diff options
Diffstat (limited to '18130-8.txt')
| -rw-r--r-- | 18130-8.txt | 5967 |
1 files changed, 5967 insertions, 0 deletions
diff --git a/18130-8.txt b/18130-8.txt new file mode 100644 index 0000000..5683341 --- /dev/null +++ b/18130-8.txt @@ -0,0 +1,5967 @@ +The Project Gutenberg EBook of Oorlogsvisoenen, by Cyriel Buysse + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Oorlogsvisoenen + +Author: Cyriel Buysse + +Release Date: April 8, 2006 [EBook #18130] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OORLOGSVISOENEN *** + + + + +Produced by Johan Boelaert + + + + +OORLOGSVISIOENEN + +DOOR CYRIEL BUYSSE + +1915 + + +INHOUD + +I. De heeren Bollekens in oorlogstijd +II. Het oorlogshuwelijk van meneer Cathoen +III. Rikiki +IV. De varkenskar +V. In de vuurlinie +VI. Burgerwacht-idylle +VII. De vrijwilliger +VIII. De vlucht +IX. De moeder +X. Singen... Singen!... +XI. De terugkeer + + + +I. + +DE HEEREN BOLLEKENS IN OORLOGSTIJD + + +Meneer Bollekens, senior, was een rijk, rijk man. + +Ook meneer Bollekens, junior, was rijk, doch minder uit zichzelf, dan +wel omdat zijn vader zulk een rijk, rijk man was. + +Meneer Bollekens, vader, was weduwnaar en meneer Bollekens, zoon, was +een gescheiden man. + +De scheiding tusschen den zoon en zijn vrouw had plaats gehad +terwille van een jeugdige dienstmaagd. De jonge vrouw had dat meisje +kort na haar huwelijk in haar dienst genomen en zij was er zeer +tevreden over en alles scheen uiterst best te gaan, tot de jonge +mevrouw opeens beweerde, dat het niet meer ging en verklaarde dat het +meisje dadelijk weg moest. Waarom zij zoo plotseling weg moest +lichtte mevrouw Bollekens junior niet nader toe, maar des te +krachtiger drong zij aan op onmiddellijk vertrek. + +Bollekens zoon kwam tegen dat onverwachte besluit radikaal op. + +--Zij zal niet weggaan; er is geen enkele reden om haar te doen +weggaan, zei hij, vastberaden. + +--Zij zal wèl weggaan; daarvoor is alle reden en dat weet gij beter +dan iemand! snauwde de jonge vrouw haar echtgenoot toe. + +Bollekens junior, eenige, door zijn ouders zeer verwende zoon, was +koppig en tyranisch. Hij duldde absoluut geen tegenspraak. + +--Zij zal _niet_ weggaan. Ik ben hier immers de baas! herhaalde hij nog +eens, met klemmenden nadruk. + +--Dan zal _ik_ weggaan, zei de jonge vrouw, in snikken uitbarstend. + +--Zooals ge verkiest, had hij ijskil gëantwoord. + +En zoo was het gebeurd. Na een laatste, heftige scene, had mevrouw +Bollekens junior zich eensklaps opgepakt en was zij weggeloopen, naar +haar moeder toe. En kalm had Bollekens junior het boeltje bij zich +opgedoekt en was hij bij zijn vader komen inwonen, met de jonge meid. + + * * * * * + +Het was een flinke, knappe meid, met roze wangen, lichte oogen en +bizonder mooi, donker haar, dat rechtop kroesde en aan de uitdrukking +van haar gezicht en ook aan heel haar uiterlijk iets zeer pikant's +gaf. + +'t Was jammer, zei vader Bollekens, dat zijn schoondochter juist zulk +een meid had uitgekozen, maar verder bemoeide hij zich liever niet +met het geschil: hij was een man van de rust en erg bang voor +onaangenaamheden met zijn zoon. Hij deed zijn best om hen weer met +elkaar te verzoenen, doch toen hij merkte dat zijn tusschenkomst +niets hielp en dat de schoondochter al even stijfhoofdig op haar +standpunt bleef als de zoon op het zijne in die netelige +meidenkwestie, haalde hij maar machteloos zijn schouders op en lei +zich bij den toestand neer. Hij hield nu eenmaal meer van zijn zoon +dan van zijn schoondochter, zooals hij trouwens over 't algemeen ook +meer van mannen dan van vrouwen hield; hij vond de vrouwen lastig, +nesterig, vervelend, drukte-makerig om niets; hij vond ze alleen maar +goed in zooverre ze zich gedwee aan de eischen van de mannen +onderwierpen en dezen als meesters dienden; en, ofschoon hij de +scheiding van zijn zoon uit maatschappelijk standpunt afkeurde en +betreurde, toch was hij er niet zoo heel verre van af wel te +begrijpen, dat zijn zoon feitelijk meer had aan die knappe, flinke +meid dan aan zijn nesterige luxe-huisvrouw. Kortom, hij wenschte door +die zaak niet langer dan strikt noodig was in zijn gelukkige +rijkaards-rust gestoord te worden; en zoo kwam de zoon weer in zijn +huis binnen en schikte zich daar zooals 't hem behaagde; en zoo kwam +ook de flinke, knappe meid met den zoon mede en nam daar een +eenigszins vage positie onder de andere dienstboden aan: linnenmeid, +luxe-meid, praat-en-loop-meid; en in de eerste plaats de +afzonderlijke meid van den zoon, gelast met zijn bed op te maken en +zijn kamers in orde te houden en daarom ook niet naast de andere +boden op de bovenste verdieping, maar op een lagere verdieping, +in een aparte kamer, slapend. + + * * * * * + +Het huis dat meneer Bollekens in de stad bewoonde, was een groot en +prachtig huis. Hij had het zoo groot en zoo duur laten bouwen, niet +omdat hij bepaalde behoefte aan zooveel ruimte en luxe had, maar wel +omdat hij geld genoeg bezat om zulk een huis te laten bouwen. Dat was +immers bijna een plicht voor een man van zulk bijzonder groot +vermogen. Het huis van meneer Bollekens moest, uiterlijk en +innerlijk, voor de oogen van de menschen die hem kenden, en ook wel +voor de menschen die hem niet kenden, in verhouding staan tot het +fortuin, waarvan hij leefde. + +En 't waren verdiepingen en nóg verdiepingen, en 't waren kamers en +nóg kamers, allen even ruim en duur gemeubileerd, en allen vrijwel +overbodig, want meneer Bollekens bewoonde of gebruikte ze om zoo te +zeggen niet. Meneer Bollekens, die zich moeilijk bewoog, had in zijn +reuzenhuis niets dan een slaap-en zitkamer, op de eerste verdieping, +dicht bij het trapportaal, met een uitzicht op de straat; en een +eetkamer in het souterrain, vlak naast de keuken, omdat dit +gemakkelijker was voor de bediening en ook omdat de spijzen dan wel +altijd warm op tafel kwamen. + +Meneer Bollekens was een man van vijf en zestig jaren, groot, zwaar +en dik; met rood gezicht en grijze, borstelige haren. Hij had last +van allerlei kwaaltjes en kwalen en koesterde zoo goed als geen +vertrouwen in de bekwaamheid der doktoren, die hem toch nooit geheel +genezen hadden. Hij volgde soms wel voor een poosje hun raad en +bevond er zich dan ook wel eens goed mee, maar zoodra er een dag kwam +dat hij zich wat minder lekker voelde, gaf hij het dadelijk op en zei +dat de doktoren hem verkeerd behandelden. + +De heele gezondheidskwestie bestond voor meneer Bollekens hierin, dat +hij gezond wilde zijn en blijven, zonder zich in iets te ontzien. +Poeiers, drankjes, enz. wilde hij graag genoeg innemen, doch enkel op +voorwaarde dat hij dan ook oesters, wild, foie gras, en de daarbij +passende wijnen mocht blijven gebruiken. Aan elk diëet had hij den +gruwelijksten hekel en bovenal was hij gesteld op zijn dagelijksche, +vast-geregelde bezoeken aan zijn eenig geliefd koffiehuis: +de Rosbach! + +De Rosbach, het welbekend Duitsch bierhuis, bevond zich in een drukke +straat, vlak tegenover deze waar meneer Bollekens woonde; en van uit +zijn ramen kon hij den witten gasbol zien boven den ingang der +vermaarde herberg en de grauw-bestoven sierplanten-in-kuipen, die op +het trottoir het terrasje afbakenden. Daar kwam hij driemaal daags +zijn biertjes gebruiken: 's ochtends om elf uur, 's namiddags +tusschen vijf en zeven en verder heel den avond, van negen tot laat +in den nacht. + +Meneer Bollekens, en ook zijn zoon, hielden van alles wat fijn en +lekker was: van kreeften en primeurs, van fazanten en patrijzen, van +alle mogelijke wildpasteien en gerechten; zij waardeerden met bijna +vrome ontroering het bedwelmend bouquet der aloude Margaux', de als +'t ware versche-levenskracht-ingietende rijkheid der bruinroode +Nuits' en Vougeot's en de vroolijk-oplachende, gouden tinteling en +Prikkeling der schuimende Pommery's en Cliquot's; maar na al die +weelde van 't fijne en van 't dure, verlangden zij, dorstten zij +telkens weer naar het meer alledaagsche en gewone, naar dat +heerlijk-koel, schuimend glas donkerbruin bier, zooals de Rosbach, +en alléén de Rosbach, het hun geven kon. + +Het eerste ochtendglas, om elf ure, werd steeds met kalmen ernst +gebruikt. Het had iets rustig-bezadigds, als een ontbijt. Men was nog +in de stemming niet. Maar wat de dag ook verder aan genoegens of +teleurstellingen bracht, vijf uur, het heerlijk moment van vijf uur +helderde alles op en vader en zoon togen gezamenlijk naar de +verrukkelijke herberg. De zucht waarmee papa Bollekens zich op zijn +vastbewaarde plaats neerzette, terwijl hij uit de hand van den +voorkomenden baas zijn pijp ontving, klonk als een gekreun van geluk. +Hij kreeg zijn eerste glas en dronk een volle, lange teug, met de +tong het schuim van zijn snorren aflikkend; de vrienden en stamgasten +kwamen binnen en de gelukkige avond begon. + +Wat daar al niet besproken en behandeld werd! Het stadsbeheer was er +aan scherpe kritiek onderworpen, het staatsbestuur niet minder; +autoriteiten werden afgesteld, benoemingen werden gedaan; +ministeries omgegooid, andere ministeries in 't leven geroepen. Die +heeren wisten alles, álles; niets ontsnapte aan hun scherp-kritisch +waarnemingsvermogen en naarmate zij meer dronken werden hun +organisatiekrachten helderder en sterker en moest het wel voor +luisterende buitenstaanders onverklaarbaar schijnen hoe het mogelijk +was, dat zij daar op de banale, harde banken van een herberg en niet +in de gemakkelijke kussens van ministerieele fauteuils neerzaten. + +De kroegbaas, een Duitscher, met grijs-blond haar en slaperige oogen, +hield zich steeds in hun buurt en bediende hen zorgzaam, zonder zich +ooit in hun gesprek te mengen of er schijnbaar eenigszins notitie van +te nemen. Hij scheen de verpersoonlijkte-onbeduidendheid, onbeduidend +als een dagelijksche plicht, als een abstractie. Hij vulde zijn glazen +achter de schenktafel, streek er met een soort van liniaal het +overtollig schuim af, overhandigde ze zwijgend aan zijn kellner, die +ze aan de klanten om de tafeltjes ging brengen. Dat scheen zijn +eenige bezigheid en eenige reden van bestaan, een machinale taak, die +hij als een automaat verrichtte. Het wekte verwondering wanneer men +hem iets anders zag uitvoeren en het leek ook gansch ongewoon wanneer +hij zich voor iets anders dan zijn zaak interesseerde. Hij had een +vrouw, een dikke, ronde vrouw, die meestal in de onderdiepten der +Rosbach vertoefde, maar er toch af en toe eens uitkwam, om hem met +Gewichtig gezicht iets aan het oor te fluisteren. Dan fronsten even +Zijn wenkbrauwen en keken strak zijn oogen, alsof hem iets +Onaangenaams werd meegedeeld, en soms verdween hij met haar voor een +poosje in de heimelijke kelderdiepten. Maar zoo spoedig mogelijk stond +hij weer achter zijn buffet, en wel eens gebeurde het, dat er dan +een vreemd bezoeker binnen kwam, die een poosje vertrouwelijk met den +baas bleef praten. Het bleek een landgenoot te zijn, een vriend of +kennis van vroeger, die hem eens kwam opzoeken. Zij keuvelden +bescheiden met elkaar in 't Duitsch en het klonk altijd zoo vreemd, +den baas, die toch een Duitscher was, zijn eigen taal te hooren +spreken. Hij was daar al sinds zoovele jaren ingeleefd en ingeburgerd, +in de groote, Vlaamsche stad; hij sprak zoo vloeiend en natuurlijk de +taal van het volk en ook het Fransch, dat het nu ónnatuurlijk +scheen, wanneer hij 't Duitsch, zijn eigen taal, gebruikte. En het was +ook alsof hij die niet graag meer sprak en ook niet graag +zijn landgenooten meer ontmoette: er was iets koels en stijfs in +zijn gansche bejegening, zoolang hij zich met hen moest bezig houden, +en iets verlichts in hem zoodra zij weg waren, alsof hij dan pas +weer zichzelf werd, wanneer hij met zijn goede, trouwe, Vlaamsche +vrienden en klanten weer in gezellige intimiteit verkeerde. + +Behalve zijn prachtig stadskuis bezat de rijke, rijke meneer +Bollekens ook nog een heerlijk buitenverblijf. + +Het rees, anderhalf uur van de stad, lieflijk wit en roze, achter +schoone, stille vijvers en zacht-glooiende grasvelden, tegen een +majestueuzen achtergrond van hooge boomen op. + +Zoolang zijn vrouw, die veel van buiten hield, leefde, had meneer +Bollekens er geregeld ieder jaar de zomermaanden doorgebracht. Doch +na haar overlijden werd het er hem te eenzaam en steeds kortte hij +zijn verblijf meer en meer in, tot hij er weldra niet meer verbleef, +doch er slechts heen en weer kwam, met zijn rijtuig, bij wijze van +uitstapje, elken avond, zelfs in 't heetste van den zomer, naar de +stad terugkeerend. De toenemende gehechtheid aan de Rosbach en de +vrienden die hij er ontmoette, was daar ook niet vreemd aan; en ten +slotte hadden de bezoeken zich bepaald tot drie in de week, na +'t middagdutje, tusschen drie en zeven. Meneer Bollekens zoon, van +zijn kant, deelde, aangaande de bekoring van het buitenleven, geheel +en al de zienswijze zijns vaders; en zoo gingen zij meestal samen, +gemakkelijk uitgestrekt op de zachte kussens van den ietwat +ouderwetschen landauwer bespannen met twee paarden, wellustig sigaren +rookend en zonder inspanning genietend van het mooie weer en de +gezonde, frissche buitenlucht. Dan was de knappe meid meestal per +trein vooruitgezonden om alles wat op orde te schikken en 't een of +'t ander voor hen klaar te maken; en in die enkele uren dat hij op +zijn buitengoed verbleef had meneer Bollekens dan ook wel tijd genoeg +om met zijn tuinbaas en zijn werklieden te praten en zijn boeren, die +bijna allen in den onmiddellijken omtrek woonden, desgewenscht op het +kasteel te ontvangen of hen persoonlijk een bezoek te brengen. Tegen +het uur van hun vertrek maakte de tuinman een paar mandjes met fijne +groenten en vruchten gereed en daarmee vertrok alweer per trein de +knappe meid, terwijl de beide heeren, die een hekel hadden aan bagage +in hun rijtuig, zich nog eens lui en heerlijk in de kussens +achteroverstrekten en onder het terugkeeren naar stad en Rosbach van +de zachte, gouden avondlucht genoten. + + * * * * * + +De Rosbach! Begin, middenpunt en einde van den dag; centrum, navel +van het leven! Rustoord van gezelligheid en welgedane vrede; maar +ook brouwketel van twistgesprek en stoornis, als daartoe aanleiding +bestond! + +En er wàs aanleiding, die laatste dagen. In den stillen luister van +dien allerschoonsten zomer, terwijl alles alom geluk en vrede scheen +te ademen, woei er, van verre komend, een onbestemde angst +en onrust over land en stad, die zich daar, in de anders zoo +gezellige en zoo veilige Rosbach, bij de biertafeltjes omringd door +welgedane stamgasten, tot een soort voelbare kwelling scheen te +kristallizeeren. + +Men sprak er van oorlog, van dreigenden, afgrijselijken, algemeenen +oorlog. O, dat lag nog verre, nog heel, héél verre, en het was vaag +en twijfelachtig en zou wellicht nooit komen; maar toch: het werkte en +knaagde heimelijk; het was aldoor aanwezig, ook als men er niet over +sprak; het hing, als een onzichtbare drukking over alles wat daar nu +gebeurde. + +De een zei: het komt, 't is vast en zeker en het kan niet anders; de +ander zei: 't komt niet, het is onmogelijk, de menschen zijn niet +gek; maar hij die zei: "'t komt niet" vreesde dat het toch wel zou +komen; en hij die zei: 't komt wèl" hoopte toch maar, dat het nog +niet zou komen. + +De baas, doorgaans zoo kalm en zoo bedaard, met zijn grijsblond haar +en zijn slaperige oogen, scheen opeens een ander mensch geworden. +Zijn oogen waren angstig en onrustig in zijn doodsch gezicht gaan +leven; hij stond niet meer als vroeger gansche dagen als gepoot +achter zijn schenktafel; zijn dikke, ronde vrouw, die men meestal +niet zag, stak nu elk oogenblik haar vettig angstgezicht van uit de +kelderdiepten op; en voortdurend kreeg de baas bezoeken van zijn +anders zoo ongewenschte landgenooten, waarmee hij stille, heimelijke, +blijkbaar zwaarwichtige gesprekken hield. + +Eens, op een avond, toen zij aan hun stamtafeltje kwamen zitten, +werden meneer Bollekens en zijn zoon niet, als gewoonlijk, door den +kellner, maar door den baas zelf bediend. + +--Hè, waar is Rudolf dan? vroeg meneer Bollekens verwonderd. + +De baas troebleerde zich. Even kreeg hij een vage kleur onder zijn +doodsche wangen. + +--Hij is weg, bekende hij eindelijk. + +--Zoo! En waarom? vroeg meneer Bollekens. + +--Hij is naar zijn land terug, antwoordde de baas, blijkbaar +gegeneerd. + +--Naar zijn land! Is hij dan geen Belg? + +--Wel is zijn moeder een Belgische, maar zijn vader is nog een +Duitscher, al woont hij bijna op de grens, voegde de baas er als ter +vergoelijking bij. + +Meneer Bollekens en zijn zoon werden eensklaps ernstig en stil. Hun +oogen keken starend op hun bierglas en hun wenkbrauwen fronsten zich. + +--Is hij als soldaat opgeroepen? Komt er oorlog? vroeg meneer +Bollekens haast fluisterend, met een angsthik in de stem. + +--Ach! wel neen, wel neen, wel neen! riep de baas eensklaps +ongeduldig-zenuwachtig en bijna boos, alsof zoo iets toch àl te +ongerijmd en gek was. + +De heeren Bollekens voelden zich eenigszins gerustgesteld en proefden +even van hun glas. Maar hun handen en hun lippen beefden en 't was of +'t heerlijk bier niet meer zoo lekker smaakte. + +--Er komt geen oorlog; 't is maar vage dreiging, verzekerde nog eens +de baas en ging achter zijn schenktafel staan. + + * * * * * + +Doch de onrust zat er nu eenmaal in, en met de onrust en onzekerheid +sloop in de eertijds zoo zalige Rosbach een eigenaardig, +onnaspeurbaar gevoel van vaag wantrouwen. Niemand begreep eigenlijk +waar het zich verschuilde, 't was nergens en het was overal; het hing +in de lucht, in de berookte gelagkamer, over 't veranderd gezicht van +den baas en zijn vrouw; het zat tot in het heerlijk bier dat zij +dronken, en dat wel niet minder smakelijk was, maar toch werkelijk +minder lekker smaakte. Eens, op een avond, kwam een der +allertrouwste stamgasten, een dikke notaris, binnen, die geheimzinnig +naast meneer Bollekens ging zitten en hem aan 't oor toefluisterde: + +--Wist gij dat de baas drie zonen in Duitschland heeft? + +--Drie zonen in Duitschland! herhaalde meneer Bollekens hevig +opschrikkend. + +--St! zoo hard niet, hij staat te luisteren, vezelde de notaris. +--Drie zonen in Duitschland, die hier dikwijls geweest zijn, zonder +dat wij wisten wie ze waren, en die nu alle drie in 't Duitsche leger +opgeroepen zijn! St! niets zeggen... zwijgen... ik weet het van +héél goed part en zal er nog meer van vernemen. + +Meneer Bollekens' dikke, knobbeljichtige vingers beefden zenuwachtig +om het oor van zijn glas. + +Wat was dat nu allemaal? Wat beteekende het? Wat moest hij daarvan +denken? Ging er nu ellendige, akelige stoornis komen in het zoo +gezellig en aantrekkelijk leventje der heerlijke Rosbach? + + * * * * * + +Als naar gewoonte, dien namiddag, waren de heeren Bollekens, vader en +zoon, per rijtuig, naar 't buiten gegaan. Ook de knappe meid was er +gekomen en liep reeds te voet het eindje terug, met de groenten en +vruchtenmandjes aan den arm, om bij het kleine station den trein te +halen. + +Het was een prachtig-mooie dag geweest. In den vroegen namiddag +wellicht wel àl te brandend-heet, maar nu, tegen zonsondergang, was +het verrukkelijk; en vader en zoon, wellustig op de kussens +uitgestrekt, genoten innig. Meneer Bollekens vader keek naar het +schoone, rijpe koren, dat golvend over 't stille, weelderige land in +het avondrood lag te gloeien en opperde nog eens zijn meening, +waarover ze 't vroeger reeds gehad hadden: dat het nu toch werkelijk +wel tijd werd om de huur der boeren op te slaan. Meneer Bollekens +junior haalde diep aan zijn lekkere sigaar en was het daar volkomen +mee eens. Al had men het ook niet noodig om van te leven, toch was er +geen reden om zijn pachters te verwennen, meende hij, vooral niet +zoolang er geen oorlog kwam. + +De oorlog! Daar had je 't alweer! Wat werd dat 'n angst en +'n obsessie! Je kon niet eens rustig meer ergens gaan wandelen; je +Kon niet kalmpjes je glas bier zitten te drinken, of dadelijk drong +dat gruwelbeeld, als 't ware van zelf in het gesprek. Vooral meneer +Bollekens senior werd er telkens hevig door ontsteld en gansch uit +zijn humeur geslagen. + +--Zwijg daarover, er komt geen oorlog! beweerde hij nu ook weer, op +kwaadaardigen toon, terwijl zijn rood gezicht van ontstemming opzwol +en zijn dikke wenkbrauwen zich fronsten. + +Zij waren dichtbij 't kleine station gekomen, waar de knappe meid +haar biljet moest nemen om naar de stad terug te keeren en de trein +naderde reeds in 't verschiet, zoodat de slagboomen der spoorbaan +werden neergelaten en het rijtuig eventjes moest wachten. Er is al +heel weinig bijzonders aan een locaaltreintje, dat een klein station +zal binnenrijden: men let er nauwelijks op. Dit was dan ook 't geval +met beide heeren Bollekens. Zij praatten onverschillig voort over het +onderwerp dat hen bezig hield en wellicht hadden zij de aankomst van +'t konvooi niet eens met eenige aandacht opgemerkt, als daar niet +vóór 't stationsgebouw een dichte schaar van menschen had gestaan, +die met blijkbaar gespannen nieuwsgierigheid den trein zagen naderen. +Het trof meneer Bollekens vader en hij vroeg aan den wisselwachter, +die bij 't seinhuisje stond: + +--Wat scheelt er dan? Wat gebeurt er? +--Soldaten, meneer; massa's soldaten, die binnen moeten. De oorlog is +verklaard! + +Meneer Bollekens en zijn zoon schokten letterlijk van hun zitplaats +op. Wat! De oorlog verklaard! Zoo ineens! + +--Jawel, meneer, 't bericht is van middag om twaalf uur afgekondigd, +Verzekerde de wisselwachter. Ziet ge daar al die jonge mannen bij de +statie? Die moeten allen mee. + +Daverend kwam de trein het stationnetje binnengestoomd. Hij was lang, +lang, of er geen eind aan kwam; en uit alle wagens, uit alle +raampjes, uit alle portieren hingen risten jonge mannen naar buiten +geheld, die zongen en brulden, en armen zwaaiden en stampvoetten en +schreeuwden, alsof zij allen wild-krankzinnig waren. De koppen zagen +gloeiend-rood van benauwde hitte, opwinding en drank en honderden +handen zwaaiden hartstochtelijk met driekleurige vlaggetjes. + +Bollekens junior was met één wip uit den open landauwer gesprongen. +Hij dacht aan de knappe meid, die met haar groentenmandjes midden in +'t afgrijselijk gedrang zou zitten en wellicht geen plaats zou +vinden; of vond ze plaats, door al die opgewonden kerels ergerlijk +gemolesteerd kon worden. + +--Ik ga ze daaruit trachten te halen! riep hij +zenuwachtig-opgewonden tot zijn vader. + +--Dat gaat immers niet! antwoordde vader Bollekens gansch ontsteld +en geprikkeld. + +Maar Bollekens junior was reeds aan 't rennen. Hij holde, ondanks het +formeel verbod van den verwonden wisselwachter, om den dreunenden +trein heen en vloog naar de wachtkamers toe. Te laat! Het +stationsgebouw was door gendarmen afgezet en onder donderend +joelgedruisch reed de trein weg. Bollekens junior keek peilend door +de vensterramen, maar zag de knappe meid niet meer. + +--Nom de Dieu!... Nom de Dieu de nom de Dieu! raasde hij woedend in +'t rijtuig terugstappend. + +In gestrekten draf reden zij naar de stad terug. Meneer Bollekens +vader beefde akelig. Meneer Bollekens junior zat stom, met +verwrongen, bleek gezicht, op zijn sigaar te bijten. + +--Maar dat is toch niet mogelijk! riep af en toe, als in een kreet +van opstand, vader Bollekens. En waar hij om zich heen keek, over die +schoone, rijke, kalme, gouden velden badend in avondglorie, waar nog +zoovele menschen, gansch onbekend met de angstwekkende gebeurtenis, +rustig aan den arbeid waren, scheen het schrikbeeld van den oorlog +inderdaad iets ondenkbaars, een onding, een onmogelijkheid. Doch +naarmate zij dichter bij de groote stad kwamen groeide een onrust, +een gejaagdheid, die zich alom scheen te verspreiden. 't Stond op de +ernstige gezichten der menschen te lezen, het concentreerde zich in +de kleine groepjes die gewichtig met elkaar aan 't praten waren, het +liep uiteen met al wat zich bewoog, naar rechts, naar links, langs +alle kanten. De heeren Bollekens kwamen twee auto's tegen, in razende +vaart, vol militairen, alsof zij reeds, stormenderwijze den vijand +te gemoet snelden. En zoodra zij in de voorstad kwamen waren zij +midden in een krioelende, geweldig-opgewonden menigte: +gesticuleerende mannen met bleeke gezichten en donkere oogen; +schreiende, kermende vrouwen met schreiende, kreunende kinders die +aan haar rokken hingen; en krantenjongens overal, luid-uitschreeuwend +het akelig nieuws, terwijl de losse blaadjes der extra edities door +de handen fladderden en de gretige hoofden dicht op elkaar drongen, +om allen tegelijk te lezen. + +--Naar huis, naar huis, zoo gauw mogelijk naar huis! vermaande meneer +Bollekens zijn koetsier, alsof hij daardoor een ramp voorkomen kon. +En de paarden renden in gestrekten draf tusschen de steeds dichter op +elkaar gepakte, opgezweepte menigte, die als 't ware uit den grond +scheen te rijzen, die straten en pleinen vulde en in gonzende drommen +naar het centrum van de stad toestroomde. + +Toen het rijtuig vlak bij huis kwam, in de straat waar zich de +Rosbach bevond, was er echter geen doorkomen meer aan. De heeren +Bollekens begrepen eerst niet wat er gebeurde; zij merkten slechts +een kolossaal gedrang en hoorden enkel 't oproerig gejouw en geloei +van de menigte; maar eensklaps zagen zij den witten gasbol boven den +ingang van de Rosbach aan stukken vliegen, en meteen stormde een +bende op de herberg af en brak er als een orkaan naar binnen. + +Dadelijk stapten de heeren Bollekens haastig uit hun landauwer en +gaven den koetsier bevel langs een omweg naar huis te rijden. Het was +maar beter op zulke momenten niet in een rijtuig gezien te worden. +Angstig door 't gedrang langsheen de huizen schuivend, geraakten zij +eenige meters vooruit. Toen stonden ze weer, als vóór een levenden, +dreunenden, deinenden muur. 't Geschreeuw klonk overweldigend. 't Was +één aanhoudend gebrul en gejouw, terwijl steeds nieuwe benden +opdrongen en de spiegelramen aan stukken rinkelden. De politie kwam +aangerukt, doch machteloos flikkerden de gezwaaide sabels boven de +woelende schouders en koppen. De heeren Bollekens zagen vechtende +mannen neerstorten en weggesleept worden; en daarbinnen, in +de Rosbach, was het als een pandemonium: stoelen, tafels, spiegels, +glazen vlogen verbrijzeld in de menigte naar buiten; het bier en de +likeuren stroomden over de treden in de straat; en heel het +terrastuintje met bloemen, sierplanten en tafeltjes was omgekeerd en +als onder een storm weggezweept. De heeren Bollekens zagen van op de +straat ruwe kerels drank naar binnen hijschen, anderen vochten onder +elkaar om het bemachtigen van eetwaren; en plotseling werd een volle +ham naar buiten gegooid, waarop het gepeupel in wilde krioeling +neerplofte en voor welks bezit het griezelig worstelde, als een bende +wolven. Wat er van den baas geworden was, wist niemand. Alleen het +rond gezicht der dikke vrouw verscheen een oogenblik met van schrik +uitpuilende oogen aan een der bovenramen, maar zulk een woest gebrul +steeg op, dat zij onmiddellijk onder angstgegil weer verdween en het +raam dichtsloeg. + +Toen kwam er eindelijk hulp opdagen: een escadron gendarmen te paard, +in vollen draf, met getrokken sabel, de groote berenmutsen, als van +woede overeind gerezen haren op hun dreigende koppen. In een oogwenk +was de gansche straat schoongeveegd. Een paar roovers, die den tijd +niet hadden weg te komen, werden nog gesnapt en dadelijk was de +verwoeste Rosbach door een sterke politiemacht afgezet. Meneer +Bollekens en zijn zoon, in het portaal van een winkeltje gedrongen, +waren slechts, op gevaar van hun leven af, aan het geweld van de charge +ontsnapt. + +Meneer Bollekens begreep er niets van, van alles wat daar zoo +plotseling gebeurd was. Hij stond te sidderen en te trillen op zijn +beenen en hoorde, als in een nachtmerrie, de menschen uit het +winkeltje vertellen, dat die baas uit de Rosbach een Duitsche spion +was, dat men compromittante brieven in zijn huis gevonden had, dat +men in zijn kelder Duitsche wapens en uniformen had ontdekt, en dat +hij gëarresteerd was, en dat zijn vrouw ook gëarresteerd was, en dat +ze beiden, den volgenden ochtend, in het stadspark gefusilleerd +zouden worden. + +Meneer Bollekens senior raasde en zuchtte. Wat leek de gansche wereld +plotseling omgekeerd, in een tijdverloop van slechts enkele uren! +Zijn vaderland in oorlog, die man uit de Rosbach, jarenlang een +trouwe vriend, nu eensklaps een spion en een verrader; en de Rosbach, +de dierbare Rosbach zelf, zijn toevluchtsoord, zijn levensvreugd, +zijn echte tehuis, in puin en gruis geslagen, vernield, vernietigd! +Was er nog wel iets in de wereld vast en veilig, en zou het +opgezweepte gepeupel straks ook niet zijn eigen schoone woning stuk +gaan slaan, alleen maar omdat hij een trouwe stamgast van de Rosbach +was, omdat hij jarenlang op vertrouwelijker en vriendschappelijker +voet met den baas uit de Rosbach had omgegaan? + +Hij wilde naar huis, hij wilde dadelijk naar huis, en ook zijn zoon, +in zenuwachtige overspanning, wilde weg, vol angst en vrees hoe het +wel met de knappe meid in dien stampvollen trein met opgewonden +soldaten afgeloopen was. Zij staken eerst voorzichtig 't hoofd naar +buiten en schoven dan langs de muren weg en 't was hun een +verademing toen zij het mooie gebouw nog overeind zagen staan. Meneer +Bollekens zoon holde naar binnen, hoorde dat de knappe meid behouden +aangekomen was, rende de trappen op, had dadelijk met haar een +dringend, vorschend onderhoud. Alles was goed, Goddank; en na al die +schrikkelijke emoties ging het leven toch maar weer zijn gewonen +gang. De keukenmeid liet zeggen dat het souper al 'n heele +poos klaar was en of de heeren asjeblief aan tafel wilden gaan. + +Zeker wilden zij! Zij hadden honger gekregen door al die schokkende +gebeurtenissen. Veilig geborgen in hun prachtig huis dat sterk was +als een forteres, rijk en gezellig neergezeten bij een weelderigen +disch welken de knappe meid zorgzaam en fijn bediende, voelden zij +reeds minder de knellende dreiging der toekomst. Maar de emotie +bleef, heel sterk en diep; en terwijl hij met bevende hand het eerste +hapje naar zijn mond bracht, werd meneer Bollekens er weer door +overweldigd en moest hij vork en mes neerleggen. Het ging niet, hij +kón niet eten ofschoon hij rammelde van den honger. En eensklaps werd +hij week-weemoedig en barstte in snikken uit, terwijl groote tranen +over zijn dikke, roode wangen rolden. + +Het was een heele opschudding! De zoon dacht dat zijn vader een +beroerte kreeg en snelde hem ter hulp en de knappe meid stond even +als versteend van ontsteltenis, met vurige wangen en verschrikte +oogen tegen het buffet gedrongen. Meneer Bollekens bedaarde, doch +bleef zijn eten weigeren. Neen, het ging niet, hij kón niet. Zoo iets +was in geen jaren gebeurd. De zoon stond er radeloos van en de knappe +meid liep eensklaps, als onder den drang eener spontane ingeving, met +vlugge schreden naar de keuken toe. + +De keukenmeid, amechtig hijgend, verscheen op den drempel der +eetkamer. + +--Maar meneer toch! Maar meneer toch! riep zij, gansch ontdaan de +handen in elkaar slaande. En zij begon een heele reeks fijne +schoteltjes op te noemen, die meneer misschien wèl zoude lusten. + +--Neen, Marie; neen, Marie; ik kàn niet, ik kàn niet, herhaalde meneer +Bollekens bevend en moedeloos. + +De meid verdween, als door een onverdiende ramp getroffen, en meneer +Bollekens stond zwaar-zuchtend van tafel op. + +--'K ga naar mijn bed, kreunde hij. + +Een stilte van consternatie begeleidde zijn pijnlijken aftocht. +Meneer Bollekens zoon steunde zijn vader onder den arm en de knappe +meid volgde, schoorvoetend, even haltend op elke trede, als een +oplettende en zorgvolle verpleegster. + + * * * * * + +De dagen die volgden waren dagen van rustelooze agitatie. Al de +dienstplichtige mannen hadden hun oproepingsbevel ontvangen en van +den ochtend tot den avond en soms gansche nachten dreunde de groote +stad onder het onophoudend aankomen en doortrekken van infanteristen, +cavaleristen, artilleristen; van paarden, wagens en kanonnen, van +honderden en honderden automobielen, van alles wat de mobilisatie van +een gansche veld-en-vestings-leger noodig heeft of met zich mede +sleept. + +Wat al onverwachte en aangrijpende tafereelen woonden de heeren +Bollekens nu voortdurend bij! In hun zelfzuchtig bestaan van rijke +renteniers was de wereld tot nog toe voor hen tot het beperkt en +bekrompen kringetje hunner vaste, steeds herhaalde genoegens en +gewoonten afgebakend geweest; en nu woei daar eensklaps als een +felle, forsche adem overheen, die aan alles een nieuwe beteekenis en +waarde gaf. Zij voelden dat hun rijke-menschen-leven niets meer was, +dat gansch andere, nieuwe krachten hun omgeving beheerden en +beheerschten. Zij werden voor het eerst gewaar wat de +vaderlandsliefde was, dat ongekend gevoel 't welk tot dus +verre voor hen slechts de beteekenis eener van buiten geleerde +schoolles had, en dat nu plotseling bestónd, hoog en groot, in +forsche schoonheid, diep-ontroerend en tastbaar alles-overweldigend, +sinds een gewetenlooze vijand met ruw geweld den dierbaren +geboortegrond had durven schenden. Meneer Bollekens en zijn zoon, +door nationale liefde bezield, stonden met duizenden anderen uren +lang op straat de vertrekkende soldaten toe te juichen, terwijl de +tranen in hun oogen kwamen en hun hart van krijgshaftigen trots en +glorie bonsde en gloeide. + +Dat duurde zoo ettelijke dagen. Toen waren al de troepen weg en +'t gewone leven kreeg opnieuw zijn vroegere beteekenis. Wel hielden +de oorlogsberichten der couranten er aanhoudende spanning in, doch dat +gebeurde nu op verren afstand en van den eigenlijken oorlog was, in +de stad die meneer Bollekens bewoonde, voorloopig niets meer te +bemerken. + + * * * * * + +Wat was er dan ook wel veranderd? Feitelijk niets. Meneer Bollekens +vader was van zijn eerste emotie heel en al bekomen; meneer Bollekens +zoon had zich kunnen overtuigen