diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 17537-8.txt | 9661 | ||||
| -rw-r--r-- | 17537-8.zip | bin | 0 -> 171717 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 17537-h.zip | bin | 0 -> 176411 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 17537-h/17537-h.htm | 9797 | ||||
| -rw-r--r-- | 17537.txt | 9661 | ||||
| -rw-r--r-- | 17537.zip | bin | 0 -> 171342 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
9 files changed, 29135 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/17537-8.txt b/17537-8.txt new file mode 100644 index 0000000..390d0f2 --- /dev/null +++ b/17537-8.txt @@ -0,0 +1,9661 @@ +The Project Gutenberg EBook of 't Bedrijf van den kwade, by Herman Teirlinck + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: 't Bedrijf van den kwade + +Author: Herman Teirlinck + +Release Date: January 23, 2006 [EBook #17537] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK 'T BEDRIJF VAN DEN KWADE *** + + + + +Produced by Marc D'Hooghe + + + + +HERMAN TEIRLINCK'S + +'T BEDRIJF VAN DEN KWADE + +1904 + + + + * * * * * + + + +I. + + +'t Loof kleurde om de kruin der boomen, die achterwaarts stonden, statig +en hooge, in den diepen hof; en 't lager plantsoen van 's gelijken +verfde bij plaatsen, onder 't komend gewaai van den herfst, zijn +bladeren geel of rossig, of rood lijk kastanjeslutsen, of klaar lijk een +licht daar ievers. + +Goedele keek precies ernaar, door 't venster, en hoe de avond eromme al +donkerend viel, keek ze, en hoe stilaan dieper de holten werden der +wegdeinende dreven--en hoe eene waarachtige droefenisse uit den hemel +zeeg. Ze leunde tegen 't raam. Ze tokkelde met hare vingeren zoetekens +tegen de ruiten, zonder weten, op éenmatige wijs, en ging mee, al wijder +en wijder, met hare verre gedachten. Altemets stortte een streuvelende +wind in den lochting, en een park dahlia's neigden te zaam en rechtten +zich en bijsden tenden hunne stengels nog een tijdeken. Hij asemde +naderhand in 't rotelend geboomte en bleef er luidelijk hijgen en was +seffens voorbij, met een schok--en waar zoefde hij ginds? Goedele voelde +bij zijn sterke doening, heel de moedeloosheid van het najaar. 't Was +haar of de tijd, in zijn haastige vleugeling, nu tastbaar werd, binst +zijn vlucht naar de toekomst, aldoor stichtend 't verleden dat droevig +was. Ze wendde haar hoofd zijwaarts op naar 't horloge, onbewust. +Ze glimlachte even, omdat ze dees uur zoo tsieperig, zoo klein en +niets-beduidend vond, en die gulden plate ook, met zijn verwaande +orneering, zijn praatziek getjok, zijn vies-kruipende wijzers--zoo +onmachtig, zoo kinderlijk, een onnoozel speelgoed. Buiten in 't vrije +geluchte stormde de wind, en Goedele taakte er de eeuwigheid.... + +Ze ging dan de breede tafel rond en luisterde binstdien met ongevraagde +aandacht naar den slag van haar zij-ruischende kleeren het tapijtsel +langsheen. Ze zette zich neer vóor 't klavier en wroetelde er onachtzaam +in een muziekboek, en werd daarna gewaar dat ze dees alles beu was en +dat heur 't vervelend pianogetamp zeer zou doen. Ze werd ongedurig; ze +wist niets, dat groot genoeg was om mee te klinken met die stijgende +golvingen in haar. Ze wilde niet spelen. Ze zou 't nietig achten, al wat +ze spelen mocht. Het herfsteweer alleen was machtig genoeg. + +Ze hoorde rijzekens de korte stem van hare moeder, die weer wat te +gebieden had aan vader of grootvader of de meid. Ze stond rechte en +rustte tegen 't schouwblad en tuurde met roerlooze blikken naar een +hoogen chrysanthementuil, die daar monsterachtig was, midden de tafel, +in zijn laag-zittenden pot, met al die uitermatige kronen, valsch-wit en +valsch-levend en klaterend van kostelijkheid. Ze verwonderde zich nog +dat heur dees grof gedoe was opgezonden door Sebastiaan, haren +verloofde. + +--Hij heeft dees van verre besteld, meende zij. + +Sebastiaan Vrebos was sinds veertien dagen naar Weenen vertrokken om er +in de Albertina enkele teekeningen van Hieronymus Bos en een paar +tafereelen van een ouden Brueghel te bezien. Van avond zou hij terug +zijn. Sebastiaan was een jong archivaris, onlangs benoemd in de +Koninklijke Bibliotheek, een heel lange en magere vent, liefelijk van +uitzicht, met te groote engelblauwe oogen in een bleek gelaat, sierlijk +omlokt met mat-blonde haren. Hij had langzame gebaren en deed al +sprekend profijtelijk hergaan zijne witte vingeren en was aldoor +verzonken in biddende houdingen. Goedele peinsde dat hij uitermatig +vroom was. Hij was goed. Hij zei nooit een woord, dat sterk klonk of +kwetsen mocht. Hij sprak nooit met drift, en werd nauwelijks een endeken +van begeestering warm als hij 't over de oude Vlaamsche fantasten had, +bijzonderlijk over Bos en Brueghel. Hij vond dan wel een gloeiend +gezegde, maar meerendeels een stil-pieuse daarbij. Goedele had hem voor +'t eerst bij mevrouw De Vleeschhouwer ontmoet, nu haast een jaar +geleden. Hij had haar dadelijk met liefelijke gedienstigheid omringd, +en, omdat hij zoo zacht was, kon zij hem goed verdragen rond haar. Hij +kwam naderhand hier thuis, op de half-maandelijksche soepee-vergaderingen. +Goedele ging nooit uit. Ze kende alleen de familie De Vleeschhouwer. +Ze vond het wel aardig dat een djentelijke man om haar in deze droevige +woonste komen wou en 't vleide heur aangenaam. Ze kreeg met welbehagen +de stille bekentenis van Sebastiaan en voelde zich gelukkig omdat hij +zegde door haar zoo gelukkig te zijn. Moeder verklaarde dat dees +huwelijk heur aanstond, en mijnheer Vrebos werd met zijne aanvraag goed +ontvangen. Sindsdien geraakte er een beetje verscheidenheid in 't +eenvormige leven der familie Wilder: Sebastiaan kwam wekelijks een +bezoek afleggen en bleef dan soepeeren, en dat alleen was al een +gewichtige verandering; bij tijden werd ook een concert bijgewoond of +een tentoonstelling bezocht; dan moest er in stad gesoepeerd worden--en +ook dat was zeer gewichtig. + +Goedele keek toe naar de chrysanthemen, hoe bombastisch ze daar pronkten +in schitterende ijdelheid, met hunne ommekrullende blaadjes, regelmatig +middenwaarts toegevouwd. En hare gedachten, langs vage wegen, wendden +zich geleidelijk naar de toekomst. Ze probeerde na te gaan, met +waarschijnlijke veronderstellingen, hoe 't zijn zou, als ze dees huis en +vader en moeder en grootvader verlaten zou. Zij en voelde in de verte +geen heimwee, geene aandoening daarom. Ze zou hier uitgaan en zou den +dorpel met haastigheid vergeten. 't Was hier ook zoo leeg, zoo lustloos +en vunzig. Naarmate zij opgegroeid was in sterkte en schoonheid, had zij +zich meer en meer vernepen en bezeerd gevonden, en nu stond zij daar, in +hare volle grootte, een machtige vrouw, gekleineerd en gekwetst door al +wat om haar was en werd. Bij moeder vond ze geen zoetiger toevlucht en +vader was peuterig in zijn dagelijksche manieren; hij en deed maar +bekrompen werken en wist geen doel, en steunde voor gewichtige besluiten +op moeder. Grootvader was hard. Zij vreesde van die drie moeder alleene, +omdat moeder danig struisch was in koppige, strenge besluiten, en korte, +scherpe woorden had. Daarom was heur streelend de brave liefde van +Sebastiaan. Zij en wachtte nooit met koortsig verlangen op hem, noch en +vreesde gejaagd zijn vertrek. Ze liet zich zijn komste welgevallen en +vleide zich een stonde in de lauwte zijner lijze genegenheid. Ze meende +wel dat ze hem liefhad, maar de muren waren hier te eng en te zwaar. +Ze zou met hem trouwen en in 't open geluchte gaan en vrij wezen. Alles +zou nieuw zijn. Ze zou hem liefhebben, omdat hij goed was.... + +Ze boog zich trage over de chrysanthemen en snoof den kouden geur ervan +en voelde even de blaadjes kittelen over hare wangen. Die jeukte maakte +haar ongedurig en, als zij weer in de boomen van den tuin het blazend +gewaai hoorde roefelen, rechtte zij zich plots op, uit gansch hare +lengte, en bleef roerloos kijken, strak vóór zich heen, naar een +voorbijvliegend beeld. Op dees oogenblik voelde zij gansch haar vleesch +in éene trilling pijnlijk worden en haar bloed slaan in forsche geuten +naar hare slapen. Vluggelings viel om haar al wat bestond en blijvend +zijn zou, en ze rees, grooter en sterker--en moeder en Sebastiaan en het +huis--'t en raakte noch en deerde haar. Ze wou 't weere voelen zoeven +langs hare wangen, ze wou heur haar los laten vlaggelen en ze wou +luisteren naar 't geklapper van 't krakende geboomte.... + +Seffens neigde haar voorhoofd en ze zocht verlegen naar 't gewone zicht +der dingen, naar die twee visscherstafereelen aan den wand, naar 't +klavier, naar de glazen dresse, met haar menig ruitwerk, zoo drollig van +verve ... en hare oogen steunden erop, alsof zij er fluks naar grabbelen +moest om niet omverre te stuiken. Wanneer ze opnieuw rustig was, tot ze +stille naar 't venster en zonk weg met hare toevallige gedachten, al +over den bonten lochting, een heelen tijd lang. + +--Goedele! + +Mevrouw Wilder stond in 't deurgat. Mevrouw Wilder was groot boven de +mate, grooter nog dan hare dochter, en struisch ook daarenboven, breed +geschouderd en grove gelend. Haar hoofd was lijk in brutalen steen +gebeiteld, zonder nuttelooze kleinigheden--een laag, plat voorhoofd +tusschen vlakke slapen, blauwe oogen in vierkante holten, sterke kaken +en een stevige kin. Ze zag er uit wel een van tenden de vijftig jaren, +maar effen-zwart bleven heur haren, zorgvuldig te midden open, in gladde +vlechten gekamd en bezij hare ooren in een nat, regelmatig krulleken +vastegeleid. Gerimpeld en was zij niet: haar gezichte bleef gedurig +effen en eenvervig, en nooit en speelde er een vouwken of tintelde er +een kleureken in dat toonloos, gelijkvormig gelaat. Haar breede hals, +ten halve bloot boven de korte krage, was een paal van stoere kracht. +Zij boog zelden. Zij stond, keersrechte, in haar zwarte merinoskleed; +zij droeg haar hoofd daar hooge, waar 't blijvend was en rijzekens +roerde. Zij en droeg oorbellen noch armband noch eenig ander sieraad; +haar trouwring was heel smal en in haren zwellenden vinger vergroeid. +Zij was koud. Ze vereenzaamde zich in een killige atmosfeer, die zij +om haar geschapen had en allerwege meesleepte, overal stichtend een +ongewoon ongemak bij de naderende menschen. Maar, in haren witten blik, +lag anderzijds een verre treurnis, een verre klacht over leed, dat niet +te heelen was. Seffens echter wist zij die zwakte met een stalen schicht +te duiken--en seffens herkwam van wijd de droefheid, kalm en zonder +deernisse. Bij tijden zakten hare lippen van weerskanten neerwaarts.... + +Zij sprak nu van het avondmaal, met korte, rustige woorden te reke; zij +wachtte zelden op een antwoord, zij zei meerendeels een gebod of een +uitlegginge, en ontving weinig bevelen van anderen. + +--'t Eten moet klaar worden. + +--De tafel moet ge dekken. + +--Deze bloemen kan men andermaal best met ruste laten. + +Ze ging langzaam bij de tafel en raapte nauwkeurig eenige verslenste +blaadjes op, naderhand nog uit de bloemen zelve geschonden vlekjes +knippend, aandachtig. Ze keek naar 't horloge en merkte, op haar eigen +zakuurwerk, dat de wijzers voorliepen, en kwam die dan trage goed duwen, +met haren duim. + +Goedele zei: + +--Ja, moeder. + +Ze blikte naar Seppie, 't japansche hondje, dat rondtrippelde, om +mevrouw Wilder's rokken, en nu subiet pal bleef en zijn plat snuitje +ophief naar heur en te kwispelen probeerde met zijnen langharigen +steert. Seppie snoof al eens en loerde zijwaarts, tuk op een zoetig +woord van Goedele of een vriendelijk gebaar. Hij kwam dan endelijk toch +aandrillen, ongeroepen en schuchter, en wreef zijn leelijk koppeken +tegen haren voet. + +--Seppie maakt uw schoenen vuil met zijn tonge. + +--Wat zou hij? + +Ze wilde 't beestje vrij praten, en boog zich en streelde 't al +krabbelend achter zijne ooren. Ze zei dat het koes moest blijven en +braaf zijn en schoone manieren hebben, en was dan te wege weg naar de +keuken bij Marie om alles te schikken. Maar mevrouw Wilder gebaarde dat +zij wat wachten moest. + +--Is vader in den lochting? + +--'k Zag hem wandelen tusschen de palm-struiken. + +--Wiezeken is ziek. + +Goedele tort naderbij. Mevrouw Wilder zette zich neer en zuchtte diep, +en hare oogen werden droeve. En ze vroeg: + +--Wist ge dat Wiezeken ziek is? Neen, moeder. + +Ze staarde scherp naar Goedele en hief hare hand een endeken op. Seppie +keek nieuwsgierig toe, zijn tootje scheef draaiend ten teeken dat hij +luisterde. + +--Ze hebben niet ommegezien. Ze zijn samengegaan. Ze hebben hun eigen in +'t verderf gestort. Ze hebben mij miskend en hun eigen in 't verderf +gestort.... + +--U miskend.... + +--Ja. + +Ze stond vluggelings rechte en tort naar heure dochter toe en neigde een +beetje, haren hals uitrekkend om te kunnen fluisteren tusschen hare +tanden: + +--Zult gij ze verontschuldigen?... Zwijg! + +En hare stemme zonk, laag wordend in holle tonen met kapotte +scandeering: + +--Van zijn kindsbeen af heeft hij me danig centen gekost, hij.... Hij +was ziek, of hij kloeg dat hij ziek was. Daar zijn hier dokters geweest +met hoopen en op ons kosten hebben ze hun kwakzalverijen verkocht. Wat +heeft hij al niet gehad aan speelgoed en snuisterijen? Wel! Wel!... En +als hij dan een jongen was die endelijk op zijn pikkels staan kon, wat +heeft hij al niet gehad aan nuttelooze plezierkens? En hij ging ter +schole, en 't kostte allemaal. En hij ging naar de Universiteit ... ge +zult later weten wat het gekost heeft. En al die boeken waaruit hij +leeren leven zou? Wat heeft hij geleerd? Hij was ten langeleste +ingenieur. Ingenieur van wat? waar? wat zou het opbrengen? Wel! Wel! Het +heeft wat opgebracht! 't Is proper alzoo.... En daar zit hij nu, met een +slonse en met een kind. + +Ze zweeg, haren mond toesnappend op het laatste woord, en ze ging bij 't +venster staan en kruiste hare armen over hare borst. Daar viel een bange +stilte in de kamer. Goedele leunde tegen 't klavier en hare vingeren +raakten overhand, bij maniere van onbewust spelen, de bovenrandjes van +een koperen kandeleer. Ze wist dat ze zwijgen moest als moeder van den +verloren broeder sprak, en ze had dergelijke uitvallen ook al zoo +dikwijls gehoord, dat het haar nu niet meer taakte en zij, maar liefst +die overdreven gramschap van zelf koelen of vallen liet. Ze zag echter +wel de diepte van moeder's koppige pijnen en ze vergaf haar gewillig een +slechtdadig woord om wille der oorzake, die toch een blijvende en +zeerdoende wonde was. Ze droeg daarom 't gewichte van deze +ongemakkelijke stilte met verduldigheid en voelde deernisse. Mevrouw +Wilder verliet het venster en ging nog een kanten doekje schoon leggen, +dat gefronst en ommegevouwd lag op 't schouwblad. Ze deed naderhand de +dresse open en toetste even de kristallen wijnbekers en een paar +sineesche potjes, alsof zij dat alles schikken moest. Seppie trippelde +in haren weg en ze fronste wrevelig hare wenkbrauwen, geweld doende om +hem niet buiten de deure te stampen. Een geborduurd kussen en lag, +volgens hare goesting, niet op zijn plaatse in een breeden leunstoel. +Ze moest het eens opslaan en zuiver leggen te midden, en een haarken +wegvingeren, dat er ievers vasthaperde. + +De avond viel daarbinst. Schuinsche klaarten smeten rood uit op het +donkere wandpapier en speelden in aardige tinten langs een paar bronzen +maskers, die daar te grijnzen hingen. In een hoek kwam een straal noesch +leuterlichten over de randen van een bundel pauwpluimen, sierlijk zich +opendoende uit een groene vaas, heel lang en wonderbaar beklaterd met +gele en oranje vlekken. Hooger op, waar 't al diepe duisterde, blonk bij +plekken 't geschitter van oude wapens. Op den schoorsteen stond nog in +'t helle licht het koperen horloge met zijn zonderlinge plate, en, +ernevens, twee hasseltsche potten, grove versierd en zwaar zittend op +hunnen monsterachtigen buik. Onderaan stond de stove. De weggaande dag +kletste tegen de schaterende roeden en ringen en talrijke ornamenten, +en rustte arets in de donkere holten, zorgelijk gepotlood. + +Mevrouw Wilder's lippen vielen in een spijtige plooi neerwaarts, en ze +zei: + +--Wel! Wel! + +Ze sloot de dresse met den sleutel en schoof nog een lade open en haalde +er twee zilveren servetringen uit. Ze zette zich neer daarna en nam +zwijgend Seppie op haren schoot. En Seppie likte en streelde en legde +zijn oorkens, omdat hij 't zoo leutig vond. Hij rondde algauw zijnen +rugge en vleide zich neêre en sloeg met zijnen steert en gaf gedurig +vriendelijke stootjes met zijn voorhoofd, en hij was vies en liefelijk +tezelfdertijd. Mevrouw Wilder streek met hare hand over hem tot hij +bedaarde en stille bleef, en dan keek zij op naar Goedele. Toevallig +stieten hare blikken tegen Goedele's mijmerende oogen. Goedele rilde een +luttel stondeken en werd seffens verlegen, en mevrouw Wilder ook en was +op dat oogenblik van geen vasten wil. 't Was of zij meteen allebei +begrepen, allebei tastten hoeverre zij van mekaar verwijderd waren, en +dat zij wellicht nooit in zoete kommunie zouden bijeen komen om liefde +te voelen, hun warm vleesch te samen, hun lauwen asem te samen. 't Was +of ze de groeve voelden, die diep werd en breed werd en vreeslijk werd. +Ook, in een zelfde zicht en in een zelfden weemoed, zagen ze Romaan, den +broeder en den zoon, verworpen uit het huis, waar nu zijne plaats overal +een leegte was--want overal was zijne plaats.... + +Mevrouw Wilder rechtte haastig haar zwaar lijf. Ze werd de kriebeling +gewaar der naderende aandoening en ze had schrik daarvan. Ze vreesde +neer te storten in de zoelte van zwakke emoties en palstaande wilde ze +blijven. Alzeere bedwong zij met een vlugge, scherpe beredeneering de +dwaze kuren van haar moederlijk hert, en hare oogen werden, lijk te +voren, van rustig staal. Ze verliet de kamer, wendde zich halvelings +omme bij de deure en riep op Seppie, die schuchter-drummend aandrevelen +kwam. Ze tort echter na een stonde her binnen en lei hare hand op +Goedele's schouder. En ze zei: + +--Wiezeken is ziek. + +Hare stemme verloor eenigszins de gewone droogte, de scherpe kortheid. +Eene gemoedelijke klankwending wiegde er en brak er de nijpende kilte, +zoodat allengs een zoetigheid boven geraakte en streelend werd. + +--Erg ziek.... + +--Erg ziek? + +--Een ziekte in de kele, en zulke zijn de slimste. + +Ze was innerlijk tevreden dat Goedele getroffen was, alsof ze eerst +gedacht had dat het nieuws weinig of geen belangstelling zou opwekken +bij hare dochter. Een oogenblik kwam haar herte vol. + +--Het dutseken, fluisterde ze. + +--Ja, zei Goedele. + +--Ik hebbe ook veel triestigheid beleden met Romaan, als hij daar +machteloos te hoesten lag in zijn wiegsken. + +Heel dat steenen gebouw, die granieten ziele smolt meteen tot een natte +aandoening weg. + +--Ik weet wel, Goedele, wat een nacht is, een slapelooze stilte bij een +kind, dat men met aaiïngen maar niet helpen kan ... Romaan is uw broer. + +Goedele keek op naar heur, met verwondering, niet wetende wat ze zeggen +wou en zoekende naar heure oogen om te weten. Maar die oogen staarden, +halfbeloken, naar de granaatbloemen van het tapijt. + +--'t Ware goed, als er iemand ging ... als gij gingt.... + +--Ja ... ja ... + +--'t En is niet verre, in 't lage van de stad.... + +Goedele vatte heure hand, toch rijzekens verschrikt dat die aldoor koud +was gebleven. En te wege was zij te weenen van vreugde, omdat moeder op +een ende toch bedaard was, toch goed was geworden voor haren jongen, die +nu lijden moest--en omdat moeder een deugdelijk woord had gezeid, een +zacht woord van liefde. Ze omvatte moeder's breede vingeren en drukte ze +koortsig, en haar hoofd zeeg voorover en hare wimpers werden heet. Maar +als zij dan moeders oogen zag, blank en puntig, en merkte hoe niet de +minste altratie te speuren was op dit roerloos gelaat, niet de minste +verandering in de hardheid van die vaste wangen, niet een trillend +zierken in de rechte plooi van dien drogen mond, voelde zij zich +gekwetst en ze week permintelijk, instinktmatig, beschaamd omdat zij +zich alzoo bijkans overgaf. + +Mevrouw Wilder lei een bankbriefken van twintig frank op de tafel, +zeggende dat Goedele er zorg moest van hebben en 't niet nutteloos +verkwisten en 't maar geven aan Romaan ten uiterste, indien het +waarachtig noodig was. + +--'t Kan ook gebeuren dat het niet noodig en is. + +Ze verdween, bijna onhoorbaar tertend, en zonder ommezien. En Goedele +zonk trage neer op een stoel, geknakt, gebroken in hare hooghertigheid, +wel wetende nu dat moeder niet edel wilde zijn, niet zachtmoedig wilde +zijn. Ze zat zich af te vragen wat dan in moeder oorzake was van hare +medelijdende woorden, en zij en vond geen uitlegginge om moeders +inzichten te verklaren. Beteuterd tuurde ze naar 't papieren geld, dat +tegenwoordig, ook in haren geest, zoo'n groote beteekenis kreeg. +Moeder's vingeren, daar neerduwend dat vierkante ding, en 't openvouwend +met zorgvuldigheid, en 't naderhand nog een wijlken overstreelend--'t +bleef in haar geheugen een vastgespijkerd beeld. En ze dacht aan +Romaan's spijtige geschiedenis, aan zijn vlucht met Madeleen en aan +moeder's gramschap. En ze dacht aan Sebastiaan en aan zijn goede liefde. +En aan zijn geld. + +--Sebastiaan heeft geld. + +'t Stond haar nu klaar voor, en Sebastiaan kreeg een ander gedaante, en +ze meende nu dat zij hem liefhebben moest, als zelf zij hem in +werkelijkheid niet liefhebben kon. Tegen de rotse van moeders wil zou +zij tevergeefs horten. En moeders minzaamheid voor Sebastiaan steunde op +geld; ze had er de zuivere, de stipte vizie van in 't beeld van moeders +werkzame vingeren, streelend gaande om dat kostbaar briefelken. Maar +Sebastiaan's liefde was oprecht. En ook zij was Sebastiaan genegen. + +--We zullen gelukkig zijn. + +En ze ging te lore in kalme droomen van stille huiselijkheid, haar eigen +zettend bij 't vredig gefonkel van een duurbaren heerd en er luisterend +naar wisselvallige gepeinzen. + + + + * * * * * + + + +II + + +Rik Derboven, mevrouw Wilder haar vader, was een visscher van de +Noordzee. Indertijd was hij doodarm. Hij trouwde met een meisen van zijn +prochie, een struisch wijf, die hem zes dochters gaf. Hij labeurde er +voor, dag in dag uit, zich nievers een stonde rustigheid verleenend, +nooit vermoeid en nooit ontmoedigd. 't Was een zwijgende vent met diepe +inzichten, een steenen wil, een stugge kop, met koppigheid alles +doordrijvend. Hij en wankelde noch en keerde; hij rukte met neerstige +hardnekkigheid vooruit, hij en zag geen hinderpaal in 't belang van +andere, hij zag alleen zijn doel. 's Avonds in den late, als hij een +wijlken zich neerzette bij de stove, na den eten, was hij aldoor +verdiept in verre combinaties en keek hij in den rook van zijne pijp +naar de mogelijkheid van wijd-reikende oplossingen. Men mocht hem +binstdien niet lastig vallen. De kinderen moesten te bedde liggen en +moeder moest voorzichtig te werke gaan met hare schotels en haren +avondkuisch. Hij bleef altemets in de donkerte een heel deel van den +nacht, zoo zitten en denken. Hij luisterde dan naar gindsche roerende +zee en zijn gepeins werd machtig. Aldus timmerde hij zijne stille +plannen op, al bouwend en metsend en afbrekend en herdoende 't gansche +idee op eene andere manier. Hij wilde dan tot eene waarschijnlijkheid +geraken en ging niet slapen eer hij die vaste kreeg. Hij en schrikte +voor geen kwade daad, hij en week maar voor den dood. Over een lijk heen +zou hij niet terten. Anderszins wist hij dat hij in staat was tot alles, +wat niet en docht, en brave menschen aanzag hij voor domkoppen. Hij was +overal aanwezig, waar er wat aan zijne vingeren kon blijven haperen. Hij +richtte kleine muiterijen in, onder de visschers, hij hitste de kerels +op met woorden van haat en woorden van deernisse; hij sprak van +bloedhonden en hertevreters, en hij stiet met zijn vollen nijd tegen 't +hoofd zijner makkers, voortdurend kloppend tot ze op een ende daar +gloeiend stonden, koortsig en razend, met veerdige handen. En als 't dan +op een mislukte dolheid uitliep, was er toch éen, die zanten kwam, een +die achterwaarts stond en wachtte, en naderhand 't profijt wegdroeg; en +dat was Rik. Zoo stegen allengs zijne zaken. Hij kocht een boot. Hij +kocht er twee. Hij deed smokkelreisjes, bracht vreemd goed in het land, +bedroog en werd welvarend. + +Maar thuis sloeg hem de kans tegen. Een voor éen stierven vijf zijner +dochters aan een zonderlinge hertziekte, die hen met schokjes wegdreef, +in min dan drij jaren. Twee jaar nadien, ook onder de zelfde kwale +lijdend, werd zijne vrouw door eene geraaktheid getroffen. Ze bleef zes +maanden te bedde liggen en sukkelde er en wou, op een voornoene, +redeloos opstaan. Rik was aan het strand. Hij vond bij zijn thuiskomste +zijn wijf temidden van den vloer liggen; twee streepkens bloed liepen +over hare lippen en een paternoster strengelde om hare vingeren. Naast +moeder lag Ursule, het laatste dochterken, flauw asemend en buiten +kennisse.... + +Rik bleef nu met Ursule alleene. Hij en wilde niet hertrouwen. 't Zou +zoo wel gaan. Ursule was toen dertien jaar oud. Hij leerde haar het +huishouden, en na korten tijd, deed zij 't gansche werk. Het kind +groeide alzoo op tot een stevige deerne en geen moeite was haar te +zwaar. Ze begreep--al zei vader niets van zijne geheime doelen, +--waarnaar de minste inzichten streven moesten. En ze was spaarzaam, en +ze zwoegde, en ze werd sterk en groot in haar rusteloos slameur. Alle +avonden liet Rik het lamplichtje laag komen over de tafel en hij +verklaarde haar het spel der cijfers, de moeielijkste rekenkunde, tot +den nacht tellend en hertellend en alles neerschrijvend te rote, met +stipte nauwkeurigheid. Dat duurde tot haar twintigste jaar. Dan verkocht +hij het armzalige huizeken, het dagelijksch gerief, de meubelen; dan +verkocht hij zijne booten.... En ze trokken naar de stad en openden er +een specerijwinkel. Er werd opnieuw gesmokkeld en gekonkelfoesd. De +waren kwamen aan van tallenkant. Rik had alles meesterlijk geschikt. + +Maar Ursule allengerhand werd sterker dan haar vader. Ze speculeerde met +meer vernuft en meer zekerheid ook. Ze bedroog hem en bewees het, en zoo +ontstond bij hem eene pijnlijke angstvalligheid. Hij werd nu zwak en +wankte in zijne minste ondernemingen. De zaken werden ook stilaan zoo +geweldig vooruitgestooten, dat hij 't niet volhouden kon en meende te +verongelukken. Dan bleef hem alleen nog over teenemaal op Ursule te +berusten. En Ursule werd groote meesteresse in huis. Na vijf jaar was de +specerijwinkel een aanzienlijke koffiehandel geworden. + +Omtrent dien tijd ontmoette zij Albien Wilder, een jongen van rijke +familie, bevoordeeligd ambtenaar bij 't Ministerie van Binnenlandsche +Zaken. Dagelijks moest hij de hooge poorten der magazijnen voorbij en +dikwijls bemerkte hij Ursule, daar staande in hare volle lengte, breed +en statig. Al dadelijk werd hij door dat struische wijf veroverd. Hij +liet zich door een beursman aan den vader voorstellen. Van weerskanten +werd er gewikt en berekend en uitgeteld, en zeven maand nadien trouwde +Ursule met hem. + +'t En bracht niet veel verandering in huis. Albien was van nature een +zwakkeling, en algauw lag hij onder Ursule's stalen wil en ging en +handelde naar heure wenken. De koffiehandel, nog door Wilder's kapitalen +gespijst, breidde zich meer en meer uit en werd eene machtige +inrichting. Ursule was nu rijk. Maar niets kreeg een gewijzigd uitzicht +in haar leven: ze wrocht en zwoegde, nievers tijd vindend om haren +rijkdom te bezigen tot eigen genot. Geld winnen was overigens hare +eenige vreugde; rijzekens had ze deugd aan hare moederschap--ze was +moeder van een zoon, dien ze Romaan heette, naar den naam van Albien's +overleden vader. En Albien zelve gewende zich aan die eentonige dagen. +Hij trok 's uchtends naar zijn bureel en kwam 's avonds terug en nam +zijn zuinig maal in de koude eetkamer. Allengs smolt ook zijn ideaal met +Ursule's doelen saam: ze moesten geld verzamelen. Rik sprak bij stonden +ervan: + +--We zullen 't ophoopen in stapelkens en nevenseen zetten en 't +bekijken. + +'t En scheen hem niet belachelijk. 't Waren in zijn meeninge heerlijke +plannen geworden. En gedrijen spaarden ze. + +Romaan werd door allerlei ziekten aangetast, vier jaar te rote. Ursule +had het heel druk met de dokters, die zij den eenen na de anderen +wegstuurde. Ze waakte lange nachten bij haar kind en bad dat het genezen +zou. Ze toonde zich, gedurende dien tijd, heel vroom en heel +vreesachtig. De dokters mochten niet meer in huis komen. Ze wilde alleen +op God berusten--halvelings omdat het haar goedkooper viel, halvelings +ook omdat zij in de wetenschap geen het minste vertrouwen had. Romaan +kwam langzaam alle ziekten te boven en werd een droomerig jongetje. + +Hij was zes jaar oud, als Goedele geboren werd. Goedele was veel +sterker. De kleinen groeiden op in een killig geluchte. Zij en voelden +nievers de zoetigheid van liefderijke wezens; ze liepen beteuterd en te +lore in hunne jeugd en benijdden ter schole de vriendelijkheid hunner +makkers. Ze zouden echter de bane niet volgen, welke moeder hun door +haar voorbeeld en hare woorden voorschreef, en deze ouders, welke +gedurig en uitsluitend tuk waren op een peute geld, kregen kwistige +kinderen. Romaan, als hij op de universiteit leerde, miek schulden. +Ursule, die meer hechtte aan eenen goeden name dan aan eene eerlijke +ziel, betaalde, maar ze hield naderhand den jongen zoo nauw dat hij +haast niet meer met vrijheid denken kon. Zoo werd hij een zwijgende +opstandeling. Het leven werd hem bitter. Hij droomde mee met +Schopenhauer, wiens boeken hij met razernije verslond. De maatschappije +scheen hem eene verschrikkelijke onrechtveerdigheid, waar de goeden tot +blijvend leed verdoemd waren. Zijn hoofd was vol met utopische +hervormingen--alles moest omgegooid en heropgebouwd worden: de standen, +het huwelijk, de familie. Wat bestond, was slecht, was vort, was +misdadig. 't Zicht der rijken folterde hem. + +In een kleine steeg, bezijden de Hoogeschool, woonde een arme weeze met +hare tante. Daar verliefde hij op. Dagelijks trok hij het huizeken +binnen, waar 't meisje te borduren zat. Ze maakte schoone bonte bloemen +met zijden draad en hij had leute met hare liefelijke vingeren--hoe die +met de naaide ieverig waren en hoe daaronder de teekening djentig +zichtbaar werd. Het meisje heette Madeleen en die oude grijze daar, zoo +mager en zoo roereloos, heette tante Olympe. Hij voelde hier warmte. +Hij rookte hier pijpen en keek langs smalle vensterruiten naar de varende +wolken. Hij was hier wel. + +--Madeleen.... + +En ze wendde naar hem hare blauwe kijkers en lachtte even of knikte met +zachte buigingen, bij maniere van gelukkig-zijn. Er zong iets in hem. +Hij lachtte tegen. Ze waren seffens takkoord. + +Maar dan begonnen de leelijke dagen. Hij ging alles aan moeder bekennen +op een avond. Hij wilde trouwen. + +--Met wie? + +Ursule sprong naar hem toe, en vatte zijne armen, en knelde die +onbarmhertig in hare koortsige handen. + +--Met wie? + +Hij moest het herhalen, hij moest het tot drijmaal toe herhalen. Ze +schoot seffens uit in een schaterlach, een wreed geklater, dat tegen de +naakte muren plofte met vreeslijk lawaai. Ze liet hem los en kruiste +hare armen over hare borst, en ze zwaaide hem dan in 't aangezicht dat +het een slonse was zonder zedige manieren. + +--Een ploerte! + +Romaan rechtte zijn hoofd. Het deed hem zoo'n zeer wat moeder zei, maar +nu had ze hem op het herte geslagen. Hij werd hard en hij werd koppig. +Drij dagen bleef hij op zijne kamer zitten. Goedele bracht hem eten en +kuste hem. Hij weende bij Goedele, en het was hem een goede troost. +Den vierden dag ging hij vader aanspreken. Albien was verschrikt, en +hakkelde, en voelde zich wegzinken zonder den steun van Ursule's +sterkte. Hij probeerde toornig te zijn; hij was alleen toornig, omdat +hij Ursule vreesde. Hij riep: + +--Weg, loop weg! + +Hij liep hem nadien zelf achterna, al stamelend dat er wel een oplossing +te vinden zou zijn. + +--Allo, jongen, allo.... + +Maar Ursule bleef onverbiddelijk, en den vijfden dag verliet Romaan +zijne ouders. 't Was den vijfden dag. + +Hoe struisch Ursule ook was, 't knakte haar en ze werd ziek. Een volle +weke lag ze te bedde, zuchtend en zich ommewerpend. Voor de eerste maal +van haar leven wist ze geen besluit te nemen. Zij en wilde hem niet +laten trouwen, zij en wilde geen geld geven aan die vreemde kerte. Ze +fluisterde, al kijkend naar de zoldering, heel wijd: + +--Geen geld.... + +Maar ze wilde ook Romaan niet kwijt zijn. Ze verwonderde zich dat ze +hield van hem, na al zijn leelijke doening. En ze hield van hem. En +daarom zou hij trouwen met een rijke juffrouw. Hij was ook rijk. Het +idee dat hij nu toch met die ellendige loete trouwen zou, deed haar +het oogenblik daarna terug raaskallen. En ze bekeek de zoldering met +wijd-open oogen. + +--Geen geld.... + +Ze meende endelijk een oplossing gevonden te hebben, en ze genas. Ze +schreef aan Madeleen dat ze komen moest. Madeleen en kwam niet. Ze +schreef opnieuw. Ze zou Madeleen omkoopen, haar eene ronde somme geven, +als ze Romaan loslaten wou. En Madeleen en antwoordde niet. Ze begon +weer te wanhopen en te klagen, en moest weer een paar dagen neerliggen. +Rik kon haar opbeuren. Hij verzekerde haar dat het allemaal jeugdige +zotternijen waren, en dat die vuurkens fluks uitvlammen zouden. Hij wist +dat de jongen en 't meisje tegenwoordig ongehuwd reeds samenleefden op +eene gemeubeleerde kamer, en die tortelliefde zou haren gang gaan, en +naderhand zou Romaan boetveerdig terug keeren. + +--Ze zullen trouwen.... + +--Zij en zullen niet trouwen. + +Waarom zouden ze trouwen? Ze hadden zoo al hun volle pleizier. + +--De plodde zal aandringen.... + +--Zij en doet. + +Hij sprak kort. Ze herwon een beetje betrouwen en liet zich genezen. +Maar zij en kon sindsdien niet ten volle meer hare zaken bewerken. Al +hoopte ze stilaan dat Romaan de meid ten langeleste verlaten zou, ze +bleef bij haarzelve klagen over 't verlies van haren zoon, en de handel +leed door hare dagelijksche onachtzaamheden. Albien, die 't wel merkte, +stelde schuchter voor het huis aan een opvolger over te laten. Ze wilde +hier echter niets van hooren, en werd buitengewoon ieverig. + +--Denk niet meer aan hem, zei Albien, die er gestadig aan dacht. + +--Ja, zei Ursule. + +En ze dacht aan hem. Ze deed hem beloeren. Ze stuurde ook altemets +Goedele, en vernam aldus dat Romaan in waarheid ongehuwd bleef en +gemeenzaam leefde met Madeleen en tante Olympe. Hij had ook altijd +gesproken van vrije liefde en nieuwe zeden. Zij was nu tevreden, omdat +hij die dwaze gedachten behouden had. Ze kreeg verder te wete dat hij +als ingenieur aan een bronsfabriek verbonden was, en het stilde haar in +hare moederlijke bezorgdheid; hoe danig zij ook deze bezorgdheid met +sterke beredeneeringen wilde versmooren, zij was bezorgd, tegen wil en +dank zich moeder voelende. + +Een nieuw voorval wierp haar ten derde male te bed. Madeleen beviel van +een dochterken. Meteen verzonk haar laatste hoop, want ze wist dat +Romaan nu voor altijd vastegeklonken lag. Ze wilde Rik's noch Albien's +troost ontvangen en Goedele ook moest verwijderd blijven. Van dien dag +af begon de koffiehandel te slabakken. Er ontstonden onlusten onder de +werklieden, en kleine muiterijen maakten Ursule en vooral Rik uitermatig +benauwd. Toevallig konden ze, ver beneden de weerde, het huis koopen van +een gevallen edelman, in een rijkemanswijk der stad. Ursule verkocht +haren handel en nu gingen ze rentenieren. Albien zou voortwerken op zijn +bureel. 't En deerde hem niet te vele, en 't bracht schoon geld op. + +De nieuwe woonste was prontelijk gelegen, boven de stedelijke warande, +en over de breede vaart. 't Was een groot hotel, met, achterwaarts, een +heerlijk park en een lochting vol bloemen. Aangename breede wegels +liepen erlangs, allen saamkomend op een open terras, waar 't in den +zomer krioelde van gloeiende of klaterende rozen. Het huis zelve was een +vierkante massa met gelijke vensters. Talloos waren de kamers. Ursule +achtte het nutteloos alles te meubeleeren. Ze had zich het huis voor +eigen genot niet aangeworven: 't Was meer weerd dan 't geld dat zij er +aan besteed had, en zij en zou al die kamers niet nutteloos gebruiken. +Zoo bleven er een groot aantal leeg en vele luiken werden nooit +ontsloten. Dat gaf aan deze woning een doodsch en akelig uitzicht en na +enkele maanden verwierf zij ook in den geest der naburige menschen een +geheimzinnige beteekenisse. Drijmaal daags zagen zij 't zware hekken +opengaan: in den vroegen morgen, als Albien traagtrippelend naar 't +Ministerie trok, later, omtrent tien uren, als Marie, de dienstmeid naar +de markt moest, en 's avonds nog, als Albien terugkeerde. 's Zondags, +bij de eerste uchtendure, gingen Ursule en Rik naar de kerke. Dichte te +noentijd was 't de beurt van Goedele en haar vader. Zoo was de gewone +gang gedurende vier jaren en heel zelden werd er eene verandering aan +toegebracht. De menschen babbelden ondereen. + +--'t Is een spokige femilie, zeiden ze. + +En ze pinkoogden of plooiden hun lippen heimelijk, gebarende daarmede +dat hier een wonderbare historie onder schuilen moest.... + + * * * * * + +Albien wandelde, te herfstevesperure, in den hof. Hij was nu een oud +ventje geworden, met grijze krulharen om een rondbollig, rood gezichte. +Hij snuffelde den lochting rond, met zijne diepe oogskens wroetelend +links en rechts. Alhier rechtte hij een gebroken stengel, aldaar kneep +hij een dorre bloem weg, alles in profijtelijke doening met voorzichtige +vingeren betastend en bestreelend. Altemets maakte hij zijn eigen lastig +om een vertrapt plantsoen, maar zoetig was zijne ongedurigheid en dan +liep hij verder al mummelend: + +--Tet-tet-tet.... + +Hij tort de wegels langzaam plat, kon nievers een papierken zien liggen +en dook seffens de minste onregelmatigheid. Hij wilde alles in gelijke +effenheid zien schoon wezen. De palmboomen moesten zorgelijk gesnoeid en +gekapt worden, de graspleinen vlak gemaaid. Hij had deugd als niets meer +buitensporig was, en liet zich daarna wat rusten op een der groene +banken. Van daar bewonderde hij den tuin, volgde met liefde de sierlijke +vaart der baantjes, de plezierige reke zonnebloemplanten, de kleine +wilgen met zilveren tronk, en alginds het hooge gebladerte, rossig, +bruin, gloeiend en geel. Hij pinkte af en toe een kruideken of een +stofken van zijn bruine veste, en lei bij tijden een plooi rechtte in de +vouw van zijn knie. Vervolgens trok hij voorzichtig een boeksken uit +zijn zak en zette zich te lezen. Albien was een zwakke geest, geleid +door allerlei manieën. Op zijn bureel was hij een niet-denkend mensch, +een weerlooze schakel in de administratieve keten. Hij ging gewillig met +de omstandigheden mee, zonder die te bespreken; hij bekampte ze in elk +geval nooit. Zijn leven was zonder passie. Hij stortte maandelijks al +het geld, dat hij won in de handen van Ursule, die altijd stiptelijk +naging of de afkortingen voor de pensioenkas goed berekend waren. Hij +hield geen duit achter. Hij kreeg van Ursule alle weken éen frank, en +hij meende dat hij ook niet meer noodig had. Hij kocht daarmee altemets +een dagblad, altemets een pakje nieuw zaad voor den lochting, meermaals +echter een vijfcentenboekje. Die boekjes lagen in een klein winkelken +van de benedenstad te koop achter de ruiten. Hij bleef eerst lang vóor +'t raam staan eer hij binnenging. Hij moest ze allemaal eerst +buitenwaarts bekijken, en de titels lezen en in zijnen geest dan +vergelijken, om endelijk goed te weten wat hij nemen zou. 't Waren +raadselboekjes, boekjes met charaden, met goocheltoeren, met +wonderzottigheden. + +Hij verkoos over 't algemeen de goocheltoeren of het stekjesleggen, en +dergelijke, waar hij zich tot laat in den avond mee kon bezighouden. +Verhalen en dwaze perten, daar hield hij minder van. + +--Onnoozele dingetjes, zei hij. + +Hij peinsde dat hij een "vinder" was. Hij kon uren en uren nadenken over +de oplossing van een raadsel. Achteraan in het boekje stonden de +oplossingen gezamenlijk gedrukt, maar hij zocht eerst minstens een dag +of drije eer hij 't opgaf. Dan was hij moedeloos. Hij beweerde dat de +vraag onduidelijk gesteld werd, en achtte zich daarom slechts half +overwonnen. + +Hij was nu een boekje over het dominospel aan 't lezen. Hij doordacht +het en herdraaide in zijn hoofd de zinnen. Met een droog takje begon hij +naderhand op den grond teekeningen te scharten--al vierkantjes en halve +vierkantjes. Hij bezag dan dat ruitwerk met gedwongen aandacht, herlas +enkele regels van 't boekje, was weer aan 't kijken en 't wrijven en 't +teekenen. + +--Dobbel zesse hier.... + +Hij was opnieuw bezig. + +--Dobbel vijf aldaar.... + +Hij hief zijn voeten op om plaatse te maken en moest nadien toch +heelemaal op de bank kruipen om zijn beenen uit den weg te krijgen. +Zoo zat hij te raden en te rekenen en te kijven met het boekje of met +zijn eigen vorig idee.... + +Er werd gebeld en Marie deed het hooge hekken open. Albien zag +Sebastiaan Vrebos door de voorzichtige splete te voorschijn komen, +en hij vouwde fluks zijn blaarkens bijeen om hem vóor te loopen. + +--Wel! wie dat er dáar is! + +Hij was in den grond wel niet erg met die komste ingenomen. Hij meende +zijn verveling door overdreven wellekomwoorden te moeten verbergen. + +--Mijn arme jongen, die zoo verre geweest zijt.... + +Hij nam hem een pakje af en nog een pakje. Hij vatte hem bij den arm. + +--En nu danig vermoeid zijt, zeker danig vermoeid zijt..... + +Daarbinst viel 't ijzeren hekken met zijn bekend geruchte toe, achter +hem. + +--Niet zoo erg toch, beste heer, lachte Sebastiaan. + +--Och!... en Goedele zal zóo tevreden zijn. Ze was ook dagelijks bezig +over u, het brave kind. Ei! dat zal hier een aardige avond zijn. + +Hij dacht nu aan het soepee. Ursule zou wat goeds gereed maken bij deze +gelegenheid, en daarvan zou hij evengoed als Rik misbruik maken. De +gewone eetmalen waren ook zoo erg gewoon, zoo eender tevens en zoo grof. +Als Sebastiaan thuis kwam werden ze beter verzorgd en kwam er bovendien +nog een lekker extra bij. Dat bracht hem in zijn schik. + +--En hoe liep de reis af? Wat een heerlijk land moet het zijn ginder! + +--In de reden, ja--maar het land heb ik juist niet veel bekeken. + +--Al bergen en stroomen, meen ik? + +--Veel bergen.... + +--Och!... en daar zult ge ons aan tafel van vertellen.... Wel Djeezes! +als ik nu bedenk dat ik oud ben, en niets hebbe gezien! 't Zijn dingen, +'t zijn dingen! + +Hij trok hem mee naar het terras. Sebastiaan kende die manieren. Ze +walgden hem voor 't meerendeel; hij deed evenwel zijn best om zich +buiten bereik te houden en liet dan liefst een onbeduidend vriendelijk +lachje op zijne lippen versteenen, bij wijze van antwoord. Hij kon de +familie Wilder moeielijk lijden--Goedele toch had hij innig lief, en +haar schoon gelaat, daar berustte hij in, en het troostte hem over 't +valsche gezwets, dat hem gedurig krenkte. + +Op het terras stonden Ursule en de stokoude Rik. Ursule ontving hem met +open aangezicht en een streelenden blik. + +--Welkom, mijn vriend. + +--Hertelijk dank, mevrouw. + +Hij drukte hare hand en de koude vingeren van grootvader. Hij zei een +reke vage woorden, binst dat Marie hem van zijn overjas en zijn hoed +ontlastte. + +--De jongen heeft bergen gezien, riep Albien. + +--O ja.... + +Ze omringden hem en vielen hem lastig met allerlei zoetigheidjes. Hij +had een ivoren kistje medegebracht voor mevrouw Wilder en een heel +wonderbaar gedoe voor mijnheer Wilder--een Zwitsersch huizeken, +teenemaal gemachineerd, met een kleppend horloge en een beiaardspel en +twee werkende figuurtjes--en nog een zilveren snuifdooze voor den ouden +heer. Ze moesten alles dadelijk bezien en bewonderen, en hunne +dankbaarheid in breede geuten uitwerpen. En Ursule zei: + +--Dat moest ge nu toch niet gedaan hebben.... Ze betastte haar kistje en +beloerde de zilveren dooze van Rik. En Rik sprak met een lage stem, die +ook zich liefelijk te wenden probeerde: + +--Ja, dat moest ge nu toch niet gedaan hebben.... Hij had liever een +zwaarder dooze gekregen, maar hij keek zijne oogen algelijk zat op het +schitterend geflikker der ciseleeringen van het deksel. + +--'t Is een kunstwerk. + +Hij woog het in zijne ervaren handen. + +Na een stonde kwam Goedele staan in de opening der deur. De noesche +avondzonne straalde open langs haar lichtbruine kleed en teekende er +gloeiende plooien. Haar gelaat klaarde zonderling op uit de donkere +diepte der kamer, achter heur. Ze keek naar Sebastiaan en een flauwe +glimlach krulde om haren mond, maar hare oogen hadden verre blikken, +verwijd in stille droefenis. Sebastiaan boog zijn lijf naar haar, en +deed een stap voorwaarts, en hief trage en bekoorlijk zijne armen op. + +--Goeienavond, Goedele. + +Hij voelde zijn herte weggaan van hem. Hij voelde zich leeg worden en +pluimlichte. Hij omvatte in de stille straling zijner liefde deze vrouw, +die groot en schoon en beminnelijk was. + +Zonder haaste en zonder drift, met eene zachte moeheid in de stem, zond +ook Goedele hem haren groet. + + + * * * * * + + +III + + +Als mijnheer en mevrouw Devleeschhouwer, en hunne dochter, juffrouw +Bella, en Alfred hun zoontje waren aangekomen, ging men aan tafel +zitten. 't Was eerst een lustig gepraat ondereen, een wederzijdsch +complimenteeren dat wegvlood in luttele woordekens, met lachjes erlangs. + +--Wel, mijnheer Vrebos, schetterde het nooit moede stemmeken van +juffrouw Bella, wel, mijn goede heer, hoe zonnig ook het verre land is, +hoe zonnig toch is 't huis waar verlangende herten wachten.... + +Ze loerde daarbinst naar Goedele met liefelijke blikken, en draaide +haastig omme haar ongedurig lijf en gilde: + +--Oh! l'amour! + +Elkendeen had zijn aangewezen plaats in de eetzaal. Men zette zich neer +en frommelde de servetten open, naderhand met luie vingeren de vork of +den lepel takend, die bij poozen alzoo te rinkelen begon. Mijnheer +Wilder vroeg met groote belangstelling aan Alfred hoe 't nu zou afloopen +met het najaarsexamen. De jongen was blijkbaar met deze vraag niet erg +ingenomen, en antwoordde al blozend dat hem de uitslag wel gunstig +toescheen. + +--De jongens hebben het tegenwoordig zoo druk met het leeren, zei +mevrouw Devleeschhouwer. + +Het was ook de meening van mijnheer Wilder. + +--Wat zullen ze nu al uitsteken met hun Grieksch en hun Latijn? + +Maar mijnheer Devleeschhouwer vond het uitstekend, dat men zonder +deernisse in de athenaea met de leerlingen omging. + +--Dat hebben de kerels van doen. + +Hij rondde zijnen buik om gewicht te geven aan zijn gezegde en liet de +gouden ketting rotelen, die er als een vloek op te klateren hing. +Mijnheer Wilder was een dik mensch met enge schouders en een uitermatig +hoofd, kaal en zijpelend onder het gaslicht. Hij krulde alle uchtends +zijne rosse knevels met een warm ijzer, zoodat die gedurig triomfelijk +ommebogen en met een scherp puntje rechtkwamen. Te midden zijne vettige +kin vlekte daar zijn bokkebaardje, een donker hoeksken. Hij Wilde er +martiaal uitzien en deed zijn best om zijn lomp hoofd naar een +officiersmodel te scheren. Mijnheer Devleeschhouwer was een man met een +gemist ideaal, daarom ook een diep-ongelukkig wezen. Hij drukte nog +dikwijls zijne spijt uit daaromtrent en deed het altijd met zoo 'n lage, +droeve stemme, dat men algauw beseffen kon hoe danig hij gekrenkt, +geknakt, gebroken was erdoor. + +--Ik en hebbe naar 't gebod der Voorzienigheid niet geluisterd, zei hij. + +'t Gebod der Voorzienigheid, zoo heette hij zijne roeping. Hij werd, +meende hij, voor den degen geboren, tot meerder heil van zijn vaderland +en van zijn vorst. Maar hij had naar 't gebod niet geluisterd; hij had +zelfs in de burgerwacht zijne kans voorbij gekeken. En nu was hij oud. +Nu was het te late. In de burgerwacht, door onlangs gestemde wetten +heromgewerkt, zou hij nooit binnengeraken. Zijn troost berustte +sindsdien op een militair uiterlijke, dat hij bijna verkrijgen kon, dank +zij een gestadige aandacht, een koppige inachtneming. Hij droeg schoenen +met hooge hielen. Hij gaf jaarlijks een rond sommetje om eerevoorzitter +van een oud-korporalenkring te blijven. Zijne kravatspelde was een +gouden kanon met allerliefste diamanten wielkens. Hij had een breeden +ring met een miniature van Leopold I, en binnenwaarts had hij er in +gothische lettertjes doen graveeren: "Pour Dieu, pour le Roi et pour la +Patrie." + +Hij sprak grof en probeerde altemets brutaal te zijn. + +--Wel--Heere, zei mevrouw Devleeschhouwer, ge vindt het hier aan tafel +wel goed dat men de kinderen afbeult ter schole, en als de jongen +hoofdpijn heeft, zijt-de al seffens zelve aan het janken.... + +--Eulalie! berispte mijnheer Devleeschhouwer. + +Hij en noemde in gezelschap maar ten uiterste zijne vrouw bij haren +voornaam. Zij en mocht hem in zijne weerdigheid niet kwetsen. Maar +Eulalie was een zeer lichtzinnig oud wijveken, met een bijtend karakter +en sluwe manieren. Zij heette haren vent kortaf Nestor. Hij ware +gelukkig geweest, als zij hem op soirée had willen aanspreken met een +deftig "mijnheer Devleeschhouwer". + +--Mijn advies is ook dat men streng moet zijn, sprak Rik. + +Hij wendde zijne oogen zijwaarts op naar Ursule. Geheel zijn glad, +vierkantig aangezicht lijnde omlage naar 't puntje van zijnen neus, en +zijn tonge sleerde tweemaal overentweer langs zijne droge lippen. Omdat +Ursule zijn gezegde met ruste liet, hief hij met een schokje zijn hoofd +omhooge en zijn mond viel open in een hatelijken grijns: + +--Wat een woord niet taken wil, taakt de zweepe! + +Ursule zei: + +--Vader, ge moet zachte zijn.... + +Hij droop haast weg in zijnen stoel en bleef er koes ineengedrongen, +endelijk toch schokschouderend en zijn kinne met een koppigen ruk +opduwend. Bella bracht het gesprek op een ander onderwerp, en vroeg, +zoeterig lachend, aan Goedele of Sebastiaan nu wat van zijn reis +vertellen mocht. + +--Dwing hem met uw lieve handjes. + +Ze schetterde en vond hare eigen woorden dol leuterig, en gilde in een +lachbui: + +--Ma chère! + +Marie bracht de soep, die al zeere op de tafel, in elkendeens schotel, +te dampen stond. De lepels begonnen hun tsinkelend zilverspel en +schervelden langs de gladde tellooren met wrijvende geluiden. Sebastiaan +boog zich over tafel en zijne linkerhand deed al wuivend een stil +gebaar: + +--Laat juffrouw Bella maar bedaren--ze krijgt wel wat praats, als ze mij +hierom genegen is. + +--Een beetje soep nog? vroeg mevrouw Devleeschhouwer. + +--Wel ja, wel ja, zei Albien. + +Goedele at langzaam en was precies zoo heinde en verre met hare +gedachten. Ze keek altemets naar een schitterende lichtvlek op den +spiegel, en bleef er dan staren, alsof ze geerne zich geleidelijk liet +wegvaren in gaande gepeinzen. Sebastiaan keerde zijne oogen naar heur. +Ze voelde meteen den toets zijner blikken en was seffens verlegen, even +glimlachend om vriendelijk te zijn. Hij werd ook hare verwijderingen +gewaar en fluisterde haar af en toe een onbeduidend woord toe, bij +manier van haar terug te roepen, haar bij te houden, dichterbij. + +--Waaraan denkt ge? + +--Aan niets, mijn vriend.... + +--Goedele is nooit zonder gedachten. + +--Ik bekeek die bloemen.... + +Hij vond nu ook die bloemen leelijk, monsterachtig. Goedele lachte, +omdat hij zelve ze besteld had. Hij bleef bij zijne meening, dat het +afgrijselijke wangedrochten leken, en dan, al waren ze in waarheid +schoone.... + +--Ze zijn ondankbaar, zei hij, als ze u wegrukken van mij. + +Mevrouw Devleeschhouwer, die naast mijnheer Wilder zat, was druk bezig +met hem over zuinigheid en gulzigheid. Dat was gekomen naar aanleiding +van Alfred's ongemakkelijke doening. Alfred at met ongemeene +schuchterheid, al langetandend en muilkens makend. Aldoor loerde hij +naar Goedele en bouwde in zijn geest romantische toestanden, waar hij +den held en zij de heldinne was, en moeder moest hem stootjes geven om +hem te doen eten. + +--Hij eet zoo weinig t'onzent ook, zeide ze aan mijnheer Wilder. + +--De jongens moeten eten om groot te worden, was 't idee van Albien. + +Mevrouw Devleeschhouwer gaf hem gelijk, maar ze had toch liever een +zoon, die zuinig was, dan een doorvreter met gulzige manieren, die alles +verslinden kon en daar op een ende zou te zweeten zitten lijk een +trampeerd, en geweld te doen om niet onpasselijk te worden. + +--En als de examentijd er komt, weten de kinderen zoo vreeslijk van dat +folterend surmenage.... Lust gij nog een beetje spruitjes of wat +vleesch, mijnheer Wilder? + +--Wel ja--wel ja.... + +Alfred zette zich te blozen, omdat moeder hem met dat woord "kinderen" +zoo kleineeren wou. Hij zag noesch op naar Goedele en onderzocht op haar +kalm gelaat, of zij 't beluisterd had. Albien klopte stillekens op zijne +schouders en zijn rood gelaat neeg naar 't zijne, in een breede bui van +vriendelijkheid. + +--Allo! allo! mijn jongen, steek nu uw hoofd niet zoo proppensvol met +vreemd gebrabbel en dolle cijferwebben. Vacantiedagen zijn er ook nog, +en die naderen bij tijde. + +Hij moest eens niezen, en bracht zijn servet over zijn gelaat, dat +naderhand purpergloeiend te voorschijn kwam, zijpelend van wellust. +'t Had hem alzoo deugd gedaan, en hij veegde zijne oogen drooge. + +--Vandaag moogt ge u deugd doen, zei hij. + +Hij keek naar een rijkelijken hamelbout, die vol souse onder een gulden +korste daar gloorde, triomfelijk en wonderbaar. Hij stelde bovendien een +overgroot belang in de matelijke gebaren van Ursule, die den wijn +inschonk. Mevrouw Devleeschhouwer bleek hem een weerdige gebuur-vrouwe. + +--Een glazeken roode? vroeg mevrouw Devleeschhouwer. + +--Wel ja, wel ja.... + +Hij zei 't met geveinsde onachtzaamheid, alsof het hem niet schelen kon. +Hij slurpte zijn beker met korte geutjes leeg, en likte een wegloopend +dropken weg, profijtelijk. Hij gebaarde niet te merken dat Ursule hem +gestadig belonkte en wist wel dat zij hem morgen met allerlei +berispingen lastig vallen zou. Hij liet zich aan geen toekomstig ongemak +gelegen; 't was hier tegenwoordig goed.... + +Bella en wilde Sebastiaan niet met vrede laten. + +--Zal ik u met het weinige, dat ik zag, tevreden stellen? vroeg hij. + +Hij vertelde van het landschap, van 't hooge gebergte, zoo heerlijk in +den avond, als 't laatste zonnegestraal in verre sneeuw blijft haperen +en er de zoete schakeering ligt van zijn vele verven; hij beschreef met +overgevoeligheid de subtiele harmonij der kleuren, opgaande van 't diepe +blauw naar 't vurende oranje. Zijne handen wuifden in sierlijke buiging +en zijne lange vingeren teekenden de kleinigheidjes, peuterden aan vage +tinten, beloken in wegdoezelende klaarten, stipten eene eigenaardigheid +ievers aan, of vielen neer, in vrome vouwing, lui en moede en zacht. Hij +kon zoo een stonde lang zich ommedraaien in fijnstemmige gezegden, en +zijne oogen keken binstdien de leegte door. Hij en had nooit driftige +woorden--hij vertelde alles op zangerige rythmen met altemets een +onbepaalde uitdrukking, die hij dan in een stijgen of dalen zijner +stemme verklaarde. En zijn aangezicht bleef djentelijk, omdat geen +sterke klank zijn mond vervormde. Hij was schoon. Hij sprak schoon. + +Bella boog zich over tafel en dronk aan zijne lippen die kunstige tale. + +--En Weenen? + +Hij wist van Weenen weinig. 't Was een moderne stad met veel lucht en +licht. Hij had geen bepaalden indruk. Hij had vooral schilderijen +bekeken. + +--O ja--Bos en Brueghel, zei Goedele. + +Ze was verlegen dat ze 't gezeid had seffens daarna, omdat het als een +vermindering klonk van Sebastiaans betrachten. Maar hij was niet +gekrenkt en meende dat het haar een vreedzaam geneuchte was daarvan te +hooren spreken. Hij noemde 't werk van Hieronymus Bosch een wonder. Hij +joeg de beelden achter mekaar, deed waarachtig in 't geluchte varen de +mirakelachtige schepsels uit de verbeelding van den schilder geboren. +Hij sprak van eene St. Antonius' tempteeringe, beschreef een vóor een de +monsters daar vereend--konijnenkoppen op kinderbeentjes, menschenbuiken +met oogen en een ooievaarsbek, vliegende draken, schertsende gezichten, +grijnzende muilen. Hij deed ze herleven en benauwd worden in groene +klaarten of wegschemeren in donkere spelonken. Maar hij was tewege warm +te worden als hij over Brueghel begon. + +--Brueghel is de meester boven de meesters, juffrouw Bella, en stellig +boven het begrip der menschen. Hij wist het leven uit te drukken in +waarheid en zijne uitdrukking, aldoor een uitslag van stijlsynthesis, +was een zuivere gave der kunst. Bij Brueghel vindt ge kleurharmonieën +die men sinds niet meer heeft kunnen bereiken, en elke kleur op haar +eigen ligt plat, effen, net. Hij dierf een hoop bonte boeren en krijgers +neerwerpen op een vlakken sneeuwgrond, en 't en stoot noch en krenkt +onze esthetische gevoelens: 't streelt en 't verwondert. Ik zag te +Weenen een Babeltoren, waar 'k nu geen woorden voor vinde, schoon +genoeg. + +Hij keerde zich zijwaarts naar Goedele. + +--Ik wou u dat alles dolgeerne doen zien. + +--Ja, mijn vriend? + +--Ik wou u doen taken deze hoogste hemelen der kunst, ik wou uwe ziel, +uw gansche vleesch eenstemmig maken met deze wijdste trillingen der +menschelijke ziele.... + +--Ik ben u dankbaar hiervoor. + +Ze was stille, een zachte grens voor zijn uitgeworpen verlangens, stille +en ernstig. Hij voelde wel de vreemdte, die over haar bleef en niet weg +te drijven was met woorden, maar zijn herte lag open, zonder +angstvalligheid noch vreesachtige koorts. Hij betrouwde op haar. Hij was +gelukkig bij haar. + +Bella werd gloeiend rood en beet ongedurig op hare lippen. Ze was een +appel aan 't schillen en deed het zoo los en grove, dat mevrouw Wilder +het haar met een kort woord en een lachje opmerken deed. Ze keek met +schuchtere blikken op naar Sebastiaan en een wijlken bibberden hare +wimpers. + +--Weet ge nu niets van de menschen aldaar, mijnheer Vrebos? vroeg ze. + +Hij wendde naar heur zijne blauwe oogen, nog zat van Goedele's beeld. + +--Niets, juffrouw. + +--Wel--Heere! wat een zonderlinge reiziger, riep ze. + +Ze begon wrevelig en luidruchtig te lachen en smeet haast een kopje +koffie omverre, dat Marie haar even voorgezet had. Ze schetterde, bevend +en schokkend, voort en hare oogen kwamen vol tranen. Dan hief Rik zijnen +witten kop omhooge. + +--Hebben die monsters indertijd bestaan? + +Sebastiaan sprak van uitbundige verbeeldingskracht en fanatieke tijden +en probeerde klaar te blijven, met eenvoudige zinnen. + +--Maar hebben die monsters in tastbare gedaanten bestaan? vroeg Rik. + +--Zekerlijk niet.... + +--Ha! + +Hij bukte zich en rok zijnen hals uit, blazend over zijne koffie en hem +trage en matelijk inslurpend. Mijnheer Devleeschhouwer beweerde dat er +nievers draken bestaan hadden. + +--En zeemeerminnen? fluisterde Rik. + +--Zeemeerminnen ook niet, zei mijnheer Devleeschhouwer. + +--Zeemeerminnen wel! zei Rik. + +Ze staken allemaal hun hoofd op. Rik was somber geworden. + +--Ik hebbe gezien, met deze oogen, die nog onthouden kunnen, een +zeemeerminne in 't witte schuim der baren. + +--Tèt ... tèt ... tèt, pruttelde Albien, wiens oogen begonnen te zwemmen +in wellust. + +--Ze schoof over 't water, als raakte zij 't niet. Ze dook zich en steeg +weer boven, en zij had een steert, zooals 't afgebeeld staat op de +prenten. Ze zong in den nacht. Ik weet het wel, vermits ik het gehoord +heb. En ik heb gehoord wat ze naderhand zei. Ursule weet het ook wel, +vermits ik het haar verteld hebbe, en van het ijzeren kistje weet ze +ook.... Ha! Ha! Dat weten wij! + +Hij knikte en zijn kinne kwam vooruitsteken en hij wierp een brok suiker +in zijn kopje. Ursule wees dat hier geen aandacht op te vestigen was en +met uitermatige vriendelijkheid vroeg ze aan Bella of ze niet eens +zingen wou. Mevrouw Devleeschhouwer prees al dadelijk de nieuwe +zanglessen, die Bella van een Italiaansche dame ontving. + +--Een echte artiste ... en zoo heerlijk dat ze trilleeren kan! + +Bella moest rechtstaan en iets laten hooren, en dan zou mevrouw Wilder +en mijnheer Vrebos zelf oordeelen kunnen. + +--Zing ereis van "Sur la rive solitaire".... + +--Een danig oud ding toch niet, mama. + +--Ho! maar dat vind ik juist zoo'n schoon stuk! + + Sur la rive solitaire, + Loin de toi je désespère.... + +Het is fijne muziek, Bella. + +Mijnheer Devleeschhouwer vond ook dat het fijne muziek was, en dat zij +best dees lied zou kiezen. Juffrouw Bella verkoos echter "Les petits +pavés". Dat was aandoenlijke zang, en Alfred kon ook geen ander +fatsoenlijk begeleiden. + +Ze zong met een aangename stem, niet zonder eene gevoelerige +gemanierdheid nochtans. Ze bleef altemets aandringen op een toon en +maakte dramatische effecten daarmee, den klank warm en vol afrondend +in den beginne om hem naderhand te doen uitsterven in smachtende +halve-tinten. Als ze, bedrogen door heur eigen spel, hare oogen voelde +nat worden, neep ze die halvelings toe, zoodat het licht op hare wimpers +in de tranen fonkelde. Erdoor waterden hare bezweken blikken zijwaarts +toe naar Sebastiaan, en hare woorden trilden in deze stonde waarachtig +van hopelooze droefenis. Bij de laatste strofe zonken hare armen neere, +en binst de endakkoorden van 't klavier bleef ze nog staan, en haar +gezichte bewaarde swijlens zijne smartelijke uitdrukking. + +--Bravo! bravo! riep mijnheer Wilder. + +Elkendeen juichte haar toe. + +--Wat een allerliefste stem! zei Ursule. + +--En hoe zij die te leiden weet! zei mijnheer Vrebos. + +Mijnheer Devleeschhouwer peuterde aan zijn baardje en knikte goedkeurend +en luisterde met welbehagen naar mevrouw Wilder, die de kwaliteiten van +dezen zang overschatte. In den grond hield zij er niet van: het lied was +lamlendig en éentonig, en het docht haar dat Bella lijk een ziekelijke +katte daar te miauwen stond. + +--Het is heerlijk! zei ze en, met een veelbeteekenend stootje van hare +onderlip, lachte ze Bella toe. + +Alfred droop naar zijne plaats terug en zat er, lijk te voren, met +roerlooze oogen te turen naar Goedele. Maar mijnheer Wilder gaf hem nu +duwkens in zijn zijde en fluisterde hem een breede uitlegging toe +omtrent allerlei mekanische tuigen. Mijnheer Wilder was eenigermate +onder den invloed van den wijn geraakt; zijn aangezicht vuurde lijk +laaie karbonkelgloed, en roode vlekken beglansden zijn bolle voorhoofd. +Het zwitsersch huizeken, dat Sebastiaan hem had meegebracht, kwam +gestadig vóor zijn geest, en hij hoopte dat hij het straks aan Alfred +zou kunnen toonen. Hij wilde bij Alfred belang verwekken voor het +huizeken, omdat hij zelf 't zou te zien vragen. Hij wist dat Ursule hem +niet toelaten zou het uit te pakken, als hij er uit eigen beweging van +spreken zou. + +--Alfred zal 't verkrijgen, peinsde hij. + +Hij probeerde Alfred te bewegen. Hij wilde 't voorzichtig doen, vertelde +eerst van automobielen, van elektrische trams. 't Begon Alfred alseffens +schrikkelijk te vervelen. + +--Te Straasburg is er een wonderlijk horloge, zei Albien. + +Hij lei uit hoe daar eenthoeveel apostels en groote personagen bij 't +slaan der klokken te werke gingen en draaiden en keerden en zwaaiden met +hunne bronzen armen. + +--Maar een huizeken in hout, een beiaard daar in, en een vrouwken en een +manneken, alles schoone ingewikkeld, jongen--hebt ge dat al ievers +gezien? + +--Neen ik, zei Alfred. + +--He wel! ik hebbe er zoo een! + +Alfred staarde naar Goedele's vingeren, die om een zilveren lepelken +verduldig werkzaam waren. + +--Ik hebbe er zoo een, herhaalde Albien, al duwend in Alfred's leên. + +Maar een luidelijk gedruisch kwam in de straat, onder de vensters, en +alle woorden vielen meteen. 't Was een stijgende zang uit honderden +kelen, een rommelend rumoer onderbroken door dreunend trompetgeschetter. +Als de ruchtige stoet voorbij was en in een nevensteeg ging wegdoezelen, +lijk somtemets de winden doen alover verre daken, was in de eetkamer een +ongemakkelijke stilte meesteresse. + +--Werkvolk, zei Rik na een stonde. + +Mijnheer Devleeschhouwer deed onachtzaam al spelend zijn leeg tasje op +tafel ommentweer rollen. Ze begonnen allemaal seffens dooreen te +spreken. Ze wierpen een woord alhier en aldaar en ze waren koortsig. + +--Weer een meeting.... + +--Weer een vechting.... + +--Weer 't bedrijf van Zondag--een ophitsen, een losloopen van +gewelddoeners. + +--Wat een tijd, wat een tijd! + +Mevrouw Devleeschhouwer herhaalde: + +--Wat een tijd! Wat een tijd! + +'t Was verkiezingsweke. Onlangs was er geweld gebeurd, een muiterij in +'t lage der stad, een omnibus omverre geworpen en steenen uit de +kasseide gehaald. Drij dooden. + +Rik mummelde dat het een hoop met beesten was. + +--Ze willen muren inbreken met hun voorhoofd. + +Mijnheer Wilder meende dat die menschen veeleer ongelukkig dan slecht +waren. Hij zei 't ronduit. De regeering was onrechtveerdig, of zij wilde +niet rechtveerdig genoeg zijn. + +--Elkendeen moet te eten krijgen. + +--Maar elkendeen moet werken, ronkte Rik, en dees zijn opgestookte +leeggangers. + +--Ja, sprak Ursule, kort en hard. + +Sebastiaan peinsde ook dat de volksbeweging de maatschappij tot het +uiterste kwaad leiden zou. + +--Wij zullen nooit en nievers allen tegelijk gelukkig zijn. Er zijn +uitverkoren en verworpen wezens. Er moeten meesters zijn en slaven. +De huidige democratie is de ondergang der kunsten, en maakt 't +luilekkerland der middelmatigen. 't Getal domme menschen zal altijd +grooter blijven dan 't getal verstandige--zij zouden dus 't +hoofdzakelijke bestuur kiezen? Wij gaan geleidelijk naar 't verderf, +omdat wij, uit leelijke deernisse, de onderste menschenlade niet +opofferen durven. + +Goedele meende dat die deernisse niet zoo leelijk was en dat het volk, +tot hooger besef zijner plichten komend, stilaan zich verstandelijk +ontwikkelen zou.... Er geraakte in huis een ongemoedelijk geluchte. Men +voelde allentwege een wrevelige kilte, en men loerde naar de plate van +'t horloge. Mijnheer Devleeschouwer moest nog zijne denkwijze kenbaar +maken. + +--Kwart over tien, lispelde zijn wijf met geveinsde onverschilligheid. +Maar mijnheer Devleeschhouwer hield er bepaald aan ook zijn woord te +plaatsen en hij deed het met de noodige deftigheid. 't En was, volgens +hem, niet kwaad dat er af en toe een onlustje onder dat sociaal-minnend +boeltje ontstond. Dat was eene gelegenheid om de sterkte der politie te +staven. Hij hief zijne armen omhoog en werd praatziek: + +--Hoe loopt zoo'n opstand gemeenlijk uit? De politie neemt stevige +maatregelen, de stoeten worden ontbonden, de burgerwacht, steunpilaar +onzer huiselijke rechten, wordt bijeengeroepen en bezet alle straten. +Als ik zeg alle straten, zal mij niemand tegenspreken. Wat hebben wij +verleden Zondag gezien? Wat hebben wij in de dagbladen gelezen? Ik +ontmoette majoor Cnaps. Hij zei: "De wet zal geëerbiedigd worden." Ja +dat heeft hij gezegd.... Ik vind niets ter wereld schooner en statiger +dan een officier der burgerwacht. Majoor Cnaps is ook een fier en +heerlijk man, niet waar mevrouw Devleeschhouwer? Dat is nu wel de zaak +niet, maar 't is eender. Een oproer blijft voor mij een deugdelijk +verschijnsel. + +Elkendeen was allang te wege op te staan. Bella sprong endelijk rechte, +met een lach verwittigend dat het laat werd. Ursule bracht hier tegen in +dat het morgen rustdag zou zijn en er dan geen bezwaar was om nog een +uurken te blijven; ze deed het echter heel lauw en meest bij wijze van +beleefdheid. De stoelen werden alhier en alginds verschoven, en Goedele +ging in de voorzaal 't gaslicht aansteken. Ze hielp mevrouw +Devleeschhouwer en Bella zich aankleeden en schikte hunnen hoed en +speldde hun vool vaste. + +Ze hoorde ze op den hof vóor 't hekken nog groeten en naderhand hun +gemompel over de straat stille weghorzelen. Ursule was algauw in de +keuken om inspectie te doen, en Albien scherrelde met zijn Zwitsersche +dooze naar zijne kamer. Rik bleef zitten voor de leege glazen. Goedele +zuchtte diepe. Ze tort naar het terras en bleef er een oogenblik staren +door de donkerte naar de boomen, die in eentonigen avondzang te ruischen +stonden, op de mate van den gelijken wind. Ze werd naderhand Sebastiaan +gewaar achter heur, en draaide zich omme. + +--Gij? + +--Ja.... + +Hij nam hare hand en drukte die en omving hare schouders, trage haar +hoofd neerleggend op zijne borst. En in heur haar fluisterde hij zachte +woorden. Ze was gestreeld erdoor en liet zich streelen, en zijn warme +asem was een aangename jeukte over haar hoofd. + +--Wat hebbe 'k gedacht aan u, mijn Goedele! + +Hij zocht naar lijze zinnen en wrocht ze zorgvuldig zaam in zijn geest +tot een lange lispeling, een lispelende zoetigheid. Hij peuterde aan +zijn gevoelens tot het ruchtlooze vlindervlerken werden of een geest +zonder gedaante. Hij en liet geen vezelken zijner ziele onaangeroerd, +hij zei alles wat in zijn liefde tot een woord kon vervormd worden. + +--Ik keek naar een sterre, en voelde precies dat haar stralen u taakten. + +En Goedele liet overhaar neerkomen die stroom, die warmte, die +vrede--tot zijne lippen meteen haar voorhoofd toetsen kwamen. Ze boog +zich en sleerde uit zijne armen en stond dadelijk in 't volle licht der +eetzaal. Hij sprak niet meer. Hij nam zijn overjas, en stak een sigaar +aan. Hij drukte even hare hand en kustte die vluggelings, en vertrok. + +Moeder kwam aangeloopen en moest nog alles nazien op de tafel, de lepels +tellen, de vorken, de suikertichelkens. + +--Waarom ontvangen wij dat volk? mummelde ze. + +Ze troostte zich met het idee, dat het nu hare beurt was en dat ze +ongenadig zou zijn bij Devleeschhouwers en maar doorvreten zou. Het was +sinds jaren zoo. + +Goedele ging slapen. Ze tort hare killige kamer binnen en miek licht. +Haar venster stond nog open en 't vrije geluchte joeg in breede vlagen +ommentweer. Ze belook de ramen en huiverde een endeken. De keerse stak +weldra een rustig vlammeken omhooge en wierp schier roerlooze schaduwen +tegen de muren. Het bedde stond hagelblank en vouwrijke gordijnen vielen +erlangs, doorzichtig in 't gele uitspattende licht. Vóor een vierkant +tafelken, ook met een witten geborduurden doek bedekt, zette Goedele +zich neere en bleef er den avond herdenken in hare luie gepeinzen. + +Ze was moe. Ze haperde aan wrevelige herinneringen, al kleinigheidjes +die groot werden in haren geest en waarmee ze dan een gedwongen +hopeloosheid wilde bewijzen. Ze redeneerde tegen haar eigen zelve en +gebruikte daartoe de minste gebeurtenis. Nimmer had ze met meer +zekerheid de ijdelheid gevoeld van dees huis, de ijdelheid van dees +leven. Het soepee walgde haar. 't Kwam in groote geuten naar haar hoofd, +en al die menschen, elk met zijn particuliere dwaasheid, waren leelijk +en terugstootend. Het beeld van mijnheer Devleeschhouwer krenkte haar, +en zijne nietige vrouw, waanzinnig in kleine eerzuchtjes, kon ze niet +verdragen. Bella ook werd haar een folterend hysterisch popje, aldoor +smachtend en aroetekoeënd en potsierlijk. Hare ouders zelve bezeerden +hare gedachten--moeder was valsch en vader was klein en grootvader was +vrekkig. Ze zag nog den zwaren nekke van Alfred, binstdat hij op 't +klavier spelend was, en zijn droog haar saamloopend, tenden zijn bolle +hoofd, tot een stekelig sterreken.... + +Ze achtte zich, met een haastigen schok, verveeld en vernederd door +eigen verbeelding. Ze kleedde zich uit en vlocht heur haar bij dichte +stringen en wond die in een kanten kapje saam. Ze stond nadien vóor den +spiegel, bloothemds, en bekeek de schoonvervige naaktheid van haren +hals, hare opwellende borsten, hare armen. Ze was groot en geweldig en +majestatisch. Ze kwam haar eigen meteen voor als een aanbod, als een +koopveerdige voorstelling, als een die zich niet bezittend was en +eigendom zou worden. Een stijgende fierheid sloeg, met den stevigen klop +van haar bloed, tegen hare slapen en ze voelde zich machtig, boven 't +gepeuter en de ellende van dees huisgezin, boven al de luttele woorden, +die flauwasemend neerzegen, menig en vederlichte. Ze wilde een forsig +gezegde beluisteren, den vurigen toets van mannelijke armen belijden, +ze wilde zich verdedigen met hare tastende handen en toch overwonnen +worden.... + +Ze viel neer op haren stoel, sidderend en hijgend. Ze dacht aan +Sebastiaan, hoorde nog het zoeterig gefluister zijner liefde, zag nog +het vroom gebaar zijner kunstige lippen, en zijne oogen, diepe en +stille, zijne blauwe oogen. Ze werd, in éen scherp zicht, gewaar dat hij +over haar niet heerschen zou, dat zij hem gewillig verdragen zou, en hem +in dankbaarheid voor vredige uren liefhebben. Zij en bereikte, met een +verste gepeins, geen wijde hoop in de toekomst, en haar hoofd zonk op +hare borst, verduldig, begrijpend dat het niet denken mocht. Ze vatte +langs alle kanten van haren geest, dat haar lot verveling was en dat +geen schoon geweld haar driftverlangen zou bedaren. + +Ze weende nu en had deugd daaraan, en haar lijf snokte opwaarts, met +haar hortend snikken mee.... + + + + * * * * * + + + +IV. + + +Het was 's anderen daags frisch en leutig weer. De zonne had in den +morgen een lagen mist verscheurd en wapperde tegenwoordig in een blauwen +hemel, lijk bij uitkomend lentegetij. Goedele zou naar Romaan gaan. Het +hekken viel luidelijk dichte achter haar, en nu tort ze over de straat +en hare hielen klonken pleizierig op de koude steenen. Ze voelde zich +vrij en keek alles genegen toe, alles liefelijk ontvangend wat zich +voordeed. Ze bleef altemets de uitstalling der groote magazijnen +bekijken, en 't was een waarachtig geneuchte voor haar. Ze stelde er +algauw een groot belang in en bleef hier en daar haperen en +lanterfanten, kiezend en afkeurend en aannemend met een knikje. Ze +bewonderde in een engelsch confectiehuis een prachtig kareelbruin kleed +uit zwaar laken, ruime pagodemouwen met oranje zijde gevoerd en bezet +met zachten marterpels, een kraag met gulden franjen en zoo nauwkeurig +met blinkende knopjes bezoomd, regelmatig te reke.... Ze had goesting +naar zoo'n dracht, die haar rijkelijk maken zou en begeerig. Ze zou dien +breeden rok voelen kloppen, gewichtig en wijdplooiend, om hare voeten. + +Op een hoek der groote middenlaan, stapte een sierlijke dame uit haar +coupé. Even werd haar kleine leest in een ruischend gefrutsel van kant +en satijn zichtbaar, en ze liep, al wippelend, een pasteiwinkel binnen. +Goedele loerde ze nog na, benieuwd voor wat ze koopen zou, en ze merkte, +achter de laden taartjes en suikergoed, hoe zij te kiezen begon en +naderhand zich aan een luttel mokkakoekje te snuisteren zette. En ze +beneed bijna deze vrouw, die schoon en wispelturig en vrij was in hare +doening. Zóo, lijk deze, wilde ze worden--zoo, handelend naar beliefte, +en geliefd naar haren zin. Ze zou ook genieten van den vroegen morgen en +uitrijden in de uchtendkilte. Ze zou ook links en rechts binnen gaan, +toevallig. Ze zou ook bijten in zoo'n taartje, met volle tanden, en ze +zou trek hebben ernaar. + +Nu had zij geen trek. Ze had ook geen geld te vele. Ze had, buiten enkel +klein zilver, het bankbriefje dat voor Romaan en zijn kindeken bestemd +was. Geld van moeder. En ze dacht: we maken thuis ons eigen ongeluk.... + +Binstdat ze vóor een modemagazijn stond en veel lust had in 't zicht van +hoeden en linten, werd ze een jongen man gewaar, die haar sinds durenden +tijd achtervolgde en maar overal stil bleef, waar zij iets te bekijken +had. Ze vond hem onbeleefd en zou hem straks eens duchtig in de oogen +staren, als dat loopje standvastig zijn mocht. In de spiegelvlakte der +ruiten kon zij hem zien--een sterken vent, hoog en goedgeschouderd, +fatsoenlijk aangekleed. Ze vond hem deftig en struisch, bijaldien hij +haar dan toch danig krenkend en ongemanierd scheen. Hij wilde niet in +haar aangezicht blikken, hij deed alsof hij haar niet merkte, voortdurig +echter achterblijvend, gedwee en koppig tevens. + +--Hij heeft tijd te vele, meende Goedele. + +Ze tort dan haastig door, kronkelend door 't volk, straat in straat uit, +zonder ommezien. Ze spoedde zich tot zij er moede van werd, en bleef +rusten bij een tramhuisje. Tien stappen achterwaarts stond hij. +Verontweerdigd stapte ze naar hem toe, hem bijna takend in 't +voorbijloopen, en hij kon ditmaal haar toornige oogen niet ontvluchten. +Hij bloosde rijzekens en sprong verlegen op een aankomende tram. + +Ze had er nu medelijden mee, met dien grooten lummel en lachte met zijne +plotselinge benauwdheid. 't Was haar een onnoozel vermaakje geweest; ze +dacht er aan, lijk aan een piepken-duik-spel van kleine kinderen. Ze +herinnerde zich flauw zijn scherp gelaat, omschaduwd met donkere knevels +en een vierkanten baard. Ze drilde voort, probeerde onderwege zijn +beeltenisse precies af te teekenen en peinsde er later niet meer op. +'t Was een dwaze leutigheid. + +In de lage stad ontmoette ze, langs de nauwe stegen, meer volk en was er +meer verschillend lawaai. Winkeliers prezen hun waar op hunnen dorpel. +Wijven stonden in donkere poorten te kakelen en te kijven. Allerlei +menschen kwamen saam, bij dichte troppels, hun neuze opheffend, en +turend naar blinde muren, met electorale plakkaten bontgevlekt. Kinderen +draafden gichelend en schreeuwend rond en stormden tegelijk een +ruchtigen brouwerswagen achterna. Uit open kroegen steeg 't rumoer van +hevige redeneeringen. De toekomstige verkiezingen hadden alreeds deze +wijk in rep en roere gesteld. + +Goedele kocht in een poppenkraam een poesjenel voor Wiezeken, geheel en +al in een rood en groen pak, met gulden draad geborduurd. Ze dacht: + +--Ons pover Wiezeken!... + +Ze tort de vaartbrug over en geraakte, zijwaarts ommedraaiend, in een +stille straat, die verder uitliep op de graanmarkt. Arets den hoek +voorbij, was een ellegoedwinkel met hoogen gevel. Hier, op het eerste +verdiep, woonde Romaan. Ze ging seffens den somberen gang door en steeg +de smalle trap op. Er heerschte tallenkant een scherpe geur van lijnwaad +en geverfd katoen. Ze klopte boven stille tegen de deur, hoorde +binnenwaarts tante Olympe antwoorden, en draaide de klinke open. + +--Wel! wel! juffrouw Goedele! riep tante Olympe. + +Tante Olympe zat alleene aan 't patodders schillen. Ze kwam haastig +aantrippelen, binstdien vluggelings hare handen schoonvegend met haar +blauwe schort, en hielp Goedele zich ontdoen van haren mantel. 't Was +een stokoud wijveken, mager en omlage gekromd. Haar luttel gezicht lag +plat tusschen twee pronte vlechten zilverwit haar, en haar kinneken stak +vooruit en ging huppelend mee met hare minste woorden. Ze droeg een +zwarte kanten kap en getafelde halfmouwen. Twee lange oorbellen +rinkelden van weerskanten tot in haren hals. + +--Ho! dat zal Romaan en Madeleen deugd doen, die brave komste van +juffrouw Goedele.... Ik zei 't nog gisteravond bij mezelve: zou ze nu +niet weten dat Wiezeken ziek is, en zou ze nu niet komen?... Maar ze +komt. Dat is goed. Dat is goed. + +Ze roefelde met een handdoek over een stoel en schoof hem naar Goedele +toe. + +--Och! en Wiezeken is zoo ziek, juffrouw! + +--Zoo erg? + +--Och ja! Och ja! + +Ze zuchtte en zette zich neer en staarde een wijlken naar een varende +wolk, langs het venster. + +--Ik hebbe 't gepeinsd en ik hebbe 't gevreesd, juffrouw Goedele. Dat en +kan toch niet deugen, zoo'n valsch huwelijk, niet waar? Ze zijn allebei +braaf en ze hebben een schoon herte. Ze zien mij ook geerne. Romaan is +braaf. En Madeleen is braaf. Maar wat willen ze nu koppig zijn, tegen +den wil van Ons-lieven-heerken? Wat willen ze nu zondig zijn? En ze +verdienen geen straffe. Wat willen ze de straffe met geweld zich +aantrekken? Ik weet niet ... waarachtig.... Ons-Heere is zoo goed! Heeft +hij ooit iemands ongeluk gemaakt? Hij heeft dikwijls iemands ongeluk +vermeden.... + +Hare oogen kwamen vol tranen en die rolden nadien, dikke en langzaam, +langs hare kaken, in de diepe groeve van hare rimpels. En ze zei: + +--Zijn wil is deugdelijk. Ze moesten trouwen en neerknielen in de kerke. +Dan zou alles effen komen.... Ziet-de 't? Ik word ziek daarvan. + +Ze blikte weer opwaarts, naar die wolke. Ze slikte een krop weg, die +zeer deed in hare keel. + +--Maar nu is ook Wiezeken ziek geworden.... + +--Is Wiezeken gevaarlijk ziek? + +--Ziek. 't En wil eten noch drinken. Keelpijne. 'k Hebbe al gesproken +van lijzemeelpap met regenwater. 't Kindeken hoest, dat het mij pijn +doet, 's nachts. 'k Hoore 't 's nachts hoesten. 't Is een holle hoest, +die dan te huilen begint. 't Ligt in de voorkamer. 't Is bleek en mager +geworden. G'en zult het niet meer herkennen, juffrouw Goedele. 't Zal +wel zijne handjes uitsteken naar u, maar zulke tengere handjes, met +vingerkens van teer hout precies. Madeleen en Romaan en mijnheer +Johannes zijn er nu bij. Mijnheer Johannes komt schier alle dagen +kijken, en Wiezeken ziet hem geerne. + +--En komt de dokter er ook bij? + +--Dagelijks. Hij wringt beulenijzers in Wiezeken's kele. Ik en kan 't +niet zien, waarachtig. En dan moet ze citroen nemen tot heur tanden +rabauwen. De dokter zegt dat het zal overgaan. Ze zeggen dat allemaal. +Maar ik weet wel dat het ongeluk hier is binnen gekomen, en dat het niet +wijken zal, als Romaan niet tot inkeer geraakt. + +Goedele stond recht. + +--'t Kindeken ligt in de voorkamer, zei tante Olympe. + +Ze was te wege Goedele vóor, om haar de deuren te openen. Ze mummelde +gestadig en schudde haren witten kop, tenden raad. Ze keerde zich dan +haastig omme en blikte zonder overgang vlak in Goedele's oogen, en ze +vroeg: + +--Wilt gij Romaan overhalen? + +Ze beweerde dat Goedele het zonder moeite bekomen zou. Romaan sprak alle +avonden van haar. Zij zou hem dadelijk tot zijn schoon verstand brengen. + +--Hij is nu buiten zijn gedachten versmeten. + +Goedele weerde zich zachtjes af. + +--Wilt ge niet? bad tante Olympe en hare lippen vielen in diepe droefenis +neerwaarts, zoodat naar dezen nieuwen rimpel al de andere te gelijk +negen, een beeld stichtend van onzeglijke smert. Goedele troostte +haar--dat was niet zoo erg, en God hield zich niet zoo bepaald bezig met +schadelijke uiterlijkheden. + +--Schadelijk? + +--Want als Romaan trouwt, dan sterft zijne moeder. Romaan doet het +wellicht uit menschlievendheid, en doet hij niet best zoo? Moeder was +niet edel jegens Madeleen, tante Olympe, maar ze blijft, spijts al haar +ongelijk, zijne moeder, Madeleen weet toch dat Romaan haar niet verlaten +zal. Zij mag niet willen dat Romaan's moeder sterft. + +Tante Olympe week achterwaarts tot tegen de dresse en ze hief +permintelijk haren kromme rugge rechte. Haar aangezicht verloor meteen +zijn lijdende uitdrukking en werd hard, puntig, stekelig. + +--Ja?... Ja?... Ja, juffrouw Goedele? + +Hare kin begon te trillen en ook hare beide handen beefden, en haar hals +rok ze uit, de bruine pezen toonend boven hare witte krage, tusschen de +blinkende oorbellen schijnbaar bruiner nog. Hare stemme steeg uit lage +diepten, werd koortsig en sidderde, schoot weg in klaterende klanken en +schorrelde thoope, lijk een pak blekken schervels, droge en ruig. + +--Maar nu sterft Wiezeken? Maar nu sterft het arme dutseken door den wil +van God, door ulder koppigheid, ulder te gare. En als Romaan en Madeleen +buiten geworpen werden, uit het andere huis, omdat ze niet wettig +getrouwd waren, en als we samen het moeielijk hadden en aleens honger +kregen--is dan mevrouw Wilder dankbaar geweest, dankbaar omdat Madeleen +zich, naar hare goesting alzoo, lijk een slonse gedroeg?... Ik hebbe +gewerkt met mijne oude vingeren, en met mijne oude oogen hebbe 'k +gewerkt, en nu wonen we in een leelijk huis, waar Madeleen zich voort +lijk een slonse mag gedragen. En nu sterft mevrouw Wilder niet. Ze zal +wel gezond zijn, als Wiezeken sterft. Dan is Wiezeken uit de voeten.... + +--Ho! Ho!... tante Olympe.... + +Goedele was niet toornig--ze berispte stille, omdat tante Olympe bedaren +zou. Maar tante Olympe moest uitspreken en naarmate hare stemme gebroken +en afgemat, luttel werd, liepen sneller en zwaarder hare tranen over +haar roerend aangezicht. + +--Ik mag het u zeggen, juffrouw Goedele. Ge zijt ons allen lief en +genegen.... + +Ze begon meteen te snikken. Het groote geweld was over, en ze kloeg nu, +al hakkelend en schokkend. Haar lijf zakte ineen en ze was moe, kromme +en scheef lijk te voren. + +--Och! kind, we doen zoo moedig ons devooren, gedrijen. Romaan is nog +altijd op de fabriek; hij wint daar niet veel en we moeten hem helpen +met borduurwerk. We doen het geerne, we doen het geerne.... Maar laat ze +trouwen, als 't u belieft. Ik heb al zooveel geleden voor Madeleen, van +toen ze klein was en hare ouders had verloren. Ik heb ze opgebracht en +ze leeft in mijn herte. Laat ze nu trouwen, laat ze haar eer hebben, die +'k zoo jaloersch hebbe bewaard. Laat ons hier weggaan, uit dees open +huis, en laat Wiezeken later een naam dragen ... niet waar? Ben ik nu +redeloos? Mag mevrouw Wilder redeloos zijn? En zou ze sterven, omdat een +meisje eerlijk blijven wil? Zou ze? Maar ik, ikke, juffrouw, ik ga nu +ook weg, door hare schuld dat voele 'k--en ik zie Romaan en Madeleen +allebei zoo geerne.... + +Ze moest gaan neerzitten op een stoel, en Goedele klopte zoetekens op +hare schouders, een braaf woord zeggend, dat haar opbeuren zou. Ze werd +kalm naderhand en snoot zich in haren grooten rooden neusdoek, en veegde +trage hare oogen droge. Ze fluisterde, met een droef lachje, Goedele toe +dat ze niets hiervan bij Romaan mocht laten gebaren. En vriendelijk, nog +even na 't eerste woord een snik meeduwend, vroeg ze: + +--Wilt ge nu Wiezeken zien? + +Goedele nam de bonte pop, die zij medegebracht had, en ging vóor. Maar, +bij de deure, bedacht zij zich en tort niet verder. + +--Wie is die mijnheer Johannes? + +Tante Olympe werd seffens praterig en lei uit hoe deze vriend van +Romaan, een rijke kunstschilder, op een avond in huis gekomen was en hoe +hij sindsdien wekelijks kwam en hen allen zeer genegen was. + +--Een brave ziele, juffrouw Goedele. Hij heeft de beeltenisse van 't +kindeken gemaakt, op min dan drij dagen. Wel! dat is een stuk, schaap. +Ge zult het zien. Ge zult peinzen dat Wiezeken in waarheid u komt +toegeloopen.... + +--Hoe is zijn name? + +--Ameye, Johannes Ameye--wij zeggen gemeenlijk hier mijnheer Johannes. +'t Is een gouden hert. + +De deur werd precies opengestooten, en daar stond Madeleen. Ze viel +dadelijk in Goedele's armen, haar kussend en groetend met dankbare +woorden, en ze bezagen malkander naderhand met vochtige oogen. En +Madeleen lispelde gestadig dat het braaf was, dat het goed was. + +--Och ja! ik ben tevreden. + +Romaan liep ook fluks bij en drukte zijne zuster op zijne borst, en dan +stonden ze gedrijen een wijle sprakeloos ondereen, te kijken naar een +gedacht van deugddoende liefde. De stilte is altemets een licht gewaad +met gulden twijn geweven, waar de ziele te rusten blijft, te rusten en +te luisteren naar schoone aandoeningen. + +Romaan nam nadien Goedele bij de hand en stelde haar vóor aan zijnen +vriend. Ze dierf in den beginne niet opzien. Ze voelde iets ongemeens +in 't geluchte, alsof deze man geen vreemde zijn zou en haar met een +bevrienden lach bejegende. + +--Dees is haast mijn broeder, zei Romaan, zijn plaats in mijne liefde is +nevens u. + +Ze keek er naar en herkende hem, zooals zij hem bij 't venster van den +modewinkel voor 't eerst ontmoet had, en zooals zij er, bij het +tramhuisje, toornig was op afgegaan. Hij bloosde en boog. + +--Hebbe 'k mejuffer niet elders gezien? Ik vrees dat ik een leelijk +hoekje krijg in haar geheugen.... + +Zijne stem was vol en zwaar, en sloeg in sierlijke golving om. + +--'k En hebbe u nooit ontmoet, zei Goedele. + +Tante Olympe had seffens de voorkamerdeur geopend en was aan 't babbelen +met Wiezeken van een popje met djentige dracht en met twee drollige +bulten. Madeleen begon over 't arme dutseken te klagen en vertelde hoe +het toch zoo geleden had, den vorigen nacht, hoe 't hoestte en kuchte en +pijnelijk zich wrong, hoe 't dan neerlag zonder couragie, bleek en +afgemat, hoe 't zin had in niets, in niets van al wat het vroeger +begeerde,--en hoe dat alles danig smertelijk was om zien. + +Ze gingen allemaal nog eens kijken. 't Beddeken stond in een luchtige +kamer, naast de breede koetse van Romaan en Madeleen. Drij vensters +wierpen licht op den blooten vloer en, bij kletsende geuten, tegen 't +vermoeide muurpapier, vaag-bebloemd met bruinroode tulpen. En 't +beddeken was sneeuwwit en zuiver en prontelijk, gewend aan de zorg van +aandachtige moederhanden. Goedele bukte zich langzaam erover. + +--Dag, Wiezeken, mijn zoete boeleken.... + +Wiezeken lag in 't blanke kussen, zoo luttel, zoo klein.... Haar hoofdje +dook schier weg onder de sargie, een hoofdje bleek en vaal, met +loodvervige schaduwen, oogjes diepe en wijd-denkend, en een mondje +teenemaal verslenst. Ze lachte stille als ze Goedele herkende, en hare +handjes gingen op naar heur, nadien weer neervallend, lui, onbeweeglijk, +broos. Hare lippen ontsloot ze swijlens en ze wou zeggen: daáag!... en +ze haperde in een zuchtje en zweeg. De pop werd nevens haar geleid, en +ze was daarmee bovenmatelijk gelukkig. Ze bekeek haar met welbehagen en +had plezier met de schitterende kleuren en die koperen knoppen en die +domme bulten van weerskanten. + +--'t Is een poesjenel voor de brave kinderen. + +De poesjenel kon zijne armen toeklappen, als men op zijn buik neep, en +dan rinkelden de twee bellekens, die aan zijne mouwen hingen. Tante +Olympe neep maar gedurig op den houten buik en de poesjenel smeet zijne +klinkende armen gedurig saam, en Wiezeken was bovenmatelijk gelukkig. +Maar ze werd algauw weer slaperig en wendde haar hoofd omme, en dan +moest Tante Olympe aan 't voetende het lieve lam pakken, dat mijnheer +Johannes had meegebracht. En tante Olympe moest op het onderst plankje +duwen tot het lam te bleeten begon. En 't lam zei: + +--Bêe-êe-êe-êe.... + +Wiezeken lachte flauw en streek met hare vingerkens in de witte wolle en +bleef er peuteren tot meteen hare oogen opnieuw heel verre staarden en +ernstig werden. Het was alsof dees kind zijn moeielijke gepeinzen volgde +en in diepe beschouwingen verzonk, aldoor mijmerend langs +bovennatuurlijke zaken. Langzaam vielen zijne wimpers dicht en zijne +handjes bleven stille. + +--'t Slaapt. + +Het sliep. Zijne wangen en zijn voorhoofd en zijne lippen--'t werd alles +effen wit. + +Ze tuurden allemaal zwijgend ernaar. Romaan boog zijn hoofd en zijn kin +rustte op zijne borste, en van onder zijne neergeduwde wenkbrauwen +loerden droomend zijne rechte blikken. Hij hield zijn kind, dat +beeldeken van smerte, in zijne hersens vaste en zijn hopeloos gedacht en +wilde zich niet losrukken daarvan, hoe 't hem folterde en martelingen +aandeed. Dat witte gelaat, in nauwmerkzame tinten opschaduwend uit al +het blanke bedlinnen, dat heele broze koppeken, rijzekens een diepte +wegend in 't donzig kussen, en dan de teekening daarin van beloken +oogen, neerplooiende lippen, een luttel neusje, met kantewaarts een +zoetvervig blauw--al wat nu Wiezeken was, 't hiew met pijnlijke slagen, +een steenen herinnering in zijn geest. Madeleen keek schuw op naar hem, +en ze toetste met haar hert zijn droevig gepeins, en een groot verdriet +zeeg over haar. + +--'t Is een deugdelijke slaap, fluisterde tante Olympe. + +Ze kromde haren ronden rugge over 't bedde en lei den poesjenel aan 't +voetende, nevens 't schaapje, en dook voorzichtig de lichte handjes van +Wiezeken onder het deken. En ze prevelde nog: + +--Morgen zal 't ten halve genezen zijn. + +Ze rechtte zich en zag omme binstdien, en Romaan stond daar, vóor haar, +te staren, heinde weg, roerloos en zonder uitkomste. En ze merkte, zóo +blootliggend op zijn aangezicht, zijn endelooze leed. En ze herhaalde +met onzekere stem, om toch wat leven in dees bange geluchte te krijgen: + +--Morgen zal 't ten halve genezen zijn. + +Maar de stilte en wilde niet breken, en hare woorden stierven seffens +uit, zonder naklank, zonder een bijblijvend gedacht, dat mocht de +angstige leegte vullen. En dan zweeg ze ook, met de anderen mee, en dan +hoorde ze somtemets het snorkend asemken van 't zieke kind. + +Tot, op een ende, allengs 't rumoer van voorbijrijdende karren en een +standvastig gebas van honden hier binnen drong en hoofdzakelijk werd, +ten teeken dat stilaan elkendeen zich van Wiezekens' beeld lostrekken +wou. Daar was buiten een man die riep: + +--Scherre-scherre-scherresliep! + +En hij deed een krissend wiel draaien, dat lijk een scheur door de +ruimte kreesch. Naderhand klonk boven, op het tweede verdiep, 't geronk +van een naaimachine, en bij poozen, een blijde meisjesstem vrij trillend +in een leutig lied. Goedele lei haren arm op Romaan zijnen schouder, en +Madeleen wendde met een diepen zucht haar aangezicht van hem af. En +mijnheer Ameye zei: + +--We mogen hier alzoo niet blijven, en de kamer vullen.... + +En terwijl allemaal stille wegdrumden, vroeg hij wat een lieve +gebuurvrouw daar zong, ginder hooge. Tante Olympe trok voorzichtig de +deure dicht, en begon seffens te vertellen van het zonderlinge +huishouden. + +--Een blinde met zijn dochter. + +Ze noemde de dochter "een verloren maarte". De oude vader knorde en +ronkte en keef den heelen godschen dag door, en 't meissen zong +swijlens. Men hoorde ze van den morgen tot den avond. 't Waren goede +herten. + +--En hoe geraken ze aan hun brood? + +--Ja, hoe geraken ze aan hun brood!... + +Tante Olympe zette zich bedenkelijk neer, en lonkte naar Madeleen, en +vouwde hare handen over haren schoot, daarna eens smakkend, alsof ze +iets zeggen zou van gewichte. Ze deed hare duimen overeen draaien. + +--Ja, mijnheer Johannes ... ze naait. + +Ze zei 't zoo beteuterd dat Ameye lachen moest, en elkendeen, met +gemaakt geweld, meelachte. Ze werd dan een beetje rood, vlak naast de +gouden oorbellen, en ze begon alzeere en vluggelings te babbelen om hare +verlegen manieren te verbergen. + +--Ze staat laat op in den morgen. De oude is altijd eerst te been, en ik +hoore zijne voeten scherrelen over 't plankier en zijn stok matelijk +kloppen. Hij maakt zijn eigen fluks kwaad en dan staat hij te grollen of +loopt mompelend rond. De man moet veel geleden hebben. 'k Zie 't op zijn +gelaat. Hij heeft een moeden mond en zijn doode oogen liggen in een +rimpelkrioelinge bijkans te lore. Zijn lippen hergaan bij stonden, alsof +hij een antwoord gaf op een invallende gedachte. "Ja!" zegt hij, kort, +droog, met tot ruk van zijn kinnebakkes, en niemand weet tot wien hij 't +zegt. 'k Zeg hem al eens tegen, al lachend: "Neen!" als om te strijden +met hem. Hij blijft dan staan op de trap en heft zijnen stok op, en 't +getril van zijn neuze is een teeken van komende gramschap. Maar zijn arm +valt omlage en zijn gezicht druipt neerwaarts in een verdraagzame +droefenis, en hij zegt schuddebollend: "Och! Och! Och!" ... en zijn +doening is dan van een, die mij gelijk geeft. 't Is een aardige vent, +mijnheer Johannes. + +--En de dochter? + +Goedele vroeg hoe haar naam was. + +--Mariëtte, zei tante Olympe. + +Ze bleef, saamvouwend opnieuw hare handen, zitten, en riep nadien, met +geveinsde belangstelling, de katte, die even van onder de dresse te +voorschijn kwam en voorzichtig ruiken ging aan het tjopken van haren +wenkenden vinger. Madeleen vertelde hoe Mariëtte gestadig leutig was en +aldoor zong. De naaimachine geraakte wel eens in druk bedrijf, maar dat +en gebeurde niet dikwijls. Mariëtte hield zich meer met hare twee +kanarievogels en met hare begonia's bezig. In den uitkomende was 't een +plezier hare werkzaamheid te zien, hoe ze aan 't sproeien was, en heel +'t venster vol hing met kapucijnebloemen, schoone opgeleid langs een +kunstmatige webbe van draden en touwtjes. En de vogels werden in dat +getij buiten gehangen, boven 't raam, in de gouden zonne. Gestadig +schikte ze de muitjes en spreidde er voolkens over om den wille van +muggen en ander stekend ongedierte. En als ze niets te verrichten had, +boog ze zich over de bloempotten heen en bracht hare lippen bijeen tot +een toeterken en floot hare lievelingen voor. En lachen deed ze, zoo +geheel alleene. + +--Maar.... + +--Een herte zonder lusten dan? vroeg Ameye. + +--Ja, maar ... daar hapert iets.... + +--Wat kan er haperen, dat niet in zooveel leutigheid weer loskomt? +lachte Goedele. + +Madeleen knikte en lachte mee. Ze probeerde in een uitbundig gepraat +Romaan's voorhoofd effen te krijgen, en sprak luidruchtig met overdreven +golvingen van haar stemme en met wijde gebaren, zich buigend, en wijkend +en zijlings wiegend, tot ze warm werd en te blozen begon. Romaan stond +vóor 't venster en tuurde naar de wolken. Madeleen zei: + +--In den avond, als we al zinnens zijn naar bed te gaan, hooren we de +trap onder voorzichtige terten kraken. Naderhand zijn er geen zangers +meer boven, geen minste rumoer, geen getrippel van Mariëtte hare zotte +voetjes. Alleen nog, somtemets, een kort gegrommel van den oude, die +aleens poogt de deur open te doen. De deur is vaste.... + +--De deur is vaste, ja, prevelde tante Olympe. + +--Omtrent twee uren in den morgen, kraakt opnieuw de trap en rotelt de +sleutel in de klinke. + +--En Mariëtte...? vroeg Goedele. + +--Ja, Mariëtte zelve. 't Zijn hare eenige wandelingen. Ze gaat anders +nooit uit. + +Romaan wendde zich omme. + +--Ssjt!... Hoore 'k Wiezeken niet? + +Elkendeen luisterde en de ongemakkelijke stilte heerschte lijk te voren, +alle geluiden der strate groot makend. Tante Olympe ging kijken of +Wiezeken sliep. Ze kwam weer op hare teenen, elkendeen geruststellend. + +--'t Slaapt lijk een engelken. Overmorgen is het te been. + +Ameye boog zich naar Goedele en vroeg, oolijk lachend, wat hare meening +was omtrent Mariëtte. Madeleen trachtte de vraag af te weren, omdat die, +volgens haar, zoo direkt in 't intiem denken dringen wilde. Men mocht +niet oordeelen. 't Gold hier eene zeer delikate gevoelstoestand. + +Maar Goedele vond hier zoo diep een ernst niet in, en ze lei uit wat, +haar inziens, een rechtveerdige uitspraak zijn zou. + +--Ik neem aan dat Mariëtte gelukkig is. Zij heeft heur eigen niets te +verwijten. + +--Djeezes-Maria! kreet tante Olympe. + +--Zij mint het Lenteweer, de bloemen, de vogels, 't vrije geluchte, dat +neervalt uit de blauwe hemelen. Ze voelt haar vleesch, haar heele lijf +opengaan in schoonheid, in nature. Hare doening 's nachts en zal niet +tegen nature zijn. Dat ware onmogelijk. En, overigens, wat doet ze dan? +Ze gehoorzaamt misschien aan 't geheime bevel van haar wezen. Ik meen +niet dat ze misdadig is. 't Ware in elk geval onwaarschijnlijk. + +--Ja, zei Romaan. + +--'t Is een slette, zei tante Olympe. + +Ameye lachte luid en stond recht. Hij trok zijn overjas aan en moest nu +gaan--nog een paar zaakjes afhandelen vóor den noene--en morgen zou hij +eens binnenloopen nog, rond den elven. Hij drukte forsig de hand van +Romaan en groette tante Olympe minzaam, haar met een dwaas woord tot +bedaring brengend, en lachte nog als hij Madeleen goeiendag wenschte. + +--'k Zal eens 't portret maken van Mariëtte.... + +Hij boog vóor Goedele en drong nadien met zijne klare blikken heel diepe +in hare oogen. + +--Voor u, juffrouw. + +--Ja, doe dat, sprak Goedele. + +Ze wist niet goed wat hare eigen bedoeling was met deze woorden. Ze had +zoo werktuigelijk geantwoord, meerendeels om hare lippen te roeren en +aldus eene wrevelige verlegenheid te duiken, die over heur aangezicht +kwam. Ze hoorde naderhand alleen in ver lawaai al wat nog gezeid werd, +en Ameye was lang verdwenen, als zij nog zijne blikken voelde, heel +zonderling daar blijvend, vóor haar, met een bovennatuurlijken wil.... + +Wanneer ze ook dees huis verlaten had, en de straten doorliep, werd ze +droevig en was te wege weer te keeren. Ze asemde daar zoo vrij, en nu +zou opnieuw moeder nevens haar komen, en grootvader en van avond +Sebastiaan--heel die koude wereld, die gemanierde wereld; tusschen al +die naakte muren haar nijpend en knellend en zeer doende. En 't povere +kamerken, waar Wiezeken te lijden lag en was zoo eendelijk niet als +gindsch vierkante steenmassa. + +Ze bleef droomend lanterfanten langs de uitstalling van den modewinkel +en peinsde: + +--Die mijnheer Ameye is een leege man. + +Ze joeg hem seffens uit hare gedachten en verzinde 't beeld van +Mariëtte. Ze vond daar behagen in--een kap met blonde lokken, een +gezichteken als van een zoete deugniet, rond en rood en donzig, en een +natte mond en gloeiende oogen en lieve vingeren, gewend aan 't bedrijf +van kanten geluksweefsels. Ze liep bijna een kindje omverre. Ze werd +beschaamd en stamelde en drilde voort, haastig. Ze zag een tram meteen +stilstaan vlak vóor haar. Ze peinsde: + +--Die mijnheer Ameye is ongemanierd--en niet vriendelijk ... en niet +schoon.... + +En vlugger spoedde ze zich, zonder reden af en toe stil blijvend bij een +schitterende kleur ievers aan een venster, of bij een hoog geluid, dat +voorbij gilde. Ze hield van niets een vast gedacht. 't Sleerde allemaal +over hare hersens. Ze wilde bij stonden tante Olympe oproepen in haar +hoofd, haar zien trippelen en snokken met haar kinne en wuiven met haar +armen. Ze wilde Wiezeken herdichten, het bleeke wicht. Ze zag den +poesjenel. Ze zag het witwollig lam. Ze peinsde: + +--Waarom vroeg hij, wat ik over Mariëtte denk? + +En verder drevelde ze, koortsiger wordend naarmate hare gevoelens meer +verward dooreen stringelden. Als ze in de stille wijk van blinde +rijkemanshuizen geraakte, hijgde ze en was danig opgehitst. 't Docht +haar dat de toekomst luchtig werd en dat er klaarten kwamen en een breed +zicht. Ze voelde heel vaag eene grondige verandering in haar lijf, een +ongewoon trillen, een ziedende leven. Ze hijgde, en zij en was niet moe. +Ze was zeker dat iets heel schoons zich had veropenbaard in hare ziel. +Ze vroeg niet naar een oorzake. Niets was bepaald. Ze baadde zoo in een +streelende warmte, daaraan deugd hebbende en zonder verlangen +voortgenietend. Haar bloed sloeg forsig omme en, in haren hals, tegen +hare hooge krage, werd zij den sterken klop ervan gewaar. + +Ze stond meteen vóor 't donkere hekken. Ze hoorde de wind zoeven in de +boomen van den hof. Alles brak, viel in haar. Ze moest zich vóor den +drempel ontdoen van alle geestdrift, alle gejubel. Ze keek naar de koude +muren en naar al die beloken vensters en onderaan naar de vier +ontsloten--gladde ruiten, met de franjen van donker roode gordijnen en +de witte beelden van twee steenen poedelhondjes. Ze boog haar hoofd en +zuchtte. Het zware geluchte van daarbinnen sloeg haar tegen het +aangezicht.... + + + + * * * * * + + + +V. + + +Ursule vroeg haar of zij 't geld gebruikt had. Goedele had het +bankbriefken bij 't uitgaan in tante Olympe's hand gestopt. Ze sprak nu +heel onverschillig, terwijl ze haren hoed afnam en vóor den spiegel heur +haar een beetje schikte: + +--Och! ja, moeder.... + +Ursule antwoordde niet en ging een krulleken witte wolle wegknipperen, +van Goedele's kleed. + +--Ge hebt wolle op uw kleed. + +Ze zette zich neer vóor 't venster en kruiste hare beenen en deed haar +pantoffel bijzen op 't ende van haren opgeheven voet. Ze lei hare armen +op de leuning van twee naaststaande stoelen en vroeg hoe 't met Wiezeken +was. Goedele zei dat het haar niet goed voorkwam, dat het kind daar wel +deerlijk lag, zoo wit over zijne kaken, zoo wassig, en zoo teerblauw op +de randen van zijne lippen. + +--'t Zou moeten de buitenlucht hebben. 't Zou moeten kunnen breed +asemen. Zijne longetjes zijn geheel vernepen, geheel klein en +nutteloos.... + +--En hijgt zijn borste? + +--Bij stonden. + +--En ... zou 't eraan kunnen ... weggaan...? + +--Watte? + +Ze keerde zich fluks omme en staarde in Ursule's oogen, zich buigend om +indruk te maken. Maar moeder bleef roerloos en liet hare blikken +geleidelijk meewiegen, met de bijzing van haren voet, kalm verklarend +onderwijl dat ze dat zoo maar vroeg.... + +--Uit belang ... zekerlijk. + +Met een ruk, alsof ze peinsde een wrokkig woord neer te gooien, zei +Goedele dat Wiezeken den dood nabij was. Ze werd rood en voelde eene +dwaze verontweerdiging haar hoofd dol maken. Ze joeg bijtende zinnen +achter malkaar: + +--Ge moet het wel weten hoe Romaan nu lijdende is, gij die zoo geleden +hebt om ons, indertijd, als we zieke wichten waren. Hij beseft nog niet +hoe verre Wiezeken alreeds van hem verwijderd is. Hij ziet wel overal +donkerten ommendom, maar hij hoopt. Gij weet het wel, niet waar? hoe die +toestand is.... Gij zijt zijne moeder. Ik heb uw bankbriefken afgegeven. + +Ze ontzenuwde alzoo haar eigen zelve, en moest, na een stonde, wegloopen +om niet haar drift uit te storten in geweldige gezegden. + +Mevrouw Wilder bleef nog beweegloos zitten, liet zich wegvaren in verre +gepeinzen, streelde in haar brein 't vooruitzicht van een toekomst die +wellicht weer goed worden zou. Ze voorspelde in hare hoopvolle +mijmeringen nieuwe dagen van ijverig werk: Romaan en Goedele saam +gespannen aan een reuzentaak, en, in een harrewatrije van voordeelige +zaken, een versche geldstroom.... een weelde van rinkelend goud.... +Dàn wilde ze sterven, alleen dàn. + +Ze sprong rechte en duwde hare vuisten op de tafel. Ze siste tusschen +hare tanden: + +--De prije zal ik wegkrijgen. + +Ze had het al lange gecombineerd, hoe ze Madeleen zou weggekregen +hebben. Als Wiezeken dood was, zou alles wel braaf van stapel loopen. + +--Dat arme Wiezeken.... + +Ze prevelde drij keeren: + +--Dat arme, arme Wiezeken.... + +Ze beluisterde geerne hare stemme, wanneer ze 't onnoozel kindeken +bekloeg. Ze had somtewijlen groote angsten. Ze dorst het aan haar zelve +niet bekennen, dat ze Wiezeken's dood verzocht. Ze wilde dat verlangen +wegjagen met een deerlijk woord, en verlangde maar gedurig naar dat +ende. + +--'t Zou 't ende zijn. + +Ze redeneerde dan. 's Nachts werd ze altemets wakker en voelde hare +vreezen naderen, een zonderling, verwijt, dat altijd opkwam bij bange +uren en haar folterde. Ze redeneerde seffens--Wiezeken was zoo'n luttel +ding, zoo ziekelijk van nature ... en wat zou er van geworden als het in +leven bleef?... 't zou toch allengerhand wegtsieperen, stillekens.... +'t was beter dat men 't maar dadelijk verloste uit zijn pijnen ... het +dutseken ... in den hemel zou 't gelukkig zijn.... + +Tegenover Goedele dorst ze daarvan niet spreken. + +Na 't diner--ze hadden gevieren sprakeloos hun soep en hun vleesch met +groenten gegeten--sloot Ursule zich in hare kamer op en Goedele +lanterfantte bij 't klavier, behagen vindend in eene fantastische reeks +van Grieg. Albien bleef zitten bij haar en, als de oude Rik ook langs de +trap weggeraakte, schoof hij een stoel dichte bij de groote tafel en +nam, bezij den schoorsteen, de dooze, die Sebastiaan hem had +meegebracht. Hij zei: + +--Dat is een nar ding, wat ge daar speelt, mijn kind!... + +Hij zette zich goed op zijn gemak en bracht het Zwitsersch huizeken te +voorschijn. Hij bekeek het al glimlachend, in kinderlijke bewondering, +en leunde achterover om beter te genieten, een oogenbliksken, van het +heerlijke zicht. 't Was een huizeken witgeverfd, met een hoog +schalieblauw dak en groene luiken langs de gevels. Vooraan was precies +een terras van bruine steenen met versiersels in eikenhout. Boven het +dak steeg een vierkante toren. Daar hingen de klokken in. Men kon ze +echter niet zien. Hij had zich dikwijls afgevraagd of 't in waarheid wel +klokken waren en of dat beiaardspel niet feitelijk een snarenspel zou +zijn. + +--Een bedriegsel, een bedriegsel, menschen.... + +Maar schoone was 't gansche gedoe. Kantewaarts, onder de euzie, was een +slot. Hij moest daar nu een sleutel insteken en draaien tot de +binnenzijdsche mekaniek opgewonden was en een kort getjok er klopte, ten +teeken dat de veêren gespannen waren. De sleutel hing aan zijn +horlogieketen, naast een paar Hollandsche dubbeltjes, waar hij zelf een +gat in geboord had, en een bronzen medalje van de onlangs gesloten +nijverheidstentoonstelling--een geschenk van mijnheer Devleeschhouwer +--een klein zonnewijzerken en een sigarenknipper, waar 't koper van +ouderdom zich doorsmeet. Hij moest rechtstaan en zijn buik opsteken om +den sleutel te bezigen. Hij zette zich nadien met een vroolijken zucht +neder, en wachtte, en lei zijn rugge deugdelijk tegen de stoelleuning. +Het binnenwerk begon te ratelen en seffens schoof een dubbele deure open +op het terras. Twee poppen schoven, met een krijschend geruchte, naar +buiten, en 't beiaardspel ving aan. 't Was nu een matelijk dansen. 't +waren snokkende sprongskens begeleid door een roteleere van krakende +wieltanden, naar 't oordeel van Albien allemaal wonderschoon. En de +beiaard speelde een oud veuzeken, liefelijk en huppel-licht, en 't was +hem een diep geneuchte ernaar te luisteren, elk toontje op te nemen, +achtereen, en te troetelen in zijn hoofd, dat zat werd van de zoete +harmonije. Hij mummelde, blozend van geluk: + +--Dat is nu mijn eigendom. + +Goedele keerde zich omme en keek hem na, hoe hij schuddebolde en meeging +met den kleinen zang, hoe zijne handen ommentweere bijsden, rythmisch en +half-beloken, en hoe zijn voorhoofd blonk en zijpelde van overvloedige +wellust. Als de mekaniek stilaan verslapte en, met nog een laatste +rukje, stillebleef, herwond hij ze op, en weer vergenoegde hij zich in +'t zelfde deuntje en in 't eentonig gebaar der poppen. Hij verdeelde nu +zijne aandacht en loerde meer bepaald naar den gang der blikken armen, +nadien naar 't nijgen der steenroode koppekens, dan naar een haperinge, +die, op gelijke afstanden, gebeurde en zich hernieuwde gedurig. 't Was +'t wijveken, dat meteen roerloos viel, en, na een stonde, terug +opsprong. Hij zocht beteuterd naar de oorzake van die onregelmatigheid. +Goedele zag hem triestig worden en zijne lippen herdoen en schrik +krijgen middelerwijl. + +--Mishandt er iets? vroeg ze. + +--Wel neen, wel neen, zoo precies.... + +Hij sprak dan verlegen en verwonderde zich: + +--Ge kijkt ook hiernaar?... Hoe mirakelachtig dat is! + +Hij mooschte en prutste en draaide nog eens het spel in gang. Goedele +keek naar hem en voelde groote deernisse. 't Klonk, in deze hooge kamer, +zoo deerlijk, dat onnoozel muziekhuizeken. Op strate was er weinig +rumoer--af en toe het tijdelijk gerij van een sjeeze. In den hof +ruischte het zoevend geboomte. Hier, alleene en gelukkig, maakte Vader +een zottig lawaai, gedurig bezig met zijn nutteloos bedrijf, alsof zóo +eeniglijk zijn leven was en niets hem aanging daarbuiten. Ze vroeg: + +--Hebt ge daar wel zin in, vader, dat ik met Sebastiaan trouw? + +--Ba ja.... + +--Wenscht ge dat uit ganscher herte, vader? + +Hij hief zijn ronden kop omhooge en zijne oogen zeiden genoegzaam dat +hij nooit daarover nagedacht had. Het was besloten: ze zou trouwen met +Sebastiaan. Ursule had het zoo besloten. En Sebastiaan was geen kwaad +aanbod ook. + +--'t Is een brave jongen.... + +--Dat is de zaak niet. + +Ze wilde hem doen aarzelen, eene onzekerheid brengen in dezen +hinderlijken geest. Maar Albien kende slechts éene waarheid, en die lag +besloten in de wet van Ursule. Even ontwaarde hij in de woorden van +Goedele een opstand tegen die wet.... Hij bleef verbijsterd zitten, niet +goed begrijpende zoo'n daad, die, naar zijne meening, de menschelijkheid +te boven ging. Hij struikelde in een hakkelend gezegde: + +--Moeder heeft toch ... gesproken ... niet waar ... toch kenbaar gemaakt +haren wil?... 't is haar wil toch?... van moeder?... + +Het rammelend huizeken viel stil en het deurken flapte toe. Goedele +begon meteen luidruchtig te lachen van koortse. Dan keek ze Albien met +natte oogen aan en boog zich over de tafel, zoekende met hare handen +naar zijne luie vingeren. + +--Och, mijn goede vader, die nooit verdriet en hebt.... + +Hij lachte mee en verjoeg alzoo het angstig oogenblik, dat over zijne +slapen gekomen was. + +--Ha! Ha!... dat is een aardige perte ... 'n fameuze!... + +Hij vond het allerbest dat het zoo op een ende afliep. Hij was nu +overgelukkig. Hij nam een kaartspel en begon voor zijn eigen kunsten te +probeeren, die hij in Snoeck's boekjes aangeleerd had. Hij wond eerst +nog eens het Zwitsersch huizeken op, en, binst dat de poppen op mate van +het beiaardspel hunnen snokkigen dans deden, lei hij de kaarten +nevenseen en deed toeren. Zoo was 't geluchte vol om hem. Zoo was overal +de tastbare aanwezigheid van zijn eigendom en al wat leeg was in deze +kamer, werd weelde, zijne weelde. + +--Denk ereis 'n kaartje uit, Goedele, van de éen en twintig die 'k hier +openlegge ... toe ... + +Hare genegenheid deed hem deugd, omdat hij die gebruiken kon als een +ernstige belangstelling in zijn doening. Hij vroeg: + +--Hebt-ge ze alreeds? + +--Ja ik, zei Goedele met een zucht, al leunend op hare ellebogen. + +--Nu moet-ge toogen in welk van deze drij pakjes uw kaarte ligt, de +kaarte van uw keuze, zegt het boekje. + +--In 't deze, rechts.... + +Hij mengelde 't spel, opgehitst, aangeprikkeld door Goedele's schijnbare +aandacht. Hij sloeg de kaarten dooreen met een gedwongen sierlijkheid en +trachtte zwierig te blijven in zijn minste gebaren. Hij hoopte de +kaarten nadien weer in drij pakjes. + +--En nu? + +--In 't deze opnieuw, rechts.... + +Hij herbegon, en een oolijk glimlachje straalde open over zijn gansche +aangezicht. Hij verdeelde de kaarten. + +--En nu? + +--In 't pakje te midden.... + +--In 't pakje te midden. + +Hij maakte zich een wellustige dobbelkinne. Met een haastige stemme +verwittigde hij Goedele, dat ze nu goed opletten moest, en haar kaarte +niet vergeten. + +--Hebt-ge ze nog vast in uw hoofd? + +--Ja.... + +--Ik zal ze er seffens uithalen ... attentie, als 't u belieft ... een +beetje attentie.... + +Het huizeken was stil gevallen. Hij draaide vluggelings den sleutel erin +en deed de wielkens werken lijk te voren, zoodat de beiaard zijn +veuzeken hernam. Hij was goddelijk in zijn schik, en dees stonde was hem +een onzeglijke verrukking. De wereld was vol van hem. Hij deed de +kaarten overeen schuiven, telde en gebaarde, met geveinsde aandacht, de +hulp van bovennatuurlijke geesten in te roepen. Hij bleef een wijlken +dubben, zette zijn hoofd scheef en tuurde bedenkelijk naar de zoldering, +in de afwachting der wonderbare machten. + +--Kijk nu! + +Hij smeet de kaarten overhand verre weg van hem en keerde fluks de elfde +omme. + +--Koekelaas! + +Hij riep ze triomfantelijk uit, zonder aarzeling, en steeg van zijn +stoel op, in glanzende glorie. Hij herhaalde: + +--Koekenaas.... Hee! + +--'t Was koekenaas. + +--Ik wist het, ge hoeft het mij niet te zeggen. Dees is tooveren ... +eigenlijk.... + +Goedele keek hem aan met zachte oogen. Ze was tevreden dat hij zoo +gelukkig scheen, en prees zijn kunste. Hij viel haar in de rede, +verklarende dat niets boven het dominospel en het kaarten reiken kon, +en dat hij 't al zoo dikwijls gezegd had aan Alfred ... maar Alfred was +niet vlug, moest hij bekennen, en had lompe gepeinzen, aldoor meenende +dat hij 't beter wist dan de boekjes zelve. Alfred kon ook niet lang een +zake bezien. + +--'t Is een kind nog. + +Hij lachte daarmee, alsof hij wel medelijden ten slotte gevoelde voor +den jongen, die nog zoo kleinzielerig was ... omdat 't verstand voor de +jaren niet en komt. Hij was te wege het huizeken nog eens op te winden, +en verwonderde zich als Goedele bad dat hij 't maar niet doen zou. Hij +vroeg, bedrukt: + +--Houdt ge niet hiervan? + +Ze stond recht. Ze stilde hem. Ze hield veel van dat wonder dingen, +beweerde ze. 't Zou echter kapot geraken, als hij 't zoo dikwijls +bezigde, en zag hij bovendien nog 't manneken en 't wijveken? + +--'t Wordt avond.... + +Zij en merkte geen verven meer. Van uit de hooge vensters, langs de +franjen der gordijnen, zijpelde het vage licht, in de kamer te lore zich +verdeelend tot het wegdeemsterde in de hoeken. Zonderlinge klaarten +blikkerden van tijd ievers op, als 't noesche verspergestraal tegen een +koperen ornement botste of tegen een glazen pot, een porseleinen +beeldeken, een witgeschuurde tinnen teele. Drij laatste krysanthemen +vlekten de naderende donkerte met hun blanke trossen. Van tallenkant +rees de plechtigheid der schemering, alles omvattend in zoetig gewaad, +voordeelig voor de droomende stilten.... + +Er werd gescheld aan 't voorhekken, en binst dat Albien zijn speelgoed +wegdook in de dooze, tort Sebastiaan de kamer binnen. Het was zijn ure. +Hij was altijd heel stipt. Goedele ontving hem met koortsachtige +opgewondenheid, sprak luttele woordekens en was danig vriendelijk. +Ze ontdeed hem van zijn overjas, omringde hem met hare dienstveerdige +handen, bekommerde zich om zijne bleekte. + +--Zijt-ge vermoeid? + +--Een beetje. + +Hij voelde geerne hare hulpzame genegenheid en glimlachte geaffecteerd, +zich neervleiende in zijn eigen weerde, herkend door haar, die hij +liefhad. Hij vroeg aan mijnheer Wilder of hij 't huizeken schoon vond, +en Albien vertelde hem hoe 't ineenstak, hoeveel tijd het in gang bleef +en hoe schoon veuzekens de beiaard speelde. Terwijl Goedele een kopje +koffie gereed maakte boven 't alkoollampje, en 't gaslicht aanstak, bood +hij mijnheer Wilder een sigaar aan. + +--Dat zijn weer van die fijne sigaren, zei Albien. + +Ze smoorden en praatten ondereen. Goedele was uiterst gezellig en +aangenaam. Ze schonk de koffie, wierp de klontjes suiker erin, roerde en +wilde alles zelf doen. + +--Gebruikt ge melk van avond? + +--Als 't u belieft, een geutje.... + +Ze beloerde op Sebastiaan's aangezicht hoe gelukkig hij was, hoe +gevoelig voor hare dienstwillige gebaren, en hoe hij daar nu wegzonk in +zijne onnoozele verwaandheid, tevreden en zat. En Vader nevens hem was +ook een beeld van gezapig geneuchte. 't Was een gulden avond. Sebastiaan +zei 't: + +--'t Is een gulden avond. + +Daar kropte dan iets in hare keel en ze zwolg geweldig om 't weg te +krijgen, en glimlachte rijzekens ... maar heure oogen werden schaduwen. +En ze overdreef daniger nog hare vriendelijkheid. Ze sprak zonder +diepten, aldoor hare stem buigend in streelingen van korte, +oppervlakkige gezegden. Ze schertste met Devleeschhouwer, maakte kleine +portretjes, draaide hare meeningen tot lollige zetten en schaterde +vroolijk daarbij. + +--Hebt-ge gemerkt de dwaze manieren van Bella?... Wel Jeezes! + +Door den rook der sigaren en 't geronksel van die vlugge babbelingen was +Albien thoopegezakt en in slaap geraakt. Hij schoot altemets wakker, +sluimerde seffens weer weg, en zijn hoofd bijsde ommentweere, zijn bolle +glanzende hoofd. + +--Bella? vroeg Sebastiaan. + +--Wel ja, herinner u ... ze zat lijk een katte te lonken.... + +--Ik weet niet.... + +Ze ging voort. Ze spotte en peuterde aan diverse gezichtjes en had leute +met die potsierlijke menschen. Sebastiaan duwde den damp zijner sigaar +in ringen en krullekens omhoog, en liet zich dat grillig gepraat +welgevallen. Het kwam alles zoo in zijn schik. Hij hield zich als een, +die boven deze meisjesdoening staat, maar in waarheid had hij er deugd +aan. Te dezer stonde was hij werkelijk de man, die thuis keert van zijn +moeielijk en bovenzinnelijk werk, en zich nu vergenoegt in 't naïeve +gesnater van zijne vrouw, die lieve, de mindere.... Hij luisterde en 't +maakte hem dronken. Hij zei stille: + +--Later zullen wij interessante vrienden op diner ontvangen. + +--Wij? + +Goedele keek hem diep in de oogen, en ze voelde dat hare ziel zich op +een ende losrukken zou. 't Zicht der toekomst, dat hij opriep, walgde, +folterde haar. Ze wilde niet dat hij de toekomst aanroeren zou. De +huidige uren wilde zij gelukkig maken, en ze zou meegaan, dag-in, +dag-uit ... en wat er gebeuren moest, zou gebeuren. Ze was gedwee.... +Maar den sluier wilde zij ongeraakt zien hangen. Wat er achter was, +bezeerde haar. + +Ze werd somber. Ze kon niet het onmogelijke doen en voortlachen. Ze +staarde mijmerend in hare gepeinzen, wachtend tot de schoone eenzaamheid +komen zou. Sebastiaan, verloren in zijn standvastig geneuchte, merkte +niet hoe plotseling zij zich van hem verwijderd had. Onbewust vulde hij +de stilte, die nu heerschend was; hij sprak van zijn zoeken, van zijn +studie. Hij was bovenmatelijk gelukkig als hij daaromtrent verhalen +mocht. + +--Dat doet u dan ook plezier, niet waar? + +Ze tuurde naar 't licht en zag de verte, die onzeker was.... Ze zei, +niet wetende: + +--Ja.... + +Hij deed seffens Hieronymus Bos herleven, en zijne handen begonnen te +wuiven, te keeren in 't geluchte, sierlijk en vroom. Hij teekende die +uitermatige figure, dien ziender van monsters en wangedrochten. + +Hij had ontdekt hoe een ellendig mensch Bos geweest was, hoe hij geleden +had tot zijn doodsure alle weeën, die een ziele dragen kan, en hoe hij +toch ten langeleste eronder was bezweken. Hij vertelde hoe de kunstenaar +dan gewerkt had, hoe zijn koortsige geest al die akeligheden geschapen +had en gebeeld in kleuren, en hoe in dat schijnbaar-drollige werk van +Bos een verwijt lag voor de menschen. Nadien had hij zijne eigenlijke +studie kunnen aangevangen: de invloed van Bos op Filips II van Spanje. +Hij schilderde Filips als een ziekelijke mystieker, die behagen vond in +de nare tafereelen van Bos. Hij zag den koning, met koortsige +nieuwsgierigheid, die tafereelen ontleden en beweegbaar maken. Hij zag +hem wreed worden in de nabijheid der hellegeesten van Bos, omdat hij +niet vreezen wilde. + +--En hij vreesde!... + +Allangerhand joeg Sebastiaan, in 't spreken, zijn bloed op, en zijne +gebaren schokten aleens zenuwachtig uiteen bij een woord, dat +hoofdzakelijk moest zijn. Hij meende Goedele's gedacht te boeien. Hij +merkte hoe zij hem nu nakeek, hoe hare oogen roerloos op zijn gelaat +zich vestigden. Hij wendde zijne blikken af en staarde gedwongen naar de +poedelhondjes, die op 't vensterblad pronkten, maar innerlijk was hij +tevreden dat zij hem in zijn rede zoo nauwkeurig volgen wou.... + +Tot ze hem meteen het woord afnam: + +--Is dàt uw werk? + +Ze hoorde zelf, hoe koud haar gezegde klonk. Hij zweeg een oogenblik: +'t was of met een ruk de poedelhondjes waren opgesprongen. Hij bleef +beteuterd, vernederd zitten. Goedele, eerst verwonderd dat haar uitval +zoo pijnlijk was geworden, wilde niet meer wijken, en koppig dreef ze +door, slaande op elken zin, om zich op te hitsen. + +--Is dàt uw doode werk?... En zal ik leven in 't bijzijn van al die +schimmen? Zult genievers een woord vinden, dan om die oude namen tot +levende gepeinzen herop te wekken?... Maar voelt ge niet dat ik +uitkwijnen moet in dien fantastischen rommel, in die beschimmelingen +zonder kleur noch gedaante?... Ik weet niet, wat ik noodig hebbe. 't Is +mij te onduidelijk, omdat ik ziek wordt stilaan. Maar mijne armen, mijne +handen, mijn nekke dien'k plooien moet, mijn gansche lijf wil lucht en +beweging. Van wat is en voelbaar is, wil ik genieten.... Ik vraag het +mij dagelijks af: 'k betaste mij en 'k vrage ... waar 'k zeer heb, waar +ge mij zeer doet, gij allen, die niet leven wilt!... + +Ze stond rechte, lengde zich uit, groot wordend en hare sterkte +uitspreidend om haar. + +--Mijn vleesch is struisch--maar binnenwaarts zegeviert de pijne. Ge +martelt mij aldus, ge nijpt mijn herte thoope in enge banden van koud +metaal. Waarom is alles dood wat ge mij te geven hebt? Waarom en toets +ik niets dan doode dingen, allentwege doode dingen? Hebt gijlie geen +polslag? hebt gijlie geen warme handen? hebt gijlie geen voelenden +geest? + +--Goedele! + +Hij vatte haar bij den arm. Hij was gekrenkt. Hij zei kort, met bevende +lippen: + +--Dat is slecht, wat ge doet. + +--Slecht?... Maar mijn hoofd berst en breekt. Wat hebbe'k miszeid? Mijn +hoofd is een zware kasse, en 't weegt me, 't weegt me zoo pijnlijk. Wat +draag ik daar al niet in, sinds jaren opgeraapt tallenkant! Die muren +hier folteren mij. Ge zult mijn man worden. Mag ik me niet ontlasten bij +u? Moet ik de sterkste zijn, en ben ik slecht, omdat ik u een part geef +van 't schrikkelijk gewichte? Ik wil niet meer leven alzoo. In dees huis +ben ik onvolledig en voel ik nood. Gij zijt gekomen. Gij zegt dat gij me +lief hebt.... + +Ze werd gewaar dat hare stem zeeg en te trillen begon; ze hief hare kin +omhoog en rok haren hals uit. Ze wilde hare woorden niet belijden, ze +zoo maar uitspreken, zonder dat ze een smertelijke herinnering opwekken +mochten. + +--Dat ge ... mij lief hebt ... ja. Leef nu! Doe niet mee met de doening +van heel dees huisgezin. Kijk rond u.... Vader speelt met popjes. +Grootvader is een roerende schaduw. Moeder ... och, moeder ... +Sebastiaan ... is me vaak lijk een noodlottige figure, gaande in steenen +stilzwijgendheid.... En gij nu nog vingert in een vunzig verleden.... Is +zóo de wereld, zóo de menschelijkheid?... Ik weet niet meer, ik twijfel +en ik lijd: ben ik abnormaal? + +Ze dwong stille haren arm los. + +--Ben ik buiten nature, en gijlie te zaam, leeft gij waarachtig naar 't +gebod van uw wezen? Ik word onzeker. Ik haper in mijn gepeinzen. Ik +bekijk alles te vergeeft ... te vergeeft, want uw aller zicht drijft me +slechts tot opstand.... En dulden wil ik, verdraagzaam, gedwee ... en ik +ween als ik eenzaam zit--Mocht ik dat alles ú niet zeggen? + +Hij lei zijn magere handen, in blank gebaar, over zijn aangezicht en +liet ze erover trage neerwaarts zijgen. Hij sloot zijn oogen en verdroeg +een oogenblik de stilte. Dan sprak hij met veel droefenis en zijne +woorden, onderbroken bij poozen door onregelmatige zuchten, kregen in 't +luisterend geluchte, na 't verwilderd krijten van Goedele, een ongemeen +belang. Hij zei dat ze hem diepe pijn veroorzaakte, dat hij haar liefhad +boven al wat hem anderszins lief was, en dat hij zou ommekeeren in zijne +levensbaan, als het haar zoet mocht zijn. Hij kon niet nalaten, ook op +dezen stond van waarlijke smert, zijn gezegden te meten en schoon te +sieren in passende golvingen. Hij beluisterde zijn eigen. Hij vroeg: + +--Wat moet ik doen? Ge hebt mij zeer gedaan.... + +Ze viel terug neer op haren stoel, afgemat, en haar gemoed kwam vol. +Ze stortte dan voorwaarts op de tafel en begon te snikken. Ze voelde +Sebastiaan's vingeren streelend over hare schouders gaan en hoorde hoe +hij daarbinst haar troostte met schoone uitdrukkingen. Ze jammerde dat +hij haar vergeven moest, dat ze koortsig was en hem wel geerne bij haar +had, dat hij goed was voor haar en niet hoefde te veranderen ... dat zij +de schuld was van haar gemaakte wee, door haar wrevelige zenuwen, door +hare lichtzinnigheid, door hare vreesachtige zwakte. + +--Ge moogt niets zeggen hiervan aan moeder.... 