten daarop in een bosch in de nabijheid, totdat
+Blanid van oordeel was, dat het geschikte oogenblik was aangebroken, en zij stortte toen in de rivier de melk van drie koeien.
+Daarop viel Cuchulain de d&#363;n aan, nam die bij verrassing in, en doodde Curoi, waarna hij de vrouw wegvoerde. Maar Fercartna,
+de bard van Curoi, ging met hen mede, en verraadde zijn bedoelingen niet, totdat hij, toen hij eens in de onmiddellijke nabijheid
+stond van Blanid, naast den wand van de klip van Beara, zijn armen om haar heensloeg, zich met haar van de rots stortte, op
+die wijze kwamen zij om, en was Curoi ten opzichte van zijn vrouw gewroken.
+
+</p>
+<p>Al die personen werden nu door Maev door middel van geheime boodschappen, door berispingen en vermaningen tegen Cuchulain
+opgezet, en zij wachtten, totdat zij hoorden, dat de vloek van Macha weer zwaar rustte op de mannen van Ulster, en daarna
+verzamelden zij een leger en trokken op naar de Vlakte van Murthemney.
+
+<a id="d0e4637"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4637">211</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De krankzinnigheid van Cuchulain.</h3>
+<p>Eerst waren het de kinderen van Calatin, die schrik en gedruktheid op den geest van Cuchulain wierpen, en zij wisten door
+de overkapte distels en de wolfsveeten en waaiende bladeren van het bosch den indruk te wekken van gewapende bataljons, die
+tegen Murthemney optrokken, en Cuchulain meende aan alle kanten den rook van brandende woningen te zien opstijgen. En twee
+dagen lang streed hij met de droombeelden, totdat hij ziek en uitgeput was. Daarop overreedde hem Cathbad en de mannen van
+Ulster, om zich terug te trekken in een eenzamen bergpas, waar vijftig der vorstinnen van Ulster, onder wie ook Niam, de vrouw
+van zijn trouwen vriend Conall van de Overwinningen, hem verpleegden, en Niam dwong hem tot de belofte, dat hij de d&#363;n waar
+hij was niet zou verlaten, voordat zij hem haar toestemming daartoe gaf.
+
+</p>
+<p>Maar nog steeds vulden de kinderen van Calatin het land met oorlogsverschijningen, en rook en vlammen stegen op, en woeste
+kreten en jammerklachten, met gesnap en gelach van kabouters, en het geschal van trompetten en horens werd door den wind aangedragen.
+En Bave, de dochter van Calatin, ging den bergpas binnen, en na de gedaante te hebben aangenomen van een dienstmaagd van Niam,
+riep zij haar op zijde en voerde haar tot op een afstand tusschen de bosschen, en legde een betoovering over haar, zoodat
+zij verloren raakte en haar weg naar huis niet meer kon terugvinden. Daarop ging Bave in de gedaante van Niam naar Cuchulain
+en riep hem op, om Ulster te bevrijden van de legers, die het teisterden, en de Morrigan kwam in den vorm van een groote kraai
+op de plaats waar Cuchulain met de vrouwen zat en kraste voortdurend over oorlog en doodslag. Daarop sprong Cuchulain op en
+riep Laeg om zijn wagen in te spannen. Maar toen Laeg den Schimmel van Macha ging halen om hem op te tuigen, vlood het paard
+van hem weg en verzette zich, en slechts met de grootste inspanning kon Laeg het voor den wagen spannen, terwijl groote tranen
+zwart bloed langs zijn kop stroomden.
+<a id="d0e4645"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4645">212</a>]</span></p>
+<p>Daarop reed Cuchulain weg, na zich in zijn wapenrusting te hebben gestoken; en aan iederen kant vervolgden hem gestalten en
+geluiden van verschrikking, die zijn geest benevelden, en toen leek het hem of hij een groote rookwolk verlicht door uitbarstingen
+van roode vlammen, boven de wallen van Emain Macha zag, en meende hij, dat hij het lijk van Emer over de wallen zag slingeren.
+Maar toen hij aan zijn d&#363;n te Murthemney kwam, was Emer in leven, en zij smeekte hem, de spookverschijningen uit den weg te
+gaan, maar hij wilde niet naar haar luisteren en nam afscheid van haar. Daarna nam hij afscheid van zijn moeder Dectera, en
+zij gaf hem een beker wijn te drinken, maar voordat hij den wijn kon drinken, veranderde deze in bloed, en hij slingerde dien
+weg en sprak: &#8220;Het einde van mijn leven is nabij, dezen keer zal ik niet levend uit den strijd terug keeren.&#8221; En Dectera en
+Cathbad smeekten hem, de komst van Conall van de overwinningen af te wachten, die op reis was, maar hij wilde dat niet.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het waschmeisje aan de wadde.</h3>
+<p>Toen hij aan de wadde kwam op de vlakte van Emania, zag hij daar aan het water iets knielen, dat op een jong meisje geleek,
+en dat weende en jammerde, het waschte een hoop bloedige kleeren en krijgswapenen in het water, en toen het een druipend buis
+of borststuk uit het water optilde, zag Cuchulain dat dit hem toebehoorde. Toen zij de wadde overstaken, verdween zij uit
+hun gezicht.<a id="d0e4653src" href="#d0e4653" class="noteref">30</a>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Nog eens Clan Calatin.</h3>
+<p>Na nog eens afscheid genomen te hebben van Conor en de vrouwen in Emania, ging hij weer naar Murthemney en den vijand. Maar
+op weg daarheen zag hij aan de kant van de weg drie oude vrouwen, ieder blind aan &eacute;&eacute;n oog, monsterachtig leelijk en deerniswaardig,
+zij hadden een klein vuur van stokjes gestookt, en braadden daarboven een dooden hond aan een spit van hout. Toen Cuchulain
+voorbij kwam, riepen <a id="d0e4661"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4661">213</a>]</span>zij hem toe, af te stijgen, bij hen te vertoeven en haar maal te deelen. &#8220;Dat zal ik werkelijk niet doen,&#8221; zeide hij. &#8220;Als
+wij een groot feest hadden,&#8221; spraken zij, &#8220;zoudt gij wel gebleven zijn; het past den aanzienlijke niet de geringen te minachten.&#8221;
+Daarop steeg Cuchulain af, daar hij niet wilde, dat men hem voor onwellevend hield tegenover ongelukkigen, en hij nam een
+stuk van het gebraden vleesch, en at dat op, maar de hand, waarmede hij het had aangenomen, werd tot aan den schouder verlamd,
+zoodat haar vroegere kracht gebroken was. Immers het was voor Cuchulain <i>geis</i> een haard te naderen, waarop gebraden werd, en daar voedsel van te nemen, en het was eveneens <i>geis</i> voor hem, van zijn naamgenoot te eten.<a id="d0e4669src" href="#d0e4669" class="noteref">31</a>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De dood van Cuchulain.</h3>
+<p>Cuchulain vond het leger van zijn vijanden bij Slieve Fuad, ten zuiden van Armagh, en woedend reed hij tegen hen in, de &#8220;donderkunst&#8221;
+op hen toepassend, totdat de vlakte met hun dooden bezaaid was. Daarop naderde hem een hekeldichter, daartoe door Lewy aangezet,
+die hem om zijn speer vroeg.<a id="d0e4689src" href="#d0e4689" class="noteref">32</a> &#8220;Daar hebt ge hem,&#8221; zeide Cuchulain, en wierp die met z&oacute;&oacute; groote kracht tegen hem aan, dat zij dwars door hem heenging en
+nog bovendien negen man doodde. &#8220;Een koning zal door die speer vallen,&#8221; zeiden de zonen van Calatin tot Lewy, en Lewy greep
+haar en wierp haar naar Cuchulain, maar zij trof Laeg, den koning der wagenmenners, zoodat zijn ingewanden op de kussens van
+den wagen vielen, en hij nam afscheid van zijn meester en stierf.
+
+</p>
+<p>Daarop vroeg een tweede hekeldichter om de speer, maar Cuchulain zeide: &#8220;Ik behoef niet meer dan &eacute;&eacute;n verzoek per dag in te
+willigen.&#8221; Maar de hekeldichter sprak: &#8220;Dan zal ik Ulster om uw verzuim beschimpen,&#8221; en Cuchulain wierp hem toen evenals te
+voren de speer toe, en nu greep Erc haar, die haar terugwierp, waardoor de schimmel van Macha doodelijk <a id="d0e4694"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4694">214</a>]</span>getroffen werd. Cuchulain trok de speer uit de zijde van het paard, en zij namen afscheid van elkander, en de schimmel galoppeerde
+weg, met het halve juk aan den nek.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e4697" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p214.jpg" alt="De Dood van Cuchulain"></p>
+<p class="figureHead">De Dood van Cuchulain</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>En ten derden male slingerde Cuchulain zijn speer naar een hekeldichter, en Lewy pakte die weer en slingerde haar terug, en
+zij trof Cuchulain zelf, en zijn ingewanden vielen in den wagen, en het overgebleven paard de Zwarte Sainglend, brak los en
+liet hem in den steek.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zou zoo gaarne naar dien kant van het meer gaan om te drinken,&#8221; sprak Cuchulain, die wist, dat zijn einde nabij was, en
+zij lieten hem gaan, toen hij beloofd had weer tot hen te zullen terugkeeren. Daarop nam hij zijn ingewanden bijeen, stak
+ze in zijn lichaam en ging naar den kant van het meer, en dronk, en baadde, en keerde terug om te sterven. Er was in de nabijheid
+een groote steenen pilaar, die ten westen van het meer stond, en hij ging daarheen, en sloeg zijn gordelriem daaromheen en
+om zijn borst, opdat hij staande zou kunnen sterven, en niet neerliggend; en zijn bloed vloeide in een kleinen stroom in het
+meer, en een otter kwam buiten het meer en likte het op. En de vijandelijke troepen verzamelden zich rondom, maar durfden
+hem niet te naderen, terwijl het leven nog in hem was, en het licht van den held straalde boven zijn voorhoofd. Daarop kwam
+de Schimmel van Macha, om hem te beschermen, en verstrooide zijn vijanden door te bijten en te schoppen.
+
+</p>
+<p>En daarna kwam een kraai, die zich op zijn schouder neerzette. Toen Lewy dit zag, kwam hij nader, haalde het haar van Cuchulain
+naar &eacute;&eacute;n kant over diens schouder, en sloeg met zijn zwaard het hoofd af; en het zwaard viel uit de hand van Cuchulain en
+sloeg de hand van Lewy af, in zijn val. Als wraak daarvoor namen zij de hand van Cuchulain, en zij droegen het hoofd en de
+hand naar het zuiden naar Tara en begroeven die daar, en richtten daarover een hoogte op. Maar Conall van de Overwinningen,
+die zich, toen hij het bericht van den oorlog kreeg, naar Cuchulain&#8217;s zijde spoedde, ontmoette den Schimmel van Macha, die
+stroomde van bloed, en samen <a id="d0e4707"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4707">215</a>]</span>gingen zij naar den oever van het meer en zagen hem daar zonder hoofd en aan den pilaar gebonden, en het paard kwam nader
+en legde zijn kop op Cuchulains borst. Conall reed naar het zuiden om Cuchulain te wreken, en hij ontmoette Lewy bij de rivier
+de Liffey, en omdat Lewy maar &eacute;&eacute;n hand had, bond Conall &eacute;&eacute;n van zijn handen achter zijn rug, en zij vochten den halven dag,
+maar geen van beiden behaalde de overwinning.
+
+</p>
+<p>Daarop kwam het paard van Conall, de Rood-gespikkelde, en beet een stuk uit de zijde van Lewy, en Conall doodde hem, nam zijn
+hoofd, en keerde naar Emain Macha terug. Maar er werd geen feestelijken intocht gehouden, toen zij de stad binnentrokken,
+want Cuchulain, de Hond van Ulster, leefde niet meer.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het terugwinnen van de Tain.</h3>
+<p>De geschiedenis van de &#8220;Tain&#8221; of de Strooptocht om den Bruinen Stier van Quelgny was volgens de overlevering door niemand
+anders geschreven dan door Fergus mac Roy, maar het groote lied was langen tijd verloren. Men meende, dat het in Oghamletters
+geschreven was op houten stokken, die een bard, die ze in bezit had, medegenomen had naar Itali&euml;, vanwaar zij nooit terugkwamen.
+
+</p>
+<p>Het terug winnen van de &#8220;Tain&#8221; is het onderwerp van een aantal legenden, die door Sir S. Ferguson in zijn &#8220;liederen van Westelijk
+Wales&#8221; zijn bijeengebracht in een gedicht, dat getuigt van een zoo helder inzicht in de geest der Galische mythen, dat wij
+het bij het weergeven van dit merkwaardig en schoone verhaal zooveel mogelijk op den voet zullen volgen. Het verhaal luidt,
+dat Sanchan Torpest, de voornaamste bard van Ierland, eens op een feest na het verlies van de &#8220;Tain&#8221; door den opperkoning
+Guary gehoond werd met het feit, dat hij niet in staat was het meest beroemde en het schitterendste der Galische gedichten
+voor te dragen. Dit tastte den bard in zijn eer, en hij besloot te trachten de verloren schat te herwinnen. Wijd en zijd door
+Erin en door Alba zocht hij naar sporen van het lied, maar hij kon niets anders dan verspreide stukken <a id="d0e4718"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4718">216</a>]</span>vinden. Hij zou zelfs door tooverkunsten den geest van Fergus hebben opgeroepen, om hem het lied te leeren, zelfs ten koste
+van zijn eigen leven&#8212;want dat zou, naar het schijnt, de prijs geweest zijn, die voor de tusschenkomst en de hulp van den doode
+ge&euml;ischt werd&#8212;maar de plaats, waar Fergus was begraven en waar de tooverformulieren moesten worden opgezegd, kon niet worden
+ontdekt. Eindelijk zond Sanchan zijn zoon Murgen met diens jongeren broeder Eimena op reis naar Itali&euml;, om te trachten, daar
+het lot te ontdekken van het op stokken geschreven boek.
+
+</p>
+<p>Beiden reisden nu in oostelijke en in westelijke richting over Erin, totdat Murgen na een langen tocht bij Loch E&iuml;n niet verder
+kon. Zijn broeder ging toen alleen verder, na hem te hebben opgedragen, bij een rechtopstaande steen op zijn terugkomst te
+wachten.
+
+</p>
+<p>Toen zag Murgen op de plaats waar hij leunde beneden aan de hoeken van den steenen pilaar letters in Oghamschrift. &#8220;Het is,&#8221;
+zeide hij, &#8220;een grafsteen, en die strepen bevatten waarschijnlijk den naam van den &eacute;&eacute;n of anderen krijgsman; kon ik de teekens
+maar ontcijferen.&#8221; Letter na letter spelde hij, totdat hij ontdekte, dat het opschrift luidde: <i>&#8220;Hier is Fergus, de Zoon van Roy begraven.&#8221;</i> Hoewel nu Murgen wist, welke straf er op stond, deed hij toch een beroep op Fergus, om medelijden te hebben met de droefheid
+van een zoon, en beloofde, als hij de &#8220;Tain&#8221; kon terugkrijgen, zijn leven te zullen offeren, zijn bloedverwanten en vrienden
+en de maagd, die hij liefhad, in den steek te zullen laten, opdat zijn vader niet zou worden beschimpt. Maar Fergus gaf geen
+teeken, en daarom deed hij op andere wijze nog eens een beroep op Fergus, en zeide: &#8220;Fergus, vrouwenliefde laat u nu onverschillig,
+voor kinderliefde, menschelijk instincten, zijt gij ongevoelig; maar als gij dan niet ter wille der liefde ontwaakt, doe het
+dan terwille van den zang. Gij waart de eerste, die de Gali&euml;rs de dichtkunst hebt gegeven; zij hebben tegenwoordig hun schoonste
+gaven verloren, doch laat het lied de eenige schat zijn, die hun in hun geboorteland is overgebleven.&#8221;
+<a id="d0e4727"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4727">217</a>]</span></p>
+<p>Fergus stond op; met hem stak ook een nevel op, z&oacute;&oacute; dik, dat toen Eimena terugkeerde, hij die nevel niet kon doorboren. Den
+geheelen nacht echter hoorde Murgen de liefelijke stem weerklinken, en hoorde hij het lied van de &#8220;Tain&#8221;. Bezield keerde hij
+naar Sancha terug; driemaal werd het geheele lied voorgedragen, totdat Murgen zijn trouwe geliefde opzocht en haar mededeelde,
+hoe hij zijn leven en zijn liefde voor haar had opgeofferd. De diep bedroefde maagd zegt hem, dat de onsterfelijke roem, dien
+de zanger deelachtig wordt, niet opweegt tegen &eacute;&eacute;n traan der geliefde.
+
+</p>
+<p>Daarop zegt Sanchan, dat twee gouden bekers het loon zullen zijn van Murgen, als hij de woorden en de melodie van <i>Tain-Bo-Cueilgne</i> regel voor regel kan voordragen.
+
+</p>
+<p>En zoo zong Murgen het heerlijke lied, door Fergus vervaardigd, over de mannen van Ulster en over Cuchulain en Conall van
+de Overwinningen en over Cuchulains makker Ferdia. Doch zie, daar kwam onder heftige donderslagen <i>Fergus, de Zoon van Roy</i> de zaal binnen, en eischte van den harpspeler het ge&euml;ischte loon op. Plotseling veranderde Murgen in een stuk klei. &#8220;Leg
+hem,&#8221; zoo sprak Fergus, &#8220;op zijn lijkbaar naast mij, nooit zal een inhalige koning mij meer bespotten; slaven zullen Sanchan
+voor den gek houden; maar omdat de maagd voor haar droevig lot dient getroost te worden, komt haar het duur gekochte loon,
+de beide gouden bekers, toe.
+
+</p>
+<p>Doch het meisje wilde van die bekers niets weten en liet ze in den oceaan werpen, ver uit het gezicht en de herinnering, en
+zij voegde er de vervloeking aan toe, dat de <i>Tain-Bo</i> met die bekers zou te gronde gaan, alsof die nooit was teruggevonden.
+
+</p>
+<p>En zoo geschiedde het, dat het lied, dat eens ten koste van een z&oacute;&oacute; hoogen prijs was teruggevonden, bijna geheel is verloren
+gegaan, voordat het zelfs eenmaal volledig was gezongen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De spookwagen van Cuchulain.</h3>
+<p>Cuchulain komt weer op indrukwekkende wijze ten tooneele in een latere legende van Christelijken oorsprong, die gevonden <a id="d0e4752"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4752">218</a>]</span>is in het &#8220;Boek der vale koe,&#8221; uit de twaalfde eeuw. Het verhaal luidt, dat hij door St. Patrick uit de Hel is opgeroepen,
+om de waarheden van het Christendom en de afgrijselijkheid der verdoemenis te bewijzen aan den heidenschen vorst, Laery mac
+Neill, den koning van Ierland. Laery staat met St. Benen, een metgezel van St. Patrick op de Vlakte van mac Indoc, als een
+ijzige stormvlaag hen bijna van de voeten rukt. Het is de wind van de Hel, nadat deze voor Cuchulain geopend is, zoo verklaart
+Benen. Daarop bedekt een dichte nevel de vlakte, en dadelijk wordt een groote tooverwagen met galoppeerende paarden, een schimmel
+en een zwart paard, door den nevel heen zichtbaar. Daarin zijn de beide beroemde personen Cuchulain en zijn wagenmenner gezeten,
+reusachtige figuren, gewapend met al den glans van den Galischen krijgsman.
+
+</p>
+<p>Daarna spreekt Cuchulain met Laery, en dringt er bij hem op aan, &#8220;in God en den Heiligen Patrick te gelooven, want het is
+niet een booze geest, die tot u gekomen is, maar Chuchulain de zoon van Sualtam.&#8221; Om zijn identiteit te bewijzen, verhaalt
+hij zijn beroemde krijgsdaden en eindigt met een droevige beschrijving van zijn tegenwoordige toestand:
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Hoeveel droefheid ik ook geleden heb,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">O Laery, te land en ter zee&#8212;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">E&eacute;n enkele nacht was nog veel erger,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Als de booze geest toornig was!
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Hoe groot mijn heldenmoed ook was,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Hoe stevig ook mijn zwaard,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">De duivel drukte mij met &eacute;&eacute;n vinger neder
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">In de roode houtskool!&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>Hij eindigt met St. Patrick te smeeken hem den hemel te doen be&euml;rven en de legende verteld dat zijn bede werd verhoord en
+dat <span class="corr" title="Bron: Leary">Laery</span> tot het Geloof kwam.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Dood van Conor mac Nessa.</h3>
+<p>Ook om den dood van den heer van Cuchulain, Conor, den koning van Ulster, hebben zich Christelijke denkbeelden gegroepeerd.
+Hij stierf op de volgende wijze. Hij had een onrechtvaardigen en wreeden aanval gedaan op Mesgedra, den koning van Leinster,
+bij welke gelegenheid die vorst den dood <a id="d0e4783"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4783">219</a>]</span>vond door de hand van Conall van de Overwinningen<a id="d0e4785src" href="#d0e4785" class="noteref">33</a>. Conall nam de hersenen uit het hoofd van den dooden koning en vermengde die met klei, om een slingersteen te vervaardigen&#8212;welke
+&#8220;hersenballen&#8221;, zooals zij genoemd worden, beschouwd worden als de doodelijkste werptuigen. Die bal werd bewaard in de schatkamer
+van den koning te Emain Macha, waar de kampioen van Connacht, Ket, de zoon van Maga, dien op zekeren dag vond, toen hij vermomd
+op buit uitging door Ulster. Ket nam hem weg, en hield hem voortdurend bij zich. Niet lang daarna roofden de mannen van Connacht
+vee uit Ulster en de mannen van Ulster, haalden hen onder aanvoering van Conor in bij een wadde in Westmeath die nog Athnurchar
+(de wadde van den geworpen Slinger) heet. Een slag was op handen, en een aantal dames van Connacht kwamen aan den oever van
+de rivier om de beroemde krijgslieden van Ulster te zien, en vooral Conor, den statigsten man van zijn tijd. Conor was ook
+bereid zich te vertoonen, en daar hij niet anders dan vrouwen zag aan den anderen oever, kwam hij dicht bij haar; maar Ket,
+die in een hinderlaag op de loer lag, stond nu op en slingerde den hersenbal naar Conor en trof hem midden op het voorhoofd.
+Conor viel neer, en werd door zijn op de vlucht gejaagde volgelingen meegevoerd. Toen zij hem naar Emain Macha nog levend
+thuis hadden gebracht, verklaarde zijn geneesheer Fingen, dat hij moest sterven, als de bal uit zijn hoofd werd gehaald; deze
+werd daarom met gouddraad vastgenaaid, en den koning werd geraden zich te onthouden van paardrijden en van alle heftige inspanning
+en gemoedsbeweging, opdat hij er geen hinder van zou hebben.
+
+</p>
+<p>Zeven jaar later zag Conor, dat de zon des middags werd verduisterd, en hij liet zijn Dru&iuml;de komen, om hem de beteekenis van
+dit voorteeken te verklaren. De Dru&iuml;de vertelt hem in een magische geestverrukking van een heuvel in een ver afgelegen land,
+waarop drie kruisen staan, aan elk waarvan een menschelijk gedaante was vastgespijkerd, en &eacute;&eacute;n van hen <a id="d0e4790"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4790">220</a>]</span>is als de Onsterfelijken. &#8220;Is hij een boosdoener?&#8221; vraagt Conor daarop. &#8220;Neen,&#8221; zegt de Dru&iuml;de, &#8220;maar de Zoon van den levenden
+God,&#8221; en hij verhaalt de koning de geschiedenis van den dood van Christus. Conor barst in woede los, en na zijn zwaard getrokken
+te hebben, hakt hij op de eikeboomen in het heilige boschje los, en riep hij uit: &#8220;Zoo zou ik zijn vijanden behandelen,&#8221; maar
+door de opwinding en inspanning barstte de hersenbal uit zijn hoofd en hij valt dood neer. En zoo is de wraak van Mesgedra
+vervuld. Met Conor en met Cuchulain is de glorie van de Rooden Tak en de overmacht van Ulster verdwenen. De volgende cyclus
+van Iersche legenden, die van Ossian, voert weer verschillende karakters ten tooneele, een omgeving van een andere natuurgesteldheid
+en geheel verschillende levensidealen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Ket en het everzwijn van mac Datho.</h3>
+<p>Ket, de kampioen van Connacht, wiens voornaamste krijgsdaad het verwonden van koning Conor te Ardnurchar was, komt ook voor
+in een zeer dramatisch verhaal, dat tot titel draagt &#8220;Het voorsnijden van het everzwijn van mac Datho&#8221;. De geschiedenis luidt
+aldus: Er woonde eens in de provincie Leinster een rijk, gastvrij heer, Mesroda genoemd, de zoon van Datho. Hij had twee bezittingen;
+en wel een hond, die harder liep dan eenige andere hond of eenig ander wild dier in Erin en een everzwijn, dat het mooiste
+en grootste was dat ooit door iemand was gezien.
+
+</p>
+<p>De faam van dien hond was over het geheele land verspreid, en groot was het aantal vorsten en edelen, die hem wilden bezitten.
+Zoo kwam het, dat Conor, de koning van Ulster en Maev, de koningin van Connacht, boden naar mac Datho zonden met de vraag,
+hun den hond te verkoopen, en beide boden kwamen denzelfden dag aan de d&#363;n van mac Datho. De bode uit Connacht zeide: &#8220;Wij
+zullen u in ruil voor den hond zeshonderd melkkoeien geven en een wagen met twee paarden, de beste, die in Connacht te vinden
+zijn, en een jaar later zult gij nog eens hetzelfde krijgen.&#8221; En de bode van koning Conor <a id="d0e4799"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4799">221</a>]</span>zeide: &#8220;Wij zullen niet minder dan Connacht geven en daarbij de vriendschap en het bondgenootschap met Ulster, en dat is meer
+voor u waard dan de vriendschap van Connacht.
+
+</p>
+<p>Daarop verzonk Mesroda mac Datho in diepe stilte, en drie dagen lang weigerde hij te eten en te drinken, en des nachts kon
+hij niet slapen, maar woelde onrustig op zijn bed heen en weer. Zijn vrouw zag in welken toestand hij was, en sprak tot hem:
+&#8220;Gij hebt lang gevast, Mesroda, hoewel er overvloed van goed voedsel naast u staat, en des nachts draait gij uw gelaat tegen
+den muur, en ik weet zeer goed, dat gij niet slaapt. Wat is de reden van uw onrust?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Er is een spreuk,&#8221; antwoordde mac Datho, die luidt: &#8220;Vertrouw een knecht geen geld, en een vrouw geen geheim.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wanneer zou een man met een vrouw spreken,&#8221; antwoordde zijn vrouw, &#8220;als hij het niet doet, als hij in moeilijkheden verkeerd?
+Wat uw geest niet kan oplossen, kan misschien die van een ander doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daarop vertelde mac Datho zijn vrouw van het verzoek om zijn hond zoowel van Ulster als van Connacht op hetzelfde oogenblik.
+&#8220;En wien van beiden ik het weiger, die zal mijn vee wegrooven en mijn mannen dooden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoor dan naar mijn raad,&#8221; zeide de vrouw. &#8220;Geef hem aan beiden, en laten zij hem komen halen, en als er geplunderd moet worden,
+laat hen dan liever elkander plunderen; maar in geen geval moogt gij den hond houden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Mac Datho volgde dien wijzen raad, en noodigde de mannen van Ulster en Connacht uit op een groot feest op denzelfden dag,
+onder mededeeling, dat zij den hond daarna konden krijgen.
+
+</p>
+<p>Zoo kwamen dan op den vastgestelden dag Conor van Ulster, en Maev, met hun gevolg van vorsten en aanzienlijken bijeen in de
+d&#363;n van mac Datho. Daar zagen zij een groot feest aangericht, en mac Datho had als hoofdgerecht zijn beroemd everzwijn laten
+dooden, een dier van ontzaglijke grootte. De vraag kwam toen ter sprake, wien de eervolle taak zou worden opgedragen, het
+voor te snijden, en Bricriu van de Vergiftigde <a id="d0e4815"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4815">222</a>]</span>Tong stelde in overeenstemming met zijn strijdlustigen aard voor, dat de krijgslieden van Ulster en Connacht hun voornaamste
+krijgsdaden zouden vergelijken, en het voorsnijden van het everzwijn zouden opdragen aan hem, die zich het verdienstelijkst
+had gemaakt bij de gevechten, die steeds aan de grens van beide provincies werden geleverd. Na veel heen en weer praten en
+na veel beleedigingen gaat Ket, de zoon van Maga, over het everzwijn staan, met het mes in de hand, en daagt ieder der edelen
+van Ulster uit, hun dappere daden met de zijne te vergelijken. Een voor een staan zij op, Cuscrid de zoon van Conor, Keltchar,
+Moonremur, Laery de Zegevierder, en anderen&#8212;Cuchulain komt in dit verhaal niet ten tooneele&#8212;en bij ieder verhaal weet Ket
+de &eacute;&eacute;ne of andere prikkelende mededeeling te doen van een ontmoeting, waarbij hij het er beter heeft afgebracht dan zij, en
+&eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n zetten zij zich beschaamd en zwijgend ter neder. Eindelijk wordt een kreet van welkom gehoord aan de deur der
+zaal en de mannen van Ulster heffen een gejubel aan. Conall van de Overwinningen is ten tooneele verschenen. Hij stapt naar
+het everzwijn, en Ket en zij groeten elkander met ridderlijke hoffelijkheid.
+
+</p>
+<p>&#8220;En nu, welkom, O Conall, man van het ijzeren hart en het vurige bloed; scherp als het glanzende ijs, altijd overwinnend opperhoofd;
+heil u, machtige zoon van Finnchoom!&#8221; sprak Ket.
+
+</p>
+<p>En Conall zeide: &#8220;Heil u, Ket, bloem der helden, heer der wagens, een stormende zee in den slag; een krachtige stier vol majesteit;
+heil u, zoon van Maga!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En nu,&#8221; vervolgde Conall, &#8220;sta op van uw plaats bij het everzwijn, en maak plaats voor mij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom!&#8221; antwoordde Ket.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoekt gij met mij te strijden?&#8221; zeide Conall. &#8220;Gij zult uw zin hebben. Bij de goden van mijn volk zweer ik, dat ik sedert
+ik voor het eerst de wapenen ter hand nam, nooit &eacute;&eacute;n dag heb doorleefd, dat ik niet een man uit Connacht doodde, noch &eacute;&eacute;n
+nacht, dat ik niet een strooptocht tegen hen ondernam, en nooit heb ik geslapen, zonder het hoofd van een man uit Connacht
+onder mijn knie gehad te hebben.&#8221;
+<a id="d0e4827"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4827">223</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik geef toe,&#8221; zeide daarop Ket, &#8220;dat gij een beter krijgsman zijt dan ik, en ik sta u het everzwijn af. Maar als mijn broeder
+Anluan hier was, zou hij iedere oorlogsdaad van u het hoofd bieden, en het is treurig en een schande, dat hij niet hier is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Anluan is hier,&#8221; riep Conall uit, en daarbij wierp hij uit zijn gordelriem het hoofd van Anluan, en smeet het in het gezicht
+van Ket.
+
+</p>
+<p>Daarop sprongen allen op en er ontstond een woest geschreeuw en rumoer en de zwaarden vlogen van zelf uit de scheeden, en
+de slag woedde in de zaal van mac Datho. Spoedig vlogen de troepen uit de deuren van de d&#363;n en sloegen en doodden elkander
+in het open veld, totdat de troepen van Connacht op de vlucht gejaagd waren. De hond van mac Datho volgde den wagen van koning
+Ailell van Connacht totdat de wagenmenner zijn kop afsloeg, zoodat de oorzaak van den strijd door geen van beide partijen
+werd gewonnen, en mac Datho wel zijn hond verloor, maar zijn landen en zijn leven redde.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De dood van Ket.</h3>
+<p>De dood van Ket wordt verhaald in de &#8220;Geschiedenis van Ierland&#8221; door Keating. Toen hij van een strooptocht in Ulster terugkeerde,
+werd hij overvallen door Conall op een plaats, de wadde van Ket genoemd, en zij vochten lang en wanhopig. Ten slotte werd
+Ket verslagen, maar Conall van de Overwinningen was er niet beter aan toe, en lag ter neder op het punt van dood te bloeden,
+toen een andere kampioen van Connacht, Be&auml;lcu<a id="d0e4839src" href="#d0e4839" class="noteref">34</a> genaamd, hem vond liggen. &#8220;Dood mij,&#8221; zeide Conall tot hem, &#8220;opdat men niet kan zeggen, dat ik viel door &eacute;&eacute;n man uit Connacht.&#8221;
+Maar Be&auml;lchu zeide: &#8220;Ik zal iemand niet dooden, die op het punt is te sterven, maar ik zal u naar huis brengen, en genezen,
+en zoodra gij uw kracht hebt teruggekregen, zult gij met mij in een tweegevecht strijden.&#8221; Daarop legde Be&auml;lchu Conall op
+een draagbaar, en bracht hem naar huis, en liet hem verzorgen, totdat zijn wonden genezen waren. <a id="d0e4842"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4842">224</a>]</span>Maar toen de drie zonen van Be&auml;lchu zagen, hoe sterk de de kampioen van Ulster was in zijn volle kracht, besloten zij hem
+te vermoorden, voordat het gevecht zou plaats hebben. Doch door een krijgslist wist Conall te bewerken, dat zij in plaats
+daarvan hun eigen vader doodden; en daarna ging hij als overwinnaar zooals hij gewoon was, naar Ulster, terwijl hij de hoofden
+der drie zonen medenam.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e4845" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p224.jpg" alt="Forbay en Koningin Maev"></p>
+<p class="figureHead">Forbay en Koningin Maev</p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De dood van Maev.</h3>
+<p>Ook het verhaal van den dood van koningin Maev is door Keating bewaard gebleven. Toen Fergus mac Roy door Ailell gedood was
+door een speerworp, terwijl hij met Maev in een meer baadde, en toen Ailell door Conall gedood was, trok zich Maev terug naar
+een eiland<a id="d0e4854src" href="#d0e4854" class="noteref">35</a> in Loch Ryve, waar zij gewoon was iederen morgen te baden in een vijver dicht bij de landingsplaats. Toen Forbay, de zoon
+van Conor mac Nessa, die gewoonte van de koningin had ontdekt, vond hij op zekeren dag het middel, onopgemerkt naar den vijver
+toe te gaan en den afstand te meten van den vijver tot aan den oever van het vasteland. Daarna ging hij terug naar Emania,
+waar hij den zoo gemeten afstand uitzette, en na een appel op een stok te hebben geplaatst wierp hij daar met een slinger
+voortdurend naar, totdat hij z&oacute;&oacute; goed op dien afstand had leeren mikken, dat hij nooit meer zijn doel miste. Daarop zag hij
+op zekeren dag, na een gunstige gelegenheid aan de oevers van Loch Ryve te hebben afgewacht, Maev het water instappen, en
+na een kogel in zijn slinger te hebben geworpen, mikte hij z&oacute;&oacute; juist op haar, dat hij haar in het midden van het voorhoofd
+trof en zij dood ter neder stortte.
+
+</p>
+<p>Naar verhaald wordt, had de dappere en krijgszuchtige koningin acht en tachtig jaar in Connacht geregeerd. Zij is een treffend
+voorbeeld van de soort vrouwen, die de Galische barden zoo gaarne schilderen. Bescheidenheid en zachtheid waren volstrekt
+niet haar gewone karaktertrekken, maar eer een <a id="d0e4859"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4859">225</a>]</span>onstuimige, overvloeiende levenslust. Men vindt tallooze voorbeelden van oorlogvoerende vrouwen zooals Skatha en Aifa, en
+men herinnert zich de Gallische vrouwen, met haar krachtige sneeuwwitte armen, die het zoo gevaarlijk is te tarten, van wie
+de classieke schrijvers ons verhalen. De Gallische barden, die in zoo menig opzicht de voorloopers waren van de denkbeelden
+der ridderromantiek, plaatsten de vrouwen niet op een andere lijn dan de mannen. Vrouwen werden beoordeeld en behandeld als
+mannen, noch als slavinnen, noch als godinnen, en wij weten, dat zij zelfs nog in historische tijden met de mannen ten strijde
+trokken, een gebruik, dat eerst in de zesde eeuw eindigde.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Fergus mac Leda en het volk der dwergen.</h3>
+<p>Van die verhalen van den Cyclus van Ulster, die niet gegroepeerd zijn om de figuur van Cuchulain, is &eacute;&eacute;n der meest merkwaardige
+dat van Fergus mac Leda en den Koning van het volk der dwergen. In dit verhaal treedt Fergus op als koning van Ulster, maar
+daar hij een bondgenoot was van Conor mac Nessa, en bij den Strooptocht van Quelgny wordt voorgesteld als Conor in den oorlog
+te volgen, moeten wij besluiten, dat hij in werkelijkheid een onderkoning was, zooals Cuchulain of Owen van Ferney.
+
+</p>
+<p>Het verhaal opent te Faylinn, of het Land en het Volk der dwergen, een ras van Kaboutermannetjes, die een aardige periode
+voorstellen van menschelijke instellingen op verkleinde schaal, maar die (evenals dwergen in de literatuur der primitieve
+rassen meestal worden gedacht) begiftigd zijn met toovermacht. Jubdan<a id="d0e4868src" href="#d0e4868" class="noteref">36</a>, de koning van Faylinn, bluft, als hij bij een feest zich ruim aan wijn heeft te goed gedaan, op de grootheid van zijn macht
+en de onoverwinnelijkheid van zijn gewapende troepen&#8212;behoort daartoe niet ook de sterke man Glower, die er om beroemd is dat
+hij met &eacute;&eacute;n slag van zijn bijl een distel kon afhakken? Maar Eisirt,de bard van den <a id="d0e4871"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4871">226</a>]</span>koning, heeft iets hooren verluiden van een reuzenvolk aan de overzijde der zee, in een land, Ulster genoemd, van wie &eacute;&eacute;n
+man een geheel bataljon van het Volk der dwergen kan vernietigen, en onvoorzichtig geeft hij daaromtrent den pochenden vorst
+een wenk. Onmiddellijk wordt hij om zijn vermetelheid in de gevangenis geworpen, en alleen vrijgelaten onder voorwaarde, dat
+hij dadelijk naar het land dier machtige mannen zal gaan, en de bewijzen zal leveren van de waarheid van zijn ongeloofelijk
+verhaal.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e4874" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p226.jpg" alt="Koning Fergus en de Dwerg"></p>
+<p class="figureHead">Koning Fergus en de Dwerg</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Zoo vertrekt hij dus; en op een schoonen dag vinden dan ook koning Fergus en zijn edelen aan de poort van hun d&#363;n een nietig
+kereltje, prachtig uitgedost in de kleederen van een koninklijken bard, die toegang vraagt. Hij wordt daar binnen gedragen
+op de hand van Aeda, den dwerg en bard van den koning, en nadat hij het hof heeft bekoord door zijn verstandige en geestige
+gezegden, na een rijke belooning te hebben ontvangen, die hij dadelijk verdeelt onder de dichters en andere hovelingen van
+Ulster, keert hij weer naar huis terug, waarbij hij als gast den dwerg Aeda medeneemt, voor wien het volk der dwergen vlucht
+als ware hij een reus uit &#8220;Fomoria,&#8221; hoewel de gemiddelde mannen van Ulster, zooals Eisirt uitlegt, hem als een kind kunnen
+dragen. Jubdan is nu overtuigd, maar Eisirt stelt hem onder <i>geise</i>, den band der ridderlijkheid waaraan geen Iersch opperhoofd zich kan onttrekken zonder schande te ondervinden, om evenals
+Eisirt gedaan heeft, naar het paleis van Fergus te gaan en de pap van den koning te proeven. Nadat Jubdan Aeda gezien heeft,
+is hij zeer ongerust, maar hij maakt zich gereed te gaan, en verzoekt Bebo, zijn vrouw, hem te vergezellen. &#8220;Gij deedt een
+slechte daad,&#8221; zoo sprak zij, &#8220;toen gij Eisirt liet gevangen nemen; maar er is ongetwijfeld niemand onder de zon, die u naar
+rede kan laten luisteren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zoo vertrekken zij dan, en het tooverpaard van Jubdan draagt hen over de zee, totdat zij Ulster bereiken en tegen middernacht
+staan zij voor het paleis van den koning. &#8220;Laat ons de pap eten, zooals wij verplicht zijn,&#8221; zegt Bebo, en v&oacute;&oacute;r <a id="d0e4885"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4885">227</a>]</span>het aanbreken van den dag weer vertrekken&#8221;. Zij dringen heimelijk naar binnen en vinden den pot met pap, tot welks rand Jubdan
+alleen maar kan reiken als hij boven op zijn paard gaat staan. Toen hij zich voorover boog om de pap te bereiken, verliest
+hij het evenwicht en valt in den pot. Hij blijft in de dikke pap vastzitten, en de waschmeiden van Fergus vinden hem bij het
+aanbreken van den dag, terwijl de trouwe Bebo luide weeklaagt. Zij dragen hem naar Fergus, die verbaasd is, dat hij een andere
+dwerg, en dat wel met een vrouwelijke dwerg in zijn paleis vindt. Hij ontvangt hen gastvrij, maar weigert elk verzoek om ze
+te laten terugkeeren. Het verhaal deelt nu in een geest, Rabelais waardig, verschillende avonturen mede, waarin Bebo betrokken
+is, en geeft een aardig gedicht weer, dat door Jubdan zou zijn uitgesproken in den vorm van raadgevingen aan de vrouw die
+in het paleis van Fergus belast is met de bezorging van het vuur, omtrent de voordeelen van het branden van verschillende
+soorten hout. Hier volgen enkele uittreksels:
+
+
+</p>
+<div class="blockquote">
+<p>&#8220;Verbrand niet den zoeten appelboom met neerhangende takken, met witte bloesems, naar wiens sierlijken kruin iedereen de hand
+uitstrekt.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Verbrand niet den edelen wilg, het onfeilbare sieraad der gedichten; bijen drinken van zijn bloesems, allen verheugen zich
+in de sierlijke tent.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Den fijnen, luchtige boom der Dru&iuml;den, met zijn bessen, dien moet gij branden; maar vermijd den zachten boom, verbrand niet
+den slanken hazelaar.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Verbrand niet den esschenboom met zijn zwarte kop&#8212;hout, dat het wiel aandrijft, dat den ruiter zijn zweep verschaft; de esschenhouten
+speer is de maatstok van den strijd.&#8221;
+
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Eindelijk kwamen de dwergen in groote menigte om te verzoeken, Jubdan los te laten. Toen de koning dit weigerde, bezochten
+zij het land met verschillende rampen. Zoo sneden zij de korenaren af; lieten de kalveren alle koeien droog zuigen, bezoedelden
+de bronnen en dergelijke; maar Fergus was verstokt. In hun hoedanigheid van aardgoden, <i>dei terreni</i>, beloven zij te zullen zorgen, dat de vlakten v&oacute;&oacute;r het paleis van <a id="d0e4902"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4902">228</a>]</span>Fergus ieder jaar dik met koren zullen staan, zonder dat zij behoeven te ploegen of te zaaien, maar alles is vergeefs. Eindelijk
+stemt Fergus er in toe, Jubdan uit te leveren tegen de beste zijner tooverschatten, waarop Jubdan ze &eacute;&eacute;n voor een opsomt&#8212;de
+ketel, die nooit leeg wordt, de harp, die vanzelf speelt, en ten slotte maakt hij melding van een paar waterschoenen, waarmede
+ieder, die ze aantrekt even goed over of onder het water kan loopen als op het droge. Fergus kiest de schoenen en Jubdan wordt
+losgelaten.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De misvorming van Fergus.</h3>
+<p>Maar het is voor een sterveling moeilijk, het van de tooverwereld te winnen&#8212;een trek van verborgen moedwil is in toovergiften
+geborgen, en dit bleek ook nu weder. Fergus had er nooit genoeg van, de diepten der meren en rivieren van Ierland te onderzoeken;
+maar op zekeren dag kwam hij in Loch Rury een vreeselijk monster tegen, de <i>Muirdris</i> of het rivierpaard, dat dit meer bewoonde, en dat hij nauwelijks kon ontkomen door naar den oever te ontvluchten. Door den
+schrik bij die ontmoeting was zijn gezicht geheel scheefgetrokken; maar daar een misvormd man in Ierland niet kon regeeren,
+stelden zijn koningen en edelen onder verschillende voorwendsels, alles in het werk, alle spiegels uit het paleis verwijderd
+te houden, en zorgden zij er voor, dat hij geen kennis kreeg van den toestand, waarin hij verkeerde. Op zekeren dag echter
+wierp hij een roede naar een dienstmeid wegens de eene of andere nalatigheid, waarop de meid verontwaardigd uitriep: &#8220;Het
+ware beter voor u, Fergus, als gij u wreektet op het rivierpaard, dat uw gezicht heeft verdraaid, dan dappere daden tegenover
+vrouwen te verrichten!&#8221; Fergus beval hem een spiegel te brengen, en bekeek zich daarin. &#8220;Het is waar&#8221;, zeide hij, &#8220;dit heeft
+het rivierpaard van Loch Rury gedaan.&#8221;
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De dood van Fergus.</h3>
+<p>Daarop trok Fergus de tooverschoenen aan, nam zijn zwaard in de hand en ging naar Loch Rury. Een geheelen dag en <a id="d0e4917"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4917">229</a>]</span>nacht bleef hij onder de golven buiten het gezicht, maar al de mannen van Ulster, die aan den oever stonden, zagen het meer
+koken en rood worden door zijn bloed. Toen bij het aanbreken van den dageraad ook de lucht rood werd, verrees hij&#8212;en in zijn
+hand hield hij den kop van Muirdris. De misvorming was verdwenen! Op zijn bevallig gelaat had iedere trek weer symmetrisch
+zijn plaats ingenomen; en allen die hem zagen ontdekten weer in zijn geheele gezicht de koninklijke rust, breed en kalm. Hij
+glimlachte, wierp de tropee op den oever, en sprak &#8220;mannen van Ulster, ik heb overwonnen&#8221;! daarna verzonk hij in de diepte.
+
+</p>
+<p>Dit schoone verhaal is door Standish Hayes O&#8217;Grady in zijn &#8220;Silva Gadelica&#8221; uitgegeven. De luimige behandeling van het tooverelement
+in de geschiedenis zou er op wijzen, dat het behoort tot een latere periode der Iersche legenden, maar het tragische en edele
+slot wijst er onmiskenbaar op, dat het paste in de bardenliteratuur van Ulster, en het valt binnen dezelfde orde van denkbeelden,
+als de verhalen van Cuchulain, en is zelfs misschien uit dezelfde periode afkomstig.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Beteekenis van Iersche plaatsnamen.</h3>
+<p>Voordat wij met dezen uitgebreiden cyclus van legendenliteratuur eindigen, willen wij nog even wijzen op datgene, wat misschien
+de aandacht van enkele lezers heeft getrokken&#8212;hoezeer de voornaamste karakters en episodes genoemd zijn in de nog overgebleven
+plaatsnamen van het land.<a id="d0e4926src" href="#d0e4926" class="noteref">37</a> Dit geldt in het algemeen voor Iersche legenden, maar vooral voor den cyclus van Ulster. Getrouw hebben die namen, gedurende
+vele eeuwen van duisternis en vergetelheid, gewezen op de verborgen schatten van helden-romantiek, die de arbeid van onze
+dagen nu aan het licht brengt. De naam van de kleine stad Ardee, brengt ons,<a id="d0e4929src" href="#d0e4929" class="noteref">38</a> zooals wij gezien hebben, den tragischen dood in herinnering van Ferdia door toedoen van zijn <a id="d0e4935"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4935">230</a>]</span>trouwsten makker, den edelsten held van Wales. De puinhoopen van D&#363;n Baruch, waar Fergus op het <span class="corr" title="Bron: verradelijke">verraderlijke</span> festijn was genoodigd, zien nog neer op de wateren van Moyle, waarover Naisi en Deirdre hun tragisch lot tegemoet gingen.
+Ardnurchar, de Heuvel van den Geslingerden Steen, in Westmeath,<a id="d0e4940src" href="#d0e4940" class="noteref">39</a> brengt ons de geschiedenis van den fieren monarch voor den geest, de menigte toeschouwende vrouwen, en den zich bukkenden
+vijand met het doodelijke werptuig, dat de wraak van Mesgedra droeg. De naam Armagh, of Ard Macha, de Heuvel van Macha, bewaart
+de herinnering aan de tooverbruid en haar heldenoffer, terwijl nog steeds de graswal zichtbaar is, waar de oorlogsgodin in
+de oudere legende met de pen van haar speld den omtrek uitzette, toen zij de koninklijke vesting Ulster stichtte. Wij zouden
+nog een aantal bladzijden met die voorbeelden kunnen vullen. Misschien zijn in geen ander modern land plaatsnamen z&oacute;&oacute; zeer
+verbonden met bepaalde legenden als in Ierland. Po&euml;zie en mythen zijn daar nog altijd nauw verbonden met den grond van het
+land&#8212;een feit, waarin een bron van opvoeding en bezieling der edelste soort voor de hand ligt, als wij maar in staat waren
+die te zien en de kunst verstonden, daarvan gebruik te maken.
+
+
+
+
+<a id="d0e4949"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4949">231</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3955" href="#d0e3955src" class="noteref">1</a></span> In het Engelsch uitgesproken als &#8220;Koohoo&#8217;lin&#8221;.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3958" href="#d0e3958src" class="noteref">2</a></span> Zie blz. <a href="#d0e3451">134</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4005" href="#d0e4005src" class="noteref">3</a></span> Zie blz. <a href="#d0e2944">106</a>, waar die godheid wordt besproken.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4027" href="#d0e4027src" class="noteref">4</a></span> Dectera had tevens een sterfelijken echtgenoot, Sualtam, die beschouwd
+werd als de vader van Cuchulain.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4063" href="#d0e4063src" class="noteref">5</a></span> Het is de vermelding waard, dat onder de karakters, die voorkomen in den legendencyclus van Ulster, een aantal namen voorkomen,
+waarvan het woord <i>Cu</i> (hond) een deel uitmaakt. Zoo hebben wij Curoc, Cucorb, Be&auml;lcu, enz. Dit staat ongetwijfeld in verband met den Ierschen wolfshond,
+een prachtig type van kracht en schoonheid.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4081" href="#d0e4081src" class="noteref">6</a></span> Het tegenwoordige Lusk, een dorp aan de kust enkele mijlen ten noorden van Dublin.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4104" href="#d0e4104src" class="noteref">7</a></span> Door de overeenkomst in naam werd het bovennatuurlijke land van Skatha &#8220;het Schaduwland&#8221; reeds vroegtijdig vereenzelvigd met
+de eilanden Skaje, waar de Cuchulain Pieken getuigenis afleggen van die legende.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4201" href="#d0e4201src" class="noteref">8</a></span> Zie genealogische tabel, blz. <a href="#d0e3993">164</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4255" href="#d0e4255src" class="noteref">9</a></span> Miss Hull, De Cuchulain Sage, blz. 72, waar de zonnetheorie van den Bruinen Stier uitgebreid wordt behandeld.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4262" href="#d0e4262src" class="noteref">10</a></span> Een <i>cumal</i> was de standaardmunt in het Keltische Ierland. Als zoodanig wordt hij door St. Patrick genoemd. Hij stond in prijs gelijk
+met een slavin.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4281" href="#d0e4281src" class="noteref">11</a></span> De vloek door Macha op hen gelegd. Zie blz. <a href="#d0e3946">161</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4294" href="#d0e4294src" class="noteref">12</a></span> Cuchulain was, als de Zoon van den God Lugh, niet onder den vloek van Macha, waaronder de overige bewoners van Ulster stonden.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4307" href="#d0e4307src" class="noteref">13</a></span> Zijn vermeende vader, de sterfelijke echtgenoot van Dectera.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4321" href="#d0e4321src" class="noteref">14</a></span> In de Iersche bardische litteratuur behoorde evenmin als in de Homerische epische gedichten, kuischheid tot het mannelijke
+ideaal voor goden en menschen.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4334" href="#d0e4334src" class="noteref">15</a></span> &#8220;De Wadde van den Vertakten Paal&#8221;.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4366" href="#d0e4366src" class="noteref">16</a></span> Wij citeeren uit de vertaling van Standish Hayes O&#8217;Grady, in de &#8220;Cuchulain Mythe&#8221; van Miss Hull.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4376" href="#d0e4376src" class="noteref">17</a></span> <i>Ath Ferdia</i>, wat in het Engelsch wordt uitgesproken en thans gespeld als &#8220;Ardee&#8221;. Het ligt in het Graafschap Louth, aan de zuidelijke
+grens van de vlakte van Murthemney, wat het grondgebied van Cuchulain was.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4391" href="#d0e4391src" class="noteref">18</a></span> Zie blz. <a href="#d0e3036">111</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4403" href="#d0e4403src" class="noteref">19</a></span> In het oude Ierland waren vijf provincies, waarbij Munster voor twee werd geteld, of zooals enkele oude autoriteiten verklaren,
+het grondgebied van den opperkoning in Meath en Westmeath als een afzonderlijke provincie wordt gerekend.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4442" href="#d0e4442src" class="noteref">20</a></span> &#8220;Clan&#8221; beteekent in het Galisch kinderen of kroost. Clan Calatin beteekent dus de zonen van Calatin.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4460" href="#d0e4460src" class="noteref">21</a></span> De lezer zal, bij veel wilds en barbaarsch in dit Iersche epos &#8220;de Tain&#8221; getroffen worden door de idealen van ridderlijkheid
+en welwillendheid, die hier zoo veelvuldig aan het licht komen. Wij moeten er aan herinneren, dat, zooals A.&nbsp;H. Leahy in zijn
+&#8220;Heldenromans van Ierland&#8221; in het licht stelt, de legende van den Strooptocht van Quelgny op zijn laatst een eeuw ouder is
+dan alle andere ridderromans, hetzij Galisch, hetzij van het Vasteland. Zij wordt gevonden in het &#8220;Boek van Leinster&#8221;, een
+handschrift uit de twaalfde eeuw, zoowel als in andere vormen, en was ongetwijfeld veel ouder dan in den daar gegeven vorm.
+&#8220;Het geheele verhaal,&#8221; zegt Leahy, &#8220;dagteekent uit het allereerste begin der litteratuur van modern Europa.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4501" href="#d0e4501src" class="noteref">22</a></span> Een ander voorbeeld van het blijven voortleven der eedsformule, die door de Keltische afgezanten tegenover Alexander den Groote
+was uitgesproken. Zie blz. <a href="#d0e971">7</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4516" href="#d0e4516src" class="noteref">23</a></span> Zie blz. <a href="#d0e3144">115</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4529" href="#d0e4529src" class="noteref">24</a></span> Het zwaard van Fergus was een tooverwapen de <i>Caladcholg</i> (knotsige stooter) genoemd, een naam, waarvan het meer beroemde Latijnsche &#8220;Excalibur&#8221;, een gelatiniseerde verbastering is.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4537" href="#d0e4537src" class="noteref">25</a></span> Dit slaat op de geschiedenis met Deirdre.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4552" href="#d0e4552src" class="noteref">26</a></span> Zie blz. <a href="#d0e4374">193</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4603" href="#d0e4603src" class="noteref">27</a></span> Vertaling van A.&nbsp;H. Leahy, &#8220;Heldenromans van Ierland,&#8221; Deel I.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4612" href="#d0e4612src" class="noteref">28</a></span> De mantel van Mananan (zie blz. <a href="#d0e3023">110</a>) stelt de zee voor&#8212;hier in haar verdeelende en vervreemdende macht.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4632" href="#d0e4632src" class="noteref">29</a></span> Die Curoi komt voor in verschillende verhalen uit den Cyclus van Ulster, met z&oacute;&oacute;danige attributen, dat het duidelijk blijkt,
+dat hij geen sterfelijk koning, maar een plaatselijke godheid was.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4653" href="#d0e4653src" class="noteref">30</a></span> Die spookverschijning van het waschmeisje der wadde komt in Iersche legenden veelvuldig voor.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4669" href="#d0e4669src" class="noteref">31</a></span> Zie blz. <a href="#d0e3686">148</a> in betrekking tot <i>geis</i> &#8220;zijn naamgenoot&#8221; heeft natuurlijk betrekking op het verhaal van den Hond van Cullan, blz. <a href="#d0e4037">166</a> en <a href="#d0e4057">167</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4689" href="#d0e4689src" class="noteref">32</a></span> Het was een eerezaak, een bard niets te weigeren; er is zelfs een verhaal, dat een koning zijn oog gaf, toen het hem gevraagd
+werd.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4785" href="#d0e4785src" class="noteref">33</a></span> Het verhaal wordt in den breede gedaan door den schrijver dezes in zijn &#8220;Heldendaden aan Finn.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4839" href="#d0e4839src" class="noteref">34</a></span> In het Engelsch uitgesproken &#8220;Bay-al-koo.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4854" href="#d0e4854src" class="noteref">35</a></span> Inis Clothrann, nu bekend onder den naam van Quakers eiland. De vijver bestaat niet meer.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4868" href="#d0e4868src" class="noteref">36</a></span> In het Engelsch uitgesproken als &#8220;Youb&#8217;dan&#8221;.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4926" href="#d0e4926src" class="noteref">37</a></span> Dr. P.&nbsp;W. Joyce, &#8220;Iersche plaatsnamen&#8221; schenkt een rijke bron van inlichtingen op dit gebied.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4929" href="#d0e4929src" class="noteref">38</a></span> Blz. <a href="#d0e4374">193</a>, noot.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4940" href="#d0e4940src" class="noteref">39</a></span> De naam is zoowel aan den heuvel <i>ard</i>, als aan de wadde daaronder, <i>atha</i> gegeven.
+</p>
+</div>
+<p class="div1"><a id="d0e4950"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e166">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk VI: Verhalen uit den Cyclus van Ossian.</h2>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Fianna van Erin.</h3>
+<p>Evenals de verhalen van den Cyclus van Ulster zich concentreeren om de heldenfiguur van den hond van Cullan, zoo concentreeren
+zich die van den Cyclus van Ossian om de figuur van Finn mac Cumhal<a id="d0e4958src" href="#d0e4958" class="noteref">1</a>, wiens zoon Ois&#299;n<a id="d0e4961src" href="#d0e4961" class="noteref">2</a> (of Ossian, zooals Macpherson hem genoemd heeft in de zoogenaamde vertalingen uit het Galisch, waardoor hij voor het eerst
+in de Engelsch sprekende wereld werd ingevoerd) was zoowel een dichter als een krijgsman, en is de traditioneele vervaardiger
+van de meeste dier verhalen. Men meent, dat de gebeurtenissen van den Cyclus van Ulster hebben plaats gegrepen omstreeks de
+geboorte van Christus. Die van den Cyclus van Ossian vielen meestal tijdens de regeering van Cormac mac Art, die leefde in
+de derde eeuw na Christus. Gedurende zijn regeering bereikten de Fianna van Erin, die worden voorgesteld als een soort van
+militaire orde, welke hoofdzakelijk bestond uit de leden van twee Clans, Clan Bascna en Clan Morna, en van wie men meende,
+dat zij zich verbonden hadden tot den dienst van den opperkoning en tot het verdrijven van vreemde invallers, hun hoogsten
+roem onder het opperbevel van Finn.
+
+</p>
+<p>De kroniekschrijvers van het oude Ierland behandelden de geschiedenis van Finn en de Fianna, in hare voornaamste trekken,
+als gewone geschiedenis. Dit kan zeker niet juist zijn. Ierland had geen vreemde overweldigers gedurende de periode, toen
+de Fianna geacht werden gebloeid te hebben, en de verhalen werpen geen spoor van licht op de werkelijke geschiedenis van het
+land; zij hebben veel meer betrekking op een tooverland, dat bevolkt is door bovennatuurlijke wezens, schoon of verschrikkelijk,
+dan met een werkelijk deel der aarde, dat door echte mannen en vrouwen bewoond wordt. De moderne critische lezer van die verhalen
+zal spoedig inzien, <a id="d0e4966"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4966">232</a>]</span>dat het ijdel zou zijn te willen zoeken naar eenigen op feiten berustenden grondslag in die glinsterende luchtspiegeling.
+Maar die luchtspiegeling werd geschapen door dichters en vertellers van zoo buitengewone gaven voor die soort van literatuur,
+dat zij onmiddellijk een stevig houvast kreeg op de verbeelding der Iersche en der Schotsche Gali&euml;rs.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Ossian-Cyclus.</h3>
+<p>De oudste verhalen van dezen cyclus, die nog zijn overgebleven, worden gevonden in handschriften der elfde en der twaalfde
+eeuw, en werden waarschijnlijk enkele eeuwen vroeger samengesteld. Maar de cyclus bleef krachtig groeien gedurende een periode
+van duizend jaar, tot aan het &#8220;Lied van Ois&#299;n in het Land der Jeugd&#8221;, van Michael Comyn, dat omstreeks 1750 werd samengesteld,
+en dat de lange geschiedenis der Galische literatuur afsloot. Men schat,<a id="d0e4973src" href="#d0e4973" class="noteref">3</a> dat indien alle vertellingen en gedichten van den Ossian-Cyclus, die nog zijn overgebleven, konden worden gedrukt, zij een
+goede vijf en twintig deelen van de grootte van dit werk zouden vullen. Bovendien zou een zeer groot gedeelte van die literatuur,
+al waren er volstrekt geen handschriften, gedurende de laatste en de voorafgaande eeuwen kunnen zijn opgevangen van de lippen
+van wat dwaselijk een &#8220;ongeletterde&#8221; boerenstand in de Hooglanden en in de Galisch sprekende gedeelten van Ierland is genoemd.
+Het moet ons zeker wel belang inboezemen, het karakter eener literatuur te bestudeeren, die in staat is geweest, zulk een
+betoovering uit te oefenen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Verschil met den Cyclus van Ulster.</h3>
+<p>Laat ons beginnen met de opmerking, dat de lezer zich in een geheel andere atmosfeer zal vinden dan die waarin de helden van
+den Cyclus van Ulster leven en zich bewegen. Alles spreekt van een latere periode, toen het leven liefelijker <a id="d0e4981"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4981">233</a>]</span>en zachter was, toen men meer in steden en nederzettingen leefde, toen het Volk van Dana duidelijker fe&euml;en en minder godheden
+waren, toen in de letterkunde de elementen van wonderen en romantiek de overhand hadden, en de ijzeren snaar van heldenmoed
+en zelfopoffering, niet zooveel meer meeklonk. Er is in de Ossian litteratuur een bewust genot in de woeste natuur, in landschappen,
+in het gezang van vogels, de muziek der jacht in de bosschen, in geheimzinnige en romantische avonturen, wat alles onmiskenbaar
+spreekt van een tijd, toen op het vrije leven in de open lucht &#8220;onder de groene boomen&#8221; werd terugzien en dat ge&iuml;dealiseerd
+werd, maar dat leven niet meer als regel werd geleefd door hen die het bezingen. Ook is er een gewichtig verschil in de plaats
+der handeling. De verhalen van Conor waren het uitvloeisel van een litteraire beweging, die haar oorsprong had te midden van
+de frissche heuvelen of op de sombere door rotsen omgeven kusten van Ulster. In den Ossian-Cyclus bevinden wij ons in de binnenlanden
+van het zuiden van Ierland. Veel van de handeling heeft plaats te midden der zachte betoovering van het landschap Killarney,
+en het verschil tusschen de beide streken weerspiegelt zich in het ethische karakter der vertellingen.
+
+</p>
+<p>In den Cyclus van Ulster zal men opmerken, dat hoe buitensporig men gebruik gemaakt heeft van het bovennatuurlijke element,
+de eindbeteekenis van bijna ieder verhaal, het einddoel, waarop de geheele bovennatuurlijke opzet uitloopt, iets werkelijks
+en menschelijks is, iets wat in verband staat met de deugden of de ondeugden, de hartstochten of de plichten van mannen en
+vrouwen. Dit is, in het algemeen gezegd, bij den Ossian-Cyclus niet het geval. De edeler ader der literatuur schijnt uitgeput
+te zijn, en wij hebben nu schoonheid alleen ter wille van de schoonheid, romantiek ter wille der romantiek, afgrijzen of geheimzinnigheid
+ter wille van de spanning, die zij opwekken. De Ossian-verhalen zijn &#8220;liefelijke verschijningen, gezonden om een oogenblik
+tot sieraad te strekken.&#8221; Zij missen dat eigenaardige, dat in de edelste <a id="d0e4985"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4985">234</a>]</span>kunst, zoowel als in de edelste persoonlijkheden wordt gevonden, dat de gave heeft &#8220;te waarschuwen, te troosten, te beheerschen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De komst van Finn.</h3>
+<p>Koning Cormac mac Art was ongetwijfeld een historische figuur, wat misschien meer is dan wij van Conor mac Nessa kunnen beweren.
+Of er een werkelijke persoonlijkheid schuilt achter de roemrijke figuur van zijn grooten legeraanvoerder Finn, is moeilijker
+te zeggen. Maar het is voor ons doel niet noodig, ons in dit vraagstuk te verdiepen. Hij was een schepping van den Keltischen
+geest in &eacute;&eacute;n land en in &eacute;&eacute;n periode van zijn ontwikkeling, en het is hier onze taak, na te gaan, wat voor soort van karakter
+de Iersche geest wenschte te idealiseeren en te dramatiseeren.
+
+</p>
+<p>Finn stamde, zooals de meeste Iersche helden, gedeeltelijk af van het Volk van Dana. Zijn moeder, Murna met den Witten Nek,
+was de kleindochter van Nuada met de Zilveren Hand, die gehuwd was met Ethlinn, de dochter van Balor den Fomori&euml;r, die aan
+Kian den Zonnegod Lugh gebaard had. De vader van Finn was Cumhal,de zoon van Trenm&#333;r. Hij was het opperhoofd van den Clan
+Bascna, die met den Clan Morna streed om de oppermacht over de Fianna, en door dezen werd ten onder gebracht en gedood in
+den slag bij Knock.<a id="d0e4994src" href="#d0e4994" class="noteref">4</a>
+
+</p>
+<p>Onder den Clan Morna was een man, Lia genaamd, heer van Luachar in Connacht, die de schatmeester der Fianna was, en die den
+zak met schatten bewaarde, een zak vervaardigd van de huid van kraanvogels, en waarin hij tooverwapenen en kostbare juweelen
+had, die nog afkomstig waren uit den tijd van het Volk van Dana. En hij werd ook schatbewaarder van den Clan Morna en bewaarde
+nog steeds den zak in Rath Luachar.
+
+</p>
+<p>Murna zocht na de nederlaag en den dood van Cumhal een schuilplaats in de bosschen van Slieve Bloom,<a id="d0e5001src" href="#d0e5001" class="noteref">5</a> en daar bracht <a id="d0e5004"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5004">235</a>]</span>zij een jongen ter wereld, dien zij Demna noemde. Uit vrees, dat de Clan Morna hem zou ontdekken en dooden, liet zij hem opvoeden
+in het dichte bosch door twee oude vrouwen, en zelf trouwde zij met den koning van Kerry. Maar toen Demna tot een knaap was
+opgegroeid werd hij &#8220;Finn&#8221; of de Blanke genaamd, om de blankheid van zijn huid en zijn gouden haren, en onder dien naam was
+hij later voortdurend bekend. Zijn eerste daad was, Lia te dooden, die den zak met schatten van de Fianna had, waarna hij
+zich van den zak meester maakte. Daarna spoorde hij zijn oom Crimmal op, die met enkele andere oude mannen, die van de hoofden
+van de Clan Bascna in het leven waren gebleven, en aan het zwaard te Castleknock ontsnapt waren, in groote armoede en zeer
+treurig leefden in de schuilhoeken der bosschen van Connacht. Hij voorzag hen van een gevolg en een lijfwacht uit de jongelingen,
+die zijn fortuin volgden, en gaf hun den zak met schatten. Hij zelf ging uit om po&euml;zie en wetenschap zoo volmaakt mogelijk
+te leeren van een ouden wijze en Dru&iuml;de, Finegas genaamd, die aan de Boyne woonde. Hier in een poel dier rivier woonde onder
+de takken van een hazelaar, waarvan de Noten der Kennis op de rivier vielen, Fintan de Zalm der Kennis, waarvan het bekend
+was, dat wie daarvan at alle wijsheid der eeuwen zou bezitten. Finegas had herhaaldelijk getracht dien zalm te vangen, maar
+was daar niet ingeslaagd, totdat Finn gekomen was, om zijn leerling te worden. Toen ving hij hem op zekeren dag, en gaf hem
+Finn, om hem te koken, met het bevel daarvan zelf niet te eten, maar hem te waarschuwen als hij klaar was. Toen de knaap den
+zalm binnenbracht, zag Finegas, dat zijn uiterlijk veranderd was. &#8220;Hebt gij van den zalm gegeten?&#8221; vroeg hij. &#8220;Neen,&#8221; antwoordde
+Finn, &#8220;maar toen ik hem aan het spit omdraaide, brandde ik mijn duim, en stak dien in mijn mond.&#8221; &#8220;Neem den Zalm der Kennis
+en eet er van,&#8221; zeide Finegas daarop, &#8220;want in u is de voorspelling bewaarheid. En ga nu heen, want ik kan u niets meer leeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daarna werd Finn even wijs als hij krachtig en dapper was, en men verhaalt, dat zoo dikwijls hij wenschte te raden, wat <a id="d0e5008"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5008">236</a>]</span>zou gebeuren, of wat op een afstand geschiedde, hij slechts zijn duim in den mond behoefde te steken, en daarop te bijten,
+waarna de kennis, die hij wenschte te verwerven, de zijne zou zijn.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Finn en de booze geest.</h3>
+<p>In dien tijd was Goll, de zoon van Morna, de aanvoerder der Fianna van Erin, maar toen Finn den mannelijken leeftijd had bereikt,
+wilde hij de plaats van zijn vader Cumhal innemen. Daarom ging hij naar Tara, en zat hij tijdens de Groote Vergadering, als
+niemand zijn hand tegen een ander mocht opheffen binnen het grondgebied van Tara, neder onder de krijgslieden des konings
+en de Fianna. Eindelijk merkte de koning hem als vreemdeling onder hem op, en vroeg hem zijn naam en afkomst te noemen. &#8220;Ik
+ben Finn, de zoon van Cumhal&#8221;, zeide hij, &#8220;en ik ben hier gekomen om onder u dienst te nemen, zooals mijn vader gedaan heeft,
+o koning.&#8221; De koning nam hem gaarne op, en Finn legde een eed af, dat hij hem trouw zou dienen. Niet lang daarna kwam de tijd
+van het jaar, waarop Tara verontrust werd door een boozen geest, die tegen het aanbreken van den nacht kwam en vuurkogels
+wierp tegen de koninklijke stad en die in vlam zette, en niemand kon den strijd tegen hem opnemen, want zoodra hij kwam speelde
+hij z&oacute;&oacute; liefelijk op de harp, dat ieder die het hoorde, in droomen werd gehuld, en alles op aarde vergat, om naar die muziek
+te kunnen luisteren. Toen dit Finn was medegedeeld, ging hij tot den koning en zeide: &#8220;Zal ik, als ik den boozen geest dood,
+de plaats van mijn vader krijgen, als hoofd der Fianna?&#8221; &#8220;Ja zeker,&#8221; zeide de koning en bij eede verbond hij zich daartoe.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e5016" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p236.jpg" alt="Finn vindt de Oude Mannen in het Bosch"></p>
+<p class="figureHead">Finn vindt de Oude Mannen in het Bosch</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Onder de krijgslieden behoorden ook een oude volgeling van Cumhal, den vader van Finn, die een tooverspeer bezat met een bronzen
+kop en klampen van Arabisch goud. De kop was omhuld door een leeren foedraal, en zij had de eigenschap, dat als het bloote
+lemmer tegen het voorhoofd van iemand gehouden werd, deze een z&oacute;&oacute; groote kracht en krijgswoede zou krijgen, dat hij in iederen
+strijd onoverwinnelijk zou worden. Fiacha gaf die speer aan Finn, en leerde hem hoe die te gebruiken, <a id="d0e5022"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5022">237</a>]</span>en daarmede wachtte hij de komst af van den boozen geest op de wallen van Tara. Toen de nacht viel en de nevelen zich in de
+wijde vlakte rondom den heuvel begonnen te verzamelen, zag hij een donkeren vorm snel naar hem toekomen en hoorde hij de tonen
+der tooverharp. Maar door de speer tegen zijn voorhoofd te houden, schudde hij de betoovering van zich af, en het spook vluchtte
+voor hem weg naar den Tooverheuvel van Slieve Fuad, en daar haalde Finn hem in en doodde hem, en bracht zijn hoofd naar Tara
+terug.
+
+</p>
+<p>Daarop plaatste koning Cormac Finn voor de Fianna, en beval hen allen, hem gehoorzaamheid te zweren als hun hoofd of anders
+ergens anders dienst te nemen. En het eerst van allen legde Goll mac Morna den eed af, en daarop volgden al de overigen, en
+Finn werd het hoofd van de Fianna van Erin, en regeerde over hen totdat hij stierf.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De voornaamste volgelingen van Finn: Conan mac Lia.</h3>
+<p>Met de komst van Finn bereikten de Fianna van Erin den hoogsten bloei, en na zijn dood taande hun roem weer. Want hij regeerde
+zooals geen ander aanvoerder ooit had gedaan, zoowel krachtig als verstandig, en nooit koesterde hij tegen iemand een wrok,
+maar vergaf iemand gaarne alle overtredingen behalve trouweloosheid tegen zijn heer. Zoo verhaalt men, dat Conan, de zoon
+van den heer van Luachar, die den zak met schatten in bezit had, en die door Finn bij Rath Luachar was verslagen, gedurende
+zeven jaar vogelvrij verklaard en een strooper was, die de Fians voortdurend lastig viel, en hier een man, daar een hond doodde,
+woningen in brand stak en het vee weg voerde. Eindelijk werd hij te Carn Lewy in Munster in een hoek gedreven, en toen hij
+zag, dat hij niet meer kon ontsnappen, sloop hij achter Finn toen deze na een jacht ter neder zat en sloeg van achteren zijn
+armen om hem heen, waarbij hij hem z&oacute;&oacute; vast hield, dat beweging onmogelijk was. Finn wist, wie hem zoo vast hield, en zeide:
+&#8220;Wat wilt gij Conan?&#8221; Conan antwoordde: &#8220;Ik wil met u een verdrag sluiten, dat ik u trouw zal dienen, <a id="d0e5031"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5031">238</a>]</span>want ik kan uw toorn niet langer ontloopen.&#8221; Finn lachte daarop en zeide; &#8220;Het zij zoo, Conan, en als gij blijkt trouw en
+dapper te zijn, zal ik mijn belofte houden.&#8221; Conan diende hem daarna dertig jaar lang, en van al de Fianna was er niemand
+dapperder en kloeker in den strijd.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e5034" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p238.jpg" alt="&#8220;Finn hoorde de tonen der Tooverharp&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Finn hoorde de tonen der Tooverharp&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Conan mac Morna.</h3>
+<p>Er was nog een andere Conan, en wel mac Morna, die zwaar en kaal was, en lomp in mannelijke oefeningen, maar wiens tong bitter
+en gemeen was; er werd geen edele of dappere daad verricht, die niet door Conan den Kale belachelijk werd gemaakt of naar
+beneden gehaald. Men verhaalt, dat hij langs zijn rug en zijn kruis de vacht van een zwart schaap droeg in plaats van de huid
+van een man, en dit kwam op de volgende wijze voor den dag. Op zekeren dag, toen Conan met enkele anderen van den Fianna in
+het bosch op jacht was kwamen zij bij een statige d&#363;n met witte muren, met gedekt gekleurd riet en zij traden naar binnen,
+om daar gastvrijheid te zoeken. Maar toen zij binnen gekomen waren, vonden zij er niemand, alleen een groote ledige zaal met
+pilaren van cederhout en zijden behangsels, zooals men die vindt in de zaal van een rijken edele. In het midden der zaal was
+een tafel, gedekt met een rijken voorraad zwijnenvleesch en wild, en een groot vat van taxishout, vol met rooden wijn, en
+bekers van goud en zilver. Zij zetten zich dus vroolijk neder om te eten en te drinken, daar zij na de jacht hongerig waren,
+en zij spraken en lachten luide rondom de tafel. Maar &eacute;&eacute;n van hen sprong na korten tijd overeind met een kreet van vrees en
+verbazing, en allen keken om en zagen voor hun oogen, dat de met tapijten behangen muren veranderden in ruwe houten balken,
+en de zoldering in gewoon, roetachtig stroo, zooals men dat vindt in de hut van een veehoeder. Hieruit bleek het, dat zij
+door een betoovering van het toovervolk waren gevangen, en allen sprongen overeind en spoedden zich naar den uitgang, die
+niet langer hoog en statig was, maar verminderd was tot de grootte van een vossegat&#8212;behalve <a id="d0e5043"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5043">239</a>]</span>Conan de Kale, die gulzig de lekkere spijzen op de tafel verslond en nergens anders op lette. Nu schreeuwden zij hem toe,
+en toen de laatste van hen naar buiten trad, trachtte hij op te staan en te volgen, maar hij bleek vastgeplakt aan zijn stoel,
+zoodat hij zich niet kon bewegen. Daarom holden twee der Fianna, toen zij zagen in welke moeilijkheid hij verkeerde, terug,
+pakten hem bij de armen en trokken zoo hard zij konden en bij het wegrukken bleef het grootste deel van zijn kleeding en van
+zijn huid aan den stoel hechten. Niet wetend wat anders met hem te doen in zijn pijnlijken toestand, sloegen zij toen op zijn
+rug wat zij het dichtst in hun bereik vonden, namelijk de huid van een zwart schaap dat zij namen van de kudde van een boer
+in de nabijheid, en deze groeide daaraan vast en Conan droeg die tot hij stierf.
+
+</p>
+<p>Hoewel Conan een lafaard was en hij zich zelden in een gevecht waagde met de Fianna, viel toch eens, aldus luidt het verhaal,
+een sterk man door zijn hand. Dat was op den dag van den grooten veldslag met de rooversbende op den Slachting-heuvel in Kerry<a id="d0e5047src" href="#d0e5047" class="noteref">6</a>. Want Liagan, een van de roovers, ging voor den troep staan en daagde den dapperste der Fians uit tot een tweegevecht en
+de Fians duwden spottend Conan naar voren. Toen hij verscheen, begon Liagan te lachen, want hij had meer kracht dan geest,
+en hij zeide: &#8220;Het is dwaas dat ge komt, gij armzalige oude man.&#8221; En toen Conan nog nader bij kwam hief Liagan woest zijn
+hand op, en Conan zeide: &#8220;Voorwaar ge loopt meer gevaar van den man achter, dan van den man voor u.&#8221; Liagan keek om en op
+dat oogenblik sloeg Conan hem het hoofd af, toen wierp hij zijn zwaard weg en liep naar de gelederen der lachende Fians. Maar
+Finn was zeer vertoornd, omdat hij de overwinning had behaald door een list.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Dermot O&#8217;Dyna.</h3>
+<p>En een van de voornaamste vrienden van Finn was Dermot van de Liefde-Vlek. Hij was zoo schoon en edel van aanblik, dat geen
+vrouw hem liefde kon weigeren, en men zegt dat hij <a id="d0e5055"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5055">240</a>]</span>nooit van moeheid afwist en dat zijn stap even licht was aan het eind van den langsten dag van strijd of jacht, als aan het
+begin. Tusschen hem en Finn bestond warme genegenheid, tot op den dag dat Finn, toen een oud man, Grania, dochter van Cormac
+den Opperkoning, zou huwen; maar Grania deed Dermot bij de gewijde verordeningen van de ridderschap van Fian beloven in haar
+bruiloftsnacht met haar te vluchten, hetgeen hij, zeer tegen zijn wil, deed en wat hem het leven kostte. Maar Grania ging
+terug tot Finn en toen de Fianna haar zag, werd door het heele kamp in bitteren spot gelachen, want zij zouden niet een van
+de vingers van den doode hebben gegeven voor twintig levenden als Grania.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Keelta mac Ronan en Ois&#299;n.</h3>
+<p>Een ander van Finn&#8217;s hoofdmannen was Keelta mac Ronan, een van zijn opzichters en zoowel krachtig krijgsman als welsprekend
+voordrager van verhalen en gedichten. En daar was Ois&#299;n, de zoon van Finn, de grootste dichter der Kelten, over wien later
+meer.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Oscar.</h3>
+<p>Ois&#299;n had een zoon, Oscar genaamd, van alle Fians de geweldigste krijger. In zijn eersten slag doodde hij drie koningen en
+in zijn onstuimigheid doodde hij ook bij ongeluk zijn eigen vriend en medeleerling Linn&eacute;. Zijn vrouw was de schoone Aideen,
+die van verdriet stierf na Oscar&#8217;s dood in den slag van Gowra en Ois&#299;n begroef haar op Ben Edar (Howth) en richtte op haar
+graf de groote dolmen op, die men daar nu nog vindt. Oscar treedt in deze literatuur op als een type van harde kracht, met
+een hart &#8220;als van gedraaid hoorn in een schede van staal&#8221;, een karakter even zuiver voor den oorlog geschapen als een zwaard
+of speer.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Geena mac Luga.</h3>
+<p>Een ander van Finn&#8217;s sterke mannen was Geena, de zoon van Luga; zijn moeder was de krijgshaftige dochter van Finn <a id="d0e5072"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5072">241</a>]</span>en zijn vader na verwant aan haar vader. Hij was opgevoed door een vrouw die den naam droeg van Schoone Mane, die velen van
+de Fianna had groot gebracht. Toen de tijd om de wapens te dragen voor hem gekomen was, verscheen hij voor Finn en legde den
+eed van trouw af en Finn stelde hem aan tot kapitein over een afdeeling. Maar mac Luga bleek lui en zelfzuchtig te zijn, steeds
+snoevend op zich zelf en zijn bedrevenheid in het hanteeren der wapens, nooit zijn mannen oefenend in de jacht op hert of
+everzwijn en hij placht zijn honden en dienstknechten te slaan. Ten slotte begaf zich de geheele afdeeling van de Fians onder
+hem tot Finn, te Loch Lena, in Killarney, en daar dienden zij hun beklag tegen mac Luga in, zeggend: &#8220;Kies nu, o Finn, of
+ge ons wilt hebben of den zoon van Luga alleen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen liet Finn mac Luga bij zich komen en ondervroeg hem, maar mac Luga kon niets afdoende zeggen over de reden waarom de
+Fianna niets met hem te maken wilde hebben. Toen leerde Finn hem de dingen die pasten voor een jongeling van edele geboorte
+en een aanvoerder, en zij waren deze:
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Leerstellingen van de Fianna.</h3>
+<p>&#8220;Zoon van Luga, indien krijgsdienst uw doel is, houd u dan rustig in de huishouding van een groot man, wees flink in een moeilijk
+geval.
+
+</p>
+<p>&#8220;Sla uw hond niet als hij geen schuld heeft; klaag uw vrouw niet aan tenzij ge zeker zijt van haar schuld.
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat u in het gevecht niet in met een potsenmaker, want o mac Luga, hij is slechts een dwaas.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gisp niemand die een degelijken naam heeft; meng u niet in een twist; bemoei u niet met een dolleman, of een slecht mensch.
+
+</p>
+<p>&#8220;Bewaar twee derden van uw vriendelijkheid voor vrouwen en voor hen die op den grond kruipen (kleine kinderen) en voor dichters,
+en wees niet heftig tegen den gemeenen man.
+
+</p>
+<p>&#8220;Voer geen blufferige taal en zeg ook niet dat ge niet wilt toegeven wat billijk is; het is schandelijk te boud te spreken
+<a id="d0e5091"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5091">242</a>]</span>tenzij het doenlijk is aan uw woorden kracht bij te zetten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Verzaak uw heer niet zoolang ge leeft; laat noch voor goud noch voor andere belooning in de wereld iemand in den steek dien
+ge u verbonden hebt te zullen beschermen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Spreek tegen een hoofd geen kwaad van zijn volk, want dat is geen werk voor iemand van goede afkomst.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wees geen verklikker, of kwaadspreker; wees geen babbelaar of overijld vitzuchtig. Haal u geen strijd aan, al zijt ge nog
+zulk een goed man.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wees geen kroeglooper, bedil oude menschen niet, bemoei u niet met den minderen man.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wees vrijgevig met uw kost; kies geen vrek tot vertrouwd vriend.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dring u niet op bij een hoofd en geef hem ook geen aanleiding kwaad van u te spreken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Blijf uw zaak getrouw; leg uw wapens niet af voordat de harde kamp met zijn wapengeschitter is afgeloopen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wees eer bereid te geven dan te weigeren en laat vriendelijkheid voorgaan, O zoon van Luga.&#8221;
+
+</p>
+<p>En de zoon van Luga, zoo staat geschreven, nam deze raadgevingen ter harte en gaf zijn verkeerde gewoonten op, en hij werd
+een van Finn&#8217;s beste mannen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Karakter van Finn.</h3>
+<p>Dergelijke dingen prentte Finn ook al zijn volgelingen in en de besten dezer werden als hij zelf in dapperheid, vriendelijkheid
+en edelmoedigheid. Elk hunner was de goede naam zijner makkers meer waard dan zijn eigen en elk placht te zeggen dat in edele
+eigenschappen geen man op de geheele wereld waard was naast Finn te worden gesteld.
+
+</p>
+<p>Men zeide van hem dat &#8220;hij goud weg gaf als waren het bladen uit het bosch en zilver als ware het schuim der zee&#8221;; en dat
+wat hij ook aan eenig man had geschonken, hij dat nooit als wapen tegen hem gebruikte, wanneer hij later twist met hem kreeg.
