diff options
Diffstat (limited to '17822-8.txt')
| -rw-r--r-- | 17822-8.txt | 4675 |
1 files changed, 4675 insertions, 0 deletions
diff --git a/17822-8.txt b/17822-8.txt new file mode 100644 index 0000000..6eaacfa --- /dev/null +++ b/17822-8.txt @@ -0,0 +1,4675 @@ +The Project Gutenberg EBook of Prometheus ontboeid, by Percy Bysshe Shelley + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Prometheus ontboeid + Een lyrisch drama in vier bedrijven + +Author: Percy Bysshe Shelley + +Translator: Alex. Gutteling + +Release Date: February 22, 2006 [EBook #17822] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PROMETHEUS ONTBOEID *** + + + + +Produced by Miranda van de Heijning, Valère Swinnen and +the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + + + + + + + + +PROMETHEUS ONTBOEID + + + + +WERELDBIBLIOTHEEK + +ONDER LEIDING VAN L. SIMONS + + +SHELLEY + + +PROMETHEUS ONTBOEID + + +EEN LYRISCH DRAMA +IN VIER BEDRIJVEN + +VERTAALD DOOR +ALEX. GUTTELING + +HET RECHT VAN VERTOONEN VOORBEHOUDEN VOLGENS +DE WET OP HET AUTEURSRECHT + +UITGEGEVEN DOOR DE +MAATSCHAPPIJ VOOR +GOEDE EN GOEDKOOPE +LECTUUR--AMSTERDAM + + + + +*INLEIDING* + + +Tot dit gedicht van Shelley is de lezing van Aeschylus' "Prometheus +Geboeid", waarvan het vervolg: "Prometheus Ontboeid" verloren is, de +aanleiding geweest. Talrijke regels en brokstukken in het engelsche +drama herinneren aan het grieksche, wat men reeds voldoende kan zien, al +kent men, zoo als ik, hiervan alleen de vertaling van Elisabeth +Browning. Wat meer is: de grootsche figuur van Prometheus is bij +Aeschylus geen andere dan bij Shelley. Aeschylus zag in zijn daad ook +het nuttelooze, hij liet het koor hem toeroepen: "O vriend, schouw en +zie! wat is al de schoonheid van het menschdom?--kan het schoon zijn? +Wat is al zijn sterkte?--is het sterk? En wat voor hoop kunnen zij +dragen, deze stervende levenden; die éen dag leven? En ziet gij niet, +mijn vriend, hoe zwak en traag, en als een droom, dit arme blinde +menschdom gaat, afgedreven van zijn doel? En hoe geen menschetwisten +kunnen verwarren de harmonie van Zeus?"--maar toch rijst uit dit drama, +dat door dit besef van het wanhopige van Prometheus' streven wezenlijk +een drama is, bewonderenswaardig reusachtig de gestalte van hem, die de +menschen zoo liefhad, dat hij om hen den toorn van Zeus trotseerde. + +Prometheus is de grieksche Heiland. Door zijn hulp werd Jupiter (Zeus) +de opperste der Goden, op voorwaarde dat hij den mensch zou ontzien. +Jupiter brak zijn belofte en Prometheus alleen weerhield den tyran, het +menschdom te vernietigen. Hij eindelijk stal uit den hemel het vuur, dat +het in staat stelde een gelukkiger leven te leiden. Alles wat het tot +troost en hulp kon krijgen, ontving het van Prometheus, die tot straf +aan den Kaukasus geketend en gemarteld werd. Maar hij wist een geheim: +op welke wijze Jupiter eenmaal zou vallen en hij bevrijd worden. Jupiter +trachtte hem dit geheim te ontrukken. In het tweede gedicht van +Aeschylus moet het onderwerp geweest zijn, hoe hij erin slaagde zijn val +te voorkomen tegen den prijs van een verzoening met Prometheus en diens +bevrijding. Shelley heeft deze oplossing, die hem weinig verheven +voorkwam en in strijd met Prometheus' karakter in Aeschylus' eerste +drama, versmaad en voorgesteld, alsof Prometheus nu nog lijdt en lijden +zal tot Jupiters ondergang, waarna hij het menschdom verlossen zal uit +alle ellende. + +Shelley heeft het moderne verlangen naar een vrije, liefdevolle +menschenwereld uitgestort in dit beeld: Prometheus: de onbedwingbare +"Moed," "Wijsheid" en "duldende Liefde," lang geboeid door Jupiter: den +wereldregeerder, éen naam voor duizend Goden, waarvoor de menschen ooit +knielden, tot Demomorgon: de Eeuwigheid, dezen neerstort en Hercules: de +Kracht, Prometheus bevrijdt, die zich dan hereenigt met Asia: de +"schaduw van onaanschouwde Schoonheid," waarna de wereld en de +gemeenschap der menschen gelijk worden aan een paradijs. + +De schoonheid van deze schepping ligt in de titanische kracht ervan, die +samengaat met de wonderbare fijnheid en innigheid die Shelley altijd +kenmerken; in de macht van verbeelding en de grootschheid van gedachte; +in de zuiverheid van geluid en den zeldzamen, misschien nooit +geëvenaarden rijkdom van zang. Er is een stijging in, die eindelijk +gejubel wordt; het is na de verschrikkingen in den aanvang, de +openbarsting van een verrukkelijke lente: men voelt er de heerlijkheid +in van het italiaansche voorjaar, waarin het geschreven werd. + +Daarentegen is alles, wat tot den vorm in engeren zin behoort, van een +opmerkelijke losheid. Shelley's poëzie is een fontein die zijn bekken +overstroomt, een vulkaan van onberekenbare uitbarstingen, maar geen +bouwwerk. De compositie van zijn "Prometheus" is zelfs zwak te noemen. +Alles hangt er af van den val van Jupiter, en hoe schetsmatig wordt deze +behandeld, terwijl bijkomstige tafereelen een groote ruimte beslaan! In +maat, strofenbouw en rijmen gebruikt hij vele vrijheden, die evenwel +nooit aan de schoonheid der verzen afbreuk doen en haar zelfs vaak +verhoogen, omdat die schoonheid berust op de ritmische vaart en den zang +van Shelley's verzen, op de levende bewogenheid van zijn stem dus, en +niet op de kunst-verfijning, waarmee sommigen die bewogenheid bedwingen +in de strakste beperkingen. Zoo is ook zijn woordenkeus niet, zooals +o.a. die van Poe, bepaald door een onverbiddelijke noodwendigheid, maar +hij stelt zich wel eens tevreden met een ietwat retorische uitdrukking +mits zij den stroom van vers en gedachte niet belemmert. Zijn woorden +zijn druppels, die men niet een voor een, maar altijd in die strooming +beschouwen moet. + +Bij het vertalen vergemakkelijkten deze eigenschappen mijn taak. Wie +eenmaal Shelley's toon met den zijnen heeft weten te benaderen, en den +geest van het werk goed verstaat, mag zich menige vrijheid veroorloven. +Als er iets van den geweldigen gang en tevens van de verrukkelijke +teerheid van het oorspronkelijk in mijn Hollandsch is overgegaan, ben ik +tevreden. Aan hem, wiens vertaling van "Shelley's Gedichten van 't jaar +1816" mij tot voorbeeld was, draag ik dit werk op. + + + + +*OPGEDRAGEN AAN ALBERT VERWEY* + + + + +PERSONEN: + + PROMETHEUS. + DEMOGORGON. + JUPITER. + DE AARDE. + OCEANUS. + APOLLO. + MERCURIUS. + HERCULES. + ASIA | + PANTHEA | DOCHTERS DER ZEE. + IONE | + DE SCHIM VAN JUPITER. + DE GEEST DER AARDE. + DE GEEST DER MAAN. + GEESTEN DER UREN. + GEESTEN, ECHO'S EN FAUNEN. + FURIËN. + + + + +*EERSTE BEDRIJF.* + + +*PLAATS:* + +_Een ravijn van ijsrotsen in den Indischen Caucasus. Prometheus is +zichtbaar, aan de steilte gebonden. Panthea en Ione zijn aan zijn voeten +gezeten. Tijd: nacht. Gedurende het tooneel breekt langzaam de morgen +aan._ + +*PROMETHEUS.* + + Monarch van Goden, Demons, alle Geesten-- + Op Een na--waar die werelden van weemlen, + De stralend-wentlende, door u en mij + Alleen van al wat leeft met slaaplooze oogen + Aanschouwd! Zie hoe deze aard krielt van uw slaven + Die gij voor knieval, prijs, gebed, gezwoeg + En offrand van gebroken harten loont + Met vrees en zelfverachting, hooploosheid; + Terwijl gij, blind in haten, mij uw vijand + Deedt heerschen, triomfeeren, u tot hoon, + Over mijn rampspoed en uw ijdle wraak. + Drieduizend jaar van uren onbeschermd + Door slaap, en oogenblikken steeds gekloofd + Door felle pijnen, tot zij jaren schenen, + Foltring en eenzaamheid, wanhoop en smaad, + Die zijn mijn rijk:--eindloos roemruchtiger + Dan de gebieden, die gij overschouwt + Van onbenijden troon, o Machtge God! + Almachtig, had de schande ik willen deelen + Dier snoode dwinglandij, hing ik niet hier + Genageld aan dees bergwand aadlaar-tartend, + Zwart, wintersch, dood, onmeetlijk; zonder kruid, + Insect of beest, vorm of geluid van leven. + Wee mij! helaas! pijn, pijn, eeuwig, voor eeuwig! + + Geen wissling, rust noch hoop! Toch houd ik vol. + Ik vraag aan de Aard, voelden de bergen 't niet? + Ik vraag den Hemel, heeft de alziende Zon + Dit niet gezien? De Zee, in stilte of storm, + 's Hemels nooit eendre Schaûw omlaag-gespreid, + Hoorden haar doove golven niet mijn nood? + Wee mij! helaas! pijn, pijn, eeuwig, voor eeuwig! + + Gletschers, aansluipende, doorboren mij + Met speren van kristal in maan bevrozen; + De helle ketens vreten me in 't gebeent + Met kou die brandt; 's Hemels gevlerkte hond, + Met gif niet van hemzelf, van uwe lippen, + Zijn bek bezoedelend, verscheurt mijn hart; + En vormlooze gezichten zwerven aan, + Spookge bevolking van het droomenrijk, + Spottend met mij; de Aardbeving-demons moeten + De spijkers uit mijn sidderende wonden + Loswringen, wen de rots splijt en weer sluit; + Wijl uit hun luide afgronden huilend zwermen + Stormgeesten, 't razen van den wervelwind + Opzweepend, treffend mij met scherpen hagel. + En toch, hoe welkom zijn mij nacht en dag, + 't Zij voor den een de morgenrijp verdwijnt, + 't Zij sterrig, donker, langzaam, de ander stijg' + In 't loodblauw Oosten; want dan leiden zij + De wiekloos-kruipende Uren, waarvan een-- + Gelijk een sombre priester 't weigrig offer-- + U, wreede koning, sleuren zal om 't bloed + Te kussen van dees voeten bleek, die dan + U trappen konden, als zoo'n slaaf in 't stof + Niet werd veracht door hen. Verachten! Neen! + 'k Heb medelij met u. Welk een verwoesting + Jaagt onbeschermd u dan door wijden hemel! + Hoe zal uw ziel, van schrik ten kern gespleten, + Hel-gelijk in u gapen! 'k Spreek in leed, + Niet juichend, want ik haat niet meer, als toen, + Eer 'k door ellende wijs werd. 'k Zou den vloek, + Eens geâdemd over u, herroepen willen. + Gij Bergen, wier veelstemmige Echo's wierpen + Door mist van cataracten 't dondrend doemwoord! + Gij ijzge Bronnen, stijf, rimplig bevrozen, + Die trildet toen gij 't hoordet en dan kroopt + Siddrend door Indië! Gij puurste Lucht, + Waardoor de Zon schrijdt brandend zonder stralen! + En snelle Wervelwinden gij, die hingt + Op evenwichtge vlerken stom, beweegloos, + Boven verstilden afgrond, toen een donder + Luider dan die van u, de ronde wereld + Schokte! Als mijn woorden toen een kracht bezaten, + Schoon 'k zoo veranderd ben, dat in mij stierf + Iedere kwade wensch, en 'k niet meer weet + Wat haat is,--laat hen thans niet krachtloos zijn! + Hoe was die vloek? gij allen hoordet mij. + +*EERSTE STEM, VAN DE BERGEN.* + + Driemaal drieduizend keer honderd jaren + Staande boven Aardbevings bed, + Trilden onze tallooze scharen + Vaak als menschen vrees-ontzet:-- + +*TWEEDE STEM, VAN DE BRONNEN.* + + Bliksemstralen zengden ons water, + Door bitter bloed werden we ontwijd, + Tusschen moordkreten zweeg ons geklater + In een stad en een eenzaamheid:-- + +*DERDE STEM, VAN DE LUCHT.* + + Ik die sinds de Aard verrezen is kleedde + Verwoesting in kleuren, haar eigen niet, + Voelde dikwijls mijn zuiveren vrede + Splijten door scheurende kreet van verdriet:-- + +*VIERDE STEM, VAN DE WERVELWINDEN.* + + Ons die beneden dees bergen vlogen + Rustlooze eeuwen, hadden de dondren, + Vulkanen die vlammenfonteinen spogen, + Of welke macht ook van boven of ondren, + Nimmer verstomd in verwondren:-- + +*EERSTE STEM.* + + Maar nooit, nooit boog onze sneeuwige kam, + Als toen ze de stem van uw smart vernam. + +*TWEEDE STEM.* + + Nimmer tevoren droegen wij + Naar de indische golven zulk een schrei. + Een loods in slaap op het huilende diep + Sprong op van het dek in wanhoop en riep + Toen hij het hoorde: "o wee mij, wee!" + En stierf ontzind als de wilde zee. + +*DERDE STEM.* + + Nooit mijn stil rijk zoo vreeslijke kreten + Van de Aarde tot den Hemel doorspleten: + Toen de wond was gesloten, stond er een gloed + Duister over den dag als bloed. + +*VIERDE STEM.* + + En wij schrikten terug: verwoestingsvizioenen-- + Wij vliênd naar ijsholen--vervolgden ons toen en + Deden ons zwijgen--zuchten--zacht-- + Zwijgen, door ons een hel geacht. + +*DE AARDE.* + + Der rotsge heuvlen spraaklooze Spelonken + Schreeuwden toen: "Wee!", de holle Hemel riep + Tot antwoord: "Wee!", der Zee purperen golven + Bestegen 't land, huilden 't zweepende winden + Tegen, de bleeke volken hoorden 't: "Wee!" + +*PROMETHEUS.* + + 'k Verneem geluid van stemmen, niet de stem + Die klonk uit mij. Moeder, gij en uw zonen + Hoont hem zonder wiens al-doorstaanden wil + Onder de wreede almacht van Jupiter + Niet zij alleen, ook gij vergaan zoudt zijn + Als dunne mist, op morgenwind ontrold. + Kent gij mij niet, den Titan? hem, die tegen + Uw anders al-veroverenden Vijand + Zijn lijden slagboom zijn deed? O in rotsen + Schuilende weiden, sneeuw-gevoede stroomen,-- + 'k Zie u heel diep dwars door bevrozen dampen-- + Door wier beschaduwende wouden 'k eens + Met Asia liep, het leven drinkend uit + Haar dierbaar oog; waarom versmaadt de geest + Die u bezielt, nu het verkeer met mij, + Met mij alleen die intoomde, als wie demon- + Getrokken voerman stuit, de kracht en valschheid + Van hem die oppermachtig heerscht, en vult + Daldiepte en waterige wildernissen + Met kreten van rampzaalge slaven? Broeders, + Antwoordt gij nóg niet, hoe? + +*DE AARDE.* + + Zij durven 't niet. + +*PROMETHEUS.* + + Wie durft? Want ik begeer dien vloek te hooren. + Ha! welk een vreeselijk gefluister stijgt! + 't Lijkt nauwlijks klank: het tintelt door het lijf + Als bliksem tintelt, aarzlend eer hij slaat. + Spreek, Geest! want door uw lichaamlooze stem + Weet ik alleen dat gij mij nader komt, + En liefhebt. Hoe vervloekte ik hem? + +*DE AARDE.* + + Hoe kunt gij, + Die niet de taal der dooden kent, het hooren? + +*PROMETHEUS.* + + Gij zijt een geest die leeft, spreek zooals zij. + +*DE AARDE.* + + 'k Durf niet als 't leven spreken, want des Hemels + Grimmige Vorst zou 't hooren, aan een rad + Van pijn zou hij mij kluistren, foltrender + Dan dat waarop ik wentel. Gij zijt wetend + Zoowel als goed, en schoon de Goden niet + Deze stem hooren--gij zijt meer dan God: + Vriendlijk en wijs zijnd,--hoor aandachtig nu. + +*PROMETHEUS.* + + Donker gaan door mijn brein, als doffe schaduwen + Gruwbre gedachten, snel en dicht opeen. + Ik voel me of ik bezwijm, als wie in liefde + Vereenend zich omstrenglen, maar geen vreugd is 't. + +*DE AARDE.* + + Neen, gij kunt niet verstaan: gij zijt onsterflijk, + Dees taal is enkel stervelingen bekend. + +*PROMETHEUS.* + + En wat zijt gij, o weemoed-volle Stem? + +*DE AARDE.* + + 'k Ben de Aard, uw moeder, in wier steenen aadren + Tot 't laatste nerfje van den hoogsten boom, + Wiens dun geblaart trilde in de ijskoude lucht, + Vreugd stroomde, als bloed stroomt in een levend lijf, + Toen gij haar schoot gelijk een gloriewolk + Ontreest--een wezen van geweldge vreugd! + En bij uw stem hieven haar kranke zonen + 't Gebogen hoofd op van 't bezoedlend stof; + En onze almachtige Tyran werd bleek + Van felle vrees,--totdat zijn donder hier + U vastklonk. Toen,--zie die millioenen werelden + Rondom ons brandend, wentlend,--hun bewoners + Zagen mijn ronde licht in wijden hemel + Slinken; de zee hief zich in vreemden storm; + Nieuw vuur uit helle sneeuwgebergten, die + De aardbeving spleet, schudde zijn dreigend haar + Onder gefronsden hemel; bliksem, vloed, + Kwelden de vlakten; blauwe distels bloeiden + In steden, voedsellooze padden kropen + Zuchtend in weelderige kamers rond, + Toen Pest en Honger mensch, beest, worm beviel; + En zwart bederf planten en boomen; 't koren, + De wijnstok, 't weidegras, krielde van onkruid, + Ondelgbaar, giftig, en hun groeikracht zuigend,-- + Want mijn vervallen borst was droog van leed; + De dunne lucht, mijn adem, was bezoedeld + Met de besmetting van een moeders haat, + Dien ze op den pijniger aêmde van haar kind. + Ja, 'k heb dien vloek gehoord, dien, moogt dan gij + Hem kwijt zijn, mijn tallooze zeeën, stroomen, + Bergen, holen en winden, wijde lucht, + En 't onverstaanbaar doodenvolk, bewaren;-- + Gelijk een schat is die bezwering ons, + Wij overpeinzen in geheime vreugd + En hoop die vreeselijke woorden, maar + Durven ze niet te spreken. + +*PROMETHEUS.* + + Waardge Moeder! + Alle andre levenden die lijden, krijgen + Van u eenge vertroosting: bloemen, vruchten, + Blijde geluiden, liefde--al vliedt die snel. + Dit 's niet voor mij:--mijn eigen woorden,--'k smeek u. + Weiger die niet aan mij. + +*DE AARDE.* + + Gij zult ze hooren. + Eer Babylon tot puin verging, ontmoette + Mijn doode zoon, de Magiër Zoroaster, + Zijn eigen beeltnis wandlend in den tuin. + Hij enkel zag van 't menschdom die verschijning. + Want weet, twee werelden bestaan, van leven + En dood:--een, die ge aanschouwen kunt, maar de andre + Is onder 't graf, daar, waar de schimmen wonen + Aller gedaanten met gedachte en leven, + Tot dood hen eent en nimmermeer zij scheiden; + Droomen, lichte verbeeldingen der menschen, + Al wat geloof schept of wat liefde hoopt, + Vreeslijk, verheven, vreemd en schoon van maaksel. + Daar zijt ook gij, en hangt, wringend een schim, + In wervelwind-bevolkte bergen. Al + De Goden zijn daar; al de Machten van + Naamlooze werelden, reusachtge schaduwen, + Geschepterd, en heroën, menschen, dieren; + En Demogorgon, een schrikwekkend Duister; + En hij, de Opper-Tyran, zit op zijn troon + Van brandend goud. Zoon, een van hen zal uiten + Den vloek dien ieder kent. Roep wien gij wilt, + Uw eigen geest, den geest van Jupiter, + Hades of Typhon, of wat machtger Goden + Uit over-vruchtbaar Kwaad, sinds uw verderf, + Rezen en trapten mijn geknielde zonen. + Vraag, en zij moeten antwoorden: de wraak + Des Hoogsten raze dan door holle schaduwen, + Als regenwind door de verlaten poort + Van een verwoest paleis. + +*PROMETHEUS.