dat der knappe meid geen ongeval was +overkomen; de keukenmeid, een enkel oogenblik van streek toen haar +meester zijn avondmaal weigerde, was weer geheel de oude en kookte +lekkerder dan ooit te voren; alles, álles in hun leven was 't zelfde +gebleven en zij gingen zelfs weer geregeld met het rijtuig naar de +mooie buitenplaats; niets was veranderd behalve de Rosbach, de vroeger +zoo gezellige, nu kort en klein geslagen Rosbach, die met haar +dicht-gespijkerde deur en ramen een droevig toonbeeld van vernieling en +verlatenheid geworden was. + +Bollekens vader en zoon, evenals de dikke notaris, evenals al de +andere trouwe stamgasten, waren nu verwoed op de Rosbach, hadden +geen woorden van verachting en van haat genoeg om er de Rosbach mee +te brandmerken. Die schandelijke spionnen, die gemeene bandieten, wat +hadden zij hun trouwe, vaste klanten, die jarenlang hun beste +vrienden waren, bedrogen en verraden! Allerlei tegenstrijdige +geruchten waren in omloop: de baas en zijn vrouw waren werkelijk +gëarresteerd en beiden op een vroegen ochtend in het park +gefusilleerd; de baas was gëarresteerd en gefusilleerd, +maar zijn vrouw was in vrijheid gelaten; de baas was gevlucht en zijn +vrouw was alleen in de kroeg overgebleven waar ze zich verscholen +hield. Dat alles werd verteld en niemand wist er 't ware van. De +gansche voorgevel van de Rosbach was met een planken beschot +afgeslagen en een politiediender hield er streng de wacht voor. +Meneer Bollekens vader had hem reeds een paar keer ondervraagd, +maar de stugge man liet absoluut niets los. Hij wist in 't geheel +niets mee te deelen; zijn opdracht was de Rosbach te bewaken; dat +deed hij en verder ging het hem niet aan en als die heeren er meer +van wenschten te vernemen, dan moesten ze zich maar tot de stedelijke +overheid wenden. + +Tot de stedelijke overheid! De heeren Bollekens vader en zijn zoon, +en ook de dikke notaris en de verdere stamgasten hadden al heel +weinig relaties met de stedelijke overheid. De dikke notaris had eens +van verre gepoogd een der wethouders te polsen, maar was barsch en +leelijk afgescheept geworden. En toch: zij hadden 't zoo graag willen +weten, want er was iets, iets dat ze werkelijk met geen woorden +konden uitdrukken en dat hen toch zoo hevig en zoo kwellend plaagde. +Die heeren durfden het onderling aan elkaar niet en +aan zichzelven nauwelijks bekennen: zij misten de Rosbach. Zij hadden +behoefte aan de Rosbach; zij werden ziek en bedroefd omdat ze +'t heerlijk bier van de Rosbach niet meer mochten drinken! + +Het was geen kortswijl, geen eigenzinnige gril; maar werkelijk een +tyranisch-dwingende behoefte. In al die lange jaren van dagelijksch +trouw daar komen was het een manie geworden, iets dat zij hebben +móésten om voldaan te kunnen leven. Er waren andere koffiehuizen +genoeg in de stad en om beurten hadden zij er reeds velen +"geprobeerd" doch niets voldeed, overal grijnsde dadelijk de +Teleurstelling tegen. Er was maar één Rosbach, maar één enkel kroegje +waar ze 't dol gezellig hadden, maar één enkel soort bier waarnaar +zij verlangden en snakten en waar hun maag naar grolde van graagte: +het heerlijke bier van de Rosbach! + +Vooral meneer Bollekens vader voelde zich weldra zeer ongelukkig en +ontredderd. Vele van die andere heeren hadden nog hun bezigheden waar +te nemen; maar hij had niets, wist in 't geheel niets aan te vangen +met de lange uren die hij anders aan het pleisteren in de Rosbach +besteedde. Het ging niet alleen op zijn moreel, maar ook op zijn +physiek gestel noodlottig inwerken; en nu kreeg hij eens aan eigen +proefneming de glasheldere ervaring welke ezels toch de doctoren +waren. Zij hadden hem zóó dikwijls verboden het bier van de Rosbach +te drinken omdat het fataal was voor zijn knobbeljicht; welnu: sinds +meer dan een week dat hij geen druppel meer geproefd had, leed hij +folterpijnen en stonden zijn vingers en zijn teenen kromgetrokken van +de kalkaanzetting. Was dit geen duidelijk bewijs, dat het bier van de +Rosbach hem niet alleen geen kwaad deed, maar dat hij het bepaald +noodig had voor zijn gezondheid? + +Hij begon daarover zwaar te tobben. Was er nog maar een ander Duitsch +bierhuis geweest in de stad, waarvan de baas zich niet als spion en +landsverrader had gedragen! Maar overal was het 't zelfde geweest en +overal werd de boel ook stuk geslagen. Iedere kneip was als een +spionnen-nest vernietigd. Meneer Bollekens voelde zich het +slachtoffer van een toestand waarin hij niets geen persoonlijke +schuld had. Zijn gezondheid moest lijden, zijn leven moest wellicht +ten onder gaan door de misdaad welke anderen bedreven hadden! + +Hàdden zij werkelijk die schandelijke daad bedreven? Somtijds, in +sombere wanhoopsuren, ging meneer Bollekens daar wel aan twijfelen. +Was het wel voldoende bewezen, bewèzen, dat de baas uit de Rosbach +verraad had gepleegd? Was men niet veel te gauw, met ruw geweld, +tegen hem te keer gegaan, alleen omdat hij Duitscher was? En wat was +er nu eindelijk van aan, van al die tegenstrijdige verhalen: dat hij +en zijn vrouw gefusilleerd waren; dat ze niet gefusilleerd maar wel +gevlucht waren; dat ze niet gevlucht, maar zich nog steeds, als +nagejaagde wilde beesten ergens in een hoek van de Rosbach verscholen +hielden? + +Het onopgehelderd raadsel kwelde en pijnigde meneer Bollekens +aanhoudend; en dikwijls, in zijn droeve, doellooze uren, ging hij +voorbij de Rosbach slenteren en keek hij verlangend naar die doode, +strakke muren op, alsof ze voor hem het geheim zouden oplossen. + +De waakzaamheid der politie was er na de eerste opgewonden dagen zeer +verslapt en al kuierde nog wel om en bij de planken-afsluiting een +min of meer wachthoudende politiediender, toch was er blijkbaar geen +zóó onverbiddelijk streng verbod meer, dat men niet een oog daarin +zou kunnen wagen. Meneer Bollekens had het dan ook reeds meer dan +eens gewaagd en een aangrijpend idee gekregen der desolatie van wat +eenmaal het toppunt der gezelligheid was. Was het niet +wanhoopschreiend al die stukgeslagen stoelen, tafels, spiegels en dat +alom gemorste, heerlijk bier, waarvan de halfgedroogde, vieze plassen +nog den vloer bezoedelden? Het stemde meneer Bolleken te droevig en +hij verwijderde zich spoedig uit dat oord van dood en ramp. Doch +eens, bij scheieravond, terwijl hij daar alweer in wanhoop stond te +kijken, schrikte hij geweldig. Hij meende, neen, hij was ervan +verzekerd, eensklaps in dat oord van vernieling en verlatenheid een +vage stommeling te hooren, boven de gehavende gelagkamer. Het +ontstelde hem zoo hevig, dat hij in allerhaast wegvluchtte en aan den +overkant der straat bevend tegen een huis ging staan. En wat zag hij +van daar uit, als in een droom, als in een nachtmerrie? Achter een +raam op de eerste verdieping der Rosbach, het angstgezicht van een +vrouw,--de dikke vrouw van den baas--die duidelijk naar hem keek en +naar hem wenkte, alsof zij hem wou binnenroepen! + +Het scheelde weinig of meneer Bollekens slaakte hardop een kreet in de +straat. De verschijning was zóó onverwacht en zóó ontzettend, dat hij +haast zijn oogen niet gelooven kon. Hij meende een uit haar graf +verrezene te zien. Maar het gezicht stond daar in volle werkelijkheid +achter het raam, en nog eens wenkte het, heel duidelijk, meteen in +'t sombere van het vertrek terugdringend, als om hem met zich mee te +trekken. En meneer Bollekens, als onder hypnotische macht, +gehoorzaamde machinaal, stak de straat, die op dat oogenblik verlaten +was, dwars over en kwam bij het planken beschot. Daar was een wrakkig +deurtje in de ruwhouten omheining, met een enkel duwtje week het en +meneer Bollekens, met inspanning over het puin heenschrijdend, stond +in de verwoeste gelagkamer der Rosbach. De trapdeur was in den +achtergrond open en te halver hoogte langs de treden hield zich de +dikke vrouw, op meneer Bollekens wachtend. Haar handen wrongen zich +in elkaar toen zij hem zag, haar mondhoeken trokken gepijnigd naar +omlaag en tranen sprongen uit haar oogen, terwijl zij zuchtend +snikte: + +--Aber bitte, kommen Sie herauf, Herr Bollekens. + +Meneer Bollekens voelde zich diep aangedaan. Het streed in hem, +geweldig, tusschen vaderlandschen haat en menschelijk medelijden. Hij +had terug willen gaan, hij voelde 't als zijn plicht terug te gaan, +en toch trok een onoverkomelijke macht hem mede, de trap op, achter +de dikke vrouw. Hijgend kwamen zij op een portaal, volgden een smalle, +sombere gang, hielden stil vóór een deur, die de vrouw open duwde. + +Meneer Bollekens trad binnen. Was hij verbaasd en ontsteld geweest +door het verschijnen van de dikke vrouw achter het bovenraam, wat hij +nu zag joeg hem als een gruwelschrik om 't hart. + +Hij stond in een klein, armoedig kamertje, een soort van keukentje +met een kachel, een tafel en enkele stoelen, dat door één enkel raam +verlicht was en een vergezicht opende over een gedeelte van de stad +met schoorsteenen en daken en over eene wijde hemelsuitgestrektheid, +waarin de glanzend-roode zon door grijze wolkenforten naar het +prachtig Westen daalde. Het kontrast was aangrijpend tusschen de +rijke glorie daarbuiten en de schamele bekrompenheid daarbinnen; maar +het werd tragisch toen een man, dien meneer Bollekens in de +schemering niet gezien had, van naast het tafeltje opstond en zijn +donker silhouet tegen het nog helder raam afteekende. Meneer +Bollekens herkende hem niet dadelijk. Hij moest eerst den klank +zijner stem hooren, maar toen schrikte hij zóó geweldig, dat hij met +een doffen gil naar de deur terugdeinsde. + +Het was de baas uit de Rosbach! Meneer Bollekens, die hem gevangen +genomen en gefusilleerd waande, slaakte een kreet: + +--Waar komt ge vandaan! Ik dacht dat ge doodgeschoten waart! + +--Ze hebben mij gevangen genomen en mij willen fusilleeren, maar toen +zij ondervonden dat ik onschuldig was, hebben ze mij weer losgelaten, +antwoordde de man met holle stem. + +Meneer Bollekens sloeg van ontzetting de handen in elkaar en +verademde. + +--Goddank! Goddank! Goddank! herhaalde hij voortdurend. + +De dikke, steeds schreiende vrouw bood een stoel aan en meneer +Bollekens ging zitten. De baas uit de Rosbach nam plaats tegenover +hem en begon langzaam, met droeve stem, te vertellen. + +Zij waren onschuldig, geheel en al onschuldig van de misdaad, die men +hun te laste legde; maar zij waren Duitschers, helaas! en daardoor +verdacht en slachtoffers geworden van de opgezweepte menigte. Toen +alles bij hen stukgeslagen was had men hen aangehouden en huiszoeking +gedaan en natuurlijk niets gevonden, want er was niets te vinden. Men +had hen weer in vrijheid gesteld, maar wat hadden zij aan die +vrijheid? Met het opgewonden volk viel niet te redeneeren: zij bleven +voor alleman de bedriegers en verraders en konden zich, op gevaar van +hun leven af, nergens meer vertoonen. Sinds tien dagen zaten zij hier +opgesloten, levend van wat zij nog in huis gevonden hadden en vooral +van 't bier dat gelukkig nog in den kelder was; maar sinds den +vorigen dag waren de levensmiddelen op en nu zouden zij van honger +zitten sterven, als niemand hulp kwam verleenen. Sinds dagen had de +vrouw meneer Bollekens om het huis heen zien draaien en getracht hem +teekens te doen, maar hij had er nooit iets van gemerkt, tot hij het +nu, gelukkig, toen de nood ten top gestegen was, eindelijk gezien +had. En nu smeekten zij, nu smeekten zij beiden meneer Bollekens op +hun knieën, dat hij hen toch zou willen helpen, hun eenige +levensmiddelen zou bezorgen, om hen van den hongerdood te redden. + +Star en als versteend zat meneer Bollekens te luisteren. Het woelde +diep in hem van tegenstrijdige gevoelens, van schrik en medelijden, +van vaag wantrouwen ook nog, maar een heele poos zei hij geen enkel +woord. De baas zat weerom tragisch-roerloos nu, met zijn donker +gezicht tegen het heldere raam, en de vrouw, die even in de hoop op +redding tot bedaren was gekomen, begon opnieuw te zuchten en te +schreien, denkend dat meneer Bollekens' lang stilzwijgen een +afwijzend antwoord beteekende. + +--Ach bitte, bitte nur, lieber Herr Bollekens, snikte zij met +wringende handen... Maar eensklaps maakte meneer Bollekens een breed +gebaar en, met een stem die trilde van vrees en verlangen: + +--En... is ook al het bier nu op? vroeg hij. + +De stille, droeve man scheen even op te leven. + +--Bier hebben we nog genoeg, meneer, maar van bier alleen kan +'n mensch toch niet leven, antwoordde hij gedrukt. + +Meneer Bollekens was opgestaan. Hij keek omzichtig rond zich heen, +als vreesde hij onbescheiden getuigen. Toen boog hij over 't tafeltje +en zei halfluid: + +--Verkoop mij enkele vaatjes bier, ik zal er u eetwaren voor in de +plaats geven. + +Zij sprongen bijna op van blijdschap. + +--Ach lieber Herr, lieber Herr! weemoedigde de dikke vrouw. En zij +knelde meneer Bollekens' knobbeljichtige handen in de hare, als van +een redder. + +--Maar zwijgen, hoor, zwijgen! deed hij hen plechtig beloven. + +Zij knikten met het hoofd, keurden goed, beloofden alles wat hij maar +wilde. + +In korte woorden werd besloten dat de kleine biertonnen 's avonds +laat, door meneer Bolleken's koetsier en een helper weggehaald zouden +worden; en op dezelfde wijze zouden ook de baas en zijn vrouw van +levensproviand worden voorzien. + +Meneer Bollekens stond klaar om te vertrekken en toch ging hij nog +niet. Het was alsof hem nog iets ontbrak, dat hem moest aangeboden +worden. Doch zij dachten er blijkbaar niet aan en eindelijk vroeg hij +het zelf: + +--Kunt ge mij nu maar niet dadelijk een glas geven? 'k Heb toch zoo'n +dorst! + +Een soort van glimlach zweefde even op de lippen van den baas, +terwijl de vrouw zich, met excuses dat ze 't niet had aangeboden, +naar den kelder spoedde. Ja ja, dat lekker bier, eenmaal als men er +aan was gewend geraakt!... + +Hijgend kwam de dikke vrouw terug, met een groote kruik en twee +glazen. Meneer Bollekens' oogen glommen waterig, alsof er tranen van +ontroering in beefden. Met trillende vingers nam hij 't volle glas, +wenkte even prosit naar den baas en dronk, met volle teugen, als een +verdorstigde. 't Was leeg ineens, hij zoog met opgekrulde tong het +bruinachtig schuim van zijn dikke snor, en liet zich nog eens +inschenken, en dronk ook weer tot den bodem, alsof hij niet te +verzadigen was. + +Toen wou hij weg. De steeds diep-gealarmeerde vrouw poogde hem nog +even aan de praat te houden over dien ellendigen, ongelukkigen +oorlog, die hen allen zou ruïneeren; doch meneer Bollekens werd +gejaagd en zenuwachtig; hij was misschien wel zeer onvoorzichtig +geweest daar te komen; niemand mocht het weten, men zou het hem +geweldig kwalijk nemen, hij kon zelf als landsverrader aangehouden +worden, 't moest alles héél geheim gebeuren; en hij dwong de dikke +vrouw met hem mee beneden te komen en om den hoek van het houten +beschot te gaan loeren, of soms niet de politiediender of wie ook in +de straat te zien was. + +Hij voelde zich eerst gerustgesteld toen hij weer veilig in zijn +prachtig huis zat. + + * * * * * + +Als die oorlog nu ook maar aan een einde kwam!... + +De heeren Bollekens vader en zoon volgden hartstochtelijk het nieuws +in de dagbladen en daarin lazen zij van al de groote zegepralen, die +de vaderlandsche troepen op de vijanden behaalden. Maar ondanks alle +tegenslagen kwam de gehate, overtalrijke vijand steeds nader en nader +en de verschrikte heeren Bollekens lazen weldra van afgrijselijke +moorden, brandstichtingen, plunderingen, verkrachtingen, welke de +woeste horden op hun vernielings-doortocht bedreven. + +Overweldigend greep hen dat aan. De groote veldslagen, waar duizenden +en duizenden slachtoffers vielen, waren minder afschuwelijk dan die +afzonderlijke misdaden. Een leger was een anonieme macht, die +gemeenschappelijk vocht en overwon, of gemeenschappelijk overwonnen +werd en sneuvelde; maar elke leeggeplunderde en platgebrande +boerderij of woning was als een van hun eigen boerderijen of woningen +die uitgestolen werd en afbrandde! elke burger die gedood werd een +eigen vriend of een familielid die men vermoordde; elke vrouw die +werd mishandeld, een eigen welbekende of welbeminde vrouw, die men +mishandelde. Het vaderlands-begrip, dat in de eerste opwelling van +hartstocht zich wijd en breed over al de kinderen des lands vertakte, +kromp voor de heeren Bollekens meer en meer tot een steeds nauwer +sluitend kringetje ineen, naarmate het onmiddellijk gevaar voor hen +steeds nijpender en dreigend werd. Het Vaderland, dat was per slot +van rekening hun eigen huis, hun geld en goed, hun eten en hun +drinken, alles wat zij noodig hadden, alles waar zij recht op hadden +om gemakkelijk, genoegelijk en welgesteld te kunnen leven. + +Alles wat zij niet onmiddellijk en voor dagelijksch gebruik noodig +hadden, alles wat kón verborgen worden, werd verborgen. In een +somberen hoek van den diepen kelder graaide de zoon eigenhandig een +diepen put en daarin verstopten zij heimelijk een massa goud en +zilver, vorken, lepels, schalen, allerlei kostbaarheden en juweelen. +Geen ander mensch wist daar iets van af; alleen de knappe meid was op +de hoogte, maar dat mocht ook wel, die was solidair met hen en +behoorde om zoo te zeggen tot de familie. + +Een groote zorg en droefheid was voor meneer Bollekens vader zijn +rijk-voorziene wijnkelder. Als ze dáár ooit inbraken!... Maar hij +wist er geen raad mee, hij kon toch al die duizenden flesschen in den +grond niet stoppen en hij vertrouwde maar op goed geluk, evenals hij +hoopte dat zijn prachtig buiten niet geplunderd en zijn rijke +boerderijen niet uitgebrand of platgeschoten zouden worden. + +Meneer Bollekens zoon, van zijn kant, had ook wel zijn afzonderlijke +zorgen. Hij dacht voornamelijk aan de knappe meid en hoe hij die met +volle rust en zekerheid tegen alle gevaar zou kunnen beschermen. Hij +had de zaak reeds grondig bestudeerd en vele plannen vastgesteld, die +hij om de beurt, als ongeschikt of ontoereikend, opgegeven had. Eerst +dacht hij haar buiten, bij een hunner meest vertrouwde boeren in +veiligheid te brengen, als het oogenblik daarvoor zou gekomen zijn. +Hij zag er van af. De vijand liep en speurde immers overal, tot in de +meest-afgelegen dorpen en gehuchten. En ook, zelfs zonder de vrees +voor den vijand, en zelfs bij de degelijkste en meest vertrouwde +hunner pachters, voelde hij de knappe meid toch nog niet heelemaal in +veiligheid. Toen dacht hij haar ergens in huis te verstoppen waar men +haar onmogelijk vinden zou. Ook alweer niet goed. Het huis, hoe groot +en ruim ook, had geen geheime plaatsen, waar iemand zoo maar dag aan +dag--en voor hoelang misschien,--kon opgeborgen blijven. Het was +wanhopend; meneer Bollekens junior scheen maar geen raad te kunnen +vinden, toen hij plotseling, als door openbaring, op een idee kwam, +die hem den vinger, in een gebaar van wijsheid, op 't voorhoofd deed +drukken. Hij had het gevonden!... + +Hij had het gevonden, maar deelde 't aan niemand, zelfs en vooral +niet aan zijn vader mee. Het middel moest geheim blijven tot het +oogenblik daar was dat het gebruikt zou worden; en werd het niet +gebruikt zooveel te beter: dan had ook niemand er iets mee te maken. + +De beide heeren voelden zich geruster, nadat zij eenmaal, in zooverre +mogelijk, al hun voorzorgen genomen hadden. Ten slotte was nog niet +zoo erg veel door den oorlog aan hun levenswijs veranderd; zij waren +er heel wat beter aan toe dan zooveel anderen, heel wat beter bij +voorbeeld dan de dikke notaris en de overige stamgenooten der +Rosbach, die nog maar steeds bleven treuren over de vernieling der +gemoedelijke herberg, zonder er iets voor in de plaats te vinden. + +Want zij, de heeren Bollekens, hadden er wel degelijk iets op +gevonden. De lekkere tonnetjes waren heimelijk 's nachts uit de +Rosbach weggehaald en nu hadden de heeren Bollekens zich in hun eigen +huis en voor zichzelven een soort miniatuur-Rosbachje ingericht, waar +zij op hun gewone vaste uren de lekkere biertjes verorberden. Zij +zaten er aan een klein tafeltje, net als in de echte kneip, zij +hadden er de typische glazen en kruiken, de lange pijpen, tot zelfs +de vereischte worsten en de gezouten plakken ramenas; en de knappe +meid diende, met een schortje aan en met haar vriendelijksten +glimlach, als een ware kellnerin. 't Was in het souterrain, in een +verscholen kamertje, waar geen mensch hen kon storen, en zij smulden +er letterlijk van hun gezelligheid en hun geluk, zoo dat ze soms +heusch niet meer wisten of ze de Rosbach zelf nog wel betreurden en +er volstrekt niet zoo heelemaal zeker van waren dat zij, ook als het +mogelijk was, er nog heen zouden gaan. Vader Bollekens' gezondheid +was ook dadelijk weer uitstekend geworden, hij leed haast niet meer +van zijn knobbeljicht en de gezwellen aan zijn vingers waren zoo goed +als verdwenen (wat nog wel eens het duidelijkst bewijs was welke +ezels toch die dokters waren) en hun eenig bezwaar was eigenlijk dat +zij iets laakbaars deden, iets antipatriotisch, iets, dat men hen zou +kwalijk nemen als het moest bekend zijn. Soms voelden zij werkelijk +wroeging en het gebeurde, wanneer de couranten weer akelige dingen +over de wreedheid van den vijand mededeelden, dat zij van het +vijandelijk bier, hoe lekker ook, niet meer wilden proeven. Zij +schaamden zich, zij werden woedend, zij zwoeren er hun eed op dat zij +niet meer wilden. Maar de maag wilde nog, de maag leed, de maag +eischte, de maag grolde en roffelde van graagte naar het bier, en zij +bezweken... + + * * * * * + +En zoo kwamen van lieverlede de benauwde uren... + +Al lang had het kanon gegromd in de verte, als een verwijderd onweer, +maar sinds de laatste dagen was het duidelijker hoorbaar, in bonzen +en slagen, die soms de ruiten deden daveren, terwijl gansche, +leeggeloopen gewesten in wanorde naar de stad kwamen gevlucht. Aldoor +maar naderde de afschuwelijke vijand die, naar het heette, steeds +werd overwonnen, en eindelijk, op een ochtend, nadat de laatste +vaderlandsche strijders met hun legertros in haast waren +teruggetrokken, was hij daar, zoo heel natuurlijk, alsof 't van zelf +sprak dat hij daar verwacht werd en zou komen: eerst slechts enkele +kerels te paard of per rijwiel, en dadelijk daarop drommen, en +drommen, en drommen: een dreunende invasie van grijs-gëuniformde, +grijs-gehelmde, griezelig-zingende horden, met paarden, wagens, +auto's en kanonnen, die zich als een vloed over de gansche stad +verspreidde. + +De heeren Bollekens vader en zoon, in hun huis verscholen, hoorden en +zagen dat van verre aanbruisen. Daar waren ze nu eindelijk, de alom +gevreesde overweldigers, de veroveraars, de wreedaards! Zij hielden +reeds de gansche stad onder hun hiel gedrukt en 't eertijds vrije +volk was in een slavenras veranderd. + +De heeren Bollekens waren diep ontroerd. Zij vergaten voor een +oogenblik hun zelfzuchtigen angst en voelden diep mee het +onrechtvaardig lijden van hun gansche volk. Zij verwenschten en +vervloekten den gehaten vijand en sidderden van machtelooze woede. +Zij zagen van verre de verfoeide benden over een breed plein +openvloeien; zij hoorden het snerpend-schril gefluit en het gebrul +der commando's en plotseling barstte juichende muziek los en klonken +wilde hoezee-kreten, terwijl de horden uit elkaar stoven. En op +datzelfde oogenblik woonden de heeren Bollekens een schouwspel bij, +dat hen van ziedenden toorn de vuisten in elkaar deed krimpen: als +onder een rukwind stortte eensklaps het houten beschot vóór de +vernielde Rosbach ten gronde en de baas kwam jubelend, met zwaaiende +armen, midden op de straat staan, terwijl zijn dikke vrouw, met +rood-verhit gelaat, een van de bovenramen openrukte en er een +wapperende, vijandelijke vlag uithing! + +--O, de schurken, de spionnen, de verraders! Dàt zal niet vergeten +worden! gromden de heeren Bollekens, bleek van woede, met gebalde +vuisten. + +Meneer Bollekens vader was opgestaan en liep gejaagd heen en weer. +Hij deelde bevelen uit aan den koetsier en aan de keukenmeid, die met +tranen van schrik in de oogen kwamen vragen wat ze nu moesten doen. +Meneer Bollekens junior drukte zenuwachtig op het knopje der +electrische schel en liet de knappe meid naar boven komen. + +Zij stond daar dadelijk, in donkere kleedij, met hooge kraag en +slechts enkele bescheiden versierselen, als iemand die een stillen +rouw draagt. Aan den middenvinger van haar rechterhand blonk een +effen ronde ring: een trouwring. Ietwat verwonderd keek meneer +Bollekens senior haar aan. + +Ondanks al zijn brutaal aplomb van verwende eenige zoon, kostte +'t Bollekens junior toch wat inspanning om aan zijn vader de list te +bekennen dien hij verzonnen had, om eventueel de eer en deugd der +knappe meid te redden. Er werd verwacht, zooals in andere plaatsen +was gebeurd, dat de gegoede burgers van de stad gedwongen +inkwartiering van den vijand zouden krijgen. Men wist wat dat +beteekende. Die kerels eischten van alles het beste en het duurste; +niets werd ontzien en wel het minst de eer der vrouwen. Zulk een +knappe meid, dat sprak vanzelf, was een aangewezen slachtoffer. Dat +zou de heer Bollekens junior in zijn vader's huis niet dulden. Hij had +er lang op gestudeerd hoe hij haar redden kon; hij had eraan gedacht +haar hier in huis of buiten bij de boeren te verbergen; doch dat +alles zou niets baten en eindelijk, als laatst en eenig +reddingsmiddel, had hij besloten haar aan die kerels, als zij kwamen, +voor te stellen als zijn wettige vrouw, om haar te doen eerbiedigen. + +Meneer Bollekens vader schokte letterlijk van verontwaardigde +verbazing op. + +--Ja maar, enfin, zijt ge zot geworden, jongen! gilde hij 't uit. + +De knappe meid kreeg een vuurkleur en haar mooie oogen fonkelden even +toornig, terwijl zij, als in plotsen opstand, een beweging naar de +deur maakte. + +--Blijf hier! gebood haar, kortaf, Bollekens junior. En, tot zijn +vader, met stugge vastberadenheid: + +--Papa, 't een of 't ander, zei hij. Ofwel zooals ik zeg; ofwel ik +met haar weg! + +Meneer Bollekens vader slaakte een wanhoopskreet. + +--Maar wat zullen de koetsier en de keukenmeid daarvan zeggen? +kreunde hij, reeds wankelend. + +--Dat is al allemaal geärrangeerd; alles in orde, verzekerde de +zoon. + +Machteloos-overwonnen zakte meneer Bollekens in een leunstoel neer. + +Hard werd buiten aan de deur gebeld. De beide heeren schrikten hevig +op. + +--Zouden ze daar al zijn? hijgde vader Bollekens. + +De zoon vloog naar het raam en zei dat de straat vol soldaten stond. +In en om de Rosbach krioelde 't als in een mierennest. + +--Ach God! Ach God! jammerde meneer Bollekens, een bevende hand op +zijn bonzend hart drukkend. + +De salondeur werd geopend en doodsbleek, met groote, zwarte +schrikoogen verscheen de keukenmeid op den drempel. + +--Meneer, er zijn er daar al twee en ze zeggen dat ze hier komen +inwonen! verklaarde de meid, amechtig-hikkend. Wat moet ik er mee +doen, meneer. + +Vader Bollekens gaf niet dadelijk antwoord; hij kon niet. Hij zakte +in zijn leunstoel achterover, met half open mond en even dichte +oogen, alsof hij een beroerte nabij was. + +--Wat zijn het? vroeg de zoon, die zich nog betrekkelijk goed hield. + +--Wat belieft er u, meneer? vroeg de verwilderde meid, niet begrijpend +wat de zoon bedoelde. + +--Wel, wat of 't zijn: officieren of simpelen? herhaalde hij ongeduldig. + +--Officieren, meneer, officieren, ze hebben gezegd dat z' officieren +zijn, antwoordde de ontstelde meid deemoedig. + +--Goed; laat ze boven komen, besloot meneer Bollekens junior op een +toon alsof hij een heldhaftig besluit nam. De meid verdween. + +--Ga daar zitten, in dien fauteuil, recht voor Papa, zei de zoon tot +de knappe meid. En hij begeleidde haar tot de aangewezen plaats. Er +werd bescheiden op de deur geklopt. + +--Entrez! riep de zoon met een plechtige stem. De deur ging open en +een grijze gedaante stond fiks, hakken bij elkaar, linkerhand langs +den broeknaad, rechterhand aan rechterslaap, groetend op den +drempel. + +--Entrez, entrez, herhaalde Bollekens junior. + +De man kwam binnen en een tweede volgde, met precies hetzelfde manuaal. + +--Entrez, entrez, herhaalde nog eens Bollekens junior. + +Ook de tweede man kwam binnen en deed de deur achter zich toe. + +--Wij zijn hier op bevel van den Kommandant ingekwartierd, begon de +eerste, op zeer beleefden toon en in volkomen duidelijk Vlaamsch. Wij +hopen u niet te veel last te zullen geven: oorlog is oorlog... En +hij glimlachte vriendelijk, met witte tanden onder blonde snor. + +--Gaat zitten, heeren, gaat zitten, zei meneer Bollekens vader, die +ietwat bijgekomen was en met bevende vingers stoelen aanwees. + +De knappe meid, wellicht instinctief aan een dienstplichtige gewoonte +gehoorzamend, was reeds opgestaan om de stoelen bij te schuiven, maar +de beide officieren, overmatig beleefd, namen haar dadelijk 't werk +uit de handen, bogen voor haar, excuseerden zich. + +Bollekens junior achtte 't oogenblik gekomen om de voorstellingen te +doen. + +--Dat is mijn vader, zei hij. + +De officieren, nauwelijks gezeten, stonden weer op, klakten de hielen +bij elkaar. De oude man, geintimideerd, stak hen bevend zijn +knobbeljichtige hand toe. Alles ging uitstekend, heel anders dan +iedereen verwacht had. + +--En mijn vrouw, zei Bollekens junior, ook minder stijf en stug wordend +en zich tot de knappe meid omkeerend. + +Weer klakten de hielen en nog dieper bogen de stramme ruggen. +"Gnädige Frau,"... zei er een. De knappe meid kreeg een kleur en, +evenals meneer Bollekens, stak zij, ietwat aarzelend, haar hand uit. + +'t Was of ze die gingen opeten. Zij bukten er op neer en kusten die. +De knappe meid sidderde er even van en Bollekens junior schokte ervan +op doch hield zich goed. + +Nu zaten zij even en keken elkander aan. De eerste officier had een +levendig gezicht, bruingebrand door zon en buitenlucht, met héél +lichte, stoutmoedig en geestdriftig schitterende oogen. Dat was er +wel een die desnoods durfde, een die niet gauw voor iets +terugdeinsde. De andere had een meer gëeffaceerd uiterlijk, een +beetje boersch en gegeneerd. + +'t Was vreemd, maar het gelaat van den eerste kwam den heeren +Bollekens niet onbekend voor. Die blonde snor, die geestdriftige +oogen, waar hadden zij die wel meer gezien? En 't eigenaardigste was, +dat de man van zijn kant oolijk glimlachte, als waren ook hèm die +heeren niet heelemaal vreemd. Meneer Bollekens vader kon zijn +onrustige nieuwsgierigheid niet langer bedwingen. + +--Het is curieus, meneer, zei hij, maar uw gezicht is mij niets +vreemd. + +De jonge officier moest even hartelijk lachen. + +--Het uwe is mij dat ook niet, meneer Bollekens, antwoordde hij. + +Strak en ernstig keek meneer Bollekens hem aan. + +--Wat,... zijt gij misschien... begon hij, maar aarzelde. + +--Jawel, jawel, lachte de officier gemoedelijk. Daar... en hij wees +door het raam. + +--In de Rosbach? riep meneer Bollekens gansch ontsteld. Zijt gij... + +--Jawel, jawel, lachte opnieuw de militair, ik ben de zoon van den +baas uit de Rosbach: wij hebben elkaar dikwijls genoeg gezien. + +'t Werd plotseling kil om meneer Bollekens' hart. Wat! De zoon van +den spion, van den verrader, waarschijnlijk zelf spion en verrader, +die had hij in zijn huis! Een heele poos bleef hij roerloos en +zwijgend, met op zijn knieën uitgestrekte, sidderende handen. Meneer +Bollekens junior stond even op en ging naar de bel, als 't ware om +zich een houding te geven, en de knappe meid volgde hem machinaal, +stil-vragend wat hij verlangde. + +--Die heeren zullen wellicht hun kamers willen zien, zei hij, zich +tot de officieren omkeerend. + +--Graag, antwoordden zij. + +--Zal ik hier eerst een glas port laten brengen of wenschen de +heeren liefst later iets te gebruiken? + +--We zouden ons liever eerst een beetje opfrisschen, zei de zoon uit +de Rosbach. + +De knecht kwam binnen en de militairen stonden op. Strak-hakklakkend +bogen zij ceremonieus voor de knappe meid en voor de beide +gastheeren. Toen volgden zij, met stramme, afgemeten passen, den +huisknecht-koetsier naar hun respectieve kamers. + +In doodsch stilzwijgen keken de heeren Bollekens en de knappe meid +elkander even aan. 't Was of er plotseling een groote ramp over het +huis was neergekomen... + + * * * * * + +Enkele dagen na de bezetting van de stad ontmoette meneer Bollekens +vader zijn vroegeren stamgast-vriend den dikken notaris. + +--Weet ge dat de Rosbach weer open is? was 't eerste wat de dikkerd +zei. + +Meneer Bollekens wist het, en nog wel eerder dan zijn biervriend. +Doch het scheen niet bij hem den hartstocht op te wekken, dien het +blijkbaar op het gemoed van den notaris uitoefende. Meneer Bollekens +haalde vrij mistroostig zijn schouders op en zei al niet veel. + +--Ik ben d'r toch eens geweest; 'k wilde dat eens zien, vertelde de +notaris. Maar het is er niet meer als destijds, bekende hij. 't Zat +er nu vol lawaaiende soldaten en ook de baas is er in deemoedige +dienstwilligheid niet op vooruitgegaan. Ik heb met haast mijn glas +bier uitgedronken, dat toch wel heerlijk smaakte na al die lange +dagen van ontbering, en dan ben ik dadelijk weggegaan. + +--Ik ben d'r niet geweest en zàl d'r ook niet meer komen, antwoordde +meneer Bollekens, met een bij hem gansch ongewoon klinkende +vastberadenheid. + +De dikkerd keek hem eenigszins verwonderd aan. Meneer Bollekens leek +hem een ander mensch geworden: vermagerd, vertriestigd, met een +strakke groef van zorg tusschen de gefronste wenkbrauwen. + +--Zijt ge ziek? vroeg de dikkerd. + +--Ik ben niet ziek, antwoordde meneer Bollekens, maar die oorlog... +o, die oorlog... hij demoralizeert,... hij demoralizeert... + + * * * * * + +Daags vóór de bezetting, toen de vijandelijke troepen elk oogenblik +verwacht werden, had iemand hem gezegd: "Ge zult zien, het valt +ontzettend mee. 