diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:51:37 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:51:37 -0700 |
| commit | 5de491b956d682af5a3af7a69d50aaf154ad436e (patch) | |
| tree | 98c9acd7444d6084c7c7490195cec75bedb85dcd /17659-8.txt | |
Diffstat (limited to '17659-8.txt')
| -rw-r--r-- | 17659-8.txt | 5787 |
1 files changed, 5787 insertions, 0 deletions
diff --git a/17659-8.txt b/17659-8.txt new file mode 100644 index 0000000..2a287cb --- /dev/null +++ b/17659-8.txt @@ -0,0 +1,5787 @@ +The Project Gutenberg EBook of Noodlot, by Louis Couperus + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Noodlot + +Author: Louis Couperus + +Release Date: February 1, 2006 [EBook #17659] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOODLOT *** + + + + +Produced by Branko Collin, Ginirover and the Online +Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + + + + + + +NOODLOT + + +DOOR + + +LOUIS COUPERUS + + + + + + +VIJFDE DRUK + +[Illustration: L.J.V. LABOR-INTEGER-VINCIT MDCCCXXCVII] + +L.J. VEEN--AMSTERDAM + + + + + +AAN + +FRANS NETSCHER + + + +LUIK, Sept. '90. L.C. + + + + +HOOFDSTUK I. + + +I. + +De handen in de zakken, den kraag van zijn pels op, ging Frank door het +stuiven der sneeuw voort, langs den eenzamen Adelaïde-Road, in den +avond. Toen hij het villa-tje naderde, waar hij woonde,--White-Rose, +geheel gedoken, gedompeld, verzonken in de blankheid der sneeuw, als een +nestje in watten,--zag hij iemand op zich afkomen, van Primrose-Hill. +Hij richtte zijn blik vast op het gelaat van den man, die hem blijkbaar +wilde aanspreken; niet wetende wat deze in zijn schild voerde in dien +eenzamen sneeuwnacht, en hij was zeer verbaasd, toen hij in het +Hollandsch hoorde: + +--Neem u me niet kwalijk.... is u niet meneer Westhove? + +--Ja, antwoordde Frank. Wie is u? Wat is er? + +--Ik ben Robert van Maeren, misschien herinnert u zich.... + +--Bertie, jij? riep Frank uit. Hoe kom je hier in Londen! En in zijne +verbazing, zag hij, door het stuiven der sneeuw heen, een vizioen +verrijzen uit zijne jeugd, een helder tafereel van jongensvriendschap, +iets jongs en warms.... + +--Misschien niet zoo heel toevallig! antwoordde de vreemde, wiens stem +bij den klank van dien verkleinnaam "Bertie" iets vaster klonk; ik wist, +dat u hier woont en ik ben al driemaal aan uwe deur geweest, maar u was +niet thuis. De juffrouw zei, dat u van avond toch thuis zoû komen, en +daarom ben ik zoo vrij geweest hier op u te wachten.... + +De stem verloor weêr alle vastheid en werd smeekend, als van een +bedelaar. + +--Moest je me zoo dringend spreken? vroeg Frank verbaasd. + +--Ja.... ik wou.... of u me misschien helpen kon.... ik ken hier +niemand.... + +--Waar woon je? + +--Nergens; ik ben van morgen vroeg hier aangekomen en ik heb.... ik heb +geen geld.... + +En hij kromp, huiverend van het staan in de koude tijdens dit korte +gesprek, zich bijna smeekend samen, als een hond, die bang is. + +--Ga maar met me meê, sprak Frank, vol verbazing, medelijden, vol van de +warme herinneringen zijner jongensjaren. Kom van nacht maar bij me. + +--O ja, graag! klonk het antwoord, haastig en bevend, als bevreesd voor +het terugnemen dier goddelijke woorden. + +Zij gingen samen een paar passen voort; toen haalde Frank den sleutel +uit zijn zak--den sleutel van White-Rose. Hij opende de deur; een +zeshoekige Moorsche lantaren scheen in de vestibule zacht met halve +vlam. + +--Ga binnen! sprak Frank. + +En hij deed de deur achter zich op het nachtslot, met een bout. Het was +half een. + +De meid was nog op. + +--Die meneer was al zoo dikwijls hier geweest, fluisterde ze met een +wantrouwenden blik naar Bertie; en ik zag hem hier van avond altijd door +voorbijloopen, als hield hij de wacht. Ik was bang, weet u; het is hier +zoo eenzaam. + +Frank schudde geruststellend het hoofd. + +--Laat het vuur gauw achter aanmaken, Annie. Is je man nog op? + +--Het vuur meneer?! + +--Ja ... Bertie, wil je wat eten? + +--Heel graag.... als het u geen moeite geeft! antwoordde Bertie, in het +Engelsch, voor de meid, en zijn blik zocht smeekend de koud verbaasde, +blauwe oogen der flinke, knappe, jonge vrouw; zijne stem was als +fluweel, en, tenger, klein, poogde hij in de vestibule zoo weinig +mogelijk plaats in te nemen, in een te schrompelen, te vluchten uit hare +blikken, zich uit te wisschen in een hoekje schaduw. + +Frank leidde hem nu eene groote achterkamer binnen, eerst kil en donker, +maar weldra verlicht, weldra ook zachtjes-aan met eene stralende lauwte +verwarmd door het groote vuur, dat in den, nog gesloten, haard begon op +te gloeien. Annie dekte de tafel. + +--Eén couvert, meneer? + +--Twee; ik soupeer meê! sprak Frank, denkend, +dat Bertie dan vrijer zoû zijn. + +Bertie had zich op Franks aandringen in een ruimen stoel gezet bij den +haard en hij bleef daar schichtig rechtop zitten, zonder te spreken, +verlegen voor de meid, die telkens ging en kwam. Eerst nu zag Frank, in +het licht, de armoede van zijn uiterlijk; zijn dun gesleten jasje, vet +glimmend en knoopen missend; zijne afgetrapte, uitgerafelde broek; zijne +vuile bouffante, die een gemis aan linnen verborg; zijne uitgezakte +schoenen met gaten. Een ouden hoed had hij bedremmeld, verlegen, in de +hand gehouden. Het was eene kleeding, niets passend bij dien +aristocratisch tengeren bouw, dat fijne, bleeke, magere gelaat, +gedistingeerd, trots het ongeknipte, blonde haar en den ongeschoren +stoppelbaard; het was als de maskerade van geboorte en opvoeding in de +lompen der ellende, die zij onhandig, als een slecht zittend tooneelpak, +droegen. En de acteur zelf bleef roerloos zitten, starende in het vuur, +verlegen in de streeling der weelde, welke hem hier omringde in deze +kamer: onwederlegbaar het verblijf van een vermogend jongmensch, die +geen neiging tot huislijke gezelligheid had: rijke gordijnen en +tapijten, rijke meubels en ornamenten, zonder comfort geschikt, recht +tegen de wanden aan en, stijf netjes, zonder leven, glimpend opgepoetst. +Maar Bertie kreeg dien indruk niet, want een welbehagen van warmte en +veiligheid kwam over hem, een gevoel van rust en onbezorgdheid, kalm als +een meer en zoet als een oase: een lachend landschap na de koude en de +sneeuw van zoo even. En toen hij zag hoe Frank hem aanstaarde, zeker +verwonderd over zijn roerloos zitten turen in het groote vuur, waar de +vlammen thans dansend oplekten als gele drakentongen, glimlachte hij +eindelijk en sprak hij nederig, dankbaar, met die stem als van een +bedelaar: + +--Dank u wel, u.... u is zoo goed.... + +Het was niet veel wat Annie daarna op tafel zette: de restantjes uit de +provisiekast van een steeds uithuizig jongmensch, wat kouden beef-steak +en slâ, wat beschuit en jam, maar het zweemde toch naar een souper en +Bertie deed het groote eer aan, systematisch langzaam en bijna +onverschillig etend en drinkend, wasemend warmen grog, zonder den +honger, die in zijn lichaam eene nijpende leêgte groef, te laten +blijken. Frank poogde hem eindelijk uit te hooren, dwong hem te spreken +en te verhalen wat hem in zulke ellende gebracht had en hij deed zijn +verhaal bij brokken en stukken, steeds nederig, terwijl ieder woord +klonk als eene bedelarij. Onaangenaamheden met zijn vader over zijn +moederlijk erfdeel, een bagatel van een paar duizend gulden, weldra +versmolten; zijn zwalken in Amerika, waar hij beurtelings boerenknecht, +kellner in een hotel en figurant aan een theâter was geweest; zijne +terugreis naar Europa op een steamer, waar hij zijn overtocht met +diensten van allerlei aard had betaald en nu: zijn eersten dag in +Londen, zonder een cent. Hij had zich uit brieven, dagteekenende van een +paar jaar geleden, het adres van Westhove in Londen herinnerd en +aanstonds White-Rose opgezocht, vreezende, dat Frank in dien tijd wel +vier-, vijfmaal verhuisd kon zijn, zonder een spoor te hebben +achtergelaten ... O, zijn angst, dien nacht, wachtende in den wind, +terwijl het donkerder en donkerder werd; de duisternis alleen verlicht +door de spookachtige blankheid der doodstille sneeuw! En nu, die warmte, +een dak, een souper! En nogmaals bedankte hij, zich klein makend, +ineenschrompelend in zijn versleten kleêren: + +--Dank u, dank u.... + +Annie, mopperend over die drukte in den nacht voor zoo een vagebond, +dien meneer van de straat opraapte, had de logeerkamer gereed gemaakt. +En Frank leidde hem naar boven, getroffen door zijn vermoeid uiterlijk, +grijs van bleekte. Hij klopte hem op den schouder, beloofde hem te +zullen helpen, maar nu moest hij naar bed gaan: morgen zouden zij wel +verder zien. + +Toen Bertie alleen was, keek hij aandachtig om zich rond. De kamer was +zeer comfortabel, het bed breed, zacht en warm. Hij voelde zich vies en +goor in die omgeving, vol gemakken en onbezorgdheid en in een aangeboren +drang tot keurigheid en reinheid begon hij zich, hoewel hij rilde van de +koude, eerst, lang en zorgvuldig, te wasschen, te reinigen, te poetsen, +te wrijven, tot zijn lichaam rozig gloeide, geheel geparfumeerd met een +aroom van zeepschuim. Hij zag in den spiegel en betreurde het, dat hij +geen scheermes had: anders had hij zich geschoren. Eindelijk, gehuld in +het nachtgoed, dat daar gereed lag, kroop hij in bed, tusschen de wol. +Hij sliep niet dadelijk in, genietende van zijn bien-être, van zijn +eigen reinheid, de blankheid der lakens, de frissche warmte der dekens, +van het nachtlichtje, dat bescheiden schemerde door zijn groen gordijn. +In zijne oogen begon een glimlach te tintelen, om zijn mond ook. En hij +sliep in, zonder te denken aan morgen, rustig in de zorgeloosheid van +het heden en de warmte van zijn bed, bijna leêg van hoofd, alleen met +dit enkele, kleine gedachtetje: dat Frank toch een goede jongen was! + + +II. + +Het vroor den volgenden morgen; de sneeuw glinsterde kristalachtig hard. +Zij hadden ontbeten en Bertie vertelde van zijne ongelukken in Amerika. +Hij had zich door Franks barbier laten knippen en scheren en hij droeg +kleêren van Frank, die hem wijd als zakken waren; een paar pantoffels, +waarin zijne voeten dansten. Hij begon zich reeds minder vreemd te +voelen en koesterde zich als eene kat, die een goed plekje gevonden +heeft. Hij lag gemakkelijk in zijn stoel, rookte behagelijk, noemde +Frank, op diens verzoek, jij en jou, en zijne stem klonk zacht smeltend, +met een klankje van prettige vroolijkheid, iets als gedempt goud. Frank +had schik in hem en liet hem vertellen en hij deed het eenvoudig weg, +ronder te blageeren op zijne ellende; alles was geweest zooals het had +moeten zijn, het had niet anders gekund. Hij was nu eenmaal geen +troetelkindje van het lot, dat was alles. En hij was taai; een ander +had het niet uitgehouden, wat hij meegemaakt had.... + +Frank zag hem met verbazing aan; Bertie was zoo fijn, zoo bleek, zoo +tenger, bijna zonder volle mannelijke ontwikkeling; hij verzonk in de +groteske plooien van Franks jas en broek; hij was een jongen, vergeleken +bij hemzelven, zoo groot en vierkant! En hij had dagen van honger, +nachten zonder dak gekend; eene armoede, die Frank, goed doorvoed, +glanzend van eene bloedrijke gezondheid, onuithoudbaar voorkwam; en hij +sprak er zoo kalm, bijna schertsend over, zonder te klagen, alleen met +leedwezen zijne mooie handen bekijkend, die mager waren, paars van +jeukenden winter, met bloedige kloven op de knokkels. Voor het oogenblik +schenen die handen zijn eenig verdriet te zijn. Eigenlijk toch een +gelukkig karakter, dacht Frank, terwijl hij hem voor den gek hield, met +zijne handen. Maar Bertie zelf schrikte van zijne zorgeloosheid, want +hij riep eenklaps uit: + +--Maar wat zal ik nu doen ...wat zal ik doen! + +Hij zag voor zich uit, radeloos, wanhopig, zijne handen wringend. Frank +schertste die wanhoop weg, schonk hem nog eens een glas sherry in en +vertelde hem, dat hij vooreerst maar bij hem moest blijven, om te +bekomen. Hij zoû het zelfs ontzettend gezellig vinden als Bertie een +paar weken bleef; hij verveelde zich een beetje met zijn rijke +jongmensch-leven; hij was in een kring van jongelui, die veel uitgingen, +veel pierewaaiden en het verveelde hem, dat alles; diners en bals in de +wereld en soupers en orgies in de halve wereld. Altijd hetzelfde: een +leven als een montagne russe, der op, der af, der op, der af, zonder dat +je een oogenblik behoefde te denken; een bestaan, dat voor je gemaakt +werd in plaats, dat je het je zelven maakte. Voor het oogenblik had hij +nu een doel: Bertie; hij zoû hem helpen, na een paar weken rust eene +betrekking of zoo iets voor hem zoeken, maar vooreerst moest hij zich nu +maar geen zwaar hoofd maken. Hij was blij, dat hij zijn vriend weêr eens +bij zich had. De herinneringen wolkten bij hem op als ijle +tooverbeelden, vaalkleurig en sympathiek: herinneringen uit zijn +schooltijd, kwâjongensstreken, zwerftochten, bakkeleipartijen in de +duinen bij Den Haag: herinnerde Bertie zich? Frank zag den kleinen +mageren jongen nog voor zich, getreiterd door groote lummels, beschermd +door hem, Frank, wiens vuisten er op neêr beukten, ter wille van zijn +vriendje. En later hun studententijd te Delft: Bertie gesjeesd, in eens +verdwenen, zonder een spoor na te laten, zelfs niet voor Frank; daarna +wat correspondentie, te hooi en te gras; eindelijk jaren van niets. O, +hij was blij zijn vriend nu weêr eens bij zich te hebben; véel had hij +altijd van Bertie gehouden, juist, omdat Bertie zoo geheel anders was +dan hij, met iets als een poes; verzot op gemak en koestering en nu en +dan hevig aangedrongen om weg te loopen over daken en goten, zich te +bezoedelen met modder, zich te wentelen in vuiligheid, om daarna terug +te komen om zich te warmen en te lekken. Hij hield van zijn vriend als +van een tweelingbroeder, die geheel verschillend zoû zijn, ingepalmd +door Bertie's nonchalante, zacht-egoïstische innemendheid: eene echte +poesennatuur! + +Bertie vond het dien dag eene groote weelde thuis te blijven, zittende +bij den haard, dien hij hoog deed opvlammen met blok op blok. Frank had +heerlijken witten port en ze bleven na het lunch zitten lummelen, +borrelend en pratend, terwijl Bertie honderd-uit vertelde van Amerika, +over zijn broer, zijn hôtel, zijn theâter en de eene anecdote aan de +andere schakelde, boeiend door een tikje van ongewonen romantiek. Frank +gevoelde daarna behoefte aan lucht en wilde naar zijne club gaan, maar +Bertie bleef zitten: alléén kon hij in lompen loopen, maar met Frank +zich zelfs niet in deze kleêren vertoonen, Frank zoû thuis komen +dineeren om acht uur. En eensklaps, als in eene bliksemsnel invallende +gedachte, smeekte Bertie: + +--Spreek niet over me met je vrienden ... Het is niet noodig, dat ze +weten, dat je zoo een slecht sujet als ik ben, kent ... Beloof je het +me? + +Frank beloofde het lachend, en het slechte sujet sprak, hem zijne handen +reikend: + +--Hoe vergoed ik je wat je voor me doet! Wat een geluk, dat ik je +ontmoet heb! Je bent de edelste kerel, dien ik ken ... + +Frank onttrok zich aan die dankbetuigingen en Bertie bleef alleen, voor +de kachel gezeten, stokend tot zijn lichaam geheel en al gloeide, zich +roosterend met de voeten op den nikkelen rand. Hij schonk zich nog eens +een glas port in en dwong zich aan niets te denken, zich wentelend in +het genot zijner luiheid en aandachtig bezag hij zijne gebersten +handen, en hij vroeg zich af of ze spoedig genezen zouden zijn. + + +III. + +Eene maand had Bertie op White-Rose doorgebracht en hij was nu +nauwelijks te herkennen in den jongen man, die, onberispelijk in zijn +fijnen pels, met zijn nieuwmodischen hoogen hoed naast Frank zat in eene +open victoria, beiden bedolven onder een zwaren, bonten plaid. Hij +bewoog zich thans met groot gemak onder Franks kennissen, gekleed als +een dandy, innemend en minzaam, zijn Engelsch lispelend met een gemaakt +accent, dat hij voornaam vond. Hij dineerde met Frank iederen dag in +Franks club, waarin hij geïntroduceerd was, proefde met het +geblazeerdste gezicht ter wereld fazanten en fijnen wijn en rookte +havanna's van twee shilling alsof het strootjes waren. Frank had +inwendig den grootsten schik in hem en zag hem, met een glimlach vol +heimelijk vermaak, kalm zijn gang gaan, pratende met jongelui van de +wereld zonder zich een oogenblik uit het veld te laten slaan; en Frank +vond die comedie zoo amusant, dat hij hem, overal waar hij kwam, +presenteerde. + +De winter verzachtte zich tot eene mistige lente, de season kwam en +Bertie scheen het zeer aangenaam te vinden afternoon-tea's en at-home's +bij te wonen; aan een groot diner tusschen twee paar mooie schouders te +flirten, nooit verblind door de tinteling der juweelen en nooit bedwelmd +door de tinteling der champagne; in een fauteuil der dress-circle +kwijnend achteruit te leunen, terwijl zijn fijn gelaat zeer +gedistingeerd rustte op zijn hoogen glanzenden boord, zijn wit boeketje +geurde in zijn knoopsgat en zijn binocle tusschen zijne, nu genezen, +vingers draaide, als was geene dier dames de moeite waard door hèm +betuurd te worden. Frank zelf, uit gebrek aan werkzaamheid, had als +iemand, die zijn vermaak neemt, waar hij het vindt, Bertie in dit leven +vooruit geduwd, niet alleen om hem te helpen, maar ook voor de pret: een +dol amusement, om al die menschen voor den gek te houden! Bertie had +vele scrupules en noteerde, in een zakboekje, trouw elke penny, die +Frank voor hem uitgaf--in betere tijden zoû hij dat alles teruggeven--en +het lijstje bedroeg in die twee weken een paar honderd pond. Ook thuis +vond Frank hem een eenig amusement: Bertie, die met een paar lieve +woordjes Annie en haar man, Franks oppasser en butler, voor zich had +weten te winnen, gooide alle meubels dwars door elkaâr in eene grillige +wanorde, kocht beelden, groote palmen en Oostersche stoffen en herschiep +de ongezelligheid van vroeger tot een artistiek comfort, dat tot luizijn +uitnoodde: een half donker licht, ruime divans; de, met Egyptische +pastilles en fijne cigaretten doorgeurde, atmosfeer van een alkoof, +waarin alle gedachte wegdommelde en het oog half geloken bleef hangen +aan de naakte vormen der beelden, opbronzend onder het groen der +planten. Des avonds waren het daar festijnen, orgieën met enkele +uitverkoren vrienden en enkele uitverkoren schoonen: twee dames van een +skating-rink en eene figurante van een theâter, die met hare +vermillioenen lipjes genoeglijk rookten en dronken op Bertie's +gezondheid. Frank amuseerde zich als een koning om Bertie, die, in eene +diepe minachting voor het vrouwlijk geslacht, ongevoelig voor haar +drieër bevalligheden, ze voor den gek hield, ze plaagde, ze tegen elkaar +ophitste, tot zij elkaâr bijna de oogen uitkrabden, ze ten slotte +champagne goot in heur gedecolleteerde lijfjes. + +Neen, nog nooit had Frank zich zoo geamuseerd gedurende zijn lang +verblijf te Londen, waar hij als ingenieur zich gevestigd had, om +zoogenaamd eene kosmopolitische tint aan zijne kennis te geven. + +Hij was in-en ingoed, te doorvoed om veel te denken; hij had van alles +genoten en gaf niets om het leven, dat maar eene comedie was, die +gemiddeld zes en dertig jaren duurde, volgens de statistiek. Hij maakte +enkele pretenties op eene filosofische levensbeschouwing, maar eigenlijk +bestond deze in een uit-den-weg ruimen van alles wat niet amusant was. +Nu, Bertie wàs amusant, niet alleen om zijne grappen met die +vrouwen--wreed spel als van een panter--maar vooral om de klucht, die +hij in Franks wereld speelde, dat zich voordoen als een high-lifer: een +vagebond, die eene maand geleden in lompen op straat had staan bibberen! +Het was een geheim vermaak van elk oogenblik en hij gaf Bertie geheel en +al carte blanche om zijne rol vol te houden: eene carte blanche weldra +ingevuld door groote rekeningen van tailleurs, want Bertie kleedde zich +met geraffineerde ijdelheid, kocht dassen bij dozijnen, nam ieder +boordje dat in de mode kwam, nu recht, dan met een puntje zoo, dan met +een puntje zus, en wiesch zich met al de watertjes van Rimmel. Het was +of hij zich dompelen wilde in al de verfijndheid van een fat, na goor +geweest te zijn als een voddenraper. En noteerde hij eerst in zijn +zakboekje al deze mirobolante uitgaven, weldra vergat hij een post, +daarna nog een en eindelijk, omdat zijn potlood weg was, vergat hij +alles! + +Zoo verliepen er weken en Frank dacht er niet aan moeite te doen bij +zijne invloedrijke kennissen om Bertie aan eene betrekking te helpen. +Hun leven van rijk niets doen vulde geheel hunne gedachte, ten minste +die van Frank, en het had nieuwe bekoring voor Frank gekregen om Bertie. +Toen gebeurde er eensklaps iets zonderlings. Bertie was des morgens +alleen uitgegaan en verscheen niet aan het lunch. Wie er des middags in +de club was, Bertie niet. Ook niet aan het diner. Des avonds kwam hij +niet thuis, hij had ook geen woord achtergelaten. Frank, zeer ongerust, +bleef den halven nacht op: niemand. Twee dagen gingen voorbij: niemand. +Frank vroeg hier, onderzocht daar, gaf eindelijk bij de politie aan. + +Ten laatste, op een morgen,--Frank was nog niet opgestaan--verscheen +Bertie voor zijn bed, met een glimlach van verontschuldiging: Frank +moest het hem toch niet kwalijk nemen; hij was toch niet ongerust +geweest? Zie je, dat leven van altijd zoo netjes te zijn, had hem op +eens verveeld. Altijd die mooie dames met slepen en diamanten, en +altijd die clubs vol lords en baronets, en dan die skating-rinkjes, die +óok al altijd zoo fatsoenlijk waren!... En dan altijd een hooge hoed, en +'s avonds altijd een rok met eene bloem! Het was criant! Hij had het +niet uitgehouden, hij was er eens van door geweest ... + +--Maar waar heb je dan gezeten? vroeg Frank, ontzet van verbazing. + +--O, nu eens hier en dan eens daar! Bij oude kennissen. Ik ben niet uit +Londen geweest ... + +--En je kende hier niemand? + +--O jawel, zoo geen fashionable menschen, weet je, zooals jij ... Maar +wel zoo ratje-toe ... Je bent toch niet boos op me? + +Frank had zich half opgericht om hem op te nemen. + +Hij zag er bleek, vermoeid en verwaarloosd uit. Zijne broek was van +onderen met eene dikke laag modder bedekt, zijn hoed gedeukt; zijne +overjas had een winkelhaak. En hij stond daar schijnbaar verlegen als +een jongen, met zijn ondeugenden, inpalmenden glimlach. + +--Kom, wees maar niet boos ... Neem je me in genade aan? + +Dat was Frank te sterk: hij proestte het uit, uitgelaten dol! Die +Bertie, wat een canaille! + +--Maar waar heb je dan toch gezeten? vroeg hij nogmaals. + +--O nu eens hier, en dan eens daar ... + +Verder kwam hij niet; Bertie vertelde niet meer dan hij kwijt wilde +zijn. En hij was wat moê, nij ging naar bed. Hij sliep tot drie uur toe. +Frank had er den heelen dag pret van, en ook Bertie had later dolle +pret, toen hij van de politie hoorde. Des middags, in de club aan tafel, +vertelde hij met een treurig gelegenheidsgezicht, dat hij voor een paar +dagen uit de stad was geweest, om een sterfgeval. Frank had zijn briefje +door een nonchalance van den knecht niet gekregen. + +--Maar waar heb je dan toch gezeten?!! fluisterde Frank hem in, +onbedwingbaar vroolijk en nieuwsgierig, ten derden male. + +--Ach, ik zeg je: nu eens hier en dan eens daar! antwoordde Bertie, met +het eenvoudigste gezicht ter wereld en op nieuw netjes, zeer zorgvuldig, +de pink in de lucht, slurpte hij zijn zestal oesters naar binnen, zonder +een woord meer over de zaak. + + +IV. + +De season ging voorbij en Bertie bleef. Dikwijls sprak hij er over, naar +Holland te gaan: hij had in Amsterdam een oom, die makelaar was: +misschien, dat oom ... Maar Frank wilde er niets van hooren, en als +Bertie gewetenswroegingen had, dat hij zoo klap liep, praatte Frank die +weg. Wat kwam er dat op aan; als Bertie fortuin had gehad en hij niet, +had Bertie immers ook zoo gehandeld: zij waren immers vrienden! De +juiste waardeering der feiten begon voor zijne oogen te schemeren in +den, nu vastgestelden loop van hun leven. Franks zedelijk gevoel +dommelde in sluimering in de weekheid hunner luxueuze gemakkelijkheid. +Wel had Frank nu en dan iets als een vaag vermoeden, dat hij niet rijk +genoeg was voor twee, dat hij de laatste maanden viermaal meer verteerd +had dan andere seasons, maar hij was te zorgeloos om lang bij zulke +bezwaren stil te staan. Daarbij was hij aan Bertie verslaafd geworden +als aan opium of morfine. Bertie was hem noodig geworden om te leven; in +alles vroeg hij den raad van zijn vriend, in alles liet hij zich door +dezen leiden, geheel en al onder de bekoring van het zedelijk overwicht, +waarmede dit fijne, tengere mannetje met zijne fulpen kattenzachtheid +hem dwong als onder een juk. Nu en dan, weldra bijna geregeld om de +veertien dagen, verdween Bertie, bleef vier, vijf dagen weg en kwam op +een goeden morgen terug, inpalmend lachend, moê, bleek en verloopen. Het +waren misschien geheime uitspattingen, wellicht mysterieuze omdolingen +in de vunze krotten der gemeenste buurten van Londen, waarvan Frank +nooit het rechte hoorde of begreep: eene verdorvenheid, waartoe Frank te +netjes en te fatsoenlijk scheen, om over ingelicht te worden; eene +zonde, waarin hij niet mocht deelen en die Bertie, in een verfijnd +egoïsme, voor zichzelven hield, als een lekker beetje. Frank gevoelde +zich die dagen vol van eene walging des levens, als miste hij den +ongezonden prikkel zijns bestaans; zijne eenzaamheid vulde zich met eene +grauwe melancholie en ongelukkig tot wanhoop toe, verkwistte hij zijne +dagen thuis, ongeschikt tot iets, zich ergerend in zijn doodsch +interieur, waar alles,--de val der rijke draperieën, het bronze naakt +der beelden, de slordig neêrgesmeten kussens der divans--als een +eigenaardigen geur van Bertie had behouden, die hem pijnlijk plaagde. In +zulke dagen gevoelde hij de lafheid van zijn leven, de walgelijke +onbeduidendheid van zijn zenuwloos leêg bestaan, nutteloos, doelloos, +niets! Droevig zoete mijmeringen overstelpten hem, heugenissen uit zijn +ouderlijk huis, door het tooverglas der herinnering schemerend als +tafereelen van teedere huislijke harmonie, waarin de gestalten van zijn +vader en zijne moeder, verheerlijkt in kinderliefde, groot en edel +opblonken. Hij verlangde naar iets onzegbaar ideaals, iets reins en +zuivers, een groot doel! Hij zoû zich schudden uit zijn zieleslaap, hij +zoû Bertie wegzenden.... Maar Bertie kwam terug en Bertie omstrikte hem +weêr met zijne fluweelen banden en hij zag het steeds duidelijker in: +hij kon niet meer buiten Bertie. Dan zich in een spiegel ziende, groot +en stevig gebouwd en gezond, het rijke bloed tintelend onder zijn +gelaatskleur, moest hij glimlachen om de dwaze hersenschimmen zijner +eenzaamheid en kwamen zij hem van eene ziekelijkheid voor, die niet te +rijmen was met zijne sanguinische kracht. Het leven was eene comedie en +het beste was zijn leven als eene comedie te spelen, in louter genot der +zinnen; verder was er niets de moeite waard ... En toch, soms, na +nachten als bacchanaliën, vervulde hem, in de matheid van zijn groot +lichaam, eene nijpende mismoedigheid, die met zulke filosofie der +lichtzinnigheid niet te bekampen was en Bertie zelf moest zedepreeken: +waarom zocht Frank niet eene bezigheid, een werkkring; waarom ging Frank +niet een beetje reizen ... + +--Waarom ga je niet eens naar Noorwegen? +vroeg Bertie, die maar wat opnoemde. + +Londen begon Bertie onuitstaanbaar te worden en daar het denkbeeld van +reizen Frank toelachte, zoowel om de verandering als om de economie--zij +zouden in het buitenland eenvoudiger kunnen leven dan in dit +metropolitaansche high-life-gewoel,--dacht hij er eens over na en kwam +tot het besluit, dat hij goed zoû doen White-Rose voor onbepaalden tijd +aan de zorg van Annie en haren man over te laten en eenige weken in +Noorwegen door te brengen. Bertie zoû hem vergezellen. + + + + +HOOFDSTUK II. + + +I. + +Na de table-d'hôte in het Brittania-Hotel te Drontheim, gingen de +vrienden door de breede, stille straten, met hare lage, houten huizen, +de stad uit in de richting van den Gjeitfjeld, toen zij in de voorstad +Ihlen een ouden heer inhaalden, die, van een jong meisje vergezeld, +blijkbaar dezelfde wandeling meende te maken. Aan de table-d'hôte hadden +zij eenige plaatsen van elkaâr afgezeten en daar deze zweem van +bekendheid op den eenzamen weg een groet billijkten, namen Frank en +Bertie hunne hoeden af. De oude heer, in het Engelsch, vroeg hun haastig +of zij den weg wisten naar den Gjeitfjeld: hij was het met zijne +dochter, die halsstarrig bij de uitspraak van haar Baedeker bleef, niet +eens. Een gesprek vloeide uit dit verschil van meening; de beide +jongelui vroegen verlof zich te mogen aansluiten: Frank meende dat +Baedeker gelijk had. + +--Papa vertrouwt nooit op Baedeker! sprak het jonge meisje met een +rustigen glimlach, terwijl zij haar roode deeltje, waarin zij den weg +had gezocht, sloot. En papa wil me nooit gelooven, als ik zeg, dat ik +er hem wel brengen zal.... + +--Is u altijd zoo zeker van uw weg? vroeg Frank schertsend. + +--Altijd, sprak ze overmoedig, met een helder lachje. + +Bertie vroeg naar den duur van de wandeling en wat men er zien zoû; dat +eeuwige wandelen van Frank kwam hem zeer vermoeiend voor! Hij had zich +gedurende zijn verblijf bij Frank zoo vertroeteld om zijne vorige +ellende te vergeten, dat hij nu geen grooter genot kende dan met een +cigarette of een glas port op eene bank te liggen, en zich vooràl niet +te vermoeien. Maar nu, in den vreemde.... op reis kon men toch niet +altijd in zijn hotel blijven soezen; daarbij: van rijden in karriolen +werd hij stijf; eigenlijk was het allemachtig dwaas zich zoo noodeloos +te verplaatsen, en White-Rose nog zoo kwaad niet! Frank echter genoot +volop van de ijle, opstijvende lucht van dien zuiveren zomermiddag en +hij dronk den zachten zonneschijn, als waren die gouden wijn, gekoeld +door een frisschen bergwind: zijn stap was elastisch, zijne stem +vroolijk. + +--Is u een Engelschman? vroeg de oude heer. + +Frank vertelde, dat zij Hollanders waren, dat zij in Londen woonden en +hun gesprek klonk dadelijk in dien gulgauwen toon, dien men tegen +medereizigers, als lotgenooten, bezigt, wanneer het weêr helder is en +het landschap mooi. Opgewekt hunne bewondering over Noorwegens natuur +elkaar mededeelend, gingen zij naast elkander voort: de oude heer kras +meêstijgend, het jonge meisje zeer recht, met haar fier figuurtje, dat +zich modelleerde in haar eenvoudig, glad, blauw lakensch toilet, waaraan +de pelerine, met verschillende neêrslagen, eene pittigheid van sport +gaf: iets van een jolig koetsiertje; terwijl het blauw jockeypetje +jongensachtig luchtig stond op heur dik opgewrongen, rossig gouden haar. +Bertie alleen begreep niet, dat dit alles nu plezier heette, maar hij +klaagde niet; hij sprak weinig, het niet noodig oordeelend zich +aangenaam te maken bij die menschen, die zij morgen denkelijk al uit het +oog zouden verloren hebben. Hij sleepte zich dus meê, verwonderd, dat +Frank aanstonds in een levendig gesprek met het jonge meisje was, en +eensklaps duidelijk inziende, dat zijne eigene gemakkelijkheid en tact +slechts vernis waren, bij Franks innigere beschaving. Hij voelde zich, +niettegenstaande zijn fijn gezicht, zijn elegant reiskostuum, op eens +zóó de mindere van Frank, dat eene ergernis, zweem van haat, hem +doortrilde; en die minderheid niet kunnende uitstaan, voegde hij zich +aan de zijde van den ouden heer en dwong zich tot eene respectueuze +beminlijkheid. Bij het kronkelen van den, zich versmallenden, weg +geraakten zij een weinig achter bij het jonge meisje en Frank, en zij +bleven zoo voortklimmen, twee aan twee. + +--U woont in Londen? Hoe is uw naam? vroeg het jonge meisje, kalm +vrijmoedig. + +--Frank Westhove.... + +--Ik heet Eve Rhodes; mijn vader is Sir Archibald Rhodes van +Rhodes-Grove. En uw vriend? + +--Hij heet Robert van Maeren. + +--Ik hoû meer van den klank van uw naam; ik geloof, dat ik hem op zijn +Engelsch kan uitspreken; hoe zei u ook weêr? + +Hij herhaalde zijn naam, en zij sprak dien daarna uit, met haar Engelsch +mondje. Het was een spel, zij lachten er om: Frànk, Frank Westhove.... +Maar zij zagen om. + +--Is u moê, papa? riep Eve. + +De oude heer werkte zich mopperend met zijne breede schouders de hoogte +in; zijn gelaat was rood onder zijn, achterop gezette, geruiten reispet, +en hij blies als een triton. Bertie poogde lieftallig te glimlachen, +innerlijk in hooge mate woedend over die onzinnige stijgpartij. Het +duurde nog een half uur, toen zij op het smalle paadje, dat als een +grijze arabesk den berg overkronkelde, bleven stil staan en zich +neêrzetten op een rotsblok, om te rusten. + +Eve was een en al verrukking. In de diepte rustte Drontheim met zijne +houten huizen, omcirkeld door zijn staalkleurigen Nid en zijn fjord, een +tooverspiegel, waarop krijtwit, het fort Munkenholm dreef. Op de bergen +blauwde het: dichtbij het wazige, donkerviolette blauw van druiven, dan +het stoffige blauw van fluweel, verderop het kristallige, doorglanzige +blauw van saffier, eindelijk het bleeke hemelblauw van turkoois. Het +water was blauw als een blauw zilver, de lucht--blauw als parelen en +parelmoêr. De zon scheen overal zacht egaal, zonder gloed en zonder +schaduw, recht uit de hoogte. + +--Het is bijna Italië! sprak Eve opgetogen. En dit is nu toch +Noorwegen! Ik stelde me Noorwegen altijd geheel en al voor, als het +Romsdal is, woest met ruwe gebergten als den Romsdalhorn en den +Trolltinder en met woedende watervallen als de Sletta-fos, en dit is zoo +allerliefst, zoo zacht met al dat blauw! Ik zoû hier op dit punt wel een +kasteel willen bouwen en hier blijven wonen, en dan zoû ik mijn kasteel +Eve-Bower noemen en een heele boel witte duiven houden; die zouden zoo +aardig vliegen in die blauwe lucht.... + +--Lieve meid! lachte Sir Rhodes. 