'k ben ziek, ik verzeker +u. Ik ben onrustig en hebbe sinds gisteren hoofdpijn--slagen in de +hersens. + +Ze huilde en haar gansche lijf schokte op. Ze wilde niet kijken naar +Sebastiaan. Ze bleef liggen; haar gelaat dook weg in hare saamgebrachte +armen. + +--'t Is best ... dat moeder niets weet ... getweeën zullen we 't +gemakkelijker ... vergeten.... + +Maar moeder stond al in 't deurgat. Haar stevig aangezicht rees bleek op +uit de gapende donkerte, en 't licht kletste open op haar voorhoofd. Ze +tort naar voren. Hoe dof ook hare stappen smoorden over het dichte +tapijtsel, toch voelde meteen Goedele hare aanwezigheid. Ze sidderde en +haar asem bleef hangen in hare keel. Hare vroegere vreezen bevingen haar +op een nieuw en verlamden hare spieren. Ze dierf moeder's blikken niet +taken met haren blik. Ze wachtte. + +--Ik mag u ook wel troosten, mijn kind, zei Ursule met effen +bedaardheid.--Ze kwam naderbij, ging de tafel rond en schudde onderwege +Albien, die seffens rechtsprong en kinderlijk-benauwd daar te gapen +bleef. Ze stond nu in de volle klaarte. Ze was uitermatelijk groot en +meesteresse. Ze wenkte met hare hand ten teeken dat mijnheer Wilder zich +verwijderen mocht, onverwijld, en, als hij sprakeloos wegdrummelde, keek +ze rustig naar haar zakuurwerk. Men hoorde rijzekens het horloge tikken. +Ze sprak: + +--Het alkoollampje brandt nutteloos. + +Ze ging het uitdooven. Ze nam de sigaar op, die uit Albien's vingeren +geglibberd was, en blies de assche uiteen langs het tafellaken. Met +streelende zachtheid boog ze zich over Goedele en vroeg wat er deerde. + +--Ge moogt u niet ophitsen en schadelijke gepeinzen voeden. Wilt ge een +druppelken munte? + +--Danke, moeder ... ik ben ongemakkelijk, ik lust niets ... 't zal +geleidelijk overgaan. + +--Dat meen ik ook ... Mogen wij u morgen verwachten, Sebastiaan? + +Hij stond seffens recht en beloofde dat hij stellig komen zou. + +--'t Wordt nu late, voegde hij erbij, wel een endeken vernederd, omdat +zij hem zoo dadelijk wegzond. Hij was echter min in zijn schik nu en +vond het om dieswille niet onpasselijk, dat hij vertrekken mocht. Hij +wist niet wat zijne houding zijn moest. Hij zou morgen meer weten. + +Goedele droogde hare oogen en bracht hem zijn overjas en zijn hoed. +Niemand sprak daarbinst. Gedurig heerschte de wegende stilte. Op +elkendeen's lippen lag een onbeduidend gezegde, dat iets verroeren zou +in 't geluchte en een beetje rustigheid stichten, een beetje +verstrooidheid te gelijk.... Naar niemand en dierf noch en sprak. Men +haastte zich, in schijn onachtzaam en lui zich toonend, en de leegte die +overal was, werd onverdraaglijk.... + +Sebastiaan vertrok. + +Ursule kwam vóór Goedele staan en kruiste hare armen over hare borst. + +Ze beet haar toe: + +--Kijk òp! + +Ze wilde in de hersens wroeten van haar onwillig kind en tusschen hare +tanden heen sisten hare woorden. + +--Wat zijt ge van zin?... Ik vraag u--wat zijt ge van zin? ... Kijk òp, +zegge 'k. Wat zijt ge van zin.... Laat me zien in uwe oogen. En duik uw +voorhoofd niet.... Op! wat is er? + +Ze bukte zich en stiet haar kinne naar voren, en een rimpel duwde de +hoeken van haren mond neerwaarts. + +--'t Wordt tijd dat ik het weet.... Nu zal ik alzoo gesteend en +gejammerd hebben om 't kwade gedrag van Romaan; nu zal ik alleen zijn +rechte gebleven om de hoop, die ik stelde in u ... en nu zoudt ge 't +leste gebouw omverre storten? + +Ze sloeg haar hoofd met een snok achterover, en stond daar een oogenblik +met hatelijke blikken en dichtbeloken lippen, zich in te houden precies, +om geen uiterst geweld te zeggen. Dan schoot ze uit, lijk een razende, +onbeteugeld en afgrijslijk. + +--'t En zal!... Hoe gij 't ook draait of keert, hoe oolijk gij 't +aanlegt, hoort ge?--'t En zal! Ik zal u vasterijgen.... Ik zal u +vasteketenen.... Ik zal u dwingen tot eerbied voor mijn wil.... Luister +goed--ik heb mijn leven lang gezwoegd en geslaafd om geld ... met mijne +vingeren, tot mijn nagels sleten ... en tot de nacht al verre was ... en +van heel vroeg in den morgen ... om geld.... Dat geld zou vruchtbaar +zijn. Luister goed: ik wil dat het vruchtbaar zij ... ik wil dat nog +zien om mijn ouderdom blij te maken.... Romaan heeft mij verraden ... +die laf hertig is en liever zijn moeder beleedigt ... dan zijn +slette.... Maar gij, ik zegge 't u, wees voorzichtig.... Ho! Ho! ik +zegge 't u.... Rechtgaan ... de weg is dáar--ik heb hem u gewezen.... + +Ze merkte nu hoe Goedele, eerst verschrikt, zich allangerhand hervatte +en tot bezinning kwam, hoe zij zich tegenwoordig rustig neerzette en al +die harde woorden zonder aandoening liet wegslibberen, zijwaarts. Een +onzeglijke woede verdonkerde haar aangezicht en vierkantig viel haar +mond open. + +--Haâ-aâ-aâ.... + +Maar ze wrong hare kaken regelmatig thoope en zweeg. Vluggelings begreep +ze dat het dwaas was met koppigheid tegen Goedele's koppigheid aan te +stooten, en hare gewone sluwheid dook op, almachtig. Hare minste gebaren +werden lijk te voren berekend en geleid, en hare gramschap liet ze +meteen wegvallen in een diepen zucht: + +--Och, Heere-lief!... + +Ze zakte naderhand ineen op een stoel, vouwde stille hare handen over +haren schoot, en, haar voorhoofd neerbuigend, staarde in droef gepeins +op 't gebloemte van het tapijt. Ze bleef een stonde sprakeloos en daar +zeeg over heur gelaat een groote droefenis. Met een ontroerde stemme zei +ze: + +--Ik heb ongelijk.... Ik voel dat ik niet wel ben.... Ik had u dat +anders moeten zeggen ... niet zoo brutaal, mijn kind ... maar ik ben +niet wel, zekerlijk.... Ik ben koortsig. Ge moogt die leelijke dingen +... daar even ... niet kwalijk opnemen. Ik heb u lief, ik wil uw +geluk.... + +--Ik ben niet gelukkig. + +--Ja ... daarom wil ik zoo hardnekkig uw geluk. Ik mag u niet laten +onzinnig zijn. Ik moet u leiden, ik moet u doen opgaan ... naar dat +later geluk.... Wat scheelt er?... Ge vindt het hier eng. Ge moet u +opbeuren. Het is hier niet eng. Wat scheelt er? Ge beeldt u dat allemaal +in, omdat ge te veel alleene zit. Ge timmert al die akeligheden op, in +uwe eenzaamheid.... Laat Bella hier komen!... na het diner ... 's +avonds, en praat wat, zing wat.... + +--Bella moet hier niet komen. + +--Laat Sebastiaan alle dagen zijn bezoek doen!... na het diner ... dat +deert immers niet! + +--Dat deert mij.... Kijk! Ik ben weer kalm. Alles kan gerust blijven +zooals vroeger. Maak u niet meer lastig om mijnentwille nu, moeder.... + +--Denk ook een beetje aan mij, Goedele ... zult ge? + +--Ik denk aan u.... + +--En beloof me dat ge braaf zult blijven.... Wel! Wel! een mensch heeft +al heel veel harde dingen voor in zijn leven ... hij mag niet zoo dwaas +zijn en kleine vervelingen opketsen tot smetten! Geef me een zoen.... + +Goedele stond recht en ging Ursule kussen op haar voorhoofd. Ze keerde +zich daarna langzaam omme en vertrok. Even bleef ze stille in 't +deurgat. + +--Goeien avond. + +Ze tort de trap op. + +--Goeien avond, antwoordde Ursule. + +Tot ze, dan boven, Goedele's kamerdeur hoorde sluiten, zat mevrouw +Wilder onbeweeglijk vóor zich uit te kijken, zonder zien. De zoetigheid, +die zij om haren mond geleid had, viel meteen en haar bloed sprong in +een machtige geute naar heur slapen. Ze hief haar vuist omhooge en liet +ze met een forsig gezwaai neerploffen op het tafelberd. Een koffiekopje +joepte kantewaarts rinkelend omme en, over het witte laken, spreidde een +bruine vlek, die geleidelijk openging.... + +In de voorkamer stond Rik, en hij lachte stillekens, een diepe leute +gevoelend, zóo op een keer. + + + + * * * * * + + + +VI. + + +Goedele, als ze op hare kamer kwam, stak haar nachtlichtje aan en ging +neerzitten bij 't venster. De tuin was in dichte donkerte gezonken. +'t Had al gesmokkeld in den avond, en nu begon het te regenen. Tegen de +ruiten sloegen de druppels, menig en leuterig, aldus een tokkelveuzeken +makend, dat eentonig en klagend was. Altemets vulde de wind zijn +zoevende flanken en dan roefelde de volle vlage ineens langs het raam. +Andermaal was 't weer zoete, en de regen trippelde in gelijke maten, zoo +smertelijk van zin, dat Goedele om haar herte een endelooze droefenis +voelde, die in warme aandoening opjoeg, kriebelend binnen hare oogen. +Ze zat in hare schoone eenzaamheid den dag te overpeinzen, die verleden +was. Ze herdichtte den pronten morgen, vol zonne en klare droogte, de +levende stad, het levende volk daar krioelend langs luidelijke straten, +al het geruchte, dat deugddoende was, en dan, bij Romaan en Madeleen, +de vrije, heldere huiselijkheid. Ze zag Wiezeken; ze had Wiezeken danig +lief. Ze voelde hoe vol leven ook dit huis ginder was, met dat heel +zieke kindeken, en hoe dood die muren hier, die zoldering, die heele +monsterachtige doening van kouden steen. Ze voelde 't overal. Ze krinste +met hare schouders en bibberde van de killigheid die hier tallenkante +blijvende was ... en ze keek seffens naar de duisternis, den nacht in +den hof, om los te geraken met nieuwe gedachten, die klaarten brengen +moest in haar hoofd. Al wat ze hier met hare zinnen toetste, was haar +eene vernedering en woog op hare hersens. + +De regen klabbetterde welluidend voort. Van tijd was 't of hij wegdropte +en 't geluchte binstdien leeg en open aan 't worden was; de ruiten +bleven ongetaakt ... een stondeken ... maar opnieuw vingerde 't natte +weer algauw, en 't werd een reesem rappe geluiden, zich haastend om de +stilte in te winnen. En Goedele onderging den invloed van dezen +trippelzang, en langzaam baadde haar gansche lijf-en-ziele in 't zoete +gerucht, dat rijzende of zijgende ging. Ze bepeinsde zich en wroette in +haar binnenste, en legde somtijds een gevoel vaste, dat overanderlijk +blijven zou. Nadien was ze bezig met Ameye. Ze had bewondering voor zijn +groote figure--dien hoogen man met een sterk gezichte en een breede +borst. Ze zag nog duidelijk zijne witte handen: ze konden zoo struisch +een gebaar teekenen, en de vingeren gingen dan allen zaam en vouwden +zich thoope of rokken zich uit. 't Waren, lijk woorden, heldere +gezegden. Ze dacht: + +--Maar hij sprak zoo gek! + +Ze maakte zich met moeite wijs dat hij een grove lummel was en wellicht +brutaal moest wezen. Naderhand was ze zeker dat hij een drinkebroer of +een nachtraaf was. + +--Hij loopt in kroegjes.... + +Ze herkende het aan zijne goedzakkige manieren en aan de moeheid die +soms zoo zoetig zijne blikken maakte. Ze veronderstelde dat hij met +lichte meiskes omging. + +--De stad is zoo vol daarvan! + +Doch allicht veranderde ze van oordeel: 't was dan een "blasé", een +ontgoocheld wezen, een kalme ziender van andermans leed en plezier--een +zonder doel en zonder verlangen, zonder drift ... ontzenuwd.... Ze had +gewild dat hij anders was. Romaan, zoo gauw begeesterd en zoo gauw +verslagen, had ze lief. Ze wou een man treffen, die op haar broeder +geleek. 't En duurde maar een vlage van den regen, en ze vond dat Romaan +in den grond een zwakkeling was.... + +Ze hoorde moeder slapen gaan, en naderhand Rik, en bleef nog turen aan +'t venster. De tijd verstreek langzaam, en 't was haar of zij 't niet +tasten kon: de ure bleef stille, alles hing in verwachting, zonder angst +noch ongeduur. Bijwijlen steeg in de boomen de asem van den wind, en +rijzekens werd ze den gang gewaar der stonden, die overhand wegzijpelden +in 't verleden, achterwaarts. + +De volle nacht, geheimzinnig en zwijgend en roerloos, begon in huis.... + +Maar meteen merkte Goedele een varende klaarte in bewegende vlekken +loopende van heester tot heester over den hof, dichtbij de woonste. 't +Was wel iemand, die in de eetzaal was en licht maakte en ermee, langs de +voorkamer wandelde, zoodat de teekening der ruiten laaierig in den tuin +zich openbreidde. Ze werd bang. Elkendeen was te bedde, of ... was Marie +in de keuken gebleven? + +--Maar wat verricht Marie in de eetplaats? + +Ze herinnerde zich dat ze ook Marie had hooren opgaan, naar hare kamer. +Het licht verdween. Voorzichtig tort iemand langs de trap naar boven, +en ging Goedele's deure voorbij: door de splete herkende zij Rik. Hij +stapte gebukt door en trachtte 't gestraal der keerse, die hij droeg, +met vreesachtige vingeren weg te bergen. Ze hoorde dat hij de leege +zalen binnenging. + +Deze leege zalen bezocht nooit iemand. Om de maand werden ze +schoongeschuurd en verlucht. Goedele had ze altijd met benauwdheid +genaderd, omdat hier, tusschen die papieren behangsels met gulden wapens +en heraldieke leeuwen nog precies heerschte de geest van den ouden +markies. Rik had dikwijls daarover zitten mompelen en beweerde dat hij +ten twaalve al eens een spook had zien rondwaren, om de vensters. Ze +hechtte nooit geloof aan Rik zijn gekke gezegden; hij was gestadig bezig +met schimmen en bange verschijningen en zeemeerminnen, en ze wist wel +dat dit al maar ziekelijke verzinsels waren, die hij broeide in zijn +ouden kop. Ze vond het nu echter danig zonderling, dat hijzelf, zonder +aarzeling, in de leege kamers drong. Ze ontsloot stille hare deur, liet +hare sloffen op den drempel en tort kousevoets in den gang. De eerste +zaal was leeg en de daaropvolgende ook. Van hier bemerkte ze 't +keerselicht dat op de muren danste, in de vierde. Voorzichtig naderde +ze, sloop langs de donkerte der hoeken naar voren, tot ze zien kon wat +er gebeurde. Ze bleef staan en hield haren asem op om geen 't minste +geruchte te maken, en ze keek verwonderd toe. + +Rik had zijn keersepan neergezet op 't roode plankierken, nabij den +schoorsteen. Hij knielde en boog zijn krommen rugge en maakte in de +schouwe een planke los. Hij tastte dan in de holte, en op zijn +aangezicht kwam seffens een groote blijdschap. + +--Ze zijn er nog! mompelde hij. + +Hij trok een blauw zakje te voorschijn en lei 't neere voor hem, en nam +vervolgens nog een grooter zakje, in getafeld linnen, en lei 't nevens +'t andere. Hij bekeek ze dan allebei met troetelende oogen, en zijn +tonge sleerde tweemaal over zijn lippen ten teeken dat hij tegenwoordig +gelukkig was. Hij ontknoopte zijn jas en over zijn beenen heen zeeg het +ivoren kistje, dat Sebastiaan aan moeder ten geschenke gegeven had. +Juist bij tijde kon hij 't grabbelen, en een subiete warmte schoot op +naar zijne wangen, bij 't gedacht dat het in zijn val op den vloer groot +gedruisch hadde gemaakt. Hij keek onwillekeurig omme, en Goedele zag +zijn oogen van schrik openstarren en zijn neuze, langgeworden, over zijn +mond een schaduw leggen, lijk een bange holte. Hij bukte zich opnieuw. +Hij ontsloot het getafeld zakje en goot in het kistje, profijtelijk om +niet de stilte te storen, den rinkelenden inhoud. 't Waren koperen en +zilveren muntstukken en allerlei kleine dingen van stoffelijke weerde: +gulden franjen, oude knoopen, kragen en borduursels van +marine-officiers, allerlei metalen platen en rondekens, schitterende +gesteenten. Goedele herkende in den kostelijken schat een duurbaren +halsband van peerlen en koralen stekjes met onderaan een schoon geel +kruis. Ze had het juweel overjaar verloren, meende ze. Ze merkte nog een +paar ringen, die Sebastiaan peinsde te zijn zoek geraakt bij de pompe, +een dag in den Zomer, als hij moegetennist was en zijn handen wou +wasschen. Vele kleinoodiën lagen daar ondereen in wanorde. Rik wroette +met zijne vingeren erin en stak zijn kinne uit naar voren, en neep zijne +oogen dichte om diepe zijn wellust te voelen. Hij scharrelde in de +schitterende gesteenten, hij streelde langzaam dien overvloed van +weelde, peuterde om robijnen en diamanten, bepootelde de zware +kettingen, zich deugddoende aan zijn tastelijk eigendom. Zijn lippen +hergingen bijwijlen. Hij reutelde, zingend zoetekens: + +--Al 't mijne ... àl 't mijne.... + +En zijn hoofd bijsde overentweer, op mate van het durend gedoe zijner +handen. Hij ontbond naderhand de snoeren van het kleine zakje, bracht de +keersepanne dichterbij, zoodat het vlammeken meteen wispelturig al links +en al rechts wiegde, en Rik zijn ronde schaduwe op den muur, over de +zoldering, tallenkante te dansen begon. Hij schudde 't zakje leeg in +zijn zijden klakke, die hij vóór zijn knieën neergelegd had. 't Waren al +goudstukken, groote en kleine dooreen, en ze belden wel een oogenblik in +de ruimte, maar zwegen seffens als ze dof in de klakke sleerden. En Rik +zijn hoofd gloeide stilaan van ongemeene koortse, en zijne vingeren, die +weer aan 't schefferen waren in dien rijkdom, bibberden van +ongeduldigheid. En hij lispelde: + +--Al 't mijne.... + +Hij sprong meteen op en zijn gelaat werd wild, ruw, wreedaardig. Goedele +vreesde dat hij haar bemerken zou. Hij bleef rondkijken, en trok +geweldig zijn asem op langs zijn neuze, alsof hij een ongewonen reuk +opsnoof en weten wilde.... Hij tort naar een der vensters en keek door +een splete der luiken de donkerte in van den nacht. Hij zakte nadien +ineen op den grond, lengde zich uit en sloot zijn oor aan tegen den +vloer. Hij kroop seffens rechte en stond op een nieuw te staren en te +luisteren. Dan blikte hij neerwaarts op het volle kistje en de volle +klakke, en zijne armen gingen van weerskanten in liefderijke bewondering +omhoog. + +--Al 't mijne.... + +Zijn lijf rilde en zijn beenderen konden niet stille staan. Het +keerselicht klaterde in 't stralende goud en druppelde in 't geperel der +juweelen. Hij trippelde errond, en 't was of hij dansen wilde en maar +niet in kadense geraken kon. Zijne knieën kluppelden tegeneen aan en +zijne hielen wendden en keerden zich waaiewijs omme. Hij was vier, vijf +maal tewege neer te hurken en zijne handen reikten subiet naar die +schitteringe daar--en dadelijk sloeg zijn rugge opwaarts en hij huppelde +her en rond, lijk te voren.... + +Aldoor heviger schokten zijne schouders. Zijne blikken werden lijk staal +zoo puntig, en zijn mond, neerplooiend, viel in stuipachtige snokjes +scheef. Langs zijne slapen zijpelde een overdadig zweet, en zijne haren +plekten toe in natte strengen, van weerskanten. En hij hakkelde schor: + +--Al ... al ... 't mij-ij ... ne ... á-á-ál.... + +Tot hij tegen den schoorsteen aanstruikelde, zich koortsig aan 't +marmeren schouwblad vastklampte, en langzaam neerviel, een +thoopezinkende klodde gelijk. Hij zat een oogenblik te hijgen belook +zijne wimpers, en zijn aangezicht, nu regelmatig en drifteloos, werd +uitermatelijk bleek.... + +Met een ruk rok hij zijnen hals uit en staroogde, benauwd en verwilderd +om zich heen. Maar fluks glimlachte hij en kroop over den vloer tot hij +'t kistje en de klakke taken kon. Haastig dook hij weer alles weg, en +schoof de plank over de heimelijke holte, binstdien nog zuchtend, alsof +hij spijt had dat hij op een ende toch weg moest van hier. + +--Wel! wel! pruttelde hij binnensmonds, Ursule ... gij onnoozele.... + +Goedele ijlde vluggelings naar heur kamer terug en zakte ontzet neer op +een stoel. Ze kon rijzekens hare gedachten bijeenrapen en voelde een +zeerdoende moeheid in hare beenen. Ze kon 't niet gelooven, wat zij +gezien had, en ze was danig ongerust, niet begrijpende die schrikkelijke +doening van Grootvader. De eenzaamheid werd haar onuitstaanbaar en haar +herte klopte om te breken. Ze vatte haar hoofd in beide hare handen. + +--'k Hebbe zoo'n pijn!... + +Ze meende dat hare hersens uiteenspatten zouden. In haar nekke vliemde +een borende smette en tot door hare lenden woog haar onverdragelijk +leed. Ze vroeg zich af: + +--Wat is 't? + +Zij en vatte niets. Zij en kon hare zinnen niet bijhouden. Ze zag +gedurig Rik zijn verwrongen gelaat, en de keerse, die er witte vlekken +op kletste. Ze wilde slapen en alles licht opnemen, lijk een gewone +gebeurtenis. Maar gestadig werkten hare teugellooze gepeinzen, +slingerden dooreen in haren kop, snokten en klopten tegen haren schedel +daarboven. En 't geluchte werd endeloos bang. + +Ze ontkleedde zich spoedig, kroop in haar bedde, blies het nachtlichtje +uit ... De donkerte spookte om haar; daar waarden heimelijke wolken in +de kamer. Ze moest seffens het lamplichtje weer aansteken, en dook zich +onder de dekens, drong huiverig ineen, hare knieën saambrengend in hare +armen. Het huis werd haar nu een schrikkelijke woonste en ze blikte met +afgrijzen in de toekomst. Ze herinnerde zich nog goed den koffiehandel +en den onverpoosden ijver van moeder. Ze wist dat moeder van nederige +afkomste was, dat grootvader op vischvangst leefde. Hoe was zoo gauw de +groote rijkdom gekomen? In een flikkering zag ze de gouden galonnen van +marine-officiers uit het getafeld zakje rollen. Ze dorst niet verder +denken. Ze neep met geweld hare oogen dicht en wilde op andere dingen +peinzen. Maar ze kon niet buiten het huis geraken, buiten dees huis van +gevaarlijke geheimzinnigheid, buiten deze knellende muren, en die deuren +allemaal.... + +--Is mijn deure goed vaste? + +Ze stapte uit haar bedde en ging de klinke herdraaien, om zeker te zijn. +Ze kroop bibberend onder de sargie. Ze dacht: hoe gelukkig is Romaan ... +en Madeleen ... en tante Olympe.... Ze zou alles aan Romaan vertellen, +hem raad vragen. Ze wist zelve geen raad. + +--Johannes zal meehelpen ... om raad.... + +Ze voelde Ameye nu van dichtebij: 't en was geen vreemdeling meer. Ze +verwonderde zich niet dat ze zoo plotselings zijn naam hoorde in haar, +en zij en schaamde zich ook niet daarover. Al wat hier bestond, had zich +meteen van haar verwijderd, en wat buiten het hekken leefde naderde tot +haar. Ze voelde nievers zoo pijnlijk eene vreemdte dan hier. Ameye was +een vriend. + +Geleidelijk voortmijmerend, kon ze op een ende 't zicht van dees +misdadig huis verlaten; ze sliep, oververmoeid, in en droomde van den +markies, van zijn zonderlinge gewoonten, van zijn wapens met kronen en +klauwende leeuwen.... en ze vond het zoo plezierig dat hij een pruike +droeg en dat het witte steertje, ommekrullend, daar boven zijn krage +gestadig met een gele lintje aan 't vlaggelen was.... + +Heel late in den morgen werd ze wakker. Ze was gestild. Ze herinnerde +zich seffens wat er gebeurd was, en 't en wekte in haar geen +buitengemeene aandoening. Hare gedachten waren verdraaid naar nieuwe +richtingen: ze had, docht haar, deze leelijkheid al lange aangenomen. +Als ze in de eetkamer binnenkwam, zag ze Ursule heel bleek en +thoopegedrongen in een leunstoel zitten. + +--Zijt ge ziek, moeder? vroeg ze. + +Ursule begon seffens te klagen en te jammeren: zij en had van den +ganschen nacht geen gebenedijd ooge dichte gekregen, en dezen uchtend +was ze opgestaan met een kwalijke slapte in de beenen. + +--'t Is of het rheumathiek ware.... + +En dan moest ze subiet hijgen, bij haar minste gedoe was ze afgemat; ze +was met groote moeite alleen beneden geraakt. En dan hadden ze haar nog +gefolterd. + +--Gefolterd ... wie? + +--'k Hebbe Marie weggezonden ... al dieveggen, die 'n mensch uit +medelijden van de strate raapt.... + +--Zoo dan terug op strate gesmeten? + +--Ze heeft me brutaal geantwoord.... Ze heeft geweigerd mij een +hoofdkussen te halen ... dat heeft ze. + +Op de trap hoorde Goedele een stille gesnik en dadelijk daarop een ruw +gemompel van Grootvader. + +--Toe-de ... toe-de ... ronkte Rik ... gij leelijke kerte ... en kus uw +handje ... dat ge er zoo zoetekens van af komt.... + +De deur in de voorkamer werd met een ruk toegesmeten, en nadien piepte +'t zware hekken. + +--Ze is weg, zei Ursule. + +Ze dorst niet spreken van het ivoren kistje dat haar ontstolen +was--Marie was een dievegge--en ze herkloeg met gelijke woorden over +haar leed: de pijne zonk tot in hare lenden en straalde van daar uit in +gansch haar lijf, en bijwijlen had ze een hevigen harteklop--haar kele +stropte toe en 't was alsof ze niet meer asemen zou. + +--En die rheumatiek daarenboven.... + +--Ge moet den dokter halen. + +--Och! Och!... + +Ze haalde de dokters alleen op 't laatste oogenblik, als geen andere +doening meer helpen kon. Ze was overtuigd dat de dokters prutsen, tot ze +de menschen voor goed ziek krijgen, en dat ze best later maar kwamen. +Toen ze, na Romaan zijn vlucht van huis, te bedde lag en endelijk den +dokter bij haar liet roepen, en dan hoorde van hem hoe ze in der +waarheid gevaarlijk ziek was, had ze werkelijk deugd, altijd maar +vreezende te voren, dat haar kwale slechts een tijdelijke +onpasselijkheid zou zijn. Ze wilde nu niet luisteren naar Goedele. Ze +liet zich gewillig pramen, oolijk-tevreden om Goedele's aandringende +deernis. Ze keek diep-mijmerende naar 't onbijt van hare dochter en +legde in hare oogen een geveinsde droefheid. Ze tuurde sprakeloos naar +de koffiekanne en het tinnen melkpotje en de witte teelkens en +koppekens, die daar ondereen in 't noesche licht te klateren stonden--en +naar Goedele's vingeren, die verduldig werkzaam waren eromme. Ze liet +een peinzende stilte vallen en wachtte tot het geluchte langs hare +woorden voordeelig werd. En ze herbegon dan vage dingen te zeggen, al +treurende, op een moeden toon en met slepende stemgolvingen. Ze sprak +van haar verleden, van ijverige tijden, tijden van duurbaar werk, van +voortdurend zwoegen. + +--Ho! ik hebbe gezwoegd!... + +Ze volendde eentonig hare klagementen en vroeg dan met spijtige +gezegden, wat zij voor zooveel slaafsch gedoe verwachten mocht. Ze +zanikte zoo. Ze werd het zelf gewaar hoe vervelend ze werd, en ze was +dan boos op haar eigen. Ze loerde zijlings naar Goedele, merkte hoe +rustig ze voortdeed met haar ontbijt, hoe ze soms weggeraakte met hare +gedachten en niet meer luisterde. Ze sprak luider, al op eens een vrage +doende om Goedele weer tot zich te trekken: + +--Wat is mijne belooninge? + +Goedele schrikte even op en boog subiet haar hoofd. + +--Wel ... moeder.... + +En Ursule jammerde verder, al voelde ze dat ze hare dochter maar niet +taken kon, niet vatten met iets. Wantrouwig meende ze nu dat Goedele +verdoken geheimen had, verdoken inzichten. Ze folterde haren geest met +nieuwe oolijkheid, aldoor tuk op versche subtiliteiten. + +En Goedele bleef sprakeloos. + +Rik tort binnen. Hij zei: + +--'k Hebbe ze op strate gegooid. + +Hij lachte met wel genoegen en wreef zijne handen overeen en zette zich +bij 't vuur te warmen. Hij schudde zijnen kop, ten teeken dat hij in +zijn geest aan 't redeneeren was, en hij deed zijne knieën tegeneen +knokkelen, in koortsige vroolijkheid. + +--Ze dorst nog weenen, de valsche leegloopster! + +'t Walgde Goedele. Ze stond recht en keek naar 't horloge, lijk iemand +die op de ure wacht om heen te gaan. Ursule bemerkte 't seffens. + +--Vertrekt ge? + +--Wiezeken bezoeken.... + +--'t Is half-elf. + +--'k Ben gauw terug ... rijzekens hooren hoe 't is ... daar ginder.... + +Rik lachte meteen luidop, en Goedele kreeg een pijnlijker stoot in haar +herte. Maar zij en keerde zich niet omme en ging zich aankleeden, +verlangend om weg te zijn van hier, waar nievers een gezellige warmte +komen wou.... + +Buiten voelde ze opnieuw haar lijf in vrije lustigheid, en algauw +verdreef ze uit haar hoofd de lastige gedachten, die daar woonden. 't +Was alsof zij zich op den drempel ontdeed van al wat binnen den huize +haar wrevelig miek. Ze haastte zich tot ze buiten bereik was, tot ze de +stille strate verlaten had en baden kon in 't gejoel der lawaaierige +stad. + +De regen had de steenen klaar gekletst en, bij plaatsen, speelde de dag +er met lichtende vlekken. De hemel bleef grijs en beloken, maar +zilverige tinten liepen er, ten teeken dat bovenwaarts de zonne aanwezig +en klaterend was. De huizen, in vlakke reken van weerskanten, zonder +zichtbaar dak en zonder wispelturigen gevel, stonden omhuld in vale +verven. De vensters waren holten rotewijs geschikt en de deuren, +tallenkante op eender hoogte, legden gelijke, donkerten er onder. De +drempels bleven zwijgend: geen troppels kinderen of kijvende vrouwen +waren eromme levend, lijk in 't zomertij of in de voorjaarszoelte. De +herbergen waren ruchtig en de winkels. Er roerde haastig volk. + +Goedele deed seffens mee met het rumoer; ze voelde zich wegsmelten in 't +gedruisch, dat ronkte om haar, en zij en was geen eenigheid meer in de +woeling der bezorgde menschen. Ze liet zich beïnvloeden, ze liet zich +zwak worden, al-vergetend wat achterwege was, en nu een kinderlijk +belang stellend in de minste straatgebeurtenis. Ze huppelde door, +drentelend bij stonden, haperend aan schoone uitstallingen van +wintergoed. Ze dacht somtemets aan Romaan en Madeleen en het kindje. +Ze zou Wiezeken geerne wat lekkergoed meedragen en liep een bakkerijtje +binnen. Ze koos van ditte en van datte een pakje vol, en had een drollig +plezier in den naam van al deze snuisterijen. De bakker, een ronde man +met een zijpelend wezen en een neuze daar te midden, waar de teekening +der ruiten bijkans schitterwit op uitblonk, lichtte haar gulzig toe en +deed zijn beste moeite om zijn waar ordentelijk aan te prijzen. + +--Geen muntebollen, juffrouw? Geen lekkers op stokjes? Eerste klasse +juffrouw, en niet geverfd. + +Ze wees die gloedroode stampers af met een weigerend knikje. + +--Kletskoppen ... puur honing en een hemelsche bete, dat verzeker ik u. + +--Ja, dat wel. + +Ze keek in de wissen mandekens, die bij 't venster stonden, vol met +veranderlijke zoetigheid, en bloosde meteen als ze Ameye herkende, welke +vóor 't raam te wachten stond. Hij groette haar met een buigen van zijn +hoofd, en ze was daardoor subiet in de war. Ze werd ongedurig en wilde +maar dadelijk gedaan maken met den dikken bakker, die 't haar met zijn +uiterste vriendelijkheid lastig maakte. Hij moest zich spoeden. Ze +voelde eene wrevelige warmte naar heure slapen opschieten, als de brave +man, een guitig lachje zettend, gulhertig verklaarde dat hij _sito-sito_ +klaar zou geraken. + +--Even nog een koordeken--hier--met een strikje ... Zóo! + +Ze keerde zich fluks omme en hoorde hoe hij haar met dienstwillige +woorden achterna volgde, overdreven en stilspottend, alsof hare +aandoening belachelijk bloot lag op haar aangezicht: + +--Als 't u zal believen, juffrouw--tot een naaste keer.... Anders, +juffrouw, anders de klinke draaien ... zóo ... let op de trap ... +zóo.... danke wel! + +De deur viel toe achter haar en zij stond vlak vóor Ameye. Hij lachtte +en knikte, en prees de voorzienige stonde, die hem bij haar had +gebracht. Hij vroeg, in een vloed van hoffelijke woorden, hoe zij 't +maakte. De wolkenlaag in den hemel scheurde open en de zonne viel in +witte stralen tallenkant. Daar kwam een bedwelmende leutigheid in 't +geluchte. + +--Ik was naar uw broer tewege. + +--Ik óok, precies.... + +Ze zei 't gretig, met een dwaze haastigheid, die haar blozen deed. +Ze dierf er niet bijvoegen dat het wel meeviel, alzoo, en wist zelf een +beetje tegen te stribbelen, in schijnbare verlegenheid, als hij haar +voorstelde om saam de bane te doen. Ze kon echter niet weigeren en +verheugde zich om die onmogelijkheid. Hij moest niet lang aandringen. + +Ze praatten ondereen, gezellig, en 't en duurde maar weinigen tijd, eer +ze teenemaal vrij werden in hunne uitdrukkingen, los van alle gedwongen +beleefdheid. Hij sprak bijzonder zwaar, diep ernstig, en had altijd een +particulier zicht op de zaken. Ze voelde in hem een, die haar meester +was en waar ze leerlustig naar luisteren kon. Hij vatte het leven heel +breed op, heel menschelijk. Allerwege zag hij entwat, dat liefderijk was +en goedheid asemde. De menschen op strate, de peerden en de honden.... +Goedele keek ernaar, omdat hij er kon over klappen met zoo'n innigheid, +zoo'n belang. Hij groef in hare hersens diepe prenten, een nieuwe vizie +der dingen, en ze was nooit moe, ze hoorde hem aan met groote aandacht. + +De zonne bracht een spelend licht overal, lanterfantte langs de vele +ruiten, stortte met lustig gestraal, menig en rijkelijk, op de natte +steenen. Bij plaatsen was de hemel geheel en al blauw. 't Lawaai der +stad zwol op en het volk krioelde al thoope. Het docht Goedele dat er +veel kinder stemmekens tusschen stegen en tegelijk een schelle geklepper +deden omgaan, dat haar deugd deed. Ze werd vroolijk en antwoordde op +Ameye's grondige gezegden, met haar volle gemoed, en redeneerde met hem, +liet zich kwaadgezind omdat hij haar te vroeg gelijk gaf, en schaterde +het uit. Hij hoorde haar geerne bezig, voelde wel de nadering van deze +rijkbegaafde vrouw, en hij raadde hoe vernepen ze gehouden werd, +naarmate ze zich nu wild en begeesterd overgaf. + +Ze keken alles omme en na. Hij deed haar overal iets opmerken, dat ze +genoeglijk bezag, verwonderd dat zij zelve het niet merken kon. Vóor hen +stapte een heer met een macferlan en een dame in kostelijke kleeding. +De dame hing aan den arm van den heer, die groot en struisch was en +matelijk voorttort. Ze kon hem haast niet opvolgen, en drilde nevens +hem, altijd een stap te late. 't Was alsof ze getweeën kreeftsgewijs +doorgingen, allebei noesch weg. De dame deed den heer af en toe +stilblijven voor een modewinkel, en de heer haperde gewillig vóor de +uitstalling van een boekhandelaar. Ze zeiden maar luttele woorden. + +--Dat zijn brave getrouwde menschen, sprak Ameye. + +--Zoo verschillend van meeningen toch? + +--Ze geven malkander toe. Ze zijn redelijk. Zie! De heer kijkt naar de +illustratie van het uithangbord, binstdat de dame nauwkeurig de hoeden +beloert. Hij is verduldig. De dame zal straks verduldig zijn. + +--Maar dat is een zotte leven! meende Goedele. + +--Die menschen zijn getrouwd, zei Ameye. Hij liet haar naderhand vragen +wat hij omtrent het huwelijk dacht, en hij beweerde dat de beteekenis +van het huwelijk grootendeels in die boutade besloten lag. + +--Het huwelijk is wel een beetje onzedig. + +--Onzedig? + +--Maar een noodzakelijke instelling, die dan weinig te maken heeft met +wat we liefde noemen. De liefde kan in het huwelijk bestaan, en heel +vaak slijt eruit weg, omdat twee saamgebrachte wezens van nature sluw +worden, door ikzucht, en geen wederzijdsch vertrouwen bewaren kunnen. +Aldus spreek ik nog maar van gezonde, billijke huwelijken. Onze +maatschappij is echter zóo ingesteld, dat over 't algemeen met een echte +liefde geen rekenschap gehouden wordt. + +--O ja!... + +Hij voelde hoe zij met nadruk dat zei en seffens droeve werd. Hij bleef +een oogenblik zwijgen en sprak nadien met een daling van zijn stemme: + +--De liefde daarenboven is waar zij is, en wij, zijn niet meester over +haar. Wij zijn allemaal zoo'n zwakke, slaafsche schepsels, juffrouw. +En als de liefde buiten het huwelijk komt, wat kunnen wij doen?... +De liefde is _overal_ heilig. + +--Dat wil zeggen: de liefde mag wispelturig zijn? + +--De liefde is niet wispelturig, maar wij noemen altegauw liefde, wat +geen liefde is, wat een klein gevoel is zonder wortelingen. De liefde is +heilig, als zij grondelijk is en ons gansche vleesch beheerscht--en dan +heeft ze paal noch perk, en dan kennen wij geen mate om ze te meten en +geen banden om ze te dwingen. Dan is ze ons zelf, geheel en al, en +heilig ... en overal.... + +--Ik weet zoo geen liefde. + +Hij boog zijn hoofd, precies om een hevig gestraal der zonne te +ontvluchten en zichtbaar hergingen rijzekens zijne lippen. Hij zag de +waterplaskens en de grijze droogten wegsleren onder zijne voeten. Op +deze stonde, waar ze beide stille voorttorten, ontstond er een wrevelig +ongemak. Goedele voelde dat hare oogen moe werden, lijk die van iemand, +die te lang in warme kamers bleef. Ze zei: + +--We loopen buiten onzen weg! + +Ze keerden zich alletwee naar links en rechts, en begonnen te lachen. +Ze waren nabij de St. Anne markt. + +--Ja, sprak Ameye, we loopen buiten onzen weg.... + +Ze was tewege hem te vragen waarom hij zoo zonderling op zijn woorden +aandrong, maar ze gebaarde dat ze niet geluisterd had. + +'t Was hier een groote drukte. De menschen liepen dooreen in ijverig +bedrijf. De markt was zwaar van rumoerig leven. Vrouwen met paanders +drumden tegen malkander aan rond de kramen, en kozen hun waar, eromme +pootelend en tastend en wroetelend om niet bedrogen te worden. Uit een +zijstrate kwam een vlote stootkarrekens aangereden, met een gulden +vracht appelsienen beladen en door ruchtige meissens gevoerd. Vóor 't +portaal van de St. Anne-kerke stond een liedjeszanger te brullen van "de +lieve Genoveva" binstdat zijn wijf, bezorgd voor al te strenge politie, +een endeken verder de wacht hield. En de zonne wemelde tusschen die +luidelijke beweging, smeet open haar bundels licht, klaterde langs de +zwellende tenten, waaronder de wind zich toornig miek. + +Goedele lanterfantte een beetje, een toenemend belang stellend in de +doening van die werkzame menschen, ook om de koelte te vergeten, die +over haar en Ameye gezonken was. Ze verwonderde zich over 't een en 't +ander, lachte altemets luidop of werd weemoedig van deernisse. + +--Aai-Jezes! Kijk hier!... + +Een oud manneken was daar dichtebij, ronddrevelend met een houten +kistje, vol met muskaatnoten en kruidnagels. Zóo klein was hij, dat hij +zich gedurig met de ellebogen te voorschijn moest worstelen en alleen +zichtbaar werd door zijne uitbundige gebaren. Hij had luttele handjes. +Hij droeg een grijze veste, en een roste broek, bleek en donker +getafeld, slodderde om zijne kromme beenen. Hij dretste onhoorbaar op +palullige sloffen, en een roode halsdoek, geelgebloemd, waaide rond +zijnen korten hals. Zijn hoofd was rond en groot, en zijn gezichte, heel +nietig tusschen twee uitschelpende ooren, lonkte en loerde, uiterst sluw +en uiterst beweeglijk. Hij riep met een pieperig stemmeken: + +--Nikske van doen?... Alla-dan, madameken,... alhier! alhier! + +Hij zag Goedele, en hoe ze daar onthutst hem aan te kijken stond, en rok +zijn nekke naar heur uit, en kwam vriendelijk zijn: + +--Toe-da, madameken, een dozijntje? Groffels, lijk er nievers meer te +vinden zijn--en lekker ook voor tandpijne! Hoeveel? 't Zijn de leste. + +Hij merkte Ameye en werd seffens hoffelijk, aldoor buigend en groetend: + +--Mijnheere! + +Hij nam een kruidnagel met zijn duim en zijn wijsvinger en hief dien +omhooge, profijtelijk: + +--'n Volle mate voor vijf centen!... Kijk nu toe! Zoo donker als de +nacht en zoo sappig als de lente! Ge moogt kijken, madameken, en +betasten ook... Alla-alla-de! een dozijn groffels voor 'n jong +huishouden.... + +Goedele bloosde, en Ameye moest den dwerg afwijzen met een strengen +blik. 't Oudje hinkte zijlings weg en schetterde in een uitval: + +--Jè-dan ... schoon koppel.... + +En 't gewone rumoer herbegon, breed en allerwege aanwezig, golvend over +de menigte, die langs de kramen scharrelde. + +--Loopt ge aldus geerne in het razend gewoel? vroeg Ameye. + +--Wel ja ik, redelijk. + +--De tast van het volk is niet altijd zuiver.... + +--Zeker, maar ik voel me hier zoo volledig leven, zoo gezond en zoo +volledig. Ik weet niet--vandaag word ik mijn eigen zoo allerzijds +gewaar, en alles is mij goed. Ik ben lijk iemand die lang ziek te bedde +lag en nu uit mag ... en ik dartel in de zonne. Dat leelijk ventje was +me niet leelijk. Die wijven te gare, die 'k zie staan met hun vuisten op +hun heupen ... ik merk het wel: ze zijn gemeen.... Maar 'k bezie ze van +een anderen kant precies ... en alles is mij goed.... + +Ze wond zich op in 't spreken, probeerde haar vaag gevoel met stipte +woorden uit te drukken en wijdde uit in vele zinnetjes, nooit tevreden +omdat ze nooit iets bepalen kon. Ze jubelde en liet zich meegaan met den +slag van haar driftig herte. Ameye was sprakeloos geworden. Hij stapte +nevens haar en luisterde met gretigheid, seffens weer neerslachtig als +er een korte stilte tusschen beide viel. + +Ze geraakten in de groote laan. Hij kocht van een leurend meisje een +rankje hulstgroen met roode peerlen, en bood Goedele het takje aan. + +--Voor de aardigheid, zei hij. + +Hare hand bibberde even, als zij het broze takje aannam. Ze keek naar +hem en hare blikken stieten geweldig tegen de zijne aan. Een bedwelmende +flikkering schoot door haren geest en ze bleef een oogenblik +verbijsterd, alsof zij haar ziele in zijne oogen opklaren zag, nu in +lichtende waarheid zich veropenbarend aan haar eigen zelve, en een +overgroot geneuchte maakte haar dronken.... + +Ze stapten haastig door, zonder spreken, en geen vond het zonderling dat +de andere zwijgende was. Ze spoedden zich om straks alleen te zijn, om +te te peinzen in eenigheid--want nu was hun hoofd vol met aanzienlijke +gedachten. Achterwege lag de gansche wereld. Achterwege was moeder en +vader en het vreeselijke huis. Vooruit bestond de endelooze verte, de +wijde ontijdelijkheid. Het was of ze nu deel gingen uitmaken van iets, +dat machtig was boven de sterkte van menschenarmen--en eeuwig zijn zou. +Ze verheerlijkten hun lijf en geest in een nieuwen dageraad ... en wat +komen moest, was niet te weerhouden. + +Ze gingen alzoo. De wagens en sjeezen reden door, holderdebolder over de +kasseide. De trams tjinkten van verre. Jongens ventten rond met +dagbladen en riepen luidkeels het nieuws van den dag. + +--Zijn we nu op goeden weg? vroeg Goedele. + +--Ginder is de brugge. + +Bij de vaart werd-het stil. De luie schepen lagen vast tegen de kaaien +en donkere mannen losten de koolvracht. Men zag ze over de planken +wiegen, hun duistere gestalte, verlengd nog in het water, waar ze door +vlug golvengeklets ziggezagsgewijs uiteen werd gezwabberd. + +Als ze in de doode straat kwamen, waar Romaan woonde, vertraagde Ameye +zijnen gang, en hij sprak weemoedig, zonder naar Goedele op te zien: + +--We zijn er alreeds.... + +--Ge tert zoo zoetekens! + +Hij vertelde dat hij een beetje moe was: gisteren heel den avond gewerkt +aan een dringende bestelling, en dezen uchtend heel vroeg te been. Ze +vroeg: + +--Werkt ge veel? + +--Als ik alleen ben. + +--Zijt gij dikwijls alleen?... Ge hebt nog uwe moeder? + +--Moeder is ... weg. + +--Zoo eenig leeft ge! + +Ze had medelijden met hem. Ze herdacht wel het vierkante huis ginder en +hare ouders achter het hekken, maar vond het dan bij Ameye veel +droever--een woonste zonder heerd en altijd zonder geruchte. + +Hij bleef staan. Ze begreep niet waarom hij zoo aarzelend deed, waarom +een groeve boven zijne oogen zichtbaar werd ten teeken van pijnlijk +gemijmer. Ze praamde hem om door te stappen. + +--'t Wordt noene straks. + +--Ja. + +Hij tort verder zonder opkijken, en, vóor de drempel, als Goedele het +linnenwinkeltje ingaan wou, vatte hij hare hand. Hij deed haar zeer, +hij knelde hare vingeren in de zijne, en zijn gelaat kwam naderbij. +Hij fluisterde: + +--Gij weet niet? + +Zijn asem taakte haren hals en deed haar rillen in al heure leden. + +--Niet? + +Ze bad dat hij haar los zou laten. Ze was bang omdat zijne blikken zoo +hopeloos werden, en ze werd niet seffens gewaar hoe onredelijk zijn +doeninge was: ze bekommerde zich om hem. Hij zuchtte zwaar en slokte +eens om zijn kele nat te krijgen. + +--Niet?... + +Ze hoorden, binnen in den winkel, een paar vrouwen hun keuze doen, en +heel omhooge, tenden de zoldertrap, een vroolijk liedeken van Mariëtte. + + Ah! Môsieu le capucin, + T'as d' la veine-- + T'as d' la veine!... + +Ameye zei: + +--Ik ben getrouwd ... al vier jaren.... + +Goedele rukte zich vrij. Ze voelde geen juiste verhoudingen meer. Ze +voelde niet meer wat ze was tegenover dezen man, niet meer dat hij voor +haar een vreemdeling was. Ze kon zich zoo seffens niet hervatten, en ze +werd heel bleek. Omdat ze leed, wilde ze straffen en geweldig handelen. + +Maar hare armen zonken neerwaarts en haar bloed deed een smertlijken +ommedraai. Over hare wangen rolden twee tranen, die ze niet had kunnen +verdringen en die nu in de hoeken van haar lippen haperen bleven. Ze +stamelde, haar gezicht verwringend tot een treurigen glimlach: + +--Ho!... ja ... zoo!... + +Ameye raapte het witte pakje met suikergoed en het rankje hulstgroen op, +die, nevenseen, op de zulle waren neergevallen. + + + + * * * * * + + + +VII. + + +Eenige dagen verstreken voor Goedele in eendelijke onverschilligheid. +Ze was heel korten tijd bij Romaan gebleven, had geweend omdat Wiezeken +er zoo deerlijk uitzag en was weggeloopen, seffens. Tante Olympe met haar +gestadig geklaag maakte haar zenuwachtig, en Madeleen ook, die daar met +gebogen hoofd aldoor te kijken zat in de toekomst. Ze was weggeloopen. +Ameye walgde haar. + +En de dagen waren verstreken alzoo. Ze wilde niet meer terug bij haar +broer, ginder waar ze geleden had een onverklaarbare pijne, nievers nog +geleden. Ze was bang. Ze wilde geerne alles wisschen uit haren geest, +maar niets anders wekte hare belangstelling, en ze voedde haar wee. +Al wat gebeurde om haar, werd haar onverschillig. Allentwege was 't +nietigheid, en de woorden, die gesproken werden, waren ijdel. + +Ze werd naderhand door opvretende eenzaamheid, streng voor wat buiten +het leven stond van hare droefenis. Ze had ruwe woorden met vader. Ze +verdroeg zijn onnoozel gespeel niet meer en zei het hem met een ruk. +En Albien keek dan verwonderd op, niet begrijpende die stoere manieren, +getaakt in zijne liefde, als hij nu dacht, in kinderlijke vreezen: + +--Zij ook ... en ziet mij niet geerne.... + +Omdat ze zoo verduldig was met hem, had hij gemeend dat zij hem dan toch +vatte. Hij vroeg: + +--Zijt ge ziek, mijn kind? + +Ze was getroffen omdat zijn stemme zoo diep een grondslag had, omdat hij +zoo innig bedrukt was, en meteen zoo vaderlijk. Ze zag hoe hij het +nieuwe Snoeckboekje met onverschillige vingeren van zich afduwde en +nader kwam, dichte bij haar, en zoetekens hare handen toetste. + +--Nu ben ik in waarheid triestig van zin, zei hij. + +Hij boog zich om goed in haar gezicht te blikken, om te zoeken naar heur +leed, dat wel ievers in hare oogen zou na te speuren zijn. + +--Hebt ge zeer?... Toe-de, mijne dochter.... waar is 't dat ge zeer hebt? +Voor de eerste maal voelde Goedele in dezen zachten man haar vader +levendig zijn en goed. Ze werd gewaar dat ze weenen zou, als ze geweld +moest doen om te spreken. Haar borste zwol. + +--Wat is 't, zei Albien, dat hier ommegaat, sinds dagen? Ge loopt rond +lijk te lore in dees huis, en ge zwijgt ... en het wordt van alle kanten +zoo bang. Ik heb nu geen lust meer in ditte ... noch datte.... Moeder is +ziek en gij?... Wat deert er? Ik heb nu permintelijk geen lust meer.... +Wáar, wáar, mijn kind. + +Stille kwamen zijne woorden te reke, en ze brachten eene treurige +stemming alom. Maar Goedele stiet dan aan tegen 't beeld van haar eigen +lot en ruw werd ze op nieuw. + +--Bah! + +Ze draaide op hare hielen rond, lijk een meisje licht van gemoed, en ze +liet vader alleen. Als ze de deur uit was, wilde ze wel terugkeeren en +den man meteen in hare armen prangen, al streelende dat brave hoofd, dat +kinderlijke, vol kleine gepeinzen. Ze kon niet: ze moest lachen luidop, +ten gebare dat ze hier alles potsierlijk vond, en ze drilde verder, +langs leege uren zich voortsleepend, lijk een schaduw in noesche licht. + +Ursule lag in haren leunstoel te denken. Seppie, het hondje, moest +gedurig op haren schoot stille blijven, en ze streelde met luiere +vingeren in zijn lange haren, wijlend achter zijne oorkens, waar 't hem +uitermate deugd deed. De dagen gingen omme en ze was gestadig aan 't +wroeten in hare hersens, overentweere wiegend met blijvende mijmeringen. + +--Daar heerscht een geheim in 't geluchte. Ze voelde 't zoo, ze tastte +'t. De doening van Goedele ontsnapte haar niet, en ze was zeker dat een +gevaarlijke gebeurtenis aan 't zieden was en aan 't zwellen. Omdat ze +nooit anders dan meesteresse geweest was en nievers door verborgen +machten bekampt, wilde ze klare wegen zien en vaste staan. Ze begreep +wel dat Goedele wegslibberen wou, en ze vreesde dat zij er toe komen +mocht. Om dwaze plannen te kunnen tegenwerken, moest ze Goedele's +inzichten kennen. En Goedele was ondoordringbaar.... + +Ursule's vroegere strijdlustigheid geraakte wakker stilaan: ze zou weer +door oolijke listen hare dochter overwinnen, lijk ze vroeger haar vader +overwonnen had. Ze deed Goedele door Justa, de nieuwe meid, bespieden. +Justa moest al de brieven over den moordamp in de keuken openbreken, +moest in Goedele's kamer snuffelen en laden met valsche sleutels +ontsluiten, alles omkeeren en inzien en beloeren. Ze had Justa voor +dergelijk werk bijzonderlijk aangenomen. + +Justa was een klein vrouwken, levendig en minzaam. Ze ontving alle +boodschap met een vriendelijk glimlachje en sprak iemand nooit anders +aan dan in den derden persoon. Ze had uiterst leelijke handen, met +omkrullende vingers, en hoekige kneukels. Ze bracht die gedurig bij +malkaar, in profijtelijke houding, boven haren buik en wreef ze trage +overeen, al schattend somtemets met vierkante nagels. 't Was een +Westvlaamsch meisen. Ursule kende hare ouders, gebogen eerde-wroeters +zonder hope, etende en biddende wezens, den dood nabij. Justa, de eenige +dochter, had met blij gemoed hare broers en de oudjes verlaten. Haar +doorslepen zinnen, waar ze aldoor in de parochie gebruik had van gemaakt +om oolijke daden te stichten, meende ze nu eens ten dienste van vrijer +bedrijvigheid te kunnen stellen. Als Ursule haar met korte woorden +uiteengeleid had wat in werkelijkheid van haar verlangd werd, had ze +aldadelijk heel de zake begrepen en aanveerdde gretig het nieuwe gebod. +Ze was bovendien werkzaam en net, bracht goede orde in de keuken en +leerde veel van Ursule, die haar in kookkunde hielp. Ze werd een +voortreffelijke meid. Men had haar een schoone belooning beloofd, als ze +dienstveerdig zijn wou naar Ursule's volle goesting. + +--Zóo is mijne goesting! had Ursule gezeid. + +Ze moest Goedele tot in haar minste bedrijf bespieden.... + +Ursule vernam echter niets. Goedele bleef thuis, liep de kamers door, +zat altemets een endeken te borduren, te knippen aan een kunsttapijtje, +te kijken meerendeels langs het venster naar 't gewaai dat bijsde in de +boomen. Hare kleeren, hare laden, hare brieven--'t werd alles besnuffeld +en befrutseld: nievers lag een verraad van haar geheim gedoe. Justa +luisterde achter de deure, als ze saam met Sebastiaan in de eetzaal was. + +--Wat zeggen ze? vroeg Ursule. + +--Bijna niets ... een woord ... een ja--een neen.... + +--Maar, hoofdzakelijk? + +--Niets! zei Justa. + +Ursule werd koortsig daarvan, hetgeen haar dan niet het minst voordeelig +was, want al nijpender drong de pijne van haar "rheumatiek" in hare +braaien en ze kon soms rijzekens opstaan uit haren zetel. Ze wilde geen +dokter. + +--'t Is rheumatiek. + +Dat was zóo haar zeker zijn. Ze hechtte daarenboven niet veel belang aan +die tijdelijke ziekelijkheid. Haar geest was voortdurend anderszijds +gespannen en wilde klaar krijgen de vaagheid om Goedele's manieren ... +Zij deed op een uchtend Goedele bij haar komen en neerzitten nevens 't +raam, vlak onder het nieuwe daglicht. Ze begon te klagen: ze had sinds +nachten geen ooge meer beloken, ze was zóo lijdende, ze voelde dat het +erg worden zou, en de nachtmerrie bezocht haar.... + +--Och! Och!... dat is vreeslijk! + +Ze praamde Goedele dat ze maar goed opletten moest, en in geen tocht +mocht blijven, en 's avonds aandachtig de vensters zou sluiten, en een +dobbele sargie vragen aan Justa. + +--'t Is nu 't gevaarlijke seizoen. + +Dan was 't een ander thema: ze wilde bovenal Goedele's geluk, ze dacht +er altijd, altijd aan, en ze zou alles doen om dat geluk te verzekeren. + +--Willen we verhuizen? + +Goedele hief onverschillig hare schouders op en zuchtte. Ursule drong +aan: + +--We zullen hier weggaan, we zullen een Engelsche villa betrekken, +ievers in den omliggende, waar er bloemen zijn, buiten de wilde stad. +Ik zie dat ge hier wegkwijnt en ik weet niet de reden. + +--Daar is geen reden ... en ik kwijn niet weg, moeder.... + +--Kom! Kom!... + +Ze stoop zich voorover en lonkte met droeve teerheid, wenkend dat +Goedele naderen zou. Ze sprak met zoetigheid: ze zag alles, ze was +moeder daarom, ze wist dat iets mishandde. + +--Voel ik dan niet?... Ik voel uw treurende gepeinzen. Niet neen zeggen, +kind, niet neen zeggen.... Ge draagt een last. Ik mag u helpen. Ik wil +doodgeerne uw leven zacht maken, uw wegen zacht maken. Duik niets voor +mij, die boven alles uwe moeder ben. Ik heb al doen uitzien naar een +villa, een djentig dingetje diepe in het loover. Ik wil ook niet dat ge +hier zoo eenig loopt. Bella zal na den noene komen, een paar uren, met +haar borduurwerk.... Zoo slijt de leege tijd. Ik ben vol zorgen om +uwentwil, mijn kind. Waarom wilt ge u verbergen voor mij? + +--Toch niet, moeder ... maar, kijk, ik ben moe en ziek. Romaan is zoo +buiten reden triestig en Madeleen ook ... en Wiezeken is verre, +verre.... + +--Is dat alleen uw droefenis? + +--Dat is een groote droefenis. + +Ursule bukte zich meer nog en vatte Goedele's hand. Ze vroeg, al +starrelings turend dwars in hare oogen: + +--En Sebastiaan?... Ge zit zwijgend nevens hem. Ge zegt hem niet wat uwe +tranen beduiden. Ge zegt niets. Dat zijn toch geen geheimen?... Mijn +pover kind, gij hebt Sebastiaan niet lief! + +Ze bleef uitermatig zachte en Goedele keek verwonderd op, niet wetende +wat er uit zoo'n gesprek komen moest en vreesachtig, om den wille van +moeder's sluwe manieren. Ursule vroeg; + +--Wenscht ge niet te trouwen met hem? Laat ons vertrouwelijk zijn. +We zullen saam beramen wat we doen moeten, en wel vinden, wel iets +vinden.... Ik wil u niet in iemands armen gooien, tegen uwen zin. Ik heb +goed nagedacht.... Spreek nu, laat uw herte vrij daar liggen vóor mij, +uwe moeder. Hebt ge, buiten Sebastiaan, een man ontmoet, en voelt ge een +andere liefde? + +Goedele sprong koortsig rechte en schoot uit in eenen schokkenden lach. +Ze werd heel rood en haar oogen baadden in glinsterende tranen. Ze moest +haren neusdoek over haar aangezicht brengen en 't was of ze nadien te +niezen begon. Ze bedaarde. Ze riep: + +--Wel, moeder, onnoozele moeder! + +Ze wilde wegloopen, maar Goedele gebood dat ze blijven moest. Ze bleef. +Ze lachte lijk een zottin en joepte met snokjes opwaarts. Ze gichelde +bij poozen: + +--Ikke?... Ikke?... Wel hemelsche deugd! mijn moederken!... Liefde voelen +of andermans liefde ontvangen!... Bespottelijk, zoo'n idee!... Ik zegge +'t u: stel u in ruste... Ik trouw met Sebastiaan. + +Ze nam Seppie op, schudde hem boven haar hoofd, zoodat het beestje daar +in de leegte, met luie pootjes, te slodderen hing. Ze knikte hem toe, +smeet hem omhooge en grabbelde hem tegen hare borst vaste. Ze lei hem +naderhand op moeder haren schoot terug, merkte hoe ze nu vol met +haarkens was, langs hare schouders en op hare mouwen, en mummelde met +pruilende lippen: + +--Hatje! het leelijke jong!... + +Ze werd seffens heel ernstig, knipte de haarkens weg, zenuwachtig en +kort. Ursule jubelde in haar eigen, als ze de verklaring kreeg dat het +gewenschte huwelijk ten slotte toch gebeuren zou, maar nadien, bij 't +zonderling gesnap van Goedele, werd ze wantrouwig opnieuw. Ze zweeg +echter en rolde binstdien in haar hoofd een versche golving spijtige +gepeinzen. + +Al pratend, en dooreengooiend een reesem lichtzinnige woorden, drilde +Goedele langs de trap naar heur kamer, en sloot zich op. Ze viel lijk +een massa op haar bedde en begon hevig te schreemen. Dat duurde een +lange stonde, tot Justa haar opzoeken kwam voor 't noenmaal. Ze waschte +zich haastig, liet 't kille water vloeien over hare slapen en baaide +hare oogen. Ze had deugd aan die prille frischheid en voelde een klaarte +komen in hare onrustige gedachten. Ze tort dan de eetzaal binnen en ging +neerzitten, naar gewoonte, tusschen vader en moeder. + +Na den eten werd aan 't groote hekken gescheld. Bella schoot huppelend +in huis en vloog blozend en schaterend aan Ursule's hals. + +--Hoe gaat ge, beste mevrouw?... Wel! men kan het niet eens zien op uw +wezen, dat ge ooit ziek geweest zijt?... Dag, Goedele, dag, beste +heer.... 't Is wel koud buiten, hoor! Dan zet ik het op een drafken +langs de straten ... en de menschen kijken me na.... Ik loop geerne in +'t koude weer.... + +--Ja ... ja ... de jonkheid, lachte Albien. + +--Ik ben met de gauwte naar hier gedreveld ... Wilt ge even mijn paletot +helpen uittrekken, Goedele? Dat is een dwaas ding--ik geraak er nooit +van af. Mijn mouwen zijn ook zoo potsierlijk ingewikkeld.... Hai! +mijlieve, ge snokt me haast de armen van het lijf.... Ja! Ja! Ja! + +Ze danste van ongedurigheid, bijsde hare heupen en lachte. Ze tikte met +hare vingeren dolle haarkrullekens weg, die op haar voorhoofd belden en +jeukten in hare wenkbrauwen. Ze reikte dan aan Ursule een ranke mimosa, +die ze met haar hermelijnen mofje op de glazen dresse had neergeleid. + +--Djentig, hee? + +--Heerlijk, mijn kind--Onnoozel dat ge ervoor zoo'n dwaze onkosten doet. +'t En was in waarheid niet noodig.... + +--Ja!... ja!... ja!... + +--Danke. + +Bella weerde zich om drollerig te zijn en sprak van heur magere +spaaroordekens. Anders had ze een heelen ruiker meegebracht. + +--Ge weet wel--zoo zacht-witte winter-rozen ... maar dat kost! dat kost! +Ze zette zich neer en vingerde ongedurig om de gulden korreltjes van +hare halsketen en, omdat nu een tijd de stilte neerviel langs deze +ongezellige kamermuren, zocht ze opgewonden in haren geest naar spelende +woorden. Ze vertelde van thuis--hoe moeder sinds een paar dagen +aanhoudend aan maagpijn leed en hoe ze dan zoo lastig van humeur was, +en hoe vader dan wegliep, om ongemakken te vermijden. Ze tuurde naar 't +kille gezichte van Ursule, daar roerloos rustend tegen de hooge leuning +van haren stoel, schoon-gelijk van weerskanten en effen lijk gladde +marmersteen, even hard ook en zonder warmte van binnen. Ze voelde wel +dat ze met hare vroolijke zinnetjes kwam zonder uitslag aanstooten tegen +de roerlooze vlakten van dees gewillig gelaat. Ze loerde omdieswille +rijzekens naar Goedele, die opstaarde langs 't venster naar de varende +doening der wolken. Ze had een zonderlinge bangheid over zich, lijk +iemand die zondigt entwat en meent dat elkendeen 't kan lezen. 't En was +precies niet dat ze gezondigd had, maar toch vreesde ze den diepen, +droomenden blik van Goedele. Aan dien blik kon ze geen geheime gedachte +verbergen. Daarom taterde ze aldoor, haar eigen vergetende en alles om +haar vullende met ijdel gebabbel. Ursule knikte stillekens of +fluisterde: + +--Ja ... zekerlijk ... ik peinze aldus.... + +Bella was erdoor opgehitst en sprong mateloos van 't eene nietig voorval +naar 't andere. Ze wilde met woorden alles opjagen tot een gewichtige +gebeurtenis, en verzinde tallenkant eromme een kantwerk van +belangwekkende detailleeringen. Ze belonkte op Ursule's wezen of daar +endelijk geen snare bewegen zou en, als bijwijlen een rimpel langs den +neuze zonder reden dieper viel, bleef ze om haar gezegde met opzet +haperen en vertijen, meenende dat Goedele zoo meteen zeer aandachtig +werd. Ze was aan 't vertellen van de verkiezing. + +--Och! mevrouw-lieve, gijlie gaat nooit buiten huize! De stad is éen +strijd, éen roepen van kwade of geestdriftige menschen. Ge moet al die +gezichten eens zien uitrekken naar de brutale kleuren van politieke +plakkaten. De eene peinzen: 't is waarheid! De andere vloeken: ze +liegen! Daar loopt soms een heerken tusschen, dat zwijgt en niets en +denkt en in 't gewoel zijn dansend buiksken laat wiegen.... Die ziet er +gelukkig uit. + +Goedele liet over haar gaan die reesems huppelende zinnen en 't werd +haar in den beginne een aangenaam gezeur, lijze streelend langs hare +slapen. Ze voelde alzoo een korte bedaring ruste brengen in hare +opgeketste leden en ze mijmerde. Ze vaarde geleidelijk met onbepaalde +gedachten weg, en de ruimte daarbuiten, de schoone ruimte met hare vrije +golvingen en hare pluimlichte endeloosheid, kwam om haar. Ze zweefde er +in, en ze werd haar eigen aandoeningen nauwelijks gewaar. Ze kon wel in +'t zoete geharrewar van al hare ommentweer doezelende ideeën 't zicht +herkennen van Madeleen en Romaan, van Wiezeken en tante Olympe, van +Ameye.... Ze tastte nog het werkelijke leven, maar 't en bezeerde haar +niet. En Bella babbelde. En daarhooge togen de wolken voorbij. Ze kreeg +de heel grijze emotie van heur kinderjaren, eene vluchtige verschijning +van verre herinneringen, ginds in den hemel, rotewijs. En dan, +plotseling, de val van een takje hulstgroen met roode perels.... + +Ze bracht misnoegd hare hand over haar voorhoofd en het gekwetter van +Bella tjokte onwelluidend in hare ooren. Ze fronste hare wenkbrauwen, +stond seffens rechte en merkte opeens dat een nijpende hoofdpijne haren +kop tot in haar nekke omknelde. Ze stapte langzaam de deur uit. Ze bleef +aarzelen bij de zoldertrap en tort na een oogenblikje toch naar boven. + +Ze had nu een leelijke kure, een ziekelijke wreedheid. Ze ontmoette vóór +hare slaapkamer grootvader, die er kousevoets stond, met angstige oogen, +te loeren kantewaarts naar heur. Ze herkende in zijne blikken de valsche +lichten, die hij niet duiken kon, en ze moest op die stonde door een +helsche kwaadwilligheid gedreven, hem treiteren, hem nijpen met +dubbelzinnige woorden, hem zeer doen met brutale gezegden. Dat voelde +ze. + +--Wat doet ge daar? + +Hij grinnikte en schokschouderde. Ze wilde hem wegjagen. + +--Uit mijne kamer! Wat doet ge, in mijne kamer tewege? Weg, zeg ik u! + +Ze fluisterde hem toe: + +--'k Hebbe toch al mijn laden vaste gesloten.... + +Rik rilde een tijdeken. 't Viel hem nu kwalijk, dat gedoe van Goedele. +Hij probeerde zijn lijf verontweerdigd achterover te snokken. Ze zei +dadelijk: + +--Haal moeder's kistje! + +Hij zakte ineen. Zou hij op dees oogenblik kapot gaan? Hij grabbelde +achterwaarts naar den muur om steun te vatten. Hij kon zijne oogen van +Goedele's hand niet krijgen, die, gebiedend, naar de hooge deur der +leege zalen wees. Hij zeeg lijk een vodde thoope en zijn asem wilde uit +zijn kele niet. Hij snakte. Hij deed zijn kop gedurig hergaan, lijk +iemand die jaknikt, en zijne vingeren scharrelden over den muur, wilden +zich ievers vasthaken. + +Goedele keerde zich vluggelings omme en tort klaar-lachend de trap af. +Hare lach klonk heel wit en eendelijk, en ze hoorde Bella beneden even +ophouden met tateren, binstdat moeder vroeg met ontstelde stem: + +--Wat gebeurt er? + +Ze kwam in de kamer weer en zette zich op een stoel. 't Was hier nu +danig droeve. Ze zei: + +--Ge moet mij alzoo niet bekijken, menschen.... Ik heb daar een vieze +leute gehad! + +Bella lachte subiet mee. + +--Vertel eens, Goedele.... + +--Straks! + +Ze ging vóor den spiegel staan en schikte nauwkeurig eenige losse +haarstrengen. Ze peuterde nadien aan een strikje, dat leelijk viel op +haren rechterschouder, en vroeg, onverschillig: + +--Hebt ge uw borduurwerk mee, Bella? + +--Ja ... wacht even.... + +Ze zetten zich allebei onder 't noesche vensterlicht, en Goedele schoof +het kleine werktafelken bij. 't Duurde een heelen tijd, eer ze hun +tamboerijn gespannen hadden en de vele zijden strengetjes klaar gemaakt. +Bella was bezig aan een bleek-groen fichu, waar ze teer-gele +boterbloemen op stikte, in kransjes liefelijk saamgebracht. Ze was +seffens aan den gang, haastte zich gejaagd alsof 't gauw afmoest. Ze +boog zich lage over haar werk, en moest bijwijlen scheef gaan zitten om +licht te krijgen op de luttele teekening. Ze werkte altijd zoo, +gauw-weg, zonder goesting en zij en zocht nooit naar een fijne +nuanceering. Ze naaldde de tinten te gare, nagenoeg zooals ze aangeduid +waren op 't model, en ze was alzeere moe, om een beetje te rusten al +zuchtend. + +Goedele zat meestendeels met luie vingeren te wachten, te kijken naar +Bella, en ze merkte dan 't een en ander op, bitsig een woord zeggend, +dat onaangenaam klonk. Endelijk geraakte in huis een zwaar en moedeloos +zwijgen, en onderwijl zoefde alover den tuin een grillige wind. Ursule +had hare oogen dichtgedaan en hare handen lagen bijeen, rijzekens mekaar +takend, op haren schoot. + +--Zie! sprak Goedele, trouwen, daar moest ge eens aan denken, Bella! + +--Trouwen? + +Bella giechelde en de strengskens zijde schoven van haar knieën op het +voettapijt. Ze was tevreden dat ze, bukkend om 't lichte gerief op te +rapen, alzoo haar blozende wangen kon verbergen. Een leelijke rimpel +groef een nijdige schaduw om Goedele haren mond. Ze zei, koud: + +--Doe nu niet gek! Ik zie wel dat ge geerne er aan denken zoudt.... +Maar helpt mijnheer De Vleeschhouwer u niet hierin? Moeder heeft me aan +Vrebos geholpen.... A-propos, die komt straks weeral! + +Ze blikte naar 't horloge en vroeg: + +--Is 't hier 't juiste uur, moeder? + +Ursule ontlook langzaam hare oogen, trok haar uurwerk te voorschijn en +bracht het aan, heur oor. Ze keek nadien vluggelings er naar en +antwoordde: + +--Half-vijve. + +Hare wimpers vielen trage toe. + +Goedele vroeg een versche naalde aan Bella, en merkte hoe Bella's hand +even bibberde, al reikende over de werktafel. Dezelfde plooi zakte van +weerskanten, bezij hare lippen. Ze kreeg een kwaad en onweerstaanbaar +verlangen, precies lijk daarboven, als ze meteen vóor grootvader stond. +Ze veranderde van stem en liet hare woorden met scherpe ruwte hakken in +de stilte. + +--Zeg eens, Bella, wat is eigenlijk uw idee omtrent mijn verloofde? + +Ze genoot in waarheid de ongesteldheid van het meisje, dat daar verlegen +en hopeloos tegen haar vrage spartelde. Het was haar een ongewoon +geneuchte, een deugddoend gevoel, dat uit een kwaden drift opwalmde en +spelemeide in hare hersens, heel zacht. Bella vingerde zonder aandacht +om haar borduurwerk en stamelde dat ze niets dacht. + +--Wat heb ik te denken, lieve, en wat bedoelt ge met zoo'n advies? + +--Juist uw advies. Ge meent zelve best wat ik bedoelen wil. Een advies. +Is hij schoon? + +--Och! + +--Is 't een vent met een lijf voor de liefde? + +--Zotte kappe! + +--Peinst hij diepe en drukt hij 't sierlijk uit? Enfin, ge joept daar nu +stotterend en ongedurig op uw stoel.... + +--Ik vind het hier bang.... + +--Ja--bang. + +Ze blikten subiet op naar mekaar en Bella beukte tegen de harde oogen +van Goedele. Ze zonk precies weg, niets meer doende, zich overgevend, +tewege te weenen. Ze wilde geerne opstaan en buiten loopen en lucht +krijgen. Ze fluisterde: + +--Ik word ongemakkelijk.... + +Omdat niemand haar opbeurde en te helpen naderde, werd de gloeiing om +hare slapen onverdragelijk. Ze voelde den scherpen stoot van Goedele's +blikken gedurig. Goedele zei: + +--Ge windt uzelve op. + +--Neen.... maar 't zal wel overgaan. De stove brandt geweldig. + +--De assche ligt dood. + +--Mag de deure niet open met een reetje? + +Ze stond op en werd eene knikkende slapte gewaar in hare knieën. Ze +bleef een endeken in het deurgat staan. Ze zag Rik zitten op de trap, +heel bleek, en staren met diepe oogen, grauw ommendomme beschaduwd. +Ze probeerde zich te hervatten en lachte den grijzaard even toe, al +groetend: + +--Dâag--dâag-- + +Rik grommelde onachtzaam, en ze tort binnen opnieuw, teenemaal +ontredderd. Er werd aan de straatpoorte gescheld. Ze bracht schokkend +hare hand over haren boezem, binstdat Goedele lachte: + +--We hebben van den duivel gesproken: daar is nu Sebastiaan! + +Bella hijgde. Het docht haar dat de tijd niet voort wilde, dat hij zich +langzaam uitrok en dat er geen ende aan dees folterend oogenblik zou +geraken. Ze vreesde de stonde, waar Sebastiaan zou binnen komen, en +seffens daarna verlangde zij die, benauwd voor de eeuwigheid die zij +meende van dit oogenblik af te zien aanbreken. Ze hoorde door 't getuit, +dat ziedde in hare ooren, de stemme van Ursule. + +--'t Ligt hier zoo alles in wanorde! + +En ze had dan nog een haastige beweging om de zijden draadjes, die +tallenkant uiteengewaaid waren, een beetje te schikken. Een haastige +stap klonk op den drempel. De peizelijke groet van Vrebos viel haar +zwaar te moede en ze kon nauwelijks glimlachen. Ze staarde naar de +boterbloempjes op het borduurtamboerijn. Als Goedele sprak, was 't +haar of heel de kamer instortte onder 't klabetterend lawaai. Ze lei +rijzekens hare hand in de uitgereikte hand van Sebastiaan. 't Was eene +nieuwe emotie. Goedele zei: + +--Kijk! Basti, ik en deug niet voor u. Ge moest eens goed ommezien en +met Bella trouwen! + +Bella gilde. Haar bloed schoot ineens weg en haar kinne schokte op hare +borst. Ze stortte achterwaarts over en lag, met een doffen slag, +roerloos op het tapijt. Elkendeen sprong toe. Men klopte in hare handen +en wreef over haar voorhoofd. + +--Djeezes-Maria! stotterde Ursule. + +Goedele stond een oogenblik triomfelijk rond te turen. Een donkerroode +blos kleurde hare wangen. Langs de open deur, merkte ze toevallig nog +Rik, die 't ivoren kistje aan 't bergen was, achter een fuchsiapot, +gebarende dat het daar ievers wel mogelijk was zoek geraakt. + +Ze was nu niet schoon. De twee rimpels in de hoekjes van haren mond +lagen heel diepe. + + + + * * * * * + + + +VIII. + + +Goedele had in den nacht hevige traanbuien, en zij en kon maar lichte +insluimeren, gedurig weer wakker opschietend in bange droefenis. Ze +weende bij 't naderen van haar onredelijk wee: ze dacht aan haar zelve, +aan de toekomst, en ze voelde dat haar leven gebroken was. Ze snikte +seffens. Ze had geen gramschap in haar, geen toornige uitvallen wolkten +met heete walmen op uit haar herte. Ze bekeek elkendeen zonder wrok. +Moeder was haar geen hardvochtig wezen meer en ze kon peinzen op heur, +zooals ze peinsde op vader: een groot medelijden verlamde haar oproerig +karakter en ze weende, duikende haar brandend gezichte in 't zakkend +geveder van haar hoofdkussen. + +In den morgen verzwakte haar uitermatig leed, maar ze bleef den dag door +turen naar den komenden winter, verslonden in vaag gemijmer, aldoor +treurig en maf. Ursule trachtte meermaals met zoet gevlei haar op te +beuren. Ze sprak weer van een cottage, waar ze zouden gaan inwonen, bij +'t naderen van de lente. Ze dierf echter het gezelschap van Bella niet +meer oproepen. Het was gisteren al te bar verloopen en de herinnering +eraan zou geen goed stichten. + +De weke liep door. De verkiezingen gebeurden met groot lawaai en een +nagalm ervan drong in dees spokig huis. Men sprak van 't voorval, en dat +bracht een beetje verscheidenheid binnen. Ook een heele zake was 't, als +Justa, in 't voorkamertje, het ivoren kistje ontdekte. 't Was tooverij. +Maar Ursule had voorloopig gewichtiger gepeins en Goedele was niet uit +haar droomen te leiden, zoodat het kistje algauw vergeten werd. + +Op een nacht begon 't nijpend te vriezen. Schoone bloemen waren 's +ochtends zichtbaar op de ruiten, witte bloemen met divers geblaan, +allemaal zuiver en sierlijk van vormen. De tuin lag met blanken rijmel +bestoven en de strate, onder den tert der menschen en 't gerammel der +wagens, klonk bijzonder luidelijk. De postbode bracht, al heel vroeg, +een brief voor Goedele. + +--Wat is 't? vroeg Ursule. + +Hij werd koortsig opengebroken. Er kwamen hier bijna nooit brieven toe, +behalve somtemets een kort schrijven van Vrebos of een welruikend +kaartje van mevrouw De Vleeschhouwer. Deze brief was van tante Olympe. + +--Nieuws van Romaan, fluisterde Goedele, heel laag. + +Hare blikken schoven vluggelings over de zwarte onregelmatige letters, +heel die brave, gebrekkige taal van 't oude wijveken, en stilaan +geraakten hare oogen vol. Ze moest rap pinken om de tranen weg te duwen +en verder klaar te zien. 't Was slecht nieuws. + +Ursule lengde haren hals uit, en op dees oogenblik overviel haar +werkelijk een breede moederlijke aandoening. Ze stotterde, een ongemak +voelend in haar kele: + +--Watte?... Watte?... Hein? + +Ze beloerde 't stille geween van Goedele, elken traan te reke, die rond +werd onder de donkere wimpers, klaar optikkelde met een sterreken +veranderlijk licht en trage neerwaarts droop. Goedele stamelde: + +--Slecht nieuws.... + +--'t Is van Wiezeken, niet waar? + +--Wiezeken is aan het sterven. + +Ze zaten nu allebei rechtover mekaar, in stilte te schreemen. In langen +tijd had Ursule zoo 'n ware emotie niet gehad en ze verwonderde zich dat +dees waarachtige droefheid, die haar week maakte en afmatte, haar zacht +was en deugdelijk. Ze voelde dat ze met dees leed tot dichtebij Romaan +naderde en ze jubelde zoete, al snikkend, omdat Romaan zoo dichtebij +was. Ze werd bijna tegen hare vingeren de warmte gewaar van zijn +geliefde voorhoofd.... Ze zei: + +--Ge moet gaan.... + +--Ja. + +--Ge moet zeggen ... iets van mij ... iets van zijne moeder ... aan +Romaan. + +Goedele voelde dadelijk dat moeder rechtzinnig was en ze wilde haar +geerne kussen, dankbaar om hare goede smert. Binstdat ze zich met haast +aankleedde, vertelde ze van den verloren broer, zooals ze er nog nooit +hier in huis over had verteld. Ze wist vele bijzonderheden aan te halen, +waaruit het gulden hert van Romaan stralend te voorschijn kwam. Het was +alsof ze tewege was ook van Madeleen te spreken. Het woord verzoening +geraakte bijkans op hare lippen.... Ze zweeg echter, op dat woord juist, +nog aarzelend en nog vreezend. + +Buiten, op de koude straat, tort ze dapper door. Ze was weer in 't +gewoel van de haastige menschen, ze taakte weer het drukke werk van al +die dravende lijven, en, hoe onzeker ook, ze genoot de luchtige vrijheid +lijk overrijd. Maar gauw drilden hare voeten, al slaande tegen hare +rokken, en ze beluisterde den slag, hem gauwer aanzettend, om gauwer +ginder te zijn. De winkels met hunne breede vensters en veelvervige +uitstallingen sleerden zijlings voorbij. Ze herkende ievers een +confectiehuis en wierp hare blikken subiet anderzijds. Een oud ventje +hinkte krukkebeenend op haar af en reikte eene bevende hand uit. Ze +bleef staan en vingerde in haar geldtasje en gaf een stuiver aan den +man. Hij boog en een kistje met solferdoosjes, dat hing op zijne borst, +kwikte schier omme. + +Ze hoorde niet wat hij mompelde. Ze was tevreden dat ze hem iets gegeven +had en dat het niet lang geduurd had. Ze geraakte zoo in 't lage van de +stad. De trams zoefden en kruisten malkaar. De karren waggelden met +ongemeen gedruisch. Een kindje riep haar na: + +--Juffrouw! Juffrouw! + +Ze keek omme en zag het dutseken aandrevelen met een zakdoekje. + +--'t Uwe, juffrouw? + +Ze tastte in haar pelsen mofje en bloosde, omdat een oude heer haar heel +scherp aankeek binstdien. + +--Ja, lieveken.... Danke. + +Verlegen liep ze verder. Tenden de strate lag de vaart. Nog de brug over +en dan een klein draf ken. Wat zou ze zien? Een rappe angstigheid kwam +over haar. + +--Wat zal ik zien? + +Op de brug was al meer moedeloos haar gang en ze tort langzaam, swijlens +starende naar 't water van weerskanten. Het water was bij plaatsen +dichtgevrozen, maar om de schepen, die lui en diepe lagen, allemaal +bijeen langs de dokken, klotsten de vrije golfjes overhand. De grijze +hemel klaterde erheen, in zilveren schervels, en altemets sprong een +vliemken stralend licht er te midden op, naar den willekeur van het +toevallig gespeel. Goedele's blikken bleven daar onbewust haperen en +hare oogen waren wijd-open aan 't zien. 't Geflikker spatterde aardig +in haar hoofd en 't herbegon altijd zijn veranderlijke wiegeling. Ze kon +precies niet verder uitkijken, recht vóor haar, waar haar weg gebaand +was. Hare handen werden heel warm in het doezelig mofje, en ze hervroeg, +een vaag zicht krijgend van de leelijke werkelijkheid, die naderend was: + +--Wat zal ik zien? + +Aan 't klein gesleer van hare voeten werd ze meteen gewaar dat ze te +lanterfanten stond. Een brouwersgast met zwaar gespan riep, om ze uit +zijn weg te krijgen. Ze liep. Ze beluisterde weer den korten klop van +hare beenen in 't matelijk gedruisch van hare rokken slaan. + +Ze bleef uitasemen op den drempel van den ellegoedwinkel. De nijpende +geur van dees huis kwam haar ontstellen, en, al wilde ze gestadig denken +aan 't akelige zicht van Wiezeken, zich daarmee bedwelmend, ze dacht ook +aan Ameye, die daarboven waarschijnlijk was. Gauw probeerde ze te +verzinnen welke houding ze aannemen zou, maar seffens schudde ze haar +hoofd, alsof ze meende: + +--Wat scheelt het mij, en wat ben ik tot hem? Ze ging de trap op. Het +docht haar dat het hier wel akelig zijn moest: de winkel lag stille en +ginder hooge lag stille insgelijks het leutige lied van Mariëtte. De +trap kraakte. Ze zag in de hoeken de gewone stofkens herroeren met het +kleine gewaai van haar kleeren. Ze merkte 't allemaal op, tot de +luttelste dingen, en ze klampte zich permintelijk eraan vaste, gestadig +het oogenblik wegschuivend, dat toch al gelijk aanbreken moest. Ze keek +naar hare hand endelijk, hoe die trage zich naar de deurklinke reikte en +hoe de deurklinke daar precies te wachten hing.... + +Ze tort beraden binnen. Niemand was hier in de keuken. Hare blikken +vielen links en rechts op 't vele tinnen en koperen gerief. De koffie +stond te dampen op de stove en daar walmde allentwege de goede geur. + +Tante Olympe stak loerend de zijkamer open en fluks, als ze Goedele +herkende, kwam vóor haar staan, treurig doende met haar gerimpeld witte +gezichtje. Ze zeiden mekaar geen goeiendag. Dat lag zoo verre van haar. +Goedele vroeg, lage sprekend: + +--Wiezeken?... + +Tante Olympe zeeg neer op een stoel en bracht haren voorschoot over haar +wezen. Goedele moest nevens haar gaan zitten en herhaaldelijk vragen +nog, eer het oude wijveken haar geween kon breken. Ze stotterde op een +ende: + +--De dokter is er bij.... Ze hebben er aan gewerkt dezen nacht, met +drijen.... Ze hebben er aan gesneden ... en Wiezeken haar keelken ligt +open. + +--Wat zegt de dokter? + +--Niets ... en durft hij--maar ik, juffrouw, ik weet wel wat sterven is +en hoe de Dood doet, als ze nadert.... Dat arme boeleken! + +--En Romaan? + +Ze had een flauwen lach over hare magere lippen, om te beteekenen dat +het ook met hem deerlijk gelegen was. Ze blikte dan zuchtend langs 't +venster naar den wit-grijzen hemel en ze fluisterde: + +--We zijn hier in dees huis, nu juist twee jaar geleden, binnengekomen. +Ze vouwde hare vereelte handen op haren schoot te gare en voortdurend +tuurde naar het effen geluchte, met schokjes zeggend: + +--En zoo gaat Wiezeken eruit ... en zoo zal ik eruit gaan ... en zullen +wij allemaal eruit gaan.... + +--Is mijnheer Ameye hier? + +Tante Olympe begon te tateren en haar kaken glansden op, zonder +overgang. + +--O ja! die goeie mijnheer! + +Ze sprak met bewondering en dankbaarheid over hem. Alle dagen was hij +komen zien hoe 't ging. Hij was 't, die de dokters was gaan opzoeken en +Romaan met brave woorden steunde. Den vorigen nacht was hij tot heel +late gebleven, omdat Wiezeken er zoo heel ellendig uitzag. In den +komenden morgen had hij hem pas verlaten, maar straks zou hij weer +binnenloopen en nieuws vragen. Hij had tante Olympe aangespoord om te +schrijven aan Goedele. + +--Och, me-kind, ik en dacht er niet aan. Ge moet me vergeven. Ik ben +heelemaal zonder memorie en 'k dool alhier en al ginds met mijnen +poveren kop! Het is nu goed, danig goed, dat ge gekomen zijt. + +Goedele hoorde in de zijkamer de stem van den dokter, in druk gefluister +met Madeleen. Dan een groet, een korten slag van de deur en den dalenden +stap van iemand, zwaar krakend over de trap. + +--De dokter gaat weg, zei tante Olympe. + +Madeleen tort weenende de keuken binnen en begon luidop te snikken, als +ze Goedele zag, op wier borste ze kwam uithuilen, zonder mate, haar +overgroot verdriet. Ze jammerde: + +--'t Is gedaan ... 't is gedaan ... och Heere! + +Goedele streelde zachte met hare vingeren over Madeleen's bleeke wezen +en streek heur verwaaide haarstrengen effen. Ze vroeg: + +--'t Kan nog beteren?--Toe, Leentje, wees rustig. + +--De dokter zegt: nog vier uren, nog zesse.... Ik weet niet meer wat ik +doen moet. Ik voel dat alles kapot gaat. Ik kan geen moed meer hebben. +Ik heb nu weken lang moed gehad, moed gehad.... Wat baat nog moed? + +--Ge moet malkander steunen.... Het is een ongeluk. + +--Ja--een ongeluk. Ameye zegt ook--een ongeluk. Maar na al mijn leed, +na al mijn ongeluk, nog dees ongeluk weer. Ik kan niet meer.... + +--Ge zijt niet alleen.... + +--Romaan is buiten zinnen. Hij begrijpt niets. Hij wordt zot. Hij +antwoordt niet als ik hem aanspreek. Hij zegt niets.... Ik heb toch ook +troost noodig! + +Goedele kuste haar en pinkte gauw een heet-kittelenden traan weg. Ze +werd gewaar dat men haar meesleepte in al dees wanhoopsdoening en dat +zij niet tegenstribbelen kon. Tante Olympe stond vóor 't venster naar de +daken der huizen te kijken. Goedele merkte hoe haar ouden rugge opsnokte +af en toe, en hoe onophoudend haar bevende hand het tipje van den +blauwen voorschoot over hare oogen bracht. En hier, op hare borst, sloeg +in hevige snikken uit de koortsige smert van Madeleen. Ze taakte +allentwege de geweldige droefenis, die heerschte in huis, en ze moest +ook stilaan buigen, neergeduwd door 't overdadig leed. Ze kreeg in de +minste voorwerpen 't klare zicht van de al-meesterende ellende: de tafel +stond ongebruikt, de moor had een zwijgende tote, de borstels lagen +droge en de schotelvodde heel stijf--en was het niet alsof de soepkomme, +achter de ruiten van de dresse, geen dienst meer deed? Nutteloos dampte +op de stove de welriekende koffiekanne. Goedele vroeg algauw, om de +overweldigende treurnisse te keer te gaan: + +--Mag ik Romaan zien? + +Sprakeloos gingen ze, Madeleen vooraan. In de ziekenkamer neep een geur +van jodeform en woog een zoelte van moede lucht, lijk in hospitalen. +Bij 't kleine beddeken zat Romaan, diepe gebogen, zijn kinne in beide +saamgebrachte handen, aan 't staren zonder ende, recht vóor zich uit. +Bleek als een laken en mat was zijn aangezicht, beschaduwd door de +blauwige holten zijner oogen. + +Hij keek niet op. 't Was alsof hij niets opnam van wat om hem gebeurde. +Hij hoorde niet. Goedele reikte hare armen naar hem en stamelde, bevend: + +--Broer ... broer.... + +Hij keek niet op. Hij was niet hier. Heel verre tuurde hij en zijn +gelaat, in strakke droomerij verslonden, en peesde noch en herging. Even +roerden zijne wimpers en trilde zijne rechterhand. Zijn bloed sloeg in +rappe slagen bultig uit op zijne slapen. Goedele naderde en bukte over +hem en toetste stille zijnen schouder. Hij vroeg, schier onhoorbaar: + +--Wat is er? + +--Ik.... Bezie mij, Romaan.... + +Langzaam wendde hij zijn kop omme en zijne vermoeide blikken, door +koortse ontgloeid, priemden diepe in de oogen van Goedele. Geen blijde +verwondering en roerde de groote kommernis, die langs zijn voorhoofd +rimpelde. Hij zei, onverschillig. + +--Hâa!... + +Hij stond rechte. Hij tuurde trage naar Goedele's mantel, naar haar +pelsen krage en haar breeden hoed. Zijn stemme was koud, eentonig: + +--Komt ge van huis, zoo? + +--Ja.... + +--Wiezeken heeft verleden nacht met haar poesjenel gespeeld en ze heeft +naar u gevraagd. Ge weet wel, die poesjenel...? Wiezeken heeft toen naar +u gevraagd. + +Er lag zoo direkt een verwijt in die woorden, dat Goedele te blozen +begon. + +Ze keek naar Wiezeken en ze herkende Wiezeken haast niet. 't Was +teenemaal ineengekrompen. 't Lag met ontsloten mondje te snakken, al +slapend, naar lucht, en zijn neusje vliesde permintelijk open en toe, +asem zoekend te vergeefs. Goedele heur herte deed ineens sterkelijk zeer +en een pijnlijke aandoening stropte vaste in haar kele. Ze wou zeggen: + +--'t Slaapt.... + +Romaan hoorde den klank wegfluisteren op hare lippen en lachte: + +--Hee! slapen.... + +Madeleen bad dat hij nu zou in de keuken gaan en een ei zuipen, en +Goedele deed mee om hem daartoe te bewegen. Hij werd erom lastig, maar +als hij zag dat Madeleen zich bij 't beddeken neerzette en dat het kind +aldus alleene niet zou blijven, gaf hij toe en volgde zijne zuster. + +In de keuken zakte hij thoope op een stoel. Hij zei aan tante Olympe, +die de koffietasjes op de tafel plaatste: + +--Wat maakt gijlie allemaal veel gedruisch! + +Hij belonkte den aschbak, die opklaarde onder 't gefonkel der laaie +kolen. De stilte echter was hem algauw een groote last en 't getik van +'t kleine horloge kon hij weldra niet meer verdragen. Hij vroeg een +kopje koffie. Hij roerde met het lepeltje erin en volgde het luttel +schuim, dat op de dampende vlakte ommeringde in diverse draaiingen. +Naderhand vestigde hij al zijne aandacht op 't bedrijf van Goedele's +armen, die haar hoed afnam en heur mantel weghing nevens de dresse. +Hij zuchtte en vroeg: + +--Is dat een nieuwe hoed? + +Hij vond het zelf gek dat hij die vrage deed, en verzocht Goedele dat ze +neerzitten zou. Hij zei: + +--Vertel me eens wat, zusje. Ik ben zoo in folterende spanning. Ik weet +niet wat er buiten gebeurt. Och! ge kunt niet gissen, gij, hoe diepe een +mensch lijden kan.... Het leed, Goedele, en heeft geen palen. + +--Alles komt weer goed. + +--Alles? + +Hij glimlachte droeve en hief zijn koffie tot dichtebij zijne lippen. +Hij snoof den walmenden geur op en zette het kopje, met een tikje, weer +op tafel neer. + +--Meent ge dat, Goedele? + +Ze verzekerde met haastigheid, om hem te troosten. Hij schudde stille +zijn hoofd en zijne onderlip zakte rijzekens neerwaarts. Trage schoof +hij zijne vingeren door zijn haar, en liet ze lui afsleren langs zijne +ooren en zijnen hals. Hij lei ze nadien op de tafel en ging de bochtige +aderen na, die blauw uitkrinkelden op het mat-bleeke vleesch. Het docht +hem dat ze buiten hem waren en hij verwonderde zich dat de magere +beentjes, als hij ze roerde al trommelend op het tafelberd, zoo +zichtbaar waren. De zware stilte woog hier tallenkant. + +Hij kruiste meteen zijn beenen overeen, leunde achterwaarts over en na +zijn opgeheven knie in beide handen, lijk iemand die eene gemakkelijke +houding zoekt om te converseeren. Over zijn aangezicht kwam een spijtige +oolijkheid en hij vroeg: + +--En thuis bij u, hoe draait daar de rommel? + +Hij hechtte schijnbaar geen belang aan zijne woorden, en hij wiegde +zoetekens op zijnen stoel, bij maniere van spelen. Goedele wilde seffens +een goede hoop in zijn hoofd brengen, en omdat zij zich herinnerde de +hertelijke aandoening van moeder, zei ze: + +--Goed.... Ge weet wel wat ik beduid daarmee. Het huis is in ruste. Het +staat daar zonder geruchten, in den grooten zwijgenden tuin. We leven te +gare daarin. De deuren blijven dicht en geen lawaai van buiten dringt +binnen. Geleidelijk geraakt in de stilte het geweldig verleden effen.... + +--Wat wilt dat zeggen? Effen? + +--De herinneringen zijn nu vaag geworden en men begint te merken dat er +maar iets van overblijft ... wij, en dat we leven ... tastbaar nevens +malkander staan.... + +--Leven ... leven ... leven.... + +Hij tuurde naar de zoldering en liet zijn hoofd ten geheele overhangen, +op de leuning van zijn stoel. Goedele voelde dat zij hem naderen kon met +het gansche droeve huis van ginder.... + +--Daar zijn t'onzent leege plaatsen om de tafel, Romaan. Moeder wordt +zwak. Moeder vraagt naar u. Ze heeft geweend dezen morgen. + +Hij wipte meteen rechte en stond midden de keuken heel verwilderd naar +Goedele te zien. Hij stiet haar ruw aan tegen het aangezicht, met zijne +blikken. Hij boog zich over haar, benauwd fluisterend: + +--Wie heeft u hier gezonden? + +Hij merkte dadelijk hoe bang zijzelve werd en hij week, op een ende +uitberstend met schrikkelijke woede. Zijne armen zwaaiden toornig +ommentweer en dieper zakten de rimpels in zijn voorhoofd. Hij riep: + +--Wie? Wat komt ge hier praten van iemand ... die onze moeder is? Moet +ge mij komen aantasten, als ik nu lam lig, en denkt ge dat ik niet meer +tegenstribbelen kan? Ho! Ho! Ho! Het kind is bijna dood.... Ze naderen! +Ze naderen! + +Goedele zat verplet en met pijnlijke angstigheid blikte ze op naar heur +broeder. + +Hij rok zijn mond open om al zijn haat in vierkante brokken neer te +gooien. + +--Ze hebben mij in mijne zoete droomen getroffen. Ze hebben mijne liefde +bezoedeld, bemorst, beslijkt.... Hee! Hee! Ze hebben mijne jeugd +berimpeld en mijne herte vergald!... Wacht even! Laat me woorden vinden +... laat me zoeken ... Wacht! + +Hij slikte moeielijk het speeksel in, dat zijn tong belemmerde. + +--Maar waar was moeder, als ik Madeleen en tante geen eten meer kon +geven? En als Wiezeken er dan nog bij kwam? En als Wiezeken dan nog ziek +werd? Moeder keek niet omme.... Nu, nu, binstdat het kind sterft, komt +er versche hoop! Willen we nu de slonse laten zitten? Het kind is dood. +Het kind is vergeten. Willen we nu naar huis gaan en ons' moeder gaan +kussen? + +Zijn stemme zonk, werd heesch en moe, en zijne oogen doofden weg in +natheid. + +--Gij weet niet Goedele, wat er al gebeurd is. Gij weet niet hoe moeder +Madeleen wou omkoopen, hoe ze haar vervolgd heeft zonder ruste. Ik heb +naamlooze brieven ontvangen.... Ik durf u alles niet zeggen. Moeder is +een misdadige. Nu stuurt ze u tot mij ... u, die 'k buiten en boven +alles stelde, naast mijne vrouw. Luister--ze zal voort alles aanwenden, +alles, alles.... Ze zal huichelen, ze zal weenen.... Ge hebt gezegd dat +ze geweend had! + +Goedele snikte. Hij lei zijne hand op haren schouder en sprak nu zonder +drift, met een droeve zachtheid, een kleine stilte latend tusschen elk +woord, om schoone en klaar en peiselijk te wezen. Daar schorde altemets +een klank in zijne keel of 't was aleens, alsof hij zijn asem averechts +ophaalde. + +--Heb ik u zeer gedaan? + +Hij vingerde langs heur haar, zoete haperend in de losse krullen, en hij +streelde haar aldus en kriebelde achter hare ooren. + +--Ik heb geen kwade inzichten, zusje, ik ben zeer diepe geknakt en mijn +leven is me straks een last. Ben ik ruw geweest en heb ik u met ruwheid +getaakt? Maar zonder oogen ben ik nu, mijn zusje--en alles wordt zwart +om me. Ik heb u niet gezien. Ik wil u geerne voelen dichte, zoo.... Ge +moet mij vergeven. + +Ze keek op naar hem en hij zag in hare oogen de klaarte liggen van al +hare liefde. Een heete traan dropte dikrollend langs zijne wangen en +pletste met klein geflits midden op haar voorhoofd. + +--Laat ons sterkelijk hopen, zei ze. + +Hij knikte en zijne wimpers vielen toe.... + +Naderhand werd er op de deur geklopt en zonder wachten klonk de klinke +omme. Tante Olympe stond seffens rechte en was tevreden dat er toch +iemand een ende kwam stellen aan het pijnlijk gesprek. Ze huppelde tot +aan den dorpel. + +--Goeien morgen! + +'t Was Ameye. Hij boog seffens heel beleefd, als hij Goedele bemerkte. +Het was wel eene subiete aandoening, die hij daarmee verbergen wou, en +een tijdelijke blos kleurde zijne wangen en zijne ooren. Hij bedwong +echter algauw zijne vlugge ontsteltenis en sprak heel gemakkelijk van +kleine zaakjes, zich vooral bezighoudend met Wiezeken. Hij liet al +gelijk geen durende droefenis wegen op de conversatie en vermeed +zorgelijk een tragisch woord of gevaarlijke toespelingen. Daar lag iets +opzettelijk lichtzinnigs in zijne zinnen en nievers duldde hij een +stonde stilte, wetende dat de smert al zwijgend opzwelt en zwaar wordt. +Hij zei: + +--Ziekten draaien alzoo soms heel zonderling uit. We moeten ons nu niet +laten beïnvloeden.... Hebt ge Wiezeken al gezien, juffrouw? En wat dunkt +u? Het kind ziet er niet zoo bar slecht uit. + +Hij klopte op de knie van Romaan: + +--Jongen! gij zijt de ziekste! Ge hebt niet de minste koeragie. Ge zit +daar met een bleek en afgemat gelaat, en uwe oogen rollen vervaarlijk +omme. Wat helpt dat allemaal? Kijk eens naar mij! Ik heb den geheelen +nacht hiernaast, in de iodoform, een pestlucht, gezeten. Ik heb een +beetje geslapen--als ik thuis kwam, ik heb vrij veel geëten, en ik ben +hier terug, gezond. Heeft Romaan wat geëten, dezen uchtend, tante +Olympe? + +--Een walm koffie opgesnoven.... + +--Dat is buiten reden! + +Hij liet zich ten halve kwaad en eischte dat Romaan dadelijk een paar +eieren zuipen zou. Hij was daarbinst stille aan het tateren met Goedele, +die hem sprakeloos, met vage bewondering, had beluisterd. Hij vroeg hoe +zijzelve 't stelde, en verzekerde dat hij in waarheid gelukkig was haar +te ontmoeten, al had hij ook aan smertelijke omstandigheden haar komste +te danken. Hij zag dat ze hem moeielijk antwoord gaf en tevergeefs +probeerde een hoffelijke formule te gebruiken. Hij praatte maar door en +staarde soms met ongemeene strakheid in hare oogen. + +Goedele had hem zich heel anders voorgesteld. Hij was precies een andere +man. Het docht haar dat hij meer dienstveerdig was en meer ijverig in +zijne dienstveerdigheid. Hij deelde zijn eigen precies uit en al wat hij +zei, 't en was maar om gauw de gapende stilten te stoppen. Ze voelde dat +alles zeer duidelijk, en stilaan groeide zijn gansche wezen op in haar. +Ze was 't bewust, dat hij zich alzoo meester maakte van haar en haar +teenemaal met zijn eigen leven vervulde. Ze had ook zoo dikwijls en zoo +lange aan hem gedacht en zich zijn bijzijn gewoon gemaakt, dat hij 't nu +gemakkelijk kon en dat het haar niet vreemd voorkwam. Zijn woorden +trilden in haar met ongemeene galmen, en zij luisterde ernaar, en 't was +haar alsof ze nooit te luisteren zou staken. Als zijn stemme altemets +opklom tot een vrage--zij hoorde aan den stijgenden klank dat hij een +vrage deed--wist ze daarom niet seffens wat ze antwoorden moest, en zij +vond het ook niet zonderling dat hij op geen antwoord wachtte. 't +Geluchte was vol van hem en ze asemde in dat geluchte. Ze merkte weleens +dat hij nooit zinspeelde op vroeger ontmoetingen en zich niet +verwonderde over hare lange afwezigheid. Ze had dan, lijk een +hoofddraaiing, de leege sensatie, die zij lestmaal op den drempel met +Ameye gevoeld had--en ze zag nog, in scherpe herinnering, hoe hij zich +toen langzaam boog om het hulsttakje op te rapen.... + +Een rap sloffengesleer schoof scherrelend in de nevenkamer en Madeleen +stond meteen hijgend in het deurgat. Ze bracht hare handen aan hare keel +precies om daar een nijpinge weg te krijgen, die haar te spreken +belette, en, in haar doodsbleek gezichte, viel haar mond open, een +blauwe schaduw trekkend, van weerskanten, in hare kaken. Romaan sprong +lijk een zinnelooze naar heur en zijn koffiekopje viel +kletterschervelend in brokkelingen uiteen op den vloer. Hij duwde haar +op zijde en liep haar voorbij, de ziekenkamer in. Tante Olympe begon +schrikkelijk te beven en ze bad: + +--Aai-Heere! Aai-Heere! wat is er nu? + +Goedele nam Madeleen in hare armen en Ameye bracht een glas water aan +hare lippen. Ze paaiden haar, vragend: + +--Hebt ge zeer? Ge moogt u niet zoo opjagen, lieve. Kijk eens opwaarts. +Wat is er gebeurd? + +Madeleen slikte moeielijk en wees naar achteren met haren vinger, dof +stamelend: + +--'t Kind ... 't kind.... + +Ze hoorden dan Romaan, die hoog te roepen begon, met onherkennelijke +stem, en daartusschen 't kleine geween van tante Olympe. Ameye haastte +zich ook naar de kamer, en Goedele sprenkelde kille droppels op Madeleen +haar gezichte. + +--Hoort ge? hakkelde Madeleen, zich opwerpend heel smertelijk in +Goedele's armen. + +--Maar wat deert er toch? + +--Hoort ge?... 't Sterft! + +Ze viel nadien huilend naar voren op Goedele haren schoot en jammerde: + +--Ho! Hoóo!... mijn kindeken, mijn kindeken, mijn dutseken!... + +Haar lijf snokte op en rilde, en hare vingeren waren in pijnlijke +stuipen ommegekruld. Ze hief zich dan, plots zwijgend op, en keek +verwilderd Goedele aan. Ze fluisterde, geheimzinnig: + +--'t Is vreeslijk. Ik kon 't niet zien. Ik kon 't niet uithouden. Ik zal +daar iets leelijks van krijgen, in mijnen kop! 't Lag met zijne armen +zoo subiet hopeloos geweld te doen ... en te rukken aan de sargie, met +zijn nagels ... en 't heeft mij meteen bezien, met zijn oogskens wijd +open.... Wat wou 't zeggen, o God! 't En kon niet spreken, en die +oogen.... Ik dacht dat het te roepen begon. 't En zei niets. 't Waren +die oogen. + +--Drink een beetje, lieve. + +--Ja. + +Ze grabbelde bibberend naar het glas. Tante kwam ook half zinneloos in +de keuken binnengeloopen en hief hare armen omhooge. Ze stotterde: + +--'t Is zonde! + +En ze deed teeken, achter Madeleen's rugge, dat Goedele zou gaan en +helpen. + +Goedele ging. Ze voelde hare voeten, al gaande, niet slaan op den vloer, +en 't was alsof hare beenen automatisch voorttorten. Haar lijf hing naar +voren. Ze had schrik en dierf niet 't kindeken zien--en haastte zich om +te zien.... + +Vóor 't beddeken, aan 't voetende, stakerechte stond Ameye. Ernevens, +op een lage stoel zat Romaan. Zij verroerden zich niet. Ze keken +halsstarrig toe. Het kind lag heel wit midden op het witte kussen en op +zijn aangezicht was geen speur van leven meer. 't En asemde niet ... +Goedele week instinktmatig. Ze was tewege het te zeggen, dat het geen +asem meer had. + +--Romaan.... + +--Ssjt!... + +Wiezeken stak haar linkerhandje uit. Haar mondje viel open en een +moeielijk geronk ratelde in haar kele. Hare oogen lagen toe en een blauw +streepken randde er onder aan. In de hoekjes tinkelde een klare traan en +'t licht, dat tusschen de gordijnen neerzijpelde, speelde er met luttel +gestraal. + +--Laat me haar hoofd opheffen. 't Ligt te lage. + +Goedele bukte zich. De iodoformreuk walmde nu bijtend over haar gelaat +omhooge. Ze schoof hare handen onder de heete dekens en hief zoetekens +het kind uit den warmen konk, waar 't zijn koortse broeide. 't Was +pluimlichte. Ze raakte, door 't fijne hemdeken, het tengere ruggebeen en +de ringen van de ribbetjes. + +Maar Wiezeken wierp haar lijf opeens zijwaarts uit en lag een +schrikkelijk geweld te doen om asem op te halen. Haar buikje zonk diepe +in en hare borst zwol uitermate. Twee putjes zakten van weerskanten +onder hare kin en hare slapen sloegen met traag geklop. 't Geronk en +staakte niet in haar kele, en ze smeet zich ten geheele met leelijke +schokken op, daarbinst zwaaiend in de leegte met hare armen. Ze opende +dan endelijk hare oogen, keek heel strak Goedele aan, en haar gezicht +werd grauw-rood van het danig geweld. Ze zakte seffens in het witte +kussen weg. De matte bleekte herkwam over geheel haar hoofdeken en hare +handjes vielen onbeweeglijk op de sargie. Zij en roerde nu weer niet. +Hare oogen waren beloken en de blauwe randjes waren blauwer geworden. +Asemde ze? 't Was weer alsof ze buiten leven lag. Goedele, zich lager +bukkend, en werd over haar open mondje geen tocht van lucht gewaar. Ze +vatte dan de tengere vingeren en gedwee, gevoelloos, flets verdroegen ze +den toets. Goedele roerde op een nieuw de vreeslijke angst, en ze lonkte +zijwaarts op naar Ameye, geen afstand meer voelend tusschen hem en +haarzelve in de harrewarrije van het groote ongeluk. Met vreemde stem +sprak Romaan: + +--Laat ons nu rustig zijn.... + +Zijne lippen waren droog en kleurloos, en 't wit van zijne oogen was in +de hoekjes langs kleine aderen rood geworden. Hij trok stille Goedele +zijlings weg en fluisterde: + +--Het slaapt. + +Op dat oogenblik hadden Goedele en Ameye dezelfde trilling en ze +staarden naar mekaar. Ze begrepen meteen wat niet in woorden over hunne +lippen kwam, en ze bogen onder dezelfde vreesachtige treurnisse hun +hoofd. Alles werd groot in deze kamer en de geruchten van de strate, +eerst niet opgemerkt, begonnen luidelijk te klabetteren tegen de muren. +Binst eene toevallige stilte, die neerzeeg al met een keer en een +benauwdheid lei langs alle voorwerpen, klonk tegen de zoldering den +doffen tert van Mariëtte's vader, en de deure begon redeloos te rotelen. +Een siddering kroop over Ameye zijn rugge en Goedele krinste bang met +hare schouders. Ze blikten allebei terzelfdertijd neer naar het kind.... + +Daar kwam een blauwe verve over Wiezeken's gezichte en haar neuzeken +puntte scherp naar omhooge. Drie rimpelingen groeven een leelijke +schaduw op haar voorhoofd en de hoekjes van haar mond zakten neere, +haar kinne wegduwend tot een beenderig tjopken. Romaan zei: + +--Is hier geen zeupken water voor het kind? + +Ameye en Goedele hadden alweer eene pijnlijke verwondering, zóo rustig, +bijkans onverschillig, was zijn gezegde. Ameye bracht een lepelken water +aan de lippen van het bengelken en Goedele hielp hem, Wiezeken zoete +opheffend opdat ze goed zwelgen zou. Ze zagen malkanders handen +nevenseen te werke en 't was alsof ze sinds lange zoo in gewone doening +werkzaam waren geweest. Ze dachten niet daaraan: het was een algemeen +gevoel, dat niet tot preciese gedachten opschokte. Ze waren niet +verwonderd dat het zoo werkelijk was. Hunne handen taakten hunne handen. + +Het water drupte nutteloos weg in Wiezeken's hals en de kilte en bracht +geen beweging op het blauwe gezichtje. Aldoor blauwer werd het, en +dieper, smertelijker 't gerimpel daarboven.... + +--'t Is dat ze slaapt, mummelde Romaan. + +Goedele kon zich niet meer bedwingen en gauw te reke stortten hare +tranen plat neere op de witte dekens. Ameye fluisterde: + +--Wees sterk.... + +Ze beet op hare lippen en 't zicht van de schrikkelijke doening, die in +haar vlugge getraan tot vage strepen was weggesmolten, kwam op een nieuw +klaar te voorschijn. Ze was Ameye dankbaar dat hij dat woord gezeid had +en dat weer sterkte haar zinnen staalde. Ze hoopte nu een rap ende, de +rappe nadering van den sterken slag, om dan met zekerheid te kunnen +worstelen. Tegenwoordig hing nog 't gevaar als een wolke te dreigen, +en 't was te hooge en te wijd en overal tastbaar--en nievers te taken. +Ze wachtte. Ze wist dat Ameye haar een steun was. Als de schrikkelijke +smert zou uitbreken, zou ze pal staan, met een herte vol troost.... + +Plots iets ziende, dat lange buiten 't bereik van zijn begrip gebleven +was, rok zich Romaan met een hard gesnok van zijn spieren uit op zijn +stoel, en wipte nadien rechte. + +--Hee-la! + +'t Was een doffe roep en zijne wenkbrauwen kromden verwilderd naar +omhooge. Hij knelde Ameye's arm forsig tusschen zijne vingeren en neep +door, zijn eigen afmattend met overdadig geweld. Ameye zweeg. Romaan +hijgde: + +--Ziet ge ... ziet ge gijlie dan niet?... + +--'t Zal overtrekken.... + +--Hee-la! + +Hij boog zich en, in een subiete duizeling, stortte bijna voorover. +Hij reikte zijn hand gretig uit naar zijn kind en hakkelde, zinnelooze +woorden kappend in 't gaan van zijn onrustigen asem. + +--Overtrekken.... Overtrekken?... Watte? + +Wiezeken stiet nog eens haar borst opwaarts en heel haar lijveken bultte +uit, onder de bleeke sargie. Ze duwde hare ellebogen in 't kussen en +steunde erop en haar magere kele werd lang, een smal peezeken gelijk, +dat door de kinne hooploos werd opgetrokken. Haar mondje werd een +vierkantige holte en daarbinnen was 't al donkerrood en ratelde een +rukkend snorken diepe.... Dan opende ze hare oogen en tuurde met +onzeglijke pijne rechtuit, heel verre, nievers hulp meer vindend +hierdichte. + +Zóo staarden hare oogen, al viel weer plat haar pover geraamte, al +rustten weer hare moede handjes, al zegen weer toe hare lipjes, heel wit +van verve, heel droge, heel doorzichtig.... Zoo keek ze. Ze was nu niets +meer, zoo nietig en vergaan. Ze was niets meer. En tot het laatste keek +ze alginder, en de strakke blik doezelde weg achter een vool van grijze +natheid.... + +Goedele zakte ineen op hare knieën. + +Romaan had een tijdeken verschrikt zijn asem ingehouden en wankte nadien +achteruit. Heel zijne ellende, heel zijn endeloos leed kreet hij in wild +gejammer uit en hij stampte razend op den vloer, aldoor slaande met +zijne vuisten tegen zijne slapen. + +Zoodat Madeleen plots de deur opensmeet en daar stond, zonder een traan, +zonder een woord, lijk een doode overend.... + + + + * * * * * + + + +IX. + + +Late in den avond kon Goedele naar huis gaan. De groote woonste was haar +gansch vreemd geworden, zooals die vóor haar in de donkerte, heel +massief, achter het hekken oprees. Binstdat ze de deurbelle deed +rinkelen en zich nog aan 't verwonderen was over den lang-vergeten klank +ervan, merkte ze achter zich, midden de strate, Justa. Justa beweerde +dat ze juffrouw was gaan opzoeken, om wille van de vroege donkerte, en +dat ze nu toch danig tevreden was dat juffrouw endelijk ongedeerd was +thuis geraakt. + +--Mevrouw was zoo ongerust in den namiddag! fleemde ze zoeterig, terwijl +ze den groote sleutel in het klinkende slot duwde. + +--Mevrouw wilde maar altijd nieuws weten. Juffrouw weet nu misschien wel +nieuws. + +Goedele antwoordde niet en stapte gauw binnen. Terloops was haar idee +dat Justa haar gevolgd had en nageloerd langs den weg, maar ze dacht er +niet verder over na. Dat alles, meende zij, was ook nu zoo verre van +haar verwijderd, dat ze geen belang meer stellen kon in peuterige +leelijkheidjes. + +Ze had de smart tot diepe in haar vleesch gevoeld; en wat hier ommeging, +de doening van moeder en de kinderachtigheid van vader, al dat suffe +bedrijf van elkendeen in de groote leege woonste, 't was rijzekens een +buitenmenschelijk gespeel. Ze zag even in haren geest het pieuze gebaar +van Sebastiaan zijn vingeren.... + +Ze stond vóor Ursule. Ze had het gevoel dat ze heel hoog stond. Ze zei +simpel: + +--Het kind is dood. + +Ursule en roerde niet. Ze keek naar Seppie, die zich had neergevleid om +hare voeten en nu lui zijn muilken snuivend opstak naar Goedele. Haar +blik was hard, gewoon-hard, en de lichtstreep, die de lampeklaarten op +heur gladgestreken haar leiden, en bewoog geen steke naar achteren noch +voren. Ze sprak: + +--God hebbe zijn zielken. Het lieveken is gelukkig. + +Na een stonde vroeg ze of Romaan sterk was, en als ze vernam dat hij +zeer afgemat en terneergeslagen het verlies van zijn dochterken beleden +had, viel van hare lippen een koud woord, dat vreemd tegen hare +gevoelerigheid van te-morgen afstak. + +--De tijd zal 't uitwisschen, zei ze. + +Goedele had meteen geschokt opgekeken. Ze bedaarde echter subiet, zich +peiselijk opheffend in de wijde golving van haar leed, en beaamde +stille: + +--Ja, de tijd zal 't uitwisschen.... + +Ze verliet zonder groeten de eetplaats en tort langzaam de trap op. +Haar kamer, docht haar, had een zonderling uitzicht en met de roerende +keersevlamme klaarden de stoelen, de witte vlekken van 't bedde, en de +breede spiegel van de toilettafel, met onbekende vormen op. Het scheen +haar hier alles zoo oneigen en de reuk van de versche lakens tingel de +in haren neuze, lijk iets dat nooit bij deze lakens behoord had. Wat was +hier gebeurd? Ze schudde haar hoofd en mompelde lijdelijk: + +--In mij is 't gebeurd.... + +Ze had het ganschelijke gevoel daarvan, maar verder kon ze in haar eigen +niet ingaan. Ze beleefde de vreemde veranderingen die haar ziele +ommegewenteld hadden en de oorzaken lagen te diepe. Daar was iets +gebeurd. Over al het onduidelijke wezen van haar machtige wee, reikte +die zekerheid. + +Lang bleef ze eer ze inslapen kon, en 's uchtends als ze wakker werd, +was ze haar gekeerde nature nog niet gewend en waarde hetzelfde vreemd +geluchte rond de kamer. Binst den dag liep ze met Justa de stad op en +af en bestelde wat noodig was voor Wiezeken's begraving. Ze deed het +smertelijke werk zonder vermoeienis. Ze was sterk. Ameye had alles +opgeschreven wat ze te doen had. Ze deed het alzoo, stlptelijk zijn +zeggen nakomend, met groote zorgelijkheid. Al voorbijgaand, tort ze bij +Madeleen en Romaan eens binnen. Ze waren allebei zeer verslagen nog, +ofschoon Ameye hen niet verlaten had en hun gestadig zijn +zoet-sprekenden troost gaf. Ze kustte met vrome teerheid hun bleeke +voorhoofd en drukte de hand van haren moedigen vriend. + +Weer drilde ze de straten door. Ze had maar weinig geld. Johannes had +haar opgeleid dat ze alle bestellingen in zijn naam doen zou. Ze +bestelde echter alles in name van moeder en ze schrikte niet bij 't idee +dat moeder vreeslijk opschieten zou. Ze vreesde moeder niet meer. Ze +dacht zelfs niet aan een vrees, die komen zou. Ze handelde heel +eenvoudig, praktisch. Moeder had geld. + +Omtrent den vallenden avond was gansch het droevig gedoe in orde en +geraakte ze terug thuis. Ze sprak binst het soepee geen woord en ze deed +nadien Sebastiaan verwittigen, dat hij in de eerste acht dagen niet +komen moest. Hij had haar seffens met ommegaanden bode een langen brief +gestuurd, waarin hij de oorzaken van hare terughouding ten hoogste prees +en met lange zinnen toch hare deugdelijke opsluiting betreurde. Ze las +de eerste bladzijde en liet den brief dadelijk wegglijden tusschen hare +vingeren. + +Als ze tewege was op te gaan naar heur slaapkamer, zag ze bij den heerd +vader zitten, lage gebukt en turende roerloos naar 't gespetter van het +open vuur. Hij had ook aldoor zwijgend door de koude stilte van het huis +gewandeld vandage, en hij voelde zich bovenmatelijk droeve worden in de +droefenis, die Goedele langs alle kamers neerzijgen liet van haar. Hij +vatte wel niet teenemaal het rechte begrip van wat er zoo geheimzinnig +in de leegte gebeurende was, maar zijn treurnisse was echt. Goedele kwam +nevens hem staan en merkte hoe over zijne ronde wangen de blinkende +tranen rolden en ze vroeg: + +--Hebt ge groot verdriet? + +Hij glimlachte binst zijn stille geween en keek op in haar aangezicht. + +--Wel ja ik, zei hij. + +--Romaan is diepe getroffen, vader. Het is goed dat ge dat meevoelt. + +Hij stamelde, heel week wordend: + +--Ja, het is goed ... het is goed.... + +Hij maakte ervan, zonder goed in te zien, een groot ongeluk, en zijn +herte was er vol mee. Hij probeerde aan het kindje te denken, dat hij +nooit gezien had, en aan Madeleen, die hij nooit gezien had. Hij dierf +dat nu doen, in de aanwezigheid van Goedele en buiten 't bereik van +zijne vrouw. Hij voelde Goedele's hand op zijnen schouder rusten en dat +deed hem zachte deugd. + +Goedele en verwijlde niet lange bij hem. Al trof ze nu een +teer-lijdelijk herte, al trilde in het kille huif een snare van goede +aandoening, ze kon niet zoo seffens aansluiten met vader. Vader was, met +al de rest, verre verwijderd van haar innige leven en ze bekeek hem van +verre. Ze bleef koel, alhoewel een streelende zoetigheid om hare woorden +fluweelde. Ze zei: + +--Goeienavond.... + +En met eene aaiende buiging golfde hare stem. Hij voelde hare vingeren +trage wegsleeren over zijn schouder en hij zat subiet heel alleene en +bangwordend in den naderenden nacht, te turen zonder weten naar 't +laaierig vuur, dat oplikte langs de vlammende scheiers. + +'s Anderendaags was 't weer een ijverig en verward bedrijf. Na een +loopken in de stad, waar ze nog haastig 't een en ander te verrichten +had, kwam Goedele bij Romaan. Ze vond hem in de keuken. Hij keek +rijzekens op, als ze binnenkwam, en nauw hoorbaar groette haar. Ze kon +door licht en menig getater hem niet uit zijn somber gemijmer krijgen en +ze moest het endelijk opgeven, met een zucht. Ook Madeleen en liet zich +door geen troosting roeren en zat in zwijgende neerslachtigheid precies +te voelen over haar den stillen gang van den tijd. Niemand sprak over +het kind. Tante Olympe was lijk een automaat den vloer aan 't +affledderen en stond bijwijlen zonder kijken te roefelen over een zelfde +plekke. + +--Ge moet ulie struisch houden, zei Goedele. + +'t Geluid van haar stemme wuifde uiteen en viel dadelijk plat neere, +versmoord tusschen de muren, en zonder uitslag. Het huis was vol van +Wiezeken, en niemand sprak van Wiezeken. + +Een tijdeken vóor den noene tort Ameye binnen. 't En deed Goedele geen +emotie aan, hem op een nieuw dichte bij haar te voelen. Ze was 't alzoo, +zonder overgang, reeds gewend, en lei hare hand met rustigheid in de +zijne. Ze was wel tevreden dat hij haar helpen kwam om de stilte te +bestrijden, waar zij hopeloos in alleene bleef. Hij voelde met meer +gemak de doode leegte, en zijne gebaren, 't vergaan van zijn wezen en +'t gedoe van zijne armen, waren min gemaakt. Het gelukte hem, met gewone +gezegden, 't getik van 't horloge te bemeesteren, dat zoo pijnlijk het +ongeluk hier in zeerdoende stondekens tjokte. Hij sprak van 't weer--'t +geluchte was vochtiger en lager de hemel, en 't zou wel sneeuwen eer 't +avond werd.... + +--Sneeuwen? vroeg Romaan, verschrikt. + +Ze voelden 't plots allemaal tegare waaraan hij dacht en zagen hoe de +sneeuw, binst de deemstering, zou neerwaarts vlagen en ommevlokkelen, +langs het eendelijke graf.... Want het huis was vol van Wiezeken, en +niemand sprak van Wiezeken. + +En, in der waarheid, de sneeuw viel. 't Was eerst een opwirrelend gewaai +van kleine witte dingetjes--endelijk, als de mannen kwamen en 't +kisteken wegdroegen en 't wegschoven onder een schoon floers met +franjen, op den zwarten wagen--endelijk een regelmatige val van dikke +trossels, licht-dalend bij buien en stille lijk een groot, blank geheim. + +Romaan had geëischt dat niemand op de begrafenis zou uitgenoodigd +worden. De strate was leeg. Gevieren--tante Olympe was thuis gebleven +om alles weg te ruimen wat tot een pijnlijke herinnering aanleiding kon +geven--gevieren volgden ze te voete de koetse en ze zagen even, in hun +voortdurend geween, de menschen van weerskanten groeten en verwonderd +blijven staan, al kijkend naar dien rijkemans wagen rijzekens begeleid. + +Na de zegening in de kerke, stapten ze in een groote sjeeze en reden +achteraan, nu geschokt in dees groote huurkasse met versleten kussens. +Madeleen voelde hoe alleenig ze hier zaten en hoe alleenig ginder +Wiezeken lag, en ze stamelde: + +--Me dunkt dat wij er nu zoo verre van af zijn.... + +--Ja, zei Romaan, heel laag. + +Maar Ameye was weer aan 't vertellen en trachtte met diepe woorden 't +zachte vergaan van dees tijdelijke leed te doen voelen. Ze luisterden +wel naar hem, zagen wel een wijlken lang de troostvolle beelden +opflikkeren, die hij ontstak in hun gepeinzen. 't Matelijk gewiel van de +sjeeze echter en de kloppende draf van de peerden, de almachtige sneeuw, +die achter de ruitjes in wijde vlagen neerwoei en 't hoorbaar gerol van +den rouwwagen, vooraan, den schrikkelijken wagen, al 't gedruisch +dreunde zoo sterkelijk aan tegen hunne hersenen, dat ze seffens hun +hoofd lieten zakken en op hunne vingeren 't heete gespets van hunne +tranen gewaar werden. + +Het kerkhof was heel en al een wit veld door zijschaduwen van zerken en +zuilen gebroken. De mannen, die waren meegekomen en waar de wind ook +omme wit gewinterd had, maakten het kistje bloot en bonden er twee +koorden rond. + +Het was een akelige stonde. De sneeuw smeet in Romaan zijn gezicht, lijk +hij daar van voren stond, dichtebij. Hij ging alles nauwkeurig na en 't +zicht van dat houten ding, waar Wiezeken in beloken lag, spijkerde zich +met zeerdoend hamergestamp vaste in zijnen geest. Hij hoorde 't +hopelooze gesnik van Madeleen, als Wiezeken in 't volle weer verdragen +werd en zoo eendelijk wegzakte, diepe, in de eendelijke holte. Hij +merkte nog hoe de mannen bedaard en onverschillig te werke gingen.... + +Daar kwam een groote moeheid over hem en zijne knieën knikten thoope. +Hij wist meteen niet meer duidelijk wat er gebeurende was en liet zich +door Johannes meeleiden. Hij trutselde, wilde een klaarte krijgen in +zijn gedachten en mummelde gestadig: + +--Maar ... maar ... sapristi! Zijn we nu allemaal tegare?... + +Hij werd opgeheven en zat op een nieuw in het rijtuig. Hij zag Madeleen +weer uitbersten in een wee zonder ende en kreeg meteen 't idee dat hij +ze troosten moest. + +--Toe-de, mijn kind ... ge moet op iets anders peinzen.... + +Ze waren allemaal bang van hem. Hij zei: + +--'t Is hier plezant, zoo te rijden.... + +Hij klopte op Madeleens schouder en bukte zich om te blikken in haar +betraand gezichte. Hij streelde nadien hare handen en peuterde zoetekens +over hare vingeren en begon ook te weenen. Hij liet zijn hoofd +neerzijgen tegen hare borste en sloot zijne oogen. + +Ze geraakten thuis. Ze moesten hem wakker maken en hij keek heel +verwilderd toe, zonder begrijpen. Hij ging de trap op en vond in de +keuken tante Olympe aan 't jeremieeren met Mariëtte. Mariëtte wilde +subiet wegloopen, verlegen omdat ze midden in al deze droefenis betrapt +werd. Ameye vroeg dat ze arets blijven zou en ze groette elkendeen +minzaam. Het was eene afleiding en de kamers, waar Wiezeken nu voor +altijd uit was, en gaapten zoo akelig niet. + +Goedele bracht de hoeden en mantels weg en toonde zich uitermate +gedienstig. Ze schikte de koffiekommekens, had beste koekskens veerdig, +vulde met djente bewegingen de leegte, die tallenkante herkomen wou. +En Ameye hielp dapper mee, aldoor de conversatie rechthoudend en de +aandacht op allerlei zaken verstrooiend. Mariëtte begreep seffens dat +ze ook van hulp zijn kon en haar klaar stemmeken deed ze sierlijk +oprinkelen. Ze was alzoo waarachtig een hupsche deerne en hare handen +waren zoo klein en zoo blank, en ze vingerde zoo prontelijk ermee, om +haar gezegde uit te teekenen. Ze merkte dat uit de hoeken van de kamer +allengs de deemsteringe naar voren kroop en ze voelde dat, al +duisterend, 't geluchte vol zou geraken met een nieuwe angstigheid. + +--Wil ik de lampe aansteken? + +Elkendeen keek naar 't venster, waar de dag nog lichtend bezig was. De +sneeuw bijsde er onophoudend naar 't westen toe, waarheen de wind zijn +joependen asem joeg, en de vlokken kletsten altemets met een klein +getjok tegen de ruiten of maakten, precies dansend, een sprongsken en +een ronde. Als de lampe brandde, was alles in de kamer beverfd met een +warm-gele klaarte, en dan werd de dalende dag buiten een kille +blauwigheid. Mariëtte schoof de gordijntjes dichte. De kamer was meteen +heel gezellig van de wijde vreemdte afgezonderd. + +--Zie-zoo, lachte Mariëtte, nu zitten we lekker. + +Ze lachte halvelings, en zij en schond niemands gevoelen met hare lichte +pleizierigheid. Ze ging het vuur in de stove opkoteren, zoodat het +poefend te zoeven begon. Ze schonk de koffie in en naderhand een +druppelken cognac, en ze dwong elkendeen mee te doen en te drinken. +Johannes kon ook wonderlijk alle droefenis wegtingelen met 't gevleugel +van zijne aardige woorden. Getweeën droegen ze behendig hun moeielijke +take, en endelijk scheen alle groot verdriet verdwenen. Madeleen +glimlachte en knikte weleens. Romaan bleef sprakeloos, maar effen was +zijn witte voorhoofd. Het schartend getik van 't horloge en was niet +hoorbaar meer, en tante Olympe deed haar duimen spelenderwijs overeen +draaien. + +Mariëtte werd dan ten geheele leutig en zette zich aan 't verhalen. +Ze had al wat zonderlinge tijdekens beleefd, en in haar memorie had ze +alles opgestapeld. Ze vertelde met gemoedelijke geestigheid, en ze wist +zoo naïef aaneen te knoopen een historie van hare kanarievogels en een +avonture van de lage strate. En, al zei ze bijwijlen een opgelicht +zinnetje, ze kon 't allemaal zoo vermakelijk op een blozend lachje doen +afloopen, dat zelfs Ameye ook dadelijk onder den peisvollen indruk van +hare tooverige bevalligheid geraakte. Hij klopte op Romaans knie en zei: + +--Hoort ge? + +Romaan was daar met zinnen onderstboven in de war. Door al 't gepraat +heen bleef hij onveranderlijk rondstaren en zweeg. Hij had geen +gedachten meer. Hij zat thuis. Hij voelde wel dat iets haperde ievers +... ievers ... maar 't vervaagde alginds, verre van hier. Hij zat goed +thuis en vóor hem zat Madeleen, en hij zag Goedele en Johannes en de +anderen, een warmen kring van roerende lijven. En deugdelijk was hem 't +gedruisch. Lijk men soms op steile bergen de endelooze rustigheid der +hemelen met rustigheid bewonderen kan en weet dat men niet blikken mag +naar onder, waar duizelende diepten het hoofd verdraaien--zoo zat hij +en keek naar elkendeen, en dierf niet kijken alginds, ievers waar 't +smokkel weerde, verre van hier.... En gedurig voelde hij den +vriendelijken stoot van Johannes' elleboog of 't gewrijf van zijn +vingeren, zachte. + +--Ziet ge? + +Hij knikte verlegen en zijn gelaat en bewoog niet. + +--Hoort ge? + +'t Was alweer Mariëtte, die plezant was. Hij knikte. Zijne oogen zochten +naar Madeleen, die knikte. Hij dronk een zeupken koffie en proefde dat +er geen suiker genoeg in was. Hij roerde genoeglijk met het +bel-tjinkelende lepelken.... + +Binstdien, al meer en meer, omdoezelde een lijze moeheid zijne leden. +Zijne handen hingen langs de sporten van zijn stoel arets te wiegen, en +lager zonk zijn kinne. Het docht hem dat hij wel danig zwaar zat en dat +de leuning hem in zijn rugge bezeerde. De woorden om hem en 't gespeel +van de golvende stemmen werden een rumoerend lawaai, waarin hij niets +meer herkende. 't Raasde tallenkant en 't kwam wegen op zijne hersens. +Hij was plots ganschelijk warm, en de hitte kriebelde in zijn haar en +onder zijne oksels. + +Hij stond subiet rechte en een blos spatte uit op zijne kaken. Elkendeen +zweeg. Zijn tonge lag dikke in zijn mond en hij kon haast niet +uitspreken een wenk, die in zijn hoofd bewoog: + +--Komt ge? We gaan.... + +Hij glimlachte oolijk naderhand en mummelde: + +--Tante Olympe zal 't bedde niet opgemaakt hebben.... + +Zijn stap was onvaste en hij drukte gretig Ameye's hand, die naar hem +uitgereikt was. 't Ontlastte Goedele, dat hij zoo stille te rusten ging, +en ze kustte hevig Madeleen, die ook zeer moe was geworden. + +Maar als Madeleen en Romaan weg waren, viel als een gewichte het +taterend gedoe. Mariëtte was haastig om deze tafel te ontvluchten en +blikte met zichtbare bezorgdheid naar het uur. Johannes en sprak bijkans +niet meer en tuurde naar 't geschitter van een lampstraaltje op den +bodem van zijn cognacruimer. Hij groette onachtzaam Mariëtte als ze de +kamer verliet, en zat nu tusschen leege stoelen naar leege gepeinzen te +zien. Tante Olympe zuchtte Juidop. + +--Aai-Heere God! + +En zoo drijmaal te reke, om de aandacht her op de droeve gebeurtenis te +roepen. 't En was niet uit haar hoofd te praten, dat de eerste schuld +lag in de onwettelijke betrekkingen en dat God een huwelijk bestrafte, +dat Hijzelf niet had mogen inzegenen. Ze had wel geerne daarover +gejammerd op een nieuw, om haar emotie deugd te doen. + +--Aai-Heere God! mijn kinderen! + +Ameye echter en keek niet op, en Goedele was insgelijks in alleenig +gemijmer verzonken, zoodat tante Olympe van lieverlede ook zweeg en +alzoo haar wimpers voelde dudderen. 't Duurde een ommegang van haar +altijd-zelfde gedachten, eer ze haar oude kappe boog en tegen het +tafelberd in slaap donkelde. + +Een zonderlinge koortse hing in 't geluchte. De wind vlaagde hoorbaar +tegen 't raam en piepte altemets in een losse rete. 't Vuur in de stove +werkte te hard en een kwalijke hitte schoof in zware asems eromme. +'t Was late in den avond geworden, en Goedele dierf niet zeggen: + +--'t Is tijd.... + +Ze voelde 't gestreel van Ameye zijn droomerige stilte en 't aaide haar, +'t bedwelmde haar, 't joeg een hijgen in haar borste. Ze wist wel dat +zij hier nu niets meer te verrichten had, en wat ze nu deed, zoo +luisteren naar een gedacht en lui worden in een kwaden vrede--ze wist +dat het niet docht. Ze werd in haar lijf de wellust gewaar van liggen +in de zoelte en taken de slapheid van den locht. En ze zei niet: + +--'t Is tijd.... + +Ze probeerde te denken aan moeder.... Moeders gezichte doezelde weg en +ze kon geen beeld opvangen, dat stiptelijk moeder was. Haar zinnen +roerden in ziekelijke teerheid, rustend bij 't doode Wiezeken, rustend +bij Romaan en Madeleen, want dáar was tegenwoordig een rust, waar ze +lange stonden in verwijlen wou. Ze luisterde alles af.... + +Ze verlangde niet dat Johannes spreken zou of dat zijne handen, schoone +bij mekaar gebracht over zijne knieën, zouden 't gebaar doen van +woorden. Ze verlangde dat de tijd zou stille hangen, en ze toetste +Johannes' gepeins. Een ander verlangen en wist ze niet. De toekomst kon +ze niet mooier willen, en zij en had geen begeerte die zou worden in +mooiere toekomst volbracht. En zoo had ze stilaan geen besef van wat +haar te doen stond. + +Geen daad kon ze verzinnen, en ze luisterde aldoor naar het doen van +Ameye, en ze peinsde niet meer: + +--'t Is tijd.... + +Ze was droeve en vleide zich in zoetige droefenis, en daar was in +waarheid precies geen tijd om haar. Ze schoot ineens op, met een +pijnlijken ruk, als Madeleen in het deurgat kwam staan, vragende: + +--Waar hebt ge 't gezet? + +Ze ging seffens naar haar toe en vatte hare handen. + +--Wat? + +--'t Beddeken, 't kleene.... + +--Lieve, uwe vingeren zijn klamp en ge loopt kousevoets in den koude. +Maak u niet ziek en bezorg u om niets. Laat alles begaan. + +--Ja, maar als ik er zoo meteen ievers tegenstruikel.... + +--Denk niet daaraan. + +--Of 't kussen ievers zie, met een konksken te midden in, nog.... + +--Geef me een zoen en zij rustig. Slaapt Romaan? + +--Romaan slaapt.... En waar zijn de fleschkens? En de kleeren ook al? + +--Ge doet me pijn, Madeleen. + +--Zie ... wees niet kwaad ... ik heb schrik ... ik zie gedurig schimmen +hergaan over de gordijnen. Ik weet wel dat het een doening is van de +strate. 