summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/17659-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:51:37 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:51:37 -0700
commit5de491b956d682af5a3af7a69d50aaf154ad436e (patch)
tree98c9acd7444d6084c7c7490195cec75bedb85dcd /17659-8.txt
initial commit of ebook 17659HEADmain
Diffstat (limited to '17659-8.txt')
-rw-r--r--17659-8.txt5787
1 files changed, 5787 insertions, 0 deletions
diff --git a/17659-8.txt b/17659-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..2a287cb
--- /dev/null
+++ b/17659-8.txt
@@ -0,0 +1,5787 @@
+The Project Gutenberg EBook of Noodlot, by Louis Couperus
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Noodlot
+
+Author: Louis Couperus
+
+Release Date: February 1, 2006 [EBook #17659]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOODLOT ***
+
+
+
+
+Produced by Branko Collin, Ginirover and the Online
+Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+
+NOODLOT
+
+
+DOOR
+
+
+LOUIS COUPERUS
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE DRUK
+
+[Illustration: L.J.V. LABOR-INTEGER-VINCIT MDCCCXXCVII]
+
+L.J. VEEN--AMSTERDAM
+
+
+
+
+
+AAN
+
+FRANS NETSCHER
+
+
+
+LUIK, Sept. '90. L.C.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I.
+
+
+I.
+
+De handen in de zakken, den kraag van zijn pels op, ging Frank door het
+stuiven der sneeuw voort, langs den eenzamen Adelaïde-Road, in den
+avond. Toen hij het villa-tje naderde, waar hij woonde,--White-Rose,
+geheel gedoken, gedompeld, verzonken in de blankheid der sneeuw, als een
+nestje in watten,--zag hij iemand op zich afkomen, van Primrose-Hill.
+Hij richtte zijn blik vast op het gelaat van den man, die hem blijkbaar
+wilde aanspreken; niet wetende wat deze in zijn schild voerde in dien
+eenzamen sneeuwnacht, en hij was zeer verbaasd, toen hij in het
+Hollandsch hoorde:
+
+--Neem u me niet kwalijk.... is u niet meneer Westhove?
+
+--Ja, antwoordde Frank. Wie is u? Wat is er?
+
+--Ik ben Robert van Maeren, misschien herinnert u zich....
+
+--Bertie, jij? riep Frank uit. Hoe kom je hier in Londen! En in zijne
+verbazing, zag hij, door het stuiven der sneeuw heen, een vizioen
+verrijzen uit zijne jeugd, een helder tafereel van jongensvriendschap,
+iets jongs en warms....
+
+--Misschien niet zoo heel toevallig! antwoordde de vreemde, wiens stem
+bij den klank van dien verkleinnaam "Bertie" iets vaster klonk; ik wist,
+dat u hier woont en ik ben al driemaal aan uwe deur geweest, maar u was
+niet thuis. De juffrouw zei, dat u van avond toch thuis zoû komen, en
+daarom ben ik zoo vrij geweest hier op u te wachten....
+
+De stem verloor weêr alle vastheid en werd smeekend, als van een
+bedelaar.
+
+--Moest je me zoo dringend spreken? vroeg Frank verbaasd.
+
+--Ja.... ik wou.... of u me misschien helpen kon.... ik ken hier
+niemand....
+
+--Waar woon je?
+
+--Nergens; ik ben van morgen vroeg hier aangekomen en ik heb.... ik heb
+geen geld....
+
+En hij kromp, huiverend van het staan in de koude tijdens dit korte
+gesprek, zich bijna smeekend samen, als een hond, die bang is.
+
+--Ga maar met me meê, sprak Frank, vol verbazing, medelijden, vol van de
+warme herinneringen zijner jongensjaren. Kom van nacht maar bij me.
+
+--O ja, graag! klonk het antwoord, haastig en bevend, als bevreesd voor
+het terugnemen dier goddelijke woorden.
+
+Zij gingen samen een paar passen voort; toen haalde Frank den sleutel
+uit zijn zak--den sleutel van White-Rose. Hij opende de deur; een
+zeshoekige Moorsche lantaren scheen in de vestibule zacht met halve
+vlam.
+
+--Ga binnen! sprak Frank.
+
+En hij deed de deur achter zich op het nachtslot, met een bout. Het was
+half een.
+
+De meid was nog op.
+
+--Die meneer was al zoo dikwijls hier geweest, fluisterde ze met een
+wantrouwenden blik naar Bertie; en ik zag hem hier van avond altijd door
+voorbijloopen, als hield hij de wacht. Ik was bang, weet u; het is hier
+zoo eenzaam.
+
+Frank schudde geruststellend het hoofd.
+
+--Laat het vuur gauw achter aanmaken, Annie. Is je man nog op?
+
+--Het vuur meneer?!
+
+--Ja ... Bertie, wil je wat eten?
+
+--Heel graag.... als het u geen moeite geeft! antwoordde Bertie, in het
+Engelsch, voor de meid, en zijn blik zocht smeekend de koud verbaasde,
+blauwe oogen der flinke, knappe, jonge vrouw; zijne stem was als
+fluweel, en, tenger, klein, poogde hij in de vestibule zoo weinig
+mogelijk plaats in te nemen, in een te schrompelen, te vluchten uit hare
+blikken, zich uit te wisschen in een hoekje schaduw.
+
+Frank leidde hem nu eene groote achterkamer binnen, eerst kil en donker,
+maar weldra verlicht, weldra ook zachtjes-aan met eene stralende lauwte
+verwarmd door het groote vuur, dat in den, nog gesloten, haard begon op
+te gloeien. Annie dekte de tafel.
+
+--Eén couvert, meneer?
+
+--Twee; ik soupeer meê! sprak Frank, denkend,
+dat Bertie dan vrijer zoû zijn.
+
+Bertie had zich op Franks aandringen in een ruimen stoel gezet bij den
+haard en hij bleef daar schichtig rechtop zitten, zonder te spreken,
+verlegen voor de meid, die telkens ging en kwam. Eerst nu zag Frank, in
+het licht, de armoede van zijn uiterlijk; zijn dun gesleten jasje, vet
+glimmend en knoopen missend; zijne afgetrapte, uitgerafelde broek; zijne
+vuile bouffante, die een gemis aan linnen verborg; zijne uitgezakte
+schoenen met gaten. Een ouden hoed had hij bedremmeld, verlegen, in de
+hand gehouden. Het was eene kleeding, niets passend bij dien
+aristocratisch tengeren bouw, dat fijne, bleeke, magere gelaat,
+gedistingeerd, trots het ongeknipte, blonde haar en den ongeschoren
+stoppelbaard; het was als de maskerade van geboorte en opvoeding in de
+lompen der ellende, die zij onhandig, als een slecht zittend tooneelpak,
+droegen. En de acteur zelf bleef roerloos zitten, starende in het vuur,
+verlegen in de streeling der weelde, welke hem hier omringde in deze
+kamer: onwederlegbaar het verblijf van een vermogend jongmensch, die
+geen neiging tot huislijke gezelligheid had: rijke gordijnen en
+tapijten, rijke meubels en ornamenten, zonder comfort geschikt, recht
+tegen de wanden aan en, stijf netjes, zonder leven, glimpend opgepoetst.
+Maar Bertie kreeg dien indruk niet, want een welbehagen van warmte en
+veiligheid kwam over hem, een gevoel van rust en onbezorgdheid, kalm als
+een meer en zoet als een oase: een lachend landschap na de koude en de
+sneeuw van zoo even. En toen hij zag hoe Frank hem aanstaarde, zeker
+verwonderd over zijn roerloos zitten turen in het groote vuur, waar de
+vlammen thans dansend oplekten als gele drakentongen, glimlachte hij
+eindelijk en sprak hij nederig, dankbaar, met die stem als van een
+bedelaar:
+
+--Dank u wel, u.... u is zoo goed....
+
+Het was niet veel wat Annie daarna op tafel zette: de restantjes uit de
+provisiekast van een steeds uithuizig jongmensch, wat kouden beef-steak
+en slâ, wat beschuit en jam, maar het zweemde toch naar een souper en
+Bertie deed het groote eer aan, systematisch langzaam en bijna
+onverschillig etend en drinkend, wasemend warmen grog, zonder den
+honger, die in zijn lichaam eene nijpende leêgte groef, te laten
+blijken. Frank poogde hem eindelijk uit te hooren, dwong hem te spreken
+en te verhalen wat hem in zulke ellende gebracht had en hij deed zijn
+verhaal bij brokken en stukken, steeds nederig, terwijl ieder woord
+klonk als eene bedelarij. Onaangenaamheden met zijn vader over zijn
+moederlijk erfdeel, een bagatel van een paar duizend gulden, weldra
+versmolten; zijn zwalken in Amerika, waar hij beurtelings boerenknecht,
+kellner in een hotel en figurant aan een theâter was geweest; zijne
+terugreis naar Europa op een steamer, waar hij zijn overtocht met
+diensten van allerlei aard had betaald en nu: zijn eersten dag in
+Londen, zonder een cent. Hij had zich uit brieven, dagteekenende van een
+paar jaar geleden, het adres van Westhove in Londen herinnerd en
+aanstonds White-Rose opgezocht, vreezende, dat Frank in dien tijd wel
+vier-, vijfmaal verhuisd kon zijn, zonder een spoor te hebben
+achtergelaten ... O, zijn angst, dien nacht, wachtende in den wind,
+terwijl het donkerder en donkerder werd; de duisternis alleen verlicht
+door de spookachtige blankheid der doodstille sneeuw! En nu, die warmte,
+een dak, een souper! En nogmaals bedankte hij, zich klein makend,
+ineenschrompelend in zijn versleten kleêren:
+
+--Dank u, dank u....
+
+Annie, mopperend over die drukte in den nacht voor zoo een vagebond,
+dien meneer van de straat opraapte, had de logeerkamer gereed gemaakt.
+En Frank leidde hem naar boven, getroffen door zijn vermoeid uiterlijk,
+grijs van bleekte. Hij klopte hem op den schouder, beloofde hem te
+zullen helpen, maar nu moest hij naar bed gaan: morgen zouden zij wel
+verder zien.
+
+Toen Bertie alleen was, keek hij aandachtig om zich rond. De kamer was
+zeer comfortabel, het bed breed, zacht en warm. Hij voelde zich vies en
+goor in die omgeving, vol gemakken en onbezorgdheid en in een aangeboren
+drang tot keurigheid en reinheid begon hij zich, hoewel hij rilde van de
+koude, eerst, lang en zorgvuldig, te wasschen, te reinigen, te poetsen,
+te wrijven, tot zijn lichaam rozig gloeide, geheel geparfumeerd met een
+aroom van zeepschuim. Hij zag in den spiegel en betreurde het, dat hij
+geen scheermes had: anders had hij zich geschoren. Eindelijk, gehuld in
+het nachtgoed, dat daar gereed lag, kroop hij in bed, tusschen de wol.
+Hij sliep niet dadelijk in, genietende van zijn bien-être, van zijn
+eigen reinheid, de blankheid der lakens, de frissche warmte der dekens,
+van het nachtlichtje, dat bescheiden schemerde door zijn groen gordijn.
+In zijne oogen begon een glimlach te tintelen, om zijn mond ook. En hij
+sliep in, zonder te denken aan morgen, rustig in de zorgeloosheid van
+het heden en de warmte van zijn bed, bijna leêg van hoofd, alleen met
+dit enkele, kleine gedachtetje: dat Frank toch een goede jongen was!
+
+
+II.
+
+Het vroor den volgenden morgen; de sneeuw glinsterde kristalachtig hard.
+Zij hadden ontbeten en Bertie vertelde van zijne ongelukken in Amerika.
+Hij had zich door Franks barbier laten knippen en scheren en hij droeg
+kleêren van Frank, die hem wijd als zakken waren; een paar pantoffels,
+waarin zijne voeten dansten. Hij begon zich reeds minder vreemd te
+voelen en koesterde zich als eene kat, die een goed plekje gevonden
+heeft. Hij lag gemakkelijk in zijn stoel, rookte behagelijk, noemde
+Frank, op diens verzoek, jij en jou, en zijne stem klonk zacht smeltend,
+met een klankje van prettige vroolijkheid, iets als gedempt goud. Frank
+had schik in hem en liet hem vertellen en hij deed het eenvoudig weg,
+ronder te blageeren op zijne ellende; alles was geweest zooals het had
+moeten zijn, het had niet anders gekund. Hij was nu eenmaal geen
+troetelkindje van het lot, dat was alles. En hij was taai; een ander
+had het niet uitgehouden, wat hij meegemaakt had....
+
+Frank zag hem met verbazing aan; Bertie was zoo fijn, zoo bleek, zoo
+tenger, bijna zonder volle mannelijke ontwikkeling; hij verzonk in de
+groteske plooien van Franks jas en broek; hij was een jongen, vergeleken
+bij hemzelven, zoo groot en vierkant! En hij had dagen van honger,
+nachten zonder dak gekend; eene armoede, die Frank, goed doorvoed,
+glanzend van eene bloedrijke gezondheid, onuithoudbaar voorkwam; en hij
+sprak er zoo kalm, bijna schertsend over, zonder te klagen, alleen met
+leedwezen zijne mooie handen bekijkend, die mager waren, paars van
+jeukenden winter, met bloedige kloven op de knokkels. Voor het oogenblik
+schenen die handen zijn eenig verdriet te zijn. Eigenlijk toch een
+gelukkig karakter, dacht Frank, terwijl hij hem voor den gek hield, met
+zijne handen. Maar Bertie zelf schrikte van zijne zorgeloosheid, want
+hij riep eenklaps uit:
+
+--Maar wat zal ik nu doen ...wat zal ik doen!
+
+Hij zag voor zich uit, radeloos, wanhopig, zijne handen wringend. Frank
+schertste die wanhoop weg, schonk hem nog eens een glas sherry in en
+vertelde hem, dat hij vooreerst maar bij hem moest blijven, om te
+bekomen. Hij zoû het zelfs ontzettend gezellig vinden als Bertie een
+paar weken bleef; hij verveelde zich een beetje met zijn rijke
+jongmensch-leven; hij was in een kring van jongelui, die veel uitgingen,
+veel pierewaaiden en het verveelde hem, dat alles; diners en bals in de
+wereld en soupers en orgies in de halve wereld. Altijd hetzelfde: een
+leven als een montagne russe, der op, der af, der op, der af, zonder dat
+je een oogenblik behoefde te denken; een bestaan, dat voor je gemaakt
+werd in plaats, dat je het je zelven maakte. Voor het oogenblik had hij
+nu een doel: Bertie; hij zoû hem helpen, na een paar weken rust eene
+betrekking of zoo iets voor hem zoeken, maar vooreerst moest hij zich nu
+maar geen zwaar hoofd maken. Hij was blij, dat hij zijn vriend weêr eens
+bij zich had. De herinneringen wolkten bij hem op als ijle
+tooverbeelden, vaalkleurig en sympathiek: herinneringen uit zijn
+schooltijd, kwâjongensstreken, zwerftochten, bakkeleipartijen in de
+duinen bij Den Haag: herinnerde Bertie zich? Frank zag den kleinen
+mageren jongen nog voor zich, getreiterd door groote lummels, beschermd
+door hem, Frank, wiens vuisten er op neêr beukten, ter wille van zijn
+vriendje. En later hun studententijd te Delft: Bertie gesjeesd, in eens
+verdwenen, zonder een spoor na te laten, zelfs niet voor Frank; daarna
+wat correspondentie, te hooi en te gras; eindelijk jaren van niets. O,
+hij was blij zijn vriend nu weêr eens bij zich te hebben; véel had hij
+altijd van Bertie gehouden, juist, omdat Bertie zoo geheel anders was
+dan hij, met iets als een poes; verzot op gemak en koestering en nu en
+dan hevig aangedrongen om weg te loopen over daken en goten, zich te
+bezoedelen met modder, zich te wentelen in vuiligheid, om daarna terug
+te komen om zich te warmen en te lekken. Hij hield van zijn vriend als
+van een tweelingbroeder, die geheel verschillend zoû zijn, ingepalmd
+door Bertie's nonchalante, zacht-egoïstische innemendheid: eene echte
+poesennatuur!
+
+Bertie vond het dien dag eene groote weelde thuis te blijven, zittende
+bij den haard, dien hij hoog deed opvlammen met blok op blok. Frank had
+heerlijken witten port en ze bleven na het lunch zitten lummelen,
+borrelend en pratend, terwijl Bertie honderd-uit vertelde van Amerika,
+over zijn broer, zijn hôtel, zijn theâter en de eene anecdote aan de
+andere schakelde, boeiend door een tikje van ongewonen romantiek. Frank
+gevoelde daarna behoefte aan lucht en wilde naar zijne club gaan, maar
+Bertie bleef zitten: alléén kon hij in lompen loopen, maar met Frank
+zich zelfs niet in deze kleêren vertoonen, Frank zoû thuis komen
+dineeren om acht uur. En eensklaps, als in eene bliksemsnel invallende
+gedachte, smeekte Bertie:
+
+--Spreek niet over me met je vrienden ... Het is niet noodig, dat ze
+weten, dat je zoo een slecht sujet als ik ben, kent ... Beloof je het
+me?
+
+Frank beloofde het lachend, en het slechte sujet sprak, hem zijne handen
+reikend:
+
+--Hoe vergoed ik je wat je voor me doet! Wat een geluk, dat ik je
+ontmoet heb! Je bent de edelste kerel, dien ik ken ...
+
+Frank onttrok zich aan die dankbetuigingen en Bertie bleef alleen, voor
+de kachel gezeten, stokend tot zijn lichaam geheel en al gloeide, zich
+roosterend met de voeten op den nikkelen rand. Hij schonk zich nog eens
+een glas port in en dwong zich aan niets te denken, zich wentelend in
+het genot zijner luiheid en aandachtig bezag hij zijne gebersten
+handen, en hij vroeg zich af of ze spoedig genezen zouden zijn.
+
+
+III.
+
+Eene maand had Bertie op White-Rose doorgebracht en hij was nu
+nauwelijks te herkennen in den jongen man, die, onberispelijk in zijn
+fijnen pels, met zijn nieuwmodischen hoogen hoed naast Frank zat in eene
+open victoria, beiden bedolven onder een zwaren, bonten plaid. Hij
+bewoog zich thans met groot gemak onder Franks kennissen, gekleed als
+een dandy, innemend en minzaam, zijn Engelsch lispelend met een gemaakt
+accent, dat hij voornaam vond. Hij dineerde met Frank iederen dag in
+Franks club, waarin hij geïntroduceerd was, proefde met het
+geblazeerdste gezicht ter wereld fazanten en fijnen wijn en rookte
+havanna's van twee shilling alsof het strootjes waren. Frank had
+inwendig den grootsten schik in hem en zag hem, met een glimlach vol
+heimelijk vermaak, kalm zijn gang gaan, pratende met jongelui van de
+wereld zonder zich een oogenblik uit het veld te laten slaan; en Frank
+vond die comedie zoo amusant, dat hij hem, overal waar hij kwam,
+presenteerde.
+
+De winter verzachtte zich tot eene mistige lente, de season kwam en
+Bertie scheen het zeer aangenaam te vinden afternoon-tea's en at-home's
+bij te wonen; aan een groot diner tusschen twee paar mooie schouders te
+flirten, nooit verblind door de tinteling der juweelen en nooit bedwelmd
+door de tinteling der champagne; in een fauteuil der dress-circle
+kwijnend achteruit te leunen, terwijl zijn fijn gelaat zeer
+gedistingeerd rustte op zijn hoogen glanzenden boord, zijn wit boeketje
+geurde in zijn knoopsgat en zijn binocle tusschen zijne, nu genezen,
+vingers draaide, als was geene dier dames de moeite waard door hèm
+betuurd te worden. Frank zelf, uit gebrek aan werkzaamheid, had als
+iemand, die zijn vermaak neemt, waar hij het vindt, Bertie in dit leven
+vooruit geduwd, niet alleen om hem te helpen, maar ook voor de pret: een
+dol amusement, om al die menschen voor den gek te houden! Bertie had
+vele scrupules en noteerde, in een zakboekje, trouw elke penny, die
+Frank voor hem uitgaf--in betere tijden zoû hij dat alles teruggeven--en
+het lijstje bedroeg in die twee weken een paar honderd pond. Ook thuis
+vond Frank hem een eenig amusement: Bertie, die met een paar lieve
+woordjes Annie en haar man, Franks oppasser en butler, voor zich had
+weten te winnen, gooide alle meubels dwars door elkaâr in eene grillige
+wanorde, kocht beelden, groote palmen en Oostersche stoffen en herschiep
+de ongezelligheid van vroeger tot een artistiek comfort, dat tot luizijn
+uitnoodde: een half donker licht, ruime divans; de, met Egyptische
+pastilles en fijne cigaretten doorgeurde, atmosfeer van een alkoof,
+waarin alle gedachte wegdommelde en het oog half geloken bleef hangen
+aan de naakte vormen der beelden, opbronzend onder het groen der
+planten. Des avonds waren het daar festijnen, orgieën met enkele
+uitverkoren vrienden en enkele uitverkoren schoonen: twee dames van een
+skating-rink en eene figurante van een theâter, die met hare
+vermillioenen lipjes genoeglijk rookten en dronken op Bertie's
+gezondheid. Frank amuseerde zich als een koning om Bertie, die, in eene
+diepe minachting voor het vrouwlijk geslacht, ongevoelig voor haar
+drieër bevalligheden, ze voor den gek hield, ze plaagde, ze tegen elkaar
+ophitste, tot zij elkaâr bijna de oogen uitkrabden, ze ten slotte
+champagne goot in heur gedecolleteerde lijfjes.
+
+Neen, nog nooit had Frank zich zoo geamuseerd gedurende zijn lang
+verblijf te Londen, waar hij als ingenieur zich gevestigd had, om
+zoogenaamd eene kosmopolitische tint aan zijne kennis te geven.
+
+Hij was in-en ingoed, te doorvoed om veel te denken; hij had van alles
+genoten en gaf niets om het leven, dat maar eene comedie was, die
+gemiddeld zes en dertig jaren duurde, volgens de statistiek. Hij maakte
+enkele pretenties op eene filosofische levensbeschouwing, maar eigenlijk
+bestond deze in een uit-den-weg ruimen van alles wat niet amusant was.
+Nu, Bertie wàs amusant, niet alleen om zijne grappen met die
+vrouwen--wreed spel als van een panter--maar vooral om de klucht, die
+hij in Franks wereld speelde, dat zich voordoen als een high-lifer: een
+vagebond, die eene maand geleden in lompen op straat had staan bibberen!
+Het was een geheim vermaak van elk oogenblik en hij gaf Bertie geheel en
+al carte blanche om zijne rol vol te houden: eene carte blanche weldra
+ingevuld door groote rekeningen van tailleurs, want Bertie kleedde zich
+met geraffineerde ijdelheid, kocht dassen bij dozijnen, nam ieder
+boordje dat in de mode kwam, nu recht, dan met een puntje zoo, dan met
+een puntje zus, en wiesch zich met al de watertjes van Rimmel. Het was
+of hij zich dompelen wilde in al de verfijndheid van een fat, na goor
+geweest te zijn als een voddenraper. En noteerde hij eerst in zijn
+zakboekje al deze mirobolante uitgaven, weldra vergat hij een post,
+daarna nog een en eindelijk, omdat zijn potlood weg was, vergat hij
+alles!
+
+Zoo verliepen er weken en Frank dacht er niet aan moeite te doen bij
+zijne invloedrijke kennissen om Bertie aan eene betrekking te helpen.
+Hun leven van rijk niets doen vulde geheel hunne gedachte, ten minste
+die van Frank, en het had nieuwe bekoring voor Frank gekregen om Bertie.
+Toen gebeurde er eensklaps iets zonderlings. Bertie was des morgens
+alleen uitgegaan en verscheen niet aan het lunch. Wie er des middags in
+de club was, Bertie niet. Ook niet aan het diner. Des avonds kwam hij
+niet thuis, hij had ook geen woord achtergelaten. Frank, zeer ongerust,
+bleef den halven nacht op: niemand. Twee dagen gingen voorbij: niemand.
+Frank vroeg hier, onderzocht daar, gaf eindelijk bij de politie aan.
+
+Ten laatste, op een morgen,--Frank was nog niet opgestaan--verscheen
+Bertie voor zijn bed, met een glimlach van verontschuldiging: Frank
+moest het hem toch niet kwalijk nemen; hij was toch niet ongerust
+geweest? Zie je, dat leven van altijd zoo netjes te zijn, had hem op
+eens verveeld. Altijd die mooie dames met slepen en diamanten, en
+altijd die clubs vol lords en baronets, en dan die skating-rinkjes, die
+óok al altijd zoo fatsoenlijk waren!... En dan altijd een hooge hoed, en
+'s avonds altijd een rok met eene bloem! Het was criant! Hij had het
+niet uitgehouden, hij was er eens van door geweest ...
+
+--Maar waar heb je dan gezeten? vroeg Frank, ontzet van verbazing.
+
+--O, nu eens hier en dan eens daar! Bij oude kennissen. Ik ben niet uit
+Londen geweest ...
+
+--En je kende hier niemand?
+
+--O jawel, zoo geen fashionable menschen, weet je, zooals jij ... Maar
+wel zoo ratje-toe ... Je bent toch niet boos op me?
+
+Frank had zich half opgericht om hem op te nemen.
+
+Hij zag er bleek, vermoeid en verwaarloosd uit. Zijne broek was van
+onderen met eene dikke laag modder bedekt, zijn hoed gedeukt; zijne
+overjas had een winkelhaak. En hij stond daar schijnbaar verlegen als
+een jongen, met zijn ondeugenden, inpalmenden glimlach.
+
+--Kom, wees maar niet boos ... Neem je me in genade aan?
+
+Dat was Frank te sterk: hij proestte het uit, uitgelaten dol! Die
+Bertie, wat een canaille!
+
+--Maar waar heb je dan toch gezeten? vroeg hij nogmaals.
+
+--O nu eens hier, en dan eens daar ...
+
+Verder kwam hij niet; Bertie vertelde niet meer dan hij kwijt wilde
+zijn. En hij was wat moê, nij ging naar bed. Hij sliep tot drie uur toe.
+Frank had er den heelen dag pret van, en ook Bertie had later dolle
+pret, toen hij van de politie hoorde. Des middags, in de club aan tafel,
+vertelde hij met een treurig gelegenheidsgezicht, dat hij voor een paar
+dagen uit de stad was geweest, om een sterfgeval. Frank had zijn briefje
+door een nonchalance van den knecht niet gekregen.
+
+--Maar waar heb je dan toch gezeten?!! fluisterde Frank hem in,
+onbedwingbaar vroolijk en nieuwsgierig, ten derden male.
+
+--Ach, ik zeg je: nu eens hier en dan eens daar! antwoordde Bertie, met
+het eenvoudigste gezicht ter wereld en op nieuw netjes, zeer zorgvuldig,
+de pink in de lucht, slurpte hij zijn zestal oesters naar binnen, zonder
+een woord meer over de zaak.
+
+
+IV.
+
+De season ging voorbij en Bertie bleef. Dikwijls sprak hij er over, naar
+Holland te gaan: hij had in Amsterdam een oom, die makelaar was:
+misschien, dat oom ... Maar Frank wilde er niets van hooren, en als
+Bertie gewetenswroegingen had, dat hij zoo klap liep, praatte Frank die
+weg. Wat kwam er dat op aan; als Bertie fortuin had gehad en hij niet,
+had Bertie immers ook zoo gehandeld: zij waren immers vrienden! De
+juiste waardeering der feiten begon voor zijne oogen te schemeren in
+den, nu vastgestelden loop van hun leven. Franks zedelijk gevoel
+dommelde in sluimering in de weekheid hunner luxueuze gemakkelijkheid.
+Wel had Frank nu en dan iets als een vaag vermoeden, dat hij niet rijk
+genoeg was voor twee, dat hij de laatste maanden viermaal meer verteerd
+had dan andere seasons, maar hij was te zorgeloos om lang bij zulke
+bezwaren stil te staan. Daarbij was hij aan Bertie verslaafd geworden
+als aan opium of morfine. Bertie was hem noodig geworden om te leven; in
+alles vroeg hij den raad van zijn vriend, in alles liet hij zich door
+dezen leiden, geheel en al onder de bekoring van het zedelijk overwicht,
+waarmede dit fijne, tengere mannetje met zijne fulpen kattenzachtheid
+hem dwong als onder een juk. Nu en dan, weldra bijna geregeld om de
+veertien dagen, verdween Bertie, bleef vier, vijf dagen weg en kwam op
+een goeden morgen terug, inpalmend lachend, moê, bleek en verloopen. Het
+waren misschien geheime uitspattingen, wellicht mysterieuze omdolingen
+in de vunze krotten der gemeenste buurten van Londen, waarvan Frank
+nooit het rechte hoorde of begreep: eene verdorvenheid, waartoe Frank te
+netjes en te fatsoenlijk scheen, om over ingelicht te worden; eene
+zonde, waarin hij niet mocht deelen en die Bertie, in een verfijnd
+egoïsme, voor zichzelven hield, als een lekker beetje. Frank gevoelde
+zich die dagen vol van eene walging des levens, als miste hij den
+ongezonden prikkel zijns bestaans; zijne eenzaamheid vulde zich met eene
+grauwe melancholie en ongelukkig tot wanhoop toe, verkwistte hij zijne
+dagen thuis, ongeschikt tot iets, zich ergerend in zijn doodsch
+interieur, waar alles,--de val der rijke draperieën, het bronze naakt
+der beelden, de slordig neêrgesmeten kussens der divans--als een
+eigenaardigen geur van Bertie had behouden, die hem pijnlijk plaagde. In
+zulke dagen gevoelde hij de lafheid van zijn leven, de walgelijke
+onbeduidendheid van zijn zenuwloos leêg bestaan, nutteloos, doelloos,
+niets! Droevig zoete mijmeringen overstelpten hem, heugenissen uit zijn
+ouderlijk huis, door het tooverglas der herinnering schemerend als
+tafereelen van teedere huislijke harmonie, waarin de gestalten van zijn
+vader en zijne moeder, verheerlijkt in kinderliefde, groot en edel
+opblonken. Hij verlangde naar iets onzegbaar ideaals, iets reins en
+zuivers, een groot doel! Hij zoû zich schudden uit zijn zieleslaap, hij
+zoû Bertie wegzenden.... Maar Bertie kwam terug en Bertie omstrikte hem
+weêr met zijne fluweelen banden en hij zag het steeds duidelijker in:
+hij kon niet meer buiten Bertie. Dan zich in een spiegel ziende, groot
+en stevig gebouwd en gezond, het rijke bloed tintelend onder zijn
+gelaatskleur, moest hij glimlachen om de dwaze hersenschimmen zijner
+eenzaamheid en kwamen zij hem van eene ziekelijkheid voor, die niet te
+rijmen was met zijne sanguinische kracht. Het leven was eene comedie en
+het beste was zijn leven als eene comedie te spelen, in louter genot der
+zinnen; verder was er niets de moeite waard ... En toch, soms, na
+nachten als bacchanaliën, vervulde hem, in de matheid van zijn groot
+lichaam, eene nijpende mismoedigheid, die met zulke filosofie der
+lichtzinnigheid niet te bekampen was en Bertie zelf moest zedepreeken:
+waarom zocht Frank niet eene bezigheid, een werkkring; waarom ging Frank
+niet een beetje reizen ...
+
+--Waarom ga je niet eens naar Noorwegen?
+vroeg Bertie, die maar wat opnoemde.
+
+Londen begon Bertie onuitstaanbaar te worden en daar het denkbeeld van
+reizen Frank toelachte, zoowel om de verandering als om de economie--zij
+zouden in het buitenland eenvoudiger kunnen leven dan in dit
+metropolitaansche high-life-gewoel,--dacht hij er eens over na en kwam
+tot het besluit, dat hij goed zoû doen White-Rose voor onbepaalden tijd
+aan de zorg van Annie en haren man over te laten en eenige weken in
+Noorwegen door te brengen. Bertie zoû hem vergezellen.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II.
+
+
+I.
+
+Na de table-d'hôte in het Brittania-Hotel te Drontheim, gingen de
+vrienden door de breede, stille straten, met hare lage, houten huizen,
+de stad uit in de richting van den Gjeitfjeld, toen zij in de voorstad
+Ihlen een ouden heer inhaalden, die, van een jong meisje vergezeld,
+blijkbaar dezelfde wandeling meende te maken. Aan de table-d'hôte hadden
+zij eenige plaatsen van elkaâr afgezeten en daar deze zweem van
+bekendheid op den eenzamen weg een groet billijkten, namen Frank en
+Bertie hunne hoeden af. De oude heer, in het Engelsch, vroeg hun haastig
+of zij den weg wisten naar den Gjeitfjeld: hij was het met zijne
+dochter, die halsstarrig bij de uitspraak van haar Baedeker bleef, niet
+eens. Een gesprek vloeide uit dit verschil van meening; de beide
+jongelui vroegen verlof zich te mogen aansluiten: Frank meende dat
+Baedeker gelijk had.
+
+--Papa vertrouwt nooit op Baedeker! sprak het jonge meisje met een
+rustigen glimlach, terwijl zij haar roode deeltje, waarin zij den weg
+had gezocht, sloot. En papa wil me nooit gelooven, als ik zeg, dat ik
+er hem wel brengen zal....
+
+--Is u altijd zoo zeker van uw weg? vroeg Frank schertsend.
+
+--Altijd, sprak ze overmoedig, met een helder lachje.
+
+Bertie vroeg naar den duur van de wandeling en wat men er zien zoû; dat
+eeuwige wandelen van Frank kwam hem zeer vermoeiend voor! Hij had zich
+gedurende zijn verblijf bij Frank zoo vertroeteld om zijne vorige
+ellende te vergeten, dat hij nu geen grooter genot kende dan met een
+cigarette of een glas port op eene bank te liggen, en zich vooràl niet
+te vermoeien. Maar nu, in den vreemde.... op reis kon men toch niet
+altijd in zijn hotel blijven soezen; daarbij: van rijden in karriolen
+werd hij stijf; eigenlijk was het allemachtig dwaas zich zoo noodeloos
+te verplaatsen, en White-Rose nog zoo kwaad niet! Frank echter genoot
+volop van de ijle, opstijvende lucht van dien zuiveren zomermiddag en
+hij dronk den zachten zonneschijn, als waren die gouden wijn, gekoeld
+door een frisschen bergwind: zijn stap was elastisch, zijne stem
+vroolijk.
+
+--Is u een Engelschman? vroeg de oude heer.
+
+Frank vertelde, dat zij Hollanders waren, dat zij in Londen woonden en
+hun gesprek klonk dadelijk in dien gulgauwen toon, dien men tegen
+medereizigers, als lotgenooten, bezigt, wanneer het weêr helder is en
+het landschap mooi. Opgewekt hunne bewondering over Noorwegens natuur
+elkaar mededeelend, gingen zij naast elkander voort: de oude heer kras
+meêstijgend, het jonge meisje zeer recht, met haar fier figuurtje, dat
+zich modelleerde in haar eenvoudig, glad, blauw lakensch toilet, waaraan
+de pelerine, met verschillende neêrslagen, eene pittigheid van sport
+gaf: iets van een jolig koetsiertje; terwijl het blauw jockeypetje
+jongensachtig luchtig stond op heur dik opgewrongen, rossig gouden haar.
+Bertie alleen begreep niet, dat dit alles nu plezier heette, maar hij
+klaagde niet; hij sprak weinig, het niet noodig oordeelend zich
+aangenaam te maken bij die menschen, die zij morgen denkelijk al uit het
+oog zouden verloren hebben. Hij sleepte zich dus meê, verwonderd, dat
+Frank aanstonds in een levendig gesprek met het jonge meisje was, en
+eensklaps duidelijk inziende, dat zijne eigene gemakkelijkheid en tact
+slechts vernis waren, bij Franks innigere beschaving. Hij voelde zich,
+niettegenstaande zijn fijn gezicht, zijn elegant reiskostuum, op eens
+zóó de mindere van Frank, dat eene ergernis, zweem van haat, hem
+doortrilde; en die minderheid niet kunnende uitstaan, voegde hij zich
+aan de zijde van den ouden heer en dwong zich tot eene respectueuze
+beminlijkheid. Bij het kronkelen van den, zich versmallenden, weg
+geraakten zij een weinig achter bij het jonge meisje en Frank, en zij
+bleven zoo voortklimmen, twee aan twee.
+
+--U woont in Londen? Hoe is uw naam? vroeg het jonge meisje, kalm
+vrijmoedig.
+
+--Frank Westhove....
+
+--Ik heet Eve Rhodes; mijn vader is Sir Archibald Rhodes van
+Rhodes-Grove. En uw vriend?
+
+--Hij heet Robert van Maeren.
+
+--Ik hoû meer van den klank van uw naam; ik geloof, dat ik hem op zijn
+Engelsch kan uitspreken; hoe zei u ook weêr?
+
+Hij herhaalde zijn naam, en zij sprak dien daarna uit, met haar Engelsch
+mondje. Het was een spel, zij lachten er om: Frànk, Frank Westhove....
+Maar zij zagen om.
+
+--Is u moê, papa? riep Eve.
+
+De oude heer werkte zich mopperend met zijne breede schouders de hoogte
+in; zijn gelaat was rood onder zijn, achterop gezette, geruiten reispet,
+en hij blies als een triton. Bertie poogde lieftallig te glimlachen,
+innerlijk in hooge mate woedend over die onzinnige stijgpartij. Het
+duurde nog een half uur, toen zij op het smalle paadje, dat als een
+grijze arabesk den berg overkronkelde, bleven stil staan en zich
+neêrzetten op een rotsblok, om te rusten.
+
+Eve was een en al verrukking. In de diepte rustte Drontheim met zijne
+houten huizen, omcirkeld door zijn staalkleurigen Nid en zijn fjord, een
+tooverspiegel, waarop krijtwit, het fort Munkenholm dreef. Op de bergen
+blauwde het: dichtbij het wazige, donkerviolette blauw van druiven, dan
+het stoffige blauw van fluweel, verderop het kristallige, doorglanzige
+blauw van saffier, eindelijk het bleeke hemelblauw van turkoois. Het
+water was blauw als een blauw zilver, de lucht--blauw als parelen en
+parelmoêr. De zon scheen overal zacht egaal, zonder gloed en zonder
+schaduw, recht uit de hoogte.
+
+--Het is bijna Italië! sprak Eve opgetogen. En dit is nu toch
+Noorwegen! Ik stelde me Noorwegen altijd geheel en al voor, als het
+Romsdal is, woest met ruwe gebergten als den Romsdalhorn en den
+Trolltinder en met woedende watervallen als de Sletta-fos, en dit is zoo
+allerliefst, zoo zacht met al dat blauw! Ik zoû hier op dit punt wel een
+kasteel willen bouwen en hier blijven wonen, en dan zoû ik mijn kasteel
+Eve-Bower noemen en een heele boel witte duiven houden; die zouden zoo
+aardig vliegen in die blauwe lucht....
+
+--Lieve meid! lachte Sir Rhodes. 's Winters zal het hier wel anders
+zijn.
+
+--Nu goed, anders maar toch mooi. 's Winters hoû ik ook dol van woeste
+stormen en het fjord hier zoû bruisen, onder aan mijn kasteel en er
+zouden grijze nevels hangen over die bergen daar! Ik zie het al!
+
+--Kom, je zoû bevriezen! sprak papa nuchter tegen.
+
+--Wel neen, ik zou voor een groot torenraam zitten mijmeren met Dante of
+met Spencer.... Houdt u van Dante en van Edmund Spencer?
+
+Het laatste was gericht tegen Frank, die beteuterd naar Eve's extaze had
+geluisterd en die nu wat schrikte; ja, ziet u, Dante kende hij bij naam,
+maar van dien Spencer had hij zelfs nooit gehoord, nog wel van
+Herbert....