's Winters zal het hier wel anders +zijn. + +--Nu goed, anders maar toch mooi. 's Winters hoû ik ook dol van woeste +stormen en het fjord hier zoû bruisen, onder aan mijn kasteel en er +zouden grijze nevels hangen over die bergen daar! Ik zie het al! + +--Kom, je zoû bevriezen! sprak papa nuchter tegen. + +--Wel neen, ik zou voor een groot torenraam zitten mijmeren met Dante of +met Spencer.... Houdt u van Dante en van Edmund Spencer? + +Het laatste was gericht tegen Frank, die beteuterd naar Eve's extaze had +geluisterd en die nu wat schrikte; ja, ziet u, Dante kende hij bij naam, +maar van dien Spencer had hij zelfs nooit gehoord, nog wel van +Herbert.... + +Wat, kende hij Edmund Spencer niet? Una en de Redcrossknight niet en +Britomartisch niet, hoe was het mogelijk? + +--Lieve meid, wat dweep je toch met die dwaze allegorieën! sprak papa. + +--Ze zijn prachtig, papa! ging Eve beslist voort. En dan, ik laat de +allegorie voor wat ze is en bewonder alleen de poëzie er van. + +--Opgesmukte taal ... je verdrinkt onder de beelden. + +--Dat is de kleur van de Renaissance, wierp Eve tegen. In Elizabeths +tijd spraken ze allemaal aan het hof zoo precieus ... En Spencers +beelden zijn prachtig, ze schitteren als juweelen ... + +Bertie meende, dat het gesprek zeer geleerd werd, maar hield zijne +gedachte voor zich en zeide iets, over de Hel van Dante. Zij waren +uitgerust en gingen nu verder, den berg op. + +--Mijne dochter is zoo half en half eene esthetische, sprak de oude heer +schertsend tot Frank. + +Eve lachte heel helder. + +--Ach, het is niet waar, papa. Geloof het toch niet, mr ... mr. +Westhòve, weet u, hoe papa daaraan komt? Een paar jaar geleden, toen ik +pas van kostschool kwam, ben ik met een paar vriendinnen heel dwaas +geweest, een tijdje lang. We friseerden ons haar tot ragebollen, +kleedden ons in slappe gewaden van damast en brokaat met kolossale +pofmouwen en zaten bij elkaar dwaasheden te debiteeren over kunst. We +hielden dan eene zonnebloem of een pauweveêr heel gracieus in onze +blanke vingertjes en waren allerdolst ... Daarom zegt papa dat. Maar nu +ben ik heusch zoo dwaas niet meer: ik hoû alleen veel van lezen en is +dat nu zoo "esthetisch"? + +En glimlachend zag zij Frank met hare vrijmoedige, heldergrijze oogen +aan en haar flink, beslist stemmetje klonk als eene apologie, als vroeg +zij vergeving voor hare geleerdheid van zooeven. Hij begreep er uit, +dat er niets van eene blauwkous in haar stak, al scheen dit ook om hare +deftigheid van zooeven, en hij was zeer verstoord op zichzelven, dat hij +had moeten bekennen niets van Spencer te weten; wat zou zij hem dom +vinden! + +Maar het was een oogenblik, waarop de bekoorlijkheid hunner omgeving hen +zoo omtooverde, alsof zij zich in een magnetischen cirkel van sympathie +bewogen, waarin vreemde wetten die der gewone natuur overheerschten, +iets electrisch snels en etherisch luchtigs ... + +Bij het bestijgen van het kronkelend bergpad, bij het zich doortocht +banen tusschen de lage kreupelsparren, waarvan het loover in de zon +glinsterde als verlakte, groene naalden; bij het inademen dier ijle, +bedwelmende lucht, droomde Frank zich, dat hij haar lang kende, dat hij +járen geleden haar voor het eerst aan een table-d'hôte gezien had, te +Drontheim ... Sir Archibald en Bertie, achter hem, waren ver weg, op +mijlen afstands, louter herinnering ... Eve's stem huwde zich aan de +zijne in eene harmonie van klank, als ware hun telkens hortend gesprek +over wat kunst en letterkunde een tweestemmig lied, dat zij beiden +zuiver zongen, en Frank erkende vrijmoedig, dat hij weinig las en, wat +hij gelezen had, zich nauwlijks heugde. Zij beknorde hem schertsend en +haar helder klinkend geluid verschrikte telkens een vogel, die uit het +hout wegwiekte. Hij voelde iets in zich vernieuwen en gezond worden, en +hij had zijne armen willen openbreiden om de lucht te omhelzen! + + +II. + +Dien avond, teruggekomen van hunne wandeling, na het souper, onder een +kop koffie, in den tuin van het hôtel, bespraken zij hunne reisplannen. + +--Wij gaan naar Molde! zeide Sir Archibald. + +--O, wij ook! sprak Frank. + +De oude heer hoopte, dat de jongelui zijne dochter en hem verder zouden +gezelschap houden. Frank viel zeer in zijn smaak en ook Bertie vond hij +gentlemanlike en onderhoudend: Bertie had veel van Amerika verteld, want +hij verheelde niet zijn farmersleven in the Far West, hoewel hij het een +weinig idealizeerde en steeds van "zijn farm" sprak. Frank logenstrafte +hem nooit. + +Nog twee dagen te Drontheim en zij waren geheel en al goede vrienden, +met die vertrouwlijke intimiteit, welke op reis, vrij van etiquette, +soms met een tooverslag ontstaat; zonder eenige kennis van elkanders +karakter, slechts ontspruitend uit een klein beetje onderlinge sympathie +en wat toeschietelijkheid: een oppervlakkig gevoel van tijdelijke +bekoring, die de leêgte om een reiziger vult. De dag op zee met den +stoomer naar Molde was als een pleiziertochtje, niettegenstaande den +regen, die hen van boven wegjoeg en, onder een glas champagne, Eve met +hare drie heeren in de kajuit een whistje deed slaan. + +Maar daarna, in wat doorbrekend, bleek licht, de eindelooze wandeling op +het natte dek, steeds op en neêr. De lage rotsen trokken aan weêrszijden +langzaam voorbij, telkens van lijnen veranderend, nu op elkaâr +sluitend, dan zich openend, mossig bruin dichtbij en verderop zich +vergrijzend met flets-roze en flauw-paarse tintspelingen. Na +Christiansand weken ze en de, nu hooger op dansende oceaan bloedde in +eene glorie der zinkende zon, rood en kogelrond aan de kim. Iedere golf +had daar een kam van rood schuim, als stond er de zee in een brand van +rood. Terwijl zij wandelden, op en neêr, lachten Frank en Eve om hunne +roode gezichten, twee pioenen gelijk, twee vroolijke maskers, gefardeerd +met dat rood van de zon, als grimassen van clowns. + +In den nacht kwamen zij te Molde aan en zij zagen het niet, het mooie +fjord. Maar den volgenden morgen, daar lag het vóór hen, lang en rank, +met een snoer van, aan de toppen besneeuwde, bergen: een gedicht van +bergen, een zang van bergen, rein, edel, mooi, streng, verheven, zonder +eenig schril effect. De lucht er boven was stil grijs, als een kalme +weemoed, en de rust van geheel die atmosfeer klonk als een emotieloos +andante. + + +III. + +Toen de oude heer den volgenden morgen eene wandeling naar Moldehoï +voorstelde, beweerde Bertie wat moê te zijn en zich niet wel te voelen +en vroeg vergunning thuis te blijven. De waarheid was, dat het weêr hem +niet uitlokkend scheen; dat boven den bergenkrans, die het fjord +afsloot, zwaar grauwe wolken dreven, als laag neêrhangende draperieën +van regen, die weldra dreigden geheel uit hunne donkere plooien te +zullen vallen. Eve wilde zich echter niet laten afschrikken door die +booze luchten; als men op reis was, moest men zich niet door een buitje +van streek laten brengen. Zij gingen dus met hun drieën op weg, terwijl +Bertie op zijne verlakte muiltjes in het salon van het Grand-Hôtel +bleef, met een boek en een borrel. + +De weg was modderig, maar zij stapten dapper voort in hunne mackintoshes +en hunne stevige laarzen. En de regen, die fronsend boven hunne hoofden +bleef hangen, ontmoedigde hen niet, maar gaf integendeel een zweem van +romantisch gevaar aan hun tocht, als dreigden zij te zullen vergaan in +een naderenden zondvloed. Eenmaal van den grooten weg af en langzaam +stijgende, verloren zij dikwijls het pad, dat in plassen moeras wegzonk, +of onder, nog van regen druipende, varens en dwars door eene woekering +van blauwe boschbessen schuil ging. De modder stapten zij op rotsblok na +rotsblok over, de oude heer zonder hulp, maar Eve met hare hand in die +van Frank, vreezende voor het uitglijden harer natte zolen op het +gladde, geelgroene mos. Zij lachte helder, trippelend van steen op +steen, steeds aan zijne hand, soms eensklaps uitglippend en tegen zijn +schouder aanvallend, en daarna weêr moedig voortgaande, met zijn dikken +stok de steenen verkennend. Het scheen haar toe, dat zij niet +voorzichtig behoefde te zijn, nu hij haar steunde, dat hij haar zoû +ophouden als ze viel, en ze praatte levendig door, overmoedig bijna +springend van blok op blok. + +--Wat is uw vriend toch voor een man, mr. Westhove? vroeg Eve +plotseling. Frank schrikte een weinig; inlichtingen omtrent Bertie te +geven was hem steeds eene zeer onaangename taak, minder om het verleden +van zijn vriend dan wel om diens heden: zijn rustig klaploopen op hem, +Frank, die, al was hij ook verslaafd aan zijn Bertie, toch wist, dat dit +nu eenmaal in de oogen der wereld iets.... vreemds was. + +--O, hij is iemand, die veel verdriet heeft gehad, sprak hij vaag en +ontwijkend, en hij vervolgde: + +--Heeft hij een aangenamen indruk op u gemaakt? + +Eve lachte even omdat zij bijna voorover in een plas vette modder ware +gevallen, zoo Frank zijn arm niet in eens stevig om haar middel had +geslagen.... + +--Eve, Eve! riep Sir Archibald, hoofdschuddend. Wees toch wat +voorzichtig! + +Maar Eve herstelde zich reeds, met een licht blosje. + +--Ja, wat zal ik u zeggen, ging ze door, hun gesprek vervolgend. Als ik +u geheel en al de waarheid moest zeggen.... + +--Natuurlijk! + +--Ja wel, maar dan zoû u misschien boos worden. Want ik zie wel, dat u +dol is op uw vriend. + +--Houdt u dan niet van hem? + +--Wel, als u het dan weten wilt: den eersten dag, dat ik hem leerde +kennen, vond ik hem onuitstaanbaar. Met u schoten we dadelijk aangenaam +op, als met een prettigen reiskameraad, maar met hem.... hij heeft +misschien niet veel gereisd? + +--O, ja wel! sprak Frank, die moest +glimlachen. + +--Nu, misschien was hij dan verlegen of linksch. Maar later ben ik wel +anders gaan denken en nu vind ik hem niet meer onuitstaanbaar.... + +Het was vreemd, maar Frank gevoelde weinig blijdschap over die +verandering van gevoelens en hij bleef zwijgen. + +--U zei, dat hij veel verdriet heeft gehad? Nu, dat kan men hem ook wel +aanzien. En dan heeft hij zoo iets zachts, iets teeders zoû ik bijna +zeggen, zulke zachte, zwarte oogen en zoo een lieve stem. Ziet u, dat +alles vond ik eerst onuitstaanbaar, maar nu vind ik er zoo iets poëtisch +in. Hij moet zeker dichter zijn en eene ongelukkige liefde gehad hebben; +hij kàn geen banaal mensch zijn. + +--Neen, dat is hij ook niet! sprak Frank vaag, in eene lichte malaise +over Eve's extaze, en eene mengeling van jaloezie en treurigheid; iets +als een afkeer van den schijn der wereld en een doffe ijverzucht op dit +zacht-poëtische, dat Eve in zijn vriend vond, doorsidderde hem als eene +huivering. Zijn blik zag even bijna week op naar het mooie jonge meisje, +dat soms zoo verstandig, soms zoo naïef was; geleerd, waar het hare +lievelingsliteratuur, onwetend waar het het reëele leven betrof; een dof +medelijden kwam over hem en de grauwe regenwolken daarboven drukten +eensklaps met een uitspansel van melancholie op zijn hoofd, als waren +zij de bedreiging van een onafwendbaar noodlot, dat haar, Eve, zoû +verpletteren. Onwillekeurig klemden zijne vingers zich vaster om haar +hand. + +--Hier is het pad weêr! riep de oude heer, een twintig passen +voor hen uit. + +--O ja, daar is weêr het pad! Dank u, mr. Westhove, sprak Eve, en zij +sprong van het laatste steenblok af, doorwaadde de knakkende varens en +bereikte den weg. + +--En daarboven is de hut met den weêrhaan! vervolgde Sir Archibald. Ik +geloof, dat we een omweg hebben gemaakt. Jullie kakelen ook maar in +plaats van eens naar het pad te kijken. Je begrijpt, _mijn_ oude oogen +... + +--Maar de tocht over die steenen was heel jolig! lachte Eve. + +In de verte, boven hen, zagen zij de hut en den langen stok van den +weêrhaan en zij gingen nu gemakkelijker voort; hunne voeten verzonken in +de bloeiende erica, druipend paars en roze, in de boschbessen, wazig +blauw als heele kleine druifjes. Eve bukte zich en plukte. + +--O, wat zijn ze zoet! sprak ze met eene kinderlijke verrassing en ze +snoepte er van, terwijl hare lippen en hare handen zich blauw vlakten +met het sap des besjes. Proef eens, mr. Westhove. + +Hij proefde ze uit hare kleine, zachte hand, nu bezoedeld als met een +violet bloed. Het was waar, ze waren heerlijk zoet en zoo groot! En nu +gingen zij voort, achter Sir Archibald, steeds bukkende, juichend als +kinderen wanneer ze een heel veldje gevonden hadden, waarop de bessen +onbezoedeld pronkten als wazige kraaltjes. + +--Papa, papa! Proef toch eens! riep Eve opgetogen en verontwaardigd, dat +papa maar doorliep, maar Sir Archibald was reeds ver uit het gezicht, +zoodat ze moesten rennen om hem in te halen. Eve schaterend als een +schelletje en het betreurend, dat ze er zooveel moesten laten staan, +zulke heerlijke groote! + +--Misschien zijn er wel veel bij de hut! troostte Frank. + +--Zoû u denken? riep Eve en helder op lachend: + +--O, wat zijn we toch kinderen! Wat zijn we toch kinderen! + +De weg was breeder geworden, zij stegen dus gemakkelijker de hoogte op, +dikwijls de kronkeling van het pad verlatend en de rotsen opklauterend +om er gauwer te zijn. Eensklaps hoorden zij een luid geroep, en zij +zagen naar boven en bespeurden Sir Archibald staande op de steenmassa, +waarin de weêrhaan geplant was en wuivende met zijne reispet. Zij repten +zich en weldra hadden ook zij de hut bereikt. Eve bonsde op de gesloten +deur. + +--De hut is gesloten! riep Sir Archibald. + +--Hoe dwaas! sprak Eve. Waarom staat ze er dan, als ze gesloten is! En +woont er niemand in? + +--Wel neen, niemand! sprak Sir Archibald, alsof dit de natuurlijkste +zaak ter wereld was. + +Maar Frank hielp Eve de steenen rondom den weêrhaan beklimmen en zij +zagen nu uit, naar het panorama beneden hen. + +--Het is mooi, maar treurig! sprak Eve. + +Het lange fjord lag recht voor hen, als een ranke reep wazig stil water, +omketend door zijne, in regenmist weggrijzende, bergen. In dien mist +waren zij als doorschijnend, schimmen van bergen gelijk, vaag van lijn, +Lauparen en Vengetinder, Troltinder en Romsdalhorn, hoog optreurend in +de nijdig fronsende lucht, die, door stortregen opgezwollen, vuilzwarte +wolken langs hunne koppen voortslierde en in het zwijgende water eene +donkere schaduw neêrsloeg. En de bergen weenden, als ijle roerlooze +spoken, somber droevig en tragisch onder eene ontzachelijke, +bovenmenschelijke smart: een leed van reuzen en azen; het fjord, met +zijn stadje,--wat groezelige vlakjes van dakjes en huizen, en het +vaalwitte châlet van het Grand-Hôtel--het weende, roerloos onder de +zwarte afspiegeling van de lucht: eene spectrale kilheid rees uit de kom +van het fjord op naar die drie menschen in de hoogte, niets, verloren in +het tastbare waas van den nevel, die zwaar op hunne oogleden zonk. De +regen viel niet neêr, maar scheen slechts als vocht af te sijpelen uit +het zwarte floers der wolken, die nog niet scheurden en in het westen +tusschen twee bergen, die zich openden om een streepje van den oceaan te +laten doorschemeren, trilde iets bleekgouds en vaalrozigs, nauwelijks +een paar lijntjes roze en een tikje goud: de aalmoes van een +zonsondergang.... + +Zij wisselden nauwelijks één woord, gedrukt door die bovenmenschelijke +treurigheid, die als mist om hen heen weende. Toen Eve eindelijk sprak, +scheen haar anders zoo helder geluid als van verre te komen, door een +gaas. + +--Kijk, daar is een beetje zon, over de zee ... Men smacht hier naar de +zon ... O, ik woû, dat de zon even doorbrak ... Het is hier zoo treurig, +zoo treurig!.... Wat kan ik me goed Oswalds klacht begrijpen in +"Gespenster", als hij krankzinnig wordt: De zon! De zon! Men zoû hier +bidden om wat zon en men krijgt niets dan dat glansje daar in de +verte.... O, ik ril! + +Zij huiverde werkelijk in de stijve, satijnige plooien gutta-percha van +haar regenmantel; heur gelaat was lang en bleek en hare oogen groot en +verlangend. En zij voelde zich eensklaps zoo verlaten in geheel hare +ziel, dat zij instinctmatig den arm van haar vader greep, in eene +behoefte om zich te dringen aan zijne borst. + +--Ben je koud, kind? Willen we weggaan? vroeg Sir Archibald. + +Zij knikte en zij hielpen beiden haar afstijgen van de steenen. Zij wist +niet waarom, maar zij dacht eensklaps aan hare doode moeder en of die +ook wel eens zich zoo verlaten gevoeld had als zij, trots de genegenheid +van haar vader. Maar toen zij de hut weêr in het oog kreeg, sprak zij in +eens, als met een inval: + +--Papa, er zijn daar namen gesneden in die deur. Laten wij de onze er +ook in snijden. + +--Maar kind, je hebt het koud en je ziet bleek ... + +--Ach neen, toe, laten we onze namen er in snijden. Ik wil het! pruilde +zij dringend, als een bedorven kind. + +--Wel neen, Eve, gekheid. + +--Ach ik wil het! smeekte zij. + +De oude heer gaf echter niet toe, mopperend, maar Frank haalde zijn +zakmes te voorschijn. + +--Mr. Westhove, snijd _u_ dan mijn naam er ook in, alleen: Eve! Het zijn +maar drie letters. Wilt u? vroeg zij zacht. + +Frank had op de lippen te zeggen, dat hij haar naam zelfs zoû willen +snijden, al ware die ook nog zoo lang, maar hij zweeg: het had als eene +banaliteit geklonken, te midden van die treurende natuur. + +En hij korf zijne letters in die deur, die was als een +vreemdelingenboek. Eve stond stil te turen naar het westen, en ze zag, +dat de drie lijntjes goud verbleekten en het roze wegsleet. + +--De zon, de zon! murmelde zij onhoorbaar, rillend, met een bleek lachje +om hare lippen en een vochten blik. + +Er vielen zware droppels regen. Sir Archibald vroeg of zij kwamen en +ging reeds vooruit. + +Eve knikte hem droef glimlachend met hare wimpers toe en naderde Frank. + +--Is u klaar, mr. Westhove? + +--Ja, sprak Frank en korf nog haastig zijne laatste letters. + +Zij zag toe en bespeurde, dat hij voor haar gesneden had: Eve Rhodes, +met zeer nette, gelijke, glad uitgeschaafde karakters. Daaronder stond: +Frank--grof en ruw gehouwen in de haast. + +--Waarom heeft u Rhodes er bij gesneden? vroeg ze en hare stem klonk +zeer gedempt, zeer van verre. + +--Omdat dat langer was, antwoordde Frank eenvoudig. + + +IV. + +Ze waren in een slagregen, een zondvloed, uit al de urnen des hemels +neêrgekletst, teruggekomen, in het Grand-Hôtel, beslikt tot hunne +middels, nat tot op de huid en koud tot op het gebeente. Eve was, na +een warm souper, door papa naar bed verbannen, en zij zaten met hun +drieën, Sir Archibald, Frank en Bertie in het salon, waar nog enkele +gasten, mistroostig over het slechte weêr, zich verveelden met eene +illustratie of een album. De oude heer deed een flinken dut in een +gemakkelijken stoel en Frank keek aandachtig naar de rechte stralen van +den regen, die als een eindeloos gordijn van dikke stalen kralen op het +fjord afkletterden; Bertie nipte aan een warmen grog en bekeek zijne +verlakte muiltjes. + +--En heb je me niet gemist op de wandeling? vroeg hij aan Frank, met een +glimlach, om toch de vervelende stilte in het salon te verbreken. + +Frank zag hem verwonderd aan, als wakende uit een droom, en oprecht +lachend sprak hij kort: + +--Neen.... + +Bertie bleef hem aanturen; maar hij, hij had den blik reeds afgewend, +verloren in zijne aandacht op het kletteren van den regen en eindelijk +nam Bertie zijn open boek weêr op en poogde te lezen. Maar de letters +liepen dronken voor zijne oogen, en zijne gehoorzenuwen trilden nog +onaangenaam onder den weêrklank van dat enkele korte, verwonderde woord, +dat Frank in de stilte van het vertrek had doen vallen als een plomp +stuk lood; het hinderde hem, dat Frank geen aandacht meer aan hem +wijdde. + +Frank bleef uitstaren naar de bergen, nauwlijks zichtbaar achter het +neêrkletsend regengordijn, en hij zag den terugtocht van Moldehoï +opnieuw voor zich: den dalenden weg met hooge, druipende varens, den +slagregen, striemend in hun gelaat als met watergeesels; Eve, omplakt in +haren natten mackintosh, aan zijn arm, zich tegen hem dringend als +zoekend naar bescherming; de oude heer achter hen, voorzichtig met zijn +stok het gladde, mossige pad betastend. Frank had haar zijne eigene +dikke regenjas willen omslaan, maar zij had dit beslist geweigerd: ze +wilde niet, dat hij ziek zoû worden om haar, had ze gezegd, met die +stem, die van verre scheen te komen. En toen, thuis, na zich verkleed te +hebben, hun souper, hun lachen over dien tocht, de angst van Sir +Archibald, dat Eve ziek zoû worden ... Hij herinnerde zich ook nog een +stukje van hun gesprek: zijne vraag, ondanks hemzelven een beetje +verwonderd: + +--Heeft u Ibsens Gespenster gelezen: u sprak immers op Moldehoï van +Oswald? + +Hijzelf ook kende Gespenster toevallig, hij vond het geen boek voor een +jong meisje en zij had zijne verwondering bemerkt; zij had zeer gebloosd +bij haar antwoord: + +--Ja, ik heb het gelezen ... ik lees veel en papa heeft me een beetje +liberaal opgevoed: vind u, dat ik Gespenster niet had mogen lezen? + +Zij had er geen kwaad in gezien, misschien had zij niet alles begrepen, +was verder haar eerlijke biecht geweest. Hij had haar niet durven +zeggen, hoe hij vond, dat de kennis van zulk een drama van hereditaire +fiziologie onnoodig was voor een jong meisje; hij had slechts vaag +geantwoord en toen had zij sterker en sterker gebloosd en was zelfs stil +geworden. + +--Ze zal me als een schoolmeester hebben gevonden, dacht hij +ontevreden. Waarom mag ze niet lezen wat ze wil: ze heeft mijne +permissie niet noodig voor haar lectuur, ze is ontwikkeld genoeg ... Ze +zal me geweldig pedant hebben gevonden. + +--Frank! vroeg Bertie op eens. + +--Wat? antwoordde Frank verschrikt. + +--We gaan morgen weg van hier, nietwaar? + +--Ja, dat was ons plan, ten minste als het weêr beter wordt. + +--Hoe heet die barbaarsche plaats, waar we naar toe gaan? + +--Veblungsnaes; van daar gaan we door het Romsdal en het Gudbrandsdal. + +--En de Rhodes'? + +--Ze gaan naar Bergen ... + +--Ook morgen? + +--Ik weet het niet ... + +En hij verzonk weêr in zijn stilzwijgen, terwijl de natgrijze lucht +daarbuiten eene schemering van melancholie naar binnen wierp, terwijl +ook melancholie diep in zijne ziel viel ... Waartoe genegenheid te +koesteren als men scheiden moest na enkele dagen van sympathiek +samenzijn! Het was zoo op reis met lieve reisgenooten; was het ook niet +zoo in het leven met alles wat men liefhad, was het wel de moeite waard +iets lief te hebben en was alle liefde niet éen groot zelfbedrog, +waarmeê men zich verblindde in de walging der wereld ... + + + + +HOOFDSTUK III. + + +I. + +December in Londen, een koude mist. Een wit waas om White-Rose, in de +achterkamer een groot vuur. Maar Bertie was in geen stemming om van dat +bien-être, waaraan hij reeds gewend was, te genieten; hij beschouwde het +daarenboven als iets geheel en al natuurlijks, dat hem, van rechtswege, +toekwam, omdat hij een fijn gestel had, klein en tenger was, en zich +niet geboren voelde om ellende te lijden. En toch had hij ellende +gekend: de slavernij van dienstbare betrekkingen, waaronder hij met eene +serviele en kruipende diplomatie had weten te buigen; toch wist hij van +de nijping van honger, de goorheid van vunze armoede ... Wat scheen dat +alles lang geleden, vaag als een droom, als de lijnen van dat Londensche +tuingezicht daar buiten, afgestompt in de bleeke vaalte der nevels, o +vaag als een onduidelijk vermoeden van een voorbestaan! Want hij had na +zijne metamorfoze willen vergeten, hij had zich gedwongen te vergeten, +geen seconde aan een verleden, ook niet aan eene toekomst te denken; +hij haatte zijn verleden als eene onrechtvaardigheid, als eene schande, +als eene onuitwischbare vlak op de uiterlijke onberispelijkheid van zijn +heden: iets, dat steeds verborgen, begraven, brutaal ontkend moest +worden, tot hijzelf gelooven zoû, dat het niet bestaan had. En hoe was +hij voor zich geslaagd in deze vernietiging zijner Amerikaansche jaren, +die uitgewischt schenen in de annalen zijner herinnering! + +Waarom moesten die jaren dan nu, langzaam, als spoken, voor zijn geest +oprijzen uit het graf hunner vergetelheid? Waarom kregen zij, eerst +spoken! al meer en meer omtrek, tot zij, duidelijk van lijn, helder +gekleurd dag aan dag, maand aan maand schakelend, opwarrelden in de vlam +van het vuur, waarin hij moedeloos staarde, een doodendans van jaren +gelijk, die hem aangrijnsden als met doodskoppen, met holle oogen en +bleeke tronies, verwrongen door een sluw gemeenen grimlach; jaren, die +hem toewuifden met vuile lompen en zijn reuk ontzenuwden met een goren +stank? Hij zag die jaren, hij rook ze, hij rilde van hunne koude, daar +in den gloed van dat vuur; hij voelde hun honger, trots het souper, dat +hem wachtte.... Waarom? O, was het, omdat de toekomst, die hij eveneens +ontkende, thans begon te dreigen als een onheil, dat iederen dag, ieder +uur, nader en nader kwam, onafwijsbaar, onafwendbaar, en omdat die +toekomst wellicht zoû zijn, als dat verleden? + +Ja, er dreigde iets. En hij bleef daar zitten, ziek van angst, làf, +zonder geestkracht, zonder moed.... Er dreigde iets en hij voelde het +naderen, hem overvallen, met hem strijden op leven en dood, in eene +overspanning van wanhoop: hij voelde zich wankelen, nederzinken, hij +voelde zich gerukt worden uit de fluweelen zachtheid van zijn leven, +neergesmakt worden op straat, zonder dak, zonder iets ... Wat behoorde +hem toe! Het linnen aan zijn lichaam, de schoenen aan zijne voeten, de +ring aan zijn vinger, het was van Frank. Het souper daarginds, zijn bed +boven, het was van Frank. Zoo was het geweest een vol jaar lang en als +hij ooit weg zoû moeten gaan met alleen het zijne, dan zou hij moeten +gaan ... naakt, in den winter. En hij kón niet meer zijn, als hij +geweest was in Amerika, dienstbaar scharrelend van den eenen dag op den +anderen. Zijn lijf en zijne ziel waren beide als geweekt in een bad van +lauwe weelde; hij was geworden als eene kasplant, die, gewend aan de +vochte warmte der serres, vreest in de open lucht te worden gezet. Want +het dreigde, gruwzaam, onbarmhartig: geen seconde was die bedreiging van +hem af, en, in de lafheid zijner verweeking, wrong hij er zachtjes zijne +witte handen om, en drupten er twee tranen langs zijn strak masker van +wanhoop. + +Te strijden voor zijn bestaan! Hij kon het niet meer; zijne energie was +er te zwak voor: eene zwakte, die hij over zich had voelen komen als een +wellust, na zijn getob met het leven, en die hem nu onmachtig maakte, +zich tot een zweem van geestkracht in te spannen! En vóór zich zag hij +de noodlottige keten der, soms oneindig-kleine, gebeurtenisjes zich +opnieuw ontrollen, ieder gebeurtenisje een vreeslijke schakel, soms +leidend tot catastrofes! Hoe ontzettend, dat het eene steeds +voortvloeide uit het andere, de toekomst werd uit het verleden!... Als +zijn vader, na het mislukken zijner indolente studies te Leiden, hem +niet in een administratief betrekkinkje naar eene fabriek te Manchester +verbannen had, dan had hij denkelijk nooit sommige jongelui leeren +kennen, zijne medeklerken aldaar, fashionable boeven en gevaarlijke +strijders voor het leven, nog halve knapen en reeds rot van eene +verdorven jeugd ... Als hij ze niet gekend had--en hoe gemakkelijk +hadden ze, zijne aangeboren neigingen slechts te gemoet komend, hem +medegesleept!--dan had hij misschien toch niet zóó lichtschuwe +geldknoeierijen bij zijne fabriek bedreven, dat zijn patroon, uit +medelijden en vriendschap voor zijn vader, hem naar Amerika geholpen had +... + +Daar was hij het diepst gezonken, ondergegaan in het schuim van +spartelende gelukzoekers ... O, ware hij niet in Amerika verongelukt, +hij zoû niet, in de grootste ellende te Londen gestrand, Franks hulp +hebben ingeroepen. En Frank ... Frank ware zonder zijn drijven niet naar +Noorwegen gereisd, had zonder hem dus Eve niet ontmoet. O, die reis naar +Noorwegen, hij vloekte ze nu, want zonder Noorwegen ware Frank misschien +nooit verliefd geworden en had Frank wellicht nooit gedacht aan trouwen! +En nu ... Frank was gisteren naar de woning van Sir Archibald gegaan, +waar de jongelui na hunne Noorweegsche ontmoeting veel waren gekomen, en +Frank was teruggekomen als de aanstaande van Eve! Frank zoû trouwen en +... hij, Bertie? Waar zoû hij blijven, wat zoû er van hem worden? + +Zwaar gevoelde hij de noodlottigheid van het leven, en de +onrechtvaardigheid der levensaaneenschakelingen en hij zag in, dat hij +zijn eigen ongeluk had opgeroepen door slechts een enkel woord ... Een +enkel woord: Noorwegen! Noorwegen, Eve, Franks liefde, Franks aanstaand +huwelijk, zijn eigen ondergang ... hoe hatelijk duidelijk zag hij die +enkele schakelen zijner levensketen in elkaâr geklonken! Eén woord, uit +eene domme intuïtie geuit: Noorwegen: en hij bewerkte onherroepelijk het +geluk van twee anderen, ten koste van zichzelven! Onrechtvaardigheid, +onrechtvaardigheid! + +En hij vloekte de intuïtie, die geheime domme kracht, waarvan een beetje +is in ieder woord, dat wij uiten, en hij vloekte dit: dat ieder woord, +iedere klank der menschelijke stem, niet overlegd kan zijn. Wat was het +toch, intuïtie? Iets stom en goedigs, een soort zinneloos _beter ik_, +zooals de menschen zeggen, dat, diep verborgen, in het geheim, maar +voortholt als een dol veulen, dwars door de fijnste verwikkelingen der +spinnende gedachte heen! O, had hij maar gezwegen van Noorwegen! Wat gaf +hij om dat eene, noodlottige, land boven alle andere landen? Waarom niet +Spanje, Rusland, Japan, mijn God, Kamschatka, voor zijn part; waarom +juist Noorwegen!! Domme intuïtie, die zijne vervloekte lippen verlokten +te zeggen: Noorwegen, en onrechtvaardigheid van het lot, het leven, van +alles!! + +Energie? Wil? Was dáár tegen te willen en energiek te zijn? Woorden, +niets dan woorden! Hurk fatalistisch neêr als een Arabier, en laat dag +volgen op dag; denk niet na, want onder de gedachte loert ... de +intuïtie! Vechten? Tegen het lot, dat zijne kettingen blind in elkaâr +voegt, schakel aan schakel? + +Hij wierp zich woest achteruit in zijn stoel en steeds wrong hij +zachtjes zijne handen, steeds drupten twee tranen van zijn oog. En hij +zag zijne lafheid voor zich staan, hij staarde zijne lafheid in de bange +oogen, zonder haar te veroordeelen. Want hij was zooals hij wàs, hij was +laf en kon zich niet veranderen! De menschen noemden iemand, die was als +hij: _laf_; dat was een woord! Waarom was laf: slecht; eerlijk en +moedig: goed en mooi? Alles conventie, overeengekomen begrippen, zooals +de geheele wereld éen conventie, éen hersenschim was. Er was niets, +niets! + +Maar er was toch iets: ellende, armoede! Hij had die gevoeld, met ze +gevochten, lijf aan lijf, en hij was daar nu te zwak voor, te teêr, te +fijn! Hij _wilde_ niet! + +Toen, achteruit geleund, het bleeke hoofd rustend op den fluweelen rug +van den fauteuil, zijne diepe, zwarte oogen troebel van het gift der +gedachten, voelde hij door zijne zwakte een zachten, gelijkmatigen, +electrischen stroom gaan, een stroom van wil. Het noodlot had gewild, +dat hij Eve en Frank samen zoû brengen; welnu, hij, armzalige speelbal +van dat lot, hij zoû _willen_, dat ... + +Ja, hij zoû willen, dat ze gescheiden wierden. + +Het rees daar vast voor zijn blik, dat voornemen, ijzig en streng, een +boos beeld van satanische slechtheid gelijk, dat raadselachtig voor hem +staan bleef. En het zag hem aan met oogen als van eene sibylle, als van +een sfinx, en rondom de reusachtige boosheid van het beeld, zonken zijne +vorige overmijmeringen weg in een afgrond: de doodendans der jaren, de +aaneenschakeling der noodlottigheden en zijne vervloekingen tegen dat +alles.... Het verzonk en alleen het beeld bleef, als een spook, bijna +tastbaar en bijna zichtbaar opdoemend tegen den zwijmenden gloed van het +stervende vuur in de duisterende kamer. En de somber vragende blik van +het beeld hypnotiseerde hem en zijn instinct sluimerde onder het +verpletterende gewicht er van in ... Vriendschap? Dankbaarheid? Woorden! + +Er was niets dan conventie en ... armoede. En dan--was er dat beeld, +dáár, vóór het vuur, vóór zijne vergroote, starre pupillen, versteend, +tot een opdoemsel van zwijgend, aanstarend en helsch magnetisme. + + +II. + +Dien nacht,--hij zag Frank niet meer, want Frank was blijven dineeren +bij de Rhodes'--sliep hij niet in, opgezweept door de wildste gedachten. +Romantische voornemens zwierden door zijne koortsachtige verbeelding +heen, zonderlinge stemmen gonsden aan zijne ooren, die suisden als +schelpen der zee ... En hij zag zichzelven met Eve, zittende in eene +cab: zij reden door de somberste en smerigste van Londens achterbuurten; +havelooze gestalten rezen rondom hen op, Eve naderend, en hijzelf +lachte, nu hij haar zag meêgesleurd worden door mannen met dierlijke +gezichten, en hij zag haar terugkeeren, snikkende met flarden van +kleêren en onteerd.... Een zware hoofdpijn begon te hameren in zijne +hersens en hij kreunde, in eene moeilijke poging om de woeste +overdrijvingen zijner fantazie te breidelen; hij stond op, over zijne +oogen wrijvend als om het gezicht van dat melodrama te verdrijven en hij +bette zijn gloeiend hoofd in een druipend natten handdoek. Onwillekeurig +zag hij in den spiegel en zijn gelaat, in het glas flauw verlicht door +het nachtlichtje, staarde hem doodsbleek toe, lang en uitgetrokken, met +groote donkere gaten van oogen en een open mond. Zijn hart klopte, als +wrong het zich naar zijne keel op en hij drukte het zwaar met beide +handen neêr.... Toen een glas water en hij legde zich weêr neêr, zich +dwingende tot kalmte. Fijnere overleggingen sponnen nu als draden