't Is me algelijk danig bang en ik kan soms niet slikken. + +--'t Zal de werking van de koffie zijn. + +--Ja, dàt is 't. + +Ze zei 't met vastheid en was seffens tevreden dat er zoo simpellijk een +uitlegging was voor dat angstig bedrijf in haar hoofd. Ze merkte dan dat +tante Olympe heel scheef gezakt was en ganschelijk weggedommeld. Ze had +nog een flauwen lach en verdween. + +Ameye bleef zitten en Goedele zette zich lijk te voren rechtover hem. +Ze voelde nu dat zijne oogen strak op haar gevestigd waren, en ze wendde +hare blikken zijlings naar de dresse. De potjes, die daar stonden op +planken, met hun witte buiken en krullende ooren en een rozige roze vlak +vooraan, bekeek ze met geveinsde aandacht. Een tinnen teele, schoone +versierd met een ranke doffe blaren, blonk geweldig uit, en ernevens, in +een tasje van oud porselein, dorde een doode palmtuil. De teele droeg +ervan de onbeweeglijke schaduw, lijk ze daar door het noesche licht van +de lampe opgesmeten werd. Anderszins was de dresse een donkere kasse, +want niets en was van achteren te merken. Goedele zag allengs ook +wegsmokkelen de potjes en het klaterende tin, en in haar hoofd peuterde +alleen de onverdraaglijke last van Ameye's blik. Hij kittelde haar, +krabde en puntelde, zoodat het een folteringe werd. Ze duldde de +foltering. Ze wist dat, moest ze nu subiet opkijken, ze Ameye's oogen +zou zien. Ze wist wat ze zien zou in de oogen. Hij deed haar zeer, hij +was ongemanierd en hij was onzedelijk. Maar--moest ze nu subiet +opkijken--ze zou geen ongemanierdheid en geen cynische treiteringe zien. +Ze voelde 't heel klaar, en opkijken en deed ze niet. + +Maar bukte hij zich niet en leunde op de tafel om beter zijn blikken te +doen wegen. Ze stond haastig rechte en zei: + +--'t Is tijd. + +'t Klonk eenbarelijk en ze was zelve verwonderd. Ze meende dat ze 't +leelijkste woord genomen had en dat ze nu gaan moést. Zijn vrage was een +fluistering. + +--Tijd? + +Zijn stemme, met dat éene woord, omvatte haar in een lauwe fleering en +het docht haar dat hijzelf haar tallenkante te gelijk taken kwam. Ze +betreurde dat ze gesproken had en betreurde dat hij sprak. Ze had de +peis gebroken van eene zinnelijke mijmering en ze vreesde dat, met de +beweging van haar lijf, met den gedwongen tert van hare voeten, ze de +schoonheid van dezen avond onherroepelijk verdrijven zou. Hij sloot +zijne oogen en lispelde: + +--Ik meende dat een eeuwigheid was aangebroken.... + +Het trof haar dat ook hij in 't gewiegel van dezelfde gepeinzen vervoerd +was. Ze werd bang. Zou hij verder spreken? Zou hij in een vallend +gezegde uit hem gooien wat zij wist dat er droomend gebeurde? Ze werd +uitermatelijk bang en hare vingeren schoven bibberend overeen. Ze boog +zich algauw over tante Olympe en schudde haar ruw wakker. Het wijveken +hief scheef omhooge haar afgemat gezicht en keek verward op. + +--Hein? + +--'t Is late nacht, zei Goedele. Ik moet naar huis. Ga, bidde, +daarbinnen kijken of Madeleen nu rustig is.... + +Tante Olympe verliet knikkebeenend de kamer, maar 't gesleer van hare +voeten was nog merkbaar alover de ruischende planken van den vloer. +Ameye rechtte zich langzaam op. Heel simpellijk, alsof hij wel wist dat +geen weigering te verwachten was, sprak hij: + +--Ik ga mee. Alleene moogt ge over strate niet loopen. + +Ze antwoordde koud dat hij zich eigenlijk geen moeite moest geven en +gerust daar blijven kon, als hij eerst zóo van plan was. Hij vroeg: + +--Wat kan ik hier doen? Elkendeen slaapt en gij zijt weg.... + +Tante Olympe kwam op hare teenen her binnen, teeken doende dat alles +rustig was, en Goedele werd buiten reden haastig. Haar hoed, binstdat +ze hem opzette, beefde in hare handen en een ongemeene gichtigheid +kriebelde achter hare ooren. Onder 't licht van de lampe schitterde, +uiterst beweeglijk, de diamant van haren ring. Ze was seffens veerdig en +smeet zonder hulpe haar mantel over hare schouders. Ze voelde nog een +beetje vochtigheid in de pelsenkrage, die killig haren nekke taakte. Die +plotselinge frischheid deed haar deugd, en ze trok met meer bedaardheid +hare handschoenen aan. Als ze endelijk ommekeek, stond daar Ameye +alreeds te wachten. + +--Kunnen we gaan, juffrouw? + +--Ja, mijnheer. + +Ze deed haar best om hard te zijn of onverschillig. Ze groette tante +Olympe met overdreven vriendelijkheid, om goed 't verschil duidelijk te +maken. + +--Slaap zachte! + +Ze vestigde hare aandacht op de lampe, die aan 't uitvonken was, en +tante Olympe, ten halve slaperig, knikte dat ze alles wel zou in orde +brengen, al lachend groetend: + +--Tot morgen? + +--Tot morgen. + +Het licht, dat in vierkante vlekken op de trappen spetterde, vernauwde +subiet, en de deur klonk dichte. + +Ze geraakten op strate. 't En sneeuwde niet meer, maar allerwege reikte +de blanke vlakte, rijzekens gebroken door 't somber geschemer der +gevels. Geen mensch roerde daarin. Een benauwde stilte heerschte hier en +'t was alsof 't nooit anders was geweest en 't nooit anders zou worden. +Altemets roefelde van boven een wijde wind benedenwaarts, scharrelde +hoorbaar langs de daken, in de goten, huilde ievers in een +toevallige-holte of joeg vrij door, meester over de stede. Het licht dat +van de lanterens openviel, rondde een gele verve plat op de witheid van +den winter, en, als 't gewaai aan 't rotelen was, waggelde de vlamme en +roerden op den grond de schaduwstrepen en de klaarten. Andermaal was +alles stille en men hoorde heel verre 't geronk van de hooge stad, den +galm van haar late pleizieren. + +Een tijdeken bleven Goedele en Ameye op den drempel staan. 't Schoot +haar plots te binnen dat Justa misschien op den loer was gezet, en ze +staarde links en rechts den nacht door. Ze zei, opdat hij ook zou +rondblikken: + +--Geen ziele op weg.... + +Hij blikte rond. + +--Geen ziele.... + +Ze hadden allebei terzelfdertijd 't gevoel van deze vreeslijke +alleenigheid, en hun voet schoof schuchter door de krakende sneeuw. In +zijstraten en bewoog insgelijks geen levend bedrijf van menschen, en 't +was alsof ze doolden in een doode stad, zoo tertende naast mekaar op +zinkenden grond, waar nievers het speur van stappen was achtergebleven. +Tusschen de spleetjes van onvaste blaffeturen straalde altemets een +geutje licht, en binnen een huis dreunde bij stonden de slag van een +pompe of 't getjok van een ijverige naaimachine. Het tijdelijke lawaai +stierf gauw uit en lijk te voren herkwam de almachtige stilte langs de +effenheid van gansch de blanke vlakte. De drempels lagen bedolven en een +hooge zulle kon halvelings nog opduiken vóor de woonste van rijke lui. + +In een ommedraai van den weg merkten ze de sombere gestalte van een +politieagent. Verder alweer reikte de onbezochte straat, geruchteloos. +En ze gingen, neerwaarts blikkend, luisterend naar eigen beweeg. Ze +spraken niet en ze waren gedurig veerdig om te spreken. Ameye wilde met +geen dwaas gepraat beginnen en zocht het sterke woord, waarmee hij +beginnen moest. Een vredige zekerheid was in hem rijp geworden en zijn +besluit lag klaar in zijne gedachten. 't Ware nu dom geweest, indien hij +met gewone zinnetjes te converseeren ging. Hij liet eerst de stilte hare +diepe werking doen.... + +In ongedurige verwachting stapte Goedele nevens hem. Ze taakte soms zijn +elleboog, als haar voet zijlings uitsleerde, en zoo rilde een +zonderlinge wrevel langs haren rugge op. Al meer koortse verwarde hare +zinnen en ze beet somtewijlen toornig op hare tanden, vernederd in eigen +onverdraagzaamheid. Ook de eenvormige klein-geruchten, 't piepen van de +sneeuw onder haren schoen, 't geruisch van hare rokken en een kleine +wrijving van haar pelsenkrage, saam met haar blazenden asem, joeg ten +uiterste haar lastig ongeduld. Bij 't inslaan van een nauwe stege, werd +ze gewaar dat ze de baan te buiten waren en misliepen. En toch, al wilde +ze haastig zijn en zich haar ongeduur tot rap doordrillen opdringen, ze +zweeg. + +De schaduw, die van de daken viel, was dichter hier en nauwer lagen de +drempels tegenovereen. Daar was ievers nog een kroegje ruchtig, maar +wijder uit donkerde alles weg in ganschelijke eenzaamheid. Het begon te +sneeuwen.... + +Ameye rok zijn regenscherm open en schoof dichte aan naast Goedele. + +--Leun op mijnen arm, zei hij. + +Hij sprak heel lage, gewichtig en daardoor was zijn nadering, in +Goedele's hoofd, een diepzinnige gebeurtenis. Haar ongeduld zakte thoope +en ze voelde een groote aandoening over haar komen. Aarzelend hief ze +hare hand op en rustte op zijnen arm. Ze kon niet doorwegen erop. Een +zonderling gevoel deed hare vingeren tingelen, zoodat de tast van zijn +lijf ze opwippen deed overhand. Hij fluisterde: + +--Nu hebbe 'k een wonderbaar geneuchte.... + +Ze meende dat ze te wege was weg te zinken, en het docht haar meteen dat +de eerde roerde en een holte groef onder haar. Elk woord, dat hij +uitgesproken had, brandde en daverde in hare hersens en haar hoofd zelve +werd een holle kasse, waar ze met ongemeen geweld ommeroefelden. Wat had +hij gezeid? 't Ruischte als een schrikkelijke golving: + +--Een wonderbaar geneuchte.... + +Ze spande al hare krachten in om sterk te blijven en klampte zich vaste +aan andere gedachten. Ze wilde denken aan Romaan, en denken aan +Madeleen, en hare emotie in tranen uitgieten alover 't graf van +Wiezeken. Ze maakte vluggelings beelden van wanhoop, om iets dat +opjoepte in haar herte neer te duwen. Ze dwong hare gepeinzen tot +weemoed en richtte ze alginder, waar 't ongeluk was binnengeslopen en +waar ze gansch den dag had kunnen weenen. Ze vroeg zich af: + +--Schiet Romaan nu niet wakker en hoort hij niet 't geloei van den +eendelijken wind? + +Ze kon geen angstigheid leggen in haar borste. Ze vroeg zich af: + +--Loopt Madeleen nu niet dolend rond, in waanzin zoekend naar ... +naar.... + +Maar ze stiet seffens aan tegen de struischte van 't eenbarelijk geluid: + +--Een wonderbaar geneuchte.... + +Het klokte zonder ende, en klapperde hare leden door, en 't galmde in +trillingen weg om haastig weer op te lawaaien, éen krachtig gedruisch. +Ze meende dat ze niet meer te kampen vermocht.... Dan zag ze in +toevallige gepeinzen 't moedeloos gezichte van Sebastiaan en ze moest +blijven staan, plots ongemakkelijk wordend. Ze voelde nadien dichtebij +den buigenden blik van Ameye en stapte verder, gedreven door koortsige +hardnekkigheid. Een oogenblik kon ze nagaan Sebastiaan's bleeke wezen en +luie vingeren. Ze had geerne een geweldige wroeging willen krijgen, een +bijtend folteren van al haar vleesch, een schok in haar herte om neer te +zinken, onmachtig.... Het bleeke wezen vervaagde, teerde uit zonder +oogenverwijt; en sterker herstraalde tallenkant, triomfelijk, het lokkig +gezegde: + +--Een wonderbaar ... een wonderbaar.... + +Ze voelde dat hij zijn stap vertraagde, en dat zijn arm lager zeeg en +achterwaarts zich rondde. Ze voelde zijne hand sleeren langs haren rug +en haar omvatten in haar leen. Toen merkte ze hoe dikke de sneeuw al +zwijgend omlage streek, en zag ze den witten schijn van zijn gelaat uit +den nacht opklaren en bukken over haar voorhoofd. Ze schrok subiet. Ze +neep hare oogen toe en kon niet verder terten. Zijn warme asem kittelde +alreeds op hare slapen. Ze neeg op zij en zakte zonder willen tegen +zijne borste. Ze hoorde heel zachte: + +--Goedele ... Goedele.... + +Op haren mond brandde nu de wilde hitte van zijne lippen, en haar mond +werd wild heet. + + + + * * * * * + + +X. + + +Het was alles alzoo door de ziekelijke demoralisatie van de +omstandigheden gekomen, maar Goedele was daarvan niet bewust. Ze leefde +nu daarin, met onzeglijke drift opasemend het koortsige geluchte, en ze +wist niet dat er een andere weelde der zinnen kon zijn. Alles had ook +meegeholpen in 't kwade bedrijf--haar opgroei tusschen de muren van 't +massieve, leege huis, haar omgang met het onecht gedoe van moeder en +Sebastiaan, de nabijheid van Romaan's ongeluk en Wiezekens dood. + +Ze klampte zich nu vast aan 't morbiede lijfgenot, niet meer vattende +dat een dieper ziel el even haar aandeel kon zijn. Als ze late in den +morgen hare oogen openstak en de dag zag uiteenkletsen tegen de witte +zoldering van hare slaapkamer, voelde ze zich breed en struisch geworden +in de lichtende vrijheid van een nieuw bestaan, wonderlijk en ongeraden. +Al zag ze eerst niet heel klaar in wat er gebeurd was, al vervaagde alle +detailleering in een grijze doezeling, die ganschelijk de vreemde +zekerheid van hare gedachten uitmaakte, het was heur àl zonnig, wat +optikkelde in hare hersens. Het zonderling gevoel, dat haar in een +gestadige duizeling bracht, was wel rijzekens omrild met de siddering +van lastige angstigheid, en ze moest soms hare vingeren op haar +voorhoofd leggen om er de subiete hitte te koelen. Ze vroeg zich niet +met bangheid af: + +--Wat heb ik nu gedaan? + +Ze was om de nieuwheid van haar voelen bang, en wat ze gedaan had, was +goed, was zoete. Ze was niet bij machte om uit de verveling van haar +verleden nu een spijt op te rakelen. Ze redeneerde bovendien niet. +Ze proefde langzaam hare versche emoties, en ze was zoo verre van de +overige doening verwijderd, dat ze de mogelijkheid van een anderen +toestand niet taken kon. + +Als ze zich aankleedde, bleef ze vóor den spiegel een lange stonde de +malsche sierlijkheid van haren blooten hals en de ronde blankheid van +hare armen bewonderen. Het scheen haar dat ze in, der waarheid schoon +was, en een zondige fierheid lei zinnelijke stralen in hare oogen. + +Het schoot dan als een schicht door haar memorie dat ze Johannes vandaag +nog een bijeenkomst beloofd had. Ze had het niet vergeten, maar nu, +binstdat ze haar naakte vleesch met het smeulende vuur van passie +verheerlijkte, kwam het haar brutaal-klaar te voorschijn.... + +Een aarzeling haperde in hare gepeinzen en een wijlken verwarde hare +aandoening. Dat ze gaan zou bij hem, en dus een leven beginnen waar ze +schoon-handelend in optreden zou, ze wist het. Maar ze schrikte, omdat +het oogenblik zoo dichte bij in de toekomst stond--'t was alsof het +aanzienlijke bedrijf nu reeds hare leden kwam raken. Ze dierf niet +denken aan wat er precies gebeuren zou; seffens roerden hare ideeën +thoope en ze was tewege weg te zinken in een bedwelmende zoetigheid. + +Ze herpakte haarzelve. Haar boezem klopte geweldig en een blauwe ader +lijnde teer uit op hare slapen. Ze stamelde: + +--Vandage niet--vandage niet.... + +Hij moest wachten, hij mocht niet verlangen dat ze zich ten geheele +subiet overgaf, en ze wilde niet dat hij zoo gauw hare zwakheid zou +kennen. Eene vrouwelijke oolijkheid schuilde onder de uiterlijke sterkte +van haar besluit. + +--Vandage niet! + +Eerst zou ze een ganschen dag 't genot herleven van den vorigen avond, +elke kleine gebeurtenis heropschudden in hare herinnering, en weer +genieten de eerste handeling van die zonderlinge liefde, die niet zonde +heette, omdat ze liefde was. Op een nieuw zou ze de eenzaamheid van de +nachtelijke strate voelen, den zwijgenden val van wiegewije sneeuwgevlok, +de warmte naast haar zijde van zijn arm, van zijn krachtig lijf, en 't +buigen van zijn zoenzware lippen.... + +De uchtend was schoon: de wolkenlage rolde uiteen en langs een +bleekblauwen hemel zilverde een liefelijk zonnegestraal. Op de ruiten +spikkelde daardoor een menig sterrenspel van witte vonkjes en Goedele +keek met pleizier ernaar, een zelfde leute voelend in haar herte. + +Zoo tort ze de trap af, alles beminnelijk vindend wat ze ontmoette op +haar weg. Seppie stond bij een deure zijn koppeken op te heffen en te +kwispelen zeer gevoegelijk met zijn kodde. + +--Dag, Seppie! + +Vader zat in de eetkamer aan 't dubben over nieuwe uitvindingen en het +scheen haar dat hij zoo'n mooi-zoete hoofd had, zoo lijze haarkrullekens +om zijne ooren en zoo kinderlijke blikken. Ze was hem nu sterk genegen +en ze knikte hem toe. Hij glimlachte tegen. + +Moeder rustte in haren zetel, bij 't stille gekraak van den heerd. +Ze draaide seffens haar wezen omme naar Goedele en een angstige +nieuwsgierigheid bibberde in hare oogen. Ze vroeg dadelijk: + +--Hoe is 't met Romaan? + +Goedele zei, met een vreemde verwondering: + +--Romaan? + +Ze had zelve nog niet aan Romaan gedacht en ze was nu heel verschrikt, +omdat de gansche gebeurtenis--de droefheid in gindsch gefolterd +huisgezin, de mee-uitgesnikte droefheid--zoo verre achterwaarts gelegen +was. De dag van gisteren was met leven gevuld en 't schoot haar +pijnelijk door de hersens dat Wiezeken dood was, dat Wiezeken begraven +was, dat men nog om Wiezeken weende. Ze legde moeielijk uit, geweld +doende om natuurlijke woorden te vinden: + +--Goed ... hij is struisch gebleven ... hij maakt zich nu een reden ... +hij is in slaap gevallen ... vermoeid.... + +--Hoe late was 't als ge hem verlaten hebt? + +Goedele voelde meteen de doordringende hardheid van moeders blik en ze +bloosde in zwijgende verontweerdiging. Ze keerde zich naar vader, en +boog over hem, en kuste zijn peiselijk voorhoofd. Ze ging naderhand +onverschillig neerzitten aan tafel en schoof een kommeken vóor zich en +schonk koffie. Vader reikte haar den suikerpot over. + +Ursule sprak: + +--Het was na twaalven als ge thuis zijt gekomen. + +Goedele antwoordde met licht humeur dat het wel kon, dat zij 't +geloofde, dat zij 't zich niet meer herinnerde. Ze wist nu zeker dat +Justa op den loer was uitgegaan, en het krenkte haar diep. Ze vroeg met +een klein lachje: + +--Heeft Justa mij op de bane niet ontmoet? + +Ameye had haar langs omwegen naar huis gebracht en ze giechelde spottend +bij de gedachte dat ze aldus Justa ontloopen was. Ursule zei niets meer +en tuurde naar 't vuur. + +Met den klank van moeders stem en de bijtende scherpheid van hare +woorden, was de koude vreemdte van dees huis her op Goedele's schouders +gezonken. Ze voelde alweer den wijden afstand van de hier-wonende +menschen en de schrikkelijke nauwte van het hier-kwijnende leven. Een +versche opstand woelde in haar en ze wilde zich wreken met algauw weg te +rukken van hier. Ze zou Johannes niet doen wachten.... + + * * * * * + +Omtrent den avond, als langs de muren der straten de eerste donkerte +kroop, vertrok ze. Een hijgende jacht klopte met joepen en bonzen in +hare leden en ze drilde gichtig door. Ze werd den wind niet gewaar, +die nu heel bitsig ommevlaagde, aan hoeken van hooge huizen een wilde +wirreling dansend, die plat hare rokken tegen hare beenen sloeg. + +Ze beluisterde ievers 't geklep van 't uur, dat van een prochietoren +neerwaarts rinkelde, altemets weggevlegeld door 't hevige gewaai. Ze +geraakte in onbekende wijken. Ze moest bijtijden aan een politieman +vragen, waar ze den weg inslaan zou, en dan keek dat roode mansgezichte +bedaard op naar heur, zonderling doende. Ze hoorde maar rijzekens wat +hij zei, en drevelde voort, en had straks weeral alles vergeten. +Ze vreesde bijkans dat ze te late zou aankomen en dat Johannes, +moe-gewacht, niet meer ter plaatse zijn kon. Ze vroeg dan haastig: + +--Is 't nog verre? + +Een ander rood gezichte blikte in haar wezen en maakte haar met langzame +uitleggingen wrevelig. + +--Nee-ë, als ge doorstapt, juffrouw, en geen omwegen begint.... + +Ze liep verder eer 't laatste woord tot haar geraakte. + +Al dichter zeeg de donkerte. Een klein oud manneken stak met een perse +de lanteernbekken aan en elk licht werd subiet een waggelend leven, +opwippend in den avond, die daardoor precies doezeliger spookte. De +klaarten vielen in de liggende vlakjes gesmolten sneeuw en trilden er +een oogenblik, naarmate Goedele huppelend voorbijtort. + +Ze stapte endelijk trager. Ze gebaarde dat ze hier heel onverschillig +aankwam en verjoeg op haar gelaat de spanning, die haar wenkbrauwen +fronste. Ze had Ameye gezien. + +Maar in haar binnenste schokte eene geweldige benauwdheid, en ze wist +niet met welk gezegde ze hem begroeten zou. Zou ze schijnbaar verwonderd +naar hem opkijken en haar woorden kiezen naar den klank van zijn woord? + +Ze blikte zijwaarts. Ze voelde dat hij haar herkend had en rap op haar +afkwam. + +--Goedele! + +Het was haar een onzeglijk geneuchte en over gansch haar lijf kwam zijn +stemme streelen met de zoete galming van haren naam. Ze wendde zich omme +naar hem, verlegen, blozend, en ze schoof hare hand uit haar pelsen +mofje, hem reikende in ganschelijke overwinning hare witte vingeren. + +Ze taakte dan den warmen toets van zijn lijf en ging moe hangen aan +zijnen arm. Het docht haar dat de voorbijgaande menschen haar aankeken. +Het docht haar dat elkendeen beloerde hare overgroote aandoening en dat +haar herte openlag, bloot vóor elkendeen's oogen. Ze dacht verder aan +niets meer dat achterzijds volbracht was in 't verleden, en alles werd +een helle nieuwigheid. Ze vroeg, ontroerd: + +--Waar gaan we? + +Ze kon niet verzinnen entwat dat nog verscholen lag, halvelings te +raden, in de toekomst. Ze leefde ten volle en eeniglijk midden in haar +huidig geluk. + +En hij wist zoo wonderbaar te vertellen van nietigheden, die altegare +met blij gefluister omrankten deze heilzame stonde. Hij lachte en +tooverde een prettig gewiegel van luttele beeldekens in hare hersens. +Ze zag de beeldekens wiegelen en lachte mee. Nu was er geen tastbare tijd +meer en niets van wat den samengang van hun bestaan uitmaakte, scheen +haar vergankelijk te zijn. Overal was licht het gewone gerucht van de +stad en haar hoofd was vol zacht-ruischende geluiden. Ze blikte altemets +op in zijn gelaat en ze vond hem schoon als de zonne. Dan waren hare +oogen met gulden licht beladen en 't gedoe van de loopende menschen was +haar een dooreenvarende vaagheid. Hij vroeg: + +--Zijt ge moe? + +Het was zoo zoete dat hij een minste trilling van haar handen opmerkte +en zich dan dadelijk om de oorzake bekommerde. Ze glimlachte even, omdat +haar zijn vrage heel gek in de zinnen klonk en ze was zeker dat ze, lijk +nu, gaan zou mijlen en mijlen te reke zonder moeheid, zonder den last +van haar lijf gewaar te worden. En nooit zou zijn liefderijke stemme +hare aandacht verzadigen en een wreveling worden in hare ooren. Hij zei: + +--Uwe vingeren zijn warm.... + +Aardig dat hij zoo innig om haar bezorgd was en haar minste +gewaarwording omstreelde met de aaiing van zijne stemme. Ze voelde +echter niets meer--noch 't slaan van hare voeten tegen de steenen, noch +'t woelig gewentel van den wind, lijk hij somtemets met vervaarlijk +geweld omzwirrelde, al pletsend op de vlakke muren zijn matelooze jacht. + +Ze gingen ook een tijdeken zonder spreken, en dan was 't alsof hunne +gepeinzen, hooge boven het zot lawaai der strate, ievers in +buitenzinnelijke vredigheid tegare kwamen, éen-wordend en bij parende +rijen rondbijzend als een vlucht van gekoppelde tortelduiven. Ze zouden +zoo zwijgend geerne gebleven zijn, maar dan merkten ze algauw dat ze +onbetamelijk deden, en ze schuilden onder een pluimlichte conversatie +hunne diepe zaligheid. + +In 't voorbijgaan viel om hen een subiete vlage van orkestgeluiden met, +uit groote ruiten en breede deuren, 't geklater van sterk-stralend +licht. Hij lispelde, haar zijwaarts meetrekkend: + +--Willen we hier eens binnen? + +Ze knikte. Het was haar alles eender, als 't maar een gezamenlijke +doening was. Ze wipte nu de marmeren trapzuilen over en geraakte in de +groote drinkzaal. 't Was haar een vlugge duizeling, de storting van al +de withelle klaarte en, rekewijs langs 't verblindend geflikker van +blanke tafelborden en ster-vonkend glasgerief, de sombere krioeling van +menschen. Het docht haar, naarmate ze doortort zoekend daar binst naar +een plaatse, dat al deze gezichten overhand opkeken naar heur en ze +ried, in een zijblik, de blankheid van hun wendende voorhoofden. Ze +voelde zich dan opgroeien, groot en struisch als ze was, grooter nog, +en fier-schoone in hare grootheid. + +Als ze neerzat, verwarde meer en meer, in traag bedrijf, een gestadige +bedwelming hare opgejaagde zinnen. Ze taterde. Ze voldeed met dol +gepraat haar lastig ongeduur, en ze staarde gedurig vlak in Johannes +zijn gelaat, er lavend de gulzigheid van hare gretige blikken. + +De muziek vervulde onderwijl met diverse golving van tonen het razende +geluchte. Goedele liet zich wegdrijven erlangs. Nooit was ze zoo dronken +geweest van vage geneuchten, die ze haast werkelijk taken kon, al +smeulden ze nog, met onzeker vuur, daar vóor haar, heel dichte, in de +toekomst. Hij zei: + +--Drink eens. + +--Ik spreek liever. Luistert ge niet? + +--Laat uwe lippen koelen. + +Ze liet haren mond raken den ijskouden drank, en rilde bij de kilte, +haar gansche lijf door. Hij merkte dat ze rijzekens schrok, en bood haar +lauwer water en 't suikerbordje. Ze zei: + +--Ik wou wel koffie. + +--Koffie moogt ge niet hebben. + +Ze lachte koortsig: + +--Wat belieft? + +Hij bestelde melk, en ze vond naderhand dat melk te heet en te dikke +was. Ze bloosde endelijk en boog zich al zuchtend: + +--Och! ik weet niet--ik heb geen smaak ... ge moogt mij zoo scherp niet +aankijken. + +Hij schaterde met geveinsde leute, en ze maakte even een pruilend +moezeken, zich ten halve kantewaarts wendend: + +--Ik zal u niets meer vragen. + +--Doe dat. + +Ze moest dan meelachen. + +Als ze weer met hem op strate was, en plots het wiegelend +orkestgedruisch wegroezelde achter haar, stond ze lijk dronken in den +kouden avond. Ze drukte Ameye's arm en probeerde haar stappen te passen +op de mate van zijn tragen gang. Ze boog haar hoofd en keek naar de +tjoppen van hare schoenen, die overhand van onder haren mantel te +voorschijn kwamen om seffens weg te duiken op een nieuw. Ameye brak +schuchter de stilte, die neergeraakt was over hen: + +--Willen we naar 'n schouwburg? + +Ze beweerde dat ze niet aangekleed was daarvoor en liet een nieuwe +stilte heerschen. Ze voelde dat hij zocht om samen alleen met haar +te zitten en ze verwachtte met eene angstige aandoening wat hij nog +voorstellen zou. Ze had er niet aan gedacht dat de avond zoo in +trippelgang niet afloopen kón. Ze was niet bang voor hem. Ze wist dat +hij hier de woorden niet vermocht te zeggen, welke hij zeggen moest. +En hoe zou zijzelve ze hier aanhooren? + +--Willen we ... hebt ge geen trek in iets? was zijn verlegen vrage. + +Ze wist niet hoe hem te helpen. Ze zei dat alles haar goed was en dat +hij zich maar niet moest lastig maken. Ze staarde in zijne oogen en +fluisterde: + +--Ik ben gelukkig! + +Dan was 't weer een wandelen, straat in, straat uit, zonder ende. +Johannes had niet meer dezelfde zwierigheid in het gesprek en zijne +gedachten, gestadig in spanning, volgden moeielijk de woorden van +Goedele. Hij vroeg dan meteen, heel rap, alsof hij in een geute al zijn +moed daar neersmeet met éen gezegde: + +--We gaan soupeeren.... + +Hij voelde dat hare hand een tijdeken op zijn arm bibberde, en hoorde +dat ze precies struikelde. Ze kon niet goed een klank uit haar kele +stooten en ze hief zijwaarts hare oogen naar hem. Hij las een groot +vertrouwen in hare strakke blikken, een vertrouwen, dat alle aanvallen +tarten kon.... Ze zei: + +--'t Is me eender ... als ge wilt.... + +Ze zei 't ultermatelijk stille, en het was te merken dat haar antwoord +haperde over hare tong. Hij voelde dat ze zich overgaf en dat haar +aarzelende bede was: wees zachte, en doe niet hard, en krenk me niet.... + +Hij stapte rapper door en 't jubelde al in hem, wat zingend opgalmde uit +zijn herte. Vóor 't portaal van eene groote restauratie bukte hij zich +en lachte: + +--Hier? + +Ze had, starende in een zonderling gemijmer, een droeven lach. Ze knikte +en bracht dieper over haar aangezicht de licht-bruine vool, die om haren +hoed was vastgestrikt. + +Hij duwde de witte deur open, die naar de eenzame salons leidde en +bracht haar in een mooi versierd kabinet binnen, kleurig verlicht met +elektrische bloemlampen. Hij was opgeruimd en sprak met ingetogen +haastigheid. Hij vond dat ze zoo onpleizierig was. + +--Nu geen leute bederven, hoor! + +Hij nam haar mofje en hielp haar mantel uittrekken, en gaf alles rap +over aan een kelner, die zwijgend in het deurgat kwam staan. Ze zette +zich neer en zuchtte. Ze zag haar eigen gelaat rechtover zich in een +spiegel en had een vlugge gebaar om even nog een haarkrulle weg te +strijken, die buiten plaatse geraakt was. + +Johannes bestelde het eten, alles koud om alles in eens te kunnen +krijgen en binstdat de geluidlooze lijven der kelners in druk bedrijf +om de tafel werkzaam waren, verhaalde hij met kinderlijke gretigheid +aardige avonturen. + +Goedele kwam al dadelijk onder den invloed van zijn driftig praten en +kon hem endelijk met juichende blijheid antwoorden. Het kwam haar voor +dat ze droomde, dat alles fluks weer neerstorten zou in dagelijksche +werkelijkheid. Hoe was alles ontstaan? Ze wist niets meer. 't Was te rap +gebeurd. Ze voelde Johannes dichtebij haar en al wat hier in verven en +tonen aanwezig was, kwam heel zoete haar leden omstreden. + +De deure werd dichtegedraaid. Ze waren nu alleen. Ze hoorden den gang +der kelners geleidelijk wegstappen op de doffe tapijten en teenemaal +uitsterven, langs dalende trappen. Johannes bracht haar bij de tafel, +en 't was alsof hij in waarheid niet merken wou de eenzaamheid van die +muren, de beloken geluidloosheid van deze deur.... Het klepperde in hare +hersens: + +--We zijn alleene.... + +Maar Johannes werd schijnbaar niets gewaar, en zette zich rechtover haar +en was dadelijk bezig met snijden en deelen en schinken. Goedele hoorde, +midden in de zangerige doening van zijne stem, 't gerinkel der teere +roemers en de harde klabettering van vorken en messen op gladde +tellooren. 't Verwarde allemaal schielijk ondereen en haar hoofd was vol +van 't eenvormig gedruisch; + +--Alleene ... alleene.... + +Ze keek bedwelmd op. Ze nam zonder weten aldoor aan, wat hij haar +overreikte en ze lachte lijze mee als hij schaterend te lachen begon. +Somtemets schoten heete walmen naar heure slapen en dan doopte ze hare +lippen in de deugddoende frischheid van den wijn. Ze verwonderde zich +dat Johannes zoo zorgelijk zich bezighield met het luttele bedrijf van +het eten, dat hij al den ijver van zijne vingeren daaromtrent in gulzige +werking bracht, en dat hij daar zat, vóor haar, aan 't spinnen een +aardige webbe van kleine vertellingen, zonder aandacht precies voor hare +aanwezigheid, zonder herinnering precies aan hunne verleden +verwachtingen.... + + +En 't ging alweer hamerend op in haar vleesch, stijgend in dreunende +slagen, tot hare gedachten maar éen gedacht meer vormden, een gedacht +van zonderlinge angst: + +--Alleene.... + +Hij hief zijn glas op en 't licht bibberde veranderlijk in den roerenden +drank. Hij sprak van levenslust en kommerlooze leute, en over zijn wezen +kwam een stil-lachend pleizier, een natten gloed leggend in zijn +diep-zwarte oogen. Ze taakte 't groote geneuchte, dat hij met woorden +boven de tafel leven deed, en ze duizelde bij stonden, geen uitweg meer +wetend voor 't overweldigend geluk, dat opgloeide in haar. En haar glas +reikte ze naar 't zijne uit.... + +Al meer vervaagde stilaan het zicht der dingen. Een trossel druiven +praalde, purper-schijnend, midden tusschen de blankheid van porseleinen +schalen. Ze zag niets anders meer ommedom. 't Overige gekleur fonkelde +uit in schemerende lichtvlakten, altemets gestriemd met vluchtige +strepen. Johannes was opgestaan.... + +Ze voelde nu zijn warme nabijheid. Ze voelde zijn arm, die om haar leen +kwam fleeren en haar dichter aansloot tegen hem. En zijn asem kittelde +over haar gezichte. + +--Melieve.... + +Haar emotie sloeg in forsche klopping door hare leden. Zijn stemme +brandde en smeet in laaie golving om haar. Hij fluisterde met hijgende +gichtigheid: + +--Laat me u voelen ... zoo dichtbij ... tasten uw werkelijk lijf en den +blik, die optoovert uit uwe oogen. Zóo zijn we in sterke zaligheid te +gare--te gare, lijk het zijn moest naar de wetten van ons beider lot. +Weet ge ooit hoe diep ik u lieve! + +Zijn mond toetste bijkans haren mond en zijn woorden stieten aan tegen +hare lippen. Hij lispelde, begeesterd: + +--Kijk òp--kijk òp ... en dring in mij.... Weet ge ooit hoe ganschelijk +mijn leven is vastgeketend aan uw leven! Kijk òp.... De toekomst is me +een blijde straling geworden. + +Hij sprak van de toekomst. Hij kuste haar op haar voorhoofd en in heur +haar. Hij sprak van de toekomst, vervoerd, verrukt, en lang beeldde hij +'t haar vóor, hoe ze saam, buiten aller wete, jaloersch voor eigen +geluk, hun genot in een klein huizeken zouden bergen, hoe ze daar trage +avonden zouden slijten, aldoor in 't gulden wonder van hun liefde. Hij +verzinde een sierlijke detailleering daaromme, zoodat 't opstraalde in +menig geflikker, vlammekens alhier en alginder--altegare een groot +minnevuur. Hij joeg zijn woorden achter mekaar en zoende haar driftig en +aaide hare vingeren, vragend: + +--Wilt ge?... wilt ge? + +Ze stamelde, heel week wordend: + +--Ik ... wil.... + +Hare borste golfde geweldig, hare wimpers waren heet en zij voelde de +tranen niet, die stille over hare wangen rolden. Ze snikte endelijk en +vatte in plotselijke drift zijn hoofd in hare handen en drukte 't met +ongemeene kracht tegen haren zwellenden boezem. Ze hakkelde: + +--Ja ... ja ... ik wil ... ik zie u zóo ... machtig geerne ... u ... +u.... + +Hare natte lippen sleerden, lang-zoenend over zijnen hals. + +Het was alzoo een stonde van overmatige aandoening en al wat rond haar +bestond, al wat ze nog in beweeglijke grijsheid herkende, de witte +spetsing van roemers en teelen, de purpere gloeiing van druiven, het +tinteleerende gesternte van bloemlampen--al wat ze zonder aandacht nog +opnam in haren geest, 't vloeide uiteen, 't verwijderde zich en 't +roerde een ende ginder, heinde en verre. + +Ze was hier met Johannes, en niets leefde buiten 't leven, dat ze met +Johannes uitasemde. De wereld lag in de wijdte, waar ze niets meer raken +kon, waar ze met een stoot van heur herte de wereld verdreven had. En ze +groeide op ten hemel, in bovenzinnelijke verrukking.... + +Met hem ... met Johannes ... eeniglijk.... + +Alleene. + + + + * * * * * + + + +XI. + + +Binst de dagen, die volgden, was de droom, die Goedele zich, buiten de +tastbare werkelijkheid, omtrent al 't gebeurde had voorgesteld, tot eene +zonderlinge, onbewuste werkelijkheid opgewassen. 't En was geen droom +meer. Ze had het nieuwe sterke leven met het vorige en nog thuis-wezende +leven vereend, en altezamen was 't een dooreenwarrelend bestaan +geworden, waar boven klaterde de harde drift van hare liefde. + +De nabijheid van moeder en de nuchtere vrijagie van Sebastiaan werden +haar onverschillig en ze beleed den last ervan met effene +verdraagzaamheid. + +Hare eenige aandacht lag in 't verbergen van haar geheim bedrijf, en ze +wist met doorslepen oolijkheid de slimme beloeringen van Justa te +verweren. + +Twee- en drijmaal te weke bracht ze een haastig bezoek bij Romaan en +liep dan, langs veranderlijke omwegen, de stad omme, endelijk in een +verlaten wijk een laag huizeken binnensluipend.... Niemand mocht +vermoeden dat ze hier kwam, en ze nam dan ook alle voorzorgen om te +beletten dat iemand 't vermoeden kon. Daar Ursule niemand bij Romaan +zenden kon, geraakte zij deze vreemde doening niet te wete. Ze deed +overigens maar af en toe hare dochter achtervolgen, en daar Justa haar +iedermaal zeggen kwam dat Goedele bij haar broer binnen was, had zij +geen verdere verdenkingen. Omdat Goedele ook thuis tot redelijke +handeling scheen teruggekeerd en nu teenemaal met Sebastiaan verzoend +bleek, had ze geen onrustigheid meer. Haar rheumatiek beterde er +schijnbaar door, en ze kon al ommentweer wandelen en tallenkant +inspectie doen. + +Goedele had in hare oogen een goed gedrag. Alleen deed ze nu meer aan +toilet en had over haar een overdreven prontigheid. Maar in het idee van +Ursule, was 't allemaal om Sebastiaan te behagen, en zoo waren 't, +peinsde ze, goed-besteedde onkosten, die later wel dikken intrest zouden +afwerpen. + +Goedele bekommerde zich om niets en liet alles gedwee gebeuren wat in +huis de gewone gang der dingen was. Altemets had ze een vlugge zwakheid, +meerendeels veroorzaakt door 't zachte blikken van Sebastiaan of 't +tijdelijk zuchten van Bella. Als ze echter alleen op strate kwam en +'t groote gewoel der stad hoorde, was alles weer vergeten, en vuurde +slechts nog in haar ziele 't verlangen om geweldig te leven. Het +bezoekje bij Romaan was haar insgelijks een koortsaansporing: ze voelde +er 't ongezond bestaan van hare liefde, midden in 't weevolle geluchte, +en ze asemde er algauw 't bedwelmende gift, dat haar tot kwalijk +zinnenbedrijf uitermate stemde. En Romaan bovendien bracht een gestadige +duizeling in haar hoofd met de listige argumentatie van zijn vrije +theorieën. Binstdat tante Olympe stilaan wegkwijnde en kermde dat hij nu +toch met Madeleen trouwen zou, kwam hij dan met zijn hoogdravende +levensopvattingen te voorschijn, en Goedele voelde dat alles weer goed +was. In hare hersens wapperden de driftige woorden: + +--Leven!... Leven!... Vrije leven en vrije liefde!... + +En ze leefde aldus, en 't deed haar deugd dat ze 't onder Romaan's +invloed zoo schoone merkte. Ze was vrij. Geen banden knelden haar, geen +wil van moeder bezeerde haar, geen muren van 't vierkante huis alginds +wogen op haar. Ze was vrij levend en hare liefde, die sterkelijk uit +eigen zinlijke emotie en eigen gepeinzen was opgerezen, hare liefde was +vrij.... + +Met nieuwe gretigheid liep ze dan naar het huizeken, waar Johannes op +haar wachtte of waar zij op Johannes wachten zou. + +Het stond in een nauw en stil straatje, en ze kon 't goed bereiken +zonder belonkt te worden. 't Was een laag ouderwetsch gedoe met éen +verdiep en een trap vóór de deure. Johannes had het binnenwaarts met +kunstigen smaak versierd. Er waren vlakvloers twee plaatsen en een +verandah. Hij had de verandah met allerhande groen en gebloemte bezet, +en een schuchter blauwig licht laten binnenzijpelen. Daarnevens had hij +een weelderige zitkamer gemaakt met open heerd, en alles was er in zoo +teere tinten aangebracht dat nievers een blik aanstooten kon tegen een +onbehendige verve. Dikke tapijten voerden den tert van voeten en 't +lichte geschuif van stoelen onhoorbaar over den vloer. Lage zetels +omdeden 't lekkere vuur, dat langs welriekende sperrescheiers opvlamde, +en pelsen matten legden onderaan een doezelige zoetigheid. + +Deze plaats gaf met een dobbele deure toegang tot de slaapkamer. Hier +was met voorliefde het minste hoekje mooi-gezellig gemaakt en midden-in +stond de breede sponde, geheel en al met kanten spreien bedekt en +omhangen met doorzichtige voolen. Lichtgeel marmer lag op de waschtafel +en er rechtover, was een hooge psyché-spiegel ook met licht gewaad +omstrjkt. Langs de muren viel, in zwaar gevouw, het thee-rozig +behangsel. + +Goedele ging zelden op het verdiep, waar Johannes twee liefelijke +leeskabinetten en een badkamerken aangelegd had. Het huizeken had +overigens 't karakter niet van een blijvende woonste en 't leek meer +op een verrukkelijk pied-à-terre, een donzig nest voor schuchtere en +angstige verliefden. + +'t Gebeurde zelden dat hij niet vóor haar binnen was. Ze had halvelings +de deur opengeduwd, als hij haar reeds in zijne armen ontving en haar, +onder driftig zoenen, telkens bedankte dat zij toch weer gekomen was. +Hij staarde diepe in hare oogen: + +--Melieve! + +--Johan! + +Ze lachte hem gulzig tegen, en lei hare hand om zijnen schouder, en +leunde met haar voorhoofd op zijne borst. Stille nam hij haren hoed en +haren mantel, en ze moest seffens hare schoenen uitdoen en lederen +slofjes aansteken. + +--Waar ge warme pootjes mee houdt.... + +Ze waren alzoo geheel thuis. Ze gingen zitten bij den heerd en Johannes +wakkerde 't vuur aan, zoodat de vlammen opkrulden en iedermaal een laaie +klaarte deden opgloeien in de schemergrijze kamer. Ze zaten naast +mekaar. Binst mijmerende stonden, wijl ze sprakeloos in de fonkeling der +scheiers staarden en enkel mekaar's vingeren lijze op den rand der +zetels dooreen hadden geleid, kwam in huis het verre lawaai van de stad. +Geleidelijk zeeg de langzame donkerte en wijder sprong het licht uit den +heerd. Ze voelden heel schoone den vredigen samengang van hunne +gedachten, lijk een vleugeling van pluimlichte winden. + +Naderhand keken ze op naar mekaar en, in een opgaan van teugellooze +passie, vielen hunne lijven tegaar. Ze fluisterden vervoerd hunne heete +woorden van liefde en hun verlangen brandde hun borste vaneen, in dolle +jacht hun bloed opzweepend. + +--Ziet ge mij geerne? + +--Eeuwig ... eeuwig.... + +De avond somberde deugdelijk om hen henen, en de klaarte van 't vuur +sloeg al breeder uit en strengelde hun beider hoofd in éen laaien ring +van vlammen. + +--Voele 'k u? Zijt gij 't, lieve? + +--Hier zijn uwe lippen.... + +--Voele 'k u gansehelijk? Me dunkt, daar zullen geen dagen meer komen, +en dees is de laatste dag.... + +--'t Is eene eeuwigheid, die begint. + +Goedele prangde hem op haren boezem en heerlijk gaf zich ten geheele +over aan 't schrikkelijke geweld van hare liefde. + +Ze lag in late deemstering op het bedde, en alles wat om haar was +waterde in groene nattigheid weg. Ze hoorde den matelijken gang van +haren asem, tot ook dát wijder uit verzuchtte en ze dan overmand in +diepen slaap geraakte. 't En duurde niet lang. Verwilderd stak ze hare +oogen openen zat seffens overend. Johannes, aan 't voetende gezeten, +beloerde met liefderijken blik haar kinderlijke vrees en 't schoon +gebaar van haar ontwaken. Hij vatte haren blooten arm en kuste haren +schouder. Ze bloosde en glimlachte: + +--Ik wist ... niet meer.... + +Ze was blij dat hij hier was dichtebij, en dat hare schaamte redeloos +over haren rugge rilde. De pracht van heur haar rees breed-golvend langs +haren naakten hals, en ze las in de wondere doening van zijne oogen, dat +ze aldus mooi was en begeerlijk. Ze was gelukkig. Ze was +onvoorwaardelijk aan hem en wou mooi zijn om aan hem te blijven. En zoo +boog ze over hem en merkte de siddering, die langs zijne leden opging, +terwijl ze hem taakte met haar lauwzoete vleesch. + +--Zult ge me nooit verlaten? + +Hij belook haren mond met een zoen en omsloot haar met versche +driftigheid in zijne armen. Ze was zeker, al vroeg ze 't met aaiende +stemme, dat hij haar niet verlaten zou. Ze wist wel haren onregelmatigen +toestand en 't deed haar dikwijls pijne, als ze bedacht wat er in zijn +ander leven lag, 'tgene hij niet met het hare beleefde. Maar dan zag ze +de vrome verwijfdheid van Sebastiaan, en ze kon Johannes vergeven wat +zij, bijkans in eendere mate, met Sebastiaan voorhad. Niets weerstond +overigens aan de sterkte van hare liefde, nog verschoond door het +treffend argumenteeren van Romaan. Ze had niettemin niets durven +bekennen aan haar broeder en dikwijls, wijl ze Madeleen bekeek, wutelde +ievers in een hoek van haar geweten een vreemdsoortige wroeging.... + +Ze wist dat Johannes haar niet verlaten zou. Al meer en meer kende ze +den machtigen invloed van hare struische schoonheid, en ze troetelde +haar lijf nu, bezorgd voor een vlekje, dat de matte blankheid ervan +breken kon. Ze mocht op Johannes vertrouwen. + +--Wordt Madeleen door Romaan verlaten? vroeg hij soms. + +Hij wettigde heel gemakkelijk hunnen toestand, en ze dacht er weldra +niet meer aan dat er grondelijke moeielijkheden ievers mochten oprijzen. + +Langzaam, met sneeuw en vorst, nevelde de winter voorbij. 't Werd vuil +weere, en triestige regendagen trokken zich schreiend uit achter mekaar. +Ze zaten soms een heel en tijd te luisteren naar 't dropgetjokkel op de +vensterruiten of naar 't gewaai van de vlage, gelijk die bij stonden +forsig neersmeet in de schouw. Ze drongen tegeneen en rustten, slape aan +slape, in zwijgende aandacht. Eene endelooze droefenis woog daarbuiten +en alles, langs gevels en daken, was grauw en grijs. Op het glazen +gewelf der verandah spetterde de regen. 't Was er een wippen en dansen +van ruchtige druppels, haastig achtereen, naar de mate van den +wispelturigen wind. 't Hield altemets plotseling op, en Goedele blikte +kantewaarts naar Johannes. + +--'t Gaat over.... + +--'t Herbegint. + +Ze streelden mekaar's vingeren. Ze knikten in onzeggelijk geneuchte, en +'t leelijke weer maakte het veilig huizeken gezellig en warm. Ze waren +hier goed. Ze hielden hier van mekaar. Hunne vingeren kriebelden lichte +over hunne vingeren.... + +De dagen verlengden aldoor en, na den regen, glom het eerste gelach der +zonne. + +De Lente kwam precies zoo subiet, zonder overgang. Een teer blauw +geluchte welfde hooge en diepe boven de stad zijn fraaie bogen, en +daaronder speelde 't gestraal van den frisschen dag, even gebroken door +het tijdelijk verkeer van wattige wolkskens. 't Gebeurde in waarheid +zonder overgang. Ende Maarte keerden alhier de zwaluwen terug en in den +beginne van April schoten tallenkant langs warandewegen en beplante +lanen de sapvette knoppen. 't Getwijg wiegelde met tenger groen, eer de +maand ten halve was verloopen, en Mei was er rijzekens, als de kinderen +op strate reeds met kevers speelden. + +In de stille steeg, waar ze nu met nieuw verlangen het huizeken vulde, +beluisterde Goedele het kleine stemgeluid der bengels: + + Vliege--vliege--vleugeke, + Dat beesteke gaat naar 't meuleke, + Alover de zokken, + Alover de blokken. + Onze-lieve-Vrouwe van het kerrekhofken.... + +De zang was haar een liefelijk pleizier. Ze tastte erlangs de blijheid +van het versche getij en de zilveren wappering van de zonne. Ze +glimlachte. Johannes zat bij 't raam aan 't schetsen. Ze staarde naar +hem en ging na de struische lijn van zijn rugge, het somber schouwspel +van zijn hoofd en dieper, vlak boven de witheid van zijn teekenboek, de +schoone sterkte van zijn aangezicht. Ze taakte permintelijk den forschen +bouw zijner schouders en verwijlde naderhand om 't behendig bedrijf +zijner vingeren. Ze was vol bewondering voor hem, omdat hij pront was en +krachtig en groot. Een djentelijk vuur van den dag trilde tusschen 't +menig geplooi van de venstergordijn en viel helstralend op zijn +rechterhand. En daarmee hoorde ze klaar bijzend, ginderbuiten, het +luttel gerinkel van 't lied: + + Vliege--vliege--vleugeken, + Dat beesteke gaat naar 't meuleken.... + +Ze zag in hare gepeinzen, 't profijtelijk gepeuter van teere +kinderpollekens om 't langzame lijf van de kevers, de ongedurige +flikkering van hun loerende oogen, en 't kraken van hun broekskens, +terwijl ze op hun knieën voortklefferden. Ze verzinde dat de meidiertjes +endelijk opvlogen, en 't was dan seffens een juichend handgeklap, een +zot jubelen van al die keelkens.... Ze tuurde naar de zonnevlek langs +Johannes zijn werkzame vingeren, en ze glimlachte vergenoegd. + +Zoo omleuterde de jonge Lente haar herte. Ze zei: + +--Johan! + +Hij keek op, en zijn donkere oogen hadden elk een sterreken van het +goede voorjaarslicht. Ze wenkte zoetekens met haar hoofd en hij kwam +over haar buigen. Ze blikte in zijn wezen en vroeg: + +--Waarom zijt ge bezig, zoo ijverig ... en zoo verre van mij? + +--Ik maak entwat--'k en wete niet klaar.... Ik heb overal bloemen in +mijn hoofd en ik zie overal gulden plantsoen. Ik peinsde dat ik 't zoo +neerleggen kon, in lijnen.... + +--Niet waar? Allemaal te gare een groot perk van diverse kleuren?... +Kom bij me. Ik heb in mijn hersens een ringende vlucht van vogels, en ze +kwinkeleeren dooreen. Luister eens naar uw eigen.... + +'t Steeg daarbuiten heel zacht en deugddoende, soms lijk een bimmeling +van klokskens: + + Alover de zokken, + Alover de blokken, + Onze-lieve-Vrouwe van het kerrekhofken.... + +Goedele's haar kriebelde om zijn neuze en lager bukte hij, fluisterend: + +--'t Is 't nieuwe seizoen, melieve.... Nu juicht tallenkant de liefde +die hier vóor maanden te juichen begon, hier eeniglijk. Nu klatert het +zonnevuur en laait op met den vlammigen brand van ons lijven. Zijt ge +gelukkig? + +--Bemint ge mij? + +Ze lachten alle twee en brachten hun gretige lippen samen. De +zonnestraal, die noesch door de reten van de witte gordijn was +binnengedrongen, bleef nog een wijlken langs de sporten van Johannes' +leegen stoel lanterfanten en duisterde geleidelijk weg. + +Zoo leuterde de jonge Lente. + +Andermaal was de nanoen overheerlijk. Ze besloten dan dat ze de stad +zouden verlaten en vermeien in de opgroenende velden aan den rand van +het aloude Zeuniërwoud. Ze vertrokken met den trein en vonden het +prettig, zoo te gare zitten in het zoevende coupé, tegeneengedrongen, +matelijk geschokt op de wippende kussens en kijkend, met kinderlijke +achtzaamheid, naar 't voorbijjagende landschap. 't Was eerst het sombere +zicht van de buitenwijken der stad, de zwartdampige fabrieksschouwen en +de grauwbesmookte daken, de vuile muren beplakt met hel-schreeuwende +reclames of beschilderd met namen van ruchtige firma's. Stilaan, na de +rote lage werkmanshuizekens, rees een olmenlaan en lag verder een +malsche weide open. + +--Waar zijn we hier? + +--Heelemaal buiten de poorten ... de vesten over ... en Brabant in.... + +--Ei? Kijk daar! + +'t Was, bezij de baan, een groote kudde schapen, die schuchter tegen +den barm verdrongen, roerloos te wachten stond, tot de vervaarlijke +stoomvaart voorbij zou daveren. Goedele behield een liefelijk beeld +ervan, lijk de beestjes daar in 't zilveren zonnegeweld wit opwolden, +hun stokkepootjes vreesachtig te gare en hun koppen bovenuit, al te +zamen gerokken naar 't veilig beschut van den barm. Het was alsof +zijzelve met eendere angstigheid een duurbaar leven had te bergen, en ze +roerde haren arm om zekerlijk het buigend lijf van Johannes te voelen. +De zonne spetterde lustig tegen de ruiten.... + +Als ze kort daarop moest afstappen en de statie doorging, meende ze dat +de treinbediende haar met zonderlinge aandacht bekeek en blikte ze bang +ommentweere, verveerd dat ievers een vijandig oog haar betrappen mocht. +In 't open veld, heinde en wijd bespikkeld met springjeugdig plantsoen, +lag voor haar een onendige peiselijkheid en algauw vergat ze de wereld +van koude muren en valsche verhoudingen om mee te leven met de sappige +natuur. Hier vooral meende ze de waarheid te tasten van Romaan's +vrijzinnige theorieën en ze werd dronken van de hevige lucht. + +Ze hing aan Johannes' arm. Ze roken allebei zwijgend den sterken geur +van het hoog-wassend gers, en het tokkelig sterregedoe van de menige +meerschbloemen draaide zot en grappig in hunne hersens. Ze verlieten de +wegels en torten in de dichte beemden, en 't was een versche leute +iedermaal ze struikelden in 't harrewarrig gewas of plots vóor hun +voeten een jonge puit opjoepen deden. + +--Aai-Heere! wat hebbe 'k geschrokken! + +--Jrsst!... wipte de puit. + +En een rilde weikerse bibberde even tenden haren slanken steel, +waarlangs hij te lore was gesprongen.... + +Ze liepen een beekje over en stonden hijgend te lachen aan den anderen +kant. Goedele bloosde tot achter hare ooren. Ze drilden met het waterken +mee en bleven altemets neerhurken, waar de oevers breeder werden en een +schoone partije lischriet heen en omme waaide onder de aaiing van een +heimelijken wind. + +--Wordt ge moe, lieve? + +--Wat zou ik! + +Ze staarden naar het spel van de zonne langs de klein-klotsende golfjes +en hoe daarover meteen een spinnekobbe langebeende, patjinkel-patjokkel, +op al haar grootste gemak. + +--Ze blijft stille.... + +--Ze peinst. + +Een koppel waternaalden zegen bibbervleugelend neerwaarts en zetten zich +nevenseen op een drijvende blare. Alles was voor Goedele ongezien en +wonderbaar. Ze wist geen weg met hare gulzige nieuwsgierigheid en ze +lengde haren hals naar het ruchtlooze water, waar zoo verschillig een +intense leven aan 't roeren was. Onder de klare vlakte deed een +salamander lui waggelen haren kronkel-krommen steert.... + +Ze stonden naderhand recht en, hand in hand, huppelden verder, zat van +'t schoone licht en bedwelmd door den struischen reuk der meerschen. +Hunne vingeren waren ineengehaakt en ze blikten benedenwaarts in 't +diepe gers, waaruit, bij elken stap, een zwerm gevleugelde dierkens +opwolkte en uit mekaar stoof. Ze vertrapten de zaadzware hoofden der +halmkens. + +Uit een laag korenveld rees in noesche vlucht een leeuwerik omhooge. Zij +stonden seffens te luisteren naar zijn heerlijk getater en keken op, hem +navolgend tot tegen den schitterenden hemel. Hij kwetterde maar gedurig +en steeg met stage verduldigheid. + +--Ziet ge 'm nog? + +--Wacht ... ja ... ja.... + +--Langs die luttele watte ginds.... + +--Ik zie hem! + +Hij was een klein zwart puntje geworden en nog warrelde in blijde +schatering zijn juichende lied. Hij ging òp. Al bewoog hij naar rechts +noch anderzijds, al bleef hij ginder donker-puntelen tegen het stralende +gewelf, al was hij nu bijkans een stofken, zonder gedaante en +levenloos--òp, hooger en hooger, kleiner en kleiner, òp ging hij! Ze +voelden 't allebei. Hunne oogen kittelden van 't staren en droog was +hunne keel. Ze hielden haast hun asem in en fluisterden: + +--Nog...? + +--Een zierken.... + +--Hij is weg! + +--Neen! + +--'k Hebbe hem weere.... + +--Ho!... Ho!... Ja.... + +Een verraste kreet ontviel hun meteen. De leeuwerik +daalde--daalde--plots zwijgend, plots grooter wordend, een doode massa, +die straks zou neerpletsen, met een akeligen stoot, op den harden +grond.... Maar kijk! hij streek, al met een keer levend opnieuw, dicht +bij de eerde zijlings weg en dook zachtekens in het groene koren. + +Goedele wendde hare oogen naar Johannes en een tijdeken lachtten ze +malkander tegen. Dan liepen ze weer door en hun hoofd was nog vol van de +hevige straling, die ze langs den diepen hemel hadden opgenomen. + +Bij valavond bereikten ze een groote hoeve en daar konnen ze een schel +hespe krijgen met roggebrood. Ze waren waarachtig uitgehongerd en nooit +hadden ze meer smaak in 't eten. De zware boerenkost was hun licht en ze +hadden danig pleizier, de eene om de aardige gulzigheid van den anderen. +'t Was hier een lage kamer met zwart-eiken zoldering en twee +groen-geruite vensters. De roode glans van de zonne hing gulden ranken +erlangs, zoodat in huis een vreemd purperen licht schemerde, hier en +daar opschietend langs de bolle bulten van het koperen kookgerief. Onder +'t blauwachtige schouwkleed zat ten halve in de donkerte de oude +pachteresse, grijs-geschort en gebukt in de vouwen van haren gelen +borstdoek. Ze was daar een beeld van eenzaamheid en stilte, van eendere +verve als de doodgaande dag en zwijgend als de nacht, die zou komen. Ze +had ook in deze kamer die albeheerschende beteekenisse, zoodat Goedele +noch Johannes de zoetigheid van 't geluchte haast niet storen dierven en +zich spoedden om weer vrij te zijn in den open buiten. + +Maar buiten was nu de wonderlijke avond aan gang en ze geraakten seffens +in de stemming van de droomerige stonde. Ze gingen stille arm aan arm, +langs verlaten wegels woudewaarts, en keken mijmerend naar hunne dobble +schaduw, die schuins tegen de barms oprees of verder in gedoken grachten +wegzakte. Heel wijd, waar 't endelooze geboomte somberde, klonk de +matelijke roep van een boschuil. + +De avond weefde allerzijds een doorzichtig gewaad van goudgele en oranje +en warm-roode tinten, en de hooge populieren stonden rekewijs aan den +rand der beemden, met bronzen stam in 't zachte licht. Rijzekens +streuvelde een blood gewaai erlangs, en een hoogste blaadje wiegelde +tenden het roerloos getwijg, daarboven danig zwart tegen 't groen-blauwe +deemsteren van den hemel. + +Ten oosten nevelde de grauwte al dikker en dikker en, als ze zich +ommekeerden, zagen ze 't donkere schaliedak van de hoeve mee vergaan met +de duisternis, die ginder trage werd opgestapeld. Even riemde omhooge +langs de schouw een lintje witten damp, en 't begon heel subtiel rond te +ringelen, wispelturig en speelsch, tot het openpluimde en uiteendonsde +en dood was. + +Goedele drong dichter bij Johannes aan. In haar rustte al 't geweld van +den schoonen dag en ze had nu een zachte behoefte om 't niet in +gichtigheid weer op te jagen. Ze wilde rustig zijn. Ze voelde zich +meegroeien tot eene effene vrede, met den peiselijken avond, en ze zou +niets hier breken, noch door onsierlijk gebaar noch door kwetterend +gezegde. Ze leefde even sterk als in den nanoen, maar 't was +tegenwoordig een bewustvolle, rijpe leven, de moutere uitslag van 't +schaterend rumoer over dag. + +Sprakeloos gingen ze en drongen binnen 't nachtlijke woud. + +Hij vroeg of ze entwat vreesde. Het docht hem dat hare hand beefde en ze +meteen de bangheid taakte, die onder 't somber gewelf der beuken varende +was. Hij omvatte hare leen en drukte haar lijf zoetekens tegen het +zijne. Ze blikte naar hem dankbaar op en hij zag een vluchtige straling +opflikkeren in hare oogen. + +--Weent ge? + +Ze boog haar hoofd diepe aangedaan en schudde 't nadien ontkennend. +Ze stamelde: + +--Het is hier alles zoo plechtig, zoo heerlijk.... + +Hij zei dat het de endeloosheid was van hunne liefde en, trage wandelend +liet ze zich geheel aanleunen tegen hem. Ze waren alzoo, te gare, éen +schuivende schimme, éen wezen, en hun asem joeg opwaarts, bijeenwaaiend +langs hun voorhoofd tot een streelende lauwte. Ze gingen door. Ze wisten +niet waar de weg hen leidde en hoe dees gaan zou ophouden; maar zij en +hadden geen zicht voor toekomstig gedoe, zoo ganschelijk waren door +huidig geluk vervuld hunne begeesterde zielen. Hij vroeg: + +--Zijt ge nu weer rustig? + +Ze knikte en drukte innig haar hoofd op zijnen schouder. + +Nievers hadden ze ooit in zoo zwijgend en vredig een nacht gewandeld en +hunne liefde heerschte hier in almachtige meesterschap. Goedele wendde +altemets hare blikken achterwaarts: waar, alginds, tenden een klare +holte het stille woud begon, zag ze nog een vlekje van den hemel, +donkerrood geverfd en smeulend in schuchtere asschevonken. Ze was uit de +klaarte gekomen, uit het wijde dal, dat zonder leven wegdeemsterde, en +ze tort nu in het zwarte bosch, zich veilig voelend, heel lijze, aan +Johannes' arm. Ze spraken weinig. De plechtigheid van deze eenzame +donkerte drong binnen hunne ziel en ze wisten dat geen woord +tegenwoordig welsprekend kon zijn. Bijwijlen keken ze op naar mekaar en +schouwden, trager stappend, in mekaar's gezichte, en de endelooze +teerheid, die in hunne oogen straalde, was een vrucht van de heilige +stilte. + +Zoo was de stilte. + +Alleen hun voeten ruischten over het mulle stof en raakten soms een +doode takje, een springende kei, een teurfel graseerde.... Van +weerszijde reikten het ondoordringbare heestergedoe en 't sterke +geboomte en, tallenkante, als een ontastbare muur, de éenige duisternis. +Heel verre steeg even 't geraas van een stoomwagen of 't rollen, altijd +door, van daverende wielen. Maar 't was een doezelinge wijd op den +achtergrond, en 't en taakte bijkans de stilte niet, de heerlijke +stilte, 't schoone bedrijf van dezen rustigen nacht. + +Ze drukten malkanders hand. Ze waren aaneengestrengeld en hunne vingeren +sleerden langs hun staag-gaande lijf. Johannes drong bij stonden dicht +aan tegen Goedele, en, alsof hij een vrage had gedaan, antwoordde ze +fluisterend: + +--Ik ben gelukkig.... + +Dus was hare stem geenszins een stoornisse van de stilte, maar een deel +van de stilte zelve, een schakel van het gulden nachtgeheim. Want hun +minste gebaar weefde mee in 't gebouw van de àl-zoete harmonije en +spinde een draad van het broze gewaad der stilte. De stilte bleef omdoen +de mooie werking van den schuivenden tijd en van hun stralende liefde. +En zoo gebeurde 't dat Goedele sprak, alsof Johannes een vrage had +gedaan. + +De weg verbreedde meteen. De boomen, die boven de bane hunne takken tot +een dicht gewelf hadden vereend, gingen vaneen en stonden in ronde rote. +Uit den hemel viel een aarzelend licht en kwam onderaan bibberen +langsheen het roerloos getwijg. + +Ze torten niet verder. Ze blikten daarboven en tuurden in 't +zwart-blauwe geluchte, naar ginds, waar duizenden sterren optikkelden, +in wonderbare krioelinge. Hunne lippen krulden rijzekens omme en ze +beloerden verrukt 't gefonkel van den ontzaglijken hemel, die over hen, +in zilverig gedrup, zijne wijdsche blijheid uitstortte. Overal zijpelde +het zachte licht en 't wielde menig de tinteling ommentweere langs de +bolle diepte, allerzijds raderkens draaiend van kostbare juweelen. 't +Was een kleurgedaver zonder ruste, al kransen en roerende ranken, al +weelde en djentige rijkelijkheid, holderdebolder dooreen, hel en +prillevend en speelsch. 't Vulde alom de ruimte, 't daalde precies, +'t omvatte hunne slapen en 't fleerde langs hunne vingeren. Johannes +murmelde, dichter komend: + +--Verwijder u niet.... + +Goedele zei, begeesterd, ontrukt aan de hardheid van de eerde: + +--Stil.... Ik sta in het licht. + +Op dees oogenblik was geen minste leegte meer tusschen hunne lijven, en +tegare sloten zich hunne gepeinzen aan. Hooger dreven ze, waar geen +gevaar hun machtig leven kon bedreigen en geen verwijt bezeeren het +lieve bedrijf van hun ziel. + +'t En was geen duizeling, die rapper hun bloed door hunne leden joeg. +Ze waren vervoerd, zwevend in 't onmetelijk geluchte, waar duizendvoud +ringelde 't beweeglijk gesternte. Ze hadden geen verlangen. Ze beleefden +in trage stonden de gebeurende voldoening van al hunne lusten. Hij +omarmde haar, smeekend: + +--Verwijder u niet.... + +Ze stotterde, nauw hoorbaar, haar hals uitlengend en pinkend met hare +wimpers: + +--Ik ... ikke ... ikke.... + +Ze vond niet het woord--daar was geen woord.... Daar was de zalige +stilte, de stilte vol van 't zilvertjokkend geluid der sterren.... +Toch de stilte, die niet te storen was. + +--Houde'k u? Hebbe'k u? U ... u...? vroeg hij, en 't was lijk een verre +gedruisch, waarlangs belde het lichte sterrenspel. Ze voelde hem +tallenkant. Hij was niet buiten haar. Waar ze al tastte, hij was +aanwezig en ze voelde dat hij aanwezig was. Hare oogen werden nat en het +tikkelende vuur van den hemel begon te wemelen en weg te doezelen in +nartige vlakten. 't Deemsterde haast ten volle en ze sloot hare oogen. +Geleidelijk keek ze zijlings naar Johannes en liet haar hoofd zinken op +zijnen schouder. Ze verging precies, binstdat hij zonder gretigheid, mee +met de peiselijke doening van den nacht, zijne lippen op hare lippen +drukte. + +Als ze tot bezinning geraakten werden ze ongedurig. 't Was nu het +gebiedende vleesch, dat gulzig werd, en ze stapten haastig door, ten +geheele overgeleverd aan de foltering van hunne driften. Daar hing geen +geheimzinnigheid meer onder het roerlooze lover en hunne voeten +roefelden onvoorzichtig in 't opwippende zand. + +Ze verlieten 't woud. Ze troffen verder den trein en zaten in 't coupé +dicht naast mekaar, met zondige gepeinzen. Heel de onstuimige sterkte +van hunne passie rilde door hunne leden en ze taakten malkanders handen, +om de lauwe matheid van 't bloote vel te voelen. Ze spraken weinig. Hun +asem was heet. + +--Waar zijn we hier? + +--Bijna binnen de stad. + +Ze legden een geveinsde onverschilligheid in hunne woorden, maar al hun +gedachten vloeiden saam tot éen gichtig, woelig, zinnelijk beeld. Ze +gaven zich over, zonder strijd, aan hun brandende koortse. Ze deden +niets om de brutale tempteeringe uit hun lijf te krijgen. Alleen +veinsden ze een oppervlakkige vreedzaamheid, beschaamd voor malkanders +brandende blikken. + +'t Gedruisch van de stad en 't geharrewar van menschen en sjeezen, de +klaterende straling der lichten en 't zware geluchte, dat hier te wegen +hing tusschen de hooge muren, 't hitste allemaal meer en meer de hevige +jeukte hunner lusten--Ze drilden nevenseen, geen onwegen zoekend om +ongemerkt te worden, zonder geduld en zonder mate. Ze keken niet op naar +mekaar.... + +Als ze op een ende 't kleine huizeken binnen waren en nu seffens weer +ganschelijk alleen in de welriekende nachtkamer stonden, wilden ze zich +niet langer meer bedwingen. Hunne armen strengelden woest om hun leen en +hun hijgende monden vielen, met een schok van hun gansche lijf, te gare. + +'t Was hier donker. De straatlanteeren speelde heel stillekens met +vierkante lichtjes langs de beloken venstergordijn. + + + + * * * * * + + + +XII. + + +De aanhoudende slagen van 't noodlot hadden gevaarlijk tante Olympe +aangetast en, in haar ouden geest, was ze een dwazen schrik aan 't +voederen. Al wat gebeurd was, al 't leelijke en 't onherroepelijke, vond +een oorzake in den onregelmatigen toestand van Romaan en Madeleen. Ze +schuddebolde en pruttelde al zuchtend: + +--Onregelmatig--en zoo lastert gijlie God. + +Romaan en hoorde 't meerendeels niet en Madeleen, die geen kwaad +bedreef, en geloofde niet dat ze gestraft moest worden. Tante Olympe's +klagen werd dan ook weinig in acht genomen en Madeleen beperkte zich met +een klein antwoordeken, berustende in de toekomst, die beter zijn zou. + +--Ge moet trouwen, zei tante Olympe. + +--Dat komt wel ... later, zei Madeleen. + +Maar de dagen verliepen in grijs verdriet en tante Olympe broeide hare +angsten. Ze zat nu uren lang, binst den nanoen, te bidden en te peuteren +om de korrels van haren paternoster. Dat en stilde haar niet. Al dieper +en dieper knaagde de oolijke vrees en Ons-lieve-Heerken, dat zij zich +altijd zoete en medelijdend had voorgesteld, werd in hare hersens een +schrikkelijk figuur, een toornig gezichte met wegend verwijt. De oogen +van Ons-lieven-Heerken waren twee vurende karbonkels, zonder deernisse, +zonder barmhertigheid. Die oogen geboden voortdurend: + +--Ze moeten trouwen! + +En 't was voor tante Olympe een donderend gebod. Ze had schoon te bidden +heele reesems verduldige rozenkransen, ze had schoon de medehulp van +Onze-lieve-Vrouwe in te roepen en de tusschenkomst van den heiligen +Antoon, die in alle omstandigheden zoo braaf en genadig was +geweest--niets baatte. Onophoudelijk hoorde ze 't vreeslijke gebod. + +'s Nachts kon ze niet slapen. Ze draaide en herdraaide haar mager lijf +onder de sargie, ze dook haar benauwde wezen, ze krinkelde thoope tegen +den muur. Hare lippen prevelden de vele wees-gegroeten en hare vingeren +waren gestadig saam, in vrome houding. Ze had geerne een schoon gebed +verzonnen, zooals er met koude letters in haar kerkboek gedrukt lagen, +maar hare zinnen waren verward en ze zou nooit drij woorden te reke +kunnen dichten. 't Was een haastig wees-gegroet, dat over haren mond +dibberde. + +Ze stond heel vroeg op en ging met roode oogen zitten in de keuken. +Wat ze dagelijks 't eerst hoorde, was 't leutig gezang van Mariëtte en +telkens maakte ze algauw een kruisken over haar gelaat en haar borste, +peinzende: + +--De zonde is hier tallenkant in huis.... + +Zij en at bijkans niet meer en Madeleen moest halvelings kijven, om haar +'s noenes aan tafel te te krijgen. Zoo werd ze uitermatig zwak en tenden +de Lente kon ze uit haar bedde niet meer. + +Romaan, die dat pover bedrijf onachtzaam had bijgewoond, werd nu meteen +getroffen door al dat groote verdriet. Hij kwam op een morgen bij de +sponde staan en nam voorzichtig de beenderige handen van het wijveken. +Hij sprak met aandoening, bad dat ze beteren zou, zich niet laten +weghongeren alzoo en koeragie hebben. + +--Koeragie, tante. Ze zuchtte. Ze vroeg: + +--Koeragie? + +De blosjes, die voortijds zoo liefelijk een verve legden op hare kaken, +waren weggezonken in de algemeene bleekte van heur aangezicht. Ze +stamelde: + +--Ik kan niet ... ik kan niet, jongen.... + +Hij streelde hare vingeren. Hij beweerde dat ze wel kon, als ze zich nu +eens een beetje dwingen wou. Ze moest geen groot geweld doen en haar +eigen niet bezeeren. Alleen toegeven, en redelijk zijn.... + +--Niet waar, tante? + +Ze glimlachte droeve. Ze wist wel dat hij goed was en deugdelijk--maar +ginder hooge spookte de vervaarlijke gramschap van Ons-lieven-Heerken. +Met vreesachtige aarzelingen zei ze 't hem. + +--Mag ik het u zeggen? + +Hij kuste haar op haar voorhoofd, en ze zei 't hem, al weenend. Al 't +ongeluk dat gekomen was en al 't ongeluk dat nog komen zou, ze droegen +hier gedrijen de waarachtige schuld ervan. + +--Gijlie hebt 't bedreven, en ikke, mijn jongen, hebbe 't geduld. Waarom +heeft Madeleen u dat allemaal niet uitgelegd? Hoor eens.... Waarom is uw +gang dweers tegen den wil van God? God is de sterkste. + +Ze taterde zoo een heel en tijd, tot ze moe werd, tot haar asem te kort +schoot en ze dan midden een woord haperen bleef. Hare oogen vielen +langzaam toe. Ze fluisterde: + +--Wilt ge mij niet begrijpen? + +Hij drukte haar gewillige handen. Hij had zelf te veel geleden om leed +van anderen te stichten. Hij verwonderde zich dat tante Olympe in +waarheid leed droeg. Hij boog zich, hij knielde om dichte bij haar te +zijn. Hij streek lijze over haar slapen en bezag haar lange, zooals ze +daar klein-hijgend te rusten lag. Hij lispelde: + +--Tante Olympe, slaapt ge? + +Hare lippen roerden en een glimlach speelde erlangs. Hij zei: + +--Tante Olympe, wij zien u allemaal geerne. Ja ja ... tante Olympe ... +we moeten wij u gehoorzaam zijn.... + +Hij voelde zelf de aandoening komen en kittelen in zijn neuze. 't Docht +hem dat al zijne theorieën tegenover het tastelijk dood-gaan van deze +goede vrouw nietig werden en zonder werkelijken uitslag. Wat was hier de +macht van eene utopische bespiegeling? Hij werd het in een slag van +zijne zenuwen gewaar: het zou een schoonheid zijn van zijn ziele, die +uitblinken zou, als hij nu tante Olympe, spijts de rhetoriek van een +bovenzinnelijk stelsel, wou helpen. Zijn gemoed brak, binst den troost, +dien hij in ontroerde gezegden haar gaf: + +--We moeten wij doen wat gij zegt.... En het is zeer waar, al wat ge +zegt.... Bekijk me eens.... + +Ze was moe en trage hief ze hare wimpers op. Dankbaar keek ze naar hem +en hij taakte de teere liefde, die hare blikken omstraalde. + +--Bekijk me..., ik ben immers uw zoon ... ik zal trouwen met Madeleen. +Zult ge spoedig weer genezen? + +Ze knikte. Ze bleef hem bezien en ze grabbelde gretig met haar bevende +vingeren naar zijn hoofd. Ze zoende hem en hij voelde de snikken +opschokken in haar lijf. Ze kon niet spreken. Ze was danig gelukkig.... + +En ze genas ook. Ze liep lijk te voren ijverig en gedienstig de kamers +rond en, na een paar weken, ontbloeide de pleizierige blos op 't +tjoppeken van haar kaken. Het huis was nu vol van de nieuwe gebeurtenis +en Romaan was tevreden, omdat alles zoo vol geraakte. Hij was wel een +beetje verlegen als hij de zaak aan Johannes uitlegde, en daar kwam dan +een kleine koortse langs zijn woorden. Johannes beluisterde hem zonder +spreken, al spelend met zijn rietje langs de reetjes van den vloer. 't +Gesprek liep heel zonderling ten ende en een kilte bleef haperen in 't +geluchte. + +Voor Goedele was 't eene ontzettende verwondering. Ze werd teenemaal +ongemakkelijk en, in haar boezem, schartte een onbekend gevoel. + +--Trouwen! + +Het woord weergalmde in haar hersens en 't deed meteen een heele doening +naderen, die--sinds wanneer?--och! al zoo lange verwijderd was. Als +hooge schaduwen togen de vroegere beelden voorbij, en de schrikkelijke +vaart van al die groote donkerten bracht een zware angst in haar hert. +Wat was er nu gaande? Ze had het gevoel dat men haar verliet. Ze had de +verschooning van haar handelen gevonden in Romaan's onregelmatigen +toestand. Nu liet Romaan haar in den steek. Ze was kwaad. Ze was nijdig +vooral op Madeleen. In de grondige demoralisatie, waarin ze zich had +laten meeslepen, meende ze dat Madeleen nu ophield te blijven wat +Goedele nog was, om iets te wezen dat Goedele niet meer vermocht te +worden. Ze had de wettige sensatie daarvan. + +--Madeleen verheft zich! + +'t Rinkelde in haar hoofd en 't verlamde hare leden. De lieve geur van +gindsch zoete slaapkamer kwam redeloos opwalmen in haar neus en--was +daar iets viezelijks in, tegenwoordig? Ze verklaarde niets aan haar +eigen. Ze worstelde tegen een hardnekkig geknaag van puntige gepeinzen. +Ze worstelde tegen de massa van haar gansche verleden, dat opzuilde +tallenkant bovenmatig en bedreigend. En ze dierf niet Romaan +tegenspreken, hem toeroepen dat hij eene lafheid beging. 't Was wel een +teeken dat ze voelde hoe zwak en lage zijzelve was.... Ze merkte 't. + +Veertien dagen bleef ze thuis. Ze wilde Johannes niet ontmoeten. Ze was +klein en leelijk. + +--Madeleen verheft zich! + +Daardoor was zij, Goedele, klein en leelijk. Ze bleef thuis. Ze verbood +aan Sebastiaan haar nog op te zoeken. Ze zei hem dat ze groote rust +noodig had. Ze leefde dan, nietsdoende en sprakeloos en lui. Ze zette +zich viermaal vóor haar schrijftafelken, te wege een langen brief voor +Ameye op te stellen. Ze ging traagzaam wandelen in den tuin, bezij de +rote leeljen en de hoopen bloedende rhododendrons. Vaak kwam vader +trippelbeenen nevens haar, al vertellend met blijde gebaren van een +nieuwe uitvindinge. + +Andermaal ontmoette ze in schaduwrijke diepten het witte gezicht van +grootvader. Ze voelde telkens een wreveling in haren nekke en wees dat +hij van kant zou terten. Hij en vreesde haar niet meer; zij werd het +ganschelijk gewaar. Hij bleef haar grijnzend aanstaren en puntte +spotachtig zijn scherpen wijsvinger uit naar heur. Een oolijke +uitdrukking lag te kriebelen in zijn oogen en maakte haar lastig. + +--Ga weg! + +Hij bukte zich, rechtte zich daarna heel langzaam op, opende zijn diepen +mond en hief, gek-doende, zijne wenkbrauwen omhooge. Een ratelend +gerucht steeg uit zijne keel. Ze wilde hem zijwaarts duwen. Hij sprong +naar achteren en draaide om den stam van een boom, voortdurig zijn +lachend wezen wendend naar haar. + +Ze stapte haastig voorbij en dacht: + +--Hij weet entwat. + +Zijn lach waggelde achter haar en dook wijder weg in het duistere +gebladerte. + +Ze doolde aldus langs het zwijgende huis, dag aan dag, opvretend haar +heimelijke lastigheid. Ze kon op een ende niets meer verdragen, niets +van wat hier de dagelijksche doening was en de spokige eendelijkheid van +al deze sprakelooze gezichten. Ze wilde niet langer bedwingen den drang, +die haar opzweepte om het doodsche geluchte te breken, om de menschen +lijdelijk te maken, die daar nu ommegingen met ongezegde doelen, elk op +zijn eentje versteend in zijn zwijgen. + +Ze wou Justa wegjagen. Ze botste aan tegen de bedaarde koppigheid van +moeder. + +Ursule, sinds den dood van Wiezeken, gevoederd door herlevende hoop, was +haast geheel genezen. Ze zat in haren leunstoel hare toekomstige werking +te verzinnen: Romaan weer thuis en Goedele saam met Romaan aan 't +woelen, aan 't zwabberen met gretige vingeren, aan 't garen het +ontzaglijke geld. De fortuin van Sebastiaan zou erbij vloeien ... en +naderhand 't vele goud nog van een rijke schoondochter.... + +Uren zat ze zoo en niemand stoorde haar. Ze dichtte een grootsch plan. +Ze geraakte er niet toe te denken dat misschien Romaan niet thuis zou +komen en dat Goedele tegenstribbelen mocht. Ze had hare gansche +heerschappije weer in handen en geen wil zou weerstaan aan haar wil. Ze +bouwde in hare hersens de machtige machinatie die zou endelijk +ommedraaien, naar heur volle goesting, met geweldig raderwerk. + +Als ze hoorde dat Goedele tegen Justa opschoot, neep een strakke +strengheid hare lippen te gare tot een bleek streepken en stond ze +verontweerdigd rechte. Seffens moest Goedele vóor haar verschijnen. Ze +beet haar toe: + +--Wat is 't? + +Goedele zette zich, onverschillig, zonder ommezien, neer vóor 't +klavier. Korter hakte het stekkig gezegde: + +--Wat is 't? + +Goedele glimlachte. De hardheid, die zoo puntig in Ursule's oogen kon +opflitsen, blikkerde nu ook in hare oogen op. Trage, al rilde even hare +hand, duwde ze met haren wijsvinger een klinkende toetse neer. Ze zei, +lage, onverkennelijk: + +--Niets. + +Hare wimpers vielen toe om naderhand met een rappen wip, weer wijd open +de witte straling van haar blikken te toogen. Ursule ging nevens haar +staan en smeet koortsig het klavier dichte. 't Gaf een luidelijken slag, +en ze bleven allebei daarna een tijdeken roerloos. + +Goedele voelde haar wezen heet worden. Ze richtte zich met geveinsde +onverschilligheid op en tort stille over het tapijt, niet opziende naar +heur moeder. Al gaande liet ze hare hand lui sleeren langs het +tafelberd, ten teeken van onbekommerde rustigheid. Ursule vroeg: + +--Ge hebt Justa doorgezonden? + +--Dat jong walgt me. + +--Ge hebt ze doorgezonden? + +--Ja.... + +Ursule stoop zich naar heur en naderde. Ze riep ineens: + +--Maar wat meent ge? En ben _ik_, hier niet? Mij wordt voortaan, en mij +alleen, en zonder tegenwoord gehoorzaamd! Gij hebt mij noodig, gij en +Romaan. En ik heb ulie noodig, alle twee. Het is nu de tijd dat de +sterke samenwerking eene werkelijkheid moet worden. Het hoofd van dat +alles, dat ben ik. + +--Ik begrijp u niet. + +--Gehoorzaam zonder begrijpen. Ik ben het hoofd zeg ik u. Justa blijft. +Romaan.... + +--Maar hoe wordt Romaan hierin gemengd? + +--Eens staat hij daar, nevens u. + +--En Madeleen? + +Goedele merkte hoe subiet op dees woord de groote woede van moeder +wegschokte in een flauw ophalen van schouders. Ze zag plots wat moeder +zich inbeeldde, wat, na Wiezeken's dood, stilaan een zekerheid was +geworden in haar geest, en waarover ze zoo lange aan 't mijmeren zat, +alleene, in haren zetel. Ze zag 't, en ze had nu een leelijk geneuchte, +omdat ze 't gansche gestel omverre kon werpen, omdat ze moeder's +oppersten hoogmoed kapot kon slaan. In deze mate was hare ontzenuwing +gevorderd dat ze behagen vinden zou, op dit oogenblik, in moeder's leed. +Ze zei: + +--Laat Romaan met Madeleen.... + +--Ik weet wat ik laten mag. + +Ze herzei, met stiller stemme, buigend in gemanierde woordklanken: + +--Laat Romaan met Madeleen.... Het is nu een feit, dat ze trouwen +zullen. + +Ze had zich niet voorgesteld dat zoo geweldig moeder's smert zou zijn. +Ursule wankte en haar schrikkelijk lijf schokte kantewaarts. Ze neep +haren mond krampachtig toe en liet hem nadien vierkantig openvallen, al +stootend en stotterend om een klaar woord uit haar kele te krijgen. + +--Trouwen ... trouwen.... + +Ze wrong de ratelende geluiden thoope, en daar siste een snijdenden +klank tusschen hare tanden. Ze wilde alles uitzeggen te gelijk wat zoo +herre-kaderre in hare hersens klabetterde en ze vond geen zin. Ze +steunde tegen 't klavier en de losse pateelkens van de keershouders +rinkelden bij haar minste gebaar. Ze was bleek als een doek, en hare +lippen werden blauw en droog. Een onzeglijke haat vuurde in haar oogen. +Ze reutelde: + +--Ge liegt! + +Hare tonge lag precies vaste achter hare tanden. Omdat ze niet spreken +kon, niet uitschreeuwen al wat in haar kop zich ophoopte, schoot plots +een vreeselijke woede op naar heur hoofd en begon daar te gloeien. Hare +handen grabbelden naar een stoel, vatte dien, als ware hij pluimlichte, +bij de sporten en, in blinde gramschap, hief hem omhooge om met +lawaaierig geweld hem tegen den vloer te werpen. Hij stortte met een +sterken slag neere en brak. + +Ursule stond nu ontzet, zonder machte, en keek smeekend op naar Goedele. +Ze vond de woorden terug, die zoolange teugelloos en onvatbaar zich +hadden verwijderd, en ze bad hare dochter, dat ze de waarheid zeggen +zou. + +--Ge moet de waarheid zeggen.... Ge moogt mij niet folteren. O-God! zoo +foltert ge me. Waarom? Wat zijn uwe inzichten, mijn kind? Als ik u ruw +aanspreek, moet ge me telkens vergeven, seffens. Ik ben zoo dikwijls +vernederd door u, en dat maakt me uitzinnig. We zullen Justa wegzenden. +We zullen een schoon huizeken gaan bewonen, buiten, in 't loof. Niet +waar?... Zeg dat ge me bedrogen hebt.... Hoe hebbe 'k dat toch kunnen +gelooven! + +Goedele antwoordde niet. Ze had zich bij 't venster neergezet en tuurde +in den tuin, die daar zoo wonderlijk met noesche zonne lag beklad. En +Ursule en hield niet op. + +--Mijn kind, nooit begrijpt ge de wilde smert, die ge mij hebt +aangedaan. Ik heb gedacht dat ik zinneloos werd te wege. Maar alles is +maar spel. Waarom spreekt ge niet? Waarom blikt ge zijwaarts? Zie me +hier wachten naar een woord. We zullen wegloopen uit deze leelijke +woonste en in 't blijde groen gaan schuilen. Ik zal u vertellen van de +heerlijke toekomst ... hoe prachtig die eendracht--gij en Romaan.... + +--Romaan trouwt. + +--Hoe wreed zijt ge, mijn Goedele! Wordt de jongen krankzinnig? + +--Hij heeft me gezeid dat hij trouwde. + +--Maar Wiezeken is immers dood! + +--Laat ons zwijgen--moeder.... + +Ursule tort vooruit. + +--Nu zwijgen!... Spijts alles, heb ik hope gehad. Spijts alles, wat me +tot wanhoop neerdrukte. Ik heb me vastgeklampt aan een groot werk, dat +in de toekomst liggen zou. Ho! ho! hebbe 'k niet gezwegen, jaren en +jaren? Is niet van zwijgen mijn leven een lange calvarie? Spijts alles +hebbe 'k mijn droom behouden. Mijne kinderen zijn in opstand gekomen. +Ik had nóg hoop, tóch hoop. + +Ze liet haar hoofd zinken op hare borst en bracht hare beide handen +bedrukt over haar aangezicht. + +--Nu is Romaan voor goed ... gestorven. + +Langzaam verliet ze de kamer. Haar breede rugge schokte opwaarts, alsof +sterkelijk klopte in haar lijf een geweldig gesnik. + +Een zonderling gevoel kwam Goedele bewegen. Alle kwaadaardigheid was uit +haar gedachten geweken, en ze zat nu heel beteuterd te herdenken moeders +overweldigend wee. Om wille van Romaans nieuw besluit, hield ze op nog +vertrouwen te hebben in de theoretische en uitsluitelijke bespiegelingen +van haar broeder. Wat bleef er in waarheid nog over van heel dien kamp +om vrije, onafhankelijke liefde? Hij trouwde. Hij deed heel kleintjes, +heel gewoon mee met de dikke burgertjes. Hij werd "redelijk". Hij zou +ook op strate loopen met Madeleen aan zijn arm, kreeftewijs, hij +blikkend naar uitgestalde boeken, zij naar hoeden en nieuw-modegoed. +Ze herinnerde zich goed dat ze zoo'n paar nagekeken had, eens op een +dag--met Ameye. + +Ameye! + +Ze fronste hare wenkbrauwen, 't werd harrewarrig in haar hoofd. Ze dacht +weer aan moeder. Ware alles niet beter, indien ze gehoorzaam ware +geweest? + +--Romaan is nu voor goed gestorven. + +En zij, Goedele? Wat zou 't zijn, als moeder haar zondig bedrijf met +Ameye te wete geraakte? In een vaag zicht, schemerde 't opwaarts in haar +hoofd,--dat elkendeen binnen dees huis zijn eigen ongeluk, met +verborgen, heimelijke gebaren bevorderde. En zij ook, door haar wilde +overgave aan Ameye, had heur eigen ongeluk beraamd. + +Al vroeg in den avond ging ze zich opsluiten in hare kamer. En op een +nieuw herschudde ze hare onvaste gepeinzen. Ze ging langs 't venster na, +hoe in den tuin de blauwe nacht lager en lager woog en hoe ginds het +dichte loof der boomen langs de donkerte danig massief opduisterde. +En dieper drongen hare gedachten, naar een verlangde oplossing. + +'t Moest opklaren om haar. Wat was er gebeurd dat ze zoo lichtzinnig +weggevallen was in poelen van zonde? Ze kon 't zich niet uitleggen. +Ze kon niet bespieden in 't jonge verleden den geleidelijken gang der +omstandigheden en, erlangs, hare toenemende, onweerbare machteloosheid. +Koppig wilde ze nu dat 't moest opklaren. + +Een onschadelijke wind roefelde met zotte wippen door 't geluchte en het +schaduwrijke bosschage roerde stillekens zijn zwart-doezelige randen. +Naderhand heerschtte groote rustigheid tallenkant. Goedele staarde +gestadig naar buiten, en ze vond in de verre duisternisse een gewillig +plein voor den tocht van haar loopende ideeën. Ze bukte zich en leunde +met hare kin in beide hare handen. De stad alginder zweeg. Rijzekens +daverde nauw hoorbaar een dof rumoer. In huis was elkendeen te bedde. + +Ze stond recht. Ze voelde haar eigen een groote schim zijn in de donkere +kamer. Ze neep hardnekkig hare lippen te gare en hare oogen vielen toe. +Ze had de harrewarrije in haren geest ontknoopt en stond met haar +machtig lijf, vastberaden, tegenover de oplossing, die zich opdrong. +Ze was besloten. Ze beet, sissend, haar eigen toe: + +--Niet meer gaan! + +Niet meer gaan. Ze zou bij Ameye niet meer gaan. Ze zou moeder helpen. +Het was toch _moeder_. Ze zou haar, met haar overige leven, gedienstig +zijn. Ze kruiste hare armen over hare borst, en 't was, een tijdeken +lang, alsof ze de toekomst tartte, alsof ze heel diepe eene aarzeling +voelde en haar eigen in de toekomst tartte. + +Rap stak ze een keerse aan en kleedde zich uit--maar, als ze haar witte +lijf in den spiegel heel weelderig zag opbleeken, rilde ze. Ze vreesde +haar onmachtig vleesch en 't klaterde daar in de schuinsche vlam van de +keerse zoo rijkelijk.... + +Ze spoedde zich. Ze kroop in haar bedde, blies 't licht uit en bracht +huiverig de frissche lakens over hare schouders. Nog neep ze koppig hare +tanden saam en stiet: + +--Niet meer gaan! + +Ze hikte nadien, begon te beven over al hare leden, en 't werd een +stotteren, een pijnlijke hakkelinge: + +--Niet--meer--gaan.... + +Ze barstte uit in luid gejammer, weenend en snikkend hopeloos, en, al +stortte thoope gansch haar sterk besluit, al sleerde ze weg, met lijf en +ziele, in 't vorig slameur van passie en gevoelerigheid, ze stamelde, +benauwd, verloren: + +--Niet ... niet meer gaan ... niet meer ... niet-meer.... + +Ze drukte koortsig haar hoofdkussen in hare armen. + + + * * * * * + + +XIII. + + +Ze was 's anderendaags vroeg te been. Ursule was nu teenemaal ziek +geworden en kon uit haar bedde niet. Ze deed Goedele bij haar komen en +vroeg zachte, of ze Romaan wou gaan opzoeken en hem uitdrukkelijk vragen +wat hij van zins was. + +Goedele ging. + +Ze was tevreden dat moeder zelve haar doorzond. Ze liep. Nog nooit had +ze den weg zoo spoedig afgeleid, en, als ze bij Romaan kwam en zijn +bevestigend antwoord ontvangen had, was ze weer gichtig om weg te zijn. + +Wat dreef haar? Ze drilde gretig over strate, en haar bloed joeg forsig +ommedom. + +Op de brugge bleef ze een wijlken in onzekerheid staan. Hare blikken +volgden 't zonnig geklots van het water, waarin donkerend wegkronkelde +de schaduw van een bootje. Hare kaken bloosden. Ze hoorde om haar 't +bedwelmend rumoer van de ijverige stad en voelde, van weerskanten haar +lijf, den haastigen gang der menschen. Even aarzelde ze nog.... + +Ze liep nu weeral. Ze smeet haar hoofd achterover in wild gebaar. Hare +voeten klepperden vluggelings over de kasseide, en tegen haar voorhoofd +sloeg gedurig 't schoone geweld van de zonne. Ze draafde voorwaarts, +kleintrippelend, steegjen in en steegjen uit. De warmte, die langs hare +leden opklom, deed haar deugd en ze glimlachte haast, al werend de zoete +straling af, die neerpletselde uit den ronden hemel. + +Ze stond meteen vóór 't kleine huizeken. 't Was de gewone stonde. + +Zou Johannes wachten op haar. + +Ze had den sleutel niet bij! Zoo lange dagen had ze in folterende +angstigheid en koppig dwaas gedoe haar liefde verwaarloosd, en ze +vreesde dat Johannes, moe van wachten, 't opgegeven had. Ze klopte. + +Subiet schoof 't deurken open en hij stond daar, met gulzige blijdschap +haar ontvangend. Hij leidde haar binnen, ontdeed haar van haar hoed en +drukte haar sterkelijk tegen zijn borste. Hij en had geen verwijt. Hij +bloosde van geluk. Hij en vroeg niet waar zij zoo al met een keer +verwijld had, zonder verwittigen, en zijn blik was klaar, open, vol van +zijne al-vergoedende liefde. Ze meende toch, beschaamd tegenover al +zijne kieschheid, dat ze hem een uitlegging schuldig was, en ze haperde +in ingewikkelde gezegden. Ze zette zich neer op zijnen schoot en omvatte +zijn hoofd. Ze fluisterde: + +--Ik ben stout geweest.... + +Hij kuste op hare lippen de ongemakkelijke woorden weg. Hare vingeren +schoven streelend langs zijne slapen en sleerden door zijn haar. En ze +zei: + +--Ja--stout, en ondankbaar.... Och, weet ik nog wat er gebeurd is? +Kijk me eens aan.... Ligt er ievers een leelijk speur in mijne oogen? + +--Zwijg, lieve. Mij zie 'k dáar in een sterreken.... + +--Ge zijt goed. Wanneer was ik laatst bij u? Een eeuw is 't geleden. + +--Een eeuw, ja.... + +--Herinnert ge u nog mij? + +--Deugniet, die me lief zijt! + +Hij lachte luid. Maar Goedele, in zwakke aandoening, voelde haar herte +week worden. Het docht haar dat ze nooit dieper hare liefde gewaar was +geworden dan nu. Ze zei, met bevende stemme, dat hij zekerlijk boos +geweest was op haar. + +--En nu ziet ge mij minder geerne. Ik merke 't aan mijn eigen. Zoo +machtig woelde in mij uw beeld. Ik hebbe schuld, Johannes. Waarom zegt +ge niet dat ik schuld hebbe? 't Is dat kleiner mijne schuld is in uwe +gepeinzen, wijl kleiner uw liefde is geworden.... + +--Nu wordt ge schuldig, in waarheid. + +Hij antwoordde heel ernstig, en ze bleven een langen tijd sprakeloos +turen in malkanders wezen, tot weer hunne lippen te gare zich vereenden, +trage en innig. Ze liet haar hoofd nadien neerzijgen op zijnen schouder, +en haar warme asem fleerde matelijk langs zijn blooten hals. + +De zonne, van uit de vierkante vensterruitjes, stortte in lichtende +tichels op den vloer en zijpelde om hunne borsten, lager wegklaterend +over hunne knieën. Op de geheven tjoppekens van Goedele's schoenen, +tikkelde een leutige straal en spetste er veelvoudig uiteen. + +Ze zwegen. Her geraakte hier de schoone peiselijkheid van vroeger, en +vertrouwelijk schoven allentwege de welriekende luchten. 't Was de +bedwelming van te voren, en ze voelden zich wegglijden, weerloos en +gedwee, binstdat korter hun boezem opzwol. 't Was terug de liefelijke, +al-beheerschende stilte, de gulden stilte, waarlangs hunne gevoelens +ommezweefden en nevenseen overentweere wiegden, beladen met de weelde +hunner passie. + +Een logge wagen reed over de strate voorbij en traagzaam verwijderde +zijn rollende wielrammeling. Ze luisterden er naar, eerst teenemaal +omdaan door de zware geluiden, naderhand volgende met nauwkeurige +zorgelijkheid het verre lawaai, tot heel wijd het dooddoedelde--endelijk +dood.... Hunne gespannen aandacht was meegegaan, en nu waren ze precies +in een groote leegte alleen gebleven. Maar des te inniger voelden ze +seffens malkanders armen en malkanders lauwte. Te gare rokken zich hunne +spieren en de struische drift steeg in hunne leden, met den rapperen +klop van hun bloed. Goedele's lippen taakten zijne lippen en een warme +nattigheid baadde hare oogen. Ze stamelde: + +--Hebt ge mij nog lief ... nog ganschelijk lief? + +--Eeuwig.... + +Hunne wimpers trilden en vielen toe.... + +Dus was weergekomen, zonder genade, de heerschappij van hunne liefde. + +In Goedele en haperde geen aarzeling meer. Ze geraakte in vroolijke +stemming, drevelde om de kamer, schikte entwat, dat van zijn plaatse was +verschoven, en toonde zich buitengewoon opgeruimd. Getweeën waren ze +nadien luid-lachend aan het spelen, malkander treiterend of kriebelend +of peensend. + +Nabij den noene stond Goedele beteuterd naar 't horloge te kijken. + +--'t Is tijd!... + +Ze zuchtte 't bijkans. Johannes zei dat ook hij weg moest naar zijn +atelier, en verwonderde zich dat de voormiddag zoo ijlings verloopen +was. Goedele vroeg: + +--Naar uw atelier? + +--Ja. + +--Ik ga mee! + +'t Was zoo een plotselijke gril, en ze had ook nooit aan dat atelier +gedacht. 't Was nu eene gelegenheid om eens alles af te zien en die +onbekende kunst te benaderen. + +Ze merkte meteen hoe Johannes subiet heel bleek werd. Een groote angst +beknelde haar en ze wist niet meer wat zeggen. Hij bedwong zijne +aandoening en kwam haar zoetekens omarmen, fluisterend: + +--Dat ware wel aardig. Maar hoe komt ge daarop, nu juist, ten vollen +noentijde? Saam dien grooten weg doen, in 't zicht misschien van bekende +menschen.... + +--Ge kunt vooraan loopen. Straks vind ik u ginder. + +--Ja, zoo is 't goed.... + +Ze hervatte zich seffens. Haar voorstel kwam haar dom voor, omdat hij 't +zoo gul wilde aannemen. In hare hersens was, op dat éene oogenblik, de +foltering gedrongen van wantrouw en jaloerschheid, en zoo verzinde ze nu +een oolijke maniere om spijze te geven aan hare leelijke +nieuwsgierigheid. Ze viel hem in de rede: + +--Neen! + +--Wat nog, lieve? Wilt ge u blootstellen aan de kwaadwilligheid van een +praatzieke wereld? Zou 't niet onverstandig wezen, als we nu, na zoo +veel voorzorgen, bij klaren dage onvoorzichtig gingen te werk gaan? + +--Ik ga mee.... + +Ze was koppig, lijk ze thuis koppig was. Ze voelde dat hij haar niet +geerne meenam en dat een reden daarvoor bestond, die buiten haar zinnen +reikte. Had hij haar iets te verbergen? Zijn atelier lag eenzaam +kantewaarts de stad, een groot houten ding met populieren eromme. Wat +kon hij daar bergen, dat ze niet zien mocht? Hij was bleek geworden. Hij +kon nu zeggen alle mogelijke sluwheidjes, ze zou gaan met hem en met hem +den drempel beterten. + +Hij kuste haar. Hij lispelde: + +--Wat zijt ge koud! + +Hij wreef over haar voorhoofd en streek trage heur haar zijlings weg. +Hij bad streelend dat ze eens deugdelijk lachen zou en den rimpel langs +haren mond doen wegzakken. Hij begreep niets van hare handelwijze, +beweerde hij, en hij deed alle mogelijk gevlei om haar op te wekken. +Hij vroeg endelijk: + +--Maar wat meent ge? + +Ze staarde heel diep in zijne oogen, tastte er naar gedoken gepeinzen, +en trage sprak ze: + +--Wat meent ... gij? + +Hij werd ongeduldig, duwde koortsig zijn hoed op zijn hoofd, tort lastig +over het tapijt, van end tot end, en bleef daarna stokkestijf +rechtestaan. + +--Nu dan.... Kom! + +Goedele bibberde van ongedurigheid, binstdat ze zich aanschikte. Ze +verlieten zwijgend het huizeken en stapten nevenseen, zwijgend, langs de +straat. + +'t Was ijverig noenbedrijf in de stad. Haastig te rote dretsten voorbij +de langhalzige fabriekwroeters. Matelijk scherrebeende hun beenderig +lijf naar voren, en erlangs wapperde in gelijke schokjes hun +blauw-katoenen veste. De meisjes taterden ondereen en een lach schaterde +altemets boven hun beweeglijk groepje, terwijl even opstraalde de +bleekte van die gezichten alteenegaar. Oude sukkeleers hinkepatjinkten +achterna, bezeerd door 't zware geweld van de zonne, en ze kromden hun +rugge om 't vuur van haar hevig gestraal te ontweren. Jonge guiten, met +witte kaakjes bevuild door den damp, joepten van links naar rechts, druk +bezig met rap gespeel. In hooger wijken was 't, bezij de eenvervige +huizen, de moede gang van beambten, verslonden in dagbladlectuur, of de +fiere prontigheid van anemieke winkeljuffertjes.... + +Goedele drilde daar midden in zonder spreken. Door hare hersens +slingerden verwarde gedachten, en ze liet ze seffens los om nieuwe vaste +te houden. Hoeverre was alweer de zoete vredigheid! Lijk gisteren, lijk +ten uchtend was ze aan pijnlijke onzekerheid overgelaten. Romaan had +zich verwijderd van haar. Ze vreesde het ergste, tegenwoordig. Maar, hoe +ze ook een vermoedelijk feit uit Johannes' zonderlinge manieren trachtte +af te leiden, ze stond altijd ten slotte vóor een vrage te weifelen, en +ze maakte haar geest uitermatelijk moe. + +--Wat moet ik vreezen? + +Ze vreesde het ergste. Johannes blikte bijwijlen zijlings naar haar, en +als hij hare oogen taakte, lachte hij stille. Ze voelde echter, al +leuterde dan seffens een versche rustigheid in haar, dat hij zijn wezen +tot een vriendelijk masker dwong. En seffens vreesde zij 't ergste. + +Ze wist niet wat het ergste kon zijn. Holderdebolder wirrelden hare +angsten door mekaar, kleine en groote. Wat grondelijk het allergrootste +ongeluk zou zijn, wist ze zich niet voor te stellen. Alzoo was ze +gedurig haar bangheid aan 't overdrijven door zotte sprongen van hare +inbeelding. + +Als ginder, tenden de laatste straten, de populieren, met gulden licht +beklaterd, zichtbaar werden rondom 't atelier, vertraagde johannes +zijnen gang en kwam dichter nevens haar zijn stap meten op den haren. +Zonder opkijken vroeg hij of ze reeds een schildersatelier gezien had. +Ze schudde ontkennend haar hoofd. Ze vond het akelig dat hij nu een +lange beschrijving van 't kunstenaarsleven haar ontvouwde. Hij had daar +over nooit gesproken. Hij zei: + +--Artiesten zijn wanordelijk. + +Was hij zich aan 't verontschuldigen omtrent wanorde? Goedele kreeg +versch vertrouwen en minder hijgde ze, als hij de hooge poorte +opendraaide. + +Ze stonden in een kleine kamer. Hij zette zich neer in een sofa en +bekeek haar lange, zonder spreken. Als een pale bleef ze rechte en haast +kleurloos waren hare lippen geworden. Hij wenkte dat ze naderen zou en +naast hem rusten een stondeken. Zij en roerde niet. Alles was haar hier +danig vreemd. Was deze plaats door dezelfde hand geschikt, die, ginds in +het huizeke, zoo brooze en subtiel te werke was gegaan. Hoe somber was +hier alles aangesteld. Bronzen beelden reikten tallenkant hopelooze +armen en de muren waren bespookt met nare gezichten. Ze kon zich niet +inbeelden dat tusschen al dees donkere schimmen, langs al die diepten +van kleuren en heimelijke lichten, Johannes verbleef. Maar ze zei niets. +Ze wachtte. Hij sprak: + +--Zijt ge nu voldaan, lieve? + +Ze wachtte tot hij haar de groote werkzaal zou toogen. Ze was veerdig +voor alle verwonderingen en ze bleef staan, roerloos en pal. In de halve +duisternisse klaarde sterkelijk op hare matte bleekte. Ameye boog +langzaam zijn hoofd en zonk weg in verre gepeins. + +Geen minste gerucht bewoog. Op het schouwblad rustte een dood uurwerk. +Bezij de deur hing een hoop kleeren en, ernevens, op een hoog tafelken, +dorde een bloemtuil. Goedele voelde hier de moeheid van leven.... + +Johannes rechtte zich meteen en vatte hare hand. Hij bad: + +--Geef me een zoen. + +Ze lengde haren hals onsierlijk uit en kuste hem. Dan hief hij een +grauwe gordijn omhooge en leidde haar binnen. + +Het atelier schaterde in 't volle noenevuur. Op den drempel aarzelde +Goedele bezeerd door 't felle licht, en de groote ruimte, die in deze +zaal zoo machtig was, beknelde haar een oogenblik. Ze asemde zwaar en +tort onvaste naar voren. + +Van tallenkante keken de schilderijen naar heur. Ze schemerden vóor hare +oogen, landschappen en binnenhuizen, àl verven van veranderlijk +getintel, scherp omvat in gulden lijsten. 't Fonkelde onder mekaar. Ze +trachtte zachte te glimlachen, omdat nu hare angstigheid verdwenen was +en ze daar algelijk te rillen stond. Ze fluisterde, zich wendend naar +Johannes: + +--Wat doe'k dwaas, he? + +Maar seffens ontstelde ze en onwillekeurig wankte. Ze reikte hare hand +naar ginds, waar hoofdzakelijk een weelderig beeld opglansde, en stapte +meteen, stijf en precies automatisch, er naartoe. In een toeten van hare +ooren, hoorde ze Johannes, achter haar, zeggen: + +--'t Is Mariëtte.... Ik had u dat portret beloofd. + +Mariëtte! Ja, zoo was in waarheid Mariëtte! Mariëtte, half naakt in een +weelde van blauwe zijde en thee-rozig fluweel, een wulpsche Mariëtte met +natte lippen en min-zware oogleden. Ze murmelde: + +--Mariëtte...? + +Zoo moest Mariëtte zijn--een lijf van rijke blankheid, ongedekt en +onverlegen, schoon en krachtig. Hare handen waren lijk de streeling +zelve van de liefde en zoo djentelijk en lichte lagen daar hare +vingeren, alsof ze alleen den last van zoenen zouden dragen. Haar hals +verhief zich, ten-halve gebogen, en de blauwe schaduw van de kinne +teekende nog vaster de heerlijke golving ervan. Daaronder praalde de +onbevlekte effenheid van haren boezem, opbultend zonder geweld, en +donzig als perzikrijpte. Bedwelmend was haar gansche aangezicht, +verlicht, boven den blos der wangen, door 't geheimzinnig gestraal van +wonderbare blikken. + +Zoo was Mariëtte wel.... Maar wat somberde ommendom de donkere glimming +van bruine haren? Mariëtte moest blond zijn. Goedele kreeg hoofdpijn en +ze bracht haar zakdoek over hare oogen. Weer keek ze naar het tooverig +beeld. + +--Is dat ... Mariëtte...? + +Ze merkte boven de lijst een rankje droog hulstgroen en ze meende dat ze +nu weenen zou. Al luider tuitten hare ooren. Ze voelde in deze Mariëtte +de weergave van heur eigen wezen. Dat waren _hare_ leden, dat was _haar_ +gelaat, bedorven en verschoond in bovenmatigen minnehandel. Dat was +_haar_ portret, de realiteit van haar verzonken bestaan, iets, dat zij +had gedaan in gedachten en gebaren, en dat door Johannes ten geheele +tastelijk was gemaakt. Ze raakte er de volledige voorstelling van haren +val, en 't zicht ervan begon haar te walgen, al leefde nog zoo schoone +daar, in doorslepen kunst van kleuren en schakeeringen, gansch hare +liefde. Was 't dan die liefde zelve, die haar walgen deed? + +Ze haperde met bevende blikken langs het takje hulstgroen en vluchtig +zag ze in haren geest den drempel, waar 't eens was neergevallen. +Duidelijk herklonk om haar het verre lied: + + Ah! mosieu le capucin, + T'as d'la veine, + T'as d'la veine!... + +'t Was Mariëtte! En hier was nu Mariëtte in onveranderlijke afbeelding +aanwezig, met alles, wat zij, Goedele, nadien geworden was.... + +Ze dorst zich niet ommewenden naar Ameye. 't Docht haar dat ze walgelijk +deed, en een zeerdoende schaamte neep om hare slapen. Ze woonde aldus +bij, zonder hulp, de pijnlijke verbrokkeling van al wat zoo geweldig +haar verlangen en hare passie uitmaakte. Ze voelde 't heel duidelijk, +vermits al meer en meer haar geest vergrijsde in de algemeene +harrewarrije van tinten en klaarten. Ze beet dan op hare lippen om niet +te lore in hopeloos gesnik los te bersten. Dat was nog de kracht van +hare eigenliefde. + +Hij toetste haar en ze huiverde. + +--Ge zijt zoo bleek.... + +Hij wilde haar omarmen en de emotie wegkussen, die zichtbaar was op haar +gelaat. Zachte weerde ze zijne handen af, die haar niet liefderijk meer +waren en wier streeling een smertelijke foltering geworden was. Ze +voelde wel dat ze bedaren zou, en in versche geuten schoot naar heur +hoofd de bedwelmende zekerheid dat ze door dwaze gevoelerigheid +aangetast was. Ze had willen in een diepe donkerte gansch alleene zijn +en stille. + +Hij sprak niet meer en droeve volgde met angstige oogen haar minste +gebaren. Als hij zag dat ze bevend haar arm uitreikte, midden de +plaatse, naar een besluierde schilderij, zakte moedeloos zijn hoofd op +zijne borste. Zonder roeren stond ze, haar vinger gestadig naar 't +geheimzinnige doek gericht. Hij tort langzaam vooruit en deed de zwarte +vool vallen. + +Uit een duisteren achtergrond drong vlak naar voren, met intense +uitdrukking, 't gezichte van een vrouw en 't blonde koppeken van een +kindje. De vrouw en bezag het kindje niet, en ook het kindje keek niet +op naar zijne moeder. Ze stegen uit de grauwe duisternis, die schemerde +achteraan, en ze staarden, over de gulden lijst, rechte vooruit. Niets +was hier bestaande dan deze gezichten: hunne lijven, somber bekleed, +vielen weg in de schaduwen ommendom, maar geweldig sprongen uitwaarts de +bleekheid van de vrouw en de zoetige blondheid van het kindje. Eene +groot-menschelijke schoonheid lag droomend om 't gelaat van de moeder: +rijzekens ingevallen waren hare wangen en een kleine diepte blauwde +onder de slapen, maar sierlijk was de vorm van haar gansche wezen. De +effene blankheid van haar voorhoofd straalde hevig onder de warme verve +van heur vaste haar en een klaarte omlijnde de regelmatige buiging van +haar neuze. Lichtelijk beschaduwd was haar bovenlip, binstdat de ronde +kinne onderaan in halve helderheid optinkelde, en te midden rijp-rozig +praalde, in strengen neergang, haar fijne mond. + +Deze vrouw was niet schoon door uiterlijke schoonheid, maar +diep-menschelijk was ze, en schoon daardoor. Een onzeggelijke droefenis +verzwaarde hare blikken en ook niet leutig staarde het kindje nevens +haar. 't Was alsof in de grauwte achteraan een onzichtbare +noodlottigheid deze twee tot lijdelijke bezorgdheid doemde, alsof +gedurig een kwaaddoende hand tallenkant over hun hert de smert van leven +deed voelen. Een geheim zweefde om hunne oogen en ze waren lijk +gezichten, die men uit klare vensters meteen verre in den nacht ziet +turen, alwaar ze niets ontwaren kunnen en waar schuilt de komende +gebeurtenis van hun ongeluk. + +Een doffe kreet was pijnlijk uit Goedele's keel geroteld. Met éen slag +stortte alles neer, wat haar opjoeg tot zinnelijk leven, en ze was nu +een gebroken wezen, kapot door hem, dien ze boven alles had geliefd. Een +uiterste oproer verwrong hare spieren en ze sprong voorwaarts, naar +Johannes. Ze vatte hem bij zijn arm en al hare krachten hoopte ze opeen +om met hatelijke oogen zijn droeven blik te weerstaan. Ze hijgde en deed +schrikkelijk geweld om haar reutelende woorden over haar tonge te +stooten. Ze hakkelde: + +--De moeder van dees kind?... Van dees kind?... + +Ze schudde hem en prentte hare nagels in zijn kleeren. Ze wou 't hem +doen uitspreken, uit zijn mond vernemen de waarheid, die ze nooit had +durven aanzien en die nu oprees, vreeslijker dan ze had kunnen +vermoeden. Ze riep: + +--Spreek ... maar spreek! + +En hij sprak niet. De tijd, die verliep, rukte precies haar vleesch +vaneen. + +--Zijt ge niet laf?... De moeder van dees kind.... Ik verzink, ik +verzink, o mijn God! + +Ze verlamde meteen en hare vingeren sleerden ontspannen langs zijnen +arm. Met doffer stemme, na een stilte, die in gansch hare lengte de +kracht van het volbracht gevaar begeleidde, sprak ze, schijnbaar +bedaard: + +--Zeg me wie deze vrouw is, Johannes. + +Hij boog zijn hoofd en zuchtte. Hij vond geen gezegde om haar te +stillen, om haar te troosten, om weer op te wekken in versche +minneweelde haar vernederd hert. Hij zweeg. + +--Zeg me--wie, Johannes. + +Ze wist het. De droomende treurnisse, die gansch het beeld omlichtte, +die 't kenbaar miek voor haar, Goedele, de gedoken oorzaak van de +treurnisse zelve--'t was allemaal een laaie openbaring. Hare lippen +beefden en rappe stralen fonkelden noesch weg uit hare oogen. Hij zei, +voelend dat haar niets te verbergen meer overbleef: + +--Mijne vrouw. + +Ze ontving zonder wijken de harde bekentenis. 't Was haar alsof ze +midden puinen stond en allentwege om haar kwam de wijde droefenis, die +nievers een ende zou krijgen. Langzaam keerde ze zich omme en tort, +schokkend bij elken stap, naar de deur. Ze hoorde in 't gezoef, dat haar +hoofd vulde, nog Johannes' gebroken stemme: + +--Goedele!... Goedele!... + +Ze hief zonder haaste de fluweel en gordijn op, ging het duistere +kamerken door en geraakte op straat. Dan liep ze, recht vóor zich uit, +en zij en dierf niet ommezien. De gezichten der menschen, die haar +voorbijsleerden, waren lijk bleeke vlakten, geruchtloos schuivend in +nattig geluchte. Waar was de zonne? 't Was al grijs en nevelig wat haar +omdeed, en de gezichten doken spokig daarin op, werden groot en spoedden +zich achterwaarts. 't Herklonk een tijdeken als een ver geween: + +--Goe-öe-dele! + +'t Klabetterde tegen de luidelijke beenderen van haren schedel, die als +een holle kasse aan 't ratelen ging.... + +Moe, afgemat kwam ze thuis aan. Het ijzeren hekken krijschte trage open +en ze viel bijkans voorover. Ze zag Justa en vroeg, verwilderd: + +--Zijde gij hier nog? + +Ze lei haren hoed op een stoel, en, als ze de gewone dingen hier gewaar +werd, die tafel en die kasse en 't gezellige klavier, stortte hopeloos +haar wee over haar. Vader zat bij 't venster met een kaartspel aan 't +tellen. Zijn grijze krullekop zilverde aardig in 't zijgende licht. Ze +had hem willen kussen. + +Hij keek op en verwonderde zich, lachend: + +--Ha!... gij.... + +Hij zette seffens een bedrukt gelaat, lijk iemand die zich meteen +herinnert dat hij treurig moet zijn, en vertelde dat moeder in den +voornoene onder een leelijke geraaktheid was gevallen en dat ze nu zeer +ziek te bedde lag. Goedele liep uitzinnig de trap op. + +Voor de eerste maal sinds lange vreesde ze dat moeder lijden mocht, en +in haar verward gemoed klopte 't verwijt--dat ze schuld had aan moeders +lijden. Ze beukte struikelend tegen de deur aan. Ze stapte binnen +paalrechte, gewelddoende om niet omverre te stuiken, en naderde zoo de +sponde. De witte lakens werden een duizelige beweging in hare oogen en +moeders hoofd, dat haast vierkantig op de klare kussens rustte, +beschaduwd door diepe oogholten, schemerde aleens stille weg, om subiet +weer ruw en hard op te bulten. + +De aandoening ging uitjagen in Goedele's borst en hare wimpers werden +heet. + +Ze stamelde: + +--Moeder.... + +De klank van haar eigen stemme kwam hare emotie overdrijven. Ursule +vroeg: + +--Zal hij trouwen? + +Trouwen? Goedele zag subiet het povere kamerken van Romaan, waar ze +gedrieën een nieuw geluk bewerkten in liefelijke eendracht. Ze knikte, +niet goed meer wetend wat eigenlijk hare boodschap geweest was. + +--Ja. + +Ursule in een uiterste poging rechtte zich en zat overend. Haar wezen +werd grauw van ingetogen woede. Ze duwde hare vuisten in haar +hoofdkussen en hare nagels krabden hoorbaar over het gespannen laken. +Ze vroeg op een nieuw, binstdat ze hare lippen, in vreeselijke gramschap, +uitlengde naar Goedele: + +--Zal hij--trouwen? + +--Ja, moeder. + +--Hein? + +Ze hijgde en een reuteling rochelde nattig in haar keel. Ze wachtte naar +'t herhaalde antwoord en 't was alsof ze tóch hoopte dat het niet zou +herhaald worden. + +--Ja.... + +Een snok rukte haar kinne naar omhooge en terwijl ze achterover +neerzakte, stiet ze met een worp al haar haat, haar wilden, grenzeloozen +haat uit haar boezem--een walg en een grijnzen: + +--De hoere! + +Haar mond bleef halvelings open. + +'t Was voor Goedele een verschrikkelijke slag en 't woord hing een +stonde te daveren in 't geluchte. Ze viel op hare knieën, vatte moeders +hand en begon te snikken en te roepen, geen andere uiting meer wetend +voor haar wanhoop, geen hulpe meer vindend in niemand, noch steun in +geen toekomst. + + + + * * * * * + + + +XIV. + + +Ursule was leelijk aangetast. Dagen na dagen bleef ze liggen in haar +bedde, zich opwerpend somtemets, naderhand afgemat en roerloos. Ze sprak +niet. Ze kon niet spreken, hoe ze ook geweld deed om een gedacht luide +te doen opklinken. Ze bracht onzinnig geratel uit, en ze lag dan weer +zwijgend te turen heel strak naar de zoldering. De dokter die haar +dagelijks bezoeken kwam zei dat ze groote rust noodig had en dat men +haar omtrent alles moest involgen. Hij merkte niet hoe woedend ze +telkens was, als hij verscheen, en hoe ze met hare oogen teeken deed dat +men hem wegjagen moest. + +Met rust en groote zorgen zou ze stilaan genezen. Veel tijd was daartoe +noodzakelijk en veel voorzichtigheid. + +Goedele zat gestadig aan de sponde en deed met effen verduldigheid al +wat haar de minste grillen van Ursule opdrongen. Uitermatelijk +dienstveerdig en welwillend, liep ze links en rechts, naar den wenk van +moeder's ziekelijke onstandvastigheid, de kamer rond. Geen weerzin +voelde ze en geen moeheid. Ze hield zich alzoo in drukke bezigheid en +het was voor haar in feite eene afleiding. + +Want geen klaarte was nog in hare zinnen gekomen. Het schrikkelijke +voorval had haar verdraaid en in haar duizelig hoofd daverde gedurig een +onoplosbare harrewarrije. Ze beleed zonder uitkomste een knagend, dof +wee, en haar lijf was nu iets geworden dat ze pijnlijk tallenkant +meesleurde, achter de troebele zucht van haar strijdende gepeinzen. Ze +dacht niet aan Johannes: met éen schok was hij weggerukt geweest en heel +verre schemerde ievers zijn onzekere schaduw. Ze had geen behoefte te +denken aan hem, die zoo wijd bestond, teenemaal buiten 't bereik van +haar denken. Maar onophoudelijk dacht ze aan een bange gebeurtenis, aan +een groot geweld, dat volbracht was, iets zonder vaste vormen, zonder +kleur en preciese maten--een massa, opdonkerend zoo subiet, juist achter +haar. Verder was geen verleden: 't verleden en reikte niet verder, +geborgen door de donkerte van dezen opzuilenden paal. 't Was een nacht, +die alle dagen dook. + +Een weke verliep, en nog altijd wist ze geen uitslag aan haar lijdelijk +gemijmer. Nog was ze werkzaam, in de duffe ziekekamer, en ging lijk +dronken gebogen onder de vracht van het volendigd ongeluk. Even verre en +ondoordringbaar bleef 't verleden, naar achteren en buiten zicht geduwd +door gindsche vervaarlijke somberheid. + +Goedele luisterde naar moeders asem, als ze sliep, of beloerde haar +minste gebaar, als ze lastig te spartelen lag onder de sargie. Ze lonkte +alles na, bezorgd en ordelijk. Ze handelde niet ganschelijk bewust, maar +bevreesd voor nieuwe rampen, die ze niet bepalen kon en waar ze nievers +een opkomende oorzaak voor ontwaarde. Ze handelde heel bang--tevreden +dat ze handelen mocht en dus den zeerdoenden tijd opstoppen, die +tallenkant met benauwde leegten te gapen hing. Ze bedwelmde zich met +werken, met hergaan; ze maakte zich zwaar-dom in gestadige beweging om +niet, al rustend, achterwaarts te kijken naar de hooge schim van 't +verrichte noodlot. + +Na de derde week kreeg Ursule heur sprake terug, maar ze was nog niet +losgeraakt uit eene luie verwikkeling van hare gedachten. Ze was lijk +eene die, verdwaasd na een harden slag, zich om alles verwondert en +niets met zekerheid benaderen durft. Bij Ursule echter ging dat +lanterfantig gedoe van hare hersens gepaard met de sprongen van hare +prikkelbare lastigheid. Ze lag altemets stille te kouten met Goedele. + +--Zie eens hoe de zonne ringskens teekent over de ruiten. + +--Ja, ringskens. + +--En hoe ze sterrekens puntelt in het stof, de ruimte langs.... + +--Ja. + +Ze deed dan meteen een kwaad gebaar en riep: + +--Wat een boel! De lucht is dikke van vuilnis.... Maar wie kuischt hier, +wie moet hier het huis opruimen en zuiver houden? Of wilt ge mij +allemaal den dieperik inhelpen met uwe wanorde.... Leêgaards! Leêgaards! + +Ze was niet te stillen, en ze schreeuwde tot heel blauw haar hals werd +en ze nadien, al hijgend, roerloos wegzakte in de kussens. + +Goedele baadde dan haar voorhoofd met ijswater en paaide haar heel +zoetig, belovend dat ze voor alles zorgen zou. + +Andermaal waren ze getweeën precies aan het spelen met Seppie. Goedele +rolde een balletje papier en gooide 't over den vloer. Het hondje sprong +gretig er naar toe, trachtte het beweeglijk speelgoed vaste te vangen +tusschen zijne grabbelende voorpooten en wilde 't gek-vlugge vaneen +rukken tusschen zijne tanden. Zijn muilken snuffelde haastig hier en +daar, hapte vergeefs te dichte of te verre. De bal joepte kantewaarts, +rees langs zijne onervaren nagels weg en liep een endeken wijder. Seppie +bleef een wijle plattebuiks loeren en wachten tot dat levendig ding +stille zou blijven. Hij mat zijn wip, pootelde slibberend naar voren en +stiet dwaas tegen 't papier aan. Even ruischte het en rolde het te lore +onder de kasse. Nu lag hij te krabben om het her in 't bereik van zijn +neus te halen. Hij kantelde op zijn linkerflank omme en stiet hopeloos +met zijn achterpooten, binstdat zijn kodde koortsig overentwere te +vlaggelen begon.... Hij gaf de poging op, rechtte zijn vermoeid lijf en +stond zijlings heel dom naar Ursule te kijken. Ursule troetelde: + +--He-wel, mijn floddereerken, gij zotte bobijne! Ze lachte met +luidelijke leutigheid, en Goedele moest Seppie oppakken en hem op 't +bedde zetten, waar hij seffens aan 't luierikken lag onderdefleerende +vingeren van zijn meesteresse. + +Maar subiet kwam een nieuwe koortse Ursule aantasten en ze pruttelde: + +--Nah ... nah ... de schoone sargie, de schoone lakens.... Kunt ge zijn +pooten niet proper maken, eer ge hem hier alles schenden laat. Och God, +och God! wanneer zal ik genezen zijn en dees huis bestieren, dat naar +zijn ondergang wil! + +Goedele verdroeg hare buien, en zoo gingen de dagen om. Ze deed niets +liever dan moeders verlangen benaderen, en zij en had geen pijne, als +haar een ongegrond verwijt toegesnauwd werd. + +Met dezelfde gewilligheid ontving ze de bezoeken van Sebastiaan. Ze deed +hem nu dikwijls komen en de jongen was aangedaan om den wille van hare +brave liefelijkheid. Ze was niet meer ruw met hem. Ze zocht zijne +nabijheid zonder den wrevel te vreezen, die opging langs 't vrome gebaar +van zijne handen. Ze zaten weer saam aan moeders voetende, en hij kon er +spreken van zijn vele werkzaamheid, van zijne toekomst. Als Goedele hem +bezig hoorde, zijn woorden volgend, die heerlijke plannen omschreven, +had ze aldoor eene zwijgende aandacht. Maar, al knikte ze en liet ze +geen minste gezegde onbeluisterd, ze taakte niet al wat hij vertelde +voor haar. Hij zat, lijk altijd, te zoeken naar schoone zinnen, trage en +zorgvuldig. + +--Mij, Goedele, overvalt gedurig het prachtige zicht der toekomst, waar +gij almachtige godinne zijt. Ik schik dan alles en verander hier en daar +een beeld, en 'k zoeke vlijtig of 't nievers u bezeeren kan. Zoo scheppe +'k in mijne gepeinzen de zoetste zoetigheid om u, en--hoe zou daar +entwat haperen, als gij er lachend en stralend te midden staat...? + +Hij liet eene korte stilte gewichte geven aan de golving van zijn stemme +en voegde er bij: + +--Ik ben gelukkig dat ge mij aanhooren wilt. Hij verwijlde alzoo met +weeke profijtelijkheid in 't gespeel van welluidende zinnetjes. Het was +klaar te merken dat de vorige onverschilligheid van Goedele alras +vergeten was en dat hij, lijk eertijds, zijn precieuse doening herpakte. +Hij schreef de plotselijke veranderingen toe aan Goedele's grillige +jeugd. + +En Goedele, tuk op vermoeiend bedrijf, deed ook al het mogelijke om hare +houding weg te vegen uit elkendeens herinnering. Heimelijk meende ze +daardoor haar eigen geweten effen te krijgen. Ze beantwoordde Sebastiaan +met ongeveinsde gretigheid. Ze wachtte zelfs ongeduldig naar het dalen +van zijn langzame gezegden, om subiet haar gulzige woorden te plaatsen. +Ze boog zich naar hem en praatte zoo, dronken van eigen stemgeruisch. Ze +interesseerde zich aan zijne studiën over Hieronymus Bos. + +--Wat vind ik zoo'n man wonderlijk--zoo bezig gestadig met buitensporige +fantazeering, een hoofd vol wangedrochten, hanen met ezelsooren, kiekens +met snoeksmuilen en honderompen met klein-kinderbillen.... Als dat nu +altegare holderdebolder uit een nacht te voorschijn komt lijk uit een +grauwe spelonke.... + +Ursule opende rijzekens hare oogen en mompelde dat ze wat anders +vertellen moest. Ze glimlachte: + +--Ik zie permintelijk al die dwaasheden! + +En Sebastiaan omdeed dan met kunstige epitheten het leelijke zicht, +zoodat nog alleen de ontzaglijke kunst van Bos overblijven moest. + +En omme gingen de dagen. + +Ursule, alhoewel ze haar bedde nog niet verlaten mocht, was toch op +goede beterschap, en hare gedachten klaarden op. Ze herzag met +stiptelijke nauwkeurigheid al wat gebeurd was, en ze lag dan in versche +hope te beramen een nieuwe instelling. Ze stapte over 't gebeurde heen +om met sterke moedwilligheid de toekomst in te richten. Het ideaal, dat +ze zich al zoo langen tijd gesmeed had, kon ze niet ten geheele +loslaten: ze zou nu met Goedele alleene de schrikkelijke zaken herdoen. +En ze verzinde grootsche werkingen. + +Op een dag, in den valavond--ze lag nu meerendeels alleen--liet ze +Goedele bij haar roepen. + +--Zet u, mijn kind. + +Ze was uitermatig zachte en glimlachte. Dadelijk voelde Goedele dat de +vroegere oolijkheid weergekomen was, maar niet als eertijds steeg in +haar boezem de verontweerdiging of de gramschap. Ze verdroeg lijdzaam +alle uitdrukkingen van moeders karakter. Ze verlangde zelfs dat ze +eronder lijden mocht. Ze wilde geerne gekastijd worden, en ze zou geen +minste beweging doen om den stoot van moeders slechte inzichten af te +weren. Ze wilde zeggen, seffens: + +--Moeder, g'en moet geen omwegen maken. Ge moogt subiet eischen de volle +bevrediging van gansch uwen wil. Ik zal u gehoorzamen. + +Ze vreesde echter dat moeder 't zou euvel opnemen, en ze moest moeder +alle leed of luttel verdriet besparen. Ursule sprak, fleemend: + +--Morgen uchtend moet ge een brief sturen naar notaris Van Kalken. Ik +zal hem onderteekenen. Ge zegt daarin dat ik te Heysse die plezante +villa koop, waarvan hij me gesproken heeft. Ge zegt dat hij onverwijld +de noodige maatregelen nemen moet, en dat we om de maand nog alginder +willen wonen. + +--Ja, moeder. + +--Ik doe 't voor u, mijn kind, die bleek wordt en zekerlijk de groote +lucht noodig hebt. Ge hebt me zoo liefderijk verpleegd en ik ben nu ook +gelukkig, omdat ik u met zoo'n villa gelukkig maken kan.... Wat zal dat +ook heerlijk zijn, he? Zijn we al eens in Heysse geweest? Ik herinner me +niet.... + +--Ik herinner me niet, moeder. + +--Ja, dat zal heerlijk zijn! + +Ze zweeg een stonde en de avond daalde daarbinst. De beweeglijke +deemstering speelde om de venstergordijnen, grauwe schaduwen leggend +langs de plooien, en ze kwam neerwaarts doezelen bezij de muren om haar +dikten op te stapelen in de hoeken, binnen de schouwe of onder de kasse. +Van daar reikte ze vreesachtig hare schuwe armen over den vloer, verder +en verder vingerend tot allerzijds een halve duisternisse waarde, +waaruit alleen opflikkerden nog de witte beddelakens en de klatering van +de vensterruiten. + +Ursule wist den gemoedelijken invloed van den avond. Ze nam stille +Goedele's vingeren, fluisterend: + +--Kom dichterbij, mijn kind.... + +Ze streelde hare armen en liet heel trage hare woorden beelden worden in +de wattige donkerte. + +--Mijn kind, uw grootvader was een arme visscher. Jaren en jaren zwoegde +hij en wist, door zijn schrandere kunde en zijn hardnekkigen moed, zijn +sterke werk tot bloeiende uitslagen te brengen. Maar als zijn geest aan +'t verzwakken ging, heb ik 't beleid van zijn zaken op mij genomen en de +doening doorgezet. Wij zijn geslaagd. 't En was niet, mijn kind, te +danken aan een gelukkige saamkomste van meevallende omstandigheden. Wij +hebben ons goed met aanhoudend geweld gerukt uit den klauw van het +noodlot. Wij hebben gezwoegd. Gelooft ge, Goedele, dat al wat hier u +omringt en zachte uw niets-doen steunen komt, door ons al schattend en +nagelend, stukje bij stukje werd binnengebracht? Het moet u moeielijk te +denken zijn, hoe pijnlijk uw welzijn is tot stand gekomen. Gij hebt geen +sreke daarvoor gedaan, en gij kunt dus niet weten hoe wij die weelde +bereikt hebben,--die weelde voor u. Maar wat is deze weelde? Wat is een +leven, dat niet werkzaam is--en dat geld, al dat geld? Zoo insgelijks +moet geld werkzaam zijn, mijn kind.... + +Goedele luisterde met aandacht, en, binst de donzige schemering, klonk +moeders stem met endelooze goedheid om. Ze liet de klanken zacht +aankloppen tegen hare hersens en de beelden werden zichtbaar overhand. +Geen aandoening wekte in haar de trage gezegden, maar ze hielden haar +geest bezig, zoodat geen ander gepeins er folteren kwam. Ze leunde tegen +'t bedde, en ze voelde gestadig 't gekriebel van moeders vingeren over +hare hand. Ursule zei: + +--Als grootvaders geest aan 't verzwakken ging, heb ik 't beleid van +zijn zaken op mij genomen, ja. Naderhand ben ikzelve verzwakt en niemand +was daar om de vruchtbare doening door te zetten. Nu zijn we langen tijd +gebleven zonder nuttig bedrijf, en dàt is zonde. Wat wij door werken +gewonnen hebben, moet verder door werken oogsten dragen. Ja, oogsten +dragen. Meent ge niet, mijn kind, dat we hier lam en schuldig de dagen +langshenen slenteren? Meent ge niet dat we schadelijk zijn? + +Ze zweeg een wijlken. + +--We zijn schadelijk, omdat we de leêgheid van onze handen +bevoordeeligen. En, ziet ge, ik had gedacht eertijds: later wordt mijn +jongen groot en struisch, later schiet mijne dochter krachtig op, en dan +werp ik den last van mijnen rugge en dan zie 'k mijn kinderen met nieuwe +sterkte het schoone gewicht dragen ... later.... Toen heb ik den tijd +afgewacht, maar de tijd is niet gekomen.... Toen heb ik geweld willen +doen.... Toen is mijn jongen vergaan, verre van mij, te lore, te lore. + +Dikker stapelde de duisternis zich tallenkante thoope. Goedele zag +rijzekens in 't witte gelaat van Ursule de donkere schaduw van den mond, +die roerde. De oogen echter, weggeveegd door den dompigen nacht, zag ze +ziet. + +--En zal ik nu alle hoop moeten verlaten, mijn kind? Zal ik, na alle +verlies, de laatste toevlucht, die nu rest, verliezen? Ik vrage u dat. +Ik dwing u niet. We moeten discuteeren. + +Naarmate ze dichter haar doel naderde, deed ze zoeter fluisteren haar +wiegende stem, en ze trachtte na te gaan op Goedele's wezen, dat vlak +onder de schuinsche klaarte van 't venster nog opbleekte, hoe hare +woorden een doordringenden invloed kregen. Goedele's wezen bleef stille +en aandachtig. 