+
+</p>
+<p>De dichter Ois&#299;n bezong hem eens tot St. Patrick, als volgt:
+
+<a id="d0e5120"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5120">243</a>]</span></p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Dit is wat Finn&#8217;s oor een vreugde was&#8212;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Als de veldslag raasde&#8217;, als aan &#8217;t maal men genoot,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Als door &#8217;t bergdal weerklonk zijner doggen gebas,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Als de zwarte lijster in Letter Lee floot.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Als knersend schuurde&#8217; over &#8217;t strand het grind
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Bij het zeewaarts sleepen van zijn oorlogsboot,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Als zijn speren doorgierde de morgenwind,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Als des meistreels mond hem zijn tooverzang bood.</span></p>
+</div>
+</div>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Eischen van de Fianna.</h3>
+<p>Ten tijde van Finn werd niemand ooit tot de Fianna van Erin toegelaten tenzij hij aan vele zware proeven van zijn voortreffelijkheid
+kon voldoen. Hij moest vertrouwd zijn met de Twaalf Dichtboeken en zelf bedreven zijn in het maken van gedichten in het rijm
+en metrum van de meesters der Keltische po&euml;zie. Daarna werd hij tot aan zijn middel in den grond begraven en moest hij, met
+een schild en een hazelaarstok zich aldus verdedigen tegen negen krijgslieden, die speren naar hem wierpen; werd hij gewond,
+dan werd hij niet toegelaten. Daarna werd zijn haar in vlechten gescheiden en werd hij door de Fians door het bosch achterna
+gezet. Werd hij ingehaald, of indien een haarvlecht los ging, of een droge stok onder zijn voet kraakte, dan werd hij niet
+toegelaten. Hij moest in staat zijn over een lat te springen ter hoogte van zijn voorhoofd en in volle vaart te loopen onder
+een ter hoogte van zijn knie, en hij moest in staat zijn al loopend een doorn uit zijn voet te halen, zonder zijn vaart te
+verminderen. Hij mocht als hij huwde geen bruidschat aannemen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Keelta en St. Patrick.</h3>
+<p>Men zeide dat een van de Fians, namelijk Keelta, hoog bejaard werd en St. Patrick zag, door wien hij gedoopt werd in het geloof
+van Christus en wien hij verhalen deed van Finn en zijn mannen, die de schrijver van Patrick opteekende. En eens vroeg Patrick
+hem hoe het kwam dat de Fianna zoo machtig werd en roemrijk dat geheel Ierland hun daden bezong gelijk het sedert dien steeds
+heeft gedaan. Keelta antwoordde: &#8220;Waarheid was in onze harten en kracht in onze armen en wat we zeiden dat volbrachten wij.&#8221;
+<a id="d0e5149"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5149">244</a>]</span></p>
+<p>Dat werd ook van Keelta verteld nadat hij St. Patrick had gezien en het Geloof had aangenomen. Eens was hij bij Leyney, in
+Connacht, waar het Toovervolk van de Duma-Hoogte elk jaar geducht placht te worden verontrust en geplunderd door roovers van
+over de zee. Zij riepen Keelta ter hulpe en door zijn raad en dapperheid werden de roovers overwonnen en verdreven, maar Keelta
+werd zwaar gewond. Toen vroeg Keelta Owen, den ziener van het Toovervolk, hem te voorspellen hoe lang hij nog had te leven,
+want hij was reeds een zeer oud man. Owen zeide: &#8220;Het zal over zeventien jaar zijn, o Keelta die gunstig bekend zijt, dat
+ge zult vallen bij den poel van Tara, en dat zal de geheele huishouding des konings smarten.&#8221; &#8220;Datzelfde voorspelde mij mijn
+hoofd en heer, mijn leider en liefhebbend beschermer, Finn,&#8221; sprak Keelta. &#8220;En welke belooning zult ge mij nu geven omdat
+ik u verloste van de zwaarste ramp, die u ooit trof?&#8221; &#8220;Een groote belooning,&#8221; zeide het Toovervolk, &#8220;namelijk jeugd, want
+door onze macht zult ge weer een jong man worden met al de kracht en levendigheid van uw bloeitijd.&#8221; &#8220;Neen,&#8221; zeide Keelta,
+&#8220;dat verhoede God dat ik een gedaante zou aannemen door betoovering, of eenige andere dan die mijn Schepper, de ware en roemrijke
+God, mij schonk.&#8221; En het Toovervolk zeide: &#8220;Dat is de taal van een waar krijgsman en held en wat ge zegt is juist.&#8221; En zij
+heelden zijn wonden en alle lichaamskwalen en hij wenschte hun zegen en zege en ging zijns weegs.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e5153" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p244.jpg" alt="&#8220;Ik ben Saba, O Finn&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Ik ben Saba, O Finn&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De geboorte van Ois&#299;n.</h3>
+<p>Eens, toen Finn met zijn makkers en honden van de jacht terugkeerde naar hun burcht op den Heuvel van Allen, kwam een mooi
+jong hert opdagen, de jacht snelde het achterna terwijl het den weg insloeg die naar hun huis leidde. Weldra bleven al de
+vervolgers ver achter, op Finn zelf na en zijn twee honden Bran en Skolawn. Nu waren deze honden van een vreemd ras; want
+Tyren, zuster van Murna, Finn&#8217;s moeder, was in een hond veranderd geworden door de betoovering van een vrouw van het Toovervolk,
+die Tyren&#8217;s echtgenoot <a id="d0e5162"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5162">245</a>]</span>Ullan beminde; en de twee honden van Finn waren de kinderen van Tyren, haar in die gedaante geboren. Van alle honden in Ierland
+waren zij de beste en Finn had ze zeer lief, zoodat, naar men zegt, hij slechts tweemaal in zijn leven schreide en eens was
+toen Bran stierf.
+
+</p>
+<p>Ten laatste, toen de jacht een heuvelrug afging, zag Finn dat het hert stil hield en ging liggen, terwijl de twee honden er
+om heen begonnen te spelen en gezicht en lijf te likken. Hij gelastte toen dat niemand het dier zou kwaad doen en het volgde
+hen naar den Heuvel van Allen, onder het gaan met de honden spelend.
+
+</p>
+<p>Denzelfden nacht werd Finn wakker en zag bij zijn bed de schoonste vrouw staan, die hij ooit had aanschouwd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben Saba, o Finn,&#8221; sprak ze, &#8220;en ik was het jonge hert dat ge heden achterna zette. Omdat ik mijn liefde niet wilde geven
+aan den Dru&iuml;de van het Toovervolk, de Donkere geheeten, deed hij mij door zijn tooverkunst die gedaante aannemen, en ik heb
+die de drie laatste jaren gedragen. Maar een van zijn slaven, die medelijden met mij had, openbaarde mij eens, dat indien
+ik uw grooten Heuvel van Allen kon bereiken, o Finn, ik veilig zou zijn voor alle betooveringen, en dat ik mijn natuurlijke
+gedaante terug zou krijgen. Maar ik vreesde door uw honden in stukken te worden gescheurd, of door uw jagers te worden gewond,
+totdat ik mij ten laatste liet inhalen door u alleen en Bran en Skolawn, die menschenaard hebben en mij geen kwaad zouden
+doen.&#8221; &#8220;Vrees niet, jonge maagd,&#8221; zeide Finn, &#8220;wij, de Fianna, zijn vrij en onze gast-vrienden zijn vrij; er is niemand die
+u hier dwang zal aandoen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zoo bleef dan Saba bij Finn en hij maakte haar tot zijn vrouw; en zoo vurig was zijn liefde voor haar, dat hij noch in den
+strijd, noch in de jacht eenig behagen vond en maanden lang niet van haar zijde week. Zij beminde hem even vurig en hun vreugde
+in elkander was als die der Onsterflijken in het Land der Jeugd. Maar eindelijk kreeg Finn bericht, dat de oorlogsschepen
+van de Noormannen in de baai van Dublin waren en hij riep zijn helden ten strijde op. &#8220;Want,&#8221; zoo sprak <a id="d0e5172"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5172">246</a>]</span>hij tot Saba, &#8220;de mannen van Erin geven ons schatting en gastvrijheid om hen te verdedigen tegen den vreemdeling, en het zou
+schande zijn die van hen aan te nemen en niet te geven dat waartoe wij ons van onzen kant hebben verbonden.&#8221; En hij riep in
+herinnering dat groote woord van Goll mac Morna, toen zij eens hard bestookt werden door een machtig heir. &#8220;Een man,&#8221; zeide
+Goll, &#8220;overleeft zich zelf, niet zijn eer.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zeven dagen bleef Finn weg en hij verdreef de Noormannen van de kusten van Erin. Maar den achtsten dag keerde hij terug en
+toen hij zijn verblijf binnentrad zag hij droefheid in de oogen zijner mannen en van hun schoon vrouwenvolk en Saba was niet
+op den wal zijn terugkomst verbeidend. Hij verzocht hun dus hem te vertellen wat er gebeurd was en zij zeiden:
+
+</p>
+<p>&#8220;Terwijl gij, onze vader en heer, ver weg waart en den vreemdeling versloegt en Saba steeds naar u uitkeek over den heuvelweg,
+zagen wij op zekeren dag iemand naderen die op u scheen te gelijken, met Bran en Skolawn aan uw hielen. En we schenen ook
+te hooren de tonen van den jachthoorn van Fian. Toen spoedde zich Saba naar de groote poort en wij konden haar niet tegenhouden,
+zooveel haast had zij de spookverschijning te bereiken. Maar toen zij die naderde, bleef zij stil staan en deed een luiden
+en bitteren kreet hooren, en uw schijnbeeld sloeg haar met een hazelaarroede en ziet, er was daar geen vrouw meer, maar een
+hert. Toen maakten deze honden daar jacht op en telkens als het opnieuw de poort van de burcht trachtte te bereiken, keerden
+zij terug. Wij grepen nu allen zooveel wapens als waarop wij de hand konden leggen en snelden naar buiten om den toovenaar
+weg te jagen, maar toen wij ter plaatse kwamen was er niets te zien, wel hoorden wij nog het geluid van vluchtende voeten
+en hondengeblaf, en de een dacht dat het van dezen, de ander dat het van een anderen kant kwam totdat ten laatste het rumoer
+wegstierf en alles stil werd. Wat wij konden doen, o Finn, dat deden wij; Saba is weg.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen sloeg Finn zich op de borst, maar hij sprak geen woord <a id="d0e5180"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5180">247</a>]</span>en hij ging naar zijn eigen vertrek. Niemand zag hem dien dag nog, of den dag daarna. Toen kwam hij te voorschijn en leidde
+de aangelegenheden van de Fianna als van ouds, maar nog zeven jaren daarna bleef hij naar Saba zoeken in elk afgelegen dal
+en donker woud en spelonk van Ierland en hij wilde geen andere honden meenemen dan Bran en Skolawn. Ten slotte liet hij alle
+hoop varen haar terug te vinden en ging hij als van ouds jagen. Eens, toen hij de jacht volgde op Ben Bulban, <span class="corr" title="Bron: in in">in</span> Sligo, hoorde hij het muzikaal geblaf der honden eensklaps in woest grommen en keffen overgaan, alsof zij met een of ander
+beest aan het vechten waren, en ijlings toesnellend zagen hij en zijn mannen, onder een grooten boom, een naakten jongen met
+lang haar, en de honden om hem wilden hem beetpakken, maar Bran en Skolawn vochten met hen en hielden hen tegen. En de knaap
+was groot en welgemaakt en toen de helden opdaagden, keek hij onverschrokken naar hen, zich niet bekommerend om het gevecht
+der honden aan zijn voeten. De Fians joegen de honden weg en namen den knaap mee naar huis, en Finn was heel stil en zag steeds
+vorschend naar het gelaat van den knaap. Na een wijle kon hij zich verstaanbaar maken en dit was het verhaal dat hij deed:
+
+</p>
+<p>Hij had geen vader gekend, en geen moeder dan een vriendelijke dienstmaagd, waarmede hij leefde in een zeer groen en bekoorlijk
+dal aan alle kanten ingesloten door torenhooge rotsen, die niet konden worden beklommen, of door diepe kloven in den grond.
+Des zomers leefde hij van vruchten en dergelijken en des winters werd voorraad van levensmiddelen voor hem neergelegd in een
+hol. En soms kwam een lange man, met een donker gezicht, die zijn moeder toesprak, nu eens teeder, dan weer luid dreigend,
+maar zij deinsde altijd in vrees terug en de man ging toornig heen. Eindelijk kwam er een dag dat de donkere man heel lang
+met zijn moeder sprak in alle tonen van smeken, van teederheid en van woede, maar zij bleef steeds op een afstand van hem
+en gaf slechts teekenen van vrees en afschuw. Toen kwam de donkere man ten laatste naderbij en sloeg haar met een hazelaarroede;
+daarna <a id="d0e5187"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5187">248</a>]</span>keerde hij zich om en ging zijns weegs, maar ditmaal volgde zij hem, steeds omkijkend naar haar zoon onder weeklachten. En
+hij, toen hij wilde volgen, was niet in staat een vin te verroeren, en schreeuwend van woede en jammer, viel hij op den grond
+neer en hij verloor het bewustzijn. Toen hij tot zichzelf kwam bevond hij zich aan den bergkant op Ben Bulban, waar hij eenige
+dagen bleef, zoekend naar dat groen en verborgen dal, dat hij nimmer terug vond. En eenigen tijd later vonden hem de honden;
+maar niemand weet wat er geworden is van de dienstmaagd zijn moeder en van den Donkeren Druide.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e5190" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p248.jpg" alt="Ois&#299;n en Niam"></p>
+<p class="figureHead">Ois&#299;n en Niam</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Finn gaf hem den naam Ois&#299;n (Klein Hert) en hij werd een befaamd krijgsman, maar veel meer beroemd werd hij door de zangen
+en verhalen die hij maakte; zoodat van alle dingen die nu worden verteld over de Fianna van Erin, de menschen plegen te zeggen:
+&#8220;Aldus zong de bard Ois&#299;n, zoon van Finn.&#8221;
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Ois&#299;n en Niam.</h3>
+<p>Het geschiedde dat op een neveligen zomermorgen toen Finn en Ois&#299;n met vele metgezellen jaagden aan de oevers van Loch Lena,
+zij een jonge maagd op hen af zagen komen, zeldzaam schoon, een sneeuwwit ros berijdend. Zij droeg het gewaad eener koningin,
+op het hoofd een gouden kroon en een donkerbruine zijden mantel, met rood gouden sterren bezet, viel om haar heen en sleepte
+op den grond. De hoeven van haar paard waren met zilver beslagen en op zijn hoofd wuifden gouden manen. Toen zij naderbij
+kwam, zeide zij tot Finn: &#8220;Van heel ver ben ik gekomen en nu heb ik u eindelijk gevonden, Finn, zoon van Cumhal.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen zeide Finn: &#8220;Wat is uw land en van welken stam zijt gij, jonge maagd, en wat wenscht ge van mij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn naam&#8221;, sprak zij, &#8220;is Niam met het Gouden Haar. Ik ben de dochter van den koning van het Land der Jeugd en wat mij hier
+heeft gebracht is liefde tot uw zoon Ois&#299;n.&#8221; Daarop wendde zij zich tot Ois&#299;n en zij sprak tot hem met de stem van iemand
+die nooit iets vroeg of het werd haar toegestaan.
+<a id="d0e5205"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5205">249</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Wilt ge met mij gaan, Ois&#299;n, naar het land mijns vaders?&#8221;
+
+</p>
+<p>En Ois&#299;n zeide: &#8220;Ik ben bereid, en tot het eind der wereld&#8221;; want de betoovering had zoo machtig gewerkt, dat hij om niets
+op aarde meer gaf, dan om de liefde te hebben van Niam met het Hoofd van Goud.
+
+</p>
+<p>Toen vertelde de jonge maagd van het land over de zee, waarheen zij haar minnaar had geroepen en terwijl zij sprak viel een
+droomerige stilte over alle dingen, geen paard schudde zijn toom, geen hond blafte, geen windzuchtje deed de bladen der boomen
+bewegen voordat zij had ge&euml;indigd. En wat zij zeide scheen liefelijker en wonderbaarlijker terwijl zij het uitsprak, dan wat
+zij zich later konden herinneren ooit te hebben gehoord, maar voor zoover zij zich konden herinneren was het als volgt:
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Verheven boven alle droomen, schooner
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Dan ooit uw oogen zagen is het land.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Daar draagt de vruchtboom heel het jaar zijn vrucht,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">En heel het jaar staat bloeiend daar de bloem.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Daar druipt de woudboom van den wilden honig;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Nooit wordt de vloed van mede&#8217; en wijn er schaars.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Hij die daar woont kent pijn of ziekte niet,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Dood en verval genaakt hem nimmermeer.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Hij wordt het feest niet zat, de jacht niet moe,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Nooit zal muziek verstommen in de hal;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Goud en kleinoden van het Land der Jeugd
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Verduistren wat een mensen ooit droomde aan glans.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Gij zult er paarden van den wonder-stam
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">En honden hebben sneller dan de wind;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">U volgen honderd eedlen in den strijd
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">En honderd maagden zingen u in slaap.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Uw voorhoofd zal een kroon der hoogste macht
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Uw zijde dragen tooverkrachtig zwaard,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Heer zult gij zijn van heel het Land der Jeugd
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">En heer van Niam met het Hoofd van Goud.&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>Toen het tooverlied ophield zagen de Fians Ois&#299;n het tooverros bestijgen en de jonge maagd omvatten, en voordat zij zich konden
+verroeren of spreken, wendde zij het paard en trok aan den rinkelenden teugel, en door de boschvlakte <a id="d0e5259"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5259">250</a>]</span>spoedden zij zich, zooals een lichtstraal over het land schiet wanneer wolken over de zon heen trekken; en nimmer kreeg de
+Fianna Ois&#299;n, zoon van Finn, op aarde wederom te zien.
+
+</p>
+<p>Wat hem later wedervoer echter is bekend. Vreemd als zijn geboorte was ook zijn einde, want hij zag wonderen van het Land
+der Jeugd met sterflijke oogen en beleefde het die met sterflijke lippen te kunnen vertellen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De reis naar het tooverland.</h3>
+<p>Toen het witte ros met zijn berijders de zee bereikte, liep het luchtig over de golven en weldra verdwenen de groene wouden
+en voorgebergten van Erin uit het gezicht. En nu scheen de zon met kracht en de berijders gingen door een gouden nevel, waarbij
+Ois&#299;n alle bewustheid verloor van waar hij was en of hij zee of land onder de hoeven van zijn paard had. Maar soms verschenen
+hun vreemde gezichten in den mist, want torens en poorten van paleizen doemden op en verdwenen en eens snelde hen een ree
+zonder horens voorbij nagezet door een witten hond met een rood oor; en later zagen zij een jonge maagd op een bruin ros voorbijrijden,
+die een gouden appel in de hand hield, en vlak achter haar volgde een jonge ruiter op een wit ros, met een purperen mantel
+op zijn rug hangend en een zwaard met goud gevest in de hand. En Ois&#299;n zou de prinses hebben gevraagd wie en wat deze verschijningen
+waren, maar Niam verzocht hem niets te vragen en te doen alsof hij niet lette op eenig spooksel dat zij zouden zien voordat
+zij in het Land der Jeugd waren gekomen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Ois&#299;n&#8217;s terugkomst.</h3>
+<p>Het verhaal meldt verder hoe Ois&#299;n verschillende avonturen beleefde in het Land der Jeugd, o.a. de bevrijding van een gevangen
+prinses van een reus van Fomor. Maar ten slotte, na een verblijf van wat hem drie weken leek in het Land der Jeugd, was hij
+verzadigd van geneugten van allerlei aard en verlangde hij zijn geboorteland weer te bezoeken en zijn oude kameraden weer
+te zien. Hij beloofde daarna terug te keeren <a id="d0e5273"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5273">251</a>]</span>en Niam gaf hem het witte tooverros, dat hem over de zee naar het tooverland had gebracht, maar maande hem aan om wanneer
+hij weer in het land van Erin was gekomen, niet af te stijgen en den aardschen grond niet met zijn voeten aan te raken, anders
+zou de terugkeer naar het Land der Jeugd hem voor altijd zijn afgesneden. Toen maakte Ois&#299;n zich op en stak andermaal den
+mystieken oceaan over, zoodat hij zich ten slotte bevond aan de westkust van Ierland. Hier gekomen, sloeg hij dadelijk den
+weg in naar den Heuvel van Allen, waar Finn gewoon was te legeren, maar door de bosschen trekkend, verwonderde het hem dat
+hij niets merkte van de jagers van Finn en hij verbaasde zich over de kleine gestalte van de menschen die hij den grond zag
+bebouwen.
+
+</p>
+<p>Ten laatste, komend van het boschpad op de groote vlakte waar de Heuvel Allen placht te verrijzen, breed en groen, met zijn
+wal die vele woningen met witte muren omsloot en het groote hooge gebouw in het midden, zag hij alleen groene hoogten begroeid
+met weelderig onkruid en doornstruiken en koeien weidden er. Toen beving hem een vreemd afgrijzen en hij dacht dat een of
+andere betoovering van het Tooverland zijn oogen met valsche vizioenen misleidde. Hij strekte de armen uit en riep de namen
+Finn en Oscar, maar niemand antwoordde, en hij dacht dat de honden hem misschien zouden hooren, hij riep derhalve Bran en
+Skolawn en spitste de ooren om het flauwste geritsel of gefluister op te vangen van de wereld, waarvan de aanblik hem werd
+onthouden, maar hij hoorde slechts den wind in de doornen zuchten. Toen reed hij ontsteld van de plek, met het gezicht gekeerd
+naar de oostelijke zee, want het was zijn plan Ierland dwars door te trekken en van het eene eind tot het andere, om aan zijn
+betoovering te ontkomen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De betoovering verbroken.</h3>
+<p>Maar toen hij dicht bij de oostelijke zee kwam en zich nu bevond op de plek geheeten het Dal van de Lysters<a id="d0e5282src" href="#d0e5282" class="noteref">7</a>, zag hij <a id="d0e5285"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5285">252</a>]</span>op een veld op den heuvelkant een aantal mannen, die een grooten rolsteen van hun beploegd land trachtten te wentelen, en
+een opzichter die hun bevelen gaf. Hij reed op hen af met het voornemen hun te vragen naar Finn en de Fianna. Toen hij naderde
+hielden allen met hun werk op om hem aan te staren, want hij leek hun een bode van het Toovervolk of een engel uit den hemel.
+Hij was langer en forscher dan de mannen die zij kenden, met staalblauwe oogen en gebruinde blozende wangen; in zijn mond
+als het ware rijen paarlen en blond haar krulde onder den helmrand uit. En toen Ois&#299;n naar hun nietige gestalten keek, door
+arbeid en zorg gekromd, en naar den steen dien zij met moeite uit zijn bedding trachtte te lichten, werd hij door medelijden
+bezield en hij dacht bij zichzelf: &#8220;Z&oacute;&oacute; waren zelfs niet de lijfeigenen van Erin toen ik ging naar het Land der Jeugd&#8221; en
+hij bukte van uit zijn zadel om hen te helpen. Hij zette zijn hand tegen den steen en met een geweldigen ruk lichtte hij hem
+op en liet hem van den heuvel rollen. En de mannen juichten hem in verbazing toe; maar weldra ging hun gejuich over in kreten
+van schrik en verslagenheid, en zij vluchtten, elkander verdringend en omver gooiend in hun haast om weg te komen van de vreeselijke
+plek, want een verschrikkelijk wonder had plaats gehad. Ois&#299;n&#8217;s zadelriem was gebroken terwijl hij den steen had opgelicht
+en hij viel met het hoofd voor op den grond. Oogenblikkelijk daarna was het witte ros uit hun oogen verdwenen als een kring
+van mist en dat wat zwak en waggelend van den grond oprees was geen jeugdig krijgsman, maar een hoogbejaard man, met witten
+baard en uitgedroogd, die tastend de handen uitstrekte en zwak en bitter kreunde. En zijn donkerroode mantel en geel zijden
+tuniek waren nu slechts grove eigengesponnen stof met een gordel van hennep bevestigd en het zwaard met goud gevest was een
+ruwe eiken stok, zooals bedelaars dragen, die de wegen afloopen van het eene boerenhuis naar het andere.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e5288" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p252.jpg" alt="&#8220;Het witte paard was uit hun oogen verdwenen als een krans van nevel&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Het witte paard was uit hun oogen verdwenen als een krans van nevel&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Toen het volk zag, dat het gericht dat voltrokken was niet hun gold, kwam het terug en vond den ouden man voorover liggen
+op den grond, het gezicht in de armen verborgen. Zij <a id="d0e5294"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5294">253</a>]</span>lichtten hem op en vroegen wie hij was en wat hem was overkomen. Ois&#299;n keek met doffen blik om zich en zeide toen: &#8220;Ik was
+Ois&#299;n, de zoon van Finn, en ik bid u, zeg mij waar hij woont, want zijn burcht op den Heuvel van Allen is nu een wildernis
+en ik heb hem niet gezien of zijn jachthoorn gehoord van de westelijke tot de oostelijke zee&#8221;. Toen keken de mannen elkander
+en Ois&#299;n vreemd aan, en de opzichter vroeg: &#8220;Welken Finn bedoelt gij, want daar zijn velen van dien naam in Erin?&#8221; Ois&#299;n zeide:
+&#8220;Natuurlijk Finn mac Cumhal mac Trenm&#333;r, hoofdman van de Fianna van Erin&#8221;. Toen zeide de opzichter: &#8220;Gij zijt gek, oude man,
+en ge hebt ons gek gemaakt, dat we u hielden voor een jongeling, zooals wij straks deden. Maar wij althans zijn nu weer bij
+ons verstand, en wij weten dat Finn zoon van Cumhal en zijn geheel geslacht al drie honderd jaren dood zijn. In den slag van
+Gowra viel Oscar, zoon van Ois&#299;n, en Finn in den slag van Brea, zooals de geschiedschrijvers ons vertellen, en de liederen
+van Ois&#299;n, van wien niemand weet hoe hij gestorven is, worden op groote lui&#8217;s feesten door onze harpspelers gezongen. Maar
+nu is de Talkenn<a id="d0e5296src" href="#d0e5296" class="noteref">8</a>, Patrick, in Ierland gekomen en heeft ons gepreekt van den Eenigen God en van Christus zijn Zoon, door wier macht een einde
+is gemaakt aan die vroegere tijden en gebruiken; en Finn en zijn Fianna, met hun festijnen en jachten en krijgs- en minnezangen,
+worden niet zoo bij ons <span class="corr" title="Bron: ge&euml;rd">ge&euml;erd</span> als de monnikken en de maagden van den Heiligen Patrick en de psalmen en gebeden die dagelijks opgaan om ons te reinigen
+van zonden en ons te redden van het vuur van het laatste oordeel&#8221;. Maar Ois&#299;n antwoordde, slechts half hoorend en nog minder
+begrijpend wat tegen hem was gezegd: &#8220;Indien uw God Finn en Oscar heeft gedood, zou ik zeggen dat God een sterk man is&#8221;. Toen
+gingen zij allen tegen hem te keer en sommigen namen steenen op, maar de opzichter verzocht hen hem met rust te laten totdat
+de Talkenn met hem had gesproken en totdat hij zou gelasten wat met hem zou geschieden.
+
+
+<a id="d0e5302"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5302">254</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Ois&#299;n en Patrick.</h3>
+<p>Zij brachten hem aldus bij Patrick, die hem vriendelijk en gastvrij behandelde en hij vertelde Patrick alles wat hem was wedervaren.
+Maar Patrick gelastte zijn schrijvers alles nauwkeurig op te teekenen, opdat de herinnering aan de helden die Ois&#299;n had gekend,
+en aan het vroolijke en vrije leven dat zij hadden geleid in de bosschen en dalen en wildernissen van Erin, nimmer door de
+menschen zou worden vergeten.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e5309" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p254.jpg" alt="&#8220;Zij vonden zich plotseling verward in draden garen&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Zij vonden zich plotseling verward in draden garen&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Deze merkwaardige legende is alleen bekend door het moderne Iersch gedicht, omstreeks 1750 door Michael Comyn geschreven,
+een gedicht dat de zwanenzang van de Iersche literatuur kan worden genoemd. Ongetwijfeld bediende Comyn zich van vroeger overleverde
+stof; maar hoewel de oude gedichten van Ossian ons vertellen van de verlenging van Ois&#299;n&#8217;s leven, zoodat hij St. Patrick kon
+ontmoeten en hem verhalen doen van de Fianna, zijn de episoden van Niam&#8217;s liefde en het verblijf in het Land der Jeugd ons
+alleen bekend uit het gedicht van Michael Comyn.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het betooverde hol.</h3>
+<p>Dit verhaal, dat ik put uit S.&nbsp;H. O&#8217;Grady&#8217;s uitgave in &#8220;Silva Gadelica&#8221;, meldt dat Finn eens een groote jacht hield in het
+district Corann, in Noordelijk Connacht, waarover zekere Conaran heerschte, een heer van het volk van Dana. Vertoornd over
+het binnendringen der Fianna in zijn jachtgebied, zond hij zijn drie dochters, toovenaressen, om wraak te nemen op de stervelingen.
+
+</p>
+<p>Finn, zoo luidt het verhaal, en Conan de Kale, met Finn&#8217;s twee lievelingshonden, sloegen de jacht gade van den top van den
+heuvel van Keshcorran en luisterden naar het geschreeuw van de opjagers, de hoornstooten en het hondengeblaf, toen zij, op
+den heuvel loopend, kwamen aan de opening van een groot hol, waarvoor drie tooverkollen waren gezeten met een boos en terugstootend
+uiterlijk. Zij hadden om drie kromme stokken van hulst naar links strengen draad gewonden en waren daarmede aan het spinnen
+toen Finn met zijn gevolg kwam. <a id="d0e5322"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5322">255</a>]</span>Om hen meer van nabij te zien, naderden de krijgslieden, toen zij zich opeens verstrikt vonden in strengen van het draad dat
+de tooverkollen over de plek hadden gesponnen als de web van een spin en doodelijke flauwte en beving kwam over hen, zoodat
+zij zonder moeite door de tooverkollen konden worden vastgebonden en in de donkere schuilhoeken van het hol gebracht. Toen
+kwamen anderen van de jacht naar Finn zoeken. Allen wedervoer hetzelfde&#8212;zij verloren al hun kracht en dapperheid bij de aanraking
+van het betooverde draad, en werden gekneveld en het hol binnengedragen, totdat de geheele partij gebonden lag, terwijl de
+honden buiten blaften en huilden.
+
+</p>
+<p>Nu grepen de heksen hun scherpe, breed gegroefde harde zwaarden en waren op het punt <span class="corr" title="Bron: op">om</span> de gevangenen aan te vallen en hen te dooden, maar eerst keken zij bij de opening van het hol rond, om te zien of er ook
+een achterblijver was op wien zij nog niet de hand hadden gelegd. Op dat oogenblik kwam Goll mac Morna, &#8220;de woedende leeuw,
+de aanval-toorts, de grootzielige&#8221;, aanzetten, en er volgde een wanhopig gevecht, dat daarmee eindigde dat Goll twee der tooverkollen
+in twee&euml;n kliefde en dat hij de derde, Irnan geheeten, bedwong en knevelde. Toen hij op het punt stond haar te dooden, smeekte
+zij om genade&#8212;&#8220;Voorzeker, het ware beter voor u de geheele Fianna te hebben&#8221;&#8212;en hij schonk haar het leven op voorwaarde dat
+zij de gevangenen zou verlossen.
+
+</p>
+<p>Zij gingen het hol binnen en e&eacute;n voor e&eacute;n werden de gevangenen los gemaakt, te beginnen met den dichter Fergus Truelips en
+de &#8220;mannen der wetenschap&#8221;, en allen gingen op den heuvel zitten om weer bij te komen, terwijl Fergus een loflied zong ter
+eere van den redder Goll; en Irnan verdween.
+
+</p>
+<p>Weldra naderde hun een monster, een toornige furie, met vurige, met bloed beloopen oogen, een wijde muil met brokkelige slagtanden,
+nagels als die van een wild dier en gewapend als een krijgsman. Zij legde Finn de <i>geise</i> op haar zijn mannen in tweegevecht te geven, totdat zij er genoeg van had. Het was niemand anders dan de derde zuster Irnan,
+die <a id="d0e5336"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5336">256</a>]</span>door Goll was gespaard. Te vergeefs verzocht Finn Ois&#299;n, Oscar, Keelta en de andere voornaamste krijgers van de Fianna tegen
+haar te vechten; allen verklaarden zich niet daartoe in staat, na de slechte behandeling en den smaad die zij hadden ondergaan.
+Ten slotte, toen Finn zelf op het punt stond tegen Irnan op te treden, zeide Goll: &#8220;O Finn, het betaamt u niet met een oud
+wijf te vechten&#8221; en voor den tweeden keer trok hij zijn zwaard tegen deze afschuwelijke vijandin. Ten slotte, na een wanhopig
+gevecht, doorboorde hij haar schild en haar hart, zoodat het lemmet aan den anderen kant uitstak, en zij viel dood neer. Toen
+legde de Fianna de burcht van Conaran in de asch en nam alle schatten daar in bezit, terwijl Finn aan Goll zijn eigen dochter
+gaf, Keva met de Blanke Huid, en terwijl zij de burcht als een hoop gloeiende sintels achterlieten, keerden zij terug naar
+den Heuvel van Allen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e5339" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p256.jpg" alt="&#8220;Patrick verzoekt zijn schrijvers alles nauwkeurig op te schrijven&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Patrick verzoekt zijn schrijvers alles nauwkeurig op te schrijven&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De jacht van Slievegallion.</h3>
+<p>Deze mooie geschiedenis, die in dichtvorm is gegeven als zijnde verteld door Ois&#299;n, in de Handelingen van het Ossian&#8217;sch Genootschap,
+verhaalt dat Cullan de Smid (hier voorgesteld als een Danaansche godheid), die op of bij de bergen woonde van Slievegallion,
+in het graafschap Armagh, twee dochters had, Ain&eacute; en Milucra, die beiden Finn mac Cumhal beminden. Zij waren jaloersch van
+elkander; en toen Ain&eacute; zich eens liet ontvallen dat zij nimmer een man met grijs haar zou willen hebben, zag Milucra de kans
+schoon Finn&#8217;s liefde voor zich alleen te winnen. Zij verzamelde haar vrienden onder de Danaans, om het kleine grijze meer
+dat ligt op den top van Slievegallion en zij betooverden het water er van.
+
+</p>
+<p>Deze inleiding, draagt, zooals kan worden opgemerkt, sterke sporen van later aan het oorspronkelijk verhaal te zijn toegevoegd
+in een tijdperk van mindere ontwikkeling, of door een minder denkende klasse in wier handen de legende was gekomen. De werkelijke
+beteekenis van de gedaanteverwisseling, die daarin wordt verhaald, is waarschijnlijk veel dieper.
+
+</p>
+<p>De geschiedenis vertelt verder dat kort daarna Finn&#8217;s honden, <a id="d0e5352"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5352">257</a>]</span>Bran en Skolawn, een hert opjoegen bij den Heuvel van Allen en het noordwaarts dreven totdat de jacht eindigde op den top
+van Slievegallion, een berg die, evenals Slievenamon<a id="d0e5354src" href="#d0e5354" class="noteref">9</a> in het zuiden, in het oude Ierland een waar brandpunt was van Danaansche tooverkunst en legenden. Finn volgde de honden alleen,
+totdat het jonge hert op een bergrug verdween. Er naar zoekend, kwam Finn eindelijk bij het kleine meer op den bergtop en
+zag aan den oever er van een vrouw, wonderbaarlijk schoon, die daar zat te jammeren en te schreien. Finn vroeg waarom zij
+zoo bedroefd was. Zij zeide dat een gouden ring, waaraan zij veel waarde hechtte, van haar vinger in het meer was gevallen,
+en zij legde Finn als <i>geise</i> op dat hij in het meer zou springen en den ring voor haar zoeken.
+
+</p>
+<p>Finn deed aldus, en na in elken schuilhoek van het meer te hebben gedoken, vond hij den ring, en alvorens hij uit het water
+kwam, gaf hij dien aan de vrouw. Onmiddellijk daarop sprong zij in het meer en verdween. Finn vermoedde toen, dat een of andere
+betoovering op hem werd bewerkt, en weldra wist hij wat het was, want toen hij op het droge stapte viel hij van louter zwakte
+neer en toen hij weer opstond was hij een waggelende, zwakke en oude man, met sneeuwwit haar en uitgedroogd, zoodat zelfs
+zijn trouwe honden hem niet kenden, maar om het meer liepen zoekend naar hun verloren meester.
+
+</p>
+<p>Inmiddels werd Finn vermist in zijn paleis op den Heuvel van Allen en weldra begaf zich een troep op het spoor waarop men
+hem het hert had zien jagen. Zij zochten aan het meer op Slievegallion en vonden daar een ellendigen en verlamden ouden man,
+dien zij ondervroegen, maar die niets anders kon doen dan zich op de borst slaan en jammeren. Ten laatste wenkte de oude man
+Keelta naderbij te komen, fluisterde hem zwakjes eenige woorden in het oor, en ziet, het was Finn zelf! Toen de kreten van
+verbazing en gejammer der Fianna ophielden, fluisterde Finn Keelta het verhaal van zijn betoovering toe en hij zeide dat de
+bewerker er van moest zijn de dochter <a id="d0e5364"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5364">258</a>]</span>van Cullan de Smid, die woonde in den tooverheuvel van Slievegallion. De Fianna, Finn op een baar dragend, begaf zich onmiddellijk
+naar den heuvel en begon met kracht te graven. Drie dagen en nachten achtereen groeven zij in den Tooverheuvel en drongen
+ten slotte in de binnenste wijkplaatsen; plotseling stond een jonge maagd voor hen, die een drinkbeker van rood goud in de
+hand hield. Hij werd aan Finn gegeven, die er uit dronk en aanstonds kreeg hij zijn gedaante en zijn schoonheid weer, maar
+zijn haar bleef nog wit als zilver. Ook dit zou door een anderen dronk in zijn vroegeren staat zijn gebracht, maar Finn liet
+het blijven zooals het was en zilverwit bleef zijn haar tot den dag van zijn dood.
+
+</p>
+<p>Op dit verhaal is een zeer treffend, allegorisch drama gebouwd, &#8220;De Maske van Finn&#8221;, door Standish O&#8217;Grady, die, ongetwijfeld
+terecht, de geschiedenis opvat als symboliseerend het verwerven van wijsheid en verstand door lijden. Een leider van mannen
+moet afdalen tot het meer van tranen en zwakheid en wanhoop kennen, alvorens zijn geest hen kan gebruiken tot groote doeleinden.
+
+</p>
+<p>Er is een antiek grafmonument op den bergtop dat de boeren van het district nog houden&#8212;of hielden in de dagen voor de Openbare
+Lagere scholen&#8212;voor het verblijf van de &#8220;Heks van het Meer&#8221;, en een eigenaardig pad, dat nooit door menschelijke voeten is
+afgesleten en dat van het rotsgraf voert naar het meer, wordt toegeschreven aan het heen en weer gaan van dat bovennatuurlijk
+wezen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het &#8220;Gesprek der Ouden.&#8221;</h3>
+<p>Een van de belangwekkendste en aantrekkelijkste overblijfselen van Ossiansche literatuur is het &#8220;Gesprek der Ouden&#8221;, <i>Agallamk na Senorach</i>, een lang stuk in verhaaltrant van omstreeks de dertiende eeuw. Het werd uitgegeven met een vertaling in O&#8217;Grady&#8217;s &#8220;Silva
+Gadelica&#8221;. Het is niet zoozeer een vertelling dan wel een verzameling van vertellingen handig in een mythisch kader geplaatst.
+Het &#8220;Gesprek&#8221; begint met ons Keelta mac Ronan en Ois&#299;n zoon van Finn voor <a id="d0e5378"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5378">259</a>]</span>te stellen, elk vergezeld van acht krijgslieden, al wat overbleef van de groote corporatie der Fianna na den slag van Gowra
+en de daarop volgende verstrooiing van de Orde. Een levendige beschrijving wordt ons gegeven van de grijze oude krijgers,
+die hun tijd hebben overleefd en voor het laatst bijeenkomen op de burcht van een vroeger vermaarde aanvoerster Camha geheeten,
+en van hun melancholiek gesprek over vervlogen dagen, totdat ten slotte een langdurig zwijgen intrad.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Keelta ontmoet St. Patrick.</h3>
+<p>Ten laatste besluiten Keelta en Ois&#299;n van elkander te gaan; Ois&#299;n, van wien wij verder weinig hooren, gaat naar den Tooverberg,
+waar zijn Danaansche moeder (hier Blai geheeten) woont, terwijl Keelta over de vlakte van Meath trekt, totdat hij te Drumderg
+komt, waar hij St. Patrick en zijn monnikken aantreft. Hoe dit chronologisch mogelijk is, de schrijver geeft zich geen moeite
+dat te verklaren en hij toont geen bekendheid met de legende van Ois&#299;n in het Land der Jeugd. &#8220;De geestelijken&#8221;, aldus het
+verhaal, &#8220;zagen Keelta en zijn troep naderen en vrees beving hen voor de lange mannen met de groote wolfshonden die hen vergezelden,
+want zij waren niet van denzelfden tijd en een met de geestelijkheid.&#8221; Patrick besprenkelt daarop de helden met gewijd water,
+ten gevolge waarvan legioenen van demonen, die over hen heen hadden gezworven, vluchten in de heuvels en dalen, en &#8220;de geweldige
+mannen zetten zich.&#8221; Na den naam van zijn gast te hebben gevraagd, zegt Patrick dan dat hij een gunst van hem te verzoeken
+heeft&#8212;hij wenschte een bron van zuiver water te vinden om het volk van Bregia en Meath mee te doopen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De bron van Tradaban.</h3>
+<p>Keelta, die elke beek en heuvel en sterkte en bosch in het land kent, neemt daarop Patrick bij de hand en geleidt hem &#8220;totdat,&#8221;
+zooals de <span class="corr" title="Bron: schrijvers">schrijver</span> zegt, &#8220;zij vlak voor zich een bron zagen, parelend en doorschijnend helder. De grootte en dikte van de kers en van de <i>fothlacht</i>, of eereprijs, die er bij <a id="d0e5396"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5396">260</a>]</span>groeide bracht hen in verbazing.&#8221; Toen begon Keelta te vertellen van de vermaardheid en schoonheden van de plek, en droeg
+een verrukkelijk gedichtje voor tot lof er van.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, bron van het Strand der twee Vrouwen, schoon is uw kers, weelderig en vertakt; sedert uw productie ongerept bleef, kan
+uw beekpunge niet groeien. Buiten uw oevers kan men uw forellen zien, uw wilde zwijnen in de wildernis; de herten van uw schoon
+rots-land, uw gespikkelde en roodgeborste ree&euml;n! Uw eikels en beukenooten alle hangend aan de takken der boomen; uw visch
+in wijde mondingen van rivieren; lieflijk de kleuren van uw kabbelende stroomen, o gij die azuur-getint zijt en dan weer groen
+door weerspiegelingen van omringend struikgewas.&#8221;<a id="d0e5400src" href="#d0e5400" class="noteref">10</a>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>St. Patrick en Iersche legende.</h3>
+<p>Nadat de krijgslieden waren onthaald vraagt Patrick: &#8220;Was hij, Finn mac Cumhal, met wien ge waart, een goed heer?&#8221; Keelta
+prijst Finn&#8217;s edel karakter en beschrijft verder in bijzonderheden de heerlijkheden van zijn huishouding, waarop Patrick zegt:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ware het niet dat het vrome leven daaronder lijdt, dat het aanleiding geeft het gebed te verwaarloozen en gemeenschap met
+God te verzaken, wij zouden, al pratend met u, krijgsman, den tijd snel voelen voorbijgaan!&#8221;
+
+</p>
+<p>Keelta doet een ander verhaal van de Fianna, en Patrick, nu geheel geboeid door den betooveraar, roept uit: &#8220;Geluk en zegen
+mogen met u zijn, Keelta! Dit is voor mij een verlichting van geest en gemoed. En doe ons nu een ander verhaal.&#8221;
+
+</p>
+<p>Aldus besluit de inleiding van het &#8220;Gesprek.&#8221; Zooals doorgaans het geval is bij den aanhef van Iersche vertellingen, kon het
+moeilijk beter zijn aangelegd; de toets is zoo licht, en is zulk een gelukkige mengeling van pathos, po&euml;zie en humor en er
+is zooveel waardigheid in het schetsen der voorgestelde menschelijke karakters. De rest van het stuk bestaat in het <a id="d0e5414"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5414">261</a>]</span>tentoonspreiden van een groote massa topographische en legendaire kennis door Keelta, gevolgd door het onveranderlijke: &#8220;Geluk
+en zegen mogen met u zijn!&#8221; van Patrick.
+
+</p>
+<p>Zij gaan samen, de krijgsman en de heilige, als Patrick naar Tara reist, en telkens wanneer Patrick of een ander van het gezelschap
+een heuvel, of een sterkte, of een bron ziet, vraagt hij Keelta wat het is, en Keelta zegt dan den naam en vertelt een Fian-legende
+om die te verklaren, en aldus voert de geschiedenis door een massa legenden, tot dat men een troep uit Tara ontmoet, met den
+koning aan het hoofd, die nu de rol van vrager op zich neemt. Het &#8220;Gesprek&#8221;, zooals wij het nu voor ons hebben, breekt plotseling
+af, waar het verhaal hoe de <i>Lia Fail</i> uit Ierland werd gehaald, zal beginnen<a id="d0e5421src" href="#d0e5421" class="noteref">11</a>. De beteekenis van het &#8220;Gesprek&#8221; ligt in de verhalen van Keelta en de gedichten in den loop er van ingevoegd. Er zijn ongeveer
+een honderdtal vertellingen, die handelen over strooptochten en veldslagen, minnarijen en festijnen van de Fians, maar het
+grootste aantal heeft betrekking op het verkeer tusschen het Toovervolk en de Fianna. Tusschen de Fianna en dat volk bestaan
+voortdurend betrekkingen zoowel van liefde als van oorlog. Sommige der verhalen zijn zeer uitgebreid en bewerkt in den verhevensten
+stijl, waartoe de schrijver in staat was. Een van de beste is dat van de toover-<i>Brugh</i>, of verblijf van Slievenamon, die Patrick en Keelta toevallig voorbijgaan, en waarvan Keelta de volgende geschiedenis vertelt.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Brugh van Slievenamon.</h3>
+<p>Eens toen Finn en Keelta en vijf andere kampioenen van de Fianna te Torach, in het noorden, op de jacht waren, joegen zij
+een mooi ree op dat voor hen uit vluchtte en dat zij den ganschen dag achterna zetten, totdat zij tegen den avond den berg
+van Slievenamon bereikten, toen het ree plotseling onder de aarde scheen te verdwijnen. Zulk een jacht is, in de Ossian&#8217;sche
+literatuur, het gewone voorspel van een avontuur in het <a id="d0e5435"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5435">262</a>]</span>Tooverland. De nacht viel nu snel in met zwaren sneeuw en storm, en zoekend naar een schuilplaats, ontdekte de Fianna in het
+bosch een groote verlichte <i>Brugh</i>, of woon, waar zij toegang vroegen. Toen zij binnen kwamen bevonden zij zich in een ruime hal, sterk verlicht, met acht-en-twintig
+krijgslieden en evenveel schoone maagden met blonde haren: een dezer was gezeten op een zetel van kristal en deed op een harp
+prachtige muziek hooren. Nadat de Fian-krijgers waren onthaald op de heerlijkste spijzen en dranken, wordt hun verteld dat
+hun gastheeren zijn Donn, zoon van Midir den Trotsche, en zijn broeder, en dat zij oorlog voeren met de rest van het Danaansche
+volk en driemaal jaarlijks slag daarmee te leveren hebben op de vlakte voor de <i>Brugh</i>. In den beginne had elk van de acht-en-twintig duizend krijgers onder zich. Nu zijn allen verslagen op de aanwezigen na,
+en de overlevenden hebben een van hun maagden uitgezonden in de gedaante van een ree, om de Fianna naar hun paleis te lokken
+en hulp te krijgen in den slag die morgen moet worden geleverd. Feitelijk heeft men hier een variant op het welbekende thema
+van de bevrijding van het Tooverland. Finn en zijn metgezellen zijn altijd bereid tot een gevecht en er volgt een wanhopige
+slag die van den avond tot den morgen duurt, want het Tooverheir valt &#8217;s nachts aan. De aanvallers worden teruggeslagen, en
+verliezen meer dan duizend van hun mannen; maar Oscar, Dermot en mac Luga worden zwaar gewond. Zij worden door tooverkruiden
+genezen en er volgen meer gevechten en avonturen, totdat, een jaar later, Finn den vijand dwingt vrede te sluiten en gijzelaars
+te geven wanneer de Fianna naar de aarde terugkeert en zich bij hun makkers voegt. Nauwelijks heeft Keelta zijn verhaal ge&euml;indigd,
+staande op dezelfde plaats waar zij het Tooverpaleis hadden gevonden in den stormnacht, of men ziet een jong krijgsman naderen.
+Hij wordt aldus beschreven: &#8220;Een hemd van vorstelijk satijn omsloot zijn huid; daarover een tuniek van dezelfde stof en een
+scharlaken mantel met franje, door een gouden speld op zijn borst bevestigd; in zijn hand een zwaard met goud gevest en een
+<a id="d0e5443"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5443">263</a>]</span>gouden helm op zijn hoofd.&#8221; Zeer kenmerkend voor deze literatuur is behagen in kleur en stoffelijke praal. Deze schitterende
+persoonlijkheid blijkt te zijn Donn mac Midir, een van de achtentwintig die Finn had geholpen, en hij komt voor zichzelf en
+zijn volk hulde brengen aan St. Patrick, die voor den nacht zijn gastvrijheid aanvaardt; want in het &#8220;Gesprek&#8221; zijn de betrekkingen
+tusschen de Kerk en de Tooverwereld zeer hartelijk.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e5446" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p262.jpg" alt="&#8220;Zij joegen hem naar het strand&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Zij joegen hem naar het strand&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De drie jonge krijgers.</h3>
+<p>Nergens in de Keltische literatuur komt het behagen in wonderen en mysterie zoo merkwaardig tot uiting als in het &#8220;Gesprek&#8221;.
+De schrijver van dit stuk was een meester in de kunst om, als het ware, de stevige omlijsting der dingen doorzichtig te maken
+en laat ons er door heen schijnsels van een andere wereld zien, met de onze samenhangend en toch op zich zelf staande, met
+andere wetten en kenmerkende eigenschappen. Welke die wetten waren komt men nooit te weten. De Kelt maakte, althans in Ierland,
+geen systeem van het onbekende, maar liet het voor een oogenblik door het ondoorzichtige van onze aarde heen schijnen en het
+schijnsel dan verdwijnen voordat we begrepen wat wij hadden gezien. Daar is <span class="abbr" title="bijvoorbeeld"><abbr title="bijvoorbeeld">bijv.</abbr></span> dit incident in Keelta&#8217;s beschrijving van de Fianna. Drie jonge krijgers komen bij Finn dienst nemen, vergezeld van een reusachtigen
+hond. Zij treffen een overeenkomst met hem, zeggend welke diensten zij kunnen bewijzen en welke belooning zij verwachten en
+stellen als voorwaarde dat zij afgezonderd van de rest van het heir zullen kampeeren en dat wanneer het nacht is geen man
+bij hen zal komen en hen zien zal.
+
+</p>
+<p>Finn vraagt de reden van dit verbod en die is: van de drie krijgers moet er elken nacht een sterven en de beide anderen moeten
+hem bewaken; daarom wilden zij niet gestoord worden. Een verklaring hiervan wordt niet gegeven; de schrijver laat ons onder
+den indruk van het mysterie.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De schoone reuzin.</h3>
+<p>Daar is, om een ander voorbeeld te kiezen: het verhaal van <a id="d0e5465"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5465">264</a>]</span>de schoone reuzin. Op zekeren dag toen Finn en zijn krijgslieden aan het middagmaal van de jacht uitrustten, zagen zij een
+reusachtige gedaante naderen. Het bleek te zijn een jonge reuzenmaagd, die zeide te heeten Vivionn (Bebhionn), dochter van
+Treon, uit het Land der Maagden. De gouden ringen aan haar vingeren waren zoo dik als het juk van een os en zij was verblindend
+schoon. Toen zij haar vergulden, met juweelen bezetten helm afzette stroomde haar mooi, golvend gouden haar in zeven maal
+twintig krullen uit elkaar en Finn riep: &#8220;Groote Goden, die wij aanbidden, Cormac en Ethn&eacute; en de vrouwen van de Fianna zouden
+het een geweldig wonder achten Vivionn, de bloeiende dochter van Treon, te zien.&#8221; De maagd verhaalde dat zij tegen haar zin
+was verloofd met een minnaar, Aeda geheeten, de zoon van een naburigen koning; dat zij van een visscher, die door den storm
+naar haar kust was gedreven, had vernomen van Finn&#8217;s macht en edelen aard, en nu was gekomen om zijn bescherming in te roepen.
+Terwijl zij sprak merkte de Fianna opeens, dat een tweede reusachtige gedaante nabij was. Het was een jonge man met fijne
+trekken en boven beschrijving schoon, die een rood schild en een geweldige speer droeg. Zonder iets te zeggen naderde hij
+en voordat de verbaasde Fianna hem kon toespreken dreef hij zijn speer door het lijf der maagd en ging verder. Woedend over
+deze schending van zijn bescherming, riep Finn zijn hoofden op om den moordenaar te achtervolgen en te dooden. Keelta en anderen
+zetten hem achterna naar het zeestrand en volgden hem in de branding, maar hij schreed voort in de zee en een groote galei
+kwam hem tegemoet en voerde hem weg naar onbekende streken. Ontmoedigd bij Finn terugkomend, vonden zij de maagd stervend.
+Zij verdeelde haar goud en juweelen onder hen en de Fianna begroef haar onder een grooten heuvel, en richtte een steenen pilaar
+op haar graf op met haar naam in Ogham schrift, op de plaats sedert dier, geheten de Hoogte van de Doode Vrouw.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e5468" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p264.jpg" alt="&#8220;De Fianna richtten een steenen pilaar op, met haar naam in Ogham letters&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;De Fianna richtten een steenen pilaar op, met haar naam in Ogham letters&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>In dit verhaal vindt men naast het geheimzinnige element, dat der schoonheid. Deze vereeniging komt vaak voor in dit <a id="d0e5474"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5474">265</a>]</span>tijdperk der Keltische literatuur; en hieraan is het misschien te danken dat, hoewel deze verhalen van nergens schijnen te
+komen en nergens heen te leiden, maar zich bewegen in een droomwereld waar geen jacht is of hij schijnt te eindigen in het
+Tooverland en geen gevecht dat eenig verband houdt met aardsche nooden of doeleinden, waar al wat wezenlijk is geneigd is
+zich op te lossen in een tooverlicht en van gedaante verandert als een ochtendnevel, zij toch in het geheugen blijven hangen,
+met die steeds werkende bekoring die ze gedurende vele eeuwen in leven heeft gehouden aan den haard van den Galischen boer.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>St. Patrick, Ois&#299;n en Keelta.</h3>
+<p>Alvorens van het &#8220;Gesprek&#8221; af te stappen moet een ander belangrijk punt worden vermeld in verband er mee. Voor het gewone
+publiek zijn vermoedelijk de meest bekende dingen in Ossian&#8217;sche literatuur&#8212;ik heb hiermede natuurlijk op het oog de echte
+Keltische po&euml;zie onder dien naam, niet den pseudo-Ossian van Macpherson&#8212;die dialogen waarin de heidensche en de christelijke
+idealen tegenover elkander worden gesteld, vaak in een geest van luimige overdrijving, of van satire. De vroegste van die
+stukken worden gevonden in het manuscript geheeten &#8220;Het boek van den Deken van Lismore&#8221;, waarin James Macgregor, Deken van
+Lismore in Argyllshire, eenigen tijd v&oacute;&oacute;r het jaar 1518, neerschreef al wat hij zich kon herinneren of op het spoor komen
+van traditioneele Galische po&euml;zie in zijn tijd. Het valt op te merken dat tot op die periode en, trouwens, lang <span class="corr" title="Bron: darnaa">daarna</span> Schotsen en IerschKeltisch e&eacute;n taal en een literatuur vormden, waarvan de groote geschreven monumenten in Ierland waren,
+al behoorden zij evenzeer aan den Kelt van de Hooglanden, en de twee takken van het Keltisch hadden een volstrekt gemeenschappelijken
+voorraad van dichterlijke overlevering. Deze Ois&#299;n-en-Patrick dialogen worden in grooten getale gevonden zoowel in Ierland
+als in de Hooglanden, hoewel, zooals ik zeide, &#8220;Het boek van den Deken van Lismore&#8221; het eerste thans bestaande geschrift is,
+waarin ze zijn <a id="d0e5484"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5484">266</a>]</span>opgeteekend. Welk verband bestaat er dan tusschen deze dialogen en de Keelta-en-Patrick dialogen waarmede wij kennis maken
+in het &#8220;Gesprek.&#8221; De vragen welke inderdaad het oudst waren, waar zij respectievelijk ontstonden en welke strooming van gedachte
+of gevoel elk vertegenwoordigde, vormen een letterkundig probleem van het grootste gewicht, zooals Alfred Nutt heeft aangetoond;
+en een dat geen criticus tot hiertoe heeft getracht op te lossen, of zelfs&#8212;tenzij heel kort geleden&#8212;aan de orde te stellen.
+Want hoewel deze beide pogingen om, in fantastischen en artistieken vorm, de voeling tusschen heidendom en Christendom voor
+te stellen bijna identisch zijn in bewerking en omlijsting, behalve dat de eene in verzen is, de ander in proza, verschillen
+zij toch sterk in hun opvatting.
+
+</p>
+<p>In de Ois&#299;n-dialogen<a id="d0e5488src" href="#d0e5488" class="noteref">12</a> is veel ruwe scherts en onrijpe theologie, meer overeenkomstig die van een Engelsch mysteriespel dan eenig mij bekend Keltisch
+geschrift. St. Patrick is, zooals Nutt opmerkt, in deze balladen &#8220;een knorrige en domme dweper die het vervelend eentonig
+steeds heeft over de verdoemenis van Finn en zijn makkers; een hardvochtig meester voor den armen ouden blinden reus dien
+hij voedsel misgunt en tegen wien hij minne streken uithaalt om hem door angst tot het Christendom te drijven&#8221;. Nu bevat het
+&#8220;Gesprek&#8221; hiervan niets. Keelta wordt Christen met heel zijn hart en volkomen overgave en aan de vrienden en metgezellen van
+zijn jeugd wordt verlossing niet ontzegd. Zelfs verzekert Patrick Keelta van de verlossing van verscheidene hunner, o.a. van
+Finn zelf. Een van het Danaansche volk, die bard is geweest bij de Fianna, bracht Patrick in verrukking met zijn zangen. Brogan,
+de schrijver dien St. Patrick gebruikt om de Fian-legenden op te teekenen zegt: &#8220;Indien er muziek is in den hemel, waarom
+zou ze niet op aarde zijn? Daarom is het ook niet goed de zangen van de minstreels te weren&#8221;. Patrick antwoordde: &#8220;Zoo iets
+zeg ik dan <a id="d0e5491"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5491">267</a>]</span>ook niet&#8221; en inderdaad den minstreel wordt de hemel beloofd voor zijn kunst.
+
+</p>
+<p>Aldus zijn de aangename verhoudingen die in het &#8220;Gesprek&#8221; overheerschend zijn, tusschen de vertegenwoordigers der twee tijdperken.
+Keelta vertegenwoordigt al wat hoffelijk, waardig, edelmoedig en dapper is in het heidendom, en Patrick al wat liefderijk
+en beminnelijk is in het Christendom; en in plaats dat de twee tijdperken in heftig antagonisme tegenover elkander staan en
+door een niet te overbruggen kloof zijn gescheiden, blijken al de schoonste trekken in elk met elkander overeen te stemmen
+en elkander aan te vullen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Verhalen van Dermot.</h3>
+<p>Een aantal eigenaardige legenden hebben tot middelpunt Dermot O&#8217; Dyna, die vermeld is als een van Finn mac Cumhal&#8217;s bekendste
+volgelingen. Hij zou kunnen worden beschreven als een soort Galische Adonis, een type van schoonheid en aantrekkelijkheid,
+de held van tallooze liefde-verhalen; en, evenals Adonis, werd zijn dood veroorzaakt door een wild zwijn.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De ever van Ben Bulben.</h3>
+<p>De ever was geen gewoon beest. Ziehier de geschiedenis van zijn afkomst: Donn, de vader van Dermot, gaf het kind aan Angus
+&#332;g om het groot te brengen in zijn paleis aan de Boyne. Zijn moeder, die Donn ontrouw was, baarde een ander kind, waarvan
+Roc, de opzichter van Angus, de vader was. Eens, toen het kind van den opzichter tusschen de knie&euml;n van Donn liep om aan sommige
+honden te ontkomen die op den vloer van de hal vochten drukte Donn het zoo tusschen zijn knie&euml;n dat het onmiddellijk werd
+gedood en hij wierp toen het lijkje den honden toe. Toen de opzichter zijn kind dood vond en (met behulp van Finn) de oorzaak
+ontdekte, haalde hij de staf van een Dru&iuml;de en sloeg er het lijk mee, waarop, in plaats van het doode kind, een groot wild
+zwijn verrees, zonder ooren of staart; en hij sprak tot het beest: &#8220;Ik draag u op Dermot O&#8217; Dyna den dood te brengen&#8221;; en
+het beest holde de hal uit <a id="d0e5505"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5505">268</a>]</span>en zwierf rond in de bosschen van Ben Bulben in het graafschap Sligo tot de tijd kwam dat zijn bestemming zou worden vervuld.
+
+</p>
+<p>Maar Dermot groeide op tot een prachtigen jongeling, onvermoeid op de jacht, onversaagd in den oorlog, geliefd door al zijn
+makkers van de Fianna, waarbij hij zich voegde zoodra hij daartoe den leeftijd had.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Hoe Dermot de liefde-vlek kreeg.</h3>
+<p>Hij heette Dermot van de Liefde-Vlek en een eigenaardige en mooie volksmythe door dr. Douglas Hyde<a id="d0e5514src" href="#d0e5514" class="noteref">13</a> opgeteekend vertelt hoe hij aan die benaming kwam. Op zekeren dag was hij met drie makkers, Goll, Conan, en Oscar, op de
+jacht, en laat in den avond zochten zij een rustplaats. Zij vonden weldra een hut, waarin zich bevonden een oude man, een
+jong meisje, een hamel en een kat. Hier vroegen zij gastvrijheid en deze werd hun geschonken. Maar, zooals gewoonlijk in deze
+mythen, het was een huis van mysterie.
+
+</p>
+<p>Toen zij gingen zitten om te eten, stond de hamel op en klom op tafel. Een na den ander van de Fianna trachtte hem er af te
+gooien, maar het dier schudde hen van zich af op den vloer. Goli slaagde er ten slotte in het van de tafel te smijten maar
+ook hem was het eindelijk de baas en het kreeg hen allen onder zijn voeten. Toen gelastte de oude man de kat den hamel weg
+te brengen en vast te binden en zij deed dat zonder moeite. De vier kampioenen wilden, diep beschaamd, de hut dadelijk verlaten;
+maar de oude man maakte hun duidelijk dat hun goede naam niet had geleden&#8212;de hamel waarmede zij hadden gevochten, was de Wereld,
+en de kat was de macht die de wereld zelf zou vernielen, namelijk de Dood.
+
+</p>
+<p>Toen het nacht was begaven de vier helden zich ter ruste in een groote kamer en het jonge meisje kwam in dezelfde kamer slapen;
+en het heet dat haar schoonheid de muren van de kamer bestraalde als een kaars. Een na den ander van de Fianna <a id="d0e5521"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5521">269</a>]</span>ging naar haar bed, maar zij weerde allen af. &#8220;Ik behoorde u eenmaal toe&#8221;, zeide zij tot elk, &#8220;en zal dat nimmer weer doen&#8221;.
+Dermot kwam het laatst. &#8220;O, Dermot&#8221;, zeide zij, &#8220;ook u gaf ik mij eenmaal, en ik kan dat nooit weer doen, want ik ben Jeugd;
+maar kom hier en ik zal u zoo teekenen, dat geen vrouw u ooit kan zien zonder u te beminnen&#8221;. Toen raakte zij zijn voorhoofd
+aan en liet de Liefde-Vlek daar; en dat wekte de liefde der vrouwen voor hem zoolang hij leefde.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De vervolging van den harden knecht.</h3>
+<p>De vervolging van den Gilla Dacar is een ander Fian-verhaal waarin Dermot een hoofdrol speelt. De Fianna, zoo luidt de geschiedenis,
+was op zekeren dag op de jacht op de heuvels en door de bosschen van Munster en terwijl Finn en zijn kapiteins op een heuvelrug
+stonden te luisteren naar het blaffen der honden en de tonen van den jachthoorn uit het donkere bosch onder hen, zagen zij
+een kolossalen, leelijken, wanstaltigen boer naderen, die een groote grof gebouwde merrie bij den halster voort trok. Hij
+gaf te kennen dat hij bij Finn in dienst wenschte te treden. Men noemde hem, zoo zeide hij, Gilla Dacar (de harde Gilly) omdat
+hij de stugste knecht was van wien ooit een heer diensten en gehoorzaamheid kreeg. Ondanks dat weinig belovend begin, nam
+Finn, wiens beginsel was nooit eenig verzoeker af te wijzen, hem in zijn dienst; en de Fianna begon nu hun ruwen makker tot
+mikpunt van allerlei grove grappen te maken, die daarmee eindigden dat dertien hunner, o.a. Conan de Kale, allen het paard
+van den Gilla Dacar bestegen. De nieuweling klaagde hierop dat men hem voor den gek hield en hij schuifelde in groot misnoegen
+weg totdat hij over den heuvelrug was, toen stroopte hij zijn kleeren op en liep in westelijke richting, sneller dan de wind
+in Maart, naar het zeestrand in het graafschap Kerry. Het paard, dat tot dusverre met hangende ooren had stil gestaan terwijl
+de dertien berijders het te vergeefs afrosten om het aan het loopen te brengen, wierp nu opeens den kop omhoog en rende in
+een woest galop zijn meester achterna. De Fianna liep mee, zoo <a id="d0e5528"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5528">270</a>]</span>goed als het ging onder het lachen, terwijl Conan, verschrikt en woedend, hen uitschold, omdat zij hem en zijn makkers niet
+ter hulp kwamen. Ten slotte werd de zaak ernstig. De Gilla Dacar sprong in zee en de merrie volgde hem met haar dertien berijders
+en nog een die er in geslaagd was haar bij den staart vast te houden juist toen zij het strand verliet; en allen verdwenen
+weldra in het fabelland van het Westen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e5531" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p270.jpg" alt="Dermot nam den Horen en vulde dien"></p>
+<p class="figureHead">Dermot nam den Horen en vulde dien</p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Dermot bij de bron.</h3>
+<p>Finn en de rest der Fianna berieden nu met elkander wat zij zouden doen, en zij kwamen ten slotte overeen een schip uit te
+rusten en hun makkers te gaan zoeken. Na vele dagen reizens bereikten zij een eiland door steile rotsen beveiligd. Als de
+vlugste van den troep, werd Dermot O&#8217;Dyna gezonden om ze te beklimmen en, zoo hij kon, een middel te vinden om de rest van
+den troep naar boven te helpen. Toen hij op den top kwam bevond hij zich in een heerlijk land vol vogelgezang en bijengegons
+en beekjesgemurmel, maar zonder teeken van te zijn bewoond. Een donker bosch ingaand, kwam hij spoedig aan een bron, waarbij
+een vreemd bewerkte drinkhoorn hing. Toen hij dien vulde om er uit te drinken kwam er uit de bron een dof, dreigend gemompel,
+maar hij had te veel dorst, om zich daaraan te storen, en hij dronk volop. Kort daarop kwam een gewapend krijgsman door het
+bosch, die hem heftige verwijten deed, omdat hij uit zijn bron had gedronken. Toen vochten de Ridder van de Bron en Dermot
+den geheelen namiddag met elkander, zonder dat de een den ander de baas kon worden; toen het avond werd sprong de ridder eensklaps
+in de bron en verdween. Den volgenden dag gebeurde hetzelfde; op den derden dag echter, sloeg Dermot, toen de ridder den sprong
+wilde doen, de armen om hem heen, en beiden gingen samen in de diepte.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De verlossing uit het Tooverland.</h3>
+<p>Dermot bevond zich nu, na een oogenblik van duisternis en bewusteloosheid, in het Tooverland. Een man met een <a id="d0e5545"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5545">271</a>]</span>waardig uiterlijk deed hem bijkomen en bracht hem naar het kasteel van een machtig koning, waar hij gastvrij werd onthaald.
+Men beduidde hem dat de diensten van een kampioen als hij noodig waren om strijd te voeren tegen een mededingend monarch.
+Het is hetzelfde motief dat men vindt in de avonturen van Cuchulain met Fand en dat zoo dikwijls in Keltische tooververhalen
+opduikt. Finn en zijn makkers, ziende dat Dermot niet tot hen terugkeerde, bereikten den top der klippen en na door het bosch
+te zijn getrokken, kwamen zij aan een groot hol, dat hen ten slotte voerde naar hetzelfde land waar Dermot was aangekomen.
+Ook vernamen zij dat daar waren de veertien mannen der Fianna, die met de merrie van den Harden Gilly waren meegevoerd. Hij
+was natuurlijk de koning die hun diensten noodig had en die dit middel had bedacht om een dertigtal van den bloem der Iersche
+krijgslieden tot zich te lokken. Finn en zijn mannen gaan met de grootste opgewektheid ten strijde en vernietigen den vijand
+als kaf; Oscar doodt den zoon van den mededingenden monarch (die de Koning van &#8220;Griekenland&#8221; is geheeten). Finn verwerft de
+liefde van zijn dochter, Tasha met de Blanke Armen, en het verhaal besluit met een aardige mengeling van vroolijkheid en mysterie.
+&#8220;Welke belooning verlangt ge voor uw goede diensten?&#8221; vraagt de Tooverkoning aan Finn. &#8220;Gij waart vroeger in mijn dienst,&#8221;
+antwoordt Finn, &#8220;en ik herinner me niet u eenige belooning te hebben gegeven. Laat de eene dienst tegenover de andere staan.&#8221;
+&#8220;Daar zal ik nooit in toestemmen,&#8221; roept Conan de Kale. &#8220;Zal ik geen vergoeding krijgen voor het wegvoeren op uw wilde merrie
+en over de zee?&#8221; &#8220;Wat verlangt ge?&#8221; vraagt de Tooverkoning. &#8220;Geen goud of bezittingen,&#8221; antwoordt Conan, &#8220;maar mijn eer heeft
+geleden en laat deze voldoening krijgen. Zet tien van uw mooiste vrouwen op de wilde merrie, o koning, en laat uw eigen vrouw
+haar bij den staart vasthouden, en laat hen naar Eria worden overgebracht, op dezelfde wijze als wij hierheen werden gesleept,
+en ik zal den smaad, dien wij ondergingen, voldoende geboet achten.&#8221; Daarop glimlachte de koning, en <a id="d0e5547"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5547">272</a>]</span>zich tot Finn wendend zeide hij: &#8220;O Finn, aanschouw uw mannen.&#8221; Finn keerde zich om, om naar hen te kijken, maar toen hij
+weer omkeek was het tooneel veranderd&#8212;de Tooverkoning en zijn heir en de geheele Tooverwereld waren verdwenen en hij bevond
+zich met zijn metgezellen en de schoonarmige Tasha, staande op den oever van de kleine baai in Kerry, van waaruit de Harde
+Gilly en de merrie in zee waren gegaan en zijn mannen hadden weggevoerd. En toen maakten allen zich blijde op naar het groote
+vaste kamp der Fianna op den Heuvel van Allen, om het bruilofsfeest van Finn en Tasha te vieren.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De invloed van het Christendom op de ontwikkeling der Iersche literatuur.</h3>
+<p>Dit verhaal met zijn boeiende mengeling van humor, fantasie, tooverij en wilde liefde, kan worden beschouwd als een typisch
+staal van de Fian-legenden op hun best. Vergeleken met de Conoriaansche legenden wijzen zij, zooals ik heb aangeduid, op een
+eigenaardig gebrek aan eenig hero&iuml;sch of ernstig element. Deze edeler stemming stierf uit, naarmate het Christendom meer veld
+won, dat zich voor bepaalde godsdienstige doeleinden meester maakte van den ernstiger verhevener kant van den Keltischen geest,
+aan de wereldsche literatuur alleen de elementen van het wonderbaarlijke en romantische overlatend. Zoo volkomen geschiedde
+dit, dat terwijl de Finn-legenden tot op heden zijn blijven leven onder de Galisch sprekende bevolking en een onderwerp van
+letterkundige behandeling waren zoolang het Galisch nog werd geschreven, de vroegere cyclus bijna geheel uit de volksherinnering
+verloren ging, of alleen gebrekkig bleef leven; en zonder de eerste handschriften, waarin de verhalen gelukkig zijn bewaard
+gebleven, zou zulk een werk als de &#8220;Tain Bo Cuailgn&eacute;&#8221;&#8212;ongetwijfeld het grootste dat de Keltische geest ooit in de literatuur
+voortbracht&#8212;thans onherroepelijk verloren zijn.
+
+
+<a id="d0e5554"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5554">273</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De verhalen van Deirdre en Grania.</h3>
+<p>Niets kan het onderscheid tusschen de beide cyclen beter toelichten dan een vergelijking van het Deirdre-verhaal met dat hetwelk
+wij nu moeten behandelen&#8212;het verhaal van Dermot en Grania. Dit laatste klinkt van een zeker standpunt beschouwd als een echo
+van het eerste, zoo groot is de overeenkomst tusschen beiden in de intrige. Daar hebt ge de volgende geschiedenis in geraamte:
+&#8220;Een schoone maagd is verloofd met een befaamd en machtig minnaar, veel ouder dan zij zelf. Zij wendt zich van hem af om een
+jonger minnaar te zoeken en vestigt haar keus op een van zijn volgelingen, een dappere en schoone jongeling, dien zij, hoewel
+tegen zijn zin, overreedt met haar te vluchten. Na aan de vervolging te zijn ontkomen, vestigen zij zich voor een poos op
+een afstand van den bedrogen minnaar, die zijn tijd afwacht, totdat hij ten slotte onder den schijn eener verraderlijke verzoening,
+den dood van zijn jongeren medeminnaar weet te bewerken en hij de vrouw weer in zijn macht krijgt&#8221;. Vroeg men een beoefenaar
+van Keltische legenden naar bovenstaand overzicht te luisteren en te zeggen op welk verhaal het sloeg, hij zou zeker antwoorden
+dat het moet zijn of het verhaal van de Vervolging van Dermot en Grania, of dat van het Lot der Zonen van Usna; maar welk
+van de beide zou hij bepaald onmogelijk kunnen zeggen. Toch zijn de beide verhalen in toon en karakter hemelsbreed verschillend.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Grania en Dermot.</h3>
+<p>In het Fian-verhaal is Grania de dochter van Cormac mac Art, Opperkoning van Ierland. Zij is verloofd met Finn mac Cumhal,
+dien we in dezen tijd hebben te beschouwen als een oud en in den oorlog vergrijsd, maar nog machtig krijgsman. De beroemde
+hoofdlieden der Fianna komen allen te Tara bijeen voor het bruiloftsfeest, en als zij aan het maal zijn gezeten, laat Grania
+haar blikken over hen gaan en vraagt hun namen aan haar vader&#8217;s Dru&iuml;de, Dara. &#8220;Het is vreemd&#8221; zegt <a id="d0e5565"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5565">274</a>]</span>zij, &#8220;dat Finn mij niet voor Ois&#299;n vroeg, in plaats van voor zich zelf. &#8220;Ois&#299;n zou u niet durven nemen,&#8221; zegt Dara. Na de
+ronde te hebben gedaan door het gezelschap, vraagt Grania: &#8220;Wie is die man met de vlek op zijn voorhoofd, met de lieflijke
+stem, krullend donker haar en blozende wangen?&#8221; &#8220;Dat is Dermot O&#8217;Dyna,&#8221; antwoordt de Dru&iuml;de, &#8220;met de witte tanden, helder
+gelaat, de beste minnaar van vrouwen en maagden in de geheele wereld.&#8221; Nu bereidt Grania een slaapdrank, dien zij door haar
+vrouwelijke bediende in een beker laat rondgaan bij den koning, bij Finn en het geheele gezelschap, met uitzondering van de
+hoofden der Fianna. Als de drank zijn werking heeft verricht, gaat zij tot Ois&#299;n. &#8220;Wilt ge dat ik u minne, Ois&#299;n?&#8221; vraagt
+zij. &#8220;Dat wil ik niet,&#8221; zegt Ois&#299;n, &#8220;en ook geen andere vrouw die met Finn verloofd is.&#8221; Grania, die heel goed wist wat Ois&#299;n&#8217;s
+antwoord zou zijn, wendt zich nu tot Dermot, op wien zij het in werkelijkheid begrepen had. Eerst weigert hij iets met haar
+te maken te hebben. &#8220;Ik leg u de verplichting (<i>geise</i>) op, o Dermot, mij hedenavond uit Tara te voeren.&#8221; &#8220;Dat is een slechte verplichting,&#8221; zegt Dermot, &#8220;en waarom legt ge mij
+die op en niet aan de koningszonen die aan deze tafel zijn gezeten?&#8221; Grania verklaart dan dat zij Dermot altijd heeft lief
+gehad sedert zij hem, jaren tevoren van uit haar zonnig prieel, zag deelnemen aan een grooten werpwedstrijd, op de weide te
+Tara, en dien winnen. Dermot, nog altijd zeer onwillig, bepleit Finn&#8217;s verdiensten en voert bovendien aan dat Finn de sleutels
+der koninklijke vesting heeft, zoodat zij die &#8217;s nachts niet kunnen verlaten. &#8220;In mijn pri&euml;el is een geheime poort,&#8221; zegt
+Grania. &#8220;Ik ben onder <i>geise</i> niet door een poort te gaan,&#8221; antwoordt Dermot, nog worstelend tegen zijn noodlot. Grania wil niets van deze uitvluchten
+weten&#8212;men heeft haar gezegd dat elke Fian-krijgsman over een palissade kan springen met behulp van zijn speer als polsstok;
+en zij gaat alles in gereedheid brengen voor haar schaking. In groote verlegenheid wendt Dermot zich tot Ois&#299;n, Keelta, Oscar
+en de anderen, om te weten wat hij moet doen. Allen heeten hem zijn <i>geise</i> na te komen&#8212;de verplichting die Grania <a id="d0e5576"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5576">275</a>]</span>hem had opgelegd om haar te helpen&#8212;en met tranen neemt hij afscheid van hen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e5579" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p274.jpg" alt="Dermot en Grania"></p>
+<p class="figureHead">Dermot en Grania</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Buiten het prieel gekomen smeekte hij Grania andermaal terug te keeren. &#8220;Ik zal zeker niet terug gaan,&#8221; zegt Grania, &#8220;of van
+u scheiden voordat de dood ons scheidt.&#8221; &#8220;Dan, vooruit, o Grania&#8221;, zegt Dermot. Na een mijl te hebben afgelegd zegt Grania:
+&#8220;Ik ben heusch moede, o kleinzoon van Dyna.&#8221; &#8220;Het is het geschikte oogenblik om moede te zijn&#8221;, zegt Dermot, die een laatste
+poging doet om uit de klem te raken, &#8220;en nu weer naar uw huishouding terug te gaan, want ik verklaar als echt krijgsman dat
+ik in der eeuwigheid niet u of een andere vrouw zal dragen.&#8221; &#8220;Dat is niet noodig,&#8221; zegt Grania en zij wijst hem aan waar hij
+paarden en een wagen vinden kan, en Dermot, zich ten slotte in het onvermijdelijke schikkend, spant de paarden in en zij slaan
+den weg in naar de wadde van Luan aan de Shannon.<a id="d0e5585src" href="#d0e5585" class="noteref">14</a>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De vervolging.</h3>
+<p>Den volgenden dag begeeft Finn, ziedend van woede, zich met zijn krijgers op weg en volgt hun spoor. Hij spoort elke stopplaats
+op, en vindt de steenen hut die Dermot voor hen maakte als schuilplaats, en het bed van biezen, en de overblijfselen van het
+maal dat zij hadden gegeten. En telkens vindt hij een stuk brood, of rauwe zalm&#8212;waardoor Dermot Finn op een fijne manier doet
+weten dat hij de rechten van zijn heer heeft ge&euml;erbiedigd en Grania als een zuster heeft behandeld. Maar deze kieschheid van
+Dermot is heelemaal niet naar den zin van Grania, en zij geeft hem haar wenschen te kennen op een wijze die merkwaardig overeenkomt
+met een episode in het verhaal van Tristan en Isolde van Bretagne, zooals dat door Heinrich von Freiberg wordt gedaan. Zij
+gaan door een natte plek en Grania wordt met water bespat. Zij wendt zich tot haar metgezel: &#8220;Gij zijt een geweldig krijgsman,
+o Dermot, in den slag, bij belegeringen en rooftochten, toch komt het mij voor dat deze waterdroppel meer durf heeft dan <a id="d0e5596"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5596">276</a>]</span>gij.&#8221; Deze wenk dat hij zich op een te eerbiedigen afstand hield, werd door Dermot begrepen. De teerling is nu geworpen en
+voortaan zal hij Finn en zijn vroegere makkers nooit meer ontmoeten dan met gevelde speer.
+
+</p>
+<p>Het verhaal verliest nu veel van de oorspronkelijkheid en bekoring van het begin en somt een beetje droog een aantal episoden
+op, waarin Dermot door de Fianna wordt aangevallen of belegerd, en zich en zijn gezellen redt door wonderen van stoutheid
+of handigheid, of door middel van de tooverkunsten van zijn pleegvader, Angus &#332;g. Zij worden over geheel Ierland achterna
+gezet en de dolmens in dat land worden door het volk met hen in verband gebracht, daar zij in de overleveringen van de boeren
+&#8220;Bedden van Dermot en Grania&#8221; worden genoemd.
+
+</p>
+<p>Het karakter van Grania is steeds met groote consequentie geteekend. Zij is geen heldhaftige vrouw&#8212;zij heeft niet de eenvoudige,
+vurige aandriften en onwankelbare toewijding van een Deirdre. Deze laatste is veel primitiever. Grania is een merkwaardig
+modern en wat men noemen zou &#8220;hysterisch&#8221; type&#8212;eigenzinnig, ongedurig, hartstochtelijk, maar vol vrouwelijke bekoring.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Dermot en Finn sluiten vrede.</h3>
+<p>Na zestien jaar vogelvrij te zijn verklaard, wordt ten slotte voor Dermot vrede verkregen, door tusschenkomst van Angus, met
+Koning Cormac en met Finn. Dermot krijgt het hem toekomend vaderlijk erfdeel, de Cantred van Dyna, en andere landen in het
+verre Westen, en Cormac geeft Finn een andere zijner dochters. &#8220;Geruimen tijd bleven zij vreedzaam bij elkander, en men zeide
+dat geen man, toen levend, rijker was aan goud en zilver, kudden schapen en runderen dan Dermot O&#8217;Dyna, ook geen die meer
+buit maakte.&#8221;<a id="d0e5607src" href="#d0e5607" class="noteref">15</a> Grania baart Dermot vier zonen en een dochter.
+<a id="d0e5610"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5610">277</a>]</span></p>
+<p>Maar Grania is niet tevreden voordat &#8220;de twee eerste mannen in Erin, namelijk Cormac zoon van Art en Finn zoon van Cumhal&#8221;
+in haar huis zijn onthaald. &#8220;En wie weet,&#8221; voegt zij er bij, &#8220;of onze dochter dan niet een geschikten echtgenoot zou vinden?&#8221;
+Dermot geeft een beetje angstig toe; de Koning en Finn nemen de uitnoodiging aan en zij en hun gevolg worden een jaar lang
+in Rath Grania ontvangen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Finn&#8217;s wraak.</h3>
+<p>Op zekeren nacht, tegen het eind van jaar, wordt Dermot uit zijn slaap gewekt door het blaffen van een hond. Hij schrikt op,
+&#8220;zoodat Grania hem vast hield en haar armen om hem heen sloeg en vroeg wat hij gezien had.&#8221; Het is het geluid van een hond&#8221;,
+zegt Dermot, &#8220;en het is vreemd dat ik dat in den nacht hoor.&#8221; &#8220;De Goden mogen u beschermen,&#8221; zegt Grania; &#8220;dat is het Danaanschvolk,
+dat u verontrust. Ga weer liggen.&#8221; Maar driemaal maakt het hondengeblaf hem wakker en &#8217;s morgens trekt hij gewapend met zwaard
+en slinger op, gevolgd door zijn hond, om te zien wat er gaande is.