* + + Moeder, dat niets + Van wat misschien verkeerd is weer mijn lippen + Ontga, of die van iets dat mij gelijkt. + Schaduw van Jupiter, verrijs, verschijn! + +*IONE.* + + Mijn wieken vouwde ik voor mijn ooren, + Mijn wieken kruiste ik voor mijn oogen,-- + Toch zie 'k door zilveren schaduwbogen, + Toch kan ik door sussende veedren hooren,-- + Een Schim, een klankenzwerm. + Nadere u geen onheil nu, + O veel-doorwonde, ocharm, + Bij wien we, ons Zusterlief ten troost, + Slapeloos waken onverpoosd. + +*PANTHEA.* + + 't Geraas is van vuur, van wervlend geblaas + Onder de aarde, van bergen die scheurend beven, + De schim is vreeslijk als 't geraas. + In donker purper, sterren-doorweven. + Een schepter van bleek goud, + Die zijn stappen schraag', trotsch over wolken traag, + Zijn hand, de dooraderde, houdt. + Wreed, maar toch kalm en sterk hij ziet, + Als wie onrecht doet, maar lijdt het niet. + +*SCHIM VAN JUPITER.* + + Waartoe werd ik, een broze en ijle schaduw, + Door dezer vreemde weerld geheime machten + Hierheen gedreven op de wildste stormen? + Wat ongewone klanken zweven er + Op mijnen mond, een andre stem dan die + Waarmee ons bleeke ras spookachtig spreekt + In duister?--Trotsche lijder, wie zijt gij? + +*PROMETHEUS.* + + Ontzachlijke verschijning! gelijk gij zijt + Moet hij zijn dien ge afschaduwt. 'k Ben zijn vijand, + De Titan. Spreek de woorden die 'k wou hooren, + Schoon geen gedachte uw leege stem beziel'. + +*DE AARDE.* + + Luistert! wel moet uw echo stom zijn, grijze + Bergen, orakelholen, geestenbronnen, + Stroomen rond eilanden, en oude wouden,-- + Verblijdt u hoorend wat gij niet kunt spreken! + +*DE SCHIM.* + + Mij grijpt een geest, die binnen in mij spreekt: + Hij scheurt me als vuur een donderwolk verscheurt. + +*PANTHEA.* + + Zie hoe zijn machtge blik zich heft! de hemel + Donkert omhoog! + +*IONE.* + + Hij spreekt! Wil mij beschermen! + +*PROMETHEUS.* + + Ik zie den vloek, in trotsch en koud gebaar, + Blikken van vaste uitdaging, kalme haat en + Wanhoop die met zichzelf glimlachend spot, + Geprent als op een rol. Maar spreek, o spreek! + +*DE SCHIM.* + + "Duivel, ik daag u uit! kalm, vast van geest,-- + Zooveel gij slaan kunt bid ik u te slaan; + Booze Tyran, door god en mensch gevreesd, + Eén eénig wezen zult gij niet verslaan! + Regen uw plagen altemaal, + Krankzinnige angst, spookachtige kwaal + Op mij, laat wisslend vorst en gloeden + Knagen in mij, en zij uw woede + Bliksem, snijdende hagel, tallooze vormen + Van Furiën drijvend aan op wonden-slaande stormen! + + "Ja, doe het ergste, almachtige! over 't al + Behalve uzelf en mijn wil gaf 'k u macht! + Zend uit dien hemeltoren 't talloos tal + Onheilen snel, verzengend 't menschgeslacht. + Dat uw boosaardge geest omzweef' + In duister wie 'k mijn liefde geef: + 'k Wil dat gij mij en de mijnen slaat + Met de uiterste pijniging van uw haat; + Zoo wijd 'k aan foltring, door geen slaap verdoofd, + Zoolang gij heerscht omhoog dit nimmer-zinkend hoofd. + + "Maar gij, die God en Heer zijt! Gij wiens ziel + Vervult dees weerld van wee, Vijand die heerscht: + Buigt niet in eerbied of in bang gekniel + Voor u elk ding van heem'l en aarde om 't zeerst? + Ik vloek u! Als berouw omgrijp' + Eens lijders vloek zijn beul, en nijp', + Totdat uw eindloosheid een kleed + Gelijke van vergiftigd leed, + En tot uw almacht zij een kroon van pijn, + Klemmend als brandend goud rondom uw smeltend brein! + "In naam van dezen Vloek staaple gij tal + Van zonden op uw ziel, wees 't goede ziend + Verdoemd dan, bei oneindig als 't heelal, + Gij en uw eenzaamheid, zelf-pijnging biênd! + Nog zit ge, een vreeslijke figuur + Van kalme macht, maar kome t' uur, + Waarin zal blijken wat gij zijt + In allerdiepste inwendigheid, + En, na veel zonden, valsche en vruchtelooze, + Hoon volge uw tragen val, eeuwig, door 't eindelooze!" + +*PROMETHEUS.* + + Sprak ik zoo, moeder Aarde? + +*DE AARDE.* + + Zoo spraakt gij. + +*PROMETHEUS.* + + 't Berouwt me: ijdel en haastig woorden zijn: + Smart is een wijle blind, en zoo was mijn': + Niets wat er leeft wensch ik dat lijdend zij. + +*DE AARDE.* + + Wee mij, wee, + Dat Hij u eindlijk buigen deê! + Klaagt, huilt luid, Land en Zee,-- + Aarde's gescheurde hart krijt mee! + Geesten der levenden en dooden, schreit! + Uw toeverlaat en steun thans overwonnen leit. + +*EERSTE ECHO.* + + Thans overwonnen leit? + +*TWEEDE ECHO.* + + Verwonnen leit! + +*IONE.* + + Vrees niet: die huivring zal niet duren,-- + De Titan is niet overmand.-- + Maar zie omhoog waar door de azuren + Spleet van dien sneeuwtop scherp-getand, + Op hellende winden tredend zijn voet + In gouden sandaal--hij straalt + Onder veeren gekleurd in purpergloed + Ivoor gelijk door een roos bebloed-- + Een Gedaante daalt,-- + Uit zijn rechterhand oprijzend blinkt + Een staf door een slang omkringd. + +*PANTHEA.* + + Mercuur, Jupiters boô, die 't al doordwaalt. + +*IONE.* + + En wie zijn die met hydraharen, + En vlerken van ijzer, den wind bestijgend? + De God, gefronsd, weerhoudt hun scharen + Achter hem stoomenden damp gelijkend, + Met luid geroep, een eindlooze troep-- -- + +*PANTHEA.* + + 't Zijn Jupiters honden die hij met krijten + En bloed verzaadt, zij bezweven de' orkaan, + Wen zijn raadren op zwaavlige wolken gaan, + En de grenzen der hemelen splijten. + +*IONE.* + + Of van de ijle doôn zij gezonden zijn, + Zich te voeden met nieuwe pijn? + +*PANTHEA.* + + De Titan ziet als steeds vast, niet hoovaardig. + +*EERSTE FURIE.* + + Ha! ik ruik leven! + +*TWEEDE FURIE.* + + Laat mij in zijn oog maar zien! + +*DERDE FURIE.* + + De hoop van hem te foltren ruikt gelijk een stapel + Van lijken na den slag voor een doodsvogel! + +*EERSTE FURIE.* + + Durft gij nog treuzlen, o Heraut? Verheugt u, Honden + Der Hel! Hoe, als de Zoon van Maia dra + Tot voedsel en vermaak ons strekken zou? + Wie kan den Oppermachtge lang behagen? + +*MERCURIUS.* + + Terug naar jullie ijzren torens, knarst + Met voedsellooze tanden, naast de stroomen + Van vuur en weeklacht! Geryon, verrijs! + Gorgon, Chimaera, Sphinx, de meest verfijnde + Duivel, die 's hemels gifwijn reikte aan Thebe: + Ontaarde liefde, en meer ontaarde haat!-- + Die zullen 't werk volvoeren. + +*EERSTE FURIE.* + + Medelij! + O medelij! wij sterven in ons smachten: + Jaag ons niet weg van hier! + +*MERCURIUS.* + + Neer dan en zwijgt!-- + Ontzachbre Lijder! Willens niet, onwillens + Nader ik u: de wil des Grooten Vaders + Dreef mij omlaag, dat ik een doem volvoer' + Van nieuwe wraak. Helaas! 'k bemeelij u, + En 'k haat mij zelf, dat ik niet meer kan doen. + Ja, als ik weerkeer, nadat ik u zag, + Schijnt voor een poos de Hemel mij een Hel, + Zoo achtervolgt me uw magere gedaant + Des daags, des nachts, en glimlacht een verwijt. + Wijs sterk en goed zijt gij, maar woudt vergeefs + Alleen weerstaan de' Almachtge; gindsche lampen, + De heldre, die de moede jaren meten + En scheiden, die niet een ontkomen kan, + Leerden 't reeds lang en moeten 't lang nog leeren. + Juist op dit oogenblik wapent uw foltraar + Met vreemde kracht van nooitgedroomde pijnen + Machten, die in de hel langzame ellenden + Beramen, en aan mij werd opgedragen + Hen hier te voeren, of wat wreeder, wilder, + Verfijnder duivels in den afgrond huizen, + Dat zij hun taak volbrengen! Zij het niet zoo! + U, en van al wat leeft anders niet een, + Is een geheim bekend,--den schepter van + Den wijden Hemel kan het overdragen,-- + De vrees daarvoor verbijstert de' Oppergod. + Kleed het in woorden, vraag of het zijn troon + Bemiddelend omgrijp'; buig in gebed + Uw ziel, laat in uw trotsche hart den wil + Knielen, een smeekling in een prachtgen tempel: + Weldaân, deemoedige onderwerping temmen + Den meest vertoornde en machtigste tot zachtheid. + +*PROMETHEUS.* + + Kwade naturen wijzigen het goede + Naar eigen aard. Ik gaf al wat hij heeft; + En tot belooning ketent hij mij hier, + Jaren, neen eeuwen, nacht en dag; hetzij + De zon mijn droge huid doet barsten, 't zij + In maannacht de kristal-gewiekte sneeuw + Kleeft rond mijn haar; wijl mijn geliefd geslacht + Vertreên wordt door wie zijn gedachte doen. + Zoo is 't dat de Tyran vergeldt, 't Is recht: + Hij die niet goed is kan geen goed ontvangen + En voor een weerld geschonken of een vriend + Verloren kan hij haat, vrees, schaamt gevoelen; + Geen dankbaarheid. Hij loont mij enkel voor + Zijn eigen misdaad. Vriendlijkheid is fel + Verwijt voor zulk een, dat met scherpe steken + Den lichten sluimer afbreekt van de Wraak. + Gij weet, dat 'k mij niet onderwerpen kan: + Welke onderwerping dan dat noodlot-woord, + Doodszegel van des menschdoms slavernij, + Als 't zwaard des Siciliaans, dat aan een haar hangt + Bevend boven zijn kroon, zou hij aanvaarden, + Of kon ik toestaan? Maar niet wil 'k ze toestaan. + Laat andren Misdaad vleien waar hij troont + In snel-verganklijke almacht! Veilig zijn zij: + Want wen het Recht verwint zal 't meelij reegnen, + Geen straf, op 't onrecht dat het leed, en dat + Te over geboet werd door wie dwalen, 'k Wacht, + Dus duldende, 't vergelding-brengende uur, + Dat sinds wij spraken zelfs iets nader kwam. + Maar luister, de Helhonden razen. Vrees + Uitstel! want zie! de hemel donkert onder + Uws Vaders frons! + +*MERCURIUS.* + + O bleve 't ons bespaard-- + Mij 't leed doen, u het lijden! Antwoord me éens nog: + Kent gij het eindperk niet van zijn gezag? + +*PROMETHEUS.* + + Ik weet slechts dat het eind eens komt. + +*MERCURIUS.* + + Helaas! + Gij kunt de jaren die uw pijn nog dure + Niet tellen! + +*PROMETHEUS.* + + Zoolang Jupiter regeert, + Houden zij aan, niet meer noch minder hoop + Of vrees ik. + +*MERCURIUS.* + + Maar denk even na, en duik + In de eeuwigheid, waar tijd dien ge u herinnert-- + Zelfs al wat we ons verbeelden, eeuw op eeuw-- + Een punt maar schijnt, en de weerstrevende + Gedachte kwijnt, moe in de oneindge vlucht, + Tot duizlend, blind, verloren, onbeschermd, + Zij zinkt. Ze telde allicht de trage jaren + Nog niet, die gij in foltring zonder uitstel + Doorleven moet? + +*PROMETHEUS.* + + Misschien kan geen gedachte + Ze tellen. Evenwel, zij gáán voorbij. + +*MERCURIUS.* + + Als gij mocht wonen bij de Goôn dien tijd, + In wellustvreugd gekoesterd? + +*PROMETHEUS.* + + Toch zou 'k niet + Willen verlaten dezen zwarten afgrond, + Noch deze pijnen, wien geen pijndoen rouwt. + +*MERCURIUS.* + + Helaas! 'k verbaas mij, maar beklaag u toch. + +*PROMETHEUS.* + + Beklaag des hemels slaven, die zichzelf + Verachten, maar niet mij: want in mijn geest + Zit heldre vrede, als in de zon het licht, + Ten troon. Hoe doelloos is het spreken. Roep + De duivels op. + +*IONE.* + + O zuster, zie! Wit vuur + Spleet dien geweldgen sneeuw-beladen ceder + Tot aan de wortels. Hoe ontzettend huilt + Gods donder 't achterna! + +*MERCURIUS.* + + Ik moet zijn woorden + En die van u gehoorzamen! Helaas! + Hoe hangt zich zwaar de wroeging aan mijn hart! + +*PANTHEA.* + + Zie waar het Hemelkind, gewiekt van voet, + Omlaagsnelt langs het schuine daagraad-zonlicht. + +*IONE.* + + Dierbare zuster, sluit uw veedren nu + Over uw oogen, anders ziet ge en sterft. + Zij komen, komen, zwartend dags geboorte + Met vlerken zonder tal, waaronder 't hol is + Gelijk de dood! + +*EERSTE FURIE.* + + Prometheus! + +*TWEEDE FURIE.* + + Kampioen + Van 's Hemels slave'! + +*DERDE FURIE.* + + Onsterfelijke Titan! + +*PROMETHEUS.* + + Hier is hij dien een vreeselijke stem + Aanroept, Prometheus, de geboeide Titan. + Gruwbare vormen, wat en wie zijt gij? + Nimmer nog kwamen zoo afgrijslijke + Droombeelden door de hel die monsters teelt + Uit Jupiters alles wanscheppend brein. + Wijl 'k zoo verfoeilijke wezens zie, + Is 't me of ik lijken ga op wat ik schouw + En lach en staar in walglijke gemeenschap. + +*EERSTE FURIE.* + + Wij zijn de dienaars van ontgoocheling, + Van pijn en vrees en wantrouwen en haat, + En zonde die zich vastklemt aan de ziel, + Als ranke honden die door woud en meer + Een jeugdig hert, geraakt en snikkend, volgen, + Gaan we alles na wat weent en bloedt en leeft, + Wanneer de groote Vorst hen overlevert + Aan onzen wil. + +*PROMETHEUS.* + + O veel vreeslijke wezens + In éenen naam! ik ken u; en dees meren + En echo's kennen 't duister en 't gedruisch + Van uwe vlerken. Maar waarom verrijst gij + Leelijker dan uw walgingwekkend wezen + Vergaderd in legioenen uit den afgrond? + +*TWEEDE FURIE.* + + Dat wisten wij nog niet. Verheugt u, Zusters! + +*PROMETHEUS.* + + Kan iets om zijn wanstaltigheid verblijd zijn? + +*TWEEDE FURIE.* + + Schoonheid van wellust maakt verliefden blij, + Starende naar elkaar,--zoo zijn ook wij. + Als van de roos, die knielend plukken wil + Voor feestelijken bloemkroon de priestres, + De bleeke, een roode schijn valt op haar wang + Waardoor zij bloost, zoo kleedt ons onze vorm: + De schaûw van smarten die ons offer wachten,-- + Anders zijn vormloos we als ons' Moeder Nacht. + +*PROMETHEUS.* + + 'k Bespot uw macht en die van wie u zond, + In diepsten hoon. Giet leeg uw kelk van pijn. + +*EERSTE FURIE.* + + Bedenkt gij dat we u zullen scheure' uiteen, + Zenuw voor zenuw, been voor been, als vuur + Vretend in u? + +*PROMETHEUS.* + + Pijn is mijn element, + Als haat het uwe. Gij verscheurt mij nu, + Het raakt mij niet. + +*TWEEDE FURIE.* + + Stelt ge u wel voor, dat we in + Uw lidlooze oogen zullen lachen? + +*PROMETHEUS.* + + 'k Schat + Niet wat gij doet, maar wat gij lijdt, kwaad zijnde. + Wreed was de macht die u, of wat dan ook, + Zoo slecht, in 't licht riep. + +*DERDE FURIE.* + + Denkt gij hier wel aan, + Dat we in u zullen leven, een voor een, + Als dierlijk leven, en ofschoon wij niet + De ziel die in u brandt kunnen verduistren, + Dat wij daarneven zullen wonen, als + Een ijdle luide menigt, folterend + De zelftevredenheid der wijste menschen; + Wij zullen zijn ontzettende gedachte + Onder uw brein, en leelijke begeerte + Rond uw verbaasde hart, en bloed dat kruipt + In doolhof van uw aadren als zieltoging. + +*PROMETHEUS.* + + Wel, nu reeds zijt gij zoo, toch ben ik vorst + Over mijzelf en heersch over die volten + Die in mij worstlen en me inwendig martlen, + Gelijk over uw menigt Jupiter + Regeert, wanneer de Hel aan 't muiten slaat. + +*KOOR VAN FURIËN.* + + Van de einden der aard, van de einden der aard, + Waar zijn graf heeft de nacht en de morgen klaart, + Komt, komt, komt! + Wier vreugdkreet de heuvelen schokkend doorvaart + Wen steden zinken in puin met gesteen! + Wier vlerklooze voetstappen treên op de zeên, + Die snatert--Schipbreuk en Hongersnood vlak + Op het spoor--van pret op het voedselloos wrak, + Komt, komt, komt! + Laat het bed, laag, koud en rood, + Waar een natie neerligt, dood; + Laat de haat, want in de sintels + Bleef nog vuur dat straks moog' flakkeren: + 't Zal opvlammen in bloediger krinkels + Als, spoedig terug, gij 't aan zult wakkeren; + Laat de zelf-walg die verovert + Jeugdige zielen zinnen-betooverd, + Nog onontstoken haard van leed; + Laat het Hel-geheim, half onthuld + Den waan-bevangen droomer;--wreed, + Meer dan gij die de haat bewoog, + Werd hij door vrees voor schuld. + Komt, komt, komt! + Uit den wijden hellepoort stoomen we omhoog, + Wij bezwaren de vlagen van de lucht, + Maar ons doen is vergeefsch totdat gij tot ons vlucht! + +*IONE.* + + Zuster, 'k hoor 't donderen van nieuwe vlerken. + +*PANTHEA.* + + Dees vaste bergen trillen van 't geluid + Gelijk de sidderende lucht: hun schaduwen + Doen 't zwarter zijn dan nacht tusschen mijn veedren. + +*VIERDE FURIE.* + + Uw roep was als een gewiekte wagen, + Op wervelwinden snel en ver gedragen, + Hij kwam van rooden krijgskolk ons verjagen; + +*VIJFDE FURIE.* + + Van wijde steden waar de honger woedt, + +*ZESDE FURIE.* + + Van klachten half-gehoord, en ongedronken bloed; + +*ZEVENDE FURIE.* + + Van konings-raden, barsch en koud, + Waar bloed verkwanseld wordt om goud; + +*ACHTSTE FURIE.* + + Van den oven, wit en heet, + Waar-- + +*EEN FURIE.* + + Spreek niet, daar 'k alles weet + Wat gij woudt zeggen--wil niet fluistren-- + Breken mochten de tooverkluistren, + Waardoor straks buig' de strenge van gedachte, + Dien niets nog buigen deed: + De diepste macht der Hel blijft hij verachten. + +*EEN FURIE.* + + Scheur het floers! + +*EEN ANDERE.* + + Het is door. + +*KOOR.* + + 't Bleek gesternt van Auroor + Schijnt op smart zwaar te dragen. Bezwijmt gij erdoor, + Machtge Titan? Wij lachen hoon-schaatrend in koor! + Roemt ge op wetenschap klaar, die den mensch gij deedt dagen? + Toen ontgloeide er een dorst in hem, nimmer verslagen + Door die stervende waatren, een koortsdorst verterend, + Liefde, twijfel, hoop, smachten, hem eeuwig verheerend. + Een verscheen van zachte waarde + Lachend op de bloedroode aarde: + Zijn woorden duurden, snel venijn + Gelijk, verdelgend waarheid, deernis, vrede. + Zie! langs de wijde kimmelijn + Rondom, veel dichtbevolkte steden, + Braaksels rookend in de heemlen klaar! + Hoor dien kreet van wanhoop zwaar! + 't Is zijn zachte en teedre geest die treurt + Om 't geloof door hem ontstoken. + Zie opnieuw! de vlam die hoog zich beurd' + Tot een glimworm-lamp ineengedoken: + De overlevenden rondom de kolen + Verzaamlen zich ontzet. + Vreugd! vreugd! vreugd! + Het verleên overstelpt u, maar iedere eeuw heugt; + En het heden--de toekomst blijft duister verholen-- + Is voor 't sluimerloos hoofd u een dorenenbed! + +*HALFKOOR I.