't En was geen moedeloosheid, die er over lag; 't was een +geduldige ondergeschiktheid, alsof ze nu op voorhand alles aannemen en +verdragen zou. En, in waarheid, ze verdroeg op voorhand alles zonder +onderzoek, gewillig en gedwee. Ze meenden erdoor stilaan haar zondig +gedrag te vereffenen. Ursule vroeg: Zoudt ge mij gehoorzamen ... in +alles? + +--Ja.... Ja.... + +--In alles wat mijn wil mag zijn? Want, ziet ge, mijn laatste hoop is in +u. Mag ik op u berusten? + +--Ja, moeder. + +Ze zei 't trage en vastberaden. Een plotselijke emotie schoot op in +Ursule, en op hare lippen kwam roeren de kleine krulling van een +heimelijken lach. Ze bleef een wijle in de voordeelige donkerte alreeds +genieten van de zegepraal, die naderend was. Ze vatte nadien Goedele's +arm en deed haar dochter buigen, tot ze haar asem voelde in heur haar. +Ze lispelde: + +--Ik dank u, ik dank u, ik hebbe u lief. + +Ze rechtte zich dan, zat bijkans overend op de kussens en hare handen +kwamen roerloos liggen nevenseen, profijtelijk op de sargie. Het was bij +haar een gewone houding, als ze een gewichtige zake aantasten moest. +Hare duimen taakten mekaar. Ze sprak: + +--Nu zullen we geld gaan winnen. Weet ge wat dat is? Het geld komt +binnen, uit al die menschenvingeren, die schuiven en plakken viezelijk +eromme. Het heeft een plezanten klank. We maken er hoopkens van. We doen +het werken, 't holt en 't schaveelt ijverig tallenkant, waar ik weet dat +het veilig is ... en 't komt hier aanrinkelen, verdobbeld, +vertiendobbeld. We maken er weer hoopkens van. Ja, ja, mijn kind, het is +een liefelijkgespeel.... Endelijk tellen we de hoopkens te gare. + +Ze likte met hare tonge trage over hare lippen, maar hare handen bleven +onbeweeglijk liggen. Op denzelfden toon, bijna zonder overgang in de +daling van hare stem, zei ze: + +--Trouw nu ... trouw nu gauw met Sebastiaan ... ons basis is sterker, +als ge getrouwd zijt met hem.... Waarom schrikt ge, Goedele? + +Goedele had geschrikt. Al was haar inzicht tegenwoordig toch met Vrebos +te trouwen, ze wist niet dat de daad zoo dichte bij haar was, gereed om +te gebeuren. Ze meende wel dat niets restte van haar vroeger leven en +dat haar geweten bedaren zou in eene opoffering ... in dees huwelijk, +dat elkendeens wensch omsloot. Ze meende 't zoo allemaal wel. Maar dat +de dag alreeds dreigend opduiken zou, haast tastbaar, was een gedachte +waaraan ze zich geerne hadde langzaam gewend. De leelijke wezenlijkheid +moest voorbereid worden en ginder achterwaarts zou dan de schrikkelijke +massa wegschemeren, die er voortdurend aan 't spoken was. Ze stamelde: + +--Ik schrik niet.... Ik zou willen denken, een beetje. Ik zou willen +alles bezien, eerst, en de toekomst doen opklaren. Ik zie niet goed +daarin.... + +Ursules mond viel in gramschap open: + +--Hein? + +--Ge moogt u niet opjagen, moeder. Ik zal u gehoorzamen. Laat me eens +stille overwegen.... + +Ursule zakte thoope in den konk van de witte lakens. Ze deed hare oogen +toe en hare vingeren krulden te zamen, stuipachtig geweld doende onder +de sargie. + +De nacht was teenemaal aanwezig, en rijzekens haperde nog een schuchtere +blauwigheid langs de ruiten van het venster. Goedele stak dan het +gaslicht aan, en de vlamme sprong laaierig omhooge, waarachtig de stilte +brekend, die lastig in de kamer was gedrongen. + + * * * * * + +De villa werd aangekocht, opgeschikt en seffens bewoond. 't Was voor +Goedele in den beginne een versch leven, en ze vond hare gansche +bezigheid in den tuin, waar 't alles zoo gezellig was aangelegd. Kleine +wegelkens kruisten er dweers en door, en diverse borduren van rozen en +geraniums en ander gebloemte kleurden sierlijk erlangs. Vooral de wijdte +van den grooten hemel was haar eene deugddoende nieuwigheid. Ze volgde +met emotie de langzame vaart der wolken, daar bollend pluimlichte in de +zonnige diepten.... + +Maar naderhand was de grootsche doening der natuur een kwalijke +aanstoot, en 't driftige verleden, met al zijne gulzige levendigheid en +zijne onstuimige passies, doemde opwaarts allentwege. De opzuilende +duisternis viel in reten open en, omvoold arets door azurig geschemer, +stegen de verschillige beelden van hare liefde. + +Ze zag Johannes. + +Hij en wekte geen afkeer bij haar. Hij was geworden een droom, niet te +genaken, en ze kon, zonder wroeging, in gepeinzen herleven het zoete +bedrijf van hunne jeugd. En alles was verre, verre.... + +Tot somtijden haar boezem te hijgen begon en ze sterkelijk versche +roerselen gewaar werd in haar lijf. De ruimte om haar was haar nog te +nauw. Haar vleesch tingelde en gloeide.... Ze liep dan in huis en +babbelde onzinnig met vader, of ging neerzitten nevens Sebastiaan, +leunen tegen zijn schouder en strak beloeren het vrome gepeuter van +zijne vingeren. Zoo kwam de rustigheid stilaan terug, en terwijl ze weer +opkeek naar 't verleden, was alles verder nog dan te voren, heel verre, +heel verre. + +Als 't were schoon was en de volle zomerzonne neerklaterde in gouden +fonkeling overal, wandelde ze alleene met Sebastiaan het wijde veld +omme. Sebastiaan kwam kort na den noene, en zoo wandelden ze samen tot +den avond. Ze overdreef hare vriendelijkheid en hij, overgelukkig, +pronkte in 't genot van zijn man-zijn, zijn meester-zijn. De plotselijke +omdraai van Goedele's handelwijze was bij hem gauw begrijpelijk geworden +en, in naïeven overmoed, schreef hij nu de verandering toe aan zijn +eigen geduld en karaktervastheid. Hij stapte nevens haar en voelde zich +groot en sterk. Geerne tastte hij 't gewicht van haar lijf op zijnen +arm. + +Eens--de avond was al dichtebij en westewaarts vuurde de late zonne in +een draaiing van gloeiend licht--waren ze, langs een pijnboschje, buiten +hun weg geraakt. Op de akkers, die verder zich uitbreidden, naar het dal +toe, waar schuilde het kleine dorp, zwoegden de oogstwroeters, lage +gebukt en traag-wordend onder den last van het machtige werk. De winden +waren stille gevallen, en altemets klonk in 't zwijgend geluchte de roep +van een boever of 't krijschend gewet van een zeis. De boomen legden +lange schaduwen over de baan, en de barmen ook hieven zich donkerend op +tegen den purperen hemel. + +Voor de eerste maal welde in Sebastiaan de aandoening van zijne liefde +brandend op. Hij werd zenuwachtig en de taking van Goedele's handen deed +heete lochten walmen naar zijn hoofd. Hij antwoordde kort en verlegen op +wat ze hem heel lichtelijk aan 't vertellen was, en zijne slapen werden +soms danig koud. 't Lag gedurig op zijne lippen ... nu eens krachtig +vooruit te komen met een innig woord, nu eens uit te spreken al wat hij +zoo meteen in zich bruischen voelde. Maar hij was schuchter. Waarom +kwamen de zinnen nu niet sierlijk te reke, lijk altijd? Hij had er nooit +aan gedacht dat hij eens de zotte begeerte zou hebben deze vrouw wild op +zijne borste te drukken. 't Verlangen dorde zijn kele, en hij zweeg. Hij +werd gewaar dat hij hakkelen zou, en hij vreesde er heel deerlijk en +belachelijk uit te zien. + +De avond was aan 't weven zijn doorzichtig floers, en ginder, matelijk +vooruit-tertend, bukten de maaiers in geweldig bedrijf. Een puiken wipte +in de gracht en niets roerde weer daarna. Goedele verheerlijkte de +mooiheid van alle kleuren, die zacht ineenvloeiden, neventinten +vlechtend daartusschen, menig en wonderbaar. Een wijde vredigheid was, +lijk een effen vijver, spiegelzoete in haar. + +Sebastiaan bleef meteen staan en vatte hare hand. Zijn gezicht was +onverkennelijk, zoo diepe had een koortsige emotie er over gewoeld. + +--Goedele, wacht.... + +Ze keek op naar hem en verwonderde zich over zijn zonderling gebaar. +Hij sprak dan, schokkend, jagend de woorden de eene na de andere, in éen +asem zijn liefde zeggend. + +Het was een andere precies. Goedele had gemeend dat hij altijd maar +vertijen zou in een welsprekenden, kouden minnehandel, en ze had althans +lichter 't gedacht van een huwelijk met hem aangenomen. Ze merkte nu in +zijne oogen iets dat haar Johannes herdenken deed. Haar bloed schoot in +plotselingen afkeer opwaarts. Hij sprak: + +--Daar foltert mij een pijnlijke knaging. Daar is nievers een +peiselijkheid. Daar is nievers een deugdelijke kilte. Daar is overal, +overal--u! Wat moet ik doen met al mijn gelijke dagen? Hertel de vele +maanden, die reeds verloren zijn achter ons. Ik kan niet meer verdragen +'t idee van langer wachten en meer verlies. Maar kijk! wat zult ge +beslissen? Ik ben onmachtig. Ge zijt zeer lief met me. We moesten saam +wegvluchten uit gindsch groote huis van de stad. En alhier zijt ge +gevlucht--en gij hebt het gansche huis meegenomen! Herbegint dan hier +een leven, dat ik gindsch reeds beleefd heb? En zal ik u van dichtebij +verlangen en nooit u hebben? En ben ik in waarheid niet dichtebij? + +Het was, bij Goedele, afkeer. Ze was te wege hem van haar weg te +stooten. Ze wilde niet dat hij haar gedurig krenken zou met de +bekentenis van eene liefde, die haar walgde. Ze huiverde als ze bedacht, +dat hij die liefde opketste om ze bij haar te komen stillen. + +Ze wilde niet. Hard staalde hare koppigheid dien wil. Ze wrong zich los +met een korten ruk en zag hoe plots zijn wezen hopeloos werd. Hare +verhouding tot dezen man kwam haar klaarder te voorschijn en ze boog +haar hoofd. Ze was niets. Ze had gezondigd buiten alle mate, en 't +woord, dat moeder ten opzichte van Madeleen uitgespuwd had, ratelde +opnieuw in hare ooren. Ze was niets. Met gretigheid moest ze alle boeten +aanvaarden, want geen boete was groot genoeg. In een haastig zicht +schemerden vóor haar op het droeve gezicht van de vrouw en het blonde +kopje van het kind, uit Johannes' atelier. Die beiden staarden naar heur +en de vreemde blik, die in hun oogen lag, weende er van zoo endeloos een +smette.... + +Ze boog haar hoofd. Ze zou trouwen. Ze zou alle opoffering aannemen, en +geen toekomst was nog in te winnen. Twee tranen biggelden een endeken +aan den tjop van hare wimpers en vielen, zonder hare wangen te taken, in +den avond. Ze fluisterde: + +--Ik doe ... wat ge wilt.... + +Hij naderde en omarmde haar, en zijne lippen kwamen gulzig rusten op +haren mond. Ze dacht aan moeder, die nu zeer tevreden zou zijn, en dan +zonk precies de wereld weg om haar. Ze neep hare oogen dichte en zakte, +zonder hope, te lore in haar overgroote leed.... + +De maaiers torten ook moe en zwaar, langs de gele wegen, alhier en +alginder, sprakeloos, naar huis. + + + + * * * * * + + + +XV. + + +Als ze vernam dat het huwelijk vast besloten was, bloosde Ursule van +ingetogen vreugde. Voor haar was dus de beslissende zegepraal nabij. +Ze zat in haren leunstoel te gichelen en ze voelde zich oogenblikkelijk +beter worden. Ze murmelde: + +--Ik genees! + +Ze kon echter nog uit haar zetel niet. Hare beenen bleven lam en haar +rugge was zonder sterkte. + +De trouwdag werd bepaald. Elkendeen was haastig om de gebeurtenisse te +naderen. Maar Goedele werd nu door nieuwe angsten bekneld. Ze wilde niet +meer eten, en blauwe randen vielen diepe in, onder hare oogen. Ze was +altemets zoo bleek over gansch haar wezen, dat ze een zieke geleek, en +ze werd naderhand uitermatelijk zwak. Bijwijlen was 't alsof een +gewichte opschoof uit hare maag en hare keel kwam stoppen. Ze kon 't +door zwelgen niet doen neerzijgen en deed dan vergeefsch geweld om het +op te stooten langs haren mond. + +Moeder omringde haar met ijverige bezorgdheid en vreesde dat ze zoo aan +'t wegkwijnen zou geraken. Ze veinsde eene ál-omstreelende goedheid en +haar minste woord was van eenige liefde. Op een morgen, binstdat ze met +Goedele alleen zat in de lage voorkamer, wilde ze de getuigenis geven +van hare brave gevoelens. Ze reikte haar het sleutelken van hare +geldkist over en zei: + +--In 't bovenste laagje ligt een kleine beurze met goudmunt. Neem die, +en breng me die. + +Werktuigelijk ging Goedele en kwam met het beursje terug. Ursule liet de +rinkelende stukken overeen neerschuiven in haren schoot en begon ze +zorgelijk te tellen. Ze vingerde luierig erover, betastte met wegende +traagzaamheid elk geel schijveken, en fluisterde: + +--Negenhonderd--duizend--twaalfhonderd, twaalfhonderd, twalef.... + +Ze keek op naar Goedele en een ongewone glinstering blikkerde onder hare +neergeduwde wenkbrauwen. Ze bedwong dees driftig geschitter en lijk te +voren verkregen hare oogen de straling van 't koude staal. Ze sprak, +fleemend: + +--Wilt ge me nóg van dienste zijn, mijn kind? Het is zoete weer buiten. +Ge zijt bleek en ge zoudt moeten wandelen door 't bloote geluchte, ja, +ja.... Wilt ge in den nanoen tot binnen de stad eens loopen? Sebastiaan +komt niet vóor 't avondeten hier vandaag. Ge kunt terug zijn ... +gemakkelijk.... + +Ze wachtte een tijdeken en lager liet ze hare stemme zakken: + +--Ik wou geerne dat ge eens ... ginder gingt ... bij Romaan.... + +Omdat Goedele met pijnlijke haastigheid haar gebogen hoofd ophief, deed +ze alweer vluggelings achtereen hare woorden drillen, dof en eentonig: + +--Ge moet niets vertellen van mij--en mij achterna niets van hem +vertellen. Ik weet niet waarom ik u daar doe binnengaan. Ik heb geen +reden. Ik denk aan geen reden. 't Komt mij sinds een paar dagen zoo +geweldig op en ik kan 't nu niet meer weerhouden. Koop onderwege iets +met dees geld. Ge moogt niet zeggen dat het van mij komt. Ge moogt niet +spreken van mij aan ... mijn zoon.... Wilt ge? + +Ze reikte 't geld over en Goedele nam het aan, ook gepakt door moeders +geveinsde aandoening. Ursule had eerst eene groote blijdschap en ze +jubelde in haar binnenste, al roerde geen vezel op haar gelaat: + +--Ik hebbe mijn hardvochtigheid van vroeger weergekocht! + +Want ze voelde dat Goedele haar nu insgelijks met al de snaren van haar +teer-trillend herte verbonden was. Nadien echter schoot door hare +hersens spijt--omdat die gulden somme zonder weerkomste zich +verwijderde. Ze loerde een tijdeken naar Goedele's vingeren die om de +beurze peuterden en hoorde de rinkeling daarbinnen van de dierbare +stukken. Ze beet al gauw heel woest op hare tanden om den wrevel, die +kroop langs hare leden, te bedwingen. Ze had, 't oogenblik daarna, alle +moeite om een lach om hare lippen te wringen, als Goedele met dankbare +oogen opkeek naar heur. En seffens, binstdat het meisje de kamer +verliet, herkwam over gansch haar wezen de steenen hardheid, die 't +waarlijke beeld was van hare dorre ziel. + +Zoo, na den noene, vertrok Goedele. + +Vader leidde haar tot aan 't station. Ze ging sprakeloos over den weg en +bereidde aldus haar geest tot de geleidelijke benadering van al hare +herinneringen. Albien trippelde nevens haar, vertellend van een +elektrisch tuig, dat hij in 'thooge van de stad gezien had. Hij legde +weer in juichende woorden bloot zijne kinderlijke verwondering en +vermoeide zich al schokkend met zijn kort-dik lijf of al zwaaiend met +zijne armen, bij maniere van treffende bewijsvoering. Als ze beiden 't +spoor bereikten, hield hij op met tateren en lengde zich uit op zijne +teenen om zijn dochter te kussen. Hij dacht niet aan zijn zoon. Hij +dacht nooit aan iets dat buiten zijn wondere uitvindingen lag of dat +niet direkt-tastbaar aanwezig was. + +Hij riep van verre, wuivend met zijn neusdoek: + +--Daág!... Daág!... + +Tot de trein vertrok, bleef hij zoo, op den gelen weg, en Goedele, bij +'t weggaan, zag hem staan, rond uitkomend boven een roodgouden +klaverpartije, bollig en zelve rood. Zijn kleine armen zwaaiden +ommentweere en 't witte gevlaggel daarboven smeet overhand een schaduw +over zijn glanzenden krullekop. Anders was tallenkant de machtige zonne. + +Hij geraakte vlugge buiten zicht, en, in een hoek van 't coupé, zat nu +Goedele te mijmeren, omdaan van 't gelijke treingeratel. Een oude dame +zat rechtover haar, onverschillig turend het vensterruitje door, langs +de wegschuivende landouwen. Hare rimpelige handen, waarover 't geweld +gewoeld had van gansch een vermoeiend leven, rustten wijd van een, elk +op een knie. Een paar ringen, te groot voor de magere vingeren, hadden +een dooden schijn van doffe gesteenten. De minste waggeling der kussens +stiet deze vrouw naar links of rechts; maar, hoe zij ook overendweer +dommelde, hare blikken en roerden niet, aldoor starend over het +veranderlijke veld. + +Niets had Goedele dichter bij 't jonge verleden gebracht en haar zoo +meteen het pijnlijk gevoel ervan doen hervoelen als deze reis. Ze zou +haar broeder wederzien. Maar tevens wist ze de nadering te tasten van al +wat gebeurd was, gebeurd en stilaan in zoete vergetelheid weggesust. 't +Schoot alteenegare wakker. Naarmate ze doorreed, werden duidelijker en +scherper de leelijke beelden van haar zondige liefde, en de onrust, die +toch gedurig dof-diepe in haar binnenste roezemoesde, klepperde heel +bange op, soms met stooten haar kele toestroppend. + +En ze kon hare gedachten niet afwenden, langs een anderen vredigen kant. +Al keek ze met koppige aandacht naar 't verfrommeld wezen van de oude +dame, ze zag dat wezen niet--en sterk spookte in hare hersens 't zicht +van haar verloren vreugde. + +Ze probeerde dan zich buiten 't bereik van hare foltering te helpen met +spreken. Ze wilde eene lichte conversatie beginnen en zei blozend entwat +over 't liefelijke weer. + +--Een schoone oogst, niet waar, mevrouw? + +--Ja. + +De dame blikte even op naar heur, heel onverschillig, en draaide terug +naar 't verre landschap haar bleek gezicht. Goedele bleef in nog +pijnlijker alleenigheid zitten en voelde dichter zich door 't lijdelijk +verleden omringd. Dan gaf ze zich ten geheele over aan hare droeve +gepeinzen en herleefde achtereen al de dagen te reke, die hare liefde +hadden gevoed. Nooit had zij 't klaarder herdacht: de gebeurtenissen +lagen zonder nevel open vóor haar. Ze zag ze worden en kruipen in den +tijd en te zamen bouwen het schrikkelijke ongeluk. Niets was omdoken. +Ze zag heel bepaald Wiezeken's ziekte, en haar bezoek bij 't zieke kind. +Ze had een poesjenel gekocht en ze had Johannes ontmoet.... + +Ze had Johannes ontmoet. + +En Wiezeken was bleeker geworden.--Hoe was 't gekomen? Wat had zij, +Goedele, daarbinst gedaan? Ze herinnerde zich goed dat ze Johannes +ontvlucht had.... + +Ze had Johannes ontvlucht. + +Maar Wiezeken stierf. Ja. Boven 't kleine beddeken zag ze zijne handen, +en zijne handen toetsten hare handen. Waarom was dat allemaal gebeurd? +Waarom was naderhand, in de half-donkere kamer, die stilte, gekomen, die +haar zoo nauw naast Johannes bracht? Ze was buiten haar gezonde zinnen +geraakt, niet waar? En Johannes ook. Dat was de aandoening van het +noodlot. In haar was iets lafs gekomen, lijk bij zieke menschen. In haar +had een oolijke geest een groote werking begonnen en ze had zich niet +verdedigd. Maar wie zou haar ook geholpen hebben? Daarom had ze zich +niet verdedigd, misschien.... Haar vleesch was betingeld en almachtig +had over haar geheerscht de Kwade, met zijn leelijk bedrijf,--en ze had +zich weerloos overgegeven.... + +Ze had zich overgegeven aan Johannes. + +Lange herdeed ze in gedachten heel 't onzeggelijk geneuchte van hare +liefde. Haar hoofd zakte lage op hare borste en dieper schoof haar rugge +langs de kussens van 't coupé. Ze werd de sjokkende rolling van den +trein niet meer gewaar. Hare vingeren sleurden willoos kantewaarts over +haren schoot en bleven zonder roeren van weerskanten, danig moe precies. +Het lederen taschje, dat aan haren arm hing, schokte tot tenden hare +voormouw en slibberde naast haar knie, waar 't stille wippelde bij elke +onregelmatigheid van de vluchtige vaart. + +Ze zat zoo, zoete verdoold in herinneringen, tot ze meteen rilde en hare +schouders angstig opstak. 't Was dat ze 't atelier herzag, het duistere +kamertje, en dan, na 't zondige portret van Mariëtte, de smertelijke +moeder en het droomende kind. Ze herleed de plotselijke breuke van hare +liefde. Ze hervoelde den afgrond waar ze heel dien tijd van passie in +verzonken was. Den afgrond!... + +De liefde!... + +Aldus was hare liefde geweest. Hare oogen werden nat. Eene subiete +wanhoop greep haar over gansch haar trillend lijf. Ze wilde loopen, +loopen, zoeken tallenkante, het huizeken zoeken, en de zachte kamer en +het blauwe bedde. Hare lippen bewogen en ze lengde hare kinne opwaarts +om te roepen, + +--Johannes! Johan!... Ho! Johan!... + +Ze schrok, en haar gezicht werd koud, en een traan, omlage wiegelend, +brandde er een gloeiende strepe. Ze bracht hare hand aan haren mond, +en bleef zoo, zonder geluid, zonder gebaar.... + +De dame tuurde lijk te voren door 't lawaaierig vensterken, en buiten +schoven nu de zware huizen en sombere schouwen der stad voorbij. + + * * * * * + +'t Was over. Langs de woelige straten ging Goedele en ze haastte zich +niet, soms kinderlijk aandachtig bij de uitstalling van een modewinkel +verwijlend. Ze vroeg zich niet af, hoe ginder bij Romaan en Madeleen nu +'t leven was. Ze tort onverschillig door en 't was zonder weten dat ze +bij plaatsen haperen bleef. Even zoo trage en gewillig als ze in Heysse +rondzwerfde, tort ze hier door. Ze dacht niet aan 't geld, dat moeder +haar had meegegeven, en ook het uitzonderlijk gedoe van moeder had haar +geen oogenblik opgehouden. Alle feitjes, die gezamenlijk den morgen en +den noene uitmaakten, 't waren feitjes buiten haar en ze leefde langzaam +daartusschen. Ze kocht een pakje snuisteringen voor tante Olympe. + +--Die goeie tante Olympe! + +Ze glimlachte; maar seffens waren hare gedachten anderzijds en ze stond +vol zorgen naar een keuze van kanten en borduursels te staren. Ze zei +bij haar eigen: + +--'t Wordt allengs tijd dat ik wat voor mijn huwelijk schik.... + +Ze kon zonder aandoening heel lang onderwege peinzen, al gaande, over +haar huwelijk. 't En was haar geen zeerdoend beeld. 't Zou een gewoon +voorval worden, lijk alle voorval geworden was om haar. + +Ze geraakte in de zwijgende steeg, waar Romaan woonde. Als de reuk van +den ellegoedwinkel nijpend in haar neus opschoot, voelde ze wel een +subiete leegte in haar herte, en ze moest een wijlken rusten op de trap. +Binnen huis was nievers geruchte. + +Ze klopte aan de deur en draaide zelve daarna de klinke open. Madeleen +zat in de keuken en Romaan stond bij 't venster een dagblad te +overkijken. Ze blikten alle twee te gelijk op en hun gezichte ontvouwde +zich tot een vriendelijken groet: + +--Kijk! wie daar toch endelijk is! + +--Dat is wel zusje.... + +Ze kwamen af naar Goedele en kusten haar warm, en ze bloosde al lachend. + +Ze voelde de taking van de zachte deugdelijkheid, die hier huisde, waar +niets koud of vreemd haar toescheen. Ze liet zich gedwee van haar hoed +ontdoen en seffens zaten ze gedrijen rond de tafel, gemoedelijk elk zijn +nieuws vertellend. + +Romaan was, lijk vroeger, opgeruimd en leutig. Niets van het droeve +verleden was op zijn blij gezichte nog te bespeuren, dan enkel een +kleine groeve midden zijn voorhoofd. Hij was weer kloek geworden en zijn +blikken weer zoo diep-verstandig, zoo vlug-schitterend. Hij bukte zich +over het tafelberd al sprekend, en tikkelde met zijne vingeren op +Goedele's hand. Hij merkte wel de moede treurnisse, die zij mee had +gebracht. Hij merkte hoe ze vermagerd was en hoe hare wangen, mat van +verve, de donkerte van hare oogen nog versomberden. Hij had medelijden. +Een blauwe ader sloeg uit op hare slapen. Hij wilde 't allemaal +wegbabbelen met plezierig getater. + +--Er is nieuws, hoor! + +Hij vertelde dat tante Olympe ganschelijk genezen was, sinds zijn +huwelijk, en dat ook hier het geluk teruggekomen was. Tante Olympe had +geen zorgen meer. 's Uchtends was ze de eerste uit het bedde, maar na +den noene moest zij er binst éen uurken weer in. + +--Ze ligt nu haar uiltje te vangen. + +Tante Olympe had maar éen verlangen meer: uit dees huis gaan en in +zonniger wijken wonen en een schoon keuken hebben met een verlakte +stove. + +--Djeezes, ja, die verlakte stoven! schaterde Madeleen. + +Tante Olympe sprak alle dagen daarvan. Ook had Romaan besloten dat hij +verhuizen zou. De woonste was hier anders zoo onuitstaanbaar niet. +Mariëtte zong niet meer, maar nu was Madeleen den ganschen dag door aan +het zingen. Goedele vroeg: + +--Mariëtte? + +--Ze is vertrokken daags na Paschen, niemand weet waarheen. Haar vader +is hier gebleven en alle veertien dagen krijgt hij geld. De bazin van +den ellegoedwinkel maakt zijn teele eten en snijdt zijne boterhammen. +Hij sukkelt zoo. Hij en sakkert noch en grommelt niet meer. 't Is +daarboven heel rustig, heel droeve geworden, maar Madeleen maakt +tegenwoordig leutig lawaai.... + +Madeleen was verlegen en boog haar hoofd, en, onder zotte +haarkrullekens, werden kriekerood hare ooren. Romaan begon luidop te +lachen. Hij stoop zich naar heur toe en fluisterde plagend: + +--Mag ik 't zeggen?... + +Ze schudde pruilend haren kop en pinkte een twijndraadje weg, dat over +hare mouw hing. Hij kittelde haar in haar nekke en lispelde zonder +genade: + +--Hee?... mag ik? Zal ik 't maar uitbellen?... Hij blikte schalks op +naar Goedele en pinkoogde snel. Dan rechtte hij zich en leunde +gemakkelijk met zijne ellebogen op de tafel. Hij likte lui zijne lippen +af, om Madeleen's lastigheid uit te lengen, en smakte trage. + +--Luister, Goedele.... + +Hij sprak dan lage, alsof 't een groot geheim gold, en een stralend +geluk verlichtte zijn gansch gelaat: + +--Madeleen zal.... weer moeder worden.... + +Hij schaterde 't seffens daarop uit, 't kamerken vervullend met vroolijk +rumoer. + +--Zoo word ik vader meteenent! Wat bloost ge, vrouwken? We hermaken ons +geluk, en daar we volgens alle regels getrouwd zijn, zal ons geen kwade +hand overvallen. Vraag 't maar aan tante Olympe! + +Tante Olympe kwam juist binnen en stond in 't deurgat te knikken. De +lange oorbellen bijsden tegen haar krage en de tjopkens van haar kaken +droegen den sterken blos van vroeger. + +Ze zette zich in de ronde neer en 't werd nu een gezellig samenzijn. +Madeleen schonk de koffie en spreidde 't hagelwitte ammelaken. De +kommekens rinkelden en dampten geurig, en elkendeen wist met leutig +gekout de gaande uren genoeglijk te sieren. Hoe ras vloog omme de blijde +tijd! Niemand zag de ruiten verbleeken en noescher zich uitrekken de +schaduw tallenkant! Tante Olympe vooral had danig werk met vertellen, +en ze gooide zoo aardig alle voorvallen harrewarrig dooreen, nievers een +leemte latend, waar de stilte kon binnenkruipen en rusten. + +--En mijnheer Johannes, waar zou die nu zitten? + +Goedele beet gauw op hare lippen om hare ongedurigheid te bemeesteren, +en ze liet zwijgend Romaan uitleggen hoe Ameye sinds de mededeeling van +zijn huwelijk met Madeleen het huis verlaten had, en hoe hij kort daarop +vertrokken was naar Duitschland. Goedele viel hem gejaagd in de rede: + +--Voor ... hoelang? + +--Hij is weg. Hij heeft mij geschreven dat het kunstenaarsleven in +België onmogelijk was en dat hij zijn vaderland verliet om meer +dankbaarheid in den vreemde te vinden. Hij doet wel. Ons landje is in +waarheid voor artisten een streke zonder uitkomste. We zijn te arm of we +zijn te dom. In Duitschland zal Ameye zijn weg banen, en dan hooren wij +nog wel spreken van hem. Hij was goed voor ons. Hij was een warme +vriend. + +--Hij blijft ... ginder? + +--Ja. + +Madeleen bracht een schotel met snuisteringen op tafel, en Goedele +herinnerde zich meteen dat ze wat suikergoed voor tante Olympe in haar +taschje gestoken had. Hare handen beefden rijzekens, binstdat ze het +blauw-gestrikt pak overreikte en ze lachte zonder de heete natheid weg +te krijgen uit hare oogen. Wat scheelde haar Ameye's heengaan? 't Was +zoo best. Ze overtuigde haarzelve en dwong haar eigen 't geluid van +onverschillige woorden op. Ze dacht: + +--Het is zóo best. + +Maar, al had ze Johannes sinds lange vaarwel toegezegd in alle haar +gepeinzen en al was ze hem niet dankbaar, hem, die haar gegeven had wat +ze niet kon behouden, toch was haar zijn verre aftocht een onverweerbare +emotie. Het was haar als de plechtige onherroepelijke staving van haar +gebroken liefde. Ze had wel geen liefde meer, en het kon haar dan ook +niet deren dat hij, de liefde en de schuld, zich voor altijd verwijderd +had.... Spijts alles, deed haar deze verwijdering zeer. Het was lijk een +graf, dat men ommedelft en vernielt. + +Romaan wist nog meer. Hij was vertrokken heel alleene, en zijne vrouw +was bij hare ouders in Engeland, met haar zoontje teruggekeerd. Goedele +had een droeven uitroep: + +--Ha! het was een zoontje.... + +En Romaan keek subiet verwonderd op, plots zwijgend en nadien gretig +zijn koffie opslurpend. + +--Weet ge wanneer hij vertrokken is? vroeg Goedele. + +Hij zette onvoorzichtig zijn kommeken neer en zei kort, in schijn geen +acht gevend op zijn woorden: + +--Daags na Paschen. + +--Daags na Paschen? + +Zij schrok en zag in haar geest het zotte gezicht van Mariëtte. Waar was +Mariëtte naar toe? + +Romaan merkte dat ze schrok en dat hare vingeren over het tafeldoek +koortsig aan 't peuteren gingen. Hij keek dan strak en hard in hare +oogen, speurde er de vergeefs bedwongen aandoening, en zijne hand +grabbelde met een reik naar heure hand. + +--Goedele! + +Ze blikten altegelijk op naar hem. Zijne wenkbrauwen schoven angstig +omhooge, alsof hem iets heel wreeds trof, iets dat niet te gelooven was +en zich zonder waarschuwing had vastgeankerd in zijne hersenen. Maar +Goedele stond rechte meteen en schokte weg in een luidelijk geschater. +Ze ging leunen tegen 't raam om beter haar koortsigen lach te verdragen +en ze bukte zich bijwijlen, neergeduwd door onverklaard pleizier. Ze +giechelde: + +--Neen! dat is een lol, broer!--Nu wordt ge--grappig! Zeg eens--zeg eens +wat ge denkt.... Nu zult ge leute hebben, menschen.... Ferm! + +Tante Olympe had reeds pleizier op voorhand en lachte mee. Romaan zat +beteuterd rond te zien en Madeleen krulde, halvelings glimmend, haar +lippen omme. Goedele merkte dat ieder begrepen had, en grijnsde: + +--Gek, hee! Maar hoe komt hij eraan!... + +--Ja, hoe komt hij daaraan! + +En niemand zei in woorden wat hij dacht, omdat de zake zoo gevoelig zich +voordeed, en ... ja, omdat 't allemaal toch zottigheid was. 't Geval +hing echter tegenwoordig in 't geluchte aan het groeien en, al sprak men +verder over kleine dingetjes, 't bleef daar hangen en alle gepeinzen +kwamen 't gedurig taken binst zijn groei. + +Als later Goedele veerdig stond om huiswaarts te keeren, klonken de +groeten hard en menig, zonder de lieve innigheid, waarmee ze bij haar +komste omwonden waren. Ze ging de trap af en zag de drij gezichten in de +donkerte van 't deurgat knikken op haar. Ze bepeinsde zich een wijlken, +wenkte dat tante Olympe meegaan zou naar beneden en stopte haar moeders +geldbeurze in de hand, fluisterend: + +--Dat is voor de verlakte stove! + +Ze liep de strate langs, die in den voor-avond heel rustig en geluidloos +was, en ze geraakte gauw binnen de ruchtige stad. Ze zou zich haasten om +nog den vroegsten trein te treffen en dan vóor Sebastiaan thuis te zijn. + +In haar hoofd kruisten, ondereen in woelige wanorde, hare nieuwe +gedachten. Ze beredeneerde haar minste gewaarwording en wist endelijk, +buiten alle angstigheid of driften, een uitlegging te vinden voor elk +gevoel. Johannes was vertrokken, en zijn vrouw, zijn kind waren +vertrokken. Ze zou ze nievers onverwachts ontmoeten en ze kon nu stille, +zonder stoornisse, de zoete vergetelheid laten zinken over alles. Wat +baatte het verder te treuren? Alles was goed. Kwam niet, na zooveel +ongeluk, de heilzame vrede in Romaan's huisgezin weer? Wiezeken was +dood. Wat baatte het verder te treuren? Daar zou een nieuw kind komen. +Johannes was weg. Daar zou een versche genegenheid haar herte van alle +wanhoop verwijderd houden. Zij moest meehelpen, meebouwen hare toekomst +en niet machteloos wegzakken in 't onveranderlijk verleden. Sebastiaan +was braaf en edelmoedig. Hij zou haar omringen met zijne gewillige +dienstveerdigheid. En de heerd zou warm worden. Ze glimlachte en +peinsde: + +--Wat ben ik dwaas! + +Ze besloot hare zwakheid te overwinnen en hare oogen voorgoed van hare +herinneringen af te wenden. Ze zou zich met koppigheid losrukken en +niets meer betreuren, wat toch niet te verbeteren viel. + +--'t Wordt eene onuitstaanbare dwingelandij! Ja, zekerlijk. Ze zou dien +last afwerpen van hare schouders en aandachtig alles schikken voor 't +nieuwe leven, dat aanving. Ze moest alle dingen bekijken langs den +voordeeligen kant en niet gedurig de afwezigheid beweenen van wat ze +eens, toevallig en buiten recht, bezeten had. Ze moest Sebastiaan leeren +kennen. Ze kende hem niet: hij was haar onverdraagbaar geweest, omdat +hij Johannes niet was. Nu echter zou ze hem van dichtebij beschouwen en +zijne schoone deugden bewonderen. En hij had haar lief. Hij zou haar +vele doen vergeven, dat hij niet laten kon. Te gare zouden ze endelijk +brave geneuchten beleven en hun huizeken voelen teenemaal lauw worden +van eender geluk. Saam zouden ze Romaan bezoeken, en Romaan zou met +Madeleen ook bezoek brengen. En later zou ze aan haar broer teruggeven, +wat moeder hem ontnomen had.... + +--Moeder geeft 't hem misschien vanzelf.... Ja, zekerlijk. En vader zou +insgelijks inniger een figuur worden in haar leven. Ze beloofde, met een +zacht medelijden, dat ze hem het wonder elektrisch tuig zou aankoopen, +waar hij met zoo sterk een begeerte van gesproken had. Den ouden Rik +moest ze tevens genegen zijn. Ze zou hem zijn zotte grillen laten +bewaren en al eens heimelijk een blinkenden knop in zijn bereik gooien. +Ze zou hem niet naloeren, als hij 's nachts zijn povere rijkdommen ging +bewonderen en bepootelen. Hij zou gerust sterven, zonder gestoord te +worden. + +--We doen wij allemaal dwaas, en we moeten genadig zijn.... + +Ja, zekerlijk. En ze zou ook moeder onvoorwaardelijk involgen. + +Ze voelde dat tegenover moeder haar grootste ongelijk was. Ze had moeder +verraden en ze moest in de toekomst alles boetveerdig weer goed maken. +Ze zou moeder gehoorzaam zijn en maar doen wat ze soms zoo wild +verlangde. 't Zou altemets lastig zijn, dat stekelig cijferen en hoekig +handelen met geld. Maar moeder zou 't op een ende zelf opgeven. 't En +was niet meer dan een tijdelijke grilligheid, en later zou ze ook de +vlakke vrede benaderen, met Sebastiaan en Romaan, altegare onder de +zoetige lampe. + +Goedele liep even nog een pasteibakkerij binnen en bestelde met de +gauwte een potje chocolade en een rhumkoekje. Het was in leutige +opgeruimdheid dat ze hier was ingedreveld, en ze zette zich neer, met +kinderlijke gretigheid wachtend. Ze at gulzig en de reuk van den drank +speelde aangenaam in haren kop. Ze had zich, peinsde ze, zonder +weerkomste uit het leelijk verleden geworsteld. Ze jubelde binnenzijds. + +--Wat ben ik blij! + +Al kriebelde nog ievers een bijzondere angstigheid ... Want een gevaar +kon opdoemen binst de dagen, die over haar versche leven varen moesten. +Ze had een vagen schrik, zonder dees onzeker gevoel te kunnen uitleggen. +En toch, algelijk, ze had vertrouwen en ze slurpte met plezierige +slokjes de welriekende chocolade op. De oude dame, die ze op den trein +gezien had, tort den winkel binnen. Goedele had een dwazen afkeer en +werd onpasselijk precies. De rhum wipte opwaarts in haren neus, en het +docht haar dat hier subiet 't geluchte bevangen werd. + +Ze stond recht en wilde heengaan. Maar eene loome zwakte verlamde hare +beenen en ze wankte, tewege voorover neer te storten. Ze geraakte buiten +en de volle lucht verkwikte haar niet. 't Was alsof de lauwe geur der +pasteien standvastig ommewolkte en misselijke walmen opjoeg uit hare +maag. De menschen, die voorbijgingen, grauwden te saam weg tot +schuivende nevelen en bijwijlen flitste, daar te midden door, de groene +verven van een tramwagen. De lanteerens werden aangestoken en ook uit de +ruiten der winkels viel een geel-rood licht, dat met de blauwe klaarte +der hemelen te strijden begon. Alles klaterde ineen en streepte te lore +met den gang van het woelende volk. Ze wist niet wat haar overviel. Ze +was lijk verslagen en een onzeglijke foltering snoerde haar kele vaste. +Ze stamelde: + +--O God! Hó-ó-ó!... + +Ze kwam onder de boomen van een square en moest zich haasten om een bank +te bereiken. Ze zakte thoope en hare knieën bibberden, rijzekens +kluppelend tegen mekaar. Ze voelde dat ze uitermatig bleek was: haar +gezichte was hevig gespannen en iets smertelijks duwde de hoeken van +haren mond neerwaarts. Hare gedachten strengelden dooreen en haar hoofd +ronkte lijk een leege kasse.... + +Nu voelde ze meteen de bepaalde pijn.... Ze bukte zich om haar leed weg +te wringen en joepte dan gejaagd op. Hare oogen blikten verwilderd rond +en hinkend drilde ze vooruit, dronken van overgroot verdriet. Ze beukte +tegen de menschen en, zonder ommezien, zwengelde verder door. Op de +brugge, vóor 't zacht-klotsende water, bleef ze staan. Ze lei hare +handen nevenseen op de ijzeren leuning en tuurde zinneloos naar den +glinster-grauwen vloed. Wat was dat daar diepe en zoete! Ze voelde zich +meegetrokken, gelokt door de streelende vrede, die hier beneden lag. +Ze krampte zich aan de leuning vaste. Ze knikte, alsof ze den roep van +verre wenken beantwoordde, en ze hoorde boven 't rumoer van de stad, +de aaiing van een liefelijk geluid: + +--Voort!... voort!... voort!... + +En ze knikte. Wat was dat daar diepe! En boven, langs de straten, wat +een ongeduur en wat een martelie! Haar asem hikte in haar boezem en hare +vingeren begonnen te voelen 't geweld, dat haar lijf boven de balie zou +heffen. Ze prevelde onduidelijke woorden, nadien drijmaal ja zeggend, +mee met het besluit, dat hare hersens bemeesterde.... En voller klonk al +ginds, en dichte, en allentwege, het liefelijk geluid: + +--Voort! voort! + +Maar ze liet plots de leuning los en vluchtte tusschen de veilige muren +der huizen, nu snikkend en stotterend: + +--'k En mag niet! 'k En mag niet! + +Hare tranen rolden onophoudend over haar gelaat, en haar borste schokte +zeerdoende omhooge. Ze zag niets meer. Ze hoorde niets meer. Ze wilde +zich alle oogenblikken laten neervallen. 't Kwam haar dan voor dat de +menschen haar mochten taken, en ze was beschaamd dat men haar taken zou. + +Ze stond meteen vóor 't station. + +Een tijdeken bleef ze nog aarzelen en ze wist geen wil om haar doening +te leiden. Endelijk stapte ze binnen, terwijl ze hare oogen met haar +zakdoek droog wreef. Ze zou niet laf zijn. Ze zou heel simpel lijk +zeggen: + +--Bastiaan, ga weg. Ik ben verdomd.... Ik heb een kind. + +En ze meende daarbij: + +--Hij zal me vermoorden.... + +Die gedachte deed haar deugd. + + + * * * * * + + +XVI. + + +Als ze thuis kwam, vertelde haar Justa dat Ursule in den valavond zieker +was geworden en aldoor maar vroeg waar hare dochter was. Goedele +herkende 't huis niet meer; al de kleuren hier waren haar vreemd en 't +was alsof ze voor 't eerst deze zaal zag, en deze stoelen, en deze +tafel. Gedreven door 't geweld van haar eenzijdig besluit, wilde ze +seffens Sebastiaan zien. + +--Waar is Sebastiaan? + +--Hij komt pas na den eten, juffrouw. + +--Ha, zoo ... na den eten.... + +Ze wist niet of ze straks nog moed zou hebben. Ze wilde aan Sebastiaan +alleen bekentenisse doen, en 't was nu spijtig dat ze voor hem +aangekomen was. Sebastiaan moest de eerste het ongeluk vernemen. + +Trage tort ze de trap op en duwde de deur open van moeders slaapkamer. +Ze keek niet zijwaarts. Ze merkte niet hoe plotseling Ursule zich +overend oprechte uit de bleeke sargiën. Ze stapte naar den hoogen +spiegel, en deed haar hoed af, en schikte peuterig, zonder aandacht, +heur haar. Ursule stamelde: + +--Maar wat zijt ge van zin? + +Ze keerde zich omme en knikte, naderhand zich bekommerend: + +--Hebt ge meer zeer, moeder? + +--Ja wel, in mijn beenen.... Kom hier! + +--Ik kom. + +Ze naderde. Ze lei hare hand op het kussen en Ursule vatte die subiet, +koortsig vragend wat er met de beurze gebeurd was. + +--Met de beurze? + +--Ja.... Ik hadde u niets moeten meegeven--of een kleinigheid. Heb ik u +waarachtig al dat schoone geld meegegeven?... Och Heere! ik weet niet +goed meer. Wat gaf ik u mee? + +Goedele herinnerde zich maar halvelings en ze fronste hare wenkbrauwen, +zoekend in haren geest. Op een ende viel ze uit: + +--Ha! de verlakte stove! + +--Watte? Ik gaf u twalefhonderd.... + +--Zekerlijk. 'k Herinner me nu. Ze waren in een fluweelen beurzeken. +Weet ge niet of Sebastiaan nog lange zal wegblijven? + +--Twalef honderd.... Wat brengt ge terug? + +--Maar, moeder.... + +--Wat hebt ge gekocht? + +--Wacht even.... Ik heb gezeid: Dàt is voor de verlakte stove. + +--Ge wordt krankzinnig! Wat bleef er over? + +--Niets. + +Ursule viel in de witte lakens weg en sloot hare oogen. Ze hief hare +handen op en deed, heel droeve, teeken dat niemand meer naderen zou. +Terzelfdertijd roerde een snik in hare keel en voor de eerste maal zag +Goedele een traan van innig lijden tusschen hare beloken wimpers te +voorschijn dringen, stralend opzwellen en wegrollen over hare slapen. +Moeder weende. Goedele fluisterde: + +--Moeder weent.... + +Het maakte een zonderlingen indruk op haar en ze verwijlde met vage +gepeinzen om het zeldzaam geval, terwijl ze heenging en in de eetplaats +stapte. Ze zei 't aan vader, die reeds bij de tafel heel rustig zat, +blij omdat Ursule hem niet beloeren zou onder 't eten. Ze klopte op +zijnen schouder en fluisterde: + +--Moeder weent.... + +Ze wees met haren vinger naar de zoldering. Hij keek verwonderd op en +merkte de matte bleekte van haar gezicht, de blauwe holten onder hare +oogen. Hij wist niet wat te zeggen, en hij voelde nu heel sterkelijk dat +zijne dochter leed. Hij stond rechte en vatte hare armen, en over zijn +bolle gelaat grijnsde een bange onrust. Hij blikte strak en benauwd in +haar wezen en vroeg: + +--Wat is er, mijn kind?... Wat gebeurt er, mijn kind?... mijn kind? + +Hij werd zoo innig gewaar dat het zijn kind was, en bibberde van binnen, +aldoor zeggend het woord, dat zoo helder opklaarde in gansch zijn +vleesch. + +--Mijn zoete kind.... + +Hij streelde haar en dwong haar neer te zitten, nevens hem, en gedurig +vroeg hij wat er scheelde. Goedele liet hem gewillig begaan en +geleidelijk kwam een zware melancholie over haar. Ze meende, al omdoende +haren vader met een liefderijken blik: + +--Ik heb u miskend! + +Dàt was de waarheid, 't werd haar nu duidelijk. Het docht haar dat ze +hem te lieven begon op dees oogenblik--en dat op dees oogenblik ze hem +verlaten moest. Ze staarde naderhand een pooze naar de vlamme van de +lampe, waarlangs een lichtgierig pepelken rond en omme vleugelde. En ze +sprak droomend, langzaam haar zinnen drijvend op gelijke tonen: + +--Het ware zoo zoete geweest--een huis met een spelend vuur, àl muren en +àl kamerkens, en daarover een veilig groot dak! Ik zou er allentwege +gemakkelijke stoelen geplaatst hebben, kussekens en donzige leuningen, +opdat niemand zich bezeeren mocht. Het zou een woonste zijn van eerbied +en genegenheid. Niets zou er storen de goesting van Sebastiaan, noch de +goesting van vader en moeder.... + +Albien beluisterde haar en seffens was hij weer vol begeesterend +geneuchte. En hij liet zijne oogen opflikkeren van leute en knikte: + +--Dát zal een geluk zijn! + +Goedele lachte treurig: + +--Ja, een geluk en een vrede. Ik had het zóo gepeinsd en zóo was nog +mijn eenig verlangen. Ik deed het niet voor mij, maar het zou mijn +wroeging stillen. Zie! Samen zouden we spelen, en dat elektrisch ding +... al wat u begeerlijk is, 't zou 't onze zijn. Daar zijn zoo schoone +dingen in de wereld, vader! + +--Zekerlijk, zekerlijk. + +--Onze tuin is zoo schoon ... en al wat er te bloeien staat en te +fleuren ... en dat pepelken daar, pover dierken zoo wonderlijk ... +'t bijst om ons klaarte.... + +Albien stak ook zijn hoofd ernaar en hij vond 't ook heerlijk, en zijne +kinderlijke rustigheid herkwam. Goedele sprak stiller: + +--Zóo zou ons leven geweest zijn, allemaal in minzame eendracht vereend, +al onze handen te gare, en we zouden alles mooi vinden rond ons.... +Ik had het zoo gedroomd, na de ervaring, die 'k beleden had. + +--We zullen 't zóo doen.... + +--Doen! Doen! Ik heb gerekend zonder het noodlot. Ik heb gedacht dat +alles ophield--als ik ophield. Maar 't Kwade Bedrijf loopt door, loopt +verder. Ik kan 't niet meer tegenhouden, ikke, die de oorzake ben. Ik +val nu ook, getaakt door 't gevoelloos geweld, sterker dan ik, waaruit +het geboren werd.... Wat kijkt ge me zonderling aan, vader? + +--Ik weet niet.... ik weet niet goed.... + +--Geef me een zoen. + +Hij naderde haar en nam haar hoofd in alle bei zijne armen en kuste haar +op hare wangen. Hij begreep niet wat gebeurende was, hij werd alleen +gewaar de voorbereiding van een ongewone daad, en het deed hem deugd dat +hij zijne verlegenheid wegduiken kon in eene warme omhelzing. Goedele's +haar kriebelde om zijnen neuze en zijne wimpers werden nat. Hij zei +terwijl hij weer neerzat onder 't lampelicht en zijn traan wegpinkte, +lachend, verlegen: + +--'t Is van de jeukte.... + +Ze lachte mee en ze vroeg nadien, of hij zijn schoon huisje nog eens +wilde uithalen en de popjes doen dansen. Hare stemme beefde: + +--Om mij plezier te doen. + +Hij liep seffens in de voorkamer en kwam met de dooze terug. Hij +scharrelde de tellooren aan kant, spreidde het ammelaken profijtelijk +open, en bracht zijn wonder speelgoed te voorschijn. Zijne oogen +fonkelden van vreugde en fierheid. Zijne vingeren waren koortsig te +werke, ijverig in overgedienstigheid, en zijn tonge puntelde eventjes +in 't hoekje van zijn mond. + +Het Zwitsersch huizeken stond daar met zijn blauwe dak en zijn groene +luiken, zijn sierlijk portaal en de popjes. Hij stak den sleutel in de +mekaniek en draaide het ratelend tuig op tot de kleine klokke +binnenzijds klonk. + +--Ha! zei hij. + +Hij leunde achterover om goed 't effekt van het schouwspel op te nemen +in zijn aandachtigen kop, en het spektakel ving aan. Het wijveken +schokte eerst omhooge en seffens daarna joepte ook het manneken los. +De beiaard tikkelde met zijn luttel gespeel van bellen, en de stijve +dans begon. + +--Hoe schoone! + +--Hoe ... schoone!... zuchtte Goedele. + +Ze zat in de halve donkerte, achter Albien, en ze beloerde hem. Haar +gemoed kwam vol en ze zou weer stille aan het weenen vallen, aldoor +kijkend naar haar vader. Hij jubelde van blijdschap. + +--Dat zijn dingen! Dat zijn dingen! Hoe maken ze 't? Hoe komen ze aan +'t idee? + +En de beiaard rinkelde zoo aangenaam, lijk dropkens in een welluidend +water--en de popjes huppelden snokkig en op mate--en heel die doening +was zoo djentelijk.... + +--Hoe brengen ze 't aan mekaar? + +Goedele voelde gestadig de heete groevekens van hare tranen en staarde +met wijd-open oogen naar hem, die daar te leuteren zat, zonder +kommernisse, zonder zicht op 't huiselijk ongeluk. Een hopelooze smert +wrong haar herte thoope, en ze deed haar eigen zeer om stille te +blijven, stille bij vaders jubelend plezier. + +Zoo stille bleef ze. Als de pijn haar asem forsig wegstiet door haar +kele, versmachtte ze het eendelijk geluid onder de helle klatering van +een hikkend lachen. Dan was vader uitermatelijk voldaan. Hij wipte op +zijn stoel, een prettig gezichte zettend: + +--Ai! 't valt dood! + +De klokskens klepten tegare uit op een grondelijk akkoord en dan was er +een groote stilte. Rijzekens flodderde hoorbaar in 't geluchte het +werkzaam gedoe van het zotte pepelken. + +Sebastiaan stond wachtend in het deurgat en vroeg oolijk, een ongewonen +klank leggend hier, waar 't zoo innig trilde van gezelligheid: + +--Mag ik nu binnen? + +Goedele schrok en rechtte zich. 't Kwam her klaar en sterk in hare +hersens dat ze tegenwoordig handelen moest. Ze ging op hem af, en hij +reikte zijne hand naar heur. Ze schudde haar hoofd en deed teeken dat +hij haar volgen zou. Ze stapte stokkestijf. Hare knieën plooiden haast +niet en hard klopten hare hielen tegen den vloer. Ze sprak niet. Haar +hals lengde zich paalrechte boven hare schouders. Hare armen hingen +roerloos langs haar lijf, dat matelijk voorwaarts schoof. + +Sebastiaan zag haar zwijgend over den drempel terten, bijkans zijn veste +raken en voorbijgaan, zonder een blik. Hij volgde haar. Hij begreep dat +ze hem over ernstige zaken te spreken had. Hij gooide zijn hoed op een +stoel en volgde haar. Hij had een wrevelig gevoel. Goedele's breede +rugge, zonder een buiging voortschokkend, werd hem lijk de +ondoordringbare effenheid van een gevaarlijk geheim. + +Ze stegen langs de trap en, moeders kamer voorbijgaande, fluisterde +Goedele: + +--Zoetekens.... + +Ze bereikte hare eigen kamer, stak algauw 't licht aan, bad met een +korten wenk dat hij zou binnen komen en wees hem een stoel. De klaarte +pletste tallenkante rond en, langs de spleet van de deure, viel in een +lange strepe over den drempel op den donkeren vloer van den gang. + +Ze zetten zich neer. Ze waren precies verlegen en 't was alsof ze meteen +wijd verwijderd waren van malkander, beschaamd voor hun samenzijn. +Sebastiaan ried dat geen luttele woorden in deze schrikkelijke stilte +zouden vallen, en hij dierf niet zeggen: + +--Wat is er? Wat maakt u zoo bleek en lijdelijk? + +Hij merkte dat ze bleek en lijdelijk was, maar hij was halvelings bang +voor de reden. Hij wilde de nadering van die reden niet verhaasten, +omdat zijn benauwd gemoed er al de pijnlijke gevolgen van vreesde. Heel +vaag zag hij entwaar de schaduw van een ongeluk. Hij zweeg. Zijn magere +handen lei hij op het tafelberd en hij wachtte zoo. + +--Bastiaan, zei Goedele, Bastiaan, ik had u al lange moeten bekennen ... +al lange, daar niets te bergen is en alle kwaad in voortdurige werking +doorwoelt ... al lange, ja, bekennen, bekennen.... + +Ze had besloten heel simpellijk bekentenisse doen; ze kon echter niet. +Ze had den moed niet daartoe: zoo onwetend en buiten alle leelijke +verdenkingen zat daar Sebastiaan, en zijn gelaat had seffens zoo angstig +een uitdrukking, dat ze een brutale uitlegging niet te boven kon. Ze +wilde schipperen en toch tot een eigen direkte beschuldiging en geraakte +ze niet. Ze zweeg een oogenblik. De woorden wisten niet tot eene +oprechte verklaring saam te smelten. Ze werd dan heel klein en laf. Het +speet haar dat ze nog hier levend was, dat ze niet de aanlokking van het +glinsterende water beantwoord had, ginder, ginder.... Alles ware nu +volbracht: men hadde 't een ongeval genoemd. Ze stamelde, week wordend: + +--Och Heere! hoe moet ik dat uitbrengen!... + +Ze wilde wegloopen, de velden over, tot ze neerstorten zou, in +doodelijke alleenigheid, den veiligen dood nabij. Ze hervatte zich met +groote moeite en bedwong hare zwakheid. Ze smeet hare zoekende gezegden +ondereen, soms gebroken door ongelijk gehijg: + +--Laat me zeggen.... Ik heb u hier ontvangen, ik heb al gedaan wat in +mijn machte was om u toe te lachen, om u genegen te zijn en uwe liefde +niet van mij af te wijzen.... Helaas! ik was uwe liefde niet weerdig. +Ik had een verdorven ziel en mijne zinnen verlangden de woeste streeling +van zondigen minnehandel.... Schrik niet! Maak me niet benauwd. Ik ben +schuldig, maar medelijden heb ik noodig.... Ik heb u ontvangen, en +bedrogen heb ik u naderhand! + +Hij stond recht, heel bleek, en vroeg: + +--Wilt ge openhertig spreken? + +Maar ze zocht uitvluchtsels om hem de waarheid minder hard te maken: + +--Ge moogt me niet stooten en bezeeren. Ik wil tot het ende alles +zeggen. Ik wil dat ge van zelf, doch zonder haat, weggaat van hier. + +--Ik begrijp u niet. + +--Peins dan niet meer op mij. Ik heb u nooit geerne gezien, en Bella +alleen ziet u geerne ... ja, Bella, het arme kind.... Waarom moest ik u +mij onttrekken en u verwijderen van haar? Ik was laf. Bekijk me zoo +droef niet. Zeg niets. Laat mij doorzeggen. Zeg niets, Sebastiaan.... + +Ze deed een trage gebaar met hare hand, precies om hem zachte af te +weren, en sloot hare oogen. Nu was 't haar meer duidelijk geworden en ze +kon in de donkerte beter hare gedachten nagaan. Haar stemme daalde: + +--Ik heb gedurende weken en weken durven spreken met u, durven antwoord +geven op uwe woorden van liefde. Ik heb zwijgend en misdadig uwe +genegenheid gevoed. Ik heb zwijgend uwe droomen spijze gegeven. Dat heb +ik zwijgend gedaan. De blik, dien ik u toewierp, was schijnbaar rein.... +Rein! Rein! O kon ik nu verzinken! + +Ze opende fluks hare oogen, boog zich en joeg seffens gichtig hare +woorden achter mekaar: + +--Luister. Ik heb Sebastiaan beleedigd. Ik heb gespot met Sebastiaan. +'s Avonds zat ik schuchter nevens u, en over dag lag ik in andermans armen! + +--Goedele! + +Ze viel neer op haren stoel en bracht hare handen over haar wezen. Een +zware stilte hing in de kamer en de vlamme kraakte daarin heel gewichtig +op, boven de lampe. + +--Goedele! + +Hij kon de zwijgende stonde met zijn heeschen kreet niet overwinnen. Een +ongenadige zwaarte woog op zijne borst en hij voelde zijn longen eronder +vernauwen. Hij snakte naar zijn asem. Toorn en smert scheurden zijne +hersens vaneen en hij wist geen daad aan te vangen: een straffe of een +afkeer.... Hij wilde dan verder weten. + +'t Schorde in zijn keel: + +--Met wien?... Zeg me met wien?... + +Ze antwoordde niet. Het licht begon te schemeren vóor zijne oogen, +te waggelen ommentweer en donkere wolken rolden opwaarts uit purperen +kuilen. Hij deed een stap, en vatte woest haren arm, en smeet haar +geweldig tegen het tafel berd. Zijn mond viel in een grijns open om +'t leelijke woord neer te spuwen, dat brandde op zijn tonge. + +Ze keek heel zoet op naar hem. Ze had een blik vol dankbaarheid. Ze +wachtte gedwee de slagen van zijne gramschap. Dan week hij tot tegen den +muur, rukte zijn halsboordje los en hijgde vrijer. Hij stond moedeloos, +verplet, verloren. Hij vroeg: + +--Is 't waar? + +Ze knikte en hij liet zijn kinne neerstooten op zijn borst. Hij draaide +zich kantewaarts naar de deur en tort trage erheen. Hij zei en de klank +van zijn woord was onherkennelijk geworden: + +--Vaar-wel.... + +Ze vermocht uit haar gansche macht niet hem antwoord te geven. Hare +lippen werden wit en mat. Ze lispelde onhoorbaar: + +--Vaar-wel.... + +Hij hoorde 't algelijk, en zijn bloed deed een schrikkelijken ommezwaai +door zijne leden. Hij reikte zijne hand naar de koperen klinke en +grabbelde ernaar. Eene koude rilling kroop over zijn rugge en zijne +beenen zakten tegeneen. Hij kon niet weg. Hij kwam terug en viel +snikkend aan hare voeten. Hij prangde haar vast en bad: + +--Jaag me niet hieruit, jaag me niet buiten u!... Niet waar? Het zijn +kwalijke verzinsels.... Ge overdrijft immers! Ge zijt niet slecht! +Ge zijt schoon, ge zijt schoon! + +Ze weerde zich zachte los en had een hopeloos gebaar. Zou ze alles +móeten zeggen en haar ten geheele bloot werpen aan zijnen afkeer? +Hij smeekte: + +--Ik geloof u niet! Maak me niet zinneloos, Goedele! Zeg me dat ge weer +braaf zijt. Hebt ge geleden? Alles zal ik u doen vergeten. Daar is tegen +ons geen weerstand, die we niet breken zullen. Ik zie u geerne. Ik zal u +altijd geerne, geerne zien.... + +Ze hief zich uit gansch hare lengte op en fronste hare wenkbrauwen. Ze +zou spreken. Ze zou den laatsten slag hem toebrengen en zonder deernisse +slaan. Ze voelde dat ze 't alaam geworden was van het noodlot. Ze zei: + +--Ik mag niet.... Ge moet weg, weg ... weg.... Ik ben bezoedeld.... +Ik,--ikke.-- + +Hare oogen bleven plots wijdopen en verwilderd staren naar de deur, en +haar kinne begon subiet te beven, zodat hare tanden klopten over mekaar: +op den drempel stond Ursule. Ursule, als eene doode zoo bleek, stak hare +armen vooruit. Haar witte nachtrok plooide in rechte vouwen omlage en ze +was aldus grooter, vreeslijker dan ooit. Vierkantig spookte boven hare +breede schouders haar schrikkelijk aangezicht. Ze riep: + +--Hee-la! + +Ze naderde, en dof dreunde elke stap op het vloertapijt. Ze leunde tegen +den muur, vatte overhand de stoelen en geraakte tot aan de tafel. Ze rok +haren groven hals uit naar heur kind, en een bovenmatelijke haat omdeed +haar ganschelijk. Ze reikte stuipachtig hare handen en vingerde koortsig +in de leegte, reutelend: + +--Hier! Hier, prije--en zwijgen! + +Ze bekeek vluggelings Sebastiaan en riep hem: + +--Ze liegt! + +En weer scharrelde ze voorwaarts, grijpend naar Goedele, te wege neer te +stuiken over haar. Ze kreet: + +--Zwijg!... Há-á-á! ik zal u leeren, ik zal u beteren, ik zal uw tonge +wegduwen in uw rompe.... + +Ze zag dat Goedele week en geweld deed om te spreken; gedurig tastte ze +gretig ernaar om haar vaste te pakken en te temmen. Ze was buiten zinnen +en sleurde haar lamme beenen of stekte ze stokkestijf naar voren. En +niets zou haar tegenhouden: ze wilde haar dochter de kele toenijpen om +haar het spreken te beletten, en driftig, kwaad om hare eigen +traagzaamheid, volgde ze dien wil. + +Als Goedele tegen de kasse aanstiet en niet verder meer wijken kon, brak +meteen haar benauwde angst. Tegenover moeder en tegenover Sebastiaan, ze +móest spreken en ze zou. Ze hakkelde: + +--Laat me.... + +Ze drong thoope, veerdig voor alle straf, stiet haar hoofd achterover en +zei: + +--Ik ben zwanger. + +Ze zag het lijf van Sebastiaan pijnlijk opschokken en het witte kleed +van moeder een grooten armzwaai uitbreiden in 't geluchte. Zonder een +woord, met een luidelijken slag, stortte Ursule neer op den vloer. + +Albien stiet de deur open, kwam binnen gelopen en begon seffens te +huilen. Goedele dacht niets, voelde niet en stond halstarrig te +bibberen. De lampe had een eendelijk licht, het licht dat bijwijlen +'s winters uit de mane zijgt. Tenden den donkeren gang beloerde Rik de +booze gebeurtenis en vulde, oolijk glimlachend, zijn pijpe. + +Ursule was dood. + +'T ENDE + + + + + +End of Project Gutenberg's 't Bedrijf van den kwade, by Herman Teirlinck + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK 'T BEDRIJF VAN DEN KWADE *** + +***** This file should be named 17537-8.txt or 17537-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/7/5/3/17537/ + +Produced by Marc D'Hooghe <marcdh@pandora.be> + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/17537-8.zip b/17537-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..03e6121 --- /dev/null +++ b/17537-8.zip diff --git a/17537-h.zip b/17537-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f801cc4 --- /dev/null +++ b/17537-h.zip diff --git a/17537-h/17537-h.htm b/17537-h/17537-h.htm new file mode 100644 index 0000000..b482aff --- /dev/null +++ b/17537-h/17537-h.htm @@ -0,0 +1,9797 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN" + "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> + +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml"> + <head> + <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" /> + <title> + The Project Gutenberg eBook of 't Bedrijf van den kwade, by Herman Teirlinck. + </title> + <style type="text/css"> +/*<![CDATA[ XML blockout */ +<!-- + p { margin-top: .75em; + text-align: justify; + margin-bottom: .75em; + } + h1,h2,h3,h4,h5,h6 { + text-align: center; /* all headings centered */ + clear: both; + } + hr { width: 33%; + margin-top: 2em; + margin-bottom: 2em; + margin-left: auto; + margin-right: auto; + clear: both; + } + + table {margin-left: auto; margin-right: auto;} + + body{margin-left: 10%; + margin-right: 10%; + } + + .pagenum { /* uncomment the next line for invisible page numbers */ + /* visibility: hidden; */ + position: absolute; + left: 92%; + font-size: smaller; + text-align: right; + } /* page numbers */ + + .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */ + .blockquot{margin-left: 5%; margin-right: 10%;} + .sidenote {width: 20%; padding-bottom: .5em; padding-top: .5em; + padding-left: .5em; padding-right: .5em; margin-left: 1em; + float: right; clear: right; margin-top: 1em; + font-size: smaller; color: black; background: #eeeeee; border: dashed 1px;} + + .bb {border-bottom: solid 2px;} + .bl {border-left: solid 2px;} + .bt {border-top: solid 2px;} + .br {border-right: solid 2px;} + .bbox {border: solid 2px;} + + .center {text-align: center;} + .smcap {font-variant: small-caps;} + .u {text-decoration: underline;} + + .caption {font-weight: bold;} + + .figcenter {margin: auto; text-align: center;} + + .figleft {float: left; clear: left; margin-left: 0; margin-bottom: 1em; margin-top: + 1em; margin-right: 1em; padding: 0; text-align: center;} + + .figright {float: right; clear: right; margin-left: 1em; margin-bottom: 1em; + margin-top: 1em; margin-right: 0; padding: 0; text-align: center;} + + .footnotes {border: dashed 1px;} + .footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;} + .footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;} + .fnanchor {vertical-align: super; font-size: .8em; text-decoration: none;} + + .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;} + .poem br {display: none;} + .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;} + .poem span.i0 {display: block; margin-left: 0em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + .poem span.i1 {display: block; margin-left: 1em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + .poem span.i12 {display: block; margin-left: 12em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + .poem span.i3 {display: block; margin-left: 3em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + // --> + /* XML end ]]>*/ + </style> + </head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of 't Bedrijf van den kwade, by Herman Teirlinck + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: 't Bedrijf van den kwade + +Author: Herman Teirlinck + +Release Date: January 23, 2006 [EBook #17537] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK 'T BEDRIJF VAN DEN KWADE *** + + + + +Produced by Marc D'Hooghe + + + + + +</pre> + + + + + +<h1>HERMAN TEIRLINCK'S</h1> + +<h1>'T BEDRIJF VAN DEN KWADE</h1> + +<h4>1904</h4> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + + +<div class='center'> +<table border="0" cellpadding="4" cellspacing="0" summary="contents"> +<tr><td><a href="#hI">I</a></td><td><a href="#hVI">VI</a></td> <td><a href="#hXI">XI</a></td></tr> +<tr><td><a href="#hII">II</a></td><td><a href="#hVII">VII</a></td><td><a href="#hXII">XII</a></td></tr> +<tr><td><a href="#hIII">III</a></td><td><a href="#hVIII">VIII</a></td><td><a href="#hXIII">XIII</a></td></tr> +<tr><td><a href="#hIV">IV</a></td><td><a href="#hIX">IX</a></td><td><a href="#hXIV">XIV</a></td></tr> +<tr><td><a href="#hV">V</a></td> <td><a href="#hX">X</a></td> <td><a href="#hXV">XV</a></td></tr> +</table></div> + + +<h3><a name="hI" id="hI"></a>I.</h3> + + +<p>'t Loof kleurde om de kruin der boomen, die achterwaarts stonden, statig +en hooge, in den diepen hof; en 't lager plantsoen van 's gelijken +verfde bij plaatsen, onder 't komend gewaai van den herfst, zijn +bladeren geel of rossig, of rood lijk kastanjeslutsen, of klaar lijk een +licht daar ievers.</p> + +<p>Goedele keek precies ernaar, door 't venster, en hoe de avond eromme al +donkerend viel, keek ze, en hoe stilaan dieper de holten werden der +wegdeinende dreven—en hoe eene waarachtige droefenisse uit den hemel +zeeg. Ze leunde tegen 't raam. Ze tokkelde met hare vingeren zoetekens +tegen de ruiten, zonder weten, op éenmatige wijs, en ging mee, al wijder +en wijder, met hare verre gedachten. Altemets stortte een streuvelende +wind in den lochting, en een park dahlia's neigden te zaam en rechtten +zich en bijsden tenden hunne stengels nog een tijdeken. Hij asemde +naderhand in 't rotelend geboomte en bleef er luidelijk hijgen en was +seffens voorbij, met een schok—en waar zoefde hij ginds? Goedele voelde +bij zijn sterke doening, heel de moedeloosheid van het najaar. 't Was +haar of de tijd, in zijn haastige vleugeling, nu tastbaar werd, binst +zijn vlucht naar de toekomst, aldoor stichtend 't verleden dat droevig +was. Ze wendde haar hoofd zijwaarts op naar 't horloge, onbewust. Ze +glimlachte even, omdat ze dees uur zoo tsieperig, zoo klein en +niets-beduidend vond, en die gulden plate ook, met zijn verwaande +orneering, zijn praatziek getjok, zijn vies-kruipende wijzers—zoo +onmachtig, zoo kinderlijk, een onnoozel speelgoed. Buiten in 't vrije +geluchte stormde de wind, en Goedele taakte er de eeuwigheid....</p> + +<p>Ze ging dan de breede tafel rond en luisterde binstdien met ongevraagde +aandacht naar den slag van haar zij-ruischende kleeren het tapijtsel +langsheen. Ze zette zich neer vóor 't klavier en wroetelde er onachtzaam +in een muziekboek, en werd daarna gewaar dat ze dees alles beu was en +dat heur 't vervelend pianogetamp zeer zou doen. Ze werd ongedurig; ze +wist niets, dat groot genoeg was om mee te klinken met die stijgende +golvingen in haar. Ze wilde niet spelen. Ze zou 't nietig achten, al wat +ze spelen mocht. Het herfsteweer alleen was machtig genoeg.</p> + +<p>Ze hoorde rijzekens de korte stem van hare moeder, die weer wat te +gebieden had aan vader of grootvader of de meid. Ze stond rechte en +rustte tegen 't schouwblad en tuurde met roerlooze blikken naar een +hoogen chrysanthementuil, die daar monsterachtig was, midden de tafel, +in zijn laag-zittenden pot, met al die uitermatige kronen, valsch-wit en +valsch-levend en klaterend van kostelijkheid. Ze verwonderde zich nog +dat heur dees grof gedoe was opgezonden door Sebastiaan, haren +verloofde.</p> + +<p>—Hij heeft dees van verre besteld, meende zij.</p> + +<p>Sebastiaan Vrebos was sinds veertien dagen naar Weenen vertrokken om er +in de Albertina enkele teekeningen van Hieronymus Bos en een paar +tafereelen van een ouden Brueghel te bezien. Van avond zou hij terug +zijn. Sebastiaan was een jong archivaris, onlangs benoemd in de +Koninklijke Bibliotheek, een heel lange en magere vent, liefelijk van +uitzicht, met te groote engelblauwe oogen in een bleek gelaat, sierlijk +omlokt met mat-blonde haren. Hij had langzame gebaren en deed al +sprekend profijtelijk hergaan zijne witte vingeren en was aldoor +verzonken in biddende houdingen. Goedele peinsde dat hij uitermatig +vroom was. Hij was goed. Hij zei nooit een woord, dat sterk klonk of +kwetsen mocht. Hij sprak nooit met drift, en werd nauwelijks een endeken +van begeestering warm als hij 't over de oude Vlaamsche fantasten had, +bijzonderlijk over Bos en Brueghel. Hij vond dan wel een gloeiend +gezegde, maar meerendeels een stil-pieuse daarbij. Goedele had hem voor +'t eerst bij mevrouw De Vleeschhouwer ontmoet, nu haast een jaar +geleden. Hij had haar dadelijk met liefelijke gedienstigheid omringd, +en, omdat hij zoo zacht was, kon zij hem goed verdragen rond haar. Hij +kwam naderhand hier thuis, op de half-maandelijksche soepee-vergaderingen. +Goedele ging nooit uit. Ze kende alleen de familie De Vleeschhouwer. Ze +vond het wel aardig dat een djentelijke man om haar in deze droevige +woonste komen wou en 't vleide heur aangenaam. Ze kreeg met welbehagen +de stille bekentenis van Sebastiaan en voelde zich gelukkig omdat hij +zegde door haar zoo gelukkig te zijn. Moeder verklaarde dat dees +huwelijk heur aanstond, en mijnheer Vrebos werd met zijne aanvraag goed +ontvangen. Sindsdien geraakte er een beetje verscheidenheid in 't +eenvormige leven der familie Wilder: Sebastiaan kwam wekelijks een +bezoek afleggen en bleef dan soepeeren, en dat alleen was al een +gewichtige verandering; bij tijden werd ook een concert bijgewoond of +een tentoonstelling bezocht; dan moest er in stad gesoepeerd worden—en +ook dat was zeer gewichtig.</p> + +<p>Goedele keek toe naar de chrysanthemen, hoe bombastisch ze daar pronkten +in schitterende ijdelheid, met hunne ommekrullende blaadjes, regelmatig +middenwaarts toegevouwd. En hare gedachten, langs vage wegen, wendden +zich geleidelijk naar de toekomst. Ze probeerde na te gaan, met +waarschijnlijke veronderstellingen, hoe 't zijn zou, als ze dees huis en +vader en moeder en grootvader verlaten zou. Zij en voelde in de verte +geen heimwee, geene aandoening daarom. Ze zou hier uitgaan en zou den +dorpel met haastigheid vergeten. 't Was hier ook zoo leeg, zoo lustloos +en vunzig. Naarmate zij opgegroeid was in sterkte en schoonheid, had zij +zich meer en meer vernepen en bezeerd gevonden, en nu stond zij daar, in +hare volle grootte, een machtige vrouw, gekleineerd en gekwetst door al +wat om haar was en werd. Bij moeder vond ze geen zoetiger toevlucht en +vader was peuterig in zijn dagelijksche manieren; hij en deed maar +bekrompen werken en wist geen doel, en steunde voor gewichtige besluiten +op moeder. Grootvader was hard. Zij vreesde van die drie moeder alleene, +omdat moeder danig struisch was in koppige, strenge besluiten, en korte, +scherpe woorden had. Daarom was heur streelend de brave liefde van +Sebastiaan. Zij en wachtte nooit met koortsig verlangen op hem, noch en +vreesde gejaagd zijn vertrek. Ze liet zich zijn komste welgevallen en +vleide zich een stonde in de lauwte zijner lijze genegenheid. Ze meende +wel dat ze hem liefhad, maar de muren waren hier te eng en te zwaar. Ze +zou met hem trouwen en in 't open geluchte gaan en vrij wezen. Alles zou +nieuw zijn. Ze zou hem liefhebben, omdat hij goed was....</p> + +<p>Ze boog zich trage over de chrysanthemen en snoof den kouden geur ervan +en voelde even de blaadjes kittelen over hare wangen. Die jeukte maakte +haar ongedurig en, als zij weer in de boomen van den tuin het blazend +gewaai hoorde roefelen, rechtte zij zich plots op, uit gansch hare +lengte, en bleef roerloos kijken, strak vóór zich heen, naar een +voorbijvliegend beeld. Op dees oogenblik voelde zij gansch haar vleesch +in éene trilling pijnlijk worden en haar bloed slaan in forsche geuten +naar hare slapen. Vluggelings viel om haar al wat bestond en blijvend +zijn zou, en ze rees, grooter en sterker—en moeder en Sebastiaan en het +huis—'t en raakte noch en deerde haar. Ze wou 't weere voelen zoeven +langs hare wangen, ze wou heur haar los laten vlaggelen en ze wou +luisteren naar 't geklapper van 't krakende geboomte....</p> + +<p>Seffens neigde haar voorhoofd en ze zocht verlegen naar 't gewone zicht +der dingen, naar die twee visscherstafereelen aan den wand, naar 't +klavier, naar de glazen dresse, met haar menig ruitwerk, zoo drollig van +verve ... en hare oogen steunden erop, alsof zij er fluks naar grabbelen +moest om niet omverre te stuiken. Wanneer ze opnieuw rustig was, tot ze +stille naar 't venster en zonk weg met hare toevallige gedachten, al +over den bonten lochting, een heelen tijd lang.</p> + +<p>—Goedele!</p> + +<p>Mevrouw Wilder stond in 't deurgat. Mevrouw Wilder was groot boven de +mate, grooter nog dan hare dochter, en struisch ook daarenboven, breed +geschouderd en grove gelend. Haar hoofd was lijk in brutalen steen +gebeiteld, zonder nuttelooze kleinigheden—een laag, plat voorhoofd +tusschen vlakke slapen, blauwe oogen in vierkante holten, sterke kaken +en een stevige kin. Ze zag er uit wel een van tenden de vijftig jaren, +maar effen-zwart bleven heur haren, zorgvuldig te midden open, in gladde +vlechten gekamd en bezij hare ooren in een nat, regelmatig krulleken +vastegeleid. Gerimpeld en was zij niet: haar gezichte bleef gedurig +effen en eenvervig, en nooit en speelde er een vouwken of tintelde er +een kleureken in dat toonloos, gelijkvormig gelaat. Haar breede hals, +ten halve bloot boven de korte krage, was een paal van stoere kracht. +Zij boog zelden. Zij stond, keersrechte, in haar zwarte merinoskleed; +zij droeg haar hoofd daar hooge, waar 't blijvend was en rijzekens +roerde. Zij en droeg oorbellen noch armband noch eenig ander sieraad; +haar trouwring was heel smal en in haren zwellenden vinger vergroeid. +Zij was koud. Ze vereenzaamde zich in een killige atmosfeer, die zij om +haar geschapen had en allerwege meesleepte, overal stichtend een +ongewoon ongemak bij de naderende menschen. Maar, in haren witten blik, +lag anderzijds een verre treurnis, een verre klacht over leed, dat niet +te heelen was. Seffens echter wist zij die zwakte met een stalen schicht +te duiken—en seffens herkwam van wijd de droefheid, kalm en zonder +deernisse. Bij tijden zakten hare lippen van weerskanten neerwaarts....</p> + +<p>Zij sprak nu van het avondmaal, met korte, rustige woorden te reke; zij +wachtte zelden op een antwoord, zij zei meerendeels een gebod of een +uitlegginge, en ontving weinig bevelen van anderen.</p> + +<p>—'t Eten moet klaar worden.</p> + +<p>—De tafel moet ge dekken.</p> + +<p>—Deze bloemen kan men andermaal best met ruste laten.</p> + +<p>Ze ging langzaam bij de tafel en raapte nauwkeurig eenige verslenste +blaadjes op, naderhand nog uit de bloemen zelve geschonden vlekjes +knippend, aandachtig. Ze keek naar 't horloge en merkte, op haar eigen +zakuurwerk, dat de wijzers voorliepen, en kwam die dan trage goed duwen, +met haren duim.</p> + +<p>Goedele zei:</p> + +<p>—Ja, moeder.</p> + +<p>Ze blikte naar Seppie, 't japansche hondje, dat rondtrippelde, om +mevrouw Wilder's rokken, en nu subiet pal bleef en zijn plat snuitje +ophief naar heur en te kwispelen probeerde met zijnen langharigen +steert. Seppie snoof al eens en loerde zijwaarts, tuk op een zoetig +woord van Goedele of een vriendelijk gebaar. Hij kwam dan endelijk toch +aandrillen, ongeroepen en schuchter, en wreef zijn leelijk koppeken +tegen haren voet.</p> + +<p>—Seppie maakt uw schoenen vuil met zijn tonge.</p> + +<p>—Wat zou hij?</p> + +<p>Ze wilde 't beestje vrij praten, en boog zich en streelde 't al +krabbelend achter zijne ooren. Ze zei dat het koes moest blijven en +braaf zijn en schoone manieren hebben, en was dan te wege weg naar de +keuken bij Marie om alles te schikken. Maar mevrouw Wilder gebaarde dat +zij wat wachten moest.</p> + +<p>—Is vader in den lochting?</p> + +<p>—'k Zag hem wandelen tusschen de palm-struiken.</p> + +<p>—Wiezeken is ziek.</p> + +<p>Goedele tort naderbij. Mevrouw Wilder zette zich neer en zuchtte diep, +en hare oogen werden droeve. En ze vroeg:</p> + +<p>—Wist ge dat Wiezeken ziek is? Neen, moeder.</p> + +<p>Ze staarde scherp naar Goedele en hief hare hand een endeken op. Seppie +keek nieuwsgierig toe, zijn tootje scheef draaiend ten teeken dat hij +luisterde.</p> + +<p>—Ze hebben niet ommegezien. Ze zijn samengegaan. Ze hebben hun eigen in +'t verderf gestort. Ze hebben mij miskend en hun eigen in 't verderf +gestort....</p> + +<p>—U miskend....</p> + +<p>—Ja.</p> + +<p>Ze stond vluggelings rechte en tort naar heure dochter toe en neigde een +beetje, haren hals uitrekkend om te kunnen fluisteren tusschen hare +tanden:</p> + +<p>—Zult gij ze verontschuldigen?... Zwijg!</p> + +<p>En hare stemme zonk, laag wordend in holle tonen met kapotte +scandeering:</p> + +<p>—Van zijn kindsbeen af heeft hij me danig centen gekost, hij.... Hij +was ziek, of hij kloeg dat hij ziek was. Daar zijn hier dokters geweest +met hoopen en op ons kosten hebben ze hun kwakzalverijen verkocht. Wat +heeft hij al niet gehad aan speelgoed en snuisterijen? Wel! Wel!... En +als hij dan een jongen was die endelijk op zijn pikkels staan kon, wat +heeft hij al niet gehad aan nuttelooze plezierkens? En hij ging ter +schole, en 't kostte allemaal. En hij ging naar de Universiteit ... ge +zult later weten wat het gekost heeft. En al die boeken waaruit hij +leeren leven zou? Wat heeft hij geleerd? Hij was ten langeleste +ingenieur. Ingenieur van wat? waar? wat zou het opbrengen? Wel! Wel! Het +heeft wat opgebracht! 't Is proper alzoo.... En daar zit hij nu, met een +slonse en met een kind.</p> + +<p>Ze zweeg, haren mond toesnappend op het laatste woord, en ze ging bij 't +venster staan en kruiste hare armen over hare borst. Daar viel een bange +stilte in de kamer. Goedele leunde tegen 't klavier en hare vingeren +raakten overhand, bij maniere van onbewust spelen, de bovenrandjes van +een koperen kandeleer. Ze wist dat ze zwijgen moest als moeder van den +verloren broeder sprak, en ze had dergelijke uitvallen ook al zoo +dikwijls gehoord, dat het haar nu niet meer taakte en zij, maar liefst +die overdreven gramschap van zelf koelen of vallen liet. Ze zag echter +wel de diepte van moeder's koppige pijnen en ze vergaf haar gewillig een +slechtdadig woord om wille der oorzake, die toch een blijvende en +zeerdoende wonde was. Ze droeg daarom 't gewichte van deze +ongemakkelijke stilte met verduldigheid en voelde deernisse. Mevrouw +Wilder verliet het venster en ging nog een kanten doekje schoon leggen, +dat gefronst en ommegevouwd lag op 't schouwblad. Ze deed naderhand de +dresse open en toetste even de kristallen wijnbekers en een paar +sineesche potjes, alsof zij dat alles schikken moest. Seppie trippelde +in haren weg en ze fronste wrevelig hare wenkbrauwen, geweld doende om +hem niet buiten de deure te stampen. Een geborduurd kussen en lag, +volgens hare goesting, niet op zijn plaatse in een breeden leunstoel. Ze +moest het eens opslaan en zuiver leggen te midden, en een haarken +wegvingeren, dat er ievers vasthaperde.</p> + +<p>De avond viel daarbinst. Schuinsche klaarten smeten rood uit op het +donkere wandpapier en speelden in aardige tinten langs een paar bronzen +maskers, die daar te grijnzen hingen. In een hoek kwam een straal noesch +leuterlichten over de randen van een bundel pauwpluimen, sierlijk zich +opendoende uit een groene vaas, heel lang en wonderbaar beklaterd met +gele en oranje vlekken. Hooger op, waar 't al diepe duisterde, blonk bij +plekken 't geschitter van oude wapens. Op den schoorsteen stond nog in +'t helle licht het koperen horloge met zijn zonderlinge plate, en, +ernevens, twee hasseltsche potten, grove versierd en zwaar zittend op +hunnen monsterachtigen buik. Onderaan stond de stove. De weggaande dag +kletste tegen de schaterende roeden en ringen en talrijke ornamenten, en +rustte arets in de donkere holten, zorgelijk gepotlood.</p> + +<p>Mevrouw Wilder's lippen vielen in een spijtige plooi neerwaarts, en ze +zei:</p> + +<p>—Wel! Wel!</p> + +<p>Ze sloot de dresse met den sleutel en schoof nog een lade open en haalde +er twee zilveren servetringen uit. Ze zette zich neer daarna en nam +zwijgend Seppie op haren schoot. En Seppie likte en streelde en legde +zijn oorkens, omdat hij 't zoo leutig vond. Hij rondde algauw zijnen +rugge en vleide zich neêre en sloeg met zijnen steert en gaf gedurig +vriendelijke stootjes met zijn voorhoofd, en hij was vies en liefelijk +tezelfdertijd. Mevrouw Wilder streek met hare hand over hem tot hij +bedaarde en stille bleef, en dan keek zij op naar Goedele. Toevallig +stieten hare blikken tegen Goedele's mijmerende oogen. Goedele rilde een +luttel stondeken en werd seffens verlegen, en mevrouw Wilder ook en was +op dat oogenblik van geen vasten wil. 't Was of zij meteen allebei +begrepen, allebei tastten hoeverre zij van mekaar verwijderd waren, en +dat zij wellicht nooit in zoete kommunie zouden bijeen komen om liefde +te voelen, hun warm vleesch te samen, hun lauwen asem te samen. 't Was +of ze de groeve voelden, die diep werd en breed werd en vreeslijk werd. +Ook, in een zelfde zicht en in een zelfden weemoed, zagen ze Romaan, den +broeder en den zoon, verworpen uit het huis, waar nu zijne plaats overal +een leegte was—want overal was zijne plaats....</p> + +<p>Mevrouw Wilder rechtte haastig haar zwaar lijf. Ze werd de kriebeling +gewaar der naderende aandoening en ze had schrik daarvan. Ze vreesde +neer te storten in de zoelte van zwakke emoties en palstaande wilde ze +blijven. Alzeere bedwong zij met een vlugge, scherpe beredeneering de +dwaze kuren van haar moederlijk hert, en hare oogen werden, lijk te +voren, van rustig staal. Ze verliet de kamer, wendde zich halvelings +omme bij de deure en riep op Seppie, die schuchter-drummend aandrevelen +kwam. Ze tort echter na een stonde her binnen en lei hare hand op +Goedele's schouder. En ze zei:</p> + +<p>—Wiezeken is ziek.</p> + +<p>Hare stemme verloor eenigszins de gewone droogte, de scherpe kortheid. +Eene gemoedelijke klankwending wiegde er en brak er de nijpende kilte, +zoodat allengs een zoetigheid boven geraakte en streelend werd.</p> + +<p>—Erg ziek....</p> + +<p>—Erg ziek?</p> + +<p>—Een ziekte in de kele, en zulke zijn de slimste.</p> + +<p>Ze was innerlijk tevreden dat Goedele getroffen was, alsof ze eerst +gedacht had dat het nieuws weinig of geen belangstelling zou opwekken +bij hare dochter. Een oogenblik kwam haar herte vol.</p> + +<p>—Het dutseken, fluisterde ze.</p> + +<p>—Ja, zei Goedele.</p> + +<p>—Ik hebbe ook veel triestigheid beleden met Romaan, als hij daar +machteloos te hoesten lag in zijn wiegsken.</p> + +<p>Heel dat steenen gebouw, die granieten ziele smolt meteen tot een natte +aandoening weg.</p> + +<p>—Ik weet wel, Goedele, wat een nacht is, een slapelooze stilte bij een +kind, dat men met aaiïngen maar niet helpen kan ... Romaan is uw broer.</p> + +<p>Goedele keek op naar heur, met verwondering, niet wetende wat ze zeggen +wou en zoekende naar heure oogen om te weten. Maar die oogen staarden, +halfbeloken, naar de granaatbloemen van het tapijt.</p> + +<p>—'t Ware goed, als er iemand ging ... als gij gingt....</p> + +<p>—Ja ... ja ...</p> + +<p>—'t En is niet verre, in 't lage van de stad....</p> + +<p>Goedele vatte heure hand, toch rijzekens verschrikt dat die aldoor koud +was gebleven. En te wege was zij te weenen van vreugde, omdat moeder op +een ende toch bedaard was, toch goed was geworden voor haren jongen, die +nu lijden moest—en omdat moeder een deugdelijk woord had gezeid, een +zacht woord van liefde. Ze omvatte moeder's breede vingeren en drukte ze +koortsig, en haar hoofd zeeg voorover en hare wimpers werden heet. Maar +als zij dan moeders oogen zag, blank en puntig, en merkte hoe niet de +minste altratie te speuren was op dit roerloos gelaat, niet de minste +verandering in de hardheid van die vaste wangen, niet een trillend +zierken in de rechte plooi van dien drogen mond, voelde zij zich +gekwetst en ze week permintelijk, instinktmatig, beschaamd omdat zij +zich alzoo bijkans overgaf.</p> + +<p>Mevrouw Wilder lei een bankbriefken van twintig frank op de tafel, +zeggende dat Goedele er zorg moest van hebben en 't niet nutteloos +verkwisten en 't maar geven aan Romaan ten uiterste, indien het +waarachtig noodig was.</p> + +<p>—'t Kan ook gebeuren dat het niet noodig en is.</p> + +<p>Ze verdween, bijna onhoorbaar tertend, en zonder ommezien. En Goedele +zonk trage neer op een stoel, geknakt, gebroken in hare hooghertigheid, +wel wetende nu dat moeder niet edel wilde zijn, niet zachtmoedig wilde +zijn. Ze zat zich af te vragen wat dan in moeder oorzake was van hare +medelijdende woorden, en zij en vond geen uitlegginge om moeders +inzichten te verklaren. Beteuterd tuurde ze naar 't papieren geld, dat +tegenwoordig, ook in haren geest, zoo'n groote beteekenis kreeg. +Moeder's vingeren, daar neerduwend dat vierkante ding, en 't openvouwend +met zorgvuldigheid, en 't naderhand nog een wijlken overstreelend—'t +bleef in haar geheugen een vastgespijkerd beeld. En ze dacht aan +Romaan's spijtige geschiedenis, aan zijn vlucht met Madeleen en aan +moeder's gramschap. En ze dacht aan Sebastiaan en aan zijn goede liefde. +En aan zijn geld.</p> + +<p>—Sebastiaan heeft geld.</p> + +<p>'t Stond haar nu klaar voor, en Sebastiaan kreeg een ander gedaante, en +ze meende nu dat zij hem liefhebben moest, als zelf zij hem in +werkelijkheid niet liefhebben kon. Tegen de rotse van moeders wil zou +zij tevergeefs horten. En moeders minzaamheid voor Sebastiaan steunde op +geld; ze had er de zuivere, de stipte vizie van in 't beeld van moeders +werkzame vingeren, streelend gaande om dat kostbaar briefelken. Maar +Sebastiaan's liefde was oprecht. En ook zij was Sebastiaan genegen.</p> + +<p>—We zullen gelukkig zijn.</p> + +<p>En ze ging te lore in kalme droomen van stille huiselijkheid, haar eigen +zettend bij 't vredig gefonkel van een duurbaren heerd en er luisterend +naar wisselvallige gepeinzen.</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + + +<h3><a name="hII" id="hII"></a>II.</h3> + + +<p>Rik Derboven, mevrouw Wilder haar vader, was een visscher van de +Noordzee. Indertijd was hij doodarm. Hij trouwde met een meisen van zijn +prochie, een struisch wijf, die hem zes dochters gaf. Hij labeurde er +voor, dag in dag uit, zich nievers een stonde rustigheid verleenend, +nooit vermoeid en nooit ontmoedigd. 't Was een zwijgende vent met diepe +inzichten, een steenen wil, een stugge kop, met koppigheid alles +doordrijvend. Hij en wankelde noch en keerde; hij rukte met neerstige +hardnekkigheid vooruit, hij en zag geen hinderpaal in 't belang van +andere, hij zag alleen zijn doel. 's Avonds in den late, als hij een +wijlken zich neerzette bij de stove, na den eten, was hij aldoor +verdiept in verre combinaties en keek hij in den rook van zijne pijp +naar de mogelijkheid van wijd-reikende oplossingen. Men mocht hem +binstdien niet lastig vallen. De kinderen moesten te bedde liggen en +moeder moest voorzichtig te werke gaan met hare schotels en haren +avondkuisch. Hij bleef altemets in de donkerte een heel deel van den +nacht, zoo zitten en denken. Hij luisterde dan naar gindsche roerende +zee en zijn gepeins werd machtig. Aldus timmerde hij zijne stille +plannen op, al bouwend en metsend en afbrekend en herdoende 't gansche +idee op eene andere manier. Hij wilde dan tot eene waarschijnlijkheid +geraken en ging niet slapen eer hij die vaste kreeg. Hij en schrikte +voor geen kwade daad, hij en week maar voor den dood. Over een lijk heen +zou hij niet terten. Anderszins wist hij dat hij in staat was tot alles, +wat niet en docht, en brave menschen aanzag hij voor domkoppen. Hij was +overal aanwezig, waar er wat aan zijne vingeren kon blijven haperen. Hij +richtte kleine muiterijen in, onder de visschers, hij hitste de kerels +op met woorden van haat en woorden van deernisse; hij sprak van +bloedhonden en hertevreters, en hij stiet met zijn vollen nijd tegen 't +hoofd zijner makkers, voortdurend kloppend tot ze op een ende daar +gloeiend stonden, koortsig en razend, met veerdige handen. En als 't dan +op een mislukte dolheid uitliep, was er toch éen, die zanten kwam, een +die achterwaarts stond en wachtte, en naderhand 't profijt wegdroeg; en +dat was Rik. Zoo stegen allengs zijne zaken. Hij kocht een boot. Hij +kocht er twee. Hij deed smokkelreisjes, bracht vreemd goed in het land, +bedroog en werd welvarend.</p> + +<p>Maar thuis sloeg hem de kans tegen. Een voor éen stierven vijf zijner +dochters aan een zonderlinge hertziekte, die hen met schokjes wegdreef, +in min dan drij jaren. Twee jaar nadien, ook onder de zelfde kwale +lijdend, werd zijne vrouw door eene geraaktheid getroffen. Ze bleef zes +maanden te bedde liggen en sukkelde er en wou, op een voornoene, +redeloos opstaan. Rik was aan het strand. Hij vond bij zijn thuiskomste +zijn wijf temidden van den vloer liggen; twee streepkens bloed liepen +over hare lippen en een paternoster strengelde om hare vingeren. Naast +moeder lag Ursule, het laatste dochterken, flauw asemend en buiten +kennisse....</p> + +<p>Rik bleef nu met Ursule alleene. Hij en wilde niet hertrouwen. 't Zou +zoo wel gaan. Ursule was toen dertien jaar oud. Hij leerde haar het +huishouden, en na korten tijd, deed zij 't gansche werk. Het kind +groeide alzoo op tot een stevige deerne en geen moeite was haar te +zwaar. Ze begreep—al zei vader niets van zijne geheime doelen, +—waarnaar de minste inzichten streven moesten. En ze was spaarzaam, en +ze zwoegde, en ze werd sterk en groot in haar rusteloos slameur. Alle +avonden liet Rik het lamplichtje laag komen over de tafel en hij +verklaarde haar het spel der cijfers, de moeielijkste rekenkunde, tot +den nacht tellend en hertellend en alles neerschrijvend te rote, met +stipte nauwkeurigheid. Dat duurde tot haar twintigste jaar. Dan verkocht +hij het armzalige huizeken, het dagelijksch gerief, de meubelen; dan +verkocht hij zijne booten.... En ze trokken naar de stad en openden er +een specerijwinkel. Er werd opnieuw gesmokkeld en gekonkelfoesd. De +waren kwamen aan van tallenkant. Rik had alles meesterlijk geschikt.</p> + +<p>Maar Ursule allengerhand werd sterker dan haar vader. Ze speculeerde met +meer vernuft en meer zekerheid ook. Ze bedroog hem en bewees het, en zoo +ontstond bij hem eene pijnlijke angstvalligheid. Hij werd nu zwak en +wankte in zijne minste ondernemingen. De zaken werden ook stilaan zoo +geweldig vooruitgestooten, dat hij 't niet volhouden kon en meende te +verongelukken. Dan bleef hem alleen nog over teenemaal op Ursule te +berusten. En Ursule werd groote meesteresse in huis. Na vijf jaar was de +specerijwinkel een aanzienlijke koffiehandel geworden.</p> + +<p>Omtrent dien tijd ontmoette zij Albien Wilder, een jongen van rijke +familie, bevoordeeligd ambtenaar bij 't Ministerie van Binnenlandsche +Zaken. Dagelijks moest hij de hooge poorten der magazijnen voorbij en +dikwijls bemerkte hij Ursule, daar staande in hare volle lengte, breed +en statig. Al dadelijk werd hij door dat struische wijf veroverd. Hij +liet zich door een beursman aan den vader voorstellen. Van weerskanten +werd er gewikt en berekend en uitgeteld, en zeven maand nadien trouwde +Ursule met hem.</p> + +<p>'t En bracht niet veel verandering in huis. Albien was van nature een +zwakkeling, en algauw lag hij onder Ursule's stalen wil en ging en +handelde naar heure wenken. De koffiehandel, nog door Wilder's kapitalen +gespijst, breidde zich meer en meer uit en werd eene machtige +inrichting. Ursule was nu rijk. Maar niets kreeg een gewijzigd uitzicht +in haar leven: ze wrocht en zwoegde, nievers tijd vindend om haren +rijkdom te bezigen tot eigen genot. Geld winnen was overigens hare +eenige vreugde; rijzekens had ze deugd aan hare moederschap—ze was +moeder van een zoon, dien ze Romaan heette, naar den naam van Albien's +overleden vader. En Albien zelve gewende zich aan die eentonige dagen. +Hij trok 's uchtends naar zijn bureel en kwam 's avonds terug en nam +zijn zuinig maal in de koude eetkamer. Allengs smolt ook zijn ideaal met +Ursule's doelen saam: ze moesten geld verzamelen. Rik sprak bij stonden +ervan:</p> + +<p>—We zullen 't ophoopen in stapelkens en nevenseen zetten en 't +bekijken.</p> + +<p>'t En scheen hem niet belachelijk. 't Waren in zijn meeninge heerlijke +plannen geworden. En gedrijen spaarden ze.</p> + +<p>Romaan werd door allerlei ziekten aangetast, vier jaar te rote. Ursule +had het heel druk met de dokters, die zij den eenen na de anderen +wegstuurde. Ze waakte lange nachten bij haar kind en bad dat het genezen +zou. Ze toonde zich, gedurende dien tijd, heel vroom en heel +vreesachtig. De dokters mochten niet meer in huis komen. Ze wilde alleen +op God berusten—halvelings omdat het haar goedkooper viel, halvelings +ook omdat zij in de wetenschap geen het minste vertrouwen had. Romaan +kwam langzaam alle ziekten te boven en werd een droomerig jongetje.</p> + +<p>Hij was zes jaar oud, als Goedele geboren werd. Goedele was veel +sterker. De kleinen groeiden op in een killig geluchte. Zij en voelden +nievers de zoetigheid van liefderijke wezens; ze liepen beteuterd en te +lore in hunne jeugd en benijdden ter schole de vriendelijkheid hunner +makkers. Ze zouden echter de bane niet volgen, welke moeder hun door +haar voorbeeld en hare woorden voorschreef, en deze ouders, welke +gedurig en uitsluitend tuk waren op een peute geld, kregen kwistige +kinderen. Romaan, als hij op de universiteit leerde, miek schulden. +Ursule, die meer hechtte aan eenen goeden name dan aan eene eerlijke +ziel, betaalde, maar ze hield naderhand den jongen zoo nauw dat hij +haast niet meer met vrijheid denken kon. Zoo werd hij een zwijgende +opstandeling. Het leven werd hem bitter. Hij droomde mee met +Schopenhauer, wiens boeken hij met razernije verslond. De maatschappije +scheen hem eene verschrikkelijke onrechtveerdigheid, waar de goeden tot +blijvend leed verdoemd waren. Zijn hoofd was vol met utopische +hervormingen—alles moest omgegooid en heropgebouwd worden: de standen, +het huwelijk, de familie. Wat bestond, was slecht, was vort, was +misdadig. 't Zicht der rijken folterde hem.</p> + +<p>In een kleine steeg, bezijden de Hoogeschool, woonde een arme weeze met +hare tante. Daar verliefde hij op. Dagelijks trok hij het huizeken +binnen, waar 't meisje te borduren zat. Ze maakte schoone bonte bloemen +met zijden draad en hij had leute met hare liefelijke vingeren—hoe die +met de naaide ieverig waren en hoe daaronder de teekening djentig +zichtbaar werd. Het meisje heette Madeleen en die oude grijze daar, zoo +mager en zoo roereloos, heette tante Olympe. Hij voelde hier warmte. Hij +rookte hier pijpen en keek langs smalle vensterruiten naar de varende +wolken. Hij was hier wel.</p> + +<p>—Madeleen....</p> + +<p>En ze wendde naar hem hare blauwe kijkers en lachtte even of knikte met +zachte buigingen, bij maniere van gelukkig-zijn. Er zong iets in hem. +Hij lachtte tegen. Ze waren seffens takkoord.</p> + +<p>Maar dan begonnen de leelijke dagen. Hij ging alles aan moeder bekennen +op een avond. Hij wilde trouwen.</p> + +<p>—Met wie?</p> + +<p>Ursule sprong naar hem toe, en vatte zijne armen, en knelde die +onbarmhertig in hare koortsige handen.</p> + +<p>—Met wie?</p> + +<p>Hij moest het herhalen, hij moest het tot drijmaal toe herhalen. Ze +schoot seffens uit in een schaterlach, een wreed geklater, dat tegen de +naakte muren plofte met vreeslijk lawaai. Ze liet hem los en kruiste +hare armen over hare borst, en ze zwaaide hem dan in 't aangezicht dat +het een slonse was zonder zedige manieren.</p> + +<p>—Een ploerte!</p> + +<p>Romaan rechtte zijn hoofd. Het deed hem zoo'n zeer wat moeder zei, maar +nu had ze hem op het herte geslagen. Hij werd hard en hij werd koppig. +Drij dagen bleef hij op zijne kamer zitten. Goedele bracht hem eten en +kuste hem. Hij weende bij Goedele, en het was hem een goede troost. Den +vierden dag ging hij vader aanspreken. Albien was verschrikt, en +hakkelde, en voelde zich wegzinken zonder den steun van Ursule's +sterkte. Hij probeerde toornig te zijn; hij was alleen toornig, omdat +hij Ursule vreesde. Hij riep:</p> + +<p>—Weg, loop weg!</p> + +<p>Hij liep hem nadien zelf achterna, al stamelend dat er wel een oplossing +te vinden zou zijn.</p> + +<p>—Allo, jongen, allo....</p> + +<p>Maar Ursule bleef onverbiddelijk, en den vijfden dag verliet Romaan +zijne ouders. 't Was den vijfden dag.</p> + +<p>Hoe struisch Ursule ook was, 't knakte haar en ze werd ziek. Een volle +weke lag ze te bedde, zuchtend en zich ommewerpend. Voor de eerste maal +van haar leven wist ze geen besluit te nemen. Zij en wilde hem niet +laten trouwen, zij en wilde geen geld geven aan die vreemde kerte. Ze +fluisterde, al kijkend naar de zoldering, heel wijd:</p> + +<p>—Geen geld....</p> + +<p>Maar ze wilde ook Romaan niet kwijt zijn. Ze verwonderde zich dat ze +hield van hem, na al zijn leelijke doening. En ze hield van hem. En +daarom zou hij trouwen met een rijke juffrouw. Hij was ook rijk. Het +idee dat hij nu toch met die ellendige loete trouwen zou, deed haar het +oogenblik daarna terug raaskallen. En ze bekeek de zoldering met +wijd-open oogen.</p> + +<p>—Geen geld....</p> + +<p>Ze meende endelijk een oplossing gevonden te hebben, en ze genas. Ze +schreef aan Madeleen dat ze komen moest. Madeleen en kwam niet. Ze +schreef opnieuw. Ze zou Madeleen omkoopen, haar eene ronde somme geven, +als ze Romaan loslaten wou. En Madeleen en antwoordde niet. Ze begon +weer te wanhopen en te klagen, en moest weer een paar dagen neerliggen. +Rik kon haar opbeuren. Hij verzekerde haar dat het allemaal jeugdige +zotternijen waren, en dat die vuurkens fluks uitvlammen zouden. Hij wist +dat de jongen en 't meisje tegenwoordig ongehuwd reeds samenleefden op +eene gemeubeleerde kamer, en die tortelliefde zou haren gang gaan, en +naderhand zou Romaan boetveerdig terug keeren.</p> + +<p>—Ze zullen trouwen....</p> + +<p>—Zij en zullen niet trouwen.</p> + +<p>Waarom zouden ze trouwen? Ze hadden zoo al hun volle pleizier.</p> + +<p>—De plodde zal aandringen....</p> + +<p>—Zij en doet.</p> + +<p>Hij sprak kort. Ze herwon een beetje betrouwen en liet zich genezen. +Maar zij en kon sindsdien niet ten volle meer hare zaken bewerken. Al +hoopte ze stilaan dat Romaan de meid ten langeleste verlaten zou, ze +bleef bij haarzelve klagen over 't verlies van haren zoon, en de handel +leed door hare dagelijksche onachtzaamheden. Albien, die 't wel merkte, +stelde schuchter voor het huis aan een opvolger over te laten. Ze wilde +hier echter niets van hooren, en werd buitengewoon ieverig.</p> + +<p>—Denk niet meer aan hem, zei Albien, die er gestadig aan dacht.</p> + +<p>—Ja, zei Ursule.</p> + +<p>En ze dacht aan hem. Ze deed hem beloeren. Ze stuurde ook altemets +Goedele, en vernam aldus dat Romaan in waarheid ongehuwd bleef en +gemeenzaam leefde met Madeleen en tante Olympe. Hij had ook altijd +gesproken van vrije liefde en nieuwe zeden. Zij was nu tevreden, omdat +hij die dwaze gedachten behouden had. Ze kreeg verder te wete dat hij +als ingenieur aan een bronsfabriek verbonden was, en het stilde haar in +hare moederlijke bezorgdheid; hoe danig zij ook deze bezorgdheid met +sterke beredeneeringen wilde versmooren, zij was bezorgd, tegen wil en +dank zich moeder voelende.</p> + +<p>Een nieuw voorval wierp haar ten derde male te bed. Madeleen beviel van +een dochterken. Meteen verzonk haar laatste hoop, want ze wist dat +Romaan nu voor altijd vastegeklonken lag. Ze wilde Rik's noch Albien's +troost ontvangen en Goedele ook moest verwijderd blijven. Van dien dag +af begon de koffiehandel te slabakken. Er ontstonden onlusten onder de +werklieden, en kleine muiterijen maakten Ursule en vooral Rik uitermatig +benauwd. Toevallig konden ze, ver beneden de weerde, het huis koopen van +een gevallen edelman, in een rijkemanswijk der stad. Ursule verkocht +haren handel en nu gingen ze rentenieren. Albien zou voortwerken op zijn +bureel. 't En deerde hem niet te vele, en 't bracht schoon geld op.</p> + +<p>De nieuwe woonste was prontelijk gelegen, boven de stedelijke warande, +en over de breede vaart. 't Was een groot hotel, met, achterwaarts, een +heerlijk park en een lochting vol bloemen. Aangename breede wegels +liepen erlangs, allen saamkomend op een open terras, waar 't in den +zomer krioelde van gloeiende of klaterende rozen. Het huis zelve was een +vierkante massa met gelijke vensters. Talloos waren de kamers. Ursule +achtte het nutteloos alles te meubeleeren. Ze had zich het huis voor +eigen genot niet aangeworven: 't Was meer weerd dan 't geld dat zij er +aan besteed had, en zij en zou al die kamers niet nutteloos gebruiken. +Zoo bleven er een groot aantal leeg en vele luiken werden nooit +ontsloten. Dat gaf aan deze woning een doodsch en akelig uitzicht en na +enkele maanden verwierf zij ook in den geest der naburige menschen een +geheimzinnige beteekenisse. Drijmaal daags zagen zij 't zware hekken +opengaan: in den vroegen morgen, als Albien traagtrippelend naar 't +Ministerie trok, later, omtrent tien uren, als Marie, de dienstmeid naar +de markt moest, en 's avonds nog, als Albien terugkeerde. 's Zondags, +bij de eerste uchtendure, gingen Ursule en Rik naar de kerke. Dichte te +noentijd was 't de beurt van Goedele en haar vader. Zoo was de gewone +gang gedurende vier jaren en heel zelden werd er eene verandering aan +toegebracht. De menschen babbelden ondereen.</p> + +<p>—'t Is een spokige femilie, zeiden ze.</p> + +<p>En ze pinkoogden of plooiden hun lippen heimelijk, gebarende daarmede +dat hier een wonderbare historie onder schuilen moest....</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Albien wandelde, te herfstevesperure, in den hof. Hij was nu een oud +ventje geworden, met grijze krulharen om een rondbollig, rood gezichte. +Hij snuffelde den lochting rond, met zijne diepe oogskens wroetelend +links en rechts. Alhier rechtte hij een gebroken stengel, aldaar kneep +hij een dorre bloem weg, alles in profijtelijke doening met voorzichtige +vingeren betastend en bestreelend. Altemets maakte hij zijn eigen lastig +om een vertrapt plantsoen, maar zoetig was zijne ongedurigheid en dan +liep hij verder al mummelend:</p> + +<p>—Tet-tet-tet....</p> + +<p>Hij tort de wegels langzaam plat, kon nievers een papierken zien liggen +en dook seffens de minste onregelmatigheid. Hij wilde alles in gelijke +effenheid zien schoon wezen. De palmboomen moesten zorgelijk gesnoeid en +gekapt worden, de graspleinen vlak gemaaid. Hij had deugd als niets meer +buitensporig was, en liet zich daarna wat rusten op een der groene +banken. Van daar bewonderde hij den tuin, volgde met liefde de sierlijke +vaart der baantjes, de plezierige reke zonnebloemplanten, de kleine +wilgen met zilveren tronk, en alginds het hooge gebladerte, rossig, +bruin, gloeiend en geel. Hij pinkte af en toe een kruideken of een +stofken van zijn bruine veste, en lei bij tijden een plooi rechtte in de +vouw van zijn knie. Vervolgens trok hij voorzichtig een boeksken uit +zijn zak en zette zich te lezen. Albien was een zwakke geest, geleid +door allerlei manieën. Op zijn bureel was hij een niet-denkend mensch, +een weerlooze schakel in de administratieve keten. Hij ging gewillig met +de omstandigheden mee, zonder die te bespreken; hij bekampte ze in elk +geval nooit. Zijn leven was zonder passie. Hij stortte maandelijks al +het geld, dat hij won in de handen van Ursule, die altijd stiptelijk +naging of de afkortingen voor de pensioenkas goed berekend waren. Hij +hield geen duit achter. Hij kreeg van Ursule alle weken éen frank, en +hij meende dat hij ook niet meer noodig had. Hij kocht daarmee altemets +een dagblad, altemets een pakje nieuw zaad voor den lochting, meermaals +echter een vijfcentenboekje. Die boekjes lagen in een klein winkelken +van de benedenstad te koop achter de ruiten. Hij bleef eerst lang vóor +'t raam staan eer hij binnenging. Hij moest ze allemaal eerst +buitenwaarts bekijken, en de titels lezen en in zijnen geest dan +vergelijken, om endelijk goed te weten wat hij nemen zou. 't Waren +raadselboekjes, boekjes met charaden, met goocheltoeren, met +wonderzottigheden.</p> + +<p>Hij verkoos over 't algemeen de goocheltoeren of het stekjesleggen, en +dergelijke, waar hij zich tot laat in den avond mee kon bezighouden. +Verhalen en dwaze perten, daar hield hij minder van.</p> + +<p>—Onnoozele dingetjes, zei hij.</p> + +<p>Hij peinsde dat hij een "vinder" was. Hij kon uren en uren nadenken over +de oplossing van een raadsel. Achteraan in het boekje stonden de +oplossingen gezamenlijk gedrukt, maar hij zocht eerst minstens een dag +of drije eer hij 't opgaf. Dan was hij moedeloos. Hij beweerde dat de +vraag onduidelijk gesteld werd, en achtte zich daarom slechts half +overwonnen.</p> + +<p>Hij was nu een boekje over het dominospel aan 't lezen. Hij doordacht +het en herdraaide in zijn hoofd de zinnen. Met een droog takje begon hij +naderhand op den grond teekeningen te scharten—al vierkantjes en halve +vierkantjes. Hij bezag dan dat ruitwerk met gedwongen aandacht, herlas +enkele regels van 't boekje, was weer aan 't kijken en 't wrijven en 't +teekenen.</p> + +<p>—Dobbel zesse hier....</p> + +<p>Hij was opnieuw bezig.</p> + +<p>—Dobbel vijf aldaar....</p> + +<p>Hij hief zijn voeten op om plaatse te maken en moest nadien toch +heelemaal op de bank kruipen om zijn beenen uit den weg te krijgen. Zoo +zat hij te raden en te rekenen en te kijven met het boekje of met zijn +eigen vorig idee....</p> + +<p>Er werd gebeld en Marie deed het hooge hekken open. Albien zag +Sebastiaan Vrebos door de voorzichtige splete te voorschijn komen, en +hij vouwde fluks zijn blaarkens bijeen om hem vóor te loopen.</p> + +<p>—Wel! wie dat er dáar is!</p> + +<p>Hij was in den grond wel niet erg met die komste ingenomen. Hij meende +zijn verveling door overdreven wellekomwoorden te moeten verbergen.</p> + +<p>—Mijn arme jongen, die zoo verre geweest zijt....</p> + +<p>Hij nam hem een pakje af en nog een pakje. Hij vatte hem bij den arm.</p> + +<p>—En nu danig vermoeid zijt, zeker danig vermoeid zijt.....</p> + +<p>Daarbinst viel 't ijzeren hekken met zijn bekend geruchte toe, achter +hem.</p> + +<p>—Niet zoo erg toch, beste heer, lachte Sebastiaan.</p> + +<p>—Och!... en Goedele zal zóo tevreden zijn. Ze was ook dagelijks bezig +over u, het brave kind. Ei! dat zal hier een aardige avond zijn.</p> + +<p>Hij dacht nu aan het soepee. Ursule zou wat goeds gereed maken bij deze +gelegenheid, en daarvan zou hij evengoed als Rik misbruik maken. De +gewone eetmalen waren ook zoo erg gewoon, zoo eender tevens en zoo grof. +Als Sebastiaan thuis kwam werden ze beter verzorgd en kwam er bovendien +nog een lekker extra bij. Dat bracht hem in zijn schik.</p> + +<p>—En hoe liep de reis af? Wat een heerlijk land moet het zijn ginder!</p> + +<p>—In de reden, ja—maar het land heb ik juist niet veel bekeken.</p> + +<p>—Al bergen en stroomen, meen ik?</p> + +<p>—Veel bergen....</p> + +<p>—Och!... en daar zult ge ons aan tafel van vertellen.... Wel Djeezes! +als ik nu bedenk dat ik oud ben, en niets hebbe gezien! 't Zijn dingen, +'t zijn dingen!</p> + +<p>Hij trok hem mee naar het terras. Sebastiaan kende die manieren. Ze +walgden hem voor 't meerendeel; hij deed evenwel zijn best om zich +buiten bereik te houden en liet dan liefst een onbeduidend vriendelijk +lachje op zijne lippen versteenen, bij wijze van antwoord. Hij kon de +familie Wilder moeielijk lijden—Goedele toch had hij innig lief, en +haar schoon gelaat, daar berustte hij in, en het troostte hem over 't +valsche gezwets, dat hem gedurig krenkte.</p> + +<p>Op het terras stonden Ursule en de stokoude Rik. Ursule ontving hem met +open aangezicht en een streelenden blik.</p> + +<p>—Welkom, mijn vriend.</p> + +<p>—Hertelijk dank, mevrouw.</p> + +<p>Hij drukte hare hand en de koude vingeren van grootvader. Hij zei een +reke vage woorden, binst dat Marie hem van zijn overjas en zijn hoed +ontlastte.</p> + +<p>—De jongen heeft bergen gezien, riep Albien.</p> + +<p>—O ja....</p> + +<p>Ze omringden hem en vielen hem lastig met allerlei zoetigheidjes. Hij +had een ivoren kistje medegebracht voor mevrouw Wilder en een heel +wonderbaar gedoe voor mijnheer Wilder—een Zwitsersch huizeken, +teenemaal gemachineerd, met een kleppend horloge en een beiaardspel en +twee werkende figuurtjes—en nog een zilveren snuifdooze voor den ouden +heer. Ze moesten alles dadelijk bezien en bewonderen, en hunne +dankbaarheid in breede geuten uitwerpen. En Ursule zei:</p> + +<p>—Dat moest ge nu toch niet gedaan hebben.... Ze betastte haar kistje en +beloerde de zilveren dooze van Rik. En Rik sprak met een lage stem, die +ook zich liefelijk te wenden probeerde:</p> + +<p>—Ja, dat moest ge nu toch niet gedaan hebben.... Hij had liever een +zwaarder dooze gekregen, maar hij keek zijne oogen algelijk zat op het +schitterend geflikker der ciseleeringen van het deksel.</p> + +<p>—'t Is een kunstwerk.</p> + +<p>Hij woog het in zijne ervaren handen.</p> + +<p>Na een stonde kwam Goedele staan in de opening der deur. De noesche +avondzonne straalde open langs haar lichtbruine kleed en teekende er +gloeiende plooien. Haar gelaat klaarde zonderling op uit de donkere +diepte der kamer, achter heur. Ze keek naar Sebastiaan en een flauwe +glimlach krulde om haren mond, maar hare oogen hadden verre blikken, +verwijd in stille droefenis. Sebastiaan boog zijn lijf naar haar, en +deed een stap voorwaarts, en hief trage en bekoorlijk zijne armen op.</p> + +<p>—Goeienavond, Goedele.</p> + +<p>Hij voelde zijn herte weggaan van hem. Hij voelde zich leeg worden en +pluimlichte. Hij omvatte in de stille straling zijner liefde deze vrouw, +die groot en schoon en beminnelijk was.</p> + +<p>Zonder haaste en zonder drift, met eene zachte moeheid in de stem, zond +ook Goedele hem haren groet.</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h3><a name="hIII" id="hIII"></a>III.</h3> + + +<p>Als mijnheer en mevrouw Devleeschhouwer, en hunne dochter, juffrouw +Bella, en Alfred hun zoontje waren aangekomen, ging men aan tafel +zitten. 't Was eerst een lustig gepraat ondereen, een wederzijdsch +complimenteeren dat wegvlood in luttele woordekens, met lachjes erlangs.</p> + +<p>—Wel, mijnheer Vrebos, schetterde het nooit moede stemmeken van +juffrouw Bella, wel, mijn goede heer, hoe zonnig ook het verre land is, +hoe zonnig toch is 't huis waar verlangende herten wachten....</p> + +<p>Ze loerde daarbinst naar Goedele met liefelijke blikken, en draaide +haastig omme haar ongedurig lijf en gilde:</p> + +<p>—Oh! l'amour!</p> + +<p>Elkendeen had zijn aangewezen plaats in de eetzaal. Men zette zich neer +en frommelde de servetten open, naderhand met luie vingeren de vork of +den lepel takend, die bij poozen alzoo te rinkelen begon. Mijnheer +Wilder vroeg met groote belangstelling aan Alfred hoe 't nu zou afloopen +met het najaarsexamen. De jongen was blijkbaar met deze vraag niet erg +ingenomen, en antwoordde al blozend dat hem de uitslag wel gunstig +toescheen.</p> + +<p>—De jongens hebben het tegenwoordig zoo druk met het leeren, zei +mevrouw Devleeschhouwer.</p> + +<p>Het was ook de meening van mijnheer Wilder.</p> + +<p>—Wat zullen ze nu al uitsteken met hun Grieksch en hun Latijn?</p> + +<p>Maar mijnheer Devleeschhouwer vond het uitstekend, dat men zonder +deernisse in de athenaea met de leerlingen omging.</p> + +<p>—Dat hebben de kerels van doen.</p> + +<p>Hij rondde zijnen buik om gewicht te geven aan zijn gezegde en liet de +gouden ketting rotelen, die er als een vloek op te klateren hing. +Mijnheer Wilder was een dik mensch met enge schouders en een uitermatig +hoofd, kaal en zijpelend onder het gaslicht. Hij krulde alle uchtends +zijne rosse knevels met een warm ijzer, zoodat die gedurig triomfelijk +ommebogen en met een scherp puntje rechtkwamen. Te midden zijne vettige +kin vlekte daar zijn bokkebaardje, een donker hoeksken. Hij Wilde er +martiaal uitzien en deed zijn best om zijn lomp hoofd naar een +officiersmodel te scheren. Mijnheer Devleeschhouwer was een man met een +gemist ideaal, daarom ook een diep-ongelukkig wezen. Hij drukte nog +dikwijls zijne spijt uit daaromtrent en deed het altijd met zoo 'n lage, +droeve stemme, dat men algauw beseffen kon hoe danig hij gekrenkt, +geknakt, gebroken was erdoor.</p> + +<p>—Ik en hebbe naar 't gebod der Voorzienigheid niet geluisterd, zei hij.</p> + +<p>'t Gebod der Voorzienigheid, zoo heette hij zijne roeping. Hij werd, +meende hij, voor den degen geboren, tot meerder heil van zijn vaderland +en van zijn vorst. Maar hij had naar 't gebod niet geluisterd; hij had +zelfs in de burgerwacht zijne kans voorbij gekeken. En nu was hij oud. +Nu was het te late. In de burgerwacht, door onlangs gestemde wetten +heromgewerkt, zou hij nooit binnengeraken. Zijn troost berustte +sindsdien op een militair uiterlijke, dat hij bijna verkrijgen kon, dank +zij een gestadige aandacht, een koppige inachtneming. Hij droeg schoenen +met hooge hielen. Hij gaf jaarlijks een rond sommetje om eerevoorzitter +van een oud-korporalenkring te blijven. Zijne kravatspelde was een +gouden kanon met allerliefste diamanten wielkens. Hij had een breeden +ring met een miniature van Leopold I, en binnenwaarts had hij er in +gothische lettertjes doen graveeren: "Pour Dieu, pour le Roi et pour la +Patrie."</p> + +<p>Hij sprak grof en probeerde altemets brutaal te zijn.</p> + +<p>—Wel—Heere, zei mevrouw Devleeschhouwer, ge vindt het hier aan tafel +wel goed dat men de kinderen afbeult ter schole, en als de jongen +hoofdpijn heeft, zijt-de al seffens zelve aan het janken....</p> + +<p>—Eulalie! berispte mijnheer Devleeschhouwer.</p> + +<p>Hij en noemde in gezelschap maar ten uiterste zijne vrouw bij haren +voornaam. Zij en mocht hem in zijne weerdigheid niet kwetsen. Maar +Eulalie was een zeer lichtzinnig oud wijveken, met een bijtend karakter +en sluwe manieren. Zij heette haren vent kortaf Nestor. Hij ware +gelukkig geweest, als zij hem op soirée had willen aanspreken met een +deftig "mijnheer Devleeschhouwer".</p> + +<p>—Mijn advies is ook dat men streng moet zijn, sprak Rik.</p> + +<p>Hij wendde zijne oogen zijwaarts op naar Ursule. Geheel zijn glad, +vierkantig aangezicht lijnde omlage naar 't puntje van zijnen neus, en +zijn tonge sleerde tweemaal overentweer langs zijne droge lippen. Omdat +Ursule zijn gezegde met ruste liet, hief hij met een schokje zijn hoofd +omhooge en zijn mond viel open in een hatelijken grijns:</p> + +<p>—Wat een woord niet taken wil, taakt de zweepe!</p> + +<p>Ursule zei:</p> + +<p>—Vader, ge moet zachte zijn....</p> + +<p>Hij droop haast weg in zijnen stoel en bleef er koes ineengedrongen, +endelijk toch schokschouderend en zijn kinne met een koppigen ruk +opduwend. Bella bracht het gesprek op een ander onderwerp, en vroeg, +zoeterig lachend, aan Goedele of Sebastiaan nu wat van zijn reis +vertellen mocht.</p> + +<p>—Dwing hem met uw lieve handjes.</p> + +<p>Ze schetterde en vond hare eigen woorden dol leuterig, en gilde in een +lachbui:</p> + +<p>—Ma chère!</p> + +<p>Marie bracht de soep, die al zeere op de tafel, in elkendeens schotel, +te dampen stond. De lepels begonnen hun tsinkelend zilverspel en +schervelden langs de gladde tellooren met wrijvende geluiden. Sebastiaan +boog zich over tafel en zijne linkerhand deed al wuivend een stil +gebaar:</p> + +<p>—Laat juffrouw Bella maar bedaren—ze krijgt wel wat praats, als ze mij +hierom genegen is.</p> + +<p>—Een beetje soep nog? vroeg mevrouw Devleeschhouwer.</p> + +<p>—Wel ja, wel ja, zei Albien.</p> + +<p>Goedele at langzaam en was precies zoo heinde en verre met hare +gedachten. Ze keek altemets naar een schitterende lichtvlek op den +spiegel, en bleef er dan staren, alsof ze geerne zich geleidelijk liet +wegvaren in gaande gepeinzen. Sebastiaan keerde zijne oogen naar heur. +Ze voelde meteen den toets zijner blikken en was seffens verlegen, even +glimlachend om vriendelijk te zijn. Hij werd ook hare verwijderingen +gewaar en fluisterde haar af en toe een onbeduidend woord toe, bij +manier van haar terug te roepen, haar bij te houden, dichterbij.</p> + +<p>—Waaraan denkt ge?</p> + +<p>—Aan niets, mijn vriend....</p> + +<p>—Goedele is nooit zonder gedachten.</p> + +<p>—Ik bekeek die bloemen....</p> + +<p>Hij vond nu ook die bloemen leelijk, monsterachtig. Goedele lachte, +omdat hij zelve ze besteld had. Hij bleef bij zijne meening, dat het +afgrijselijke wangedrochten leken, en dan, al waren ze in waarheid +schoone....</p> + +<p>—Ze zijn ondankbaar, zei hij, als ze u wegrukken van mij.</p> + +<p>Mevrouw Devleeschhouwer, die naast mijnheer Wilder zat, was druk bezig +met hem over zuinigheid en gulzigheid. Dat was gekomen naar aanleiding +van Alfred's ongemakkelijke doening. Alfred at met ongemeene +schuchterheid, al langetandend en muilkens makend. Aldoor loerde hij +naar Goedele en bouwde in zijn geest romantische toestanden, waar hij +den held en zij de heldinne was, en moeder moest hem stootjes geven om +hem te doen eten.</p> + +<p>—Hij eet zoo weinig t'onzent ook, zeide ze aan mijnheer Wilder.</p> + +<p>—De jongens moeten eten om groot te worden, was 't idee van Albien.</p> + +<p>Mevrouw Devleeschhouwer gaf hem gelijk, maar ze had toch liever een +zoon, die zuinig was, dan een doorvreter met gulzige manieren, die alles +verslinden kon en daar op een ende zou te zweeten zitten lijk een +trampeerd, en geweld te doen om niet onpasselijk te worden.</p> + +<p>—En als de examentijd er komt, weten de kinderen zoo vreeslijk van dat +folterend surmenage.... Lust gij nog een beetje spruitjes of wat +vleesch, mijnheer Wilder?</p> + +<p>—Wel ja—wel ja....</p> + +<p>Alfred zette zich te blozen, omdat moeder hem met dat woord "kinderen" +zoo kleineeren wou. Hij zag noesch op naar Goedele en onderzocht op haar +kalm gelaat, of zij 't beluisterd had. Albien klopte stillekens op zijne +schouders en zijn rood gelaat neeg naar 't zijne, in een breede bui van +vriendelijkheid.</p> + +<p>—Allo! allo! mijn jongen, steek nu uw hoofd niet zoo proppensvol met +vreemd gebrabbel en dolle cijferwebben. Vacantiedagen zijn er ook nog, +en die naderen bij tijde.</p> + +<p>Hij moest eens niezen, en bracht zijn servet over zijn gelaat, dat +naderhand purpergloeiend te voorschijn kwam, zijpelend van wellust. +'t Had hem alzoo deugd gedaan, en hij veegde zijne oogen drooge.</p> + +<p>—Vandaag moogt ge u deugd doen, zei hij.</p> + +<p>Hij keek naar een rijkelijken hamelbout, die vol souse onder een gulden +korste daar gloorde, triomfelijk en wonderbaar. Hij stelde bovendien een +overgroot belang in de matelijke gebaren van Ursule, die den wijn +inschonk. Mevrouw Devleeschhouwer bleek hem een weerdige gebuur-vrouwe.</p> + +<p>—Een glazeken roode? vroeg mevrouw Devleeschhouwer.</p> + +<p>—Wel ja, wel ja....</p> + +<p>Hij zei 't met geveinsde onachtzaamheid, alsof het hem niet schelen kon. +Hij slurpte zijn beker met korte geutjes leeg, en likte een wegloopend +dropken weg, profijtelijk. Hij gebaarde niet te merken dat Ursule hem +gestadig belonkte en wist wel dat zij hem morgen met allerlei +berispingen lastig vallen zou. Hij liet zich aan geen toekomstig ongemak +gelegen; 't was hier tegenwoordig goed....</p> + +<p>Bella en wilde Sebastiaan niet met vrede laten.</p> + +<p>—Zal ik u met het weinige, dat ik zag, tevreden stellen? vroeg hij.</p> + +<p>Hij vertelde van het landschap, van 't hooge gebergte, zoo heerlijk in +den avond, als 't laatste zonnegestraal in verre sneeuw blijft haperen +en er de zoete schakeering ligt van zijn vele verven; hij beschreef met +overgevoeligheid de subtiele harmonij der kleuren, opgaande van 't diepe +blauw naar 't vurende oranje. Zijne handen wuifden in sierlijke buiging +en zijne lange vingeren teekenden de kleinigheidjes, peuterden aan vage +tinten, beloken in wegdoezelende klaarten, stipten eene eigenaardigheid +ievers aan, of vielen neer, in vrome vouwing, lui en moede en zacht. Hij +kon zoo een stonde lang zich ommedraaien in fijnstemmige gezegden, en +zijne oogen keken binstdien de leegte door. Hij en had nooit driftige +woorden—hij vertelde alles op zangerige rythmen met altemets een +onbepaalde uitdrukking, die hij dan in een stijgen of dalen zijner +stemme verklaarde. En zijn aangezicht bleef djentelijk, omdat geen +sterke klank zijn mond vervormde. Hij was schoon. Hij sprak schoon.</p> + +<p>Bella boog zich over tafel en dronk aan zijne lippen die kunstige tale.</p> + +<p>—En Weenen?</p> + +<p>Hij wist van Weenen weinig. 't Was een moderne stad met veel lucht en +licht. Hij had geen bepaalden indruk. Hij had vooral schilderijen +bekeken.</p> + +<p>—O ja—Bos en Brueghel, zei Goedele.</p> + +<p>Ze was verlegen dat ze 't gezeid had seffens daarna, omdat het als een +vermindering klonk van Sebastiaans betrachten. Maar hij was niet +gekrenkt en meende dat het haar een vreedzaam geneuchte was daarvan te +hooren spreken. Hij noemde 't werk van Hieronymus Bosch een wonder. Hij +joeg de beelden achter mekaar, deed waarachtig in 't geluchte varen de +mirakelachtige schepsels uit de verbeelding van den schilder geboren. +Hij sprak van eene St. Antonius' tempteeringe, beschreef een vóor een de +monsters daar vereend—konijnenkoppen op kinderbeentjes, menschenbuiken +met oogen en een ooievaarsbek, vliegende draken, schertsende gezichten, +grijnzende muilen. Hij deed ze herleven en benauwd worden in groene +klaarten of wegschemeren in donkere spelonken. Maar hij was tewege warm +te worden als hij over Brueghel begon.</p> + +<p>—Brueghel is de meester boven de meesters, juffrouw Bella, en stellig +boven het begrip der menschen. Hij wist het leven uit te drukken in +waarheid en zijne uitdrukking, aldoor een uitslag van stijlsynthesis, +was een zuivere gave der kunst. Bij Brueghel vindt ge kleurharmonieën +die men sinds niet meer heeft kunnen bereiken, en elke kleur op haar +eigen ligt plat, effen, net. Hij dierf een hoop bonte boeren en krijgers +neerwerpen op een vlakken sneeuwgrond, en 't en stoot noch en krenkt +onze esthetische gevoelens: 't streelt en 't verwondert. Ik zag te +Weenen een Babeltoren, waar 'k nu geen woorden voor vinde, schoon +genoeg.</p> + +<p>Hij keerde zich zijwaarts naar Goedele.</p> + +<p>—Ik wou u dat alles dolgeerne doen zien.</p> + +<p>—Ja, mijn vriend?</p> + +<p>—Ik wou u doen taken deze hoogste hemelen der kunst, ik wou uwe ziel, +uw gansche vleesch eenstemmig maken met deze wijdste trillingen der +menschelijke ziele....</p> + +<p>—Ik ben u dankbaar hiervoor.</p> + +<p>Ze was stille, een zachte grens voor zijn uitgeworpen verlangens, stille +en ernstig. Hij voelde wel de vreemdte, die over haar bleef en niet weg +te drijven was met woorden, maar zijn herte lag open, zonder +angstvalligheid noch vreesachtige koorts. Hij betrouwde op haar. Hij was +gelukkig bij haar.</p> + +<p>Bella werd gloeiend rood en beet ongedurig op hare lippen. Ze was een +appel aan 't schillen en deed het zoo los en grove, dat mevrouw Wilder +het haar met een kort woord en een lachje opmerken deed. Ze keek met +schuchtere blikken op naar Sebastiaan en een wijlken bibberden hare +wimpers.</p> + +<p>—Weet ge nu niets van de menschen aldaar, mijnheer Vrebos? vroeg ze.</p> + +<p>Hij wendde naar heur zijne blauwe oogen, nog zat van Goedele's beeld.</p> + +<p>—Niets, juffrouw.</p> + +<p>—Wel—Heere! wat een zonderlinge reiziger, riep ze.</p> + +<p>Ze begon wrevelig en luidruchtig te lachen en smeet haast een kopje +koffie omverre, dat Marie haar even voorgezet had. Ze schetterde, bevend +en schokkend, voort en hare oogen kwamen vol tranen. Dan hief Rik zijnen +witten kop omhooge.</p> + +<p>—Hebben die monsters indertijd bestaan?</p> + +<p>Sebastiaan sprak van uitbundige verbeeldingskracht en fanatieke tijden +en probeerde klaar te blijven, met eenvoudige zinnen.</p> + +<p>—Maar hebben die monsters in tastbare gedaanten bestaan? vroeg Rik.</p> + +<p>—Zekerlijk niet....</p> + +<p>—Ha!</p> + +<p>Hij bukte zich en rok zijnen hals uit, blazend over zijne koffie en hem +trage en matelijk inslurpend. Mijnheer Devleeschhouwer beweerde dat er +nievers draken bestaan hadden.</p> + +<p>—En zeemeerminnen? fluisterde Rik.</p> + +<p>—Zeemeerminnen ook niet, zei mijnheer Devleeschhouwer.</p> + +<p>—Zeemeerminnen wel! zei Rik.</p> + +<p>Ze staken allemaal hun hoofd op. Rik was somber geworden.</p> + +<p>—Ik hebbe gezien, met deze oogen, die nog onthouden kunnen, een +zeemeerminne in 't witte schuim der baren.</p> + +<p>—Tèt ... tèt ... tèt, pruttelde Albien, wiens oogen begonnen te zwemmen +in wellust.</p> + +<p>—Ze schoof over 't water, als raakte zij 't niet. Ze dook zich en steeg +weer boven, en zij had een steert, zooals 't afgebeeld staat op de +prenten. Ze zong in den nacht. Ik weet het wel, vermits ik het gehoord +heb. En ik heb gehoord wat ze naderhand zei. Ursule weet het ook wel, +vermits ik het haar verteld hebbe, en van het ijzeren kistje weet ze +ook.... Ha! Ha! Dat weten wij!</p> + +<p>Hij knikte en zijn kinne kwam vooruitsteken en hij wierp een brok suiker +in zijn kopje. Ursule wees dat hier geen aandacht op te vestigen was en +met uitermatige vriendelijkheid vroeg ze aan Bella of ze niet eens +zingen wou. Mevrouw Devleeschhouwer prees al dadelijk de nieuwe +zanglessen, die Bella van een Italiaansche dame ontving.</p> + +<p>—Een echte artiste ... en zoo heerlijk dat ze trilleeren kan!</p> + +<p>Bella moest rechtstaan en iets laten hooren, en dan zou mevrouw Wilder +en mijnheer Vrebos zelf oordeelen kunnen.</p> + +<p>—Zing ereis van "Sur la rive solitaire"....</p> + +<p>—Een danig oud ding toch niet, mama.</p> + +<p>—Ho! maar dat vind ik juist zoo'n schoon stuk!</p> + +<div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">Sur la rive solitaire,<br /></span> +<span class="i0">Loin de toi je désespère....<br /></span> +</div></div> + +<p>Het is fijne muziek, Bella.</p> + +<p>Mijnheer Devleeschhouwer vond ook dat het fijne muziek was, en dat zij +best dees lied zou kiezen. Juffrouw Bella verkoos echter "Les petits +pavés". Dat was aandoenlijke zang, en Alfred kon ook geen ander +fatsoenlijk begeleiden.</p> + +<p>Ze zong met een aangename stem, niet zonder eene gevoelerige +gemanierdheid nochtans. Ze bleef altemets aandringen op een toon en +maakte dramatische effecten daarmee, den klank warm en vol afrondend in +den beginne om hem naderhand te doen uitsterven in smachtende +halve-tinten. Als ze, bedrogen door heur eigen spel, hare oogen voelde +nat worden, neep ze die halvelings toe, zoodat het licht op hare wimpers +in de tranen fonkelde. Erdoor waterden hare bezweken blikken zijwaarts +toe naar Sebastiaan, en hare woorden trilden in deze stonde waarachtig +van hopelooze droefenis. Bij de laatste strofe zonken hare armen neere, +en binst de endakkoorden van 't klavier bleef ze nog staan, en haar +gezichte bewaarde swijlens zijne smartelijke uitdrukking.</p> + +<p>—Bravo! bravo! riep mijnheer Wilder.</p> + +<p>Elkendeen juichte haar toe.</p> + +<p>—Wat een allerliefste stem! zei Ursule.</p> + +<p>—En hoe zij die te leiden weet! zei mijnheer Vrebos.</p> + +<p>Mijnheer Devleeschhouwer peuterde aan zijn baardje en knikte goedkeurend +en luisterde met welbehagen naar mevrouw Wilder, die de kwaliteiten van +dezen zang overschatte. In den grond hield zij er niet van: het lied was +lamlendig en éentonig, en het docht haar dat Bella lijk een ziekelijke +katte daar te miauwen stond.</p> + +<p>—Het is heerlijk! zei ze en, met een veelbeteekenend stootje van hare +onderlip, lachte ze Bella toe.</p> + +<p>Alfred droop naar zijne plaats terug en zat er, lijk te voren, met +roerlooze oogen te turen naar Goedele. Maar mijnheer Wilder gaf hem nu +duwkens in zijn zijde en fluisterde hem een breede uitlegging toe +omtrent allerlei mekanische tuigen. Mijnheer Wilder was eenigermate +onder den invloed van den wijn geraakt; zijn aangezicht vuurde lijk +laaie karbonkelgloed, en roode vlekken beglansden zijn bolle voorhoofd. +Het zwitsersch huizeken, dat Sebastiaan hem had meegebracht, kwam +gestadig vóor zijn geest, en hij hoopte dat hij het straks aan Alfred +zou kunnen toonen. Hij wilde bij Alfred belang verwekken voor het +huizeken, omdat hij zelf 't zou te zien vragen. Hij wist dat Ursule hem +niet toelaten zou het uit te pakken, als hij er uit eigen beweging van +spreken zou.</p> + +<p>—Alfred zal 't verkrijgen, peinsde hij.</p> + +<p>Hij probeerde Alfred te bewegen. Hij wilde 't voorzichtig doen, vertelde +eerst van automobielen, van elektrische trams. 't Begon Alfred alseffens +schrikkelijk te vervelen.</p> + +<p>—Te Straasburg is er een wonderlijk horloge, zei Albien.</p> + +<p>Hij lei uit hoe daar eenthoeveel apostels en groote personagen bij 't +slaan der klokken te werke gingen en draaiden en keerden en zwaaiden met +hunne bronzen armen.</p> + +<p>—Maar een huizeken in hout, een beiaard daar in, en een vrouwken en een +manneken, alles schoone ingewikkeld, jongen—hebt ge dat al ievers +gezien?</p> + +<p>—Neen ik, zei Alfred.</p> + +<p>—He wel! ik hebbe er zoo een!</p> + +<p>Alfred staarde naar Goedele's vingeren, die om een zilveren lepelken +verduldig werkzaam waren.</p> + +<p>—Ik hebbe er zoo een, herhaalde Albien, al duwend in Alfred's leên.</p> + +<p>Maar een luidelijk gedruisch kwam in de straat, onder de vensters, en +alle woorden vielen meteen. 