door +zijn geest, die draden hechtend van punt tot punt; weefsels knoopten er +hunne mazen samen als een onontrafelbaar kantwerk; en zijne fantazie +stapelde de peripetieën van moeilijke intriges op elkaâr, als ware hij +een dichter geweest, die in een slapeloozen nacht van hersenhelderheid +een drama opbouwt, nooit tevreden met zijne samenstelling telkens weêr +overwerkt om eene vaste conceptie in zijne gedachte te hebben, voor hij +schrijven gaat. Nu zag hij de orgies van vroeger zich herhalen, beneden, +in de groote achterkamer; hij zag de skatingrinkjes en Frank en hijzelf +wierpen weêr champagne in hunne lijfjes, en zij lachten en zongen. Maar +de deur ging plotseling open en Sir Archibald verscheen met Eve, +hangende aan zijn arm; Sir Archibald vloekte met groote woorden en +breede gebaren tegen Frank, die het hoofd boog; en Eve wierp zich +tusschen hen in, op de knieën, met smartelijke woorden en smeekend +opgeheven handen. Het was als de finale van het vierde bedrijf eener +opera en het suizen in Bertie's ooren, het hameren in zijn pijnlijk +hoofd, was als het samen opdonderen van een vol orkest, omhooggezwaaid +door de maatgebaren van een zenuwachtigen directeur, met een hard, schel +geluid van veel koper. + +Bertie kreunde, zich wentelend om en om, nógmaals zich dwingend tot het +uitdichten van zachtere tafereelen en het werd nu als een modern +tooneelspel: Eve, opmerkzaam gemaakt door hèm, Bertie, op Annie, de +mooie jonge vrouw, de meidhuishoudster van White-Rose, Eve's jaloezie en +de groote scène: Eve, Frank vindend in Annie's armen.... + +Ziek van zijn denken, walgend van zijne eigen verwikkelingen, dreef hij +dat alles van zijne oogen weg, want eene afmatting sloop over hem; zijne +wildheid stilde zich, omdat zijn geheele hoofd nu gloeide, klopte, +bonsde; omdat pijnlijke trekkingen, als werd hij gescalpeerd, van zijn +voorhoofd over zijn schedel tot in zijn nek liepen, omdat zijne slapen +aan weêrszijden van die trekkingen met eene regelmatige pijn het bloed +in de slagaderen hoog deden opspringen. En in de momenteele marteling +zijner physieke smart, stortte zijn trots, die het noodlot zoû tarten, +in elkaâr als een verbrokkelde toren, zonk zijne verbeelding uitgeput +neêr, vergat hij zijne wanhoop over de toekomst; machteloos en klam van +zweet bleef hij roerloos liggen, zijne oogen wijd open, zijn mond open +en de twijfeling zijner matheid bescheen als met een zachter licht al +zijne verdichtselen: onzinnigheden, die nooit naar waarschijnlijkheid +zouden zweemen. Het ging dan maar zooals het ging, dacht hij nog flauw; +de toekomst was nog in het verschiet, hij zoû niet meer aan ze denken, +hij zoû zich laten voortslepen door de keten der aaneenschakelingen; het +was krankzinnigheid de vuist te ballen tegen het fatum, zoo machtig, zoo +oppermachtig ... + + +III. + +De volgende dagen gingen voor Bertie voorbij, terwijl eene vage +verschrikking boven zijn hoofd hing. En hij bukte dat hoofd zonder +gedachten voortaan, slechts met eene troebele woeling onder in den +schijnbaar stillen poel van zijn hart. Hij kwam een enkelen keer met +Frank bij de Rhodes' en eens zeide Eve, zijne hand nemend: + +--We zullen goede vrienden zijn, nietwaar? + +Hij hoorde ook, nadat zij gesproken had, die klanken als klokjes in +zijne ooren hangen; werktuigelijk liet hij zijne fluweelen oogen op de +hare rusten, glimlachte hij, en duldde hij, dat zij hem meêtrok naar een +divan om hem teekeningen te laten zien van meubels en gordijnen, voor de +nieuwe inrichting van hun huis, het huis van Frank en het hare. Frank +zat op eenigen afstand, pratend met Sir Archibald, een glas liqueur in +zijne vingers. Hij zag even naar hen op, broederlijk naast elkaar +zittende in de gecapitonneerde weekheid van den divan, hunne hoofden tot +elkaâr toe buigend over het ritselend karton der platen, soms hunne +vingeren elkaâr even beroerend. Zijne wenkbrauwen trilden even, als in +een frons, een rimpel van ontevredenheid, éven maar. Want hij lachte Eve +toe en sprak: + +--Bertie zal je goed kunnen helpen: hij heeft veel meer smaak dan ik ... + +En het was hem of zijne woorden ondanks hemzelven van zijne lippen +vielen, of hij iets anders had willen zeggen dan die vleierij en niet +gekund had. En onder zijn gesprek over politiek met Sir Archibald, +dwaalden zijne oogen telkens naar henbeiden heen, magnetisch +aangetrokken door hunne vertrouwelijkheid. + +Het was in Eve eene zachte zusterlijkheid, een zachte geur van sympathie +voor den vriend van haar aanstaande, iets romantisch teeders voor het +mysterie van Bertie's diepzwarte oogen en smeekende stem, een medegevoel +voor al het interessante, Byroniaansche leed, dat zij hem toedichtte: +iets als de aesthetische ontferming van eene gevoelige lezeres over een, +door geheime zielepijn gemartelden, romanheld. Het was eene poëtische +vriendschap, die in hare ziel zeer harmonisch opwoog tegen hare liefde +voor Frank: eene liefde, als zij in hare jonge-meisjes-dweperijen nooit +had vermoed te bestaan, en, zoo zij ze had kunnen vermoeden, zeker nooit +had gedacht te zullen opnemen in háár: eene liefde, kalm, rustig, +groot, bijna practisch en huiselijk, zonder de minste romantiek; eene +liefde, niet blind voor Franks gebreken, maar hem liefhebbend òm die +fouten, zooals eene moeder haar ondeugend kind bemint. Zij zag zijne +indolentie bij elke wilsinspanning, zijne vage weifeling bij elk +besluit, zijn slingeren tusschen dit en tusschen dat, en zij verheelde +zich niet die zwakte, maar juist die zwakte was haar een lief contrast +met het koel practische, nuchter vriendelijke van papa, papa, die haar +wel bedierf, maar toch nooit zoo ver als zijzelve wel wilde. Dan was er +nog een contrast, en dit behaagde haar het meeste, dit deed haar het +meeste liefhebben, dit had haar geheele hart gevuld met eene bekoring, +die passie was geworden: een contrast in Frank zelven, het contrast van +de zwakke weifeling zijns karakters en den forschen bouw zijner +gestalte. Zij vond er, vrouw die ze was, iets aanbiddelijks in, dat die +mooie sterke jongen, met zijne breede borst en breede schouders, met +zijn krachtigen donkerblonden kop op den stevigen nek, die man, wiens +lichtheid en beslistheid van gebaren, van iets te verzetten of aan te +raken, eene zeer geoefende lichaamskracht verrieden, dat die zelfde man +zoo zwak was in zijne wilsuitingen en flauw in zijne handelingen. Was +zij alleen en dacht zij er over na, dan moest zij er om glimlachen en de +tranen kwamen er haar van in de oogen, tranen van zacht geluk, want zij +was er zacht gelukkig om, om dat contrast. Het was wel vreemd, dacht ze. +En ze begreep het niet; het was een raadsel voor haar, maar ze zocht het +niet op te lossen, want het was haar een lief raadsel en als zij er aan +dacht, met haar glimlach en hare vochte oogen, verlangde zij alleen hem +in hare armen te omhelzen, haar Frank ... + +En zij verheerlijkte hem niet, zij dacht niet meer aan platonische +tweelingzielen en hemelsche zielsverrukkingen; zij nam hem aan, zooals +hij was, mensch en man, en omdat hij zoo was, aanbad ze hem, kalm en +rustig in die aanbidding. En ze wist, dat al werd het romaneske in haar +ook later niet meer voldaan--zooals het nu voldaan werd door hare +zusterlijke vriendschap voor Bertie--zij er niet om zoû treuren, in hare +volle liefde voor Frank. Maar omdàt op dit oogenblik geheel haar wezen +voldaan werd, was zij geheel en al tevreden en voelde zij die zonnige +lichtheid in zich en om zich, die men geluk mag noemen. + +Zoo was het haar ook nu, terwijl zij die platen zag met Bertie, en Frank +daar zat te praten met haar vader. Haar lieve man daar, haar broêr hier! +Zoo was het goed; nooit zoû ze iets anders verlangen dan zoo in +hare liefde en in hare vriendschap gelukkig te zijn. Glimlachend +zag zij op Bertie neêr, beschermend en medelijdend, en toch met een +tikje kleinachting en spot om zijne tengere, jongensachtige gestalte, +zijne witte handen en brillanten ring, zijne smalle voeten in verlakte +schoentjes, nauwelijks iets grooter dan de hare; wat was hij toch een +net, klein mannetje, altijd onberispelijk in zijn uiterlijk en zijne +manieren, en dan met dat waas van weemoed over geheel zijn wezen! + +Raad gevend omtrent een ameubelement en van eene plaat naar haar +opziende, zag Bertie dien glimlach om Eve's lippen, dat beschermend +spotachtige en tegelijk zusterlijk lief hebbende en daar hij wist, dat +zij hem gaarne mocht, begreep hij er iets van; toch vroeg hij: + +--Waarom lach je zoo? + +--Om niets, antwoordde zij en zij vervolgde, hem koesterende in haar +glimlach: + +--Waarom ben je toch geen artist geworden, Bertie? + +--Artist? vroeg hij verwonderd. Wat dan? + +--Schilder bijvoorbeeld, of schrijver. Je hebt veel artistieken +smaak.... + +--Ik? vroeg hij, nogmaals zeer verwonderd, want hij wist volstrekt niet, +dat er iets zeer curieus aesthetisch in hem was: eene verfijndheid van +smaak slechts aan eene vrouw of een kunstenaar eigen, en hare woorden +deden hem zijn eigen karakter in een nieuw licht zien: kende een mensch +dan nooit zichzelven, en was dàt waarlijk in hem! + +--Ik zoû niets kunnen! sprak hij, een beetje gevleid door Eve's woorden +en in zijne verbazing, ondanks zichzelven, eensklaps zeer oprecht, +voegde hij er bij: + +--En ik zoû er te lui toe zijn.... + +Hij schrikte van zijne eigen woorden, als had hij zich bloot gegeven en +instinctmatig zag hij op naar Frank, of die hem ook gehoord had.... +Geërgerd op zichzelven bloosde hij en lachte om zijne verlegenheid te +verbergen, terwijl zij, verwijtend en steeds met haar glimlach, heur +hoofdje schudde. + + +IV. + +Toen Frank en Eve later even alleen waren en Eve de modellen toonde, die +Bertie had aangeraden, begon Frank: + +--Eve.... + +Zij zag hem vragend aan, stralend van haar rustig geluk. + +Het woelde in zijn hoofd; hij had veel met haar willen spreken, over +Bertie. Maar eensklaps herinnerde hij zich zijne belofte aan zijn +vriend: nooit het ware over hem te zullen openbaren ... Frank was +iemand, die een gegeven woord naïfweg onschendbaar achtte en hij zag +eensklaps in, dat hij niet zeggen mocht, wat hij had willen zeggen ... +En toch: hij herinnerde zich zijne huivering, op Moldehoï, toen Eve zoo +vertrouwelijk hare, ten gunste van Bertie veranderde, meening had geuit +... Had hij niet iets gevoeld alsof de zwarte wolken een symbool schenen +van onheil, dat haar boven het hoofd hing? En had hij, terwijl zij daar +op dien divan gezeten waren, niet die, zelfde huivering, als eene slang, +over zijne huid voelen sluipen? Het was een instinctieve angst geweest, +onverwachts opschietend, zonder inleidende gedachten. Moest hij spreken, +haar zeggen hoe Bertie was? Hij had Bertie toch beloofd ... En het was +eene dwaze bijgeloovigheid zulke ongemotiveerde angsten over zich te +laten heerschen. Bertie was wat anders dan gewone menschen, Bertie was +zeer lui en leefde te gemakkelijk op kosten van anderen--iets, dat +Frank niet begreep en waarover hij in zijne goedigheid slechts +glimlachend het hoofd schudde, als over eene onverklaarbare +curioziteit--maar Bertie was niet slecht ... Eigenlijk verborg hij, +Frank, dus Eve niets dan dat Bertie geen geld had.... Wat had hij dan +willen zeggen en wàt woelde er eigenlijk in zijn hoofd.... + +Eve zag hem echter aan met groote oogen, en hij moest spreken. Toen +begon hij, gedwongen ondanks zichzelven, gedwongen door eene vreemde +macht, die hem zijne woorden als voorzeide: + +--Ik woû je zeggen.... je zal me misschien dwaas vinden ... maar ik vind +het niet aangenaam.. ik vind het niet goed.... + +Zij zag hem steeds met groote oogen aan, verwonderd glimlachend om zijn +stamelen. Het was dat onbesliste, in haar oog zoo lief afstekend tegen +zijne lichamelijke forschheid ... En zij zette zich op zijne knie, +leunend tegen hem aan en hare stem klonk als een rythme van liefde: + +--Wat dan toch, Frank? Mijn beste Frank, wat toch? + +Hare oogen lachten in de zijne, ze boog hare armen los om zijn hals, +hare vingers strengelend, en nogmaals vroeg ze: + +--Maar zeg het dan, gekke jongen, wat is er dan? + +--Ik hoû er niet van, dat je ... dat je altijd zoo met Bertie zit ... + +Zijne woorden wrongen zich uit zijne keel, zonder dat hij ze wilde +uiten, en nu ze gesproken waren scheen het hem toe, dat hij iets anders +had willen zeggen. Eve was zeer verbaasd. + +--Zoo met Bertie zit! herhaalde ze. Hoe zit ik dan met Bertie? Heb ik +iets gedaan, dat niet goed was? Of ... zeg, Frank, ben je zoo +verschrikkelijk jaloersch? + +Hij trok haar vast tegen zich aan, kuste haar en hij mompelde: + +--Ja ... ja ... ik ben jaloersch ... + +--Maar op Bertie, je besten vriend, waarmeê je samen woont! Op dien ben +je toch niet jaloersch! + +--Ja ... jawel ... op hem ... + +Zij lachte eensklaps helder en meêgesleept door haar eigen lach, +schaterde zij het uit, steeds op zijne knie, met haar hoofd op zijn +schouder. + +--Op Bertie! lachte zij. Hoe is het mogelijk! O, o, op Bertie! Maar ik +beschouw hem zoo als een aardig jongetje, bijna als een meisje ... Hij +is zoo klein en hij heeft zulke mooie handjes! O, o! Ben je jaloersch op +Bertie?! + +--Lach zoo niet! mompelde hij, zijne wenkbrauwen fronsend; waarlijk, ik +meen het, je bent zoo intiem met hem.... + +--Maar hij is je beste vriend! + +--Ja, dat kan wel zijn, maar toch ... toch ... + +Zij begon weer te lachen, ze vond hem allervermakelijkst en tevens had +ze er hem zeer lief voor, dat hij zoo mopperde en zoo jaloersch was. + +--Gekke jongen! lachte zij en hare vingers speelden met zijne blonde, +goudschitterende snor. Wat ben je dwaas, o wat ben je toch dwaas! + +--Maar beloof je me ... hernam hij. + +--O zeker, als ik je daarmeê gerust stel ... Ik zal meer op een afstand +zijn ... Maar het zal me wel een heele moeite kosten, want ik ben zoo +gewend aan Bertie ... En Bertie mag het toch ook niet merken, dus blijf +ik heel vriendelijk tegen hem ... Neen, neen hoor, vriendelijk blijf ik +tegen hem! Gekke jongen, die je bent! Ik heb nooit geweten, dat je zoo +dwaas kon zijn! + +En zij schaterde helderder dan ooit, terwijl zij, in hare verliefde +vroolijkheid, zijn hoofd heen en weêr schudde, hare beide kleine handen +warrend in zijn dik haar. + + +V. + +Frank was Bertie in den laatsten tijd als een lastpost gaan beschouwen. +Hoewel hijzelf niet begreep waarom, zag hij zijn vriend ongaarne met Eve +samen en door hunne intimiteit kwam dit bijna dagelijks voor. Daarbij +had Eve het goed voorzien, dat zij zeer moeilijk zich tegen Bertie +anders kon gedragen dan zij tot nog toe gewoon was geweest te doen. +Intusschen, Bertie moest het dulden, dat Frank zeer koel tegen hem werd. +Na eene escapade van drie dagen was deze koelheid duidelijk gebleken: +Frank, die gewoonlijk na zulk eene geheimzinnige vlucht nieuwsgierig +uitvroeg, waar Bertie toch gezeten had, vroeg ditmaal ... niets. En +Bertie beloofde zichzelven, dat _deze_ escapade de laatste zoû geweest +zijn. + +Daarna was het gesprek gekomen, waarvoor Bertie zoo gevreesd had; op een +vertrouwelijk oogenblik had Frank gesproken over zijn aanstaand huwelijk +en zijn vriend gevraagd wat hij van plan was hierna te doen. + +--Je begrijpt, beste jongen! waren Franks zachte woorden geweest; dat ik je +met alle pleizier aan iets helpen zal: eene betrekking hier of in Holland. +Ik heb wel eenige connecties ... En, zoolang je nog niets hebt, zal ik je +natuurlijk niet zonder bijstand laten, daar kan je op rekenen. Maar ik huur +White-Rose niet meer in: Eve vindt het hier wat ver-afwonen en geeft de +voorkeur aan Kensington, zooals je weet ... We hebben intusschen een +gezelligen tijd samen gehad, niet waar? + +En hij had Bertie op den schouder geklopt, dankbaar voor het +kameraadschappelijk leven, dat zij tusschen deze muren genoten hadden en +zelfs met een klein beetje medelijden voor dien armen jongen, die zich +de genietingen der weelde zoo aangenaam liet welgevallen en die, helaas! +geen weelde had. Verder drong hij echter niet in Bertie's +gemoedstoestand door: Bertie was immers gewend aan een vie de bohême: na +ellende had hij weelde gekend; nu zou het leven weêr een beetje minder +gemakkelijk voor hem worden: dat was alles. + +Bertie zelf, walgend van de harteloosheid zijner eerste overpeinzingen, +liet zich doelloos meêsleepen van dag op dag, zonder meer aan zijne +intriges te denken. Daarbij had hij soms het naïeve geloof, dat het lot +hem in het laatste oogenblik toch gunstig zou blijken te zijn: zijn +fatalisme was als een godsdienst, die hem sterkte en hoop gaf. + + +VI. + +Eens echter dacht hij, dat alle hoop hem begeven zoû: het gevaar dreigde +onmiddellijk. + +--Bertie! sprak Frank, die thuis kwam, zeer opgewonden. Je zoû morgen +met den dag kunnen geholpen zijn. Een van onze clubvrienden, Tayle, je +weet wel, zocht, naar hij mij zeide, iemand als particulier secretaris +bij zijn vader, Lord Tayle. De oude man woont op zijn kasteel in +Northumberland, is altijd ziek en is wel wat lastig, naar zijn zoon me +verteld heeft, maar toch schijnt het mij toe, dat je niet gauw zoo iets +terug zal vinden ... Je zoû een toelage van tachtig pond krijgen, en +natuurlijk op het kasteel wonen. Ik had er al dadelijk met Tayle over +gesproken, als je me niet vroeger verzocht had ... + +--Heb je mijn naam genoemd? vroeg Bertie, haastig en bijna beleedigd. + +--Neen, antwoordde Frank, verwonderd over zijn toon. Ik heb niets willen +voorstellen, voordat ik je gesproken had. Maar beslis nu gauw, want +Tayle had reeds twee anderen op het oog. Als je echter nu nog niet +beslissen kan, zal ik dadelijk naar Tayle toerijden: mijn rijtuig wacht +... + +En hij greep reeds zijn hoed. + +Tachtig pond, eene betrekking als secretaris met vrij wonen op een +kasteel, wat zoû het Bertie vroeger als met glans verblind hebben, +vroeger in Amerika. En nu ... + +--Beste Frank! sprak hij koel. Ik ben je dankbaar voor je goede +bedoelingen, maar doe geen moeite voor mij. Ik kan zoo iets niet +accepteeren. Zend je rijtuig maar weg.... + +--Wat! riep Frank, ontzet van verbazing. Wil je er niet eens over +denken! + +--Dank je hartelijk. Als je me niets beters hebt aan te bieden dan eene +dienstbare betrekking bij den vader van iemand, waarmeê je mij als +gelijke hebt laten omgaan, dan bedank ik je er voor! Om een bagatel van +tachtig pond 'sjaars ga ik me niet opsluiten als schrijfknecht bij een +ouden, zieken, brommigen man. Daarbij, wat zoû Tayle van me denken! Hij +heeft me gekend als jouw vriend en heeft als zoodanig met me omgegaan. +En nu zoû hij me terugvinden als loontrekkende van zijn vader. Ik kan +niet zeggen, dat je veel fijn gevoel hebt, Frank. + +Het duizelde hem, terwijl hij zoo sprak; nog nooit had hij zulk een toon +van hoogmoed tegen Frank aangeslagen, maar het waren als kreten van +wanhoop, geslaakt in de zwijmeling van zijn valschen trots. + +--Maar, mijn God, wat wil je dan! riep Frank. Je kent al mijne +kennissen, en door mijne kennissen moet ik je toch aan iets helpen. + +--Ik wil niet geholpen worden door iemand, wie ook, van onze +clubgenooten, ook niet door iemand van de personen bij wie je mij +gepresenteerd hebt. + +--Dat maakt het geval moeilijk! sprak Frank, schamper lachend, terwijl +eene groote woede in hem begon op te borrelen. Dus je wilt niet? + +--Neen, ik wil niet. + +--Maar wat wil je dan? vroeg Frank kort. + +--Op het oogenblik: niets. + +--Ja, op het oogenblik, goed. Maar later? + +--Dat zal ik wel eens zien. En als jij niet kiescher kan zijn ... + +Hij hield op, schrikkende van zijn eigen toon, schijnbaar meesterachtig +hoog, en inderdaad zoo opzwellend door de wanhoop van luiheid en trots. +Zij zagen elkander eene pooze aan, en het werd hun eensklaps alsof zij +beiden vele stille grieven tegen elkaâr koesterden, grieven, die zich +hadden opgestapeld onder de vriendschappelijkheid van hun samenzijn, +grieven, die zij op het punt waren elkaâr in het gezicht te smijten als +lage beleedigingen. + +Toen werd Bertie meester van zichzelven. Hij bedacht zich of hij zich +niet vergeten had. En hij glimlachte en stak zijne handen uit: + +--Vergeef me, Frank! smeekte hij met zijne stem als gedempt goud, met +zijn lieven glimlach. Ik weet, dat je het goed met me bedoelt. Ik zal je +nooit, neen nooit kunnen vergelden wat je voor mij gedaan hebt. Maar +_dit_ kan ik heusch niet aannemen. Liever word ik weêr kellner of +conducteur op een tram. Vergeef me, als ik je ondankbaar schijn. + +Zij verzoenden zich. Maar Frank vond dien trots van Bertie belachelijk +en leed er onder, dat dit alles een geheim voor Eve moest blijven; hij +had zoo gaarne Eve hierin geraadpleegd. En meer en meer zag hij met +fronsende wenkbrauwen en knippende oogen naar henbeiden. Eve en Bertie, +als zij des avonds in het zachte, blauw omkapte licht der lampen naast +elkander zaten, pratend als broêr en zuster. Het was als eene geheime +onreinheid. Dan moest hij zich geweld aandoen niet uit te schreeuwen, +dat Bertie een klaplooper, een gemeen sujet was, zich geweld aandoen hen +niet te scheiden van elkander, hen niet te rukken uit de rustig +glimlachende en schuldelooze intimiteit van hun gesprek over meubels en +draperieën. + + +VII. + +Na deze mislukte poging om Bertie te helpen; deed Frank geene moeite +meer, rekenend, dat, als de nood drong, Bertie zelf wel weêr om zijn +voorspraak smeeken zou. Maar na Bertie's weigering scheen het, dat Frank +voor het eerst de scheeve verhouding inzag, waarin hij Bertie geplaatst +had tegenover zichzelven en de maatschappij; zijne goedigheid om een +armen vriend een jaar lang te hebben laten leven als een vermogend +jongmensch, scheen hem nu, verlicht in de klaarte zijner mooie liefde, +die geheel zijn innerlijk wezen had gelouterd, vernieuwd, herschapen, +eene ontzettende onzedelijkheid toe; een trappen op alle wetten der +eerlijkheid en waarheid, eene immoreele spotdrijverij met het goed +vertrouwen der wereld. Vroeger had dit alles hem vermaakt, maar nu +achtte hij zich klein, laag, óoit zulk vermaak te hebben kunnen genieten +... En hij begreep, dat hijzelf Bertie's valschen trots om niets van +hunne gezamenlijke champagne-vrienden aan te nemen, als eene giftige +woekerplant had aangekweekt. + +De dagen schakelden zich aan elkaâr en Frank kon zich niet schudden uit +de zelfontevredenheid, die hem iederen dag meer en meer omknelde. Bertie +sloeg eene schaduw over het geluk zijner liefde. Eve zag, dat een dof +leed hem stilzwijgend maakte, hem lang peinzend deed neêrzitten met +gefronste wenkbrauwen en een breeden rimpel, dwars over zijn voorhoofd +heen. + +--Wat is er, Frank? vroeg ze. + +--Niets, lieveling ... + +--Ben je nog jaloersch? + +--Neen, ik zal me verbeteren ... + +--Zie je, het is je eigen schuld. Wanneer je me Bertie vroeger niet +altijd zoo geprezen hadt als je beste vriend, zoû ik nooit zoo intiem +met hem geworden zijn ... + +Ja, het was wel zijne eigen schuld: hij zag dat klaar in. + +--En ben je nu meer over me tevreden? vroeg zij lachend. + +Hij lachte terug; het was waar: zij had tegenwoordig, terwille van +Frank, bruske veranderingen tegenover Bertie, verliet in eens, terwijl +hij nog sprak, den divan, waarop zij samen zaten, gaf hem telkens +ongelijk, verweet hem zijne fatterigheid, hield hem voor den gek met +zijne kleine handjes. Hij zag haar dan verbaasd aan, meende, dat ze met +hem coquetteerde, maar begreep er niet het rechte van. Zoo had zij ook +eens, gedurende een uur achtereen, hem overladen met kleine +hatelijkheden, speldeprikken, die ze meende, dat Frank zouden +geruststellen en Bertie niet te zeer zouden kwetsen. Sir Archibald, in +een gesprek over heraldiek, wilde kort daarna den beiden vrienden de +genealogische platen van zijn familieboom laten zien; Frank stond reeds +op, om hem naar zijn kabinet te volgen, Bertie ook. Eve had een beetje +medelijden met Bertie, wien zij meende dezen keer al te zeer geplaagd te +hebben; zij wist, dat Sir Archibalds genealogische gesprekken hem niet +interesseerden en zei: + +--Laat Bertie maar hier, papa; Bertie weet toch niets van heraldiek. + +En om Frank, die zijn ijverzucht niet dorst te doen blijken, tegelijk te +troosten, voegde zij er schertsend bij, met een geruststellend trillen +harer lange wimpers: + +--Frank vertrouwt ons wel samen, nietwaar? + +Hare stem was zoo eenvoudig, haar blik zoo lief, dat Frank haar +toelachte, gerustgesteld, maar toch heimlijk geërgerd, dat Bertie weêr +was gaan zitten. En toen zij alleen waren, begon Bertie: + +--Foei, foei, wat plaag je me toch tegenwoordig, Eve. + +Zij lachte en bloosde, voor zichzelve verlegen, dat zij hem zoo plaagde, +om Frank. Maar Bertie's gelaat was ernstig geworden en met een lief +gebaar vouwde hij zijne handen samen en smeekte hij: + +--Beloof me, dat je het niet meer doen zal.... + +Zij zag hem aan, verbaasd om zijn ernst. + +--Het is immers maar gekheid! sprak ze. + +--Maar eene gekheid, die me pijn doet! murmelde hij terug. + +Zij bleef hem aanzien, hem niet begrijpend. Hij zat in-een gedoken, het +hoofd op de borst, zijn oogen starend voor zich uit, en zijn dun bruin +haar, dat een weinig op zijn voorhoofd neerkrulde, scheen te plakken +aan zijne slapen, in enkele pareltjes zweet. Hij was blijkbaar zeer +ontroerd. Hij wist niet waarop dit gesprek zou uitloopen, maar hij +gevoelde toch, dat zijn toon zeer ernstig was geweest, dat die eerste +zinnen de prelude van een belangrijk onderhoud zouden kunnen worden. Hij +gevoelde, dat dit oogenblik bestemd was een kostbaren schakel aan zijne +levensketen vast te klinken en hij wachtte, fatalistisch geduldig, op de +gedachten, die in zijn brein zouden ontluiken, op de woorden die van +zijn tong zouden glijden. Hij sloeg zichzelven in zichzelven gade, en +tevens omwikkelde hij Eve in een windsel, zooals eene spin eene vlieg +omwindt in den draad, dien zij uitweeft. + +--Zie je, ging hij langzaam voort; ik kàn het niet van je velen, dat je +me plaagt ... Het is net of je minder van me houdt dan vroeger ... Ik +kan het toch niet helpen, dat ik kleine handen heb ... + +Zij moest glimlachen om het gewild kinderlijke, gewild coquette van zijn +toon: dat beetje aanstellerij van behaagzieke kinderachtigheid, die zij +doorzag, maar zij sprak toch: + +--Nu, ik vraag je vergiffenis voor mijn plagen! Ik zal het niet meer +doen ... + +--Hij was echter opgestaan, doende of hij hare uitgestrekte hand niet +zag en stil ging hij voor het raam staan, ziende naar het, in mist +uitgevaagde, parklandschap van Kensington Gardens. Zij bleef zitten, +wachtende tot hij iets zeggen zoû. Maar hij zweeg. + +--Ben je boos, Bertie? Langzaam keerde hij zich om. Schuin viel het +bleeke daglicht langs de meubelgordijnen op hem en het gaf eene lijdende +tint, eene matheid van dof porselein aan zijn fijn gelaat. Zeer +zachtjes, met een diep smartelijken glimlach, schudde hij ontkennend het +hoofd. En voor de romantiek harer ziel gaf de smart van dien glimlach +hem de poëzie van een jongen god of een gevallen engel: het hemelsch +zachte van een mythologisch wezen zonder sekse, zooals zij in hare +geïllustreerde dichters gezien had: mannelijk van gestalte, vrouwelijk +van gelaat. Zij wilde hem smeeken haar die smart uit te storten, en het +zoû haar in dit oogenblik nauwelijks verwonderd hebben, zoo het +geklonken hadde als een gerythmeerde monoloog, als eene lange klacht in +blankverzen ... + +--Bertie, mijn beste jongen, wat is er? vroeg zij. + +Hij bleef daar staan, zwijgend, in het schuine, bleeke licht, wetend, +dat het hem bijna theatraal bescheen. En zij, gezeten in het +halfduister, zag, dat hij, in dat licht, vochtige oogen kreeg. Zij ging +naar hem toe, geroerd; zij vatte zijne hand, zij dwong hem te zitten, +naast haar. + +--Zeg het dan, Bertie: heb je verdriet? Kan je het mij niet vertellen? + +Weêr schudde hij, zachtjes, smartelijker glimlachend, het hoofd. En hij +sprak ten laatste met eene klanklooze stem: + +--Neen, Eve, ik heb geen verdriet. Ik kan geen verdriet meer hebben: +geen verdriet méér. Maar ik ben alleen maar treurig, omdat we zoo gauw +zullen scheiden en omdat ik zooveel van je hoû ... + +--Scheiden? Waarom, waar ga je dan naar toe? + +--Ach, dat weet ik niet, beste meid. Ik blijf, tot je getrouwd bent en +dan ga ik weg: hier en daar zwerven, heel alleen ... Zal je nu en dan +eens aan me denken? + +--Maar Bertie, waarom blijf je dan niet in Londen? + +Hij zag haar aan. Eerst had hij gesproken zonder te weten, waarop hij +doelde, zich latende slingeren door het toeval. Maar nu, met dien blik, +dien zij beantwoordde, ontvonkte het in hem, in eens, als een klein +duivelsch vlammetje. Hij wist het nu, waarop hij doelde; hij overwoog nu +ook zijne woorden, als was ieder woord een korreltje goud; hij gevoelde +zich zeer helder worden, zeer logisch en kalm, zonder de angstige, vage +ontroering van zoo-even ... En hij sprak zeer langzaam, met die +treurige, klanklooze stem, als van een zieke: + +--In Londen! Neen Eve, hier kan ik niet blijven. + +--Waarom niet? + +--Dat kan ik niet, lieve meid ... Dat kàn ik niet ... heusch niet, +onmogelijk. + +En het gehuichel van zijn blik, het geteem van zijne stem, de comedie +zijner troostelooze treurigheid druppelden, als een ontzenuwend vocht, +een vermoeden in haar: het vermoeden, dat hij niet in Londen kon +blijven, om haar, omdat hij haar zien zoû als de vrouw van Frank. Het +was als eene suggestie: hij deed het haar vermoeden door de stille +wanhoop, die van hem uitstraalde. + +Maar hare gedachte verzette er zich tegen: het was immers maar een +vermoeden, zonder grond ... Langzaam ging hij echter door, berekenend +ieder woord, als met eene mathematische nauwkeurigheid. + +--En als ik dan weg ben en je bent samen met Frank, voor altijd ... zal +je dan gelukkig zijn, Eve? + +--Maar Bertie ... + +Zij aarzelde: het had bijna wreed geklonken, ja te zeggen, zeker te zijn +van geluk, tegenover zijne smart. + +--Maar Bertie, waarom vraag je dat? vroeg ze, bijna angstig. + +Hij bleef haar aanzien, diep, zacht, met den fluweelen nacht zijner +mooie oogen. Toen zonk zijn hoofd op zijne borst, en zij vulden zich met +groote tranen, die oogen, en hij wrong zijne handen, als waren zij koud. + +--Waarom, waarom, Bertie? herhaalde Eve. + +--Niets ... Beloof het me ... beloof me, dat je gelukkig zal zijn. Want +ik zoû wanhopig zijn, als je niet gelukkig was ... + +--Maar waarom zoû ik niet gelukkig zijn: ik hoû zooveel van Frank! riep +zij eindelijk uit, toch nog vreezende hem, Bertie, te kwetsen. + +--Nu, als je gelukkig wordt, is het goed, fluisterde hij mat, steeds +wringend zijn handen ... + +Toen, eensklaps, terwijl zij nog steeds hem vragend aanzag, kreet hij: + +--Arm kind! + +--Wie, arm kind? vroeg zij ontzet. + +Hij greep hare handen, zijne tranen drupten op hare vingers ... + +--O, Eve! Eve! God, als je in mijn hart kon zien ... Als je ... O, ik heb +zoo een medelijden, zoo een innig, groot medelijden met je en ik zoû er, ik +weet niet wat, o mijn leven voor geven, als ik, als je ... Arm, arm kind!!! + +Zij was huiverend, doodsbleek opgestaan; hare handen grepen het +tafelkleed, dat, door haar ruk, een weinig afgleed, terwijl een +kristallen vaas, waarin eenige bleeke kasrozen verwelkten, omstortte en +het water er uit zich met bolle, zilverachtige plekken over het fluweel +verspreidde. Zij liet het water loopen, hem aanziende met hare groote, +verschrikte oogen, terwijl hij zijn gelaat met de handen bedekte. + +--Bertie! riep zij. O, Bertie, waarom spreek je zoo, wat is er dan ... +Neen, neen, zeg het, je moet het zeggen ... ik wil het ... O, ik bid je, +spreek dan toch!! + +Hij maakte een gebaar: een uitstekend gebaar, vol natuurlijkheid, zonder +de minste gemaaktheid of theatraliteit, een gebaar, als wilde hij zich +herstellen, als had hij iets gezegd, dat hij had moeten verzwijgen; hij +stond op en zijn gelaat was ook veranderd, niet smartelijk meer, niet +medelijdend meer, maar koel beslist! + +--Neen, neen, Eve, er is niets ... + +--Er is niets! En je riep: Arm kind! En je hebt medelijden met me! Mijn +God, waarom, wat is er dan, wat dreigt me dan ...?? + +Zij had Franks naam op de lippen, zonder dien te durven uiten en hij +voelde dat. + +--Niets, waarlijk niets, lieve Eve, ik verzeker het je, er is niets. Ik +heb soms van die dwaze gedachten: het zijn hersenschimmen. Kijk, die +vaas is omgevallen ... + +--Maar wat dacht je dan, welke hersenschim ...? + +Hij bette met zijn zakdoek het water van het tafelkleed op en schikte de +rozen weêr in de vaas ... + +--Niets, niets! bleef hij klankloos murmelen. + +Zij beefde van zenuwachtigheid; zijne stem was zoo diep medelijdend +geweest, als bedekten zijne woorden met hun sluier een ontzettend +geheim. Toen, daar hij niet verder sprak, viel zij op den divan en +barstte in eens in snikken uit, woest, hartstochtelijk, sidderend van +een spookachtigen angst, die in hare ziel oprees. + +--Eve, lieve Eve, wees kalm! smeekte hij, vreezende, dat iemand binnen +zou komen ... + +Maar toen, toen knielde hij naast haar neêr, hare handen nemend en ze +zacht drukkend. + +--Kijk me aan, Eve!... Ik verzeker het je, ik zweer het je, daar: er is +niets, er bestaat niets dan alleen in mijne eigen gedachten. Maar zie, +ik hoû zooveel van je; je duldt wel, dat ik je dat zeg, nietwaar, want +het is alleen maar innige, onschuldige vriendschap, die ik voel voor het +meisje van mijn vriend, voor mijn lief klein zusje ... Ik hoû zooveel +van je en dan denk ik wel eens: zal ze gelukkig worden, mijne lieve Eve +... O, het is eene dwaze gedachte, maar het is in mij niets vreemds, +want ik denk dat altijd, van menschen, die ik liefheb ... Zie je ikzelf, +ik heb zooveel geleden, zooveel verdriet gekend!.... En als ik dan +iemand zie, van wie ik veel hoû, zooals