summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/18130-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '18130-8.txt')
-rw-r--r--18130-8.txt5967
1 files changed, 5967 insertions, 0 deletions
diff --git a/18130-8.txt b/18130-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..5683341
--- /dev/null
+++ b/18130-8.txt
@@ -0,0 +1,5967 @@
+The Project Gutenberg EBook of Oorlogsvisoenen, by Cyriel Buysse
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Oorlogsvisoenen
+
+Author: Cyriel Buysse
+
+Release Date: April 8, 2006 [EBook #18130]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OORLOGSVISOENEN ***
+
+
+
+
+Produced by Johan Boelaert
+
+
+
+
+OORLOGSVISIOENEN
+
+DOOR CYRIEL BUYSSE
+
+1915
+
+
+INHOUD
+
+I. De heeren Bollekens in oorlogstijd
+II. Het oorlogshuwelijk van meneer Cathoen
+III. Rikiki
+IV. De varkenskar
+V. In de vuurlinie
+VI. Burgerwacht-idylle
+VII. De vrijwilliger
+VIII. De vlucht
+IX. De moeder
+X. Singen... Singen!...
+XI. De terugkeer
+
+
+
+I.
+
+DE HEEREN BOLLEKENS IN OORLOGSTIJD
+
+
+Meneer Bollekens, senior, was een rijk, rijk man.
+
+Ook meneer Bollekens, junior, was rijk, doch minder uit zichzelf, dan
+wel omdat zijn vader zulk een rijk, rijk man was.
+
+Meneer Bollekens, vader, was weduwnaar en meneer Bollekens, zoon, was
+een gescheiden man.
+
+De scheiding tusschen den zoon en zijn vrouw had plaats gehad
+terwille van een jeugdige dienstmaagd. De jonge vrouw had dat meisje
+kort na haar huwelijk in haar dienst genomen en zij was er zeer
+tevreden over en alles scheen uiterst best te gaan, tot de jonge
+mevrouw opeens beweerde, dat het niet meer ging en verklaarde dat het
+meisje dadelijk weg moest. Waarom zij zoo plotseling weg moest
+lichtte mevrouw Bollekens junior niet nader toe, maar des te
+krachtiger drong zij aan op onmiddellijk vertrek.
+
+Bollekens zoon kwam tegen dat onverwachte besluit radikaal op.
+
+--Zij zal niet weggaan; er is geen enkele reden om haar te doen
+weggaan, zei hij, vastberaden.
+
+--Zij zal wèl weggaan; daarvoor is alle reden en dat weet gij beter
+dan iemand! snauwde de jonge vrouw haar echtgenoot toe.
+
+Bollekens junior, eenige, door zijn ouders zeer verwende zoon, was
+koppig en tyranisch. Hij duldde absoluut geen tegenspraak.
+
+--Zij zal _niet_ weggaan. Ik ben hier immers de baas! herhaalde hij nog
+eens, met klemmenden nadruk.
+
+--Dan zal _ik_ weggaan, zei de jonge vrouw, in snikken uitbarstend.
+
+--Zooals ge verkiest, had hij ijskil gëantwoord.
+
+En zoo was het gebeurd. Na een laatste, heftige scene, had mevrouw
+Bollekens junior zich eensklaps opgepakt en was zij weggeloopen, naar
+haar moeder toe. En kalm had Bollekens junior het boeltje bij zich
+opgedoekt en was hij bij zijn vader komen inwonen, met de jonge meid.
+
+ * * * * *
+
+Het was een flinke, knappe meid, met roze wangen, lichte oogen en
+bizonder mooi, donker haar, dat rechtop kroesde en aan de uitdrukking
+van haar gezicht en ook aan heel haar uiterlijk iets zeer pikant's
+gaf.
+
+'t Was jammer, zei vader Bollekens, dat zijn schoondochter juist zulk
+een meid had uitgekozen, maar verder bemoeide hij zich liever niet
+met het geschil: hij was een man van de rust en erg bang voor
+onaangenaamheden met zijn zoon. Hij deed zijn best om hen weer met
+elkaar te verzoenen, doch toen hij merkte dat zijn tusschenkomst
+niets hielp en dat de schoondochter al even stijfhoofdig op haar
+standpunt bleef als de zoon op het zijne in die netelige
+meidenkwestie, haalde hij maar machteloos zijn schouders op en lei
+zich bij den toestand neer. Hij hield nu eenmaal meer van zijn zoon
+dan van zijn schoondochter, zooals hij trouwens over 't algemeen ook
+meer van mannen dan van vrouwen hield; hij vond de vrouwen lastig,
+nesterig, vervelend, drukte-makerig om niets; hij vond ze alleen maar
+goed in zooverre ze zich gedwee aan de eischen van de mannen
+onderwierpen en dezen als meesters dienden; en, ofschoon hij de
+scheiding van zijn zoon uit maatschappelijk standpunt afkeurde en
+betreurde, toch was hij er niet zoo heel verre van af wel te
+begrijpen, dat zijn zoon feitelijk meer had aan die knappe, flinke
+meid dan aan zijn nesterige luxe-huisvrouw. Kortom, hij wenschte door
+die zaak niet langer dan strikt noodig was in zijn gelukkige
+rijkaards-rust gestoord te worden; en zoo kwam de zoon weer in zijn
+huis binnen en schikte zich daar zooals 't hem behaagde; en zoo kwam
+ook de flinke, knappe meid met den zoon mede en nam daar een
+eenigszins vage positie onder de andere dienstboden aan: linnenmeid,
+luxe-meid, praat-en-loop-meid; en in de eerste plaats de
+afzonderlijke meid van den zoon, gelast met zijn bed op te maken en
+zijn kamers in orde te houden en daarom ook niet naast de andere
+boden op de bovenste verdieping, maar op een lagere verdieping,
+in een aparte kamer, slapend.
+
+ * * * * *
+
+Het huis dat meneer Bollekens in de stad bewoonde, was een groot en
+prachtig huis. Hij had het zoo groot en zoo duur laten bouwen, niet
+omdat hij bepaalde behoefte aan zooveel ruimte en luxe had, maar wel
+omdat hij geld genoeg bezat om zulk een huis te laten bouwen. Dat was
+immers bijna een plicht voor een man van zulk bijzonder groot
+vermogen. Het huis van meneer Bollekens moest, uiterlijk en
+innerlijk, voor de oogen van de menschen die hem kenden, en ook wel
+voor de menschen die hem niet kenden, in verhouding staan tot het
+fortuin, waarvan hij leefde.
+
+En 't waren verdiepingen en nóg verdiepingen, en 't waren kamers en
+nóg kamers, allen even ruim en duur gemeubileerd, en allen vrijwel
+overbodig, want meneer Bollekens bewoonde of gebruikte ze om zoo te
+zeggen niet. Meneer Bollekens, die zich moeilijk bewoog, had in zijn
+reuzenhuis niets dan een slaap-en zitkamer, op de eerste verdieping,
+dicht bij het trapportaal, met een uitzicht op de straat; en een
+eetkamer in het souterrain, vlak naast de keuken, omdat dit
+gemakkelijker was voor de bediening en ook omdat de spijzen dan wel
+altijd warm op tafel kwamen.
+
+Meneer Bollekens was een man van vijf en zestig jaren, groot, zwaar
+en dik; met rood gezicht en grijze, borstelige haren. Hij had last
+van allerlei kwaaltjes en kwalen en koesterde zoo goed als geen
+vertrouwen in de bekwaamheid der doktoren, die hem toch nooit geheel
+genezen hadden. Hij volgde soms wel voor een poosje hun raad en
+bevond er zich dan ook wel eens goed mee, maar zoodra er een dag kwam
+dat hij zich wat minder lekker voelde, gaf hij het dadelijk op en zei
+dat de doktoren hem verkeerd behandelden.
+
+De heele gezondheidskwestie bestond voor meneer Bollekens hierin, dat
+hij gezond wilde zijn en blijven, zonder zich in iets te ontzien.
+Poeiers, drankjes, enz. wilde hij graag genoeg innemen, doch enkel op
+voorwaarde dat hij dan ook oesters, wild, foie gras, en de daarbij
+passende wijnen mocht blijven gebruiken. Aan elk diëet had hij den
+gruwelijksten hekel en bovenal was hij gesteld op zijn dagelijksche,
+vast-geregelde bezoeken aan zijn eenig geliefd koffiehuis:
+de Rosbach!
+
+De Rosbach, het welbekend Duitsch bierhuis, bevond zich in een drukke
+straat, vlak tegenover deze waar meneer Bollekens woonde; en van uit
+zijn ramen kon hij den witten gasbol zien boven den ingang der
+vermaarde herberg en de grauw-bestoven sierplanten-in-kuipen, die op
+het trottoir het terrasje afbakenden. Daar kwam hij driemaal daags
+zijn biertjes gebruiken: 's ochtends om elf uur, 's namiddags
+tusschen vijf en zeven en verder heel den avond, van negen tot laat
+in den nacht.
+
+Meneer Bollekens, en ook zijn zoon, hielden van alles wat fijn en
+lekker was: van kreeften en primeurs, van fazanten en patrijzen, van
+alle mogelijke wildpasteien en gerechten; zij waardeerden met bijna
+vrome ontroering het bedwelmend bouquet der aloude Margaux', de als
+'t ware versche-levenskracht-ingietende rijkheid der bruinroode
+Nuits' en Vougeot's en de vroolijk-oplachende, gouden tinteling en
+Prikkeling der schuimende Pommery's en Cliquot's; maar na al die
+weelde van 't fijne en van 't dure, verlangden zij, dorstten zij
+telkens weer naar het meer alledaagsche en gewone, naar dat
+heerlijk-koel, schuimend glas donkerbruin bier, zooals de Rosbach,
+en alléén de Rosbach, het hun geven kon.
+
+Het eerste ochtendglas, om elf ure, werd steeds met kalmen ernst
+gebruikt. Het had iets rustig-bezadigds, als een ontbijt. Men was nog
+in de stemming niet. Maar wat de dag ook verder aan genoegens of
+teleurstellingen bracht, vijf uur, het heerlijk moment van vijf uur
+helderde alles op en vader en zoon togen gezamenlijk naar de
+verrukkelijke herberg. De zucht waarmee papa Bollekens zich op zijn
+vastbewaarde plaats neerzette, terwijl hij uit de hand van den
+voorkomenden baas zijn pijp ontving, klonk als een gekreun van geluk.
+Hij kreeg zijn eerste glas en dronk een volle, lange teug, met de
+tong het schuim van zijn snorren aflikkend; de vrienden en stamgasten
+kwamen binnen en de gelukkige avond begon.
+
+Wat daar al niet besproken en behandeld werd! Het stadsbeheer was er
+aan scherpe kritiek onderworpen, het staatsbestuur niet minder;
+autoriteiten werden afgesteld, benoemingen werden gedaan;
+ministeries omgegooid, andere ministeries in 't leven geroepen. Die
+heeren wisten alles, álles; niets ontsnapte aan hun scherp-kritisch
+waarnemingsvermogen en naarmate zij meer dronken werden hun
+organisatiekrachten helderder en sterker en moest het wel voor
+luisterende buitenstaanders onverklaarbaar schijnen hoe het mogelijk
+was, dat zij daar op de banale, harde banken van een herberg en niet
+in de gemakkelijke kussens van ministerieele fauteuils neerzaten.
+
+De kroegbaas, een Duitscher, met grijs-blond haar en slaperige oogen,
+hield zich steeds in hun buurt en bediende hen zorgzaam, zonder zich
+ooit in hun gesprek te mengen of er schijnbaar eenigszins notitie van
+te nemen. Hij scheen de verpersoonlijkte-onbeduidendheid, onbeduidend
+als een dagelijksche plicht, als een abstractie. Hij vulde zijn glazen
+achter de schenktafel, streek er met een soort van liniaal het
+overtollig schuim af, overhandigde ze zwijgend aan zijn kellner, die
+ze aan de klanten om de tafeltjes ging brengen. Dat scheen zijn
+eenige bezigheid en eenige reden van bestaan, een machinale taak, die
+hij als een automaat verrichtte. Het wekte verwondering wanneer men
+hem iets anders zag uitvoeren en het leek ook gansch ongewoon wanneer
+hij zich voor iets anders dan zijn zaak interesseerde. Hij had een
+vrouw, een dikke, ronde vrouw, die meestal in de onderdiepten der
+Rosbach vertoefde, maar er toch af en toe eens uitkwam, om hem met
+Gewichtig gezicht iets aan het oor te fluisteren. Dan fronsten even
+Zijn wenkbrauwen en keken strak zijn oogen, alsof hem iets
+Onaangenaams werd meegedeeld, en soms verdween hij met haar voor een
+poosje in de heimelijke kelderdiepten. Maar zoo spoedig mogelijk stond
+hij weer achter zijn buffet, en wel eens gebeurde het, dat er dan
+een vreemd bezoeker binnen kwam, die een poosje vertrouwelijk met den
+baas bleef praten. Het bleek een landgenoot te zijn, een vriend of
+kennis van vroeger, die hem eens kwam opzoeken. Zij keuvelden
+bescheiden met elkaar in 't Duitsch en het klonk altijd zoo vreemd,
+den baas, die toch een Duitscher was, zijn eigen taal te hooren
+spreken. Hij was daar al sinds zoovele jaren ingeleefd en ingeburgerd,
+in de groote, Vlaamsche stad; hij sprak zoo vloeiend en natuurlijk de
+taal van het volk en ook het Fransch, dat het nu ónnatuurlijk
+scheen, wanneer hij 't Duitsch, zijn eigen taal, gebruikte. En het was
+ook alsof hij die niet graag meer sprak en ook niet graag
+zijn landgenooten meer ontmoette: er was iets koels en stijfs in
+zijn gansche bejegening, zoolang hij zich met hen moest bezig houden,
+en iets verlichts in hem zoodra zij weg waren, alsof hij dan pas
+weer zichzelf werd, wanneer hij met zijn goede, trouwe, Vlaamsche
+vrienden en klanten weer in gezellige intimiteit verkeerde.
+
+Behalve zijn prachtig stadskuis bezat de rijke, rijke meneer
+Bollekens ook nog een heerlijk buitenverblijf.
+
+Het rees, anderhalf uur van de stad, lieflijk wit en roze, achter
+schoone, stille vijvers en zacht-glooiende grasvelden, tegen een
+majestueuzen achtergrond van hooge boomen op.
+
+Zoolang zijn vrouw, die veel van buiten hield, leefde, had meneer
+Bollekens er geregeld ieder jaar de zomermaanden doorgebracht. Doch
+na haar overlijden werd het er hem te eenzaam en steeds kortte hij
+zijn verblijf meer en meer in, tot hij er weldra niet meer verbleef,
+doch er slechts heen en weer kwam, met zijn rijtuig, bij wijze van
+uitstapje, elken avond, zelfs in 't heetste van den zomer, naar de
+stad terugkeerend. De toenemende gehechtheid aan de Rosbach en de
+vrienden die hij er ontmoette, was daar ook niet vreemd aan; en ten
+slotte hadden de bezoeken zich bepaald tot drie in de week, na
+'t middagdutje, tusschen drie en zeven. Meneer Bollekens zoon, van
+zijn kant, deelde, aangaande de bekoring van het buitenleven, geheel
+en al de zienswijze zijns vaders; en zoo gingen zij meestal samen,
+gemakkelijk uitgestrekt op de zachte kussens van den ietwat
+ouderwetschen landauwer bespannen met twee paarden, wellustig sigaren
+rookend en zonder inspanning genietend van het mooie weer en de
+gezonde, frissche buitenlucht. Dan was de knappe meid meestal per
+trein vooruitgezonden om alles wat op orde te schikken en 't een of
+'t ander voor hen klaar te maken; en in die enkele uren dat hij op
+zijn buitengoed verbleef had meneer Bollekens dan ook wel tijd genoeg
+om met zijn tuinbaas en zijn werklieden te praten en zijn boeren, die
+bijna allen in den onmiddellijken omtrek woonden, desgewenscht op het
+kasteel te ontvangen of hen persoonlijk een bezoek te brengen. Tegen
+het uur van hun vertrek maakte de tuinman een paar mandjes met fijne
+groenten en vruchten gereed en daarmee vertrok alweer per trein de
+knappe meid, terwijl de beide heeren, die een hekel hadden aan bagage
+in hun rijtuig, zich nog eens lui en heerlijk in de kussens
+achteroverstrekten en onder het terugkeeren naar stad en Rosbach van
+de zachte, gouden avondlucht genoten.
+
+ * * * * *
+
+De Rosbach! Begin, middenpunt en einde van den dag; centrum, navel
+van het leven! Rustoord van gezelligheid en welgedane vrede; maar
+ook brouwketel van twistgesprek en stoornis, als daartoe aanleiding
+bestond!
+
+En er wàs aanleiding, die laatste dagen. In den stillen luister van
+dien allerschoonsten zomer, terwijl alles alom geluk en vrede scheen
+te ademen, woei er, van verre komend, een onbestemde angst
+en onrust over land en stad, die zich daar, in de anders zoo
+gezellige en zoo veilige Rosbach, bij de biertafeltjes omringd door
+welgedane stamgasten, tot een soort voelbare kwelling scheen te
+kristallizeeren.
+
+Men sprak er van oorlog, van dreigenden, afgrijselijken, algemeenen
+oorlog. O, dat lag nog verre, nog heel, héél verre, en het was vaag
+en twijfelachtig en zou wellicht nooit komen; maar toch: het werkte en
+knaagde heimelijk; het was aldoor aanwezig, ook als men er niet over
+sprak; het hing, als een onzichtbare drukking over alles wat daar nu
+gebeurde.
+
+De een zei: het komt, 't is vast en zeker en het kan niet anders; de
+ander zei: 't komt niet, het is onmogelijk, de menschen zijn niet
+gek; maar hij die zei: "'t komt niet" vreesde dat het toch wel zou
+komen; en hij die zei: 't komt wèl" hoopte toch maar, dat het nog
+niet zou komen.
+
+De baas, doorgaans zoo kalm en zoo bedaard, met zijn grijsblond haar
+en zijn slaperige oogen, scheen opeens een ander mensch geworden.
+Zijn oogen waren angstig en onrustig in zijn doodsch gezicht gaan
+leven; hij stond niet meer als vroeger gansche dagen als gepoot
+achter zijn schenktafel; zijn dikke, ronde vrouw, die men meestal
+niet zag, stak nu elk oogenblik haar vettig angstgezicht van uit de
+kelderdiepten op; en voortdurend kreeg de baas bezoeken van zijn
+anders zoo ongewenschte landgenooten, waarmee hij stille, heimelijke,
+blijkbaar zwaarwichtige gesprekken hield.
+
+Eens, op een avond, toen zij aan hun stamtafeltje kwamen zitten,
+werden meneer Bollekens en zijn zoon niet, als gewoonlijk, door den
+kellner, maar door den baas zelf bediend.
+
+--Hè, waar is Rudolf dan? vroeg meneer Bollekens verwonderd.
+
+De baas troebleerde zich. Even kreeg hij een vage kleur onder zijn
+doodsche wangen.
+
+--Hij is weg, bekende hij eindelijk.
+
+--Zoo! En waarom? vroeg meneer Bollekens.
+
+--Hij is naar zijn land terug, antwoordde de baas, blijkbaar
+gegeneerd.
+
+--Naar zijn land! Is hij dan geen Belg?
+
+--Wel is zijn moeder een Belgische, maar zijn vader is nog een
+Duitscher, al woont hij bijna op de grens, voegde de baas er als ter
+vergoelijking bij.
+
+Meneer Bollekens en zijn zoon werden eensklaps ernstig en stil. Hun
+oogen keken starend op hun bierglas en hun wenkbrauwen fronsten zich.
+
+--Is hij als soldaat opgeroepen? Komt er oorlog? vroeg meneer
+Bollekens haast fluisterend, met een angsthik in de stem.
+
+--Ach! wel neen, wel neen, wel neen! riep de baas eensklaps
+ongeduldig-zenuwachtig en bijna boos, alsof zoo iets toch àl te
+ongerijmd en gek was.
+
+De heeren Bollekens voelden zich eenigszins gerustgesteld en proefden
+even van hun glas. Maar hun handen en hun lippen beefden en 't was of
+'t heerlijk bier niet meer zoo lekker smaakte.
+
+--Er komt geen oorlog; 't is maar vage dreiging, verzekerde nog eens
+de baas en ging achter zijn schenktafel staan.
+
+ * * * * *
+
+Doch de onrust zat er nu eenmaal in, en met de onrust en onzekerheid
+sloop in de eertijds zoo zalige Rosbach een eigenaardig,
+onnaspeurbaar gevoel van vaag wantrouwen. Niemand begreep eigenlijk
+waar het zich verschuilde, 't was nergens en het was overal; het hing
+in de lucht, in de berookte gelagkamer, over 't veranderd gezicht van
+den baas en zijn vrouw; het zat tot in het heerlijk bier dat zij
+dronken, en dat wel niet minder smakelijk was, maar toch werkelijk
+minder lekker smaakte. Eens, op een avond, kwam een der
+allertrouwste stamgasten, een dikke notaris, binnen, die geheimzinnig
+naast meneer Bollekens ging zitten en hem aan 't oor toefluisterde:
+
+--Wist gij dat de baas drie zonen in Duitschland heeft?
+
+--Drie zonen in Duitschland! herhaalde meneer Bollekens hevig
+opschrikkend.
+
+--St! zoo hard niet, hij staat te luisteren, vezelde de notaris.
+--Drie zonen in Duitschland, die hier dikwijls geweest zijn, zonder
+dat wij wisten wie ze waren, en die nu alle drie in 't Duitsche leger
+opgeroepen zijn! St! niets zeggen... zwijgen... ik weet het van
+héél goed part en zal er nog meer van vernemen.
+
+Meneer Bollekens' dikke, knobbeljichtige vingers beefden zenuwachtig
+om het oor van zijn glas.
+
+Wat was dat nu allemaal? Wat beteekende het? Wat moest hij daarvan
+denken? Ging er nu ellendige, akelige stoornis komen in het zoo
+gezellig en aantrekkelijk leventje der heerlijke Rosbach?
+
+ * * * * *
+
+Als naar gewoonte, dien namiddag, waren de heeren Bollekens, vader en
+zoon, per rijtuig, naar 't buiten gegaan. Ook de knappe meid was er
+gekomen en liep reeds te voet het eindje terug, met de groenten en
+vruchtenmandjes aan den arm, om bij het kleine station den trein te
+halen.
+
+Het was een prachtig-mooie dag geweest. In den vroegen namiddag
+wellicht wel àl te brandend-heet, maar nu, tegen zonsondergang, was
+het verrukkelijk; en vader en zoon, wellustig op de kussens
+uitgestrekt, genoten innig. Meneer Bollekens vader keek naar het
+schoone, rijpe koren, dat golvend over 't stille, weelderige land in
+het avondrood lag te gloeien en opperde nog eens zijn meening,
+waarover ze 't vroeger reeds gehad hadden: dat het nu toch werkelijk
+wel tijd werd om de huur der boeren op te slaan. Meneer Bollekens
+junior haalde diep aan zijn lekkere sigaar en was het daar volkomen
+mee eens. Al had men het ook niet noodig om van te leven, toch was er
+geen reden om zijn pachters te verwennen, meende hij, vooral niet
+zoolang er geen oorlog kwam.
+
+De oorlog! Daar had je 't alweer! Wat werd dat 'n angst en
+'n obsessie! Je kon niet eens rustig meer ergens gaan wandelen; je
+Kon niet kalmpjes je glas bier zitten te drinken, of dadelijk drong
+dat gruwelbeeld, als 't ware van zelf in het gesprek. Vooral meneer
+Bollekens senior werd er telkens hevig door ontsteld en gansch uit
+zijn humeur geslagen.
+
+--Zwijg daarover, er komt geen oorlog! beweerde hij nu ook weer, op
+kwaadaardigen toon, terwijl zijn rood gezicht van ontstemming opzwol
+en zijn dikke wenkbrauwen zich fronsten.
+
+Zij waren dichtbij 't kleine station gekomen, waar de knappe meid
+haar biljet moest nemen om naar de stad terug te keeren en de trein
+naderde reeds in 't verschiet, zoodat de slagboomen der spoorbaan
+werden neergelaten en het rijtuig eventjes moest wachten. Er is al
+heel weinig bijzonders aan een locaaltreintje, dat een klein station
+zal binnenrijden: men let er nauwelijks op. Dit was dan ook 't geval
+met beide heeren Bollekens. Zij praatten onverschillig voort over het
+onderwerp dat hen bezig hield en wellicht hadden zij de aankomst van
+'t konvooi niet eens met eenige aandacht opgemerkt, als daar niet
+vóór 't stationsgebouw een dichte schaar van menschen had gestaan,
+die met blijkbaar gespannen nieuwsgierigheid den trein zagen naderen.
+Het trof meneer Bollekens vader en hij vroeg aan den wisselwachter,
+die bij 't seinhuisje stond:
+
+--Wat scheelt er dan? Wat gebeurt er?
+--Soldaten, meneer; massa's soldaten, die binnen moeten. De oorlog is
+verklaard!
+
+Meneer Bollekens en zijn zoon schokten letterlijk van hun zitplaats
+op. Wat! De oorlog verklaard! Zoo ineens!
+
+--Jawel, meneer, 't bericht is van middag om twaalf uur afgekondigd,
+Verzekerde de wisselwachter. Ziet ge daar al die jonge mannen bij de
+statie? Die moeten allen mee.
+
+Daverend kwam de trein het stationnetje binnengestoomd. Hij was lang,
+lang, of er geen eind aan kwam; en uit alle wagens, uit alle
+raampjes, uit alle portieren hingen risten jonge mannen naar buiten
+geheld, die zongen en brulden, en armen zwaaiden en stampvoetten en
+schreeuwden, alsof zij allen wild-krankzinnig waren. De koppen zagen
+gloeiend-rood van benauwde hitte, opwinding en drank en honderden
+handen zwaaiden hartstochtelijk met driekleurige vlaggetjes.
+
+Bollekens junior was met één wip uit den open landauwer gesprongen.
+Hij dacht aan de knappe meid, die met haar groentenmandjes midden in
+'t afgrijselijk gedrang zou zitten en wellicht geen plaats zou
+vinden; of vond ze plaats, door al die opgewonden kerels ergerlijk
+gemolesteerd kon worden.
+
+--Ik ga ze daaruit trachten te halen! riep hij
+zenuwachtig-opgewonden tot zijn vader.
+
+--Dat gaat immers niet! antwoordde vader Bollekens gansch ontsteld
+en geprikkeld.
+
+Maar Bollekens junior was reeds aan 't rennen. Hij holde, ondanks het
+formeel verbod van den verwonden wisselwachter, om den dreunenden
+trein heen en vloog naar de wachtkamers toe. Te laat! Het
+stationsgebouw was door gendarmen afgezet en onder donderend
+joelgedruisch reed de trein weg. Bollekens junior keek peilend door
+de vensterramen, maar zag de knappe meid niet meer.
+
+--Nom de Dieu!... Nom de Dieu de nom de Dieu! raasde hij woedend in
+'t rijtuig terugstappend.
+
+In gestrekten draf reden zij naar de stad terug. Meneer Bollekens
+vader beefde akelig. Meneer Bollekens junior zat stom, met
+verwrongen, bleek gezicht, op zijn sigaar te bijten.
+
+--Maar dat is toch niet mogelijk! riep af en toe, als in een kreet
+van opstand, vader Bollekens. En waar hij om zich heen keek, over die
+schoone, rijke, kalme, gouden velden badend in avondglorie, waar nog
+zoovele menschen, gansch onbekend met de angstwekkende gebeurtenis,
+rustig aan den arbeid waren, scheen het schrikbeeld van den oorlog
+inderdaad iets ondenkbaars, een onding, een onmogelijkheid. Doch
+naarmate zij dichter bij de groote stad kwamen groeide een onrust,
+een gejaagdheid, die zich alom scheen te verspreiden. 't Stond op de
+ernstige gezichten der menschen te lezen, het concentreerde zich in
+de kleine groepjes die gewichtig met elkaar aan 't praten waren, het
+liep uiteen met al wat zich bewoog, naar rechts, naar links, langs
+alle kanten. De heeren Bollekens kwamen twee auto's tegen, in razende
+vaart, vol militairen, alsof zij reeds, stormenderwijze den vijand
+te gemoet snelden. En zoodra zij in de voorstad kwamen waren zij
+midden in een krioelende, geweldig-opgewonden menigte:
+gesticuleerende mannen met bleeke gezichten en donkere oogen;
+schreiende, kermende vrouwen met schreiende, kreunende kinders die
+aan haar rokken hingen; en krantenjongens overal, luid-uitschreeuwend
+het akelig nieuws, terwijl de losse blaadjes der extra edities door
+de handen fladderden en de gretige hoofden dicht op elkaar drongen,
+om allen tegelijk te lezen.
+
+--Naar huis, naar huis, zoo gauw mogelijk naar huis! vermaande meneer
+Bollekens zijn koetsier, alsof hij daardoor een ramp voorkomen kon.
+En de paarden renden in gestrekten draf tusschen de steeds dichter op
+elkaar gepakte, opgezweepte menigte, die als 't ware uit den grond
+scheen te rijzen, die straten en pleinen vulde en in gonzende drommen
+naar het centrum van de stad toestroomde.
+
+Toen het rijtuig vlak bij huis kwam, in de straat waar zich de
+Rosbach bevond, was er echter geen doorkomen meer aan. De heeren
+Bollekens begrepen eerst niet wat er gebeurde; zij merkten slechts
+een kolossaal gedrang en hoorden enkel 't oproerig gejouw en geloei
+van de menigte; maar eensklaps zagen zij den witten gasbol boven den
+ingang van de Rosbach aan stukken vliegen, en meteen stormde een
+bende op de herberg af en brak er als een orkaan naar binnen.
+
+Dadelijk stapten de heeren Bollekens haastig uit hun landauwer en
+gaven den koetsier bevel langs een omweg naar huis te rijden. Het was
+maar beter op zulke momenten niet in een rijtuig gezien te worden.
+Angstig door 't gedrang langsheen de huizen schuivend, geraakten zij
+eenige meters vooruit. Toen stonden ze weer, als vóór een levenden,
+dreunenden, deinenden muur. 't Geschreeuw klonk overweldigend. 't Was
+één aanhoudend gebrul en gejouw, terwijl steeds nieuwe benden
+opdrongen en de spiegelramen aan stukken rinkelden. De politie kwam
+aangerukt, doch machteloos flikkerden de gezwaaide sabels boven de
+woelende schouders en koppen. De heeren Bollekens zagen vechtende
+mannen neerstorten en weggesleept worden; en daarbinnen, in
+de Rosbach, was het als een pandemonium: stoelen, tafels, spiegels,
+glazen vlogen verbrijzeld in de menigte naar buiten; het bier en de
+likeuren stroomden over de treden in de straat; en heel het
+terrastuintje met bloemen, sierplanten en tafeltjes was omgekeerd en
+als onder een storm weggezweept. De heeren Bollekens zagen van op de
+straat ruwe kerels drank naar binnen hijschen, anderen vochten onder
+elkaar om het bemachtigen van eetwaren; en plotseling werd een volle
+ham naar buiten gegooid, waarop het gepeupel in wilde krioeling
+neerplofte en voor welks bezit het griezelig worstelde, als een bende
+wolven. Wat er van den baas geworden was, wist niemand. Alleen het
+rond gezicht der dikke vrouw verscheen een oogenblik met van schrik
+uitpuilende oogen aan een der bovenramen, maar zulk een woest gebrul
+steeg op, dat zij onmiddellijk onder angstgegil weer verdween en het
+raam dichtsloeg.
+
+Toen kwam er eindelijk hulp opdagen: een escadron gendarmen te paard,
+in vollen draf, met getrokken sabel, de groote berenmutsen, als van
+woede overeind gerezen haren op hun dreigende koppen. In een oogwenk
+was de gansche straat schoongeveegd. Een paar roovers, die den tijd
+niet hadden weg te komen, werden nog gesnapt en dadelijk was de
+verwoeste Rosbach door een sterke politiemacht afgezet. Meneer
+Bollekens en zijn zoon, in het portaal van een winkeltje gedrongen,
+waren slechts, op gevaar van hun leven af, aan het geweld van de charge
+ontsnapt.
+
+Meneer Bollekens begreep er niets van, van alles wat daar zoo
+plotseling gebeurd was. Hij stond te sidderen en te trillen op zijn
+beenen en hoorde, als in een nachtmerrie, de menschen uit het
+winkeltje vertellen, dat die baas uit de Rosbach een Duitsche spion
+was, dat men compromittante brieven in zijn huis gevonden had, dat
+men in zijn kelder Duitsche wapens en uniformen had ontdekt, en dat
+hij gëarresteerd was, en dat zijn vrouw ook gëarresteerd was, en dat
+ze beiden, den volgenden ochtend, in het stadspark gefusilleerd
+zouden worden.
+
+Meneer Bollekens senior raasde en zuchtte. Wat leek de gansche wereld
+plotseling omgekeerd, in een tijdverloop van slechts enkele uren!
+Zijn vaderland in oorlog, die man uit de Rosbach, jarenlang een
+trouwe vriend, nu eensklaps een spion en een verrader; en de Rosbach,
+de dierbare Rosbach zelf, zijn toevluchtsoord, zijn levensvreugd,
+zijn echte tehuis, in puin en gruis geslagen, vernield, vernietigd!
+Was er nog wel iets in de wereld vast en veilig, en zou het
+opgezweepte gepeupel straks ook niet zijn eigen schoone woning stuk
+gaan slaan, alleen maar omdat hij een trouwe stamgast van de Rosbach
+was, omdat hij jarenlang op vertrouwelijker en vriendschappelijker
+voet met den baas uit de Rosbach had omgegaan?
+
+Hij wilde naar huis, hij wilde dadelijk naar huis, en ook zijn zoon,
+in zenuwachtige overspanning, wilde weg, vol angst en vrees hoe het
+wel met de knappe meid in dien stampvollen trein met opgewonden
+soldaten afgeloopen was. Zij staken eerst voorzichtig 't hoofd naar
+buiten en schoven dan langs de muren weg en 't was hun een
+verademing toen zij het mooie gebouw nog overeind zagen staan. Meneer
+Bollekens zoon holde naar binnen, hoorde dat de knappe meid behouden
+aangekomen was, rende de trappen op, had dadelijk met haar een
+dringend, vorschend onderhoud. Alles was goed, Goddank; en na al die
+schrikkelijke emoties ging het leven toch maar weer zijn gewonen
+gang. De keukenmeid liet zeggen dat het souper al 'n heele
+poos klaar was en of de heeren asjeblief aan tafel wilden gaan.
+
+Zeker wilden zij! Zij hadden honger gekregen door al die schokkende
+gebeurtenissen. Veilig geborgen in hun prachtig huis dat sterk was
+als een forteres, rijk en gezellig neergezeten bij een weelderigen
+disch welken de knappe meid zorgzaam en fijn bediende, voelden zij
+reeds minder de knellende dreiging der toekomst. Maar de emotie
+bleef, heel sterk en diep; en terwijl hij met bevende hand het eerste
+hapje naar zijn mond bracht, werd meneer Bollekens er weer door
+overweldigd en moest hij vork en mes neerleggen. Het ging niet, hij
+kón niet eten ofschoon hij rammelde van den honger. En eensklaps werd
+hij week-weemoedig en barstte in snikken uit, terwijl groote tranen
+over zijn dikke, roode wangen rolden.
+
+Het was een heele opschudding! De zoon dacht dat zijn vader een
+beroerte kreeg en snelde hem ter hulp en de knappe meid stond even
+als versteend van ontsteltenis, met vurige wangen en verschrikte
+oogen tegen het buffet gedrongen. Meneer Bollekens bedaarde, doch
+bleef zijn eten weigeren. Neen, het ging niet, hij kón niet. Zoo iets
+was in geen jaren gebeurd. De zoon stond er radeloos van en de knappe
+meid liep eensklaps, als onder den drang eener spontane ingeving, met
+vlugge schreden naar de keuken toe.
+
+De keukenmeid, amechtig hijgend, verscheen op den drempel der
+eetkamer.
+
+--Maar meneer toch! Maar meneer toch! riep zij, gansch ontdaan de
+handen in elkaar slaande. En zij begon een heele reeks fijne
+schoteltjes op te noemen, die meneer misschien wèl zoude lusten.
+
+--Neen, Marie; neen, Marie; ik kàn niet, ik kàn niet, herhaalde meneer
+Bollekens bevend en moedeloos.
+
+De meid verdween, als door een onverdiende ramp getroffen, en meneer
+Bollekens stond zwaar-zuchtend van tafel op.
+
+--'K ga naar mijn bed, kreunde hij.
+
+Een stilte van consternatie begeleidde zijn pijnlijken aftocht.
+Meneer Bollekens zoon steunde zijn vader onder den arm en de knappe
+meid volgde, schoorvoetend, even haltend op elke trede, als een
+oplettende en zorgvolle verpleegster.
+
+ * * * * *
+
+De dagen die volgden waren dagen van rustelooze agitatie. Al de
+dienstplichtige mannen hadden hun oproepingsbevel ontvangen en van
+den ochtend tot den avond en soms gansche nachten dreunde de groote
+stad onder het onophoudend aankomen en doortrekken van infanteristen,
+cavaleristen, artilleristen; van paarden, wagens en kanonnen, van
+honderden en honderden automobielen, van alles wat de mobilisatie van
+een gansche veld-en-vestings-leger noodig heeft of met zich mede
+sleept.
+
+Wat al onverwachte en aangrijpende tafereelen woonden de heeren
+Bollekens nu voortdurend bij! In hun zelfzuchtig bestaan van rijke
+renteniers was de wereld tot nog toe voor hen tot het beperkt en
+bekrompen kringetje hunner vaste, steeds herhaalde genoegens en
+gewoonten afgebakend geweest; en nu woei daar eensklaps als een
+felle, forsche adem overheen, die aan alles een nieuwe beteekenis en
+waarde gaf. Zij voelden dat hun rijke-menschen-leven niets meer was,
+dat gansch andere, nieuwe krachten hun omgeving beheerden en
+beheerschten. Zij werden voor het eerst gewaar wat de
+vaderlandsliefde was, dat ongekend gevoel 't welk tot dus
+verre voor hen slechts de beteekenis eener van buiten geleerde
+schoolles had, en dat nu plotseling bestónd, hoog en groot, in
+forsche schoonheid, diep-ontroerend en tastbaar alles-overweldigend,
+sinds een gewetenlooze vijand met ruw geweld den dierbaren
+geboortegrond had durven schenden. Meneer Bollekens en zijn zoon,
+door nationale liefde bezield, stonden met duizenden anderen uren
+lang op straat de vertrekkende soldaten toe te juichen, terwijl de
+tranen in hun oogen kwamen en hun hart van krijgshaftigen trots en
+glorie bonsde en gloeide.
+
+Dat duurde zoo ettelijke dagen. Toen waren al de troepen weg en
+'t gewone leven kreeg opnieuw zijn vroegere beteekenis. Wel hielden
+de oorlogsberichten der couranten er aanhoudende spanning in, doch dat
+gebeurde nu op verren afstand en van den eigenlijken oorlog was, in
+de stad die meneer Bollekens bewoonde, voorloopig niets meer te
+bemerken.