't Was een stijgende zang uit honderden +kelen, een rommelend rumoer onderbroken door dreunend trompetgeschetter. +Als de ruchtige stoet voorbij was en in een nevensteeg ging wegdoezelen, +lijk somtemets de winden doen alover verre daken, was in de eetkamer een +ongemakkelijke stilte meesteresse.</p> + +<p>—Werkvolk, zei Rik na een stonde.</p> + +<p>Mijnheer Devleeschhouwer deed onachtzaam al spelend zijn leeg tasje op +tafel ommentweer rollen. Ze begonnen allemaal seffens dooreen te +spreken. Ze wierpen een woord alhier en aldaar en ze waren koortsig.</p> + +<p>—Weer een meeting....</p> + +<p>—Weer een vechting....</p> + +<p>—Weer 't bedrijf van Zondag—een ophitsen, een losloopen van +gewelddoeners.</p> + +<p>—Wat een tijd, wat een tijd!</p> + +<p>Mevrouw Devleeschhouwer herhaalde:</p> + +<p>—Wat een tijd! Wat een tijd!</p> + +<p>'t Was verkiezingsweke. Onlangs was er geweld gebeurd, een muiterij in +'t lage der stad, een omnibus omverre geworpen en steenen uit de +kasseide gehaald. Drij dooden.</p> + +<p>Rik mummelde dat het een hoop met beesten was.</p> + +<p>—Ze willen muren inbreken met hun voorhoofd.</p> + +<p>Mijnheer Wilder meende dat die menschen veeleer ongelukkig dan slecht +waren. Hij zei 't ronduit. De regeering was onrechtveerdig, of zij wilde +niet rechtveerdig genoeg zijn.</p> + +<p>—Elkendeen moet te eten krijgen.</p> + +<p>—Maar elkendeen moet werken, ronkte Rik, en dees zijn opgestookte +leeggangers.</p> + +<p>—Ja, sprak Ursule, kort en hard.</p> + +<p>Sebastiaan peinsde ook dat de volksbeweging de maatschappij tot het +uiterste kwaad leiden zou.</p> + +<p>—Wij zullen nooit en nievers allen tegelijk gelukkig zijn. Er zijn +uitverkoren en verworpen wezens. Er moeten meesters zijn en slaven. +De huidige democratie is de ondergang der kunsten, en maakt 't +luilekkerland der middelmatigen. 't Getal domme menschen zal altijd +grooter blijven dan 't getal verstandige—zij zouden dus 't +hoofdzakelijke bestuur kiezen? Wij gaan geleidelijk naar 't verderf, +omdat wij, uit leelijke deernisse, de onderste menschenlade niet +opofferen durven.</p> + +<p>Goedele meende dat die deernisse niet zoo leelijk was en dat het volk, +tot hooger besef zijner plichten komend, stilaan zich verstandelijk +ontwikkelen zou.... Er geraakte in huis een ongemoedelijk geluchte. Men +voelde allentwege een wrevelige kilte, en men loerde naar de plate van +'t horloge. Mijnheer Devleeschouwer moest nog zijne denkwijze kenbaar +maken.</p> + +<p>—Kwart over tien, lispelde zijn wijf met geveinsde onverschilligheid. +Maar mijnheer Devleeschhouwer hield er bepaald aan ook zijn woord te +plaatsen en hij deed het met de noodige deftigheid. 't En was, volgens +hem, niet kwaad dat er af en toe een onlustje onder dat sociaal-minnend +boeltje ontstond. Dat was eene gelegenheid om de sterkte der politie te +staven. Hij hief zijne armen omhoog en werd praatziek:</p> + +<p>—Hoe loopt zoo'n opstand gemeenlijk uit? De politie neemt stevige +maatregelen, de stoeten worden ontbonden, de burgerwacht, steunpilaar +onzer huiselijke rechten, wordt bijeengeroepen en bezet alle straten. +Als ik zeg alle straten, zal mij niemand tegenspreken. Wat hebben wij +verleden Zondag gezien? Wat hebben wij in de dagbladen gelezen? Ik +ontmoette majoor Cnaps. Hij zei: "De wet zal geëerbiedigd worden." Ja +dat heeft hij gezegd.... Ik vind niets ter wereld schooner en statiger +dan een officier der burgerwacht. Majoor Cnaps is ook een fier en +heerlijk man, niet waar mevrouw Devleeschhouwer? Dat is nu wel de zaak +niet, maar 't is eender. Een oproer blijft voor mij een deugdelijk +verschijnsel.</p> + +<p>Elkendeen was allang te wege op te staan. Bella sprong endelijk rechte, +met een lach verwittigend dat het laat werd. Ursule bracht hier tegen in +dat het morgen rustdag zou zijn en er dan geen bezwaar was om nog een +uurken te blijven; ze deed het echter heel lauw en meest bij wijze van +beleefdheid. De stoelen werden alhier en alginds verschoven, en Goedele +ging in de voorzaal 't gaslicht aansteken. Ze hielp mevrouw +Devleeschhouwer en Bella zich aankleeden en schikte hunnen hoed en +speldde hun vool vaste.</p> + +<p>Ze hoorde ze op den hof vóor 't hekken nog groeten en naderhand hun +gemompel over de straat stille weghorzelen. Ursule was algauw in de +keuken om inspectie te doen, en Albien scherrelde met zijn Zwitsersche +dooze naar zijne kamer. Rik bleef zitten voor de leege glazen. Goedele +zuchtte diepe. Ze tort naar het terras en bleef er een oogenblik staren +door de donkerte naar de boomen, die in eentonigen avondzang te ruischen +stonden, op de mate van den gelijken wind. Ze werd naderhand Sebastiaan +gewaar achter heur, en draaide zich omme.</p> + +<p>—Gij?</p> + +<p>—Ja....</p> + +<p>Hij nam hare hand en drukte die en omving hare schouders, trage haar +hoofd neerleggend op zijne borst. En in heur haar fluisterde hij zachte +woorden. Ze was gestreeld erdoor en liet zich streelen, en zijn warme +asem was een aangename jeukte over haar hoofd.</p> + +<p>—Wat hebbe 'k gedacht aan u, mijn Goedele!</p> + +<p>Hij zocht naar lijze zinnen en wrocht ze zorgvuldig zaam in zijn geest +tot een lange lispeling, een lispelende zoetigheid. Hij peuterde aan +zijn gevoelens tot het ruchtlooze vlindervlerken werden of een geest +zonder gedaante. Hij en liet geen vezelken zijner ziele onaangeroerd, +hij zei alles wat in zijn liefde tot een woord kon vervormd worden.</p> + +<p>—Ik keek naar een sterre, en voelde precies dat haar stralen u taakten.</p> + +<p>En Goedele liet overhaar neerkomen die stroom, die warmte, die +vrede—tot zijne lippen meteen haar voorhoofd toetsen kwamen. Ze boog +zich en sleerde uit zijne armen en stond dadelijk in 't volle licht der +eetzaal. Hij sprak niet meer. Hij nam zijn overjas, en stak een sigaar +aan. Hij drukte even hare hand en kustte die vluggelings, en vertrok.</p> + +<p>Moeder kwam aangeloopen en moest nog alles nazien op de tafel, de lepels +tellen, de vorken, de suikertichelkens.</p> + +<p>—Waarom ontvangen wij dat volk? mummelde ze.</p> + +<p>Ze troostte zich met het idee, dat het nu hare beurt was en dat ze +ongenadig zou zijn bij Devleeschhouwers en maar doorvreten zou. Het was +sinds jaren zoo.</p> + +<p>Goedele ging slapen. Ze tort hare killige kamer binnen en miek licht. +Haar venster stond nog open en 't vrije geluchte joeg in breede vlagen +ommentweer. Ze belook de ramen en huiverde een endeken. De keerse stak +weldra een rustig vlammeken omhooge en wierp schier roerlooze schaduwen +tegen de muren. Het bedde stond hagelblank en vouwrijke gordijnen vielen +erlangs, doorzichtig in 't gele uitspattende licht. Vóor een vierkant +tafelken, ook met een witten geborduurden doek bedekt, zette Goedele +zich neere en bleef er den avond herdenken in hare luie gepeinzen.</p> + +<p>Ze was moe. Ze haperde aan wrevelige herinneringen, al kleinigheidjes +die groot werden in haren geest en waarmee ze dan een gedwongen +hopeloosheid wilde bewijzen. Ze redeneerde tegen haar eigen zelve en +gebruikte daartoe de minste gebeurtenis. Nimmer had ze met meer +zekerheid de ijdelheid gevoeld van dees huis, de ijdelheid van dees +leven. Het soepee walgde haar. 't Kwam in groote geuten naar haar hoofd, +en al die menschen, elk met zijn particuliere dwaasheid, waren leelijk +en terugstootend. Het beeld van mijnheer Devleeschhouwer krenkte haar, +en zijne nietige vrouw, waanzinnig in kleine eerzuchtjes, kon ze niet +verdragen. Bella ook werd haar een folterend hysterisch popje, aldoor +smachtend en aroetekoeënd en potsierlijk. Hare ouders zelve bezeerden +hare gedachten—moeder was valsch en vader was klein en grootvader was +vrekkig. Ze zag nog den zwaren nekke van Alfred, binstdat hij op 't +klavier spelend was, en zijn droog haar saamloopend, tenden zijn bolle +hoofd, tot een stekelig sterreken....</p> + +<p>Ze achtte zich, met een haastigen schok, verveeld en vernederd door +eigen verbeelding. Ze kleedde zich uit en vlocht heur haar bij dichte +stringen en wond die in een kanten kapje saam. Ze stond nadien vóor den +spiegel, bloothemds, en bekeek de schoonvervige naaktheid van haren +hals, hare opwellende borsten, hare armen. Ze was groot en geweldig en +majestatisch. Ze kwam haar eigen meteen voor als een aanbod, als een +koopveerdige voorstelling, als een die zich niet bezittend was en +eigendom zou worden. Een stijgende fierheid sloeg, met den stevigen klop +van haar bloed, tegen hare slapen en ze voelde zich machtig, boven 't +gepeuter en de ellende van dees huisgezin, boven al de luttele woorden, +die flauwasemend neerzegen, menig en vederlichte. Ze wilde een forsig +gezegde beluisteren, den vurigen toets van mannelijke armen belijden, ze +wilde zich verdedigen met hare tastende handen en toch overwonnen +worden....</p> + +<p>Ze viel neer op haren stoel, sidderend en hijgend. Ze dacht aan +Sebastiaan, hoorde nog het zoeterig gefluister zijner liefde, zag nog +het vroom gebaar zijner kunstige lippen, en zijne oogen, diepe en +stille, zijne blauwe oogen. Ze werd, in éen scherp zicht, gewaar dat hij +over haar niet heerschen zou, dat zij hem gewillig verdragen zou, en hem +in dankbaarheid voor vredige uren liefhebben. Zij en bereikte, met een +verste gepeins, geen wijde hoop in de toekomst, en haar hoofd zonk op +hare borst, verduldig, begrijpend dat het niet denken mocht. Ze vatte +langs alle kanten van haren geest, dat haar lot verveling was en dat +geen schoon geweld haar driftverlangen zou bedaren.</p> + +<p>Ze weende nu en had deugd daaraan, en haar lijf snokte opwaarts, met +haar hortend snikken mee....</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + + +<h3><a name="hIV" id="hIV"></a>IV.</h3> + + +<p>Het was 's anderen daags frisch en leutig weer. De zonne had in den +morgen een lagen mist verscheurd en wapperde tegenwoordig in een blauwen +hemel, lijk bij uitkomend lentegetij. Goedele zou naar Romaan gaan. Het +hekken viel luidelijk dichte achter haar, en nu tort ze over de straat +en hare hielen klonken pleizierig op de koude steenen. Ze voelde zich +vrij en keek alles genegen toe, alles liefelijk ontvangend wat zich +voordeed. Ze bleef altemets de uitstalling der groote magazijnen +bekijken, en 't was een waarachtig geneuchte voor haar. Ze stelde er +algauw een groot belang in en bleef hier en daar haperen en +lanterfanten, kiezend en afkeurend en aannemend met een knikje. Ze +bewonderde in een engelsch confectiehuis een prachtig kareelbruin kleed +uit zwaar laken, ruime pagodemouwen met oranje zijde gevoerd en bezet +met zachten marterpels, een kraag met gulden franjen en zoo nauwkeurig +met blinkende knopjes bezoomd, regelmatig te reke.... Ze had goesting +naar zoo'n dracht, die haar rijkelijk maken zou en begeerig. Ze zou dien +breeden rok voelen kloppen, gewichtig en wijdplooiend, om hare voeten.</p> + +<p>Op een hoek der groote middenlaan, stapte een sierlijke dame uit haar +coupé. Even werd haar kleine leest in een ruischend gefrutsel van kant +en satijn zichtbaar, en ze liep, al wippelend, een pasteiwinkel binnen. +Goedele loerde ze nog na, benieuwd voor wat ze koopen zou, en ze merkte, +achter de laden taartjes en suikergoed, hoe zij te kiezen begon en +naderhand zich aan een luttel mokkakoekje te snuisteren zette. En ze +beneed bijna deze vrouw, die schoon en wispelturig en vrij was in hare +doening. Zóo, lijk deze, wilde ze worden—zoo, handelend naar beliefte, +en geliefd naar haren zin. Ze zou ook genieten van den vroegen morgen en +uitrijden in de uchtendkilte. Ze zou ook links en rechts binnen gaan, +toevallig. Ze zou ook bijten in zoo'n taartje, met volle tanden, en ze +zou trek hebben ernaar.</p> + +<p>Nu had zij geen trek. Ze had ook geen geld te vele. Ze had, buiten enkel +klein zilver, het bankbriefje dat voor Romaan en zijn kindeken bestemd +was. Geld van moeder. En ze dacht: we maken thuis ons eigen ongeluk....</p> + +<p>Binstdat ze vóor een modemagazijn stond en veel lust had in 't zicht van +hoeden en linten, werd ze een jongen man gewaar, die haar sinds durenden +tijd achtervolgde en maar overal stil bleef, waar zij iets te bekijken +had. Ze vond hem onbeleefd en zou hem straks eens duchtig in de oogen +staren, als dat loopje standvastig zijn mocht. In de spiegelvlakte der +ruiten kon zij hem zien—een sterken vent, hoog en goedgeschouderd, +fatsoenlijk aangekleed. Ze vond hem deftig en struisch, bijaldien hij +haar dan toch danig krenkend en ongemanierd scheen. Hij wilde niet in +haar aangezicht blikken, hij deed alsof hij haar niet merkte, voortdurig +echter achterblijvend, gedwee en koppig tevens.</p> + +<p>—Hij heeft tijd te vele, meende Goedele.</p> + +<p>Ze tort dan haastig door, kronkelend door 't volk, straat in straat uit, +zonder ommezien. Ze spoedde zich tot zij er moede van werd, en bleef +rusten bij een tramhuisje. Tien stappen achterwaarts stond hij. +Verontweerdigd stapte ze naar hem toe, hem bijna takend in 't +voorbijloopen, en hij kon ditmaal haar toornige oogen niet ontvluchten. +Hij bloosde rijzekens en sprong verlegen op een aankomende tram.</p> + +<p>Ze had er nu medelijden mee, met dien grooten lummel en lachte met zijne +plotselinge benauwdheid. 't Was haar een onnoozel vermaakje geweest; ze +dacht er aan, lijk aan een piepken-duik-spel van kleine kinderen. Ze +herinnerde zich flauw zijn scherp gelaat, omschaduwd met donkere knevels +en een vierkanten baard. Ze drilde voort, probeerde onderwege zijn +beeltenisse precies af te teekenen en peinsde er later niet meer op. 't +Was een dwaze leutigheid.</p> + +<p>In de lage stad ontmoette ze, langs de nauwe stegen, meer volk en was er +meer verschillend lawaai. Winkeliers prezen hun waar op hunnen dorpel. +Wijven stonden in donkere poorten te kakelen en te kijven. Allerlei +menschen kwamen saam, bij dichte troppels, hun neuze opheffend, en +turend naar blinde muren, met electorale plakkaten bontgevlekt. Kinderen +draafden gichelend en schreeuwend rond en stormden tegelijk een +ruchtigen brouwerswagen achterna. Uit open kroegen steeg 't rumoer van +hevige redeneeringen. De toekomstige verkiezingen hadden alreeds deze +wijk in rep en roere gesteld.</p> + +<p>Goedele kocht in een poppenkraam een poesjenel voor Wiezeken, geheel en +al in een rood en groen pak, met gulden draad geborduurd. Ze dacht:</p> + +<p>—Ons pover Wiezeken!...</p> + +<p>Ze tort de vaartbrug over en geraakte, zijwaarts ommedraaiend, in een +stille straat, die verder uitliep op de graanmarkt. Arets den hoek +voorbij, was een ellegoedwinkel met hoogen gevel. Hier, op het eerste +verdiep, woonde Romaan. Ze ging seffens den somberen gang door en steeg +de smalle trap op. Er heerschte tallenkant een scherpe geur van lijnwaad +en geverfd katoen. Ze klopte boven stille tegen de deur, hoorde +binnenwaarts tante Olympe antwoorden, en draaide de klinke open.</p> + +<p>—Wel! wel! juffrouw Goedele! riep tante Olympe.</p> + +<p>Tante Olympe zat alleene aan 't patodders schillen. Ze kwam haastig +aantrippelen, binstdien vluggelings hare handen schoonvegend met haar +blauwe schort, en hielp Goedele zich ontdoen van haren mantel. 't Was +een stokoud wijveken, mager en omlage gekromd. Haar luttel gezicht lag +plat tusschen twee pronte vlechten zilverwit haar, en haar kinneken stak +vooruit en ging huppelend mee met hare minste woorden. Ze droeg een +zwarte kanten kap en getafelde halfmouwen. Twee lange oorbellen +rinkelden van weerskanten tot in haren hals.</p> + +<p>—Ho! dat zal Romaan en Madeleen deugd doen, die brave komste van +juffrouw Goedele.... Ik zei 't nog gisteravond bij mezelve: zou ze nu +niet weten dat Wiezeken ziek is, en zou ze nu niet komen?... Maar ze +komt. Dat is goed. Dat is goed.</p> + +<p>Ze roefelde met een handdoek over een stoel en schoof hem naar Goedele +toe.</p> + +<p>—Och! en Wiezeken is zoo ziek, juffrouw!</p> + +<p>—Zoo erg?</p> + +<p>—Och ja! Och ja!</p> + +<p>Ze zuchtte en zette zich neer en staarde een wijlken naar een varende +wolk, langs het venster.</p> + +<p>—Ik hebbe 't gepeinsd en ik hebbe 't gevreesd, juffrouw Goedele. Dat en +kan toch niet deugen, zoo'n valsch huwelijk, niet waar? Ze zijn allebei +braaf en ze hebben een schoon herte. Ze zien mij ook geerne. Romaan is +braaf. En Madeleen is braaf. Maar wat willen ze nu koppig zijn, tegen +den wil van Ons-lieven-heerken? Wat willen ze nu zondig zijn? En ze +verdienen geen straffe. Wat willen ze de straffe met geweld zich +aantrekken? Ik weet niet ... waarachtig.... Ons-Heere is zoo goed! Heeft +hij ooit iemands ongeluk gemaakt? Hij heeft dikwijls iemands ongeluk +vermeden....</p> + +<p>Hare oogen kwamen vol tranen en die rolden nadien, dikke en langzaam, +langs hare kaken, in de diepe groeve van hare rimpels. En ze zei:</p> + +<p>—Zijn wil is deugdelijk. Ze moesten trouwen en neerknielen in de kerke. +Dan zou alles effen komen.... Ziet-de 't? Ik word ziek daarvan.</p> + +<p>Ze blikte weer opwaarts, naar die wolke. Ze slikte een krop weg, die +zeer deed in hare keel.</p> + +<p>—Maar nu is ook Wiezeken ziek geworden....</p> + +<p>—Is Wiezeken gevaarlijk ziek?</p> + +<p>—Ziek. 't En wil eten noch drinken. Keelpijne. 'k Hebbe al gesproken +van lijzemeelpap met regenwater. 't Kindeken hoest, dat het mij pijn +doet, 's nachts. 'k Hoore 't 's nachts hoesten. 't Is een holle hoest, +die dan te huilen begint. 't Ligt in de voorkamer. 't Is bleek en mager +geworden. G'en zult het niet meer herkennen, juffrouw Goedele. 't Zal +wel zijne handjes uitsteken naar u, maar zulke tengere handjes, met +vingerkens van teer hout precies. Madeleen en Romaan en mijnheer +Johannes zijn er nu bij. Mijnheer Johannes komt schier alle dagen +kijken, en Wiezeken ziet hem geerne.</p> + +<p>—En komt de dokter er ook bij?</p> + +<p>—Dagelijks. Hij wringt beulenijzers in Wiezeken's kele. Ik en kan 't +niet zien, waarachtig. En dan moet ze citroen nemen tot heur tanden +rabauwen. De dokter zegt dat het zal overgaan. Ze zeggen dat allemaal. +Maar ik weet wel dat het ongeluk hier is binnen gekomen, en dat het niet +wijken zal, als Romaan niet tot inkeer geraakt.</p> + +<p>Goedele stond recht.</p> + +<p>—'t Kindeken ligt in de voorkamer, zei tante Olympe.</p> + +<p>Ze was te wege Goedele vóor, om haar de deuren te openen. Ze mummelde +gestadig en schudde haren witten kop, tenden raad. Ze keerde zich dan +haastig omme en blikte zonder overgang vlak in Goedele's oogen, en ze +vroeg:</p> + +<p>—Wilt gij Romaan overhalen?</p> + +<p>Ze beweerde dat Goedele het zonder moeite bekomen zou. Romaan sprak alle +avonden van haar. Zij zou hem dadelijk tot zijn schoon verstand brengen.</p> + +<p>—Hij is nu buiten zijn gedachten versmeten.</p> + +<p>Goedele weerde zich zachtjes af.</p> + +<p>—Wilt ge niet? bad tante Olympe en hare lippen vielen in diepe droefenis +neerwaarts, zoodat naar dezen nieuwen rimpel al de andere te gelijk +negen, een beeld stichtend van onzeglijke smert. Goedele troostte +haar—dat was niet zoo erg, en God hield zich niet zoo bepaald bezig met +schadelijke uiterlijkheden.</p> + +<p>—Schadelijk?</p> + +<p>—Want als Romaan trouwt, dan sterft zijne moeder. Romaan doet het +wellicht uit menschlievendheid, en doet hij niet best zoo? Moeder was +niet edel jegens Madeleen, tante Olympe, maar ze blijft, spijts al haar +ongelijk, zijne moeder, Madeleen weet toch dat Romaan haar niet verlaten +zal. Zij mag niet willen dat Romaan's moeder sterft.</p> + +<p>Tante Olympe week achterwaarts tot tegen de dresse en ze hief +permintelijk haren kromme rugge rechte. Haar aangezicht verloor meteen +zijn lijdende uitdrukking en werd hard, puntig, stekelig.</p> + +<p>—Ja?... Ja?... Ja, juffrouw Goedele?</p> + +<p>Hare kin begon te trillen en ook hare beide handen beefden, en haar hals +rok ze uit, de bruine pezen toonend boven hare witte krage, tusschen de +blinkende oorbellen schijnbaar bruiner nog. Hare stemme steeg uit lage +diepten, werd koortsig en sidderde, schoot weg in klaterende klanken en +schorrelde thoope, lijk een pak blekken schervels, droge en ruig.</p> + +<p>—Maar nu sterft Wiezeken? Maar nu sterft het arme dutseken door den wil +van God, door ulder koppigheid, ulder te gare. En als Romaan en Madeleen +buiten geworpen werden, uit het andere huis, omdat ze niet wettig +getrouwd waren, en als we samen het moeielijk hadden en aleens honger +kregen—is dan mevrouw Wilder dankbaar geweest, dankbaar omdat Madeleen +zich, naar hare goesting alzoo, lijk een slonse gedroeg?... Ik hebbe +gewerkt met mijne oude vingeren, en met mijne oude oogen hebbe 'k +gewerkt, en nu wonen we in een leelijk huis, waar Madeleen zich voort +lijk een slonse mag gedragen. En nu sterft mevrouw Wilder niet. Ze zal +wel gezond zijn, als Wiezeken sterft. Dan is Wiezeken uit de voeten....</p> + +<p>—Ho! Ho!... tante Olympe....</p> + +<p>Goedele was niet toornig—ze berispte stille, omdat tante Olympe bedaren +zou. Maar tante Olympe moest uitspreken en naarmate hare stemme gebroken +en afgemat, luttel werd, liepen sneller en zwaarder hare tranen over +haar roerend aangezicht.</p> + +<p>—Ik mag het u zeggen, juffrouw Goedele. Ge zijt ons allen lief en +genegen....</p> + +<p>Ze begon meteen te snikken. Het groote geweld was over, en ze kloeg nu, +al hakkelend en schokkend. Haar lijf zakte ineen en ze was moe, kromme +en scheef lijk te voren.</p> + +<p>—Och! kind, we doen zoo moedig ons devooren, gedrijen. Romaan is nog +altijd op de fabriek; hij wint daar niet veel en we moeten hem helpen +met borduurwerk. We doen het geerne, we doen het geerne.... Maar laat ze +trouwen, als 't u belieft. Ik heb al zooveel geleden voor Madeleen, van +toen ze klein was en hare ouders had verloren. Ik heb ze opgebracht en +ze leeft in mijn herte. Laat ze nu trouwen, laat ze haar eer hebben, die +'k zoo jaloersch hebbe bewaard. Laat ons hier weggaan, uit dees open +huis, en laat Wiezeken later een naam dragen ... niet waar? Ben ik nu +redeloos? Mag mevrouw Wilder redeloos zijn? En zou ze sterven, omdat een +meisje eerlijk blijven wil? Zou ze? Maar ik, ikke, juffrouw, ik ga nu +ook weg, door hare schuld dat voele 'k—en ik zie Romaan en Madeleen +allebei zoo geerne....</p> + +<p>Ze moest gaan neerzitten op een stoel, en Goedele klopte zoetekens op +hare schouders, een braaf woord zeggend, dat haar opbeuren zou. Ze werd +kalm naderhand en snoot zich in haren grooten rooden neusdoek, en veegde +trage hare oogen droge. Ze fluisterde, met een droef lachje, Goedele toe +dat ze niets hiervan bij Romaan mocht laten gebaren. En vriendelijk, nog +even na 't eerste woord een snik meeduwend, vroeg ze:</p> + +<p>—Wilt ge nu Wiezeken zien?</p> + +<p>Goedele nam de bonte pop, die zij medegebracht had, en ging vóor. Maar, +bij de deure, bedacht zij zich en tort niet verder.</p> + +<p>—Wie is die mijnheer Johannes?</p> + +<p>Tante Olympe werd seffens praterig en lei uit hoe deze vriend van +Romaan, een rijke kunstschilder, op een avond in huis gekomen was en hoe +hij sindsdien wekelijks kwam en hen allen zeer genegen was.</p> + +<p>—Een brave ziele, juffrouw Goedele. Hij heeft de beeltenisse van 't +kindeken gemaakt, op min dan drij dagen. Wel! dat is een stuk, schaap. +Ge zult het zien. Ge zult peinzen dat Wiezeken in waarheid u komt +toegeloopen....</p> + +<p>—Hoe is zijn name?</p> + +<p>—Ameye, Johannes Ameye—wij zeggen gemeenlijk hier mijnheer Johannes. +'t Is een gouden hert.</p> + +<p>De deur werd precies opengestooten, en daar stond Madeleen. Ze viel +dadelijk in Goedele's armen, haar kussend en groetend met dankbare +woorden, en ze bezagen malkander naderhand met vochtige oogen. En +Madeleen lispelde gestadig dat het braaf was, dat het goed was.</p> + +<p>—Och ja! ik ben tevreden.</p> + +<p>Romaan liep ook fluks bij en drukte zijne zuster op zijne borst, en dan +stonden ze gedrijen een wijle sprakeloos ondereen, te kijken naar een +gedacht van deugddoende liefde. De stilte is altemets een licht gewaad +met gulden twijn geweven, waar de ziele te rusten blijft, te rusten en +te luisteren naar schoone aandoeningen.</p> + +<p>Romaan nam nadien Goedele bij de hand en stelde haar vóor aan zijnen +vriend. Ze dierf in den beginne niet opzien. Ze voelde iets ongemeens in +'t geluchte, alsof deze man geen vreemde zijn zou en haar met een +bevrienden lach bejegende.</p> + +<p>—Dees is haast mijn broeder, zei Romaan, zijn plaats in mijne liefde is +nevens u.</p> + +<p>Ze keek er naar en herkende hem, zooals zij hem bij 't venster van den +modewinkel voor 't eerst ontmoet had, en zooals zij er, bij het +tramhuisje, toornig was op afgegaan. Hij bloosde en boog.</p> + +<p>—Hebbe 'k mejuffer niet elders gezien? Ik vrees dat ik een leelijk +hoekje krijg in haar geheugen....</p> + +<p>Zijne stem was vol en zwaar, en sloeg in sierlijke golving om.</p> + +<p>—'k En hebbe u nooit ontmoet, zei Goedele.</p> + +<p>Tante Olympe had seffens de voorkamerdeur geopend en was aan 't babbelen +met Wiezeken van een popje met djentige dracht en met twee drollige +bulten. Madeleen begon over 't arme dutseken te klagen en vertelde hoe +het toch zoo geleden had, den vorigen nacht, hoe 't hoestte en kuchte en +pijnelijk zich wrong, hoe 't dan neerlag zonder couragie, bleek en +afgemat, hoe 't zin had in niets, in niets van al wat het vroeger +begeerde,—en hoe dat alles danig smertelijk was om zien.</p> + +<p>Ze gingen allemaal nog eens kijken. 't Beddeken stond in een luchtige +kamer, naast de breede koetse van Romaan en Madeleen. Drij vensters +wierpen licht op den blooten vloer en, bij kletsende geuten, tegen 't +vermoeide muurpapier, vaag-bebloemd met bruinroode tulpen. En 't +beddeken was sneeuwwit en zuiver en prontelijk, gewend aan de zorg van +aandachtige moederhanden. Goedele bukte zich langzaam erover.</p> + +<p>—Dag, Wiezeken, mijn zoete boeleken....</p> + +<p>Wiezeken lag in 't blanke kussen, zoo luttel, zoo klein.... Haar hoofdje +dook schier weg onder de sargie, een hoofdje bleek en vaal, met +loodvervige schaduwen, oogjes diepe en wijd-denkend, en een mondje +teenemaal verslenst. Ze lachte stille als ze Goedele herkende, en hare +handjes gingen op naar heur, nadien weer neervallend, lui, onbeweeglijk, +broos. Hare lippen ontsloot ze swijlens en ze wou zeggen: daáag!... en +ze haperde in een zuchtje en zweeg. De pop werd nevens haar geleid, en +ze was daarmee bovenmatelijk gelukkig. Ze bekeek haar met welbehagen en +had plezier met de schitterende kleuren en die koperen knoppen en die +domme bulten van weerskanten.</p> + +<p>—'t Is een poesjenel voor de brave kinderen.</p> + +<p>De poesjenel kon zijne armen toeklappen, als men op zijn buik neep, en +dan rinkelden de twee bellekens, die aan zijne mouwen hingen. Tante +Olympe neep maar gedurig op den houten buik en de poesjenel smeet zijne +klinkende armen gedurig saam, en Wiezeken was bovenmatelijk gelukkig. +Maar ze werd algauw weer slaperig en wendde haar hoofd omme, en dan +moest Tante Olympe aan 't voetende het lieve lam pakken, dat mijnheer +Johannes had meegebracht. En tante Olympe moest op het onderst plankje +duwen tot het lam te bleeten begon. En 't lam zei:</p> + +<p>—Bêe-êe-êe-êe....</p> + +<p>Wiezeken lachte flauw en streek met hare vingerkens in de witte wolle en +bleef er peuteren tot meteen hare oogen opnieuw heel verre staarden en +ernstig werden. Het was alsof dees kind zijn moeielijke gepeinzen volgde +en in diepe beschouwingen verzonk, aldoor mijmerend langs +bovennatuurlijke zaken. Langzaam vielen zijne wimpers dicht en zijne +handjes bleven stille.</p> + +<p>—'t Slaapt.</p> + +<p>Het sliep. Zijne wangen en zijn voorhoofd en zijne lippen—'t werd alles +effen wit.</p> + +<p>Ze tuurden allemaal zwijgend ernaar. Romaan boog zijn hoofd en zijn kin +rustte op zijne borste, en van onder zijne neergeduwde wenkbrauwen +loerden droomend zijne rechte blikken. Hij hield zijn kind, dat +beeldeken van smerte, in zijne hersens vaste en zijn hopeloos gedacht en +wilde zich niet losrukken daarvan, hoe 't hem folterde en martelingen +aandeed. Dat witte gelaat, in nauwmerkzame tinten opschaduwend uit al +het blanke bedlinnen, dat heele broze koppeken, rijzekens een diepte +wegend in 't donzig kussen, en dan de teekening daarin van beloken +oogen, neerplooiende lippen, een luttel neusje, met kantewaarts een +zoetvervig blauw—al wat nu Wiezeken was, 't hiew met pijnlijke slagen, +een steenen herinnering in zijn geest. Madeleen keek schuw op naar hem, +en ze toetste met haar hert zijn droevig gepeins, en een groot verdriet +zeeg over haar.</p> + +<p>—'t Is een deugdelijke slaap, fluisterde tante Olympe.</p> + +<p>Ze kromde haren ronden rugge over 't bedde en lei den poesjenel aan 't +voetende, nevens 't schaapje, en dook voorzichtig de lichte handjes van +Wiezeken onder het deken. En ze prevelde nog:</p> + +<p>—Morgen zal 't ten halve genezen zijn.</p> + +<p>Ze rechtte zich en zag omme binstdien, en Romaan stond daar, vóor haar, +te staren, heinde weg, roerloos en zonder uitkomste. En ze merkte, zóo +blootliggend op zijn aangezicht, zijn endelooze leed. En ze herhaalde +met onzekere stem, om toch wat leven in dees bange geluchte te krijgen:</p> + +<p>—Morgen zal 't ten halve genezen zijn.</p> + +<p>Maar de stilte en wilde niet breken, en hare woorden stierven seffens +uit, zonder naklank, zonder een bijblijvend gedacht, dat mocht de +angstige leegte vullen. En dan zweeg ze ook, met de anderen mee, en dan +hoorde ze somtemets het snorkend asemken van 't zieke kind.</p> + +<p>Tot, op een ende, allengs 't rumoer van voorbijrijdende karren en een +standvastig gebas van honden hier binnen drong en hoofdzakelijk werd, +ten teeken dat stilaan elkendeen zich van Wiezekens' beeld lostrekken +wou. Daar was buiten een man die riep:</p> + +<p>—Scherre-scherre-scherresliep!</p> + +<p>En hij deed een krissend wiel draaien, dat lijk een scheur door de +ruimte kreesch. Naderhand klonk boven, op het tweede verdiep, 't geronk +van een naaimachine, en bij poozen, een blijde meisjesstem vrij trillend +in een leutig lied. Goedele lei haren arm op Romaan zijnen schouder, en +Madeleen wendde met een diepen zucht haar aangezicht van hem af. En +mijnheer Ameye zei:</p> + +<p>—We mogen hier alzoo niet blijven, en de kamer vullen....</p> + +<p>En terwijl allemaal stille wegdrumden, vroeg hij wat een lieve +gebuurvrouw daar zong, ginder hooge. Tante Olympe trok voorzichtig de +deure dicht, en begon seffens te vertellen van het zonderlinge +huishouden.</p> + +<p>—Een blinde met zijn dochter.</p> + +<p>Ze noemde de dochter "een verloren maarte". De oude vader knorde en +ronkte en keef den heelen godschen dag door, en 't meissen zong +swijlens. Men hoorde ze van den morgen tot den avond. 't Waren goede +herten.</p> + +<p>—En hoe geraken ze aan hun brood?</p> + +<p>—Ja, hoe geraken ze aan hun brood!...</p> + +<p>Tante Olympe zette zich bedenkelijk neer, en lonkte naar Madeleen, en +vouwde hare handen over haren schoot, daarna eens smakkend, alsof ze +iets zeggen zou van gewichte. Ze deed hare duimen overeen draaien.</p> + +<p>—Ja, mijnheer Johannes ... ze naait.</p> + +<p>Ze zei 't zoo beteuterd dat Ameye lachen moest, en elkendeen, met +gemaakt geweld, meelachte. Ze werd dan een beetje rood, vlak naast de +gouden oorbellen, en ze begon alzeere en vluggelings te babbelen om hare +verlegen manieren te verbergen.</p> + +<p>—Ze staat laat op in den morgen. De oude is altijd eerst te been, en ik +hoore zijne voeten scherrelen over 't plankier en zijn stok matelijk +kloppen. Hij maakt zijn eigen fluks kwaad en dan staat hij te grollen of +loopt mompelend rond. De man moet veel geleden hebben. 'k Zie 't op zijn +gelaat. Hij heeft een moeden mond en zijn doode oogen liggen in een +rimpelkrioelinge bijkans te lore. Zijn lippen hergaan bij stonden, alsof +hij een antwoord gaf op een invallende gedachte. "Ja!" zegt hij, kort, +droog, met tot ruk van zijn kinnebakkes, en niemand weet tot wien hij 't +zegt. 'k Zeg hem al eens tegen, al lachend: "Neen!" als om te strijden +met hem. Hij blijft dan staan op de trap en heft zijnen stok op, en 't +getril van zijn neuze is een teeken van komende gramschap. Maar zijn arm +valt omlage en zijn gezicht druipt neerwaarts in een verdraagzame +droefenis, en hij zegt schuddebollend: "Och! Och! Och!" ... en zijn +doening is dan van een, die mij gelijk geeft. 't Is een aardige vent, +mijnheer Johannes.</p> + +<p>—En de dochter?</p> + +<p>Goedele vroeg hoe haar naam was.</p> + +<p>—Mariëtte, zei tante Olympe.</p> + +<p>Ze bleef, saamvouwend opnieuw hare handen, zitten, en riep nadien, met +geveinsde belangstelling, de katte, die even van onder de dresse te +voorschijn kwam en voorzichtig ruiken ging aan het tjopken van haren +wenkenden vinger. Madeleen vertelde hoe Mariëtte gestadig leutig was en +aldoor zong. De naaimachine geraakte wel eens in druk bedrijf, maar dat +en gebeurde niet dikwijls. Mariëtte hield zich meer met hare twee +kanarievogels en met hare begonia's bezig. In den uitkomende was 't een +plezier hare werkzaamheid te zien, hoe ze aan 't sproeien was, en heel +'t venster vol hing met kapucijnebloemen, schoone opgeleid langs een +kunstmatige webbe van draden en touwtjes. En de vogels werden in dat +getij buiten gehangen, boven 't raam, in de gouden zonne. Gestadig +schikte ze de muitjes en spreidde er voolkens over om den wille van +muggen en ander stekend ongedierte. En als ze niets te verrichten had, +boog ze zich over de bloempotten heen en bracht hare lippen bijeen tot +een toeterken en floot hare lievelingen voor. En lachen deed ze, zoo +geheel alleene.</p> + +<p>—Maar....</p> + +<p>—Een herte zonder lusten dan? vroeg Ameye.</p> + +<p>—Ja, maar ... daar hapert iets....</p> + +<p>—Wat kan er haperen, dat niet in zooveel leutigheid weer loskomt? +lachte Goedele.</p> + +<p>Madeleen knikte en lachte mee. Ze probeerde in een uitbundig gepraat +Romaan's voorhoofd effen te krijgen, en sprak luidruchtig met overdreven +golvingen van haar stemme en met wijde gebaren, zich buigend, en wijkend +en zijlings wiegend, tot ze warm werd en te blozen begon. Romaan stond +vóor 't venster en tuurde naar de wolken. Madeleen zei:</p> + +<p>—In den avond, als we al zinnens zijn naar bed te gaan, hooren we de +trap onder voorzichtige terten kraken. Naderhand zijn er geen zangers +meer boven, geen minste rumoer, geen getrippel van Mariëtte hare zotte +voetjes. Alleen nog, somtemets, een kort gegrommel van den oude, die +aleens poogt de deur open te doen. De deur is vaste....</p> + +<p>—De deur is vaste, ja, prevelde tante Olympe.</p> + +<p>—Omtrent twee uren in den morgen, kraakt opnieuw de trap en rotelt de +sleutel in de klinke.</p> + +<p>—En Mariëtte...? vroeg Goedele.</p> + +<p>—Ja, Mariëtte zelve. 't Zijn hare eenige wandelingen. Ze gaat anders +nooit uit.</p> + +<p>Romaan wendde zich omme.</p> + +<p>—Ssjt!... Hoore 'k Wiezeken niet?</p> + +<p>Elkendeen luisterde en de ongemakkelijke stilte heerschte lijk te voren, +alle geluiden der strate groot makend. Tante Olympe ging kijken of +Wiezeken sliep. Ze kwam weer op hare teenen, elkendeen geruststellend.</p> + +<p>—'t Slaapt lijk een engelken. Overmorgen is het te been.</p> + +<p>Ameye boog zich naar Goedele en vroeg, oolijk lachend, wat hare meening +was omtrent Mariëtte. Madeleen trachtte de vraag af te weren, omdat die, +volgens haar, zoo direkt in 't intiem denken dringen wilde. Men mocht +niet oordeelen. 't Gold hier eene zeer delikate gevoelstoestand.</p> + +<p>Maar Goedele vond hier zoo diep een ernst niet in, en ze lei uit wat, +haar inziens, een rechtveerdige uitspraak zijn zou.</p> + +<p>—Ik neem aan dat Mariëtte gelukkig is. Zij heeft heur eigen niets te +verwijten.</p> + +<p>—Djeezes-Maria! kreet tante Olympe.</p> + +<p>—Zij mint het Lenteweer, de bloemen, de vogels, 't vrije geluchte, dat +neervalt uit de blauwe hemelen. Ze voelt haar vleesch, haar heele lijf +opengaan in schoonheid, in nature. Hare doening 's nachts en zal niet +tegen nature zijn. Dat ware onmogelijk. En, overigens, wat doet ze dan? +Ze gehoorzaamt misschien aan 't geheime bevel van haar wezen. Ik meen +niet dat ze misdadig is. 't Ware in elk geval onwaarschijnlijk.</p> + +<p>—Ja, zei Romaan.</p> + +<p>—'t Is een slette, zei tante Olympe.</p> + +<p>Ameye lachte luid en stond recht. Hij trok zijn overjas aan en moest nu +gaan—nog een paar zaakjes afhandelen vóor den noene—en morgen zou hij +eens binnenloopen nog, rond den elven. Hij drukte forsig de hand van +Romaan en groette tante Olympe minzaam, haar met een dwaas woord tot +bedaring brengend, en lachte nog als hij Madeleen goeiendag wenschte.</p> + +<p>—'k Zal eens 't portret maken van Mariëtte....</p> + +<p>Hij boog vóor Goedele en drong nadien met zijne klare blikken heel diepe +in hare oogen.</p> + +<p>—Voor u, juffrouw.</p> + +<p>—Ja, doe dat, sprak Goedele.</p> + +<p>Ze wist niet goed wat hare eigen bedoeling was met deze woorden. Ze had +zoo werktuigelijk geantwoord, meerendeels om hare lippen te roeren en +aldus eene wrevelige verlegenheid te duiken, die over heur aangezicht +kwam. Ze hoorde naderhand alleen in ver lawaai al wat nog gezeid werd, +en Ameye was lang verdwenen, als zij nog zijne blikken voelde, heel +zonderling daar blijvend, vóor haar, met een bovennatuurlijken wil....</p> + +<p>Wanneer ze ook dees huis verlaten had, en de straten doorliep, werd ze +droevig en was te wege weer te keeren. Ze asemde daar zoo vrij, en nu +zou opnieuw moeder nevens haar komen, en grootvader en van avond +Sebastiaan—heel die koude wereld, die gemanierde wereld; tusschen al +die naakte muren haar nijpend en knellend en zeer doende. En 't povere +kamerken, waar Wiezeken te lijden lag en was zoo eendelijk niet als +gindsch vierkante steenmassa.</p> + +<p>Ze bleef droomend lanterfanten langs de uitstalling van den modewinkel +en peinsde:</p> + +<p>—Die mijnheer Ameye is een leege man.</p> + +<p>Ze joeg hem seffens uit hare gedachten en verzinde 't beeld van +Mariëtte. Ze vond daar behagen in—een kap met blonde lokken, een +gezichteken als van een zoete deugniet, rond en rood en donzig, en een +natte mond en gloeiende oogen en lieve vingeren, gewend aan 't bedrijf +van kanten geluksweefsels. Ze liep bijna een kindje omverre. Ze werd +beschaamd en stamelde en drilde voort, haastig. Ze zag een tram meteen +stilstaan vlak vóor haar. Ze peinsde:</p> + +<p>—Die mijnheer Ameye is ongemanierd—en niet vriendelijk ... en niet +schoon....</p> + +<p>En vlugger spoedde ze zich, zonder reden af en toe stil blijvend bij een +schitterende kleur ievers aan een venster, of bij een hoog geluid, dat +voorbij gilde. Ze hield van niets een vast gedacht. 't Sleerde allemaal +over hare hersens. Ze wilde bij stonden tante Olympe oproepen in haar +hoofd, haar zien trippelen en snokken met haar kinne en wuiven met haar +armen. Ze wilde Wiezeken herdichten, het bleeke wicht. Ze zag den +poesjenel. Ze zag het witwollig lam. Ze peinsde:</p> + +<p>—Waarom vroeg hij, wat ik over Mariëtte denk?</p> + +<p>En verder drevelde ze, koortsiger wordend naarmate hare gevoelens meer +verward dooreen stringelden. Als ze in de stille wijk van blinde +rijkemanshuizen geraakte, hijgde ze en was danig opgehitst. 't Docht +haar dat de toekomst luchtig werd en dat er klaarten kwamen en een breed +zicht. Ze voelde heel vaag eene grondige verandering in haar lijf, een +ongewoon trillen, een ziedende leven. Ze hijgde, en zij en was niet moe. +Ze was zeker dat iets heel schoons zich had veropenbaard in hare ziel. +Ze vroeg niet naar een oorzake. Niets was bepaald. Ze baadde zoo in een +streelende warmte, daaraan deugd hebbende en zonder verlangen +voortgenietend. Haar bloed sloeg forsig omme en, in haren hals, tegen +hare hooge krage, werd zij den sterken klop ervan gewaar.</p> + +<p>Ze stond meteen vóor 't donkere hekken. Ze hoorde de wind zoeven in de +boomen van den hof. Alles brak, viel in haar. Ze moest zich vóor den +drempel ontdoen van alle geestdrift, alle gejubel. Ze keek naar de koude +muren en naar al die beloken vensters en onderaan naar de vier +ontsloten—gladde ruiten, met de franjen van donker roode gordijnen en +de witte beelden van twee steenen poedelhondjes. Ze boog haar hoofd en +zuchtte. Het zware geluchte van daarbinnen sloeg haar tegen het +aangezicht....</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + + +<h3><a name="hV" id="hV"></a>V.</h3> + + +<p>Ursule vroeg haar of zij 't geld gebruikt had. Goedele had het +bankbriefken bij 't uitgaan in tante Olympe's hand gestopt. Ze sprak nu +heel onverschillig, terwijl ze haren hoed afnam en vóor den spiegel heur +haar een beetje schikte:</p> + +<p>—Och! ja, moeder....</p> + +<p>Ursule antwoordde niet en ging een krulleken witte wolle wegknipperen, +van Goedele's kleed.</p> + +<p>—Ge hebt wolle op uw kleed.</p> + +<p>Ze zette zich neer vóor 't venster en kruiste hare beenen en deed haar +pantoffel bijzen op 't ende van haren opgeheven voet. Ze lei hare armen +op de leuning van twee naaststaande stoelen en vroeg hoe 't met Wiezeken +was. Goedele zei dat het haar niet goed voorkwam, dat het kind daar wel +deerlijk lag, zoo wit over zijne kaken, zoo wassig, en zoo teerblauw op +de randen van zijne lippen.</p> + +<p>—'t Zou moeten de buitenlucht hebben. 't Zou moeten kunnen breed +asemen. Zijne longetjes zijn geheel vernepen, geheel klein en +nutteloos....</p> + +<p>—En hijgt zijn borste?</p> + +<p>—Bij stonden.</p> + +<p>—En ... zou 't eraan kunnen ... weggaan...?</p> + +<p>—Watte?</p> + +<p>Ze keerde zich fluks omme en staarde in Ursule's oogen, zich buigend om +indruk te maken. Maar moeder bleef roerloos en liet hare blikken +geleidelijk meewiegen, met de bijzing van haren voet, kalm verklarend +onderwijl dat ze dat zoo maar vroeg....</p> + +<p>—Uit belang ... zekerlijk.</p> + +<p>Met een ruk, alsof ze peinsde een wrokkig woord neer te gooien, zei +Goedele dat Wiezeken den dood nabij was. Ze werd rood en voelde eene +dwaze verontweerdiging haar hoofd dol maken. Ze joeg bijtende zinnen +achter malkaar:</p> + +<p>—Ge moet het wel weten hoe Romaan nu lijdende is, gij die zoo geleden +hebt om ons, indertijd, als we zieke wichten waren. Hij beseft nog niet +hoe verre Wiezeken alreeds van hem verwijderd is. Hij ziet wel overal +donkerten ommendom, maar hij hoopt. Gij weet het wel, niet waar? hoe die +toestand is.... Gij zijt zijne moeder. Ik heb uw bankbriefken afgegeven.</p> + +<p>Ze ontzenuwde alzoo haar eigen zelve, en moest, na een stonde, wegloopen +om niet haar drift uit te storten in geweldige gezegden.</p> + +<p>Mevrouw Wilder bleef nog beweegloos zitten, liet zich wegvaren in verre +gepeinzen, streelde in haar brein 't vooruitzicht van een toekomst die +wellicht weer goed worden zou. Ze voorspelde in hare hoopvolle +mijmeringen nieuwe dagen van ijverig werk: Romaan en Goedele saam +gespannen aan een reuzentaak, en, in een harrewatrije van voordeelige +zaken, een versche geldstroom.... een weelde van rinkelend goud.... Dàn +wilde ze sterven, alleen dàn.</p> + +<p>Ze sprong rechte en duwde hare vuisten op de tafel. Ze siste tusschen +hare tanden:</p> + +<p>—De prije zal ik wegkrijgen.</p> + +<p>Ze had het al lange gecombineerd, hoe ze Madeleen zou weggekregen +hebben. Als Wiezeken dood was, zou alles wel braaf van stapel loopen.</p> + +<p>—Dat arme Wiezeken....</p> + +<p>Ze prevelde drij keeren:</p> + +<p>—Dat arme, arme Wiezeken....</p> + +<p>Ze beluisterde geerne hare stemme, wanneer ze 't onnoozel kindeken +bekloeg. Ze had somtewijlen groote angsten. Ze dorst het aan haar zelve +niet bekennen, dat ze Wiezeken's dood verzocht. Ze wilde dat verlangen +wegjagen met een deerlijk woord, en verlangde maar gedurig naar dat +ende.</p> + +<p>—'t Zou 't ende zijn.</p> + +<p>Ze redeneerde dan. 's Nachts werd ze altemets wakker en voelde hare +vreezen naderen, een zonderling, verwijt, dat altijd opkwam bij bange +uren en haar folterde. Ze redeneerde seffens—Wiezeken was zoo'n luttel +ding, zoo ziekelijk van nature ... en wat zou er van geworden als het in +leven bleef?... 't zou toch allengerhand wegtsieperen, stillekens.... 't +was beter dat men 't maar dadelijk verloste uit zijn pijnen ... het +dutseken ... in den hemel zou 't gelukkig zijn....</p> + +<p>Tegenover Goedele dorst ze daarvan niet spreken.</p> + +<p>Na 't diner—ze hadden gevieren sprakeloos hun soep en hun vleesch met +groenten gegeten—sloot Ursule zich in hare kamer op en Goedele +lanterfantte bij 't klavier, behagen vindend in eene fantastische reeks +van Grieg. Albien bleef zitten bij haar en, als de oude Rik ook langs de +trap weggeraakte, schoof hij een stoel dichte bij de groote tafel en +nam, bezij den schoorsteen, de dooze, die Sebastiaan hem had +meegebracht. Hij zei:</p> + +<p>—Dat is een nar ding, wat ge daar speelt, mijn kind!...</p> + +<p>Hij zette zich goed op zijn gemak en bracht het Zwitsersch huizeken te +voorschijn. Hij bekeek het al glimlachend, in kinderlijke bewondering, +en leunde achterover om beter te genieten, een oogenbliksken, van het +heerlijke zicht. 't Was een huizeken witgeverfd, met een hoog +schalieblauw dak en groene luiken langs de gevels. Vooraan was precies +een terras van bruine steenen met versiersels in eikenhout. Boven het +dak steeg een vierkante toren. Daar hingen de klokken in. Men kon ze +echter niet zien. Hij had zich dikwijls afgevraagd of 't in waarheid wel +klokken waren en of dat beiaardspel niet feitelijk een snarenspel zou +zijn.</p> + +<p>—Een bedriegsel, een bedriegsel, menschen....</p> + +<p>Maar schoone was 't gansche gedoe. Kantewaarts, onder de euzie, was een +slot. Hij moest daar nu een sleutel insteken en draaien tot de +binnenzijdsche mekaniek opgewonden was en een kort getjok er klopte, ten +teeken dat de veêren gespannen waren. De sleutel hing aan zijn +horlogieketen, naast een paar Hollandsche dubbeltjes, waar hij zelf een +gat in geboord had, en een bronzen medalje van de onlangs gesloten +nijverheidstentoonstelling—een geschenk van mijnheer Devleeschhouwer +—een klein zonnewijzerken en een sigarenknipper, waar 't koper van +ouderdom zich doorsmeet. Hij moest rechtstaan en zijn buik opsteken om +den sleutel te bezigen. Hij zette zich nadien met een vroolijken zucht +neder, en wachtte, en lei zijn rugge deugdelijk tegen de stoelleuning. +Het binnenwerk begon te ratelen en seffens schoof een dubbele deure open +op het terras. Twee poppen schoven, met een krijschend geruchte, naar +buiten, en 't beiaardspel ving aan. 't Was nu een matelijk dansen. 't +waren snokkende sprongskens begeleid door een roteleere van krakende +wieltanden, naar 't oordeel van Albien allemaal wonderschoon. En de +beiaard speelde een oud veuzeken, liefelijk en huppel-licht, en 't was +hem een diep geneuchte ernaar te luisteren, elk toontje op te nemen, +achtereen, en te troetelen in zijn hoofd, dat zat werd van de zoete +harmonije. Hij mummelde, blozend van geluk:</p> + +<p>—Dat is nu mijn eigendom.</p> + +<p>Goedele keerde zich omme en keek hem na, hoe hij schuddebolde en meeging +met den kleinen zang, hoe zijne handen ommentweere bijsden, rythmisch en +half-beloken, en hoe zijn voorhoofd blonk en zijpelde van overvloedige +wellust. Als de mekaniek stilaan verslapte en, met nog een laatste +rukje, stillebleef, herwond hij ze op, en weer vergenoegde hij zich in +'t zelfde deuntje en in 't eentonig gebaar der poppen. Hij verdeelde nu +zijne aandacht en loerde meer bepaald naar den gang der blikken armen, +nadien naar 't nijgen der steenroode koppekens, dan naar een haperinge, +die, op gelijke afstanden, gebeurde en zich hernieuwde gedurig. 't Was +'t wijveken, dat meteen roerloos viel, en, na een stonde, terug +opsprong. Hij zocht beteuterd naar de oorzake van die onregelmatigheid. +Goedele zag hem triestig worden en zijne lippen herdoen en schrik +krijgen middelerwijl.</p> + +<p>—Mishandt er iets? vroeg ze.</p> + +<p>—Wel neen, wel neen, zoo precies....</p> + +<p>Hij sprak dan verlegen en verwonderde zich:</p> + +<p>—Ge kijkt ook hiernaar?... Hoe mirakelachtig dat is!</p> + +<p>Hij mooschte en prutste en draaide nog eens het spel in gang. Goedele +keek naar hem en voelde groote deernisse. 't Klonk, in deze hooge kamer, +zoo deerlijk, dat onnoozel muziekhuizeken. Op strate was er weinig +rumoer—af en toe het tijdelijk gerij van een sjeeze. In den hof +ruischte het zoevend geboomte. Hier, alleene en gelukkig, maakte Vader +een zottig lawaai, gedurig bezig met zijn nutteloos bedrijf, alsof zóo +eeniglijk zijn leven was en niets hem aanging daarbuiten. Ze vroeg:</p> + +<p>—Hebt ge daar wel zin in, vader, dat ik met Sebastiaan trouw?</p> + +<p>—Ba ja....</p> + +<p>—Wenscht ge dat uit ganscher herte, vader?</p> + +<p>Hij hief zijn ronden kop omhooge en zijne oogen zeiden genoegzaam dat +hij nooit daarover nagedacht had. Het was besloten: ze zou trouwen met +Sebastiaan. Ursule had het zoo besloten. En Sebastiaan was geen kwaad +aanbod ook.</p> + +<p>—'t Is een brave jongen....</p> + +<p>—Dat is de zaak niet.</p> + +<p>Ze wilde hem doen aarzelen, eene onzekerheid brengen in dezen +hinderlijken geest. Maar Albien kende slechts éene waarheid, en die lag +besloten in de wet van Ursule. Even ontwaarde hij in de woorden van +Goedele een opstand tegen die wet.... Hij bleef verbijsterd zitten, niet +goed begrijpende zoo'n daad, die, naar zijne meening, de menschelijkheid +te boven ging. Hij struikelde in een hakkelend gezegde:</p> + +<p>—Moeder heeft toch ... gesproken ... niet waar ... toch kenbaar gemaakt +haren wil?... 't is haar wil toch?... van moeder?...</p> + +<p>Het rammelend huizeken viel stil en het deurken flapte toe. Goedele +begon meteen luidruchtig te lachen van koortse. Dan keek ze Albien met +natte oogen aan en boog zich over de tafel, zoekende met hare handen +naar zijne luie vingeren.</p> + +<p>—Och, mijn goede vader, die nooit verdriet en hebt....</p> + +<p>Hij lachte mee en verjoeg alzoo het angstig oogenblik, dat over zijne +slapen gekomen was.</p> + +<p>—Ha! Ha!... dat is een aardige perte ... 'n fameuze!...</p> + +<p>Hij vond het allerbest dat het zoo op een ende afliep. Hij was nu +overgelukkig. Hij nam een kaartspel en begon voor zijn eigen kunsten te +probeeren, die hij in Snoeck's boekjes aangeleerd had. Hij wond eerst +nog eens het Zwitsersch huizeken op, en, binst dat de poppen op mate van +het beiaardspel hunnen snokkigen dans deden, lei hij de kaarten +nevenseen en deed toeren. Zoo was 't geluchte vol om hem. Zoo was overal +de tastbare aanwezigheid van zijn eigendom en al wat leeg was in deze +kamer, werd weelde, zijne weelde.</p> + +<p>—Denk ereis 'n kaartje uit, Goedele, van de éen en twintig die 'k hier +openlegge ... toe ...</p> + +<p>Hare genegenheid deed hem deugd, omdat hij die gebruiken kon als een +ernstige belangstelling in zijn doening. Hij vroeg:</p> + +<p>—Hebt-ge ze alreeds?</p> + +<p>—Ja ik, zei Goedele met een zucht, al leunend op hare ellebogen.</p> + +<p>—Nu moet-ge toogen in welk van deze drij pakjes uw kaarte ligt, de +kaarte van uw keuze, zegt het boekje.</p> + +<p>—In 't deze, rechts....</p> + +<p>Hij mengelde 't spel, opgehitst, aangeprikkeld door Goedele's schijnbare +aandacht. Hij sloeg de kaarten dooreen met een gedwongen sierlijkheid en +trachtte zwierig te blijven in zijn minste gebaren. Hij hoopte de +kaarten nadien weer in drij pakjes.</p> + +<p>—En nu?</p> + +<p>—In 't deze opnieuw, rechts....</p> + +<p>Hij herbegon, en een oolijk glimlachje straalde open over zijn gansche +aangezicht. Hij verdeelde de kaarten.</p> + +<p>—En nu?</p> + +<p>—In 't pakje te midden....</p> + +<p>—In 't pakje te midden.</p> + +<p>Hij maakte zich een wellustige dobbelkinne. Met een haastige stemme +verwittigde hij Goedele, dat ze nu goed opletten moest, en haar kaarte +niet vergeten.</p> + +<p>—Hebt-ge ze nog vast in uw hoofd?</p> + +<p>—Ja....</p> + +<p>—Ik zal ze er seffens uithalen ... attentie, als 't u belieft ... een +beetje attentie....</p> + +<p>Het huizeken was stil gevallen. Hij draaide vluggelings den sleutel erin +en deed de wielkens werken lijk te voren, zoodat de beiaard zijn +veuzeken hernam. Hij was goddelijk in zijn schik, en dees stonde was hem +een onzeglijke verrukking. De wereld was vol van hem. Hij deed de +kaarten overeen schuiven, telde en gebaarde, met geveinsde aandacht, de +hulp van bovennatuurlijke geesten in te roepen. Hij bleef een wijlken +dubben, zette zijn hoofd scheef en tuurde bedenkelijk naar de zoldering, +in de afwachting der wonderbare machten.</p> + +<p>—Kijk nu!</p> + +<p>Hij smeet de kaarten overhand verre weg van hem en keerde fluks de elfde +omme.</p> + +<p>—Koekelaas!</p> + +<p>Hij riep ze triomfantelijk uit, zonder aarzeling, en steeg van zijn +stoel op, in glanzende glorie. Hij herhaalde:</p> + +<p>—Koekenaas.... Hee!</p> + +<p>—'t Was koekenaas.</p> + +<p>—Ik wist het, ge hoeft het mij niet te zeggen. Dees is tooveren ... +eigenlijk....</p> + +<p>Goedele keek hem aan met zachte oogen. Ze was tevreden dat hij zoo +gelukkig scheen, en prees zijn kunste. Hij viel haar in de rede, +verklarende dat niets boven het dominospel en het kaarten reiken kon, en +dat hij 't al zoo dikwijls gezegd had aan Alfred ... maar Alfred was +niet vlug, moest hij bekennen, en had lompe gepeinzen, aldoor meenende +dat hij 't beter wist dan de boekjes zelve. Alfred kon ook niet lang een +zake bezien.</p> + +<p>—'t Is een kind nog.</p> + +<p>Hij lachte daarmee, alsof hij wel medelijden ten slotte gevoelde voor +den jongen, die nog zoo kleinzielerig was ... omdat 't verstand voor de +jaren niet en komt. Hij was te wege het huizeken nog eens op te winden, +en verwonderde zich als Goedele bad dat hij 't maar niet doen zou. Hij +vroeg, bedrukt:</p> + +<p>—Houdt ge niet hiervan?</p> + +<p>Ze stond recht. Ze stilde hem. Ze hield veel van dat wonder dingen, +beweerde ze. 't Zou echter kapot geraken, als hij 't zoo dikwijls +bezigde, en zag hij bovendien nog 't manneken en 't wijveken?</p> + +<p>—'t Wordt avond....</p> + +<p>Zij en merkte geen verven meer. Van uit de hooge vensters, langs de +franjen der gordijnen, zijpelde het vage licht, in de kamer te lore zich +verdeelend tot het wegdeemsterde in de hoeken. Zonderlinge klaarten +blikkerden van tijd ievers op, als 't noesche verspergestraal tegen een +koperen ornement botste of tegen een glazen pot, een porseleinen +beeldeken, een witgeschuurde tinnen teele. Drij laatste krysanthemen +vlekten de naderende donkerte met hun blanke trossen. Van tallenkant +rees de plechtigheid der schemering, alles omvattend in zoetig gewaad, +voordeelig voor de droomende stilten....</p> + +<p>Er werd gescheld aan 't voorhekken, en binst dat Albien zijn speelgoed +wegdook in de dooze, tort Sebastiaan de kamer binnen. Het was zijn ure. +Hij was altijd heel stipt. Goedele ontving hem met koortsachtige +opgewondenheid, sprak luttele woordekens en was danig vriendelijk. Ze +ontdeed hem van zijn overjas, omringde hem met hare dienstveerdige +handen, bekommerde zich om zijne bleekte.</p> + +<p>—Zijt-ge vermoeid?</p> + +<p>—Een beetje.</p> + +<p>Hij voelde geerne hare hulpzame genegenheid en glimlachte geaffecteerd, +zich neervleiende in zijn eigen weerde, herkend door haar, die hij +liefhad. Hij vroeg aan mijnheer Wilder of hij 't huizeken schoon vond, +en Albien vertelde hem hoe 't ineenstak, hoeveel tijd het in gang bleef +en hoe schoon veuzekens de beiaard speelde. Terwijl Goedele een kopje +koffie gereed maakte boven 't alkoollampje, en 't gaslicht aanstak, bood +hij mijnheer Wilder een sigaar aan.</p> + +<p>—Dat zijn weer van die fijne sigaren, zei Albien.</p> + +<p>Ze smoorden en praatten ondereen. Goedele was uiterst gezellig en +aangenaam. Ze schonk de koffie, wierp de klontjes suiker erin, roerde en +wilde alles zelf doen.</p> + +<p>—Gebruikt ge melk van avond?</p> + +<p>—Als 't u belieft, een geutje....</p> + +<p>Ze beloerde op Sebastiaan's aangezicht hoe gelukkig hij was, hoe +gevoelig voor hare dienstwillige gebaren, en hoe hij daar nu wegzonk in +zijne onnoozele verwaandheid, tevreden en zat. En Vader nevens hem was +ook een beeld van gezapig geneuchte. 't Was een gulden avond. Sebastiaan +zei 't:</p> + +<p>—'t Is een gulden avond.</p> + +<p>Daar kropte dan iets in hare keel en ze zwolg geweldig om 't weg te +krijgen, en glimlachte rijzekens ... maar heure oogen werden schaduwen. +En ze overdreef daniger nog hare vriendelijkheid. Ze sprak zonder +diepten, aldoor hare stem buigend in streelingen van korte, +oppervlakkige gezegden. Ze schertste met Devleeschhouwer, maakte kleine +portretjes, draaide hare meeningen tot lollige zetten en schaterde +vroolijk daarbij.</p> + +<p>—Hebt-ge gemerkt de dwaze manieren van Bella?... Wel Jeezes!</p> + +<p>Door den rook der sigaren en 't geronksel van die vlugge babbelingen was +Albien thoopegezakt en in slaap geraakt. Hij schoot altemets wakker, +sluimerde seffens weer weg, en zijn hoofd bijsde ommentweere, zijn bolle +glanzende hoofd.</p> + +<p>—Bella? vroeg Sebastiaan.</p> + +<p>—Wel ja, herinner u ... ze zat lijk een katte te lonken....</p> + +<p>—Ik weet niet....</p> + +<p>Ze ging voort. Ze spotte en peuterde aan diverse gezichtjes en had leute +met die potsierlijke menschen. Sebastiaan duwde den damp zijner sigaar +in ringen en krullekens omhoog, en liet zich dat grillig gepraat +welgevallen. Het kwam alles zoo in zijn schik. Hij hield zich als een, +die boven deze meisjesdoening staat, maar in waarheid had hij er deugd +aan. Te dezer stonde was hij werkelijk de man, die thuis keert van zijn +moeielijk en bovenzinnelijk werk, en zich nu vergenoegt in 't naïeve +gesnater van zijne vrouw, die lieve, de mindere.... Hij luisterde en 't +maakte hem dronken. Hij zei stille:</p> + +<p>—Later zullen wij interessante vrienden op diner ontvangen.</p> + +<p>—Wij?</p> + +<p>Goedele keek hem diep in de oogen, en ze voelde dat hare ziel zich op +een ende losrukken zou. 't Zicht der toekomst, dat hij opriep, walgde, +folterde haar. Ze wilde niet dat hij de toekomst aanroeren zou. De +huidige uren wilde zij gelukkig maken, en ze zou meegaan, dag-in, +dag-uit ... en wat er gebeuren moest, zou gebeuren. Ze was gedwee.... +Maar den sluier wilde zij ongeraakt zien hangen. Wat er achter was, +bezeerde haar.</p> + +<p>Ze werd somber. Ze kon niet het onmogelijke doen en voortlachen. Ze +staarde mijmerend in hare gepeinzen, wachtend tot de schoone eenzaamheid +komen zou. Sebastiaan, verloren in zijn standvastig geneuchte, merkte +niet hoe plotseling zij zich van hem verwijderd had. Onbewust vulde hij +de stilte, die nu heerschend was; hij sprak van zijn zoeken, van zijn +studie. Hij was bovenmatelijk gelukkig als hij daaromtrent verhalen +mocht.</p> + +<p>—Dat doet u dan ook plezier, niet waar?</p> + +<p>Ze tuurde naar 't licht en zag de verte, die onzeker was.... Ze zei, +niet wetende:</p> + +<p>—Ja....</p> + +<p>Hij deed seffens Hieronymus Bos herleven, en zijne handen begonnen te +wuiven, te keeren in 't geluchte, sierlijk en vroom. Hij teekende die +uitermatige figure, dien ziender van monsters en wangedrochten.</p> + +<p>Hij had ontdekt hoe een ellendig mensch Bos geweest was, hoe hij geleden +had tot zijn doodsure alle weeën, die een ziele dragen kan, en hoe hij +toch ten langeleste eronder was bezweken. Hij vertelde hoe de kunstenaar +dan gewerkt had, hoe zijn koortsige geest al die akeligheden geschapen +had en gebeeld in kleuren, en hoe in dat schijnbaar-drollige werk van +Bos een verwijt lag voor de menschen. Nadien had hij zijne eigenlijke +studie kunnen aangevangen: de invloed van Bos op Filips II van Spanje. +Hij schilderde Filips als een ziekelijke mystieker, die behagen vond in +de nare tafereelen van Bos. Hij zag den koning, met koortsige +nieuwsgierigheid, die tafereelen ontleden en beweegbaar maken. Hij zag +hem wreed worden in de nabijheid der hellegeesten van Bos, omdat hij +niet vreezen wilde.</p> + +<p>—En hij vreesde!...</p> + +<p>Allangerhand joeg Sebastiaan, in 't spreken, zijn bloed op, en zijne +gebaren schokten aleens zenuwachtig uiteen bij een woord, dat +hoofdzakelijk moest zijn. Hij meende Goedele's gedacht te boeien. Hij +merkte hoe zij hem nu nakeek, hoe hare oogen roerloos op zijn gelaat +zich vestigden. Hij wendde zijne blikken af en staarde gedwongen naar de +poedelhondjes, die op 't vensterblad pronkten, maar innerlijk was hij +tevreden dat zij hem in zijn rede zoo nauwkeurig volgen wou....</p> + +<p>Tot ze hem meteen het woord afnam:</p> + +<p>—Is dàt uw werk?</p> + +<p>Ze hoorde zelf, hoe koud haar gezegde klonk. Hij zweeg een oogenblik: 't +was of met een ruk de poedelhondjes waren opgesprongen. Hij bleef +beteuterd, vernederd zitten. Goedele, eerst verwonderd dat haar uitval +zoo pijnlijk was geworden, wilde niet meer wijken, en koppig dreef ze +door, slaande op elken zin, om zich op te hitsen.</p> + +<p>—Is dàt uw doode werk?... En zal ik leven in 't bijzijn van al die +schimmen? Zult genievers een woord vinden, dan om die oude namen tot +levende gepeinzen herop te wekken?... Maar voelt ge niet dat ik +uitkwijnen moet in dien fantastischen rommel, in die beschimmelingen +zonder kleur noch gedaante?... Ik weet niet, wat ik noodig hebbe. 't Is +mij te onduidelijk, omdat ik ziek wordt stilaan. Maar mijne armen, mijne +handen, mijn nekke dien'k plooien moet, mijn gansche lijf wil lucht en +beweging. Van wat is en voelbaar is, wil ik genieten.... Ik vraag het +mij dagelijks af: 'k betaste mij en 'k vrage ... waar 'k zeer heb, waar +ge mij zeer doet, gij allen, die niet leven wilt!...</p> + +<p>Ze stond rechte, lengde zich uit, groot wordend en hare sterkte +uitspreidend om haar.</p> + +<p>—Mijn vleesch is struisch—maar binnenwaarts zegeviert de pijne. Ge +martelt mij aldus, ge nijpt mijn herte thoope in enge banden van koud +metaal. Waarom is alles dood wat ge mij te geven hebt? Waarom en toets +ik niets dan doode dingen, allentwege doode dingen? Hebt gijlie geen +polslag? hebt gijlie geen warme handen? hebt gijlie geen voelenden +geest?</p> + +<p>—Goedele!</p> + +<p>Hij vatte haar bij den arm. Hij was gekrenkt. Hij zei kort, met bevende +lippen:</p> + +<p>—Dat is slecht, wat ge doet.</p> + +<p>—Slecht?... Maar mijn hoofd berst en breekt. Wat hebbe'k miszeid? Mijn +hoofd is een zware kasse, en 't weegt me, 't weegt me zoo pijnlijk. Wat +draag ik daar al niet in, sinds jaren opgeraapt tallenkant! Die muren +hier folteren mij. Ge zult mijn man worden. Mag ik me niet ontlasten bij +u? Moet ik de sterkste zijn, en ben ik slecht, omdat ik u een part geef +van 't schrikkelijk gewichte? Ik wil niet meer leven alzoo. In dees huis +ben ik onvolledig en voel ik nood. Gij zijt gekomen. Gij zegt dat gij me +lief hebt....</p> + +<p>Ze werd gewaar dat hare stem zeeg en te trillen begon; ze hief hare kin +omhoog en rok haren hals uit. Ze wilde hare woorden niet belijden, ze +zoo maar uitspreken, zonder dat ze een smertelijke herinnering opwekken +mochten.</p> + +<p>—Dat ge ... mij lief hebt ... ja. Leef nu! Doe niet mee met de doening +van heel dees huisgezin. Kijk rond u.... Vader speelt met popjes. +Grootvader is een roerende schaduw. Moeder ... och, moeder ... +Sebastiaan ... is me vaak lijk een noodlottige figure, gaande in steenen +stilzwijgendheid.... En gij nu nog vingert in een vunzig verleden.... Is +zóo de wereld, zóo de menschelijkheid?... Ik weet niet meer, ik twijfel +en ik lijd: ben ik abnormaal?</p> + +<p>Ze dwong stille haren arm los.</p> + +<p>—Ben ik buiten nature, en gijlie te zaam, leeft gij waarachtig naar 't +gebod van uw wezen? Ik word onzeker. Ik haper in mijn gepeinzen. Ik +bekijk alles te vergeeft ... te vergeeft, want uw aller zicht drijft me +slechts tot opstand.... En dulden wil ik, verdraagzaam, gedwee ... en ik +ween als ik eenzaam zit—Mocht ik dat alles ú niet zeggen?</p> + +<p>Hij lei zijn magere handen, in blank gebaar, over zijn aangezicht en +liet ze erover trage neerwaarts zijgen. Hij sloot zijn oogen en verdroeg +een oogenblik de stilte. Dan sprak hij met veel droefenis en zijne +woorden, onderbroken bij poozen door onregelmatige zuchten, kregen in 't +luisterend geluchte, na 't verwilderd krijten van Goedele, een ongemeen +belang. Hij zei dat ze hem diepe pijn veroorzaakte, dat hij haar liefhad +boven al wat hem anderszins lief was, en dat hij zou ommekeeren in zijne +levensbaan, als het haar zoet mocht zijn. Hij kon niet nalaten, ook op +dezen stond van waarlijke smert, zijn gezegden te meten en schoon te +sieren in passende golvingen. Hij beluisterde zijn eigen. Hij vroeg:</p> + +<p>—Wat moet ik doen? Ge hebt mij zeer gedaan....</p> + +<p>Ze viel terug neer op haren stoel, afgemat, en haar gemoed kwam vol. Ze +stortte dan voorwaarts op de tafel en begon te snikken. Ze voelde +Sebastiaan's vingeren streelend over hare schouders gaan en hoorde hoe +hij daarbinst haar troostte met schoone uitdrukkingen. Ze jammerde dat +hij haar vergeven moest, dat ze koortsig was en hem wel geerne bij haar +had, dat hij goed was voor haar en niet hoefde te veranderen ... dat zij +de schuld was van haar gemaakte wee, door haar wrevelige zenuwen, door +hare lichtzinnigheid, door hare vreesachtige zwakte.</p> + +<p>—Ge moogt niets zeggen hiervan aan moeder.... 'k ben ziek, ik verzeker +u. Ik ben onrustig en hebbe sinds gisteren hoofdpijn—slagen in de +hersens.</p> + +<p>Ze huilde en haar gansche lijf schokte op. Ze wilde niet kijken naar +Sebastiaan. Ze bleef liggen; haar gelaat dook weg in hare saamgebrachte +armen.</p> + +<p>—'t Is best ... dat moeder niets weet ... getweeën zullen we 't +gemakkelijker ... vergeten....</p> + +<p>Maar moeder stond al in 't deurgat. Haar stevig aangezicht rees bleek op +uit de gapende donkerte, en 't licht kletste open op haar voorhoofd. Ze +tort naar voren. Hoe dof ook hare stappen smoorden over het dichte +tapijtsel, toch voelde meteen Goedele hare aanwezigheid. Ze sidderde en +haar asem bleef hangen in hare keel. Hare vroegere vreezen bevingen haar +op een nieuw en verlamden hare spieren. Ze dierf moeder's blikken niet +taken met haren blik. Ze wachtte.</p> + +<p>—Ik mag u ook wel troosten, mijn kind, zei Ursule met effen +bedaardheid.—Ze kwam naderbij, ging de tafel rond en schudde onderwege +Albien, die seffens rechtsprong en kinderlijk-benauwd daar te gapen +bleef. Ze stond nu in de volle klaarte. Ze was uitermatelijk groot en +meesteresse. Ze wenkte met hare hand ten teeken dat mijnheer Wilder zich +verwijderen mocht, onverwijld, en, als hij sprakeloos wegdrummelde, keek +ze rustig naar haar zakuurwerk. Men hoorde rijzekens het horloge tikken. +Ze sprak:</p> + +<p>—Het alkoollampje brandt nutteloos.</p> + +<p>Ze ging het uitdooven. Ze nam de sigaar op, die uit Albien's vingeren +geglibberd was, en blies de assche uiteen langs het tafellaken. Met +streelende zachtheid boog ze zich over Goedele en vroeg wat er deerde.</p> + +<p>—Ge moogt u niet ophitsen en schadelijke gepeinzen voeden. Wilt ge een +druppelken munte?</p> + +<p>—Danke, moeder ... ik ben ongemakkelijk, ik lust niets ... 't zal +geleidelijk overgaan.</p> + +<p>—Dat meen ik ook ... Mogen wij u morgen verwachten, Sebastiaan?</p> + +<p>Hij stond seffens recht en beloofde dat hij stellig komen zou.</p> + +<p>—'t Wordt nu late, voegde hij erbij, wel een endeken vernederd, omdat +zij hem zoo dadelijk wegzond. Hij was echter min in zijn schik nu en +vond het om dieswille niet onpasselijk, dat hij vertrekken mocht. Hij +wist niet wat zijne houding zijn moest. Hij zou morgen meer weten.</p> + +<p>Goedele droogde hare oogen en bracht hem zijn overjas en zijn hoed. +Niemand sprak daarbinst. Gedurig heerschte de wegende stilte. Op +elkendeen's lippen lag een onbeduidend gezegde, dat iets verroeren zou +in 't geluchte en een beetje rustigheid stichten, een beetje +verstrooidheid te gelijk.... Naar niemand en dierf noch en sprak. Men +haastte zich, in schijn onachtzaam en lui zich toonend, en de leegte die +overal was, werd onverdraaglijk....</p> + +<p>Sebastiaan vertrok.</p> + +<p>Ursule kwam vóór Goedele staan en kruiste hare armen over hare borst.</p> + +<p>Ze beet haar toe:</p> + +<p>—Kijk òp!</p> + +<p>Ze wilde in de hersens wroeten van haar onwillig kind en tusschen hare +tanden heen sisten hare woorden.</p> + +<p>—Wat zijt ge van zin?... Ik vraag u—wat zijt ge van zin? ... Kijk òp, +zegge 'k. Wat zijt ge van zin.... Laat me zien in uwe oogen. En duik uw +voorhoofd niet.... Op! wat is er?</p> + +<p>Ze bukte zich en stiet haar kinne naar voren, en een rimpel duwde de +hoeken van haren mond neerwaarts.</p> + +<p>—'t Wordt tijd dat ik het weet.... Nu zal ik alzoo gesteend en +gejammerd hebben om 't kwade gedrag van Romaan; nu zal ik alleen zijn +rechte gebleven om de hoop, die ik stelde in u ... en nu zoudt ge 't +leste gebouw omverre storten?</p> + +<p>Ze sloeg haar hoofd met een snok achterover, en stond daar een oogenblik +met hatelijke blikken en dichtbeloken lippen, zich in te houden precies, +om geen uiterst geweld te zeggen. Dan schoot ze uit, lijk een razende, +onbeteugeld en afgrijslijk.</p> + +<p>—'t En zal!... Hoe gij 't ook draait of keert, hoe oolijk gij 't +aanlegt, hoort ge?—'t En zal! Ik zal u vasterijgen.... Ik zal u +vasteketenen.... Ik zal u dwingen tot eerbied voor mijn wil.... Luister +goed—ik heb mijn leven lang gezwoegd en geslaafd om geld ... met mijne +vingeren, tot mijn nagels sleten ... en tot de nacht al verre was ... en +van heel vroeg in den morgen ... om geld.... Dat geld zou vruchtbaar +zijn. Luister goed: ik wil dat het vruchtbaar zij ... ik wil dat nog +zien om mijn ouderdom blij te maken.... Romaan heeft mij verraden ... +die laf hertig is en liever zijn moeder beleedigt ... dan zijn +slette.... Maar gij, ik zegge 't u, wees voorzichtig.... Ho! Ho! ik +zegge 't u.... Rechtgaan ... de weg is dáar—ik heb hem u gewezen....</p> + +<p>Ze merkte nu hoe Goedele, eerst verschrikt, zich allangerhand hervatte +en tot bezinning kwam, hoe zij zich tegenwoordig rustig neerzette en al +die harde woorden zonder aandoening liet wegslibberen, zijwaarts. Een +onzeglijke woede verdonkerde haar aangezicht en vierkantig viel haar +mond open.</p> + +<p>—Haâ-aâ-aâ....</p> + +<p>Maar ze wrong hare kaken regelmatig thoope en zweeg. Vluggelings begreep +ze dat het dwaas was met koppigheid tegen Goedele's koppigheid aan te +stooten, en hare gewone sluwheid dook op, almachtig. Hare minste gebaren +werden lijk te voren berekend en geleid, en hare gramschap liet ze +meteen wegvallen in een diepen zucht:</p> + +<p>—Och, Heere-lief!...</p> + +<p>Ze zakte naderhand ineen op een stoel, vouwde stille hare handen over +haren schoot, en, haar voorhoofd neerbuigend, staarde in droef gepeins +op 't gebloemte van het tapijt. Ze bleef een stonde sprakeloos en daar +zeeg over heur gelaat een groote droefenis. Met een ontroerde stemme zei +ze:</p> + +<p>—Ik heb ongelijk.... Ik voel dat ik niet wel ben.... Ik had u dat +anders moeten zeggen ... niet zoo brutaal, mijn kind ... maar ik ben +niet wel, zekerlijk.... Ik ben koortsig. Ge moogt die leelijke dingen +... daar even ... niet kwalijk opnemen. Ik heb u lief, ik wil uw +geluk....</p> + +<p>—Ik ben niet gelukkig.</p> + +<p>—Ja ... daarom wil ik zoo hardnekkig uw geluk. Ik mag u niet laten +onzinnig zijn. Ik moet u leiden, ik moet u doen opgaan ... naar dat +later geluk.... Wat scheelt er?... Ge vindt het hier eng. Ge moet u +opbeuren. Het is hier niet eng. Wat scheelt er? Ge beeldt u dat allemaal +in, omdat ge te veel alleene zit. Ge timmert al die akeligheden op, in +uwe eenzaamheid.... Laat Bella hier komen!... na het diner ... 's +avonds, en praat wat, zing wat....</p> + +<p>—Bella moet hier niet komen.</p> + +<p>—Laat Sebastiaan alle dagen zijn bezoek doen!... na het diner ... dat +deert immers niet!</p> + +<p>—Dat deert mij.... Kijk! Ik ben weer kalm. Alles kan gerust blijven +zooals vroeger. Maak u niet meer lastig om mijnentwille nu, moeder....</p> + +<p>—Denk ook een beetje aan mij, Goedele ... zult ge?</p> + +<p>—Ik denk aan u....</p> + +<p>—En beloof me dat ge braaf zult blijven.... Wel! Wel! een mensch heeft +al heel veel harde dingen voor in zijn leven ... hij mag niet zoo dwaas +zijn en kleine vervelingen opketsen tot smetten! Geef me een zoen....</p> + +<p>Goedele stond recht en ging Ursule kussen op haar voorhoofd. Ze keerde +zich daarna langzaam omme en vertrok. Even bleef ze stille in 't +deurgat.</p> + +<p>—Goeien avond.</p> + +<p>Ze tort de trap op.</p> + +<p>—Goeien avond, antwoordde Ursule.</p> + +<p>Tot ze, dan boven, Goedele's kamerdeur hoorde sluiten, zat mevrouw +Wilder onbeweeglijk vóor zich uit te kijken, zonder zien. De zoetigheid, +die zij om haren mond geleid had, viel meteen en haar bloed sprong in +een machtige geute naar heur slapen. Ze hief haar vuist omhooge en liet +ze met een forsig gezwaai neerploffen op het tafelberd. Een koffiekopje +joepte kantewaarts rinkelend omme en, over het witte laken, spreidde een +bruine vlek, die geleidelijk openging....</p> + +<p>In de voorkamer stond Rik, en hij lachte stillekens, een diepe leute +gevoelend, zóo op een keer.</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + + +<h3><a name="hVI" id="hVI"></a>VI.</h3> + + +<p>Goedele, als ze op hare kamer kwam, stak haar nachtlichtje aan en ging +neerzitten bij 't venster. De tuin was in dichte donkerte gezonken. +'t Had al gesmokkeld in den avond, en nu begon het te regenen. Tegen de +ruiten sloegen de druppels, menig en leuterig, aldus een tokkelveuzeken +makend, dat eentonig en klagend was. Altemets vulde de wind zijn +zoevende flanken en dan roefelde de volle vlage ineens langs het raam. +Andermaal was 't weer zoete, en de regen trippelde in gelijke maten, zoo +smertelijk van zin, dat Goedele om haar herte een endelooze droefenis +voelde, die in warme aandoening opjoeg, kriebelend binnen hare oogen. +Ze zat in hare schoone eenzaamheid den dag te overpeinzen, die verleden +was. Ze herdichtte den pronten morgen, vol zonne en klare droogte, de +levende stad, het levende volk daar krioelend langs luidelijke straten, +al het geruchte, dat deugddoende was, en dan, bij Romaan en Madeleen, +de vrije, heldere huiselijkheid. Ze zag Wiezeken; ze had Wiezeken danig +lief. Ze voelde hoe vol leven ook dit huis ginder was, met dat heel +zieke kindeken, en hoe dood die muren hier, die zoldering, die heele +monsterachtige doening van kouden steen. Ze voelde 't overal. Ze krinste +met hare schouders en bibberde van de killigheid die hier tallenkante +blijvende was ... en ze keek seffens naar de duisternis, den nacht in +den hof, om los te geraken met nieuwe gedachten, die klaarten brengen +moest in haar hoofd. Al wat ze hier met hare zinnen toetste, was haar +eene vernedering en woog op hare hersens.</p> + +<p>De regen klabbetterde welluidend voort. Van tijd was 't of hij wegdropte +en 't geluchte binstdien leeg en open aan 't worden was; de ruiten +bleven ongetaakt ... een stondeken ... maar opnieuw vingerde 't natte +weer algauw, en 't werd een reesem rappe geluiden, zich haastend om de +stilte in te winnen. En Goedele onderging den invloed van dezen +trippelzang, en langzaam baadde haar gansche lijf-en-ziele in 't zoete +gerucht, dat rijzende of zijgende ging. Ze bepeinsde zich en wroette in +haar binnenste, en legde somtijds een gevoel vaste, dat overanderlijk +blijven zou. Nadien was ze bezig met Ameye. Ze had bewondering voor zijn +groote figure—dien hoogen man met een sterk gezichte en een breede +borst. Ze zag nog duidelijk zijne witte handen: ze konden zoo struisch +een gebaar teekenen, en de vingeren gingen dan allen zaam en vouwden +zich thoope of rokken zich uit. 't Waren, lijk woorden, heldere +gezegden. Ze dacht:</p> + +<p>—Maar hij sprak zoo gek!</p> + +<p>Ze maakte zich met moeite wijs dat hij een grove lummel was en wellicht +brutaal moest wezen. Naderhand was ze zeker dat hij een drinkebroer of +een nachtraaf was.</p> + +<p>—Hij loopt in kroegjes....</p> + +<p>Ze herkende het aan zijne goedzakkige manieren en aan de moeheid die +soms zoo zoetig zijne blikken maakte. Ze veronderstelde dat hij met +lichte meiskes omging.</p> + +<p>—De stad is zoo vol daarvan!</p> + +<p>Doch allicht veranderde ze van oordeel: 't was dan een "blasé", een +ontgoocheld wezen, een kalme ziender van andermans leed en plezier—een +zonder doel en zonder verlangen, zonder drift ... ontzenuwd.... Ze had +gewild dat hij anders was. Romaan, zoo gauw begeesterd en zoo gauw +verslagen, had ze lief. Ze wou een man treffen, die op haar broeder +geleek. 't En duurde maar een vlage van den regen, en ze vond dat Romaan +in den grond een zwakkeling was....</p> + +<p>Ze hoorde moeder slapen gaan, en naderhand Rik, en bleef nog turen aan +'t venster. De tijd verstreek langzaam, en 't was haar of zij 't niet +tasten kon: de ure bleef stille, alles hing in verwachting, zonder angst +noch ongeduur. Bijwijlen steeg in de boomen de asem van den wind, en +rijzekens werd ze den gang gewaar der stonden, die overhand wegzijpelden +in 't verleden, achterwaarts.</p> + +<p>De volle nacht, geheimzinnig en zwijgend en roerloos, begon in huis....</p> + +<p>Maar meteen merkte Goedele een varende klaarte in bewegende vlekken +loopende van heester tot heester over den hof, dichtbij de woonste. 't +Was wel iemand, die in de eetzaal was en licht maakte en ermee, langs de +voorkamer wandelde, zoodat de teekening der ruiten laaierig in den tuin +zich openbreidde. Ze werd bang. Elkendeen was te bedde, of ... was Marie +in de keuken gebleven?</p> + +<p>—Maar wat verricht Marie in de eetplaats?</p> + +<p>Ze herinnerde zich dat ze ook Marie had hooren opgaan, naar hare kamer. +Het licht verdween. Voorzichtig tort iemand langs de trap naar boven, en +ging Goedele's deure voorbij: door de splete herkende zij Rik. Hij +stapte gebukt door en trachtte 't gestraal der keerse, die hij droeg, +met vreesachtige vingeren weg te bergen. Ze hoorde dat hij de leege +zalen binnenging.</p> + +<p>Deze leege zalen bezocht nooit iemand. Om de maand werden ze +schoongeschuurd en verlucht. Goedele had ze altijd met benauwdheid +genaderd, omdat hier, tusschen die papieren behangsels met gulden wapens +en heraldieke leeuwen nog precies heerschte de geest van den ouden +markies. Rik had dikwijls daarover zitten mompelen en beweerde dat hij +ten twaalve al eens een spook had zien rondwaren, om de vensters. Ze +hechtte nooit geloof aan Rik zijn gekke gezegden; hij was gestadig bezig +met schimmen en bange verschijningen en zeemeerminnen, en ze wist wel +dat dit al maar ziekelijke verzinsels waren, die hij broeide in zijn +ouden kop. Ze vond het nu echter danig zonderling, dat hijzelf, zonder +aarzeling, in de leege kamers drong. Ze ontsloot stille hare deur, liet +hare sloffen op den drempel en tort kousevoets in den gang. De eerste +zaal was leeg en de daaropvolgende ook. Van hier bemerkte ze 't +keerselicht dat op de muren danste, in de vierde. Voorzichtig naderde +ze, sloop langs de donkerte der hoeken naar voren, tot ze zien kon wat +er gebeurde. Ze bleef staan en hield haren asem op om geen 't minste +geruchte te maken, en ze keek verwonderd toe.</p> + +<p>Rik had zijn keersepan neergezet op 't roode plankierken, nabij den +schoorsteen. Hij knielde en boog zijn krommen rugge en maakte in de +schouwe een planke los. Hij tastte dan in de holte, en op zijn +aangezicht kwam seffens een groote blijdschap.</p> + +<p>—Ze zijn er nog! mompelde hij.</p> + +<p>Hij trok een blauw zakje te voorschijn en lei 't neere voor hem, en nam +vervolgens nog een grooter zakje, in getafeld linnen, en lei 't nevens +'t andere. Hij bekeek ze dan allebei met troetelende oogen, en zijn +tonge sleerde tweemaal over zijn lippen ten teeken dat hij tegenwoordig +gelukkig was. Hij ontknoopte zijn jas en over zijn beenen heen zeeg het +ivoren kistje, dat Sebastiaan aan moeder ten geschenke gegeven had. +Juist bij tijde kon hij 't grabbelen, en een subiete warmte schoot op +naar zijne wangen, bij 't gedacht dat het in zijn val op den vloer groot +gedruisch hadde gemaakt. Hij keek onwillekeurig omme, en Goedele zag +zijn oogen van schrik openstarren en zijn neuze, langgeworden, over zijn +mond een schaduw leggen, lijk een bange holte. Hij bukte zich opnieuw. +Hij ontsloot het getafeld zakje en goot in het kistje, profijtelijk om +niet de stilte te storen, den rinkelenden inhoud. 't Waren koperen en +zilveren muntstukken en allerlei kleine dingen van stoffelijke weerde: +gulden franjen, oude knoopen, kragen en borduursels van +marine-officiers, allerlei metalen platen en rondekens, schitterende +gesteenten. Goedele herkende in den kostelijken schat een duurbaren +halsband van peerlen en koralen stekjes met onderaan een schoon geel +kruis. Ze had het juweel overjaar verloren, meende ze. Ze merkte nog een +paar ringen, die Sebastiaan peinsde te zijn zoek geraakt bij de pompe, +een dag in den Zomer, als hij moegetennist was en zijn handen wou +wasschen. Vele kleinoodiën lagen daar ondereen in wanorde. Rik wroette +met zijne vingeren erin en stak zijn kinne uit naar voren, en neep zijne +oogen dichte om diepe zijn wellust te voelen. Hij scharrelde in de +schitterende gesteenten, hij streelde langzaam dien overvloed van +weelde, peuterde om robijnen en diamanten, bepootelde de zware +kettingen, zich deugddoende aan zijn tastelijk eigendom. Zijn lippen +hergingen bijwijlen. Hij reutelde, zingend zoetekens:</p> + +<p>—Al 't mijne ... àl 't mijne....</p> + +<p>En zijn hoofd bijsde overentweer, op mate van het durend gedoe zijner +handen. Hij ontbond naderhand de snoeren van het kleine zakje, bracht de +keersepanne dichterbij, zoodat het vlammeken meteen wispelturig al links +en al rechts wiegde, en Rik zijn ronde schaduwe op den muur, over de +zoldering, tallenkante te dansen begon. Hij schudde 't zakje leeg in +zijn zijden klakke, die hij vóór zijn knieën neergelegd had. 't Waren al +goudstukken, groote en kleine dooreen, en ze belden wel een oogenblik in +de ruimte, maar zwegen seffens als ze dof in de klakke sleerden. En Rik +zijn hoofd gloeide stilaan van ongemeene koortse, en zijne vingeren, die +weer aan 't schefferen waren in dien rijkdom, bibberden van +ongeduldigheid. En hij lispelde:</p> + +<p>—Al 't mijne....</p> + +<p>Hij sprong meteen op en zijn gelaat werd wild, ruw, wreedaardig. Goedele +vreesde dat hij haar bemerken zou. Hij bleef rondkijken, en trok +geweldig zijn asem op langs zijn neuze, alsof hij een ongewonen reuk +opsnoof en weten wilde.... Hij tort naar een der vensters en keek door +een splete der luiken de donkerte in van den nacht. Hij zakte nadien +ineen op den grond, lengde zich uit en sloot zijn oor aan tegen den +vloer. Hij kroop seffens rechte en stond op een nieuw te staren en te +luisteren. Dan blikte hij neerwaarts op het volle kistje en de volle +klakke, en zijne armen gingen van weerskanten in liefderijke bewondering +omhoog.</p> + +<p>—Al 't mijne....</p> + +<p>Zijn lijf rilde en zijn beenderen konden niet stille staan. Het +keerselicht klaterde in 't stralende goud en druppelde in 't geperel der +juweelen. Hij trippelde errond, en 't was of hij dansen wilde en maar +niet in kadense geraken kon. Zijne knieën kluppelden tegeneen aan en +zijne hielen wendden en keerden zich waaiewijs omme. Hij was vier, vijf +maal tewege neer te hurken en zijne handen reikten subiet naar die +schitteringe daar—en dadelijk sloeg zijn rugge opwaarts en hij huppelde +her en rond, lijk te voren....</p> + +<p>Aldoor heviger schokten zijne schouders. Zijne blikken werden lijk staal +zoo puntig, en zijn mond, neerplooiend, viel in stuipachtige snokjes +scheef. Langs zijne slapen zijpelde een overdadig zweet, en zijne haren +plekten toe in natte strengen, van weerskanten. En hij hakkelde schor:</p> + +<p>—Al ... al ... 't mij-ij ... ne ... á-á-ál....</p> + +<p>Tot hij tegen den schoorsteen aanstruikelde, zich koortsig aan 't +marmeren schouwblad vastklampte, en langzaam neerviel, een +thoopezinkende klodde gelijk. Hij zat een oogenblik te hijgen belook +zijne wimpers, en zijn aangezicht, nu regelmatig en drifteloos, werd +uitermatelijk bleek....</p> + +<p>Met een ruk rok hij zijnen hals uit en staroogde, benauwd en verwilderd +om zich heen. Maar fluks glimlachte hij en kroop over den vloer tot hij +'t kistje en de klakke taken kon. Haastig dook hij weer alles weg, en +schoof de plank over de heimelijke holte, binstdien nog zuchtend, alsof +hij spijt had dat hij op een ende toch weg moest van hier.</p> + +<p>—Wel! wel! pruttelde hij binnensmonds, Ursule ... gij onnoozele....</p> + +<p>Goedele ijlde vluggelings naar heur kamer terug en zakte ontzet neer op +een stoel. Ze kon rijzekens hare gedachten bijeenrapen en voelde een +zeerdoende moeheid in hare beenen. Ze kon 't niet gelooven, wat zij +gezien had, en ze was danig ongerust, niet begrijpende die schrikkelijke +doening van Grootvader. De eenzaamheid werd haar onuitstaanbaar en haar +herte klopte om te breken. Ze vatte haar hoofd in beide hare handen.</p> + +<p>—'k Hebbe zoo'n pijn!...</p> + +<p>Ze meende dat hare hersens uiteenspatten zouden. In haar nekke vliemde +een borende smette en tot door hare lenden woog haar onverdragelijk +leed. Ze vroeg zich af:</p> + +<p>—Wat is 't?</p> + +<p>Zij en vatte niets. Zij en kon hare zinnen niet bijhouden. Ze zag +gedurig Rik zijn verwrongen gelaat, en de keerse, die er witte vlekken +op kletste. Ze wilde slapen en alles licht opnemen, lijk een gewone +gebeurtenis. Maar gestadig werkten hare teugellooze gepeinzen, +slingerden dooreen in haren kop, snokten en klopten tegen haren schedel +daarboven. En 't geluchte werd endeloos bang.</p> + +<p>Ze ontkleedde zich spoedig, kroop in haar bedde, blies het nachtlichtje +uit ... De donkerte spookte om haar; daar waarden heimelijke wolken in +de kamer. Ze moest seffens het lamplichtje weer aansteken, en dook zich +onder de dekens, drong huiverig ineen, hare knieën saambrengend in hare +armen. Het huis werd haar nu een schrikkelijke woonste en ze blikte met +afgrijzen in de toekomst. Ze herinnerde zich nog goed den koffiehandel +en den onverpoosden ijver van moeder. Ze wist dat moeder van nederige +afkomste was, dat grootvader op vischvangst leefde. Hoe was zoo gauw de +groote rijkdom gekomen? In een flikkering zag ze de gouden galonnen van +marine-officiers uit het getafeld zakje rollen. Ze dorst niet verder +denken. Ze neep met geweld hare oogen dicht en wilde op andere dingen +peinzen. Maar ze kon niet buiten het huis geraken, buiten dees huis van +gevaarlijke geheimzinnigheid, buiten deze knellende muren, en die deuren +allemaal....</p> + +<p>—Is mijn deure goed vaste?</p> + +<p>Ze stapte uit haar bedde en ging de klinke herdraaien, om zeker te zijn. +Ze kroop bibberend onder de sargie. Ze dacht: hoe gelukkig is Romaan ... +en Madeleen ... en tante Olympe.... Ze zou alles aan Romaan vertellen, +hem raad vragen. Ze wist zelve geen raad.</p> + +<p>—Johannes zal meehelpen ... om raad....</p> + +<p>Ze voelde Ameye nu van dichtebij: 't en was geen vreemdeling meer. Ze +verwonderde zich niet dat ze zoo plotselings zijn naam hoorde in haar, +en zij en schaamde zich ook niet daarover. Al wat hier bestond, had zich +meteen van haar verwijderd, en wat buiten het hekken leefde naderde tot +haar. Ze voelde nievers zoo pijnlijk eene vreemdte dan hier. Ameye was +een vriend.</p> + +<p>Geleidelijk voortmijmerend, kon ze op een ende 't zicht van dees +misdadig huis verlaten; ze sliep, oververmoeid, in en droomde van den +markies, van zijn zonderlinge gewoonten, van zijn wapens met kronen en +klauwende leeuwen.... en ze vond het zoo plezierig dat hij een pruike +droeg en dat het witte steertje, ommekrullend, daar boven zijn krage +gestadig met een gele lintje aan 't vlaggelen was....</p> + +<p>Heel late in den morgen werd ze wakker. Ze was gestild. Ze herinnerde +zich seffens wat er gebeurd was, en 't en wekte in haar geen +buitengemeene aandoening. Hare gedachten waren verdraaid naar nieuwe +richtingen: ze had, docht haar, deze leelijkheid al lange aangenomen. +Als ze in de eetkamer binnenkwam, zag ze Ursule heel bleek en +thoopegedrongen in een leunstoel zitten.</p> + +<p>—Zijt ge ziek, moeder? vroeg ze.</p> + +<p>Ursule begon seffens te klagen en te jammeren: zij en had van den +ganschen nacht geen gebenedijd ooge dichte gekregen, en dezen uchtend +was ze opgestaan met een kwalijke slapte in de beenen.</p> + +<p>—'t Is of het rheumathiek ware....</p> + +<p>En dan moest ze subiet hijgen, bij haar minste gedoe was ze afgemat; ze +was met groote moeite alleen beneden geraakt. En dan hadden ze haar nog +gefolterd.</p> + +<p>—Gefolterd ... wie?</p> + +<p>—'k Hebbe Marie weggezonden ... al dieveggen, die 'n mensch uit +medelijden van de strate raapt....</p> + +<p>—Zoo dan terug op strate gesmeten?</p> + +<p>—Ze heeft me brutaal geantwoord.... Ze heeft geweigerd mij een +hoofdkussen te halen ... dat heeft ze.</p> + +<p>Op de trap hoorde Goedele een stille gesnik en dadelijk daarop een ruw +gemompel van Grootvader.</p> + +<p>—Toe-de ... toe-de ... ronkte Rik ... gij leelijke kerte ... en kus uw +handje ... dat ge er zoo zoetekens van af komt....</p> + +<p>De deur in de voorkamer werd met een ruk toegesmeten, en nadien piepte +'t zware hekken.</p> + +<p>—Ze is weg, zei Ursule.</p> + +<p>Ze dorst niet spreken van het ivoren kistje dat haar ontstolen +was—Marie was een dievegge—en ze herkloeg met gelijke woorden over +haar leed: de pijne zonk tot in hare lenden en straalde van daar uit in +gansch haar lijf, en bijwijlen had ze een hevigen harteklop—haar kele +stropte toe en 't was alsof ze niet meer asemen zou.</p> + +<p>—En die rheumatiek daarenboven....</p> + +<p>—Ge moet den dokter halen.</p> + +<p>—Och! Och!...</p> + +<p>Ze haalde de dokters alleen op 't laatste oogenblik, als geen andere +doening meer helpen kon. Ze was overtuigd dat de dokters prutsen, tot ze +de menschen voor goed ziek krijgen, en dat ze best later maar kwamen. +Toen ze, na Romaan zijn vlucht van huis, te bedde lag en endelijk den +dokter bij haar liet roepen, en dan hoorde van hem hoe ze in der +waarheid gevaarlijk ziek was, had ze werkelijk deugd, altijd maar +vreezende te voren, dat haar kwale slechts een tijdelijke +onpasselijkheid zou zijn. Ze wilde nu niet luisteren naar Goedele. Ze +liet zich gewillig pramen, oolijk-tevreden om Goedele's aandringende +deernis. Ze keek diep-mijmerende naar 't onbijt van hare dochter en +legde in hare oogen een geveinsde droefheid. Ze tuurde sprakeloos naar +de koffiekanne en het tinnen melkpotje en de witte teelkens en +koppekens, die daar ondereen in 't noesche licht te klateren stonden—en +naar Goedele's vingeren, die verduldig werkzaam waren eromme. Ze liet +een peinzende stilte vallen en wachtte tot het geluchte langs hare +woorden voordeelig werd. En ze herbegon dan vage dingen te zeggen, al +treurende, op een moeden toon en met slepende stemgolvingen. Ze sprak +van haar verleden, van ijverige tijden, tijden van duurbaar werk, van +voortdurend zwoegen.</p> + +<p>—Ho! ik hebbe gezwoegd!...</p> + +<p>Ze volendde eentonig hare klagementen en vroeg dan met spijtige +gezegden, wat zij voor zooveel slaafsch gedoe verwachten mocht. Ze +zanikte zoo. Ze werd het zelf gewaar hoe vervelend ze werd, en ze was +dan boos op haar eigen. Ze loerde zijlings naar Goedele, merkte hoe +rustig ze voortdeed met haar ontbijt, hoe ze soms weggeraakte met hare +gedachten en niet meer luisterde. Ze sprak luider, al op eens een vrage +doende om Goedele weer tot zich te trekken:</p> + +<p>—Wat is mijne belooninge?</p> + +<p>Goedele schrikte even op en boog subiet haar hoofd.</p> + +<p>—Wel ... moeder....</p> + +<p>En Ursule jammerde verder, al voelde ze dat ze hare dochter maar niet +taken kon, niet vatten met iets. Wantrouwig meende ze nu dat Goedele +verdoken geheimen had, verdoken inzichten. Ze folterde haren geest met +nieuwe oolijkheid, aldoor tuk op versche subtiliteiten.</p> + +<p>En Goedele bleef sprakeloos.</p> + +<p>Rik tort binnen. Hij zei:</p> + +<p>—'k Hebbe ze op strate gegooid.</p> + +<p>Hij lachte met wel genoegen en wreef zijne handen overeen en zette zich +bij 't vuur te warmen. Hij schudde zijnen kop, ten teeken dat hij in +zijn geest aan 't redeneeren was, en hij deed zijne knieën tegeneen +knokkelen, in koortsige vroolijkheid.</p> + +<p>—Ze dorst nog weenen, de valsche leegloopster!</p> + +<p>'t Walgde Goedele. Ze stond recht en keek naar 't horloge, lijk iemand +die op de ure wacht om heen te gaan. Ursule bemerkte 't seffens.</p> + +<p>—Vertrekt ge?</p> + +<p>—Wiezeken bezoeken....</p> + +<p>—'t Is half-elf.</p> + +<p>—'k Ben gauw terug ... rijzekens hooren hoe 't is ... daar ginder....</p> + +<p>Rik lachte meteen luidop, en Goedele kreeg een pijnlijker stoot in haar +herte. Maar zij en keerde zich niet omme en ging zich aankleeden, +verlangend om weg te zijn van hier, waar nievers een gezellige warmte +komen wou....</p> + +<p>Buiten voelde ze opnieuw haar lijf in vrije lustigheid, en algauw +verdreef ze uit haar hoofd de lastige gedachten, die daar woonden. 't +Was alsof zij zich op den drempel ontdeed van al wat binnen den huize +haar wrevelig miek. Ze haastte zich tot ze buiten bereik was, tot ze de +stille strate verlaten had en baden kon in 't gejoel der lawaaierige +stad.</p> + +<p>De regen had de steenen klaar gekletst en, bij plaatsen, speelde de dag +er met lichtende vlekken. De hemel bleef grijs en beloken, maar +zilverige tinten liepen er, ten teeken dat bovenwaarts de zonne aanwezig +en klaterend was. De huizen, in vlakke reken van weerskanten, zonder +zichtbaar dak en zonder wispelturigen gevel, stonden omhuld in vale +verven. De vensters waren holten rotewijs geschikt en de deuren, +tallenkante op eender hoogte, legden gelijke, donkerten er onder. De +drempels bleven zwijgend: geen troppels kinderen of kijvende vrouwen +waren eromme levend, lijk in 't zomertij of in de voorjaarszoelte. De +herbergen waren ruchtig en de winkels. Er roerde haastig volk.</p> + +<p>Goedele deed seffens mee met het rumoer; ze voelde zich wegsmelten in 't +gedruisch, dat ronkte om haar, en zij en was geen eenigheid meer in de +woeling der bezorgde menschen. Ze liet zich beïnvloeden, ze liet zich +zwak worden, al-vergetend wat achterwege was, en nu een kinderlijk +belang stellend in de minste straatgebeurtenis. Ze huppelde door, +drentelend bij stonden, haperend aan schoone uitstallingen van +wintergoed. Ze dacht somtemets aan Romaan en Madeleen en het kindje. Ze +zou Wiezeken geerne wat lekkergoed meedragen en liep een bakkerijtje +binnen. Ze koos van ditte en van datte een pakje vol, en had een drollig +plezier in den naam van al deze snuisterijen. De bakker, een ronde man +met een zijpelend wezen en een neuze daar te midden, waar de teekening +der ruiten bijkans schitterwit op uitblonk, lichtte haar gulzig toe en +deed zijn beste moeite om zijn waar ordentelijk aan te prijzen.</p> + +<p>—Geen muntebollen, juffrouw? Geen lekkers op stokjes? Eerste klasse +juffrouw, en niet geverfd.</p> + +<p>Ze wees die gloedroode stampers af met een weigerend knikje.</p> + +<p>—Kletskoppen ... puur honing en een hemelsche bete, dat verzeker ik u.</p> + +<p>—Ja, dat wel.</p> + +<p>Ze keek in de wissen mandekens, die bij 't venster stonden, vol met +veranderlijke zoetigheid, en bloosde meteen als ze Ameye herkende, welke +vóor 't raam te wachten stond. Hij groette haar met een buigen van zijn +hoofd, en ze was daardoor subiet in de war. Ze werd ongedurig en wilde +maar dadelijk gedaan maken met den dikken bakker, die 't haar met zijn +uiterste vriendelijkheid lastig maakte. Hij moest zich spoeden. Ze +voelde eene wrevelige warmte naar heure slapen opschieten, als de brave +man, een guitig lachje zettend, gulhertig verklaarde dat hij <i>sito-sito</i> +klaar zou geraken.</p> + +<p>—Even nog een koordeken—hier—met een strikje ... Zóo!</p> + +<p>Ze keerde zich fluks omme en hoorde hoe hij haar met dienstwillige +woorden achterna volgde, overdreven en stilspottend, alsof hare +aandoening belachelijk bloot lag op haar aangezicht:</p> + +<p>—Als 't u zal believen, juffrouw—tot een naaste keer.... Anders, +juffrouw, anders de klinke draaien ... zóo ... let op de trap ... +zóo.... danke wel!</p> + +<p>De deur viel toe achter haar en zij stond vlak vóor Ameye. Hij lachtte +en knikte, en prees de voorzienige stonde, die hem bij haar had +gebracht. Hij vroeg, in een vloed van hoffelijke woorden, hoe zij 't +maakte. De wolkenlaag in den hemel scheurde open en de zonne viel in +witte stralen tallenkant. Daar kwam een bedwelmende leutigheid in 't +geluchte.</p> + +<p>—Ik was naar uw broer tewege.</p> + +<p>—Ik óok, precies....</p> + +<p>Ze zei 't gretig, met een dwaze haastigheid, die haar blozen deed. Ze +dierf er niet bijvoegen dat het wel meeviel, alzoo, en wist zelf een +beetje tegen te stribbelen, in schijnbare verlegenheid, als hij haar +voorstelde om saam de bane te doen. Ze kon echter niet weigeren en +verheugde zich om die onmogelijkheid. Hij moest niet lang aandringen.</p> + +<p>Ze praatten ondereen, gezellig, en 't en duurde maar weinigen tijd, eer +ze teenemaal vrij werden in hunne uitdrukkingen, los van alle gedwongen +beleefdheid. Hij sprak bijzonder zwaar, diep ernstig, en had altijd een +particulier zicht op de zaken. Ze voelde in hem een, die haar meester +was en waar ze leerlustig naar luisteren kon. Hij vatte het leven heel +breed op, heel menschelijk. Allerwege zag hij entwat, dat liefderijk was +en goedheid asemde. De menschen op strate, de peerden en de honden.... +Goedele keek ernaar, omdat hij er kon over klappen met zoo'n innigheid, +zoo'n belang. Hij groef in hare hersens diepe prenten, een nieuwe vizie +der dingen, en ze was nooit moe, ze hoorde hem aan met groote aandacht.</p> + +<p>De zonne bracht een spelend licht overal, lanterfantte langs de vele +ruiten, stortte met lustig gestraal, menig en rijkelijk, op de natte +steenen. Bij plaatsen was de hemel geheel en al blauw. 't Lawaai der +stad zwol op en het volk krioelde al thoope. Het docht Goedele dat er +veel kinder stemmekens tusschen stegen en tegelijk een schelle geklepper +deden omgaan, dat haar deugd deed. Ze werd vroolijk en antwoordde op +Ameye's grondige gezegden, met haar volle gemoed, en redeneerde met hem, +liet zich kwaadgezind omdat hij haar te vroeg gelijk gaf, en schaterde +het uit. Hij hoorde haar geerne bezig, voelde wel de nadering van deze +rijkbegaafde vrouw, en hij raadde hoe vernepen ze gehouden werd, +naarmate ze zich nu wild en begeesterd overgaf.</p> + +<p>Ze keken alles omme en na. Hij deed haar overal iets opmerken, dat ze +genoeglijk bezag, verwonderd dat zij zelve het niet merken kon. Vóor hen +stapte een heer met een macferlan en een dame in kostelijke kleeding. De +dame hing aan den arm van den heer, die groot en struisch was en +matelijk voorttort. Ze kon hem haast niet opvolgen, en drilde nevens +hem, altijd een stap te late. 't Was alsof ze getweeën kreeftsgewijs +doorgingen, allebei noesch weg. De dame deed den heer af en toe +stilblijven voor een modewinkel, en de heer haperde gewillig vóor de +uitstalling van een boekhandelaar. Ze zeiden maar luttele woorden.</p> + +<p>—Dat zijn brave getrouwde menschen, sprak Ameye.</p> + +<p>—Zoo verschillend van meeningen toch?</p> + +<p>—Ze geven malkander toe. Ze zijn redelijk. Zie! De heer kijkt naar de +illustratie van het uithangbord, binstdat de dame nauwkeurig de hoeden +beloert. Hij is verduldig. De dame zal straks verduldig zijn.</p> + +<p>—Maar dat is een zotte leven! meende Goedele.</p> + +<p>—Die menschen zijn getrouwd, zei Ameye. Hij liet haar naderhand vragen +wat hij omtrent het huwelijk dacht, en hij beweerde dat de beteekenis +van het huwelijk grootendeels in die boutade besloten lag.</p> + +<p>—Het huwelijk is wel een beetje onzedig.</p> + +<p>—Onzedig?</p> + +<p>—Maar een noodzakelijke instelling, die dan weinig te maken heeft met +wat we liefde noemen. De liefde kan in het huwelijk bestaan, en heel +vaak slijt eruit weg, omdat twee saamgebrachte wezens van nature sluw +worden, door ikzucht, en geen wederzijdsch vertrouwen bewaren kunnen. +Aldus spreek ik nog maar van gezonde, billijke huwelijken. Onze +maatschappij is echter zóo ingesteld, dat over 't algemeen met een echte +liefde geen rekenschap gehouden wordt.</p> + +<p>—O ja!...</p> + +<p>Hij voelde hoe zij met nadruk dat zei en seffens droeve werd. Hij bleef +een oogenblik zwijgen en sprak nadien met een daling van zijn stemme:</p> + +<p>—De liefde daarenboven is waar zij is, en wij, zijn niet meester over +haar. Wij zijn allemaal zoo'n zwakke, slaafsche schepsels, juffrouw. En +als de liefde buiten het huwelijk komt, wat kunnen wij doen?... De +liefde is <i>overal</i> heilig.</p> + +<p>—Dat wil zeggen: de liefde mag wispelturig zijn?</p> + +<p>—De liefde is niet wispelturig, maar wij noemen altegauw liefde, wat +geen liefde is, wat een klein gevoel is zonder wortelingen. De liefde is +heilig, als zij grondelijk is en ons gansche vleesch beheerscht—en dan +heeft ze paal noch perk, en dan kennen wij geen mate om ze te meten en +geen banden om ze te dwingen. Dan is ze ons zelf, geheel en al, en +heilig ... en overal....</p> + +<p>—Ik weet zoo geen liefde.</p> + +<p>Hij boog zijn hoofd, precies om een hevig gestraal der zonne te +ontvluchten en zichtbaar hergingen rijzekens zijne lippen. Hij zag de +waterplaskens en de grijze droogten wegsleren onder zijne voeten. Op +deze stonde, waar ze beide stille voorttorten, ontstond er een wrevelig +ongemak. Goedele voelde dat hare oogen moe werden, lijk die van iemand, +die te lang in warme kamers bleef. Ze zei:</p> + +<p>—We loopen buiten onzen weg!</p> + +<p>Ze keerden zich alletwee naar links en rechts, en begonnen te lachen. Ze +waren nabij de St. Anne markt.</p> + +<p>—Ja, sprak Ameye, we loopen buiten onzen weg....</p> + +<p>Ze was tewege hem te vragen waarom hij zoo zonderling op zijn woorden +aandrong, maar ze gebaarde dat ze niet geluisterd had.</p> + +<p>'t Was hier een groote drukte. De menschen liepen dooreen in ijverig +bedrijf. De markt was zwaar van rumoerig leven. Vrouwen met paanders +drumden tegen malkander aan rond de kramen, en kozen hun waar, eromme +pootelend en tastend en wroetelend om niet bedrogen te worden. Uit een +zijstrate kwam een vlote stootkarrekens aangereden, met een gulden +vracht appelsienen beladen en door ruchtige meissens gevoerd. Vóor 't +portaal van de St. Anne-kerke stond een liedjeszanger te brullen van "de +lieve Genoveva" binstdat zijn wijf, bezorgd voor al te strenge politie, +een endeken verder de wacht hield. En de zonne wemelde tusschen die +luidelijke beweging, smeet open haar bundels licht, klaterde langs de +zwellende tenten, waaronder de wind zich toornig miek.</p> + +<p>Goedele lanterfantte een beetje, een toenemend belang stellend in de +doening van die werkzame menschen, ook om de koelte te vergeten, die +over haar en Ameye gezonken was. Ze verwonderde zich over 't een en 't +ander, lachte altemets luidop of werd weemoedig van deernisse.</p> + +<p>—Aai-Jezes! Kijk hier!...</p> + +<p>Een oud manneken was daar dichtebij, ronddrevelend met een houten +kistje, vol met muskaatnoten en kruidnagels. Zóo klein was hij, dat hij +zich gedurig met de ellebogen te voorschijn moest worstelen en alleen +zichtbaar werd door zijne uitbundige gebaren. Hij had luttele handjes. +Hij droeg een grijze veste, en een roste broek, bleek en donker +getafeld, slodderde om zijne kromme beenen. Hij dretste onhoorbaar op +palullige sloffen, en een roode halsdoek, geelgebloemd, waaide rond +zijnen korten hals. Zijn hoofd was rond en groot, en zijn gezichte, heel +nietig tusschen twee uitschelpende ooren, lonkte en loerde, uiterst sluw +en uiterst beweeglijk. Hij riep met een pieperig stemmeken:</p> + +<p>—Nikske van doen?... Alla-dan, madameken,... alhier! alhier!</p> + +<p>Hij zag Goedele, en hoe ze daar onthutst hem aan te kijken stond, en rok +zijn nekke naar heur uit, en kwam vriendelijk zijn:</p> + +<p>—Toe-da, madameken, een dozijntje? Groffels, lijk er nievers meer te +vinden zijn—en lekker ook voor tandpijne! Hoeveel? 't Zijn de leste.</p> + +<p>Hij merkte Ameye en werd seffens hoffelijk, aldoor buigend en groetend:</p> + +<p>—Mijnheere!</p> + +<p>Hij nam een kruidnagel met zijn duim en zijn wijsvinger en hief dien +omhooge, profijtelijk:</p> + +<p>—'n Volle mate voor vijf centen!... Kijk nu toe! Zoo donker als de +nacht en zoo sappig als de lente! Ge moogt kijken, madameken, en +betasten ook... Alla-alla-de! een dozijn groffels voor 'n jong +huishouden....</p> + +<p>Goedele bloosde, en Ameye moest den dwerg afwijzen met een strengen +blik. 't Oudje hinkte zijlings weg en schetterde in een uitval:</p> + +<p>—Jè-dan ... schoon koppel....</p> + +<p>En 't gewone rumoer herbegon, breed en allerwege aanwezig, golvend over +de menigte, die langs de kramen scharrelde.</p> + +<p>—Loopt ge aldus geerne in het razend gewoel? vroeg Ameye.</p> + +<p>—Wel ja ik, redelijk.</p> + +<p>—De tast van het volk is niet altijd zuiver....</p> + +<p>—Zeker, maar ik voel me hier zoo volledig leven, zoo gezond en zoo +volledig. Ik weet niet—vandaag word ik mijn eigen zoo allerzijds +gewaar, en alles is mij goed. Ik ben lijk iemand die lang ziek te bedde +lag en nu uit mag ... en ik dartel in de zonne. Dat leelijk ventje was +me niet leelijk. Die wijven te gare, die 'k zie staan met hun vuisten op +hun heupen ... ik merk het wel: ze zijn gemeen.... Maar 'k bezie ze van +een anderen kant precies ... en alles is mij goed....</p> + +<p>Ze wond zich op in 't spreken, probeerde haar vaag gevoel met stipte +woorden uit te drukken en wijdde uit in vele zinnetjes, nooit tevreden +omdat ze nooit iets bepalen kon. Ze jubelde en liet zich meegaan met den +slag van haar driftig herte. Ameye was sprakeloos geworden. Hij stapte +nevens haar en luisterde met gretigheid, seffens weer neerslachtig als +er een korte stilte tusschen beide viel.</p> + +<p>Ze geraakten in de groote laan. Hij kocht van een leurend meisje een +rankje hulstgroen met roode peerlen, en bood Goedele het takje aan.</p> + +<p>—Voor de aardigheid, zei hij.</p> + +<p>Hare hand bibberde even, als zij het broze takje aannam. Ze keek naar +hem en hare blikken stieten geweldig tegen de zijne aan. Een bedwelmende +flikkering schoot door haren geest en ze bleef een oogenblik +verbijsterd, alsof zij haar ziele in zijne oogen opklaren zag, nu in +lichtende waarheid zich veropenbarend aan haar eigen zelve, en een +overgroot geneuchte maakte haar dronken....</p> + +<p>Ze stapten haastig door, zonder spreken, en geen vond het zonderling dat +de andere zwijgende was. Ze spoedden zich om straks alleen te zijn, om +te te peinzen in eenigheid—want nu was hun hoofd vol met aanzienlijke +gedachten. Achterwege lag de gansche wereld. Achterwege was moeder en +vader en het vreeselijke huis. Vooruit bestond de endelooze verte, de +wijde ontijdelijkheid. Het was of ze nu deel gingen uitmaken van iets, +dat machtig was boven de sterkte van menschenarmen—en eeuwig zijn zou. +Ze verheerlijkten hun lijf en geest in een nieuwen dageraad ... en wat +komen moest, was niet te weerhouden.</p> + +<p>Ze gingen alzoo. De wagens en sjeezen reden door, holderdebolder over de +kasseide. De trams tjinkten van verre. Jongens ventten rond met +dagbladen en riepen luidkeels het nieuws van den dag.</p> + +<p>—Zijn we nu op goeden weg? vroeg Goedele.</p> + +<p>—Ginder is de brugge.</p> + +<p>Bij de vaart werd-het stil. De luie schepen lagen vast tegen de kaaien +en donkere mannen losten de koolvracht. Men zag ze over de planken +wiegen, hun duistere gestalte, verlengd nog in het water, waar ze door +vlug golvengeklets ziggezagsgewijs uiteen werd gezwabberd.</p> + +<p>Als ze in de doode straat kwamen, waar Romaan woonde, vertraagde Ameye +zijnen gang, en hij sprak weemoedig, zonder naar Goedele op te zien:</p> + +<p>—We zijn er alreeds....</p> + +<p>—Ge tert zoo zoetekens!</p> + +<p>Hij vertelde dat hij een beetje moe was: gisteren heel den avond gewerkt +aan een dringende bestelling, en dezen uchtend heel vroeg te been. Ze +vroeg:</p> + +<p>—Werkt ge veel?</p> + +<p>—Als ik alleen ben.</p> + +<p>—Zijt gij dikwijls alleen?... Ge hebt nog uwe moeder?</p> + +<p>—Moeder is ... weg.</p> + +<p>—Zoo eenig leeft ge!</p> + +<p>Ze had medelijden met hem. Ze herdacht wel het vierkante huis ginder en +hare ouders achter het hekken, maar vond het dan bij Ameye veel +droever—een woonste zonder heerd en altijd zonder geruchte.</p> + +<p>Hij bleef staan. Ze begreep niet waarom hij zoo aarzelend deed, waarom +een groeve boven zijne oogen zichtbaar werd ten teeken van pijnlijk +gemijmer. Ze praamde hem om door te stappen.</p> + +<p>—'t Wordt noene straks.</p> + +<p>—Ja.</p> + +<p>Hij tort verder zonder opkijken, en, vóor de drempel, als Goedele het +linnenwinkeltje ingaan wou, vatte hij hare hand. Hij deed haar zeer, hij +knelde hare vingeren in de zijne, en zijn gelaat kwam naderbij. Hij +fluisterde:</p> + +<p>—Gij weet niet?</p> + +<p>Zijn asem taakte haren hals en deed haar rillen in al heure leden.</p> + +<p>—Niet?</p> + +<p>Ze bad dat hij haar los zou laten. Ze was bang omdat zijne blikken zoo +hopeloos werden, en ze werd niet seffens gewaar hoe onredelijk zijn +doeninge was: ze bekommerde zich om hem. Hij zuchtte zwaar en slokte +eens om zijn kele nat te krijgen.</p> + +<p>—Niet?...</p> + +<p>Ze hoorden, binnen in den winkel, een paar vrouwen hun keuze doen, en +heel omhooge, tenden de zoldertrap, een vroolijk liedeken van Mariëtte.</p> + +<div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i1">Ah! Môsieu le capucin,<br /></span> +<span class="i1">T'as d' la veine—<br /></span> +<span class="i1">T'as d' la veine!...<br /></span> +</div></div> + +<p>Ameye zei:</p> + +<p>—Ik ben getrouwd ... al vier jaren....</p> + +<p>Goedele rukte zich vrij. Ze voelde geen juiste verhoudingen meer. Ze +voelde niet meer wat ze was tegenover dezen man, niet meer dat hij voor +haar een vreemdeling was. Ze kon zich zoo seffens niet hervatten, en ze +werd heel bleek. Omdat ze leed, wilde ze straffen en geweldig handelen.</p> + +<p>Maar hare armen zonken neerwaarts en haar bloed deed een smertlijken +ommedraai. Over hare wangen rolden twee tranen, die ze niet had kunnen +verdringen en die nu in de hoeken van haar lippen haperen bleven. Ze +stamelde, haar gezicht verwringend tot een treurigen glimlach:</p> + +<p>—Ho!... ja ... zoo!...</p> + +<p>Ameye raapte het witte pakje met suikergoed en het rankje hulstgroen op, +die, nevenseen, op de zulle waren neergevallen.</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + + +<h3><a name="hVII" id="hVII"></a>VII.</h3> + + +<p>Eenige dagen verstreken voor Goedele in eendelijke onverschilligheid. Ze +was heel korten tijd bij Romaan gebleven, had geweend omdat Wiezeken er +zoo deerlijk uitzag en was weggeloopen, seffens. Tante Olympe met haar +gestadig geklaag maakte haar zenuwachtig, en Madeleen ook, die daar met +gebogen hoofd aldoor te kijken zat in de toekomst. Ze was weggeloopen. +Ameye walgde haar.</p> + +<p>En de dagen waren verstreken alzoo. Ze wilde niet meer terug bij haar +broer, ginder waar ze geleden had een onverklaarbare pijne, nievers nog +geleden. Ze was bang. Ze wilde geerne alles wisschen uit haren geest, +maar niets anders wekte hare belangstelling, en ze voedde haar wee. +Al wat gebeurde om haar, werd haar onverschillig. Allentwege was 't +nietigheid, en de woorden, die gesproken werden, waren ijdel.</p> + +<p>Ze werd naderhand door opvretende eenzaamheid, streng voor wat buiten +het leven stond van hare droefenis. Ze had ruwe woorden met vader. Ze +verdroeg zijn onnoozel gespeel niet meer en zei het hem met een ruk. +En Albien keek dan verwonderd op, niet begrijpende die stoere manieren, +getaakt in zijne liefde, als hij nu dacht, in kinderlijke vreezen:</p> + +<p>—Zij ook ... en ziet mij niet geerne....</p> + +<p>Omdat ze zoo verduldig was met hem, had hij gemeend dat zij hem dan toch +vatte. Hij vroeg:</p> + +<p>—Zijt ge ziek, mijn kind?</p> + +<p>Ze was getroffen omdat zijn stemme zoo diep een grondslag had, omdat hij +zoo innig bedrukt was, en meteen zoo vaderlijk. Ze zag hoe hij het +nieuwe Snoeckboekje met onverschillige vingeren van zich afduwde en +nader kwam, dichte bij haar, en zoetekens hare handen toetste.</p> + +<p>—Nu ben ik in waarheid triestig van zin, zei hij.</p> + +<p>Hij boog zich om goed in haar gezicht te blikken, om te zoeken naar heur +leed, dat wel ievers in hare oogen zou na te speuren zijn.</p> + +<p>—Hebt ge zeer?... Toe-de, mijne dochter.... waar is 't dat ge zeer hebt? +Voor de eerste maal voelde Goedele in dezen zachten man haar vader +levendig zijn en goed. Ze werd gewaar dat ze weenen zou, als ze geweld +moest doen om te spreken. Haar borste zwol.</p> + +<p>—Wat is 't, zei Albien, dat hier ommegaat, sinds dagen? Ge loopt rond +lijk te lore in dees huis, en ge zwijgt ... en het wordt van alle kanten +zoo bang. Ik heb nu geen lust meer in ditte ... noch datte.... Moeder is +ziek en gij?... Wat deert er? Ik heb nu permintelijk geen lust meer.... +Wáar, wáar, mijn kind.</p> + +<p>Stille kwamen zijne woorden te reke, en ze brachten eene treurige +stemming alom. Maar Goedele stiet dan aan tegen 't beeld van haar eigen +lot en ruw werd ze op nieuw.</p> + +<p>—Bah!</p> + +<p>Ze draaide op hare hielen rond, lijk een meisje licht van gemoed, en ze +liet vader alleen. Als ze de deur uit was, wilde ze wel terugkeeren en +den man meteen in hare armen prangen, al streelende dat brave hoofd, dat +kinderlijke, vol kleine gepeinzen. Ze kon niet: ze moest lachen luidop, +ten gebare dat ze hier alles potsierlijk vond, en ze drilde verder, +langs leege uren zich voortsleepend, lijk een schaduw in noesche licht.</p> + +<p>Ursule lag in haren leunstoel te denken. Seppie, het hondje, moest +gedurig op haren schoot stille blijven, en ze streelde met luiere +vingeren in zijn lange haren, wijlend achter zijne oorkens, waar 't hem +uitermate deugd deed. De dagen gingen omme en ze was gestadig aan 't +wroeten in hare hersens, overentweere wiegend met blijvende mijmeringen.</p> + +<p>—Daar heerscht een geheim in 't geluchte. Ze voelde 't zoo, ze tastte +'t. De doening van Goedele ontsnapte haar niet, en ze was zeker dat een +gevaarlijke gebeurtenis aan 't zieden was en aan 't zwellen. Omdat ze +nooit anders dan meesteresse geweest was en nievers door verborgen +machten bekampt, wilde ze klare wegen zien en vaste staan. Ze begreep +wel dat Goedele wegslibberen wou, en ze vreesde dat zij er toe komen +mocht. Om dwaze plannen te kunnen tegenwerken, moest ze Goedele's +inzichten kennen. En Goedele was ondoordringbaar....</p> + +<p>Ursule's vroegere strijdlustigheid geraakte wakker stilaan: ze zou weer +door oolijke listen hare dochter overwinnen, lijk ze vroeger haar vader +overwonnen had. Ze deed Goedele door Justa, de nieuwe meid, bespieden. +Justa moest al de brieven over den moordamp in de keuken openbreken, +moest in Goedele's kamer snuffelen en laden met valsche sleutels +ontsluiten, alles omkeeren en inzien en beloeren. Ze had Justa voor +dergelijk werk bijzonderlijk aangenomen.</p> + +<p>Justa was een klein vrouwken, levendig en minzaam. Ze ontving alle +boodschap met een vriendelijk glimlachje en sprak iemand nooit anders +aan dan in den derden persoon. Ze had uiterst leelijke handen, met +omkrullende vingers, en hoekige kneukels. Ze bracht die gedurig bij +malkaar, in profijtelijke houding, boven haren buik en wreef ze trage +overeen, al schattend somtemets met vierkante nagels. 't Was een +Westvlaamsch meisen. Ursule kende hare ouders, gebogen eerde-wroeters +zonder hope, etende en biddende wezens, den dood nabij. Justa, de eenige +dochter, had met blij gemoed hare broers en de oudjes verlaten. Haar +doorslepen zinnen, waar ze aldoor in de parochie gebruik had van gemaakt +om oolijke daden te stichten, meende ze nu eens ten dienste van vrijer +bedrijvigheid te kunnen stellen. Als Ursule haar met korte woorden +uiteengeleid had wat in werkelijkheid van haar verlangd werd, had ze +aldadelijk heel de zake begrepen en aanveerdde gretig het nieuwe gebod. +Ze was bovendien werkzaam en net, bracht goede orde in de keuken en +leerde veel van Ursule, die haar in kookkunde hielp. Ze werd een +voortreffelijke meid. Men had haar een schoone belooning beloofd, als ze +dienstveerdig zijn wou naar Ursule's volle goesting.</p> + +<p>—Zóo is mijne goesting! had Ursule gezeid.</p> + +<p>Ze moest Goedele tot in haar minste bedrijf bespieden....</p> + +<p>Ursule vernam echter niets. Goedele bleef thuis, liep de kamers door, +zat altemets een endeken te borduren, te knippen aan een kunsttapijtje, +te kijken meerendeels langs het venster naar 't gewaai dat bijsde in de +boomen. Hare kleeren, hare laden, hare brieven—'t werd alles besnuffeld +en befrutseld: nievers lag een verraad van haar geheim gedoe. Justa +luisterde achter de deure, als ze saam met Sebastiaan in de eetzaal was.</p> + +<p>—Wat zeggen ze? vroeg Ursule.</p> + +<p>—Bijna niets ... een woord ... een ja—een neen....</p> + +<p>—Maar, hoofdzakelijk?</p> + +<p>—Niets! zei Justa.</p> + +<p>Ursule werd koortsig daarvan, hetgeen haar dan niet het minst voordeelig +was, want al nijpender drong de pijne van haar "rheumatiek" in hare +braaien en ze kon soms rijzekens opstaan uit haren zetel. Ze wilde geen +dokter.</p> + +<p>—'t Is rheumatiek.</p> + +<p>Dat was zóo haar zeker zijn. Ze hechtte daarenboven niet veel belang aan +die tijdelijke ziekelijkheid. Haar geest was voortdurend anderszijds +gespannen en wilde klaar krijgen de vaagheid om Goedele's manieren ... +Zij deed op een uchtend Goedele bij haar komen en neerzitten nevens 't +raam, vlak onder het nieuwe daglicht. Ze begon te klagen: ze had sinds +nachten geen ooge meer beloken, ze was zóo lijdende, ze voelde dat het +erg worden zou, en de nachtmerrie bezocht haar....</p> + +<p>—Och! Och!... dat is vreeslijk!</p> + +<p>Ze praamde Goedele dat ze maar goed opletten moest, en in geen tocht +mocht blijven, en 's avonds aandachtig de vensters zou sluiten, en een +dobbele sargie vragen aan Justa.</p> + +<p>—'t Is nu 't gevaarlijke seizoen.</p> + +<p>Dan was 't een ander thema: ze wilde bovenal Goedele's geluk, ze dacht +er altijd, altijd aan, en ze zou alles doen om dat geluk te verzekeren.</p> + +<p>—Willen we verhuizen?</p> + +<p>Goedele hief onverschillig hare schouders op en zuchtte. Ursule drong +aan:</p> + +<p>—We zullen hier weggaan, we zullen een Engelsche villa betrekken, +ievers in den omliggende, waar er bloemen zijn, buiten de wilde stad. +Ik zie dat ge hier wegkwijnt en ik weet niet de reden.</p> + +<p>—Daar is geen reden ... en ik kwijn niet weg, moeder....</p> + +<p>—Kom! Kom!...</p> + +<p>Ze stoop zich voorover en lonkte met droeve teerheid, wenkend dat +Goedele naderen zou. Ze sprak met zoetigheid: ze zag alles, ze was +moeder daarom, ze wist dat iets mishandde.</p> + +<p>—Voel ik dan niet?... Ik voel uw treurende gepeinzen. Niet neen zeggen, +kind, niet neen zeggen.... Ge draagt een last. Ik mag u helpen. Ik wil +doodgeerne uw leven zacht maken, uw wegen zacht maken. Duik niets voor +mij, die boven alles uwe moeder ben. Ik heb al doen uitzien naar een +villa, een djentig dingetje diepe in het loover. Ik wil ook niet dat ge +hier zoo eenig loopt. Bella zal na den noene komen, een paar uren, met +haar borduurwerk.... Zoo slijt de leege tijd. Ik ben vol zorgen om +uwentwil, mijn kind. Waarom wilt ge u verbergen voor mij?</p> + +<p>—Toch niet, moeder ... maar, kijk, ik ben moe en ziek. Romaan is zoo +buiten reden triestig en Madeleen ook ... en Wiezeken is verre, +verre....</p> + +<p>—Is dat alleen uw droefenis?</p> + +<p>—Dat is een groote droefenis.</p> + +<p>Ursule bukte zich meer nog en vatte Goedele's hand. Ze vroeg, al +starrelings turend dwars in hare oogen:</p> + +<p>—En Sebastiaan?... Ge zit zwijgend nevens hem. Ge zegt hem niet wat uwe +tranen beduiden. Ge zegt niets. Dat zijn toch geen geheimen?... Mijn +pover kind, gij hebt Sebastiaan niet lief!</p> + +<p>Ze bleef uitermatig zachte en Goedele keek verwonderd op, niet wetende +wat er uit zoo'n gesprek komen moest en vreesachtig, om den wille van +moeder's sluwe manieren. Ursule vroeg;</p> + +<p>—Wenscht ge niet te trouwen met hem? Laat ons vertrouwelijk zijn. We +zullen saam beramen wat we doen moeten, en wel vinden, wel iets +vinden.... Ik wil u niet in iemands armen gooien, tegen uwen zin. Ik heb +goed nagedacht.... Spreek nu, laat uw herte vrij daar liggen vóor mij, +uwe moeder. Hebt ge, buiten Sebastiaan, een man ontmoet, en voelt ge een +andere liefde?</p> + +<p>Goedele sprong koortsig rechte en schoot uit in eenen schokkenden lach. +Ze werd heel rood en haar oogen baadden in glinsterende tranen. Ze moest +haren neusdoek over haar aangezicht brengen en 't was of ze nadien te +niezen begon. Ze bedaarde. Ze riep:</p> + +<p>—Wel, moeder, onnoozele moeder!</p> + +<p>Ze wilde wegloopen, maar Goedele gebood dat ze blijven moest. Ze bleef. +Ze lachte lijk een zottin en joepte met snokjes opwaarts. Ze gichelde +bij poozen:</p> + +<p>—Ikke?... Ikke?... Wel hemelsche deugd! mijn moederken!... Liefde voelen +of andermans liefde ontvangen!... Bespottelijk, zoo'n idee!... Ik zegge +'t u: stel u in ruste... Ik trouw met Sebastiaan.</p> + +<p>Ze nam Seppie op, schudde hem boven haar hoofd, zoodat het beestje daar +in de leegte, met luie pootjes, te slodderen hing. Ze knikte hem toe, +smeet hem omhooge en grabbelde hem tegen hare borst vaste. Ze lei hem +naderhand op moeder haren schoot terug, merkte hoe ze nu vol met +haarkens was, langs hare schouders en op hare mouwen, en mummelde met +pruilende lippen:</p> + +<p>—Hatje! het leelijke jong!...</p> + +<p>Ze werd seffens heel ernstig, knipte de haarkens weg, zenuwachtig en +kort. Ursule jubelde in haar eigen, als ze de verklaring kreeg dat het +gewenschte huwelijk ten slotte toch gebeuren zou, maar nadien, bij 't +zonderling gesnap van Goedele, werd ze wantrouwig opnieuw. Ze zweeg +echter en rolde binstdien in haar hoofd een versche golving spijtige +gepeinzen.</p> + +<p>Al pratend, en dooreengooiend een reesem lichtzinnige woorden, drilde +Goedele langs de trap naar heur kamer, en sloot zich op. Ze viel lijk +een massa op haar bedde en begon hevig te schreemen. Dat duurde een +lange stonde, tot Justa haar opzoeken kwam voor 't noenmaal. Ze waschte +zich haastig, liet 't kille water vloeien over hare slapen en baaide +hare oogen. Ze had deugd aan die prille frischheid en voelde een klaarte +komen in hare onrustige gedachten. Ze tort dan de eetzaal binnen en ging +neerzitten, naar gewoonte, tusschen vader en moeder.</p> + +<p>Na den eten werd aan 't groote hekken gescheld. Bella schoot huppelend +in huis en vloog blozend en schaterend aan Ursule's hals.</p> + +<p>—Hoe gaat ge, beste mevrouw?... Wel! men kan het niet eens zien op uw +wezen, dat ge ooit ziek geweest zijt?... Dag, Goedele, dag, beste +heer.... 't Is wel koud buiten, hoor! Dan zet ik het op een drafken +langs de straten ... en de menschen kijken me na.... Ik loop geerne in +'t koude weer....</p> + +<p>—Ja ... ja ... de jonkheid, lachte Albien.</p> + +<p>—Ik ben met de gauwte naar hier gedreveld ... Wilt ge even mijn paletot +helpen uittrekken, Goedele? Dat is een dwaas ding—ik geraak er nooit +van af. Mijn mouwen zijn ook zoo potsierlijk ingewikkeld.... Hai! +mijlieve, ge snokt me haast de armen van het lijf.... Ja! Ja! Ja!</p> + +<p>Ze danste van ongedurigheid, bijsde hare heupen en lachte. Ze tikte met +hare vingeren dolle haarkrullekens weg, die op haar voorhoofd belden en +jeukten in hare wenkbrauwen. Ze reikte dan aan Ursule een ranke mimosa, +die ze met haar hermelijnen mofje op de glazen dresse had neergeleid.</p> + +<p>—Djentig, hee?</p> + +<p>—Heerlijk, mijn kind—Onnoozel dat ge ervoor zoo'n dwaze onkosten doet. +'t En was in waarheid niet noodig....</p> + +<p>—Ja!... ja!... ja!...</p> + +<p>—Danke.</p> + +<p>Bella weerde zich om drollerig te zijn en sprak van heur magere +spaaroordekens. Anders had ze een heelen ruiker meegebracht.</p> + +<p>—Ge weet wel—zoo zacht-witte winter-rozen ... maar dat kost! dat kost! +Ze zette zich neer en vingerde ongedurig om de gulden korreltjes van +hare halsketen en, omdat nu een tijd de stilte neerviel langs deze +ongezellige kamermuren, zocht ze opgewonden in haren geest naar spelende +woorden. Ze vertelde van thuis—hoe moeder sinds een paar dagen +aanhoudend aan maagpijn leed en hoe ze dan zoo lastig van humeur was, en +hoe vader dan wegliep, om ongemakken te vermijden. Ze tuurde naar 't +kille gezichte van Ursule, daar roerloos rustend tegen de hooge leuning +van haren stoel, schoon-gelijk van weerskanten en effen lijk gladde +marmersteen, even hard ook en zonder warmte van binnen. Ze voelde wel +dat ze met hare vroolijke zinnetjes kwam zonder uitslag aanstooten tegen +de roerlooze vlakten van dees gewillig gelaat. Ze loerde omdieswille +rijzekens naar Goedele, die opstaarde langs 't venster naar de varende +doening der wolken. Ze had een zonderlinge bangheid over zich, lijk +iemand die zondigt entwat en meent dat elkendeen 't kan lezen. 't En was +precies niet dat ze gezondigd had, maar toch vreesde ze den diepen, +droomenden blik van Goedele. Aan dien blik kon ze geen geheime gedachte +verbergen. Daarom taterde ze aldoor, haar eigen vergetende en alles om +haar vullende met ijdel gebabbel. Ursule knikte stillekens of +fluisterde:</p> + +<p>—Ja ... zekerlijk ... ik peinze aldus....</p> + +<p>Bella was erdoor opgehitst en sprong mateloos van 't eene nietig voorval +naar 't andere. Ze wilde met woorden alles opjagen tot een gewichtige +gebeurtenis, en verzinde tallenkant eromme een kantwerk van +belangwekkende detailleeringen. Ze belonkte op Ursule's wezen of daar +endelijk geen snare bewegen zou en, als bijwijlen een rimpel langs den +neuze zonder reden dieper viel, bleef ze om haar gezegde met opzet +haperen en vertijen, meenende dat Goedele zoo meteen zeer aandachtig +werd. Ze was aan 't vertellen van de verkiezing.