+
+</p>
+<p>Op den berg van Ben Bulben in Sligo ontmoet hij Finn met een jachtgezelschap van de Fianna. Zij zijn nu evenwel niet op de
+jacht, maar worden opgejaagd; want zij hebben het betooverd wild zwijn zonder ooren of staart, het Everzwijn van Ben Bulben,
+doen ontwaken, dat dien morgen dertig hunner heeft gedood. &#8220;En gij, maak u uit de voeten,&#8221; zegt Finn, wel wetend dat Dermot
+nimmer voor een gevaar zal terugdeinzen; &#8220;want gij zijt onder <i>geise</i> geen zwijn te jagen.&#8221; &#8220;Hoe zoo?&#8221; zegt Dermot en Finn vertelt hem de onheilspellende geschiedenis van den dood van het opzichterskind
+en zijn herleving in de gedaante van dit zwijn en zijn opdracht van wraak. &#8220;Op mijn woord,&#8221; sprak Dermot, &#8220;het is om mij te
+dooden dat gij deze jacht zijt begonnen, o Finn; en indien het mijn lot is dat ik hier zal sterven, heb ik nu niet de macht
+het te ontgaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Het beest verschijnt op den berg en Dermot laat den hond op hem los, maar de hond vlucht verschrikt. Dan slingert Dermot een
+steen, die het zwijn precies in het midden van zijn <a id="d0e5625"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5625">278</a>]</span>voorhoofd raakt, maar het den huid zelfs niet schramt. Het beest is nu vlak bij hem en Dermot slaat het met zijn zwaard, maar
+het wapen vliegt in twee stukken en niet &eacute;en borstel van het zwijn is afgesneden. Bij den aanval op het zwijn valt Dermot
+er over heen en wordt een eindje gedragen, zich aan den rug vasthoudend; ten slotte echter schudt het zwijn hem af op den
+grond en hem &#8220;heftig met buitengewone kracht bespringend,&#8221; rijt het Dermot&#8217;s ingewanden uit zijn lijf, terwijl Dermot, die
+het gevest van zijn zwaard nog in de hand heeft, het beest de hersens inslaat, zoodat het dood naast hem neer valt.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e5628" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p278.jpg" alt="&#8220;De troep der Fianna verdween, en liet haar over aan haar smart&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;De troep der Fianna verdween, en liet haar over aan haar smart&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Dood van Dermot.</h3>
+<p>Dan komt de onverzoenlijke Finn nader en bukt zich over Dermot in zijn doodsstrijd. &#8220;Het behaagt mij wel u in dezen toestand
+te zien, o Dermot,&#8221; zegt hij, &#8220;en ik zou willen dat alle vrouwen in Ierland u nu zagen; want uw uitnemende schoonheid is in
+leelijkheid en uw prachtige gestalte in mismaaktheid verkeerd.&#8221; Dermot herinnert Finn er aan, hoe hij hem eens van een doodelijk
+gevaar redde toen hij in het huis van Derc tijdens een feest werd aangevallen, en smeekt dat hij hem zal genezen met een dronk
+waters uit zijn handen, want Finn heeft het tooververmogen een gewonde gezond te maken met een dronk bronwater in zijn beide
+handen opgehaald. &#8220;Hier is geen bron,&#8221; zegt Finn. &#8220;Dat is niet waar,&#8221; zegt Dermot, &#8220;want negen schreden van u af is de beste
+bron van zuiver water in de wereld.&#8221; Ten slotte gaat Finn, op verzoek van Oscar en de Fianna en na herinnering aan de vele
+daden in vroeger dagen door Dermot om zijnent wil gedaan, naar de bron, maar voordat hij het water bij Dermot brengt, laat
+hij het door zijn vingers vallen. Hij gaat nogeens en andermaal laat hij het water vallen, &#8220;al denkend over Grania&#8221;, en Dermot
+slaakt een zucht van angst als hij dat ziet. Ois&#299;n verklaart dan dat als Finn het water niet aanstonds brengt, hij of Finn
+den berg niet levend zal verlaten en Finn gaat nog eens naar de bron, maar het is nu te laat; Dermot is dood voordat de genezende
+dronk zijn lippen kan bereiken. Dan neemt Finn Dermot&#8217;s hond, de <a id="d0e5637"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5637">279</a>]</span>hoofden der Fianna leggen hun mantels over den doode en zij keeren terug naar Rath Grania. Grania, den hond ziende die door
+Finn wordt geleid, begrijpt wat er gebeurd is en valt in zwijm op den wal van de Rath. Als zij tot bewustzijn is teruggekeerd
+geeft Ois&#299;n haar de hond, tegen den zin van Finn, en de Fianna trekt af, haar met haar smart alleen latend. Als de menschen
+van Grania&#8217;s huishouding naar buiten gaan om het lijk van Dermot binnen te halen vinden zij daar Angus &#332;g en zijn troep van
+het Volk van Dana, die, na drie vreeselijke, smartelijke kreten te hebben aangeheven, het lijk op een vergulde baar wegdragen
+en Angus verklaart, dat hoewel hij den doode niet weer levend kan maken, &#8220;ik zal een ziel in hem brengen, zoodat hij elken
+dag met mij kan spreken.&#8221;
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Grania&#8217;s einde.</h3>
+<p>Bij een verhaal als dit behoort voor den modernen smaak een romantisch en sentimenteel besluit; en dat is dan ook daaraan
+gegeven toen dr. P.&nbsp;W. Joyce het over vertelde in zijn &#8220;Old Celtic Romances,&#8221; even als dat geschiedde met het verhaal van
+Deirdre, door bijna elk modern auteur, die het behandelde<a id="d0e5644src" href="#d0e5644" class="noteref">16</a>. Maar de Celtische verteller voelde het anders. Het verhaal van Deirdre&#8217;s einde is vreeselijk wreed, dat van Grania cynisch
+en spottend; geen van beiden is ook maar in het minst sentimenteel. Grania is in den beginne woedend op Finn en zendt haar
+zonen buitenslands om wapenfeiten te leeren, zoodat zij zich op hem zouden kunnen wreken wanneer de tijd daar is. Maar Finn,
+geslepen en vooruitziende als hij in dit verhaal wordt voorgesteld, weet dit gevaar af te wenden. Als de tragedie op Ben Bulben
+in Grania&#8217;s wuft gemoed een beetje is begonnen te verflauwen, begeeft hij zich tot haar en hoewel aanvankelijk met verachting
+en verontwaardiging behandeld, vrijt hij naar haar zoo kiesch en met zooveel teederheid, dat hij haar ten slotte weet te overreden<a id="d0e5647src" href="#d0e5647" class="noteref">17</a> en hij voert haar als <a id="d0e5653"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5653">280</a>]</span>bruid terug naar den Heuvel van Allen. Als de Fianna het paar zoo teeder ziet naderen, barsten zij uit in gelach en spottende
+kreten, &#8220;zoodat Grania beschaamd het hoofd liet zinken.&#8221; &#8220;Wij vertrouwen, o Finn,&#8221; roept Ois&#299;n, &#8220;dat gij voortaan Grania wel
+zult houden.&#8221; Aldus maakte Grania vrede tusschen Finn en haar zonen en zij bleef bij Finn als zijn vrouw tot op zijn dood.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Twee stroomingen van Fian-legenden.</h3>
+<p>Men zal opgemerkt hebben dat in deze legende Finn niet als een sympathieke figuur optreedt. Al onze belangstelling is voor
+Dermot. Van dit standpunt bezien is het verhaal typisch voor een zekere klasse van Fian-vertellingen. Zooals er twee mededingende
+stammen waren in de Fian-organisatie&#8212;de Clan Bascna en de Clan Morna&#8212;die soms om de oppermacht slaags raakten, zoo zijn er
+twee stroomingen van legenden, die respectievelijk uit de eene of de andere van die bronnen schijnen te komen; in een ervan
+wordt Finn verheerlijkt, terwijl hij in de andere wordt verkleind ten gunste van Goll mac Morna, of een anderen held met wien
+hij in botsing komt.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Einde van de Fianna.</h3>
+<p>De geschiedenis van het einde der Fianna wordt verteld in een aantal stukken, sommige in proza, andere in verzen, alle echter
+daarin overeenstemmend, dat zij deze gebeurtenis als een stuk zuivere geschiedenis weergeven, zonder iets van de bovennatuurlijke
+en mystieke atmosfeer, waarin bijna al de Fian-legenden zijn gedompeld.
+
+</p>
+<p>Na den dood van Cormac mac Art werd zijn zoon Cairbry Opperkoning van Ierland. Hij had een schoone dochter genaamd <i>Sgeimh Solais</i> (Licht van Schoonheid) die ten huwelijk werd gevraagd door een zoon van den Koning der Decies. Tot het huwelijk werd besloten
+en de Fianna eischte een losgeld of schatting van twintig baren goud, wat hun, naar men zegt, in den regel bij zulke gelegenheden
+werd betaald. Naar het schijnt was de Fianna nu een bijzondere macht in den Staat <a id="d0e5670"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5670">281</a>]</span>geworden, en een drukkende macht, die zware schattingen en lastige privilegi&euml;n eischte van koningen en onderkoningen in geheel
+Ierland. Cairbry besloot haar er onder te krijgen en hij meende nu een goede gelegenheid daartoe te hebben. Hij weigerde daarom
+betaling van het losgeld en riep al de koningen der provincies op hem tegen de Fianna te helpen; de hoofdtroep daarvan kwam
+onmiddellijk in opstand voor hetgeen zij hun rechten achtten. Nu brak de oude veete tusschen Clan Bascna en Clan Morna opnieuw
+uit; laatstgenoemde koos de zijde van den Opperkoning, terwijl Clan Bascna, bijgestaan door den Koning van Munster en zijn
+troepen, die alleen hun zijde kozen, tegen Cairbry optrok.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De slag van Gowra.</h3>
+<p>Dat alles klinkt zeer zakelijk en waarschijnlijk, maar hoeveel werkelijkheid daarin steekt is zeer moeilijk te zeggen. De
+beslissende slag van den oorlog, die nu volgde, had plaats te Gowra (Gabhra), waarvan de naam is overgebleven is in Garristown,
+graafschap Dublin. Toen de tegenstanders in slagorde waren geschaard, knielden zij alvorens elkander aan te vallen en kusten
+zij Erin&#8217;s gewijden grond. Het verhaal van den slag in de lezingen en verzen, waarvan een is gedrukt in de Verhandelingen
+van het Ossian&#8217;sch Genootschap, en een tweede mooiere in Campbell&#8217;s &#8220;De Fians&#8221;<a id="d0e5677src" href="#d0e5677" class="noteref">18</a> wordt geacht door Ois&#299;n te zijn gedaan aan St. Patrick. Hij legt groot gewicht op de heldendaden van zijn zoon Oscar:
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Mijn zoon spoedde zijn vaart
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Door de strijdscharen van Tara
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Als een havik schiet door een vogel-vlucht,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Of een rotsblok wentlend een bergrug af.&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De dood van Oscar.</h3>
+<p>Het was een strijd op leven en dood en de slachting was aan beide zijden geweldig. Alleen oude mannen en knapen, <a id="d0e5694"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5694">282</a>]</span>zegt men, bleven in Erin over na dat gevecht. De Fianna werd bijna geheel uitgeroeid en Oscar kwam om. Hij en de Koning van
+Ierland, Cairbry, vochten met elkander en de een doodde den ander. Terwijl Oscar nog adem haalt, al was er op zijn lijf geen
+hand breedte meer zonder een wond, vond zijn vader hem:
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Ik vond hem liggend, mijn eigen zoon,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Op zijn linker elboog, het schild aan de zij;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Zijn rechter hand omknelde het zwaard,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Door zijn kolder vloeide het bloed.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Oscar blikte naar mij op&#8212;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Wee was mij dat gezicht!
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Hij strekte beide&#8217; armen naar mij uit,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Trachtend op te rijzen en mij te gemoeten.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Ik greep de hand van mijn zoon
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">En zette mij aan zijn linker zij;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">En sinds ik daar zat bij hem,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Kon niets op aarde meer mij deren.&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>Wanneer Finn (in de Schotsche lezing) om zijn kleinzoon komt treuren, roept hij uit:
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Wee, dat niet ik het was die viel
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">In den slag van het kaal zonnig Gavra.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">En dat gij schreedt rechts en links
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Voor de Fians uit, Oscar.</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>Maar Oscar antwoordt:
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Waart gij de gevallene
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">In den slag van het kaal zonnig Gavra.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Niet &eacute;&eacute;n zucht, rechts noch links,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Zou om u gehoord zijn van Oscar.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Niemand wist ooit
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Sloeg in mijn borst een hart van vleesch,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Dan wel een van kronkelend hoorn
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">En daar over een schede van staal.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Maar het huilen der doggen naast mij,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">En de weeklacht der oude helden,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">En het beurlings weenen der vrouwen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Dat kwelt mij het hart.&#8221;</span></p>
+</div>
+</div><a id="d0e5763"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5763">283</a>]</span><p>Oscar sterft na de goden te hebben gedankt voor zijn vader&#8217;s redding, Ois&#299;n en Keelta lichten hem op een baar van speren en
+dragen hem weg onder zijn banier &#8220;De Vreeselijke Schoof&#8221;, om te worden begraven op het veld waarop hij stierf en waar een
+groote groene grafheuvel nog zijn naam draagt. Finn neemt geen deel aan den slag. Men zegt dat hij later &#8220;met een schip&#8221; kwam
+om het slagveld te overzien en dat hij schreide om Oscar, iets dat hij nog slechts eenmaal te voren had gedaan, om zijn hond
+Bran, dien hij zelf bij ongeluk doodde. Misschien is de vermelding van het schip een aanwijzing, dat hij toen niet meer tot
+de levenden behoorde en de aarde weer kwam bezoeken van uit het overzeesche rijk des Doods.
+
+</p>
+<p>Er is in dit verhaal van den slag van Gowra een melancholieke grootschheid, die daaraan een bijzondere plaats geeft in de
+Ossian&#8217;sche literatuur. Het is een passende lijkzang voor een legendair tijdvak. Campbell vertelt ons dat de Schotsche boertjes
+en schaapherders gewoon waren hun mutsen af te zetten als zij het opzegden. Hij voegt er een zonderling en roerend brok modern
+folklore bij, dat daarmee in verband staat. Twee mannen, zoo heet het, waren &#8217;s nachts uit, waarschijnlijk om schapen te stelen,
+of voor een andere roofexpeditie, en onder het gaan vertelden zij Fian-verhalen, toen zij twee reusachtige schimachtige gedaanten
+zagen die met elkander spraken over het dal heen. Een van de verschijningen zeide tot de andere: &#8220;Ziet ge dien man daar beneden?
+Ik was bij de tweede gevechtslijn op den dag van Gowra en deze man daar weet alles daarvan beter dan ik zelf&#8221;.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het einde van Finn.</h3>
+<p>Wat Finn zelf aangaat, het is zonderling dat in al wat er bestaat van de Ossian&#8217;sche literatuur geen volledig verhaal van
+zijn dood voorkomt. In de dichterlijke legenden wordt er van gewaagd en schrijvers van annalen bepalen zelfs den datum er
+van, maar de berichten komen niet overeen en dat geldt ook van de data. Noch van de schrijvers van annalen, noch van de dichters
+kan over het onderwerp helder licht <a id="d0e5773"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5773">284</a>]</span>worden verkregen. Finn schijnt te zijn opgelost in den toovernevel, die zoovele van zijn daden bij zijn leven omgeeft. Maar
+volgens een volkoverlevering stierven hij en zijn groote metgezellen Oscar en Keelta en Ois&#299;n en de rest nooit, maar worden
+zij, evenals Keizer Barbarossa, vastgehouden in een betooverd hol, waar zij den bepaalden tijd afwachten om roemrijk weer
+te verschijnen en hun land te verlossen van tirannie en onrecht.
+
+
+<a id="d0e5775"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5775">285</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4958" href="#d0e4958src" class="noteref">1</a></span> In het Engelsch uitgesproken als &#8220;mac Cool&#8221;.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4961" href="#d0e4961src" class="noteref">2</a></span> In het Engelsch uitgesproken als &#8220;Usheen&#8221;.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4973" href="#d0e4973src" class="noteref">3</a></span> Het is natuurlijk niet onmogelijk, dat de tegenwoordige herleving van het Galisch als een gesproken taal, tot het begin van
+een nieuw hoofdstuk in die geschiedenis zal leiden.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4994" href="#d0e4994src" class="noteref">4</a></span> Nu Castleknock, bij Dublin.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5001" href="#d0e5001src" class="noteref">5</a></span> In de Graafschap van den koning.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5047" href="#d0e5047src" class="noteref">6</a></span> De heuvel draagt nog den naam, Knockanar.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5282" href="#d0e5282src" class="noteref">7</a></span> Glanismole, bij Dublin.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5296" href="#d0e5296src" class="noteref">8</a></span> Talkenn, of Houweel-hoofd, was een naam dien de Ieren aan St. Patrick gaven. Vermoedelijk sloeg dat op den vorm van zijn tonsuur.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5354" href="#d0e5354src" class="noteref">9</a></span> Uit te spreken als &#8220;Sleeve-na-m&oacute;n&#8221;, klemtoon op de laatste lettergreep. Het beteekent de Berg van de (Toover) Vrouwen.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5400" href="#d0e5400src" class="noteref">10</a></span> Naar de (Engelsche) vertaling van S.&nbsp;H. O&#8217;Grady.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5421" href="#d0e5421src" class="noteref">11</a></span> Zie blz. <a href="#d0e2714">90</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5488" href="#d0e5488src" class="noteref">12</a></span> Voorbeelden hiervan zijn met vertalingen opgenomen in de &#8220;Handelingen van het Ossian&#8217;sch Genootschap.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5514" href="#d0e5514src" class="noteref">13</a></span> Ontleend aan het verhaal van een boer in het graafschap Galway en te Rennes uitgegeven in Dr. Hyde&#8217;s &#8220;An Sgeuluidhe Goadhalach&#8221;,
+vol. ii (geen vertaling).
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5585" href="#d0e5585src" class="noteref">14</a></span> Thans Athlone (<i>Atha Luain</i>).
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5607" href="#d0e5607src" class="noteref">15</a></span> Hoe kenmerkend is deze na&iuml;eve aanwijzing dat het houden van strooptochten bij zijn buren in Keltisch Ierland werd beschouwd
+als de natuurlijke en loffelijke bezigheid van een landedelman? Vergelijk Spenser&#8217;s beschouwing over de idealen gekoesterd
+door de lersche barden van zijn tijd, &#8220;View of the Present State of Ireland,&#8221; blz. 641 (Globe-editie.)
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5644" href="#d0e5644src" class="noteref">16</a></span> Dr John Todhunter alleen, geloof ik, heeft in zijn &#8220;Three Irish Bardic Tales,&#8221; zich gehouden aan het antieke slot van het
+verhaal van Deirdre.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5647" href="#d0e5647src" class="noteref">17</a></span> Dit doet denken aan Shakespeare&#8217;s &#8220;Richard III&#8221; (<span class="abbr" title="Noot van den vertaler"><abbr title="Noot van den vertaler">Noot v.d.v.</abbr></span>)
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5677" href="#d0e5677src" class="noteref">18</a></span> &#8220;Waifs and Strays of Celtic Tradition&#8221;, Argyllshire-reeks. Het verhaal werd in verzen opgeteekend, woord voor woord, uit den
+mond van Roderick mac Fadyen in Tiree, 1868.
+</p>
+</div>
+<p class="div1"><a id="d0e5776"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e166">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk VII: De reis van Maeld&#363;n.</h2>
+<p>Naast de legenden die zich om groote heldhaftige namen ophoopen en het karakter van geschiedenis dragen, of althans beweren
+te dragen, zijn er vele andere, groote en kleine, die van avonturen vertellen die zich geheel bewegen in romantische sferen,
+buiten aardsche ruimte en tijd. Als een staal er van geef ik hier den korten inhoud van de &#8220;Reis van Maeld&#363;n,&#8221; een zeer merkwaardig
+en schitterend werk van verdichting, voorkomend in het handschrift getiteld het &#8220;Boek van de Dun Koe&#8221; (omstreeks 1100) en
+andere oude bronnen, en uitgegeven met een vertaling (waaraan ik hier de volgende uittreksels ontleen) door dr. Whitley Stokes
+in de &#8220;Revue Celtique&#8221; van 1888 en 1889. Het is slechts een van de vele dergelijke wonderreizen die men in de oude Iersche
+literatuur aantreft, maar men denkt dat het de eerste van allen en een model voor de anderen is geweest, en het heeft de eer
+gehad&#8212;in den verkorten en gewijzigden vorm door Joyce gegeven in zijn &#8220;Oude Keltische Verhalen&#8221;&#8212;de stof te hebben geleverd
+voor de &#8220;Reis van Maeldune&#8221; aan Tennyson, die daarvan een verwonderlijke schepping heeft gemaakt van rythmus en kleur, een
+soort allegorie der Iersche geschiedenis vormend. Men zal aan het slot opmerken dat wij in het ongewone geval verkeeren dat
+wij den naam kennen van den auteur van dat stuk primitieve literatuur, hoewel hij geen aanspraak er op maakt de &#8220;Reis&#8221; te
+hebben samengesteld, maar alleen de gebeurtenissen er van te hebben &#8220;geordend.&#8221; Jammer genoeg kunnen wij niet zeggen wanneer
+hij leefde, maar het verhaal zooals wij het kennen, dateert vermoedelijk van de negende eeuw. De sfeer er van is zuiver christelijk
+en het heeft geen mythologische beteekenis dan voor zoover het leert, dat de duistere bevelen van waarzeggers moeten worden
+gehoorzaamd. Geen avontuur of zelfs bijzonderheid van gewicht is weggelaten in het volgend overzicht van het verhaal, dat
+aldus volledig wordt gegeven omdat de lezer het kan beschouwen als vertegenwoordigend een groot en belangrijk deel der Iersche
+legende-literatuur. Behalve de bron waaruit ik put, de <a id="d0e5781"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5781">286</a>]</span>&#8220;Revue Celtique,&#8221; is mij geen andere getrouwe Engelsche reproductie van dit verwonderlijk verhaal bekend.
+
+</p>
+<p>De &#8220;Reis van Maeld&#363;n&#8221; begint zooals Iersche verhalen vaak doen, met ons te vertellen hoe de held ter wereld kwam.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e5786" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p286.jpg" alt="&#8220;Het ware beter voor u den man te wreken, die hier verbrand is&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Het ware beter voor u den man te wreken, die hier verbrand is&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Daar was een beroemd man van de clan der Owens van Aran, genaamd Ailill van den Rand van den Slag, die zijn koning op een
+strooptocht vergezelde naar een ander gebied. Op zekeren nacht kampeerden zij bij een kerk en een nonnenklooster. Te middernacht
+zag Ailill, die zich bij de kerk bevond, een non uit het klooster komen om de klok te luiden voor het gebed en hij vatte haar
+bij de hand. In oud-Ierland werden godsdienstige personen in oorlogstijd niet bijster ontzien en Ailill ontzag de non niet.
+Toen zij scheidden, zeide zij tot hem: &#8220;Van welken stam zijt gij en wat is uw naam?&#8221; Daarop zeide de held: &#8220;Ailill van den
+Rand van den Slag is mijn naam en ik ben van de Owens van Aran, in Thomond.&#8221;
+
+</p>
+<p>Niet lang daarna werd Aillil gedood door roovers uit Leix, die de kerk van Dooclone boven zijn graf verbrandden.
+
+</p>
+<p>Op zijn tijd werd de non een zoon geboren en zij gaf hem den naam Maeld&#363;n. Hij werd heimelijk gebracht naar haar vriendin,
+de koningin van het gebied, en deze bracht Maeld&#363;n groot. &#8220;Hij was inderdaad welgemaakt en het is de vraag of er ooit iemand
+zoo schoon was als hij. Zoo groeide hij op, totdat hij geschikt was wapens te dragen. Hij was toen zeer levendig, vroolijk
+en dartel. Bij het spelen overtrof hij al zijn makkers in het werpen van ballen, in loopen en springen, werpen met steenen
+en narennen van paarden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Eens tergde hem een trotsche jonge krijgsman, dien hij had verslagen, omdat hij niets wist van zijn familie en afkomst. Maeld&#363;n
+ging tot zijn pleegmoeder, de koningin, en zeide: &#8220;Ik zal niet eten of drinken v&oacute;&oacute;r gij mij zegt wie mijn moeder en mijn vader
+zijn.&#8221; &#8220;Ik ben uw moeder&#8221;, zeide de koningin, &#8220;want geen vrouw had ooit haar zoon meer lief dan ik u lief heb&#8221;. Maar Maeld&#363;n
+drong er op aan alles te weten en de koningin bracht hem ten slotte tot zijn eigen moeder, de non, die hem zeide: &#8220;Uw vader
+was Ailill van de Owens van Aran.&#8221;<span class="corr" title="Bron: ."></span> <a id="d0e5800"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5800">287</a>]</span>Toen ging Maeld&#363;n naar zijn eigen familie, die hem goed ontving; en hij nam als gasten mee zijn drie geliefde pleegbroeders,
+zonen van den koning en de koningin die hem hadden groot gebracht.
+
+</p>
+<p>Een poos later was Maeld&#363;n toevallig met een troep jonge krijgslieden samen, die op het kerkhof van de vernielde kerk van
+Doocloone steenen wilden gooien. Maeld&#363;n had, terwijl hij een steen oplichtte, den voet geplant op een verschroeiden en zwarten
+zandsteen; en een monnik, Briccne<a id="d0e5804src" href="#d0e5804" class="noteref">1</a> geheeten, die er bij stond, zeide tot hem: &#8220;Het ware beter dat gij den man wreektet die hier verbrand werd, dan steenen te
+werpen over zijn verbrande beenderen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie was dat?&#8221; vroeg Maeld&#363;n.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ailill, uw vader&#8221;, zeide men hem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie versloeg hem?&#8221;, vroeg hij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Roovers uit Leix&#8221;, zeiden zij, &#8220;en zij doodden hem op deze plaats.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen wierp Maeld&#363;n den steen neer, dien hij op het punt stond te gooien, en sloeg zijn mantel om zich heen en ging naar huis;
+en hij vroeg den weg naar Leix. Men zeide hem dat hij daar alleen over zee kon komen<a id="d0e5817src" href="#d0e5817" class="noteref">2</a>.
+
+</p>
+<p>Op raad van een Dru&iuml;de bouwde hij zich nu een boot, of visschersboot, van huiden driemaal over elkaar gewikkeld om een houten
+geraamte; en de waarzegger zeide hem ook dat zeventien mannen slechts hem moesten vergezellen, op welken dag hij moest beginnen
+met den bouw van de boot en op welken dag hij zee moest kiezen.
+
+</p>
+<p>Toen zijn troep gereed was, stak hij van wal en heesch het zeil, maar hij had nog slechts een korten afstand afgelegd toen
+zijn drie pleegbroeders naar de baai kwamen en smeekten hen mee te nemen. &#8220;Gaat naar huis&#8221;, zeide Maeld&#363;n, &#8220;want ik mag niet
+meer meenemen dan ik nu heb&#8221;. Maar de drie <a id="d0e5824"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5824">288</a>]</span>jongelingen wilden niet van Maeld&#363;n scheiden en zij wierpen zich in zee. Hij keerde om, opdat zij niet zouden verdrinken en
+nam hen op in zijn boot. Zooals wij zullen zien, werden alle gestraft voor deze overtreding, en werd Maeld&#363;n tot zwerven veroordeeld,
+totdat hij had geboet.
+
+</p>
+<p>Iersche barden-verhalen munten uit in hun inzet. Zooals gewoonlijk is in dit geval de <i>mise-en-sc&egrave;ne</i> bewonderenswaardig bedacht. Het nu volgend verhaal vertelt hoe, na op een eiland den man te hebben gezien die zijn vader
+doodde, maar niet in staat daar te landen, Maeld&#363;n en zijn gezelschap in volle zee worden gedreven, en een groot aantal eilanden
+bezoeken, waarop zij vele vreemde avonturen hebben. Feitelijk wordt het verhaal een <i>cento</i> (reeks) van vertellingen en gebeurtenissen, sommige niet zeer belangwekkend, terwijl in andere, zooals het avontuur van het
+Eiland met den Zilveren Pijler, of het Eiland met den Brandenden Muur, of dat waarin de episode van den arend plaats heeft,
+het Keltische gevoel voor schoonheid, fantasie en mysterie op een in de literatuur misschien onovertroffen wijze tot uitdrukking
+komt.
+
+</p>
+<p>In de hier volgende bewerking heb ik de verzen, die Joyce aan het slot van elk avontuur geeft, weggelaten. Zij recapituleeren
+slechts het proza-verhaal en worden niet gevonden bij de oudste handschrift-autoriteiten.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland van den moordenaar.</h3>
+<p>Maeld&#363;n en zijn bemanning hadden den ganschen dag en den halven nacht geroeid, toen zij twee kleine naakte eilanden bereikten,
+met twee forten er op; men hoorde gewapende mannen twisten. &#8220;Blijf op een afstand van mij&#8221;, riep een hunner, &#8220;want ik ben
+meer dan gij. Ik was het die <span class="corr" title="Bron: Aillil">Ailill</span> van den Rand van den Slag doodde en de kerk van Doocloone boven zijn graf verbrandde en geen bloedverwant heeft zijn dood
+op mij gewroken. En gij hebt nooit zoo iets gedaan&#8221;.
+
+</p>
+<p>Toen was Maeld&#363;n op het punt te landen en Germ&#257;n<a id="d0e5846src" href="#d0e5846" class="noteref">3</a> en Diuran de Rijmer riepen dat God hen geleid had naar de plaats <a id="d0e5849"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5849">289</a>]</span>waar zij wezen wilden. Maar eensklaps stak een sterke wind op en joeg hen den onmetelijken oceaan op en Maeld&#363;n zeide tot
+zijn pleegbroeders: &#8220;Dit is uw schuld, omdat gij aan boord kwaamt ondanks de woorden van den Dru&iuml;de&#8221;. En zij konden geen antwoord
+geven, dan alleen door een poosje te zwijgen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met de mieren.</h3>
+<p>Zij dreven drie dagen en drie nachten, niet wetend waarheen te roeien, toen zij, bij het aanbreken van den derden dag het
+gedruisch van brekers hoorden en zoodra de zon was opgegaan bereikten zij een eiland. Hier, voor dat zij konden landen, ontmoetten
+zij een zwerm van roofgierige mieren, elk ter grootte van een veulen, die van het strand en in zee kwamen om hen te bereiken;
+zij maakten zich dus spoedig uit de voeten en zagen in drie dagen geen land.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met de groote vogels.</h3>
+<p>Dit was een terrasvormig eiland, geheel door boomen omgeven en met groote vogels in de boomen. Maeld&#363;n landde eerst alleen
+en doorzocht het eiland met zorg, zonder iets kwaads te vinden; de overigen volgden toen en doodden en aten vele van de vogels,
+terwijl zij andere op hun boot meenamen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met het woeste beest.</h3>
+<p>Dit was een groot zandig eiland, er was een beest op als een paard, maar met pooten als die van een hond. Het vloog op hen
+aan om hen te verslinden, maar zij gingen tijdig heen en werden door het beest met steenen van het strand geworpen toen zij
+weg roeiden.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met de reuzenpaarden.</h3>
+<p>Een groot vlak eiland; het lot bepaalde dat Germ&#257;n en Diuran dat het eerst zouden onderzoeken. Zij vonden een groote groene
+renbaan, waarop de afdrukken waren van paardenhoeven, elk zoo groot als het zeil van een schip, en er <a id="d0e5871"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5871">290</a>]</span>lagen basten van noten van reusachtige afmetingen en veel buit. Bevreesd scheepten zij zich weer ijlings in en van uit zee
+zagen zij een wedren aan den gang en hoorden zij een groote menigte schreeuwen, het witte of het bruine paard toejuichend,
+en zij zagen de reuzenpaarden loopen, vlugger dan de wind.<a id="d0e5873src" href="#d0e5873" class="noteref">4</a> Zij roeiden weg zoo snel zij konden, meenend dat zij een verzameling demonen hadden gezien.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met de steenen deur.</h3>
+<p>Een volle week ging voorbij en toen ontdekten zij een groot hoog eiland met een huis op het strand. Een deur met een steenen
+vleugel leidde naar de zee en de golven wierpen onophoudelijk zalmen er door heen in het huis. Maeld&#363;n en zijn troep gingen
+binnen en vonden geen menschen in het huis; maar een groot bed lag gereed voor het hoofd aan wien het behoorde en een bed
+voor telkens drie van zijn mannen, en spijs en drank naast elk bed. Mald&#363;n en zijn troep aten en dronken hun bekomst en vertrokken
+toen weer.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met de appelen.</h3>
+<p>Toen zij daar waren gekomen, hadden zij geruimen tijd gereisd, en voedsel had hun ontbroken en zij waren hongerig. Dit eiland
+had steile kanten, waarvan bosschen afhingen; in het voorbijgaan langs de rotsen brak Maeld&#363;n een tak af en hield die in de
+hand. Drie dagen en nachten zeilden zij langs de rotsen en vonden geen toegang tot het eiland, maar tegen dien tijd waren
+drie appels gegroeid aan het uiteinde van Maeld&#363;n&#8217;s tak en aan elken appel had de bemanning voor veertig dagen genoeg.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met het wonderbeest.</h3>
+<p>Dit eiland had een steenen omheining; daarbinnen rende een geweldig groot dier voortdurend om het eiland heen. En <a id="d0e5891"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5891">291</a>]</span>nu en dan ging het naar den top van het eiland en verrichtte dan een wonderbaarlijk feit: het draaide zijn lijf voortdurend
+om in zijn huid, die onbeweeglijk bleef, soms daarentegen draaide het de huid altijd door om het lijf. Toen het de mannen
+zag, snelde het op hen af, maar zij ontkwamen, al wegroeiend met steenen geworpen. Een van de steenen drong door Maeld&#363;n&#8217;s
+schild en bleef zitten in de kiel van de boot.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met de bijtende paarden.</h3>
+<p>Hier waren vele groote beesten op paarden gelijkend, die voortdurend stukken vleesch uit elkanders lijf scheurden, zoodat
+het eiland vol bloed lag. Zij roeiden ijlings weg, en zij waren nu ontmoedigd en treurig, want zij wisten niet waar zij zich
+bevonden, of hoe zij den weg en hulp zouden vinden.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met de gloeiende zwijnen.</h3>
+<p>Zeer moede, hongerig en dorstig kwamen zij aan het tiende eiland, dat vol boomen was beladen met gouden appels. Onder de boomen
+liepen roode beesten, als gloeiende zwijnen, die met hun pooten tegen de boomen schopten; dan vielen de appels en de beesten
+verslonden die. De beesten kwamen alleen &#8217;s morgens te voorschijn, als een aantal vogels het eiland verlieten, en zwommen
+in zee tot het negende uur, keerden dan om en zwommen terug tot zonsondergang en aten de appels den geheelen nacht door.
+
+</p>
+<p>Maeld&#363;n en zijn gezellen landden &#8217;s nachts en voelden den bodem heet onder hun voeten van de gloeiende zwijnen in hun ondergrondsche
+holen. Zij verzamelden zooveel appels als zij maar konden, die goed waren zoowel voor den honger als voor den dorst, laadden
+die in hun boot en kozen opnieuw, verfrischt, zee.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met de kleine kat.</h3>
+<p>De appels waren op toen zij hongerig en dorstig het elfde eiland bereikten. Dit was, als het ware, een hooge witte toren van
+kalk, die tot de wolken reikte, en op den wal er om heen <a id="d0e5910"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5910">292</a>]</span>stonden groote huizen wit als sneeuw. Zij traden het grootste er van binnen en vonden er geen mensch, maar een kleine kat
+spelend op steenen pilaren, die midden in het huis waren; zij sprong van den een naar den ander. Zij keek een beetje naar
+de Iersche krijgers, maar hield niet op met haar spel. Aan de wanden van het huis hingen drie rijen voorwerpen: een rij gouden
+en zilveren borstspelden en een van gouden en zilveren halskettingen, elk zoo dik als de hoepel van een vat, en een van groote
+zwaarden met gouden en zilveren gevesten. Dekens en schitterende gewaden lagen in het vertrek, en er was ook een gebraden
+os en een zijde spek en overvloed van drank. &#8220;Is dit voor ons achtergelaten?&#8221;, zeide Maeld&#363;n tot de kat. Zij keek hem een
+oogenblik aan en zette toen haar spel voort. Toen aten en dronken zij en sliepen en bergden op wat er van het voedsel overbleef.
+Den volgenden dag, toen zij zich opmaakten om het huis te verlaten, nam de jongste van Maeld&#363;n&#8217;s pleegbroeders een ketting
+van den wand en hij wilde die meenemen toen de kat eensklaps &#8220;als een vurige pijl door hem heen sprong&#8221; en hij viel als een
+hoop asch op den grond. Daarop bracht Maeld&#363;n, die den diefstal van het kleinood had verboden, de kat tot bedaren en hing
+de ketting weer op, en zij strooiden de asch van den dooden jongeling op het strand en gingen weer op zee.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e5913" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p292.jpg" alt="&#8220;De helft van het koren van uw land wordt hier gemalen&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;De helft van het koren van uw land wordt hier gemalen&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met de zwarte en witte schapen.</h3>
+<p>Dit werd door een metalen staketsel in twee&euml;n verdeeld: aan den eenen kant was een kudde zwarte, aan den anderen kant een
+kudde witte schapen. Tusschen beiden was een groote man die beide kudden verzorgde en soms bracht hij een wit schaap onder
+de zwarte, in welk geval het onmiddellijk zwart werd, of een zwart schaap onder de witte, dat dan dadelijk wit werd.<a id="d0e5922src" href="#d0e5922" class="noteref">5</a> Bij wijze van proef wierp Maeld&#363;n een geschilden witten stok aan den kant der zwarte schapen. Hij werd dadelijk zwart, waarop
+zij verschrikt de plaats verlieten, zonder te landen.
+
+<a id="d0e5925"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5925">293</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met het reuzenvee.</h3>
+<p>Een groot en uitgestrekt eiland met een kudde groote zwijnen. Zij doodden een klein varken en braadden het ter plaatse, omdat
+het te groot was om aan boord te nemen. Het eiland verhief zich tot een zeer hoogen berg en Druan en Germ&#257;n gingen van den
+top er van het land bekijken. Op weg daarheen vonden zij een breede rivier. Om de diepte van het water te peilen dompelde
+Germ&#257;n het handvat van zijn speer er in, dat dadelijk als door vloeibaar vuur werd verteerd. Aan den anderen oever was een
+groote man die een kudde bewaakte van wat ossen leken te zijn. Hij riep hun toe de kalveren niet te storen, zij gingen dus
+niet verder en zeilden snel weg.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met den molen.</h3>
+<p>Hier vonden zij een groote, somber uitziende molen, waarin een reusachtige molenaar koren maalde. &#8220;De helft van het graan
+van uw land,&#8221; zeide hij, &#8220;wordt hier gemalen. Hier komt om te worden vermalen al wat de menschen elkander niet gunnen&#8221;. Zwaar
+en talrijk waren de ladingen die zij er heen zagen gaan en al wat in den molen was gemalen werd naar het westen weggevoerd.
+Zij kruisten zich en vertrokken.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met de zwarte rouwdragers.</h3>
+<p>Een eiland vol zwarte menschen die voortdurend schreiden en jammerden. Een van de twee nog overgebleven pleegbroeders van
+Maeld&#363;n landde er, werd onmiddellijk zwart en begon te schreien als de overigen. Twee anderen gingen hem halen; hun trof hetzelfde
+lot. Toen gingen weer anderen, de hoofden met doeken omwonden, opdat zij het land niet zouden zien en de lucht niet inademen,
+en zij grepen de twee vermisten en voerden die met geweld mee, maar niet den pleegbroeder. De twee geredden konden hun gedrag
+alleen verklaren door te zeggen dat zij moesten doen, zooals zij anderen om zich heen zagen doen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met de vier heggen.</h3>
+<p>Vier heggen van goud, zilver, koper en kristal verdeelden <a id="d0e5946"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5946">294</a>]</span>dat eiland in vier deelen: in het eene waren koningen, in het andere koninginnen, in het derde krijgslieden, in het vierde
+jonge maagden. Toen zij landden gaf een maagd hun voedsel, dat op kaas geleek en dat ieder man smaakte zooals hij dat wenschte,
+en een bedwelmenden drank, die hen drie dagen in slaap bracht. Toen zij ontwaakten waren zij op hun boot in zee, en van het
+eiland en zijn bewoners was niets te zien.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met de glazen brug.</h3>
+<p>Hier komen wij tot een van de uitvoerigst beschreven en schilderachtigste van al de reisgebeurtenissen. Op het eiland dat
+zij nu bereikten was een sterkte met een metalen deur en een glazen brug leidde er heen. Toen zij over de brug wilden gaan,
+wierp deze hen terug.<a id="d0e5953src" href="#d0e5953" class="noteref">6</a> Een vrouw kwam uit de sterkte met een emmer in de hand, zij lichtte een glazen plaat van de brug, liet haar emmer neer in
+het water er onder en keerde naar de sterkte terug. Zij sloegen op den metalen slagboom voor hen om toegang te krijgen, maar
+het geluid door het metaal voortgebracht deed hen tot den volgenden morgen in slaap vallen. Dit herhaalde zich driemaal en
+de vrouw hield telkens een ironische toespraak over Maeld&#363;n. Den vierden dag echter kwam zij hun tegemoet over de brug, met
+een witten mantel om, een gouden band om het haar, zilveren sandalen aan de rose voeten en een hemd van zeer dunne zijde op
+het lijf.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e5960" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p294.jpg" alt="&#8220;Den vierden dag kwam zij naar hen toe buiten de vesting&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Den vierden dag kwam zij naar hen toe buiten de vesting&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heet u welkom, o Maeld&#363;n,&#8221; zeide zij en zij verwelkomde elk van de bemanning bij zijn eigen naam. Toen nam ze hen mede
+naar het groote huis, wees den hoofdman een bed aan, en verder een bed voor telkens drie man. Zij gaf hun overvloed van spijs
+en drank, alles uit haar eenen emmer, en elk man vond daarin wat hij begeerde. Toen zij was heengegaan, vroegen zij Maeld&#363;n
+of zij de maagd voor hem zouden trachten te winnen. &#8220;Hoe zou het u kwaad kunnen met haar te spreken?&#8221; zeide Maeld&#363;n. Zij doen
+aldus en zij antwoordt: &#8220;Ik weet niet, en heb ook nooit geweten wat zonde is.&#8221; Dit herhaalt zij tweemaal. <a id="d0e5966"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5966">295</a>]</span>&#8220;Morgen,&#8221; zegt zij ten slotte, &#8220;zult gij antwoord hebben.&#8221; Maar als de morgen komt, bevinden zij zich wederom op zee zonder
+een spoor van eiland, of sterkte, of vrouw.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met de schreeuwende vogels.</h3>
+<p>Zij hooren van verre groot geschreeuw en zingen, als van psalmen, en na een dag en nacht roeien komen zij eindelijk aan een
+eiland, vol met zwarte, bruine en gespikkelde vogels, die alle schreeuwen en praten. Zij zeilen weg zonder te landen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland van den kluizenaar.</h3>
+<p>Hier vonden zij een boschrijk eiland vol met vogels, en er was slechts &eacute;en man, die geen andere bekleeding had dan zijn haar.
+Zij vroegen hem naar zijn land en afkomst. Hij antwoordde dat hij uit Ierland afkomstig was en zee gekozen had<a id="d0e5978src" href="#d0e5978" class="noteref">7</a> met een zode van zijn geboorteland onder zijn voeten. God had de zode in een eiland veranderd, er elk jaar een voet breedte
+en een boom aan toevoegend. De vogels waren al zijn familie en zij blijven daar allen tot den dag des oordeels, door engelen
+wonderbaarlijk gevoed. Hij onthaalde hen drie nachten, toen zeilden zij weg.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met de wonderfontein.</h3>
+<p>Dit eiland heeft een gouden wal en een zachten witten grond, dons gelijk. Zij vonden daar weer een kluizenaar, alleen in zijn
+haar gekleed. Er was een fontein, die Vrijdag en Woensdag wei of water, Zondag en op verjaardagen van martelaren melk, op
+verjaardagen van de Apostelen, Maria en Johannes den Dooper en op de dagen van hoog water ale en wijn geeft.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met de smidse.</h3>
+<p>Toen zij dit naderden, hoorden zij uit de verte als het ware het geraas van een geweldige smidse en hoorden zij menschen <a id="d0e5991"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5991">296</a>]</span>over hen zelf spreken. &#8220;Het schijnen kleine jongens&#8221;, zeide een, &#8220;ginds, in een kleine trog&#8221;. Zij roeiden haastig weg, maar
+wendden de boot niet, om niet den schijn op zich te laden van te vluchten; maar een poosje daarna kwam een reusachtige smid
+uit de smederij, die in zijn tang een groot blok gloeiend ijzer hield, dat hij hun achterna wierp, en de geheele zee er om
+heen kookte, toen het achter hun boot viel.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De zee van zuiver glas.</h3>
+<p>Hierop roeiden zij totdat zij op een zee kwamen, die op groen glas geleek. Zoo zuiver was het dat de steenen en het zand der
+zee duidelijk er door heen zichtbaar waren; en zij zagen geen monsters of beesten bij de klippen, maar alleen de schoone kiezels
+en het groene zand. Zij voeren een groot deel van den dag op die zee en groot was haar glans en haar schoonheid.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland onder de zee.<a id="d0e6001src" href="#d0e6001" class="noteref">8</a></h3>
+<p>Daarna bevonden zij zich op een zee, dun als mist, die hun boot niet scheen te kunnen dragen. Zij zagen in de diepten vestingen
+met daken, en een mooi land er om heen. Een monsterachtig beest huisde daar in een boom met kudden vee er om en er onder een
+gewapend krijgsman. Ten spijt van den krijgsman strekte het beest nu en dan zijn langen nek omlaag, greep een van de kudde
+en verslond het. Zeer bevreesd door deze zee te zinken zeilden zij er over heen weg.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland der voorspelling.</h3>
+<p>Toen zij daar aankwamen vonden zij het water tot hooge rotsen er om heen en toen zij omlaag keken zagen zij een menigte menschen
+op het eiland, die tegen hen schreeuwden: &#8220;Zij zijn het, zij zijn het&#8221;, totdat zij buiten adem waren. Toen kwam een vrouw
+die hen van beneden met groote noten wierp, die zij verzamelden en meenamen. Toen zij vertrokken hoorden zij de menschen elkander
+toeschreeuwen: &#8220;Waar zijn ze nu?&#8221; &#8220;Zij zijn heengegaan.&#8221; &#8220;Dat is niet waar.&#8221; &#8220;Vermoedelijk&#8221;, zegt <a id="d0e6010"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6010">297</a>]</span>het verhaal, &#8220;was er iemand van wien de eilandbewoners een voorspelling hadden dat hij hun land zou verwoesten en hen er uit
+verjagen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met het spuitend water.</h3>
+<p>Hier spoot een groote stroom uit den eenen kant van het eiland en welfde er over heen als een regenboog, op het strand aan
+den anderen kant neerstortend. En toen zij hun speren staken in den stroom boven hen, haalden zij zooveel zalmen er uit als
+zij maar wilden en het eiland was vol van den stank van de zalmen die zij niet konden meenemen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met de zilveren zuil.</h3>
+<p>Het volgende wonder dat zij ontmoetten vormt een van de merkwaardigste en meest fantastische episoden van de reis. Het was
+een groote viervlakkige zilveren zuil, uit de zee oprijzend. Elk van de vier kanten was zoo breed als twee roeislagen van
+de boot. Er was geen zode aarde aan den voet, de kolom rees uit den onmetelijken oceaan op en de top ging schuil in de lucht.
+Van dien top af werd een groot zilver net ver weg in zee geworpen en door een maas van dat net zeilden zij heen. Toen zij
+dat deden hakte Diuran een stuk van het net af. &#8220;Verniel het niet,&#8221; zeide Maeld&#363;n, &#8220;want hetgeen we zien is het werk van machtige
+mannen.&#8221; Diuran zeide: &#8220;Ik doe dit ter eere van God&#8217;s naam, opdat ons verhaal geloof vinde, en als ik weer in Ierland kom,
+zal ik dit stuk zilver op het hooge altaar van Armagh offeren.&#8221; Het woog twee-en-een-half ons toen het later in Armagh werd
+gewogen.
+
+</p>
+<p>&#8220;En toen hoorden zij een stem van den top van gindsche zuil, machtig, helder en duidelijk. Maar zij kenden de taal niet die
+zij sprak, of de woorden die zij uitbracht.&#8221;
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met het voetstuk.</h3>
+<p>Het volgend eiland stond op een voet of voetstuk, dat uit de zee oprees, en zij konden geen toegang er toe vinden. In het
+onderste gedeelte van het voetstuk was een deur, die dicht en gesloten was, die zij niet konden open krijgen; en zij zeilden
+weg zonder iemand te hebben gezien en gesproken.
+
+<a id="d0e6029"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6029">298</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland van de vrouwen.</h3>
+<p>Hier vonden zij den wal van een geweldige burcht, waarin een woning stond. Zij landden om er naar te kijken en zetten zich
+op een heuveltje in de nabijheid. Binnen de burcht zagen zij zeventien meisjes bezig een groot bad gereed te maken. Weldra
+daarna kwam een rijk gekleed ruiter op een renpaard aanzetten, hij steeg af en ging naar binnen, terwijl een van de meisjes
+voor het paard zorgde. Toen ging de ruiter in het bad en zij zagen dat het een vrouw was. Kort daarop kwam een der meisjes
+naar buiten en noodigde hen binnen te komen, zeggend: &#8220;De Koningin noodigt u.&#8221; Ze gingen de burcht binnen en baadden en zetten
+zich aan tafel, elke man met een meisje tegenover zich en Maeld&#363;n tegenover de koningin. En Maeld&#363;n trouwde met de koningin
+en elk der meisjes met een zijner mannen, en toen het nacht werd kreeg elk een kamer met een baldakijn. Den volgenden morgen
+maakten zij zich gereed tot de afreis, maar de koningin wilde niet dat zij zouden vertrekken en zeide: &#8220;Blijft hier, dan zult
+gij nooit door ouderdom worden bezocht, maar ten eeuwigen dage blijven zooals gij nu zijt en wat ge den vorigen nacht hadt,
+zult ge altijd hebben. En niet langer van het eene eiland naar het andere zwerven op den oceaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij vertelde toen aan Maeld&#363;n, dat zij de moeder was van de zeventien meisjes die zij gezien hadden en haar gemaal was koning
+van het eiland geweest. Hij was nu dood en zij regeerde in zijn plaats. Elken dag ging zij naar de groote vlakte in het binnenland
+van het eiland om recht te spreken en zij keerde dan &#8217;s avonds naar de burcht terug.
+
+</p>
+<p>Zoo bleven zij daar drie wintermaanden, maar toen die om waren leek het hun dat het drie jaren waren geweest en de mannen
+kregen er genoeg van en verlangden naar hun eigen land te vertrekken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zullen wij daar vinden, dat beter is dan dit?&#8221; zeide Maeld&#363;n.
+
+</p>
+<p>Maar de mannen bleven morren en klagen en ten slotte zeiden zij: &#8220;Groot is de liefde van Maeld&#363;n voor deze vrouw. <a id="d0e6043"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6043">299</a>]</span>Laat hij alleen achterblijven als hij dat wil, maar wij willen gaan naar ons eigen land.&#8221; Maeld&#363;n echter wilde niet achtergelaten
+worden en op zekeren dag toen de koningin weg was om recht te spreken scheepten zij zich in en voeren weg. Zij waren echter
+nog niet ver toen de koningin kwam aanrijden met een kluwen touw in de hand, dat zij hun achterna wierp. Maeld&#363;n ving het
+op en het bleef zich aan zijn hand hechten, zoodat hij zich niet los kon maken en de koningin, die het andere einde van het
+kluwen vasthield, trok hen terug aan land. En zij bleven nog drie maanden op het eiland.
+
+</p>
+<p>Nog tweemaal gebeurde hetzelfde en ten slotte beweerden de mannen dat Maeld&#363;n met opzet het kluwen vasthield, zoo groot was
+zijn liefde voor de vrouw. Den volgenden keer ving dan ook een ander man het kluwen op, maar het bleef zich als te voren (bij
+Maeld&#363;n) aan zijn hand hechten; Diuran kapte daarop de hand af, die met het kluwen in zee viel. &#8220;Toen zij dat zag begon zij
+te jammeren en te schreeuwen, zoodat men over het geheele land niets hoorde dan gejammer en geschreeuw&#8221;. En aldus ontkwamen
+zij uit het eiland van de vrouwen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met de roode bessen.</h3>
+<p>Op dit eiland waren boomen met groote roode bessen, die een dronkenmakend en slaapwekkend sap gaven. Zij vermengden het met
+water om de werking ervan te verzwakken, vulden hun vaten er mee en zeilden weg.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met den arend.</h3>
+<p>Een groot eiland, met bosschen van eiken en taxis aan den eenen kant, en aan den anderen een vlakte, waarop kudden schapen,
+en een klein meer er in; en zij vonden daar ook een kleine kerk en een fort en een ouden grijzen geestelijke, alleen door
+zijn haar gedekt. Maeld&#363;n vroeg hem wie hij was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben de vijftiende van de monniken van St. Brennan van Birr&#8221;, zeide hij. &#8220;Wij gingen onzen pelgrimstocht op zee maken en
+zij stierven allen, behalve ik&#8221;. Hij liet hun het tafeltje (? kalender) van den Heiligen Brennan zien en zij knielden er voor
+<a id="d0e6059"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6059">300</a>]</span>en Maeld&#363;n kuste het. Zij bleven daar een seizoen, levende van de schapen op het eiland.
+
+</p>
+<p>Eens zagen zij uit het zuidwesten iets opdagen wat een wolk scheen te zijn. Toen het nader kwam echter, zagen zij het wuiven
+van wieken en merkten zij dat het een reusachtige vogel was. Hij kwam op het eiland en zeer moede neerstrijkend op een heuvel
+bij het meer begon hij de roode bessen te eten, druiven gelijk, die groeiden op een boomtak, zoo groot als een volwassen eik,
+die hij had meegebracht, en het sap en stukken van de bessen vielen in het meer, al het water rood kleurend. Vreezend dat
+hij hen met zijn klauwen zou grijpen en hen naar zee dragen, verscholen zij zich in de bosschen en hielden zij den vogel in
+het oog. Na een poosje evenwel ging Maeld&#363;n naar den voet van den heuvel, maar de vogel deed hem geen kwaad en toen volgden
+de anderen behoedzaam achter hun schilden en een hunner plukte bessen van den tak dien de vogel in zijn klauwen hield, maar
+hij deed hem geen kwaad en keek heelemaal niet naar hem. En zij zagen dat hij heel oud was en zijn pluimage dof en vergaan.
+
+</p>
+<p>Des middags kwamen twee arenden uit het zuidwesten en streken neer voor den grooten vogel en na een poos te hebben uitgerust
+begonnen zij de insecten weg te pikken, waarvan het op zijn kaken, oogen en ooren wemelde. Zij gingen daarmee voort tot &#8217;s
+avonds, toen aten alle drie nu van de bessen. Den volgenden dag, toen het groote beest geheel was gereinigd, sprong het in
+het meer en begonnen de twee arenden hem weer te pikken en te reinigen. Tot den derden dag bleef de groote vogel zijn veeren
+gladstrijken en zijn vleugels schudden en zijn veeren werden glanzig en dik, en toen, zich hoog in de lucht verheffend, vloog
+het driemaal het eiland rond en terug naar het verblijf vanwaar hij was gekomen, en zijn vlucht was nu vlug en krachtig; zoodat
+het hun duidelijk werd dat dit was geweest zijn vernieuwing van ouderdom tot jeugd, overeenkomstig de woorden van den profeet:
+<i>Uw jeugd is vernieuwd als die van den adelaar.</i><a id="d0e6067src" href="#d0e6067" class="noteref">9</a>
+<a id="d0e6070"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6070">301</a>]</span></p>
+<p>Toen zeide Diuran: &#8220;Laat ons in dit meer baden en ons verjongen waar de vogel verjongd werd.&#8221; &#8220;Neen,&#8221; zeide een der anderen,
+&#8220;want de vogel heeft zijn venijn daarin achter gelaten&#8221;. Maar Diuran sprong er in en dronk van het water. Van dat oogenblik
+af, bleven zijn oogen zoolang hij leefde sterk en helder, geen tand viel uit zijn kaak, geen haar van zijn hoofd en hij wist
+nooit wat ziekte of gebrekkigheid was.
+
+</p>
+<p>Hierop namen zij afscheid van den kluizenaar en begaven zij zich andermaal op zee.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met de lachende menschen.</h3>
+<p>Hier zagen zij een groot aantal mannen die aanhoudend lachten en speelden. Zij lootten met elkaar wie zou landen en het eiland
+onderzoeken en het lot viel op Maeld&#363;n&#8217;s pleegbroeder. Maar toen hij den voet er op zette, begon hij met de anderen te lachen
+en te spelen en hij kon niet ophouden en wilde ook niet teruggaan tot zijn makkers. Zij lieten hem dus achter en gingen heen.<a id="d0e6080src" href="#d0e6080" class="noteref">10</a>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met den wal van vlammen.</h3>
+<p>Zij kwamen nu in het gezicht van een eiland dat niet groot was en het had een wal van vlammen die voortdurend een kring er
+om vormden. Er was een opening in een deel van den wal en wanneer zij die opening tegenover zich kregen, zagen zij het geheele
+eiland er door heen en zij zagen de bewoners, mannen en vrouwen, vele en schoone, die versierde gewaden droegen, met gouden
+vaten in de handen. En de feestmuziek die zij maakten drong tot de ooren der reizigers. Zij vertoefden daar geruimen tijd,
+sloegen dit wonder gade, &#8220;en zij vonden het verrukkelijk te aanschouwen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland van den monnik van Tory.</h3>
+<p>In de verte tusschen de golven zagen zij wat zij voor een witten vogel op het water hielden. Naderbij komend merkten zij dat
+het een oud man was, met zijn grijs haar tot eenige <a id="d0e6093"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6093">302</a>]</span>bedekking; hij knielde telkens ootmoedig op een breede rots.
+
+</p>
+<p>&#8220;Van Torach<a id="d0e6097src" href="#d0e6097" class="noteref">11</a> ben ik hier gekomen&#8221;, zeide hij, &#8220;en het is daar dat ik werd grootgebracht. Ik was daar kok in het klooster en ik placht
+het voedsel van de kerk voor mijzelf te verkoopen, zoodat ik ten slotte groote schatten had aan kleeding en koperen vaten
+en goed gebonden boeken en al wat de mensch begeert. Groot was mijn trots en mijn aanmatiging.
+
+</p>
+<p>&#8220;Eens toen ik een graf dolf om een lijfeigene te begraven die op het eiland was gebracht, klonk een stem van beneden, waar
+een heilig man begraven lag, die sprak: &#8220;Leg niet het lijk van een zondaar op mij, een heilig vroom persoon!&#8221;
+
+</p>
+<p>Na een woordenwisseling begroef de monnik het lijk ergens anders en hem werd een eeuwigdurende belooning daarvoor beloofd.
+Niet lang daarna ging hij op zee met een boot, waarin al zijn schatten waren bijeengebracht, vermoedelijk met het plan met
+zijn buit van het eiland te vluchten. Een sterke wind dreef hem ver in zee en toen hij geen land meer zag, hield de boot op
+een zekere plaats stil. Hij zag dicht bij zich een man (engel) op een golf zitten. &#8220;Waar gaat ge heen?&#8221; zeide de man. &#8220;Op
+een prettige reis, ik kijk nu uit&#8221;, zeide de monnik. &#8220;Ge zoudt het niet prettig vinden, als ge wist wat om u heen is&#8221;, zeide
+de man. &#8220;Zoover als ge zien kunt zijt ge door een troep demonen omringd, wegens uw hebzucht en trots, en diefstal en andere
+slechte daden. Uw boot heeft stil gehouden en zal ook niet verdergaan tenzij gij mij gehoorzaamt, en de vlammen van de hel
+zullen u bereiken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij naderde de boot en legde zijn hand op den arm van den vluchteling, die beloofde hem te gehoorzamen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Werp in zee&#8221;, sprak hij, &#8220;al de schatten die in uw boot zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is jammer,&#8221; zeide de monnik, &#8220;dat zij verloren zouden gaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij zullen volstrekt niet verloren gaan. Er zal iemand zijn, dien ge daarmee zult helpen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daarop wierp de monnik alles in zee, op een kleinen houten <a id="d0e6114"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6114">303</a>]</span>beker na, en hij smeet riemen en roer weg. De man gaf hem een voorraad wei en zeven koeken en gelastte hem te blijven daar
+waar zijn boot zou stil houden. De wind en de golven dreven hem hier en daar, tot dat ten slotte de boot tot rust kwam op
+de rots waar de zwervers hem vonden. Er was daar niets dan de kale rots, maar gedachtig aan hetgeen hem was gelast, stapte
+hij op een smallen uitstekenden rand, die door de golven werd omspoeld, en de boot verliet hem onmiddellijk en de rots werd
+breeder voor hem. Daar bleef hij zeven jaren, gevoed door otters die hem zalm brachten uit de zee en zelfs brandend hout om
+ze te koken en zijn beker werd dagelijks met goeden drank gevuld. &#8220;En geen vocht, of hitte, of koude deert mij op deze plaats.&#8221;
+
+</p>
+<p>Op het middaguur werd wonderbaarlijk voedsel voor de geheele bemanning gebracht, en toen zeide de oude tot hen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ge zult allen uw land bereiken, en de man die uw vader doodde, o Maeld&#363;n, ge zult hem vinden in een burcht voor u. En dood
+hem niet, maar vergeef hem; omdat God u van vele groote gevaren heeft gered, en ook gij mannen zijt die den dood verdient.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen zeiden zij hem vaarwel en gingen hun gewonen weg.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het eiland met den valk.</h3>
+<p>Dit is niet bewoond en er zijn alleen kudden schapen en ossen. Zij landen daar en eten hun bekomst, en een van hen ziet een
+grooten valk. &#8220;Deze valk,&#8221; zegt hij, &#8220;gelijkt op de valken van Ierland.&#8221; &#8220;Houd hem in het oog,&#8221; zegt Maeld&#363;n, &#8220;en zie hoe
+hij van ons gaat.&#8221; Hij vloog naar het zuidoosten en zij roeiden hem den geheelen dag na totdat het avond werd.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De thuiskomst.</h3>
+<p>Toen het nacht werd kregen zij een land in het gezicht als Ierland; en weldra bereikten zij een klein eiland, waar zij met
+hun prauw strandden. Het was het eiland waar de man woonde die Ailill had gedood.
+<a id="d0e6132"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6132">304</a>]</span></p>
+<p>Zij gingen naar de burcht op het eiland en hoorden daar binnen mannen met elkander praten, terwijl zij aan den maaltijd zaten.
+Een man zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Het zou ons slecht bekomen, als we nu Maeld&#363;n ontmoetten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die Maeld&#363;n is verdronken,&#8221; zeide een ander.
+
+</p>
+<p>&#8220;Misschien is hij het die u van nacht uit den slaap zal wekken,&#8221; zeide een derde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zouden wij doen, als hij nu kwam?&#8221; zeide een vierde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is niet moeilijk te beantwoorden,&#8221; zeide hun hoofd. &#8220;Hartelijk zou hij worden verwelkomd als hij kwam, want hij heeft
+langen tijd in groote moeilijkheden verkeerd.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen sloeg Maeld&#363;n met den houten klopper op de deur. &#8220;Wie is daar?&#8221; vroeg de deurwachter.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maeld&#363;n is hier,&#8221; zeide hij.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e6150" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p304.jpg" alt="Het offer van Diuran den Rijmer"></p>
+<p class="figureHead">Het offer van Diuran den Rijmer</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Zij traden in vrede het huis binnen en hartelijk werden zij verwelkomd en zij werden in nieuwe gewaden gedost. En toen deden
+zij het verhaal van al de wonderen, die God hun had laten zien, overeenkomstig de woorden van den &#8220;heiligen dichter,&#8221; die
+zeide, <i>Haec olim meminisse juvabit</i><a id="d0e6158src" href="#d0e6158" class="noteref">12</a>.
+
+</p>
+<p>Toen ging Maeld&#363;n naar zijn eigen huis en familie en Diuran de Rijmer nam het stuk zilver mee, dat hij had gehakt uit het
+net van de zuil en legde het neer op het hoog altaar van Armagh in triumf en gejuich over de wonderen die God aan hen had
+verricht. En zij vertelden nog eens de geschiedenis van al hun wedervaren, al de wonderen die zij hadden gezien te land en
+te zee, en de gevaren die zij hadden geloopen.
+
+</p>
+<p>Het verhaal eindigt met de volgende woorden:
+
+</p>
+<p>&#8220;Aed de Blonde (Aed Finn<a id="d0e6170src" href="#d0e6170" class="noteref">13</a><span class="corr" title="Bron: ">)</span>, de voornaamste wijze van Ierland, bewerkte dit verhaal zooals het hier geschreven staat; en hij deed aldus tot genot voor
+den geest, en voor de menschen in Ierland na hem.&#8221;
+
+
+
+<a id="d0e6175"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6175">305</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5804" href="#d0e5804src" class="noteref">1</a></span> Dit is klaarblijkelijk een herinnering aan Briccriu met de Giftige Tong, de onheilstichter der Ultonianen.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5817" href="#d0e5817src" class="noteref">2</a></span> De Arans zijn drie eilanden aan den ingang van de Galway-baai. Zij zijn bepaald een museum van geheimzinnige ruines.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5846" href="#d0e5846src" class="noteref">3</a></span> Spreek uit &#8220;Ghermawn&#8221;&#8212;de &#8220;G&#8221; hard.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5873" href="#d0e5873src" class="noteref">4</a></span> De oude Ieren hielden bijzonder veel van wedrennen; deze worden in een gedicht van de negende eeuw ter eere van Mei als een
+van de attracties van die maand genoemd. De naam Mei voorkomend in een ouden Gallischen kalender beteekent: &#8220;De maand van
+paardenrennen.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5922" href="#d0e5922src" class="noteref">5</a></span> Van het zelfde verschijnsel was, naar gemeld wordt, Peredur getuige in het verhaal uit Wales van dien naam in de &#8220;Mabinogion&#8221;.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5953" href="#d0e5953src" class="noteref">6</a></span> Evenals de brug die tot Skatha&#8217;s burcht voert, blz. <a href="#d0e4111">171</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5978" href="#d0e5978src" class="noteref">7</a></span> Wij hebben waarschijnlijk hieronder te verstaan, dat hij een kluizenaar was, die een eilandje zocht om er in afzondering en
+overdenking te leven. De westelijke eilanden van Ierland bevatten talrijke puinhoopen van hutten en bidkapellen, door afzonderlijke
+monniken of kleine gemeenten gebouwd.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6001" href="#d0e6001src" class="noteref">8</a></span> Tennyson is ongemeen gelukkig geweest in de beschrijving van die eilanden onder de zee.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6067" href="#d0e6067src" class="noteref">9</a></span> Ps. CIII, 5.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6080" href="#d0e6080src" class="noteref">10</a></span> Dit was de laatste der drie pleegbroeders die de reis niet hadden moeten meemaken.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6097" href="#d0e6097src" class="noteref">11</a></span> Het Tory-eiland voorbij de kust van Donegal. Er was daar een klooster en een kerk gewijd aan St. Columba.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6158" href="#d0e6158src" class="noteref">12</a></span> &#8220;Eens zullen we ons verlustigen in de herinnering aan deze dingen.&#8221; De aanhaling is uit Virgilius, &#8220;Aen.&#8221; 1,203. &#8220;Heilige
+dichter&#8221; is een vertaling van Horatius&#8217; <i>vates sacer</i>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6170" href="#d0e6170src" class="noteref">13</a></span> Van dezen wijze en dichter is uit eenige andere bron niets bekend. Hem zij lof en dank, wie hij ook moge zijn geweest.
+</p>
+</div>
+<p class="div1"><a id="d0e6176"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e166">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoofdstuk VIII: Mythen en verhalen van de Kimbren.</h2>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Barden-philosophie.</h3>
+<p>In het begin van ons derde hoofdstuk werd gewezen op het ontbreken van eenige wereld-mythe of wijsgeerige verklaring van den
+oorsprong en de inrichting der dingen in de oudste Keltische literatuur. In de Galische<a id="d0e6184src" href="#d0e6184" class="noteref">1</a> letterkunde is, voor zoover ik weet, niets dat zelfs kan worden geacht de oudste Keltische denkbeelden over dat onderwerp
+weer te geven. Anders is het met Wales gesteld. Hier bestond gedurende geruimen tijd een kern van leering die beoogde althans
+een deel te omvatten van die oude Dru&iuml;den-denkbeelden, die, zooals Caesar ons vertelt, alleen aan de ingewijden werden meegedeeld
+en nooit neergeschreven. Deze leering wordt voornamelijk gevonden in twee deelen getiteld &#8220;Barddas&#8221;, een compilatie saamgesteld
+door een bard en geleerde uit Wales, genaamd Llewellyn Sion, van Glamorgan, uit materiaal in zijn bezit, omstreeks het einde
+der zestiende eeuw en, met een vertaling, uitgegeven door J.&nbsp;A. Williams ap Ithel voor het M.S. Genootschap van Wales. Moderne
+beoefenaars van het Keltisch spreken vol minachting over de pretensies van werken als deze, eenige werkelijke antieke gedachten
+in zich te bergen. Zoo schrijft Ivor B. John: &#8220;Alle gedachte aan een esoterische barden-leer, v&oacute;&oacute;r-Christelijke mythische
+wijsbegeerte omvattende, moet ten eenenmale worden op zij gezet&#8221;. En verder: &#8220;De onzin over het onderwerp gesproken is voor
+een groot deel het gevolg van de oncritische fantasie van pseudo-oudheidkenners van de zestiende tot de achttiende eeuw&#8221;.<a id="d0e6190src" href="#d0e6190" class="noteref">2</a> Toch was de Orde der barden zeker te eeniger tijd in het bezit van zulk een leer. Die Orde bleef in Wales vrijwel voortdurend
+bestaan. En hoewel geen critisch denker met eenige zekerheid een theorie over v&oacute;&oacute;r-Christelijke leer zou bouwen op een document
+uit de zestiende eeuw, lijkt het niet verstandig de mogelijkheid geheel te verwerpen dat sommige <a id="d0e6193"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6193">306</a>]</span>fragmenten van antieke wetenschap nog zoo laat zouden zijn blijven hangen in barden-overlevering.
+
+</p>
+<p>In elk geval is &#8220;Barddas&#8221; een werk van groot wijsgeerig belang, en zelfs wanneer het niets weergeeft dan een zekere strooming
+der Kimbrische gedachte in de zestiende eeuw, is het de aandacht van den beoefenaar van Keltische dingen niet onwaardig. Het
+beweert ook niet zuiver Dru&iuml;disch te zijn, want Christelijke personen en episoden uit de Christelijke geschiedenis komen er
+veel in voor. Maar nu en dan treft ons een gedachtengang, die, wat dan ook, stellig niet Christelijk is, en die getuigt van
+een zelfstandig wijsgeerig stelsel.
+
+</p>
+<p>In dit stelsel worden twee primaire wezens aangenomen, God en Cytrawl, die respectievelijk vertegenwoordigen het beginsel
+van kracht die tot leven voert, en dat van verwoesting die tot het niet leidt. Cythrawl wordt verwezenlijkt in Annwn<a id="d0e6199src" href="#d0e6199" class="noteref">3</a>, dat kan worden weergegeven met Afgrond, of Chaos. In den beginne was er niets dan God en Annwn. Organisch leven begon met
+het Woord&#8212;God sprak zijn onuitsprekelijken Naam uit en de &#8220;Manred werd gevormd.&#8221; De &#8220;Manred&#8221; was de allereerste stof van het
+heelal. Zij wordt voorgesteld als een menigte kleine ondeelbare deeltjes&#8212;feitelijk atomen&#8212;waarvan elk een microcosmos is,
+want in elk is God geheel, terwijl elk tegelijkertijd een deel is van God, het Geheel. Al het nu bestaande wordt voorgesteld
+door drie concentrische cirkels. De binnenste, waar leven ontspringt uit Annwn, heet &#8220;Abred,&#8221; en is het stadium van worsteling
+en evolutie&#8212;de strijd tusschen leven en Cytrawl. De volgende is de cirkel van &#8220;Gwynfyd,&#8221; of Reinheid, waarin het leven zich
+openbaart als een reine blijde kracht, die over het booze heeft getriumfeerd. De laatste en buitenste cirkel heet &#8220;Ceugant,&#8221;
+of Oneindigheid. Hier ontbreken alle predikaten en deze cirkel, graphisch voorgesteld niet door een gesloten lijn, maar door
+divergeerende stralen, is bewoond door God alleen.
+<a id="d0e6202"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6202">307</a>]</span></p>
+<p>Het volgend uittreksel uit &#8220;Barddas,&#8221; waarin de beweerde bardenleering in catechismusvorm is weergegeven, kan dienen om den
+gedachtengang van den schrijver te toonen:
+
+</p>
+<p>&#8220;<span class="abbr" title="Vraag"><abbr title="Vraag">Vr.</abbr></span> Waaruit zijt gij voortgekomen?
+
+</p>
+<p>&#8220;<span class="abbr" title="Antwoord"><abbr title="Antwoord">Antw.</abbr></span> Ik kwam uit de Groote Wereld en begon bij Annwn.
+
+</p>
+<p>&#8220;<span class="abbr" title="Vraag"><abbr title="Vraag">Vr.</abbr></span> Waar zijt ge nu en hoe kwaamt ge waar ge nu zijt?
+
+</p>
+<p>&#8220;<span class="abbr" title="Antwoord"><abbr title="Antwoord">Antw.</abbr></span> Ik ben in de Kleine Wereld, waar ik kwam na door den cirkel van Abred te zijn gegaan, en nu ik een Mensch ben, aan het einde
+en de uiterste grenzen er van.
+
+</p>
+<p>&#8220;<span class="abbr" title="Vraag"><abbr title="Vraag">Vr.</abbr></span> Wat waart ge voor dat ge een Mensch werdt, in den cirkel van Abred?
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure floatRight">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/f307.gif" alt="De Cirkels van het Bestaande."></p>
+<p class="figureHead">De Cirkels van het Bestaande.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;<span class="abbr" title="Antwoord"><abbr title="Antwoord">Antw.</abbr></span> Ik was in Annwn het minst mogelijke dat vatbaar is om te leven, en het dichtst mogelijke bij volstrekten dood; en ik kwam
+in elken vorm en door elken vorm, passend bij een lichaam en leven tot den menschelijken staat langs den cirkel van Abred,
+waar mijn toestand moeilijk en treurig was gedurende de eeuw der eeuwen, van het oogenblik af dat ik in Annwn van de dooden
+werd gescheiden, door de genade Gods, en Zijn groote edelmoedigheid en Zijn onbeperkte en eindelooze liefde.
+
+</p>
+<p>&#8220;<span class="abbr" title="Vraag"><abbr title="Vraag">Vr.</abbr></span> Door hoeveel verschillende vormen gingt ge en wat overkwam u?
+
+</p>
+<p>&#8220;<span class="abbr" title="Antwoord"><abbr title="Antwoord">Antw.</abbr></span> Door elken vorm die levensvatbaar is, in het water, in den grond, in de lucht. En ik onderging alle moeilijkheid, alle ontbering,
+alle kwaad en alle lijden, en slechts luttel was <a id="d0e6250"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6250">308</a>]</span>de goedheid of Gwynfyd, voordat ik een mensch werd.... Gwynfyd kan niet worden bereikt zonder alles te zien en te weten, maar
+het is niet mogelijk alles te zien of te weten zonder alles te lijden.... En er kan geen volkomen en volmaakte liefde zijn
+die niet die dingen voortbrengt, noodig om te leiden tot de kennis die tot Gwynfyd leidt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Elk wezen, zoo heet het, zal ten slotte den cirkel van Gwynfyd bereiken<a id="d0e6254src" href="#d0e6254" class="noteref">4</a>.
+</p>
+<hr><p>
+
+</p>
+<p>Er is veel hierin dat ons doet denken aan Gnostische of Oostersche idee&euml;n. Stellig verschilt het sterk van de Christelijke
+orthodoxie der zestiende eeuw. Als een product van den Kimbrischen geest van dien tijd kan de lezer het nemen voor hetgeen
+het waard is, zonder zich te bekommeren hetzij om oudheidkundige theorie&euml;n of de wederleggingen daarvan.
+
+</p>
+<p>Wenden wij ons nu tot het werkelijk oude werk dat niet philosophisch is, maar een werk van de verbeelding, door Britsche barden
+en vertellers van de Middeneeuwen voortgebracht. Maar alvorens uiteen te zetten wat wij in deze literatuur zullen vinden,
+moeten wij een oogenblik stilstaan bij iets dat we er niet in zullen vinden.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Arthur-sage.</h3>
+<p>Bij de meerderheid der moderne lezers, die geen bijzondere studie van het onderwerp hebben gemaakt, zal, wanneer sprake is
+van oude Britsche legenden onvermijdelijk de herinnering opkomen aan de heldenfeiten van de Arthur-sage; zij zullen denken
+aan het fabelpaleis te Caerleon aan de Usk; aan de Ridders van de Tafelronde die op edele avonturen uit gaan; aan het zoeken
+naar den Graal; aan de zondige liefde van Lancelot, bloem der Ridderschap, voor de koningin; aan den laatsten grooten slag
+bij de noordzee; aan de reis van Arthur, zwaar gewond maar onsterflijk, naar het mystieke dal van Avalon. Maar feitelijk zullen
+zij in de eigen literatuur van het middeneeuwsche Wales weinig of niets van dat alles vinden&#8212;geen Tafelronde, <a id="d0e6270"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6270">309</a>]</span>geen Lancelot, geen zoeken naar den Graal, geen eiland van Avalon, voordat de bewoners van Wales daarover uit den vreemde
+hoorden; en hoewel er inderdaad een Arthur was in deze literatuur, verschilt hij ten eenenmale van den Arthur in wat wij nu
+noemen de Arthur-sage.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Nennius.</h3>
+<p>Het vroegst vinden wij Arthur vermeld in het werk van den Britschen geschiedschrijver Nennius, die zijn &#8220;Historia Britonum&#8221;
+omstreeks het jaar 800 schreef. Hij beroept zich op verschillende bronnen&#8212;oude monumenten en geschriften van Brittanni&euml; en
+Ierland (in verband met het laatste land vermeldt hij de legende van Partholan), Romeinsche jaarboeken en kronieken van heiligen,
+in het bijzonder St. Germanus. Hij geeft een fantastisch verromeinschte en verchristelijkte voorstelling van de Britsche geschiedenis
+en laat de Britten afstammen van Trojaansche en Romeinsche voorouders. Maar zijn verhaal over Arthur is &egrave;n sober &egrave;n kort.
+Arthur, die, volgens Nennius, in de zesde eeuw leefde, was geen koning; hij was van minder edele afkomst dan vele andere Britsche
+hoofden, die hem echter, om zijn groote talenten als militair <i>imperator</i> of <i>dux bellorum</i>, tot hun leider kozen tegen de Saksers, die hij in twaalf veldslagen versloeg; de laatste was die bij den Berg Badon. Arthur&#8217;s
+ambt was ongetwijfeld een overblijfsel van de Romeinsche krijgsorganisatie en er is geen reden aan zijn historisch bestaan
+te twijfelen, hoe ondoordringbaar ook de sluier moge zijn, die nu over zijn dapper en vaak zegevierende vechten voor orde
+en beschaving in die rampzalige eeuw is uitgebreid.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Geoffrey van Monmouth.</h3>
+<p>Dan hebben we Geoffrey van Monmouth, bisschop van St. Asaph, die zijn &#8220;Historia Regum Britaniae&#8221; in Zuid-Wales schreef, in
+het begin van de twaalfde eeuw. Dit werk is een stoute poging om sobere geschiedenis te maken van een massa mythische of legendaire
+stof, hoofdzakelijk geput, zoo <a id="d0e6288"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6288">310</a>]</span>men den schrijver gelooven mag, uit een oud boek, door zijn oom Walter, aartsdeken van Oxford, uit Brittanni&euml; meegebracht.
+Het vermelden van Brittanni&euml; in dit verband is, zooals wij zullen zien, zeer gewichtig. Geoffrey schreef bepaaldelijk om de
+daden van Arthur te herdenken, die nu optreedt als een koning, zoon van Uther Pendragon en van Igerna, de vrouw van Gorlois
+Hertog van Cornwallis, tot wie Uther toegang kreeg in de gedaante van haar echtgenoot door de tooverkunsten van Merlin. Hij
+stelt het begin van Arthur&#8217;s regeering in het jaar 505, verhaalt van zijn oorlogen tegen de Saksers en zegt dat hij ten slotte
+niet alleen geheel Brittanni&euml;, maar Ierland, Noorwegen, Galli&euml; en Daci&euml; veroverde, en met goed gevolg een eisch van de Romeinen,
+die schatting en hulde vorderden, weerstond. Hij hield zijn hof te Caerleon aan de Usk. Terwijl hij op het vasteland was en
+met Rome strijd voerde, maakte zijn neef Modred zich meester van de kroon en huwde zijn vrouw Guanhumara. Hierop keerde Arthur
+terug en na den verrader te Winchester te hebben verslagen, doodde hij hem in een laatsten slag in Cornwallis, waar Arthur
+zelf zwaar gewond werd (A.D. 542). De koningin trok zich terug in een klooster te Caerleon. Voor zijn dood droeg Arthur zijn
+rijk over op zijn bloedverwant Constantine, en werd toen op geheimzinnige wijze weggevoerd naar het &#8220;eiland Avalon&#8221; om te
+worden genezen, en &#8220;de rest is zwijgen.&#8221; Arthur&#8217;s tooverzwaard &#8220;Caliburn&#8221; (in de taal van Wales <i>Caladuwlch</i>; zie blz. <a href="#d0e4514">205</a>, noot) wordt door Geoffrey vermeld en beschreven als te zijn gemaakt in Avalon, een woord waarmede een soort van tooverland
+schijnt te zijn bedoeld, een Land der Dooden, misschien verwant met het Noorsche <i>Valhall</i>. Eerst in later tijden werd Avalon aangewezen als te zijn een bestaande plaats in Brittanni&euml; (Glastonbury). In het verhaal
+van Geoffrey komt niets voor over den Heiligen Graal, of Lancelot, of de Tafelronde, en behoudens de toespeling op Avalon
+ontbreekt het mystieke element van de Arthur-sage. Evenals Nennius wijst Geoffrey de Britten een fantastischen klassieken
+oorsprong aan. Zijn zoogenaamde geschiedenis is volmaakt waardeloos <a id="d0e6299"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6299">311</a>]</span>als een vermelding van feiten, maar is een ware mijn gebleken voor dichters en kroniekschrijvers en haar komt de eer toe de
+stof te hebben geleverd voor het vroegste Engelsche tragisch drama &#8220;Gorboduc&#8221; en voor Shakespeare&#8217;s &#8220;King Lear&#8221;; en de auteur
+kan worden aangemerkt als de vader&#8212;althans van den quasi-historischen kant beschouwd&#8212;van de Arthur-sage, die hij samenstelde
+gedeeltelijk uit verhalen van den historischen <i>dux bellorum</i> van Nennius, gedeeltelijk uit po&euml;tische uitbreidingen daarvan gemaakt in Bretagne door afstammelingen van ballingen uit Wales,
+van welke er vele daarheen vluchtten juist toen Arthur oorlog voerde tegen de heidensche Saksers. Het boek van Geoffrey had
+een verbazend succes. Het werd al spoedig in het Fransch vertaald door Wace, die &#8220;Li Romans de Brut&#8221; schreef omstreeks 1155,
+met bijzonderheden uit Bretagner bronnen er bijgevoegd, en uit het Fransch van Wace vertaald in het Angel-Saksisch door Layamon,
+die aldus Malory&#8217;s bewerkingen van latere Fransche proza-verhalen v&oacute;&oacute;r was. Met uitzondering van enkele geleerden die vruchteloos
+protesteerden, twijfelde niemand aan de zuiver historische waarde, en het had de belangrijke uitwerking aan de vroegere Britsche
+geschiedenis een nieuwe waardigheid te geven in de schatting van vastelands- en Engelsche vorsten. Op den troon van Arthur
+te zitten werd op zich zelf als een glorie beschouwd, door monarchen uit het geslacht der Plantagenets, die geen droppel van
+Arthur&#8217;s of van eenig Britsch bloed in de aderen hadden.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De sage in Bretagne: Marie de France.</h3>
+<p>Nu iets over de bronnen van Bretagne. Jammer genoeg, geen regel van de oude literatuur van Bretagne is tot ons gekomen en
+voor de kennis daarvan moeten wij afgaan op hetgeen daarover voorkomt in het werk van Fransche schrijvers. Een van de eersten
+dezer is de Anglo-Normandische dichteres die zich Marie de France noemt en die omstreeks 1150 en daarna schreef. Zij dichtte
+o.a. een aantal &#8220;Lais,&#8221; of verhalen, die zij uitdrukkelijk en herhaaldelijk zegt te zijn vertaald <a id="d0e6309"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6309">312</a>]</span>of bewerkt naar bronnen van Bretagne. Soms beweert zij het oorspronkelijke precies te hebben weergegeven:
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Les contes que jo sai verais (que je sais vrais)
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Dunt li Bretun unt fait les lais
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Vos conterai assez briefment;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Et cief (sauf) di cest coumencement
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Selunc la lettre &egrave; l&#8217; escriture.&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>Feitelijk wordt in de verhalen weinig over Arthur gezegd, maar de gebeurtenissen er in vallen in zijn tijd&#8212;<i>en cet temps tint Artus la terre</i>&#8212;en de toespelingen, o.a. een vermelding van de Tafelronde, wijzen klaarblijkelijk er op dat het onderwerp algemeen bekend
+was onder hen voor wie deze &#8220;Lais&#8221; van Bretagne bestemd waren. Lancelot wordt niet genoemd, maar er is een &#8220;Lai&#8221; over zekeren
+Lanval, die door Arthur&#8217;s koningin wordt bemind, maar die haar afwijst omdat hij een tooveres tot minnares heeft in het &#8220;isle
+d&#8217;Avalon.&#8221; Gawain wordt genoemd en een episode wordt verteld in den &#8220;Lai de Chevrefoil&#8221; van Tristan en Isolde, over wier dienstmaagd
+&#8220;Brangien&#8221; zoodanig wordt gesproken, dat de toehoorders blijkbaar wisten welke rol zij had gespeeld in Isolde&#8217;s huwelijksnacht.