* + + Droppen van bloedige ellende leken + Van zijn voorhoofd, 't sidderend bleeke. + Gun een kort heraadmen thans. + Zie een volk zijn ban verbreken, + 't Springt uit moedloosheid als morgenglans; + Aan Waarheid wijdde het zijn staat + En Vrijheid leidt het voort, haar maat;-- + Een legioen aaneengesloten broeders, + Die Liefde kindren noemt-- + +*HALFKOOR II.* + + Van andre moeders + Zijn ze, zie hoe verwanten magen moorden! + Het is de wijnoogst-tijd voor Zonde en Dood. + Bloed schuimt als nieuwe wijn zoo rood. + Straks wordt, wanneer haar Wanhoop smoorde, + Die worstelende wereld prooi van slaven en despoot. + + _(Al de Furiën verdwijnen, op een na.)_ + +*IONE.* + + Hoor zuster! wat een diep maar wreed gekreun, + Gansch niet teruggehouden, 't hart verscheurt + Van de' eedlen Titan, gelijk stormen 't diep, + Wanneer de dieren hooren hoe de zee + Huilt in de holen onder 't binnenland! + Durft gij te zien hoe hem de duivels martlen? + +*PANTHEA.* + + Helaas! Ik keek tweemaal, doch doe 't niet meer. + +*IONE.* + + Wat zaagt ge? + +*PANTHEA.* + + Een smartlijk schouwspel: een geduldig + Starende jonkman aan een kruis genageld. + +*IONE.* + + Wat meer? + +*PANTHEA.* + + De hemel in het rond, en de aard + Omlaag, was dicht bevolkt met vormen van + Menschlijken dood, alle verschriklijk, en + Gewrocht door menschehand; en enkle schenen + Het werk van menscheharten, moordend traag + Door frons en glimlach. Andere gezichten, + Te schandlijk om te noemen en te leven, + Dreven voorbij. Laat ons niet ergre vrees + Verzoeken door te zien: voldoende smart + Is dat gekreun. + +*FURIE.* + + Zie een symbool: dat zij + Die voor den mensch diep onrecht lijden, hoon + En keetnen, enkel duizendvoudge foltring + Wentelen op zichzelf en ook op hem. + +*PROMETHEUS.* + + Verzacht den doodsnood van dat stralend staren; + Sluit nu die lippen bleek, doe 't doorn-doorwonde + Voorhoofd van bloed niet stroomen: met uw tranen + Vloeit het ineen! Stil, stil 't gefolterd oog + In vrede en dood,--dat niet uw kranke weeën + Schudden dat kruis,--dat niet die vingren bleek + Met uw geronnen bloed meer spelen! O, + Afgrijslijke! Uwen naam wil ik niet spreken: + Hij is een vloek geworden! 'k Zie, ik zie + De wijzen, zachten, eedlen en rechtvaardgen,-- + Uw slaven haten hen, die zijn als gij-- + Enklen verdreven uit huns harten huis, + Een vroeg-gekozen, laat-bejammerd huis, + Door vuile leugens: panters die geblinddoekt + Een opgejaagde hinde dicht vervolgen; + Enklen in giftige kelders saamgeketend + Met lijken; enklen--hoor 'k de menigt daar + Niet lachen luid?--omsloten door traag vuur; + En machtge rijken drijven aan mijn voet, + Gelijk eilanden door de zee ontworteld, + Wier zonen zijn gekneed in één plas bloed, + Bij rooden brandgloed van hun eigen huizen. + +*FURIE.* + + Bloed kunt gij zien, en vuur, en kreuning hooren,-- + Ergere dingen resten, ongehoord + En ongezien. + +*PROMETHEUS.* + + Ergere? + +*FURIE.* + + In 't menschehart + Wordt prooi, dien het verslond, steeds overleefd + Door schrik. De edelsten vreezen dat wat hún + Te laag schijnt om te denken waarheid zij; + Gewoonte, huichlarij maken hun geest + Tempels van meengen thans versleten godsdienst. + Zij durven voor den toestand van den mensch + Geen heil beramen, en zij weten niet + Dat zij 't niet durven. Zij die goed zijn hebben + Geen macht, en kunnen enkel vruchtloos weenen; + De machtgen missen goedheid--dat gebrek + Is erger; wijzen missen liefde; en wie + De liefde hebben missen wijsheid; zoo + Is al 't uitmuntendste verkeerd in kwaad. + Velen zijn sterk en rijk, wilden wel goed zijn, + En leven toch onder hun medemenschen + Die lijden, of er niemand iets gevoelde: + Zij weten zelf niet wat zij doen. + +*PROMETHEUS.* + + Uw woorden + Zijn als een wolk gevlerkte slangen; toch + Bemedelij ik wie zij niet doen lijden. + +*FURIE.* + + Bemedelijdt ge? Ik spreek niet meer! + + _(verdwijnt)_ + +*PROMETHEUS.* + + Wee mij! + Wee mij! helaas! pijn, pijn, eeuwig, voor eeuwig! + Ik sluit mijn traanlooze oogen,--o verfijnde + Tyran! uw werken zie ik klaarder in + Mijn leed-verlichten geest. In 't graf is vreê: + Het graf verbergt al schoone en goede dingen. + Ik ben een God, en kan haar dáár niet vinden--, + Noch zou 'k haar zoeken: want, schoon wreede wraak, + Dit is verslagen zijn, niet zegepralen, + O felle Koning! De gezichten waar + Gij mij mee foltert, sterken mijn gemoed + Met meer volharding, tot het uur verschijnt + Dat zij geen beeld meer zijn van wat bestaat. + +*PANTHEA.* + + Helaas! wat zaagt gij? + +*PROMETHEUS.* + + Er is tweeërlei + Ellende: zien, en spreken:--spaar me er een. + Namen, die 't heilig wachtwoord der Natuur zijn, + Droeg men omhoog in blinkende blazoenen; + De volken wemelden in 't rond en riepen + Eenstemmig luid: "Waarheid, Vrijheid en Liefde!" + Plotseling viel er van den hemel wilde + Verwarring: er was strijd, bedrog en vrees: + Tyrannen stoven aan, deelden de buit. + Dit was de schaduw van de waarheid die + 'k Aanschouwde. + +*DE AARDE.* + + 'k Voelde uw foltring, zoon, met zoo + Gemengde vreugd als pijn en deugd kan geven. + Nu, om uw toestand te verheldren, vraag ik + Die fijne en schoone geesten op te stijgen, + Wier woonstede in de donkere gewelven + Der menschgepeinzen is en die, als vooglen + Den wind bezeilen, thuis in dier gedachten + Wereld-omcirkelenden ether zijn. + Zij zien achter dat schemerig gebied, + Als in een spiegel dat wat komen zal: + O dat zij spreken om u troost te schenken! + +*PANTHEA.* + + Zie zuster, waar zich zaamlen geestenscharen, + Als wolkenkudden in der Lente klaren + Hemel, verruklijk blauw! + +*IONE.* + + En zie! meer komen, + Als bronnedampen 't dal uit opwaarts stoomen, + Wen winden zwijgen, in verspreide lijnen. + En hoor! is het de ruisching van de pijnen? + Is 't van het meer? Is het de waterval? + +*PANTHEA.* + + 't Is iets veel droever, zoeter dan dat al. + +*KOOR VAN GEESTEN.* + + Wij zijn 't die van de oudste tijden + Teer beschermen en geleiden + 't Menschdom dat de Goôn doen lijden. + We aadmen--nooit kon het ons krenken-- + De atmosfeer van 't menschlijk denken, + Zij ze ook donker, nat en grauw + Als een dag door storm gebluscht, + Nog doorvloeid van glanzen flauw, + Zij ze stralend als wat rust + Tusschen wolkenlooze lucht + En rivieren zonder zucht, + Lieflijk, stil, in klaar genucht. + Als de vooglen in den wind, + Als de visschen in den vliet, + Als wat 's menschen ziel verzint + Vloeit door 's levens licht gebied, + Leegren wij daar vlot en vrij: + Als de wolken onweerhouden reizen wij + Door die sferen die geen grens verkleint: + Daaruit dragen wij de profeetsij, + Die in u begint en eindt! + +*IONE.* + + Meer komen, een voor een: de lucht in 't rond + Ziet schittrend als de lucht rondom een ster. + +*EERSTE GEEST.* + + Door een krijgstrompet met kracht + Opgestooten in den nacht, + Kwam 'k hierheen in snelle jacht. + Uit het stof van eeredienst versleten, + Van tyrannenvaan uiteengereten, + Klonken daar vermengde kreten, + Die rondom mij medestegen: + 't Luidde: Vrijheid! Hoop! Dood! Zege! + Tot ze omhoog versuizlend zwegen. + Eén geluid klonk voor mij uit: + Liefde's ziel, en 't ruischte en deind' + Onder, boven, rondom mij: + 't Was de hoop, de profeetsij + Die in u begint en eindt. + +*TWEEDE GEEST.* + + Een regenboog stond op de zee + Die woelde omlaag, in vreemde vreê, + Waardoor, alsof veroovraar toog + Onder triomfpoort trotsch en snel, + De stormwind zegevierend vloog, + Meevoerend veel gevangen wolken: + Vormlooze, donkre, vlugge volken,-- + Elke gekliefd door 't weerlicht schel. + 'k Hoorde 't dondren: schor geschater-- + 'k Zag beneên, als kaf uiteen + Verstrooid, verspreid op 't witte water, + Machtge vloten--een hel van dood. + 'k Daalde er op een groote boot-- + Bliksem spleet haar romp vaneen--, + Op de zucht vlood ik hierheen + Van een die aan een vijand schonk + Zijn plank, en zijwaarts dook en zonk. + +*DERDE GEEST.* + + 'k Zat naast eens wijzen legersteê, + Een rosse schijn van 't lamplicht gleê + Langs 't boek dat straks hem peinzen deê,-- + Toen een Droom--als vlammen straalde + Zijn gevedert--nederdaalde. + En ik wist in hem verschenen + Wie ontstak eeuwen voorhenen + Deernis, eedle taal, en pijn; + Korten tijd droeg schaduwschijn + Van zijn luister 't aardeduister. + Hierheen droeg hij mij met spoed + Als Begeerte's bliksemvoet: + Dat 'k hem wederbreng' voor morgen, + Of de wijze ontwaakt in zorgen. + +*VIERDE GEEST.* + + 'k Sluimerde op een dichtermond, + Droomend als wie liefde vond + In zijn aêm geluid nog suizend,-- + Aardsche vreugden zoekt noch vindt hij, + Hemelsch kust hij en bemint hij + Wezens in de wouden huizend + Der gepeinzen. Van het dagen + Tuurt hij soms tot 's avonds duister: + O van gele bijen ruischt er + 't Bloesemen der klimophagen, + 't Gouden zonlicht hoogt hun luister, + 't Weergekaatste door het meer; + Wat hij ziet, hij weet het niet, + Maar herschept het in zijn lied + Tot gestalten werklijk, méer + Dan de mensch die levend heet: + Kindren der Onsterflijkheid. + Een van dees me ontwaken deed: + 'k Ging u troosten, daar gij lijdt. + +*IONE.* + + Ziet gij niet naadren van het Oost en 't West + Twee wezens? glijden tot één dierbaar nest + Duiven niet zoo, een tweelingpaar gevoed + Door de atmosfeer die alles leven doet, + Op snelle, stille vlerken naar omlaag? + En hoor! die stemmen zoet, toch vol geklaag: + 't Is leed vermengd met liefde tot éen lied. + +*PANTHEA.* + + Spreekt gij nog, zuster? Woorden vind ik niet. + +*IONE.* + + Hun schoonheid geeft mij stem. Zie hoe zij drijven: + Op wieken rusten zij van hemel-kleur, + Oranje en hemelsblauw verdiept tot goud: + De lucht straalt van hun lach als van een ster. + +*KOOR DER GEESTEN.* + + Hebt gij de Liefde-zelf aanschouwd? + +*VIJFDE GEEST.* + + Toen 'k over wijde landen + Haastte als de vlugge wolken die de luchtwoestijn bevaren, + Vloog die gestalte ster-gekroond op vleugelen die brandden + Van weerlicht aan en schudde heil uit ambrozijnsche haren; + Haar stappen spreidden licht op de aard. Maar dra verdween dat stralen, + Verwoesting gaapte: waanzin bond wie hooge wijsheid zeiden; + Helden verdwaasd, jonglingen bleek die stierven zonder smalen, + Zag 'k in den nacht. En ik ging voort, tot gij, o vorst van Lijden, + Glimlachend wreedste erinnering verkeerdet in verblijden. + +*ZESDE GEEST.* + + 't Vernielende is iets zeer verfijnds, o Zuster! weet waarom: + Het wandelt niet op de aard, het zweeft niet in de heemlen, + Maar het vertreedt met stap die stilt en 't koelt met vlerken stom + De teedre wenschen die in 't hart der besten, eêlsten, weemlen; + Die door het waaierend geveêrt in valsche rust gewiegd + En door 't bewegen melodieus dier zachte en snelle voeten, + Droomen van bovenaardsche vreugd en noemen 't monster Liefd' + En, wakker, zien de schaduw Pijn, als hij dien thans wij groeten. + +*KOOR.* + + Schoon nu Verwoesting schaduw zij + Der Liefde, volgend haar nabij + Op 't witte Doodspaard, dat gevleugeld + Als een stormwind onbeteugeld-- + Ook de snelste ontvliedt het niet-- + Trapt op onkruid en gebloemt, + 't Slechte en schoone saâm verdoemt, + Menschen en gediert vertreedt-- + Eens stuit gij dien ruiter wreed, + Hart en lichaam ongedeerd. + +*PROMETHEUS.* + + Geesten, zegt wie u dit leert! + +*KOOR.* + + Zijn dan niet in onze luchten + (Evenals wen de sneeuwstorm vluchtte + Voor de Lente en knoppen gloeien,-- + 't Vlierbosch trilt in winden mild,-- + Ook de herders dolend weten + Dat de meidoorn gauw zal bloeien) + Recht en Vrede, Liefde en Weten: + Glans die worstlend wijder schijnt,-- + Als de winden zacht en blij + Den herdersknaap, de profeetsij + Die in u begint en eindt? + +*IONE.* + + Waar vloôn de Geesten heen? + +*PANTHEA.* + + Niets blijft er over + Dan een gevoel van hen, gelijk de toover + Van tonen, wen bezielde stem en luit + Verruischen, eer het antwoordend geluid + Nog zweeg, dat in de diepe ziel blijft dolen + Als echo's winden door oneindge holen. + +*PROMETHEUS.* + + Hoe schoon dees lucht-geboren wezens! Toch + Voel 'k alle hoop vergeefsch behalve liefde! + En gij zijt ver, Asia, die wen mijn wezen + Overliep, als een gouden beker waart + Voor heldren wijn, anders in dorstig stof + Vervloeid.--Alles is stil. Helaas! hoe zwaar + Weegt deze rustge morgen op mijn hart! + 'k Zou kunnen slapen met mijn leed, ofschoon + Ik droomen zou, waar' slaap mij niet ontzeid. + 'k Zou willen zijn wat ik eens wezen zal, + De redder en de kracht van 't lijdend menschdom, + Of in de oer-baaiert van 't heelal verzinken. + Er is geen smart, geen heul die nu nog rest: + Aard heeft geen troost, Hemel geen foltring meer. + +*PANTHEA.* + + Hebt gij vergeten een die bij u waakt + In kouden duistren nacht, en nimmer slaapt, + Dan wen de schaduw van uw geest haar aanroert? + +*PROMETHEUS.* + + 'k Noemde alle hoop vergeefsch, slechts liefde niet, + En gij hebt lief. + +*PANTHEA.* + + Innig voorwaar. Maar zie, + De ster van 't Oosten is verbleekt, en Asia + Wacht in dat ver-verwijderd Indisch dal, + 't Oord van haar droeve ballingschap, eens ruw, + Eenzaam, bevrozen, gelijk dit ravijn, + Doch nu gehuld in schoon gebloemte en kruid, + Vol zoete winden en geluiden zwevend + In 't woud en langs den vloed, door de atmosfeer + Van haar herscheppend bijzijn, die zou kwijnen + Als zij niet éen met de uwe waar'. Vaarwel. + + + + +*TWEEDE BEDRIJF.* + + +*EERSTE TOONEEL.* + +_Morgen. Een liefelijk dal in den Indischen Caucasus._ + +*ASIA.* + + _alleen._ + +*ASIA.* + + Uit al des hemels vlagen daaldet gij! + Ja, als een geest, als een gedachte dringt + Naar hoornige oogen ongewone tranen, + En het verlaten hart met kloppen kwelt, + Dat rust moest leeren, zijt gij neergedaald, + Gewiegd in stormen; wordt gij wakker, Lente, + O veler winden kind! Zoo plotseling + Komt ge als de erinring van een droom die nu + Verdrietig is omdat hij eenmaal zoet was; + Gelijk bezieling, gelijk vreugde, oprijzend + Van de aarde als 't ware, kleedend in goudwolken + De leegheid van ons leven.-- + Dit is het jaargetij, de dag, het uur; + Bij 't rijzen van de zon zoudt, zoete Zuster, + Gij komen, kom, te lang verwachte, nu! + Te lang vertoeft gij! Hoe de vleugellooze + Seconden traag gelijk doodswormen kruipen! + Nog steeds trilt van éen witte ster de stip + Diep in de' oranjen lichtschijn van den morgen + Die zich verwijdt voorbij de purpren bergen: + 't Donkerder meer weerkaatst haar door een spleet + Van wind-gedeelde mist. Nu flauwt zij heen, + Maar blinkt weer, wijl de golven bleeker worden + En wijl de gloênde draên van wolkenweefsels + Verrafelen in bleeke lucht. Ze is weg! + En door dier toppen wolk-gelijke sneeuw + Trilt het rozige zonlicht. Hoor ik niet + De Aeolische muziek van haar zeegroen + Gevedert, dat de roode daagraad klieft? + + _(Panthea verschijnt.)_ + + Ik voel, ik zie die oogen brandend door + Geglimlach dat in tranen flauwt, als sterren + Half uitgedoofd in mist van zilvren dauw. + Beminde en schoonste, die de schaduw draagt + Dier ziel waardoor ik leef,--wat zijt gij laat: + De ronde zon beklom de zee; mijn hart + Was ziek van hoop, voor de indruk-looze lucht + Het naadren voelde van uw late veedren. + +*PANTHEA.* + + Vergeef mij, groote Zuster! maar mijn wieken + Waren zoo traag door zaalge erinnering + Van wat ik droomde, als 's middags het geveêrt + Van zomerwind, verzaad met zoete bloemen. + Ik was gewoon aan storeloozen slaap, + En ik ontwaakte steeds verfrischt en kalm, + Eer's heilgen Titans val, en uwe liefde, + De onzaalge, door gewoonte en medelij + Bei liefde en smart mijn hart gemeenzaam maakten, + Gelijk ze uw hart al werden, 'k Sliep voorheen + In grotten blauw van de' ouden Oceaan, + In scheemrige prieelen, waar het mos + Groen was of purper,--onzer jonge Ione + Teedere en melkwitte armen sloten zich + Toen, gelijk nu, achter mijn haren donker + En vochtig, wijl 'k mijn wangen en dichte oogen + Drukte in gevouwen diepte van haar boezem, + Die leven ademde; maar niet als nu,-- + Sinds ik de wind ben, zwijmend onder tonen + Die 'k draag van woordeloos verkeer met u; + Sinds, opgelost in het gevoel waarmee + De liefde spreekt, mijn rust onrustig was + En lieflijk toch, en de uren die ik waakte + Te vol van zorg en pijn. + +*ASIA.* + + Licht óp uw oogen, + Dat ik uw droom daar leze. + +*PANTHEA.* + + 'k Zeide reeds, + Hoe 'k aan zijn voeten sliep met ons Zee-zuster. + De neevlen van 't gebergte, op onze stem + Onder de maan verdichtend, hadden zacht + Hun sneeuwge vlokken uitgespreid, beschermend + Onzen vervlochten slaap voor 't snijdend ijs. + Twee droomen kwamen toen. Een is me ontgaan. + Maar in den andren vielen van Prometheus + Zijn bleeke, wond-verminkte leden af; + De azuren nacht werd stralend van de glorie + Van die gestalt' die onveranderd leeft + In hem, en o zijn stem viel als muziek, + Die duizlen doet het donkre brein, bezwijmd + Door de bedwelming van zoo helle vreugd: + "Zuster van haar wier stappen de aard bespreien + Met lieflijkheid--schoonste behalve haar + Wier wederschijn gij zijt--zie op tot mij." + Ik hief mijn oogen. 