</p> + +<p>—Och! mevrouw-lieve, gijlie gaat nooit buiten huize! De stad is éen +strijd, éen roepen van kwade of geestdriftige menschen. Ge moet al die +gezichten eens zien uitrekken naar de brutale kleuren van politieke +plakkaten. De eene peinzen: 't is waarheid! De andere vloeken: ze +liegen! Daar loopt soms een heerken tusschen, dat zwijgt en niets en +denkt en in 't gewoel zijn dansend buiksken laat wiegen.... Die ziet er +gelukkig uit.</p> + +<p>Goedele liet over haar gaan die reesems huppelende zinnen en 't werd +haar in den beginne een aangenaam gezeur, lijze streelend langs hare +slapen. Ze voelde alzoo een korte bedaring ruste brengen in hare +opgeketste leden en ze mijmerde. Ze vaarde geleidelijk met onbepaalde +gedachten weg, en de ruimte daarbuiten, de schoone ruimte met hare vrije +golvingen en hare pluimlichte endeloosheid, kwam om haar. Ze zweefde er +in, en ze werd haar eigen aandoeningen nauwelijks gewaar. Ze kon wel in +'t zoete geharrewar van al hare ommentweer doezelende ideeën 't zicht +herkennen van Madeleen en Romaan, van Wiezeken en tante Olympe, van +Ameye.... Ze tastte nog het werkelijke leven, maar 't en bezeerde haar +niet. En Bella babbelde. En daarhooge togen de wolken voorbij. Ze kreeg +de heel grijze emotie van heur kinderjaren, eene vluchtige verschijning +van verre herinneringen, ginds in den hemel, rotewijs. En dan, +plotseling, de val van een takje hulstgroen met roode perels....</p> + +<p>Ze bracht misnoegd hare hand over haar voorhoofd en het gekwetter van +Bella tjokte onwelluidend in hare ooren. Ze fronste hare wenkbrauwen, +stond seffens rechte en merkte opeens dat een nijpende hoofdpijne haren +kop tot in haar nekke omknelde. Ze stapte langzaam de deur uit. Ze bleef +aarzelen bij de zoldertrap en tort na een oogenblikje toch naar boven.</p> + +<p>Ze had nu een leelijke kure, een ziekelijke wreedheid. Ze ontmoette vóór +hare slaapkamer grootvader, die er kousevoets stond, met angstige oogen, +te loeren kantewaarts naar heur. Ze herkende in zijne blikken de valsche +lichten, die hij niet duiken kon, en ze moest op die stonde door een +helsche kwaadwilligheid gedreven, hem treiteren, hem nijpen met +dubbelzinnige woorden, hem zeer doen met brutale gezegden. Dat voelde +ze.</p> + +<p>—Wat doet ge daar?</p> + +<p>Hij grinnikte en schokschouderde. Ze wilde hem wegjagen.</p> + +<p>—Uit mijne kamer! Wat doet ge, in mijne kamer tewege? Weg, zeg ik u!</p> + +<p>Ze fluisterde hem toe:</p> + +<p>—'k Hebbe toch al mijn laden vaste gesloten....</p> + +<p>Rik rilde een tijdeken. 't Viel hem nu kwalijk, dat gedoe van Goedele. +Hij probeerde zijn lijf verontweerdigd achterover te snokken. Ze zei +dadelijk:</p> + +<p>—Haal moeder's kistje!</p> + +<p>Hij zakte ineen. Zou hij op dees oogenblik kapot gaan? Hij grabbelde +achterwaarts naar den muur om steun te vatten. Hij kon zijne oogen van +Goedele's hand niet krijgen, die, gebiedend, naar de hooge deur der +leege zalen wees. Hij zeeg lijk een vodde thoope en zijn asem wilde uit +zijn kele niet. Hij snakte. Hij deed zijn kop gedurig hergaan, lijk +iemand die jaknikt, en zijne vingeren scharrelden over den muur, wilden +zich ievers vasthaken.</p> + +<p>Goedele keerde zich vluggelings omme en tort klaar-lachend de trap af. +Hare lach klonk heel wit en eendelijk, en ze hoorde Bella beneden even +ophouden met tateren, binstdat moeder vroeg met ontstelde stem:</p> + +<p>—Wat gebeurt er?</p> + +<p>Ze kwam in de kamer weer en zette zich op een stoel. 't Was hier nu +danig droeve. Ze zei:</p> + +<p>—Ge moet mij alzoo niet bekijken, menschen.... Ik heb daar een vieze +leute gehad!</p> + +<p>Bella lachte subiet mee.</p> + +<p>—Vertel eens, Goedele....</p> + +<p>—Straks!</p> + +<p>Ze ging vóor den spiegel staan en schikte nauwkeurig eenige losse +haarstrengen. Ze peuterde nadien aan een strikje, dat leelijk viel op +haren rechterschouder, en vroeg, onverschillig:</p> + +<p>—Hebt ge uw borduurwerk mee, Bella?</p> + +<p>—Ja ... wacht even....</p> + +<p>Ze zetten zich allebei onder 't noesche vensterlicht, en Goedele schoof +het kleine werktafelken bij. 't Duurde een heelen tijd, eer ze hun +tamboerijn gespannen hadden en de vele zijden strengetjes klaar gemaakt. +Bella was bezig aan een bleek-groen fichu, waar ze teer-gele +boterbloemen op stikte, in kransjes liefelijk saamgebracht. Ze was +seffens aan den gang, haastte zich gejaagd alsof 't gauw afmoest. Ze +boog zich lage over haar werk, en moest bijwijlen scheef gaan zitten om +licht te krijgen op de luttele teekening. Ze werkte altijd zoo, +gauw-weg, zonder goesting en zij en zocht nooit naar een fijne +nuanceering. Ze naaldde de tinten te gare, nagenoeg zooals ze aangeduid +waren op 't model, en ze was alzeere moe, om een beetje te rusten al +zuchtend.</p> + +<p>Goedele zat meestendeels met luie vingeren te wachten, te kijken naar +Bella, en ze merkte dan 't een en ander op, bitsig een woord zeggend, +dat onaangenaam klonk. Endelijk geraakte in huis een zwaar en moedeloos +zwijgen, en onderwijl zoefde alover den tuin een grillige wind. Ursule +had hare oogen dichtgedaan en hare handen lagen bijeen, rijzekens mekaar +takend, op haren schoot.</p> + +<p>—Zie! sprak Goedele, trouwen, daar moest ge eens aan denken, Bella!</p> + +<p>—Trouwen?</p> + +<p>Bella giechelde en de strengskens zijde schoven van haar knieën op het +voettapijt. Ze was tevreden dat ze, bukkend om 't lichte gerief op te +rapen, alzoo haar blozende wangen kon verbergen. Een leelijke rimpel +groef een nijdige schaduw om Goedele haren mond. Ze zei, koud:</p> + +<p>—Doe nu niet gek! Ik zie wel dat ge geerne er aan denken zoudt.... Maar +helpt mijnheer De Vleeschhouwer u niet hierin? Moeder heeft me aan +Vrebos geholpen.... A-propos, die komt straks weeral!</p> + +<p>Ze blikte naar 't horloge en vroeg:</p> + +<p>—Is 't hier 't juiste uur, moeder?</p> + +<p>Ursule ontlook langzaam hare oogen, trok haar uurwerk te voorschijn en +bracht het aan, heur oor. Ze keek nadien vluggelings er naar en +antwoordde:</p> + +<p>—Half-vijve.</p> + +<p>Hare wimpers vielen trage toe.</p> + +<p>Goedele vroeg een versche naalde aan Bella, en merkte hoe Bella's hand +even bibberde, al reikende over de werktafel. Dezelfde plooi zakte van +weerskanten, bezij hare lippen. Ze kreeg een kwaad en onweerstaanbaar +verlangen, precies lijk daarboven, als ze meteen vóor grootvader stond. +Ze veranderde van stem en liet hare woorden met scherpe ruwte hakken in +de stilte.</p> + +<p>—Zeg eens, Bella, wat is eigenlijk uw idee omtrent mijn verloofde?</p> + +<p>Ze genoot in waarheid de ongesteldheid van het meisje, dat daar verlegen +en hopeloos tegen haar vrage spartelde. Het was haar een ongewoon +geneuchte, een deugddoend gevoel, dat uit een kwaden drift opwalmde en +spelemeide in hare hersens, heel zacht. Bella vingerde zonder aandacht +om haar borduurwerk en stamelde dat ze niets dacht.</p> + +<p>—Wat heb ik te denken, lieve, en wat bedoelt ge met zoo'n advies?</p> + +<p>—Juist uw advies. Ge meent zelve best wat ik bedoelen wil. Een advies. +Is hij schoon?</p> + +<p>—Och!</p> + +<p>—Is 't een vent met een lijf voor de liefde?</p> + +<p>—Zotte kappe!</p> + +<p>—Peinst hij diepe en drukt hij 't sierlijk uit? Enfin, ge joept daar nu +stotterend en ongedurig op uw stoel....</p> + +<p>—Ik vind het hier bang....</p> + +<p>—Ja—bang.</p> + +<p>Ze blikten subiet op naar mekaar en Bella beukte tegen de harde oogen +van Goedele. Ze zonk precies weg, niets meer doende, zich overgevend, +tewege te weenen. Ze wilde geerne opstaan en buiten loopen en lucht +krijgen. Ze fluisterde:</p> + +<p>—Ik word ongemakkelijk....</p> + +<p>Omdat niemand haar opbeurde en te helpen naderde, werd de gloeiing om +hare slapen onverdragelijk. Ze voelde den scherpen stoot van Goedele's +blikken gedurig. Goedele zei:</p> + +<p>—Ge windt uzelve op.</p> + +<p>—Neen.... maar 't zal wel overgaan. De stove brandt geweldig.</p> + +<p>—De assche ligt dood.</p> + +<p>—Mag de deure niet open met een reetje?</p> + +<p>Ze stond op en werd eene knikkende slapte gewaar in hare knieën. Ze +bleef een endeken in het deurgat staan. Ze zag Rik zitten op de trap, +heel bleek, en staren met diepe oogen, grauw ommendomme beschaduwd. Ze +probeerde zich te hervatten en lachte den grijzaard even toe, al +groetend:</p> + +<p>—Dâag—dâag—</p> + +<p>Rik grommelde onachtzaam, en ze tort binnen opnieuw, teenemaal +ontredderd. Er werd aan de straatpoorte gescheld. Ze bracht schokkend +hare hand over haren boezem, binstdat Goedele lachte:</p> + +<p>—We hebben van den duivel gesproken: daar is nu Sebastiaan!</p> + +<p>Bella hijgde. Het docht haar dat de tijd niet voort wilde, dat hij zich +langzaam uitrok en dat er geen ende aan dees folterend oogenblik zou +geraken. Ze vreesde de stonde, waar Sebastiaan zou binnen komen, en +seffens daarna verlangde zij die, benauwd voor de eeuwigheid die zij +meende van dit oogenblik af te zien aanbreken. Ze hoorde door 't getuit, +dat ziedde in hare ooren, de stemme van Ursule.</p> + +<p>—'t Ligt hier zoo alles in wanorde!</p> + +<p>En ze had dan nog een haastige beweging om de zijden draadjes, die +tallenkant uiteengewaaid waren, een beetje te schikken. Een haastige +stap klonk op den drempel. De peizelijke groet van Vrebos viel haar +zwaar te moede en ze kon nauwelijks glimlachen. Ze staarde naar de +boterbloempjes op het borduurtamboerijn. Als Goedele sprak, was 't haar +of heel de kamer instortte onder 't klabetterend lawaai. Ze lei +rijzekens hare hand in de uitgereikte hand van Sebastiaan. 't Was eene +nieuwe emotie. Goedele zei:</p> + +<p>—Kijk! Basti, ik en deug niet voor u. Ge moest eens goed ommezien en +met Bella trouwen!</p> + +<p>Bella gilde. Haar bloed schoot ineens weg en haar kinne schokte op hare +borst. Ze stortte achterwaarts over en lag, met een doffen slag, +roerloos op het tapijt. Elkendeen sprong toe. Men klopte in hare handen +en wreef over haar voorhoofd.</p> + +<p>—Djeezes-Maria! stotterde Ursule.</p> + +<p>Goedele stond een oogenblik triomfelijk rond te turen. Een donkerroode +blos kleurde hare wangen. Langs de open deur, merkte ze toevallig nog +Rik, die 't ivoren kistje aan 't bergen was, achter een fuchsiapot, +gebarende dat het daar ievers wel mogelijk was zoek geraakt.</p> + +<p>Ze was nu niet schoon. De twee rimpels in de hoekjes van haren mond +lagen heel diepe.</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + + +<h3><a name="hVIII" id="hVIII"></a>VIII.</h3> + + +<p>Goedele had in den nacht hevige traanbuien, en zij en kon maar lichte +insluimeren, gedurig weer wakker opschietend in bange droefenis. Ze +weende bij 't naderen van haar onredelijk wee: ze dacht aan haar zelve, +aan de toekomst, en ze voelde dat haar leven gebroken was. Ze snikte +seffens. Ze had geen gramschap in haar, geen toornige uitvallen wolkten +met heete walmen op uit haar herte. Ze bekeek elkendeen zonder wrok. +Moeder was haar geen hardvochtig wezen meer en ze kon peinzen op heur, +zooals ze peinsde op vader: een groot medelijden verlamde haar oproerig +karakter en ze weende, duikende haar brandend gezichte in 't zakkend +geveder van haar hoofdkussen.</p> + +<p>In den morgen verzwakte haar uitermatig leed, maar ze bleef den dag door +turen naar den komenden winter, verslonden in vaag gemijmer, aldoor +treurig en maf. Ursule trachtte meermaals met zoet gevlei haar op te +beuren. Ze sprak weer van een cottage, waar ze zouden gaan inwonen, bij +'t naderen van de lente. Ze dierf echter het gezelschap van Bella niet +meer oproepen. Het was gisteren al te bar verloopen en de herinnering +eraan zou geen goed stichten.</p> + +<p>De weke liep door. De verkiezingen gebeurden met groot lawaai en een +nagalm ervan drong in dees spokig huis. Men sprak van 't voorval, en dat +bracht een beetje verscheidenheid binnen. Ook een heele zake was 't, als +Justa, in 't voorkamertje, het ivoren kistje ontdekte. 't Was tooverij. +Maar Ursule had voorloopig gewichtiger gepeins en Goedele was niet uit +haar droomen te leiden, zoodat het kistje algauw vergeten werd.</p> + +<p>Op een nacht begon 't nijpend te vriezen. Schoone bloemen waren 's +ochtends zichtbaar op de ruiten, witte bloemen met divers geblaan, +allemaal zuiver en sierlijk van vormen. De tuin lag met blanken rijmel +bestoven en de strate, onder den tert der menschen en 't gerammel der +wagens, klonk bijzonder luidelijk. De postbode bracht, al heel vroeg, +een brief voor Goedele.</p> + +<p>—Wat is 't? vroeg Ursule.</p> + +<p>Hij werd koortsig opengebroken. Er kwamen hier bijna nooit brieven toe, +behalve somtemets een kort schrijven van Vrebos of een welruikend +kaartje van mevrouw De Vleeschhouwer. Deze brief was van tante Olympe.</p> + +<p>—Nieuws van Romaan, fluisterde Goedele, heel laag.</p> + +<p>Hare blikken schoven vluggelings over de zwarte onregelmatige letters, +heel die brave, gebrekkige taal van 't oude wijveken, en stilaan +geraakten hare oogen vol. Ze moest rap pinken om de tranen weg te duwen +en verder klaar te zien. 't Was slecht nieuws.</p> + +<p>Ursule lengde haren hals uit, en op dees oogenblik overviel haar +werkelijk een breede moederlijke aandoening. Ze stotterde, een ongemak +voelend in haar kele:</p> + +<p>—Watte?... Watte?... Hein?</p> + +<p>Ze beloerde 't stille geween van Goedele, elken traan te reke, die rond +werd onder de donkere wimpers, klaar optikkelde met een sterreken +veranderlijk licht en trage neerwaarts droop. Goedele stamelde:</p> + +<p>—Slecht nieuws....</p> + +<p>—'t Is van Wiezeken, niet waar?</p> + +<p>—Wiezeken is aan het sterven.</p> + +<p>Ze zaten nu allebei rechtover mekaar, in stilte te schreemen. In langen +tijd had Ursule zoo 'n ware emotie niet gehad en ze verwonderde zich dat +dees waarachtige droefheid, die haar week maakte en afmatte, haar zacht +was en deugdelijk. Ze voelde dat ze met dees leed tot dichtebij Romaan +naderde en ze jubelde zoete, al snikkend, omdat Romaan zoo dichtebij +was. Ze werd bijna tegen hare vingeren de warmte gewaar van zijn +geliefde voorhoofd.... Ze zei:</p> + +<p>—Ge moet gaan....</p> + +<p>—Ja.</p> + +<p>—Ge moet zeggen ... iets van mij ... iets van zijne moeder ... aan +Romaan.</p> + +<p>Goedele voelde dadelijk dat moeder rechtzinnig was en ze wilde haar +geerne kussen, dankbaar om hare goede smert. Binstdat ze zich met haast +aankleedde, vertelde ze van den verloren broer, zooals ze er nog nooit +hier in huis over had verteld. Ze wist vele bijzonderheden aan te halen, +waaruit het gulden hert van Romaan stralend te voorschijn kwam. Het was +alsof ze tewege was ook van Madeleen te spreken. Het woord verzoening +geraakte bijkans op hare lippen.... Ze zweeg echter, op dat woord juist, +nog aarzelend en nog vreezend.</p> + +<p>Buiten, op de koude straat, tort ze dapper door. Ze was weer in 't +gewoel van de haastige menschen, ze taakte weer het drukke werk van al +die dravende lijven, en, hoe onzeker ook, ze genoot de luchtige vrijheid +lijk overrijd. Maar gauw drilden hare voeten, al slaande tegen hare +rokken, en ze beluisterde den slag, hem gauwer aanzettend, om gauwer +ginder te zijn. De winkels met hunne breede vensters en veelvervige +uitstallingen sleerden zijlings voorbij. Ze herkende ievers een +confectiehuis en wierp hare blikken subiet anderzijds. Een oud ventje +hinkte krukkebeenend op haar af en reikte eene bevende hand uit. Ze +bleef staan en vingerde in haar geldtasje en gaf een stuiver aan den +man. Hij boog en een kistje met solferdoosjes, dat hing op zijne borst, +kwikte schier omme.</p> + +<p>Ze hoorde niet wat hij mompelde. Ze was tevreden dat ze hem iets gegeven +had en dat het niet lang geduurd had. Ze geraakte zoo in 't lage van de +stad. De trams zoefden en kruisten malkaar. De karren waggelden met +ongemeen gedruisch. Een kindje riep haar na:</p> + +<p>—Juffrouw! Juffrouw!</p> + +<p>Ze keek omme en zag het dutseken aandrevelen met een zakdoekje.</p> + +<p>—'t Uwe, juffrouw?</p> + +<p>Ze tastte in haar pelsen mofje en bloosde, omdat een oude heer haar heel +scherp aankeek binstdien.</p> + +<p>—Ja, lieveken.... Danke.</p> + +<p>Verlegen liep ze verder. Tenden de strate lag de vaart. Nog de brug over +en dan een klein draf ken. Wat zou ze zien? Een rappe angstigheid kwam +over haar.</p> + +<p>—Wat zal ik zien?</p> + +<p>Op de brug was al meer moedeloos haar gang en ze tort langzaam, swijlens +starende naar 't water van weerskanten. Het water was bij plaatsen +dichtgevrozen, maar om de schepen, die lui en diepe lagen, allemaal +bijeen langs de dokken, klotsten de vrije golfjes overhand. De grijze +hemel klaterde erheen, in zilveren schervels, en altemets sprong een +vliemken stralend licht er te midden op, naar den willekeur van het +toevallig gespeel. Goedele's blikken bleven daar onbewust haperen en +hare oogen waren wijd-open aan 't zien. 't Geflikker spatterde aardig in +haar hoofd en 't herbegon altijd zijn veranderlijke wiegeling. Ze kon +precies niet verder uitkijken, recht vóor haar, waar haar weg gebaand +was. Hare handen werden heel warm in het doezelig mofje, en ze hervroeg, +een vaag zicht krijgend van de leelijke werkelijkheid, die naderend was:</p> + +<p>—Wat zal ik zien?</p> + +<p>Aan 't klein gesleer van hare voeten werd ze meteen gewaar dat ze te +lanterfanten stond. Een brouwersgast met zwaar gespan riep, om ze uit +zijn weg te krijgen. Ze liep. Ze beluisterde weer den korten klop van +hare beenen in 't matelijk gedruisch van hare rokken slaan.</p> + +<p>Ze bleef uitasemen op den drempel van den ellegoedwinkel. De nijpende +geur van dees huis kwam haar ontstellen, en, al wilde ze gestadig denken +aan 't akelige zicht van Wiezeken, zich daarmee bedwelmend, ze dacht ook +aan Ameye, die daarboven waarschijnlijk was. Gauw probeerde ze te +verzinnen welke houding ze aannemen zou, maar seffens schudde ze haar +hoofd, alsof ze meende:</p> + +<p>—Wat scheelt het mij, en wat ben ik tot hem? Ze ging de trap op. Het +docht haar dat het hier wel akelig zijn moest: de winkel lag stille en +ginder hooge lag stille insgelijks het leutige lied van Mariëtte. De +trap kraakte. Ze zag in de hoeken de gewone stofkens herroeren met het +kleine gewaai van haar kleeren. Ze merkte 't allemaal op, tot de +luttelste dingen, en ze klampte zich permintelijk eraan vaste, gestadig +het oogenblik wegschuivend, dat toch al gelijk aanbreken moest. Ze keek +naar hare hand endelijk, hoe die trage zich naar de deurklinke reikte en +hoe de deurklinke daar precies te wachten hing....</p> + +<p>Ze tort beraden binnen. Niemand was hier in de keuken. Hare blikken +vielen links en rechts op 't vele tinnen en koperen gerief. De koffie +stond te dampen op de stove en daar walmde allentwege de goede geur.</p> + +<p>Tante Olympe stak loerend de zijkamer open en fluks, als ze Goedele +herkende, kwam vóor haar staan, treurig doende met haar gerimpeld witte +gezichtje. Ze zeiden mekaar geen goeiendag. Dat lag zoo verre van haar. +Goedele vroeg, lage sprekend:</p> + +<p>—Wiezeken?...</p> + +<p>Tante Olympe zeeg neer op een stoel en bracht haren voorschoot over haar +wezen. Goedele moest nevens haar gaan zitten en herhaaldelijk vragen +nog, eer het oude wijveken haar geween kon breken. Ze stotterde op een +ende:</p> + +<p>—De dokter is er bij.... Ze hebben er aan gewerkt dezen nacht, met +drijen.... Ze hebben er aan gesneden ... en Wiezeken haar keelken ligt +open.</p> + +<p>—Wat zegt de dokter?</p> + +<p>—Niets ... en durft hij—maar ik, juffrouw, ik weet wel wat sterven is +en hoe de Dood doet, als ze nadert.... Dat arme boeleken!</p> + +<p>—En Romaan?</p> + +<p>Ze had een flauwen lach over hare magere lippen, om te beteekenen dat +het ook met hem deerlijk gelegen was. Ze blikte dan zuchtend langs 't +venster naar den wit-grijzen hemel en ze fluisterde:</p> + +<p>—We zijn hier in dees huis, nu juist twee jaar geleden, binnengekomen. +Ze vouwde hare vereelte handen op haren schoot te gare en voortdurend +tuurde naar het effen geluchte, met schokjes zeggend:</p> + +<p>—En zoo gaat Wiezeken eruit ... en zoo zal ik eruit gaan ... en zullen +wij allemaal eruit gaan....</p> + +<p>—Is mijnheer Ameye hier?</p> + +<p>Tante Olympe begon te tateren en haar kaken glansden op, zonder +overgang.</p> + +<p>—O ja! die goeie mijnheer!</p> + +<p>Ze sprak met bewondering en dankbaarheid over hem. Alle dagen was hij +komen zien hoe 't ging. Hij was 't, die de dokters was gaan opzoeken en +Romaan met brave woorden steunde. Den vorigen nacht was hij tot heel +late gebleven, omdat Wiezeken er zoo heel ellendig uitzag. In den +komenden morgen had hij hem pas verlaten, maar straks zou hij weer +binnenloopen en nieuws vragen. Hij had tante Olympe aangespoord om te +schrijven aan Goedele.</p> + +<p>—Och, me-kind, ik en dacht er niet aan. Ge moet me vergeven. Ik ben +heelemaal zonder memorie en 'k dool alhier en al ginds met mijnen +poveren kop! Het is nu goed, danig goed, dat ge gekomen zijt.</p> + +<p>Goedele hoorde in de zijkamer de stem van den dokter, in druk gefluister +met Madeleen. Dan een groet, een korten slag van de deur en den dalenden +stap van iemand, zwaar krakend over de trap.</p> + +<p>—De dokter gaat weg, zei tante Olympe.</p> + +<p>Madeleen tort weenende de keuken binnen en begon luidop te snikken, als +ze Goedele zag, op wier borste ze kwam uithuilen, zonder mate, haar +overgroot verdriet. Ze jammerde:</p> + +<p>—'t Is gedaan ... 't is gedaan ... och Heere!</p> + +<p>Goedele streelde zachte met hare vingeren over Madeleen's bleeke wezen +en streek heur verwaaide haarstrengen effen. Ze vroeg:</p> + +<p>—'t Kan nog beteren?—Toe, Leentje, wees rustig.</p> + +<p>—De dokter zegt: nog vier uren, nog zesse.... Ik weet niet meer wat ik +doen moet. Ik voel dat alles kapot gaat. Ik kan geen moed meer hebben. +Ik heb nu weken lang moed gehad, moed gehad.... Wat baat nog moed?</p> + +<p>—Ge moet malkander steunen.... Het is een ongeluk.</p> + +<p>—Ja—een ongeluk. Ameye zegt ook—een ongeluk. Maar na al mijn leed, na +al mijn ongeluk, nog dees ongeluk weer. Ik kan niet meer....</p> + +<p>—Ge zijt niet alleen....</p> + +<p>—Romaan is buiten zinnen. Hij begrijpt niets. Hij wordt zot. Hij +antwoordt niet als ik hem aanspreek. Hij zegt niets.... Ik heb toch ook +troost noodig!</p> + +<p>Goedele kuste haar en pinkte gauw een heet-kittelenden traan weg. Ze +werd gewaar dat men haar meesleepte in al dees wanhoopsdoening en dat +zij niet tegenstribbelen kon. Tante Olympe stond vóor 't venster naar de +daken der huizen te kijken. Goedele merkte hoe haar ouden rugge opsnokte +af en toe, en hoe onophoudend haar bevende hand het tipje van den +blauwen voorschoot over hare oogen bracht. En hier, op hare borst, sloeg +in hevige snikken uit de koortsige smert van Madeleen. Ze taakte +allentwege de geweldige droefenis, die heerschte in huis, en ze moest +ook stilaan buigen, neergeduwd door 't overdadig leed. Ze kreeg in de +minste voorwerpen 't klare zicht van de al-meesterende ellende: de tafel +stond ongebruikt, de moor had een zwijgende tote, de borstels lagen +droge en de schotelvodde heel stijf—en was het niet alsof de soepkomme, +achter de ruiten van de dresse, geen dienst meer deed? Nutteloos dampte +op de stove de welriekende koffiekanne. Goedele vroeg algauw, om de +overweldigende treurnisse te keer te gaan:</p> + +<p>—Mag ik Romaan zien?</p> + +<p>Sprakeloos gingen ze, Madeleen vooraan. In de ziekenkamer neep een geur +van jodeform en woog een zoelte van moede lucht, lijk in hospitalen. Bij +'t kleine beddeken zat Romaan, diepe gebogen, zijn kinne in beide +saamgebrachte handen, aan 't staren zonder ende, recht vóor zich uit. +Bleek als een laken en mat was zijn aangezicht, beschaduwd door de +blauwige holten zijner oogen.</p> + +<p>Hij keek niet op. 't Was alsof hij niets opnam van wat om hem gebeurde. +Hij hoorde niet. Goedele reikte hare armen naar hem en stamelde, bevend:</p> + +<p>—Broer ... broer....</p> + +<p>Hij keek niet op. Hij was niet hier. Heel verre tuurde hij en zijn +gelaat, in strakke droomerij verslonden, en peesde noch en herging. Even +roerden zijne wimpers en trilde zijne rechterhand. Zijn bloed sloeg in +rappe slagen bultig uit op zijne slapen. Goedele naderde en bukte over +hem en toetste stille zijnen schouder. Hij vroeg, schier onhoorbaar:</p> + +<p>—Wat is er?</p> + +<p>—Ik.... Bezie mij, Romaan....</p> + +<p>Langzaam wendde hij zijn kop omme en zijne vermoeide blikken, door +koortse ontgloeid, priemden diepe in de oogen van Goedele. Geen blijde +verwondering en roerde de groote kommernis, die langs zijn voorhoofd +rimpelde. Hij zei, onverschillig.</p> + +<p>—Hâa!...</p> + +<p>Hij stond rechte. Hij tuurde trage naar Goedele's mantel, naar haar +pelsen krage en haar breeden hoed. Zijn stemme was koud, eentonig:</p> + +<p>—Komt ge van huis, zoo?</p> + +<p>—Ja....</p> + +<p>—Wiezeken heeft verleden nacht met haar poesjenel gespeeld en ze heeft +naar u gevraagd. Ge weet wel, die poesjenel...? Wiezeken heeft toen naar +u gevraagd.</p> + +<p>Er lag zoo direkt een verwijt in die woorden, dat Goedele te blozen +begon.</p> + +<p>Ze keek naar Wiezeken en ze herkende Wiezeken haast niet. 't Was +teenemaal ineengekrompen. 't Lag met ontsloten mondje te snakken, al +slapend, naar lucht, en zijn neusje vliesde permintelijk open en toe, +asem zoekend te vergeefs. Goedele heur herte deed ineens sterkelijk zeer +en een pijnlijke aandoening stropte vaste in haar kele. Ze wou zeggen:</p> + +<p>—'t Slaapt....</p> + +<p>Romaan hoorde den klank wegfluisteren op hare lippen en lachte:</p> + +<p>—Hee! slapen....</p> + +<p>Madeleen bad dat hij nu zou in de keuken gaan en een ei zuipen, en +Goedele deed mee om hem daartoe te bewegen. Hij werd erom lastig, maar +als hij zag dat Madeleen zich bij 't beddeken neerzette en dat het kind +aldus alleene niet zou blijven, gaf hij toe en volgde zijne zuster.</p> + +<p>In de keuken zakte hij thoope op een stoel. Hij zei aan tante Olympe, +die de koffietasjes op de tafel plaatste:</p> + +<p>—Wat maakt gijlie allemaal veel gedruisch!</p> + +<p>Hij belonkte den aschbak, die opklaarde onder 't gefonkel der laaie +kolen. De stilte echter was hem algauw een groote last en 't getik van +'t kleine horloge kon hij weldra niet meer verdragen. Hij vroeg een +kopje koffie. Hij roerde met het lepeltje erin en volgde het luttel +schuim, dat op de dampende vlakte ommeringde in diverse draaiingen. +Naderhand vestigde hij al zijne aandacht op 't bedrijf van Goedele's +armen, die haar hoed afnam en heur mantel weghing nevens de dresse. Hij +zuchtte en vroeg:</p> + +<p>—Is dat een nieuwe hoed?</p> + +<p>Hij vond het zelf gek dat hij die vrage deed, en verzocht Goedele dat ze +neerzitten zou. Hij zei:</p> + +<p>—Vertel me eens wat, zusje. Ik ben zoo in folterende spanning. Ik weet +niet wat er buiten gebeurt. Och! ge kunt niet gissen, gij, hoe diepe een +mensch lijden kan.... Het leed, Goedele, en heeft geen palen.</p> + +<p>—Alles komt weer goed.</p> + +<p>—Alles?</p> + +<p>Hij glimlachte droeve en hief zijn koffie tot dichtebij zijne lippen. +Hij snoof den walmenden geur op en zette het kopje, met een tikje, weer +op tafel neer.</p> + +<p>—Meent ge dat, Goedele?</p> + +<p>Ze verzekerde met haastigheid, om hem te troosten. Hij schudde stille +zijn hoofd en zijne onderlip zakte rijzekens neerwaarts. Trage schoof +hij zijne vingeren door zijn haar, en liet ze lui afsleren langs zijne +ooren en zijnen hals. Hij lei ze nadien op de tafel en ging de bochtige +aderen na, die blauw uitkrinkelden op het mat-bleeke vleesch. Het docht +hem dat ze buiten hem waren en hij verwonderde zich dat de magere +beentjes, als hij ze roerde al trommelend op het tafelberd, zoo +zichtbaar waren. De zware stilte woog hier tallenkant.</p> + +<p>Hij kruiste meteen zijn beenen overeen, leunde achterwaarts over en na +zijn opgeheven knie in beide handen, lijk iemand die eene gemakkelijke +houding zoekt om te converseeren. Over zijn aangezicht kwam een spijtige +oolijkheid en hij vroeg:</p> + +<p>—En thuis bij u, hoe draait daar de rommel?</p> + +<p>Hij hechtte schijnbaar geen belang aan zijne woorden, en hij wiegde +zoetekens op zijnen stoel, bij maniere van spelen. Goedele wilde seffens +een goede hoop in zijn hoofd brengen, en omdat zij zich herinnerde de +hertelijke aandoening van moeder, zei ze:</p> + +<p>—Goed.... Ge weet wel wat ik beduid daarmee. Het huis is in ruste. Het +staat daar zonder geruchten, in den grooten zwijgenden tuin. We leven te +gare daarin. De deuren blijven dicht en geen lawaai van buiten dringt +binnen. Geleidelijk geraakt in de stilte het geweldig verleden effen....</p> + +<p>—Wat wilt dat zeggen? Effen?</p> + +<p>—De herinneringen zijn nu vaag geworden en men begint te merken dat er +maar iets van overblijft ... wij, en dat we leven ... tastbaar nevens +malkander staan....</p> + +<p>—Leven ... leven ... leven....</p> + +<p>Hij tuurde naar de zoldering en liet zijn hoofd ten geheele overhangen, +op de leuning van zijn stoel. Goedele voelde dat zij hem naderen kon met +het gansche droeve huis van ginder....</p> + +<p>—Daar zijn t'onzent leege plaatsen om de tafel, Romaan. Moeder wordt +zwak. Moeder vraagt naar u. Ze heeft geweend dezen morgen.</p> + +<p>Hij wipte meteen rechte en stond midden de keuken heel verwilderd naar +Goedele te zien. Hij stiet haar ruw aan tegen het aangezicht, met zijne +blikken. Hij boog zich over haar, benauwd fluisterend:</p> + +<p>—Wie heeft u hier gezonden?</p> + +<p>Hij merkte dadelijk hoe bang zijzelve werd en hij week, op een ende +uitberstend met schrikkelijke woede. Zijne armen zwaaiden toornig +ommentweer en dieper zakten de rimpels in zijn voorhoofd. Hij riep:</p> + +<p>—Wie? Wat komt ge hier praten van iemand ... die onze moeder is? Moet +ge mij komen aantasten, als ik nu lam lig, en denkt ge dat ik niet meer +tegenstribbelen kan? Ho! Ho! Ho! Het kind is bijna dood.... Ze naderen! +Ze naderen!</p> + +<p>Goedele zat verplet en met pijnlijke angstigheid blikte ze op naar heur +broeder.</p> + +<p>Hij rok zijn mond open om al zijn haat in vierkante brokken neer te +gooien.</p> + +<p>—Ze hebben mij in mijne zoete droomen getroffen. Ze hebben mijne liefde +bezoedeld, bemorst, beslijkt.... Hee! Hee! Ze hebben mijne jeugd +berimpeld en mijne herte vergald!... Wacht even! Laat me woorden vinden +... laat me zoeken ... Wacht!</p> + +<p>Hij slikte moeielijk het speeksel in, dat zijn tong belemmerde.</p> + +<p>—Maar waar was moeder, als ik Madeleen en tante geen eten meer kon +geven? En als Wiezeken er dan nog bij kwam? En als Wiezeken dan nog ziek +werd? Moeder keek niet omme.... Nu, nu, binstdat het kind sterft, komt +er versche hoop! Willen we nu de slonse laten zitten? Het kind is dood. +Het kind is vergeten. Willen we nu naar huis gaan en ons' moeder gaan +kussen?</p> + +<p>Zijn stemme zonk, werd heesch en moe, en zijne oogen doofden weg in +natheid.</p> + +<p>—Gij weet niet Goedele, wat er al gebeurd is. Gij weet niet hoe moeder +Madeleen wou omkoopen, hoe ze haar vervolgd heeft zonder ruste. Ik heb +naamlooze brieven ontvangen.... Ik durf u alles niet zeggen. Moeder is +een misdadige. Nu stuurt ze u tot mij ... u, die 'k buiten en boven +alles stelde, naast mijne vrouw. Luister—ze zal voort alles aanwenden, +alles, alles.... Ze zal huichelen, ze zal weenen.... Ge hebt gezegd dat +ze geweend had!</p> + +<p>Goedele snikte. Hij lei zijne hand op haren schouder en sprak nu zonder +drift, met een droeve zachtheid, een kleine stilte latend tusschen elk +woord, om schoone en klaar en peiselijk te wezen. Daar schorde altemets +een klank in zijne keel of 't was aleens, alsof hij zijn asem averechts +ophaalde.</p> + +<p>—Heb ik u zeer gedaan?</p> + +<p>Hij vingerde langs heur haar, zoete haperend in de losse krullen, en hij +streelde haar aldus en kriebelde achter hare ooren.</p> + +<p>—Ik heb geen kwade inzichten, zusje, ik ben zeer diepe geknakt en mijn +leven is me straks een last. Ben ik ruw geweest en heb ik u met ruwheid +getaakt? Maar zonder oogen ben ik nu, mijn zusje—en alles wordt zwart +om me. Ik heb u niet gezien. Ik wil u geerne voelen dichte, zoo.... Ge +moet mij vergeven.</p> + +<p>Ze keek op naar hem en hij zag in hare oogen de klaarte liggen van al +hare liefde. Een heete traan dropte dikrollend langs zijne wangen en +pletste met klein geflits midden op haar voorhoofd.</p> + +<p>—Laat ons sterkelijk hopen, zei ze.</p> + +<p>Hij knikte en zijne wimpers vielen toe....</p> + +<p>Naderhand werd er op de deur geklopt en zonder wachten klonk de klinke +omme. Tante Olympe stond seffens rechte en was tevreden dat er toch +iemand een ende kwam stellen aan het pijnlijk gesprek. Ze huppelde tot +aan den dorpel.</p> + +<p>—Goeien morgen!</p> + +<p>'t Was Ameye. Hij boog seffens heel beleefd, als hij Goedele bemerkte. +Het was wel eene subiete aandoening, die hij daarmee verbergen wou, en +een tijdelijke blos kleurde zijne wangen en zijne ooren. Hij bedwong +echter algauw zijne vlugge ontsteltenis en sprak heel gemakkelijk van +kleine zaakjes, zich vooral bezighoudend met Wiezeken. Hij liet al +gelijk geen durende droefenis wegen op de conversatie en vermeed +zorgelijk een tragisch woord of gevaarlijke toespelingen. Daar lag iets +opzettelijk lichtzinnigs in zijne zinnen en nievers duldde hij een +stonde stilte, wetende dat de smert al zwijgend opzwelt en zwaar wordt. +Hij zei:</p> + +<p>—Ziekten draaien alzoo soms heel zonderling uit. We moeten ons nu niet +laten beïnvloeden.... Hebt ge Wiezeken al gezien, juffrouw? En wat dunkt +u? Het kind ziet er niet zoo bar slecht uit.</p> + +<p>Hij klopte op de knie van Romaan:</p> + +<p>—Jongen! gij zijt de ziekste! Ge hebt niet de minste koeragie. Ge zit +daar met een bleek en afgemat gelaat, en uwe oogen rollen vervaarlijk +omme. Wat helpt dat allemaal? Kijk eens naar mij! Ik heb den geheelen +nacht hiernaast, in de iodoform, een pestlucht, gezeten. Ik heb een +beetje geslapen—als ik thuis kwam, ik heb vrij veel geëten, en ik ben +hier terug, gezond. Heeft Romaan wat geëten, dezen uchtend, tante +Olympe?</p> + +<p>—Een walm koffie opgesnoven....</p> + +<p>—Dat is buiten reden!</p> + +<p>Hij liet zich ten halve kwaad en eischte dat Romaan dadelijk een paar +eieren zuipen zou. Hij was daarbinst stille aan het tateren met Goedele, +die hem sprakeloos, met vage bewondering, had beluisterd. Hij vroeg hoe +zijzelve 't stelde, en verzekerde dat hij in waarheid gelukkig was haar +te ontmoeten, al had hij ook aan smertelijke omstandigheden haar komste +te danken. Hij zag dat ze hem moeielijk antwoord gaf en tevergeefs +probeerde een hoffelijke formule te gebruiken. Hij praatte maar door en +staarde soms met ongemeene strakheid in hare oogen.</p> + +<p>Goedele had hem zich heel anders voorgesteld. Hij was precies een andere +man. Het docht haar dat hij meer dienstveerdig was en meer ijverig in +zijne dienstveerdigheid. Hij deelde zijn eigen precies uit en al wat hij +zei, 't en was maar om gauw de gapende stilten te stoppen. Ze voelde dat +alles zeer duidelijk, en stilaan groeide zijn gansche wezen op in haar. +Ze was 't bewust, dat hij zich alzoo meester maakte van haar en haar +teenemaal met zijn eigen leven vervulde. Ze had ook zoo dikwijls en zoo +lange aan hem gedacht en zich zijn bijzijn gewoon gemaakt, dat hij 't nu +gemakkelijk kon en dat het haar niet vreemd voorkwam. Zijn woorden +trilden in haar met ongemeene galmen, en zij luisterde ernaar, en 't was +haar alsof ze nooit te luisteren zou staken. Als zijn stemme altemets +opklom tot een vrage—zij hoorde aan den stijgenden klank dat hij een +vrage deed—wist ze daarom niet seffens wat ze antwoorden moest, en zij +vond het ook niet zonderling dat hij op geen antwoord wachtte. 't +Geluchte was vol van hem en ze asemde in dat geluchte. Ze merkte weleens +dat hij nooit zinspeelde op vroeger ontmoetingen en zich niet +verwonderde over hare lange afwezigheid. Ze had dan, lijk een +hoofddraaiing, de leege sensatie, die zij lestmaal op den drempel met +Ameye gevoeld had—en ze zag nog, in scherpe herinnering, hoe hij zich +toen langzaam boog om het hulsttakje op te rapen....</p> + +<p>Een rap sloffengesleer schoof scherrelend in de nevenkamer en Madeleen +stond meteen hijgend in het deurgat. Ze bracht hare handen aan hare keel +precies om daar een nijpinge weg te krijgen, die haar te spreken +belette, en, in haar doodsbleek gezichte, viel haar mond open, een +blauwe schaduw trekkend, van weerskanten, in hare kaken. Romaan sprong +lijk een zinnelooze naar heur en zijn koffiekopje viel +kletterschervelend in brokkelingen uiteen op den vloer. Hij duwde haar +op zijde en liep haar voorbij, de ziekenkamer in. Tante Olympe begon +schrikkelijk te beven en ze bad:</p> + +<p>—Aai-Heere! Aai-Heere! wat is er nu?</p> + +<p>Goedele nam Madeleen in hare armen en Ameye bracht een glas water aan +hare lippen. Ze paaiden haar, vragend:</p> + +<p>—Hebt ge zeer? Ge moogt u niet zoo opjagen, lieve. Kijk eens opwaarts. +Wat is er gebeurd?</p> + +<p>Madeleen slikte moeielijk en wees naar achteren met haren vinger, dof +stamelend:</p> + +<p>—'t Kind ... 't kind....</p> + +<p>Ze hoorden dan Romaan, die hoog te roepen begon, met onherkennelijke +stem, en daartusschen 't kleine geween van tante Olympe. Ameye haastte +zich ook naar de kamer, en Goedele sprenkelde kille droppels op Madeleen +haar gezichte.</p> + +<p>—Hoort ge? hakkelde Madeleen, zich opwerpend heel smertelijk in +Goedele's armen.</p> + +<p>—Maar wat deert er toch?</p> + +<p>—Hoort ge?... 't Sterft!</p> + +<p>Ze viel nadien huilend naar voren op Goedele haren schoot en jammerde:</p> + +<p>—Ho! Hoóo!... mijn kindeken, mijn kindeken, mijn dutseken!...</p> + +<p>Haar lijf snokte op en rilde, en hare vingeren waren in pijnlijke +stuipen ommegekruld. Ze hief zich dan, plots zwijgend op, en keek +verwilderd Goedele aan. Ze fluisterde, geheimzinnig:</p> + +<p>—'t Is vreeslijk. Ik kon 't niet zien. Ik kon 't niet uithouden. Ik zal +daar iets leelijks van krijgen, in mijnen kop! 't Lag met zijne armen +zoo subiet hopeloos geweld te doen ... en te rukken aan de sargie, met +zijn nagels ... en 't heeft mij meteen bezien, met zijn oogskens wijd +open.... Wat wou 't zeggen, o God! 't En kon niet spreken, en die +oogen.... Ik dacht dat het te roepen begon. 't En zei niets. 't Waren +die oogen.</p> + +<p>—Drink een beetje, lieve.</p> + +<p>—Ja.</p> + +<p>Ze grabbelde bibberend naar het glas. Tante kwam ook half zinneloos in +de keuken binnengeloopen en hief hare armen omhooge. Ze stotterde:</p> + +<p>—'t Is zonde!</p> + +<p>En ze deed teeken, achter Madeleen's rugge, dat Goedele zou gaan en +helpen.</p> + +<p>Goedele ging. Ze voelde hare voeten, al gaande, niet slaan op den vloer, +en 't was alsof hare beenen automatisch voorttorten. Haar lijf hing naar +voren. Ze had schrik en dierf niet 't kindeken zien—en haastte zich om +te zien....</p> + +<p>Vóor 't beddeken, aan 't voetende, stakerechte stond Ameye. Ernevens, op +een lage stoel zat Romaan. Zij verroerden zich niet. Ze keken +halsstarrig toe. Het kind lag heel wit midden op het witte kussen en op +zijn aangezicht was geen speur van leven meer. 't En asemde niet ... +Goedele week instinktmatig. Ze was tewege het te zeggen, dat het geen +asem meer had.</p> + +<p>—Romaan....</p> + +<p>—Ssjt!...</p> + +<p>Wiezeken stak haar linkerhandje uit. Haar mondje viel open en een +moeielijk geronk ratelde in haar kele. Hare oogen lagen toe en een blauw +streepken randde er onder aan. In de hoekjes tinkelde een klare traan en +'t licht, dat tusschen de gordijnen neerzijpelde, speelde er met luttel +gestraal.</p> + +<p>—Laat me haar hoofd opheffen. 't Ligt te lage.</p> + +<p>Goedele bukte zich. De iodoformreuk walmde nu bijtend over haar gelaat +omhooge. Ze schoof hare handen onder de heete dekens en hief zoetekens +het kind uit den warmen konk, waar 't zijn koortse broeide. 't Was +pluimlichte. Ze raakte, door 't fijne hemdeken, het tengere ruggebeen en +de ringen van de ribbetjes.</p> + +<p>Maar Wiezeken wierp haar lijf opeens zijwaarts uit en lag een +schrikkelijk geweld te doen om asem op te halen. Haar buikje zonk diepe +in en hare borst zwol uitermate. Twee putjes zakten van weerskanten +onder hare kin en hare slapen sloegen met traag geklop. 't Geronk en +staakte niet in haar kele, en ze smeet zich ten geheele met leelijke +schokken op, daarbinst zwaaiend in de leegte met hare armen. Ze opende +dan endelijk hare oogen, keek heel strak Goedele aan, en haar gezicht +werd grauw-rood van het danig geweld. Ze zakte seffens in het witte +kussen weg. De matte bleekte herkwam over geheel haar hoofdeken en hare +handjes vielen onbeweeglijk op de sargie. Zij en roerde nu weer niet. +Hare oogen waren beloken en de blauwe randjes waren blauwer geworden. +Asemde ze? 't Was weer alsof ze buiten leven lag. Goedele, zich lager +bukkend, en werd over haar open mondje geen tocht van lucht gewaar. Ze +vatte dan de tengere vingeren en gedwee, gevoelloos, flets verdroegen ze +den toets. Goedele roerde op een nieuw de vreeslijke angst, en ze lonkte +zijwaarts op naar Ameye, geen afstand meer voelend tusschen hem en +haarzelve in de harrewarrije van het groote ongeluk. Met vreemde stem +sprak Romaan:</p> + +<p>—Laat ons nu rustig zijn....</p> + +<p>Zijne lippen waren droog en kleurloos, en 't wit van zijne oogen was in +de hoekjes langs kleine aderen rood geworden. Hij trok stille Goedele +zijlings weg en fluisterde:</p> + +<p>—Het slaapt.</p> + +<p>Op dat oogenblik hadden Goedele en Ameye dezelfde trilling en ze +staarden naar mekaar. Ze begrepen meteen wat niet in woorden over hunne +lippen kwam, en ze bogen onder dezelfde vreesachtige treurnisse hun +hoofd. Alles werd groot in deze kamer en de geruchten van de strate, +eerst niet opgemerkt, begonnen luidelijk te klabetteren tegen de muren. +Binst eene toevallige stilte, die neerzeeg al met een keer en een +benauwdheid lei langs alle voorwerpen, klonk tegen de zoldering den +doffen tert van Mariëtte's vader, en de deure begon redeloos te rotelen. +Een siddering kroop over Ameye zijn rugge en Goedele krinste bang met +hare schouders. Ze blikten allebei terzelfdertijd neer naar het kind....</p> + +<p>Daar kwam een blauwe verve over Wiezeken's gezichte en haar neuzeken +puntte scherp naar omhooge. Drie rimpelingen groeven een leelijke +schaduw op haar voorhoofd en de hoekjes van haar mond zakten neere, haar +kinne wegduwend tot een beenderig tjopken. Romaan zei:</p> + +<p>—Is hier geen zeupken water voor het kind?</p> + +<p>Ameye en Goedele hadden alweer eene pijnlijke verwondering, zóo rustig, +bijkans onverschillig, was zijn gezegde. Ameye bracht een lepelken water +aan de lippen van het bengelken en Goedele hielp hem, Wiezeken zoete +opheffend opdat ze goed zwelgen zou. Ze zagen malkanders handen +nevenseen te werke en 't was alsof ze sinds lange zoo in gewone doening +werkzaam waren geweest. Ze dachten niet daaraan: het was een algemeen +gevoel, dat niet tot preciese gedachten opschokte. Ze waren niet +verwonderd dat het zoo werkelijk was. Hunne handen taakten hunne handen.</p> + +<p>Het water drupte nutteloos weg in Wiezeken's hals en de kilte en bracht +geen beweging op het blauwe gezichtje. Aldoor blauwer werd het, en +dieper, smertelijker 't gerimpel daarboven....</p> + +<p>—'t Is dat ze slaapt, mummelde Romaan.</p> + +<p>Goedele kon zich niet meer bedwingen en gauw te reke stortten hare +tranen plat neere op de witte dekens. Ameye fluisterde:</p> + +<p>—Wees sterk....</p> + +<p>Ze beet op hare lippen en 't zicht van de schrikkelijke doening, die in +haar vlugge getraan tot vage strepen was weggesmolten, kwam op een nieuw +klaar te voorschijn. Ze was Ameye dankbaar dat hij dat woord gezeid had +en dat weer sterkte haar zinnen staalde. Ze hoopte nu een rap ende, de +rappe nadering van den sterken slag, om dan met zekerheid te kunnen +worstelen. Tegenwoordig hing nog 't gevaar als een wolke te dreigen, en +'t was te hooge en te wijd en overal tastbaar—en nievers te taken. Ze +wachtte. Ze wist dat Ameye haar een steun was. Als de schrikkelijke +smert zou uitbreken, zou ze pal staan, met een herte vol troost....</p> + +<p>Plots iets ziende, dat lange buiten 't bereik van zijn begrip gebleven +was, rok zich Romaan met een hard gesnok van zijn spieren uit op zijn +stoel, en wipte nadien rechte.</p> + +<p>—Hee-la!</p> + +<p>'t Was een doffe roep en zijne wenkbrauwen kromden verwilderd naar +omhooge. Hij knelde Ameye's arm forsig tusschen zijne vingeren en neep +door, zijn eigen afmattend met overdadig geweld. Ameye zweeg. Romaan +hijgde:</p> + +<p>—Ziet ge ... ziet ge gijlie dan niet?...</p> + +<p>—'t Zal overtrekken....</p> + +<p>—Hee-la!</p> + +<p>Hij boog zich en, in een subiete duizeling, stortte bijna voorover. Hij +reikte zijn hand gretig uit naar zijn kind en hakkelde, zinnelooze +woorden kappend in 't gaan van zijn onrustigen asem.</p> + +<p>—Overtrekken.... Overtrekken?... Watte?</p> + +<p>Wiezeken stiet nog eens haar borst opwaarts en heel haar lijveken bultte +uit, onder de bleeke sargie. Ze duwde hare ellebogen in 't kussen en +steunde erop en haar magere kele werd lang, een smal peezeken gelijk, +dat door de kinne hooploos werd opgetrokken. Haar mondje werd een +vierkantige holte en daarbinnen was 't al donkerrood en ratelde een +rukkend snorken diepe.... Dan opende ze hare oogen en tuurde met +onzeglijke pijne rechtuit, heel verre, nievers hulp meer vindend +hierdichte.</p> + +<p>Zóo staarden hare oogen, al viel weer plat haar pover geraamte, al +rustten weer hare moede handjes, al zegen weer toe hare lipjes, heel wit +van verve, heel droge, heel doorzichtig.... Zoo keek ze. Ze was nu niets +meer, zoo nietig en vergaan. Ze was niets meer. En tot het laatste keek +ze alginder, en de strakke blik doezelde weg achter een vool van grijze +natheid....</p> + +<p>Goedele zakte ineen op hare knieën.</p> + +<p>Romaan had een tijdeken verschrikt zijn asem ingehouden en wankte nadien +achteruit. Heel zijne ellende, heel zijn endeloos leed kreet hij in wild +gejammer uit en hij stampte razend op den vloer, aldoor slaande met +zijne vuisten tegen zijne slapen.</p> + +<p>Zoodat Madeleen plots de deur opensmeet en daar stond, zonder een traan, +zonder een woord, lijk een doode overend....</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + + +<h3><a name="hIX" id="hIX"></a>IX.</h3> + + +<p>Late in den avond kon Goedele naar huis gaan. De groote woonste was haar +gansch vreemd geworden, zooals die vóor haar in de donkerte, heel +massief, achter het hekken oprees. Binstdat ze de deurbelle deed +rinkelen en zich nog aan 't verwonderen was over den lang-vergeten klank +ervan, merkte ze achter zich, midden de strate, Justa. Justa beweerde +dat ze juffrouw was gaan opzoeken, om wille van de vroege donkerte, en +dat ze nu toch danig tevreden was dat juffrouw endelijk ongedeerd was +thuis geraakt.</p> + +<p>—Mevrouw was zoo ongerust in den namiddag! fleemde ze zoeterig, terwijl +ze den groote sleutel in het klinkende slot duwde.</p> + +<p>—Mevrouw wilde maar altijd nieuws weten. Juffrouw weet nu misschien wel +nieuws.</p> + +<p>Goedele antwoordde niet en stapte gauw binnen. Terloops was haar idee +dat Justa haar gevolgd had en nageloerd langs den weg, maar ze dacht er +niet verder over na. Dat alles, meende zij, was ook nu zoo verre van +haar verwijderd, dat ze geen belang meer stellen kon in peuterige +leelijkheidjes.</p> + +<p>Ze had de smart tot diepe in haar vleesch gevoeld; en wat hier ommeging, +de doening van moeder en de kinderachtigheid van vader, al dat suffe +bedrijf van elkendeen in de groote leege woonste, 't was rijzekens een +buitenmenschelijk gespeel. Ze zag even in haren geest het pieuze gebaar +van Sebastiaan zijn vingeren....</p> + +<p>Ze stond vóor Ursule. Ze had het gevoel dat ze heel hoog stond. Ze zei +simpel:</p> + +<p>—Het kind is dood.</p> + +<p>Ursule en roerde niet. Ze keek naar Seppie, die zich had neergevleid om +hare voeten en nu lui zijn muilken snuivend opstak naar Goedele. Haar +blik was hard, gewoon-hard, en de lichtstreep, die de lampeklaarten op +heur gladgestreken haar leiden, en bewoog geen steke naar achteren noch +voren. Ze sprak:</p> + +<p>—God hebbe zijn zielken. Het lieveken is gelukkig.</p> + +<p>Na een stonde vroeg ze of Romaan sterk was, en als ze vernam dat hij +zeer afgemat en terneergeslagen het verlies van zijn dochterken beleden +had, viel van hare lippen een koud woord, dat vreemd tegen hare +gevoelerigheid van te-morgen afstak.</p> + +<p>—De tijd zal 't uitwisschen, zei ze.</p> + +<p>Goedele had meteen geschokt opgekeken. Ze bedaarde echter subiet, zich +peiselijk opheffend in de wijde golving van haar leed, en beaamde +stille:</p> + +<p>—Ja, de tijd zal 't uitwisschen....</p> + +<p>Ze verliet zonder groeten de eetplaats en tort langzaam de trap op. +Haar kamer, docht haar, had een zonderling uitzicht en met de roerende +keersevlamme klaarden de stoelen, de witte vlekken van 't bedde, en de +breede spiegel van de toilettafel, met onbekende vormen op. Het scheen +haar hier alles zoo oneigen en de reuk van de versche lakens tingel de +in haren neuze, lijk iets dat nooit bij deze lakens behoord had. Wat was +hier gebeurd? Ze schudde haar hoofd en mompelde lijdelijk:</p> + +<p>—In mij is 't gebeurd....</p> + +<p>Ze had het ganschelijke gevoel daarvan, maar verder kon ze in haar eigen +niet ingaan. Ze beleefde de vreemde veranderingen die haar ziele +ommegewenteld hadden en de oorzaken lagen te diepe. Daar was iets +gebeurd. Over al het onduidelijke wezen van haar machtige wee, reikte +die zekerheid.</p> + +<p>Lang bleef ze eer ze inslapen kon, en 's uchtends als ze wakker werd, +was ze haar gekeerde nature nog niet gewend en waarde hetzelfde vreemd +geluchte rond de kamer. Binst den dag liep ze met Justa de stad op en af +en bestelde wat noodig was voor Wiezeken's begraving. Ze deed het +smertelijke werk zonder vermoeienis. Ze was sterk. Ameye had alles +opgeschreven wat ze te doen had. Ze deed het alzoo, stlptelijk zijn +zeggen nakomend, met groote zorgelijkheid. Al voorbijgaand, tort ze bij +Madeleen en Romaan eens binnen. Ze waren allebei zeer verslagen nog, +ofschoon Ameye hen niet verlaten had en hun gestadig zijn +zoet-sprekenden troost gaf. Ze kustte met vrome teerheid hun bleeke +voorhoofd en drukte de hand van haren moedigen vriend.</p> + +<p>Weer drilde ze de straten door. Ze had maar weinig geld. Johannes had +haar opgeleid dat ze alle bestellingen in zijn naam doen zou. Ze +bestelde echter alles in name van moeder en ze schrikte niet bij 't idee +dat moeder vreeslijk opschieten zou. Ze vreesde moeder niet meer. Ze +dacht zelfs niet aan een vrees, die komen zou. Ze handelde heel +eenvoudig, praktisch. Moeder had geld.</p> + +<p>Omtrent den vallenden avond was gansch het droevig gedoe in orde en +geraakte ze terug thuis. Ze sprak binst het soepee geen woord en ze deed +nadien Sebastiaan verwittigen, dat hij in de eerste acht dagen niet +komen moest. Hij had haar seffens met ommegaanden bode een langen brief +gestuurd, waarin hij de oorzaken van hare terughouding ten hoogste prees +en met lange zinnen toch hare deugdelijke opsluiting betreurde. Ze las +de eerste bladzijde en liet den brief dadelijk wegglijden tusschen hare +vingeren.</p> + +<p>Als ze tewege was op te gaan naar heur slaapkamer, zag ze bij den heerd +vader zitten, lage gebukt en turende roerloos naar 't gespetter van het +open vuur. Hij had ook aldoor zwijgend door de koude stilte van het huis +gewandeld vandage, en hij voelde zich bovenmatelijk droeve worden in de +droefenis, die Goedele langs alle kamers neerzijgen liet van haar. Hij +vatte wel niet teenemaal het rechte begrip van wat er zoo geheimzinnig +in de leegte gebeurende was, maar zijn treurnisse was echt. Goedele kwam +nevens hem staan en merkte hoe over zijne ronde wangen de blinkende +tranen rolden en ze vroeg:</p> + +<p>—Hebt ge groot verdriet?</p> + +<p>Hij glimlachte binst zijn stille geween en keek op in haar aangezicht.</p> + +<p>—Wel ja ik, zei hij.</p> + +<p>—Romaan is diepe getroffen, vader. Het is goed dat ge dat meevoelt.</p> + +<p>Hij stamelde, heel week wordend:</p> + +<p>—Ja, het is goed ... het is goed....</p> + +<p>Hij maakte ervan, zonder goed in te zien, een groot ongeluk, en zijn +herte was er vol mee. Hij probeerde aan het kindje te denken, dat hij +nooit gezien had, en aan Madeleen, die hij nooit gezien had. Hij dierf +dat nu doen, in de aanwezigheid van Goedele en buiten 't bereik van +zijne vrouw. Hij voelde Goedele's hand op zijnen schouder rusten en dat +deed hem zachte deugd.</p> + +<p>Goedele en verwijlde niet lange bij hem. Al trof ze nu een +teer-lijdelijk herte, al trilde in het kille huif een snare van goede +aandoening, ze kon niet zoo seffens aansluiten met vader. Vader was, met +al de rest, verre verwijderd van haar innige leven en ze bekeek hem van +verre. Ze bleef koel, alhoewel een streelende zoetigheid om hare woorden +fluweelde. Ze zei:</p> + +<p>—Goeienavond....</p> + +<p>En met eene aaiende buiging golfde hare stem. Hij voelde hare vingeren +trage wegsleeren over zijn schouder en hij zat subiet heel alleene en +bangwordend in den naderenden nacht, te turen zonder weten naar 't +laaierig vuur, dat oplikte langs de vlammende scheiers.</p> + +<p>'s Anderendaags was 't weer een ijverig en verward bedrijf. Na een +loopken in de stad, waar ze nog haastig 't een en ander te verrichten +had, kwam Goedele bij Romaan. Ze vond hem in de keuken. Hij keek +rijzekens op, als ze binnenkwam, en nauw hoorbaar groette haar. Ze kon +door licht en menig getater hem niet uit zijn somber gemijmer krijgen en +ze moest het endelijk opgeven, met een zucht. Ook Madeleen en liet zich +door geen troosting roeren en zat in zwijgende neerslachtigheid precies +te voelen over haar den stillen gang van den tijd. Niemand sprak over +het kind. Tante Olympe was lijk een automaat den vloer aan 't +affledderen en stond bijwijlen zonder kijken te roefelen over een zelfde +plekke.</p> + +<p>—Ge moet ulie struisch houden, zei Goedele.</p> + +<p>'t Geluid van haar stemme wuifde uiteen en viel dadelijk plat neere, +versmoord tusschen de muren, en zonder uitslag. Het huis was vol van +Wiezeken, en niemand sprak van Wiezeken.</p> + +<p>Een tijdeken vóor den noene tort Ameye binnen. 't En deed Goedele geen +emotie aan, hem op een nieuw dichte bij haar te voelen. Ze was 't alzoo, +zonder overgang, reeds gewend, en lei hare hand met rustigheid in de +zijne. Ze was wel tevreden dat hij haar helpen kwam om de stilte te +bestrijden, waar zij hopeloos in alleene bleef. Hij voelde met meer +gemak de doode leegte, en zijne gebaren, 't vergaan van zijn wezen en +'t gedoe van zijne armen, waren min gemaakt. Het gelukte hem, met gewone +gezegden, 't getik van 't horloge te bemeesteren, dat zoo pijnlijk het +ongeluk hier in zeerdoende stondekens tjokte. Hij sprak van 't weer—'t +geluchte was vochtiger en lager de hemel, en 't zou wel sneeuwen eer 't +avond werd....</p> + +<p>—Sneeuwen? vroeg Romaan, verschrikt.</p> + +<p>Ze voelden 't plots allemaal tegare waaraan hij dacht en zagen hoe de +sneeuw, binst de deemstering, zou neerwaarts vlagen en ommevlokkelen, +langs het eendelijke graf.... Want het huis was vol van Wiezeken, en +niemand sprak van Wiezeken.</p> + +<p>En, in der waarheid, de sneeuw viel. 't Was eerst een opwirrelend gewaai +van kleine witte dingetjes—endelijk, als de mannen kwamen en 't +kisteken wegdroegen en 't wegschoven onder een schoon floers met +franjen, op den zwarten wagen—endelijk een regelmatige val van dikke +trossels, licht-dalend bij buien en stille lijk een groot, blank geheim.</p> + +<p>Romaan had geëischt dat niemand op de begrafenis zou uitgenoodigd +worden. De strate was leeg. Gevieren—tante Olympe was thuis gebleven +om alles weg te ruimen wat tot een pijnlijke herinnering aanleiding kon +geven—gevieren volgden ze te voete de koetse en ze zagen even, in hun +voortdurend geween, de menschen van weerskanten groeten en verwonderd +blijven staan, al kijkend naar dien rijkemans wagen rijzekens begeleid.</p> + +<p>Na de zegening in de kerke, stapten ze in een groote sjeeze en reden +achteraan, nu geschokt in dees groote huurkasse met versleten kussens. +Madeleen voelde hoe alleenig ze hier zaten en hoe alleenig ginder +Wiezeken lag, en ze stamelde:</p> + +<p>—Me dunkt dat wij er nu zoo verre van af zijn....</p> + +<p>—Ja, zei Romaan, heel laag.</p> + +<p>Maar Ameye was weer aan 't vertellen en trachtte met diepe woorden 't +zachte vergaan van dees tijdelijke leed te doen voelen. Ze luisterden +wel naar hem, zagen wel een wijlken lang de troostvolle beelden +opflikkeren, die hij ontstak in hun gepeinzen. 't Matelijk gewiel van de +sjeeze echter en de kloppende draf van de peerden, de almachtige sneeuw, +die achter de ruitjes in wijde vlagen neerwoei en 't hoorbaar gerol van +den rouwwagen, vooraan, den schrikkelijken wagen, al 't gedruisch +dreunde zoo sterkelijk aan tegen hunne hersenen, dat ze seffens hun +hoofd lieten zakken en op hunne vingeren 't heete gespets van hunne +tranen gewaar werden.</p> + +<p>Het kerkhof was heel en al een wit veld door zijschaduwen van zerken en +zuilen gebroken. De mannen, die waren meegekomen en waar de wind ook +omme wit gewinterd had, maakten het kistje bloot en bonden er twee +koorden rond.</p> + +<p>Het was een akelige stonde. De sneeuw smeet in Romaan zijn gezicht, lijk +hij daar van voren stond, dichtebij. Hij ging alles nauwkeurig na en 't +zicht van dat houten ding, waar Wiezeken in beloken lag, spijkerde zich +met zeerdoend hamergestamp vaste in zijnen geest. Hij hoorde 't +hopelooze gesnik van Madeleen, als Wiezeken in 't volle weer verdragen +werd en zoo eendelijk wegzakte, diepe, in de eendelijke holte. Hij +merkte nog hoe de mannen bedaard en onverschillig te werke gingen....</p> + +<p>Daar kwam een groote moeheid over hem en zijne knieën knikten thoope. +Hij wist meteen niet meer duidelijk wat er gebeurende was en liet zich +door Johannes meeleiden. Hij trutselde, wilde een klaarte krijgen in +zijn gedachten en mummelde gestadig:</p> + +<p>—Maar ... maar ... sapristi! Zijn we nu allemaal tegare?...</p> + +<p>Hij werd opgeheven en zat op een nieuw in het rijtuig. Hij zag Madeleen +weer uitbersten in een wee zonder ende en kreeg meteen 't idee dat hij +ze troosten moest.</p> + +<p>—Toe-de, mijn kind ... ge moet op iets anders peinzen....</p> + +<p>Ze waren allemaal bang van hem. Hij zei:</p> + +<p>—'t Is hier plezant, zoo te rijden....</p> + +<p>Hij klopte op Madeleens schouder en bukte zich om te blikken in haar +betraand gezichte. Hij streelde nadien hare handen en peuterde zoetekens +over hare vingeren en begon ook te weenen. Hij liet zijn hoofd +neerzijgen tegen hare borste en sloot zijne oogen.</p> + +<p>Ze geraakten thuis. Ze moesten hem wakker maken en hij keek heel +verwilderd toe, zonder begrijpen. Hij ging de trap op en vond in de +keuken tante Olympe aan 't jeremieeren met Mariëtte. Mariëtte wilde +subiet wegloopen, verlegen omdat ze midden in al deze droefenis betrapt +werd. Ameye vroeg dat ze arets blijven zou en ze groette elkendeen +minzaam. Het was eene afleiding en de kamers, waar Wiezeken nu voor +altijd uit was, en gaapten zoo akelig niet.</p> + +<p>Goedele bracht de hoeden en mantels weg en toonde zich uitermate +gedienstig. Ze schikte de koffiekommekens, had beste koekskens veerdig, +vulde met djente bewegingen de leegte, die tallenkante herkomen wou. +En Ameye hielp dapper mee, aldoor de conversatie rechthoudend en de +aandacht op allerlei zaken verstrooiend. Mariëtte begreep seffens dat +ze ook van hulp zijn kon en haar klaar stemmeken deed ze sierlijk +oprinkelen. Ze was alzoo waarachtig een hupsche deerne en hare handen +waren zoo klein en zoo blank, en ze vingerde zoo prontelijk ermee, om +haar gezegde uit te teekenen. Ze merkte dat uit de hoeken van de kamer +allengs de deemsteringe naar voren kroop en ze voelde dat, al +duisterend, 't geluchte vol zou geraken met een nieuwe angstigheid.</p> + +<p>—Wil ik de lampe aansteken?</p> + +<p>Elkendeen keek naar 't venster, waar de dag nog lichtend bezig was. De +sneeuw bijsde er onophoudend naar 't westen toe, waarheen de wind zijn +joependen asem joeg, en de vlokken kletsten altemets met een klein +getjok tegen de ruiten of maakten, precies dansend, een sprongsken en +een ronde. Als de lampe brandde, was alles in de kamer beverfd met een +warm-gele klaarte, en dan werd de dalende dag buiten een kille +blauwigheid. Mariëtte schoof de gordijntjes dichte. De kamer was meteen +heel gezellig van de wijde vreemdte afgezonderd.</p> + +<p>—Zie-zoo, lachte Mariëtte, nu zitten we lekker.</p> + +<p>Ze lachte halvelings, en zij en schond niemands gevoelen met hare lichte +pleizierigheid. Ze ging het vuur in de stove opkoteren, zoodat het +poefend te zoeven begon. Ze schonk de koffie in en naderhand een +druppelken cognac, en ze dwong elkendeen mee te doen en te drinken. +Johannes kon ook wonderlijk alle droefenis wegtingelen met 't gevleugel +van zijne aardige woorden. Getweeën droegen ze behendig hun moeielijke +take, en endelijk scheen alle groot verdriet verdwenen. Madeleen +glimlachte en knikte weleens. Romaan bleef sprakeloos, maar effen was +zijn witte voorhoofd. Het schartend getik van 't horloge en was niet +hoorbaar meer, en tante Olympe deed haar duimen spelenderwijs overeen +draaien.</p> + +<p>Mariëtte werd dan ten geheele leutig en zette zich aan 't verhalen. Ze +had al wat zonderlinge tijdekens beleefd, en in haar memorie had ze +alles opgestapeld. Ze vertelde met gemoedelijke geestigheid, en ze wist +zoo naïef aaneen te knoopen een historie van hare kanarievogels en een +avonture van de lage strate. En, al zei ze bijwijlen een opgelicht +zinnetje, ze kon 't allemaal zoo vermakelijk op een blozend lachje doen +afloopen, dat zelfs Ameye ook dadelijk onder den peisvollen indruk van +hare tooverige bevalligheid geraakte. Hij klopte op Romaans knie en zei:</p> + +<p>—Hoort ge?</p> + +<p>Romaan was daar met zinnen onderstboven in de war. Door al 't gepraat +heen bleef hij onveranderlijk rondstaren en zweeg. Hij had geen +gedachten meer. Hij zat thuis. Hij voelde wel dat iets haperde ievers +... ievers ... maar 't vervaagde alginds, verre van hier. Hij zat goed +thuis en vóor hem zat Madeleen, en hij zag Goedele en Johannes en de +anderen, een warmen kring van roerende lijven. En deugdelijk was hem 't +gedruisch. Lijk men soms op steile bergen de endelooze rustigheid der +hemelen met rustigheid bewonderen kan en weet dat men niet blikken mag +naar onder, waar duizelende diepten het hoofd verdraaien—zoo zat hij en +keek naar elkendeen, en dierf niet kijken alginds, ievers waar 't +smokkel weerde, verre van hier.... En gedurig voelde hij den +vriendelijken stoot van Johannes' elleboog of 't gewrijf van zijn +vingeren, zachte.</p> + +<p>—Ziet ge?</p> + +<p>Hij knikte verlegen en zijn gelaat en bewoog niet.</p> + +<p>—Hoort ge?</p> + +<p>'t Was alweer Mariëtte, die plezant was. Hij knikte. Zijne oogen zochten +naar Madeleen, die knikte. Hij dronk een zeupken koffie en proefde dat +er geen suiker genoeg in was. Hij roerde genoeglijk met het +bel-tjinkelende lepelken....</p> + +<p>Binstdien, al meer en meer, omdoezelde een lijze moeheid zijne leden. +Zijne handen hingen langs de sporten van zijn stoel arets te wiegen, en +lager zonk zijn kinne. Het docht hem dat hij wel danig zwaar zat en dat +de leuning hem in zijn rugge bezeerde. De woorden om hem en 't gespeel +van de golvende stemmen werden een rumoerend lawaai, waarin hij niets +meer herkende. 't Raasde tallenkant en 't kwam wegen op zijne hersens. +Hij was plots ganschelijk warm, en de hitte kriebelde in zijn haar en +onder zijne oksels.</p> + +<p>Hij stond subiet rechte en een blos spatte uit op zijne kaken. Elkendeen +zweeg. Zijn tonge lag dikke in zijn mond en hij kon haast niet +uitspreken een wenk, die in zijn hoofd bewoog:</p> + +<p>—Komt ge? We gaan....</p> + +<p>Hij glimlachte oolijk naderhand en mummelde:</p> + +<p>—Tante Olympe zal 't bedde niet opgemaakt hebben....</p> + +<p>Zijn stap was onvaste en hij drukte gretig Ameye's hand, die naar hem +uitgereikt was. 't Ontlastte Goedele, dat hij zoo stille te rusten ging, +en ze kustte hevig Madeleen, die ook zeer moe was geworden.</p> + +<p>Maar als Madeleen en Romaan weg waren, viel als een gewichte het +taterend gedoe. Mariëtte was haastig om deze tafel te ontvluchten en +blikte met zichtbare bezorgdheid naar het uur. Johannes en sprak bijkans +niet meer en tuurde naar 't geschitter van een lampstraaltje op den +bodem van zijn cognacruimer. Hij groette onachtzaam Mariëtte als ze de +kamer verliet, en zat nu tusschen leege stoelen naar leege gepeinzen te +zien. Tante Olympe zuchtte Juidop.</p> + +<p>—Aai-Heere God!</p> + +<p>En zoo drijmaal te reke, om de aandacht her op de droeve gebeurtenis te +roepen. 't En was niet uit haar hoofd te praten, dat de eerste schuld +lag in de onwettelijke betrekkingen en dat God een huwelijk bestrafte, +dat Hijzelf niet had mogen inzegenen. Ze had wel geerne daarover +gejammerd op een nieuw, om haar emotie deugd te doen.</p> + +<p>—Aai-Heere God! mijn kinderen!</p> + +<p>Ameye echter en keek niet op, en Goedele was insgelijks in alleenig +gemijmer verzonken, zoodat tante Olympe van lieverlede ook zweeg en +alzoo haar wimpers voelde dudderen. 't Duurde een ommegang van haar +altijd-zelfde gedachten, eer ze haar oude kappe boog en tegen het +tafelberd in slaap donkelde.</p> + +<p>Een zonderlinge koortse hing in 't geluchte. De wind vlaagde hoorbaar +tegen 't raam en piepte altemets in een losse rete. 't Vuur in de stove +werkte te hard en een kwalijke hitte schoof in zware asems eromme. 't +Was late in den avond geworden, en Goedele dierf niet zeggen:</p> + +<p>—'t Is tijd....</p> + +<p>Ze voelde 't gestreel van Ameye zijn droomerige stilte en 't aaide haar, +'t bedwelmde haar, 't joeg een hijgen in haar borste. Ze wist wel dat +zij hier nu niets meer te verrichten had, en wat ze nu deed, zoo +luisteren naar een gedacht en lui worden in een kwaden vrede—ze wist +dat het niet docht. Ze werd in haar lijf de wellust gewaar van liggen in +de zoelte en taken de slapheid van den locht. En ze zei niet:</p> + +<p>—'t Is tijd....</p> + +<p>Ze probeerde te denken aan moeder.... Moeders gezichte doezelde weg en +ze kon geen beeld opvangen, dat stiptelijk moeder was. Haar zinnen +roerden in ziekelijke teerheid, rustend bij 't doode Wiezeken, rustend +bij Romaan en Madeleen, want dáar was tegenwoordig een rust, waar ze +lange stonden in verwijlen wou. Ze luisterde alles af....</p> + +<p>Ze verlangde niet dat Johannes spreken zou of dat zijne handen, schoone +bij mekaar gebracht over zijne knieën, zouden 't gebaar doen van +woorden. Ze verlangde dat de tijd zou stille hangen, en ze toetste +Johannes' gepeins. Een ander verlangen en wist ze niet. De toekomst kon +ze niet mooier willen, en zij en had geen begeerte die zou worden in +mooiere toekomst volbracht. En zoo had ze stilaan geen besef van wat +haar te doen stond.</p> + +<p>Geen daad kon ze verzinnen, en ze luisterde aldoor naar het doen van +Ameye, en ze peinsde niet meer:</p> + +<p>—'t Is tijd....</p> + +<p>Ze was droeve en vleide zich in zoetige droefenis, en daar was in +waarheid precies geen tijd om haar. Ze schoot ineens op, met een +pijnlijken ruk, als Madeleen in het deurgat kwam staan, vragende:</p> + +<p>—Waar hebt ge 't gezet?</p> + +<p>Ze ging seffens naar haar toe en vatte hare handen.</p> + +<p>—Wat?</p> + +<p>—'t Beddeken, 't kleene....</p> + +<p>—Lieve, uwe vingeren zijn klamp en ge loopt kousevoets in den koude. +Maak u niet ziek en bezorg u om niets. Laat alles begaan.</p> + +<p>—Ja, maar als ik er zoo meteen ievers tegenstruikel....</p> + +<p>—Denk niet daaraan.</p> + +<p>—Of 't kussen ievers zie, met een konksken te midden in, nog....</p> + +<p>—Geef me een zoen en zij rustig. Slaapt Romaan?</p> + +<p>—Romaan slaapt.... En waar zijn de fleschkens? En de kleeren ook al?</p> + +<p>—Ge doet me pijn, Madeleen.</p> + +<p>—Zie ... wees niet kwaad ... ik heb schrik ... ik zie gedurig schimmen +hergaan over de gordijnen. Ik weet wel dat het een doening is van de +strate. 't Is me algelijk danig bang en ik kan soms niet slikken.</p> + +<p>—'t Zal de werking van de koffie zijn.</p> + +<p>—Ja, dàt is 't.</p> + +<p>Ze zei 't met vastheid en was seffens tevreden dat er zoo simpellijk een +uitlegging was voor dat angstig bedrijf in haar hoofd. Ze merkte dan dat +tante Olympe heel scheef gezakt was en ganschelijk weggedommeld. Ze had +nog een flauwen lach en verdween.</p> + +<p>Ameye bleef zitten en Goedele zette zich lijk te voren rechtover hem. +Ze voelde nu dat zijne oogen strak op haar gevestigd waren, en ze wendde +hare blikken zijlings naar de dresse. De potjes, die daar stonden op +planken, met hun witte buiken en krullende ooren en een rozige roze vlak +vooraan, bekeek ze met geveinsde aandacht. Een tinnen teele, schoone +versierd met een ranke doffe blaren, blonk geweldig uit, en ernevens, in +een tasje van oud porselein, dorde een doode palmtuil. De teele droeg +ervan de onbeweeglijke schaduw, lijk ze daar door het noesche licht van +de lampe opgesmeten werd. Anderszins was de dresse een donkere kasse, +want niets en was van achteren te merken. Goedele zag allengs ook +wegsmokkelen de potjes en het klaterende tin, en in haar hoofd peuterde +alleen de onverdraaglijke last van Ameye's blik. Hij kittelde haar, +krabde en puntelde, zoodat het een folteringe werd. Ze duldde de +foltering. Ze wist dat, moest ze nu subiet opkijken, ze Ameye's oogen +zou zien. Ze wist wat ze zien zou in de oogen. Hij deed haar zeer, hij +was ongemanierd en hij was onzedelijk. Maar—moest ze nu subiet +opkijken—ze zou geen ongemanierdheid en geen cynische treiteringe zien. +Ze voelde 't heel klaar, en opkijken en deed ze niet.</p> + +<p>Maar bukte hij zich niet en leunde op de tafel om beter zijn blikken te +doen wegen. Ze stond haastig rechte en zei:</p> + +<p>—'t Is tijd.</p> + +<p>'t Klonk eenbarelijk en ze was zelve verwonderd. Ze meende dat ze 't +leelijkste woord genomen had en dat ze nu gaan moést. Zijn vrage was een +fluistering.</p> + +<p>—Tijd?</p> + +<p>Zijn stemme, met dat éene woord, omvatte haar in een lauwe fleering en +het docht haar dat hijzelf haar tallenkante te gelijk taken kwam. Ze +betreurde dat ze gesproken had en betreurde dat hij sprak. Ze had de +peis gebroken van eene zinnelijke mijmering en ze vreesde dat, met de +beweging van haar lijf, met den gedwongen tert van hare voeten, ze de +schoonheid van dezen avond onherroepelijk verdrijven zou. Hij sloot +zijne oogen en lispelde:</p> + +<p>—Ik meende dat een eeuwigheid was aangebroken....</p> + +<p>Het trof haar dat ook hij in 't gewiegel van dezelfde gepeinzen vervoerd +was. Ze werd bang. Zou hij verder spreken? Zou hij in een vallend +gezegde uit hem gooien wat zij wist dat er droomend gebeurde? Ze werd +uitermatelijk bang en hare vingeren schoven bibberend overeen. Ze boog +zich algauw over tante Olympe en schudde haar ruw wakker. Het wijveken +hief scheef omhooge haar afgemat gezicht en keek verward op.</p> + +<p>—Hein?</p> + +<p>—'t Is late nacht, zei Goedele. Ik moet naar huis. Ga, bidde, +daarbinnen kijken of Madeleen nu rustig is....</p> + +<p>Tante Olympe verliet knikkebeenend de kamer, maar 't gesleer van hare +voeten was nog merkbaar alover de ruischende planken van den vloer. +Ameye rechtte zich langzaam op. Heel simpellijk, alsof hij wel wist dat +geen weigering te verwachten was, sprak hij:</p> + +<p>—Ik ga mee. Alleene moogt ge over strate niet loopen.</p> + +<p>Ze antwoordde koud dat hij zich eigenlijk geen moeite moest geven en +gerust daar blijven kon, als hij eerst zóo van plan was. Hij vroeg:</p> + +<p>—Wat kan ik hier doen? Elkendeen slaapt en gij zijt weg....</p> + +<p>Tante Olympe kwam op hare teenen her binnen, teeken doende dat alles +rustig was, en Goedele werd buiten reden haastig. Haar hoed, binstdat ze +hem opzette, beefde in hare handen en een ongemeene gichtigheid +kriebelde achter hare ooren. Onder 't licht van de lampe schitterde, +uiterst beweeglijk, de diamant van haren ring. Ze was seffens veerdig en +smeet zonder hulpe haar mantel over hare schouders. Ze voelde nog een +beetje vochtigheid in de pelsenkrage, die killig haren nekke taakte. Die +plotselinge frischheid deed haar deugd, en ze trok met meer bedaardheid +hare handschoenen aan. Als ze endelijk ommekeek, stond daar Ameye +alreeds te wachten.</p> + +<p>—Kunnen we gaan, juffrouw?</p> + +<p>—Ja, mijnheer.</p> + +<p>Ze deed haar best om hard te zijn of onverschillig. Ze groette tante +Olympe met overdreven vriendelijkheid, om goed 't verschil duidelijk te +maken.</p> + +<p>—Slaap zachte!</p> + +<p>Ze vestigde hare aandacht op de lampe, die aan 't uitvonken was, en +tante Olympe, ten halve slaperig, knikte dat ze alles wel zou in orde +brengen, al lachend groetend:</p> + +<p>—Tot morgen?</p> + +<p>—Tot morgen.</p> + +<p>Het licht, dat in vierkante vlekken op de trappen spetterde, vernauwde +subiet, en de deur klonk dichte.</p> + +<p>Ze geraakten op strate. 't En sneeuwde niet meer, maar allerwege reikte +de blanke vlakte, rijzekens gebroken door 't somber geschemer der +gevels. Geen mensch roerde daarin. Een benauwde stilte heerschte hier en +'t was alsof 't nooit anders was geweest en 't nooit anders zou worden. +Altemets roefelde van boven een wijde wind benedenwaarts, scharrelde +hoorbaar langs de daken, in de goten, huilde ievers in een +toevallige-holte of joeg vrij door, meester over de stede. Het licht dat +van de lanterens openviel, rondde een gele verve plat op de witheid van +den winter, en, als 't gewaai aan 't rotelen was, waggelde de vlamme en +roerden op den grond de schaduwstrepen en de klaarten. Andermaal was +alles stille en men hoorde heel verre 't geronk van de hooge stad, den +galm van haar late pleizieren.</p> + +<p>Een tijdeken bleven Goedele en Ameye op den drempel staan. 't Schoot +haar plots te binnen dat Justa misschien op den loer was gezet, en ze +staarde links en rechts den nacht door. Ze zei, opdat hij ook zou +rondblikken:</p> + +<p>—Geen ziele op weg....</p> + +<p>Hij blikte rond.</p> + +<p>—Geen ziele....</p> + +<p>Ze hadden allebei terzelfdertijd 't gevoel van deze vreeslijke +alleenigheid, en hun voet schoof schuchter door de krakende sneeuw. In +zijstraten en bewoog insgelijks geen levend bedrijf van menschen, en 't +was alsof ze doolden in een doode stad, zoo tertende naast mekaar op +zinkenden grond, waar nievers het speur van stappen was achtergebleven. +Tusschen de spleetjes van onvaste blaffeturen straalde altemets een +geutje licht, en binnen een huis dreunde bij stonden de slag van een +pompe of 't getjok van een ijverige naaimachine. Het tijdelijke lawaai +stierf gauw uit en lijk te voren herkwam de almachtige stilte langs de +effenheid van gansch de blanke vlakte. De drempels lagen bedolven en een +hooge zulle kon halvelings nog opduiken vóor de woonste van rijke lui.</p> + +<p>In een ommedraai van den weg merkten ze de sombere gestalte van een +politieagent. Verder alweer reikte de onbezochte straat, geruchteloos. +En ze gingen, neerwaarts blikkend, luisterend naar eigen beweeg. Ze +spraken niet en ze waren gedurig veerdig om te spreken. Ameye wilde met +geen dwaas gepraat beginnen en zocht het sterke woord, waarmee hij +beginnen moest. Een vredige zekerheid was in hem rijp geworden en zijn +besluit lag klaar in zijne gedachten. 't Ware nu dom geweest, indien hij +met gewone zinnetjes te converseeren ging. Hij liet eerst de stilte hare +diepe werking doen....</p> + +<p>In ongedurige verwachting stapte Goedele nevens hem. Ze taakte soms zijn +elleboog, als haar voet zijlings uitsleerde, en zoo rilde een +zonderlinge wrevel langs haren rugge op. Al meer koortse verwarde hare +zinnen en ze beet somtewijlen toornig op hare tanden, vernederd in eigen +onverdraagzaamheid. Ook de eenvormige klein-geruchten, 't piepen van de +sneeuw onder haren schoen, 't geruisch van hare rokken en een kleine +wrijving van haar pelsenkrage, saam met haar blazenden asem, joeg ten +uiterste haar lastig ongeduld. Bij 't inslaan van een nauwe stege, werd +ze gewaar dat ze de baan te buiten waren en misliepen. En toch, al wilde +ze haastig zijn en zich haar ongeduur tot rap doordrillen opdringen, ze +zweeg.</p> + +<p>De schaduw, die van de daken viel, was dichter hier en nauwer lagen de +drempels tegenovereen. Daar was ievers nog een kroegje ruchtig, maar +wijder uit donkerde alles weg in ganschelijke eenzaamheid. Het begon te +sneeuwen....</p> + +<p>Ameye rok zijn regenscherm open en schoof dichte aan naast Goedele.</p> + +<p>—Leun op mijnen arm, zei hij.</p> + +<p>Hij sprak heel lage, gewichtig en daardoor was zijn nadering, in +Goedele's hoofd, een diepzinnige gebeurtenis. Haar ongeduld zakte thoope +en ze voelde een groote aandoening over haar komen. Aarzelend hief ze +hare hand op en rustte op zijnen arm. Ze kon niet doorwegen erop. Een +zonderling gevoel deed hare vingeren tingelen, zoodat de tast van zijn +lijf ze opwippen deed overhand. Hij fluisterde:</p> + +<p>—Nu hebbe 'k een wonderbaar geneuchte....</p> + +<p>Ze meende dat ze te wege was weg te zinken, en het docht haar meteen dat +de eerde roerde en een holte groef onder haar. Elk woord, dat hij +uitgesproken had, brandde en daverde in hare hersens en haar hoofd zelve +werd een holle kasse, waar ze met ongemeen geweld ommeroefelden. Wat had +hij gezeid? 't Ruischte als een schrikkelijke golving:</p> + +<p>—Een wonderbaar geneuchte....</p> + +<p>Ze spande al hare krachten in om sterk te blijven en klampte zich vaste +aan andere gedachten. Ze wilde denken aan Romaan, en denken aan +Madeleen, en hare emotie in tranen uitgieten alover 't graf van +Wiezeken. Ze maakte vluggelings beelden van wanhoop, om iets dat +opjoepte in haar herte neer te duwen. Ze dwong hare gepeinzen tot +weemoed en richtte ze alginder, waar 't ongeluk was binnengeslopen en +waar ze gansch den dag had kunnen weenen. Ze vroeg zich af:</p> + +<p>—Schiet Romaan nu niet wakker en hoort hij niet 't geloei van den +eendelijken wind?</p> + +<p>Ze kon geen angstigheid leggen in haar borste. Ze vroeg zich af:</p> + +<p>—Loopt Madeleen nu niet dolend rond, in waanzin zoekend naar ... +naar....</p> + +<p>Maar ze stiet seffens aan tegen de struischte van 't eenbarelijk geluid:</p> + +<p>—Een wonderbaar geneuchte....</p> + +<p>Het klokte zonder ende, en klapperde hare leden door, en 't galmde in +trillingen weg om haastig weer op te lawaaien, éen krachtig gedruisch. +Ze meende dat ze niet meer te kampen vermocht.... Dan zag ze in +toevallige gepeinzen 't moedeloos gezichte van Sebastiaan en ze moest +blijven staan, plots ongemakkelijk wordend. Ze voelde nadien dichtebij +den buigenden blik van Ameye en stapte verder, gedreven door koortsige +hardnekkigheid. Een oogenblik kon ze nagaan Sebastiaan's bleeke wezen en +luie vingeren. Ze had geerne een geweldige wroeging willen krijgen, een +bijtend folteren van al haar vleesch, een schok in haar herte om neer te +zinken, onmachtig.... Het bleeke wezen vervaagde, teerde uit zonder +oogenverwijt; en sterker herstraalde tallenkant, triomfelijk, het lokkig +gezegde:</p> + +<p>—Een wonderbaar ... een wonderbaar....</p> + +<p>Ze voelde dat hij zijn stap vertraagde, en dat zijn arm lager zeeg en +achterwaarts zich rondde. Ze voelde zijne hand sleeren langs haren rug +en haar omvatten in haar leen. Toen merkte ze hoe dikke de sneeuw al +zwijgend omlage streek, en zag ze den witten schijn van zijn gelaat uit +den nacht opklaren en bukken over haar voorhoofd. Ze schrok subiet. Ze +neep hare oogen toe en kon niet verder terten. Zijn warme asem kittelde +alreeds op hare slapen. Ze neeg op zij en zakte zonder willen tegen +zijne borste. Ze hoorde heel zachte:</p> + +<p>—Goedele ... Goedele....</p> + +<p>Op haren mond brandde nu de wilde hitte van zijne lippen, en haar mond +werd wild heet.</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h3><a name="hX" id="hX"></a>X.</h3> + + +<p>Het was alles alzoo door de ziekelijke demoralisatie van de +omstandigheden gekomen, maar Goedele was daarvan niet bewust. Ze leefde +nu daarin, met onzeglijke drift opasemend het koortsige geluchte, en ze +wist niet dat er een andere weelde der zinnen kon zijn. Alles had ook +meegeholpen in 't kwade bedrijf—haar opgroei tusschen de muren van 't +massieve, leege huis, haar omgang met het onecht gedoe van moeder en +Sebastiaan, de nabijheid van Romaan's ongeluk en Wiezekens dood.</p> + +<p>Ze klampte zich nu vast aan 't morbiede lijfgenot, niet meer vattende +dat een dieper ziel el even haar aandeel kon zijn. Als ze late in den +morgen hare oogen openstak en de dag zag uiteenkletsen tegen de witte +zoldering van hare slaapkamer, voelde ze zich breed en struisch geworden +in de lichtende vrijheid van een nieuw bestaan, wonderlijk en ongeraden. +Al zag ze eerst niet heel klaar in wat er gebeurd was, al vervaagde alle +detailleering in een grijze doezeling, die ganschelijk de vreemde +zekerheid van hare gedachten uitmaakte, het was heur àl zonnig, wat +optikkelde in hare hersens. Het zonderling gevoel, dat haar in een +gestadige duizeling bracht, was wel rijzekens omrild met de siddering +van lastige angstigheid, en ze moest soms hare vingeren op haar +voorhoofd leggen om er de subiete hitte te koelen. Ze vroeg zich niet +met bangheid af:</p> + +<p>—Wat heb ik nu gedaan?</p> + +<p>Ze was om de nieuwheid van haar voelen bang, en wat ze gedaan had, was +goed, was zoete. Ze was niet bij machte om uit de verveling van haar +verleden nu een spijt op te rakelen. Ze redeneerde bovendien niet. +Ze proefde langzaam hare versche emoties, en ze was zoo verre van de +overige doening verwijderd, dat ze de mogelijkheid van een anderen +toestand niet taken kon.</p> + +<p>Als ze zich aankleedde, bleef ze vóor den spiegel een lange stonde de +malsche sierlijkheid van haren blooten hals en de ronde blankheid van +hare armen bewonderen. Het scheen haar dat ze in, der waarheid schoon +was, en een zondige fierheid lei zinnelijke stralen in hare oogen.</p> + +<p>Het schoot dan als een schicht door haar memorie dat ze Johannes vandaag +nog een bijeenkomst beloofd had. Ze had het niet vergeten, maar nu, +binstdat ze haar naakte vleesch met het smeulende vuur van passie +verheerlijkte, kwam het haar brutaal-klaar te voorschijn....</p> + +<p>Een aarzeling haperde in hare gepeinzen en een wijlken verwarde hare +aandoening. Dat ze gaan zou bij hem, en dus een leven beginnen waar ze +schoon-handelend in optreden zou, ze wist het. Maar ze schrikte, omdat +het oogenblik zoo dichte bij in de toekomst stond—'t was alsof het +aanzienlijke bedrijf nu reeds hare leden kwam raken. Ze dierf niet +denken aan wat er precies gebeuren zou; seffens roerden hare ideeën +thoope en ze was tewege weg te zinken in een bedwelmende zoetigheid.</p> + +<p>Ze herpakte haarzelve. Haar boezem klopte geweldig en een blauwe ader +lijnde teer uit op hare slapen. Ze stamelde:</p> + +<p>—Vandage niet—vandage niet....</p> + +<p>Hij moest wachten, hij mocht niet verlangen dat ze zich ten geheele +subiet overgaf, en ze wilde niet dat hij zoo gauw hare zwakheid zou +kennen. Eene vrouwelijke oolijkheid schuilde onder de uiterlijke sterkte +van haar besluit.</p> + +<p>—Vandage niet!</p> + +<p>Eerst zou ze een ganschen dag 't genot herleven van den vorigen avond, +elke kleine gebeurtenis heropschudden in hare herinnering, en weer +genieten de eerste handeling van die zonderlinge liefde, die niet zonde +heette, omdat ze liefde was. Op een nieuw zou ze de eenzaamheid van de +nachtelijke strate voelen, den zwijgenden val van wiegewije sneeuwgevlok, +de warmte naast haar zijde van zijn arm, van zijn krachtig lijf, en 't +buigen van zijn zoenzware lippen....</p> + +<p>De uchtend was schoon: de wolkenlage rolde uiteen en langs een +bleekblauwen hemel zilverde een liefelijk zonnegestraal. Op de ruiten +spikkelde daardoor een menig sterrenspel van witte vonkjes en Goedele +keek met pleizier ernaar, een zelfde leute voelend in haar herte.</p> + +<p>Zoo tort ze de trap af, alles beminnelijk vindend wat ze ontmoette op +haar weg. Seppie stond bij een deure zijn koppeken op te heffen en te +kwispelen zeer gevoegelijk met zijn kodde.</p> + +<p>—Dag, Seppie!</p> + +<p>Vader zat in de eetkamer aan 't dubben over nieuwe uitvindingen en het +scheen haar dat hij zoo'n mooi-zoete hoofd had, zoo lijze haarkrullekens +om zijne ooren en zoo kinderlijke blikken. Ze was hem nu sterk genegen +en ze knikte hem toe. Hij glimlachte tegen.</p> + +<p>Moeder rustte in haren zetel, bij 't stille gekraak van den heerd. +Ze draaide seffens haar wezen omme naar Goedele en een angstige +nieuwsgierigheid bibberde in hare oogen. Ze vroeg dadelijk:</p> + +<p>—Hoe is 't met Romaan?</p> + +<p>Goedele zei, met een vreemde verwondering:</p> + +<p>—Romaan?</p> + +<p>Ze had zelve nog niet aan Romaan gedacht en ze was nu heel verschrikt, +omdat de gansche gebeurtenis—de droefheid in gindsch gefolterd +huisgezin, de mee-uitgesnikte droefheid—zoo verre achterwaarts gelegen +was. De dag van gisteren was met leven gevuld en 't schoot haar +pijnelijk door de hersens dat Wiezeken dood was, dat Wiezeken begraven +was, dat men nog om Wiezeken weende. Ze legde moeielijk uit, geweld +doende om natuurlijke woorden te vinden:</p> + +<p>—Goed ... hij is struisch gebleven ... hij maakt zich nu een reden ... +hij is in slaap gevallen ... vermoeid....</p> + +<p>—Hoe late was 't als ge hem verlaten hebt?</p> + +<p>Goedele voelde meteen de doordringende hardheid van moeders blik en ze +bloosde in zwijgende verontweerdiging. Ze keerde zich naar vader, en +boog over hem, en kuste zijn peiselijk voorhoofd. Ze ging naderhand +onverschillig neerzitten aan tafel en schoof een kommeken vóor zich en +schonk koffie. Vader reikte haar den suikerpot over.</p> + +<p>Ursule sprak:</p> + +<p>—Het was na twaalven als ge thuis zijt gekomen.</p> + +<p>Goedele antwoordde met licht humeur dat het wel kon, dat zij 't +geloofde, dat zij 't zich niet meer herinnerde. Ze wist nu zeker dat +Justa op den loer was uitgegaan, en het krenkte haar diep. Ze vroeg met +een klein lachje:</p> + +<p>—Heeft Justa mij op de bane niet ontmoet?</p> + +<p>Ameye had haar langs omwegen naar huis gebracht en ze giechelde spottend +bij de gedachte dat ze aldus Justa ontloopen was. Ursule zei niets meer +en tuurde naar 't vuur.</p> + +<p>Met den klank van moeders stem en de bijtende scherpheid van hare +woorden, was de koude vreemdte van dees huis her op Goedele's schouders +gezonken. Ze voelde alweer den wijden afstand van de hier-wonende +menschen en de schrikkelijke nauwte van het hier-kwijnende leven. Een +versche opstand woelde in haar en ze wilde zich wreken met algauw weg te +rukken van hier. Ze zou Johannes niet doen wachten....</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Omtrent den avond, als langs de muren der straten de eerste donkerte +kroop, vertrok ze. Een hijgende jacht klopte met joepen en bonzen in +hare leden en ze drilde gichtig door. Ze werd den wind niet gewaar, die +nu heel bitsig ommevlaagde, aan hoeken van hooge huizen een wilde +wirreling dansend, die plat hare rokken tegen hare beenen sloeg.</p> + +<p>Ze beluisterde ievers 't geklep van 't uur, dat van een prochietoren +neerwaarts rinkelde, altemets weggevlegeld door 't hevige gewaai. Ze +geraakte in onbekende wijken. Ze moest bijtijden aan een politieman +vragen, waar ze den weg inslaan zou, en dan keek dat roode mansgezichte +bedaard op naar heur, zonderling doende. Ze hoorde maar rijzekens wat +hij zei, en drevelde voort, en had straks weeral alles vergeten. Ze +vreesde bijkans dat ze te late zou aankomen en dat Johannes, +moe-gewacht, niet meer ter plaatse zijn kon. Ze vroeg dan haastig:</p> + +<p>—Is 't nog verre?</p> + +<p>Een ander rood gezichte blikte in haar wezen en maakte haar met langzame +uitleggingen wrevelig.</p> + +<p>—Nee-ë, als ge doorstapt, juffrouw, en geen omwegen begint....</p> + +<p>Ze liep verder eer 't laatste woord tot haar geraakte.</p> + +<p>Al dichter zeeg de donkerte. Een klein oud manneken stak met een perse +de lanteernbekken aan en elk licht werd subiet een waggelend leven, +opwippend in den avond, die daardoor precies doezeliger spookte. De +klaarten vielen in de liggende vlakjes gesmolten sneeuw en trilden er +een oogenblik, naarmate Goedele huppelend voorbijtort.</p> + +<p>Ze stapte endelijk trager. Ze gebaarde dat ze hier heel onverschillig +aankwam en verjoeg op haar gelaat de spanning, die haar wenkbrauwen +fronste. Ze had Ameye gezien.</p> + +<p>Maar in haar binnenste schokte eene geweldige benauwdheid, en ze wist +niet met welk gezegde ze hem begroeten zou. Zou ze schijnbaar verwonderd +naar hem opkijken en haar woorden kiezen naar den klank van zijn woord?</p> + +<p>Ze blikte zijwaarts. Ze voelde dat hij haar herkend had en rap op haar +afkwam.</p> + +<p>—Goedele!</p> + +<p>Het was haar een onzeglijk geneuchte en over gansch haar lijf kwam zijn +stemme streelen met de zoete galming van haren naam. Ze wendde zich omme +naar hem, verlegen, blozend, en ze schoof hare hand uit haar pelsen +mofje, hem reikende in ganschelijke overwinning hare witte vingeren.</p> + +<p>Ze taakte dan den warmen toets van zijn lijf en ging moe hangen aan +zijnen arm. Het docht haar dat de voorbijgaande menschen haar aankeken. +Het docht haar dat elkendeen beloerde hare overgroote aandoening en dat +haar herte openlag, bloot vóor elkendeen's oogen. Ze dacht verder aan +niets meer dat achterzijds volbracht was in 't verleden, en alles werd +een helle nieuwigheid. Ze vroeg, ontroerd:</p> + +<p>—Waar gaan we?</p> + +<p>Ze kon niet verzinnen entwat dat nog verscholen lag, halvelings te +raden, in de toekomst. Ze leefde ten volle en eeniglijk midden in haar +huidig geluk.</p> + +<p>En hij wist zoo wonderbaar te vertellen van nietigheden, die altegare +met blij gefluister omrankten deze heilzame stonde. Hij lachte en +tooverde een prettig gewiegel van luttele beeldekens in hare hersens. +Ze zag de beeldekens wiegelen en lachte mee. Nu was er geen tastbare tijd +meer en niets van wat den samengang van hun bestaan uitmaakte, scheen +haar vergankelijk te zijn. Overal was licht het gewone gerucht van de +stad en haar hoofd was vol zacht-ruischende geluiden. Ze blikte altemets +op in zijn gelaat en ze vond hem schoon als de zonne. Dan waren hare +oogen met gulden licht beladen en 't gedoe van de loopende menschen was +haar een dooreenvarende vaagheid. Hij vroeg:</p> + +<p>—Zijt ge moe?</p> + +<p>Het was zoo zoete dat hij een minste trilling van haar handen opmerkte +en zich dan dadelijk om de oorzake bekommerde. Ze glimlachte even, omdat +haar zijn vrage heel gek in de zinnen klonk en ze was zeker dat ze, lijk +nu, gaan zou mijlen en mijlen te reke zonder moeheid, zonder den last +van haar lijf gewaar te worden. En nooit zou zijn liefderijke stemme +hare aandacht verzadigen en een wreveling worden in hare ooren. Hij zei:</p> + +<p>—Uwe vingeren zijn warm....</p> + +<p>Aardig dat hij zoo innig om haar bezorgd was en haar minste +gewaarwording omstreelde met de aaiing van zijne stemme. Ze voelde +echter niets meer—noch 't slaan van hare voeten tegen de steenen, noch +'t woelig gewentel van den wind, lijk hij somtemets met vervaarlijk +geweld omzwirrelde, al pletsend op de vlakke muren zijn matelooze jacht.</p> + +<p>Ze gingen ook een tijdeken zonder spreken, en dan was 't alsof hunne +gepeinzen, hooge boven het zot lawaai der strate, ievers in +buitenzinnelijke vredigheid tegare kwamen, éen-wordend en bij parende +rijen rondbijzend als een vlucht van gekoppelde tortelduiven. Ze zouden +zoo zwijgend geerne gebleven zijn, maar dan merkten ze algauw dat ze +onbetamelijk deden, en ze schuilden onder een pluimlichte conversatie +hunne diepe zaligheid.</p> + +<p>In 't voorbijgaan viel om hen een subiete vlage van orkestgeluiden met, +uit groote ruiten en breede deuren, 't geklater van sterk-stralend +licht. Hij lispelde, haar zijwaarts meetrekkend:</p> + +<p>—Willen we hier eens binnen?</p> + +<p>Ze knikte. Het was haar alles eender, als 't maar een gezamenlijke +doening was. Ze wipte nu de marmeren trapzuilen over en geraakte in de +groote drinkzaal. 't Was haar een vlugge duizeling, de storting van al +de withelle klaarte en, rekewijs langs 't verblindend geflikker van +blanke tafelborden en ster-vonkend glasgerief, de sombere krioeling van +menschen. Het docht haar, naarmate ze doortort zoekend daar binst naar +een plaatse, dat al deze gezichten overhand opkeken naar heur en ze +ried, in een zijblik, de blankheid van hun wendende voorhoofden. Ze +voelde zich dan opgroeien, groot en struisch als ze was, grooter nog, +en fier-schoone in hare grootheid.</p> + +<p>Als ze neerzat, verwarde meer en meer, in traag bedrijf, een gestadige +bedwelming hare opgejaagde zinnen. Ze taterde. Ze voldeed met dol +gepraat haar lastig ongeduur, en ze staarde gedurig vlak in Johannes +zijn gelaat, er lavend de gulzigheid van hare gretige blikken.</p> + +<p>De muziek vervulde onderwijl met diverse golving van tonen het razende +geluchte. Goedele liet zich wegdrijven erlangs. Nooit was ze zoo dronken +geweest van vage geneuchten, die ze haast werkelijk taken kon, al +smeulden ze nog, met onzeker vuur, daar vóor haar, heel dichte, in de +toekomst. Hij zei:</p> + +<p>—Drink eens.</p> + +<p>—Ik spreek liever. Luistert ge niet?</p> + +<p>—Laat uwe lippen koelen.</p> + +<p>Ze liet haren mond raken den ijskouden drank, en rilde bij de kilte, +haar gansche lijf door. Hij merkte dat ze rijzekens schrok, en bood haar +lauwer water en 't suikerbordje. Ze zei:</p> + +<p>—Ik wou wel koffie.</p> + +<p>—Koffie moogt ge niet hebben.</p> + +<p>Ze lachte koortsig:</p> + +<p>—Wat belieft?</p> + +<p>Hij bestelde melk, en ze vond naderhand dat melk te heet en te dikke +was. Ze bloosde endelijk en boog zich al zuchtend:</p> + +<p>—Och! ik weet niet—ik heb geen smaak ... ge moogt mij zoo scherp niet +aankijken.</p> + +<p>Hij schaterde met geveinsde leute, en ze maakte even een pruilend +moezeken, zich ten halve kantewaarts wendend:</p> + +<p>—Ik zal u niets meer vragen.</p> + +<p>—Doe dat.</p> + +<p>Ze moest dan meelachen.</p> + +<p>Als ze weer met hem op strate was, en plots het wiegelend +orkestgedruisch wegroezelde achter haar, stond ze lijk dronken in den +kouden avond. Ze drukte Ameye's arm en probeerde haar stappen te passen +op de mate van zijn tragen gang. Ze boog haar hoofd en keek naar de +tjoppen van hare schoenen, die overhand van onder haren mantel te +voorschijn kwamen om seffens weg te duiken op een nieuw. Ameye brak +schuchter de stilte, die neergeraakt was over hen:</p> + +<p>—Willen we naar 'n schouwburg?</p> + +<p>Ze beweerde dat ze niet aangekleed was daarvoor en liet een nieuwe +stilte heerschen. Ze voelde dat hij zocht om samen alleen met haar +te zitten en ze verwachtte met eene angstige aandoening wat hij nog +voorstellen zou. Ze had er niet aan gedacht dat de avond zoo in +trippelgang niet afloopen kón. Ze was niet bang voor hem. Ze wist dat +hij hier de woorden niet vermocht te zeggen, welke hij zeggen moest. +En hoe zou zijzelve ze hier aanhooren?</p> + +<p>—Willen we ... hebt ge geen trek in iets? was zijn verlegen vrage.</p> + +<p>Ze wist niet hoe hem te helpen. Ze zei dat alles haar goed was en dat +hij zich maar niet moest lastig maken. Ze staarde in zijne oogen en +fluisterde:</p> + +<p>—Ik ben gelukkig!</p> + +<p>Dan was 't weer een wandelen, straat in, straat uit, zonder ende. +Johannes had niet meer dezelfde zwierigheid in het gesprek en zijne +gedachten, gestadig in spanning, volgden moeielijk de woorden van +Goedele. Hij vroeg dan meteen, heel rap, alsof hij in een geute al zijn +moed daar neersmeet met éen gezegde:</p> + +<p>—We gaan soupeeren....</p> + +<p>Hij voelde dat hare hand een tijdeken op zijn arm bibberde, en hoorde +dat ze precies struikelde. Ze kon niet goed een klank uit haar kele +stooten en ze hief zijwaarts hare oogen naar hem. Hij las een groot +vertrouwen in hare strakke blikken, een vertrouwen, dat alle aanvallen +tarten kon.... Ze zei:</p> + +<p>—'t Is me eender ... als ge wilt....</p> + +<p>Ze zei 't ultermatelijk stille, en het was te merken dat haar antwoord +haperde over hare tong. Hij voelde dat ze zich overgaf en dat haar +aarzelende bede was: wees zachte, en doe niet hard, en krenk me niet....</p> + +<p>Hij stapte rapper door en 't jubelde al in hem, wat zingend opgalmde uit +zijn herte. Vóor 't portaal van eene groote restauratie bukte hij zich +en lachte:</p> + +<p>—Hier?</p> + +<p>Ze had, starende in een zonderling gemijmer, een droeven lach. Ze knikte +en bracht dieper over haar aangezicht de licht-bruine vool, die om haren +hoed was vastgestrikt.</p> + +<p>Hij duwde de witte deur open, die naar de eenzame salons leidde en +bracht haar in een mooi versierd kabinet binnen, kleurig verlicht met +elektrische bloemlampen. Hij was opgeruimd en sprak met ingetogen +haastigheid. Hij vond dat ze zoo onpleizierig was.</p> + +<p>—Nu geen leute bederven, hoor!</p> + +<p>Hij nam haar mofje en hielp haar mantel uittrekken, en gaf alles rap +over aan een kelner, die zwijgend in het deurgat kwam staan. Ze zette +zich neer en zuchtte. Ze zag haar eigen gelaat rechtover zich in een +spiegel en had een vlugge gebaar om even nog een haarkrulle weg te +strijken, die buiten plaatse geraakt was.</p> + +<p>Johannes bestelde het eten, alles koud om alles in eens te kunnen +krijgen en binstdat de geluidlooze lijven der kelners in druk bedrijf om +de tafel werkzaam waren, verhaalde hij met kinderlijke gretigheid +aardige avonturen.</p> + +<p>Goedele kwam al dadelijk onder den invloed van zijn driftig praten en +kon hem endelijk met juichende blijheid antwoorden. Het kwam haar voor +dat ze droomde, dat alles fluks weer neerstorten zou in dagelijksche +werkelijkheid. Hoe was alles ontstaan? Ze wist niets meer. 't Was te rap +gebeurd. Ze voelde Johannes dichtebij haar en al wat hier in verven en +tonen aanwezig was, kwam heel zoete haar leden omstreden.</p> + +<p>De deure werd dichtegedraaid. Ze waren nu alleen. Ze hoorden den gang +der kelners geleidelijk wegstappen op de doffe tapijten en teenemaal +uitsterven, langs dalende trappen. Johannes bracht haar bij de tafel, +en 't was alsof hij in waarheid niet merken wou de eenzaamheid van die +muren, de beloken geluidloosheid van deze deur.... Het klepperde in hare +hersens:</p> + +<p>—We zijn alleene....</p> + +<p>Maar Johannes werd schijnbaar niets gewaar, en zette zich rechtover haar +en was dadelijk bezig met snijden en deelen en schinken. Goedele hoorde, +midden in de zangerige doening van zijne stem, 't gerinkel der teere +roemers en de harde klabettering van vorken en messen op gladde +tellooren. 't Verwarde allemaal schielijk ondereen en haar hoofd was vol +van 't eenvormig gedruisch;</p> + +<p>—Alleene ... alleene....</p> + +<p>Ze keek bedwelmd op. Ze nam zonder weten aldoor aan, wat hij haar +overreikte en ze lachte lijze mee als hij schaterend te lachen begon. +Somtemets schoten heete walmen naar heure slapen en dan doopte ze hare +lippen in de deugddoende frischheid van den wijn. Ze verwonderde zich +dat Johannes zoo zorgelijk zich bezighield met het luttele bedrijf van +het eten, dat hij al den ijver van zijne vingeren daaromtrent in gulzige +werking bracht, en dat hij daar zat, vóor haar, aan 't spinnen een +aardige webbe van kleine vertellingen, zonder aandacht precies voor hare +aanwezigheid, zonder herinnering precies aan hunne verleden +verwachtingen....</p> + + +<p>En 't ging alweer hamerend op in haar vleesch, stijgend in dreunende +slagen, tot hare gedachten maar éen gedacht meer vormden, een gedacht +van zonderlinge angst:</p> + +<p>—Alleene....</p> + +<p>Hij hief zijn glas op en 't licht bibberde veranderlijk in den roerenden +drank. Hij sprak van levenslust en kommerlooze leute, en over zijn wezen +kwam een stil-lachend pleizier, een natten gloed leggend in zijn +diep-zwarte oogen. Ze taakte 't groote geneuchte, dat hij met woorden +boven de tafel leven deed, en ze duizelde bij stonden, geen uitweg meer +wetend voor 't overweldigend geluk, dat opgloeide in haar. En haar glas +reikte ze naar 't zijne uit....</p> + +<p>Al meer vervaagde stilaan het zicht der dingen. Een trossel druiven +praalde, purper-schijnend, midden tusschen de blankheid van porseleinen +schalen. Ze zag niets anders meer ommedom. 't Overige gekleur fonkelde +uit in schemerende lichtvlakten, altemets gestriemd met vluchtige +strepen. Johannes was opgestaan....</p> + +<p>Ze voelde nu zijn warme nabijheid. Ze voelde zijn arm, die om haar leen +kwam fleeren en haar dichter aansloot tegen hem. En zijn asem kittelde +over haar gezichte.</p> + +<p>—Melieve....</p> + +<p>Haar emotie sloeg in forsche klopping door hare leden. Zijn stemme +brandde en smeet in laaie golving om haar. Hij fluisterde met hijgende +gichtigheid:</p> + +<p>—Laat me u voelen ... zoo dichtbij ... tasten uw werkelijk lijf en den +blik, die optoovert uit uwe oogen. Zóo zijn we in sterke zaligheid te +gare—te gare, lijk het zijn moest naar de wetten van ons beider lot. +Weet ge ooit hoe diep ik u lieve!</p> + +<p>Zijn mond toetste bijkans haren mond en zijn woorden stieten aan tegen +hare lippen. Hij lispelde, begeesterd:</p> + +<p>—Kijk òp—kijk òp ... en dring in mij.... Weet ge ooit hoe ganschelijk +mijn leven is vastgeketend aan uw leven! Kijk òp.... De toekomst is me +een blijde straling geworden.</p> + +<p>Hij sprak van de toekomst. Hij kuste haar op haar voorhoofd en in heur +haar. Hij sprak van de toekomst, vervoerd, verrukt, en lang beeldde hij +'t haar vóor, hoe ze saam, buiten aller wete, jaloersch voor eigen +geluk, hun genot in een klein huizeken zouden bergen, hoe ze daar trage +avonden zouden slijten, aldoor in 't gulden wonder van hun liefde. Hij +verzinde een sierlijke detailleering daaromme, zoodat 't opstraalde in +menig geflikker, vlammekens alhier en alginder—altegare een groot +minnevuur. Hij joeg zijn woorden achter mekaar en zoende haar driftig en +aaide hare vingeren, vragend:</p> + +<p>—Wilt ge?... wilt ge?</p> + +<p>Ze stamelde, heel week wordend:</p> + +<p>—Ik ... wil....</p> + +<p>Hare borste golfde geweldig, hare wimpers waren heet en zij voelde de +tranen niet, die stille over hare wangen rolden. Ze snikte endelijk en +vatte in plotselijke drift zijn hoofd in hare handen en drukte 't met +ongemeene kracht tegen haren zwellenden boezem. Ze hakkelde:</p> + +<p>—Ja ... ja ... ik wil ... ik zie u zóo ... machtig geerne ... u ... +u....</p> + +<p>Hare natte lippen sleerden, lang-zoenend over zijnen hals.</p> + +<p>Het was alzoo een stonde van overmatige aandoening en al wat rond haar +bestond, al wat ze nog in beweeglijke grijsheid herkende, de witte +spetsing van roemers en teelen, de purpere gloeiing van druiven, het +tinteleerende gesternte van bloemlampen—al wat ze zonder aandacht nog +opnam in haren geest, 't vloeide uiteen, 't verwijderde zich en 't +roerde een ende ginder, heinde en verre.</p> + +<p>Ze was hier met Johannes, en niets leefde buiten 't leven, dat ze met +Johannes uitasemde. De wereld lag in de wijdte, waar ze niets meer raken +kon, waar ze met een stoot van heur herte de wereld verdreven had. En ze +groeide op ten hemel, in bovenzinnelijke verrukking....</p> + +<p>Met hem ... met Johannes ... eeniglijk....</p> + +<p>Alleene.</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + + +<h3><a name="hXI" id="hXI"></a>XI.</h3> + + +<p>Binst de dagen, die volgden, was de droom, die Goedele zich, buiten de +tastbare werkelijkheid, omtrent al 't gebeurde had voorgesteld, tot eene +zonderlinge, onbewuste werkelijkheid opgewassen. 't En was geen droom +meer. Ze had het nieuwe sterke leven met het vorige en nog thuis-wezende +leven vereend, en altezamen was 't een dooreenwarrelend bestaan +geworden, waar boven klaterde de harde drift van hare liefde.</p> + +<p>De nabijheid van moeder en de nuchtere vrijagie van Sebastiaan werden +haar onverschillig en ze beleed den last ervan met effene +verdraagzaamheid.</p> + +<p>Hare eenige aandacht lag in 't verbergen van haar geheim bedrijf, en ze +wist met doorslepen oolijkheid de slimme beloeringen van Justa te +verweren.</p> + +<p>Twee- en drijmaal te weke bracht ze een haastig bezoek bij Romaan en +liep dan, langs veranderlijke omwegen, de stad omme, endelijk in een +verlaten wijk een laag huizeken binnensluipend.... Niemand mocht +vermoeden dat ze hier kwam, en ze nam dan ook alle voorzorgen om te +beletten dat iemand 't vermoeden kon. Daar Ursule niemand bij Romaan +zenden kon, geraakte zij deze vreemde doening niet te wete. Ze deed +overigens maar af en toe hare dochter achtervolgen, en daar Justa haar +iedermaal zeggen kwam dat Goedele bij haar broer binnen was, had zij +geen verdere verdenkingen. Omdat Goedele ook thuis tot redelijke +handeling scheen teruggekeerd en nu teenemaal met Sebastiaan verzoend +bleek, had ze geen onrustigheid meer. Haar rheumatiek beterde er +schijnbaar door, en ze kon al ommentweer wandelen en tallenkant +inspectie doen.</p> + +<p>Goedele had in hare oogen een goed gedrag. Alleen deed ze nu meer aan +toilet en had over haar een overdreven prontigheid. Maar in het idee van +Ursule, was 't allemaal om Sebastiaan te behagen, en zoo waren 't, +peinsde ze, goed-besteedde onkosten, die later wel dikken intrest zouden +afwerpen.</p> + +<p>Goedele bekommerde zich om niets en liet alles gedwee gebeuren wat in +huis de gewone gang der dingen was. Altemets had ze een vlugge zwakheid, +meerendeels veroorzaakt door 't zachte blikken van Sebastiaan of 't +tijdelijk zuchten van Bella. Als ze echter alleen op strate kwam en 't +groote gewoel der stad hoorde, was alles weer vergeten, en vuurde +slechts nog in haar ziele 't verlangen om geweldig te leven. Het +bezoekje bij Romaan was haar insgelijks een koortsaansporing: ze voelde +er 't ongezond bestaan van hare liefde, midden in 't weevolle geluchte, +en ze asemde er algauw 't bedwelmende gift, dat haar tot kwalijk +zinnenbedrijf uitermate stemde. En Romaan bovendien bracht een gestadige +duizeling in haar hoofd met de listige argumentatie van zijn vrije +theorieën. Binstdat tante Olympe stilaan wegkwijnde en kermde dat hij nu +toch met Madeleen trouwen zou, kwam hij dan met zijn hoogdravende +levensopvattingen te voorschijn, en Goedele voelde dat alles weer goed +was. In hare hersens wapperden de driftige woorden:</p> + +<p>—Leven!... Leven!... Vrije leven en vrije liefde!...</p> + +<p>En ze leefde aldus, en 't deed haar deugd dat ze 't onder Romaan's +invloed zoo schoone merkte. Ze was vrij. Geen banden knelden haar, geen +wil van moeder bezeerde haar, geen muren van 't vierkante huis alginds +wogen op haar. Ze was vrij levend en hare liefde, die sterkelijk uit +eigen zinlijke emotie en eigen gepeinzen was opgerezen, hare liefde was +vrij....</p> + +<p>Met nieuwe gretigheid liep ze dan naar het huizeken, waar Johannes op +haar wachtte of waar zij op Johannes wachten zou.</p> + +<p>Het stond in een nauw en stil straatje, en ze kon 't goed bereiken +zonder belonkt te worden. 't Was een laag ouderwetsch gedoe met éen +verdiep en een trap vóór de deure. Johannes had het binnenwaarts met +kunstigen smaak versierd. Er waren vlakvloers twee plaatsen en een +verandah. Hij had de verandah met allerhande groen en gebloemte bezet, +en een schuchter blauwig licht laten binnenzijpelen. Daarnevens had hij +een weelderige zitkamer gemaakt met open heerd, en alles was er in zoo +teere tinten aangebracht dat nievers een blik aanstooten kon tegen een +onbehendige verve. Dikke tapijten voerden den tert van voeten en 't +lichte geschuif van stoelen onhoorbaar over den vloer. Lage zetels +omdeden 't lekkere vuur, dat langs welriekende sperrescheiers opvlamde, +en pelsen matten legden onderaan een doezelige zoetigheid.</p> + +<p>Deze plaats gaf met een dobbele deure toegang tot de slaapkamer. Hier +was met voorliefde het minste hoekje mooi-gezellig gemaakt en midden-in +stond de breede sponde, geheel en al met kanten spreien bedekt en +omhangen met doorzichtige voolen. Lichtgeel marmer lag op de waschtafel +en er rechtover, was een hooge psyché-spiegel ook met licht gewaad +omstrjkt. Langs de muren viel, in zwaar gevouw, het thee-rozig +behangsel.</p> + +<p>Goedele ging zelden op het verdiep, waar Johannes twee liefelijke +leeskabinetten en een badkamerken aangelegd had. Het huizeken had +overigens 't karakter niet van een blijvende woonste en 't leek meer op +een verrukkelijk pied-à-terre, een donzig nest voor schuchtere en +angstige verliefden.</p> + +<p>'t Gebeurde zelden dat hij niet vóor haar binnen was. Ze had halvelings +de deur opengeduwd, als hij haar reeds in zijne armen ontving en haar, +onder driftig zoenen, telkens bedankte dat zij toch weer gekomen was. +Hij staarde diepe in hare oogen:</p> + +<p>—Melieve!</p> + +<p>—Johan!</p> + +<p>Ze lachte hem gulzig tegen, en lei hare hand om zijnen schouder, en +leunde met haar voorhoofd op zijne borst. Stille nam hij haren hoed en +haren mantel, en ze moest seffens hare schoenen uitdoen en lederen +slofjes aansteken.</p> + +<p>—Waar ge warme pootjes mee houdt....</p> + +<p>Ze waren alzoo geheel thuis. Ze gingen zitten bij den heerd en Johannes +wakkerde 't vuur aan, zoodat de vlammen opkrulden en iedermaal een laaie +klaarte deden opgloeien in de schemergrijze kamer. Ze zaten naast +mekaar. Binst mijmerende stonden, wijl ze sprakeloos in de fonkeling der +scheiers staarden en enkel mekaar's vingeren lijze op den rand der +zetels dooreen hadden geleid, kwam in huis het verre lawaai van de stad. +Geleidelijk zeeg de langzame donkerte en wijder sprong het licht uit den +heerd. Ze voelden heel schoone den vredigen samengang van hunne +gedachten, lijk een vleugeling van pluimlichte winden.</p> + +<p>Naderhand keken ze op naar mekaar en, in een opgaan van teugellooze +passie, vielen hunne lijven tegaar. Ze fluisterden vervoerd hunne heete +woorden van liefde en hun verlangen brandde hun borste vaneen, in dolle +jacht hun bloed opzweepend.</p> + +<p>—Ziet ge mij geerne?</p> + +<p>—Eeuwig ... eeuwig....</p> + +<p>De avond somberde deugdelijk om hen henen, en de klaarte van 't vuur +sloeg al breeder uit en strengelde hun beider hoofd in éen laaien ring +van vlammen.</p> + +<p>—Voele 'k u? Zijt gij 't, lieve?</p> + +<p>—Hier zijn uwe lippen....</p> + +<p>—Voele 'k u gansehelijk? Me dunkt, daar zullen geen dagen meer komen, +en dees is de laatste dag....</p> + +<p>—'t Is eene eeuwigheid, die begint.</p> + +<p>Goedele prangde hem op haren boezem en heerlijk gaf zich ten geheele +over aan 't schrikkelijke geweld van hare liefde.</p> + +<p>Ze lag in late deemstering op het bedde, en alles wat om haar was +waterde in groene nattigheid weg. Ze hoorde den matelijken gang van +haren asem, tot ook dát wijder uit verzuchtte en ze dan overmand in +diepen slaap geraakte. 't En duurde niet lang. Verwilderd stak ze hare +oogen openen zat seffens overend. Johannes, aan 't voetende gezeten, +beloerde met liefderijken blik haar kinderlijke vrees en 't schoon +gebaar van haar ontwaken. Hij vatte haren blooten arm en kuste haren +schouder. Ze bloosde en glimlachte:</p> + +<p>—Ik wist ... niet meer....</p> + +<p>Ze was blij dat hij hier was dichtebij, en dat hare schaamte redeloos +over haren rugge rilde. De pracht van heur haar rees breed-golvend langs +haren naakten hals, en ze las in de wondere doening van zijne oogen, dat +ze aldus mooi was en begeerlijk. Ze was gelukkig. Ze was +onvoorwaardelijk aan hem en wou mooi zijn om aan hem te blijven. En zoo +boog ze over hem en merkte de siddering, die langs zijne leden opging, +terwijl ze hem taakte met haar lauwzoete vleesch.</p> + +<p>—Zult ge me nooit verlaten?</p> + +<p>Hij belook haren mond met een zoen en omsloot haar met versche +driftigheid in zijne armen. Ze was zeker, al vroeg ze 't met aaiende +stemme, dat hij haar niet verlaten zou. Ze wist wel haren onregelmatigen +toestand en 't deed haar dikwijls pijne, als ze bedacht wat er in zijn +ander leven lag, 'tgene hij niet met het hare beleefde. Maar dan zag ze +de vrome verwijfdheid van Sebastiaan, en ze kon Johannes vergeven wat +zij, bijkans in eendere mate, met Sebastiaan voorhad. Niets weerstond +overigens aan de sterkte van hare liefde, nog verschoond door het +treffend argumenteeren van Romaan. Ze had niettemin niets durven +bekennen aan haar broeder en dikwijls, wijl ze Madeleen bekeek, wutelde +ievers in een hoek van haar geweten een vreemdsoortige wroeging....</p> + +<p>Ze wist dat Johannes haar niet verlaten zou. Al meer en meer kende ze +den machtigen invloed van hare struische schoonheid, en ze troetelde +haar lijf nu, bezorgd voor een vlekje, dat de matte blankheid ervan +breken kon. Ze mocht op Johannes vertrouwen.</p> + +<p>—Wordt Madeleen door Romaan verlaten? vroeg hij soms.</p> + +<p>Hij wettigde heel gemakkelijk hunnen toestand, en ze dacht er weldra +niet meer aan dat er grondelijke moeielijkheden ievers mochten oprijzen.</p> + +<p>Langzaam, met sneeuw en vorst, nevelde de winter voorbij. 't Werd vuil +weere, en triestige regendagen trokken zich schreiend uit achter mekaar. +Ze zaten soms een heel en tijd te luisteren naar 't dropgetjokkel op de +vensterruiten of naar 't gewaai van de vlage, gelijk die bij stonden +forsig neersmeet in de schouw. Ze drongen tegeneen en rustten, slape aan +slape, in zwijgende aandacht. Eene endelooze droefenis woog daarbuiten +en alles, langs gevels en daken, was grauw en grijs. Op het glazen +gewelf der verandah spetterde de regen. 't Was er een wippen en dansen +van ruchtige druppels, haastig achtereen, naar de mate van den +wispelturigen wind. 't Hield altemets plotseling op, en Goedele blikte +kantewaarts naar Johannes.</p> + +<p>—'t Gaat over....</p> + +<p>—'t Herbegint.</p> + +<p>Ze streelden mekaar's vingeren. Ze knikten in onzeggelijk geneuchte, en +'t leelijke weer maakte het veilig huizeken gezellig en warm. Ze waren +hier goed. Ze hielden hier van mekaar. Hunne vingeren kriebelden lichte +over hunne vingeren....</p> + +<p>De dagen verlengden aldoor en, na den regen, glom het eerste gelach der +zonne.</p> + +<p>De Lente kwam precies zoo subiet, zonder overgang. Een teer blauw +geluchte welfde hooge en diepe boven de stad zijn fraaie bogen, en +daaronder speelde 't gestraal van den frisschen dag, even gebroken door +het tijdelijk verkeer van wattige wolkskens. 't Gebeurde in waarheid +zonder overgang. Ende Maarte keerden alhier de zwaluwen terug en in den +beginne van April schoten tallenkant langs warandewegen en beplante +lanen de sapvette knoppen. 't Getwijg wiegelde met tenger groen, eer de +maand ten halve was verloopen, en Mei was er rijzekens, als de kinderen +op strate reeds met kevers speelden.</p> + +<p>In de stille steeg, waar ze nu met nieuw verlangen het huizeken vulde, +beluisterde Goedele het kleine stemgeluid der bengels:</p> + +<div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">Vliege—vliege—vleugeke,<br /></span> +<span class="i0">Dat beesteke gaat naar 't meuleke,<br /></span> +<span class="i2">Alover de zokken,<br /></span> +<span class="i2">Alover de blokken.<br /></span> +<span class="i0">Onze-lieve-Vrouwe van het kerrekhofken....<br /></span> +</div></div> + +<p>De zang was haar een liefelijk pleizier. Ze tastte erlangs de blijheid +van het versche getij en de zilveren wappering van de zonne. Ze +glimlachte. Johannes zat bij 't raam aan 't schetsen. Ze staarde naar +hem en ging na de struische lijn van zijn rugge, het somber schouwspel +van zijn hoofd en dieper, vlak boven de witheid van zijn teekenboek, de +schoone sterkte van zijn aangezicht. Ze taakte permintelijk den forschen +bouw zijner schouders en verwijlde naderhand om 't behendig bedrijf +zijner vingeren. Ze was vol bewondering voor hem, omdat hij pront was en +krachtig en groot. Een djentelijk vuur van den dag trilde tusschen 't +menig geplooi van de venstergordijn en viel helstralend op zijn +rechterhand. En daarmee hoorde ze klaar bijzend, ginderbuiten, het +luttel gerinkel van 't lied:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2.5em;">Vliege—vliege—vleugeken,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Dat beesteke gaat naar 't meuleken....</span><br /> +</p> + +<p>Ze zag in hare gepeinzen, 't profijtelijk gepeuter van teere +kinderpollekens om 't langzame lijf van de kevers, de ongedurige +flikkering van hun loerende oogen, en 't kraken van hun broekskens, +terwijl ze op hun knieën voortklefferden. Ze verzinde dat de meidiertjes +endelijk opvlogen, en 't was dan seffens een juichend handgeklap, een +zot jubelen van al die keelkens.... Ze tuurde naar de zonnevlek langs +Johannes zijn werkzame vingeren, en ze glimlachte vergenoegd.</p> + +<p>Zoo omleuterde de jonge Lente haar herte. Ze zei:</p> + +<p>—Johan!</p> + +<p>Hij keek op, en zijn donkere oogen hadden elk een sterreken van het +goede voorjaarslicht. Ze wenkte zoetekens met haar hoofd en hij kwam +over haar buigen. Ze blikte in zijn wezen en vroeg:</p> + +<p>—Waarom zijt ge bezig, zoo ijverig ... en zoo verre van mij?</p> + +<p>—Ik maak entwat—'k en wete niet klaar.... Ik heb overal bloemen in +mijn hoofd en ik zie overal gulden plantsoen. Ik peinsde dat ik 't zoo +neerleggen kon, in lijnen....</p> + +<p>—Niet waar? Allemaal te gare een groot perk van diverse kleuren?... +Kom bij me. Ik heb in mijn hersens een ringende vlucht van vogels, en ze +kwinkeleeren dooreen. Luister eens naar uw eigen....</p> + +<p>'t Steeg daarbuiten heel zacht en deugddoende, soms lijk een bimmeling +van klokskens:</p> + +<div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i3">Alover de zokken,<br /></span> +<span class="i3">Alover de blokken,<br /></span> +<span class="i1">Onze-lieve-Vrouwe van het kerrekhofken....<br /></span> +</div></div> + +<p>Goedele's haar kriebelde om zijn neuze en lager bukte hij, fluisterend:</p> + +<p>—'t Is 't nieuwe seizoen, melieve.... Nu juicht tallenkant de liefde +die hier vóor maanden te juichen begon, hier eeniglijk. Nu klatert het +zonnevuur en laait op met den vlammigen brand van ons lijven. Zijt ge +gelukkig?</p> + +<p>—Bemint ge mij?</p> + +<p>Ze lachten alle twee en brachten hun gretige lippen samen. De +zonnestraal, die noesch door de reten van de witte gordijn was +binnengedrongen, bleef nog een wijlken langs de sporten van Johannes' +leegen stoel lanterfanten en duisterde geleidelijk weg.</p> + +<p>Zoo leuterde de jonge Lente.</p> + +<p>Andermaal was de nanoen overheerlijk. Ze besloten dan dat ze de stad +zouden verlaten en vermeien in de opgroenende velden aan den rand van +het aloude Zeuniërwoud. Ze vertrokken met den trein en vonden het +prettig, zoo te gare zitten in het zoevende coupé, tegeneengedrongen, +matelijk geschokt op de wippende kussens en kijkend, met kinderlijke +achtzaamheid, naar 't voorbijjagende landschap. 't Was eerst het sombere +zicht van de buitenwijken der stad, de zwartdampige fabrieksschouwen en +de grauwbesmookte daken, de vuile muren beplakt met hel-schreeuwende +reclames of beschilderd met namen van ruchtige firma's. Stilaan, na de +rote lage werkmanshuizekens, rees een olmenlaan en lag verder een +malsche weide open.</p> + +<p>—Waar zijn we hier?</p> + +<p>—Heelemaal buiten de poorten ... de vesten over ... en Brabant in....</p> + +<p>—Ei? Kijk daar!</p> + +<p>'t Was, bezij de baan, een groote kudde schapen, die schuchter tegen +den barm verdrongen, roerloos te wachten stond, tot de vervaarlijke +stoomvaart voorbij zou daveren. Goedele behield een liefelijk beeld +ervan, lijk de beestjes daar in 't zilveren zonnegeweld wit opwolden, +hun stokkepootjes vreesachtig te gare en hun koppen bovenuit, al te +zamen gerokken naar 't veilig beschut van den barm. Het was alsof +zijzelve met eendere angstigheid een duurbaar leven had te bergen, en ze +roerde haren arm om zekerlijk het buigend lijf van Johannes te voelen. +De zonne spetterde lustig tegen de ruiten....</p> + +<p>Als ze kort daarop moest afstappen en de statie doorging, meende ze dat +de treinbediende haar met zonderlinge aandacht bekeek en blikte ze bang +ommentweere, verveerd dat ievers een vijandig oog haar betrappen mocht. +In 't open veld, heinde en wijd bespikkeld met springjeugdig plantsoen, +lag voor haar een onendige peiselijkheid en algauw vergat ze de wereld +van koude muren en valsche verhoudingen om mee te leven met de sappige +natuur. Hier vooral meende ze de waarheid te tasten van Romaan's +vrijzinnige theorieën en ze werd dronken van de hevige lucht.</p> + +<p>Ze hing aan Johannes' arm. Ze roken allebei zwijgend den sterken geur +van het hoog-wassend gers, en het tokkelig sterregedoe van de menige +meerschbloemen draaide zot en grappig in hunne hersens. Ze verlieten de +wegels en torten in de dichte beemden, en 't was een versche leute +iedermaal ze struikelden in 't harrewarrig gewas of plots vóor hun +voeten een jonge puit opjoepen deden.</p> + +<p>—Aai-Heere! wat hebbe 'k geschrokken!</p> + +<p>—Jrsst!... wipte de puit.</p> + +<p>En een rilde weikerse bibberde even tenden haren slanken steel, +waarlangs hij te lore was gesprongen....</p> + +<p>Ze liepen een beekje over en stonden hijgend te lachen aan den anderen +kant. Goedele bloosde tot achter hare ooren. Ze drilden met het waterken +mee en bleven altemets neerhurken, waar de oevers breeder werden en een +schoone partije lischriet heen en omme waaide onder de aaiing van een +heimelijken wind.</p> + +<p>—Wordt ge moe, lieve?</p> + +<p>—Wat zou ik!</p> + +<p>Ze staarden naar het spel van de zonne langs de klein-klotsende golfjes +en hoe daarover meteen een spinnekobbe langebeende, patjinkel-patjokkel, +op al haar grootste gemak.</p> + +<p>—Ze blijft stille....</p> + +<p>—Ze peinst.</p> + +<p>Een koppel waternaalden zegen bibbervleugelend neerwaarts en zetten zich +nevenseen op een drijvende blare. Alles was voor Goedele ongezien en +wonderbaar. Ze wist geen weg met hare gulzige nieuwsgierigheid en ze +lengde haren hals naar het ruchtlooze water, waar zoo verschillig een +intense leven aan 't roeren was. Onder de klare vlakte deed een +salamander lui waggelen haren kronkel-krommen steert....</p> + +<p>Ze stonden naderhand recht en, hand in hand, huppelden verder, zat van +'t schoone licht en bedwelmd door den struischen reuk der meerschen. +Hunne vingeren waren ineengehaakt en ze blikten benedenwaarts in 't +diepe gers, waaruit, bij elken stap, een zwerm gevleugelde dierkens +opwolkte en uit mekaar stoof. Ze vertrapten de zaadzware hoofden der +halmkens.</p> + +<p>Uit een laag korenveld rees in noesche vlucht een leeuwerik omhooge. Zij +stonden seffens te luisteren naar zijn heerlijk getater en keken op, hem +navolgend tot tegen den schitterenden hemel. Hij kwetterde maar gedurig +en steeg met stage verduldigheid.</p> + +<p>—Ziet ge 'm nog?</p> + +<p>—Wacht ... ja ... ja....</p> + +<p>—Langs die luttele watte ginds....</p> + +<p>—Ik zie hem!</p> + +<p>Hij was een klein zwart puntje geworden en nog warrelde in blijde +schatering zijn juichende lied. Hij ging òp. Al bewoog hij naar rechts +noch anderzijds, al bleef hij ginder donker-puntelen tegen het stralende +gewelf, al was hij nu bijkans een stofken, zonder gedaante en +levenloos—òp, hooger en hooger, kleiner en kleiner, òp ging hij! Ze +voelden 't allebei. Hunne oogen kittelden van 't staren en droog was +hunne keel. Ze hielden haast hun asem in en fluisterden:</p> + +<p>—Nog...?</p> + +<p>—Een zierken....</p> + +<p>—Hij is weg!</p> + +<p>—Neen!</p> + +<p>—'k Hebbe hem weere....</p> + +<p>—Ho!... Ho!... Ja....</p> + +<p>Een verraste kreet ontviel hun meteen. De leeuwerik +daalde—daalde—plots zwijgend, plots grooter wordend, een doode massa, +die straks zou neerpletsen, met een akeligen stoot, op den harden +grond.... Maar kijk! hij streek, al met een keer levend opnieuw, dicht +bij de eerde zijlings weg en dook zachtekens in het groene koren.</p> + +<p>Goedele wendde hare oogen naar Johannes en een tijdeken lachtten ze +malkander tegen. Dan liepen ze weer door en hun hoofd was nog vol van de +hevige straling, die ze langs den diepen hemel hadden opgenomen.</p> + +<p>Bij valavond bereikten ze een groote hoeve en daar konnen ze een schel +hespe krijgen met roggebrood. Ze waren waarachtig uitgehongerd en nooit +hadden ze meer smaak in 't eten. De zware boerenkost was hun licht en ze +hadden danig pleizier, de eene om de aardige gulzigheid van den anderen. +'t Was hier een lage kamer met zwart-eiken zoldering en twee +groen-geruite vensters. De roode glans van de zonne hing gulden ranken +erlangs, zoodat in huis een vreemd purperen licht schemerde, hier en +daar opschietend langs de bolle bulten van het koperen kookgerief. Onder +'t blauwachtige schouwkleed zat ten halve in de donkerte de oude +pachteresse, grijs-geschort en gebukt in de vouwen van haren gelen +borstdoek. Ze was daar een beeld van eenzaamheid en stilte, van eendere +verve als de doodgaande dag en zwijgend als de nacht, die zou komen. Ze +had ook in deze kamer die albeheerschende beteekenisse, zoodat Goedele +noch Johannes de zoetigheid van 't geluchte haast niet storen dierven en +zich spoedden om weer vrij te zijn in den open buiten.</p> + +<p>Maar buiten was nu de wonderlijke avond aan gang en ze geraakten seffens +in de stemming van de droomerige stonde. Ze gingen stille arm aan arm, +langs verlaten wegels woudewaarts, en keken mijmerend naar hunne dobble +schaduw, die schuins tegen de barms oprees of verder in gedoken grachten +wegzakte. Heel wijd, waar 't endelooze geboomte somberde, klonk de +matelijke roep van een boschuil.</p> + +<p>De avond weefde allerzijds een doorzichtig gewaad van goudgele en oranje +en warm-roode tinten, en de hooge populieren stonden rekewijs aan den +rand der beemden, met bronzen stam in 't zachte licht. Rijzekens +streuvelde een blood gewaai erlangs, en een hoogste blaadje wiegelde +tenden het roerloos getwijg, daarboven danig zwart tegen 't groen-blauwe +deemsteren van den hemel.