't Zijn andere uniformen in de stad, en verder gaat +het leven zijn gewone gangetje." Maar een tweede kennis, die in een +der bezette steden had geleefd, waarschuwde meneer Bollekens: "Het is +afschuwelijk: men voelt zich als een gevangen vreemdeling in zijn +eigen land, in zijn eigen stad, in zijn eigen huis; het werkte zóó +demoralizeerend op mij, dat ik er voor gevlucht ben en ook nog verder +vluchten zal als ze naar hier komen." + +En meneer Bollekens moest bekennen, dat de tweede zegsman, helaas! +wel gelijk had. + +Persoonlijk had hij over zijn twee ingekwartierde officieren niet te +klagen. Zij bleven hoogst beleefd en vormelijk, maar zij waren daar +'s morgens, zij waren daar 's middags, zij waren daar 's avonds, want +zij behoorden tot de blijvende bezetting en meneer Bollekens was +eensklaps uit al zijn oude, dierbare gewoonten gerukt en voelde zich +niet meer meester in zijn eigen huis. 't Was ongeloofelijk hoe sterk +dat op hem inwerkte. Hij kende absoluut geen rust meer, leefde +voortdurend op zijn hoede voor allerlei verwachte en gevreesde, +onaangename gebeurtenissen. Het was een drukking van elk oogenblik, +iets dat in de lucht hing, dat met die kerels in-en uit-ging, dat +met hen meezweefde, dat zich weerspiegelde tot in de meest gewone, +alledaagsche voorvallen van 't leven. Het was, zooals zijn vriend +gezegd had, een algemeen gevoel van demoralizeering, dat overal zijn +droevigen stempel drukte. + +Het ergste deed zich dat voelen aan de maaltijden. Meneer Bollekens +had geen trek meer, omdat die twee daar mee aanzaten. Doch niet +alleen de vijand, ook de aanwezigheid der knappe meid was iets +waaraan hij, met den besten wil, niet wennen kon. En hij moest +zwijgen, en glimlachen, en beleefd zijn, en dat alles maar +aanvaarden, alsof het heel natuurlijk was. Soms had hij hardop van +ellende kunnen schreien. + +Toen kwamen de vexaties: eerst de kleine, weldra de groote. Op een +ochtend kwamen zijn ingekwartierde gasten binnen, door twee anderen +vergezeld. Allen even vormelijk-beleefd, allen even stram-salueerend +en hakklakkend, maar met een opdracht, een bevel tot requisitie. +Meneer Bollekens had twee paarden en een daarvan werd opgeëischt. +Meneer Bollekens mocht kiezen 't welk van de twee hij wenschte te +houden en voor het andere kreeg hij een bon, betaalbaar na den +oorlog. + +Nauwelijks was dat gebeurd, of twee andere kerels kwamen meneer +Bollekens verzoeken, of hij zeer nauwkeurig wilde opgeven hoeveel +flesschen wijn van diverse soorten hij in zijn kelder had. + +Meneer Bollekens schrikte geweldig. Wat! Zijn wijnkelder, zijn +heiligdom, gingen ze ook daaraan tornen! En meteen dacht hij vol +angst aan al het zilver en de kostbaarheden, welke zijn zoon in dien +zelfden kelder onder den grond bedolven had. Even poogde hij tegen te +stribbelen, maar de ongewenschte bezoekers stramden zich en +hakklakten, verzekerend dat het hun heel erg speet, maar dat het een +algemeen bevel was, waaraan voldaan moest worden. Bevend en +knieknikkend daalde meneer Bollekens met hen in den kelder. +Zorgvuldig werden al de flesschen geteld en op een boekje +aangeteekend en vóór de dag ten einde was stond daar een militaire +wagen bij het huis en een zeer groot aantal flesschen werden +opgeladen, waarvoor meneer Bollekens, evenals voor het paard, nog +eens een bonnetje kreeg, betaalbaar na den oorlog. + +Toen, op een ochtend, kwamen drie van zijn pachters en de tuinbaas +van zijn buiten hem bezoeken. De boeren hadden geconsterneerde +gezichten en de tuinman begon plotseling te snikken, toen hij meneer +Bollekens zag. + +--Wat is er gebeurd! riep meneer Bollekens hevig geschrokken. + +Zij vertelden het hem. Soldaten waren op de boerderijen aangekomen en +hadden daar, op gezagvoerenden toon, van alles opgeëischt: drie +runderen, tien varkens, ontelbare kippen en eieren en vele duizenden +kilos aardappelen, tarwe en haver. In betaling hadden zij bonnetjes +afgeleverd, welke de boeren, met bevende vingers, hun meester lieten +zien. Maar op het kasteel was het erger geweest: daar waren zij, +bewerend dat het buiten onbewoond was en dus aan niemand toebehoorde, +met geweld binnen gebroken, vertelde de schreiende tuinman, en hadden +er al den wijn en ook al de kleeren van meneer en van zijn zoon +gestolen. En toen de tuinman hen dat wou beletten, hadden zij +gedreigd hem neer te schieten. + +Meneer Bollekens gilde 't van verontwaardiging uit! Wat! De schurken! +En, daar zijn twee ingekwartierden juist binnenkwamen, liet hij, +sidderend van woede, de scherpste verwijten hooren. + +Die konden het niet helpen, zeiden zij. De zoon uit de Rosbach +beloofde echter er zijn kommandant over te spreken, maar... 't is +oorlog, voegde hij er glimlachend bij, als om er meneer Bollekens op +voor te bereiden, dat het wel niet veel baten zou. + + * * * * * + +In soortgelijke, en ook andere angsten, leefde Bollekens junior. Die +had, sinds de komst der officieren, iets strams gekregen in zijn +houding, alsof hij zelf een militair geworden was. Onbewust deed hij +hen na, richtte zich stijf op zoodra zij binnen kwamen, klakte zijn +hielen bij elkaar, als in een stug verdedigingsgebaar. Wat hij vooral +en in de eerste plaats had te verdedigen, dat was de eer en deugd der +knappe meid en deze zorg vulde zijn gansche dagen. Bij nachte was hij +daar niet bang voor, maar overdag genoot hij weinig rust en durfde +bijna niet meer uitgaan, vooral sinds hij eenmaal, thuiskomend, de +zoon uit de Rosbach boven, in 't salon, alleen in gesprek met haar +vond. + +'t Was tegen den avond en zij zaten rechts en links van een der +ramen, in halve schemering. Het sloeg hem in de beenen toen hij dat +zag en even kon hij geen woord uitbrengen. Doch de jonge +luitenant stond dadelijk heel correct op en groette en na enkele +banale woorden nam hij vormelijk afscheid en verliet de kamer. + +--Zat hij daar al lang? vroeg Bollekens junior met streng gezicht, +zoodra de militair verdwenen was. + +--Zoo, misschien een kwartiertje, antwoordde zij. + +Haar wangen waren hooggekleurd en haar oogen tintelden levendig. +Bollekens junior vertrouwde 't heelemaal niet. + +--Waarover spraakt ge? vorschte hij, + +--O, over alles en over niets. + +Hij werd nog meer wantrouwend. + +--Het schijnt toch wel, zei hij, dat ik het niet mocht hooren, want +hij ging dadelijk weg. + +Zij zweeg. + +--Ik wil het weten! riep hij, eensklaps jaloersch opvliegend, als +een verwend kind. Wat zei hij! + +Zij aarzelde nog even en toen antwoordde zij: + +--Hij gelooft het niet, dat we getrouwd zijn. + +Bollekens junior sprong als onder een zweepslag op. + +--Wat! kreet hij. Hebt gij hem dat gezegd? + +--Ik heb het hem niet moeten zeggen, hij kent mij al van vroeger en +heeft door zijn vader over mij gehoord, bekende zij. + +--O! die schurk! die spion! riep Bollekens zijn vuisten naar de +Rosbach ballend. + +Opnieuw zat zij een poos stilzwijgend, als in geheime gepeinzen. + +--Waarom doet ge 't ook niet? vroeg zij eindelijk. + +--Wat meent ge? zei hij. + +--Met me trouwen. + +Hij schokte om, vloog, als in plotseling ontstoken woede, naar de +deur toe. + +--Ik verbied u, hoort ge, ik verbied u nog ooit een woord met dien +kerel te spreken! gilde hij, den deurknop in zijn hand houdend. + +De deur ging als vanzelf open en zijn vader kwam strompelend en +zuchtend binnen. + +--Wilt ge nu eens wat weten, jammerde de oude man: ze moeten 't ander +paard nu ook hebben. + +--Nom de nom de Dieu! brulde Bollekens junior. + +De oude man was als geknakt. Hij strompelde naar zijn leunstoel en +liet er zich zwaar in neervallen. + +--Ik kan dat leven niet langer uithouden, ik kàn niet meer, kreunde +hij. En groote, dikke tranen rolden over zijn ingevallen wangen. + + * * * * * + +Ondertusschen verliepen de dagen. Langzaam en droevig volgden zij +elkander op, zonder andere afwisseling dan de stil-smachtende hoop op +een verlossing, die steeds nabij scheen en telkens weer verijdeld +werd. Soms hoorden de menschen het doffe gebrom van verre kanonnen en +zij dachten: "daar naderen onze redders!" Maar na enkele uren zwegen +de kanonnen en de redders kwamen niet. + +Men raakte er aan gewend. Het was zoo vast en zeker, dat steeds, na +elke korte opvlamming van hoop, de bittere teleurstelling zou volgen, +dat men maar niet meer hoopte en gelaten de schouders ophaalde +wanneer nog iemand een bemoedigende tijding aanbracht. Men leefde +machinaal, automatisch, en 't eenige gevoel dat men nog kende was dat +eener grenzenlooze, doodende verveling. + +Vooral de oude heer was in dien korten tijd bedroevend achteruit +gegaan. Hij leek dezelfde mensch niet meer. Hij was opeens als +'t ware ingestort, een wrak geworden. Hij had geen wil en geen +Verlangen meer, hij zat daar gansche dagen suffig door het raam te +staren en wanneer men hem iets vroeg keek hij verwilderd op, alsof er +alweer een nieuwe ramp zou gebeuren. + +De knappe meid, die hem dikwijls gezelschap hield, poogde te vergeefs +hem op te fleuren. Hij werd chagrijnig onder haar voorkomendheid en +eens, toen zij hem nog eens van het lekker bier wilde doen proeven, +waarop hij vroeger zoo gesteld was, werd hij plotseling woedend en +schreeuwde dreigend dat ze daarover zwijgen moest, of dat hij haar op +straat zou gooien. En hij slingerde haar een beschuldiging naar het +hoofd die haar deed schrikken; hij verweet haar dat ze met den vijand +heulde, dat ze relaties had aangeknoopt met dien officier, den zoon +van den verrader uit de Rosbach en dat hij 't aan zijn zoon zou +zeggen. + +En hij zei het werkelijk, op een avond, met eensklaps opvlammenden +haat, nadat de beide officieren zich voor de nachtelijke rust hadden +teruggetrokken. + +De zoon, verwoed, liet dadelijk de knappe meid naar boven komen +en schreeuwde haar in tegenwoordigheid van zijn vader, +'t beleedigend verwijt in het gezicht. Zij werd heel bleek en stug +sloot zij haar lippen op elkaar. + +--Het is dus waar! bulderde hij. Gij bedriegt mij met dien schurk, +met dien vijand, dien verrader! + +--Ik bedrieg u niet, beet ze kort van zich af, maar hij houdt van mij +en heeft mij ten huwelijk gevraagd. + +--En... en... en ge zult dat doen! stotterde de zoon, dansend +van woede. + +--Is trouwen dan een oneerlijke daad? antwoordde zij koel. + +De oude man begon plotseling in zijn fauteuil hardop te snikken. Dat +klonk zoo akelig en zoo griezelig, dat ze beiden ontroerd naar hem +toesnelden. + +--Waarom schreit ge, papa? vroeg de zoon. + +Meneer Bollekens kon geen antwoord geven. Hij bewoog het hoofd alsof +hij iets zeggen wou, maar geen duidelijke klank kwam uit zijn droeven +mond. Er was tè veel waarover hij schreide, tè veel om het in woorden +uit te brengen. + + * * * * * + +En toch: had meneer Bollekens kunnen vermoeden wat er twee dagen +later te gebeuren stond, dan zou hij zeker niet gejammerd en +geschreid hebben. + +Twee dagen later, omstreeks schemeruur, zat meneer Bollekens eenzaam +in zijn bovenkamer, neerslachtig starend door het raam naar de drukte +van soldaten om en bij de Rosbach, toen er bescheiden op de +binnendeur werd aangeklopt. + +Meneer Bollekens antwoordde met het geijkt "entrez" en zijn twee +ingekwartierde officieren traden binnen. + +Zij zagen er ernstig en zelfs eenigszins gedrukt uit. Zij klakten +minder stram als naar gewoonte hun hakken bij elkaar en de oudste van +de twee, de Rosbachkerel, zei: + +--Herr Bollekens, wij komen afscheid van u nemen. Wij vertrekken +morgen ochtend naar het front. Wij zijn hier zeer tevreden geweest en +wenschen u, uw zoon en zijn vrouw zeer hartelijk voor de genoten +gastvrijheid te danken. + +'t Was meneer Bollekens te moede alsof hij eensklaps de stralende +ochtendzon over een grijs nevelveld zag oprijzen. Hij was op 't punt +het uit te gillen van blijdschap, maar wist zich toch nog goed te +houden en mompelde zelfs iets van "dat 't hem speet en dat hij +hoopte, dat ze behouden in hun land zouden terugkeeren." + +Zij grijnsden even en bogen, maar 't was hen duidelijk genoeg aan te +zien, dat zij die plotselinge oproeping niet buitengewoon op prijs +stelden. De Rosbachkerel bekende 't zelf zonder omwegen: + +--Eigenlijk waren we nog wel liever hier gebleven. + +Ook dat begreep meneer Bollekens volkomen. Maar eensklaps +overweldigde hem een vreeselijke angst: + +--Zullen we nu andere inkwartiering krijgen? vroeg hij. + +--Neen, dat geloof ik niet, er zullen hier heel weinig troepen +achterblijven, antwoordde de Rosbach-man. + +Hooger rees de stralende zon van hoop en verlossing in meneer +Bollekens' verlicht gemoed. + +--Maar ge blijft hier vanavond toch nog eten en slapen, niet waar? + +--Neen, ook dàt niet. Zij wilden graag dien laatsten avond in de +Rosbach, bij zijn ouders doorbrengen. Neen; 't was uit: zij kwamen +definitief afscheid nemen. En zij klakten slapjes de hielen bij +elkaar en reikten de hand. + +Weer ging de deur open en de zoon met de knappe meid traden binnen. +Dadelijk deelde meneer Bollekens hun 't gewichtig nieuws mede. + +Stram trok Bollekens junior zijn hielen bij elkaar, als in +defensiehouding en zijn strakke oogen peilden het gezicht der knappe +meid, dat trouwens geen de minste ontroering verried. Zij hadden +juist een geweldige scene gehad. De knappe meid had hem voor een +beslissende keuze gesteld: ofwel hij zou haar werkelijk tot wettige +vrouw nemen, of zij zou na den oorlog trouwen met den Rosbach-kerel, +die een flink en eerlijk man was en zielsveel van haar hield. + +--Gij zijt een slet, een vod! had woedend de zoon haar verweten; maar +verder had hij toch niet neen gezegd en de knappe meid voelde wel, +dat zij hem in haar strikken hield. + +Maar 't onverwacht vertrek der mannen gooide eensklaps alles om en +hij grijnsde van geheim triomfgenot, terwijl zij stug hare +teleurstelling verbeet. + +In zijn heropgewekt gemoed wilde vader Bollekens niet, dat ze zoo met +leegte handen van elkander zouden scheiden. Hij verzocht zijn gasten +nog even te zitten en liet een van de laatste en lekkerste flesschen +champagne ophalen, die, na de herhaalde requisities, in zijn kelder +overgebleven waren. Er werd geprosit, gedronken en gehakklakt en na +herhaalde handdrukken en afscheidskussen op de hand der knappe meid, +waren zij eindelijk weg. + +Zeven weken hadden zij daar doorgebracht + + * * * * * + +Den volgenden ochtend, in de vroegte, zagen de heeren Bollekens het +leger vertrekken. + +Zij woonden 't schouwspel bij van op hun bovenkamer, en hadden van +daar uit een prachtig overzicht, terwijl de troepen het nabijgelegen +plein verlieten en in gesloten gelederen de hellende straat oprukten. + +Eerst kwamen de wielrijders: honderden en honderden, in viervoudige +rijen, met de karabijn over den rug. Het had iets van een vroolijke +parade, als een feestelijk uitstapje van een reuzenfietsclub. Alleen de +geweren deden ietwat grimmig aan. + +Toen kwamen de paarden. De straten kletterden en dreunden van het +hoevengetrappel. De groote, stoere kerels zaten er op, de lansen +gespitst, met wapperende wit-en zwarte-vlaggetjes, als duizenden en +duizenden gevangen, maar nog vleugel-klapperende zwaluwen. Zij maakten +grooten, barschen, wreeden indruk. Wreed vooral door hun shapska's, +waarop een doodskop met gekruiste botten stond geprent. De honderden +toeschouwers langs de straten beefden voor die macabere +doodsverschijningen. 't Was als een leger van lijken, wraakgierig uit +hun graftomben opgestaan. Doch de eerste indruk verzwakte, er waren +er tè veel en de overdaad verminderde de griezeligheid. + +Toen kwam het voetvolk. Een hoofdman te paard voorop, met grijzen +punthelm en met langen, grijzen, over den rug van het paard slependen +mantel, en daar achter de mannen, in gesloten formatie, hun duizenden +stappen als één enkelen dreunstap tegen de huizen opgalmend, terwijl +de duizenden en duizenden punten der helmen door elkander wemelden en +wriemelden, als een krioeling van vluchtende ratten over een +bruisende en deinende zee. Bij tusschenpoozen roffelden de trommen en +piepten klagelijk de pijpers. En dan zongen zij, met zware, logge +stemmen, griezelig droef-klinkende liederen. Het kwam van verre +aangegolfd als een sombere klacht vol wraaklust en vernieling, het +overstemde alle andere geluiden, het bulderde even als een orkaan +tegen de hooge huizen op en nam dan langzaam in de verte af om op een +ander punt weer somber aan te zwellen, aldoor, aldoor, gelijk een +alles-overweldigende oerkracht, waartegen niets kon weerstand bieden. + +Toen kwamen de kanonnen... + +Roerloos voor hun venster naast elkaar gedrongen, zagen de heeren +Bollekens die kolossale macht voorbij trekken. Zij kregen het benauwd +van angst en begrepen niet hoe zulk een leger ooit moest overwonnen +worden. En toch, naarmate de vloed onder hun oogen verdween en als +'t ware in 't onbekende wegsmolt, scheen het hen toe alsof dat ruw +geweld toch eigenlijk maar van vergankelijken aard was en ten slotte +niets vermocht tegen den vasten, trouwen, eeuwenouden gang van het +gewone, dagelijksch leven. Zij hadden zwaar onder de overrompeling +gezucht en geleden, zij hadden diep getreurd en lang gewanhoopt, maar +duidelijk voelden zij nu met het aftrekkend, vijandelijk leger de +hoop en het geloof in betere dagen als een lente in zich opbloeien, +en toen de laatste benden heen waren en in de wekenlang gestoorde +stad weer rust en stilte was gekomen, toen voelden ze zich ook weer +meester in hun eigen huis geworden. + +'t Was een herleving, een zalige herleving, wellicht onzeker nog, +maar toch zoo vol van heerlijke beloften. 't Was als een milde adem +van verzoening over alles heen en meneer Bollekens senior verklaarde +jubelend dat hij zich ineens genezen voelde en meneer Bollekens +junior stramde zijn ledematen en zei dat hij nu vol vertrouwen in de +toekomst had. + + * * * * * + +Dien avond, voor het eerst na zeven lange weken, zaten zij weer +vertrouwelijk samen bij hun groote glazen in het kelderkamertje, dat +zij zoo gezellig tot een bierkneip hadden ingericht. Het was +misschien niet onberispelijk vaderlandslievend, dat zij zoo gauw weer +den vijandelijken drank gebruikten, doch wat moesten ze doen, de +vijanden hadden wel hun wijnkelder geplunderd, en, wat er ook +gebeurde, in de Rosbach, in de spelonk van de spionnen en verraders, +zouden zij nooit een voet meer zetten, daar zwoeren zij hun +plechtigsten eed op. + +En zij dronken gretig en zij rookten uit hun lange pijpen; en de +knappe meid, die op verzoek haar dameskleeren en haar trouwring had +afgelegd, bediende hen weer in een net schortje als een echte +kellnerin, eerst even nog met een gezicht vol nurkschen wrok, maar +ook van lieverlede meer meegaande en verzoenender gestemd, tot zij +weldra zoo goed als weer de oude was, in 't algemeen heropleven van +alles wat zoo vele jaren vast en trouw bestaan had. + +Bescheiden werd er op de deur geklopt. De knappe meid ging open doen +en het verlept gezicht der oude keukenmeid verscheen in 't deurgat. + +--Meneer, zei ze, op een toon die innerlijk jubelde, de vischman is +daar, die mij meedeelt dat de eerste bezendingen oesters daar juist +aangekomen zijn. Zouden we van avond niet... + +De beide heeren Bollekens lieten haar niet uitspreken. + +--Oesters! riepen zij. Dadelijk, Marie, dadelijk! Is de man daar +nog? Heeft hij ze bij zich? + +De oude heer stond op, had geen rust, wilde de oesters zien. Hij +volgde Marie naar de deur. + +--Papa is heelmaal opgemonterd, zei Bollekens junior tot de knappe +meid. + +Zij gaf geen antwoord. Zij veegde met een doek het tafeltje schoon en +haar mooie wenkbrauwen stonden ietwat gefronst boven haar strak vóór +zich uit starende oogen. Hij begreep dat het onweer nog niet +heelemaal van de lucht was. + +Hij drong niet aan; dat zou vanzelf wel weer in 't reine komen. Als +een pacha strekte hij zich in zijn leunstoel uit en haalde dikke, +witte kolken uit zijn lange pijp. + +Boven in de gang, klonk de zware stem van meneer Bollekens, die +gewichtig met den vischman onderhandelde... + + + * * * * * + + +II. + +HET OORLOGSHUWELIJK VAN MENEER CATHOEN. + + +Meneer Cathoen was een gelukkig mensch. Ik geloof niet dat iemand in +het dorp hem ooit anders beschouwd heeft, dan als een zeer, zéér +gelukkig mensch. + +Hij leefde, ongehuwd, in een tamelijk groot, burgerlijk-mooi huis, +met een dienstknecht en een meid. + +Vroeger had hij daar een vrij groote, drukke handelszaak. Hij kocht, +en verkocht, zoowat van alles. Hij kocht van de boeren hun graan, hun +lijnzaad en hun koolzaad en hij verkocht hen bouwmaterialen en +steenkolen, tarwemeel en lijnmeel, raapkoeken, guano, Chilisalpeter +en samengestelde chemische meststoffen. Hij had uitgestrekte +magazijnen achter zijn huis en een aantal werklieden waren daar +altijd bezig; maar langzamerhand, naarmate hij ouder werd, en +aangezien hij toch niet getrouwd was en ook niet trouwen zou; en +aangezien hij rijk genoeg geworden was om naar zijn zin te leven en +zich niets te moeten ontzeggen, ook zonder nog te werken, begon hij +van het sjouwen en aan zijn zaken gebonden zijn genoeg te krijgen, en +'t een na het ander liet hij weldra de lastigste artikels varen, om +er ten slotte slechts een paar van over te houden, juist genoeg om +nog een aangename bezigheid te hebben, zonder door tobberijen of +gezeur geplaagd te worden. + +Meneer Cathoen was een eigenaardig man. Zijn leven lang had hij de +boeren, die hem rijk hadden gemaakt, een beetje bedrogen en bestolen. +Niet te veel ineens, niet grof-brutaal, met groote slagen; maar +aldoor en in alles, bij kleine beetjes, bij kleine greepjes, die op +den duur van jaren een aanzienlijk totaal uitmaakten. Nooit had hij +een zak guano afgeleverd waar niet een snuifje molm of turf in +gemengd was; nooit een baaltje lijnmeel waar niet een paar schopjes +minderwaardige meelstof in verzeild waren. Zijn maten en gewichten +waren tweeërlei: een ietsje te groot en te zwaar voor wat hij +insloeg; een ietsje te klein en te licht voor wat hij uitleverde. In +zijn samentellingen slopen soms kleine vergissingen en 't was ook wel +een enkele maal gebeurd, dat wegens allerlei rompslomp en drukte een +betaalde rekening op de boeken vergeten werd uit te doen. + +In al zulke kleine schelmachtige knoeierijtjes schiep meneer Cathoen +een buitengewoon groot plezier. Hij had het niet noodig te doen, maar +hij kon het niet laten. + +Hij kon er in zichzelf om grinniken en lachen en hij had er des te +grooter pret in daar niemand er in de verste verte iets van vermoedde +en iedereen hem beschouwde als een toonbeeld van onbesproken +eerlijkheid en deugd. Alle menschen eerbiedigden, vereerden en +bewonderden hem om zijn vaardigheid, zijn slimheid en zijn fijnen +handelsgeest. + +Dat fijne en slimme en sluwe stond op zijn gezicht te lezen. Zijn +oogen keken u tintelend aan en de glimlach, die altijd om zijn lippen +speelde, scheen van zooveel te getuigen dat hij wist, maar niet +uitsprak. Hij bleef voor iedereen een raadsel en zijn gezicht was een +masker waarachter hij zijn echte-wezen hield verborgen. In zijn jeugd +moest hij zeker een flinke, knappe kerel zijn geweest. Hij was sterk +en forsch gebouwd met breede schouders en er liepen wondere verhalen +over zijn vroegere lichamelijke kracht. Hij vertelde trouwens zelf +heel graag daarover en het lukte hem ook, door diverse hulpmiddelen, +op gevorderden leeftijd, een uiterlijken schijn van buitengewone +pootigheid te bewaren. Hij hield zijn hooge gestalte nog heel fiks en +recht; zijn wangen, te nauwernood gerimpeld, droegen steeds een +frisschen blos, en hij bleef vlug op zijn beenen, zonder een schijn +van stramheid. Hij verfde zijn snor en droeg een pruik en zijn +dubbele rij valsche tanden getuigden duidelijk genoeg, dat hij aan +den feestdisch des levens nog mede wenschte aan te zitten. + + * * * * * + +Meneer Cathoen was een raadsel... En, zooals hij dat was in zijn +uiterlijk voorkomen, met zijn tintelende oogen en zijn geheimzinnigen +glimlach, waarachter zich zooveel scheen te verbergen, zoo was hij +het ook in zijn intieme levenswijze, waarvan zoo goed als niemand +iets af wist. Er bestonden uitwendige verschijnselen, die zich +telkens herhaalden en die men dus min of meer kon nagaan en eruit +afleiden wat men wilde, maar daar bleef het ook bij. Het eigenlijk +intieme leven van meneer Cathoen was een gesloten boek, dat niemand +in het dorp doorbladerd had. + +Vrienden had hij niet. Er kwamen er althans geene bij hem aan huis. +Familieleden had hij wel, doch het waren enkele verre neven en +nichtjes, die er slechts af en toe plichtmatig verschenen en er nooit +lang vertoefden, wellicht omdat zij daar niet zeer toe aangemoedigd +werden. Hij zelf ging weinig uit, meestal slechts eenmaal per week in +de stad naar de graanbeurs en verder moest hij wel zijn voornaamste +genoegens tehuis vinden, want hij bezocht heel weinig en haast nooit +voor zijn plezier de dorpsherbergen en van eens een reisje te maken +of eens naar de comedie te gaan of iets dergelijks was zelfs absoluut +geen sprake. + +Wat hem echter in zijn eenzaam oude-jonkmanshuis zoozeer kon boeien, +was alweer een onoplosbaar raadsel. + +Hij leefde er, zooals gezegd, met een knecht en een meid. De knecht +was meteen een beetje tuinman en de meid was tevens keukenmeid en +kamermeid. En nu was het in de huishouding van meneer Cathoen een +zeer eigenaardig verschijnsel, dat hij telkens van meiden veranderde, +terwijl de knecht er als 't ware vastgegroeid bleef. Een dienstmeid, +in het huis van meneer Cathoen, bleef er zelden langer dan een, +of hoogstens twee jaren. Dan vertrok ze, geen mensch wist waarom, en +er kwam een andere voor in de plaats. Altijd waren het meiden uit +verafgelegen, vreemde gemeenten. Nog nooit had hij er eene uit zijn +eigen dorp gehad. Nu eens was het een Vlaamsche, dan weer een Walin, +nu eens een blonde, dan weer een bruine of een zwarte; nu eens een +struische, dan weer een magere; en nu eens eene die men mooi vond en +dan weer eene die men leelijk vond; maar één eigenschap hadden zij +allen gemeen: dat ze vrij jong waren. Zij bleven een min of meer +langen tijd en vertrokken, en nooit hoorde iemand er nog iets van. +'t Was net of ze uit den grond ontsproten en er weer in verdwenen. De +oude knecht en tuinman, die dat al jaren en jaren bijwoonde, was er +onverschillig onder geworden. Hij had een zuur gezicht en liep +meestal inwendig te brommen. Hij had een gezicht alsof hij allerlei +dingen wist, die hij ten zeerste afkeurde, maar waarover hij zweeg, +omdat hij toch niet bij machte was er iets aan te veranderen. +Somtijds echter, flikkerde nog even als een schim van hoop in hem op. +Wel eens, als een meid waarmee hij kon opschieten, daar wat langer +dan de vorige bleef en vasten wortel scheen te krijgen, was het of in +hem de dood-gewaande illuzie van een vasten toestand herleefde. Zijn +grijze tronie fleurde op, hij praatte en lachte zelfs, hij werd een +ander mensch... tot het weer eensklaps uit was en hij opnieuw +chagrijnig zijn hoofd liep te schudden en te mopperen over toestanden +die hij grijnzend afkeurde, zonder er iets aan te kunnen veranderen. +Daar had je alweer het oude spelletje aan den gang, en het werd op +den duur zóó opvallend, dat de menschen in het dorp er over praatten +en sommigen het zelfs wel eens waagden er bij meneer Cathoen over te +zinspelen. + +Kostelijk was het dan om meneer Cathoen daarop te hooren antwoorden. +Zijn sluwe tintel-oogen glimlachten diep onder de dikke wenkbrauwen +en zijn geverfde snor grinnikte als 't ware van leedvermaak boven de +schitterende dubbel-rij der valsche tanden. Het leek of hij zich +voorbereidde om satirisch een diepzinnige, algemeene menschelijke +waarheid te verkondigen en eindelijk kwam het er uit: + +--'t Groensel groeit in de natuur en 't is ieder jaar precies +hetzelfde. 't Zou ook altijd precies eender smaken, en dus vervelend +worden, als het niet op verschillende manieren geprepareerd werd. +Daarom hou ik altijd mijnen zelfden hovenier en verander ik nog al +eens van keukenmeid. Versta-je 't? + +De ondervrager verstond het en glimlachte om 't leuke antwoord, maar +meneer Cathoen glimlachte nog oolijker, met iets van +innig-gekittelde, ondeugende pret en voegde er aan toe: + +--En met de visch en met het vleesch is 't ook precies hetzelfde. 't Is +de afwisseling in de sausen die er den smaak moet aan geven, +versta-je 't? + +De ondervrager wist niet altijd met volle zekerheid of hij 't +dan nog wel goed verstond. Wat hem wel eens deed twijfelen was de +guitig-uitbundige vroolijkheid waarmee meneer Cathoen er dan verder +kon over doorgaan. Meneer Cathoen kon daar soms in zijn eentje staan +te bulderen van de pret en dan had de vreemdeling wel eenigszins +'t gevoel alsof hij voor den gek gehouden werd. En de slotsom was nog +eens dat meneer Cathoen en zijn levenswijs voor alleman een raadsel +bleven. + + * * * * * + +Zoo leefde dus meneer Cathoen op het oogenblik dat de oorlog uitbrak. +Ik herinner mij nog heel goed, dat ik hem, enkele dagen na de +oorlogsverklaring, een bezoek bracht en hem in een toestand aantrof +zooals ik hem nog nooit gezien had. Hij was zenuwachtig, +zenuwachtig!... zoo dat hij geen tien seconden rustig op zijn plaats +kon blijven. Hij leek ineens een heel ander mensch geworden. De +angst, de doodsangst zat hem op het lijf en zijn scherpe oogen +loerden en speurden langs alle kanten, alsof hij overal reeds +vijanden ontdekte. + +--Zijn de menschen nu zot geworden! riep hij, van zoo verre hij mij +zag komen. Wat! Oorlog voeren! En waarom? Wat hebben wij, Belgen, +daarmee te maken! Wat kunnen ons de Duitschers, de Franschen en de +Engelschen schelen? Waarom laat men hun dat onder mekaar niet +uitvechten! + +--De Duitschers hebben onze neutraliteit geschonden, meneer Cathoen, +wij moeten onze onafhankelijkheid verdedigen, trachtte ik in +'t midden te brengen. Maar hij sneed mij heftig het woord af en +riep uit: + +--Onze neutraliteit! Onze onafhankelijkheid! Tuttuttut... dat +zijn dingen die wij niet kennen, die wij niet hebben! Wat kunnen wij, +onnoozele dwergen, tegen die reuzen op! Als ik nu bijvoorbeeld tegen +Fietriene 1) (Fietriene was zijn nieuwe meid, sinds een paar maanden in +zijn dienst gekomen); als ik nu tegen Fietriene zei: "Fietriene, doe +die deur eens open," en Fietriene zou weigeren, gelooft gij dat ik, +die de sterkste ben, daarom zou laten die deur te openen? +Tuttutut... ze zijn allemaal zot geworden in België, dàt zeg ik u, +en ze zullen ons allemaal ruïneeren en doen vermoorden! + +Fietriene liep gejaagd door de vertrekken heen en weer, de +Armen volgeladen met allerlei heteroclitische voorwerpen, die zij, op +bevel van haar meester, alvast ergens in veiligheid ging brengen. +'t Was een nog al knappe, blonde meid van een dertigtal jaren. Zij +had een frisch gelaat en wakkere oogen. De buste was goed gevuld en +op de heupen viel niets af te keuren. Dat alles teekende zich levend +af onder haar vlugge bewegingen en 't eenige wat iets minder mooi +scheen was de rug, die nog al onsierlijk welfde, alsof ze geen corset +droeg. Charlewie, de oude tuinman, hielp haar. Hij was taai en mager +en als 't ware uitgedroogd. Hij had zijn klompen uitgedaan en liep op +dikke grauwe sokken over de tapijten. Zijn zuur gezicht was als de +nurksche brommigheid verpersoonlijkt en hij grijnsde en mopperde +aanhoudend binnensmonds, terwijl hij af en toe zijn hoofd schudde en +zuchtte, als wilde hij beduiden dat de narigheid ten top gestegen was +en dat de wereld nu wel eindelijk zou vergaan. + + * * * * * + +Dagen en weken waren verloopen, dagen en weken vol droefheid en +angst. Het klein, heldhaftig leger was door den reus verslagen, het +land werd overweldigd en verwoest en duizenden en duizenden menschen +vluchtten naar alle oorden, een veilige schuilplaats zoekend tegen +brand en plundering en moord en vernieling. + +Aan meneer Cathoen en zijn eigenaardig, raadselachtig leven dacht ik +niet meer; en ik zou hem wellicht gansch vergeten hebben, had ik +niet, op een ochtend, een briefkaart van hem ontvangen, waarin hij +mij meldde dat hij behouden over de grens was gekomen en mij vroeg of +ik hem daar niet eens kwam opzoeken. + +Meneer Cathoen over de grens gevlucht! Meneer Cathoen, die nooit +reisde, in een vreemd land, dát alleen trok mij reeds machtig aan. +Ja, ik wou, ik móést hem zien! Ik wilde hem zien en hem hooren; ik +wilde weten hoe hij, de eigenaardige bij uitnemendheid, op de +schrikwekkende tijdsomstandigheden en gebeurtenissen reageerde. + +Het was een eindeloos lange reis en 't oord waar hij zijn toevlucht +had genomen, was er een dat, om zoo te zeggen, buiten de bekende +wereld lag. Ik stapte aan een verlaten klein stationnetje af, volgde +een doodschen straatweg aangelegd over een dijk tusschen polderland +en moeras, ontwaarde weldra een kerkje en een dorpje. Dáár was het. +Het waren meestal nietige woninkjes met blauwe horretjes achter de +kleine ruiten en 't scheen er uitgestorven, want er liep geen mensch +over de straat. Hier en daar een gezicht achter die horretjes, als +'t ware verwaasd onder het blauwachtig water van een bokaal, maar dat +toch scherp nieuwsgierig loerde, als verbaasd en ontdaan over de +ongehoorde verschijning van een vreemdeling in 't dorp. Ik telde de +kleine nummertjes aan de kleine huisjes, kwam op een pleintje, +waarachter een mooi, oud kerkje stond, zag daar een politie-diender +aan wien ik den weg vroeg. + +--'t Is daar, meneer, u staat er vlak voor, antwoordde glimlachend de +man, naar een der huisjes wijzend. + +Het was een dofgrijs, loodgrijs huisje, een deur en twee ramen +beneden, drie kleinere raampjes op de eenige verdieping. 