+
+ * * * * *
+
+Wat was er dan ook wel veranderd? Feitelijk niets. Meneer Bollekens
+vader was van zijn eerste emotie heel en al bekomen; meneer Bollekens
+zoon had zich kunnen overtuigen dat der knappe meid geen ongeval was
+overkomen; de keukenmeid, een enkel oogenblik van streek toen haar
+meester zijn avondmaal weigerde, was weer geheel de oude en kookte
+lekkerder dan ooit te voren; alles, álles in hun leven was 't zelfde
+gebleven en zij gingen zelfs weer geregeld met het rijtuig naar de
+mooie buitenplaats; niets was veranderd behalve de Rosbach, de vroeger
+zoo gezellige, nu kort en klein geslagen Rosbach, die met haar
+dicht-gespijkerde deur en ramen een droevig toonbeeld van vernieling en
+verlatenheid geworden was.
+
+Bollekens vader en zoon, evenals de dikke notaris, evenals al de
+andere trouwe stamgasten, waren nu verwoed op de Rosbach, hadden
+geen woorden van verachting en van haat genoeg om er de Rosbach mee
+te brandmerken. Die schandelijke spionnen, die gemeene bandieten, wat
+hadden zij hun trouwe, vaste klanten, die jarenlang hun beste
+vrienden waren, bedrogen en verraden! Allerlei tegenstrijdige
+geruchten waren in omloop: de baas en zijn vrouw waren werkelijk
+gëarresteerd en beiden op een vroegen ochtend in het park
+gefusilleerd; de baas was gëarresteerd en gefusilleerd,
+maar zijn vrouw was in vrijheid gelaten; de baas was gevlucht en zijn
+vrouw was alleen in de kroeg overgebleven waar ze zich verscholen
+hield. Dat alles werd verteld en niemand wist er 't ware van. De
+gansche voorgevel van de Rosbach was met een planken beschot
+afgeslagen en een politiediender hield er streng de wacht voor.
+Meneer Bollekens vader had hem reeds een paar keer ondervraagd,
+maar de stugge man liet absoluut niets los. Hij wist in 't geheel
+niets mee te deelen; zijn opdracht was de Rosbach te bewaken; dat
+deed hij en verder ging het hem niet aan en als die heeren er meer
+van wenschten te vernemen, dan moesten ze zich maar tot de stedelijke
+overheid wenden.
+
+Tot de stedelijke overheid! De heeren Bollekens vader en zijn zoon,
+en ook de dikke notaris en de verdere stamgasten hadden al heel
+weinig relaties met de stedelijke overheid. De dikke notaris had eens
+van verre gepoogd een der wethouders te polsen, maar was barsch en
+leelijk afgescheept geworden. En toch: zij hadden 't zoo graag willen
+weten, want er was iets, iets dat ze werkelijk met geen woorden
+konden uitdrukken en dat hen toch zoo hevig en zoo kwellend plaagde.
+Die heeren durfden het onderling aan elkaar niet en
+aan zichzelven nauwelijks bekennen: zij misten de Rosbach. Zij hadden
+behoefte aan de Rosbach; zij werden ziek en bedroefd omdat ze
+'t heerlijk bier van de Rosbach niet meer mochten drinken!
+
+Het was geen kortswijl, geen eigenzinnige gril; maar werkelijk een
+tyranisch-dwingende behoefte. In al die lange jaren van dagelijksch
+trouw daar komen was het een manie geworden, iets dat zij hebben
+móésten om voldaan te kunnen leven. Er waren andere koffiehuizen
+genoeg in de stad en om beurten hadden zij er reeds velen
+"geprobeerd" doch niets voldeed, overal grijnsde dadelijk de
+Teleurstelling tegen. Er was maar één Rosbach, maar één enkel kroegje
+waar ze 't dol gezellig hadden, maar één enkel soort bier waarnaar
+zij verlangden en snakten en waar hun maag naar grolde van graagte:
+het heerlijke bier van de Rosbach!
+
+Vooral meneer Bollekens vader voelde zich weldra zeer ongelukkig en
+ontredderd. Vele van die andere heeren hadden nog hun bezigheden waar
+te nemen; maar hij had niets, wist in 't geheel niets aan te vangen
+met de lange uren die hij anders aan het pleisteren in de Rosbach
+besteedde. Het ging niet alleen op zijn moreel, maar ook op zijn
+physiek gestel noodlottig inwerken; en nu kreeg hij eens aan eigen
+proefneming de glasheldere ervaring welke ezels toch de doctoren
+waren. Zij hadden hem zóó dikwijls verboden het bier van de Rosbach
+te drinken omdat het fataal was voor zijn knobbeljicht; welnu: sinds
+meer dan een week dat hij geen druppel meer geproefd had, leed hij
+folterpijnen en stonden zijn vingers en zijn teenen kromgetrokken van
+de kalkaanzetting. Was dit geen duidelijk bewijs, dat het bier van de
+Rosbach hem niet alleen geen kwaad deed, maar dat hij het bepaald
+noodig had voor zijn gezondheid?
+
+Hij begon daarover zwaar te tobben. Was er nog maar een ander Duitsch
+bierhuis geweest in de stad, waarvan de baas zich niet als spion en
+landsverrader had gedragen! Maar overal was het 't zelfde geweest en
+overal werd de boel ook stuk geslagen. Iedere kneip was als een
+spionnen-nest vernietigd. Meneer Bollekens voelde zich het
+slachtoffer van een toestand waarin hij niets geen persoonlijke
+schuld had. Zijn gezondheid moest lijden, zijn leven moest wellicht
+ten onder gaan door de misdaad welke anderen bedreven hadden!
+
+Hàdden zij werkelijk die schandelijke daad bedreven? Somtijds, in
+sombere wanhoopsuren, ging meneer Bollekens daar wel aan twijfelen.
+Was het wel voldoende bewezen, bewèzen, dat de baas uit de Rosbach
+verraad had gepleegd? Was men niet veel te gauw, met ruw geweld,
+tegen hem te keer gegaan, alleen omdat hij Duitscher was? En wat was
+er nu eindelijk van aan, van al die tegenstrijdige verhalen: dat hij
+en zijn vrouw gefusilleerd waren; dat ze niet gefusilleerd maar wel
+gevlucht waren; dat ze niet gevlucht, maar zich nog steeds, als
+nagejaagde wilde beesten ergens in een hoek van de Rosbach verscholen
+hielden?
+
+Het onopgehelderd raadsel kwelde en pijnigde meneer Bollekens
+aanhoudend; en dikwijls, in zijn droeve, doellooze uren, ging hij
+voorbij de Rosbach slenteren en keek hij verlangend naar die doode,
+strakke muren op, alsof ze voor hem het geheim zouden oplossen.
+
+De waakzaamheid der politie was er na de eerste opgewonden dagen zeer
+verslapt en al kuierde nog wel om en bij de planken-afsluiting een
+min of meer wachthoudende politiediender, toch was er blijkbaar geen
+zóó onverbiddelijk streng verbod meer, dat men niet een oog daarin
+zou kunnen wagen. Meneer Bollekens had het dan ook reeds meer dan
+eens gewaagd en een aangrijpend idee gekregen der desolatie van wat
+eenmaal het toppunt der gezelligheid was. Was het niet
+wanhoopschreiend al die stukgeslagen stoelen, tafels, spiegels en dat
+alom gemorste, heerlijk bier, waarvan de halfgedroogde, vieze plassen
+nog den vloer bezoedelden? Het stemde meneer Bolleken te droevig en
+hij verwijderde zich spoedig uit dat oord van dood en ramp. Doch
+eens, bij scheieravond, terwijl hij daar alweer in wanhoop stond te
+kijken, schrikte hij geweldig. Hij meende, neen, hij was ervan
+verzekerd, eensklaps in dat oord van vernieling en verlatenheid een
+vage stommeling te hooren, boven de gehavende gelagkamer. Het
+ontstelde hem zoo hevig, dat hij in allerhaast wegvluchtte en aan den
+overkant der straat bevend tegen een huis ging staan. En wat zag hij
+van daar uit, als in een droom, als in een nachtmerrie? Achter een
+raam op de eerste verdieping der Rosbach, het angstgezicht van een
+vrouw,--de dikke vrouw van den baas--die duidelijk naar hem keek en
+naar hem wenkte, alsof zij hem wou binnenroepen!
+
+Het scheelde weinig of meneer Bollekens slaakte hardop een kreet in de
+straat. De verschijning was zóó onverwacht en zóó ontzettend, dat hij
+haast zijn oogen niet gelooven kon. Hij meende een uit haar graf
+verrezene te zien. Maar het gezicht stond daar in volle werkelijkheid
+achter het raam, en nog eens wenkte het, heel duidelijk, meteen in
+'t sombere van het vertrek terugdringend, als om hem met zich mee te
+trekken. En meneer Bollekens, als onder hypnotische macht,
+gehoorzaamde machinaal, stak de straat, die op dat oogenblik verlaten
+was, dwars over en kwam bij het planken beschot. Daar was een wrakkig
+deurtje in de ruwhouten omheining, met een enkel duwtje week het en
+meneer Bollekens, met inspanning over het puin heenschrijdend, stond
+in de verwoeste gelagkamer der Rosbach. De trapdeur was in den
+achtergrond open en te halver hoogte langs de treden hield zich de
+dikke vrouw, op meneer Bollekens wachtend. Haar handen wrongen zich
+in elkaar toen zij hem zag, haar mondhoeken trokken gepijnigd naar
+omlaag en tranen sprongen uit haar oogen, terwijl zij zuchtend
+snikte:
+
+--Aber bitte, kommen Sie herauf, Herr Bollekens.
+
+Meneer Bollekens voelde zich diep aangedaan. Het streed in hem,
+geweldig, tusschen vaderlandschen haat en menschelijk medelijden. Hij
+had terug willen gaan, hij voelde 't als zijn plicht terug te gaan,
+en toch trok een onoverkomelijke macht hem mede, de trap op, achter
+de dikke vrouw. Hijgend kwamen zij op een portaal, volgden een smalle,
+sombere gang, hielden stil vóór een deur, die de vrouw open duwde.
+
+Meneer Bollekens trad binnen. Was hij verbaasd en ontsteld geweest
+door het verschijnen van de dikke vrouw achter het bovenraam, wat hij
+nu zag joeg hem als een gruwelschrik om 't hart.
+
+Hij stond in een klein, armoedig kamertje, een soort van keukentje
+met een kachel, een tafel en enkele stoelen, dat door één enkel raam
+verlicht was en een vergezicht opende over een gedeelte van de stad
+met schoorsteenen en daken en over eene wijde hemelsuitgestrektheid,
+waarin de glanzend-roode zon door grijze wolkenforten naar het
+prachtig Westen daalde. Het kontrast was aangrijpend tusschen de
+rijke glorie daarbuiten en de schamele bekrompenheid daarbinnen; maar
+het werd tragisch toen een man, dien meneer Bollekens in de
+schemering niet gezien had, van naast het tafeltje opstond en zijn
+donker silhouet tegen het nog helder raam afteekende. Meneer
+Bollekens herkende hem niet dadelijk. Hij moest eerst den klank
+zijner stem hooren, maar toen schrikte hij zóó geweldig, dat hij met
+een doffen gil naar de deur terugdeinsde.
+
+Het was de baas uit de Rosbach! Meneer Bollekens, die hem gevangen
+genomen en gefusilleerd waande, slaakte een kreet:
+
+--Waar komt ge vandaan! Ik dacht dat ge doodgeschoten waart!
+
+--Ze hebben mij gevangen genomen en mij willen fusilleeren, maar toen
+zij ondervonden dat ik onschuldig was, hebben ze mij weer losgelaten,
+antwoordde de man met holle stem.
+
+Meneer Bollekens sloeg van ontzetting de handen in elkaar en
+verademde.
+
+--Goddank! Goddank! Goddank! herhaalde hij voortdurend.
+
+De dikke, steeds schreiende vrouw bood een stoel aan en meneer
+Bollekens ging zitten. De baas uit de Rosbach nam plaats tegenover
+hem en begon langzaam, met droeve stem, te vertellen.
+
+Zij waren onschuldig, geheel en al onschuldig van de misdaad, die men
+hun te laste legde; maar zij waren Duitschers, helaas! en daardoor
+verdacht en slachtoffers geworden van de opgezweepte menigte. Toen
+alles bij hen stukgeslagen was had men hen aangehouden en huiszoeking
+gedaan en natuurlijk niets gevonden, want er was niets te vinden. Men
+had hen weer in vrijheid gesteld, maar wat hadden zij aan die
+vrijheid? Met het opgewonden volk viel niet te redeneeren: zij bleven
+voor alleman de bedriegers en verraders en konden zich, op gevaar van
+hun leven af, nergens meer vertoonen. Sinds tien dagen zaten zij hier
+opgesloten, levend van wat zij nog in huis gevonden hadden en vooral
+van 't bier dat gelukkig nog in den kelder was; maar sinds den
+vorigen dag waren de levensmiddelen op en nu zouden zij van honger
+zitten sterven, als niemand hulp kwam verleenen. Sinds dagen had de
+vrouw meneer Bollekens om het huis heen zien draaien en getracht hem
+teekens te doen, maar hij had er nooit iets van gemerkt, tot hij het
+nu, gelukkig, toen de nood ten top gestegen was, eindelijk gezien
+had. En nu smeekten zij, nu smeekten zij beiden meneer Bollekens op
+hun knieën, dat hij hen toch zou willen helpen, hun eenige
+levensmiddelen zou bezorgen, om hen van den hongerdood te redden.
+
+Star en als versteend zat meneer Bollekens te luisteren. Het woelde
+diep in hem van tegenstrijdige gevoelens, van schrik en medelijden,
+van vaag wantrouwen ook nog, maar een heele poos zei hij geen enkel
+woord. De baas zat weerom tragisch-roerloos nu, met zijn donker
+gezicht tegen het heldere raam, en de vrouw, die even in de hoop op
+redding tot bedaren was gekomen, begon opnieuw te zuchten en te
+schreien, denkend dat meneer Bollekens' lang stilzwijgen een
+afwijzend antwoord beteekende.
+
+--Ach bitte, bitte nur, lieber Herr Bollekens, snikte zij met
+wringende handen... Maar eensklaps maakte meneer Bollekens een breed
+gebaar en, met een stem die trilde van vrees en verlangen:
+
+--En... is ook al het bier nu op? vroeg hij.
+
+De stille, droeve man scheen even op te leven.
+
+--Bier hebben we nog genoeg, meneer, maar van bier alleen kan
+'n mensch toch niet leven, antwoordde hij gedrukt.
+
+Meneer Bollekens was opgestaan. Hij keek omzichtig rond zich heen,
+als vreesde hij onbescheiden getuigen. Toen boog hij over 't tafeltje
+en zei halfluid:
+
+--Verkoop mij enkele vaatjes bier, ik zal er u eetwaren voor in de
+plaats geven.
+
+Zij sprongen bijna op van blijdschap.
+
+--Ach lieber Herr, lieber Herr! weemoedigde de dikke vrouw. En zij
+knelde meneer Bollekens' knobbeljichtige handen in de hare, als van
+een redder.
+
+--Maar zwijgen, hoor, zwijgen! deed hij hen plechtig beloven.
+
+Zij knikten met het hoofd, keurden goed, beloofden alles wat hij maar
+wilde.
+
+In korte woorden werd besloten dat de kleine biertonnen 's avonds
+laat, door meneer Bolleken's koetsier en een helper weggehaald zouden
+worden; en op dezelfde wijze zouden ook de baas en zijn vrouw van
+levensproviand worden voorzien.
+
+Meneer Bollekens stond klaar om te vertrekken en toch ging hij nog
+niet. Het was alsof hem nog iets ontbrak, dat hem moest aangeboden
+worden. Doch zij dachten er blijkbaar niet aan en eindelijk vroeg hij
+het zelf:
+
+--Kunt ge mij nu maar niet dadelijk een glas geven? 'k Heb toch zoo'n
+dorst!
+
+Een soort van glimlach zweefde even op de lippen van den baas,
+terwijl de vrouw zich, met excuses dat ze 't niet had aangeboden,
+naar den kelder spoedde. Ja ja, dat lekker bier, eenmaal als men er
+aan was gewend geraakt!...
+
+Hijgend kwam de dikke vrouw terug, met een groote kruik en twee
+glazen. Meneer Bollekens' oogen glommen waterig, alsof er tranen van
+ontroering in beefden. Met trillende vingers nam hij 't volle glas,
+wenkte even prosit naar den baas en dronk, met volle teugen, als een
+verdorstigde. 't Was leeg ineens, hij zoog met opgekrulde tong het
+bruinachtig schuim van zijn dikke snor, en liet zich nog eens
+inschenken, en dronk ook weer tot den bodem, alsof hij niet te
+verzadigen was.
+
+Toen wou hij weg. De steeds diep-gealarmeerde vrouw poogde hem nog
+even aan de praat te houden over dien ellendigen, ongelukkigen
+oorlog, die hen allen zou ruïneeren; doch meneer Bollekens werd
+gejaagd en zenuwachtig; hij was misschien wel zeer onvoorzichtig
+geweest daar te komen; niemand mocht het weten, men zou het hem
+geweldig kwalijk nemen, hij kon zelf als landsverrader aangehouden
+worden, 't moest alles héél geheim gebeuren; en hij dwong de dikke
+vrouw met hem mee beneden te komen en om den hoek van het houten
+beschot te gaan loeren, of soms niet de politiediender of wie ook in
+de straat te zien was.
+
+Hij voelde zich eerst gerustgesteld toen hij weer veilig in zijn
+prachtig huis zat.
+
+ * * * * *
+
+Als die oorlog nu ook maar aan een einde kwam!...
+
+De heeren Bollekens vader en zoon volgden hartstochtelijk het nieuws
+in de dagbladen en daarin lazen zij van al de groote zegepralen, die
+de vaderlandsche troepen op de vijanden behaalden. Maar ondanks alle
+tegenslagen kwam de gehate, overtalrijke vijand steeds nader en nader
+en de verschrikte heeren Bollekens lazen weldra van afgrijselijke
+moorden, brandstichtingen, plunderingen, verkrachtingen, welke de
+woeste horden op hun vernielings-doortocht bedreven.
+
+Overweldigend greep hen dat aan. De groote veldslagen, waar duizenden
+en duizenden slachtoffers vielen, waren minder afschuwelijk dan die
+afzonderlijke misdaden. Een leger was een anonieme macht, die
+gemeenschappelijk vocht en overwon, of gemeenschappelijk overwonnen
+werd en sneuvelde; maar elke leeggeplunderde en platgebrande
+boerderij of woning was als een van hun eigen boerderijen of woningen
+die uitgestolen werd en afbrandde! elke burger die gedood werd een
+eigen vriend of een familielid die men vermoordde; elke vrouw die
+werd mishandeld, een eigen welbekende of welbeminde vrouw, die men
+mishandelde. Het vaderlands-begrip, dat in de eerste opwelling van
+hartstocht zich wijd en breed over al de kinderen des lands vertakte,
+kromp voor de heeren Bollekens meer en meer tot een steeds nauwer
+sluitend kringetje ineen, naarmate het onmiddellijk gevaar voor hen
+steeds nijpender en dreigend werd. Het Vaderland, dat was per slot
+van rekening hun eigen huis, hun geld en goed, hun eten en hun
+drinken, alles wat zij noodig hadden, alles waar zij recht op hadden
+om gemakkelijk, genoegelijk en welgesteld te kunnen leven.
+
+Alles wat zij niet onmiddellijk en voor dagelijksch gebruik noodig
+hadden, alles wat kón verborgen worden, werd verborgen. In een
+somberen hoek van den diepen kelder graaide de zoon eigenhandig een
+diepen put en daarin verstopten zij heimelijk een massa goud en
+zilver, vorken, lepels, schalen, allerlei kostbaarheden en juweelen.
+Geen ander mensch wist daar iets van af; alleen de knappe meid was op
+de hoogte, maar dat mocht ook wel, die was solidair met hen en
+behoorde om zoo te zeggen tot de familie.
+
+Een groote zorg en droefheid was voor meneer Bollekens vader zijn
+rijk-voorziene wijnkelder. Als ze dáár ooit inbraken!... Maar hij
+wist er geen raad mee, hij kon toch al die duizenden flesschen in den
+grond niet stoppen en hij vertrouwde maar op goed geluk, evenals hij
+hoopte dat zijn prachtig buiten niet geplunderd en zijn rijke
+boerderijen niet uitgebrand of platgeschoten zouden worden.
+
+Meneer Bollekens zoon, van zijn kant, had ook wel zijn afzonderlijke
+zorgen. Hij dacht voornamelijk aan de knappe meid en hoe hij die met
+volle rust en zekerheid tegen alle gevaar zou kunnen beschermen. Hij
+had de zaak reeds grondig bestudeerd en vele plannen vastgesteld, die
+hij om de beurt, als ongeschikt of ontoereikend, opgegeven had. Eerst
+dacht hij haar buiten, bij een hunner meest vertrouwde boeren in
+veiligheid te brengen, als het oogenblik daarvoor zou gekomen zijn.
+Hij zag er van af. De vijand liep en speurde immers overal, tot in de
+meest-afgelegen dorpen en gehuchten. En ook, zelfs zonder de vrees
+voor den vijand, en zelfs bij de degelijkste en meest vertrouwde
+hunner pachters, voelde hij de knappe meid toch nog niet heelemaal in
+veiligheid. Toen dacht hij haar ergens in huis te verstoppen waar men
+haar onmogelijk vinden zou. Ook alweer niet goed. Het huis, hoe groot
+en ruim ook, had geen geheime plaatsen, waar iemand zoo maar dag aan
+dag--en voor hoelang misschien,--kon opgeborgen blijven. Het was
+wanhopend; meneer Bollekens junior scheen maar geen raad te kunnen
+vinden, toen hij plotseling, als door openbaring, op een idee kwam,
+die hem den vinger, in een gebaar van wijsheid, op 't voorhoofd deed
+drukken. Hij had het gevonden!...
+
+Hij had het gevonden, maar deelde 't aan niemand, zelfs en vooral
+niet aan zijn vader mee. Het middel moest geheim blijven tot het
+oogenblik daar was dat het gebruikt zou worden; en werd het niet
+gebruikt zooveel te beter: dan had ook niemand er iets mee te maken.
+
+De beide heeren voelden zich geruster, nadat zij eenmaal, in zooverre
+mogelijk, al hun voorzorgen genomen hadden. Ten slotte was nog niet
+zoo erg veel door den oorlog aan hun levenswijs veranderd; zij waren
+er heel wat beter aan toe dan zooveel anderen, heel wat beter bij
+voorbeeld dan de dikke notaris en de overige stamgenooten der
+Rosbach, die nog maar steeds bleven treuren over de vernieling der
+gemoedelijke herberg, zonder er iets voor in de plaats te vinden.
+
+Want zij, de heeren Bollekens, hadden er wel degelijk iets op
+gevonden. De lekkere tonnetjes waren heimelijk 's nachts uit de
+Rosbach weggehaald en nu hadden de heeren Bollekens zich in hun eigen
+huis en voor zichzelven een soort miniatuur-Rosbachje ingericht, waar
+zij op hun gewone vaste uren de lekkere biertjes verorberden. Zij
+zaten er aan een klein tafeltje, net als in de echte kneip, zij
+hadden er de typische glazen en kruiken, de lange pijpen, tot zelfs
+de vereischte worsten en de gezouten plakken ramenas; en de knappe
+meid diende, met een schortje aan en met haar vriendelijksten
+glimlach, als een ware kellnerin. 't Was in het souterrain, in een
+verscholen kamertje, waar geen mensch hen kon storen, en zij smulden
+er letterlijk van hun gezelligheid en hun geluk, zoo dat ze soms
+heusch niet meer wisten of ze de Rosbach zelf nog wel betreurden en
+er volstrekt niet zoo heelemaal zeker van waren dat zij, ook als het
+mogelijk was, er nog heen zouden gaan. Vader Bollekens' gezondheid
+was ook dadelijk weer uitstekend geworden, hij leed haast niet meer
+van zijn knobbeljicht en de gezwellen aan zijn vingers waren zoo goed
+als verdwenen (wat nog wel eens het duidelijkst bewijs was welke
+ezels toch die dokters waren) en hun eenig bezwaar was eigenlijk dat
+zij iets laakbaars deden, iets antipatriotisch, iets, dat men hen zou
+kwalijk nemen als het moest bekend zijn. Soms voelden zij werkelijk
+wroeging en het gebeurde, wanneer de couranten weer akelige dingen
+over de wreedheid van den vijand mededeelden, dat zij van het
+vijandelijk bier, hoe lekker ook, niet meer wilden proeven. Zij
+schaamden zich, zij werden woedend, zij zwoeren er hun eed op dat zij
+niet meer wilden. Maar de maag wilde nog, de maag leed, de maag
+eischte, de maag grolde en roffelde van graagte naar het bier, en zij
+bezweken...
+
+ * * * * *
+
+En zoo kwamen van lieverlede de benauwde uren...
+
+Al lang had het kanon gegromd in de verte, als een verwijderd onweer,
+maar sinds de laatste dagen was het duidelijker hoorbaar, in bonzen
+en slagen, die soms de ruiten deden daveren, terwijl gansche,
+leeggeloopen gewesten in wanorde naar de stad kwamen gevlucht. Aldoor
+maar naderde de afschuwelijke vijand die, naar het heette, steeds
+werd overwonnen, en eindelijk, op een ochtend, nadat de laatste
+vaderlandsche strijders met hun legertros in haast waren
+teruggetrokken, was hij daar, zoo heel natuurlijk, alsof 't van zelf
+sprak dat hij daar verwacht werd en zou komen: eerst slechts enkele
+kerels te paard of per rijwiel, en dadelijk daarop drommen, en
+drommen, en drommen: een dreunende invasie van grijs-gëuniformde,
+grijs-gehelmde, griezelig-zingende horden, met paarden, wagens,
+auto's en kanonnen, die zich als een vloed over de gansche stad
+verspreidde.
+
+De heeren Bollekens vader en zoon, in hun huis verscholen, hoorden en
+zagen dat van verre aanbruisen. Daar waren ze nu eindelijk, de alom
+gevreesde overweldigers, de veroveraars, de wreedaards! Zij hielden
+reeds de gansche stad onder hun hiel gedrukt en 't eertijds vrije
+volk was in een slavenras veranderd.
+
+De heeren Bollekens waren diep ontroerd. Zij vergaten voor een
+oogenblik hun zelfzuchtigen angst en voelden diep mee het
+onrechtvaardig lijden van hun gansche volk. Zij verwenschten en
+vervloekten den gehaten vijand en sidderden van machtelooze woede.
+Zij zagen van verre de verfoeide benden over een breed plein
+openvloeien; zij hoorden het snerpend-schril gefluit en het gebrul
+der commando's en plotseling barstte juichende muziek los en klonken
+wilde hoezee-kreten, terwijl de horden uit elkaar stoven. En op
+datzelfde oogenblik woonden de heeren Bollekens een schouwspel bij,
+dat hen van ziedenden toorn de vuisten in elkaar deed krimpen: als
+onder een rukwind stortte eensklaps het houten beschot vóór de
+vernielde Rosbach ten gronde en de baas kwam jubelend, met zwaaiende
+armen, midden op de straat staan, terwijl zijn dikke vrouw, met
+rood-verhit gelaat, een van de bovenramen openrukte en er een
+wapperende, vijandelijke vlag uithing!
+
+--O, de schurken, de spionnen, de verraders! Dàt zal niet vergeten
+worden! gromden de heeren Bollekens, bleek van woede, met gebalde
+vuisten.
+
+Meneer Bollekens vader was opgestaan en liep gejaagd heen en weer.
+Hij deelde bevelen uit aan den koetsier en aan de keukenmeid, die met
+tranen van schrik in de oogen kwamen vragen wat ze nu moesten doen.
+Meneer Bollekens junior drukte zenuwachtig op het knopje der
+electrische schel en liet de knappe meid naar boven komen.
+
+Zij stond daar dadelijk, in donkere kleedij, met hooge kraag en
+slechts enkele bescheiden versierselen, als iemand die een stillen
+rouw draagt. Aan den middenvinger van haar rechterhand blonk een
+effen ronde ring: een trouwring. Ietwat verwonderd keek meneer
+Bollekens senior haar aan.
+
+Ondanks al zijn brutaal aplomb van verwende eenige zoon, kostte
+'t Bollekens junior toch wat inspanning om aan zijn vader de list te
+bekennen dien hij verzonnen had, om eventueel de eer en deugd der
+knappe meid te redden. Er werd verwacht, zooals in andere plaatsen
+was gebeurd, dat de gegoede burgers van de stad gedwongen
+inkwartiering van den vijand zouden krijgen. Men wist wat dat
+beteekende. Die kerels eischten van alles het beste en het duurste;
+niets werd ontzien en wel het minst de eer der vrouwen. Zulk een
+knappe meid, dat sprak vanzelf, was een aangewezen slachtoffer. Dat
+zou de heer Bollekens junior in zijn vader's huis niet dulden. Hij had
+er lang op gestudeerd hoe hij haar redden kon; hij had eraan gedacht
+haar hier in huis of buiten bij de boeren te verbergen; doch dat
+alles zou niets baten en eindelijk, als laatst en eenig
+reddingsmiddel, had hij besloten haar aan die kerels, als zij kwamen,
+voor te stellen als zijn wettige vrouw, om haar te doen eerbiedigen.
+
+Meneer Bollekens vader schokte letterlijk van verontwaardigde
+verbazing op.
+
+--Ja maar, enfin, zijt ge zot geworden, jongen! gilde hij 't uit.
+
+De knappe meid kreeg een vuurkleur en haar mooie oogen fonkelden even
+toornig, terwijl zij, als in plotsen opstand, een beweging naar de
+deur maakte.
+
+--Blijf hier! gebood haar, kortaf, Bollekens junior. En, tot zijn
+vader, met stugge vastberadenheid:
+
+--Papa, 't een of 't ander, zei hij. Ofwel zooals ik zeg; ofwel ik
+met haar weg!
+
+Meneer Bollekens vader slaakte een wanhoopskreet.
+
+--Maar wat zullen de koetsier en de keukenmeid daarvan zeggen?
+kreunde hij, reeds wankelend.
+
+--Dat is al allemaal geärrangeerd; alles in orde, verzekerde de
+zoon.
+
+Machteloos-overwonnen zakte meneer Bollekens in een leunstoel neer.
+
+Hard werd buiten aan de deur gebeld. De beide heeren schrikten hevig
+op.
+
+--Zouden ze daar al zijn? hijgde vader Bollekens.
+
+De zoon vloog naar het raam en zei dat de straat vol soldaten stond.
+In en om de Rosbach krioelde 't als in een mierennest.
+
+--Ach God! Ach God! jammerde meneer Bollekens, een bevende hand op
+zijn bonzend hart drukkend.
+
+De salondeur werd geopend en doodsbleek, met groote, zwarte
+schrikoogen verscheen de keukenmeid op den drempel.
+
+--Meneer, er zijn er daar al twee en ze zeggen dat ze hier komen
+inwonen! verklaarde de meid, amechtig-hikkend. Wat moet ik er mee
+doen, meneer.
+
+Vader Bollekens gaf niet dadelijk antwoord; hij kon niet. Hij zakte
+in zijn leunstoel achterover, met half open mond en even dichte
+oogen, alsof hij een beroerte nabij was.
+
+--Wat zijn het? vroeg de zoon, die zich nog betrekkelijk goed hield.
+
+--Wat belieft er u, meneer? vroeg de verwilderde meid, niet begrijpend
+wat de zoon bedoelde.
+
+--Wel, wat of 't zijn: officieren of simpelen? herhaalde hij ongeduldig.
+
+--Officieren, meneer, officieren, ze hebben gezegd dat z' officieren
+zijn, antwoordde de ontstelde meid deemoedig.
+
+--Goed; laat ze boven komen, besloot meneer Bollekens junior op een
+toon alsof hij een heldhaftig besluit nam. De meid verdween.
+
+--Ga daar zitten, in dien fauteuil, recht voor Papa, zei de zoon tot
+de knappe meid. En hij begeleidde haar tot de aangewezen plaats. Er
+werd bescheiden op de deur geklopt.
+
+--Entrez! riep de zoon met een plechtige stem. De deur ging open en
+een grijze gedaante stond fiks, hakken bij elkaar, linkerhand langs
+den broeknaad, rechterhand aan rechterslaap, groetend op den
+drempel.
+
+--Entrez, entrez, herhaalde Bollekens junior.
+
+De man kwam binnen en een tweede volgde, met precies hetzelfde manuaal.
+
+--Entrez, entrez, herhaalde nog eens Bollekens junior.
+
+Ook de tweede man kwam binnen en deed de deur achter zich toe.
+
+--Wij zijn hier op bevel van den Kommandant ingekwartierd, begon de
+eerste, op zeer beleefden toon en in volkomen duidelijk Vlaamsch. Wij
+hopen u niet te veel last te zullen geven: oorlog is oorlog... En
+hij glimlachte vriendelijk, met witte tanden onder blonde snor.
+
+--Gaat zitten, heeren, gaat zitten, zei meneer Bollekens vader, die
+ietwat bijgekomen was en met bevende vingers stoelen aanwees.
+
+De knappe meid, wellicht instinctief aan een dienstplichtige gewoonte
+gehoorzamend, was reeds opgestaan om de stoelen bij te schuiven, maar
+de beide officieren, overmatig beleefd, namen haar dadelijk 't werk
+uit de handen, bogen voor haar, excuseerden zich.
+
+Bollekens junior achtte 't oogenblik gekomen om de voorstellingen te
+doen.
+
+--Dat is mijn vader, zei hij.
+
+De officieren, nauwelijks gezeten, stonden weer op, klakten de hielen
+bij elkaar. De oude man, geintimideerd, stak hen bevend zijn
+knobbeljichtige hand toe. Alles ging uitstekend, heel anders dan
+iedereen verwacht had.
+
+--En mijn vrouw, zei Bollekens junior, ook minder stijf en stug wordend
+en zich tot de knappe meid omkeerend.
+
+Weer klakten de hielen en nog dieper bogen de stramme ruggen.
+"Gnädige Frau,"... zei er een. De knappe meid kreeg een kleur en,
+evenals meneer Bollekens, stak zij, ietwat aarzelend, haar hand uit.
+
+'t Was of ze die gingen opeten. Zij bukten er op neer en kusten die.
+De knappe meid sidderde er even van en Bollekens junior schokte ervan
+op doch hield zich goed.
+
+Nu zaten zij even en keken elkander aan. De eerste officier had een
+levendig gezicht, bruingebrand door zon en buitenlucht, met héél
+lichte, stoutmoedig en geestdriftig schitterende oogen. Dat was er
+wel een die desnoods durfde, een die niet gauw voor iets
+terugdeinsde. De andere had een meer gëeffaceerd uiterlijk, een
+beetje boersch en gegeneerd.
+
+'t Was vreemd, maar het gelaat van den eerste kwam den heeren
+Bollekens niet onbekend voor. Die blonde snor, die geestdriftige
+oogen, waar hadden zij die wel meer gezien? En 't eigenaardigste was,
+dat de man van zijn kant oolijk glimlachte, als waren ook hèm die
+heeren niet heelemaal vreemd. Meneer Bollekens vader kon zijn
+onrustige nieuwsgierigheid niet langer bedwingen.
+
+--Het is curieus, meneer, zei hij, maar uw gezicht is mij niets
+vreemd.
+
+De jonge officier moest even hartelijk lachen.
+
+--Het uwe is mij dat ook niet, meneer Bollekens, antwoordde hij.
+
+Strak en ernstig keek meneer Bollekens hem aan.
+
+--Wat,... zijt gij misschien... begon hij, maar aarzelde.
+
+--Jawel, jawel, lachte de officier gemoedelijk. Daar... en hij wees
+door het raam.
+
+--In de Rosbach? riep meneer Bollekens gansch ontsteld. Zijt gij...
+
+--Jawel, jawel, lachte opnieuw de militair, ik ben de zoon van den
+baas uit de Rosbach: wij hebben elkaar dikwijls genoeg gezien.
+
+'t Werd plotseling kil om meneer Bollekens' hart. Wat! De zoon van
+den spion, van den verrader, waarschijnlijk zelf spion en verrader,
+die had hij in zijn huis! Een heele poos bleef hij roerloos en
+zwijgend, met op zijn knieën uitgestrekte, sidderende handen. Meneer
+Bollekens junior stond even op en ging naar de bel, als 't ware om
+zich een houding te geven, en de knappe meid volgde hem machinaal,
+stil-vragend wat hij verlangde.
+
+--Die heeren zullen wellicht hun kamers willen zien, zei hij, zich
+tot de officieren omkeerend.
+
+--Graag, antwoordden zij.
+
+--Zal ik hier eerst een glas port laten brengen of wenschen de
+heeren liefst later iets te gebruiken?
+
+--We zouden ons liever eerst een beetje opfrisschen, zei de zoon uit
+de Rosbach.
+
+De knecht kwam binnen en de militairen stonden op. Strak-hakklakkend
+bogen zij ceremonieus voor de knappe meid en voor de beide
+gastheeren. Toen volgden zij, met stramme, afgemeten passen, den
+huisknecht-koetsier naar hun respectieve kamers.
+
+In doodsch stilzwijgen keken de heeren Bollekens en de knappe meid
+elkander even aan. 't Was of er plotseling een groote ramp over het
+huis was neergekomen...
+
+ * * * * *
+
+Enkele dagen na de bezetting van de stad ontmoette meneer Bollekens
+vader zijn vroegeren stamgast-vriend den dikken notaris.
+
+--Weet ge dat de Rosbach weer open is? was 't eerste wat de dikkerd
+zei.
+
+Meneer Bollekens wist het, en nog wel eerder dan zijn biervriend.
+Doch het scheen niet bij hem den hartstocht op te wekken, dien het
+blijkbaar op het gemoed van den notaris uitoefende. Meneer Bollekens
+haalde vrij mistroostig zijn schouders op en zei al niet veel.
+
+--Ik ben d'r toch eens geweest; 'k wilde dat eens zien, vertelde de
+notaris. Maar het is er niet meer als destijds, bekende hij. 't Zat
+er nu vol lawaaiende soldaten en ook de baas is er in deemoedige
+dienstwilligheid niet op vooruitgegaan. Ik heb met haast mijn glas
+bier uitgedronken, dat toch wel heerlijk smaakte na al die lange
+dagen van ontbering, en dan ben ik dadelijk weggegaan.
+
+--Ik ben d'r niet geweest en zàl d'r ook niet meer komen, antwoordde
+meneer Bollekens, met een bij hem gansch ongewoon klinkende
+vastberadenheid.
+
+De dikkerd keek hem eenigszins verwonderd aan. Meneer Bollekens leek
+hem een ander mensch geworden: vermagerd, vertriestigd, met een
+strakke groef van zorg tusschen de gefronste wenkbrauwen.
+
+--Zijt ge ziek? vroeg de dikkerd.
+
+--Ik ben niet ziek, antwoordde meneer Bollekens, maar die oorlog...
+o, die oorlog... hij demoralizeert,... hij demoralizeert...
+
+ * * * * *
+
+Daags vóór de bezetting, toen de vijandelijke troepen elk oogenblik
+verwacht werden, had iemand hem gezegd: "Ge zult zien, het valt
+ontzettend mee. 't Zijn andere uniformen in de stad, en verder gaat
+het leven zijn gewone gangetje." Maar een tweede kennis, die in een
+der bezette steden had geleefd, waarschuwde meneer Bollekens: "Het is
+afschuwelijk: men voelt zich als een gevangen vreemdeling in zijn
+eigen land, in zijn eigen stad, in zijn eigen huis; het werkte zóó
+demoralizeerend op mij, dat ik er voor gevlucht ben en ook nog verder
+vluchten zal als ze naar hier komen."
+
+En meneer Bollekens moest bekennen, dat de tweede zegsman, helaas!