</p> + +<p>Ten oosten nevelde de grauwte al dikker en dikker en, als ze zich +ommekeerden, zagen ze 't donkere schaliedak van de hoeve mee vergaan met +de duisternis, die ginder trage werd opgestapeld. Even riemde omhooge +langs de schouw een lintje witten damp, en 't begon heel subtiel rond te +ringelen, wispelturig en speelsch, tot het openpluimde en uiteendonsde +en dood was.</p> + +<p>Goedele drong dichter bij Johannes aan. In haar rustte al 't geweld van +den schoonen dag en ze had nu een zachte behoefte om 't niet in +gichtigheid weer op te jagen. Ze wilde rustig zijn. Ze voelde zich +meegroeien tot eene effene vrede, met den peiselijken avond, en ze zou +niets hier breken, noch door onsierlijk gebaar noch door kwetterend +gezegde. Ze leefde even sterk als in den nanoen, maar 't was +tegenwoordig een bewustvolle, rijpe leven, de moutere uitslag van 't +schaterend rumoer over dag.</p> + +<p>Sprakeloos gingen ze en drongen binnen 't nachtlijke woud.</p> + +<p>Hij vroeg of ze entwat vreesde. Het docht hem dat hare hand beefde en ze +meteen de bangheid taakte, die onder 't somber gewelf der beuken varende +was. Hij omvatte hare leen en drukte haar lijf zoetekens tegen het +zijne. Ze blikte naar hem dankbaar op en hij zag een vluchtige straling +opflikkeren in hare oogen.</p> + +<p>—Weent ge?</p> + +<p>Ze boog haar hoofd diepe aangedaan en schudde 't nadien ontkennend. +Ze stamelde:</p> + +<p>—Het is hier alles zoo plechtig, zoo heerlijk....</p> + +<p>Hij zei dat het de endeloosheid was van hunne liefde en, trage wandelend +liet ze zich geheel aanleunen tegen hem. Ze waren alzoo, te gare, éen +schuivende schimme, éen wezen, en hun asem joeg opwaarts, bijeenwaaiend +langs hun voorhoofd tot een streelende lauwte. Ze gingen door. Ze wisten +niet waar de weg hen leidde en hoe dees gaan zou ophouden; maar zij en +hadden geen zicht voor toekomstig gedoe, zoo ganschelijk waren door +huidig geluk vervuld hunne begeesterde zielen. Hij vroeg:</p> + +<p>—Zijt ge nu weer rustig?</p> + +<p>Ze knikte en drukte innig haar hoofd op zijnen schouder.</p> + +<p>Nievers hadden ze ooit in zoo zwijgend en vredig een nacht gewandeld en +hunne liefde heerschte hier in almachtige meesterschap. Goedele wendde +altemets hare blikken achterwaarts: waar, alginds, tenden een klare +holte het stille woud begon, zag ze nog een vlekje van den hemel, +donkerrood geverfd en smeulend in schuchtere asschevonken. Ze was uit de +klaarte gekomen, uit het wijde dal, dat zonder leven wegdeemsterde, en +ze tort nu in het zwarte bosch, zich veilig voelend, heel lijze, aan +Johannes' arm. Ze spraken weinig. De plechtigheid van deze eenzame +donkerte drong binnen hunne ziel en ze wisten dat geen woord +tegenwoordig welsprekend kon zijn. Bijwijlen keken ze op naar mekaar en +schouwden, trager stappend, in mekaar's gezichte, en de endelooze +teerheid, die in hunne oogen straalde, was een vrucht van de heilige +stilte.</p> + +<p>Zoo was de stilte.</p> + +<p>Alleen hun voeten ruischten over het mulle stof en raakten soms een +doode takje, een springende kei, een teurfel graseerde.... Van +weerszijde reikten het ondoordringbare heestergedoe en 't sterke +geboomte en, tallenkante, als een ontastbare muur, de éenige duisternis. +Heel verre steeg even 't geraas van een stoomwagen of 't rollen, altijd +door, van daverende wielen. Maar 't was een doezelinge wijd op den +achtergrond, en 't en taakte bijkans de stilte niet, de heerlijke +stilte, 't schoone bedrijf van dezen rustigen nacht.</p> + +<p>Ze drukten malkanders hand. Ze waren aaneengestrengeld en hunne vingeren +sleerden langs hun staag-gaande lijf. Johannes drong bij stonden dicht +aan tegen Goedele, en, alsof hij een vrage had gedaan, antwoordde ze +fluisterend:</p> + +<p>—Ik ben gelukkig....</p> + +<p>Dus was hare stem geenszins een stoornisse van de stilte, maar een deel +van de stilte zelve, een schakel van het gulden nachtgeheim. Want hun +minste gebaar weefde mee in 't gebouw van de àl-zoete harmonije en +spinde een draad van het broze gewaad der stilte. De stilte bleef omdoen +de mooie werking van den schuivenden tijd en van hun stralende liefde. +En zoo gebeurde 't dat Goedele sprak, alsof Johannes een vrage had +gedaan.</p> + +<p>De weg verbreedde meteen. De boomen, die boven de bane hunne takken tot +een dicht gewelf hadden vereend, gingen vaneen en stonden in ronde rote. +Uit den hemel viel een aarzelend licht en kwam onderaan bibberen +langsheen het roerloos getwijg.</p> + +<p>Ze torten niet verder. Ze blikten daarboven en tuurden in 't +zwart-blauwe geluchte, naar ginds, waar duizenden sterren optikkelden, +in wonderbare krioelinge. Hunne lippen krulden rijzekens omme en ze +beloerden verrukt 't gefonkel van den ontzaglijken hemel, die over hen, +in zilverig gedrup, zijne wijdsche blijheid uitstortte. Overal zijpelde +het zachte licht en 't wielde menig de tinteling ommentweere langs de +bolle diepte, allerzijds raderkens draaiend van kostbare juweelen. 't +Was een kleurgedaver zonder ruste, al kransen en roerende ranken, al +weelde en djentige rijkelijkheid, holderdebolder dooreen, hel en +prillevend en speelsch. 't Vulde alom de ruimte, 't daalde precies, +'t omvatte hunne slapen en 't fleerde langs hunne vingeren. Johannes +murmelde, dichter komend:</p> + +<p>—Verwijder u niet....</p> + +<p>Goedele zei, begeesterd, ontrukt aan de hardheid van de eerde:</p> + +<p>—Stil.... Ik sta in het licht.</p> + +<p>Op dees oogenblik was geen minste leegte meer tusschen hunne lijven, en +tegare sloten zich hunne gepeinzen aan. Hooger dreven ze, waar geen +gevaar hun machtig leven kon bedreigen en geen verwijt bezeeren het +lieve bedrijf van hun ziel.</p> + +<p>'t En was geen duizeling, die rapper hun bloed door hunne leden joeg. +Ze waren vervoerd, zwevend in 't onmetelijk geluchte, waar duizendvoud +ringelde 't beweeglijk gesternte. Ze hadden geen verlangen. Ze beleefden +in trage stonden de gebeurende voldoening van al hunne lusten. Hij +omarmde haar, smeekend:</p> + +<p>—Verwijder u niet....</p> + +<p>Ze stotterde, nauw hoorbaar, haar hals uitlengend en pinkend met hare +wimpers:</p> + +<p>—Ik ... ikke ... ikke....</p> + +<p>Ze vond niet het woord—daar was geen woord.... Daar was de zalige +stilte, de stilte vol van 't zilvertjokkend geluid der sterren.... +Toch de stilte, die niet te storen was.</p> + +<p>—Houde'k u? Hebbe'k u? U ... u...? vroeg hij, en 't was lijk een verre +gedruisch, waarlangs belde het lichte sterrenspel. Ze voelde hem +tallenkant. Hij was niet buiten haar. Waar ze al tastte, hij was +aanwezig en ze voelde dat hij aanwezig was. Hare oogen werden nat en het +tikkelende vuur van den hemel begon te wemelen en weg te doezelen in +nartige vlakten. 't Deemsterde haast ten volle en ze sloot hare oogen. +Geleidelijk keek ze zijlings naar Johannes en liet haar hoofd zinken op +zijnen schouder. Ze verging precies, binstdat hij zonder gretigheid, mee +met de peiselijke doening van den nacht, zijne lippen op hare lippen +drukte.</p> + +<p>Als ze tot bezinning geraakten werden ze ongedurig. 't Was nu het +gebiedende vleesch, dat gulzig werd, en ze stapten haastig door, ten +geheele overgeleverd aan de foltering van hunne driften. Daar hing geen +geheimzinnigheid meer onder het roerlooze lover en hunne voeten +roefelden onvoorzichtig in 't opwippende zand.</p> + +<p>Ze verlieten 't woud. Ze troffen verder den trein en zaten in 't coupé +dicht naast mekaar, met zondige gepeinzen. Heel de onstuimige sterkte +van hunne passie rilde door hunne leden en ze taakten malkanders handen, +om de lauwe matheid van 't bloote vel te voelen. Ze spraken weinig. Hun +asem was heet.</p> + +<p>—Waar zijn we hier?</p> + +<p>—Bijna binnen de stad.</p> + +<p>Ze legden een geveinsde onverschilligheid in hunne woorden, maar al hun +gedachten vloeiden saam tot éen gichtig, woelig, zinnelijk beeld. Ze +gaven zich over, zonder strijd, aan hun brandende koortse. Ze deden +niets om de brutale tempteeringe uit hun lijf te krijgen. Alleen +veinsden ze een oppervlakkige vreedzaamheid, beschaamd voor malkanders +brandende blikken.</p> + +<p>'t Gedruisch van de stad en 't geharrewar van menschen en sjeezen, de +klaterende straling der lichten en 't zware geluchte, dat hier te wegen +hing tusschen de hooge muren, 't hitste allemaal meer en meer de hevige +jeukte hunner lusten—Ze drilden nevenseen, geen onwegen zoekend om +ongemerkt te worden, zonder geduld en zonder mate. Ze keken niet op naar +mekaar....</p> + +<p>Als ze op een ende 't kleine huizeken binnen waren en nu seffens weer +ganschelijk alleen in de welriekende nachtkamer stonden, wilden ze zich +niet langer meer bedwingen. Hunne armen strengelden woest om hun leen en +hun hijgende monden vielen, met een schok van hun gansche lijf, te gare.</p> + +<p>'t Was hier donker. De straatlanteeren speelde heel stillekens met +vierkante lichtjes langs de beloken venstergordijn.</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + + +<h3><a name="hXII" id="hXII"></a>XII.</h3> + + +<p>De aanhoudende slagen van 't noodlot hadden gevaarlijk tante Olympe +aangetast en, in haar ouden geest, was ze een dwazen schrik aan 't +voederen. Al wat gebeurd was, al 't leelijke en 't onherroepelijke, vond +een oorzake in den onregelmatigen toestand van Romaan en Madeleen. Ze +schuddebolde en pruttelde al zuchtend:</p> + +<p>—Onregelmatig—en zoo lastert gijlie God.</p> + +<p>Romaan en hoorde 't meerendeels niet en Madeleen, die geen kwaad +bedreef, en geloofde niet dat ze gestraft moest worden. Tante Olympe's +klagen werd dan ook weinig in acht genomen en Madeleen beperkte zich met +een klein antwoordeken, berustende in de toekomst, die beter zijn zou.</p> + +<p>—Ge moet trouwen, zei tante Olympe.</p> + +<p>—Dat komt wel ... later, zei Madeleen.</p> + +<p>Maar de dagen verliepen in grijs verdriet en tante Olympe broeide hare +angsten. Ze zat nu uren lang, binst den nanoen, te bidden en te peuteren +om de korrels van haren paternoster. Dat en stilde haar niet. Al dieper +en dieper knaagde de oolijke vrees en Ons-lieve-Heerken, dat zij zich +altijd zoete en medelijdend had voorgesteld, werd in hare hersens een +schrikkelijk figuur, een toornig gezichte met wegend verwijt. De oogen +van Ons-lieven-Heerken waren twee vurende karbonkels, zonder deernisse, +zonder barmhertigheid. Die oogen geboden voortdurend:</p> + +<p>—Ze moeten trouwen!</p> + +<p>En 't was voor tante Olympe een donderend gebod. Ze had schoon te bidden +heele reesems verduldige rozenkransen, ze had schoon de medehulp van +Onze-lieve-Vrouwe in te roepen en de tusschenkomst van den heiligen +Antoon, die in alle omstandigheden zoo braaf en genadig was +geweest—niets baatte. Onophoudelijk hoorde ze 't vreeslijke gebod.</p> + +<p>'s Nachts kon ze niet slapen. Ze draaide en herdraaide haar mager lijf +onder de sargie, ze dook haar benauwde wezen, ze krinkelde thoope tegen +den muur. Hare lippen prevelden de vele wees-gegroeten en hare vingeren +waren gestadig saam, in vrome houding. Ze had geerne een schoon gebed +verzonnen, zooals er met koude letters in haar kerkboek gedrukt lagen, +maar hare zinnen waren verward en ze zou nooit drij woorden te reke +kunnen dichten. 't Was een haastig wees-gegroet, dat over haren mond +dibberde.</p> + +<p>Ze stond heel vroeg op en ging met roode oogen zitten in de keuken. +Wat ze dagelijks 't eerst hoorde, was 't leutig gezang van Mariëtte en +telkens maakte ze algauw een kruisken over haar gelaat en haar borste, +peinzende:</p> + +<p>—De zonde is hier tallenkant in huis....</p> + +<p>Zij en at bijkans niet meer en Madeleen moest halvelings kijven, om haar +'s noenes aan tafel te te krijgen. Zoo werd ze uitermatig zwak en tenden +de Lente kon ze uit haar bedde niet meer.</p> + +<p>Romaan, die dat pover bedrijf onachtzaam had bijgewoond, werd nu meteen +getroffen door al dat groote verdriet. Hij kwam op een morgen bij de +sponde staan en nam voorzichtig de beenderige handen van het wijveken. +Hij sprak met aandoening, bad dat ze beteren zou, zich niet laten +weghongeren alzoo en koeragie hebben.</p> + +<p>—Koeragie, tante. Ze zuchtte. Ze vroeg:</p> + +<p>—Koeragie?</p> + +<p>De blosjes, die voortijds zoo liefelijk een verve legden op hare kaken, +waren weggezonken in de algemeene bleekte van heur aangezicht. Ze +stamelde:</p> + +<p>—Ik kan niet ... ik kan niet, jongen....</p> + +<p>Hij streelde hare vingeren. Hij beweerde dat ze wel kon, als ze zich nu +eens een beetje dwingen wou. Ze moest geen groot geweld doen en haar +eigen niet bezeeren. Alleen toegeven, en redelijk zijn....</p> + +<p>—Niet waar, tante?</p> + +<p>Ze glimlachte droeve. Ze wist wel dat hij goed was en deugdelijk—maar +ginder hooge spookte de vervaarlijke gramschap van Ons-lieven-Heerken. +Met vreesachtige aarzelingen zei ze 't hem.</p> + +<p>—Mag ik het u zeggen?</p> + +<p>Hij kuste haar op haar voorhoofd, en ze zei 't hem, al weenend. Al 't +ongeluk dat gekomen was en al 't ongeluk dat nog komen zou, ze droegen +hier gedrijen de waarachtige schuld ervan.</p> + +<p>—Gijlie hebt 't bedreven, en ikke, mijn jongen, hebbe 't geduld. Waarom +heeft Madeleen u dat allemaal niet uitgelegd? Hoor eens.... Waarom is uw +gang dweers tegen den wil van God? God is de sterkste.</p> + +<p>Ze taterde zoo een heel en tijd, tot ze moe werd, tot haar asem te kort +schoot en ze dan midden een woord haperen bleef. Hare oogen vielen +langzaam toe. Ze fluisterde:</p> + +<p>—Wilt ge mij niet begrijpen?</p> + +<p>Hij drukte haar gewillige handen. Hij had zelf te veel geleden om leed +van anderen te stichten. Hij verwonderde zich dat tante Olympe in +waarheid leed droeg. Hij boog zich, hij knielde om dichte bij haar te +zijn. Hij streek lijze over haar slapen en bezag haar lange, zooals ze +daar klein-hijgend te rusten lag. Hij lispelde:</p> + +<p>—Tante Olympe, slaapt ge?</p> + +<p>Hare lippen roerden en een glimlach speelde erlangs. Hij zei:</p> + +<p>—Tante Olympe, wij zien u allemaal geerne. Ja ja ... tante Olympe ... +we moeten wij u gehoorzaam zijn....</p> + +<p>Hij voelde zelf de aandoening komen en kittelen in zijn neuze. 't Docht +hem dat al zijne theorieën tegenover het tastelijk dood-gaan van deze +goede vrouw nietig werden en zonder werkelijken uitslag. Wat was hier de +macht van eene utopische bespiegeling? Hij werd het in een slag van +zijne zenuwen gewaar: het zou een schoonheid zijn van zijn ziele, die +uitblinken zou, als hij nu tante Olympe, spijts de rhetoriek van een +bovenzinnelijk stelsel, wou helpen. Zijn gemoed brak, binst den troost, +dien hij in ontroerde gezegden haar gaf:</p> + +<p>—We moeten wij doen wat gij zegt.... En het is zeer waar, al wat ge +zegt.... Bekijk me eens....</p> + +<p>Ze was moe en trage hief ze hare wimpers op. Dankbaar keek ze naar hem +en hij taakte de teere liefde, die hare blikken omstraalde.</p> + +<p>—Bekijk me..., ik ben immers uw zoon ... ik zal trouwen met Madeleen. +Zult ge spoedig weer genezen?</p> + +<p>Ze knikte. Ze bleef hem bezien en ze grabbelde gretig met haar bevende +vingeren naar zijn hoofd. Ze zoende hem en hij voelde de snikken +opschokken in haar lijf. Ze kon niet spreken. Ze was danig gelukkig....</p> + +<p>En ze genas ook. Ze liep lijk te voren ijverig en gedienstig de kamers +rond en, na een paar weken, ontbloeide de pleizierige blos op 't +tjoppeken van haar kaken. Het huis was nu vol van de nieuwe gebeurtenis +en Romaan was tevreden, omdat alles zoo vol geraakte. Hij was wel een +beetje verlegen als hij de zaak aan Johannes uitlegde, en daar kwam dan +een kleine koortse langs zijn woorden. Johannes beluisterde hem zonder +spreken, al spelend met zijn rietje langs de reetjes van den vloer. 't +Gesprek liep heel zonderling ten ende en een kilte bleef haperen in 't +geluchte.</p> + +<p>Voor Goedele was 't eene ontzettende verwondering. Ze werd teenemaal +ongemakkelijk en, in haar boezem, schartte een onbekend gevoel.</p> + +<p>—Trouwen!</p> + +<p>Het woord weergalmde in haar hersens en 't deed meteen een heele doening +naderen, die—sinds wanneer?—och! al zoo lange verwijderd was. Als +hooge schaduwen togen de vroegere beelden voorbij, en de schrikkelijke +vaart van al die groote donkerten bracht een zware angst in haar hert. +Wat was er nu gaande? Ze had het gevoel dat men haar verliet. Ze had de +verschooning van haar handelen gevonden in Romaan's onregelmatigen +toestand. Nu liet Romaan haar in den steek. Ze was kwaad. Ze was nijdig +vooral op Madeleen. In de grondige demoralisatie, waarin ze zich had +laten meeslepen, meende ze dat Madeleen nu ophield te blijven wat +Goedele nog was, om iets te wezen dat Goedele niet meer vermocht te +worden. Ze had de wettige sensatie daarvan.</p> + +<p>—Madeleen verheft zich!</p> + +<p>'t Rinkelde in haar hoofd en 't verlamde hare leden. De lieve geur van +gindsch zoete slaapkamer kwam redeloos opwalmen in haar neus en—was +daar iets viezelijks in, tegenwoordig? Ze verklaarde niets aan haar +eigen. Ze worstelde tegen een hardnekkig geknaag van puntige gepeinzen. +Ze worstelde tegen de massa van haar gansche verleden, dat opzuilde +tallenkant bovenmatig en bedreigend. En ze dierf niet Romaan +tegenspreken, hem toeroepen dat hij eene lafheid beging. 't Was wel een +teeken dat ze voelde hoe zwak en lage zijzelve was.... Ze merkte 't.</p> + +<p>Veertien dagen bleef ze thuis. Ze wilde Johannes niet ontmoeten. Ze was +klein en leelijk.</p> + +<p>—Madeleen verheft zich!</p> + +<p>Daardoor was zij, Goedele, klein en leelijk. Ze bleef thuis. Ze verbood +aan Sebastiaan haar nog op te zoeken. Ze zei hem dat ze groote rust +noodig had. Ze leefde dan, nietsdoende en sprakeloos en lui. Ze zette +zich viermaal vóor haar schrijftafelken, te wege een langen brief voor +Ameye op te stellen. Ze ging traagzaam wandelen in den tuin, bezij de +rote leeljen en de hoopen bloedende rhododendrons. Vaak kwam vader +trippelbeenen nevens haar, al vertellend met blijde gebaren van een +nieuwe uitvindinge.</p> + +<p>Andermaal ontmoette ze in schaduwrijke diepten het witte gezicht van +grootvader. Ze voelde telkens een wreveling in haren nekke en wees dat +hij van kant zou terten. Hij en vreesde haar niet meer; zij werd het +ganschelijk gewaar. Hij bleef haar grijnzend aanstaren en puntte +spotachtig zijn scherpen wijsvinger uit naar heur. Een oolijke +uitdrukking lag te kriebelen in zijn oogen en maakte haar lastig.</p> + +<p>—Ga weg!</p> + +<p>Hij bukte zich, rechtte zich daarna heel langzaam op, opende zijn diepen +mond en hief, gek-doende, zijne wenkbrauwen omhooge. Een ratelend +gerucht steeg uit zijne keel. Ze wilde hem zijwaarts duwen. Hij sprong +naar achteren en draaide om den stam van een boom, voortdurig zijn +lachend wezen wendend naar haar.</p> + +<p>Ze stapte haastig voorbij en dacht:</p> + +<p>—Hij weet entwat.</p> + +<p>Zijn lach waggelde achter haar en dook wijder weg in het duistere +gebladerte.</p> + +<p>Ze doolde aldus langs het zwijgende huis, dag aan dag, opvretend haar +heimelijke lastigheid. Ze kon op een ende niets meer verdragen, niets +van wat hier de dagelijksche doening was en de spokige eendelijkheid van +al deze sprakelooze gezichten. Ze wilde niet langer bedwingen den drang, +die haar opzweepte om het doodsche geluchte te breken, om de menschen +lijdelijk te maken, die daar nu ommegingen met ongezegde doelen, elk op +zijn eentje versteend in zijn zwijgen.</p> + +<p>Ze wou Justa wegjagen. Ze botste aan tegen de bedaarde koppigheid van +moeder.</p> + +<p>Ursule, sinds den dood van Wiezeken, gevoederd door herlevende hoop, was +haast geheel genezen. Ze zat in haren leunstoel hare toekomstige werking +te verzinnen: Romaan weer thuis en Goedele saam met Romaan aan 't +woelen, aan 't zwabberen met gretige vingeren, aan 't garen het +ontzaglijke geld. De fortuin van Sebastiaan zou erbij vloeien ... en +naderhand 't vele goud nog van een rijke schoondochter....</p> + +<p>Uren zat ze zoo en niemand stoorde haar. Ze dichtte een grootsch plan. +Ze geraakte er niet toe te denken dat misschien Romaan niet thuis zou +komen en dat Goedele tegenstribbelen mocht. Ze had hare gansche +heerschappije weer in handen en geen wil zou weerstaan aan haar wil. Ze +bouwde in hare hersens de machtige machinatie die zou endelijk +ommedraaien, naar heur volle goesting, met geweldig raderwerk.</p> + +<p>Als ze hoorde dat Goedele tegen Justa opschoot, neep een strakke +strengheid hare lippen te gare tot een bleek streepken en stond ze +verontweerdigd rechte. Seffens moest Goedele vóor haar verschijnen. Ze +beet haar toe:</p> + +<p>—Wat is 't?</p> + +<p>Goedele zette zich, onverschillig, zonder ommezien, neer vóor 't +klavier. Korter hakte het stekkig gezegde:</p> + +<p>—Wat is 't?</p> + +<p>Goedele glimlachte. De hardheid, die zoo puntig in Ursule's oogen kon +opflitsen, blikkerde nu ook in hare oogen op. Trage, al rilde even hare +hand, duwde ze met haren wijsvinger een klinkende toetse neer. Ze zei, +lage, onverkennelijk:</p> + +<p>—Niets.</p> + +<p>Hare wimpers vielen toe om naderhand met een rappen wip, weer wijd open +de witte straling van haar blikken te toogen. Ursule ging nevens haar +staan en smeet koortsig het klavier dichte. 't Gaf een luidelijken slag, +en ze bleven allebei daarna een tijdeken roerloos.</p> + +<p>Goedele voelde haar wezen heet worden. Ze richtte zich met geveinsde +onverschilligheid op en tort stille over het tapijt, niet opziende naar +heur moeder. Al gaande liet ze hare hand lui sleeren langs het +tafelberd, ten teeken van onbekommerde rustigheid. Ursule vroeg:</p> + +<p>—Ge hebt Justa doorgezonden?</p> + +<p>—Dat jong walgt me.</p> + +<p>—Ge hebt ze doorgezonden?</p> + +<p>—Ja....</p> + +<p>Ursule stoop zich naar heur en naderde. Ze riep ineens:</p> + +<p>—Maar wat meent ge? En ben <i>ik</i>, hier niet? Mij wordt voortaan, en mij +alleen, en zonder tegenwoord gehoorzaamd! Gij hebt mij noodig, gij en +Romaan. En ik heb ulie noodig, alle twee. Het is nu de tijd dat de +sterke samenwerking eene werkelijkheid moet worden. Het hoofd van dat +alles, dat ben ik.</p> + +<p>—Ik begrijp u niet.</p> + +<p>—Gehoorzaam zonder begrijpen. Ik ben het hoofd zeg ik u. Justa blijft. +Romaan....</p> + +<p>—Maar hoe wordt Romaan hierin gemengd?</p> + +<p>—Eens staat hij daar, nevens u.</p> + +<p>—En Madeleen?</p> + +<p>Goedele merkte hoe subiet op dees woord de groote woede van moeder +wegschokte in een flauw ophalen van schouders. Ze zag plots wat moeder +zich inbeeldde, wat, na Wiezeken's dood, stilaan een zekerheid was +geworden in haar geest, en waarover ze zoo lange aan 't mijmeren zat, +alleene, in haren zetel. Ze zag 't, en ze had nu een leelijk geneuchte, +omdat ze 't gansche gestel omverre kon werpen, omdat ze moeder's +oppersten hoogmoed kapot kon slaan. In deze mate was hare ontzenuwing +gevorderd dat ze behagen vinden zou, op dit oogenblik, in moeder's leed. +Ze zei:</p> + +<p>—Laat Romaan met Madeleen....</p> + +<p>—Ik weet wat ik laten mag.</p> + +<p>Ze herzei, met stiller stemme, buigend in gemanierde woordklanken:</p> + +<p>—Laat Romaan met Madeleen.... Het is nu een feit, dat ze trouwen +zullen.</p> + +<p>Ze had zich niet voorgesteld dat zoo geweldig moeder's smert zou zijn. +Ursule wankte en haar schrikkelijk lijf schokte kantewaarts. Ze neep +haren mond krampachtig toe en liet hem nadien vierkantig openvallen, al +stootend en stotterend om een klaar woord uit haar kele te krijgen.</p> + +<p>—Trouwen ... trouwen....</p> + +<p>Ze wrong de ratelende geluiden thoope, en daar siste een snijdenden +klank tusschen hare tanden. Ze wilde alles uitzeggen te gelijk wat zoo +herre-kaderre in hare hersens klabetterde en ze vond geen zin. Ze +steunde tegen 't klavier en de losse pateelkens van de keershouders +rinkelden bij haar minste gebaar. Ze was bleek als een doek, en hare +lippen werden blauw en droog. Een onzeglijke haat vuurde in haar oogen. +Ze reutelde:</p> + +<p>—Ge liegt!</p> + +<p>Hare tonge lag precies vaste achter hare tanden. Omdat ze niet spreken +kon, niet uitschreeuwen al wat in haar kop zich ophoopte, schoot plots +een vreeselijke woede op naar heur hoofd en begon daar te gloeien. Hare +handen grabbelden naar een stoel, vatte dien, als ware hij pluimlichte, +bij de sporten en, in blinde gramschap, hief hem omhooge om met +lawaaierig geweld hem tegen den vloer te werpen. Hij stortte met een +sterken slag neere en brak.</p> + +<p>Ursule stond nu ontzet, zonder machte, en keek smeekend op naar Goedele. +Ze vond de woorden terug, die zoolange teugelloos en onvatbaar zich +hadden verwijderd, en ze bad hare dochter, dat ze de waarheid zeggen +zou.</p> + +<p>—Ge moet de waarheid zeggen.... Ge moogt mij niet folteren. O-God! zoo +foltert ge me. Waarom? Wat zijn uwe inzichten, mijn kind? Als ik u ruw +aanspreek, moet ge me telkens vergeven, seffens. Ik ben zoo dikwijls +vernederd door u, en dat maakt me uitzinnig. We zullen Justa wegzenden. +We zullen een schoon huizeken gaan bewonen, buiten, in 't loof. Niet +waar?... Zeg dat ge me bedrogen hebt.... Hoe hebbe 'k dat toch kunnen +gelooven!</p> + +<p>Goedele antwoordde niet. Ze had zich bij 't venster neergezet en tuurde +in den tuin, die daar zoo wonderlijk met noesche zonne lag beklad. En +Ursule en hield niet op.</p> + +<p>—Mijn kind, nooit begrijpt ge de wilde smert, die ge mij hebt +aangedaan. Ik heb gedacht dat ik zinneloos werd te wege. Maar alles is +maar spel. Waarom spreekt ge niet? Waarom blikt ge zijwaarts? Zie me +hier wachten naar een woord. We zullen wegloopen uit deze leelijke +woonste en in 't blijde groen gaan schuilen. Ik zal u vertellen van de +heerlijke toekomst ... hoe prachtig die eendracht—gij en Romaan....</p> + +<p>—Romaan trouwt.</p> + +<p>—Hoe wreed zijt ge, mijn Goedele! Wordt de jongen krankzinnig?</p> + +<p>—Hij heeft me gezeid dat hij trouwde.</p> + +<p>—Maar Wiezeken is immers dood!</p> + +<p>—Laat ons zwijgen—moeder....</p> + +<p>Ursule tort vooruit.</p> + +<p>—Nu zwijgen!... Spijts alles, heb ik hope gehad. Spijts alles, wat me +tot wanhoop neerdrukte. Ik heb me vastgeklampt aan een groot werk, dat +in de toekomst liggen zou. Ho! ho! hebbe 'k niet gezwegen, jaren en +jaren? Is niet van zwijgen mijn leven een lange calvarie? Spijts alles +hebbe 'k mijn droom behouden. Mijne kinderen zijn in opstand gekomen. +Ik had nóg hoop, tóch hoop.</p> + +<p>Ze liet haar hoofd zinken op hare borst en bracht hare beide handen +bedrukt over haar aangezicht.</p> + +<p>—Nu is Romaan voor goed ... gestorven.</p> + +<p>Langzaam verliet ze de kamer. Haar breede rugge schokte opwaarts, alsof +sterkelijk klopte in haar lijf een geweldig gesnik.</p> + +<p>Een zonderling gevoel kwam Goedele bewegen. Alle kwaadaardigheid was uit +haar gedachten geweken, en ze zat nu heel beteuterd te herdenken moeders +overweldigend wee. Om wille van Romaans nieuw besluit, hield ze op nog +vertrouwen te hebben in de theoretische en uitsluitelijke bespiegelingen +van haar broeder. Wat bleef er in waarheid nog over van heel dien kamp +om vrije, onafhankelijke liefde? Hij trouwde. Hij deed heel kleintjes, +heel gewoon mee met de dikke burgertjes. Hij werd "redelijk". Hij zou +ook op strate loopen met Madeleen aan zijn arm, kreeftewijs, hij +blikkend naar uitgestalde boeken, zij naar hoeden en nieuw-modegoed. +Ze herinnerde zich goed dat ze zoo'n paar nagekeken had, eens op een +dag—met Ameye.</p> + +<p>Ameye!</p> + +<p>Ze fronste hare wenkbrauwen, 't werd harrewarrig in haar hoofd. Ze dacht +weer aan moeder. Ware alles niet beter, indien ze gehoorzaam ware +geweest?</p> + +<p>—Romaan is nu voor goed gestorven.</p> + +<p>En zij, Goedele? Wat zou 't zijn, als moeder haar zondig bedrijf met +Ameye te wete geraakte? In een vaag zicht, schemerde 't opwaarts in haar +hoofd,—dat elkendeen binnen dees huis zijn eigen ongeluk, met +verborgen, heimelijke gebaren bevorderde. En zij ook, door haar wilde +overgave aan Ameye, had heur eigen ongeluk beraamd.</p> + +<p>Al vroeg in den avond ging ze zich opsluiten in hare kamer. En op een +nieuw herschudde ze hare onvaste gepeinzen. Ze ging langs 't venster na, +hoe in den tuin de blauwe nacht lager en lager woog en hoe ginds het +dichte loof der boomen langs de donkerte danig massief opduisterde. +En dieper drongen hare gedachten, naar een verlangde oplossing.</p> + +<p>'t Moest opklaren om haar. Wat was er gebeurd dat ze zoo lichtzinnig +weggevallen was in poelen van zonde? Ze kon 't zich niet uitleggen. +Ze kon niet bespieden in 't jonge verleden den geleidelijken gang der +omstandigheden en, erlangs, hare toenemende, onweerbare machteloosheid. +Koppig wilde ze nu dat 't moest opklaren.</p> + +<p>Een onschadelijke wind roefelde met zotte wippen door 't geluchte en het +schaduwrijke bosschage roerde stillekens zijn zwart-doezelige randen. +Naderhand heerschtte groote rustigheid tallenkant. Goedele staarde +gestadig naar buiten, en ze vond in de verre duisternisse een gewillig +plein voor den tocht van haar loopende ideeën. Ze bukte zich en leunde +met hare kin in beide hare handen. De stad alginder zweeg. Rijzekens +daverde nauw hoorbaar een dof rumoer. In huis was elkendeen te bedde.</p> + +<p>Ze stond recht. Ze voelde haar eigen een groote schim zijn in de donkere +kamer. Ze neep hardnekkig hare lippen te gare en hare oogen vielen toe. +Ze had de harrewarrije in haren geest ontknoopt en stond met haar +machtig lijf, vastberaden, tegenover de oplossing, die zich opdrong. +Ze was besloten. Ze beet, sissend, haar eigen toe:</p> + +<p>—Niet meer gaan!</p> + +<p>Niet meer gaan. Ze zou bij Ameye niet meer gaan. Ze zou moeder helpen. +Het was toch <i>moeder</i>. Ze zou haar, met haar overige leven, gedienstig +zijn. Ze kruiste hare armen over hare borst, en 't was, een tijdeken +lang, alsof ze de toekomst tartte, alsof ze heel diepe eene aarzeling +voelde en haar eigen in de toekomst tartte.</p> + +<p>Rap stak ze een keerse aan en kleedde zich uit—maar, als ze haar witte +lijf in den spiegel heel weelderig zag opbleeken, rilde ze. Ze vreesde +haar onmachtig vleesch en 't klaterde daar in de schuinsche vlam van de +keerse zoo rijkelijk....</p> + +<p>Ze spoedde zich. Ze kroop in haar bedde, blies 't licht uit en bracht +huiverig de frissche lakens over hare schouders. Nog neep ze koppig hare +tanden saam en stiet:</p> + +<p>—Niet meer gaan!</p> + +<p>Ze hikte nadien, begon te beven over al hare leden, en 't werd een +stotteren, een pijnlijke hakkelinge:</p> + +<p>—Niet—meer—gaan....</p> + +<p>Ze barstte uit in luid gejammer, weenend en snikkend hopeloos, en, al +stortte thoope gansch haar sterk besluit, al sleerde ze weg, met lijf en +ziele, in 't vorig slameur van passie en gevoelerigheid, ze stamelde, +benauwd, verloren:</p> + +<p>—Niet ... niet meer gaan ... niet meer ... niet-meer....</p> + +<p>Ze drukte koortsig haar hoofdkussen in hare armen.</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h3><a name="hXIII" id="hXIII"></a>XIII.</h3> + + +<p>Ze was 's anderendaags vroeg te been. Ursule was nu teenemaal ziek +geworden en kon uit haar bedde niet. Ze deed Goedele bij haar komen en +vroeg zachte, of ze Romaan wou gaan opzoeken en hem uitdrukkelijk vragen +wat hij van zins was.</p> + +<p>Goedele ging.</p> + +<p>Ze was tevreden dat moeder zelve haar doorzond. Ze liep. Nog nooit had +ze den weg zoo spoedig afgeleid, en, als ze bij Romaan kwam en zijn +bevestigend antwoord ontvangen had, was ze weer gichtig om weg te zijn.</p> + +<p>Wat dreef haar? Ze drilde gretig over strate, en haar bloed joeg forsig +ommedom.</p> + +<p>Op de brugge bleef ze een wijlken in onzekerheid staan. Hare blikken +volgden 't zonnig geklots van het water, waarin donkerend wegkronkelde +de schaduw van een bootje. Hare kaken bloosden. Ze hoorde om haar 't +bedwelmend rumoer van de ijverige stad en voelde, van weerskanten haar +lijf, den haastigen gang der menschen. Even aarzelde ze nog....</p> + +<p>Ze liep nu weeral. Ze smeet haar hoofd achterover in wild gebaar. Hare +voeten klepperden vluggelings over de kasseide, en tegen haar voorhoofd +sloeg gedurig 't schoone geweld van de zonne. Ze draafde voorwaarts, +kleintrippelend, steegjen in en steegjen uit. De warmte, die langs hare +leden opklom, deed haar deugd en ze glimlachte haast, al werend de zoete +straling af, die neerpletselde uit den ronden hemel.</p> + +<p>Ze stond meteen vóór 't kleine huizeken. 't Was de gewone stonde.</p> + +<p>Zou Johannes wachten op haar.</p> + +<p>Ze had den sleutel niet bij! Zoo lange dagen had ze in folterende +angstigheid en koppig dwaas gedoe haar liefde verwaarloosd, en ze +vreesde dat Johannes, moe van wachten, 't opgegeven had. Ze klopte.</p> + +<p>Subiet schoof 't deurken open en hij stond daar, met gulzige blijdschap +haar ontvangend. Hij leidde haar binnen, ontdeed haar van haar hoed en +drukte haar sterkelijk tegen zijn borste. Hij en had geen verwijt. Hij +bloosde van geluk. Hij en vroeg niet waar zij zoo al met een keer +verwijld had, zonder verwittigen, en zijn blik was klaar, open, vol van +zijne al-vergoedende liefde. Ze meende toch, beschaamd tegenover al +zijne kieschheid, dat ze hem een uitlegging schuldig was, en ze haperde +in ingewikkelde gezegden. Ze zette zich neer op zijnen schoot en omvatte +zijn hoofd. Ze fluisterde:</p> + +<p>—Ik ben stout geweest....</p> + +<p>Hij kuste op hare lippen de ongemakkelijke woorden weg. Hare vingeren +schoven streelend langs zijne slapen en sleerden door zijn haar. En ze +zei:</p> + +<p>—Ja—stout, en ondankbaar.... Och, weet ik nog wat er gebeurd is? +Kijk me eens aan.... Ligt er ievers een leelijk speur in mijne oogen?</p> + +<p>—Zwijg, lieve. Mij zie 'k dáar in een sterreken....</p> + +<p>—Ge zijt goed. Wanneer was ik laatst bij u? Een eeuw is 't geleden.</p> + +<p>—Een eeuw, ja....</p> + +<p>—Herinnert ge u nog mij?</p> + +<p>—Deugniet, die me lief zijt!</p> + +<p>Hij lachte luid. Maar Goedele, in zwakke aandoening, voelde haar herte +week worden. Het docht haar dat ze nooit dieper hare liefde gewaar was +geworden dan nu. Ze zei, met bevende stemme, dat hij zekerlijk boos +geweest was op haar.</p> + +<p>—En nu ziet ge mij minder geerne. Ik merke 't aan mijn eigen. Zoo +machtig woelde in mij uw beeld. Ik hebbe schuld, Johannes. Waarom zegt +ge niet dat ik schuld hebbe? 't Is dat kleiner mijne schuld is in uwe +gepeinzen, wijl kleiner uw liefde is geworden....</p> + +<p>—Nu wordt ge schuldig, in waarheid.</p> + +<p>Hij antwoordde heel ernstig, en ze bleven een langen tijd sprakeloos +turen in malkanders wezen, tot weer hunne lippen te gare zich vereenden, +trage en innig. Ze liet haar hoofd nadien neerzijgen op zijnen schouder, +en haar warme asem fleerde matelijk langs zijn blooten hals.</p> + +<p>De zonne, van uit de vierkante vensterruitjes, stortte in lichtende +tichels op den vloer en zijpelde om hunne borsten, lager wegklaterend +over hunne knieën. Op de geheven tjoppekens van Goedele's schoenen, +tikkelde een leutige straal en spetste er veelvoudig uiteen.</p> + +<p>Ze zwegen. Her geraakte hier de schoone peiselijkheid van vroeger, en +vertrouwelijk schoven allentwege de welriekende luchten. 't Was de +bedwelming van te voren, en ze voelden zich wegglijden, weerloos en +gedwee, binstdat korter hun boezem opzwol. 't Was terug de liefelijke, +al-beheerschende stilte, de gulden stilte, waarlangs hunne gevoelens +ommezweefden en nevenseen overentweere wiegden, beladen met de weelde +hunner passie.</p> + +<p>Een logge wagen reed over de strate voorbij en traagzaam verwijderde +zijn rollende wielrammeling. Ze luisterden er naar, eerst teenemaal +omdaan door de zware geluiden, naderhand volgende met nauwkeurige +zorgelijkheid het verre lawaai, tot heel wijd het dooddoedelde—endelijk +dood.... Hunne gespannen aandacht was meegegaan, en nu waren ze precies +in een groote leegte alleen gebleven. Maar des te inniger voelden ze +seffens malkanders armen en malkanders lauwte. Te gare rokken zich hunne +spieren en de struische drift steeg in hunne leden, met den rapperen +klop van hun bloed. Goedele's lippen taakten zijne lippen en een warme +nattigheid baadde hare oogen. Ze stamelde:</p> + +<p>—Hebt ge mij nog lief ... nog ganschelijk lief?</p> + +<p>—Eeuwig....</p> + +<p>Hunne wimpers trilden en vielen toe....</p> + +<p>Dus was weergekomen, zonder genade, de heerschappij van hunne liefde.</p> + +<p>In Goedele en haperde geen aarzeling meer. Ze geraakte in vroolijke +stemming, drevelde om de kamer, schikte entwat, dat van zijn plaatse was +verschoven, en toonde zich buitengewoon opgeruimd. Getweeën waren ze +nadien luid-lachend aan het spelen, malkander treiterend of kriebelend +of peensend.</p> + +<p>Nabij den noene stond Goedele beteuterd naar 't horloge te kijken.</p> + +<p>—'t Is tijd!...</p> + +<p>Ze zuchtte 't bijkans. Johannes zei dat ook hij weg moest naar zijn +atelier, en verwonderde zich dat de voormiddag zoo ijlings verloopen +was. Goedele vroeg:</p> + +<p>—Naar uw atelier?</p> + +<p>—Ja.</p> + +<p>—Ik ga mee!</p> + +<p>'t Was zoo een plotselijke gril, en ze had ook nooit aan dat atelier +gedacht. 't Was nu eene gelegenheid om eens alles af te zien en die +onbekende kunst te benaderen.</p> + +<p>Ze merkte meteen hoe Johannes subiet heel bleek werd. Een groote angst +beknelde haar en ze wist niet meer wat zeggen. Hij bedwong zijne +aandoening en kwam haar zoetekens omarmen, fluisterend:</p> + +<p>—Dat ware wel aardig. Maar hoe komt ge daarop, nu juist, ten vollen +noentijde? Saam dien grooten weg doen, in 't zicht misschien van bekende +menschen....</p> + +<p>—Ge kunt vooraan loopen. Straks vind ik u ginder.</p> + +<p>—Ja, zoo is 't goed....</p> + +<p>Ze hervatte zich seffens. Haar voorstel kwam haar dom voor, omdat hij 't +zoo gul wilde aannemen. In hare hersens was, op dat éene oogenblik, de +foltering gedrongen van wantrouw en jaloerschheid, en zoo verzinde ze nu +een oolijke maniere om spijze te geven aan hare leelijke +nieuwsgierigheid. Ze viel hem in de rede:</p> + +<p>—Neen!</p> + +<p>—Wat nog, lieve? Wilt ge u blootstellen aan de kwaadwilligheid van een +praatzieke wereld? Zou 't niet onverstandig wezen, als we nu, na zoo +veel voorzorgen, bij klaren dage onvoorzichtig gingen te werk gaan?</p> + +<p>—Ik ga mee....</p> + +<p>Ze was koppig, lijk ze thuis koppig was. Ze voelde dat hij haar niet +geerne meenam en dat een reden daarvoor bestond, die buiten haar zinnen +reikte. Had hij haar iets te verbergen? Zijn atelier lag eenzaam +kantewaarts de stad, een groot houten ding met populieren eromme. Wat +kon hij daar bergen, dat ze niet zien mocht? Hij was bleek geworden. Hij +kon nu zeggen alle mogelijke sluwheidjes, ze zou gaan met hem en met hem +den drempel beterten.</p> + +<p>Hij kuste haar. Hij lispelde:</p> + +<p>—Wat zijt ge koud!</p> + +<p>Hij wreef over haar voorhoofd en streek trage heur haar zijlings weg. +Hij bad streelend dat ze eens deugdelijk lachen zou en den rimpel langs +haren mond doen wegzakken. Hij begreep niets van hare handelwijze, +beweerde hij, en hij deed alle mogelijk gevlei om haar op te wekken. +Hij vroeg endelijk:</p> + +<p>—Maar wat meent ge?</p> + +<p>Ze staarde heel diep in zijne oogen, tastte er naar gedoken gepeinzen, +en trage sprak ze:</p> + +<p>—Wat meent ... gij?</p> + +<p>Hij werd ongeduldig, duwde koortsig zijn hoed op zijn hoofd, tort lastig +over het tapijt, van end tot end, en bleef daarna stokkestijf +rechtestaan.</p> + +<p>—Nu dan.... Kom!</p> + +<p>Goedele bibberde van ongedurigheid, binstdat ze zich aanschikte. Ze +verlieten zwijgend het huizeken en stapten nevenseen, zwijgend, langs de +straat.</p> + +<p>'t Was ijverig noenbedrijf in de stad. Haastig te rote dretsten voorbij +de langhalzige fabriekwroeters. Matelijk scherrebeende hun beenderig +lijf naar voren, en erlangs wapperde in gelijke schokjes hun +blauw-katoenen veste. De meisjes taterden ondereen en een lach schaterde +altemets boven hun beweeglijk groepje, terwijl even opstraalde de +bleekte van die gezichten alteenegaar. Oude sukkeleers hinkepatjinkten +achterna, bezeerd door 't zware geweld van de zonne, en ze kromden hun +rugge om 't vuur van haar hevig gestraal te ontweren. Jonge guiten, met +witte kaakjes bevuild door den damp, joepten van links naar rechts, druk +bezig met rap gespeel. In hooger wijken was 't, bezij de eenvervige +huizen, de moede gang van beambten, verslonden in dagbladlectuur, of de +fiere prontigheid van anemieke winkeljuffertjes....</p> + +<p>Goedele drilde daar midden in zonder spreken. Door hare hersens +slingerden verwarde gedachten, en ze liet ze seffens los om nieuwe vaste +te houden. Hoeverre was alweer de zoete vredigheid! Lijk gisteren, lijk +ten uchtend was ze aan pijnlijke onzekerheid overgelaten. Romaan had +zich verwijderd van haar. Ze vreesde het ergste, tegenwoordig. Maar, hoe +ze ook een vermoedelijk feit uit Johannes' zonderlinge manieren trachtte +af te leiden, ze stond altijd ten slotte vóor een vrage te weifelen, en +ze maakte haar geest uitermatelijk moe.</p> + +<p>—Wat moet ik vreezen?</p> + +<p>Ze vreesde het ergste. Johannes blikte bijwijlen zijlings naar haar, en +als hij hare oogen taakte, lachte hij stille. Ze voelde echter, al +leuterde dan seffens een versche rustigheid in haar, dat hij zijn wezen +tot een vriendelijk masker dwong. En seffens vreesde zij 't ergste.</p> + +<p>Ze wist niet wat het ergste kon zijn. Holderdebolder wirrelden hare +angsten door mekaar, kleine en groote. Wat grondelijk het allergrootste +ongeluk zou zijn, wist ze zich niet voor te stellen. Alzoo was ze +gedurig haar bangheid aan 't overdrijven door zotte sprongen van hare +inbeelding.</p> + +<p>Als ginder, tenden de laatste straten, de populieren, met gulden licht +beklaterd, zichtbaar werden rondom 't atelier, vertraagde johannes +zijnen gang en kwam dichter nevens haar zijn stap meten op den haren. +Zonder opkijken vroeg hij of ze reeds een schildersatelier gezien had. +Ze schudde ontkennend haar hoofd. Ze vond het akelig dat hij nu een +lange beschrijving van 't kunstenaarsleven haar ontvouwde. Hij had daar +over nooit gesproken. Hij zei:</p> + +<p>—Artiesten zijn wanordelijk.</p> + +<p>Was hij zich aan 't verontschuldigen omtrent wanorde? Goedele kreeg +versch vertrouwen en minder hijgde ze, als hij de hooge poorte +opendraaide.</p> + +<p>Ze stonden in een kleine kamer. Hij zette zich neer in een sofa en +bekeek haar lange, zonder spreken. Als een pale bleef ze rechte en haast +kleurloos waren hare lippen geworden. Hij wenkte dat ze naderen zou en +naast hem rusten een stondeken. Zij en roerde niet. Alles was haar hier +danig vreemd. Was deze plaats door dezelfde hand geschikt, die, ginds in +het huizeke, zoo brooze en subtiel te werke was gegaan. Hoe somber was +hier alles aangesteld. Bronzen beelden reikten tallenkant hopelooze +armen en de muren waren bespookt met nare gezichten. Ze kon zich niet +inbeelden dat tusschen al dees donkere schimmen, langs al die diepten +van kleuren en heimelijke lichten, Johannes verbleef. Maar ze zei niets. +Ze wachtte. Hij sprak:</p> + +<p>—Zijt ge nu voldaan, lieve?</p> + +<p>Ze wachtte tot hij haar de groote werkzaal zou toogen. Ze was veerdig +voor alle verwonderingen en ze bleef staan, roerloos en pal. In de halve +duisternisse klaarde sterkelijk op hare matte bleekte. Ameye boog +langzaam zijn hoofd en zonk weg in verre gepeins.</p> + +<p>Geen minste gerucht bewoog. Op het schouwblad rustte een dood uurwerk. +Bezij de deur hing een hoop kleeren en, ernevens, op een hoog tafelken, +dorde een bloemtuil. Goedele voelde hier de moeheid van leven....</p> + +<p>Johannes rechtte zich meteen en vatte hare hand. Hij bad:</p> + +<p>—Geef me een zoen.</p> + +<p>Ze lengde haren hals onsierlijk uit en kuste hem. Dan hief hij een +grauwe gordijn omhooge en leidde haar binnen.</p> + +<p>Het atelier schaterde in 't volle noenevuur. Op den drempel aarzelde +Goedele bezeerd door 't felle licht, en de groote ruimte, die in deze +zaal zoo machtig was, beknelde haar een oogenblik. Ze asemde zwaar en +tort onvaste naar voren.</p> + +<p>Van tallenkante keken de schilderijen naar heur. Ze schemerden vóor hare +oogen, landschappen en binnenhuizen, àl verven van veranderlijk +getintel, scherp omvat in gulden lijsten. 't Fonkelde onder mekaar. Ze +trachtte zachte te glimlachen, omdat nu hare angstigheid verdwenen was +en ze daar algelijk te rillen stond. Ze fluisterde, zich wendend naar +Johannes:</p> + +<p>—Wat doe'k dwaas, he?</p> + +<p>Maar seffens ontstelde ze en onwillekeurig wankte. Ze reikte hare hand +naar ginds, waar hoofdzakelijk een weelderig beeld opglansde, en stapte +meteen, stijf en precies automatisch, er naartoe. In een toeten van hare +ooren, hoorde ze Johannes, achter haar, zeggen:</p> + +<p>—'t Is Mariëtte.... Ik had u dat portret beloofd.</p> + +<p>Mariëtte! Ja, zoo was in waarheid Mariëtte! Mariëtte, half naakt in een +weelde van blauwe zijde en thee-rozig fluweel, een wulpsche Mariëtte met +natte lippen en min-zware oogleden. Ze murmelde:</p> + +<p>—Mariëtte...?</p> + +<p>Zoo moest Mariëtte zijn—een lijf van rijke blankheid, ongedekt en +onverlegen, schoon en krachtig. Hare handen waren lijk de streeling +zelve van de liefde en zoo djentelijk en lichte lagen daar hare +vingeren, alsof ze alleen den last van zoenen zouden dragen. Haar hals +verhief zich, ten-halve gebogen, en de blauwe schaduw van de kinne +teekende nog vaster de heerlijke golving ervan. Daaronder praalde de +onbevlekte effenheid van haren boezem, opbultend zonder geweld, en +donzig als perzikrijpte. Bedwelmend was haar gansche aangezicht, +verlicht, boven den blos der wangen, door 't geheimzinnig gestraal van +wonderbare blikken.</p> + +<p>Zoo was Mariëtte wel.... Maar wat somberde ommendom de donkere glimming +van bruine haren? Mariëtte moest blond zijn. Goedele kreeg hoofdpijn en +ze bracht haar zakdoek over hare oogen. Weer keek ze naar het tooverig +beeld.</p> + +<p>—Is dat ... Mariëtte...?</p> + +<p>Ze merkte boven de lijst een rankje droog hulstgroen en ze meende dat ze +nu weenen zou. Al luider tuitten hare ooren. Ze voelde in deze Mariëtte +de weergave van heur eigen wezen. Dat waren <i>hare</i> leden, dat was <i>haar</i> +gelaat, bedorven en verschoond in bovenmatigen minnehandel. Dat was +<i>haar</i> portret, de realiteit van haar verzonken bestaan, iets, dat zij +had gedaan in gedachten en gebaren, en dat door Johannes ten geheele +tastelijk was gemaakt. Ze raakte er de volledige voorstelling van haren +val, en 't zicht ervan begon haar te walgen, al leefde nog zoo schoone +daar, in doorslepen kunst van kleuren en schakeeringen, gansch hare +liefde. Was 't dan die liefde zelve, die haar walgen deed?</p> + +<p>Ze haperde met bevende blikken langs het takje hulstgroen en vluchtig +zag ze in haren geest den drempel, waar 't eens was neergevallen. +Duidelijk herklonk om haar het verre lied:</p> + +<div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i1">Ah! mosieu le capucin,<br /></span> +<span class="i3">T'as d'la veine,<br /></span> +<span class="i3">T'as d'la veine!...<br /></span> +</div></div> + +<p>'t Was Mariëtte! En hier was nu Mariëtte in onveranderlijke afbeelding +aanwezig, met alles, wat zij, Goedele, nadien geworden was....</p> + +<p>Ze dorst zich niet ommewenden naar Ameye. 't Docht haar dat ze walgelijk +deed, en een zeerdoende schaamte neep om hare slapen. Ze woonde aldus +bij, zonder hulp, de pijnlijke verbrokkeling van al wat zoo geweldig +haar verlangen en hare passie uitmaakte. Ze voelde 't heel duidelijk, +vermits al meer en meer haar geest vergrijsde in de algemeene +harrewarrije van tinten en klaarten. Ze beet dan op hare lippen om niet +te lore in hopeloos gesnik los te bersten. Dat was nog de kracht van +hare eigenliefde.</p> + +<p>Hij toetste haar en ze huiverde.</p> + +<p>—Ge zijt zoo bleek....</p> + +<p>Hij wilde haar omarmen en de emotie wegkussen, die zichtbaar was op haar +gelaat. Zachte weerde ze zijne handen af, die haar niet liefderijk meer +waren en wier streeling een smertelijke foltering geworden was. Ze +voelde wel dat ze bedaren zou, en in versche geuten schoot naar heur +hoofd de bedwelmende zekerheid dat ze door dwaze gevoelerigheid +aangetast was. Ze had willen in een diepe donkerte gansch alleene zijn +en stille.</p> + +<p>Hij sprak niet meer en droeve volgde met angstige oogen haar minste +gebaren. Als hij zag dat ze bevend haar arm uitreikte, midden de +plaatse, naar een besluierde schilderij, zakte moedeloos zijn hoofd op +zijne borste. Zonder roeren stond ze, haar vinger gestadig naar 't +geheimzinnige doek gericht. Hij tort langzaam vooruit en deed de zwarte +vool vallen.</p> + +<p>Uit een duisteren achtergrond drong vlak naar voren, met intense +uitdrukking, 't gezichte van een vrouw en 't blonde koppeken van een +kindje. De vrouw en bezag het kindje niet, en ook het kindje keek niet +op naar zijne moeder. Ze stegen uit de grauwe duisternis, die schemerde +achteraan, en ze staarden, over de gulden lijst, rechte vooruit. Niets +was hier bestaande dan deze gezichten: hunne lijven, somber bekleed, +vielen weg in de schaduwen ommendom, maar geweldig sprongen uitwaarts de +bleekheid van de vrouw en de zoetige blondheid van het kindje. Eene +groot-menschelijke schoonheid lag droomend om 't gelaat van de moeder: +rijzekens ingevallen waren hare wangen en een kleine diepte blauwde +onder de slapen, maar sierlijk was de vorm van haar gansche wezen. De +effene blankheid van haar voorhoofd straalde hevig onder de warme verve +van heur vaste haar en een klaarte omlijnde de regelmatige buiging van +haar neuze. Lichtelijk beschaduwd was haar bovenlip, binstdat de ronde +kinne onderaan in halve helderheid optinkelde, en te midden rijp-rozig +praalde, in strengen neergang, haar fijne mond.</p> + +<p>Deze vrouw was niet schoon door uiterlijke schoonheid, maar +diep-menschelijk was ze, en schoon daardoor. Een onzeggelijke droefenis +verzwaarde hare blikken en ook niet leutig staarde het kindje nevens +haar. 't Was alsof in de grauwte achteraan een onzichtbare +noodlottigheid deze twee tot lijdelijke bezorgdheid doemde, alsof +gedurig een kwaaddoende hand tallenkant over hun hert de smert van leven +deed voelen. Een geheim zweefde om hunne oogen en ze waren lijk +gezichten, die men uit klare vensters meteen verre in den nacht ziet +turen, alwaar ze niets ontwaren kunnen en waar schuilt de komende +gebeurtenis van hun ongeluk.</p> + +<p>Een doffe kreet was pijnlijk uit Goedele's keel geroteld. Met éen slag +stortte alles neer, wat haar opjoeg tot zinnelijk leven, en ze was nu +een gebroken wezen, kapot door hem, dien ze boven alles had geliefd. Een +uiterste oproer verwrong hare spieren en ze sprong voorwaarts, naar +Johannes. Ze vatte hem bij zijn arm en al hare krachten hoopte ze opeen +om met hatelijke oogen zijn droeven blik te weerstaan. Ze hijgde en deed +schrikkelijk geweld om haar reutelende woorden over haar tonge te +stooten. Ze hakkelde:</p> + +<p>—De moeder van dees kind?... Van dees kind?...</p> + +<p>Ze schudde hem en prentte hare nagels in zijn kleeren. Ze wou 't hem +doen uitspreken, uit zijn mond vernemen de waarheid, die ze nooit had +durven aanzien en die nu oprees, vreeslijker dan ze had kunnen +vermoeden. Ze riep:</p> + +<p>—Spreek ... maar spreek!</p> + +<p>En hij sprak niet. De tijd, die verliep, rukte precies haar vleesch +vaneen.</p> + +<p>—Zijt ge niet laf?... De moeder van dees kind.... Ik verzink, ik +verzink, o mijn God!</p> + +<p>Ze verlamde meteen en hare vingeren sleerden ontspannen langs zijnen +arm. Met doffer stemme, na een stilte, die in gansch hare lengte de +kracht van het volbracht gevaar begeleidde, sprak ze, schijnbaar +bedaard:</p> + +<p>—Zeg me wie deze vrouw is, Johannes.</p> + +<p>Hij boog zijn hoofd en zuchtte. Hij vond geen gezegde om haar te +stillen, om haar te troosten, om weer op te wekken in versche +minneweelde haar vernederd hert. Hij zweeg.</p> + +<p>—Zeg me—wie, Johannes.</p> + +<p>Ze wist het. De droomende treurnisse, die gansch het beeld omlichtte, +die 't kenbaar miek voor haar, Goedele, de gedoken oorzaak van de +treurnisse zelve—'t was allemaal een laaie openbaring. Hare lippen +beefden en rappe stralen fonkelden noesch weg uit hare oogen. Hij zei, +voelend dat haar niets te verbergen meer overbleef:</p> + +<p>—Mijne vrouw.</p> + +<p>Ze ontving zonder wijken de harde bekentenis. 't Was haar alsof ze +midden puinen stond en allentwege om haar kwam de wijde droefenis, die +nievers een ende zou krijgen. Langzaam keerde ze zich omme en tort, +schokkend bij elken stap, naar de deur. Ze hoorde in 't gezoef, dat haar +hoofd vulde, nog Johannes' gebroken stemme:</p> + +<p>—Goedele!... Goedele!...</p> + +<p>Ze hief zonder haaste de fluweel en gordijn op, ging het duistere +kamerken door en geraakte op straat. Dan liep ze, recht vóor zich uit, +en zij en dierf niet ommezien. De gezichten der menschen, die haar +voorbijsleerden, waren lijk bleeke vlakten, geruchtloos schuivend in +nattig geluchte. Waar was de zonne? 't Was al grijs en nevelig wat haar +omdeed, en de gezichten doken spokig daarin op, werden groot en spoedden +zich achterwaarts. 't Herklonk een tijdeken als een ver geween:</p> + +<p>—Goe-öe-dele!</p> + +<p>'t Klabetterde tegen de luidelijke beenderen van haren schedel, die als +een holle kasse aan 't ratelen ging....</p> + +<p>Moe, afgemat kwam ze thuis aan. Het ijzeren hekken krijschte trage open +en ze viel bijkans voorover. Ze zag Justa en vroeg, verwilderd:</p> + +<p>—Zijde gij hier nog?</p> + +<p>Ze lei haren hoed op een stoel, en, als ze de gewone dingen hier gewaar +werd, die tafel en die kasse en 't gezellige klavier, stortte hopeloos +haar wee over haar. Vader zat bij 't venster met een kaartspel aan 't +tellen. Zijn grijze krullekop zilverde aardig in 't zijgende licht. Ze +had hem willen kussen.</p> + +<p>Hij keek op en verwonderde zich, lachend:</p> + +<p>—Ha!... gij....</p> + +<p>Hij zette seffens een bedrukt gelaat, lijk iemand die zich meteen +herinnert dat hij treurig moet zijn, en vertelde dat moeder in den +voornoene onder een leelijke geraaktheid was gevallen en dat ze nu zeer +ziek te bedde lag. Goedele liep uitzinnig de trap op.</p> + +<p>Voor de eerste maal sinds lange vreesde ze dat moeder lijden mocht, en +in haar verward gemoed klopte 't verwijt—dat ze schuld had aan moeders +lijden. Ze beukte struikelend tegen de deur aan. Ze stapte binnen +paalrechte, gewelddoende om niet omverre te stuiken, en naderde zoo de +sponde. De witte lakens werden een duizelige beweging in hare oogen en +moeders hoofd, dat haast vierkantig op de klare kussens rustte, +beschaduwd door diepe oogholten, schemerde aleens stille weg, om subiet +weer ruw en hard op te bulten.</p> + +<p>De aandoening ging uitjagen in Goedele's borst en hare wimpers werden +heet.</p> + +<p>Ze stamelde:</p> + +<p>—Moeder....</p> + +<p>De klank van haar eigen stemme kwam hare emotie overdrijven. Ursule +vroeg:</p> + +<p>—Zal hij trouwen?</p> + +<p>Trouwen? Goedele zag subiet het povere kamerken van Romaan, waar ze +gedrieën een nieuw geluk bewerkten in liefelijke eendracht. Ze knikte, +niet goed meer wetend wat eigenlijk hare boodschap geweest was.</p> + +<p>—Ja.</p> + +<p>Ursule in een uiterste poging rechtte zich en zat overend. Haar wezen +werd grauw van ingetogen woede. Ze duwde hare vuisten in haar +hoofdkussen en hare nagels krabden hoorbaar over het gespannen laken. +Ze vroeg op een nieuw, binstdat ze hare lippen, in vreeselijke gramschap, +uitlengde naar Goedele:</p> + +<p>—Zal hij—trouwen?</p> + +<p>—Ja, moeder.</p> + +<p>—Hein?</p> + +<p>Ze hijgde en een reuteling rochelde nattig in haar keel. Ze wachtte naar +'t herhaalde antwoord en 't was alsof ze tóch hoopte dat het niet zou +herhaald worden.</p> + +<p>—Ja....</p> + +<p>Een snok rukte haar kinne naar omhooge en terwijl ze achterover +neerzakte, stiet ze met een worp al haar haat, haar wilden, grenzeloozen +haat uit haar boezem—een walg en een grijnzen:</p> + +<p>—De hoere!</p> + +<p>Haar mond bleef halvelings open.</p> + +<p>'t Was voor Goedele een verschrikkelijke slag en 't woord hing een +stonde te daveren in 't geluchte. Ze viel op hare knieën, vatte moeders +hand en begon te snikken en te roepen, geen andere uiting meer wetend +voor haar wanhoop, geen hulpe meer vindend in niemand, noch steun in +geen toekomst.</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + + +<h3><a name="hXIV" id="hXIV"></a>XIV.</h3> + + +<p>Ursule was leelijk aangetast. Dagen na dagen bleef ze liggen in haar +bedde, zich opwerpend somtemets, naderhand afgemat en roerloos. Ze sprak +niet. Ze kon niet spreken, hoe ze ook geweld deed om een gedacht luide +te doen opklinken. Ze bracht onzinnig geratel uit, en ze lag dan weer +zwijgend te turen heel strak naar de zoldering. De dokter die haar +dagelijks bezoeken kwam zei dat ze groote rust noodig had en dat men +haar omtrent alles moest involgen. Hij merkte niet hoe woedend ze +telkens was, als hij verscheen, en hoe ze met hare oogen teeken deed dat +men hem wegjagen moest.</p> + +<p>Met rust en groote zorgen zou ze stilaan genezen. Veel tijd was daartoe +noodzakelijk en veel voorzichtigheid.</p> + +<p>Goedele zat gestadig aan de sponde en deed met effen verduldigheid al +wat haar de minste grillen van Ursule opdrongen. Uitermatelijk +dienstveerdig en welwillend, liep ze links en rechts, naar den wenk van +moeder's ziekelijke onstandvastigheid, de kamer rond. Geen weerzin +voelde ze en geen moeheid. Ze hield zich alzoo in drukke bezigheid en +het was voor haar in feite eene afleiding.</p> + +<p>Want geen klaarte was nog in hare zinnen gekomen. Het schrikkelijke +voorval had haar verdraaid en in haar duizelig hoofd daverde gedurig een +onoplosbare harrewarrije. Ze beleed zonder uitkomste een knagend, dof +wee, en haar lijf was nu iets geworden dat ze pijnlijk tallenkant +meesleurde, achter de troebele zucht van haar strijdende gepeinzen. Ze +dacht niet aan Johannes: met éen schok was hij weggerukt geweest en heel +verre schemerde ievers zijn onzekere schaduw. Ze had geen behoefte te +denken aan hem, die zoo wijd bestond, teenemaal buiten 't bereik van +haar denken. Maar onophoudelijk dacht ze aan een bange gebeurtenis, aan +een groot geweld, dat volbracht was, iets zonder vaste vormen, zonder +kleur en preciese maten—een massa, opdonkerend zoo subiet, juist achter +haar. Verder was geen verleden: 't verleden en reikte niet verder, +geborgen door de donkerte van dezen opzuilenden paal. 't Was een nacht, +die alle dagen dook.</p> + +<p>Een weke verliep, en nog altijd wist ze geen uitslag aan haar lijdelijk +gemijmer. Nog was ze werkzaam, in de duffe ziekekamer, en ging lijk +dronken gebogen onder de vracht van het volendigd ongeluk. Even verre en +ondoordringbaar bleef 't verleden, naar achteren en buiten zicht geduwd +door gindsche vervaarlijke somberheid.</p> + +<p>Goedele luisterde naar moeders asem, als ze sliep, of beloerde haar +minste gebaar, als ze lastig te spartelen lag onder de sargie. Ze lonkte +alles na, bezorgd en ordelijk. Ze handelde niet ganschelijk bewust, maar +bevreesd voor nieuwe rampen, die ze niet bepalen kon en waar ze nievers +een opkomende oorzaak voor ontwaarde. Ze handelde heel bang—tevreden +dat ze handelen mocht en dus den zeerdoenden tijd opstoppen, die +tallenkant met benauwde leegten te gapen hing. Ze bedwelmde zich met +werken, met hergaan; ze maakte zich zwaar-dom in gestadige beweging om +niet, al rustend, achterwaarts te kijken naar de hooge schim van 't +verrichte noodlot.</p> + +<p>Na de derde week kreeg Ursule heur sprake terug, maar ze was nog niet +losgeraakt uit eene luie verwikkeling van hare gedachten. Ze was lijk +eene die, verdwaasd na een harden slag, zich om alles verwondert en +niets met zekerheid benaderen durft. Bij Ursule echter ging dat +lanterfantig gedoe van hare hersens gepaard met de sprongen van hare +prikkelbare lastigheid. Ze lag altemets stille te kouten met Goedele.</p> + +<p>—Zie eens hoe de zonne ringskens teekent over de ruiten.</p> + +<p>—Ja, ringskens.</p> + +<p>—En hoe ze sterrekens puntelt in het stof, de ruimte langs....</p> + +<p>—Ja.</p> + +<p>Ze deed dan meteen een kwaad gebaar en riep:</p> + +<p>—Wat een boel! De lucht is dikke van vuilnis.... Maar wie kuischt hier, +wie moet hier het huis opruimen en zuiver houden? Of wilt ge mij +allemaal den dieperik inhelpen met uwe wanorde.... Leêgaards! Leêgaards!</p> + +<p>Ze was niet te stillen, en ze schreeuwde tot heel blauw haar hals werd +en ze nadien, al hijgend, roerloos wegzakte in de kussens.</p> + +<p>Goedele baadde dan haar voorhoofd met ijswater en paaide haar heel +zoetig, belovend dat ze voor alles zorgen zou.</p> + +<p>Andermaal waren ze getweeën precies aan het spelen met Seppie. Goedele +rolde een balletje papier en gooide 't over den vloer. Het hondje sprong +gretig er naar toe, trachtte het beweeglijk speelgoed vaste te vangen +tusschen zijne grabbelende voorpooten en wilde 't gek-vlugge vaneen +rukken tusschen zijne tanden. Zijn muilken snuffelde haastig hier en +daar, hapte vergeefs te dichte of te verre. De bal joepte kantewaarts, +rees langs zijne onervaren nagels weg en liep een endeken wijder. Seppie +bleef een wijle plattebuiks loeren en wachten tot dat levendig ding +stille zou blijven. Hij mat zijn wip, pootelde slibberend naar voren en +stiet dwaas tegen 't papier aan. Even ruischte het en rolde het te lore +onder de kasse. Nu lag hij te krabben om het her in 't bereik van zijn +neus te halen. Hij kantelde op zijn linkerflank omme en stiet hopeloos +met zijn achterpooten, binstdat zijn kodde koortsig overentwere te +vlaggelen begon.... Hij gaf de poging op, rechtte zijn vermoeid lijf en +stond zijlings heel dom naar Ursule te kijken. Ursule troetelde:</p> + +<p>—He-wel, mijn floddereerken, gij zotte bobijne! Ze lachte met +luidelijke leutigheid, en Goedele moest Seppie oppakken en hem op 't +bedde zetten, waar hij seffens aan 't luierikken lag onderdefleerende +vingeren van zijn meesteresse.</p> + +<p>Maar subiet kwam een nieuwe koortse Ursule aantasten en ze pruttelde:</p> + +<p>—Nah ... nah ... de schoone sargie, de schoone lakens.... Kunt ge zijn +pooten niet proper maken, eer ge hem hier alles schenden laat. Och God, +och God! wanneer zal ik genezen zijn en dees huis bestieren, dat naar +zijn ondergang wil!</p> + +<p>Goedele verdroeg hare buien, en zoo gingen de dagen om. Ze deed niets +liever dan moeders verlangen benaderen, en zij en had geen pijne, als +haar een ongegrond verwijt toegesnauwd werd.</p> + +<p>Met dezelfde gewilligheid ontving ze de bezoeken van Sebastiaan. Ze deed +hem nu dikwijls komen en de jongen was aangedaan om den wille van hare +brave liefelijkheid. Ze was niet meer ruw met hem. Ze zocht zijne +nabijheid zonder den wrevel te vreezen, die opging langs 't vrome gebaar +van zijne handen. Ze zaten weer saam aan moeders voetende, en hij kon er +spreken van zijn vele werkzaamheid, van zijne toekomst. Als Goedele hem +bezig hoorde, zijn woorden volgend, die heerlijke plannen omschreven, +had ze aldoor eene zwijgende aandacht. Maar, al knikte ze en liet ze +geen minste gezegde onbeluisterd, ze taakte niet al wat hij vertelde +voor haar. Hij zat, lijk altijd, te zoeken naar schoone zinnen, trage en +zorgvuldig.</p> + +<p>—Mij, Goedele, overvalt gedurig het prachtige zicht der toekomst, waar +gij almachtige godinne zijt. Ik schik dan alles en verander hier en daar +een beeld, en 'k zoeke vlijtig of 't nievers u bezeeren kan. Zoo scheppe +'k in mijne gepeinzen de zoetste zoetigheid om u, en—hoe zou daar +entwat haperen, als gij er lachend en stralend te midden staat...?</p> + +<p>Hij liet eene korte stilte gewichte geven aan de golving van zijn stemme +en voegde er bij:</p> + +<p>—Ik ben gelukkig dat ge mij aanhooren wilt. Hij verwijlde alzoo met +weeke profijtelijkheid in 't gespeel van welluidende zinnetjes. Het was +klaar te merken dat de vorige onverschilligheid van Goedele alras +vergeten was en dat hij, lijk eertijds, zijn precieuse doening herpakte. +Hij schreef de plotselijke veranderingen toe aan Goedele's grillige +jeugd.</p> + +<p>En Goedele, tuk op vermoeiend bedrijf, deed ook al het mogelijke om hare +houding weg te vegen uit elkendeens herinnering. Heimelijk meende ze +daardoor haar eigen geweten effen te krijgen. Ze beantwoordde Sebastiaan +met ongeveinsde gretigheid. Ze wachtte zelfs ongeduldig naar het dalen +van zijn langzame gezegden, om subiet haar gulzige woorden te plaatsen. +Ze boog zich naar hem en praatte zoo, dronken van eigen stemgeruisch. Ze +interesseerde zich aan zijne studiën over Hieronymus Bos.</p> + +<p>—Wat vind ik zoo'n man wonderlijk—zoo bezig gestadig met buitensporige +fantazeering, een hoofd vol wangedrochten, hanen met ezelsooren, kiekens +met snoeksmuilen en honderompen met klein-kinderbillen.... Als dat nu +altegare holderdebolder uit een nacht te voorschijn komt lijk uit een +grauwe spelonke....</p> + +<p>Ursule opende rijzekens hare oogen en mompelde dat ze wat anders +vertellen moest. Ze glimlachte:</p> + +<p>—Ik zie permintelijk al die dwaasheden!</p> + +<p>En Sebastiaan omdeed dan met kunstige epitheten het leelijke zicht, +zoodat nog alleen de ontzaglijke kunst van Bos overblijven moest.</p> + +<p>En omme gingen de dagen.</p> + +<p>Ursule, alhoewel ze haar bedde nog niet verlaten mocht, was toch op +goede beterschap, en hare gedachten klaarden op. Ze herzag met +stiptelijke nauwkeurigheid al wat gebeurd was, en ze lag dan in versche +hope te beramen een nieuwe instelling. Ze stapte over 't gebeurde heen +om met sterke moedwilligheid de toekomst in te richten. Het ideaal, dat +ze zich al zoo langen tijd gesmeed had, kon ze niet ten geheele +loslaten: ze zou nu met Goedele alleene de schrikkelijke zaken herdoen. +En ze verzinde grootsche werkingen.</p> + +<p>Op een dag, in den valavond—ze lag nu meerendeels alleen—liet ze +Goedele bij haar roepen.</p> + +<p>—Zet u, mijn kind.</p> + +<p>Ze was uitermatig zachte en glimlachte. Dadelijk voelde Goedele dat de +vroegere oolijkheid weergekomen was, maar niet als eertijds steeg in +haar boezem de verontweerdiging of de gramschap. Ze verdroeg lijdzaam +alle uitdrukkingen van moeders karakter. Ze verlangde zelfs dat ze +eronder lijden mocht. Ze wilde geerne gekastijd worden, en ze zou geen +minste beweging doen om den stoot van moeders slechte inzichten af te +weren. Ze wilde zeggen, seffens:</p> + +<p>—Moeder, g'en moet geen omwegen maken. Ge moogt subiet eischen de volle +bevrediging van gansch uwen wil. Ik zal u gehoorzamen.</p> + +<p>Ze vreesde echter dat moeder 't zou euvel opnemen, en ze moest moeder +alle leed of luttel verdriet besparen. Ursule sprak, fleemend:</p> + +<p>—Morgen uchtend moet ge een brief sturen naar notaris Van Kalken. Ik +zal hem onderteekenen. Ge zegt daarin dat ik te Heysse die plezante +villa koop, waarvan hij me gesproken heeft. Ge zegt dat hij onverwijld +de noodige maatregelen nemen moet, en dat we om de maand nog alginder +willen wonen.</p> + +<p>—Ja, moeder.</p> + +<p>—Ik doe 't voor u, mijn kind, die bleek wordt en zekerlijk de groote +lucht noodig hebt. Ge hebt me zoo liefderijk verpleegd en ik ben nu ook +gelukkig, omdat ik u met zoo'n villa gelukkig maken kan.... Wat zal dat +ook heerlijk zijn, he? Zijn we al eens in Heysse geweest? Ik herinner me +niet....</p> + +<p>—Ik herinner me niet, moeder.</p> + +<p>—Ja, dat zal heerlijk zijn!</p> + +<p>Ze zweeg een stonde en de avond daalde daarbinst. De beweeglijke +deemstering speelde om de venstergordijnen, grauwe schaduwen leggend +langs de plooien, en ze kwam neerwaarts doezelen bezij de muren om haar +dikten op te stapelen in de hoeken, binnen de schouwe of onder de kasse. +Van daar reikte ze vreesachtig hare schuwe armen over den vloer, verder +en verder vingerend tot allerzijds een halve duisternisse waarde, +waaruit alleen opflikkerden nog de witte beddelakens en de klatering van +de vensterruiten.</p> + +<p>Ursule wist den gemoedelijken invloed van den avond. Ze nam stille +Goedele's vingeren, fluisterend:</p> + +<p>—Kom dichterbij, mijn kind....</p> + +<p>Ze streelde hare armen en liet heel trage hare woorden beelden worden in +de wattige donkerte.</p> + +<p>—Mijn kind, uw grootvader was een arme visscher. Jaren en jaren zwoegde +hij en wist, door zijn schrandere kunde en zijn hardnekkigen moed, zijn +sterke werk tot bloeiende uitslagen te brengen. Maar als zijn geest aan +'t verzwakken ging, heb ik 't beleid van zijn zaken op mij genomen en de +doening doorgezet. Wij zijn geslaagd. 't En was niet, mijn kind, te +danken aan een gelukkige saamkomste van meevallende omstandigheden. Wij +hebben ons goed met aanhoudend geweld gerukt uit den klauw van het +noodlot. Wij hebben gezwoegd. Gelooft ge, Goedele, dat al wat hier u +omringt en zachte uw niets-doen steunen komt, door ons al schattend en +nagelend, stukje bij stukje werd binnengebracht? Het moet u moeielijk te +denken zijn, hoe pijnlijk uw welzijn is tot stand gekomen. Gij hebt geen +sreke daarvoor gedaan, en gij kunt dus niet weten hoe wij die weelde +bereikt hebben,—die weelde voor u. Maar wat is deze weelde? Wat is een +leven, dat niet werkzaam is—en dat geld, al dat geld? Zoo insgelijks +moet geld werkzaam zijn, mijn kind....</p> + +<p>Goedele luisterde met aandacht, en, binst de donzige schemering, klonk +moeders stem met endelooze goedheid om. Ze liet de klanken zacht +aankloppen tegen hare hersens en de beelden werden zichtbaar overhand. +Geen aandoening wekte in haar de trage gezegden, maar ze hielden haar +geest bezig, zoodat geen ander gepeins er folteren kwam. Ze leunde tegen +'t bedde, en ze voelde gestadig 't gekriebel van moeders vingeren over +hare hand. Ursule zei:</p> + +<p>—Als grootvaders geest aan 't verzwakken ging, heb ik 't beleid van +zijn zaken op mij genomen, ja. Naderhand ben ikzelve verzwakt en niemand +was daar om de vruchtbare doening door te zetten. Nu zijn we langen tijd +gebleven zonder nuttig bedrijf, en dàt is zonde. Wat wij door werken +gewonnen hebben, moet verder door werken oogsten dragen. Ja, oogsten +dragen. Meent ge niet, mijn kind, dat we hier lam en schuldig de dagen +langshenen slenteren? Meent ge niet dat we schadelijk zijn?</p> + +<p>Ze zweeg een wijlken.</p> + +<p>—We zijn schadelijk, omdat we de leêgheid van onze handen +bevoordeeligen. En, ziet ge, ik had gedacht eertijds: later wordt mijn +jongen groot en struisch, later schiet mijne dochter krachtig op, en dan +werp ik den last van mijnen rugge en dan zie 'k mijn kinderen met nieuwe +sterkte het schoone gewicht dragen ... later.... Toen heb ik den tijd +afgewacht, maar de tijd is niet gekomen.... Toen heb ik geweld willen +doen.... Toen is mijn jongen vergaan, verre van mij, te lore, te lore.</p> + +<p>Dikker stapelde de duisternis zich tallenkante thoope. Goedele zag +rijzekens in 't witte gelaat van Ursule de donkere schaduw van den mond, +die roerde. De oogen echter, weggeveegd door den dompigen nacht, zag ze +ziet.</p> + +<p>—En zal ik nu alle hoop moeten verlaten, mijn kind? Zal ik, na alle +verlies, de laatste toevlucht, die nu rest, verliezen? Ik vrage u dat. +Ik dwing u niet. We moeten discuteeren.</p> + +<p>Naarmate ze dichter haar doel naderde, deed ze zoeter fluisteren haar +wiegende stem, en ze trachtte na te gaan op Goedele's wezen, dat vlak +onder de schuinsche klaarte van 't venster nog opbleekte, hoe hare +woorden een doordringenden invloed kregen. Goedele's wezen bleef stille +en aandachtig. 't En was geen moedeloosheid, die er over lag; 't was een +geduldige ondergeschiktheid, alsof ze nu op voorhand alles aannemen en +verdragen zou. En, in waarheid, ze verdroeg op voorhand alles zonder +onderzoek, gewillig en gedwee. Ze meenden erdoor stilaan haar zondig +gedrag te vereffenen. Ursule vroeg: Zoudt ge mij gehoorzamen ... in +alles?</p> + +<p>—Ja.... Ja....</p> + +<p>—In alles wat mijn wil mag zijn? Want, ziet ge, mijn laatste hoop is in +u. Mag ik op u berusten?</p> + +<p>—Ja, moeder.</p> + +<p>Ze zei 't trage en vastberaden. Een plotselijke emotie schoot op in +Ursule, en op hare lippen kwam roeren de kleine krulling van een +heimelijken lach. Ze bleef een wijle in de voordeelige donkerte alreeds +genieten van de zegepraal, die naderend was. Ze vatte nadien Goedele's +arm en deed haar dochter buigen, tot ze haar asem voelde in heur haar. +Ze lispelde:</p> + +<p>—Ik dank u, ik dank u, ik hebbe u lief.</p> + +<p>Ze rechtte zich dan, zat bijkans overend op de kussens en hare handen +kwamen roerloos liggen nevenseen, profijtelijk op de sargie. Het was bij +haar een gewone houding, als ze een gewichtige zake aantasten moest. +Hare duimen taakten mekaar. Ze sprak:</p> + +<p>—Nu zullen we geld gaan winnen. Weet ge wat dat is? Het geld komt +binnen, uit al die menschenvingeren, die schuiven en plakken viezelijk +eromme. Het heeft een plezanten klank. We maken er hoopkens van. We doen +het werken, 't holt en 't schaveelt ijverig tallenkant, waar ik weet dat +het veilig is ... en 't komt hier aanrinkelen, verdobbeld, +vertiendobbeld. We maken er weer hoopkens van. Ja, ja, mijn kind, het is +een liefelijkgespeel.... Endelijk tellen we de hoopkens te gare.</p> + +<p>Ze likte met hare tonge trage over hare lippen, maar hare handen bleven +onbeweeglijk liggen. Op denzelfden toon, bijna zonder overgang in de +daling van hare stem, zei ze:</p> + +<p>—Trouw nu ... trouw nu gauw met Sebastiaan ... ons basis is sterker, +als ge getrouwd zijt met hem.... Waarom schrikt ge, Goedele?</p> + +<p>Goedele had geschrikt. Al was haar inzicht tegenwoordig toch met Vrebos +te trouwen, ze wist niet dat de daad zoo dichte bij haar was, gereed om +te gebeuren. Ze meende wel dat niets restte van haar vroeger leven en +dat haar geweten bedaren zou in eene opoffering ... in dees huwelijk, +dat elkendeens wensch omsloot. Ze meende 't zoo allemaal wel. Maar dat +de dag alreeds dreigend opduiken zou, haast tastbaar, was een gedachte +waaraan ze zich geerne hadde langzaam gewend. De leelijke wezenlijkheid +moest voorbereid worden en ginder achterwaarts zou dan de schrikkelijke +massa wegschemeren, die er voortdurend aan 't spoken was. Ze stamelde:</p> + +<p>—Ik schrik niet.... Ik zou willen denken, een beetje. Ik zou willen +alles bezien, eerst, en de toekomst doen opklaren. Ik zie niet goed +daarin....</p> + +<p>Ursules mond viel in gramschap open:</p> + +<p>—Hein?</p> + +<p>—Ge moogt u niet opjagen, moeder. Ik zal u gehoorzamen. Laat me eens +stille overwegen....</p> + +<p>Ursule zakte thoope in den konk van de witte lakens. Ze deed hare oogen +toe en hare vingeren krulden te zamen, stuipachtig geweld doende onder +de sargie.</p> + +<p>De nacht was teenemaal aanwezig, en rijzekens haperde nog een schuchtere +blauwigheid langs de ruiten van het venster. Goedele stak dan het +gaslicht aan, en de vlamme sprong laaierig omhooge, waarachtig de stilte +brekend, die lastig in de kamer was gedrongen.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>De villa werd aangekocht, opgeschikt en seffens bewoond. 't Was voor +Goedele in den beginne een versch leven, en ze vond hare gansche +bezigheid in den tuin, waar 't alles zoo gezellig was aangelegd. Kleine +wegelkens kruisten er dweers en door, en diverse borduren van rozen en +geraniums en ander gebloemte kleurden sierlijk erlangs. Vooral de wijdte +van den grooten hemel was haar eene deugddoende nieuwigheid. Ze volgde +met emotie de langzame vaart der wolken, daar bollend pluimlichte in de +zonnige diepten....</p> + +<p>Maar naderhand was de grootsche doening der natuur een kwalijke +aanstoot, en 't driftige verleden, met al zijne gulzige levendigheid en +zijne onstuimige passies, doemde opwaarts allentwege. De opzuilende +duisternis viel in reten open en, omvoold arets door azurig geschemer, +stegen de verschillige beelden van hare liefde.</p> + +<p>Ze zag Johannes.</p> + +<p>Hij en wekte geen afkeer bij haar. Hij was geworden een droom, niet te +genaken, en ze kon, zonder wroeging, in gepeinzen herleven het zoete +bedrijf van hunne jeugd. En alles was verre, verre....</p> + +<p>Tot somtijden haar boezem te hijgen begon en ze sterkelijk versche +roerselen gewaar werd in haar lijf. De ruimte om haar was haar nog te +nauw. Haar vleesch tingelde en gloeide.... Ze liep dan in huis en +babbelde onzinnig met vader, of ging neerzitten nevens Sebastiaan, +leunen tegen zijn schouder en strak beloeren het vrome gepeuter van +zijne vingeren. Zoo kwam de rustigheid stilaan terug, en terwijl ze weer +opkeek naar 't verleden, was alles verder nog dan te voren, heel verre, +heel verre.</p> + +<p>Als 't were schoon was en de volle zomerzonne neerklaterde in gouden +fonkeling overal, wandelde ze alleene met Sebastiaan het wijde veld +omme. Sebastiaan kwam kort na den noene, en zoo wandelden ze samen tot +den avond. Ze overdreef hare vriendelijkheid en hij, overgelukkig, +pronkte in 't genot van zijn man-zijn, zijn meester-zijn. De plotselijke +omdraai van Goedele's handelwijze was bij hem gauw begrijpelijk geworden +en, in naïeven overmoed, schreef hij nu de verandering toe aan zijn +eigen geduld en karaktervastheid. Hij stapte nevens haar en voelde zich +groot en sterk. Geerne tastte hij 't gewicht van haar lijf op zijnen +arm.</p> + +<p>Eens—de avond was al dichtebij en westewaarts vuurde de late zonne in +een draaiing van gloeiend licht—waren ze, langs een pijnboschje, buiten +hun weg geraakt. Op de akkers, die verder zich uitbreidden, naar het dal +toe, waar schuilde het kleine dorp, zwoegden de oogstwroeters, lage +gebukt en traag-wordend onder den last van het machtige werk. De winden +waren stille gevallen, en altemets klonk in 't zwijgend geluchte de roep +van een boever of 't krijschend gewet van een zeis. De boomen legden +lange schaduwen over de baan, en de barmen ook hieven zich donkerend op +tegen den purperen hemel.</p> + +<p>Voor de eerste maal welde in Sebastiaan de aandoening van zijne liefde +brandend op. Hij werd zenuwachtig en de taking van Goedele's handen deed +heete lochten walmen naar zijn hoofd. Hij antwoordde kort en verlegen op +wat ze hem heel lichtelijk aan 't vertellen was, en zijne slapen werden +soms danig koud. 't Lag gedurig op zijne lippen ... nu eens krachtig +vooruit te komen met een innig woord, nu eens uit te spreken al wat hij +zoo meteen in zich bruischen voelde. Maar hij was schuchter. Waarom +kwamen de zinnen nu niet sierlijk te reke, lijk altijd? Hij had er nooit +aan gedacht dat hij eens de zotte begeerte zou hebben deze vrouw wild op +zijne borste te drukken. 't Verlangen dorde zijn kele, en hij zweeg. Hij +werd gewaar dat hij hakkelen zou, en hij vreesde er heel deerlijk en +belachelijk uit te zien.</p> + +<p>De avond was aan 't weven zijn doorzichtig floers, en ginder, matelijk +vooruit-tertend, bukten de maaiers in geweldig bedrijf. Een puiken wipte +in de gracht en niets roerde weer daarna. Goedele verheerlijkte de +mooiheid van alle kleuren, die zacht ineenvloeiden, neventinten +vlechtend daartusschen, menig en wonderbaar. Een wijde vredigheid was, +lijk een effen vijver, spiegelzoete in haar.</p> + +<p>Sebastiaan bleef meteen staan en vatte hare hand. Zijn gezicht was +onverkennelijk, zoo diepe had een koortsige emotie er over gewoeld.</p> + +<p>—Goedele, wacht....</p> + +<p>Ze keek op naar hem en verwonderde zich over zijn zonderling gebaar. +Hij sprak dan, schokkend, jagend de woorden de eene na de andere, in éen +asem zijn liefde zeggend.</p> + +<p>Het was een andere precies. Goedele had gemeend dat hij altijd maar +vertijen zou in een welsprekenden, kouden minnehandel, en ze had althans +lichter 't gedacht van een huwelijk met hem aangenomen. Ze merkte nu in +zijne oogen iets dat haar Johannes herdenken deed. Haar bloed schoot in +plotselingen afkeer opwaarts. Hij sprak:</p> + +<p>—Daar foltert mij een pijnlijke knaging. Daar is nievers een +peiselijkheid. Daar is nievers een deugdelijke kilte. Daar is overal, +overal—u! Wat moet ik doen met al mijn gelijke dagen? Hertel de vele +maanden, die reeds verloren zijn achter ons. Ik kan niet meer verdragen +'t idee van langer wachten en meer verlies. Maar kijk! wat zult ge +beslissen? Ik ben onmachtig. Ge zijt zeer lief met me. We moesten saam +wegvluchten uit gindsch groote huis van de stad. En alhier zijt ge +gevlucht—en gij hebt het gansche huis meegenomen! Herbegint dan hier +een leven, dat ik gindsch reeds beleefd heb? En zal ik u van dichtebij +verlangen en nooit u hebben? En ben ik in waarheid niet dichtebij?</p> + +<p>Het was, bij Goedele, afkeer. Ze was te wege hem van haar weg te +stooten. Ze wilde niet dat hij haar gedurig krenken zou met de +bekentenis van eene liefde, die haar walgde. Ze huiverde als ze bedacht, +dat hij die liefde opketste om ze bij haar te komen stillen.</p> + +<p>Ze wilde niet. Hard staalde hare koppigheid dien wil. Ze wrong zich los +met een korten ruk en zag hoe plots zijn wezen hopeloos werd. Hare +verhouding tot dezen man kwam haar klaarder te voorschijn en ze boog +haar hoofd. Ze was niets. Ze had gezondigd buiten alle mate, en 't +woord, dat moeder ten opzichte van Madeleen uitgespuwd had, ratelde +opnieuw in hare ooren. Ze was niets. Met gretigheid moest ze alle boeten +aanvaarden, want geen boete was groot genoeg. In een haastig zicht +schemerden vóor haar op het droeve gezicht van de vrouw en het blonde +kopje van het kind, uit Johannes' atelier. Die beiden staarden naar heur +en de vreemde blik, die in hun oogen lag, weende er van zoo endeloos een +smette....</p> + +<p>Ze boog haar hoofd. Ze zou trouwen. Ze zou alle opoffering aannemen, en +geen toekomst was nog in te winnen. Twee tranen biggelden een endeken +aan den tjop van hare wimpers en vielen, zonder hare wangen te taken, in +den avond. Ze fluisterde:</p> + +<p>—Ik doe ... wat ge wilt....</p> + +<p>Hij naderde en omarmde haar, en zijne lippen kwamen gulzig rusten op +haren mond. Ze dacht aan moeder, die nu zeer tevreden zou zijn, en dan +zonk precies de wereld weg om haar. Ze neep hare oogen dichte en zakte, +zonder hope, te lore in haar overgroote leed....</p> + +<p>De maaiers torten ook moe en zwaar, langs de gele wegen, alhier en +alginder, sprakeloos, naar huis.</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + + +<h3><a name="hXV" id="hXV"></a>XV.</h3> + + +<p>Als ze vernam dat het huwelijk vast besloten was, bloosde Ursule van +ingetogen vreugde. Voor haar was dus de beslissende zegepraal nabij. +Ze zat in haren leunstoel te gichelen en ze voelde zich oogenblikkelijk +beter worden. Ze murmelde:</p> + +<p>—Ik genees!</p> + +<p>Ze kon echter nog uit haar zetel niet. Hare beenen bleven lam en haar +rugge was zonder sterkte.</p> + +<p>De trouwdag werd bepaald. Elkendeen was haastig om de gebeurtenisse te +naderen. Maar Goedele werd nu door nieuwe angsten bekneld. Ze wilde niet +meer eten, en blauwe randen vielen diepe in, onder hare oogen. Ze was +altemets zoo bleek over gansch haar wezen, dat ze een zieke geleek, en +ze werd naderhand uitermatelijk zwak. Bijwijlen was 't alsof een +gewichte opschoof uit hare maag en hare keel kwam stoppen. Ze kon 't +door zwelgen niet doen neerzijgen en deed dan vergeefsch geweld om het +op te stooten langs haren mond.</p> + +<p>Moeder omringde haar met ijverige bezorgdheid en vreesde dat ze zoo aan +'t wegkwijnen zou geraken. Ze veinsde eene ál-omstreelende goedheid en +haar minste woord was van eenige liefde. Op een morgen, binstdat ze met +Goedele alleen zat in de lage voorkamer, wilde ze de getuigenis geven +van hare brave gevoelens. Ze reikte haar het sleutelken van hare +geldkist over en zei:</p> + +<p>—In 't bovenste laagje ligt een kleine beurze met goudmunt. Neem die, +en breng me die.</p> + +<p>Werktuigelijk ging Goedele en kwam met het beursje terug. Ursule liet de +rinkelende stukken overeen neerschuiven in haren schoot en begon ze +zorgelijk te tellen. Ze vingerde luierig erover, betastte met wegende +traagzaamheid elk geel schijveken, en fluisterde:</p> + +<p>—Negenhonderd—duizend—twaalfhonderd, twaalfhonderd, twalef....</p> + +<p>Ze keek op naar Goedele en een ongewone glinstering blikkerde onder hare +neergeduwde wenkbrauwen. Ze bedwong dees driftig geschitter en lijk te +voren verkregen hare oogen de straling van 't koude staal. Ze sprak, +fleemend:</p> + +<p>—Wilt ge me nóg van dienste zijn, mijn kind? Het is zoete weer buiten. +Ge zijt bleek en ge zoudt moeten wandelen door 't bloote geluchte, ja, +ja.... Wilt ge in den nanoen tot binnen de stad eens loopen? Sebastiaan +komt niet vóor 't avondeten hier vandaag. Ge kunt terug zijn ... +gemakkelijk....</p> + +<p>Ze wachtte een tijdeken en lager liet ze hare stemme zakken:</p> + +<p>—Ik wou geerne dat ge eens ... ginder gingt ... bij Romaan....</p> + +<p>Omdat Goedele met pijnlijke haastigheid haar gebogen hoofd ophief, deed +ze alweer vluggelings achtereen hare woorden drillen, dof en eentonig:</p> + +<p>—Ge moet niets vertellen van mij—en mij achterna niets van hem +vertellen. Ik weet niet waarom ik u daar doe binnengaan. Ik heb geen +reden. Ik denk aan geen reden. 't Komt mij sinds een paar dagen zoo +geweldig op en ik kan 't nu niet meer weerhouden. Koop onderwege iets +met dees geld. Ge moogt niet zeggen dat het van mij komt. Ge moogt niet +spreken van mij aan ... mijn zoon.... Wilt ge?</p> + +<p>Ze reikte 't geld over en Goedele nam het aan, ook gepakt door moeders +geveinsde aandoening. Ursule had eerst eene groote blijdschap en ze +jubelde in haar binnenste, al roerde geen vezel op haar gelaat:</p> + +<p>—Ik hebbe mijn hardvochtigheid van vroeger weergekocht!</p> + +<p>Want ze voelde dat Goedele haar nu insgelijks met al de snaren van haar +teer-trillend herte verbonden was. Nadien echter schoot door hare +hersens spijt—omdat die gulden somme zonder weerkomste zich +verwijderde. Ze loerde een tijdeken naar Goedele's vingeren die om de +beurze peuterden en hoorde de rinkeling daarbinnen van de dierbare +stukken. Ze beet al gauw heel woest op hare tanden om den wrevel, die +kroop langs hare leden, te bedwingen. Ze had, 't oogenblik daarna, alle +moeite om een lach om hare lippen te wringen, als Goedele met dankbare +oogen opkeek naar heur. En seffens, binstdat het meisje de kamer +verliet, herkwam over gansch haar wezen de steenen hardheid, die 't +waarlijke beeld was van hare dorre ziel.</p> + +<p>Zoo, na den noene, vertrok Goedele.</p> + +<p>Vader leidde haar tot aan 't station. Ze ging sprakeloos over den weg en +bereidde aldus haar geest tot de geleidelijke benadering van al hare +herinneringen. Albien trippelde nevens haar, vertellend van een +elektrisch tuig, dat hij in 'thooge van de stad gezien had. Hij legde +weer in juichende woorden bloot zijne kinderlijke verwondering en +vermoeide zich al schokkend met zijn kort-dik lijf of al zwaaiend met +zijne armen, bij maniere van treffende bewijsvoering. Als ze beiden 't +spoor bereikten, hield hij op met tateren en lengde zich uit op zijne +teenen om zijn dochter te kussen. Hij dacht niet aan zijn zoon. Hij +dacht nooit aan iets dat buiten zijn wondere uitvindingen lag of dat +niet direkt-tastbaar aanwezig was.</p> + +<p>Hij riep van verre, wuivend met zijn neusdoek:</p> + +<p>—Daág!... Daág!...</p> + +<p>Tot de trein vertrok, bleef hij zoo, op den gelen weg, en Goedele, bij +'t weggaan, zag hem staan, rond uitkomend boven een roodgouden +klaverpartije, bollig en zelve rood. Zijn kleine armen zwaaiden +ommentweere en 't witte gevlaggel daarboven smeet overhand een schaduw +over zijn glanzenden krullekop. Anders was tallenkant de machtige zonne.</p> + +<p>Hij geraakte vlugge buiten zicht, en, in een hoek van 't coupé, zat nu +Goedele te mijmeren, omdaan van 't gelijke treingeratel. Een oude dame +zat rechtover haar, onverschillig turend het vensterruitje door, langs +de wegschuivende landouwen. Hare rimpelige handen, waarover 't geweld +gewoeld had van gansch een vermoeiend leven, rustten wijd van een, elk +op een knie. Een paar ringen, te groot voor de magere vingeren, hadden +een dooden schijn van doffe gesteenten. De minste waggeling der kussens +stiet deze vrouw naar links of rechts; maar, hoe zij ook overendweer +dommelde, hare blikken en roerden niet, aldoor starend over het +veranderlijke veld.</p> + +<p>Niets had Goedele dichter bij 't jonge verleden gebracht en haar zoo +meteen het pijnlijk gevoel ervan doen hervoelen als deze reis. Ze zou +haar broeder wederzien. Maar tevens wist ze de nadering te tasten van al +wat gebeurd was, gebeurd en stilaan in zoete vergetelheid weggesust. 't +Schoot alteenegare wakker. Naarmate ze doorreed, werden duidelijker en +scherper de leelijke beelden van haar zondige liefde, en de onrust, die +toch gedurig dof-diepe in haar binnenste roezemoesde, klepperde heel +bange op, soms met stooten haar kele toestroppend.</p> + +<p>En ze kon hare gedachten niet afwenden, langs een anderen vredigen kant. +Al keek ze met koppige aandacht naar 't verfrommeld wezen van de oude +dame, ze zag dat wezen niet—en sterk spookte in hare hersens 't zicht +van haar verloren vreugde.</p> + +<p>Ze probeerde dan zich buiten 't bereik van hare foltering te helpen met +spreken. Ze wilde eene lichte conversatie beginnen en zei blozend entwat +over 't liefelijke weer.</p> + +<p>—Een schoone oogst, niet waar, mevrouw?</p> + +<p>—Ja.</p> + +<p>De dame blikte even op naar heur, heel onverschillig, en draaide terug +naar 't verre landschap haar bleek gezicht. Goedele bleef in nog +pijnlijker alleenigheid zitten en voelde dichter zich door 't lijdelijk +verleden omringd. Dan gaf ze zich ten geheele over aan hare droeve +gepeinzen en herleefde achtereen al de dagen te reke, die hare liefde +hadden gevoed. Nooit had zij 't klaarder herdacht: de gebeurtenissen +lagen zonder nevel open vóor haar. Ze zag ze worden en kruipen in den +tijd en te zamen bouwen het schrikkelijke ongeluk. Niets was omdoken. +Ze zag heel bepaald Wiezeken's ziekte, en haar bezoek bij 't zieke kind. +Ze had een poesjenel gekocht en ze had Johannes ontmoet....</p> + +<p>Ze had Johannes ontmoet.</p> + +<p>En Wiezeken was bleeker geworden.—Hoe was 't gekomen? Wat had zij, +Goedele, daarbinst gedaan? Ze herinnerde zich goed dat ze Johannes +ontvlucht had....</p> + +<p>Ze had Johannes ontvlucht.</p> + +<p>Maar Wiezeken stierf. Ja. Boven 't kleine beddeken zag ze zijne handen, +en zijne handen toetsten hare handen. Waarom was dat allemaal gebeurd? +Waarom was naderhand, in de half-donkere kamer, die stilte, gekomen, die +haar zoo nauw naast Johannes bracht? Ze was buiten haar gezonde zinnen +geraakt, niet waar? En Johannes ook. Dat was de aandoening van het +noodlot. In haar was iets lafs gekomen, lijk bij zieke menschen. In haar +had een oolijke geest een groote werking begonnen en ze had zich niet +verdedigd. Maar wie zou haar ook geholpen hebben? Daarom had ze zich +niet verdedigd, misschien.... Haar vleesch was betingeld en almachtig +had over haar geheerscht de Kwade, met zijn leelijk bedrijf,—en ze had +zich weerloos overgegeven....</p> + +<p>Ze had zich overgegeven aan Johannes.</p> + +<p>Lange herdeed ze in gedachten heel 't onzeggelijk geneuchte van hare +liefde. Haar hoofd zakte lage op hare borste en dieper schoof haar rugge +langs de kussens van 't coupé. Ze werd de sjokkende rolling van den +trein niet meer gewaar. Hare vingeren sleurden willoos kantewaarts over +haren schoot en bleven zonder roeren van weerskanten, danig moe precies. +Het lederen taschje, dat aan haren arm hing, schokte tot tenden hare +voormouw en slibberde naast haar knie, waar 't stille wippelde bij elke +onregelmatigheid van de vluchtige vaart.</p> + +<p>Ze zat zoo, zoete verdoold in herinneringen, tot ze meteen rilde en hare +schouders angstig opstak. 't Was dat ze 't atelier herzag, het duistere +kamertje, en dan, na 't zondige portret van Mariëtte, de smertelijke +moeder en het droomende kind. Ze herleed de plotselijke breuke van hare +liefde. Ze hervoelde den afgrond waar ze heel dien tijd van passie in +verzonken was. Den afgrond!...</p> + +<p>De liefde!...</p> + +<p>Aldus was hare liefde geweest. Hare oogen werden nat. Eene subiete +wanhoop greep haar over gansch haar trillend lijf. Ze wilde loopen, +loopen, zoeken tallenkante, het huizeken zoeken, en de zachte kamer en +het blauwe bedde. Hare lippen bewogen en ze lengde hare kinne opwaarts +om te roepen,</p> + +<p>—Johannes! Johan!... Ho! Johan!...</p> + +<p>Ze schrok, en haar gezicht werd koud, en een traan, omlage wiegelend, +brandde er een gloeiende strepe. Ze bracht hare hand aan haren mond, +en bleef zoo, zonder geluid, zonder gebaar....</p> + +<p>De dame tuurde lijk te voren door 't lawaaierig vensterken, en buiten +schoven nu de zware huizen en sombere schouwen der stad voorbij.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>'t Was over. Langs de woelige straten ging Goedele en ze haastte zich +niet, soms kinderlijk aandachtig bij de uitstalling van een modewinkel +verwijlend. Ze vroeg zich niet af, hoe ginder bij Romaan en Madeleen nu +'t leven was. Ze tort onverschillig door en 't was zonder weten dat ze +bij plaatsen haperen bleef. Even zoo trage en gewillig als ze in Heysse +rondzwerfde, tort ze hier door. Ze dacht niet aan 't geld, dat moeder +haar had meegegeven, en ook het uitzonderlijk gedoe van moeder had haar +geen oogenblik opgehouden. Alle feitjes, die gezamenlijk den morgen en +den noene uitmaakten, 't waren feitjes buiten haar en ze leefde langzaam +daartusschen. Ze kocht een pakje snuisteringen voor tante Olympe.</p> + +<p>—Die goeie tante Olympe!</p> + +<p>Ze glimlachte; maar seffens waren hare gedachten anderzijds en ze stond +vol zorgen naar een keuze van kanten en borduursels te staren. Ze zei +bij haar eigen:</p> + +<p>—'t Wordt allengs tijd dat ik wat voor mijn huwelijk schik....</p> + +<p>Ze kon zonder aandoening heel lang onderwege peinzen, al gaande, over +haar huwelijk. 't En was haar geen zeerdoend beeld. 't Zou een gewoon +voorval worden, lijk alle voorval geworden was om haar.</p> + +<p>Ze geraakte in de zwijgende steeg, waar Romaan woonde. Als de reuk van +den ellegoedwinkel nijpend in haar neus opschoot, voelde ze wel een +subiete leegte in haar herte, en ze moest een wijlken rusten op de trap. +Binnen huis was nievers geruchte.</p> + +<p>Ze klopte aan de deur en draaide zelve daarna de klinke open. Madeleen +zat in de keuken en Romaan stond bij 't venster een dagblad te +overkijken. Ze blikten alle twee te gelijk op en hun gezichte ontvouwde +zich tot een vriendelijken groet:</p> + +<p>—Kijk! wie daar toch endelijk is!</p> + +<p>—Dat is wel zusje....</p> + +<p>Ze kwamen af naar Goedele en kusten haar warm, en ze bloosde al lachend.</p> + +<p>Ze voelde de taking van de zachte deugdelijkheid, die hier huisde, waar +niets koud of vreemd haar toescheen. Ze liet zich gedwee van haar hoed +ontdoen en seffens zaten ze gedrijen rond de tafel, gemoedelijk elk zijn +nieuws vertellend.</p> + +<p>Romaan was, lijk vroeger, opgeruimd en leutig. Niets van het droeve +verleden was op zijn blij gezichte nog te bespeuren, dan enkel een +kleine groeve midden zijn voorhoofd. Hij was weer kloek geworden en zijn +blikken weer zoo diep-verstandig, zoo vlug-schitterend. Hij bukte zich +over het tafelberd al sprekend, en tikkelde met zijne vingeren op +Goedele's hand. Hij merkte wel de moede treurnisse, die zij mee had +gebracht. Hij merkte hoe ze vermagerd was en hoe hare wangen, mat van +verve, de donkerte van hare oogen nog versomberden. Hij had medelijden. +Een blauwe ader sloeg uit op hare slapen. Hij wilde 't allemaal +wegbabbelen met plezierig getater.</p> + +<p>—Er is nieuws, hoor!</p> + +<p>Hij vertelde dat tante Olympe ganschelijk genezen was, sinds zijn +huwelijk, en dat ook hier het geluk teruggekomen was. Tante Olympe had +geen zorgen meer. 's Uchtends was ze de eerste uit het bedde, maar na +den noene moest zij er binst éen uurken weer in.</p> + +<p>—Ze ligt nu haar uiltje te vangen.</p> + +<p>Tante Olympe had maar éen verlangen meer: uit dees huis gaan en in +zonniger wijken wonen en een schoon keuken hebben met een verlakte +stove.</p> + +<p>—Djeezes, ja, die verlakte stoven! schaterde Madeleen.</p> + +<p>Tante Olympe sprak alle dagen daarvan. Ook had Romaan besloten dat hij +verhuizen zou. De woonste was hier anders zoo onuitstaanbaar niet. +Mariëtte zong niet meer, maar nu was Madeleen den ganschen dag door aan +het zingen. Goedele vroeg:</p> + +<p>—Mariëtte?</p> + +<p>—Ze is vertrokken daags na Paschen, niemand weet waarheen. Haar vader +is hier gebleven en alle veertien dagen krijgt hij geld. De bazin van +den ellegoedwinkel maakt zijn teele eten en snijdt zijne boterhammen. +Hij sukkelt zoo. Hij en sakkert noch en grommelt niet meer. 't Is +daarboven heel rustig, heel droeve geworden, maar Madeleen maakt +tegenwoordig leutig lawaai....</p> + +<p>Madeleen was verlegen en boog haar hoofd, en, onder zotte +haarkrullekens, werden kriekerood hare ooren. Romaan begon luidop te +lachen. Hij stoop zich naar heur toe en fluisterde plagend:</p> + +<p>—Mag ik 't zeggen?...</p> + +<p>Ze schudde pruilend haren kop en pinkte een twijndraadje weg, dat over +hare mouw hing. Hij kittelde haar in haar nekke en lispelde zonder +genade:</p> + +<p>—Hee?... mag ik? Zal ik 't maar uitbellen?... Hij blikte schalks op +naar Goedele en pinkoogde snel. Dan rechtte hij zich en leunde +gemakkelijk met zijne ellebogen op de tafel. Hij likte lui zijne lippen +af, om Madeleen's lastigheid uit te lengen, en smakte trage.</p> + +<p>—Luister, Goedele....</p> + +<p>Hij sprak dan lage, alsof 't een groot geheim gold, en een stralend +geluk verlichtte zijn gansch gelaat:</p> + +<p>—Madeleen zal.... weer moeder worden....</p> + +<p>Hij schaterde 't seffens daarop uit, 't kamerken vervullend met vroolijk +rumoer.</p> + +<p>—Zoo word ik vader meteenent! Wat bloost ge, vrouwken? We hermaken ons +geluk, en daar we volgens alle regels getrouwd zijn, zal ons geen kwade +hand overvallen. Vraag 't maar aan tante Olympe!</p> + +<p>Tante Olympe kwam juist binnen en stond in 't deurgat te knikken. De +lange oorbellen bijsden tegen haar krage en de tjopkens van haar kaken +droegen den sterken blos van vroeger.</p> + +<p>Ze zette zich in de ronde neer en 't werd nu een gezellig samenzijn. +Madeleen schonk de koffie en spreidde 't hagelwitte ammelaken. De +kommekens rinkelden en dampten geurig, en elkendeen wist met leutig +gekout de gaande uren genoeglijk te sieren. Hoe ras vloog omme de blijde +tijd! Niemand zag de ruiten verbleeken en noescher zich uitrekken de +schaduw tallenkant! Tante Olympe vooral had danig werk met vertellen, +en ze gooide zoo aardig alle voorvallen harrewarrig dooreen, nievers een +leemte latend, waar de stilte kon binnenkruipen en rusten.</p> + +<p>—En mijnheer Johannes, waar zou die nu zitten?</p> + +<p>Goedele beet gauw op hare lippen om hare ongedurigheid te bemeesteren, +en ze liet zwijgend Romaan uitleggen hoe Ameye sinds de mededeeling van +zijn huwelijk met Madeleen het huis verlaten had, en hoe hij kort daarop +vertrokken was naar Duitschland. Goedele viel hem gejaagd in de rede:</p> + +<p>—Voor ... hoelang?</p> + +<p>—Hij is weg. Hij heeft mij geschreven dat het kunstenaarsleven in +België onmogelijk was en dat hij zijn vaderland verliet om meer +dankbaarheid in den vreemde te vinden. Hij doet wel. Ons landje is in +waarheid voor artisten een streke zonder uitkomste. We zijn te arm of we +zijn te dom. In Duitschland zal Ameye zijn weg banen, en dan hooren wij +nog wel spreken van hem. Hij was goed voor ons. Hij was een warme +vriend.</p> + +<p>—Hij blijft ... ginder?</p> + +<p>—Ja.</p> + +<p>Madeleen bracht een schotel met snuisteringen op tafel, en Goedele +herinnerde zich meteen dat ze wat suikergoed voor tante Olympe in haar +taschje gestoken had. Hare handen beefden rijzekens, binstdat ze het +blauw-gestrikt pak overreikte en ze lachte zonder de heete natheid weg +te krijgen uit hare oogen. Wat scheelde haar Ameye's heengaan? 't Was +zoo best. Ze overtuigde haarzelve en dwong haar eigen 't geluid van +onverschillige woorden op. Ze dacht:</p> + +<p>—Het is zóo best.</p> + +<p>Maar, al had ze Johannes sinds lange vaarwel toegezegd in alle haar +gepeinzen en al was ze hem niet dankbaar, hem, die haar gegeven had wat +ze niet kon behouden, toch was haar zijn verre aftocht een onverweerbare +emotie. Het was haar als de plechtige onherroepelijke staving van haar +gebroken liefde. Ze had wel geen liefde meer, en het kon haar dan ook +niet deren dat hij, de liefde en de schuld, zich voor altijd verwijderd +had.... Spijts alles, deed haar deze verwijdering zeer. Het was lijk een +graf, dat men ommedelft en vernielt.</p> + +<p>Romaan wist nog meer. Hij was vertrokken heel alleene, en zijne vrouw +was bij hare ouders in Engeland, met haar zoontje teruggekeerd. Goedele +had een droeven uitroep:</p> + +<p>—Ha! het was een zoontje....</p> + +<p>En Romaan keek subiet verwonderd op, plots zwijgend en nadien gretig +zijn koffie opslurpend.</p> + +<p>—Weet ge wanneer hij vertrokken is? vroeg Goedele.</p> + +<p>Hij zette onvoorzichtig zijn kommeken neer en zei kort, in schijn geen +acht gevend op zijn woorden:</p> + +<p>—Daags na Paschen.</p> + +<p>—Daags na Paschen?</p> + +<p>Zij schrok en zag in haar geest het zotte gezicht van Mariëtte. Waar was +Mariëtte naar toe?</p> + +<p>Romaan merkte dat ze schrok en dat hare vingeren over het tafeldoek +koortsig aan 't peuteren gingen. Hij keek dan strak en hard in hare +oogen, speurde er de vergeefs bedwongen aandoening, en zijne hand +grabbelde met een reik naar heure hand.</p> + +<p>—Goedele!</p> + +<p>Ze blikten altegelijk op naar hem. Zijne wenkbrauwen schoven angstig +omhooge, alsof hem iets heel wreeds trof, iets dat niet te gelooven was +en zich zonder waarschuwing had vastgeankerd in zijne hersenen. Maar +Goedele stond rechte meteen en schokte weg in een luidelijk geschater. +Ze ging leunen tegen 't raam om beter haar koortsigen lach te verdragen +en ze bukte zich bijwijlen, neergeduwd door onverklaard pleizier. Ze +giechelde:</p> + +<p>—Neen! dat is een lol, broer!—Nu wordt ge—grappig! Zeg eens—zeg eens +wat ge denkt.... Nu zult ge leute hebben, menschen.... Ferm!</p> + +<p>Tante Olympe had reeds pleizier op voorhand en lachte mee. Romaan zat +beteuterd rond te zien en Madeleen krulde, halvelings glimmend, haar +lippen omme. Goedele merkte dat ieder begrepen had, en grijnsde:</p> + +<p>—Gek, hee! Maar hoe komt hij eraan!...</p> + +<p>—Ja, hoe komt hij daaraan!</p> + +<p>En niemand zei in woorden wat hij dacht, omdat de zake zoo gevoelig zich +voordeed, en ... ja, omdat 't allemaal toch zottigheid was. 't Geval +hing echter tegenwoordig in 't geluchte aan het groeien en, al sprak men +verder over kleine dingetjes, 't bleef daar hangen en alle gepeinzen +kwamen 't gedurig taken binst zijn groei.</p> + +<p>Als later Goedele veerdig stond om huiswaarts te keeren, klonken de +groeten hard en menig, zonder de lieve innigheid, waarmee ze bij haar +komste omwonden waren. Ze ging de trap af en zag de drij gezichten in de +donkerte van 't deurgat knikken op haar. Ze bepeinsde zich een wijlken, +wenkte dat tante Olympe meegaan zou naar beneden en stopte haar moeders +geldbeurze in de hand, fluisterend:</p> + +<p>—Dat is voor de verlakte stove!</p> + +<p>Ze liep de strate langs, die in den voor-avond heel rustig en geluidloos +was, en ze geraakte gauw binnen de ruchtige stad. Ze zou zich haasten om +nog den vroegsten trein te treffen en dan vóor Sebastiaan thuis te zijn.</p> + +<p>In haar hoofd kruisten, ondereen in woelige wanorde, hare nieuwe +gedachten. Ze beredeneerde haar minste gewaarwording en wist endelijk, +buiten alle angstigheid of driften, een uitlegging te vinden voor elk +gevoel. Johannes was vertrokken, en zijn vrouw, zijn kind waren +vertrokken. Ze zou ze nievers onverwachts ontmoeten en ze kon nu stille, +zonder stoornisse, de zoete vergetelheid laten zinken over alles. Wat +baatte het verder te treuren? Alles was goed. Kwam niet, na zooveel +ongeluk, de heilzame vrede in Romaan's huisgezin weer? Wiezeken was +dood. Wat baatte het verder te treuren? Daar zou een nieuw kind komen. +Johannes was weg. Daar zou een versche genegenheid haar herte van alle +wanhoop verwijderd houden. Zij moest meehelpen, meebouwen hare toekomst +en niet machteloos wegzakken in 't onveranderlijk verleden. Sebastiaan +was braaf en edelmoedig. Hij zou haar omringen met zijne gewillige +dienstveerdigheid. En de heerd zou warm worden. Ze glimlachte en +peinsde:</p> + +<p>—Wat ben ik dwaas!</p> + +<p>Ze besloot hare zwakheid te overwinnen en hare oogen voorgoed van hare +herinneringen af te wenden. Ze zou zich met koppigheid losrukken en +niets meer betreuren, wat toch niet te verbeteren viel.</p> + +<p>—'t Wordt eene onuitstaanbare dwingelandij! Ja, zekerlijk. Ze zou dien +last afwerpen van hare schouders en aandachtig alles schikken voor 't +nieuwe leven, dat aanving. Ze moest alle dingen bekijken langs den +voordeeligen kant en niet gedurig de afwezigheid beweenen van wat ze +eens, toevallig en buiten recht, bezeten had. Ze moest Sebastiaan leeren +kennen. Ze kende hem niet: hij was haar onverdraagbaar geweest, omdat +hij Johannes niet was. Nu echter zou ze hem van dichtebij beschouwen en +zijne schoone deugden bewonderen. En hij had haar lief. Hij zou haar +vele doen vergeven, dat hij niet laten kon. Te gare zouden ze endelijk +brave geneuchten beleven en hun huizeken voelen teenemaal lauw worden +van eender geluk. Saam zouden ze Romaan bezoeken, en Romaan zou met +Madeleen ook bezoek brengen. En later zou ze aan haar broer teruggeven, +wat moeder hem ontnomen had....</p> + +<p>—Moeder geeft 't hem misschien vanzelf.... Ja, zekerlijk. En vader zou +insgelijks inniger een figuur worden in haar leven. Ze beloofde, met een +zacht medelijden, dat ze hem het wonder elektrisch tuig zou aankoopen, +waar hij met zoo sterk een begeerte van gesproken had. Den ouden Rik +moest ze tevens genegen zijn. Ze zou hem zijn zotte grillen laten +bewaren en al eens heimelijk een blinkenden knop in zijn bereik gooien. +Ze zou hem niet naloeren, als hij 's nachts zijn povere rijkdommen ging +bewonderen en bepootelen. Hij zou gerust sterven, zonder gestoord te +worden.</p> + +<p>—We doen wij allemaal dwaas, en we moeten genadig zijn....</p> + +<p>Ja, zekerlijk. En ze zou ook moeder onvoorwaardelijk involgen.</p> + +<p>Ze voelde dat tegenover moeder haar grootste ongelijk was. Ze had moeder +verraden en ze moest in de toekomst alles boetveerdig weer goed maken. +Ze zou moeder gehoorzaam zijn en maar doen wat ze soms zoo wild +verlangde. 't Zou altemets lastig zijn, dat stekelig cijferen en hoekig +handelen met geld. Maar moeder zou 't op een ende zelf opgeven. 't En +was niet meer dan een tijdelijke grilligheid, en later zou ze ook de +vlakke vrede benaderen, met Sebastiaan en Romaan, altegare onder de +zoetige lampe.</p> + +<p>Goedele liep even nog een pasteibakkerij binnen en bestelde met de +gauwte een potje chocolade en een rhumkoekje. Het was in leutige +opgeruimdheid dat ze hier was ingedreveld, en ze zette zich neer, met +kinderlijke gretigheid wachtend. Ze at gulzig en de reuk van den drank +speelde aangenaam in haren kop. Ze had zich, peinsde ze, zonder +weerkomste uit het leelijk verleden geworsteld. Ze jubelde binnenzijds.</p> + +<p>—Wat ben ik blij!</p> + +<p>Al kriebelde nog ievers een bijzondere angstigheid ... Want een gevaar +kon opdoemen binst de dagen, die over haar versche leven varen moesten. +Ze had een vagen schrik, zonder dees onzeker gevoel te kunnen uitleggen. +En toch, algelijk, ze had vertrouwen en ze slurpte met plezierige +slokjes de welriekende chocolade op. De oude dame, die ze op den trein +gezien had, tort den winkel binnen. Goedele had een dwazen afkeer en +werd onpasselijk precies. De rhum wipte opwaarts in haren neus, en het +docht haar dat hier subiet 't geluchte bevangen werd.</p> + +<p>Ze stond recht en wilde heengaan. Maar eene loome zwakte verlamde hare +beenen en ze wankte, tewege voorover neer te storten. Ze geraakte buiten +en de volle lucht verkwikte haar niet. 't Was alsof de lauwe geur der +pasteien standvastig ommewolkte en misselijke walmen opjoeg uit hare +maag. De menschen, die voorbijgingen, grauwden te saam weg tot +schuivende nevelen en bijwijlen flitste, daar te midden door, de groene +verven van een tramwagen. De lanteerens werden aangestoken en ook uit de +ruiten der winkels viel een geel-rood licht, dat met de blauwe klaarte +der hemelen te strijden begon. Alles klaterde ineen en streepte te lore +met den gang van het woelende volk. Ze wist niet wat haar overviel. Ze +was lijk verslagen en een onzeglijke foltering snoerde haar kele vaste. +Ze stamelde:</p> + +<p>—O God! Hó-ó-ó!...</p> + +<p>Ze kwam onder de boomen van een square en moest zich haasten om een bank +te bereiken. Ze zakte thoope en hare knieën bibberden, rijzekens +kluppelend tegen mekaar. Ze voelde dat ze uitermatig bleek was: haar +gezichte was hevig gespannen en iets smertelijks duwde de hoeken van +haren mond neerwaarts. Hare gedachten strengelden dooreen en haar hoofd +ronkte lijk een leege kasse....</p> + +<p>Nu voelde ze meteen de bepaalde pijn.... Ze bukte zich om haar leed weg +te wringen en joepte dan gejaagd op. Hare oogen blikten verwilderd rond +en hinkend drilde ze vooruit, dronken van overgroot verdriet. Ze beukte +tegen de menschen en, zonder ommezien, zwengelde verder door. Op de +brugge, vóor 't zacht-klotsende water, bleef ze staan. Ze lei hare +handen nevenseen op de ijzeren leuning en tuurde zinneloos naar den +glinster-grauwen vloed. Wat was dat daar diepe en zoete! Ze voelde zich +meegetrokken, gelokt door de streelende vrede, die hier beneden lag. +Ze krampte zich aan de leuning vaste. Ze knikte, alsof ze den roep van +verre wenken beantwoordde, en ze hoorde boven 't rumoer van de stad, +de aaiing van een liefelijk geluid:</p> + +<p>—Voort!... voort!... voort!...</p> + +<p>En ze knikte. Wat was dat daar diepe! En boven, langs de straten, wat +een ongeduur en wat een martelie! Haar asem hikte in haar boezem en hare +vingeren begonnen te voelen 't geweld, dat haar lijf boven de balie zou +heffen. Ze prevelde onduidelijke woorden, nadien drijmaal ja zeggend, +mee met het besluit, dat hare hersens bemeesterde.... En voller klonk al +ginds, en dichte, en allentwege, het liefelijk geluid:</p> + +<p>—Voort! voort!</p> + +<p>Maar ze liet plots de leuning los en vluchtte tusschen de veilige muren +der huizen, nu snikkend en stotterend:</p> + +<p>—'k En mag niet! 'k En mag niet!</p> + +<p>Hare tranen rolden onophoudend over haar gelaat, en haar borste schokte +zeerdoende omhooge. Ze zag niets meer. Ze hoorde niets meer. Ze wilde +zich alle oogenblikken laten neervallen. 't Kwam haar dan voor dat de +menschen haar mochten taken, en ze was beschaamd dat men haar taken zou.</p> + +<p>Ze stond meteen vóor 't station.</p> + +<p>Een tijdeken bleef ze nog aarzelen en ze wist geen wil om haar doening +te leiden. Endelijk stapte ze binnen, terwijl ze hare oogen met haar +zakdoek droog wreef. Ze zou niet laf zijn. Ze zou heel simpel lijk +zeggen:</p> + +<p>—Bastiaan, ga weg. Ik ben verdomd.... Ik heb een kind.</p> + +<p>En ze meende daarbij:</p> + +<p>—Hij zal me vermoorden....</p> + +<p>Die gedachte deed haar deugd.</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<p>XVI.</p> + + +<p>Als ze thuis kwam, vertelde haar Justa dat Ursule in den valavond zieker +was geworden en aldoor maar vroeg waar hare dochter was. Goedele +herkende 't huis niet meer; al de kleuren hier waren haar vreemd en 't +was alsof ze voor 't eerst deze zaal zag, en deze stoelen, en deze +tafel. Gedreven door 't geweld van haar eenzijdig besluit, wilde ze +seffens Sebastiaan zien.</p> + +<p>—Waar is Sebastiaan?</p> + +<p>—Hij komt pas na den eten, juffrouw.</p> + +<p>—Ha, zoo ... na den eten....</p> + +<p>Ze wist niet of ze straks nog moed zou hebben. Ze wilde aan Sebastiaan +alleen bekentenisse doen, en 't was nu spijtig dat ze voor hem +aangekomen was. Sebastiaan moest de eerste het ongeluk vernemen.</p> + +<p>Trage tort ze de trap op en duwde de deur open van moeders slaapkamer. +Ze keek niet zijwaarts. Ze merkte niet hoe plotseling Ursule zich +overend oprechte uit de bleeke sargiën. Ze stapte naar den hoogen +spiegel, en deed haar hoed af, en schikte peuterig, zonder aandacht, +heur haar. Ursule stamelde:</p> + +<p>—Maar wat zijt ge van zin?</p> + +<p>Ze keerde zich omme en knikte, naderhand zich bekommerend:</p> + +<p>—Hebt ge meer zeer, moeder?</p> + +<p>—Ja wel, in mijn beenen.... Kom hier!</p> + +<p>—Ik kom.</p> + +<p>Ze naderde. Ze lei hare hand op het kussen en Ursule vatte die subiet, +koortsig vragend wat er met de beurze gebeurd was.</p> + +<p>—Met de beurze?</p> + +<p>—Ja.... Ik hadde u niets moeten meegeven—of een kleinigheid. Heb ik u +waarachtig al dat schoone geld meegegeven?... Och Heere! ik weet niet +goed meer. Wat gaf ik u mee?</p> + +<p>Goedele herinnerde zich maar halvelings en ze fronste hare wenkbrauwen, +zoekend in haren geest. Op een ende viel ze uit:</p> + +<p>—Ha! de verlakte stove!</p> + +<p>—Watte? Ik gaf u twalefhonderd....</p> + +<p>—Zekerlijk. 'k Herinner me nu. Ze waren in een fluweelen beurzeken. +Weet ge niet of Sebastiaan nog lange zal wegblijven?</p> + +<p>—Twalef honderd.... Wat brengt ge terug?</p> + +<p>—Maar, moeder....</p> + +<p>—Wat hebt ge gekocht?</p> + +<p>—Wacht even.... Ik heb gezeid: Dàt is voor de verlakte stove.</p> + +<p>—Ge wordt krankzinnig! Wat bleef er over?</p> + +<p>—Niets.</p> + +<p>Ursule viel in de witte lakens weg en sloot hare oogen. Ze hief hare +handen op en deed, heel droeve, teeken dat niemand meer naderen zou. +Terzelfdertijd roerde een snik in hare keel en voor de eerste maal zag +Goedele een traan van innig lijden tusschen hare beloken wimpers te +voorschijn dringen, stralend opzwellen en wegrollen over hare slapen. +Moeder weende. Goedele fluisterde:</p> + +<p>—Moeder weent....</p> + +<p>Het maakte een zonderlingen indruk op haar en ze verwijlde met vage +gepeinzen om het zeldzaam geval, terwijl ze heenging en in de eetplaats +stapte. Ze zei 't aan vader, die reeds bij de tafel heel rustig zat, +blij omdat Ursule hem niet beloeren zou onder 't eten. Ze klopte op +zijnen schouder en fluisterde:</p> + +<p>—Moeder weent....</p> + +<p>Ze wees met haren vinger naar de zoldering. Hij keek verwonderd op en +merkte de matte bleekte van haar gezicht, de blauwe holten onder hare +oogen. Hij wist niet wat te zeggen, en hij voelde nu heel sterkelijk dat +zijne dochter leed. Hij stond rechte en vatte hare armen, en over zijn +bolle gelaat grijnsde een bange onrust. Hij blikte strak en benauwd in +haar wezen en vroeg:</p> + +<p>—Wat is er, mijn kind?... Wat gebeurt er, mijn kind?... mijn kind?</p> + +<p>Hij werd zoo innig gewaar dat het zijn kind was, en bibberde van binnen, +aldoor zeggend het woord, dat zoo helder opklaarde in gansch zijn +vleesch.</p> + +<p>—Mijn zoete kind....</p> + +<p>Hij streelde haar en dwong haar neer te zitten, nevens hem, en gedurig +vroeg hij wat er scheelde. Goedele liet hem gewillig begaan en +geleidelijk kwam een zware melancholie over haar. Ze meende, al omdoende +haren vader met een liefderijken blik:</p> + +<p>—Ik heb u miskend!</p> + +<p>Dàt was de waarheid, 't werd haar nu duidelijk. Het docht haar dat ze +hem te lieven begon op dees oogenblik—en dat op dees oogenblik ze hem +verlaten moest. Ze staarde naderhand een pooze naar de vlamme van de +lampe, waarlangs een lichtgierig pepelken rond en omme vleugelde. En ze +sprak droomend, langzaam haar zinnen drijvend op gelijke tonen:</p> + +<p>—Het ware zoo zoete geweest—een huis met een spelend vuur, àl muren en +àl kamerkens, en daarover een veilig groot dak! Ik zou er allentwege +gemakkelijke stoelen geplaatst hebben, kussekens en donzige leuningen, +opdat niemand zich bezeeren mocht. Het zou een woonste zijn van eerbied +en genegenheid. Niets zou er storen de goesting van Sebastiaan, noch de +goesting van vader en moeder....</p> + +<p>Albien beluisterde haar en seffens was hij weer vol begeesterend +geneuchte. En hij liet zijne oogen opflikkeren van leute en knikte:</p> + +<p>—Dát zal een geluk zijn!</p> + +<p>Goedele lachte treurig:</p> + +<p>—Ja, een geluk en een vrede. Ik had het zóo gepeinsd en zóo was nog +mijn eenig verlangen. Ik deed het niet voor mij, maar het zou mijn +wroeging stillen. Zie! Samen zouden we spelen, en dat elektrisch ding +... al wat u begeerlijk is, 't zou 't onze zijn. Daar zijn zoo schoone +dingen in de wereld, vader!</p> + +<p>—Zekerlijk, zekerlijk.</p> + +<p>—Onze tuin is zoo schoon ... en al wat er te bloeien staat en te +fleuren ... en dat pepelken daar, pover dierken zoo wonderlijk ... +'t bijst om ons klaarte....</p> + +<p>Albien stak ook zijn hoofd ernaar en hij vond 't ook heerlijk, en zijne +kinderlijke rustigheid herkwam. Goedele sprak stiller:</p> + +<p>—Zóo zou ons leven geweest zijn, allemaal in minzame eendracht vereend, +al onze handen te gare, en we zouden alles mooi vinden rond ons.... +Ik had het zoo gedroomd, na de ervaring, die 'k beleden had.</p> + +<p>—We zullen 't zóo doen....</p> + +<p>—Doen! Doen! Ik heb gerekend zonder het noodlot. Ik heb gedacht dat +alles ophield—als ik ophield. Maar 't Kwade Bedrijf loopt door, loopt +verder. Ik kan 't niet meer tegenhouden, ikke, die de oorzake ben. Ik +val nu ook, getaakt door 't gevoelloos geweld, sterker dan ik, waaruit +het geboren werd.... Wat kijkt ge me zonderling aan, vader?</p> + +<p>—Ik weet niet.... ik weet niet goed....</p> + +<p>—Geef me een zoen.</p> + +<p>Hij naderde haar en nam haar hoofd in alle bei zijne armen en kuste haar +op hare wangen. Hij begreep niet wat gebeurende was, hij werd alleen +gewaar de voorbereiding van een ongewone daad, en het deed hem deugd dat +hij zijne verlegenheid wegduiken kon in eene warme omhelzing. Goedele's +haar kriebelde om zijnen neuze en zijne wimpers werden nat. Hij zei +terwijl hij weer neerzat onder 't lampelicht en zijn traan wegpinkte, +lachend, verlegen:</p> + +<p>—'t Is van de jeukte....</p> + +<p>Ze lachte mee en ze vroeg nadien, of hij zijn schoon huisje nog eens +wilde uithalen en de popjes doen dansen. Hare stemme beefde:</p> + +<p>—Om mij plezier te doen.</p> + +<p>Hij liep seffens in de voorkamer en kwam met de dooze terug. Hij +scharrelde de tellooren aan kant, spreidde het ammelaken profijtelijk +open, en bracht zijn wonder speelgoed te voorschijn. Zijne oogen +fonkelden van vreugde en fierheid. Zijne vingeren waren koortsig te +werke, ijverig in overgedienstigheid, en zijn tonge puntelde eventjes +in 't hoekje van zijn mond.</p> + +<p>Het Zwitsersch huizeken stond daar met zijn blauwe dak en zijn groene +luiken, zijn sierlijk portaal en de popjes. Hij stak den sleutel in de +mekaniek en draaide het ratelend tuig op tot de kleine klokke +binnenzijds klonk.</p> + +<p>—Ha! zei hij.</p> + +<p>Hij leunde achterover om goed 't effekt van het schouwspel op te nemen +in zijn aandachtigen kop, en het spektakel ving aan. Het wijveken +schokte eerst omhooge en seffens daarna joepte ook het manneken los. +De beiaard tikkelde met zijn luttel gespeel van bellen, en de stijve +dans begon.</p> + +<p>—Hoe schoone!</p> + +<p>—Hoe ... schoone!... zuchtte Goedele.</p> + +<p>Ze zat in de halve donkerte, achter Albien, en ze beloerde hem. Haar +gemoed kwam vol en ze zou weer stille aan het weenen vallen, aldoor +kijkend naar haar vader. Hij jubelde van blijdschap.</p> + +<p>—Dat zijn dingen! Dat zijn dingen! Hoe maken ze 't? Hoe komen ze aan +'t idee?</p> + +<p>En de beiaard rinkelde zoo aangenaam, lijk dropkens in een welluidend +water—en de popjes huppelden snokkig en op mate—en heel die doening +was zoo djentelijk....</p> + +<p>—Hoe brengen ze 't aan mekaar?</p> + +<p>Goedele voelde gestadig de heete groevekens van hare tranen en staarde +met wijd-open oogen naar hem, die daar te leuteren zat, zonder +kommernisse, zonder zicht op 't huiselijk ongeluk. Een hopelooze smert +wrong haar herte thoope, en ze deed haar eigen zeer om stille te +blijven, stille bij vaders jubelend plezier.</p> + +<p>Zoo stille bleef ze. Als de pijn haar asem forsig wegstiet door haar +kele, versmachtte ze het eendelijk geluid onder de helle klatering van +een hikkend lachen. Dan was vader uitermatelijk voldaan. Hij wipte op +zijn stoel, een prettig gezichte zettend:</p> + +<p>—Ai! 't valt dood!</p> + +<p>De klokskens klepten tegare uit op een grondelijk akkoord en dan was er +een groote stilte. Rijzekens flodderde hoorbaar in 't geluchte het +werkzaam gedoe van het zotte pepelken.</p> + +<p>Sebastiaan stond wachtend in het deurgat en vroeg oolijk, een ongewonen +klank leggend hier, waar 't zoo innig trilde van gezelligheid:</p> + +<p>—Mag ik nu binnen?</p> + +<p>Goedele schrok en rechtte zich. 't Kwam her klaar en sterk in hare +hersens dat ze tegenwoordig handelen moest. Ze ging op hem af, en hij +reikte zijne hand naar heur. Ze schudde haar hoofd en deed teeken dat +hij haar volgen zou. Ze stapte stokkestijf. Hare knieën plooiden haast +niet en hard klopten hare hielen tegen den vloer. Ze sprak niet. Haar +hals lengde zich paalrechte boven hare schouders. Hare armen hingen +roerloos langs haar lijf, dat matelijk voorwaarts schoof.</p> + +<p>Sebastiaan zag haar zwijgend over den drempel terten, bijkans zijn veste +raken en voorbijgaan, zonder een blik. Hij volgde haar. Hij begreep dat +ze hem over ernstige zaken te spreken had. Hij gooide zijn hoed op een +stoel en volgde haar. Hij had een wrevelig gevoel. Goedele's breede +rugge, zonder een buiging voortschokkend, werd hem lijk de +ondoordringbare effenheid van een gevaarlijk geheim.</p> + +<p>Ze stegen langs de trap en, moeders kamer voorbijgaande, fluisterde +Goedele:</p> + +<p>—Zoetekens....</p> + +<p>Ze bereikte hare eigen kamer, stak algauw 't licht aan, bad met een +korten wenk dat hij zou binnen komen en wees hem een stoel. De klaarte +pletste tallenkante rond en, langs de spleet van de deure, viel in een +lange strepe over den drempel op den donkeren vloer van den gang.</p> + +<p>Ze zetten zich neer. Ze waren precies verlegen en 't was alsof ze meteen +wijd verwijderd waren van malkander, beschaamd voor hun samenzijn. +Sebastiaan ried dat geen luttele woorden in deze schrikkelijke stilte +zouden vallen, en hij dierf niet zeggen:</p> + +<p>—Wat is er? Wat maakt u zoo bleek en lijdelijk?</p> + +<p>Hij merkte dat ze bleek en lijdelijk was, maar hij was halvelings bang +voor de reden. Hij wilde de nadering van die reden niet verhaasten, +omdat zijn benauwd gemoed er al de pijnlijke gevolgen van vreesde. Heel +vaag zag hij entwaar de schaduw van een ongeluk. Hij zweeg. Zijn magere +handen lei hij op het tafelberd en hij wachtte zoo.</p> + +<p>—Bastiaan, zei Goedele, Bastiaan, ik had u al lange moeten bekennen ... +al lange, daar niets te bergen is en alle kwaad in voortdurige werking +doorwoelt ... al lange, ja, bekennen, bekennen....</p> + +<p>Ze had besloten heel simpellijk bekentenisse doen; ze kon echter niet. +Ze had den moed niet daartoe: zoo onwetend en buiten alle leelijke +verdenkingen zat daar Sebastiaan, en zijn gelaat had seffens zoo angstig +een uitdrukking, dat ze een brutale uitlegging niet te boven kon. Ze +wilde schipperen en toch tot een eigen direkte beschuldiging en geraakte +ze niet. Ze zweeg een oogenblik. De woorden wisten niet tot eene +oprechte verklaring saam te smelten. Ze werd dan heel klein en laf. Het +speet haar dat ze nog hier levend was, dat ze niet de aanlokking van het +glinsterende water beantwoord had, ginder, ginder.... Alles ware nu +volbracht: men hadde 't een ongeval genoemd. Ze stamelde, week wordend:</p> + +<p>—Och Heere! hoe moet ik dat uitbrengen!...</p> + +<p>Ze wilde wegloopen, de velden over, tot ze neerstorten zou, in +doodelijke alleenigheid, den veiligen dood nabij. Ze hervatte zich met +groote moeite en bedwong hare zwakheid. Ze smeet hare zoekende gezegden +ondereen, soms gebroken door ongelijk gehijg:</p> + +<p>—Laat me zeggen.... Ik heb u hier ontvangen, ik heb al gedaan wat in +mijn machte was om u toe te lachen, om u genegen te zijn en uwe liefde +niet van mij af te wijzen.... Helaas! ik was uwe liefde niet weerdig. +Ik had een verdorven ziel en mijne zinnen verlangden de woeste streeling +van zondigen minnehandel.... Schrik niet! Maak me niet benauwd. Ik ben +schuldig, maar medelijden heb ik noodig.... Ik heb u ontvangen, en +bedrogen heb ik u naderhand!</p> + +<p>Hij stond recht, heel bleek, en vroeg:</p> + +<p>—Wilt ge openhertig spreken?</p> + +<p>Maar ze zocht uitvluchtsels om hem de waarheid minder hard te maken:</p> + +<p>—Ge moogt me niet stooten en bezeeren. Ik wil tot het ende alles +zeggen. Ik wil dat ge van zelf, doch zonder haat, weggaat van hier.</p> + +<p>—Ik begrijp u niet.</p> + +<p>—Peins dan niet meer op mij. Ik heb u nooit geerne gezien, en Bella +alleen ziet u geerne ... ja, Bella, het arme kind.... Waarom moest ik u +mij onttrekken en u verwijderen van haar? Ik was laf. Bekijk me zoo +droef niet. Zeg niets. Laat mij doorzeggen. Zeg niets, Sebastiaan....</p> + +<p>Ze deed een trage gebaar met hare hand, precies om hem zachte af te +weren, en sloot hare oogen. Nu was 't haar meer duidelijk geworden en ze +kon in de donkerte beter hare gedachten nagaan. Haar stemme daalde:</p> + +<p>—Ik heb gedurende weken en weken durven spreken met u, durven antwoord +geven op uwe woorden van liefde. Ik heb zwijgend en misdadig uwe +genegenheid gevoed. Ik heb zwijgend uwe droomen spijze gegeven. Dat heb +ik zwijgend gedaan. De blik, dien ik u toewierp, was schijnbaar rein.... +Rein! Rein! O kon ik nu verzinken!</p> + +<p>Ze opende fluks hare oogen, boog zich en joeg seffens gichtig hare +woorden achter mekaar:</p> + +<p>—Luister. Ik heb Sebastiaan beleedigd. Ik heb gespot met Sebastiaan. +'s Avonds zat ik schuchter nevens u, en over dag lag ik in andermans armen!