+Om kort te gaan, wij hebben hier het bewijs dat zich in Bretagne een wijd verbreide en goed ontwikkelde massa ridderlegenden
+om de persoon van Arthur had opgehoopt. Zoo welbekend zijn de legenden, dat bloote toespelingen op personen en episoden daarin
+evengoed begrepen worden als verwijzingen naar Tennyson&#8217;s &#8220;Idylls&#8221; het bij ons zouden zijn in onzen tijd. De &#8220;Lais&#8221; van Marie
+de France wijzen derhalve sterk op Bretagne als de ware bakermat van de Arthur-sage, van haar riddelijken en romantischen
+kant. Zij maken echter geen melding van den Graal.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Chrestien de Troyes.</h3>
+<p>Ten slotte en bovenal hebben wij het werk van den Franschen dichter Chrestien de Troyes, die in 1165, evenals Marie de France,
+&#8220;Lais&#8221; uit Bretagne begon te vertalen en die feitelijk de Arthur-sage in de po&euml;tische literatuur van Europa bracht en er de
+voornaamste trekken en haar karakter aan gaf. <a id="d0e6332"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6332">313</a>]</span>Hij schreef een &#8220;Tristan&#8221; (nu verloren gegaan). Hij (zoo niet Walter Map) bracht Lancelot van het Meer in het verhaal; hij
+schreef een <i>Conte del Graal</i>, waarin voor het eerst de Graal-legende en Perceval voorkomen, al liet hij het verhaal onvoltooid en al vertelt hij ons niet
+wat de &#8220;Graal&#8221; werkelijk was<a id="d0e6337src" href="#d0e6337" class="noteref">5</a>. Hij schreef ook een lang <i>conte d&#8217;aventure</i>, getiteld &#8220;Erec,&#8221; bevattende de geschiedenis van Geraint en Enid. Dit zijn de vroegste gedichten die wij bezitten, waarin
+de Arthur van de ridderlegende sterk op den voorgrond treedt. Welke waren de bronnen van Chrestien? Ongetwijfeld voor een
+groot deel uit Bretagne. Troyes ligt in Champagne, dat in 1019 door Eudes, Graaf van Blois, met Blois was vereenigd en weer
+na een periode van scheiding er mee was hereenigd, door Graaf Theobald van Blois in 1128. Maria, Gravin van Champagne, was
+de beschermvrouw van Chrestien. En er waren nauwe banden tusschen de heerschende vorsten van Blois en Bretagne. Alain&nbsp;II,
+een Hertog van Bretagne, had in de tiende eeuw een zuster van den Graaf van Blois gehuwd en in het eerste vierde gedeelte
+van de dertiende eeuw huwde Jean I van Bretagne Blanche van Champagne, terwijl hun dochter Alix in 1254 Jean de Chastillon,
+Graaf van Blois, huwde. Het is derhalve hoogst waarschijnlijk, dat door minstreels die hun meesters uit Bretagne aan het hof
+van Blois volgen, van het midden der tiende eeuw af, een groot aantal &#8220;Lais&#8221; en legenden uit Bretagne hun weg vonden tot de
+Fransche literatuur in de elfde, twaalfde en dertiende eeuwen. Maar het is ook zeker dat de legenden van Bretagne zelf sterk
+onder Fransche invloeden waren geraakt en dat wij aan de <i>Mati&egrave;re de France</i>, zooals die door middeneeuwsche schrijvers werd genoemd<a id="d0e6352src" href="#d0e6352" class="noteref">6</a><a id="d0e6357"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6357">314</a>]</span>&#8212;i.e. de legenden van Karel de Groote en zijn Paladynen&#8212;de Tafelronde verschuldigd zijn en de riddergebruiken toegeschreven
+aan Arthur&#8217;s hof te Caerleon aan de Usk.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Bleheris.</h3>
+<p>Men moet niet vergeten (iets waarop miss Jessie L. Weston met nadruk heeft gewezen in haar onwaardeerbare studies over de
+Arthur-sage) dat Gautier van Denain, de eerste van de voortzetters of omwerkers van Chrestien de Troyes, als zijn bron voor
+de verhalen van Gawain zekeren Bleheris noemt, een dichter &#8220;geboren en opgegroeid in Wales.&#8221; Men houdt dezen vergeten bard
+voor identiek met <i>famosus ille fabulator, Bledhericus</i>, vermeld door Giraldus Cambrensis, en met den Br&eacute;ris, dien Thomas van Bretagne aanhaalt als een autoriteit voor de Tristan-geschiedenis.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Conclusie betreffende den oorsprong van de Arthur-sage.</h3>
+<p>Bij gebrek evenwel aan eenige inlichting omtrent den tijd waarin Bleheris schreef, of wat hij precies schreef, moet dunkt
+mij, de meening stand houden, dat de Arthur-sage, zooals wij die nu hebben, niet uit Wales en zelfs niet alleen uit Bretagne
+afkomstig is. De ballingen uit Wales, die omstreeks de zesde eeuw een deel van Bretagne koloniseerden, moeten vele verhalen
+van den historischen Arthur hebben meegebracht. Zij moeten ook hebben meegebracht legenden van de Keltische godheid Artaius,
+een god voor wien in Frankrijk altaren zijn gevonden. Deze personages gingen ten slotte in elkaar over, evenals in Ierland
+de christelijke St. Brigit samenviel met de heidensche godin Brigindo<a id="d0e6372src" href="#d0e6372" class="noteref">7</a>. Wij krijgen aldus een mythische figuur, die iets van de goddelijke hoogheid verbindt met een bepaalde woonplaats op aarde
+en een plaats in de geschiedenis. Aldus onstond een Arthur-sage, die in haar Bretagner vorm (niet in haar Wales-vorm) zeer
+verrijkt was met materiaal geput uit de legenden van Karel de Groote en zijn pairs, terwijl zij &egrave;n in Bretagne &egrave;n in Wales
+een centrum werd, waarom <a id="d0e6378"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6378">315</a>]</span>heen zich een massa onzeker legende-materiaal groepeerde, betrekking hebbend op allerlei Keltische personages, menschelijke
+en goddelijke. Chrestien de Troyes, naar materiaal uit Bretagne werkende, gaf haar ten slotte den vorm waarin zij de wereld
+veroverde en waarin zij in de twaalfde en dertiende eeuwen werd wat de Faust-legende in later tijden was: het erkend voertuig
+voor de idealen en de verlangens van een tijdperk.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De sage in Wales.</h3>
+<p>Uit het vasteland en in het bijzonder uit Bretagne, kwam de geschiedenis van Arthur gewijzigd en verheerlijkt in Wales terug.
+Wijlen dr. Heinrich Zimmer merkt in een van zijn schitterende studies over het onderwerp op, dat &#8220;er in de literatuur van
+Wales stellige getuigenis is, dat vorst Rhys ap Tewdwr uit Zuid-Wales, die in Bretagne was geweest, van daar in 1070 naar
+Wales de wetenschap van Arthur&#8217;s Tafelronde meebracht, waar die natuurlijk tot hiertoe onbekend was&#8221;<a id="d0e6385src" href="#d0e6385" class="noteref">8</a> En men weet dat vele edelen uit Bretagne de banier van Willem de Veroveraar naar Engeland volgden<a id="d0e6388src" href="#d0e6388" class="noteref">9</a>. Zij die de sage in Wales invoerden vonden daar echter al een aanzienlijke massa stof over Arthur van een geheel verschillend
+karakter. Behalve de tradities van den historischen Arthur, den <i>dux bellorum</i> van Nennius, was er de Keltische godheid Artaius. Het is vermoedelijk een herinnering aan die godheid die wij onder den naam
+Arthur aantreffen in het eenige echte Arthur-verhaal in Wales dat wij bezitten, de geschiedenis van Kilhwch en Olwen in de
+&#8220;Mabinogion.&#8221; Veel van de Arthur-sage aan Chrestien en andere schrijvers van het vasteland ontleend, werd in Wales vertaald
+en bewerkt, evenals in andere Europeesche landen, maar feitelijk maakte zij later en geringer indruk in Wales dan bijna overal
+elders. Zij kwam in botsing met bestaande tradities daar, zoowel historische als mythologische; zij bevatte veel dat den geest
+daar geheel <a id="d0e6394"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6394">316</a>]</span>vreemd was en zij bleef daar altijd iets van een ander land dat niet was geassimileerd. In Ierland drong zij in het geheel
+niet door.
+
+</p>
+<p>Natuurlijk maken deze weinige inleidende opmerkingen er geen aanspraak op een bespreking van de Arthur-sage te zijn&#8212;een uitgebreid
+onderwerp met tallooze vertakkingen, historische, mythologische, mystieke en wat niet al&#8212;maar beoogen zij alleen de betrekking
+tusschen die sage en de echte Keltische literatuur aan te wijzen en te verklaren waarom wij daarvan zoo weinig zullen hooren
+in de volgende mededeelingen over Kimbrische mythen en legenden. Zij was een groote geestelijke mythe die, ontstaan uit de
+vroeger beschreven bronnen, het geheele vasteland veroverde zooals de held er van werd ondersteld dat met de wapens te hebben
+gedaan, maar zij kan niet worden beschouwd als een bijzonder bezit van het Keltische ras, ook komt zij niet voor in eenige
+Keltische taal, tenzij vertaald, of bewerkt.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Galische en Kimbrische legenden.</h3>
+<p>De mythen en legenden van het Keltische ras, die tot ons zijn gekomen in de taal van Wales zijn in sommige opzichten van een
+ander karakter dan die welke wij in het Galisch bezitten. Het materiaal van Wales is lang niet zoo rijk, ook niet zoo oud.
+De verhalen van de &#8220;Mabinogion&#8221; zijn in hoofdzaak geput uit het veertiend&#8217; eeuwsch handschrift. &#8220;Het Roode Boek van Hergest.&#8221;
+Een er van, het verhaal van Taliesin, kwam uit een andere bron, een manuscript van de zestiende eeuw. De vier oudste verhalen
+in de &#8220;Mabinogion&#8221; worden door de geleerden ondersteld hun tegenwoordigen vorm te hebben aangenomen in de tiende of elfde
+eeuw, terwijl verscheidene Iersche verhalen, zooals de geschiedenis van Etain en Midir of de Dood van Conary, tot de zevende
+of achtste eeuw teruggaan. Men zal zich herinneren dat de geschiedenis van den inval van Partholan aan Nennius bekend was,
+die omstreeks het jaar 800 schreef. Zooals daarom te verwachten was, zijn de mythologische elementen in de verhalen uit Wales
+<a id="d0e6403"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6403">317</a>]</span>doorgaans veel verwarder en moeilijker te ontcijferen dan in de vroegere Iersche verhalen. Het mythische is van minder belang,
+de geschiedenis van meer belang geworden; het is den bard minder er om te doen een gewijden tekst te overleveren dan het hof
+van een vorst afleiding te bezorgen. Wij moeten ook in het oog houden dat de invloed van de continentale ridderverhalen in
+de verhalen van Wales duidelijk merkbaar is en hen feitelijk eventueel geheel gaat beheerschen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Galische en continentale romantiek.</h3>
+<p>In vele opzichten liep de Iersche Kelt vooruit op de idee&euml;n in die verhalen. De voorname hoofschheid die vijanden elkander
+betoonden<a id="d0e6410src" href="#d0e6410" class="noteref">10</a>, de zonderlinge trots die een krijgsman verbood partij te trekken van den hulpeloozen toestand van een gewond tegenstander<a id="d0e6422src" href="#d0e6422" class="noteref">11</a>, de overdreven vormelijkheid waarmede de plichten of voorschriften behoorende bij ieders kaste of stand werden in acht genomen<a id="d0e6428src" href="#d0e6428" class="noteref">12</a>&#8212;deze geheele sfeer van gedachten en gevoelens die ons zoo vreemd zou voorkomen, indien wij een voorbeeld er van aantroffen
+in de klassieke literatuur, zou zeer gewoon en natuurlijk lijken in continentale verhalen van de twaalfde en latere eeuwen.
+Eeuwen vroeger was die een kenmerkende trek in de Galische literatuur. Toch ontbreekt in de Iersche verhalen, hetzij Ultoniaansche
+of Ossian&#8217;sche, dat element, dat sedert dien als het meest belangrijke motief in een romantisch verhaal werd beschouwd, zoo
+goed als geheel. Dat is het element der liefde, of liever der vrouwenvereering. De continentale verteller begreep dat hij
+niets vermocht zonder dit motief van handeling. Maar de &#8220;beminde&#8221; van den Engelschen, Franschen, of Duitschen ridder, wier
+kleuren hij droeg, om wier gunst hij ongekende ontberingen en gevaren verduurde, komt niet voor in de Galische literatuur.
+Het zou den Ierschen Kelt ongerijmd hebben toegeschenen, de <a id="d0e6437"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6437">318</a>]</span>intrige van een ernstig verhaal te laten draaien om de soort van hartstocht, die de middeneeuwsche Dulcinea haar trouwen ridder
+wist in te boezemen. In de twee beroemdste en populairste Galische verhalen van minne, dat van Deirdre, en &#8220;De Vervolging
+van Dermot en Grania,&#8221; zijn het de vrouwen die de mannen trachten te winnen en de mannen gaan zeer ongaarne er toe over te
+begaan wat zij weten te zijn: de dwaasheid hun toe te geven. Deze romantische ridderlijke soort van liefde nu, die de vrouw
+tot een godin idealiseerde en den dienst zijner dame voor den ridder tot een heiligen plicht maakte, is, hoewel zij in Wales
+nimmer zoo in aanzien kwam als in continentale en Engelsche verhalen, toch daar duidelijk waarneembaar. Wij kunnen die vervolgen
+in &#8220;Kilhwch en Olwen,&#8221; betrekkelijk een oud verhaal. Zij komt duidelijk uit in latere verhalen, als &#8220;Peredur&#8221; en &#8220;De Vrouw
+van de Bron.&#8221; Het is een teeken in welke mate de literatuur van Wales, vergeleken bij de Iersche, haar zuiver Keltischen geest
+had verloren en vreemde invloeden had ondergaan&#8212;ik zeg natuurlijk niet tot haar schade.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Galische en Kimbrische mythologie: Nudd.</h3>
+<p>De oudste verhalen van Wales, die welke geheeten zijn &#8220;De vier takken van de Mabinogi&#8221;<a id="d0e6444src" href="#d0e6444" class="noteref">13</a> zijn het rijkst aan mythologische elementen, maar deze komen in meer of min herkenbaren vorm voor in bijna alle middeneeuwsche
+verhalen, en zelfs, na vele veranderingen, bij Malory. Wij kunnen duidelijk zekere mythologische figuren onderscheiden, aan
+alle Keltische geschriften gemeen. Zoo vinden wij bijv. een personage genaamd Nudd of Lludd, blijkbaar een zonnegodheid. Een
+tempel stammend uit Romeinsche tijden en hem toegewijd onder den naam van Nodens, is ontdekt te Lydney, aan de Severn. Op
+een bronzen bord, dicht bij de plek gevonden, is een voorstelling van den god. Hij is omgeven door een stralenkrans en vergezeld
+door vliegende geesten en door Tritons. Dat doet <a id="d0e6447"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6447">319</a>]</span>ons denken aan de Danaansche godheden en hun nauwe betrekking tot de zee; en wanneer wij vinden dat in legenden van Wales
+een epitheton met Nudd is verbonden, beteekenend &#8220;met de zilveren hand&#8221; (hoewel geen bestaande legende van Wales de beteekenis
+van dat epitheton vertelt), valt het ons niet moeilijk dezen Nudd een te verklaren met Nuada met de zilveren hand, die de
+Dananen aanvoerde in den slag van Moytura<a id="d0e6449src" href="#d0e6449" class="noteref">14</a>. Onder zijn naam Lludd had hij, zegt men, een tempel op de plaats van St. Paul te Londen, waarvan de ingang, volgens Geoffrey
+van Monmouth, in de taal van Bretagne <i>Parth Lludd</i> werd geheeten, wat de Saksers vertaalden met <i>Ludes Geat</i>, ons tegenwoordig Ludgate.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Llyr en Manawyddan.</h3>
+<p>Zoo kunnen wij, wanneer wij een mythologische persoon aantreffen Llyr geheeten, met een zoon genaamd Manawyddan, die een voorname
+rol speelt in legenden van Wales, hen veilig in verband brengen met den Ierschen Lir en zijn zoon Mananan, goden <span class="corr" title="Bron: von">van</span> de zee. Llyr-cester, nu Leicester, was een centrum van den eeredienst van Llyr.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Llew Llaw Gyffes.</h3>
+<p>Ten slotte kunnen wij wijzen op een figuur in de &#8220;Mabinogi&#8221; (in de vertelling getiteld &#8220;M&#257;th zoon van M&#257;thowny&#8221;). De naam
+er van wordt gegeven als Llew Llaw Gyffes, wat de verteller uit Wales vertolkt met &#8220;De leeuw met de vaste hand,&#8221; en een verhaal,
+dat hier later volgt, wordt gedaan om den naam te verklaren. Maar wanneer wij zien dat deze held eigenschappen vertoont die
+er op wijzen dat hij een zonnegodheid is, zoo bijv. een verbazend snelle groei van kind tot man, en wanneer wij bovendien
+van professor Rhys vernemen dat Gyffes oorspronkelijk beteekende, niet &#8220;vast&#8221; of &#8220;zeker,&#8221; maar &#8220;lang&#8221;<a id="d0e6474src" href="#d0e6474" class="noteref">15</a>, dan wordt het duidelijk, dat wij hier een flauwe en afgebroken herinnering hebben aan de godheid die de Galen noemden <a id="d0e6477"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6477">320</a>]</span>Lugh met den langen arm<a id="d0e6479src" href="#d0e6479" class="noteref">16</a>, <i>Lugh Lamh Fada</i>. De verkeerd begrepen naam bleef leven en om het misverstand zette zich legendaire stof, die bij het volk rond ging, tot
+een nieuw verhaal vast.
+
+</p>
+<p>Men zou deze overeenstemmingen nog verder in bijzonderheden kunnen aantoonen. Hier kunnen wij volstaan met er op te wijzen
+als bewijs voor den gemeenschappelijken oorsprong van de Galische en Kimbrische mythologie<a id="d0e6499src" href="#d0e6499" class="noteref">17</a>. In beide literaturen hebben wij denzelfden kring van mythologische idee&euml;n. Maar in Wales zijn die moeilijker te onderscheiden;
+de figuren en hun bloedverwantschap in den Olympus van Wales zijn minder nauwkeurig omschreven, wisselender. Het is alsof
+een aantal verschillende stammen, wat oorspronkelijk dezelfde concepties waren, onder verschillende namen belichaamden en
+verschillende legenden er om heen weefden. De bardenliteratuur, zooals wij die nu kennen, getuigt nu eens van het op den voorgrond
+treden van een, dan eens van een ander dezer stam-vereeringen. Eenheid te brengen in deze wisselende voorstellingen is ten
+eenenmale onmogelijk; toch kunnen we iets doen om den lezer een draad te geven in het doolhof.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De geslachten van D&#333;n en van Llyr.</h3>
+<p>Twee groote goddelijke geslachten of famili&euml;n kunnen worden onderscheiden&#8212;dat van D&#333;n, een moeder-godin (vertegenwoordigend
+de Galische Dana), wier echtgenoot is Beli, de Iersche Bil&eacute;, god van den Dood, en wier afstammelingen zijn de Kinderen van
+het Licht; en dat van Llyr, de Galische Lir, die hier vertegenwoordigt, niet een Danaansche godheid, maar iets meer overeenkomend
+met de Iersche Fomori&euml;rs. Evenals in het geval van de Iersche mythe, zijn de twee famili&euml;n door onderling huwelijk verbonden&#8212;Penardun,
+een dochter van D&#333;n, is gehuwd met Llyr. D&#333;n zelf heeft een <a id="d0e6507"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6507">321</a>]</span>broeder, M&#257;th, wiens naam beteekent rijkdom of schat (<span class="abbr" title="vergelijk"><abbr title="vergelijk">verg.</abbr></span> het Grieksch Pluton, <i>plautos</i>) en zij stammen af van een niet scherp gekarakteriseerde figuur, M&#257;thonwy geheeten.
+
+
+</p>
+<p id="d0e6515"></p>
+<div id="d0e6516" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/gen322.gif" alt="Goden van het Huis van D&#333;n."></p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e6520"></p>
+<div id="d0e6521" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/gen323.gif" alt="Goden van het Huis van Llyr."></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het geslacht van Arthur.</h3>
+<p>In het pantheon van godheden vertegenwoordigd in de vier oude Mabinogi, kwam in een lateren tijd, uit een andere stambron,
+een andere groep met Arthur, den god Artaius, aan het hoofd. Hij komt in plaats van Gwydion zoon van Don, en de andere godheden
+van zijn kring nemen meer of minder precies de plaatsen in van anderen van den vroegeren kring. De hier bijgevoegde genealogische
+tafels strekken om den lezer te helpen aan een algemeen overzicht van de betrekkingen tusschen deze personages en hun attributen.
+Men moet evenwel in het oog houden dat deze rangschikkingen in tabellen een schijn van nauwkeurigheid en consequentie geven
+die niet wordt teruggevonden in het wisselend karakter van de werkelijke mythen als een geheel beschouwd. Als een schetskaart
+van een zeer lastig en duister gebied kunnen zij echter den lezer, die het voor het eerst betreedt, helpen zijn richting daarin
+te vinden, en dat is het eenig doel dat zij beoogen.
+
+
+</p>
+<p id="d0e6530"></p>
+<div id="d0e6531" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/gen324.gif" alt="Arthur en zijn Magen."></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Gwyn ap Nudd.</h3>
+<p>De godheid Gwyn ap Nudd geheeten heeft, naar men zegt, evenals Finn in de Galische legende<a id="d0e6540src" href="#d0e6540" class="noteref">18</a>, dieper en blijvender indruk op de volksverbeelding in Wales gemaakt dan eenige andere godheid. Machtig krijger en jager,
+vermeit hij zich in het gekraak van brekende speren, en, evenals Odin, verzamelt hij de zielen van doode helden in zijn donker
+rijk, want, hoewel hij behoort tot de familie der Licht-goden, is het schimmenrijk zijn bijzonder domein. Het gevecht tusschen
+hem en Gwythur ap Greidawl (Victor, zoon van den Schroeier) om Creudylad, dochter van Lludd, dat elken Meidag wordt herhaald
+tot het <a id="d0e6543"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6543">325</a>]</span>eind der tijden, beteekent blijkbaar den strijd tusschen winter en zomer om de bebloemde en vruchtbare aarde. &#8220;Later,&#8221; schrijft
+Squire, &#8220;werd hij gehouden voor den Koning van de <i>Tylwyth Teg</i>, de fee&euml;n van Wales, en zijn naam als zoodanig is nog niet geheel uitgestorven in zijn laatste verblijfplaats, het romantisch
+dal van Neath.... Hij is de wilde Jager van Wales in het Westen van Engeland en het is zijn jacht, die soms in verlaten oorden
+des nachts wordt gehoord&#8221;<a id="d0e6548src" href="#d0e6548" class="noteref">19</a>. Hij komt voor als een god van oorlog en dood in een prachtig gedicht uit het &#8220;Zwarte Boek van Caermarthen,&#8221; waar hij wordt
+voorgesteld in gesprek met een prins, Gwyddneu Garanhir geheeten, die zijn bescherming was komen vragen. Ik haal eenige coupletten
+aan: men vindt het gedicht in zijn geheel in Squire&#8217;s voortreffelijk boek.
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Ik kom uit veldslag en strijdgewoel
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Met een schild in de hand;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Mijn helm is in twee door de stooten der speren.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Rond gehoefd is mijn paard, de schrik van den strijd,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Fairy<a id="d0e6563src" href="#d0e6563" class="noteref">20</a> is mijn naam, Gwyn de zoon van Nudd,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Die Crewrdilad minde, de dochter van Lludd.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Ik ben geweest waar Gwendolen gedood werd,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">De zoon van Ceidaw, de held van den zang,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Waar de raven krijschten boven bloed.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Ik ben geweest waar Bran vermoord werd,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">De zoon van Iweridd, wijd beroemd,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Waar de raven van het slagveld krijschten.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Ik ben geweest waar Llacheu gedood werd,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">De zoon van Arthur, geprezen in zangen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Toen de raven krijschten boven bloed.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Ik ben geweest waar Mewrig vermoord werd,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">De zoon van Carreian, met eere bekend,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Toen de raven krijschten boven vleesch.</span></p>
+</div>
+</div><a id="d0e6599"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6599">326</a>]</span><div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Ik ben geweest waar Gwallawg vermoord werd,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">De zoon van Goholeth, aan kundigheid rijk,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Die Lloegyr weerstond, den zoon van Lleynawg.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Ik ben geweest waar Brittanje&#8217;s strijdscharen verslagen werden,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Van oost tot noord:
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik ben het geleide van het graf.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Ik ben geweest waar Brittanje&#8217;s strijdscharen verslagen werden,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Van oost tot zuid:
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik ben in leven, zij des doods.&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Myrddin, of Merlin.</h3>
+<p>Een godheid genaamd Myrddin neemt in Arthur&#8217;s mythologischen cyclus de plaats in van den Hemel- en Zonnegod, Nudd. Een van
+de Triaden van Wales vertelt ons dat Brittanni&euml;, v&oacute;&oacute;r dat het bewoond was, <i>Clas Myrddin</i> werd genoemd, Myrddin&#8217;s gebied.<a id="d0e6629src" href="#d0e6629" class="noteref">21</a> Dat herinnert aan de Iersche gewoonte een geliefkoosde plek een &#8220;kooi van de zon&#8221; te noemen&#8212;Deirdre geeft dien naam aan haar
+geliefd Schotsch thuis in Glen Etive. Professor Rhys onderstelt dat Myrddin de godheid was, die in het bijzonder werd vereerd
+te Stonehenge, dat volgens Britsche overlevering, vermeld door Geoffrey van Monmouth, opgericht werd door &#8220;Merlin,&#8221; de toovenaar
+die de gedaante voorstelt waartoe Myrddin onder Christelijke invloeden was ingekrompen. Wij vernemen dat het verblijf van
+Merlin was een glazen huis, of een bosch bloeiende meidoorn, of een soort rook of mist in de lucht, of &#8220;een gebied noch van
+ijzer, of staal, of hout, of steen, maar van lucht zonder meer, door een betoovering zoo machtig dat zij nooit kan worden
+ongedaan gemaakt zoolang de wereld blijft bestaan&#8221;<a id="d0e6635src" href="#d0e6635" class="noteref">22</a>. Ten slotte daalde hij neer op het eiland Bardsey, &#8220;voorbij het uiterste meest westelijke punt van Carnarvonshire.... hij
+ging met negen hem volgende barden en nam met zich mee de &#8220;Dertien Schatten van Brittanni&euml;,&#8221; die van toen af voor de menschheid
+verloren waren.&#8221; Professor Rhys wijst er op dat een Grieksch reiziger Demetrius genaamd, die wordt gezegd <a id="d0e6638"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6638">327</a>]</span>Brittanni&euml; te hebben bezocht in de eerste eeuw v. Chr., gewaagt van een eiland in het westen, waar &#8220;Kronos&#8221; werd ondersteld
+gevangen te zijn gehouden met de hem vergezellende godheden, terwijl Briareus de wacht over hem hield in zijn slaap, &#8220;want
+slaap was de boei voor hem gesmeed.&#8221; Ongetwijfeld hebben we hier een lezing, gehelleniseerd zooals de gewoonte was van klassieke
+schrijvers met barbaarsche mythen, van een Britsch verhaal van het afdalen van den Zonnegod in de westelijke zee en zijn gevangenneming
+daar door de machten der duisternis, met de bezittingen en toovermachten behoorende aan Licht en Leven<a id="d0e6640src" href="#d0e6640" class="noteref">23</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Nynniaw en Peibaw.</h3>
+<p>De twee personages, Nynniaw en Peibaw geheeten, die in de genealogische tabel voorkomen, spelen een zeer kleine rol in de
+Kimbrische mythologie, maar een verhaal waarin zij optreden, is op zich zelf belangwekkend en heeft een uitmuntende moraal.
+Zij worden voorgesteld<a id="d0e6648src" href="#d0e6648" class="noteref">24</a> als twee broeders, Koningen van Brittanni&euml;, die op een helderen sterrenacht samen wandelen. &#8220;Zie welk een mooi uitgestrekt
+veld ik heb,&#8221; zeide Nynniaw. &#8220;Waar is het?&#8221; vroeg Peibaw. &#8220;Daar omhoog en zoo ver als je kunt zien,&#8221; zeide Nynniaw, naar den
+hemel wijzend. &#8220;Maar zie eens naar al mijn vee, dat op jou veld graast,&#8221; zeide Peibaw. &#8220;Waar is dat?&#8221; vroeg Nynniaw. &#8220;Al de
+gouden sterren,&#8221; zeide Peibaw, &#8220;met de maan als schaapherder.&#8221; &#8220;Zij zullen niet grazen op mijn veld,&#8221; riep Nynniaw. &#8220;En ik
+zeg dat zij dat w&egrave;l zullen doen,&#8221; antwoordde Peibaw. &#8220;Ik zeg neen.&#8221; &#8220;En ik zeg ja.&#8221; En zoo ging het door; eerst twistten zij
+met elkander, toen voerden zij oorlog en legers werden vernield en landen verwoest, totdat ten slotte de broeders in ossen
+werden veranderd als straf voor hun domheid en twistzucht.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De &#8220;Mabinogion.&#8221;</h3>
+<p>Wij komen nu tot het werk waarin de voornaamste schatten <a id="d0e6656"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6656">328</a>]</span>van Kimbrische mythen en legenden zestig jaren geleden door Lady Charlotte Guest werden bijeengebracht en aan de wereld gegeven
+in een vertaling die een der meesterstukken is van de Engelsche literatuur. De titel van dit werk, &#8220;Mabinogion,&#8221; is het meervoud
+van het woord <i>Mabinogi</i>, dat beteekent een verhaal behoorend tot hetgeen een leerling-bard in zijn mars had, een verhaal zooals elke bard noodzakelijk
+te leeren had als deel van zijn opvoeding, wat hij ook later aan zijn <i>r&eacute;pertoire</i> mocht toevoegen. Feitelijk zijn de <i>Mabinogi</i> in het boek niet anders dan de vier verhalen het eerst gegeven in de editie van Alfred Nutt, getiteld de &#8220;Vier takken van
+de Mabinogi&#8221; en die een samenhangend geheel vormen. Zij behooren tot de oudste overblijfselen van de mythologische sagen van
+Wales.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Pwyll, hoofd van het Schimmenrijk.</h3>
+<p>Het eerste er van is de geschiedenis van Pwyll, Vorst van Dyfed, en verhaalt hoe die Vorst zijn titel kreeg van <i>Pen Annwn</i>, of &#8220;Hoofd van het Schimmenrijk&#8221;&#8212;met Annwn wordt namelijk in de literatuur van Wales het Keltische Land der Dooden, of Tooverland
+aangeduid. Het is een verhaal met een mythologischen grondslag, maar dat den zuiversten geest van ridderlijke eer en adel
+ademt.
+
+</p>
+<p>Pwyll, zoo heet het, was op zekeren dag aan het jagen in de bosschen van Glyn Cuch, toen hij een troep honden, niet de zijne,
+een hert zagen achterna zetten. Deze honden waren sneeuwwit met roode ooren. Als Pwyll eenige ervaring had gehad in deze dingen,
+zou hij dadelijk hebben geweten wat voor jacht er aan den gang was, want dit zijn de kleuren van Tooverland&#8212;de roodharige
+man, de hond met roode ooren gaan steeds met hekserij gepaard<a id="d0e6677src" href="#d0e6677" class="noteref">25</a>. Maar Pwyll joeg de vreemde honden weg en wilde zijn eigen honden het wild achterna zenden, toen een ruiter met een edel
+voorkomen opdaagde en hem verwijten deed wegens zijn lompheid. Pwyll bood aan hem genoegdoening te geven en het verhaal gaat
+nu over in het veel voorkomend onderwerp, de bevrijding van <a id="d0e6686"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6686">329</a>]</span>het Tooverland. De naam van den vreemdeling is Arawn, een koning in Annun. Hij wordt bemoeilijkt en met onttroning bedreigd
+door een mededinger, Havgan, en hij zoekt de hulp van Pwyll, en vraagt hem over een jaar Havgan in tweegevecht te ontmoeten.
+Inmiddels zal hij Pwyll zijn eigen gedaante doen aannemen. Pwyll zal in zijn koninkrijk heerschen tot den gewichtigen dag,
+terwijl Arawn in de gedaante van Pwyll in Dyfed zal gaan regeeren. Hij leert Pwyll hoe hij met den vijand moet omgaan. Havgan
+moet met e&eacute;n enkelen slag worden geveld&#8212;wordt hem een tweede slag gegeven dan herleeft hij weer onmiddellijk zoo sterk als
+ooit te voren.
+
+</p>
+<p>Pwyll stemde toe in het avontuur en ging diensvolgens in Arawn&#8217;s gedaante naar het koninkrijk Annwn. Hier bevond hij zich
+in een onvoorziene moeilijkheid. De schoone vrouw van Arawn begroette hem als haar echtgenoot. Maar toen het tijd voor hem
+werd ter ruste te gaan, keerde hij het gelaat naar den muur, en zeide hij geen woord tot haar en raakte hij haar niet aan
+totdat het morgen werd. Toen stonden zij op, en Pwyll ging op de jacht en regeerde zijn rijk en deed alles alsof hij de vorst
+was over het land. En hoeveel genegenheid hij de koningin ook bij dag in het openbaar betoonde, hij bracht elken nacht door
+als de eerste.
+
+</p>
+<p>Eindelijk brak de dag van het tweegevecht aan, en evenals de hoofden in Galische verhalen, ontmoetten Pwyll en Havgan elkander
+midden in een wadde van de rivier. Zij vochten en bij de eerste botsing werd Havgan de lengte van een speer over het kruis
+van zijn paard geslingerd en viel doodelijk gewond<a id="d0e6692src" href="#d0e6692" class="noteref">26</a> &#8220;In &#8217;s hemels naam,&#8221; zeide hij, &#8220;dood mij en voltooi uw werk.&#8221; &#8220;Dat zou mij nog rouwen,&#8221; zeide Pwyll. &#8220;Doode u wie wil, ik
+wil niet.&#8221; Toen wist Havgan dat zijn einde daar was en hij gelastte zijn edelen hem weg te dragen; en Pwyll bezette met zijn
+leger de twee rijken van Annwn en <a id="d0e6695"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6695">330</a>]</span>maakte zich meester van al het land en ontving de hulde van zijn vorsten en edelen.
+
+</p>
+<p>Toen reed hij alleen weg om te Glyn Cuch met Arawn samen te komen, zooals zij hadden afgesproken. Arawn dankte hem voor al
+wat hij gedaan had en voegde er bij: &#8220;Wanneer ge naar uw eigen rijk gaat, zult gij zien wat ik voor u heb gedaan.&#8221; Zij verwisselden
+andermaal van gedaante en elk reed in zijn eigen gedaante om van zijn eigen land bezit te nemen.
+
+</p>
+<p>Aan het hof van Annwn werd de dag in vreugde feestelijk doorgebracht, hoewel niemand dan Arawn wist dat er iets ongewoons
+had plaats gehad. Toen de nacht kwam kuste en liefkoosde Arawn zijn vrouw als van ouds en zij peinsde lang over de oorzaak
+van zijn omkeer tegenover haar en over zijn vroegere verandering een jaar en een dag tevoren. En terwijl zij over deze dingen
+nadacht sprak Arawn twee of drie maal tot haar, maar kreeg geen antwoord. Hij vroeg haar toen waarom zij bleef zwijgen. &#8220;Ik
+zeg u&#8221;, sprak zij, &#8220;dat ik in een jaar niet zooveel gesproken heb op deze plaats.&#8221; &#8220;Spraken we niet voortdurend?&#8221; vroeg hij.
+&#8220;Neen&#8221;, zeide zij, &#8220;gedurende het geheele jaar dat verloopen is, was er tusschen ons noch gesprek, noch gemeenschap&#8221;. &#8220;Goede
+hemel!&#8221; dacht Arawn, &#8220;nooit vond ik een vriend zoo trouw en standvastig&#8221;. Toen vertelde hij zijn koningin wat er gebeurd was.
+&#8220;Gij hebt inderdaad de hand gelegd op een trouwen vriend&#8221;, zeide zij.
+
+</p>
+<p>En Pwyll riep, toen hij in zijn eigen land terug was, zijn edelen bijeen en vroeg hun hoe hij het, naar hun meening, in het
+afgeloopen jaar, als koning had gemaakt. &#8220;Heer&#8221;, zeiden zij, &#8220;uw wijsheid was nooit zoo groot en gij waart nooit zoo vriendelijk
+en vrijgevig, en uw rechtvaardigheid kwam nooit zoo treffend uit als dit jaar&#8221;. Toen deed Pwyl hun het verhaal van zijn avontuur.
+&#8220;Voorwaar, Heer&#8221;, zeiden zij, &#8220;breng dank aan den hemel voor zulk een makker en onthoud ons niet het bestuur dat wij in het
+afgeloopen jaar genoten.&#8221; &#8220;Ik neem den hemel ten getuige, dat ik dat niet doen zal&#8221;, zeide Pwyll.
+
+</p>
+<p>En de beide koningen versterkten de vriendschap die tusschen <a id="d0e6705"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6705">331</a>]</span>hen bestond en zonden elkander rijke geschenken van paarden en honden en juweelen; en tot herinnering aan het avontuur voerde
+Pwyl voortaan den titel van &#8220;Heer van Annwn&#8221;.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het huwelyk van Pwyll en Rhiannon.</h3>
+<p>Dicht bij het kasteel van Narberth, waar Pwyll zijn hof hield, was een berg, genaamd de Berg van Arberth; wie er op zat, zoo
+werd geloofd, zou een vreemd avontuur hebben; &ograve;f hij zou slagen en wonden krijgen, &ograve;f hij zou een wonder zien. Op zekeren
+dag toen al zijn edelen te Narberth bijeen waren voor een feest verklaarde Pwyll, dat hij op den berg zou gaan zitten en afwachten
+wat er zou gebeuren.
+
+</p>
+<p>Hij deed aldus en na een poos zag hij op den weg die naar den berg voerde, een vrouw naderen, gekleed in gewaden die als goud
+glansden en gezeten op een zuiver wit paard. &#8220;Is er onder u iemand, die deze vrouw kent?&#8221; vroeg Pwyll aan zijn mannen. &#8220;Daar
+is er geen&#8221;, zeiden zij. &#8220;Gaat haar dan te gemoet en vraagt wie zij is!&#8221; Maar toen zij naar de vrouw toe reden, ging zij terug,
+en hoe snel zij ook reden, zij bleef steeds op denzelfden afstand van hen, hoewel zij nooit van den rustigen gang scheen af
+te wijken, dien zij in den beginne al naderend had aangenomen.
+
+</p>
+<p>Herhaaldelijk trachtte Pwyll de vrouw te laten inhalen en ondervragen, maar het was alles te vergeefs&#8212;niemand kon dicht bij
+haar komen.
+
+</p>
+<p>Den volgenden dag beklom Pwyll weer den berg en andermaal naderde de schoone vrouw op haar wit ros. Nu zette Pwyll zelf haar
+achterna, maar zij wendde zich voor hem om, zooals zij voor zijn dienaren had gedaan, totdat hij ten slotte riep: &#8220;O jonkvrouw,
+ter wille van hem dien gij het meest lief hebt, blijf&#8221;. &#8220;Ik zal gaarne blijven&#8221;, zeide zij, &#8220;en het zou beter zijn geweest
+voor uw paard, indien gij het lang geleden hadt gevraagd&#8221;.
+
+</p>
+<p>Pwyll ondervroeg haar toen aangaande de oorzaak van haar komst en zij zeide: &#8220;Ik ben Rhiannon, de dochter van Hevydd <a id="d0e6720"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6720">332</a>]</span>H&#275;n<a id="d0e6722src" href="#d0e6722" class="noteref">27</a> en men wilde mij aan een echtgenoot geven tegen mijn zin. Maar ik wilde geen echtgenoot hebben en dat wel omdat ik u lief
+heb; en ik wil er ook nog geen hebben indien ge mij afwijst.&#8221; &#8220;Bij den hemel!&#8221; zeide Pwyll, &#8220;als ik kon kiezen onder al de
+vrouwen en jonkvrouwen van de wereld, u zou ik kiezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zij komen nu overeen dat Pwyll haar over een jaar zou komen opeischen in het paleis van Hevydd H&#275;n.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e6728" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p332.jpg" alt="De Boetedoening van Rhiannon"></p>
+<p class="figureHead">De Boetedoening van Rhiannon</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Pwyll hield zijn afspraak en kwam met een gevolg van honderd ridders en vond een prachtig maal voor hem in gereedheid en hij
+zat naast zijn dame, met haar vader aan den anderen kant. Terwijl zij aten en praatten kwam een lange jongeling met bruin
+haar en koninklijke houding, in satijn gekleed, die Pwyll en zijn ridders begroette. Pwyll noodigde hem uit te gaan zitten.
+&#8220;Neen, ik ben gekomen om u een gunst te vragen:&#8221; &#8220;Wat gij verlangt, zult gij hebben,&#8221; zeide Pwyll argeloos, &#8220;als het in mijn
+macht is.&#8221; &#8220;O,&#8221; riep Rhiannon, &#8220;waarom gaaft gij dat antwoord?&#8221; &#8220;Gaf hij het niet ten aanhoore van al deze edelen?&#8221; zeide
+de jongeling; &#8220;en nu is de gunst die ik vraag uw bruid Rhiannon te hebben en het feestmaal dat hier is aangerecht.&#8221; Pwyll
+zweeg. &#8220;Zwijg zoolang ge wilt,&#8221; zeide Rhiannon. &#8220;Nooit gebruikte een man zijn verstand slechter dan gij hebt gedaan.&#8221; Zij
+vertelt hem, dat de bruinharige jonge man Gwawl is, zoon van Clud, en dat hij de minnaar is voor wien zij was gevlucht naar
+Pwyll.
+
+</p>
+<p>Pwyll is door zijn woord gebonden en Rhiannon verklaart, dat het feestmaal niet aan Gwawl kan worden gegeven, want dat is
+niet in Pwyll&#8217;s macht, maar dat zij zelf over een jaar zijn bruid zal zijn; Gwawl zal haar dan komen opeischen en er zal dan
+weer een feestmaal worden gereed gemaakt. Inmiddels beraamt zij een plan met Pwyll en geeft hem een tooverzak, waarvan hij
+gebruik zal maken als de tijd daar is.
+
+</p>
+<p>Een jaar verstreek. Gwawl kwam overeenkomstig de afspraak <a id="d0e6738"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6738">333</a>]</span>en wederom werd een groot maal aangericht, waaraan hij en niet Pwyll de eereplaats had. Maar terwijl het gezelschap pret maakte
+kwam een bedelaar, gekleed in lompen en met oude zware schoenen, in de zaal: hij droeg een zak zooals bedelaars plegen te
+doen. Nederig vroeg hij een gunst van Gwawl. Het was alleen dat men hem van het maal eten zou geven, zijn zak vol. Vroolijk
+stemde Gwawl toe en een dienaar ging den zak vullen. Maar hoeveel er ook werd in gestopt, hij werd niet voller&#8212;gaandeweg waren
+al de goede dingen op tafel er in gegaan; en Gwawl riep ten slotte: &#8220;Bij mijn ziel, zal die zak nooit vol worden?&#8221; &#8220;Dat zal
+hij niet, dat zweer ik,&#8221; antwoordde Pwyll&#8212;want hij was natuurlijk de vermomde bedelaar&#8212;&#8220;tenzij de een of andere man rijk aan
+land en geld in den zak met zijn voeten stampt en zegt: &#8220;Genoeg is hierin gedaan.&#8221; Rhiannon drong bij Gwawl aan, dat hij een
+eind zou maken aan de vraatzucht van den zak. Hij stopte zijn beide voeten er in, onmiddellijk trok Pwyll de randen van den
+zak over het hoofd van Gwawl en bond hem vast. Toen blies hij op zijn hoorn; de ridders, die hem waren gevolgd en die zich
+buiten hadden verborgen, snelden toe en namen de volgelingen van Gwawl gevangen. &#8220;Wat is in den zak?&#8221; riepen zij en anderen
+antwoordden. &#8220;Een das&#8221; en nu speelden zij het spel van &#8220;Das in den zak,&#8221; sloegen er op en schopten hem door de zaal.
+
+</p>
+<p>Eindelijk hoorde men een stem uit den zak. &#8220;Heer,&#8221; riep Gwawl, &#8220;hoor mij toch; ik verdien niet in een zak te worden gedood.&#8221;
+&#8220;Hij spreekt de waarheid,&#8221; zeide Hevydd H&#275;n.
+
+</p>
+<p>Men kwam nu overeen, dat Gwawl aan Pwyll de middelen zou verschaffen om al de smeekelingen en minstreels, die op de bruiloft
+zouden komen, te voldoen en dat hij van Rhiannon zou afzien en nimmer wraak zou zoeken voor hetgeen hem was aangedaan. Dit
+werd door borgtochten bevestigd, Gwawl en zijn mannen werden in vrijheid gesteld en gingen naar hun eigen gebied. En Pwyll
+huwde Rhiannon en gaf aan allen vorstelijke geschenken; en ten slotte, toen het maal was afgeloopen, reisde het paar naar
+het paleis van Narberth in Dyfed, <a id="d0e6744"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6744">334</a>]</span>waar Rhiannon aan al de edelen en hun vrouwen in haar nieuw land een ring, of een armband, of een kostbaren steen schonk;
+en zij regeerden over het land in vrede, zoowel dat jaar als het volgende. Maar zooals de lezer zal zien, hebben we nog niet
+afgedaan met Gwawl.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Riannon&#8217;s boete.</h3>
+<p>Nu was Pwyll nog zonder een erfgenaam voor den troon en zijn edelen drongen er op aan dat hij een andere vrouw zou nemen.
+&#8220;Geef ons nog een jaar,&#8221; zeide hij, &#8220;en als er dan nog geen erfgenaam is, zal geschieden naar uw wensch.&#8221; Voor dat het jaar
+om was werd hun te Narberth een zoon geboren. Maar hoewel zes vrouwen waakten om op moeder en kind te passen, gebeurde het
+tegen den morgen dat zij allen in slaap vielen, en Rhiannon sliep ook, en toen de vrouwen wakker werden, ziet, toen was het
+kind weg! &#8220;Wij zullen daarvoor verbrand worden,&#8221; zeiden de vrouwen en in hun angst beraamden zij een vreeselijk plan: zij
+doodden het pas geworpen jong van een jachthond en legden de beenderen bij Rhiannon, wier gelaat en handen zij, in haar slaap,
+met bloed besmeerden; en toen zij wakker werd en naar haar kind vroeg, zeiden zij dat zij het &#8217;s nachts had verslonden en
+hen met woeste kracht had bedwongen toen zij het haar hadden willen beletten&#8212;en wat zij ook zeide en deed, de zes vrouwen
+hielden hun verhaal vol.
+
+</p>
+<p>Toen het Pwyll ter oore kwam wilde hij Rhiannon niet verstooten, zooals zijn edelen hem nu weer verzochten te doen, maar een
+boete werd haar opgelegd&#8212;namelijk dat zij elken dag zou zitten bij de afstijgplaats van de poort van het kasteel, het verhaal
+doen aan elken vreemdeling die kwam, en aanbieden hen op haar rug naar het kasteel te dragen. En dat deed zij een deel van
+het jaar.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Pryderi wordt gevonden.</h3>
+<p>Nu leefde er in dien tijd een man genaamd Teirnyon van Gwent Is Coed, die de mooiste merrie van de wereld had, maar <a id="d0e6758"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6758">335</a>]</span>zij had een ongeluk, dat hoewel zij elken eersten Meinacht een veulen wierp, niemand ooit wist wat er van de veulens werd.
+Ten laatste besloot Teirnyon achter de waarheid te komen en den eersten nacht, dat de merrie zou werpen, wapende hij zich
+en waakte in den stal. De merrie wierp en het veulen ging staan en Teirnyon bewonderde de grootte en de schoonheid er van,
+toen hij buiten een groot geraas hoorde en een lange arm in een klauw eindigend werd door het stalraam gestoken en pakte het
+veulen. Teirnyon sloeg dadelijk met zijn zwaard op den arm, dien hij van den elleboog scheidde zoodat hij naar binnen viel
+met het veulen, en men hoorde buiten groot gejammer en rumoer. Hij snelde naar buiten, de deur achter zich open latend, maar
+door de duisternis van den nacht kon hij niets zien en hij volgde een poos het rumoer. Toen kwam hij terug en ziet, bij de
+deur vond hij een kind gewikkeld in luren en in een mantel van satijn. Hij nam het kind op en bracht het naar zijn slapende
+vrouw. Zij had geen kinderen en zij had het kind lief zoodra zij het zag en maakte haar dienstmaagden wijs dat zij zelf het
+gebaard had. En zij noemden het Gwri met het gouden haar, want zijn haar was goudgeel; en het groeide zoo sterk dat het na
+twee jaren zoo groot en stevig was als een kind van zes jaren; en weldra werd het veulen, dat dien nacht was geworpen, gezadeld
+en hem te berijden gegeven.
+
+</p>
+<p>Terwijl dit plaats had, hoorde Teirnyon het verhaal van Rhiannon en haar straf. En toen de knaap opgroeide, bekeek hij zijn
+gelaat aandachtig en hij zag dat het kind de trekken had van Pwyll, Vorst van Dyfed. Hij vertelde dit aan zijn vrouw en zij
+kwamen overeen het kind naar Narberth te brengen, en dat Rhiannon van haar boete zou worden ontheven.
+
+</p>
+<p>Toen zij het kasteel naderden, Teirnyon met twee ridders en het kind op zijn veulen, zat Rhiannon bij de afstijgplaats. &#8220;Mannen&#8221;,
+zeide zij, &#8220;gaat niet verder aldus: ik zal ieder van u het paleis binnen dragen, en dat is mijn boete, omdat ik mijn eigen
+zoon doodde en opat.&#8221; Maar zij wilden niet gedragen worden en gingen naar binnen. Pwyll was blijde Teirnyon te <a id="d0e6764"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6764">336</a>]</span>zien en bereidde hem een maal. Later vertelde Teirnyon aan Pwyll en Rhiannon het avontuur van den man en het veulen en hoe
+zij het kind hadden gevonden. &#8220;En zie, hier is uw zoon, vrouwe&#8221;, zeide Teirnyon, &#8220;en wie die leugen over u vertelde deed verkeerd.&#8221;
+Allen aan tafel herkenden den knaap onmiddellijk als het kind van Pwyll, en Rhiannon riep: &#8220;Ik zweer, dat als dit zoo is,
+er een eind is aan mijn onrust.&#8221; En een der hoofden Pendaran zeide: &#8220;Terecht hebt gij uw zoon Pryderi (onrust) genoemd en
+hem past wel de naam van Pryderi, zoon van Pwyll, Heer van Annwn.&#8221; Men kwam overeen dat het kind Pryderi zou heeten en zoo
+werd hij voortaan genoemd.
+
+</p>
+<p>Teirnyon reed naar huis, overladen met betuigingen van dank, liefde en blijdschap; en Pwyll bood hem rijke geschenken aan
+van paarden en juweelen en honden, maar hij wilde geen enkel aannemen. En Pryderi werd opgevoed zooals het voor een koningszoon
+paste, in alle edele gebruiken en kundigheden, en toen zijn vader Pwyll stierf, regeerde hij in zijn plaats over de Zeven
+Staten van Dyfed. En hij breidde die uit met vele schoone gebieden en hij nam ten slotte tot vrouw Kicra, dochter van Gwynn
+Gohoyw, die afstamde van het geslacht van Vorst Casnar van Brittanni&euml;.
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het verhaal van Bran en Branwen.</h3>
+<p>Bendigeid Vran, of &#8220;Bran de gezegende&#8221;&#8212;met dezen laatsten naam zullen wij hem hier noemen&#8212;bevond zich eens, toen hij Koning
+was geworden van het Eiland der Machtigen (Brittanni&euml;), in zijn hof te Harlech. En hij had bij zich zijn broeder Manawyddan
+zoon van Llyr, en zijn zuster Branwen, en de twee zonen, Nissyen en Evnissyen, die Penardun, zijn moeder, aan Eurosswyd had
+gebaard. Nu was Nissyen een zachtaardig jongeling, die vrede placht te stichten onder zijn verwanten en hen er toe bracht
+bevriend te worden wanneer hun toorn het hevigst was; maar Evnissyen hield van niets zoozeer dan vrede in twist en strijd
+te doen verkeeren.
+
+</p>
+<p>Op zekeren namiddag, toen Bran, zoon van Llyr, op de rots van Harlech naar de zee zat te kijken, zag hij dertien <a id="d0e6775"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6775">337</a>]</span>schepen bij gunstigen wind snel van den kant van Ierland naderen. Zij waren vroolijk opgetuigd, van de masten wapperden gekleurde
+vlaggen en toen zij dichtbij waren, kon men op het voorste schip een man zien staan die een schild met de punt naar boven
+droeg, ten teeken van vrede<a id="d0e6777src" href="#d0e6777" class="noteref">28</a>.
+
+</p>
+<p>Toen de vreemdelingen landden, begroetten zij Bran en legden zij de reden van hun komst uit. Matholwch<a id="d0e6782src" href="#d0e6782" class="noteref">29</a>, Koning van Ierland, bevond zich bij hen; de schepen waren de zijne en hij was gekomen om de hand te vragen van Bran&#8217;s zuster,
+Branwen, opdat Ierland en Brittanni&euml; samen zouden zijn verbonden en beiden machtiger zouden worden. &#8220;Nu was Branwen een van
+de drie voornaamste vrouwen van het eiland en zij was de schoonste jonkvrouw van de wereld.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Ieren werden gastvrij onthaald en, na zijn edelen te hebben geraadpleegd, kwam Bran overeen zijn zuster aan Matholwch te
+geven. De bruiloft zou te Aberffraw worden gehouden en het gezelschap kwam voor het feest in tenten bijeen, omdat in geen
+huis plaats was voor de reuzengestalte van Bran. Zij dronken en waren vroolijk in vrede en vriendschap en Branwen werd de
+vrouw van den Ierschen Koning.
+
+</p>
+<p>Den volgenden dag kwam Evnissyen bij toeval daar waar de paarden van Matholwch op een rij stonden en hij vroeg van wien ze
+waren. &#8220;Het zijn de paarden van Matholwch, die met uw zuster is getrouwd.&#8221; &#8220;En heeft men aldus gehandeld met een maagd zooals
+zij&#8221;, sprak hij, &#8220;en bovendien mijn zuster, haar uithuwelijkend zonder mijn toestemming? Zij konden mij geen grooter beleediging
+aandoen.&#8221; Hierop snelde hij naar de paarden, sneed hun de lippen af, de ooren en de staarten, en waar hij de oogleden kon
+beet krijgen, sneed hij die af tot op het been.
+
+</p>
+<p>Toen Matholwch vernam wat er gebeurd was, was hij zoowel vertoornd als verbijsterd en hij gelastte zijn mannen zee <a id="d0e6791"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6791">338</a>]</span>te kiezen. Bran zond boden om te vernemen wat er was voorgevallen en toen hij was ingelicht zond hij Manawyddan en twee anderen
+om verontschuldigingen aan te bieden. Matholwch zou voor elk mishandeld paard een gaaf paard krijgen en bovendien een zilveren
+staf zoo groot als hij zelf en een gouden schotel zoo groot als zijn gezicht. &#8220;En laat hij bij mij komen&#8221;, voegde hij er bij,
+&#8220;en wij zullen vrede maken op de wijze zooals hij dat verlangt&#8221;. Maar wat Evnissyen aangaat, hij was de zoon van Bran&#8217;s moeder
+en Bran kon hem daarom niet ter dood brengen, zooals hij verdiende.
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De tooverketel.</h3>
+<p>Matholwch nam deze voorwaarden aan, maar niet met groote opgewektheid, en Bran bood hem nu nog een schat aan, namelijk een
+tooverketel, die de eigenschap had dat als een gedood man daarin werd geworpen, hij er levend en gezond weer uitkwam, maar
+hij zou niet kunnen spreken. Matholwch en Bran onderhielden zich nu over den ketel, die oorspronkelijk, naar het schijnt,
+uit Ierland kwam. Er was een meer in dat land dicht bij een burcht (zeker een tooverburcht), geheeten het Meer met den Ketel.
+Hier had Matholwch eens een leelijken langen kerel ontmoet met een vrouw grooter dan hij zelf, en de ketel was aan zijn rug
+vastgemaakt. Zij traden in dienst van Matholwch. Zes weken daarna bracht de vrouw een zoon ter wereld, die een geheel gewapend
+krijgsman was. Wij moeten blijkbaar aannemen dat dit elke zes weken gebeurde, want tegen het einde van het jaar, had dit zonderlinge
+paar, die een oorlogsgod en godin schijnen te zijn, een aantal kinderen, die zich door hun voortdurende twisten en gewelddadigheden
+in het geheele land gehaat maakten. Om van hen af te komen liet Matholwch ten slotte een huis van ijzer maken en hij lokte
+hen er in. Toen liet hij de deur grendelen en kolen om de muren opstapelen en witgloeiend maken, in de hoop de familie levend
+te verbranden. Maar zoodra de ijzeren muren witgloeiend en week waren geworden, drongen de man en de vrouw er doorheen en
+ontkwamen, maar de kinderen bleven achter en <a id="d0e6798"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6798">339</a>]</span>kwamen&nbsp;om.&nbsp;Bran&nbsp;vertelde&nbsp;toen&nbsp;de&nbsp;geschiedenis&nbsp;verder.&nbsp;De man,&nbsp;die&nbsp;Llassar&nbsp;Llaesgyvnewid&nbsp;was&nbsp;geheeten&nbsp;en&nbsp;zijn&nbsp;vrouw Kymideu&nbsp;Kymeinvoll,&nbsp;staken&nbsp;over&nbsp;naar&nbsp;Brittanni&euml;,&nbsp;waar&nbsp;Bran
+hen&nbsp;opnam,&nbsp;en&nbsp;als&nbsp;dank&nbsp;voor&nbsp;zijn&nbsp;vriendelijkheid&nbsp;gaven&nbsp;zij&nbsp;hem den&nbsp;ketel.&nbsp;En&nbsp;sedert&nbsp;dien&nbsp;hadden&nbsp;zij&nbsp;het&nbsp;land&nbsp;bevolkt&nbsp;met&nbsp;hun
+afstammelingen,&nbsp;die&nbsp;overal&nbsp;voorspoed&nbsp;hadden&nbsp;en&nbsp;in&nbsp;goed&nbsp;versterkte burchten&nbsp;woonden&nbsp;en&nbsp;de&nbsp;beste&nbsp;wapens&nbsp;hadden&nbsp;die men&nbsp;ooit&nbsp;zag.
+
+</p>
+<p>Zoo&nbsp;kreeg&nbsp;dan&nbsp;Matholwch&nbsp;den&nbsp;ketel&nbsp;tegelijk&nbsp;met&nbsp;zijn&nbsp;vrouw en&nbsp;zeilde&nbsp;terug&nbsp;naar&nbsp;Ierland,&nbsp;waar&nbsp;Branwen&nbsp;de&nbsp;edelen&nbsp;en&nbsp;edelvrouwen
+van&nbsp;het&nbsp;land&nbsp;onthaalde&nbsp;en&nbsp;elk&nbsp;bij&nbsp;hun&nbsp;vertrek,&nbsp;&#8220;een gesp,&nbsp;of&nbsp;een&nbsp;ring,&nbsp;of&nbsp;een&nbsp;vorstelijk&nbsp;juweel&nbsp;schonk,&nbsp;wat&nbsp;deftig stond&nbsp;als&nbsp;men&nbsp;bij&nbsp;het&nbsp;heengaan&nbsp;er&nbsp;mee&nbsp;werd&nbsp;gezien.&#8221;&nbsp;En&nbsp;toen
+het&nbsp;jaar&nbsp;om&nbsp;was&nbsp;baarde&nbsp;Branwen&nbsp;Matholwch&nbsp;een&nbsp;zoon,&nbsp;die Gwern&nbsp;werd&nbsp;geheeten.
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De&nbsp;straf&nbsp;van&nbsp;Branwen.</h3>
+<p>Nu&nbsp;komt&nbsp;iets&nbsp;onbegrijpelijks&nbsp;in&nbsp;het&nbsp;verhaal.&nbsp;Eerst&nbsp;in&nbsp;het tweede&nbsp;jaar,&nbsp;naar&nbsp;het&nbsp;schijnt,&nbsp;werden&nbsp;de&nbsp;mannen&nbsp;van&nbsp;Ierland verontwaardigd&nbsp;over&nbsp;de&nbsp;beleediging&nbsp;door&nbsp;Evnissyen&nbsp;hun&nbsp;Koning
+aangedaan,&nbsp;en&nbsp;zij&nbsp;namen&nbsp;wraak&nbsp;door&nbsp;Branwen&nbsp;tot&nbsp;keukenmeid te&nbsp;degradeeren&nbsp;en&nbsp;zij&nbsp;lieten&nbsp;den&nbsp;slager&nbsp;haar&nbsp;elken&nbsp;dag een&nbsp;klap&nbsp;om&nbsp;de&nbsp;ooren&nbsp;geven.&nbsp;Zij&nbsp;verboden&nbsp;ook&nbsp;alle&nbsp;schepen&nbsp;en
+veerbooten&nbsp;naar&nbsp;Cambria&nbsp;over&nbsp;te&nbsp;steken&nbsp;en&nbsp;ieder&nbsp;die&nbsp;van&nbsp;daar naar&nbsp;Ierland&nbsp;kwam&nbsp;werd&nbsp;gevangen&nbsp;genomen,&nbsp;opdat&nbsp;geen&nbsp;bericht over&nbsp;de&nbsp;slechte&nbsp;behandeling&nbsp;van&nbsp;Branwen&nbsp;Bran&nbsp;ter&nbsp;oore
+zou&nbsp;komen.&nbsp;Maar&nbsp;Branwen&nbsp;kweekte&nbsp;een&nbsp;jongen&nbsp;spreeuw&nbsp;op in&nbsp;een&nbsp;hoek&nbsp;van&nbsp;haar&nbsp;baktrog,&nbsp;en&nbsp;op&nbsp;zekeren&nbsp;dag&nbsp;bond&nbsp;zij&nbsp;den vogel&nbsp;een&nbsp;brief&nbsp;onder&nbsp;de&nbsp;vleugels&nbsp;en&nbsp;leerde&nbsp;hem&nbsp;wat&nbsp;hij&nbsp;doen
+moest.&nbsp;Hij&nbsp;vloog&nbsp;naar&nbsp;Brittanni&euml;&nbsp;en&nbsp;toen&nbsp;hij&nbsp;Bran&nbsp;aantrof te Caer Seiont&nbsp;in&nbsp;Arvon,&nbsp;ging&nbsp;hij&nbsp;op&nbsp;zijn&nbsp;schouders&nbsp;zitten,&nbsp;en&nbsp;sloeg&nbsp;met
+zijn&nbsp;veeren&nbsp;en&nbsp;de&nbsp;brief&nbsp;werd&nbsp;gevonden&nbsp;en&nbsp;gelezen.&nbsp;Onmiddellijk maakte&nbsp;Bran&nbsp;zich&nbsp;gereed&nbsp;tot&nbsp;een&nbsp;grooten&nbsp;strijd&nbsp;met&nbsp;Ierland,
+en&nbsp;zeilde&nbsp;daarheen&nbsp;met&nbsp;een&nbsp;vloot,&nbsp;terwijl&nbsp;hij&nbsp;zijn&nbsp;land&nbsp;liet&nbsp;onder de&nbsp;hoede&nbsp;van&nbsp;zijn&nbsp;zoon&nbsp;Caradawc&nbsp;en&nbsp;zes&nbsp;andere&nbsp;hoofden.
+
+
+<a id="d0e6807"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6807">340</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Bran&#8217;s&nbsp;inval.</h3>
+<p>Weldra&nbsp;kwamen&nbsp;boden&nbsp;Matholwch&nbsp;vertellen&nbsp;van&nbsp;een&nbsp;wonderlijk schouwspel&nbsp;dat&nbsp;zij&nbsp;hadden&nbsp;gezien;&nbsp;op&nbsp;de&nbsp;zee&nbsp;groeide een&nbsp;bosch&nbsp;en&nbsp;naast&nbsp;het&nbsp;bosch&nbsp;een&nbsp;berg&nbsp;met&nbsp;een&nbsp;hoogen&nbsp;rug&nbsp;in
+het&nbsp;midden&nbsp;en&nbsp;twee&nbsp;meren,&nbsp;een&nbsp;aan&nbsp;elken&nbsp;kant.&nbsp;En&nbsp;bosch&nbsp;en berg&nbsp;bewogen&nbsp;zich&nbsp;naar&nbsp;de&nbsp;Iersche&nbsp;kust&nbsp;toe.&nbsp;Branwen&nbsp;wordt geroepen&nbsp;om&nbsp;zoo&nbsp;zij&nbsp;kon&nbsp;te&nbsp;verklaren&nbsp;wat&nbsp;dit&nbsp;beduidde.&nbsp;Zij
+vertelt&nbsp;hen&nbsp;dat&nbsp;het&nbsp;bosch&nbsp;is&nbsp;de&nbsp;masten&nbsp;en&nbsp;raas&nbsp;van&nbsp;de&nbsp;Britsche vloot&nbsp;en&nbsp;de&nbsp;berg&nbsp;is&nbsp;Bran,&nbsp;haar&nbsp;broeder,&nbsp;die&nbsp;in&nbsp;ondiep&nbsp;water
+komt,&nbsp;&#8220;want&nbsp;geen&nbsp;schip&nbsp;kan&nbsp;hem&nbsp;bergen&#8221;;&nbsp;de&nbsp;rug&nbsp;is&nbsp;zijn&nbsp;neus en&nbsp;de&nbsp;meren&nbsp;zijn&nbsp;beide&nbsp;oogen<a id="d0e6813src" href="#d0e6813" class="noteref">30</a>.
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e6820" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p340.jpg" alt="&#8220;Evnissyen legde zijn hand op den zak&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Evnissyen legde zijn hand op den zak&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De&nbsp;Koning&nbsp;van&nbsp;Ierland&nbsp;en&nbsp;zijn&nbsp;edelen&nbsp;gaan&nbsp;onmiddellijk samen&nbsp;te&nbsp;rade,&nbsp;hoe&nbsp;zij&nbsp;dit&nbsp;gevaar&nbsp;zullen&nbsp;afwenden&nbsp;en&nbsp;zie&nbsp;hier wat&nbsp;zij&nbsp;besloten:&nbsp;Een&nbsp;groote&nbsp;zaal&nbsp;zou&nbsp;worden&nbsp;gebouwd,&nbsp;groot
+genoeg&nbsp;om&nbsp;Bran&nbsp;te&nbsp;bevatten&#8212;dit&nbsp;zou,&nbsp;zoo&nbsp;hoopte&nbsp;men,&nbsp;hem doen&nbsp;bedaren&#8212;daar&nbsp;zou&nbsp;een&nbsp;groot&nbsp;feestmaal&nbsp;voor&nbsp;hem&nbsp;en zijn&nbsp;mannen&nbsp;worden&nbsp;aangerecht&nbsp;en&nbsp;Matholwch&nbsp;zou&nbsp;hem&nbsp;het
+koninkrijk&nbsp;Ierland&nbsp;afstaan&nbsp;en&nbsp;hem&nbsp;huldigen.&nbsp;Dit&nbsp;alles&nbsp;geschiedde op&nbsp;raad&nbsp;van&nbsp;Branwen.&nbsp;Maar&nbsp;de&nbsp;Ieren&nbsp;bedachten&nbsp;er iets&nbsp;listigs&nbsp;bij.&nbsp;Aan&nbsp;elke&nbsp;twee&nbsp;haken&nbsp;van&nbsp;elk&nbsp;der&nbsp;honderd&nbsp;pijlers
+in&nbsp;de&nbsp;zaal&nbsp;zouden&nbsp;twee&nbsp;leeren&nbsp;zakken&nbsp;worden&nbsp;gehangen,&nbsp;elk met&nbsp;een&nbsp;gewapend&nbsp;krijgsman&nbsp;er&nbsp;in&nbsp;gereed&nbsp;de&nbsp;gasten&nbsp;aan&nbsp;te vallen&nbsp;wanneer&nbsp;het&nbsp;oogenblik&nbsp;zou&nbsp;zijn&nbsp;gekomen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De&nbsp;meelzakken.</h3>
+<p>Evnissyen&nbsp;echter&nbsp;dwaalde&nbsp;door&nbsp;de&nbsp;zaal&nbsp;v&oacute;&oacute;r&nbsp;de&nbsp;overige gasten&nbsp;en&nbsp;de&nbsp;toebereidselen&nbsp;tot&nbsp;het&nbsp;maal&nbsp;&#8220;met&nbsp;woeste&nbsp;blikken&#8221; bekijkend,&nbsp;zag&nbsp;hij&nbsp;de&nbsp;zakken&nbsp;die&nbsp;van&nbsp;de&nbsp;pylers&nbsp;afhingen.&nbsp;&#8220;Wat
+is&nbsp;er&nbsp;in&nbsp;dien&nbsp;zak?&#8221;&nbsp;vroeg&nbsp;hij&nbsp;aan&nbsp;een&nbsp;der&nbsp;Ieren.&nbsp;&#8220;Meel,&nbsp;goede heer&#8221;,&nbsp;zeide&nbsp;de&nbsp;Ier.&nbsp;Evnissyen&nbsp;legde&nbsp;zijn&nbsp;hand&nbsp;op&nbsp;den&nbsp;zak en&nbsp;tastte&nbsp;met&nbsp;zijn&nbsp;vingers&nbsp;totdat&nbsp;hij&nbsp;kwam&nbsp;aan&nbsp;het&nbsp;hoofd&nbsp;van
+den&nbsp;man&nbsp;die&nbsp;er&nbsp;in&nbsp;was.&nbsp;Toen&nbsp;&#8220;drukte&nbsp;hij&nbsp;het&nbsp;hoofd&nbsp;plat&nbsp;totdat hij&nbsp;voelde&nbsp;dat&nbsp;zijn&nbsp;vingers&nbsp;door&nbsp;de&nbsp;beenderen&nbsp;in&nbsp;de&nbsp;hersens
+samen&nbsp;kwamen&#8221;.&nbsp;Hij&nbsp;ging&nbsp;naar&nbsp;den&nbsp;volgenden&nbsp;zak&nbsp;en&nbsp;deed <a id="d0e6831"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6831">341</a>]</span>dezelfde&nbsp;vraag.&nbsp;&#8220;Meel&#8221;,&nbsp;zeide&nbsp;de&nbsp;Iersche&nbsp;dienaar, maar Evnissyen verpletterde&nbsp;ook&nbsp;het&nbsp;hoofd&nbsp;van&nbsp;dezen&nbsp;krijgsman&nbsp;en&nbsp;zoo deed&nbsp;hij&nbsp;met&nbsp;al&nbsp;de&nbsp;tweehonderd&nbsp;zakken.&nbsp;Zelfs&nbsp;met&nbsp;een&nbsp;krijgsman
+wiens&nbsp;hoofd&nbsp;was&nbsp;bedekt&nbsp;met&nbsp;een&nbsp;ijzeren&nbsp;helm.
+
+</p>
+<p>Toen&nbsp;begon&nbsp;het&nbsp;feestmaal&nbsp;en&nbsp;er&nbsp;heerschte&nbsp;vrede&nbsp;en&nbsp;eendracht en&nbsp;Matholwch&nbsp;legde&nbsp;de&nbsp;oppermacht&nbsp;over&nbsp;Ierland&nbsp;neer, die&nbsp;werd&nbsp;overgedragen&nbsp;op&nbsp;den&nbsp;knaap&nbsp;Gwern.&nbsp;En&nbsp;allen&nbsp;liefkoosden
+het&nbsp;mooie&nbsp;kind,&nbsp;totdat&nbsp;hij&nbsp;bij&nbsp;Evnissyen&nbsp;kwam,&nbsp;die hem&nbsp;eensklaps&nbsp;greep&nbsp;en&nbsp;in&nbsp;het&nbsp;brandend&nbsp;haardvuur&nbsp;wierp. Branwen&nbsp;had&nbsp;hem&nbsp;willen&nbsp;naspringen,&nbsp;maar&nbsp;Bran&nbsp;hield&nbsp;haar
+tegen.&nbsp;En&nbsp;toen&nbsp;wapende&nbsp;men&nbsp;zich&nbsp;vlug&nbsp;en&nbsp;er&nbsp;was&nbsp;rumoer&nbsp;en geschreeuw&nbsp;en&nbsp;de&nbsp;Iersche&nbsp;en&nbsp;Britsche&nbsp;krijgers&nbsp;werden&nbsp;handgemeen en&nbsp;vochten&nbsp;tot&nbsp;dat&nbsp;het&nbsp;nacht&nbsp;werd.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Dood&nbsp;van&nbsp;Evnissyen.</h3>
+<p>Maar&nbsp;&#8217;s&nbsp;nachts&nbsp;maakten&nbsp;de&nbsp;Ieren&nbsp;den&nbsp;tooverketel&nbsp;warm&nbsp;en wierpen&nbsp;daarin&nbsp;de&nbsp;lijken&nbsp;van&nbsp;hun&nbsp;dooden,&nbsp;die&nbsp;er&nbsp;den&nbsp;volgenden dag&nbsp;weer&nbsp;gezond&nbsp;uit&nbsp;kwamen,&nbsp;maar&nbsp;stom.&nbsp;Toen&nbsp;Evnissyen&nbsp;dat
+zag,&nbsp;werd&nbsp;hij&nbsp;door&nbsp;wroeging&nbsp;aangegrepen,&nbsp;omdat&nbsp;hij&nbsp;de&nbsp;mannen van&nbsp;Brittanni&euml;&nbsp;in&nbsp;zulk&nbsp;een&nbsp;benarden&nbsp;toestand&nbsp;had&nbsp;gebracht. &#8220;Wee&nbsp;mij&nbsp;zoo&nbsp;ik&nbsp;geen&nbsp;uitweg&nbsp;vind&#8221;.&nbsp;En&nbsp;hij&nbsp;verborg&nbsp;zich&nbsp;onder
+de&nbsp;Iersche&nbsp;dooden&nbsp;en&nbsp;werd&nbsp;met&nbsp;de&nbsp;overigen&nbsp;in&nbsp;den&nbsp;ketel&nbsp;geworpen aan&nbsp;het&nbsp;eind&nbsp;van&nbsp;den&nbsp;tweeden&nbsp;dag&nbsp;en&nbsp;hij&nbsp;rekte&nbsp;zich&nbsp;zoo uit&nbsp;dat&nbsp;hij&nbsp;den&nbsp;ketel&nbsp;in&nbsp;vier&nbsp;stukken&nbsp;scheurde,&nbsp;en&nbsp;zijn&nbsp;eigen&nbsp;hart
+barstte&nbsp;van&nbsp;de&nbsp;inspanning&nbsp;en&nbsp;hij&nbsp;stierf.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het&nbsp;wonderlijke&nbsp;hoofd.</h3>
+<p>Ten&nbsp;slotte&nbsp;werden&nbsp;al&nbsp;de&nbsp;Ieren&nbsp;gedood&nbsp;en&nbsp;al&nbsp;de&nbsp;Britten&nbsp;op zeven&nbsp;na,&nbsp;behalve&nbsp;Bran,&nbsp;die&nbsp;door&nbsp;een&nbsp;giftigen&nbsp;pijl&nbsp;aan&nbsp;den&nbsp;voet werd&nbsp;gewond.&nbsp;Tot&nbsp;de&nbsp;zeven&nbsp;behoorden&nbsp;Pryderi&nbsp;en&nbsp;Manawyddan.
+Toen&nbsp;beval&nbsp;Bran&nbsp;hen&nbsp;zijn&nbsp;hoofd&nbsp;af&nbsp;te&nbsp;snijden:&nbsp;&#8220;En&nbsp;neem het&nbsp;met&nbsp;u&#8221;,&nbsp;zeide&nbsp;hij,&nbsp;&#8220;naar&nbsp;Londen&nbsp;en&nbsp;begraaf&nbsp;het&nbsp;daar&nbsp;in den&nbsp;Witten&nbsp;Berg<a id="d0e6845src" href="#d0e6845" class="noteref">31</a>,&nbsp;die&nbsp;naar&nbsp;Frankrijk&nbsp;is&nbsp;gekeerd,&nbsp;en&nbsp;zoolang het&nbsp;daar&nbsp;is&nbsp;zal&nbsp;geen&nbsp;vreemdeling&nbsp;in&nbsp;het&nbsp;land&nbsp;vallen.&nbsp;Op&nbsp;de reis&nbsp;zal&nbsp;het&nbsp;Hoofd&nbsp;met&nbsp;u&nbsp;spreken&nbsp;en&nbsp;even&nbsp;prettig&nbsp;gezelschap
+<a id="d0e6848"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6848">342</a>]</span>zijn&nbsp;als&nbsp;ooit&nbsp;in&nbsp;leven.&nbsp;Te&nbsp;Harlech&nbsp;zult&nbsp;gij&nbsp;zeven&nbsp;jaar&nbsp;feest&nbsp;vieren en&nbsp;de&nbsp;vogelen&nbsp;van&nbsp;Rhiannon&nbsp;zullen&nbsp;voor&nbsp;u&nbsp;zingen.&nbsp;En&nbsp;te&nbsp;Gwales
+in&nbsp;Penvro&nbsp;zult&nbsp;ge&nbsp;tachtig&nbsp;jaren&nbsp;feest&nbsp;vieren&nbsp;en&nbsp;het&nbsp;Hoofd zal&nbsp;tot&nbsp;u&nbsp;spreken&nbsp;en&nbsp;in&nbsp;goeden&nbsp;staat&nbsp;zijn&nbsp;totdat&nbsp;ge&nbsp;de&nbsp;deur&nbsp;open
+doet&nbsp;die&nbsp;naar&nbsp;Cornwallis&nbsp;is&nbsp;gekeerd.&nbsp;Daarna&nbsp;moogt&nbsp;ge&nbsp;niet langer&nbsp;toeven,&nbsp;en&nbsp;moet&nbsp;ge&nbsp;naar&nbsp;Londen&nbsp;reizen&nbsp;en&nbsp;het&nbsp;Hoofd begraven.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen&nbsp;sneden&nbsp;de&nbsp;zeven&nbsp;Bran&#8217;s&nbsp;hoofd&nbsp;af&nbsp;en&nbsp;vertrokken&nbsp;met Branwen,&nbsp;om&nbsp;zijn&nbsp;bevel&nbsp;op&nbsp;te&nbsp;volgen.&nbsp;Maar&nbsp;toen&nbsp;Branwen&nbsp;te Aber&nbsp;Alaw&nbsp;landde,&nbsp;riep&nbsp;zij:&nbsp;&#8220;Wee&nbsp;mij&nbsp;dat&nbsp;ik&nbsp;ooit&nbsp;werd&nbsp;geboren;
+twee&nbsp;eilanden&nbsp;zijn&nbsp;om&nbsp;mij&nbsp;verwoest.&#8221;&nbsp;En&nbsp;zij&nbsp;gaf&nbsp;een&nbsp;diepe zucht&nbsp;en&nbsp;haar&nbsp;hart&nbsp;brak.&nbsp;Zij&nbsp;maakten&nbsp;een&nbsp;vierhoekig&nbsp;graf&nbsp;voor haar&nbsp;aan&nbsp;de&nbsp;oevers&nbsp;van&nbsp;de&nbsp;Alaw&nbsp;en&nbsp;de&nbsp;plek&nbsp;werd&nbsp;<i>Ynys&nbsp;Branwen</i> genoemd&nbsp;tot&nbsp;op&nbsp;dezen&nbsp;dag<a id="d0e6855src" href="#d0e6855" class="noteref">32</a>.
+
+</p>
+<p>De&nbsp;zeven&nbsp;bevonden,&nbsp;dat&nbsp;tijdens&nbsp;Bran&#8217;s&nbsp;afwezigheid&nbsp;Cawallan, zoon&nbsp;van&nbsp;Beli,&nbsp;Brittanni&euml;&nbsp;had&nbsp;veroverd&nbsp;en&nbsp;de&nbsp;zes&nbsp;kapiteins van&nbsp;Caradawc&nbsp;gedood.&nbsp;Door&nbsp;tooverkunst&nbsp;had&nbsp;hij&nbsp;over&nbsp;Caradawc
+den&nbsp;Sluier&nbsp;der&nbsp;Begoocheling&nbsp;geworpen&nbsp;en&nbsp;Caradawc&nbsp;zag alleen&nbsp;het&nbsp;zwaard,&nbsp;dat&nbsp;steeds&nbsp;doodde,&nbsp;maar&nbsp;niet&nbsp;hem&nbsp;die&nbsp;het voerde,&nbsp;en&nbsp;zijn&nbsp;hart&nbsp;brak&nbsp;van&nbsp;droefheid&nbsp;bij&nbsp;dien&nbsp;aanblik.
+
+</p>
+<p>Zij&nbsp;gingen&nbsp;toen&nbsp;naar&nbsp;Harlech&nbsp;en&nbsp;bleven&nbsp;daar&nbsp;zeven&nbsp;jaren luisterend&nbsp;naar&nbsp;het&nbsp;gezang&nbsp;van&nbsp;Rhiannon&#8217;s&nbsp;vogelen&#8212;&#8220;al&nbsp;de zangen&nbsp;die&nbsp;zij&nbsp;ooit&nbsp;hadden&nbsp;gehoord,&nbsp;waren&nbsp;in&nbsp;vergelijking
+daarmee&nbsp;onaangenaam.&#8221;&nbsp;Toen&nbsp;gingen&nbsp;zij&nbsp;naar&nbsp;Gwales&nbsp;in Penvro&nbsp;en&nbsp;vonden&nbsp;een&nbsp;mooie&nbsp;en&nbsp;ruime&nbsp;zaal,&nbsp;met&nbsp;het&nbsp;uitzicht op&nbsp;zee.&nbsp;Toen&nbsp;zij&nbsp;die&nbsp;binnentraden&nbsp;vergaten&nbsp;zij&nbsp;al&nbsp;het&nbsp;verdriet
+van&nbsp;het&nbsp;verleden&nbsp;en&nbsp;al&nbsp;wat&nbsp;hun&nbsp;wedervaren&nbsp;was&nbsp;en&nbsp;zij&nbsp;bleven daar&nbsp;tachtig&nbsp;jaren&nbsp;in&nbsp;vreugde&nbsp;en&nbsp;pret,&nbsp;terwijl&nbsp;het&nbsp;wonderlijke
+Hoofd&nbsp;met&nbsp;hen&nbsp;sprak&nbsp;alsof&nbsp;het&nbsp;leefde.&nbsp;En&nbsp;barden&nbsp;noemen&nbsp;dit &#8220;het&nbsp;Onthaal&nbsp;van&nbsp;het&nbsp;Edele&nbsp;Hoofd.&#8221;&nbsp;Er&nbsp;waren&nbsp;drie&nbsp;deuren in&nbsp;de&nbsp;zaal&nbsp;en&nbsp;een&nbsp;er&nbsp;van&nbsp;die&nbsp;naar&nbsp;Cornwallis&nbsp;en&nbsp;Aber&nbsp;Henvelyn
+was&nbsp;gekeerd,&nbsp;was&nbsp;gesloten,&nbsp;maar&nbsp;de&nbsp;twee&nbsp;andere&nbsp;waren&nbsp;open. Toen&nbsp;de&nbsp;tijd&nbsp;was&nbsp;verstreken,&nbsp;zeide&nbsp;Heilyn,&nbsp;zoon&nbsp;van&nbsp;Gwyn:
+<a id="d0e6862"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6862">343</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Wee&nbsp;mij,&nbsp;als&nbsp;ik&nbsp;niet&nbsp;de&nbsp;deur&nbsp;open&nbsp;om&nbsp;te&nbsp;zien&nbsp;of&nbsp;waar&nbsp;is&nbsp;wat gezegd&nbsp;werd.&#8221;&nbsp;En&nbsp;hij&nbsp;opende&nbsp;de&nbsp;deur&nbsp;en&nbsp;onmiddellijk&nbsp;overvielen
+hun&nbsp;herinnering&nbsp;en&nbsp;verdriet&nbsp;en&nbsp;zij&nbsp;vertrokken&nbsp;dadelijk naar&nbsp;Londen&nbsp;en&nbsp;begroeven&nbsp;het&nbsp;Hoofd&nbsp;in&nbsp;den&nbsp;Witten&nbsp;Berg, waar&nbsp;het&nbsp;bleef&nbsp;totdat&nbsp;Arthur&nbsp;het&nbsp;opgroef,&nbsp;want&nbsp;hij&nbsp;wilde&nbsp;dat
+het&nbsp;land&nbsp;alleen&nbsp;door&nbsp;den&nbsp;sterken&nbsp;arm&nbsp;zou&nbsp;worden&nbsp;verdedigd. En&nbsp;dit&nbsp;was&nbsp;&#8220;de&nbsp;Derde&nbsp;Noodlottige&nbsp;Onthulling&#8221;&nbsp;in&nbsp;Brittanni&euml;.