't Had +blauwe horretjes als bijna al de andere huizen en achter een van die +horretjes zaten, vaag en verwaasd als onder het blauwachtig water van +een bokaal, twee oude en ouderwetsche vrouwegezichten, die mij strak, +met onbehouwen nieuwsgierigheid, aanloerden. Maar toen ze mij, dwars +over 't pleintje, op hun huisje zagen afkomen, schenen zij langzaam +in het vage weg te smelten, net als visschen, die zich stilletjes in +de diepte van een sloot laten zinken. Ik belde aan. Het belletje ging +zwakjes over, alsof het ergens heel, héél verre hing en toch voelde +men, dat het dichtbij de deur moest hangen. Het duurde lang, zéér +lang, vóór deze werd geopend. Ik strekte reeds de hand uit om een +tweede maal te bellen, toen de deur eindelijk heel langzaam en +omzichtig week en een gezicht aarzelend te voorschijn kwam. + +'t Was een der beide die ik, van op het pleintje, achter het horretje +gezien had. Een oude-vrijsters-type, geel als perkament, met breede, +als 't ware verwoeste trekken en groote zwarte oogen en een grootera +tandeloozen mond, die toch wel vriendelijk, ofschoon ietwat +wantrouwig, glimlachte. + +--Is het wel hier, juffrouw, dat meneer Cathoen inwoont? vroeg ik, na +gegroet te hebben. + +--Jawel meneer, antwoordde zij, mij aandachtig monsterend. + +--Is meneer thuis? + +--Neen, meneer; meneer heeft vandaag heel vroeg koffie gedronken en is +daar pas een half uurtje geleden met mevrouw gaan wandelen. + +Ik kreeg als een schok en bedwong met moeite een uitroep van +verbazing. Ik voelde mij een kleur krijgen. + +--Is... is... begon ik hopeloos te stameren. + +--Jawel, meneer, mevrouw is hier ook. Ze zijn samen over de grens +gekomen, tijdens de groote vlucht. Wist u 't soms niet, dat mevrouw +hier ook was? En achterdochtig-nieuwsgierig keek het mensch mij aan. + +--Ik wist het met geen zekerheid, maar vermoedde 't toch wel, +haastte ik mij te zeggen. Heeft u ook een idee, juffrouw, wanneer ze +terug zouden komen? + +--Vast en zeker vóór drie uur, bevestigde de juffrouw met klem. Nooit +blijven ze langer weg. Ze maken elken dag dezelfde wandeling, weet u +altijd langs den dijk tot in de buurt van de grens, op een hoogte van +waar ze in de verte iets van hun land kunnen zien. Ach, meneer, ze +zijn toch zoo verlangend om er weer terug te keeren. + +Ik voelde, dat het mensch aan de praat wou en week langzaam +achteruit. Ik zei haar, dat ik vóór drie uur terug zou komen. Maar +zij kwam met mij mee, tot op het pleintje en wees mij daar de +richting langs waar meneer en mevrouw Cathoen elken dag gingen +wandelen, en verzekerde mij dat ik hen onvermijdelijk zou tegenkomen, +als ik zoowat over een uur dien weg opliep. + +--Is hier ook ergens een hotelletje, of een herberg, waar ik iets +zou kunnen gebruiken, juffrouw? vroeg ik nog. + +--Zeker, meneer, zeker, daar, op den hoek, in _Den Arend_, heel goed. +En zij wees het mij met de hand. + +Ik keerde mij nog eens om, dankend en groetend, en meteen viel ook +mijn blik weer op de blauwe horretjes. Even zag ik er 't gezicht der +tweede juffrouw, blijkbaar de zuster, die mij scherp beloerde, maar +dadelijk in 't vage wegsmolt, als een visch die naar de diepte zinkt. + +Met vlugge schreden liep ik naar _Den Arend_ toe. + + * * * * * + +_Mevrouw_ Cathoen, dacht ik, _mevrouw_ Cathoen! En als een sarrend +refreintje dreunde 't onophoudend in mijn ooren. Wie mocht dat +wel zijn? Wie mocht dat wel zijn? Was meneer Cathoen, de oude, +hardnekkige vrijgezel, die nooit zou trouwen, dan toch maar hals over +kop getrouwd, sinds ik hem de laatste maal zàg? Zoo maar in eens, +zonder er iets van te melden? Of had hij 't mij wel laten weten, en +was zijn brief, in de oorlogsverwarring, verloren geraakt? Zou +meneer Cathoen dan wellicht... doch neen, die onderstelling was te +gek, dan had hij 't al immers veel vroeger gedaan. + +Stom van mij, dat ik aan die juffrouw althans niet gevraagd had hoe +mevrouw Cathoen er wel uitzag! Dan had ik misschien geweten. + +Ik zat daarover te prakkezeeren, in de griezelig-sombere, ijskille +eetkamer van _Den Arend_, waar ik de eenige gast was. Ik zou haastig +iets gebruiken en dan maar dadelijk den dijk op, om meneer Cathoen en +vooral _mevrouw_ Cathoen te gemoet te loopen. Een somber-zwijgzame +vrouw bracht mij, na lang en ongeduldig wachten, iets dat zij +beafsteak met aardappelen noemde. Die beafsteak zag lei-blauw en de +aardappelen leken op steenkool-vetballen. Dat alles zwom in een +donker vocht, als een mengsel van inkt met aangebrande olie. + +Toen ik enkele van de blauwe lappen had verorberd, lei ik er maar +vork en mes bij neer. Vruchteloos had ik geprobeerd ook een van de +zwarte vetballen te slikken. Na heel wat geklop en geroep en gefluit +en geschuifel kon ik eindelijk met de sombere juffrouw afrekenen, +--'t was niet goedkoop--en na haastig een sigaar te hebben +aangestoken, verliet ik met een snakzucht dien donkeren ijskelder van +ongezelligheid en holde den dijkweg op. + +Het was een gure, grijze, ijzige Novemberdag. De wind blies hard en +nijdig over dien hoogen berm tusschen de nattige vlakten en woei mij +tranen in de oogen. Het land scheen van een doodsche +triestigheid. Hier en daar lag een sombere, groote hoeve, diep in den +polder, door boomen omringd. Het leken eilandjes van nood-toevlucht, +midden in een grenzenlooze zee van wanhopige verlatenheid. En verder +was er niets dan de eindeloos-lange, kronkelende dijkweg beplant met +knotwilgen, en hier en daar een moerassige waterplas met wuivend riet +en opgekuifde schuimkammetjes onder den ijzigen, snerpenden wind. + +Af en toe een levend schepsel in die hopelooze eenzaamheid: een +Zeeuwsche boer, 't gezicht geschoren, de haren lang, geheel in 't +doffe zwart gekleed, alsof hij rouwde; of een boerin, enorme +rokballon op voeten, kort, spannend lijf en witgekapt hoofd met +gouden ornamenten, staag wiegelend op haar zware heupen, als een +schip voor anker. Zij groetten beleefd in 't voorbijgaan en 't somber +landschap, waaraan hun trage verschijning toch even iets van leven +gaf, scheen achter hen weer uit te sterven. Arme meneer Cathoen, +dacht ik, die hier als vluchteling, en voor hoelang misschien, is +gaan leven! + +Toen zag ik hem komen, ginds verre, ginds heel, héél verre aan den +grijzen einder, in een kromming van den eindeloozen dijk. Ik kon hem +op dien afstand niet herkennen, maar ik voelde dat hij 't was, want +naast hem liep een vrouw met scheef-waaiende rokken en handen die +haar kapsel vasthielden, een vrouw die blijkbaar geen boerin was van +de streek, zijn vrouw voorzeker, de raadselachtige, de mij nog +onbekende, die hij hals over kop gehuwd moest hebben, God wist +waarom, nadat de oorlog uitgebroken was. + +Toen ik slechts een paar honderd meters meer van hem verwijderd was +stak ik den arm in de hoogte, groetend-zwaaiend met mijn paraplu. +Hij scheen er eerst niets van te merken. Hij bleef gebogen vooruit +loopen, worstelend tegen den nijdigen wind. Maar ik zag dat de vrouw +hem een duw gaf en hij keek op en bleef staan. Weer zwaaide ik en +riep hem van verre goên dag. Nu had hij mij herkend. Hij wuifde +insgelijks met de hand en kwam naar mij toe. Een laatste bocht +scheidde ons en de stammen der knotwilgen onttrokken ons even aan +elkander's gezicht. Twee minuten later stond ik voor mijn ouden +vriend meneer Cathoen en... zijn dienstmeid Fietriene! + +Er was een korte weifeling in meneer Cathoen's optreden en +bejegening. Er was ook een korte aarzeling en gêne in mijn +begroeting. Kwam het door den wind, of de kou, of wat was het? Meneer +Cathoen scheen mij een ander mensch geworden! Hij teekende opeens +zijn leeftijd: dien van een oud, versleten man. Hij stond gebogen +vóór mij, zonder glimlach, met een ernstig, vermagerd gezicht en +oogen zonder levenstinteling. Hij droeg een wollen bouffante om den +hals en had een groote bonte muts op, waarvan de oorkleppen waren +neergetrokken. Een verrekijker hing in een koker aan een lederen riem +over zijn schouder. + +--Wel, wel, wie we nu zien! riep hij toch eindelijk en stak mij een +hand toe die beefde. Weet ge nieuws? vroeg hij dadelijk daarop. + +Nieuws! Ik begreep niet goed wat hij bedoelde. Ik draalde met mijn +antwoord, verwachtte eerder dat hij mij nieuws zou mededeelen. + +--Niets van den oorlog? drong hij aan, vagelijk teleurgesteld. +Ik moest ontkennend antwoorden. Er was immers nooit eenig nieuws over +den oorlog, behalve de leugenberichten van alle couranten. Ik +vertelde hem in 't kort de laatste leugens die ik vluchtig had +gelezen. + +Hij slaakte een moedeloozen zucht en liet zijn armen hangen. +--Nog geen hoop dus, dat we naar ons land terug mogen, weeklaagde +hij. + +Ik kon niet anders dan toegeven, dat daar nog geen de minste hoop op +was. + +--Wij zien Vlaanderen elken dag, zei hij; wij komen er juist weer +vandaan. + +Ongeloovig keek ik op, doch herinnerde mij meteen wat de juffrouw uit +het grijze huisje mij had meegedeeld. + +--Ja, dat heeft uw hospita mij verteld, zei ik. Hij schrikte op. + +--O, zijt ge reeds aan huis geweest? vroeg hij. + +Ik bekende, dat ik er geweest was en dat de juffrouw mij gezegd had +hoe ik hem met zekerheid ontmoeten kon. + +--En... heeft ze u ook nog meer verteld? aarzelde hij. + +Glimlachend keek ik even naar Fietriene, die dadelijk, met een blos +op de wangen, zedig haar oogen neersloeg. + +Meneer Cathoen werd geagiteerd. Hij keerde even den rug naar een +snerpende windbui en wreef met een zakdoek de koude tranen uit zijn +oogen. Toen wendde hij zich weer tot mij en zei: + +--We hebben ons daar als man en vrouw moeten aanmelden. Het kon niet +anders. Het dorp stroomde de eerste dagen propvol met vluchtelingen. +Toen wij daar aankwamen was er in de heele plaats slechts één huis +meer beschikbaar, en in dat huis slechts ééne kamer, met één bed. + +Ik boog en glimlachte. Absoluut geen bezwaar van mijn kant. Ik vond +het best. Maar horizonnen over het verleden leven van meneer Cathoen +gingen eensklaps als ondeugende openbaringen voor mij open. Hij +scheen mij te raden en zijn op mij gepriemde oogen tintelden, heel +even. En plotseling kwam het er uit, ernstig, gewichtig: + +--Wij gaan dan ook trouwen. Het is vast besloten, zoodra wij in +'t land terug kunnen komen. + +Ik nam mijn hoed af voor Fietriene en wenschte hen beiden geluk. +Fietriene bloosde heel sterk en sloeg opnieuw, met een vagen +glimlach, haar oogen neer. Maar meneer Cathoen werd +zenuwachtig-gejaagd. + +--Het kon niet anders, herhaalde hij, als om zich te +verontschuldigen; het kon niet anders, want te veel menschen uit het +dorp, die gelijk met ons vluchtten, hadden ons hier samen gezien en +wisten dat wij dezelfde kamer bewoonden. Ik wil later toch weer als +een degelijk man voor mijn medeburgers verschijnen. + +Nogmaals boog ik, een en al goedkeuring. Maar vele vragen kwamen op +mijn lippen die ik nu niet uiten mocht. Het speet mij dat ik niet +even met meneer Cathoen alleen was. Hij leek mij in een stemming om +iets als een volledige biecht te spreken en 'k voelde mij gekitteld +door ondeugende nieuwsgierigheid. Het ging echter nog niet. Meneer +Cathoen had blijkbaar naar zijn zin genoeg over het geval meegedeeld +en scheen door die bekentenis eenigszins opgemonterd. Hij vroeg mij +wanneer ik weer weg moest en toen ik hem het uur zei van mijn trein +had hij een uitroep van genoegen en jubelde omdat wij nog uren lang +bij elkander mochten blijven. Hij was zoo blij weer eens een bekende +te zien, zei hij, en eensklaps vroeg hij mij of ik geen zin had ook +nog eens ons dierbaar Vlaanderen te bekijken. + +--Ons dierbaar Vlaanderen bekijken! herhaalde ik verbaasd. + +Kom mee, riep hij, zich omkeerend; kom mee, gij zult het zien! + +Wij liepen terug over den dijk, den weg volgend waar zij vandaan +kwamen. De gure wind deed zijlings onze kleeren van ons afwaaien. +Fietriene hield worstelend haar hoed met beide handen vast en meneer +Cathoen's oogen schreiden van de kou. Maar 't leek of hij ineens weer +jeugdige levenskracht in zich gekregen had; hij liep gebogen doch met +forschen wil tegen de windbuien in. Wij kwamen aan een smal +bruggetje, dat wij overstaken, ons aan de railing vasthoudend. Daar +daalden wij den berm af en voelden minder wind. Wij hielden er even +stil om op adem te komen. Toen gingen wij dwars over een uitgestrekt +weiland en kwamen aan een soort van duin, begroeid met hakhout en met +jonge sparren. + +Met vlugge, veerkrachtige schreden klom meneer Cathoen de helling op. +Fietriene en ik volgden. Hijgend bleef hij bij een zandkuil staan, +die tamelijk goed tegen den wind beschut was en zei: + +--Laten we hier even gaan zitten. + +Wij zaten: meneer Cathoen en Fietriene dicht bij elkaar in 't mulle +zand; ik een paar schreden verder, op een kronkeligen, half +ontblooten eikenwortel! + +--Dáár ligt Vlaanderen, zei, met een trilling in zijn stem, +meneer Cathoen, terwijl hij een bevende hand naar het Zuiden uitstrekte. + +In 't grijzig-dof verschiet, op enkele kilometers afstand, achter een +vlakte van vaalgroene weilanden, vertoonde zich een dichtbegroeide +en bebouwde streek. De kale boomen stonden er donker op elkaar +gedrongen en tusschen de stammen door zag men hier en daar lichte +huisjes, met roode daken en een enkel kerktorentje, dat er eenzaam en +leigrijs boven de naakte kruinen uitpuntte. Daar lag het ongelukkig +land, als verborgen achter een sluier van sombere triestigheid. Daar +voelde men als 't ware het lijdende leven der droevige menschen; en +de krassende kraaien, die in de grijze lucht rondzwermden, schenen +snerpende noodkreten van gefolterde wezens te slaken, en de wind die +klagelijk door de sparrekruinen van den duinheuvel suisde, weerklonk +als het gesmoord en aanhoudend gejammer van een gansch volk, dat zich +in wanhoop en ellende voelt vergaan. + +Meneer Cathoen had met inspanning zijn verrekijker losgehaakt en +reikte hem mij over. + +--Kijk, zei hij, gij zijt jonger dan ik en uw oogen zijn beter dan de +mijne. Ziet ge daar dat grijs, puntig kerktorentje, achter en boven +die verre boomen? Ja? Welnu, naast dat kerktorentje, rechts, maar nog +veel verder en dieper in, staat er een tweede torentje, een met een +ronden koepel. Ziet ge 't, ja? Bij helder weer zie ik het ook soms, +maar nu is het te grijs en mistig en mijn oogen zijn niet goed +genoeg: nu zou ik het niet kunnen zien. Ziet gij het? Vindt ge 't? + +Eenklaps zag ik het: heel, héél verre en nauwelijks zichtbaar in de +grijze lucht, als een ietwat doffer-grijze schaduwstolp. + +--Ja, meneer Cathoen, ik zie het? riep ik. + +--Dat is óns dorp, zei hij, met schor-trillende stem. "Hoe zal het +daar nu zijn?" En een snik brak in zijn keel. + +Ontroerd liet ik den verrekijker neer en keek hem aan. Groote tranen +blonken in zijn oogen en zijn lippen beefden. Hij slaakte een diepen +zucht en plotseling begon hij te schreien. + +Ontsteld en vol moederlijke zorg neeg Fietriene naar hem toe. + +--Nee, Papatje, nee, Papatje, gij moogt u dat verdriet niet blijven +aandoen; kom, kom, we gaan weg, suste zij. + +Papatje! Wat klonk dat gek en toch ontroerend! Ik had kunnen lachen +en toch was ik zelf diep bewogen. Ik wist haast niet hoe ik mij +houden moest. + +Meneer Cathoen was opgestaan. Vol zorg en toewijding steunde +Fietriene hem onder den arm. Hij scheen zich even voor zijn emotie te +schamen en poogde te glimlachen. + +--Ik hou van mijn land, zei hij eindelijk. Ik wist niet dat ik er +zooveel van hield. Ik zou liever dood zijn dan er niet terug te mogen +keeren. Ik ben er toch zoo gelukkig geweest! + +--Maar gij moogt er terug keeren, meneer Cathoen, niemand zou u dat +beletten, poogde ik hem te troosten. + +--Als vrij mensch, in een vrij land, zoo wil ik er terugkeeren en +anders nooit, nooit, nooit! riep hij, met eensklaps heftig +opvlammenden hartstocht. Ik wil geen vijand zien; ik wil van geen +vreemden dwingeland hooren dat ik dit mag doen en dát moet laten; ik +wil niet in mijn eigen land beleedigd en vernederd en mishandeld +worden, verdome! gilde hij plots met fonkelende oogen en ballende +vuisten. + +Angstig trok Fietriene hem van den heuvel weg. "Nee, nee, Papatje, +nee, nee, Papatje, ge moogt u niet zoo opwinden," suste en smeekte +zij. "Kom, kom, we gaan terug naar huis, 't is hier niet goed voor u, +'t wordt hier te koud." + +Hij liet zich meetrekken. Zijn toorn viel ineens en hij zakte in +elkaar, als een oud, versleten man. Wij keerden 't droeve Vlaanderen +den rug toe en de snerpende, loeiende wind stuwde ons weer naar den +dijkweg. + + * * * * * + +Het schemerde reeds toen wij in het dorp terugkwamen. O, die stilte, +die benauwende eenzaamheid van het doodsche, als het ware +uitgestorven oord! Wij ontmoetten slechts enkele vage schimmen van +menschen, die met gesmoorde stem groetten en den politie-diender, die +nog steeds op 't pleintje stond en vriendelijk-beleefd meneer Cathoen +bij den naam noemde. Hier en daar, achter de nog niet dichtgeluikte +ramen, begon een zwak lichtje te pinken. In Den Arend, waar ik de +blauwe beafsteak en de donkere vetballen had gekregen, stond een lamp +achter 't buffet, in de sombere diepten der gelagkamer, als een +waskaars bij een lijkbaar. + +--Ga binnen, zei mijnheer Cathoen, met een sleutel de deur van +'t grijze huisje openend. + +--Wijs mij de weg, antwoordde ik, hem en Fietriene voor latend. + +Wij traden in het smalle, donker gangetje en meneer Cathoen klopte +rechts op een deur. Onmiddellijk werd die geopend en de oude +vrijster, die mij in den vroegen namiddag had ontvangen, trad te +voorschijn. + +--Kom binnen, mevrouw en meneeren, kom binnen, noodde zij, nijgend +en groetend. + +Wij volgden haar en kwamen in een kamertje, waar het bijna reeds +gansch donker was. Een zwak, grijsachtig licht schemerde nog van +buiten door de horretjes en bij een der ramen zat de zwarte gestalte +van een kleine vrouw, die dadelijk voor ons opstond. + +--Mijn zuster, stelde de andere haar voor. + +Ik kon te nauwernood iets van haar gelaatstrekken onderscheiden. Ik +merkte slechts dat zij kleiner en magerder was dan haar zuster. Zij +groette in stilte en schoof gebogen en bescheiden langs ons heen de +kamer uit. + +--'k Zal dadelijk licht aansteken en u alleen laten, zei de +eerste, zich om de lamp beijverend. + +--Geen haast, juffrouw, geen haast, antwoordden meneer Cathoen en +Fietriene eenstemmig. + +Het licht ging op; er kwam iets als leven in de doode omgeving. De +juffrouw spoedde zich naar de rolgordijnen en liet die neer. De gele +vlakken der gordijnen gaven iets van lichtere gezelligheid. + +--'k Zal dadelijk voor de koffie en de krentenbroodjes zorgen, zei +ze, zich weghaastend. + +Meneer Cathoen was aangedaan. "Zulke brave menschen, daar hebt ge +geen idee van," zei hij. + +Wij hadden overjassen en mantel uitgetrokken en namen plaats om een +ronde tafel, die met een roodbruin kleed bedekt was. Ik keek eens +even rond. Een donker ramage-behang bekleedde de wanden, waaraan +chromo-litografiën hingen. Op den schoorsteenmantel stond een spiegel +en een penduletje, rechts en links van de ramen waren twee +gemakkelijke stoelen. Dat was alles. Ik keek opnieuw naar de gele +rolgordijnen: die gaven er werkelijk nog het meeste leven, de lichte +gezelligheid. + +--Aardig vindt ge niet? glimlachte meneer Cathoen. Het is _hun_ kamer, +maar ze staan ze ons af, zoodra en zoolang als we thuis zijn. Ze doen +alles wat ze kunnen om ons hier thuis te doen voelen. En kijk eens +om, achter uw rug; dat hebben ze ons vandaag cadeau gedaan. Vindt ge +'t niet een delicate attentie? + +Ik keerde mij om en bemerkte een lijst onder glas aan den wand. Op +een donkeren fluweelgrond was er iets met gekleurd stroo gevlochten +en ik las: + +_"Zooals het klokje thuis tikt, tikt het nergens."_ + +Verbluft keek ik meneer Cathoen aan. Sprak hij in ernst of probeerde +hij mij voor den gek te houden? Neen, hij meende 't ernstig; ik zag +dat hij ontroerd, verteederd was. Een vochtige glans blonk in zijn +oogen. En, daar juist de juffrouw met de koffie en de broodjes binnen +kwam, drukte hij haar nog eens zijn hartelijken dank voor het +geschenk uit en zei haar, dat ook ik het zoo bizonder aardig en +vriendelijk vond. + +De juffer glunderde; haar groote, tandelooze mond glimlachte in haar +geel en zwart gezicht. + +--Niet waar, meneer, ze moeten zich hier maar lekker thuis voelen en +niet te veel aan hun land denken; dat komt wel weer terecht! zei ze +aanmoedigend. + +Na de blauwe beafsteak en de donkere vetballen in _Den Arend_, waren +de broodjes en de koffie mij niet onwelkom. Fietriene bediende ons +met voorkomende zorg en meneer Cathoen scheen heel wat opgefleurd. +Zoo ging het met hem, zei hij zelf: zonder overgang opgewekt of gedrukt, +van 't eene oogenblik tot 't andere. Kon hij dien schrikkelijken +oorlog maar voor goed uit zijn hoofd zetten; er was toch niets aan te +doen! Maar dat kon hij nu eenmaal niet en daaronder leed hij zoo, +onophoudend heen en weer geslingerd tusschen hoop en moedeloosheid. +O, den dag waarop hij weer naar zijn land terug zou mogen keeren, als +vrij man naar zijn vrije land, dan moest ik er ook bij zijn, dan +moest ik met hem meegaan, met hem en met Fietriene, en ik moest ook +aan hun bruiloft deelnemen, dat deed hij mij vast beloven, aan hun +bruiloft die zou plaats hebben zoo spoedig mogelijk na hun terugkomst +en waarbij het gansche dorp, door hem getrakteerd, dagen na elkaar in +uitgelaten feeststemming zou zijn. + +Zijn oogen schitterden en lachten en hij leek mij eenklaps weer +geheel de oude, vol ondeugende, guitige schalkschheid. Fietriene was +opgestaan en had de kamer verlaten om het koffiegerei met de juffrouw +in de keuken te helpen omwasschen, en zoodra ze weg was schoof hij +naar mij toe, klopte vertrouwelijk op mijn knie en grinnikte: + +--Nou, hoe vindt ge 'r? Dat hadt ge niet verwacht, hé? + +--Misschien,... 'n beetje... glimlachte ik. + +Daar had hij eensklaps dolle pret om. Zoo!... Had ik daar toch +wel iets van vermoed! En hoe dan? En waarom? En wanneer? Het was toch +immers maar louter toeval geweest, omdat ze samen naar hier gevlucht +waren, omdat ze genoodzaakt waren geweest hier hetzelfde huis, +dezelfde kamer, waarin slechts één bed stond, te betrekken. + +Hij keek mij aan met zijn priemend-ondeugende oogen, hij wilde +blijkbaar weten wat ik er verder van dacht of vermoedde en, door wat +ik dacht of vermoedde, onderstellen, wat heel het dorp ervan wist of +zou vermoeden. Ik dacht aan al de ontelbare meiden, aan al die +blonde, die bruine en die zwarte, aan al die magere en al die dikke +maar steeds flinke en jonge, die in den loop der jaren bij hem in +dienst waren gekomen en telkens na een poos weer waren weggegaan, en +eensklaps voelde ik in hem den ouden scharrelaar, die hij in +'t geniep zijn levenlang geweest was en wellicht nog zou gebleven +zijn, als niet het onvoorziene toeval van den oorlog en zijn +schrikvlucht hem voor een gedwongen keus en oplossing gesteld had. +Als een pacha had hij in zijn dorp geleefd en niemand had er ooit +iets van gemerkt, evenmin als er ooit iemand argwaan kreeg over zijn +kleine, sluwe handelsknoeierijtjes, en daar genoot hij nu nog van met +heimelijk-ondeugende napret; daar smulde hij van in zichzelf, nu voor +'t laatst nog, ondanks al de narigheid van een toestand, die er +meteen een einde aan zou maken. + +Maar de deur ging open en Fietriene kwam weer binnen. Terstond +veranderde meneer Cathoen van gesprek en oogenblikkelijk kreeg zijn +gezicht weer dat oude, dat ernstige, dat moedeloos-gedrukte, +weerschijn van de snel-afwisselende stemmingen waaraan hij, sinds +zijn ballingschap, zoo onderhevig was. Ik keek naar de klok. Langzaam +aan begon het mijn tijd te worden. Ik zei het aan meneer Cathoen, die +even een zucht loosde. + +--Ach, als men maar altijd een landgenoot en vriend bij zich had! +klaagde hij. + +--Tuttuttut, ge moet geduld en courage hebben, meende Fietriene. + +Ik was opgestaan. Ik glimlachte bemoedigend en strekte de hand uit +tot afscheid. + +--'k Ga met u mee tot aan de statie, besloot eensklaps meneer +Cathoen. + +--Maar Papa, 't is veel te koud voor u! en ook veel te verre! maakte +Fietriene zich bezorgd. + +Papa! Wat kittelde Fietriene toch telkens mijn lachlust als ze dat +zei. + +--Niemendal, niemendal, stribbelde meneer Cathoen kribbig tegen; en +met zenuwachtige handen zette hij z'n dikke, bonte muts op. + +Ik drukte de hand van Fietriene, wenschte haar tot wederzien, zoo +gauw mogelijk, in Vlaanderen, op haar huwelijksfeest. + +Zij lachte schel en keek mij even aan, met vurige koonen en oogen die +eensklaps wild blonken. 't Was of ik iets verschrikkelijk-ondeugends +had gezegd. + +--Mijn groeten aan de juffrouwen, zei ik nog. En buigend onder de +deurlijst stapte ik met meneer Cathoen naar buiten. + +Hij zei geen woord meer; hij scheen eensklaps uitgepraat. Wij +vorderden langzaam door de stille, mistig-sombere straat, die zwak +verlicht was door enkele povere lantarens. Geen mensch op het pad, +geen het minste geluid van leven achter de gesloten deuren. Slechts +hier er daar nog een lichtje door de ramen, met een troebele vizie +van sombere, triestige dingen daarbinnen. + +Wij kwamen aan het kleine station. Daar was 't iets minder doodsch. +Drie menschen zaten er op den trein te wachten, een paar soldaten +liepen er heen en weer, het telegraaftoestel tikte achter het loket +en in een hoek stond een man bij een nietig +kranten-en-boekenstalletje. + +--Kranten, meneeren? vroeg hij met halfluide stem. + +--'t Is te vroeg, die kunnen er nog niet zijn, meende meneer Cathoen. + +--Pardon, meneer, pas aangekomen, verzekerde de man. + +--Wat! riep meneer Cathoen, opgewonden tot het stalletje naderend. + +Waarachtig, het waren de couranten, die anders slechts een uur later +bij hem werden bezorgd en waar hij dan verder gansch den avond in te +lezen zat, steeds hopend er 't bericht te vinden van de groote +overwinning, die den gehaten vijand uit 't geliefde land verjagen +zou. + +--Hoe komen ze toch zoo vroeg vandaag? zei hij, gretig zijn voorraad +inslaande. + +--Ze komen elken avond om dit uur, meneer, antwoordde de man. + +--En ik ontvang ze pas een uur en soms wel anderhalf uur later! riep +meneer Cathoen verontwaardigd. + +--Dat is de bestelling aan huis, meneer, zei droogweg de verkooper. + +--Begrijpt ge zoo iets? keerde meneer Cathoen zich tot mij om. 't Is +iets van zeven of acht minuten loopen en daar hebben ze een uur of +anderhalf uur voor noodig! + +Maar hij luisterde zelfs naar mijn antwoord niet; hij haalde gejaagd +zijn bril te voorschijn, ging midden in de wachtzaal onder de +hanglamp staan, ontvouwde daar, met zenuwachtig gefrommel, de +couranten. + +--Alweer 't zelfde spel! Wat is dat nu weer! Ze hebben nog eens +Allebei gewonnen! pruttelde hij, als gesard zijn hoofdschuddend. + +Doch hij zag niet goed onder die vieze, smeulende lamp, hij begreep +ook niet goed wat hij las, beweerde hij; hij plooide zijn couranten +dicht en flapte ze weer open; en eindelijk kwam hij naar mij toe en +zei: + +--Weet ge wat: ik heb u nu tot hier gebracht en kan u toch niet +verder vergezellen. Fietriene zou ook bezorgd en ongerust over mij +worden. Ik ga u nu maar verlaten en hoop dat ge mij al gauw weer eens +komt opzoeken, of, liever nog, dat we mekaar binnen kort in ons +dierbaar land terug zullen zien. + +Hij drukte en schudde mij de hand, mij herhaaldelijk "tot weerziens" +wenschend. Hij liep nog even haastig tot bij den man van het +stalletje om hem te zeggen dat hij er voortaan elken avond zelf zijn +dagbladen zou komen halen en met een laatste gewuif was hij weg, +zijn avondvoorraad van lectuur als een schat onder den arm knellend. + +--Arme meneer Cathoen, die daarin zijn hoop en steun moet zoeken! +dacht ik bij mezelf. Gelukkig maar dat hij nog Fietriene heeft om +zich te troosten. + +Ik stond daar even, doelloos, niet goed meer wetend wat te doen. Ik +haalde mijn horloge uit. Nog ruim tien minuten. + +--Kranten, meneer? klonk weer halfluid de stem van den man. + +Ach ja, waarom ook niet! Ik kocht mij voor een dubbeltje bedrukt +papier, en, op een harde bank gezeten in de kille wachtkamer, nam ik +op mijn beurt kennis van de laatste officieele leugentelegrammen over +de gebeurtenissen van den vreeselijken wereldoorlog. + +[Voetnoot van de schrijver: +1) Victorine] + + * * * * * + +III. + +RIKIKI. + + +Alweer begonnen de granaten over de stad neer te barsten... + +Waar de kanonnen eigenlijk stonden kon slechts vagelijk worden +uitgemaakt. Men hoorde de zware, mathematisch gescandeerde slagen uit +de richting van het zuiden opkomen: dat was alles. Een doffe, verre +bons, die even den grond deed dreunen en de ruiten deed rinkelen en, +nog vóór het dreunen en het rinkelen had opgehouden, een gierend +geloei hoog in de lucht, een langgerekt loeien en gieren dat in +woeste vlucht met toenemende felheid en snelheid naderde, en plots +daarop een krakende knal van barstend metaal, gevolgd door een +gedonder van ineenstorting, alsof een gansch gebouw opeens ten gronde +werd vernield. Onmiddellijk daarop de stilte, de doodsche, griezelige +stilte: de wachtende, benauwende stilte na een knetterenden +donderslag. En dan opnieuw het dof gedreun ginds verre, het +gierend-suizen in de hooge lucht, het loeiend-neerslaan van +'t onzichtbaar monster, en 't barsten en 't kraken en 't denderen en +'t verpletteren, en dan plotseling weer de doodsche, griezelige, +akelige stilte. Die absolute stilte was het schrikkelijkste, omdat +het onnatuurlijk was. 't Was onnatuurlijk als een vlekkeloos-stille, +helderblauwe hemel, waarin een alles-overweldigend woest onweer zou +woeden. + +De stad was bijna leeggevlucht. Op straat geen mensch meer. De +weinige bewoners die er nog gebleven waren, zaten in hun kelders +weggescholen. En die absolute stilte in de tusschenpoozen van +'t bombardement, gepaard met die totale afwezigheid van menschen, +maakte den indruk alsof er ook geen apart menschelijk lijden noch +verdriet meer was onder den globalen omvang der afgrijselijke ramp. +De groote, anonieme krachten van vernieling voerden 't woord; de +zwakke klaagstemmen der lijdende menschen hadden klank noch +beteekenis meer. + + * * * * * + +De oude, gepensioneerde generaal, zijn vrouw en zijn schoonzuster, +waren nog niet gevlucht. Zij hadden maar niet kunnen scheiden van +hun mooi en gezellig huisje op de oude gracht. Te veel stil geluk en +levensvrede was daar met hun gansche wezen saamgegroeid. "Ik ga +niet, ik wijk niet, ik blijf op mijn post," had de oude generaal +herhaaldelijk en met nadruk gezegd, alsof nog steeds, gelijk +vroeger, een verantwoordelijke plicht op hem woog. Maar zijn broer, +die reeds met zijn gezin naar Engeland gevlucht was, hield niet op +hem aan te wakkeren om daar ook te komen, bewerend dat ze 't er zoo +goed hadden, dat zij er, dank zij de onuitputtelijke liefdadigheid +der Engelschen, als prinsen leefden op een prachtig buitengoed, +met bediening en automobiel, alles gratis tot hun vrije beschikking; +en de vrouw en de schoonzuster, die van lieverlede half waanzinnig +waren geworden van angst, schreiden gansche dagen en nachten en +baden en smeekten den generaal, dat hij toch eindelijk, vóór het te +laat was, ook met hàar vertrekken zou. Wat hadden zij eraan om hier +nog langer in die hel te blijven! Zij hadden gered was zij konden: +hun geld, hun waarden, hun juweelen; het overige konden zij niet +meenemen, het moest maar aan God's genade worden overgelaten. Alleen +hun leven had verder nog waarde: hun leven en het dierbaar leven van +Rikiki, die anders ook met hen, onder de puinen van het huis, zoude +begraven worden. + +Rikiki was hun hondje: een van die kleine, bruine luxe-keffertjes +met verfrommeld haar, spits-geknipte oortjes en wakkere, blinkende +oogjes. De oude, barsche generaal kon wel eens echt +ongeduldig-militair optreden tegen zijn vrouw en zijn schoonzuster, +en de beide zusters konden met elkaar wel eens kibbelen, maar Rikiki +verzoende hen allen, voor Rikiki hadden zij niets dan liefde en +liefkoozingen over. Rikiki was hun kind, hun schat, hun leven, hun +alles. Rikiki was noch van den generaal, noch van zijn vrouw, noch +van haar zuster: Rikiki was van hen allen. Eerst was Rikiki, dan was +het dierbaar huis, dan was de generaal, dan was de vrouw en dan de +schoonzuster; en dat alles smolt samen tot één enkel, dierbaar +symbool van geluk, en dat dierbaar symbool was nog eens Rikiki. +Rikiki was de kracht en de zwakte, Rikiki was de ziekelijke weelde, +de luxe-tyran van het gansche oude huisgezin! + + * * * * * + +"Rikiki zal hier met ons onder de puinen van ons huis begraven +worden!" + +Deze tragische voorspelling, door vrouw en schoonzuster met klem +herhaald, gaf tenslotte den doorslag. Onder het razend geloei en +gekraak van de barstende bommen, die met toenemend geweld op de +geteisterde stad neervielen, bekeek de oude generaal het aardig +snoetje van Rikiki, die met hen in den kelder zat verscholen en zijn +stugge hart vermurwde. Misschien hadden de bange vrouwen dan toch +wel gelijk. Hij keek door een reet van 't keldergat naar buiten in +de straat. Zijn wenkbrauwen stonden boos en chagrijnig gefronst, +zijn harde mond bromde verwenschingen onder de lange, witte, van +verontwaardiging trillende snor. Is dàt nu oorlog voeren, een open +stad bombardeeren! gromde hij. Hij vloekte en vervloekte zulk een +vijand. Doch wat hielp het? Sinds dagen liep hij zoo machteloos te +foeteren en te brommen; maar de kanonnen van den vijand overbromden +zijn gefoeter en dreven een snerpend-vernielenden spot met zijn +nijdige, razende klachten. Het woestbrutale recht, het recht van +den sterkste zegevierde en daar was niets tegen te doen. + +De oude generaal slaakte een wanhoopszucht. Hij haalde zijn horloge +uit. Vijf uur. Wellicht zou het bombardement spoedig verzwakken en +evenals elken dag met het invallen van den nacht geheel ophouden. +Dan zouden zij kunnen gaan. Sinds dagen stond het weinige wat ze +konden meenemen in valiesjes klaar gepakt en zijn fortuintje droeg +hij in een portefeuille op zich, dag en nacht. Hij liep nog eens +naar boven, ondanks de smeekingen der vrouwen, die gruwden voor +'t bombardement-gevaar en hij doorsnuffelde al de kamers van het zoo +dierbare huis. Ach! dat hij dit nu toch alles in den steek moest +laten! Tranen kwamen in zijn oude oogen en nu de vrouwen het niet +konden zien, schaamde hij zich voor zijn bittere droefheid niet. Hij +snikte. Zijn bevende handen bevoelden en omknelden de dierbare +meubels, de gordijnen, de kleeden, de kleinoodiën, alles wat in +zooveel lange jaren met zijn leven was vergroeid en dat hij daar nu +onbeheerd aan willekeur, aan roofzucht en vernieling prijs moest +geven. Hij hoorde de dreunende knallen der barstende bommen +niet meer,'t