+
+Wat, kende hij Edmund Spencer niet? Una en de Redcrossknight niet en
+Britomartisch niet, hoe was het mogelijk?
+
+--Lieve meid, wat dweep je toch met die dwaze allegorieën! sprak papa.
+
+--Ze zijn prachtig, papa! ging Eve beslist voort. En dan, ik laat de
+allegorie voor wat ze is en bewonder alleen de poëzie er van.
+
+--Opgesmukte taal ... je verdrinkt onder de beelden.
+
+--Dat is de kleur van de Renaissance, wierp Eve tegen. In Elizabeths
+tijd spraken ze allemaal aan het hof zoo precieus ... En Spencers
+beelden zijn prachtig, ze schitteren als juweelen ...
+
+Bertie meende, dat het gesprek zeer geleerd werd, maar hield zijne
+gedachte voor zich en zeide iets, over de Hel van Dante. Zij waren
+uitgerust en gingen nu verder, den berg op.
+
+--Mijne dochter is zoo half en half eene esthetische, sprak de oude heer
+schertsend tot Frank.
+
+Eve lachte heel helder.
+
+--Ach, het is niet waar, papa. Geloof het toch niet, mr ... mr.
+Westhòve, weet u, hoe papa daaraan komt? Een paar jaar geleden, toen ik
+pas van kostschool kwam, ben ik met een paar vriendinnen heel dwaas
+geweest, een tijdje lang. We friseerden ons haar tot ragebollen,
+kleedden ons in slappe gewaden van damast en brokaat met kolossale
+pofmouwen en zaten bij elkaar dwaasheden te debiteeren over kunst. We
+hielden dan eene zonnebloem of een pauweveêr heel gracieus in onze
+blanke vingertjes en waren allerdolst ... Daarom zegt papa dat. Maar nu
+ben ik heusch zoo dwaas niet meer: ik hoû alleen veel van lezen en is
+dat nu zoo "esthetisch"?
+
+En glimlachend zag zij Frank met hare vrijmoedige, heldergrijze oogen
+aan en haar flink, beslist stemmetje klonk als eene apologie, als vroeg
+zij vergeving voor hare geleerdheid van zooeven. Hij begreep er uit,
+dat er niets van eene blauwkous in haar stak, al scheen dit ook om hare
+deftigheid van zooeven, en hij was zeer verstoord op zichzelven, dat hij
+had moeten bekennen niets van Spencer te weten; wat zou zij hem dom
+vinden!
+
+Maar het was een oogenblik, waarop de bekoorlijkheid hunner omgeving hen
+zoo omtooverde, alsof zij zich in een magnetischen cirkel van sympathie
+bewogen, waarin vreemde wetten die der gewone natuur overheerschten,
+iets electrisch snels en etherisch luchtigs ...
+
+Bij het bestijgen van het kronkelend bergpad, bij het zich doortocht
+banen tusschen de lage kreupelsparren, waarvan het loover in de zon
+glinsterde als verlakte, groene naalden; bij het inademen dier ijle,
+bedwelmende lucht, droomde Frank zich, dat hij haar lang kende, dat hij
+járen geleden haar voor het eerst aan een table-d'hôte gezien had, te
+Drontheim ... Sir Archibald en Bertie, achter hem, waren ver weg, op
+mijlen afstands, louter herinnering ... Eve's stem huwde zich aan de
+zijne in eene harmonie van klank, als ware hun telkens hortend gesprek
+over wat kunst en letterkunde een tweestemmig lied, dat zij beiden
+zuiver zongen, en Frank erkende vrijmoedig, dat hij weinig las en, wat
+hij gelezen had, zich nauwlijks heugde. Zij beknorde hem schertsend en
+haar helder klinkend geluid verschrikte telkens een vogel, die uit het
+hout wegwiekte. Hij voelde iets in zich vernieuwen en gezond worden, en
+hij had zijne armen willen openbreiden om de lucht te omhelzen!
+
+
+II.
+
+Dien avond, teruggekomen van hunne wandeling, na het souper, onder een
+kop koffie, in den tuin van het hôtel, bespraken zij hunne reisplannen.
+
+--Wij gaan naar Molde! zeide Sir Archibald.
+
+--O, wij ook! sprak Frank.
+
+De oude heer hoopte, dat de jongelui zijne dochter en hem verder zouden
+gezelschap houden. Frank viel zeer in zijn smaak en ook Bertie vond hij
+gentlemanlike en onderhoudend: Bertie had veel van Amerika verteld, want
+hij verheelde niet zijn farmersleven in the Far West, hoewel hij het een
+weinig idealizeerde en steeds van "zijn farm" sprak. Frank logenstrafte
+hem nooit.
+
+Nog twee dagen te Drontheim en zij waren geheel en al goede vrienden,
+met die vertrouwlijke intimiteit, welke op reis, vrij van etiquette,
+soms met een tooverslag ontstaat; zonder eenige kennis van elkanders
+karakter, slechts ontspruitend uit een klein beetje onderlinge sympathie
+en wat toeschietelijkheid: een oppervlakkig gevoel van tijdelijke
+bekoring, die de leêgte om een reiziger vult. De dag op zee met den
+stoomer naar Molde was als een pleiziertochtje, niettegenstaande den
+regen, die hen van boven wegjoeg en, onder een glas champagne, Eve met
+hare drie heeren in de kajuit een whistje deed slaan.
+
+Maar daarna, in wat doorbrekend, bleek licht, de eindelooze wandeling op
+het natte dek, steeds op en neêr. De lage rotsen trokken aan weêrszijden
+langzaam voorbij, telkens van lijnen veranderend, nu op elkaâr
+sluitend, dan zich openend, mossig bruin dichtbij en verderop zich
+vergrijzend met flets-roze en flauw-paarse tintspelingen. Na
+Christiansand weken ze en de, nu hooger op dansende oceaan bloedde in
+eene glorie der zinkende zon, rood en kogelrond aan de kim. Iedere golf
+had daar een kam van rood schuim, als stond er de zee in een brand van
+rood. Terwijl zij wandelden, op en neêr, lachten Frank en Eve om hunne
+roode gezichten, twee pioenen gelijk, twee vroolijke maskers, gefardeerd
+met dat rood van de zon, als grimassen van clowns.
+
+In den nacht kwamen zij te Molde aan en zij zagen het niet, het mooie
+fjord. Maar den volgenden morgen, daar lag het vóór hen, lang en rank,
+met een snoer van, aan de toppen besneeuwde, bergen: een gedicht van
+bergen, een zang van bergen, rein, edel, mooi, streng, verheven, zonder
+eenig schril effect. De lucht er boven was stil grijs, als een kalme
+weemoed, en de rust van geheel die atmosfeer klonk als een emotieloos
+andante.
+
+
+III.
+
+Toen de oude heer den volgenden morgen eene wandeling naar Moldehoï
+voorstelde, beweerde Bertie wat moê te zijn en zich niet wel te voelen
+en vroeg vergunning thuis te blijven. De waarheid was, dat het weêr hem
+niet uitlokkend scheen; dat boven den bergenkrans, die het fjord
+afsloot, zwaar grauwe wolken dreven, als laag neêrhangende draperieën
+van regen, die weldra dreigden geheel uit hunne donkere plooien te
+zullen vallen. Eve wilde zich echter niet laten afschrikken door die
+booze luchten; als men op reis was, moest men zich niet door een buitje
+van streek laten brengen. Zij gingen dus met hun drieën op weg, terwijl
+Bertie op zijne verlakte muiltjes in het salon van het Grand-Hôtel
+bleef, met een boek en een borrel.
+
+De weg was modderig, maar zij stapten dapper voort in hunne mackintoshes
+en hunne stevige laarzen. En de regen, die fronsend boven hunne hoofden
+bleef hangen, ontmoedigde hen niet, maar gaf integendeel een zweem van
+romantisch gevaar aan hun tocht, als dreigden zij te zullen vergaan in
+een naderenden zondvloed. Eenmaal van den grooten weg af en langzaam
+stijgende, verloren zij dikwijls het pad, dat in plassen moeras wegzonk,
+of onder, nog van regen druipende, varens en dwars door eene woekering
+van blauwe boschbessen schuil ging. De modder stapten zij op rotsblok na
+rotsblok over, de oude heer zonder hulp, maar Eve met hare hand in die
+van Frank, vreezende voor het uitglijden harer natte zolen op het
+gladde, geelgroene mos. Zij lachte helder, trippelend van steen op
+steen, steeds aan zijne hand, soms eensklaps uitglippend en tegen zijn
+schouder aanvallend, en daarna weêr moedig voortgaande, met zijn dikken
+stok de steenen verkennend. Het scheen haar toe, dat zij niet
+voorzichtig behoefde te zijn, nu hij haar steunde, dat hij haar zoû
+ophouden als ze viel, en ze praatte levendig door, overmoedig bijna
+springend van blok op blok.
+
+--Wat is uw vriend toch voor een man, mr. Westhove? vroeg Eve
+plotseling. Frank schrikte een weinig; inlichtingen omtrent Bertie te
+geven was hem steeds eene zeer onaangename taak, minder om het verleden
+van zijn vriend dan wel om diens heden: zijn rustig klaploopen op hem,
+Frank, die, al was hij ook verslaafd aan zijn Bertie, toch wist, dat dit
+nu eenmaal in de oogen der wereld iets.... vreemds was.
+
+--O, hij is iemand, die veel verdriet heeft gehad, sprak hij vaag en
+ontwijkend, en hij vervolgde:
+
+--Heeft hij een aangenamen indruk op u gemaakt?
+
+Eve lachte even omdat zij bijna voorover in een plas vette modder ware
+gevallen, zoo Frank zijn arm niet in eens stevig om haar middel had
+geslagen....
+
+--Eve, Eve! riep Sir Archibald, hoofdschuddend. Wees toch wat
+voorzichtig!
+
+Maar Eve herstelde zich reeds, met een licht blosje.
+
+--Ja, wat zal ik u zeggen, ging ze door, hun gesprek vervolgend. Als ik
+u geheel en al de waarheid moest zeggen....
+
+--Natuurlijk!
+
+--Ja wel, maar dan zoû u misschien boos worden. Want ik zie wel, dat u
+dol is op uw vriend.
+
+--Houdt u dan niet van hem?
+
+--Wel, als u het dan weten wilt: den eersten dag, dat ik hem leerde
+kennen, vond ik hem onuitstaanbaar. Met u schoten we dadelijk aangenaam
+op, als met een prettigen reiskameraad, maar met hem.... hij heeft
+misschien niet veel gereisd?
+
+--O, ja wel! sprak Frank, die moest
+glimlachen.
+
+--Nu, misschien was hij dan verlegen of linksch. Maar later ben ik wel
+anders gaan denken en nu vind ik hem niet meer onuitstaanbaar....
+
+Het was vreemd, maar Frank gevoelde weinig blijdschap over die
+verandering van gevoelens en hij bleef zwijgen.
+
+--U zei, dat hij veel verdriet heeft gehad? Nu, dat kan men hem ook wel
+aanzien. En dan heeft hij zoo iets zachts, iets teeders zoû ik bijna
+zeggen, zulke zachte, zwarte oogen en zoo een lieve stem. Ziet u, dat
+alles vond ik eerst onuitstaanbaar, maar nu vind ik er zoo iets poëtisch
+in. Hij moet zeker dichter zijn en eene ongelukkige liefde gehad hebben;
+hij kàn geen banaal mensch zijn.
+
+--Neen, dat is hij ook niet! sprak Frank vaag, in eene lichte malaise
+over Eve's extaze, en eene mengeling van jaloezie en treurigheid; iets
+als een afkeer van den schijn der wereld en een doffe ijverzucht op dit
+zacht-poëtische, dat Eve in zijn vriend vond, doorsidderde hem als eene
+huivering. Zijn blik zag even bijna week op naar het mooie jonge meisje,
+dat soms zoo verstandig, soms zoo naïef was; geleerd, waar het hare
+lievelingsliteratuur, onwetend waar het het reëele leven betrof; een dof
+medelijden kwam over hem en de grauwe regenwolken daarboven drukten
+eensklaps met een uitspansel van melancholie op zijn hoofd, als waren
+zij de bedreiging van een onafwendbaar noodlot, dat haar, Eve, zoû
+verpletteren. Onwillekeurig klemden zijne vingers zich vaster om haar
+hand.
+
+--Hier is het pad weêr! riep de oude heer, een twintig passen
+voor hen uit.
+
+--O ja, daar is weêr het pad! Dank u, mr. Westhove, sprak Eve, en zij
+sprong van het laatste steenblok af, doorwaadde de knakkende varens en
+bereikte den weg.
+
+--En daarboven is de hut met den weêrhaan! vervolgde Sir Archibald. Ik
+geloof, dat we een omweg hebben gemaakt. Jullie kakelen ook maar in
+plaats van eens naar het pad te kijken. Je begrijpt, _mijn_ oude oogen
+...
+
+--Maar de tocht over die steenen was heel jolig! lachte Eve.
+
+In de verte, boven hen, zagen zij de hut en den langen stok van den
+weêrhaan en zij gingen nu gemakkelijker voort; hunne voeten verzonken in
+de bloeiende erica, druipend paars en roze, in de boschbessen, wazig
+blauw als heele kleine druifjes. Eve bukte zich en plukte.
+
+--O, wat zijn ze zoet! sprak ze met eene kinderlijke verrassing en ze
+snoepte er van, terwijl hare lippen en hare handen zich blauw vlakten
+met het sap des besjes. Proef eens, mr. Westhove.
+
+Hij proefde ze uit hare kleine, zachte hand, nu bezoedeld als met een
+violet bloed. Het was waar, ze waren heerlijk zoet en zoo groot! En nu
+gingen zij voort, achter Sir Archibald, steeds bukkende, juichend als
+kinderen wanneer ze een heel veldje gevonden hadden, waarop de bessen
+onbezoedeld pronkten als wazige kraaltjes.
+
+--Papa, papa! Proef toch eens! riep Eve opgetogen en verontwaardigd, dat
+papa maar doorliep, maar Sir Archibald was reeds ver uit het gezicht,
+zoodat ze moesten rennen om hem in te halen. Eve schaterend als een
+schelletje en het betreurend, dat ze er zooveel moesten laten staan,
+zulke heerlijke groote!
+
+--Misschien zijn er wel veel bij de hut! troostte Frank.
+
+--Zoû u denken? riep Eve en helder op lachend:
+
+--O, wat zijn we toch kinderen! Wat zijn we toch kinderen!
+
+De weg was breeder geworden, zij stegen dus gemakkelijker de hoogte op,
+dikwijls de kronkeling van het pad verlatend en de rotsen opklauterend
+om er gauwer te zijn. Eensklaps hoorden zij een luid geroep, en zij
+zagen naar boven en bespeurden Sir Archibald staande op de steenmassa,
+waarin de weêrhaan geplant was en wuivende met zijne reispet. Zij repten
+zich en weldra hadden ook zij de hut bereikt. Eve bonsde op de gesloten
+deur.
+
+--De hut is gesloten! riep Sir Archibald.
+
+--Hoe dwaas! sprak Eve. Waarom staat ze er dan, als ze gesloten is! En
+woont er niemand in?
+
+--Wel neen, niemand! sprak Sir Archibald, alsof dit de natuurlijkste
+zaak ter wereld was.
+
+Maar Frank hielp Eve de steenen rondom den weêrhaan beklimmen en zij
+zagen nu uit, naar het panorama beneden hen.
+
+--Het is mooi, maar treurig! sprak Eve.
+
+Het lange fjord lag recht voor hen, als een ranke reep wazig stil water,
+omketend door zijne, in regenmist weggrijzende, bergen. In dien mist
+waren zij als doorschijnend, schimmen van bergen gelijk, vaag van lijn,
+Lauparen en Vengetinder, Troltinder en Romsdalhorn, hoog optreurend in
+de nijdig fronsende lucht, die, door stortregen opgezwollen, vuilzwarte
+wolken langs hunne koppen voortslierde en in het zwijgende water eene
+donkere schaduw neêrsloeg. En de bergen weenden, als ijle roerlooze
+spoken, somber droevig en tragisch onder eene ontzachelijke,
+bovenmenschelijke smart: een leed van reuzen en azen; het fjord, met
+zijn stadje,--wat groezelige vlakjes van dakjes en huizen, en het
+vaalwitte châlet van het Grand-Hôtel--het weende, roerloos onder de
+zwarte afspiegeling van de lucht: eene spectrale kilheid rees uit de kom
+van het fjord op naar die drie menschen in de hoogte, niets, verloren in
+het tastbare waas van den nevel, die zwaar op hunne oogleden zonk. De
+regen viel niet neêr, maar scheen slechts als vocht af te sijpelen uit
+het zwarte floers der wolken, die nog niet scheurden en in het westen
+tusschen twee bergen, die zich openden om een streepje van den oceaan te
+laten doorschemeren, trilde iets bleekgouds en vaalrozigs, nauwelijks
+een paar lijntjes roze en een tikje goud: de aalmoes van een
+zonsondergang....
+
+Zij wisselden nauwelijks één woord, gedrukt door die bovenmenschelijke
+treurigheid, die als mist om hen heen weende. Toen Eve eindelijk sprak,
+scheen haar anders zoo helder geluid als van verre te komen, door een
+gaas.
+
+--Kijk, daar is een beetje zon, over de zee ... Men smacht hier naar de
+zon ... O, ik woû, dat de zon even doorbrak ... Het is hier zoo treurig,
+zoo treurig!.... Wat kan ik me goed Oswalds klacht begrijpen in
+"Gespenster", als hij krankzinnig wordt: De zon! De zon! Men zoû hier
+bidden om wat zon en men krijgt niets dan dat glansje daar in de
+verte.... O, ik ril!
+
+Zij huiverde werkelijk in de stijve, satijnige plooien gutta-percha van
+haar regenmantel; heur gelaat was lang en bleek en hare oogen groot en
+verlangend. En zij voelde zich eensklaps zoo verlaten in geheel hare
+ziel, dat zij instinctmatig den arm van haar vader greep, in eene
+behoefte om zich te dringen aan zijne borst.
+
+--Ben je koud, kind? Willen we weggaan? vroeg Sir Archibald.
+
+Zij knikte en zij hielpen beiden haar afstijgen van de steenen. Zij wist
+niet waarom, maar zij dacht eensklaps aan hare doode moeder en of die
+ook wel eens zich zoo verlaten gevoeld had als zij, trots de genegenheid
+van haar vader. Maar toen zij de hut weêr in het oog kreeg, sprak zij in
+eens, als met een inval:
+
+--Papa, er zijn daar namen gesneden in die deur. Laten wij de onze er
+ook in snijden.
+
+--Maar kind, je hebt het koud en je ziet bleek ...
+
+--Ach neen, toe, laten we onze namen er in snijden. Ik wil het! pruilde
+zij dringend, als een bedorven kind.
+
+--Wel neen, Eve, gekheid.
+
+--Ach ik wil het! smeekte zij.
+
+De oude heer gaf echter niet toe, mopperend, maar Frank haalde zijn
+zakmes te voorschijn.
+
+--Mr. Westhove, snijd _u_ dan mijn naam er ook in, alleen: Eve! Het zijn
+maar drie letters. Wilt u? vroeg zij zacht.
+
+Frank had op de lippen te zeggen, dat hij haar naam zelfs zoû willen
+snijden, al ware die ook nog zoo lang, maar hij zweeg: het had als eene
+banaliteit geklonken, te midden van die treurende natuur.
+
+En hij korf zijne letters in die deur, die was als een
+vreemdelingenboek. Eve stond stil te turen naar het westen, en ze zag,
+dat de drie lijntjes goud verbleekten en het roze wegsleet.
+
+--De zon, de zon! murmelde zij onhoorbaar, rillend, met een bleek lachje
+om hare lippen en een vochten blik.
+
+Er vielen zware droppels regen. Sir Archibald vroeg of zij kwamen en
+ging reeds vooruit.
+
+Eve knikte hem droef glimlachend met hare wimpers toe en naderde Frank.
+
+--Is u klaar, mr. Westhove?
+
+--Ja, sprak Frank en korf nog haastig zijne laatste letters.
+
+Zij zag toe en bespeurde, dat hij voor haar gesneden had: Eve Rhodes,
+met zeer nette, gelijke, glad uitgeschaafde karakters. Daaronder stond:
+Frank--grof en ruw gehouwen in de haast.
+
+--Waarom heeft u Rhodes er bij gesneden? vroeg ze en hare stem klonk
+zeer gedempt, zeer van verre.
+
+--Omdat dat langer was, antwoordde Frank eenvoudig.
+
+
+IV.
+
+Ze waren in een slagregen, een zondvloed, uit al de urnen des hemels
+neêrgekletst, teruggekomen, in het Grand-Hôtel, beslikt tot hunne
+middels, nat tot op de huid en koud tot op het gebeente. Eve was, na
+een warm souper, door papa naar bed verbannen, en zij zaten met hun
+drieën, Sir Archibald, Frank en Bertie in het salon, waar nog enkele
+gasten, mistroostig over het slechte weêr, zich verveelden met eene
+illustratie of een album. De oude heer deed een flinken dut in een
+gemakkelijken stoel en Frank keek aandachtig naar de rechte stralen van
+den regen, die als een eindeloos gordijn van dikke stalen kralen op het
+fjord afkletterden; Bertie nipte aan een warmen grog en bekeek zijne
+verlakte muiltjes.
+
+--En heb je me niet gemist op de wandeling? vroeg hij aan Frank, met een
+glimlach, om toch de vervelende stilte in het salon te verbreken.
+
+Frank zag hem verwonderd aan, als wakende uit een droom, en oprecht
+lachend sprak hij kort:
+
+--Neen....
+
+Bertie bleef hem aanturen; maar hij, hij had den blik reeds afgewend,
+verloren in zijne aandacht op het kletteren van den regen en eindelijk
+nam Bertie zijn open boek weêr op en poogde te lezen. Maar de letters
+liepen dronken voor zijne oogen, en zijne gehoorzenuwen trilden nog
+onaangenaam onder den weêrklank van dat enkele korte, verwonderde woord,
+dat Frank in de stilte van het vertrek had doen vallen als een plomp
+stuk lood; het hinderde hem, dat Frank geen aandacht meer aan hem
+wijdde.
+
+Frank bleef uitstaren naar de bergen, nauwlijks zichtbaar achter het
+neêrkletsend regengordijn, en hij zag den terugtocht van Moldehoï
+opnieuw voor zich: den dalenden weg met hooge, druipende varens, den
+slagregen, striemend in hun gelaat als met watergeesels; Eve, omplakt in
+haren natten mackintosh, aan zijn arm, zich tegen hem dringend als
+zoekend naar bescherming; de oude heer achter hen, voorzichtig met zijn
+stok het gladde, mossige pad betastend. Frank had haar zijne eigene
+dikke regenjas willen omslaan, maar zij had dit beslist geweigerd: ze
+wilde niet, dat hij ziek zoû worden om haar, had ze gezegd, met die
+stem, die van verre scheen te komen. En toen, thuis, na zich verkleed te
+hebben, hun souper, hun lachen over dien tocht, de angst van Sir
+Archibald, dat Eve ziek zoû worden ... Hij herinnerde zich ook nog een
+stukje van hun gesprek: zijne vraag, ondanks hemzelven een beetje
+verwonderd:
+
+--Heeft u Ibsens Gespenster gelezen: u sprak immers op Moldehoï van
+Oswald?
+
+Hijzelf ook kende Gespenster toevallig, hij vond het geen boek voor een
+jong meisje en zij had zijne verwondering bemerkt; zij had zeer gebloosd
+bij haar antwoord:
+
+--Ja, ik heb het gelezen ... ik lees veel en papa heeft me een beetje
+liberaal opgevoed: vind u, dat ik Gespenster niet had mogen lezen?
+
+Zij had er geen kwaad in gezien, misschien had zij niet alles begrepen,
+was verder haar eerlijke biecht geweest. Hij had haar niet durven
+zeggen, hoe hij vond, dat de kennis van zulk een drama van hereditaire
+fiziologie onnoodig was voor een jong meisje; hij had slechts vaag
+geantwoord en toen had zij sterker en sterker gebloosd en was zelfs stil
+geworden.
+
+--Ze zal me als een schoolmeester hebben gevonden, dacht hij
+ontevreden. Waarom mag ze niet lezen wat ze wil: ze heeft mijne
+permissie niet noodig voor haar lectuur, ze is ontwikkeld genoeg ... Ze
+zal me geweldig pedant hebben gevonden.
+
+--Frank! vroeg Bertie op eens.
+
+--Wat? antwoordde Frank verschrikt.
+
+--We gaan morgen weg van hier, nietwaar?
+
+--Ja, dat was ons plan, ten minste als het weêr beter wordt.
+
+--Hoe heet die barbaarsche plaats, waar we naar toe gaan?
+
+--Veblungsnaes; van daar gaan we door het Romsdal en het Gudbrandsdal.
+
+--En de Rhodes'?
+
+--Ze gaan naar Bergen ...
+
+--Ook morgen?
+
+--Ik weet het niet ...
+
+En hij verzonk weêr in zijn stilzwijgen, terwijl de natgrijze lucht
+daarbuiten eene schemering van melancholie naar binnen wierp, terwijl
+ook melancholie diep in zijne ziel viel ... Waartoe genegenheid te
+koesteren als men scheiden moest na enkele dagen van sympathiek
+samenzijn! Het was zoo op reis met lieve reisgenooten; was het ook niet
+zoo in het leven met alles wat men liefhad, was het wel de moeite waard
+iets lief te hebben en was alle liefde niet éen groot zelfbedrog,
+waarmeê men zich verblindde in de walging der wereld ...
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III.
+
+
+I.
+
+December in Londen, een koude mist. Een wit waas om White-Rose, in de
+achterkamer een groot vuur. Maar Bertie was in geen stemming om van dat
+bien-être, waaraan hij reeds gewend was, te genieten; hij beschouwde het
+daarenboven als iets geheel en al natuurlijks, dat hem, van rechtswege,
+toekwam, omdat hij een fijn gestel had, klein en tenger was, en zich
+niet geboren voelde om ellende te lijden. En toch had hij ellende
+gekend: de slavernij van dienstbare betrekkingen, waaronder hij met eene
+serviele en kruipende diplomatie had weten te buigen; toch wist hij van
+de nijping van honger, de goorheid van vunze armoede ... Wat scheen dat
+alles lang geleden, vaag als een droom, als de lijnen van dat Londensche
+tuingezicht daar buiten, afgestompt in de bleeke vaalte der nevels, o
+vaag als een onduidelijk vermoeden van een voorbestaan! Want hij had na
+zijne metamorfoze willen vergeten, hij had zich gedwongen te vergeten,
+geen seconde aan een verleden, ook niet aan eene toekomst te denken;
+hij haatte zijn verleden als eene onrechtvaardigheid, als eene schande,
+als eene onuitwischbare vlak op de uiterlijke onberispelijkheid van zijn
+heden: iets, dat steeds verborgen, begraven, brutaal ontkend moest
+worden, tot hijzelf gelooven zoû, dat het niet bestaan had. En hoe was
+hij voor zich geslaagd in deze vernietiging zijner Amerikaansche jaren,
+die uitgewischt schenen in de annalen zijner herinnering!
+
+Waarom moesten die jaren dan nu, langzaam, als spoken, voor zijn geest
+oprijzen uit het graf hunner vergetelheid? Waarom kregen zij, eerst
+spoken! al meer en meer omtrek, tot zij, duidelijk van lijn, helder
+gekleurd dag aan dag, maand aan maand schakelend, opwarrelden in de vlam
+van het vuur, waarin hij moedeloos staarde, een doodendans van jaren
+gelijk, die hem aangrijnsden als met doodskoppen, met holle oogen en
+bleeke tronies, verwrongen door een sluw gemeenen grimlach; jaren, die
+hem toewuifden met vuile lompen en zijn reuk ontzenuwden met een goren
+stank? Hij zag die jaren, hij rook ze, hij rilde van hunne koude, daar
+in den gloed van dat vuur; hij voelde hun honger, trots het souper, dat
+hem wachtte.... Waarom? O, was het, omdat de toekomst, die hij eveneens
+ontkende, thans begon te dreigen als een onheil, dat iederen dag, ieder
+uur, nader en nader kwam, onafwijsbaar, onafwendbaar, en omdat die
+toekomst wellicht zoû zijn, als dat verleden?
+
+Ja, er dreigde iets. En hij bleef daar zitten, ziek van angst, làf,
+zonder geestkracht, zonder moed.... Er dreigde iets en hij voelde het
+naderen, hem overvallen, met hem strijden op leven en dood, in eene
+overspanning van wanhoop: hij voelde zich wankelen, nederzinken, hij
+voelde zich gerukt worden uit de fluweelen zachtheid van zijn leven,
+neergesmakt worden op straat, zonder dak, zonder iets ... Wat behoorde
+hem toe! Het linnen aan zijn lichaam, de schoenen aan zijne voeten, de
+ring aan zijn vinger, het was van Frank. Het souper daarginds, zijn bed
+boven, het was van Frank. Zoo was het geweest een vol jaar lang en als
+hij ooit weg zoû moeten gaan met alleen het zijne, dan zou hij moeten
+gaan ... naakt, in den winter. En hij kón niet meer zijn, als hij
+geweest was in Amerika, dienstbaar scharrelend van den eenen dag op den
+anderen. Zijn lijf en zijne ziel waren beide als geweekt in een bad van
+lauwe weelde; hij was geworden als eene kasplant, die, gewend aan de
+vochte warmte der serres, vreest in de open lucht te worden gezet. Want
+het dreigde, gruwzaam, onbarmhartig: geen seconde was die bedreiging van
+hem af, en, in de lafheid zijner verweeking, wrong hij er zachtjes zijne
+witte handen om, en drupten er twee tranen langs zijn strak masker van
+wanhoop.
+
+Te strijden voor zijn bestaan! Hij kon het niet meer; zijne energie was
+er te zwak voor: eene zwakte, die hij over zich had voelen komen als een
+wellust, na zijn getob met het leven, en die hem nu onmachtig maakte,
+zich tot een zweem van geestkracht in te spannen! En vóór zich zag hij
+de noodlottige keten der, soms oneindig-kleine, gebeurtenisjes zich
+opnieuw ontrollen, ieder gebeurtenisje een vreeslijke schakel, soms
+leidend tot catastrofes! Hoe ontzettend, dat het eene steeds
+voortvloeide uit het andere, de toekomst werd uit het verleden!... Als
+zijn vader, na het mislukken zijner indolente studies te Leiden, hem
+niet in een administratief betrekkinkje naar eene fabriek te Manchester
+verbannen had, dan had hij denkelijk nooit sommige jongelui leeren
+kennen, zijne medeklerken aldaar, fashionable boeven en gevaarlijke
+strijders voor het leven, nog halve knapen en reeds rot van eene
+verdorven jeugd ... Als hij ze niet gekend had--en hoe gemakkelijk
+hadden ze, zijne aangeboren neigingen slechts te gemoet komend, hem
+medegesleept!--dan had hij misschien toch niet zóó lichtschuwe
+geldknoeierijen bij zijne fabriek bedreven, dat zijn patroon, uit
+medelijden en vriendschap voor zijn vader, hem naar Amerika geholpen had
+...
+
+Daar was hij het diepst gezonken, ondergegaan in het schuim van
+spartelende gelukzoekers ... O, ware hij niet in Amerika verongelukt,
+hij zoû niet, in de grootste ellende te Londen gestrand, Franks hulp
+hebben ingeroepen. En Frank ... Frank ware zonder zijn drijven niet naar
+Noorwegen gereisd, had zonder hem dus Eve niet ontmoet. O, die reis naar
+Noorwegen, hij vloekte ze nu, want zonder Noorwegen ware Frank misschien
+nooit verliefd geworden en had Frank wellicht nooit gedacht aan trouwen!
+En nu ... Frank was gisteren naar de woning van Sir Archibald gegaan,
+waar de jongelui na hunne Noorweegsche ontmoeting veel waren gekomen, en
+Frank was teruggekomen als de aanstaande van Eve! Frank zoû trouwen en
+... hij, Bertie? Waar zoû hij blijven, wat zoû er van hem worden?
+
+Zwaar gevoelde hij de noodlottigheid van het leven, en de
+onrechtvaardigheid der levensaaneenschakelingen en hij zag in, dat hij
+zijn eigen ongeluk had opgeroepen door slechts een enkel woord ... Een
+enkel woord: Noorwegen! Noorwegen, Eve, Franks liefde, Franks aanstaand
+huwelijk, zijn eigen ondergang ... hoe hatelijk duidelijk zag hij die
+enkele schakelen zijner levensketen in elkaâr geklonken! Eén woord, uit
+eene domme intuïtie geuit: Noorwegen: en hij bewerkte onherroepelijk het
+geluk van twee anderen, ten koste van zichzelven! Onrechtvaardigheid,
+onrechtvaardigheid!
+
+En hij vloekte de intuïtie, die geheime domme kracht, waarvan een beetje
+is in ieder woord, dat wij uiten, en hij vloekte dit: dat ieder woord,
+iedere klank der menschelijke stem, niet overlegd kan zijn. Wat was het
+toch, intuïtie? Iets stom en goedigs, een soort zinneloos _beter ik_,
+zooals de menschen zeggen, dat, diep verborgen, in het geheim, maar
+voortholt als een dol veulen, dwars door de fijnste verwikkelingen der
+spinnende gedachte heen! O, had hij maar gezwegen van Noorwegen! Wat gaf
+hij om dat eene, noodlottige, land boven alle andere landen? Waarom niet
+Spanje, Rusland, Japan, mijn God, Kamschatka, voor zijn part; waarom
+juist Noorwegen!! Domme intuïtie, die zijne vervloekte lippen verlokten
+te zeggen: Noorwegen, en onrechtvaardigheid van het lot, het leven, van
+alles!!
+
+Energie? Wil? Was dáár tegen te willen en energiek te zijn? Woorden,
+niets dan woorden! Hurk fatalistisch neêr als een Arabier, en laat dag
+volgen op dag; denk niet na, want onder de gedachte loert ... de
+intuïtie! Vechten? Tegen het lot, dat zijne kettingen blind in elkaâr
+voegt, schakel aan schakel?
+
+Hij wierp zich woest achteruit in zijn stoel en steeds wrong hij
+zachtjes zijne handen, steeds drupten twee tranen van zijn oog. En hij
+zag zijne lafheid voor zich staan, hij staarde zijne lafheid in de bange
+oogen, zonder haar te veroordeelen. Want hij was zooals hij wàs, hij was
+laf en kon zich niet veranderen! De menschen noemden iemand, die was als
+hij: _laf_; dat was een woord! Waarom was laf: slecht; eerlijk en
+moedig: goed en mooi? Alles conventie, overeengekomen begrippen, zooals
+de geheele wereld éen conventie, éen hersenschim was. Er was niets,
+niets!
+
+Maar er was toch iets: ellende, armoede! Hij had die gevoeld, met ze
+gevochten, lijf aan lijf, en hij was daar nu te zwak voor, te teêr, te
+fijn! Hij _wilde_ niet!
+
+Toen, achteruit geleund, het bleeke hoofd rustend op den fluweelen rug
+van den fauteuil, zijne diepe, zwarte oogen troebel van het gift der
+gedachten, voelde hij door zijne zwakte een zachten, gelijkmatigen,
+electrischen stroom gaan, een stroom van wil. Het noodlot had gewild,
+dat hij Eve en Frank samen zoû brengen; welnu, hij, armzalige speelbal
+van dat lot, hij zoû _willen_, dat ...
+
+Ja, hij zoû willen, dat ze gescheiden wierden.
+
+Het rees daar vast voor zijn blik, dat voornemen, ijzig en streng, een
+boos beeld van satanische slechtheid gelijk, dat raadselachtig voor hem
+staan bleef. En het zag hem aan met oogen als van eene sibylle, als van
+een sfinx, en rondom de reusachtige boosheid van het beeld, zonken zijne
+vorige overmijmeringen weg in een afgrond: de doodendans der jaren, de
+aaneenschakeling der noodlottigheden en zijne vervloekingen tegen dat
+alles.... Het verzonk en alleen het beeld bleef, als een spook, bijna
+tastbaar en bijna zichtbaar opdoemend tegen den zwijmenden gloed van het
+stervende vuur in de duisterende kamer. En de somber vragende blik van
+het beeld hypnotiseerde hem en zijn instinct sluimerde onder het
+verpletterende gewicht er van in ... Vriendschap? Dankbaarheid? Woorden!
+
+Er was niets dan conventie en ... armoede. En dan--was er dat beeld,
+dáár, vóór het vuur, vóór zijne vergroote, starre pupillen, versteend,
+tot een opdoemsel van zwijgend, aanstarend en helsch magnetisme.
+
+
+II.
+
+Dien nacht,--hij zag Frank niet meer, want Frank was blijven dineeren
+bij de Rhodes'--sliep hij niet in, opgezweept door de wildste gedachten.
+Romantische voornemens zwierden door zijne koortsachtige verbeelding
+heen, zonderlinge stemmen gonsden aan zijne ooren, die suisden als
+schelpen der zee ... En hij zag zichzelven met Eve, zittende in eene
+cab: zij reden door de somberste en smerigste van Londens achterbuurten;
+havelooze gestalten rezen rondom hen op, Eve naderend, en hijzelf
+lachte, nu hij haar zag meêgesleurd worden door mannen met dierlijke
+gezichten, en hij zag haar terugkeeren, snikkende met flarden van
+kleêren en onteerd.... Een zware hoofdpijn begon te hameren in zijne
+hersens en hij kreunde, in eene moeilijke poging om de woeste
+overdrijvingen zijner fantazie te breidelen; hij stond op, over zijne
+oogen wrijvend als om het gezicht van dat melodrama te verdrijven en hij
+bette zijn gloeiend hoofd in een druipend natten handdoek. Onwillekeurig
+zag hij in den spiegel en zijn gelaat, in het glas flauw verlicht door
+het nachtlichtje, staarde hem doodsbleek toe, lang en uitgetrokken, met
+groote donkere gaten van oogen en een open mond. Zijn hart klopte, als
+wrong het zich naar zijne keel op en hij drukte het zwaar met beide
+handen neêr.... Toen een glas water en hij legde zich weêr neêr, zich
+dwingende tot kalmte. Fijnere overleggingen sponnen nu als draden door
+zijn geest, die draden hechtend van punt tot punt; weefsels knoopten er
+hunne mazen samen als een onontrafelbaar kantwerk; en zijne fantazie
+stapelde de peripetieën van moeilijke intriges op elkaâr, als ware hij
+een dichter geweest, die in een slapeloozen nacht van hersenhelderheid
+een drama opbouwt, nooit tevreden met zijne samenstelling telkens weêr
+overwerkt om eene vaste conceptie in zijne gedachte te hebben, voor hij
+schrijven gaat. Nu zag hij de orgies van vroeger zich herhalen, beneden,
+in de groote achterkamer; hij zag de skatingrinkjes en Frank en hijzelf
+wierpen weêr champagne in hunne lijfjes, en zij lachten en zongen. Maar
+de deur ging plotseling open en Sir Archibald verscheen met Eve,
+hangende aan zijn arm; Sir Archibald vloekte met groote woorden en
+breede gebaren tegen Frank, die het hoofd boog; en Eve wierp zich
+tusschen hen in, op de knieën, met smartelijke woorden en smeekend
+opgeheven handen. Het was als de finale van het vierde bedrijf eener
+opera en het suizen in Bertie's ooren, het hameren in zijn pijnlijk
+hoofd, was als het samen opdonderen van een vol orkest, omhooggezwaaid
+door de maatgebaren van een zenuwachtigen directeur, met een hard, schel
+geluid van veel koper.
+
+Bertie kreunde, zich wentelend om en om, nógmaals zich dwingend tot het
+uitdichten van zachtere tafereelen en het werd nu als een modern
+tooneelspel: Eve, opmerkzaam gemaakt door hèm, Bertie, op Annie, de
+mooie jonge vrouw, de meidhuishoudster van White-Rose, Eve's jaloezie en
+de groote scène: Eve, Frank vindend in Annie's armen....