't Overweldgend licht + Van die onsterflijke gestalte zag 'k + Gansch overschaduwd door de liefde die + Zijn zacht-vloeiende leên, lippen half-open + In hartstocht, vurige doch droomrige oogen, + Ontstoomde als dampend vuur; een atmosfeer + Die in haar al-smeltend geweld me omsloot, + Als warme lucht, van morgenzon omhuld, + Eer zij haar drinkt, een wolk zwervende dauw. + Ik zag niet, hoorde niet, bewoog mij niet; + Maar voelde alleen zijn tegenwoordigheid + Vervloeien en vereenen met mijn bloed, + Tot het zijn leven werd, en 't zijne mijn. + Zoo was 'k als opgeslorpt,--maar 't ging voorbij; + En, als de dampen, wen de zon verzinkt, + Zich weer in dropplen zaamlen op de pijnen, + En sidderend als zij, verdichtte zich + Mijn wezen in den diepen nacht; en wijl + De stralen der gedachte langzaam weer + Verzameld werden, kon 'k zijn stem nog hooren, + Wier tonen talmden voor zij henenstierven + Gelijk voetstappen van een zwak geluid. + Uw naam hoorde ik alleen, in tal van klanken, + Van het misschien-verstaanbre, ofschoon 'k bleef luistren + In 't duister, toen er geen geluid meer klonk, + Ione ontwaakte toen, en zei tot mij: + "Kunt gij soms raden wat mij verontrust + Vannacht? Ik wist voorheen steeds wat ik wenschte + En vond geen vreugde ooit in vergeefschen wensch. + Maar nu kan ik niet tolken wat ik zoek: + Weet ik het zelf? 't is zoet, want zoet is 't al + Om te begeeren. 't Is, trouwlooze zuster, + Een spel van u; ge ontdekte een ouden toover, + Wiens ban mijn geest stal toen ik sliep en met + Uw geest vereende: want, toen straks wij kusten, + Voelde ik de zoete lucht die mij deed leven + In uwer lippen kier, en o de warmte + Van 's levens bloed, door wier gemis ik zwijm, + Beefde in den boog onzer vervlochten armen." + 'k Antwoordde niet, want de Oosterster werd bleek, + Maar vlood tot u. + +*ASIA.* + + Gij spreekt, maar ach, uw woorden + Zijn als de lucht: ik voel ze niet. O! licht + Uw oogen op, dat ik zijn ziel, daarin + Geschreven, leze! + +*PANTHEA.* + + 'k Hef ze, schoon zij zinken + Onder de zwaart' van wat zij spreken wouden: + Wat kunt gij zien dan uw lieflijkste schaduw + Daar afgebeeld? + +*ASIA.* + + Uw oogen zijn gelijk + De diepe, blauwe, grenzenlooze hemel, + Tesaamgedrongen tot twee cirkels onder + Hun lange fijne wimpers: donker, ver, + Mateloos, kring in kring en lijn in lijn + Vervlochten. + +*PANTHEA.* + + Waarom kijkt ge, of er een geest + Voorbijging? + +*ASIA.* + + Anders wordt het: achter 't diepst + Dier diepte zie 'k een schaduw, een gestalte: + 't Is Hij, gekleed in van zijn eigen glimlach + Het zachte licht dat om hem henen spreidt + Als straling van de wolk-omkringde maan! + Prometheus, het is de uwe! Vlied nog niet! + Zegt niet die glimlach dat we elkander eens + Weer zullen vinden in die heldre tent + Die zijn gestraal bouwe op de woeste wereld? + De droom is uitgezeid!--Wat schim is dat, + Tusschen ons? Zijn ruig haar verwart de wind + Die 't opwaait, wild en levend is zijn blik, + Toch is 't een wezen van de lucht: er schijnt + Door zijn grijs kleed de gouden dauw wiens sterren + De middag niet gebluscht heeft. + +*DE DROOM.* + + Volg, o volg! + +*PANTHEA.* + + Het is mijn andre droom. + +*ASIA.* + + Zie, hij verdwijnt. + +*PANTHEA.* + + Hij komt nu in mijn geest. 'k Verbeeldde mij, + Wij zaten hier, en open sprongen al + De knoppen, bloem-omwikklend, van daarginds + De' amandelboom, dien bliksem heeft verzengd, + Toen snel van witte Scythische woestijn + Een wind aanvlaagde, rimplend de Aard met vorst. + Ik keek,--al bloesems waren neergewaaid, + Maar op elk blaadje stond--verhalen zoo + De blauwe hyacintheklokjes niet + Apollo's daar geschreven leed?--"Volg, volg!" + +*ASIA.* + + Terwijl gij spreekt, vullen uw woorden, poos + Na poos, ook mijn slaap dien 'k vergeten was, + Met beelden. 't Scheen me of wij tesamen schreden + Onder de jonge grijze dageraad + Over grasperken, en een menigte + Van zware, witte, wolge wolken dreef + In dichte kudden langs de bergen heen, + Geherderd door den trage' onwilgen wind. + De witte dauw op 't nieuw-ontsproten gras, + Even de donkere aard ontschoten, hing + Heel stil. En er was meer dat me is ontgaan. + Maar op de schaduwen der morgenwolken, + Dwars op de purpren helling van 't gebergt, + Stond ook geschreven: "Volg, o volg!" en wijl ze + Verdwenen, en op elken halm waarvan + De dauw des hemels neergevallen was + 't Zelfde gedrukt werd als met welkend vuur, + Rees wind tusschen de pijnen; die ontschokte + Gerank van melodieën aan hun twijgen + En toen hoorde ik geluiden, laag, zoet, zacht, + Als het vaarwel van geesten: "Volg, volg, volg!" + Toen zei 'k tot u: Panthea, zie mij aan: + Maar in de diepte van die dierbare oogen + Zag ik nog altijd: "Volg, o volg!" + +*ECHO.* + + "O volg!" + +*PANTHEA.* + + De rotsen, op dees klaren voorjaarsmorgen, + Spotten met onze stem, als spraken geesten. + +*ASIA.* + + Het is een wezen zwevend rond de rotsen. + Wat fijne heldere geluiden! Luister! + +*ECHO'S.* + + _(onzichtbaar)._ + + Echo's wij, luister! + Wij wijlen niet: + Als dauwdrups luister + Ge kort maar ziet-- + Zee-geboorne! + +*ASIA.* + + Hoor! Geesten spreken! Vloeiende echo's klinken + Nog van hun hemelstemmen na. + +*PANTHEA.* + + Ik hoor. + +*ECHO'S.* + + Volg, o volg! + Wen ons lied dreigt te zwijgen, + Waar een grot ons verzwolg-- + Waar wouden stijgen-- + + _(meer verwijderd)_ + + Volg, o volg, + Waar een grot ons verzwolg. + Ga ons na als 't lied versuist, + Waar de wilde bij nooit ruischt, + Door het diepe middagdonker, + Langs het nachtgebloemte loom, + Geuren aadmend in zijn droom, + Langs de golfjes, waar geflonker + Van een bron in holen blinkt, + Wijl onstuimig en toch zoet + Ons gezang speelt met uw voet + Die zoo zacht ter aarde zinkt, + Zeegeboorne! + +*ASIA.* + + Zullen wij 't zingen volgen? Zachter wordt het + En verder. + +*PANTHEA.* + + Hoor! het koor komt nader nu. + +*ECHO'S.* + + In het onbekende + Slaapt een ongesproken stem; + Slechts als gij u daarheen wendde, + Wekt gij hem; + Zeegeboorne! + +*ASIA.* + + Hoe op den wind die ebt de tonen zinken! + +*ECHO'S.* + + Volg, o volg, + Waar een grot ons verzwolg! + Ga ons na als 't lied verflauwt; + Door het dauwig middagwoud, + Langs de meren en fonteinen, + Bosschen door, en grilge lijnen + Van gebergten, naar de spleten, + Diepten, scheuren, waar 't vaneengereten + Lijf van de Aarde rustte van zijn lijden + Op den dag toen Hij en Gij + Zijt gescheiden-- + Paar dat nu hereenigd zij;-- + Zeegeboorne! + +*ASIA.* + + Mijn lieve Panthea, kom, geef mij uw hand, + En volgen we, eer de stemmen zijn verruischt. + + +*TWEEDE TOONEEL.* + +_Een bosch, afgewisseld door rotsen en holen. Asia en Panthea +gaan het in. Twee jonge faunen zitten luisterend op een rots._ + +*HALFKOOR I VAN GEESTEN.* + + Het pad waarlangs dat lieflijk paar + Schreed onder ceder, taxis, pijn, + Al donkre boomen die er zijn, + Scheidt van den hemel wijd en klaar + Een ondoordringbaar loofgordijn + Wind, regen, zon- noch maneschijn + Vindt zich een weg door die geweven + Prieelen, slechts een wolk van dauw + Drijft somtijds langs de stammen grauw + Op winden mee die de aard bezweven, + Doet overal een parel beven + In bloesems bleek, opnieuw ontbloeid, + Van 't lauwergroen, en buigt de kroon + Van een teer-lieflijke anemoon, + Waarna ze stil vervloeit. + Of wen een ster, van velen een, + Die stijgt en drijft in steilen nacht, + De eenige kloof vond waardoorheen + Nog dalen kan der stralen pracht,-- + Voordat zij vliedt voorbij, voorbij: + De heemlen, nimmer rusten zij,-- + Sprenkelt zij droppend gouden schijnen + Als nooit vereenende regenlijnen:-- + En 't heilig duister is in 't rond; + Omlaag is de bemoste grond. + +*HALFKOOR II.* + + Daar zijn den heelen heldren noen + Verliefde nachtegalen wakker. + Wen een bezwijmt van heil of smart + En zinkt door 't windloos klimopgroen + Stervend van zoete liefde op 't hart, + Het toon-doortrilde, van zijn makker; + Verheft een ander die daar wachtte, + In bloesems heen en weer bewogen, + Het kwijnende eind der laatste klachten + Om in te vallen, plots ten hoogen + De wieken van den weeken zang,-- + Tot eigen lied uit nieuwen drang + Van voelen rijst,--en 't woud wordt stom; + Men hoort alleen door donkre lucht + Van vlerken 't ritselend gerucht, + En evenals fluiten, wen rondom + Een meer zich spreidt, bedwelmen 't brein + Klanken zoo zoet dat vreugde zweemt naar pijn. + +*HALFKOOR I.* + + Als tooverkolken spelen daar + Zoet-stemmige echo's en zij tijgen + Door Demogorgons machtge wet, + Smeltend verrukt of zoet ontzet, + Langs 't heimlijk pad een geestenschaar; + Als stroomen die van bergdooi stijgen + Schepen uit land naar zee toe voeren. + Tot wie door slaap of zacht gepraat + Geboeid zijn eerst een fluistren gaat; + 't Wekt de verkoornen; zacht ontroeren + Trekt hen en stuwt hen voort. Ja, zwoeren + Niet zij die 't zagen dat een wind + Achter hen stoomt van de aadmende aard, + Die veedren optilt en wiens vaart + Hen verder drijft gezwind, + Terwijl zij denken dat hun voet + En eigen vleuglenpaar zoo snel + Gehoorzaamt aan hun wenschen zoet? + Zoo drijven zij--tot, lieflijk wel + Nog steeds, maar krachtiger en luid + De storm van klank zwelt voor hen uit, + Haastend, als opgeslorpt; zij volgen, + En weer verzaamlen zich zijn golven, + Die naar den berg van 't noodlot dragen + Als wolken de wijkende lucht doorjagen. + +*EERSTE FAUN.* + + Kunt ge u verbeelden waar die geesten leven, + Die in het woud zoo fijne melodieën + Doen klinken? In de minst bezochte holen + En dichtste lommerlegers wonen wij + En kennen deze wildernissen wél, + Doch hen ontmoeten nooit we, ofschoon wij vaak + Hen hooren: waar toch, denkt ge, schuilen zij? + +*TWEEDE FAUN.* + + 't Is zwaar te weten. Wel heb ik gehoord, + Dat andren meer bekend met geesten zeiden: + De bellen die de zonnetoover zuigt + Uit bleeke, teere waterbloemen die + Den slijkgen bodem van de heldre meren + En plassen overspreiden, zijn de tenten + Waarin die wezens wonen en doorzweven + De groene en gouden atmosfeer, ontstoken + Door 't middaguur onder het blaadrenweefsel; + En wen die barsten en de dunne lucht, + De vuurge, die zij aêmden in die helle + Gewelven, stijgt om meteoorgelijk + Te vliegen door den nacht, rijden zij dáarop + En sturen hun onstuimge vaart en buigen + Hun flonkerende kuiven, en in vuur + Glijden zij weer onder der aarde waatren. + +*EERSTE FAUN.* + + Als zulke zoo bestaan, leven dan andre + Weer andre levens, onder anemonen, + Of in de klokjes van de weidebloemen, + In de gevouwen diepte van viooltjes, + Of op hun stervende zoetgeurigheid + Wanneer zij sterven, of in 't zonlicht van + De ronde dauw? + +*TWEEDE FAUN.* + + Ja, velen, wel te raden.-- + Maar als wij praten bleven werd het middag, + En knorrige Silenus zou zijn geiten + Nog ongemolken vinden, en ons brommend + Die wijze en liefelijke zangen weigren, + Van Noodlot, Toeval, God, en ouden Chaos, + Liefde, en den droevgen doem van den geboeiden + Titan, en hoe die eens, bevrijd, heel de aard + Eén broederschap zal maken: schoone liedren, + Die onze eenzame schemers blij doen zijn, + En die tot luistrend zwijgen zelfs bekoren + De niet naijverige nachtegalen. + + +*DERDE TOONEEL.* + +_Een rotspunt tusschen bergen._ ASIA en PANTHEA. + +*PANTHEA.* + + Hier droeg 't geluid ons heen, naar het gebied + Van Demogorgon, en de machtge poort, + Gelijk van een vulkaan de meteoor- + Aadmende spleet, waaruit de orakeldamp + Opwervelt, dien de eenzamen in hun jeugd + Rondzwervend drinken, en zij noemen hem + Waarheid of deugd, bezieling, liefde of vreugd,-- + Die levenswijn die als ontzind doet zijn, + Wiens droesem zij tot diepe dronkenschap + Gansch leedgen, en dan heffen zij de stem, + Gelijk Maenaden luidkeels "Evoë!" + Uitgalmend, die de weerld besmetting dunkt. + +*ASIA.* + + Waardig een troon voor zulk een Macht! Hoe schoon! + Wat zijt gij grootsch, o Aarde! En als gij zijt + De schaduw van een geest, nog lieflijker,-- + Schoon kwaad zijn werk bevlekke, en of ook hij, + Gelijk zijn schepping, zwak doch heerlijk zij,-- + Dan zou ik kunnen knielen en u beiden + Vereeren! Ja, ook nu aanbidt mijn hart. + Hoe wonderbaar! Zie, Zuster, eer de damp + Uw brein beneevle. Omlaag is een wijd veld + Golvende mist, gelijk een meer, plaveiend + Onder de morgenlucht met blauwe golven, + Barstend in zilverschijn, een Indisch dal. + Zie hoe het rolt onder de stollende winden, + En hoe 't den bergtop waar we in 't midden staan + Aan alle zijden tot een eiland maakt, + Omkringd door wouden, donker en in bloei, + Scheemrige weiden, stroom-verlichte holen, + En zwerfsche mist-gestalten: winden-toover; + En ver omhoog werpen de scherpe bergen, + Den hemel splijtend, van hun ijzge spitsen, + Stralend als zonneschijn, den dageraad, + Als der geheven zee verblindend schuim + Omhooggespat tege' een Atlantisch eiland, + Den wind bestert met lamp-gelijke dropplen. + Het dal is door hun muren als omgordeld, + Gehuil van katarakten, uit ravijnen, + Door dooi gekliefd, verzaadt den wind die luistert, + Aanhoudend, wijd, geweldig als de stilte. + Hoor! 't stuwen van de sneeuw! de zon-ontwaakte + Lawine! wier drievoudig door den storm + Gezifte massa vlok bij vlok verzaêmd was, + Gelijk in geesten die den hemel tarten + Gedachte wordt gestapeld op gedachte, + Totdat een groote waarheid losraakt, rondom + Weergalmen dan de volken, tot hun wortels + Daavrend geschud, als thans de bergen doen. + +*PANTHEA.* + + Zie hoe de onstuimge zee van neevlen breekt + In purper schuim, en juist aan onzen voet! + Zij rijst als de oceaan bij manetoover + Rondom schipbreukelingen zonder voedsel + Op een laag, slijkig eiland. + +*ASIA.* + + De wolkflarden + Verspreiden zich naar boven. 'k Voel den wind + Die ze optilt warren in mijn haar; de golven + Drijven over mijn oogen nu, mijn brein + Duizelt; ziet gij gedaanten in de mist? + +*PANTHEA.* + + 't Is een gelaat--zijn glimlach wenkt--er brandt + Azuren vuur in zijn goudlokken. Zie! + Nog een en nog een! Luister! zij gaan spreken! + +*ZANG VAN GEESTEN.* + + Naar omlaag, naar omlaag, + Daal, daal! + Door de schaduw vaag + Van den slaap, en de dampen + Waar de Dood en het Leven kampen; + Door den slagboom van 't zijnd' + En het waas van wat schijnt, + Naar de treden van troon in den versten zaal, + Daal, daal! + + Wijl 't geluid kolkt in 't rond, + Daal, daal! + Als het hert trekt een hond, + Als den bliksem de damp, + Als een vlinder de lamp, + Wanhoop dood, liefde zorgen, + Tijd beî, heden morgen, + Als de geest van den steen doet gehoorzamen 't staal, + Daal, daal! + + Door het grijs leeg ravijn, + Daal, daal! + Maan noch sterren er zijn, + Geen prisma de lucht is, + Om de rotsen geducht, is + Geen hemelsche luister + Noch aardeduister,-- + Doordrongen van Een is het t'eenemaal-- + Daal, daal! + + Naar het diepst van den kolk, + Daal, daal! + Als bliksem in slaap in een wolk, + Als de in kolen gekoesterde vonk, + Als, door Liefde herdacht, een laatste lonk, + Als van een edelen steen de schijnen + Op den donkeren rijkdom der mijnen, + Wordt een toover gezwegen, die voor u zich vertaal'-- + Daal, daal! + + Wij bonden, wij leiden u, + Daal, daal! + Met de heldre gestalte bezijden u; + Schuw niet dat ge ontkracht zijt: + Zoo machtig is zachtheid, + Dat de Eeuwge, de Onsterflijke, + Door de poort van het Werklijke, + Moet loslaten den Doem, die beneên zijn troon slaapt + (in slange-spiraal, + Alleen om haar. + + +*VIERDE TOONEEL.* + +_De grot van Demogorgon._ ASIA en PANTHEA. + +*PANTHEA.* + + Wat voor gesluierde gestalte zit + Ginds op dien ebben troon? + +*ASIA.* + + De sluier viel. + +*PANTHEA.* + + 'k Zie een geweldig Donker, 't vult den zetel + Dier Macht; stralen van duister schieten rond + Als licht van middagzon, door geen bestaard, + En zonder vorm. Leden, gedaant' noch omtrek; + Toch voelen wij: het is een Geest die leeft. + +*DEMOGORGON.* + + Vraag wat gij weten wildet. + +*ASIA.* + + Maar wat kúnt + Gij openbaren? + +*DEMOGORGON.* + + Al wat gij durft vragen. + +*ASIA.* + + Wie schiep de weerld die leeft? + +*DEMOGORGON.* + + God. + +*ASIA.* + + Wie schiep al + Wat ze in zich sluit? gedachte, hartstocht, rede, + Wil en verbeelding? + +*DEMOGORGON.* + + God, de Almachtge God. + +*ASIA.* + + Wie schiep 't gevoel, dat bij het ongemeenst + Bezoek van Lentewind, of bij de stem + Van een beminde alleen in jeugd gehoord, + Tranen 't verflauwende oog ontwellen doet, + Die, vallend, van 't niet rouwende gebloemt + Den hellen blik verduistren,--dat deze aard, + De dicht-bevolkte, als eenzaam achterlaat, + Wen het niet weerkeert? + +*DEMOGORGON.* + + De barmhartge God. + +*ASIA.* + + En wie schiep schrik, waanzin, berouw en zonde, + Die, van de schakels van den grooten keten + Der dingen, tot de nietigste gedachte + In 's menschen geest, regeeren en zwaar sleepen, + En elkeen wankelt naar den kuil des doods + Onder dien druk; hoop die men opgaf; liefde + Verkeerd in haat; en zelfverachting, wranger + Een drank dan bloed; leed, wiens geluid, gemeenzaam, + Onopgemerkt, luid huilt en heftig krijt + Dag in dag uit; en Hel, of voor de Hel + De hevige angst? + +*DEMOGORGON.