kon hem niet schelen; hij was geheel en al verslonden in +zijn eigen, onmiddellijk-gevoelde smart en droefheid. + +Hij droogde zijn tranen af en sukkelde met bibberende lippen weer +beneden. De vroege avond zonk reeds triestig in den somberen kelder +en de beide vrouwen, angstig naast Rikiki op een der gëimproviseerde +ledikanten gezeten, slaakten een kreet van verlichting toen zij hem +ongedeerd weer zagen binnen komen. + +--We zullen vannacht maar vertrekken, zei hij eensklaps, met sombere +stem. + +Zij juichten op, als van verlossing. + +--O, ja! O, ja! riepen zij smachtend. + +In koortsachtige haast was de schoonzuster opgevlogen, alsof het nu +reeds dadelijk ging gebeuren. Dat maakte hem nijdig, kwaadaardig. + +--Geen haast, geen haast, schimpte hij: het regent nog steeds +bommen daarbuiten. + +--Ik wou alleen maar 't een en 't ander klaar maken voor ons +avondeten, antwoordde zij nederig, zich over haar gretige haast +excuseerend. + +Hij bromde iets onverstaanbaars als antwoord en ging somberzwijgend +op een stoel in den droef-schemerigen kelder neerzitten. + + * * * * * + +Met stillere voortvarendheid nu maakte de schoonzuster de +toebereidselen voor het avondmaal klaar. Men voelde dat zij bang was, dat +het genomen besluit nog zou kunnen gewijzigd worden. Het was een +stevig-gezette vrouw, van middelmatige, ietwat gedrongen gestalte, met +spannende buste, korten hals, scherpe trekken en grijzende haren. +Zij was vlug en flink in al haar bewegingen. Zij had een +petroleum-vuurtje aangestoken en deed met snelle handigheid het werk dat +de meid, die reeds sinds dagen was gevlucht, anders verrichtte. Haar +zuster, moedeloos naast Rikiki op de harde bedsponde ineengezakt, +volgde zuchtend en met doffe blikken haar bewegingen. Uit haar was +alle kracht en fut verdwenen. Als een geknakt en willoos wezen zat +ze daar. Af en toe streelde zij machinaal het warrelkopje van +Rikiki, waarbij het belletje, dat de kleine hond aan een blauw +lintje om zijn hals droeg, even rinkelde. De hooge, magere gestalte +van den generaal, somber-roerloos op zijn stoel gezeten, verdween in +het halfduistere. Alleen zijn lange, witte snor trok nog als een +dwarse lichtstreep door zijn beenderig, getaand gezicht. + +Daarbuiten, in den nu snel-vallenden nacht, had het bombardement van +lieverlede in heftigheid afgenomen. Slechts met grootere +tusschenpoozen hoorde men nog het langgerekte, loeiend gefluit in de +lucht, met het daaropvolgend cataclysmegedonder der +uit-elkaar-springende bommen. Dan was er telkens weer dat oogenblik +van akelig-doodsche stilte, alsof nu 't laatste leven in de vernielde +stad was weggezweept, maar weldra kwam er opnieuw een vage +stommeling en beweging; men hoorde vlugge voetstappen voorbijrennen, +men hoorde het geratel van een kruiwagen of kar en enkele +menschenstemmen, die elkaar iets toeriepen. + +Dat waren zeker de laatste bewoners, die zich den ganschen dag in +hun kelders hadden schuilgehouden en nu, met den invallenden nacht +en de betrekkelijke veiligheid, op hun beurt in haast de geteisterde +stad verlieten. Even gierde ergens ver een schrille stoomfluit, +alsof er ook nog treinen reden en een auto snoof voorbij, met +donderend geraas. De generaal en de twee vrouwen schrikten er +verbaasd van op. Wat! Nu nog treinen en auto's in de verlaten stad! +Of zou het wellicht reeds de vijand zijn, die binnenstormde! De +beide vrouwen wrongen jammerend, met angstgezichten, haar handen in +elkaar, maar de generaal, onvervaard, stond op en ondanks de +smeekingen van vrouw en schoonzuster, ging hij buiten, op den +drempel, kijken. + +'t Was niets. Hij kwam terug en zei dat 't niets was. De gansche +stad lag reeds in duisternis gehuld en er was geen mensch meer te +bespeuren. En ook 't bombardement had opgehouden; men hoorde geen +geloei meer in de lucht en geen bommen barstten meer, in krakende +vernieling, tegen de huizen uit elkaar. + +De schoonzuster had een klein petroleumlampje aangestoken. Het +zwakke schijnsel verlichtte vaag de triestige naaktheid van den +kelder met de barre, witgekalkte muren, die bij plaatsen glinsterden +en sijpelden van ziltig vocht. Om een klein, withouten tafeltje +zaten zij met hun drieën en aten lusteloos dunne plakjes ham op +brood. De generaal gebruikte daarbij een glas wijn. Op het +petroleumkomfoortje stond het waterketelje te zingen. + +Het deed hen toch goed iets te gebruiken. Zij voelden zich weer +gewone, menschelijke wezens. Op aandringen van den generaal namen +ook de vrouwen een glaasje wijn en dat verwarmde en beurde op. Zij +praatten even en stoeiden zelfs verteederd met den dierbaren Rikiki, +die in 't gerinkel van zijn halsbelletje levendig van de een naar de +ander opwipte, om beetjes te krijgen. O, die lieve, aardige, +gezellige Rikiki, en o, die gelukkige Rikiki, die maar niets voelde +en niets vermoedde van al de ellende en verschrikkingen waaronder +zijn ongelukkige meesters ten gronde gingen! Zou men zelf niet +wenschen een onwetend dier te zijn, om al die narigheden niet te +kennen! + +Het korte maal was afgeloopen en meteen kwam weer de somber-droevige +stemming. Nu zouden zij gaan, van al het dierbaar-welbekende, +misschien voor eeuwig, afscheid nemen. De generaal liep +zenuwachtig-gejaagd in den kelder heen en weer. Het had wel geen +reden, want het weinige, dat zij konden meenemen stond immers al +lang kant en klaar, maar 't was hem te machtig: hij kón van zijn +huisje niet scheiden. + +Hij moest er zichzelf ten slotte als 't ware van wegrukken. Hij nam +ineens een barsche, militaire houding aan, alsof hij nog zijn +divisie aanvoerde en riep: + +--Vooruit nu! + +Doch eerst moest Rikiki gevangen worden. Rikiki moest in een mandje +dat de schoonzuster zou dragen en dat alvast opengeflapt op het +tafeltje stond. + +--Kom, liefje! streelde aanmoedigend de schoonzuster. + +Rikiki kwam. Hij kwam, oortjes gespitst en stompestaartje wringend +en keek de vrouw met strakke, glinsterende oogjes aan. Maar toen ze +zich bukte om hem op te nemen sprong hij vlug op zij en bleef weer +een eindje verder roerloos staan, even zijn stompestaartje wringend, +oortjes trillend gespitst, intelligente oogjes flikkerend. + +Rikiki begreep. Rikiki voorgevoelde en begreep, dat men hem in +'t mandje wilde stoppen en daar was hij niets mee ingenomen. + +--We moeten hem toch hebben, zuchtte de schoonzuster bezorgd. En nog +eens wenkte zij hem streelend, met flikflooiende, zoete woordjes. + +Rikiki sloeg haar aandachtig gade. Hij liet haar komen, maar men kon +zien dat zijn gespannen pootjes klaar stonden om weg te wippen; en +dat deed hij dan ook, zoodra de schoonzuster naar hem de hand +uitstrekte, en daarbij blafte hij even, heel schril en fel, om +duidelijk genoeg te zeggen, dat men niet pogen moest hem voor den +gek te houden. + +De generaal, die ongeduldig-wachtend toezag en reeds zijn handvalies +had opgenomen, barstte eensklaps in woede uit. + +--Rikiki! riep hij dreigend, alsof hij een weerspannigen soldaat zou +gaan tuchtigen. Maar Rikiki, allen eerbied vergetend, blafte ook +zijn heer en meester aan en liet zich evenmin door geweld als door +zachtheid vangen. + +--C'est par trop fort! gilde de generaal, zijn valies neergooiend. En +een geregelde jacht op Rikiki begon. De generaal, zijn vrouw, zijn +schoonzuster, allen zaten het weerspannig diertje na. Zij wonden +elkander op, al hun ziekelijke liefde voor het beest scheen +plotseling in haat veranderd. De generaal hijgde, vloekte, +voorspelde de ellendigste rampen met dat dier op de vluchtreis. Men +moest hem hier maar aan zijn lot overlaten, of hem den nek +omdraaien, foeterde hij. En de beide vrouwen schreiden en snikten, +honderd maal ellendiger over de plotselinge ontrouw van Rikiki, dan +over al de andere beproevingen, die zij sinds dagen hadden +uitgestaan. Eindelijk sprong de schoonzuster, op een razend +dreigement van den generaal dat hij maar niet zou vluchten als het +zoo moest gaan, naar 't hondje toe en liet zich plat ten gronde op +hem neervallen. Rikiki piepte vervaarlijk maar zij had hem, zij +hield hem krachtig in haar beide handen vastgeklemd en stond er +hijgend en zuchtend mee op. De generaal en zijn vrouw sloegen hun +armen ten hemel. + +--Heb je hem pijn gedaan? angstigden zij. + +Gelukkig niet erg! Zij omringden hem met hun drieën, waar hij reeds +op de tafel in zijn mandje zat en bevoelden met bevende zorg zijn +kopje, zijn lijfje, zijn pootjes. Goddank! Hij had niets! Hij rilde +maar wat van de uitgestane emotie en de schoonzuster liep hem nog +haastig een schaaltje met melk halen, dat hij dan ook dadelijk begon +op te lepperen. 't Was heerlijk hem dat te zien doen. 't Was als een +lafenis die henzelven doordrong. Zij zuchtten van verlichting. +Toen 't schaaltje leeg was streelden zij hem nog eens om beurten op +het aardig warrelkopje en spraken hem zoete liefkoozingswoordjes +toe. Dan werd het mandje, waarin een mollig dekentje lag, zacht +gesloten. + +Nu konden zij gaan. Zij namen de valiezen en het mandje op en de +generaal wachtte tot de dames boven waren om het lichtje uit te +draaien. Dan kwam hij zelf, tastend en struikelend in de duisternis, +de steenen treden op. + +Zij spraken geen woord meer. Hij opende de voordeur in de kille gang +en aarzelend kwamen de dames buiten. Hij volgde haar. Hij sloot de +deur en draaide tweemaal den sleutel in het nachtslot om. Op God's +genade nu! + + * * * * * + +De doodsch-verlaten stad lag donker in den vroegen najaarsavond, +maar toen zij een eindje door de welbekende straten waren gevorderd +scheen het hen toe, dat alles toch iets minder somber en verlaten +was dan zij wel eerst vermoed hadden. Zij zagen vagelijk de huizen, +de meesten met gesloten blinden, doch hier en daar ook een met open +deur en ramen, alsof de bewoners, alvorens heen te gaan, het eens +goed hadden willen luchten. Zoo leek het op 't eerste gezicht in de +duisternis, maar bij nadere beschouwing kon men merken dat de deur +aan splinters was geslagen, dat er groote gaten in den gevel gaapten +en dat geen enkele ruit geheel meer was. Zoo waren de huizen die +door de bommen getroffen werden uiterlijk in schijn nog betrekkelijk +gaaf, maar van binnen, als men even door de gaten en de +stukgeschoten ramen keek, één puinhoop van steen en kalk en +gruzelementen. + +De generaal en de twee vrouwen keken die vernieling vluchtig in +'t voorbijtrekken aan, met sombere oogen. Zij mochten van geluk nog +spreken dat hun huis zoolang gespaard gebleven was, maar, hoe zou +het er morgen, overmorgen, of de volgende dagen uitzien? En als +'t eenmaal zooverre was, als het was stuk geschoten zoodat een ieder +er vrij in en uit kon loopen, zou het weinige dat er nog van waarde +overbleef, dan niet geplunderd worden door de roovers en bandieten, +die nog in de stad gebleven waren en die zij reeds hier en daar +zagen sluipen, als ratten in de donkerste hoeken, tusschen het puin? + +Zij kwamen op het groote marktplein. Daar stond een groepje menschen +bij twee rijtuigen, vóór een huis waarin nog licht brandde. Zoodra +de generaal en de twee dames in 't bereik kwamen, schoot een man op +hen af. + +--Rijdt ge mee, meneer, naar Antwerpen? + +De generaal aarzelde, keek den kerel achterdochtig aan. Het voorstel +verraste hem. Hij vermoedde niet dat er nog eenig middel bestond om +per rijtuig naar de groote havenstad te komen. Hij dacht aan niets +anders dan den langen afstand te voet af te leggen en daar plaatsen +zien te krijgen op een schip, naar Holland of naar Engeland. + +--Hoeveel, per persoon? vroeg hij den man. + +--Tien frank, meneer. + +De generaal haalde verwoed zijn schouders op en keerde zich om. + +--Negen frank, meneer, liep de man hem na. + +De generaal gaf geen antwoord. + +--Acht frank, meneer, acht frank, mijn laatste woord. + +De generaal bleef staan. + +--Wanneer zoudt ge vertrekken? vroeg hij. + +--Dadelijk, meneer, dadelijk, de koetsier is daarbinnen in dat café +bezig iets te gebruiken. + +De generaal raadpleegde vlug, in 't Fransch, de dames. Terstond +gebruikte de kerel, zoo goed en zoo kwaad als het ging, dezelfde +taal: + +--Très bon marché madame, très bon voiture et fort cheval. Plus +vite que les bombes des Boches! En hij lachte, griezelig. + +Zij lieten zich overhalen, draaiden langzaam naar de twee rijtuigen +toe. Het waren twee oude, vuile, open victoria's met droevige +knollen bespannen. + +--Ici, monsieur, ici, madame, wenkte de kerel, hen bij een der vieze +dingen brengend. Haastig nam hij de valiezen aan, schoof ze onder de +banken, verzocht hen in te stappen. Toen holde hij binnen in het +groezelig koffiehuis om den koetsier te waarschuwen. + +--Cinq minutes patience, monsieur, madame; cocher tout de suite +fini manger, kwam hij even weer buiten geloopen. + +De generaal, zijn wenkbrauwen fronsend, bromde toornig in zichzelf. +Het speet hem reeds dat zij 't aanbod hadden aangenomen. Wat +'n vieze boel zag het er uit! Zouden ze niet beter nog uitstappen en +toch maar te voet gaan? + +--Zooals je wilt, antwoordden gedwee de dames. + +Hadden ze tegengestribbeld, dan had de generaal wellicht op +uitstappen aangedrongen. Nu ze dat niet deden en bereid waren zijn +wensch te volgen, drong hij niet verder aan. + +--Misschien toch maar beter die rammelkast te gebruiken, zei hij, +ongeduldig schokschouderend. + +Ook dàt vonden de dames goed. 't Was haar alles eender, als zij uit +die hel maar wegkwamen. + +Zij keken om zich heen, terwijl ze daar nog even moesten wachten. +De nacht scheen iets lichter te worden; duidelijker teekende de +omgeving zich af. En eensklaps rees een wazige maan boven de hooge +daken en haar triestig, weifelachtig schijnsel viel op de groote, +leege markt en op de huizen en gebouwen in het ronde. Nu zagen zij +eerst goed hoe hun oude, mooie stad onder het bombardement geleden +had. De statige kerktoren rees somber ten treurigen hemel, den eenen +kant gansch afgebrokkeld en als 't ware uitgevreten, alsof een +verwoede reus met grijnzende tanden aan 't verweerde steen geknaagd +had. De kerk, daaronder, had geen dak meer en de nacht gaapte, +akelig-tragisch, door de verbrijzelde ruiten der hooge, sierlijke +boogramen. Daarnaast was er een leege ruimte, met hier en daar nog +een stuk uitgekartelde trapgevel of een brok schoorsteen op een +muur, die door een mirakel van evenwicht was overeind gebleven. Een +van de nobelste antieke heerenhuizen was ook nog blijven staan, maar +juist boven het sierlijk balkon, dat als een wonder van steenen +kantwerk zijn ongerepte, grijze ellips naar voren welfde, was een +enorm, donker gat geslagen, als het wijd-open hol van een spelonk, +waaruit schrik-en-gruwelbeelden zouden gaan te voorschijn komen. + +--Barbaren! Barbaren! bromde en foeterde de generaal met van +verontwaardiging trillende snor. + +Maar hij werd ongeduldig en keek weer naar de groezelige herberg om. + +--Koetsier! Koetsier! riep hij gebiedend. + +Luide, kijverige bralstemmen klonken daarbinnen, alsof er een +gevecht ontstond. Enkele kerels met boeventronies kwamen eindelijk +buiten en onder hen was een man met zwarte snor en bonten muts, die +een langen mantel droeg en een zweep in zijn hand hield. Hij groette +kort, met rauwe drankstem en klom op den bok van het rijtuig. De +boef, die aan den generaal het rijtuig had verhuurd, wipte naast hem +en tegelijkertijd, terwijl het paard reeds wegdraafde, sprong een +derde kerel in het rijtuig en nam ongegeneerd naast den generaal, op +'t ruggebankje plaats. + +--Koetsier, wat beteekent dat? gilde de generaal verontwaardigd. + +--Niets, meneer, ik heb mijn plaats betaald, zoowel als u, antwoordde +de man met een woedenden blik. + +--Stop, koetsier, stop! krijschte de generaal overeind springend, en +vatte den leidsman bij den arm. Met een vloek hield deze zijn paard +in. + +--Zij d'r uit of wij d'r uit! riep de generaal, vastberaden. + +De vrouwen sidderden, klaar om het van angst uit te gillen, met +krampachtig in elkaar gewrongen handen. Maar het flink optreden van +den ouden militair had een bewonderenswaardige uitwerking. De +koetsier haalde zijn schouders op alsof het hem niet aanging en de +twee schoelies stapten langzaam uit het rijtuig. Zij deden eensklaps +heel gedwee en onderdanig en stonden daar even met uitgestrekte +bedelhanden te grienen, dat hun huis verwoest was en dat zij geen +stukje brood meer hadden voor hun ongelukkige vrouwen en kinderen. + +De generaal was woedend en dreigde met politie en gendarmes, die er +trouwens reeds lang niet meer waren. Maar de schoelies grienden nog +luider en staken nog dringender hun bedel-grijpklauwen uit, zoodat +de dames weer doodsangstig werden en schreiend smeekten dat de +generaal hun toch iets geven zou. Hij deed het eindelijk, maar onder +heftig protest en met de herhaalde bedreiging, dat hij hun tronies +onthield en dat hij hen later onmeedoogend bij de overheid zou +aanklagen. De schoelies dankten en groetten en verdwenen in de +donkere gaping van een slop. + + * * * * * + +Zij hadden de sinistere stad verlaten en reden over een rechten +steenweg door het open veld. Langs beide kanten waren de boomen +afgezaagd en de gevelde stammen lagen schots en scheef over de +slooten en in het aangrenzend weiland. Het was alsof een aardbeving +de gansche streek had door elkaar geschud. Het nevelige manelicht +bescheen verdrietig die verwoesting en hier en daar, langsheen den +weg of in het veld stonden de huisjes en de boerderijen als dood in +hun sombere, eenzame verlatenheid. + +Traag-sjokkend reed het rammelend rijtuig over de ongelijke keien. +De generaal en de twee dames spraken een heele poos geen woord. Zij +huiverden in de kille nachtlucht en trokken mantels dicht en kragen +op. De weg scheen eindeloos en onafzienbaar. Soms zagen zij in het +verschiet als een beweging van vage schimmen vóór zich uit. Het +waren enkele menschen die, evenals zij, op het laatste oogenblik de +stad ontvluchtten. Zij torsten met zwoegende inspanning wat zij nog +konden meesjouwen en wierpen begeerige en droevige blikken op het +voorbij-ratelende rijtuig. Eensklaps ontstelden de dames hevig van +schrik. Een breede lichtstraal zwaaide waaiervormig door den hoogen +hemel en doofde stil weer uit. Wat was dat? Een niet-ontplofte bom? +Zou het afgrijselijk bombardement nu weer beginnen, hen in hun +vlucht achterhalen? Opnieuw flitste 't achter hen, breed en +majestatisch, aan den verren, donkeren einder op en doorveegde, met +zijn lichten stralenbundel, waaiervormig gansch den hemel. De +generaal poogde haar gerust te stellen. 't Was niets, het waren de +zoeklichten der vijanden. Zij speurden vermoedelijk naar vliegers in +de lucht. En terwijl de vluchtelingen daar naar keken en toch niet +zonder angst er over spraken, ging ook vóór hen uit, in het +verschiet, een breede stralenbundel op, die dwars over den hemel +veegde. Dat was het zoeklicht van het vaderlandsche leger! Zij +hadden het licht van den vijand gezien en straalden tegen, als +antwoord. En zoo bleven beide zoeklichten een tijd door stralen en +flitsen, en hun schichten door elkander schieten als Titanen en +Goden, die hoog en ruim boven 't klein-menschelijk gedoe, elkander +in den hemel zochten en bevochten. + +In zijn mandje, op den schoot der schoonzuster, begon Rikiki af en +toe zich te bewegen. Hij krabde met zijn pootjes tegen de wanden en +neuspiepte soms heel fijn, van klagend ongeduld. De schoonzuster +trok het dekseltje voorzichtig open. + +Een aardig warrelkopje met stralende oogjes kwam te voorschijn, dat +hen allen diep verteederde. Zij streelden hem om de beurt en +glimlachten en spraken hem zoete woordjes toe. En zij bekenden +aan elkaar dat het hun grootste troost was in hun ongeluk dat +dierbaar wezen nog bij zich te hebben. Toen sloot de schoonzuster +opnieuw het mandje, heel zacht en voorzichtig-langzaam, 't aardig +kopje met het deksel neerduwend. Doch blijkbaar was dit een +teleurstelling voor Rikiki. Hij had nu eindelijk, voor 't eerst +sinds dagen, nog eens de vrije lucht gezien en wilde die ook blijven +zien; en al dadelijk begon hij weer te krabben en te neuspiepen en +te janken, eerst matig nog, met tusschenpoozen, doch van lieverlede +harder en aanhoudender, tot het weldra ontaardde in een snerpend +noodgejammer en geblaf, dat onuitstaanbaar werd. + +--Het is onmogelijk, onmogelijk, met dat ellendig dier op reis te +gaan! riep de generaal, eensklaps weer verbolgen en wanhopig zijn +armen in de lucht slaande. + +De vrouw en de schoonzuster smeekten, trachtten het hondje te +sussen, lichtten, heel eventjes, het dekseltje weer op. Rikiki +bedaarde. + +--Stel je voor dat we met zulk een gejank in het hôtel, op de +boot, in Engeland aankomen; ze gooien ons eenvoudig buiten! bromde +nog de generaal. + +--Ach kom, je houdt toch immers ook dol van hem; je zou hem, +evenmin als wij, willen of kunnen missen, zei de schoonzuster, +vergoelijkend. + +--Jawel, gaf de generaal in ietwat mildere stemming toe; jawel, ik +hou van hem, maar hij moet zoet zijn. + +--Hij is zoet, hij zal zoet zijn, niet waar, mijn schatje! fleemde de +schoonzuster, met streelende vingers onder 't dekseltje. + +In de verte, om een bocht van den weg, blonken eensklaps enkele +lichtjes in de duisternis. + +De voorposten van 't Belgische leger! waarschuwde de generaal. En hij +tastte in een van zijn binnenzakken, om alvast hun paspoorten uit te +halen. + +Weldra schoof een donkere, stille schaduw dwars over den weg. Een +tweede volgde, die in 't midden van den weg bleef staan en een bevel +weerklonk, kort en hard: + +--Halt! + +De koetsier hield het rijtuigje stil. Een der gedaanten stapte met +een zaklantaarntje op hem af; de tweede deed het zelfde met de +inzittenden der victoria. + +--Papiers! klonk het kortaf. + +De generaal liet de paspoorten zien. De schildwacht, een +wachtmeester der grenadiers, bekeek ze aandachtig. Het was een jonge +man met knap gezicht en lange, donkere snor. Het zwart en rood van +zijn uniform schitterde vaag in de duisternis. Eensklaps richtte hij +zich op en stond in positie, militair-groetend, rechterhand aan de +politie-muts en hakken bij elkaar. + +--Passez, mon général, zei hij eerbiedig en week drie passen +achteruit. + +De generaal gaf hem zijn groet terug, de dames bogen, het rijtuig +ratelde langzaam voorwaarts. + +Rechts en links nu van den weg kwamen, in het vage schijnsel der +lantarens, eigenaardige verschijningen als het ware halvelings uit +den grond opgedoken. Donker-magere gezichten met oogen die strak +blonken; geweren en bajonetten die even dof flitsten, zwarte +gestalten, die zich eensklaps oprichtten, als uit hun graf +verrijzend. Dat waren de soldaten in de loopgraven. Er moesten er +velen zijn, in lange, diepe rijen tot ver en wijd in't veld, want +zonder ze te zien voelde men ze langs alle kanten en een breed en +dof gegons steeg op, dat alom de mysterieuze stilte van den nacht +vervulde. Al spoedig, trouwens, schoven weer stille schaduwen dwars +over den weg naar voren en werd er nog eens "halt" geroepen. En ook +weer sloeg de wacht, na onderzoek, eerbiedig militair aan en mocht +het rijtuig verder gaan. Zoo kwamen zij eindelijk langs drie +overbrugde grachten, tusschen donkere wallen aan de vestingpoort. +Daar werden hun papieren voor de laatste maal onderzocht en weldra +reden zij door lange straten, zwak verlicht en vol soldaten, die +vroolijk bij troepjes heen en weer kuierden of in en uit de +stampvolle herbergjes en kroegjes kwamen. + +Naarmate zij verder doordrongen werd de stad steeds levendiger. Maar +'t was een vreemd gezicht, die drukte in halve duisternis. 't Was of er +ergens een grootsche, plechtige begrafenis had plaats gehad, waar de +bevolking van terugkwam en waarover gansch de stad nog rouwde. En +toch; in dat rouwend halfduister klonk op vele plaatsen opgewekt +gepraat en gelach en zang en muziek en ook hier en daar, in de +herbergjes, werd er gedanst. Het waren soldaten, die dansten, met +roodwangige meiden in lichte blouses en vettig glimmende of krullende +haren. Zij schenen niets te voelen van al de droefheid en de rampen +van 't geteisterd vaderland. De soldaten dansten en lachten met +dezelfde luchtige opgewektheid, waarmede zij, in den afschuwelijken +strijd, den dood te gemoet gingen en de meiden amuseerden zich zooals +zij altijd deden, gelijk met wie haar beetpakte en trakteerde en +betaalde. + +Het rijtuig kwam voor het hotel, waar de generaal en de twee dames +zouden overnachten. De hall was somber, maar de hel-verlichte +restauratiezaal zat vol met officieren, die al evenmin schenen te +treuren als de soldaten in de kroegen. De oude generaal fronste met +nurkschen blik de wenkbrauwen. "Hoe is het mogelijk!" bromde hij. + +Zij vroegen om logies. Eerst zette de gérant een hoogst bedenkelijk +gezicht. Hij had zoo goed als niets meer over, beweerde hij. De +generaal gaf zijn kaartje af. Dat maakte de dingen wel beter. De man +boog eerbiedig en ging zien. Ja, er was nog middel: twee kamertjes; +een met twee bedden voor de dames, een kabinetje voor den generaal. +De generaal verklaarde zich daarmee tevreden en vroeg hoe laat den +volgenden ochtend de boot naar Engeland vertrok. + +--Heeft u plaatsen besproken? vroeg de gérant. De generaal zei van +neen. + +--O, meneer, dan is er geen kwestie van dat u mee kunt! verzekerde +de man. + +De generaal slaakte bijna een vloek. + +--Geen sprake van, herhaalde de man met nadruk; alles dagen van te +voren reeds gereserveerd. Ware ik in uw plaats, dan nam ik liever de +boot naar Vlissingen. Dáár zult u nog wèl gelegenheid vinden. + +De generaal was erg uit zijn humeur. Doch hij begreep dat er niets +aan te doen was en liet alvast, voor den volgenden ochtend, plaatsen +naar Vlissingen bespreken. + +--Of ze nog iets wenschten te gebruiken? vroeg de gérant. + +De generaal raadpleegde met den blik zijn dames. Neen; geen van +beide had in iets zin. De gérant boog en ging hen voor naar de lift. + +Even krabbelde Rikiki in zijn mandje en neuspiepte fijn terwijl zij +binnenstapten. Ietwat verrast keek de gérant op, maar glimlachte en +maakte geen opmerking. + +De lift zoog hen naar boven. + + * * * * * + +Op de boot was 't ellendig, griezelig vol. Wat al vluchtende menschen +voor het naderend, gruwelijk onheil! Wat al manden, pakken, korven, +zakken met van alles volgepropt! Er waren droeve, dróéve gezichten +van totale gelatenheid en wanhoop en er waren menschen die zielig +jammerden en schreiden: menschen die nog wilden lijden en strijden en +in 't verlies van alle hoop maar niet konden berusten. Er waren er +ook luchtige en vroolijke, menschen op wie het ongeluk geen vat kreeg +of die er zich boven wisten te stellen, en er waren er ten slotte +ernstige, diep-ernstige, met geconcentreerde gezichten van zware, +innerlijke zorg. + +Zoo waren de oude generaal en de twee dames. Zij hadden een plekje +boven op het dek weten te veroveren: een oud stuk bank tegen de +schoorsteenpijp en van daar uit keken zij stil, met triestige oogen, +naar de oude, groote stad die zich, achter het omgewoelde, +viezig-schuim-opspattende rivierwater, langzaam van hen verwijderde. +Zou het voor eeuwig zijn? Zouden zij nog terugkomen? Wie kon het +zeggen? Alles was vaag en vol onzekerheid. De stad smolt weg, de +huizen werden kleiner, de blikkerende vensterraampjes schenen hen +weemoedig na te staren, als met verwijtende oogen die traanden. Was +het niet jammer dat zij vluchtten? Hadden zij niet liever moeten +blijven? De twinkelende, droeve huizeruitjes schenen hen terug te +roepen en de hooge, slanke kerktoren der kathedraal richtte zijn +spits ten hemel, als in een gebaar van berispende afkeuring. Dat +alles ontroerde de dames en haar oogen werden vochtig. De generaal +hield zich goed, maar zijn lippen stonden op elkaar geklemd en af en +toe sidderde zijn lange, barsche, witte snor. Het was te laat nu, +spijt of berouw kon niets meer baten. Maar zij wisten ook niet of het +hun speet, zij wisten niets meer, al hun tegenstrijdige gevoelens +waren door elkaar verward geraakt: het was opeens besloten geweest en +meteen ten uitvoer gebracht; waarom?... omdat de dames gruwelden van +angst onder 't bombardement, en omdat iedereen gevlucht was, en ook, +'t is waar, omdat zij Rikiki, de dierbare Rikiki, de lieveling van +hen allen wilden redden. + +Hoe eigenaardig: in hun droefheid en ontreddering hadden zij Rikiki +een oogenblik bijna geheel vergeten. Zij dachten er pas weer aan toen +zij hem in zijn mandje hoorden janken en de schoonzuster lichtte +verteederd het dekseltje op en zij waren allen dadelijk diep bewogen +omdat zij Rikiki eventjes vergeten hadden en hem Goddank toch nog +bezaten. Dat troostte hen, dat suste het gevoel van narigheid. Zij +streelden om beurten het aardige diertje en zonder het aan elkaar te +bekennen voelden zij allen dat Rikiki steeds weer hun troost zou zijn +in de vele uren van verdriet en neerslachtigheid, die hun wellicht +langdurige ballingschap zouden versomberen. + +Naast hen, op de boot, zat een familie, die hun aardigheidjes met +Rikiki gadesloeg en er zich mee amuseerde. Het waren twee dikke, +goedig-uitziende menschen, een man en een vrouw, vergezeld van een +klein jong meisje met blauwe oogen en vlasblonde haren. Vooral het +meisje scheen te trillen van verlangen om ook eens 't aardig hondje +aan te mogen raken en de oude generaal, die dat merkte, lachte haar +vriendelijk toe en vroeg haar eindelijk of ze 't soms even op haar +schoot wilde hebben. + +--O, graag, meneer, antwoordde het kind blozend, met een +eigenaardigen, vreemd-klinkenden tongval. + +De generaal nam Rikiki uit zijn mandje en zette hem op de knieën van +'t verrukte kind. + +--Hoe heet het, meneer? vroeg zij dadelijk, het hondje aaiend. + +--Rikiki, glimlachte de generaal. + +--Rikiki! Rikiki! herhaalde zoetjes het verrukte kind, onophoudelijk +het warrelkopje streelend. + +De dikke man en de vrouw zagen dat spelletje gemoedelijk-glimlachend +aan en als van zelf begonnen zij weldra een praatje over 't hondje +met den generaal en de twee dames. + +--'n Mooi diertje, 'n duur hondje, zei de man, Rikiki monsterend +met kennersoogen. + +De generaal en de twee dames knikten gewichtig, bekenden dat het +inderdaad een heel kostbaar hondje was. + +--Neemt ge 't mee naar Holland? vroeg de man. + +--Naar Engeland, verbeterde de generaal. + +--O, maar, dat kan niet, er mogen geen vreemde honden binnenkomen in +Engeland, verzekerde de man met een heel ernstig gezicht. + +De generaal en de twee dames schrikten letterlijk van hun zitplaats +op. + +--Wat zegt ge daar! riep de oude militair, bijna dreigend. + +--Dat mag niet, meneer; geen vreemde honden in Engeland, herhaalde +nog eens de dikkerd met ernstigen nadruk. + +De generaal, zijn vrouw, zijn schoonzuster, alle drie omringden den +onbekende, met een uitdrukking van ontsteltenis en afschuw op +'t gezicht. Wat! Zij vluchtten weg, met en om Rikiki, en Rikiki zou +in het toevluchtsland geweigerd worden! Hoe wist die man dat, en wie +was hij eigenlijk? Wantrouwig keken zij hem aan. Was hij een +landgenoot of wat was hij? Hij sprak niet de gewone taal der streek; +zijn uitspraak had een vreemden klank, evenals die van het kleine +meisje. Waren dat wellicht lui die Rikiki wilden stelen, omdat hij +zooveel geld waard was? De schoonzuster had een instinctief gebaar om +het dierbaar wezen uit de armen van het kind weer weg te nemen en de +generaal, na een oogenblik geconsterneerd stilzwijgen, stramde zich +in zijn nog flinke, militaire houding en antwoordde den man op +gezagvoerenden toon: + +--Dat ze den hond van een Duitscher of een Oostenrijker zouden +weigeren, dat begrijp ik, maar van een Belg, een bondgenoot, een +strijdmakker, onmogelijk, ik geloof het niet! + +De goedmoedige dikkerd kon te nauwernood een stillen spotlach +bedwingen. + +--Die wet heeft niets te maken met den oorlogstoestand; zij bestaat al +sinds vele jaren, zei hij. + +Nieuwsgierigen begonnen zich om hen heen te scharen en een donkere +man, die al van in 't begin 't gesprek had afgeluisterd, zei nu op +zijn beurt. + +--Honden mogen wel in Engeland binnenkomen, maar zij worden er bij +aankomst zes weken in quarantaine gehouden. + +De generaal, de vrouw, de schoonzuster keerden zich naar den donkeren +man om. + +--Werkelijk? Werkelijk? vroeg de generaal. + +--Werkelijk, verzekerde de donkere, zwaar-ernstige man. + +Nog een derde man mengde zich nu in 't gesprek: een kleine, magere, +blonde, met een geruite sportpet op en rijlaarzen aan. + +--Vroeger ja, nu sinds den oorlog niet meer, beweerde hij. Sinds +den oorlog worden alle honden zonder onderscheid in Engeland +geweigerd. + +De generaal, de vrouw, de schoonzuster, steeds dieper ontsteld, +keerden zich nu tot den mageren man met de sportpet en de rijlaarzen +om. + +--Is dat heusch zoo? vorschte de generaal. + +--Heusch, meneer, verzekerde de magere man. + +De donkere, ernstige man keek den blonde, magere aan en schudde +'t hoofd. Hij geloofde niets van die verandering in de +wetsbepalingen. + +--Probeert het dan maar eens als ge mij niet gelooft! riep de magere +op driftigen toon. De donkere man schudde nog eens zijn hoofd en ging weg. + +Het werd, voor den generaal en de twee dames, hoe langer hoe +gecompliceerder en ellendiger. Wie moesten ze nu eigentlijk gelooven: +de dikkerd en de blonde magere, of de donkere, ernstige man? Klaar +hoe dan ook, ellendig was 't in elk geval, aangezien de arme Rikiki, +op zijn best genomen, althans gedurende zes weken zou in quarantaine +gehouden worden. Zes weken quarantaine! Dat kon de arme Rikiki immers +niet uithouden! Lang vóór dat termijn was afgeloopen zou hij dood +zijn! De beide dames konden haar emotie niet bedwingen en begonnen te +schreien. De generaal liep even, als een vertoornde dondergod heen en +weer over 't dek en bleef dan starend, met gespannen trekken, kijken +op het omgewoeld rivierwater, alsof hij zelfmoordplannen brouwde. De +goedmoedige familie had blijkbaar medelijden met de zwaarbeproefde +eigenaars van Rikiki, en 't aardig kleine meisje streelde en aaide +voortdurend het hondje op haar knieën, als om het zacht-moederlijk in +zijn vreeselijk lot te beschermen en te troosten. + +--En moet je dáárvoor bondgenoot van Engeland zijn! barstte de +generaal plotseling uit, met sidderende snor en in verontwaardiging +gekruiste armen vóór zijn steeds rampzalig-schreiende dames staande. + +De gruwelijke oorlog, de afgrijselijke verwoestingen, de ruïne van +het land, de vernieling van hun stad en van hun huis, al het lijden, +al het onrecht, al de wraakroepende wreedheden, alles wazigde weg en +verbleekte tegenover de geraffineerde marteling, die zij om Rikiki +doorstonden. O! hadden ze dát geweten, wat waren ze gaarne gebleven, +al moest het dierbaar huis ook op hen neerstorten! En de generaal +herhaalde nog eens vinnig zijn bitterste verwijten, dat de twee +vrouwen hem tot de vlucht gedwongen hadden, dat hij zonder haar +gezanik zou gebleven zijn, en dat zij laf waren en niet alleen +getracht hadden Rikiki, maar eerst en vooral zichzelven te redden. + +De beide vrouwen schreiden, schreiden; hoe scherper de generaal +uitvaarde, hoe akeliger en wanhopiger zij schreiden, zóó dat de +andere vluchtelingen zich vol meewarigheid steeds talrijker om haar +heen troepten en niet twijfelden of die rampzalige familie had in den +wreeden oorlog alles verloren wat een mensch ook maar verliezen kon. +Het werd aanstekelijk; sommige menschen verwijderden zich, met hun +zakdoek aan hun oogen wrijvend en ook het kleine meisje, dat Rikiki +steeds op haar knieën hield, barstte plotseling in snikken uit, alsof +zij door een onbekende ramp werd overweldigd. + +Toen stond de goedige dikkerd op en kwam naar zijn ellendige +reisgenooten toe. + +--Ach, dames, en meneer, sprak hij troostend, dat is allemaal zoo +erg niet en wij kunnen u misschien wel helpen. Wij gaan niet verder +dan Holland, wij blijven daar bij familieleden het einde van den +oorlog afwachten. Laat het hondje bij ons, wij zullen er goed voor +zorgen. Gij ziet het; Elsatje is er dol op, het beestje zal niets +tekort hebben. Wij zullen u ons adres laten en als gij weer komt u +het hondje teruggeven. Zou dit geen geschikte oplossing zijn? + +De dames staakten haar schreien en keken in verbouwereerdheid naar +den goedigen dikkerd op. Hij zag er werkelijk als goed en eerlijk +mensch uit: een hemel van hoop straalde eensklaps voor haar open. Ook +de generaal was geschokt, als van een pak op zijn hart verlost, +innig-bewegen. Hij keek het aardig meisje aan en zijn witte snorren +beefden en zijn oogen werden vochtig. Zijn hoofd knikte, +onwillekeurig, alsof hij reeds toestemde. Hij stak zijn hand uit naar +den man en drukte die met warmte. Hij drukte ook de hand der dikke +vrouw en 't kleine meisje tilde hij in zijn armen op en zoende het en +vroeg haar of zij werkelijk goed op Rikiki zou passen. Het waren +eensklaps vrienden, of zij elkander reeds jaren kenden. Kaartjes +werden gewisseld, adressen er op gekrabbeld, beloften gedaan en +herdaan, als gold het betuigingen van eeuwigdurende gehechtheid en +trouw. Toen de boot eindelijk in de Hollandsche haven landde, hielden +zij zich als één familie bijeen om in de akelige drukte elkaar niet +te verliezen en het klein Elsatje droeg met moederlijke teederheid en +met stralende oogjes van geluk het mandje van Rikiki, die haar reeds +kende, zeide zij, en die zij voortdurend streelende woordjes tusschen +de reetjes der teenen toefluisterde en af en toe, wanneer de anderen +het niet zagen, dwars door het zorgvuldig gesloten dekseltje, +zoentjes toezond... + + * * * * * + +Zij hadden anderhalf uur tijd te verliezen vóór de groote mailboot, +die hen naar Engeland zou vervoeren, afreisde en de generaal wilde +die gelegenheid te baat nemen om zijn nieuwe vrienden, uit +dankbaarheid, in de restauratie-zaal van het vlakbij gelegen +spoorwegstation, op een maaltijd te trakteeren. + +De dikkerd en zijn vrouw namen dat gretig aan. Zij vonden met moeite +plaats in de geweldige drukte van in-en uitkomende reizigers aan een +tamelijk bemorst tafeltje, waarop de kellner een schoon servet +uitspreidde en de generaal zette zijn bril op en raadpleegde met +gespannen aandacht de etenslijst. Bizonder veel variatie was er niet +en zij vestigden maar na onderlinge goedkeuring, hun keus op gebakken +tong met sla en beafsteak met aardappelen. Terwijl dat werd klaar +gemaakt herhaalden de generaal en de dames nog eens met nadruk hun +nauwkeurige instructies nopens het voedingsregiem van Rikiki. +'s Ochtends een schaaltje met brood geweekt in zoete melk. Daar was +hij dol op. Om twaalf uur een gemengd schoteltje van aardappels en +stukjes vleesch, overgoten met een beetje jus. Daar was hij zóó aan +gewend dat hij geregeld om de tafel heen kwam dansen om zijn bordje +te krijgen. 