+
+Ziek van zijn denken, walgend van zijne eigen verwikkelingen, dreef hij
+dat alles van zijne oogen weg, want eene afmatting sloop over hem; zijne
+wildheid stilde zich, omdat zijn geheele hoofd nu gloeide, klopte,
+bonsde; omdat pijnlijke trekkingen, als werd hij gescalpeerd, van zijn
+voorhoofd over zijn schedel tot in zijn nek liepen, omdat zijne slapen
+aan weêrszijden van die trekkingen met eene regelmatige pijn het bloed
+in de slagaderen hoog deden opspringen. En in de momenteele marteling
+zijner physieke smart, stortte zijn trots, die het noodlot zoû tarten,
+in elkaâr als een verbrokkelde toren, zonk zijne verbeelding uitgeput
+neêr, vergat hij zijne wanhoop over de toekomst; machteloos en klam van
+zweet bleef hij roerloos liggen, zijne oogen wijd open, zijn mond open
+en de twijfeling zijner matheid bescheen als met een zachter licht al
+zijne verdichtselen: onzinnigheden, die nooit naar waarschijnlijkheid
+zouden zweemen. Het ging dan maar zooals het ging, dacht hij nog flauw;
+de toekomst was nog in het verschiet, hij zoû niet meer aan ze denken,
+hij zoû zich laten voortslepen door de keten der aaneenschakelingen; het
+was krankzinnigheid de vuist te ballen tegen het fatum, zoo machtig, zoo
+oppermachtig ...
+
+
+III.
+
+De volgende dagen gingen voor Bertie voorbij, terwijl eene vage
+verschrikking boven zijn hoofd hing. En hij bukte dat hoofd zonder
+gedachten voortaan, slechts met eene troebele woeling onder in den
+schijnbaar stillen poel van zijn hart. Hij kwam een enkelen keer met
+Frank bij de Rhodes' en eens zeide Eve, zijne hand nemend:
+
+--We zullen goede vrienden zijn, nietwaar?
+
+Hij hoorde ook, nadat zij gesproken had, die klanken als klokjes in
+zijne ooren hangen; werktuigelijk liet hij zijne fluweelen oogen op de
+hare rusten, glimlachte hij, en duldde hij, dat zij hem meêtrok naar een
+divan om hem teekeningen te laten zien van meubels en gordijnen, voor de
+nieuwe inrichting van hun huis, het huis van Frank en het hare. Frank
+zat op eenigen afstand, pratend met Sir Archibald, een glas liqueur in
+zijne vingers. Hij zag even naar hen op, broederlijk naast elkaar
+zittende in de gecapitonneerde weekheid van den divan, hunne hoofden tot
+elkaâr toe buigend over het ritselend karton der platen, soms hunne
+vingeren elkaâr even beroerend. Zijne wenkbrauwen trilden even, als in
+een frons, een rimpel van ontevredenheid, éven maar. Want hij lachte Eve
+toe en sprak:
+
+--Bertie zal je goed kunnen helpen: hij heeft veel meer smaak dan ik ...
+
+En het was hem of zijne woorden ondanks hemzelven van zijne lippen
+vielen, of hij iets anders had willen zeggen dan die vleierij en niet
+gekund had. En onder zijn gesprek over politiek met Sir Archibald,
+dwaalden zijne oogen telkens naar henbeiden heen, magnetisch
+aangetrokken door hunne vertrouwelijkheid.
+
+Het was in Eve eene zachte zusterlijkheid, een zachte geur van sympathie
+voor den vriend van haar aanstaande, iets romantisch teeders voor het
+mysterie van Bertie's diepzwarte oogen en smeekende stem, een medegevoel
+voor al het interessante, Byroniaansche leed, dat zij hem toedichtte:
+iets als de aesthetische ontferming van eene gevoelige lezeres over een,
+door geheime zielepijn gemartelden, romanheld. Het was eene poëtische
+vriendschap, die in hare ziel zeer harmonisch opwoog tegen hare liefde
+voor Frank: eene liefde, als zij in hare jonge-meisjes-dweperijen nooit
+had vermoed te bestaan, en, zoo zij ze had kunnen vermoeden, zeker nooit
+had gedacht te zullen opnemen in háár: eene liefde, kalm, rustig,
+groot, bijna practisch en huiselijk, zonder de minste romantiek; eene
+liefde, niet blind voor Franks gebreken, maar hem liefhebbend òm die
+fouten, zooals eene moeder haar ondeugend kind bemint. Zij zag zijne
+indolentie bij elke wilsinspanning, zijne vage weifeling bij elk
+besluit, zijn slingeren tusschen dit en tusschen dat, en zij verheelde
+zich niet die zwakte, maar juist die zwakte was haar een lief contrast
+met het koel practische, nuchter vriendelijke van papa, papa, die haar
+wel bedierf, maar toch nooit zoo ver als zijzelve wel wilde. Dan was er
+nog een contrast, en dit behaagde haar het meeste, dit deed haar het
+meeste liefhebben, dit had haar geheele hart gevuld met eene bekoring,
+die passie was geworden: een contrast in Frank zelven, het contrast van
+de zwakke weifeling zijns karakters en den forschen bouw zijner
+gestalte. Zij vond er, vrouw die ze was, iets aanbiddelijks in, dat die
+mooie sterke jongen, met zijne breede borst en breede schouders, met
+zijn krachtigen donkerblonden kop op den stevigen nek, die man, wiens
+lichtheid en beslistheid van gebaren, van iets te verzetten of aan te
+raken, eene zeer geoefende lichaamskracht verrieden, dat die zelfde man
+zoo zwak was in zijne wilsuitingen en flauw in zijne handelingen. Was
+zij alleen en dacht zij er over na, dan moest zij er om glimlachen en de
+tranen kwamen er haar van in de oogen, tranen van zacht geluk, want zij
+was er zacht gelukkig om, om dat contrast. Het was wel vreemd, dacht ze.
+En ze begreep het niet; het was een raadsel voor haar, maar ze zocht het
+niet op te lossen, want het was haar een lief raadsel en als zij er aan
+dacht, met haar glimlach en hare vochte oogen, verlangde zij alleen hem
+in hare armen te omhelzen, haar Frank ...
+
+En zij verheerlijkte hem niet, zij dacht niet meer aan platonische
+tweelingzielen en hemelsche zielsverrukkingen; zij nam hem aan, zooals
+hij was, mensch en man, en omdat hij zoo was, aanbad ze hem, kalm en
+rustig in die aanbidding. En ze wist, dat al werd het romaneske in haar
+ook later niet meer voldaan--zooals het nu voldaan werd door hare
+zusterlijke vriendschap voor Bertie--zij er niet om zoû treuren, in hare
+volle liefde voor Frank. Maar omdàt op dit oogenblik geheel haar wezen
+voldaan werd, was zij geheel en al tevreden en voelde zij die zonnige
+lichtheid in zich en om zich, die men geluk mag noemen.
+
+Zoo was het haar ook nu, terwijl zij die platen zag met Bertie, en Frank
+daar zat te praten met haar vader. Haar lieve man daar, haar broêr hier!
+Zoo was het goed; nooit zoû ze iets anders verlangen dan zoo in
+hare liefde en in hare vriendschap gelukkig te zijn. Glimlachend
+zag zij op Bertie neêr, beschermend en medelijdend, en toch met een
+tikje kleinachting en spot om zijne tengere, jongensachtige gestalte,
+zijne witte handen en brillanten ring, zijne smalle voeten in verlakte
+schoentjes, nauwelijks iets grooter dan de hare; wat was hij toch een
+net, klein mannetje, altijd onberispelijk in zijn uiterlijk en zijne
+manieren, en dan met dat waas van weemoed over geheel zijn wezen!
+
+Raad gevend omtrent een ameubelement en van eene plaat naar haar
+opziende, zag Bertie dien glimlach om Eve's lippen, dat beschermend
+spotachtige en tegelijk zusterlijk lief hebbende en daar hij wist, dat
+zij hem gaarne mocht, begreep hij er iets van; toch vroeg hij:
+
+--Waarom lach je zoo?
+
+--Om niets, antwoordde zij en zij vervolgde, hem koesterende in haar
+glimlach:
+
+--Waarom ben je toch geen artist geworden, Bertie?
+
+--Artist? vroeg hij verwonderd. Wat dan?
+
+--Schilder bijvoorbeeld, of schrijver. Je hebt veel artistieken
+smaak....
+
+--Ik? vroeg hij, nogmaals zeer verwonderd, want hij wist volstrekt niet,
+dat er iets zeer curieus aesthetisch in hem was: eene verfijndheid van
+smaak slechts aan eene vrouw of een kunstenaar eigen, en hare woorden
+deden hem zijn eigen karakter in een nieuw licht zien: kende een mensch
+dan nooit zichzelven, en was dàt waarlijk in hem!
+
+--Ik zoû niets kunnen! sprak hij, een beetje gevleid door Eve's woorden
+en in zijne verbazing, ondanks zichzelven, eensklaps zeer oprecht,
+voegde hij er bij:
+
+--En ik zoû er te lui toe zijn....
+
+Hij schrikte van zijne eigen woorden, als had hij zich bloot gegeven en
+instinctmatig zag hij op naar Frank, of die hem ook gehoord had....
+Geërgerd op zichzelven bloosde hij en lachte om zijne verlegenheid te
+verbergen, terwijl zij, verwijtend en steeds met haar glimlach, heur
+hoofdje schudde.
+
+
+IV.
+
+Toen Frank en Eve later even alleen waren en Eve de modellen toonde, die
+Bertie had aangeraden, begon Frank:
+
+--Eve....
+
+Zij zag hem vragend aan, stralend van haar rustig geluk.
+
+Het woelde in zijn hoofd; hij had veel met haar willen spreken, over
+Bertie. Maar eensklaps herinnerde hij zich zijne belofte aan zijn
+vriend: nooit het ware over hem te zullen openbaren ... Frank was
+iemand, die een gegeven woord naïfweg onschendbaar achtte en hij zag
+eensklaps in, dat hij niet zeggen mocht, wat hij had willen zeggen ...
+En toch: hij herinnerde zich zijne huivering, op Moldehoï, toen Eve zoo
+vertrouwelijk hare, ten gunste van Bertie veranderde, meening had geuit
+... Had hij niet iets gevoeld alsof de zwarte wolken een symbool schenen
+van onheil, dat haar boven het hoofd hing? En had hij, terwijl zij daar
+op dien divan gezeten waren, niet die, zelfde huivering, als eene slang,
+over zijne huid voelen sluipen? Het was een instinctieve angst geweest,
+onverwachts opschietend, zonder inleidende gedachten. Moest hij spreken,
+haar zeggen hoe Bertie was? Hij had Bertie toch beloofd ... En het was
+eene dwaze bijgeloovigheid zulke ongemotiveerde angsten over zich te
+laten heerschen. Bertie was wat anders dan gewone menschen, Bertie was
+zeer lui en leefde te gemakkelijk op kosten van anderen--iets, dat
+Frank niet begreep en waarover hij in zijne goedigheid slechts
+glimlachend het hoofd schudde, als over eene onverklaarbare
+curioziteit--maar Bertie was niet slecht ... Eigenlijk verborg hij,
+Frank, dus Eve niets dan dat Bertie geen geld had.... Wat had hij dan
+willen zeggen en wàt woelde er eigenlijk in zijn hoofd....
+
+Eve zag hem echter aan met groote oogen, en hij moest spreken. Toen
+begon hij, gedwongen ondanks zichzelven, gedwongen door eene vreemde
+macht, die hem zijne woorden als voorzeide:
+
+--Ik woû je zeggen.... je zal me misschien dwaas vinden ... maar ik vind
+het niet aangenaam.. ik vind het niet goed....
+
+Zij zag hem steeds met groote oogen aan, verwonderd glimlachend om zijn
+stamelen. Het was dat onbesliste, in haar oog zoo lief afstekend tegen
+zijne lichamelijke forschheid ... En zij zette zich op zijne knie,
+leunend tegen hem aan en hare stem klonk als een rythme van liefde:
+
+--Wat dan toch, Frank? Mijn beste Frank, wat toch?
+
+Hare oogen lachten in de zijne, ze boog hare armen los om zijn hals,
+hare vingers strengelend, en nogmaals vroeg ze:
+
+--Maar zeg het dan, gekke jongen, wat is er dan?
+
+--Ik hoû er niet van, dat je ... dat je altijd zoo met Bertie zit ...
+
+Zijne woorden wrongen zich uit zijne keel, zonder dat hij ze wilde
+uiten, en nu ze gesproken waren scheen het hem toe, dat hij iets anders
+had willen zeggen. Eve was zeer verbaasd.
+
+--Zoo met Bertie zit! herhaalde ze. Hoe zit ik dan met Bertie? Heb ik
+iets gedaan, dat niet goed was? Of ... zeg, Frank, ben je zoo
+verschrikkelijk jaloersch?
+
+Hij trok haar vast tegen zich aan, kuste haar en hij mompelde:
+
+--Ja ... ja ... ik ben jaloersch ...
+
+--Maar op Bertie, je besten vriend, waarmeê je samen woont! Op dien ben
+je toch niet jaloersch!
+
+--Ja ... jawel ... op hem ...
+
+Zij lachte eensklaps helder en meêgesleept door haar eigen lach,
+schaterde zij het uit, steeds op zijne knie, met haar hoofd op zijn
+schouder.
+
+--Op Bertie! lachte zij. Hoe is het mogelijk! O, o, op Bertie! Maar ik
+beschouw hem zoo als een aardig jongetje, bijna als een meisje ... Hij
+is zoo klein en hij heeft zulke mooie handjes! O, o! Ben je jaloersch op
+Bertie?!
+
+--Lach zoo niet! mompelde hij, zijne wenkbrauwen fronsend; waarlijk, ik
+meen het, je bent zoo intiem met hem....
+
+--Maar hij is je beste vriend!
+
+--Ja, dat kan wel zijn, maar toch ... toch ...
+
+Zij begon weer te lachen, ze vond hem allervermakelijkst en tevens had
+ze er hem zeer lief voor, dat hij zoo mopperde en zoo jaloersch was.
+
+--Gekke jongen! lachte zij en hare vingers speelden met zijne blonde,
+goudschitterende snor. Wat ben je dwaas, o wat ben je toch dwaas!
+
+--Maar beloof je me ... hernam hij.
+
+--O zeker, als ik je daarmeê gerust stel ... Ik zal meer op een afstand
+zijn ... Maar het zal me wel een heele moeite kosten, want ik ben zoo
+gewend aan Bertie ... En Bertie mag het toch ook niet merken, dus blijf
+ik heel vriendelijk tegen hem ... Neen, neen hoor, vriendelijk blijf ik
+tegen hem! Gekke jongen, die je bent! Ik heb nooit geweten, dat je zoo
+dwaas kon zijn!
+
+En zij schaterde helderder dan ooit, terwijl zij, in hare verliefde
+vroolijkheid, zijn hoofd heen en weêr schudde, hare beide kleine handen
+warrend in zijn dik haar.
+
+
+V.
+
+Frank was Bertie in den laatsten tijd als een lastpost gaan beschouwen.
+Hoewel hijzelf niet begreep waarom, zag hij zijn vriend ongaarne met Eve
+samen en door hunne intimiteit kwam dit bijna dagelijks voor. Daarbij
+had Eve het goed voorzien, dat zij zeer moeilijk zich tegen Bertie
+anders kon gedragen dan zij tot nog toe gewoon was geweest te doen.
+Intusschen, Bertie moest het dulden, dat Frank zeer koel tegen hem werd.
+Na eene escapade van drie dagen was deze koelheid duidelijk gebleken:
+Frank, die gewoonlijk na zulk eene geheimzinnige vlucht nieuwsgierig
+uitvroeg, waar Bertie toch gezeten had, vroeg ditmaal ... niets. En
+Bertie beloofde zichzelven, dat _deze_ escapade de laatste zoû geweest
+zijn.
+
+Daarna was het gesprek gekomen, waarvoor Bertie zoo gevreesd had; op een
+vertrouwelijk oogenblik had Frank gesproken over zijn aanstaand huwelijk
+en zijn vriend gevraagd wat hij van plan was hierna te doen.
+
+--Je begrijpt, beste jongen! waren Franks zachte woorden geweest; dat ik je
+met alle pleizier aan iets helpen zal: eene betrekking hier of in Holland.
+Ik heb wel eenige connecties ... En, zoolang je nog niets hebt, zal ik je
+natuurlijk niet zonder bijstand laten, daar kan je op rekenen. Maar ik huur
+White-Rose niet meer in: Eve vindt het hier wat ver-afwonen en geeft de
+voorkeur aan Kensington, zooals je weet ... We hebben intusschen een
+gezelligen tijd samen gehad, niet waar?
+
+En hij had Bertie op den schouder geklopt, dankbaar voor het
+kameraadschappelijk leven, dat zij tusschen deze muren genoten hadden en
+zelfs met een klein beetje medelijden voor dien armen jongen, die zich
+de genietingen der weelde zoo aangenaam liet welgevallen en die, helaas!
+geen weelde had. Verder drong hij echter niet in Bertie's
+gemoedstoestand door: Bertie was immers gewend aan een vie de bohême: na
+ellende had hij weelde gekend; nu zou het leven weêr een beetje minder
+gemakkelijk voor hem worden: dat was alles.
+
+Bertie zelf, walgend van de harteloosheid zijner eerste overpeinzingen,
+liet zich doelloos meêsleepen van dag op dag, zonder meer aan zijne
+intriges te denken. Daarbij had hij soms het naïeve geloof, dat het lot
+hem in het laatste oogenblik toch gunstig zou blijken te zijn: zijn
+fatalisme was als een godsdienst, die hem sterkte en hoop gaf.
+
+
+VI.
+
+Eens echter dacht hij, dat alle hoop hem begeven zoû: het gevaar dreigde
+onmiddellijk.
+
+--Bertie! sprak Frank, die thuis kwam, zeer opgewonden. Je zoû morgen
+met den dag kunnen geholpen zijn. Een van onze clubvrienden, Tayle, je
+weet wel, zocht, naar hij mij zeide, iemand als particulier secretaris
+bij zijn vader, Lord Tayle. De oude man woont op zijn kasteel in
+Northumberland, is altijd ziek en is wel wat lastig, naar zijn zoon me
+verteld heeft, maar toch schijnt het mij toe, dat je niet gauw zoo iets
+terug zal vinden ... Je zoû een toelage van tachtig pond krijgen, en
+natuurlijk op het kasteel wonen. Ik had er al dadelijk met Tayle over
+gesproken, als je me niet vroeger verzocht had ...
+
+--Heb je mijn naam genoemd? vroeg Bertie, haastig en bijna beleedigd.
+
+--Neen, antwoordde Frank, verwonderd over zijn toon. Ik heb niets willen
+voorstellen, voordat ik je gesproken had. Maar beslis nu gauw, want
+Tayle had reeds twee anderen op het oog. Als je echter nu nog niet
+beslissen kan, zal ik dadelijk naar Tayle toerijden: mijn rijtuig wacht
+...
+
+En hij greep reeds zijn hoed.
+
+Tachtig pond, eene betrekking als secretaris met vrij wonen op een
+kasteel, wat zoû het Bertie vroeger als met glans verblind hebben,
+vroeger in Amerika. En nu ...
+
+--Beste Frank! sprak hij koel. Ik ben je dankbaar voor je goede
+bedoelingen, maar doe geen moeite voor mij. Ik kan zoo iets niet
+accepteeren. Zend je rijtuig maar weg....
+
+--Wat! riep Frank, ontzet van verbazing. Wil je er niet eens over
+denken!
+
+--Dank je hartelijk. Als je me niets beters hebt aan te bieden dan eene
+dienstbare betrekking bij den vader van iemand, waarmeê je mij als
+gelijke hebt laten omgaan, dan bedank ik je er voor! Om een bagatel van
+tachtig pond 'sjaars ga ik me niet opsluiten als schrijfknecht bij een
+ouden, zieken, brommigen man. Daarbij, wat zoû Tayle van me denken! Hij
+heeft me gekend als jouw vriend en heeft als zoodanig met me omgegaan.
+En nu zoû hij me terugvinden als loontrekkende van zijn vader. Ik kan
+niet zeggen, dat je veel fijn gevoel hebt, Frank.
+
+Het duizelde hem, terwijl hij zoo sprak; nog nooit had hij zulk een toon
+van hoogmoed tegen Frank aangeslagen, maar het waren als kreten van
+wanhoop, geslaakt in de zwijmeling van zijn valschen trots.
+
+--Maar, mijn God, wat wil je dan! riep Frank. Je kent al mijne
+kennissen, en door mijne kennissen moet ik je toch aan iets helpen.
+
+--Ik wil niet geholpen worden door iemand, wie ook, van onze
+clubgenooten, ook niet door iemand van de personen bij wie je mij
+gepresenteerd hebt.
+
+--Dat maakt het geval moeilijk! sprak Frank, schamper lachend, terwijl
+eene groote woede in hem begon op te borrelen. Dus je wilt niet?
+
+--Neen, ik wil niet.
+
+--Maar wat wil je dan? vroeg Frank kort.
+
+--Op het oogenblik: niets.
+
+--Ja, op het oogenblik, goed. Maar later?
+
+--Dat zal ik wel eens zien. En als jij niet kiescher kan zijn ...
+
+Hij hield op, schrikkende van zijn eigen toon, schijnbaar meesterachtig
+hoog, en inderdaad zoo opzwellend door de wanhoop van luiheid en trots.
+Zij zagen elkander eene pooze aan, en het werd hun eensklaps alsof zij
+beiden vele stille grieven tegen elkaâr koesterden, grieven, die zich
+hadden opgestapeld onder de vriendschappelijkheid van hun samenzijn,
+grieven, die zij op het punt waren elkaâr in het gezicht te smijten als
+lage beleedigingen.
+
+Toen werd Bertie meester van zichzelven. Hij bedacht zich of hij zich
+niet vergeten had. En hij glimlachte en stak zijne handen uit:
+
+--Vergeef me, Frank! smeekte hij met zijne stem als gedempt goud, met
+zijn lieven glimlach. Ik weet, dat je het goed met me bedoelt. Ik zal je
+nooit, neen nooit kunnen vergelden wat je voor mij gedaan hebt. Maar
+_dit_ kan ik heusch niet aannemen. Liever word ik weêr kellner of
+conducteur op een tram. Vergeef me, als ik je ondankbaar schijn.
+
+Zij verzoenden zich. Maar Frank vond dien trots van Bertie belachelijk
+en leed er onder, dat dit alles een geheim voor Eve moest blijven; hij
+had zoo gaarne Eve hierin geraadpleegd. En meer en meer zag hij met
+fronsende wenkbrauwen en knippende oogen naar henbeiden. Eve en Bertie,
+als zij des avonds in het zachte, blauw omkapte licht der lampen naast
+elkander zaten, pratend als broêr en zuster. Het was als eene geheime
+onreinheid. Dan moest hij zich geweld aandoen niet uit te schreeuwen,
+dat Bertie een klaplooper, een gemeen sujet was, zich geweld aandoen hen
+niet te scheiden van elkander, hen niet te rukken uit de rustig
+glimlachende en schuldelooze intimiteit van hun gesprek over meubels en
+draperieën.
+
+
+VII.
+
+Na deze mislukte poging om Bertie te helpen; deed Frank geene moeite
+meer, rekenend, dat, als de nood drong, Bertie zelf wel weêr om zijn
+voorspraak smeeken zou. Maar na Bertie's weigering scheen het, dat Frank
+voor het eerst de scheeve verhouding inzag, waarin hij Bertie geplaatst
+had tegenover zichzelven en de maatschappij; zijne goedigheid om een
+armen vriend een jaar lang te hebben laten leven als een vermogend
+jongmensch, scheen hem nu, verlicht in de klaarte zijner mooie liefde,
+die geheel zijn innerlijk wezen had gelouterd, vernieuwd, herschapen,
+eene ontzettende onzedelijkheid toe; een trappen op alle wetten der
+eerlijkheid en waarheid, eene immoreele spotdrijverij met het goed
+vertrouwen der wereld. Vroeger had dit alles hem vermaakt, maar nu
+achtte hij zich klein, laag, óoit zulk vermaak te hebben kunnen genieten
+... En hij begreep, dat hijzelf Bertie's valschen trots om niets van
+hunne gezamenlijke champagne-vrienden aan te nemen, als eene giftige
+woekerplant had aangekweekt.
+
+De dagen schakelden zich aan elkaâr en Frank kon zich niet schudden uit
+de zelfontevredenheid, die hem iederen dag meer en meer omknelde. Bertie
+sloeg eene schaduw over het geluk zijner liefde. Eve zag, dat een dof
+leed hem stilzwijgend maakte, hem lang peinzend deed neêrzitten met
+gefronste wenkbrauwen en een breeden rimpel, dwars over zijn voorhoofd
+heen.
+
+--Wat is er, Frank? vroeg ze.
+
+--Niets, lieveling ...
+
+--Ben je nog jaloersch?
+
+--Neen, ik zal me verbeteren ...
+
+--Zie je, het is je eigen schuld. Wanneer je me Bertie vroeger niet
+altijd zoo geprezen hadt als je beste vriend, zoû ik nooit zoo intiem
+met hem geworden zijn ...
+
+Ja, het was wel zijne eigen schuld: hij zag dat klaar in.
+
+--En ben je nu meer over me tevreden? vroeg zij lachend.
+
+Hij lachte terug; het was waar: zij had tegenwoordig, terwille van
+Frank, bruske veranderingen tegenover Bertie, verliet in eens, terwijl
+hij nog sprak, den divan, waarop zij samen zaten, gaf hem telkens
+ongelijk, verweet hem zijne fatterigheid, hield hem voor den gek met
+zijne kleine handjes. Hij zag haar dan verbaasd aan, meende, dat ze met
+hem coquetteerde, maar begreep er niet het rechte van. Zoo had zij ook
+eens, gedurende een uur achtereen, hem overladen met kleine
+hatelijkheden, speldeprikken, die ze meende, dat Frank zouden
+geruststellen en Bertie niet te zeer zouden kwetsen. Sir Archibald, in
+een gesprek over heraldiek, wilde kort daarna den beiden vrienden de
+genealogische platen van zijn familieboom laten zien; Frank stond reeds
+op, om hem naar zijn kabinet te volgen, Bertie ook. Eve had een beetje
+medelijden met Bertie, wien zij meende dezen keer al te zeer geplaagd te
+hebben; zij wist, dat Sir Archibalds genealogische gesprekken hem niet
+interesseerden en zei:
+
+--Laat Bertie maar hier, papa; Bertie weet toch niets van heraldiek.
+
+En om Frank, die zijn ijverzucht niet dorst te doen blijken, tegelijk te
+troosten, voegde zij er schertsend bij, met een geruststellend trillen
+harer lange wimpers:
+
+--Frank vertrouwt ons wel samen, nietwaar?
+
+Hare stem was zoo eenvoudig, haar blik zoo lief, dat Frank haar
+toelachte, gerustgesteld, maar toch heimlijk geërgerd, dat Bertie weêr
+was gaan zitten. En toen zij alleen waren, begon Bertie:
+
+--Foei, foei, wat plaag je me toch tegenwoordig, Eve.
+
+Zij lachte en bloosde, voor zichzelve verlegen, dat zij hem zoo plaagde,
+om Frank. Maar Bertie's gelaat was ernstig geworden en met een lief
+gebaar vouwde hij zijne handen samen en smeekte hij:
+
+--Beloof me, dat je het niet meer doen zal....
+
+Zij zag hem aan, verbaasd om zijn ernst.
+
+--Het is immers maar gekheid! sprak ze.
+
+--Maar eene gekheid, die me pijn doet! murmelde hij terug.
+
+Zij bleef hem aanzien, hem niet begrijpend. Hij zat in-een gedoken, het
+hoofd op de borst, zijn oogen starend voor zich uit, en zijn dun bruin
+haar, dat een weinig op zijn voorhoofd neerkrulde, scheen te plakken
+aan zijne slapen, in enkele pareltjes zweet. Hij was blijkbaar zeer
+ontroerd. Hij wist niet waarop dit gesprek zou uitloopen, maar hij
+gevoelde toch, dat zijn toon zeer ernstig was geweest, dat die eerste
+zinnen de prelude van een belangrijk onderhoud zouden kunnen worden. Hij
+gevoelde, dat dit oogenblik bestemd was een kostbaren schakel aan zijne
+levensketen vast te klinken en hij wachtte, fatalistisch geduldig, op de
+gedachten, die in zijn brein zouden ontluiken, op de woorden die van
+zijn tong zouden glijden. Hij sloeg zichzelven in zichzelven gade, en
+tevens omwikkelde hij Eve in een windsel, zooals eene spin eene vlieg
+omwindt in den draad, dien zij uitweeft.
+
+--Zie je, ging hij langzaam voort; ik kàn het niet van je velen, dat je
+me plaagt ... Het is net of je minder van me houdt dan vroeger ... Ik
+kan het toch niet helpen, dat ik kleine handen heb ...
+
+Zij moest glimlachen om het gewild kinderlijke, gewild coquette van zijn
+toon: dat beetje aanstellerij van behaagzieke kinderachtigheid, die zij
+doorzag, maar zij sprak toch:
+
+--Nu, ik vraag je vergiffenis voor mijn plagen! Ik zal het niet meer
+doen ...
+
+--Hij was echter opgestaan, doende of hij hare uitgestrekte hand niet
+zag en stil ging hij voor het raam staan, ziende naar het, in mist
+uitgevaagde, parklandschap van Kensington Gardens. Zij bleef zitten,
+wachtende tot hij iets zeggen zoû. Maar hij zweeg.
+
+--Ben je boos, Bertie? Langzaam keerde hij zich om. Schuin viel het
+bleeke daglicht langs de meubelgordijnen op hem en het gaf eene lijdende
+tint, eene matheid van dof porselein aan zijn fijn gelaat. Zeer
+zachtjes, met een diep smartelijken glimlach, schudde hij ontkennend het
+hoofd. En voor de romantiek harer ziel gaf de smart van dien glimlach
+hem de poëzie van een jongen god of een gevallen engel: het hemelsch
+zachte van een mythologisch wezen zonder sekse, zooals zij in hare
+geïllustreerde dichters gezien had: mannelijk van gestalte, vrouwelijk
+van gelaat. Zij wilde hem smeeken haar die smart uit te storten, en het
+zoû haar in dit oogenblik nauwelijks verwonderd hebben, zoo het
+geklonken hadde als een gerythmeerde monoloog, als eene lange klacht in
+blankverzen ...
+
+--Bertie, mijn beste jongen, wat is er? vroeg zij.
+
+Hij bleef daar staan, zwijgend, in het schuine, bleeke licht, wetend,
+dat het hem bijna theatraal bescheen. En zij, gezeten in het
+halfduister, zag, dat hij, in dat licht, vochtige oogen kreeg. Zij ging
+naar hem toe, geroerd; zij vatte zijne hand, zij dwong hem te zitten,
+naast haar.
+
+--Zeg het dan, Bertie: heb je verdriet? Kan je het mij niet vertellen?
+
+Weêr schudde hij, zachtjes, smartelijker glimlachend, het hoofd. En hij
+sprak ten laatste met eene klanklooze stem:
+
+--Neen, Eve, ik heb geen verdriet. Ik kan geen verdriet meer hebben:
+geen verdriet méér. Maar ik ben alleen maar treurig, omdat we zoo gauw
+zullen scheiden en omdat ik zooveel van je hoû ...
+
+--Scheiden? Waarom, waar ga je dan naar toe?
+
+--Ach, dat weet ik niet, beste meid. Ik blijf, tot je getrouwd bent en
+dan ga ik weg: hier en daar zwerven, heel alleen ... Zal je nu en dan
+eens aan me denken?
+
+--Maar Bertie, waarom blijf je dan niet in Londen?
+
+Hij zag haar aan. Eerst had hij gesproken zonder te weten, waarop hij
+doelde, zich latende slingeren door het toeval. Maar nu, met dien blik,
+dien zij beantwoordde, ontvonkte het in hem, in eens, als een klein
+duivelsch vlammetje. Hij wist het nu, waarop hij doelde; hij overwoog nu
+ook zijne woorden, als was ieder woord een korreltje goud; hij gevoelde
+zich zeer helder worden, zeer logisch en kalm, zonder de angstige, vage
+ontroering van zoo-even ... En hij sprak zeer langzaam, met die
+treurige, klanklooze stem, als van een zieke:
+
+--In Londen! Neen Eve, hier kan ik niet blijven.
+
+--Waarom niet?
+
+--Dat kan ik niet, lieve meid ... Dat kàn ik niet ... heusch niet,
+onmogelijk.
+
+En het gehuichel van zijn blik, het geteem van zijne stem, de comedie
+zijner troostelooze treurigheid druppelden, als een ontzenuwend vocht,
+een vermoeden in haar: het vermoeden, dat hij niet in Londen kon
+blijven, om haar, omdat hij haar zien zoû als de vrouw van Frank. Het
+was als eene suggestie: hij deed het haar vermoeden door de stille
+wanhoop, die van hem uitstraalde.
+
+Maar hare gedachte verzette er zich tegen: het was immers maar een
+vermoeden, zonder grond ... Langzaam ging hij echter door, berekenend
+ieder woord, als met eene mathematische nauwkeurigheid.
+
+--En als ik dan weg ben en je bent samen met Frank, voor altijd ... zal
+je dan gelukkig zijn, Eve?
+
+--Maar Bertie ...
+
+Zij aarzelde: het had bijna wreed geklonken, ja te zeggen, zeker te zijn
+van geluk, tegenover zijne smart.
+
+--Maar Bertie, waarom vraag je dat? vroeg ze, bijna angstig.
+
+Hij bleef haar aanzien, diep, zacht, met den fluweelen nacht zijner
+mooie oogen. Toen zonk zijn hoofd op zijne borst, en zij vulden zich met
+groote tranen, die oogen, en hij wrong zijne handen, als waren zij koud.
+
+--Waarom, waarom, Bertie? herhaalde Eve.
+
+--Niets ... Beloof het me ... beloof me, dat je gelukkig zal zijn. Want
+ik zoû wanhopig zijn, als je niet gelukkig was ...
+
+--Maar waarom zoû ik niet gelukkig zijn: ik hoû zooveel van Frank! riep
+zij eindelijk uit, toch nog vreezende hem, Bertie, te kwetsen.
+
+--Nu, als je gelukkig wordt, is het goed, fluisterde hij mat, steeds
+wringend zijn handen ...
+
+Toen, eensklaps, terwijl zij nog steeds hem vragend aanzag, kreet hij:
+
+--Arm kind!
+
+--Wie, arm kind? vroeg zij ontzet.
+
+Hij greep hare handen, zijne tranen drupten op hare vingers ...
+
+--O, Eve! Eve! God, als je in mijn hart kon zien ... Als je ... O, ik heb
+zoo een medelijden, zoo een innig, groot medelijden met je en ik zoû er, ik
+weet niet wat, o mijn leven voor geven, als ik, als je ... Arm, arm kind!!!
+
+Zij was huiverend, doodsbleek opgestaan; hare handen grepen het
+tafelkleed, dat, door haar ruk, een weinig afgleed, terwijl een
+kristallen vaas, waarin eenige bleeke kasrozen verwelkten, omstortte en
+het water er uit zich met bolle, zilverachtige plekken over het fluweel
+verspreidde. Zij liet het water loopen, hem aanziende met hare groote,
+verschrikte oogen, terwijl hij zijn gelaat met de handen bedekte.
+
+--Bertie! riep zij. O, Bertie, waarom spreek je zoo, wat is er dan ...
+Neen, neen, zeg het, je moet het zeggen ... ik wil het ... O, ik bid je,
+spreek dan toch!!
+
+Hij maakte een gebaar: een uitstekend gebaar, vol natuurlijkheid, zonder
+de minste gemaaktheid of theatraliteit, een gebaar, als wilde hij zich
+herstellen, als had hij iets gezegd, dat hij had moeten verzwijgen; hij
+stond op en zijn gelaat was ook veranderd, niet smartelijk meer, niet
+medelijdend meer, maar koel beslist!
+
+--Neen, neen, Eve, er is niets ...
+
+--Er is niets! En je riep: Arm kind! En je hebt medelijden met me! Mijn
+God, waarom, wat is er dan, wat dreigt me dan ...??
+
+Zij had Franks naam op de lippen, zonder dien te durven uiten en hij
+voelde dat.
+
+--Niets, waarlijk niets, lieve Eve, ik verzeker het je, er is niets. Ik
+heb soms van die dwaze gedachten: het zijn hersenschimmen. Kijk, die
+vaas is omgevallen ...
+
+--Maar wat dacht je dan, welke hersenschim ...?
+
+Hij bette met zijn zakdoek het water van het tafelkleed op en schikte de
+rozen weêr in de vaas ...
+
+--Niets, niets! bleef hij klankloos murmelen.
+
+Zij beefde van zenuwachtigheid; zijne stem was zoo diep medelijdend
+geweest, als bedekten zijne woorden met hun sluier een ontzettend
+geheim. Toen, daar hij niet verder sprak, viel zij op den divan en
+barstte in eens in snikken uit, woest, hartstochtelijk, sidderend van
+een spookachtigen angst, die in hare ziel oprees.
+
+--Eve, lieve Eve, wees kalm! smeekte hij, vreezende, dat iemand binnen
+zou komen ...
+
+Maar toen, toen knielde hij naast haar neêr, hare handen nemend en ze
+zacht drukkend.
+
+--Kijk me aan, Eve!... Ik verzeker het je, ik zweer het je, daar: er is
+niets, er bestaat niets dan alleen in mijne eigen gedachten. Maar zie,
+ik hoû zooveel van je; je duldt wel, dat ik je dat zeg, nietwaar, want
+het is alleen maar innige, onschuldige vriendschap, die ik voel voor het
+meisje van mijn vriend, voor mijn lief klein zusje ... Ik hoû zooveel
+van je en dan denk ik wel eens: zal ze gelukkig worden, mijne lieve Eve
+... O, het is eene dwaze gedachte, maar het is in mij niets vreemds,
+want ik denk dat altijd, van menschen, die ik liefheb ... Zie je ikzelf,
+ik heb zooveel geleden, zooveel verdriet gekend!.... En als ik dan
+iemand zie, van wie ik veel hoû, zooals van jou, en ik zie zoo iemand
+dan vertrouwen op het leven en vol illusies, dan krijg ik die
+vreeselijke, onweêrstaanbare gedachte: zoû ze gelukkig worden! Wordt
+iemand wel gelukkig? Bestaat geluk wel? O, ik moest niet zoo spreken: ik
+maak je er somber door, ik leer je er pessimisme meê, maar het is me
+soms zoo vol, als ik je zie met Frank.... Want ik hoû ook zooveel van
+Frank, ik ben zooveel verschuldigd aan Frank, en ik zoû jullie zoo
+gaarne gelukkig met elkaâr zien, met elkaâr ... Daarom, ik bid je:
+vertrouw op Frank: hij houdt van je, al is hij soms wat weifelachtig,
+wat grillig in zijne gevoelens ... o hij aanbidt je, al ziet hij soms de
+nuances van een vrouwenkarakter over 't hoofd en ... al slaat hij met
+zijne luchtigheid soms wat door, hij meent dat zoo niet ... Hij is zoo
+open, zoo oprecht, je weet zoo precies wat je aan hem hebt ... Daarom
+Eve, lieve Eve, laat nooit een misverstand tusschen jullie heerschen,
+begrijp elkaâr altijd ... nietwaar kind, o mijn arme Eve!!