* + + Hij heerscht. + +*ASIA.* + + Zeg hoe hij heet! + Een weerld in pijn verkwijnend vraagt zijn naam + Alleen: haar vloek zal hem zijn troon af sleuren. + +*DEMOGORGON.* + + Hij heerscht. + +*ASIA.* + + Ik voel, ik weet het: wie? + +*DEMOGORGON.* + + Hij heerscht. + +*ASIA.* + + Wie heerscht? In 't eerst was er de Hemel, de Aarde, + Het Licht, de Liefde; dan Saturnus, van + Wiens troon, als een naijverige schaduw, + De Tijd viel. De eerste schepselen der aard + Leefden, toen hij regeerde, als in de vreugd, + De kalme, van gebloemt en levend loof, + Voordat de wind of zon het welken deed, + En half-levende wormen. Maar hij wilde + 't Geboortrecht van hun wezen hun niet geven: + Kennis en macht, de kunst die de elementen + Handelbaar maakt, gedachte die als 't licht + Dit donker Al doordringt, zelfheerschappij, + En majesteit van liefde; en zij verkwijnden + Van dorst daarnaar. Toen schonk Prometheus wijsheid, + Dus kracht, aan Jupiter, en met deze eisch + Alleen: "Zij 't menschdom vrij," bekleedde hij + Hem met de macht over den wijden Hemel. + Te kennen trouw noch wet noch liefde, almachtig + Maar zonder vriend te zijn, is heerschappij. + Jupiter heerschte nu; want op 't geslacht + Des menschen viel eerst honger, toen gezwoeg, + Toen ziekte, strijd en wonden, en de dood, + Spookachtig, en voorheen nimmer aanschouwd; + De ontijdige getijden dreven toen + Met wisselende schichten: ijs en vuur, + Hun onbeschutte bleeke benden heen + Naar bergspelonken; in hun leege harten + Zond hij heevge begeerten, zinlooze onrust, + En ijdle schaduwen van onwerklijk goed, + Die onderlingen oorlog stichtten, 't leger + Verwoestend waar ze in raasden. Maar Prometheus + Zag het, en deed der Hoop legioenen rijzen, + Die in 't gevouwen elyseesch gebloemt, + Bloesems die nooit verwelken, Amarant, + Nepenthe en Moly, sluim'ren, dat hun dunne + Regenboog-wieken Doods gedaant' verborgen; + En Liefde zond hij dat zij binden zou + De uiteengescheurde ranken van dien wijnstok + Die 's levens wijn doet rijpen: 't menschenhart; + Hij temde 't vuur dat als een roofdier speelde, + Vreeslijk doch lieflijk, onder 's menschen frons; + En naar zijn wil martelde hij het ijzer + En 't goud, de slaven en 't symbool der Macht, + Juweelen en vergiften, al 't verfijndste + Dat onder bergen en in golven schuilt. + Hij gaf den Mensch de taal, taal schiep gedachte, + Die van 't heelal de maat is; kennis schokte + De tronen van den hemel en van de aard, + Die trilden maar niet stortten; en de ziel + Vol harmonie uitte zich al-profetisch + In zang; muziek hief, tot hij zorg-bevrijd, + Godgelijk schreed over de klare golven + Van zoet geluid, den luisterenden geest; + En menschenhanden bootsten na, bespotten + Ten laatste, met gestalten geboetseerd + Lieflijker dan hun eigne, 's menschen vorm, + Totdat het marmer godlijk werd, en moeders + Die het beschouwden er de liefde dronken + Die menschen in hun kroost weerspiegeld zien + En 't ziende sterven. Van gewas en bronnen + Zei hij wat kracht zij bergen, en de Ziekte + Dronk en vond slaap. De Dood werd slaapgelijk. + Hij onderwees de veel-vervlochten banen + Geweven door 't wijd-zwervende gestarnt, + En hoe de zon van plaats verandert, hoe + De bleeke maan, door een geheimen toover, + Wisselt van vorm, wen haar breed oog niet staart + Op de onverlichte zee. Ook leerde hij, + Als 't leven ledematen stuurt, te heerschen + Over de storm-gewiekte zeeëwagens, + En Kelt en Indiaan kenden elkaar. + Steden verrezen toen, en door hun sneeuw- + Gelijke zuilen vloeiden warme winden, + En scheen de azuren lucht en zag men 't blauw + Der zee en schaduwige heuvlen. Dit + Werd door Prometheus aan den mensch geschonken + Tot een verlichting van zijn toestand, daarvoor + Hangt hij en kwijnt in opgelegde pijn. + Maar wie regent het Kwaad neer, de ongeneesbre + Plaag, die wijl godgelijk de mensch zijn schepping + Beschouwt en ziet haar heerlijkheid, hem voortjaagt, + 't Wrak van zijn eigen wil, de spot der Aarde, + De eenzame, de verlaten uitgestootne? + Niet Jupiter. Terwijk zijn frons den Hemel + Nog schokte,--en hem zijn tegenstander vloekte, + In diamant geketend, trilde hij + Gelijk een slaaf. Zeg mij, wie is zijn meester? + Is hij een slaaf, ook hij? + +*DEMOGORGON.* + + Al geesten zijn 't, + Die 't slechte dienen: en of Jupiter + Zoo'n geest is, ja of neen, dat weet gij zelf. + +*ASIA.* + + Wien noemt gij God? + +*DEMOGORGON.* + + Ik sprak slechts gelijk gij, + Want Jupiter is de opperste van al + Wat leeft. + +*ASIA.* + + Wie is de meester van den slaaf? + +*DEMOGORGON.* + + Als de afgrond zijn geheimen uit kon werpen.... + Maar er ontbreekt een stem, de diepe waarheid + Is beeldloos; wat zou 't helpen of 'k u 't wentlen + Der weerld aanschouwen deed? of spreken liet + Lot, Toeval, Tijd, Kans en Verandering? + Aan deze is alles onderworpen, enkel + De eeuwige Liefde niet. + +*ASIA.* + + Zoo veel vroeg 'k reeds + Voorheen, en 't antwoord dat gij gaaft, gaf ook + Mijn hart; van zulke waarheden moet elk + Zichzelf 't orakel zijn. Nog éen ding vraag ik; + Antwoord gij mij gelijk mijn eigen ziel + Antwoorden zou, wist zij maar wat ik vraag. + Prometheus zal verrijzen en voortaan + De zon zijn van deze opgetogen wereld: + Wanneer zal de bestemde stond verschijnen? + +*DEMOGORGON.* + + Zie! + +*ASIA.* + + De rotsen spleten, door den purpren nacht + Zie 'k wagens, regenboog-gewiekte paarden + Trekken ze en treden op de duistre winden: + In iedren staat een voerman wild van blik, + Hun vlucht aanhitsend. Enklen zien naar achter, + Of duivels hen vervolgden, toch zie 'k niets + Dan 't schitterend gestarnt: met brandend oog + Buigen zich andren over, die den wind + Van de eigen vaart met greetge lippen drinken, + Alsof dat wat zij minden voor hen vlood + En nu, juist nu, zij 't grepen. Heldre lokken + Ontstroomen hun gelijk het flikkrend haar + Van een komeet: zij allen haasten verder. + +*DEMOGORGON.* + + Dit zijn de onsterflijke Uren waar ge om vroegt. + Eén wacht op u. + +*ASIA.* + + Een Geest, vreeslijk van aanblik, + Beteugelt bij de rotsge krocht zijn wagen, + De donkre. Uw broedren ongelijke voerman, + Spookachtige, wie zijt gij? Waarheen woudt gij + Mij dragen? Spreek! + +*GEEST.* + + Ik ben de schaduw van + Een vreeselijker noodlot dan mijn aanblik. + Eer gindsche ster verzonk, zal 't met mij stijgend + Duister des Hemels koningloozen troon + In eeuwgen nacht omwikklen. + +*ASIA.* + + Wat bedoelt gij? + +*PANTHEA.* + + Die vreeselijke Schaduw vliegt omhoog + Van zijn troonzetel, als de doodsche damp + Van steden die de aardbeving heeft verwoest + Over de zee. Zie! hij bestijgt den wagen; + De paarden rennen als ontzet! Aanschouw + Zijn pad tusschen de sterren, nacht-verduistrend! + +*ASIA.* + + Zoo word ik beantwoord: vreemd! + +*PANTHEA.* + + Zie, bij den zoom + Een andre wagen,--een ivoren schelp, + Doorvloeid van purper vuur dat komt en gaat + Binnen haar rand, gebeeldhouwd vreemd en fijn + Van lijnensier. De jonge Geest, haar sturend, + Heeft de oogen van de Hoop, de duif-gelijke. + Hoe haar zacht lachen lokt de ziel! als 't licht + Vliegende insecten door lamplooze lucht. + +*GEEST.* + + Mijn renpaarden voedde het weerlicht, + Zij drinken van 's wervelwinds vloed, + En zij baden in 't purperen meer zich, 't + Frisch meer van den morgenzon-gloed. + Hun sterkte volstaat voor hun spoed;-- + Stijg dan op met mij, Zeegeboorne! + Ik verlang,--door den nacht vaart een lichtschijn; + Ik vrees,--zij ontvlieden de' orkaan; + Eer de wolken om de' Atlas gezwicht zijn, + Omcirklen wij de aarde en de maan. + Dat wij rusten wen 't werk is gedaan:-- + Stijg dan op met mij, Zeegeboorne! + + +*VIJFDE TOONEEL.* + +_De wagen houdt stil in een wolk op den top van een sneeuwigen berg. +Asia, Panthea, en de Geest van het Uur._ + +*GEEST.* + + Op de grens van den daagraad en 't duister + Zijn mijn paarden veraadming gewend; + Maar van de Aard hoorde ik juist een gefluister + Dat sneller dan 't vuur dient gerend: + Drinkt verlangen en vaart ongekend! + +*ASIA.* + + Op hun neusgaten blaast gij, maar mijn adem + Zou hun meer snelheid geven. + +*GEEST.* + + Kon dat maar! + +*PANTHEA.* + + O Geest! vertoef; zeg, waar is 't licht vandaan + Dat deze wolk vult? Nog verrees geen zon. + +*GEEST.* + + De zon zal niet verrijzen voor den noen. + Verwondring houdt Apollo in den hemel, + En 't licht dat dezen damp doorvloeit, niet anders + Dan van de rozen die een bron aanstaren + Doorzichtge tint het water vult, ontstroomt + Uw machtge Zuster. + +*PANTHEA.* + + Ja, ik voel 't-- + +*ASIA.* + + Wat is er, + Zuster? Gij zijt zoo bleek. + +*PANTHEA.* + O hoe veranderd + Zijt gij! 'k durf u niet aanzien, ik gevoel + Maar zie u niet. Ternauwernood doorsta ik + De straling van uw schoonheid. Zeekre goede + Verandring werkt in de elementen, die + Uw tegenwoordigheid ontsluierd dulden. + De Nereïden zeggen, op den dag + Toen 't heldre zeekristal bij uw verrijzen + Spleet, en gij stondt in een dooraarde schelp, + Die aandreef op den kalmen zeeëspiegel + Tusschen de Egeïsche eilanden en langs + Den oever die uw naam draagt,--barstte er liefde, + Als de atmosfeer van zonvuur 't levende Al + Vullend, uit u, dat aarde en hemel straalden, + De diepe zee en de zonlooze holen, + En al wat daarin woont; tot leed verduistring + Wierp op de ziel waaruit dat schijnsel kwam. + Zoo zijt gij thans; en ik ben 't niet alleen-- + Uw zuster, gezellin, uwe uitverkoorne-- + 't Is heel de wereld, die uw liefde zoekt. + Hoort gij geen klanken in de lucht die uiten + Liefde van al wat stem heeft? Voelt gij niet + Hoe de onbezielde winde' op u verliefd zijn? + Luister! + + (_Muziek_) + +*ASIA.* + + Uw woorden klinken zoeter mij + Dan wat ter wereld ook, behalve zijne, + Wier wederklank zij zijn: doch alle liefde + Is zoet, of men haar schenke of zelf ontvang'. + Liefde is als 't licht voor iedereen en al, + En haar vertrouwde stem verveelt niet, immer. + Gelijk de wijde hemel en de lucht + Die alles leven doet, maakt zij 't reptiel + Den God gelijk. Zij die haar 't meest doen voelen + Zijn zalig, gelijk ik thans, maar wie 't meest + Haar voelen, zijn nog zaalger, na lang lijden,-- + Als ik gauw zijn zal. + +*PANTHEA.* + + Luister! Geesten spreken. + +*STEM IN DE LUCHT, DIE ZINGT.* + + Levens Leven! doen uw lippen + Niet van liefde uw adem gloeien? + Van uw lachjes, voor zij glippen, + Brandt de koude lucht,--dan vloeien + Ze in die blikken waar wie lazen + Zwijmen warrende in hun mazen. + + Kind van Licht! Uw leden schijnen + Door de plooien die ze omspreiden, + Als de helle morgenlijnen + Door de wolken ongescheiden, + Deze hemelsch-teedre glans, + Waar ge ook blinkt, omhult u gansch. + + Schoon zijn andren; geen aanschouwt u. + Maar uw stem zacht-lieflijk ruischt er + Als de schoonste,--hij onthoudt u + Aan 't gezicht, die vloeibre luister,-- + Ieder voelt, maar ziet u nimmer, + Als thans ik, vergaan voor immer! + + Lamp der Aarde! Uw stralen doopen + Oovral donkre vorme' in klaarte, + Zielen die gij liefhebt loopen + Op de winden zonder zwaarte. + Tot zij zwijme' als ik, verslagen, + Duizlig, zwijm, doch zonder klagen! + +*ASIA.* + + Mijn ziel is een bekoorde kaan, + Die als een sluimerende zwaan + Drijft op de zilverzee van uw zoet kweelen; + Engelgelijk zit de uwe daar + Neven het roer geleidend haar, + Wijl melodiên door alle winden spelen. + Zij drijft, naar 't schijnt, immer, voor immer: + De waatren staken 't kronklen nimmer + Tusschen ravijnen, bergen, wouden-- + 't Wildst paradijs dat 'k ooit aanschouwde! + Tot, als een die sluimring bond, + Naar de' oceaan gedragen 'k neerdrijf in het rond, + In diepe zee van klank die eindloos opwaarts bront. + + Nu heft uw geest in reinste rijken + Van zang zijn vleuglen, en zij grijpen + Winden, die in dien zaalgen hemel beven; + Wij zeilen voort, ver weg, zoo ver, + Zonder een koers, zonder een ster, + Slechts door den drang van zoeten klank gedreven; + Tot ge eindelijk door eilandgaarden, + --O schoonste loods!--te schoon voor de aarde, + Waar nooit een sterflijk scheepje glijdt, + De boot van mijn begeerte leidt; + Liefde is wat we aadmen hier, liefde volkomen, + Bewegende in den wind en op de stroomen, + Makend deze aard gelijk aan 't geen we omhoog ons droomen. + + Ouderdoms ijzge holen varen + Voorbij we, en ruwe donkre baren: + Volwassenheid; en de effen zee der Jeugd, + Glimlachend maar bedrieglijk; langs den spiegel + Der Kindsheid vlieden wij, vol schaûw-gewiegel, + Door Dood, Geboorte, naar volmaakter vreugd:-- + Daar welven zich prieelen tot een Eden, + Verlicht door bloemen starend naar beneden, + En waterpaden die zich windend spoên + Door wildernissen kalm en groen, + Bevolkt door wezens, al te stralend klaar + Om aan te zien, onverontrust,--bijna als gij voorwaar-- + Die schrijden op de zee, en zingen wonderbaar! + + + + +*DERDE BEDRIJF.* + + +*EERSTE TOONEEL.* + +_De Hemel. Jupiter op zijn troon, Thetis en de andere Godheden +verzameld._ + +*JUPITER.* + + Gij hemelmachten hier verzaêmd, die deelt + De glorie en de kracht van wien gij dient, + Verblijdt u! want voortaan ben ik almachtig. + Ik onderwierp al 't andre, alleen de ziel + Des menschen, dat onuitgebluschte vuur, + Brandt nog den hemel tegen, fel verwijtend, + Twijflend, weeklagend, in gebed weerstrevend, + Ophuilend muiterij, die ons oud rijk + Wankelbaar maken kon, al is 't gebouwd + Op oudst geloof en vrees, hel's evenouder. + En schoon mijn vloeken, gelijk vlok bij vlok + De sneeuw op onbegroeide kruinen valt, + Dalen door zwevende atmosfeer en kleven + Aan haar,--schoon ze in het duister van mijn toorn + Stijgt op des levens rotsen stap na stap, + Gelijk het ijs den ongeschoeiden voet + Haar wondend,--tòch blijft zij de ellende meester, + Strevend, niet onderdrukt;--maar weldra valt zij. + Juist nu baarde ik een wonder, een vreemd wonder-- + 't Noodlottig kind, de schrik van de aard, slechts wachtend + Tot de bestemde stond verschijnen zal + (Dragend van Demogorgons leedgen troon + De vreeselijke macht van eeuwge leden, + Die ongezien dien schrikbren geest bekleedden) + Om, weer gedaald, dien sprankel te vertreden. + + Pleng 's hemels wijn, o Ida's Ganymeed, + Doe hem als vuur de kunstge bekers vullen, + En van den bloem-doorweven godenvloer, + Verrijs, al-zegevierende muziek, + Als dauw van de aard onder der scheemring starren! + Drinkt! dat de nectar door uw aadren cirklend + De ziel der vreugde zij, gij eeuwge Goden, + Tot jublen uitbarst in één wijde stem, + Als melodie van de Elyseesche winden. + + En gij, stijg naast me, omsluierd in het licht + Van het verlangen dat u eent met mij, + Thetis, o stralend beeld van de eeuwigheid! + Toen ge uitriept: "God, niet-te-verduren macht! + Spaar me! ik doorsta de snelle vlammen niet, + 't Doordringend bijzijn; heel mijn wezen smolt, + Als dat van hem die tot een dauw vervloeide + Door 't gif van de Numidische haagdis,-- + Zinkende door zijn grondvest;" toen juist maakten + Twee machtge geesten saâm vereend een derden, + Machtger dan bei, die onlichaamlijk nu + Tusschen ons zweeft, gevoeld schoon niet aanschouwd, + En de gestaltenis verbeidt die stijgt + (Hoort gij den donder van de vuurge wielen, + Snijdend den wind?) van Demogorgons troon. + Zegepraal! Zegepraal! Voelt gij niet, wereld! + De aardbeving van zijn wagen die de' Olympus + Opdondert? + +_(De Wagen van het Uur verschijnt. Demogorgon stijgt af, +en gaat naar den Troon van Jupiter)._ + + Vreeslijk wezen, spreek! wat zijt gij? + +*DEMOGORGON.* + + De Eeuwigheid. Vraag niet een gruwbrer naam. + Daal van uw troon en volg me in d'afgrond neer. + Ik ben uw kind, als gij Saturnus' kind, + Machtger dan gij. En samen moeten wij + Voortaan in duister. Licht uw bliksems niet. + De dwinglandij des hemels moog' voortaan + Niet een zich nemen, krijgen of behouden + Na u: doch wilt ge--daar 't het noodlot is + Van wormen daar me' op treedt dat ze zich kronklen + Totdat ze dood zijn--toon wat ge vermoogt. + +*JUPITER.* + + Vloekbre misboorte! zóo dan treed ik u + Neer onder diepte van Titanen-holen-- + Draalt ge nog? + O erbarmen! o erbarmen! + Geen deernis, geen bevrijding, geen respijt. + Maakte mijn vijand ge tot rechter mij, + Hemzelf, die hangende aan den Caucasus + Door mijn langduurge wraak verdord is--Hij + Zou mij niet zóo verdoemen. Is hij niet, + De zachte en vreeslooze en rechtvaardige, + De koning van de wereld? Wat zijt gìj dan?-- + Geen toevlucht, geen verhooring! + Zink dan mét mij! + Verzinken beiden we in de wijde baren + Van ondergang, gelijk een gier en slang, + Ontkracht, in onontwarbren strijd vervlochten, + Neerstorten, in een strandlooze' oceaan. + De hel ontsluit' nu haar omwalde zeeën + Van stormend vuur, en overstelpe daar + In 't boômloos leeg deze verlaten wereld, + En u, en mij, verwinnaar en verslaagne, + En 't wrak van dat waarom zij streden. + Wee! + Wee! De elementen zijn mij niet gehoorzaam! + Duizelend zink ik neer, eeuwig, voor eeuwig! + En, als een wolk, verduistert met zijn zege + Mijn vijand van omhoog mijn val! Wee! Wee! + + +*TWEEDE TOONEEL.* + +_(De mond van een groote rivier in het eiland Atlantis. Oceanus +is zichtbaar rustend bij het strand, Apollo staat naast hem.)_ + +*OCEANUS.* + + Hij viel onder den frons van zijn verwinnaar, + Zoo zegt ge? + +*APOLLO.