+
+</p>
+<p>Aldus&nbsp;besluit&nbsp;dit&nbsp;woeste&nbsp;verhaal,&nbsp;blijkbaar&nbsp;vol&nbsp;mythologische elementen,&nbsp;waartoe&nbsp;de&nbsp;sleutel&nbsp;lang&nbsp;verloren&nbsp;is&nbsp;geraakt.&nbsp;De trekken&nbsp;van&nbsp;Noorsche&nbsp;wreedheid&nbsp;die&nbsp;er&nbsp;in&nbsp;voorkomen&nbsp;hebben
+sommige&nbsp;critici&nbsp;doen&nbsp;vermoeden&nbsp;dat&nbsp;het&nbsp;zijn&nbsp;tegenwoordigen vorm&nbsp;kreeg&nbsp;onder&nbsp;den&nbsp;invloed&nbsp;van&nbsp;de&nbsp;Noorsche&nbsp;of&nbsp;IJslandsche literatuur.&nbsp;Het&nbsp;karakter&nbsp;van&nbsp;Evnissyen&nbsp;kan&nbsp;ongetwijfeld&nbsp;steun
+geven&nbsp;aan&nbsp;deze&nbsp;gissing.&nbsp;De&nbsp;typische&nbsp;kwaadstoker&nbsp;komt&nbsp;natuurlijk in&nbsp;zuiver&nbsp;Keltische&nbsp;sagen&nbsp;voor,&nbsp;maar&nbsp;gewoonlijk&nbsp;niet&nbsp;met den&nbsp;heldhaftigen&nbsp;trek&nbsp;die&nbsp;bij&nbsp;Evnissyen&#8217;s&nbsp;einde&nbsp;uitkomt,&nbsp;ook
+bereikt&nbsp;de&nbsp;Iersche&nbsp;&#8220;giftige&nbsp;tong&#8221;&nbsp;lang&nbsp;niet&nbsp;denzelfden&nbsp;graad van&nbsp;demonische&nbsp;boosaardigheid.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het&nbsp;verhaal&nbsp;van&nbsp;Pryderi&nbsp;en&nbsp;Manawyddan.</h3>
+<p>Na&nbsp;de&nbsp;gebeurtenissen&nbsp;in&nbsp;de&nbsp;vorige&nbsp;verhalen&nbsp;trokken&nbsp;Pryderi en&nbsp;Manawyddan&nbsp;zich&nbsp;terug&nbsp;in&nbsp;het&nbsp;gebied&nbsp;van&nbsp;eerstgenoemde en&nbsp;Manawyddan&nbsp;nam&nbsp;tot&nbsp;vrouw&nbsp;Rhiannon,&nbsp;de&nbsp;moeder&nbsp;van&nbsp;zijn
+vriend.&nbsp;Daar&nbsp;leefden&nbsp;zij&nbsp;gelukkig&nbsp;en&nbsp;voorspoedig&nbsp;totdat&nbsp;op zekeren&nbsp;dag&nbsp;toen&nbsp;zij&nbsp;waren&nbsp;op&nbsp;den&nbsp;Gorsedd,&nbsp;of&nbsp;Hoogte,&nbsp;bij Narberth,&nbsp;een&nbsp;donderslag&nbsp;werd&nbsp;gehoord&nbsp;en&nbsp;er&nbsp;viel&nbsp;een&nbsp;dikke
+mist&nbsp;zoodat&nbsp;niets&nbsp;in&nbsp;de&nbsp;ronde&nbsp;kon&nbsp;worden&nbsp;gezien.&nbsp;Toen&nbsp;de&nbsp;mist optrok,&nbsp;ziet,&nbsp;toen&nbsp;lag&nbsp;het&nbsp;land&nbsp;kaal&nbsp;voor&nbsp;hen&#8212;geen&nbsp;huizen en&nbsp;menschen,&nbsp;vee&nbsp;en&nbsp;oogst&nbsp;was&nbsp;te&nbsp;zien,&nbsp;alles&nbsp;was&nbsp;verlaten&nbsp;en
+onbewoond.&nbsp;Het&nbsp;paleis&nbsp;van&nbsp;Narberth&nbsp;stond&nbsp;er&nbsp;nog,&nbsp;maar&nbsp;ledig en&nbsp;verlaten&#8212;niemand&nbsp;was&nbsp;overgebleven&nbsp;dan&nbsp;Pryderi&nbsp;en Manawyddan&nbsp;en&nbsp;hun&nbsp;vrouwen&nbsp;Kicva&nbsp;en&nbsp;Rhiannon.
+
+</p>
+<p>Zij&nbsp;leefden&nbsp;twee&nbsp;jaren&nbsp;van&nbsp;de&nbsp;voorraden&nbsp;die&nbsp;zij&nbsp;hadden&nbsp;en van&nbsp;de&nbsp;buit&nbsp;die&nbsp;zij&nbsp;doodden&nbsp;en&nbsp;van&nbsp;wilden&nbsp;honing;&nbsp;en&nbsp;toen&nbsp;begonnen
+zij&nbsp;het&nbsp;moede&nbsp;te&nbsp;worden.&nbsp;&#8220;Laat&nbsp;ons&nbsp;naar&nbsp;Lloegyr<a id="d0e6874src" href="#d0e6874" class="noteref">33</a> <a id="d0e6877"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6877">344</a>]</span>gaan&#8221;, zeide toen Manawyddan &#8220;en het een of andere werk zoeken om in ons onderhoud te voorzien&#8221;. En zij gingen naar Hereford
+en vestigden zich daar, en Manawyddan en Pryderi begonnen zadels en tuigen te maken en Manawyddan versierde die met blauw
+email, zooals hij dat geleerd had van een groot ambachtsman, Llassar Llaesgywydd. Na eenigen tijd echter, toen de andere zadelmakers
+van Hereford merkten dat niemand ander werk wilde koopen dan dat van Manawyddan, spanden zij samen om hem te dooden. En Pryderi
+had met hen willen vechten, maar Manawyddan vond het beter ergens anders heen te gaan en aldus geschiedde.
+
+</p>
+<p>Zij vestigden zich nu in eene andere stad, waar zij schilden maakten, zooals men nooit gezien had, en ook hier werden zij
+door de concurreerende handwerkslieden verdreven. Hetzelfde geschiedde nog in een andere stad, waar zij schoenen maakten;
+en ten slotte besloten zij naar Dyfed terug te gaan. Zij hielden hun honden bij zich en leefden als tevoren van de jacht.
+
+</p>
+<p>Eens joegen zij een wit everzwijn op en zetten het te vergeefs na totdat het hen voerde naar een groot en hoog kasteel, geheel
+nieuw gebouwd op een plek waar zij nooit te voren een gebouw hadden gezien. Het zwijn liep het kasteel binnen, de honden volgden
+en, tegen den raad in van Manawyddan, die wist dat er tooverij in het spel was, ging Pryderi naar binnen om de honden te halen.
+
+</p>
+<p>Hij vond in het midden van het binnenplein een marmeren fontein en daarnaast stond op een marmeren plaat een gouden kom. Getroffen
+door de rijke bewerking van de kom, pakte hij die op om ze te bekijken; hij kon zijn hand niet wegtrekken en geen enkel geluid
+voortbrengen, maar bleef daar als aan den grond genageld en stom naast de fontein.
+
+</p>
+<p>Manawyddan ging terug naar Narberth en vertelde Rhiannon wat er gebeurd was. &#8220;Een slecht makker zijt gij geweest&#8221;, zeide zij,
+&#8220;en een goed makker hebt gij verloren&#8221;. Den volgenden dag ging zij zelf het kasteel doorzoeken. Zij vond Pryderi nog altijd
+de kom vasthoudend en niet in staat te spreken. Nu greep ook zij de kom, waarna haar hetzelfde lot trof, <a id="d0e6887"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6887">345</a>]</span>en onmiddellijk daarna kwam een donderslag en er viel een dikke mist en toen die optrok was het kasteel verdwenen met al wat
+het bevatte, met inbegrip van de twee betooverden.
+
+</p>
+<p>Manawyddan keerde nu terug naar Narberth, waar nu nog alleen Kicva, Pryderi&#8217;s vrouw, was overgebleven. En toen zij zag dat
+zij en Manawyddan alleen waren, &#8220;was zij zoo bedroefd, dat het haar niet schelen kon of zij leefde of stierf&#8221;. Toen Manawyddan
+dat zag, zeide hij tot haar: &#8220;Gij doet verkeerd zoo bedroefd te zijn, indien dat uit vrees voor mij is. Ik verzeker u, dat
+al ware ik in den bloei der jeugd ik den trouw jegens Pryderi zou bewaren en dat zal ik ook jegens u&#8221;. &#8220;De Hemel beloone u&#8221;,
+zeide zij, &#8220;en ik had dat van u verwacht&#8221;. En nu vatte zij moed en was blijde.
+
+</p>
+<p>Kicva en Manawyddan trachtten nu opnieuw zich te onderhouden door in Lloegyr schoenen te maken, maar dezelfde vijandelijkheid
+dreef hen terug naar Dyfed. Ditmaal echter nam Manawyddan een vracht tarwe mede en hij zaaide die en maakte drie velden gereed
+voor een tarwe-oogst. Zoo verging de tijd tot de velden rijp waren. En hij keek naar een er van en zeide: &#8220;Dat zal ik morgen
+maaien&#8221;. Maar toen hij vroeg in den grauwen dagraad kwam, vond hij niets dan stroo&#8212;elke aar was van de schacht afgesneden
+en meegenomen.
+
+</p>
+<p>Den volgenden dag geschiedde hetzelfde met het tweede veld. Maar den daarop volgenden dag wapende hij zich en hield de wacht
+bij het derde veld om te zien wie kwam plunderen. Te middernacht toen hij waakte hoorde hij een groot geraas, en ziet, een
+talrijk heir van muizen kwam het veld overstroomen; elk klom op een schacht en knabbelde aan de aren en ging er mee van door.
+Boos joeg hij ze weg, maar zij vluchtten veel sneller dan hij kon loopen, alle op e&eacute;n na, die langzamer in haar bewegingen
+was; hij slaagde er in die in te halen, bond haar in zijn handschoen, nam ze mee naar Narberth en vertelde Kicva wat er was
+gebeurd. &#8220;Morgen&#8221;, zeide hij, &#8220;zal ik den dief dien ik heb gepakt, ophangen&#8221;, maar Kicva achtte het beneden zijn waardigheid
+wraak te nemen op een muis.
+<a id="d0e6895"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6895">346</a>]</span></p>
+<p>Den volgenden dag ging hij naar den Berg van Narberth en stelde op het hoogste punt twee palen op voor een galg. Terwijl hij
+daarmede bezig was, kwam een arme scholier naar hem toe, en hij was de eerste mensch dien Manawyddan in Dyfed had gezien,
+zijn eigen makkers uitgezonderd, sedert de betoovering begon.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e6899" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p346.jpg" alt="&#8220;Ik zal haar niet loslaten&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Ik zal haar niet loslaten&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De scholier vroeg hem wat hij ging doen en verzocht hem de muis los te laten. &#8220;Het past een man van uw rang weinig zulk een
+kruipend dier aan te raken.&#8221; &#8220;Ik zal haar niet los laten, bij den Hemel&#8221;, zeide Manawyddan en hij bleef daarbij, hoewel de
+scholier hem een pond bood, om haar vrij te laten. &#8220;Het kan mij niet schelen&#8221;, zeide de scholier; &#8220;maar ik zou een man van
+stand niet gaarne zulk een kruipend dier zien aanraken&#8221; en dit zeggende vervolgde hij zijn weg.
+
+</p>
+<p>Terwijl Manawyddan bezig was den kruisbalk te plaatsen op de twee palen van zijn galg, kwam een priester aanrijden op een
+getuigd paard en nu volgde hetzelfde gesprek. De priester bood drie pond voor het leven van de muis, maar Manawyddan weigerde
+er geld voor te nemen. &#8220;Het is goed, heer, doe wat gij wilt&#8221;, zeide de priester, en ook hij ging heen.
+
+</p>
+<p>Toen deed Manawyddan een strik om den hals van de muis en was op het punt die op te trekken, toen hij een bisschop hem zag
+naderen met een groot gevolg van vrachtpaarden en dienaren. En hij hield op en vroeg des bisschops zegen. &#8220;De zegen des Hemels
+zij met u&#8221;, zeide de bisschop; &#8220;wat waart gij doende?&#8221; &#8220;Een dief op te hangen&#8221;, antwoordde Manawyddan. De bisschop bood zeven
+pond, &#8220;liever dan een man van uw stand een zoo gemeen kruipend dier te zien ombrengen.&#8221; Manawyddan weigerde. Toen werd hem
+vierentwintig pond geboden, en toen het dubbele daarvan, toen al de paarden en het reisgoed van den bisschop&#8212;alles te vergeefs.
+&#8220;Daar gij het daarvoor niet doen wilt&#8221;, zeide de bisschop, &#8220;zeg dan voor welken prijs gij wilt.&#8221; &#8220;Dat wil ik doen&#8221;, zeide
+Manawyddan; &#8220;ik wil de vrijheid van Rhiannon en Prideri.&#8221; &#8220;Die zult gij hebben&#8221;, zeide de (gewaande) bisschop. Daarna vraagt
+Manawyddan dat de betoovering voor altijd van de zeven Gebieden <a id="d0e6909"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6909">347</a>]</span>van Dyfed zal worden weggenomen en hij dringt er ten slotte op aan, dat de bisschop hem zal zeggen wie de muis is en waarom
+de betoovering over het land was gebracht. &#8220;Ik ben Llwyd, zoon van Kilcoed&#8221;, antwoordde de toovenaar, &#8220;en de muis is mijn
+vrouw; ware zij niet zwanger, gij zoudt haar nooit hebben ingehaald.&#8221; Hij geeft vervolgens een verklaring die ons terugvoert
+tot de eerste <i>Mabinogi</i> van de Bruiloft van Rhiannon. Het land was betooverd geworden om het kwaad te wreken Llwyd&#8217;s vriend, Gwawl zoon van Clud,
+aangedaan, met wien de vader van Pryderi en zijn ridders &#8220;Das in den zak&#8221; hadden gespeeld aan het hof van Hevydd H&#275;n. De muizen
+waren de edelen en de vrouwen van Llwyd&#8217;s hof.
+
+</p>
+<p>De toovenaar moet dan verder beloven, dat geen wraak meer zal worden genomen op Pryderi, Rhiannon, of Manawyddan, en toen
+de twee betooverde gevangenen terug waren gegeven, wordt de muis vrij gelaten. Toen raakte Llwyd die met een tooverstaf aan
+en zij veranderde in een jonge vrouw &#8220;de schoonste die men ooit zag.&#8221; En rondkijkend zag Manawyddan het geheele land bebouwd
+en bevolkt als in zijn besten staat, en vol kudden en woningen. &#8220;Welke last,&#8221; vraagt hij, &#8220;was Pryderi en Rhiannon opgelegd?&#8221;
+&#8220;Pryderi heeft de kloppers van de poort van mijn paleis om zijn nek gehad en Rhiannon de halsbanden van de ezels nadat zij
+hooi hadden gedragen.&#8221; En dat was hun last geweest.
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het verhaal van M&#257;th zoon van M&#257;thonwy.</h3>
+<p>Het vorige verhaal was er een van tooverij en vizioenen, waarin het mythologisch element slechts zwak is. Het verhaal echter
+waartoe we nu komen, voert ons in een kennelijk mythologische sfeer. Het hoofdmotief er van toont ons de Machten van het Licht
+in strijd met die van de Onderwereld om de gewaardeerde bezittingen van deze laatste; in dit geval een kudde tooverzwijnen.
+Bij het begin van het verhaal worden wij voorgesteld aan de godheid M&#257;th, van wien de bard ons vertelt, dat hij niet kon bestaan
+tenzij zijn voeten lagen in den schoot van een maagd, behalve wanneer het land door oorlog <a id="d0e6921"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6921">348</a>]</span>wordt beroerd<a id="d0e6923src" href="#d0e6923" class="noteref">34</a>. M&#257;th wordt gezegd te zijn heer van Gwynedd, terwijl Pryderi heerscht over de een-en-twintig gebieden van het zuiden. Bij
+M&#257;th waren zijn neven Gwydion en Gilvaethwy zonen van D&#333;n, die voor hem in het land rechtspraken, terwijl M&#257;th lag met de
+voeten in den schoot van de schoonste maagd van het land en van haar tijd, Goewin dochter van Pebin van Dol Pebin in Arvon.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Gwydion en de zwijnen van Pryderi.</h3>
+<p>Gilvaethwy werd smoorlijk verliefd op Goewin en vertrouwde het geheim toe aan zijn broeder. Gwydion nam op zich hem te verschaffen
+wat hij begeerde. Hij ging dus op zekeren dag tot M&#257;th en vroeg van hem vergunning zich tot Pryderi te begeven en van hem
+te vragen als geschenk, voor M&#257;th, een kudde zwijnen hem geschonken door Arawn Koning van Annwn. &#8220;Het zijn beesten,&#8221; zeide
+hij, &#8220;zooals men die te voren op dit eiland niet kende... hun vleesch is beter dan dat van ossen.&#8221; M&#257;th heette hem te gaan
+en hij en Gilvaethwy vertrokken met tien makkers naar Dyfed. Zij gingen naar het paleis van Pryderi als barden vermomd en
+Gwydion werd, na te zijn onthaald aan een maal, verzocht het hof een verhaal te doen. Na iedereen met zijn voordracht in verrukking
+te hebben gebracht vroeg hij de zwijnen ten geschenke. Maar Pryderi had zich tegenover zijn volk verbonden ze noch te verkoopen,
+noch weg te geven voordat zij in het land het dubbel van hun getal hadden voortgebracht. &#8220;Maar gij kunt ze toch ruilen,&#8221; zeide
+Gwydion, en door tooverkunsten bracht hij in een vizioen twaalf prachtig opgetuigde paarden en twaalf jachthonden en gaf die
+aan Pryderi en maakte zich zoo gauw hij kon met de zwijnen uit de voeten, &#8220;want,&#8221; zeide hij tot zijn makkers, &#8220;het vizioen
+zal niet langer duren dan van dit uur tot hetzelfde uur morgen.&#8221;
+<a id="d0e6931"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6931">349</a>]</span></p>
+<p>Wat beoogd was kwam te gebeuren&#8212;Pryderi viel in het land om zijn zwijnen terug te krijgen, M&#257;th trok gewapend tegen hem op
+en Gilvaethwy <span class="corr" title="Bron: greeep">greep</span> de gelegenheid aan en maakte Goewin tot zijn vrouw, hoewel zij onwillig was.
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Dood van Pryderi.</h3>
+<p>De oorlog werd beslist door een tweegevecht tusschen Gwydion en Pryderi. &#8220;En door kracht en geweld en door de tooverkunst
+en bezweringen van Gwydion, kwam Pryderi om. En te Maen Tyriawc, boven Melenryd, werd hij begraven en daar is zijn graf&#8221;.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De boete van Gwydion en Gilvaethwy.</h3>
+<p>Toen M&#257;th terugkeerde vernam hij wat Gilvaethwy had gedaan en hij nam Goewin tot zijn koningin, maar Gwydion en Gilvaethwy
+werden vogelvrij verklaard en woonden aan de grenzen van het land. Ten slotte kwamen zij bij M&#257;th om hun straf te ondergaan.
+&#8220;Gij kunt mijn schande niet goed maken, daargelaten de dood van Pryderi&#8221;, zeide hij, &#8220;maar nu gij hier gekomen zijt om u aan
+mijn wil te onderwerpen, zal ik onmiddellijk met uw straf beginnen&#8221;. En hij veranderde hen in herten, met het bevel over een
+jaar terug te komen.
+
+</p>
+<p>Zij kwamen op den bepaalden tijd en brachten een jong hert mee. En het jonge hert werd in menschelijke gedaante gebracht en
+gedoopt, en Gwydion en Gilvaethwy werden in wilde zwijnen veranderd. Aan het eind van het volgend jaar kwamen zij terug met
+een jong, waarmede geschiedde zooals te voren met het jonge hert, en van de broeders werden wolven gemaakt. Weer verstreek
+een jaar; zij kregen hun menschelijken aard terug en M&#257;th gaf bevel dat zij zouden worden gewasschen en gezalfd en rijk gekleed
+zooals het betaamde.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Kinderen van Arianrod: Dylan.</h3>
+<p>Nu rees de vraag van de aanstelling van een nieuwe maagd als voet-houdster en Gwydion stelt zijn zuster Anrianrod voor. Zij
+maakt tot dat doel haar opwachting en M&#257;th vraagt haar <a id="d0e6954"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6954">350</a>]</span>of zij maagd is. &#8220;Ik weet niet anders heer, dan dat ik het ben&#8221;, zegt zij. Maar zij schoot te kort bij een tooverproef door
+M&#257;th opgelegd en bracht twee zonen ter wereld. Een dezer werd Dylan &#8220;Zoon van den Golf&#8221; genoemd, blijkbaar een Kimbrische
+zee-godheid. Onmiddellijk nadat hij was gedoopt &#8220;sprong hij in zee en zwom zoo goed als de beste visch.....Onder hem brak
+nooit een golf&#8221;. Een wilde po&euml;zie der zee omgeeft zijn naam in legenden uit Wales. Toen hij stierf, men zegt door de hand
+van zijn oom Govannon, schreiden alle golven van Brittanni&euml; en Ierland om hem. Het geraas van den in vallenden vloed bij de
+monding der rivier Conway wordt nog de &#8220;doodszucht van Dylan&#8221; genoemd.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Llew Llaw Gyffes.</h3>
+<p>Het tweede kind werd door Gwydion gegrepen en onder zijn bescherming groot gebracht. Evenals andere zonne-helden, groeide
+hij zeer snel; toen hij vier jaar telde, was hij zoo groot alsof hij acht was en het bevalligste kind dat men ooit zag. Op
+zekeren dag nam Gwydion hem mee om zijn moeder Arianrod te bezoeken. Zij haatte de kinderen waardoor het onrechtmatige van
+haar aanspraken aan het licht was gekomen en maakte Gwydion verwijten, omdat hij het kind voor haar bracht. &#8220;Hoe heet hij?&#8221;,
+vroeg zij. &#8220;Voorwaar&#8221;, zeide Gwydion, &#8220;hij heeft nog geen naam&#8221;. &#8220;Dan leg ik hem dit lot op&#8221;, zeide Anrianrod, &#8220;dat hij nooit
+een naam zal hebben voordat ik hem dien geef&#8221;. Waarop Gwydion in gramschap heenging en hij bleef dien nacht in zijn kasteel
+te Caer Dathyl.
+
+</p>
+<p>Hoewel het feit uit dit verhaal niet blijkt, moet men in het oog houden, dat Gwydion, in de oudere mythologie, de vader is
+van Arianrod&#8217;s kinderen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Hoe Llew aan zijn naam kwam.</h3>
+<p>Hij was besloten een naam te krijgen voor zijn zoon. Den volgenden dag ging hij naar het strand beneden Caer Arianrod en nam
+den jongen mee. Hier zette hij zich in een boot en als meester in de tooverkunst gaf hij zich het uiterlijk van een <a id="d0e6968"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6968">351</a>]</span>schoenmaker en den jongen dat van een leerling, en hij begon schoenen te maken uit rietgras en zeewier, dat hij deed lijken
+op leer uit Cordova. Men berichtte Arianrod van de verwonderlijke schoenen die een vreemde schoenlapper bezig was te maken
+en zij zond haar maat om een paar te hebben. Gwydion maakte ze te groot. Toen zond zij opnieuw en hij maakte ze te klein.
+Toen ging ze zelf om te laten passen. Terwijl dit gebeurde, kwam een tuinkoninkje op den mast van de boot zitten en de jongen
+nam een boog <span class="corr" title="Bron: een">en</span> schoot een pijl af, die den poot doorboorde tusschen spier en been. Arianrod bewonderde het mooie schot. &#8220;Voorwaar&#8221;, sprak
+zij, &#8220;met een vaste hand (<i>llaw gyffes</i>) mikte de leeuw (<i>llew</i>)&#8221;. &#8220;Geen dank aan u&#8221;, riep Gwydion, &#8220;maar nu heeft hij een naam gekregen. Voortaan zal hij Llew Llaw Gyffes heeten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zooals wij zagen beteekent de naam hetzelfde als het Galisch Lugh Lamfada, Lugh (licht) met den Langen Arm; zoodat wij hier
+een voorbeeld hebben van een legende die groeide om een verkeerd begrepen naam, ge&euml;rfd van een half vergeten mythologie.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Hoe Llew wapens droeg.</h3>
+<p>De schoenen werden onmiddellijk weer rietgras en zeewier, en Arianrod, boos omdat zij er was ingeloopen, legde een nieuwen
+vloek op den jongen. &#8220;Hij zal nimmer wapens dragen voor dat ik hem er mee bedeel.&#8221; Maar Gwydion ging met den jongen naar Caer
+Arianrod in de gedaante van twee barden en wekte door tooverkunst het vizioen van een aanval van gewapende mannen op het kasteel.
+Arianrod geeft hun wapens om de verdedigers te helpen en vindt zich dus opnieuw door Gwydion&#8217;s grootere slimheid bedrogen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Llew&#8217;s Bloem-vrouw.</h3>
+<p>Toen zeide zij: &#8220;Hij zal nimmer een vrouw hebben van het ras dat thans de aarde bewoont.&#8221; Dit deed een moeilijkheid oprijzen
+die zelfs Gwydion&#8217;s macht te boven ging en hij begaf zich tot M&#257;th, den oppersten meester in de tooverkunst. <a id="d0e6991"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6991">352</a>]</span>&#8220;Welnu&#8221;, zeide M&#257;th, &#8220;wij zullen, gij en ik samen, een vrouw voor hem zien te maken uit bloemen.&#8221; En zij namen de bloesems
+van den eik en de bloesems van de brem en de bloesems van de spirea en vormden daaruit een maagd, zoo schoon en bevallig als
+een man ooit zag. En zij doopten haar en gaven haar den naam &#8220;Blodeuwedd of Bloem-gezicht.&#8221; Zij trouwden haar met Llew en
+gaven hem het Dinodig-gebied om over te heerschen, en daar woonden Llew en zijn jonge vrouw een seizoen gelukkig en door allen
+bemind.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Llew verraden.</h3>
+<p>Maar Blodeuwedd was haar mooien naam en oorsprong niet waardig. Eens toen Llew weg was voor een bezoek met M&#257;th, kwam een
+edele, genaamd Gronw Pebyr, in de buurt van Llew&#8217;s paleis jagen en Blodeuwedd beminde hem van het oogenblik af dat zij hem
+zag. Dien nacht sliepen zij samen en den volgenden en den daarop volgenden en toen beraamden zij hoe voorgoed van Llew af
+te komen. Maar Llew is, evenals de Gothische zonne-held Siegfried, onkwetsbaar, behalve onder bijzondere omstandigheden en
+Blodeuwedd moet van hem te weten komen hoe hij kan worden gedood. Zij doet dit, zorg voor zijn welzijn voorwendend. Het is
+een lastig geval. Llew kan alleen worden gedood door een speer waaraan een jaar is gewerkt en alleen gedurende de Offerande
+van de Hostie op Zondagen. Verder kan hij niet worden gedood in of buiten een huis, te paard of te voet. Het eenige middel
+is feitelijk, dat hij met &eacute;en voet zal staan op een dooden bok, met den ander in een ketel, die als bad wordt gebruikt met
+riet overdekt; wordt hij in deze houding getroffen door een speer, gemaakt zooals werd aangegeven, dan kan de wond noodlottig
+zijn, anders niet. Na een jaar, waarin Gronw aan de speer had gewerkt, vroeg Blodeuwedd Llew haar duidelijker te laten zien
+waartegen zij moest waken en om haar te believen nam hij de vereischte houding aan. Gronw, die in een bosch in de buurt op
+den loer was, slingerde de noodlottige speer en de kop, die vergiftigd was, drong in Llew&#8217;s lijf, maar de schacht brak. <a id="d0e6998"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6998">353</a>]</span>Toen veranderde Llew in een arend en met een harden schreeuw steeg hij hoog op in de lucht en werd niet meer gezien. En Gronw
+nam zijn kasteel en zijn landen in bezit, die hij voegde bij zijn eigen.
+
+</p>
+<p>De berichten hiervan kwamen ten slotte Gwydion en M&#257;th ter oore en Gwydion maakte zich op om Llew te vinden. Hij kwam bij
+een zijner vassallen, van wien hij vernam dat een zeug, hem toebehoorend, elken dag verdween en niet te vinden was, maar geregeld
+elken nacht thuis kwam. Gwydion volgde de zeug, en zij ging ver weg tot het meer sedert dien genaamd Nant y Llew, waar zij
+onder een boom stil hield en begon te eten. Gwydion wilde zien wat zij at en hij bevond dat het rottend vleesch was, dat een
+adelaar hoog in den boom gezeten liet vallen en het kwam hem voor dat de adelaar Llew was. Gwydion zong hem toe en lokte hem
+gaandeweg den boom af, totdat hij bij zijn knie kwam, toen sloeg hij hem met zijn tooverstaf en bracht hij hem weer in de
+gedaante van Llew, maar tot vel en been uitgeteerd&#8212;&#8220;niemand zag ooit een treuriger schouwspel.&#8221;
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Llew&#8217;s genezing.</h3>
+<p>Toen Llew genezen was namen hij en Gwydion wraak op hun vijanden. Blodeuwedd werd in een uil veranderd en gelast het daglicht
+te schuwen, en Gronw werd gedood door den worp van een speer van Llew, die door een steenen plaat ging om hem te bereiken,
+en de plaat, met het gat er in door Llew&#8217;s speer gemaakt, blijft tot op dezen dag aan den oever van de rivier Cynvael te Ardudwy.
+En Llew nam voor den tweeden keer bezit van zijn landen en regeerde voorspoedig zijn leven lang.
+
+</p>
+<p>De vier voorgaande verhalen worden geheeten de Vier Takken van de Mabinogi en vormen het oudste en belangrijkste deel van
+de verzameling genaamd het &#8220;Mabinogion.&#8221;
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De droom van Maxen Wledig.</h3>
+<p>De rij der verhalen in het &#8220;Mabinogion&#8221; volgende, zooals die in Nutt&#8217;s uitgave voorkomen, komen we nu tot een, dat <a id="d0e7014"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7014">354</a>]</span>zuiver fictie is, zonder eenig mythisch of legendarisch element. Het verhaalt hoe Maxen Wledig, Keizer van Rome, een levendigen
+droom had, waarin hij in een vreemd land werd gevoerd, waar hij een koning zag op een ivoren stoel gezeten, die met een stalen
+vijl uit een gouden stang schaakstukken sneed. Naast hem zat, op een gouden troon, de schoonste maagd die hij ooit had aanschouwd.
+Toen hij wakker werd was hij verliefd op de droommaagd en hij zond overal boden heen om zoo mogelijk te weten te komen welk
+land en volk hem waren verschenen. Zij bleken van Brittanni&euml; te zijn. Maxen ging daarheen, vrijde naar de maagd en huwde haar.
+Bij zijn afwezigheid werd zijn rijk te Rome door een overweldiger in bezit genomen, maar met behulp van zijn Britsche vrienden
+heroverde hij zijn gebied en velen hunner vestigden zich daar met hem, terwijl anderen naar Brittanni&euml; terugkeerden. Dezen
+namen vreemde vrouwen mee, maar sneden hun, zoo zegt men, de tong af, opdat zij de taal van de Britten niet zouden bederven.
+Zoo oud en machtig was dus de toewijding aan hun taal van de Kimbren, van wie de mythische bard Taliesin voorspelde:
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Hun God zullen zij loven,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Hun taal zullen zij houden,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Hun land zullen zij derven
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Behalve woest Walia&#8221;.</span></p>
+</div>
+</div>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het verhaal van Lludd en Llevelys.</h3>
+<p>Dit verhaal staat in verband met het vorige in de afdeeling getiteld Romantische Britsche geschiedenis. Het verhaalt hoe Lludd,
+zoon van Beli, en zijn broeder Llevelys, respectievelijk regeerden over Brittanni&euml; en Frankrijk en hoe Lludd de hulp van zijn
+broeder inriep om de drie plagen die het land teisterden tot staan te brengen. Deze drie plagen waren: ten eerste de aanwezigheid
+van een demonisch ras de Corani&euml;rs geheeten; ten tweede een vreeselijke gil die in elk huis in Brittanni&euml; den avond v&oacute;or Mei
+gehoord werd en de menschen geweldig deed schrikken; ten derde het onverklaarbaar verdwijnen elken <a id="d0e7030"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7030">355</a>]</span>nacht van alle voorraden in het hof des konings, zoodat niets dat niet door de huishouding was gebruikt, den volgenden morgen
+kon worden gevonden. Lludd en Llevelys bespraken deze dingen door een metalen buis, want de Corani&euml;rs konden alles hooren
+wat er gesproken werd, wanneer de winden het eenmaal hadden opgevangen&#8212;een eigenschap die ook werd toegeschreven aan M&#257;th,
+zoon van M&#257;thonwy. Llevelys vernietigde de Corani&euml;rs door Lludd een aantal giftige insekten te geven, die moesten worden gestampt
+en over het volk worden uitgestrooid, bij een volksverzameling. Deze insekten zouden de Corani&euml;rs dooden, maar het volk van
+Brittanni&euml; zou er niet door worden aangetast. De gil kwam volgens Llevelys van twee draken die elkaar eens in het jaar bevochten.
+Zij moesten worden gedood, door hen dronken te maken met mede, die moest worden gebracht in een kuil, gegraven precies in
+het centrum van Brittanni&euml;&#8212;bij meting bleek dat te zijn te Oxford. De voorraden, zeide Llevelys, werden weggenomen door een
+reus-toovenaar; Lludd wachtte hem op, zooals hem was gelast, en overwon hem in een gevecht en maakte hem voortaan tot zijn
+trouwen vazal. Aldus verlosten Lludd en Llevelys het eiland van zijn drie plagen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Arthur-verhalen.</h3>
+<p>Wij komen nu tot vijf Arthur-verhalen; een daarvan, dat van Kilhwch en Olwen, is de eenige oorspronkelijke Arthur-legende
+die in de literatuur van Wales tot ons is gekomen. De overigen zijn, zooals we zagen, meer of minder weerspiegelingen uit
+de Arthur-literatuur, door vreemde handen op het vasteland in woord gebracht.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Kilhwch en Olwen.</h3>
+<p>Kilwch was een zoon van Kilydd en diens vrouw Goleuddydd en, zoo zegt men, een neef van Arthur. Toen zijn moeder was gestorven,
+nam Kilydd een andere vrouw en zij, jaloersch op haar stiefzoon, legde hem een tocht op die beloofde lang te duren en gevaarlijk
+te zijn. &#8220;Ik verklaar&#8221;, zeide zij, &#8220;dat het <a id="d0e7042"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7042">356</a>]</span>uw lot is&#8221;&#8212;de Galen zouden gezegd hebben <i>geis</i>&#8212;&#8220;geen vrouw te zullen vinden vo&oacute;r gij Olwen krijgt, dochter van Yspaddaden Penkawr&#8221;.<a id="d0e7047src" href="#d0e7047" class="noteref">35</a>. En Kilhwch bloosde bij den naam en &#8220;liefde voor de maagd doortrilde zijn geheel lichaam&#8221;. Op raad van zijn vader begaf hij
+zich naar het Hof van Arthur, om te vernemen hoe en waar hij haar zou kunnen vinden en naar haar hand dingen.
+
+</p>
+<p>En nu wordt schitterend beschreven hoe de jongeling in den bloei zijner schoonheid, op een edel ros met goud opgetuigd en
+vergezeld van twee gestreepte hazewinden met witte borsten en kettingen van robijnen om den nek, op reis ging naar Koning
+Arthur. &#8220;En de grashalm boog niet onder hem, zoo licht was de tred van zijn ros.&#8221;
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Kilhwch aan het Hof van Arthur.</h3>
+<p>Na eenige moeilijkheden met den portier en met Arthur&#8217;s hofmeester, Kai, die den jongeling niet wilde toelaten, terwijl het
+gezelschap aan den maaltijd zat, werd Kilhwch voor den Koning gebracht en hij zeide wie hij was en wat hij wenschte. &#8220;Ik vraag
+die gunst,&#8221; zeide hij, &#8220;van u en ook van uwe krijgers,&#8221; en hij noemt dan een ontzaglijke lijst op vol mythologische personen
+en bijzonderheden&#8212;Bedwyr, Gwyn ap Nudd, Kai, Manawyddan<a id="d0e7057src" href="#d0e7057" class="noteref">36</a>, Geraint en vele anderen, waaronder &#8220;Morvran zoon van Tegid, tegen wien niemand vocht in den slag van Camlan om reden van
+zijn leelijkheid; iedereen dacht dat hij een duivel was,&#8221; en &#8220;Sandde Bryd Angel, dien niemand in den slag van Camlan met een
+speer aanraakte om zijn schoonheid; iedereen dacht dat hij een dienende engel was.&#8221; De lijst omvat vele twintigtallen van
+namen, ook vele vrouwen, zoo, bijv. &#8220;Creiddylad de dochter van Lludd met de Zilveren Hand&#8212;zij was de prachtigste maagd van
+de drie Eilanden van de Machtigen en om haar vechten Gwythyr de zoon van Greidawl en Gwyn de zoon van Nudd elken eersten <a id="d0e7060"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7060">357</a>]</span>Meidag tot den dag des oordeels,&#8221; en de twee Isoldes en Arthur&#8217;s Koningin Gwenhwyvar. &#8220;Al dezen riep Kilydd&#8217;s zoon Kilhwch
+aan om zijn gunst te verkrijgen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar Arthur had nooit gehoord van Olwen of haar familie. Hij beloofde naar haar te laten zoeken, maar na een jaar konden geen
+berichten over haar worden ingewonnen en Kilhwch verklaarde dat hij zou vertrekken en Arthur in schande verlaten. Ten slotte
+krijgen Kai en Bedwyr, met den gids Kynddelig, last aan het zoeken te gaan.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Arthur&#8217;s dienaren.</h3>
+<p>Deze personages zijn geheel verschillend van die welke met dezelfde namen worden genoemd bij Malory of Tennyson. Kai, zoo
+heet het, kon negen dagen onder water blijven. Hij kon zich, wanneer hij wilde, zoo lang maken als een boom in het bosch.
+Zoo heet was zijn lijf, dat niets dat hij in de hand droeg zelfs in den zwaarsten regen nat kon worden. &#8220;Heel slim was Kai.&#8221;
+Wat Bedwyr aangaat&#8212;de latere Sir Bedivere&#8212;van hem wordt verteld, dat niemand hem evenaarde in vlugheid en dat, hoewel eenarmig,
+hij op het slagveld drie krijgers, welke dan ook, stond; zijn lans maakte een wond voor negen. Behalve de drie gingen nog
+mee aan het zoeken Gwrhyr, die alle talen kende, en Gwalchmai, zoon van Arthur&#8217;s zuster Gwyar, en Menw, die, door tooverkunsten,
+het geheele gezelschap onzichtbaar kon maken.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Custennin.</h3>
+<p>Het gezelschap reisde totdat zij kwamen aan een groot kasteel; er was daar een kudde schapen met een herder die een kettinghond
+bij zich had zoo groot als een paard. De adem van dezen herder, zoo heet het, kon een boom doen verbranden. &#8220;Hij liet geen
+gelegenheid voorbijgaan zonder kwaad te doen.&#8221; Hij ontving het gezelschap echter goed, vertelde dat hij Custennin was, broeder
+van Yspaddaden wiens kasteel voor hen stond, en bracht hen in zijn huis bij zijn vrouw. De vrouw bleek een zuster te zijn
+van Kilhwch&#8217;s moeder Goleuddydd, en zij was <a id="d0e7074"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7074">358</a>]</span>blijde haar neef te zien, maar het bedroefde haar dat hij Olwen kwam zoeken, &#8220;want niemand kwam daar ooit levend van terug&#8221;.
+Het schijnt dat Custennin en zijn gezin veel geleden hebben van Yspaddaden&#8212;al hun zonen op e&eacute;n na waren gedood omdat Yspaddaden
+zijn broeder zijn deel van het vaderlijk goed misgunde. Zij verbonden zich derhalve met de helden in hun nasporingen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Olwen met het Witte Spoor.</h3>
+<p>Den volgenden dag kwam Olwen naar het huis van den herder, zooals gewoonlijk, want zij placht daar elken Zaterdag haar haren
+te wasschen, en telkens wanneer zij dat deed liet zij al haar ringen in de kom achter en liet ze nooit weer halen. Zij wordt
+beschreven in een van die schilderachtige passages, waarin de Keltische passie voor schoonheid zoo keurig uiting heeft gevonden.
+
+</p>
+<p>&#8220;De maagd was gekleed in een gewaad van vlam-kleurige zijde en om haar hals was een ketting van rood goud met kostbare smaragden
+en robijnen er op. Haar hoofd was geler dan de bloem van de brem en haar huid blanker dan het schuim van den golf, en blanker
+waren haar handen en vingers dan de bloesems van de bosch-anemoon te midden van het schuim van de weide-bron. Het oog van
+den afgerichten havik, de blik van den valk na driemaal rui&euml;n was niet helderder dan de hare. Haar boezem was sneeuwiger dan
+de borst van den zwaan, haar wang rooder dan de roodste rozen. Wie haar aanschouwde blaakte van liefde voor haar. Vier witte
+klavers bloeiden op waar zij ook haar voet neer zette. En daarom werd zij Olwen<a id="d0e7083src" href="#d0e7083" class="noteref">37</a> genoemd&#8221;.
+
+</p>
+<p>Kilhwch en zij onderhielden zich samen en beminden elkaar en zij heette hem haar van haar vader te vragen en hem niets te
+weigeren van hetgeen hij zou vorderen. Zij had haar woord gegeven niet tegen zijn zin te trouwen, want zijn leven zou slechts
+duren totdat zij was getrouwd.
+<a id="d0e7094"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7094">359</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Yspaddaden.</h3>
+<p>Den volgenden dag ging het gezelschap naar het kasteel en zag Yspaddaden. Hij scheepte hen af met verschillende uitvluchten
+en toen zij heen gingen slingerde hij hun een giftigen pijl achterna. Bedwyr ving dien op en wierp dien terug, hem in de knie
+wondend en Yspaddaden verwenschte hem in buitengewoon krachtige taal; de woorden schenen te knetteren en te sissen als vlammen.
+Dit geschiedde drie malen en ten laatste deelde Yspaddaden mee wat er moest worden gedaan om Olwen te krijgen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Wat Kilhwch werd opgelegd.</h3>
+<p>Dat was zeer veel. Een groote heuvel moet worden beploegd, bezaaid en gemaaid in e&eacute;n dag; alleen Amathaon zoon van D&#333;n kan
+dat en hij wil niet. Govannon, de smid, moet het ploegijzer bij elk braakland reinigen en hij wil dat niet doen. De twee bruine
+ossen van Gwlwlyd moeten den ploeg trekken en hij wil ze niet leenen. Honing negen maal zoeter dan die van de bij moet er
+zijn om mede te maken voor het bruiloftsmaal. Een tooverketel, een toovermand waaruit elke spijs komt die men begeert, een
+tooverhoorn, het zwaard van den reus Gwrnach&#8212;dat alles moet worden verkregen; en vele andere geheime en moeilijke dingen,
+zoowat veertig in het geheel, voordat Kilhwch Olwen de zijne kan noemen. Het moeilijkst is de kam en schaar te krijgen tusschen
+de ooren van Twrch Trwyth, een koning die in een monsterachtig everzwijn is veranderd. Om het zwijn te jagen moeten een aantal
+andere dingen worden volbracht&#8212;het welp van Geid zoon van Eri moet worden gepakt en een zekere leeren riem om hem vast te
+houden en een zekeren halsring voor den riem en een ketting voor den ring, en Mabron zoon van Modron moet jager zijn en het
+paard van Gweddw moet Mabon dragen, en Gwynn zoon van Nudd moet helpen, &#8220;dien God stelde over het duivelengebroed in Annwn....
+hij zal hun nooit afgestaan worden&#8221;, enz., zoodat de beroemde <i>eric</i> (boete) van de zonen van Turenn in vergelijking daarmede onbeteekend lijkt. &#8220;Moeilijkheden <a id="d0e7108"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7108">360</a>]</span>zult gij ondervinden, en slapelooze nachten kennen bij het zoeken hiervan (de prijs van de bruid) en als gij dien niet krijgt,
+zult gij ook mijn dochter niet hebben&#8221;. Kilhwch heeft slechts e&eacute;n antwoord voor elken eisch. &#8220;Het zal mij gemakkelijk vallen
+dit tot stand te brengen, hoewel ge misschien denkt dat het niet gemakkelijk zal zijn. En ik zal uw dochter krijgen en gij
+zult uw leven verliezen&#8221;.
+
+</p>
+<p>Zij gaan dus op weg om het werk te volbrengen en op hun weg naar huis ontmoeten zij Gwrnach den Reus, wiens zwaard Kai, voorgevend
+een zwaard-polijster te zijn, door een list vermeestert. Weer aan Arthur&#8217;s slot gekomen, vertellen zij den Koning wat zij
+te doen hebben en hij belooft hun zijn hulp. Het eerste wonder dat zij verrichtten was het ontdekken en bevrijden van Mabon
+zoon van Modron, &#8220;die zijn moeder werd afgenomen, toen hij drie nachten oud was, en men weet niet waar hij nu is, en of hij
+levend of dood is.&#8221; Gwrhyr doet onderzoek naar hem bij den Zwarten Lijster van Cilgwri, die zoo oud is, dat een smid&#8217;s aambeeld,
+waaraan hij gewoon was te pikken, tot de grootte van een noot is afgesleten; maar hij heeft nooit van Mabon gehoord. Hij brengt
+hen echter naar een nog ouder dier, het Hert van Redynvre, en zoo verder naar den Uil van Cwm Cawlwyd en den Arend van Gwern
+Abwy, en den Zalm van Llyn Llyd, het oudste van de levende dingen, en zij vinden ten slotte Mabon gevangen in den steenen
+kerker van Gloucester en, met de hulp van Arthur, verlossen zij hem en zoo is dan de tweede taak vervuld. Op de een of andere
+manier, door list, dapperheid, of tooverkunst wordt elk feit volbracht, tot het laatste en gevaarlijkste, het verkrijgen van
+&#8220;het bloed der zwarte heks Orddu, dochter van de witte heks Orwen, van Penn Nart Govid, aan de grenzen der Hel.&#8221; Het gevecht
+daar gelijkt zeer op dat van Finn in het hol van Keshcorran, maar Arthur klooft ten slotte de heks in twee&euml;n en Kaw van Noord-Brittanni&euml;
+neemt haar bloed.
+
+</p>
+<p>Zij maakten zich nu weer op naar het kasteel van Yspaddaden en hij erkent zijn nederlaag. Goreu zoon van Custennin <a id="d0e7114"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7114">361</a>]</span>snijdt hem het hoofd af en dien nacht werd Olwen de gelukkige vrouw van Kilhwch, en de mannen van Arthur gingen uiteen, ieder
+naar zijn eigen land.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De droom van Rhonabwy.</h3>
+<p>Rhonabwy was een ruiter onder Madawc zoon van Maredudd, wiens broeder Iorwerth in opstand tegen hem kwam; en Rhonabwy ging
+met de troepen van Madawc om hem te onderwerpen. Zich met een paar makkers in een kleine hut begevend om er den nacht door
+te brengen, legt hij zich ter ruste op een geel kalfsvel bij het vuur, terwijl zijn vrienden liggen op smerige legers van
+stroo en twijgen. Op het kalfsvel heeft hij een wonderlijken droom. Hij ziet voor zich het hof en het kamp van Arthur&#8212;hier
+de <i>quasi</i>-historische koning, niet de legendaire godheid van het vorig verhaal, noch de Arthur van de Fransche ridderverhalen&#8212;als hij
+zich begeeft naar den berg Badon voor zijn groot gevecht met de heidenen. Zekere Iddawc voert hem naar den Koning die lacht
+om Rhonabwy en zijn vrienden en vraagt: &#8220;Waar, Iddawc, vondt gij deze kleine mannen?&#8221; &#8220;Ik vond hen daar ginder op den weg.&#8221;
+&#8220;Ik vind het jammer,&#8221; zeide Arthur, &#8220;dat mannen van zulke gestalte over het eiland heerschen, na de mannen die het vroeger
+bezaten.&#8221; De aandacht van Rhonabwy wordt gevestigd op een steen in den ring des Konings. &#8220;Een van de eigenschappen van dien
+steen is, dat hij u in staat stelt u te herinneren wat gij hier heden nacht ziet; hadt gij den steen niet gezien, gij zoudt
+niet in staat zijn geweest u iets daarvan te herinneren.&#8221;
+
+</p>
+<p>De verschillende helden en metgezellen, die Arthur&#8217;s leger vormen, worden uitvoerig beschreven met al de kleurigheid en fijnheid
+van details die den Keltischen verteller zoo lief zijn. De voornaamste gebeurtenis die verteld wordt, is een schaakpartij
+van Arthur met den ridder Owain zoon van Urien. Terwijl de partij aan den gang is, plagen en storen de ridders van Arthur
+Owein&#8217;s raven, maar, als Owein zich beklaagt, zegt Arthur alleen: &#8220;Speel uw spel.&#8221; Later winnen de raven <a id="d0e7126"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7126">362</a>]</span>het en is het Owein&#8217;s beurt Arthur te verzoeken op zijn spel te letten. Toen nam Arthur de gouden schaakstukken en verpletterde
+die tot stof in zijn hand en verzocht Owen zijn raven tot rust te brengen, hetgeen geschiedde, en vrede heerschte weer. Rhonabwy,
+zoo heet het, sliep drie dagen en nachten op het kalfsvel, voordat hij uit zijn wonderlijken droom ontwaakte. In een epiloog
+wordt gezegd, dat van geen bard wordt verwacht dat hij dit verhaal uit het hoofd kent en zonder boek, &#8220;om de verschillende
+kleuren op de paarden, en de vele wonderlijke kleuren van de wapens en van de wapenrustingen, en van de kostbare sjerpen,
+en van de kracht-brengende steenen.&#8221; De &#8220;Droom van Rhonabwy&#8221; is veeleer een schitterende visioen uit het verleden dan een
+verhaal in den gewonen zin van het woord.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Vrouw van de Bron.</h3>
+<p>Wij hebben hier een reproductie in de taal van Wales van den <i>Conte</i>, getiteld &#8220;Le Chevalier au lion&#8221; van Chrestien de Troyes. De hoofdpersoon daarin is Owain zoon van Urien, die optreedt in
+een karakter, den geest van de Keltische legende even vreemd als algemeen op het vasteland voorkomend: dat van dolend ridder.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Kymon&#8217;s avontuur.</h3>
+<p>In de inleiding wordt ons verteld dat Kymon, een ridder aan Arthur&#8217;s Hof, een vreemd en ongelukkig avontuur had. Uit rijden
+gaande om een of andere ridderlijke daad te doen, kwam hij aan een prachtig kasteel, waar hij gastvrij werd ontvangen door
+vierentwintig joffers, van wie &#8220;de minst bekoorlijke bekoorlijker was dan Gwenhwyvar, de vrouw van Arthur, wanneer zij er
+op haar bekoorlijkst uitzag bij de Offerande op den Dag van de Geboorte, of bij het Paasch-feest&#8221;. Bij hen was een edelman,
+die, nadat Kymon had gegeten, vroeg wat hij wenschte. Kymon vertelde dat hij zijn portuur zocht in het vechten. De heer van
+het kasteel glimlachte en heette hem als volgt te doen: hij moest den weg naar het dal inslaan en door het <a id="d0e7141"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7141">363</a>]</span>bosch gaan, tot dat hij kwam aan een open ruimte met een hoogte in het midden. Op de hoogte zou hij een zwarten man zien van
+een geweldige gestalte, met &eacute;en oog en &eacute;en voet, die een groote ijzeren knots droeg. Hij was de boschwachter en duizende wilde
+dieren, herten, slangen en al wat meer zouden om hem aan het eten zijn. Hij zou Kymon wijzen wat hij zocht.
+
+</p>
+<p>Kymon volgde den raad en de zwarte man wees hem een weg, die hem zou voeren naar een bron onder een hoogen boom; daarnaast
+zou hij vinden een zilveren kom op een marmeren plaat, Kymon moest de kom nemen en die vol water op de plaat uitstorten, dan
+zou een hagel- en donderbui volgen, daarna zou zich heerlijke muziek van zangvogels doen hooren, en dan zou een ridder verschijnen
+in een zwarte wapenrusting, op een koolzwart paard, met een zwarte wiek op zijn lans. &#8220;En als dat avontuur u niet veel te
+stellen geeft, dan behoeft gij verder in uw leven niet meer te zoeken&#8221;.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het karakter van de vertellingen van Wales.</h3>
+<p>Laat ons hier even stil staan, om er op te wijzen dat we klaarblijkelijk zijn in de sfeer van de middeneeuwsche vertelling
+en ver van die der Keltische mythologie. Misschien heeft het Keltische &#8220;Land der Jeugd&#8221; in de verte die gebieden van schoonheid
+en mysterie aan de hand gedaan, waarin de ridder van Arthur zich begeeft een avontuur zoekend. Maar het landschap, de motieven,
+de gebeurtenissen, zijn ten eenenmale verschillend. En hoe schoon zijn zij&#8212;hoe gedrenkt in het tooverlicht der verdichting!
+De kleuren leven en gloeien, het bosch ruischt ons in de ooren, de adem van dien lentetijd van onze moderne wereld omgeeft
+ons, terwijl wij den eenzamen ruiter volgen langs het grazige spoor in een onbekende wereld van gevaar en heerlijkheid. Terwijl
+de verhalen van het vasteland in sommige opzichten grooter zijn dan die uit Wales, rijker aan gedachten, dieper, halen zij
+niet daarbij in de fijne artisticiteit waarmede het uiterlijk voorkomen der dingen wordt weergegeven, de toover-atmosfeer
+volgehouden en de lezer in steeds toenemende spanning stap voor stap wordt geleid <a id="d0e7150"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7150">364</a>]</span>bij de ontwikkeling van het verhaal. Ook staan deze verhalen uit Wales geen jota achter wat betreft den edelen en ridderlijken
+geest dien zij ademen. Een mooier school van karakter en zeden is nauwelijks in de literatuur te vinden. Hoe vreemd dat gedurende
+vele eeuwen deze onvergelijkelijke schat in ons midden onopgemerkt bleef! En hoe groot moet onze dankbaarheid zijn aan de
+ongenoemde barden wier brein dien schiep, en aan de fijne hand die het eerst hem tot een bezit maakte voor de gansche Engelsch
+sprekende wereld!
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Nederlaag van Kymon.</h3>
+<p>Maar keeren wij tot ons verhaal terug. Kymon deed zooals hem gezegd was, de Zwarte Ridder verscheen, zwijgend zetten zij hun
+lansen in positie en vielen zij elkander aan. Kymon werd op den grond geworpen, terwijl zijn vijand, zonder een blik op hem,
+de schacht van zijn lans door den teugel van Kymon&#8217;s paard haalde en daarmee wegreed in de richting waarvan hij gekomen was.
+Kymon ging te voet naar het kasteel terug, waar niemand hem vroeg hoe het hem was gegaan, maar zij gaven hem een ander paard,
+&#8220;een donkerbruine telganger, met neusgaten rood als vuur&#8221;, waarop hij naar Caerleon terug reed.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Owain en de Zwarte Ridder.</h3>
+<p>Owain was natuurlijk geprikkeld door het verhaal van Kymon en den volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag, reed hij
+uit om hetzelfde avontuur te zoeken. Alles ging zooals met Kymon, maar Owain wondde den Zwarten Ridder zoo ernstig, dat deze
+zijn paard wendde en vluchtte. Owain zette hem wild achterna. Zij kwamen aan een &#8220;groot en prachtig kasteel.&#8221; Zij reden over
+de ophaalbrug, waarvan de buitenste slagboom viel toen de Zwarte Ridder er overheen ging. Maar zoo dicht was Owain hem op
+de hielen dat de slagboom achter hem viel, zijn paard in twee&euml;n snijdend achter het zadel en hij zelf bleef gevangen tusschen
+de buiten- en de binnenpoort van de ophaalbrug. Terwijl hij in dezen hachelijken toestand verkeerde, <a id="d0e7162"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7162">365</a>]</span>kwam een meisje tot hem en gaf hem een ring. Als hij dien droeg met den steen naar beneden en in de hand geklemd, zou hij
+onzichtbaar worden en wanneer de dienaren van den heer van het kasteel op hem afkwamen, moest hij hen ontwijken en haar volgen.
+Zij deed dit, blijkbaar wetend wie hij was, &#8220;want als vriend zijt gij de oprechtste, en als minnaar de meest getrouwe.&#8221;
+
+</p>
+<p>Owain deed zooals hem was gezegd en het meisje verstopte hem. Denzelfden nacht hoorde men luide weeklagen in het kasteel&#8212;de
+heer er van was gestorven aan de wond hem door Owain toegebracht. Kort daarna kreeg Owain de meesteres van het kasteel te
+zien en hij werd geheel vervuld van liefde tot haar. Luned, het meisje dat hem had bevrijd, deed voor hem aanzoek bij haar
+en hij werd haar gemaal en heer van het Kasteel van de Bron en al de bezittingen van den Zwarten Ridder. En hij verdedigde
+daarna de bron met lans en zwaard, zooals zijn voorganger had gedaan, en eischte van zijn verslagen tegenstanders groote sommen
+als losgeld, die hij verdeelde onder zijn baronnen en ridders. Aldus bracht hij drie jaren door.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het zoeken naar Owain.</h3>
+<p>Na dien tijd reed Arthur, met zijn neef Gwalchmai en met Kymon als gids, aan het hoofd van een troep uit om berichten aangaande
+Owain in te winnen. Zij kwamen aan de bron en hier ontmoetten zij Owain; men kende elkaar niet, omdat de helmen waren neergelaten.
+En eerst werd Kai van het paard geworpen en toen Gwalchmai en Owain vocht en na een poos werd Gwalchmai van zijn helm beroofd.
+Owain zeide: &#8220;Heer Gwalchmai, ik kende u niet; neem mijn zwaard en mijn wapens.&#8221; Toen zeide Gwalchmai: &#8220;Gij, Owain, zijt de
+overwinnaar, neem gij mijn zwaard.&#8221; Arthur maakte hoffelijk een einde aan den twist, door beider zwaarden te nemen en zij
+reden toen allen naar het Kasteel van de Bron, waar Owain hen met groote blijdschap onthaalde. En hij ging met Arthur terug
+naar Caerleon, zijn gravin belovend dat hij daar slechts drie maanden zou blijven en dan terugkeeren.
+
+
+<a id="d0e7171"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7171">366</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Owain vergeet zijn vrouw.</h3>
+<p>Maar aan het Hof van Arthur vergat hij zijn liefde en zijn plicht en hij bleef daar drie jaren. Toen die om waren kwam een
+edelvrouw op een met goud opgetuigd paard aanrijden en zij zocht Owain en nam den ring van zijn hand. &#8220;Dus&#8221;, sprak zij, &#8220;zal
+geschieden met den bedrieger, den verrader, den trouwelooze, den eerlooze en den onbezonnene.&#8221; Daarop wendde zij haar paard
+en vertrok. En Owain, verpletterd door schaamte en wroeging, ontvluchtte de menschen en leefde in een woest land met wilde
+beesten, totdat zijn lichaam uitteerde en zijn haar lang werd en zijn kleeren wegrotten.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Owain en de leeuw.</h3>
+<p>Aldus veranderd en den dood nabij door ontbering en gebrek, werd hij door zekere gravin (een weduwe) en haar dienstmaagden
+opgenomen en door tooverbalsems herkreeg hij zijn kracht; en hoewel zij hem smeekten bij hen te blijven, reed hij weer weg,
+verlaten woeste landen zoekend. Hier vond hij een leeuw, die met een groote slang vocht. Owain doodde de slang en de leeuw
+volgde hem en dartelde om hem heen, alsof hij een hazewind was die hij had groot gebracht. En hij bezorgde hem voedsel door
+herten te vangen, waarvan Owain een deel voor zich zelf kookte, terwijl hij den leeuw de rest gaf; en het beest hield &#8217;s nachts
+de wacht over hem.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Luned&#8217;s bevrijding.</h3>
+<p>Owain vindt dan een gevangen meisje, dat hij hoort zuchten, hoewel hij haar en zij hem niet kon zien. Op zijn vragen antwoordde
+zij dat haar naam Luned was&#8212;zij was de dienares van een gravin wier echtgenoot haar had verlaten, &#8220;en hij was de vriend die
+mij het liefst was op de wereld.&#8221; Twee pages van de gravin hadden hem belasterd, en omdat zij hem verdedigde was zij veroordeeld
+te worden verbrand indien, voordat een jaar om was, hij (namelijk Owain zoon van Urien) niet was verschenen om haar te verlossen.
+En morgen zou het jaar om zijn. Den volgenden dag ontmoette Owain de twee jongelingen <a id="d0e7187"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7187">367</a>]</span>die Luned ter terechtstelling brachten en hij vocht met hen, overwon hen met behulp van den leeuw, bevrijdde Luned en keerde
+terug naar het Kasteel van de Bron, waar hij zich met zijn liefste verzoende. En hij nam haar mee naar het Hof van Arthur,
+en zij was daar zijn vrouw zoo lang zij leefde. Ten slotte komt een avontuur, waarin hij, nog altijd met behulp van zijn leeuw,
+een zwarten reus overwint en vier-en-twintig edele vrouwen bevrijdt, en de reus zweert zijn slechte leven af en belooft zoo
+lang hij leeft een hospitium voor reizenden te houden.
+
+</p>
+<p>&#8220;En van nu af aan bleef Owain aan het Hof van Arthur, zeer geliefd, als hoofd van zijn huishouding, totdat hij met zijn volgelingen
+heen ging; en deze waren het leger van driehonderd raven, die Kenverchyn<a id="d0e7191src" href="#d0e7191" class="noteref">38</a> hem had gelaten. En waar Owain ook met dezen ging, was hij overwinnaar. En dit is het verhaal van de Vrouw van de Bron.&#8221;
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het verhaal van Enid en Geraint.</h3>
+<p>In dit verhaal, dat schijnt te zijn gegrond op den &#8220;Erec&#8221; van Chrestien de Troyes, is de hoofdzaak noch het mythologische,
+noch het avontuurlijke, maar het sentimenteele. Hoe Geraint zijn liefste vond en naar haar vrijde&#8212;zij de dochter van een groot
+heer, die slechte tijden beleefde; hoe hij voor haar een steekspel hield met Edeyrn, zoon van Nudd&#8212;een Kimbrische godheid
+herschapen in den &#8220;Ridder van den Sperwer&#8221;; hoe hij, van zijn liefde voor haar geheel vervuld, zijn faam en plicht begon te
+verwaarloozen; hoe hij de woorden verkeerd begreep, die zij over hem heen mompelde toen zij meende dat hij sliep, en aan haar
+trouw twijfelde; hoe onwaardig hij haar behandelde en in hoe menige bittere proef zij haar liefde en trouw bewees&#8212;met dat
+alles zijn Engelsche lezers zoo vertrouwd geraakt door Tennyson&#8217;s &#8220;Enid,&#8221; dat wij er hier <a id="d0e7199"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7199">368</a>]</span>niet bij behoeven stil te staan. In dit geval heeft Tennyson het oorspronkelijke verhaal zeer op den voet gevolgd.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Graal-legenden: Het verhaal van Peredur.</h3>
+<p>Het verhaal van Peredur is van veel gewicht en beteekenis in verband met den oorsprong van de Graal-legende. Peredur komt
+overeen met den Perceval van Chrestien de Troyes, aan wien wij het oudst bestaande gedicht over den Graal te danken hebben;
+maar deze auteur liet zijn Graal-verhaal onvoltooid en wij vernemen nooit van hem wat de Graal precies was, of waaraan hij
+zijn belangrijkheid ontleende. Wenden wij ons om opheldering tot &#8220;Peredur,&#8221; die ongetwijfeld een ouderen vorm dezer legende
+voorstelt, dan worden wij teleurgesteld. Want men zou &#8220;Peredur&#8221; kunnen noemen de Graal-geschiedenis zonder den Graal<a id="d0e7206src" href="#d0e7206" class="noteref">39</a>. De vreemde personages, voorwerpen en gebeurtenissen, die de gewone omlijsting vormen voor het verschijnen van dezen mystieken
+schat, zijn allen daar; wij ademen zelfs de atmosfeer van het Graal-Kasteel; maar van den Graal zelf wordt heelemaal niet
+gesproken. Het verhaal behandelt alleen de wraak door den held genomen voor het dooden van een bloedverwant, en tot dat doel
+alleen worden de geheimen van het Kasteel der Wonderen voor hem onthuld.
+
+</p>
+<p>Bij het begin van het verhaal vernemen wij dat Peredur in de beteekenisvolle positie verkeerde van een zevende zoon te zijn:
+wat in deze wereld van mystieke vertelling wil zeggen: voorbestemd tot groote en vreemde lotgevallen. Zijn vader Evrawc, een
+graaf uit het Noorden, en zijn zes broeders waren gevallen in den strijd. Peredur&#8217;s moeder, een dergelijk lot voor haar jongste
+kind vreezend, had hem daarom groot gebracht in een bosch, hem alle kennis onthoudend van ridderschap of oorlog voeren en
+van dingen als strijdrossen of wapens. <a id="d0e7217"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7217">369</a>]</span>Hier groeide hij op, in manieren en kennis een eenvoudig landman, maar van verbazende lichaamskracht en werkzaamheid.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Hij gaat avonturen zoeken.</h3>
+<p>Op zekeren dag zag hij drie ridders aan den zoom van het bosch. Zij waren alle drie van Arthur&#8217;s Hof&#8212;Gwalchmai, Geneir en
+Owain. Verrukt door den aanblik vroeg hij zijn moeder wat dat voor wezens waren. &#8220;Dat zijn engelen, mijn zoon,&#8221; zeide zij.
+&#8220;Voorwaar,&#8221; zeide Peredur, &#8220;dan wil ik gaan en met hen een engel worden.&#8221; Hij gaat hun tegemoet en verneemt weldra wat zij
+zijn. Owain legt hem vriendelijk uit hoe een zadel, een schild, een zwaard, al de uitrustingen bij het oorlogvoeren worden
+gebruikt; en Peredur pikte denzelfden avond een beenig, gevlekt trekpaard op, en maakte het een zadel en tuig van twijgen
+gemaakt en nagebootst naar wat hij had gezien. Ziende dat hij besloten was uit te trekken op ridderlijke daden gaf zijn moeder
+hem haar zegen en allerlei inlichtingen en ried hem het Hof van Arthur te zoeken; &#8220;daar zijn de beste en de stoutste en de
+schoonste mannen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Zijn eerste wapenfeit.</h3>
+<p>Peredur besteeg zijn Rozinant, nam als wapens een handvol stokken met scherpe punten mee en reed naar het Hof van Arthur.
+Hier werd hij door den hofmeester, Kai, ruw teruggewezen om zijn boersch voorkomen, maar een dwerg en een dwergin, die een
+jaar aan het Hof waren geweest, zonder daar een woord tot iemand te spreken, riepen: &#8220;Edele Peredur, zoon van Evrawc; &#8217;s Hemels
+welkom zij u gebracht, bloem der ridders en licht der ridderschap.&#8221; Kai bestrafte de dwergen, omdat zij het zwijgen verbraken
+met het huldigen van een kerel als Peredur, en toen deze wenschte voor Arthur te worden gebracht, heette hij hem eerst een
+vreemden ridder te gaan bekampen, die zoo even het geheele Hof had uitgedaagd door Gwenhwyvar een beker met wijn in het gezicht
+te gooien, en tegen wien allen opzagen te strijden. Peredur begaf zich onmiddellijk naar de plaats waar de woeste ridder <a id="d0e7229"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7229">370</a>]</span>snoevend op en neer liep, in afwachting van een tegenstander, en in het gevecht dat nu volgde doorboorde hij hem den schedel
+met een van zijn puntige stokken en doodde hem. Toen kwam Owain naar buiten en vond Peredur, die zijn gevallen vijand met
+zich sleepte. &#8220;Wat voert gij daar uit?&#8221; vroeg Owain. &#8220;Die ijzeren bedekking,&#8221; zeide Peredur &#8220;wil maar niet van hem afkomen;
+tenminste niet zoo als ik het aanleg.&#8221; Owain wees hem nu hoe hij het pantser moest losmaken en Peredur nam het mee met de
+wapens en het paard van den ridder en reed uit om nieuwe avonturen te zoeken.
+
+</p>
+<p>Hier vinden wij het karakter van <i>der reine Thor</i>, de dappere en reine onnoozele bloed, duidelijk en levendig geschilderd.
+
+</p>
+<p>Nadat hij het Hof van Arthur verliet had Peredur vele gevechten waarin hij gemakkelijk de overwinning behaalde; hij zond de
+verslagen ridders naar Caerleon aan de Usk met de boodschap, dat hij hen had verslagen ter eere van Arthur en in zijn dienst,
+maar dat hij, Peredur, nooit weer aan het Hof zou terugkeeren voordat hij de beleediging der dwergen op Kai had gewroken;
+deze werd diensvolgens door Arthur gegispt, waarover hij zeer bedroefd was.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het Kasteel der Wonderen.</h3>
+<p>Wij komen nu, wat de lezer onmiddellijk zal herkennen, in de sfeer van de Graal-legende. Peredur kwam aan een kasteel naast
+een meer, waar hij een eerwaardig man vond met dienaren om hem heen, die in het meer vischten. Toen Peredur naderbij kwam,
+stond de bejaarde man op en ging het kasteel binnen, en Peredur zag, dat hij kreupel was. Peredur ging naar binnen en werd
+gastvrij ontvangen in een groote zaal. De bejaarde man vroeg hem na afloop van het maal, of hij met het zwaard wist om te
+gaan en beloofde hem alle ridderlijke kundigheden te leeren, en &#8220;de zeden en gebruiken van verschillende landen en hoffelijkheid
+en vriendelijkheid en een edele houding&#8221;. En hij voegde er bij: &#8220;Ik ben uw oom, uw moeder&#8217;s broeder.&#8221; Ten slotte heette hij
+hem weg te rijden en er aan te denken, dat wat hij ook mocht zien dat hem verbaast, <a id="d0e7243"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7243">371</a>]</span>hij niet naar de beteekenis er van moest vragen indien niemand zoo heusch was hem te onderrichten. Dit is de proef van gehoorzaamheid
+en zelfbeheersching waarover de rest van het avontuur loopt.
+
+</p>
+<p>Verder rijdend, kwam Peredur aan een groot woest bosch, waarachter hij een groot kasteel vond, het Kasteel der Wonderen. Hij
+ging door de open deur binnen en vond een statigen grijzen man gezeten in een groote zaal, met vele pages om hem heen, die
+Peredur waardig ontving. Aan den maaltijd zat Peredur naast den heer van het kasteel, die, toen zij gegeten hadden, hem vroeg
+of hij vechten kon met een zwaard. &#8220;Als ik onderricht kreeg&#8221;, zeide Peredur, &#8220;zou ik het wel kunnen, denk ik.&#8221; Toen gaf de
+heer van het kasteel Peredur een zwaard en gelastte hem op een grooten ijzeren ring in den vloer te slaan. Peredur deed dit
+en sneed den ring in twee&euml;n, maar ook het zwaard vloog in twee stukken. &#8220;Sluit de stukken aan elkaar&#8221;, zeide de lord. Peredur
+deed dit en zoowel zwaard als ring werden weer &eacute;en. Een tweeden keer geschiedde datzelfde met denzelfden uitslag. Den derden
+keer konden de stukken van zwaard en ring niet meer een geheel vormen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij zijt gekomen op twee derden van uw kracht&#8221;, zeide de lord. Hij vertelde daarop dat ook hij Peredur&#8217;s oom was en broeder
+van den lord van het meer, bij wien Peredur den vorigen nacht had doorgebracht. Terwijl zij in gesprek waren kwamen twee jongelingen
+in de zaal; zij droegen een geweldig groote speer, van wier spits drie stroomen bloed op den grond vielen en al de aanwezigen
+begonnen, toen zij dit zagen, met groot geschreeuw te jammeren en te weeklagen, maar de lord sloeg er geen acht op en brak
+zijn gesprek met Peredur niet af. Daarna kwamen twee meisjes binnen, die tusschen zich in een groot blad droegen, waarop,
+te midden van een massa bloed, een manshoofd lag. Daarop werd zelfs nog luider dan te voren gejammerd en geweeklaagd. Maar
+ten slotte werd het stil en Peredur werd naar zijn kamer gebracht. Gedachtig de aanmaning van den lord van het meer, had hij
+geen verbazing aan den dag gelegd over hetgeen hij zag, en ook <a id="d0e7249"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7249">372</a>]</span>niet gevraagd wat het beteekende. Hij reed nu weer uit om andere avonturen te zoeken, die hij in overstelpende hoeveelheid
+vond en die geen bijzonder verband houden met het hoofdthema. Het mysterie van het kasteel wordt eerst op de laatste bladzijden
+van het verhaal verklaard. Het hoofd op het zilveren blad was dat van een neef van Peredur. De lans was het wapen waarmee
+hij was gedood en waarmee ook de oom van Peredur, de lord van het meer, kreupel was gemaakt. Deze dingen waren aan Peredur
+getoond, om hem te prikkelen tot het wreken van het kwaad, en om zijn geschiktheid voor die taak te toonen. De &#8220;negen toovenaressen
+van Gloucester&#8221; waren, zegt men, zij, die de bloedverwanten van Peredur dat kwaad berokkenden. Toen hij dat vernam viel Peredur,
+met hulp van Arthur, de toovenaressen aan, die alle werden gedood, en de wraak was voltrokken.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e7252" class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p372.jpg" alt="&#8220;Het jammeren en weeklagen werd nog luider dan te voren gehoord&#8221;"></p>
+<p class="figureHead">&#8220;Het jammeren en weeklagen werd nog luider dan te voren gehoord&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Conte del Graal.</h3>
+<p>Het verhaal van Chrestien de Troyes genaamd de &#8220;Conte del Graal,&#8221; of &#8220;Perceval le Gallois,&#8221; bracht de geschiedenis in de Europeesche
+literatuur. Het werd geschreven omstreeks 1180. Het inleidend gedeelte komt overeen met &#8220;Peredur,&#8221; de held wordt hier Perceval
+genoemd. Hij wordt in ridderlijke kundigheden opgeleid door een ouden ridder Gonemans geheeten, die hem waarschuwt tegen te
+veel praten en vragen te doen. Als hij komt aan het Kasteel der Wonderen worden in de zaal gebracht een van bloed druipende
+lans, een &#8220;graal&#8221; vergezeld van twee dubbelarmige kandelaars, waarvan het licht door het schijnsel van den graal wordt overstraald,
+een zilveren schotel en een zwaard; dit laatste wordt aan Perceval gegeven. Het bloedend hoofd van het verhaal uit Wales verschijnt
+niet, ook wordt ons niet verteld wat de graal was. Toen Perceval den volgenden dag uit reed, ontmoette hij een meisje dat
+hem heftige verwijten deed, omdat hij niet had gevraagd naar de beteekenis van hetgeen hij zag&#8212;had hij dat gedaan dan zou
+de kreupele koning (hier dezelfde als de heer van het Kasteel der Wonderen) weer beter zijn geworden. Perceval&#8217;s <a id="d0e7261"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7261">373</a>]</span>zonde, dat hij zijn moeder tegen haar zin verliet, was de reden dat hij werd weerhouden van het stellen van de vraag, die
+de betoovering zou hebben verbroken. Dit is een zeer pover brok vinding, want het was blijkbaar Peredur&#8217;s lot zich te wapenen
+en het Graal-avontuur te bestaan, en hij beging geen zonde met dit te doen. Verder in het verhaal ontmoet Perceval een afzichtelijk
+uitziende joffer die hem verwenscht omdat hij verzuimde vragen te doen aangaande de lans en de andere wonderen&#8212;had hij dat
+gedaan dan zou de koning weer beter zijn geworden en zijn land in vrede hebben geregeerd, maar nu zullen maagden onteerd,
+ridders gedood, vrouwen tot weduwen en kinderen tot weezen gemaakt worden.
+
+</p>
+<p>Deze opvatting van de vraag-episode lijkt mij radikaal verschillend van die welke werd aangenomen in de lezing van Wales.
+Het is kenmerkend voor Peredur dat hij altijd doet zooals hem door de bevoegde macht wordt voorgeschreven. De vraag was een
+proef van gehoorzaamheid en zelfbeheersching en hij bestond die. In toover-literatuur wordt nieuwsgierigheid dikwijls bestraft,
+bescheidenheid en terughoudendheid nooit. Het verhaal uit Wales behoudt hier, dunkt mij, den oorspronkelijken vorm der geschiedenis.
+Maar de Fransche schrijvers beschouwden ten onrechte het niet stellen van vragen als een fout van den held en bedachten een
+oppervlakkige en ongemotiveerde theorie van de episode en haar gevolgen. Toch, vreemd genoeg, vond de Fransche opvatting ingang
+in latere lezingen van het verhaal uit Wales en zulk een lezing is die welke voorkomt in de &#8220;Mabinogion.&#8221; Tegen het eind van
+het verhaal ontmoet Peredur een afschuwelijke joffer, wier schrikwekkend uiterlijk levendig wordt beschreven, en die hem heftig
+gispt, omdat hij niet vroeg naar de beteekenis van de wonderen op het Kasteel. &#8220;Hadt gij dat gedaan, de koning zou weer gezond
+zijn geworden en in zijn land zou de vrede zijn teruggekeerd. Terwijl hij van nu af gevechten en conflicten zal hebben te
+doorstaan, en zijn ridders zullen omkomen, en vrouwen zullen weduwen worden en meisjes zonder bruidschat worden achtergelaten,
+en dat alles door uw schuld.&#8221; Ik <a id="d0e7265"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7265">374</a>]</span>beschouw deze walgelijke joffer als klaarblijkelijk in het verhaal van Wales te zijn geschoven. Zij kwam er in rechtstreeks
+uit het geschrift van Chrestien. Dat zij niet oorspronkelijk behoorde bij het verhaal van Peredur schijnt te blijken uit het
+feit, dat in dat verhaal de kreupele lord, die Peredur vermaant zich van vragen te onthouden, volgens haar juist de persoon
+is, die er bij zou hebben gewonnen als hij het wel gedaan had. Feitelijk doet Peredur de vraag nimmer en zij speelt geen rol
+in de ontknooping van de geschiedenis.
+
+</p>
+<p>Chrestien&#8217;s onvoltooid verhaal bericht van verdere avonturen van Peredur en van zijn vriend en makker, den ridder Gauvain,
+maar geeft nimmer een verklaring van de beteekenis der geheimzinnige dingen in het kasteel gezien. Zijn voortzetters, van
+welke Gautier de eerste was, berichten dat de Graal was de Beker van het Laatste Avondmaal en de lans die welke bij de kruisiging
+Christus in de zijde had doorboord; en dat Peredur ten slotte terugkeert naar het kasteel, de noodige vraag doet en zijn oom
+opvolgt als heer van het kasteel en bewaarder van de schatten ervan.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Wolfram von Eschenbach.</h3>
+<p>In de geschiedenis zooals die is gegeven door Wolfram von Eschenbach, die omstreeks 1200 schreef&#8212;zoowat twintig jaar later
+dan Chrestien de Troyes, met wiens werk hij bekend was&#8212;vinden wij een nieuwe en eenige voorstelling van den Graal. Hij zegt
+van de ridders van het Graal-Kasteel:
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Si lebent von einem steine
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Des gesl&auml;hte ist v&icirc;l reine....
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Es heizet <i>lapsit [lapis] exill&icirc;s</i>,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Der stein ist ouch genannt der Gr&acirc;l.&#8221;<a id="d0e7286src" href="#d0e7286" class="noteref">40</a></span></p>
+</div>
+</div>
+<p>Hij was oorspronkelijk uit den hemel gehaald door een vlucht engelen en neergelegd in Anjou, als de waardigste <a id="d0e7296"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7296">375</a>]</span>streek om hem te ontvangen. De werking er van wordt onderhouden door een duif die telkens op Goede Vrijdag uit den hemel komt
+en op den Graal een gewijde hostie legt. Hij wordt bewaard in het Kasteel van Munsalv&auml;sche (Montsalvat) en bewaakt door vierhonderd
+ridders, die allen, met uitzondering van hun koning, de gelofte der kuischheid hebben afgelegd. De koning mag trouwen, en
+hem is dat zelfs, ten einde de opvolging te verzekeren, door den Graal bevolen, die zijn boodschappen aan de menschen overbrengt,
+door schrift dat er zichtbaar op wordt en dat verdwijnt wanneer het is ontcijferd. Ten tijde van Parzival is Anfortas de koning.
+Hij kan niet sterven in tegenwoordigheid van den Graal, maar hij lijdt aan een wond die, omdat hij die kreeg door wereldschen
+trots en in het najagen van verboden liefde, door den invloed van den Graal niet kan worden geheeld voordat de voorbestemde
+verlosser de betoovering zal verbreken. Dit had Parzival moeten doen door te vragen: &#8220;Wat schort u, oom?&#8221; De Fransche lezing
+laat Parzival in nieuwsgierigheid te kort schieten&#8212;Wolfram vat het te kort schieten op als een gebrek aan sympathie. In elk
+geval schiet hij te kort en vindt den volgenden morgen het kasteel verlaten en zijn paard voor hem gereed staand bij de poort;
+als hij vertrekt wordt hij bespot door dienaren, die aan de vensters van de torens verschijnen. Na vele avonturen, geheel
+verschillend zoowel van die in Chrestien&#8217;s &#8220;Conte del Graal&#8221;, als in &#8220;Peredur&#8221;, vindt Parzival, die de maagd Condwiramur heeft
+gehuwd, zijn weg terug naar het Graal-Kasteel&#8212;dat niemand bezoeken kan dan die daartoe is voorbestemd en door den Graal zelf
+verkozen&#8212;verbreekt de betoovering en heerscht over de Graal-gebieden, terwijl zijn zoon Loherangrain de Ridder van den Zwaan
+wordt, die rond trekt om onrecht goed te maken, en die, evenals alle Graal-ridders, zijn naam en afkomst niet aan de buitenwereld
+mag openbaren. Wolfram vertelt, dat hij zijn verhaal in hoofdzaak ontleende aan den Proven&ccedil;aalschen dichter Kyot of Guiot&#8212;&#8220;Kyot,
+der meister wol bekannt&#8221;&#8212;die op zijn beurt&#8212;maar dit is waarschijnlijk niets dan een romantische <a id="d0e7298"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7298">376</a>]</span>verdichting&#8212;beweerde het verhaal te hebben gevonden in een Arabisch boek te Toledo, geschreven door een heiden genaamd Flegetanis.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De voortzetters van Chrestien.</h3>
+<p>Wat precies het materiaal mag zijn geweest voor Chrestien de Troyes kunnen wij niet zeggen, maar zijn verschillende mede-werkers
+en voortzetters, in het bijzonder Manessin, staan allen stil bij het Christelijk karakter van hetgeen Parzival in het kasteel
+werd vertoond, en de vraag rijst: hoe kwam het aan dat karakter? Uit de geschiedenis van Wales, stellig de meest verouderde
+vorm der legende, blijkt dat het dit karakter niet van den beginne af had. Een aanwijzing in een van de Fransche vervolgen
+op Chrestien&#8217;s &#8220;Conte&#8221;, kan dienen om ons op het spoor te brengen. Gautier, de schrijver van dat vervolg, vertelt ons van
+een poging van Gauvain (Sir Gawain) om het Graal-avontuur ten einde te brengen. Hij slaagt ten deele en dit gedeeltelijk succes
+heeft ten gevolge, dat de landen om het kasteel, die woest en onbebouwd waren, weer bloeiend en vruchtbaar werden. Behalve
+zijn andere eigenschappen, heeft de Graal dus een toovermacht om aanwas, rijkdom en verjonging te bevorderen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Graal een talisman van overvloed.</h3>
+<p>Het karakter van een hoorn des overvloeds, een zinnebeeld en bewerker van overvloed en levenskracht, is nauw met den Graal
+verbonden in alle lezingen van de legende. Zelfs in de verhevenste en minst wereldsche er van, de &#8220;Parzival&#8221; van Wolfram von
+Eschenbach, komt dit sterk uit. Een zieke of gewonde die er naar keek kon niet binnen de week sterven, ook konden de dienaren
+er van niet oud worden: &#8220;al keek iemand er ook twee honderd jaar naar, zijn haar zou nimmer vergrijzen.&#8221; De Graal-ridders
+leefden er van, schijnbaar doordat hij in alle soorten van spijs en drank het brood veranderde dat pages hun aanboden. Elk
+had het voedsel dat hem leek, <i>&agrave; son gr&eacute;</i>&#8212;van dat woord <i>gr&eacute;</i>, <i>gr&eacute;able</i> was de naam <a id="d0e7319"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7319">377</a>]</span>Gral, die in de Fransche lezingen voorkwam, geacht te zijn afgeleid.<a id="d0e7321src" href="#d0e7321" class="noteref">41</a> Alle wenschen werden er door vervuld. In Wolfram&#8217;s gedicht was de Graal, zooals wij zagen, hoewel verband houdend met de
+H. Hostie, een steen, geen beker. Hij komt dus voor als een overblijfsel van de oude steen-aanbidding. Het is opmerkelijk
+dat een dergelijke Steen des Overvloeds ook voorkomt in &#8220;Peredur&#8221;, hoewel niet als een der mysteries van het kasteel. Hij
+werd bewaakt door een zwarte slang, die Peredur doodde, en hij gaf den steen aan zijn vriend Etlyn.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De Keltische ketel des overvloeds.</h3>
+<p>De lezer is nu algeheel vertrouwd geraakt met een voorwerp dat het karakter heeft van een talisman van overvloed en verjonging
+in Keltische mythen. Als Ketel van den Dagda kwam hij in Ierland met de Danaans uit hun geheimzinnig tooverland. In legenden
+van Wales kreeg Bran de Gezegende hem uit Ierland, waar hij weer terug kwam als deel van Branwen&#8217;s bruidschat. In een vreemd
+en mystisch gedicht van Taliesin komt hij voor als behoorend tot den buit van &#8217;t Schimmenrijk of Annwn, van daar meegebracht
+door Arthur, in een tragisch avontuur waarvan overigens geen melding wordt gemaakt. Volgens Taliesin wordt hij bewaard in
+Caer Pedryvan, het Kasteel van Pwyll; het vuur dat hem verwarmde werd aangeblazen door den adem van negen maagden, de rand
+was met paarlen bezet en het voedsel van een lafaard of meineedige kon er niet op worden gekookt<a id="d0e7332src" href="#d0e7332" class="noteref">42</a>:
+<a id="d0e7335"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7335">378</a>]</span></p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Ben ik niet een wien roem zal geworden, als zanger
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">In Caer Pedryvan viermaal te worden gehoord?