+
+En hij snikte zacht in zijne mysterieuze wanhoop, die niet geheel en al
+gehuichel was, want hij was zoo wanhopig, om wat er dreigde! En zij
+bleef hem ontsteld aanzien, diep ongelukkig om zijne woorden, waarachter
+zij iets ried, dat hij niet zeggen woû; elk woord een droppel zacht
+venijn, dat in haar gemoed vreemde twijfelingen deed opschieten als
+woekerkruiden en giftplanten.
+
+--Dus is er niets? vroeg ze moê, smeekend, met gevouwen handen.
+
+--Neen, lieve Eve, er is niets! Ik ben alleen maar tobberig, zie je, net
+een oude man, en zoo tob ik soms ook over jullie ... Dus als ik ver weg
+ben, ver uit Londen weg, zal je dan gelukkig zijn? Zeg Eve, zal je dan
+gelukkig zijn? Zweer je het me?
+
+Zij knikte zachtjes, weêr snikkend, wanhopig, dat hij weg moest uit
+Londen, wanhopig om wat hij vermoedde, 't wanhopigst om wat hij niet had
+willen zeggen: dat mysterieuze, dat ontzettende ...!
+
+Maar hij was opgestaan, had haar beide handen gereikt en,
+hoofdschuddend, als over de dwaasheid van den mensch, sprak hij thans,
+met zijn smartelijksten glimlach:
+
+--Hoe gek om zoo te tobben, nietwaar, te tobben om niets? Ik had het
+niet moeten doen: ik heb je er misschien wat treurig meê gemaakt ... heb
+ik?
+
+--Neen, sprak zij, zacht glimlachend, haar hoofdje schuddend. Neen,
+heusch niet ...
+
+Hij liet zich in een stoel vallen, zuchtend.
+
+--Ach ja, zoo is het leven! mompelde hij met groote starende oogen, vol
+nachtelijk mysterie.
+
+Zij antwoordde niet, vol, overvol. Het werd donker en hij nam afscheid:
+Frank alleen zou blijven dineeren.
+
+--Vergeef je het me? sprak hij deemoedig, met al de bekoring zijner
+dichterlijkheid, in het laatste licht, over zijn gelaat verspreid als
+een etherisch waas.
+
+--Wat? vroeg zij, zacht weenend.
+
+--Dat ik je een oogenblik heb angstig gemaakt? Zij knikte, wankelend
+opstaande, doodmoê, huiverend.
+
+--O ja, je hebt me wel even laten ontstellen ... Je moet het nooit meer
+doen, nietwaar ...
+
+--Neen, murmelde hij. Hij kuste hare hand: eene liefkoozing, waaraan
+zij gewoon was, een geur van hoffelijkheid als van een
+achttiend'eeuwschen markies, en hij ging.
+
+Zij bleef alleen. En toen zij alleen was, staande in het midden van het
+vertrek, sloot zij de oogen en het was of er een nevel om haar
+neêrdaalde. En in dien nevel dacht zij aan Moldehoï en zag zij het
+spectrale fjord opschemeren tusschen zijne schermen van bergen in den
+mist, en zag zij de drie lijntjes goud in het westen ... En zij voelde
+zich op eens geheel en al verlaten en eenzaam, zooals zij zich gevoeld
+had, in dien mist, zelfs zonder gedachte aan Sir Archibald en Frank,
+slechts denkend aan hare doode moeder. Eene zwaarte rustte op haar
+schedel als de reuzenpalm van eene ijzeren hand, eene vale duisternis
+wolkte om haar op en zij voelde al hare levenswarmte eensklaps verkillen
+tot eene ijzigheid van dood. Eene groote ruimte ruischte om haar heen en
+in die ruimte gevoelde zij, onzichtbaar, ontastbaar, en toch duidelijk
+en onloochenbaar intens, de spookachtige nadering van een onheil aan
+rollen, áanrollen als een vage donder ... Zij reikte, met de handen
+trillend, rond, als naar een steun ...
+
+Maar zij viel niet flauw, zij kwam tot zichzelve en toen zag ze, dat ze
+juist in het midden van het duisterende vertrek stond, een beetje
+huiverend, met een wankelachtig geknik in hare knieën ...
+
+En ze dacht, dat er toch iets was, iets, dat Bertie niet gezegd had.
+
+
+VIII.
+
+Dagen dacht zij daarover na. Wat was het, wàt was het? Zou Bertie haar
+beklaagd hebben, als er waarlijk niets was dan zijne eigen
+pessimistische vrees voor haar geluk? Of school er inderdaad een geheim?
+Was er iets met Frank ...
+
+En zij zag Frank komen en dikwijls stil zitten, zwijgend en met
+gefronste wenkbrauwen. En zij vroeg:
+
+--Wat is er, Frank? en hij antwoordde:
+
+--Niets, lieveling! zoo als hij altijd antwoordde. Dan spraken zij
+samen, eerst wat gedwongen, dan beiden weêr gelukkig wordend in hunne
+plannen en illuzies, beiden weer vergetend wat hun ieder op het hart
+drukte. Eve lachte helder en zij zette zich op Franks knie en speelde
+met zijne snor en alles was zoo mooi om hem heen. Kwam Bertie dan
+binnen, zoo scheen het dadelijk alsof er iets tusschen hen gleed: eene
+schim, die hen scheidde. Maar vooral als zij alleen waren, gevoelden zij
+zich nameloos ongelukkig. Dan bekroop Frank den lust Bertie de deur uit
+te smijten, in eens, zonder de minste aanleidende oorzaak, als een
+schurftigen hond. En hij zag Bertie in zijn geest terug zooals hij had
+staan bibberen in dien kouden sneeuwnacht, in zijne armzalige plunje. En
+nu was hij zoo netjes en hij deed niets slechts: hij was onberispelijk,
+hij ging zelfs niet meer gedurende eenige dagen op den loop, als eene
+kat. Hij was steeds belangwekkend, met zijn waas van weemoed en zelfs
+had hij vaak nu, na de scène over Tayle, een zweem van verwijt in zijne
+stem en zijn blik tegenover Frank.
+
+Maar Eve, alleen, gevoelde zich het ongelukkigst. Ontzenuwende
+twijfelingen woekerden in hare ziel, twijfelingen, die zij wel voor een
+oogenblik uitroeide, maar die toch dadelijk weêr opschoten, zoodra zij
+dacht aan dien smartelijken glimlach van Bertie, aan die medelijdende
+stem, aan die vreemde erbarming ... Wat was het, wat wàs het? Zij had er
+vaak met Frank over willen spreken, maar als zij op het punt was te
+beginnen, wist zij niet wat te zeggen ... Dat Bertie haar beklaagd had?
+Het was immers niets dan zijn eigen pessimisme, dat, in eene algemeene
+menschenliefde, de geheele wereld beklaagde, omdat die wereld voor smart
+geschapen scheen. Frank vragen of hij een stil verdriet had, Frank
+vragen of hij _iets_ had? Ze deed het immers zoo dikwijls en het was
+altijd hetzelfde antwoord:
+
+--Niets, lieveling!
+
+Wat dan, o wat dan? Helaas, zij kon niet verder, zij stond als
+geblinddoekt in een toovercirkel, dien zij niet overschrijden kon, en
+hare handen tastten om zich heen zonder iets te vatten. Joeg zij ook met
+energie hare gedachten heen, zij kwamen weer terug, halsstarrig. Zij
+overweldigden haar opnieuw, zij stapelden zich opnieuw in haar brein op
+elkaâr, twijfelingen ontspinnend, en het was dan altijd, o altijd, die
+zelfde vraag welke ten laatste uit al deze ellende des denkens oprees:
+
+--Wat? Wat is er? Is er iets?
+
+En nooit een antwoord. Eens had zij er nogmaals Bertie naar gevraagd en
+Bertie had slechts geglimlacht, met dien verschrikkelijken glimlach,
+vol smart, en haar gesmeekt toch niet te blijven mijmeren over iets, dat
+hij, zoo terloops, uiting gevende aan de natuurlijke treurigheid van
+zijn gemoed, gezegd had. Anders zoû hij voortaan huiverig zijn iets meer
+tegen haar te zeggen, zich oprecht te geven; anders zoû hij zijne
+woorden moeten wegen en zij zouden niet meer zoo vertrouwelijk kunnen
+zijn, als broêr en zuster ... En het werd in haar eene stemming vol
+fijne halftinten, waarin niets omtrek, niets zelfs bepaalde kleur had:
+een geweifel van schaduwachtig grijs, dat de schaduwlooze helderheid
+harer liefde invloot, meer en meer invloot en haar afmattende door zijne
+onbestemdheid, door zijn niet-zijn in het reëele leven en door zijn
+schijnbestaan, als van iets ontastbaars,--een droom,--in haren geest.
+
+
+IX.
+
+Eens echter werd de droom als eene realiteit, eens tastte zij iets, zag
+zij iets, hoorde zij iets. Maar, was het dat ...
+
+Het was aan den uitgang van het Lyceum ... De menigte stroomde naar
+buiten, langzaam, schuifelend, hier en daar een beetje ongeduldig
+duwend, schouder aan schouder ... En in dat dringen, naast haar, zag zij
+eensklaps de vuurroode peluche sortie van eene groote, zware vrouw
+vlammen; een gelaat, rood, wit en zwart van verf, popachtig lachende
+onder een kinderachtigen Cherry-ripe-hoed; den luifelrand als vol
+gepropt met eene hoop blonde kurketrekkertjes, boog eensklaps over haar
+in een parfum van gemusceerden poudre de riz, en óver haar heen, naar
+Frank toe, als een slag in haar eigen gelaat, weêrklonk het:
+
+--Zoo, dag Frank, dag lieve vent ...
+
+Zij schrikte ademloos terug, snel beurtelings ziende naar dat
+poppengelaat en naar Frank; zij zag zijn woedenden blik en zelfs ontging
+haar de ontsteltenis der groote vrouw niet,--een der skatingrinkjes--,
+terug als deze deinsde toen zij aan Franks arm het meisje bespeurde, dat
+zij eerst in het gedrang over het hoofd had gezien, ontzet als zij zich
+wegmaakte, omdat ze zoo onfatsoenlijk was geweest een vriend aan te
+spreken, die met eene dame liep!
+
+Maar ze verdween toch met een verwonderden omblik naar Bertie, die
+achter hen kwam: daarvoor had Bertie dan toch wel kunnen waarschuwen ...
+Want Bertie had drie woorden gewisseld met den Cherry-ripe-hoed, en
+zelfs naar voren geknikt, zeggende:
+
+--Daar loopt Frank ...
+
+Het speet haar, maar ze had heusch de dame niet gezien!
+
+Thuis gekomen, wilde Sir Archibald, die niets gemerkt had, aan de deur
+afscheid nemen, maar Frank sprak:
+
+--Ik bid u, ik moet even Eve spreken, ik bid u ...
+
+Het was wel laat, maar Sir Archibald was geen man van etiquette ...
+
+Zij waren alleen en zij bleef zwijgen, hem aanziende met vreemde oogen.
+Maar hij sprak, haastig, struikelend over zijne woorden, als wilde hij
+ten snelste elk boos vermoeden in haar bestrijden.
+
+--Eve, Eve, geloof me ... je moet me gelooven: er is niets ... Je mag
+niets denken, van wat er zoo even gebeurd is ...
+
+En hij vertelde haar in enkele koortsachtige zinnen van vroeger, hun
+jongelui's-leven, de skating rinkjes ... Nu bestond dat alles niet meer,
+het was het verleden en, ze wist het, ieder jongmensch had een verleden:
+ze wist dat nietwaar?
+
+--Een verleden ... fluisterde zij koud. O, ieder jongmensch heeft een
+verleden ... Maar wij, wij hebben geen verleden, wel?
+
+--Eve, o Eve! kreet hij, want door de ironie harer doffe stem schemerde
+zulk eene smart heen, dat hij ontzette, radeloos, niet wetend, hoe hij
+haar troosten zoû.
+
+--Zeg me alleen dit! vroeg zij, hem naderend, met haren vreemden blik in
+den zijne. Zij legde hare handen op zijne schouders, zij poogde zijne
+innerste ziel door zijne oogen heen te peilen ... En langzaam vroeg ze,
+haar vonnis willende lezen uit het eerste woord, dat hij slaken zoû:
+
+--Nu niet meer ...?
+
+Hij knielde voor haar neêr, waar zij stijfrecht, als bevrozen, op een
+stoel was neêrgezonken; hij verwarmde hare wederstrevende handen in de
+zijne, hij zwoer van neen ... Zijn eed klonk oprecht, eene waarheid
+blonk open op zijn gelaat, en zij geloofde hem ... Hij vroeg
+vergiffenis, zeide, dat zij er niet meer over denken moest, dat dat
+altijd zoo was ...
+
+--O, zoo, knikte zij hem zonderling toe; ach ja, jawel, ik begrijp dat
+wel; papa heeft me een beetje liberaal opgevoed ...
+
+Hij herinnerde zich dat gezegde: zij had het nog éens gezegd ... Toen,
+beiden, dachten zij aan Moldehoï, aan de zwarte wolken ... Eve rilde ...
+
+--Heb je het koud, lieveling?
+
+Zij schudde van neen, steeds met dien vreemden blik in haar oog. Hij
+wilde haar omhelzen, maar zij trok zich langzaam terug, en hij gevoelde
+zich onhandig, bijna verlegen. Hij begreep haar niet. Waarom geen kus,
+waarom geen geheele verzoening, als ze het begreep, als ze een beetje
+liberaal was opgevoed? Maar ze was misschien nog wat ontsteld. Hij wilde
+niet aandringen. Het zoû wel slijten ...
+
+Toen hij heen was, in hare kamer, rilde zij, klappertande zij, als in
+koorts.
+
+Hartstochtelijk begon zij te snikken, diep, diep rampzalig, wanhopig,
+dat zij leefde, dat zij mensch, dat zij vrouw was, dat zij liefhad,
+vooràl dat zij liefhad; dat de wereld bestond, dat alles zoo laag en
+vuil was, als slijk ... zij walgde van dat alles. En het was haar of ze
+nooit iets begrepen had van hare boeken, noch van Spencer, noch van
+"Gespenster", vooràl niet van "Gespenster", of ze nooit iets begrepen
+had van haar vaders opvoeding: een beetje liberaal; het was haar of het
+blanke vleugeldons harer illuzies om haar heen stoof, of eene ruwe hand
+een druivenwaas van haar innigste geheimenis, van de ziel harer ziel had
+weggevaagd, of het heilige leliënmysterie harer maagdelijkheid dwars
+door een riool was gesleurd.
+
+En voor het eerst bonsde de rust harer groote, practische liefde voor
+Frank in tegen al de romantiek harer jongemeisjesdroomen, verbrak zich
+het evenwicht tusschen hare twee gemoederen, haar practisch en haar
+romantisch gemoed.
+
+
+X.
+
+Na zijn gesprek met Eve, scheen het Bertie toe, dat hij in eene subtiele
+sfeer leefde, in een labyrinth omdwaalde, vol geheimzinnige paden van
+list en sluwheid, waarin hij zeer moest opletten, wilde hijzelf niet
+verdwalen. Hij wist zeer goed, wat hij in dat gesprek beoogd had:
+twijfelingen wekken in Eve omtrent Franks standvastigheid ... Kende Eve
+zelve Frank niet als weifelend, bijna grillig ...? Waren dus zijne
+woorden goed gekozen geweest? Had hij twijfel gezaaid?
+
+Hij wist er niets van, hij zag er niets van in de, telkens terugkomende,
+eentonigheden en banaliteiten van het dagelijksch leven, waarin nuances
+zoo vaak zelfs aan den allerfijnsten opmerker verloren gaan. Eve had hem
+nog wel eens gevraagd naar dat _iets_, maar daarna werden hunne
+gesprekken weder geworden als vroeger, ten minste uiterlijk. Hij zag
+niets aan Eve, ook niets aan Frank: Eve had dus ook niets aan Frank
+gezegd of gevraagd ...
+
+Vóor dit gesprek had Bertie aarzelingen gekend, walgingen van zijne
+eigen harteloosheid, zelfs ontzettingen over de reusachtigheid van zijn
+eigen egoïsme. Maar dit gesprek met Eve was geweest als de eerste stap
+op een hellend vlak, waarop men zich niet meer kan omwenden ... Eene
+helderheid van denken klaarde er na in zijn brein op, als waren zijne
+hersenen spiegels of kristal, waarin zijne denkbeelden zich als in veel
+hel licht weerkaatsten. Nog nooit had hij zich zoo gespitst gevoeld, zoo
+zuiver logisch, zoo, met de nauwkeurigheid van eene naald, gericht op
+één doel. En die helderheid van denken was zóó intens, dat hij, in eene
+naïve lacune zijner slechtheid, in een naïve juistheid van zelfkennis,
+het eens, gedurende eene seconde, bevreemdend in zich vond, dat hij
+zooveel talent, zooveel genialiteit der gedachte niet aan een doel
+besteedde, edeler dan het zijne was ...
+
+--Waarom ben je geen artist geworden? hoorde hij Eve nogmaals vragen.
+
+Maar hij glimlachte, de practische moeilijkheden van het leven doemden
+voor hem op; hij gevoelde de indolentie, de poesenluiheid van zijn
+lichaam ... neen, neen, het kon niet anders, het moest zoo zijn: de
+eerste stap was genomen, het was het Lot ...
+
+Toen, bij het uitgaan der comedie, die vrouw uit hun vroeger leven, zijn
+knikje naar voren: daar loopt Frank! Was dat ook niet het Lot? Strooide
+het Lot op het pad dergenen, die het bewierookten als eene godheid, die
+het dienden met een eeredienst, niet zulke oneindig-kleine
+gebeurtenisjes, als weldaden, die men moest gebruiken: schakeltjes,
+die--het Lot wilde het zoo--men zelf voegen zoû aan den ketting? Gaf het
+Lot zelf niet zoo de illuzie van een eigen wil, een zweem van waarheid
+aan den leugen, dat men door zichzelven--energie--iets kan wijzigen aan
+den loop der omstandigheden? Niets dan een knikje, niets dan een
+woordje: daar loopt Frank! en dan rekenen op het toeval--toeval, wàt is
+toeval?!--dat het fatsoenlijke skatingrinkje, in het gedrang, Eve--zoo
+klein, zoo fijn, zoo verloren--niet zien zoû!
+
+Was het geschied, zooals het was voorbereid? Had hij den wensch van het
+Lot geraden? Hij dacht wel: zoo een klein beetje; waarom anders dat
+smeeken van Frank om een gesprek, zoo laat, bijna in den nacht ...
+
+En in zijne subtiele sfeer van fijn uitgesponnen list, in zijn labyrinth
+van sluwheid, vond hij zich niet slecht, niet harteloos, niet egoïst
+meer. Conventie, woorden ... Eene ijdelheid, dat hij zoo fijn dacht,
+verving alle scrupules, en schemerden zij soms nog op, dan dacht hij
+maar: wie weet, waar het goed voor was, dat Frank niet trouwde: Frank
+was niet iemand om te trouwen: neen waarlijk, hij wàs grillig en
+onstandvastig: hij zoû nooit zijne vrouw gelukkig maken.
+
+Maar Bertie zag ook aanstonds in, dat dit zelfbedrog was en dan lachte
+hij weêr en schudde het hoofd, omdat hij zichzelven zoo comiek, zoo
+vreemd vond. Het leven was niets, niet de moeite waard zich er om te
+vermoeien, maar zoo in zichzelven door te dringen, zichzelven te
+bestudeeren, zoo te blikken in zijn denken, zoo te goochelen met zijne
+gedachten, dàt was belangwekkend, dàt was eene interessante bezigheid,
+terwijl men lui op een zachten divan lag ...
+
+En toch genoot hij slechts zelden eenige hersenrust, want de spinsels
+zijner sluwheid weefden, haar afmattend, zich voort in zijne gedachte.
+Ook zijne uitingen tegen Eve--soms lange gesprekken, soms halve
+zinnen--matteden hem af door het telkens en telkens nauwkeurig afwegen
+der woorden. Maar niets van deze afmatting was aan zijn uiterlijk te
+bespeuren en die woorden, ze rolden zoo schijnbaar ondoordacht van zijne
+lippen, dat zij schenen te leven van natuurlijkheid. Inderdaad waren zij
+de frases van een comediespelend, vooruit ingestudeerd pessimisme; zij
+treurden over het leven, zij beklaagden Eve met eene mysterieuze
+ontferming, en, tusschen die smart heen, beschuldigden zij
+Frank--eventjes, ter loops, met niets, bijna alleen met hun
+accent--beschuldigden zij hem van grilligheid, onstandvastigheid,
+wuftheid, weifelmoedigheid. Bij den minsten uitroep van Eve echter
+spraken zij zichzelven weêr tegen, kunstig schermend nu met zichzelven,
+dan met Eve, als met de feintes van fijne floretten, terugtrekkende
+schijnsteken, een prikje hier, een prikje daar, een druppeltje bloed
+stortend, telken keer ...
+
+En Eve zelve scheen het, dat hare ziel, na eerst door een riool gesleurd
+te zijn, uitbloedde onder die prikjes. Het was eene smart, zeer
+duidelijk, als zij in wanhoop de werkelijkheid vergeleek met hare
+illuzies, vager wordend, zich uitwisschend, als zij wat koel verstand
+had om er over te redeneeren en zich af te vragen: waarom voel ik mij
+zoo rampzalig? Omdat Frank is zoo als alle jongelui schijnen te zijn?
+Omdat Bertie pessimist is en wanhoopt, dat ik gelukkig zal worden?...
+Dan haalde zij hare schouders op, hare smart was niet te begrijpen, was
+een nevel geworden, was weg ... Zij was immers zeer gelukkig gewèest;
+Bertie's wanhoop was ziekelijk; zij wilde wéêr gelukkig worden. Maar
+niettegenstaande die logica de smart even verdreef, kwam ze aanstonds
+weêr terug, trots redeneering en verstand, zeer halsstarrig, als iets,
+dat een golf aanspoelt, dat komt en wijkt, wijkt en komt.
+
+Zij kòn dat niet langer uithouden en eens, toen zij goed in zichzelve
+dorst te zien, zag zij, dat zij twijfelde aan Frank, aan de waarheid
+zijner verzekeringen omtrent die vrouw ... En zij vroeg, smachtende naar
+zekerheid, aan Bertie, hun vriend:
+
+--Bertie, zeg het me: dat _iets_, waarover je verleden sprak, dat
+geheimzinnige, wat is het?
+
+--Ach, niets, beste meid, heusch niets ...
+
+Doordringend zag zij hem aan en zij vervolgde met eene vreemde, koude
+stem:
+
+--Jawel, ik weet het, ik heb het geraden ...
+
+Bertie schrikte op: wat dacht zij, wat woelde haar door het hoofd ...?
+
+--Ik heb het geraden, herhaalde ze. Frank houdt niet van me: hij houdt
+... hij houdt van die vrouw, dat mensch van het Lyceum ... Hij heeft
+altijd van haar gehouden ... Is het zoo?
+
+Bertie zweeg en zag strak voor zich uit: dat was het gemakkelijkst en
+het verstandigst.
+
+--Bertie, zeg: is het zoo?
+
+--Ach, wel neen! antwoordde hij mat. Wat een dwaasheid haal je je toch
+in het hoofd. Hoe kom je daar nu aan ...
+
+Er was geen klank van overtuiging in zijne stem: hij sprak blankweg, als
+was hij er niet bij, als overwoog hij iets in zichzelven.
+
+--Ziet hij haar nog wel eens? vroeg zij weêr en het scheen haar, dat ze
+zich bezoedelde met haar eigen woorden, dat haar mond modder spuwde.
+
+--Maar wel neen ... Wat denk je toch wel?
+
+Zij leunde zuchtend achteruit, met groote vochtige oogen. Hij zweeg nog
+eene pooze, haar van ter zijde bestudeerend. Toen, om zijne te flauwe
+tegenwerpingen te temperen:
+
+--Eve, Eve, sprak hij verwijtend. Je mag zulke dingen niet denken van
+Frank. Dat is niet mooi ... Je moet vertrouwen stellen in je aanstaanden
+man ...
+
+--Het is dus niet waar?
+
+--Heusch niet: hij ziet haar niet meer ...
+
+--Maar geeft hij niet meer om haar?
+
+Lang, diep, raadselachtig blikte hij haar toe. Zijn oog was een
+fluweelzwarte nacht: zij kon er niets in vinden.
+
+--Foei! sprak hij, het hoofd schuddend, verwijtend.
+
+--Je antwoordt me niet! bad ze.
+
+Weêr die zelfde blik, vol duisternis.
+
+--O God! Antwoord me dan toch! smeekte ze, rampzalig tot in de ziel van
+hare ziel.
+
+--Wat wil je, dat ik weet van Franks gevoelens? waagde hij te sissen. Ik
+weet het niet, daar!
+
+--Het is dus zoo? kermde ze, zijne handen grijpend.
+
+--Ik weet het niet, herhaalde hij, zich los wringend, zich afwendend,
+opstaande.
+
+--Hij houdt van haar, hij kan niet buiten haar leven, hij is verslaafd
+aan dat mensch, zooals jullie soms verslaven aan zulke wezens en hij
+ziet haar nu wel niet meer, uit eerbied voor mij, maar toch denkt hij
+en spreekt hij over haar met je ... en daarom is hij stil en somber als
+hij hier is ... Is het zoo?
+
+--Ach, God, ik weet het niet! steunde hij met een zacht ongeduld. Wat
+weet ik?
+
+--Maar waarom doet hij dan of hij van mij houdt, waarom heeft hij me
+gevraagd? Omdat hij een oogenblik, in Noorwegen, heeft gedacht, dat hij
+buiten haar kon? Omdat hij een nieuw leven wilde beginnen en nu niet
+meer kan?
+
+Hij sloeg zijn handen in elkaâr.
+
+--O, God, Eve, schei uit, schei uit! Ik weet het niet, zeg ik je, ik
+weét hèt nièt, daar, daar, daar ...
+
+Hij zonk met een zucht van uitputting in zijn stoel terug. Zij bleef
+zwijgen, en de tranen vloeiden haar als een regen uit de oogen,
+onophoudelijk.
+
+
+XI.
+
+En ze dacht, in hare groote smart, dat ze zeer slim en knap was geweest
+en dat ze het goed--o God, te goed!--geraden had, terwijl zij
+integendeel, zoo argeloos als een kind, onder het onbegrijpelijk
+magnetisme van zijn blik insluimerde als onder eene hypnoze, en slechts
+woorden uitte, die hij haar wilde doen uiten.
+
+Zij voelde daar niets van: zij bleef hem zwak, lief, lijdend zien, als
+haar broederlijke vriend, die vreesde haar leed te doen, die de waarheid
+wilde verbergen om maar niet te kwetsen, en die niet sluw genoeg was òm
+die waarheid te verbergen, als zij hem in het nauw dreef. Zoo bleef ze
+hem zien. Geen oogenblik kwam eenig vermoeden bij haar op, dat zij eene
+vlieg was, die in de ruiten van eene spinneweb rondspartelde. En Bertie
+zelf zag na deze scène niet duidelijk meer in, dat _hij_ alles deed: dat
+_hij_ het eerste venijn van twijfel in haar vertrouwen had gegoten, dat
+_hij_ de scène aan den uitgang van het Lyceum had geleid, dat _hij_ Eve
+dwong den weg uit te gaan, dien hij wilde. Een floers kwam over de
+helderheid zijner gedachte, als eene verweêring over een spiegel; de
+crisis zijner hersenhelderheid ging voorbij; het was alles het werk der
+omstandigheden, dacht hij: een mensch kon dat alles niet gedaan hebben
+uit vrijen wil ... Want, wat ging alles gemakkelijk, eenvoudig van een
+leien dakje! Dat was, omdat het Lot het zoo wilde en hem bevoordeelde;
+hijzelf was er onschuldig aan ...
+
+En dit was geen zelfbedrog: hij _meende_ dat alles.
+
+Den avond van dit laatste gesprek, zeer laat, zocht Eve haren vader op,
+die in zijn kabinet zat te lezen, in zijne heraldische boeken. Hij
+meende, dat zij hem een nachtzoen kwam geven, als naar gewoonte, maar
+zij zette zich voor hem neêr, stijfrecht, met een gelaat als van eene
+somnambule.
+
+--Ik moet u spreken, vader ...
+
+Hij zag haar verbaasd aan: in zijne olympische rust van genealogische
+studie, in zijn kalm, emotieloos bestaan van een gezond, oud man, die
+zich tusschen zijne boeken een aangenamen ouderdom wist te scheppen, had
+hij niet bespeurd, dat er om hem heen, tusschen drie menschen, die hij
+iederen dag te zamen zag, een drama werd gespeeld. En hij verwonderde
+zich over het bevrozen gelaat zijner dochter, over hare matte stem, vol
+ingehouden smart.
+
+--Ben je niet wel, kind?
+
+--O ja, ik ben heel wel ... Maar ik woû u iets vragen. Ik woû u vragen
+of u eens met Frank wilt spreken.
+
+--Met Frank?
+
+--Ja, met Frank. Verleden toen wij uit het Lyceum kwamen ...
+
+En zij vertelde het hem, steeds stijfrecht op haren stoel, steeds met
+dien vreemden blik, die matte stem; zij vertelde hem van de blonde
+vrouw, van hare twijfelingen, van haar wantrouwen. Het was slecht in
+haar, dat zij Frank wantrouwde, maar zij kon er niets aan doen. Zij had
+ook Bertie als een getuige willen aanhalen, maar Bertie had toch nooit
+iets bepaalds gezegd; ze wist dus niet hoe ze hem brengen zoû in haar
+verhaal en zweeg dus over hem.
+
+Sir Archibald hoorde haar ontsteld aan; hij had nooit vermoed, dat er
+zoo iets in zijne dochter omging; hij had gemeend, dat alles zonneklaar
+in hare ziel was!
+
+--En ... wat dan? vroeg hij aarzelend.
+
+--En nu wilde ik, dat u met Frank sprak. Dat u hem ronduit vraagt of hij
+nog die vrouw, die toch in zijn vroeger leven eene plaats heeft gehad,
+liefheeft, of hij haar niet vergeten kan. Of hij daarom zoo stil en zoo
+somber is, als hij hier is. Laat hij openhartig met u spreken. Ik hoor
+liever mijn vonnis, dan in dien twijfel voort te leven. En misschien
+verklaart hij u alles zoo, dat het goed wordt, weêr zooals vroeger ...
+Spreek niet van mijn wantrouwen: hij zoû daar, als het niet
+gerechtvaardigd is, boos over kunnen worden. Het is zoo slecht van me,
+dat ik zoo wantrouw en ik dwing me altijd tot betere gedachten, maar ik
+kan niet. Er is iets in me, ik weet niet wat, er zweeft iets om me, ik
+weet niet wat, en dat fluistert me in: vertrouw hem niet, vertrouw hem
+niet!... Ik kan niet begrijpen wat het is, maar ik voel het om me heen
+en in me. Het is als eene stem en soms is het als een oog, dat me
+aankijkt. Des nachts, als ik niet slapen kan, ziet het me aan en spreekt
+het tegen me en dan is het of ik gek word ... Het is misschien wel een
+spook ... Spreek u dus met hem ... Doe dat voor uw kind! Ik ben ... o,
+ik ben zoo ongelukkig ...
+
+Zij snikte en knielde voor hem neer en legde het hoofd op zijne knieën.
+Hij streelde werktuigelijk heur haar, geheel van het spoor. Hij hield
+van zijn meisje, maar zijne liefde was meer eene zoete gewoonte dan eene
+sympathie des gemoeds. Hij begreep haar niet, hij vond haar dwaas en
+onverstandig. Had hij haar daarom zelf eene flinke opvoeding gegeven,
+haar veel laten lezen, haar de wereld leeren kennen, zooals deze was,
+nuchter, practisch en egoïstisch, een bestaan van strijd, waarin men
+zijn hoekje van geluk met vastberadenheid en kalmte moest trachten te
+veroveren. Hij, hij had zijn hoekje, met zijne boeken en zijn heraldiek.
+Waarom liet zij zich door zenuwachtige spookgedachten beheerschen? Want
+het waren zenuwen, niets dan zenuwen! Die vervloekte zenuwen! Wat geleek
+ze toch, niettegenstaande hare liberale opvoeding, op hare moeder,
+droomerig, dweperig, vol allerlei vage denkbeelden ... En dan ... met
+Frank spreken? Waarom, waarover? Hij begreep er niets van ... Die vrouw
+van het Lyceum? De eene of andere meid, die hem had toegeknikt. Dat
+gebeurde iedereen ... Eve was zeer dwaas, dat niet te voelen ... Een
+gesprek met Frank daarover? De jongen zoû denken, dat zijn aanstaande
+schoonvader gek was geworden: er liepen wel duizend cocottes in London
+... Welk jongmensch kende er niet ... En het denkbeeld van gestoorde
+rust, van een moeilijk gesprek, dat hem een uur, misschien wel een dag
+uit zijne olympische kalmte, uit zijne studies zoû rukken, rees zeer
+onaangenaam voor hem op, als een schrikbeeld voor zijn naïf egoïsme.
+
+--Kom Eve, dat is allemaal gekheid! mopperde hij vriendelijk. Wat wil je
+nu, dat ik daaraan doe. Het zijn ziekelijke gedachten van je ...
+
+--Neen, neen, het zijn geen ziekelijke gedachten. Het zijn geen
+gedachten. Het is iets ... iets anders ... het is iets wat om me is en
+in me komt ... buiten mijn wil ...
+
+--Maar kind, je praat nonsens ...
+
+--....En als ik er over nadenk, dan gaat het voor een poosje weg. Maar
+dan komt het weêr terug ...
+
+--Heusch, Eve, praat niet zulke gekkepraat. Wat is dat nu eigenlijk, dat
+je vertelt, wat beteekent dat nu allemaal. Het komt en het gaat voor een
+poosje weg, en het komt en het gaat weêr ...
+
+Zij schudde zacht het hoofd, op den grond gezeten, voor den haard, aan
+zijne voeten.
+
+--Neen, neen, sprak ze halsstarrig. U begrijpt dat niet. U is een man:
+u begrijpt niet, dat er zoo iets kan zijn in eene vrouw. Wij vrouwen
+zijn zoo geheel anders ... Maar u zal met hem spreken, nietwaar, en hem
+alles vragen?
+
+--Neen Eve, dat zal ik gedecideerd niet. Frank zoû met recht kunnen
+vragen, waarmeê ik me bemoei. Je weet toch ook heel goed, dat ieder
+jongmensch zulke vrouwen kent of gekend heeft. Daar is niets in. En
+Frank lijkt me te eerlijk, dan dat hij zoo eene juffrouw, nu dat hij
+geëngageerd met je is, nog zoû opzoeken. Daarvoor ken ik hem te goed en
+moest jij hem ook te goed kennen. Het is allemaal heel dwaas van je,
+hoor, heel dwaas.
+
+Zij begon hevig te snikken, te kermen, in eene overvloeiïng van
+rampzaligheid. Zij wrong de handen en bewoog langzaam haar bleek hoofdje
+van links naar rechts, van rechts naar links, als leed zij duldelooze
+pijnen.
+
+--Ach, vadertje! smeekte zij. Vadertje, doe het! Doe het! Doe het voor
+je kind, voor je kleine Eve! Toe, toe, spreek met hem ... Ik ben zoo
+ongelukkig: ik kan niet meer, zoo ongelukkig ben ik! Spreek met hem,
+vadertje! _Ik_ kan toch niet daarover met hem spreken: ik ben een
+meisje, en ik vind dat alles zoo vies, zoo vies ... Vadertje, o
+vadertje, spreek met hem!
+
+Zij wilde weêr liefkoozend zich tegen zijne knieën dringen, maar hij
+stond op: hare tranen ergerden hem en sterkten zijne koppigheid. Zijne
+vrouw had ook nooit met tranen iets van hem verkregen, integendeel. En
+hij vond Eve flauw en kinderachtig: hij herkende niet meer zijne flinke
+dochter, met wie hij de wereld had doorgereisd--onvermoeid en
+krachtig--in dit gebroken schepsel, dat van weedom smolt.
+
+--Sta op, Eve! sprak hij hard. Lig daar niet op den grond. Je zal nog
+eindigen me boos te maken met die dwaasheid. Waarom huil je nu? Om
+niets, om gekkelijke hersenschimmen. Ik wil dat niet meer in je dulden.
+Je moet verstandiger worden. Sta op, sta op!
+
+Zij rees langzaam, kermend, op en bleef voor hem staan, als eene
+martelares, met haar wit gelaat, hare verwrongen handen.
+
+--Ik kan het niet helpen, vadertje! Ik ben nu eenmaal zoo ... Heb je dan
+geen medelijden met je kind, ook al begrijp je haar niet? Toe, o toe,
+spreek met hem, enkele woorden maar, ik bid er je om ... ik _bid_ er je
+om!
+
+--Neen, neen, neen! riep hij stampvoetend en zijn gezicht werd rood als
+door eene congestie van ergernis om al deze nuttelooze, nevelachtige
+verdrietelijkheid, al deze dwaasheid, al dit huilen en drijven zijner
+dochter, dat zijne koppigheid tot verzet dwong, in eene behoefte om niet
+toe te geven. Maar zij, ze richtte zich op, zich vergrootend in hare
+smart: vreemd drongen hare oogen zich in die haars vaders.
+
+--Dus u wilt niet met Frank daarover spreken? U heeft dat niet voor me
+over?
+
+--Neen. Het is allemaal onzin, zeg ik je. Zeur er niet meer over.
+
+--Goed. Dan ... zal ... ik ... het ... doen! sprak ze langzaam, als nam
+zij een vast, onwrikbaar besluit. En langzaam ook, zonder om te zien,
+zonder den gewonen nachtzoen, verliet zij het vertrek. Het was haar of
+Sir Archibald een vreemde voor haar was geworden, of er niets teeders
+bestond tusschen dien vader en haar, nooit bestaan had, niets dan de
+vijandschap van twee tegenstrijdige temperamenten. Neen, zij hadden
+onder de uiterlijke harmonie nooit voor elkaâr gevoeld, nooit elkander
+gekend, nooit elkaâr pogen te begrijpen: zij hem niet in zijn ouderdom,
+hij haar niet in hare jeugd. Mijlen afstands, eene woestijn, eene
+eindelooze leêgte was tusschen hen; zij waren elk in zichzelve
+opgesloten als in twee tempels, waarin verschillende eerediensten
+heerschten.
+
+--Hij is mijn vader! dacht ze, terwijl zij door den corridor ging. En ik
+ben zijn kind ...
+
+Zij begreep dat niet: het was als een mysterie der natuur, dat een
+leugen bleek. Hij haar vader, zij zijn kind. En hij voelde niet wat zij
+leed, voelde niet, dàt zij leed, noemde het dwaasheid en gekkepraat. Een
+groot verlangen naar hare moeder welde in haar op. Die zoû haar begrepen
+hebben!
+
+--Mama! snikte zij. Mama! Kom terug! Zeg me wat ik doen moet! Kom terug
+als geest: ik zal niet bang voor u zijn. Ik voel me zoo alleen, ik lijd
+zoo, ik lijd zoo ... Spook om me heen, o toe spook om me heen!
+
+In hare kamer, in het donker, wachtte zij op dien geest. Maar er
+verscheen niets; de duisternis bleef roerloos hangen als een zwart
+gordijn, waarachter niets was, dan een groot Niets.
+
+
+XII.
+
+Toen Frank den volgenden middag kwam, zag hij aanstonds aan heur gelaat,
+dat er eene groote ontroering in haar woelde.
+
+--Wat is er, kind? vroeg hij ontsteld.
+
+Zij gevoelde zich eerst zoo zwak, zóó zwak ... Het was zoo iets
+vreeselijks ... het was weêr die modder, zoo vies ... Maar zij vermande
+zich; zij richtte zich op in hare mooie wilskracht, die eene stevigheid
+gaf aan het kinderlijke dwepende en kuisch vrouwelijke van haar
+karakter, als een forsch gedanen achtergrond, waartegen veel zachts en
+teeders uitblinkt. En vooral omdat zij wist, dat zij alleen stond,
+verlaten door haar vader, wilde zij krachtig zijn.