van jou, en ik zie zoo iemand +dan vertrouwen op het leven en vol illusies, dan krijg ik die +vreeselijke, onweêrstaanbare gedachte: zoû ze gelukkig worden! Wordt +iemand wel gelukkig? Bestaat geluk wel? O, ik moest niet zoo spreken: ik +maak je er somber door, ik leer je er pessimisme meê, maar het is me +soms zoo vol, als ik je zie met Frank.... Want ik hoû ook zooveel van +Frank, ik ben zooveel verschuldigd aan Frank, en ik zoû jullie zoo +gaarne gelukkig met elkaâr zien, met elkaâr ... Daarom, ik bid je: +vertrouw op Frank: hij houdt van je, al is hij soms wat weifelachtig, +wat grillig in zijne gevoelens ... o hij aanbidt je, al ziet hij soms de +nuances van een vrouwenkarakter over 't hoofd en ... al slaat hij met +zijne luchtigheid soms wat door, hij meent dat zoo niet ... Hij is zoo +open, zoo oprecht, je weet zoo precies wat je aan hem hebt ... Daarom +Eve, lieve Eve, laat nooit een misverstand tusschen jullie heerschen, +begrijp elkaâr altijd ... nietwaar kind, o mijn arme Eve!! + +En hij snikte zacht in zijne mysterieuze wanhoop, die niet geheel en al +gehuichel was, want hij was zoo wanhopig, om wat er dreigde! En zij +bleef hem ontsteld aanzien, diep ongelukkig om zijne woorden, waarachter +zij iets ried, dat hij niet zeggen woû; elk woord een droppel zacht +venijn, dat in haar gemoed vreemde twijfelingen deed opschieten als +woekerkruiden en giftplanten. + +--Dus is er niets? vroeg ze moê, smeekend, met gevouwen handen. + +--Neen, lieve Eve, er is niets! Ik ben alleen maar tobberig, zie je, net +een oude man, en zoo tob ik soms ook over jullie ... Dus als ik ver weg +ben, ver uit Londen weg, zal je dan gelukkig zijn? Zeg Eve, zal je dan +gelukkig zijn? Zweer je het me? + +Zij knikte zachtjes, weêr snikkend, wanhopig, dat hij weg moest uit +Londen, wanhopig om wat hij vermoedde, 't wanhopigst om wat hij niet had +willen zeggen: dat mysterieuze, dat ontzettende ...! + +Maar hij was opgestaan, had haar beide handen gereikt en, +hoofdschuddend, als over de dwaasheid van den mensch, sprak hij thans, +met zijn smartelijksten glimlach: + +--Hoe gek om zoo te tobben, nietwaar, te tobben om niets? Ik had het +niet moeten doen: ik heb je er misschien wat treurig meê gemaakt ... heb +ik? + +--Neen, sprak zij, zacht glimlachend, haar hoofdje schuddend. Neen, +heusch niet ... + +Hij liet zich in een stoel vallen, zuchtend. + +--Ach ja, zoo is het leven! mompelde hij met groote starende oogen, vol +nachtelijk mysterie. + +Zij antwoordde niet, vol, overvol. Het werd donker en hij nam afscheid: +Frank alleen zou blijven dineeren. + +--Vergeef je het me? sprak hij deemoedig, met al de bekoring zijner +dichterlijkheid, in het laatste licht, over zijn gelaat verspreid als +een etherisch waas. + +--Wat? vroeg zij, zacht weenend. + +--Dat ik je een oogenblik heb angstig gemaakt? Zij knikte, wankelend +opstaande, doodmoê, huiverend. + +--O ja, je hebt me wel even laten ontstellen ... Je moet het nooit meer +doen, nietwaar ... + +--Neen, murmelde hij. Hij kuste hare hand: eene liefkoozing, waaraan +zij gewoon was, een geur van hoffelijkheid als van een +achttiend'eeuwschen markies, en hij ging. + +Zij bleef alleen. En toen zij alleen was, staande in het midden van het +vertrek, sloot zij de oogen en het was of er een nevel om haar +neêrdaalde. En in dien nevel dacht zij aan Moldehoï en zag zij het +spectrale fjord opschemeren tusschen zijne schermen van bergen in den +mist, en zag zij de drie lijntjes goud in het westen ... En zij voelde +zich op eens geheel en al verlaten en eenzaam, zooals zij zich gevoeld +had, in dien mist, zelfs zonder gedachte aan Sir Archibald en Frank, +slechts denkend aan hare doode moeder. Eene zwaarte rustte op haar +schedel als de reuzenpalm van eene ijzeren hand, eene vale duisternis +wolkte om haar op en zij voelde al hare levenswarmte eensklaps verkillen +tot eene ijzigheid van dood. Eene groote ruimte ruischte om haar heen en +in die ruimte gevoelde zij, onzichtbaar, ontastbaar, en toch duidelijk +en onloochenbaar intens, de spookachtige nadering van een onheil aan +rollen, áanrollen als een vage donder ... Zij reikte, met de handen +trillend, rond, als naar een steun ... + +Maar zij viel niet flauw, zij kwam tot zichzelve en toen zag ze, dat ze +juist in het midden van het duisterende vertrek stond, een beetje +huiverend, met een wankelachtig geknik in hare knieën ... + +En ze dacht, dat er toch iets was, iets, dat Bertie niet gezegd had. + + +VIII. + +Dagen dacht zij daarover na. Wat was het, wàt was het? Zou Bertie haar +beklaagd hebben, als er waarlijk niets was dan zijne eigen +pessimistische vrees voor haar geluk? Of school er inderdaad een geheim? +Was er iets met Frank ... + +En zij zag Frank komen en dikwijls stil zitten, zwijgend en met +gefronste wenkbrauwen. En zij vroeg: + +--Wat is er, Frank? en hij antwoordde: + +--Niets, lieveling! zoo als hij altijd antwoordde. Dan spraken zij +samen, eerst wat gedwongen, dan beiden weêr gelukkig wordend in hunne +plannen en illuzies, beiden weer vergetend wat hun ieder op het hart +drukte. Eve lachte helder en zij zette zich op Franks knie en speelde +met zijne snor en alles was zoo mooi om hem heen. Kwam Bertie dan +binnen, zoo scheen het dadelijk alsof er iets tusschen hen gleed: eene +schim, die hen scheidde. Maar vooral als zij alleen waren, gevoelden zij +zich nameloos ongelukkig. Dan bekroop Frank den lust Bertie de deur uit +te smijten, in eens, zonder de minste aanleidende oorzaak, als een +schurftigen hond. En hij zag Bertie in zijn geest terug zooals hij had +staan bibberen in dien kouden sneeuwnacht, in zijne armzalige plunje. En +nu was hij zoo netjes en hij deed niets slechts: hij was onberispelijk, +hij ging zelfs niet meer gedurende eenige dagen op den loop, als eene +kat. Hij was steeds belangwekkend, met zijn waas van weemoed en zelfs +had hij vaak nu, na de scène over Tayle, een zweem van verwijt in zijne +stem en zijn blik tegenover Frank. + +Maar Eve, alleen, gevoelde zich het ongelukkigst. Ontzenuwende +twijfelingen woekerden in hare ziel, twijfelingen, die zij wel voor een +oogenblik uitroeide, maar die toch dadelijk weêr opschoten, zoodra zij +dacht aan dien smartelijken glimlach van Bertie, aan die medelijdende +stem, aan die vreemde erbarming ... Wat was het, wat wàs het? Zij had er +vaak met Frank over willen spreken, maar als zij op het punt was te +beginnen, wist zij niet wat te zeggen ... Dat Bertie haar beklaagd had? +Het was immers niets dan zijn eigen pessimisme, dat, in eene algemeene +menschenliefde, de geheele wereld beklaagde, omdat die wereld voor smart +geschapen scheen. Frank vragen of hij een stil verdriet had, Frank +vragen of hij _iets_ had? Ze deed het immers zoo dikwijls en het was +altijd hetzelfde antwoord: + +--Niets, lieveling! + +Wat dan, o wat dan? Helaas, zij kon niet verder, zij stond als +geblinddoekt in een toovercirkel, dien zij niet overschrijden kon, en +hare handen tastten om zich heen zonder iets te vatten. Joeg zij ook met +energie hare gedachten heen, zij kwamen weer terug, halsstarrig. Zij +overweldigden haar opnieuw, zij stapelden zich opnieuw in haar brein op +elkaâr, twijfelingen ontspinnend, en het was dan altijd, o altijd, die +zelfde vraag welke ten laatste uit al deze ellende des denkens oprees: + +--Wat? Wat is er? Is er iets? + +En nooit een antwoord. Eens had zij er nogmaals Bertie naar gevraagd en +Bertie had slechts geglimlacht, met dien verschrikkelijken glimlach, +vol smart, en haar gesmeekt toch niet te blijven mijmeren over iets, dat +hij, zoo terloops, uiting gevende aan de natuurlijke treurigheid van +zijn gemoed, gezegd had. Anders zoû hij voortaan huiverig zijn iets meer +tegen haar te zeggen, zich oprecht te geven; anders zoû hij zijne +woorden moeten wegen en zij zouden niet meer zoo vertrouwelijk kunnen +zijn, als broêr en zuster ... En het werd in haar eene stemming vol +fijne halftinten, waarin niets omtrek, niets zelfs bepaalde kleur had: +een geweifel van schaduwachtig grijs, dat de schaduwlooze helderheid +harer liefde invloot, meer en meer invloot en haar afmattende door zijne +onbestemdheid, door zijn niet-zijn in het reëele leven en door zijn +schijnbestaan, als van iets ontastbaars,--een droom,--in haren geest. + + +IX. + +Eens echter werd de droom als eene realiteit, eens tastte zij iets, zag +zij iets, hoorde zij iets. Maar, was het dat ... + +Het was aan den uitgang van het Lyceum ... De menigte stroomde naar +buiten, langzaam, schuifelend, hier en daar een beetje ongeduldig +duwend, schouder aan schouder ... En in dat dringen, naast haar, zag zij +eensklaps de vuurroode peluche sortie van eene groote, zware vrouw +vlammen; een gelaat, rood, wit en zwart van verf, popachtig lachende +onder een kinderachtigen Cherry-ripe-hoed; den luifelrand als vol +gepropt met eene hoop blonde kurketrekkertjes, boog eensklaps over haar +in een parfum van gemusceerden poudre de riz, en óver haar heen, naar +Frank toe, als een slag in haar eigen gelaat, weêrklonk het: + +--Zoo, dag Frank, dag lieve vent ... + +Zij schrikte ademloos terug, snel beurtelings ziende naar dat +poppengelaat en naar Frank; zij zag zijn woedenden blik en zelfs ontging +haar de ontsteltenis der groote vrouw niet,--een der skatingrinkjes--, +terug als deze deinsde toen zij aan Franks arm het meisje bespeurde, dat +zij eerst in het gedrang over het hoofd had gezien, ontzet als zij zich +wegmaakte, omdat ze zoo onfatsoenlijk was geweest een vriend aan te +spreken, die met eene dame liep! + +Maar ze verdween toch met een verwonderden omblik naar Bertie, die +achter hen kwam: daarvoor had Bertie dan toch wel kunnen waarschuwen ... +Want Bertie had drie woorden gewisseld met den Cherry-ripe-hoed, en +zelfs naar voren geknikt, zeggende: + +--Daar loopt Frank ... + +Het speet haar, maar ze had heusch de dame niet gezien! + +Thuis gekomen, wilde Sir Archibald, die niets gemerkt had, aan de deur +afscheid nemen, maar Frank sprak: + +--Ik bid u, ik moet even Eve spreken, ik bid u ... + +Het was wel laat, maar Sir Archibald was geen man van etiquette ... + +Zij waren alleen en zij bleef zwijgen, hem aanziende met vreemde oogen. +Maar hij sprak, haastig, struikelend over zijne woorden, als wilde hij +ten snelste elk boos vermoeden in haar bestrijden. + +--Eve, Eve, geloof me ... je moet me gelooven: er is niets ... Je mag +niets denken, van wat er zoo even gebeurd is ... + +En hij vertelde haar in enkele koortsachtige zinnen van vroeger, hun +jongelui's-leven, de skating rinkjes ... Nu bestond dat alles niet meer, +het was het verleden en, ze wist het, ieder jongmensch had een verleden: +ze wist dat nietwaar? + +--Een verleden ... fluisterde zij koud. O, ieder jongmensch heeft een +verleden ... Maar wij, wij hebben geen verleden, wel? + +--Eve, o Eve! kreet hij, want door de ironie harer doffe stem schemerde +zulk eene smart heen, dat hij ontzette, radeloos, niet wetend, hoe hij +haar troosten zoû. + +--Zeg me alleen dit! vroeg zij, hem naderend, met haren vreemden blik in +den zijne. Zij legde hare handen op zijne schouders, zij poogde zijne +innerste ziel door zijne oogen heen te peilen ... En langzaam vroeg ze, +haar vonnis willende lezen uit het eerste woord, dat hij slaken zoû: + +--Nu niet meer ...? + +Hij knielde voor haar neêr, waar zij stijfrecht, als bevrozen, op een +stoel was neêrgezonken; hij verwarmde hare wederstrevende handen in de +zijne, hij zwoer van neen ... Zijn eed klonk oprecht, eene waarheid +blonk open op zijn gelaat, en zij geloofde hem ... Hij vroeg +vergiffenis, zeide, dat zij er niet meer over denken moest, dat dat +altijd zoo was ... + +--O, zoo, knikte zij hem zonderling toe; ach ja, jawel, ik begrijp dat +wel; papa heeft me een beetje liberaal opgevoed ... + +Hij herinnerde zich dat gezegde: zij had het nog éens gezegd ... Toen, +beiden, dachten zij aan Moldehoï, aan de zwarte wolken ... Eve rilde ... + +--Heb je het koud, lieveling? + +Zij schudde van neen, steeds met dien vreemden blik in haar oog. Hij +wilde haar omhelzen, maar zij trok zich langzaam terug, en hij gevoelde +zich onhandig, bijna verlegen. Hij begreep haar niet. Waarom geen kus, +waarom geen geheele verzoening, als ze het begreep, als ze een beetje +liberaal was opgevoed? Maar ze was misschien nog wat ontsteld. Hij wilde +niet aandringen. Het zoû wel slijten ... + +Toen hij heen was, in hare kamer, rilde zij, klappertande zij, als in +koorts. + +Hartstochtelijk begon zij te snikken, diep, diep rampzalig, wanhopig, +dat zij leefde, dat zij mensch, dat zij vrouw was, dat zij liefhad, +vooràl dat zij liefhad; dat de wereld bestond, dat alles zoo laag en +vuil was, als slijk ... zij walgde van dat alles. En het was haar of ze +nooit iets begrepen had van hare boeken, noch van Spencer, noch van +"Gespenster", vooràl niet van "Gespenster", of ze nooit iets begrepen +had van haar vaders opvoeding: een beetje liberaal; het was haar of het +blanke vleugeldons harer illuzies om haar heen stoof, of eene ruwe hand +een druivenwaas van haar innigste geheimenis, van de ziel harer ziel had +weggevaagd, of het heilige leliënmysterie harer maagdelijkheid dwars +door een riool was gesleurd. + +En voor het eerst bonsde de rust harer groote, practische liefde voor +Frank in tegen al de romantiek harer jongemeisjesdroomen, verbrak zich +het evenwicht tusschen hare twee gemoederen, haar practisch en haar +romantisch gemoed. + + +X. + +Na zijn gesprek met Eve, scheen het Bertie toe, dat hij in eene subtiele +sfeer leefde, in een labyrinth omdwaalde, vol geheimzinnige paden van +list en sluwheid, waarin hij zeer moest opletten, wilde hijzelf niet +verdwalen. Hij wist zeer goed, wat hij in dat gesprek beoogd had: +twijfelingen wekken in Eve omtrent Franks standvastigheid ... Kende Eve +zelve Frank niet als weifelend, bijna grillig ...? Waren dus zijne +woorden goed gekozen geweest? Had hij twijfel gezaaid? + +Hij wist er niets van, hij zag er niets van in de, telkens terugkomende, +eentonigheden en banaliteiten van het dagelijksch leven, waarin nuances +zoo vaak zelfs aan den allerfijnsten opmerker verloren gaan. Eve had hem +nog wel eens gevraagd naar dat _iets_, maar daarna werden hunne +gesprekken weder geworden als vroeger, ten minste uiterlijk. Hij zag +niets aan Eve, ook niets aan Frank: Eve had dus ook niets aan Frank +gezegd of gevraagd ... + +Vóor dit gesprek had Bertie aarzelingen gekend, walgingen van zijne +eigen harteloosheid, zelfs ontzettingen over de reusachtigheid van zijn +eigen egoïsme. Maar dit gesprek met Eve was geweest als de eerste stap +op een hellend vlak, waarop men zich niet meer kan omwenden ... Eene +helderheid van denken klaarde er na in zijn brein op, als waren zijne +hersenen spiegels of kristal, waarin zijne denkbeelden zich als in veel +hel licht weerkaatsten. Nog nooit had hij zich zoo gespitst gevoeld, zoo +zuiver logisch, zoo, met de nauwkeurigheid van eene naald, gericht op +één doel. En die helderheid van denken was zóó intens, dat hij, in eene +naïve lacune zijner slechtheid, in een naïve juistheid van zelfkennis, +het eens, gedurende eene seconde, bevreemdend in zich vond, dat hij +zooveel talent, zooveel genialiteit der gedachte niet aan een doel +besteedde, edeler dan het zijne was ... + +--Waarom ben je geen artist geworden? hoorde hij Eve nogmaals vragen. + +Maar hij glimlachte, de practische moeilijkheden van het leven doemden +voor hem op; hij gevoelde de indolentie, de poesenluiheid van zijn +lichaam ... neen, neen, het kon niet anders, het moest zoo zijn: de +eerste stap was genomen, het was het Lot ... + +Toen, bij het uitgaan der comedie, die vrouw uit hun vroeger leven, zijn +knikje naar voren: daar loopt Frank! Was dat ook niet het Lot? Strooide +het Lot op het pad dergenen, die het bewierookten als eene godheid, die +het dienden met een eeredienst, niet zulke oneindig-kleine +gebeurtenisjes, als weldaden, die men moest gebruiken: schakeltjes, +die--het Lot wilde het zoo--men zelf voegen zoû aan den ketting? Gaf het +Lot zelf niet zoo de illuzie van een eigen wil, een zweem van waarheid +aan den leugen, dat men door zichzelven--energie--iets kan wijzigen aan +den loop der omstandigheden? Niets dan een knikje, niets dan een +woordje: daar loopt Frank! en dan rekenen op het toeval--toeval, wàt is +toeval?!--dat het fatsoenlijke skatingrinkje, in het gedrang, Eve--zoo +klein, zoo fijn, zoo verloren--niet zien zoû! + +Was het geschied, zooals het was voorbereid? Had hij den wensch van het +Lot geraden? Hij dacht wel: zoo een klein beetje; waarom anders dat +smeeken van Frank om een gesprek, zoo laat, bijna in den nacht ... + +En in zijne subtiele sfeer van fijn uitgesponnen list, in zijn labyrinth +van sluwheid, vond hij zich niet slecht, niet harteloos, niet egoïst +meer. Conventie, woorden ... Eene ijdelheid, dat hij zoo fijn dacht, +verving alle scrupules, en schemerden zij soms nog op, dan dacht hij +maar: wie weet, waar het goed voor was, dat Frank niet trouwde: Frank +was niet iemand om te trouwen: neen waarlijk, hij wàs grillig en +onstandvastig: hij zoû nooit zijne vrouw gelukkig maken. + +Maar Bertie zag ook aanstonds in, dat dit zelfbedrog was en dan lachte +hij weêr en schudde het hoofd, omdat hij zichzelven zoo comiek, zoo +vreemd vond. Het leven was niets, niet de moeite waard zich er om te +vermoeien, maar zoo in zichzelven door te dringen, zichzelven te +bestudeeren, zoo te blikken in zijn denken, zoo te goochelen met zijne +gedachten, dàt was belangwekkend, dàt was eene interessante bezigheid, +terwijl men lui op een zachten divan lag ... + +En toch genoot hij slechts zelden eenige hersenrust, want de spinsels +zijner sluwheid weefden, haar afmattend, zich voort in zijne gedachte. +Ook zijne uitingen tegen Eve--soms lange gesprekken, soms halve +zinnen--matteden hem af door het telkens en telkens nauwkeurig afwegen +der woorden. Maar niets van deze afmatting was aan zijn uiterlijk te +bespeuren en die woorden, ze rolden zoo schijnbaar ondoordacht van zijne +lippen, dat zij schenen te leven van natuurlijkheid. Inderdaad waren zij +de frases van een comediespelend, vooruit ingestudeerd pessimisme; zij +treurden over het leven, zij beklaagden Eve met eene mysterieuze +ontferming, en, tusschen die smart heen, beschuldigden zij +Frank--eventjes, ter loops, met niets, bijna alleen met hun +accent--beschuldigden zij hem van grilligheid, onstandvastigheid, +wuftheid, weifelmoedigheid. Bij den minsten uitroep van Eve echter +spraken zij zichzelven weêr tegen, kunstig schermend nu met zichzelven, +dan met Eve, als met de feintes van fijne floretten, terugtrekkende +schijnsteken, een prikje hier, een prikje daar, een druppeltje bloed +stortend, telken keer ... + +En Eve zelve scheen het, dat hare ziel, na eerst door een riool gesleurd +te zijn, uitbloedde onder die prikjes. Het was eene smart, zeer +duidelijk, als zij in wanhoop de werkelijkheid vergeleek met hare +illuzies, vager wordend, zich uitwisschend, als zij wat koel verstand +had om er over te redeneeren en zich af te vragen: waarom voel ik mij +zoo rampzalig? Omdat Frank is zoo als alle jongelui schijnen te zijn? +Omdat Bertie pessimist is en wanhoopt, dat ik gelukkig zal worden?... +Dan haalde zij hare schouders op, hare smart was niet te begrijpen, was +een nevel geworden, was weg ... Zij was immers zeer gelukkig gewèest; +Bertie's wanhoop was ziekelijk; zij wilde wéêr gelukkig worden. Maar +niettegenstaande die logica de smart even verdreef, kwam ze aanstonds +weêr terug, trots redeneering en verstand, zeer halsstarrig, als iets, +dat een golf aanspoelt, dat komt en wijkt, wijkt en komt. + +Zij kòn dat niet langer uithouden en eens, toen zij goed in zichzelve +dorst te zien, zag zij, dat zij twijfelde aan Frank, aan de waarheid +zijner verzekeringen omtrent die vrouw ... En zij vroeg, smachtende naar +zekerheid, aan Bertie, hun vriend: + +--Bertie, zeg het me: dat _iets_, waarover je verleden sprak, dat +geheimzinnige, wat is het? + +--Ach, niets, beste meid, heusch niets ... + +Doordringend zag zij hem aan en zij vervolgde met eene vreemde, koude +stem: + +--Jawel, ik weet het, ik heb het geraden ... + +Bertie schrikte op: wat dacht zij, wat woelde haar door het hoofd ...? + +--Ik heb het geraden, herhaalde ze. Frank houdt niet van me: hij houdt +... hij houdt van die vrouw, dat mensch van het Lyceum ... Hij heeft +altijd van haar gehouden ... Is het zoo? + +Bertie zweeg en zag strak voor zich uit: dat was het gemakkelijkst en +het verstandigst. + +--Bertie, zeg: is het zoo? + +--Ach, wel neen! antwoordde hij mat. Wat een dwaasheid haal je je toch +in het hoofd. Hoe kom je daar nu aan ... + +Er was geen klank van overtuiging in zijne stem: hij sprak blankweg, als +was hij er niet bij, als overwoog hij iets in zichzelven. + +--Ziet hij haar nog wel eens? vroeg zij weêr en het scheen haar, dat ze +zich bezoedelde met haar eigen woorden, dat haar mond modder spuwde. + +--Maar wel neen ... Wat denk je toch wel? + +Zij leunde zuchtend achteruit, met groote vochtige oogen. Hij zweeg nog +eene pooze, haar van ter zijde bestudeerend. Toen, om zijne te flauwe +tegenwerpingen te temperen: + +--Eve, Eve, sprak hij verwijtend. Je mag zulke dingen niet denken van +Frank. Dat is niet mooi ... Je moet vertrouwen stellen in je aanstaanden +man ... + +--Het is dus niet waar? + +--Heusch niet: hij ziet haar niet meer ... + +--Maar geeft hij niet meer om haar? + +Lang, diep, raadselachtig blikte hij haar toe. Zijn oog was een +fluweelzwarte nacht: zij kon er niets in vinden. + +--Foei! sprak hij, het hoofd schuddend, verwijtend. + +--Je antwoordt me niet! bad ze. + +Weêr die zelfde blik, vol duisternis. + +--O God! Antwoord me dan toch! smeekte ze, rampzalig tot in de ziel van +hare ziel. + +--Wat wil je, dat ik weet van Franks gevoelens? waagde hij te sissen. Ik +weet het niet, daar! + +--Het is dus zoo? kermde ze, zijne handen grijpend. + +--Ik weet het niet, herhaalde hij, zich los wringend, zich afwendend, +opstaande. + +--Hij houdt van haar, hij kan niet buiten haar leven, hij is verslaafd +aan dat mensch, zooals jullie soms verslaven aan zulke wezens en hij +ziet haar nu wel niet meer, uit eerbied voor mij, maar toch denkt hij +en spreekt hij over haar met je ... en daarom is hij stil en somber als +hij hier is ... Is het zoo? + +--Ach, God, ik weet het niet! steunde hij met een zacht ongeduld. Wat +weet ik? + +--Maar waarom doet hij dan of hij van mij houdt, waarom heeft hij me +gevraagd? Omdat hij een oogenblik, in Noorwegen, heeft gedacht, dat hij +buiten haar kon? Omdat hij een nieuw leven wilde beginnen en nu niet +meer kan? + +Hij sloeg zijn handen in elkaâr. + +--O, God, Eve, schei uit, schei uit! Ik weet het niet, zeg ik je, ik +weét hèt nièt, daar, daar, daar ... + +Hij zonk met een zucht van uitputting in zijn stoel terug. Zij bleef +zwijgen, en de tranen vloeiden haar als een regen uit de oogen, +onophoudelijk. + + +XI. + +En ze dacht, in hare groote smart, dat ze zeer slim en knap was geweest +en dat ze het goed--o God, te goed!--geraden had, terwijl zij +integendeel, zoo argeloos als een kind, onder het onbegrijpelijk +magnetisme van zijn blik insluimerde als onder eene hypnoze, en slechts +woorden uitte, die hij haar wilde doen uiten. + +Zij voelde daar niets van: zij bleef hem zwak, lief, lijdend zien, als +haar broederlijke vriend, die vreesde haar leed te doen, die de waarheid +wilde verbergen om maar niet te kwetsen, en die niet sluw genoeg was òm +die waarheid te verbergen, als zij hem in het nauw dreef. Zoo bleef ze +hem zien. Geen oogenblik kwam eenig vermoeden bij haar op, dat zij eene +vlieg was, die in de ruiten van eene spinneweb rondspartelde. En Bertie +zelf zag na deze scène niet duidelijk meer in, dat _hij_ alles deed: dat +_hij_ het eerste venijn van twijfel in haar vertrouwen had gegoten, dat +_hij_ de scène aan den uitgang van het Lyceum had geleid, dat _hij_ Eve +dwong den weg uit te gaan, dien hij wilde. Een floers kwam over de +helderheid zijner gedachte, als eene verweêring over een spiegel; de +crisis zijner hersenhelderheid ging voorbij; het was alles het werk der +omstandigheden, dacht hij: een mensch kon dat alles niet gedaan hebben +uit vrijen wil ... Want, wat ging alles gemakkelijk, eenvoudig van een +leien dakje! Dat was, omdat het Lot het zoo wilde en hem bevoordeelde; +hijzelf was er onschuldig aan ... + +En dit was geen zelfbedrog: hij _meende_ dat alles. + +Den avond van dit laatste gesprek, zeer laat, zocht Eve haren vader op, +die in zijn kabinet zat te lezen, in zijne heraldische boeken. Hij +meende, dat zij hem een nachtzoen kwam geven, als naar gewoonte, maar +zij zette zich voor hem neêr, stijfrecht, met een gelaat als van eene +somnambule. + +--Ik moet u spreken, vader ... + +Hij zag haar verbaasd aan: in zijne olympische rust van genealogische +studie, in zijn kalm, emotieloos bestaan van een gezond, oud man, die +zich tusschen zijne boeken een aangenamen ouderdom wist te scheppen, had +hij niet bespeurd, dat er om hem heen, tusschen drie menschen, die hij +iederen dag te zamen zag, een drama werd gespeeld. En hij verwonderde +zich over het bevrozen gelaat zijner dochter, over hare matte stem, vol +ingehouden smart. + +--Ben je niet wel, kind? + +--O ja, ik ben heel wel ... Maar ik woû u iets vragen. Ik woû u vragen +of u eens met Frank wilt spreken. + +--Met Frank? + +--Ja, met Frank. Verleden toen wij uit het Lyceum kwamen ... + +En zij vertelde het hem, steeds stijfrecht op haren stoel, steeds met +dien vreemden blik, die matte stem; zij vertelde hem van de blonde +vrouw, van hare twijfelingen, van haar wantrouwen. Het was slecht in +haar, dat zij Frank wantrouwde, maar zij kon er niets aan doen. Zij had +ook Bertie als een getuige willen aanhalen, maar Bertie had toch nooit +iets bepaalds gezegd; ze wist dus niet hoe ze hem brengen zoû in haar +verhaal en zweeg dus over hem. + +Sir Archibald hoorde haar ontsteld aan; hij had nooit vermoed, dat er +zoo iets in zijne dochter omging; hij had gemeend, dat alles zonneklaar +in hare ziel was! + +--En ... wat dan? vroeg hij aarzelend. + +--En nu wilde ik, dat u met Frank sprak. Dat u hem ronduit vraagt of hij +nog die vrouw, die toch in zijn vroeger leven eene plaats heeft gehad, +liefheeft, of hij haar niet vergeten kan. Of hij daarom zoo stil en zoo +somber is, als hij hier is. Laat hij openhartig met u spreken. Ik hoor +liever mijn vonnis, dan in dien twijfel voort te leven. En misschien +verklaart hij u alles zoo, dat het goed wordt, weêr zooals vroeger ... +Spreek niet van mijn wantrouwen: hij zoû daar, als het niet +gerechtvaardigd is, boos over kunnen worden. Het is zoo slecht van me, +dat ik zoo wantrouw en ik dwing me altijd tot betere gedachten, maar ik +kan niet. Er is iets in me, ik weet niet wat, er zweeft iets om me, ik +weet niet wat, en dat fluistert me in: vertrouw hem niet, vertrouw hem +niet!... Ik kan niet begrijpen wat het is, maar ik voel het om me heen +en in me. Het is als eene stem en soms is het als een oog, dat me +aankijkt. Des nachts, als ik niet slapen kan, ziet het me aan en spreekt +het tegen me en dan is het of ik gek word ... Het is misschien wel een +spook ... Spreek u dus met hem ... Doe dat voor uw kind! Ik ben ... o, +ik ben zoo ongelukkig ... + +Zij snikte en knielde voor hem neer en legde het hoofd op zijne knieën. +Hij streelde werktuigelijk heur haar, geheel van het spoor. Hij hield +van zijn meisje, maar zijne liefde was meer eene zoete gewoonte dan eene +sympathie des gemoeds. Hij begreep haar niet, hij vond haar dwaas en +onverstandig. Had hij haar daarom zelf eene flinke opvoeding gegeven, +haar veel laten lezen, haar de wereld leeren kennen, zooals deze was, +nuchter, practisch en egoïstisch, een bestaan van strijd, waarin men +zijn hoekje van geluk met vastberadenheid en kalmte moest trachten te +veroveren. Hij, hij had zijn hoekje, met zijne boeken en zijn heraldiek. +Waarom liet zij zich door zenuwachtige spookgedachten beheerschen? Want +het waren zenuwen, niets dan zenuwen! Die vervloekte zenuwen! Wat geleek +ze toch, niettegenstaande hare liberale opvoeding, op hare moeder, +droomerig, dweperig, vol allerlei vage denkbeelden ... En dan ... met +Frank spreken? Waarom, waarover? Hij begreep er niets van ... Die vrouw +van het Lyceum? De eene of andere meid, die hem had toegeknikt. Dat +gebeurde iedereen ... Eve was zeer dwaas, dat niet te voelen ... Een +gesprek met Frank daarover? De jongen zoû denken, dat zijn aanstaande +schoonvader gek was geworden: er liepen wel duizend cocottes in London +... Welk jongmensch kende er niet ... En het denkbeeld van gestoorde +rust, van een moeilijk gesprek, dat hem een uur, misschien wel een dag +uit zijne olympische kalmte, uit zijne studies zoû rukken, rees zeer +onaangenaam voor hem op, als een schrikbeeld voor zijn naïf egoïsme. + +--Kom Eve, dat is allemaal gekheid! mopperde hij vriendelijk. Wat wil je +nu, dat ik daaraan doe. Het zijn ziekelijke gedachten van je ... + +--Neen, neen, het zijn geen ziekelijke gedachten. Het zijn geen +gedachten. Het is iets ... iets anders ... het is iets wat om me is en +in me komt ... buiten mijn wil ... + +--Maar kind, je praat nonsens ... + +--....En als ik er over nadenk, dan gaat het voor een poosje weg. Maar +dan komt het weêr terug ... + +--Heusch, Eve, praat niet zulke gekkepraat. Wat is dat nu eigenlijk, dat +je vertelt, wat beteekent dat nu allemaal. Het komt en het gaat voor een +poosje weg, en het komt en het gaat weêr ... + +Zij schudde zacht het hoofd, op den grond gezeten, voor den haard, aan +zijne voeten. + +--Neen, neen, sprak ze halsstarrig. U begrijpt dat niet. U is een man: +u begrijpt niet, dat er zoo iets kan zijn in eene vrouw. Wij vrouwen +zijn zoo geheel anders ... Maar u zal met hem spreken, nietwaar, en hem +alles vragen? + +--Neen Eve, dat zal ik gedecideerd niet. Frank zoû met recht kunnen +vragen, waarmeê ik me bemoei. Je weet toch ook heel goed, dat ieder +jongmensch zulke vrouwen kent of gekend heeft. Daar is niets in. En +Frank lijkt me te eerlijk, dan dat hij zoo eene juffrouw, nu dat hij +geëngageerd met je is, nog zoû opzoeken. Daarvoor ken ik hem te goed en +moest jij hem ook te goed kennen. Het is allemaal heel dwaas van je, +hoor, heel dwaas. + +Zij begon hevig te snikken, te kermen, in eene overvloeiïng van +rampzaligheid. Zij wrong de handen en bewoog langzaam haar bleek hoofdje +van links naar rechts, van rechts naar links, als leed zij duldelooze +pijnen. + +--Ach, vadertje! smeekte zij. Vadertje, doe het! Doe het! Doe het voor +je kind, voor je kleine Eve! Toe, toe, spreek met hem ... Ik ben zoo +ongelukkig: ik kan niet meer, zoo ongelukkig ben ik! Spreek met hem, +vadertje! _Ik_ kan toch niet daarover met hem spreken: ik ben een +meisje, en ik vind dat alles zoo vies, zoo vies ... Vadertje, o +vadertje, spreek met hem! + +Zij wilde weêr liefkoozend zich tegen zijne knieën dringen, maar hij +stond op: hare tranen ergerden hem en sterkten zijne koppigheid. Zijne +vrouw had ook nooit met tranen iets van hem verkregen, integendeel. En +hij vond Eve flauw en kinderachtig: hij herkende niet meer zijne flinke +dochter, met wie hij de wereld had doorgereisd--onvermoeid en +krachtig--in dit gebroken schepsel, dat van weedom smolt. + +--Sta op, Eve! sprak hij hard. Lig daar niet op den grond. Je zal nog +eindigen me boos te maken met die dwaasheid. Waarom huil je nu? Om +niets, om gekkelijke hersenschimmen. Ik wil dat niet meer in je dulden. +Je moet verstandiger worden. Sta op, sta op! + +Zij rees langzaam, kermend, op en bleef voor hem staan, als eene +martelares, met haar wit gelaat, hare verwrongen handen. + +--Ik kan het niet helpen, vadertje! Ik ben nu eenmaal zoo ... Heb je dan +geen medelijden met je kind, ook al begrijp je haar niet? Toe, o toe, +spreek met hem, enkele woorden maar, ik bid er je om ... ik _bid_ er je +om! + +--Neen, neen, neen! riep hij stampvoetend en zijn gezicht werd rood als +door eene congestie van ergernis om al deze nuttelooze, nevelachtige +verdrietelijkheid, al deze dwaasheid, al dit huilen en drijven zijner +dochter, dat zijne koppigheid tot verzet dwong, in eene behoefte om niet +toe te geven. Maar zij, ze richtte zich op, zich vergrootend in hare +smart: vreemd drongen hare oogen zich in die haars vaders. + +--Dus u wilt niet met Frank daarover spreken? U heeft dat niet voor me +over? + +--Neen. Het is allemaal onzin, zeg ik je. Zeur er niet meer over. + +--Goed. Dan ... zal ... ik ... het ... doen! sprak ze langzaam, als nam +zij een vast, onwrikbaar besluit. En langzaam ook, zonder om te zien, +zonder den gewonen nachtzoen, verliet zij het vertrek. Het was haar of +Sir Archibald een vreemde voor haar was geworden, of er niets teeders +bestond tusschen dien vader en haar, nooit bestaan had, niets dan de +vijandschap van twee tegenstrijdige temperamenten. Neen, zij hadden +onder de uiterlijke harmonie nooit voor elkaâr gevoeld, nooit elkander +gekend, nooit elkaâr pogen te begrijpen: zij hem niet in zijn ouderdom, +hij haar niet in hare jeugd. Mijlen afstands, eene woestijn, eene +eindelooze leêgte was tusschen hen; zij waren elk in zichzelve +opgesloten als in twee tempels, waarin verschillende eerediensten +heerschten. + +--Hij is mijn vader! dacht ze, terwijl zij door den corridor ging. En ik +ben zijn kind ... + +Zij begreep dat niet: het was als een mysterie der natuur, dat een +leugen bleek. Hij haar vader, zij zijn kind. En hij voelde niet wat zij +leed, voelde niet, dàt zij leed, noemde het dwaasheid en gekkepraat. Een +groot verlangen naar hare moeder welde in haar op. Die zoû haar begrepen +hebben! + +--Mama! snikte zij. Mama! Kom terug! Zeg me wat ik doen moet! Kom terug +als geest: ik zal niet bang voor u zijn. Ik voel me