* + + Ja, bij 't einde van den strijd, + Waardoor de bol dien ik bestuur verduisterd' + En 't vast gestarnte trilde, werd de hemel + Beschenen door de ontzetting van zijn oog + Met bloedrood licht, door dichten flardenzoom + Van 't zegepralend duister, wijl hij viel: + Gelijk de laatste glans van rooden doodsstrijd + Des daags, die door een spleet der vuurge wolken + Ver brandt over het storm-doorgroefde diep. + +*OCEANUS.* + + Zonk hij naar de' afgrond, naar het donker Leêg? + +*APOLLO.* + + Gelijk een aadlaar op den Caucasus + Gevangen in een wolk die splijt; zijn vlerken + Waarmee de donder spot, in wervelwind + Verward; zijn oogen die de zon aanstaarden + Zonder verblind te zijn, door 't witte weerlicht + Verbijsterd; wijl de zware hagel slaat + Zijn worstlende gestalt', die eindlijk zinkt + Voorover, en het hemelsche ijs omklemt haar. + +*OCEANUS.* + + Voortaan zal 't hemelspieglend zeeëveld-- + Mijn rijk--opdeinen, door geen bloed bevlekt, + Onder de winden die het rijzen doen + Als 't graanveld golvende in de zomerlucht; + Mijn stroomen zullen rijkbevolkte kusten + Omvlieten en gelukkige eilandrijken. + En van hun glazen tronen zullen Proteus, + De zeeëblauwe, met zijn vochtge nymfen, + De schaduw zien van schoone schepen (zoo + Zien menschen, hoe de licht-beladen maan: + Drijvende bark, saam met die witte ster: + Kroon van onzichtbren loods, wordt meegedragen + Op zee die ebt: snelle zonsondergang--); + Volgend hun pad niet meer door bloed en klachten, + Verwoesting, en dooreengemengde stemmen + Van slaafschheid en bevel--maar door het licht + Van golf-weerkaatst gebloemt, drijvende geuren, + Zachte muziek, en vriendelijke en vrije, + Zachtmoedge stemmen: lieflijkste muziek, + Waarvan de geesten houden. + +*APOLLO.* + + En ik zal + Niet meer op daden staren die mijn geest + Verduisteren met smart, gelijk de eclips + Den bol dien 'k leid verdonkert.--Luister! 'k hoor + De kleine, klare, zilvren luit waarmee + De jonge Geest speelt in de Morgenster. + +*OCEANUS.* + + Nu moet gij gaan. Uw paarden zullen rusten + Vanavond--tot zoolang zeg 'k u vaarwel. + Het luide diep roept mij juist nu naar huis, + Om het te voeden met azuren kalmte + Uit de smaragden urnen, die voor eeuwig + Gevuld, neven mijn troon staan. Zie de Nymfen, + Onder de groene zee, 't beweeglijk lijf + Gedragen op den wind-gelijken vloed, + Haar armen blank boven haar stroomend haar + Getild, met kransen bont en sterge kronen + Van zeegebloemt, zich haastende om te sieren + De vreugde die haar machtge zuster beidt. + + _(Een geluid van golven wordt gehoord.)_ + + 't Is de ongeweide zee hongrend naar kalmte. + Monster, wees stil; ik kom. Vaarwel. + +*APOLLO.* + + Vaarwel. + + +*DERDE TOONEEL.* + +_(De Caucasus. Prometheus, Hercules, Ione, de Aarde, Geesten; +Asia en Panthea, in den wagen met de Geest van het Uur.)_ + +*HERCULES* _ontboeit_ *PROMETHEUS* _die neerdaalt_. + +*HERCULES.* + + Roemruchtigste der Geesten! zoo dient Kracht + Wijsheid en Moed en lang-duldende Liefde, + En u, die 't wezen zijt dat zij bezielen,-- + Gelijk een slaaf. + +*PROMETHEUS.* + + Uw vriendelijke woorden + Zijn zoeter zelfs dan vrijheid, lang begeerd + En lang verschoven. + Asia, 's levens licht, + Afglans van onaanschouwde Schoonheid; gij ook, + Lieflijke zusternymfen die 't erinren + Dier lange jaren van ellende zoet maakt + Door liefde en zorg; nu scheiden wij niet meer. + Er is een grot, gansch overgroeid met geurge + Kruipende planten, die den dag afsluiten + Met blaadren en gebloemte, en geplaveid + Met aderig smaragd; en een fontein, + Wier klank ontwaken doet, springt middenin. + Van het gebogen dak hangen omneer + Bevrozen tranen van den berg, als zilver + Of sneeuw of lange diamanten spitsen, + Waaruit een twijfelachtig schijnsel stroomt. + Daar hoort men de altijd-door bewogen lucht, + Erbuiten fluisterend van boom tot boom, + Vogels en bijen, en in 't rond zijn zetels + Van mos; de ruwe wanden zijn bekleed + Met lang zacht gras:--'t is een eenvoudge woning, + Die de onze zijn zal; waar wij neergezeten + Veel zullen spreken over tijd en wissling, + Wanneer de wereld ebt en vloedt, doch wij + Dezelfden blijven. Want wat zou den Mensch + Kunnen vrijwaren voor verandering?-- + En, wen gij zucht, zal ik glimlachen; gij, + Ione, zult zee-melodieën zingen, + Totdat ik ween,--dan zal _uw_ glimlach drogen + De tranen die zij wekte, nochtans zoet. + Wij zullen knoppen, bloemen, en de stralen + Die fonklen aan den zoom van de fontein + Verwinden, en tot vreemde vormen vlechten + 't Gewone, als kleine menschenkindren doen + In korte onschuldigheid. Wij zullen zoeken + Met blikken en met woorden onzer liefde + Naar schuilende gedachten, elke schooner + Dan de voorafgegane, in onze zielen, + Nooit uitgeput; en gelijk luiten bevend + Onder 't bespelen van verliefden wind, + Hemelsche harmonieën, altijd nieuw, + Uit lieflijke verscheidenheid, waar nooit + Oneenigheid kan zijn, tesamenweven. + En hierheen komen, op bekoorde winden + Die van elk hemeleind elkaar ontmoeten + (Als bijen die van iedre bloem, gevoed + Door 't hemelsche Enna, bij hun eigen huizen + Op 't eiland Himera tesamenkomen) + De echo's aansnellen van de menschenwereld, + Die spreken van de zachte stem der Liefde, + Schier ongehoord, en van 't gemurmeld leed + Van Medelij duif-oogig, en Muziek, + Zelf de echo van het hart,--al wat het leven + Des menschen, vrij nu, zachter, beter maakt. + En lieflijke verschijningen, eerst scheemrig, + Dan stralend,--als de geest, helder ontrijzend + Schoonheids omhelzing (daarvandaan de vormen + Waar deze 't schaduwbeeld van zijn) haar kleedt + In stralenbundels--die zijn werklijkheid,-- + Zullen daar tot ons komen; het onsterflijk + Nakroost van Schilderschoon en Beeldhouwkunst + En opgetogen Poëzie, en andre, + Die zullen zijn, schoon wij niet weten hoe. + Zwervende stemmen zijn ze en schaduwen + Van al wat 't menschdom past, bemiddelaars + Van liefde--'t beste dat men eeren kan-- + Door hen en ons geschonken en beantwoord; + Snelle gestalten en geluiden, schooner + En zachter naar de mensch wijs wordt en teeder, + En kwaad en dwaling storten, floers na floers. + Dat is 't vermogen van de grot en 't oord. + + _(Zich wendend tot de Geest van het Uur.)_ + + Voor u, lieflijke Geest, rest nog éen arbeid, + Ione, geef haar die gebogen schelp, + Die de oude Proteus gaf als bruidsgeschenk + Aan Asia, ademend een stem daarin, + Die zal verwerklijkt worden,--en die gij + Verborgt in gras onder de holle rots. + +*IONE.* + + Gij van alle Uren meest begeerde, meer + Bemind en minnenswaard dan al uw zusters, + Dit is de tooverschelp. Zie 't bleek azuur + Dat overgaat in zilver, het bedekt haar + Inwendig met een zacht maar gloeiend licht: + Schijnt het geen zwijgende muziek daar sluimrend? + +*GEEST.* + + Waarlijk, het schijnt de mooiste schelp der zee; + Haar klank moet tegelijk zoet zijn en vreemd. + +*PROMETHEUS.* + + Ga, door uw wervelwind-voetige paarden + Over de steden van den mensch gedragen; + Snel nu nog eens rondom de ronde wereld + De zon voorbij, en blaas, terwijl uw wagen + De ontgloeide lucht klieft, in die bochtge schelp, + Zoodat haar machtige muziek bevrijd wordt: + 't Zal zijn als donder, menglend met klare echo's. + Kom dan terug, en woon naast onze grot. + En gij, o Moeder Aarde!-- + +*DE AARDE.* + + Ik hoor, ik voel. + Uw lippen raken mij, en hun beroering + Stroomt langs mijn zenuwen van marmer neer + Tot, middenin, het diamanten duister; + 't Is leven, vreugd,--en door mijn oud, verwelkt + En ijzig lijf schiet nu in kringloop weer + De warmte van onsterfelijke jeugd. + Voortaan zullen de vele schoone kindren, + Omstrengeld in mijn leven-gevende armen, + Alle gewassen, kruipende gedaanten, + Insecten regenboog-gevleugeld, vogels, + Dieren, visschen en menschlijke gestalten, + Die ziekte en pijn mijn droge borst ontzogen + Drinkend het gif van wanhoop,--van mij krijgen + En onderling uitwisselen zoet voedsel. + Als zuster-antilopen zullen zij + Mij worden, die éen schoone moeder voedt, + Sneeuwblank en snel gelijk de wind, waar 't wemelt + Van lelies naast een boordevollen stroom. + De dauwge mist van mijn zonloozen slaap + Zal onder het gestarnt als balsem vlieten, + 's Nachts opgevouwen bloemen zullen zuigen + Terwijl zij rusten onverwelkbre kleuren; + Wijl mensch en dier in blijden droom zal zaamlen + Kracht voor den dag die komt en al zijn vreugd. + Dood zal de laatste omhelzing zijn van haar + Die 't leven dat zij schonk herneemt: een moeder + Die spreekt, haar kind omarmend: "Blijf thans bij me." + +*ASIA.* + + O moeder! waartoe noemt den naam des doods gij? + Houden zij op te lieven, te bewegen, + Te ademen en te spreken, zij die sterven? + +*DE AARDE.* + + Wat zou het baten of 'k u antwoord gaf? + Gij zijt onsterflijk, en dees taal verstaan + Enkel de doôn die nooit iets mededeelen. + Dood is de sluier dien de levenden + Het leven noemen, en een slaap bevangt hen, + Dan wordt hij opgetild. En onderwijl + Zullen in lieflijke verscheidenheid + De lieflijke seizoenen, met hun buien + Van regenboge' omboord, en geurge winden; + En lange blauwe meteoren zuivrend + Den doffen nacht; en pijlen, die het leven + Ontbranden doen, van de al-klievende boog + Der helle zon; en dauw-vermengde regen + Van kalme manestralen, zacht van werking,-- + De wouden en de velden kleeden--ja, + De rots-gebouwde woestenijen zelfs + Van 't naakte diep--met steeds-levende blaadren, + En vruchten, en gebloemt.--En gij! Er is + Een grot waaruit mijn ziel zich opwaarts zuchtte + In foltring, wijl uw pijn mijn hart verdwaasde. + Zij die haar aêmden werden ook verdwaasd, + En bouwden daar een tempel, en zij spraken + Orakeltaal, en lokten de misleide + Volken in 't rond tot wederkeergen krijg, + En trouweloosheid, gelijk Jupiter + U heeft betoond. Die adem rijst ook nu, + Maar als violengeur in het hooge onkruid, + Vullend met klaarder licht en roode lucht, + Hevig doch zacht, de rotsen en de wouden + In 't rond. Hij voedt den snel-groeienden wijnstok, + Slangachtig kronklend, en de donkre klimop, + Vast aan elkaar wild vlechtende, en de bloesems, + Knoppend, ontbloeid, of welkende van geur, + Die wen de wind erdoor stroomt hem besterren + Met stippen kleurig licht; en heldre gouden + Vruchtbollen, hangende in hun eigen hemel, + Die groen is; en, door aderige blaadren + En amberkleurge stengels, het gebloemt + Welks purpren en doorschijnge bekers altijd + Te schuimen staan van hemeldauw, den drank + Van geesten. En hij kringt in 't rond, gelijk + Van middagdroomen zacht-wuivende wieken, + Kalme en gelukkige gedachten wekkend, + Gelijk de mijne, nu ge in eer hersteld zijt. + Dees grot zal de uwe zijn.--Verrijs! Verschijn! + + _(Een Geest rijst op in de gedaante van een gevleugeld kind.)_ + + Dit is mijn fakkeldrager, die zijn lamp + In ouden tijd liet uitgaan door te staren + Naar oogen, waar opnieuw hij haar ontstak + Aan liefde, die als vuur is, dochterlief, + Want die in de uwe is zoo.--Loop, koppige jongen, + Leid dit gezelschap langs den top van Nysa, + Den Bacchus-berg, waar de Maenaden huisden, + Voorbij den Indus en schatplichtge stroomen + Tredend de bergriviere' en glazige meren + Met voeten onbevochtigd, onvermoeid, + En nergens poozend; dan het groen ravijn op, + Dwars door het dal, naast den kristallen vijver, + Waarop geen wind waait en waar altijd stil + Het door geen golven uitgewischte beeld + Ligt van een tempel op den top gebouwd, + Duidelijk zichtbaar met zijn kapiteelen + Als palmen, architraven, zuilen, bogen, + En overal bewerkt en weemlend van + Het levendst beeldwerk, zoo Praxiteles + Eens schiep, wier marmeren geglimlach vult + Met eeuwge liefde de gestilde lucht. + Hij is verlaten nu, maar eenmaal droeg hij + Uw naam, Prometheus. Daar werd u tot eer + Door de naijverige jonglingschap + De lamp--uw zinnebeeld--door 't heilig duister + Gedragen; eevnals zij die door den nacht + Van 't leven naar het graf de toorts der hoop, + Die zij niet afstaan, torsen; eevnals gij + Die hebt gedragen--schoonste zegepraal!-- + Naar dit ver doel der Tijden.--Gaat. Vaartwel. + De grot, voor u bestemd, ligt naast dien tempel. + + +*VIERDE TOONEEL.* + +_(Een bosch. Op den achtergrond een grot. Prometheus, Asia, +Panthea, Ione, en de Geest van de Aarde.)_ + +*IONE.* + + Zuster, hij is niet aardsch! Zie hoe hij glijdt + Onder de bladeren! hoe op zijn hoofd + Een lichtschijn brandt gelijk een groene ster + Wier stralen van smaragd vervlochten zijn + Met zijn blond haar! hoe, als hij gaat, de glans + In vlokken op het gras valt. Kent gij hem? + +*PANTHEA.* + + Het is de fijne geest, die de aard geleidt + Door 't hemelruim. De volkrijke gesternten + Noemen, van ver, dat licht het lieflijkste + Van de planeten;--en somwijlen ook + Vliegt over 't schuim hij van de zoute zee; + Of maakt zijn wagen van een mistge wolk; + Of wandelt door de velden of de steden + Terwijl het menschdom slaapt, of over toppen + Van bergen, of stroomafwaarts op rivieren, + Of door de groene, woeste wildernis, + Als thans, verbaasd om al wat hij aanschouwt. + Voor Jupiter regeerde, minde hij + Ons beider zuster Asia; elk vrij uur + Kwam hij om uit haar oogen 't vochtig licht + Te drinken, waar hij zóo naar dorstte, zei hij, + Als een die door een dipsas werd gebeten; + Hij schonk aan haar zijn kinderlijk vertrouwen + En al wat hij te weten kwam of zag + (Want hij zag veel, maar wat hij zag verklaarde + Hij vaak verkeerd) vertelde hij aan haar, + En noemde haar--want hij wist evenmin + Als ik zijn afkomst--"moeder, lieve moeder." + +*DE GEEST V. D. AARDE.* + + _(op Asia toesnellend)._ + Moeder, o moederlief, mag 'k dan weer spreken + Met u, als ik gewend was? Mag 'k mijn oogen + In uw zachte armen bergen, als uw blikken + Ze moe van vreugde maakten? Mag 'k dan spelen + Naast u, den langen middag, wen geen werk + Te doen valt in de heldre stille lucht? + +*ASIA.* + + Ik min u, teederst wezen, en voortaan + Zal u te koestren mij niet éen misgunnen. + Toe, spreek: uw simple taal die eens mij troostte, + Vervult mij nu met blijdschap. + +*DE GEEST V. D. AARDE.* + + Ik ben wijzer + Geworden, moeder (schoon een kind niet zóo wijs + Kan zijn als gij) vandaag, en ook gelukger. + Gelukkiger en wijzer allebei. + Gij weet, dat padden, slangen, vieze wormen, + Vergiftige en kwaadaardige gedierten, + En takken, schadelijke bessen dragend, + In 't woud, mij altijd stoorden bij mijn tochten + Over de groene wereld, en dat ook, + Waar 't menschdom woont, mannen met hard gelaat, + Of trotsche en booze blikken, of met kouden + En starren gang, of valschen, hollen glimlach, + Of dommen grijns van ijdle onwetendheid, + Of andre leelke maskers waarmee slechte + Gedachten 't schoone wezen dat wij geesten + Mensch noemen, gansch verbergen,--en ook vrouwen, + Afzichtelijkst van al wat leelijk is + (Schoon lieflijk, in een wereld zelfs waar gij + Liefelijk zijt, wen zij oprecht en vrij, + Vriendlijk en goed zijn, dus op u gelijken), + Wanneer zij valsch of stuursch zijn,--als 'k voorbijging + Ofschoon zij sliepen en 'k onzichtbaar bleef-- + Mijn hart ziek maakten.--Nu, mijn pad leidde onlangs + Dwars door een groote stad naar bosschige heuvels + Die haar omringden, en een schildwacht vond ik + Sluimerend aan de poort; toen er opeens + Een klank gehoord werd, zoo geweldig luid, + Dat in het manelicht de torens trilden, + Doch zoeter dan ooit stem, behalve de uwe, + Die 't allerzoetst is, klonk; een lang geluid, + Zoo lang, alsof het nimmer eindgen zou; + En al de inwoners sprongen plotseling + Op uit hun rust, bijeengaande in de straten, + Verwonderd opziend naar den hemel, wijl + Nog altijd de muziek voortgalmde. Ik borg mij + In een fontein op 't openbare plein, + Waar 'k lag als de weerspiegling van de maan + Gezien in 't water onder groene blaadren. + En weldra vloeiden die onschoone vormen + En aangezichten van de menschen heen,-- + Waarvan ik zei dat zij mij leed aandeden--, + De lucht door, en verwelkend in de winden + Die ze verstrooiden, zij van wie zij weken + Schenen zachtmoedge, lieflijke gedaanten + Nadat een leelijke vermomming viel. + En allen waren eenigzsins veranderd, + En na kortstondige verwondering + En groeten blij-verbaasd, gingen zij allen + Weer slapen.--En, toen 't daagde,--kondt gij denken + Dat padden, slangen, salamanders, ooit + Schoon konden zijn? En toch waren zij schoon,-- + Met weinig wijzging van hun vorm of kleur. + En alles had zijn slechten aard verloren. + Ik kan mijn vreugd niet zeggen, toen ik zag + Boven een meer, op een gebogen twijg + Omrankt van nachtschaduw, twee blauwe ijsvogels, + Hangende naar omlaag en etend van + Een heldre tros van amberkleurge bessen + Met snelle lange snavels, en in 't diep + Zag ik die lieflijke gestalten spieglen, + Als in een hemel. Zoo, met mijn gedachten + Vol van die heerlijke veranderingen, + Vinden we elkaar--zoetste verandring!--wêer. + +*ASIA.* + + En scheiden nimmer, tot uw kuische zuster, + Die de bevrozen, wisselende maan leidt, + Op uw gelijker, warmer licht zal zien + Totdat haar hart ontdooit, als vlokken van + Aprilsneeuw, en ze u liefheeft. + +*DE GEEST V. D. AARDE.* + + Wat, als Asia + Prometheus liefheeft? + +ASIA. + + Stil, lichtzinnige jongen, + Je bent nu nog niet oud genoeg. Wat denk je, + Door 't staren in elkanders oogenlicht, + Je lieve wezens te vermenigvuldgen + En den maanloozen hemel te doen weemlen + Van vuurge bollen? + +*DE GEEST V.D. AARDE.