+
+--Frank, het kan niet anders! begon zij met de wanhoop van hare energie.
+Ik moet er over met je spreken! Ik ben bijna, al vóór dat je iets
+geantwoord hebt, overtuigd, dat ik ongelijk heb en zelfs heel slecht
+denk, maar toch moet ik je er over spreken, want ik lijd er te veel
+onder, onder dat alles ... Altijd te zwijgen en alles te verkroppen, het
+doet zoo een pijn ... Ik hoû het niet meer uit, Frank ... Ik vroeg papa
+het je te zeggen, maar hij wil niet ... Misschien heeft hij gelijk, maar
+het is toch niet lief van hem, want nu moet ik het zelf doen ...
+
+Zij voelde zich in de opschroeving harer geestkracht even sidderen bij
+deze bittere gedachte, maar zij deed zich geweld aan en ging voort.
+--Frank, Frank ... die vrouw ... o, die vrouw ... ik denk er nog altijd
+aan.
+
+--Maar Eve ...
+
+--Ach toe, laat het me zeggen, ik moet het toch zeggen: ik zie nog
+altijd dat mensch naast me, ik ruik haar parfum en ik hoor wat ze zegt
+... Het gaat me niet uit mijne ooren ...
+
+Zij sidderde meer en meer, en toen kwam het weêr over haar en in haar:
+dat van dat oog, van die stem, dat vreemde, dat was als eene hypnoze van
+een geestelijken invloed: dat, wat heur vader niet had kunnen begrijpen.
+Wat zij nu uitte, scheen haar voorgezegd te worden door de stem, en hare
+houding en gelaatsuitdrukking schenen een poze te zijn, waartoe de blik
+van het oog haar noodzaakte. En zeer intens voelde zijzelve: dat die
+blik donker was, als een nacht.
+
+--O, Frank, Frank! riep zij uit en de tranen ontwelden haar uit
+zenuwoverspanning, uit vreeze, dat zij het niet zoû durven zeggen, als
+die stem het wilde: ik moet het je vragen, ik mòet het. Als je hier bij
+mij komt, waarom ben je dan dikwijls zoo somber, en stil, alsof je niet
+gelukkig met me bent, waarom ontwijk je elk stellig antwoord, waarom zeg
+je altijd dat er niets is? Die vrouw, o, die vrouw ... is het om haar,
+is het, omdat je nog van haar houdt, misschien wel meer dan van mij!...
+omdat je haar niet vergeten kan, omdat zij nog altijd iets in je leven
+is, misschien wel veel, wel heel veel? O, het pijnigt me zoo, het woelt
+zoo in me, altijd, altijd ... En ik ben niet kleingeestig jaloersch, ik
+ben dat nooit geweest: ik begrijp het wel, dat van die vrouw, dat van
+vroeger, al vind ik het vreeslijk! Maar je bent altijd zoo vreemd, zoo
+stil, zoo treurig, en zoodra ik daarover nadenk, twijfel ik, zonder het
+te willen, Frank, zónder het te willen, dat zweer ik je! Maar het komt
+in me op en het overweldigt me! O God, waarom moet het zoo zijn? Frank,
+zeg het: ik ben gek, nietwaar, zoo te denken, en ze is niets meer voor
+je, nietwaar, niets meer, je ziet haar nooit meer, nietwaar?
+
+De angst, die om hare woorden om haar was, verwrong heur geheele gelaat,
+bleek als van de matte bleekheid van verwaaide azalea's; eene kramp van
+pijnlijkheid scheen te zenuwtrekken om haren mond, om hare knippende
+oogen en meer dan ooit scheen zij eene martelares van heur eigen
+verbeelden.
+
+Maar op dit oogenblik zag hij deze marteling niet, omdat bij hare
+woorden eene groote drift in hem zich begon te verheffen, eene drift,
+zooals hij van kind af enkele malen in zich had voelen opwaaien, als met
+de stormvlagen van een orkaan, woedende over alles heen, alle gevoelens
+en gedachten door elkander verstuivend als wolken stof ...! Dat woei zoo
+bij hem op, als aan zijne oprechtheid, openhartigheid, eerlijkheid,
+waarheid getwijfeld werd, woei als een wind van rechtmatigen toorn over
+die onrechtvaardigheid op, want in zichzelven liet hij zich veel
+voorstaan op zulke deugden en stofte hij dat hij oprecht, openhartig,
+eerlijk, waar was. Zijne donkergrijze oogen gloeiden onder het gefrons
+van zijne overhangende wenkbrauwen; de drift zijner woorden siste nijdig
+tusschen zijne tanden door, die groot en blank onder zijne zware snor
+opschitterden als vonken ivoor:
+
+--Hoe is het mogelijk, verdomd, hoe is het mogelijk! Ik heb het je ééns
+gezegd, eens vooral, ik heb je ééns gezegd: neen, neen, neen! en je
+vraagt het me weêr, je vraagt het me weêr! Denk je, dat ik lieg? Waarom
+denk je dat! Heb je ooit aan me kunnen merken, dat ik loog? Ik zeg je
+van neen, en het is dus neen! Maar je twijfelt toch, je blijft er toch
+over nadenken en tobben als eene oude vrouw ... Waarom neem je de dingen
+niet zooals ze zijn? Ze zijn nu eenmaal zoo! Waarom geloof je me niet?
+Ik ben niet treurig, ik ben niet somber, ik ben gelukkig met je, ik hoû
+van je, _ik_ twijfel niet aan je ...! Maar jij ... jij ... Geloof me:
+als je daar meê voortgaat, maak je je eigen ongelukkig, en mij ook, mij
+ook!
+
+Maar zij zag hem vast aan, en hare fierheid verhief zich naast zijne
+drift, want zijne woorden mishaagden haar.
+
+--Op zoo een toon hoef je niet met me te spreken! antwoordde zij hoog.
+Als ik je zeg, dat ik zonder het te willen, zónder het te willen, zeg ik
+je, aan je twijfel, en dat ik daarom ongelukkig ben; hoef je niet zoo
+met me te spreken! Heb dan medelijden met me, maar spreek zoo niet!
+
+--Maar Eve, als ik je nu verzeker, hernam hij, trillend van zijne woede,
+die hij beteugelen wilde, dwingend zichzelven tot zachtheid; als ik je
+nu verzeker ...
+
+--Dat heb je al meer gedaan ...
+
+--En je gelooft me niet?...
+
+--In zoo verre niet, dat ...
+
+--Je gelooft me niet?! brulde hij, zich niet meer machtig.
+
+--In zoo verre niet, dat je me iets verbergt! kreet zij terug.
+
+--Je iets verbergt? wat dan?
+
+De naam van hun vriend, van Bertie, rees haar op de lippen, maar ...
+zoodra zij aan Bertie dacht, was het eene vaagheid, eene onbeslistheid
+in haar, als wist ze niet hoe en wat, en nooit herinnerde zij zich
+duidelijk wat Bertie gezegd had. Het was steeds of Bertie om haar heen
+een toovercirkel van stilzwijgen had getrokken, waarbinnen het haar
+onmogelijk was zijn naam te noemen. En ook nu was hun vriend haar eene
+ongrijpbare schim, zijn naam een onzegbare klank, waren zijne woorden
+onherhaalbare ijlheden van timbre ...
+
+--Wat? Wat? herhaalde zij zoekend. O, ik weet het niet! Als ik het wist
+...! Maar je verbergt me iets, je verbergt me iets! En denkelijk verberg
+je me iets ... over haar, over die vrouw!
+
+--Maar die vrouw, zeg ik je ...
+
+--Neen, neen, ging zij voort, door haar opstrevenden trots gesterkt in
+haar idee fixe. Ik weet het wel: jullie tellen dat niet; "dat is een
+verleden, dat is altijd zoo!" zeggen jullie, en daarom noemen jullie
+_niets_ wat ik wel _iets_ noem. En daarom zeg ik ook: er is iets, iets,
+dat je me verbergt, me verbergt, Frank ...
+
+--Maar Eve, ik zweer je ...
+
+--Zweer het niet, Frank, want dat zoû slecht zijn! krijschte zij, zich,
+als ondanks zichzelve, opwindend tot een paroxisme van ziekelijke
+overtuigdheid omtrent iets, waarvan zij niets zekers wist. Want ik voel
+het, dat het er is! Ik voel het, hier, in me, om me, overal!
+
+Woest greep hij hare polsen, overspannen van woede, omdat zij zijne
+verzekering verwierp, gekrenkt in den hoogmoed op zijne deugden van
+eerlijkheid en waarheid, en blind voor de diepte van haar gesuggereerd
+mystiek wantrouwen.
+
+--Je gelooft me niet, verdomd, je gelooft me niet! siste hij.
+
+Ten tweeden male, mishaagde, kwetste haar zijn toon. En de twee
+openbaringen hunner temperamenten, met hunne passies en ziekelijkheden,
+bonsden tegen elkander in.
+
+--Wel nu dan! Neen! gilde zij en zij wrong zich zoo ruw rukkend uit zijn
+forschen klem, dat hare tengere polsgewrichten kraakten. Nu weet je het
+dan: ik vertrouw je niet, daar. Je verbergt me iets en er is iets, er is
+iets met die vrouw. Ik voel dat, en wat ik voel is mij niet mogelijk te
+loochenen! Dat mensch, dat je heeft durven aanspreken, ze is in mijne
+verbeelding vastgegroeid: ik voel haar naast me, ik ruik haar en ik voel
+het zoo intens, zóo intens, dat er nog iets is tusschen jou en haar, dat
+ik het je durf zeggen: je liegt, je liegt, je liegt om haar, en mij
+bedrieg je, daar!
+
+Met een, uit zijne borst opbrieschend, stemgeknars, met gebalde vuisten
+liep hij op haar toe en werktuigelijk deinsde zij achteruit. Maar hij
+greep haar weêr, nu hare polsen zoo vast omkluisterend in zijne sterke
+handen, dat zij zijne kracht in haar vleesch tot op haar gebeente voelde
+indringen:
+
+--Oh! brulde hij. Je hebt geen hart, je hebt niets, dat je dat tegen me
+zeggen kan. Je bent laag, dat je dát bedenken kan! "Je voelt, je voelt!"
+Ja, je voelt uit bekrompenheid, uit armzieligheid ... Je bent niets, je
+hebt niets in je dan je vuil en klein getwijfel! Je heele gemoedsleven
+bestaat uit vuiligheid, daar! Er is niets meer tusschen ons: ik ken je
+niet meer, ik word misselijk van je ...
+
+Hij smeet haar van zich af, op een divan. Daar viel zij in een, met hare
+groote verschrikte oogen naar het plafond, wijd open. In dit oogenblik
+was zij meer ontsteld, dan rampzalig en begreep zij niet juist. Het
+schemerde haar in heur overprikkelde hersenen: ze wist niet wat er
+eigenlijk gebeurde.
+
+Een oogenblik zag hij op haar neêr. Om zijn mond krulde eene minachting
+en zijn oog dwaalde half gesloten, verachtelijk ook, over haar heen.
+Toen zag hij, dat zij zeer mooi was, dat hare, op Turksche kussens
+neergesmeten, bekoorlijkheid zich in lenige lijnen van jong maagdelijk
+mooi modelleerde, zich afrondend in de trekkende plooien van soupele
+Nijlgroene stof, dat heur losse haar als de rossig gouden vacht van een
+mooi wild dier tot op het tapijt slierde, dat een golvend geadem hare
+borst zenuwachtig snel verhief. Zij lag daar als eene, door een
+woesteling geschaakte, bruid, in een woesten hartstocht neergesmakt ...
+Hij zag al dat weggeworpen mooi: een groot verdriet bliksemde in hem op,
+een dol verlangen naar het geluk van vroeger, maar zijn gekwetste
+waarheidstrots drukte verdriet en verlangen neer; hij wendde zich af en
+ging ...
+
+Zij bleef liggen, in die zelfde houding. Het was in haar eene
+duisterende verwondering, een nacht, die neêrdaalde, als was zij, na
+met leugens omvangen, geblinddoekt door twijfel, in een labyrinth te
+zijn rondgevoerd, eensklaps,--bevrijd!--met open oogen, losgelaten in
+een zwarte ruimte. En zij voelde wel hare ziel leêgbloeden, maar peilde
+toch nog niet de diepte harer zielewond, en ze dacht, trots hare
+ontzettende smart, alléen aan al dat donker om haar heen.
+
+--Hoe vreemd! fluisterde ze. Waarom? Waarom dan toch?
+
+
+XIII.
+
+Na dat alles eene maand van rust. Eene plotseling neêrgevallen kalmte
+voor beiden, voor beiden gevuld met een stil, zwaar verdriet. En
+daarboven de onverschilligheid, de banaliteit van het leven met altijd
+het zelfde, terugkomende, eentonige, dag aan dag ...
+
+Ook Bertie ademde thans in zulk eene vreemde atmosfeer van kalmte. Zeer
+verwonderde hij zich over wat er gebeurd was. Hoe eenvoudig en
+gemakkelijk was het gegaan. Hij? Neen, hij had niets bewerkt, niets
+kunnen bewerken: alles was het een uit het ander voortgesproten: het had
+zoo _moeten_ zijn. En het verschiet van zorgeloosheid deinde zich weêr
+voor hem uit: eene eeuwigheid van rustig rijk leven naast Frank, in wien
+hij weêr de oude vriendschap voelde herleven, bijna opvlammend tot eene
+ziekelijke passie, nu dat Frank, gescheiden van Eve, zichzelven wel veel
+verweet, maar toch behoefte gevoelde aan medegevoel en troost, en
+troost en medegevoel putte uit Bertie's zacht smeltende stem. O, die
+blanke zwaarmoedigheid der eerste dagen, die ontzachelijke melancholie
+des twijfels, nu, bekoeld van drift, Frank het zich afvroeg, evenals zij
+het zich had afgevraagd: Waarom? Waarom dat alles? Wat heb ik gedaan?
+Hoe is dat gekomen? En hij doorzag het niet, begreep het niet, als was
+het een boek, waaruit bladen gescheurd zijn en dat niet te volgen is. En
+hij begreep noch zichzelven om zijne drift, noch Eve om haren twijfel.
+Het geheele leven scheen hem een raadsel. Uren lang zat hij stil voor
+een venster uit te turen, uit te turen in de melkachtige vaagheid der
+Londensche misten, met dat levensraadsel voor zijn oog. Weinig ging hij
+uit, steeds versufte hij zich daar in White-Rose, eenzaam en stil
+gelegen in hare buitenwijk; eene ontzenuwende slapheid vloeide door zijn
+groot, sterk lichaam en voor het eerst zag hij zichzelven in een waar
+licht en bespeurde hij zijne weifelachtige zwakte diep, diep in zich
+opborrelen, als een lymfatische stroom door zijne sanguinische kracht.
+Hij zag zich als een kind zoo nietig onder de overheersching zijner
+orkanische driften, woedende vlagen, die zijn geluk hadden weggewaaid.
+En zijn leed was zoo ontzettend groot, dat hij het niet geheel en al
+voelen kon, omdat het te veel omvattend scheen, voor zijne menschenziel.
+
+Het waren dagen vol van eene grijze lusteloosheid, die zij daar samen
+sleten, Frank te rampzalig om uit te gaan, Bertie zachtjes aan komende
+onder den druk van een vagen angst, eene, niet te formuleeren,
+onvoldaanheid. Hij voelde Franks vriendschap herleven, voelde in
+zichzelven, gestreeld door die herleving een medelijden, bijna
+sympathie, poogde Frank op te wekken, praatte van eens een souper te
+geven, met dametjes, zooals vroeger. Hij maakte plan, om voor een paar
+dagen hier naar toe te gaan, daar naar toe te gaan. Hij poogde zelfs
+Frank aan het werk te zetten, sprak van een paar beroemde ingenieurs,
+die zij in Londen kenden. Maar alles stuitte af op Franks koppige
+treurigheid, alles verdween, versmolt in den nevel zijner blanke
+zwaarmoedigheid, waarin slechts éene gedachte bleef, éen zelfverwijt,
+éen leed. En de eenige zoetheid in hun leven was hun steeds samenzijn
+geworden: eene innigere toenadering, waartoe Bertie zelfs gedreven werd,
+nu het doel van zijn egoïsme bereikt was, hij zich om geene toekomstige
+armoede meer te bekommeren had en vlak in zijne nabijheid een groot
+verdriet zag. Had hij niet verworpen, uit gemis aan helder doorzicht,
+dat _hij_ alles gedaan had? En was hij niet in zijn laatste ledig lui
+leven zoo geaffineerd van gedachten geworden, dat hij behoefte gevoelde
+aan vage genietingen van sympathie, vaag sympathetisch slechts, omdat
+eene groote royale liefde, eene breede forsche vriendschap nooit in de
+complicaties zijner ziel zouden kunnen ademen, uit gebrek aan ruimte,
+aan vrije lucht, aan atmosfeer in die, met abnormaliteiten opgepropte,
+nauwte, omdat zulk eene liefde, eene vriendschap, er kwijnen en sterven
+zou als een leeuw in een boudoir ...
+
+En zoo was het, dat hij toch voor Frank voelde, dat hij Frank de handen
+op de schouders legde en hem poogde te troosten, dat hij klanken vond
+van genegenheid, nieuwe woorden op zijne tong, frisch en ongewoon,
+verzachtend en balsemenend. De vrouwen, ze waren klein van ziel, zeide
+hij. Ze waren niets, en liefde was niets, was een hersenschim; geen man
+moest zich daarom het leven treurig maken. Maar er was vriendschap,
+loyaal en trouw, vriendschap, die vrouwen zelfs niet begrepen en nooit
+gevoelden voor elkaâr: eene passie van sympathie, een edel geluk van
+samenstemming ... En hij geloofde zijne eigene woorden, zich koesterend
+in dat platonisme met de zelfde poesenbehagelijkheid, waarmede hij zich
+koesterde in materiëel bien-être: hij genoot van zijne
+vriendschapsextaze, en bewonderde zich, omdat hij zoo hoog dacht.
+
+Maar Franks liefde voor Eve was zoo zielsomvattend geweest, was het nu
+nog, dat hij na korten tijd de ziekelijkheid, het decadentisme van dit
+dwepen inzag, en er toen geen troost meer uit putte. Grijzer hing zijne
+neêrslachtigheid om hem heen. Hij dwong zich goed te herinneren wat er
+gebeurd was, wat Eve gezegd had, wat hij gezegd had ... En hij gaf
+zichzelven ongelijk, hij verontschuldigde Eve om haar getwijfel, hij
+vloekte zijne drift, zijne barbaarsche ruwheid tegenover eene vrouw,
+haar! Wat te doen? Gescheiden? Gescheiden voor altijd! Het was hem eene
+ontzettende gedachte, dat hij haar nimmer meer zien zoû dat zij nooit
+meer iets zoû zijn in zijn leven! Kon het dan niet weêr anders worden?
+Was alles verloren? Onherroepelijk? Neen, neen, neen, bruisde het
+wanhopig in hem: hij wilde de omstandigheden beteugelen, hij wilde zijn
+geluk terug! Zij? Hoe was ze? Leed ze zeer? Twijfelde ze nu nog, of had
+zijne ruwheid haar, trots alle barbaarschheid, toch zijne oprechtheid
+onloochenbaar gemaakt?
+
+Maar àls dit zoo was, als ze niet meer twijfelde--en hoe kon ze het nog
+langer!--God, wat moest ze dan lijden! Lijden om haar wangeloof, in een
+zelfverwijt, nog ontzettender dan het zijne, daar zijne woede ten minste
+rechtmatig was geweest en haar twijfel niet! Was ze zoo? Of was ze
+anders, zieledoodelijk gekwetst wellicht door zijne gramschap, vol
+minachting om zijn gemis aan kracht tot het betoomen zijner driften, die
+waren als woedende wilde beesten ... Maar hoe, hoe was ze? En een
+snijdend verlangen te weten doorvlijmde hem, telkens en telkens, als met
+de houwen van een zwaard. Naar haar toe gaan, bidden om genade, om het
+vroegere geluk, dat hij versmeten had, te gelijk dat hij haar had
+gesmeten, op eene bank? Zij zoû hem nooit willen ontvangen, na zoo grove
+beleedigingen ... Maar schrijven, schrijven! O, het jubelde in hem op:
+een brief! De zaligheid zich op het papier te verlagen tot een stof aan
+hare voeten, zich te vernietigen in eene boetedoening van gratie
+bedelende en aanbiddende woorden, zich slechts éven verheffend in den
+trots zijner waarheid, zijns martelaarschaps van haar twijfel! Zij zou
+hem verhooren als eene madonna een zondaar; hij zijn geluk terugvinden!
+En hij poogde zijn brief te stellen, trillende van aandoening bij het
+zoeken zijner woorden, die hem maar niet innig, niet nederig genoeg
+toeklonken.
+
+Een geheelen dag bleef hij er op werken, zijne zinnen ciseleerend,
+zooals een dichter zijn sonnet. En toen hij eindelijk gereed was, was
+het in hem eene frischheid van gevoelen, eene verademing van hoop, eene
+resurrectie. Hij was overtuigd, dat zijn brief alle misverstand tusschen
+hen zoû oplossen.
+
+Stralende zocht hij Bertie op, deelde zijn vriend meê wat hij gedaan
+had, wat hij nu hoopte. Hij sprak opgewekt, als met eene nieuwe stem.
+Bertie bleef wat mat en bleef in zijn stoel hangen, maar hij deed zich
+geweld aan terug te glimlachen, met den glimlach van Frank, en hij
+beaâmde diens verwachtingen, met woorden, die hij te vergeefs klankrijk
+overtuigend trachtte te maken.
+
+--Zeker, zeker: zoo zal het alles weêr als vroeger worden, fluisterde
+hij trillend en het parelde op zijn voorhoofd, onder zijn lichtbruin,
+neêrkrullend haar.
+
+
+XIV.
+
+Maar een uur later, alleen in zijne kamer, des avonds, liep hij heen en
+weêr, ziedende van een hartstocht, die zijn zwak lichaam in alle zenuwen
+trillen deed, zooals een storm een tengeren berk schudt. Zijn mooi
+gezicht was in eene bittere woede over zijne machteloosheid verwrongen
+tot een leelijk masker van slechtheid en met gebalde vuisten liep hij
+heen en weêr, heen en weêr, als een dier in zijn hok. Daarvoor had hij
+dus al de fijnheid zijner hersens geraffineerd, al de genialiteit
+zijner gedachte gespitst en geslepen, al den invloed zijner
+zielsvermogens als met batterijen van een geheimzinnig fluïde gericht op
+het inwendigste liefdeleven eener vrouw! Een enkele brief, een paar
+bladzijden vol lieve woordjes zoû zijn geheele werk te niet doen! Want,
+in zijne woede, nu op eens, zag hij het, ten deele met zekeren trots:
+zag hij het, dat hij, wel degelijk _hij_, de omstandigheden had geleid
+om Frank en Eve te scheiden! Hoe had hij er nog een oogenblik aan kunnen
+twijfelen.
+
+Alles zoû te vergeefs zijn? Zoo mócht het niet zijn! Neen, duizendmaal
+neen! Ontzettend wijd, als zonder horizont, golfde in éene seconde het
+perspectief van angst voor hem uit, het verschiet van armoede, eene
+naakte woestijn, waarin hij verdwalen zoû, van honger omkomen ... En in
+zijne wanhoop om dat verschiet te ontloopen, voelde hij voor het
+oogenblik al de veeren zijner verslapte wilskracht zich spannen, tot
+springens toe ...
+
+Van dat oogenblik moest hij partij trekken. Eene gedachte flitste door
+zijn brein, als de zig-zag van een bliksem ... Ja, ja, zóó moest hij
+handelen! Een eenvoudig doeltreffend middel, eene eenvoudige
+schurkenstreek, zooals conventioneele menschen dat noemen ... Geen
+geraffineerd psychologisch geharrewar meer: dat bracht tot niets, dat
+verwarde zich in zijn eigen complicaties. Eenvoudig weg een theatertruc
+...
+
+Hij greep zijn hoed en ging zacht het huis uit, even minachtend lachend,
+zichzelven bespottend, dat hij daartoe gekomen was. Het was half elf.
+Hij hield een cab aan, en weêr lachte hij even, omdat de stem, waarmede
+hij den koetsier het adres van Sir Archibald noemde, een
+melodramatischen klank had: dien van den traitre ... En hij dook terug
+in den hoek van het rijtuig, de schouders opgetrokken, de oogen klein en
+slim voor zich uitturende in de mistige twijfeling van den nacht. Diep
+in zijne ziel lag eene ontzettende treurigheid.
+
+Dicht bij Sir Archibald steeg hij uit, liep toen de enkele passen naar
+de deur toe, belde ... En de oogenblikken wachtens, in den nacht, voor
+die gesloten deur, waren eeuwigheden van troosteloozen weedom, van
+afschuw, walging, misselijkheid over zichzelven. Een vieze trek vertrok
+zijn mond scheef.
+
+Een lakei opende, met eene lichte verbazing in zijne oogen om dit late
+bezoek, eene verbazing, die in iets van eene impertinente
+onbeschaamdheid overging, toen hij zag, dat Bertie alleen was, zonder
+Frank. Hij boog met eene ironieke beleefdheid, hield de deur wijd open,
+met overdreven hoffelijkheid Bertie binnennoodend ...
+
+--Ik moet je dadelijk spreken, sprak Bertie kalm, met gedempte stem. Nu
+dadelijk, onder ons ...
+
+De lakei zag hem strak aan en zweeg.
+
+--Je kan me van dienst zijn: ik heb je zeer, zeer noodig. Kàn ik je even
+spreken, zonder dat iemand ons ziet?
+
+--Nu? vroeg de lakei.
+
+--Nu, zonder uitstel ...
+
+--Wil je dan binnenkomen, in de bediendenkamer? klonk het antwoord plomp en
+luid.
+
+--Neen, neen ... Loop even met me op. En spreek zachter ...
+
+--Nu kan ik niet: De oude gaat zoowat over een uur naar bed, daarna kan
+ik wel even op straat komen ...
+
+--Dan zal ik je wachten, daar bij het park ... Kom je zeker? Ik zal je
+goed betalen ...
+
+De knecht lachte spottend, en zijn lach klonk metaalhelder, Bertie
+beangstigend, door de vestibule heen.
+
+--Je bent een meneer nu, hè? En je zit er goed in ...
+
+--Ja, antwoordde Bertie klankloos. Kom je dus?
+
+--Ja, ja, over een uur, een groot uur. Wacht maar. Maar als ik wat voor
+je doen kan, moet je opdokken, hoor! Dan moet je goed opdokken, hoor!
+
+--Goed, goed! sprak Bertie. Maar ik vertrouw dat je komt ... Je kómt,
+nietwaar?
+
+De deur kwakte brutaal dicht. Lang bleef hij daar op en neêr loopen, in
+den vochtigen nacht, terwijl de kilte hem tot in het merg drong en
+uitkleumde, terwijl de bleeke gaslichten, als droevige oogen, hier en
+daar door den valen mist hem aanstaarden. En hij wachtte, op en neêr
+loopend, een uur, anderhalf uur lang, lijdende van koû en vermoeienis,
+als een bedelaar zonder dak. Zoo wachtte hij, rillende, de handen in de
+zakken, de oogen, troebel van zelfminachting, puilend uit zijn
+doodsbleek gelaat en stijf gericht naar de donkere vlak der deur, die
+nog dicht bleef ...
+
+
+XV.
+
+Toen Frank na enkele dagen van spanning geen antwoord van Eve kreeg,
+schreef hij ten tweeden male en hoewel de eerste frischheid van zijne
+hoop reeds verwelkt was, schrikte hij toch op bij elke bel, die er
+klonk, liep hij telkens naar de brievenbus der voordeur, was zijne
+gedachte steeds bezig met den besteller, die langs de straten liep en
+zijn geluk, in eene enveloppe, met zich voerde ... En hij stelde zich
+Eve's antwoord voor: slechts enkele, wellicht koele regelen, geschreven
+met hare groote, royale Engelsche hand, op het geurige ivoorachtige
+papier, dat zij steeds gebruikte, met hare initialen, zilver en roze,
+door elkaâr geslingerd, in den hoek. Wat duurde het lang, eer zij
+antwoordde! Was zij zóó boos? Of wist ze nog niet, hoe ze hare vergeving
+zoû styleeren, werkte zij nog op haren brief, zooals hij op den zijne
+gedaan had? Zijne dagen gingen voorbij met het wachten op dien brief.
+Was hij thuis, dan stelde hij zich voor, dat de besteller naderde,
+naderde, nu nog slechts vier, nu drie, nu twee huizen ver was, nu ... nu
+bellen zoû ... En hij luisterde of de bel niet zoû overgaan, maar er
+klonk niets, en als er wat later gebeld werd, was het niet dàt ... Was
+hij uit, dan electrizeerde hem eensklaps de gedachte, dat de brief er
+liggen zoû, thuis, en hij rende naar White-Rose terug, zag in de bus,
+ijlde de achterkamer binnen ... Maar nooit lag er dàt, en de tergende
+leêgheid van de plek, waar hij het verwachtte, deed hem vloeken en
+woest stampvoeten ...
+
+Op twee brieven, op twée brieven, antwoordde zij niet! En hij kon er
+geen oorzaak voor vinden, in zijne heete verwachting, waarin het
+natuurlijkste, het meest logische hem toescheen, dat zij dádelijk zoû
+hebben geantwoord! Toen leefde hij slechts van wachten. Het moest komen;
+het kón niet anders of het moest komen! In zijne hersens was alleen dit:
+nu komt het, vandaag komt het ... Verder was zijn leven éene groote
+leêgte, en toch, geheel en al te vullen door een brief. Zoo was het
+iederen dag het zelfde.
+
+--Ik heb nog geen antwoord van Eve, sprak hij dan deêmoedig tot Bertie,
+als voelde hij zich vernederd, beschaamd om haar stilzwijgen, bespot
+door zijne teleurgestelde hoop.
+
+--Niet? vroeg Bertie zacht en over den fluweelen nacht zijner oogen trok
+een vocht glanzig waas van weemoed. Zwaar lag hem een gewicht op de
+borst; diep hijgend haalde, regelmatig, zijn adem. Troosteloos
+ongelukkig voelde hij zich. Het was zoo vuil wat hij gedaan had. Maar
+het was de schuld van Frank: waarom had die zijne liefde niet kunnen
+vergeten na de scheiding, waarom vond die niet genoeg troost in de
+zoetheid hunner herleefde vriendschap? Wat ware het heerlijk geweest
+innig gelukkig als vrienden steeds samen te zijn, steeds samen te leven
+in een kalm kuisch blauw van broederlijkheid, in de gouden extaze hunner
+sympathie, zonder vrouwen ... Zoo dweepte hij, willens en wetens zijn
+vriendschappelijk, meêlijdend gevoel voor Frank opzweepend tot den
+zwier van eene verheven vlucht, om zichzelven een beetje te troosten,
+zichzelven zijne vuile daad te doen vergeten, zichzelven wijs te maken,
+dat hij hoog dacht; toch, ondanks dat beetje zelfbedrog, juist nu, nu
+dat hij zich in de modder voelde, werkelijk verlangend naar veel ideaals
+... O, het was de schuld van Frank! Maar ... was het waarlijk de schuld
+van Frank, dat hij Eve niet vergeten kon? Neen, neen, dat was alleen de
+schuld van het Noodlot; niemand had eenige schuld aan wat ook: alles was
+de schuld van het Noodlot ...
+
+--Ja, zoo is het! dacht hij, maar waarom hebben we dan hersens gekregen,
+waarmeê we denken, en waarom lijden we om iets, als we er toch niets aan
+kunnen doen? Waarom zijn we dan geen planten of steenen? Waarom dan dat
+alles, dat heele onnoodige heelal? Waarom is er maar niet Niets! Wat zoû
+dat rustig zijn, zalig rustig ...
+
+En hij stond voor de onontsluitbare poorten van het Raadsel, eensklaps
+in eene ontzettende verbazing om zichzelven. Mijn God, hoe was dat alles
+in hem gekomen, hoe dacht hij tegenwoordig toch altijd aan zulke dingen!
+Had hij in Amerika, in zijn gesjouw en gescharrel, in zijn dienstbaar
+geslaaf van iederen dag, ooit aan zulke dingen gedacht? Meende hij toen
+niet, dat hij een grof materialist was, slechts verlangend naar genoeg
+goed eten en veel rust? En nu, dat hij dit materialisme làngen tijd
+genoten had, nu voelde hij zich of zijne zenuwen als tot zijden draden
+zich hadden fijn gesponnen, van rillingen trillend in emotie na emotie,
+zoo trillend als van onzichtbare luchtrillingen, die met muzikaal gesuis
+onophoudelijk glijden langs telefoondraden, boven een huis ... Hoe was
+hij gekomen aan al die filozofie, bloem zijner ledige uren? En in zijne
+verwondering poogde hij zich zijne jeugd te herinneren, of hij toen
+reeds aanleg had gehad tot peinzen, of hij toen boeken gelezen had, die
+hem met een indruk hadden gestempeld; poogde hij zich zijne ouders te
+herdenken, of dat alles iets van overerving kon zijn ... En in New-York
+had hij koffie en borrels aangebracht! Was hij toen eigenlijk niet
+gelukkiger, zorgeloozer? Of scheen dat zoo om dien afstand van den tijd
+... verte van een paar jaren?
+
+
+XVI.
+
+Toen Frank, na eenige dagen van een niet-leven wachtens, nog geen
+antwoord ontvangen had, schreef hij aan Sir Archibald. En het was steeds
+het zelfde stilzwijgen. Toen klaagde hij bitter bij Bertie zijne smart
+uit, niet deêmoedig meer, maar woedend, als een getergd beest en toch
+nog half weemoedig omdat ze zoo waren, zoo kwalijknemend. Eve en haar
+vader. Was het dan niet genoeg, dat hij driemalen om vergeving gesmeekt
+had? Had Eve dan zoo weinig van hem gehouden, dat ze, nu hij zich
+verpletterde aan hare voeten, geen woord voor hem over had, zelfs niet
+om hem te zeggen, dat het gedaan was ...
+
+--Ik herinner me niet meer alles wat ik gezegd heb! sprak hij tot
+Bertie, terwijl hij op en neêr, op en neêr liep met een grooten,
+gelijkmatig zenuwachtigen stap. Maar ik moet wel bar geweest zijn ...
+God, dat ik dan ook nooit mijne woorden in bedwang heb! En ik heb haar
+ook beetgepakt, zóó, bij haar armen. Ik heb haar toen van me afgegooid,
+ik was zoo woedend. Ik had het niet moeten doen, maar ik kàn dan niet
+kalm zijn, ik kàn het dan niet ...
+
+--Frank, ik woû, dat je je er over heen kon zetten, sprak Bertie zeer
+zacht, uit zijn diepen stoel; als er nu toch niets aan te doen is ...
+Het is treurig, dat het zoo geworden is, maar gooi het van je af ...
+
+--Gooi het van je af! Heb jij ooit van eene vrouw gehouden?
+
+--Jawel ...
+
+--Het zal me wat geweest zijn! Je kunt niet veel van iemand houden, dat
+is niet iets voor je: je houdt te veel van jezelven.
+
+--Dat is wel mogelijk, maar in alle geval hoû ik veel van jou en ik kan
+je zoo niet zien, Frank. Zet er je over heen. Ze schijnen het je nu zoo
+kwalijk genomen te hebben, dat er niets meer aan te doen is. Ik woû, dat
+je dat inzag en je in het onvermijdelijke schikte. Zoek naar iets anders
+om voor te leven. Zoû er dan alleen dàt eene voor je zijn? Misschien is
+er iets anders. Een man verliest zich zoo niet in zijne liefde. Je bent
+zoo net eene vrouw: die doen dat ...
+
+Zijne oogen zagen Frank zoo magnetisch zacht aan, dat het Frank werd
+alsof elk dier woorden eene zuivere waarheid bevatte en Bertie's laatste
+verwijt herinnerde Frank weêr zijne flauwheid, zijne weifelachtige
+zwakte, die lag onder al het mannelijk vertoon van zijne kracht als een
+week fondament. Maar toch klampte hij zich aan zijn hevig verlangen
+vast, zijn hevig verlangen naar het vroegere geluk.
+
+--Ach kom, jij kunt daar nu eenmaal niet over oordeelen! antwoordde hij
+ongeduldig. Bertie's blik als van zich afschuddend; jij _hebt_ nooit van
+eene vrouw gehouden, al beweer je het. Waarom zoû alles niet weêr in
+orde kunnen komen? Wat is er dan gebeurd? Wat heb ik dan gedaan? Ik heb
+me onhebbelijk driftig gemaakt, nu ja ... Is dat dan zoo iets
+onvergeeflijks als je van elkaâr houdt? Misschien ... zeg, zouden de
+brieven niet terecht zijn?...
+
+Er hing gedurende enkele seconden eene afwachtende stilte in het
+vertrek, een atmosfeer van lood. Toen sprak Bertie en zijne stem smolt
+van teedere vergoêlijking:
+
+--Als je er nu één hadt gezonden, zoû je het kunnen denken ... Maar drie
+brieven aan het zelfde adres. Het is niet waarschijnlijk ...
+
+--Ik zal er zelf eens naar toe gaan, hernam Frank. Ja, ja, ik zal er
+zelf maar eens naar toe gaan ...
+
+--Wat zeg je? vroeg Bertie dof.
+
+Nog onder den druk der looden atmosfeer van zooeven, had hij niet goed
+verstaan, niet recht begrepen ... Ze waren over hem heen gegaan als eene
+suizende dreiging, die woorden ...
+
+--Wat zei je daar? herhaalde hij.
+
+--Ik zal er zelf maar eens naar toe gaan, hernam Frank.
+
+--Waar naar toe?
+
+--Wel, naar de Rhodes', naar Eve ... Suf je?
+
+Maar Bertie rees op en in de vaalte van zijn gelaat schitterden zijne
+oogen als zwarte diamanten, met vele facetten.
+
+--Wat wil je daar doen? vroeg hij, in een keelschrap om zijne stem te
+verzuiveren.
+
+--Met ze praten en den boêl in orde brengen ... Ik hoû het niet uit, het
+duurt me te lang.
+
+--Je bent gek, zei Bertie stroefkort.
+
+--Waarom gek?
+
+--Waarom je gek bent? Je hebt voor geen cent eigenwaarde. Denk je in
+ernst naar ze toe te gaan?
+
+--Ja, natuurlijk.
+
+--Ik vind het misselijk, zei Bertie.
+
+--Nu goed, sprak Frank; vind het misselijk. Ik vind het zelf ook flauw
+van me. Maar God, ik kàn het niet langer uithouden. Ik hoû zooveel van
+haar, het was vroeger zoo goed, zoo mooi ... En nu, nu, door mijn eigen
+schuld ...! Het kan me niet schelen: vind het misselijk, maar ik ga, ik
+ga toch.
+
+Hij had zich in zijn getwijfel neêrgegooid op een stoel en elke spier
+aan zijn gelaat trilde reeds van strijd. Maar toch ging hij voort.
+
+--Je weet het niet, hoe ik me voel: je kùnt het niet begrijpen. Ik ben
+zoo ellendig, zoo diep, diep ongelukkig. Ik heb me nooit in mijn leven
+zoo heerlijk, zoo harmonisch, zoo geëquilibreerd gevoeld als toen ik met
+Eve was, ten minste ... nu lijkt me dat zoo. En nu is dat alles weg en
+alles schijnt me doelloos. Ik weet niet meer waarom ik loop en eet en
+ademhaal en leef! Waarom zoû ik al die moeite doen en dan, op den koop
+toe, al dat verdriet hebben? Ik zoû net zoo goed dood kunnen zijn ...