+wel gelijk had.
+
+Persoonlijk had hij over zijn twee ingekwartierde officieren niet te
+klagen. Zij bleven hoogst beleefd en vormelijk, maar zij waren daar
+'s morgens, zij waren daar 's middags, zij waren daar 's avonds, want
+zij behoorden tot de blijvende bezetting en meneer Bollekens was
+eensklaps uit al zijn oude, dierbare gewoonten gerukt en voelde zich
+niet meer meester in zijn eigen huis. 't Was ongeloofelijk hoe sterk
+dat op hem inwerkte. Hij kende absoluut geen rust meer, leefde
+voortdurend op zijn hoede voor allerlei verwachte en gevreesde,
+onaangename gebeurtenissen. Het was een drukking van elk oogenblik,
+iets dat in de lucht hing, dat met die kerels in-en uit-ging, dat
+met hen meezweefde, dat zich weerspiegelde tot in de meest gewone,
+alledaagsche voorvallen van 't leven. Het was, zooals zijn vriend
+gezegd had, een algemeen gevoel van demoralizeering, dat overal zijn
+droevigen stempel drukte.
+
+Het ergste deed zich dat voelen aan de maaltijden. Meneer Bollekens
+had geen trek meer, omdat die twee daar mee aanzaten. Doch niet
+alleen de vijand, ook de aanwezigheid der knappe meid was iets
+waaraan hij, met den besten wil, niet wennen kon. En hij moest
+zwijgen, en glimlachen, en beleefd zijn, en dat alles maar
+aanvaarden, alsof het heel natuurlijk was. Soms had hij hardop van
+ellende kunnen schreien.
+
+Toen kwamen de vexaties: eerst de kleine, weldra de groote. Op een
+ochtend kwamen zijn ingekwartierde gasten binnen, door twee anderen
+vergezeld. Allen even vormelijk-beleefd, allen even stram-salueerend
+en hakklakkend, maar met een opdracht, een bevel tot requisitie.
+Meneer Bollekens had twee paarden en een daarvan werd opgeëischt.
+Meneer Bollekens mocht kiezen 't welk van de twee hij wenschte te
+houden en voor het andere kreeg hij een bon, betaalbaar na den
+oorlog.
+
+Nauwelijks was dat gebeurd, of twee andere kerels kwamen meneer
+Bollekens verzoeken, of hij zeer nauwkeurig wilde opgeven hoeveel
+flesschen wijn van diverse soorten hij in zijn kelder had.
+
+Meneer Bollekens schrikte geweldig. Wat! Zijn wijnkelder, zijn
+heiligdom, gingen ze ook daaraan tornen! En meteen dacht hij vol
+angst aan al het zilver en de kostbaarheden, welke zijn zoon in dien
+zelfden kelder onder den grond bedolven had. Even poogde hij tegen te
+stribbelen, maar de ongewenschte bezoekers stramden zich en
+hakklakten, verzekerend dat het hun heel erg speet, maar dat het een
+algemeen bevel was, waaraan voldaan moest worden. Bevend en
+knieknikkend daalde meneer Bollekens met hen in den kelder.
+Zorgvuldig werden al de flesschen geteld en op een boekje
+aangeteekend en vóór de dag ten einde was stond daar een militaire
+wagen bij het huis en een zeer groot aantal flesschen werden
+opgeladen, waarvoor meneer Bollekens, evenals voor het paard, nog
+eens een bonnetje kreeg, betaalbaar na den oorlog.
+
+Toen, op een ochtend, kwamen drie van zijn pachters en de tuinbaas
+van zijn buiten hem bezoeken. De boeren hadden geconsterneerde
+gezichten en de tuinman begon plotseling te snikken, toen hij meneer
+Bollekens zag.
+
+--Wat is er gebeurd! riep meneer Bollekens hevig geschrokken.
+
+Zij vertelden het hem. Soldaten waren op de boerderijen aangekomen en
+hadden daar, op gezagvoerenden toon, van alles opgeëischt: drie
+runderen, tien varkens, ontelbare kippen en eieren en vele duizenden
+kilos aardappelen, tarwe en haver. In betaling hadden zij bonnetjes
+afgeleverd, welke de boeren, met bevende vingers, hun meester lieten
+zien. Maar op het kasteel was het erger geweest: daar waren zij,
+bewerend dat het buiten onbewoond was en dus aan niemand toebehoorde,
+met geweld binnen gebroken, vertelde de schreiende tuinman, en hadden
+er al den wijn en ook al de kleeren van meneer en van zijn zoon
+gestolen. En toen de tuinman hen dat wou beletten, hadden zij
+gedreigd hem neer te schieten.
+
+Meneer Bollekens gilde 't van verontwaardiging uit! Wat! De schurken!
+En, daar zijn twee ingekwartierden juist binnenkwamen, liet hij,
+sidderend van woede, de scherpste verwijten hooren.
+
+Die konden het niet helpen, zeiden zij. De zoon uit de Rosbach
+beloofde echter er zijn kommandant over te spreken, maar... 't is
+oorlog, voegde hij er glimlachend bij, als om er meneer Bollekens op
+voor te bereiden, dat het wel niet veel baten zou.
+
+ * * * * *
+
+In soortgelijke, en ook andere angsten, leefde Bollekens junior. Die
+had, sinds de komst der officieren, iets strams gekregen in zijn
+houding, alsof hij zelf een militair geworden was. Onbewust deed hij
+hen na, richtte zich stijf op zoodra zij binnen kwamen, klakte zijn
+hielen bij elkaar, als in een stug verdedigingsgebaar. Wat hij vooral
+en in de eerste plaats had te verdedigen, dat was de eer en deugd der
+knappe meid en deze zorg vulde zijn gansche dagen. Bij nachte was hij
+daar niet bang voor, maar overdag genoot hij weinig rust en durfde
+bijna niet meer uitgaan, vooral sinds hij eenmaal, thuiskomend, de
+zoon uit de Rosbach boven, in 't salon, alleen in gesprek met haar
+vond.
+
+'t Was tegen den avond en zij zaten rechts en links van een der
+ramen, in halve schemering. Het sloeg hem in de beenen toen hij dat
+zag en even kon hij geen woord uitbrengen. Doch de jonge
+luitenant stond dadelijk heel correct op en groette en na enkele
+banale woorden nam hij vormelijk afscheid en verliet de kamer.
+
+--Zat hij daar al lang? vroeg Bollekens junior met streng gezicht,
+zoodra de militair verdwenen was.
+
+--Zoo, misschien een kwartiertje, antwoordde zij.
+
+Haar wangen waren hooggekleurd en haar oogen tintelden levendig.
+Bollekens junior vertrouwde 't heelemaal niet.
+
+--Waarover spraakt ge? vorschte hij,
+
+--O, over alles en over niets.
+
+Hij werd nog meer wantrouwend.
+
+--Het schijnt toch wel, zei hij, dat ik het niet mocht hooren, want
+hij ging dadelijk weg.
+
+Zij zweeg.
+
+--Ik wil het weten! riep hij, eensklaps jaloersch opvliegend, als
+een verwend kind. Wat zei hij!
+
+Zij aarzelde nog even en toen antwoordde zij:
+
+--Hij gelooft het niet, dat we getrouwd zijn.
+
+Bollekens junior sprong als onder een zweepslag op.
+
+--Wat! kreet hij. Hebt gij hem dat gezegd?
+
+--Ik heb het hem niet moeten zeggen, hij kent mij al van vroeger en
+heeft door zijn vader over mij gehoord, bekende zij.
+
+--O! die schurk! die spion! riep Bollekens zijn vuisten naar de
+Rosbach ballend.
+
+Opnieuw zat zij een poos stilzwijgend, als in geheime gepeinzen.
+
+--Waarom doet ge 't ook niet? vroeg zij eindelijk.
+
+--Wat meent ge? zei hij.
+
+--Met me trouwen.
+
+Hij schokte om, vloog, als in plotseling ontstoken woede, naar de
+deur toe.
+
+--Ik verbied u, hoort ge, ik verbied u nog ooit een woord met dien
+kerel te spreken! gilde hij, den deurknop in zijn hand houdend.
+
+De deur ging als vanzelf open en zijn vader kwam strompelend en
+zuchtend binnen.
+
+--Wilt ge nu eens wat weten, jammerde de oude man: ze moeten 't ander
+paard nu ook hebben.
+
+--Nom de nom de Dieu! brulde Bollekens junior.
+
+De oude man was als geknakt. Hij strompelde naar zijn leunstoel en
+liet er zich zwaar in neervallen.
+
+--Ik kan dat leven niet langer uithouden, ik kàn niet meer, kreunde
+hij. En groote, dikke tranen rolden over zijn ingevallen wangen.
+
+ * * * * *
+
+Ondertusschen verliepen de dagen. Langzaam en droevig volgden zij
+elkander op, zonder andere afwisseling dan de stil-smachtende hoop op
+een verlossing, die steeds nabij scheen en telkens weer verijdeld
+werd. Soms hoorden de menschen het doffe gebrom van verre kanonnen en
+zij dachten: "daar naderen onze redders!" Maar na enkele uren zwegen
+de kanonnen en de redders kwamen niet.
+
+Men raakte er aan gewend. Het was zoo vast en zeker, dat steeds, na
+elke korte opvlamming van hoop, de bittere teleurstelling zou volgen,
+dat men maar niet meer hoopte en gelaten de schouders ophaalde
+wanneer nog iemand een bemoedigende tijding aanbracht. Men leefde
+machinaal, automatisch, en 't eenige gevoel dat men nog kende was dat
+eener grenzenlooze, doodende verveling.
+
+Vooral de oude heer was in dien korten tijd bedroevend achteruit
+gegaan. Hij leek dezelfde mensch niet meer. Hij was opeens als
+'t ware ingestort, een wrak geworden. Hij had geen wil en geen
+Verlangen meer, hij zat daar gansche dagen suffig door het raam te
+staren en wanneer men hem iets vroeg keek hij verwilderd op, alsof er
+alweer een nieuwe ramp zou gebeuren.
+
+De knappe meid, die hem dikwijls gezelschap hield, poogde te vergeefs
+hem op te fleuren. Hij werd chagrijnig onder haar voorkomendheid en
+eens, toen zij hem nog eens van het lekker bier wilde doen proeven,
+waarop hij vroeger zoo gesteld was, werd hij plotseling woedend en
+schreeuwde dreigend dat ze daarover zwijgen moest, of dat hij haar op
+straat zou gooien. En hij slingerde haar een beschuldiging naar het
+hoofd die haar deed schrikken; hij verweet haar dat ze met den vijand
+heulde, dat ze relaties had aangeknoopt met dien officier, den zoon
+van den verrader uit de Rosbach en dat hij 't aan zijn zoon zou
+zeggen.
+
+En hij zei het werkelijk, op een avond, met eensklaps opvlammenden
+haat, nadat de beide officieren zich voor de nachtelijke rust hadden
+teruggetrokken.
+
+De zoon, verwoed, liet dadelijk de knappe meid naar boven komen
+en schreeuwde haar in tegenwoordigheid van zijn vader,
+'t beleedigend verwijt in het gezicht. Zij werd heel bleek en stug
+sloot zij haar lippen op elkaar.
+
+--Het is dus waar! bulderde hij. Gij bedriegt mij met dien schurk,
+met dien vijand, dien verrader!
+
+--Ik bedrieg u niet, beet ze kort van zich af, maar hij houdt van mij
+en heeft mij ten huwelijk gevraagd.
+
+--En... en... en ge zult dat doen! stotterde de zoon, dansend
+van woede.
+
+--Is trouwen dan een oneerlijke daad? antwoordde zij koel.
+
+De oude man begon plotseling in zijn fauteuil hardop te snikken. Dat
+klonk zoo akelig en zoo griezelig, dat ze beiden ontroerd naar hem
+toesnelden.
+
+--Waarom schreit ge, papa? vroeg de zoon.
+
+Meneer Bollekens kon geen antwoord geven. Hij bewoog het hoofd alsof
+hij iets zeggen wou, maar geen duidelijke klank kwam uit zijn droeven
+mond. Er was tè veel waarover hij schreide, tè veel om het in woorden
+uit te brengen.
+
+ * * * * *
+
+En toch: had meneer Bollekens kunnen vermoeden wat er twee dagen
+later te gebeuren stond, dan zou hij zeker niet gejammerd en
+geschreid hebben.
+
+Twee dagen later, omstreeks schemeruur, zat meneer Bollekens eenzaam
+in zijn bovenkamer, neerslachtig starend door het raam naar de drukte
+van soldaten om en bij de Rosbach, toen er bescheiden op de
+binnendeur werd aangeklopt.
+
+Meneer Bollekens antwoordde met het geijkt "entrez" en zijn twee
+ingekwartierde officieren traden binnen.
+
+Zij zagen er ernstig en zelfs eenigszins gedrukt uit. Zij klakten
+minder stram als naar gewoonte hun hakken bij elkaar en de oudste van
+de twee, de Rosbachkerel, zei:
+
+--Herr Bollekens, wij komen afscheid van u nemen. Wij vertrekken
+morgen ochtend naar het front. Wij zijn hier zeer tevreden geweest en
+wenschen u, uw zoon en zijn vrouw zeer hartelijk voor de genoten
+gastvrijheid te danken.
+
+'t Was meneer Bollekens te moede alsof hij eensklaps de stralende
+ochtendzon over een grijs nevelveld zag oprijzen. Hij was op 't punt
+het uit te gillen van blijdschap, maar wist zich toch nog goed te
+houden en mompelde zelfs iets van "dat 't hem speet en dat hij
+hoopte, dat ze behouden in hun land zouden terugkeeren."
+
+Zij grijnsden even en bogen, maar 't was hen duidelijk genoeg aan te
+zien, dat zij die plotselinge oproeping niet buitengewoon op prijs
+stelden. De Rosbachkerel bekende 't zelf zonder omwegen:
+
+--Eigenlijk waren we nog wel liever hier gebleven.
+
+Ook dat begreep meneer Bollekens volkomen. Maar eensklaps
+overweldigde hem een vreeselijke angst:
+
+--Zullen we nu andere inkwartiering krijgen? vroeg hij.
+
+--Neen, dat geloof ik niet, er zullen hier heel weinig troepen
+achterblijven, antwoordde de Rosbach-man.
+
+Hooger rees de stralende zon van hoop en verlossing in meneer
+Bollekens' verlicht gemoed.
+
+--Maar ge blijft hier vanavond toch nog eten en slapen, niet waar?
+
+--Neen, ook dàt niet. Zij wilden graag dien laatsten avond in de
+Rosbach, bij zijn ouders doorbrengen. Neen; 't was uit: zij kwamen
+definitief afscheid nemen. En zij klakten slapjes de hielen bij
+elkaar en reikten de hand.
+
+Weer ging de deur open en de zoon met de knappe meid traden binnen.
+Dadelijk deelde meneer Bollekens hun 't gewichtig nieuws mede.
+
+Stram trok Bollekens junior zijn hielen bij elkaar, als in
+defensiehouding en zijn strakke oogen peilden het gezicht der knappe
+meid, dat trouwens geen de minste ontroering verried. Zij hadden
+juist een geweldige scene gehad. De knappe meid had hem voor een
+beslissende keuze gesteld: ofwel hij zou haar werkelijk tot wettige
+vrouw nemen, of zij zou na den oorlog trouwen met den Rosbach-kerel,
+die een flink en eerlijk man was en zielsveel van haar hield.
+
+--Gij zijt een slet, een vod! had woedend de zoon haar verweten; maar
+verder had hij toch niet neen gezegd en de knappe meid voelde wel,
+dat zij hem in haar strikken hield.
+
+Maar 't onverwacht vertrek der mannen gooide eensklaps alles om en
+hij grijnsde van geheim triomfgenot, terwijl zij stug hare
+teleurstelling verbeet.
+
+In zijn heropgewekt gemoed wilde vader Bollekens niet, dat ze zoo met
+leegte handen van elkander zouden scheiden. Hij verzocht zijn gasten
+nog even te zitten en liet een van de laatste en lekkerste flesschen
+champagne ophalen, die, na de herhaalde requisities, in zijn kelder
+overgebleven waren. Er werd geprosit, gedronken en gehakklakt en na
+herhaalde handdrukken en afscheidskussen op de hand der knappe meid,
+waren zij eindelijk weg.
+
+Zeven weken hadden zij daar doorgebracht
+
+ * * * * *
+
+Den volgenden ochtend, in de vroegte, zagen de heeren Bollekens het
+leger vertrekken.
+
+Zij woonden 't schouwspel bij van op hun bovenkamer, en hadden van
+daar uit een prachtig overzicht, terwijl de troepen het nabijgelegen
+plein verlieten en in gesloten gelederen de hellende straat oprukten.
+
+Eerst kwamen de wielrijders: honderden en honderden, in viervoudige
+rijen, met de karabijn over den rug. Het had iets van een vroolijke
+parade, als een feestelijk uitstapje van een reuzenfietsclub. Alleen de
+geweren deden ietwat grimmig aan.
+
+Toen kwamen de paarden. De straten kletterden en dreunden van het
+hoevengetrappel. De groote, stoere kerels zaten er op, de lansen
+gespitst, met wapperende wit-en zwarte-vlaggetjes, als duizenden en
+duizenden gevangen, maar nog vleugel-klapperende zwaluwen. Zij maakten
+grooten, barschen, wreeden indruk. Wreed vooral door hun shapska's,
+waarop een doodskop met gekruiste botten stond geprent. De honderden
+toeschouwers langs de straten beefden voor die macabere
+doodsverschijningen. 't Was als een leger van lijken, wraakgierig uit
+hun graftomben opgestaan. Doch de eerste indruk verzwakte, er waren
+er tè veel en de overdaad verminderde de griezeligheid.
+
+Toen kwam het voetvolk. Een hoofdman te paard voorop, met grijzen
+punthelm en met langen, grijzen, over den rug van het paard slependen
+mantel, en daar achter de mannen, in gesloten formatie, hun duizenden
+stappen als één enkelen dreunstap tegen de huizen opgalmend, terwijl
+de duizenden en duizenden punten der helmen door elkander wemelden en
+wriemelden, als een krioeling van vluchtende ratten over een
+bruisende en deinende zee. Bij tusschenpoozen roffelden de trommen en
+piepten klagelijk de pijpers. En dan zongen zij, met zware, logge
+stemmen, griezelig droef-klinkende liederen. Het kwam van verre
+aangegolfd als een sombere klacht vol wraaklust en vernieling, het
+overstemde alle andere geluiden, het bulderde even als een orkaan
+tegen de hooge huizen op en nam dan langzaam in de verte af om op een
+ander punt weer somber aan te zwellen, aldoor, aldoor, gelijk een
+alles-overweldigende oerkracht, waartegen niets kon weerstand bieden.
+
+Toen kwamen de kanonnen...
+
+Roerloos voor hun venster naast elkaar gedrongen, zagen de heeren
+Bollekens die kolossale macht voorbij trekken. Zij kregen het benauwd
+van angst en begrepen niet hoe zulk een leger ooit moest overwonnen
+worden. En toch, naarmate de vloed onder hun oogen verdween en als
+'t ware in 't onbekende wegsmolt, scheen het hen toe alsof dat ruw
+geweld toch eigenlijk maar van vergankelijken aard was en ten slotte
+niets vermocht tegen den vasten, trouwen, eeuwenouden gang van het
+gewone, dagelijksch leven. Zij hadden zwaar onder de overrompeling
+gezucht en geleden, zij hadden diep getreurd en lang gewanhoopt, maar
+duidelijk voelden zij nu met het aftrekkend, vijandelijk leger de
+hoop en het geloof in betere dagen als een lente in zich opbloeien,
+en toen de laatste benden heen waren en in de wekenlang gestoorde
+stad weer rust en stilte was gekomen, toen voelden ze zich ook weer
+meester in hun eigen huis geworden.
+
+'t Was een herleving, een zalige herleving, wellicht onzeker nog,
+maar toch zoo vol van heerlijke beloften. 't Was als een milde adem
+van verzoening over alles heen en meneer Bollekens senior verklaarde
+jubelend dat hij zich ineens genezen voelde en meneer Bollekens
+junior stramde zijn ledematen en zei dat hij nu vol vertrouwen in de
+toekomst had.
+
+ * * * * *
+
+Dien avond, voor het eerst na zeven lange weken, zaten zij weer
+vertrouwelijk samen bij hun groote glazen in het kelderkamertje, dat
+zij zoo gezellig tot een bierkneip hadden ingericht. Het was
+misschien niet onberispelijk vaderlandslievend, dat zij zoo gauw weer
+den vijandelijken drank gebruikten, doch wat moesten ze doen, de
+vijanden hadden wel hun wijnkelder geplunderd, en, wat er ook
+gebeurde, in de Rosbach, in de spelonk van de spionnen en verraders,
+zouden zij nooit een voet meer zetten, daar zwoeren zij hun
+plechtigsten eed op.
+
+En zij dronken gretig en zij rookten uit hun lange pijpen; en de
+knappe meid, die op verzoek haar dameskleeren en haar trouwring had
+afgelegd, bediende hen weer in een net schortje als een echte
+kellnerin, eerst even nog met een gezicht vol nurkschen wrok, maar
+ook van lieverlede meer meegaande en verzoenender gestemd, tot zij
+weldra zoo goed als weer de oude was, in 't algemeen heropleven van
+alles wat zoo vele jaren vast en trouw bestaan had.
+
+Bescheiden werd er op de deur geklopt. De knappe meid ging open doen
+en het verlept gezicht der oude keukenmeid verscheen in 't deurgat.
+
+--Meneer, zei ze, op een toon die innerlijk jubelde, de vischman is
+daar, die mij meedeelt dat de eerste bezendingen oesters daar juist
+aangekomen zijn. Zouden we van avond niet...
+
+De beide heeren Bollekens lieten haar niet uitspreken.
+
+--Oesters! riepen zij. Dadelijk, Marie, dadelijk! Is de man daar
+nog? Heeft hij ze bij zich?
+
+De oude heer stond op, had geen rust, wilde de oesters zien. Hij
+volgde Marie naar de deur.
+
+--Papa is heelmaal opgemonterd, zei Bollekens junior tot de knappe
+meid.
+
+Zij gaf geen antwoord. Zij veegde met een doek het tafeltje schoon en
+haar mooie wenkbrauwen stonden ietwat gefronst boven haar strak vóór
+zich uit starende oogen. Hij begreep dat het onweer nog niet
+heelemaal van de lucht was.
+
+Hij drong niet aan; dat zou vanzelf wel weer in 't reine komen. Als
+een pacha strekte hij zich in zijn leunstoel uit en haalde dikke,
+witte kolken uit zijn lange pijp.
+
+Boven in de gang, klonk de zware stem van meneer Bollekens, die
+gewichtig met den vischman onderhandelde...
+
+
+ * * * * *
+
+
+II.
+
+HET OORLOGSHUWELIJK VAN MENEER CATHOEN.
+
+
+Meneer Cathoen was een gelukkig mensch. Ik geloof niet dat iemand in
+het dorp hem ooit anders beschouwd heeft, dan als een zeer, zéér
+gelukkig mensch.
+
+Hij leefde, ongehuwd, in een tamelijk groot, burgerlijk-mooi huis,
+met een dienstknecht en een meid.
+
+Vroeger had hij daar een vrij groote, drukke handelszaak. Hij kocht,
+en verkocht, zoowat van alles. Hij kocht van de boeren hun graan, hun
+lijnzaad en hun koolzaad en hij verkocht hen bouwmaterialen en
+steenkolen, tarwemeel en lijnmeel, raapkoeken, guano, Chilisalpeter
+en samengestelde chemische meststoffen. Hij had uitgestrekte
+magazijnen achter zijn huis en een aantal werklieden waren daar
+altijd bezig; maar langzamerhand, naarmate hij ouder werd, en
+aangezien hij toch niet getrouwd was en ook niet trouwen zou; en
+aangezien hij rijk genoeg geworden was om naar zijn zin te leven en
+zich niets te moeten ontzeggen, ook zonder nog te werken, begon hij
+van het sjouwen en aan zijn zaken gebonden zijn genoeg te krijgen, en
+'t een na het ander liet hij weldra de lastigste artikels varen, om
+er ten slotte slechts een paar van over te houden, juist genoeg om
+nog een aangename bezigheid te hebben, zonder door tobberijen of
+gezeur geplaagd te worden.
+
+Meneer Cathoen was een eigenaardig man. Zijn leven lang had hij de
+boeren, die hem rijk hadden gemaakt, een beetje bedrogen en bestolen.
+Niet te veel ineens, niet grof-brutaal, met groote slagen; maar
+aldoor en in alles, bij kleine beetjes, bij kleine greepjes, die op
+den duur van jaren een aanzienlijk totaal uitmaakten. Nooit had hij
+een zak guano afgeleverd waar niet een snuifje molm of turf in
+gemengd was; nooit een baaltje lijnmeel waar niet een paar schopjes
+minderwaardige meelstof in verzeild waren. Zijn maten en gewichten
+waren tweeërlei: een ietsje te groot en te zwaar voor wat hij
+insloeg; een ietsje te klein en te licht voor wat hij uitleverde. In
+zijn samentellingen slopen soms kleine vergissingen en 't was ook wel
+een enkele maal gebeurd, dat wegens allerlei rompslomp en drukte een
+betaalde rekening op de boeken vergeten werd uit te doen.
+
+In al zulke kleine schelmachtige knoeierijtjes schiep meneer Cathoen
+een buitengewoon groot plezier. Hij had het niet noodig te doen, maar
+hij kon het niet laten.
+
+Hij kon er in zichzelf om grinniken en lachen en hij had er des te
+grooter pret in daar niemand er in de verste verte iets van vermoedde
+en iedereen hem beschouwde als een toonbeeld van onbesproken
+eerlijkheid en deugd. Alle menschen eerbiedigden, vereerden en
+bewonderden hem om zijn vaardigheid, zijn slimheid en zijn fijnen
+handelsgeest.
+
+Dat fijne en slimme en sluwe stond op zijn gezicht te lezen. Zijn
+oogen keken u tintelend aan en de glimlach, die altijd om zijn lippen
+speelde, scheen van zooveel te getuigen dat hij wist, maar niet
+uitsprak. Hij bleef voor iedereen een raadsel en zijn gezicht was een
+masker waarachter hij zijn echte-wezen hield verborgen. In zijn jeugd
+moest hij zeker een flinke, knappe kerel zijn geweest. Hij was sterk
+en forsch gebouwd met breede schouders en er liepen wondere verhalen
+over zijn vroegere lichamelijke kracht. Hij vertelde trouwens zelf
+heel graag daarover en het lukte hem ook, door diverse hulpmiddelen,
+op gevorderden leeftijd, een uiterlijken schijn van buitengewone
+pootigheid te bewaren. Hij hield zijn hooge gestalte nog heel fiks en
+recht; zijn wangen, te nauwernood gerimpeld, droegen steeds een
+frisschen blos, en hij bleef vlug op zijn beenen, zonder een schijn
+van stramheid. Hij verfde zijn snor en droeg een pruik en zijn
+dubbele rij valsche tanden getuigden duidelijk genoeg, dat hij aan
+den feestdisch des levens nog mede wenschte aan te zitten.
+
+ * * * * *
+
+Meneer Cathoen was een raadsel... En, zooals hij dat was in zijn
+uiterlijk voorkomen, met zijn tintelende oogen en zijn geheimzinnigen
+glimlach, waarachter zich zooveel scheen te verbergen, zoo was hij
+het ook in zijn intieme levenswijze, waarvan zoo goed als niemand
+iets af wist. Er bestonden uitwendige verschijnselen, die zich
+telkens herhaalden en die men dus min of meer kon nagaan en eruit
+afleiden wat men wilde, maar daar bleef het ook bij. Het eigenlijk
+intieme leven van meneer Cathoen was een gesloten boek, dat niemand
+in het dorp doorbladerd had.
+
+Vrienden had hij niet. Er kwamen er althans geene bij hem aan huis.
+Familieleden had hij wel, doch het waren enkele verre neven en
+nichtjes, die er slechts af en toe plichtmatig verschenen en er nooit
+lang vertoefden, wellicht omdat zij daar niet zeer toe aangemoedigd
+werden. Hij zelf ging weinig uit, meestal slechts eenmaal per week in
+de stad naar de graanbeurs en verder moest hij wel zijn voornaamste
+genoegens tehuis vinden, want hij bezocht heel weinig en haast nooit
+voor zijn plezier de dorpsherbergen en van eens een reisje te maken
+of eens naar de comedie te gaan of iets dergelijks was zelfs absoluut
+geen sprake.
+
+Wat hem echter in zijn eenzaam oude-jonkmanshuis zoozeer kon boeien,
+was alweer een onoplosbaar raadsel.
+
+Hij leefde er, zooals gezegd, met een knecht en een meid. De knecht
+was meteen een beetje tuinman en de meid was tevens keukenmeid en
+kamermeid. En nu was het in de huishouding van meneer Cathoen een
+zeer eigenaardig verschijnsel, dat hij telkens van meiden veranderde,
+terwijl de knecht er als 't ware vastgegroeid bleef. Een dienstmeid,
+in het huis van meneer Cathoen, bleef er zelden langer dan een,
+of hoogstens twee jaren. Dan vertrok ze, geen mensch wist waarom, en
+er kwam een andere voor in de plaats. Altijd waren het meiden uit
+verafgelegen, vreemde gemeenten. Nog nooit had hij er eene uit zijn
+eigen dorp gehad. Nu eens was het een Vlaamsche, dan weer een Walin,
+nu eens een blonde, dan weer een bruine of een zwarte; nu eens een
+struische, dan weer een magere; en nu eens eene die men mooi vond en
+dan weer eene die men leelijk vond; maar één eigenschap hadden zij
+allen gemeen: dat ze vrij jong waren. Zij bleven een min of meer
+langen tijd en vertrokken, en nooit hoorde iemand er nog iets van.
+'t Was net of ze uit den grond ontsproten en er weer in verdwenen. De
+oude knecht en tuinman, die dat al jaren en jaren bijwoonde, was er
+onverschillig onder geworden. Hij had een zuur gezicht en liep
+meestal inwendig te brommen. Hij had een gezicht alsof hij allerlei
+dingen wist, die hij ten zeerste afkeurde, maar waarover hij zweeg,
+omdat hij toch niet bij machte was er iets aan te veranderen.
+Somtijds echter, flikkerde nog even als een schim van hoop in hem op.
+Wel eens, als een meid waarmee hij kon opschieten, daar wat langer
+dan de vorige bleef en vasten wortel scheen te krijgen, was het of in
+hem de dood-gewaande illuzie van een vasten toestand herleefde. Zijn
+grijze tronie fleurde op, hij praatte en lachte zelfs, hij werd een
+ander mensch... tot het weer eensklaps uit was en hij opnieuw
+chagrijnig zijn hoofd liep te schudden en te mopperen over toestanden
+die hij grijnzend afkeurde, zonder er iets aan te kunnen veranderen.
+Daar had je alweer het oude spelletje aan den gang, en het werd op
+den duur zóó opvallend, dat de menschen in het dorp er over praatten
+en sommigen het zelfs wel eens waagden er bij meneer Cathoen over te
+zinspelen.
+
+Kostelijk was het dan om meneer Cathoen daarop te hooren antwoorden.
+Zijn sluwe tintel-oogen glimlachten diep onder de dikke wenkbrauwen
+en zijn geverfde snor grinnikte als 't ware van leedvermaak boven de
+schitterende dubbel-rij der valsche tanden. Het leek of hij zich
+voorbereidde om satirisch een diepzinnige, algemeene menschelijke
+waarheid te verkondigen en eindelijk kwam het er uit:
+
+--'t Groensel groeit in de natuur en 't is ieder jaar precies
+hetzelfde. 't Zou ook altijd precies eender smaken, en dus vervelend
+worden, als het niet op verschillende manieren geprepareerd werd.
+Daarom hou ik altijd mijnen zelfden hovenier en verander ik nog al
+eens van keukenmeid. Versta-je 't?
+
+De ondervrager verstond het en glimlachte om 't leuke antwoord, maar
+meneer Cathoen glimlachte nog oolijker, met iets van
+innig-gekittelde, ondeugende pret en voegde er aan toe:
+
+--En met de visch en met het vleesch is 't ook precies hetzelfde. 't Is
+de afwisseling in de sausen die er den smaak moet aan geven,
+versta-je 't?
+
+De ondervrager wist niet altijd met volle zekerheid of hij 't
+dan nog wel goed verstond. Wat hem wel eens deed twijfelen was de
+guitig-uitbundige vroolijkheid waarmee meneer Cathoen er dan verder
+kon over doorgaan. Meneer Cathoen kon daar soms in zijn eentje staan
+te bulderen van de pret en dan had de vreemdeling wel eenigszins
+'t gevoel alsof hij voor den gek gehouden werd. En de slotsom was nog
+eens dat meneer Cathoen en zijn levenswijs voor alleman een raadsel
+bleven.
+
+ * * * * *
+
+Zoo leefde dus meneer Cathoen op het oogenblik dat de oorlog uitbrak.
+Ik herinner mij nog heel goed, dat ik hem, enkele dagen na de
+oorlogsverklaring, een bezoek bracht en hem in een toestand aantrof
+zooals ik hem nog nooit gezien had. Hij was zenuwachtig,
+zenuwachtig!... zoo dat hij geen tien seconden rustig op zijn plaats
+kon blijven. Hij leek ineens een heel ander mensch geworden. De
+angst, de doodsangst zat hem op het lijf en zijn scherpe oogen
+loerden en speurden langs alle kanten, alsof hij overal reeds
+vijanden ontdekte.
+
+--Zijn de menschen nu zot geworden! riep hij, van zoo verre hij mij
+zag komen. Wat! Oorlog voeren! En waarom? Wat hebben wij, Belgen,
+daarmee te maken! Wat kunnen ons de Duitschers, de Franschen en de
+Engelschen schelen? Waarom laat men hun dat onder mekaar niet
+uitvechten!
+
+--De Duitschers hebben onze neutraliteit geschonden, meneer Cathoen,
+wij moeten onze onafhankelijkheid verdedigen, trachtte ik in
+'t midden te brengen. Maar hij sneed mij heftig het woord af en
+riep uit:
+
+--Onze neutraliteit! Onze onafhankelijkheid! Tuttuttut... dat
+zijn dingen die wij niet kennen, die wij niet hebben! Wat kunnen wij,
+onnoozele dwergen, tegen die reuzen op! Als ik nu bijvoorbeeld tegen
+Fietriene 1) (Fietriene was zijn nieuwe meid, sinds een paar maanden in
+zijn dienst gekomen); als ik nu tegen Fietriene zei: "Fietriene, doe
+die deur eens open," en Fietriene zou weigeren, gelooft gij dat ik,
+die de sterkste ben, daarom zou laten die deur te openen?
+Tuttutut... ze zijn allemaal zot geworden in België, dàt zeg ik u,
+en ze zullen ons allemaal ruïneeren en doen vermoorden!
+
+Fietriene liep gejaagd door de vertrekken heen en weer, de
+Armen volgeladen met allerlei heteroclitische voorwerpen, die zij, op
+bevel van haar meester, alvast ergens in veiligheid ging brengen.
+'t Was een nog al knappe, blonde meid van een dertigtal jaren. Zij
+had een frisch gelaat en wakkere oogen. De buste was goed gevuld en
+op de heupen viel niets af te keuren. Dat alles teekende zich levend
+af onder haar vlugge bewegingen en 't eenige wat iets minder mooi
+scheen was de rug, die nog al onsierlijk welfde, alsof ze geen corset
+droeg. Charlewie, de oude tuinman, hielp haar. Hij was taai en mager
+en als 't ware uitgedroogd. Hij had zijn klompen uitgedaan en liep op
+dikke grauwe sokken over de tapijten. Zijn zuur gezicht was als de
+nurksche brommigheid verpersoonlijkt en hij grijnsde en mopperde
+aanhoudend binnensmonds, terwijl hij af en toe zijn hoofd schudde en
+zuchtte, als wilde hij beduiden dat de narigheid ten top gestegen was
+en dat de wereld nu wel eindelijk zou vergaan.
+
+ * * * * *
+
+Dagen en weken waren verloopen, dagen en weken vol droefheid en
+angst. Het klein, heldhaftig leger was door den reus verslagen, het
+land werd overweldigd en verwoest en duizenden en duizenden menschen
+vluchtten naar alle oorden, een veilige schuilplaats zoekend tegen
+brand en plundering en moord en vernieling.
+
+Aan meneer Cathoen en zijn eigenaardig, raadselachtig leven dacht ik
+niet meer; en ik zou hem wellicht gansch vergeten hebben, had ik
+niet, op een ochtend, een briefkaart van hem ontvangen, waarin hij
+mij meldde dat hij behouden over de grens was gekomen en mij vroeg of
+ik hem daar niet eens kwam opzoeken.
+
+Meneer Cathoen over de grens gevlucht! Meneer Cathoen, die nooit
+reisde, in een vreemd land, dát alleen trok mij reeds machtig aan.
+Ja, ik wou, ik móést hem zien! Ik wilde hem zien en hem hooren; ik
+wilde weten hoe hij, de eigenaardige bij uitnemendheid, op de
+schrikwekkende tijdsomstandigheden en gebeurtenissen reageerde.
+
+Het was een eindeloos lange reis en 't oord waar hij zijn toevlucht
+had genomen, was er een dat, om zoo te zeggen, buiten de bekende
+wereld lag. Ik stapte aan een verlaten klein stationnetje af, volgde
+een doodschen straatweg aangelegd over een dijk tusschen polderland
+en moeras, ontwaarde weldra een kerkje en een dorpje. Dáár was het.
+Het waren meestal nietige woninkjes met blauwe horretjes achter de
+kleine ruiten en 't scheen er uitgestorven, want er liep geen mensch
+over de straat. Hier en daar een gezicht achter die horretjes, als
+'t ware verwaasd onder het blauwachtig water van een bokaal, maar dat
+toch scherp nieuwsgierig loerde, als verbaasd en ontdaan over de
+ongehoorde verschijning van een vreemdeling in 't dorp. Ik telde de
+kleine nummertjes aan de kleine huisjes, kwam op een pleintje,
+waarachter een mooi, oud kerkje stond, zag daar een politie-diender
+aan wien ik den weg vroeg.
+
+--'t Is daar, meneer, u staat er vlak voor, antwoordde glimlachend de
+man, naar een der huisjes wijzend.
+
+Het was een dofgrijs, loodgrijs huisje, een deur en twee ramen
+beneden, drie kleinere raampjes op de eenige verdieping. 't Had
+blauwe horretjes als bijna al de andere huizen en achter een van die
+horretjes zaten, vaag en verwaasd als onder het blauwachtig water van
+een bokaal, twee oude en ouderwetsche vrouwegezichten, die mij strak,
+met onbehouwen nieuwsgierigheid, aanloerden. Maar toen ze mij, dwars
+over 't pleintje, op hun huisje zagen afkomen, schenen zij langzaam
+in het vage weg te smelten, net als visschen, die zich stilletjes in
+de diepte van een sloot laten zinken. Ik belde aan. Het belletje ging
+zwakjes over, alsof het ergens heel, héél verre hing en toch voelde
+men, dat het dichtbij de deur moest hangen. Het duurde lang, zéér
+lang, vóór deze werd geopend. Ik strekte reeds de hand uit om een
+tweede maal te bellen, toen de deur eindelijk heel langzaam en
+omzichtig week en een gezicht aarzelend te voorschijn kwam.