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8217;t Eerste woord van den ketel, wanneer werd het gesproken?
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Door den adem van negen maagden werd hij zachtkens verwarmd.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Is het niet de ketel van den heerscher van Annwn? Hoe is zijn gedaante?
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Zijn rand is geheel in paarlen gevat.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Hij zal geen spijs koken van lafaard of meineedige.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Een hel oplaaiend zwaard zal tegen hem geheven worden,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">En gelaten in de hand van Lleminawg.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">En voor de deur van de poort van Uffern<a id="d0e7357src" href="#d0e7357" class="noteref">43</a> brandde de lamp.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Toen wij gingen met Arthur&#8212;een schitterend bestaan&#8212;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Keerde geen, buiten zeven, van Caer Vedwyd<a id="d0e7364src" href="#d0e7364" class="noteref">44</a> weer.</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>Nog vroeger vertegenwoordigt de ketel de Zon, die in de vroegste Arisch-Indische mythen voorkomt als een gouden vat, dat licht,
+warmte en vruchtbaarheid uitstort. De lans is het bliksemwapen van den Dondergod, Indra, die in de Noorsche mythologie als
+de hamer van Thor verschijnt. Het zoeken naar deze dingen beteekent dat men zich den een of anderen goddelijken kampioen voorstelde
+als hersteller van de heilzame opvolging der seizoenen, door de eene of andere tijdelijke storing in de war gebracht, zooals
+deze nog in onze dagen hongersnood en jammer over Indi&euml; brengen.
+
+</p>
+<p>Nu hebben wij blijkbaar in &#8220;Peredur,&#8221; het verhaal uit Wales, een schets van het oorspronkelijke Keltische verhaal, maar de
+Graal komt er niet in voor. Men mag evenwel aannemen uit Gautier&#8217;s vervolg op Chrestien&#8217;s gedicht, dat een talisman van overvloed
+voorkwam in oude lezingen van de legende op het vasteland, vermoedelijk Bretagne. In &eacute;en lezing althans&#8212;die waarop Wolfram
+zijn &#8220;Parzival&#8221; bouwde&#8212;was die talisman een steen. Maar in den regel zal het niet een steen zijn geweest, maar een ketel of
+vat van den een of anderen aard, bedeeld met de gewone eigenschappen van den tooverketel der Keltische mythen. Dit vat werd
+in verband gebracht met een van bloed druipende lans. Dit waren de suggestieve bestanddeelen waaruit een onbekende zanger,
+in <a id="d0e7371"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7371">379</a>]</span>een oogenblik van inspiratie het oude verhaal van wraak en verlossing omzette in de mystische vertelling die dadelijk hart
+en ziel van de Christenheid vervulde. De tooverketel werd de beker van het H. Avondmaal, de lans werd belast met een vreeselijker
+schuld dan de dood van Peredur&#8217;s bloedverwant<a id="d0e7373src" href="#d0e7373" class="noteref">45</a>. Keltische po&euml;zie, Duitsche mystiek, Christelijke ridderlijkheid, en tooverbegrippen, die nog hangen aan de ruwe steenen
+gedenkteekens van West Europa&#8212;dat alles vereenigde zich om het Graal-verhaal te vormen en het die zonderlingebekoring te geven
+die er toe leidde dat kunstenaar na kunstenaar het gedurende zeven eeuwen herschiep. En wie kan nu nog zeggen dat het eindelijk
+heeft uitgediend en dat de torens van Montsalvat zijn opgegaan in den nevel waaruit zij te voorschijn kwamen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Het verhaal van Taliesin.</h3>
+<p>Van de verhalen in de verzameling door Lady Charlotte Guest de &#8220;Mabinogion&#8221; genoemd, wordt alleen het verhaal van de geboorte
+en de avonturen van den mythischen bard Taliesin, den Amergin van de Kimbrische legende, niet gevonden in het veertiende-eeuwsch
+handschrift getiteld &#8220;Het Roode Boek van Hergest.&#8221; Het is geput uit een handschrift van het laatst der zestiende of zeventiende
+eeuw en schijnt nooit in Wales zeer populair te zijn geweest. Veel van de zeer duistere po&euml;zie aan Taliesin toegeschreven
+kan men er in vinden en dit is veel ouder dan het proza. Het doel van het verhaal is trouwens, zooals Nutt heeft aangetoond
+in zijn uitgave van de &#8220;Mabinogion,&#8221; veeleer een soort van omlijsting te vormen teneinde verspreide verzen toegeschreven aan
+Taliesin aan elkaar te rijgen, dan een samenhangend verhaal over hem en zijn daden te vertellen.
+
+</p>
+<p>De geschiedenis van de geboorte van den held is het belangwekkendst van het verhaal. Daar leefde, zoo heette het, <a id="d0e7389"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7389">380</a>]</span>&#8220;in den tijd van Arthur van de Tafelronde&#8221;,<a id="d0e7391src" href="#d0e7391" class="noteref">46</a> een man genaamd Tegid Voel van Penllyn, wiens vrouw Ceridwen heette. Zij hebben een zoon genaamd Avagddu, die de leelijkste
+man van de wereld was. Om zijn gebrek aan schoonheid te vergoeden besloot zijn moeder een wijze van hem te maken. Daartoe
+nam zij, in overeenstemming met de kunst van de boeken van Feryllt,<a id="d0e7394src" href="#d0e7394" class="noteref">47</a> haar toevlucht tot de groote Keltische bron van magischen invloed&#8212;een ketel. Zij begon een &#8220;ketel van inspiratie en wetenschap
+voor haar zoon te koken, opdat hij waardig zou worden ontvangen om zijn kennis van de mysterie&euml;n van den toekomstigen staat
+der wereld.&#8221; De ketel zou een jaar en een dag niet mogen ophouden te koken en slechts in drie droppels er van zou de tooverkracht
+van het brouwsel worden gevonden.
+
+</p>
+<p>Zij stelde Gwion Bach, zoon van Gwreang van Llanfair, aan om in den ketel te roeren, en een blinden man Morda geheeten, om
+het vuur aan den gang te houden, en zij hield bezweringen over den ketel en deed er tooverkruiden in van tijd tot tijd, zooals
+Feryllt&#8217;s boek voorschreef. Maar op zekeren dag tegen het eind van het jaar vlogen drie droppels van het toovervocht uit den
+ketel en kwamen terecht op Gwion&#8217;s vinger. Evenals Finn mac Cumhal bij een dergelijke gelegenheid, bracht hij zijn vinger
+in den mond, en hij werd daarop onmiddellijk met bovennatuurlijk inzicht begiftigd. Hij begreep, dat hij had verworven wat
+voor Avagddu was bestemd, en hij begreep ook dat Ceridwen hem er voor zou ombrengen als zij kon. Hij vluchtte daarom naar
+zijn eigen land, en de ketel, beroofd van de gewijde droppels, bevatte nu niets dan vergif; door de werking daarvan barstte
+de ketel en het vocht liep in een nabijen stroom en vergiftigde de paarden van Gwyddno Garanhir, die van het water dronken.
+Vandaar dat de stroom van dien tijd af heette het Vergif van de Paarden van Gwyddno.
+
+</p>
+<p>Nu kwam Ceridwen voor den dag en zag dat haar werk van <a id="d0e7401"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7401">381</a>]</span>een jaar verloren was. In haar woede sloeg zij Morda met een blok brandhout een oog uit en zette toen Gwion Bach achterna.
+Hij zag haar en veranderde zich in een haas. Zij werd een hazewind. Hij sprong in de rivier en werd een visch en zij zette
+hem als otter achterna. Hij werd een vogel, zij een havik. Toen veranderde hij zich in een graankorrel en viel onder de andere
+korrels op een dorschvloer en zij werd een zwarte hen en verslond hem. Negen maanden later baarde zij hem als kind; en zij
+had het willen dooden, maar zij kon het niet omdat het zoo schoon was: &#8220;Zij stopte het dus in een leeren zak en smeet den
+zak in zee op God&#8217;s genade.&#8221;
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De buitenkans van Elphin.</h3>
+<p>Nu had Gwyddno, de man van de vergiftigde paarden, een dam voor de zalmvangst aan het strand tusschen Dyvi en Aberystwyth.
+En zijn zoon Elphin, een arme onfortuinlijke knaap, vischte op zekeren dag den leeren zak op, toen die tegen den dam dreef.
+Zij openden den zak en vonden het kind er in. &#8220;Zie, welk een stralend gelaat!&#8221;<a id="d0e7408src" href="#d0e7408" class="noteref">48</a> zeide Gwyddno. &#8220;Hij zij Taliesin geheeten&#8221;, zeide Elphin. En zij brachten zeer voorzichtig het kind naar huis en voedden
+het op als hun eigen. En dit was Taliesin, de eerste bard van de Kimbren; en het eerste gedicht dat hij maakte, was een loflied
+op Elphin en een voorspelling van geluk in de toekomst. En deze werd bewaarheid, want Elphin steeg dagelijks in rijkdom en
+aanzien en in de genegenheid en de gunst van Koning Arthur.
+
+</p>
+<p>Maar op zekeren dag dat Koning Arthur en al wat tot hem behoorde, boven mate werden geroemd, pochte Elphin erop, dat hij een
+vrouw had even deugdzaam als er maar een was aan Arthur&#8217;s Hof, en een bard knapper dan de barden des Konings; en hij werd
+in de gevangenis geworpen totdat zou blijken, dat hij zijn pochen goed kon maken. En terwijl hij daar lag met een zilveren
+ketting om de voeten, werd een verdorven kerel, Rhun geheeten, gezonden om de vrouw van <a id="d0e7413"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7413">382</a>]</span>Elphin het hof te maken en bewijzen mee te brengen van hare zwakheid; en men zeide, dat er geen maagd of vrouw was met wie
+Rhun verkeerde, of er werd kwaad van haar gesproken.
+
+</p>
+<p>Taliesin ried toen zijn meesteres zich te verstoppen, en zij gaf haar kleeren en juweelen aan een van de keukenmeiden, die
+Rhun ontving alsof zij de meesteres was van het huis. En na het avondeten diende Rhun de meid drank toe en zij werd beschonken
+en viel in diepen slaap; toen sneed Rhun een harer vingers af, waaraan de zegelring stak die Elphin een poosje te voren aan
+zijn vrouw had gezonden. Rhun bracht den vinger met den ring er aan naar Arthur&#8217;s Hof.
+
+</p>
+<p>Den dag daarop werd Elphin uit de gevangenis gehaald en men liet hem den vinger met den ring zien, waarop hij zeide: &#8220;Met
+uw welnemen, machtige Koning, ik ontken niet, dat de ring van mij is, maar de vinger waaraan hij steekt was nooit van mijn
+vrouw. Want dit is de pink en de ring past er precies aan, maar mijn vrouw kon hem ternauwernood aan haar duim houden. En
+bovendien is mijn vrouw gewoon elken Zaterdagavond haar nagels te knippen en deze nagel is zeker niet in een maand geknipt.
+En ten derde, de hand waaraan deze vinger hoorde heeft minder dan drie dagen geleden roggedeeg gekneed, maar mijn vrouw heeft
+nooit roggedeeg gekneed sedert zij mijn vrouw is geweest.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen was de Koning boos, omdat zijn proef mislukt was en hij zond Elphin naar de gevangenis terug, totdat hij kon bewijzen
+wat hij omtrent zijn bard had beweerd.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Taliesin, de voornaamste bard van Brittanni&euml;.</h3>
+<p>Toen ging Taliesin naar het Hof en op een feestdag toen de barden en minstreels des Konings voor hem zouden zingen, stak Taliesin,
+toen zij hem, die rustig in een hoek zat, voorbijgingen, zijn lippen vooruiten speelde &#8220;Blerwm, blerwm&#8221;, met zijn vinger op
+den mond. En toen de barden voor den Koning zouden optreden, ziet, toen was er een betoovering over hen, en zij konden niets
+doen dan buigen voor hem en spelen &#8220;Blerwm, <a id="d0e7426"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7426">383</a>]</span>blerwm&#8221;, met hun vingers op de lippen. En hun hoofd Heinin zeide: &#8220;O Koning, wij zijn niet dronken van wijn, maar stom onder
+den invloed van den geest, die daar zit in gindschen hoek, in de gedaante van een kind.&#8221; Toen werd Taliesin voor den Koning
+gebracht en men vroeg hem wie hij was en waar hij vandaan kwam. En hij zong als volgt:
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Eerste der barden ben ik bij Elphin,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">En het land mijner afkomst is het rijk der zomersterren;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Idno en Heinin noemden mij Merddin,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">In &#8217;t eind zal mij ieder wezen noemen Taliesin.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Ik was met mijn Heer in de hoogste sferen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Toen Lucifer viel in de diepte der hel;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik droeg een banier voor Alexander uit;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik ken de namen der sterren van noord tot zuid.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Ik was in Kanaan toen Absalom gedood werd,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik was in het hof van D&#333;n v&oacute;&oacute;r de geboorte van Gwydion.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik was op de plaats der kruisiging van den barmhartigen Zoon Gods;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik was tot driemaal toe in de gevangenis van Arianrod.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Ik was in Azi&euml; met Noach in de ark,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik zag de verdelging van Sodom en Gomorrah.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik was in Indi&euml; toen Rome gebouwd werd.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Nu kwam ik hier naar wat van Troja<a id="d0e7464src" href="#d0e7464" class="noteref">49</a> nog bleef.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Ik was met mijn Heer in des ezels kribbe,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik sterkte Mozes door de wateren van den Jordaan;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik was in den hemel met Maria Magdalena;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik ontving de Muze uit den ketel van Ceridwen.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Ik zal tot den jongsten dag zijn op het vlak der aarde;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">En men weet niet of mijn lichaam vleesch is dan visch.</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Toen was ik negen maanden
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">In den schoot van de heks Ceridwen;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ik was aanvank&#8217;lijk kleine Gwion,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">En in &#8217;t eind ben ik Taliesin.&#8221;<a id="d0e7490src" href="#d0e7490" class="noteref">50</a></span></p>
+</div>
+</div>
+<p>Terwijl Taliesin zong, stak een groote storm op, en het kasteel trilde door het geweld er van. Toen liet de Koning <a id="d0e7497"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7497">384</a>]</span>Elphin voor zich brengen en toen hij kwam vielen, bij de muziek van Taliesin&#8217;s stem en harp, de kettingen van zelf van hem
+en hij was vrij. En vele andere gedichten betreffende geheime dingen van verleden en toekomst zong Taliesin voor den Koning
+en zijn edelen, en hij voorspelde dat de Saksers in het land zouden komen en de Kimbren verdrukken, en hij voorspelde ook
+dat zij heen zouden gaan wanneer de dag zou zijn gekomen.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Besluit.</h3>
+<p>We eindigen hiermede dit lange overzicht van de legendaire literatuur der Kelten. De stof is zeer rijk en het is uit den aard
+der zaak niet mogelijk in een boekdeel als dit meer te doen dan de voornaamste strooming aan te wijzen van de ontwikkeling
+der legendaire literatuur tot op den tijd, toen het mythische en legendaire element geheel verdween en vrije literaire vinding
+daarvoor in de plaats kwam. De lezer dezer bladzijden zal echter, naar wij hopen, een algemeen begrip van het onderwerp hebben
+verkregen, dat hem zal in staat stellen de beteekenis te begrijpen van verhalen, die wij hier niet konden behandelen, en daaraan
+de hun passende plaats te geven in een of ander van de groote cyclen van Keltische legenden. Men zal opmerken, dat wij het
+uitgebreide gebied van de Keltische folk-lore niet betraden. Folk-lore werd niet geacht te vallen binnen het kader van dit
+werk. Folk-lore kan soms verbasterde mythologie geven, soms mythologie in wording. In beide gevallen is het bijzondere kenmerk
+er van dat ze behoort tot en komt van een klasse van menschen wier dagelijksch leven hen in nauwe aanraking brengt met den
+grond, werkers op het veld en in het bosch, die met eenvoudige oprechtheid, in verhalen of door tooverformules hun indrukken
+weergeven van natuurlijke of bovennatuurlijke machten, die hun eigen leven omringen. Mythologie in den eigenlijken zin van
+het woord treedt eerst daar op waar verstand en verbeelding tot een trap van ontwikkeling zijn gekomen, hooger dan die gewoonlijk
+voor den boerengeest bereikbaar&#8212;<a id="d0e7504"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7504">385</a>]</span>waar de mensch is begonnen zijn verspreide indrukken samen te vatten en den aandrang heeft gevoeld daarvan dichterlijke scheppingen
+te maken, die universeele begrippen weergeven. Natuurlijk wordt hiermee niet beweerd, dat er altijd een scherpe grens kan
+worden getrokken tusschen mythologie en folk-lore; toch lijkt het mij gegrond het onderscheid te maken en ik heb getracht
+dat in deze bladzijden in het oog te houden.
+
+</p>
+<p>Na de twee historische overzichten, waarmede onze verhandeling begon, was het doel van het boek meer letterkundig dan wetenschappelijk.
+Ik heb evenwel gepoogd, waar de gelegenheid zich voordeed, uitkomsten mede te deelen van latere critische geschriften over
+de overblijfselen van Keltische mythen en legenden, die althans kunnen strekken den lezer aan te duiden den aard der critische
+problemen, die daarmee samenhangen. Ik hoop, dat daardoor de waarde van het boek voor den studeerende iets is verhoogd, terwijl
+het aan de attractie er van voor den gewonen lezer geen afbreuk doet. Verder kan ik in dien zin dit werk als wetenschappelijk
+laten gelden, dat het zooveel mogelijk eenige aanpassing van de stof aan den populairen smaak vermijdt. Zulk een aanpassing,
+wanneer ze geschiedt met een uitgesproken artistiek doel, is natuurlijk volkomen gewettigd; ware het anders, wij zouden de
+helft van de groote wereldpo&euml;zie moeten veroordeelen. Maar hier was het doel de mythen en legenden der Kelten weer te geven
+zooals zij in de werkelijkheid zijn. Het ruwe is niet weggedoezeld, pijnlijke of monsterlijke dingen zijn niet weggelaten,
+behalve in enkele gevallen, waar het noodig was te bedenken, dat dit boek zich richt tot een breeder kring dan die van wetenschappelijke
+beoefenaars alleen. De lezer kan er, geloof ik, van verzekerd zijn, dat hij hier heeft een in wezen onpartijdige en niet ge&iuml;dealiseerde
+voorstelling van den Keltischen kijk op het leven en de wereld, in een tijd, toen de Kelt nog een vrij, onafhankelijk, natuurlijk
+leven leidde, zijn opvattingen uitwerkte in de Keltische taal en niet meer aan vreemde bronnen ontleende dan hij kon assimileeren
+en zijn eigen maken. De aldus behandelde legendaire literatuur is <a id="d0e7508"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7508">386</a>]</span>de oudste niet klassieke letterkunde van Europa. Dit geeft haar, dunkt mij, al op zichzelf voldoende aanspraak op onze volle
+aandacht. Welke andere aanspraken zij moge hebben, hierover zouden vele bladzijden kunnen worden gevuld met aanhalingen uit
+de oordeelkundige lofuitingen er aan toegekend door beoordeelaars niet van Keltische nationaliteit, van Matthew Arnold af.
+Hier moge zij voor zichzelf spreken. Zij zal ons, geloof ik, leeren dat, zooals Maeld&#363;n zeide van een van de wonderen, die
+hij op zijn reis in het Tooverland ontmoette: &#8220;Wat wij hier zien was het werk van machtige mannen.&#8221;
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6184" href="#d0e6184src" class="noteref">1</a></span> Het Keltisch van de Schotsche Hooglanden. (<span class="abbr" title="Noot van den vertaler"><abbr title="Noot van den vertaler">N.v.d.v.</abbr></span>).
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6190" href="#d0e6190src" class="noteref">2</a></span> &#8220;The Mabinogion&#8221;, blz. 45 en 54.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6199" href="#d0e6199src" class="noteref">3</a></span> Spreek uit &#8220;Annoon&#8221;. Dit woord werd in de oudste literatuur gebruikt voor Schimmenrijk of Tooverland.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6254" href="#d0e6254src" class="noteref">4</a></span> &#8220;Barddas,&#8221; deel I, blz. 224 <span class="abbr" title="en verder"><abbr title="en verder">e.v.</abbr></span></p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6337" href="#d0e6337src" class="noteref">5</a></span> Hoe vreemd het ons ook moge voorkomen, de aard van dit voorwerp stond volstrekt niet van den beginne af vast. In het gedicht
+van Wolfram von Eschenbach was het een steen met toovermacht bedeeld. Door de eerste vertellers wordt het woord afgeleid van
+<i>gr&eacute;able</i>, iets prettigs om te bezitten en te genieten en waardoor men <i>&agrave; son gr&eacute;</i> kon hebben wat men wenschte. Over de Graal-legende later, in verband met het verhaal uit Wales: &#8220;Peredur.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6352" href="#d0e6352src" class="noteref">6</a></span> In tegenstelling met de andere groote vooraadschuur van po&euml;tische legenden, de <i>Mati&egrave;re de Bretagne</i>&#8212;i.e. de Arthur-sage.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6372" href="#d0e6372src" class="noteref">7</a></span> Zie blz. <a href="#d0e2683">88</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6385" href="#d0e6385src" class="noteref">8</a></span> &#8220;Cultur der Gegenwart&#8221; I, IX.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6388" href="#d0e6388src" class="noteref">9</a></span> Een lijst van hen komt voor in Lobineau&#8217;s &#8220;Histoire de Bretagne.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6410" href="#d0e6410src" class="noteref">10</a></span> Zie e.g. blz. <a href="#d0e4827">223</a> en <a href="#d0e4454">199</a> <i>noot</i>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6422" href="#d0e6422src" class="noteref">11</a></span> Zie blz. <a href="#d0e4707">215</a> en een dergelijk geval in des schrijver&#8217;s &#8220;High Deeds of Finn,&#8221; blz. 82.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6428" href="#d0e6428src" class="noteref">12</a></span> Zie blz. <a href="#d0e4661">213</a> en het verhaal van het terug krijgen van de &#8220;Tain,&#8221; blz. <a href="#d0e4707">215</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6444" href="#d0e6444src" class="noteref">13</a></span> &#8220;Pwyll Koning van Dyfed,&#8221; &#8220;Bran en Branwen,&#8221; &#8220;M&#257;th Zoon van M&#257;thonwy,&#8221; en &#8220;Manawyddan Zoon van Lyr.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6449" href="#d0e6449src" class="noteref">14</a></span> Zie blz. <a href="#d0e2734">91</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6474" href="#d0e6474src" class="noteref">15</a></span> &#8220;Hibbert Lectures&#8221; blz. 237&#8211;240.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6479" href="#d0e6479src" class="noteref">16</a></span> Zie blz. <a href="#d0e2479">73</a>, <a href="#d0e2793">94</a> enz. Natuurlijk is Lugh = Lux, licht. De Keltische woorden <i>Lamh</i> en <i>Llaw</i> werden beurtelings voor hand, of arm gebruikt.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6499" href="#d0e6499src" class="noteref">17</a></span> In zijn &#8220;Mythology of the British Islands,&#8221; 1905, heeft de heer Squire op heldere en boeiende wijze de jongste uitkomsten
+van de onderzoekingen over dit onderwerp bijeengebracht.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6540" href="#d0e6540src" class="noteref">18</a></span> Finn en Gwynn zijn respectievelijk de Galische en Kimbrische vormen van den zelfden naam, beteekenend schoon of blank.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6548" href="#d0e6548src" class="noteref">19</a></span> &#8220;Mythology of the British Islands&#8221; blz. 225.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6563" href="#d0e6563src" class="noteref">20</a></span> In den tekst staat &#8220;Fairy&#8221; en de schrijver teekent zelf daarbij in een noot aan: &#8220;De beteekenis schijnt hier onzeker, en wordt
+verschillend weergegeven.&#8221; Hoe, dat zegt hij niet. Ik liet het woord dan ook maar onvertaald. (Noot v.d.v.)
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6629" href="#d0e6629src" class="noteref">21</a></span> Fransch <i>Clos</i> (Noot v.d.v.)
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6635" href="#d0e6635src" class="noteref">22</a></span> Rhys, &#8220;Hibbert Lectures&#8221;; de aanhaling is uit de oude sage van Merlin, uitgegeven door de &#8220;English Text Society,&#8221; blz. 693.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6640" href="#d0e6640src" class="noteref">23</a></span> Mythology of the British Islands,&#8221; blz 325, 326; Rhys, &#8220;Hibbert Lectures,&#8221; blz. 115 en v.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6648" href="#d0e6648src" class="noteref">24</a></span> In de &#8220;Iolo MSS.,&#8221; verzameld door Edward Williams.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6677" href="#d0e6677src" class="noteref">25</a></span> Zie blz. <a href="#d0e2809">95</a>, <a href="#d0e5259">250</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6692" href="#d0e6692src" class="noteref">26</a></span> Het blijkt dat wij hier ver zijn van de primitieve Keltische legende. De helden vechten als ridders in de middeneeuwen, te
+paard, elkander met hun lansen stekend, niet op wagens of te voet, en niet met de vreemde wapens die voorkomen in Galische
+krijgsverhalen.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6722" href="#d0e6722src" class="noteref">27</a></span> H&#275;n, de Oude; een epitheton dat doorgaans aan iets overouds doet denken in verband met mythologische overlevering.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6777" href="#d0e6777src" class="noteref">28</a></span> Blijkbaar was dit het driehoekige Normandische schild, niet het ronde of ovale Keltische. Het is reeds opgemerkt, dat in deze
+verhalen uit Wales, de ridders, wanneer zij vechten, elkander met speren steken.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6782" href="#d0e6782src" class="noteref">29</a></span> Men kan uitspreken: &#8220;Matholaw.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6813" href="#d0e6813src" class="noteref">30</a></span> Vergelijk&nbsp;de&nbsp;beschrijving&nbsp;van&nbsp;Mac&nbsp;Cecht&nbsp;in&nbsp;het&nbsp;verhaal&nbsp;van&nbsp;de pleisterplaats&nbsp;van&nbsp;De&nbsp;Derga&nbsp;blz.&nbsp;<a href="#d0e3861">156</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6845" href="#d0e6845src" class="noteref">31</a></span> Waar&nbsp;nu&nbsp;de&nbsp;Tower&nbsp;van&nbsp;Londen&nbsp;staat.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6855" href="#d0e6855src" class="noteref">32</a></span> Deze&nbsp;verhalen&nbsp;worden&nbsp;altijd, in&nbsp;Ierland&nbsp;en&nbsp;Wales, in betrekking gebracht met&nbsp;bestaande&nbsp;begraafplaatsen. In&nbsp;1813&nbsp;werd&nbsp;een&nbsp;grafurne&nbsp;gevonden,
+bevattende&nbsp;asch&nbsp;en&nbsp;half&nbsp;verbrande&nbsp;beenderen,&nbsp;op&nbsp;de&nbsp;plek&nbsp;die&nbsp;naar de&nbsp;traditie&nbsp;werd&nbsp;ondersteld&nbsp;het&nbsp;graf&nbsp;te&nbsp;zijn&nbsp;van&nbsp;Branwen.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6874" href="#d0e6874src" class="noteref">33</a></span> Saksisch&nbsp;Brittanni&euml;.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6923" href="#d0e6923src" class="noteref">34</a></span> Dit is een verwrongen herinnering aan een gebruik dat aan de hoven van vorsten in Wales schijnt te hebben geheerscht, dat
+een hooggeplaatst beambte in zijn schoot de voeten van den koning zou houden, wanneer deze aan den maaltijd zat.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e7047" href="#d0e7047src" class="noteref">35</a></span> &#8220;Hagedoorn, Koning der Reuzen.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e7057" href="#d0e7057src" class="noteref">36</a></span> De goden van de familie van D&#333;n worden dus beschouwd als dienaren van Arthur, die in dit verhaal klaarblijkelijk de god Artaius
+is.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e7083" href="#d0e7083src" class="noteref">37</a></span> &#8220;Zij met het Witte Spoor&#8221;. Vergelijk de beschrijving van Etain blz. <a href="#d0e3563">141</a>, <a href="#d0e3574">142</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e7191" href="#d0e7191src" class="noteref">38</a></span> Er is geen andere vermelding van dezen Kenverchyn, of hoe Owain aan zijn raven-leger kwam, waarvan ook sprake is in &#8220;De droom
+van Rhonabwy.&#8221; Klaarblijkelijk hebben wij hier te doen met een brok antieke mythologie in een moderner gewaad gestoken.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e7206" href="#d0e7206src" class="noteref">39</a></span> Evenals het verhaal uit Bretagne van &#8220;Peronnik de Dwaas,&#8221; vertaald in &#8220;Le Foyer Breton&#8221; door Emile Souvestre. De lettergreep
+<i>Per</i> die in alle vormen van den naam van den held voorkomt beteekent in de taal van Wales en Cornwallis kom of vat (Iersch <i>coira</i>&#8212;zie blz. 19, noot). In geen geval is een afdoende afleiding gevonden van het tweede gedeelte van den naam.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e7286" href="#d0e7286src" class="noteref">40</a></span> &#8220;Zij worden gevoed door een steen van den edelsten aard... hij is genaamd <i>lapis exillis</i>; de steen is ook genaamd de Graal.&#8221; Lapis exill&icirc;s schijnt een verbastering te zijn van <i>lapis ex celis</i>, &#8220;de steen uit den hemel.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e7321" href="#d0e7321src" class="noteref">41</a></span> De juiste afleiding is van het Middeleeuwsch Latijnsch <i>cratella</i>, klein vat of kelk.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e7332" href="#d0e7332src" class="noteref">42</a></span> Een dergelijke selectieve werking wordt door Wolfram aan den Graal toegeschreven. Hij kan alleen worden opgelicht door een
+reine maagd, wanneer hij in de zaal wordt gedragen, en geen heiden kan hem zien of er goeds door ondervinden. Dezelfde gedachte
+komt ook sterk uit in het verhaal, dat de eerste geschiedenis van den Graal vertelt, door Robert de Borron, omstreeks 1210;
+de onreine en zondige kan er geen goeds door ondervinden. Maar Borron roert het Perceval- of &#8220;zoek&#8221;-gedeelte van het verhaal
+in het geheel niet aan.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e7357" href="#d0e7357src" class="noteref">43</a></span> Hades.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e7364" href="#d0e7364src" class="noteref">44</a></span> Caer Vedwyd beteekent Kasteel van de Feestvreugde. Ik volg de lezing van dit gedicht gegeven door Squire in zijn &#8220;Mythology
+of the British Islands,&#8221; waar men het in zijn geheel kan vinden.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e7373" href="#d0e7373src" class="noteref">45</a></span> De combinatie van voorwerpen in het Graal-Kasteel is zeer beteekenisvol. Het waren een zwaard, een speer en een vat, of, in
+sommige lezingen, een steen. De tooverschatten die de Danaans in Ierland brachten waren&#8212;een zwaard, een speer, een ketel en
+een steen. Zie blz. <a href="#d0e2714">90</a>, <a href="#d0e2734">91</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e7391" href="#d0e7391src" class="noteref">46</a></span> De Tafelronde wordt in Kimbrische legenden niet genoemd vo&oacute;r de vijftiende eeuw.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e7394" href="#d0e7394src" class="noteref">47</a></span> Vergilius, in zijn middeneeuwsch karakter als toovenaar.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e7408" href="#d0e7408src" class="noteref">48</a></span> Taliesin.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e7464" href="#d0e7464src" class="noteref">49</a></span> Zinspeling op de denkbeeldige Trojaansche voorouders der Britten.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e7490" href="#d0e7490src" class="noteref">50</a></span> Ik heb dit zonderlinge gedicht een beetje bekort. Het verband met idee&euml;n over zielsverhuizing, zooals in de legende van Tuan
+mac Carell (zie blz. <a href="#d0e2582">82</a> e.v.), is duidelijk. Men herinnert zich, dat Tuan&#8217;s laatste phase een visch was, en Taliesin werd gevonden in een dam voor
+de zalmvangst.
+</p>
+</div>
+</div><a id="d0e7510"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7510">387</a>]</span><div class="backmatter">
+<p class="div1"><a id="d0e7512"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e166">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Woordenlijst en Bladwijzer.</h2>
+<p class="div2"></p>
+<h3>De uitspraak van Keltische namen.</h3>
+<p>Het is onmogelijk de namen nauwkeurig weer te geven zonder de levende stem. Maar met behulp van de phonetische teekens hier
+gegeven, waar dat noodig is, en lettend op de volgende algemeene regelen, zal de lezer de juiste uitspraak zoo nabij komen
+als dat voor hem noodig kan zijn.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>I. Galisch.</h3>
+<p>Klinkers worden uitgesproken als in het Fransch of Duitsch: dus <i>i</i> (lang) als <i>ee</i>, <i>e</i> (lang) als <i>a</i> in &#8220;date&#8221; <i>u</i> (lang) als <i>oo</i>. Een schrapje boven een letter beteekent dat die lang is; d&#363;n wordt dus uitgesproken &#8220;doon&#8221; (niet &#8220;dewn&#8221;).
+
+</p>
+<p><i>ch</i> is een keelklank, zooals in het woord &#8220;loch.&#8221; Hij wordt nooit uitgesproken met een <i>t</i> klank, zooals in het Engelsch &#8220;chip&#8221;.
+
+</p>
+<p><i>c</i> is altijd gelijk <i>k</i>.
+
+</p>
+<p><i>gh</i> is stom, zooals in het Engelsch.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>II. Kimbrisch.</h3>
+<p><i>w</i> als medeklinker wordt uitgesproken als in het Engelsch; is zij een klinker als <i>oo</i>.
+
+</p>
+<p><i>y</i>als <i>ee</i> zoo ze lang is, als <i>u</i> in &#8220;but&#8221;, zoo ze kort is.
+
+</p>
+<p><i>ch</i> en <i>c</i> als in het Galisch.
+
+</p>
+<p><i>dd</i> is als <i>th</i> in &#8220;breathe&#8221;.
+
+</p>
+<p><i>f</i> is als <i>v</i>; <i>ff</i> als Engelsche <i>f</i>.
+
+</p>
+<p>De Engelsche lezer wage zich maar liever niet aan den klank <i>ll</i>. Het is een dikke <i>l</i>, zooiets tusschen <i>cl</i> en <i>th</i>.
+
+</p>
+<p>Klinkers als in het Keltisch, maar men houde in het oog dat er feitelijk geen tweeklanken zijn in de taal van Wales<a id="d0e7624src" href="#d0e7624" class="noteref">1</a> bij combinaties van klinkers krijgt elk zijn eigen klank.
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>A.</h3>
+<p><span class="smallcaps">Abred</span>. De binnenste van drie concentrische cirkels voorstellende al het bestaande in de Kimbrische theorie van de schepping der
+wereld&#8212;het stadium van strijd en evolutie, <a href="#d0e6202">307</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Aeda</span> (ay&#8217;da). 1. Dwerg van Koning Fergus mac Leda, <a href="#d0e4871">226</a><span class="corr" title="Bron: ">;</span> 2. Koninklijke aspirant naar de hand van Vivionn; Vivionn gedood door, <a href="#d0e5465">264</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Aeduans</span>. Bedreven in het pletten van koper en tin, <a href="#d0e1631">27</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Aegira</span>. Gewoonte van de priesters der Aarde te, in Achaea, alvorens te waarzeggen, <a href="#d0e3757">150</a>.
+<a id="d0e7681"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7681">388</a>]</span></p>
+<p><span class="smallcaps">Aesun</span>. Godheid der Umbri&euml;rs, <a href="#d0e2432">71</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Aesus</span>. Godheid door Lucanus vermeld, <a href="#d0e2432">71</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Aed de Blonde</span> (<span class="smallcaps">Aed Finn</span>). Voornaamste wijze van Ierland; schrijver van &#8220;De reis van Maeld&#363;n&#8221;, <a href="#d0e6132">304</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Aei</span>. Vlakte van, waar de Bruine Stier van Quelgny den Stier van Ailell ontmoet en doodt, <a href="#d0e4540">206</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Afrikaansche Oorsprong</span>. De primitieve bevolking van Groot-Brittanni&euml; en Ierland; taalgetuigenis doet denken aan, <a href="#d0e2217">62</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">A&#8217;gnoman</span>. Vader van Nemed, <a href="#d0e2606">83</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Aideen</span>. Vrouw van Oscar, sterft van smart na Oscar&#8217;s dood, wordt begraven op Ben Edar (Howth), <a href="#d0e5055">240</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Aifa</span>. Prinses van het Land der Schimmen, oorlog tegen haar gevoerd door Skatha, Cuchulain overwint haar door een list; haar leven
+voorwaardelijk gespaard door Cuchulain, zij brengt een zoon ter wereld, Connla geheeten, <a href="#d0e4111">171</a>&#8211;<a href="#d0e4143">175</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Aileach</span>. Vesting in het graafschap Donegal, waar Ith Mac Cuill hoort en zijn broeders de verdeeling van het land regelen, <a href="#d0e3168">117</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ailill</span>, of Ailell. 1. Zoon van Laery, verraderlijk door zijn oom Covac gedood, <a href="#d0e3482">136</a>. 2. Broeder van Eochy; zijn wanhopige liefde voor Etain, <a href="#d0e3594">143</a>&#8211;<a href="#d0e3603">144</a>. 3. Koning van Connacht, <a href="#d0e2944">106</a>; Angus &#332;g zoekt zijn hulp, <a href="#d0e2944">106</a>; Fergus zoekt zijn hulp, <a href="#d0e4246">185</a>; helpt in een rooftocht tegen de provincie Ulster, <a href="#d0e4246">185</a>; de witgehoornde Stier van, gedood door den Bruinen Stier van Quelgny, <a href="#d0e4540">206</a>; sluit voor zeven jaren vrede met Ulster, <a href="#d0e4567">207</a>; jachthond van mac Datho zet den wagen achterna van, <a href="#d0e4827">223</a>; gedood door Conall, <a href="#d0e4842">224</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ailill Rand van den Slag</span>. Van den stam van de Owens van Aran; vader van Maeld&#363;n, gedood door roovers uit Leix, <a href="#d0e5781">286</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ailill Olum</span>. Koning van Munster; schaakt Ain&eacute; en wordt door haar gedood, <a href="#d0e3053">112</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ain&eacute;</span>. Een minnegodin, dochter van den Danaan Owel, Ailill Olum en Fitzgerald haar minnaars, moeder van Graaf Gerald, nog vereerd
+op den avond voor St. Jan, verschijnt op een St. Jan&#8217;s avond te midden van meisjes op den Heuvel, <a href="#d0e3053">112</a>, <a href="#d0e3073">113</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ainl&eacute;</span>. Broeder van Naisi, <a href="#d0e4192">180</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Alexander de Groote</span><span class="corr" title="Bron: ">.</span> Beweging van Hellas tegen het Oosten onder, <a href="#d0e951">6</a>; verbond met de Kelten door Ptolemeus Soter vermeld, <a href="#d0e971">7</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Allen</span>, Romilly. Over Keltische kunst, <a href="#d0e1150">14</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Allen, Heuvel van</span>. In Kildare; Finn&#8217;s voornaamste vesting, <a href="#d0e5149">244</a>, <a href="#d0e5273">251</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Amasis I</span>. Menschenoffers afgeschaft door, <a href="#d0e2406">70</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Amathaon</span>. Zoon van D&#333;n en de ploegtaak, <a href="#d0e7094">359</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Amergin</span>. Milesische dichter, zoon van Miled, echtgenoot van Skena, zijn vreemd lied, gezongen toen hij voor het eerst den Ierschen
+bodem betrad, zijn uitspraak tusschen de Milesi&euml;rs en de Danaans; zingt een bezwering tot het land van Erin, <a href="#d0e3174">118</a>&#8211;<a href="#d0e3262">20</a>; als Dru&iuml;de doet hij uitspraak aangaande aanspraken op oppermacht van Eremon en Eber, <a href="#d0e3417">132</a>; Ollar F&#333;la vergeleken met, <a href="#d0e3451">134</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ammianus Marcellinus</span>. Galli&euml;rs beschreven door, <a href="#d0e1614">26</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Amorgin</span>. Vader van Conall van de Overwinningen, <a href="#d0e3917">160</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Amyntas II</span>. Koning van Macedoni&euml;, verslagen en verbannen, <a href="#d0e951">6</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Angel-Saksisch</span>. Wace&#8217;s Fransche vertaling van &#8220;Historia Regum Britaniae&#8221;, vertaald door Layamon in het, <a href="#d0e6299">311</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Angus</span>. Godheid der Danaans, <a href="#d0e3369">127</a>. Zie Angus &#332;g.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Angus &#332;g</span> (Angus de Jonge). Zoon van den Dagda, Iersche minnegod, dingt naar Caer en krijgt <a id="d0e7917"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7917">389</a>]</span>haar, Dermot met den Liefde-vlek grootgebracht met, Dermot met den Liefde-vlek weer in het leven geroepen door, <a href="#d0e2944">106</a>, <a href="#d0e2952">107</a>; vader van Maga, <a href="#d0e3993">164</a>; Dermot en Grania verlost door tooverkunsten van, <a href="#d0e5596">276</a>; Dermot&#8217;s lijk weggedragen door, <a href="#d0e5637">279</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ankh, de</span>. Gevonden op insnijdingen bij steenen, <a href="#d0e2217">62</a>; zinnebeeld van levenskracht of opstanding, <a href="#d0e2217">62</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Anluan</span>. Zoon van Maga; doet mee aan den aanval van Maev op Ulster, <a href="#d0e4270">187</a>; Conall laat Ket het hoofd zien van, <a href="#d0e4827">223</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Annwn</span>. Overeenkomend met Afgrond, of Chaos; het vernielend beginsel in de Kimbrische theorie van het ontstaan der wereld, <a href="#d0e6193">306</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Aoife</span>. Lir&#8217;s tweede vrouw; haar jaloerschheid op haar stiefkinderen, haar bestraffing door B&#333;v de Roode, <a href="#d0e3293">123</a>, <a href="#d0e3310">124</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Aonbarr</span><span class="corr" title="Bron: ">.</span> Mananan&#8217;s tooverros, <a href="#d0e3023">110</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Apollo</span>. Keltisch equivalent, Lugh. Diensten ter zijner eere, beschreven door Hecataeus, <a href="#d0e1840">42</a>; door de Galli&euml;rs beschouwd als de godheid der geneeskunst, <a href="#d0e2446">72</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Aquitani</span>. Een van de drie volken die Galli&euml; bewoonden toen Caesar&#8217;s verovering begon, <a href="#d0e1840">42</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Arabi&euml;</span>. Dolmens gevonden in, <a href="#d0e1785">37</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Arawn</span>. Een koning in Annwn; roept de hulp van Pwyll in tegen Havgan, <a href="#d0e6686">329</a>; ruilt zijn rijk met Pwyll voor een jaar, <a href="#d0e6695">330</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ard Marcha</span> (Armagh). Emain Macha thans vertegenwoordigd door groene wallen van een heuvelvesting in de nabijheid van, <a href="#d0e3451">134</a>; beteekenis, <a href="#d0e4935">230</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ard Righ</span> (d.i. Opper-Koning). Dermot Mac Kerval, van Ierland, <a href="#d0e1697">31</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ardan</span><span class="corr" title="Bron: ">.</span> Broeder van Naisi, <a href="#d0e4192">180</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ardcullin.</span> Cuchulain brengt takken aan om den zuil van, <a href="#d0e4313">189</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ardee</span>. Beteekenis, <a href="#d0e4917">229</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Arend van Gwern Abwy</span>. De, <a href="#d0e7108">360</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Arianrod</span>. Zuster van Gwydion; voorgesteld als maagd om de voeten van M&#257;th in haar schoot te houden; Dylan en Llew zonen van, <a href="#d0e6931">349</a>&#8211;<a href="#d0e6968">51</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Aristoleles</span>, Kelten en, <a href="#d0e838">1</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Armagh</span>. Onzichtbare woning van Lir op Slieve Fuad in het graafschap, <a href="#d0e3005">109</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Arnold, Matthew</span>. Verwijzing naar, in verband met de Keltische legenden-literatuur, <a href="#d0e7508">386</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Arrian</span>. Keltische kenmerken, zijn getuigenis betreffende, <a href="#d0e1522">20</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Artaius</span>. Een god in de Keltische mythologie die de plaats van Gwydion inneemt, <a href="#d0e6507">321</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Arthur</span>. Gekozen leider tegen de Saksers, die hij tenslotte verslaat in den slag bij Berg Badon; Geoffrey van Monmouth&#8217;s &#8220;Historia
+Regum Britaniae&#8221; herdenkt de wapenfeiten van, zoon van Uther Pendragon en Igerna; Modred, zijn neef, maakt zich meester van
+de kroon van, Guanhumara, vrouw van, trekt zich terug in een klooster, <a href="#d0e6270">309</a>, <a href="#d0e6288">310</a>; stamboom, <a href="#d0e6530">324</a>; verhalen van, in de literatuur van Wales, <a href="#d0e7030">355</a>; Kilhwch aan het hof van, <a href="#d0e7042">356</a>; de &#8220;Droom van Rhonabroy&#8221; en, <a href="#d0e7114">361</a>; Owain, zoon van Urien, speelt schaak met, <a href="#d0e7114">361</a>&#8211;<a href="#d0e7126">62</a>; avontuur van Kymon, ridder aan het hof van, <a href="#d0e7126">362</a>&#8211;<a href="#d0e7141">63</a>; Gwenhwyar, vrouw van, <a href="#d0e7126">362</a>; Owain aan het hof van, <a href="#d0e7187">367</a>; Peredur aan het hof van, <a href="#d0e7217">369</a>, <a href="#d0e2406">70</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Arthur-sage</span>. Vermelding van vroege Britsche legende doet denken aan, <a href="#d0e6250">308</a>; de sage in Bretagne en Marie de France, <a href="#d0e6299">311</a>, <a href="#d0e1122">12</a><span class="corr" title="Bron: .">;</span> Miss Jessie L. Weston&#8217;s artikel over, in de &#8220;Encycl. Britann.&#8221;, <a href="#d0e6357">314</a>; Chrestien de Troyes draagt er toe bij de A. sage in de po&euml;tische literatuur van Europa te brengen, <a href="#d0e6378">315</a>; over verschillende bronnen van de, <a href="#d0e6378">315</a>; de sage in Wales, <a href="#d0e6378">315</a>; kwam nooit in Ierland, <a href="#d0e6394">316</a>; waarom er zoo weinig van wordt vernomen in berichten over Kimbrische mythen, <a href="#d0e6394">316</a>.
+<a id="d0e8185"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8185">390</a>]</span></p>
+<p><span class="smallcaps">Asa</span>. Scandinavische godheid, <a href="#d0e2432">71</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Asal</span>. Van de gouden pilaren, Koning, <a href="#d0e2869">100</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Asura-Masda</span>. Perzische godheid, <a href="#d0e2432">71</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Athnurchar</span>, of <span class="smallcaps">Ardnurchar</span>. Doorwaadbare plaats in de rivier waar Ket Conall&#8217;s &#8220;hersen-bal&#8221; slingert tegen Conor mac Nessa, <a href="#d0e4783">219</a>; beteekenis, <a href="#d0e4935">230</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Atlantische Oceaan</span>. Aiofe&#8217;s <span class="corr" title="Bron: wreed">wreedheid</span> tegen haar stiefkinderen op de, <a href="#d0e3310">124</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Avagddu</span>. Zoon van Tegid Voel, beroofd van bovennatuurlijk inzicht, <a href="#d0e7389">380</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Avalon</span><span class="corr" title="Bron: ">.</span> Land van de Dooden; verwant met het Noorsche Walhalla, <a href="#d0e6288">310</a>; wordt later voor Glastonbury gehouden, <a href="#d0e6288">310</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Avon Dia</span>. Tweegevecht tusschen Cuchulain en Ferdia doet de wateren van, teruggaan, <a href="#d0e2935">105</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>B</h3>
+<p><span class="smallcaps">Babyloni&euml;</span>. Het schip-symbool in, <a href="#d0e2188">61</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Balkans</span>. Het vroegste thuis van Keltische bergbewoners was in ketens van de, <a href="#d0e1830">41</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Balor</span>. Voorvader van Lugh, <a href="#d0e2479">73</a>; Bres wordt gezonden om zijn hulp te vragen, <a href="#d0e2793">94</a>; verneemt dat de Danaans weigeren schatting te betalen, <a href="#d0e2841">98</a>; kampioen der Fomorians, vecht hij met Nuada met de zilveren hand en wordt hij gedood door Lugh, <a href="#d0e2880">102</a>; een van de namen van den god des Doods, <a href="#d0e3144">115</a>; behoort tot Finn&#8217;s voorouders, <a href="#d0e4985">234</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Banba</span>. Vrouw van Mac Cuill, koning der Danaans, <a href="#d0e3162">116</a><span class="corr" title="Bron: ">.</span>
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bann</span>, de rivier. Mac Cecht bezoekt, <a href="#d0e3897">159</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Barbarossa</span>, <span class="smallcaps">Kaiser</span>. Overlevering dat Finn ergens in een hol betooverd ligt, evenals, <a href="#d0e5773">284</a>.
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="smallcaps">Barddas</span>&#8221;. Compilatie van denkbeelden der Dru&iuml;den, <a href="#d0e6175">305</a>; Christelijke personen en episoden komen voor in, <a href="#d0e6193">306</a>; uittreksel in catechismus-vorm, <a href="#d0e6202">307</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bardische</span>. Verschilt van de populaire voorstelling van Danaan-godheden, <a href="#d0e2701">89</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Barrow</span>, de rivier. Mac Cecht bezoekt, <a href="#d0e3897">159</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Baruch</span>. Een edelman van de Roode Tak; ontmoet Naisi en Deirdre bij zijn landing in Ierland, <a href="#d0e4207">181</a>; overreedt Fergus in zijn huis te eten, <a href="#d0e4207">181</a>; burcht, aan de straat van Moyle, <a href="#d0e4935">230</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bave</span>. Dochter van Calatin; doet Niam door betoovering verdwalen, <a href="#d0e4637">211</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Be&auml;lcu</span>. Een kampioen uit Connacht; redt Conall, <a href="#d0e4827">223</a>; wordt door zijn zonen gedood tengevolge van een list van Conall, <a href="#d0e4842">224</a>; Conall doodt de zonen van, <a href="#d0e4842">224</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bebo</span>. Vrouw van Jubdan, Koning van het Kleine Volkje, <a href="#d0e4871">226</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bedwyr</span>. Equivalent: Sir Bedivere. Een van Arthur&#8217;s dienaren die Kilhwch vergezellen op zijn tocht om Olwen te zoeken, <a href="#d0e7060">357</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Beker- en Ring-teekens</span>. Beteekenis van, in verband met megalithische gedenkteekens, nog niet verklaard, <a href="#d0e1979">51</a>; voorbeeld in Dupaix&#8217; &#8220;Gedenkteekens&#8221; van Nieuw-Spanje&#8221;, <a href="#d0e2002">52</a>; reproductie in lord Kingsborough&#8217;s &#8220;Oudheden van Mexico&#8221;, <a href="#d0e2002">52</a>
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Beker van Het Laatste Avondmaal</span>. Identisch met de Graal; equivalent: de Tooverketel, <a href="#d0e7335">378</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Belgae</span>. Een van de drie volken die Galli&euml; bewoonden, toen Caesar&#8217;s verovering begon, <a href="#d0e1830">41</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Beli</span>. Kimbrische god des Doods, echtgenoot van D&#333;n; komt overeen met den Ierschen Bil&eacute;, <a href="#d0e6477">320</a>; Lludd en Llevelys, zonen van, <a href="#d0e7014">354</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bell</span>, <span class="smallcaps">Arthur</span>. Verwijzing naar een teekening, waaruit aanbidding van steenen blijkt, <a href="#d0e1960">50</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Belten&eacute;</span>. Een van de namen van den God des Doods; de 1<sup>e</sup> Mei is hem gewijd, <a href="#d0e3174">118</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ben Bulben</span>. Dermot met den Liefdevlek gedood door het wilde zwijn <a id="d0e8457"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8457">391</a>]</span>van, <a href="#d0e2952">107</a>, <a href="#d0e5610">277</a>, <a href="#d0e5625">278</a>; Dermot en het Zwijn van, <a href="#d0e5491">267</a>, <a href="#d0e2378">68</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bendigeid Vran</span> (of &#8220;Bran de Gezegende&#8221;). Koning van het eiland der Machtigen (Brittanni&euml;); Manawyddan, zijn broeder; Branwen, zijn zuster
+<a href="#d0e6764">336</a>; geeft Branwen tot vrouw aan Matholwch, doet boete voor den smaad van Evnissyen door Matholwch den tooverketel te geven,
+doet een inval in Ierland om Branwen te helpen, <a href="#d0e6775">337</a>&#8211;<a href="#d0e6848">42</a>; het wonderlijke hoofd van, <a href="#d0e6848">342</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bergen van Mourne</span>. Cuchulain op de, <a href="#d0e4143">175</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bertrand, A</span>. Zie blz. <a href="#d0e1808">39</a>, <a href="#d0e1920">48</a>, <a href="#d0e2049">55</a>, <a href="#d0e2370">67</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bil&eacute;</span>. Een van de namen van den God des Doods (<i>i.e.</i>van de onderwereld), <a href="#d0e3144">115</a>; vader van Miled, <a href="#d0e3144">115</a>; komt overeen met den Kimbrischen god Beli; echtgenoot van D&#333;n, <a href="#d0e6477">320</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bir&#333;g</span>. Een vrouwelijke Dru&iuml;de die Kian helpt zich te wreken op Balor, <a href="#d0e2822">96</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bloi</span>. De Danaan moeder van Ois&#299;n, <a href="#d0e5378">259</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Blanid</span>. Vrouw van Curoi; zet haar zinnen op Cuchulain, <a href="#d0e4625">210</a>; haar dood, <a href="#d0e4625">210</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Blanke Mane</span>. Vrouw die vele van de Fianna grootbracht, <a href="#d0e5072">241</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bleheris</span>. Een dichter in Wales, identisch met <span class="smallcaps">Bledhericus</span>, vermeld door Geraldus Cambrensis, en met Breris, aangehaald door Thomas van Bretagne, <a href="#d0e6357">314</a>.
+
+</p>
+<p>&#8220;<span class="smallcaps">Blerwm, Blerwm</span>&#8221;. Geluid door Taliesin gemaakt, waardoor barden aan Arthur&#8217;s hof werden betooverd, <a href="#d0e7413">382</a>, <a href="#d0e7426">383</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bodeuwedd</span>, of <span class="smallcaps">Bloemgezicht</span>. De bloem-vrouw van Llew, <a href="#d0e6991">352</a>, <a href="#d0e6998">353</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Boanna</span> (de rivier Boyne). Moeder van Angus &#332;g, <a href="#d0e2944">106</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Boek van Armagh</span>. Verwijzingen naar, <a href="#d0e2701">89</a>, <a href="#d0e3410">131</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Boek van Caermarthen</span> (Het Zwarte). Gwyn ap Nudd komt voor in het gedicht dat daarin is opgenomen, <a href="#d0e6543">325</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Boek van de Dun-Koe</span>. Verwijzing naar, <a href="#d0e2582">82</a>; Cuchulain verschijnt weer in een legende van Christelijken oorsprong, <a href="#d0e4752">218</a>; &#8220;De reis van Maeld&#363;n&#8221; wordt er in gevonden, <a href="#d0e4707">215</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Boek van Hergest</span> (Het Roode). Vormt de hoofdbron van verhalen in de &#8220;Mabinogion&#8221;, <a href="#d0e6394">316</a>; het verhaal van Taliesin wordt er niet in gevonden, <a href="#d0e7371">379</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Boek der Invallen</span>. Verwijzing naar, <a href="#d0e2734">91</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Boek van Leinster</span>. Verwijzingen naar, <a href="#d0e982">8</a>, <a href="#d0e2388">69</a>, <a href="#d0e4337">190</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">B&#333;v de Roode</span>. Koning van de Danaans van Munster, broeder van den Dagda; zoekt naar de maagd in Angus &#332;g&#8217;s droom, <a href="#d0e2944">106</a>; goudsmid van, genaamd Len, <a href="#d0e2952">107</a>; Aoife&#8217;s reis naar, met haar stiefkinderen, <a href="#d0e3293">123</a>, <a href="#d0e3310">124</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Boyne, De Rivier</span>. Angus &#332;g&#8217;s paleis aan, <a href="#d0e2944">106</a>; Angus en Caer aan, <a href="#d0e2952">107</a>; Milesi&euml;rs landen aan de wijde monding van, <a href="#d0e3262">120</a>; Ethn&eacute; verliest haar onzichtbaar makenden sluier terwijl zij in de rivier baadt, <a href="#d0e3377">128</a>; kerk, Kill Ethn&eacute;, aan den oever van, <a href="#d0e3388">129</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bran</span>. Zie Bendigeid.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Branwen</span>. Zuster van Bran, <a href="#d0e6764">336</a>; wordt tot vrouw gegeven aan Matholwch, moeder van Gwern, wordt vernederd wegens Evnissyen&#8217;s misdrijf, wordt naar Brittanni&euml;
+gebracht; haar dood en begrafenis aan den oever van de Alaw, <a href="#d0e6764">336</a>&#8211;<a href="#d0e6848">42</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Brea</span>. Slag van; herinnering aan Finn&#8217;s dood bij, <a href="#d0e5294">253</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bregia</span>. Vlakte tusschen de Boyne en de Liffey, <a href="#d0e3795">152</a>; Cuchulain bezag die, <a href="#d0e4158">176</a>; St. Patrick en volk van, <a href="#d0e5378">259</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bregon</span>. Zoon van Miled, vader van Ith, <a href="#d0e3144">115</a>; toren van, door Ith gezien, <a href="#d0e3162">116</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Brenos</span> (<span class="smallcaps">Brian</span>). De god aan wien <a id="d0e8750"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8750">392</a>]</span>de Kelten hun overwinningen bij de Allia en bij Delphi toeschreven, <a href="#d0e3023">110</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bres</span>. 1. Gezant tot de Firbolgs gezonden, door volk van Dana, <a href="#d0e2734">91</a>; gedood in den slag van Moytura, <a href="#d0e2755">92</a>. 2. Zoon van de Danaansche vrouw Eri, gekozen tot Koning van het Danaansch gebied in Ierland, <a href="#d0e2755">92</a>; zijn wanbeheer en afzetting, <a href="#d0e2770">93</a><span class="corr" title="Bron: ,">.</span> 3. Zoon van Balor; verneemt dat de glans van de zon is het gelaat van Lugh met den langen arm, <a href="#d0e2963">108</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bretagne</span>. Man&eacute;-er-H&#8217;oeck, merkwaardige tumulus in, <a href="#d0e1907">47</a>; teekens op den tumulus van Locmariaker in, gelijk aan die op den tumulus te New-Grange in Ierland, <a href="#d0e2061">56</a>; voet-symbool gevonden in, <a href="#d0e2188">61</a>; boek door Walter, aartsdeken van Oxford, gebracht uit, was de grondslag voor Geoffrey van Monmouth&#8217;s &#8220;Historia Regum Britania&#8221;,
+<a href="#d0e6270">309</a>; Arthur-sage in, <a href="#d0e6288">310</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bri Leeth</span>. Tooverpaleis van Midir de Trotsche te, in het graafschap Longford, <a href="#d0e2963">108</a>; Etain wordt gebracht naar, <a href="#d0e3674">147</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Brian</span>. Een van de drie zonen van Turenn, <a href="#d0e2858">99</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Brian</span>. Equivalent: Brenos. Zoon van Brigit (Dana), <a href="#d0e3023">110</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Briccriu met de Vergiftige Tong</span>. Edele uit Ulster, veroorzaakt twist tusschen Cuchulain en de Roode Tak-helden over het kampioenschap van Ierland, <a href="#d0e4174">178</a>; roept een demon ter hulp genaamd De Verschrikkelijke, <a href="#d0e4174">178</a>; stelt voor mac Datho&#8217;s zwijn voor te snijden, <a href="#d0e4815">222</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Brug van de Sprongen</span>. Cuchulain bij, <a href="#d0e4107">170</a>; Cuchulain springt over, <a href="#d0e4111">171</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Brigindo</span>. Equivalenten: Brigit en &#8220;Brigantia&#8221;, <a href="#d0e2683">88</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Brigit</span>. Iersche godin identisch met Dana en &#8220;Brigindo&#8221; etc., <a href="#d0e2683">88</a><span class="corr" title="Bron: ,">;</span> dochter van den god Dagda, de Goede, <a href="#d0e3023">110</a>; Ecne, kleinzoon van, <a href="#d0e2683">88</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Brittanni&euml;</span>. Zie Groot-Brittanni&euml;. Handel van Carthago met, door de Grieken geru&iuml;neerd, <a href="#d0e951">6</a>; Keltisch element in plaatsnamen, <a href="#d0e1027">11</a>; onder het juk van Rome, <a href="#d0e1360">18</a>; tooverij inheemsch in, <a href="#d0e1907">47</a>; herinneringsinscripties aan Aesus, Teutates en Taranus, <a href="#d0e2432">71</a>; dooden uit Galli&euml; gebracht naar, <a href="#d0e3144">115</a>; Ingcel, zoon van den Koning van, <a href="#d0e3795">152</a>; bezoek van Demetrius aan, <a href="#d0e6599">326</a>&#8211;<a href="#d0e6638">27</a>; Bran, Koning van, <a href="#d0e6764">336</a>; Caradawc heerscht in naam zijns vaders over, <a href="#d0e6798">339</a>; Caswallan verovert, <a href="#d0e5091">242</a>; de &#8220;Derde Noodlottige Onthulling&#8221; in, <a href="#d0e6862">343</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Britan</span>. Hoofd der Nedime&euml;rs die zich in Groot-Brittanni&euml; vestigde en zijn naam gaf aan dat land, <a href="#d0e2658">87</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Britsche Eilanden</span>. De eenige overblijfselen van het Keltische rijk, toen het onderging, <a href="#d0e1360">18</a>; Maev, Grania, Findabeir, Deirdre en Boadicea, vrouwen voorkomend in mythen van de, <a href="#d0e1614">26</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Britten</span>. Evenals Nennius geeft Geoffrey van Monmouth een fantastischen oorsprong aan voor de, <a href="#d0e6288">310</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Brogan</span>. Schrijver van St. Patrick, <a href="#d0e2918">104</a>, <a href="#d0e5484">266</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bron van Kesair</span>. Mac Cecht bezoekt de, <a href="#d0e3897">159</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bron van Kennis</span>. Equivalent: Connla&#8217;s bron. Sinend&#8217;s noodlottig bezoek aan, <a href="#d0e3099">114</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bruine Stier</span>. Zie Quelgny.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Brugh na Boyna</span>. Wordt Cuchulain aan gewezen, <a href="#d0e4158">176</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Buddha</span>. Voetafdruk van, gevonden in Indi&euml; als zinnebeeld, <a href="#d0e2188">61</a>; de kruislings gezetene, komt vaak voor in de godsdienstige kunst van het Oosten en Mexico, <a href="#d0e2432">71</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Buic</span>. Zoon van Banblai; gedood door Cuchulain, <a href="#d0e4374">193</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Burney&#8217;s Geschiedenis der Muziek</span>. Verwijzing naar een Egyptische legende daarin, <a href="#d0e2902">103</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bury, Professor</span>. Opmerkingen aangaande de Keltische wereld, <a href="#d0e1859">43</a>.
+
+
+<a id="d0e8997"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8997">393</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>C.</h3>
+<p><span class="smallcaps">Caer</span>. Dochter van Ethal Anubal; Angus &#332;g dingt naar haar hand, haar dubbel leven, zij aanvaardt de liefde van Angus &#332;g, <a href="#d0e2944">106</a>, <a href="#d0e2952">107</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Caerleon aan de Usk</span>. Arthur houdt daar zijn hof, <a href="#d0e6288">310</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Caesar, Julius</span>. Critisch bericht over de Galli&euml;rs, <a href="#d0e1522">20</a>; godsdienstige meeningen der Kelten vermeld door, <a href="#d0e1751">35</a>; gebied aangewezen aan de Belgen, Kelten en Aquitani&euml;rs door, <a href="#d0e1840">42</a>; verzekert dat het geloof in de onsterflijkheid door Dru&iuml;den werd aangewakkerd om den moed te verhoogen, <a href="#d0e2320">66</a>; vermeldt dat Dru&iuml;den toezicht houden over de cultuur, <a href="#d0e2378">68</a>; goden van de Arische Kelten vergeleken met Mercurius, Apollo enz. door, <a href="#d0e2432">71</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Cairbry</span>. Zoon van Cormac mac Art, van Licht van Schoonheid, <a href="#d0e5653">280</a>; weigert schatting aan de Fianna, <a href="#d0e5670">281</a>; de Clan Bascna voert oorlog met, <a href="#d0e5670">281</a>, <a href="#d0e5694">282</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Caliburn</span> (in de taal van Wales <span class="smallcaps">Caladvwlch</span>). Tooverzwaard van Koning Arthur, <a href="#d0e6288">310</a>. Zie Excalibur, <a href="#d0e4514">205</a> <i>noot</i>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Cambrensis, Giraldus</span>. Kelten en, <a href="#d0e897">4</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Campbell</span>. Verhaal van den slag van Gowra, in zijn &#8220;The Fians&#8221;, <a href="#d0e5670">281</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Caradawc</span>. Zoon van Bran; regeert Brittanni&euml; bij afwezigheid van zijn vader, <a href="#d0e6798">339</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Carell</span>. Gehouden voor den vader van Tuan, <a href="#d0e2606">83</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Carthagers</span>. De Kelten veroverden Spanje op de, <a href="#d0e905">5</a>; de Grieken maken een eind aan het handelsmonopolie van de, met Brittanni&euml; en Spanje, <a href="#d0e951">6</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Cascorach</span>. Zoon van een minstreel van het Danaan-volk, en St. Patrick, <a href="#d0e2918">104</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Caswallan</span>. Zoon van Beli; verovert Brittanni&euml; tijdens Bran&#8217;s afwezigheid, <a href="#d0e6848">342</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Cathbad</span>. Dru&iuml;de, gehuwd met Maga, vrouw van Ross de Roode, <a href="#d0e3993">164</a>; zijn raadselbezwering door <span class="corr" title="Bron: Chuculain">Cuchulain</span> afgeluisterd, <a href="#d0e4057">167</a>; hij trekt Deirdre&#8217;s horoskoop, <a href="#d0e4183">179</a>; zijn booze bezweringen over Naisi en Deirdre, <a href="#d0e4225">183</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Cato, M. Porcius</span>. Opmerkingen omtrent de Galli&euml;rs, <a href="#d0e1522">20</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Celtchar</span>. Zoon van Hornskin; onder den vloek van zwakheid, <a href="#d0e4270">187</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Cenchos</span>. Of de Voetlooze; verwant met Vitra, den God van het Kwaad in de fabelleer van de Vedas, <a href="#d0e2582">82</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ceridwen</span>. Vrouw van Tegid, laat Gwion Bach en Morda passen op den tooverketel, <a href="#d0e7389">380</a>, <a href="#d0e7401">381</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ceugant</span> (Oneindigheid). De buitenste van drie concentrische cirkels voorstellende al het bestaande in de Kimbrische voorstelling
+van de Schepping, door God alleen bewoond, <a href="#d0e6193">306</a><span class="corr" title="Bron: ">.</span>
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Chaillu, Du</span>. Zijn &#8220;Viking Age&#8221;, <a href="#d0e2061">56</a>, <a href="#d0e2096">57</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Charlemagne</span>. Verbiedt aanbidding van boomen en steenen, <a href="#d0e1960">50</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Chrestien de Troyes</span>. Fransche dichter die bewerkte dat de Arthur-sage in de po&euml;tische letterkunde van Europa werd gebracht, <a href="#d0e6309">312</a>; Gautier van Denain, vroegste voorzetter van, <a href="#d0e6357">314</a>; variant van zijn &#8220;Le Chevalier au lion&#8221; in de &#8220;Vrouw van de Bron&#8221;, <a href="#d0e7126">362</a>&#8211;<a href="#d0e7199">368</a>; het verhaal van &#8220;Enid en Geraint&#8221; berust op &#8220;Erec&#8221; van, <a href="#d0e7187">367</a>; Peredur komt overeen met Perceval van, <a href="#d0e7199">368</a>; zijn &#8220;Conte del Graal&#8221; of &#8220;Parceval le Gallois&#8221;, <a href="#d0e7249">372</a>; Manessier een voortzetter van, <a href="#d0e7298">376</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Christelijk(e)</span>. Symbolisme, de hand als zinnebeeld van macht in, <a href="#d0e1942">49</a>; geloof waarvan Koning Cormac hoort voordat het in Ierland wordt gepreekt door St. Patrick, <a href="#d0e2009">53</a>; invloeden in Ierland, en de Milesische mythe, <a href="#d0e3285">122</a>, <a href="#d0e3293">123</a>; begrippen over Cuchulain en zijn Heer, Koning Conor van Ulster, <a href="#d0e4752">218</a>; heidensche idealen vergeleken met, in Ois&#299;n-dialogen, <a href="#d0e5484">266</a>; <a id="d0e9250"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9250">394</a>]</span>Myrddin krimpt onder Chr. invloeden, <a href="#d0e6599">326</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Christendom (&#8217;t)</span>. Verwijzing naar de bekeering van Ierland tot, <a href="#d0e2370">67</a>; Volk van Dana in hun nederlaag, en houding van, <a href="#d0e3262">120</a>, <a href="#d0e3275">121</a>; Cuchulain uit de Hel ontboden door St. Patrick om aan den Opper-Koning Laery te bewijzen de waarheden van, <a href="#d0e4752">218</a>; invloed op de Iersche letterkunde, <a href="#d0e5547">272</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Chrysostomus, Dion</span>. Getuigenis betreffende de macht der Dru&iuml;den, <a href="#d0e2378">68</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Clan Bascna (De)</span>. Een van de afdeelingen van de Fianna van Erin, <a href="#d0e4985">234</a>; Cumhal, vader van Finn, hoofd van, <a href="#d0e4985">234</a>; Cairbry verwekt een veete tusschen de Clan Morna en, <a href="#d0e5670">281</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Clan Calatin (De)</span>. Door mannen van Erin tegen Cuchulain gezonden, <a href="#d0e4435">197</a>; Fiacha, zoon van Firaba, snijdt de achtentwintig handen af van, <a href="#d0e4435">197</a>; Cuchulain doodt Calatin, <a href="#d0e4445">198</a>; de weduwe van Calatin brengt zes kinderen voort, door Maev in tooverkunsten onderwezen en tegen Cuchulain losgelaten, doen
+Cuchulain zijn <i>geise</i> breken, <a href="#d0e4601">209</a>&#8211;<a href="#d0e4661">213</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Clan Morna</span> (de). Een van de afdeelingen van de Fianna van Erin, <a href="#d0e4985">234</a>; Lia wordt schatbewaarder van, <a href="#d0e4985">234</a>; Cairbry verwekt een veete tusschen de Clan Bascna en, <a href="#d0e5670">281</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Clastidium</span>. Slag van; Polybius&#8217; beschrijving van de houding der Gaesaten in, <a href="#d0e1583">24</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Clecna</span>. Danaansch meisje, dat in Mananan&#8217;s land leefde; de geschiedenis van, <a href="#d0e3036">111</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Clusium</span>. Beleg van. De Romeinen verraden de Kelten bij het beleg van, <a href="#d0e998">9</a>; wraak door de Kelten ge&euml;ischt, <a href="#d0e998">9</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Coffey, George</span>. Zijn werk over den tumulus te New-Grange, <a href="#d0e2026">54</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Columba, St</span>. Symbool van de voeten en, <a href="#d0e2217">62</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Comyn, Michael</span>. Verwijzing naar &#8220;Lied van Ois&#299;n in het land der Jeugd&#8221;, door, <a href="#d0e4966">232</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Conall van de Overwinningen</span>. Lid van Conary&#8217;s gevolg in het Roode Verblijf, <a href="#d0e3861">156</a>; hij vindt Amorgin, zijn vader, te Teltin, <a href="#d0e3917">160</a>; deinst terug voor de proef om het kampioenschap van Ierland, <a href="#d0e4174">178</a>; onder den vloek van zwakheid, <a href="#d0e4270">187</a>; wreekt Cuchulain&#8217;s dood door Lewy te dooden, <a href="#d0e4707">215</a>; zijn &#8220;hersen-bal&#8221; veroorzaakt den dood van Conor Mac Nessa, <a href="#d0e4783">219</a>, <a href="#d0e4790">220</a>; mac Datho&#8217;s zwijn en, <a href="#d0e4815">222</a>, <a href="#d0e4827">223</a>; doodt Ket, <a href="#d0e4827">223</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Conan Mac Lia</span>. Zoon van Lia, heer van Luachar; Finn sluit een verdrag met hem, <a href="#d0e5022">237</a>, <a href="#d0e5031">238</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Conan Mac Morna</span>, of <span class="smallcaps">De Kale</span>. Zijn avontuur met het Toovervolk, <a href="#d0e5031">238</a>, <a href="#d0e5043">239</a>; hij doodt Liagan, <a href="#d0e5043">239</a>; avontuur met het ros van Gilla Dacar, <a href="#d0e5545">271</a>, <a href="#d0e5547">272</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Conann</span>. Koning der Fomorians, <a href="#d0e2649">86</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Conary M&#333;r</span>. De legenden-cyclus van den Opper-Koning, <a href="#d0e3547">139</a>&#8211;<a href="#d0e3897">159</a>; hij stamt af van Etain Oig, dochter van Etain, <a href="#d0e3733">149</a>; Messbuachalla, zijn moeder, <a href="#d0e3733">149</a>, <a href="#d0e3757">150</a>; Desa, zijn pleegvader, <a href="#d0e3757">150</a>; Ferlee, Fergar en Ferrogan, zijn pleegbroeders, <a href="#d0e3757">150</a>; Nemglan beveelt hem naar Tara te gaan, <a href="#d0e3776">151</a>; uitgeroepen tot Koning van Erin, <a href="#d0e3776">151</a>; Nemglan somt zijn <i>geise</i> op, <a href="#d0e3776">151</a>; verbanning van zijn pleegbroeders, <a href="#d0e3795">152</a>; verlokt tot het schenden zijner <i>geise</i>, <a href="#d0e3813">153</a>; de drie Rooden en, in Da Derga&#8217;s Verblijf, <a href="#d0e3813">153</a>, <a href="#d0e3828">154</a>; wordt bezocht door de Morrigan in Da Derga&#8217;s Verblijf, <a href="#d0e3846">155</a>; leden van zijn gevolg, <a href="#d0e3861">156</a>, <a href="#d0e3874">157</a>; komt om van dorst, <a href="#d0e3881">158</a><span class="corr" title="Bron: ,">.</span>
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Condwiramur</span>. Een maagd gehuwd door Parzival, <a href="#d0e7296">375</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Conn</span>. Een van de kinderen van Lir, <a href="#d0e3355">126</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Connacht</span>. Ethal Anubal, vorst van de Danaans van, <a href="#d0e2944">106</a>; Ailell en Maev, Koning en Koningin van, <a id="d0e9534"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9534">395</a>]</span>Angus &#332;g vraagt hun hulp bij zijn pogingen om Caer te krijgen, <a href="#d0e2944">106</a>; oorsprong van den naam, <a href="#d0e3517">138</a>; Cuchulain&#8217;s strooptocht in, <a href="#d0e4143">175</a>; Cuchulain trekt op tegen een leger van, onder Maev, <a href="#d0e4354">191</a>; Ket kampioen van, <a href="#d0e4790">220</a>; Koningin Maev regeerde over, achtentachtig jaar, <a href="#d0e5162">245</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Connla</span>. Zoon van Cuchulain en Aifa, <a href="#d0e4126">173</a>; zijn <i>geise</i>, <a href="#d0e4126">173</a>; Aifa zendt hem naar Erin; zijn gevechten met de mannen van Ulster, <a href="#d0e4141">174</a>; gedood door Cuchulain, <a href="#d0e4141">174</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Connla&#8217;s Bron</span>. Equivalent: Bron van Kennis. Sinend&#8217;s noodlottig bezoek aan, <a href="#d0e3099">114</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Conor Mac Nessa</span>. Zoon van Fachtna en Nessa; wordt uitgeroepen tot Koning van Ulster, met voorbijgaan van Fergus, <a href="#d0e3981">163</a>; Cuchulain wordt groot gebracht aan het Hof van, <a href="#d0e4037">166</a>; hij geeft wapens aan Cuchulain, <a href="#d0e4074">168</a>; bij een feestelijke bijeenkomst aan het Strand van de Voetafdrukken wordt hij Connla gewaar, <a href="#d0e4126">173</a>; zijn list om Cuchulain in hechtenis te nemen, <a href="#d0e4165">177</a>; Deirdre en, <a href="#d0e4183">179</a>&#8211;<a href="#d0e4229">184</a>; zijn wachten grijpen Naisi en Deirdre, <a href="#d0e4225">183</a>; lijdt pijn door den vloek der zwakheid, <a href="#d0e4270">187</a>&#8211;<a href="#d0e4490">203</a>; de vloek wordt van hem afgenomen, <a href="#d0e4490">203</a>; hij roept Ulster onder de wapenen, <a href="#d0e4499">204</a>; Christelijke begrippen over zijn uiteinde, <a href="#d0e4752">218</a>, <a href="#d0e4783">19</a>; zijn dood veroorzaakt door Conall&#8217;s &#8220;hersen-bal&#8221;, <a href="#d0e4790">220</a>; hij komt voor in het verhaal: <span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>Het snijden van mac Datho&#8217;s zwijn&#8221;, <a href="#d0e4790">220</a>; hij laat mac Datho om zijn hond vragen, <a href="#d0e4790">220</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Constantine</span>. Arthur draagt zijn koninkrijk over op, <a href="#d0e6288">310</a>.
+
+</p>
+<p>&#8220;<span class="smallcaps">Conte del Graal</span>&#8221;. Zie Graal.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Coranians</span>. Een demonisch ras; teistert het land van Brittanni&euml;, <a href="#d0e7014">354</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Cocadyna</span>. Ith landt met zijn negentig krijgers te, in Ierland, <a href="#d0e3144">115</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Cormac</span>. 1) Zoon van Art, Koning van Ierland; zijn begrafenis, <a href="#d0e2009">53</a>; historische figuur, <a href="#d0e4514">205</a>; Finn en, onthaald in Burcht Grania, <a href="#d0e5610">277</a>; 2) Koning van Ulster, huwt Etain Oig, <a href="#d0e3733">149</a>; verstoot haar wegens haar onvruchtbaarheid, <a href="#d0e3733">149</a>; 3) Zoon van Conor mac Nessa; doet mee aan Maev&#8217;s aanval op Ulster, <a href="#d0e4270">187</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Corpe</span>. Dichter aan het hof van Koning Bres, <a href="#d0e2755">92</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Cosmogonie</span>. 1. De Keltische, <a href="#d0e2533">79</a>, <a href="#d0e2542">80</a>; 2. De Kimbrische, <a href="#d0e6193">306</a>&#8211;<a href="#d0e6250">308</a>; God en Cythrawl, beteekenend leven en verwoesting in, <a href="#d0e6193">306</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Cotterill, H.&nbsp;B</span>. Aanhaling uit zijn vertaling in hexameters van &#8220;Odysseus&#8221;, <a href="#d0e2276">64</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Craftiny</span>. Harpenist van Koning Scoriath; zingt Maon Moriath&#8217;s minnelied voor, <a href="#d0e3509">137</a>; ontdekt Maon&#8217;s geheim gebrek, <a href="#d0e3547">139</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Credn&eacute;</span>. De kunstsmid van de Danaans, <a href="#d0e2873">101</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Creudylad</span>. Dochter van Lludd; gevecht elken Meidag om haar bezit, tusschen Gwythur ap Greidawl en Gwyn ap Nudd, <a href="#d0e6507">321</a>, <a href="#d0e7042">356</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Cr&#299;mmal</span>. Verlost door zijn neef Finn, <a href="#d0e5004">235</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Crom Cruach</span>. Gouden afgodsbeeld (overeenkomende met de Bloedige Halvemaan) vermeld in het &#8220;Boek van Leinster&#8221;, <a href="#d0e2388">69</a>; eeredienst van, door Koning Tiernmas ingevoerd, <a href="#d0e3438">133</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Cromlechs</span>. Zie Dolmens, <a href="#d0e1785">37</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Crundchu</span>. Zoon van Agnoman; Macha komt wonen bij, <a href="#d0e3946">161</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Cuailgn&eacute;</span>. Zie Quelgny.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Cuchulain</span>. Held uit Ulster in Iersche sagen; tweegevecht met Ferdia, <a href="#d0e2935">105</a>; Lugh, vader van, verwekt bij Dectera, <a href="#d0e2963">108</a>, <a href="#d0e4037">166</a>; bemind en gesteund door godin Morrigan, <a href="#d0e3036">111</a>; zijn zonderlinge geboorte, <a href="#d0e4035">165</a>; vroegste naam Setanta, zijn erfenis, zijn naam afgeleid van den hond van Cullan, eischt wapens van Conor, <a href="#d0e4035">165</a>&#8211;<a href="#d0e4057">67</a>; dingt naar de hand van Emer, <a href="#d0e4074">168</a>, <a href="#d0e4093">169</a>; Laeg, zijn wagenmenner, <a href="#d0e4074">168</a>; Skatha&#8217;s <a id="d0e9815"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9815">396</a>]</span>onderricht in het land der Schimmen, <a href="#d0e4107">170</a>, <a href="#d0e4111">71</a>; overwint Aifa, die hem een zoon baart, Connla, <a href="#d0e4122">172</a>, <a href="#d0e4126">73</a>; hij doodt Connla, <a href="#d0e4141">174</a>; keert terug naar Erin, <a href="#d0e3634">145</a>; doodt Foill en zijn broederen, <a href="#d0e4158">176</a>; ontmoet vrouwen van Emania, <a href="#d0e4165">177</a>; doet &#8220;des helden zalmsprong&#8221;, <a href="#d0e4165">177</a>; bemeestert Emer, <a href="#d0e4174">178</a>; wordt door den Verschrikkelijke uitgeroepen tot Kampioen van Ierland, <a href="#d0e4183">179</a>; brengt Maev&#8217;s leger onder <i>geise</i>, <a href="#d0e4292">188</a>, <a href="#d0e4313">89</a>; doodt Orlam, <a href="#d0e4354">191</a>; zijn vecht-razernij en <i>riastradh</i>, <a href="#d0e4354">191</a>; verdrag met Fergus, <a href="#d0e4374">193</a>; de Morrigan biedt hem haar liefde aan, dreigt hem op den bodem van de rivier, valt hem aan, terwijl hij met Loch vecht,
+<a href="#d0e4397">194</a>, <a href="#d0e4411">195</a>; hij doodt Loch, <a href="#d0e4411">195</a>; Ferdia stemt er in toe tegen hem op te trekken, hij doet Ferdia verwijten, hun strijd, hij doodt Ferdia, die hem zwaar verwondt,
+<a href="#d0e4445">198</a>&#8211;<a href="#d0e4463">200</a>; uit zijn verdooving opgewekt door het zwaardgekletter van Fergus, in den slag van Garach, <a href="#d0e4514">205</a>; in het Tooverland, bemind door Fand, <a href="#d0e4567">207</a>, <a href="#d0e4587">208</a>; wraak van Maev op, <a href="#d0e4601">209</a>; andere vijanden: Erc en Lewy zoon van Curoi, <a href="#d0e4625">210</a>; Blanid, vrouw van Curoi, zet haar zinnen op, <a href="#d0e4625">210</a>; zijn krankzinnigheid, Bave vertoont zich als Niam voor, de Morrigan krast (als raaf) over oorlog voor. Dectera en Cathbad
+dringen er bij hem op aan op Conall te wachten alvorens ten strijde te trekken, hij ziet het Waschmeisje aan de rivier, Clan
+Calatin doet hem zijn <i>geise</i> verbreken, vindt zijn vijanden te Slieve Fuad, de Schimmel van Macha doodelijk gewond, hij wordt doodelijk gewond door Lewy,
+zijn paard Zwarte Sainglend loopt van hem weg, Lewy doodt hem, <a href="#d0e4625">210</a>&#8211;<a href="#d0e4707">215</a>; zijn dood gewroken door Conall, <a href="#d0e4694">214</a>; hij treedt weer op in latere legende van Christelijken oorsprong, gevonden in het &#8220;Boek van de Dun-koe&#8221;, St. Patrick&#8217;s opontbod uit de Hel, <a href="#d0e4727">217</a>&#8211;<a href="#d0e4752">218</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Cullan</span>. Zijn feest voor Koning Conor te Quelgny, <a href="#d0e4037">166</a>; Cuchulain doodt zijn hond, <a href="#d0e4037">166</a>; Cuchulain genaamd de Hond van, <a href="#d0e4057">167</a>; zijn dochter verantwoordelijk verklaard voor Finn&#8217;s betoovering<span class="corr" title="Bron: ">,</span> <a href="#d0e5336">256</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Cumhal</span>. Hoofd van de Clan Morna, zoon van Tranm&#333;r, echtgenoot van Murna met den Blanken Hals, vader van Finn, <a href="#d0e4985">234</a>; gedood in den slag bij Knock, <a href="#d0e4985">234</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Curoi</span>. Vader van Lewy, echtgenoot van Blanid, <a href="#d0e4625">210</a>; gedood door Cuchulain, <a href="#d0e4625">210</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Cuscrid</span>. Zoon van Conor mac Nassa; onder den vloek der zwakheid, <a href="#d0e4270">187</a>; mac Datho&#8217;s zwijn en, <a href="#d0e4815">222</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Custennin</span>. Broeder van Yspaddaden; helpt Kilhwch bij zijn zoeken naar Olwen, <a href="#d0e7060">357</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Cyclen</span>. De, van Iersche legenden, <a href="#d0e2542">80</a>; de Mythologische, <a href="#d0e2542">80</a>&#8211;<a href="#d0e3388">129</a>; de Ultoniaansche<span class="corr" title="Bron: ">,</span> <a href="#d0e3946">161</a>&#8211;<a href="#d0e4935">230</a>; de Ossian&#8217;sche, <a href="#d0e4949">231</a>&#8211;<a href="#d0e5773">84</a>; sommige verhalen van den Ultoniaanschen cyclus concentreeren zich niet om Cuchulain, <a href="#d0e4859">225</a>; tijd van de gebeurtenissen van den Ulton. cyclus, <a href="#d0e4949">231</a>; de Ossian&#8217;sche en Ultoniaansche tegenover elkaar gesteld, <a href="#d0e4966">232</a>&#8211;<a href="#d0e4985">34</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Cythrawl</span>. God en, twee elementaire wezens, de beginselen van leven en verwoesting in de Kimbrische theorie der schepping, <a href="#d0e6193">306</a>; verwezenlijkt in &#8220;Annwn&#8221; (Afgrond of Chaos), <a href="#d0e6193">306</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>D.</h3>
+<p><span class="smallcaps">Da Derga</span>. Een edele uit Leinster in wiens verblijf Conary gastvrijheid vraagt, <a href="#d0e3813">153</a>; Conary&#8217;s gevolg bij, <a href="#d0e3861">156</a>; Ingcel en zijn eigen zonen vallen het verblijf aan, <a href="#d0e3874">157</a>.