+Zie je: daarom wil ik naar ze toe gaan. En als het dan niet weêr in orde
+komt, dan maak ik me van kant ... ja, ja, dan maak ik me maar van kant
+...
+
+Verpletterd onder den last van het leven hing hij in zijn stoel, met
+zijn zenuwtrekkend gelaat, zijne groote ledematen uitgestrekt in hunne
+nuttelooze spierkracht, ondermijnd door de geheimzinnige zwakte, die er
+onder knaagde, als met wormen. Maar Bertie was voor hem gaan staan,
+opgeschroefd in zijne wanhoop-energie; zijne oogen, vol facetten,
+wisselflitsend op Frank. En hij legde zijne trillende handen op Franks
+schouders, die hij er breed en massief onder voelde, zwaar van kracht.
+Eene reactie electrizeerde hem met iets als fierheid: hij voelde
+minachting voor dien sterken man met zijne jongensliefdesmart. Maar
+vooral, o vooral, voelde hij zich trekken naar beneden, naar een afgrond
+toe, en het scheen hem als klampte hij zich met de omkronkelingen van
+eene woekerplant nu vast aan Frank, aan Franks schouders.
+
+--Frank, begon hij, bijna heesch. Hoor eens goed naar me. Je maakt je
+eigen ziek, je praat als een gek, je huilt tegenwoordig net als een
+kind. Het is om er weê van te worden. God, wees toch wat flinker.
+Verknies je leven toch niet zoo met dat misselijk gejammer. En waarom,
+waarom dat alles?! Omdat eene vrouw niet meer van je houdt. Stel je in
+zóó iets dan je hoogste geluk? Het zijn wezens zonder hersens, zonder
+harten: wat oppervlakkigheid en ijdelheid door elkaâr geklutst, schuim,
+flut, niets! En daarom wil je je van kant maken? Jasses, hoe is het
+mogelijk. _Ik_ weet niet wat houden van eene vrouw is, hè? Maar _jij_
+weet niet wat verdriet en ellende is. Je denkt, dat je het nu al heel
+erg te pakken hebt, hè? En je hebt niets, niets dan een beetje malaise,
+wat gekrenkte pedanterie misschien: het zal wel niet veel anders zijn.
+Als _ik_ me van kant had gemaakt, iederen keer, dat _ik_ ellende had
+gehad, dan was ik nu wel duizendmaal dood. Neen, dan heb ik heel wat
+anders doorgemaakt, hoor! Hoe kan je zoo laf zijn. Eve toont je
+duidelijk, dat ze niets meer van je weten wil. En je wilt weêr naar haar
+toe gaan. En als ze je de deur wijst? Wat dan? Als je het doet, als je
+naar ze toegaat, dan vind ik je zoo klein, zoo flauw, zoo laf, zoo
+kinderachtig, zoo misselijk, zoo verdomd misselijk, dat je voor mijn
+part naar den duivel mag loopen.
+
+Hij maakte een keelgeluid alsof hij phyziek weê werd en wendde zich af,
+wat duizelig en vreemd licht in het hoofd. Frank zweeg, in zich heen en
+weêr geslingerd door twee machten. Hij was zich niet meer bewust wat hij
+dacht, geheel in de war, vol valsche geluiden in zijn oor en in zijne
+verbeelding. In Bertie's woorden klonk iets onzuivers, eene detonatie,
+die hij niet kon aanwijzen, maar zich toch bewust was en ook klonk de
+stem van zijn eigen verlangen valsch, met vreemde, onoplosbare
+accoorden, die onharmonisch in elkaâr bleven voorttjingelen. En hij
+verloor zich geheel en al, hij bleef lang zwijgen tot, koppig,
+halsstarrig, hij het herhaalde:
+
+--Goed, het kan me niet schelen, ik ga toch, ik ga toch ...
+
+Maar balsemzacht ging Bertie voort, terwijl hij, volgens zijne gewoonte,
+als hij zich zeer ongelukkig gevoelde, op den grond ging zitten, op de
+vacht voor het vuur, zijn bonzend hoofd gesteund tegen een stoel:
+
+--Kom Frank, zet er je overheen. Je meent het niet, dat je er naar toe
+wilt. Daar ben je in je binnenste veel te fier en flink voor, om dàt te
+willen. Herinner je je toch. Ben je dan alles vergeten? Heeft Eve je
+niet gezegd, dat ze je niet vertrouwde, dat je haar bedroog, dat je nog
+met die vrouw was en dat ze dat wist? Ik had het trouwens al lang
+gemerkt, dat ze zoo wantrouwig was: ik vond zoo iets al niet mooi in een
+jong meisje; ik vond er iets ... niet kuisch' in ... Het is waar, dien
+avond van het Lyceum ... het scheen toen wel zoo wat. Maar je hadt Eve
+toch verzekerd, dat het uit was ... Ik vind het dus allesbehalve mooi in
+haar, dat ze je toen nog niet vertrouwd heeft ... Je kan het dus niet
+meenen, als je zegt, dat je er naar toe wilt gaan. Het kan mij
+natuurlijk niet schelen: ga er naar toe voor mijn part, maar ik zoû het
+zoo misselijk van je vinden, zóó misselijk ...
+
+En Frank steeds zwijgende, verloren, en door de kamer steeds dat
+getjingel van valsche geluiden ...
+
+--En het kan niet anders of je vindt dat ook als je nadenkt. Denk er
+eens over na, Frank ...
+
+--Ach ja, mompelde Frank dof.
+
+Bertie vleide zijne mannelijkheid en het klonk in Franks ooren als met
+klokken: fier, flink, fier, flink ... Maar de klokken waren toch
+gebarsten ... Tóch stilde de muziek hem. Hield hij op dit oogenblik nog
+van Eve? Of was het uit, had zij zijne liefde gedood onder haren
+twijfel? Fier, flink, fier, flink ... O, het niet meer te weten, niets
+meer te weten ...
+
+Met eene beweging als eene liefkoozing sloop Bertie toen nader, legde
+zijn hoofd op de armleuning van Franks stoel en, de handen gevouwen om
+de knieën, geleek hij in den halfschemer, in den vuurgloed, een lenige
+panter, flikkerden zijne oogen als zwart gouden panteroogen.
+
+--Zeg Frank, ik kan je zoo niet zien. Ik hoû zooveel van je, al zie je
+dat misschien niet zoo in, en al doe ik het op mijn manier ... O, ik
+weet het wel: je vindt me soms bijna ondankbaar. Maar je kent me niet;
+ik hoû zielsveel van je, ik heb van mijn vader, van eene vrouw, van
+mezelven, van wat ook, nooit zóo gehouden als ik van jou hoû. Ik zoû
+iets voor je over kunnen hebben, en dat is veel gezegd voor mij. Zeg
+Frank, ik kan je zoo niet meer zien. Laten we weggaan van Londen, laten
+we gaan reizen of ergens anders gaan wonen, in Parijs, of in Weenen. Ja,
+laten we naar Weenen gaan. Dat is ver van hier. Of naar Amerika, naar
+San Francisco. Of naar Australië. Waar je maar wilt. De wereld is zoo
+groot, je kan zooveel zien, dat je andere ideeën geeft. Of laten we een
+tocht meêmaken in het binnenland van Afrika: ik zoû wel lust hebben in
+zoo iets woeste, en ik ben sterker dan ik er uitzie: ik ben taai. Laten
+we veel beweging maken, veel doorstaan, veel lichamelijke vermoeienis.
+Vindt je het niet prachtig dwars door een ondoordringbaar bosch je een
+weg te kappen? O ja, laten we ons baden in de natuur, in veel lucht en
+ruimte en gezondheid ...
+
+--Ja, ja, mompelde Frank; goed, we zullen weg gaan, we zullen gaan
+reizen. Maar eigenlijk kan ik het niet: ik heb weinig geld, ik heb het
+vorige jaar zooveel verteerd.
+
+--O, maar we zullen zuinig zijn: wat hebben we luxe noodig! Het kan mij
+ten minste niets schelen ...
+
+--Ja, ja goed, mompelde Frank weêr; we zullen het zuinig doen.
+
+Zij zwegen eene pooze. In het halfduister stiet Frank bij eene beweging
+even Bertie's hand aan. En hij drukte die eensklaps, tot brekens toe,
+vast in de zijne en stamelde:
+
+--Goede jongen, goede beste jongen!
+
+
+XVII.
+
+Zoû hij er heen gaan? dacht Bertie, toen hij den volgenden avond alleen
+thuis bleef en niet wist met welke plannen Frank was uitgegaan. Nu,
+Bertie zoû afwachten. Er was niets meer aan te doen. Een paar dagen om
+zaken te regelen en daarna weg, weg van Londen. O, wat voelde hij zich
+ongelukkig! En al die vuiligheid alleen om een materieel gemak, eene
+luie weelde, die hem--hij was het nu langzamerhand gaan
+gevoelen--geheel en al onverschillig was geworden. O, de
+bohemien-vrijheid van zijn zwervend scharrelaarsleven in Amerika, dat
+losse, dat ongegeneerde, nu zijn vestjeszak vol geld, dan niets, totaal
+niets! Hij had er heimwee naar: het geleek hem een benijdenswaardig
+leven van onbezorgde bandeloosheid, bij zijn tegenwoordig bestaan van
+rijk suffen en laagheid. Wat was hij veranderd! Vroeger was hij alleen
+maar los van conventie geweest, zonder veel nadenkens, en nu ... zijne
+ziel was verfijnd geworden, en ploeterde toch in de grofste vuiligheid.
+En waarom? Om iets te behouden, dat geen waarde meer voor hem had. Geen
+waarde meer?! Maar waarom dan zich niet los te scheuren uit zijne eigen
+netten, weg te gaan, alleen, in armoede; een enkel woord te schrijven
+aan Frank en Eve om ze weêr tot elkaâr te brengen? Hij had immers
+vrijheid dat te doen?
+
+Hij dacht er over na en glimlachte toen, het iets onmogelijks vindend en
+toch niet inziende, waarin het onmogelijke er van lag. Maar het wàs
+onmogelijk, het wàs iets wat niet volbracht kon worden. Het was iets
+onlogisch', iets vol duistere moeielijkheden, iets dat nooit gebeuren
+kon, om geheimzinnige noodlotsredenen, die hij wel niet inzag, maar toch
+onloochenbaar voelde ...
+
+Zoo mijmerde hij, alleen, dien avond, toen Annie, de meid-huishoudster,
+hem zeggen kwam, dat er iemand was, om hem te spreken.
+
+--Wie is dat dan?
+
+Zij wist het niet en hij ging in het spreekkamertje en vond den lakei
+van Sir Archibald, met zijn grooten neus en zijne brutaal bewegelijke,
+grijze vogeloogen, vroolijk glinsterend in zijn blauw geschoren,
+terracottakleurig gelaat. Hij was niet in liverei, maar gekleed als een
+heer met een licht gekleurd overjasje, een ronden hoed, een stok en
+handschoenen.
+
+--Wat moet je hier? vroeg Bertie brusk, zijne wenkbrauwen fronsend. Ik
+heb je immers gezegd, dat ik niet woû, dat je hier ooit kwam! Je hebt
+immers niet over me te klagen, meen ik ...
+
+Neen, neen, hij had niet te klagen, maar hij kwam zijn ouden vriend maar
+eens opzoeken, zijn ouden Swell. Bertie wist het immers wel, vroeger, in
+New-York. Ze waren toen zoo kameraadschappelijk in het zelfde hôtel
+kellner geweest. Toevallig, hè? zoo een wederzien in Londen. Ach ja, de
+wereld was klein; je ontmoette elkaâr overal en altijd. Je kon elkaâr
+niet ontloopen; als de hemel wilde, dat je elkaâr ontmoeten zoû, dan kòn
+je elkaar niet ontloopen; nu, en als je elkaâr ontmoette, dan kòn je
+elkaàr ook nog eens van dienst zijn ... Er werden soms lastige brieven
+geschreven; hm, hm!... Zestig pond voor twee brieven aan de juffrouw,
+dat was een koopje! Het leven was duur; in Londen nu en dan eens
+vroolijk te zijn, kostte duur. Er was nu een derde brief van de zelfde
+hand--wel, wel, van wien zoû die hand toch zijn? Geadresseerd aan den
+oude. O, een oud kameraad zoû nooit lastig vallen, maar hij kwam maar
+eens vragen: was die brief ook wat waard? Hij had hem bij zich.
+
+--Geef hem dan hier! stotterde Bertie doodsbleek, zijne hand reeds
+uitstekend.
+
+Ja maar, dertig was zoo weinig, een bagatel. De brief was nu toch
+geadresseerd aan den oude en dus wel meer waard. Een oud-kameraad was
+daarbij, eerlijk gebiecht, in een beetje geldverlegenheid. En Bertie was
+een meneer en in goeien doen, en hij had een edel hart. Hij zoû een
+oud-kameraad niet in den steek laten. Wat drommel, je hielp elkaâr in de
+wereld! Honderd pond?
+
+--Je bent een ellendeling! stotterde Bertie. We hadden afgesproken
+dertig pond. Ik heb geen honderd pond; ik ben niet rijk ...
+
+Nou ja, dat wist hij wel, maar meneer Westhòve gaf zijn vriend toch nu
+en dan wel eens een sixpence, en meneer Westhòve zat er zoo goed in.
+Kom, kom, Swell moest er maar eens over nadenken: waarachtig, hij zoû er
+een oud kameraad meê helpen; honderd pond was toch ook de wereld niet!
+
+--Ik heb op het oogenblik geen honderd pond, ik verzeker het je,
+krijschte Bertie zacht, rillend als van koorts, met eene keel, die droog
+geschroeid scheen.
+
+Nu, een oud kameraad zoû dan wel eens terugkomen, later. Den brief zoû
+hij zorgvuldig bewaren.
+
+--Geef den brief dan: ik zal je later honderd pond geven!
+
+Maar een oud kameraad lachte vroolijk: nu, geven is geven: je vertrouwt
+elkaâr wel, je bent nette lui, onder elkaâr, maar je steekt toch over,
+te gelijk, zoo den brief en zoo de honderd pond.
+
+--Maar ik wil niet hebben, dat je hier terugkomt: ik _wil_ het niet, zeg
+ik je ...
+
+Nu, dat was goed, dat was niet vermoeiend, Swell kwam dus zelf de
+honderd pond brengen. Morgen?
+
+--Ja morgen. Morgen avond vast. En ga nu weg, in Godsnaam, ga weg ...
+
+Hij duwde zijn demon dringend de deur uit, het belovende: morgen, morgen
+avond. Toen zocht hij Annie op, in een hevig verlangen te weten of zij
+den lakei van Sir Archibald kende.
+
+--Wie was die man? vroeg hij haar brutaal, als een speler, die eene
+hooge troef op een gevaarlijk oogenblik uitspeelt.
+
+Zij wist het echter niet en was verbaasd, dat meneer hem niet kende. Had
+hij meneer lastig gevallen?
+
+--Ja, een bedelaar, zoo een fatsoenlijke bedelaar.
+
+Hij zag er toch zoo netjes uit, als een heer.
+
+--Wees voortaan wat voorzichtiger, sprak Bertie en laat niet iedereen
+binnen ...
+
+
+XVIII.
+
+Dien avond bleef hij wachten tot Frank zoû thuis komen. In zijne
+eenzaamheid snikte hij, uren, uren lang, snikte hij heftig, bang, dat
+Annie en haar man het hooren zouden, in het licht gebouwde villa-tje,
+zijn snikken opkroppend, tot eene nijpende hersenpijn zijn hoofd scheen
+te zullen doen uiteen barsten, als een bom. Hij snikte in eene
+ontzachlijke rampzaligheid en zijn gesnik doorschokte zijn geheele
+lichaam als met een rythme van smart. O, hoe kon hij daaruit komen, uit
+dien poel? Zich doodmaken? waarom nog te leven in zulke ellende? En om
+en om zag hij naar een wapen. En zijne handen sloten zich als eene
+schroef om zijn hals ... Maar hij had er geen moed toe, ten minste niet
+in dat oogenblik, want toen zijne handen zoo schroefden, gevoelde hij
+eene duldelooze pijn van congestie opstijgen naar zijne, reeds zoo
+gemartelde, hersens. En harder snikte hij, daar hij te week was om het
+te doen.
+
+Het was één uur. Frank zoû weldra thuis komen. Hij zag in den spiegel.
+Een vaal masker van violet, met groote, nat vlammende oogen, met dikke,
+blauwe aderen aan de slapen, zichtbaar kloppend onder het fijne floers
+van de huid ... Zoo mocht Frank hem niet zien. Maar toch moest hij het
+vragen. O God, tòch moest hij vragen!
+
+Hij ging naar zijne kamer, kleedde zich uit, legde zich rillend te bed,
+maar hij sliep niet en luisterde of de voordeur open zoû gaan. Tien
+minuten over half twee kwam Frank thuis. Was ... God ... was hij
+misschien naar de Rhodes' gegaan! Neen, neen, hij was zeker in de club
+geweest; hij ging dadelijk naar boven, naar bed. Annie en haar man
+sloten het huis; geluiden van opgelichte bouten klonken met een licht
+gerammel van metaal.
+
+Na een half uur stond Bertie op. O, als het in Franks kamer maar donker
+was, anders zoû die het zien, dat violette masker! Door de gang. Een
+klop.
+
+--Frank.
+
+--Ja, kom binnen.
+
+Toen binnen. Frank lag al in bed. Alleen een nachtlichtje. Bertie met
+den rug tegen het schijnsel. Zoû Frank spreken van de Rhodes'? Neen,
+Frank vroeg wat er was. En Bertie begon.
+
+Hij moest zijn vriend dringend iets vragen. Hij had zich eenige oude
+schulden herinnerd, die hij toch betalen wilde, voor zij weg zouden
+gaan. Het speet hem zoo: hij maakte zoo een misbruik van Franks
+goedheid. Kon Frank hem ook geld geven ...
+
+--Beste jongen, ik heb alles precies uitgerekend. Ik heb net wat we
+noodig hebben om naar Buenos Ayres te komen. Hoeveel moet je hebben?
+
+Hij had honderd pond noodig.
+
+--Honderd pond?! Maar kereltje, ik weet heusch niet waar ik ze van daan
+moet halen. Heb je ze bepaald noodig? Kan je het niet uitstellen? Of kan
+ik niet een cheque voor je teekenen?
+
+Neen, hij moest ze in handen hebben, in handen.
+
+--Nu ... wacht dan ... misschien weet ik er wel wat op ... Ja, ja, ik
+zal er wel wat op weten. Morgen zal ik wel eens zien ...
+
+--Morgen ochtend?
+
+--Heb je ze dan noodig? Nou goed, hoor, ik zal wel eens zien, maar ga nu
+naar bed, want ik heb slaap: we hebben gefuifd. Morgen zal ik je wel
+helpen. Ik laat je in allen geval niet in den steek, dat is natuurlijk.
+Maar je bent een lastige jongen, hoor, dat ben je! Verleden hadt je ook
+al dertig pond noodig en toen nog eens dertig pond!
+
+Een oogenblik bleef Bertie staan, eene donkere schim tegen het stille
+schijnsel der lamp. Toen trad hij nader en hij viel voor Franks bed neêr
+en legde zijn hoofd op het dek en snikte, snikte.
+
+--Zeg, ben je dol? Ben je gek geworden? Bertie! Wat overkomt je?
+
+Neen, hij was niet gek, maar hij had zoo een verdriet; dat hij zoo een
+misbruik maakte van Franks goedheid, vooral nu Frank in
+geldverlegenheid zat. Het waren zulke vuile schulden. Hij wou liever
+niet zeggen, wat het was. Schulden uit den tijd, toen hij wel eens voor
+een paar dagen er van door ging; Frank wist het nog wel, nietwaar?
+
+--Oude zonden, jongentje! Nou, verbeter je maar in het vervolg. Morgen
+zullen we je wel helpen. Balk nu niet meer en ga naar bed. Ik slaap al:
+we hebben nog al wat gedronken ... Kom, hoû nu op, zeg.
+
+Bertie stond op, greep Franks hand, wilde hem bedanken.
+
+--Jawel, jawel, toe, ga nu slapen, zeg ...
+
+En hij ging. In zijne kamer hoorde hij weldra door het beschot heen,
+Frank snorken. Hijzelf bleef zitten op den rand van zijn ledekant. Nog
+eens sloten zijne handen zich schroevend om zijn hals ... Maar het deed
+te veel pijn, in de hersens.
+
+O God, hoe is het mogelijk, dat ik ben, als ik ben! dacht hij.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV.
+
+
+I.
+
+Een leven zwervens van twee volle jaren lang, een leven zwalkens van
+Amerika naar Australië, van Australië terug naar Europa, in eene
+smartelijke rusteloosheid, zonder nieuwe levensdoeleinden te vinden,
+zonder het waarom te vinden van hun beider bestaan, zonder het waarom te
+vinden van al de oorden, die zij doorkruisten, en al de luchten, die zij
+inademden. Een leven, eerst zonder levensstrijd, dat zij voortsleepten,
+bezwaard met hunne tweelingsrampzaligheid, slechts levende hun leed en
+onbezorgd voor de materiëele lasten des levens. Maar toen: de stijgende
+vrees voor die materiëele lasten, de onaangename gewaarwording, dat er
+geen geld meer gezonden was uit Europa, in geen maanden, geen maanden
+... Vervelende zaken met bankiers daar ginds, heen en weêr geschrijf,
+klap op klap, het bijna geheel in rook vervliegen van een fortuin, dat
+reeds lang te veel gouden wierook had gewalmd. En zij zagen de
+noodzakelijkheid in om òm te zien naar middelen van bestaan, en zij
+hadden op fabrieken, in assurantie-maatschappijen, aan couranten, bij
+wat niet al, gevochten om niet onder te gaan in dat zelfde leven, dat
+hun doelloos en smartelijk was.
+
+Zij hadden uren van angst gekend, opeenvolgende lange dagen van armoede,
+zonder uitkomst, met de herinnering aan White-Rose ... Maar toch hadden
+zij geen weêrverlangen naar White-Rose gehad, zachtjes aan onverschillig
+en verdoofd, meer uit instinct angstig voor de toekomst, uit instinct
+vechtende voor het bestaan, uit aangeborenheid en iets van overerving,
+dan uit waarachtigen aandrang en eigen behoefte.
+
+En in die onverschillige verdooving had Bertie een zacht gevoel gekend,
+eene teedere blijdschap, iets lieflijk heerlijks, dwars door zijne
+zelfminachting heen: eene blijdschap, dat, nu Frank klappen had
+gekregen, nu zij moesten werken voor hun brood, hij niet de gedachte in
+zich had voelen opkomen Frank aan zijn lot over te laten en weg te
+loopen, omdat de boêl op was. Hij had die gedachte: Frank te verlaten,
+niet spontaan voelen opkomen, en was er gelukkig om, dàt hij ze niet
+spontaan had voelen opkomen, dat hij ze later uitdenkende, haar bewust
+was als eene gedachte, die hem niet aanging en eigenlijk niet in hem
+was. Neen, hij had bij Frank willen blijven, misschien wel om zijne
+poesennatuur, en omdat hij gehecht was aan zijn plekje bij Frank, maar
+toch ook om iets anders, iets ideëels, eene lichte dweperij. Het deed
+hem zoo heerlijk aan bij Frank te blijven, terwijl Frank geen cent meer
+had. En zij hadden samen gewerkt, gezwoeg en verdienste deelende in de
+broederlijkheid van hun samenzijn.
+
+Twee volle jaren! En zij waren nu terug in Europa, Engeland vermijdende,
+teruggekeerd in hun geboorteland, Holland, Amsterdam, Den Haag. Het was
+in beiden een vreemd verlangen, die plaatsen, welke zij vroeger, beu van
+het overbekende, hadden verlaten, om hun weg door de wereld te vinden,
+nu terug te zien, er hunne gebroken levens naar toe sleepend, alsof zij
+er eene genezing hoopte te vinden, een wonderbalsem, een troost voor het
+bestaan. Zij hadden een duitje overgespaard en zij konden enkele
+zomermaanden blijven rusten, hun handjevol geld zuinigjes opmakend in
+eene korte zomerverpoozing. Zoo hadden zij in een villa te
+Scheveningen--eene, links van het Oranje-Hôtel, ziende op de zee--een
+optrekje gehuurd van een paar kamers, en de zee was het wisselzieke
+verschiet geworden, waarop hun droomerig zomergesoes uittuurde, weinig
+als zij zich linksaf bewogen, naar het gewoel van Kurhaus en strand.
+Uren bleef Frank daar voor zitten, op het uitstek, in een rieten stoel,
+de beenen op de balustrade, de blauwe kronkelingen van zijn sigaarrook
+even om hem heen drijvend; hij voelde zich versuffen, zonder veel leed
+meer, zich schikkende in zijne nutteloosheid, met nu en dan wat
+herinnering aan vroeger: eene droevigheid, die niet meer smartte. Dan,
+stijf wordend van het niets doen, werkte hij aan ringen of rekstok,
+werkte met halters of schermde wat met Bertie, wien hij het geleerd had.
+Hij zag er goed gezond uit, nog wat zwaarder geworden, eene bloedrijke
+kleur onder zijne licht verbruinde huid, eene zachte somberheid in zijne
+lichtgrijze oogen en nauwlijks iets bitters onder zijne goud
+schitterende snor.
+
+Maar meer nog leed Bertie als hij over den halfcirkel van de zee
+uittuurde, en die zee naar hem toe zag deinen met haar eindeloos
+uitgerol van groen en blauw en grijs en violet en zachte
+parelkleur,--den hoogronden hemel er boven, vol eindelooze
+wolkenmetamorfozes, in-en uitkrullende massa's dik grauw en wit,
+zilverige windveêren, ijle pluimen, dons, luchtschuim,--dan werd het hem
+of met de zee zijn noodlot naar hem toekwam. Het scheen als eene
+onvermijdelijke nadering. En hij wachtte tot het komen zoû, het zoo
+intens voelende naderen, dat soms zijn geheele zijn één wachten werd,
+roerloos in zijn rieten stoel, met de oogen over de wijdte van het
+water.
+
+
+II.
+
+Zoo was het gekomen, dat hij, zoo zittende, eens, beneden op het strand,
+tusschen de bosschen helm der zandgele duinhelling door, twee
+silhouetten zich had zien voortbewegen, een man en eene vrouw, beiden
+donker fijn als inktteekeningen zich afprentend tegen het vaalzilver der
+zee. Een angst bruiste eensklaps in zijn lichaam, door zijn hart òp naar
+zijn keel, naar zijne slapen. Maar een zoute zeegeur woei van beneden
+omhoog en prikkelde zijn reuk met eene frischheid, die tot zijne hersens
+doordrong, zoodat het er, trots dien angst, zeer klaar werd, als vol
+van eene zuivere atmosfeer. En tot in de fijnste fijnheden van tint en
+lijn zag hij het: het zilvergrijze, half ovale zeeverschiet, als een
+glinsterend liquide wereldei, vol spelingen van parelmoêr tusschen de
+opkuivende schuimkammen der deiningen, nauwelijks somber onder eene
+gedekte lucht van uitrafelende, scheurende wolken, verschoten grauw,
+wollig fluweel; rechts, een stuk façade van het Kurhaus, dom trotsch
+kijkende naar de zee, met zijne starre vensteroogen; verderop, aan het
+water, de pinken, als groote notendoppen, met, aan den mast uitgehangen,
+zwarte tulle netwerk, elke pink met een wimpeltje, zoetjes kinderachtig
+uitgekronkeld in de lucht; op het terras, ook op het strand, tusschen
+eene warreling van gele stoelen, een aquarelachtig gevlak van
+zomermenschen, teêr kleurig, zacht bont. Duidelijk zag hij hiér eene
+scheur openwaaien in een rood pinkezeil, dàar een lint fladderen uit een
+mandstoel, verderop eene zeemeeuw, even pikkende met de sneb iets uit
+het schuim. Zoo zag hij er vele kleinigheden, kleurige, fijn geteekende
+nietsjes, heldere spikkels in de ruimte van water en lucht, hel
+zichtbaar in het zacht gedekte, zonlooze daglicht. En de twee
+silhouetten, de man en de vrouw, werden grooter en naderden, langs de
+zee, tot recht onder den blik van zijn oog.
+
+Hij herkende ze aan den vorm hunner gestalten, aan eene beweging, den
+man aan een afnemen van den hoed en wisschen over het voorhoofd, de
+vrouw aan heur houding met de parasol, den stok geleund op den schouder
+en de hand bevallig vasthoudende een punt van het scherm. En toen hij
+ze herkende, scheen het hem als werd hij lichter en lichter van hoofd,
+als zoû hij duizelend opzweven uit zijn stoel, ergens weg drijven, de
+zee over ... Maar mat viel hij terug, zeer mat, en lichttintelingen, als
+dansende vraagteekens trilden voor zijne knippende oogen, door het
+staren. Wat was er te doen? Zich in te spannen tot fijne list, Frank
+zoeken weg te lokken hier van daan, vluchten? O, wat was de wereld
+klein! Waren zij daarom die wereld omgezwalkt, rusteloos, rusteloos
+door, om bij de eerste verpoozing dàt te ontmoeten, waar hij het meest
+voor vreesde! Toeval of Noodlot? Neen, Noodlot ... Maar dan ... vreesde
+hij wel?
+
+En, in zijne matheid, zag hij het heel duidelijk, dat hij nièt vreesde,
+dat eene groote onverschilligheid in hem was, eene onstrijdbare
+vermoeidheid van zelfsmart. O, hij was te moê om bang te zijn; hij zoû
+afwachten wat er gebeuren zoû; het moest gebeuren; het was niet te
+ontloopen, Noodlot, Noodlot ... O, de matte rust, te blijven zitten,
+roerloos, energieloos, willoos, met dat wijde water van grijs zilver
+vóor zich, en te wachten tot het komen zoû ... Niet meer te strijden om
+zichzelven, en bang te zijn om zichzelven, maar geduldig te wachten, en
+zoo altijd te wachten! Komen zoû het, als de vloed van die zee, over hem
+heen gaan zoû het, als het schuim over dat zand en dan weêr wijken zoû
+het, en dan wellicht zoû het uit zijn met hem, verdronken, vergaan ...
+Een golfje van den tijd zoû hem overspoelen en hem zijn adem benemen, en
+daarna zoû die tijd verder golven ... met zijne eindeloosheid. Dwaze
+tijd, nuttelooze eeuwigheid ...
+
+--Ik woû, dat ik het niet zóo intens voelde! dacht hij pijnlijk. Het is
+zoo dwaas, dat ik het zóo voel! Misschien komt er niets en word ik
+honderd jaar, rustig en tevreden. Maar dit is onloochenbaar: dit is een
+feit: daar zijn ze! Ze zijn er!! Maar ... als het _moest_ komen, zoû ik
+het juist _niet_ voelen: het komt altijd onverwachts. Het is niets dan
+ziekelijkheid van me, zenuwachtigheid, overspanning ... Eigenlijk kan
+het me ook niet schelen, niets schelen. De lucht is mooi en zacht
+gedekt, en daar drijft een wolkje ... En ik wil zoo zitten, zonder
+angst, en rustig ... Maar daar zijn ze!!! De meeuwen vliegen vlak over
+het water. En ik wil wachten, wachten ... En kijk, die jongens spelen
+met een scheepje: het is een klomp. Zoû het niet omkantelen?
+
+Hij zag even met onwillekeurig belang naar het spel, toen weêr naar dien
+man en die vrouw. Zij waren zeer duidelijk geworden, recht onder zijn
+blik, en zij gingen voorbij, zonder iets te weten, emotieloos, als
+marionetten.
+
+--Jawel, maar _ik_ weet het! dacht hij. Daar zijn ze! En met hen komt
+het misschien. Maar ... met hen gaat het misschien ook weêr weg, zoo
+maar, als eene dreiging. En zoo zal ik wachten, want het kan me niets
+schelen. Als het uit moet zijn, zal het uit zijn.
+
+Ze verdwenen nu uit zijn oog. Ook de jongens waren verder gegaan met hun
+scheepje: het strand voor Bertie was leêg geworden, zeer wijd, als eene
+woestijn. En eensklaps overrilde hem eene hevige trilling, eene koorts.
+Sidderend stond hij op, zijn gelaat zeer wit, zijne beenen wankelend. De
+angst had hem eensklaps geheel overheerscht en zweette op zijn voorhoofd
+uit in groote druppels.
+
+--O God! dacht hij. Het leven is verschrikkelijk. Ik heb het
+verschrikkelijk gemaakt. Het leven is ijzingwekkend. Ik ben bang. Wat
+zal ik doen. Wegloopen ... Ach neen, ik zal maar wachten. Kan het me dan
+iets schelen? Neen, niets! Niets, Niets! Daar waren ze beiden, zij, en
+de vader ... Ik ben wel bang. O, als het komen moet, God, o God, laat
+het dan maar gauw komen ...
+
+Toen werd het hem alsof zijne oogen zich vergist hadden en ze het niet
+waren geweest. Onmogelijk! Maar toch _wist_ hij, dat ze het wèl waren
+geweest. De angst tokkelde hem steeds in zijne borst, gelijkmatig, met
+hooge hartslagen. En hij verwonderde zich nu zeer, dat hij nog oogen
+voor het scheepje van die jongens had kunnen hebben, terwijl daar
+beneden Eve liep met Sir Archibald. Zoû het niet omkantelen? zoo had hij
+ervan gedacht, van dat scheepje.
+
+
+III.
+
+Er sleepten zich twee weken vol heet geschroeide zomerdagen voort, dat
+hij wachtte, steeds te moê, de minste poging te doen Frank over te halen
+heen te gaan van hier. Misschien had het hem slechts een enkel woord
+gekost. Maar hij sprak dat woord niet, wachtende, en langzamerhand als
+onder de bekoring van dat wachten komende, als hoopte hij op het
+mysterie van eene belangwekkende toekomst. Hadden zij elkaâr nog niet
+ontmoet? Zouden zij elkaâr ontmoeten? Ontmoetten zij elkaâr, zoû er dan
+iets gebeuren? Het een schakelt zich onherroepelijk aan het ander, dacht
+hij: aan niets is iets te doen!
+
+Het was Franks gewoonte veel thuis te blijven, stil levend tusschen zijn
+somber gedroom en zijn gymnastiek, zonder zich te bemoeien met het
+zomergewoel daar buiten, op strand en terras. Zoo waren er twee weken
+voorbij kunnen gaan, zonder dat hij de onmiddellijke tegenwoordigheid
+van haar bewust was geworden, voor wie Bertie vreesde! En zelfs niet de
+zweem van een voorgevoelen had Frank doen trillen in zijne zachte
+somberheid; onberoerd was hij blijven voortademen in de zelfde zeelucht,
+die zij ademde, zonder te voelen, dat er een geur van haar dreef in die
+atmosfeer. Hij zag niet den stap van haar schoentje op het strand vlak
+onder zijne villa, de kant niet van hare parasol, fladderend in het
+bereik van zijn blik, terwijl hij rustig rookte, de beenen op de
+balustrade. En zij moesten dikwijls samen op den zelfden stoomer getuurd
+hebben, fijn voortglijdend bijna aan den einder, als een uitgeknipt
+prentje, met zijn zeiltjes en zijn kolommetje rook, zonder dat hunne
+blikken elkaâr bewust werden, hoewel ze zich toch zeker kruisten, ergens
+over de zee.
+
+Het was na die heet geschroeide weken een vuil grauwe dag, zonder zon,
+met regen boven in de lucht drijvend in gezwollen wolken, als in bolle
+waterzakken.
+
+Langs het strand was Frank gegaan, langs de zenuwachtig woelende zee;
+hooger stonden de mandstoelen nog, dicht bij elkaâr, bijna opgenomen;
+weinig menschen waren daar. Een desolate windroep klaagde over het
+water; het was een herfstdag vol verlatenheid en wegsterven van
+zomervreugde. En terwijl hij langzaam, met het luchtgeween om zijne
+ooren, was voortgewandeld, had hij haar zien naderen in het uitwaaien
+harer rokken en het wegfladderen van haar linten, hem tegemoet, en had
+hij ... o God! haar herkend!
+
+Het was hem of eene rotsmassa op zijne borst was gesmeten, in eens, met
+een reuzenworp en of hij vermorzeld er onder lag, zonder adem. En het
+ziedde in hem met pijn en blijheid tegelijk, rillend door zijn bloed en
+zijne zenuwen, opduizelend naar zijn hoofd. Zonder zoo te willen, stond
+hij stil en zonder zoo te willen, zeide hij het, een klank, onhoorbaar
+nog door wat afstand, verloren ook in het gehuil van den wind:
+
+--Eve, mijn God, Eve!!
+
+Maar de afstand bestond niet meer; nu was zij vlak bij hem, schijnbaar
+zoo kalm, omdat zij hem reeds dien morgen gezien had, zonder dat hij
+háar had gezien, omdat zij al haar eerste emoties geleden had, omdat zij
+daar lang geloopen had, in den wind, dicht bij de villa, waar zij hem in
+had zien gaan, in de hoop hem nog te zullen ontmoeten. Het ging door
+zijn hoofd of hij haar met den hoed groeten zoû, als een vreemde, of dat
+hij dit niet zoû doen, schijnbaar onverschillig, er over heen, niet
+geroerd om eene toevallige ontmoeting, zonder eenige herinnering aan wat
+was geweest. En in zijne trillende ontroering verwonderde hij zich toch
+nog, dat zij zoo recht op hem afkwam, zonder aarzeling, beslist, als op
+een doel. In eene seconde prentte haar bleek, ernstig gelaat met de
+donkere oogen een, als van leven sidderenden, afdruk in hem af: hij zag
+haar geheel en al, nam haar geheel en al in zich op, als verslond hij
+haren aanblik in zijne ziel.
+
+--Frank! sprak zij zacht, vóór hem.
+
+Hij antwoordde haar niet, rillende van aandoening, nauwelijks kunnende
+zien door den glans van vocht, die over zijne oogen trok. Zij glimlachte
+weemoedig.
+
+--Herken je me niet meer? sprak zij, met hare stem van gedempt zilver.
+
+Hij knikte, onhandig iets mompelend, onhandig zijne hand uitstekend.
+
+Zij drukte die even zacht en ging voort, steeds met haar zacht geluid,
+dat was als een echo:
+
+--Neem me niet kwalijk, dat ik je zoo aanspreek, maar ik zoû je gaarne
+iets willen zeggen. Ik ben blij je hier te ontmoeten, hier in
+Scheveningen, toevallig, misschien niet toevallig ... Er heeft een
+misverstand tusschen ons geheerscht, Frank, en er zijn leelijke woorden
+tusschen ons gevallen. Wij zijn nu wel gescheiden, maar toch zoû ik met
+je willen spreken en je vergiffenis vragen, voor wat ik eens gezegd heb
+...
+
+De tranen hokten in hare keel, zij kon zich bijna niet meer bedwingen,
+maar zij dwòng hare ontroering terug en rustig bleef zij voor hem staan,
+dapper als eene vrouw zijn kan, dapper met haren zachten glimlach,
+waarin eene hopelooze berusting was, zonder aanstellerij, flink en
+eenvoudig.
+
+--Neem het mij daarom niet kwalijk, dat ik je aanspreek en laat me je
+vragen, of je me vergeven wilt, als ik je eens gekrenkt heb, en of je
+voortaan eene zachtere herinnering aan me wilt bewaren.
+
+--Eve, Eve! stamelde hij. Jij mij vergeving vragen? Ik was het, _ik_ was
+het, die ...
+
+--O neen! hernam zij zeer zacht. Je bent het vergeten. Het was _ik_ ...
+Vergeef je het me?
+
+Zij stak nu zelve haar hand eenvoudig uit en hij drukte die, met een
+grooten snik, die klokte in zijne keel.
+
+--Dank je; zoo is het goed, ging zij voort. Ik heb ongelijk gehad,
+waarom zoû ik het niet bekennen? Ik beken het gulweg. Wil je papa niet
+eens komen opzoeken: wij logeeren in het Hôtel Garni. Heb je nu plannen?