+
+'t Was een der beide die ik, van op het pleintje, achter het horretje
+gezien had. Een oude-vrijsters-type, geel als perkament, met breede,
+als 't ware verwoeste trekken en groote zwarte oogen en een grootera
+tandeloozen mond, die toch wel vriendelijk, ofschoon ietwat
+wantrouwig, glimlachte.
+
+--Is het wel hier, juffrouw, dat meneer Cathoen inwoont? vroeg ik, na
+gegroet te hebben.
+
+--Jawel meneer, antwoordde zij, mij aandachtig monsterend.
+
+--Is meneer thuis?
+
+--Neen, meneer; meneer heeft vandaag heel vroeg koffie gedronken en is
+daar pas een half uurtje geleden met mevrouw gaan wandelen.
+
+Ik kreeg als een schok en bedwong met moeite een uitroep van
+verbazing. Ik voelde mij een kleur krijgen.
+
+--Is... is... begon ik hopeloos te stameren.
+
+--Jawel, meneer, mevrouw is hier ook. Ze zijn samen over de grens
+gekomen, tijdens de groote vlucht. Wist u 't soms niet, dat mevrouw
+hier ook was? En achterdochtig-nieuwsgierig keek het mensch mij aan.
+
+--Ik wist het met geen zekerheid, maar vermoedde 't toch wel,
+haastte ik mij te zeggen. Heeft u ook een idee, juffrouw, wanneer ze
+terug zouden komen?
+
+--Vast en zeker vóór drie uur, bevestigde de juffrouw met klem. Nooit
+blijven ze langer weg. Ze maken elken dag dezelfde wandeling, weet u
+altijd langs den dijk tot in de buurt van de grens, op een hoogte van
+waar ze in de verte iets van hun land kunnen zien. Ach, meneer, ze
+zijn toch zoo verlangend om er weer terug te keeren.
+
+Ik voelde, dat het mensch aan de praat wou en week langzaam
+achteruit. Ik zei haar, dat ik vóór drie uur terug zou komen. Maar
+zij kwam met mij mee, tot op het pleintje en wees mij daar de
+richting langs waar meneer en mevrouw Cathoen elken dag gingen
+wandelen, en verzekerde mij dat ik hen onvermijdelijk zou tegenkomen,
+als ik zoowat over een uur dien weg opliep.
+
+--Is hier ook ergens een hotelletje, of een herberg, waar ik iets
+zou kunnen gebruiken, juffrouw? vroeg ik nog.
+
+--Zeker, meneer, zeker, daar, op den hoek, in _Den Arend_, heel goed.
+En zij wees het mij met de hand.
+
+Ik keerde mij nog eens om, dankend en groetend, en meteen viel ook
+mijn blik weer op de blauwe horretjes. Even zag ik er 't gezicht der
+tweede juffrouw, blijkbaar de zuster, die mij scherp beloerde, maar
+dadelijk in 't vage wegsmolt, als een visch die naar de diepte zinkt.
+
+Met vlugge schreden liep ik naar _Den Arend_ toe.
+
+ * * * * *
+
+_Mevrouw_ Cathoen, dacht ik, _mevrouw_ Cathoen! En als een sarrend
+refreintje dreunde 't onophoudend in mijn ooren. Wie mocht dat
+wel zijn? Wie mocht dat wel zijn? Was meneer Cathoen, de oude,
+hardnekkige vrijgezel, die nooit zou trouwen, dan toch maar hals over
+kop getrouwd, sinds ik hem de laatste maal zàg? Zoo maar in eens,
+zonder er iets van te melden? Of had hij 't mij wel laten weten, en
+was zijn brief, in de oorlogsverwarring, verloren geraakt? Zou
+meneer Cathoen dan wellicht... doch neen, die onderstelling was te
+gek, dan had hij 't al immers veel vroeger gedaan.
+
+Stom van mij, dat ik aan die juffrouw althans niet gevraagd had hoe
+mevrouw Cathoen er wel uitzag! Dan had ik misschien geweten.
+
+Ik zat daarover te prakkezeeren, in de griezelig-sombere, ijskille
+eetkamer van _Den Arend_, waar ik de eenige gast was. Ik zou haastig
+iets gebruiken en dan maar dadelijk den dijk op, om meneer Cathoen en
+vooral _mevrouw_ Cathoen te gemoet te loopen. Een somber-zwijgzame
+vrouw bracht mij, na lang en ongeduldig wachten, iets dat zij
+beafsteak met aardappelen noemde. Die beafsteak zag lei-blauw en de
+aardappelen leken op steenkool-vetballen. Dat alles zwom in een
+donker vocht, als een mengsel van inkt met aangebrande olie.
+
+Toen ik enkele van de blauwe lappen had verorberd, lei ik er maar
+vork en mes bij neer. Vruchteloos had ik geprobeerd ook een van de
+zwarte vetballen te slikken. Na heel wat geklop en geroep en gefluit
+en geschuifel kon ik eindelijk met de sombere juffrouw afrekenen,
+--'t was niet goedkoop--en na haastig een sigaar te hebben
+aangestoken, verliet ik met een snakzucht dien donkeren ijskelder van
+ongezelligheid en holde den dijkweg op.
+
+Het was een gure, grijze, ijzige Novemberdag. De wind blies hard en
+nijdig over dien hoogen berm tusschen de nattige vlakten en woei mij
+tranen in de oogen. Het land scheen van een doodsche
+triestigheid. Hier en daar lag een sombere, groote hoeve, diep in den
+polder, door boomen omringd. Het leken eilandjes van nood-toevlucht,
+midden in een grenzenlooze zee van wanhopige verlatenheid. En verder
+was er niets dan de eindeloos-lange, kronkelende dijkweg beplant met
+knotwilgen, en hier en daar een moerassige waterplas met wuivend riet
+en opgekuifde schuimkammetjes onder den ijzigen, snerpenden wind.
+
+Af en toe een levend schepsel in die hopelooze eenzaamheid: een
+Zeeuwsche boer, 't gezicht geschoren, de haren lang, geheel in 't
+doffe zwart gekleed, alsof hij rouwde; of een boerin, enorme
+rokballon op voeten, kort, spannend lijf en witgekapt hoofd met
+gouden ornamenten, staag wiegelend op haar zware heupen, als een
+schip voor anker. Zij groetten beleefd in 't voorbijgaan en 't somber
+landschap, waaraan hun trage verschijning toch even iets van leven
+gaf, scheen achter hen weer uit te sterven. Arme meneer Cathoen,
+dacht ik, die hier als vluchteling, en voor hoelang misschien, is
+gaan leven!
+
+Toen zag ik hem komen, ginds verre, ginds heel, héél verre aan den
+grijzen einder, in een kromming van den eindeloozen dijk. Ik kon hem
+op dien afstand niet herkennen, maar ik voelde dat hij 't was, want
+naast hem liep een vrouw met scheef-waaiende rokken en handen die
+haar kapsel vasthielden, een vrouw die blijkbaar geen boerin was van
+de streek, zijn vrouw voorzeker, de raadselachtige, de mij nog
+onbekende, die hij hals over kop gehuwd moest hebben, God wist
+waarom, nadat de oorlog uitgebroken was.
+
+Toen ik slechts een paar honderd meters meer van hem verwijderd was
+stak ik den arm in de hoogte, groetend-zwaaiend met mijn paraplu.
+Hij scheen er eerst niets van te merken. Hij bleef gebogen vooruit
+loopen, worstelend tegen den nijdigen wind. Maar ik zag dat de vrouw
+hem een duw gaf en hij keek op en bleef staan. Weer zwaaide ik en
+riep hem van verre goên dag. Nu had hij mij herkend. Hij wuifde
+insgelijks met de hand en kwam naar mij toe. Een laatste bocht
+scheidde ons en de stammen der knotwilgen onttrokken ons even aan
+elkander's gezicht. Twee minuten later stond ik voor mijn ouden
+vriend meneer Cathoen en... zijn dienstmeid Fietriene!
+
+Er was een korte weifeling in meneer Cathoen's optreden en
+bejegening. Er was ook een korte aarzeling en gêne in mijn
+begroeting. Kwam het door den wind, of de kou, of wat was het? Meneer
+Cathoen scheen mij een ander mensch geworden! Hij teekende opeens
+zijn leeftijd: dien van een oud, versleten man. Hij stond gebogen
+vóór mij, zonder glimlach, met een ernstig, vermagerd gezicht en
+oogen zonder levenstinteling. Hij droeg een wollen bouffante om den
+hals en had een groote bonte muts op, waarvan de oorkleppen waren
+neergetrokken. Een verrekijker hing in een koker aan een lederen riem
+over zijn schouder.
+
+--Wel, wel, wie we nu zien! riep hij toch eindelijk en stak mij een
+hand toe die beefde. Weet ge nieuws? vroeg hij dadelijk daarop.
+
+Nieuws! Ik begreep niet goed wat hij bedoelde. Ik draalde met mijn
+antwoord, verwachtte eerder dat hij mij nieuws zou mededeelen.
+
+--Niets van den oorlog? drong hij aan, vagelijk teleurgesteld.
+Ik moest ontkennend antwoorden. Er was immers nooit eenig nieuws over
+den oorlog, behalve de leugenberichten van alle couranten. Ik
+vertelde hem in 't kort de laatste leugens die ik vluchtig had
+gelezen.
+
+Hij slaakte een moedeloozen zucht en liet zijn armen hangen.
+--Nog geen hoop dus, dat we naar ons land terug mogen, weeklaagde
+hij.
+
+Ik kon niet anders dan toegeven, dat daar nog geen de minste hoop op
+was.
+
+--Wij zien Vlaanderen elken dag, zei hij; wij komen er juist weer
+vandaan.
+
+Ongeloovig keek ik op, doch herinnerde mij meteen wat de juffrouw uit
+het grijze huisje mij had meegedeeld.
+
+--Ja, dat heeft uw hospita mij verteld, zei ik. Hij schrikte op.
+
+--O, zijt ge reeds aan huis geweest? vroeg hij.
+
+Ik bekende, dat ik er geweest was en dat de juffrouw mij gezegd had
+hoe ik hem met zekerheid ontmoeten kon.
+
+--En... heeft ze u ook nog meer verteld? aarzelde hij.
+
+Glimlachend keek ik even naar Fietriene, die dadelijk, met een blos
+op de wangen, zedig haar oogen neersloeg.
+
+Meneer Cathoen werd geagiteerd. Hij keerde even den rug naar een
+snerpende windbui en wreef met een zakdoek de koude tranen uit zijn
+oogen. Toen wendde hij zich weer tot mij en zei:
+
+--We hebben ons daar als man en vrouw moeten aanmelden. Het kon niet
+anders. Het dorp stroomde de eerste dagen propvol met vluchtelingen.
+Toen wij daar aankwamen was er in de heele plaats slechts één huis
+meer beschikbaar, en in dat huis slechts ééne kamer, met één bed.
+
+Ik boog en glimlachte. Absoluut geen bezwaar van mijn kant. Ik vond
+het best. Maar horizonnen over het verleden leven van meneer Cathoen
+gingen eensklaps als ondeugende openbaringen voor mij open. Hij
+scheen mij te raden en zijn op mij gepriemde oogen tintelden, heel
+even. En plotseling kwam het er uit, ernstig, gewichtig:
+
+--Wij gaan dan ook trouwen. Het is vast besloten, zoodra wij in
+'t land terug kunnen komen.
+
+Ik nam mijn hoed af voor Fietriene en wenschte hen beiden geluk.
+Fietriene bloosde heel sterk en sloeg opnieuw, met een vagen
+glimlach, haar oogen neer. Maar meneer Cathoen werd
+zenuwachtig-gejaagd.
+
+--Het kon niet anders, herhaalde hij, als om zich te
+verontschuldigen; het kon niet anders, want te veel menschen uit het
+dorp, die gelijk met ons vluchtten, hadden ons hier samen gezien en
+wisten dat wij dezelfde kamer bewoonden. Ik wil later toch weer als
+een degelijk man voor mijn medeburgers verschijnen.
+
+Nogmaals boog ik, een en al goedkeuring. Maar vele vragen kwamen op
+mijn lippen die ik nu niet uiten mocht. Het speet mij dat ik niet
+even met meneer Cathoen alleen was. Hij leek mij in een stemming om
+iets als een volledige biecht te spreken en 'k voelde mij gekitteld
+door ondeugende nieuwsgierigheid. Het ging echter nog niet. Meneer
+Cathoen had blijkbaar naar zijn zin genoeg over het geval meegedeeld
+en scheen door die bekentenis eenigszins opgemonterd. Hij vroeg mij
+wanneer ik weer weg moest en toen ik hem het uur zei van mijn trein
+had hij een uitroep van genoegen en jubelde omdat wij nog uren lang
+bij elkander mochten blijven. Hij was zoo blij weer eens een bekende
+te zien, zei hij, en eensklaps vroeg hij mij of ik geen zin had ook
+nog eens ons dierbaar Vlaanderen te bekijken.
+
+--Ons dierbaar Vlaanderen bekijken! herhaalde ik verbaasd.
+
+Kom mee, riep hij, zich omkeerend; kom mee, gij zult het zien!
+
+Wij liepen terug over den dijk, den weg volgend waar zij vandaan
+kwamen. De gure wind deed zijlings onze kleeren van ons afwaaien.
+Fietriene hield worstelend haar hoed met beide handen vast en meneer
+Cathoen's oogen schreiden van de kou. Maar 't leek of hij ineens weer
+jeugdige levenskracht in zich gekregen had; hij liep gebogen doch met
+forschen wil tegen de windbuien in. Wij kwamen aan een smal
+bruggetje, dat wij overstaken, ons aan de railing vasthoudend. Daar
+daalden wij den berm af en voelden minder wind. Wij hielden er even
+stil om op adem te komen. Toen gingen wij dwars over een uitgestrekt
+weiland en kwamen aan een soort van duin, begroeid met hakhout en met
+jonge sparren.
+
+Met vlugge, veerkrachtige schreden klom meneer Cathoen de helling op.
+Fietriene en ik volgden. Hijgend bleef hij bij een zandkuil staan,
+die tamelijk goed tegen den wind beschut was en zei:
+
+--Laten we hier even gaan zitten.
+
+Wij zaten: meneer Cathoen en Fietriene dicht bij elkaar in 't mulle
+zand; ik een paar schreden verder, op een kronkeligen, half
+ontblooten eikenwortel!
+
+--Dáár ligt Vlaanderen, zei, met een trilling in zijn stem,
+meneer Cathoen, terwijl hij een bevende hand naar het Zuiden uitstrekte.
+
+In 't grijzig-dof verschiet, op enkele kilometers afstand, achter een
+vlakte van vaalgroene weilanden, vertoonde zich een dichtbegroeide
+en bebouwde streek. De kale boomen stonden er donker op elkaar
+gedrongen en tusschen de stammen door zag men hier en daar lichte
+huisjes, met roode daken en een enkel kerktorentje, dat er eenzaam en
+leigrijs boven de naakte kruinen uitpuntte. Daar lag het ongelukkig
+land, als verborgen achter een sluier van sombere triestigheid. Daar
+voelde men als 't ware het lijdende leven der droevige menschen; en
+de krassende kraaien, die in de grijze lucht rondzwermden, schenen
+snerpende noodkreten van gefolterde wezens te slaken, en de wind die
+klagelijk door de sparrekruinen van den duinheuvel suisde, weerklonk
+als het gesmoord en aanhoudend gejammer van een gansch volk, dat zich
+in wanhoop en ellende voelt vergaan.
+
+Meneer Cathoen had met inspanning zijn verrekijker losgehaakt en
+reikte hem mij over.
+
+--Kijk, zei hij, gij zijt jonger dan ik en uw oogen zijn beter dan de
+mijne. Ziet ge daar dat grijs, puntig kerktorentje, achter en boven
+die verre boomen? Ja? Welnu, naast dat kerktorentje, rechts, maar nog
+veel verder en dieper in, staat er een tweede torentje, een met een
+ronden koepel. Ziet ge 't, ja? Bij helder weer zie ik het ook soms,
+maar nu is het te grijs en mistig en mijn oogen zijn niet goed
+genoeg: nu zou ik het niet kunnen zien. Ziet gij het? Vindt ge 't?
+
+Eenklaps zag ik het: heel, héél verre en nauwelijks zichtbaar in de
+grijze lucht, als een ietwat doffer-grijze schaduwstolp.
+
+--Ja, meneer Cathoen, ik zie het? riep ik.
+
+--Dat is óns dorp, zei hij, met schor-trillende stem. "Hoe zal het
+daar nu zijn?" En een snik brak in zijn keel.
+
+Ontroerd liet ik den verrekijker neer en keek hem aan. Groote tranen
+blonken in zijn oogen en zijn lippen beefden. Hij slaakte een diepen
+zucht en plotseling begon hij te schreien.
+
+Ontsteld en vol moederlijke zorg neeg Fietriene naar hem toe.
+
+--Nee, Papatje, nee, Papatje, gij moogt u dat verdriet niet blijven
+aandoen; kom, kom, we gaan weg, suste zij.
+
+Papatje! Wat klonk dat gek en toch ontroerend! Ik had kunnen lachen
+en toch was ik zelf diep bewogen. Ik wist haast niet hoe ik mij
+houden moest.
+
+Meneer Cathoen was opgestaan. Vol zorg en toewijding steunde
+Fietriene hem onder den arm. Hij scheen zich even voor zijn emotie te
+schamen en poogde te glimlachen.
+
+--Ik hou van mijn land, zei hij eindelijk. Ik wist niet dat ik er
+zooveel van hield. Ik zou liever dood zijn dan er niet terug te mogen
+keeren. Ik ben er toch zoo gelukkig geweest!
+
+--Maar gij moogt er terug keeren, meneer Cathoen, niemand zou u dat
+beletten, poogde ik hem te troosten.
+
+--Als vrij mensch, in een vrij land, zoo wil ik er terugkeeren en
+anders nooit, nooit, nooit! riep hij, met eensklaps heftig
+opvlammenden hartstocht. Ik wil geen vijand zien; ik wil van geen
+vreemden dwingeland hooren dat ik dit mag doen en dát moet laten; ik
+wil niet in mijn eigen land beleedigd en vernederd en mishandeld
+worden, verdome! gilde hij plots met fonkelende oogen en ballende
+vuisten.
+
+Angstig trok Fietriene hem van den heuvel weg. "Nee, nee, Papatje,
+nee, nee, Papatje, ge moogt u niet zoo opwinden," suste en smeekte
+zij. "Kom, kom, we gaan terug naar huis, 't is hier niet goed voor u,
+'t wordt hier te koud."
+
+Hij liet zich meetrekken. Zijn toorn viel ineens en hij zakte in
+elkaar, als een oud, versleten man. Wij keerden 't droeve Vlaanderen
+den rug toe en de snerpende, loeiende wind stuwde ons weer naar den
+dijkweg.
+
+ * * * * *
+
+Het schemerde reeds toen wij in het dorp terugkwamen. O, die stilte,
+die benauwende eenzaamheid van het doodsche, als het ware
+uitgestorven oord! Wij ontmoetten slechts enkele vage schimmen van
+menschen, die met gesmoorde stem groetten en den politie-diender, die
+nog steeds op 't pleintje stond en vriendelijk-beleefd meneer Cathoen
+bij den naam noemde. Hier en daar, achter de nog niet dichtgeluikte
+ramen, begon een zwak lichtje te pinken. In Den Arend, waar ik de
+blauwe beafsteak en de donkere vetballen had gekregen, stond een lamp
+achter 't buffet, in de sombere diepten der gelagkamer, als een
+waskaars bij een lijkbaar.
+
+--Ga binnen, zei mijnheer Cathoen, met een sleutel de deur van
+'t grijze huisje openend.
+
+--Wijs mij de weg, antwoordde ik, hem en Fietriene voor latend.
+
+Wij traden in het smalle, donker gangetje en meneer Cathoen klopte
+rechts op een deur. Onmiddellijk werd die geopend en de oude
+vrijster, die mij in den vroegen namiddag had ontvangen, trad te
+voorschijn.
+
+--Kom binnen, mevrouw en meneeren, kom binnen, noodde zij, nijgend
+en groetend.
+
+Wij volgden haar en kwamen in een kamertje, waar het bijna reeds
+gansch donker was. Een zwak, grijsachtig licht schemerde nog van
+buiten door de horretjes en bij een der ramen zat de zwarte gestalte
+van een kleine vrouw, die dadelijk voor ons opstond.
+
+--Mijn zuster, stelde de andere haar voor.
+
+Ik kon te nauwernood iets van haar gelaatstrekken onderscheiden. Ik
+merkte slechts dat zij kleiner en magerder was dan haar zuster. Zij
+groette in stilte en schoof gebogen en bescheiden langs ons heen de
+kamer uit.
+
+--'k Zal dadelijk licht aansteken en u alleen laten, zei de
+eerste, zich om de lamp beijverend.
+
+--Geen haast, juffrouw, geen haast, antwoordden meneer Cathoen en
+Fietriene eenstemmig.
+
+Het licht ging op; er kwam iets als leven in de doode omgeving. De
+juffrouw spoedde zich naar de rolgordijnen en liet die neer. De gele
+vlakken der gordijnen gaven iets van lichtere gezelligheid.
+
+--'k Zal dadelijk voor de koffie en de krentenbroodjes zorgen, zei
+ze, zich weghaastend.
+
+Meneer Cathoen was aangedaan. "Zulke brave menschen, daar hebt ge
+geen idee van," zei hij.
+
+Wij hadden overjassen en mantel uitgetrokken en namen plaats om een
+ronde tafel, die met een roodbruin kleed bedekt was. Ik keek eens
+even rond. Een donker ramage-behang bekleedde de wanden, waaraan
+chromo-litografiën hingen. Op den schoorsteenmantel stond een spiegel
+en een penduletje, rechts en links van de ramen waren twee
+gemakkelijke stoelen. Dat was alles. Ik keek opnieuw naar de gele
+rolgordijnen: die gaven er werkelijk nog het meeste leven, de lichte
+gezelligheid.
+
+--Aardig vindt ge niet? glimlachte meneer Cathoen. Het is _hun_ kamer,
+maar ze staan ze ons af, zoodra en zoolang als we thuis zijn. Ze doen
+alles wat ze kunnen om ons hier thuis te doen voelen. En kijk eens
+om, achter uw rug; dat hebben ze ons vandaag cadeau gedaan. Vindt ge
+'t niet een delicate attentie?
+
+Ik keerde mij om en bemerkte een lijst onder glas aan den wand. Op
+een donkeren fluweelgrond was er iets met gekleurd stroo gevlochten
+en ik las:
+
+_"Zooals het klokje thuis tikt, tikt het nergens."_
+
+Verbluft keek ik meneer Cathoen aan. Sprak hij in ernst of probeerde
+hij mij voor den gek te houden? Neen, hij meende 't ernstig; ik zag
+dat hij ontroerd, verteederd was. Een vochtige glans blonk in zijn
+oogen. En, daar juist de juffrouw met de koffie en de broodjes binnen
+kwam, drukte hij haar nog eens zijn hartelijken dank voor het
+geschenk uit en zei haar, dat ook ik het zoo bizonder aardig en
+vriendelijk vond.
+
+De juffer glunderde; haar groote, tandelooze mond glimlachte in haar
+geel en zwart gezicht.
+
+--Niet waar, meneer, ze moeten zich hier maar lekker thuis voelen en
+niet te veel aan hun land denken; dat komt wel weer terecht! zei ze
+aanmoedigend.
+
+Na de blauwe beafsteak en de donkere vetballen in _Den Arend_, waren
+de broodjes en de koffie mij niet onwelkom. Fietriene bediende ons
+met voorkomende zorg en meneer Cathoen scheen heel wat opgefleurd.
+Zoo ging het met hem, zei hij zelf: zonder overgang opgewekt of gedrukt,
+van 't eene oogenblik tot 't andere. Kon hij dien schrikkelijken
+oorlog maar voor goed uit zijn hoofd zetten; er was toch niets aan te
+doen! Maar dat kon hij nu eenmaal niet en daaronder leed hij zoo,
+onophoudend heen en weer geslingerd tusschen hoop en moedeloosheid.
+O, den dag waarop hij weer naar zijn land terug zou mogen keeren, als
+vrij man naar zijn vrije land, dan moest ik er ook bij zijn, dan
+moest ik met hem meegaan, met hem en met Fietriene, en ik moest ook
+aan hun bruiloft deelnemen, dat deed hij mij vast beloven, aan hun
+bruiloft die zou plaats hebben zoo spoedig mogelijk na hun terugkomst
+en waarbij het gansche dorp, door hem getrakteerd, dagen na elkaar in
+uitgelaten feeststemming zou zijn.
+
+Zijn oogen schitterden en lachten en hij leek mij eenklaps weer
+geheel de oude, vol ondeugende, guitige schalkschheid. Fietriene was
+opgestaan en had de kamer verlaten om het koffiegerei met de juffrouw
+in de keuken te helpen omwasschen, en zoodra ze weg was schoof hij
+naar mij toe, klopte vertrouwelijk op mijn knie en grinnikte:
+
+--Nou, hoe vindt ge 'r? Dat hadt ge niet verwacht, hé?
+
+--Misschien,... 'n beetje... glimlachte ik.
+
+Daar had hij eensklaps dolle pret om. Zoo!... Had ik daar toch
+wel iets van vermoed! En hoe dan? En waarom? En wanneer? Het was toch
+immers maar louter toeval geweest, omdat ze samen naar hier gevlucht
+waren, omdat ze genoodzaakt waren geweest hier hetzelfde huis,
+dezelfde kamer, waarin slechts één bed stond, te betrekken.
+
+Hij keek mij aan met zijn priemend-ondeugende oogen, hij wilde
+blijkbaar weten wat ik er verder van dacht of vermoedde en, door wat
+ik dacht of vermoedde, onderstellen, wat heel het dorp ervan wist of
+zou vermoeden. Ik dacht aan al de ontelbare meiden, aan al die
+blonde, die bruine en die zwarte, aan al die magere en al die dikke
+maar steeds flinke en jonge, die in den loop der jaren bij hem in
+dienst waren gekomen en telkens na een poos weer waren weggegaan, en
+eensklaps voelde ik in hem den ouden scharrelaar, die hij in
+'t geniep zijn levenlang geweest was en wellicht nog zou gebleven
+zijn, als niet het onvoorziene toeval van den oorlog en zijn
+schrikvlucht hem voor een gedwongen keus en oplossing gesteld had.
+Als een pacha had hij in zijn dorp geleefd en niemand had er ooit
+iets van gemerkt, evenmin als er ooit iemand argwaan kreeg over zijn
+kleine, sluwe handelsknoeierijtjes, en daar genoot hij nu nog van met
+heimelijk-ondeugende napret; daar smulde hij van in zichzelf, nu voor
+'t laatst nog, ondanks al de narigheid van een toestand, die er
+meteen een einde aan zou maken.
+
+Maar de deur ging open en Fietriene kwam weer binnen. Terstond
+veranderde meneer Cathoen van gesprek en oogenblikkelijk kreeg zijn
+gezicht weer dat oude, dat ernstige, dat moedeloos-gedrukte,
+weerschijn van de snel-afwisselende stemmingen waaraan hij, sinds
+zijn ballingschap, zoo onderhevig was. Ik keek naar de klok. Langzaam
+aan begon het mijn tijd te worden. Ik zei het aan meneer Cathoen, die
+even een zucht loosde.
+
+--Ach, als men maar altijd een landgenoot en vriend bij zich had!
+klaagde hij.
+
+--Tuttuttut, ge moet geduld en courage hebben, meende Fietriene.
+
+Ik was opgestaan. Ik glimlachte bemoedigend en strekte de hand uit
+tot afscheid.
+
+--'k Ga met u mee tot aan de statie, besloot eensklaps meneer
+Cathoen.
+
+--Maar Papa, 't is veel te koud voor u! en ook veel te verre! maakte
+Fietriene zich bezorgd.
+
+Papa! Wat kittelde Fietriene toch telkens mijn lachlust als ze dat
+zei.
+
+--Niemendal, niemendal, stribbelde meneer Cathoen kribbig tegen; en
+met zenuwachtige handen zette hij z'n dikke, bonte muts op.
+
+Ik drukte de hand van Fietriene, wenschte haar tot wederzien, zoo
+gauw mogelijk, in Vlaanderen, op haar huwelijksfeest.
+
+Zij lachte schel en keek mij even aan, met vurige koonen en oogen die
+eensklaps wild blonken. 't Was of ik iets verschrikkelijk-ondeugends
+had gezegd.
+
+--Mijn groeten aan de juffrouwen, zei ik nog. En buigend onder de
+deurlijst stapte ik met meneer Cathoen naar buiten.
+
+Hij zei geen woord meer; hij scheen eensklaps uitgepraat. Wij
+vorderden langzaam door de stille, mistig-sombere straat, die zwak
+verlicht was door enkele povere lantarens. Geen mensch op het pad,
+geen het minste geluid van leven achter de gesloten deuren. Slechts
+hier er daar nog een lichtje door de ramen, met een troebele vizie
+van sombere, triestige dingen daarbinnen.
+
+Wij kwamen aan het kleine station. Daar was 't iets minder doodsch.
+Drie menschen zaten er op den trein te wachten, een paar soldaten
+liepen er heen en weer, het telegraaftoestel tikte achter het loket
+en in een hoek stond een man bij een nietig
+kranten-en-boekenstalletje.
+
+--Kranten, meneeren? vroeg hij met halfluide stem.
+
+--'t Is te vroeg, die kunnen er nog niet zijn, meende meneer Cathoen.
+
+--Pardon, meneer, pas aangekomen, verzekerde de man.
+
+--Wat! riep meneer Cathoen, opgewonden tot het stalletje naderend.
+
+Waarachtig, het waren de couranten, die anders slechts een uur later
+bij hem werden bezorgd en waar hij dan verder gansch den avond in te
+lezen zat, steeds hopend er 't bericht te vinden van de groote
+overwinning, die den gehaten vijand uit 't geliefde land verjagen
+zou.
+
+--Hoe komen ze toch zoo vroeg vandaag? zei hij, gretig zijn voorraad
+inslaande.
+
+--Ze komen elken avond om dit uur, meneer, antwoordde de man.
+
+--En ik ontvang ze pas een uur en soms wel anderhalf uur later! riep
+meneer Cathoen verontwaardigd.
+
+--Dat is de bestelling aan huis, meneer, zei droogweg de verkooper.
+
+--Begrijpt ge zoo iets? keerde meneer Cathoen zich tot mij om. 't Is
+iets van zeven of acht minuten loopen en daar hebben ze een uur of
+anderhalf uur voor noodig!
+
+Maar hij luisterde zelfs naar mijn antwoord niet; hij haalde gejaagd
+zijn bril te voorschijn, ging midden in de wachtzaal onder de
+hanglamp staan, ontvouwde daar, met zenuwachtig gefrommel, de
+couranten.
+
+--Alweer 't zelfde spel! Wat is dat nu weer! Ze hebben nog eens
+Allebei gewonnen! pruttelde hij, als gesard zijn hoofdschuddend.
+
+Doch hij zag niet goed onder die vieze, smeulende lamp, hij begreep
+ook niet goed wat hij las, beweerde hij; hij plooide zijn couranten
+dicht en flapte ze weer open; en eindelijk kwam hij naar mij toe en
+zei:
+
+--Weet ge wat: ik heb u nu tot hier gebracht en kan u toch niet
+verder vergezellen. Fietriene zou ook bezorgd en ongerust over mij
+worden. Ik ga u nu maar verlaten en hoop dat ge mij al gauw weer eens
+komt opzoeken, of, liever nog, dat we mekaar binnen kort in ons
+dierbaar land terug zullen zien.
+
+Hij drukte en schudde mij de hand, mij herhaaldelijk "tot weerziens"
+wenschend. Hij liep nog even haastig tot bij den man van het
+stalletje om hem te zeggen dat hij er voortaan elken avond zelf zijn
+dagbladen zou komen halen en met een laatste gewuif was hij weg,
+zijn avondvoorraad van lectuur als een schat onder den arm knellend.
+
+--Arme meneer Cathoen, die daarin zijn hoop en steun moet zoeken!
+dacht ik bij mezelf. Gelukkig maar dat hij nog Fietriene heeft om
+zich te troosten.
+
+Ik stond daar even, doelloos, niet goed meer wetend wat te doen. Ik
+haalde mijn horloge uit. Nog ruim tien minuten.
+
+--Kranten, meneer? klonk weer halfluid de stem van den man.
+
+Ach ja, waarom ook niet! Ik kocht mij voor een dubbeltje bedrukt
+papier, en, op een harde bank gezeten in de kille wachtkamer, nam ik
+op mijn beurt kennis van de laatste officieele leugentelegrammen over
+de gebeurtenissen van den vreeselijken wereldoorlog.
+
+[Voetnoot van de schrijver:
+1) Victorine]
+
+ * * * * *
+
+III.
+
+RIKIKI.
+
+
+Alweer begonnen de granaten over de stad neer te barsten...
+
+Waar de kanonnen eigenlijk stonden kon slechts vagelijk worden
+uitgemaakt. Men hoorde de zware, mathematisch gescandeerde slagen uit
+de richting van het zuiden opkomen: dat was alles. Een doffe, verre
+bons, die even den grond deed dreunen en de ruiten deed rinkelen en,
+nog vóór het dreunen en het rinkelen had opgehouden, een gierend
+geloei hoog in de lucht, een langgerekt loeien en gieren dat in
+woeste vlucht met toenemende felheid en snelheid naderde, en plots
+daarop een krakende knal van barstend metaal, gevolgd door een
+gedonder van ineenstorting, alsof een gansch gebouw opeens ten gronde
+werd vernield. Onmiddellijk daarop de stilte, de doodsche, griezelige
+stilte: de wachtende, benauwende stilte na een knetterenden
+donderslag. En dan opnieuw het dof gedreun ginds verre, het
+gierend-suizen in de hooge lucht, het loeiend-neerslaan van
+'t onzichtbaar monster, en 't barsten en 't kraken en 't denderen en
+'t verpletteren, en dan plotseling weer de doodsche, griezelige,
+akelige stilte. Die absolute stilte was het schrikkelijkste, omdat
+het onnatuurlijk was. 't Was onnatuurlijk als een vlekkeloos-stille,
+helderblauwe hemel, waarin een alles-overweldigend woest onweer zou
+woeden.
+
+De stad was bijna leeggevlucht. Op straat geen mensch meer. De
+weinige bewoners die er nog gebleven waren, zaten in hun kelders
+weggescholen. En die absolute stilte in de tusschenpoozen van
+'t bombardement, gepaard met die totale afwezigheid van menschen,
+maakte den indruk alsof er ook geen apart menschelijk lijden noch
+verdriet meer was onder den globalen omvang der afgrijselijke ramp.
+De groote, anonieme krachten van vernieling voerden 't woord; de
+zwakke klaagstemmen der lijdende menschen hadden klank noch
+beteekenis meer.
+
+ * * * * *
+
+De oude, gepensioneerde generaal, zijn vrouw en zijn schoonzuster,
+waren nog niet gevlucht. Zij hadden maar niet kunnen scheiden van
+hun mooi en gezellig huisje op de oude gracht. Te veel stil geluk en
+levensvrede was daar met hun gansche wezen saamgegroeid. "Ik ga
+niet, ik wijk niet, ik blijf op mijn post," had de oude generaal
+herhaaldelijk en met nadruk gezegd, alsof nog steeds, gelijk
+vroeger, een verantwoordelijke plicht op hem woog. Maar zijn broer,
+die reeds met zijn gezin naar Engeland gevlucht was, hield niet op
+hem aan te wakkeren om daar ook te komen, bewerend dat ze 't er zoo
+goed hadden, dat zij er, dank zij de onuitputtelijke liefdadigheid
+der Engelschen, als prinsen leefden op een prachtig buitengoed,
+met bediening en automobiel, alles gratis tot hun vrije beschikking;
+en de vrouw en de schoonzuster, die van lieverlede half waanzinnig
+waren geworden van angst, schreiden gansche dagen en nachten en
+baden en smeekten den generaal, dat hij toch eindelijk, vóór het te
+laat was, ook met hàar vertrekken zou. Wat hadden zij eraan om hier
+nog langer in die hel te blijven! Zij hadden gered was zij konden:
+hun geld, hun waarden, hun juweelen; het overige konden zij niet
+meenemen, het moest maar aan God's genade worden overgelaten. Alleen
+hun leven had verder nog waarde: hun leven en het dierbaar leven van
+Rikiki, die anders ook met hen, onder de puinen van het huis, zoude
+begraven worden.
+
+Rikiki was hun hondje: een van die kleine, bruine luxe-keffertjes
+met verfrommeld haar, spits-geknipte oortjes en wakkere, blinkende
+oogjes. De oude, barsche generaal kon wel eens echt
+ongeduldig-militair optreden tegen zijn vrouw en zijn schoonzuster,
+en de beide zusters konden met elkaar wel eens kibbelen, maar Rikiki
+verzoende hen allen, voor Rikiki hadden zij niets dan liefde en
+liefkoozingen over. Rikiki was hun kind, hun schat, hun leven, hun
+alles. Rikiki was noch van den generaal, noch van zijn vrouw, noch
+van haar zuster: Rikiki was van hen allen. Eerst was Rikiki, dan was
+het dierbaar huis, dan was de generaal, dan was de vrouw en dan de
+schoonzuster; en dat alles smolt samen tot één enkel, dierbaar
+symbool van geluk, en dat dierbaar symbool was nog eens Rikiki.
+Rikiki was de kracht en de zwakte, Rikiki was de ziekelijke weelde,
+de luxe-tyran van het gansche oude huisgezin!
+
+ * * * * *
+
+"Rikiki zal hier met ons onder de puinen van ons huis begraven
+worden!"
+
+Deze tragische voorspelling, door vrouw en schoonzuster met klem
+herhaald, gaf tenslotte den doorslag. Onder het razend geloei en
+gekraak van de barstende bommen, die met toenemend geweld op de
+geteisterde stad neervielen, bekeek de oude generaal het aardig
+snoetje van Rikiki, die met hen in den kelder zat verscholen en zijn
+stugge hart vermurwde. Misschien hadden de bange vrouwen dan toch
+wel gelijk. Hij keek door een reet van 't keldergat naar buiten in
+de straat. Zijn wenkbrauwen stonden boos en chagrijnig gefronst,
+zijn harde mond bromde verwenschingen onder de lange, witte, van
+verontwaardiging trillende snor. Is dàt nu oorlog voeren, een open
+stad bombardeeren! gromde hij. Hij vloekte en vervloekte zulk een
+vijand. Doch wat hielp het? Sinds dagen liep hij zoo machteloos te
+foeteren en te brommen; maar de kanonnen van den vijand overbromden
+zijn gefoeter en dreven een snerpend-vernielenden spot met zijn
+nijdige, razende klachten. Het woestbrutale recht, het recht van
+den sterkste zegevierde en daar was niets tegen te doen.
+
+De oude generaal slaakte een wanhoopszucht. Hij haalde zijn horloge
+uit. Vijf uur. Wellicht zou het bombardement spoedig verzwakken en
+evenals elken dag met het invallen van den nacht geheel ophouden.