's Avonds, eindelijk, nog eens een schaaltje geweekt +brood in melk, en last not least, een been, een bot met nog een +ietsje vleesch er aan, waaraan hij dan kon zitten kluiven dat 't een +lust was. Daar was hij zóó op gesteld dat hij als een bezetene kon +blaffen als het hem niet bijtijds gegeven werd en meestal nam hij het +mee in zijn mandje en lag er daar aan te trekken en te knagen tot hij +er bij in slaap viel. Zouden ze dat alles wel goed onthouden? Wilde +generaal het soms op een stukje papier schrijven, opdat ze 't niet +zouden vergeten? De gezondheid van het dierbaar hondje hing er +beslist van af. + +--Neen, neen, niet noodig, verzekerden de goedmoedige dikkerd en zijn +vrouw, en ook het kleine meisje zei dat het niet noodig was en dat +zij er voor zorgen zou, dat alles net precies gebeuren zou zooals +meneer en de dames het wenschten. Zij had naar de instructies +geluisterd met intelligente oogjes, die schitterden van aandachtige +gretigheid en goed-begrijpen, en de oude generaal was zóó verteederd +dat hij even van tafel opstond en voor het kind aan het buffet een +mooie doos met bonbons ging koopen. De moeder sloeg van emotie haar +handen in elkaar en Elsa moest meneer den generaal zoenen, met haar +twee armpjes om zijn hals op beide wangen. + +De kellner kwam met het eten op. Hij kwakte schotel en borden vrij +ruw op het tafeltje neer. De generaal boog voorover en fronste zijn +wenkbrauwen. Tong! Was dat gebakken tong, zoo hard, zoo zwart! De +dieren lagen opgekrompen in een donker, vettig nat te zwemmen, alsof +zij zich in laatste stuiptrekkingen tegen het barbaarsch proces +gerevolteerd hadden. De generaal meende excuses te moeten maken, +hoopte maar dat zijn gasten, gezien de buitengewone omstandigheden, +het wel voor lief zouden willen nemen. Dat zouden zij zeker. De +dikkerd stopte alvast zijn servet in zijn halsboord en bekeek de +zwarte verkrimpelingen met oogen die blonken, terwijl de vrouw van +haar kant ernstig hoofdknikte, dat het toch wel heel goed zou zijn. +De generaal bestelde een flesch rooden wijn en bediende de dames. + +--Smaakt het, liefje? glimlachte hij naar het meisje, toen zij een +paar hapjes genomen had. + +--O, fijn, meneer, antwoordde zij stralend. En zij vroeg of Rikiki +ook eventjes mocht proeven. + +--Ja, maar zeer voorzichtig met de graatjes, niet waar? + +Rikiki die reeds ongeduldig aan 't janken en 't rommelen was in zijn +korfje, werd even te voorschijn gehaald. + +De anderen aten. De generaal en zijn dames schenen het gerecht +nauwelijks te kunnen verorberen, maar de dikkerd en zijn vrouw +dachten er klaarblijkelijk gansch anders over. De vrouw at vlug en +stil en veel, zonder spreken noch opkijken en de dikkerd verslond +zijn zwartgebakken verkrimpeling als een vraat. 't Was of het beest +geen graten had. Met heele stukken tegelijk ging hij te keer en daar +tusschen door slikte hij breede lappen sla op, als een os. Het leek +wel of hij tevens roofdier en herkauwer was en toen de visch met kop +en staart was opgekraakt, schepte hij met het platte van zijn mes +het vet op dat nog op zijn bord bleef en werkte 't ook maar naar +binnen, zoo vlug en griezelig, dat de generaal en de twee dames +sidderden, of hij elk oogenblik zijn tong dwars-door zou snijden. +Doch hij scheen dat werkje goed te kennen, hij lachte zijn gasten +vriendelijk aan en toen hij klaar was hief hij zijn vol glas wijn in +de hoogte en ledigde het met een gulhartig "prosit" in één teug, op +hun goede gezondheid. + +Rikiki was in zijn open mandje op het tafeltje gezet en hij dineerde +mee. Hij zat daar uitgerekt met mager halsje en zijn wakkere oogjes +volgden blinkend ieder brokje dat naar binnen ging. Soms rilde hij +zenuwachtig en neuspiepte, dat men hem asjeblieft toch niet vergeten +zou; en alles wat hij kreeg schrokte hij gulzig op, ineens, zonder +kauwen, alsof hij vliegen hapte. Dat amuseerde en verteederde de twee +families en zij konden niet laten hem voortdurend te streelen en te +aaien, wat Rikiki trouwens scheen te vervelen en te sarren, want +telkens trok hij 't kopje weg, alleen en uitsluitend geboeid als hij +was door wat er op schotels en borden gebeurde. Af en toe echter +kreeg hij plotseling een wilde krabbui, hij krabde zich met +razend-vlugge bewegingen, die het tafeltje deden schudden en zijn +fijn halsbelletje deden rinkinkelen, en de dames zeiden dan met +ernstige bezorgdheid, dat Rikiki onder de narigheid van het +bombardement wel wat verwaarloosd was geweest en dat het wenschelijk +zou zijn als hij eens heel zorgvuldig gebet en gekamd en geborsteld +werd. + +De tijd schoot op, het uur van afscheid naderde en de generaal en +zijn dames werden ietwat weemoedig gestemd. Zij hadden heelemaal geen +eetlust en lieten de beafsteak, die overigens hard en taai en blauw +als caoutchouc was, onaangeroerd op hun bord liggen. De dikkerd en +zijn vrouw begrepen daar niets van. Zij overwonnen heldhaftig met +kauwen 't weerspannige vleesch en verklaarden dat het heel lekker +was. Alleen Elsatje vond het wat taai en snoepte maar liever uit haar +bonbondoos. + +--Zal je ons dus gauw over het hondje schrijven? vroeg de generaal, +haar zacht blond hoofdje aaiend. + +Elsatje, den mond vol met zoetjes, beloofde 't plechtig. + +--En als de oorlog voorbij is, vervolgde de generaal, dan kom je bij +ons logeeren en samen gaan we met Rikiki lange, lange wandelingen +maken. Ja? + +--O, ja, ja! jubelde 't kleine meisje. + +--Gelooft u, meneer, dat de oorlog nog lang duren zal? vroeg de +schoonzuster, met een gezicht van angst en hoop tot den steeds +dooretenden dikkerd. + +--Vielleicht... wellicht, verbeterde hij haastig; wellicht nog +enkele maanden. + +De beide dames sloegen wanhopig de armen in de hoogte; de generaal +foeterde: + +--Konden we ze maar uit ons land krijgen, die ellendelingen! + +--Ja... ja... ja... beaamde de dikkerd met nadruk: de Duitschers en +ook de Franschen, en ook de Engelschen, allemaal weg, allemaal weg! +dat we weer de baas zijn in ons eigen huis. + +Ietwat bevreemd, vaag wantrouwig, keek de generaal den dikkerd aan. + +De man lachte en stak weer zijn vol glas in de hoogte. + +--Dan mogen we weer eens plezier maken en een flink glas op elkaar +'s gezondheid drinken, lachte hij goedig. En hij boog naar de dames, +En knikte, en dronk. + +De koffie en een likeurtje waren gebruikt, de dikkerd dampte +genoeglijk aan een stevige sigaar, Rikiki was, niet zonder eenig +piepprotest, voorloopig weer in zijn mandje geduwd en de generaal +had zijn schuld gevraagd en afgerekend. In het lawaai en de drukte +der tallooze reizigers, stonden zij van tafel op en verlieten de +woelige restauratiezaal. + +De groote boot lag daar vlak bij, tegen de kade, zwart van romp en +wit van bovenbouw, met zijn elegant-hangende reddingsschuitjes en +zijn twee forsche, gele, zwartgerande, achteroverhellende +schoorsteenen, die reeds zwarten rook uitkolkten. Er was veel drukte +om en bij, gansche ladingen van allerlei werden onder stoomgesis en +kettinggeratel door geweldige kranen opgetild en in het wijd-gapend +ruim neergelaten, en veel passagiers waren reeds aan boord, in bonte +groepen over de verschansing geleund, lachend en pratend, groeten en +grappen wisselend met de aan wal staanden. + +De generaal was zenuwachtig en de dames waren ontroerd. Hij telde +nog eens nauwkeurig de stukken bagage, die de dikkerd en zijn vrouw +hem bereidwillig hielpen dragen en voelde met bevende vingers in +zijn binnenzak naar de paspoorten. + +--Alles is in orde, wij kunnen op de boot gaan, zei hij tot zijn +dames. Er. tot de beide dikkerds en het klein meisje: + +--En gaat u maar zoolang mee; er is tijd genoeg en er wordt immers +driemaal gefloten, vóór de brug wordt neergehaald. + +Nauwelijks had hij 't gezeid of daar brulde de stoomfluit voor de +eerste maal, lang, zwaar en plechtig, met een schor en rauw geloei +dat de lucht deed trillen en als 't ware door je gansche lichaam tot +in 't diepste van je ingewand doordreunde. + +Langs de steile brug bestegen zij het stoombootdek. De dames +konden haar emotie niet bedwingen en schreiden. De generaal hield +zich goed, maar af en toe sidderde zijn lange, witte snor. + +--Laten we hier maar blijven, we houden hier goed de brug in 't oog +en kunnen ook nog even zitten, zei hij, een bank aanwijzend. + +Zij namen plaats. De dames droogden haar tranen af en voor het +allerlaatste afscheid werd nog eens het mandje van Rikiki geopend. + +O! wat 'n emotie, wat 'n verteedering! 't Hielp niets dat de dames +pas haar tranen hadden afgedroogd, zij vouwden als 't ware smeekend +de handen in elkaar en opnieuw vloeiden de tranen overvloedig uit +haar diep-bedroefde oogen. Nu pas beseften zij eerst duidelijk wat +het beteekende Rikiki daar zoo alleen in den vreemde te moeten +achterlaten. Daar, op dat groote, bruisend schip, dat straks met hen +zou wegvaren, zagen zij hem nog, voelden zij hem nog, hadden zij hem +nog; maar over enkele oogenblikken was 't de scheiding, de scheuring +van elkaar. Rikiki bleef als een wees bij vreemden achter en tusschen +hen en hun geliefde, hun kind, hun leven, lag de eindelooze, woeste +deining van de overweldigende zee. Nooit meer zouden zij hun +lieveling terug zien, dat voelden zij nu plotseling op 't uur van +scheiden en 't was afschuwelijk, een niet te overkomen leed, erger, +duizendmaal erger dan alles wat ze reeds geleden hadden en wellicht +nog, als uit hun land verjaagden, zouden moeten lijden. + +Voor de tweede maal brulde de stoomfluit, rauw en langgerekt, met +doffe dreuningen, die tot in 't diepste van hun lichaam doortrilden. +Zou het niet beter zijn dat ze niet langer wachtten, dat ze nu maar +dadelijk afscheid namen? Ach ja, 't was beter. Zij zeiden 't met +bewogen stemmen tot den dikkerd en zijn vrouw, die dadelijk +opstonden en ook meenden dat het beter was. + +Zij schaarden zich om Rikiki en beurtelings tilden zij hem uit zijn +mandje op en zoenden hem. Rikiki scheen daar niets van te begrijpen. +Hij werd er zenuwachtig onder en toen de generaal hem op zijn beurt +optilde, piepte hij even. + +--Ga nu maar, ga nu maar, zei de generaal op gejaagden toon tot de +twee dikkerds. Hij drukte hen de hand en zoo deden ook de dames en +hij zoende nog een laatste maal Elsatje, op beide wangen. Rikiki +werd in zijn mandje geduwd en 't deksel viel er op neer, als op een +doodkist. + +Zij spoedden zich over de brug naar beneden... + + * * * * * + +De generaal en de twee dames hingen naast de andere passagiers over +de verschansing en staarden in de menigte op de kade. Daar zagen zij +de dikkerds staan naast Elsatje, die weer het mandje had geopend om +hun tot het laatste oogenblik nog Rikiki te laten zien. Zij zagen het +aardige diertje midden in die drukke foule, zij zagen niets dan hem +en riepen nog zijn naam en zonden hem kushandjes toe. Zij wenschten +dat de boot nu maar zoo spoedig mogelijk vertrekken zou om van die +laatste foltering verlost te zijn. Maar 't duurde en duurde, de +stoomfluit scheen maar niet voor 't laatst te willen brullen en maar +steeds kwamen passagiers haastig met pakken en valiezen, de brug op +geloopen, en nog aldoor werden door de sissende en ratelende +stoomkranen volle vrachten van allerlei ingeladen. 't Was of er nooit +een eind aan zou komen. + +Toen hoorde de generaal eensklaps een stem achter zich, die hem +scheen aan te spreken. Hij keerde zich om en stond voor een vrij +jong, mager mannetje, met kaplaarzen aan en een geruite pet op, als +een piqueur of paardesportsman. Dat uiterlijk kwam hem niet vreemd +voor, maar de generaal herinnerde zich toch niet dadelijk waar hij +dat type wel gezien had. + +--Pardon, meneer, wat zei u? vroeg hij aarzelend. + +--Ik zei dat u hun het hondje dan toch maar gegeven hebt, antwoordde +de man met een eigenaardigen, raadselachtigen glimlach. + +--Ja, er was al niet veel anders op te vinden, antwoordde de +generaal gedrukt; en meteen herkende hij het mannetje: dezelfde die +hem 's ochtends op de andere boot verzekerd had, dat geen honden +meer in Engeland werden toegelaten. + +Het mannetje merkte dat de generaal hem eindelijk herkend had en +glimlachte opnieuw, nu gul en vriendelijk. De beide dames hadden +zich omgekeerd en herkenden hem ook. Hij boog en groette, even zijn +geruite pet afnemend. + +--Kent u die lui? Weet u wat dat zijn? vroeg hij, thans weer met +zijn geheimzinnigen, raadselachtigen glimlach. + +--Neen, hoegenaamd niet, maar 't lijken wel aardige menschen, +antwoordde de generaal vagelijk verontrust. + +--U weet toch dat het Duitschers zijn? + +--Wat! gilde de generaal, letterlijk opspringend, terwijl de dames, +een angstgil smorend, met uitgezette oogen de hand tegen haar mond +drukten. + +--Heeft u dat niet gemerkt aan hun taal? zei 't mannetje spotachtig. + +--'t Is toch waar ook! riep de generaal, de rechterhand tegen zijn +voorhoofd slaande, als in een plotse openbaring. + +De beide dames waren zóó ontsteld, dat ze geen woord meer konden +uitbrengen. + +--Ja, zeker, Duitschers, en, wat meer is, comme ça, zei +'t mannetje lachend, terwijl hij zijn beide wijsvingers om beurten +in zijn eigen oogen en zijn ooren scheen te prikken. + +--Hoe bedoelt u, meneer? vroeg de generaal heelemaal van streek en +niet begrijpend. + +--Spionnen! fluisterde 't mannetje hem toe. + +--O! schokte de generaal overeind, alsof hij een klap kreeg. + +--Heusch, meneer, ik ken ze wel, ik ken ze maar te goed, +verzekerde 't mannetje. + +--Duitschers! Spionnen! Maar ze zullen Rikiki uithongeren, folteren, +vermoorden! gilde hardop de schoonzuster, alsof ze plotseling +krankzinnig werd. + +Er was een oogenblik absolute, doodsche roerloosheid en stilte. In +stomme verslagenheid keken zij alle drie naar 't sportmannetje, dat +steeds kalm en welbewust bleef glimlachen en dan, zich +zenuwachtig-gejaagd omkeerend, naar de twee dikkerds en het meisje +op de kade, die daar nog steeds met Rikiki in zijn mandje waren +blijven staan. Zij waren totaal radeloos en wanhopig, de beide +dames barstten in snikken uit, de generaal stond te trillen en te +beven en ook op de gezichten van het drietal aan wal kwam van +lieverlede een uitdrukking van grenzenlooze verbazing en bijna van +schrik. + +Op dat oogenblik loeide voor de derde en laatste maal het +vreeselijk gebrul der stoomfluit. Het snerpte en huilde als een +nood-en-doodskreet; het schudde folterend de tot barstens toe +gespannen zenuwen en roffelde en dreunde als met een geweld van +aardbeving door 't gansche lichaam. En eensklaps sprong de generaal, +als een waanzinnige los, greep, op goed geluk af, een paar valiezen, +riep, achter zich om, tot de dames: kom mee... baande zich met geweld +een weg door de in elkaar geperste menigte der passagiers en holde de +brug af, waar reeds vier matrozen klaar stonden, om ze beneên te +halen. + +--O, maar, meneer, meneer, meneer! gilden de dikkerd en zijn vrouw, +angstig in de foule achteruitwijkend. + +In verwildering keek de generaal om, zag de ontstelde gezichten +zijner dames, die hem ijlings gevolgd waren. + +--Moet ge nog mee, meneer? riepen de matrozen bij de brug, klaar om +neer te halen. + +De generaal hoofdschudde hartstochtelijk van neen. Een schril gefluit +weerklonk en de brug gleed aan wal. De schroeven van de boot begonnen +'t water op te malen. + +--O man, man, wat heb je toch gedaan! schreide verwijtend de +generaalsvrouw. De schoonzuster schreide zonder nog iets te durven +zeggen. + +Driftig haalde de generaal zijn schouders op, nam voorloopig +geen notitie meer van de twee huilende vrouwen. +Zenuwachtig-gesticuleerend stond hij vóór de twee dikkerds en vóór +Elsatje met Rikiki. + +--Wij konden 't in ons hart niet gevonden krijgen om hem te verlaten, +zei hij, iets kalmer en reeds vagelijk zich schamend. + +De dikkerd en zijn vrouw glimlachten zwakjes, en knikten zwijgend +goedkeurend, nog gansch verbouwereerd door de gebeurtenis; maar +Elsatje barstte plotseling in hevige tranen uit. + +Dat vermurwde heelemaal het hart van den ouden militair. + +--Schrei niet, suste hij, het blonde hoofdje streelend. Wij blijven +voorloopig hier en je kunt elken dag met Rikiki komen spelen. + +Maar het kind bleef snikken en hikte stotterend + +--Ik hield zooveel van hem; ik zou er zoo goed voor gezorgd hebben. + +De generaal was radeloos. Hij keerde zich om tot zijn vrouw en zijn +schoonzuster en verweet haar vol toorn: + +--Zie je nu wel! Heb ik je niet voorspeld dat we met dat ellendig dier +niet konden reizen! + +Zij gaven geen antwoord. Zij bukten gedwee en ongelukkig 't schreiend +hoofd. Daar stonden zij nu, alleen als vluchtelingen in den vreemde, +met hun bagage en hun hond, terwijl het mooie, groote schip, dat hen +naar 't land van gastvrijheid en weelde zou brengen, zonder hen de +haven uitvoer. Gedrukt namen zij vluchtig afscheid van den dikkerd en +zijn vrouw en de schoonzuster ontving Rikiki in zijn mandje uit de +handen van het nog steeds ontroostbaar snikkend klein meisje. + +--Kom, kom, laten we nu maar gauw weggaan, ik schaam me, ik schaam +me, bromde de generaal, alsof zijn vrouw en schoonzuster alleen de +schuld van alles waren. Zij wenkten een kruier en verdwenen in de +aftrekkende menigte. + +--Naar 't hotel, beval de generaal. + +--Welk hotel, meneer? vroeg de kruier. + +--Kan me niet schelen; 't eerste 't beste. + +Zij volgden den witkiel en spraken geen woord meer. + +Eindelijk waagde zijn vrouw: + +--Zouden we niet een telegram naar Engeland moeten zenden, dat we +voorloopig hier blijven? Ze zullen anders ongerust zijn als ze ons +niet van de boot zien komen. + +Nurksch bromde hij iets onverstaanbaars als antwoord en daar ze +juist langs het telegraafkantoor kwamen, deed hij den kruier even +ophouden. Hij trok een formulier uit 't bakje en krabbelde met +gefronste wenkbrauwen het telegram aan zijn broer. + +Blijven voorloopig hier. Brief volgt. +Generaal. + +Hij schoof het door 't loket, betaalde, kwam weer bij den witkiel en +de dames. + +--Vooruit! beval hij kortaf, alsof hij op manoeuvre was. + +De kruier, bukkend onder zijn vracht, wees zwijgend den weg. + +In het verschiet, zwart van romp en wit van bovenbouw, met zijn +elegant-hangende reddingsschuitjes en zijn rookpluimende gele +schoorsteenen, stoomde het groote schip, de masten vlaggend, als in +feestgetooi, naar de volle zee toe. + +De schoonzuster deed haar uiterste best om Rikiki, die alweer in +zijn gesloten mandje neuspiepend begon te rommelen, met stille, +zoete woordjes te sussen. + +--Die spionnen! bromde nog even binnensmonds de generaal, terwijl +zijn vuisten dreigend ineenkrompen, die vervloekte spionnen.. + +De dames zwegen en hielden haar adem op, als gestold van schrik voor +wat nog komen zou. Maar er kwam niets meer. + + * * * * * + + +IV. + +DE VARKENSKAR. + + +Duizenden en duizenden waren reeds door het stille dorp +voorbijgetrokken... + +Met zwaar-dreunenden tred, log-gekadanseerd, echoënd tusschen de +gesloten huizen, van verre als een aanbruisende, grijze zeegolf... + +Een logge, grijze zeegolf, waarover de punten der helmen als een +krioeling van vluchtende ratten heen en weer wriemelden... + +Al de menschen uit het dorp waren gevlucht... Gevlucht, terwijl de +Belgen en de Engelschen nog even standhielden en de barstende +granaten in de straat begonnen neer te slaan. + +Zij waren gevlucht in de bosschen, ginds verre. Van daaruit, veilig +verscholen, hadden zij 't loeiend aanrazen gehoord en van verre hun +dorp zien branden... + +Nu was de storm voorbij en keerden zij terug. + +'t Viel mee. Zij hadden gedacht niets meer te vinden dan rookende +puinhoopen en daar zagen zij hun dorpje, met zijn huizen, althans +uiterlijk, haast ongedeerd. Een zwart-gapend gat hier en daar, veel +door elkaar geschudde pannen op de daken, gruis en glasscherven +overal, een half-gespleten deur, die uit haar hengsels hing, doch +nergens totale vernieling. Wel was de kanaalbrug opgeblazen en de +kerktoren half ingestort, maar dat ging de gemeente aan, dat voelden +zij niet rechtstreeks als een groot verlies. + +Een innerlijke vreugd, een echte, bijna kinderlijke vreugd straalde +uit op de gezichten. Niemand, in zooverre men kon nagaan, was +gesneuveld, of zelfs maar gewond; niemand werd vermist en de vijand +was reeds ver weg: het leek wel of de gruwelijke oorlog, met al zijn +narigheden en ellende, voor de bewoners van het rustig dorpje niets +meer was dan een akelige herinnering, iets als de dreiging van een +overweldigend onweer, dat toch eigenlijk meer schrik, dan schade +heeft veroorzaakt. Zij hadden wel iets verloren, edoch, door wat ze +kwijt waren geraakt waardeerden zij eerst recht wat hun nog +overbleef; en dat vertelden zij elkander onder druk gebabbel en hier +en daar zelfs met vroolijke kwinkslagen, terwijl zij in de gouden +schemering langsheen de huizen liepen of in opgewonden groepjes vóór +de drempels stonden. + +Toen kwam ginds verre, heel aan het uiteinde der straat, nog iets +eigenaardigs aan: + +Een jongetje, dat met een vlaggetje zwaaide, en, achter het +jongetje, een hooge kar, getrokken door een paard, en waaruit wild +gezang scheen op te stijgen. + +Terstond werden de menschen in het dorpje weer schuw en stil. Elkeen +haastte zich naar huis terug en bleef daar angstig-roerloos van op +zijn drempel kijken. + +Ja, ja, dat waren er nog: een bende achterblijvers of vermoeiden, in +een vrachtkar op elkaar gedrongen. Men herkende reeds duidelijk de +grijze uniformen en de grijsomkapte punthelmen. Kwaadaardig schenen +zij echter niet, want hun gezang klonk vroolijk en met hun armen +zwaaiden zij geestdriftig heen en weer, zooals het knaapje, +dat voorafging, onophoudend zwaaide met zijn vlaggetje. + + +Maar dat knaapje... o, eensklaps herkenden ze 't!--'t Was Pierken, +het jongste zoontje van den varkensslager, ginds, een eind buiten +het dorp; en 't oud, gebogen ventje, dat naast het sukkelig +paardje liep, was Pierken's eigen vader; en 't klein, bruin hondje +met zijn krulstaartje, dat nu en dan eens tegen Pierken opsprong, +het was hun hondje; en de groote kar, waarin al die zingende kerels +waggelend overeind stonden, het was hun kar, waarmee zij driemaal in +de week de geslachte varkens naar de stad vervoerden... + +Het voertuig naderde. Toen het tusschen de eerste huizen over het +puin en de krakende glasscherven reed, hieven de kerels een dreunend +gejuich aan en zongen zij oorverdoovend iets van 't "Vaderland", dat +mocht "ruhig" zijn, terwijl ze wild zwaaiden met wijnflesschen en +glazen, die ze, als trofeeën, in de hoogte staken. Sommigen schonken +de glazen rood vol en reikten die lachend in de richting van de +menschen langs de huizen toe. Dan dronken zij zelven, met +gulzig-smakkende lippen. Anderen wenkten naar de meisjes en zonden +dikke klapzoenen. + +Stil en strak en bleek en bang, bleven de menschen roerloos staan. +Zij keken wel even naar de lawaaiende en drinkende kerels in de +varkenskar, maar eigenlijk hadden zij slechts oogen voor Pierken en +zijn hondje en zijn vader. Zij begrepen niet waarom het knaapje maar +aldoor en aldoor met zijn vlaggetje--een zwart en wit en rood +gestreepte--zwaaide; en zij begrepen ook niet waarom en waarheen +Pierke's vader al die kerels in zijn kar vervoerde. Eindelijk was er +een, die 't waagde dit aan het knaapje te vragen. + +--Z' hên 't mij g'heeten; 'k moete," antwoordde Pierken +neerslachtig. + +Toen vroegen ze ook aan Pierke's vader waar hij heen moest. + +--'K 'n weet het niet; z' hên mijn peird en mijn kerre gepakt," zei +'t mannetje met schuwe oogen. + +Benauwd en zwijgend staarden de menschen het aftrekkend gespan +achterna. Aldoor wapperde 't vlaggetje, naar rechts, naar links, in +'t schelle flitsen van zijn harde driekleur; aldoor stapte Pierke's +vader gebogen naast het sukkelend paardje; en aldoor galmde en +loeide, in 't hossebossen van de wielen, het dreunend brulgezang van +het "Vaterland", dat mocht "ruhig" zijn. Kwispelstaartend liep het +klein, bruin hondje mee, af en toe eens tegen Pierke's knieën +opspringend. + +Niemand sprak een woord meer. Gedrukt gingen de menschen in de roode +avondschemering naar binnen. Al hun zoo scherp gevoelde +bevrijdingsvreugd was eensklaps over, enkel door 't zicht van die +twee welbekenden--het kleine Pierken en zijn vader--die zoo maar +door de vreemde kerels waren opgecommandeerd en meegenomen, zonder er +iets van af te weten wat of waar hun naaste toekomst wezen zou. + + * * * * * + + +V. + +IN DE VUURLINIE. + + +Eén uur. Kobeken en zijn vrouw hebben gedaan met eten, en gaan, +evenals elken dag, bij mooi weer, buiten, naast hun deur, op een +stoel, wat zitten "noenstonden". + +Het is een prachtige Septemberdag, zacht, stil, sereen, een +atmosfeer vol rust en vrede. Kobeke en zijn vrouw, gezellig tegen +hun wit geveltje achterovergeleund, met rechts en links van zich de +mooie, rijke najaarsbloemen, die geurend tegen het muurtje opranken, +genieten van die zoete heerlijkheid, terwijl daarbinnen, in het +achterhuis, Seelevie, hun dochter, plicht-getrouw en ijverig, reeds +aan 't karnen is. Men hoort de houten karnstang in gelijkmatige +kadans dof heen en weer slaan, terwijl de melk klotst en zuigt, als +waterkolken, die door spuigaten wegborrelen. Kobeken is 'n klein, +schraal ventje, met half-dichtgeknepen loeroogjes; zijn vrouw is +groot en vet en dik en hijgt amechtig, zelfs wanneer ze, zooals nu, +niets anders doet dan zich vadsig in de zon koesteren. + +--Heurt ge 't weer? vraagt Kobeken, de lucht inkijkend, nadat ze +daar een poosje roerloos hebben gezeten. + +De vrouw kijkt eveneens in 't blauwe van de lucht en knikt dan met +het hoofd toestemmend, dat ze 't heel goed hoort. + +--Ze zijn weere bezig, zille! roept Kobeken, door 't opengebleven +deurgat, zijn dochter toe. + +De karn houdt even op met klotsen, + +--Wat zegt-e? vraagt Seelevie's stem daarbinnen. + +--Da ze weere firm bezig zijn! herhaalt Kobeken. 'k Geleuve zelfs, +dat 't noader komt as gisteren. + +Blijkbaar boezemt de mededeeling Seelevie geen buitengewone +belangstelling in. Zij reageert althans niet verder en in doffe +kadans begint de karn weer gelijkmatig te klotsen. + +Het is en blijft ook elken dag hetzelfde. Hoe lang zou het nu reeds +duren: twee weken, drie weken, vier weken, dat zij dag aan dag, in de +verte, het kanongebulder hooren? Sinds lang zijn al hun buren. Van +Heule, Bosschaert, Van Lancker, Van Keirsbilke gevlucht, sommigen +met hun vee, anderen hun heele boeltje in den steek latend; maar daar +moet Kobeken om lachen: hij vlucht niet en zàl niet vluchten, wat er +ook gebeure; hij blijft doodkalm waar hij is en bij mooi weer zit hij +met zijn vrouw naar het verre gebulder te luisteren, niet meer +bewogen dan hij door een ververwijderd onweer zou bewogen worden. + +Maar, 't is niet te loochenen: vandaag, voor 't eerst, klinkt het +gedonder dichterbij. Vroeger was 't slechts een aanhoudend, dof +geroffel. Vandaag zijn 't slagen, echte slagen, wel heel verre nog, +maar duidelijk hoorbaar: Boemmm!... en dan een korte stilte, en dan +een Rrrannn!... waarbij de ruiten trillen en de aarde dreunt. + +--Heurt ge 't, Seelevie? roept Kobeken nog eens naar binnen. + +Doch Seelevie hoort blijkbaar niets; zij geeft niet eens antwoord en +de karn blijft maar ongestoord stampen en klotsen. + +Eensklaps is 't alsof een licht, grijsachtig-geel, doorschijnend +floers het helder hemelsblauw komt oversluieren. Het lijkt wel vreemd +en eigenaardig, want de zon glinstert en geen enkel wolkje vertoont +zich aan den horizont. Zou het soms ergens branden? Of wat is het +ook? Harder en talrijker vallen intusschen de slagen, met dreunenden +bons, en plots komt in de lucht een dichte vogelzwerm musschen, +duiven, meerlen, allerlei vogels door elkaar, die in één grooten, +wilden trek naar 't Westen schijnen weg te vluchten. En pas zijn ze +verdwenen, of daar verschijnt, hoog in 't azuur, een andere, groote +vogel, een die machtig snort en zoemt, en, langs den onderkant +goud-glinsterend beschenen door de zon, op strak-breed-uitgespreide +vleugels drijft en zwenkt en cirkelt, vlak boven een onzichtbare plek +in het veld, waar het nu dadelijk loeit en rookt en kraakt van uit +elkaar barstende bommen. + +--Seelevie, kom ne keer hier, de vliegmachine es doar, heurt-e gij +da niet! roept voor de derde maal Kobeken naar binnen. + +Maar Seelevie geeft absoluut geen antwoord en de karn houdt geen +oogenblik op met klotsen. + +Kobeken is in 't geheel niet bang; en ook zijn vrouw schijnt niet den +minsten angst te voelen. Misschien zijn ze te oud en te zeer +afgestompt om schrik te hebben: althans, ze blijven rustig zitten en +kijken vol belangstelling naar wat nu om hen heen gebeurt. + +In Bosschaert's weiland loopen koeien en twee paarden rond, die de +eigenaar daar, vóór zijn vlucht, heeft losgelaten. De koeien grazen +rustig, alsof er niets gebeurde, maar de paarden zijn wel +zenuwachtig onder het loeien en het donderend geknal en rennen op en +neer in wilde vaart, met hoog-uitslaande, blinkende hoeven. En +plotseling, zonder dat er iets bijzonders schijnt gebeurd te zijn, +stort er een neer en blijft het roerloos op het groene weiland +liggen. + +--Kijk ne keer! kijk ne keer! roept Kobeken verbaasd. + +Vóór zijn vrouw den tijd heeft om te antwoorden, liggen ook twee +koeien neer en staat Bosschaert's schuur in lichte laaie. + +--Seelevie, Seelevie, Bosschaert's schure brandt! roept Kobeken. + +Maar eensklaps dreunt de grond als onder een aardbeving en, over den +grintweg, langs Kobeke's huisje heen, stormt als 't ware een orkaan +voorbij. 