+Ga anders met me meê. Het zal papa plezier doen.
+
+--Goed, goed, stamelde hij, nu oploopend naast haar.
+
+--Maar ontroof ik je aan niemand? Misschien wacht iemand je. Je bent
+misschien in dien tijd ... getrouwd.
+
+Zij dwong zich hem geheel en al aan te zien, met haar zachten glimlach:
+eene bleeke lieftalligheid, die droef-liefjes om hare lippen zweemde, en
+hare stem was zacht blank, zonder veel belangstelling. Maar hij schrikte
+van hare woorden, omdat ze iets bevatteden, dat nooit in hem was
+geweest: eene exotische gedachte, en die zij overplantte in hem, zonder
+dat ze er wortel schoot, er dadelijk verleppend.
+
+--Getrouwd?! O Eve, neen, neen, nooit, stotterde hij smeekend.
+
+--Nu, het had immers kunnen zijn, zeide zij zacht effen.
+
+Zij gingen een pooze zwijgend door, maar na een paar passen, gebroken
+door den toon zijner laatste woorden, wist zij hare aandoening niet meer
+in te toomen en zij begon zachtjes te snikken, als een zenuwachtig kind,
+met regelmatige snikjes, terwijl zij bleven doorloopen en hare tranen
+heur witte voile doorweekten.
+
+Even voor het hôtel bleef zij stilstaan en zij zeide, zich beheerschende
+gedurende dien oogenblik:
+
+--Frank, zeg het me oprecht: vindt je het niet verkeerd van me, dat ik
+je heb aangesproken? Ik was het niet met mezelve eens of ik het doen
+zoû, maar ik woû zoo graag mijn ongelijk bekennen en je om vergeving
+vragen. Zeg, veracht je me, omdat ik gedaan heb, wat een ander meisje
+misschien niet gedaan had?
+
+--Verachten!! Ik je verachten! bracht hij snikkend uit.
+
+Maar hij moest zich in eens bedwingen, want enkele wandelaars, weinige
+maar op dien dag van wind en dreigend regenweêr, kwamen hen te gemoet.
+Zij liepen nog enkele passen voort, als misdadigers hunne hoofden
+buigend onder den blik dier vreemden. Toen gingen zij het hôtel binnen.
+
+
+IV.
+
+Sir Archibald ontving Frank wat koel, maar beleefd. Toen liet hij hen
+alleen en dadelijk begon Eve:
+
+--Ga zitten, Frank. Ik moet je iets zeggen.
+
+Verwonderd nam hij plaats; haar toon was zakelijk geweest, hare
+aandoening was teruggedrongen en zij scheen zich even te bezinnen als
+wilde zij logisch iets uit elkaâr zetten.
+
+--Frank, sprak zij. Je hebt immers eens een brief aan papa geschreven;
+is dit zoo?
+
+--Ja, knikte hij treurig.
+
+--Is dit zoo? riep zij heftig.
+
+--Ja! herhaalde hij; eens aan Sir Archibald en tweemaal aan jou.
+
+--Ook nog tweemaal aan mij? kreet zij smartelijk.
+
+--Ja, knikte hij weêr.
+
+--En je kreegt geen antwoord, ging zij kalmer voort. Heb je ooit wel
+nagedacht, waarom?
+
+--Waarom?... herhaalde hij, verwonderd. Omdat je boos was, omdat ik zoo
+ruw was geweest ...
+
+--Neen, schudde zij beslist. Eenvoudig hierom: omdat wij die brieven
+nooit ontvingen.
+
+--Wat? kreet hij uit.
+
+--Omdat wij die brieven nooit ontvingen. Onze knecht William, schijnt er
+belang bij gehad te hebben ze achterwege te houden.
+
+--Belang? herhaalde Frank, dom verward. Waarom?
+
+--Ik weet het niet, ging Eve door. Ik weet alleen dit: onze meid, Kate,
+je weet wel, kwam eens huilende bij me en vertelde me, dat ze niet meer
+bij ons wilde blijven, omdat ze bang was voor William, want hij had
+gezegd, dat hij haar zoû vermoorden. Ik vroeg haar wat er gebeurd was en
+toen vertelde ze mij, dat ze eens op het punt was geweest een brief
+binnen te brengen aan papa, een brief van jouw hand: ze kende je hand.
+Vlak bij de deur was William haar achterop gekomen en had haar ruw den
+brief uit de hand gerukt, zeggende, dat _hij_ dien wel zoû binnen
+brengen. In plaats van dat te doen, had hij den brief intusschen in zijn
+zak gestoken. Zij had hem gevraagd wat dat beteekende; toen hadden zij
+oneenigheid gekregen en sedert was ze bang voor William. Zij had mij dit
+al lang willen vertellen, maar het alleen niet gedaan uit angst voor
+hem. Wij ondervroegen William, die brutaal werd en zich beleedigd
+achtte, omdat we zijn eerlijkheid verdachten; papa liet daarop zijne
+kamer onderzoeken om te zien of hij meer brieven of andere dingen had
+gestolen. Er werd intusschen niets gevonden, noch gestolen voorwerpen,
+noch brieven. Ook niet de brief aan papa, die dus de laatste schijnt
+geweest te zijn van de drie, die je ons schreef?
+
+--Ja, knikte Frank verbijsterd.
+
+--Papa joeg William weg. En ... wat woû ik je toch ook nog zeggen? God,
+ik weet het niet meer ... Dus je hebt ons driemaal geschreven?
+
+--Ja, driemaal, sprak Frank.
+
+--En wat schreef je? vroeg zij, opnieuw regelmatig zacht snikkend in
+hare keel.
+
+--Of je me vergeven woû, of ... of alles weêr worden kon als het
+geweest was. Ik bekende ongelijk.
+
+--Je hadt het niet.
+
+--Het is mogelijk. Ik weet het niet meer. Toen voelde ik het zoo. Ik
+wachtte en wachtte op een enkel woord van jou of van je vader. En ik
+kreeg niets.
+
+--Neen niets! snikte zij. En toen?
+
+--Wat zoû ik toen gedaan hebben?
+
+--Waarom ben je niet zelf gekomen, o, waarom ben je niet eens zelf naar
+ons toe gekomen! vleide zij, smartelijk verwijtend.
+
+Hij zweeg een oogenblik, zijne gedachte verzamelend, zich niet meer
+herinnerend.
+
+--Zeg Frank? smeekte Eve. Waarom ben je zelf niet gekomen?
+
+--Ik weet het niet meer! sprak hij suf.
+
+--Heb je daar dan geen enkel oogenblik over gedacht?
+
+--Ja, jawel! stamelde hij.
+
+--Maar waarom dan niet?
+
+Hij barstte in eene snikkende smart uit, zijne tranen opetend, radeloos.
+
+--Omdat ik gebroken was: omdat ik me zoo ongelukkig voelde, zoo
+ontzettend ongelukkig. Ik had altijd cynisch gedacht over vrouwen en van
+ze te houden en dat alles en toen ... toen met jou ...!! Het was zoo
+nieuw, zoo frisch voor me, ik voelde me als een jongen, ik was verliefd
+op je en ik hield van je, ook niet alleen omdat je mooi was, maar om
+alles wat je zei of deê, omdat je was zooals je was, zoo kalm altijd en
+zoo lief ... o God, ik aanbad je. En toen is dat alles gekomen, dat
+getwijfel en die akeligheden, ik weet het nu alles niet meer en ik
+voelde me toen zoo alleen, en zoo gebroken. Ik had toen maar willen
+doodgaan, o Eve, Eve!
+
+--Je hadt dus berouw! En je kwam niet bij me?
+
+--Neen!
+
+--God, waarom niet?
+
+--Ik heb willen komen!
+
+--Waarom heb je het dan niet gedaan?
+
+Weêr dacht hij even na, weêr suf.
+
+--O ja: nu geloof ik, dat ik het weet! sprak hij langzaam. Ik wou naar
+je toe gaan en toen zei Bertie ...
+
+--Wàt zei Bertie?
+
+--Dat hij het misselijk van me zoû vinden als ik ging, laf, laag en
+misselijk.
+
+--Waarom?
+
+--Omdat je me niet vertrouwd hadt.
+
+--En toen?
+
+--Toen ... toen gaf ik hem gelijk en ben ik niet gekomen.
+
+Zij wierp zich woest op eene bank, brekend onder hare smart, die steeds
+in haar snikte en snikte.
+
+--Dus omdat Bertie zei ...! kreet zij verwijtend.
+
+--Ja, alleen om hem! sprak hij dof! O God, alleen om hem ...
+
+Zij zwegen. Toen richtte Eve zich op en zij rilde. Haar gelaat was wit,
+als zonder bloed, hare oogen staarden als met krankzinnige blikken van
+verweerd glas.
+
+--O Frank! riep zij. Frank, ik word zoo bang! Daar komt het!
+
+--Wat is er? vroeg hij, zacht verschrikt ...
+
+--Ik voel het over me heen komen! kermde zij steenend. Het is net een
+ver geluid van een donder, zoo dreunend in mijne ooren en in mijn hoofd.
+O God, daar komt het, Frank, o Frank! Daar is het, boven me, boven me!!
+Het dondert boven me!!!
+
+Zij sloeg, gillend, met haar arm zenuwachtig angstig in de lucht, iets
+wegwerend, en geheel haar tenger lichaam schudde als met geheimzinnige
+electrische trillingen. Heur adem stootte met schokken door hare keel.
+Toen wankelde zij en hij dacht, dat ze flauw zoû vallen en ving haar op
+in zijne armen.
+
+--Eve, Eve! riep hij.
+
+Zij liet zich door hem meêsleepen naar de bank, zonder weêrstand; trots
+hare hallucinatie, gelukkig in zijne omhelzing, en zij bleef daar zitten
+tegen hem aan, in zijn arm, zich dringend tegen zijne borst.
+
+--Eve, toe Eve! smeekte hij. Wat heb je?
+
+--Het dreunt nu weg, fluisterde zij, bijna onhoorbaar. Ja, nu, nu is het
+weg ... Dat komt zoo over me in den laatsten tijd, heel dikwijls: het
+bruist aan, heel langzaam en zachtjes, en dan bruist het daverend boven
+mijn hoofd en dan weg, ver weg sterft het weg ... En daarna ben ik zoo
+bang; het is of het een angst is, die over me heen bruist en die me zoo
+bang maakt. Wat zoû het zijn?
+
+--Ik weet het niet. Overspanning misschien? troostte hij.
+
+--O, hoû me zoo, smeekte ze lief. Hoû me zoo tegen je aan. Anders, als
+ik alleen ben, en het is over me heen gegaan, dan blijf ik zoo
+doodsbang achter, maar nu, nu heb ik jou, nu heb ik je weêr: je zal me
+niet meer van je af gooien, en je zal me beschermen, je arm kind, je
+Eve, nietwaar? O ja, nu heb ik je weêr! Ik voelde het, dat ik je ééns
+weêr zoû krijgen en iederen zomer drong ik er bij papa op aan naar
+Scheveningen te gaan, omdat ik zoo een idee had, dat ook jij weêr eens
+in Holland zoû komen, in Den Haag, in Scheveningen en dat als we elkaâr
+moesten ontmoeten, het hier zoû zijn ... En nu is het ook zoo uitgekomen
+en nu heb ik je weêr ... Hoû me dicht tegen je aan, zoo in beide je
+armen, in beide ... Dan zal ik niet meer bang zijn ...
+
+Zij vlijde zich dichter en dichter tegen zijne borst, haar hoofd op
+zijne schouder, en toen, met de stem van een kind:
+
+--Kijk eens! sprak ze en ze toonde hem haar pols.
+
+--Wat? vroeg hij.
+
+--Dat litteeken ... Dat heb jij gedaan.
+
+--Heb ik ...!
+
+--Ja ... Je hadt me zóó aan mijn polsen beet ...
+
+Hij gevoelde zich troosteloos weemoedig, zelfs trots haar weêrbezit, en
+hij zoende den smallen streep van het litteeken met kleine kusjes. Zij
+lachte even.
+
+--Het is een armband! schertste zij.
+
+
+V.
+
+Plotseling schrikte hij echter op.
+
+--Eve ... begon hij, zich bedenkend. Wie? Waarom?
+
+--Wat? vroeg zij, zacht lachend en wat moê, na die hallucinatie van
+donder.
+
+--Die brieven en William ... Waarom? Wat kon het William schelen? Louter
+nieuwsgierigheid om ze te lezen?
+
+--Dan had hij toch zoo ruw niet dien eenen brief van Kate weggerukt.
+Neen, neen ...
+
+--Geloof je dan, dat hij er belang bij had ...
+
+--Ja ...
+
+--Maar wat dan? Wat kon het hem schelen of ik je schreef of niet
+schreef?
+
+--Misschien handelde hij ...
+
+--Wat Eve?
+
+--Voor een ander.
+
+--Voor wien? Wat kunnen mijne brieven een ander schelen. Wie kan er
+belang bij hebben, dat ze niet terecht kwamen?
+
+Zij richtte zich even op en zag hem lang aan, voor zij sprak, zeer
+angstig voor wat zij hem vragen ging.
+
+--Zoû je heusch niemand weten? vroeg zij.
+
+--Neen.
+
+--Wist niemand van je brieven af?
+
+--Alleen Bertie.
+
+--O, alleen Bertie! sprak zij dof.
+
+--Maar Bertie ... toch niet? vroeg hij, zelf verontwaardigd om de
+onmogelijkheid zijner voorstelling.
+
+--Misschien ... fluisterde zij, bijna onhoorbaar. Misschien Bertie ...
+
+--Onmogelijk Eve! Waarom! Wat? Hoe?
+
+Zij liet zich weêr zinken in hare vorige houding, tegen hem aan,
+rillende nog onder den nadruk van dien weggeratelden donder. En zij
+sprak:
+
+--Ik weet het niet, ik dacht alleen maar ... Ik heb er twee jaar iederen
+dag aan gedacht. En toen heb ik veel raadselachtigs gevonden in wat ik
+vroeger niet raadselachtig en zelfs sympathiek vond ... in Bertie. Je
+weet, we spraken dikwijls samen, zelfs alleen. Je was soms wat
+jaloersch, maar daar hadt je nooit de minste reden voor, want er is
+nooit dat tusschen ons geweest. We waren altijd als broêr en zuster. We
+spraken veel over jou. Later heb ik over die gesprekken nagedacht en
+toen scheen het mij, dat Bertie ...
+
+--Dat Bertie ...?
+
+--Dat hij niet zoo over je sprak als een goed vriend zoû doen. Ik weet
+het niet ... onder die gesprekken zelve kwam die gedachte nooit bij me
+op, omdat Bertie zoo eene stem had en zoo eene manier van spreken ... ik
+meende dan, dat hij het goed met ons voor had en dat hij veel van ons
+hield, maar dat hij bang was, dat er iets gebeuren zoû, een ongeluk,
+eene catastrofe, als wij trouwden. Hij scheen te vinden, dat wij niet
+moesten trouwen. Toen ik later over zijne woorden nadacht, heb ik er dat
+in gevoeld. Hij scheen heusch te vinden, dat wij ... dat wij niet
+moesten trouwen.
+
+Zij sloot hare oogen, zeer moê van het ronddolen in die geheimzinnigheid
+des verledens, en zij zuchtte en streelde zijne hand, die zij in de
+hare had. En ook hij doolde rond in dat labyrinth van mysterie, zonder
+te vinden. Ook hij dacht zich nu terug en hij herinnerde zich iets van
+hunne laatste dagen te Londen: hij herinnerde zich Bertie's harde
+woorden, toen hij, Frank, gezegd had naar de Rhodes' te willen gaan; hij
+herinnerde zich Bertie's vleien en drijven om Londen te verlaten, om de
+wereld rond te zwalken ... Zoû Bertie ...? Had Bertie eenig belang ...?
+En hij zag het niet in, in den eenvoud zijner onpractische, achteloos
+milde vriendschappelijkheid, die nooit geld geteld, die het steeds
+gedeeld had met een ander, omdat hij veel had en die ander niets; hij
+zag het niet in, omdat hij over dat alles nooit had nagedacht in zijne
+vreemde onverschilligheid voor alles wat naar geldzaken zweemde: eene
+onverschilligheid, die als eene lacune in zijn begrip was, zooals een
+ander lacunes heeft waar het politiek, of kunst, of wàt ook betreft:
+dingen, waar hij niets om geeft, waarvan geen spoor in hem is, waarover
+hij het hoofd schudt als over abracadabra. En hij zag het niet in.
+
+--Zie je, zoo heb ik later gemeend, dat Bertie indertijd vond, dat wij
+niet moesten trouwen, herhaalde Eve droomend, en toen, verloren in de
+geheimzinnigheid, die het leven om haar heen gesponnen had:
+
+--Zeg Frank, wat was er toch in hem? Wat was hij, hoe was hij? Waarom
+heb je nooit veel over hem willen spreken? Ik heb dat later wel gemerkt,
+later, gedurende die twee jaren, toen ik zoo veel heb nagedacht.
+
+Hij zag haar met ontzetting aan; een moordend zelfverwijt doorvlijmde
+hem bij de gedachte, dat hij haar nooit gezegd had, dat Bertie niets
+bezat en van het geld zijns vriends leefde. Waarom had Frank haar dat
+nooit willen vertellen? Om zekere schaamte, dat hij zoo was, zoo
+onverschillig, zoo dwaas mild met iets, waar anderen zoo berekenend meê
+zijn? Zoo dwaas mild, ja mild tot krankzinnigheid toe!
+
+Steeds met ontzetting zag hij haar aan. Toen flitste een vermoeden der
+waarheid als een korte weêrlichtzigzag dwars door zijn zelfverwijt heen,
+en hij schrikte voor dat witblauwe licht der waarheid ...
+
+--Eve! sprak hij schor. Ik ga naar Bertie toe ...
+
+--Naar Bertie toe!! gilde zij. Is hij dan hier!?!
+
+--Ja ...
+
+--Is hij hier! O, ik had niet meer aan hem gedacht ... Ik dacht, dat hij
+weg was, ver weg, misschien wel dood. Het kon me niet schelen, wat er
+met hem gebeurd was ... O God, is hij hier!! Frank, ik smeek, je, Frank,
+laat hem, ga niet naar hem toe.
+
+--Jawel Eve, ik moet het hem vragen ...
+
+--Frank, o Frank, o God ga niet! Ik ben bang, ik ben bang ... Ga niet!
+
+Hij zoende haar met zijn zacht treurigen glimlach, zweemend onder zijne
+gouden snor, met zijne zachte somberheid in zijne trouwe oogen; hij
+zoende haar zacht, zeer zacht, om haar gerust te stellen.
+
+--Wees niet bang, lieveling. Ik zal kalm zijn. Maar ik moet het hem toch
+vragen, nietwaar. Wacht me hier. Ik kom van avond terug.
+
+--Zal je heusch kalm zijn? O, ga liever niet ...
+
+--Ik beloof het je, ik zal heel kalm, héel kalm zijn ... Met zijne
+liefste innigheid omhelsde hij haar, vast, vast.
+
+--Je bent dus weêr van mij? vroeg hij.
+
+Zij sloeg heur armen om zijn hals en kuste zijn mond, zijne oogen,
+geheel zijn gelaat.
+
+--Ja, antwoordde ze. Ik ben weêr van jou ... Doe met me, wat je wilt ...
+
+--Tot straks! sprak hij.
+
+Toen ging hij. Alleen gebleven, zag zij huiverend om zich heen, als
+zocht ze naar iets waarvoor ze vreesde. Ze was zeer bang voor zichzelve
+en voor Frank, vooral voor Frank. In eene seconde rees haar angst tot
+eene onduldbare ontzetting. In den corridor hoorde zij haar vader
+aankomen: ze herkende zijn slependen tred. Het was haar onmogelijk Sir
+Archibald thans te zien; zij greep een regenmantel, wikkelde er zich
+haastig in, trok den capuchon over heur hoofd en ijlde weg ...
+
+Buiten stortregende het.
+
+
+VI.
+
+Frank vond Bertie thuis. En Bertie zag het aanstonds, dat het was
+gekomen, zag het aan Franks vertrokken gelaat, hoorde het aan den
+schorren klank zijner stem. En tegelijk voelde hij, dat de verslapte
+veeren zijner wilskracht zich wilden spannen, in wanhoop, ter
+verdediging en ... dat zij niet konden.
+
+--Bertie, begon Frank. Ik moet je spreken, ik moet je iets vragen.
+Bertie zweeg. Zijne beenen trilden en hij bleef zitten, in een ruimen
+rieten stoel, roerloos.
+
+--Ik heb daar straks Eve ontmoet, ging Frank voort, en ik ben met haar
+naar haar vader geweest. Sir Archibald vertelde me, dat ze hier al een
+paar weken waren ...
+
+Bertie bleef zwijgen, op hem starende met zijne zwarte oogen, en het
+zwarte diamant er van werd vuil troebel van angst. Voor hem bleef Frank
+staan en hij streek nu met zijne hand over het voorhoofd, verward ...
+Hij had eerst logisch een verhaal en daarna, kalmweg, eene vraag willen
+doen, maar iets wat hij niet had kunnen beschrijven, ergerde hem in de
+matte poesenhouding van Bertie, ergerde hem voor het eerst in al den
+tijd, dien zij elkander kenden. Het ergerde hem, dat Bertie daar half
+liggen bleef, kwijnend bevallig, zijne mooie hand afhangende op de
+leuning van den stoel, en hij zag niet, dat die houding op dit oogenblik
+eene pose was om eene, al te overmeesterende, aandoening te verhelen. En
+zijn wensch om logisch te verhalen en te vragen versmolt eensklaps in
+die ergernis en liet het hevig verlangen opsuizen spoedig te weten,
+spoedig ...
+
+--Hoor eens, Bertie. Je weet wel die brieven, die ik vroeger in Londen
+geschreven heb ... Eve vertelde me, dat ze achter zijn gehouden door
+William, hun knecht ... Weet jij daar ook iets van?
+
+Bertie zweeg, maar zijn oog hing steeds aan Frank en de troebele blik er
+van smeekte.
+
+--Niemand wist iets van het bestaan van die brieven af, dan jij ... Kan
+jij dus ook vermoeden welk belang William er bij had ze te verduisteren?
+--Neen, hoe zoû ik ... murmelde Bertie half hoorbaar.
+
+--Kom allons, spreek op! ging Frank ruw voort en hij trilde in al zijne
+spieren. Het kan niet anders of je moet er iets van weten, het kan niet
+anders. Spreek op ...
+
+Alle wil tot verdediging vloeide in de kracht van Franks stem weg.
+Nauwelijks ook bespeurde Bertie eenige nieuwsgierigheid in zich naar wat
+er had moeten voorvallen om William te verraden. En hij voelde dat het
+gemakkelijk zoû zijn zich geheel en al te geven, zonder veinzerij, omdat
+datgene, waar hij weken lang voor gevreesd had, nu toch gekomen was,
+onherroepelijk noodlottig; omdat wat er verder gebeuren zoû, zoû
+gebeuren, onherroepelijk noodlottig ... En in die zwakte gevoelde hij
+ook een vreeselijken weemoed, eene hopelooze treurigheid, dat hij was
+als hij was en dat alles was als het was ...
+
+--Nu dan: ja ... fluisterde hij, doodmoê. Ik weet het ...
+
+--Wat weet je?
+
+--Ik was het, die ...
+
+--Die wat ...
+
+--Die William omkocht ... om die brieven niet binnen te brengen.
+
+Verbijsterd bleef Frank hem aankijken, een nevel trok over zijne oogen,
+het duizelde om hem heen: hij wist niets meer, begreep niet meer,
+vergetend, dat even te voren de waarheid door hem heen gebliksemd had.
+
+--Jij!... Jij!... stamelde hij. Mijn God, waarom? Waarom? Toen stond
+Bertie wankelend op en hij snikte, snikte luid.
+
+--Omdat ... omdat ... ik weet het niet, ik kan het niet zeggen, het is
+te vreeselijk!
+
+Maar Frank greep hem bij de schouders, schudde hem en heesch brulde hij:
+
+--Vervloekte fielt, wil je het nou zeggen, waarom? Wil je het nou
+zeggen, waarom? Of moet ik het je uit je lijf trappen? Waarom? Zeg je
+het haast?
+
+--Omdat ... omdat ... snikte Bertie, wringend zijne witte handen.
+
+--Zeg het, voor den dag er meê, zeg het ...
+
+--Omdat ik bij je woû blijven, en omdàt ik niet bij je kon blijven als
+je trouwde ... Ik hield van je en ... en ...
+
+--Spreek op, je hieldt van me en toen ...
+
+--En je was zoo goed voor me, je gaf me alles, ik zag er tegen op, weêr
+te zwoegen met het leven; ik had het zoo heerlijk bij je. Frank, Frank,
+hoor naar me, laat me even uitspreken, voor je iets zegt, voor je boos
+wordt; laat het me je verklaren, veroordeel me niet, voor je weet ... O
+God, het was gemeen van me, dat ik dat alles deed, maar laat het me je
+nu eerst zeggen en word er nog niet boos om, Frank, vóor dat je alles
+weet, àlles ... Frank, zie me zooals ik ben, ik ben zooals ik ben, ik
+kan het niet helpen, dat ik zoo ben, ik zoû gaarne anders willen zijn
+... En ik heb gehandeld, zooals ik handelen moest, ik kon er niets aan
+doen, ik werd er toe gedwongen, door machten buiten me. O Frank, ik was
+zoo zwak, zoo moê en ik rustte bij je uit en, o je mag het gelooven of
+niet, ik hield van je, ik verafgoodde je ... En je woû me van je
+wegjagen om me weêr te laten zwoegen ... Toen, toen heb ik het gedaan
+... O, God, toen heb ik het gedaan ... Hoor naar me, Frank, laat het me
+je zeggen, het moet er nu uit, het mòet er uit, in eens ... _Ik_ deed
+Eve gelooven, dat je niet van haar hieldt, _ik_ maakte, dat ze aan je
+twijfelde, dat het àf werd tusschen jullie ... De brieven, later, hield
+_ik_ tegen ... _Ik_ deed alles, àlles, Frank, en ik heb me er om
+veracht, terwijl ik het deed, omdat ik niet anders was, dàn ik was. Maar
+ik kon er niets aan doen, ik was nu eenmaal zóo ... O je begrijpt me
+niet, ik ben zoo gecompliceerd, dat je dat niet begrijpt, maar probeer
+het even te begrijpen en dan zàl je me begrijpen en misschien wel
+vergeven, Frank, misschien wel vergeven óok ... O ik bid je, gelóof
+toch, dat niet alles egoïsme in me is, en dat ik veel, zielsveel van je
+hoû, zooveel als een man bijna nooit van een anderen man houdt, omdat je
+zoo goed voor me was ... Ik zal het je bewijzen: ben ik niet bij je
+gebleven, toen je in Amerika al je geld verloor? Was ik toen niet
+weggeloopen, als ik egoïst was geweest? Maar ik bleef bij je, ik werkte
+met je samen en we deelden alles en we waren gelukkig. O, waarom is het
+niet zoo gebleven ... Nu heb je haar ontmoet, en nu ...
+
+--Heb je genoeg geraaskald! brieschte Frank. Jij deed het dus, jij
+vernietigde alles wat mooi in mijn leven was!! God, hoe is het mogelijk!
+Neen, je hebt gelijk, ik begrijp je niet, ik begrijp dat niet! eindigde
+hij, terwijl hij, rood van opstijgend bloed, met uitpuilende oogen,
+hatelijk lachte.
+
+Sidderend was Bertie op den grond neêrgevallen en hij snikte, snikte
+door.
+
+--O, probéer dan even te begrijpen! smeekte hij. Probeer dan even een
+mensch te zien, zooals hij is, in al zijne troostelooze naaktheid,
+zonder conventioneele mooiigheid er om heen! O God, ik zwéér je, dat ik
+liever anders zoû zijn ... Maar kan _ik_ er iets aan doen, dat ik zoo
+ben? Ik word geboren, zonder het te vragen; ik krijg hersens, zonder het
+te willen; ik denk, en ik denk anders dan ik zoû willen denken, en zoo
+word ik geslingerd door het leven, als een bal, als een bal ... En wat
+heb ik in dat geslinger om me in evenwicht te houden ... Wilskracht,
+geestkracht? Ik weet niet of jij zoo iets hebt! maar ik heb nooit,
+noóit, nóoit zoo iets in me gevoeld, en als ik wat doe, moet ik het zoo
+doen, omdat ik het niet anders kan doen, want al is de wil in me anders
+te doen, de kracht en de macht er toe zijn er niet! O, geloof me, ik
+veracht mezelven, gelóof dat toch, maar begrijp me, en vergeef me, Frank
+...
+
+--Je raaskalt! bulkte Frank. Je bent krankzinnig. Ik weet niet wat dat
+voor woorden zijn, ik begrijp daar op dit oogenblik niets van en al
+begreep ik het, zoû ik het op dit oogenblik niet willen begrijpen. Ik
+begrijp alleen dit, dat je mijn alles vergooid hebt, dat je mijn geheele
+leven tot niets waard hebt gemaakt, en dat je een schurk bent omdat je
+een knecht hebt omgekocht mijne brieven achterbaks te houden, uit louter
+plat gemeen, onpeilbaar gemeen egoïsme. Omgekocht!! Zeg schurk,
+ellendeling, laffeling ... omgekocht ... God, waarmeê heb je hem
+omgekocht?! Zeg het, waarmeê, waarmeê?!
+
+--Met ... met ... stamelde Bertie, verschrikt, want Frank had hem bij
+zijn vest gepakt, terwijl hij half op den grond lag en schudde hem,
+schudde hem.
+
+--Voor den donder, ellendeling, heb je hem omgekocht met mijn geld, met
+_mijn_ geld! Zeg het, zeg het, of ik trap het uit je!
+
+--Ja ...
+
+--Met mijn geld!
+
+--Ja, ja, ja!
+
+Frank wierp hem van zich af, met een kreet van minachting, een zwaar
+gekrijsch van viesch zijn over zoo iets ...
+
+Maar het was in Bertie eene reactie na zijne deêmoedigheid van zoo even.
+O, de wereld was dom, de menschen waren dom, Frank was dom, want hij
+begreep niet, dat een individu was, als hij was, hij kon dat niet
+begrijpen, hij brulde in zijne barbaarsche woede door als een wild
+beest, gedachteloos, hersenloos. En hij, Bertie, hàd hersenen. Het was
+wel gelukkiger er geen te hebben! O, hij benijdde Frank om dat gemis.
+
+Hij richtte zich van den grond op, in eens, met ééne beweging.
+
+--Ja dan, ja, ja! tergde hij sissend. Als je het niet begrijpt, als je
+te stom bent om het te begrijpen, ja dan, ja, ja! Ik heb hem omgekocht
+met jouw geld, dat je zoo goed was me er voor te geven, en den laatsten
+dag nog, toen we weggingen uit Londen, heb je me nog honderd pond er
+voor gegeven, om hem om te koopen, herinner je je maar, om William om te
+koopen!! Je begrijpt niets, hè, je begrijpt niets! Je bent een stom
+wild beest, zonder hersens! En ik benijd je, dat je geen hersens hebt!
+Vroeger had ik er ook geen, en weet je hoe ik er aan gekomen ben? Door
+jou! Vroeger zwoegde ik en werkte ik en ik dacht niet na en het kon me
+niet schelen, ik at als ik wat had, en ik leed honger, als ik niets had.
+En ik was gelukkig! En jij, jij hebt me lekker laten eten en wijn laten
+drinken en je hebt me aangekleed en ik had niet te werken, en ik heb
+niets gedaan dan denken, denken, in mijn misselijk niets doen van allen
+dag! En nou, nou woû ik wel mijn schedel opensplijten, en je mijn
+hersens in je gezicht gooien, omdat je me zoo gemaakt hebt, zoo fijn en
+zoo vol gedachte! Je begrijpt niets, hè? Nu, begrijp dan ook maar niet,
+dat ik op dit oogenblik niets geen dankbaarheid meer voel voor alles, ja
+voor álles wat je voor mij gedaan hebt, dat ik je haat om al wat je voor
+me gedaan hebt, dat ik je er om veracht, en dat je mijn leven nog
+ongelukkiger hebt gemaakt, dan ik het jouwe! Begrijp je dat eindelijk,
+begrijp je dàt eindelijk, hè, dat ik je veracht, je haat, je hàat, dat
+ik je hààt?!!
+
+Hij had zich geplaatst achter eene tafel, van daar zijne woorden
+uitsissend in een paroxysme van zenuwoverspanning, en hij voelde zich of
+alles in hem springen zoû als met te hard uitgewrongen touwen. Hij had
+zich daar zoo geplaatst, omdat Frank vóór hem stond, aan den anderen
+kant der tafel, de oogen glazig wit en bloeddoorschoten, uitpuilend in
+zijn vuurrood gelaat, met zwellende neusvleugels, den rug gebogen, de
+vuisten gebald als klaar om op hem te springen. En het scheen alsof
+Frank wachtte, tot Bertie hem al de modder zijner woorden in het gezicht
+zoû gespuwd hebben.
+
+--Dat ik je haat, je hàat!! krijschte Bertie nog eens, daar hij niets
+meer vond te zeggen, uitgeput van woorden.
+
+Toen slaakte Frank, als een beest brieschend, een geluid, niet
+menschelijk meer, en hij nam zijn sprong, over de tafel, die kantelde,
+stortte neêr met al de zwaarte zijner forschheid op Bertie, hem dadelijk
+tot op den grond neêrknakkende als een riet. Hij pakte Bertie bij de
+keel, slierde hem woest tusschen de pooten van de tafel heen, naar het
+midden der kamer, kwakte hem met één smak op den grond en smeet zich op
+hem, zijne zware vierkante knie drukkend op Bertie's borst, zijne
+linkervuist als eene schroef om Bertie's hals. En een droog gevoel, als
+een dorst van wreedheid, schroeide in Franks keel en hij slikte twee-,
+driemaal met een beestelijken grijns om den mond, beestelijk blij, dat
+hij hem zoo had, in zijne macht, in zijne linkervuist, onder zijne knie.
+En hij balde zijne rechter en hief zijn arm op als een hamer,
+brieschend.
+
+--Daar, daar, daar ... brieschte hij, brieschte hij door ...
+
+En telkens viel de mokerslag neêr op Bertie ... daar ... daar ... daar
+... viel neêr op zijne oogen, op zijn neus, op zijn mond, op zijn
+voorhoofd, telkens op zijn voorhoofd, waar de slag dof weêrklonk, als op
+metaal. Een rood waas steeg gazig voor Franks blik; hij zag alles rood:
+purper en scharlaken en vermillioen, dat in bloedige wentelingen voor
+zijne oogen draaide als met raderen en in een vreemd aureool van
+bloedstralen een verwrongen masker deed grijnzen onder het gemartel van
+zijn vuistslag. De vierkante ruimte der kamer zwom in al dat rood, als
+vulde zij zich met tastbare roode verschrikkingen, steeds draaiend,
+draaiend om Frank heen als purperen duizelingen, vermillioenen
+krankzinnigheden, nachtmerries van bloed ... En de slagen volgden elkaâr
+snel op, daar, dàar, dààr en de linkervuist schroefde zich stijver om
+den hals van het masker ...
+
+Maar de deur was opengesmeten en zij, Eve stortte dwars door het waas
+van rood op hem toe, dat rood verscheurend, het verdrijvend door het
+bewegelijk levende harer verschijning.
+
+--Frank! Frank! gilde zij. Houd op, ik bid je, houd op, je vermoordt
+hem!
+
+Hij liet zijn arm zakken en zag haar aan, wezenloos. Zij poogde hem weg
+te trekken, af te rukken van het verpletterde lichaam, waaraan hij zich
+in zijne bloedwoede als een vampyr vastklampte.
+
+--Houd op, Frank, laat hem opstaan, bid ik je, vermoord hem niet ... Ik
+was achter de deur, ik was bang, ik verstond je niet, omdat je
+Hollandsch sprak ... O God, wat heb je hem gedaan, zie, zie hem, hoe hij
+er uitziet!
+
+Wankelend van zijne roode duizelingen was Frank opgestaan en hij moest
+zich vasthouden aan een meubel.
+
+--Hij heeft zijn verdiend loon, ik heb hem afgeranseld, en ik zal hem
+nog eens, nog eens ...
+
+Hij wilde zich opnieuw neêrstorten, met zijn beestelijken grijns om den
+mond, zijn dorst van wreedheid schroeiend in de keel.
+
+--Frank, Frank! riep Eve en zij hield hem in beide hare handen tegen. In
+Godsnaam, laat het genoeg zijn! O, zie hem! Zie hem!
+
+--Nu goed, laat hem dan opstaan, knarste Frank; laat hem dan opstaan!
+Sta op, ellendeling, gauw, sta op ...
+
+Hij gaf hem een schop, nog een schop, weêr een, om hem te doen opstaan.
+Maar Bertie bleef liggen.
+
+--God, Frank, zie dan toch! riep Eve en zij knielde neêr bij het
+lichaam. Zie je het dan niet!!
+
+Zij wees het Frank en voor het eerst, als ontwakende uit zijn droom van
+rood, zag hij het nu, zag hij het met afgrijzen. Het lag daar, de
+beenen, de armen verstuiptrekt, verwrongen, den romp ademloos stil in
+zijn flarden ironisch licht zomerlaken, en het gelaat was een blauw en
+groen en violet wanhoopsmasker, overspat met een zwart purper, dat lekte
+uit ooren en neus en mond in langzame stralen van slijmerig donker
+vocht, dat op het tapijt neêrtappelden, in drup, na drup. Het eene oog
+was een vormloos half gestolde, half liquide vlak, het andere puilde uit
+zijn ovale kas, als een groote opaal van treurigheid. Om den hals scheen
+zich een zeer breede paarse halsband te snoeren. En het was, nu zij
+beiden op dat gelaat staarden, of het zwol, steeds opzwol in eene
+afzichtelijke herschepping van onherkenbaarheid ...
+
+Het stortregende steeds. En zij bleven stil staren op die
+afzichtelijkheid, vóor hen op den grond roerloos uitbloedend, in een
+looden stilte binnen, met buiten het geklater van het water, eindeloos,
+eindeloos door. Eve had hem, knielend, even, sidderend van afkeer, aan
+het hart gevoeld, er aan geluisterd, haar hoofd drukkend tegen dien
+ademloozen romp, vlak onder de afzichtelijkheid, om te weten ... En zij
+was rillende opgestaan, was zachtjes aan achteruit gedeinsd, met haar
+oogen steeds op dàt daar vóor haar en zoo had zij zich tegen Frank
+geperst, of zij één met hem wilde worden, in haren angst.
+
+--Frank, God Frank ... Hij is dood! stamelde zij, bloedeloos bleek. Je
+hebt hem vermoord ...!
+
+Hij antwoordde niet, steeds starende. In zijne armen hangend, zag zij
+zenuwachtig het vertrek rond, bang, bang ... In eens omklemde zij hem in
+hare omhelzing en het was haar of zij zich, in zijne armen, in een
+afgrond stortte, in een afgrond van bloed.
+
+--Frank! schreeuwde zij. Frank, hij is dood! Laten we weggaan, ver
+weggaan, laten we vluchten!
+
+--Is hij dood? vroeg hij wezenloos.
+
+Eene bezinning kwam over hem, zachtjes áanlichtend als een afgrijselijke
+dageraad. Hij maakte zich los uit hare armen, knielde zelf, hoorde,
+voelde zelf, dacht even vaag aan dokters, aan verplegen ... En toen
+sprak hij dof, zeker van hetgeen hij zeide, onzeker van hetgeen hij doen
+zoû:
+
+--Ja, hij is dood, hij is dood ... Wat moet ik ...?