zoo alleen, ik lijd +zoo, ik lijd zoo ... Spook om me heen, o toe spook om me heen! + +In hare kamer, in het donker, wachtte zij op dien geest. Maar er +verscheen niets; de duisternis bleef roerloos hangen als een zwart +gordijn, waarachter niets was, dan een groot Niets. + + +XII. + +Toen Frank den volgenden middag kwam, zag hij aanstonds aan heur gelaat, +dat er eene groote ontroering in haar woelde. + +--Wat is er, kind? vroeg hij ontsteld. + +Zij gevoelde zich eerst zoo zwak, zóó zwak ... Het was zoo iets +vreeselijks ... het was weêr die modder, zoo vies ... Maar zij vermande +zich; zij richtte zich op in hare mooie wilskracht, die eene stevigheid +gaf aan het kinderlijke dwepende en kuisch vrouwelijke van haar +karakter, als een forsch gedanen achtergrond, waartegen veel zachts en +teeders uitblinkt. En vooral omdat zij wist, dat zij alleen stond, +verlaten door haar vader, wilde zij krachtig zijn. + +--Frank, het kan niet anders! begon zij met de wanhoop van hare energie. +Ik moet er over met je spreken! Ik ben bijna, al vóór dat je iets +geantwoord hebt, overtuigd, dat ik ongelijk heb en zelfs heel slecht +denk, maar toch moet ik je er over spreken, want ik lijd er te veel +onder, onder dat alles ... Altijd te zwijgen en alles te verkroppen, het +doet zoo een pijn ... Ik hoû het niet meer uit, Frank ... Ik vroeg papa +het je te zeggen, maar hij wil niet ... Misschien heeft hij gelijk, maar +het is toch niet lief van hem, want nu moet ik het zelf doen ... + +Zij voelde zich in de opschroeving harer geestkracht even sidderen bij +deze bittere gedachte, maar zij deed zich geweld aan en ging voort. +--Frank, Frank ... die vrouw ... o, die vrouw ... ik denk er nog altijd +aan. + +--Maar Eve ... + +--Ach toe, laat het me zeggen, ik moet het toch zeggen: ik zie nog +altijd dat mensch naast me, ik ruik haar parfum en ik hoor wat ze zegt +... Het gaat me niet uit mijne ooren ... + +Zij sidderde meer en meer, en toen kwam het weêr over haar en in haar: +dat van dat oog, van die stem, dat vreemde, dat was als eene hypnoze van +een geestelijken invloed: dat, wat heur vader niet had kunnen begrijpen. +Wat zij nu uitte, scheen haar voorgezegd te worden door de stem, en hare +houding en gelaatsuitdrukking schenen een poze te zijn, waartoe de blik +van het oog haar noodzaakte. En zeer intens voelde zijzelve: dat die +blik donker was, als een nacht. + +--O, Frank, Frank! riep zij uit en de tranen ontwelden haar uit +zenuwoverspanning, uit vreeze, dat zij het niet zoû durven zeggen, als +die stem het wilde: ik moet het je vragen, ik mòet het. Als je hier bij +mij komt, waarom ben je dan dikwijls zoo somber, en stil, alsof je niet +gelukkig met me bent, waarom ontwijk je elk stellig antwoord, waarom zeg +je altijd dat er niets is? Die vrouw, o, die vrouw ... is het om haar, +is het, omdat je nog van haar houdt, misschien wel meer dan van mij!... +omdat je haar niet vergeten kan, omdat zij nog altijd iets in je leven +is, misschien wel veel, wel heel veel? O, het pijnigt me zoo, het woelt +zoo in me, altijd, altijd ... En ik ben niet kleingeestig jaloersch, ik +ben dat nooit geweest: ik begrijp het wel, dat van die vrouw, dat van +vroeger, al vind ik het vreeslijk! Maar je bent altijd zoo vreemd, zoo +stil, zoo treurig, en zoodra ik daarover nadenk, twijfel ik, zonder het +te willen, Frank, zónder het te willen, dat zweer ik je! Maar het komt +in me op en het overweldigt me! O God, waarom moet het zoo zijn? Frank, +zeg het: ik ben gek, nietwaar, zoo te denken, en ze is niets meer voor +je, nietwaar, niets meer, je ziet haar nooit meer, nietwaar? + +De angst, die om hare woorden om haar was, verwrong heur geheele gelaat, +bleek als van de matte bleekheid van verwaaide azalea's; eene kramp van +pijnlijkheid scheen te zenuwtrekken om haren mond, om hare knippende +oogen en meer dan ooit scheen zij eene martelares van heur eigen +verbeelden. + +Maar op dit oogenblik zag hij deze marteling niet, omdat bij hare +woorden eene groote drift in hem zich begon te verheffen, eene drift, +zooals hij van kind af enkele malen in zich had voelen opwaaien, als met +de stormvlagen van een orkaan, woedende over alles heen, alle gevoelens +en gedachten door elkander verstuivend als wolken stof ...! Dat woei zoo +bij hem op, als aan zijne oprechtheid, openhartigheid, eerlijkheid, +waarheid getwijfeld werd, woei als een wind van rechtmatigen toorn over +die onrechtvaardigheid op, want in zichzelven liet hij zich veel +voorstaan op zulke deugden en stofte hij dat hij oprecht, openhartig, +eerlijk, waar was. Zijne donkergrijze oogen gloeiden onder het gefrons +van zijne overhangende wenkbrauwen; de drift zijner woorden siste nijdig +tusschen zijne tanden door, die groot en blank onder zijne zware snor +opschitterden als vonken ivoor: + +--Hoe is het mogelijk, verdomd, hoe is het mogelijk! Ik heb het je ééns +gezegd, eens vooral, ik heb je ééns gezegd: neen, neen, neen! en je +vraagt het me weêr, je vraagt het me weêr! Denk je, dat ik lieg? Waarom +denk je dat! Heb je ooit aan me kunnen merken, dat ik loog? Ik zeg je +van neen, en het is dus neen! Maar je twijfelt toch, je blijft er toch +over nadenken en tobben als eene oude vrouw ... Waarom neem je de dingen +niet zooals ze zijn? Ze zijn nu eenmaal zoo! Waarom geloof je me niet? +Ik ben niet treurig, ik ben niet somber, ik ben gelukkig met je, ik hoû +van je, _ik_ twijfel niet aan je ...! Maar jij ... jij ... Geloof me: +als je daar meê voortgaat, maak je je eigen ongelukkig, en mij ook, mij +ook! + +Maar zij zag hem vast aan, en hare fierheid verhief zich naast zijne +drift, want zijne woorden mishaagden haar. + +--Op zoo een toon hoef je niet met me te spreken! antwoordde zij hoog. +Als ik je zeg, dat ik zonder het te willen, zónder het te willen, zeg ik +je, aan je twijfel, en dat ik daarom ongelukkig ben; hoef je niet zoo +met me te spreken! Heb dan medelijden met me, maar spreek zoo niet! + +--Maar Eve, als ik je nu verzeker, hernam hij, trillend van zijne woede, +die hij beteugelen wilde, dwingend zichzelven tot zachtheid; als ik je +nu verzeker ... + +--Dat heb je al meer gedaan ... + +--En je gelooft me niet?... + +--In zoo verre niet, dat ... + +--Je gelooft me niet?! brulde hij, zich niet meer machtig. + +--In zoo verre niet, dat je me iets verbergt! kreet zij terug. + +--Je iets verbergt? wat dan? + +De naam van hun vriend, van Bertie, rees haar op de lippen, maar ... +zoodra zij aan Bertie dacht, was het eene vaagheid, eene onbeslistheid +in haar, als wist ze niet hoe en wat, en nooit herinnerde zij zich +duidelijk wat Bertie gezegd had. Het was steeds of Bertie om haar heen +een toovercirkel van stilzwijgen had getrokken, waarbinnen het haar +onmogelijk was zijn naam te noemen. En ook nu was hun vriend haar eene +ongrijpbare schim, zijn naam een onzegbare klank, waren zijne woorden +onherhaalbare ijlheden van timbre ... + +--Wat? Wat? herhaalde zij zoekend. O, ik weet het niet! Als ik het wist +...! Maar je verbergt me iets, je verbergt me iets! En denkelijk verberg +je me iets ... over haar, over die vrouw! + +--Maar die vrouw, zeg ik je ... + +--Neen, neen, ging zij voort, door haar opstrevenden trots gesterkt in +haar idee fixe. Ik weet het wel: jullie tellen dat niet; "dat is een +verleden, dat is altijd zoo!" zeggen jullie, en daarom noemen jullie +_niets_ wat ik wel _iets_ noem. En daarom zeg ik ook: er is iets, iets, +dat je me verbergt, me verbergt, Frank ... + +--Maar Eve, ik zweer je ... + +--Zweer het niet, Frank, want dat zoû slecht zijn! krijschte zij, zich, +als ondanks zichzelve, opwindend tot een paroxisme van ziekelijke +overtuigdheid omtrent iets, waarvan zij niets zekers wist. Want ik voel +het, dat het er is! Ik voel het, hier, in me, om me, overal! + +Woest greep hij hare polsen, overspannen van woede, omdat zij zijne +verzekering verwierp, gekrenkt in den hoogmoed op zijne deugden van +eerlijkheid en waarheid, en blind voor de diepte van haar gesuggereerd +mystiek wantrouwen. + +--Je gelooft me niet, verdomd, je gelooft me niet! siste hij. + +Ten tweeden male, mishaagde, kwetste haar zijn toon. En de twee +openbaringen hunner temperamenten, met hunne passies en ziekelijkheden, +bonsden tegen elkander in. + +--Wel nu dan! Neen! gilde zij en zij wrong zich zoo ruw rukkend uit zijn +forschen klem, dat hare tengere polsgewrichten kraakten. Nu weet je het +dan: ik vertrouw je niet, daar. Je verbergt me iets en er is iets, er is +iets met die vrouw. Ik voel dat, en wat ik voel is mij niet mogelijk te +loochenen! Dat mensch, dat je heeft durven aanspreken, ze is in mijne +verbeelding vastgegroeid: ik voel haar naast me, ik ruik haar en ik voel +het zoo intens, zóo intens, dat er nog iets is tusschen jou en haar, dat +ik het je durf zeggen: je liegt, je liegt, je liegt om haar, en mij +bedrieg je, daar! + +Met een, uit zijne borst opbrieschend, stemgeknars, met gebalde vuisten +liep hij op haar toe en werktuigelijk deinsde zij achteruit. Maar hij +greep haar weêr, nu hare polsen zoo vast omkluisterend in zijne sterke +handen, dat zij zijne kracht in haar vleesch tot op haar gebeente voelde +indringen: + +--Oh! brulde hij. Je hebt geen hart, je hebt niets, dat je dat tegen me +zeggen kan. Je bent laag, dat je dát bedenken kan! "Je voelt, je voelt!" +Ja, je voelt uit bekrompenheid, uit armzieligheid ... Je bent niets, je +hebt niets in je dan je vuil en klein getwijfel! Je heele gemoedsleven +bestaat uit vuiligheid, daar! Er is niets meer tusschen ons: ik ken je +niet meer, ik word misselijk van je ... + +Hij smeet haar van zich af, op een divan. Daar viel zij in een, met hare +groote verschrikte oogen naar het plafond, wijd open. In dit oogenblik +was zij meer ontsteld, dan rampzalig en begreep zij niet juist. Het +schemerde haar in heur overprikkelde hersenen: ze wist niet wat er +eigenlijk gebeurde. + +Een oogenblik zag hij op haar neêr. Om zijn mond krulde eene minachting +en zijn oog dwaalde half gesloten, verachtelijk ook, over haar heen. +Toen zag hij, dat zij zeer mooi was, dat hare, op Turksche kussens +neergesmeten, bekoorlijkheid zich in lenige lijnen van jong maagdelijk +mooi modelleerde, zich afrondend in de trekkende plooien van soupele +Nijlgroene stof, dat heur losse haar als de rossig gouden vacht van een +mooi wild dier tot op het tapijt slierde, dat een golvend geadem hare +borst zenuwachtig snel verhief. Zij lag daar als eene, door een +woesteling geschaakte, bruid, in een woesten hartstocht neergesmakt ... +Hij zag al dat weggeworpen mooi: een groot verdriet bliksemde in hem op, +een dol verlangen naar het geluk van vroeger, maar zijn gekwetste +waarheidstrots drukte verdriet en verlangen neer; hij wendde zich af en +ging ... + +Zij bleef liggen, in die zelfde houding. Het was in haar eene +duisterende verwondering, een nacht, die neêrdaalde, als was zij, na +met leugens omvangen, geblinddoekt door twijfel, in een labyrinth te +zijn rondgevoerd, eensklaps,--bevrijd!--met open oogen, losgelaten in +een zwarte ruimte. En zij voelde wel hare ziel leêgbloeden, maar peilde +toch nog niet de diepte harer zielewond, en ze dacht, trots hare +ontzettende smart, alléen aan al dat donker om haar heen. + +--Hoe vreemd! fluisterde ze. Waarom? Waarom dan toch? + + +XIII. + +Na dat alles eene maand van rust. Eene plotseling neêrgevallen kalmte +voor beiden, voor beiden gevuld met een stil, zwaar verdriet. En +daarboven de onverschilligheid, de banaliteit van het leven met altijd +het zelfde, terugkomende, eentonige, dag aan dag ... + +Ook Bertie ademde thans in zulk eene vreemde atmosfeer van kalmte. Zeer +verwonderde hij zich over wat er gebeurd was. Hoe eenvoudig en +gemakkelijk was het gegaan. Hij? Neen, hij had niets bewerkt, niets +kunnen bewerken: alles was het een uit het ander voortgesproten: het had +zoo _moeten_ zijn. En het verschiet van zorgeloosheid deinde zich weêr +voor hem uit: eene eeuwigheid van rustig rijk leven naast Frank, in wien +hij weêr de oude vriendschap voelde herleven, bijna opvlammend tot eene +ziekelijke passie, nu dat Frank, gescheiden van Eve, zichzelven wel veel +verweet, maar toch behoefte gevoelde aan medegevoel en troost, en +troost en medegevoel putte uit Bertie's zacht smeltende stem. O, die +blanke zwaarmoedigheid der eerste dagen, die ontzachelijke melancholie +des twijfels, nu, bekoeld van drift, Frank het zich afvroeg, evenals zij +het zich had afgevraagd: Waarom? Waarom dat alles? Wat heb ik gedaan? +Hoe is dat gekomen? En hij doorzag het niet, begreep het niet, als was +het een boek, waaruit bladen gescheurd zijn en dat niet te volgen is. En +hij begreep noch zichzelven om zijne drift, noch Eve om haren twijfel. +Het geheele leven scheen hem een raadsel. Uren lang zat hij stil voor +een venster uit te turen, uit te turen in de melkachtige vaagheid der +Londensche misten, met dat levensraadsel voor zijn oog. Weinig ging hij +uit, steeds versufte hij zich daar in White-Rose, eenzaam en stil +gelegen in hare buitenwijk; eene ontzenuwende slapheid vloeide door zijn +groot, sterk lichaam en voor het eerst zag hij zichzelven in een waar +licht en bespeurde hij zijne weifelachtige zwakte diep, diep in zich +opborrelen, als een lymfatische stroom door zijne sanguinische kracht. +Hij zag zich als een kind zoo nietig onder de overheersching zijner +orkanische driften, woedende vlagen, die zijn geluk hadden weggewaaid. +En zijn leed was zoo ontzettend groot, dat hij het niet geheel en al +voelen kon, omdat het te veel omvattend scheen, voor zijne menschenziel. + +Het waren dagen vol van eene grijze lusteloosheid, die zij daar samen +sleten, Frank te rampzalig om uit te gaan, Bertie zachtjes aan komende +onder den druk van een vagen angst, eene, niet te formuleeren, +onvoldaanheid. Hij voelde Franks vriendschap herleven, voelde in +zichzelven, gestreeld door die herleving een medelijden, bijna +sympathie, poogde Frank op te wekken, praatte van eens een souper te +geven, met dametjes, zooals vroeger. Hij maakte plan, om voor een paar +dagen hier naar toe te gaan, daar naar toe te gaan. Hij poogde zelfs +Frank aan het werk te zetten, sprak van een paar beroemde ingenieurs, +die zij in Londen kenden. Maar alles stuitte af op Franks koppige +treurigheid, alles verdween, versmolt in den nevel zijner blanke +zwaarmoedigheid, waarin slechts éene gedachte bleef, éen zelfverwijt, +éen leed. En de eenige zoetheid in hun leven was hun steeds samenzijn +geworden: eene innigere toenadering, waartoe Bertie zelfs gedreven werd, +nu het doel van zijn egoïsme bereikt was, hij zich om geene toekomstige +armoede meer te bekommeren had en vlak in zijne nabijheid een groot +verdriet zag. Had hij niet verworpen, uit gemis aan helder doorzicht, +dat _hij_ alles gedaan had? En was hij niet in zijn laatste ledig lui +leven zoo geaffineerd van gedachten geworden, dat hij behoefte gevoelde +aan vage genietingen van sympathie, vaag sympathetisch slechts, omdat +eene groote royale liefde, eene breede forsche vriendschap nooit in de +complicaties zijner ziel zouden kunnen ademen, uit gebrek aan ruimte, +aan vrije lucht, aan atmosfeer in die, met abnormaliteiten opgepropte, +nauwte, omdat zulk eene liefde, eene vriendschap, er kwijnen en sterven +zou als een leeuw in een boudoir ... + +En zoo was het, dat hij toch voor Frank voelde, dat hij Frank de handen +op de schouders legde en hem poogde te troosten, dat hij klanken vond +van genegenheid, nieuwe woorden op zijne tong, frisch en ongewoon, +verzachtend en balsemenend. De vrouwen, ze waren klein van ziel, zeide +hij. Ze waren niets, en liefde was niets, was een hersenschim; geen man +moest zich daarom het leven treurig maken. Maar er was vriendschap, +loyaal en trouw, vriendschap, die vrouwen zelfs niet begrepen en nooit +gevoelden voor elkaâr: eene passie van sympathie, een edel geluk van +samenstemming ... En hij geloofde zijne eigene woorden, zich koesterend +in dat platonisme met de zelfde poesenbehagelijkheid, waarmede hij zich +koesterde in materiëel bien-être: hij genoot van zijne +vriendschapsextaze, en bewonderde zich, omdat hij zoo hoog dacht. + +Maar Franks liefde voor Eve was zoo zielsomvattend geweest, was het nu +nog, dat hij na korten tijd de ziekelijkheid, het decadentisme van dit +dwepen inzag, en er toen geen troost meer uit putte. Grijzer hing zijne +neêrslachtigheid om hem heen. Hij dwong zich goed te herinneren wat er +gebeurd was, wat Eve gezegd had, wat hij gezegd had ... En hij gaf +zichzelven ongelijk, hij verontschuldigde Eve om haar getwijfel, hij +vloekte zijne drift, zijne barbaarsche ruwheid tegenover eene vrouw, +haar! Wat te doen? Gescheiden? Gescheiden voor altijd! Het was hem eene +ontzettende gedachte, dat hij haar nimmer meer zien zoû dat zij nooit +meer iets zoû zijn in zijn leven! Kon het dan niet weêr anders worden? +Was alles verloren? Onherroepelijk? Neen, neen, neen, bruisde het +wanhopig in hem: hij wilde de omstandigheden beteugelen, hij wilde zijn +geluk terug! Zij? Hoe was ze? Leed ze zeer? Twijfelde ze nu nog, of had +zijne ruwheid haar, trots alle barbaarschheid, toch zijne oprechtheid +onloochenbaar gemaakt? + +Maar àls dit zoo was, als ze niet meer twijfelde--en hoe kon ze het nog +langer!--God, wat moest ze dan lijden! Lijden om haar wangeloof, in een +zelfverwijt, nog ontzettender dan het zijne, daar zijne woede ten minste +rechtmatig was geweest en haar twijfel niet! Was ze zoo? Of was ze +anders, zieledoodelijk gekwetst wellicht door zijne gramschap, vol +minachting om zijn gemis aan kracht tot het betoomen zijner driften, die +waren als woedende wilde beesten ... Maar hoe, hoe was ze? En een +snijdend verlangen te weten doorvlijmde hem, telkens en telkens, als met +de houwen van een zwaard. Naar haar toe gaan, bidden om genade, om het +vroegere geluk, dat hij versmeten had, te gelijk dat hij haar had +gesmeten, op eene bank? Zij zoû hem nooit willen ontvangen, na zoo grove +beleedigingen ... Maar schrijven, schrijven! O, het jubelde in hem op: +een brief! De zaligheid zich op het papier te verlagen tot een stof aan +hare voeten, zich te vernietigen in eene boetedoening van gratie +bedelende en aanbiddende woorden, zich slechts éven verheffend in den +trots zijner waarheid, zijns martelaarschaps van haar twijfel! Zij zou +hem verhooren als eene madonna een zondaar; hij zijn geluk terugvinden! +En hij poogde zijn brief te stellen, trillende van aandoening bij het +zoeken zijner woorden, die hem maar niet innig, niet nederig genoeg +toeklonken. + +Een geheelen dag bleef hij er op werken, zijne zinnen ciseleerend, +zooals een dichter zijn sonnet. En toen hij eindelijk gereed was, was +het in hem eene frischheid van gevoelen, eene verademing van hoop, eene +resurrectie. Hij was overtuigd, dat zijn brief alle misverstand tusschen +hen zoû oplossen. + +Stralende zocht hij Bertie op, deelde zijn vriend meê wat hij gedaan +had, wat hij nu hoopte. Hij sprak opgewekt, als met eene nieuwe stem. +Bertie bleef wat mat en bleef in zijn stoel hangen, maar hij deed zich +geweld aan terug te glimlachen, met den glimlach van Frank, en hij +beaâmde diens verwachtingen, met woorden, die hij te vergeefs klankrijk +overtuigend trachtte te maken. + +--Zeker, zeker: zoo zal het alles weêr als vroeger worden, fluisterde +hij trillend en het parelde op zijn voorhoofd, onder zijn lichtbruin, +neêrkrullend haar. + + +XIV. + +Maar een uur later, alleen in zijne kamer, des avonds, liep hij heen en +weêr, ziedende van een hartstocht, die zijn zwak lichaam in alle zenuwen +trillen deed, zooals een storm een tengeren berk schudt. Zijn mooi +gezicht was in eene bittere woede over zijne machteloosheid verwrongen +tot een leelijk masker van slechtheid en met gebalde vuisten liep hij +heen en weêr, heen en weêr, als een dier in zijn hok. Daarvoor had hij +dus al de fijnheid zijner hersens geraffineerd, al de genialiteit +zijner gedachte gespitst en geslepen, al den invloed zijner +zielsvermogens als met batterijen van een geheimzinnig fluïde gericht op +het inwendigste liefdeleven eener vrouw! Een enkele brief, een paar +bladzijden vol lieve woordjes zoû zijn geheele werk te niet doen! Want, +in zijne woede, nu op eens, zag hij het, ten deele met zekeren trots: +zag hij het, dat hij, wel degelijk _hij_, de omstandigheden had geleid +om Frank en Eve te scheiden! Hoe had hij er nog een oogenblik aan kunnen +twijfelen. + +Alles zoû te vergeefs zijn? Zoo mócht het niet zijn! Neen, duizendmaal +neen! Ontzettend wijd, als zonder horizont, golfde in éene seconde het +perspectief van angst voor hem uit, het verschiet van armoede, eene +naakte woestijn, waarin hij verdwalen zoû, van honger omkomen ... En in +zijne wanhoop om dat verschiet te ontloopen, voelde hij voor het +oogenblik al de veeren zijner verslapte wilskracht zich spannen, tot +springens toe ... + +Van dat oogenblik moest hij partij trekken. Eene gedachte flitste door +zijn brein, als de zig-zag van een bliksem ... Ja, ja, zóó moest hij +handelen! Een eenvoudig doeltreffend middel, eene eenvoudige +schurkenstreek, zooals conventioneele menschen dat noemen ... Geen +geraffineerd psychologisch geharrewar meer: dat bracht tot niets, dat +verwarde zich in zijn eigen complicaties. Eenvoudig weg een theatertruc +... + +Hij greep zijn hoed en ging zacht het huis uit, even minachtend lachend, +zichzelven bespottend, dat hij daartoe gekomen was. Het was half elf. +Hij hield een cab aan, en weêr lachte hij even, omdat de stem, waarmede +hij den koetsier het adres van Sir Archibald noemde, een +melodramatischen klank had: dien van den traitre ... En hij dook terug +in den hoek van het rijtuig, de schouders opgetrokken, de oogen klein en +slim voor zich uitturende in de mistige twijfeling van den nacht. Diep +in zijne ziel lag eene ontzettende treurigheid. + +Dicht bij Sir Archibald steeg hij uit, liep toen de enkele passen naar +de deur toe, belde ... En de oogenblikken wachtens, in den nacht, voor +die gesloten deur, waren eeuwigheden van troosteloozen weedom, van +afschuw, walging, misselijkheid over zichzelven. Een vieze trek vertrok +zijn mond scheef. + +Een lakei opende, met eene lichte verbazing in zijne oogen om dit late +bezoek, eene verbazing, die in iets van eene impertinente +onbeschaamdheid overging, toen hij zag, dat Bertie alleen was, zonder +Frank. Hij boog met eene ironieke beleefdheid, hield de deur wijd open, +met overdreven hoffelijkheid Bertie binnennoodend ... + +--Ik moet je dadelijk spreken, sprak Bertie kalm, met gedempte stem. Nu +dadelijk, onder ons ... + +De lakei zag hem strak aan en zweeg. + +--Je kan me van dienst zijn: ik heb je zeer, zeer noodig. Kàn ik je even +spreken, zonder dat iemand ons ziet? + +--Nu? vroeg de lakei. + +--Nu, zonder uitstel ... + +--Wil je dan binnenkomen, in de bediendenkamer? klonk het antwoord plomp en +luid. + +--Neen, neen ... Loop even met me op. En spreek zachter ... + +--Nu kan ik niet: De oude gaat zoowat over een uur naar bed, daarna kan +ik wel even op straat komen ... + +--Dan zal ik je wachten, daar bij het park ... Kom je zeker? Ik zal je +goed betalen ... + +De knecht lachte spottend, en zijn lach klonk metaalhelder, Bertie +beangstigend, door de vestibule heen. + +--Je bent een meneer nu, hè? En je zit er goed in ... + +--Ja, antwoordde Bertie klankloos. Kom je dus? + +--Ja, ja, over een uur, een groot uur. Wacht maar. Maar als ik wat voor +je doen kan, moet je opdokken, hoor! Dan moet je goed opdokken, hoor! + +--Goed, goed! sprak Bertie. Maar ik vertrouw dat je komt ... Je kómt, +nietwaar? + +De deur kwakte brutaal dicht. Lang bleef hij daar op en neêr loopen, in +den vochtigen nacht, terwijl de kilte hem tot in het merg drong en +uitkleumde, terwijl de bleeke gaslichten, als droevige oogen, hier en +daar door den valen mist hem aanstaarden. En hij wachtte, op en neêr +loopend, een uur, anderhalf uur lang, lijdende van koû en vermoeienis, +als een bedelaar zonder dak. Zoo wachtte hij, rillende, de handen in de +zakken, de oogen, troebel van zelfminachting, puilend uit zijn +doodsbleek gelaat en stijf gericht naar de donkere vlak der deur, die +nog dicht bleef ... + + +XV. + +Toen Frank na enkele dagen van spanning geen antwoord van Eve kreeg, +schreef hij ten tweeden male en hoewel de eerste frischheid van zijne +hoop reeds verwelkt was, schrikte hij toch op bij elke bel, die er +klonk, liep hij telkens naar de brievenbus der voordeur, was zijne +gedachte steeds bezig met den besteller, die langs de straten liep en +zijn geluk, in eene enveloppe, met zich voerde ... En hij stelde zich +Eve's antwoord voor: slechts enkele, wellicht koele regelen, geschreven +met hare groote, royale Engelsche hand, op het geurige ivoorachtige +papier, dat zij steeds gebruikte, met hare initialen, zilver en roze, +door elkaâr geslingerd, in den hoek. Wat duurde het lang, eer zij +antwoordde! Was zij zóó boos? Of wist ze nog niet, hoe ze hare vergeving +zoû styleeren, werkte zij nog op haren brief, zooals hij op den zijne +gedaan had? Zijne dagen gingen voorbij met het wachten op dien brief. +Was hij thuis, dan stelde hij zich voor, dat de besteller naderde, +naderde, nu nog slechts vier, nu drie, nu twee huizen ver was, nu ... nu +bellen zoû ... En hij luisterde of de bel niet zoû overgaan, maar er +klonk niets, en als er wat later gebeld werd, was het niet dàt ... Was +hij uit, dan electrizeerde hem eensklaps de gedachte, dat de brief er +liggen zoû, thuis, en hij rende naar White-Rose terug, zag in de bus, +ijlde de achterkamer binnen ... Maar nooit lag er dàt, en de tergende +leêgheid van de plek, waar hij het verwachtte, deed hem vloeken en +woest stampvoeten ... + +Op twee brieven, op twée brieven, antwoordde zij niet! En hij kon er +geen oorzaak voor vinden, in zijne heete verwachting, waarin het +natuurlijkste, het meest logische hem toescheen, dat zij dádelijk zoû +hebben geantwoord! Toen leefde hij slechts van wachten. Het moest komen; +het kón niet anders of het moest komen! In zijne hersens was alleen dit: +nu komt het, vandaag komt het ... Verder was zijn leven éene groote +leêgte, en toch, geheel en al te vullen door een brief. Zoo was het +iederen dag het zelfde. + +--Ik heb nog geen antwoord van Eve, sprak hij dan deêmoedig tot Bertie, +als voelde hij zich vernederd, beschaamd om haar stilzwijgen, bespot +door zijne teleurgestelde hoop. + +--Niet? vroeg Bertie zacht en over den fluweelen nacht zijner oogen trok +een vocht glanzig waas van weemoed. Zwaar lag hem een gewicht op de +borst; diep hijgend haalde, regelmatig, zijn adem. Troosteloos +ongelukkig voelde hij zich. Het was zoo vuil wat hij gedaan had. Maar +het was de schuld van Frank: waarom had die zijne liefde niet kunnen +vergeten na de scheiding, waarom vond die niet genoeg troost in de +zoetheid hunner herleefde vriendschap? Wat ware het heerlijk geweest +innig gelukkig als vrienden steeds samen te zijn, steeds samen te leven +in een kalm kuisch blauw van broederlijkheid, in de gouden extaze hunner +sympathie, zonder vrouwen ... Zoo dweepte hij, willens en wetens zijn +vriendschappelijk, meêlijdend gevoel voor Frank opzweepend tot den +zwier van eene verheven vlucht, om zichzelven een beetje te troosten, +zichzelven zijne vuile daad te doen vergeten, zichzelven wijs te maken, +dat hij hoog dacht; toch, ondanks dat beetje zelfbedrog, juist nu, nu +dat hij zich in de modder voelde, werkelijk verlangend naar veel ideaals +... O, het was de schuld van Frank! Maar ... was het waarlijk de schuld +van Frank, dat hij Eve niet vergeten kon? Neen, neen, dat was alleen de +schuld van het Noodlot; niemand had eenige schuld aan wat ook: alles was +de schuld van het Noodlot ... + +--Ja, zoo is het! dacht hij, maar waarom hebben we dan hersens gekregen, +waarmeê we denken, en waarom lijden we om iets, als we er toch niets aan +kunnen doen? Waarom zijn we dan geen planten of steenen? Waarom dan dat +alles, dat heele onnoodige heelal? Waarom is er maar niet Niets! Wat zoû +dat rustig zijn, zalig rustig ... + +En hij stond voor de onontsluitbare poorten van het Raadsel, eensklaps +in eene ontzettende verbazing om zichzelven. Mijn God, hoe was dat alles +in hem gekomen, hoe dacht hij tegenwoordig toch altijd aan zulke dingen! +Had hij in Amerika, in zijn gesjouw en gescharrel, in zijn dienstbaar +geslaaf van iederen dag, ooit aan zulke dingen gedacht? Meende hij toen +niet, dat hij een grof materialist was, slechts verlangend naar genoeg +goed eten en veel rust? En nu, dat hij dit materialisme làngen tijd +genoten had, nu voelde hij zich of zijne zenuwen als tot zijden draden +zich hadden fijn gesponnen, van rillingen trillend in emotie na emotie, +zoo trillend als van onzichtbare luchtrillingen, die met muzikaal gesuis +onophoudelijk glijden langs telefoondraden, boven een huis ... Hoe was +hij gekomen aan al die filozofie, bloem zijner ledige uren? En in zijne +verwondering poogde hij zich zijne jeugd te herinneren, of hij toen +reeds aanleg had gehad tot peinzen, of hij toen boeken gelezen had, die +hem met een indruk hadden gestempeld; poogde hij zich zijne ouders te +herdenken, of dat alles iets van overerving kon zijn ... En in New-York +had hij koffie en borrels aangebracht! Was hij toen eigenlijk niet +gelukkiger, zorgeloozer? Of scheen dat zoo om dien afstand van den tijd +... verte van een paar jaren? + + +XVI. + +Toen Frank, na eenige dagen van een niet-leven wachtens, nog geen +antwoord ontvangen had, schreef hij aan Sir Archibald. En het was steeds +het zelfde stilzwijgen. Toen klaagde hij bitter bij Bertie zijne smart +uit, niet deêmoedig meer, maar woedend, als een getergd beest en toch +nog half weemoedig omdat ze zoo waren, zoo kwalijknemend. Eve en haar +vader. Was het dan niet genoeg, dat hij driemalen om vergeving gesmeekt +had? Had Eve dan zoo weinig van hem gehouden, dat ze, nu hij zich +verpletterde aan hare voeten, geen woord voor hem over had, zelfs niet +om hem te zeggen, dat het gedaan was ... + +--Ik herinner me niet meer alles wat ik gezegd heb! sprak hij tot +Bertie, terwijl hij op en neêr, op en neêr liep met een grooten, +gelijkmatig zenuwachtigen stap. Maar ik moet wel bar geweest zijn ... +God, dat ik dan ook nooit mijne woorden in bedwang heb! En ik heb haar +ook beetgepakt, zóó, bij haar armen. Ik heb haar toen van me afgegooid, +ik was zoo woedend. Ik had het niet moeten doen, maar ik kàn dan niet +kalm zijn, ik kàn het dan niet ... + +--Frank, ik woû, dat je je er over heen kon zetten, sprak Bertie zeer +zacht, uit zijn diepen stoel; als er nu toch niets aan te doen is ... +Het is treurig, dat het zoo geworden is, maar gooi het van je af ... + +--Gooi het van je af! Heb jij ooit van eene vrouw gehouden? + +--Jawel ... + +--Het zal me wat geweest zijn! Je kunt niet veel van iemand houden, dat +is niet iets voor je: je houdt te veel van jezelven. + +--Dat is wel mogelijk, maar in alle geval hoû ik veel van jou en ik kan +je zoo niet zien, Frank. Zet er je over heen. Ze schijnen het je nu zoo +kwalijk genomen te hebben, dat er niets meer aan te doen is. Ik woû, dat +je dat inzag en je in het onvermijdelijke schikte. Zoek naar iets anders +om voor te leven. Zoû er dan alleen dàt eene voor je zijn? Misschien is +er iets anders. Een man verliest zich zoo niet in zijne liefde. Je bent +zoo net eene vrouw: die doen dat ... + +Zijne oogen zagen Frank zoo magnetisch zacht aan, dat het Frank werd +alsof elk dier woorden eene zuivere waarheid bevatte en Bertie's laatste +verwijt herinnerde Frank weêr zijne flauwheid, zijne weifelachtige +zwakte, die lag onder al het mannelijk vertoon van zijne kracht als een +week fondament. Maar toch klampte hij zich aan zijn hevig verlangen +vast, zijn hevig verlangen naar het vroegere geluk. + +--Ach kom, jij kunt daar nu eenmaal niet over oordeelen! antwoordde hij +ongeduldig. Bertie's blik als van zich afschuddend; jij _hebt_ nooit van +eene vrouw gehouden, al beweer je het. Waarom zoû alles niet weêr in +orde kunnen komen? Wat is er dan gebeurd? Wat heb ik dan gedaan? Ik heb +me onhebbelijk driftig gemaakt, nu ja ... Is dat dan zoo iets +onvergeeflijks als je van elkaâr houdt? Misschien ... zeg, zouden de +brieven niet terecht zijn?... + +Er hing gedurende enkele seconden eene afwachtende stilte in het +vertrek, een atmosfeer van lood. Toen sprak Bertie en zijne stem smolt +van teedere vergoêlijking: + +--Als je er nu één hadt gezonden, zoû je het kunnen denken ... Maar drie +brieven aan het zelfde adres. Het is niet waarschijnlijk ... + +--Ik zal er zelf eens naar toe gaan, hernam Frank. Ja, ja, ik zal er +zelf maar eens naar toe gaan ... + +--Wat zeg je? vroeg Bertie dof. + +Nog onder den druk der looden atmosfeer van zooeven, had hij niet goed +verstaan, niet recht begrepen ... Ze waren over hem heen gegaan als eene +suizende dreiging, die woorden ... + +--Wat zei je daar? herhaalde hij. + +--Ik zal er zelf maar eens naar toe gaan, hernam Frank. + +--Waar naar toe? + +--Wel, naar de Rhodes', naar Eve ... Suf je? + +Maar Bertie rees op en in de vaalte van zijn gelaat schitterden zijne +oogen als zwarte diamanten, met vele facetten. + +--Wat wil je daar doen? vroeg hij, in een keelschrap om zijne stem te +verzuiveren. + +--Met ze praten en den boêl in orde brengen ... Ik hoû het niet uit, het +duurt me te lang. + +--Je bent gek, zei Bertie stroefkort. + +--Waarom gek? + +--Waarom je gek bent? Je hebt voor geen cent eigenwaarde. Denk je in +ernst naar ze toe te gaan? + +--Ja, natuurlijk. + +--Ik vind het misselijk, zei Bertie. + +--Nu goed, sprak Frank; vind het misselijk. Ik vind het zelf ook flauw +van me. Maar God, ik kàn het niet langer uithouden. Ik hoû zooveel van +haar, het was vroeger zoo goed, zoo mooi ... En nu, nu, door mijn eigen +schuld ...! Het kan me niet schelen: vind het misselijk, maar