+Dan zouden zij kunnen gaan. Sinds dagen stond het weinige wat ze
+konden meenemen in valiesjes klaar gepakt en zijn fortuintje droeg
+hij in een portefeuille op zich, dag en nacht. Hij liep nog eens
+naar boven, ondanks de smeekingen der vrouwen, die gruwden voor
+'t bombardement-gevaar en hij doorsnuffelde al de kamers van het zoo
+dierbare huis. Ach! dat hij dit nu toch alles in den steek moest
+laten! Tranen kwamen in zijn oude oogen en nu de vrouwen het niet
+konden zien, schaamde hij zich voor zijn bittere droefheid niet. Hij
+snikte. Zijn bevende handen bevoelden en omknelden de dierbare
+meubels, de gordijnen, de kleeden, de kleinoodiën, alles wat in
+zooveel lange jaren met zijn leven was vergroeid en dat hij daar nu
+onbeheerd aan willekeur, aan roofzucht en vernieling prijs moest
+geven. Hij hoorde de dreunende knallen der barstende bommen
+niet meer,'t kon hem niet schelen; hij was geheel en al verslonden in
+zijn eigen, onmiddellijk-gevoelde smart en droefheid.
+
+Hij droogde zijn tranen af en sukkelde met bibberende lippen weer
+beneden. De vroege avond zonk reeds triestig in den somberen kelder
+en de beide vrouwen, angstig naast Rikiki op een der gëimproviseerde
+ledikanten gezeten, slaakten een kreet van verlichting toen zij hem
+ongedeerd weer zagen binnen komen.
+
+--We zullen vannacht maar vertrekken, zei hij eensklaps, met sombere
+stem.
+
+Zij juichten op, als van verlossing.
+
+--O, ja! O, ja! riepen zij smachtend.
+
+In koortsachtige haast was de schoonzuster opgevlogen, alsof het nu
+reeds dadelijk ging gebeuren. Dat maakte hem nijdig, kwaadaardig.
+
+--Geen haast, geen haast, schimpte hij: het regent nog steeds
+bommen daarbuiten.
+
+--Ik wou alleen maar 't een en 't ander klaar maken voor ons
+avondeten, antwoordde zij nederig, zich over haar gretige haast
+excuseerend.
+
+Hij bromde iets onverstaanbaars als antwoord en ging somberzwijgend
+op een stoel in den droef-schemerigen kelder neerzitten.
+
+ * * * * *
+
+Met stillere voortvarendheid nu maakte de schoonzuster de
+toebereidselen voor het avondmaal klaar. Men voelde dat zij bang was, dat
+het genomen besluit nog zou kunnen gewijzigd worden. Het was een
+stevig-gezette vrouw, van middelmatige, ietwat gedrongen gestalte, met
+spannende buste, korten hals, scherpe trekken en grijzende haren.
+Zij was vlug en flink in al haar bewegingen. Zij had een
+petroleum-vuurtje aangestoken en deed met snelle handigheid het werk dat
+de meid, die reeds sinds dagen was gevlucht, anders verrichtte. Haar
+zuster, moedeloos naast Rikiki op de harde bedsponde ineengezakt,
+volgde zuchtend en met doffe blikken haar bewegingen. Uit haar was
+alle kracht en fut verdwenen. Als een geknakt en willoos wezen zat
+ze daar. Af en toe streelde zij machinaal het warrelkopje van
+Rikiki, waarbij het belletje, dat de kleine hond aan een blauw
+lintje om zijn hals droeg, even rinkelde. De hooge, magere gestalte
+van den generaal, somber-roerloos op zijn stoel gezeten, verdween in
+het halfduistere. Alleen zijn lange, witte snor trok nog als een
+dwarse lichtstreep door zijn beenderig, getaand gezicht.
+
+Daarbuiten, in den nu snel-vallenden nacht, had het bombardement van
+lieverlede in heftigheid afgenomen. Slechts met grootere
+tusschenpoozen hoorde men nog het langgerekte, loeiend gefluit in de
+lucht, met het daaropvolgend cataclysmegedonder der
+uit-elkaar-springende bommen. Dan was er telkens weer dat oogenblik
+van akelig-doodsche stilte, alsof nu 't laatste leven in de vernielde
+stad was weggezweept, maar weldra kwam er opnieuw een vage
+stommeling en beweging; men hoorde vlugge voetstappen voorbijrennen,
+men hoorde het geratel van een kruiwagen of kar en enkele
+menschenstemmen, die elkaar iets toeriepen.
+
+Dat waren zeker de laatste bewoners, die zich den ganschen dag in
+hun kelders hadden schuilgehouden en nu, met den invallenden nacht
+en de betrekkelijke veiligheid, op hun beurt in haast de geteisterde
+stad verlieten. Even gierde ergens ver een schrille stoomfluit,
+alsof er ook nog treinen reden en een auto snoof voorbij, met
+donderend geraas. De generaal en de twee vrouwen schrikten er
+verbaasd van op. Wat! Nu nog treinen en auto's in de verlaten stad!
+Of zou het wellicht reeds de vijand zijn, die binnenstormde! De
+beide vrouwen wrongen jammerend, met angstgezichten, haar handen in
+elkaar, maar de generaal, onvervaard, stond op en ondanks de
+smeekingen van vrouw en schoonzuster, ging hij buiten, op den
+drempel, kijken.
+
+'t Was niets. Hij kwam terug en zei dat 't niets was. De gansche
+stad lag reeds in duisternis gehuld en er was geen mensch meer te
+bespeuren. En ook 't bombardement had opgehouden; men hoorde geen
+geloei meer in de lucht en geen bommen barstten meer, in krakende
+vernieling, tegen de huizen uit elkaar.
+
+De schoonzuster had een klein petroleumlampje aangestoken. Het
+zwakke schijnsel verlichtte vaag de triestige naaktheid van den
+kelder met de barre, witgekalkte muren, die bij plaatsen glinsterden
+en sijpelden van ziltig vocht. Om een klein, withouten tafeltje
+zaten zij met hun drieën en aten lusteloos dunne plakjes ham op
+brood. De generaal gebruikte daarbij een glas wijn. Op het
+petroleumkomfoortje stond het waterketelje te zingen.
+
+Het deed hen toch goed iets te gebruiken. Zij voelden zich weer
+gewone, menschelijke wezens. Op aandringen van den generaal namen
+ook de vrouwen een glaasje wijn en dat verwarmde en beurde op. Zij
+praatten even en stoeiden zelfs verteederd met den dierbaren Rikiki,
+die in 't gerinkel van zijn halsbelletje levendig van de een naar de
+ander opwipte, om beetjes te krijgen. O, die lieve, aardige,
+gezellige Rikiki, en o, die gelukkige Rikiki, die maar niets voelde
+en niets vermoedde van al de ellende en verschrikkingen waaronder
+zijn ongelukkige meesters ten gronde gingen! Zou men zelf niet
+wenschen een onwetend dier te zijn, om al die narigheden niet te
+kennen!
+
+Het korte maal was afgeloopen en meteen kwam weer de somber-droevige
+stemming. Nu zouden zij gaan, van al het dierbaar-welbekende,
+misschien voor eeuwig, afscheid nemen. De generaal liep
+zenuwachtig-gejaagd in den kelder heen en weer. Het had wel geen
+reden, want het weinige, dat zij konden meenemen stond immers al
+lang kant en klaar, maar 't was hem te machtig: hij kón van zijn
+huisje niet scheiden.
+
+Hij moest er zichzelf ten slotte als 't ware van wegrukken. Hij nam
+ineens een barsche, militaire houding aan, alsof hij nog zijn
+divisie aanvoerde en riep:
+
+--Vooruit nu!
+
+Doch eerst moest Rikiki gevangen worden. Rikiki moest in een mandje
+dat de schoonzuster zou dragen en dat alvast opengeflapt op het
+tafeltje stond.
+
+--Kom, liefje! streelde aanmoedigend de schoonzuster.
+
+Rikiki kwam. Hij kwam, oortjes gespitst en stompestaartje wringend
+en keek de vrouw met strakke, glinsterende oogjes aan. Maar toen ze
+zich bukte om hem op te nemen sprong hij vlug op zij en bleef weer
+een eindje verder roerloos staan, even zijn stompestaartje wringend,
+oortjes trillend gespitst, intelligente oogjes flikkerend.
+
+Rikiki begreep. Rikiki voorgevoelde en begreep, dat men hem in
+'t mandje wilde stoppen en daar was hij niets mee ingenomen.
+
+--We moeten hem toch hebben, zuchtte de schoonzuster bezorgd. En nog
+eens wenkte zij hem streelend, met flikflooiende, zoete woordjes.
+
+Rikiki sloeg haar aandachtig gade. Hij liet haar komen, maar men kon
+zien dat zijn gespannen pootjes klaar stonden om weg te wippen; en
+dat deed hij dan ook, zoodra de schoonzuster naar hem de hand
+uitstrekte, en daarbij blafte hij even, heel schril en fel, om
+duidelijk genoeg te zeggen, dat men niet pogen moest hem voor den
+gek te houden.
+
+De generaal, die ongeduldig-wachtend toezag en reeds zijn handvalies
+had opgenomen, barstte eensklaps in woede uit.
+
+--Rikiki! riep hij dreigend, alsof hij een weerspannigen soldaat zou
+gaan tuchtigen. Maar Rikiki, allen eerbied vergetend, blafte ook
+zijn heer en meester aan en liet zich evenmin door geweld als door
+zachtheid vangen.
+
+--C'est par trop fort! gilde de generaal, zijn valies neergooiend. En
+een geregelde jacht op Rikiki begon. De generaal, zijn vrouw, zijn
+schoonzuster, allen zaten het weerspannig diertje na. Zij wonden
+elkander op, al hun ziekelijke liefde voor het beest scheen
+plotseling in haat veranderd. De generaal hijgde, vloekte,
+voorspelde de ellendigste rampen met dat dier op de vluchtreis. Men
+moest hem hier maar aan zijn lot overlaten, of hem den nek
+omdraaien, foeterde hij. En de beide vrouwen schreiden en snikten,
+honderd maal ellendiger over de plotselinge ontrouw van Rikiki, dan
+over al de andere beproevingen, die zij sinds dagen hadden
+uitgestaan. Eindelijk sprong de schoonzuster, op een razend
+dreigement van den generaal dat hij maar niet zou vluchten als het
+zoo moest gaan, naar 't hondje toe en liet zich plat ten gronde op
+hem neervallen. Rikiki piepte vervaarlijk maar zij had hem, zij
+hield hem krachtig in haar beide handen vastgeklemd en stond er
+hijgend en zuchtend mee op. De generaal en zijn vrouw sloegen hun
+armen ten hemel.
+
+--Heb je hem pijn gedaan? angstigden zij.
+
+Gelukkig niet erg! Zij omringden hem met hun drieën, waar hij reeds
+op de tafel in zijn mandje zat en bevoelden met bevende zorg zijn
+kopje, zijn lijfje, zijn pootjes. Goddank! Hij had niets! Hij rilde
+maar wat van de uitgestane emotie en de schoonzuster liep hem nog
+haastig een schaaltje met melk halen, dat hij dan ook dadelijk begon
+op te lepperen. 't Was heerlijk hem dat te zien doen. 't Was als een
+lafenis die henzelven doordrong. Zij zuchtten van verlichting.
+Toen 't schaaltje leeg was streelden zij hem nog eens om beurten op
+het aardig warrelkopje en spraken hem zoete liefkoozingswoordjes
+toe. Dan werd het mandje, waarin een mollig dekentje lag, zacht
+gesloten.
+
+Nu konden zij gaan. Zij namen de valiezen en het mandje op en de
+generaal wachtte tot de dames boven waren om het lichtje uit te
+draaien. Dan kwam hij zelf, tastend en struikelend in de duisternis,
+de steenen treden op.
+
+Zij spraken geen woord meer. Hij opende de voordeur in de kille gang
+en aarzelend kwamen de dames buiten. Hij volgde haar. Hij sloot de
+deur en draaide tweemaal den sleutel in het nachtslot om. Op God's
+genade nu!
+
+ * * * * *
+
+De doodsch-verlaten stad lag donker in den vroegen najaarsavond,
+maar toen zij een eindje door de welbekende straten waren gevorderd
+scheen het hen toe, dat alles toch iets minder somber en verlaten
+was dan zij wel eerst vermoed hadden. Zij zagen vagelijk de huizen,
+de meesten met gesloten blinden, doch hier en daar ook een met open
+deur en ramen, alsof de bewoners, alvorens heen te gaan, het eens
+goed hadden willen luchten. Zoo leek het op 't eerste gezicht in de
+duisternis, maar bij nadere beschouwing kon men merken dat de deur
+aan splinters was geslagen, dat er groote gaten in den gevel gaapten
+en dat geen enkele ruit geheel meer was. Zoo waren de huizen die
+door de bommen getroffen werden uiterlijk in schijn nog betrekkelijk
+gaaf, maar van binnen, als men even door de gaten en de
+stukgeschoten ramen keek, één puinhoop van steen en kalk en
+gruzelementen.
+
+De generaal en de twee vrouwen keken die vernieling vluchtig in
+'t voorbijtrekken aan, met sombere oogen. Zij mochten van geluk nog
+spreken dat hun huis zoolang gespaard gebleven was, maar, hoe zou
+het er morgen, overmorgen, of de volgende dagen uitzien? En als
+'t eenmaal zooverre was, als het was stuk geschoten zoodat een ieder
+er vrij in en uit kon loopen, zou het weinige dat er nog van waarde
+overbleef, dan niet geplunderd worden door de roovers en bandieten,
+die nog in de stad gebleven waren en die zij reeds hier en daar
+zagen sluipen, als ratten in de donkerste hoeken, tusschen het puin?
+
+Zij kwamen op het groote marktplein. Daar stond een groepje menschen
+bij twee rijtuigen, vóór een huis waarin nog licht brandde. Zoodra
+de generaal en de twee dames in 't bereik kwamen, schoot een man op
+hen af.
+
+--Rijdt ge mee, meneer, naar Antwerpen?
+
+De generaal aarzelde, keek den kerel achterdochtig aan. Het voorstel
+verraste hem. Hij vermoedde niet dat er nog eenig middel bestond om
+per rijtuig naar de groote havenstad te komen. Hij dacht aan niets
+anders dan den langen afstand te voet af te leggen en daar plaatsen
+zien te krijgen op een schip, naar Holland of naar Engeland.
+
+--Hoeveel, per persoon? vroeg hij den man.
+
+--Tien frank, meneer.
+
+De generaal haalde verwoed zijn schouders op en keerde zich om.
+
+--Negen frank, meneer, liep de man hem na.
+
+De generaal gaf geen antwoord.
+
+--Acht frank, meneer, acht frank, mijn laatste woord.
+
+De generaal bleef staan.
+
+--Wanneer zoudt ge vertrekken? vroeg hij.
+
+--Dadelijk, meneer, dadelijk, de koetsier is daarbinnen in dat café
+bezig iets te gebruiken.
+
+De generaal raadpleegde vlug, in 't Fransch, de dames. Terstond
+gebruikte de kerel, zoo goed en zoo kwaad als het ging, dezelfde
+taal:
+
+--Très bon marché madame, très bon voiture et fort cheval. Plus
+vite que les bombes des Boches! En hij lachte, griezelig.
+
+Zij lieten zich overhalen, draaiden langzaam naar de twee rijtuigen
+toe. Het waren twee oude, vuile, open victoria's met droevige
+knollen bespannen.
+
+--Ici, monsieur, ici, madame, wenkte de kerel, hen bij een der vieze
+dingen brengend. Haastig nam hij de valiezen aan, schoof ze onder de
+banken, verzocht hen in te stappen. Toen holde hij binnen in het
+groezelig koffiehuis om den koetsier te waarschuwen.
+
+--Cinq minutes patience, monsieur, madame; cocher tout de suite
+fini manger, kwam hij even weer buiten geloopen.
+
+De generaal, zijn wenkbrauwen fronsend, bromde toornig in zichzelf.
+Het speet hem reeds dat zij 't aanbod hadden aangenomen. Wat
+'n vieze boel zag het er uit! Zouden ze niet beter nog uitstappen en
+toch maar te voet gaan?
+
+--Zooals je wilt, antwoordden gedwee de dames.
+
+Hadden ze tegengestribbeld, dan had de generaal wellicht op
+uitstappen aangedrongen. Nu ze dat niet deden en bereid waren zijn
+wensch te volgen, drong hij niet verder aan.
+
+--Misschien toch maar beter die rammelkast te gebruiken, zei hij,
+ongeduldig schokschouderend.
+
+Ook dàt vonden de dames goed. 't Was haar alles eender, als zij uit
+die hel maar wegkwamen.
+
+Zij keken om zich heen, terwijl ze daar nog even moesten wachten.
+De nacht scheen iets lichter te worden; duidelijker teekende de
+omgeving zich af. En eensklaps rees een wazige maan boven de hooge
+daken en haar triestig, weifelachtig schijnsel viel op de groote,
+leege markt en op de huizen en gebouwen in het ronde. Nu zagen zij
+eerst goed hoe hun oude, mooie stad onder het bombardement geleden
+had. De statige kerktoren rees somber ten treurigen hemel, den eenen
+kant gansch afgebrokkeld en als 't ware uitgevreten, alsof een
+verwoede reus met grijnzende tanden aan 't verweerde steen geknaagd
+had. De kerk, daaronder, had geen dak meer en de nacht gaapte,
+akelig-tragisch, door de verbrijzelde ruiten der hooge, sierlijke
+boogramen. Daarnaast was er een leege ruimte, met hier en daar nog
+een stuk uitgekartelde trapgevel of een brok schoorsteen op een
+muur, die door een mirakel van evenwicht was overeind gebleven. Een
+van de nobelste antieke heerenhuizen was ook nog blijven staan, maar
+juist boven het sierlijk balkon, dat als een wonder van steenen
+kantwerk zijn ongerepte, grijze ellips naar voren welfde, was een
+enorm, donker gat geslagen, als het wijd-open hol van een spelonk,
+waaruit schrik-en-gruwelbeelden zouden gaan te voorschijn komen.
+
+--Barbaren! Barbaren! bromde en foeterde de generaal met van
+verontwaardiging trillende snor.
+
+Maar hij werd ongeduldig en keek weer naar de groezelige herberg om.
+
+--Koetsier! Koetsier! riep hij gebiedend.
+
+Luide, kijverige bralstemmen klonken daarbinnen, alsof er een
+gevecht ontstond. Enkele kerels met boeventronies kwamen eindelijk
+buiten en onder hen was een man met zwarte snor en bonten muts, die
+een langen mantel droeg en een zweep in zijn hand hield. Hij groette
+kort, met rauwe drankstem en klom op den bok van het rijtuig. De
+boef, die aan den generaal het rijtuig had verhuurd, wipte naast hem
+en tegelijkertijd, terwijl het paard reeds wegdraafde, sprong een
+derde kerel in het rijtuig en nam ongegeneerd naast den generaal, op
+'t ruggebankje plaats.
+
+--Koetsier, wat beteekent dat? gilde de generaal verontwaardigd.
+
+--Niets, meneer, ik heb mijn plaats betaald, zoowel als u, antwoordde
+de man met een woedenden blik.
+
+--Stop, koetsier, stop! krijschte de generaal overeind springend, en
+vatte den leidsman bij den arm. Met een vloek hield deze zijn paard
+in.
+
+--Zij d'r uit of wij d'r uit! riep de generaal, vastberaden.
+
+De vrouwen sidderden, klaar om het van angst uit te gillen, met
+krampachtig in elkaar gewrongen handen. Maar het flink optreden van
+den ouden militair had een bewonderenswaardige uitwerking. De
+koetsier haalde zijn schouders op alsof het hem niet aanging en de
+twee schoelies stapten langzaam uit het rijtuig. Zij deden eensklaps
+heel gedwee en onderdanig en stonden daar even met uitgestrekte
+bedelhanden te grienen, dat hun huis verwoest was en dat zij geen
+stukje brood meer hadden voor hun ongelukkige vrouwen en kinderen.
+
+De generaal was woedend en dreigde met politie en gendarmes, die er
+trouwens reeds lang niet meer waren. Maar de schoelies grienden nog
+luider en staken nog dringender hun bedel-grijpklauwen uit, zoodat
+de dames weer doodsangstig werden en schreiend smeekten dat de
+generaal hun toch iets geven zou. Hij deed het eindelijk, maar onder
+heftig protest en met de herhaalde bedreiging, dat hij hun tronies
+onthield en dat hij hen later onmeedoogend bij de overheid zou
+aanklagen. De schoelies dankten en groetten en verdwenen in de
+donkere gaping van een slop.
+
+ * * * * *
+
+Zij hadden de sinistere stad verlaten en reden over een rechten
+steenweg door het open veld. Langs beide kanten waren de boomen
+afgezaagd en de gevelde stammen lagen schots en scheef over de
+slooten en in het aangrenzend weiland. Het was alsof een aardbeving
+de gansche streek had door elkaar geschud. Het nevelige manelicht
+bescheen verdrietig die verwoesting en hier en daar, langsheen den
+weg of in het veld stonden de huisjes en de boerderijen als dood in
+hun sombere, eenzame verlatenheid.
+
+Traag-sjokkend reed het rammelend rijtuig over de ongelijke keien.
+De generaal en de twee dames spraken een heele poos geen woord. Zij
+huiverden in de kille nachtlucht en trokken mantels dicht en kragen
+op. De weg scheen eindeloos en onafzienbaar. Soms zagen zij in het
+verschiet als een beweging van vage schimmen vóór zich uit. Het
+waren enkele menschen die, evenals zij, op het laatste oogenblik de
+stad ontvluchtten. Zij torsten met zwoegende inspanning wat zij nog
+konden meesjouwen en wierpen begeerige en droevige blikken op het
+voorbij-ratelende rijtuig. Eensklaps ontstelden de dames hevig van
+schrik. Een breede lichtstraal zwaaide waaiervormig door den hoogen
+hemel en doofde stil weer uit. Wat was dat? Een niet-ontplofte bom?
+Zou het afgrijselijk bombardement nu weer beginnen, hen in hun
+vlucht achterhalen? Opnieuw flitste 't achter hen, breed en
+majestatisch, aan den verren, donkeren einder op en doorveegde, met
+zijn lichten stralenbundel, waaiervormig gansch den hemel. De
+generaal poogde haar gerust te stellen. 't Was niets, het waren de
+zoeklichten der vijanden. Zij speurden vermoedelijk naar vliegers in
+de lucht. En terwijl de vluchtelingen daar naar keken en toch niet
+zonder angst er over spraken, ging ook vóór hen uit, in het
+verschiet, een breede stralenbundel op, die dwars over den hemel
+veegde. Dat was het zoeklicht van het vaderlandsche leger! Zij
+hadden het licht van den vijand gezien en straalden tegen, als
+antwoord. En zoo bleven beide zoeklichten een tijd door stralen en
+flitsen, en hun schichten door elkander schieten als Titanen en
+Goden, die hoog en ruim boven 't klein-menschelijk gedoe, elkander
+in den hemel zochten en bevochten.
+
+In zijn mandje, op den schoot der schoonzuster, begon Rikiki af en
+toe zich te bewegen. Hij krabde met zijn pootjes tegen de wanden en
+neuspiepte soms heel fijn, van klagend ongeduld. De schoonzuster
+trok het dekseltje voorzichtig open.
+
+Een aardig warrelkopje met stralende oogjes kwam te voorschijn, dat
+hen allen diep verteederde. Zij streelden hem om de beurt en
+glimlachten en spraken hem zoete woordjes toe. En zij bekenden
+aan elkaar dat het hun grootste troost was in hun ongeluk dat
+dierbaar wezen nog bij zich te hebben. Toen sloot de schoonzuster
+opnieuw het mandje, heel zacht en voorzichtig-langzaam, 't aardig
+kopje met het deksel neerduwend. Doch blijkbaar was dit een
+teleurstelling voor Rikiki. Hij had nu eindelijk, voor 't eerst
+sinds dagen, nog eens de vrije lucht gezien en wilde die ook blijven
+zien; en al dadelijk begon hij weer te krabben en te neuspiepen en
+te janken, eerst matig nog, met tusschenpoozen, doch van lieverlede
+harder en aanhoudender, tot het weldra ontaardde in een snerpend
+noodgejammer en geblaf, dat onuitstaanbaar werd.
+
+--Het is onmogelijk, onmogelijk, met dat ellendig dier op reis te
+gaan! riep de generaal, eensklaps weer verbolgen en wanhopig zijn
+armen in de lucht slaande.
+
+De vrouw en de schoonzuster smeekten, trachtten het hondje te
+sussen, lichtten, heel eventjes, het dekseltje weer op. Rikiki
+bedaarde.
+
+--Stel je voor dat we met zulk een gejank in het hôtel, op de
+boot, in Engeland aankomen; ze gooien ons eenvoudig buiten! bromde
+nog de generaal.
+
+--Ach kom, je houdt toch immers ook dol van hem; je zou hem,
+evenmin als wij, willen of kunnen missen, zei de schoonzuster,
+vergoelijkend.
+
+--Jawel, gaf de generaal in ietwat mildere stemming toe; jawel, ik
+hou van hem, maar hij moet zoet zijn.
+
+--Hij is zoet, hij zal zoet zijn, niet waar, mijn schatje! fleemde de
+schoonzuster, met streelende vingers onder 't dekseltje.
+
+In de verte, om een bocht van den weg, blonken eensklaps enkele
+lichtjes in de duisternis.
+
+De voorposten van 't Belgische leger! waarschuwde de generaal. En hij
+tastte in een van zijn binnenzakken, om alvast hun paspoorten uit te
+halen.
+
+Weldra schoof een donkere, stille schaduw dwars over den weg. Een
+tweede volgde, die in 't midden van den weg bleef staan en een bevel
+weerklonk, kort en hard:
+
+--Halt!
+
+De koetsier hield het rijtuigje stil. Een der gedaanten stapte met
+een zaklantaarntje op hem af; de tweede deed het zelfde met de
+inzittenden der victoria.
+
+--Papiers! klonk het kortaf.
+
+De generaal liet de paspoorten zien. De schildwacht, een
+wachtmeester der grenadiers, bekeek ze aandachtig. Het was een jonge
+man met knap gezicht en lange, donkere snor. Het zwart en rood van
+zijn uniform schitterde vaag in de duisternis. Eensklaps richtte hij
+zich op en stond in positie, militair-groetend, rechterhand aan de
+politie-muts en hakken bij elkaar.
+
+--Passez, mon général, zei hij eerbiedig en week drie passen
+achteruit.
+
+De generaal gaf hem zijn groet terug, de dames bogen, het rijtuig
+ratelde langzaam voorwaarts.
+
+Rechts en links nu van den weg kwamen, in het vage schijnsel der
+lantarens, eigenaardige verschijningen als het ware halvelings uit
+den grond opgedoken. Donker-magere gezichten met oogen die strak
+blonken; geweren en bajonetten die even dof flitsten, zwarte
+gestalten, die zich eensklaps oprichtten, als uit hun graf
+verrijzend. Dat waren de soldaten in de loopgraven. Er moesten er
+velen zijn, in lange, diepe rijen tot ver en wijd in't veld, want
+zonder ze te zien voelde men ze langs alle kanten en een breed en
+dof gegons steeg op, dat alom de mysterieuze stilte van den nacht
+vervulde. Al spoedig, trouwens, schoven weer stille schaduwen dwars
+over den weg naar voren en werd er nog eens "halt" geroepen. En ook
+weer sloeg de wacht, na onderzoek, eerbiedig militair aan en mocht
+het rijtuig verder gaan. Zoo kwamen zij eindelijk langs drie
+overbrugde grachten, tusschen donkere wallen aan de vestingpoort.
+Daar werden hun papieren voor de laatste maal onderzocht en weldra
+reden zij door lange straten, zwak verlicht en vol soldaten, die
+vroolijk bij troepjes heen en weer kuierden of in en uit de
+stampvolle herbergjes en kroegjes kwamen.
+
+Naarmate zij verder doordrongen werd de stad steeds levendiger. Maar
+'t was een vreemd gezicht, die drukte in halve duisternis. 't Was of er
+ergens een grootsche, plechtige begrafenis had plaats gehad, waar de
+bevolking van terugkwam en waarover gansch de stad nog rouwde. En
+toch; in dat rouwend halfduister klonk op vele plaatsen opgewekt
+gepraat en gelach en zang en muziek en ook hier en daar, in de
+herbergjes, werd er gedanst. Het waren soldaten, die dansten, met
+roodwangige meiden in lichte blouses en vettig glimmende of krullende
+haren. Zij schenen niets te voelen van al de droefheid en de rampen
+van 't geteisterd vaderland. De soldaten dansten en lachten met
+dezelfde luchtige opgewektheid, waarmede zij, in den afschuwelijken
+strijd, den dood te gemoet gingen en de meiden amuseerden zich zooals
+zij altijd deden, gelijk met wie haar beetpakte en trakteerde en
+betaalde.
+
+Het rijtuig kwam voor het hotel, waar de generaal en de twee dames
+zouden overnachten. De hall was somber, maar de hel-verlichte
+restauratiezaal zat vol met officieren, die al evenmin schenen te
+treuren als de soldaten in de kroegen. De oude generaal fronste met
+nurkschen blik de wenkbrauwen. "Hoe is het mogelijk!" bromde hij.
+
+Zij vroegen om logies. Eerst zette de gérant een hoogst bedenkelijk
+gezicht. Hij had zoo goed als niets meer over, beweerde hij. De
+generaal gaf zijn kaartje af. Dat maakte de dingen wel beter. De man
+boog eerbiedig en ging zien. Ja, er was nog middel: twee kamertjes;
+een met twee bedden voor de dames, een kabinetje voor den generaal.
+De generaal verklaarde zich daarmee tevreden en vroeg hoe laat den
+volgenden ochtend de boot naar Engeland vertrok.
+
+--Heeft u plaatsen besproken? vroeg de gérant. De generaal zei van
+neen.
+
+--O, meneer, dan is er geen kwestie van dat u mee kunt! verzekerde
+de man.
+
+De generaal slaakte bijna een vloek.
+
+--Geen sprake van, herhaalde de man met nadruk; alles dagen van te
+voren reeds gereserveerd. Ware ik in uw plaats, dan nam ik liever de
+boot naar Vlissingen. Dáár zult u nog wèl gelegenheid vinden.
+
+De generaal was erg uit zijn humeur. Doch hij begreep dat er niets
+aan te doen was en liet alvast, voor den volgenden ochtend, plaatsen
+naar Vlissingen bespreken.
+
+--Of ze nog iets wenschten te gebruiken? vroeg de gérant.
+
+De generaal raadpleegde met den blik zijn dames. Neen; geen van
+beide had in iets zin. De gérant boog en ging hen voor naar de lift.
+
+Even krabbelde Rikiki in zijn mandje en neuspiepte fijn terwijl zij
+binnenstapten. Ietwat verrast keek de gérant op, maar glimlachte en
+maakte geen opmerking.
+
+De lift zoog hen naar boven.
+
+ * * * * *
+
+Op de boot was 't ellendig, griezelig vol. Wat al vluchtende menschen
+voor het naderend, gruwelijk onheil! Wat al manden, pakken, korven,
+zakken met van alles volgepropt! Er waren droeve, dróéve gezichten
+van totale gelatenheid en wanhoop en er waren menschen die zielig
+jammerden en schreiden: menschen die nog wilden lijden en strijden en
+in 't verlies van alle hoop maar niet konden berusten. Er waren er
+ook luchtige en vroolijke, menschen op wie het ongeluk geen vat kreeg
+of die er zich boven wisten te stellen, en er waren er ten slotte
+ernstige, diep-ernstige, met geconcentreerde gezichten van zware,
+innerlijke zorg.
+
+Zoo waren de oude generaal en de twee dames. Zij hadden een plekje
+boven op het dek weten te veroveren: een oud stuk bank tegen de
+schoorsteenpijp en van daar uit keken zij stil, met triestige oogen,
+naar de oude, groote stad die zich, achter het omgewoelde,
+viezig-schuim-opspattende rivierwater, langzaam van hen verwijderde.
+Zou het voor eeuwig zijn? Zouden zij nog terugkomen? Wie kon het
+zeggen? Alles was vaag en vol onzekerheid. De stad smolt weg, de
+huizen werden kleiner, de blikkerende vensterraampjes schenen hen
+weemoedig na te staren, als met verwijtende oogen die traanden. Was
+het niet jammer dat zij vluchtten? Hadden zij niet liever moeten
+blijven? De twinkelende, droeve huizeruitjes schenen hen terug te
+roepen en de hooge, slanke kerktoren der kathedraal richtte zijn
+spits ten hemel, als in een gebaar van berispende afkeuring. Dat
+alles ontroerde de dames en haar oogen werden vochtig. De generaal
+hield zich goed, maar zijn lippen stonden op elkaar geklemd en af en
+toe sidderde zijn lange, barsche, witte snor. Het was te laat nu,
+spijt of berouw kon niets meer baten. Maar zij wisten ook niet of het
+hun speet, zij wisten niets meer, al hun tegenstrijdige gevoelens
+waren door elkaar verward geraakt: het was opeens besloten geweest en
+meteen ten uitvoer gebracht; waarom?... omdat de dames gruwelden van
+angst onder 't bombardement, en omdat iedereen gevlucht was, en ook,
+'t is waar, omdat zij Rikiki, de dierbare Rikiki, de lieveling van
+hen allen wilden redden.
+
+Hoe eigenaardig: in hun droefheid en ontreddering hadden zij Rikiki
+een oogenblik bijna geheel vergeten. Zij dachten er pas weer aan toen
+zij hem in zijn mandje hoorden janken en de schoonzuster lichtte
+verteederd het dekseltje op en zij waren allen dadelijk diep bewogen
+omdat zij Rikiki eventjes vergeten hadden en hem Goddank toch nog
+bezaten. Dat troostte hen, dat suste het gevoel van narigheid. Zij
+streelden om beurten het aardige diertje en zonder het aan elkaar te
+bekennen voelden zij allen dat Rikiki steeds weer hun troost zou zijn
+in de vele uren van verdriet en neerslachtigheid, die hun wellicht
+langdurige ballingschap zouden versomberen.
+
+Naast hen, op de boot, zat een familie, die hun aardigheidjes met
+Rikiki gadesloeg en er zich mee amuseerde. Het waren twee dikke,
+goedig-uitziende menschen, een man en een vrouw, vergezeld van een
+klein jong meisje met blauwe oogen en vlasblonde haren. Vooral het
+meisje scheen te trillen van verlangen om ook eens 't aardig hondje
+aan te mogen raken en de oude generaal, die dat merkte, lachte haar
+vriendelijk toe en vroeg haar eindelijk of ze 't soms even op haar
+schoot wilde hebben.
+
+--O, graag, meneer, antwoordde het kind blozend, met een
+eigenaardigen, vreemd-klinkenden tongval.
+
+De generaal nam Rikiki uit zijn mandje en zette hem op de knieën van
+'t verrukte kind.
+
+--Hoe heet het, meneer? vroeg zij dadelijk, het hondje aaiend.
+
+--Rikiki, glimlachte de generaal.
+
+--Rikiki! Rikiki! herhaalde zoetjes het verrukte kind, onophoudelijk
+het warrelkopje streelend.
+
+De dikke man en de vrouw zagen dat spelletje gemoedelijk-glimlachend
+aan en als van zelf begonnen zij weldra een praatje over 't hondje
+met den generaal en de twee dames.
+
+--'n Mooi diertje, 'n duur hondje, zei de man, Rikiki monsterend
+met kennersoogen.
+
+De generaal en de twee dames knikten gewichtig, bekenden dat het
+inderdaad een heel kostbaar hondje was.
+
+--Neemt ge 't mee naar Holland? vroeg de man.
+
+--Naar Engeland, verbeterde de generaal.
+
+--O, maar, dat kan niet, er mogen geen vreemde honden binnenkomen in
+Engeland, verzekerde de man met een heel ernstig gezicht.
+
+De generaal en de twee dames schrikten letterlijk van hun zitplaats
+op.
+
+--Wat zegt ge daar! riep de oude militair, bijna dreigend.
+
+--Dat mag niet, meneer; geen vreemde honden in Engeland, herhaalde
+nog eens de dikkerd met ernstigen nadruk.
+
+De generaal, zijn vrouw, zijn schoonzuster, alle drie omringden den
+onbekende, met een uitdrukking van ontsteltenis en afschuw op
+'t gezicht. Wat! Zij vluchtten weg, met en om Rikiki, en Rikiki zou
+in het toevluchtsland geweigerd worden! Hoe wist die man dat, en wie
+was hij eigenlijk? Wantrouwig keken zij hem aan. Was hij een
+landgenoot of wat was hij? Hij sprak niet de gewone taal der streek;
+zijn uitspraak had een vreemden klank, evenals die van het kleine
+meisje. Waren dat wellicht lui die Rikiki wilden stelen, omdat hij
+zooveel geld waard was? De schoonzuster had een instinctief gebaar om
+het dierbaar wezen uit de armen van het kind weer weg te nemen en de
+generaal, na een oogenblik geconsterneerd stilzwijgen, stramde zich
+in zijn nog flinke, militaire houding en antwoordde den man op
+gezagvoerenden toon:
+
+--Dat ze den hond van een Duitscher of een Oostenrijker zouden
+weigeren, dat begrijp ik, maar van een Belg, een bondgenoot, een
+strijdmakker, onmogelijk, ik geloof het niet!
+
+De goedmoedige dikkerd kon te nauwernood een stillen spotlach
+bedwingen.
+
+--Die wet heeft niets te maken met den oorlogstoestand; zij bestaat al
+sinds vele jaren, zei hij.
+
+Nieuwsgierigen begonnen zich om hen heen te scharen en een donkere
+man, die al van in 't begin 't gesprek had afgeluisterd, zei nu op
+zijn beurt.
+
+--Honden mogen wel in Engeland binnenkomen, maar zij worden er bij
+aankomst zes weken in quarantaine gehouden.
+
+De generaal, de vrouw, de schoonzuster keerden zich naar den donkeren
+man om.
+
+--Werkelijk? Werkelijk? vroeg de generaal.
+
+--Werkelijk, verzekerde de donkere, zwaar-ernstige man.
+
+Nog een derde man mengde zich nu in 't gesprek: een kleine, magere,
+blonde, met een geruite sportpet op en rijlaarzen aan.
+
+--Vroeger ja, nu sinds den oorlog niet meer, beweerde hij. Sinds
+den oorlog worden alle honden zonder onderscheid in Engeland
+geweigerd.
+
+De generaal, de vrouw, de schoonzuster, steeds dieper ontsteld,
+keerden zich nu tot den mageren man met de sportpet en de rijlaarzen
+om.
+
+--Is dat heusch zoo? vorschte de generaal.
+
+--Heusch, meneer, verzekerde de magere man.
+
+De donkere, ernstige man keek den blonde, magere aan en schudde
+'t hoofd. Hij geloofde niets van die verandering in de
+wetsbepalingen.
+
+--Probeert het dan maar eens als ge mij niet gelooft! riep de magere
+op driftigen toon. De donkere man schudde nog eens zijn hoofd en ging weg.
+
+Het werd, voor den generaal en de twee dames, hoe langer hoe
+gecompliceerder en ellendiger. Wie moesten ze nu eigentlijk gelooven:
+de dikkerd en de blonde magere, of de donkere, ernstige man? Klaar
+hoe dan ook, ellendig was 't in elk geval, aangezien de arme Rikiki,
+op zijn best genomen, althans gedurende zes weken zou in quarantaine
+gehouden worden. Zes weken quarantaine! Dat kon de arme Rikiki immers
+niet uithouden! Lang vóór dat termijn was afgeloopen zou hij dood
+zijn! De beide dames konden haar emotie niet bedwingen en begonnen te
+schreien. De generaal liep even, als een vertoornde dondergod heen en
+weer over 't dek en bleef dan starend, met gespannen trekken, kijken
+op het omgewoeld rivierwater, alsof hij zelfmoordplannen brouwde. De
+goedmoedige familie had blijkbaar medelijden met de zwaarbeproefde
+eigenaars van Rikiki, en 't aardig kleine meisje streelde en aaide
+voortdurend het hondje op haar knieën, als om het zacht-moederlijk in
+zijn vreeselijk lot te beschermen en te troosten.