+
+Zij klemde zich steeds aan hem vast, hem smeekend te vluchten, ver te
+vluchten. Maar er scheen meer en meer helderheid en dag in zijne
+verwarring te komen: hij maakte zich opnieuw van haar los, geheel, en
+wilde heengaan, zijne hand reeds op den deurknop.
+
+--Frank, Frank! schreeuwde zij, want ze zag, dat hij haar verlaten
+wilde.
+
+--Cht! fluisterde hij vreemd, met den vinger op den mond. Blijf hier.
+Blijf bij hem waken. Ik kom terug ...
+
+En hij ging. Ze wilde hem volgen, zich vastklemmen áan hem in een angst
+van ontzetting, maar hij sloot reeds de deur achter zich en hare
+trillende beenen vermochten zich nauwelijks te verzetten. Huiverend zag
+zij naar het lijk. Het lag daar steeds, met zijn opgezwollen,
+verbrijzeld, paars masker, vaal akelig in den valschen namiddagschijn,
+die schuins door het gordijn van regen binnen neêrzeefde. Heur adem
+hijgde benauwd in hare keel, zij snakte naar lucht, wilde het venster
+openrukken, daar zij er dichter bij was dan bij de deur ...
+
+Maar zij vermocht het niet, want buiten, door het bewasemde glas der
+ruiten heen, zag zij de tragische lucht, vol voortdrijvende, zwartgrauwe
+wolkengebergten en zag zij den regen, met rechte zondvloedstralen
+neêrklateren, en zag zij de zee, somber en dreigend als een naderend
+gevaar van woedend schuimwater, schemeren door het floers van stortregen
+heen ...
+
+Molde! Molde! stamelde zij in eene ontzetting, die haar ijskoud maakte.
+De lucht van Molde! Het fjord van Molde! Toen ik het voor het eerst
+gevoeld heb!...! O God, help, help ...
+
+En zij stortte neêr op den grond, flauw.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V.
+
+
+I.
+
+Na dien dag van ontzetting twee volle jaren lang een leven van stil leed
+voor hen beiden, ieder lijdend in zichzelven, gescheiden als zij waren,
+met slechts nu en dan de bittere zoetheid van een kort samenzijn,
+wanneer zij hem daar opzocht, waar hij die twee jaren sleet, langen dag
+na langen dag doorsleet; in de strafgevangenis der duinen. Want als een
+slaapwandelaar had hij dien vreeselijken dag zichzelven aangegeven op
+het commissariaat van politie te Scheveningen, had hij zich laten
+brengen naar het Huis van Bewaring, had hij zijne "zaak" doorgemaakt ...
+Zes weken had ze geduurd--een kort verloop, zoo troostte zijn advocaat
+hem er meê, omdat er geen duisterheden in op te sporen waren, omdat de
+moord glashelder was te bewijzen als de onopzettelijke doodelijke afloop
+eener mishandeling, zooals bleek uit het getuigenis van Miss Rhodes, die
+verklaard had, dat de schuldige zelf eerst niet geweten had zijn vriend
+vermoord te hebben, dat hij hem vlak na den moord nog twee-, driemaal
+geschopt had, om hem te doen opstaan, slechts geloovende aan eene
+flauwte, dit alles gebeurd zijnde in hàar bijzijn. En de zaak was door
+de sympathie van het publiek nagevolgd, toen de omkoop der brieven aan
+den dag kwam, na het getuigenis van Sir Archibald en zijne dochter, na
+het getuigenis ook van William, die langs diplomatieken weg was
+genoodzaakt over te komen. Er waren geen moeilijkheden, in die zes weken
+liep alles geleidelijk af. Frank kreeg twee jaar, en kwam niet in hooger
+beroep.
+
+Hij had ze in een wakenden droom van doffe naargeestigheid dag na dag
+doorgesleten, met telkens, o telkens weêr opdoemend, dat spooksel van
+dien verwrongen romp en de afzichtelijkheid van het, door vuistslagen
+vermorzelde, wanhoopsmasker, voor oogen. Hij had het spooksel voelen
+glijden over de bladen van zijn boek, als hij poogde te lezen, door de
+letters van zijn handschrift, als hij poogde te schrijven: wat wist hij
+nauwlijks zelf, brokstukken van eene reisbeschrijving over Amerika en
+Australië, troostelooze bezigheid, pijnlijk, omdat ieder woord hem den
+vermoorde herdenken deed, die toch ook dat alles had meêgeleefd. Deed
+hij dan niets, zich somber verdroomend, turende uit zijn cellevenster,
+dan zag hij, vlak voor zijn oog, op wat afstand, nauwlijks verte, de
+villa, waar zij samen gewoond hadden, en waar het gebeurd was, zag hij
+soms een stuk ovaal der zee, als een grijze schemering, en het was hem
+of hij den zilten geur rook, zooals hij dien had geroken, toen hij daar
+gezeten had, uren lang, met de beenen op de balustrade, zij, in zijn
+bereik, zonder dat hij het bewust was, hun noodlot ieder oogenblik hen
+naderend, onafwendbaar. En zoo was het nooit van hem af geweest, als
+eene obsessie.
+
+Eve had haar vader gesmeekt, gedurende dien ongelukkigen tijd in Den
+Haag te blijven en Sir Archibald had toegegeven, vreezende voor zijne
+dochter, wier vroegere lieve gelijkmoedigheid verward was geworden door
+eene trillende nervoziteit, die haar afmattede met hallucinaties, met
+droomen van donder en bloed. Zoo had zij, wonende in het Van-Stolpark,
+van tijd tot tijd Frank kunnen gaan bezoeken, iederen keer, dat zij hem
+gezien had zenuwachtiger thuis komende, troosteloos om zijne doffe
+zwaarmoedigheid, hoewel hij toch van hoop en toekomst sprak, voor later,
+later als hij vrij was ... Zijzelve hoopte zeer, leefde alleen van haar
+hoop, hare nervoziteit dwingend onder het juk van haar geduld, van haar
+vertrouwen op veel moois, dat later in haar leven zoû komen, later, als
+hij vrij was. Een nieuw leven, een nieuw leven! jubelde het in haar op,
+een frisch geluk, geluk, o God, geluk! Zij begreep zelve niet, hoe zij
+nog hopen kon, nadat zij het leven en den mensen had leeren kennen,
+nadat zij bijgewoond had, wat zij had bijgewoond, maar zij wilde daar
+niet over nadenken en in de verte zag zij alles mooi en goed ... Hare
+hallucinaties zelve schokten hare hoop niet: hoewel rillende, wendde zij
+aan ze, als aan periodiek terugkomende hersenziekten, die weer van zelve
+genezen. En zij kon zelfs glimlachen, droomend in den lichten avondglans
+van eene zomerlucht vol sterren, met haar almanakje in de hand, waarin
+zij iederen dag, die verliep, des avonds met een gouden potloodje,--dat
+zij er voor gekocht had, dat zij nergens anders voor gebruikte, dat hing
+aan haar armband,--doorschrapte met eene blijde streep, die haar die
+mooie toekomst nader bracht. En zelfs liet zij de dagen wel eens
+verloopen, zonder ze af te schrappen, om de zoetheid te smaken na eene
+week zes of zeven blijde streepjes achter elkaâr te kunnen zetten,
+achter elkaâr, in hare weelde van verwachting ...
+
+
+II.
+
+En hoe lang het ook geduurd had, ze waren doorgeschrapt geworden, allen,
+de een na den ander, onherroepelijk. Het verleden werd meer en meer het
+verleden en moest het blijven: nooit zoû er weêr iets van terugkomen,
+het zoû met zijne afgrijselijkheid niet spoken om hen heen, zoo dacht
+ze. Zij werd kalmer, hare nervoziteit stilde zich, iets als rust kwam
+over haar in heur intens verlangen naar heur toekomst van geluk, want
+gelukkig, zoo zoû ze worden, met Frank.
+
+Zij was nu met haar vader terug in Londen, er stil levende, ondanks het
+heden, het verleden toch voelende, zich toch bewust, dat het er geweest
+was, met zijne ellende en zijne ontzetting. En ook Frank was nu in
+Londen, in eene poover bezoldigde betrekking, die van derden opzichter
+in eene machinefabriek, de eerste beste betrekking, die hij door
+vroegere connecties had kunnen krijgen, ze dadelijk aanpakkend wegens
+zijne antecedenten om welke hij niet trotsch mocht zijn ... Later zoû
+hij wel iets beters vinden, iets in overeenstemming met zijne
+kundigheden. En hij werkte in zijne boeken van vroeger, om zijne
+versleten technische kennis te verfrisschen ...
+
+Sir Archibald was oud geworden, kribbig onder aanvallen van rheumatiek,
+anders suf turende op zijne heraldische kaarten. Hij had, in Holland
+levende om zijne dochter, te lang uit zijn sleur van bekendheid en
+gewoonte, zich slechts destijds, nu en dan, als in kindsche driften,
+verzet, dat Eve de vrouw van een moordenaar zoû worden: hij stemde nu in
+alles toe, schuw van de wereld, zich bemoeiend met niets, rust
+verlangend, slechts verlangend niet gestoord te worden in de apathie van
+zijn ouderdom. Hij wist niets, oude menschen wisten niets, de kinderen
+mochten doen, wat ze wilden: ze wisten het toch altijd beter en deden
+toch altijd hun zin ... Zoo mopperde hij nog een beetje tegen, overigens
+onverschillig om die zaak, inwendig het goed vindend, dat Eve met Frank
+zoû trouwen, omdat Frank, hoewel driftig, toch niet slecht van natuur
+was, omdat Eve bezorgd zoû zijn, omdat hijzelf misschien nog wat
+gezelligheid in hun huis zoû vinden, ja, ja, nog wat gezelligheid ...
+
+Frank en Eve ontmoetten elkaâr zelden in de week, want Frank had het
+druk, ook des avonds, maar zij zagen elkander geregeld des Zondags. En
+Eve had de geheele week om na te denken over dien Zondag, waarop zij hem
+gezien had en zij poogde ieder woord, dat hij gezegd had, iederen blik,
+dien hij op haar had laten vallen, zich te herinneren. Schatten waren
+het, waarvan zij eene week leefde. Zij had hem nog nooit zoo lief gehad
+als nu, dat zij eene zwaar neêrdrukkende somberheid in hem ried, die zij
+wilde wegwisschen met den grooten troost harer liefde, waarin zich iets
+aanbiddelijks van moederlijkheid mengde, alsof hij door zijn leed een
+kind was geworden, dat nu aan iets teerderders behoefte zoû hebben dan
+aan passie. Had zij hem vroeger liefgehad om de, haar raadselachtige,
+bekoring van het contrast tusschen zijne karakterzwakte en zijne
+lichaamskracht, het was nu in haar slechts eene hoogere ontwikkeling van
+die zelfde bekoring, omdat zij hem, steeds groot en sterk, zoo zwak zag
+lijden onder de herinnering aan wat hij doorstaan had, zonder flinkheid
+om zich over dat alles heen te zetten en het leven opnieuw te beginnen
+... Maar deze zwakte ontmoedigde haar niet in heure hoop op de toekomst;
+integendeel, zij had hem lief óm die zwakte, dit zelve zoo vreemd
+vindend in haar, het niet begrijpende, en er alleen, droomend, om
+glimlachend van geluk ...
+
+Want zij, als vrouw, kon zoo zijn, trots hare aanvallen van nerveuze
+hallucinatie, energiek het verleden willen vergeten, dapper de toekomst
+te gemoet treden, het geluk naar zich toe dwingen met het mooie geduld
+harer lenige volharding. Had al het kwade van het verleden eigenlijk
+niet buiten hen beiden om gelegen? Had Frank niet genoeg geboet voor
+zijne drift om nu het hoofd te kunnen opbeuren? O, zij zoû weêr geheel
+en al gezond worden, zij zoû zich dwingen gezond te worden en alles wat
+naar zielsziekte in hèm zweemde, zoû zij genezen ... Zoo hoopte zij
+langen, langen tijd, het eerst niet willende zien, dat hij doffer werd
+en somberder, dieper en dieper bukkend onder zijne zwaarmoedigheid. Maar
+toen, toen moest zij het zien, kon zij het zich niet meer loochenen. Zij
+moest het zien, dat hij bij hare glanzige woorden, hel van illuzie, stil
+werd, niets meer zeggend, soms even de oogen sluitend met een zucht,
+dien hij poogde te dempen. Zij kon het zich niet meer loochenen, dat al
+hare hoop in hem slechts den weêrklank van wanhoop wekte. En toen dit
+alles eens voor haar duidelijk werd, in eens, gevoelde zij ook, in eens,
+geheel hare nervoziteit haar overheerschen, gevoelde zij, dat zijzelve
+zeer ziek was, gevoelde zij haren moed, hare hoop, hare illuzies,
+zinken, steeds dieper zinken, wegzinkend ... Een alsem van bitterheid
+welde, alles vergallend, in haar op; alleen, zonk zij, gebroken, in
+woeste smart uitbarstend, op heur bed neêr, het leven vloekend, God
+vloekend, radeloos ...
+
+
+III.
+
+Toen gebeurde het, dat, niettegenstaande dit alles, hun huwelijk bepaald
+werd te zullen gesloten worden in korten tijd, in anderhalve maand;
+Frank zoû door eenige zijner oude vrienden geholpen worden aan eene
+werktuigkundige betrekking op eene fabriek in Glasgow, Eve zoû haar
+moederlijk erfdeel medekrijgen; geene bezwaren stonden in den weg.
+
+Den Zondag placht Frank geheel en al door te brengen ten huize van Sir
+Archibald. Hij kwam des morgens, stil als steeds, aan het lunch, en na
+het lunch bleven zij alleen, als steeds ... Vroeger waren die uren nog
+zoet gevuld met de, ondanks haar zelve steeds een weinig nerveuze,
+illuzie van Eve; zij hadden samen veel gesproken, zelfs gelezen met
+elkaâr ... Maar in den laatsten tijd hadden minuten zich aan minuten
+kunnen schakelen, zonder dat ze iets deden dan stil naast elkaâr zitten
+op een groote bank, hand in hand, turende voor zich uit. En er kwam dan
+een oogenblik, dat zij elkaâr zelfs niet meer zoo konden vasthouden, het
+niet meer durfden. De schim van Bertie, met zijn violet, bloedend
+wanhoopsmasker, gleed tusschen hen in; zij lieten elkaâr los, en zij
+dachten beiden aan den doode. Het werd Eve of zij medeplichtig was aan
+den moord. Werd het donker, dan overviel hun zulk een onduldbare angst,
+dat het hun werd of zij stikken zouden: zij wierpen het venster open en
+zij stonden lang, lang in de kille lucht, turende in het duisterende
+park van Kensington, om te bekoelen ... Zwaar angstig hoorde zij in
+Franks borst zijn adem rijzen en dalen ... En zij werd bang voor hem,
+trots hare liefde. Hij had toch een moord begaan, hij had dat kunnen
+doen in zijne drift! O, als hij haar ook eens, in zijne drift ...! Maar
+zij, ze zoû zich verdedigen met de kracht van wanhoop, zich blijven
+vastklemmen aan het leven. Had zij ook niet kracht in zich gevoeld een
+moord ... God, neen, _zij_ toch niet ... Ze was zoo bang ... En ze had
+hem toch zoo lief, ze aanbad hem en spoedig zoû ze zijn vrouw zijn! Maar
+ze was wel bang ...
+
+Die Zondagen waren geen liefelijke dagen meer, die schatten nalieten
+genoeg om eene week van te leven. Integendeel, Eve vreesde nu de geheele
+week voor dien Zondag: ze zag dien met ontzetting naderen ... Vrijdag,
+Zaterdag ... daar was de dag weêr, daar kwam Frank, hoorde zij zijn
+tred. En zij was bang, bang en ze aanbad hem toch.
+
+Zoo zaten zij ook eens naast elkaâr, hand in hand, turende. Het was nog
+vroeg in den namiddag, maar buiten dreigde regen, en een grijs
+middagduister zweefde door de zwarte tulle gordijnen binnen. En Eve,
+gedrukt, smachtende naar troost drong zich eensklaps tegen Franks borst
+aan, trots haren angst.
+
+--Ik kan niet meer tegen dat weêr! klaagde zij, bijna kermend. Ik word
+tegenwoordig altijd benauwd van die zware gedekte luchten. Ik wil naar
+Italië, Frank, de zon, de zon ...!
+
+Hij bleef zwijgen, haar even drukkend tegen zich aan.
+
+Zij begon zachtjes te weenen.
+
+--Zeg dan toch iets, Frank! smeekte zij.
+
+--Ja, ik hoû ook niet van die zwarte lucht, Eve, sprak hij mat.
+
+En minuten lang duurde hun stilzwijgen weêr. Zij poogde er zich in te
+schikken, tegen hem aan leunend. Toen zei ze:
+
+--Ik kan er niet meer tegen, geloof ik, sedert die bui, die ons in Molde
+heeft overvallen, nu al zoo lang, wel vijf jaar geleden. Je herinnert je
+wel, toen we elkaâr pas ontmoet hadden, een paar dagen te voren, in
+Drontheim ...
+
+Ze zoende glimlachend zijne hand, vol van hare herinnering, hare jeugd.
+Ze was nu oud.
+
+--Je weet, we zijn toen in Molde kletsnat teruggekomen in het hôtel. Ik
+geloof, dat ik sedert dien dag ziek ben, dat ik toen zware koû heb
+gevat, die ergens in me ingekankerd is, die ik eerst niet heb gevoeld of
+geteld, maar die al dien tijd aan me geknaagd heeft, al dien tijd lang
+...
+
+Hij bleef zwijgen, zich vaag ook iets herinnerend, iets tragisch van
+Molde, wat wist hij niet meer. Maar naast hem barstte zij eensklaps
+zenuwziek in snikken los:
+
+--O Frank, zeg dan toch iets, zèg dan toch iets! smeekte zij, wanhopig
+om zijn stilzwijgen, waarin ze haar angst steeds banger en banger voelde
+worden, hoog kloppend in heur hart, ondanks zichzelve.
+
+Hij streek zich met de hand over het voorhoofd, zijne gedachten
+verzamelend. En langzaam zeide hij:
+
+--Ja Eve ... ik had je juist iets willen zeggen, juist vandaag.
+
+--Wat dan? vroeg zij, verwonderd door heure tranen blikkend, om zijn
+vreemden toon.
+
+--Ik zoû ernstig met je willen spreken, Eve, vandaag. Wil je naar me
+luisteren?
+
+--Ja ...
+
+--Ik woû je iets vragen, Eve, ik woû vragen of je niet vrij van me zoû
+willen zijn. Ik woû je vragen of ik je niet je woord mag teruggeven.
+
+Zij begreep hem niet dadelijk en bleef hem toen verschrikt aanzien, met
+open mond.
+
+--Waarom? vroeg zij ten laatste, sidderend, bang, dat hij iets begrijpen
+zoû van wat in haar woelde.
+
+--Omdat het zoo beter voor je zoû zijn, kind! sprak hij zacht. Ik heb
+het recht niet je leven vast te ketenen aan het mijne: ik ben gebroken,
+ik ben een oud man, en jij bent jong ...
+
+Zij vlijde zich tegen hem aan.
+
+--Neen, ik ben ook oud! glimlachte zij. En ik wil het niet, ik wil bij
+je blijven, ik zal je altijd troosten als je verdrietig bent. En bij
+elkaâr zullen wij weêr beiden jong worden en beiden gelukkig ...
+
+Hare stem vloeide zoet als balsem, zij voelde om hem te sterken iets van
+de oude illuzie in zich herleven; zij wilde hem behouden, het kostte wat
+het kostte; zij had hem lief.
+
+Hij sloot haar even vast in zijn arm en kuste haar. Zij was op dit
+oogenblik niet bang, zij voelde hem zoo ongelukkig ...
+
+--Je bent een goed, goed kind, fluisterde hij met zijne schorre,
+brekende stem. Ik verdien het niet, dat je zoo goed voor me bent. Maar
+heusch, Eve, denk er eens over na. Denk er eens over na of je je niet
+ongelukkig, rampzalig zoû voelen, wanneer je altijd met me moest zijn.
+Er is nu nog alles aan te doen. We hebben je verder leven in onze hand,
+Eve. En ik kan niet doorgaan met je nog ongelukkiger te maken, dan ik al
+gedaan heb. Daarom zoû ik graag, voor jou, voor jouw geluk, je je woord
+teruggeven.
+
+--Maar ik wil niet! kermde zij wanhopig. Ik wil niet. Ik begrijp je
+niet: waarom zoû je mij mijn woord teruggeven?
+
+Hij nam hare handen streelend in de zijne, zag haar lang aan met zijn
+glimlach van smart onder zijne gouden snor.
+
+--Waarom? Omdat je ... omdat je bang voor me bent, mijn kind. Haar
+geheele lichaam schokte als van een plotselingen electrischen stroom:
+zij zag hem wild aan, wild sprak zij tegen.
+
+--Het is niet waar, Frank, ik zweer het je, het is niet waar! God, God,
+waarom geloof je dat, waardoor heb ik je dat kunnen doen gelooven! Ik
+bid je, Frank, geloof me: ik zweer het je, daar, bij alles wat heilig
+is, zweer ik het je: het is niet waar, dat ik bang voor je ben!
+
+--Jawel Eve, je bent bang voor me, ging hij kalm voort: en ik begrijp
+dat, dat moet zoo zijn. En toch, dit verzeker ik je: je zoû er nooit
+reden toe hebben. Want ik zoû een lam willen zijn aan je hand, ik zoû
+mijn hoofd zoo in je handen willen leggen, in je mooie, koude, witte
+handjes, om er te gaan slapen als een kind. Je zoû met me kunnen doen,
+wat je woû, en ik zoû nooit driftig tegen je zijn, want ik kan dat nu
+niet meer, nooit meer. Ik zoû zoo aan je voeten willen liggen, mijn
+leven lang, en je voeten op me willen voelen, hier op mijne borst en ik
+zoû er zoo kalm onder worden, zoo kalm, zoo heerlijk kalm ...
+
+Hij was op zijn knie gevallen voor haar, zijn hoofd in heur schoot, op
+hare handen.
+
+--Nu dan, sprak zij zacht; als dat zoo is, waarom zoû ik dan bang voor
+je moeten zijn, als je me dat alles zoo verzekert? En waarom spreek je
+er dan over me mijn woord terug te geven?
+
+--Omdat ik je niet langer ongelukkig kan zien, omdat ik je bij mij
+ongelukkig zie, omdat je later, met me nog ongelukkiger zoû worden ...
+
+Zij trilde in al hare zenuwen; eene helle klaarte kwam in haar; zij zag
+alles wat er gebeurd was, weêrschitteren als in kristal.
+
+--Hoor, Frank, sprak ze, met eene stem vol frischheid. Blijf daar zoo
+liggen en luister naar me, luister goed. Ik wil bij je blijven, en we
+zullen gelukkig zijn. Ik voel dat. Hoor Frank. Wat is er gebeurd, dat
+wij ongelukkig zouden zijn? Niets. Ik herhaal het je: niets. Laten wij
+niet ons eigen leven vergooien. Eens heb ik aan je getwijfeld, je hebt
+me vergeven. Dat is uit. Je hebt gezien, dat Bertie een schurk was, en
+je hebt hem doodgemaakt. Dat is uit. Dat kan me alles niet meer schelen.
+Ik wil om dat alles niet meer denken. Het bestaat niet meer voor me. En
+let wel op, Frank, bezie het goed, dat is alles, alles, àlles, wat er
+gebeurd is. Er is niets méer gebeurd. Het is niet veel. En we zijn
+beiden jong en gezond, we zijn _niet_ oud. Daarom zeg ik het je, dat we
+het kunnen: een nieuw leven met elkaar beginnen, ergens anders, ver van
+Londen. Een nieuw leven, Frank, een nieuw leven ... Ik hoû van je,
+Frank, je bent mijn alles, mijn afgod, mijn man, mijn kind, mijn lief
+groot kind ...
+
+Zij omhelsde zijn hoofd hartstochtelijk, hem knellend aan haar tenger
+lichaam, in extaze, lichttintelingen in haar oog, bloed tintelend onder
+de azalea's harer wang. Maar hij zag smartelijk tot haar op:
+
+--Je bent een engel, Eve, je bent een engel. Maar ik mag je niet
+behouden. Want hoor nu eens naar mij: ... dat is het juist ...
+
+--Wat is het juist?
+
+--Dat is het juist ... Dat Bertie géen schurk was. Dat hij alleen maar
+een mensch, een zeer zwak mensch was. Dat is het juist. Hoor naar mij,
+Eve, laat mij nu uitspreken. Ik heb veel gedacht, daar, op Scheveningen,
+in de duinen, je weet wel. Ik heb nagedacht over wat ik me herinnerde,
+dat hij in dat laatste oogenblik me tegenwierp, om zich te verdedigen en
+langzamerhand zijn al zijne woorden in me herleefd en heb ik gevoeld,
+dat hij gelijk had.
+
+--Dat hij gelijk had! O, Frank, ik weet niet, wat hij zei om zich te
+verdedigen, maar moet nu, nu nòg, Bertie's invloed ons kunnen scheiden!
+riep zij, bitter van wanhoop, uit.
+
+--Neen, dat is het niet! weerde hij af. Verwar het niet. Het is niet
+Bertie's invloed, die ons scheidt, maar mijne schuld.
+
+--Jouw schuld!
+
+--Mijne schuld, die telkens en telkens me herinnert aan wat ik gedaan
+heb, zoodat ik niets vergeten kan en het nooit vergeten zal ... Want
+luister nu eens. Hij had gelijk in zijne laatste woorden. Hij was een
+zwak mensch, zei hij, geslingerd door het leven, zonder wilskracht. Hij
+had geen wilskracht, zei hij. Was het zijne schuld, dat hij er geen had?
+Hij verachtte zichzelven, dat hij die gemeene dingen gedaan had, met die
+brieven. Maar hij had niet anders gekund. Nu, ik vergeef het hem, dat
+hij zwak was, want hij kon niet anders, en we zijn allemaal zwak: ik ben
+het ook.
+
+--Maar _jij_ zoû nooit zoo iets doen, met die brieven! kreet Eve.
+
+--Omdat ik misschien anders ben, maar ik ben toch ook zwak. Ik ben zwak,
+als ik driftig ben. En toen ... toen in mijne groote drift, ben ik
+heel, heel zwak geweest. Dat is het juist, dàt is het, wat me nu breekt,
+en zoo gebroken, als ik ben, mag ik niet je man worden ... O, wat gaf ik
+er niet voor, als hij nog leefde. Ik hield van hem, eens, en ik zoû hem
+nu zeggen, dat ik hem begrepen had, dat ik hem vergaf ...
+
+--Frank, wees niet zoo dwaas, zoo dwaas goed! kreet zij uit.
+
+--O, het is geen dwaze goedheid! lachte hij treurig. Het is filozofie.
+
+--Nu dan! riep zij hard, ruw; ik filozofeer niet, ik ben niet dwaas
+goed, ik vergeef het hem niet, dat hij een schurk was, dat hij ons
+ongelukkig heeft gemaakt, en ik haat hem, ik haat hem, dood als hij is.
+Ik haat hem, omdat hij nu, na dat je hem vermoord hebt, nog om ons en in
+ons spookt, omdat zijn duivelsche invloed je nu, nu nog van me af wil
+rukken. Maar ik zeg je, dat ik het _niet_ wil! schreeuwde zij wanhopig,
+opstaande en hem woest omknellend. Ik zeg je, dat ik je niet voor de
+tweede maal wil verliezen, ik zweer je, dat ik je hier vast zal blijven
+houden in mijne armen als je van me weg wilt gaan, dat ik me tegen je
+aan zal drukken, totdat we beiden stikken! Want ik wil niet, dat hij ons
+nu nog scheidt, ik haat hem, ik vind het goed, dat je hem vermoord hebt
+en als hij nu nog leefde, dan zoû _ik_ het hem doen, hem vermoorden, hem
+worgen, hem verworgen!
+
+Hare handen wrongen zich als om eene keel en hare armen sloegen zich om
+Frank heen als om eene prooi. Buiten was de lucht zwarter en zwarter
+geworden. Hij maakte zich langzaam van haar los, haar steunend, daar hij
+voelde, dat zij wankelde in hare overspanning van kracht en moed tot
+eene daad. Bleek tuurde zij even met hare holle, grijze oogen naar
+buiten, naar het weêr, en zij rilde. Hij voerde haar terug naar de bank,
+deed haar zitten, knielde voor haar, haar liefhebbend als nooit,
+hartstochtelijk.
+
+--Eve! fluisterde hij.
+
+--O, kijk die wolken! krijschte zij. Het gaat stortregenen.
+
+--Ja, fluisterde hij weêr; maar wat kan het ons schelen: ik hoû van je!
+
+--Ik kan niet tegen dat weêr! kermde zij. Het maakt me benauwd en bang,
+o het maakt me zoo bang! Bescherm me, bescherm me, Frank, kom hier ...
+
+Zij trok hem tot zich op de bank, knoopte zijne jas open en drukte zich
+tegen hem aan.
+
+--Ik ben bang, Frank, bescherm me, sla je jas om me heen, o God, laat
+het niet weêr over me heen komen, ik bid u God, laat het niet weêr
+komen!
+
+Ze bad, dat ze niet weêr mocht aanrollen, die hallucinatie van donder.
+En zij sloeg om zijn lichaam hare beide armen, zich tegen hem dringend,
+als wilde zij in hem kruipen. Zoo bleef ze lang en hij wilde haar juist
+innig vast aan zich klemmen, toen zij murmelde, hare vingers wriemelend
+in zijn vest:
+
+--Wat is dat, wat heb je hier?
+
+--Wat? vroeg hij, verschrikt.
+
+--Hier in je vestjeszak?
+
+--Niets, een fleschje ... stortterde hij. Druppels voor mijne oogen: ik heb
+pijn aan mijne oogen in den laatsten tijd.
+
+Zij haalde het fleschje te voorschijn. Het was een kleine, donkerblauwe
+flacon met geslepen stop, zonder etiquette.
+
+--Voor je oogen? sprak ze. Ik wist niet ...
+
+--Ja, toch wel! stotterde hij. Geef het hier, Eve, geef het hier.
+
+Maar zij omklemde het vast in hare beide handen, met een lachje.
+
+--Neen, ik geef het nog niet. Waarom ben je zoo bang: ik zal het niet
+breken. Ruikt het? Ik wil het openmaken, maar de stop zit zoo vast.
+
+--Ach ik bid je, Eve, geef het hier! smeekte hij, het zweet parelend op
+zijn voorhoofd. Het is niets, het zijn oogdruppels, en het ruikt niet;
+je zal er meê morsen en dan geeft het vlakken.
+
+Maar zij hield hare handen achter haar rug.--
+
+--Het zijn geen oogdruppels en je hebt geen pijn aan je oogen! sprak ze
+vast.
+
+--Ja, heusch ...
+
+--Neen, je jokt! Het is ... het is iets anders, nietwaar?
+
+Hij antwoordde haar niet, zeer bleek.
+
+--Geef het hier, Eve! vleide hij.
+
+--Werkt het gauw? vroeg ze weêr.
+
+--Eve, ik wil het, geef het hier! knarste hij nu driftig, woedend,
+radeloos.
+
+Hij omvatte haar, wilde hare polsen grijpen, maar omknelde slechts hare
+eene leêge hand, want heur andere slingerde vlug den flacon, over hem
+heen, op den grond. Het weêrklonk er met een hoogen toon, als van
+kristal, dat springt. En voor hij had kunnen opstaan, omhelsde zij hem
+weer, vast, geheel in hare armen, drukte zij hem neer in de kussens der
+bank.
+
+--Laat het, lispelde zij glimlachend. Het is gebroken. Ik heb het voor
+je gebroken. Zeg me, waarom droeg je dat bij je?
+
+--Het is niet wat je denkt! verdedigde hij zich nog.
+
+--Het is wel. Waarom droeg je het bij je?
+
+Hij zweeg een pooze. Toen, zich overgevend in hare omhelzing:
+
+--Om in te nemen ... als het uit tusschen ons was geweest, van avond,
+bijvoorbeeld.
+
+--En nu zal je het dus niet meer doen?
+
+--Misschien ... ik kan een ander fleschje zien te koopen, lachte hij
+somber.
+
+--En waarom moet het uit tusschen ons zijn?
+
+Hij werd eensklaps ernstig, zonder spot meer over dood of leven.
+
+--Om jou, mijn engel. Om jouw geluk. Ik bid je, láat het uit zijn. Laat
+me je niet langer ongelukkig hoeven te maken. Jij kan nog gelukkig
+worden. Maar ik, ik voel, dat ik alles in mij mis om gelukkig te zijn en
+geluk put men alleen uit zichzelven.
+
+--En je gelooft, dat ik je nu van me zoû laten weggaan, nadat je me zoo
+even gezegd hebt, wat je dan zoû doen, des avonds?
+
+--Neem het dan zoo niet op, dat het zoû zijn om jouw verlies. Ik liep al
+lang met dat ding in mijn zak. Ik dacht dikwijls het te doen, maar dan
+dacht ik aan jou en dan was ik er te zwak toe, want ik weet, dat je van
+me houdt, o te veel!
+
+--Niets te veel, ik heb geleefd door jou, zonder jou had ik nooit
+geleefd.
+
+--Zonder mij hadt je misschien met een ander geleefd, gelukkiger.
+
+--Neen, nooit met een ander ... Dat kon niet, met een ander. Ik moest
+met jou leven. Het was het Noodlot ...
+
+--Ja, het Noodlot, zoû Bertie zeggen.
+
+--Spreek niet van Bertie ...
+
+Het kletterde tegen de ruiten aan, een zondvloed van rechte stroomen.
+
+--Altijd die regen! murmelde zij bang.
+
+--Ja, altijd! herhaalde hij onwillekeurig.
+
+Zij huiverde, zag hem aan.
+
+--Waarom zeg je dat? vroeg ze scherp.
+
+--Ik weet het niet, antwoordde hij verwonderd, verward. Ik weet het
+heusch niet. Wat heb ik dan gezegd?
+
+Zij zwegen weêr. Toen sprak ze:
+
+--Frank ...
+
+--Lieveling ...
+
+--Ik wil niet meer van je scheiden. Zelfs vandaag niet. Ik zal voortaan
+zoo bang voor je zijn.
+
+--Laat het uit zijn, kind.
+
+--Neen, neen. Hoor. Laten we bij elkaâr blijven. Altijd, altijd. Laten
+we nu met elkaâr gaan slapen, terwijl het regent.
+
+--Eve ...
+
+--Met elkaâr. Je zegt immers, dat je in je alles mist om gelukkig te
+worden en dat je toch het geluk uit jezelven moet putten. Nu, zoo is het
+ook met mij. En toch houden we zooveel van elkaâr, nietwaar?
+
+--O ja ...
+
+--Nu, waarom zouden we dan blijven waken, in dit akelige leven. Het
+regent altijd door. Geef me een zoen, Frank, een nachtzoen, en laten we
+gaan slapen, terwijl het regent. Laat me in je armen slapen ...
+
+--Eve, wat meen je?! vroeg hij hol, want hij begreep haar niet.
+
+--Het fleschje heb ik gebroken, gebroken voor jou! ging zij vreemd
+voort. Maar je zoû immers een ander zien te koopen?
+
+Een ijskoude drong hem, als bevriezend, door zijn merg.
+
+--God, Eve, wat wil je? vroeg hij sidderend.
+
+Maar zij lachte hem rustig tegen, zeer kalm, met zacht stralende, stille
+oogen. En zij omvatte hem in hare armen.
+
+--Samen met je sterven, lieveling! fluisterde zij, als verklaard van
+geluk. Wat kan ons het leven nog schelen! Je hebt gelijk: jij zal nooit
+meer gelukkig kunnen worden en ik zal het niet worden naast jou. En ik
+wil je niet verliezen ook, omdat je mijn alles bent. Hoe dus te leven en
+waarom te leven? Maar samen, o Frank, samen met elkaâr dood te gaan, in
+elkanders armen, op je mond te sterven, o, is dat niet het hoogste
+geluk! Een zacht vergift, Frank, niets pijnlijks. Iets zachts en het dan
+samen te drinken en elkaâr vast te omhelzen en dan dood te gaan, dood te
+gaan, dood te gaan ...
+
+Maar hij huiverde van ontzetting.
+
+--Neen, Eve, neen! riep hij uit. Dat mag je niet willen, dat kan je niet
+willen! Ik verbied het je ...
+
+--O, verbied het me niet! smeekte zij, op den grond vallend en zijne knieën
+omhelzend. Laten we het samen doen. Het zal heerlijk zijn. Het zal roze en
+zilver en goud om ons zijn, als een zonsondergang. O, kan je je iets
+verbeelden wat zaliger zoû wezen? Frank, Frank, het is het Geluk, het
+Geluk, waar we naar zochten, waar ieder naar zoekt op de wereld! Het Geluk
+is: samen, van elkaâr houdend, met elkaâr te sterven! Het is het paradijs,
+de hemel, Frank!!!
+
+Hij voelde niet de verheerlijking van hare extaze, maar hare woorden
+lokten hem als met de belofte van eene korte zoetheid des levens, en van
+eene ontzachlijk lange rust des doods. En hij vond niets meer om haar te
+weêrspreken, niets meer om haar terug te houden in de hemelvaart harer
+gedachte; alleen dacht hij nog slechts aan het gemis van alle middel,
+daar het gebroken was ...
+
+Maar Eve was opgestaan, magnetisch gedwongen te gaan naar de plek, waar
+het fleschje gevallen was. Zij bukte zich, en zij raapte het op. Het was
+gevallen op de afhangende plooien van een gordijn; het was niet
+gebroken, slechts gebarsten. Maar er was geen druppel uit gestort.
+
+--Frank! gilde zij, in hare opzweving van extaze. Frank, zie, het _is_
+niet gebroken, het is heel! Het is het Noodlot, dat het niet heeft
+willen laten breken!
+
+Hij was opgestaan, rillend van de ijskoude in hem. Maar zij, ze had
+reeds den stop afgerukt, ze dronk het half uit, met een glimlach van
+waanzin en geluk.
+
+--Eve!!! schreeuwde hij. Maar rustig steeds glimlachend, reikte zij het
+hem over. Hij zag haar eene pooze aan en het werd hem alsof zij beiden
+reeds niet meer op de wereld waren, alsof zij in eene sfeer vol vreemde
+natuurwetten zweefden, waarin vreemde dingen zouden gebeuren. Het kwam
+in hem op, of de wereld nu vergaan zoû, in dien stortregen, daarbuiten.
+Maar hij zag, dat ze wachtte, met haar glimlach, en toen dronk hij ...
+
+ * * * * *
+
+Het was geheel donker geworden, en zij lagen in dat donker in elkanders
+armen, op de bank. Hij was dood. Zij richtte zich even op, stervend,
+doodsbang voor den storm die buiten loeide, en den storm, die loeide in
+haar eigen doorgiftigd lichaam. Het weêrlichtte schel wit en het
+donderde dadelijk na. Maar boven dien donder uit, hooger, kwam, voor
+Eve, van heel ver, een donder aanrollen, áanrollen ... zwaarder, steeds
+zwaarder, als een bovenwereldlijke donder, op raderen van sferen ...
+
+--Daar komt het aan! stamelde zij, in de ontzetting van den dood. O,
+God, daar dondert het aan!!
+
+En ze zonk, kronkelend, op het lichaam onder haar neêr, wegschuilend in
+de los geknoopte jas, daar stervend.
+
+Toen sleepte een tred, buiten het stikduistere vertrek, door den
+corridor, nader en nader: de knorrige stem van een ouden man riep twee-,
+driemaal Eve's naam; eene hand draaide de deur open.
+
+
+
+
+
+_Den Haag, Mei_ '90.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Noodlot, by Louis Couperus
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOODLOT ***
+
+***** This file should be named 17659-8.txt or 17659-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/7/6/5/17659/
+
+Produced by Branko Collin, Ginirover and the Online
+Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+*** END: FULL LICENSE ***
+