ik ga, ik +ga toch. + +Hij had zich in zijn getwijfel neêrgegooid op een stoel en elke spier +aan zijn gelaat trilde reeds van strijd. Maar toch ging hij voort. + +--Je weet het niet, hoe ik me voel: je kùnt het niet begrijpen. Ik ben +zoo ellendig, zoo diep, diep ongelukkig. Ik heb me nooit in mijn leven +zoo heerlijk, zoo harmonisch, zoo geëquilibreerd gevoeld als toen ik met +Eve was, ten minste ... nu lijkt me dat zoo. En nu is dat alles weg en +alles schijnt me doelloos. Ik weet niet meer waarom ik loop en eet en +ademhaal en leef! Waarom zoû ik al die moeite doen en dan, op den koop +toe, al dat verdriet hebben? Ik zoû net zoo goed dood kunnen zijn ... +Zie je: daarom wil ik naar ze toe gaan. En als het dan niet weêr in orde +komt, dan maak ik me van kant ... ja, ja, dan maak ik me maar van kant +... + +Verpletterd onder den last van het leven hing hij in zijn stoel, met +zijn zenuwtrekkend gelaat, zijne groote ledematen uitgestrekt in hunne +nuttelooze spierkracht, ondermijnd door de geheimzinnige zwakte, die er +onder knaagde, als met wormen. Maar Bertie was voor hem gaan staan, +opgeschroefd in zijne wanhoop-energie; zijne oogen, vol facetten, +wisselflitsend op Frank. En hij legde zijne trillende handen op Franks +schouders, die hij er breed en massief onder voelde, zwaar van kracht. +Eene reactie electrizeerde hem met iets als fierheid: hij voelde +minachting voor dien sterken man met zijne jongensliefdesmart. Maar +vooral, o vooral, voelde hij zich trekken naar beneden, naar een afgrond +toe, en het scheen hem als klampte hij zich met de omkronkelingen van +eene woekerplant nu vast aan Frank, aan Franks schouders. + +--Frank, begon hij, bijna heesch. Hoor eens goed naar me. Je maakt je +eigen ziek, je praat als een gek, je huilt tegenwoordig net als een +kind. Het is om er weê van te worden. God, wees toch wat flinker. +Verknies je leven toch niet zoo met dat misselijk gejammer. En waarom, +waarom dat alles?! Omdat eene vrouw niet meer van je houdt. Stel je in +zóó iets dan je hoogste geluk? Het zijn wezens zonder hersens, zonder +harten: wat oppervlakkigheid en ijdelheid door elkaâr geklutst, schuim, +flut, niets! En daarom wil je je van kant maken? Jasses, hoe is het +mogelijk. _Ik_ weet niet wat houden van eene vrouw is, hè? Maar _jij_ +weet niet wat verdriet en ellende is. Je denkt, dat je het nu al heel +erg te pakken hebt, hè? En je hebt niets, niets dan een beetje malaise, +wat gekrenkte pedanterie misschien: het zal wel niet veel anders zijn. +Als _ik_ me van kant had gemaakt, iederen keer, dat _ik_ ellende had +gehad, dan was ik nu wel duizendmaal dood. Neen, dan heb ik heel wat +anders doorgemaakt, hoor! Hoe kan je zoo laf zijn. Eve toont je +duidelijk, dat ze niets meer van je weten wil. En je wilt weêr naar haar +toe gaan. En als ze je de deur wijst? Wat dan? Als je het doet, als je +naar ze toegaat, dan vind ik je zoo klein, zoo flauw, zoo laf, zoo +kinderachtig, zoo misselijk, zoo verdomd misselijk, dat je voor mijn +part naar den duivel mag loopen. + +Hij maakte een keelgeluid alsof hij phyziek weê werd en wendde zich af, +wat duizelig en vreemd licht in het hoofd. Frank zweeg, in zich heen en +weêr geslingerd door twee machten. Hij was zich niet meer bewust wat hij +dacht, geheel in de war, vol valsche geluiden in zijn oor en in zijne +verbeelding. In Bertie's woorden klonk iets onzuivers, eene detonatie, +die hij niet kon aanwijzen, maar zich toch bewust was en ook klonk de +stem van zijn eigen verlangen valsch, met vreemde, onoplosbare +accoorden, die onharmonisch in elkaâr bleven voorttjingelen. En hij +verloor zich geheel en al, hij bleef lang zwijgen tot, koppig, +halsstarrig, hij het herhaalde: + +--Goed, het kan me niet schelen, ik ga toch, ik ga toch ... + +Maar balsemzacht ging Bertie voort, terwijl hij, volgens zijne gewoonte, +als hij zich zeer ongelukkig gevoelde, op den grond ging zitten, op de +vacht voor het vuur, zijn bonzend hoofd gesteund tegen een stoel: + +--Kom Frank, zet er je overheen. Je meent het niet, dat je er naar toe +wilt. Daar ben je in je binnenste veel te fier en flink voor, om dàt te +willen. Herinner je je toch. Ben je dan alles vergeten? Heeft Eve je +niet gezegd, dat ze je niet vertrouwde, dat je haar bedroog, dat je nog +met die vrouw was en dat ze dat wist? Ik had het trouwens al lang +gemerkt, dat ze zoo wantrouwig was: ik vond zoo iets al niet mooi in een +jong meisje; ik vond er iets ... niet kuisch' in ... Het is waar, dien +avond van het Lyceum ... het scheen toen wel zoo wat. Maar je hadt Eve +toch verzekerd, dat het uit was ... Ik vind het dus allesbehalve mooi in +haar, dat ze je toen nog niet vertrouwd heeft ... Je kan het dus niet +meenen, als je zegt, dat je er naar toe wilt gaan. Het kan mij +natuurlijk niet schelen: ga er naar toe voor mijn part, maar ik zoû het +zoo misselijk van je vinden, zóó misselijk ... + +En Frank steeds zwijgende, verloren, en door de kamer steeds dat +getjingel van valsche geluiden ... + +--En het kan niet anders of je vindt dat ook als je nadenkt. Denk er +eens over na, Frank ... + +--Ach ja, mompelde Frank dof. + +Bertie vleide zijne mannelijkheid en het klonk in Franks ooren als met +klokken: fier, flink, fier, flink ... Maar de klokken waren toch +gebarsten ... Tóch stilde de muziek hem. Hield hij op dit oogenblik nog +van Eve? Of was het uit, had zij zijne liefde gedood onder haren +twijfel? Fier, flink, fier, flink ... O, het niet meer te weten, niets +meer te weten ... + +Met eene beweging als eene liefkoozing sloop Bertie toen nader, legde +zijn hoofd op de armleuning van Franks stoel en, de handen gevouwen om +de knieën, geleek hij in den halfschemer, in den vuurgloed, een lenige +panter, flikkerden zijne oogen als zwart gouden panteroogen. + +--Zeg Frank, ik kan je zoo niet zien. Ik hoû zooveel van je, al zie je +dat misschien niet zoo in, en al doe ik het op mijn manier ... O, ik +weet het wel: je vindt me soms bijna ondankbaar. Maar je kent me niet; +ik hoû zielsveel van je, ik heb van mijn vader, van eene vrouw, van +mezelven, van wat ook, nooit zóo gehouden als ik van jou hoû. Ik zoû +iets voor je over kunnen hebben, en dat is veel gezegd voor mij. Zeg +Frank, ik kan je zoo niet meer zien. Laten we weggaan van Londen, laten +we gaan reizen of ergens anders gaan wonen, in Parijs, of in Weenen. Ja, +laten we naar Weenen gaan. Dat is ver van hier. Of naar Amerika, naar +San Francisco. Of naar Australië. Waar je maar wilt. De wereld is zoo +groot, je kan zooveel zien, dat je andere ideeën geeft. Of laten we een +tocht meêmaken in het binnenland van Afrika: ik zoû wel lust hebben in +zoo iets woeste, en ik ben sterker dan ik er uitzie: ik ben taai. Laten +we veel beweging maken, veel doorstaan, veel lichamelijke vermoeienis. +Vindt je het niet prachtig dwars door een ondoordringbaar bosch je een +weg te kappen? O ja, laten we ons baden in de natuur, in veel lucht en +ruimte en gezondheid ... + +--Ja, ja, mompelde Frank; goed, we zullen weg gaan, we zullen gaan +reizen. Maar eigenlijk kan ik het niet: ik heb weinig geld, ik heb het +vorige jaar zooveel verteerd. + +--O, maar we zullen zuinig zijn: wat hebben we luxe noodig! Het kan mij +ten minste niets schelen ... + +--Ja, ja goed, mompelde Frank weêr; we zullen het zuinig doen. + +Zij zwegen eene pooze. In het halfduister stiet Frank bij eene beweging +even Bertie's hand aan. En hij drukte die eensklaps, tot brekens toe, +vast in de zijne en stamelde: + +--Goede jongen, goede beste jongen! + + +XVII. + +Zoû hij er heen gaan? dacht Bertie, toen hij den volgenden avond alleen +thuis bleef en niet wist met welke plannen Frank was uitgegaan. Nu, +Bertie zoû afwachten. Er was niets meer aan te doen. Een paar dagen om +zaken te regelen en daarna weg, weg van Londen. O, wat voelde hij zich +ongelukkig! En al die vuiligheid alleen om een materieel gemak, eene +luie weelde, die hem--hij was het nu langzamerhand gaan +gevoelen--geheel en al onverschillig was geworden. O, de +bohemien-vrijheid van zijn zwervend scharrelaarsleven in Amerika, dat +losse, dat ongegeneerde, nu zijn vestjeszak vol geld, dan niets, totaal +niets! Hij had er heimwee naar: het geleek hem een benijdenswaardig +leven van onbezorgde bandeloosheid, bij zijn tegenwoordig bestaan van +rijk suffen en laagheid. Wat was hij veranderd! Vroeger was hij alleen +maar los van conventie geweest, zonder veel nadenkens, en nu ... zijne +ziel was verfijnd geworden, en ploeterde toch in de grofste vuiligheid. +En waarom? Om iets te behouden, dat geen waarde meer voor hem had. Geen +waarde meer?! Maar waarom dan zich niet los te scheuren uit zijne eigen +netten, weg te gaan, alleen, in armoede; een enkel woord te schrijven +aan Frank en Eve om ze weêr tot elkaâr te brengen? Hij had immers +vrijheid dat te doen? + +Hij dacht er over na en glimlachte toen, het iets onmogelijks vindend en +toch niet inziende, waarin het onmogelijke er van lag. Maar het wàs +onmogelijk, het wàs iets wat niet volbracht kon worden. Het was iets +onlogisch', iets vol duistere moeielijkheden, iets dat nooit gebeuren +kon, om geheimzinnige noodlotsredenen, die hij wel niet inzag, maar toch +onloochenbaar voelde ... + +Zoo mijmerde hij, alleen, dien avond, toen Annie, de meid-huishoudster, +hem zeggen kwam, dat er iemand was, om hem te spreken. + +--Wie is dat dan? + +Zij wist het niet en hij ging in het spreekkamertje en vond den lakei +van Sir Archibald, met zijn grooten neus en zijne brutaal bewegelijke, +grijze vogeloogen, vroolijk glinsterend in zijn blauw geschoren, +terracottakleurig gelaat. Hij was niet in liverei, maar gekleed als een +heer met een licht gekleurd overjasje, een ronden hoed, een stok en +handschoenen. + +--Wat moet je hier? vroeg Bertie brusk, zijne wenkbrauwen fronsend. Ik +heb je immers gezegd, dat ik niet woû, dat je hier ooit kwam! Je hebt +immers niet over me te klagen, meen ik ... + +Neen, neen, hij had niet te klagen, maar hij kwam zijn ouden vriend maar +eens opzoeken, zijn ouden Swell. Bertie wist het immers wel, vroeger, in +New-York. Ze waren toen zoo kameraadschappelijk in het zelfde hôtel +kellner geweest. Toevallig, hè? zoo een wederzien in Londen. Ach ja, de +wereld was klein; je ontmoette elkaâr overal en altijd. Je kon elkaâr +niet ontloopen; als de hemel wilde, dat je elkaâr ontmoeten zoû, dan kòn +je elkaar niet ontloopen; nu, en als je elkaâr ontmoette, dan kòn je +elkaàr ook nog eens van dienst zijn ... Er werden soms lastige brieven +geschreven; hm, hm!... Zestig pond voor twee brieven aan de juffrouw, +dat was een koopje! Het leven was duur; in Londen nu en dan eens +vroolijk te zijn, kostte duur. Er was nu een derde brief van de zelfde +hand--wel, wel, van wien zoû die hand toch zijn? Geadresseerd aan den +oude. O, een oud kameraad zoû nooit lastig vallen, maar hij kwam maar +eens vragen: was die brief ook wat waard? Hij had hem bij zich. + +--Geef hem dan hier! stotterde Bertie doodsbleek, zijne hand reeds +uitstekend. + +Ja maar, dertig was zoo weinig, een bagatel. De brief was nu toch +geadresseerd aan den oude en dus wel meer waard. Een oud-kameraad was +daarbij, eerlijk gebiecht, in een beetje geldverlegenheid. En Bertie was +een meneer en in goeien doen, en hij had een edel hart. Hij zoû een +oud-kameraad niet in den steek laten. Wat drommel, je hielp elkaâr in de +wereld! Honderd pond? + +--Je bent een ellendeling! stotterde Bertie. We hadden afgesproken +dertig pond. Ik heb geen honderd pond; ik ben niet rijk ... + +Nou ja, dat wist hij wel, maar meneer Westhòve gaf zijn vriend toch nu +en dan wel eens een sixpence, en meneer Westhòve zat er zoo goed in. +Kom, kom, Swell moest er maar eens over nadenken: waarachtig, hij zoû er +een oud kameraad meê helpen; honderd pond was toch ook de wereld niet! + +--Ik heb op het oogenblik geen honderd pond, ik verzeker het je, +krijschte Bertie zacht, rillend als van koorts, met eene keel, die droog +geschroeid scheen. + +Nu, een oud kameraad zoû dan wel eens terugkomen, later. Den brief zoû +hij zorgvuldig bewaren. + +--Geef den brief dan: ik zal je later honderd pond geven! + +Maar een oud kameraad lachte vroolijk: nu, geven is geven: je vertrouwt +elkaâr wel, je bent nette lui, onder elkaâr, maar je steekt toch over, +te gelijk, zoo den brief en zoo de honderd pond. + +--Maar ik wil niet hebben, dat je hier terugkomt: ik _wil_ het niet, zeg +ik je ... + +Nu, dat was goed, dat was niet vermoeiend, Swell kwam dus zelf de +honderd pond brengen. Morgen? + +--Ja morgen. Morgen avond vast. En ga nu weg, in Godsnaam, ga weg ... + +Hij duwde zijn demon dringend de deur uit, het belovende: morgen, morgen +avond. Toen zocht hij Annie op, in een hevig verlangen te weten of zij +den lakei van Sir Archibald kende. + +--Wie was die man? vroeg hij haar brutaal, als een speler, die eene +hooge troef op een gevaarlijk oogenblik uitspeelt. + +Zij wist het echter niet en was verbaasd, dat meneer hem niet kende. Had +hij meneer lastig gevallen? + +--Ja, een bedelaar, zoo een fatsoenlijke bedelaar. + +Hij zag er toch zoo netjes uit, als een heer. + +--Wees voortaan wat voorzichtiger, sprak Bertie en laat niet iedereen +binnen ... + + +XVIII. + +Dien avond bleef hij wachten tot Frank zoû thuis komen. In zijne +eenzaamheid snikte hij, uren, uren lang, snikte hij heftig, bang, dat +Annie en haar man het hooren zouden, in het licht gebouwde villa-tje, +zijn snikken opkroppend, tot eene nijpende hersenpijn zijn hoofd scheen +te zullen doen uiteen barsten, als een bom. Hij snikte in eene +ontzachlijke rampzaligheid en zijn gesnik doorschokte zijn geheele +lichaam als met een rythme van smart. O, hoe kon hij daaruit komen, uit +dien poel? Zich doodmaken? waarom nog te leven in zulke ellende? En om +en om zag hij naar een wapen. En zijne handen sloten zich als eene +schroef om zijn hals ... Maar hij had er geen moed toe, ten minste niet +in dat oogenblik, want toen zijne handen zoo schroefden, gevoelde hij +eene duldelooze pijn van congestie opstijgen naar zijne, reeds zoo +gemartelde, hersens. En harder snikte hij, daar hij te week was om het +te doen. + +Het was één uur. Frank zoû weldra thuis komen. Hij zag in den spiegel. +Een vaal masker van violet, met groote, nat vlammende oogen, met dikke, +blauwe aderen aan de slapen, zichtbaar kloppend onder het fijne floers +van de huid ... Zoo mocht Frank hem niet zien. Maar toch moest hij het +vragen. O God, tòch moest hij vragen! + +Hij ging naar zijne kamer, kleedde zich uit, legde zich rillend te bed, +maar hij sliep niet en luisterde of de voordeur open zoû gaan. Tien +minuten over half twee kwam Frank thuis. Was ... God ... was hij +misschien naar de Rhodes' gegaan! Neen, neen, hij was zeker in de club +geweest; hij ging dadelijk naar boven, naar bed. Annie en haar man +sloten het huis; geluiden van opgelichte bouten klonken met een licht +gerammel van metaal. + +Na een half uur stond Bertie op. O, als het in Franks kamer maar donker +was, anders zoû die het zien, dat violette masker! Door de gang. Een +klop. + +--Frank. + +--Ja, kom binnen. + +Toen binnen. Frank lag al in bed. Alleen een nachtlichtje. Bertie met +den rug tegen het schijnsel. Zoû Frank spreken van de Rhodes'? Neen, +Frank vroeg wat er was. En Bertie begon. + +Hij moest zijn vriend dringend iets vragen. Hij had zich eenige oude +schulden herinnerd, die hij toch betalen wilde, voor zij weg zouden +gaan. Het speet hem zoo: hij maakte zoo een misbruik van Franks +goedheid. Kon Frank hem ook geld geven ... + +--Beste jongen, ik heb alles precies uitgerekend. Ik heb net wat we +noodig hebben om naar Buenos Ayres te komen. Hoeveel moet je hebben? + +Hij had honderd pond noodig. + +--Honderd pond?! Maar kereltje, ik weet heusch niet waar ik ze van daan +moet halen. Heb je ze bepaald noodig? Kan je het niet uitstellen? Of kan +ik niet een cheque voor je teekenen? + +Neen, hij moest ze in handen hebben, in handen. + +--Nu ... wacht dan ... misschien weet ik er wel wat op ... Ja, ja, ik +zal er wel wat op weten. Morgen zal ik wel eens zien ... + +--Morgen ochtend? + +--Heb je ze dan noodig? Nou goed, hoor, ik zal wel eens zien, maar ga nu +naar bed, want ik heb slaap: we hebben gefuifd. Morgen zal ik je wel +helpen. Ik laat je in allen geval niet in den steek, dat is natuurlijk. +Maar je bent een lastige jongen, hoor, dat ben je! Verleden hadt je ook +al dertig pond noodig en toen nog eens dertig pond! + +Een oogenblik bleef Bertie staan, eene donkere schim tegen het stille +schijnsel der lamp. Toen trad hij nader en hij viel voor Franks bed neêr +en legde zijn hoofd op het dek en snikte, snikte. + +--Zeg, ben je dol? Ben je gek geworden? Bertie! Wat overkomt je? + +Neen, hij was niet gek, maar hij had zoo een verdriet; dat hij zoo een +misbruik maakte van Franks goedheid, vooral nu Frank in +geldverlegenheid zat. Het waren zulke vuile schulden. Hij wou liever +niet zeggen, wat het was. Schulden uit den tijd, toen hij wel eens voor +een paar dagen er van door ging; Frank wist het nog wel, nietwaar? + +--Oude zonden, jongentje! Nou, verbeter je maar in het vervolg. Morgen +zullen we je wel helpen. Balk nu niet meer en ga naar bed. Ik slaap al: +we hebben nog al wat gedronken ... Kom, hoû nu op, zeg. + +Bertie stond op, greep Franks hand, wilde hem bedanken. + +--Jawel, jawel, toe, ga nu slapen, zeg ... + +En hij ging. In zijne kamer hoorde hij weldra door het beschot heen, +Frank snorken. Hijzelf bleef zitten op den rand van zijn ledekant. Nog +eens sloten zijne handen zich schroevend om zijn hals ... Maar het deed +te veel pijn, in de hersens. + +O God, hoe is het mogelijk, dat ik ben, als ik ben! dacht hij. + + + + +HOOFDSTUK IV. + + +I. + +Een leven zwervens van twee volle jaren lang, een leven zwalkens van +Amerika naar Australië, van Australië terug naar Europa, in eene +smartelijke rusteloosheid, zonder nieuwe levensdoeleinden te vinden, +zonder het waarom te vinden van hun beider bestaan, zonder het waarom te +vinden van al de oorden, die zij doorkruisten, en al de luchten, die zij +inademden. Een leven, eerst zonder levensstrijd, dat zij voortsleepten, +bezwaard met hunne tweelingsrampzaligheid, slechts levende hun leed en +onbezorgd voor de materiëele lasten des levens. Maar toen: de stijgende +vrees voor die materiëele lasten, de onaangename gewaarwording, dat er +geen geld meer gezonden was uit Europa, in geen maanden, geen maanden +... Vervelende zaken met bankiers daar ginds, heen en weêr geschrijf, +klap op klap, het bijna geheel in rook vervliegen van een fortuin, dat +reeds lang te veel gouden wierook had gewalmd. En zij zagen de +noodzakelijkheid in om òm te zien naar middelen van bestaan, en zij +hadden op fabrieken, in assurantie-maatschappijen, aan couranten, bij +wat niet al, gevochten om niet onder te gaan in dat zelfde leven, dat +hun doelloos en smartelijk was. + +Zij hadden uren van angst gekend, opeenvolgende lange dagen van armoede, +zonder uitkomst, met de herinnering aan White-Rose ... Maar toch hadden +zij geen weêrverlangen naar White-Rose gehad, zachtjes aan onverschillig +en verdoofd, meer uit instinct angstig voor de toekomst, uit instinct +vechtende voor het bestaan, uit aangeborenheid en iets van overerving, +dan uit waarachtigen aandrang en eigen behoefte. + +En in die onverschillige verdooving had Bertie een zacht gevoel gekend, +eene teedere blijdschap, iets lieflijk heerlijks, dwars door zijne +zelfminachting heen: eene blijdschap, dat, nu Frank klappen had +gekregen, nu zij moesten werken voor hun brood, hij niet de gedachte in +zich had voelen opkomen Frank aan zijn lot over te laten en weg te +loopen, omdat de boêl op was. Hij had die gedachte: Frank te verlaten, +niet spontaan voelen opkomen, en was er gelukkig om, dàt hij ze niet +spontaan had voelen opkomen, dat hij ze later uitdenkende, haar bewust +was als eene gedachte, die hem niet aanging en eigenlijk niet in hem +was. Neen, hij had bij Frank willen blijven, misschien wel om zijne +poesennatuur, en omdat hij gehecht was aan zijn plekje bij Frank, maar +toch ook om iets anders, iets ideëels, eene lichte dweperij. Het deed +hem zoo heerlijk aan bij Frank te blijven, terwijl Frank geen cent meer +had. En zij hadden samen gewerkt, gezwoeg en verdienste deelende in de +broederlijkheid van hun samenzijn. + +Twee volle jaren! En zij waren nu terug in Europa, Engeland vermijdende, +teruggekeerd in hun geboorteland, Holland, Amsterdam, Den Haag. Het was +in beiden een vreemd verlangen, die plaatsen, welke zij vroeger, beu van +het overbekende, hadden verlaten, om hun weg door de wereld te vinden, +nu terug te zien, er hunne gebroken levens naar toe sleepend, alsof zij +er eene genezing hoopte te vinden, een wonderbalsem, een troost voor het +bestaan. Zij hadden een duitje overgespaard en zij konden enkele +zomermaanden blijven rusten, hun handjevol geld zuinigjes opmakend in +eene korte zomerverpoozing. Zoo hadden zij in een villa te +Scheveningen--eene, links van het Oranje-Hôtel, ziende op de zee--een +optrekje gehuurd van een paar kamers, en de zee was het wisselzieke +verschiet geworden, waarop hun droomerig zomergesoes uittuurde, weinig +als zij zich linksaf bewogen, naar het gewoel van Kurhaus en strand. +Uren bleef Frank daar voor zitten, op het uitstek, in een rieten stoel, +de beenen op de balustrade, de blauwe kronkelingen van zijn sigaarrook +even om hem heen drijvend; hij voelde zich versuffen, zonder veel leed +meer, zich schikkende in zijne nutteloosheid, met nu en dan wat +herinnering aan vroeger: eene droevigheid, die niet meer smartte. Dan, +stijf wordend van het niets doen, werkte hij aan ringen of rekstok, +werkte met halters of schermde wat met Bertie, wien hij het geleerd had. +Hij zag er goed gezond uit, nog wat zwaarder geworden, eene bloedrijke +kleur onder zijne licht verbruinde huid, eene zachte somberheid in zijne +lichtgrijze oogen en nauwlijks iets bitters onder zijne goud +schitterende snor. + +Maar meer nog leed Bertie als hij over den halfcirkel van de zee +uittuurde, en die zee naar hem toe zag deinen met haar eindeloos +uitgerol van groen en blauw en grijs en violet en zachte +parelkleur,--den hoogronden hemel er boven, vol eindelooze +wolkenmetamorfozes, in-en uitkrullende massa's dik grauw en wit, +zilverige windveêren, ijle pluimen, dons, luchtschuim,--dan werd het hem +of met de zee zijn noodlot naar hem toekwam. Het scheen als eene +onvermijdelijke nadering. En hij wachtte tot het komen zoû, het zoo +intens voelende naderen, dat soms zijn geheele zijn één wachten werd, +roerloos in zijn rieten stoel, met de oogen over de wijdte van het +water. + + +II. + +Zoo was het gekomen, dat hij, zoo zittende, eens, beneden op het strand, +tusschen de bosschen helm der zandgele duinhelling door, twee +silhouetten zich had zien voortbewegen, een man en eene vrouw, beiden +donker fijn als inktteekeningen zich afprentend tegen het vaalzilver der +zee. Een angst bruiste eensklaps in zijn lichaam, door zijn hart òp naar +zijn keel, naar zijne slapen. Maar een zoute zeegeur woei van beneden +omhoog en prikkelde zijn reuk met eene frischheid, die tot zijne hersens +doordrong, zoodat het er, trots dien angst, zeer klaar werd, als vol +van eene zuivere atmosfeer. En tot in de fijnste fijnheden van tint en +lijn zag hij het: het zilvergrijze, half ovale zeeverschiet, als een +glinsterend liquide wereldei, vol spelingen van parelmoêr tusschen de +opkuivende schuimkammen der deiningen, nauwelijks somber onder eene +gedekte lucht van uitrafelende, scheurende wolken, verschoten grauw, +wollig fluweel; rechts, een stuk façade van het Kurhaus, dom trotsch +kijkende naar de zee, met zijne starre vensteroogen; verderop, aan het +water, de pinken, als groote notendoppen, met, aan den mast uitgehangen, +zwarte tulle netwerk, elke pink met een wimpeltje, zoetjes kinderachtig +uitgekronkeld in de lucht; op het terras, ook op het strand, tusschen +eene warreling van gele stoelen, een aquarelachtig gevlak van +zomermenschen, teêr kleurig, zacht bont. Duidelijk zag hij hiér eene +scheur openwaaien in een rood pinkezeil, dàar een lint fladderen uit een +mandstoel, verderop eene zeemeeuw, even pikkende met de sneb iets uit +het schuim. Zoo zag hij er vele kleinigheden, kleurige, fijn geteekende +nietsjes, heldere spikkels in de ruimte van water en lucht, hel +zichtbaar in het zacht gedekte, zonlooze daglicht. En de twee +silhouetten, de man en de vrouw, werden grooter en naderden, langs de +zee, tot recht onder den blik van zijn oog. + +Hij herkende ze aan den vorm hunner gestalten, aan eene beweging, den +man aan een afnemen van den hoed en wisschen over het voorhoofd, de +vrouw aan heur houding met de parasol, den stok geleund op den schouder +en de hand bevallig vasthoudende een punt van het scherm. En toen hij +ze herkende, scheen het hem als werd hij lichter en lichter van hoofd, +als zoû hij duizelend opzweven uit zijn stoel, ergens weg drijven, de +zee over ... Maar mat viel hij terug, zeer mat, en lichttintelingen, als +dansende vraagteekens trilden voor zijne knippende oogen, door het +staren. Wat was er te doen? Zich in te spannen tot fijne list, Frank +zoeken weg te lokken hier van daan, vluchten? O, wat was de wereld +klein! Waren zij daarom die wereld omgezwalkt, rusteloos, rusteloos +door, om bij de eerste verpoozing dàt te ontmoeten, waar hij het meest +voor vreesde! Toeval of Noodlot? Neen, Noodlot ... Maar dan ... vreesde +hij wel? + +En, in zijne matheid, zag hij het heel duidelijk, dat hij nièt vreesde, +dat eene groote onverschilligheid in hem was, eene onstrijdbare +vermoeidheid van zelfsmart. O, hij was te moê om bang te zijn; hij zoû +afwachten wat er gebeuren zoû; het moest gebeuren; het was niet te +ontloopen, Noodlot, Noodlot ... O, de matte rust, te blijven zitten, +roerloos, energieloos, willoos, met dat wijde water van grijs zilver +vóor zich, en te wachten tot het komen zoû ... Niet meer te strijden om +zichzelven, en bang te zijn om zichzelven, maar geduldig te wachten, en +zoo altijd te wachten! Komen zoû het, als de vloed van die zee, over hem +heen gaan zoû het, als het schuim over dat zand en dan weêr wijken zoû +het, en dan wellicht zoû het uit zijn met hem, verdronken, vergaan ... +Een golfje van den tijd zoû hem overspoelen en hem zijn adem benemen, en +daarna zoû die tijd verder golven ... met zijne eindeloosheid. Dwaze +tijd, nuttelooze eeuwigheid ... + +--Ik woû, dat ik het niet zóo intens voelde! dacht hij pijnlijk. Het is +zoo dwaas, dat ik het zóo voel! Misschien komt er niets en word ik +honderd jaar, rustig en tevreden. Maar dit is onloochenbaar: dit is een +feit: daar zijn ze! Ze zijn er!! Maar ... als het _moest_ komen, zoû ik +het juist _niet_ voelen: het komt altijd onverwachts. Het is niets dan +ziekelijkheid van me, zenuwachtigheid, overspanning ... Eigenlijk kan +het me ook niet schelen, niets schelen. De lucht is mooi en zacht +gedekt, en daar drijft een wolkje ... En ik wil zoo zitten, zonder +angst, en rustig ... Maar daar zijn ze!!! De meeuwen vliegen vlak over +het water. En ik wil wachten, wachten ... En kijk, die jongens spelen +met een scheepje: het is een klomp. Zoû het niet omkantelen? + +Hij zag even met onwillekeurig belang naar het spel, toen weêr naar dien +man en die vrouw. Zij waren zeer duidelijk geworden, recht onder zijn +blik, en zij gingen voorbij, zonder iets te weten, emotieloos, als +marionetten. + +--Jawel, maar _ik_ weet het! dacht hij. Daar zijn ze! En met hen komt +het misschien. Maar ... met hen gaat het misschien ook weêr weg, zoo +maar, als eene dreiging. En zoo zal ik wachten, want het kan me niets +schelen. Als het uit moet zijn, zal het uit zijn. + +Ze verdwenen nu uit zijn oog. Ook de jongens waren verder gegaan met hun +scheepje: het strand voor Bertie was leêg geworden, zeer wijd, als eene +woestijn. En eensklaps overrilde hem eene hevige trilling, eene koorts. +Sidderend stond hij op, zijn gelaat zeer wit, zijne beenen wankelend. De +angst had hem eensklaps geheel overheerscht en zweette op zijn voorhoofd +uit in groote druppels. + +--O God! dacht hij. Het leven is verschrikkelijk. Ik heb het +verschrikkelijk gemaakt. Het leven is ijzingwekkend. Ik ben bang. Wat +zal ik doen. Wegloopen ... Ach neen, ik zal maar wachten. Kan het me dan +iets schelen? Neen, niets! Niets, Niets! Daar waren ze beiden, zij, en +de vader ... Ik ben wel bang. O, als het komen moet, God, o God, laat +het dan maar gauw komen ... + +Toen werd het hem alsof zijne oogen zich vergist hadden en ze het niet +waren geweest. Onmogelijk! Maar toch _wist_ hij, dat ze het wèl waren +geweest. De angst tokkelde hem steeds in zijne borst, gelijkmatig, met +hooge hartslagen. En hij verwonderde zich nu zeer, dat hij nog oogen +voor het scheepje van die jongens had kunnen hebben, terwijl daar +beneden Eve liep met Sir Archibald. Zoû het niet omkantelen? zoo had hij +ervan gedacht, van dat scheepje. + + +III. + +Er sleepten zich twee weken vol heet geschroeide zomerdagen voort, dat +hij wachtte, steeds te moê, de minste poging te doen Frank over te halen +heen te gaan van hier. Misschien had het hem slechts een enkel woord +gekost. Maar hij sprak dat woord niet, wachtende, en langzamerhand als +onder de bekoring van dat wachten komende, als hoopte hij op het +mysterie van eene belangwekkende toekomst. Hadden zij elkaâr nog niet +ontmoet? Zouden zij elkaâr ontmoeten? Ontmoetten zij elkaâr, zoû er dan +iets gebeuren? Het een schakelt zich onherroepelijk aan het ander, dacht +hij: aan niets is iets te doen! + +Het was Franks gewoonte veel thuis te blijven, stil levend tusschen zijn +somber gedroom en zijn gymnastiek, zonder zich te bemoeien met het +zomergewoel daar buiten, op strand en terras. Zoo waren er twee weken +voorbij kunnen gaan, zonder dat hij de onmiddellijke tegenwoordigheid +van haar bewust was geworden, voor wie Bertie vreesde! En zelfs niet de +zweem van een voorgevoelen had Frank doen trillen in zijne zachte +somberheid; onberoerd was hij blijven voortademen in de zelfde zeelucht, +die zij ademde, zonder te voelen, dat er een geur van haar dreef in die +atmosfeer. Hij zag niet den stap van haar schoentje op het strand vlak +onder zijne villa, de kant niet van hare parasol, fladderend in het +bereik van zijn blik, terwijl hij rustig rookte, de beenen op de +balustrade. En zij moesten dikwijls samen op den zelfden stoomer getuurd +hebben, fijn voortglijdend bijna aan den einder, als een uitgeknipt +prentje, met zijn zeiltjes en zijn kolommetje rook, zonder dat hunne +blikken elkaâr bewust werden, hoewel ze zich toch zeker kruisten, ergens +over de zee. + +Het was na die heet geschroeide weken een vuil grauwe dag, zonder zon, +met regen boven in de lucht drijvend in gezwollen wolken, als in bolle +waterzakken. + +Langs het strand was Frank gegaan, langs de zenuwachtig woelende zee; +hooger stonden de mandstoelen nog, dicht bij elkaâr, bijna opgenomen; +weinig menschen waren daar. Een desolate windroep klaagde over het +water; het was een herfstdag vol verlatenheid en wegsterven van +zomervreugde. En terwijl hij langzaam, met het luchtgeween om zijne +ooren, was voortgewandeld, had hij haar zien naderen in het uitwaaien +harer rokken en het wegfladderen van haar linten, hem tegemoet, en had +hij ... o God! haar herkend! + +Het was hem of eene rotsmassa op zijne borst was gesmeten, in eens, met +een reuzenworp en of hij vermorzeld er onder lag, zonder adem. En het +ziedde in hem met pijn en blijheid tegelijk, rillend door zijn bloed en +zijne zenuwen, opduizelend naar zijn hoofd. Zonder zoo te willen, stond +hij stil en zonder zoo te willen, zeide hij het, een klank, onhoorbaar +nog door wat afstand, verloren ook in het gehuil van den wind: + +--Eve, mijn God, Eve!! + +Maar de afstand bestond niet meer; nu was zij vlak bij hem, schijnbaar +zoo kalm, omdat zij hem reeds dien morgen gezien had, zonder dat hij +háar had gezien, omdat zij al haar eerste emoties geleden had, omdat zij +daar lang geloopen had, in den wind, dicht bij de villa, waar zij hem in +had zien gaan, in de hoop hem nog te zullen ontmoeten. Het ging door +zijn hoofd of hij haar met den hoed groeten zoû, als een vreemde, of dat +hij dit niet zoû doen, schijnbaar onverschillig, er over heen, niet +geroerd om eene toevallige ontmoeting, zonder eenige herinnering aan wat +was geweest. En in zijne trillende ontroering verwonderde hij zich toch +nog, dat zij zoo recht op hem afkwam, zonder aarzeling, beslist, als op +een doel. In eene seconde prentte haar bleek, ernstig gelaat met de +donkere oogen een, als van leven sidderenden, afdruk in hem af: hij zag +haar geheel en al, nam haar geheel en al in zich op, als verslond hij +haren aanblik in zijne ziel. + +--Frank! sprak zij zacht, vóór hem. + +Hij antwoordde haar niet, rillende van aandoening, nauwelijks kunnende +zien door den glans van vocht, die over zijne oogen trok. Zij glimlachte +weemoedig. + +--Herken je me niet meer? sprak zij, met hare stem van gedempt zilver. + +Hij knikte, onhandig iets mompelend, onhandig zijne hand uitstekend. + +Zij drukte die even zacht en ging voort, steeds met haar zacht geluid, +dat was als een echo: + +--Neem me niet kwalijk, dat ik je zoo aanspreek, maar ik zoû je gaarne +iets willen zeggen. Ik ben blij je hier te ontmoeten, hier in +Scheveningen, toevallig, misschien niet toevallig ... Er heeft een +misverstand tusschen ons geheerscht, Frank, en er zijn leelijke woorden +tusschen ons gevallen. Wij zijn nu wel gescheiden, maar toch zoû ik met +je willen spreken en je vergiffenis vragen, voor wat ik eens gezegd heb +... + +De tranen hokten in hare keel, zij kon zich bijna niet meer bedwingen, +maar zij dwòng hare ontroering terug en rustig bleef zij voor hem staan, +dapper als