+
+--En moet je dáárvoor bondgenoot van Engeland zijn! barstte de
+generaal plotseling uit, met sidderende snor en in verontwaardiging
+gekruiste armen vóór zijn steeds rampzalig-schreiende dames staande.
+
+De gruwelijke oorlog, de afgrijselijke verwoestingen, de ruïne van
+het land, de vernieling van hun stad en van hun huis, al het lijden,
+al het onrecht, al de wraakroepende wreedheden, alles wazigde weg en
+verbleekte tegenover de geraffineerde marteling, die zij om Rikiki
+doorstonden. O! hadden ze dát geweten, wat waren ze gaarne gebleven,
+al moest het dierbaar huis ook op hen neerstorten! En de generaal
+herhaalde nog eens vinnig zijn bitterste verwijten, dat de twee
+vrouwen hem tot de vlucht gedwongen hadden, dat hij zonder haar
+gezanik zou gebleven zijn, en dat zij laf waren en niet alleen
+getracht hadden Rikiki, maar eerst en vooral zichzelven te redden.
+
+De beide vrouwen schreiden, schreiden; hoe scherper de generaal
+uitvaarde, hoe akeliger en wanhopiger zij schreiden, zóó dat de
+andere vluchtelingen zich vol meewarigheid steeds talrijker om haar
+heen troepten en niet twijfelden of die rampzalige familie had in den
+wreeden oorlog alles verloren wat een mensch ook maar verliezen kon.
+Het werd aanstekelijk; sommige menschen verwijderden zich, met hun
+zakdoek aan hun oogen wrijvend en ook het kleine meisje, dat Rikiki
+steeds op haar knieën hield, barstte plotseling in snikken uit, alsof
+zij door een onbekende ramp werd overweldigd.
+
+Toen stond de goedige dikkerd op en kwam naar zijn ellendige
+reisgenooten toe.
+
+--Ach, dames, en meneer, sprak hij troostend, dat is allemaal zoo
+erg niet en wij kunnen u misschien wel helpen. Wij gaan niet verder
+dan Holland, wij blijven daar bij familieleden het einde van den
+oorlog afwachten. Laat het hondje bij ons, wij zullen er goed voor
+zorgen. Gij ziet het; Elsatje is er dol op, het beestje zal niets
+tekort hebben. Wij zullen u ons adres laten en als gij weer komt u
+het hondje teruggeven. Zou dit geen geschikte oplossing zijn?
+
+De dames staakten haar schreien en keken in verbouwereerdheid naar
+den goedigen dikkerd op. Hij zag er werkelijk als goed en eerlijk
+mensch uit: een hemel van hoop straalde eensklaps voor haar open. Ook
+de generaal was geschokt, als van een pak op zijn hart verlost,
+innig-bewegen. Hij keek het aardig meisje aan en zijn witte snorren
+beefden en zijn oogen werden vochtig. Zijn hoofd knikte,
+onwillekeurig, alsof hij reeds toestemde. Hij stak zijn hand uit naar
+den man en drukte die met warmte. Hij drukte ook de hand der dikke
+vrouw en 't kleine meisje tilde hij in zijn armen op en zoende het en
+vroeg haar of zij werkelijk goed op Rikiki zou passen. Het waren
+eensklaps vrienden, of zij elkander reeds jaren kenden. Kaartjes
+werden gewisseld, adressen er op gekrabbeld, beloften gedaan en
+herdaan, als gold het betuigingen van eeuwigdurende gehechtheid en
+trouw. Toen de boot eindelijk in de Hollandsche haven landde, hielden
+zij zich als één familie bijeen om in de akelige drukte elkaar niet
+te verliezen en het klein Elsatje droeg met moederlijke teederheid en
+met stralende oogjes van geluk het mandje van Rikiki, die haar reeds
+kende, zeide zij, en die zij voortdurend streelende woordjes tusschen
+de reetjes der teenen toefluisterde en af en toe, wanneer de anderen
+het niet zagen, dwars door het zorgvuldig gesloten dekseltje,
+zoentjes toezond...
+
+ * * * * *
+
+Zij hadden anderhalf uur tijd te verliezen vóór de groote mailboot,
+die hen naar Engeland zou vervoeren, afreisde en de generaal wilde
+die gelegenheid te baat nemen om zijn nieuwe vrienden, uit
+dankbaarheid, in de restauratie-zaal van het vlakbij gelegen
+spoorwegstation, op een maaltijd te trakteeren.
+
+De dikkerd en zijn vrouw namen dat gretig aan. Zij vonden met moeite
+plaats in de geweldige drukte van in-en uitkomende reizigers aan een
+tamelijk bemorst tafeltje, waarop de kellner een schoon servet
+uitspreidde en de generaal zette zijn bril op en raadpleegde met
+gespannen aandacht de etenslijst. Bizonder veel variatie was er niet
+en zij vestigden maar na onderlinge goedkeuring, hun keus op gebakken
+tong met sla en beafsteak met aardappelen. Terwijl dat werd klaar
+gemaakt herhaalden de generaal en de dames nog eens met nadruk hun
+nauwkeurige instructies nopens het voedingsregiem van Rikiki.
+'s Ochtends een schaaltje met brood geweekt in zoete melk. Daar was
+hij dol op. Om twaalf uur een gemengd schoteltje van aardappels en
+stukjes vleesch, overgoten met een beetje jus. Daar was hij zóó aan
+gewend dat hij geregeld om de tafel heen kwam dansen om zijn bordje
+te krijgen. 's Avonds, eindelijk, nog eens een schaaltje geweekt
+brood in melk, en last not least, een been, een bot met nog een
+ietsje vleesch er aan, waaraan hij dan kon zitten kluiven dat 't een
+lust was. Daar was hij zóó op gesteld dat hij als een bezetene kon
+blaffen als het hem niet bijtijds gegeven werd en meestal nam hij het
+mee in zijn mandje en lag er daar aan te trekken en te knagen tot hij
+er bij in slaap viel. Zouden ze dat alles wel goed onthouden? Wilde
+generaal het soms op een stukje papier schrijven, opdat ze 't niet
+zouden vergeten? De gezondheid van het dierbaar hondje hing er
+beslist van af.
+
+--Neen, neen, niet noodig, verzekerden de goedmoedige dikkerd en zijn
+vrouw, en ook het kleine meisje zei dat het niet noodig was en dat
+zij er voor zorgen zou, dat alles net precies gebeuren zou zooals
+meneer en de dames het wenschten. Zij had naar de instructies
+geluisterd met intelligente oogjes, die schitterden van aandachtige
+gretigheid en goed-begrijpen, en de oude generaal was zóó verteederd
+dat hij even van tafel opstond en voor het kind aan het buffet een
+mooie doos met bonbons ging koopen. De moeder sloeg van emotie haar
+handen in elkaar en Elsa moest meneer den generaal zoenen, met haar
+twee armpjes om zijn hals op beide wangen.
+
+De kellner kwam met het eten op. Hij kwakte schotel en borden vrij
+ruw op het tafeltje neer. De generaal boog voorover en fronste zijn
+wenkbrauwen. Tong! Was dat gebakken tong, zoo hard, zoo zwart! De
+dieren lagen opgekrompen in een donker, vettig nat te zwemmen, alsof
+zij zich in laatste stuiptrekkingen tegen het barbaarsch proces
+gerevolteerd hadden. De generaal meende excuses te moeten maken,
+hoopte maar dat zijn gasten, gezien de buitengewone omstandigheden,
+het wel voor lief zouden willen nemen. Dat zouden zij zeker. De
+dikkerd stopte alvast zijn servet in zijn halsboord en bekeek de
+zwarte verkrimpelingen met oogen die blonken, terwijl de vrouw van
+haar kant ernstig hoofdknikte, dat het toch wel heel goed zou zijn.
+De generaal bestelde een flesch rooden wijn en bediende de dames.
+
+--Smaakt het, liefje? glimlachte hij naar het meisje, toen zij een
+paar hapjes genomen had.
+
+--O, fijn, meneer, antwoordde zij stralend. En zij vroeg of Rikiki
+ook eventjes mocht proeven.
+
+--Ja, maar zeer voorzichtig met de graatjes, niet waar?
+
+Rikiki die reeds ongeduldig aan 't janken en 't rommelen was in zijn
+korfje, werd even te voorschijn gehaald.
+
+De anderen aten. De generaal en zijn dames schenen het gerecht
+nauwelijks te kunnen verorberen, maar de dikkerd en zijn vrouw
+dachten er klaarblijkelijk gansch anders over. De vrouw at vlug en
+stil en veel, zonder spreken noch opkijken en de dikkerd verslond
+zijn zwartgebakken verkrimpeling als een vraat. 't Was of het beest
+geen graten had. Met heele stukken tegelijk ging hij te keer en daar
+tusschen door slikte hij breede lappen sla op, als een os. Het leek
+wel of hij tevens roofdier en herkauwer was en toen de visch met kop
+en staart was opgekraakt, schepte hij met het platte van zijn mes
+het vet op dat nog op zijn bord bleef en werkte 't ook maar naar
+binnen, zoo vlug en griezelig, dat de generaal en de twee dames
+sidderden, of hij elk oogenblik zijn tong dwars-door zou snijden.
+Doch hij scheen dat werkje goed te kennen, hij lachte zijn gasten
+vriendelijk aan en toen hij klaar was hief hij zijn vol glas wijn in
+de hoogte en ledigde het met een gulhartig "prosit" in één teug, op
+hun goede gezondheid.
+
+Rikiki was in zijn open mandje op het tafeltje gezet en hij dineerde
+mee. Hij zat daar uitgerekt met mager halsje en zijn wakkere oogjes
+volgden blinkend ieder brokje dat naar binnen ging. Soms rilde hij
+zenuwachtig en neuspiepte, dat men hem asjeblieft toch niet vergeten
+zou; en alles wat hij kreeg schrokte hij gulzig op, ineens, zonder
+kauwen, alsof hij vliegen hapte. Dat amuseerde en verteederde de twee
+families en zij konden niet laten hem voortdurend te streelen en te
+aaien, wat Rikiki trouwens scheen te vervelen en te sarren, want
+telkens trok hij 't kopje weg, alleen en uitsluitend geboeid als hij
+was door wat er op schotels en borden gebeurde. Af en toe echter
+kreeg hij plotseling een wilde krabbui, hij krabde zich met
+razend-vlugge bewegingen, die het tafeltje deden schudden en zijn
+fijn halsbelletje deden rinkinkelen, en de dames zeiden dan met
+ernstige bezorgdheid, dat Rikiki onder de narigheid van het
+bombardement wel wat verwaarloosd was geweest en dat het wenschelijk
+zou zijn als hij eens heel zorgvuldig gebet en gekamd en geborsteld
+werd.
+
+De tijd schoot op, het uur van afscheid naderde en de generaal en
+zijn dames werden ietwat weemoedig gestemd. Zij hadden heelemaal geen
+eetlust en lieten de beafsteak, die overigens hard en taai en blauw
+als caoutchouc was, onaangeroerd op hun bord liggen. De dikkerd en
+zijn vrouw begrepen daar niets van. Zij overwonnen heldhaftig met
+kauwen 't weerspannige vleesch en verklaarden dat het heel lekker
+was. Alleen Elsatje vond het wat taai en snoepte maar liever uit haar
+bonbondoos.
+
+--Zal je ons dus gauw over het hondje schrijven? vroeg de generaal,
+haar zacht blond hoofdje aaiend.
+
+Elsatje, den mond vol met zoetjes, beloofde 't plechtig.
+
+--En als de oorlog voorbij is, vervolgde de generaal, dan kom je bij
+ons logeeren en samen gaan we met Rikiki lange, lange wandelingen
+maken. Ja?
+
+--O, ja, ja! jubelde 't kleine meisje.
+
+--Gelooft u, meneer, dat de oorlog nog lang duren zal? vroeg de
+schoonzuster, met een gezicht van angst en hoop tot den steeds
+dooretenden dikkerd.
+
+--Vielleicht... wellicht, verbeterde hij haastig; wellicht nog
+enkele maanden.
+
+De beide dames sloegen wanhopig de armen in de hoogte; de generaal
+foeterde:
+
+--Konden we ze maar uit ons land krijgen, die ellendelingen!
+
+--Ja... ja... ja... beaamde de dikkerd met nadruk: de Duitschers en
+ook de Franschen, en ook de Engelschen, allemaal weg, allemaal weg!
+dat we weer de baas zijn in ons eigen huis.
+
+Ietwat bevreemd, vaag wantrouwig, keek de generaal den dikkerd aan.
+
+De man lachte en stak weer zijn vol glas in de hoogte.
+
+--Dan mogen we weer eens plezier maken en een flink glas op elkaar
+'s gezondheid drinken, lachte hij goedig. En hij boog naar de dames,
+En knikte, en dronk.
+
+De koffie en een likeurtje waren gebruikt, de dikkerd dampte
+genoeglijk aan een stevige sigaar, Rikiki was, niet zonder eenig
+piepprotest, voorloopig weer in zijn mandje geduwd en de generaal
+had zijn schuld gevraagd en afgerekend. In het lawaai en de drukte
+der tallooze reizigers, stonden zij van tafel op en verlieten de
+woelige restauratiezaal.
+
+De groote boot lag daar vlak bij, tegen de kade, zwart van romp en
+wit van bovenbouw, met zijn elegant-hangende reddingsschuitjes en
+zijn twee forsche, gele, zwartgerande, achteroverhellende
+schoorsteenen, die reeds zwarten rook uitkolkten. Er was veel drukte
+om en bij, gansche ladingen van allerlei werden onder stoomgesis en
+kettinggeratel door geweldige kranen opgetild en in het wijd-gapend
+ruim neergelaten, en veel passagiers waren reeds aan boord, in bonte
+groepen over de verschansing geleund, lachend en pratend, groeten en
+grappen wisselend met de aan wal staanden.
+
+De generaal was zenuwachtig en de dames waren ontroerd. Hij telde
+nog eens nauwkeurig de stukken bagage, die de dikkerd en zijn vrouw
+hem bereidwillig hielpen dragen en voelde met bevende vingers in
+zijn binnenzak naar de paspoorten.
+
+--Alles is in orde, wij kunnen op de boot gaan, zei hij tot zijn
+dames. Er. tot de beide dikkerds en het klein meisje:
+
+--En gaat u maar zoolang mee; er is tijd genoeg en er wordt immers
+driemaal gefloten, vóór de brug wordt neergehaald.
+
+Nauwelijks had hij 't gezeid of daar brulde de stoomfluit voor de
+eerste maal, lang, zwaar en plechtig, met een schor en rauw geloei
+dat de lucht deed trillen en als 't ware door je gansche lichaam tot
+in 't diepste van je ingewand doordreunde.
+
+Langs de steile brug bestegen zij het stoombootdek. De dames
+konden haar emotie niet bedwingen en schreiden. De generaal hield
+zich goed, maar af en toe sidderde zijn lange, witte snor.
+
+--Laten we hier maar blijven, we houden hier goed de brug in 't oog
+en kunnen ook nog even zitten, zei hij, een bank aanwijzend.
+
+Zij namen plaats. De dames droogden haar tranen af en voor het
+allerlaatste afscheid werd nog eens het mandje van Rikiki geopend.
+
+O! wat 'n emotie, wat 'n verteedering! 't Hielp niets dat de dames
+pas haar tranen hadden afgedroogd, zij vouwden als 't ware smeekend
+de handen in elkaar en opnieuw vloeiden de tranen overvloedig uit
+haar diep-bedroefde oogen. Nu pas beseften zij eerst duidelijk wat
+het beteekende Rikiki daar zoo alleen in den vreemde te moeten
+achterlaten. Daar, op dat groote, bruisend schip, dat straks met hen
+zou wegvaren, zagen zij hem nog, voelden zij hem nog, hadden zij hem
+nog; maar over enkele oogenblikken was 't de scheiding, de scheuring
+van elkaar. Rikiki bleef als een wees bij vreemden achter en tusschen
+hen en hun geliefde, hun kind, hun leven, lag de eindelooze, woeste
+deining van de overweldigende zee. Nooit meer zouden zij hun
+lieveling terug zien, dat voelden zij nu plotseling op 't uur van
+scheiden en 't was afschuwelijk, een niet te overkomen leed, erger,
+duizendmaal erger dan alles wat ze reeds geleden hadden en wellicht
+nog, als uit hun land verjaagden, zouden moeten lijden.
+
+Voor de tweede maal brulde de stoomfluit, rauw en langgerekt, met
+doffe dreuningen, die tot in 't diepste van hun lichaam doortrilden.
+Zou het niet beter zijn dat ze niet langer wachtten, dat ze nu maar
+dadelijk afscheid namen? Ach ja, 't was beter. Zij zeiden 't met
+bewogen stemmen tot den dikkerd en zijn vrouw, die dadelijk
+opstonden en ook meenden dat het beter was.
+
+Zij schaarden zich om Rikiki en beurtelings tilden zij hem uit zijn
+mandje op en zoenden hem. Rikiki scheen daar niets van te begrijpen.
+Hij werd er zenuwachtig onder en toen de generaal hem op zijn beurt
+optilde, piepte hij even.
+
+--Ga nu maar, ga nu maar, zei de generaal op gejaagden toon tot de
+twee dikkerds. Hij drukte hen de hand en zoo deden ook de dames en
+hij zoende nog een laatste maal Elsatje, op beide wangen. Rikiki
+werd in zijn mandje geduwd en 't deksel viel er op neer, als op een
+doodkist.
+
+Zij spoedden zich over de brug naar beneden...
+
+ * * * * *
+
+De generaal en de twee dames hingen naast de andere passagiers over
+de verschansing en staarden in de menigte op de kade. Daar zagen zij
+de dikkerds staan naast Elsatje, die weer het mandje had geopend om
+hun tot het laatste oogenblik nog Rikiki te laten zien. Zij zagen het
+aardige diertje midden in die drukke foule, zij zagen niets dan hem
+en riepen nog zijn naam en zonden hem kushandjes toe. Zij wenschten
+dat de boot nu maar zoo spoedig mogelijk vertrekken zou om van die
+laatste foltering verlost te zijn. Maar 't duurde en duurde, de
+stoomfluit scheen maar niet voor 't laatst te willen brullen en maar
+steeds kwamen passagiers haastig met pakken en valiezen, de brug op
+geloopen, en nog aldoor werden door de sissende en ratelende
+stoomkranen volle vrachten van allerlei ingeladen. 't Was of er nooit
+een eind aan zou komen.
+
+Toen hoorde de generaal eensklaps een stem achter zich, die hem
+scheen aan te spreken. Hij keerde zich om en stond voor een vrij
+jong, mager mannetje, met kaplaarzen aan en een geruite pet op, als
+een piqueur of paardesportsman. Dat uiterlijk kwam hem niet vreemd
+voor, maar de generaal herinnerde zich toch niet dadelijk waar hij
+dat type wel gezien had.
+
+--Pardon, meneer, wat zei u? vroeg hij aarzelend.
+
+--Ik zei dat u hun het hondje dan toch maar gegeven hebt, antwoordde
+de man met een eigenaardigen, raadselachtigen glimlach.
+
+--Ja, er was al niet veel anders op te vinden, antwoordde de
+generaal gedrukt; en meteen herkende hij het mannetje: dezelfde die
+hem 's ochtends op de andere boot verzekerd had, dat geen honden
+meer in Engeland werden toegelaten.
+
+Het mannetje merkte dat de generaal hem eindelijk herkend had en
+glimlachte opnieuw, nu gul en vriendelijk. De beide dames hadden
+zich omgekeerd en herkenden hem ook. Hij boog en groette, even zijn
+geruite pet afnemend.
+
+--Kent u die lui? Weet u wat dat zijn? vroeg hij, thans weer met
+zijn geheimzinnigen, raadselachtigen glimlach.
+
+--Neen, hoegenaamd niet, maar 't lijken wel aardige menschen,
+antwoordde de generaal vagelijk verontrust.
+
+--U weet toch dat het Duitschers zijn?
+
+--Wat! gilde de generaal, letterlijk opspringend, terwijl de dames,
+een angstgil smorend, met uitgezette oogen de hand tegen haar mond
+drukten.
+
+--Heeft u dat niet gemerkt aan hun taal? zei 't mannetje spotachtig.
+
+--'t Is toch waar ook! riep de generaal, de rechterhand tegen zijn
+voorhoofd slaande, als in een plotse openbaring.
+
+De beide dames waren zóó ontsteld, dat ze geen woord meer konden
+uitbrengen.
+
+--Ja, zeker, Duitschers, en, wat meer is, comme ça, zei
+'t mannetje lachend, terwijl hij zijn beide wijsvingers om beurten
+in zijn eigen oogen en zijn ooren scheen te prikken.
+
+--Hoe bedoelt u, meneer? vroeg de generaal heelemaal van streek en
+niet begrijpend.
+
+--Spionnen! fluisterde 't mannetje hem toe.
+
+--O! schokte de generaal overeind, alsof hij een klap kreeg.
+
+--Heusch, meneer, ik ken ze wel, ik ken ze maar te goed,
+verzekerde 't mannetje.
+
+--Duitschers! Spionnen! Maar ze zullen Rikiki uithongeren, folteren,
+vermoorden! gilde hardop de schoonzuster, alsof ze plotseling
+krankzinnig werd.
+
+Er was een oogenblik absolute, doodsche roerloosheid en stilte. In
+stomme verslagenheid keken zij alle drie naar 't sportmannetje, dat
+steeds kalm en welbewust bleef glimlachen en dan, zich
+zenuwachtig-gejaagd omkeerend, naar de twee dikkerds en het meisje
+op de kade, die daar nog steeds met Rikiki in zijn mandje waren
+blijven staan. Zij waren totaal radeloos en wanhopig, de beide
+dames barstten in snikken uit, de generaal stond te trillen en te
+beven en ook op de gezichten van het drietal aan wal kwam van
+lieverlede een uitdrukking van grenzenlooze verbazing en bijna van
+schrik.
+
+Op dat oogenblik loeide voor de derde en laatste maal het
+vreeselijk gebrul der stoomfluit. Het snerpte en huilde als een
+nood-en-doodskreet; het schudde folterend de tot barstens toe
+gespannen zenuwen en roffelde en dreunde als met een geweld van
+aardbeving door 't gansche lichaam. En eensklaps sprong de generaal,
+als een waanzinnige los, greep, op goed geluk af, een paar valiezen,
+riep, achter zich om, tot de dames: kom mee... baande zich met geweld
+een weg door de in elkaar geperste menigte der passagiers en holde de
+brug af, waar reeds vier matrozen klaar stonden, om ze beneên te
+halen.
+
+--O, maar, meneer, meneer, meneer! gilden de dikkerd en zijn vrouw,
+angstig in de foule achteruitwijkend.
+
+In verwildering keek de generaal om, zag de ontstelde gezichten
+zijner dames, die hem ijlings gevolgd waren.
+
+--Moet ge nog mee, meneer? riepen de matrozen bij de brug, klaar om
+neer te halen.
+
+De generaal hoofdschudde hartstochtelijk van neen. Een schril gefluit
+weerklonk en de brug gleed aan wal. De schroeven van de boot begonnen
+'t water op te malen.
+
+--O man, man, wat heb je toch gedaan! schreide verwijtend de
+generaalsvrouw. De schoonzuster schreide zonder nog iets te durven
+zeggen.
+
+Driftig haalde de generaal zijn schouders op, nam voorloopig
+geen notitie meer van de twee huilende vrouwen.
+Zenuwachtig-gesticuleerend stond hij vóór de twee dikkerds en vóór
+Elsatje met Rikiki.
+
+--Wij konden 't in ons hart niet gevonden krijgen om hem te verlaten,
+zei hij, iets kalmer en reeds vagelijk zich schamend.
+
+De dikkerd en zijn vrouw glimlachten zwakjes, en knikten zwijgend
+goedkeurend, nog gansch verbouwereerd door de gebeurtenis; maar
+Elsatje barstte plotseling in hevige tranen uit.
+
+Dat vermurwde heelemaal het hart van den ouden militair.
+
+--Schrei niet, suste hij, het blonde hoofdje streelend. Wij blijven
+voorloopig hier en je kunt elken dag met Rikiki komen spelen.
+
+Maar het kind bleef snikken en hikte stotterend
+
+--Ik hield zooveel van hem; ik zou er zoo goed voor gezorgd hebben.
+
+De generaal was radeloos. Hij keerde zich om tot zijn vrouw en zijn
+schoonzuster en verweet haar vol toorn:
+
+--Zie je nu wel! Heb ik je niet voorspeld dat we met dat ellendig dier
+niet konden reizen!
+
+Zij gaven geen antwoord. Zij bukten gedwee en ongelukkig 't schreiend
+hoofd. Daar stonden zij nu, alleen als vluchtelingen in den vreemde,
+met hun bagage en hun hond, terwijl het mooie, groote schip, dat hen
+naar 't land van gastvrijheid en weelde zou brengen, zonder hen de
+haven uitvoer. Gedrukt namen zij vluchtig afscheid van den dikkerd en
+zijn vrouw en de schoonzuster ontving Rikiki in zijn mandje uit de
+handen van het nog steeds ontroostbaar snikkend klein meisje.
+
+--Kom, kom, laten we nu maar gauw weggaan, ik schaam me, ik schaam
+me, bromde de generaal, alsof zijn vrouw en schoonzuster alleen de
+schuld van alles waren. Zij wenkten een kruier en verdwenen in de
+aftrekkende menigte.
+
+--Naar 't hotel, beval de generaal.
+
+--Welk hotel, meneer? vroeg de kruier.
+
+--Kan me niet schelen; 't eerste 't beste.
+
+Zij volgden den witkiel en spraken geen woord meer.
+
+Eindelijk waagde zijn vrouw:
+
+--Zouden we niet een telegram naar Engeland moeten zenden, dat we
+voorloopig hier blijven? Ze zullen anders ongerust zijn als ze ons
+niet van de boot zien komen.
+
+Nurksch bromde hij iets onverstaanbaars als antwoord en daar ze
+juist langs het telegraafkantoor kwamen, deed hij den kruier even
+ophouden. Hij trok een formulier uit 't bakje en krabbelde met
+gefronste wenkbrauwen het telegram aan zijn broer.
+
+Blijven voorloopig hier. Brief volgt.
+Generaal.
+
+Hij schoof het door 't loket, betaalde, kwam weer bij den witkiel en
+de dames.
+
+--Vooruit! beval hij kortaf, alsof hij op manoeuvre was.
+
+De kruier, bukkend onder zijn vracht, wees zwijgend den weg.
+
+In het verschiet, zwart van romp en wit van bovenbouw, met zijn
+elegant-hangende reddingsschuitjes en zijn rookpluimende gele
+schoorsteenen, stoomde het groote schip, de masten vlaggend, als in
+feestgetooi, naar de volle zee toe.
+
+De schoonzuster deed haar uiterste best om Rikiki, die alweer in
+zijn gesloten mandje neuspiepend begon te rommelen, met stille,
+zoete woordjes te sussen.
+
+--Die spionnen! bromde nog even binnensmonds de generaal, terwijl
+zijn vuisten dreigend ineenkrompen, die vervloekte spionnen..
+
+De dames zwegen en hielden haar adem op, als gestold van schrik voor
+wat nog komen zou. Maar er kwam niets meer.
+
+ * * * * *
+
+
+IV.
+
+DE VARKENSKAR.
+
+
+Duizenden en duizenden waren reeds door het stille dorp
+voorbijgetrokken...
+
+Met zwaar-dreunenden tred, log-gekadanseerd, echoënd tusschen de
+gesloten huizen, van verre als een aanbruisende, grijze zeegolf...
+
+Een logge, grijze zeegolf, waarover de punten der helmen als een
+krioeling van vluchtende ratten heen en weer wriemelden...
+
+Al de menschen uit het dorp waren gevlucht... Gevlucht, terwijl de
+Belgen en de Engelschen nog even standhielden en de barstende
+granaten in de straat begonnen neer te slaan.
+
+Zij waren gevlucht in de bosschen, ginds verre. Van daaruit, veilig
+verscholen, hadden zij 't loeiend aanrazen gehoord en van verre hun
+dorp zien branden...
+
+Nu was de storm voorbij en keerden zij terug.
+
+'t Viel mee. Zij hadden gedacht niets meer te vinden dan rookende
+puinhoopen en daar zagen zij hun dorpje, met zijn huizen, althans
+uiterlijk, haast ongedeerd. Een zwart-gapend gat hier en daar, veel
+door elkaar geschudde pannen op de daken, gruis en glasscherven
+overal, een half-gespleten deur, die uit haar hengsels hing, doch
+nergens totale vernieling. Wel was de kanaalbrug opgeblazen en de
+kerktoren half ingestort, maar dat ging de gemeente aan, dat voelden
+zij niet rechtstreeks als een groot verlies.
+
+Een innerlijke vreugd, een echte, bijna kinderlijke vreugd straalde
+uit op de gezichten. Niemand, in zooverre men kon nagaan, was
+gesneuveld, of zelfs maar gewond; niemand werd vermist en de vijand
+was reeds ver weg: het leek wel of de gruwelijke oorlog, met al zijn
+narigheden en ellende, voor de bewoners van het rustig dorpje niets
+meer was dan een akelige herinnering, iets als de dreiging van een
+overweldigend onweer, dat toch eigenlijk meer schrik, dan schade
+heeft veroorzaakt. Zij hadden wel iets verloren, edoch, door wat ze
+kwijt waren geraakt waardeerden zij eerst recht wat hun nog
+overbleef; en dat vertelden zij elkander onder druk gebabbel en hier
+en daar zelfs met vroolijke kwinkslagen, terwijl zij in de gouden
+schemering langsheen de huizen liepen of in opgewonden groepjes vóór
+de drempels stonden.
+
+Toen kwam ginds verre, heel aan het uiteinde der straat, nog iets
+eigenaardigs aan:
+
+Een jongetje, dat met een vlaggetje zwaaide, en, achter het
+jongetje, een hooge kar, getrokken door een paard, en waaruit wild
+gezang scheen op te stijgen.
+
+Terstond werden de menschen in het dorpje weer schuw en stil. Elkeen
+haastte zich naar huis terug en bleef daar angstig-roerloos van op
+zijn drempel kijken.
+
+Ja, ja, dat waren er nog: een bende achterblijvers of vermoeiden, in
+een vrachtkar op elkaar gedrongen. Men herkende reeds duidelijk de
+grijze uniformen en de grijsomkapte punthelmen. Kwaadaardig schenen
+zij echter niet, want hun gezang klonk vroolijk en met hun armen
+zwaaiden zij geestdriftig heen en weer, zooals het knaapje,
+dat voorafging, onophoudend zwaaide met zijn vlaggetje.
+
+
+Maar dat knaapje... o, eensklaps herkenden ze 't!--'t Was Pierken,
+het jongste zoontje van den varkensslager, ginds, een eind buiten
+het dorp; en 't oud, gebogen ventje, dat naast het sukkelig
+paardje liep, was Pierken's eigen vader; en 't klein, bruin hondje
+met zijn krulstaartje, dat nu en dan eens tegen Pierken opsprong,
+het was hun hondje; en de groote kar, waarin al die zingende kerels
+waggelend overeind stonden, het was hun kar, waarmee zij driemaal in
+de week de geslachte varkens naar de stad vervoerden...
+
+Het voertuig naderde. Toen het tusschen de eerste huizen over het
+puin en de krakende glasscherven reed, hieven de kerels een dreunend
+gejuich aan en zongen zij oorverdoovend iets van 't "Vaderland", dat
+mocht "ruhig" zijn, terwijl ze wild zwaaiden met wijnflesschen en
+glazen, die ze, als trofeeën, in de hoogte staken. Sommigen schonken
+de glazen rood vol en reikten die lachend in de richting van de
+menschen langs de huizen toe. Dan dronken zij zelven, met
+gulzig-smakkende lippen. Anderen wenkten naar de meisjes en zonden
+dikke klapzoenen.
+
+Stil en strak en bleek en bang, bleven de menschen roerloos staan.
+Zij keken wel even naar de lawaaiende en drinkende kerels in de
+varkenskar, maar eigenlijk hadden zij slechts oogen voor Pierken en
+zijn hondje en zijn vader. Zij begrepen niet waarom het knaapje maar
+aldoor en aldoor met zijn vlaggetje--een zwart en wit en rood
+gestreepte--zwaaide; en zij begrepen ook niet waarom en waarheen
+Pierke's vader al die kerels in zijn kar vervoerde. Eindelijk was er
+een, die 't waagde dit aan het knaapje te vragen.
+
+--Z' hên 't mij g'heeten; 'k moete," antwoordde Pierken
+neerslachtig.
+
+Toen vroegen ze ook aan Pierke's vader waar hij heen moest.
+
+--'K 'n weet het niet; z' hên mijn peird en mijn kerre gepakt," zei
+'t mannetje met schuwe oogen.
+
+Benauwd en zwijgend staarden de menschen het aftrekkend gespan
+achterna. Aldoor wapperde 't vlaggetje, naar rechts, naar links, in
+'t schelle flitsen van zijn harde driekleur; aldoor stapte Pierke's
+vader gebogen naast het sukkelend paardje; en aldoor galmde en
+loeide, in 't hossebossen van de wielen, het dreunend brulgezang van
+het "Vaterland", dat mocht "ruhig" zijn. Kwispelstaartend liep het
+klein, bruin hondje mee, af en toe eens tegen Pierke's knieën
+opspringend.
+
+Niemand sprak een woord meer. Gedrukt gingen de menschen in de roode
+avondschemering naar binnen. Al hun zoo scherp gevoelde
+bevrijdingsvreugd was eensklaps over, enkel door 't zicht van die
+twee welbekenden--het kleine Pierken en zijn vader--die zoo maar
+door de vreemde kerels waren opgecommandeerd en meegenomen, zonder er
+iets van af te weten wat of waar hun naaste toekomst wezen zou.
+
+ * * * * *
+
+
+V.
+
+IN DE VUURLINIE.
+
+
+Eén uur. Kobeken en zijn vrouw hebben gedaan met eten, en gaan,
+evenals elken dag, bij mooi weer, buiten, naast hun deur, op een
+stoel, wat zitten "noenstonden".
+
+Het is een prachtige Septemberdag, zacht, stil, sereen, een
+atmosfeer vol rust en vrede. Kobeke en zijn vrouw, gezellig tegen
+hun wit geveltje achterovergeleund, met rechts en links van zich de
+mooie, rijke najaarsbloemen, die geurend tegen het muurtje opranken,
+genieten van die zoete heerlijkheid, terwijl daarbinnen, in het
+achterhuis, Seelevie, hun dochter, plicht-getrouw en ijverig, reeds
+aan 't karnen is. Men hoort de houten karnstang in gelijkmatige
+kadans dof heen en weer slaan, terwijl de melk klotst en zuigt, als
+waterkolken, die door spuigaten wegborrelen. Kobeken is 'n klein,
+schraal ventje, met half-dichtgeknepen loeroogjes; zijn vrouw is
+groot en vet en dik en hijgt amechtig, zelfs wanneer ze, zooals nu,
+niets anders doet dan zich vadsig in de zon koesteren.
+
+--Heurt ge 't weer? vraagt Kobeken, de lucht inkijkend, nadat ze
+daar een poosje roerloos hebben gezeten.
+
+De vrouw kijkt eveneens in 't blauwe van de lucht en knikt dan met
+het hoofd toestemmend, dat ze 't heel goed hoort.
+
+--Ze zijn weere bezig, zille! roept Kobeken, door 't opengebleven
+deurgat, zijn dochter toe.
+
+De karn houdt even op met klotsen,
+
+--Wat zegt-e? vraagt Seelevie's stem daarbinnen.
+
+--Da ze weere firm bezig zijn! herhaalt Kobeken. 'k Geleuve zelfs,
+dat 't noader komt as gisteren.
+
+Blijkbaar boezemt de mededeeling Seelevie geen buitengewone
+belangstelling in. Zij reageert althans niet verder en in doffe
+kadans begint de karn weer gelijkmatig te klotsen.
+
+Het is en blijft ook elken dag hetzelfde. Hoe lang zou het nu reeds
+duren: twee weken, drie weken, vier weken, dat zij dag aan dag, in de
+verte, het kanongebulder hooren? Sinds lang zijn al hun buren. Van
+Heule, Bosschaert, Van Lancker, Van Keirsbilke gevlucht, sommigen
+met hun vee, anderen hun heele boeltje in den steek latend; maar daar
+moet Kobeken om lachen: hij vlucht niet en zàl niet vluchten, wat er
+ook gebeure; hij blijft doodkalm waar hij is en bij mooi weer zit hij
+met zijn vrouw naar het verre gebulder te luisteren, niet meer
+bewogen dan hij door een ververwijderd onweer zou bewogen worden.
+
+Maar, 't is niet te loochenen: vandaag, voor 't eerst, klinkt het
+gedonder dichterbij. Vroeger was 't slechts een aanhoudend, dof
+geroffel. Vandaag zijn 't slagen, echte slagen, wel heel verre nog,
+maar duidelijk hoorbaar: Boemmm!... en dan een korte stilte, en dan
+een Rrrannn!... waarbij de ruiten trillen en de aarde dreunt.
+
+--Heurt ge 't, Seelevie? roept Kobeken nog eens naar binnen.
+
+Doch Seelevie hoort blijkbaar niets; zij geeft niet eens antwoord en
+de karn blijft maar ongestoord stampen en klotsen.
+
+Eensklaps is 't alsof een licht, grijsachtig-geel, doorschijnend
+floers het helder hemelsblauw komt oversluieren. Het lijkt wel vreemd
+en eigenaardig, want de zon glinstert en geen enkel wolkje vertoont
+zich aan den horizont. Zou het soms ergens branden? Of wat is het
+ook? Harder en talrijker vallen intusschen de slagen, met dreunenden
+bons, en plots komt in de lucht een dichte vogelzwerm musschen,
+duiven, meerlen, allerlei vogels door elkaar, die in één grooten,
+wilden trek naar 't Westen schijnen weg te vluchten. En pas zijn ze
+verdwenen, of daar verschijnt, hoog in 't azuur, een andere, groote
+vogel, een die machtig snort en zoemt, en, langs den onderkant
+goud-glinsterend beschenen door de zon, op strak-breed-uitgespreide
+vleugels drijft en zwenkt en cirkelt, vlak boven een onzichtbare plek
+in het veld, waar het nu dadelijk loeit en rookt en kraakt van uit
+elkaar barstende bommen.
+
+--Seelevie, kom ne keer hier, de vliegmachine es doar, heurt-e gij
+da niet! roept voor de derde maal Kobeken naar binnen.
+
+Maar Seelevie geeft absoluut geen antwoord en de karn houdt geen
+oogenblik op met klotsen.
+
+Kobeken is in 't geheel niet bang; en ook zijn vrouw schijnt niet den
+minsten angst te voelen. Misschien zijn ze te oud en te zeer
+afgestompt om schrik te hebben: althans, ze blijven rustig zitten en
+kijken vol belangstelling naar wat nu om hen heen gebeurt.
+
+In Bosschaert's weiland loopen koeien en twee paarden rond, die de
+eigenaar daar, vóór zijn vlucht, heeft losgelaten. De koeien grazen
+rustig, alsof er niets gebeurde, maar de paarden zijn wel
+zenuwachtig onder het loeien en het donderend geknal en rennen op en
+neer in wilde vaart, met hoog-uitslaande, blinkende hoeven. En
+plotseling, zonder dat er iets bijzonders schijnt gebeurd te zijn,
+stort er een neer en blijft het roerloos op het groene weiland
+liggen.