* + + Moeder, als mijn zuster + Haar uitgebrande lamp verzorgt, is 't dan + Niet hard dat 'k duister zijn moet? + +*ASIA.* + + Luister; zie! + + _(De Geest van het Uur verschijnt.)_ + +*PROMETHEUS.* + + Wij voelen wat gij hoorde en zaagt; maar spreek! + +*DE GEEST VAN HET UUR.* + + Na 't eindgen van den klank, wiens donder vulde + De afgronden van de lucht en de wijde aarde, + Was er weldra verandering: de ontastbre, + Dunne atmosfeer en 't al-omrondend zonlicht + Werden vervormd, alsof 't gevoel van liefde + Daar opgelost, zich om de ronde wereld + Gewikkeld had. Mijn oog werd helder toen, + En de heelal-geheimen kon 'k doorzien. + Duizelig als van wellust zweefde ik neer, + Waairend de heldre lucht met loome vlerken. + Mijn paarden zochten in de zon het oord + Van hun geboorte, waar zij voortaan vrij + Van arbeid zullen leven, bloemen grazend + Van een plantaardig vuur; en waar mijn wagen, + Gelijk de maan, zal staan binnen een tempel, + Bestaard door beelden, als van Phidias,-- + Van u, en Asia, en van de Aarde, en mij, + En u, lieflijke nymfen, die de liefde + Die wij gevoelen in uw blikken draagt,-- + Als een gedachtnis van de tijdingen + Die hij gedragen heeft,--onder een koepel, + Versierd met beitelwerk dat bloemen nabootst, + In evenwicht op twalef zuilen van + Schittrend gesteent, en open naar den hemel, + Die hel en lieflijk is. Daaraan geboeid + Door een aan beide zijden in een kop + Eindgenden slang, zal 't beeld dier vleugelpaarden + Den spoed waarvan zij rusten als bespotten. + Helaas! waarheen zwierf mijn eenzijdig praten, + Wijl al wat gij woudt hooren ongezegd blijft? + Zooals ik zeide, vloog ik neer naar de aard: + Het was, als 't nù nog is, de bijna pijn + Lijkende zaligheid van te bewegen, + Te aadmen, te zijn. En zwervend ging ik naar + De huizen en verblijven van het menschdom, + En was in 't eerst teleurgesteld, daar 'k nergens + Zoo machtgen omkeer zag als ik gevoeld had + Vanbinnen, uitgedrukt in het uitwendge. + Maar weldra zag 'k nauwlettender, en zie! + De tronen waren koningloos, en menschen + Zag 'k schrijden met elkaar als geesten doen. + Minachting, vrees, zelf-liefde of zelf-versmading + Stonden op 't menschenhoofd niet meer geschreven, + Als op de hellepoort: "Laat alle hoop + Varen, gij die hier intreedt."--Geen was toornig, + Geen beefde, niemand staarde naar eens andren + Koud en bevelend oog met felle vrees, + Tot het slachtoffer van tyrannenwil + Veracht werd (erger noodlot!) door zijn eignen, + Die hem ter dood spoorde als een krachtloos paard. + Geen boog zijn mond in lijnen die de waarheid + Verstrikten en den leugen die zijn tong + Niet wilde spreken door een glimlach uitten. + Geen die met harden grijns in 't eigen hart + De sprankelen vertrad van liefde en hoop, + Tot daar die bittere asch bleef van een ziel + Die door zichzelf verteerd is, en de ellendge + Gelijk een vampier onder 't menschdom kroop, + Alles besmettend met zijn leelke kwaal. + Geen sprak die algemeene, valsche, koude, + Ledige praat die het hart ontkennen doet + Het _ja_ dat 't ademt, en die nochtans maakt + Dat het die ongemeende huichlarij + Nog ondervraagt met naamloos zelfmistrouwen. + En vrouwen ook, oprecht, vriendlijk en schoon, + Gelijk de vrije hemel die frisch licht + En dauw op de wijde aarde regent, zag 'k + Voorbijgaan,--stralende, lieftalge wezens, + Gezuiverd, vrij, van der gewoonte smet, + De wijsheid die zij eens niet konden denken + Uitsprekend, en gevoelens die zij eens + Vreesden te voelen in haar blikken dragend, + Tot alles wat zij eens niet dorsten zijn + Veranderd,--nu zij 't waren, maakten zij + Van de aarde een hemel. Trots, naijver, nijd, + Noch valsche schaamte, bitterste dier droppen + Van opgespaarde gal, bedierven meer + Den zoeten smaak van de nepenthe, liefde. + + Tronen, altaren, kerkers, rechterzetels, + Waarop, waarnaast, ellendelingen droegen + Schepters, tiara's, zwaarden, ketens, boeken + Beredeneerd onrecht, gevleid door domheid,-- + Waren gelijk die monsterlijk-barbaarsche + Gestalten, geesten van vergeten roem, + Die van hun onversleten obelisken + Staren in zegepraal over paleizen + En tomben van wie hun verwinnaars waren, + Rondom vergaande. Die verbeeldden ook-- + Hoogmoed van koningen en priesters wekkend-- + Een donker, sterk geloof, een macht zoo wijd + Als het door haar verwoeste deel der wereld, + En wekken thans niets dan verbazing meer. + Zoo staan ook de symbolen en werktuigen + Der laatste slavernij van 't menschgeslacht + Tusschen de woningen der volkrijke aard, + Niet omgeworpen, maar door geen beschouwd. + En al die slechte wezens, god en mensch + Tot walging; onder meengen naam en vorm, + Vreemd, woest, spookachtig, duister en afschuwlijk, + Jupiter zijnde, de tyran der wereld,-- + En die de volken, angst-geslagen, dienden + Met bloed en harten door langduurge hoop + Gebroken, en met liefde die zij sleurden + Voor hun bezoedelde, onversierde altaren + En moordden, waar de menschen tranen weenden + Niet weer-opeischend, vleiend wat zij vreesden-- + Een vrees die haat was--, toornen, snel vergaand, + Over hun leedge heiligdommen thans. + 't Gekleurde floers--leven genoemd door hen + Die wáren--dat al 't geen de mensch geloofde + Of hoopte, nabootste, als met ijdle kleuren, + Is weggescheurd. Het walglijk masker viel. + De mensch blijft over,--schepterloos en vrij, + Zonder beperking mensch: allen gelijk, + En niet verdeeld in klassen, stammen, volken, + Vrij van ontzag, vereering, stand, en koning + Over zichzelf, rechtvaardig, zacht en wijs, + Maar mensch. Hartstochteloos? dat niet,--maar vrij + Van schuld of leed--die wáren, want zijn wil + Schiep of verduurde ze; en nog niet bevrijd + Van kans, verandring, dood, ofschoon als slaven + Die trits beheerschend,--zware aanhangsels nog + Van dat wat anders hooger stijgen zou + Dan verste ster van de' onbeklommen hemel, + Torenend scheemrig in 't geweldig Leêg. + + + + +*VIERDE BEDRIJF.* + + +_(Tooneel: een deel van het woud bij de grot van Prometheus. +Panthea en Ione slapen, zij ontwaken langzamerhand gedurende + den eersten zang.)_ + +*STEM VAN ONZICHTBARE GEESTEN.* + + De bleeke sterren (ontvluchtend + Hun herder vol ijver: + De zon die ze sture + Ten stal diep in de uchtend, + En aansnelt in praal meteoren-verduisterend) vlieden voorbij + Zijn woning, de azuren, + Als herten den tijger,-- + Maar waar zijt gij? + _(Een stoet van donkere vormen en schimmen gaat verward voorbij, + zingende)._ + + Zwaar, o zwaar + Is de baar voorwaar + Van den Vader van menig verdwenen jaar, + Zie hier leit + Het lijk van den Tijd, + In de tombe der eeuwigheid zij het gevlijd + Door ons die gaan + Met die last belaên: + Ons, de schimmen der Uren vergaan. + Strooi, o strooi + Nu lokkentooi, + Geen taxisloof; en tranendooi + Bevloei', geen dauw, + Het doodskleed grauw; + En spreidt verwelkte bloemen tot rouw + Uit het ontbloot + Prieel van den Dood + Op het lijk van den Urenkoning groot! + Gauw, o gauw! + Als schaûwen grauw, + Verjaagd door den dag van het hemelblauw, + Smelten wij heen + Als schuim der zeên + Van de kindren van tijden zonder geween, + Wijl de wiegezang luidt + Van wind die ruischt uit, + Stervend op 't hart van zijn eigen geluid. + +*IONE.* + + Wat donkre vormen zongen die wijs? + +*PANTHEA.* + + De Uren die stierven, zwak en grijs, + En zij droegen den buit + Nog verzameld bijeen + Uit de zege gestuit + Door Een alleen. + +*IONE.* + + Zijn zij heen? + +*PANTHEA.* + + Zij zijn heen. + Zij ontsnelden den wind + Als een woord zoo gezwind. + +*IONE.* + + Doch waarheen, o waarheen? + +*PANTHEA.* + + Naar het donkere, doode verleên. + +*STEM VAN ONZICHTBARE GEESTEN.* + + Lichtwolke' in den hemel, + Dauwsterren op de aarde, + De zeeën vol baren; + En al dat gewemel + Drijft stormwind van wellust, verbijstering blij! + Vreugd trilt door hun scharen, + Ten reidans vergaarde,-- + Maar waar zijt gij? + + De pijnboomen suizen + 't Oud lied met nieuw blij-zijn, + Fonteinen en waatren + Frisch-zangerig ruischen: + Als muziek van een geest rijst van 't land en de zee melodij; + De bergen beschaatren + Stormdonders die blij zijn, + Maar waar zijt gij? + +*IONE.* + + Wat wagenmenners zijn 't? + +*PANTHEA.* + + Waar zijn hun wagens? + +*HALFKOOR I VAN UREN.* + + Toen van Lucht- en Aardgeesten de stem ons riep + Is 't versierde gordijn van den slaap gescheurd + Dat ons wezen bedekte en ons worden ontkleurd' + In het diep. + +*EEN STEM.* + + In het diep? + +*HALFKOOR II.* + + O! onder het diep. + +*HALFKOOR I.* + + Wij waren gewiegd ontelbare jaren + In vizioenen van haat en naarheid, + En ieder die wakker werd vond de waarheid-- + +*HALFKOOR II.* + + Wreeder dan zijn vizioenen waren! + +*HALFKOOR I.* + + Wij hoorden de luit van de Hoop, zoo zoet + En de stem van de Liefde in ons droomen zingen, + Wij voelden den staf van de Macht, en springen-- + +*HALFKOOR II.* + + Als de golven springen in morgengloed. + +*KOOR.* + + Weeft den dans op den vloer van den wind, + Klieve ons gezang 't zwijgend licht van de lucht, + Betoovert den dag, die ontvliedt te gezwind, + Om vóor 't hol van den nacht te beteuglen zijn vlucht. + + Eens waren de hongerige Uren honden, + Die jaagden den dag als een bloedend dier, + En hij hinkte en struikelde, vol van wonden, + Door van 't eenzame jaar het nachtlijk revier. + + Maar thans--o! weeft de mystische maten + Van dans en muziek en gestalten van schijn! + Laat de Uren met geesten van macht en behagen + Als de wolken en 't zonlicht, vereenigd zijn. + +*EEN STEM.* + + Vereenigd zijn. + +*PANTHEA.* + + Zie waar de Geesten van de menscheziel + Naadren in zoet geluid als heldre sluiers. + +*KOOR VAN GEESTEN.* + + De zingende rei + Bereiken wij, + De wervling van blijdschap draagt ons nabij; + Als de vleugel-gevinden, + Die 't diep niet kan binden, + Zeevogels half-sluimrend in 't luchtruim vinden. + +*KOOR DER UREN.* + + Waarvandaan komt gij, zoo wild en met spoed? + Sandalen van weerlicht zijn aan uw voet, + Als gedachte uw gevedert is, zacht en snel, + En uw oogschijn als liefde, naakt en hel. + +*KOOR VAN GEESTEN.* + + Wij komen van 't hart + Van den mensch, eens zwart, + Onrein en blind, en gebukt onder smart; + Nu is 't een zee + Van bewogen vree, + Een heldere hemel, + Maar vol ontroering en machtig gewemel;-- + + Uit die wondere mijn + Van vreugden rein, + Wier holen kristallen paleizen zijn; + Van die torentransen, + Waar uwe dansen-- + O zalige Uren!-- + Gedachte's gekroonde machten beturen; + + Uit verborgenheden + Vol teederheden, + Waar lievende paren + U poozen doen, grijpend uw losse haren; + 't Blauw eilandrijk, + Waar Sirenen-gelijk + Zoete Wijsheid uw zeilen + Door een glimlach doet wijlen; + + Van de tempels gesticht + Voor 't gehoor en 't gezicht + Van den Mensch, hoog bewelvend zoo Beeld als Gedicht; + Van de murmelingen + Van bronnen die springen, + Zonder dat zegel ze tegenhoudt: + Waar Kennis haar kunstige wieken bedauwt. + + Jaren na jaren + Waadden we in scharen + Door bloed en tranen, + En een hel vol van haat en hoop en wanen; + O zeldzaam de streken, + Waar bloemen, bleeke, + In knop verschroeide, + Van het geluk, kortstondig bloeiden. + + Thans schoeit onzen voet + De vrede zoet, + En de dauw onzer wieken is balsemvloed; + In ons oog is de schijn + Der mensch-liefde rein, + Die alles wat ze aanstaart een Eden doet zijn. + +*KOOR VAN GEESTEN EN UREN.* + + Weeft nu het web van de mystische maten, + Van de diepten des hemels en de einden der aard, + Komt, snelle geesten van macht en behagen, + Tot reidans en jubelzangen vergaard,-- + Als de golven van duizend rivieren vliên + In een zee van geflonker en melodiên! + +*KOOR VAN GEESTEN.* + + Wij wonnen den buit, + Ons zwoegen is uit, + Nu mogen wij duiken of stijgen of zweven, + Waar wij ook wenschen + Tot in de grenzen + Die het heelal met duister omgeven. + + Verder dan de oogen + Der sterren-bogen + Maken we in de' oerouden afgrond ons huis; + Chaos, Dood, Nacht,-- + Als mist voor de macht + Van den storm,--zullen vliên voor ons wiekgeruisch. + En Aard, Licht en Lucht, + En de Geest, die de vlucht, + De vuurge, in het rond drijft der sterren tezamen, + Liefde, Adem, Gedachte-- + Dood-temmende machten-- + Zullen beneden ons oovral verzaêmen. + + En ons zingen zal bouwen + In de ijle landouwen + Van 't Leêg, voor de Wijsheid een heilig domein, + Naar 't menschenrijk richten + We ons, 't nieuw-gestichte, + En ons werk zal genaamd naar Prometheus zijn. + +*KOOR DER UREN.* + + Breekt den dans en verstrooit nu het koor, + Laat enklen blijven, en andren gaan. + +*HALFKOOR I.* + + Wij drijven diep de hemelen door,-- + +*HALFKOOR II.* + + Ons trekt de toover van 't aardrijk aan,-- + +*HALFKOOR I.* + + Vurig en vrij, en rusteloos-ras, + Met de Geesten die bouwen een nieuwe aarde en zee, + En een hemel waar nooit nog een hemel was. + +*HALFKOOR II.* + + Plechtig en langzaam, vol helderen vreê, + Leidend den dag en ontsnellend den nacht, + Met de machten van stralende wereld meê. + +*HALFKOOR I.* + + Wij wervlen luid zingende rond den bol, + En zijn chaos verhelderd door liefde's macht, + En niet door vrees, vertoont zich in pracht, + Van boomen en dieren en wolken vol. + +*HALFKOOR II.* + + Wij omcirklen de zee en de bergen der aard, + En de blijde gedaanten van wat zij baart + En gestorven weer tot zich neemt, wisselen bij de + Zoete muziek van ons innig verblijden. + +*KOOR VAN UREN EN GEESTEN.* + + Breekt den dans en verstrooit nu het koor, + Laat enklen blijven en andren gaan. + Waar wij ook vlieden, wij leiden aldoor, + Aan banden als stralen van sterrenschijn + Die teeder maar onverbrekelijk zijn, + De wolken met liefderegen belaên. + +*PANTHEA.* + + Ach! zij zijn heen! + +*IONE.* + + Maar voelt gij toch geen vreugd + Door de voorbije zoetheid? + +*PANTHEA.* + + Als de naakte + En groene heuvel lacht met duizend droppen + Van zonnig water naar den open hemel, + Wanneer een zachte wolk verdwijnt in regen! + +*IONE.* + + Juist wijl wij spreken rijzen nieuwe noten. + Wat is dat machtige geluid? + +*PANTHEA.* + + De diepe + Muziek der wentelende wereld is 't, + Die in de snaren der gegolfde lucht + Aeolische geluidsschakeering wekt. + +*IONE.* + + Luister, hoe iedre rust ook is gevuld + Met onder-noten, klare, zilvren tonen, + IJzig en hel en die ontwaken doen, + Die door de zinnen boren naar de ziel, + En daarin leven; als de scherpe sterren + Boren door de kristallen winterlucht + En staren naar zichzelf in zee weerspiegeld. + +*PANTHEA.* + + Maar zie, waar door twee poorten van het woud,-- + Hangende twijgen overwelven die,-- + En waar twee aadren van een stroompje maakten + Tusschen het dichte mos, vol van viooltjes, + Hun zangrig pad (gelijk een zusterpaar, + Scheidend met zuchten, dat ze in lachjes weer + Vereenen mogen, makend tot een eiland + Van lieflijk leed, een woud van zoete, droeve + Gedachten, hun beminnelijke scheiding),-- + Twee vizioenen, wonderbaar van straling, + Aandrijven op den zee-gelijken toover + Van machtgen klank, die nog geweldger, heller, + En dieper schijnt te stroomen onder de aard + En door de lucht waarin geen wind beweegt. + +*IONE.* + + Ik zie een wagen als die smalste boot, + Waarin der Maanden Moeder wordt gedragen + Bij ebbend schijnsel naar haar grot in 't Westen, + Als ze opspringt uit haar tusschen-maansche droomen; + Waarover buigt een cirkelend gewelf + Van teeder duister, en geboomte en heuvels, + Goed zichtbaar door dien donkren luchten sluier, + Lijken gedaanten uit een tooverspiegel. + Zijn raderen zijn vaste wolken, blauw + En goud,--de geesten van den donderstorm + Stapelen zulke op den verlichten zeevloer, + Wanneer de zon daaronder snelt; zij wentlen, + Bewegen, groeien aan, als door een wind + Die hen inwendig drijft. Er binnen in + Zit een gevleugeld kind, met wit gelaat + Gelijk de witheid van de heldre sneeuw. + Zijn wieken zijn als zonnig ijs-gevedert, + Zijn leden lichten blank door de op den wind + Golvende vouwen van zijn blank gewaad, + Weefsel van hemel-paarlen. Ook zijn haar + Is wit, de glinstring van wit licht verdeeld + In draden; maar zijn oogen zijn twee heemlen + Van vloeiend duister, dat zijn godlijkheid + Schijnt te doen stroomen, evenals een storm + Uit kartelige wolken wordt gestort, + Uit hun pijlvormige wimpers, temperend + De koude en stralende atmosfeer in 't rond + Met vuur, dat toch niet helder is. Zijn hand + Zwaait een trillenden manestraal, wiens punt + De macht heeft om den steven van den wagen + Te sturen op zijn wielgelijke wolken; + Die, wen zij wentlen over gras en bloemen + En waatren, klanken wekken, even zoet + Als zilvren dauw zijn zangerige regen. + +*PANTHEA.