't Zijn paarden en ruiters, en automobielen en kanonnen, +één zwoegend geraas in verblindende stofwolk, dat bliksemsnel om een +scherpe bocht van den landweg verdwijnt. + +De glinsterende vlieger inde hooge lucht schijnt hun vluchtende +beweging mee te maken. Hij snort en zweeft, als door hen +meegetrokken, maar weldra blijft hij nog eens cirkelen en hangen en +meteen kraakt en bonst alweer het boemm... boemm... boemm... en +schijnt de lucht vol onzichtbare, schril loeiende en gierende +monsters, die met razend en fluitend en stoomend en sissend geweld op +de aarde neerbarsten. + +Kobeken en zijn vrouw zijn opgestaan. Bang zijn ze nog steeds niet, +maar wel sterk opgezweept en zelven als het ware in de vlucht +meegetrokken. Wat is dat alles gauw gegaan! Waar zijn ze nu, die +daar straks als een orkaan voorbijstormden? En wat komt er nog meer? +Is 't niet alsof zij droomden? Alsof ze 'n nachtmerrie beleefden? +De stem van Seelevie in 't achterhuis roept hen eensklaps tot de +werkelijkheid terug: + +--Moeder! Moeder!... + +De stem klinkt boos, kwaadaardig. En, daar Kobeken noch zijn vrouw +dadelijk antwoorden, verschijnt de meid, hijgend en bezweet, met +verhit gelaat en slordige haren, op den drempel en herhaalt: + + +--Ala, toe, moeder, help mij ne keer: de kirn es af! + +--Heurt-e da niet! Zie-je da niet! gilt Kobeken, naar het +aftrekkend gedonder en geloei in 't Westen wijzend. + +Maar reeds is de bezorgde meid weer binnen en moeder volgt haar +haastig en amechtig, bang voor standjes. + +Alleen blijft Kobeken daar nog even staan. Hij ziet den +glinsterenden vlieger cirkelend in de hooge lucht; hij hoort de +steeds verdere donderslagen der kanonnen en het suizen en het +barsten der granaten, in den grijsachtig-gelen sluier, die zich nu +naar het ander einde van den horizont uitspreidt. + +Dan loost hij een zucht en zijn blik valt weer op Bosschaert's +afbrandende hoeve. + +'t Is ook al bijna over. Het dak der schuur is geheel ingestort en +alleen dichte rookzuilen, met spattende vonken doorflitst, als van +een geweldig vuurwerk, stijgen nog ten blauwen hemel op. In +'t groene weiland liggen de lijken van het paard en de twee koeien +onbewegelijk. Het tweede paard en de overige koeien zijn reeds +rustig, op het verste hoekje, weer aan 't grazen... + +--Kom, voader, 'n potse káffee drijnken, verzoekt Kobeken's vrouw +van op den drempel. + +Kobeken kijkt nog eens even in het verre, bruisend Westen en gaat +binnen. En, terwijl ze met hun drieën om het tafeltje zitten te +slurpen, hooren zij weer, evenals al die andere dagen, niets meer dan +een aanhoudend ver en dof geroffel, maar nu aan 't ander einde van +den horizont... + +--Wel, sakkerdeeke, 'k 'n wist toch niet, dat da zeu gauwe ging! +merkte Kobeken nog even op. + +Doch de oude moeder zuchtte maar eens even en de nurksche, plompe +dochter zeide niets; en al spoedig was Kobeken weer buiten om naar +Bosschaert's afgebrande schuur en naar de doode beesten te gaan +kijken. + + * * * * * + + +VI. + +BURGERWACHT-IDYLLE. + +Marchons sans bruit, +Voici voici la nuit. +Halte-là, on ne passe pas! +La garde-civique est là! + + +Acht uur. 't Is stil en donker... + +De loopgraven strekken zich uit langs het kanaal, in een diepte, +achter den berm van het begrinte jaagpad. + +Daarin liggen de burgerwachten... + +Sinds den vroegen middag liggen zij er verscholen, wachtend op den +vijand. + +Den ganschen dag heeft in de verte het kanon gebulderd. Met den +avond zweeg het, maar het leger trekt terug en even vóór duister is, +met een gedreun als van een aardbeving, de kanaalbrug door de +aftrekkende troepen opgeblazen. + +'t Is nog de eerste maal, dat de burgerwacht niet vóór het leger +wijkt. Totnogtoe, in alle plaatsen, zoodra eenig gevaar dreigde, +werd de burgerwacht veilig verder opgezonden. Er werd zelfs den spot +mee gedreven en de menschen zeiden: + +"Daar, waar zich de burgerwacht bevindt, hoeft men voor den vijand +niet bevreesd te zijn." + +Maar nu is 't anders. Nu is het leger geweken en de burgerwacht +gebleven. Voor 't eerst werd haar een eerepost toevertrouwd. Nu +zullen zij eindelijk den vijand zien: den beduchten, wreeden vijand, +voor wien alles vlucht! + +De commandant der burgerwacht sluipt met zijn adjudant in stilte +langs de loopgraven en deelt nog eens met nadruk zijn bevelen uit: +"Niet zingen, niet lachen, niet praten, want ieder oogenblik kan de +vijand aan de overzijde van 't kanaal verschijnen. Kleine +patroeljes uhlanen werden reeds, vóór duisternis, in den omtrek +gesignaleerd. En ook niet rooken, streng verbod te rooken, want de +vijand zou van verre het licht der aangestreken lucifers of den +rooden gloed der brandende sigaren kunnen zien." + +Als stille, donkere schimmen en gestalten zitten de burgerwachten in +de lange loopgraven. De geweren, op den anderen oever gemikt, liggen +onzichtbaar tusschen graszoden, klaar om afgevuurd te worden. De +mitrailleuses en ook twee electrische zoeklichten staan achteraan op +zij, onder en achter takkenbos verdekt. + +De burgerwachten zijn niet bang. Zij zullen moedig hun plicht doen. +Wel kloppen hamerend de harten, want het is toch de eerste maal, en +het is nacht, en 't is een zenuwspannend wachten op een vijand, die +maar niet verschijnt, maar die toch ieder oogenblik, gansch +onverwacht en bliksemsnel, kan opduiken. De oogen van de +burgerwachten peilen strak de duisternis en hun gespitste ooren +luisteren naar elk verwijderd rumoer, naar ieder vaag geluid. Doch +zij zien alleen het vage, vale blikkeren van 't donker water in +'t kanaal en zij hooren slechts het zuchten van den wind, die zachtjes +door het oeverriet suist. + +Dat duurt zoo, langen, langen tijd. De moeheid van het vruchteloos +wachten verslapt weldra de stramheid der overspannen zenuwen en de +oogleden vallen van verveling en afmatting dicht. Het zal alweer een +loos alarm zijn. Enkelen rekken hun verkleumde ledematen uit en +geeuwen, en anderen wagen zich reeds aan een gefluisterd praatje, als +eensklaps een gesmoord bevel door de loopgraven ruischt: + +"Opgepast! Ze zijn daar!" + +Bliksemsnel omknellen alle handen loop en kolf der geweren. De adem +wordt opgehouden, de oogen schitteren in den nacht, de ooren +vernemen het zwakste geluid. + +Jawel, daar zijn ze, aan den overkant van 't donker water! Men +ziet ze nog niet, maar men hoort ze, heel duidelijk. Het zijn +uhlanen; zonder twijfel de vlak vóór duisternis daar in de buurt +gesignaleerde uhlanen! Men hoort het hoevengetrappel der paarden +en het gekletter der sabels tegen de zadels. Zijn er veel? Zijn er +weinig? 't Is moeilijk te onderscheiden. Te oordeelen naar het +geluid zou men, hoe eigenaardig!, zeggen: weinig paarden en toch +heel veel sabels. Hoe kan dat? + +De commandant, ineengebukt, loopt als een gejaagde schaduw heen en +weer. Alle man klaar? Opgepast! Straks zullen, bliksemsnel, de +lichten der electrische projecteurs even opflikkeren, om den vijand +te ontdekken, en dan maar vuur! De volle laag! + +Een... twee... drie!... + +Twee schelle,verblindende lichtbundels doorboren den donkeren nacht! +Hun felle gloed valt volop op den vijand en... even is er een stilte, +door een plotselingen, langen schaterlach gevolgd! + +Wat daar aan den overkant van 't water langs het jaagpad rijdt, is +een gewone bierkar! + +Een bierkar, bespannen met twee paarden; een bierkar, groengeverfd, +met groote, gele advertentie-letters, en volgeladen met tegen elkaar +aanrammelende en kletterende, volle en leege flesschen! + +De burgerwachten schateren en proesten, terwijl het helle zoeklicht, +plots uitgedoofd en weer ontvlamd, met zijn fellen, witten +stralenbundel, het aftrekkend gerammel en gekletter achtervolgt. En +bij dat zicht voelen de burgerwachten, die daar nu al zoo veel uren +liggen, eensklaps folterenden dorst en een bevel weerklinkt, van den +eenen oever naar den anderen: + +"Halt!" + +Het karretje houdt stil. De lichten wemelen en spelen op de +flikkerende flesschen en het verschrikte gezicht van den voerman +kijkt eventjes uit van onder de kap. + +"Hoeveel flasschen bier het-e nog!" roept een stem. + +Niet dadelijk komt het antwoord. + +"Hoeveel flasschen bier het-e nog?" klinkt het voor de tweede maal, +en nu op een toon van dreigenden toorn. + +"Misschien nog 'n honderd, meniere!" antwoordt schuw en aarzelend de +man van over 't water. + +"Goed. Afleveren!" galmt het kort bevel. + +Twee schuitjes, waarmee de burgerwachten kunnen overzetten, liggen +daar bij den oever vastgemeerd. Een wordt er losgemaakt en drie +mannen varen er mee naar de overzijde. + +'t Gaat gauw genoeg. De flesschen zitten in bakjes van twaalf en +acht van die bakjes worden in het schuitje neergelaten. Bij 't licht +der schijnwerpers wordt even een bonnetje afgeteekend, het schuitje +vaart weer over en de benauwde voerman mag verder. + +De burgerwachten voelen zich heerlijk opgemonterd. Jammer, dat er +nog niet een stuk of dertig meer van die fleschjes waren! + +Dan had ieder het zijne gehad. Zou die kerel hen niet bedot hebben? +Zou men nog niet eens het zoeklicht laten spelen? + +Voor de grap laten zij het nog eens spelen. Onmiddellijk houdt de man +zijn paarden aan den overkant weer in en het angstig gezicht komt +spookachtig-wit van onder de kap te voorschijn. + +"Es 't zeker da g' ons álles gegeven hèt?" roept een autoritaire stem. + +"Joa 't meniere, joa 't meniere! Op mijn woord van iere!" antwoordt +de man. + +"Prosit! Prosit!" lachen de burgerwachten van verre, enkele +flesschen in de hoogte houdend. + +Het licht gaat uit en het karretje verdwijnt met het geklikklak +zijner leege lading in de duisternis. + +Andere vijanden hebben de burgerwachten dien nacht niet gezien... + + * * * * * + + +VII. + +DE VRIJWILLIGER. + +Voor mijn heldhaftige jonge +vrienden Henri Rolin en Pierre +Waelbroeck. + + +Het oogenblik is gekomen... + +Uren lang hebben de kanonnen over 't veld gedonderd, door het verre +geschut van den vijand beantwoord. En uren lang heeft de +vrijwilliger met de reserves daar gestaan achter de bulderende +vuurmonden. Voor 't eerst, in dien geweldigen strijd, heeft hij, van +dichtbij, 't kanon zien en hooren léven. Hij heeft het zien laden en +richten en op het degen-bevel van den officier zien afvuren! + +Het kanon, dat wordt afgevuurd, is geen strakke, holle, bronzen pijp +op wielen meer: het is een beest, een monster, dat plotseling, met +overweldigend geweld, kortstondig en afschuwelijk leeft. + +Een dreunende slag, die de aarde doet beven, een wreede vuurtong, een +terugsprong, alsof het beest schrikte van zijn eigen woestheid, en in +de lucht een snerpend noodgegil, als het gebriesch van een +wegstormend paard! Het is, alsof het kanon schreeuwde: ik ben de Dood +en mijn vraatzuchtige woede is afgrijselijk: ik hol, ik vlieg, ik +grijns, ik scheur en ik vernietig en niets kan mij weerhouden! + +Dat geeft den mannen moed. Het is niet denkelijk, dat iets aan zulk +geweld kan weerstand bieden. Het kanon is de geweldige stem der +victorie en zoolang het spreekt moet alles zwijgen. + +Maar nu zwijgt het zelf. Het heeft zijn taak volbracht. Het heeft het +geschut van den vijand verstomd en zijn loopgraven stukgeschoten. Wat +nu nog moet gebeuren is het werk der manschappen. + + * * * * * + +Met de andere reserves is de vrijwilliger vooruitgerukt. Wie zijn +ze, die anderen? Hij weet het niet, hij kent ze niet. Een maand +geleden allen onbekenden, onverschilligen; nu allen broeders... +Broeders in 't doodsgevaar en in de vaderlandsche liefde; strijders +voor eenzelfde doel, voor iets, dat zich niet duidelijk tot een +beeld van concretie vormt, maar dat schoon en hoog en nobel is: +strijders voor een ideaal! + +Wat hij zelf was vóór den oorlog, is de vrijwilliger bijna vergeten. +Zijn jong studentenleven, zijn vroolijkheid, zijn frisch gemoed, +zijn werk-en-toekomstplannen, 't ligt alles nu zoo ver en vreemd +reeds achter hem! Er kwam ineens als 'n schok in zijn leven: fier en +razend stond hij op tegen schandelijk onrecht en verdrukking en +kende alleen nog zijn plicht, één enkelen plicht: vechten tot den +dood tegen dat onrecht! + + * * * * * + +Daar kruipt hij nu over den grond naast al die anderen... + +De avond daalt. Een bleeke, rose streep ligt laag en lang over den +grijzen einder, als een teere, zachte blos van stillen weemoed. 't Is +of de avond zei: ga rusten, ik rust ook; 't is nu geen uur van +strijden meer. Maar ginds, op eenigen afstand, knettert aanhoudend +een krakend geluid en vlak over zijn hoofd heen hoort de vrijwilliger +een voortdurend gezoem, als van ontelbare, vliegende en zwermende +bijen. Soms is het of er duizenden en duizenden zwermden en zoemden; +soms is het of er slechts enkele meer waren en dan rukt de +vrijwilliger naast zijn kameraden met een korten sprong voorwaarts, +om dadelijk weer neer te ploffen, en de bijen, bij honderden en +honderden, boven zijn hoofd te hooren zoemen. + +Hij weet maar al te goed wat dat gezoem beteekent! Het is 't luguber +doodsdeuntje der vliegende geweerkogels! Soms gaat een korten kreet +op en een der makkers blijft roerloos op het akkerveld liggen. Dat +maakt de anderen niet bang. Dat maakt ze woedend, razend, en zij +klemmen de tanden op elkaar, terwijl ze, op hun beurt en onverpoosd, +naar den onzichtbaren vijand vuren. De stemmen van hun officieren +klinken kort en krachtig achter hen: "En avant! Vooruit! En avant! +Vooruit!" En onder dien aandrang gaat het, in stuggen nijd steeds +verder en verder, ondanks de verliezen, tot zij eindelijk, in de +schemering, de schansen van den vijand vóór zich zien, en, niet meer +te weerhouden, wild er op losstormen. + +Wat geeft het nog of ze bij tientallen nu vallen? Wie kent nog +gevaar en wie voelt er nog pijn! Het zijn geen menschen meer; 't is +een orkaan van wilde beesten en brullend storten zij op en in de +loopgraven neer! + +Een ruk, een vloek, een stoot en mannen vallen achterover, het lijf +door bajonetsteken doorboord. 't Gaat bliksemsnel. Wie even mist of +wankelt, wordt zelf ter dood getroffen. De kelen zwoegen, de monden +hijgen, de voeten struikelen over lijken en glijden uit op slijk en +bloed. De vlugge oogenblikken hebben een beteekenis van eeuwen. Tijd +geldt niet meer; 't moment is alles! + +Hoog staat de vrijwilliger even op den berm der loopgraaf en ziet +zijn vijand in de diepte. + +Zijn vijand, want rechts en links zijn het de vijanden der kameraden. +Zijn vijand, want de man mikt en schiet op hem en het schot vliegt +hem, brandend, rakelings, naast de linkerwang. Dan stort de +vrijwilliger op zijn vijand neer en met een rauw gekrijsch van woede +boort hij zijn bajonet tot aan den loop van het geweer, dwars door +zijn lijf! + + * * * * * + +De vrijwilliger is een mensch. Daarstraks, in 't felle van +'t gevecht, was hij een dol, wild beest; maar nu, nu hij voor +'t eerst een man onder zijn slag ziet vallen, nu is hij plotseling +weer een mensch! Hij ziet een gruwelijken weemoed in die dof +brekende oogen, een wereld van rouw en lijden en verdriet; en +'t snikt hem eensklaps naar de keel, het barst ontembaar in hem uit +van menschelijk medelijden; hij smeekt "Pardon!" Pardon! met +saâmgevouwen handen en de tranen breken uit zijn oogen, en hij valt +sidderend en biddend op zijn knieën... + +Maar 't is reeds afgeloopen. De zuiver-menschlijke tragedie duurde +slechts een oogenblik; de doode vijand is nog maar een roerloos +hoopje vuil en bloed, en om hem heen weergalmt luid-bulderend +hoezee-geschreeuw. Hij staart met waanzinnige oogen en ziet zijn +makkers vreugde-dansen en hoog zwaaien met hun képi's en geweren. +Zij hebben de loopgraaf genomen; zij hebben overwonnen en jubelen +wild hun trotsche blijdschap uit. + +Stil bukt de vrijwilliger het hoofd en jubelt niet mee. Zijn korte +adem zwoegt en hijgt, zijn handen beven, zijn zwakke beenen weifelen +en knikken onder hem. In doodsche stilte gaat hij een eind verder op +den rand der loopgraaf zitten en staart over den langzaam-aan +wegsomberenden horizont. + +Het lange, lage, rose schijnsel aan den einder is slechts een vale +lichtstreep meer. Het droeve slagveld donkert weg met de vage hoopjes +der gevallen lijken en de rust, die over 't eenzaam landschap daalt +is van een eindelooze triestigheid. Ergens rijdt, onder dof en +langgerekt gedreun, een trein op een metalen brug en in de verte +blaft een hond, met hol en klagelijk-droef geluid. + +De vrijwilliger haakt zijn veldflesch los en drinkt met lange, +gulzige slokken. Gelukkig, dat hij die nog heeft! Hij bezwijkt van +den dorst! Als hij op dit oogenblik niets te drinken had, dan zou hij +stikken, of weer in akelig huilen losbarsten. + +Een stem, in het reeds vallend duister, roept zijn naam +uit. Hij hoort het wel, doch antwoordt niet onmiddellijk. Hij kán +nog niet antwoorden. Zijn schor-hikkende keel kan nog geen klanken +doorlaten. Dan klinkt de stern opnieuw, dringend, met harderen klem; +en eindelijk antwoordt hij... + +Ja, hij is nog van de levenden, hij behoort tot de overwinnaars!... + + * * * * * + +VIII. + +DE VLUCHT. + +Alweer, den ganschen dag, had, in de verte, het kanon gegromd... + +Dat was echter geen nieuws meer; sinds lang waren zij daaraan +gewend. Doch, met den avond scheen het gedonder dichterbij te komen +en dat verwekte angstigheid. + +Het was een zachte, schoonte, stille, gouden avond. De menschen van +het dorpje kwamen buiten op hun drempel staan. Alle gezichten waren +naar 't Oosten gekeerd en aller oogen staarden schrik-starend, en +aller ooren luisterden, met ingespannen aandacht, om ieder geluid op +te vangen. + +Het roffelde aanhoudend, als een verwijderd onweer, maar af en toe +met zwaar-bonzende slagen, die eventjes de ruiten deden rinkelen. + +Dat daver-rinkelen der ruiten was een allerakeligst en angstwekkend +geluid. 't Was telkens of 't gevaar eensklaps vooruitsprong, met +reuzenschreden. + +Er kwam een vage woeling in het dorpje. Iets als een windvlaag, die +er dreigend overheen streek. Iets, dat uit het schemerig verschiet +scheen aan te ruischen en te zwellen; iets, dat de harten deed +kloppen en de beenen deed beven. + +Menschen liepen dwars over de straat naar elkander toe, vereenigden +zich tot kleine groepjes, schenen elkander nare dingen mee te +deelen. En plotseling was daar een vrouw, die akelig huilde; een +vrouw, niemand wist waar-vandaan gekomen, halfnaakt in gescheurde +lompen, met een schreiend kind op den arm en die snikte: + +--Ze zijn te Leuverghem; z'hèn mijne man vermeurd en ons huis in brand +gesteken! Ze komen noar hier! Ze komen! Ze komen! + +Eerst was er een kort oogenblik als van geconsterneerde stilte. Zij +konden dat niet zoo dadelijk bevatten en keken de vrouw aan, +roerloos, met wijd-angstige oogen. Maar eensklaps riep een jongetje: +"'t Es woar! 't Brandt ginder!" en allen keerden, als onder een +schok, zich om en zagen een rossigen, rookenden gloed, over de verre +boomen aan den einder. + +Looverghem stond in brand; dat wisten zij terstond aan de richting; +en Looverghem was slechts anderhalf uur verwijderd van hun eigen +dorp! Wat nu te Looverghem gebeurde, zou straks ook te Baevel +gebeuren: hun gansche dorp, met alles wat zij bezaten, zou door den +wreeden, woesten vijand vernield worden! + +Met wilde kreten, met wanhoopskreten, stoven zij uit elkaar, elk +naar zijn eigen huis toe. Aan iets te redden door verdediging was +geen denken: alleen de vlucht, de panische vlucht, met wat zij +dadelijk redden konden, was de eenige uitkomst. + +Reeds kwamen de eerste vluchtelingen uit Looverghem, uitzinnig van +schrik, in Baevel aan. Doch niet een hield er zich op. Zij +schreeuwden slechts, in 't wild voorbij rennen, wat de huilende +vrouw met het kind had uitgegild: "Ze komen! Zekomen! Ze branden en +vermoorden!" en weg waren ze, met rijwielen, wagens en karren of te +voet: één griezelige stroom van vluchtende, schreeuwende, +strompelende, vallende, schreiende wezens, één vloed van +overweldigende, menschelijke ellende, die in een dikke stofwolk +'t gansche dorp als een orkaan doorzweepte en aangezwollen door +reeds meehollende honderden en honderden uit Baevel zelf, +als een apocalyptische horde aan den rooden horizont verdween. + + * * * * * + +Vosken (Vosken van den Berg, zooals hij in de wandeling werd +genoemd) hoorde dat wild geraas van verre aanbruisen. Hij woonde +daar met vrouw en kinderen op de hoogte, even buiten het dorp, in +een klein huisje, dat alleen stond en vanwaar zich een ruim en +prachtig vergezicht over den ganschen omtrek uitstrekte. + +Dat wijd en prachtig vergezicht was zeker niet 't geen Vosken daar +het meest aan zijn woning hechtte. Het is zelfs meer dan +waarschijnlijk, dat hij er nooit anders dan met een verstrooiden of +onverschilligen blik naar keek. Hij had er ook geen tijd voor. +Vosken was marskramer en vellenploter en van den ochtend tot den +avond reed hij meestal met zijn hondenkar over de wegen. Zelfs de +oorlog had hem zijn vermoeiend bedrijf niet doen staken; en hij was +maar zooeven van een urenlangen rit teruggekomen en zat met vrouw en +kinderen aan 't avondmaal, toen hij 't gedruisch hoorde aanzwellen. + +Hij lei zijn vork neer en ging buiten zien. Hij zag die wilde, +vluchtende benden den heuvel oprukken; maar van het hooge punt, waar +hij stond, ontwaardde hij meteen wat zij, die nog beneden waren, veel +minder duidelijk, of zelfs in het geheel niet konden zien: de +gansche, verre, aschgrauw-wordende Oosterkim in brand: een brand, +die zich heel snel naar 't Westen uitzette, opvonkend als het ware uit +honderd plaatsen tegelijk, als een omcirkelende vuurslang, die weldra +alles zou verslinden. + +Vosken schonk ternauwernood eenige aandacht aan de voorbij +stormende, angstig verwilderde menigte; hij omvatte met één enkelen +oogopslag het gruwelijk gevaar en holde weer naar binnen. + +--Op! gilde hij, tot vrouw en kinderen. Op! Alles brandt af! Geen +menuut te verliezen! Vluchten! Vluchten, zeg ik ulder! En hij begon +te vloeken en te razen, omdat de door schrik verlamde vrouw en +kinderen niet dadelijk begrepen en opvlogen. + +Hij rende naar het hok, waar zijn twee sterke trekhonden vastgeketend +lagen en spande ze hijgend vóór 't karretje aan. De vrouw had ijlings +al 't geld uit het laadje gehaald, de dochter scharrelde wat kleeren +bij elkaar, het zoontje nam een zwaar roggebrood en een homp spek +onder den arm. De honden blaften wild en jankten bij het stalletje, +als bezielde wezens, die al het somber-tragische van de gebeurtenis +heel duidelijk begrepen. + +In enkele minuten was men klaar. De wanhopige moeder had nog zooveel +meer willen meenemen, doch het kleine karretje was reeds overladen. +Zij konden er nog nauwelijks zelven in. Zij schreiden luid en snikten +om alles wat zij daar nog moesten achterlaten; het scheurde hun door +'t hart, maar 't moest, het moést, er was geen oogenblik meer te +verliezen, zij hoorden de vernieling in de verte aanloeien, en zij +werden meegenomen in den wilden stroom der vluchtelingen, terwijl +daar in de diepte de eerste huizen van het dorp reeds brandden... + + * * * * * + +In volle vaart renden zij het roode Westen in. Wat zag het vreeselijk +bloedrood dien avond! De zon was onder, maar hoog en wijd over de kim +had zij haar langzaam-tanend bloedlicht nagelaten. 't Was als een +tafereel der wreede, oude tijden. Somber, voorovergebogen in hun +vlucht, holden, in roodachtige stofwolk, die duizenden en duizenden +daar wild op in. Want achter hen, den ganschen horizont omlaaiend, +woedde de gruwbare brand der vernieling, en naarmate het roode +hemelsvuur der weggezonken zon tot somberend aschgrauw vervaagde, +zagen zij steeds nieuwe brandpunten opflitsen rechts en links vóór +zich uit nu, zoodat zij steeds onstuimiger moesten vluchten en +vluchten, om niet binnen den afgrijselijken brandcirkel te worden +ingesloten. + +Reeds waren er velen, die niet verder mee konden en uitgeput, met +schreiende stemmen en om hulp-smeekend-gevouwen-handen aan den rand +van den weg bleven liggen. In den naderenden vuurgloed der +alom-brandende hoeven en huizen vertoonden zij afschuwelijk +verwrongene wanhoopsgezichten met wijd-opengespalkte schrik-oogen, +waarvan het wit als bloed-doorloopen blikkerde in den felrooden +gloed, die den ganschen hemel scheen in brand te zetten. Doch geen +mensch keek naar hen om, geen helpende hand werd naar hen +uitgestoken. De vijand naderde, men hoorde in het helsch verschiet +'t gedreun der hoeven-trappelende paarden en 't was steeds verder +vluchten, vluchten, vluchten, tot men zich ergens in veiligheid +geborgen had of op zijn beurt van afmatting ineenstortte. + + * * * * * + +Vosken met zijn hondenkar was in het heetste van 't gedrang. +Gelukkig, dat hij zulke flinke, sterke dieren had! Zij holden er met +het overladen karretje vandoor, heuvel op, heuvel af, de pooten +gestrekt, de flanken zwoegend, de koppen tegen den grond. Vosken, +zijlings op 't lamoen gezeten, porde ze onophoudend, met de stem en +met een knuppel aan. Voortdurend klonk zijn ruwe stem: "Hue, Baron! +Hue, Duc!" en als 't dan nog niet gauw genoeg ging naar zijn zin, of +als de doodsangst hem op 't lijf zat bij het hooren van't geloei +achter zijn rug of bij het gruwbaar tafereel van den alomlaaienden +horizont, dan viel met een gevloek de knuppel op de beenderige ruggen +neer, hard en kort, als hout op hout. De arme beesten zwoegden, hun +droge, roze tong flapperde scheef uit hun wijd-open bek; zij jankten +even scherp en keerden fluks den kop om, met menschelijke +wanhoops-oogen, alsof zij schreiden: "Ach, meester, slaat ons niet; +gij ziet toch wel, dat wij doen wat we kunnen om u en uw gezin te +redden!" Zij waren afgebeuld reeds vóór ze wegreden; den ganschen +namiddag hadden zij met Vosken omgezworven en nog hun avondeten niet +gehad, toen ze weer aangespannen werden; doch geen van allen dacht +daaraan: het was de vlucht, de wilde, uitzinnige vlucht op leven en +dood! + +Eindelijk, na uren en uren, geraakten zij eenigszins uit de +benauwende verwarring. Vóór hen lag nu de vale nacht wijd-donkerend +open, met hier en daar een eenzaam lichtje, dat vredig op de stille +boerderijen pinkte. De verre brand in 't Oosten schemerde nog slechts +heel laag aan den gezichtseinder en geen geloei van vluchtelingen en +vijanden klonk tot hen meer door. Zij voelden zich voorloopig gered +en reden iets langzamer. Zij kwamen weldra in een dorpje, waar +Vosken bekend was en even beraadslaagden zij, of zij daar niet +zouden overnachten. Doch de doodsangstige vrouw en dochter voelden +zich nog niet veilig genoeg en wilden steeds verder en verder, tot +zij geen spoor van het vernielend vuur meer aan den einder zouden +zien. En weer reden zij: "Hue, Baron! Hue, Duc!" met vloeken en met +harde stokslagen, met gezwoeg en gehijg en gejank, tot zij eindelijk +in een tweede dorpje kwamen, waar alles zoo rustig en zoo vreedzaam +was, alsof er nooit een oorlog had gewoed. + +Daar hielden zij voor een klein herbergje stil... Er was nog licht +daarbinnen. Vosken klopte op de deur, een man kwamen opendoen en zij +vroegen, of zij daar den nacht mochten doorbrengen. + +Na eenig heen en weer gepraat en nadat Vosken in gejaagde woorden +had verteld, waar ze vandaan kwamen en van de gruwelen, die daar +gebeurden, werden zij binnengelaten. De menschen wisten daar nog +niets van al die angstwekkende dingen; zij hoorden Vosken aan met +open mond en van schrik uitgezette oogen; en er kwam geen eind aan +'t vragen en verhalen; de gansche wreedheid van den oorlog drong +eensklaps in die rust en stilte door met al den omprangenden angst +van een gruwelijke nachtmerrie, die plotseling een zacht-veiligen +slaap komt storen. Zij vergaten den tijd, zij hadden reeds lang +gegeten en gedronken; en vrouw en dochter, eindelijk van haar schrik +bekomen en nu in stille wanhoop op haar stoelen neergezeten, spraken +van naar bed te gaan, toen Vosken zich opeens herinnerde, dat hij, +in zijn ontsteltenis, kar en honden vóór de deur had laten staan. + +Hij nam een homp brood voor zijn beesten en opende de voordeur. De +baas van 't herbergje ging met hem mee, om hem het stalletje te +wijzen, waar de honden konden slapen. + +--Hue, Baron! Hue, Duc! riep Vosken aan 't karretje duwend. + +Maar 't karretje bood tegenstand; 't was of er iets haperde. + +--Hue dan! herhaalde Vosken, harder duwend. + +Het karretje draaide half om zijn as en bleef staan. + +--Wa scheelt er dan! bromde Vosken bij 't lamoen komend. + +Hij voelde Duc, die, hijgend nog, overeind stond tusschen de boomen; +maar Baron voelde hij niet. Daar waar Baron moest staan gaapte een +donkere, leege ruimte. + +--Wacht, zei de baas, 'k zal 'n lanteernken hoalen. + +Hij verdween in 't duister deurgat en na een poosje, was hij daar +met een pover-lichtend lantaarntje terug. Hij hield het bij +'t lamoen en kreeg als 't ware een klein schokje, dat even het +lantaarntje in zijn hand deed beven. + +Een bruine massa lag daar op den grond, zijlings uitgestrekt, de +pooten van zich af, den kop, met open bek, die scheen te grijnzen, +in het zand. + +--Ien van ou honden es deud! riep de man tot Vosken. + +Een heele poos stond Vosken strak en roerloos, alsof hij niet +begreep. Toen kwam hij bij, bevoelde 't beest, schudde zijn hoofd, +met tranen in de oogen. + +--Alle ongelukken eens! jammerde hij eindelijk. Azeu ne scheunen hond! +Hij was wel honderd frank weird! + +--Hij es 't hert afgereên, zei de baas, het slachtoffer monsterend met +kennersoogen. + +Duc stond naast zijn dooden makker en jankte zachtjes, klagelijk, met +rillingen over zijn huid. + +De vrouw, de dochter en het zoontje kwamen buiten. En ook zij +jammerden luid over 't verlies van den mooien hond, die zooveel geld +waard was. Vosken vloekte. + +--Allemaal de schuld van die bandieten! raasde hij, zijn vuisten +naar 't Oosten ballend. + +Maar een kreet van angst verkropte in zijn keel en zijn oogen, star +van schrik, bleven op den vagen horizont gevestigd. + +Daar glom en schemerde, gansch in de verte, gansch in de verre, +verre, verte, iets als het flauwe schijnsel van een opkomenden +dageraad. Een oogenblik verkeerde Vosken in de zonderlinge illusie, +dat de ochtend werkelijk aan 't komen was. Maar meteen loeide iets +aan als het dof geraas van een naderend onweer en plotseling begreep +hij en gilde 't uit van gruwel en van woede. + +De vijand! De brandende vernieling! + +Zijn vrouw en kinderen hadden 't ook gezien en dadelijk begrepen. +Zij schreeuwden en huilden en snikten en sprongen weer in +'t karretje: Vosken rukte den dooden hond, die hem 't leven had +gered, uit zijn harnas en gooide hem als een hoop vuil op zij; en +met Duc alleen nu, met den armen, afgebeulden Duc, die nog niet +gerust en niet gegeten had, met Duc, die evenals zijn droeven +makker, tot het alleruiterste zou afgejakkerd worden, vervolgden +zij, in de verwilderde paniek, die reeds het dorp aantastte, hun +vreeselijken martelaars-en vluchtelingentocht, naar het onzekere, +naar 't onbekende, naar de redding... of den dood... + + * * * * * + +IX. + +DE MOEDER. + +De drie officieren zaten met mij aan tafel. + +Sinds een paar weken waren zij met hun manschappen bij mij ingekwartierd. + +Het waren drie flinke, aardige kerels: twee kapiteins bij de +karabiniers en een luitenant van de grenadiers. + +Wij waren laat aan tafel gegaan. De dag was zwaar-vermoeiend +geweest. + +Het was vier dagen na den slag te M. waar de Belgen, als altijd, na +heldhaftigen tegenstand, ten slotte voor een overtalrijken vijand +hadden moeten wijken. + +Mijn officieren waren ernstig, doch geenszins moedeloos gestemd. Zij +hadden hun plicht gedaan; zij hadden gedaan wat ze konden en wat hen +ernstig stemde, was het geleden verlies aan manschappen en +kameraden. + +Zij trokken de getallen samen op een klein boekje, zooals men in +'t gewone leven zijn dagelijksche uitgaven zou opsommen. Er was een +klein verschil in de samenstelling. Kapitein L. telde één man meer +aan verliezen dan kapitein J. Zij voerden daarover 'n korte +discussie. + +Nr. 1271, beweerde kapitein J. was wel als vermist, doch niet als +gesneuveld aangegeven: hij kon dus krijgsgevangen zijn. + +--Pardon, antwoordde dadelijk kapitein L., hij is wel degelijk +gesneuveld; men heeft dezen namiddag zijn lijk op het slagveld +gevonden, in een boschje, dicht bij de rivier. De majoor heeft het +mij daar pas gezegd. + +Zij zwegen alle drie een oogenblik en keken elkander ernstig aan. +Toen haalde kapitein J. even zijn schouders op en verbeterde de +aanteekening op zijn boekje, zoodat het met het lijstje van zijn +makker klopte. + +--Weet jij ook wie dat was, die 1271? vroeg nog kapitein J. aan +kapitein L. + +Kapitein L. wist het niet. Maar de jonge luitenant K. van de +grenadiers, haalde nu ook een boekje uit den binnenzak van zijn +tuniek, bladerde er in en las: + +--Numéro matricule 1271, baron de B., 1e grenadiers, 1e bataljon, +3e compagnie. Vrijwilliger. + +De beide anderen knikten langzaam met het hoofd, zwijgend naar hun +makker starend. + +--Twee-en-twintig jaar, voegde deze er nog als toelichting bij, +meteen zijn boekje dichtflappend en het weer in zijn binnenzak +verstoppend. + +De maaltijd die even onder het gesprek was opgeschorst, ging verder +door. + + * * * * * + +Het was een wilde, stormachtige najaarsavond. Daarbuiten gierde de +wind in de schommelende kruinen der boomen, die van regen afdropen. +Binnen, in de ruime eetkamer was het gezellig. Frissche bloemen +versierden de tafel, de lampen gloeiden zacht onder warmkleurige +kappen en een groot houtvuur brandde flikkerend en knappend in den +breeden haard. + +Soms hoorden wij vaag geluid en gestommel in den donkeren nacht. Dat +kwam uit de oranjerie, vlak bij het huis, waar de manschappen op +stroo ter ruste lagen. Vijftig lagen er. Vijftig jonge kerels, allen +vrijwilligers, spontaan en moedig opgekomen tot verdediging van het +bedreigde vaderland. Alle maatschappelijke standen waren er +vertegenwoordigd. Er lagen barons en graven, en zonen van ministers, +naast boerenzoons en dokwerkers. Het "couvre-feu" had reeds +geklonken, maar zij waren jong en opgewekt en levenslustig en +sommigen neurieden nog liedjes, of maakten grapjes en hielden +praatjes, bij 't zwakke schijnsel van het nachtpitje, dat daar in een +hoek bleef branden. Zij hadden dapper gestreden te M.; zij hadden +enkele dagen getreurd en gerouwd om hun gevallen kameraden, doch dat +was nu reeds een beetje vergeten en zij verlangden allen maar om zoo +spoedig mogelijk weer naar 't front te mogen gaan. + +Daarachter lag, in najaarsduisternis, de groote tuin en verder +'t eenzaam dorpje. Het was er stil, doodstil. De bange menschen +gingen er vroeg naar bed. Maar af en toe raasde er toch een woest +gesnor doorheen en 't oogenblik daarna zagen wij, door de heldere +ramen der eetkamer, een groot, schel licht op ons afkomen. + +Dat was dan een estafette op een motorrijwiel. 