+
+--Kijk ne keer! kijk ne keer! roept Kobeken verbaasd.
+
+Vóór zijn vrouw den tijd heeft om te antwoorden, liggen ook twee
+koeien neer en staat Bosschaert's schuur in lichte laaie.
+
+--Seelevie, Seelevie, Bosschaert's schure brandt! roept Kobeken.
+
+Maar eensklaps dreunt de grond als onder een aardbeving en, over den
+grintweg, langs Kobeke's huisje heen, stormt als 't ware een orkaan
+voorbij. 't Zijn paarden en ruiters, en automobielen en kanonnen,
+één zwoegend geraas in verblindende stofwolk, dat bliksemsnel om een
+scherpe bocht van den landweg verdwijnt.
+
+De glinsterende vlieger inde hooge lucht schijnt hun vluchtende
+beweging mee te maken. Hij snort en zweeft, als door hen
+meegetrokken, maar weldra blijft hij nog eens cirkelen en hangen en
+meteen kraakt en bonst alweer het boemm... boemm... boemm... en
+schijnt de lucht vol onzichtbare, schril loeiende en gierende
+monsters, die met razend en fluitend en stoomend en sissend geweld op
+de aarde neerbarsten.
+
+Kobeken en zijn vrouw zijn opgestaan. Bang zijn ze nog steeds niet,
+maar wel sterk opgezweept en zelven als het ware in de vlucht
+meegetrokken. Wat is dat alles gauw gegaan! Waar zijn ze nu, die
+daar straks als een orkaan voorbijstormden? En wat komt er nog meer?
+Is 't niet alsof zij droomden? Alsof ze 'n nachtmerrie beleefden?
+De stem van Seelevie in 't achterhuis roept hen eensklaps tot de
+werkelijkheid terug:
+
+--Moeder! Moeder!...
+
+De stem klinkt boos, kwaadaardig. En, daar Kobeken noch zijn vrouw
+dadelijk antwoorden, verschijnt de meid, hijgend en bezweet, met
+verhit gelaat en slordige haren, op den drempel en herhaalt:
+
+
+--Ala, toe, moeder, help mij ne keer: de kirn es af!
+
+--Heurt-e da niet! Zie-je da niet! gilt Kobeken, naar het
+aftrekkend gedonder en geloei in 't Westen wijzend.
+
+Maar reeds is de bezorgde meid weer binnen en moeder volgt haar
+haastig en amechtig, bang voor standjes.
+
+Alleen blijft Kobeken daar nog even staan. Hij ziet den
+glinsterenden vlieger cirkelend in de hooge lucht; hij hoort de
+steeds verdere donderslagen der kanonnen en het suizen en het
+barsten der granaten, in den grijsachtig-gelen sluier, die zich nu
+naar het ander einde van den horizont uitspreidt.
+
+Dan loost hij een zucht en zijn blik valt weer op Bosschaert's
+afbrandende hoeve.
+
+'t Is ook al bijna over. Het dak der schuur is geheel ingestort en
+alleen dichte rookzuilen, met spattende vonken doorflitst, als van
+een geweldig vuurwerk, stijgen nog ten blauwen hemel op. In
+'t groene weiland liggen de lijken van het paard en de twee koeien
+onbewegelijk. Het tweede paard en de overige koeien zijn reeds
+rustig, op het verste hoekje, weer aan 't grazen...
+
+--Kom, voader, 'n potse káffee drijnken, verzoekt Kobeken's vrouw
+van op den drempel.
+
+Kobeken kijkt nog eens even in het verre, bruisend Westen en gaat
+binnen. En, terwijl ze met hun drieën om het tafeltje zitten te
+slurpen, hooren zij weer, evenals al die andere dagen, niets meer dan
+een aanhoudend ver en dof geroffel, maar nu aan 't ander einde van
+den horizont...
+
+--Wel, sakkerdeeke, 'k 'n wist toch niet, dat da zeu gauwe ging!
+merkte Kobeken nog even op.
+
+Doch de oude moeder zuchtte maar eens even en de nurksche, plompe
+dochter zeide niets; en al spoedig was Kobeken weer buiten om naar
+Bosschaert's afgebrande schuur en naar de doode beesten te gaan
+kijken.
+
+ * * * * *
+
+
+VI.
+
+BURGERWACHT-IDYLLE.
+
+Marchons sans bruit,
+Voici voici la nuit.
+Halte-là, on ne passe pas!
+La garde-civique est là!
+
+
+Acht uur. 't Is stil en donker...
+
+De loopgraven strekken zich uit langs het kanaal, in een diepte,
+achter den berm van het begrinte jaagpad.
+
+Daarin liggen de burgerwachten...
+
+Sinds den vroegen middag liggen zij er verscholen, wachtend op den
+vijand.
+
+Den ganschen dag heeft in de verte het kanon gebulderd. Met den
+avond zweeg het, maar het leger trekt terug en even vóór duister is,
+met een gedreun als van een aardbeving, de kanaalbrug door de
+aftrekkende troepen opgeblazen.
+
+'t Is nog de eerste maal, dat de burgerwacht niet vóór het leger
+wijkt. Totnogtoe, in alle plaatsen, zoodra eenig gevaar dreigde,
+werd de burgerwacht veilig verder opgezonden. Er werd zelfs den spot
+mee gedreven en de menschen zeiden:
+
+"Daar, waar zich de burgerwacht bevindt, hoeft men voor den vijand
+niet bevreesd te zijn."
+
+Maar nu is 't anders. Nu is het leger geweken en de burgerwacht
+gebleven. Voor 't eerst werd haar een eerepost toevertrouwd. Nu
+zullen zij eindelijk den vijand zien: den beduchten, wreeden vijand,
+voor wien alles vlucht!
+
+De commandant der burgerwacht sluipt met zijn adjudant in stilte
+langs de loopgraven en deelt nog eens met nadruk zijn bevelen uit:
+"Niet zingen, niet lachen, niet praten, want ieder oogenblik kan de
+vijand aan de overzijde van 't kanaal verschijnen. Kleine
+patroeljes uhlanen werden reeds, vóór duisternis, in den omtrek
+gesignaleerd. En ook niet rooken, streng verbod te rooken, want de
+vijand zou van verre het licht der aangestreken lucifers of den
+rooden gloed der brandende sigaren kunnen zien."
+
+Als stille, donkere schimmen en gestalten zitten de burgerwachten in
+de lange loopgraven. De geweren, op den anderen oever gemikt, liggen
+onzichtbaar tusschen graszoden, klaar om afgevuurd te worden. De
+mitrailleuses en ook twee electrische zoeklichten staan achteraan op
+zij, onder en achter takkenbos verdekt.
+
+De burgerwachten zijn niet bang. Zij zullen moedig hun plicht doen.
+Wel kloppen hamerend de harten, want het is toch de eerste maal, en
+het is nacht, en 't is een zenuwspannend wachten op een vijand, die
+maar niet verschijnt, maar die toch ieder oogenblik, gansch
+onverwacht en bliksemsnel, kan opduiken. De oogen van de
+burgerwachten peilen strak de duisternis en hun gespitste ooren
+luisteren naar elk verwijderd rumoer, naar ieder vaag geluid. Doch
+zij zien alleen het vage, vale blikkeren van 't donker water in
+'t kanaal en zij hooren slechts het zuchten van den wind, die zachtjes
+door het oeverriet suist.
+
+Dat duurt zoo, langen, langen tijd. De moeheid van het vruchteloos
+wachten verslapt weldra de stramheid der overspannen zenuwen en de
+oogleden vallen van verveling en afmatting dicht. Het zal alweer een
+loos alarm zijn. Enkelen rekken hun verkleumde ledematen uit en
+geeuwen, en anderen wagen zich reeds aan een gefluisterd praatje, als
+eensklaps een gesmoord bevel door de loopgraven ruischt:
+
+"Opgepast! Ze zijn daar!"
+
+Bliksemsnel omknellen alle handen loop en kolf der geweren. De adem
+wordt opgehouden, de oogen schitteren in den nacht, de ooren
+vernemen het zwakste geluid.
+
+Jawel, daar zijn ze, aan den overkant van 't donker water! Men
+ziet ze nog niet, maar men hoort ze, heel duidelijk. Het zijn
+uhlanen; zonder twijfel de vlak vóór duisternis daar in de buurt
+gesignaleerde uhlanen! Men hoort het hoevengetrappel der paarden
+en het gekletter der sabels tegen de zadels. Zijn er veel? Zijn er
+weinig? 't Is moeilijk te onderscheiden. Te oordeelen naar het
+geluid zou men, hoe eigenaardig!, zeggen: weinig paarden en toch
+heel veel sabels. Hoe kan dat?
+
+De commandant, ineengebukt, loopt als een gejaagde schaduw heen en
+weer. Alle man klaar? Opgepast! Straks zullen, bliksemsnel, de
+lichten der electrische projecteurs even opflikkeren, om den vijand
+te ontdekken, en dan maar vuur! De volle laag!
+
+Een... twee... drie!...
+
+Twee schelle,verblindende lichtbundels doorboren den donkeren nacht!
+Hun felle gloed valt volop op den vijand en... even is er een stilte,
+door een plotselingen, langen schaterlach gevolgd!
+
+Wat daar aan den overkant van 't water langs het jaagpad rijdt, is
+een gewone bierkar!
+
+Een bierkar, bespannen met twee paarden; een bierkar, groengeverfd,
+met groote, gele advertentie-letters, en volgeladen met tegen elkaar
+aanrammelende en kletterende, volle en leege flesschen!
+
+De burgerwachten schateren en proesten, terwijl het helle zoeklicht,
+plots uitgedoofd en weer ontvlamd, met zijn fellen, witten
+stralenbundel, het aftrekkend gerammel en gekletter achtervolgt. En
+bij dat zicht voelen de burgerwachten, die daar nu al zoo veel uren
+liggen, eensklaps folterenden dorst en een bevel weerklinkt, van den
+eenen oever naar den anderen:
+
+"Halt!"
+
+Het karretje houdt stil. De lichten wemelen en spelen op de
+flikkerende flesschen en het verschrikte gezicht van den voerman
+kijkt eventjes uit van onder de kap.
+
+"Hoeveel flasschen bier het-e nog!" roept een stem.
+
+Niet dadelijk komt het antwoord.
+
+"Hoeveel flasschen bier het-e nog?" klinkt het voor de tweede maal,
+en nu op een toon van dreigenden toorn.
+
+"Misschien nog 'n honderd, meniere!" antwoordt schuw en aarzelend de
+man van over 't water.
+
+"Goed. Afleveren!" galmt het kort bevel.
+
+Twee schuitjes, waarmee de burgerwachten kunnen overzetten, liggen
+daar bij den oever vastgemeerd. Een wordt er losgemaakt en drie
+mannen varen er mee naar de overzijde.
+
+'t Gaat gauw genoeg. De flesschen zitten in bakjes van twaalf en
+acht van die bakjes worden in het schuitje neergelaten. Bij 't licht
+der schijnwerpers wordt even een bonnetje afgeteekend, het schuitje
+vaart weer over en de benauwde voerman mag verder.
+
+De burgerwachten voelen zich heerlijk opgemonterd. Jammer, dat er
+nog niet een stuk of dertig meer van die fleschjes waren!
+
+Dan had ieder het zijne gehad. Zou die kerel hen niet bedot hebben?
+Zou men nog niet eens het zoeklicht laten spelen?
+
+Voor de grap laten zij het nog eens spelen. Onmiddellijk houdt de man
+zijn paarden aan den overkant weer in en het angstig gezicht komt
+spookachtig-wit van onder de kap te voorschijn.
+
+"Es 't zeker da g' ons álles gegeven hèt?" roept een autoritaire stem.
+
+"Joa 't meniere, joa 't meniere! Op mijn woord van iere!" antwoordt
+de man.
+
+"Prosit! Prosit!" lachen de burgerwachten van verre, enkele
+flesschen in de hoogte houdend.
+
+Het licht gaat uit en het karretje verdwijnt met het geklikklak
+zijner leege lading in de duisternis.
+
+Andere vijanden hebben de burgerwachten dien nacht niet gezien...
+
+ * * * * *
+
+
+VII.
+
+DE VRIJWILLIGER.
+
+Voor mijn heldhaftige jonge
+vrienden Henri Rolin en Pierre
+Waelbroeck.
+
+
+Het oogenblik is gekomen...
+
+Uren lang hebben de kanonnen over 't veld gedonderd, door het verre
+geschut van den vijand beantwoord. En uren lang heeft de
+vrijwilliger met de reserves daar gestaan achter de bulderende
+vuurmonden. Voor 't eerst, in dien geweldigen strijd, heeft hij, van
+dichtbij, 't kanon zien en hooren léven. Hij heeft het zien laden en
+richten en op het degen-bevel van den officier zien afvuren!
+
+Het kanon, dat wordt afgevuurd, is geen strakke, holle, bronzen pijp
+op wielen meer: het is een beest, een monster, dat plotseling, met
+overweldigend geweld, kortstondig en afschuwelijk leeft.
+
+Een dreunende slag, die de aarde doet beven, een wreede vuurtong, een
+terugsprong, alsof het beest schrikte van zijn eigen woestheid, en in
+de lucht een snerpend noodgegil, als het gebriesch van een
+wegstormend paard! Het is, alsof het kanon schreeuwde: ik ben de Dood
+en mijn vraatzuchtige woede is afgrijselijk: ik hol, ik vlieg, ik
+grijns, ik scheur en ik vernietig en niets kan mij weerhouden!
+
+Dat geeft den mannen moed. Het is niet denkelijk, dat iets aan zulk
+geweld kan weerstand bieden. Het kanon is de geweldige stem der
+victorie en zoolang het spreekt moet alles zwijgen.
+
+Maar nu zwijgt het zelf. Het heeft zijn taak volbracht. Het heeft het
+geschut van den vijand verstomd en zijn loopgraven stukgeschoten. Wat
+nu nog moet gebeuren is het werk der manschappen.
+
+ * * * * *
+
+Met de andere reserves is de vrijwilliger vooruitgerukt. Wie zijn
+ze, die anderen? Hij weet het niet, hij kent ze niet. Een maand
+geleden allen onbekenden, onverschilligen; nu allen broeders...
+Broeders in 't doodsgevaar en in de vaderlandsche liefde; strijders
+voor eenzelfde doel, voor iets, dat zich niet duidelijk tot een
+beeld van concretie vormt, maar dat schoon en hoog en nobel is:
+strijders voor een ideaal!
+
+Wat hij zelf was vóór den oorlog, is de vrijwilliger bijna vergeten.
+Zijn jong studentenleven, zijn vroolijkheid, zijn frisch gemoed,
+zijn werk-en-toekomstplannen, 't ligt alles nu zoo ver en vreemd
+reeds achter hem! Er kwam ineens als 'n schok in zijn leven: fier en
+razend stond hij op tegen schandelijk onrecht en verdrukking en
+kende alleen nog zijn plicht, één enkelen plicht: vechten tot den
+dood tegen dat onrecht!
+
+ * * * * *
+
+Daar kruipt hij nu over den grond naast al die anderen...
+
+De avond daalt. Een bleeke, rose streep ligt laag en lang over den
+grijzen einder, als een teere, zachte blos van stillen weemoed. 't Is
+of de avond zei: ga rusten, ik rust ook; 't is nu geen uur van
+strijden meer. Maar ginds, op eenigen afstand, knettert aanhoudend
+een krakend geluid en vlak over zijn hoofd heen hoort de vrijwilliger
+een voortdurend gezoem, als van ontelbare, vliegende en zwermende
+bijen. Soms is het of er duizenden en duizenden zwermden en zoemden;
+soms is het of er slechts enkele meer waren en dan rukt de
+vrijwilliger naast zijn kameraden met een korten sprong voorwaarts,
+om dadelijk weer neer te ploffen, en de bijen, bij honderden en
+honderden, boven zijn hoofd te hooren zoemen.
+
+Hij weet maar al te goed wat dat gezoem beteekent! Het is 't luguber
+doodsdeuntje der vliegende geweerkogels! Soms gaat een korten kreet
+op en een der makkers blijft roerloos op het akkerveld liggen. Dat
+maakt de anderen niet bang. Dat maakt ze woedend, razend, en zij
+klemmen de tanden op elkaar, terwijl ze, op hun beurt en onverpoosd,
+naar den onzichtbaren vijand vuren. De stemmen van hun officieren
+klinken kort en krachtig achter hen: "En avant! Vooruit! En avant!
+Vooruit!" En onder dien aandrang gaat het, in stuggen nijd steeds
+verder en verder, ondanks de verliezen, tot zij eindelijk, in de
+schemering, de schansen van den vijand vóór zich zien, en, niet meer
+te weerhouden, wild er op losstormen.
+
+Wat geeft het nog of ze bij tientallen nu vallen? Wie kent nog
+gevaar en wie voelt er nog pijn! Het zijn geen menschen meer; 't is
+een orkaan van wilde beesten en brullend storten zij op en in de
+loopgraven neer!
+
+Een ruk, een vloek, een stoot en mannen vallen achterover, het lijf
+door bajonetsteken doorboord. 't Gaat bliksemsnel. Wie even mist of
+wankelt, wordt zelf ter dood getroffen. De kelen zwoegen, de monden
+hijgen, de voeten struikelen over lijken en glijden uit op slijk en
+bloed. De vlugge oogenblikken hebben een beteekenis van eeuwen. Tijd
+geldt niet meer; 't moment is alles!
+
+Hoog staat de vrijwilliger even op den berm der loopgraaf en ziet
+zijn vijand in de diepte.
+
+Zijn vijand, want rechts en links zijn het de vijanden der kameraden.
+Zijn vijand, want de man mikt en schiet op hem en het schot vliegt
+hem, brandend, rakelings, naast de linkerwang. Dan stort de
+vrijwilliger op zijn vijand neer en met een rauw gekrijsch van woede
+boort hij zijn bajonet tot aan den loop van het geweer, dwars door
+zijn lijf!
+
+ * * * * *
+
+De vrijwilliger is een mensch. Daarstraks, in 't felle van
+'t gevecht, was hij een dol, wild beest; maar nu, nu hij voor
+'t eerst een man onder zijn slag ziet vallen, nu is hij plotseling
+weer een mensch! Hij ziet een gruwelijken weemoed in die dof
+brekende oogen, een wereld van rouw en lijden en verdriet; en
+'t snikt hem eensklaps naar de keel, het barst ontembaar in hem uit
+van menschelijk medelijden; hij smeekt "Pardon!" Pardon! met
+saâmgevouwen handen en de tranen breken uit zijn oogen, en hij valt
+sidderend en biddend op zijn knieën...
+
+Maar 't is reeds afgeloopen. De zuiver-menschlijke tragedie duurde
+slechts een oogenblik; de doode vijand is nog maar een roerloos
+hoopje vuil en bloed, en om hem heen weergalmt luid-bulderend
+hoezee-geschreeuw. Hij staart met waanzinnige oogen en ziet zijn
+makkers vreugde-dansen en hoog zwaaien met hun képi's en geweren.
+Zij hebben de loopgraaf genomen; zij hebben overwonnen en jubelen
+wild hun trotsche blijdschap uit.
+
+Stil bukt de vrijwilliger het hoofd en jubelt niet mee. Zijn korte
+adem zwoegt en hijgt, zijn handen beven, zijn zwakke beenen weifelen
+en knikken onder hem. In doodsche stilte gaat hij een eind verder op
+den rand der loopgraaf zitten en staart over den langzaam-aan
+wegsomberenden horizont.
+
+Het lange, lage, rose schijnsel aan den einder is slechts een vale
+lichtstreep meer. Het droeve slagveld donkert weg met de vage hoopjes
+der gevallen lijken en de rust, die over 't eenzaam landschap daalt
+is van een eindelooze triestigheid. Ergens rijdt, onder dof en
+langgerekt gedreun, een trein op een metalen brug en in de verte
+blaft een hond, met hol en klagelijk-droef geluid.
+
+De vrijwilliger haakt zijn veldflesch los en drinkt met lange,
+gulzige slokken. Gelukkig, dat hij die nog heeft! Hij bezwijkt van
+den dorst! Als hij op dit oogenblik niets te drinken had, dan zou hij
+stikken, of weer in akelig huilen losbarsten.
+
+Een stem, in het reeds vallend duister, roept zijn naam
+uit. Hij hoort het wel, doch antwoordt niet onmiddellijk. Hij kán
+nog niet antwoorden. Zijn schor-hikkende keel kan nog geen klanken
+doorlaten. Dan klinkt de stern opnieuw, dringend, met harderen klem;
+en eindelijk antwoordt hij...
+
+Ja, hij is nog van de levenden, hij behoort tot de overwinnaars!...
+
+ * * * * *
+
+VIII.
+
+DE VLUCHT.
+
+Alweer, den ganschen dag, had, in de verte, het kanon gegromd...
+
+Dat was echter geen nieuws meer; sinds lang waren zij daaraan
+gewend. Doch, met den avond scheen het gedonder dichterbij te komen
+en dat verwekte angstigheid.
+
+Het was een zachte, schoonte, stille, gouden avond. De menschen van
+het dorpje kwamen buiten op hun drempel staan. Alle gezichten waren
+naar 't Oosten gekeerd en aller oogen staarden schrik-starend, en
+aller ooren luisterden, met ingespannen aandacht, om ieder geluid op
+te vangen.
+
+Het roffelde aanhoudend, als een verwijderd onweer, maar af en toe
+met zwaar-bonzende slagen, die eventjes de ruiten deden rinkelen.
+
+Dat daver-rinkelen der ruiten was een allerakeligst en angstwekkend
+geluid. 't Was telkens of 't gevaar eensklaps vooruitsprong, met
+reuzenschreden.
+
+Er kwam een vage woeling in het dorpje. Iets als een windvlaag, die
+er dreigend overheen streek. Iets, dat uit het schemerig verschiet
+scheen aan te ruischen en te zwellen; iets, dat de harten deed
+kloppen en de beenen deed beven.
+
+Menschen liepen dwars over de straat naar elkander toe, vereenigden
+zich tot kleine groepjes, schenen elkander nare dingen mee te
+deelen. En plotseling was daar een vrouw, die akelig huilde; een
+vrouw, niemand wist waar-vandaan gekomen, halfnaakt in gescheurde
+lompen, met een schreiend kind op den arm en die snikte:
+
+--Ze zijn te Leuverghem; z'hèn mijne man vermeurd en ons huis in brand
+gesteken! Ze komen noar hier! Ze komen! Ze komen!
+
+Eerst was er een kort oogenblik als van geconsterneerde stilte. Zij
+konden dat niet zoo dadelijk bevatten en keken de vrouw aan,
+roerloos, met wijd-angstige oogen. Maar eensklaps riep een jongetje:
+"'t Es woar! 't Brandt ginder!" en allen keerden, als onder een
+schok, zich om en zagen een rossigen, rookenden gloed, over de verre
+boomen aan den einder.
+
+Looverghem stond in brand; dat wisten zij terstond aan de richting;
+en Looverghem was slechts anderhalf uur verwijderd van hun eigen
+dorp! Wat nu te Looverghem gebeurde, zou straks ook te Baevel
+gebeuren: hun gansche dorp, met alles wat zij bezaten, zou door den
+wreeden, woesten vijand vernield worden!
+
+Met wilde kreten, met wanhoopskreten, stoven zij uit elkaar, elk
+naar zijn eigen huis toe. Aan iets te redden door verdediging was
+geen denken: alleen de vlucht, de panische vlucht, met wat zij
+dadelijk redden konden, was de eenige uitkomst.
+
+Reeds kwamen de eerste vluchtelingen uit Looverghem, uitzinnig van
+schrik, in Baevel aan. Doch niet een hield er zich op. Zij
+schreeuwden slechts, in 't wild voorbij rennen, wat de huilende
+vrouw met het kind had uitgegild: "Ze komen! Zekomen! Ze branden en
+vermoorden!" en weg waren ze, met rijwielen, wagens en karren of te
+voet: één griezelige stroom van vluchtende, schreeuwende,
+strompelende, vallende, schreiende wezens, één vloed van
+overweldigende, menschelijke ellende, die in een dikke stofwolk
+'t gansche dorp als een orkaan doorzweepte en aangezwollen door
+reeds meehollende honderden en honderden uit Baevel zelf,
+als een apocalyptische horde aan den rooden horizont verdween.
+
+ * * * * *
+
+Vosken (Vosken van den Berg, zooals hij in de wandeling werd
+genoemd) hoorde dat wild geraas van verre aanbruisen. Hij woonde
+daar met vrouw en kinderen op de hoogte, even buiten het dorp, in
+een klein huisje, dat alleen stond en vanwaar zich een ruim en
+prachtig vergezicht over den ganschen omtrek uitstrekte.
+
+Dat wijd en prachtig vergezicht was zeker niet 't geen Vosken daar
+het meest aan zijn woning hechtte. Het is zelfs meer dan
+waarschijnlijk, dat hij er nooit anders dan met een verstrooiden of
+onverschilligen blik naar keek. Hij had er ook geen tijd voor.
+Vosken was marskramer en vellenploter en van den ochtend tot den
+avond reed hij meestal met zijn hondenkar over de wegen. Zelfs de
+oorlog had hem zijn vermoeiend bedrijf niet doen staken; en hij was
+maar zooeven van een urenlangen rit teruggekomen en zat met vrouw en
+kinderen aan 't avondmaal, toen hij 't gedruisch hoorde aanzwellen.
+
+Hij lei zijn vork neer en ging buiten zien. Hij zag die wilde,
+vluchtende benden den heuvel oprukken; maar van het hooge punt, waar
+hij stond, ontwaardde hij meteen wat zij, die nog beneden waren, veel
+minder duidelijk, of zelfs in het geheel niet konden zien: de
+gansche, verre, aschgrauw-wordende Oosterkim in brand: een brand,
+die zich heel snel naar 't Westen uitzette, opvonkend als het ware uit
+honderd plaatsen tegelijk, als een omcirkelende vuurslang, die weldra
+alles zou verslinden.
+
+Vosken schonk ternauwernood eenige aandacht aan de voorbij
+stormende, angstig verwilderde menigte; hij omvatte met één enkelen
+oogopslag het gruwelijk gevaar en holde weer naar binnen.
+
+--Op! gilde hij, tot vrouw en kinderen. Op! Alles brandt af! Geen
+menuut te verliezen! Vluchten! Vluchten, zeg ik ulder! En hij begon
+te vloeken en te razen, omdat de door schrik verlamde vrouw en
+kinderen niet dadelijk begrepen en opvlogen.
+
+Hij rende naar het hok, waar zijn twee sterke trekhonden vastgeketend
+lagen en spande ze hijgend vóór 't karretje aan. De vrouw had ijlings
+al 't geld uit het laadje gehaald, de dochter scharrelde wat kleeren
+bij elkaar, het zoontje nam een zwaar roggebrood en een homp spek
+onder den arm. De honden blaften wild en jankten bij het stalletje,
+als bezielde wezens, die al het somber-tragische van de gebeurtenis
+heel duidelijk begrepen.
+
+In enkele minuten was men klaar. De wanhopige moeder had nog zooveel
+meer willen meenemen, doch het kleine karretje was reeds overladen.
+Zij konden er nog nauwelijks zelven in. Zij schreiden luid en snikten
+om alles wat zij daar nog moesten achterlaten; het scheurde hun door
+'t hart, maar 't moest, het moést, er was geen oogenblik meer te
+verliezen, zij hoorden de vernieling in de verte aanloeien, en zij
+werden meegenomen in den wilden stroom der vluchtelingen, terwijl
+daar in de diepte de eerste huizen van het dorp reeds brandden...
+
+ * * * * *
+
+In volle vaart renden zij het roode Westen in. Wat zag het vreeselijk
+bloedrood dien avond! De zon was onder, maar hoog en wijd over de kim
+had zij haar langzaam-tanend bloedlicht nagelaten. 't Was als een
+tafereel der wreede, oude tijden. Somber, voorovergebogen in hun
+vlucht, holden, in roodachtige stofwolk, die duizenden en duizenden
+daar wild op in. Want achter hen, den ganschen horizont omlaaiend,
+woedde de gruwbare brand der vernieling, en naarmate het roode
+hemelsvuur der weggezonken zon tot somberend aschgrauw vervaagde,
+zagen zij steeds nieuwe brandpunten opflitsen rechts en links vóór
+zich uit nu, zoodat zij steeds onstuimiger moesten vluchten en
+vluchten, om niet binnen den afgrijselijken brandcirkel te worden
+ingesloten.
+
+Reeds waren er velen, die niet verder mee konden en uitgeput, met
+schreiende stemmen en om hulp-smeekend-gevouwen-handen aan den rand
+van den weg bleven liggen. In den naderenden vuurgloed der
+alom-brandende hoeven en huizen vertoonden zij afschuwelijk
+verwrongene wanhoopsgezichten met wijd-opengespalkte schrik-oogen,
+waarvan het wit als bloed-doorloopen blikkerde in den felrooden
+gloed, die den ganschen hemel scheen in brand te zetten. Doch geen
+mensch keek naar hen om, geen helpende hand werd naar hen
+uitgestoken. De vijand naderde, men hoorde in het helsch verschiet
+'t gedreun der hoeven-trappelende paarden en 't was steeds verder
+vluchten, vluchten, vluchten, tot men zich ergens in veiligheid
+geborgen had of op zijn beurt van afmatting ineenstortte.
+
+ * * * * *
+
+Vosken met zijn hondenkar was in het heetste van 't gedrang.
+Gelukkig, dat hij zulke flinke, sterke dieren had! Zij holden er met
+het overladen karretje vandoor, heuvel op, heuvel af, de pooten
+gestrekt, de flanken zwoegend, de koppen tegen den grond. Vosken,
+zijlings op 't lamoen gezeten, porde ze onophoudend, met de stem en
+met een knuppel aan. Voortdurend klonk zijn ruwe stem: "Hue, Baron!
+Hue, Duc!" en als 't dan nog niet gauw genoeg ging naar zijn zin, of
+als de doodsangst hem op 't lijf zat bij het hooren van't geloei
+achter zijn rug of bij het gruwbaar tafereel van den alomlaaienden
+horizont, dan viel met een gevloek de knuppel op de beenderige ruggen
+neer, hard en kort, als hout op hout. De arme beesten zwoegden, hun
+droge, roze tong flapperde scheef uit hun wijd-open bek; zij jankten
+even scherp en keerden fluks den kop om, met menschelijke
+wanhoops-oogen, alsof zij schreiden: "Ach, meester, slaat ons niet;
+gij ziet toch wel, dat wij doen wat we kunnen om u en uw gezin te
+redden!" Zij waren afgebeuld reeds vóór ze wegreden; den ganschen
+namiddag hadden zij met Vosken omgezworven en nog hun avondeten niet
+gehad, toen ze weer aangespannen werden; doch geen van allen dacht
+daaraan: het was de vlucht, de wilde, uitzinnige vlucht op leven en
+dood!
+
+Eindelijk, na uren en uren, geraakten zij eenigszins uit de
+benauwende verwarring. Vóór hen lag nu de vale nacht wijd-donkerend
+open, met hier en daar een eenzaam lichtje, dat vredig op de stille
+boerderijen pinkte. De verre brand in 't Oosten schemerde nog slechts
+heel laag aan den gezichtseinder en geen geloei van vluchtelingen en
+vijanden klonk tot hen meer door. Zij voelden zich voorloopig gered
+en reden iets langzamer. Zij kwamen weldra in een dorpje, waar
+Vosken bekend was en even beraadslaagden zij, of zij daar niet
+zouden overnachten. Doch de doodsangstige vrouw en dochter voelden
+zich nog niet veilig genoeg en wilden steeds verder en verder, tot
+zij geen spoor van het vernielend vuur meer aan den einder zouden
+zien. En weer reden zij: "Hue, Baron! Hue, Duc!" met vloeken en met
+harde stokslagen, met gezwoeg en gehijg en gejank, tot zij eindelijk
+in een tweede dorpje kwamen, waar alles zoo rustig en zoo vreedzaam
+was, alsof er nooit een oorlog had gewoed.
+
+Daar hielden zij voor een klein herbergje stil... Er was nog licht
+daarbinnen. Vosken klopte op de deur, een man kwamen opendoen en zij
+vroegen, of zij daar den nacht mochten doorbrengen.
+
+Na eenig heen en weer gepraat en nadat Vosken in gejaagde woorden
+had verteld, waar ze vandaan kwamen en van de gruwelen, die daar
+gebeurden, werden zij binnengelaten. De menschen wisten daar nog
+niets van al die angstwekkende dingen; zij hoorden Vosken aan met
+open mond en van schrik uitgezette oogen; en er kwam geen eind aan
+'t vragen en verhalen; de gansche wreedheid van den oorlog drong
+eensklaps in die rust en stilte door met al den omprangenden angst
+van een gruwelijke nachtmerrie, die plotseling een zacht-veiligen
+slaap komt storen. Zij vergaten den tijd, zij hadden reeds lang
+gegeten en gedronken; en vrouw en dochter, eindelijk van haar schrik
+bekomen en nu in stille wanhoop op haar stoelen neergezeten, spraken
+van naar bed te gaan, toen Vosken zich opeens herinnerde, dat hij,
+in zijn ontsteltenis, kar en honden vóór de deur had laten staan.
+
+Hij nam een homp brood voor zijn beesten en opende de voordeur. De
+baas van 't herbergje ging met hem mee, om hem het stalletje te
+wijzen, waar de honden konden slapen.
+
+--Hue, Baron! Hue, Duc! riep Vosken aan 't karretje duwend.
+
+Maar 't karretje bood tegenstand; 't was of er iets haperde.
+
+--Hue dan! herhaalde Vosken, harder duwend.
+
+Het karretje draaide half om zijn as en bleef staan.
+
+--Wa scheelt er dan! bromde Vosken bij 't lamoen komend.
+
+Hij voelde Duc, die, hijgend nog, overeind stond tusschen de boomen;
+maar Baron voelde hij niet. Daar waar Baron moest staan gaapte een
+donkere, leege ruimte.
+
+--Wacht, zei de baas, 'k zal 'n lanteernken hoalen.
+
+Hij verdween in 't duister deurgat en na een poosje, was hij daar
+met een pover-lichtend lantaarntje terug. Hij hield het bij
+'t lamoen en kreeg als 't ware een klein schokje, dat even het
+lantaarntje in zijn hand deed beven.
+
+Een bruine massa lag daar op den grond, zijlings uitgestrekt, de
+pooten van zich af, den kop, met open bek, die scheen te grijnzen,
+in het zand.
+
+--Ien van ou honden es deud! riep de man tot Vosken.
+
+Een heele poos stond Vosken strak en roerloos, alsof hij niet
+begreep. Toen kwam hij bij, bevoelde 't beest, schudde zijn hoofd,
+met tranen in de oogen.
+
+--Alle ongelukken eens! jammerde hij eindelijk. Azeu ne scheunen hond!
+Hij was wel honderd frank weird!
+
+--Hij es 't hert afgereên, zei de baas, het slachtoffer monsterend met
+kennersoogen.
+
+Duc stond naast zijn dooden makker en jankte zachtjes, klagelijk, met
+rillingen over zijn huid.
+
+De vrouw, de dochter en het zoontje kwamen buiten. En ook zij
+jammerden luid over 't verlies van den mooien hond, die zooveel geld
+waard was. Vosken vloekte.
+
+--Allemaal de schuld van die bandieten! raasde hij, zijn vuisten
+naar 't Oosten ballend.
+
+Maar een kreet van angst verkropte in zijn keel en zijn oogen, star
+van schrik, bleven op den vagen horizont gevestigd.
+
+Daar glom en schemerde, gansch in de verte, gansch in de verre,
+verre, verte, iets als het flauwe schijnsel van een opkomenden
+dageraad. Een oogenblik verkeerde Vosken in de zonderlinge illusie,
+dat de ochtend werkelijk aan 't komen was. Maar meteen loeide iets
+aan als het dof geraas van een naderend onweer en plotseling begreep
+hij en gilde 't uit van gruwel en van woede.
+
+De vijand! De brandende vernieling!
+
+Zijn vrouw en kinderen hadden 't ook gezien en dadelijk begrepen.
+Zij schreeuwden en huilden en snikten en sprongen weer in
+'t karretje: Vosken rukte den dooden hond, die hem 't leven had
+gered, uit zijn harnas en gooide hem als een hoop vuil op zij; en
+met Duc alleen nu, met den armen, afgebeulden Duc, die nog niet
+gerust en niet gegeten had, met Duc, die evenals zijn droeven
+makker, tot het alleruiterste zou afgejakkerd worden, vervolgden
+zij, in de verwilderde paniek, die reeds het dorp aantastte, hun
+vreeselijken martelaars-en vluchtelingentocht, naar het onzekere,
+naar 't onbekende, naar de redding... of den dood...
+
+ * * * * *
+
+IX.
+
+DE MOEDER.
+
+De drie officieren zaten met mij aan tafel.
+
+Sinds een paar weken waren zij met hun manschappen bij mij ingekwartierd.
+
+Het waren drie flinke, aardige kerels: twee kapiteins bij de
+karabiniers en een luitenant van de grenadiers.
+
+Wij waren laat aan tafel gegaan. De dag was zwaar-vermoeiend
+geweest.
+
+Het was vier dagen na den slag te M. waar de Belgen, als altijd, na
+heldhaftigen tegenstand, ten slotte voor een overtalrijken vijand
+hadden moeten wijken.
+
+Mijn officieren waren ernstig, doch geenszins moedeloos gestemd. Zij
+hadden hun plicht gedaan; zij hadden gedaan wat ze konden en wat hen
+ernstig stemde, was het geleden verlies aan manschappen en
+kameraden.
+
+Zij trokken de getallen samen op een klein boekje, zooals men in
+'t gewone leven zijn dagelijksche uitgaven zou opsommen. Er was een
+klein verschil in de samenstelling. Kapitein L. telde één man meer
+aan verliezen dan kapitein J. Zij voerden daarover 'n korte
+discussie.
+
+Nr. 1271, beweerde kapitein J. was wel als vermist, doch niet als
+gesneuveld aangegeven: hij kon dus krijgsgevangen zijn.
+
+--Pardon, antwoordde dadelijk kapitein L., hij is wel degelijk
+gesneuveld; men heeft dezen namiddag zijn lijk op het slagveld
+gevonden, in een boschje, dicht bij de rivier. De majoor heeft het
+mij daar pas gezegd.
+
+Zij zwegen alle drie een oogenblik en keken elkander ernstig aan.
+Toen haalde kapitein J. even zijn schouders op en verbeterde de
+aanteekening op zijn boekje, zoodat het met het lijstje van zijn
+makker klopte.
+
+--Weet jij ook wie dat was, die 1271? vroeg nog kapitein J. aan
+kapitein L.
+
+Kapitein L. wist het niet. Maar de jonge luitenant K. van de
+grenadiers, haalde nu ook een boekje uit den binnenzak van zijn
+tuniek, bladerde er in en las:
+
+--Numéro matricule 1271, baron de B., 1e grenadiers, 1e bataljon,
+3e compagnie. Vrijwilliger.
+
+De beide anderen knikten langzaam met het hoofd, zwijgend naar hun
+makker starend.
+
+--Twee-en-twintig jaar, voegde deze er nog als toelichting bij,
+meteen zijn boekje dichtflappend en het weer in zijn binnenzak
+verstoppend.
+
+De maaltijd die even onder het gesprek was opgeschorst, ging verder
+door.
+
+ * * * * *
+
+Het was een wilde, stormachtige najaarsavond. Daarbuiten gierde de
+wind in de schommelende kruinen der boomen, die van regen afdropen.