* + + En zie, uit de andere oopning in het woud + Snelt aan, met luide en wervlende muziek, + Een bol: duizenden bollen zijn 't in éen, + Vast als kristal, maar 'lijk een leedge ruimte + Geheel doorvloeid van melodie en licht: + Tienduizend cirkels vlechtend en vervlochten, + Purper, azuur en blank, gulden en groen, + Kring binnen kring; en ieder vakje ertusschen + Bevolkt met onverbeeldbare gestalten + Als geesten droomen in het lamploos diep, + Doch alle zijn doorzichtig. En zij wervlen + Over elkaar in duizendvoud bewegen, + Op duizenden onzichtbare assen wentlend; + En met de kracht van snelheid die zichzelf + Tegenstreeft, rollen zij, geweldig, langzaam, + En statig; zij ontsteken met een mengling + Van klank en meengen toon verstaanbre woorden + En wilde melodie. Met machtge wervling + Doorsnijdt, verstuift de wemelende bol + 't Heldre riviertje in een azuren mist + Van opgeloste fijnheid, licht-gelijk; + En van het boschgebloemt de wilde geur, + Muziek van 't levend gras en van de lucht, + 't Smaragden licht van stralen in 't gebladert + Vervlochten, schijnen om zijn machtgen spoed, + Die toch zichzelf bestrijdt, samengekneed + Tot éen etherische zelfstandigheid, + Waarin de zinnen zwijmen. In den bol, + Op zijn albasten armen, als een peluw, + Gelijk een kind door lieflijk werk vermoeid, + Ligt op zijn eigen toegevouwen vlerken + En golvig haar de Geest der Aard te slapen, + En gij kunt zien zijn lipjes die bewegen + In van hun eigen glimlach 't wisslend licht + Als een die droomend spreekt van wat hij liefheeft. + +*IONE.* + + Hij doet alleen uit scherts de melodie + Van zijn bol voertuig na. + +*PANTHEA.* + + En van een ster + Die op zijn voorhoofd schijnt schieten er stralen, + Als zwaarden van azuren vuur, goudsperen + Met loof van myrten, dat tyrannen temt, + Bevlochten als symbool dat aarde en hemel + Nu éen zijn; machtge stralen, die als spaken + Van een onzichtbaar wiel in 't ronde draaien, + Gelijk de bol draait, sneller dan gedachte, + Den afgrond vullend met hun zonnebliksems,-- + En nu loodrecht, dan dwars, den donkren grond + Doorboren, en terwijl zij 't doen, ontblooten + Van 't diepe hart der aarde al de geheimen;-- + Eindlooze mijn van diamant en goud, + Waardloos gesteent en onverbeeld juweel, + Holen gestut op kristallijnen zuilen, + Van een plantaardig zilver overspreid, + Bronnen van peilloos vuur, en waterwellen + De groote zee voedend gelijk een kind, + Wier dampen 't vorstelijk gebergt van de aard + Met prinslijk hermelijnen sneeuw omkleeden. + De stralen schieten voort, en doen verschijnen + Droeve ruïnen van verdwenen tijden; + Ankers, snebben van schepen, en in marmer + Verkeerde planken, pijlkokers en helmen, + Speren, en schilden met medusa-hoofden, + Wielen van zeisenwagens, en blazoenen + Van standaarden, trofeeën en heraldisch + Gedierte, waaromheen de lach des Doods klonk, + Begraven teekens van verwoesting, dood nu, + Verwoesting in verwoesting;--en ernaast + Bouwvallen van veel uitgestrekte steden, + Waar de bevolking, overgroeid door de aarde, + Sterfelijk, maar niet menschlijk was. O zie! + Daar liggen hun barbaarsche werken en + Lompe geraamten; beelden, huizen, tempels; + Monster-gedaanten door elkaar gesmeten + In kleurlooze vernietiging, gespleten, + Beklemd in 't harde zwarte diep; daarboven + Riffen van onbekende vleugelwezens, + Visschen: eens levende eilanden van schubben + En slangen, beenge ketens rond-omkrinklend + De ijzeren rotsen, of in hoopen stof: + De kronkelige kracht van hun laatst lijden + Vermorzelde tot stof de ijzeren rotsen; + Daarboven, de getande krokodil, + En 't machtig nijlpaard, dat eens de aarde schokte, + Voorheen monarchen van 't gediert, voortteelend + Op slijmige stranden, wildernis-begroeide + Vastlanden van deze aard, als zomerwormen + Op een verlaten lijk,--tot, als een mantel + De blauwe bol rond zich een zondvloed sloot, + En zij luid huilden, hijgden, en vergingen; + Of wel, een God, wiens troon in een komeet was, + Kwam de aard voorbij en riep tot hen: "Vergaat!" + En als mijn woorden, waren zij niet meer. + +*DE AARDE.* + + O vreugd, o zegepraal, o wellust, o verdwazen, + O blijdschap grenzenloos, uitbarstend, overstroomend, + Niet te beperken juiching gelijk ijle wazen; + Heil! heil! 't verheugen dat mijn ziel heeft ingenomen, 't + Omhult me: een atmosfeer van licht, en 't draagt gezwind + Mij voort, gelijk een wolk drijvend op eigen wind! + +*DE MAAN.* + + Broeder, die reist in kalm genucht, + Zalige bol van land en lucht, + Gelijk een straal schoot gij een Geest tot mij, + Die mijn bevrozen lijf doorklieft + Met warmte als van een vlam, en liefd' + En geuren stuwt en diepe melodij, + Door mij, door mij! + +*DE AARDE.* + + Heil! heil! hoe mijn gespleten vlammenkraatren, + De holen van mijn hol gebergt, en jublende fonteinen, + Lachen met onbegrensd en onuitbluschbaar schaatren! + De zeeën en de afgronden en woestijnen + En van de diepe lucht de onmeetlijke domeinen, + Echoën 't na van al hun wolken, al hun waatren! + + Zij roepen luid als ik. Vloek, die den schepter tildet, + Die heel ons groen en blauw heelal wel wildet + Met donkren ondergang omwikkelen rondom, + Zendend een vaste wolk, om heete donderklooten + Te reegnen, en 't gebeente van mijn kindren stuk te stooten, + Al wat ik baar kneedend en kneuzend tot éen massa, leeg en stom,-- + + Tot iedere vermaarde zuil en toren rotsgelijk, + Paleis en obelisk en tempel plechtig-rijk, + Mijn keizerlijk gebergt bekroond met wolken, vuur en gloeden, + Mijn zee-gelijke wouden, ieder sprietje, en iedre bloesem, + Die de eerste koestring en zijn graf vindt in mijn boezem, + Waren vertreên tot zielloos slijk door uw geweldge woede,-- + + Hoe zijt gij nu gezonken, weg, bedekt, en opgezogen + Door 't dorstig niets, gelijk de brakke togen + Gedronken door een karavaan--maar weinig voor elkeen!-- + En 't vullend van omlaag, omhoog, rondom, en binnenin + Barst nu de liefde in 't Leêg van uw vernietiging, + Gelijk het licht in holen, die de bliksem spleet vaneen! + +*DE MAAN.* + + De sneeuw smelt op mijn doode kruinen + In stralend-levende fonteinen, + Mijn vaste zeeën vloeien in zang en schijn: + Een geest springt uit mij op met kracht, + Hij kleedt met schepping onverwacht + Mijn koude naakte borst; o het moet de uwe zijn + Op mijn', op mijn'! + Starend naar u + voel en besef ik nu + Dat groene stengels rijzen, helle bloemen bloeien;-- + Levende wezens op mijn borst bewegen, + Zangen de zee, de lucht doorvloeien, + Gewiekte wolken, donker van den regen + Waarvan de knoppen droomen, drijven wijd uiteen-- + 't Is liefde, liefde alleen! + +*DE AARDE.* + + Hoe dringt door mijn granieten lichaam zij; + Door wortels dicht-vervlochten en vertreden klei + Tot in het fijnst gebloemt en 't uiterste gebladert; + Winden en wolken maakt zij tot haar woon, + Een leven wekt ze in de vergeten doôn: + Een ziel wordt uit hun zwartste holen opgeädemd; + + En als een storm met wervelwind en donder + Splijtend zijn wolkenkerker, rees ze--o wonder!-- + Uit grotten onverlicht van ongedroomd bestaan;-- + Met schok of de aarde beeft en snelheid die den stillen + Gedachte-chaos, steeds bewegingloos, doet trillen; + Tot haat en vrees en pijn als schaûw voor 't licht vergaan, + + Den Mensch verlatend, die een grilge spiegel was, + 't Waarachtig schoon heelal verminkend in zijn glas + Tot menig drogbeeld, nu een zee weerkaatsend liefde, + Die over heel zijn ras--gelijk de hemel glijdt + Op zuivren oceaan, rimpelloos uitgespreid-- + Beweegt, en licht en leven schiet uit sterge diepten; + + Den Mensch verlatend--als een kindje dat melaatsch + Verlaten wordt, en een ziek dier nagaat tot naar de plaats + Waar de geneeskracht van een bron door warm een rotskloof dringt,-- + Dan gaat het onbewust naar huis.... zijn moeder vreest + Een oogwenk, om zijn rozigen glimlach: 't is een geest.... + Maar dan herkent zij 't en zij schreit op haar herstelde kind. + + Den Mensch--o! niet de menschen! maar één keten van gedacht' + Aaneengeschakeld, en onscheidbre liefde en macht, + Drijvend met diamanten sterkt' natuur haar krachten: + Als met tyrannenblik de zon beheerscht + De onrustge staat van de planeten, die om 't zeerst + Naar 's hemels vrije wildernis te worstlen trachten. + + Den Mensch, één harmonieuze ziel van vele zielen saam, + Wier godlijke aard het is, zichzelve na te gaan, + Waar alles vliedt tot alles, als naar zee de stroomen;-- + Liefde vermooit het dagelijksche doen, + Arbeid en pijn en leed, in 's levens groen plantsoen, + Spelen als tam gediert--wie kon zoo zacht hen droomen? + + Zijn wil,--met lagen hartstocht, slecht genot, + En zelfsche zorgen, die hem dienen als een god,-- + Een geest, slecht als hij heerscht, als hij gehoorzaamt machtig, + Is als een stormgevleugeld schip, en Liefde stuurt het voort + Door golven die niet durven breken overboord,-- + De wildste levensstranden dwingt ze in haar regeering krachtig. + + Alles bekent zijn sterkte. Door het koude marmer gaan, + En door de doffe kleur, zijn droomen: heldre draên, + Waarvan de moeders kleedren voor haar kindren weven; + De taal is een oneindig Orfeus-lied: + Beheerscht haar harmonie, de kunstge, niet + Ontelbre vormen en gedachten, anders zonder leven? + + De bliksem is zijn slaaf; 't diepst van den hemel + Toont hem zijn sterren, langs zijn oog gaat hun gewemel + Gelijk een kudde schapen, en hij telt hen een voor een, + De storm is als zijn paard; de luchten hij beschrijdt; + En de afgrond roept ten hemel, uit zijn diepten, blootgeleid, + "Hebt gij nog éen geheim? De mensch ontfloerst me: ik heb er geen."-- + +*DE MAAN.* + + De schaduw van den witten dood, + Die als een lijkkleed mij omsloot + Van vaste vorst en slaap, week van mijn weg in 't eind; + Door nieuw-geweven looverpaên + Volzalige beminden gaan,-- + Zoo machtge niet, maar even zachte zijn 't, + Als zij wier schoonheid in uw diepre dalen schijnt. + +*DE AARDE.* + + Gelijk de warmte van den ochtendgloed + Een half bevrozen dauw-bol smelten doet, + Kristal en groen en goud, tot, een gewiekte mist, + Hij opzweeft in den blauwen dagezaal, + Den noen doorleeft, en op den laatsten zonnestraal + Hangt boven zee, een vlies van vuur en amethyst. + +*DE MAAN.* + + Gij ligt neer, omhuld in schijnen + Van het licht dat niet zal kwijnen + Van uw vreugd en van den hemel die zoo godlijk lacht; + Alle zonnen, alle sterren, + Regenen op u van verre-- + Uwen bol bekleedend,--leven, licht en macht. + Maar úw schijnen regent gij + Op mij, op mij! + +*DE AARDE.* + + Ik wentel voort onder mijn piramide + Van duister, spitsend in de heemlen,--droomen bieden + Mij wellust, in mijn tooverslaap murmel ik zegepralend; + Eevnals een jongling, in een liefdedroom gesust, + Zacht zuchtend in den afglans van zijn schoonheid rust, + Gelijk een wacht van warmte en licht zijn sluimering omstralend. + +*DE MAAN.* + + Als in de eclips, teeder en zoet + Wanneer de ziel een ziel ontmoet + Op lieve lippen, hooge harten stil + En helderste oogen wazig zijn,-- + Zoo, valt uw schaduw op mijn schijn, + Ook ik, gestild, niet spreken wil, + Door u bedekt, en van uw liefde, o schoonste Bol, + Vol, ál te vol! + + Om de zonne spoedt ge u snel, + Helderste wereld van 't heelal, + Groen-en-blauwe bol die straalt + Met een licht waar geen bij haalt: + Geen der lampen die de heemlen + Licht en levensvol doorweemlen + Komt uw godlijkheid nabij. + Ik, gedreven aan uw zij-- + Uw kristallen lief--door kracht + Als der minnaarsoogen macht: + Lokkende magneet-gewijs + Naar dien pool, dat paradijs; + Ik, een maagd verliefd zoozeer + Dat de liefdevreugd haar teer + Denken overlaadt, omstrijk u + Als van zinnen, en bekijk u-- + Als een bruid die niet kan scheiden + Van 't genot, aan alle zijden + Haren bruigom te beschouwen; + Als verdwaasde Bacchus-vrouwen + Rond den beker, opgetild + Door Agave in Cadmus' wild + En betooverd woud. O broeder, + Waar ge ook henenzweeft, ik moet er + Volgen, haastig, wervelend, + Door de heemlen zonder end, + Voor het hongrig Leêg beschermd + Daar uw ziel mij warm omarmt. + 'k Drink, wijl ik u voel en zie, + Majesteit, macht, harmonie,-- + Als op dat waar zij naar kijken + Minnaar en kameleon lijken; + Als de teedere oogjes schouwen + Van viooltjes naar den blauwen + Hemel, tot hun kleuren zijn + Als 't azuur zoo puur en fijn; + Als een grijze vochtge mist + Gloeit gelijk vast amethyst + Tegen den berg in 't West dien hij omhult, + Wen de zonsondergang bleek-guld + Slaapt op zijn sneeuw, en 't teedre daglicht schreit + Om eigen eindigheid. + +*DE AARDE.* + + O teedre Maan, uw stem vol zaligheid + Valt op mij als uw licht dat klaar omspreidt, + Streelend en teer, den zeeman die doorglijdt, + In zomernacht, eilanden eeuwig-vredig; + O teedre Maan, die uw kristallen zingen + In diepe holen van mijn trots doet dringen, + Temmend den tijger vreugd, wiens wilde trappelingen + Mij wonden sloegen, die uw balsem lenig'. + +*PANTHEA.* + + Ik rijs--als uit een bad van schittrend water, + Een bad van blauwen schijn in donkre rotsen,-- + Uit die rivier van klank. + +*IONE.* + + O! zoete Zuster, + De stroom van klank is van ons weggevloeid; + En uit zijn golven zegt gij op te rijzen, + Omdat uw woorden vallen als de dauw, + De heldre, zachte, die een woudnymf schudt, + Nadat zij baadde, van haar lijf en haar. + +*PANTHEA.* + + Stil! stil! Een machtge Geest, gelijk het duister, + Stijgt op uit de aarde, en regent van den hemel, + Als nacht en barst van binnen uit de lucht, + Als een eclips, verzameld in de poriën + Van 't zonlicht. En de heldere vizioenen + Waarin de Geesten die er zongen, dreven + En schenen, glimmen, bleeke meteoren + Door vochtgen nacht. + +*IONE.* + + Mijn oor voelt iets als woorden. + +*PANTHEA.* + + Een algemeen geluid als woorden. Luister! + +*DEMOGORGON.* + + Aard, van een zaalge ziel de kalme staat, + Van godlijkste gedaante' en zangen vol, + Verzamelend in 't wentlen, schoone bol, + De liefde die plaveit uw hemelstraat! + +*DE AARDE.* + + Ik hoor: ik ben een dauwdrup die vergaat. + +*DEMOGORGON.* + + Maan, die verbaasd de nachtlijke Aard bestaart, + Gelijk hij u, terwijl gij beiden zijt + Voor menschen, dieren, vooglen die gij baart, + Rust, kalmte, harmonie en lieflijkheid! + +*DE MAAN.* + + Ik hoor: ik ben een blad: doorsidder gij 't. + +*DEMOGORGON.* + + Vorsten van zonne' en sterren! Goôn, Demonen, + Hemelsche Machten, die bezitters zijt + Van zaalge windlooze Elyseesche wonen, + Voorbij des Hemels sterrige eenzaamheid! + +*EEN STEM VAN OMHOOG.* + + Ons Rijk hoort toe; zeegnend in zaligheid. + +*DEMOGORGON.* + + Gelukge Doôn, die 't stralendste gedicht + Enkel bewolkt, nooit beeldt in schilderij, + Hetzij uw wezen in die wereld ligt + Die gij eens zaagt en leedt-- + +*EEN STEM VAN BENEDEN.* + + Hetzij we, als zij + Die levend zijn, verandrend gaan voorbij-- + +*DEMOGORGON.* + + Geesten der elementen, die bewoont + Van 's menschen hooge ziel tot zelfs van 't grijs, + Droef lood de kern; van 's hemels ster-gekroond + Gewelf, tot het traag wier, een worm ten spijs! + +*EEN VERMENGDE STEM.* + + Wij hooren: het vergeetne wekt uw wijs. + +*DEMOGORGON.* + + Geesten die huist in vleesch! vogels en dieren, + Visschen en wormen; knoppen ook, en blaêren; + Bliksem en wind! en gij, ontembre scharen, + Meteoren, misten, die de lucht doorzwieren! + +*EEN STEM.* + + Uw stem is ons als wind in woudrevieren. + +*DEMOGORGON.* + + Mensch, eens een wreed tyran of dienaar laf, + Bedrieger of bedrogene, een vergaan, + Een reiziger, van de wieg tot aan het graf, + In 't duister, door dees dag voorgoed verdaan! + +*ALLEN.* + + Spreek! uw sterk woord mag nimmer ondergaan. + +*DEMOGORGON.* + + Dit is de dag dat de leege afgrond wacht, + Op 's Aard-geboornen ban, 's Hemels tyrannenmacht, + En de Overweldger wordt gesleurd aan band + Door 't opgesperde diep. Van haar geweldgen troon: + Geduldge macht in 't wijze hart; van het laatste uur van hoon, + Duizling en lijdzaamheid; van smallen glibberkant, + Steil, van de rots-gelijke smart; springt nu de Liefde en sluit + De wereld in haar wiekenpaar: daar drupt genezing uit. + + Zachtheid en Deugd, Wijsheid en Lijdzaamheid-- + Dat zijn de zegels die met machtge zekerheid + Boven Verwoestings kracht den afgrond sluiten; + En als met zwakke hand soms de Eeuwigheid, + Moeder van vele dade' en uren, weer bevrijdt + De slang die met zijn heele lengt' haar wilde omsluiten-- + Herovert gij de volle heerschappij + Over de' ontbonden doem door deze tooverij. + + Smarten te lijden, wen de Hoop geen uitkomst wacht; + En onrecht te vergeven, donkerder dan nacht + Of dood; Macht te trotseeren die almachtig schijnt; + Te lijden, dulden, hopen, tot de Hoop in 't eind + Uit eigen bouwval schept wat ze in haar droom zich dacht; + Noch te verandren, noch door spijt en vreeze + Te wanklen; dit gelijk des Titans glorie, + Is schoon en groot en blij en vrij en deugdzaam wezen, + Slechts dit is Heerschappij, Vreugd, Leven en Victorie! + + + + +*VERBETERINGEN.* + + + Bladz. 1 r. 3 v. o. _staat_ smart _lees_ smaad + " 7 na regel 11 v. b. is _weggevallen_: + Ondelgbaar, giftig, en hun groeikracht zuigend,-- + " 22 r. 6 v. o. _staat_ foltering _lees_ foltring + " 40 r. 3 v. o. " wakker " wakker. + " 60 r. 2 v. b. " gruwbre " gruwbrer + " 67 r. 13 v. o. " bescheidenheid " verscheidenheid + " 71 r. 4 v. o. " klonk " klonk; + + Nota: Bovenstaande verbeteringen zijn reeds aangebracht in de tekst. + + + + + +End of Project Gutenberg's Prometheus ontboeid, by Percy Bysshe Shelley + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PROMETHEUS ONTBOEID *** + +***** This file should be named 17822-8.txt or 17822-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/7/8/2/17822/ + +Produced by Miranda van de Heijning, Valère Swinnen and +the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