'n Tikje op de glazen +deur, 'n kort "entrez" van een der officieren en de deur werd +geopend, windgeloei en kille regenlucht binnenlatend, terwijl de +boodschapper, aanslaande, drijfnat op den drempel verscheen. + +Hij gaf zijn boodschap af en wachtte. Een van de officieren las, met +gefronste wenkbrauwen. De anderen staarden den lezende aan. De even +schelverlichte takken van de in den storm gezwiepte boomen, +wuifden nattigglanzend in de duisternis heen en weer en uit de nog +vaag-verlichte oranjerie klonk even iets duidelijker het gegons en +gepraat en geneurie en gedempt gelach der op hun stroobed gelegerde +manschappen tot ons door. + +Dat duurde zoo enkele oogenblikken. Dan deelde de officier de +boodschap aan zijn makkers mede, een antwoord werd met potlood op +een stuk papier gekrabbeld en overhandigd aan de estafette, die +nogmaals aansloeg en weldra weer met zijn snorrend, ploffend, +hitsend motorwiel, in de natte, kille duisternis van den stormnacht +tusschen de druipende boomen van het park verdween. + + * * * * * + +Wij waren aan het nagerecht gekomen. Het kon zoowat half tien zijn. +De officieren, nu niet meer verwachtend, dat zij op dit late uur nog +gestoord zouden worden, maakten het zich gezellig. De koffie dampte +geurig in de kopjes, de sigaren waren aangestoken, de likeurglaasjes +gevuld. Eenige versche blokken werden nog op het haardvuur gegooid, +dat lustig opknetterde; en men strekte de vermoeide beenen naar de +roode vlammen uit. + +Wij spraken over den oorlog. Waarover zouden wij ook anders wel +gesproken hebben? De twee kapiteins waren reserve-officieren; de +jonge luitenant behoorde tot het actieve leger. En 't leek wel +vreemd, dat de twee reserve-mannen, die reeds jaren lang uit den +dienst getreden waren, verreweg het meest-militaire voorkomen +vertoonden, terwijl de jonge luitenant van het actieve leger niets +geen krijgshaftig uiterlijk had. Lang en slank was hij en ietwat +voorovergebogen, met een heel zachte en droomerige, bijna +meisjesachtige expressie in zijn groote, blauwe oogen en zijn +frisch-roze gelaat. + +Toen wij daar een tijd gezeten hadden, vroeg de jonge man mij, op +een stillen, haast bedeesden toon, of hij soms een beetje op de +piano mocht spelen. + +Hij speelde... Het klonk zacht, in ordertoon, een beetje +melancholisch. Hij scheen zijn eigen, innige gewaarwordingen te +vertolken en nogmaals voelde ik in hem het schril kontrast tusschen +die zachtheid en het harde en barre van zijn levenstaak in dezen +wreeden oorlogstijd. Hij speelde voor zich zelf en de anderen +luisterden niet naar hem. Zij warmden hun voeten bij het vuur, dat +lustig vonkte en knetterde en gingen door met hun gesprek. Buiten +hoorde men nog steeds het loeien van den wind en het aanslaan van den +regen tegen de luiken, die het dienstmeisje gesloten had. Uit de +oranjerie klonk nog vagelijk een deuntje op, een eigenaardig wijsje, +dat een der jongens daar op zijn stroobed lag te fluiten. + +Toen werd er binnen op de deur geklopt. + +--Ja, antwoordde ik, ietwat verwonderd. Het dienstmeisje verscheen en +reikte mij een visitekaartje op een presenteerblad. + +Nu nog bezoek, zoo laat! + +Ik keek en las: "Baronne de B." + +De jonge luitenant had zijn piano-spel gestaakt; de beide kapiteins +zagen mij ondervragend aan. Het meisje wachtte. + +--Baronne de B... Is het niet een baron de B. de vermiste, die +vandaag nog op het slagveld werd gevonden? vroeg ik aan kapitein L. + +Hij haalde vlug zijn boekje uit en keek. Jawel, die was het. En de +jonge luitenant, die insgelijks zijn boekje raadpleegde, bevestigde +'t gezegde. + +--Het zal zijn moeder zijn! zei halfluid kapitein L. Is die dame +daar? + +--Jawel, meneer, antwoordde 't meisje. + +Er was een oogenblik volkomen, doodsche stilte. Wij waren allen +opgestaan en keken als radeloos elkander aan. Buiten tokkelde de +wind, als met houten knokkels, tegen de gesloten luiken en in de +oranjerie weergalmde nog steeds, tergend en irriteerend in dit +tragisch oogenblik, het fijn, gefloten deuntje. + +--Wij moeten haar ontvangen; wij moeten haar... althans iets zeggen, +sprak kapitein L. met aarzelende stem. + +Kapitein J. knikte beamend. De jonge luitenant lei zachtjes de piano +dicht. Door een teeken deed ik aan 't dienstmeisje verstaan, dat +zij de bezoekster mocht binnen laten. + + * * * * * + +Ik heb alles wat er toen gebeurde, goed en duidelijk onthouden. Het +heeft zich in mijn geest geprent met forsche kleuren, die niet meer +uit te wisschen zijn. + +--Lieutenant, dites dons à cet animal de siffleur qu'il se taise +là-bas, sinon je lui f... des arrèts! riep eensklaps toornig +kapitein L. tot luitenant K., terwijl hij dreigend zijn hand uitstak +naar de oranjerie, waar het irriteerend fluitdeuntje bleef dreunen. + +De jonge luitenant haastte zich buiten en meteen ging de binnendeur +open en een zwarte verschijning kwam langzaam binnen. + +Het was een dame van middelbaren leeftijd. Zij was in rouwkleeren. +Het gezicht zag doodsbleek en de oogen hadden geschreid. Het moet +een mooie vrouw geweest zijn. De gelaatstrekken, van smart +doorgroefd en vroeg verouderd, getuigden daar duidelijk van. + +Zij groette stil, met haast onhoorbare stem, en kwam naar ons toe. +Ik schoof haar een stoel bij het vuur, maar zij schudde moedeloos +het hoofd en bedankte. Zij poogde te spreken, maar kon blijkbaar +niet; een overweldigende ontroering verstomde haar stem. + +Wist zij het reeds? Wist zij 't nog niet? Dat was de angstige, +schrijnende vraag, die ons geheel vervulde. + +Zij sloeg haar rouwsluier om en uit een zwart-lederen tasch haalde +zij een zwart-lederen boekje. Haar handen beefden, terwijl ze +'t openbladerde. Strak keken wij haar aan. Regendroppels hingen als +pareltranen in 't krip van haar sluier en haar grijs-beslijkte +schoenen en de onderrand van haar kleed, waren drijvend-nat. Zoo was +ze dus te voet, alleen wellicht, door storm en duisternis gekomen. + +Zij keek naar ons op met haar droevige ooggin en zei, met een +gebroken stem: + +--Messieurs, je cherche mon file, mon fls unique, le baron Roger +de B. volontaire au 1e grenadiers, 1e bataillon, 3e compagnie, +numéro matricule 1271. Il droit s'étre battu à M. il y a quatre +jours et je suis sans nouvelles de lui. Pouvez-vous m'en donner? +Pouvez-vous me dire ou il est? Je suis affolée, je me meurs +d'anxiété et de douleur!" + +Geen enkel van ons sprak een woord. Kapitein L. keek naar kapitein +J., die aarzelend naar mij opkeek. De buitendeur ging open en de +jonge luitenant, die den fluiter in de oranjerie doen zwijgen had, +kwam ook weer binnen. Dat gaf een korte afleiding. Maar toen de dame +'t uniform der grenadiers herkende, kreeg zij een plotselinge +tranencrisis en herhaalde met smeekende, wringende handen voor den +jongen man haar wanhopige vraag. + +Daar stonden wij nu met ons vieren, die het akelig geheim kenden en +het niet durfden uitspreken. Ik heb zelden iets knellenders en +tragischers gevoeld. 't Was als een levend tafereel uit Maeterlinck's +aangrijpend "Intérieur". Men hoorde de vlammen in het haardvuur +knetteren, men hoorde 't klokje tikken tegen den wand en men hoorde +het loeiend gebeuk van den stormwind daarbuiten. Men hoorde ook als +'t ware het angst-benauwend kloppen van de harten. + +Toen eindelijk sprak de oudste der twee kapiteins tot luitenant K: + +--Weet u wat, luitenant, het is nog niet te laat: Gaat u even mee +met mevrouw naar 't hoofdkwartier bij den majoor: die heeft de +voltallige lijsten en zal mevrouw misschien wel nauwkeurig kunnen +inlichten. + + * * * * * + +Ik heb ze samen zien vertrekken. De jonge, zachte luitenant had een +electrisch handlampje en lichtte haar voor. Als een voorkomende, +zorgvolle zoon stapte hij aan haar linkerzijde onder de zwiepende en +klagende boomgin. De regen had opgehouden, maar de wind loeide nog +vervaarlijker in 't holle van den duisteren nacht. + +Wij stonden op den drempel van 't huis en zagen ze gaan. Zij spraken +geen woord. Ook wij spraken geen enkel woord. Haar donkere +rouwgestalte werd heel gauw onzichtbaar. Van hem zagen we nog even +het doffe glimmen van twee vergulde knoopen op den rug van zijn +uniformjas. Met dansenden glans flitste 't schijnsel van het lampje +op de grijze boomstammen. In de vagelijk verlichte oranjerie was +alles nu heel stil geworden. + +Zoo gingen zij, als een moeder met haar zoon... Zij gingen samen, de +een wetend, de andere nog hopend, naar het wreede der +onverbiddelijke werkelijkheid. + +En 't was van een stille tragiek die aangreep, afschuwelijk, +onvergetelijk... + + * * * * * + + +X. + +SINGEN... SINGEN!... + +Het was geen mooie troep, die nu in het dorp gecantonneerd lag... + +Het waren meestal mannen van middelbaren leeftijd, landweer en +landstorm. + +Gedurende de eerste weken der invasie waren daar ontelbare horden +voorbijgetrokken, allen flinke jonge kerels in de volle frischheid +van het leven, veerkrachtig loopend met dreunenden stap, als één +compacte massa in geweldig-forschen rythmus; maar 't werd al minder +en minder, 't nam af van dag tot dag, tot men eindelijk die ouderen +kreeg, die loomen en die dikken, sommigen met wit haar en grijzen +baard, als afgedankte kolonels en generaals, die tot straf, van voor +af aan, hun militaire loopbaan weer zouden moeten beginnen. + +De eersten trokken vlug door of toefden in het dorp slechts enkele +uren; maar de laatsten: de dikken, de loomen, de ouden, lagen er nu +al weken en weken en men kreeg den indruk of er nooit een eind aan +hun verblijf zou komen. + +De menschen van het dorp waren er langzamerhand aan gewend geraakt. +Men had ze in de beide scholen en verder bij enkele burgers en +boeren ingekwartierd en zij gedroegen zich fatsoenlijk. Zij gingen +gemoedelijk met de dorpelingen om en er was zelfs een soort van +verbroedering ontstaan. Zij hadden zich zonder veel moeite iets van +het locaal dialekt eigen gemaakt en ook de burgers en de boeren +verstonden reeds hier en daar enkele woorden Duitsch. Het was geen +zeldzaamheid hen onder elkaar in de herbergen met een glas bier in +de hand te zien zitten en in de gezinnen der menschen vertelden +zij graag van hun eigen gezin en hun land en lieten dikwijls foto's +van hun vrouw en kinderen zien. + +Dat verwekte wederkeerige ontroering en ontboezeming. De Vlaamsche +moeders dachten aan haar zonen in het leger en schreiden. De Duitsche +soldaten dachten aan wat zij thuis vol zorg en kommer hadden +achtergelaten en schreiden insgelijks. En samen zuchtten zij over +dien schrikkelijken oorlog en al de ellende en verwoestingen, die hij +had meegebracht. En de Duitschers zeiden dat zij en de Vlamen +broeders waren, die elkander best zouden verstaan, maar dat de gehate +Engelschen door allerhande kuiperijen de argelooze Vlamen in den +strijd hadden meegesleept. En de arme Vlamen zwegen dan, hoewel zij +wisten dat de waarheid anders was, omdat zij bang waren voor de wraak +der Duitschers, indien zij durfden tegenspreken. En beiden leefden in +stille hoop en afwachting: de Duitschers dat zij daar nog zouden +mogen blijven zonder naar het front te worden opgeroepen; de Vlamen +dat de vijanden, ofschoon zich fatsoenlijk gedragend, toch maar zoo +spoedig mogelijk zouden vertrekken. + + * * * * * + +Opgeroepen worden en vertrekken, dat beteekende naar het front aan +den Yser gezonden te worden. En bij dat enkel woord "de Yser" +gruwden de Duitschers. + +Slechts vagelijk wisten zij wat daar gebeurde. De verhalen klonken +verward, maar schrikwekkend. Alleen dit wisten zij duidelijk: dat er +steeds duizenden en duizenden van hun makkers werden heengezonden en +dat de legers er toch geen voet verder kwamen. Zij vielen er, die +duizenden en duizenden! De Yser was een afgrijselijke, nooit +verzadigde Moloch! + +In de stilte van de lange winteravonden spraken zij met de lui bij +wie zij waren ingekwartierd over dat geducht gewest. Zij haalden hun +stafkaarten uit en luisterden in angstige roerloosheid naar de +verhalen van sommige menschen welke die streken kenden en bezocht +hadden. Het was een land van schoone, groene weiden vol met grazend +vee, een vette streek doortrokken van kleine kanaaltjes en rivieren +en waarin de oude stadjes en de witte dorpjes lagen te glinsteren, +als zooveel eilandjes van weelde in een smaragden zee. Het was een +pastoraal, idyllisch land, 't was niets geen land van oorlog, het +was een land om zacht te kuieren en te mijmeren en te droomen; +niemand begreep er iets van, dat dáár zoo lang en wreed-verbitterd +kon gevochten worden; niemand begreep dat dit zachte Paradijs +eensklaps een sombere hel van dood en van vernieling was geworden. + +Zij luisterden, die ouden, die loomen en die dikken; zij luisterden +in doods-benauwde stilte en hun strakke oogen somberden, vol +afschuw-visioenen. Zij voelden het kontrast en griezelden. +Het was de dood die hen daar lokte, de kille, sombere, afschuwelijke +dood, onder het verleidend masker van een idyllischen glimlach. Die +schoone, malsche, groene streek vol vreedzaamheid, 't was een +verraderlijk moeras waarin zij zich voelden meeslepen en wegzinken, +zooals hun duizenden en duizenden makkers waren meegesleept en +weggezonken, machteloos, brullend van wanhoop, onder onmenschelijke +folteringen, tot het fataal onverbiddelijk einde. + +De Yser! De Yser! Velen konden dien naam niet hooren zonder te +verbleeken en te huiveren. Velen waren er, die er in hun slaap als +onder den greep eener nachtmerrie, van wakker schrikten; en enkelen +waren weggevlucht, gedeserteerd, op een avond toen 't gerucht de +ronde deed, dat zij er den volgenden ochtend heen moesten. + + * * * * * + +Toen was het echter maar een loos alarm geweest. De doodsmare was +rondgestrooid, niemand wist hoe, niemand wist door wie; althans dien +ochtend gingen ze nog niet. Zij gingen ook den daarop volgenden +ochtend niet, en ook nog niet den derden dag, doch 's avonds van den +vierden dag kwam eensklaps het bevel: + +--Morgen naar den Yser! + +Zij wilden 't eerst nog niet gelooven. Angstig-gejaagd schoolden +zij samen op de dorpsplaats rond de kerk. Er waren diepbedroefde en +gedrukte gezichten, er waren strak-ernstige gezichten en er waren +gezichten vol wrok en haat en stug-geconcentreerde woede. + +De menschen van het dorp omringden hen, in opgezweepten hartstocht en +nieuwsgierigheid. Ook zij twijfelden nog, wilden, durfden nog niet +gelooven, dat zij van de bezetting bevrijd zouden worden. Maar daar +kwam de burgemeester aan met de twee kapiteins, die bij hem waren +ingekwartierd; en de burgemeester kon met moeite zijn tevredenheid +verbergen; zijn vet gezicht glimlachte en zijn oogen blonken en hij +bevestigde de verblijdende tijding hier en daar met stille stem. + +Ontroerd gingen de menschen langzaam uit elkaar. + + * * * * * + +Het bataljon stond klaar. Het was een kil-grijze December-ochtend. De +naakte twijgen van de oude linden op de dorpsplaats weenden stille, +groote misttranen, die in kleine plasjes triestig neersijpelden op +den kleverigen grond. Er hing een onuitsprekelijke droefheid in de +gansche atmosfeer. 't Was alles grijs en kleurloos en al dat +kleurloos-grijze zweefde als een nevelige lijkwade omheen de +manschappen, en versmolt zich als 't ware in de neutrale tonaliteit +hunner gezichten in uniformen. Zij lachten niet, zij spraken niet, +zij maakten geen beweging. Zij stonden roerloos, gepakt en beladen, +te wachten. Het gansche dorp omringde hen, in doodsche stilte. Heel +in de verte gromde af en toe, als een sinistere begeleiding, de +zware, doffe stem van het kanon. + +Toen zag men dat er velen weenden. Zij weenden in stilte, met +groote, starre oogera en lippen die bibberden. Maar de officieren, +die dat merkten, liepen kwaadaardig-gejaagd heen en weer en +plotseling klonk kort en bar 't bevel: + +--Singen! + +Een droef gezang steeg aarzelend op. Het weergalmde hier en daar als +een sombere weeklacht en stierf in machteloosheid weer uit. Maar de +officieren liepen vloekend langs de rangen heen en herhaalden 't bevel +en nogmaals galmde 't somber-klagend op en nogmaals stierf het als +in wanhoopsnikken uit, omdat de mannen weenden, weenden... + +Toen raasden de trommen en floten de pijpers. De silhouet van een der +kapiteins te paard teekende zich af in 't grijze van den mist met +laag-ontplooiden mantel en met scherpen punthelm en er kwam beweging +in den troep. De stappen dreunden. + +--Singen! Singen! herhaalden onophoudend, met woede-blikken naar hun +mannen, de feldwebels en officieren. En de mannen zongen wel even +onder den angel der tucht, maar telkens weer braken de stemmen af en +barstten zij in tranen uit. + +Zoo trokken zij door het dorp, de gansche ontroerde bevolking +als 't ware met zich meezuigend. Zij zongen al schreiende, met +wanhoopsblikken in hun lichte oogen; zij zongen en schreiden door +elkaar op den dreunenden maatstap hunner logge, zware zolen, telkens +bevloekt en beraasd door de snauwende stem der officieren zoodra zij +er mee uitscheidden, telkens herbeginnend en weer stokkend, als +tragisch-loeiend vee, als een blatende en kermende kudde, die in +machteloozen weerzin naar het slachthuis wordt gevoerd. + +Aldus verlieten zij het dorp... Langzaam aan versmolt hun +log-dreunende, grijze massa in den grijzen, killen nevel van +'t beperkt verschiet. Alleen de beide kapiteins te paard, aan +'t hoofd en bij de achterhoede, met hun lang-uitgespreide grijze +mantels en ten hemel opgepunte helmen, staken er fiks, en als 't ware +dreigend, boven uit. Aldus verdwenen zij... De sombere, gedrukte +zangen gonsden met hun aftocht mee; en in de verre, verre verte +bromde en bonsde aanhoudend in zwaren ondertoon de stem van het +kanon. + +De menschen van het dorp staarden hen na, roerloos, met +strak-ernstige blikken. Zij hadden allen gedacht, dat ze zouden +juichen, jubelen onder de verlossing na de wekenlange bezetting, +doch geen enkel uitte een klank van vreugd: zij waren allen door het +tragische aangegrepen. + +De straatbengels, die het aftrekkend bataljon tot buiten het dorp +hadden begeleid, keerden terug. Zij joelden wat onder elkaar en +bootsten de commando's, den marcheerpas, en ook de somber-droevige +gezangen na. Er waren er die deden of ze zingend schreiden en +anderen imiteerden de razende, snauwende stem der officieren. + +--Singen! Singen! + +En een kleine kerel van een tiental jaren, een blonde krullekop met +helderblauwe vergeet-mijnietjes-oogen kwam naar een vrouw uit het +volk toegeloopen en zei: + +--Ze 'n hên moar moete zingen tot aan 't Kapelleken, moeder. Achter +'t Kapelleken mochten ze weere beginnen schriemen. + +Een ieder ging langzaam naar huis en de grijze mist dekte als +'t ware het dorpje onder een stillen, killen, natten sluier van +rouwende triestigheid toe. + +In de verre verte bleven de kanonnen bonzen en grommen, aanhoudend, +eentonig, gansch den langen, droeven winterdag. + + * * * * * + + +XI. + +DE TERUGKEER. + +Toen Laura tot den grond haar huisje had zien afbranden--het huisje +waar zij zoo gelukkig had geleefd--toen zij het had zien in vlam en +rook opgaan en droevig in elkaar storten, als al de andere huizen van +de stad; toen zij wist, dat haar man en haar veertienjarig zoontje +samen gefusilleerd waren,--haar man gefusilleerd, omdat hij zijn land +en zijn volk had verdedigd op een wijze, die de vijanden "verraad" +noemden; en haar zoontje gefusilleerd, omdat het zijn vader, waarvan +het zielsveel hield, niet wilde verlaten en zich schreiend en gillend +aan hem vastklampte toen men het met geweld van zijn vader wilde +scheiden; toen dat alles was gebeurd en haar niets meer overbleef dan +haar eigen leven en het leven van haar negenjarig dochtertje, dat bij +haar was gebleven; toen keerde Laura zich bleek in haar rouwkleeren +om en machinaal verliet zij de vernielde stad in de richting van het +avondglanzend Westen. + +Paulientje schreide nog, maar zij, Laura, kón niet meer schreien: zij +was sinds dagen uitgeschreid. + +'t Was dof, en moe, en stil in haar. Was ze nu thuis geweest, of had +ze nog een onderdak gevonden, dan zou ze waarschijnlijk op een stoel +of bed ineengezakt en in een diepen slaap van uitputting verzonken +zijn. + +Maar zij had niets meer; zij had niets meer dan haar eigen droevig +leven en het leven van Paulientje; en die beide levens moesten +verder leven, omdat zij nog niet dood waren; en zoo ging zij dof en +machinaal, met een valiesje aan de hand, tusschen de brandende +huizen, tusschen de neerstortende puinen, midden in de vlucht van +nog veel andere bewoners, midden in 't geloei, en geschreeuw, en +geraas van iets, dat was als een demonische verwoesting. + +Zij zag de verhitte gezichten en de grijze uniformen der +afschuwelijke vijanden, de vernielers van haar huis, de beulen van +haar man en kind. Zij zag ze hun baldadig werk uitvoeren, steeds +verder plunderend, brandend en verwoestend, zij zag ze drinken en +hoorde ze brullen en juichen en zingen, en 't liet haar alles stom en +dof, alsof het haar niet aanging, alsof het iets was dat zoo moest en +niet anders meer kon. Zij beschermde slechts instinktmatig haar +gezicht en het hoofd van het huilend Paulientje tegen het brandende +stof en de zengende hitte, en toen zij eindelijk buiten die +afgrijselijke hel waren geraakt, voelde zij geen de minste opbeuring, +noch verlichting: zij ademde alleen wat vrijer, omdat het niet meer +stikkend en benauwd was om haar heen en omdat zij haar vermoeiden arm +van Paulientje los kon laten. + +Zij wist waarheen. Zij ging naar de verre, groote stad, bij haar +schoonzuster een toevlucht zoeken. Zij mocht er komen en zou er +welkom zijn, dat wist zij; zij werd er verwacht. + + * * * * * + +De avond daalde langzaam in een schoonen vrede over 't glanzend +Westen. Ware 't niet geweest van de hopelooze vluchtelingen, die in +tragischen optocht met haar medeliepen, die rust zou misschien als +een stillende balsem in haar zijn neergedaald; want waar het +lijdensvermogen in haar geest door overmaat van ramp verstompt en als +'t ware vernield was, daar bleef het lijdend lichaam trillen, het +afgematte, afgebeulde, doodmoede lichaam, dat rusten, soezen, slapen +en vergeten wilde. + +Zij wist waarheen en kende den weg. 't Was uren verre, maar zij zou +er komen. En de aanduisterende nacht en eenzaamheid boezemden haar +geen angst in; de stille nacht zou welkom wezen als een groote +rouwsluier over haar zwaar verdriet, waarin de mooie sterren als +vastgestolde tranen zouden tintelen. + +Zij ging, met 't kleine meisje aan de hand, en voelde, dat zij ging +voor altijd. Er is geen hoop meer op terugkomst, naar wat niet meer +bestaat. En niets bestond er meer van wat eenmaal geweest was, niets +bleef er over van het schoon en zoo gelukkig-zacht verleden. + +Zij wilde 't nog een laatste maal herdenken en in zijn puinhoopen +aanschouwen. Zij beklom met het kind den hoogen dijk, waarachter de +rivier lag en van daar uit staarde zij het schouwspel aan. + +Tegen het aschgrauw-wordend Oosten lag de stad nog steeds te branden. +'t Was als een rooken-vlammenzee, die er in alles-overweldigende +dwarse deining overheen streek. Soms gloeide een enkel punt even +schel op en vonken spatten waaiervormig open als van een +overweldigend vuurwerk, terwijl schoorsteenen en muren zich scherp +tegen de roodlikkende vlammen uitkanteelden, maar 't oogenblik daarna +vloeide de stuwende rook-en-brandzee er weer over uit en doofde +meteen den schellen gloed, alsof in dien Titanenstrijd der elementen +het vuur slechts door het vuur vernield kon worden. + +Zij keek naar de breede rivier. Het water leek op gloeiend, vloeiend +staal en midden op dien vaalrooden stroom, waarover paarse en oranje +kabbelingen zweefden als rillingen van rauw-opengereten, lillend en +bloedend vleesch, lag onbewegelijk een bruinzwart schip geankerd, in +schijn reusachtig groot, als een arke Noach's op een zondvloed van +verdelging. + +Dáár, op die kade, dicht bij het tragische schip, had haar huisje +gestaan. Dáár waren haar man en haar zoontje met geweld vandaan +gehaald, om gefusilleerd te worden. Dááruit was ze met Paulientje +gevlucht, zinneloos van schrik en gruwel, tot ze, na dagen en dagen +zwerven en smeeken en zoeken naar wie ze niet meer vinden zou, in +wanhoop vóór haar brandend huisje neerzakte. + +Daar lag nu 't schoon en zacht verleden! Zij keek er nog even naar +om, met een laatsten, langen, starren, doffen blik van eeuwig +afscheid, en toen daalde zij met het kind, dat weer bang werd en +schreide, langs den dijk af. + + * * * * * + +Nu zaten zij veilig in het huis van haar schoonzuster geborgen. + +'t Was een bovenhuis, in een drukke straat der groote stad en van +uit de heldere ramen zag Laura de woeling en de drukte daar buiten. +Uren en uren, met de handen in haar schoot, naast haar meisje dat +zoet speelde, zat zij er doelloos op te staren. Het wiegde haar in +doffe soezing weg, in droomen en bespiegelingen. Het wiegde haar weg +naar 't verleden, naar al het zachte en gelukkige dat geweest was en +nooit, nooit meer terug zou komen. + +Zij hoefde hun portretten niet te bekijken, die altijd vóór haar op +het tafeltje stonden: zij zag hen in verbeelding, haar man en haar +zoontje, zooals ze die voor 't laatst gezien had, toen de wreede +vijanden hen kwamen weghalen. + +Dat zag ze en hoorde ze nog steeds, alsof 't voortdurend weer +gebeurde. Doch wat er verder was gebeurd versmolt voor haar als in +een verren, droeven nevel. Waar waren ze heen gebracht? Hoe en waar +werden ze veroordeeld? Hoe en waar werd het afgrijselijk vonnis +voltrokken? Dat was een obsedante kwelling van elk oogenblik, iets +waarin haar doffe geest verwarde en verdwaalde, iets dat ze zich in +zijn gruwbare werkelijkheid niet kon voorstellen en dat ze daarom +ook bijna niet kon gelooven. En weer keerden haar kwel-gedachten +steeds terug tot het verleden dat zij kende, tot de lange, vele +jaren van geluk en vrede, die ze samen hadden doorgebracht en +daaraan hield ze zich krampachtig vast, als aan het eenige, dat +werkelijk nog voor haar bestond. Zij zag hem 's ochtends +blijmoedig-opgewekt naar zijn werk vertrekken, zij wist waar hij +was, zij kende zijn bezigheid, zij was steeds bij hem in gedachte; +en 's avonds, elken avond, als hij thuis kwam, floot hij voor de +deur een eigenaardig deuntje, om haar te waarschuwen, dat hij daar +was. + +O, dat deuntje, dat deuntje, die enkele tonen als van een verren +jachthoorn, hoe kende zij die, hoe klonken zij nog steeds +verleidend-folterend in haar ooren! Het was zijn ziel, zijn blik, +zijn glimlach, de frissche vreugde van 't gelukkig elkaar wederzien +na elke korte afwezigheid, en zij sloot zalig haar oogen en bewoog +haar lippen om zijn zoen te ontvangen, en 's nachts in haar droomen +hoorde zij 't dan weer en zag zij hem glimlachend vóór haar staan, met +zijn zoontje, met haar en zijn dierbaar zoontje aan de hand. Dan werd +zij wakker en schreide wanhopig... + + * * * * * + +Zoo lag zij eens, een nacht, na zwaar en kwellend droomen, +half-slapend, half-wakker, in haar bed. 't Was zóó intens geweest, +zij had zoo vast en zeker gemeend hem te zien, hem te hooren, dat +haar hart er nog van bonsde en hamerde en dat haar hoofdkussen +doorweekt was van tranen. Aan de klamme, kille natheid van 't kussen +voelde zij hoezeer zij had geschreid; en meteen voelde zij hoe +somber-ongelukkig zij toch wezen moest om zoo te schreien, zelfs in +haar droom, zelfs in haar slaap. + +Zij opende flauwtjes haar droevige oogen en zag een vage +schemerklaarte achter de neergelaten gordijnen. Werd het reeds dag +of was dat nog het vale licht van enkele straatlantarens? Zij wilde +weten hoe laat het was. Zij streek een lucifer aan en keek op haar +horloge. Twee uur! Och, God! Twee uur slechts! De lange foltering van +den verderen slapeloozen nacht lag als een somberen afgrond van +ellende voor haar open. Waarom toch had ze zoo afschuwelijk naar +gedroomd! Was het door al die troepen, die duizenden en duizenden, +met paarden en kanonnen, welke den ganschen dag en tot laat in den +avond, de stad hadden doortrokken? Misschien wel. Zij luisterde even +naar 't zachte ademhalen van Paulientje in haar ledikant, keerde zich +met een zucht op de linkerzij om en sloot weer haar oogen. + +Zoo lag zij een kort poosje, roerloos. Toen kwam het haar voor alsof +zij buiten onder haar ramen, vaag gestommel hoorde. Zij luisterde er +even naar, verstrooid, onverschillig, gedachteloos. Toen dacht zij +weer aan hem, aan hem en aan haar kind, aan haar gewoon, +rusteloos-knagend en kwellend wee. Een doezeling van slaap kwam +triestig over haar... + +Toen rukte ze zich plots in haar bed overeind, de van afschuw +uitgezette oogen wijd-schrikstarend in de halve duisternis, de beide +handen aan den mond, als om er een gruwelkreet te smoren. + +Had ze gehoord? Had ze nog eens gedroomd? Was het een zinsverbijstering? + +Zij sprong eensklaps op, uit haar bed, en, terwijl ze daar een paar +seconden onbewegelijk stond, hoorde ze 't weer, maar nu geen droom, +geen hersenschim, geen zinsverbijstering: zij hoorde duidelijk het +gefloten deuntje, daarbuiten, in de stille straat, onder haar ramen, +zijn deuntje, het oude, welbekende jachthorendeuntje, waarmee hij +destijds elken avond zijn terugkeer aankondigde. + +--Paulientje! Paulientje! Paulientje! gilde zij, als waanzinnig. + +Het kind schrikte wakker en Laura's schoonzuster, die in de kamer +daarnaast sliep, rukte de binnendeur open en kwam in verwildering +binnengehold. + +Daar klonk opnieuw het deuntje, heel helder, heel duidelijk, als een +opwekkende zang van troost en liefde. + +--'t Is Paul! riep de schoonzuster, naar het raam toesnellend. + +--Dat kan niet! Dat kàn niet! Paul is dood! Paul is vermoord, +gefusilleerd! kreet Laura schor, met hikken in de stem. 'k Ben bang! +'k Ben bang! snikte zij eensklaps, van angst ineenkrimpend. + +De schoonzuster trok 't venster open, keek in de schaarsch verlichte +straat. + +--Hij is het! Hij is het! En Paultje is met hem! riep ze juichend en +vloog beneên, de trappen af. + +Laura stak helder 't gaslicht op. Zij sprak geen woord meer, maar +drong bevend, met groote, zwarte oogen, in den versten hoek der +kamer terug. Beschermend hield zij haar beide sidderende handen op +de schrale schoudertjes van het schreiend Paulientje. + +Daar kwamen vlugge schreden de trappen opgerend. De deur vloog open +en hij stond vóór haar, als een verschijning uit een andere wereld, +met zijn zoontje naast zich. + +--Neen! neen! neen! gilde zij, als in een waanzinnig +verdedigingsgebaar afwerend de handen uitstrekkend. + +Zijn mond, die glimlachte, werd eensklaps ernstig, droef. + +--Laura! Laura! zei hij verwijtend. + +Toen zag ze, toen wist ze, toen geloofde ze... + +Het licht des levens, dat al sinds maanden in haar dood was, straalde +eensklaps verblindend naar haar toe en zij kon den glans van haar +geluk niet uitstaan: zij zakte, als gebroken, in elkaar. + + * * * * * + +Toen ze weer bijkwam lag zij in haar bed en hij zat naast haar op de +sponde, met hun beide kinderen om zich heen. + +En hij vertelde, en zij luisterde, in zoete verrukking, glimlachend, +en begreep. + +Hij vertelde hoe hij met Paultje in de gevangenis was gesleept, hoe +hij tot de doodstraf werd veroordeeld, hoe telkens hem gezegd werd, +dat het oogenblik gekomen was, het tragisch oogenblik, dat echter +telkens weer werd uitgesteld. Paultje bleef bij hem, wilde niet van +hem weg, ondanks al zijn smeekingen. Paultje klampte zich wanhopig +gillend en schreiend aan hem vast zoodra de wreede vijanden hen van +elkander wilden scheiden, en zoo waren zij samen gebleven en samen +naar Duitschland vervoerd en samen in een gevangenenkamp opgesloten. + +Maandenlang hadden zij daar gezeten. Herhaaldelijk nog hadden de +vijanden gepoogd hen van elkander te verwijderen, maar eindelijk, +toen zij begrepen, dat niets helpen zou en dat Paultje vastbesloten +was met zijn vader te sterven, hadden zij hen beiden in vrijheid +gesteld: Paultje, die met en voor zijn vader sterven wilde, had zijn +vader het leven gered! + +Laura nam zijn hand en nam de hand van Paultje en nam de hand van +Paulientje en hield hen alle drie krampachtig vastgekneld, als om +hen nooit meer los te laten. Wat gaf het nu, dat hun huis en hun +stad was verbrand, nu ze 't voor eeuwig verloren gewaande geluk van +haar gansche leven had teruggevonden! Hun huis zou weder worden +opgebouwd, hun stad zou uit haar puin verrijzen, en ook het gansche +Vaderland, het wreed-geteisterd, dierbaar Vaderland zou herleven, +herlèven!... Zij voelde 't eensklaps als een gloedgolf van hoop +en trots en liefde in haar opstijgen: zij voelde 't als een zegen +van lente en herleving, als het grootste en schoonste en hoogste, +dat zij ooit in haar leven gevoeld had. + + + +EINDE. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Oorlogsvisoenen, by Cyriel Buysse + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OORLOGSVISOENEN *** + +***** This file should be named 18130-8.txt or 18130-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/8/1/3/18130/ + +Produced by Johan Boelaert + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