+<a id="d0e10047"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10047">397</a>]</span></p>
+<p><span class="smallcaps">Dagda</span>. &#8220;De Goede&#8221;, of misschien = <i>Doctus</i>, de &#8220;Wijze&#8221;. God, en opperste hoofd van het Volk van Dana, Vader van Brigitta (Dana), <a href="#d0e2683">88</a><span class="corr" title="Bron: ,">;</span> de Ketel van de, een van de schatten der Danaans, <a href="#d0e2714">90</a>; de tooverharp van, <a href="#d0e2902">103</a>; vader en hoofd van het Volk van Dana, <a href="#d0e2902">103</a>&#8211;<a href="#d0e2935">05</a>; de Koningin Mac Cuill, Mac Cecht en Mac Gran&eacute; kleinzoons van, <a href="#d0e3162">116</a>; verdeelt het onstoffelijke Ierland onder de Danaans, <a href="#d0e3262">120</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dal van de Lijsters</span>. Ois&#299;n&#8217;s betoovering opgeheven in het dal, <a href="#d0e5273">251</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dalan</span>. Een Dru&iuml;de, die aan Eochy bekend maakt dat Etain is gevoerd naar den tooverberg van Bri-Leith, <a href="#d0e3650">146</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dalny</span>. Koningin van Partholan, <a href="#d0e2561">81</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dancan</span>. De Firbolg, vader van Ferdia, <a href="#d0e4107">170</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Damayanti en Nala</span>. Hindoelegende, vergeleken met het verhaal van Etain, <a href="#d0e3674">147</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dana</span>. Het Volk van, Nemediaansche overlevenden die naar Ierland terugkeeren, <a href="#d0e2658">87</a>; letterlijke beteekenis van <i>Tuatha de Danann</i>, <a href="#d0e2683">88</a>; equivalent Brigitta, <a href="#d0e2683">88</a>, <a href="#d0e3023">110</a>; naam van Goden gegeven aan het Volk van, door Tuan mac Carell, <a href="#d0e2683">88</a>; Milesi&euml;rs overwinnen het Volk van, <a href="#d0e2701">89</a>; oorsprong van Volk van, volgens Tuan mac Carell, <a href="#d0e2714">90</a>; de steden Falias, Gorias, Finias en Murias, <a href="#d0e2714">90</a>; schatten van het Volk van, <a href="#d0e2714">90</a>; de Firbolgs en het Volk van, <a href="#d0e2734">91</a>&#8211;<a href="#d0e2902">103</a>; gave van bedrevenheid in muziek, het voorrecht van, <a href="#d0e2902">103</a>; dochter van den Dagda en de voornaamste godin der Danaans, <a href="#d0e3023">110</a>; Brian (oudste vorm Brenos), Juchar en Jucharba, haar zonen, <a href="#d0e3023">110</a>; Firbolgs en het Volk van, <a href="#d0e3275">121</a>; equivalent van Don, Kimbrische moeder-godin, <a href="#d0e6477">320</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Danaans</span>. Weigeren schatting aan Balor, <a href="#d0e2841">98</a>; gevecht met de Fomorians, <a href="#d0e2873">101</a>; macht uitgeoefend door middel der muziek, <a href="#d0e2880">102</a>; voornaamste goden en eigenschappen der, <a href="#d0e2918">104</a>&#8211;<a href="#d0e3401">130</a>; hun verdringing in Ierland door Milesi&euml;rs, <a href="#d0e3099">114</a>; koningen, Ierland geregeerd door drie, Mac Cuill, Mac Cecht en Mac Grene, <a href="#d0e3162">116</a>; de drie koningen verwelkomen Ith in Ierland, <a href="#d0e3168">117</a>; wonen in het onstoffelijk Ierland, <a href="#d0e3262">120</a>; mythe, beteekenis van, <a href="#d0e3275">121</a>; de, na de overwinning der Milesi&euml;rs, <a href="#d0e3401">130</a>, <a href="#d0e3410">131</a>; Donn zoon van Midir voert krijg met, <a href="#d0e5435">262</a>; betrekkingen van de Kerk met, zeer hartelijk, <a href="#d0e5443">263</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dara</span>. Zoon van Fachtna, bezitter van den Bruinen Stier van Quelgny, <a href="#d0e4246">185</a>; Maev vraagt den Bruinen Stier ter leen, <a href="#d0e4253">186</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dauw-rood</span>. Paard van Conall, <a href="#d0e4707">215</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Decies</span>. Zoon van den Koning van de, vraagt Licht van Schoonheid (Sgeimh Solais) ter huwelijk, <a href="#d0e5653">280</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dectera</span>. Moeder van Cuchulain, <a href="#d0e2963">108</a>; dochter van den Dru&iuml;de Cathbad, <a href="#d0e3993">164</a>; verschijnt voor Conor mac Nessa na drie jaren afwezigheid, <a href="#d0e4035">165</a><span class="corr" title="Bron: ,">;</span> schenkt Ulster een zoon, Cuchulain, <a href="#d0e4035">165</a><span class="corr" title="Bron: ,">.</span>
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dee</span>, de <span class="smallcaps">Rivier</span>. Thans de wadde van Ferdia.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Deirdre</span>. Dochter van Felim, de Dru&iuml;de Cathbad trekt haar horoskoop, Conor besluit haar te trouwen als zij huwbaar zou zijn, groot
+gebracht door Levarcam<span class="corr" title="Bron: ">,</span> <a href="#d0e4183">179</a>; zij bemint Naisi, die haar wegvoert, <a href="#d0e4192">180</a>; keert met Naisi naar Ierland terug, <a href="#d0e4192">180</a>&#8211;<a href="#d0e4221">82</a>; gedwongen met Conor te trouwen, verpletterde zij zich tegen een rots, <a href="#d0e4225">183</a>, <a href="#d0e4229">84</a>; de verhalen van Grania en, vergeleken, <a href="#d0e5554">273</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Demetrius</span> Bezoek aan Brittanni&euml;, vermeldt eiland waar &#8220;Kronos&#8221; in slaap bevangen gehouden werd, terwijl Briareus over hem de wacht
+hield, <a href="#d0e6599">326</a>, <a href="#d0e6638">27</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Demna</span>. Oftewel Finn. Zijn geboorte, <a href="#d0e4985">234</a>, <a href="#d0e3470">35</a>.
+<a id="d0e10313"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10313">398</a>]</span></p>
+<p><span class="smallcaps">Denen</span>. Plunderen Iersche monumenten, <a href="#d0e2009">53</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Deoca</span>. Een prinses van Munster; kinderen van Lir en, <a href="#d0e3355">126</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dermot Mac Kerval</span>. Regeering van, in Ierland, en de verwensching van Tara, <a href="#d0e1697">31</a>; neemt Hugh Guairy gevangen en laat hem terecht staan, <a href="#d0e1697">31</a>; droom van de vrouw van, <a href="#d0e1697">31</a>, <a href="#d0e1711">32</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dermot met den Liefde-vlek</span>. (Dermot O&#8217; Dyna). Volgeling van Finn mac Cumhal, minnaar van Grania, opgevoed met Angus in het paleis aan de Boyne, <a href="#d0e2944">106</a>; de typische minnaar in de Iersche legende, <a href="#d0e2944">106</a>; gedood door het wilde Zwijn van Ben Bulben, <a href="#d0e2944">106</a>, <a href="#d0e4637">211</a>, <a href="#d0e5625">278</a>; vriend van Finn, <a href="#d0e5043">239</a>; beschreven als een Keltische Adonis, <a href="#d0e5491">267</a>; Donn vader van, <a href="#d0e5491">267</a>; Roc en; hoe Dermot den Liefde-Vlek kreeg, <a href="#d0e5521">269</a>; avontuur met het ros van Gilla Dacar, gevecht met den Ridder van de Bron, <a href="#d0e5521">269</a>&#8211;<a href="#d0e5545">71</a>; liefdesgeschiedenis van Grania en, <a href="#d0e5554">273</a>&#8211;<a href="#d0e5576">75</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Derryvaragh, Meer</span>. Aoif&eacute;&#8217;s wreedheid jegens haar stiefkinderen bij, <a href="#d0e3293">123</a>, <a href="#d0e3310">124</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Desa</span>. Pleegvader van Conary M&#333;r, <a href="#d0e3757">150</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dialogen</span>. Verwijzing naar Ois&#299;n-en-Patrick, en Keelta-en-Patrick, <a href="#d0e5474">265</a>, <a href="#d0e5484">266</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Diancecht</span>. Geneesheer bij de Danaans, <a href="#d0e2770">93</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dineen&#8217;s Iersch Woordenboek</span>. Verwijzing naar, <a href="#d0e3686">148</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dinnsenchus</span>. Oud document bewaard gebleven in het Boek van Leinster, <a href="#d0e2406">70</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dinodig</span>. Land van, waarover Llew en Blodeuwedd regeerden, <a href="#d0e6991">352</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dinrigh</span>. Maon doodt Covac te, <a href="#d0e3509">137</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Diodorus Siculus</span>. Tijdgenoot van Julius Caesar; beschrijft de Galli&euml;rs, <a href="#d0e1607">25</a>; Pythagoras en, <a href="#d0e2307">65</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dis</span>. Equivalent: Pluto, <a href="#d0e2446">72</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dithorba</span>. Broeder van Rooden Hugh en Kimbay, gedood door Macha, <a href="#d0e3470">135</a>; vijf zonen van, gevangen genomen door Macha, <a href="#d0e3470">135</a>, <a href="#d0e3482">136</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Diuran de Rijmer</span>. Germ&#257;n en, metgezellen van Maeld&#363;n op zijn wonderreis, <a href="#d0e5824">288</a>; keert terug met een stuk van het zilvernet, <a href="#d0e6132">304</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dodder, De Rivier</span>, <a href="#d0e3881">158</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dolmens</span>. Cromlechs, tumuli en, verklaring van, <a href="#d0e1785">37</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">D&#333;n</span>. Kimbrische moeder-godin, vertegenwoordigende de Keltische Dana, <a href="#d0e6515">322</a>; Penardun, een dochter van, <a href="#d0e6520">323</a>; Gwydion, zoon van, <a href="#d0e6520">323</a>; stamboom, <a href="#d0e6530">324</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Donau</span> (<span class="smallcaps">De</span>). Bronnen van, oorsprong van de Kelten, <a href="#d0e889">3</a>, <a href="#d0e1823">40</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Donkere</span> (<span class="smallcaps">De</span>). Dru&iuml;de verandert Saba in een hinde; zijn latere slechte behandeling van Saba, <a href="#d0e5162">245</a>&#8211;<a href="#d0e5187">248</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Donn</span>. 1. Mac Midir, zoon van Midir de Trotsche, <a href="#d0e5435">262</a>. 2<span class="corr" title="Bron: ">.</span> Vader van Dermot, geeft zijn zoon om door Angus &#332;g te worden groot gebracht, <a href="#d0e5491">267</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Donnybrook</span>. Da Derga&#8217;s verblijf te, <a href="#d0e3813">153</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dooclone</span>. Ailill gedood in de kerk van, <a href="#d0e5781">286</a>; Maeld&#363;n te, <a href="#d0e5800">287</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dood</span>. De Keltische opvatting van den, <a href="#d0e2479">73</a>; namen Balor en Bil&eacute; komen voor als god van den, <a href="#d0e3144">115</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dooden, Land van de</span>. Iersche tooverland, <a href="#d0e2561">81</a>; equivalent: Spanje, <a href="#d0e2658">87</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dowth</span><span class="corr" title="Bron: ">.</span> Tumulus van, <a href="#d0e2146">59</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dru&iuml;de</span>(N). Leer van de, <a href="#d0e1541">21</a>; beschouwd als tusschenpersonen tusschen God en de menschen, <a href="#d0e1607">25</a>; de opperste macht in Keltische landen, <a href="#d0e1678">30</a>; geweerd door Keizer Tiberius, <a href="#d0e1888">46</a>; Arische wortel van het woord, <a href="#d0e2320">66</a>; getuigenis van Dion Chrysostomus aangaande de macht van de, <a href="#d0e2378">68</a>; godsdienstige, wijsgeerige en wetenschappelijke cultuur onder hun toezicht, Caesar&#8217;s bericht hieromtrent, <a href="#d0e2378">68</a>; met hun instelling verdween hun cosmogonische leer, <a href="#d0e2542">80</a>.
+<a id="d0e10632"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10632">399</a>]</span></p>
+<p><span class="smallcaps">Dru&iuml;disme</span>. Bestaan er van in de Britsche eilanden, Galli&euml;, <a href="#d0e2320">66</a>; tooverritus van &#8217;t, geloof er in leefde nog in de eerste Christelijke periode, <a href="#d0e2378">68</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dublin</span>. Conary gaat daarheen, <a href="#d0e3776">151</a>; Conary&#8217;s pleegbroeders landen te, om te stroopen, <a href="#d0e3813">153</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dupaix</span>. Verwijzing naar beker- en ring-insnijdingen in Depaix&#8217; &#8220;Monumenten van Nieuw-Spanje&#8221;, <a href="#d0e1979">51</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dyfed</span>. Pryderi en Manawyddan te, <a href="#d0e6877">344</a>; Gwydion en Gilvaethwy te, <a href="#d0e6921">348</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Dylan</span>. (&#8220;Zoon van den Golf&#8221;). Zoon van Arianrod; zijn kreunen toen hij stierf is het gehuil van den vloed bij de monding van de
+rivier Conway, <a href="#d0e6954">350</a>.
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>E.</h3>
+<p><span class="smallcaps">Eber Donn</span> (Bruine Eber). Milesische edele; zijn ruw gejubel en wat er op volgde, <a href="#d0e3262">120</a>; verwijzing naar, als een der Milesische leiders, <a href="#d0e3417">132</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Eber Finn</span> (Blonde Eber). Een van de Milesische leiders, gedood door Eremon, <a href="#d0e3417">132</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ecne</span>. De god wiens grootmoeder Dana was, <a href="#d0e2683">88</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Eeuw, IJzeren</span>. Het schip, goed herkenbare vorm van graf-afsluiting op kerkhoven in de, <a href="#d0e2170">60</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Egyptisch(e)</span>. Het schip-symbool in de kerkhofkunst, <a href="#d0e2258">63</a>; de voeten van Osiris, symbool van bezoek, <a href="#d0e2188">61</a>; begrippen over onsterfelijkheid, <a href="#d0e2188">61</a>&#8211;<a href="#d0e2432">71</a>; menschenoffers afgeschaft door Amasis I, <a href="#d0e2406">70</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Eiland(en)</span>. Vreemde avonturen van Maeld&#363;n en zijn makkers op wonderlijke eilanden, <a href="#d0e5824">288</a>&#8211;<a href="#d0e6132">304</a>; van den Moordenaar, <a href="#d0e5824">288</a>; van de Mieren, van de Groote Vogels, van het Woeste Beest, van de Reuzenpaarden, <a href="#d0e5849">289</a>; van den Steenen Deur, van de Appels, van het Wonderlijke Beest, <a href="#d0e5871">290</a>; van de Bijtende Paarden, van de Gloeiende Zwijnen, van de Kleine Kat, <a href="#d0e5891">291</a>; van de Zwarte en Witte Schapen, <a href="#d0e5910">292</a>; van het Reuzenvee, van den Molen, van de Zwarte Rouwenden, van de Vier Heggen, <a href="#d0e5925">293</a>; van den Glazen Brug, <a href="#d0e5946">294</a>; van de Schreeuwende Vogels, van den Kluizenaar, van de Wonderbron, van de Smidse, <a href="#d0e5966">295</a>; van de Zee van Zuiver Glas, van de Onderzee, van de Voorspelling, <a href="#d0e5991">296</a>; van het Spuitend Water, van de Zilveren Zuil, van het Voetstuk, <a href="#d0e6010">297</a>; van de Vrouwen <a href="#d0e6029">298</a>; van de Roode Bessen, <a href="#d0e6043">299</a>; van den Arend, <a href="#d0e6043">299</a>&#8211;<a href="#d0e6070">301</a>; van de Lachende Menschen, van den Vlammenden Wal, van den Monnik van Tory, <a href="#d0e6070">301</a>&#8211;<a href="#d0e6114">303</a>; van de Valk, <a href="#d0e6114">303</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Eilanden van de Dooden</span>. Zie Mananan, <a href="#d0e3005">109</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Eiland van Man</span>. Gehouden voor den troon van Mananan, <a href="#d0e3023">110</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Eisirt</span>. Bard van den Koning van het Kleine Volk, zijn bezoek aan Koning Fergus in Ulster, <a href="#d0e4871">226</a>, <a href="#d0e4885">227</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Elphin</span>. Zoon van Gwyddno, vindt Taliesin, <a href="#d0e7401">381</a>; pocht op zijn vrouw en zijn bard, aan Arthur&#8217;s hof, <a href="#d0e7413">382</a>; het gevolg daarvan, <a href="#d0e7413">382</a>&#8211;<a href="#d0e7497">84</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Emain Macha</span>. De Morrigan gaat door, om Cuchulain te waarschuwen, <a href="#d0e3036">111</a>; stichting van, met Kimbay als koning, <a href="#d0e3451">134</a>; equivalent, de Doekspeld (rad) van Macha, <a href="#d0e3470">135</a>; Macha dwingt vijf zonen van Dithorba wallen en grachten te maken van, <a href="#d0e3355">126</a>; Dectera verschijnt in de velden van, <a href="#d0e4035">165</a>; Cuchulain rijdt terug naar, <a href="#d0e4093">169</a>; bericht van Cuchulain&#8217;s vechtwoede komt in, <a href="#d0e4165">177</a>; Fergus keert terug naar, <a href="#d0e4229">184</a>; het knapen-korps van, trekt uit om Cuchulain te helpen, <a href="#d0e4435">197</a>; mannen van Ulster keeren terug naar, met grooten roem, <a href="#d0e4567">207</a>; Conall&#8217;s &#8220;hersen-bal&#8221; te, <a href="#d0e4783">219</a>.
+<a id="d0e10868"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10868">400</a>]</span></p>
+<p><span class="smallcaps">Emailleeren</span>. Kelten en de kunst van, <a href="#d0e1145">13</a>, <a href="#d0e1150">14</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Emania</span>. Vrouwen van, gaan Cuchulain te gemoet, <a href="#d0e4165">177</a>; Cuchulain wreekt het verlies van het knapen-korps van, <a href="#d0e4435">197</a>; Cuchulain neemt afscheid van de vrouwen van, <a href="#d0e4645">212</a>. (Zie Emain Macha.)
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Emer</span>. Dochter van Forgall, begeerd door Cuchulain, <a href="#d0e4074">168</a>, <a href="#d0e2388">69</a>; Cuchulain ontvoert haar, zij wordt Cuchulain&#8217;s vrouw, <a href="#d0e4174">178</a>; zij verneemt de afspraak tusschen Cuchulain en Fand, <a href="#d0e4587">208</a>&#8211;<a href="#d0e4601">209</a>; Cuchulain meent haar lijk te zien, <a href="#d0e4645">212</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Enid</span>. Het verhaal van Geraint en, <a href="#d0e7187">367</a>, <a href="#d0e7199">368</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Eochy</span>. 1. Zoon van Erc, een Firbolg-koning, echtgenoot van Taltiu of Telta, <a href="#d0e2683">88</a>; Koning van Ierland; Midir de Trotsche verschijnt voor hem op den heuvel van Tara, <a href="#d0e2963">108</a>; Opperkoning van Ierland, huwt Etain, <a href="#d0e3563">141</a>, <a href="#d0e3574">42</a>; Midir verschijnt voor hem en daagt hem uit met hem te schaken, <a href="#d0e3634">145</a>&#8211;<a href="#d0e3674">147</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ephorus</span>. Kelten en, <a href="#d0e838">1</a>, <a href="#d0e1522">20</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Erc</span>. Koning van Ierland, Cuchulain&#8217;s vijand, <a href="#d0e4625">210</a>; wondt doodelijk den Schimmel van Macha, <a href="#d0e4661">213</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Eremon</span>. Eerste Milesische Koning van geheel Ierland, <a href="#d0e3369">127</a>, <a href="#d0e3417">132</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Eri</span>. Moeder van Koning Bres, <a href="#d0e2755">92</a>; maakt Elatha bekend als vader van Bres, <a href="#d0e2770">93</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Erinn</span> (<span class="smallcaps">Erin</span>). Zie Eriu, <a href="#d0e3168">117</a>; verwijzing naar het Opper-Koningschap van, <a href="#d0e3482">136</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Eriu</span>. Vrouw van den Danaan Koning Mac Gren&eacute;, <a href="#d0e3168">117</a>; datief, Erinn, de po&euml;tische naam voor Ierland, <a href="#d0e3168">117</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Erris Baai</span>. De kinderen van Lir aan de, <a href="#d0e3330">125</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Etain</span>. Tweede vrouw van Midir de Trotsche, door Fuamnach in een vlinder veranderd, door een tooverstorm gedreven in het tooverpaleis
+van Angus, en weer daaruit verdreven, door Etar opgeslokt, komt weer te voorschijn als een sterflijk kind, <a href="#d0e3557">140</a>; wordt bezocht door Eochy, den Opper-Koning, die haar tot zijn vrouw maakt, <a href="#d0e3563">141</a>, <a href="#d0e3574">142</a>; Ailill&#8217;s wanhopige liefde voor, <a href="#d0e3574">142</a>, <a href="#d0e3594">143</a>; Midir de Trotsche komt haar opeischen als zijn Danaan vrouw, <a href="#d0e3594">143</a>&#8211;<a href="#d0e3650">146</a>; Eochy krijgt haar terug, <a href="#d0e3674">147</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Etain Oig</span>. Dochter van Etain, <a href="#d0e3674">147</a>; Koning Conary M&#333;r stamt af van, <a href="#d0e3674">147</a>; huwde Cormac, Koning van Ulster, <a href="#d0e3733">149</a>; verstooten omdat zij geen zonen baart, <a href="#d0e3757">150</a>; de koehoeder van Eterskel zorgt voor haar eenige dochter, <a href="#d0e3757">150</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Etar</span>. Moeder van Etain, <a href="#d0e3563">141</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Eterskel</span>. Koning van Ierland, wiens koehoeder zorgt voor Messbuachalla, <a href="#d0e3757">150</a>; bij zijn dood opgevolgd door Conary M&#333;r, <a href="#d0e3776">151</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ethal Anubal</span>. Prins van de Danaans van Connacht, vader van Caer, <a href="#d0e2944">106</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ethlinn</span>, of <span class="smallcaps">Ethnea</span>. Dochter van Balor, <a href="#d0e2793">94</a>; schenkt haar liefde aan Kian, baart drie zonen, <a href="#d0e2822">96</a>; een er van is Lugh, <a href="#d0e2835">97</a>, <a href="#d0e4035">165</a>; behoort tot Finn&#8217;s voorouders, <a href="#d0e4985">234</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ethn&eacute;</span>. Het verhaal van, <a href="#d0e3369">127</a>&#8211;<a href="#d0e3388">129</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Etruskers</span>. Kelten veroveren Noord-Itali&euml; op de, <a href="#d0e905">5</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Europa</span>. Kiemen van vrijheid en cultuur, door Keltische invloeden levend gehouden, <a href="#d0e951">6</a>; verbreiding van Keltische macht in Midden-, <a href="#d0e1003">10</a>; Keltische plaatsnamen in, <a href="#d0e1003">10</a>&#8211;<a href="#d0e1122">12</a>; wat het aan Kelten te danken heeft, <a href="#d0e1737">33</a>; dolmens gevonden in Westersche landen van, <a href="#d0e1785">37</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Evnissyen</span>. Zoon van Eurosswyd en Penardun, <a href="#d0e6764">336</a>; verminkt paarden van Matholwch, <a href="#d0e6775">337</a>; Bran&#8217;s vergoeding voor dat misdrijf, <a href="#d0e6791">338</a>; doodt de krijgslieden in de meelzakken verborgen, <a href="#d0e6807">340</a>; sterft in den tooverketel, <a href="#d0e6831">341</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Evrawc</span>. Vader van Peredur. <a href="#d0e7199">368</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Evric</span>. Pachter die Fionuala en haar broeders helpt, <a href="#d0e3330">125</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Excalibur</span>. Zie Caliburn, <a href="#d0e6288">310</a>, en noot, blz. <a href="#d0e4514">205</a>.
+
+
+<a id="d0e11191"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e11191">401</a>]</span></p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>F.</h3>
+<p><span class="smallcaps">Fabi&iuml;</span>. Romeinen gekozen tot militaire tribunen, <a href="#d0e998">9</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fabius Ambustus</span>. Verraad van drie zonen van, tegen de Kelten, <a href="#d0e998">9</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fachtna</span>. De reus, Koning van Ulster, Nessa vrouw van, vader van Conor, bij zijn dood opgevolgd door zijn stiefbroeder Fergus, <a href="#d0e3981">163</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Falios</span>. De Stad (zie Dana), <a href="#d0e2714">90</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fand</span>. De Parel van Schoonheid, vrouw van Mananan, zet haar zinnen op Cuchulain, keert terug naar haar huis met Mananan, <a href="#d0e4567">207</a>&#8211;<a href="#d0e4601">09</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Faylinn</span>. Het land van het Kleine Volk; Jubdan, Koning van, <a href="#d0e4859">225</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fedelma</span>. Profetes, van den Tooverburcht van Croghan, ondervraagd door Maev, haar vizioen van Cuchulain, <a href="#d0e4292">188</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Felim</span>. Zoon van Dall, vader van Deirdre, <a href="#d0e4354">191</a><span class="corr" title="Bron: ,">;</span> zijn onthaal van Conor en de Roode Tak-helden, <a href="#d0e4183">179</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Feramorc</span>. Het koninkrijk waarover Scoriath regeert; Maon wordt daarheen gevoerd, <a href="#d0e3509">137</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fercartna</span> De bard van Curoi, doodelijke sprong met Blanid, <a href="#d0e4625">210</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ferdia</span>. Tweegevecht met Cuchulain vermeld, <a href="#d0e2935">105</a>; zoon van den Firbolg, Daman, vriend van Cuchulain, <a href="#d0e4107">170</a>; doet mee aan Maev&#8217;s aanval tegen Ulster<span class="corr" title="Bron: ">,</span> <a href="#d0e4270">187</a>; stemt op verzoek van Maev er in toe met zijn vriend Cuchulain te vechten, <a href="#d0e4445">198</a>; de strijd, <a href="#d0e4454">199</a>&#8211;<a href="#d0e4481">202</a>; Cuchulain doodt, <a href="#d0e4481">202</a>; begraven door Maev, <a href="#d0e4481">202</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fergus</span>. Nemediaansch hoofd die Conann doodt, <a href="#d0e2658">87</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fergus de Groote</span>. Zoon van Erc, steen van Scone gebruikt voor de kroning van, voorvader van de Britsche Koninklijke Familie, <a href="#d0e2714">90</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fergus Mac Leda</span>. Het Kleine Volk en, bezocht door Eisirt, bard van den Koning van het Kleine Volk, bezocht door Jubdan, Koning van het Kleine
+Volk, <a href="#d0e4859">225</a>&#8211;<a href="#d0e4902">28</a>; de misvorming van Fergus, <a href="#d0e4902">228</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fergus Mac Roy</span><span class="corr" title="Bron: ,">.</span> Zoon van Roy, stiefbroeder van Fachtna, <a href="#d0e3993">164</a>; wordt gezonden om Naisi en Deirdre te noodigen naar Ierland terug te keeren, <a href="#d0e4207">181</a>; de opstand van, <a href="#d0e4229">184</a>; Maev en, <a href="#d0e4246">185</a>; overeenkomst met Cuchulain, <a href="#d0e4374">193</a>; gaat door voor den auteur van de &#8220;Tain&#8221;, <a href="#d0e4727">217</a>; gedood door Ailell, <a href="#d0e4842">224</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fergus</span> (dichter). Verlost uit het Tooverhol door Goll, <a href="#d0e5322">255</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ferguson, Sir Samuel</span>. Aangehaald (noot) <a href="#d0e1678">30</a>, <a href="#d0e4707">215</a>&#8211;<a href="#d0e4727">17</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Feryllt</span>. Vergilius in de taal van Wales, <a href="#d0e7389">380</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fiacha</span>. Zoon van Firaba, <a href="#d0e4435">197</a>; snijdt achtentwintig handen af van den Clan Calatin, <a href="#d0e4435">197</a>; geeft een speer aan Finn, <a href="#d0e5008">236</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fiachra</span>. Een van de kinderen van Lir, <a href="#d0e3355">126</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fiel</span>. Zuster van Emer, <a href="#d0e4093">169</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fianna van Erin, De</span>. Verklaring van deze orde, <a href="#d0e4949">231</a>; gevormd door Clan Bascna en Clan Morna, <a href="#d0e4949">231</a>; Goll, hoofd van, <a href="#d0e5008">236</a>; Finn benoemd tot hoofd van, <a href="#d0e5022">237</a>; toelatingseischen, <a href="#d0e5120">243</a>; verhalen verteld door Keelta, <a href="#d0e5414">261</a>; beproeft te vergeefs den hamel de baas te worden, <a href="#d0e5505">268</a>&#8211;<a href="#d0e5521">69</a>; de vervolging van den Harden Gilly, <a href="#d0e5521">269</a>, <a href="#d0e5528">70</a>; bevrijding van het Tooverland door, <a href="#d0e5545">271</a>; Cairbry weigert schatting, <a href="#d0e5670">281</a>; bijna de geheele Fianna gedood in den slag van Gowra, <a href="#d0e5694">282</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fians</span>. Zie Fianna.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Finchoom</span>. Zuster van Dectera, pleegmoeder van Cuchulain, <a href="#d0e4035">165</a>; moeder van Conall, <a href="#d0e4815">222</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Finchory</span>. Het eiland, <a href="#d0e2869">100</a>, <a href="#d0e2873">101</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Findabair met de Mooie Wimpers</span><span class="corr" title="Bron: ,">.</span> Dochter van Maev, aan Ferdia aangeboden als hij met Cuchulain vechten wil, <a href="#d0e4445">198</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Finegas</span>. Dru&iuml;de, van wien Finn po&euml;zie en wetenschap leert, <a href="#d0e5004">235</a>.
+<a id="d0e11495"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e11495">402</a>]</span></p>
+<p><span class="smallcaps">Fingen</span>. Geneesheer van Conor mac Nessa; zijn uitspraak betreffende Conall&#8217;s &#8220;hersen-bal&#8221; waarmee Ket den Koning wondde, <a href="#d0e4783">219</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Finias</span>. De Stad (zie Dana), <a href="#d0e2714">90</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Finn Mac Cumhal</span>. Fothad wordt gedood in een gevecht met, <a href="#d0e2307">65</a>; Dermot met den Liefde-Vlek, een volgeling van, <a href="#d0e2952">107</a>; middelpunt van Ossian&#8217;schen cyclus, <a href="#d0e4949">231</a>; Ois&#299;n, zoon van, <a href="#d0e4949">231</a>; zijn komst, zijn Danaansche afkomst, Murna met den Blanken Hals zijn moeder, Cumhal zijn vader, Demna zijn oorspronkelijke
+naam, oorsprong van zijn naam, doodt Lia, in po&euml;zie en wetenschap onderwezen door Finegas, eet van den Zalm der Kennis, <a href="#d0e4985">234</a>, <a href="#d0e5004">35</a>; doodt den demon te Slieve Fuad, <a href="#d0e5022">237</a>; wordt hoofdman van de Fianna van Erin, <a href="#d0e5022">237</a>; sluit overeenkomst met Conan, <a href="#d0e5031">238</a>; Dermot met den Liefde-Vlek zijn vriend, <a href="#d0e5043">239</a>; huwt Grania, Ois&#299;n, zoon van, Geena mac Luga, een van de mannen van, leert mac Luga de grondbeginselen van de Fianna, <a href="#d0e5055">240</a>, <a href="#d0e5072">41</a>; Murna moeder van, <a href="#d0e5149">244</a>; Bran en Skolawn, honden van, <a href="#d0e5149">244</a>&#8211;<a href="#d0e5180">47</a>; huwt Saba, <a href="#d0e5162">245</a>; Saba hem ontnomen door tooverkunst, <a href="#d0e5172">246</a>; Niam met het Gouden Haar komt bij hem, <a href="#d0e5187">248</a>; wedervaren in het Tooverhol, <a href="#d0e5302">254</a>, <a href="#d0e5322">55</a>; Goll verlost, <a href="#d0e5336">256</a>; geeft Goll zijn dochter Keeva, <a href="#d0e5336">256</a>; &#8220;De Jacht bij Slievegallion&#8221;, <a href="#d0e5336">256</a>&#8211;<a href="#d0e5364">58</a>; &#8220;De Maske van&#8221;, door Standish O&#8217;Grady, <a href="#d0e5364">258</a>; de Harde Gilly (Gilla Dacar) en, <a href="#d0e5521">269</a>, <a href="#d0e5528">70</a>; Grania en, <a href="#d0e5554">273</a>&#8211;<a href="#d0e7389">380</a>; treurt om Oscar&#8217;s dood, <a href="#d0e5694">282</a>; in de geheele Ossian&#8217;sche literatuur geen volledig verhaal van den dood van, <a href="#d0e5763">283</a>; volgens overlevering ligt hij bezwijmd in een tooverhol, evenals Keizer Barbarossa, <a href="#d0e5773">284</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fintan</span>. De Zalm der Kennis, waarvan Finn eet, <a href="#d0e4985">234</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fionuala</span>. Dochter van Lir en stiefdochter van Aoife, <a href="#d0e3293">123</a>; wordt met haar drie broeders door Aoife in zwanen veranderd, <a href="#d0e3310">124</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fir-bolg</span> Zie Firbolgs, <a href="#d0e2683">88</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Firbolgs</span><span class="corr" title="Bron: ">.</span> Overlevende Nemedi&euml;rs die naar Ierland terugkeeren, <a href="#d0e2658">87</a>; naam beteekent &#8220;Mannen met de Zakken&#8221;, legende hen betreffende, de Fir-Bolg, Fir-Domnan en Galioin, groepen in het algemeen
+Firbolgs genoemd, <a href="#d0e2683">88</a>; de Danaans en de, <a href="#d0e2734">91</a>&#8211;<a href="#d0e2918">104</a>, <a href="#d0e3262">120</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fir-domnan</span>. Zie Firbolgs, <a href="#d0e2683">88</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Flegetanis</span>. Een heidensch schrijver wiens Arabisch boek een bron opleverde voor den dichter Kyot, <a href="#d0e7298">376</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fohla</span>. Vrouw van den Danaan-Koning mac Cecht, <a href="#d0e3162">116</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Foill</span>. Een zoon van Nechtan, gedood door Cuchulain, <a href="#d0e4158">176</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Follaman</span>. Conor&#8217;s jongste zoon, voert het knapen-korps aan tegen Maev, <a href="#d0e4418">196</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fomorianen</span>. Wanstaltig woest volk vertegenwoordigend de booze machten, hun gevecht met de Partholanianen, <a href="#d0e2582">82</a>; Nemedi&euml;rs voortdurend in oorlog met, <a href="#d0e2649">86</a>; hun tirannie over Ierland, <a href="#d0e2770">93</a>; gevecht met de Danaans, <a href="#d0e2873">101</a>, <a href="#d0e2880">102</a>, <a href="#d0e3275">121</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Forbay</span>. Zoon van Conor mac Nassa, doodt Maev, <a href="#d0e4842">224</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Forgall, De Slimme</span>. Heer van Lusca, vader van Emer, <a href="#d0e4093">169</a>; vindt den dood als hij Cuchulain ontkomt, <a href="#d0e4174">178</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fothad</span><span class="corr" title="Bron: ">.</span> Koning, gedood in gevecht met Finn; Mongan&#8217;s weddenschap omtrent de plaats van den dood, <a href="#d0e2307">65</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fragarach</span> (&#8220;De Antwoordgever&#8221;)<span class="corr" title="Bron: ">.</span> Geducht zwaard door Lugh meegebracht uit het Land der Levenden, <a href="#d0e2841">98</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Frankrijk</span>. Keltisch element in plaatsnamen, <a href="#d0e1027">11</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Fuamnach</span>. Vrouw van Midir, de Trotsche, haar jaloezie op diens tweede vrouw Etain, verandert door tooverkunst Etain in een <a id="d0e11759"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e11759">403</a>]</span>vlinder, <a href="#d0e3557">140</a>; Midir vertelt van haar dood, <a href="#d0e3603">144</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>G.</h3>
+<p><span class="smallcaps">Gae Bolg</span>. Het gebruik van de, door Skatha aan Cuchulain geleerd, <a href="#d0e4111">171</a>; Cuchulain doodt zijn zoon Connla met de, <a href="#d0e4141">174</a>; Cuchulain doodt Loch met de, <a href="#d0e4411">195</a>; Cuchulain doodt Ferdia met de, <a href="#d0e4481">202</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gaesati</span>. Keltische krijgslieden, in den slag van Clastidium, <a href="#d0e1583">24</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Galatia</span>. Keltische Staat, getuigenis van St. Jerome dienaangaande, <a href="#d0e1360">18</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gali&euml;rs</span>. Offeren kinderen aan afgodsbeeld Crom Cruach, <a href="#d0e2388">69</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Galioin</span>. Zie Firbolgs, <a href="#d0e2683">88</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Galisch</span> (e). De Kimbrische taal en de, <a href="#d0e1367">19</a>; indruk van legenden op dichters van het vasteland, <a href="#d0e1737">33</a>; barden voorloopers van denkbeelden der ridderromantiek; vergelijking van Kimbrische legenden, met, <a href="#d0e6394">316</a>; continentale en, romantiek, <a href="#d0e6403">317</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Galles, Ren&eacute;</span><span class="corr" title="Bron: ">.</span> Tumulus van Man&eacute;-er-Hoeck, beschreven door, <a href="#d0e1907">47</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Galli&euml;(rs)</span>. Onder Romeinsch juk, <a href="#d0e1360">18</a>; Caesar&#8217;s bericht over, <a href="#d0e1522">20</a>; beschreven door Diodorus Siculus, <a href="#d0e1607">25</a>; beschreven door Ammianus Marcellinus, <a href="#d0e1614">26</a>; dr. Rice Holmes beschrijft, <a href="#d0e1614">26</a>, <a href="#d0e1631">27</a>; hun handel op de Middellandsche zee, in de baai van Biscaye, <a href="#d0e1631">27</a>; godsdienst en ritus beschreven door Julius Caesar, <a href="#d0e1762">36</a>; menschen-offers, <a href="#d0e2388">69</a>; inscripties ter herinnering van Aesus, Teutates, en Taranus, <a href="#d0e2432">71</a>; Dis, of Pluto, een voorname godheid van de, <a href="#d0e2446">72</a>; dooden van de Galli&euml;rs naar Brittanni&euml; gevoerd, <a href="#d0e3144">115</a>; Maon naar, gevoerd, <a href="#d0e3509">137</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Garach</span>. Mac Roth beziet de Ulstermannen op de vlakte van, <a href="#d0e4499">204</a>; slag van, <a href="#d0e4514">205</a>, <a href="#d0e4540">206</a>.
+
+</p>
+<p>&#8220;<span class="smallcaps">Gaulois, La Religion des</span>&#8221;. Verwijzing naar, <a href="#d0e1808">39</a>, <a href="#d0e2370">67</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gauvain</span> (Sir Gawain). Ridder, metgezel van Perceval, <a href="#d0e7298">376</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gavrinis</span>. Uit de hand lezen te, <a href="#d0e1920">48</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Geena Mac Luga</span>. Zoon van Luga, een van Finn&#8217;s mannen, <a href="#d0e5055">240</a>; Finn leert hem de grondbeginselen der Fianna, <a href="#d0e5072">241</a>, <a href="#d0e5091">242</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Geise</span> (enkelvoud, gaysh; meervoud gaysha). De wet van de, beteekenis van het Iersche woord, voorbeelden: Dermot, Conary M&#333;r en
+Fergus mac Roy, <a href="#d0e3686">148</a>; Grania legt Dermot, op, <a href="#d0e5565">274</a>
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gele Boek van Lecan</span>. Verhaal van Cuchulain en Connla in, <a href="#d0e4143">175</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gelon</span>. Hamilcar te Himera door, verslagen, <a href="#d0e951">6</a><span class="corr" title="Bron: ">.</span>
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Genealogie</span>. Conary M&#333;r van Eochy, <a href="#d0e3674">147</a>; Conor mac Nessa van Ross de Roode, <a href="#d0e3993">164</a>; Cuchulain en Conall van den Dru&iuml;de Cathbad, <a href="#d0e3993">164</a>; van Don, <a href="#d0e6477">320</a>; van Llyr, <a href="#d0e6477">320</a>; van Arthur, <a href="#d0e6507">321</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Geneeskunst</span>. Zie Magie, <a href="#d0e1868">44</a>; Plinius en, <a href="#d0e1872">45</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Geneir</span>. Ridder aan Arthur&#8217;s hof, <a href="#d0e7217">369</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Geoffrey van Monmouth</span>. Bisschop van St Asaph, zijn &#8220;Historia Regum Britaniae&#8221; geschreven om Arthur&#8217;s krijgsbedrijven te herdenken, <a href="#d0e6270">309</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Geraint</span>. Verhaal van Enid en, <a href="#d0e7187">367</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gerald, Graaf</span>. Zoon van godin Ain&eacute;, <a href="#d0e3053">112</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Germaansche Woorden</span>. Vele belangrijke, van Keltischen oorsprong, <a href="#d0e1172">15</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Germ&#257;n</span>. Diuran en, metgezellen van Maeld&#363;n op zijn wonderreis, <a href="#d0e5824">288</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Germanen</span>. Als Kimbren en Teutonen bedreiging voor de klassieke beschaving, <a href="#d0e1172">15</a>; de Jubainville&#8217;s uitlegging betreffende, als onderworpen volk, <a href="#d0e1172">15</a>; werpen de Keltische heerschappij omver, <a href="#d0e1335">17</a>; hun begrafenisritus, <a href="#d0e1335">17</a>; hun kuischheid, <a href="#d0e1607">25</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Germani&euml;</span>. Plaatsnamen van, Keltisch element in, <a href="#d0e1027">11</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gesprek van de Ouden</span>. Verzameling verhalen, waarin St. Patrick en Cascorach worden vermeld, <a id="d0e12063"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e12063">404</a>]</span><a href="#d0e2902">103</a>, <a href="#d0e5364">258</a>; gewicht er van, <a href="#d0e5414">261</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gilla Dakar</span> (de Harde Gilly). Verhaal van, <a href="#d0e5521">269</a>&#8211;<a href="#d0e5545">271</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gilvaethwy</span>. Zoon van D&#333;n; neef van M&#257;th, <a href="#d0e6921">348</a>; zijn liefde voor Goewin en de gevolgen daarvan, <a href="#d0e6921">348</a>&#8211;<a href="#d0e6954">350</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Giraldus Cambrensis</span>. Getuigenis aangaande de blondheid van de Iersche Kelten, <a href="#d0e897">4</a>. Zie Bleheris.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Glen Etive</span>. Woonplaats van Naisi en Deirdre, <a href="#d0e4207">181</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gloucester</span>. Mabon verlost uit de gevangenis in, <a href="#d0e7108">360</a>; de negen toovenaressen van, <a href="#d0e7249">372</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Glower</span>. De sterke man van het Kleine Volk, <a href="#d0e4859">225</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Glyn Cuch</span>. Pwyll&#8217;s jacht in de bosschen van, <a href="#d0e6656">328</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Goban de Smid</span>. Broeder van Kian en Sawan, komt overeen met Wieland de smid in de Germaansche legende, <a href="#d0e2809">95</a>, <a href="#d0e2873">101</a>; Ollav F&#333;la vergeleken met, <a href="#d0e3451">134</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">God</span>. Cythrawl en, twee primaire wezens in de Kimbrische cosmogonie, beginselen van leven en verwoesting, <a href="#d0e6193">306</a>; de onuitsprekelijke Naam van, uitgesproken, en de &#8220;Manred&#8221; gevormd, <a href="#d0e6193">306</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Goden</span>. De opvatting van het Megalitisch Volk omtrent hun, <a href="#d0e2432">71</a>; van Arische Kelten door Caesar vergeleken met Mercurius, Apollo, Mars, etc., <a href="#d0e2446">72</a>; Lugh of Lugus, de Licht-god, <a href="#d0e2479">73</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Godheden</span>. Caesar over de Keltische, <a href="#d0e2446">72</a>; hoe het volk en de barden zich de Danaan-, voorstelden, <a href="#d0e3023">110</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Godsdienst</span>. De Keltische, <a href="#d0e1660">29</a>; die der Magie, <a href="#d0e1872">45</a>; in Perzi&euml;, door Zoroaster ingesteld, <a href="#d0e1888">46</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Goewin</span>. Dochter van Pebin; Gilvaethwy&#8217;s liefde voor haar en de gevolgen er van, <a href="#d0e6921">348</a>&#8211;<a href="#d0e6954">350</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Golasecca</span>. Een groote kolonie van de Kelten uit de vlakten, in Cisalpijnsch Galli&euml;, <a href="#d0e1823">40</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Goleuddydd</span><span class="corr" title="Bron: ,">.</span> Vrouw van Kilydd; moeder van Kilhwch, <a href="#d0e7030">355</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Golf van Cleena</span>. Zie Tonn Cliodhna.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Goll Mac Morna</span>. Zoon van Morna, hoofdman van de Fianna van Erin, <a href="#d0e5008">236</a>; zweert trouw aan Finn, <a href="#d0e5022">237</a>; Finn herinnert aan zijn groot gezegde, <a href="#d0e5172">246</a>; hij verlost Finn uit het tooverhol, <a href="#d0e5336">256</a>; Keva met den Blanken Huid hem tot vrouw gegeven, <a href="#d0e5336">256</a>; avontuur met den hamel, <a href="#d0e5505">268</a>, <a href="#d0e5521">269</a><span class="corr" title="Bron: ,">.</span>
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gonemans</span>. Ridder die Perceval (Peredur) opvoedt, <a href="#d0e7249">372</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gorboduc</span>. &#8220;Historia Regum Britaniae&#8221; leverde stof voor, <a href="#d0e6299">311</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gowra</span>. Verwijzingen naar Oscar&#8217;s dood te<span class="corr" title="Bron: ">,</span> <a href="#d0e5055">240</a>, <a href="#d0e5294">253</a>; slag van, tusschen Clan Bascna en Clan Morna, <a href="#d0e5670">281</a>; Oscar&#8217;s dood te, <a href="#d0e5694">282</a>; dood van den Koning van Ierland te, <a href="#d0e5694">282</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Graal</span>. Legenden van den, <a href="#d0e7199">368</a>; verhaal van Peredur en den, <a href="#d0e7199">368</a>; Chrestien de Troyes&#8217; verhaal van den, <a href="#d0e7249">372</a>; identisch met den Beker van het Laatste Avondmaal, <a href="#d0e7265">374</a>; Wolfram von Eschenbach&#8217;s opvatting van het verhaal van den, <a href="#d0e7265">374</a>; bewaard in het kasteel van Munsalv&#257;sche, <a href="#d0e7296">375</a>; talisman van overvloed, <a href="#d0e7298">376</a>; verkeerde afleiding van <i>gr&eacute;able</i>, <a href="#d0e7298">376</a>; juiste afleiding, <a href="#d0e7319">377</a> <i>noot</i>; combinatie van Keltische po&euml;zie, Duitsche mystiek, Christelijke ridderlijkheid en oude Zonne-mythen, <a href="#d0e7371">379</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Grania</span>. Bemint Dermot, laat zich schaken door Dermot, <a href="#d0e5055">240</a>; verhalen van Deirdre en, met elkander vergeleken, <a href="#d0e5554">273</a>&#8211;<a href="#d0e5653">280</a>; gevoerd naar den Heuvel van Allen, als Finn&#8217;s vrouw, <a href="#d0e5653">280</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Grieken</span>. Kelten en, <a href="#d0e838">1</a>; oorlogen in bondgenootschap met Kelten, <a href="#d0e905">5</a>; maken einde aan het monopolie van den Carthaagschen handel met Brittanni&euml; en Spanje, <a href="#d0e951">6</a>; verzekeren zich van den weg over land door Frankrijk naar Brittanni&euml;, <a href="#d0e951">6</a>; Grieksche beschaving bewaard in Keltische landen, <a href="#d0e951">6</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Griekenland</span>. Dolmens gevonden <a id="d0e12365"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e12365">405</a>]</span>in, <a href="#d0e1785">37</a>; onderdrukking van de Firbolgs in, <a href="#d0e1785">37</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gronw Pebyr</span>. Bemind door Blodeuwedd, <a href="#d0e6991">352</a>; gedood door Llew, <a href="#d0e6998">353</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Groot-brittanni&euml;</span>. Westelijk uiteinde = Land der Dooden, <a href="#d0e3144">115</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Guairy, Hugh</span>. Voor moord in hechtenis genomen, en te Tara door Dermot gevonnist, <a href="#d0e1697">31</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Guary</span>. Opper-Koning, hoont Sanchan Torpest wegens het verlies van den &#8220;Tain&#8221;, <a href="#d0e4707">215</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Guest, Lady Charlotte</span>. Verzameling van verhalen, <a href="#d0e7371">379</a>. Zie &#8220;Mabinogion&#8221;.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gwalchmai</span>. Neef van Koning Arthur, <a href="#d0e7162">365</a>, <a href="#d0e7217">369</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gwalw</span>. Dingt met Pwyll naar de hand van Rhiannon, <a href="#d0e6720">332</a>, <a href="#d0e6738">333</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gwenhwyvar</span>. Vrouw van Koning Arthur, <a href="#d0e7060">357</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gwern</span>. Zoon van Matholwch en Branwen, <a href="#d0e6798">339</a>; aanvaardt de heerschappij van Ierland, <a href="#d0e6831">341</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gwion Bach</span>. Zoon van Gwreang; Ceridwen laat hem in den tooverketel roeren, hij doet als vroeger Finn, <a href="#d0e7389">380</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gwlwlyd</span>. De bruine ossen van, <a href="#d0e7094">359</a><span class="corr" title="Bron: ">.</span>
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gwreang</span>. Vader van Gwion Bach, <a href="#d0e7389">380</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gwrnach</span>. Reus; zwaard van, <a href="#d0e7094">359</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gwyddno Garanhir</span>. Paarden van, drinken van den vergiftigden stroom, vandaar de stroom &#8220;Vergif van de Paarden van&#8221;, <a href="#d0e7389">380</a>; zijn zoon Elphin vindt Taliesin, <a href="#d0e7401">381</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gwydion</span>. Zoon van D&#333;n; zijn plaats in de Kimbrische mythologie later ingenomen door den god Artaius, <a href="#d0e6507">321</a>; neef van M&#257;th, <a href="#d0e6921">348</a>; de zwijnen van Pryderi en, <a href="#d0e6921">348</a>&#8211;<a href="#d0e6954">50</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gwyn Ap Nudd</span>. Een Kimbrische godheid, vergeleken bij Finn (Galisch) en Odin (Noorsch), <a href="#d0e6507">321</a>; gevecht op elken Mei-dag tusschen Gwythur ap Greidawl en, <a href="#d0e6507">321</a>, <a href="#d0e7042">356</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gwynedd</span>. M&#257;th, heer van, <a href="#d0e6921">348</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gwynfyd</span>. Reinheid; de tweede van de drie concentrische cirkels die in de Kimbrische cosmogonie al het bestaande vertegenwoordigen,
+waarin het leven zich openbaart als een zuivere blijde kracht die over het kwaad zegeviert, <a href="#d0e7508">386</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Gwythur Ap Greidawl</span>. (Victor, zoon van Schroeier). Gevecht elken Mei-dag met Gwyn ap Nudd, <a href="#d0e6507">321</a>, <a href="#d0e7042">356</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>H.</h3>
+<p><span class="smallcaps">Hades</span>. (of Annwn). De Tooverketel maakt deel uit van den buit van, <a href="#d0e7335">378</a>
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Hamilcar</span>. Wordt te Himera door Gelon verslagen, <a href="#d0e951">6</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Hamitisch</span>, Het. Bewaard in de syntaxis bij de Keltische talen, <a href="#d0e2258">63</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Havgan</span>. Mededinger van Arawn; doodelijk gewond door Pwyll, <a href="#d0e6686">329</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Hecathaeus van Abdera</span>. Beschrijft muzikale diensten der Kelten (vermoedelijk van Groot-Brittanni&euml;), <a href="#d0e1840">42</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Hecathaeus van Miletus</span>. Eerst bestaande vermelding van &#8220;Kelten&#8221; door, <a href="#d0e838">1</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Heilyn</span>. Zoon van Gwynn, <a href="#d0e6848">342</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Heinin</span>. Bard aan Arthur&#8217;s hof, <a href="#d0e7426">383</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Hellanicus van Lesbos</span>. Kelten en, <a href="#d0e838">1</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Herodotus</span>. Kelten en, <a href="#d0e838">1</a>, <a href="#d0e1823">40</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Hert van Redynvre</span>, Het, <a href="#d0e7108">360</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Heuvel van Ain&eacute;</span>. De naam van de godin Ain&eacute; verbonden aan den, <a href="#d0e3053">112</a>; Ain&eacute; verschijnt in een St. Jan&#8217;s nacht onder meisjes op den, <a href="#d0e3073">113</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Heuvel van Allen</span>. Finn&#8217;s honden herkennen Saba, als zij terugkeeren naar den, <a href="#d0e5162">245</a>; Ois&#299;n keert terug naar den, <a href="#d0e5294">253</a>; Finn keert terug naar den, <a href="#d0e5364">258</a>; terugkeer van de Fianna naar den, om de bruiloft te vieren van Finn en Taska, <a href="#d0e5547">272</a>; Finn voert Grania als zijn vrouw naar den, <a href="#d0e5653">280</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Heuvel van Keshorran</span>. Finn behekst op den, <a href="#d0e5302">254</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Heuvel van Macha</span>. Beteekenis, <a href="#d0e4935">230</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Hevydd H&#275;n</span>. Vader Rhiannon, <a href="#d0e6705">331</a>.
+<a id="d0e12674"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e12674">406</a>]</span></p>
+<p>&#8220;<span class="smallcaps">Historia Britonum</span>&#8221;. Zie Nennius.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Historia Regum Britaniae</span>. Zie Geoffrey van Monmouth, <a href="#d0e6270">309</a>; Leverde stof voor &#8220;Gorborduc&#8221; en &#8220;Koning Lear&#8221;, <a href="#d0e6299">311</a>; verbazend succes van, vertaald door Waca in het Fransch, door Layamon in het Angel-Saksisch, <a href="#d0e6299">311</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Homerus</span>. Zijn sombere schildering van de zielen der afgestorvenen gevoerd naar de onderwereld, <a href="#d0e2276">64</a>; verwijzing naar, <a href="#d0e3410">131</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Hond van Ulster</span>. Zie Cuchulain, <a href="#d0e4454">199</a>, <a href="#d0e4707">215</a>; element in Galische namen, <a href="#d0e4057">167</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Hongarij&euml;</span>. Miled&#8217;s naam als god in een Keltische inscriptie uit, <a href="#d0e3144">115</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Hoogte van de Doode Vrouw</span>. Vivionn begraven op de, <a href="#d0e5465">264</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Hugh</span>. Een van de kinderen van Lir, <a href="#d0e3355">126</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Hull</span> (Miss). Verwijzing naar, <a href="#d0e2963">108</a> <i>noot</i><span class="corr" title="Bron: ;">,</span> <a href="#d0e4253">186</a> <i>noot</i>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Hyde, Douglas</span><span class="corr" title="Bron: ">.</span> Verwijzing naar zijn volksverhaal over Dermot, <a href="#d0e5505">268</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Hyperbore&euml;rs</span>. Equivalent van Kelten, <a href="#d0e838">1</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>I.</h3>
+<p><span class="smallcaps">Iberi&euml;rs</span>. Aquitani&euml;rs en, overeenkomst tusschen, <a href="#d0e1859">43</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ierland</span>. Eenige historische positie van, <a href="#d0e1367">19</a>; Dermot mac Kerval, Opper-Koning van, <a href="#d0e1697">31</a>; St. Patrick als apostel in, <a href="#d0e1751">35</a>; Kelten van de vlakten bouwden paal-woningen in de meren in, <a href="#d0e1823">40</a>; heilige bronnen van, <a href="#d0e1960">50</a>; tumulus en symbolische insnijdingen te New Grange in, <a href="#d0e2009">53</a>&#8211;<a href="#d0e2061">56</a>; bekeering tot het Christendom vermeld, <a href="#d0e2378">68</a>; Lugh of Lugus, god van het Licht in, <a href="#d0e2479">73</a>; geschiedenis van, verhaald door Tuan, <a href="#d0e2606">83</a>&#8211;<a href="#d0e2645">85</a>; Nemed neemt, in bezit, <a href="#d0e2606">83</a>; Fomorianen tiranniseeren, <a href="#d0e2649">86</a>; Standish O&#8217;Grady&#8217;s &#8220;Critical History of&#8221;, <a href="#d0e2918">104</a>; verdringing van Danaans door Milesi&euml;rs, <a href="#d0e3144">115</a>; Ith komt in, <a href="#d0e3144">115</a>&#8211;<a href="#d0e3262">120</a>; naam Eriu (datief Erinn) de po&euml;tische naam van, <a href="#d0e3168">117</a>; lied van Amergin gezongen bij het landen in, <a href="#d0e3227">119</a>; Milesisch leger doet inval in, <a href="#d0e3262">120</a>; de kinderen van Miled heerschers over, maar voortaan zijn er twee Ierlands: het geestelijke bezet door de Danaans, het wereldsche
+door de Milesi&euml;rs, <a href="#d0e3262">120</a>&#8211;<a href="#d0e3377">128</a>; Eremon, eerste Milesisch koning van geheel, <a href="#d0e3369">127</a>; Christendom en paganisme in, <a href="#d0e3388">129</a>; Milesische verdeeling van, <a href="#d0e3417">132</a>; Ollav Fola, de voornaamste Ollav van, <a href="#d0e3438">133</a>; Maon regeert over, <a href="#d0e3517">138</a>; inval van Conary&#8217;s pleegbroeders in, <a href="#d0e4207">181</a>; De Verschrikkelijke beslist over het Kampioenschap van, <a href="#d0e4174">178</a>; Naisi en Deirdre landen in, <a href="#d0e4207">181</a>; Cairbry, zoon van Cormac mac Art, Opper-Koning van, <a href="#d0e5653">280</a>; Maeld&#363;n en zijn metgezellen keeren terug naar, <a href="#d0e6132">304</a>; de Arthur-sage drong nooit door in, <a href="#d0e6394">316</a>; inval van Bran, <a href="#d0e6798">339</a>; Matholwch draagt op Gwern de heerschappij over, <a href="#d0e6831">341</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Iersch(e)</span>. Element van plaatsnamen gevonden in Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk, enz., <a href="#d0e1027">11</a>; Spenser&#8217;s opmerking over nieuwsgierigheid, <a href="#d0e1541">21</a>; tooverritus van de Dru&iuml;den overgebleven in vroege-Christendom, <a href="#d0e2378">68</a>; vier hoofdafdeelingen in cyclus van, legenden, <a href="#d0e2542">80</a>; de <i>Coulin</i>, een van de mooiste, volksmelodie&euml;n, <a href="#d0e2918">104</a>; Angus &#332;g de, Iersche god der Liefde, <a href="#d0e2944">106</a>; de Jubainville&#8217;s verwijzing naar den Mythologischen Cyclus, <a href="#d0e3168">117</a>; beteekenis van, plaatsnamen, <a href="#d0e4917">229</a>; St. Patrick en, legende, <a href="#d0e5396">260</a>; invloed van Christendom op, literatuur, <a href="#d0e5547">272</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ildanach</span> (Man van alle ambachten). Bijnaam van Lugh, den Zonnegod, <a href="#d0e2835">97</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Illyri&euml;rs</span>. Kelten overwinnen de, <a href="#d0e951">6</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Indi&euml;</span>. Dolmens gevonden in, <a href="#d0e1785">37</a>; voetsymbool gevonden in, <a href="#d0e2188">61</a>; gebruik in, om aan de seizoenen van het jaar toonsoorten te verbinden, <a href="#d0e2902">103</a>.
+<a id="d0e12954"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e12954">407</a>]</span></p>
+<p><span class="smallcaps">Indra</span>. Indische hemellucht-godin overeenkomende met den Bruinen Stier van Quelgny, <a href="#d0e4246">185</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ingcel</span>. Eenoogig hoofdman, zoon van den Koning van Groot-Brittanni&euml;, een balling, <a href="#d0e3795">152</a>, <a href="#d0e3813">53</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Invasie-mythen</span> (Iersche). Zie Mythen.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Inverskina</span>. Oude naam van de Kenmare-rivier, zoo genoemd naar Skena, <a href="#d0e3168">117</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Irnan</span>. Legt Finn <i>geise</i> op tot tweegevecht, <a href="#d0e5322">255</a>; gedood door Goll, <a href="#d0e5336">256</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Itali&euml;</span>. Noord, Kelten veroveren, op de Etruskers, <a href="#d0e905">5</a>, <a href="#d0e998">9</a>; Sanchan Torpest zendt Murgen en Eimena naar, om de &#8220;Tain&#8221; op te sporen, <a href="#d0e4718">216</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ith</span>. Zoon van Bregon, grootvader van Miled, <a href="#d0e3144">115</a><span class="corr" title="Bron: ,">;</span> gaat naar Ierland, ziet van Bregon&#8217;s toren de kusten van Ierland, verneemt dood van Neit, verwelkomd door mac Cuill en zijn
+broers, ter dood gebracht door de drie Danaan Koningen, <a href="#d0e3144">115</a>&#8211;<a href="#d0e3262">120</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Iubdan</span>. Koning van het Kleine Volk, <a href="#d0e4859">225</a>; Bebo, vrouw van, <a href="#d0e4871">226</a>; Bebo en, bezoeken Koning Fergus in Ulster, <a href="#d0e4885">227</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Iuchar</span>. Een van drie zonen van Turenn, <a href="#d0e2858">99</a>; Brigit, moeder van, <a href="#d0e3023">110</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Iucharba</span>. Een van drie zonen van Turenn, <a href="#d0e2858">99</a>; Brigit, moeder van, <a href="#d0e3023">110</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>J.</h3>
+<p><span class="smallcaps">Japan</span>. Dolmens gevonden in, <a href="#d0e1785">37</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Jerome, St</span>. Verklaring van, over den Keltischen Staat Galatia, <a href="#d0e1360">18</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Jeugd</span>. De maagd die aan Dermot de Liefde-Vlek gaf, <a href="#d0e5521">269</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">John, Ivor B</span>. Zijn meening over Keltische mystieke geschriften, <a href="#d0e6175">305</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Jones, Brynmor</span>. Bevindingen over oorsprong van bevolkingen van Groot-Brittanni&euml; en Ierland, <a href="#d0e2217">62</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Joyce, Dr. R.&nbsp;W</span>. Verwijzing naar zijn &#8220;Old Celtic Romances&#8221;, <a href="#d0e5637">279</a>, <a href="#d0e5775">285</a>, <a href="#d0e5824">288</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Jubainville, D&#8217;arbois de</span>. Groot kenner van het Keltisch, <a href="#d0e1631">27</a>; beschouwt Germanen als een onderworpen volk, <a href="#d0e1172">15</a>; bericht betreffend Megalithisch Volk, <a href="#d0e1808">39</a>; houdt Taranus (? Thor) voor god van den Bliksem, <a href="#d0e2432">71</a>; meening over Dis, of Pluto, als vertegenwoordigend duisternis, dood en kwaad, <a href="#d0e2446">72</a>; verwijzing naar den Gallischen god dien Caesar gelijk stelt met Mercurius, <a href="#d0e2841">98</a>; hij acht Brigit identisch met Dana, <a href="#d0e3023">110</a>; beschrijft Ith&#8217;s landing in Ierland in zijn &#8220;Iersche Mythologische Cyclus&#8221;, <a href="#d0e3144">115</a>; vertaling van Amergin&#8217;s vreemd lied, <a href="#d0e3174">118</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>K.</h3>
+<p><span class="smallcaps">Kai</span>. Koning Arthur&#8217;s hofmeester, <a href="#d0e7042">356</a>; vergezelt Kilhwch bij zijn zoeken naar Olwen, <a href="#d0e7060">357</a>; wijst Peredur af, <a href="#d0e7217">369</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Kampioen van Ierland</span>. Proef op het feest van Briccriu, om te beslissen over den, <a href="#d0e4174">178</a>; Chuculain als zoodanig uitgeroepen, <a href="#d0e4183">179</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Karpathen</span>. Vroegste woonplaats van de berg-Kelten waren ketens van de, <a href="#d0e1830">41</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Kasteel der Wonderen</span>. Peredur in het, <a href="#d0e7229">370</a>, <a href="#d0e7243">371</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Katholieke Kerk</span>. Middeneeuwsche verboden der, <a href="#d0e1678">30</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Keating</span>. Verwijzing naar zijn &#8220;Geschiedenis van Ierland&#8221;, <a href="#d0e3451">134</a>; zijn vermelding van Maon, <a href="#d0e3509">137</a>; verhaalt Ket&#8217;s dood, <a href="#d0e4827">223</a>; verhaalt Maev&#8217;s dood, <a href="#d0e4842">224</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Keelta Mac Ronan</span>. Door Mongan van de dooden opgeroepen, <a href="#d0e2307">65</a>; krijgsman en voordrager, een van Finn&#8217;s voornaamste mannen, <a href="#d0e5055">240</a>; St. Patrick en, <a href="#d0e5120">243</a>, <a href="#d0e5149">244</a>, <a href="#d0e5484">266</a>; Finn fluistert hem het verhaal van zijn betoovering toe, <a href="#d0e5352">257</a>; Ois&#299;n en, besluiten van elkander te gaan, <a href="#d0e5378">259</a>; ontmoet St. Patrick, <a id="d0e13230"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e13230">408</a>]</span><a href="#d0e5378">259</a>; helpt Ois&#299;n Oscar begraven, <a href="#d0e5763">283</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Keevan met de Krullende Lokken</span>. Minnaar van Cleena, <a href="#d0e3036">111</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Keltae</span>. Een van drie volken die Galli&euml; bewoonden toen Caesar&#8217;s verovering begon, <a href="#d0e1840">42</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Keltchar</span>. Een edele uit Ulster; mac Datho&#8217;s zwijn en, <a href="#d0e4815">222</a><span class="corr" title="Bron: :">.</span>
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Kelten</span>. Woord het eerst gevonden bij Hecataeus, equivalent. Hyperbore&euml;rs, Herodotus en de woonplaats der, Aristoteles en, Hellanicus
+van Lesbos en, Ephorus en, Plato en, hun aanval op Rome, een mylpaal in de oude <span class="corr" title="Bron: geschienis">geschiedenis</span>, <a href="#d0e838">1</a>; beschreven door dr. T. Rice Holmes, <a href="#d0e875">2</a>, <a href="#d0e889">3</a>; heerschappij over Midden-Europa, Galli&euml;, Spanje, en de Britsche eilanden, hun plaats onder de rassen, Giraldus <span class="corr" title="Bron: Cambreusis">Cambrensis</span> en, Spanje veroverd op de Karthagers, Noord-Itali&euml; veroverd op de Etruskers, Vergilius en de, overwinnen de Illyri&euml;rs, verbond
+met de Grieken, veroveringen in de dalen van Donau en Po, <a href="#d0e897">4</a>&#8211;<a href="#d0e951">6</a>, Alexander sluit verdrag met, nationale eed van de, <a href="#d0e951">6</a>, <a href="#d0e971">7</a>; tot eenheid gebracht door Ambicatus, <a href="#d0e982">8</a>; verslaan de Romeinen, <a href="#d0e1003">10</a>; Germaansche volken en, <a href="#d0e1003">10</a>, <a href="#d0e1335">17</a>; decoratieve motieven ontleend aan Grieksche kunst, <a href="#d0e1122">12</a>; emailleerkunst door de klassieke volken geleerd van de, <a href="#d0e1145">13</a>, <a href="#d0e1150">14</a>; begrafenisritus, <a href="#d0e1335">17</a>; karakterelementen, <a href="#d0e1522">20</a>; Strabos beschrijving, <a href="#d0e1553">22</a>, <a href="#d0e1576">23</a>; praallievendheid en oorlogvoering, <a href="#d0e1576">23</a>; Polybius&#8217; beschrijving van krijgers in den slag van Clastidium, <a href="#d0e1583">24</a>; invloed op Europeesche literatuur en philosophie, <a href="#d0e1737">33</a>, <a href="#d0e1747">34</a>; godsdienst van de, <a href="#d0e1751">35</a>&#8211;<a href="#d0e2494">74</a>; ketens van de Karpathen hun oudste thuis in de bergen, <a href="#d0e1830">41</a>; met muziek gepaarde plechtigheden, beschreven door Hecataeus, <a href="#d0e1840">42</a>; Zwitserland, Bourgondi&euml;, het Palatinaat en Noord-Frankrijk, gedeelten van Brittanni&euml;, bezet door berg-, <a href="#d0e1840">42</a>; oorsprong van onsterflijkheidsleer, <a href="#d0e2170">60</a>; begrip van onsterflijkheidsleer en leer der zielsverhuizing, <a href="#d0e2307">65</a>, <a href="#d0e2320">66</a>; de tegenwoordige, <a href="#d0e2507">75</a>, <a href="#d0e2514">76</a>; geen niet-Christelijke opvatting van oorsprong der dingen, <a href="#d0e2533">79</a>; overwinningen bij de Allia en te Delphi toegeschreven aan Brenos (Brian), <a href="#d0e3023">110</a>; ware aanbidding der, van elementaire krachten vertegenwoordigd door werkelijke natuur-verschijnselen, <a href="#d0e3410">131</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Keltendom</span>. De Gouden Eeuw van &#8217;t, in continentaal Europa, <a href="#d0e905">5</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Keltica</span>. Nimmer bewoond door een enkel zuiver, homogeen ras, <a href="#d0e875">2</a>; Grieksch type van beschaving bewaard door, <a href="#d0e951">6</a>; emailleer-kunst had haar oorsprong in, <a href="#d0e1145">13</a>, <a href="#d0e1150">14</a>; de Dru&iuml;den waren de hoogste macht in, <a href="#d0e1678">30</a>; Brigitta (Dana) meest algemeen aangebeden godin in, <a href="#d0e3023">110</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Keltisch(e)</span><span class="corr" title="Bron: ">.</span> Verbreiding van, macht in Midden-Europa, <a href="#d0e1003">10</a>; plaatsnamen in Europa, <a href="#d0e1003">10</a>, <a href="#d0e1027">11</a>; wat overblijfselen van kunstwerken vertellen, <a href="#d0e1122">12</a>; Keltisch element in Germaansche woorden, <a href="#d0e1172">15</a>, <a href="#d0e1244">16</a>; ondergang van, Rijk, <a href="#d0e1360">18</a>; zwakke politiek der, volkeren, <a href="#d0e1646">28</a>; De, godsdienst, <a href="#d0e1660">29</a>; traditioneele begraafplaatsen der, Opper-Koningen, <a href="#d0e2009">53</a>; oorsprong der zoogenaamde Keltische onsterflijkheidsleer, <a href="#d0e2170">60</a>; begrippen over onsterflijkheid, <a href="#d0e2258">63</a>, <a href="#d0e2276">64</a>; godheden, namen en eigenschappen van, <a href="#d0e2406">70</a>, <a href="#d0e2432">71</a>; opvatting van den dood, <a href="#d0e2479">73</a>; vijf factoren in, cultuur, <a href="#d0e2494">74</a>; tegenwoordige bevolkingen, <a href="#d0e2507">75</a>&#8211;<a href="#d0e2518">77</a>; cosmogonie, <a href="#d0e2533">79</a>, <a href="#d0e2542">80</a>; &#8220;Barddas&#8221;, werk van belang voor den beoefenaar van &#8217;t Keltisch, <a href="#d0e6175">305</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Kenmare, Rivier</span>. In graafschap Kerry; oude naam Inverskena, naar Skena, <a href="#d0e3168">117</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Kennis</span>. Noten van, <a href="#d0e5004">235</a>; de Zalm van, <a href="#d0e5004">235</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Kenverchyn</span>. De drie honderd raven van, <a href="#d0e7187">367</a>.
+<a id="d0e13500"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e13500">409</a>]</span></p>
+<p><span class="smallcaps">Kerry</span>. Murna huwt den Koning van, <a href="#d0e5004">235</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Kesair</span>. Gallische prinses, vrouw van Koning Ugainy de Groote, grootmoeder van Maon, <a href="#d0e3482">136</a><span class="corr" title="Bron: ">.</span>
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ket</span>. Zoon van Maga; doet mee aan Maev&#8217;s aanval tegen Ulster, <a href="#d0e4270">187</a>; werpt Conall&#8217;s &#8220;hersen-bal&#8221; tegen Conor mac Nessa, wat zeven jaren later diens dood veroorzaakt, <a href="#d0e4783">219</a>, <a href="#d0e4790">220</a>; &#8220;het Zwijn van mac Datho<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span> en, <a href="#d0e4790">220</a>&#8211;<a href="#d0e4827">23</a>; dood van, verhaalt in Keating&#8217;s &#8220;Geschiedenis van Ierland&#8221;, <a href="#d0e3293">123</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ketel van Overvloed</span>. Zie equivalent = Steen van Overvloed; zie ook Graal.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Keva met den Blanken Huid</span>. Dochter van Finn, aan Goll tot vrouw gegeven, <a href="#d0e5336">256</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Kian</span>. Vader van Lugh, <a href="#d0e2809">95</a>; broeder van Sawan en Goban, <a href="#d0e2809">95</a>; einde van, <a href="#d0e2858">99</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Kicva</span>. Dochter van Gwyn Gohoyw, <a href="#d0e6764">336</a>; vrouw van Pryderi, <a href="#d0e6862">343</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Kilhwch</span>. Zoon van Kilydd en Goleuddydd; verhaal van Olwen en, <a href="#d0e7030">355</a>&#8211;<a href="#d0e7108">60</a>; bij zijn zoeken (naar Olwen) vergezeld door Kai, enz., <a href="#d0e7060">357</a>&#8211;<a href="#d0e7108">60</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Killarney, Meren van</span>. Oude naam Locha Lein, door Len gegeven aan, <a href="#d0e2952">107</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Kilydd</span>. Echtgenoot van Goleuddydd, vader van Kilhwch, <a href="#d0e7030">355</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Kimbay</span> (<span class="smallcaps">Cimbaoth</span>). Iersche Koning; regeering van, en de stichting van Emain Macha, <a href="#d0e3451">134</a>; broeder van Rooden Hugh en Dithorba, gedwongen Macha te huwen, <a href="#d0e3470">135</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Kimbrisch(e)</span><span class="corr" title="Bron: ">.</span> 1. Volken; werking van legenden van, op continentale dichters, <a href="#d0e1737">33</a>. 2. Mythen; Dru&iuml;dsche gedachten in Llewellyn Sion&#8217;s &#8220;Barddas&#8221;, uitgegeven door J.&nbsp;N. Williams ap Ithel voor het M.S. Genootschap
+van Wales, <a href="#d0e6175">305</a>; cosmogonie, de, <a href="#d0e6193">306</a>&#8211;<a href="#d0e6250">8</a>; God en Cythrawl in, <a href="#d0e6193">306</a>; waarom zoo weinig van Arthur-sage in, <a href="#d0e6394">316</a>; vergelijking tusschen Galische en, legenden, <a href="#d0e6394">316</a> enz.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Kinderen van Lir</span>. Verwijzing naar, <a href="#d0e2944">106</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Kingsborough, Lord</span>. Staaltjes van beker-en-ring-insnijdingen gereproduceerd in zijn &#8220;Oudheden van Mexico&#8221;, <a href="#d0e2002">52</a><span class="corr" title="Bron: ">.</span>
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Kleine Volk, Het</span>. Fergus mac Leda en, <a href="#d0e4859">225</a>&#8211;<a href="#d0e4902">28</a>; Iubdan, Koning van, <a href="#d0e4859">225</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Koning Lear</span>. &#8220;Historia Regum Britaniae&#8221; leverde de stof voor, <a href="#d0e6299">311</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Kroningssteen</span>. Thans in de Westminster Abdij, is de beroemde Steen van Scone, <a href="#d0e2714">90</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Kymideu Kymeinvoll</span>. Vrouw van Llassar Llaesgyvnewid, <a href="#d0e6798">339</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Kymon</span>. Ridder aan Arthur&#8217;s hof; het avontuur van, <a href="#d0e7126">362</a>&#8211;<a href="#d0e7162">65</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Kynddelig</span>. Een van Arthur&#8217;s dienaren; vergezelt Kilhwch bij zijn zoeken naar Olwen, <a href="#d0e7060">357</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Kyot</span> (<span class="smallcaps">Guiot</span>). Provencaalsch Dichter; Wolfram van Eschenbach en, <a href="#d0e7296">375</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>L.</h3>
+<p><span class="smallcaps">La T&egrave;ne-cultuur</span>. Overblijfselen in Oostenrijk gevonden ontwikkelen zich tot, <a href="#d0e1145">13</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Labra de Zeeman</span>. Zie Maon, <a href="#d0e3509">137</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Laeg</span>. Cuchulain&#8217;s vriend en wagenmenner, <a href="#d0e4074">168</a>; door Cuchulain gezonden om de mannen van Ulster op te wekken, <a href="#d0e4411">195</a>; bezoekt Tooverland om bericht uit te brengen over Fand, <a href="#d0e4587">208</a>; de Schimmel van Macha wil niet worden opgetuigd door, <a href="#d0e4637">211</a>; gedood door Lewy, <a href="#d0e4661">213</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Laery</span>. 1. Zoon van Koning Ugainy de Groote; verraderlijk gedood door zijn broeder Covac, <a href="#d0e3482">136</a>. 2. De Zegevierende; deinst terug voor de Kampioen-proef, <a href="#d0e4174">178</a>; mac Datho&#8217;s Zwijn en, <a href="#d0e4815">222</a>. 3. Zoon van Neill; heeft een vizioen van Cuchulain, <a href="#d0e4752">218</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Lavignan</span>. Hoofd in Connacht, verloofd met Deoca; maakt zich meester van de kinderen van Lir, <a href="#d0e3355">126</a>.
+<a id="d0e13782"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e13782">410</a>]</span></p>
+<p><span class="smallcaps">Land der Dooden</span>. Synoniem met Spanje, <a href="#d0e3144">115</a>; het westelijk uiteinde van Groot-Brittanni&euml; is, volgens een oud schrijver door Plutarchus geciteerd, en ook volgens Procopius,
+het, <a href="#d0e3144">115</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Land der Levenden</span> = Land van de gelukkige dooden, <a href="#d0e2561">81</a>; geschenken die Lugh bracht uit het, <a href="#d0e2841">98</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Land der Schimmen</span>. Woonplaats van Skatha; Cuchulain in het, <a href="#d0e4093">169</a>&#8211;<a href="#d0e4111">71</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Land van het Kleine Volk</span>. Zie Kleine Volk (of Faylinn), <a href="#d0e4859">225</a>, etc.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Land der Jeugd</span>. Identisch met &#8220;Land der Dooden&#8221;, &#8220;Land der Levenden&#8221;, zie Mananan, <a href="#d0e2770">93</a>, <a href="#d0e3005">109</a>; Cleena woonde eens in, <a href="#d0e3036">111</a>; nog levend in de verbeelding van den Ierschen boer, <a href="#d0e3275">121</a>; mystisch land van het Volk van Dana, nadat dit door de Kinderen van Miled was verdreven, <a href="#d0e3557">140</a>; heidensche voorstelling van, <a href="#d0e3603">144</a>; minnaar uit het, bezoekt Messbuachalla, dien zij een zoon baart, <a href="#d0e3757">150</a>; Ois&#299;n ziet wonderen van, Ois&#299;n keert terug uit, <a href="#d0e5259">250</a>; de &#8220;Vrouw van de Bron&#8221; en het, <a href="#d0e7141">363</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Layamon</span>. Vertaler. Zie &#8220;Historia Regum Britaniae&#8221;.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Legende(n)</span>. Cyclen van Iersche, <a href="#d0e2542">80</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Leicester</span>. Zie Llyr.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Leinster</span>. Boek van, en de Jubainville, <a href="#d0e982">8</a>; oude verhandeling, de &#8220;Dinnsenchus&#8221;, bewaard in, <a href="#d0e2388">69</a>; traditioneele afleiding van den naam, <a href="#d0e3517">138</a>; mannen van, doen mee aan Maev&#8217;s aanval op Ulster, <a href="#d0e4270">187</a>; Mesroda, zoon van Datho, woonde in de provincie, <a href="#d0e4790">220</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Leix</span>. Roovers uit, dooden Ailill van den Rand van den Slag, <a href="#d0e5781">286</a>; Maeld&#363;n&#8217;s reis naar, <a href="#d0e5800">287</a>&#8211;<a href="#d0e6132">304</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Len</span>. Goudsmid van B&#333;v de Roode; gaf ouden naam Locha Lein aan de meren van Killarney, <a href="#d0e2952">107</a>, <a href="#d0e2963">108</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Levarcam</span>. Deirdre&#8217;s voedster, <a href="#d0e4183">179</a>; Conor ondervraagt haar, <a href="#d0e4192">180</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Lewy</span>. Zoon van Curoi, Cuchulain&#8217;s vijand, <a href="#d0e4625">210</a>; gedood door Conall, <a href="#d0e4707">215</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Lia</span><span class="corr" title="Bron: ">.</span> Heer van Luacher, schatmeester van de Clan Morna, <a href="#d0e4985">234</a>; gedood door Finn, <a href="#d0e5004">235</a>; vader van Conan, <a href="#d0e5022">237</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Lia Fail, De</span>. De Steen van het Noodlot, <a href="#d0e2935">105</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Liagan</span>. Zeeroover gedood door Conan mac Morna, <a href="#d0e5043">239</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Licht van Schoonheid</span>. Zie Sgeimh Solais.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Lir</span>. 1. Zeegod, vader van Mananan, <a href="#d0e2841">98</a>&#8211;<a href="#d0e3293">123</a>; Mananan en Lir, <a href="#d0e3005">109</a>; identisch met het Grieksche Oceanus, <a href="#d0e3005">109</a>; vader van Lodan en grootvader van Sinend, <a href="#d0e3099">114</a>; komt overeen met de Kimbrische godheid Llyr, <a href="#d0e6520">323</a>. 2. De Kinderen van, hun gedaantewisseling, hun dood, <a href="#d0e3293">123</a>&#8211;<a href="#d0e3355">26</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Lismore</span>. Beschrijving van het boek van James Mac Gregor, deken van, <a href="#d0e5474">265</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Llassar Llaesgyvnewid</span>. Echtgenoot van Kymideu Kymeinvoll, geeft den tooverketel aan Bran, <a href="#d0e6798">339</a><span class="corr" title="Bron: ">.</span>
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Llevelys</span>. Zoon van Beli; verhaal van Ludd (Nudd) en, <a href="#d0e7014">354</a>, <a href="#d0e7030">55</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Llew Llaw Gyffes</span>. Of &#8220;de Leeuw met de Vaste Hand.&#8221; Een held, onderwerp van het verhaal &#8220;M&#257;th <span class="corr" title="Bron: &#8221;"></span>Zoon van M&#257;thonwy&#8221;, <a href="#d0e6447">319</a>, <a href="#d0e6477">20</a>; identisch met de Keltische godheid Lugh met den Langen Arm, <a href="#d0e6477">320</a>; hoe hij aan zijn naam kwam, <a href="#d0e6954">350</a>, <a href="#d0e6968">51</a>; zijn bloem-vrouw genaamd Blodeuwydd, <a href="#d0e6991">352</a>; doodt Gronw Pebyr, die hem had bedrogen, <a href="#d0e6998">353</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Lludd</span>. Zie Nudd.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Llwyd</span>. Zoon van Kilcoed, een toovenaar; heft de betoovering op van zeven gebieden van Dyfed en van Pryderi en Rhiannon, <a href="#d0e6909">347</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Llyr</span>. In legenden van Wales vader van Manawyddan; Iersche equivalenten Lir en Mananan, Llyr-cester (nu Leicester) vroeger een
+<a id="d0e14057"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e14057">411</a>]</span>centrum van den eeredienst van, <a href="#d0e6447">319</a>; Huis van, komt overeen met Keltische Lir; Penardun, dochter van D&#333;n, vrouw van, stamboom, <a href="#d0e6520">323</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Loch</span>. Zoon van Mofebis, kampioen door Maerr uitgezonden tegen Cuchulain, wondt Cuchulain, maar wordt door hem gedood, <a href="#d0e4397">194</a>, <a href="#d0e4411">195</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Loch Gara</span>. Meer in Roscommon; mac Cecht&#8217;s bezoek aan, <a href="#d0e3897">159</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Loch Rury</span>. Fergus mac Leda&#8217;s avontuur te, <a href="#d0e6656">328</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Loch Ryve</span>. Maev trekt zich terug op het eiland op, en wordt daar gedood door Forbey, <a href="#d0e4842">224</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Lodan</span>. Zoon van Lir, vader van de godin Sinend, <a href="#d0e3099">114</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Loherangrain</span>. Ridder van de Zwaan, Zoon van Parzival, <a href="#d0e7296">375</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Loughcrew</span>. Groote tumulus te, vermoedelijk de begraafplaats van Ollav F&#333;la, <a href="#d0e3451">134</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Lourdes</span>. Vereering van de wateren van, <a href="#d0e1979">51</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Lucanus</span>. Vermeldt trias van godheden, <a href="#d0e2432">71</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Luchad</span>. Vader van Luchta, <a href="#d0e2835">97</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Luchta</span>. Zoon van Luchad, <a href="#d0e2835">97</a>; de timmerman van de Danaans, <a href="#d0e2873">101</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ludgate</span>. Voor afleiding zie Nudd.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Lugh</span>, of <span class="smallcaps">Lugus</span><span class="corr" title="Bron: ">.</span> 1. De god van het Licht in Galli&euml; en Ierland, <a href="#d0e2479">73</a><span class="corr" title="Bron: ,">.</span> 2. Zoon van Kian, de Zonne-god <i>per exellence</i> van alle Keltische landen, komst van, <a href="#d0e2793">94</a>&#8211;<a href="#d0e2841">98</a>; andere namen Ild&aacute;nach (&#8220;De Man van alle ambachten&#8221;) en Lugh Lamfada (Lugh met den Langen arm)<span class="corr" title="Bron: ">,</span> <a href="#d0e2835">97</a>; zijn losprijs van de Zonen van Turenn voor den moord van zijn vader Kian, <a href="#d0e2869">100</a>, <a href="#d0e2873">101</a>; doodt Balor en wordt in zijn plaats koning, <a href="#d0e2880">102</a>; vurige speer van, <a href="#d0e2935">105</a>; zijn eeredienst wijd verspreid over &#8217;t Keltisch vasteland, <a href="#d0e2963">108</a>; verzoekt Cuchulain bij Dectera, <a href="#d0e2963">108</a>, <a href="#d0e4035">165</a>; Kimbrische godheid Llew Llaw Cyffes komt overeen met, <a href="#d0e6477">320</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Lugh met den Langen Arm</span>. Zie Lugh. Zijn onoverwinlijk zwaard, <a href="#d0e2714">90</a>; Bres, zoon van Balor, en, <a href="#d0e2963">108</a>; echtgenoot van Dectera en vader van Cuchulain, <a href="#d0e4035">165</a>; verschijnt aan Cuchulain en beschermt de rivier terwijl zijn zoon rust, vecht aan de zijde van zijn zoon, <a href="#d0e4418">196</a>; Kimbrische held Llew Llaw Gyffes komt overeen met, <a href="#d0e6477">320</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Luned</span>. Maagd die Owain bevrijdde, Owain bevrijdt haar, <a href="#d0e7162">365</a>&#8211;<a href="#d0e7187">67</a>.