+Binnen, in de ruime eetkamer was het gezellig. Frissche bloemen
+versierden de tafel, de lampen gloeiden zacht onder warmkleurige
+kappen en een groot houtvuur brandde flikkerend en knappend in den
+breeden haard.
+
+Soms hoorden wij vaag geluid en gestommel in den donkeren nacht. Dat
+kwam uit de oranjerie, vlak bij het huis, waar de manschappen op
+stroo ter ruste lagen. Vijftig lagen er. Vijftig jonge kerels, allen
+vrijwilligers, spontaan en moedig opgekomen tot verdediging van het
+bedreigde vaderland. Alle maatschappelijke standen waren er
+vertegenwoordigd. Er lagen barons en graven, en zonen van ministers,
+naast boerenzoons en dokwerkers. Het "couvre-feu" had reeds
+geklonken, maar zij waren jong en opgewekt en levenslustig en
+sommigen neurieden nog liedjes, of maakten grapjes en hielden
+praatjes, bij 't zwakke schijnsel van het nachtpitje, dat daar in een
+hoek bleef branden. Zij hadden dapper gestreden te M.; zij hadden
+enkele dagen getreurd en gerouwd om hun gevallen kameraden, doch dat
+was nu reeds een beetje vergeten en zij verlangden allen maar om zoo
+spoedig mogelijk weer naar 't front te mogen gaan.
+
+Daarachter lag, in najaarsduisternis, de groote tuin en verder
+'t eenzaam dorpje. Het was er stil, doodstil. De bange menschen
+gingen er vroeg naar bed. Maar af en toe raasde er toch een woest
+gesnor doorheen en 't oogenblik daarna zagen wij, door de heldere
+ramen der eetkamer, een groot, schel licht op ons afkomen.
+
+Dat was dan een estafette op een motorrijwiel. 'n Tikje op de glazen
+deur, 'n kort "entrez" van een der officieren en de deur werd
+geopend, windgeloei en kille regenlucht binnenlatend, terwijl de
+boodschapper, aanslaande, drijfnat op den drempel verscheen.
+
+Hij gaf zijn boodschap af en wachtte. Een van de officieren las, met
+gefronste wenkbrauwen. De anderen staarden den lezende aan. De even
+schelverlichte takken van de in den storm gezwiepte boomen,
+wuifden nattigglanzend in de duisternis heen en weer en uit de nog
+vaag-verlichte oranjerie klonk even iets duidelijker het gegons en
+gepraat en geneurie en gedempt gelach der op hun stroobed gelegerde
+manschappen tot ons door.
+
+Dat duurde zoo enkele oogenblikken. Dan deelde de officier de
+boodschap aan zijn makkers mede, een antwoord werd met potlood op
+een stuk papier gekrabbeld en overhandigd aan de estafette, die
+nogmaals aansloeg en weldra weer met zijn snorrend, ploffend,
+hitsend motorwiel, in de natte, kille duisternis van den stormnacht
+tusschen de druipende boomen van het park verdween.
+
+ * * * * *
+
+Wij waren aan het nagerecht gekomen. Het kon zoowat half tien zijn.
+De officieren, nu niet meer verwachtend, dat zij op dit late uur nog
+gestoord zouden worden, maakten het zich gezellig. De koffie dampte
+geurig in de kopjes, de sigaren waren aangestoken, de likeurglaasjes
+gevuld. Eenige versche blokken werden nog op het haardvuur gegooid,
+dat lustig opknetterde; en men strekte de vermoeide beenen naar de
+roode vlammen uit.
+
+Wij spraken over den oorlog. Waarover zouden wij ook anders wel
+gesproken hebben? De twee kapiteins waren reserve-officieren; de
+jonge luitenant behoorde tot het actieve leger. En 't leek wel
+vreemd, dat de twee reserve-mannen, die reeds jaren lang uit den
+dienst getreden waren, verreweg het meest-militaire voorkomen
+vertoonden, terwijl de jonge luitenant van het actieve leger niets
+geen krijgshaftig uiterlijk had. Lang en slank was hij en ietwat
+voorovergebogen, met een heel zachte en droomerige, bijna
+meisjesachtige expressie in zijn groote, blauwe oogen en zijn
+frisch-roze gelaat.
+
+Toen wij daar een tijd gezeten hadden, vroeg de jonge man mij, op
+een stillen, haast bedeesden toon, of hij soms een beetje op de
+piano mocht spelen.
+
+Hij speelde... Het klonk zacht, in ordertoon, een beetje
+melancholisch. Hij scheen zijn eigen, innige gewaarwordingen te
+vertolken en nogmaals voelde ik in hem het schril kontrast tusschen
+die zachtheid en het harde en barre van zijn levenstaak in dezen
+wreeden oorlogstijd. Hij speelde voor zich zelf en de anderen
+luisterden niet naar hem. Zij warmden hun voeten bij het vuur, dat
+lustig vonkte en knetterde en gingen door met hun gesprek. Buiten
+hoorde men nog steeds het loeien van den wind en het aanslaan van den
+regen tegen de luiken, die het dienstmeisje gesloten had. Uit de
+oranjerie klonk nog vagelijk een deuntje op, een eigenaardig wijsje,
+dat een der jongens daar op zijn stroobed lag te fluiten.
+
+Toen werd er binnen op de deur geklopt.
+
+--Ja, antwoordde ik, ietwat verwonderd. Het dienstmeisje verscheen en
+reikte mij een visitekaartje op een presenteerblad.
+
+Nu nog bezoek, zoo laat!
+
+Ik keek en las: "Baronne de B."
+
+De jonge luitenant had zijn piano-spel gestaakt; de beide kapiteins
+zagen mij ondervragend aan. Het meisje wachtte.
+
+--Baronne de B... Is het niet een baron de B. de vermiste, die
+vandaag nog op het slagveld werd gevonden? vroeg ik aan kapitein L.
+
+Hij haalde vlug zijn boekje uit en keek. Jawel, die was het. En de
+jonge luitenant, die insgelijks zijn boekje raadpleegde, bevestigde
+'t gezegde.
+
+--Het zal zijn moeder zijn! zei halfluid kapitein L. Is die dame
+daar?
+
+--Jawel, meneer, antwoordde 't meisje.
+
+Er was een oogenblik volkomen, doodsche stilte. Wij waren allen
+opgestaan en keken als radeloos elkander aan. Buiten tokkelde de
+wind, als met houten knokkels, tegen de gesloten luiken en in de
+oranjerie weergalmde nog steeds, tergend en irriteerend in dit
+tragisch oogenblik, het fijn, gefloten deuntje.
+
+--Wij moeten haar ontvangen; wij moeten haar... althans iets zeggen,
+sprak kapitein L. met aarzelende stem.
+
+Kapitein J. knikte beamend. De jonge luitenant lei zachtjes de piano
+dicht. Door een teeken deed ik aan 't dienstmeisje verstaan, dat
+zij de bezoekster mocht binnen laten.
+
+ * * * * *
+
+Ik heb alles wat er toen gebeurde, goed en duidelijk onthouden. Het
+heeft zich in mijn geest geprent met forsche kleuren, die niet meer
+uit te wisschen zijn.
+
+--Lieutenant, dites dons à cet animal de siffleur qu'il se taise
+là-bas, sinon je lui f... des arrèts! riep eensklaps toornig
+kapitein L. tot luitenant K., terwijl hij dreigend zijn hand uitstak
+naar de oranjerie, waar het irriteerend fluitdeuntje bleef dreunen.
+
+De jonge luitenant haastte zich buiten en meteen ging de binnendeur
+open en een zwarte verschijning kwam langzaam binnen.
+
+Het was een dame van middelbaren leeftijd. Zij was in rouwkleeren.
+Het gezicht zag doodsbleek en de oogen hadden geschreid. Het moet
+een mooie vrouw geweest zijn. De gelaatstrekken, van smart
+doorgroefd en vroeg verouderd, getuigden daar duidelijk van.
+
+Zij groette stil, met haast onhoorbare stem, en kwam naar ons toe.
+Ik schoof haar een stoel bij het vuur, maar zij schudde moedeloos
+het hoofd en bedankte. Zij poogde te spreken, maar kon blijkbaar
+niet; een overweldigende ontroering verstomde haar stem.
+
+Wist zij het reeds? Wist zij 't nog niet? Dat was de angstige,
+schrijnende vraag, die ons geheel vervulde.
+
+Zij sloeg haar rouwsluier om en uit een zwart-lederen tasch haalde
+zij een zwart-lederen boekje. Haar handen beefden, terwijl ze
+'t openbladerde. Strak keken wij haar aan. Regendroppels hingen als
+pareltranen in 't krip van haar sluier en haar grijs-beslijkte
+schoenen en de onderrand van haar kleed, waren drijvend-nat. Zoo was
+ze dus te voet, alleen wellicht, door storm en duisternis gekomen.
+
+Zij keek naar ons op met haar droevige ooggin en zei, met een
+gebroken stem:
+
+--Messieurs, je cherche mon file, mon fls unique, le baron Roger
+de B. volontaire au 1e grenadiers, 1e bataillon, 3e compagnie,
+numéro matricule 1271. Il droit s'étre battu à M. il y a quatre
+jours et je suis sans nouvelles de lui. Pouvez-vous m'en donner?
+Pouvez-vous me dire ou il est? Je suis affolée, je me meurs
+d'anxiété et de douleur!"
+
+Geen enkel van ons sprak een woord. Kapitein L. keek naar kapitein
+J., die aarzelend naar mij opkeek. De buitendeur ging open en de
+jonge luitenant, die den fluiter in de oranjerie doen zwijgen had,
+kwam ook weer binnen. Dat gaf een korte afleiding. Maar toen de dame
+'t uniform der grenadiers herkende, kreeg zij een plotselinge
+tranencrisis en herhaalde met smeekende, wringende handen voor den
+jongen man haar wanhopige vraag.
+
+Daar stonden wij nu met ons vieren, die het akelig geheim kenden en
+het niet durfden uitspreken. Ik heb zelden iets knellenders en
+tragischers gevoeld. 't Was als een levend tafereel uit Maeterlinck's
+aangrijpend "Intérieur". Men hoorde de vlammen in het haardvuur
+knetteren, men hoorde 't klokje tikken tegen den wand en men hoorde
+het loeiend gebeuk van den stormwind daarbuiten. Men hoorde ook als
+'t ware het angst-benauwend kloppen van de harten.
+
+Toen eindelijk sprak de oudste der twee kapiteins tot luitenant K:
+
+--Weet u wat, luitenant, het is nog niet te laat: Gaat u even mee
+met mevrouw naar 't hoofdkwartier bij den majoor: die heeft de
+voltallige lijsten en zal mevrouw misschien wel nauwkeurig kunnen
+inlichten.
+
+ * * * * *
+
+Ik heb ze samen zien vertrekken. De jonge, zachte luitenant had een
+electrisch handlampje en lichtte haar voor. Als een voorkomende,
+zorgvolle zoon stapte hij aan haar linkerzijde onder de zwiepende en
+klagende boomgin. De regen had opgehouden, maar de wind loeide nog
+vervaarlijker in 't holle van den duisteren nacht.
+
+Wij stonden op den drempel van 't huis en zagen ze gaan. Zij spraken
+geen woord. Ook wij spraken geen enkel woord. Haar donkere
+rouwgestalte werd heel gauw onzichtbaar. Van hem zagen we nog even
+het doffe glimmen van twee vergulde knoopen op den rug van zijn
+uniformjas. Met dansenden glans flitste 't schijnsel van het lampje
+op de grijze boomstammen. In de vagelijk verlichte oranjerie was
+alles nu heel stil geworden.
+
+Zoo gingen zij, als een moeder met haar zoon... Zij gingen samen, de
+een wetend, de andere nog hopend, naar het wreede der
+onverbiddelijke werkelijkheid.
+
+En 't was van een stille tragiek die aangreep, afschuwelijk,
+onvergetelijk...
+
+ * * * * *
+
+
+X.
+
+SINGEN... SINGEN!...
+
+Het was geen mooie troep, die nu in het dorp gecantonneerd lag...
+
+Het waren meestal mannen van middelbaren leeftijd, landweer en
+landstorm.
+
+Gedurende de eerste weken der invasie waren daar ontelbare horden
+voorbijgetrokken, allen flinke jonge kerels in de volle frischheid
+van het leven, veerkrachtig loopend met dreunenden stap, als één
+compacte massa in geweldig-forschen rythmus; maar 't werd al minder
+en minder, 't nam af van dag tot dag, tot men eindelijk die ouderen
+kreeg, die loomen en die dikken, sommigen met wit haar en grijzen
+baard, als afgedankte kolonels en generaals, die tot straf, van voor
+af aan, hun militaire loopbaan weer zouden moeten beginnen.
+
+De eersten trokken vlug door of toefden in het dorp slechts enkele
+uren; maar de laatsten: de dikken, de loomen, de ouden, lagen er nu
+al weken en weken en men kreeg den indruk of er nooit een eind aan
+hun verblijf zou komen.
+
+De menschen van het dorp waren er langzamerhand aan gewend geraakt.
+Men had ze in de beide scholen en verder bij enkele burgers en
+boeren ingekwartierd en zij gedroegen zich fatsoenlijk. Zij gingen
+gemoedelijk met de dorpelingen om en er was zelfs een soort van
+verbroedering ontstaan. Zij hadden zich zonder veel moeite iets van
+het locaal dialekt eigen gemaakt en ook de burgers en de boeren
+verstonden reeds hier en daar enkele woorden Duitsch. Het was geen
+zeldzaamheid hen onder elkaar in de herbergen met een glas bier in
+de hand te zien zitten en in de gezinnen der menschen vertelden
+zij graag van hun eigen gezin en hun land en lieten dikwijls foto's
+van hun vrouw en kinderen zien.
+
+Dat verwekte wederkeerige ontroering en ontboezeming. De Vlaamsche
+moeders dachten aan haar zonen in het leger en schreiden. De Duitsche
+soldaten dachten aan wat zij thuis vol zorg en kommer hadden
+achtergelaten en schreiden insgelijks. En samen zuchtten zij over
+dien schrikkelijken oorlog en al de ellende en verwoestingen, die hij
+had meegebracht. En de Duitschers zeiden dat zij en de Vlamen
+broeders waren, die elkander best zouden verstaan, maar dat de gehate
+Engelschen door allerhande kuiperijen de argelooze Vlamen in den
+strijd hadden meegesleept. En de arme Vlamen zwegen dan, hoewel zij
+wisten dat de waarheid anders was, omdat zij bang waren voor de wraak
+der Duitschers, indien zij durfden tegenspreken. En beiden leefden in
+stille hoop en afwachting: de Duitschers dat zij daar nog zouden
+mogen blijven zonder naar het front te worden opgeroepen; de Vlamen
+dat de vijanden, ofschoon zich fatsoenlijk gedragend, toch maar zoo
+spoedig mogelijk zouden vertrekken.
+
+ * * * * *
+
+Opgeroepen worden en vertrekken, dat beteekende naar het front aan
+den Yser gezonden te worden. En bij dat enkel woord "de Yser"
+gruwden de Duitschers.
+
+Slechts vagelijk wisten zij wat daar gebeurde. De verhalen klonken
+verward, maar schrikwekkend. Alleen dit wisten zij duidelijk: dat er
+steeds duizenden en duizenden van hun makkers werden heengezonden en
+dat de legers er toch geen voet verder kwamen. Zij vielen er, die
+duizenden en duizenden! De Yser was een afgrijselijke, nooit
+verzadigde Moloch!
+
+In de stilte van de lange winteravonden spraken zij met de lui bij
+wie zij waren ingekwartierd over dat geducht gewest. Zij haalden hun
+stafkaarten uit en luisterden in angstige roerloosheid naar de
+verhalen van sommige menschen welke die streken kenden en bezocht
+hadden. Het was een land van schoone, groene weiden vol met grazend
+vee, een vette streek doortrokken van kleine kanaaltjes en rivieren
+en waarin de oude stadjes en de witte dorpjes lagen te glinsteren,
+als zooveel eilandjes van weelde in een smaragden zee. Het was een
+pastoraal, idyllisch land, 't was niets geen land van oorlog, het
+was een land om zacht te kuieren en te mijmeren en te droomen;
+niemand begreep er iets van, dat dáár zoo lang en wreed-verbitterd
+kon gevochten worden; niemand begreep dat dit zachte Paradijs
+eensklaps een sombere hel van dood en van vernieling was geworden.
+
+Zij luisterden, die ouden, die loomen en die dikken; zij luisterden
+in doods-benauwde stilte en hun strakke oogen somberden, vol
+afschuw-visioenen. Zij voelden het kontrast en griezelden.
+Het was de dood die hen daar lokte, de kille, sombere, afschuwelijke
+dood, onder het verleidend masker van een idyllischen glimlach. Die
+schoone, malsche, groene streek vol vreedzaamheid, 't was een
+verraderlijk moeras waarin zij zich voelden meeslepen en wegzinken,
+zooals hun duizenden en duizenden makkers waren meegesleept en
+weggezonken, machteloos, brullend van wanhoop, onder onmenschelijke
+folteringen, tot het fataal onverbiddelijk einde.
+
+De Yser! De Yser! Velen konden dien naam niet hooren zonder te
+verbleeken en te huiveren. Velen waren er, die er in hun slaap als
+onder den greep eener nachtmerrie, van wakker schrikten; en enkelen
+waren weggevlucht, gedeserteerd, op een avond toen 't gerucht de
+ronde deed, dat zij er den volgenden ochtend heen moesten.
+
+ * * * * *
+
+Toen was het echter maar een loos alarm geweest. De doodsmare was
+rondgestrooid, niemand wist hoe, niemand wist door wie; althans dien
+ochtend gingen ze nog niet. Zij gingen ook den daarop volgenden
+ochtend niet, en ook nog niet den derden dag, doch 's avonds van den
+vierden dag kwam eensklaps het bevel:
+
+--Morgen naar den Yser!
+
+Zij wilden 't eerst nog niet gelooven. Angstig-gejaagd schoolden
+zij samen op de dorpsplaats rond de kerk. Er waren diepbedroefde en
+gedrukte gezichten, er waren strak-ernstige gezichten en er waren
+gezichten vol wrok en haat en stug-geconcentreerde woede.
+
+De menschen van het dorp omringden hen, in opgezweepten hartstocht en
+nieuwsgierigheid. Ook zij twijfelden nog, wilden, durfden nog niet
+gelooven, dat zij van de bezetting bevrijd zouden worden. Maar daar
+kwam de burgemeester aan met de twee kapiteins, die bij hem waren
+ingekwartierd; en de burgemeester kon met moeite zijn tevredenheid
+verbergen; zijn vet gezicht glimlachte en zijn oogen blonken en hij
+bevestigde de verblijdende tijding hier en daar met stille stem.
+
+Ontroerd gingen de menschen langzaam uit elkaar.
+
+ * * * * *
+
+Het bataljon stond klaar. Het was een kil-grijze December-ochtend. De
+naakte twijgen van de oude linden op de dorpsplaats weenden stille,
+groote misttranen, die in kleine plasjes triestig neersijpelden op
+den kleverigen grond. Er hing een onuitsprekelijke droefheid in de
+gansche atmosfeer. 't Was alles grijs en kleurloos en al dat
+kleurloos-grijze zweefde als een nevelige lijkwade omheen de
+manschappen, en versmolt zich als 't ware in de neutrale tonaliteit
+hunner gezichten in uniformen. Zij lachten niet, zij spraken niet,
+zij maakten geen beweging. Zij stonden roerloos, gepakt en beladen,
+te wachten. Het gansche dorp omringde hen, in doodsche stilte. Heel
+in de verte gromde af en toe, als een sinistere begeleiding, de
+zware, doffe stem van het kanon.
+
+Toen zag men dat er velen weenden. Zij weenden in stilte, met
+groote, starre oogera en lippen die bibberden. Maar de officieren,
+die dat merkten, liepen kwaadaardig-gejaagd heen en weer en
+plotseling klonk kort en bar 't bevel:
+
+--Singen!
+
+Een droef gezang steeg aarzelend op. Het weergalmde hier en daar als
+een sombere weeklacht en stierf in machteloosheid weer uit. Maar de
+officieren liepen vloekend langs de rangen heen en herhaalden 't bevel
+en nogmaals galmde 't somber-klagend op en nogmaals stierf het als
+in wanhoopsnikken uit, omdat de mannen weenden, weenden...
+
+Toen raasden de trommen en floten de pijpers. De silhouet van een der
+kapiteins te paard teekende zich af in 't grijze van den mist met
+laag-ontplooiden mantel en met scherpen punthelm en er kwam beweging
+in den troep. De stappen dreunden.
+
+--Singen! Singen! herhaalden onophoudend, met woede-blikken naar hun
+mannen, de feldwebels en officieren. En de mannen zongen wel even
+onder den angel der tucht, maar telkens weer braken de stemmen af en
+barstten zij in tranen uit.
+
+Zoo trokken zij door het dorp, de gansche ontroerde bevolking
+als 't ware met zich meezuigend. Zij zongen al schreiende, met
+wanhoopsblikken in hun lichte oogen; zij zongen en schreiden door
+elkaar op den dreunenden maatstap hunner logge, zware zolen, telkens
+bevloekt en beraasd door de snauwende stem der officieren zoodra zij
+er mee uitscheidden, telkens herbeginnend en weer stokkend, als
+tragisch-loeiend vee, als een blatende en kermende kudde, die in
+machteloozen weerzin naar het slachthuis wordt gevoerd.
+
+Aldus verlieten zij het dorp... Langzaam aan versmolt hun
+log-dreunende, grijze massa in den grijzen, killen nevel van
+'t beperkt verschiet. Alleen de beide kapiteins te paard, aan
+'t hoofd en bij de achterhoede, met hun lang-uitgespreide grijze
+mantels en ten hemel opgepunte helmen, staken er fiks, en als 't ware
+dreigend, boven uit. Aldus verdwenen zij... De sombere, gedrukte
+zangen gonsden met hun aftocht mee; en in de verre, verre verte
+bromde en bonsde aanhoudend in zwaren ondertoon de stem van het
+kanon.
+
+De menschen van het dorp staarden hen na, roerloos, met
+strak-ernstige blikken. Zij hadden allen gedacht, dat ze zouden
+juichen, jubelen onder de verlossing na de wekenlange bezetting,
+doch geen enkel uitte een klank van vreugd: zij waren allen door het
+tragische aangegrepen.
+
+De straatbengels, die het aftrekkend bataljon tot buiten het dorp
+hadden begeleid, keerden terug. Zij joelden wat onder elkaar en
+bootsten de commando's, den marcheerpas, en ook de somber-droevige
+gezangen na. Er waren er die deden of ze zingend schreiden en
+anderen imiteerden de razende, snauwende stem der officieren.
+
+--Singen! Singen!
+
+En een kleine kerel van een tiental jaren, een blonde krullekop met
+helderblauwe vergeet-mijnietjes-oogen kwam naar een vrouw uit het
+volk toegeloopen en zei:
+
+--Ze 'n hên moar moete zingen tot aan 't Kapelleken, moeder. Achter
+'t Kapelleken mochten ze weere beginnen schriemen.
+
+Een ieder ging langzaam naar huis en de grijze mist dekte als
+'t ware het dorpje onder een stillen, killen, natten sluier van
+rouwende triestigheid toe.
+
+In de verre verte bleven de kanonnen bonzen en grommen, aanhoudend,
+eentonig, gansch den langen, droeven winterdag.
+
+ * * * * *
+
+
+XI.
+
+DE TERUGKEER.
+
+Toen Laura tot den grond haar huisje had zien afbranden--het huisje
+waar zij zoo gelukkig had geleefd--toen zij het had zien in vlam en
+rook opgaan en droevig in elkaar storten, als al de andere huizen van
+de stad; toen zij wist, dat haar man en haar veertienjarig zoontje
+samen gefusilleerd waren,--haar man gefusilleerd, omdat hij zijn land
+en zijn volk had verdedigd op een wijze, die de vijanden "verraad"
+noemden; en haar zoontje gefusilleerd, omdat het zijn vader, waarvan
+het zielsveel hield, niet wilde verlaten en zich schreiend en gillend
+aan hem vastklampte toen men het met geweld van zijn vader wilde
+scheiden; toen dat alles was gebeurd en haar niets meer overbleef dan
+haar eigen leven en het leven van haar negenjarig dochtertje, dat bij
+haar was gebleven; toen keerde Laura zich bleek in haar rouwkleeren
+om en machinaal verliet zij de vernielde stad in de richting van het
+avondglanzend Westen.
+
+Paulientje schreide nog, maar zij, Laura, kón niet meer schreien: zij
+was sinds dagen uitgeschreid.
+
+'t Was dof, en moe, en stil in haar. Was ze nu thuis geweest, of had
+ze nog een onderdak gevonden, dan zou ze waarschijnlijk op een stoel
+of bed ineengezakt en in een diepen slaap van uitputting verzonken
+zijn.
+
+Maar zij had niets meer; zij had niets meer dan haar eigen droevig
+leven en het leven van Paulientje; en die beide levens moesten
+verder leven, omdat zij nog niet dood waren; en zoo ging zij dof en
+machinaal, met een valiesje aan de hand, tusschen de brandende
+huizen, tusschen de neerstortende puinen, midden in de vlucht van
+nog veel andere bewoners, midden in 't geloei, en geschreeuw, en
+geraas van iets, dat was als een demonische verwoesting.
+
+Zij zag de verhitte gezichten en de grijze uniformen der
+afschuwelijke vijanden, de vernielers van haar huis, de beulen van
+haar man en kind. Zij zag ze hun baldadig werk uitvoeren, steeds
+verder plunderend, brandend en verwoestend, zij zag ze drinken en
+hoorde ze brullen en juichen en zingen, en 't liet haar alles stom en
+dof, alsof het haar niet aanging, alsof het iets was dat zoo moest en
+niet anders meer kon. Zij beschermde slechts instinktmatig haar
+gezicht en het hoofd van het huilend Paulientje tegen het brandende
+stof en de zengende hitte, en toen zij eindelijk buiten die
+afgrijselijke hel waren geraakt, voelde zij geen de minste opbeuring,
+noch verlichting: zij ademde alleen wat vrijer, omdat het niet meer
+stikkend en benauwd was om haar heen en omdat zij haar vermoeiden arm
+van Paulientje los kon laten.
+
+Zij wist waarheen. Zij ging naar de verre, groote stad, bij haar
+schoonzuster een toevlucht zoeken. Zij mocht er komen en zou er
+welkom zijn, dat wist zij; zij werd er verwacht.
+
+ * * * * *
+
+De avond daalde langzaam in een schoonen vrede over 't glanzend
+Westen. Ware 't niet geweest van de hopelooze vluchtelingen, die in
+tragischen optocht met haar medeliepen, die rust zou misschien als
+een stillende balsem in haar zijn neergedaald; want waar het
+lijdensvermogen in haar geest door overmaat van ramp verstompt en als
+'t ware vernield was, daar bleef het lijdend lichaam trillen, het
+afgematte, afgebeulde, doodmoede lichaam, dat rusten, soezen, slapen
+en vergeten wilde.
+
+Zij wist waarheen en kende den weg. 't Was uren verre, maar zij zou
+er komen. En de aanduisterende nacht en eenzaamheid boezemden haar
+geen angst in; de stille nacht zou welkom wezen als een groote
+rouwsluier over haar zwaar verdriet, waarin de mooie sterren als
+vastgestolde tranen zouden tintelen.
+
+Zij ging, met 't kleine meisje aan de hand, en voelde, dat zij ging
+voor altijd. Er is geen hoop meer op terugkomst, naar wat niet meer
+bestaat. En niets bestond er meer van wat eenmaal geweest was, niets
+bleef er over van het schoon en zoo gelukkig-zacht verleden.
+
+Zij wilde 't nog een laatste maal herdenken en in zijn puinhoopen
+aanschouwen. Zij beklom met het kind den hoogen dijk, waarachter de
+rivier lag en van daar uit staarde zij het schouwspel aan.
+
+Tegen het aschgrauw-wordend Oosten lag de stad nog steeds te branden.
+'t Was als een rooken-vlammenzee, die er in alles-overweldigende
+dwarse deining overheen streek. Soms gloeide een enkel punt even
+schel op en vonken spatten waaiervormig open als van een
+overweldigend vuurwerk, terwijl schoorsteenen en muren zich scherp
+tegen de roodlikkende vlammen uitkanteelden, maar 't oogenblik daarna
+vloeide de stuwende rook-en-brandzee er weer over uit en doofde
+meteen den schellen gloed, alsof in dien Titanenstrijd der elementen
+het vuur slechts door het vuur vernield kon worden.
+
+Zij keek naar de breede rivier. Het water leek op gloeiend, vloeiend
+staal en midden op dien vaalrooden stroom, waarover paarse en oranje
+kabbelingen zweefden als rillingen van rauw-opengereten, lillend en
+bloedend vleesch, lag onbewegelijk een bruinzwart schip geankerd, in
+schijn reusachtig groot, als een arke Noach's op een zondvloed van
+verdelging.
+
+Dáár, op die kade, dicht bij het tragische schip, had haar huisje
+gestaan. Dáár waren haar man en haar zoontje met geweld vandaan
+gehaald, om gefusilleerd te worden. Dááruit was ze met Paulientje
+gevlucht, zinneloos van schrik en gruwel, tot ze, na dagen en dagen
+zwerven en smeeken en zoeken naar wie ze niet meer vinden zou, in
+wanhoop vóór haar brandend huisje neerzakte.
+
+Daar lag nu 't schoon en zacht verleden! Zij keek er nog even naar
+om, met een laatsten, langen, starren, doffen blik van eeuwig
+afscheid, en toen daalde zij met het kind, dat weer bang werd en
+schreide, langs den dijk af.
+
+ * * * * *
+
+Nu zaten zij veilig in het huis van haar schoonzuster geborgen.
+
+'t Was een bovenhuis, in een drukke straat der groote stad en van
+uit de heldere ramen zag Laura de woeling en de drukte daar buiten.
+Uren en uren, met de handen in haar schoot, naast haar meisje dat
+zoet speelde, zat zij er doelloos op te staren. Het wiegde haar in
+doffe soezing weg, in droomen en bespiegelingen. Het wiegde haar weg
+naar 't verleden, naar al het zachte en gelukkige dat geweest was en
+nooit, nooit meer terug zou komen.
+
+Zij hoefde hun portretten niet te bekijken, die altijd vóór haar op
+het tafeltje stonden: zij zag hen in verbeelding, haar man en haar
+zoontje, zooals ze die voor 't laatst gezien had, toen de wreede
+vijanden hen kwamen weghalen.
+
+Dat zag ze en hoorde ze nog steeds, alsof 't voortdurend weer
+gebeurde. Doch wat er verder was gebeurd versmolt voor haar als in
+een verren, droeven nevel. Waar waren ze heen gebracht? Hoe en waar
+werden ze veroordeeld? Hoe en waar werd het afgrijselijk vonnis
+voltrokken? Dat was een obsedante kwelling van elk oogenblik, iets
+waarin haar doffe geest verwarde en verdwaalde, iets dat ze zich in
+zijn gruwbare werkelijkheid niet kon voorstellen en dat ze daarom
+ook bijna niet kon gelooven. En weer keerden haar kwel-gedachten
+steeds terug tot het verleden dat zij kende, tot de lange, vele
+jaren van geluk en vrede, die ze samen hadden doorgebracht en
+daaraan hield ze zich krampachtig vast, als aan het eenige, dat
+werkelijk nog voor haar bestond. Zij zag hem 's ochtends
+blijmoedig-opgewekt naar zijn werk vertrekken, zij wist waar hij
+was, zij kende zijn bezigheid, zij was steeds bij hem in gedachte;
+en 's avonds, elken avond, als hij thuis kwam, floot hij voor de
+deur een eigenaardig deuntje, om haar te waarschuwen, dat hij daar
+was.
+
+O, dat deuntje, dat deuntje, die enkele tonen als van een verren
+jachthoorn, hoe kende zij die, hoe klonken zij nog steeds
+verleidend-folterend in haar ooren! Het was zijn ziel, zijn blik,
+zijn glimlach, de frissche vreugde van 't gelukkig elkaar wederzien
+na elke korte afwezigheid, en zij sloot zalig haar oogen en bewoog
+haar lippen om zijn zoen te ontvangen, en 's nachts in haar droomen
+hoorde zij 't dan weer en zag zij hem glimlachend vóór haar staan, met
+zijn zoontje, met haar en zijn dierbaar zoontje aan de hand. Dan werd
+zij wakker en schreide wanhopig...
+
+ * * * * *
+
+Zoo lag zij eens, een nacht, na zwaar en kwellend droomen,
+half-slapend, half-wakker, in haar bed. 't Was zóó intens geweest,
+zij had zoo vast en zeker gemeend hem te zien, hem te hooren, dat
+haar hart er nog van bonsde en hamerde en dat haar hoofdkussen
+doorweekt was van tranen. Aan de klamme, kille natheid van 't kussen
+voelde zij hoezeer zij had geschreid; en meteen voelde zij hoe
+somber-ongelukkig zij toch wezen moest om zoo te schreien, zelfs in
+haar droom, zelfs in haar slaap.
+
+Zij opende flauwtjes haar droevige oogen en zag een vage
+schemerklaarte achter de neergelaten gordijnen. Werd het reeds dag
+of was dat nog het vale licht van enkele straatlantarens? Zij wilde
+weten hoe laat het was. Zij streek een lucifer aan en keek op haar
+horloge. Twee uur! Och, God! Twee uur slechts! De lange foltering van
+den verderen slapeloozen nacht lag als een somberen afgrond van
+ellende voor haar open. Waarom toch had ze zoo afschuwelijk naar
+gedroomd! Was het door al die troepen, die duizenden en duizenden,
+met paarden en kanonnen, welke den ganschen dag en tot laat in den
+avond, de stad hadden doortrokken? Misschien wel. Zij luisterde even
+naar 't zachte ademhalen van Paulientje in haar ledikant, keerde zich
+met een zucht op de linkerzij om en sloot weer haar oogen.
+
+Zoo lag zij een kort poosje, roerloos. Toen kwam het haar voor alsof
+zij buiten onder haar ramen, vaag gestommel hoorde. Zij luisterde er
+even naar, verstrooid, onverschillig, gedachteloos. Toen dacht zij
+weer aan hem, aan hem en aan haar kind, aan haar gewoon,
+rusteloos-knagend en kwellend wee. Een doezeling van slaap kwam
+triestig over haar...
+
+Toen rukte ze zich plots in haar bed overeind, de van afschuw
+uitgezette oogen wijd-schrikstarend in de halve duisternis, de beide
+handen aan den mond, als om er een gruwelkreet te smoren.
+
+Had ze gehoord? Had ze nog eens gedroomd? Was het een zinsverbijstering?
+
+Zij sprong eensklaps op, uit haar bed, en, terwijl ze daar een paar
+seconden onbewegelijk stond, hoorde ze 't weer, maar nu geen droom,
+geen hersenschim, geen zinsverbijstering: zij hoorde duidelijk het
+gefloten deuntje, daarbuiten, in de stille straat, onder haar ramen,
+zijn deuntje, het oude, welbekende jachthorendeuntje, waarmee hij
+destijds elken avond zijn terugkeer aankondigde.
+
+--Paulientje! Paulientje! Paulientje! gilde zij, als waanzinnig.
+
+Het kind schrikte wakker en Laura's schoonzuster, die in de kamer
+daarnaast sliep, rukte de binnendeur open en kwam in verwildering
+binnengehold.
+
+Daar klonk opnieuw het deuntje, heel helder, heel duidelijk, als een
+opwekkende zang van troost en liefde.
+
+--'t Is Paul! riep de schoonzuster, naar het raam toesnellend.
+
+--Dat kan niet! Dat kàn niet! Paul is dood! Paul is vermoord,
+gefusilleerd! kreet Laura schor, met hikken in de stem. 'k Ben bang!
+'k Ben bang! snikte zij eensklaps, van angst ineenkrimpend.
+
+De schoonzuster trok 't venster open, keek in de schaarsch verlichte
+straat.
+
+--Hij is het! Hij is het! En Paultje is met hem! riep ze juichend en
+vloog beneên, de trappen af.
+
+Laura stak helder 't gaslicht op. Zij sprak geen woord meer, maar
+drong bevend, met groote, zwarte oogen, in den versten hoek der
+kamer terug. Beschermend hield zij haar beide sidderende handen op
+de schrale schoudertjes van het schreiend Paulientje.
+
+Daar kwamen vlugge schreden de trappen opgerend. De deur vloog open
+en hij stond vóór haar, als een verschijning uit een andere wereld,
+met zijn zoontje naast zich.
+
+--Neen! neen! neen! gilde zij, als in een waanzinnig
+verdedigingsgebaar afwerend de handen uitstrekkend.
+
+Zijn mond, die glimlachte, werd eensklaps ernstig, droef.
+
+--Laura! Laura! zei hij verwijtend.
+
+Toen zag ze, toen wist ze, toen geloofde ze...
+
+Het licht des levens, dat al sinds maanden in haar dood was, straalde
+eensklaps verblindend naar haar toe en zij kon den glans van haar
+geluk niet uitstaan: zij zakte, als gebroken, in elkaar.
+
+ * * * * *
+
+Toen ze weer bijkwam lag zij in haar bed en hij zat naast haar op de
+sponde, met hun beide kinderen om zich heen.
+
+En hij vertelde, en zij luisterde, in zoete verrukking, glimlachend,
+en begreep.
+
+Hij vertelde hoe hij met Paultje in de gevangenis was gesleept, hoe
+hij tot de doodstraf werd veroordeeld, hoe telkens hem gezegd werd,
+dat het oogenblik gekomen was, het tragisch oogenblik, dat echter
+telkens weer werd uitgesteld. Paultje bleef bij hem, wilde niet van
+hem weg, ondanks al zijn smeekingen. Paultje klampte zich wanhopig
+gillend en schreiend aan hem vast zoodra de wreede vijanden hen van
+elkander wilden scheiden, en zoo waren zij samen gebleven en samen
+naar Duitschland vervoerd en samen in een gevangenenkamp opgesloten.
+
+Maandenlang hadden zij daar gezeten. Herhaaldelijk nog hadden de
+vijanden gepoogd hen van elkander te verwijderen, maar eindelijk,
+toen zij begrepen, dat niets helpen zou en dat Paultje vastbesloten
+was met zijn vader te sterven, hadden zij hen beiden in vrijheid
+gesteld: Paultje, die met en voor zijn vader sterven wilde, had zijn
+vader het leven gered!
+
+Laura nam zijn hand en nam de hand van Paultje en nam de hand van
+Paulientje en hield hen alle drie krampachtig vastgekneld, als om
+hen nooit meer los te laten. Wat gaf het nu, dat hun huis en hun
+stad was verbrand, nu ze 't voor eeuwig verloren gewaande geluk van
+haar gansche leven had teruggevonden! Hun huis zou weder worden
+opgebouwd, hun stad zou uit haar puin verrijzen, en ook het gansche
+Vaderland, het wreed-geteisterd, dierbaar Vaderland zou herleven,
+herlèven!... Zij voelde 't eensklaps als een gloedgolf van hoop
+en trots en liefde in haar opstijgen: zij voelde 't als een zegen
+van lente en herleving, als het grootste en schoonste en hoogste,
+dat zij ooit in haar leven gevoeld had.
+
+
+
+EINDE.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Oorlogsvisoenen, by Cyriel Buysse
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OORLOGSVISOENEN ***
+
+***** This file should be named 18130-8.txt or 18130-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/8/1/3/18130/
+
+Produced by Johan Boelaert
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.