eene vrouw zijn kan, dapper met haren zachten glimlach, +waarin eene hopelooze berusting was, zonder aanstellerij, flink en +eenvoudig. + +--Neem het mij daarom niet kwalijk, dat ik je aanspreek en laat me je +vragen, of je me vergeven wilt, als ik je eens gekrenkt heb, en of je +voortaan eene zachtere herinnering aan me wilt bewaren. + +--Eve, Eve! stamelde hij. Jij mij vergeving vragen? Ik was het, _ik_ was +het, die ... + +--O neen! hernam zij zeer zacht. Je bent het vergeten. Het was _ik_ ... +Vergeef je het me? + +Zij stak nu zelve haar hand eenvoudig uit en hij drukte die, met een +grooten snik, die klokte in zijne keel. + +--Dank je; zoo is het goed, ging zij voort. Ik heb ongelijk gehad, +waarom zoû ik het niet bekennen? Ik beken het gulweg. Wil je papa niet +eens komen opzoeken: wij logeeren in het Hôtel Garni. Heb je nu plannen? +Ga anders met me meê. Het zal papa plezier doen. + +--Goed, goed, stamelde hij, nu oploopend naast haar. + +--Maar ontroof ik je aan niemand? Misschien wacht iemand je. Je bent +misschien in dien tijd ... getrouwd. + +Zij dwong zich hem geheel en al aan te zien, met haar zachten glimlach: +eene bleeke lieftalligheid, die droef-liefjes om hare lippen zweemde, en +hare stem was zacht blank, zonder veel belangstelling. Maar hij schrikte +van hare woorden, omdat ze iets bevatteden, dat nooit in hem was +geweest: eene exotische gedachte, en die zij overplantte in hem, zonder +dat ze er wortel schoot, er dadelijk verleppend. + +--Getrouwd?! O Eve, neen, neen, nooit, stotterde hij smeekend. + +--Nu, het had immers kunnen zijn, zeide zij zacht effen. + +Zij gingen een pooze zwijgend door, maar na een paar passen, gebroken +door den toon zijner laatste woorden, wist zij hare aandoening niet meer +in te toomen en zij begon zachtjes te snikken, als een zenuwachtig kind, +met regelmatige snikjes, terwijl zij bleven doorloopen en hare tranen +heur witte voile doorweekten. + +Even voor het hôtel bleef zij stilstaan en zij zeide, zich beheerschende +gedurende dien oogenblik: + +--Frank, zeg het me oprecht: vindt je het niet verkeerd van me, dat ik +je heb aangesproken? Ik was het niet met mezelve eens of ik het doen +zoû, maar ik woû zoo graag mijn ongelijk bekennen en je om vergeving +vragen. Zeg, veracht je me, omdat ik gedaan heb, wat een ander meisje +misschien niet gedaan had? + +--Verachten!! Ik je verachten! bracht hij snikkend uit. + +Maar hij moest zich in eens bedwingen, want enkele wandelaars, weinige +maar op dien dag van wind en dreigend regenweêr, kwamen hen te gemoet. +Zij liepen nog enkele passen voort, als misdadigers hunne hoofden +buigend onder den blik dier vreemden. Toen gingen zij het hôtel binnen. + + +IV. + +Sir Archibald ontving Frank wat koel, maar beleefd. Toen liet hij hen +alleen en dadelijk begon Eve: + +--Ga zitten, Frank. Ik moet je iets zeggen. + +Verwonderd nam hij plaats; haar toon was zakelijk geweest, hare +aandoening was teruggedrongen en zij scheen zich even te bezinnen als +wilde zij logisch iets uit elkaâr zetten. + +--Frank, sprak zij. Je hebt immers eens een brief aan papa geschreven; +is dit zoo? + +--Ja, knikte hij treurig. + +--Is dit zoo? riep zij heftig. + +--Ja! herhaalde hij; eens aan Sir Archibald en tweemaal aan jou. + +--Ook nog tweemaal aan mij? kreet zij smartelijk. + +--Ja, knikte hij weêr. + +--En je kreegt geen antwoord, ging zij kalmer voort. Heb je ooit wel +nagedacht, waarom? + +--Waarom?... herhaalde hij, verwonderd. Omdat je boos was, omdat ik zoo +ruw was geweest ... + +--Neen, schudde zij beslist. Eenvoudig hierom: omdat wij die brieven +nooit ontvingen. + +--Wat? kreet hij uit. + +--Omdat wij die brieven nooit ontvingen. Onze knecht William, schijnt er +belang bij gehad te hebben ze achterwege te houden. + +--Belang? herhaalde Frank, dom verward. Waarom? + +--Ik weet het niet, ging Eve door. Ik weet alleen dit: onze meid, Kate, +je weet wel, kwam eens huilende bij me en vertelde me, dat ze niet meer +bij ons wilde blijven, omdat ze bang was voor William, want hij had +gezegd, dat hij haar zoû vermoorden. Ik vroeg haar wat er gebeurd was en +toen vertelde ze mij, dat ze eens op het punt was geweest een brief +binnen te brengen aan papa, een brief van jouw hand: ze kende je hand. +Vlak bij de deur was William haar achterop gekomen en had haar ruw den +brief uit de hand gerukt, zeggende, dat _hij_ dien wel zoû binnen +brengen. In plaats van dat te doen, had hij den brief intusschen in zijn +zak gestoken. Zij had hem gevraagd wat dat beteekende; toen hadden zij +oneenigheid gekregen en sedert was ze bang voor William. Zij had mij dit +al lang willen vertellen, maar het alleen niet gedaan uit angst voor +hem. Wij ondervroegen William, die brutaal werd en zich beleedigd +achtte, omdat we zijn eerlijkheid verdachten; papa liet daarop zijne +kamer onderzoeken om te zien of hij meer brieven of andere dingen had +gestolen. Er werd intusschen niets gevonden, noch gestolen voorwerpen, +noch brieven. Ook niet de brief aan papa, die dus de laatste schijnt +geweest te zijn van de drie, die je ons schreef? + +--Ja, knikte Frank verbijsterd. + +--Papa joeg William weg. En ... wat woû ik je toch ook nog zeggen? God, +ik weet het niet meer ... Dus je hebt ons driemaal geschreven? + +--Ja, driemaal, sprak Frank. + +--En wat schreef je? vroeg zij, opnieuw regelmatig zacht snikkend in +hare keel. + +--Of je me vergeven woû, of ... of alles weêr worden kon als het +geweest was. Ik bekende ongelijk. + +--Je hadt het niet. + +--Het is mogelijk. Ik weet het niet meer. Toen voelde ik het zoo. Ik +wachtte en wachtte op een enkel woord van jou of van je vader. En ik +kreeg niets. + +--Neen niets! snikte zij. En toen? + +--Wat zoû ik toen gedaan hebben? + +--Waarom ben je niet zelf gekomen, o, waarom ben je niet eens zelf naar +ons toe gekomen! vleide zij, smartelijk verwijtend. + +Hij zweeg een oogenblik, zijne gedachte verzamelend, zich niet meer +herinnerend. + +--Zeg Frank? smeekte Eve. Waarom ben je zelf niet gekomen? + +--Ik weet het niet meer! sprak hij suf. + +--Heb je daar dan geen enkel oogenblik over gedacht? + +--Ja, jawel! stamelde hij. + +--Maar waarom dan niet? + +Hij barstte in eene snikkende smart uit, zijne tranen opetend, radeloos. + +--Omdat ik gebroken was: omdat ik me zoo ongelukkig voelde, zoo +ontzettend ongelukkig. Ik had altijd cynisch gedacht over vrouwen en van +ze te houden en dat alles en toen ... toen met jou ...!! Het was zoo +nieuw, zoo frisch voor me, ik voelde me als een jongen, ik was verliefd +op je en ik hield van je, ook niet alleen omdat je mooi was, maar om +alles wat je zei of deê, omdat je was zooals je was, zoo kalm altijd en +zoo lief ... o God, ik aanbad je. En toen is dat alles gekomen, dat +getwijfel en die akeligheden, ik weet het nu alles niet meer en ik +voelde me toen zoo alleen, en zoo gebroken. Ik had toen maar willen +doodgaan, o Eve, Eve! + +--Je hadt dus berouw! En je kwam niet bij me? + +--Neen! + +--God, waarom niet? + +--Ik heb willen komen! + +--Waarom heb je het dan niet gedaan? + +Weêr dacht hij even na, weêr suf. + +--O ja: nu geloof ik, dat ik het weet! sprak hij langzaam. Ik wou naar +je toe gaan en toen zei Bertie ... + +--Wàt zei Bertie? + +--Dat hij het misselijk van me zoû vinden als ik ging, laf, laag en +misselijk. + +--Waarom? + +--Omdat je me niet vertrouwd hadt. + +--En toen? + +--Toen ... toen gaf ik hem gelijk en ben ik niet gekomen. + +Zij wierp zich woest op eene bank, brekend onder hare smart, die steeds +in haar snikte en snikte. + +--Dus omdat Bertie zei ...! kreet zij verwijtend. + +--Ja, alleen om hem! sprak hij dof! O God, alleen om hem ... + +Zij zwegen. Toen richtte Eve zich op en zij rilde. Haar gelaat was wit, +als zonder bloed, hare oogen staarden als met krankzinnige blikken van +verweerd glas. + +--O Frank! riep zij. Frank, ik word zoo bang! Daar komt het! + +--Wat is er? vroeg hij, zacht verschrikt ... + +--Ik voel het over me heen komen! kermde zij steenend. Het is net een +ver geluid van een donder, zoo dreunend in mijne ooren en in mijn hoofd. +O God, daar komt het, Frank, o Frank! Daar is het, boven me, boven me!! +Het dondert boven me!!! + +Zij sloeg, gillend, met haar arm zenuwachtig angstig in de lucht, iets +wegwerend, en geheel haar tenger lichaam schudde als met geheimzinnige +electrische trillingen. Heur adem stootte met schokken door hare keel. +Toen wankelde zij en hij dacht, dat ze flauw zoû vallen en ving haar op +in zijne armen. + +--Eve, Eve! riep hij. + +Zij liet zich door hem meêsleepen naar de bank, zonder weêrstand; trots +hare hallucinatie, gelukkig in zijne omhelzing, en zij bleef daar zitten +tegen hem aan, in zijn arm, zich dringend tegen zijne borst. + +--Eve, toe Eve! smeekte hij. Wat heb je? + +--Het dreunt nu weg, fluisterde zij, bijna onhoorbaar. Ja, nu, nu is het +weg ... Dat komt zoo over me in den laatsten tijd, heel dikwijls: het +bruist aan, heel langzaam en zachtjes, en dan bruist het daverend boven +mijn hoofd en dan weg, ver weg sterft het weg ... En daarna ben ik zoo +bang; het is of het een angst is, die over me heen bruist en die me zoo +bang maakt. Wat zoû het zijn? + +--Ik weet het niet. Overspanning misschien? troostte hij. + +--O, hoû me zoo, smeekte ze lief. Hoû me zoo tegen je aan. Anders, als +ik alleen ben, en het is over me heen gegaan, dan blijf ik zoo +doodsbang achter, maar nu, nu heb ik jou, nu heb ik je weêr: je zal me +niet meer van je af gooien, en je zal me beschermen, je arm kind, je +Eve, nietwaar? O ja, nu heb ik je weêr! Ik voelde het, dat ik je ééns +weêr zoû krijgen en iederen zomer drong ik er bij papa op aan naar +Scheveningen te gaan, omdat ik zoo een idee had, dat ook jij weêr eens +in Holland zoû komen, in Den Haag, in Scheveningen en dat als we elkaâr +moesten ontmoeten, het hier zoû zijn ... En nu is het ook zoo uitgekomen +en nu heb ik je weêr ... Hoû me dicht tegen je aan, zoo in beide je +armen, in beide ... Dan zal ik niet meer bang zijn ... + +Zij vlijde zich dichter en dichter tegen zijne borst, haar hoofd op +zijne schouder, en toen, met de stem van een kind: + +--Kijk eens! sprak ze en ze toonde hem haar pols. + +--Wat? vroeg hij. + +--Dat litteeken ... Dat heb jij gedaan. + +--Heb ik ...! + +--Ja ... Je hadt me zóó aan mijn polsen beet ... + +Hij gevoelde zich troosteloos weemoedig, zelfs trots haar weêrbezit, en +hij zoende den smallen streep van het litteeken met kleine kusjes. Zij +lachte even. + +--Het is een armband! schertste zij. + + +V. + +Plotseling schrikte hij echter op. + +--Eve ... begon hij, zich bedenkend. Wie? Waarom? + +--Wat? vroeg zij, zacht lachend en wat moê, na die hallucinatie van +donder. + +--Die brieven en William ... Waarom? Wat kon het William schelen? Louter +nieuwsgierigheid om ze te lezen? + +--Dan had hij toch zoo ruw niet dien eenen brief van Kate weggerukt. +Neen, neen ... + +--Geloof je dan, dat hij er belang bij had ... + +--Ja ... + +--Maar wat dan? Wat kon het hem schelen of ik je schreef of niet +schreef? + +--Misschien handelde hij ... + +--Wat Eve? + +--Voor een ander. + +--Voor wien? Wat kunnen mijne brieven een ander schelen. Wie kan er +belang bij hebben, dat ze niet terecht kwamen? + +Zij richtte zich even op en zag hem lang aan, voor zij sprak, zeer +angstig voor wat zij hem vragen ging. + +--Zoû je heusch niemand weten? vroeg zij. + +--Neen. + +--Wist niemand van je brieven af? + +--Alleen Bertie. + +--O, alleen Bertie! sprak zij dof. + +--Maar Bertie ... toch niet? vroeg hij, zelf verontwaardigd om de +onmogelijkheid zijner voorstelling. + +--Misschien ... fluisterde zij, bijna onhoorbaar. Misschien Bertie ... + +--Onmogelijk Eve! Waarom! Wat? Hoe? + +Zij liet zich weêr zinken in hare vorige houding, tegen hem aan, +rillende nog onder den nadruk van dien weggeratelden donder. En zij +sprak: + +--Ik weet het niet, ik dacht alleen maar ... Ik heb er twee jaar iederen +dag aan gedacht. En toen heb ik veel raadselachtigs gevonden in wat ik +vroeger niet raadselachtig en zelfs sympathiek vond ... in Bertie. Je +weet, we spraken dikwijls samen, zelfs alleen. Je was soms wat +jaloersch, maar daar hadt je nooit de minste reden voor, want er is +nooit dat tusschen ons geweest. We waren altijd als broêr en zuster. We +spraken veel over jou. Later heb ik over die gesprekken nagedacht en +toen scheen het mij, dat Bertie ... + +--Dat Bertie ...? + +--Dat hij niet zoo over je sprak als een goed vriend zoû doen. Ik weet +het niet ... onder die gesprekken zelve kwam die gedachte nooit bij me +op, omdat Bertie zoo eene stem had en zoo eene manier van spreken ... ik +meende dan, dat hij het goed met ons voor had en dat hij veel van ons +hield, maar dat hij bang was, dat er iets gebeuren zoû, een ongeluk, +eene catastrofe, als wij trouwden. Hij scheen te vinden, dat wij niet +moesten trouwen. Toen ik later over zijne woorden nadacht, heb ik er dat +in gevoeld. Hij scheen heusch te vinden, dat wij ... dat wij niet +moesten trouwen. + +Zij sloot hare oogen, zeer moê van het ronddolen in die geheimzinnigheid +des verledens, en zij zuchtte en streelde zijne hand, die zij in de +hare had. En ook hij doolde rond in dat labyrinth van mysterie, zonder +te vinden. Ook hij dacht zich nu terug en hij herinnerde zich iets van +hunne laatste dagen te Londen: hij herinnerde zich Bertie's harde +woorden, toen hij, Frank, gezegd had naar de Rhodes' te willen gaan; hij +herinnerde zich Bertie's vleien en drijven om Londen te verlaten, om de +wereld rond te zwalken ... Zoû Bertie ...? Had Bertie eenig belang ...? +En hij zag het niet in, in den eenvoud zijner onpractische, achteloos +milde vriendschappelijkheid, die nooit geld geteld, die het steeds +gedeeld had met een ander, omdat hij veel had en die ander niets; hij +zag het niet in, omdat hij over dat alles nooit had nagedacht in zijne +vreemde onverschilligheid voor alles wat naar geldzaken zweemde: eene +onverschilligheid, die als eene lacune in zijn begrip was, zooals een +ander lacunes heeft waar het politiek, of kunst, of wàt ook betreft: +dingen, waar hij niets om geeft, waarvan geen spoor in hem is, waarover +hij het hoofd schudt als over abracadabra. En hij zag het niet in. + +--Zie je, zoo heb ik later gemeend, dat Bertie indertijd vond, dat wij +niet moesten trouwen, herhaalde Eve droomend, en toen, verloren in de +geheimzinnigheid, die het leven om haar heen gesponnen had: + +--Zeg Frank, wat was er toch in hem? Wat was hij, hoe was hij? Waarom +heb je nooit veel over hem willen spreken? Ik heb dat later wel gemerkt, +later, gedurende die twee jaren, toen ik zoo veel heb nagedacht. + +Hij zag haar met ontzetting aan; een moordend zelfverwijt doorvlijmde +hem bij de gedachte, dat hij haar nooit gezegd had, dat Bertie niets +bezat en van het geld zijns vriends leefde. Waarom had Frank haar dat +nooit willen vertellen? Om zekere schaamte, dat hij zoo was, zoo +onverschillig, zoo dwaas mild met iets, waar anderen zoo berekenend meê +zijn? Zoo dwaas mild, ja mild tot krankzinnigheid toe! + +Steeds met ontzetting zag hij haar aan. Toen flitste een vermoeden der +waarheid als een korte weêrlichtzigzag dwars door zijn zelfverwijt heen, +en hij schrikte voor dat witblauwe licht der waarheid ... + +--Eve! sprak hij schor. Ik ga naar Bertie toe ... + +--Naar Bertie toe!! gilde zij. Is hij dan hier!?! + +--Ja ... + +--Is hij hier! O, ik had niet meer aan hem gedacht ... Ik dacht, dat hij +weg was, ver weg, misschien wel dood. Het kon me niet schelen, wat er +met hem gebeurd was ... O God, is hij hier!! Frank, ik smeek, je, Frank, +laat hem, ga niet naar hem toe. + +--Jawel Eve, ik moet het hem vragen ... + +--Frank, o Frank, o God ga niet! Ik ben bang, ik ben bang ... Ga niet! + +Hij zoende haar met zijn zacht treurigen glimlach, zweemend onder zijne +gouden snor, met zijne zachte somberheid in zijne trouwe oogen; hij +zoende haar zacht, zeer zacht, om haar gerust te stellen. + +--Wees niet bang, lieveling. Ik zal kalm zijn. Maar ik moet het hem toch +vragen, nietwaar. Wacht me hier. Ik kom van avond terug. + +--Zal je heusch kalm zijn? O, ga liever niet ... + +--Ik beloof het je, ik zal heel kalm, héel kalm zijn ... Met zijne +liefste innigheid omhelsde hij haar, vast, vast. + +--Je bent dus weêr van mij? vroeg hij. + +Zij sloeg heur armen om zijn hals en kuste zijn mond, zijne oogen, +geheel zijn gelaat. + +--Ja, antwoordde ze. Ik ben weêr van jou ... Doe met me, wat je wilt ... + +--Tot straks! sprak hij. + +Toen ging hij. Alleen gebleven, zag zij huiverend om zich heen, als +zocht ze naar iets waarvoor ze vreesde. Ze was zeer bang voor zichzelve +en voor Frank, vooral voor Frank. In eene seconde rees haar angst tot +eene onduldbare ontzetting. In den corridor hoorde zij haar vader +aankomen: ze herkende zijn slependen tred. Het was haar onmogelijk Sir +Archibald thans te zien; zij greep een regenmantel, wikkelde er zich +haastig in, trok den capuchon over heur hoofd en ijlde weg ... + +Buiten stortregende het. + + +VI. + +Frank vond Bertie thuis. En Bertie zag het aanstonds, dat het was +gekomen, zag het aan Franks vertrokken gelaat, hoorde het aan den +schorren klank zijner stem. En tegelijk voelde hij, dat de verslapte +veeren zijner wilskracht zich wilden spannen, in wanhoop, ter +verdediging en ... dat zij niet konden. + +--Bertie, begon Frank. Ik moet je spreken, ik moet je iets vragen. +Bertie zweeg. Zijne beenen trilden en hij bleef zitten, in een ruimen +rieten stoel, roerloos. + +--Ik heb daar straks Eve ontmoet, ging Frank voort, en ik ben met haar +naar haar vader geweest. Sir Archibald vertelde me, dat ze hier al een +paar weken waren ... + +Bertie bleef zwijgen, op hem starende met zijne zwarte oogen, en het +zwarte diamant er van werd vuil troebel van angst. Voor hem bleef Frank +staan en hij streek nu met zijne hand over het voorhoofd, verward ... +Hij had eerst logisch een verhaal en daarna, kalmweg, eene vraag willen +doen, maar iets wat hij niet had kunnen beschrijven, ergerde hem in de +matte poesenhouding van Bertie, ergerde hem voor het eerst in al den +tijd, dien zij elkander kenden. Het ergerde hem, dat Bertie daar half +liggen bleef, kwijnend bevallig, zijne mooie hand afhangende op de +leuning van den stoel, en hij zag niet, dat die houding op dit oogenblik +eene pose was om eene, al te overmeesterende, aandoening te verhelen. En +zijn wensch om logisch te verhalen en te vragen versmolt eensklaps in +die ergernis en liet het hevig verlangen opsuizen spoedig te weten, +spoedig ... + +--Hoor eens, Bertie. Je weet wel die brieven, die ik vroeger in Londen +geschreven heb ... Eve vertelde me, dat ze achter zijn gehouden door +William, hun knecht ... Weet jij daar ook iets van? + +Bertie zweeg, maar zijn oog hing steeds aan Frank en de troebele blik er +van smeekte. + +--Niemand wist iets van het bestaan van die brieven af, dan jij ... Kan +jij dus ook vermoeden welk belang William er bij had ze te verduisteren? +--Neen, hoe zoû ik ... murmelde Bertie half hoorbaar. + +--Kom allons, spreek op! ging Frank ruw voort en hij trilde in al zijne +spieren. Het kan niet anders of je moet er iets van weten, het kan niet +anders. Spreek op ... + +Alle wil tot verdediging vloeide in de kracht van Franks stem weg. +Nauwelijks ook bespeurde Bertie eenige nieuwsgierigheid in zich naar wat +er had moeten voorvallen om William te verraden. En hij voelde dat het +gemakkelijk zoû zijn zich geheel en al te geven, zonder veinzerij, omdat +datgene, waar hij weken lang voor gevreesd had, nu toch gekomen was, +onherroepelijk noodlottig; omdat wat er verder gebeuren zoû, zoû +gebeuren, onherroepelijk noodlottig ... En in die zwakte gevoelde hij +ook een vreeselijken weemoed, eene hopelooze treurigheid, dat hij was +als hij was en dat alles was als het was ... + +--Nu dan: ja ... fluisterde hij, doodmoê. Ik weet het ... + +--Wat weet je? + +--Ik was het, die ... + +--Die wat ... + +--Die William omkocht ... om die brieven niet binnen te brengen. + +Verbijsterd bleef Frank hem aankijken, een nevel trok over zijne oogen, +het duizelde om hem heen: hij wist niets meer, begreep niet meer, +vergetend, dat even te voren de waarheid door hem heen gebliksemd had. + +--Jij!... Jij!... stamelde hij. Mijn God, waarom? Waarom? Toen stond +Bertie wankelend op en hij snikte, snikte luid. + +--Omdat ... omdat ... ik weet het niet, ik kan het niet zeggen, het is +te vreeselijk! + +Maar Frank greep hem bij de schouders, schudde hem en heesch brulde hij: + +--Vervloekte fielt, wil je het nou zeggen, waarom? Wil je het nou +zeggen, waarom? Of moet ik het je uit je lijf trappen? Waarom? Zeg je +het haast? + +--Omdat ... omdat ... snikte Bertie, wringend zijne witte handen. + +--Zeg het, voor den dag er meê, zeg het ... + +--Omdat ik bij je woû blijven, en omdàt ik niet bij je kon blijven als +je trouwde ... Ik hield van je en ... en ... + +--Spreek op, je hieldt van me en toen ... + +--En je was zoo goed voor me, je gaf me alles, ik zag er tegen op, weêr +te zwoegen met het leven; ik had het zoo heerlijk bij je. Frank, Frank, +hoor naar me, laat me even uitspreken, voor je iets zegt, voor je boos +wordt; laat het me je verklaren, veroordeel me niet, voor je weet ... O +God, het was gemeen van me, dat ik dat alles deed, maar laat het me je +nu eerst zeggen en word er nog niet boos om, Frank, vóor dat je alles +weet, àlles ... Frank, zie me zooals ik ben, ik ben zooals ik ben, ik +kan het niet helpen, dat ik zoo ben, ik zoû gaarne anders willen zijn +... En ik heb gehandeld, zooals ik handelen moest, ik kon er niets aan +doen, ik werd er toe gedwongen, door machten buiten me. O Frank, ik was +zoo zwak, zoo moê en ik rustte bij je uit en, o je mag het gelooven of +niet, ik hield van je, ik verafgoodde je ... En je woû me van je +wegjagen om me weêr te laten zwoegen ... Toen, toen heb ik het gedaan +... O, God, toen heb ik het gedaan ... Hoor naar me, Frank, laat het me +je zeggen, het moet er nu uit, het mòet er uit, in eens ... _Ik_ deed +Eve gelooven, dat je niet van haar hieldt, _ik_ maakte, dat ze aan je +twijfelde, dat het àf werd tusschen jullie ... De brieven, later, hield +_ik_ tegen ... _Ik_ deed alles, àlles, Frank, en ik heb me er om +veracht, terwijl ik het deed, omdat ik niet anders was, dàn ik was. Maar +ik kon er niets aan doen, ik was nu eenmaal zóo ... O je begrijpt me +niet, ik ben zoo gecompliceerd, dat je dat niet begrijpt, maar probeer +het even te begrijpen en dan zàl je me begrijpen en misschien wel +vergeven, Frank, misschien wel vergeven óok ... O ik bid je, gelóof +toch, dat niet alles egoïsme in me is, en dat ik veel, zielsveel van je +hoû, zooveel als een man bijna nooit van een anderen man houdt, omdat je +zoo goed voor me was ... Ik zal het je bewijzen: ben ik niet bij je +gebleven, toen je in Amerika al je geld verloor? Was ik toen niet +weggeloopen, als ik egoïst was geweest? Maar ik bleef bij je, ik werkte +met je samen en we deelden alles en we waren gelukkig. O, waarom is het +niet zoo gebleven ... Nu heb je haar ontmoet, en nu ... + +--Heb je genoeg geraaskald! brieschte Frank. Jij deed het dus, jij +vernietigde alles wat mooi in mijn leven was!! God, hoe is het mogelijk! +Neen, je hebt gelijk, ik begrijp je niet, ik begrijp dat niet! eindigde +hij, terwijl hij, rood van opstijgend bloed, met uitpuilende oogen, +hatelijk lachte. + +Sidderend was Bertie op den grond neêrgevallen en hij snikte, snikte +door. + +--O, probéer dan even te begrijpen! smeekte hij. Probeer dan even een +mensch te zien, zooals hij is, in al zijne troostelooze naaktheid, +zonder conventioneele mooiigheid er om heen! O God, ik zwéér je, dat ik +liever anders zoû zijn ... Maar kan _ik_ er iets aan doen, dat ik zoo +ben? Ik word geboren, zonder het te vragen; ik krijg hersens, zonder het +te willen; ik denk, en ik denk anders dan ik zoû willen denken, en zoo +word ik geslingerd door het leven, als een bal, als een bal ... En wat +heb ik in dat geslinger om me in evenwicht te houden ... Wilskracht, +geestkracht? Ik weet niet of jij zoo iets hebt! maar ik heb nooit, +noóit, nóoit zoo iets in me gevoeld, en als ik wat doe, moet ik het zoo +doen, omdat ik het niet anders kan doen, want al is de wil in me anders +te doen, de kracht en de macht er toe zijn er niet! O, geloof me, ik +veracht mezelven, gelóof dat toch, maar begrijp me, en vergeef me, Frank +... + +--Je raaskalt! bulkte Frank. Je bent krankzinnig. Ik weet niet wat dat +voor woorden zijn, ik begrijp daar op dit oogenblik niets van en al +begreep ik het, zoû ik het op dit oogenblik niet willen begrijpen. Ik +begrijp alleen dit, dat je mijn alles vergooid hebt, dat je mijn geheele +leven tot niets waard hebt gemaakt, en dat je een schurk bent omdat je +een knecht hebt omgekocht mijne brieven achterbaks te houden, uit louter +plat gemeen, onpeilbaar gemeen egoïsme. Omgekocht!! Zeg schurk, +ellendeling, laffeling ... omgekocht ... God, waarmeê heb je hem +omgekocht?! Zeg het, waarmeê, waarmeê?! + +--Met ... met ... stamelde Bertie, verschrikt, want Frank had hem bij +zijn vest gepakt, terwijl hij half op den grond lag en schudde hem, +schudde hem. + +--Voor den donder, ellendeling, heb je hem omgekocht met mijn geld, met +_mijn_ geld! Zeg het, zeg het, of ik trap het uit je! + +--Ja ... + +--Met mijn geld! + +--Ja, ja, ja! + +Frank wierp hem van zich af, met een kreet van minachting, een zwaar +gekrijsch van viesch zijn over zoo iets ... + +Maar het was in Bertie eene reactie na zijne deêmoedigheid van zoo even. +O, de wereld was dom, de menschen waren dom, Frank was dom, want hij +begreep niet, dat een individu was, als hij was, hij kon dat niet +begrijpen, hij brulde in zijne barbaarsche woede door als een wild +beest, gedachteloos, hersenloos. En hij, Bertie, hàd hersenen. Het was +wel gelukkiger er geen te hebben! O, hij benijdde Frank om dat gemis. + +Hij richtte zich van den grond op, in eens, met ééne beweging. + +--Ja dan, ja, ja! tergde hij sissend. Als je het niet begrijpt, als je +te stom bent om het te begrijpen, ja dan, ja, ja! Ik heb hem omgekocht +met jouw geld, dat je zoo goed was me er voor te geven, en den laatsten +dag nog, toen we weggingen uit Londen, heb je me nog honderd pond er +voor gegeven, om hem om te koopen, herinner je je maar, om William om te +koopen!! Je begrijpt niets, hè, je begrijpt niets! Je bent een stom +wild beest, zonder hersens! En ik benijd je, dat je geen hersens hebt! +Vroeger had ik er ook geen, en weet je hoe ik er aan gekomen ben? Door +jou! Vroeger zwoegde ik en werkte ik en ik dacht niet na en het kon me +niet schelen, ik at als ik wat had, en ik leed honger, als ik niets had. +En ik was gelukkig! En jij, jij hebt me lekker laten eten en wijn laten +drinken en je hebt me aangekleed en ik had niet te werken, en ik heb +niets gedaan dan denken, denken, in mijn misselijk niets doen van allen +dag! En nou, nou woû ik wel mijn schedel opensplijten, en je mijn +hersens in je gezicht gooien, omdat je me zoo gemaakt hebt, zoo fijn en +zoo vol gedachte! Je begrijpt niets, hè? Nu, begrijp dan ook maar niet, +dat ik op dit oogenblik niets geen dankbaarheid meer voel voor alles, ja +voor álles wat je voor mij gedaan hebt, dat ik je haat om al wat je voor +me gedaan hebt, dat ik je er om veracht, en dat je mijn leven nog +ongelukkiger hebt gemaakt, dan ik het jouwe! Begrijp je dat eindelijk, +begrijp je dàt eindelijk, hè, dat ik je veracht, je haat, je hàat, dat +ik je hààt?!! + +Hij had zich geplaatst achter eene tafel, van daar zijne woorden +uitsissend in een paroxysme van zenuwoverspanning, en hij voelde zich of +alles in hem springen zoû als met te hard uitgewrongen touwen. Hij had +zich daar zoo geplaatst, omdat Frank vóór hem stond, aan den anderen +kant der tafel, de oogen glazig wit en bloeddoorschoten, uitpuilend in +zijn vuurrood gelaat, met zwellende neusvleugels, den rug gebogen, de +vuisten gebald als klaar om op hem te springen. En het scheen alsof +Frank wachtte, tot Bertie hem al de modder zijner woorden in het gezicht +zoû gespuwd hebben. + +--Dat ik je haat, je hàat!! krijschte Bertie nog eens, daar hij niets +meer vond te zeggen, uitgeput van woorden. + +Toen slaakte Frank, als een beest brieschend, een geluid, niet +menschelijk meer, en hij nam zijn sprong, over de tafel, die kantelde, +stortte neêr met al de zwaarte zijner forschheid op Bertie, hem dadelijk +tot op den grond neêrknakkende als een riet. Hij pakte Bertie bij de +keel, slierde hem woest tusschen de pooten van de tafel heen, naar het +midden der kamer, kwakte hem met één smak op den grond en smeet zich op +hem, zijne zware vierkante knie drukkend op Bertie's borst, zijne +linkervuist als eene schroef om Bertie's hals. En een droog gevoel, als +een dorst van wreedheid, schroeide in Franks keel en hij slikte twee-, +driemaal met een beestelijken grijns om den mond, beestelijk blij, dat +hij hem zoo had, in zijne macht, in zijne linkervuist, onder zijne knie. +En hij balde zijne rechter en hief zijn arm op als een hamer, +brieschend. + +--Daar, daar, daar ... brieschte hij, brieschte hij door ... + +En telkens viel de mokerslag neêr op Bertie ... daar ... daar ... daar +... viel neêr op zijne oogen, op zijn neus, op zijn mond, op zijn +voorhoofd, telkens op zijn voorhoofd, waar de slag dof weêrklonk, als op +metaal. Een rood waas steeg gazig voor Franks blik; hij zag alles rood: +purper en scharlaken en vermillioen, dat in bloedige wentelingen voor +zijne oogen draaide als met raderen en in een vreemd aureool van +bloedstralen een verwrongen masker deed grijnzen onder het gemartel van +zijn vuistslag. De vierkante ruimte der kamer zwom in al dat rood, als +vulde zij zich met tastbare roode verschrikkingen, steeds draaiend, +draaiend om Frank heen als purperen duizelingen, vermillioenen +krankzinnigheden, nachtmerries van bloed ... En de slagen volgden elkaâr +snel op, daar, dàar, dààr en de linkervuist schroefde zich stijver om +den hals van het masker ... + +Maar de deur was opengesmeten en zij, Eve stortte dwars door het waas +van rood op hem toe, dat rood verscheurend, het verdrijvend door het +bewegelijk levende harer verschijning. + +--Frank! Frank! gilde zij. Houd op, ik bid je, houd op, je vermoordt +hem! + +Hij liet zijn arm zakken en zag haar aan, wezenloos. Zij poogde hem weg +te trekken, af te rukken van het verpletterde lichaam, waaraan hij zich +in zijne bloedwoede als een vampyr vastklampte. + +--Houd op, Frank, laat hem opstaan, bid ik je, vermoord hem niet ... Ik +was achter de deur, ik was bang, ik verstond je niet, omdat je +Hollandsch sprak ... O God, wat heb je hem gedaan, zie, zie hem, hoe hij +er uitziet! + +Wankelend van zijne roode duizelingen was Frank opgestaan en hij moest +zich vasthouden aan een meubel. + +--Hij heeft zijn verdiend loon, ik heb hem afgeranseld, en ik zal hem +nog eens, nog eens ... + +Hij wilde zich opnieuw neêrstorten, met zijn beestelijken grijns om den +mond, zijn dorst van wreedheid schroeiend in de keel. + +--Frank, Frank! riep Eve en zij hield hem in beide hare handen tegen. In +Godsnaam, laat het genoeg zijn! O, zie hem! Zie hem! + +--Nu goed, laat hem dan opstaan, knarste Frank; laat hem dan opstaan! +Sta op, ellendeling, gauw, sta op ... + +Hij gaf hem een schop, nog een schop, weêr een, om hem te doen opstaan. +Maar Bertie bleef liggen. + +--God, Frank, zie dan toch! riep Eve en zij knielde neêr bij het +lichaam. Zie je het dan niet!! + +Zij wees het Frank en voor het eerst, als ontwakende uit zijn droom van +rood, zag hij het nu, zag hij het met afgrijzen. Het lag daar, de +beenen, de armen verstuiptrekt, verwrongen, den romp ademloos stil in +zijn flarden ironisch licht zomerlaken, en het gelaat was een blauw en +groen en violet wanhoopsmasker, overspat met een zwart purper, dat lekte +uit ooren en neus en mond in langzame stralen van slijmerig donker +vocht, dat op het tapijt neêrtappelden, in drup, na drup. Het eene oog +was een vormloos half gestolde, half liquide vlak, het andere puilde uit +zijn ovale kas, als een groote opaal van treurigheid. Om den hals scheen +zich een zeer breede paarse halsband te snoeren. En het was, nu zij +beiden op dat gelaat staarden, of het zwol, steeds opzwol in eene +afzichtelijke herschepping van onherkenbaarheid ... + +Het stortregende steeds. En zij bleven stil staren op die +afzichtelijkheid, vóor hen op den grond roerloos uitbloedend, in een +looden stilte binnen, met buiten het geklater van het water, eindeloos, +eindeloos door. Eve had hem, knielend, even, sidderend van afkeer, aan +het hart gevoeld, er aan geluisterd, haar hoofd drukkend tegen dien +ademloozen romp, vlak onder de afzichtelijkheid, om te weten ... En zij +was rillende opgestaan, was zachtjes aan achteruit gedeinsd, met haar +oogen steeds op dàt daar vóor haar en zoo had zij zich tegen Frank +geperst, of zij één met hem wilde worden, in haren angst. + +--Frank, God Frank ... Hij is dood! stamelde zij, bloedeloos bleek. Je +hebt hem vermoord ...! + +Hij antwoordde niet, steeds starende. In zijne armen hangend, zag zij +zenuwachtig het vertrek rond, bang, bang ... In eens omklemde zij hem in +hare omhelzing en het was haar of zij zich, in zijne armen, in een +afgrond stortte, in een afgrond van bloed. + +--Frank! schreeuwde zij. Frank, hij is dood! Laten we weggaan, ver +weggaan, laten we vluchten! + +--Is hij dood? vroeg hij wezenloos. + +Eene bezinning kwam over hem, zachtjes áanlichtend als een afgrijselijke +dageraad. Hij maakte zich los uit hare armen, knielde zelf, hoorde, +voelde zelf, dacht even vaag aan dokters, aan verplegen ... En toen +sprak hij dof, zeker van hetgeen hij zeide, onzeker van hetgeen hij doen +zoû: + +--Ja, hij is dood, hij is dood ... Wat moet ik ...? + +Zij klemde zich steeds aan hem vast, hem