+
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>M.</h3>
+<p>&#8220;<span class="smallcaps">Mabinogion</span>&#8221; <span class="smallcaps">De</span> (enkelvoud <span class="smallcaps">Mabinogi</span>). Verwijzing naar het verhaal van Kilhwch en Olwen in, <a href="#d0e6378">315</a>; &#8220;Het Roode Boek van Hergest&#8221;, de voornaamste bron van de verhalen van, <a href="#d0e6394">316</a>; &#8220;M&#257;th zoon van M&#257;thonwy&#8221;, verhaal in, <a href="#d0e6447">319</a>; Alfred Nutt&#8217;s uitgave, <a href="#d0e6656">328</a>; Vier Takken van de Mabinogi vormen het belangrijkst deel van, <a href="#d0e6998">353</a>; Peredur&#8217;s verhaal in, en Fransche lezing, <a href="#d0e7261">373</a>; het verhaal van Taliesin en, <a href="#d0e7371">379</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Mabon</span>. Zoon van Modron, verlost door Arthur, <a href="#d0e7108">360</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Maccecht</span>. Danaan Koning, echtgenoot van Fohla, <a href="#d0e3162">116</a>; behoort tot Conary&#8217;s gevolg in Da Derga&#8217;s verblijf, <a href="#d0e3861">156</a>; hij zoekt naar water, <a href="#d0e3881">158</a>, <a href="#d0e3897">159</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Maccuill</span>. Danaan Koning, echtgenoot van Banba, <a href="#d0e3162">116</a>; in de vesting van Aileach, <a href="#d0e3168">117</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Macgren&eacute;</span>. Danaan Koning, echtgenoot van Eriu, <a href="#d0e3162">116</a>; mythische naam Zoon van de Zon, <a href="#d0e3162">116</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Mac Indoc, De Vlakte van</span>. Laery en St. Benen op, <a href="#d0e4752">218</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Mackerval, Dermot</span>. Regeering van, in Ierland, de verwensching van Tara, <a href="#d0e1697">31</a>, <a href="#d0e1711">32</a>. Zie Dermot.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Macpherson</span>. Pseudo-Ossian&#8217;sche po&euml;zie van, <a href="#d0e5474">265</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Mac Roth</span>. Opzichter van Maev, en de Bruine Stier van Quelgny, <a href="#d0e4246">185</a>; gezonden om te zien naar <a id="d0e14343"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e14343">412</a>]</span>het leger van mannen van Ulster, <a href="#d0e4499">204</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Macedoni&euml;</span>. Aangevallen door Thracische en Illyrische horden, <a href="#d0e951">6</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Macha</span>. Dochter van Rooden Hugh, doodt Dithorba en dwingt Kimbay haar te huwen, neemt vijf zonen van Dithorba gevangen, is een voorbeeld
+van de vereeniging van de eigenschappen van het Danaan- en het menschelijk geslacht, <a href="#d0e3470">135</a>&#8211;<a href="#d0e3482">36</a>; bovennatuurlijk wezen, gaat bij Crundchu wonen, <a href="#d0e3946">161</a>; haar wedren tegen paarden van Ultoni&euml;rs, brengt tweelingen ter wereld, en vloekt de Ultoni&euml;rs, <a href="#d0e3966">162</a>, <a href="#d0e3981">163</a>; haar vloek over de mannen van Ulster, <a href="#d0e4270">187</a>&#8211;<a href="#d0e4490">203</a>; de vloek over de mannen van Ulster weggenomen, <a href="#d0e4499">204</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Maeldun</span>. Zoon van Ailill, <a href="#d0e5781">286</a>; gaat naar zijn eigen bloedverwanten, <a href="#d0e5800">287</a>; zijn wonderreis, <a href="#d0e5800">287</a>&#8211;<a href="#d0e6132">304</a>; Dr. Whitley Stokes&#8217; vertaling van het reisverhaal voorkomend in het &#8220;Boek van de Berg Koe&#8221; (manuscript) in de &#8220;Revue Celtique&#8221;,
+stof voor Tennyson&#8217;s &#8220;Reis van Maeldune&#8221;, geleverd door Joyce&#8217;s lezing in &#8220;Oud-Keltische Vertellingen&#8221;, <a href="#d0e5775">285</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Maen Tyriawc</span>. Begraafplaats van Pryderi, <a href="#d0e6931">349</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Maev</span>. Koningin van Connacht, Angus &#332;g zoekt haar hulp, <a href="#d0e2944">106</a>; zwakheid der Ultoni&euml;rs gebleken bij den strooptocht van vee te Quelgny, <a href="#d0e3981">163</a>; Fergus zoekt haar hulp, haar beroemde stier Finnbenach, <a href="#d0e4229">184</a>; haar pogingen om den Bruinen Stier van Quelgny meester te worden, <a href="#d0e4253">186</a>&#8211;<a href="#d0e4625">210</a>; haar leger richt verwoestingen aan in de gebieden van Bregia en Murthemney, <a href="#d0e4354">191</a>; biedt Ferdia haar dochter Findabair met de Mooie Wenkbrauwen aan, zoo hij met Cuchulain wil vechten, <a href="#d0e4445">198</a>; Conor roept mannen van Ulster op tegen, <a href="#d0e4499">204</a>; wordt achterhaald, maar door Cuchulain gespaard, <a href="#d0e4540">206</a>; sluit vrede voor zeven jaar met Ulster, <a href="#d0e4567">207</a>; wraak op Cuchulain, <a href="#d0e6270">309</a>&#8211;<a href="#d0e6357">14</a>; mac Datho&#8217;s hond en, <a href="#d0e6477">320</a>&#8211;<a href="#d0e6515">22</a>; trekt zich terug op Loch Ryve, gedood door Forbay, <a href="#d0e4842">224</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Maga</span>. Dochter van Angus &#332;g, vrouw van Ross de Roode, ook gehuwd met den Dru&iuml;de Cathbad, <a href="#d0e3993">164</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Magi</span>. Woord magie afgeleid van, <a href="#d0e1868">44</a>; Plinius, over, <a href="#d0e1872">45</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Magie</span>. De Godsdienst van het Megalitisch volk, <a href="#d0e1859">43</a>; oorsprong van het woord, Plinius over; oorsprong in Perzi&euml;, door Zoroaster bedacht, <a href="#d0e1868">44</a>, <a href="#d0e1872">45</a>; sporen in Megalithische gedenkteekenen, <a href="#d0e1907">47</a>; de Clan Calatin leert in Ierland, Alba en Babylon magie, om tegen Cuchuiain op te treden, <a href="#d0e4601">209</a>&#8211;<a href="#d0e4661">213</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Maitre, Albert</span>. Inspecteur van &#8217;t Mus&eacute;e des Antiquit&eacute;s Nationales, <a href="#d0e1920">48</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Malory</span>. Wace is hem v&oacute;&oacute;r, <a href="#d0e6299">311</a>; Kimbrische mythen en, <a href="#d0e7060">357</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Mananan</span>. Zoon van den Zee-god Lir, <a href="#d0e2841">98</a>, <a href="#d0e3293">123</a>; Luch brengt zijn magische boot en zijn paard, benevens het zwaard <i>Fragarach</i> uit het Land der levenden<span class="corr" title="Bron: ">,</span> <a href="#d0e2841">98</a>, <a href="#d0e2935">105</a>; eigenschappen van den Zee-god meestal toegeschreven aan, de meest populaire godheid in de Iersche mythologie, heer over
+de zee waarachter het Land der Jeugd, of de Dooden-eilanden werden geacht te liggen; kende tooverkunsten, bezitter van tooverboot,
+tooverros en tooverzwaard, <a href="#d0e3005">109</a>, <a href="#d0e3023">110</a>; dochter van, gegeven aan Angus, een Danaan prins, <a href="#d0e3369">127</a>; zijn vrouw Fand zet haar zinnen op Cuchulain, <a href="#d0e4567">207</a>; hij krijgt Fand terug, zwaait zijn mantel tusschen Fand en Cuchulain, <a href="#d0e4601">209</a>; Kimbrische godheid Manawyddan komt overeen met, <a href="#d0e6447">319</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Manawyddan</span>. In de mythologie van Wales, zoon van Llyr; Iersche aequivalenten, Mananan en Lir, <a id="d0e14561"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e14561">413</a>]</span><a href="#d0e6447">319</a>; Bendigeid Vran (&#8220;Bran de Gezegende&#8221;), zijn broeder, <a href="#d0e6764">336</a>; verhaal van Pryderi en, <a href="#d0e6877">344</a>&#8211;<a href="#d0e6921">48</a>; huwt Rhiannon, <a href="#d0e6862">343</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Man&eacute;-er-hoeck</span>. Merkwaardige tumulus in Bretagne, <a href="#d0e1907">47</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Manes</span>. Zeven verbannen zonen van Ailell en Maev, <a href="#d0e3813">153</a>; doen mee aan Maev&#8217;s tocht tegen Ulster, <a href="#d0e4270">187</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Manessier</span>. Zet Chrestien de Troyes voort, <a href="#d0e7298">376</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Manetho</span>. Egyptisch geschiedschrijver, spreekt van menschenoffers, <a href="#d0e1003">10</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Manred</span>. De onuitsprekelijke naam van God uitgesproken en zoo werd de primaire stof van het heelal gevormd, <a href="#d0e6193">306</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Maon</span>. Zoon van Ailill; zijn ruwe behandeling door Covac, <a href="#d0e3482">136</a>&#8211;<a href="#d0e3517">38</a>; wraak op Covac, <a href="#d0e3509">137</a>; huwt Moriath en regeert over Ierland, <a href="#d0e3517">138</a>; equivalent &#8220;Labra de Zeeman&#8221;, <a href="#d0e3517">138</a>; zonderling verhaal omtrent zijn haar, <a href="#d0e3517">138</a>, <a href="#d0e3547">139</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Marcellinus, Ammianus</span>. Beschrijft de Galli&euml;rs, <a href="#d0e1614">26</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Marie de France</span>. Anglo-Normandische <span class="corr" title="Bron: dichters">dichteres</span>; bronnen betreffende de Arthur-sage in haar geschriften, <a href="#d0e6299">311</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">M&#257;th zoon van M&#257;thonwy</span>. Titel van verhaal in de &#8220;Mabinogion&#8221;, <a href="#d0e6447">319</a>; Llew Llaw Gyffes komt daarin voor, <a href="#d0e6447">319</a>; broeder van Penardun, <a href="#d0e6477">320</a>; het verhaal van, <a href="#d0e6909">347</a>&#8211;<a href="#d0e6991">52</a>; Gwydion en Gilvaethwy, neven van, <a href="#d0e6921">348</a>; zijn verwonderlijk gehoor, <a href="#d0e7030">355</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Matholwch</span>. Koning van Ierland, komt Branwen ten huwelijk vragen, huwelijk voltrokken te Aberffraw, Evnissyen verminkt zijn paarden,
+<a href="#d0e6775">337</a>; Bran geeft hem o.a. een tooverketel, <a href="#d0e6791">338</a>; vader van Gwern, <a href="#d0e6798">339</a>; verneemt Bran&#8217;s inval, <a href="#d0e6807">340</a>; draagt de heerschappij over Ierland op Gwern over, <a href="#d0e6831">341</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">M&#257;thonwy</span>. Voorvader van het Huis van Don, <a href="#d0e6507">321</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Mati&egrave;re de France</span>. Bron voor de Tafelronde en ridderlijke instellingen aan Arthur&#8217;s hof toegeschreven, <a href="#d0e6332">313</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Maxen Wledig</span>. Keizer van Rome; zijn droom, <a href="#d0e6998">353</a>, <a href="#d0e7014">54</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Meath</span>. In zijn vecht-woede slaat Fergus de toppen af van de drie <i>Maela</i> van, <a href="#d0e4540">206</a>; St. Patrick en het volk van, <a href="#d0e5378">259</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Meer van den Ketel</span>. Plaats waar Matholwch Lassar en Kymideu ontmoette, <a href="#d0e6798">339</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Meer van den Drakenmuil</span>. Verblijfplaats van Caer; Angus &#332;g vindt daar Caer, zijn geliefde, <a href="#d0e2944">106</a>, <a href="#d0e2952">107</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Megalithisch Volk</span>. Bouwt dolmens, cromlechs, <a href="#d0e1762">36</a>&#8211;<a href="#d0e2518">77</a>; oorsprong van het, <a href="#d0e1792">38</a>&#8211;<a href="#d0e1840">42</a>; Ridgeway&#8217;s bewering, <a href="#d0e1823">40</a>; hun godsdienst die der magie, <a href="#d0e1859">43</a>; voorstellingen van de goddelijke machten in menschelijke gedaante geheel onbekend bij, <a href="#d0e2170">60</a>; het dwingt den Kelten het Dru&iuml;disme op, <a href="#d0e2370">67</a>; menschenoffers een overblijfsel van het, <a href="#d0e2388">69</a>; hun opvatting van hun godheden, <a href="#d0e2406">70</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Meidag</span>. Gewijd aan Belten&eacute;, dag waarop de Zonen van Miled de verovering van Ierland begonnen, <a href="#d0e3174">118</a>; elken Meidag gevecht tusschen Gwythur en Gwyn, <a href="#d0e6507">321</a>; vreemde gil in Brittanni&euml; elken avond v&oacute;&oacute;r Mei, <a href="#d0e7014">354</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Mercurius</span>. Door de Galli&euml;rs beschouwd als hoofd der Goden, <a href="#d0e2446">72</a>; Lugh Lamfada ge&iuml;dentificeerd met, <a href="#d0e2841">98</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Merlin</span>. Zie Myrddin. Zijn tooverkunsten <a href="#d0e6288">310</a>; equivalent Myrddin, Geoffrey van Monmouth gelooft dat hij Stonehenge oprichtte, zijn verblijf, <a href="#d0e6599">326</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Mesgedra</span>. Zijn wraak volbracht, <a href="#d0e4790">220</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Mesroda, Mac Datho</span>. Zoon van Datho, <a href="#d0e4790">220</a>; het voorsnijden van het zwijn, <a href="#d0e4799">221</a>&#8211;<a href="#d0e4815">22</a>; Conor en Maev beiden gezonden om zijn hond te koopen, <a href="#d0e4790">220</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Messbuachalla</span>. Eenige dochter <a id="d0e14849"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e14849">414</a>]</span>van Etain Oig, beteekent &#8220;des koeherders pleegdochter&#8221;, <a href="#d0e3733">149</a>; de aan Koning Eterskel beloofde zoon en, wordt bezocht door een Danaan minnaar, geboorte van Conary, <a href="#d0e3757">150</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Mexico</span>. Beker- en ring-insnijding in, <a href="#d0e2002">52</a>; voetsymbool gevonden in, <a href="#d0e2217">62</a>; kruislings gezeten Buddha herhaaldelijk aangetroffen in de godsdienstige kunst van, <a href="#d0e2446">72</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Midir, De Trotsche</span>. Een zoon van den Dagda; type van praal, verschijnt voor Koning Eochy, <a href="#d0e2963">108</a>; zijn vrouw Fuamnach, zijn tweede vrouw Etain, <a href="#d0e3557">140</a>; neemt zijn vrouw terug van Eochy, <a href="#d0e3603">144</a>&#8211;<a href="#d0e3650">46</a>; staat Etain af, <a href="#d0e3674">147</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Miled</span>. 1. Zonen van; overwinnen het Volk van Dana, <a href="#d0e2645">85</a>; hun komst om de Danaans in Ierland te verdringen, <a href="#d0e3099">114</a>, <a href="#d0e3144">115</a>; Bregon, zoon van, <a href="#d0e3144">115</a>; Amergin, zoon van, <a href="#d0e3168">117</a>; beginnen de verovering van Ierland op 1 Mei, <a href="#d0e3174">118</a>. 2. Als Godheid voorgesteld in een Keltische inscriptie uit Hongarije, zoon van Bil&eacute;, <a href="#d0e3144">115</a>. 3. Kinderen van, besluiten wraak te nemen voor het dooden van Ith, <a href="#d0e3168">117</a>; heerschers over Ierland, <a href="#d0e3262">120</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Milesi&euml;rs</span>. Zie Zonen van Miled, <a href="#d0e3099">114</a>; beteekenis van mythe, <a href="#d0e3285">122</a>&#8211;<a href="#d0e3377">28</a>; eerste koningen, <a href="#d0e3417">132</a>&#8211;<a href="#d0e3438">133</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Minorca</span>. Voorstellingen van schepen analoog met die in Ierland gevonden, <a href="#d0e2170">60</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Mochaen</span>. Heuvel van, en Lugh&#8217;s losprijs, <a href="#d0e2869">100</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Modred</span>. Koning Arthur&#8217;s neef; maakt zich meester van de kroon van zijn oom en huwt zijn vrouw Guanhamara, Arthur verslaat en doodt
+hem, <a href="#d0e6437">318</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Mongan</span>. Iersch hoofd, re&iuml;ncarnatie van Finn, weddenschap omtrent de plaats waar Koning Fothad stierf, <a href="#d0e2307">65</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Montelius, Dr. Oscar</span>. Het schipsymbool, <a href="#d0e2061">56</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Moonremur</span>. Een edele uit Ulster; mac Datho&#8217;s zwijn en, <a href="#d0e4815">222</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Morann</span>. Dru&iuml;de; zijn voorspelling betreffende Cuchulain, <a href="#d0e4037">166</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Morc</span>. Fomorische koning, <a href="#d0e2649">86</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Morda</span>. Een blinde door Ceridwen aangesteld om het vuur te onderhouden onder den tooverketel, <a href="#d0e7389">380</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Moriath</span>. Dochter van Scoriath, Koning van Feramore; haar liefde voor Maon en wat ze deed om hem weer naar Ierland te lokken, <a href="#d0e3509">137</a>, <a href="#d0e3517">138</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Morna</span>. Vader van Goll, <a href="#d0e5008">236</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Morrigan, De</span>. Buitengewone godin, belichamend al wat van bovennatuurlijke machten verdorven en verschrikkelijk is, haar liefde en vriendschap
+voor Cuchulain, <a href="#d0e3036">111</a>; haar bezoek aan Conary M&#333;r in Da Derga&#8217;s verblijf, <a href="#d0e3846">155</a>; verschijnt aan Cuchulain en biedt hem haar liefde aan, haar bedreiging, valt Cuchulain aan die haar wondt, <a href="#d0e4397">194</a>; krast in den vorm van een kraai van oorlog en slachting voor Cuchulain, <a href="#d0e4637">211</a>; gaat als kraai op den schouder van den dooden Cuchulain zitten, <a href="#d0e4694">214</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Moyrath</span>. Slag van, maakte einde aan verzet van Keltische hoofden tegen het Christendom, <a href="#d0e1751">35</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Moyslaught</span>. (&#8220;Vlakte der aanbidding&#8221;). Afgodsbeeld van Crom Cruach opgericht op, <a href="#d0e2388">69</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Moytura, Vlakte van</span>. 1. Tooneel van eersten slag (graafschap Sligo) tusschen Danaans en Firbolgs, <a href="#d0e2734">91</a>; 2. Tooneel van tweeden slag (graafschap Mayo) tusschen Danaans en Fomori&euml;rs, <a href="#d0e2873">101</a>, <a href="#d0e3099">114</a>; de Dagda en, <a href="#d0e2935">105</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Munsalv&auml;sche</span> (<span class="smallcaps">Montsalvat</span>). Kasteel van, waar, in W. von Eschenbach&#8217;s gedicht, de graal wordt bewaard, <a href="#d0e7296">375</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Munster</span><span class="corr" title="Bron: ">.</span> Ailill Olum, Koning van, <a href="#d0e3053">112</a>; &#8220;Heuvel van Ain&eacute;&#8221; en godin Ain&eacute;, <a href="#d0e3053">112</a>, <a href="#d0e3073">113</a>; oorsprong van naam, <a href="#d0e3517">138</a>.
+<a id="d0e15096"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e15096">415</a>]</span></p>
+<p><span class="smallcaps">Murias</span>. De Stad (zie Dana), <a href="#d0e2714">90</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Murna met den Blanken Hals</span>. Vrouw van Cumhal, moeder van Finn, <a href="#d0e4985">234</a>, <a href="#d0e5149">244</a>; neemt de wijk in de bosschen van Slieve Bloom en brengt Demna (Finn) ter wereld, <a href="#d0e4985">234</a>, <a href="#d0e5004">235</a>; huwt den Koning van Kerry, <a href="#d0e5004">235</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Murtagh Mac Erc</span>. Koning van Ierland, broeder van Fergus de Groote; leent den beroemden Steen van Scone aan Schotland, <a href="#d0e2714">90</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Murthemney</span>. Kian gedood op de vlakte van, <a href="#d0e2858">99</a>; Cuchulain van, in een visioen gezien door de profetes Fedelma, <a href="#d0e4292">188</a>; de slachting van, <a href="#d0e4418">196</a>; leger van Ulster verzamelt zich op de vlakte van, <a href="#d0e4625">210</a>; Cuchulain in zijn burcht van, <a href="#d0e4645">212</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Mycenae</span>. Een dolmen staat nog naast de begraafplaats der Atriden te, <a href="#d0e1785">37</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Myrddin</span>. Zie Merlin. Godheid in Arthur&#8217;s mythologischen cyclus, komt overeen met den Zonne-god Nudd, professor Rhys meent dat hij
+de voornaamste godheid was te Stonehenge aangebeden, neemt de &#8220;Dertien Schatten van Brittanni&euml;&#8221;, <a href="#d0e6599">326</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Mythologische Cyclus</span>, De, <a href="#d0e2542">80</a>, <a href="#d0e2561">81</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Mythologie</span>. Vergelijking tusschen Keltische en Kimbrische, <a href="#d0e6437">318</a>; vergeleken met folklore, <a href="#d0e7497">384</a>, <a href="#d0e7504">85</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Mythen</span>. Beteekenis der Danaan-, <a href="#d0e3275">121</a>; beteekenis der Milesische, <a href="#d0e3285">122</a>; dringen in Ierland door, <a href="#d0e3285">122</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>N.</h3>
+<p><span class="smallcaps">Naisi</span>. Zoon van Usna, bemind door Deirdre, ontvoert Deirdre, zijn broeders Ardan en Ainl&eacute;, Conor verzoekt hem terug te keeren,
+<a href="#d0e4192">180</a>; zijn terugkeer onder bescherming van Fergus, <a href="#d0e4207">181</a>; gedood door Owen zoon van Duracht, <a href="#d0e4207">181</a>&#8211;<a href="#d0e4225">83</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Naqada</span>. Teekens op ivoren tafels door Flinders Petrie ontdekt op het kerkhof te, <a href="#d0e2217">62</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Narberth</span>. Kasteel waar Pwyll zijn hof hield, <a href="#d0e6705">331</a>; Pwyll&#8217;s avontuur op de Hoogte van Arberth bij Narberth, <a href="#d0e6705">331</a>, <a href="#d0e6764">36</a>; Pryderi en Manawyddan en hun vrouwen treurig achtergelaten in het paleis van, <a href="#d0e6862">343</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Natchrantal</span>. Beroemd kampioen van Maev; helpt den Bruinen Stier pakken, <a href="#d0e4374">193</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Nechtan</span><span class="corr" title="Bron: ">.</span> Burcht van de Zonen van, <a href="#d0e4158">176</a>; Cuchulain lokt een gevecht uit met de zonen van, zij worden gedood, <a href="#d0e4158">176</a>, <a href="#d0e4165">77</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Nederlanden</span>. Keltisch element in plaatsnamen van de, <a href="#d0e1027">11</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Neit</span>. Danaan koning, gedood in slag met de Fomori&euml;rs, <a href="#d0e3168">117</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Nemed</span>. Zoon van Agnoman, neemt Ierland in bezit, <a href="#d0e2606">83</a>; vecht zegevierend tegen de Fomori&euml;rs, zijn dood, <a href="#d0e2649">86</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Nemedi&euml;rs</span>. Zeilen naar Ierland, <a href="#d0e2624">84</a>; verwant met de Partholani&euml;rs, <a href="#d0e2649">86</a>; strijden zegevierend tegen de Fomori&euml;rs, verslagen door de Fomori&euml;rs, <a href="#d0e2649">86</a>, <a href="#d0e2658">87</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Nemglan</span>. Gebiedt Conary naar Tara te gaan, <a href="#d0e3776">151</a>; bepaalt Conary&#8217;s <i>geise</i>, <a href="#d0e3776">151</a>, <a href="#d0e3795">52</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Nennius</span>. Britsch geschiedschrijver in wiens &#8220;Historia Britonum&#8221; (A.D. 800) de eerste vermelding van Arthur is gevonden, <a href="#d0e6270">309</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Nessa</span>. Dochter van Echid Geel-hiel, vrouw van Fachtna, moeder van Conor, bemind door Fergus.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">New Grange</span>. Tumulus te, beschouwd als woonplaats van &#8217;t Toovervolk, <a href="#d0e2009">53</a>, <a href="#d0e2026">54</a>; symbolische insnijdingen te, <a href="#d0e2049">55</a>, <a href="#d0e2096">57</a>; Angus &#332;g&#8217;s paleis te <a href="#d0e2944">106</a>; Angus&#8217; tooverslot te Brugh na Boyna identisch met, <a href="#d0e3369">127</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Niam</span>. 1. Vrouw van Conall; verpleegt Cuchulain, <a href="#d0e4637">211</a>; Bave doet haar onder betoovering dwalen, <a href="#d0e4637">211</a>, 2. Met het Gouden Haar; dochter van den Koning van het Land der Jeugd, <a href="#d0e5187">248</a>; Ois&#299;n vertrekt met, <a href="#d0e5205">249</a>, <a href="#d0e5259">50</a>; vergunt Ois&#299;n <a id="d0e15371"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e15371">416</a>]</span>het Land van Erin te bezoeken, <a href="#d0e5259">250</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Nissyen</span>. Zoon van Eurosswyd en Penardun, <a href="#d0e6764">336</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Nodens</span>. Zie Nudd.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Noten van Kennis</span>. Vallen van hazeltakken in het meer waarin de Zalm der Kennis leefde, <a href="#d0e5004">235</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Nuada met de Zilveren Hand</span>. Koning van de Danaans, <a href="#d0e2734">91</a>, <a href="#d0e2755">92</a>; zijn ontmoeting met Balor, kampioen der Fomori&euml;rs, <a href="#d0e2880">102</a>; behoort tot Finn&#8217;s voorouders, <a href="#d0e4985">234</a>; identisch met de zonne-godheid in de Kimbrische mythologie, zie Nudd of Lludd, <a href="#d0e6447">319</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Nudd</span> of <span class="smallcaps">Lludd</span>. Romeinsch equivalent Nodens. Een zonne-godheid in de Kimbrische mythologie, identisch met Nuada, <a href="#d0e6447">319</a>; had onder den naam Lludd, naar men zegt, een tempel op de plaats van St. Paul, <a href="#d0e6447">319</a>; ingang van Lludd&#8217;s tempel geheeten Parth Lludd (Britsch), wat de Saksers vertaalden met <i>Ludes Geat</i>, het tegenwoordige Ludgate, <a href="#d0e6447">319</a>; verhaal van Llevelys en, <a href="#d0e7030">355</a>; steekspel van Edeyrn, zoon van, met Geraint om Enid, <a href="#d0e7187">367</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Nutt, Alfred</span>. In verband met den &#8220;Heuvel van Ain&eacute;&#8221;, <a href="#d0e3073">113</a>; in verband met de Ois&#299;n-en-Patrick-dialogen, <a href="#d0e5484">266</a>; bedoeling van het verhaal van Taliesin, <a href="#d0e7371">379</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Nynniaw</span>. Peibaw en, broeders, twee Koningen van Brittanni&euml;, hun twist over de sterren, <a href="#d0e6638">327</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>O.</h3>
+<p><span class="smallcaps">O&#8217;donovan</span>. Een groot Iersch oudheidkenner; volksverhaal gevonden door, <a href="#d0e2793">94</a>&#8211;<a href="#d0e2918">104</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">O&#8217;dyna, Cantred</span>. Dermot&#8217;s erfgoed, <a href="#d0e5596">276</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">O&#8217;grady</span>. 1. Standish, Over de stichting van Emain Macha in zijn &#8220;Critical History of Ireland&#8221;, <a href="#d0e2918">104</a>, <a href="#d0e3470">135</a>; zijn &#8220;Masque of Finn&#8221;, <a href="#d0e5364">258</a>. 2. Standish Hayes, &#8220;Silva Gadelica&#8221;, <a href="#d0e4917">229</a>, <a href="#d0e5302">254</a>, <a href="#d0e5364">258</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Oceaan-veger</span>. Mananan&#8217;s tooverboot, <a href="#d0e3005">109</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Odyss&eacute;e<span class="corr" title="Bron: .">,</span> De</span>. Aanhaling uit Cotterill&#8217;s vertaling in hexameters, <a href="#d0e2276">64</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Offers</span>. Van menschen door Caesar bij de Kelten opgemerkt, <a href="#d0e2378">68</a>; in Ierland, ook in Mexico en Carthago, <a href="#d0e2378">68</a>; van kinderen aan Crom Cruach, door Galen, <a href="#d0e2378">68</a>; menschenoffers in Egypte zeldzaam, <a href="#d0e2388">69</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ogma</span>. Krijger van Nuada, <a href="#d0e2835">97</a>, <a href="#d0e2902">103</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ois&#299;n</span>. Anders: Klein Hert. Zoon van Finn, grootste dichter van de Kelten, vader van Oscar, begraaft Aideen, <a href="#d0e5055">240</a>; wordt door Saba ter wereld gebracht, <a href="#d0e5162">245</a>&#8211;<a href="#d0e5187">48</a>; Niam met het Gouden Haar bemint hem, <a href="#d0e5187">248</a>&#8211;<a href="#d0e5259">50</a>; keert terug uit het Land der Jeugd, <a href="#d0e5273">251</a>; Keelta en, besluiten van elkander te gaan, <a href="#d0e5378">259</a>; helpt Keelta Oscar begraven, <a href="#d0e5763">283</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ollav</span>. Beteekenis van het woord, <a href="#d0e3438">133</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ollav F&ouml;la</span>. Achttiende Koning van Ierland na Eremon; de voornaamste Ollav van Ierland, <a href="#d0e3438">133</a>; vergeleken met Goban de Smid en Amergin de Dichter, <a href="#d0e3451">134</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Olwen</span>. Het verhaal van Kilhwch en, <a href="#d0e7030">355</a>&#8211;<a href="#d0e7114">361</a>; dochter van Yspaddaden, <a href="#d0e7042">356</a>; hoe zij aan den bijnaam &#8220;Van het Witte Spoor&#8221; kwam, <a href="#d0e7074">358</a>; vrouw van Kilhwch, <a href="#d0e7114">361</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Onderwereld</span>. Keelta opgeroepen uit de, <a href="#d0e2307">65</a>; Keltisch geloof aan, <a href="#d0e2320">66</a>; Mercurius door de Galli&euml;rs beschouwd als gids der dooden naar de, <a href="#d0e2446">72</a>; Dis, of Pluto, god van de, <a href="#d0e2446">72</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Onsterflijkheid</span>. Oorsprong van zoogenaamd Keltische leer der, <a href="#d0e2170">60</a>; Egyptische en Keltische begrippen over, <a href="#d0e2258">63</a>, <a href="#d0e2276">64</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Onweerstaanbare</span> (De). Tooverzwaard van Mananan, <a href="#d0e3023">110</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Oostenrijk</span>. Ontwikkeling van v&oacute;&oacute;r-Romeinsche doodenstad in, <a href="#d0e1122">12</a>; overblijfselen gevonden in, tot de La T&egrave;ne-cultuur ontwikkeld, <a href="#d0e1122">12</a>.
+
+<a id="d0e15653"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e15653">417</a>]</span></p>
+<p><span class="smallcaps">Opperkoningen van Ierland</span>. Steen van het noodlot, gebruikt bij kroning van, <a href="#d0e2714">90</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Orlam</span>. Gedood door Cuchulain, <a href="#d0e4354">191</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Oscar</span>. Zoon van Ois&#299;n, doodt Linn&eacute;, zijn vrouw Aideen, haar dood na den slag van Gowra, type van harde kracht, <a href="#d0e5055">240</a>; dood in den slag van Gowra, <a href="#d0e5294">253</a>; beschrijving van zijn dood, <a href="#d0e5670">281</a>, <a href="#d0e5694">282</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Osiris</span>. Voeten van, symbool van bezoek in Egypte, <a href="#d0e2188">61</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ossian-genootschap</span>. Verhandelingen van &#8217;t, <a href="#d0e5336">256</a>&#8211;<a href="#d0e5364">58</a>; slag van Gowra beschreven in, <a href="#d0e5653">280</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Osthanes</span>. Vroegste auteur over magie, <a href="#d0e1907">47</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Oude Keltische Verhalen</span>. Van dr. P.&nbsp;W. Joyce, <a href="#d0e5637">279</a>, <a href="#d0e5775">285</a>, <a href="#d0e5824">288</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Overvloed</span>. Zie Steen van Overvloed<span class="corr" title="Bron: ,">.</span>
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Owain</span>. Zoon van Urien; speelt schaak met Koning Arthur, <a href="#d0e7114">361</a>; de Zwarte Ridder en, <a href="#d0e7150">364</a>&#8211;<a href="#d0e7187">67</a>; gezien door Peredur, <a href="#d0e7217">369</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Owel</span>. Pleegzoon van Mananan en een Dru&iuml;de, vader van Ain&eacute;, <a href="#d0e3053">112</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Owen</span>. Zoon van Duracht; doodt Naisi en andere zonen van Usna, <a href="#d0e4225">183</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Owens van Aran</span>. Ailill van de, <a href="#d0e5781">286</a>; Maeld&#363;n gaat bij hen wonen, <a href="#d0e5800">287</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>P.</h3>
+<p><span class="smallcaps">Paarden van Mananan</span>. Witgekuifde wolken, aldus genoemd, <a href="#d0e3023">110</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Patrick, St</span>. Apostel in Ierland, <a href="#d0e1751">35</a>; voet-symbool en, <a href="#d0e2217">62</a>, <a href="#d0e2258">63</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Partholan</span>. Komt in Ierland uit het Westen; zijn afkomst, <a href="#d0e2561">81</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Partholani&euml;rs</span>. Slag tusschen Fomori&euml;rs en,; eind van het ras door pest op de Oude Vlakte, <a href="#d0e2582">82</a>; Nemedi&euml;rs verwant met, <a href="#d0e2649">86</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Peibaw</span>. Nynniaw en, broeders, Koningen van Brittanni&euml;, hun twist over de sterren, <a href="#d0e6638">327</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Penardun</span>. Dochter van D&#333;n, vrouw van Llyr, ook van Eurosswyd, zuster van M&#257;th, <a href="#d0e6515">322</a>, <a href="#d0e6764">336</a>; moeder van Bran, ook van Nissyen en Evnissyen, <a href="#d0e6764">336</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Perdiccas II</span>. Zoon van Amyntas&nbsp;II, gedood in den slag, <a href="#d0e951">6</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Peredur</span>. Het verhaal van, en de oorsprong van de Graal-legende, <a href="#d0e7199">368</a>, <a href="#d0e7265">374</a>; komt overeen met Perceval van Chrestien de Troyes, <a href="#d0e7199">368</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Pergamos</span>. Zwarte Steen van, waarvoor een gezantschap uit Rome werd gezonden, tijdens den tweeden Punischen oorlog, <a href="#d0e1960">50</a>.
+
+</p>
+<p>&#8220;<span class="smallcaps">Peronnik</span>&#8221;. Volksverhaal, <a href="#d0e7199">368</a>, <i>noot</i>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Perzi&euml;</span>. Godsdienst der magie door Zoroaster ingesteld in, <a href="#d0e1888">46</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Petrie, Flinders</span>. Ontdekkingen van, <a href="#d0e2217">62</a>; over den Egyptischen oorsprong van het symbool van moeder en kind, <a href="#d0e2258">63</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Philip</span>. Jongere broeder van Perdiccas, <a href="#d0e951">6</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Philostratus</span> Over emailleerkunst van de Britten, <a href="#d0e1145">13</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Plato</span>. Kelten en, <a href="#d0e838">1</a>; zijn getuigenis over Keltische kenmerkende eigenschappen, <a href="#d0e1522">20</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Plinius</span>. Over den godsdienst der magie, <a href="#d0e1872">45</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Plutarchus</span>. Over het Land van de Dooden als westelijk uiteinde van Groot-Brittanni&euml;, <a href="#d0e3144">115</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Pluto</span> (Pluton). Equivalent Dis; god van de Onderwereld, <a href="#d0e2446">72</a>; in verband gebracht met rijkdom, <a href="#d0e6507">321</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Polybius</span>. Beschrijving van de Gaesati in den slag van Clastidium, <a href="#d0e1583">24</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Polynesisch</span>. Het, gebruik genaamd &#8220;tabu&#8221;, overeenkomst met de Iersche <i>geis</i>, <a href="#d0e3733">149</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Portugal</span>. Keltisch element in plaatsnamen van, <a href="#d0e1027">11</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Posidonius</span>. Over barden-instelling onder de Kelten, <a href="#d0e1830">41</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Procopius</span>. Spreekt van Land van de Dooden als westelijke uithoek van Groot-Brittanni&euml;, <a href="#d0e3144">115</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Provincie van de Speermannen</span> (Iersch <i>Laighin</i>). Zie Leinster, <a href="#d0e3517">138</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Pryderi</span> (Onrust). Zoon van Pwyll en Rhiannon; hij wordt vermist, <a id="d0e15989"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e15989">418</a>]</span><a href="#d0e6744">334</a>; Teirnyon brengt hem terug, <a href="#d0e6758">335</a>, <a href="#d0e6764">36</a>; Kicva zijn vrouw, <a href="#d0e6764">336</a>; het verhaal van Manawyddan en, <a href="#d0e6862">343</a>&#8211;<a href="#d0e6921">48</a>; Gwydion en de zwijnen van, <a href="#d0e6921">348</a>; zijn dood, <a href="#d0e6931">349</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Pwyll</span> (modern Powell). Prins van Dyfed; hoe hij aan zijn titel kwam <i>Pen Annwn</i>, of &#8220;Hoofd van Hades&#8221;, <a href="#d0e6656">328</a>&#8211;<a href="#d0e6705">31</a>; zijn avontuur op den Berg van Arberth, bij het Kasteel van Narberth, <a href="#d0e6705">331</a>&#8211;<a href="#d0e6764">36</a>; kiest Rhiannon tot vrouw, <a href="#d0e6720">332</a>; Gwawl&#8217;s streek tegen hem, <a href="#d0e6720">332</a>; Rhiannon&#8217;s plan om hem uit Gwawl&#8217;s macht te verlossen, <a href="#d0e6738">333</a>; huwt Rhiannon, <a href="#d0e6744">334</a>; legt zijn vrouw een boete op, <a href="#d0e6744">334</a>; zijn zoon Pryderi gevonden, <a href="#d0e6764">336</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Pythagoras</span>. Keltisch begrip van zielsverhuizing en, <a href="#d0e2307">65</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Pytheas</span>. Vermeldt de Duitsche stammen omstreeks 300 v. Chr. <a href="#d0e1172">15</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Q.</h3>
+<p><span class="smallcaps">Quelgny</span>, of <span class="smallcaps">Cuailgn&eacute;</span>. Vee-strooptocht van, door Koningin Maev, <a href="#d0e3981">163</a>; Bruine Stier van, eigendom van Dara. Het onderwerp van de &#8220;Tain Bo Cuailgn&eacute;&#8221; is de Bruine Stier van,; Bruine Stier van, de Keltische tegenhanger van de Indische hemel-godheid, Indra, <a href="#d0e4246">185</a>; Bruine Stier van, gevangen te Slievegallion, gr. Armagh, door Maev, <a href="#d0e4411">195</a>; witgehoornde Stier van Ailell gedood door Bruine Stier van, <a href="#d0e4540">206</a>; Fergus mac Roy gaat door voor den schrijver van de &#8220;Tain&#8221;, <a href="#d0e4707">215</a>; Sanchan Torpest zoekt naar het verloren lied van, <a href="#d0e4707">215</a>&#8211;<a href="#d0e4727">17</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>R.</h3>
+<p><span class="smallcaps">R&#257;</span>. Egyptische Zonne-god; schipsymbool in de Egyptische begraafplaats-kunst in verband met den eeredienst van, <a href="#d0e2130">58</a>, <a href="#d0e2146">59</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Rath Grania</span>. Koning Cormac en Finn onthaald in, <a href="#d0e5610">277</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Rath Luachar</span>. Lia thesaurier te, <a href="#d0e4985">234</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Rathcroghan</span>. Maev&#8217;s paleis te Roscommon, <a href="#d0e4229">184</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Revue Celtique</span>. Dr. <span class="corr" title="Bron: Whithley">Whitley</span> Stokes&#8217; vertaling van de &#8220;Reis van Maeld&#363;n&#8221; in, <a href="#d0e5775">285</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Rhiannon</span>. Dochter van Hevydd H&#275;n; zet haar zinnen op Pwyll, <a href="#d0e6705">331</a>, <a href="#d0e6720">32</a>; huwt Pwyll, <a href="#d0e6738">333</a>; de straf haar opgelegd, <a href="#d0e6744">334</a>; haar zoon gevonden, <a href="#d0e6764">336</a>; huwt Mannawyddan, <a href="#d0e6862">343</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Rhonabwy</span>. De droom van, <a href="#d0e7114">361</a>, <a href="#d0e7126">362</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Rhun</span>. Van Koning Arthur&#8217;s Hof gezonden tot Elphin&#8217;s vrouw, <a href="#d0e7401">381</a>, <a href="#d0e7413">382</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Rhys Ap Tewdwr</span>. Prins uit Zuid-Wales; maakte de Tafelronde in Wales bekend, <a href="#d0e6378">315</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Rhys, Sir J</span>. Zijn denkbeelden over den oorsprong der bevolking van Groot-Brittanni&euml; en Ierland, <a href="#d0e2217">62</a>; over Myrddin en Merlin, <a href="#d0e6599">326</a>, <a href="#d0e6638">327</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ridderverhalen</span>. Galische en continentale, <a href="#d0e6403">317</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Roc</span>. Angus&#8217; hofmeester, zijn zoon wordt dood gedrukt door Donn, daarna in een zwijn veranderd met opdracht Dermot ten slotte
+ter dood te brengen, <a href="#d0e5491">267</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Rome</span>. Kelten trekken naar en plunderen, <a href="#d0e998">9</a>, <a href="#d0e1003">10</a>; Brittanni&euml; en Galli&euml; onder juk van, <a href="#d0e1360">18</a>; Maxen Wledig&#8217;s rijk in bezit genomen, <a href="#d0e7014">354</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Romeinen</span>. Arthur weigert schatting aan de, <a href="#d0e6288">310</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Roode Hugo</span>. Vorst van Ulster, vader van Macha, broeder van Dithorba en Kimbay, <a href="#d0e3470">135</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Roode Ruiters</span>. Conary&#8217;s reis met de, <a href="#d0e3813">153</a>, <a href="#d0e3828">154</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Roode Tak</span>. Bond van ridders, die zijn zetel had in Emain Macha, <a href="#d0e3946">161</a>; zijn roemrijke tijd onder de regeering van Conor, <a href="#d0e3993">164</a>; helden van de, en Cuchulain vechten om het kampioenschap van Ierland, <a href="#d0e4174">178</a>, <a href="#d0e4183">179</a>; Naisi en Deirdre in het Huis van de, <a href="#d0e4207">181</a>; met Cuchulain en Conor gaat de roem van de, verloren, <a href="#d0e4790">220</a>.
+<a id="d0e16281"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e16281">419</a>]</span>
+<span class="smallcaps">Ross de Roode.</span> Koning van Ulster, echtgenoot van Maga, een dochter van Angus Og, Roy zijn tweede vrouw, de Roode Tak stamt af van, <a href="#d0e3993">164</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Roy.</span> Tweede vrouw van Ross de Roode, <a href="#d0e3993">164</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ruadan, St.</span> Verwensching van Tara door, <a href="#d0e1711">32</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Russell, G.&nbsp;W.</span> Iersch dichter; mooie behandeling van de mythe van Sinend en Connla&#8217;s bron, <a href="#d0e3099">114</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>S.</h3>
+<p><span class="smallcaps">Saba.</span> Vrouw van Finn, moeder van Ois&#299;n, <a href="#d0e5162">245</a>&#8211;<a href="#d0e5187">248</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Samnieten-oorlog, Derde.</span> Valt samen met instorten van het Keltisch Rijk, <a href="#d0e1003">10</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Sanchan Torpest.</span> Voornaamste bard van Ierland;, en de &#8220;Tain&#8221;, <a href="#d0e4707">215</a>&#8211;<a href="#d0e4727">217</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Sawan.</span> Broeder van Kian en Goban, <a href="#d0e2809">95</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Scandinavi&euml;.</span> Dolmens gevonden in, <a href="#d0e1785">37</a>; voetsymbool gevonden in, <a href="#d0e2188">61</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Schimmel van Macha.</span> Cuchain&#8217;s paard bereden door Sualtam, <a href="#d0e4490">203</a>; weigert zich door Laeg te laten inspannen, <a href="#d0e4637">211</a>; doodelijk gewond door Erc, <a href="#d0e4661">213</a>; verdedigt Cuchulain, <a href="#d0e4694">214</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Schip-symbool</span><span class="corr" title="Bron: .">,</span> Het<span class="corr" title="Bron: ,">.</span> <a href="#d0e2061">56</a>&#8211;<a href="#d0e2188">61</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Semion.</span> Zoon van Stariat, vestigt zich in Ierland; Firbolgs stamden af van, <a href="#d0e2645">85</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Sera.</span> Vader van Partholan, <a href="#d0e2561">81</a>; vader van Starn, <a href="#d0e2606">83</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Setanta.</span> Vroegste naam van Cuchulain, <a href="#d0e4035">165</a>; de &#8220;kleine leerling&#8221;, bemoeilijkt Maev&#8217;s troepen, <a href="#d0e4337">190</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Sgeimh Solais</span> (Licht van Schoonheid). Dochter van Cairbry, door den zoon van den Koning der Decies ten huwelijk gevraagd, <a href="#d0e5653">280</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Shannon, De rivier.</span> Mythe van Sinend en de Bron van Kennis verklaart den naam van, <a href="#d0e3073">113</a>; Dithorba&#8217;s vijf zonen vluchten over de, <a href="#d0e3470">135</a>; mac Cecht bezoekt, <a href="#d0e3897">159</a>; Dermot en Grania steken bij Luan de rivier over, <a href="#d0e5576">275</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Siculus, Diodorus.</span> Tijdgenoot van Julius Caesar, beschrijft de Galli&euml;rs, <a href="#d0e1607">25</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Sidhe</span> (of Sprookjesvolk). Tumulus te New Grange (Ierland) beschouwd als woonplaats van, <a href="#d0e2009">53</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Silva Gadelica.</span> Verwijzing naar S.&nbsp;H. O&#8217;Grady&#8217;s werk, <a href="#d0e4917">229</a>, <a href="#d0e5302">254</a>, <a href="#d0e5364">258</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Sinend.</span> Godin, dochter van Lir&#8217;s zoon, Lodan; haar noodlottig bezoek aan de bron van Connla, <a href="#d0e3099">114</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">St. Benen.</span> Een metgezel van St. Patrick, <a href="#d0e4752">218</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">St. Finnen.</span> Iersch abt; legende betreffende Tuan mac Carell en, <a href="#d0e2582">82</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">St. Patrick.</span> Bericht over zijn zending naar Ierland, <a href="#d0e1751">35</a>; het &#8220;Gesprek van de Ouden&#8221; over Cas&#8217;corach en, <a href="#d0e2902">103</a>, <a href="#d0e2918">104</a>; Brogan, zijn schrijver, <a href="#d0e2918">104</a>; Ethn&eacute; vijftienhonderd jaar oud toen Patrick kwam, <a href="#d0e3369">127</a>; hij doopt Ethn&eacute;, <a href="#d0e3377">128</a>; roept Cuchulain uit de Hel op, <a href="#d0e4752">218</a>; naam Talkenn door de Ieren gegeven aan, <a href="#d0e5294">253</a>; hij ontmoet Keelta, <a href="#d0e5396">260</a>; Iersche legende en, <a href="#d0e5414">261</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Sion, Llewellyn.</span> Bard uit Wales, samensteller van &#8220;Barddas&#8221;, <a href="#d0e6175">305</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Skata.</span> Een machtige amazone van het Land der Schimmen, <a href="#d0e4093">169</a>; zij onderwijst Cuchulain haar twee bijzondere kunsten: over de Brug van de Sprongen te komen en de Gae Bolg te gebruiken,
+<a href="#d0e4107">170</a>, <a href="#d0e4111">171</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Skena.</span> Vrouw van den dichter Amergin; haar ontijdige dood, <a href="#d0e3168">117</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Slayney, De rivier.</span> Bezocht door mac Cecht, <a href="#d0e3897">159</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Slieve Bloom.</span> Murna neemt de wijk in de bosschen van, en daar wordt Demna (Finn) geboren, <a href="#d0e4985">234</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Slieve Fuad</span> (later Slievegallion). Lir&#8217;s onzichtbare woning op, <a href="#d0e3005">109</a>; Cuchulain vindt zijn vijand op, <a href="#d0e4661">213</a>; Finn doodt den boozen geest op, <a href="#d0e5022">237</a>.
+<a id="d0e16577"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e16577">420</a>]</span>
+<span class="smallcaps">Slievegallion.</span> Een tooverberg; de Jacht van, <a href="#d0e5336">256</a>&#8211;<a href="#d0e5364">8</a>. Zie Slieve Fuad.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Slievenamon.</span> De Brugh (paleis) van, Finn en Keelta jagen op, <a href="#d0e5414">261</a>&#8211;<a href="#d0e5435">62</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Sluier der illusie.</span> Over Caradawc geworpen, <a href="#d0e6848">342</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Sohrab en Rustum.</span> Verwijzing naar verhaal van, <a href="#d0e4143">175</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Spanje.</span> Door de Kelten veroverd op de Carthagers, <a href="#d0e905">5</a>; de Grieken maken een eind aan den handel van Carthago met, <a href="#d0e951">6</a>; Keltisch element in plaatsnamen van, <a href="#d0e1027">11</a>; dolmens gevonden aan de kust van de Middellandsche Zee, <a href="#d0e1785">37</a>; equivalent: Land van de Dooden, <a href="#d0e2658">87</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Sprookjesvolk</span> (het). Equivalent, <i>Sidhe</i>. De tumulus te New Grange (Ierland) beschouwd als verblijfplaats van, <a href="#d0e2009">53</a>; de <i>Coulin</i> afgeluisterd door, <a href="#d0e2918">104</a>; Conary M&#333;r door, verlokt om zijn <i>geise</i> te breken, <a href="#d0e3813">153</a>; sluit alle waterbronnen voor mac Cecht af, <a href="#d0e3897">159</a>; Fergus mac Leda en, <a href="#d0e4859">225</a>&#8211;<a href="#d0e4885">27</a>; Conan mac Morna en, <a href="#d0e4949">231</a>; Keelta en, <a href="#d0e5149">244</a>; Gwyn ap Nudd, Koning van, in Wales, <a href="#d0e6543">325</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Sprookjesland</span> (het). Land van de Dooden, <a href="#d0e2561">81</a>; Cleena door een golf teruggevoerd naar, <a href="#d0e3036">111</a>, <a href="#d0e3053">112</a>; Connla&#8217;s bron in, <a href="#d0e3099">114</a>; oorlog gevoerd tegen Eochy, die ten slotte zijn vrouw Etain terug krijgt, <a href="#d0e3650">146</a>, <a href="#d0e3674">147</a>; Cuchulain in, <a href="#d0e4567">207</a>&#8211;<a href="#d0e4601">209</a>; Laeg&#8217;s bezoek aan, <a href="#d0e4567">207</a>; Fergus mac Leda en, <a href="#d0e4859">225</a>&#8211;<a href="#d0e4885">27</a>; verhalen van de Fianna betrekking hebbend op, <a href="#d0e4949">231</a>; Ois&#299;n&#8217;s reis naar, <a href="#d0e5259">250</a>; de bevrijding van, door Finn en de Fianna, <a href="#d0e5528">270</a>&#8211;<a href="#d0e5545">71</a>; <span class="corr" title="Bron: bevrij-vrijding">bevrijding</span> van, door Pwyll, <a href="#d0e6656">328</a>, <a href="#d0e6686">29</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Squire.</span> Schrijver van de &#8220;Mythologie der Britsche Eilanden&#8221;, <a href="#d0e6477">320</a>, <a href="#d0e6543">325</a>, <a href="#d0e7335">378</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Sreng.</span> Gezant van de Firbolgs bij Volk van Dana, <a href="#d0e2734">91</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Starn.</span> Zoon van Sera, broeder van Partholan, <a href="#d0e2606">83</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Steen</span> (Kronings). In de Westminster Abdy, identiek met den Steen van Scone, <a href="#d0e2714">90</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Steen van overvloed.</span> Equivalent: Ketel van Overvloed; de Graal in Wolfram&#8217;s gedicht als een, een dergelijke steen in &#8220;Peredur&#8221;, <a href="#d0e7319">377</a>; hiermee overeenkomend: de Keltische Ketel van den Dagda, Bran krijgt den Ketel, <a href="#d0e7335">378</a>; in een gedicht van Taliesin maakt de Ketel deel uit van de schatten van Hades, <a href="#d0e7426">383</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Steen van het Noodlot.</span> Anders <i>Lia Fail</i>. Een van de schatten der Danaans, <a href="#d0e2714">90</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Steen van Scone.</span> Fabelachtige oorsprong van, tegenwoordige bewaarplaats, <a href="#d0e2714">90</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Steen-aanbidding</span><span class="corr" title="Bron: ,">.</span> Vermoedelijke aanleiding tot, de Synode van Arles verbiedt die, Karel de Groote verbiedt die, <a href="#d0e1960">50</a>; Zwarte Steen van Pergamos en de tweede Punische oorlog, <a href="#d0e1960">50</a>; de Graal een overblijfsel van de oude, <a href="#d0e7319">377</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Stokes, Dr. Whitley.</span> Verwijzing naar, <a href="#d0e3733">149</a>; zijn vertaling van de &#8220;Reis van Maeld&#363;n&#8221; in de &#8220;Revue Celtique&#8221;, <a href="#d0e5781">286</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Stonehenge.</span> Megalithisch gedenkteeken te, <a href="#d0e1792">38</a>; volgens prof. Rhys werd Myrddin te, vereerd, Geoffrey van Monmouth en, <a href="#d0e6599">326</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Straat van Moyle</span> (tusschen Ierland en Schotland). Aoife&#8217;s wreedheid jegens haar stiefkinderen, <a href="#d0e3310">124</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Strabo.</span> Over kenmerkende eigenschappen van de Kelten, <a href="#d0e1553">22</a>, <a href="#d0e1576">23</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Strand van de Voetafdrukken.</span> Oorsprong van den naam, <a href="#d0e4141">174</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Sualtam.</span> Vader van Cuchulain (zie Lugh), <a href="#d0e4292">188</a>; tracht Ulster tot oproer te brengen, zijn dood, <a href="#d0e4490">203</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>T.</h3>
+<p><span class="smallcaps">Tafelronde</span>, De. Zie <a href="#d0e6250">308</a>, <a href="#d0e6288">310</a>, <a href="#d0e6309">312</a>, <a href="#d0e6357">314</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Tain Bo Cuailgn&eacute;.</span> Beteekenis, <a href="#d0e4246">185</a>; verhaal van, geheel opgeschreven door Finn mac Gorman, Bisschop <a id="d0e16888"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e16888">421</a>]</span>van Kildare, in 1150, <a href="#d0e4567">207</a>; het terugvinden van de, als schrijver genoemd Fergus mac Roy, Sir S. Ferguson behandelt dat terugvinden in de &#8220;Liederen
+van de West-Kelten&#8221;, Sanchan Torpest, door den Opper-Koning Guary getart, besluit de verloren, te vinden, <a href="#d0e4707">215</a>; oude Keltische handschriften en de, <a href="#d0e5547">272</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Taliesin.</span> Een mythische bard; zijn voorspelling betreffende de gehechtheid van de Kimbren aan hun taal, <a href="#d0e7014">354</a>; het verhaal van, <a href="#d0e7371">379</a>&#8211;<a href="#d0e7497">84</a>; gevonden door Elphin, zoon van Gwyddno, <a href="#d0e7401">381</a>; wordt hoofdbard van Brittanni&euml;, <a href="#d0e7497">384</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Talkenn.</span> Naam door de Ieren aan St. Patrick gegeven, <a href="#d0e5294">253</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Taltiu</span> of <span class="smallcaps">Telta</span>. Dochter van den Koning van de &#8220;Groote Vlakte&#8221; (het Land van de Dooden), gehuwd door Eochy mac Erc, <a href="#d0e2683">88</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Tara.</span> Zetel van de Opper-Koningen van Ierland; de verwensching van, <a href="#d0e1697">31</a>, <a href="#d0e1711">32</a>; Steen van Scone, naar Schotland gezonden, uit, <a href="#d0e2714">90</a>; Lugh beschuldigt te, de zonen van Turenn van den moord van zijn vader, <a href="#d0e2869">100</a>; Midir de Trotsche verschijnt voor Eochy op den Heuvel van, <a href="#d0e2963">108</a>, <a href="#d0e3634">145</a>; Milesisch leger te, <a href="#d0e3227">119</a>; instelling van driejaarlijksch feest te, <a href="#d0e3438">133</a>; stierenfeest te, om door raden te beslissen wie koning zou zijn in plaats van Eterskel, <a href="#d0e3757">150</a>, <a href="#d0e3776">151</a>;<span class="corr" title="Bron: ,"></span> Nemglan beveelt Conary te gaan naar, <a href="#d0e3776">151</a>; Conary tot Koning van Erin uitgeroepen te, <a href="#d0e3776">151</a><span class="corr" title="Bron: ,">;</span> wordt aan Cuchulain gewezen, <a href="#d0e4158">176</a>; Cuchulain&#8217;s hoofd en hand begraven te, <a href="#d0e4694">214</a>; Finn te, <a href="#d0e5008">236</a>, <a href="#d0e5022">237</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Taranus</span> (?Thor). Godheid door Lucanus vermeld, <a href="#d0e2432">71</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Tegid Voel.</span> Een man uit Penllyn, echtgenoot van Ceridwen, vader van Avagddu, <a href="#d0e7389">380</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Teirnyon.</span> Een man uit Gwent Is Coed, hij vindt Pryderi, <a href="#d0e6744">334</a>, <a href="#d0e6758">335</a>; brengt Pryderi terug, <a href="#d0e6764">336</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Telltown</span> (Teltin). Paleis te, van Telta, de vrouw van Eochy mac Erc, <a href="#d0e2683">88</a>; groote slag te, tusschen Danaans en Milesi&euml;rs, <a href="#d0e3262">120</a>; Conall begeeft zich na den dood van Conary naar, <a href="#d0e3917">160</a>;<span class="corr" title="Bron: ,"></span> wordt Cuchulain aangewezen, <a href="#d0e4158">176</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Tennyson, Lord.</span> Bron voor zijn &#8220;Reis van Maeldune&#8221;, <a href="#d0e5775">285</a>; Kimbrische mythen en, <a href="#d0e7060">357</a>; zijn Enid, <a href="#d0e7187">367</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Teutates.</span> Godheid door Lucanus vermeld, <a href="#d0e2432">71</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Teutonisch(e).</span> Trouw van de, stammen, <a href="#d0e1660">29</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Tezcatlipoca.</span> Zonne-god; feest van, in Mexico, <a href="#d0e2217">62</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Thomas van Bretagne.</span> Zie Bleheris.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Tiberius, Keizer.</span> Weert Dru&icirc;den, profeten en bezweerders, <a href="#d0e1888">46</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Tierna.</span> Abt van Clonmacnois, geschiedschrijver uit de elfde eeuw, <a href="#d0e3451">134</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Tiernmas.</span> Vijfde Iersche Koning, die Eremon opvolgde, afgodsbeeld Crom Cruach en, zijn dood, <a href="#d0e3438">133</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Tonn Cliodhna.</span> Of &#8220;Golf van Cleena&#8221;. Een van de voornaamste bakens van Ierland, <a href="#d0e3036">111</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Tor M&#333;r.</span> Steil voorgebergte op Tory Eiland; Balor houdt Ethlinn gevangen in een toren op, <a href="#d0e2809">95</a>, <a href="#d0e2822">96</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Tory Eiland.</span> Versterkte plaats der Fomori&euml;rs; door Nemedi&euml;rs genomen, <a href="#d0e2649">86</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Tradaban, De bron van.</span> Keelta&#8217;s lofzang op, <a href="#d0e5396">260</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Trendorn.</span> Conor&#8217;s dienaar, bespiedt Deirdre, Naisi slaat hem een oog uit, hij maakt Deirdre&#8217;s schoonheid aan Conor bekend, <a href="#d0e4221">182</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Treon.</span> Vader van Vivionn, <a href="#d0e5465">264</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Tristan en Isolde.</span> Verhaal van Grania en Dermot komt overeen met de geschiedenis zooals die verteld is door Heinrich von Freiberg, <a href="#d0e5576">275</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Troyes.</span> Zie Chrestien de Troyes.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Tuan mac Carell.</span> De legende van, verhaald in het manuscript &#8220;Boek van de Berg Koe&#8221;, <a href="#d0e2561">81</a>; koning van alle herten in Ierland, <a href="#d0e2624">84</a>; <a id="d0e17161"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e17161">422</a>]</span>naam van &#8220;goden&#8221; gegeven aan het Volk van Dana, door, <a href="#d0e2701">89</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Tuatha de Danann.</span> Letterlijk: &#8220;Het volk van den god wiens moeder Dana is&#8221;, <a href="#d0e2683">88</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Tumuli.</span> Zie dolmens, <a href="#d0e1785">37</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Turenn.</span> De tocht van de zonen van, <a href="#d0e2841">98</a>&#8211;<a href="#d0e2873">101</a>; Lugh en de tocht van de zonen van, <a href="#d0e2963">108</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Twrch Trwyth.</span> Een koning in de gedaante van een monsterachtig zwijn, <a href="#d0e7094">359</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Tyler.</span> In zijn &#8220;Primitive Culture&#8221;, gewaagt hij van het feest van den Zonne-god, Tezcatlipoca, <a href="#d0e2217">62</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps"><span class="smallcaps">Tylwyth Teg</span>.</span> Fee&euml;n in Wales; Gwyn ap Nudd, Koning van de, <a href="#d0e6543">325</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Tyren.</span> Zuster van Murna, Ullan, echtgenoot van, door een vrouw van het Toovervolk in een hond veranderd, <a href="#d0e5149">244</a>, <a href="#d0e5162">245</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>U.</h3>
+<p><span class="smallcaps">Ugainy de Groote.</span> Heerscher over Ierland, echtgenoot van Kesair, vader van Laery en Covac, <a href="#d0e3482">136</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Uil van Cwm Cawlwyd.</span> De, <a href="#d0e7108">360</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ulster.</span> Koningrijk van, gesticht onder de regeering van Kimbay, <a href="#d0e3451">134</a>; Dithorba&#8217;s vijf zonen verdreven uit, <a href="#d0e3470">135</a>; Dectera schenkt Cuchulain aan, <a href="#d0e4035">165</a>; Conor, Koning van, <a href="#d0e3993">164</a>&#8211;<a href="#d0e4126">173</a>; Felim, zoon van Dall, een edele van, <a href="#d0e4183">179</a>; Maev&#8217;s oorlog tegen, om den Bruinen Stier van Quelgny meester te worden, <a href="#d0e4246">185</a>&#8211;<a href="#d0e4981">233</a>; onder den vloek van Zwakheid, <a href="#d0e4270">187</a>; bergpassen van, bewaakt door Cuchulain van Murthamney, <a href="#d0e4292">188</a>; tot opstand gebracht door Sualtam, <a href="#d0e4490">203</a>; Macha&#8217;s vloek weggenomen van de <span class="corr" title="Bron: mannan">mannen</span> van, <a href="#d0e4499">204</a>; Ailell en Maev sluiten voor zeven jaar vrede met, <a href="#d0e4567">207</a>; vloek van Macha andermaal over de mannen van, <a href="#d0e4625">210</a>; het Kleine Volk in grooten getale in, <a href="#d0e4885">227</a>, <a href="#d0e4902">228</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Ultoni&euml;rs.</span> Crundchu bezoekt de groote jaarmarkt der, <a href="#d0e3946">161</a>; hij pocht op Macha&#8217;s vlugheid, <a href="#d0e3966">162</a>; zwakheid der, veroorzaakt door Macha&#8217;s vloek, <a href="#d0e3981">163</a>; de zwakheid der, komt over Ulster, <a href="#d0e4270">187</a>; gebeurtenissen van den Ultonischen cyclus, ondersteld te hebben plaats gehad omstreeks den tijd van Christus, <a href="#d0e4949">231</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Usna.</span> Vader van Naisi, <a href="#d0e4192">180</a>; Conor vraagt naar de zonen van, <a href="#d0e4207">181</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Uther Pendragon.</span> Vader van Arthur, <a href="#d0e6288">310</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>V.</h3>
+<p><span class="smallcaps">Vercingetorix.</span> Keltisch hoofd; wordt verslagen door Caesar, zijn dood, <a href="#d0e1583">24</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Vergilius.</span> Getuigenis van Keltische afkomst in naam, <a href="#d0e905">5</a>. Zie Feryllt, <a href="#d0e7389">380</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Verschrikkelijke, De.</span> Een demon, die door een zonderlinge proef over het Kampioenschap van Ierland beslist, <a href="#d0e4174">178</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Vitra.</span> De God van het Kwaad in de Veda-mythologie, verwant met <i>Cenchos</i>, de Voetlooze, <a href="#d0e2582">82</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Vivionn.</span> Jonge reuzin, dochter van Treon, uit het Land der Maagden, gedood door Aeda, en begraven op de plaats geheeten de Heuvel
+van de doode vrouw, <a href="#d0e5465">264</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Voet-symbool.</span> De twee voeten, <a href="#d0e2188">61</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Volk van de Sidhe.</span> Toovervolk, <a href="#d0e2009">53</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Voyage van Maeld&#363;n.</span> Zie Maeld&#363;n.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>W.</h3>
+<p><span class="smallcaps">Wace.</span> Auteur van &#8220;Li Romans de Brut&#8221;, <a href="#d0e6299">311</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Wales.</span> De Arthur-sage in, <a href="#d0e6378">315</a>; voorspelling van Taliesin omtrent, <a href="#d0e7014">354</a>. Fee&euml;n van. Zie Tylwyth Teg. Literatuur van, de Arthur in de Arthur-sage geheel verschillend van dien in de, <a href="#d0e6250">308</a>, <a href="#d0e6270">309</a>; vergeleken bij de Iersche, <a href="#d0e6394">316</a>; Arthur-verhalen in, <a href="#d0e7030">355</a>. <a id="d0e17428"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e17428">423</a>]</span>Manuscript-Genootschap van Wales. Llewellyn Sion&#8217;s &#8220;Barddas&#8221; door J.&nbsp;A. Williams ap Ithel uitgegeven voor, <a href="#d0e6175">305</a>. Verhalen van Wales. Het karakter van, <a href="#d0e7141">363</a>, <a href="#d0e7150">364</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Wed van Ferdia.</span> Plaats aan de rivier Dee, &eacute;en kampioen telkens om Cuchulain te ontmoeten aan het, <a href="#d0e4374">193</a>; strijd aan het, tusschen Cuchulain en Ferdia, <a href="#d0e4445">198</a>, <a href="#d0e4481">202</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Weston, Miss Jessie L.</span> Verwijzing naar haar studies over de Arthur-sage, <a href="#d0e6357">314</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Willem de Veroveraar.</span> in Verband Met de Arthur-sage, <a href="#d0e6378">315</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Wolfram von Eschenbach.</span> Zijn vertelling van de Graal, <a href="#d0e5565">274</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Y.</h3>
+<p><span class="smallcaps">Yspaddaden Penkawr.</span> Vader van Olwen, <a href="#d0e7042">356</a>; wat hij Kilhwich oplegt, <a href="#d0e7094">359</a>&#8211;<a href="#d0e7108">360</a><span class="corr" title="Bron: ,">;</span> gedood door Goreu, zoon van Custennin, <a href="#d0e7114">361</a>.
+
+
+</p>
+<p class="div2"></p>
+<h3>Z.</h3>
+<p><span class="smallcaps">Zalm van Kennis.</span> Zie Fintan, <a href="#d0e5004">235</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Zalm van Llyn Llyw.</span> De, van, <a href="#d0e7108">360</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Zielsverhuizing.</span> De leerder,; bewering dat Keltische voorstelling van onsterfelijkheid de Oostersche opvatting van, in zich sloot, <a href="#d0e2276">64</a>; leer der, door Kelten niet zoo opgevat als door Pythagoras en de Oosterlingen, <a href="#d0e2307">65</a>; Taliesin wordt een adelaar, <a href="#d0e2645">85</a>. Zie Tuan mac Carell.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Zimmer, Dr. Heinrich.</span> Over de bron van de Arthur-sage, <a href="#d0e6378">315</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Zoroaster.</span> Magie-godsdienst bedacht door, <a href="#d0e1888">46</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Zwarte Ridder, De</span>, Kymon en, <a href="#d0e7150">364</a>; Owain en, <a href="#d0e7150">364</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Zwarte Sainglend.</span> Cuchulain&#8217;s laatste paard; verlaat hem, <a href="#d0e4694">214</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Zwakheid van de Ultoni&euml;rs.</span> Veroorzaakt door Macha&#8217;s vloek, <a href="#d0e3981">163</a>; komt uit bij gelegenheid van Maev&#8217;s beroemden vee-strooptocht van Quelgny (<i>Tain Bo Cuailgn&eacute;</i>), <a href="#d0e3981">163</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Zweden.</span> Schip-symbool in rotsen van, uitgehouwen, <a href="#d0e2061">56</a>.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Zwitserland.</span> Keltisch element in plaatsnamen van, <a href="#d0e1122">12</a>; meer-woningen in, <a href="#d0e1823">40</a>.
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e7624" href="#d0e7624src" class="noteref">1</a></span> In zijn Voorlezingen &#8220;Taal en Taalstudie&#8221;, bewerkt door dr J. Beckering Vinckers (Haarlem, Erven Bohn), onderscheidt Whitney:
+<i>a</i> het Ersisch of Keltisch van Ierland; <i>b</i> het Galisch of Keltisch van de Schotsche Hooglanden; <i>c</i> het weinig belangrijke dialect van het eiland Man; <i>d</i> het Keltisch van het Prinsdom Wales; <i>e</i> het sedert het begin dezer eeuw uitgestorven dialect van Cornwallis; <i>f</i> dat van Bretagne (Armorica) in Frankrijk. De drie eerste vormen de noordelijke, de drie laatste de zuidelijke of Kimbrische
+groep der Keltische taalfamilie. (Noot van den v.)
+</p>
+</div>
+<p class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e166">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>MOOIE BOEKEN<br>
+UITGEGEVEN DOOR<br>
+W.&nbsp;J. THIEME &amp; CIE, ZUTPHEN.
+</h2>
+<p></p>
+<table width="100%">
+<tr valign="top">
+<td valign="top">Guerber, </td>
+<td valign="top">Mythen en Legenden uit de Middeleeuwen.</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">Guerber, </td>
+<td valign="top">Mythen en Legenden van Griekenland en Rome.</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">Guerber, </td>
+<td valign="top">Noorsche Mythen.</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">Davis, </td>
+<td valign="top">Mythen en Legenden van Japan.</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">Rolleston, </td>
+<td valign="top">Keltische Mythen.</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">Cotterill, </td>
+<td valign="top">Oud Hellas.</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">Cotterill, </td>
+<td valign="top">Itali&euml; in de Middeleeuwen (najaar 1916).</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">Tappan, </td>
+<td valign="top">De Geschiedenis van het Grieksche Volk.</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">Tappan, </td>
+<td valign="top">De Geschiedenis van het Romeinsche Volk.</td>
+</tr>
+</table><p>
+
+
+</p>
+<p class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e166">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/spine.jpg" alt="Oorspronkelijke rug."></p>
+</div><p>
+
+</p>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Keltische Mythen and Legenden, by T. W. Rolleston
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KELTISCHE MYTHEN AND LEGENDEN ***
+
+***** This file should be named 18305-h.htm or 18305-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/8/3/0/18305/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/18305-h/images/f038.jpg b/18305-h/images/f038.jpg
new file mode 100644
index 0000000..9731929
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/f038.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/f048.jpg b/18305-h/images/f048.jpg
new file mode 100644
index 0000000..63d8b2c
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/f048.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/f049.jpg b/18305-h/images/f049.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b8583cf
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/f049.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/f050.jpg b/18305-h/images/f050.jpg
new file mode 100644
index 0000000..aed13ca
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/f050.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/f051.gif b/18305-h/images/f051.gif
new file mode 100644
index 0000000..563c048
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/f051.gif
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/f052.gif b/18305-h/images/f052.gif
new file mode 100644
index 0000000..cb18fdb
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/f052.gif
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/f056-1.gif b/18305-h/images/f056-1.gif
new file mode 100644
index 0000000..51bb740
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/f056-1.gif
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/f056-2.gif b/18305-h/images/f056-2.gif
new file mode 100644
index 0000000..c05b2fa
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/f056-2.gif
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/f057-1.gif b/18305-h/images/f057-1.gif
new file mode 100644
index 0000000..658c223
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/f057-1.gif
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/f057-2.gif b/18305-h/images/f057-2.gif
new file mode 100644
index 0000000..cb24ad5
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/f057-2.gif
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/f057-3.gif b/18305-h/images/f057-3.gif
new file mode 100644
index 0000000..6fcca4a
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/f057-3.gif
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/f058.gif b/18305-h/images/f058.gif
new file mode 100644
index 0000000..412d80e
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/f058.gif
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/f059-1.jpg b/18305-h/images/f059-1.jpg
new file mode 100644
index 0000000..8cf878e
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/f059-1.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/f059-2.gif b/18305-h/images/f059-2.gif
new file mode 100644
index 0000000..b3dc353
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/f059-2.gif
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/f061.gif b/18305-h/images/f061.gif
new file mode 100644
index 0000000..a5e653f
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/f061.gif
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/f062.gif b/18305-h/images/f062.gif
new file mode 100644
index 0000000..cae941b
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/f062.gif
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/f307.gif b/18305-h/images/f307.gif
new file mode 100644
index 0000000..ccb3758
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/f307.gif
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/front.jpg b/18305-h/images/front.jpg
new file mode 100644
index 0000000..0a46e90
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/front.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/gen148.gif b/18305-h/images/gen148.gif
new file mode 100644
index 0000000..925988b
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/gen148.gif
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/gen164-1.gif b/18305-h/images/gen164-1.gif
new file mode 100644
index 0000000..a2662c8
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/gen164-1.gif
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/gen164-2.gif b/18305-h/images/gen164-2.gif
new file mode 100644
index 0000000..cc86c22
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/gen164-2.gif
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/gen322.gif b/18305-h/images/gen322.gif
new file mode 100644
index 0000000..f57adc6
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/gen322.gif
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/gen323.gif b/18305-h/images/gen323.gif
new file mode 100644
index 0000000..126856d
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/gen323.gif
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/gen324.gif b/18305-h/images/gen324.gif
new file mode 100644
index 0000000..6892c65
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/gen324.gif
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p000.jpg b/18305-h/images/p000.jpg
new file mode 100644
index 0000000..379b7e6
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p000.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p006.jpg b/18305-h/images/p006.jpg
new file mode 100644
index 0000000..dd1049e
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p006.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p008.jpg b/18305-h/images/p008.jpg
new file mode 100644
index 0000000..6386861
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p008.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p022.jpg b/18305-h/images/p022.jpg
new file mode 100644
index 0000000..cce8cb0
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p022.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p024.jpg b/18305-h/images/p024.jpg
new file mode 100644
index 0000000..1d9efcc
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p024.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p032.jpg b/18305-h/images/p032.jpg
new file mode 100644
index 0000000..4833f1b
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p032.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p038.jpg b/18305-h/images/p038.jpg
new file mode 100644
index 0000000..c34cb8f
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p038.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p042.jpg b/18305-h/images/p042.jpg
new file mode 100644
index 0000000..a34bd32
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p042.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p050.jpg b/18305-h/images/p050.jpg
new file mode 100644
index 0000000..2debac1
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p050.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p056.jpg b/18305-h/images/p056.jpg
new file mode 100644
index 0000000..c3afe1e
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p056.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p068.jpg b/18305-h/images/p068.jpg
new file mode 100644
index 0000000..cf110d6
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p068.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p070.jpg b/18305-h/images/p070.jpg
new file mode 100644
index 0000000..5b0817f
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p070.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p082.jpg b/18305-h/images/p082.jpg
new file mode 100644
index 0000000..4ea652d
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p082.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p084.jpg b/18305-h/images/p084.jpg
new file mode 100644
index 0000000..ea31f1e
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p084.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p090.jpg b/18305-h/images/p090.jpg
new file mode 100644
index 0000000..1d5d964
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p090.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p092.jpg b/18305-h/images/p092.jpg
new file mode 100644
index 0000000..5e23311
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p092.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p094.jpg b/18305-h/images/p094.jpg
new file mode 100644
index 0000000..47258cc
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p094.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p096.jpg b/18305-h/images/p096.jpg
new file mode 100644
index 0000000..f5cf37f
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p096.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p098.jpg b/18305-h/images/p098.jpg
new file mode 100644
index 0000000..8276716
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p098.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p102.jpg b/18305-h/images/p102.jpg
new file mode 100644
index 0000000..783c015
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p102.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p108.jpg b/18305-h/images/p108.jpg
new file mode 100644
index 0000000..fcd5bb6
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p108.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p112.jpg b/18305-h/images/p112.jpg
new file mode 100644
index 0000000..2039367
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p112.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p114.jpg b/18305-h/images/p114.jpg
new file mode 100644
index 0000000..2e07f0c
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p114.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p124.jpg b/18305-h/images/p124.jpg
new file mode 100644
index 0000000..ee33494
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p124.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p128.jpg b/18305-h/images/p128.jpg
new file mode 100644
index 0000000..979d42e
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p128.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p136.jpg b/18305-h/images/p136.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b81f155
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p136.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p138.jpg b/18305-h/images/p138.jpg
new file mode 100644
index 0000000..9696c12
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p138.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p146.jpg b/18305-h/images/p146.jpg
new file mode 100644
index 0000000..7141544
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p146.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p150.jpg b/18305-h/images/p150.jpg
new file mode 100644
index 0000000..0c220d9
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p150.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p154.jpg b/18305-h/images/p154.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3033540
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p154.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p162.jpg b/18305-h/images/p162.jpg
new file mode 100644
index 0000000..ed4fedc
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p162.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p164.jpg b/18305-h/images/p164.jpg
new file mode 100644
index 0000000..8c71115
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p164.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p166.jpg b/18305-h/images/p166.jpg
new file mode 100644
index 0000000..c7fb3bd
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p166.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p168.jpg b/18305-h/images/p168.jpg
new file mode 100644
index 0000000..d9884a1
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p168.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p180.jpg b/18305-h/images/p180.jpg
new file mode 100644
index 0000000..d8ee135
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p180.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p188.jpg b/18305-h/images/p188.jpg
new file mode 100644
index 0000000..1d45cb2
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p188.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p190.jpg b/18305-h/images/p190.jpg
new file mode 100644
index 0000000..acb284f
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p190.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p196.jpg b/18305-h/images/p196.jpg
new file mode 100644
index 0000000..41dc3eb
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p196.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p202.jpg b/18305-h/images/p202.jpg
new file mode 100644
index 0000000..7d45a03
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p202.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p204.jpg b/18305-h/images/p204.jpg
new file mode 100644
index 0000000..5a2ba8c
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p204.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p206.jpg b/18305-h/images/p206.jpg
new file mode 100644
index 0000000..5b8dad7
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p206.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p208.jpg b/18305-h/images/p208.jpg
new file mode 100644
index 0000000..fe5dfad
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p208.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p214.jpg b/18305-h/images/p214.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b232486
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p214.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p224.jpg b/18305-h/images/p224.jpg
new file mode 100644
index 0000000..aad0046
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p224.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p226.jpg b/18305-h/images/p226.jpg
new file mode 100644
index 0000000..2cfc2ab
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p226.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p236.jpg b/18305-h/images/p236.jpg
new file mode 100644
index 0000000..62c7844
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p236.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p238.jpg b/18305-h/images/p238.jpg
new file mode 100644
index 0000000..66fbd94
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p238.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p244.jpg b/18305-h/images/p244.jpg
new file mode 100644
index 0000000..a9d3fa2
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p244.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p248.jpg b/18305-h/images/p248.jpg
new file mode 100644
index 0000000..a3ef608
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p248.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p252.jpg b/18305-h/images/p252.jpg
new file mode 100644
index 0000000..736fba5
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p252.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p254.jpg b/18305-h/images/p254.jpg
new file mode 100644
index 0000000..164d7c2
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p254.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p256.jpg b/18305-h/images/p256.jpg
new file mode 100644
index 0000000..f4d8a79
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p256.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p262.jpg b/18305-h/images/p262.jpg
new file mode 100644
index 0000000..aef1fec
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p262.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p264.jpg b/18305-h/images/p264.jpg
new file mode 100644
index 0000000..58ef5f5
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p264.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p270.jpg b/18305-h/images/p270.jpg
new file mode 100644
index 0000000..6d53750
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p270.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p274.jpg b/18305-h/images/p274.jpg
new file mode 100644
index 0000000..ad27251
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p274.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p278.jpg b/18305-h/images/p278.jpg
new file mode 100644
index 0000000..d2ad6ee
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p278.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p286.jpg b/18305-h/images/p286.jpg
new file mode 100644
index 0000000..2e792f8
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p286.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p292.jpg b/18305-h/images/p292.jpg
new file mode 100644
index 0000000..29a1067
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p292.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p294.jpg b/18305-h/images/p294.jpg
new file mode 100644
index 0000000..ab4d5fb
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p294.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p304.jpg b/18305-h/images/p304.jpg
new file mode 100644
index 0000000..bd31d13
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p304.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p332.jpg b/18305-h/images/p332.jpg
new file mode 100644
index 0000000..7a2f3bd
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p332.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p340.jpg b/18305-h/images/p340.jpg
new file mode 100644
index 0000000..591e229
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p340.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p346.jpg b/18305-h/images/p346.jpg
new file mode 100644
index 0000000..79afe2c
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p346.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/p372.jpg b/18305-h/images/p372.jpg
new file mode 100644
index 0000000..90f3a08
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/p372.jpg
Binary files differ
diff --git a/18305-h/images/spine.jpg b/18305-h/images/spine.jpg
new file mode 100644
index 0000000..58bbd92
--- /dev/null
+++ b/18305-h/images/spine.jpg
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..328d2cc
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #18305 (https://www.gutenberg.org/ebooks/18305)