smeekend te vluchten, ver te +vluchten. Maar er scheen meer en meer helderheid en dag in zijne +verwarring te komen: hij maakte zich opnieuw van haar los, geheel, en +wilde heengaan, zijne hand reeds op den deurknop. + +--Frank, Frank! schreeuwde zij, want ze zag, dat hij haar verlaten +wilde. + +--Cht! fluisterde hij vreemd, met den vinger op den mond. Blijf hier. +Blijf bij hem waken. Ik kom terug ... + +En hij ging. Ze wilde hem volgen, zich vastklemmen áan hem in een angst +van ontzetting, maar hij sloot reeds de deur achter zich en hare +trillende beenen vermochten zich nauwelijks te verzetten. Huiverend zag +zij naar het lijk. Het lag daar steeds, met zijn opgezwollen, +verbrijzeld, paars masker, vaal akelig in den valschen namiddagschijn, +die schuins door het gordijn van regen binnen neêrzeefde. Heur adem +hijgde benauwd in hare keel, zij snakte naar lucht, wilde het venster +openrukken, daar zij er dichter bij was dan bij de deur ... + +Maar zij vermocht het niet, want buiten, door het bewasemde glas der +ruiten heen, zag zij de tragische lucht, vol voortdrijvende, zwartgrauwe +wolkengebergten en zag zij den regen, met rechte zondvloedstralen +neêrklateren, en zag zij de zee, somber en dreigend als een naderend +gevaar van woedend schuimwater, schemeren door het floers van stortregen +heen ... + +Molde! Molde! stamelde zij in eene ontzetting, die haar ijskoud maakte. +De lucht van Molde! Het fjord van Molde! Toen ik het voor het eerst +gevoeld heb!...! O God, help, help ... + +En zij stortte neêr op den grond, flauw. + + + + +HOOFDSTUK V. + + +I. + +Na dien dag van ontzetting twee volle jaren lang een leven van stil leed +voor hen beiden, ieder lijdend in zichzelven, gescheiden als zij waren, +met slechts nu en dan de bittere zoetheid van een kort samenzijn, +wanneer zij hem daar opzocht, waar hij die twee jaren sleet, langen dag +na langen dag doorsleet; in de strafgevangenis der duinen. Want als een +slaapwandelaar had hij dien vreeselijken dag zichzelven aangegeven op +het commissariaat van politie te Scheveningen, had hij zich laten +brengen naar het Huis van Bewaring, had hij zijne "zaak" doorgemaakt ... +Zes weken had ze geduurd--een kort verloop, zoo troostte zijn advocaat +hem er meê, omdat er geen duisterheden in op te sporen waren, omdat de +moord glashelder was te bewijzen als de onopzettelijke doodelijke afloop +eener mishandeling, zooals bleek uit het getuigenis van Miss Rhodes, die +verklaard had, dat de schuldige zelf eerst niet geweten had zijn vriend +vermoord te hebben, dat hij hem vlak na den moord nog twee-, driemaal +geschopt had, om hem te doen opstaan, slechts geloovende aan eene +flauwte, dit alles gebeurd zijnde in hàar bijzijn. En de zaak was door +de sympathie van het publiek nagevolgd, toen de omkoop der brieven aan +den dag kwam, na het getuigenis van Sir Archibald en zijne dochter, na +het getuigenis ook van William, die langs diplomatieken weg was +genoodzaakt over te komen. Er waren geen moeilijkheden, in die zes weken +liep alles geleidelijk af. Frank kreeg twee jaar, en kwam niet in hooger +beroep. + +Hij had ze in een wakenden droom van doffe naargeestigheid dag na dag +doorgesleten, met telkens, o telkens weêr opdoemend, dat spooksel van +dien verwrongen romp en de afzichtelijkheid van het, door vuistslagen +vermorzelde, wanhoopsmasker, voor oogen. Hij had het spooksel voelen +glijden over de bladen van zijn boek, als hij poogde te lezen, door de +letters van zijn handschrift, als hij poogde te schrijven: wat wist hij +nauwlijks zelf, brokstukken van eene reisbeschrijving over Amerika en +Australië, troostelooze bezigheid, pijnlijk, omdat ieder woord hem den +vermoorde herdenken deed, die toch ook dat alles had meêgeleefd. Deed +hij dan niets, zich somber verdroomend, turende uit zijn cellevenster, +dan zag hij, vlak voor zijn oog, op wat afstand, nauwlijks verte, de +villa, waar zij samen gewoond hadden, en waar het gebeurd was, zag hij +soms een stuk ovaal der zee, als een grijze schemering, en het was hem +of hij den zilten geur rook, zooals hij dien had geroken, toen hij daar +gezeten had, uren lang, met de beenen op de balustrade, zij, in zijn +bereik, zonder dat hij het bewust was, hun noodlot ieder oogenblik hen +naderend, onafwendbaar. En zoo was het nooit van hem af geweest, als +eene obsessie. + +Eve had haar vader gesmeekt, gedurende dien ongelukkigen tijd in Den +Haag te blijven en Sir Archibald had toegegeven, vreezende voor zijne +dochter, wier vroegere lieve gelijkmoedigheid verward was geworden door +eene trillende nervoziteit, die haar afmattede met hallucinaties, met +droomen van donder en bloed. Zoo had zij, wonende in het Van-Stolpark, +van tijd tot tijd Frank kunnen gaan bezoeken, iederen keer, dat zij hem +gezien had zenuwachtiger thuis komende, troosteloos om zijne doffe +zwaarmoedigheid, hoewel hij toch van hoop en toekomst sprak, voor later, +later als hij vrij was ... Zijzelve hoopte zeer, leefde alleen van haar +hoop, hare nervoziteit dwingend onder het juk van haar geduld, van haar +vertrouwen op veel moois, dat later in haar leven zoû komen, later, als +hij vrij was. Een nieuw leven, een nieuw leven! jubelde het in haar op, +een frisch geluk, geluk, o God, geluk! Zij begreep zelve niet, hoe zij +nog hopen kon, nadat zij het leven en den mensen had leeren kennen, +nadat zij bijgewoond had, wat zij had bijgewoond, maar zij wilde daar +niet over nadenken en in de verte zag zij alles mooi en goed ... Hare +hallucinaties zelve schokten hare hoop niet: hoewel rillende, wendde zij +aan ze, als aan periodiek terugkomende hersenziekten, die weer van zelve +genezen. En zij kon zelfs glimlachen, droomend in den lichten avondglans +van eene zomerlucht vol sterren, met haar almanakje in de hand, waarin +zij iederen dag, die verliep, des avonds met een gouden potloodje,--dat +zij er voor gekocht had, dat zij nergens anders voor gebruikte, dat hing +aan haar armband,--doorschrapte met eene blijde streep, die haar die +mooie toekomst nader bracht. En zelfs liet zij de dagen wel eens +verloopen, zonder ze af te schrappen, om de zoetheid te smaken na eene +week zes of zeven blijde streepjes achter elkaâr te kunnen zetten, +achter elkaâr, in hare weelde van verwachting ... + + +II. + +En hoe lang het ook geduurd had, ze waren doorgeschrapt geworden, allen, +de een na den ander, onherroepelijk. Het verleden werd meer en meer het +verleden en moest het blijven: nooit zoû er weêr iets van terugkomen, +het zoû met zijne afgrijselijkheid niet spoken om hen heen, zoo dacht +ze. Zij werd kalmer, hare nervoziteit stilde zich, iets als rust kwam +over haar in heur intens verlangen naar heur toekomst van geluk, want +gelukkig, zoo zoû ze worden, met Frank. + +Zij was nu met haar vader terug in Londen, er stil levende, ondanks het +heden, het verleden toch voelende, zich toch bewust, dat het er geweest +was, met zijne ellende en zijne ontzetting. En ook Frank was nu in +Londen, in eene poover bezoldigde betrekking, die van derden opzichter +in eene machinefabriek, de eerste beste betrekking, die hij door +vroegere connecties had kunnen krijgen, ze dadelijk aanpakkend wegens +zijne antecedenten om welke hij niet trotsch mocht zijn ... Later zoû +hij wel iets beters vinden, iets in overeenstemming met zijne +kundigheden. En hij werkte in zijne boeken van vroeger, om zijne +versleten technische kennis te verfrisschen ... + +Sir Archibald was oud geworden, kribbig onder aanvallen van rheumatiek, +anders suf turende op zijne heraldische kaarten. Hij had, in Holland +levende om zijne dochter, te lang uit zijn sleur van bekendheid en +gewoonte, zich slechts destijds, nu en dan, als in kindsche driften, +verzet, dat Eve de vrouw van een moordenaar zoû worden: hij stemde nu in +alles toe, schuw van de wereld, zich bemoeiend met niets, rust +verlangend, slechts verlangend niet gestoord te worden in de apathie van +zijn ouderdom. Hij wist niets, oude menschen wisten niets, de kinderen +mochten doen, wat ze wilden: ze wisten het toch altijd beter en deden +toch altijd hun zin ... Zoo mopperde hij nog een beetje tegen, overigens +onverschillig om die zaak, inwendig het goed vindend, dat Eve met Frank +zoû trouwen, omdat Frank, hoewel driftig, toch niet slecht van natuur +was, omdat Eve bezorgd zoû zijn, omdat hijzelf misschien nog wat +gezelligheid in hun huis zoû vinden, ja, ja, nog wat gezelligheid ... + +Frank en Eve ontmoetten elkaâr zelden in de week, want Frank had het +druk, ook des avonds, maar zij zagen elkander geregeld des Zondags. En +Eve had de geheele week om na te denken over dien Zondag, waarop zij hem +gezien had en zij poogde ieder woord, dat hij gezegd had, iederen blik, +dien hij op haar had laten vallen, zich te herinneren. Schatten waren +het, waarvan zij eene week leefde. Zij had hem nog nooit zoo lief gehad +als nu, dat zij eene zwaar neêrdrukkende somberheid in hem ried, die zij +wilde wegwisschen met den grooten troost harer liefde, waarin zich iets +aanbiddelijks van moederlijkheid mengde, alsof hij door zijn leed een +kind was geworden, dat nu aan iets teerderders behoefte zoû hebben dan +aan passie. Had zij hem vroeger liefgehad om de, haar raadselachtige, +bekoring van het contrast tusschen zijne karakterzwakte en zijne +lichaamskracht, het was nu in haar slechts eene hoogere ontwikkeling van +die zelfde bekoring, omdat zij hem, steeds groot en sterk, zoo zwak zag +lijden onder de herinnering aan wat hij doorstaan had, zonder flinkheid +om zich over dat alles heen te zetten en het leven opnieuw te beginnen +... Maar deze zwakte ontmoedigde haar niet in heure hoop op de toekomst; +integendeel, zij had hem lief óm die zwakte, dit zelve zoo vreemd +vindend in haar, het niet begrijpende, en er alleen, droomend, om +glimlachend van geluk ... + +Want zij, als vrouw, kon zoo zijn, trots hare aanvallen van nerveuze +hallucinatie, energiek het verleden willen vergeten, dapper de toekomst +te gemoet treden, het geluk naar zich toe dwingen met het mooie geduld +harer lenige volharding. Had al het kwade van het verleden eigenlijk +niet buiten hen beiden om gelegen? Had Frank niet genoeg geboet voor +zijne drift om nu het hoofd te kunnen opbeuren? O, zij zoû weêr geheel +en al gezond worden, zij zoû zich dwingen gezond te worden en alles wat +naar zielsziekte in hèm zweemde, zoû zij genezen ... Zoo hoopte zij +langen, langen tijd, het eerst niet willende zien, dat hij doffer werd +en somberder, dieper en dieper bukkend onder zijne zwaarmoedigheid. Maar +toen, toen moest zij het zien, kon zij het zich niet meer loochenen. Zij +moest het zien, dat hij bij hare glanzige woorden, hel van illuzie, stil +werd, niets meer zeggend, soms even de oogen sluitend met een zucht, +dien hij poogde te dempen. Zij kon het zich niet meer loochenen, dat al +hare hoop in hem slechts den weêrklank van wanhoop wekte. En toen dit +alles eens voor haar duidelijk werd, in eens, gevoelde zij ook, in eens, +geheel hare nervoziteit haar overheerschen, gevoelde zij, dat zijzelve +zeer ziek was, gevoelde zij haren moed, hare hoop, hare illuzies, +zinken, steeds dieper zinken, wegzinkend ... Een alsem van bitterheid +welde, alles vergallend, in haar op; alleen, zonk zij, gebroken, in +woeste smart uitbarstend, op heur bed neêr, het leven vloekend, God +vloekend, radeloos ... + + +III. + +Toen gebeurde het, dat, niettegenstaande dit alles, hun huwelijk bepaald +werd te zullen gesloten worden in korten tijd, in anderhalve maand; +Frank zoû door eenige zijner oude vrienden geholpen worden aan eene +werktuigkundige betrekking op eene fabriek in Glasgow, Eve zoû haar +moederlijk erfdeel medekrijgen; geene bezwaren stonden in den weg. + +Den Zondag placht Frank geheel en al door te brengen ten huize van Sir +Archibald. Hij kwam des morgens, stil als steeds, aan het lunch, en na +het lunch bleven zij alleen, als steeds ... Vroeger waren die uren nog +zoet gevuld met de, ondanks haar zelve steeds een weinig nerveuze, +illuzie van Eve; zij hadden samen veel gesproken, zelfs gelezen met +elkaâr ... Maar in den laatsten tijd hadden minuten zich aan minuten +kunnen schakelen, zonder dat ze iets deden dan stil naast elkaâr zitten +op een groote bank, hand in hand, turende voor zich uit. En er kwam dan +een oogenblik, dat zij elkaâr zelfs niet meer zoo konden vasthouden, het +niet meer durfden. De schim van Bertie, met zijn violet, bloedend +wanhoopsmasker, gleed tusschen hen in; zij lieten elkaâr los, en zij +dachten beiden aan den doode. Het werd Eve of zij medeplichtig was aan +den moord. Werd het donker, dan overviel hun zulk een onduldbare angst, +dat het hun werd of zij stikken zouden: zij wierpen het venster open en +zij stonden lang, lang in de kille lucht, turende in het duisterende +park van Kensington, om te bekoelen ... Zwaar angstig hoorde zij in +Franks borst zijn adem rijzen en dalen ... En zij werd bang voor hem, +trots hare liefde. Hij had toch een moord begaan, hij had dat kunnen +doen in zijne drift! O, als hij haar ook eens, in zijne drift ...! Maar +zij, ze zoû zich verdedigen met de kracht van wanhoop, zich blijven +vastklemmen aan het leven. Had zij ook niet kracht in zich gevoeld een +moord ... God, neen, _zij_ toch niet ... Ze was zoo bang ... En ze had +hem toch zoo lief, ze aanbad hem en spoedig zoû ze zijn vrouw zijn! Maar +ze was wel bang ... + +Die Zondagen waren geen liefelijke dagen meer, die schatten nalieten +genoeg om eene week van te leven. Integendeel, Eve vreesde nu de geheele +week voor dien Zondag: ze zag dien met ontzetting naderen ... Vrijdag, +Zaterdag ... daar was de dag weêr, daar kwam Frank, hoorde zij zijn +tred. En zij was bang, bang en ze aanbad hem toch. + +Zoo zaten zij ook eens naast elkaâr, hand in hand, turende. Het was nog +vroeg in den namiddag, maar buiten dreigde regen, en een grijs +middagduister zweefde door de zwarte tulle gordijnen binnen. En Eve, +gedrukt, smachtende naar troost drong zich eensklaps tegen Franks borst +aan, trots haren angst. + +--Ik kan niet meer tegen dat weêr! klaagde zij, bijna kermend. Ik word +tegenwoordig altijd benauwd van die zware gedekte luchten. Ik wil naar +Italië, Frank, de zon, de zon ...! + +Hij bleef zwijgen, haar even drukkend tegen zich aan. + +Zij begon zachtjes te weenen. + +--Zeg dan toch iets, Frank! smeekte zij. + +--Ja, ik hoû ook niet van die zwarte lucht, Eve, sprak hij mat. + +En minuten lang duurde hun stilzwijgen weêr. Zij poogde er zich in te +schikken, tegen hem aan leunend. Toen zei ze: + +--Ik kan er niet meer tegen, geloof ik, sedert die bui, die ons in Molde +heeft overvallen, nu al zoo lang, wel vijf jaar geleden. Je herinnert je +wel, toen we elkaâr pas ontmoet hadden, een paar dagen te voren, in +Drontheim ... + +Ze zoende glimlachend zijne hand, vol van hare herinnering, hare jeugd. +Ze was nu oud. + +--Je weet, we zijn toen in Molde kletsnat teruggekomen in het hôtel. Ik +geloof, dat ik sedert dien dag ziek ben, dat ik toen zware koû heb +gevat, die ergens in me ingekankerd is, die ik eerst niet heb gevoeld of +geteld, maar die al dien tijd aan me geknaagd heeft, al dien tijd lang +... + +Hij bleef zwijgen, zich vaag ook iets herinnerend, iets tragisch van +Molde, wat wist hij niet meer. Maar naast hem barstte zij eensklaps +zenuwziek in snikken los: + +--O Frank, zeg dan toch iets, zèg dan toch iets! smeekte zij, wanhopig +om zijn stilzwijgen, waarin ze haar angst steeds banger en banger voelde +worden, hoog kloppend in heur hart, ondanks zichzelve. + +Hij streek zich met de hand over het voorhoofd, zijne gedachten +verzamelend. En langzaam zeide hij: + +--Ja Eve ... ik had je juist iets willen zeggen, juist vandaag. + +--Wat dan? vroeg zij, verwonderd door heure tranen blikkend, om zijn +vreemden toon. + +--Ik zoû ernstig met je willen spreken, Eve, vandaag. Wil je naar me +luisteren? + +--Ja ... + +--Ik woû je iets vragen, Eve, ik woû vragen of je niet vrij van me zoû +willen zijn. Ik woû je vragen of ik je niet je woord mag teruggeven. + +Zij begreep hem niet dadelijk en bleef hem toen verschrikt aanzien, met +open mond. + +--Waarom? vroeg zij ten laatste, sidderend, bang, dat hij iets begrijpen +zoû van wat in haar woelde. + +--Omdat het zoo beter voor je zoû zijn, kind! sprak hij zacht. Ik heb +het recht niet je leven vast te ketenen aan het mijne: ik ben gebroken, +ik ben een oud man, en jij bent jong ... + +Zij vlijde zich tegen hem aan. + +--Neen, ik ben ook oud! glimlachte zij. En ik wil het niet, ik wil bij +je blijven, ik zal je altijd troosten als je verdrietig bent. En bij +elkaâr zullen wij weêr beiden jong worden en beiden gelukkig ... + +Hare stem vloeide zoet als balsem, zij voelde om hem te sterken iets van +de oude illuzie in zich herleven; zij wilde hem behouden, het kostte wat +het kostte; zij had hem lief. + +Hij sloot haar even vast in zijn arm en kuste haar. Zij was op dit +oogenblik niet bang, zij voelde hem zoo ongelukkig ... + +--Je bent een goed, goed kind, fluisterde hij met zijne schorre, +brekende stem. Ik verdien het niet, dat je zoo goed voor me bent. Maar +heusch, Eve, denk er eens over na. Denk er eens over na of je je niet +ongelukkig, rampzalig zoû voelen, wanneer je altijd met me moest zijn. +Er is nu nog alles aan te doen. We hebben je verder leven in onze hand, +Eve. En ik kan niet doorgaan met je nog ongelukkiger te maken, dan ik al +gedaan heb. Daarom zoû ik graag, voor jou, voor jouw geluk, je je woord +teruggeven. + +--Maar ik wil niet! kermde zij wanhopig. Ik wil niet. Ik begrijp je +niet: waarom zoû je mij mijn woord teruggeven? + +Hij nam hare handen streelend in de zijne, zag haar lang aan met zijn +glimlach van smart onder zijne gouden snor. + +--Waarom? Omdat je ... omdat je bang voor me bent, mijn kind. Haar +geheele lichaam schokte als van een plotselingen electrischen stroom: +zij zag hem wild aan, wild sprak zij tegen. + +--Het is niet waar, Frank, ik zweer het je, het is niet waar! God, God, +waarom geloof je dat, waardoor heb ik je dat kunnen doen gelooven! Ik +bid je, Frank, geloof me: ik zweer het je, daar, bij alles wat heilig +is, zweer ik het je: het is niet waar, dat ik bang voor je ben! + +--Jawel Eve, je bent bang voor me, ging hij kalm voort: en ik begrijp +dat, dat moet zoo zijn. En toch, dit verzeker ik je: je zoû er nooit +reden toe hebben. Want ik zoû een lam willen zijn aan je hand, ik zoû +mijn hoofd zoo in je handen willen leggen, in je mooie, koude, witte +handjes, om er te gaan slapen als een kind. Je zoû met me kunnen doen, +wat je woû, en ik zoû nooit driftig tegen je zijn, want ik kan dat nu +niet meer, nooit meer. Ik zoû zoo aan je voeten willen liggen, mijn +leven lang, en je voeten op me willen voelen, hier op mijne borst en ik +zoû er zoo kalm onder worden, zoo kalm, zoo heerlijk kalm ... + +Hij was op zijn knie gevallen voor haar, zijn hoofd in heur schoot, op +hare handen. + +--Nu dan, sprak zij zacht; als dat zoo is, waarom zoû ik dan bang voor +je moeten zijn, als je me dat alles zoo verzekert? En waarom spreek je +er dan over me mijn woord terug te geven? + +--Omdat ik je niet langer ongelukkig kan zien, omdat ik je bij mij +ongelukkig zie, omdat je later, met me nog ongelukkiger zoû worden ... + +Zij trilde in al hare zenuwen; eene helle klaarte kwam in haar; zij zag +alles wat er gebeurd was, weêrschitteren als in kristal. + +--Hoor, Frank, sprak ze, met eene stem vol frischheid. Blijf daar zoo +liggen en luister naar me, luister goed. Ik wil bij je blijven, en we +zullen gelukkig zijn. Ik voel dat. Hoor Frank. Wat is er gebeurd, dat +wij ongelukkig zouden zijn? Niets. Ik herhaal het je: niets. Laten wij +niet ons eigen leven vergooien. Eens heb ik aan je getwijfeld, je hebt +me vergeven. Dat is uit. Je hebt gezien, dat Bertie een schurk was, en +je hebt hem doodgemaakt. Dat is uit. Dat kan me alles niet meer schelen. +Ik wil om dat alles niet meer denken. Het bestaat niet meer voor me. En +let wel op, Frank, bezie het goed, dat is alles, alles, àlles, wat er +gebeurd is. Er is niets méer gebeurd. Het is niet veel. En we zijn +beiden jong en gezond, we zijn _niet_ oud. Daarom zeg ik het je, dat we +het kunnen: een nieuw leven met elkaar beginnen, ergens anders, ver van +Londen. Een nieuw leven, Frank, een nieuw leven ... Ik hoû van je, +Frank, je bent mijn alles, mijn afgod, mijn man, mijn kind, mijn lief +groot kind ... + +Zij omhelsde zijn hoofd hartstochtelijk, hem knellend aan haar tenger +lichaam, in extaze, lichttintelingen in haar oog, bloed tintelend onder +de azalea's harer wang. Maar hij zag smartelijk tot haar op: + +--Je bent een engel, Eve, je bent een engel. Maar ik mag je niet +behouden. Want hoor nu eens naar mij: ... dat is het juist ... + +--Wat is het juist? + +--Dat is het juist ... Dat Bertie géen schurk was. Dat hij alleen maar +een mensch, een zeer zwak mensch was. Dat is het juist. Hoor naar mij, +Eve, laat mij nu uitspreken. Ik heb veel gedacht, daar, op Scheveningen, +in de duinen, je weet wel. Ik heb nagedacht over wat ik me herinnerde, +dat hij in dat laatste oogenblik me tegenwierp, om zich te verdedigen en +langzamerhand zijn al zijne woorden in me herleefd en heb ik gevoeld, +dat hij gelijk had. + +--Dat hij gelijk had! O, Frank, ik weet niet, wat hij zei om zich te +verdedigen, maar moet nu, nu nòg, Bertie's invloed ons kunnen scheiden! +riep zij, bitter van wanhoop, uit. + +--Neen, dat is het niet! weerde hij af. Verwar het niet. Het is niet +Bertie's invloed, die ons scheidt, maar mijne schuld. + +--Jouw schuld! + +--Mijne schuld, die telkens en telkens me herinnert aan wat ik gedaan +heb, zoodat ik niets vergeten kan en het nooit vergeten zal ... Want +luister nu eens. Hij had gelijk in zijne laatste woorden. Hij was een +zwak mensch, zei hij, geslingerd door het leven, zonder wilskracht. Hij +had geen wilskracht, zei hij. Was het zijne schuld, dat hij er geen had? +Hij verachtte zichzelven, dat hij die gemeene dingen gedaan had, met die +brieven. Maar hij had niet anders gekund. Nu, ik vergeef het hem, dat +hij zwak was, want hij kon niet anders, en we zijn allemaal zwak: ik ben +het ook. + +--Maar _jij_ zoû nooit zoo iets doen, met die brieven! kreet Eve. + +--Omdat ik misschien anders ben, maar ik ben toch ook zwak. Ik ben zwak, +als ik driftig ben. En toen ... toen in mijne groote drift, ben ik +heel, heel zwak geweest. Dat is het juist, dàt is het, wat me nu breekt, +en zoo gebroken, als ik ben, mag ik niet je man worden ... O, wat gaf ik +er niet voor, als hij nog leefde. Ik hield van hem, eens, en ik zoû hem +nu zeggen, dat ik hem begrepen had, dat ik hem vergaf ... + +--Frank, wees niet zoo dwaas, zoo dwaas goed! kreet zij uit. + +--O, het is geen dwaze goedheid! lachte hij treurig. Het is filozofie. + +--Nu dan! riep zij hard, ruw; ik filozofeer niet, ik ben niet dwaas +goed, ik vergeef het hem niet, dat hij een schurk was, dat hij ons +ongelukkig heeft gemaakt, en ik haat hem, ik haat hem, dood als hij is. +Ik haat hem, omdat hij nu, na dat je hem vermoord hebt, nog om ons en in +ons spookt, omdat zijn duivelsche invloed je nu, nu nog van me af wil +rukken. Maar ik zeg je, dat ik het _niet_ wil! schreeuwde zij wanhopig, +opstaande en hem woest omknellend. Ik zeg je, dat ik je niet voor de +tweede maal wil verliezen, ik zweer je, dat ik je hier vast zal blijven +houden in mijne armen als je van me weg wilt gaan, dat ik me tegen je +aan zal drukken, totdat we beiden stikken! Want ik wil niet, dat hij ons +nu nog scheidt, ik haat hem, ik vind het goed, dat je hem vermoord hebt +en als hij nu nog leefde, dan zoû _ik_ het hem doen, hem vermoorden, hem +worgen, hem verworgen! + +Hare handen wrongen zich als om eene keel en hare armen sloegen zich om +Frank heen als om eene prooi. Buiten was de lucht zwarter en zwarter +geworden. Hij maakte zich langzaam van haar los, haar steunend, daar hij +voelde, dat zij wankelde in hare overspanning van kracht en moed tot +eene daad. Bleek tuurde zij even met hare holle, grijze oogen naar +buiten, naar het weêr, en zij rilde. Hij voerde haar terug naar de bank, +deed haar zitten, knielde voor haar, haar liefhebbend als nooit, +hartstochtelijk. + +--Eve! fluisterde hij. + +--O, kijk die wolken! krijschte zij. Het gaat stortregenen. + +--Ja, fluisterde hij weêr; maar wat kan het ons schelen: ik hoû van je! + +--Ik kan niet tegen dat weêr! kermde zij. Het maakt me benauwd en bang, +o het maakt me zoo bang! Bescherm me, bescherm me, Frank, kom hier ... + +Zij trok hem tot zich op de bank, knoopte zijne jas open en drukte zich +tegen hem aan. + +--Ik ben bang, Frank, bescherm me, sla je jas om me heen, o God, laat +het niet weêr over me heen komen, ik bid u God, laat het niet weêr +komen! + +Ze bad, dat ze niet weêr mocht aanrollen, die hallucinatie van donder. +En zij sloeg om zijn lichaam hare beide armen, zich tegen hem dringend, +als wilde zij in hem kruipen. Zoo bleef ze lang en hij wilde haar juist +innig vast aan zich klemmen, toen zij murmelde, hare vingers wriemelend +in zijn vest: + +--Wat is dat, wat heb je hier? + +--Wat? vroeg hij, verschrikt. + +--Hier in je vestjeszak? + +--Niets, een fleschje ... stortterde hij. Druppels voor mijne oogen: ik heb +pijn aan mijne oogen in den laatsten tijd. + +Zij haalde het fleschje te voorschijn. Het was een kleine, donkerblauwe +flacon met geslepen stop, zonder etiquette. + +--Voor je oogen? sprak ze. Ik wist niet ... + +--Ja, toch wel! stotterde hij. Geef het hier, Eve, geef het hier. + +Maar zij omklemde het vast in hare beide handen, met een lachje. + +--Neen, ik geef het nog niet. Waarom ben je zoo bang: ik zal het niet +breken. Ruikt het? Ik wil het openmaken, maar de stop zit zoo vast. + +--Ach ik bid je, Eve, geef het hier! smeekte hij, het zweet parelend op +zijn voorhoofd. Het is niets, het zijn oogdruppels, en het ruikt niet; +je zal er meê morsen en dan geeft het vlakken. + +Maar zij hield hare handen achter haar rug.-- + +--Het zijn geen oogdruppels en je hebt geen pijn aan je oogen! sprak ze +vast. + +--Ja, heusch ... + +--Neen, je jokt! Het is ... het is iets anders, nietwaar? + +Hij antwoordde haar niet, zeer bleek. + +--Geef het hier, Eve! vleide hij. + +--Werkt het gauw? vroeg ze weêr. + +--Eve, ik wil het, geef het hier! knarste hij nu driftig, woedend, +radeloos. + +Hij omvatte haar, wilde hare polsen grijpen, maar omknelde slechts hare +eene leêge hand, want heur andere slingerde vlug den flacon, over hem +heen, op den grond. Het weêrklonk er met een hoogen toon, als van +kristal, dat springt. En voor hij had kunnen opstaan, omhelsde zij hem +weer, vast, geheel in hare armen, drukte zij hem neer in de kussens der +bank. + +--Laat het, lispelde zij glimlachend. Het is gebroken. Ik heb het voor +je gebroken. Zeg me, waarom droeg je dat bij je? + +--Het is niet wat je denkt! verdedigde hij zich nog. + +--Het is wel. Waarom droeg je het bij je? + +Hij zweeg een pooze. Toen, zich overgevend in hare omhelzing: + +--Om in te nemen ... als het uit tusschen ons was geweest, van avond, +bijvoorbeeld. + +--En nu zal je het dus niet meer doen? + +--Misschien ... ik kan een ander fleschje zien te koopen, lachte hij +somber. + +--En waarom moet het uit tusschen ons zijn? + +Hij werd eensklaps ernstig, zonder spot meer over dood of leven. + +--Om jou, mijn engel. Om jouw geluk. Ik bid je, láat het uit zijn. Laat +me je niet langer ongelukkig hoeven te maken. Jij kan nog gelukkig +worden. Maar ik, ik voel, dat ik alles in mij mis om gelukkig te zijn en +geluk put men alleen uit zichzelven. + +--En je gelooft, dat ik je nu van me zoû laten weggaan, nadat je me zoo +even gezegd hebt, wat je dan zoû doen, des avonds? + +--Neem het dan zoo niet op, dat het zoû zijn om jouw verlies. Ik liep al +lang met dat ding in mijn zak. Ik dacht dikwijls het te doen, maar dan +dacht ik aan jou en dan was ik er te zwak toe, want ik weet, dat je van +me houdt, o te veel! + +--Niets te veel, ik heb geleefd door jou, zonder jou had ik nooit +geleefd. + +--Zonder mij hadt je misschien met een ander geleefd, gelukkiger. + +--Neen, nooit met een ander ... Dat kon niet, met een ander. Ik moest +met jou leven. Het was het Noodlot ... + +--Ja, het Noodlot, zoû Bertie zeggen. + +--Spreek niet van Bertie ... + +Het kletterde tegen de ruiten aan, een zondvloed van rechte stroomen. + +--Altijd die regen! murmelde zij bang. + +--Ja, altijd! herhaalde hij onwillekeurig. + +Zij huiverde, zag hem aan. + +--Waarom zeg je dat? vroeg ze scherp. + +--Ik weet het niet, antwoordde hij verwonderd, verward. Ik weet het +heusch niet. Wat heb ik dan gezegd? + +Zij zwegen weêr. Toen sprak ze: + +--Frank ... + +--Lieveling ... + +--Ik wil niet meer van je scheiden. Zelfs vandaag niet. Ik zal voortaan +zoo bang voor je zijn. + +--Laat het uit zijn, kind. + +--Neen, neen. Hoor. Laten we bij elkaâr blijven. Altijd, altijd. Laten +we nu met elkaâr gaan slapen, terwijl het regent. + +--Eve ... + +--Met elkaâr. Je zegt immers, dat je in je alles mist om gelukkig te +worden en dat je toch het geluk uit jezelven moet putten. Nu, zoo is het +ook met mij. En toch houden we zooveel van elkaâr, nietwaar? + +--O ja ... + +--Nu, waarom zouden we dan blijven waken, in dit akelige leven. Het +regent altijd door. Geef me een zoen, Frank, een nachtzoen, en laten we +gaan slapen, terwijl het regent. Laat me in je armen slapen ... + +--Eve, wat meen je?! vroeg hij hol, want hij begreep haar niet. + +--Het fleschje heb ik gebroken, gebroken voor jou! ging zij vreemd +voort. Maar je zoû immers een ander zien te koopen? + +Een ijskoude drong hem, als bevriezend, door zijn merg. + +--God, Eve, wat wil je? vroeg hij sidderend. + +Maar zij lachte hem rustig tegen, zeer kalm, met zacht stralende, stille +oogen. En zij omvatte hem in hare armen. + +--Samen met je sterven, lieveling! fluisterde zij, als verklaard van +geluk. Wat kan ons het leven nog schelen! Je hebt gelijk: jij zal nooit +meer gelukkig kunnen worden en ik zal het niet worden naast jou. En ik +wil je niet verliezen ook, omdat je mijn alles bent. Hoe dus te leven en +waarom te leven? Maar samen, o Frank, samen met elkaâr dood te gaan, in +elkanders armen, op je mond te sterven, o, is dat niet het hoogste +geluk! Een zacht vergift, Frank, niets pijnlijks. Iets zachts en het dan +samen te drinken en elkaâr vast te omhelzen en dan dood te gaan, dood te +gaan, dood te gaan ... + +Maar hij huiverde van ontzetting. + +--Neen, Eve, neen! riep hij uit. Dat mag je niet willen, dat kan je niet +willen! Ik verbied het je ... + +--O, verbied het me niet! smeekte zij, op den grond vallend en zijne knieën +omhelzend. Laten we het samen doen. Het zal heerlijk zijn. Het zal roze en +zilver en goud om ons zijn, als een zonsondergang. O, kan je je iets +verbeelden wat zaliger zoû wezen? Frank, Frank, het is het Geluk, het +Geluk, waar we naar zochten, waar ieder naar zoekt op de wereld! Het Geluk +is: samen, van elkaâr houdend, met elkaâr te sterven! Het is het paradijs, +de hemel, Frank!!! + +Hij voelde niet de verheerlijking van hare extaze, maar hare woorden +lokten hem als met de belofte van eene korte zoetheid des levens, en van +eene ontzachlijk lange rust des doods. En hij vond niets meer om haar te +weêrspreken, niets meer om haar terug te houden in de hemelvaart harer +gedachte; alleen dacht hij nog slechts aan het gemis van alle middel, +daar het gebroken was ... + +Maar Eve was opgestaan, magnetisch gedwongen te gaan naar de plek, waar +het fleschje gevallen was. Zij bukte zich, en zij raapte het op. Het was +gevallen op de afhangende plooien van een gordijn; het was niet +gebroken, slechts gebarsten. Maar er was geen druppel uit gestort. + +--Frank! gilde zij, in hare opzweving van extaze. Frank, zie, het _is_ +niet gebroken, het is heel! Het is het Noodlot, dat het niet heeft +willen laten breken! + +Hij was opgestaan, rillend van de ijskoude in hem. Maar zij, ze had +reeds den stop afgerukt, ze dronk het half uit, met een glimlach van +waanzin en geluk. + +--Eve!!! schreeuwde hij. Maar rustig steeds glimlachend, reikte zij het +hem over. Hij zag haar eene pooze aan en het werd hem alsof zij beiden +reeds niet meer op de wereld waren, alsof zij in eene sfeer vol vreemde +natuurwetten zweefden, waarin vreemde dingen zouden gebeuren. Het kwam +in hem op, of de wereld nu vergaan zoû, in dien stortregen, daarbuiten. +Maar hij zag, dat ze wachtte, met haar glimlach, en toen dronk hij ... + + * * * * * + +Het was geheel donker geworden, en zij lagen in dat donker in elkanders +armen, op de bank. Hij was dood. Zij richtte zich even op, stervend, +doodsbang voor den storm die buiten loeide, en den storm, die loeide in +haar eigen doorgiftigd lichaam. Het weêrlichtte schel wit en het +donderde dadelijk na. Maar boven dien donder uit, hooger, kwam, voor +Eve, van heel ver, een donder aanrollen, áanrollen ... zwaarder, steeds +zwaarder, als een bovenwereldlijke donder, op raderen van sferen ... + +--Daar komt het aan! stamelde zij, in de ontzetting van den dood. O, +God, daar dondert het aan!! + +En ze zonk, kronkelend, op het lichaam onder haar neêr, wegschuilend in +de los geknoopte jas, daar stervend. + +Toen sleepte een tred, buiten het stikduistere vertrek, door den +corridor, nader en nader: de knorrige stem van een ouden man riep twee-, +driemaal Eve's naam; eene hand draaide de deur open. + + + + + +_Den Haag, Mei_ '90. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Noodlot, by Louis Couperus + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOODLOT *** + +***** This file should be named 17659-8.txt or 17659-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/7/6/5/17659/ + +Produced by Branko Collin, Ginirover and the Online +Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +*** END: FULL LICENSE *** + |