</p> + +<p>—Goedele!</p> + +<p>Ze viel neer op haren stoel en bracht hare handen over haar wezen. Een +zware stilte hing in de kamer en de vlamme kraakte daarin heel gewichtig +op, boven de lampe.</p> + +<p>—Goedele!</p> + +<p>Hij kon de zwijgende stonde met zijn heeschen kreet niet overwinnen. Een +ongenadige zwaarte woog op zijne borst en hij voelde zijn longen eronder +vernauwen. Hij snakte naar zijn asem. Toorn en smert scheurden zijne +hersens vaneen en hij wist geen daad aan te vangen: een straffe of een +afkeer.... Hij wilde dan verder weten.</p> + +<p>'t Schorde in zijn keel:</p> + +<p>—Met wien?... Zeg me met wien?...</p> + +<p>Ze antwoordde niet. Het licht begon te schemeren vóor zijne oogen, +te waggelen ommentweer en donkere wolken rolden opwaarts uit purperen +kuilen. Hij deed een stap, en vatte woest haren arm, en smeet haar +geweldig tegen het tafel berd. Zijn mond viel in een grijns open om +'t leelijke woord neer te spuwen, dat brandde op zijn tonge.</p> + +<p>Ze keek heel zoet op naar hem. Ze had een blik vol dankbaarheid. Ze +wachtte gedwee de slagen van zijne gramschap. Dan week hij tot tegen den +muur, rukte zijn halsboordje los en hijgde vrijer. Hij stond moedeloos, +verplet, verloren. Hij vroeg:</p> + +<p>—Is 't waar?</p> + +<p>Ze knikte en hij liet zijn kinne neerstooten op zijn borst. Hij draaide +zich kantewaarts naar de deur en tort trage erheen. Hij zei en de klank +van zijn woord was onherkennelijk geworden:</p> + +<p>—Vaar-wel....</p> + +<p>Ze vermocht uit haar gansche macht niet hem antwoord te geven. Hare +lippen werden wit en mat. Ze lispelde onhoorbaar:</p> + +<p>—Vaar-wel....</p> + +<p>Hij hoorde 't algelijk, en zijn bloed deed een schrikkelijken ommezwaai +door zijne leden. Hij reikte zijne hand naar de koperen klinke en +grabbelde ernaar. Eene koude rilling kroop over zijn rugge en zijne +beenen zakten tegeneen. Hij kon niet weg. Hij kwam terug en viel +snikkend aan hare voeten. Hij prangde haar vast en bad:</p> + +<p>—Jaag me niet hieruit, jaag me niet buiten u!... Niet waar? Het zijn +kwalijke verzinsels.... Ge overdrijft immers! Ge zijt niet slecht! +Ge zijt schoon, ge zijt schoon!</p> + +<p>Ze weerde zich zachte los en had een hopeloos gebaar. Zou ze alles +móeten zeggen en haar ten geheele bloot werpen aan zijnen afkeer? +Hij smeekte:</p> + +<p>—Ik geloof u niet! Maak me niet zinneloos, Goedele! Zeg me dat ge weer +braaf zijt. Hebt ge geleden? Alles zal ik u doen vergeten. Daar is tegen +ons geen weerstand, die we niet breken zullen. Ik zie u geerne. Ik zal u +altijd geerne, geerne zien....</p> + +<p>Ze hief zich uit gansch hare lengte op en fronste hare wenkbrauwen. Ze +zou spreken. Ze zou den laatsten slag hem toebrengen en zonder deernisse +slaan. Ze voelde dat ze 't alaam geworden was van het noodlot. Ze zei:</p> + +<p>—Ik mag niet.... Ge moet weg, weg ... weg.... Ik ben bezoedeld.... +Ik,—ikke.—</p> + +<p>Hare oogen bleven plots wijdopen en verwilderd staren naar de deur, en +haar kinne begon subiet te beven, zodat hare tanden klopten over mekaar: +op den drempel stond Ursule. Ursule, als eene doode zoo bleek, stak hare +armen vooruit. Haar witte nachtrok plooide in rechte vouwen omlage en ze +was aldus grooter, vreeslijker dan ooit. Vierkantig spookte boven hare +breede schouders haar schrikkelijk aangezicht. Ze riep:</p> + +<p>—Hee-la!</p> + +<p>Ze naderde, en dof dreunde elke stap op het vloertapijt. Ze leunde tegen +den muur, vatte overhand de stoelen en geraakte tot aan de tafel. Ze rok +haren groven hals uit naar heur kind, en een bovenmatelijke haat omdeed +haar ganschelijk. Ze reikte stuipachtig hare handen en vingerde koortsig +in de leegte, reutelend:</p> + +<p>—Hier! Hier, prije—en zwijgen!</p> + +<p>Ze bekeek vluggelings Sebastiaan en riep hem:</p> + +<p>—Ze liegt!</p> + +<p>En weer scharrelde ze voorwaarts, grijpend naar Goedele, te wege neer te +stuiken over haar. Ze kreet:</p> + +<p>—Zwijg!... Há-á-á! ik zal u leeren, ik zal u beteren, ik zal uw tonge +wegduwen in uw rompe....</p> + +<p>Ze zag dat Goedele week en geweld deed om te spreken; gedurig tastte ze +gretig ernaar om haar vaste te pakken en te temmen. Ze was buiten zinnen +en sleurde haar lamme beenen of stekte ze stokkestijf naar voren. En +niets zou haar tegenhouden: ze wilde haar dochter de kele toenijpen om +haar het spreken te beletten, en driftig, kwaad om hare eigen +traagzaamheid, volgde ze dien wil.</p> + +<p>Als Goedele tegen de kasse aanstiet en niet verder meer wijken kon, brak +meteen haar benauwde angst. Tegenover moeder en tegenover Sebastiaan, ze +móest spreken en ze zou. Ze hakkelde:</p> + +<p>—Laat me....</p> + +<p>Ze drong thoope, veerdig voor alle straf, stiet haar hoofd achterover en +zei:</p> + +<p>—Ik ben zwanger.</p> + +<p>Ze zag het lijf van Sebastiaan pijnlijk opschokken en het witte kleed +van moeder een grooten armzwaai uitbreiden in 't geluchte. Zonder een +woord, met een luidelijken slag, stortte Ursule neer op den vloer.</p> + +<p>Albien stiet de deur open, kwam binnen gelopen en begon seffens te +huilen. Goedele dacht niets, voelde niet en stond halstarrig te +bibberen. De lampe had een eendelijk licht, het licht dat bijwijlen +'s winters uit de mane zijgt. Tenden den donkeren gang beloerde Rik de +booze gebeurtenis en vulde, oolijk glimlachend, zijn pijpe.</p> + +<p>Ursule was dood.</p> + +<p>'T ENDE</p> + + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of Project Gutenberg's 't Bedrijf van den kwade, by Herman Teirlinck + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK 'T BEDRIJF VAN DEN KWADE *** + +***** This file should be named 17537-h.htm or 17537-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/7/5/3/17537/ + +Produced by Marc D'Hooghe, marcdh@pandora.be + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/17537.txt b/17537.txt new file mode 100644 index 0000000..c9db486 --- /dev/null +++ b/17537.txt @@ -0,0 +1,9661 @@ +The Project Gutenberg EBook of 't Bedrijf van den kwade, by Herman Teirlinck + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: 't Bedrijf van den kwade + +Author: Herman Teirlinck + +Release Date: January 23, 2006 [EBook #17537] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK 'T BEDRIJF VAN DEN KWADE *** + + + + +Produced by Marc D'Hooghe + + + + +HERMAN TEIRLINCK'S + +'T BEDRIJF VAN DEN KWADE + +1904 + + + + * * * * * + + + +I. + + +'t Loof kleurde om de kruin der boomen, die achterwaarts stonden, statig +en hooge, in den diepen hof; en 't lager plantsoen van 's gelijken +verfde bij plaatsen, onder 't komend gewaai van den herfst, zijn +bladeren geel of rossig, of rood lijk kastanjeslutsen, of klaar lijk een +licht daar ievers. + +Goedele keek precies ernaar, door 't venster, en hoe de avond eromme al +donkerend viel, keek ze, en hoe stilaan dieper de holten werden der +wegdeinende dreven--en hoe eene waarachtige droefenisse uit den hemel +zeeg. Ze leunde tegen 't raam. Ze tokkelde met hare vingeren zoetekens +tegen de ruiten, zonder weten, op eenmatige wijs, en ging mee, al wijder +en wijder, met hare verre gedachten. Altemets stortte een streuvelende +wind in den lochting, en een park dahlia's neigden te zaam en rechtten +zich en bijsden tenden hunne stengels nog een tijdeken. Hij asemde +naderhand in 't rotelend geboomte en bleef er luidelijk hijgen en was +seffens voorbij, met een schok--en waar zoefde hij ginds? Goedele voelde +bij zijn sterke doening, heel de moedeloosheid van het najaar. 't Was +haar of de tijd, in zijn haastige vleugeling, nu tastbaar werd, binst +zijn vlucht naar de toekomst, aldoor stichtend 't verleden dat droevig +was. Ze wendde haar hoofd zijwaarts op naar 't horloge, onbewust. +Ze glimlachte even, omdat ze dees uur zoo tsieperig, zoo klein en +niets-beduidend vond, en die gulden plate ook, met zijn verwaande +orneering, zijn praatziek getjok, zijn vies-kruipende wijzers--zoo +onmachtig, zoo kinderlijk, een onnoozel speelgoed. Buiten in 't vrije +geluchte stormde de wind, en Goedele taakte er de eeuwigheid.... + +Ze ging dan de breede tafel rond en luisterde binstdien met ongevraagde +aandacht naar den slag van haar zij-ruischende kleeren het tapijtsel +langsheen. Ze zette zich neer voor 't klavier en wroetelde er onachtzaam +in een muziekboek, en werd daarna gewaar dat ze dees alles beu was en +dat heur 't vervelend pianogetamp zeer zou doen. Ze werd ongedurig; ze +wist niets, dat groot genoeg was om mee te klinken met die stijgende +golvingen in haar. Ze wilde niet spelen. Ze zou 't nietig achten, al wat +ze spelen mocht. Het herfsteweer alleen was machtig genoeg. + +Ze hoorde rijzekens de korte stem van hare moeder, die weer wat te +gebieden had aan vader of grootvader of de meid. Ze stond rechte en +rustte tegen 't schouwblad en tuurde met roerlooze blikken naar een +hoogen chrysanthementuil, die daar monsterachtig was, midden de tafel, +in zijn laag-zittenden pot, met al die uitermatige kronen, valsch-wit en +valsch-levend en klaterend van kostelijkheid. Ze verwonderde zich nog +dat heur dees grof gedoe was opgezonden door Sebastiaan, haren +verloofde. + +--Hij heeft dees van verre besteld, meende zij. + +Sebastiaan Vrebos was sinds veertien dagen naar Weenen vertrokken om er +in de Albertina enkele teekeningen van Hieronymus Bos en een paar +tafereelen van een ouden Brueghel te bezien. Van avond zou hij terug +zijn. Sebastiaan was een jong archivaris, onlangs benoemd in de +Koninklijke Bibliotheek, een heel lange en magere vent, liefelijk van +uitzicht, met te groote engelblauwe oogen in een bleek gelaat, sierlijk +omlokt met mat-blonde haren. Hij had langzame gebaren en deed al +sprekend profijtelijk hergaan zijne witte vingeren en was aldoor +verzonken in biddende houdingen. Goedele peinsde dat hij uitermatig +vroom was. Hij was goed. Hij zei nooit een woord, dat sterk klonk of +kwetsen mocht. Hij sprak nooit met drift, en werd nauwelijks een endeken +van begeestering warm als hij 't over de oude Vlaamsche fantasten had, +bijzonderlijk over Bos en Brueghel. Hij vond dan wel een gloeiend +gezegde, maar meerendeels een stil-pieuse daarbij. Goedele had hem voor +'t eerst bij mevrouw De Vleeschhouwer ontmoet, nu haast een jaar +geleden. Hij had haar dadelijk met liefelijke gedienstigheid omringd, +en, omdat hij zoo zacht was, kon zij hem goed verdragen rond haar. Hij +kwam naderhand hier thuis, op de half-maandelijksche soepee-vergaderingen. +Goedele ging nooit uit. Ze kende alleen de familie De Vleeschhouwer. +Ze vond het wel aardig dat een djentelijke man om haar in deze droevige +woonste komen wou en 't vleide heur aangenaam. Ze kreeg met welbehagen +de stille bekentenis van Sebastiaan en voelde zich gelukkig omdat hij +zegde door haar zoo gelukkig te zijn. Moeder verklaarde dat dees +huwelijk heur aanstond, en mijnheer Vrebos werd met zijne aanvraag goed +ontvangen. Sindsdien geraakte er een beetje verscheidenheid in 't +eenvormige leven der familie Wilder: Sebastiaan kwam wekelijks een +bezoek afleggen en bleef dan soepeeren, en dat alleen was al een +gewichtige verandering; bij tijden werd ook een concert bijgewoond of +een tentoonstelling bezocht; dan moest er in stad gesoepeerd worden--en +ook dat was zeer gewichtig. + +Goedele keek toe naar de chrysanthemen, hoe bombastisch ze daar pronkten +in schitterende ijdelheid, met hunne ommekrullende blaadjes, regelmatig +middenwaarts toegevouwd. En hare gedachten, langs vage wegen, wendden +zich geleidelijk naar de toekomst. Ze probeerde na te gaan, met +waarschijnlijke veronderstellingen, hoe 't zijn zou, als ze dees huis en +vader en moeder en grootvader verlaten zou. Zij en voelde in de verte +geen heimwee, geene aandoening daarom. Ze zou hier uitgaan en zou den +dorpel met haastigheid vergeten. 't Was hier ook zoo leeg, zoo lustloos +en vunzig. Naarmate zij opgegroeid was in sterkte en schoonheid, had zij +zich meer en meer vernepen en bezeerd gevonden, en nu stond zij daar, in +hare volle grootte, een machtige vrouw, gekleineerd en gekwetst door al +wat om haar was en werd. Bij moeder vond ze geen zoetiger toevlucht en +vader was peuterig in zijn dagelijksche manieren; hij en deed maar +bekrompen werken en wist geen doel, en steunde voor gewichtige besluiten +op moeder. Grootvader was hard. Zij vreesde van die drie moeder alleene, +omdat moeder danig struisch was in koppige, strenge besluiten, en korte, +scherpe woorden had. Daarom was heur streelend de brave liefde van +Sebastiaan. Zij en wachtte nooit met koortsig verlangen op hem, noch en +vreesde gejaagd zijn vertrek. Ze liet zich zijn komste welgevallen en +vleide zich een stonde in de lauwte zijner lijze genegenheid. Ze meende +wel dat ze hem liefhad, maar de muren waren hier te eng en te zwaar. +Ze zou met hem trouwen en in 't open geluchte gaan en vrij wezen. Alles +zou nieuw zijn. Ze zou hem liefhebben, omdat hij goed was.... + +Ze boog zich trage over de chrysanthemen en snoof den kouden geur ervan +en voelde even de blaadjes kittelen over hare wangen. Die jeukte maakte +haar ongedurig en, als zij weer in de boomen van den tuin het blazend +gewaai hoorde roefelen, rechtte zij zich plots op, uit gansch hare +lengte, en bleef roerloos kijken, strak voor zich heen, naar een +voorbijvliegend beeld. Op dees oogenblik voelde zij gansch haar vleesch +in eene trilling pijnlijk worden en haar bloed slaan in forsche geuten +naar hare slapen. Vluggelings viel om haar al wat bestond en blijvend +zijn zou, en ze rees, grooter en sterker--en moeder en Sebastiaan en het +huis--'t en raakte noch en deerde haar. Ze wou 't weere voelen zoeven +langs hare wangen, ze wou heur haar los laten vlaggelen en ze wou +luisteren naar 't geklapper van 't krakende geboomte.... + +Seffens neigde haar voorhoofd en ze zocht verlegen naar 't gewone zicht +der dingen, naar die twee visscherstafereelen aan den wand, naar 't +klavier, naar de glazen dresse, met haar menig ruitwerk, zoo drollig van +verve ... en hare oogen steunden erop, alsof zij er fluks naar grabbelen +moest om niet omverre te stuiken. Wanneer ze opnieuw rustig was, tot ze +stille naar 't venster en zonk weg met hare toevallige gedachten, al +over den bonten lochting, een heelen tijd lang. + +--Goedele! + +Mevrouw Wilder stond in 't deurgat. Mevrouw Wilder was groot boven de +mate, grooter nog dan hare dochter, en struisch ook daarenboven, breed +geschouderd en grove gelend. Haar hoofd was lijk in brutalen steen +gebeiteld, zonder nuttelooze kleinigheden--een laag, plat voorhoofd +tusschen vlakke slapen, blauwe oogen in vierkante holten, sterke kaken +en een stevige kin. Ze zag er uit wel een van tenden de vijftig jaren, +maar effen-zwart bleven heur haren, zorgvuldig te midden open, in gladde +vlechten gekamd en bezij hare ooren in een nat, regelmatig krulleken +vastegeleid. Gerimpeld en was zij niet: haar gezichte bleef gedurig +effen en eenvervig, en nooit en speelde er een vouwken of tintelde er +een kleureken in dat toonloos, gelijkvormig gelaat. Haar breede hals, +ten halve bloot boven de korte krage, was een paal van stoere kracht. +Zij boog zelden. Zij stond, keersrechte, in haar zwarte merinoskleed; +zij droeg haar hoofd daar hooge, waar 't blijvend was en rijzekens +roerde. Zij en droeg oorbellen noch armband noch eenig ander sieraad; +haar trouwring was heel smal en in haren zwellenden vinger vergroeid. +Zij was koud. Ze vereenzaamde zich in een killige atmosfeer, die zij +om haar geschapen had en allerwege meesleepte, overal stichtend een +ongewoon ongemak bij de naderende menschen. Maar, in haren witten blik, +lag anderzijds een verre treurnis, een verre klacht over leed, dat niet +te heelen was. Seffens echter wist zij die zwakte met een stalen schicht +te duiken--en seffens herkwam van wijd de droefheid, kalm en zonder +deernisse. Bij tijden zakten hare lippen van weerskanten neerwaarts.... + +Zij sprak nu van het avondmaal, met korte, rustige woorden te reke; zij +wachtte zelden op een antwoord, zij zei meerendeels een gebod of een +uitlegginge, en ontving weinig bevelen van anderen. + +--'t Eten moet klaar worden. + +--De tafel moet ge dekken. + +--Deze bloemen kan men andermaal best met ruste laten. + +Ze ging langzaam bij de tafel en raapte nauwkeurig eenige verslenste +blaadjes op, naderhand nog uit de bloemen zelve geschonden vlekjes +knippend, aandachtig. Ze keek naar 't horloge en merkte, op haar eigen +zakuurwerk, dat de wijzers voorliepen, en kwam die dan trage goed duwen, +met haren duim. + +Goedele zei: + +--Ja, moeder. + +Ze blikte naar Seppie, 't japansche hondje, dat rondtrippelde, om +mevrouw Wilder's rokken, en nu subiet pal bleef en zijn plat snuitje +ophief naar heur en te kwispelen probeerde met zijnen langharigen +steert. Seppie snoof al eens en loerde zijwaarts, tuk op een zoetig +woord van Goedele of een vriendelijk gebaar. Hij kwam dan endelijk toch +aandrillen, ongeroepen en schuchter, en wreef zijn leelijk koppeken +tegen haren voet. + +--Seppie maakt uw schoenen vuil met zijn tonge. + +--Wat zou hij? + +Ze wilde 't beestje vrij praten, en boog zich en streelde 't al +krabbelend achter zijne ooren. Ze zei dat het koes moest blijven en +braaf zijn en schoone manieren hebben, en was dan te wege weg naar de +keuken bij Marie om alles te schikken. Maar mevrouw Wilder gebaarde dat +zij wat wachten moest. + +--Is vader in den lochting? + +--'k Zag hem wandelen tusschen de palm-struiken. + +--Wiezeken is ziek. + +Goedele tort naderbij. Mevrouw Wilder zette zich neer en zuchtte diep, +en hare oogen werden droeve. En ze vroeg: + +--Wist ge dat Wiezeken ziek is? Neen, moeder. + +Ze staarde scherp naar Goedele en hief hare hand een endeken op. Seppie +keek nieuwsgierig toe, zijn tootje scheef draaiend ten teeken dat hij +luisterde. + +--Ze hebben niet ommegezien. Ze zijn samengegaan. Ze hebben hun eigen in +'t verderf gestort. Ze hebben mij miskend en hun eigen in 't verderf +gestort.... + +--U miskend.... + +--Ja. + +Ze stond vluggelings rechte en tort naar heure dochter toe en neigde een +beetje, haren hals uitrekkend om te kunnen fluisteren tusschen hare +tanden: + +--Zult gij ze verontschuldigen?... Zwijg! + +En hare stemme zonk, laag wordend in holle tonen met kapotte +scandeering: + +--Van zijn kindsbeen af heeft hij me danig centen gekost, hij.... Hij +was ziek, of hij kloeg dat hij ziek was. Daar zijn hier dokters geweest +met hoopen en op ons kosten hebben ze hun kwakzalverijen verkocht. Wat +heeft hij al niet gehad aan speelgoed en snuisterijen? Wel! Wel!... En +als hij dan een jongen was die endelijk op zijn pikkels staan kon, wat +heeft hij al niet gehad aan nuttelooze plezierkens? En hij ging ter +schole, en 't kostte allemaal. En hij ging naar de Universiteit ... ge +zult later weten wat het gekost heeft. En al die boeken waaruit hij +leeren leven zou? Wat heeft hij geleerd? Hij was ten langeleste +ingenieur. Ingenieur van wat? waar? wat zou het opbrengen? Wel! Wel! Het +heeft wat opgebracht! 't Is proper alzoo.... En daar zit hij nu, met een +slonse en met een kind. + +Ze zweeg, haren mond toesnappend op het laatste woord, en ze ging bij 't +venster staan en kruiste hare armen over hare borst. Daar viel een bange +stilte in de kamer. Goedele leunde tegen 't klavier en hare vingeren +raakten overhand, bij maniere van onbewust spelen, de bovenrandjes van +een koperen kandeleer. Ze wist dat ze zwijgen moest als moeder van den +verloren broeder sprak, en ze had dergelijke uitvallen ook al zoo +dikwijls gehoord, dat het haar nu niet meer taakte en zij, maar liefst +die overdreven gramschap van zelf koelen of vallen liet. Ze zag echter +wel de diepte van moeder's koppige pijnen en ze vergaf haar gewillig een +slechtdadig woord om wille der oorzake, die toch een blijvende en +zeerdoende wonde was. Ze droeg daarom 't gewichte van deze +ongemakkelijke stilte met verduldigheid en voelde deernisse. Mevrouw +Wilder verliet het venster en ging nog een kanten doekje schoon leggen, +dat gefronst en ommegevouwd lag op 't schouwblad. Ze deed naderhand de +dresse open en toetste even de kristallen wijnbekers en een paar +sineesche potjes, alsof zij dat alles schikken moest. Seppie trippelde +in haren weg en ze fronste wrevelig hare wenkbrauwen, geweld doende om +hem niet buiten de deure te stampen. Een geborduurd kussen en lag, +volgens hare goesting, niet op zijn plaatse in een breeden leunstoel. +Ze moest het eens opslaan en zuiver leggen te midden, en een haarken +wegvingeren, dat er ievers vasthaperde. + +De avond viel daarbinst. Schuinsche klaarten smeten rood uit op het +donkere wandpapier en speelden in aardige tinten langs een paar bronzen +maskers, die daar te grijnzen hingen. In een hoek kwam een straal noesch +leuterlichten over de randen van een bundel pauwpluimen, sierlijk zich +opendoende uit een groene vaas, heel lang en wonderbaar beklaterd met +gele en oranje vlekken. Hooger op, waar 't al diepe duisterde, blonk bij +plekken 't geschitter van oude wapens. Op den schoorsteen stond nog in +'t helle licht het koperen horloge met zijn zonderlinge plate, en, +ernevens, twee hasseltsche potten, grove versierd en zwaar zittend op +hunnen monsterachtigen buik. Onderaan stond de stove. De weggaande dag +kletste tegen de schaterende roeden en ringen en talrijke ornamenten, +en rustte arets in de donkere holten, zorgelijk gepotlood. + +Mevrouw Wilder's lippen vielen in een spijtige plooi neerwaarts, en ze +zei: + +--Wel! Wel! + +Ze sloot de dresse met den sleutel en schoof nog een lade open en haalde +er twee zilveren servetringen uit. Ze zette zich neer daarna en nam +zwijgend Seppie op haren schoot. En Seppie likte en streelde en legde +zijn oorkens, omdat hij 't zoo leutig vond. Hij rondde algauw zijnen +rugge en vleide zich neere en sloeg met zijnen steert en gaf gedurig +vriendelijke stootjes met zijn voorhoofd, en hij was vies en liefelijk +tezelfdertijd. Mevrouw Wilder streek met hare hand over hem tot hij +bedaarde en stille bleef, en dan keek zij op naar Goedele. Toevallig +stieten hare blikken tegen Goedele's mijmerende oogen. Goedele rilde een +luttel stondeken en werd seffens verlegen, en mevrouw Wilder ook en was +op dat oogenblik van geen vasten wil. 't Was of zij meteen allebei +begrepen, allebei tastten hoeverre zij van mekaar verwijderd waren, en +dat zij wellicht nooit in zoete kommunie zouden bijeen komen om liefde +te voelen, hun warm vleesch te samen, hun lauwen asem te samen. 't Was +of ze de groeve voelden, die diep werd en breed werd en vreeslijk werd. +Ook, in een zelfde zicht en in een zelfden weemoed, zagen ze Romaan, den +broeder en den zoon, verworpen uit het huis, waar nu zijne plaats overal +een leegte was--want overal was zijne plaats.... + +Mevrouw Wilder rechtte haastig haar zwaar lijf. Ze werd de kriebeling +gewaar der naderende aandoening en ze had schrik daarvan. Ze vreesde +neer te storten in de zoelte van zwakke emoties en palstaande wilde ze +blijven. Alzeere bedwong zij met een vlugge, scherpe beredeneering de +dwaze kuren van haar moederlijk hert, en hare oogen werden, lijk te +voren, van rustig staal. Ze verliet de kamer, wendde zich halvelings +omme bij de deure en riep op Seppie, die schuchter-drummend aandrevelen +kwam. Ze tort echter na een stonde her binnen en lei hare hand op +Goedele's schouder. En ze zei: + +--Wiezeken is ziek. + +Hare stemme verloor eenigszins de gewone droogte, de scherpe kortheid. +Eene gemoedelijke klankwending wiegde er en brak er de nijpende kilte, +zoodat allengs een zoetigheid boven geraakte en streelend werd. + +--Erg ziek.... + +--Erg ziek? + +--Een ziekte in de kele, en zulke zijn de slimste. + +Ze was innerlijk tevreden dat Goedele getroffen was, alsof ze eerst +gedacht had dat het nieuws weinig of geen belangstelling zou opwekken +bij hare dochter. Een oogenblik kwam haar herte vol. + +--Het dutseken, fluisterde ze. + +--Ja, zei Goedele. + +--Ik hebbe ook veel triestigheid beleden met Romaan, als hij daar +machteloos te hoesten lag in zijn wiegsken. + +Heel dat steenen gebouw, die granieten ziele smolt meteen tot een natte +aandoening weg. + +--Ik weet wel, Goedele, wat een nacht is, een slapelooze stilte bij een +kind, dat men met aaiingen maar niet helpen kan ... Romaan is uw broer. + +Goedele keek op naar heur, met verwondering, niet wetende wat ze zeggen +wou en zoekende naar heure oogen om te weten. Maar die oogen staarden, +halfbeloken, naar de granaatbloemen van het tapijt. + +--'t Ware goed, als er iemand ging ... als gij gingt.... + +--Ja ... ja ... + +--'t En is niet verre, in 't lage van de stad.... + +Goedele vatte heure hand, toch rijzekens verschrikt dat die aldoor koud +was gebleven. En te wege was zij te weenen van vreugde, omdat moeder op +een ende toch bedaard was, toch goed was geworden voor haren jongen, die +nu lijden moest--en omdat moeder een deugdelijk woord had gezeid, een +zacht woord van liefde. Ze omvatte moeder's breede vingeren en drukte ze +koortsig, en haar hoofd zeeg voorover en hare wimpers werden heet. Maar +als zij dan moeders oogen zag, blank en puntig, en merkte hoe niet de +minste altratie te speuren was op dit roerloos gelaat, niet de minste +verandering in de hardheid van die vaste wangen, niet een trillend +zierken in de rechte plooi van dien drogen mond, voelde zij zich +gekwetst en ze week permintelijk, instinktmatig, beschaamd omdat zij +zich alzoo bijkans overgaf. + +Mevrouw Wilder lei een bankbriefken van twintig frank op de tafel, +zeggende dat Goedele er zorg moest van hebben en 't niet nutteloos +verkwisten en 't maar geven aan Romaan ten uiterste, indien het +waarachtig noodig was. + +--'t Kan ook gebeuren dat het niet noodig en is. + +Ze verdween, bijna onhoorbaar tertend, en zonder ommezien. En Goedele +zonk trage neer op een stoel, geknakt, gebroken in hare hooghertigheid, +wel wetende nu dat moeder niet edel wilde zijn, niet zachtmoedig wilde +zijn. Ze zat zich af te vragen wat dan in moeder oorzake was van hare +medelijdende woorden, en zij en vond geen uitlegginge om moeders +inzichten te verklaren. Beteuterd tuurde ze naar 't papieren geld, dat +tegenwoordig, ook in haren geest, zoo'n groote beteekenis kreeg. +Moeder's vingeren, daar neerduwend dat vierkante ding, en 't openvouwend +met zorgvuldigheid, en 't naderhand nog een wijlken overstreelend--'t +bleef in haar geheugen een vastgespijkerd beeld. En ze dacht aan +Romaan's spijtige geschiedenis, aan zijn vlucht met Madeleen en aan +moeder's gramschap. En ze dacht aan Sebastiaan en aan zijn goede liefde. +En aan zijn geld. + +--Sebastiaan heeft geld. + +'t Stond haar nu klaar voor, en Sebastiaan kreeg een ander gedaante, en +ze meende nu dat zij hem liefhebben moest, als zelf zij hem in +werkelijkheid niet liefhebben kon. Tegen de rotse van moeders wil zou +zij tevergeefs horten. En moeders minzaamheid voor Sebastiaan steunde op +geld; ze had er de zuivere, de stipte vizie van in 't beeld van moeders +werkzame vingeren, streelend gaande om dat kostbaar briefelken. Maar +Sebastiaan's liefde was oprecht. En ook zij was Sebastiaan genegen. + +--We zullen gelukkig zijn. + +En ze ging te lore in kalme droomen van stille huiselijkheid, haar eigen +zettend bij 't vredig gefonkel van een duurbaren heerd en er luisterend +naar wisselvallige gepeinzen. + + + + * * * * * + + + +II + + +Rik Derboven, mevrouw Wilder haar vader, was een visscher van de +Noordzee. Indertijd was hij doodarm. Hij trouwde met een meisen van zijn +prochie, een struisch wijf, die hem zes dochters gaf. Hij labeurde er +voor, dag in dag uit, zich nievers een stonde rustigheid verleenend, +nooit vermoeid en nooit ontmoedigd. 't Was een zwijgende vent met diepe +inzichten, een steenen wil, een stugge kop, met koppigheid alles +doordrijvend. Hij en wankelde noch en keerde; hij rukte met neerstige +hardnekkigheid vooruit, hij en zag geen hinderpaal in 't belang van +andere, hij zag alleen zijn doel. 's Avonds in den late, als hij een +wijlken zich neerzette bij de stove, na den eten, was hij aldoor +verdiept in verre combinaties en keek hij in den rook van zijne pijp +naar de mogelijkheid van wijd-reikende oplossingen. Men mocht hem +binstdien niet lastig vallen. De kinderen moesten te bedde liggen en +moeder moest voorzichtig te werke gaan met hare schotels en haren +avondkuisch. Hij bleef altemets in de donkerte een heel deel van den +nacht, zoo zitten en denken. Hij luisterde dan naar gindsche roerende +zee en zijn gepeins werd machtig. Aldus timmerde hij zijne stille +plannen op, al bouwend en metsend en afbrekend en herdoende 't gansche +idee op eene andere manier. Hij wilde dan tot eene waarschijnlijkheid +geraken en ging niet slapen eer hij die vaste kreeg. Hij en schrikte +voor geen kwade daad, hij en week maar voor den dood. Over een lijk heen +zou hij niet terten. Anderszins wist hij dat hij in staat was tot alles, +wat niet en docht, en brave menschen aanzag hij voor domkoppen. Hij was +overal aanwezig, waar er wat aan zijne vingeren kon blijven haperen. Hij +richtte kleine muiterijen in, onder de visschers, hij hitste de kerels +op met woorden van haat en woorden van deernisse; hij sprak van +bloedhonden en hertevreters, en hij stiet met zijn vollen nijd tegen 't +hoofd zijner makkers, voortdurend kloppend tot ze op een ende daar +gloeiend stonden, koortsig en razend, met veerdige handen. En als 't dan +op een mislukte dolheid uitliep, was er toch een, die zanten kwam, een +die achterwaarts stond en wachtte, en naderhand 't profijt wegdroeg; en +dat was Rik. Zoo stegen allengs zijne zaken. Hij kocht een boot. Hij +kocht er twee. Hij deed smokkelreisjes, bracht vreemd goed in het land, +bedroog en werd welvarend. + +Maar thuis sloeg hem de kans tegen. Een voor een stierven vijf zijner +dochters aan een zonderlinge hertziekte, die hen met schokjes wegdreef, +in min dan drij jaren. Twee jaar nadien, ook onder de zelfde kwale +lijdend, werd zijne vrouw door eene geraaktheid getroffen. Ze bleef zes +maanden te bedde liggen en sukkelde er en wou, op een voornoene, +redeloos opstaan. Rik was aan het strand. Hij vond bij zijn thuiskomste +zijn wijf temidden van den vloer liggen; twee streepkens bloed liepen +over hare lippen en een paternoster strengelde om hare vingeren. Naast +moeder lag Ursule, het laatste dochterken, flauw asemend en buiten +kennisse.... + +Rik bleef nu met Ursule alleene. Hij en wilde niet hertrouwen. 't Zou +zoo wel gaan. Ursule was toen dertien jaar oud. Hij leerde haar het +huishouden, en na korten tijd, deed zij 't gansche werk. Het kind +groeide alzoo op tot een stevige deerne en geen moeite was haar te +zwaar. Ze begreep--al zei vader niets van zijne geheime doelen, +--waarnaar de minste inzichten streven moesten. En ze was spaarzaam, en +ze zwoegde, en ze werd sterk en groot in haar rusteloos slameur. Alle +avonden liet Rik het lamplichtje laag komen over de tafel en hij +verklaarde haar het spel der cijfers, de moeielijkste rekenkunde, tot +den nacht tellend en hertellend en alles neerschrijvend te rote, met +stipte nauwkeurigheid. Dat duurde tot haar twintigste jaar. Dan verkocht +hij het armzalige huizeken, het dagelijksch gerief, de meubelen; dan +verkocht hij zijne booten.... En ze trokken naar de stad en openden er +een specerijwinkel. Er werd opnieuw gesmokkeld en gekonkelfoesd. De +waren kwamen aan van tallenkant. Rik had alles meesterlijk geschikt. + +Maar Ursule allengerhand werd sterker dan haar vader. Ze speculeerde met +meer vernuft en meer zekerheid ook. Ze bedroog hem en bewees het, en zoo +ontstond bij hem eene pijnlijke angstvalligheid. Hij werd nu zwak en +wankte in zijne minste ondernemingen. De zaken werden ook stilaan zoo +geweldig vooruitgestooten, dat hij 't niet volhouden kon en meende te +verongelukken. Dan bleef hem alleen nog over teenemaal op Ursule te +berusten. En Ursule werd groote meesteresse in huis. Na vijf jaar was de +specerijwinkel een aanzienlijke koffiehandel geworden. + +Omtrent dien tijd ontmoette zij Albien Wilder, een jongen van rijke +familie, bevoordeeligd ambtenaar bij 't Ministerie van Binnenlandsche +Zaken. Dagelijks moest hij de hooge poorten der magazijnen voorbij en +dikwijls bemerkte hij Ursule, daar staande in hare volle lengte, breed +en statig. Al dadelijk werd hij door dat struische wijf veroverd. Hij +liet zich door een beursman aan den vader voorstellen. Van weerskanten +werd er gewikt en berekend en uitgeteld, en zeven maand nadien trouwde +Ursule met hem. + +'t En bracht niet veel verandering in huis. Albien was van nature een +zwakkeling, en algauw lag hij onder Ursule's stalen wil en ging en +handelde naar heure wenken. De koffiehandel, nog door Wilder's kapitalen +gespijst, breidde zich meer en meer uit en werd eene machtige +inrichting. Ursule was nu rijk. Maar niets kreeg een gewijzigd uitzicht +in haar leven: ze wrocht en zwoegde, nievers tijd vindend om haren +rijkdom te bezigen tot eigen genot. Geld winnen was overigens hare +eenige vreugde; rijzekens had ze deugd aan hare moederschap--ze was +moeder van een zoon, dien ze Romaan heette, naar den naam van Albien's +overleden vader. En Albien zelve gewende zich aan die eentonige dagen. +Hij trok 's uchtends naar zijn bureel en kwam 's avonds terug en nam +zijn zuinig maal in de koude eetkamer. Allengs smolt ook zijn ideaal met +Ursule's doelen saam: ze moesten geld verzamelen. Rik sprak bij stonden +ervan: + +--We zullen 't ophoopen in stapelkens en nevenseen zetten en 't +bekijken. + +'t En scheen hem niet belachelijk. 't Waren in zijn meeninge heerlijke +plannen geworden. En gedrijen spaarden ze. + +Romaan werd door allerlei ziekten aangetast, vier jaar te rote. Ursule +had het heel druk met de dokters, die zij den eenen na de anderen +wegstuurde. Ze waakte lange nachten bij haar kind en bad dat het genezen +zou. Ze toonde zich, gedurende dien tijd, heel vroom en heel +vreesachtig. De dokters mochten niet meer in huis komen. Ze wilde alleen +op God berusten--halvelings omdat het haar goedkooper viel, halvelings +ook omdat zij in de wetenschap geen het minste vertrouwen had. Romaan +kwam langzaam alle ziekten te boven en werd een droomerig jongetje. + +Hij was zes jaar oud, als Goedele geboren werd. Goedele was veel +sterker. De kleinen groeiden op in een killig geluchte. Zij en voelden +nievers de zoetigheid van liefderijke wezens; ze liepen beteuterd en te +lore in hunne jeugd en benijdden ter schole de vriendelijkheid hunner +makkers. Ze zouden echter de bane niet volgen, welke moeder hun door +haar voorbeeld en hare woorden voorschreef, en deze ouders, welke +gedurig en uitsluitend tuk waren op een peute geld, kregen kwistige +kinderen. Romaan, als hij op de universiteit leerde, miek schulden. +Ursule, die meer hechtte aan eenen goeden name dan aan eene eerlijke +ziel, betaalde, maar ze hield naderhand den jongen zoo nauw dat hij +haast niet meer met vrijheid denken kon. Zoo werd hij een zwijgende +opstandeling. Het leven werd hem bitter. Hij droomde mee met +Schopenhauer, wiens boeken hij met razernije verslond. De maatschappije +scheen hem eene verschrikkelijke onrechtveerdigheid, waar de goeden tot +blijvend leed verdoemd waren. Zijn hoofd was vol met utopische +hervormingen--alles moest omgegooid en heropgebouwd worden: de standen, +het huwelijk, de familie. Wat bestond, was slecht, was vort, was +misdadig. 't Zicht der rijken folterde hem. + +In een kleine steeg, bezijden de Hoogeschool, woonde een arme weeze met +hare tante. Daar verliefde hij op. Dagelijks trok hij het huizeken +binnen, waar 't meisje te borduren zat. Ze maakte schoone bonte bloemen +met zijden draad en hij had leute met hare liefelijke vingeren--hoe die +met de naaide ieverig waren en hoe daaronder de teekening djentig +zichtbaar werd. Het meisje heette Madeleen en die oude grijze daar, zoo +mager en zoo roereloos, heette tante Olympe. Hij voelde hier warmte. +Hij rookte hier pijpen en keek langs smalle vensterruiten naar de varende +wolken. Hij was hier wel. + +--Madeleen.... + +En ze wendde naar hem hare blauwe kijkers en lachtte even of knikte met +zachte buigingen, bij maniere van gelukkig-zijn. Er zong iets in hem. +Hij lachtte tegen. Ze waren seffens takkoord. + +Maar dan begonnen de leelijke dagen. Hij ging alles aan moeder bekennen +op een avond. Hij wilde trouwen. + +--Met wie? + +Ursule sprong naar hem toe, en vatte zijne armen, en knelde die +onbarmhertig in hare koortsige handen. + +--Met wie? + +Hij moest het herhalen, hij moest het tot drijmaal toe herhalen. Ze +schoot seffens uit in een schaterlach, een wreed geklater, dat tegen de +naakte muren plofte met vreeslijk lawaai. Ze liet hem los en kruiste +hare armen over hare borst, en ze zwaaide hem dan in 't aangezicht dat +het een slonse was zonder zedige manieren. + +--Een ploerte! + +Romaan rechtte zijn hoofd. Het deed hem zoo'n zeer wat moeder zei, maar +nu had ze hem op het herte geslagen. Hij werd hard en hij werd koppig. +Drij dagen bleef hij op zijne kamer zitten. Goedele bracht hem eten en +kuste hem. Hij weende bij Goedele, en het was hem een goede troost. +Den vierden dag ging hij vader aanspreken. Albien was verschrikt, en +hakkelde, en voelde zich wegzinken zonder den steun van Ursule's +sterkte. Hij probeerde toornig te zijn; hij was alleen toornig, omdat +hij Ursule vreesde. Hij riep: + +--Weg, loop weg! + +Hij liep hem nadien zelf achterna, al stamelend dat er wel een oplossing +te vinden zou zijn. + +--Allo, jongen, allo.... + +Maar Ursule bleef onverbiddelijk, en den vijfden dag verliet Romaan +zijne ouders. 't Was den vijfden dag. + +Hoe struisch Ursule ook was, 't knakte haar en ze werd ziek. Een volle +weke lag ze te bedde, zuchtend en zich ommewerpend. Voor de eerste maal +van haar leven wist ze geen besluit te nemen. Zij en wilde hem niet +laten trouwen, zij en wilde geen geld geven aan die vreemde kerte. Ze +fluisterde, al kijkend naar de zoldering, heel wijd: + +--Geen geld.... + +Maar ze wilde ook Romaan niet kwijt zijn. Ze verwonderde zich dat ze +hield van hem, na al zijn leelijke doening. En ze hield van hem. En +daarom zou hij trouwen met een rijke juffrouw. Hij was ook rijk. Het +idee dat hij nu toch met die ellendige loete trouwen zou, deed haar +het oogenblik daarna terug raaskallen. En ze bekeek de zoldering met +wijd-open oogen. + +--Geen geld.... + +Ze meende endelijk een oplossing gevonden te hebben, en ze genas. Ze +schreef aan Madeleen dat ze komen moest. Madeleen en kwam niet. Ze +schreef opnieuw. Ze zou Madeleen omkoopen, haar eene ronde somme geven, +als ze Romaan loslaten wou. En Madeleen en antwoordde niet. Ze begon +weer te wanhopen en te klagen, en moest weer een paar dagen neerliggen. +Rik kon haar opbeuren. Hij verzekerde haar dat het allemaal jeugdige +zotternijen waren, en dat die vuurkens fluks uitvlammen zouden. Hij wist +dat de jongen en 't meisje tegenwoordig ongehuwd reeds samenleefden op +eene gemeubeleerde kamer, en die tortelliefde zou haren gang gaan, en +naderhand zou Romaan boetveerdig terug keeren. + +--Ze zullen trouwen.... + +--Zij en zullen niet trouwen. + +Waarom zouden ze trouwen? Ze hadden zoo al hun volle pleizier. + +--De plodde zal aandringen.... + +--Zij en doet. + +Hij sprak kort. Ze herwon een beetje betrouwen en liet zich genezen. +Maar zij en kon sindsdien niet ten volle meer hare zaken bewerken. Al +hoopte ze stilaan dat Romaan de meid ten langeleste verlaten zou, ze +bleef bij haarzelve klagen over 't verlies van haren zoon, en de handel +leed door hare dagelijksche onachtzaamheden. Albien, die 't wel merkte, +stelde schuchter voor het huis aan een opvolger over te laten. Ze wilde +hier echter niets van hooren, en werd buitengewoon ieverig. + +--Denk niet meer aan hem, zei Albien, die er gestadig aan dacht. + +--Ja, zei Ursule. + +En ze dacht aan hem. Ze deed hem beloeren. Ze stuurde ook altemets +Goedele, en vernam aldus dat Romaan in waarheid ongehuwd bleef en +gemeenzaam leefde met Madeleen en tante Olympe. Hij had ook altijd +gesproken van vrije liefde en nieuwe zeden. Zij was nu tevreden, omdat +hij die dwaze gedachten behouden had. Ze kreeg verder te wete dat hij +als ingenieur aan een bronsfabriek verbonden was, en het stilde haar in +hare moederlijke bezorgdheid; hoe danig zij ook deze bezorgdheid met +sterke beredeneeringen wilde versmooren, zij was bezorgd, tegen wil en +dank zich moeder voelende. + +Een nieuw voorval wierp haar ten derde male te bed. Madeleen beviel van +een dochterken. Meteen verzonk haar laatste hoop, want ze wist dat +Romaan nu voor altijd vastegeklonken lag. Ze wilde Rik's noch Albien's +troost ontvangen en Goedele ook moest verwijderd blijven. Van dien dag +af begon de koffiehandel te slabakken. Er ontstonden onlusten onder de +werklieden, en kleine muiterijen maakten Ursule en vooral Rik uitermatig +benauwd. Toevallig konden ze, ver beneden de weerde, het huis koopen van +een gevallen edelman, in een rijkemanswijk der stad. Ursule verkocht +haren handel en nu gingen ze rentenieren. Albien zou voortwerken op zijn +bureel. 't En deerde hem niet te vele, en 't bracht schoon geld op. + +De nieuwe woonste was prontelijk gelegen, boven de stedelijke warande, +en over de breede vaart. 't Was een groot hotel, met, achterwaarts, een +heerlijk park en een lochting vol bloemen. Aangename breede wegels +liepen erlangs, allen saamkomend op een open terras, waar 't in den +zomer krioelde van gloeiende of klaterende rozen. Het huis zelve was een +vierkante massa met gelijke vensters. Talloos waren de kamers. Ursule +achtte het nutteloos alles te meubeleeren. Ze had zich het huis voor +eigen genot niet aangeworven: 't Was meer weerd dan 't geld dat zij er +aan besteed had, en zij en zou al die kamers niet nutteloos gebruiken. +Zoo bleven er een groot aantal leeg en vele luiken werden nooit +ontsloten. Dat gaf aan deze woning een doodsch en akelig uitzicht en na +enkele maanden verwierf zij ook in den geest der naburige menschen een +geheimzinnige beteekenisse. Drijmaal daags zagen zij 't zware hekken +opengaan: in den vroegen morgen, als Albien traagtrippelend naar 't +Ministerie trok, later, omtrent tien uren, als Marie, de dienstmeid naar +de markt moest, en 's avonds nog, als Albien terugkeerde. 's Zondags, +bij de eerste uchtendure, gingen Ursule en Rik naar de kerke. Dichte te +noentijd was 't de beurt van Goedele en haar vader. Zoo was de gewone +gang gedurende vier jaren en heel zelden werd er eene verandering aan +toegebracht. De menschen babbelden ondereen. + +--'t Is een spokige femilie, zeiden ze. + +En ze pinkoogden of plooiden hun lippen heimelijk, gebarende daarmede +dat hier een wonderbare historie onder schuilen moest.... + + * * * * * + +Albien wandelde, te herfstevesperure, in den hof. Hij was nu een oud +ventje geworden, met grijze krulharen om een rondbollig, rood gezichte. +Hij snuffelde den lochting rond, met zijne diepe oogskens wroetelend +links en rechts. Alhier rechtte hij een gebroken stengel, aldaar kneep +hij een dorre bloem weg, alles in profijtelijke doening met voorzichtige +vingeren betastend en bestreelend. Altemets maakte hij zijn eigen lastig +om een vertrapt plantsoen, maar zoetig was zijne ongedurigheid en dan +liep hij verder al mummelend: + +--Tet-tet-tet.... + +Hij tort de wegels langzaam plat, kon nievers een papierken zien liggen +en dook seffens de minste onregelmatigheid. Hij wilde alles in gelijke +effenheid zien schoon wezen. De palmboomen moesten zorgelijk gesnoeid en +gekapt worden, de graspleinen vlak gemaaid. Hij had deugd als niets meer +buitensporig was, en liet zich daarna wat rusten op een der groene +banken. Van daar bewonderde hij den tuin, volgde met liefde de sierlijke +vaart der baantjes, de plezierige reke zonnebloemplanten, de kleine +wilgen met zilveren tronk, en alginds het hooge gebladerte, rossig, +bruin, gloeiend en geel. Hij pinkte af en toe een kruideken of een +stofken van zijn bruine veste, en lei bij tijden een plooi rechtte in de +vouw van zijn knie. Vervolgens trok hij voorzichtig een boeksken uit +zijn zak en zette zich te lezen. Albien was een zwakke geest, geleid +door allerlei manieen. Op zijn bureel was hij een niet-denkend mensch, +een weerlooze schakel in de administratieve keten. Hij ging gewillig met +de omstandigheden mee, zonder die te bespreken; hij bekampte ze in elk +geval nooit. Zijn leven was zonder passie. Hij stortte maandelijks al +het geld, dat hij won in de handen van Ursule, die altijd stiptelijk +naging of de afkortingen voor de pensioenkas goed berekend waren. Hij +hield geen duit achter. Hij kreeg van Ursule alle weken een frank, en +hij meende dat hij ook niet meer noodig had. Hij kocht daarmee altemets +een dagblad, altemets een pakje nieuw zaad voor den lochting, meermaals +echter een vijfcentenboekje. Die boekjes lagen in een klein winkelken +van de benedenstad te koop achter de ruiten. Hij bleef eerst lang voor +'t raam staan eer hij binnenging. Hij moest ze allemaal eerst +buitenwaarts bekijken, en de titels lezen en in zijnen geest dan +vergelijken, om endelijk goed te weten wat hij nemen zou. 't Waren +raadselboekjes, boekjes met charaden, met goocheltoeren, met +wonderzottigheden. + +Hij verkoos over 't algemeen de goocheltoeren of het stekjesleggen, en +dergelijke, waar hij zich tot laat in den avond mee kon bezighouden. +Verhalen en dwaze perten, daar hield hij minder van. + +--Onnoozele dingetjes, zei hij. + +Hij peinsde dat hij een "vinder" was. Hij kon uren en uren nadenken over +de oplossing van een raadsel. Achteraan in het boekje stonden de +oplossingen gezamenlijk gedrukt, maar hij zocht eerst minstens een dag +of drije eer hij 't opgaf. Dan was hij moedeloos. Hij beweerde dat de +vraag onduidelijk gesteld werd, en achtte zich daarom slechts half +overwonnen. + +Hij was nu een boekje over het dominospel aan 't lezen. Hij doordacht +het en herdraaide in zijn hoofd de zinnen. Met een droog takje begon hij +naderhand op den grond teekeningen te scharten--al vierkantjes en halve +vierkantjes. Hij bezag dan dat ruitwerk met gedwongen aandacht, herlas +enkele regels van 't boekje, was weer aan 't kijken en 't wrijven en 't +teekenen. + +--Dobbel zesse hier.... + +Hij was opnieuw bezig. + +--Dobbel vijf aldaar.... + +Hij hief zijn voeten op om plaatse te maken en moest nadien toch +heelemaal op de bank kruipen om zijn beenen uit den weg te krijgen. +Zoo zat hij te raden en te rekenen en te kijven met het boekje of met +zijn eigen vorig idee.... + +Er werd gebeld en Marie deed het hooge hekken open. Albien zag +Sebastiaan Vrebos door de voorzichtige splete te voorschijn komen, +en hij vouwde fluks zijn blaarkens bijeen om hem voor te loopen. + +--Wel! wie dat er daar is! + +Hij was in den grond wel niet erg met die komste ingenomen. Hij meende +zijn verveling door overdreven wellekomwoorden te moeten verbergen. + +--Mijn arme jongen, die zoo verre geweest zijt.... + +Hij nam hem een pakje af en nog een pakje. Hij vatte hem bij den arm. + +--En nu danig vermoeid zijt, zeker danig vermoeid zijt..... + +Daarbinst viel 't ijzeren hekken met zijn bekend geruchte toe, achter +hem. + +--Niet zoo erg toch, beste heer, lachte Sebastiaan. + +--Och!... en Goedele zal zoo tevreden zijn. Ze was ook dagelijks bezig +over u, het brave kind. Ei! dat zal hier een aardige avond zijn. + +Hij dacht nu aan het soepee. Ursule zou wat goeds gereed maken bij deze +gelegenheid, en daarvan zou hij evengoed als Rik misbruik maken. De +gewone eetmalen waren ook zoo erg gewoon, zoo eender tevens en zoo grof. +Als Sebastiaan thuis kwam werden ze beter verzorgd en kwam er bovendien +nog een lekker extra bij. Dat bracht hem in zijn schik. + +--En hoe liep de reis af? Wat een heerlijk land moet het zijn ginder! + +--In de reden, ja--maar het land heb ik juist niet veel bekeken. + +--Al bergen en stroomen, meen ik? + +--Veel bergen.... + +--Och!... en daar zult ge ons aan tafel van vertellen.... Wel Djeezes! +als ik nu bedenk dat ik oud ben, en niets hebbe gezien! 't Zijn dingen, +'t zijn dingen! + +Hij trok hem mee naar het terras. Sebastiaan kende die manieren. Ze +walgden hem voor 't meerendeel; hij deed evenwel zijn best om zich +buiten bereik te houden en liet dan liefst een onbeduidend vriendelijk +lachje op zijne lippen versteenen, bij wijze van antwoord. Hij kon de +familie Wilder moeielijk lijden--Goedele toch had hij innig lief, en +haar schoon gelaat, daar berustte hij in, en het troostte hem over 't +valsche gezwets, dat hem gedurig krenkte. + +Op het terras stonden Ursule en de stokoude Rik. Ursule ontving hem met +open aangezicht en een streelenden blik. + +--Welkom, mijn vriend. + +--Hertelijk dank, mevrouw. + +Hij drukte hare hand en de koude vingeren van grootvader. Hij zei een +reke vage woorden, binst dat Marie hem van zijn overjas en zijn hoed +ontlastte. + +--De jongen heeft bergen gezien, riep Albien. + +--O ja.... + +Ze omringden hem en vielen hem lastig met allerlei zoetigheidjes. Hij +had een ivoren kistje medegebracht voor mevrouw Wilder en een heel +wonderbaar gedoe voor mijnheer Wilder--een Zwitsersch huizeken, +teenemaal gemachineerd, met een kleppend horloge en een beiaardspel en +twee werkende figuurtjes--en nog een zilveren snuifdooze voor den ouden +heer. Ze moesten alles dadelijk bezien en bewonderen, en hunne +dankbaarheid in breede geuten uitwerpen. En Ursule zei: + +--Dat moest ge nu toch niet gedaan hebben.... Ze betastte haar kistje en +beloerde de zilveren dooze van Rik. En Rik sprak met een lage stem, die +ook zich liefelijk te wenden probeerde: + +--Ja, dat moest ge nu toch niet gedaan hebben.... Hij had liever een +zwaarder dooze gekregen, maar hij keek zijne oogen algelijk zat op het +schitterend geflikker der ciseleeringen van het deksel. + +--'t Is een kunstwerk. + +Hij woog het in zijne ervaren handen. + +Na een stonde kwam Goedele staan in de opening der deur. De noesche +avondzonne straalde open langs haar lichtbruine kleed en teekende er +gloeiende plooien. Haar gelaat klaarde zonderling op uit de donkere +diepte der kamer, achter heur. Ze keek naar Sebastiaan en een flauwe +glimlach krulde om haren mond, maar hare oogen hadden verre blikken, +verwijd in stille droefenis. Sebastiaan boog zijn lijf naar haar, en +deed een stap voorwaarts, en hief trage en bekoorlijk zijne armen op. + +--Goeienavond, Goedele. + +Hij voelde zijn herte weggaan van hem. Hij voelde zich leeg worden en +pluimlichte. Hij omvatte in de stille straling zijner liefde deze vrouw, +die groot en schoon en beminnelijk was. + +Zonder haaste en zonder drift, met eene zachte moeheid in de stem, zond +ook Goedele hem haren groet. + + + * * * * * + + +III + + +Als mijnheer en mevrouw Devleeschhouwer, en hunne dochter, juffrouw +Bella, en Alfred hun zoontje waren aangekomen, ging men aan tafel +zitten. 't Was eerst een lustig gepraat ondereen, een wederzijdsch +complimenteeren dat wegvlood in luttele woordekens, met lachjes erlangs. + +--Wel, mijnheer Vrebos, schetterde het nooit moede stemmeken van +juffrouw Bella, wel, mijn goede heer, hoe zonnig ook het verre land is, +hoe zonnig toch is 't huis waar verlangende herten wachten.... + +Ze loerde daarbinst naar Goedele met liefelijke blikken, en draaide +haastig omme haar ongedurig lijf en gilde: + +--Oh! l'amour! + +Elkendeen had zijn aangewezen plaats in de eetzaal. Men zette zich neer +en frommelde de servetten open, naderhand met luie vingeren de vork of +den lepel takend, die bij poozen alzoo te rinkelen begon. Mijnheer +Wilder vroeg met groote belangstelling aan Alfred hoe 't nu zou afloopen +met het najaarsexamen. De jongen was blijkbaar met deze vraag niet erg +ingenomen, en antwoordde al blozend dat hem de uitslag wel gunstig +toescheen. + +--De jongens hebben het tegenwoordig zoo druk met het leeren, zei +mevrouw Devleeschhouwer. + +Het was ook de meening van mijnheer Wilder. + +--Wat zullen ze nu al uitsteken met hun Grieksch en hun Latijn? + +Maar mijnheer Devleeschhouwer vond het uitstekend, dat men zonder +deernisse in de athenaea met de leerlingen omging. + +--Dat hebben de kerels van doen. + +Hij rondde zijnen buik om gewicht te geven aan zijn gezegde en liet de +gouden ketting rotelen, die er als een vloek op te klateren hing. +Mijnheer Wilder was een dik mensch met enge schouders en een uitermatig +hoofd, kaal en zijpelend onder het gaslicht. Hij krulde alle uchtends +zijne rosse knevels met een warm ijzer, zoodat die gedurig triomfelijk +ommebogen en met een scherp puntje rechtkwamen. Te midden zijne vettige +kin vlekte daar zijn bokkebaardje, een donker hoeksken. Hij Wilde er +martiaal uitzien en deed zijn best om zijn lomp hoofd naar een +officiersmodel te scheren. Mijnheer Devleeschhouwer was een man met een +gemist ideaal, daarom ook een diep-ongelukkig wezen. Hij drukte nog +dikwijls zijne spijt uit daaromtrent en deed het altijd met zoo 'n lage, +droeve stemme, dat men algauw beseffen kon hoe danig hij gekrenkt, +geknakt, gebroken was erdoor. + +--Ik en hebbe naar 't gebod der Voorzienigheid niet geluisterd, zei hij. + +'t Gebod der Voorzienigheid, zoo heette hij zijne roeping. Hij werd, +meende hij, voor den degen geboren, tot meerder heil van zijn vaderland +en van zijn vorst. Maar hij had naar 't gebod niet geluisterd; hij had +zelfs in de burgerwacht zijne kans voorbij gekeken. En nu was hij oud. +Nu was het te late. In de burgerwacht, door onlangs gestemde wetten +heromgewerkt, zou hij nooit binnengeraken. Zijn troost berustte +sindsdien op een militair uiterlijke, dat hij bijna verkrijgen kon, dank +zij een gestadige aandacht, een koppige inachtneming. Hij droeg schoenen +met hooge hielen. Hij gaf jaarlijks een rond sommetje om eerevoorzitter +van een oud-korporalenkring te blijven. Zijne kravatspelde was een +gouden kanon met allerliefste diamanten wielkens. Hij had een breeden +ring met een miniature van Leopold I, en binnenwaarts had hij er in +gothische lettertjes doen graveeren: "Pour Dieu, pour le Roi et pour la +Patrie." + +Hij sprak grof en probeerde altemets brutaal te zijn. + +--Wel--Heere, zei mevrouw Devleeschhouwer, ge vindt het hier aan tafel +wel goed dat men de kinderen afbeult ter schole, en als de jongen +hoofdpijn heeft, zijt-de al seffens zelve aan het janken.... + +--Eulalie! berispte mijnheer Devleeschhouwer. + +Hij en noemde in gezelschap maar ten uiterste zijne vrouw bij haren +voornaam. Zij en mocht hem in zijne weerdigheid niet kwetsen. Maar +Eulalie was een zeer lichtzinnig oud wijveken, met een bijtend karakter +en sluwe manieren. Zij heette haren vent kortaf Nestor. Hij ware +gelukkig geweest, als zij hem op soiree had willen aanspreken met een +deftig "mijnheer Devleeschhouwer". + +--Mijn advies is ook dat men streng moet zijn, sprak Rik. + +Hij wendde zijne oogen zijwaarts op naar Ursule. Geheel zijn glad, +vierkantig aangezicht lijnde omlage naar 't puntje van zijnen neus, en +zijn tonge sleerde tweemaal overentweer langs zijne droge lippen. Omdat +Ursule zijn gezegde met ruste liet, hief hij met een schokje zijn hoofd +omhooge en zijn mond viel open in een hatelijken grijns: + +--Wat een woord niet taken wil, taakt de zweepe! + +Ursule zei: + +--Vader, ge moet zachte zijn.... + +Hij droop haast weg in zijnen stoel en bleef er koes ineengedrongen, +endelijk toch schokschouderend en zijn kinne met een koppigen ruk +opduwend. Bella bracht het gesprek op een ander onderwerp, en vroeg, +zoeterig lachend, aan Goedele of Sebastiaan nu wat van zijn reis +vertellen mocht. + +--Dwing hem met uw lieve handjes. + +Ze schetterde en vond hare eigen woorden dol leuterig, en gilde in een +lachbui: + +--Ma chere! + +Marie bracht de soep, die al zeere op de tafel, in elkendeens schotel, +te dampen stond. De lepels begonnen hun tsinkelend zilverspel en +schervelden langs de gladde tellooren met wrijvende geluiden. Sebastiaan +boog zich over tafel en zijne linkerhand deed al wuivend een stil +gebaar: + +--Laat juffrouw Bella maar bedaren--ze krijgt wel wat praats, als ze mij +hierom genegen is. + +--Een beetje soep nog? vroeg mevrouw Devleeschhouwer. + +--Wel ja, wel ja, zei Albien. + +Goedele at langzaam en was precies zoo heinde en verre met hare +gedachten. Ze keek altemets naar een schitterende lichtvlek op den +spiegel, en bleef er dan staren, alsof ze geerne zich geleidelijk liet +wegvaren in gaande gepeinzen. Sebastiaan keerde zijne oogen naar heur. +Ze voelde meteen den toets zijner blikken en was seffens verlegen, even +glimlachend om vriendelijk te zijn. Hij werd ook hare verwijderingen +gewaar en fluisterde haar af en toe een onbeduidend woord toe, bij +manier van haar terug te roepen, haar bij te houden, dichterbij. + +--Waaraan denkt ge? + +--Aan niets, mijn vriend.... + +--Goedele is nooit zonder gedachten. + +--Ik bekeek die bloemen.... + +Hij vond nu ook die bloemen leelijk, monsterachtig. Goedele lachte, +omdat hij zelve ze besteld had. Hij bleef bij zijne meening, dat het +afgrijselijke wangedrochten leken, en dan, al waren ze in waarheid +schoone.... + +--Ze zijn ondankbaar, zei hij, als ze u wegrukken van mij. + +Mevrouw Devleeschhouwer, die naast mijnheer Wilder zat, was druk bezig +met hem over zuinigheid en gulzigheid. Dat was gekomen naar aanleiding +van Alfred's ongemakkelijke doening. Alfred at met ongemeene +schuchterheid, al langetandend en muilkens makend. Aldoor loerde hij +naar Goedele en bouwde in zijn geest romantische toestanden, waar hij +den held en zij de heldinne was, en moeder moest hem stootjes geven om +hem te doen eten. + +--Hij eet zoo weinig t'onzent ook, zeide ze aan mijnheer Wilder. + +--De jongens moeten eten om groot te worden, was 't idee van Albien. + +Mevrouw Devleeschhouwer gaf hem gelijk, maar ze had toch liever een +zoon, die zuinig was, dan een doorvreter met gulzige manieren, die alles +verslinden kon en daar op een ende zou te zweeten zitten lijk een +trampeerd, en geweld te doen om niet onpasselijk te worden. + +--En als de examentijd er komt, weten de kinderen zoo vreeslijk van dat +folterend surmenage.... Lust gij nog een beetje spruitjes of wat +vleesch, mijnheer Wilder? + +--Wel ja--wel ja.... + +Alfred zette zich te blozen, omdat moeder hem met dat woord "kinderen" +zoo kleineeren wou. Hij zag noesch op naar Goedele en onderzocht op haar +kalm gelaat, of zij 't beluisterd had. Albien klopte stillekens op zijne +schouders en zijn rood gelaat neeg naar 't zijne, in een breede bui van +vriendelijkheid. + +--Allo! allo! mijn jongen, steek nu uw hoofd niet zoo proppensvol met +vreemd gebrabbel en dolle cijferwebben. Vacantiedagen zijn er ook nog, +en die naderen bij tijde. + +Hij moest eens niezen, en bracht zijn servet over zijn gelaat, dat +naderhand purpergloeiend te voorschijn kwam, zijpelend van wellust. +'t Had hem alzoo deugd gedaan, en hij veegde zijne oogen drooge. + +--Vandaag moogt ge u deugd doen, zei hij. + +Hij keek naar een rijkelijken hamelbout, die vol souse onder een gulden +korste daar gloorde, triomfelijk en wonderbaar. Hij stelde bovendien een +overgroot belang in de matelijke gebaren van Ursule, die den wijn +inschonk. Mevrouw Devleeschhouwer bleek hem een weerdige gebuur-vrouwe. + +--Een glazeken roode? vroeg mevrouw Devleeschhouwer. + +--Wel ja, wel ja.... + +Hij zei 't met geveinsde onachtzaamheid, alsof het hem niet schelen kon. +Hij slurpte zijn beker met korte geutjes leeg, en likte een wegloopend +dropken weg, profijtelijk. Hij gebaarde niet te merken dat Ursule hem +gestadig belonkte en wist wel dat zij hem morgen met allerlei +berispingen lastig vallen zou. Hij liet zich aan geen toekomstig ongemak +gelegen; 't was hier tegenwoordig goed.... + +Bella en wilde Sebastiaan niet met vrede laten. + +--Zal ik u met het weinige, dat ik zag, tevreden stellen? vroeg hij. + +Hij vertelde van het landschap, van 't hooge gebergte, zoo heerlijk in +den avond, als 't laatste zonnegestraal in verre sneeuw blijft haperen +en er de zoete schakeering ligt van zijn vele verven; hij beschreef met +overgevoeligheid de subtiele harmonij der kleuren, opgaande van 't diepe +blauw naar 't vurende oranje. Zijne handen wuifden in sierlijke buiging +en zijne lange vingeren teekenden de kleinigheidjes, peuterden aan vage +tinten, beloken in wegdoezelende klaarten, stipten eene eigenaardigheid +ievers aan, of vielen neer, in vrome vouwing, lui en moede en zacht. Hij +kon zoo een stonde lang zich ommedraaien in fijnstemmige gezegden, en +zijne oogen keken binstdien de leegte door. Hij en had nooit driftige +woorden--hij vertelde alles op zangerige rythmen met altemets een +onbepaalde uitdrukking, die hij dan in een stijgen of dalen zijner +stemme verklaarde. En zijn aangezicht bleef djentelijk, omdat geen +sterke klank zijn mond vervormde. Hij was schoon. Hij sprak schoon. + +Bella boog zich over tafel en dronk aan zijne lippen die kunstige tale. + +--En Weenen? + +Hij wist van Weenen weinig. 't Was een moderne stad met veel lucht en +licht. Hij had geen bepaalden indruk. Hij had vooral schilderijen +bekeken. + +--O ja--Bos en Brueghel, zei Goedele. + +Ze was verlegen dat ze 't gezeid had seffens daarna, omdat het als een +vermindering klonk van Sebastiaans betrachten. Maar hij was niet +gekrenkt en meende dat het haar een vreedzaam geneuchte was daarvan te +hooren spreken. Hij noemde 't werk van Hieronymus Bosch een wonder. Hij +joeg de beelden achter mekaar, deed waarachtig in 't geluchte varen de +mirakelachtige schepsels uit de verbeelding van den schilder geboren. +Hij sprak van eene St. Antonius' tempteeringe, beschreef een voor een de +monsters daar vereend--konijnenkoppen op kinderbeentjes, menschenbuiken +met oogen en een ooievaarsbek, vliegende draken, schertsende gezichten, +grijnzende muilen. Hij deed ze herleven en benauwd worden in groene +klaarten of wegschemeren in donkere spelonken. Maar hij was tewege warm +te worden als hij over Brueghel begon. + +--Brueghel is de meester boven de meesters, juffrouw Bella, en stellig +boven het begrip der menschen. Hij wist het leven uit te drukken in +waarheid en zijne uitdrukking, aldoor een uitslag van stijlsynthesis, +was een zuivere gave der kunst. Bij Brueghel vindt ge kleurharmonieen +die men sinds niet meer heeft kunnen bereiken, en elke kleur op haar +eigen ligt plat, effen, net. Hij dierf een hoop bonte boeren en krijgers +neerwerpen op een vlakken sneeuwgrond, en 't en stoot noch en krenkt +onze esthetische gevoelens: 't streelt en 't verwondert. Ik zag te +Weenen een Babeltoren, waar 'k nu geen woorden voor vinde, schoon +genoeg. + +Hij keerde zich zijwaarts naar Goedele. + +--Ik wou u dat alles dolgeerne doen zien. + +--Ja, mijn vriend? + +--Ik wou u doen taken deze hoogste hemelen der kunst, ik wou uwe ziel, +uw gansche vleesch eenstemmig maken met deze wijdste trillingen der +menschelijke ziele.... + +--Ik ben u dankbaar hiervoor. + +Ze was stille, een zachte grens voor zijn uitgeworpen verlangens, stille +en ernstig. Hij voelde wel de vreemdte, die over haar bleef en niet weg +te drijven was met woorden, maar zijn herte lag open, zonder +angstvalligheid noch vreesachtige koorts. Hij betrouwde op haar. Hij was +gelukkig bij haar. + +Bella werd gloeiend rood en beet ongedurig op hare lippen. Ze was een +appel aan 't schillen en deed het zoo los en grove, dat mevrouw Wilder +het haar met een kort woord en een lachje opmerken deed. Ze keek met +schuchtere blikken op naar Sebastiaan en een wijlken bibberden hare +wimpers. + +--Weet ge nu niets van de menschen aldaar, mijnheer Vrebos? vroeg ze. + +Hij wendde naar heur zijne blauwe oogen, nog zat van Goedele's beeld. + +--Niets, juffrouw. + +--Wel--Heere! wat een zonderlinge reiziger, riep ze. + +Ze begon wrevelig en luidruchtig te lachen en smeet haast een kopje +koffie omverre, dat Marie haar even voorgezet had. Ze schetterde, bevend +en schokkend, voort en hare oogen kwamen vol tranen. Dan hief Rik zijnen +witten kop omhooge. + +--Hebben die monsters indertijd bestaan? + +Sebastiaan sprak van uitbundige verbeeldingskracht en fanatieke tijden +en probeerde klaar te blijven, met eenvoudige zinnen. + +--Maar hebben die monsters in tastbare gedaanten bestaan? vroeg Rik. + +--Zekerlijk niet.... + +--Ha! + +Hij bukte zich en rok zijnen hals uit, blazend over zijne koffie en hem +trage en matelijk inslurpend. Mijnheer Devleeschhouwer beweerde dat er +nievers draken bestaan hadden. + +--En zeemeerminnen? fluisterde Rik. + +--Zeemeerminnen ook niet, zei mijnheer Devleeschhouwer. + +--Zeemeerminnen wel! zei Rik. + +Ze staken allemaal hun hoofd op. Rik was somber geworden. + +--Ik hebbe gezien, met deze oogen, die nog onthouden kunnen, een +zeemeerminne in 't witte schuim der baren. + +--Tet ... tet ... tet, pruttelde Albien, wiens oogen begonnen te zwemmen +in wellust. + +--Ze schoof over 't water, als raakte zij 't niet. Ze dook zich en steeg +weer boven, en zij had een steert, zooals 't afgebeeld staat op de +prenten. Ze zong in den nacht. Ik weet het wel, vermits ik het gehoord +heb. En ik heb gehoord wat ze naderhand zei. Ursule weet het ook wel, +vermits ik het haar verteld hebbe, en van het ijzeren kistje weet ze +ook.... Ha! Ha! Dat weten wij! + +Hij knikte en zijn kinne kwam vooruitsteken en hij wierp een brok suiker +in zijn kopje. Ursule wees dat hier geen aandacht op te vestigen was en +met uitermatige vriendelijkheid vroeg ze aan Bella of ze niet eens +zingen wou. Mevrouw Devleeschhouwer prees al dadelijk de nieuwe +zanglessen, die Bella van een Italiaansche dame ontving. + +--Een echte artiste ... en zoo heerlijk dat ze trilleeren kan! + +Bella moest rechtstaan en iets laten hooren, en dan zou mevrouw Wilder +en mijnheer Vrebos zelf oordeelen kunnen. + +--Zing ereis van "Sur la rive solitaire".... + +--Een danig oud ding toch niet, mama. + +--Ho! maar dat vind ik juist zoo'n schoon stuk! + + Sur la rive solitaire, + Loin de toi je desespere.... + +Het is fijne muziek, Bella. + +Mijnheer Devleeschhouwer vond ook dat het fijne muziek was, en dat zij +best dees lied zou kiezen. Juffrouw Bella verkoos echter "Les petits +paves". Dat was aandoenlijke zang, en Alfred kon ook geen ander +fatsoenlijk begeleiden. + +Ze zong met een aangename stem, niet zonder eene gevoelerige +gemanierdheid nochtans. Ze bleef altemets aandringen op een toon en +maakte dramatische effecten daarmee, den klank warm en vol afrondend +in den beginne om hem naderhand te doen uitsterven in smachtende +halve-tinten. Als ze, bedrogen door heur eigen spel, hare oogen voelde +nat worden, neep ze die halvelings toe, zoodat het licht op hare wimpers +in de tranen fonkelde. Erdoor waterden hare bezweken blikken zijwaarts +toe naar Sebastiaan, en hare woorden trilden in deze stonde waarachtig +van hopelooze droefenis. Bij de laatste strofe zonken hare armen neere, +en binst de endakkoorden van 't klavier bleef ze nog staan, en haar +gezichte bewaarde swijlens zijne smartelijke uitdrukking. + +--Bravo! bravo! riep mijnheer Wilder. + +Elkendeen juichte haar toe. + +--Wat een allerliefste stem! zei Ursule. + +--En hoe zij die te leiden weet! zei mijnheer Vrebos. + +Mijnheer Devleeschhouwer peuterde aan zijn baardje en knikte goedkeurend +en luisterde met welbehagen naar mevrouw Wilder, die de kwaliteiten van +dezen zang overschatte. In den grond hield zij er niet van: het lied was +lamlendig en eentonig, en het docht haar dat Bella lijk een ziekelijke +katte daar te miauwen stond. + +--Het is heerlijk! zei ze en, met een veelbeteekenend stootje van hare +onderlip, lachte ze Bella toe. + +Alfred droop naar zijne plaats terug en zat er, lijk te voren, met +roerlooze oogen te turen naar Goedele. Maar mijnheer Wilder gaf hem nu +duwkens in zijn zijde en fluisterde hem een breede uitlegging toe +omtrent allerlei mekanische tuigen. Mijnheer Wilder was eenigermate +onder den invloed van den wijn geraakt; zijn aangezicht vuurde lijk +laaie karbonkelgloed, en roode vlekken beglansden zijn bolle voorhoofd. +Het zwitsersch huizeken, dat Sebastiaan hem had meegebracht, kwam +gestadig voor zijn geest, en hij hoopte dat hij het straks aan Alfred +zou kunnen toonen. Hij wilde bij Alfred belang verwekken voor het +huizeken, omdat hij zelf 't zou te zien vragen. Hij wist dat Ursule hem +niet toelaten zou het uit te pakken, als hij er uit eigen beweging van +spreken zou. + +--Alfred zal 't verkrijgen, peinsde hij. + +Hij probeerde Alfred te bewegen. Hij wilde 't voorzichtig doen, vertelde +eerst van automobielen, van elektrische trams. 't Begon Alfred alseffens +schrikkelijk te vervelen. + +--Te Straasburg is er een wonderlijk horloge, zei Albien. + +Hij lei uit hoe daar eenthoeveel apostels en groote personagen bij 't +slaan der klokken te werke gingen en draaiden en keerden en zwaaiden met +hunne bronzen armen. + +--Maar een huizeken in hout, een beiaard daar in, en een vrouwken en een +manneken, alles schoone ingewikkeld, jongen--hebt ge dat al ievers +gezien? + +--Neen ik, zei Alfred. + +--He wel! ik hebbe er zoo een! + +Alfred staarde naar Goedele's vingeren, die om een zilveren lepelken +verduldig werkzaam waren. + +--Ik hebbe er zoo een, herhaalde Albien, al duwend in Alfred's leen. + +Maar een luidelijk gedruisch kwam in de straat, onder de vensters, en +alle woorden vielen meteen. 't Was een stijgende zang uit honderden +kelen, een rommelend rumoer onderbroken door dreunend trompetgeschetter. +Als de ruchtige stoet voorbij was en in een nevensteeg ging wegdoezelen, +lijk somtemets de winden doen alover verre daken, was in de eetkamer een +ongemakkelijke stilte meesteresse. + +--Werkvolk, zei Rik na een stonde. + +Mijnheer Devleeschhouwer deed onachtzaam al spelend zijn leeg tasje op +tafel ommentweer rollen. Ze begonnen allemaal seffens dooreen te +spreken. Ze wierpen een woord alhier en aldaar en ze waren koortsig. + +--Weer een meeting.... + +--Weer een vechting.... + +--Weer 't bedrijf van Zondag--een ophitsen, een losloopen van +gewelddoeners. + +--Wat een tijd, wat een tijd! + +Mevrouw Devleeschhouwer herhaalde: + +--Wat een tijd! Wat een tijd! + +'t Was verkiezingsweke. Onlangs was er geweld gebeurd, een muiterij in +'t lage der stad, een omnibus omverre geworpen en steenen uit de +kasseide gehaald. Drij dooden. + +Rik mummelde dat het een hoop met beesten was. + +--Ze willen muren inbreken met hun voorhoofd. + +Mijnheer Wilder meende dat die menschen veeleer ongelukkig dan slecht +waren. Hij zei 't ronduit. De regeering was onrechtveerdig, of zij wilde +niet rechtveerdig genoeg zijn. + +--Elkendeen moet te eten krijgen. + +--Maar elkendeen moet werken, ronkte Rik, en dees zijn opgestookte +leeggangers. + +--Ja, sprak Ursule, kort en hard. + +Sebastiaan peinsde ook dat de volksbeweging de maatschappij tot het +uiterste kwaad leiden zou. + +--Wij zullen nooit en nievers allen tegelijk gelukkig zijn. Er zijn +uitverkoren en verworpen wezens. Er moeten meesters zijn en slaven. +De huidige democratie is de ondergang der kunsten, en maakt 't +luilekkerland der middelmatigen. 't Getal domme menschen zal altijd +grooter blijven dan 't getal verstandige--zij zouden dus 't +hoofdzakelijke bestuur kiezen? Wij gaan geleidelijk naar 't verderf, +omdat wij, uit leelijke deernisse, de onderste menschenlade niet +opofferen durven. + +Goedele meende dat die deernisse niet zoo leelijk was en dat het volk, +tot hooger besef zijner plichten komend, stilaan zich verstandelijk +ontwikkelen zou.... Er geraakte in huis een ongemoedelijk geluchte. Men +voelde allentwege een wrevelige kilte, en men loerde naar de plate van +'t horloge. Mijnheer Devleeschouwer moest nog zijne denkwijze kenbaar +maken. + +--Kwart over tien, lispelde zijn wijf met geveinsde onverschilligheid. +Maar mijnheer Devleeschhouwer hield er bepaald aan ook zijn woord te +plaatsen en hij deed het met de noodige deftigheid. 't En was, volgens +hem, niet kwaad dat er af en toe een onlustje onder dat sociaal-minnend +boeltje ontstond. Dat was eene gelegenheid om de sterkte der politie te +staven. Hij hief zijne armen omhoog en werd praatziek: + +--Hoe loopt zoo'n opstand gemeenlijk uit? De politie neemt stevige +maatregelen, de stoeten worden ontbonden, de burgerwacht, steunpilaar +onzer huiselijke rechten, wordt bijeengeroepen en bezet alle straten. +Als ik zeg alle straten, zal mij niemand tegenspreken. Wat hebben wij +verleden Zondag gezien? Wat hebben wij in de dagbladen gelezen? Ik +ontmoette majoor Cnaps. Hij zei: "De wet zal geeerbiedigd worden." Ja +dat heeft hij gezegd.... Ik vind niets ter wereld schooner en statiger +dan een officier der burgerwacht. Majoor Cnaps is ook een fier en +heerlijk man, niet waar mevrouw Devleeschhouwer? Dat is nu wel de zaak +niet, maar 't is eender. Een oproer blijft voor mij een deugdelijk +verschijnsel. + +Elkendeen was allang te wege op te staan. Bella sprong endelijk rechte, +met een lach verwittigend dat het laat werd. Ursule bracht hier tegen in +dat het morgen rustdag zou zijn en er dan geen bezwaar was om nog een +uurken te blijven; ze deed het echter heel lauw en meest bij wijze van +beleefdheid. De stoelen werden alhier en alginds verschoven, en Goedele +ging in de voorzaal 't gaslicht aansteken. Ze hielp mevrouw +Devleeschhouwer en Bella zich aankleeden en schikte hunnen hoed en +speldde hun vool vaste. + +Ze hoorde ze op den hof voor 't hekken nog groeten en naderhand hun +gemompel over de straat stille weghorzelen. Ursule was algauw in de +keuken om inspectie te doen, en Albien scherrelde met zijn Zwitsersche +dooze naar zijne kamer. Rik bleef zitten voor de leege glazen. Goedele +zuchtte diepe. Ze tort naar het terras en bleef er een oogenblik staren +door de donkerte naar de boomen, die in eentonigen avondzang te ruischen +stonden, op de mate van den gelijken wind. Ze werd naderhand Sebastiaan +gewaar achter heur, en draaide zich omme. + +--Gij? + +--Ja.... + +Hij nam hare hand en drukte die en omving hare schouders, trage haar +hoofd neerleggend op zijne borst. En in heur haar fluisterde hij zachte +woorden. Ze was gestreeld erdoor en liet zich streelen, en zijn warme +asem was een aangename jeukte over haar hoofd. + +--Wat hebbe 'k gedacht aan u, mijn Goedele! + +Hij zocht naar lijze zinnen en wrocht ze zorgvuldig zaam in zijn geest +tot een lange lispeling, een lispelende zoetigheid. Hij peuterde aan +zijn gevoelens tot het ruchtlooze vlindervlerken werden of een geest +zonder gedaante. Hij en liet geen vezelken zijner ziele onaangeroerd, +hij zei alles wat in zijn liefde tot een woord kon vervormd worden. + +--Ik keek naar een sterre, en voelde precies dat haar stralen u taakten. + +En Goedele liet overhaar neerkomen die stroom, die warmte, die +vrede--tot zijne lippen meteen haar voorhoofd toetsen kwamen. Ze boog +zich en sleerde uit zijne armen en stond dadelijk in 't volle licht der +eetzaal. Hij sprak niet meer. Hij nam zijn overjas, en stak een sigaar +aan. Hij drukte even hare hand en kustte die vluggelings, en vertrok. + +Moeder kwam aangeloopen en moest nog alles nazien op de tafel, de lepels +tellen, de vorken, de suikertichelkens. + +--Waarom ontvangen wij dat volk? mummelde ze. + +Ze troostte zich met het idee, dat het nu hare beurt was en dat ze +ongenadig zou zijn bij Devleeschhouwers en maar doorvreten zou. Het was +sinds jaren zoo. + +Goedele ging slapen. Ze tort hare killige kamer binnen en miek licht. +Haar venster stond nog open en 't vrije geluchte joeg in breede vlagen +ommentweer. Ze belook de ramen en huiverde een endeken. De keerse stak +weldra een rustig vlammeken omhooge en wierp schier roerlooze schaduwen +tegen de muren. Het bedde stond hagelblank en vouwrijke gordijnen vielen +erlangs, doorzichtig in 't gele uitspattende licht. Voor een vierkant +tafelken, ook met een witten geborduurden doek bedekt, zette Goedele +zich neere en bleef er den avond herdenken in hare luie gepeinzen. + +Ze was moe. Ze haperde aan wrevelige herinneringen, al kleinigheidjes +die groot werden in haren geest en waarmee ze dan een gedwongen +hopeloosheid wilde bewijzen. Ze redeneerde tegen haar eigen zelve en +gebruikte daartoe de minste gebeurtenis. Nimmer had ze met meer +zekerheid de ijdelheid gevoeld van dees huis, de ijdelheid van dees +leven. Het soepee walgde haar. 't Kwam in groote geuten naar haar hoofd, +en al die menschen, elk met zijn particuliere dwaasheid, waren leelijk +en terugstootend. Het beeld van mijnheer Devleeschhouwer krenkte haar, +en zijne nietige vrouw, waanzinnig in kleine eerzuchtjes, kon ze niet +verdragen. Bella ook werd haar een folterend hysterisch popje, aldoor +smachtend en aroetekoeend en potsierlijk. Hare ouders zelve bezeerden +hare gedachten--moeder was valsch en vader was klein en grootvader was +vrekkig. Ze zag nog den zwaren nekke van Alfred, binstdat hij op 't +klavier spelend was, en zijn droog haar saamloopend, tenden zijn bolle +hoofd, tot een stekelig sterreken.... + +Ze achtte zich, met een haastigen schok, verveeld en vernederd door +eigen verbeelding. Ze kleedde zich uit en vlocht heur haar bij dichte +stringen en wond die in een kanten kapje saam. Ze stond nadien voor den +spiegel, bloothemds, en bekeek de schoonvervige naaktheid van haren +hals, hare opwellende borsten, hare armen. Ze was groot en geweldig en +majestatisch. Ze kwam haar eigen meteen voor als een aanbod, als een +koopveerdige voorstelling, als een die zich niet bezittend was en +eigendom zou worden. Een stijgende fierheid sloeg, met den stevigen klop +van haar bloed, tegen hare slapen en ze voelde zich machtig, boven 't +gepeuter en de ellende van dees huisgezin, boven al de luttele woorden, +die flauwasemend neerzegen, menig en vederlichte. Ze wilde een forsig +gezegde beluisteren, den vurigen toets van mannelijke armen belijden, +ze wilde zich verdedigen met hare tastende handen en toch overwonnen +worden.... + +Ze viel neer op haren stoel, sidderend en hijgend. Ze dacht aan +Sebastiaan, hoorde nog het zoeterig gefluister zijner liefde, zag nog +het vroom gebaar zijner kunstige lippen, en zijne oogen, diepe en +stille, zijne blauwe oogen. Ze werd, in een scherp zicht, gewaar dat hij +over haar niet heerschen zou, dat zij hem gewillig verdragen zou, en hem +in dankbaarheid voor vredige uren liefhebben. Zij en bereikte, met een +verste gepeins, geen wijde hoop in de toekomst, en haar hoofd zonk op +hare borst, verduldig, begrijpend dat het niet denken mocht. Ze vatte +langs alle kanten van haren geest, dat haar lot verveling was en dat +geen schoon geweld haar driftverlangen zou bedaren. + +Ze weende nu en had deugd daaraan, en haar lijf snokte opwaarts, met +haar hortend snikken mee.... + + + + * * * * * + + + +IV. + + +Het was 's anderen daags frisch en leutig weer. De zonne had in den +morgen een lagen mist verscheurd en wapperde tegenwoordig in een blauwen +hemel, lijk bij uitkomend lentegetij. Goedele zou naar Romaan gaan. Het +hekken viel luidelijk dichte achter haar, en nu tort ze over de straat +en hare hielen klonken pleizierig op de koude steenen. Ze voelde zich +vrij en keek alles genegen toe, alles liefelijk ontvangend wat zich +voordeed. Ze bleef altemets de uitstalling der groote magazijnen +bekijken, en 't was een waarachtig geneuchte voor haar. Ze stelde er +algauw een groot belang in en bleef hier en daar haperen en +lanterfanten, kiezend en afkeurend en aannemend met een knikje. Ze +bewonderde in een engelsch confectiehuis een prachtig kareelbruin kleed +uit zwaar laken, ruime pagodemouwen met oranje zijde gevoerd en bezet +met zachten marterpels, een kraag met gulden franjen en zoo nauwkeurig +met blinkende knopjes bezoomd, regelmatig te reke.... Ze had goesting +naar zoo'n dracht, die haar rijkelijk maken zou en begeerig. Ze zou dien +breeden rok voelen kloppen, gewichtig en wijdplooiend, om hare voeten. + +Op een hoek der groote middenlaan, stapte een sierlijke dame uit haar +coupe. Even werd haar kleine leest in een ruischend gefrutsel van kant +en satijn zichtbaar, en ze liep, al wippelend, een pasteiwinkel binnen. +Goedele loerde ze nog na, benieuwd voor wat ze koopen zou, en ze merkte, +achter de laden taartjes en suikergoed, hoe zij te kiezen begon en +naderhand zich aan een luttel mokkakoekje te snuisteren zette. En ze +beneed bijna deze vrouw, die schoon en wispelturig en vrij was in hare +doening. Zoo, lijk deze, wilde ze worden--zoo, handelend naar beliefte, +en geliefd naar haren zin. Ze zou ook genieten van den vroegen morgen en +uitrijden in de uchtendkilte. Ze zou ook links en rechts binnen gaan, +toevallig. Ze zou ook bijten in zoo'n taartje, met volle tanden, en ze +zou trek hebben ernaar. + +Nu had zij geen trek. Ze had ook geen geld te vele. Ze had, buiten enkel +klein zilver, het bankbriefje dat voor Romaan en zijn kindeken bestemd +was. Geld van moeder. En ze dacht: we maken thuis ons eigen ongeluk.... + +Binstdat ze voor een modemagazijn stond en veel lust had in 't zicht van +hoeden en linten, werd ze een jongen man gewaar, die haar sinds durenden +tijd achtervolgde en maar overal stil bleef, waar zij iets te bekijken +had. Ze vond hem onbeleefd en zou hem straks eens duchtig in de oogen +staren, als dat loopje standvastig zijn mocht. In de spiegelvlakte der +ruiten kon zij hem zien--een sterken vent, hoog en goedgeschouderd, +fatsoenlijk aangekleed. Ze vond hem deftig en struisch, bijaldien hij +haar dan toch danig krenkend en ongemanierd scheen. Hij wilde niet in +haar aangezicht blikken, hij deed alsof hij haar niet merkte, voortdurig +echter achterblijvend, gedwee en koppig tevens. + +--Hij heeft tijd te vele, meende Goedele. + +Ze tort dan haastig door, kronkelend door 't volk, straat in straat uit, +zonder ommezien. Ze spoedde zich tot zij er moede van werd, en bleef +rusten bij een tramhuisje. Tien stappen achterwaarts stond hij. +Verontweerdigd stapte ze naar hem toe, hem bijna takend in 't +voorbijloopen, en hij kon ditmaal haar toornige oogen niet ontvluchten. +Hij bloosde rijzekens en sprong verlegen op een aankomende tram. + +Ze had er nu medelijden mee, met dien grooten lummel en lachte met zijne +plotselinge benauwdheid. 't Was haar een onnoozel vermaakje geweest; ze +dacht er aan, lijk aan een piepken-duik-spel van kleine kinderen. Ze +herinnerde zich flauw zijn scherp gelaat, omschaduwd met donkere knevels +en een vierkanten baard. Ze drilde voort, probeerde onderwege zijn +beeltenisse precies af te teekenen en peinsde er later niet meer op. +'t Was een dwaze leutigheid. + +In de lage stad ontmoette ze, langs de nauwe stegen, meer volk en was er +meer verschillend lawaai. Winkeliers prezen hun waar op hunnen dorpel. +Wijven stonden in donkere poorten te kakelen en te kijven. Allerlei +menschen kwamen saam, bij dichte troppels, hun neuze opheffend, en +turend naar blinde muren, met electorale plakkaten bontgevlekt. Kinderen +draafden gichelend en schreeuwend rond en stormden tegelijk een +ruchtigen brouwerswagen achterna. Uit open kroegen steeg 't rumoer van +hevige redeneeringen. De toekomstige verkiezingen hadden alreeds deze +wijk in rep en roere gesteld. + +Goedele kocht in een poppenkraam een poesjenel voor Wiezeken, geheel en +al in een rood en groen pak, met gulden draad geborduurd. Ze dacht: + +--Ons pover Wiezeken!... + +Ze tort de vaartbrug over en geraakte, zijwaarts ommedraaiend, in een +stille straat, die verder uitliep op de graanmarkt. Arets den hoek +voorbij, was een ellegoedwinkel met hoogen gevel. Hier, op het eerste +verdiep, woonde Romaan. Ze ging seffens den somberen gang door en steeg +de smalle trap op. Er heerschte tallenkant een scherpe geur van lijnwaad +en geverfd katoen. Ze klopte boven stille tegen de deur, hoorde +binnenwaarts tante Olympe antwoorden, en draaide de klinke open. + +--Wel! wel! juffrouw Goedele! riep tante Olympe. + +Tante Olympe zat alleene aan 't patodders schillen. Ze kwam haastig +aantrippelen, binstdien vluggelings hare handen schoonvegend met haar +blauwe schort, en hielp Goedele zich ontdoen van haren mantel. 't Was +een stokoud wijveken, mager en omlage gekromd. Haar luttel gezicht lag +plat tusschen twee pronte vlechten zilverwit haar, en haar kinneken stak +vooruit en ging huppelend mee met hare minste woorden. Ze droeg een +zwarte kanten kap en getafelde halfmouwen. Twee lange oorbellen +rinkelden van weerskanten tot in haren hals. + +--Ho! dat zal Romaan en Madeleen deugd doen, die brave komste van +juffrouw Goedele.... Ik zei 't nog gisteravond bij mezelve: zou ze nu +niet weten dat Wiezeken ziek is, en zou ze nu niet komen?... Maar ze +komt. Dat is goed. Dat is goed. + +Ze roefelde met een handdoek over een stoel en schoof hem naar Goedele +toe. + +--Och! en Wiezeken is zoo ziek, juffrouw! + +--Zoo erg? + +--Och ja! Och ja! + +Ze zuchtte en zette zich neer en staarde een wijlken naar een varende +wolk, langs het venster. + +--Ik hebbe 't gepeinsd en ik hebbe 't gevreesd, juffrouw Goedele. Dat en +kan toch niet deugen, zoo'n valsch huwelijk, niet waar? Ze zijn allebei +braaf en ze hebben een schoon herte. Ze zien mij ook geerne. Romaan is +braaf. En Madeleen is braaf. Maar wat willen ze nu koppig zijn, tegen +den wil van Ons-lieven-heerken? Wat willen ze nu zondig zijn? En ze +verdienen geen straffe. Wat willen ze de straffe met geweld zich +aantrekken? Ik weet niet ... waarachtig.... Ons-Heere is zoo goed! Heeft +hij ooit iemands ongeluk gemaakt? Hij heeft dikwijls iemands ongeluk +vermeden.... + +Hare oogen kwamen vol tranen en die rolden nadien, dikke en langzaam, +langs hare kaken, in de diepe groeve van hare rimpels. En ze zei: + +--Zijn wil is deugdelijk. Ze moesten trouwen en neerknielen in de kerke. +Dan zou alles effen komen.... Ziet-de 't? Ik word ziek daarvan. + +Ze blikte weer opwaarts, naar die wolke. Ze slikte een krop weg, die +zeer deed in hare keel. + +--Maar nu is ook Wiezeken ziek geworden.... + +--Is Wiezeken gevaarlijk ziek? + +--Ziek. 't En wil eten noch drinken. Keelpijne. 'k Hebbe al gesproken +van lijzemeelpap met regenwater. 't Kindeken hoest, dat het mij pijn +doet, 's nachts. 'k Hoore 't 's nachts hoesten. 't Is een holle hoest, +die dan te huilen begint. 't Ligt in de voorkamer. 't Is bleek en mager +geworden. G'en zult het niet meer herkennen, juffrouw Goedele. 't Zal +wel zijne handjes uitsteken naar u, maar zulke tengere handjes, met +vingerkens van teer hout precies. Madeleen en Romaan en mijnheer +Johannes zijn er nu bij. Mijnheer Johannes komt schier alle dagen +kijken, en Wiezeken ziet hem geerne. + +--En komt de dokter er ook bij? + +--Dagelijks. Hij wringt beulenijzers in Wiezeken's kele. Ik en kan 't +niet zien, waarachtig. En dan moet ze citroen nemen tot heur tanden +rabauwen. De dokter zegt dat het zal overgaan. Ze zeggen dat allemaal. +Maar ik weet wel dat het ongeluk hier is binnen gekomen, en dat het niet +wijken zal, als Romaan niet tot inkeer geraakt. + +Goedele stond recht. + +--'t Kindeken ligt in de voorkamer, zei tante Olympe. + +Ze was te wege Goedele voor, om haar de deuren te openen. Ze mummelde +gestadig en schudde haren witten kop, tenden raad. Ze keerde zich dan +haastig omme en blikte zonder overgang vlak in Goedele's oogen, en ze +vroeg: + +--Wilt gij Romaan overhalen? + +Ze beweerde dat Goedele het zonder moeite bekomen zou. Romaan sprak alle +avonden van haar. Zij zou hem dadelijk tot zijn schoon verstand brengen. + +--Hij is nu buiten zijn gedachten versmeten. + +Goedele weerde zich zachtjes af. + +--Wilt ge niet? bad tante Olympe en hare lippen vielen in diepe droefenis +neerwaarts, zoodat naar dezen nieuwen rimpel al de andere te gelijk +negen, een beeld stichtend van onzeglijke smert. Goedele troostte +haar--dat was niet zoo erg, en God hield zich niet zoo bepaald bezig met +schadelijke uiterlijkheden. + +--Schadelijk? + +--Want als Romaan trouwt, dan sterft zijne moeder. Romaan doet het +wellicht uit menschlievendheid, en doet hij niet best zoo? Moeder was +niet edel jegens Madeleen, tante Olympe, maar ze blijft, spijts al haar +ongelijk, zijne moeder, Madeleen weet toch dat Romaan haar niet verlaten +zal. Zij mag niet willen dat Romaan's moeder sterft. + +Tante Olympe week achterwaarts tot tegen de dresse en ze hief +permintelijk haren kromme rugge rechte. Haar aangezicht verloor meteen +zijn lijdende uitdrukking en werd hard, puntig, stekelig. + +--Ja?... Ja?... Ja, juffrouw Goedele? + +Hare kin begon te trillen en ook hare beide handen beefden, en haar hals +rok ze uit, de bruine pezen toonend boven hare witte krage, tusschen de +blinkende oorbellen schijnbaar bruiner nog. Hare stemme steeg uit lage +diepten, werd koortsig en sidderde, schoot weg in klaterende klanken en +schorrelde thoope, lijk een pak blekken schervels, droge en ruig. + +--Maar nu sterft Wiezeken? Maar nu sterft het arme dutseken door den wil +van God, door ulder koppigheid, ulder te gare. En als Romaan en Madeleen +buiten geworpen werden, uit het andere huis, omdat ze niet wettig +getrouwd waren, en als we samen het moeielijk hadden en aleens honger +kregen--is dan mevrouw Wilder dankbaar geweest, dankbaar omdat Madeleen +zich, naar hare goesting alzoo, lijk een slonse gedroeg?... Ik hebbe +gewerkt met mijne oude vingeren, en met mijne oude oogen hebbe 'k +gewerkt, en nu wonen we in een leelijk huis, waar Madeleen zich voort +lijk een slonse mag gedragen. En nu sterft mevrouw Wilder niet. Ze zal +wel gezond zijn, als Wiezeken sterft. Dan is Wiezeken uit de voeten.... + +--Ho! Ho!... tante Olympe.... + +Goedele was niet toornig--ze berispte stille, omdat tante Olympe bedaren +zou. Maar tante Olympe moest uitspreken en naarmate hare stemme gebroken +en afgemat, luttel werd, liepen sneller en zwaarder hare tranen over +haar roerend aangezicht. + +--Ik mag het u zeggen, juffrouw Goedele. Ge zijt ons allen lief en +genegen.... + +Ze begon meteen te snikken. Het groote geweld was over, en ze kloeg nu, +al hakkelend en schokkend. Haar lijf zakte ineen en ze was moe, kromme +en scheef lijk te voren. + +--Och! kind, we doen zoo moedig ons devooren, gedrijen. Romaan is nog +altijd op de fabriek; hij wint daar niet veel en we moeten hem helpen +met borduurwerk. We doen het geerne, we doen het geerne.... Maar laat ze +trouwen, als 't u belieft. Ik heb al zooveel geleden voor Madeleen, van +toen ze klein was en hare ouders had verloren. Ik heb ze opgebracht en +ze leeft in mijn herte. Laat ze nu trouwen, laat ze haar eer hebben, die +'k zoo jaloersch hebbe bewaard. Laat ons hier weggaan, uit dees open +huis, en laat Wiezeken later een naam dragen ... niet waar? Ben ik nu +redeloos? Mag mevrouw Wilder redeloos zijn? En zou ze sterven, omdat een +meisje eerlijk blijven wil? Zou ze? Maar ik, ikke, juffrouw, ik ga nu +ook weg, door hare schuld dat voele 'k--en ik zie Romaan en Madeleen +allebei zoo geerne.... + +Ze moest gaan neerzitten op een stoel, en Goedele klopte zoetekens op +hare schouders, een braaf woord zeggend, dat haar opbeuren zou. Ze werd +kalm naderhand en snoot zich in haren grooten rooden neusdoek, en veegde +trage hare oogen droge. Ze fluisterde, met een droef lachje, Goedele toe +dat ze niets hiervan bij Romaan mocht laten gebaren. En vriendelijk, nog +even na 't eerste woord een snik meeduwend, vroeg ze: + +--Wilt ge nu Wiezeken zien? + +Goedele nam de bonte pop, die zij medegebracht had, en ging voor. Maar, +bij de deure, bedacht zij zich en tort niet verder. + +--Wie is die mijnheer Johannes? + +Tante Olympe werd seffens praterig en lei uit hoe deze vriend van +Romaan, een rijke kunstschilder, op een avond in huis gekomen was en hoe +hij sindsdien wekelijks kwam en hen allen zeer genegen was. + +--Een brave ziele, juffrouw Goedele. Hij heeft de beeltenisse van 't +kindeken gemaakt, op min dan drij dagen. Wel! dat is een stuk, schaap. +Ge zult het zien. Ge zult peinzen dat Wiezeken in waarheid u komt +toegeloopen.... + +--Hoe is zijn name? + +--Ameye, Johannes Ameye--wij zeggen gemeenlijk hier mijnheer Johannes. +'t Is een gouden hert. + +De deur werd precies opengestooten, en daar stond Madeleen. Ze viel +dadelijk in Goedele's armen, haar kussend en groetend met dankbare +woorden, en ze bezagen malkander naderhand met vochtige oogen. En +Madeleen lispelde gestadig dat het braaf was, dat het goed was. + +--Och ja! ik ben tevreden. + +Romaan liep ook fluks bij en drukte zijne zuster op zijne borst, en dan +stonden ze gedrijen een wijle sprakeloos ondereen, te kijken naar een +gedacht van deugddoende liefde. De stilte is altemets een licht gewaad +met gulden twijn geweven, waar de ziele te rusten blijft, te rusten en +te luisteren naar schoone aandoeningen. + +Romaan nam nadien Goedele bij de hand en stelde haar voor aan zijnen +vriend. Ze dierf in den beginne niet opzien. Ze voelde iets ongemeens +in 't geluchte, alsof deze man geen vreemde zijn zou en haar met een +bevrienden lach bejegende. + +--Dees is haast mijn broeder, zei Romaan, zijn plaats in mijne liefde is +nevens u. + +Ze keek er naar en herkende hem, zooals zij hem bij 't venster van den +modewinkel voor 't eerst ontmoet had, en zooals zij er, bij het +tramhuisje, toornig was op afgegaan. Hij bloosde en boog. + +--Hebbe 'k mejuffer niet elders gezien? Ik vrees dat ik een leelijk +hoekje krijg in haar geheugen.... + +Zijne stem was vol en zwaar, en sloeg in sierlijke golving om. + +--'k En hebbe u nooit ontmoet, zei Goedele. + +Tante Olympe had seffens de voorkamerdeur geopend en was aan 't babbelen +met Wiezeken van een popje met djentige dracht en met twee drollige +bulten. Madeleen begon over 't arme dutseken te klagen en vertelde hoe +het toch zoo geleden had, den vorigen nacht, hoe 't hoestte en kuchte en +pijnelijk zich wrong, hoe 't dan neerlag zonder couragie, bleek en +afgemat, hoe 't zin had in niets, in niets van al wat het vroeger +begeerde,--en hoe dat alles danig smertelijk was om zien. + +Ze gingen allemaal nog eens kijken. 't Beddeken stond in een luchtige +kamer, naast de breede koetse van Romaan en Madeleen. Drij vensters +wierpen licht op den blooten vloer en, bij kletsende geuten, tegen 't +vermoeide muurpapier, vaag-bebloemd met bruinroode tulpen. En 't +beddeken was sneeuwwit en zuiver en prontelijk, gewend aan de zorg van +aandachtige moederhanden. Goedele bukte zich langzaam erover. + +--Dag, Wiezeken, mijn zoete boeleken.... + +Wiezeken lag in 't blanke kussen, zoo luttel, zoo klein.... Haar hoofdje +dook schier weg onder de sargie, een hoofdje bleek en vaal, met +loodvervige schaduwen, oogjes diepe en wijd-denkend, en een mondje +teenemaal verslenst. Ze lachte stille als ze Goedele herkende, en hare +handjes gingen op naar heur, nadien weer neervallend, lui, onbeweeglijk, +broos. Hare lippen ontsloot ze swijlens en ze wou zeggen: daaag!... en +ze haperde in een zuchtje en zweeg. De pop werd nevens haar geleid, en +ze was daarmee bovenmatelijk gelukkig. Ze bekeek haar met welbehagen en +had plezier met de schitterende kleuren en die koperen knoppen en die +domme bulten van weerskanten. + +--'t Is een poesjenel voor de brave kinderen. + +De poesjenel kon zijne armen toeklappen, als men op zijn buik neep, en +dan rinkelden de twee bellekens, die aan zijne mouwen hingen. Tante +Olympe neep maar gedurig op den houten buik en de poesjenel smeet zijne +klinkende armen gedurig saam, en Wiezeken was bovenmatelijk gelukkig. +Maar ze werd algauw weer slaperig en wendde haar hoofd omme, en dan +moest Tante Olympe aan 't voetende het lieve lam pakken, dat mijnheer +Johannes had meegebracht. En tante Olympe moest op het onderst plankje +duwen tot het lam te bleeten begon. En 't lam zei: + +--Bee-ee-ee-ee.... + +Wiezeken lachte flauw en streek met hare vingerkens in de witte wolle en +bleef er peuteren tot meteen hare oogen opnieuw heel verre staarden en +ernstig werden. Het was alsof dees kind zijn moeielijke gepeinzen volgde +en in diepe beschouwingen verzonk, aldoor mijmerend langs +bovennatuurlijke zaken. Langzaam vielen zijne wimpers dicht en zijne +handjes bleven stille. + +--'t Slaapt. + +Het sliep. Zijne wangen en zijn voorhoofd en zijne lippen--'t werd alles +effen wit. + +Ze tuurden allemaal zwijgend ernaar. Romaan boog zijn hoofd en zijn kin +rustte op zijne borste, en van onder zijne neergeduwde wenkbrauwen +loerden droomend zijne rechte blikken. Hij hield zijn kind, dat +beeldeken van smerte, in zijne hersens vaste en zijn hopeloos gedacht en +wilde zich niet losrukken daarvan, hoe 't hem folterde en martelingen +aandeed. Dat witte gelaat, in nauwmerkzame tinten opschaduwend uit al +het blanke bedlinnen, dat heele broze koppeken, rijzekens een diepte +wegend in 't donzig kussen, en dan de teekening daarin van beloken +oogen, neerplooiende lippen, een luttel neusje, met kantewaarts een +zoetvervig blauw--al wat nu Wiezeken was, 't hiew met pijnlijke slagen, +een steenen herinnering in zijn geest. Madeleen keek schuw op naar hem, +en ze toetste met haar hert zijn droevig gepeins, en een groot verdriet +zeeg over haar. + +--'t Is een deugdelijke slaap, fluisterde tante Olympe. + +Ze kromde haren ronden rugge over 't bedde en lei den poesjenel aan 't +voetende, nevens 't schaapje, en dook voorzichtig de lichte handjes van +Wiezeken onder het deken. En ze prevelde nog: + +--Morgen zal 't ten halve genezen zijn. + +Ze rechtte zich en zag omme binstdien, en Romaan stond daar, voor haar, +te staren, heinde weg, roerloos en zonder uitkomste. En ze merkte, zoo +blootliggend op zijn aangezicht, zijn endelooze leed. En ze herhaalde +met onzekere stem, om toch wat leven in dees bange geluchte te krijgen: + +--Morgen zal 't ten halve genezen zijn. + +Maar de stilte en wilde niet breken, en hare woorden stierven seffens +uit, zonder naklank, zonder een bijblijvend gedacht, dat mocht de +angstige leegte vullen. En dan zweeg ze ook, met de anderen mee, en dan +hoorde ze somtemets het snorkend asemken van 't zieke kind. + +Tot, op een ende, allengs 't rumoer van voorbijrijdende karren en een +standvastig gebas van honden hier binnen drong en hoofdzakelijk werd, +ten teeken dat stilaan elkendeen zich van Wiezekens' beeld lostrekken +wou. Daar was buiten een man die riep: + +--Scherre-scherre-scherresliep! + +En hij deed een krissend wiel draaien, dat lijk een scheur door de +ruimte kreesch. Naderhand klonk boven, op het tweede verdiep, 't geronk +van een naaimachine, en bij poozen, een blijde meisjesstem vrij trillend +in een leutig lied. Goedele lei haren arm op Romaan zijnen schouder, en +Madeleen wendde met een diepen zucht haar aangezicht van hem af. En +mijnheer Ameye zei: + +--We mogen hier alzoo niet blijven, en de kamer vullen.... + +En terwijl allemaal stille wegdrumden, vroeg hij wat een lieve +gebuurvrouw daar zong, ginder hooge. Tante Olympe trok voorzichtig de +deure dicht, en begon seffens te vertellen van het zonderlinge +huishouden. + +--Een blinde met zijn dochter. + +Ze noemde de dochter "een verloren maarte". De oude vader knorde en +ronkte en keef den heelen godschen dag door, en 't meissen zong +swijlens. Men hoorde ze van den morgen tot den avond. 't Waren goede +herten. + +--En hoe geraken ze aan hun brood? + +--Ja, hoe geraken ze aan hun brood!... + +Tante Olympe zette zich bedenkelijk neer, en lonkte naar Madeleen, en +vouwde hare handen over haren schoot, daarna eens smakkend, alsof ze +iets zeggen zou van gewichte. Ze deed hare duimen overeen draaien. + +--Ja, mijnheer Johannes ... ze naait. + +Ze zei 't zoo beteuterd dat Ameye lachen moest, en elkendeen, met +gemaakt geweld, meelachte. Ze werd dan een beetje rood, vlak naast de +gouden oorbellen, en ze begon alzeere en vluggelings te babbelen om hare +verlegen manieren te verbergen. + +--Ze staat laat op in den morgen. De oude is altijd eerst te been, en ik +hoore zijne voeten scherrelen over 't plankier en zijn stok matelijk +kloppen. Hij maakt zijn eigen fluks kwaad en dan staat hij te grollen of +loopt mompelend rond. De man moet veel geleden hebben. 'k Zie 't op zijn +gelaat. Hij heeft een moeden mond en zijn doode oogen liggen in een +rimpelkrioelinge bijkans te lore. Zijn lippen hergaan bij stonden, alsof +hij een antwoord gaf op een invallende gedachte. "Ja!" zegt hij, kort, +droog, met tot ruk van zijn kinnebakkes, en niemand weet tot wien hij 't +zegt. 'k Zeg hem al eens tegen, al lachend: "Neen!" als om te strijden +met hem. Hij blijft dan staan op de trap en heft zijnen stok op, en 't +getril van zijn neuze is een teeken van komende gramschap. Maar zijn arm +valt omlage en zijn gezicht druipt neerwaarts in een verdraagzame +droefenis, en hij zegt schuddebollend: "Och! Och! Och!" ... en zijn +doening is dan van een, die mij gelijk geeft. 't Is een aardige vent, +mijnheer Johannes. + +--En de dochter? + +Goedele vroeg hoe haar naam was. + +--Mariette, zei tante Olympe. + +Ze bleef, saamvouwend opnieuw hare handen, zitten, en riep nadien, met +geveinsde belangstelling, de katte, die even van onder de dresse te +voorschijn kwam en voorzichtig ruiken ging aan het tjopken van haren +wenkenden vinger. Madeleen vertelde hoe Mariette gestadig leutig was en +aldoor zong. De naaimachine geraakte wel eens in druk bedrijf, maar dat +en gebeurde niet dikwijls. Mariette hield zich meer met hare twee +kanarievogels en met hare begonia's bezig. In den uitkomende was 't een +plezier hare werkzaamheid te zien, hoe ze aan 't sproeien was, en heel +'t venster vol hing met kapucijnebloemen, schoone opgeleid langs een +kunstmatige webbe van draden en touwtjes. En de vogels werden in dat +getij buiten gehangen, boven 't raam, in de gouden zonne. Gestadig +schikte ze de muitjes en spreidde er voolkens over om den wille van +muggen en ander stekend ongedierte. En als ze niets te verrichten had, +boog ze zich over de bloempotten heen en bracht hare lippen bijeen tot +een toeterken en floot hare lievelingen voor. En lachen deed ze, zoo +geheel alleene. + +--Maar.... + +--Een herte zonder lusten dan? vroeg Ameye. + +--Ja, maar ... daar hapert iets.... + +--Wat kan er haperen, dat niet in zooveel leutigheid weer loskomt? +lachte Goedele. + +Madeleen knikte en lachte mee. Ze probeerde in een uitbundig gepraat +Romaan's voorhoofd effen te krijgen, en sprak luidruchtig met overdreven +golvingen van haar stemme en met wijde gebaren, zich buigend, en wijkend +en zijlings wiegend, tot ze warm werd en te blozen begon. Romaan stond +voor 't venster en tuurde naar de wolken. Madeleen zei: + +--In den avond, als we al zinnens zijn naar bed te gaan, hooren we de +trap onder voorzichtige terten kraken. Naderhand zijn er geen zangers +meer boven, geen minste rumoer, geen getrippel van Mariette hare zotte +voetjes. Alleen nog, somtemets, een kort gegrommel van den oude, die +aleens poogt de deur open te doen. De deur is vaste.... + +--De deur is vaste, ja, prevelde tante Olympe. + +--Omtrent twee uren in den morgen, kraakt opnieuw de trap en rotelt de +sleutel in de klinke. + +--En Mariette...? vroeg Goedele. + +--Ja, Mariette zelve. 't Zijn hare eenige wandelingen. Ze gaat anders +nooit uit. + +Romaan wendde zich omme. + +--Ssjt!... Hoore 'k Wiezeken niet? + +Elkendeen luisterde en de ongemakkelijke stilte heerschte lijk te voren, +alle geluiden der strate groot makend. Tante Olympe ging kijken of +Wiezeken sliep. Ze kwam weer op hare teenen, elkendeen geruststellend. + +--'t Slaapt lijk een engelken. Overmorgen is het te been. + +Ameye boog zich naar Goedele en vroeg, oolijk lachend, wat hare meening +was omtrent Mariette. Madeleen trachtte de vraag af te weren, omdat die, +volgens haar, zoo direkt in 't intiem denken dringen wilde. Men mocht +niet oordeelen. 't Gold hier eene zeer delikate gevoelstoestand. + +Maar Goedele vond hier zoo diep een ernst niet in, en ze lei uit wat, +haar inziens, een rechtveerdige uitspraak zijn zou. + +--Ik neem aan dat Mariette gelukkig is. Zij heeft heur eigen niets te +verwijten. + +--Djeezes-Maria! kreet tante Olympe. + +--Zij mint het Lenteweer, de bloemen, de vogels, 't vrije geluchte, dat +neervalt uit de blauwe hemelen. Ze voelt haar vleesch, haar heele lijf +opengaan in schoonheid, in nature. Hare doening 's nachts en zal niet +tegen nature zijn. Dat ware onmogelijk. En, overigens, wat doet ze dan? +Ze gehoorzaamt misschien aan 't geheime bevel van haar wezen. Ik meen +niet dat ze misdadig is. 't Ware in elk geval onwaarschijnlijk. + +--Ja, zei Romaan. + +--'t Is een slette, zei tante Olympe. + +Ameye lachte luid en stond recht. Hij trok zijn overjas aan en moest nu +gaan--nog een paar zaakjes afhandelen voor den noene--en morgen zou hij +eens binnenloopen nog, rond den elven. Hij drukte forsig de hand van +Romaan en groette tante Olympe minzaam, haar met een dwaas woord tot +bedaring brengend, en lachte nog als hij Madeleen goeiendag wenschte. + +--'k Zal eens 't portret maken van Mariette.... + +Hij boog voor Goedele en drong nadien met zijne klare blikken heel diepe +in hare oogen. + +--Voor u, juffrouw. + +--Ja, doe dat, sprak Goedele. + +Ze wist niet goed wat hare eigen bedoeling was met deze woorden. Ze had +zoo werktuigelijk geantwoord, meerendeels om hare lippen te roeren en +aldus eene wrevelige verlegenheid te duiken, die over heur aangezicht +kwam. Ze hoorde naderhand alleen in ver lawaai al wat nog gezeid werd, +en Ameye was lang verdwenen, als zij nog zijne blikken voelde, heel +zonderling daar blijvend, voor haar, met een bovennatuurlijken wil.... + +Wanneer ze ook dees huis verlaten had, en de straten doorliep, werd ze +droevig en was te wege weer te keeren. Ze asemde daar zoo vrij, en nu +zou opnieuw moeder nevens haar komen, en grootvader en van avond +Sebastiaan--heel die koude wereld, die gemanierde wereld; tusschen al +die naakte muren haar nijpend en knellend en zeer doende. En 't povere +kamerken, waar Wiezeken te lijden lag en was zoo eendelijk niet als +gindsch vierkante steenmassa. + +Ze bleef droomend lanterfanten langs de uitstalling van den modewinkel +en peinsde: + +--Die mijnheer Ameye is een leege man. + +Ze joeg hem seffens uit hare gedachten en verzinde 't beeld van +Mariette. Ze vond daar behagen in--een kap met blonde lokken, een +gezichteken als van een zoete deugniet, rond en rood en donzig, en een +natte mond en gloeiende oogen en lieve vingeren, gewend aan 't bedrijf +van kanten geluksweefsels. Ze liep bijna een kindje omverre. Ze werd +beschaamd en stamelde en drilde voort, haastig. Ze zag een tram meteen +stilstaan vlak voor haar. Ze peinsde: + +--Die mijnheer Ameye is ongemanierd--en niet vriendelijk ... en niet +schoon.... + +En vlugger spoedde ze zich, zonder reden af en toe stil blijvend bij een +schitterende kleur ievers aan een venster, of bij een hoog geluid, dat +voorbij gilde. Ze hield van niets een vast gedacht. 't Sleerde allemaal +over hare hersens. Ze wilde bij stonden tante Olympe oproepen in haar +hoofd, haar zien trippelen en snokken met haar kinne en wuiven met haar +armen. Ze wilde Wiezeken herdichten, het bleeke wicht. Ze zag den +poesjenel. Ze zag het witwollig lam. Ze peinsde: + +--Waarom vroeg hij, wat ik over Mariette denk? + +En verder drevelde ze, koortsiger wordend naarmate hare gevoelens meer +verward dooreen stringelden. Als ze in de stille wijk van blinde +rijkemanshuizen geraakte, hijgde ze en was danig opgehitst. 't Docht +haar dat de toekomst luchtig werd en dat er klaarten kwamen en een breed +zicht. Ze voelde heel vaag eene grondige verandering in haar lijf, een +ongewoon trillen, een ziedende leven. Ze hijgde, en zij en was niet moe. +Ze was zeker dat iets heel schoons zich had veropenbaard in hare ziel. +Ze vroeg niet naar een oorzake. Niets was bepaald. Ze baadde zoo in een +streelende warmte, daaraan deugd hebbende en zonder verlangen +voortgenietend. Haar bloed sloeg forsig omme en, in haren hals, tegen +hare hooge krage, werd zij den sterken klop ervan gewaar. + +Ze stond meteen voor 't donkere hekken. Ze hoorde de wind zoeven in de +boomen van den hof. Alles brak, viel in haar. Ze moest zich voor den +drempel ontdoen van alle geestdrift, alle gejubel. Ze keek naar de koude +muren en naar al die beloken vensters en onderaan naar de vier +ontsloten--gladde ruiten, met de franjen van donker roode gordijnen en +de witte beelden van twee steenen poedelhondjes. Ze boog haar hoofd en +zuchtte. Het zware geluchte van daarbinnen sloeg haar tegen het +aangezicht.... + + + + * * * * * + + + +V. + + +Ursule vroeg haar of zij 't geld gebruikt had. Goedele had het +bankbriefken bij 't uitgaan in tante Olympe's hand gestopt. Ze sprak nu +heel onverschillig, terwijl ze haren hoed afnam en voor den spiegel heur +haar een beetje schikte: + +--Och! ja, moeder.... + +Ursule antwoordde niet en ging een krulleken witte wolle wegknipperen, +van Goedele's kleed. + +--Ge hebt wolle op uw kleed. + +Ze zette zich neer voor 't venster en kruiste hare beenen en deed haar +pantoffel bijzen op 't ende van haren opgeheven voet. Ze lei hare armen +op de leuning van twee naaststaande stoelen en vroeg hoe 't met Wiezeken +was. Goedele zei dat het haar niet goed voorkwam, dat het kind daar wel +deerlijk lag, zoo wit over zijne kaken, zoo wassig, en zoo teerblauw op +de randen van zijne lippen. + +--'t Zou moeten de buitenlucht hebben. 't Zou moeten kunnen breed +asemen. Zijne longetjes zijn geheel vernepen, geheel klein en +nutteloos.... + +--En hijgt zijn borste? + +--Bij stonden. + +--En ... zou 't eraan kunnen ... weggaan...? + +--Watte? + +Ze keerde zich fluks omme en staarde in Ursule's oogen, zich buigend om +indruk te maken. Maar moeder bleef roerloos en liet hare blikken +geleidelijk meewiegen, met de bijzing van haren voet, kalm verklarend +onderwijl dat ze dat zoo maar vroeg.... + +--Uit belang ... zekerlijk. + +Met een ruk, alsof ze peinsde een wrokkig woord neer te gooien, zei +Goedele dat Wiezeken den dood nabij was. Ze werd rood en voelde eene +dwaze verontweerdiging haar hoofd dol maken. Ze joeg bijtende zinnen +achter malkaar: + +--Ge moet het wel weten hoe Romaan nu lijdende is, gij die zoo geleden +hebt om ons, indertijd, als we zieke wichten waren. Hij beseft nog niet +hoe verre Wiezeken alreeds van hem verwijderd is. Hij ziet wel overal +donkerten ommendom, maar hij hoopt. Gij weet het wel, niet waar? hoe die +toestand is.... Gij zijt zijne moeder. Ik heb uw bankbriefken afgegeven. + +Ze ontzenuwde alzoo haar eigen zelve, en moest, na een stonde, wegloopen +om niet haar drift uit te storten in geweldige gezegden. + +Mevrouw Wilder bleef nog beweegloos zitten, liet zich wegvaren in verre +gepeinzen, streelde in haar brein 't vooruitzicht van een toekomst die +wellicht weer goed worden zou. Ze voorspelde in hare hoopvolle +mijmeringen nieuwe dagen van ijverig werk: Romaan en Goedele saam +gespannen aan een reuzentaak, en, in een harrewatrije van voordeelige +zaken, een versche geldstroom.... een weelde van rinkelend goud.... +Dan wilde ze sterven, alleen dan. + +Ze sprong rechte en duwde hare vuisten op de tafel. Ze siste tusschen +hare tanden: + +--De prije zal ik wegkrijgen. + +Ze had het al lange gecombineerd, hoe ze Madeleen zou weggekregen +hebben. Als Wiezeken dood was, zou alles wel braaf van stapel loopen. + +--Dat arme Wiezeken.... + +Ze prevelde drij keeren: + +--Dat arme, arme Wiezeken.... + +Ze beluisterde geerne hare stemme, wanneer ze 't onnoozel kindeken +bekloeg. Ze had somtewijlen groote angsten. Ze dorst het aan haar zelve +niet bekennen, dat ze Wiezeken's dood verzocht. Ze wilde dat verlangen +wegjagen met een deerlijk woord, en verlangde maar gedurig naar dat +ende. + +--'t Zou 't ende zijn. + +Ze redeneerde dan. 's Nachts werd ze altemets wakker en voelde hare +vreezen naderen, een zonderling, verwijt, dat altijd opkwam bij bange +uren en haar folterde. Ze redeneerde seffens--Wiezeken was zoo'n luttel +ding, zoo ziekelijk van nature ... en wat zou er van geworden als het in +leven bleef?... 't zou toch allengerhand wegtsieperen, stillekens.... +'t was beter dat men 't maar dadelijk verloste uit zijn pijnen ... het +dutseken ... in den hemel zou 't gelukkig zijn.... + +Tegenover Goedele dorst ze daarvan niet spreken. + +Na 't diner--ze hadden gevieren sprakeloos hun soep en hun vleesch met +groenten gegeten--sloot Ursule zich in hare kamer op en Goedele +lanterfantte bij 't klavier, behagen vindend in eene fantastische reeks +van Grieg. Albien bleef zitten bij haar en, als de oude Rik ook langs de +trap weggeraakte, schoof hij een stoel dichte bij de groote tafel en +nam, bezij den schoorsteen, de dooze, die Sebastiaan hem had +meegebracht. Hij zei: + +--Dat is een nar ding, wat ge daar speelt, mijn kind!... + +Hij zette zich goed op zijn gemak en bracht het Zwitsersch huizeken te +voorschijn. Hij bekeek het al glimlachend, in kinderlijke bewondering, +en leunde achterover om beter te genieten, een oogenbliksken, van het +heerlijke zicht. 't Was een huizeken witgeverfd, met een hoog +schalieblauw dak en groene luiken langs de gevels. Vooraan was precies +een terras van bruine steenen met versiersels in eikenhout. Boven het +dak steeg een vierkante toren. Daar hingen de klokken in. Men kon ze +echter niet zien. Hij had zich dikwijls afgevraagd of 't in waarheid wel +klokken waren en of dat beiaardspel niet feitelijk een snarenspel zou +zijn. + +--Een bedriegsel, een bedriegsel, menschen.... + +Maar schoone was 't gansche gedoe. Kantewaarts, onder de euzie, was een +slot. Hij moest daar nu een sleutel insteken en draaien tot de +binnenzijdsche mekaniek opgewonden was en een kort getjok er klopte, ten +teeken dat de veeren gespannen waren. De sleutel hing aan zijn +horlogieketen, naast een paar Hollandsche dubbeltjes, waar hij zelf een +gat in geboord had, en een bronzen medalje van de onlangs gesloten +nijverheidstentoonstelling--een geschenk van mijnheer Devleeschhouwer +--een klein zonnewijzerken en een sigarenknipper, waar 't koper van +ouderdom zich doorsmeet. Hij moest rechtstaan en zijn buik opsteken om +den sleutel te bezigen. Hij zette zich nadien met een vroolijken zucht +neder, en wachtte, en lei zijn rugge deugdelijk tegen de stoelleuning. +Het binnenwerk begon te ratelen en seffens schoof een dubbele deure open +op het terras. Twee poppen schoven, met een krijschend geruchte, naar +buiten, en 't beiaardspel ving aan. 't Was nu een matelijk dansen. 't +waren snokkende sprongskens begeleid door een roteleere van krakende +wieltanden, naar 't oordeel van Albien allemaal wonderschoon. En de +beiaard speelde een oud veuzeken, liefelijk en huppel-licht, en 't was +hem een diep geneuchte ernaar te luisteren, elk toontje op te nemen, +achtereen, en te troetelen in zijn hoofd, dat zat werd van de zoete +harmonije. Hij mummelde, blozend van geluk: + +--Dat is nu mijn eigendom. + +Goedele keerde zich omme en keek hem na, hoe hij schuddebolde en meeging +met den kleinen zang, hoe zijne handen ommentweere bijsden, rythmisch en +half-beloken, en hoe zijn voorhoofd blonk en zijpelde van overvloedige +wellust. Als de mekaniek stilaan verslapte en, met nog een laatste +rukje, stillebleef, herwond hij ze op, en weer vergenoegde hij zich in +'t zelfde deuntje en in 't eentonig gebaar der poppen. Hij verdeelde nu +zijne aandacht en loerde meer bepaald naar den gang der blikken armen, +nadien naar 't nijgen der steenroode koppekens, dan naar een haperinge, +die, op gelijke afstanden, gebeurde en zich hernieuwde gedurig. 't Was +'t wijveken, dat meteen roerloos viel, en, na een stonde, terug +opsprong. Hij zocht beteuterd naar de oorzake van die onregelmatigheid. +Goedele zag hem triestig worden en zijne lippen herdoen en schrik +krijgen middelerwijl. + +--Mishandt er iets? vroeg ze. + +--Wel neen, wel neen, zoo precies.... + +Hij sprak dan verlegen en verwonderde zich: + +--Ge kijkt ook hiernaar?... Hoe mirakelachtig dat is! + +Hij mooschte en prutste en draaide nog eens het spel in gang. Goedele +keek naar hem en voelde groote deernisse. 't Klonk, in deze hooge kamer, +zoo deerlijk, dat onnoozel muziekhuizeken. Op strate was er weinig +rumoer--af en toe het tijdelijk gerij van een sjeeze. In den hof +ruischte het zoevend geboomte. Hier, alleene en gelukkig, maakte Vader +een zottig lawaai, gedurig bezig met zijn nutteloos bedrijf, alsof zoo +eeniglijk zijn leven was en niets hem aanging daarbuiten. Ze vroeg: + +--Hebt ge daar wel zin in, vader, dat ik met Sebastiaan trouw? + +--Ba ja.... + +--Wenscht ge dat uit ganscher herte, vader? + +Hij hief zijn ronden kop omhooge en zijne oogen zeiden genoegzaam dat +hij nooit daarover nagedacht had. Het was besloten: ze zou trouwen met +Sebastiaan. Ursule had het zoo besloten. En Sebastiaan was geen kwaad +aanbod ook. + +--'t Is een brave jongen.... + +--Dat is de zaak niet. + +Ze wilde hem doen aarzelen, eene onzekerheid brengen in dezen +hinderlijken geest. Maar Albien kende slechts eene waarheid, en die lag +besloten in de wet van Ursule. Even ontwaarde hij in de woorden van +Goedele een opstand tegen die wet.... Hij bleef verbijsterd zitten, niet +goed begrijpende zoo'n daad, die, naar zijne meening, de menschelijkheid +te boven ging. Hij struikelde in een hakkelend gezegde: + +--Moeder heeft toch ... gesproken ... niet waar ... toch kenbaar gemaakt +haren wil?... 't is haar wil toch?... van moeder?... + +Het rammelend huizeken viel stil en het deurken flapte toe. Goedele +begon meteen luidruchtig te lachen van koortse. Dan keek ze Albien met +natte oogen aan en boog zich over de tafel, zoekende met hare handen +naar zijne luie vingeren. + +--Och, mijn goede vader, die nooit verdriet en hebt.... + +Hij lachte mee en verjoeg alzoo het angstig oogenblik, dat over zijne +slapen gekomen was. + +--Ha! Ha!... dat is een aardige perte ... 'n fameuze!... + +Hij vond het allerbest dat het zoo op een ende afliep. Hij was nu +overgelukkig. Hij nam een kaartspel en begon voor zijn eigen kunsten te +probeeren, die hij in Snoeck's boekjes aangeleerd had. Hij wond eerst +nog eens het Zwitsersch huizeken op, en, binst dat de poppen op mate van +het beiaardspel hunnen snokkigen dans deden, lei hij de kaarten +nevenseen en deed toeren. Zoo was 't geluchte vol om hem. Zoo was overal +de tastbare aanwezigheid van zijn eigendom en al wat leeg was in deze +kamer, werd weelde, zijne weelde. + +--Denk ereis 'n kaartje uit, Goedele, van de een en twintig die 'k hier +openlegge ... toe ... + +Hare genegenheid deed hem deugd, omdat hij die gebruiken kon als een +ernstige belangstelling in zijn doening. Hij vroeg: + +--Hebt-ge ze alreeds? + +--Ja ik, zei Goedele met een zucht, al leunend op hare ellebogen. + +--Nu moet-ge toogen in welk van deze drij pakjes uw kaarte ligt, de +kaarte van uw keuze, zegt het boekje. + +--In 't deze, rechts.... + +Hij mengelde 't spel, opgehitst, aangeprikkeld door Goedele's schijnbare +aandacht. Hij sloeg de kaarten dooreen met een gedwongen sierlijkheid en +trachtte zwierig te blijven in zijn minste gebaren. Hij hoopte de +kaarten nadien weer in drij pakjes. + +--En nu? + +--In 't deze opnieuw, rechts.... + +Hij herbegon, en een oolijk glimlachje straalde open over zijn gansche +aangezicht. Hij verdeelde de kaarten. + +--En nu? + +--In 't pakje te midden.... + +--In 't pakje te midden. + +Hij maakte zich een wellustige dobbelkinne. Met een haastige stemme +verwittigde hij Goedele, dat ze nu goed opletten moest, en haar kaarte +niet vergeten. + +--Hebt-ge ze nog vast in uw hoofd? + +--Ja.... + +--Ik zal ze er seffens uithalen ... attentie, als 't u belieft ... een +beetje attentie.... + +Het huizeken was stil gevallen. Hij draaide vluggelings den sleutel erin +en deed de wielkens werken lijk te voren, zoodat de beiaard zijn +veuzeken hernam. Hij was goddelijk in zijn schik, en dees stonde was hem +een onzeglijke verrukking. De wereld was vol van hem. Hij deed de +kaarten overeen schuiven, telde en gebaarde, met geveinsde aandacht, de +hulp van bovennatuurlijke geesten in te roepen. Hij bleef een wijlken +dubben, zette zijn hoofd scheef en tuurde bedenkelijk naar de zoldering, +in de afwachting der wonderbare machten. + +--Kijk nu! + +Hij smeet de kaarten overhand verre weg van hem en keerde fluks de elfde +omme. + +--Koekelaas! + +Hij riep ze triomfantelijk uit, zonder aarzeling, en steeg van zijn +stoel op, in glanzende glorie. Hij herhaalde: + +--Koekenaas.... Hee! + +--'t Was koekenaas. + +--Ik wist het, ge hoeft het mij niet te zeggen. Dees is tooveren ... +eigenlijk.... + +Goedele keek hem aan met zachte oogen. Ze was tevreden dat hij zoo +gelukkig scheen, en prees zijn kunste. Hij viel haar in de rede, +verklarende dat niets boven het dominospel en het kaarten reiken kon, +en dat hij 't al zoo dikwijls gezegd had aan Alfred ... maar Alfred was +niet vlug, moest hij bekennen, en had lompe gepeinzen, aldoor meenende +dat hij 't beter wist dan de boekjes zelve. Alfred kon ook niet lang een +zake bezien. + +--'t Is een kind nog. + +Hij lachte daarmee, alsof hij wel medelijden ten slotte gevoelde voor +den jongen, die nog zoo kleinzielerig was ... omdat 't verstand voor de +jaren niet en komt. Hij was te wege het huizeken nog eens op te winden, +en verwonderde zich als Goedele bad dat hij 't maar niet doen zou. Hij +vroeg, bedrukt: + +--Houdt ge niet hiervan? + +Ze stond recht. Ze stilde hem. Ze hield veel van dat wonder dingen, +beweerde ze. 't Zou echter kapot geraken, als hij 't zoo dikwijls +bezigde, en zag hij bovendien nog 't manneken en 't wijveken? + +--'t Wordt avond.... + +Zij en merkte geen verven meer. Van uit de hooge vensters, langs de +franjen der gordijnen, zijpelde het vage licht, in de kamer te lore zich +verdeelend tot het wegdeemsterde in de hoeken. Zonderlinge klaarten +blikkerden van tijd ievers op, als 't noesche verspergestraal tegen een +koperen ornement botste of tegen een glazen pot, een porseleinen +beeldeken, een witgeschuurde tinnen teele. Drij laatste krysanthemen +vlekten de naderende donkerte met hun blanke trossen. Van tallenkant +rees de plechtigheid der schemering, alles omvattend in zoetig gewaad, +voordeelig voor de droomende stilten.... + +Er werd gescheld aan 't voorhekken, en binst dat Albien zijn speelgoed +wegdook in de dooze, tort Sebastiaan de kamer binnen. Het was zijn ure. +Hij was altijd heel stipt. Goedele ontving hem met koortsachtige +opgewondenheid, sprak luttele woordekens en was danig vriendelijk. +Ze ontdeed hem van zijn overjas, omringde hem met hare dienstveerdige +handen, bekommerde zich om zijne bleekte. + +--Zijt-ge vermoeid? + +--Een beetje. + +Hij voelde geerne hare hulpzame genegenheid en glimlachte geaffecteerd, +zich neervleiende in zijn eigen weerde, herkend door haar, die hij +liefhad. Hij vroeg aan mijnheer Wilder of hij 't huizeken schoon vond, +en Albien vertelde hem hoe 't ineenstak, hoeveel tijd het in gang bleef +en hoe schoon veuzekens de beiaard speelde. Terwijl Goedele een kopje +koffie gereed maakte boven 't alkoollampje, en 't gaslicht aanstak, bood +hij mijnheer Wilder een sigaar aan. + +--Dat zijn weer van die fijne sigaren, zei Albien. + +Ze smoorden en praatten ondereen. Goedele was uiterst gezellig en +aangenaam. Ze schonk de koffie, wierp de klontjes suiker erin, roerde en +wilde alles zelf doen. + +--Gebruikt ge melk van avond? + +--Als 't u belieft, een geutje.... + +Ze beloerde op Sebastiaan's aangezicht hoe gelukkig hij was, hoe +gevoelig voor hare dienstwillige gebaren, en hoe hij daar nu wegzonk in +zijne onnoozele verwaandheid, tevreden en zat. En Vader nevens hem was +ook een beeld van gezapig geneuchte. 't Was een gulden avond. Sebastiaan +zei 't: + +--'t Is een gulden avond. + +Daar kropte dan iets in hare keel en ze zwolg geweldig om 't weg te +krijgen, en glimlachte rijzekens ... maar heure oogen werden schaduwen. +En ze overdreef daniger nog hare vriendelijkheid. Ze sprak zonder +diepten, aldoor hare stem buigend in streelingen van korte, +oppervlakkige gezegden. Ze schertste met Devleeschhouwer, maakte kleine +portretjes, draaide hare meeningen tot lollige zetten en schaterde +vroolijk daarbij. + +--Hebt-ge gemerkt de dwaze manieren van Bella?... Wel Jeezes! + +Door den rook der sigaren en 't geronksel van die vlugge babbelingen was +Albien thoopegezakt en in slaap geraakt. Hij schoot altemets wakker, +sluimerde seffens weer weg, en zijn hoofd bijsde ommentweere, zijn bolle +glanzende hoofd. + +--Bella? vroeg Sebastiaan. + +--Wel ja, herinner u ... ze zat lijk een katte te lonken.... + +--Ik weet niet.... + +Ze ging voort. Ze spotte en peuterde aan diverse gezichtjes en had leute +met die potsierlijke menschen. Sebastiaan duwde den damp zijner sigaar +in ringen en krullekens omhoog, en liet zich dat grillig gepraat +welgevallen. Het kwam alles zoo in zijn schik. Hij hield zich als een, +die boven deze meisjesdoening staat, maar in waarheid had hij er deugd +aan. Te dezer stonde was hij werkelijk de man, die thuis keert van zijn +moeielijk en bovenzinnelijk werk, en zich nu vergenoegt in 't naieve +gesnater van zijne vrouw, die lieve, de mindere.... Hij luisterde en 't +maakte hem dronken. Hij zei stille: + +--Later zullen wij interessante vrienden op diner ontvangen. + +--Wij? + +Goedele keek hem diep in de oogen, en ze voelde dat hare ziel zich op +een ende losrukken zou. 't Zicht der toekomst, dat hij opriep, walgde, +folterde haar. Ze wilde niet dat hij de toekomst aanroeren zou. De +huidige uren wilde zij gelukkig maken, en ze zou meegaan, dag-in, +dag-uit ... en wat er gebeuren moest, zou gebeuren. Ze was gedwee.... +Maar den sluier wilde zij ongeraakt zien hangen. Wat er achter was, +bezeerde haar. + +Ze werd somber. Ze kon niet het onmogelijke doen en voortlachen. Ze +staarde mijmerend in hare gepeinzen, wachtend tot de schoone eenzaamheid +komen zou. Sebastiaan, verloren in zijn standvastig geneuchte, merkte +niet hoe plotseling zij zich van hem verwijderd had. Onbewust vulde hij +de stilte, die nu heerschend was; hij sprak van zijn zoeken, van zijn +studie. Hij was bovenmatelijk gelukkig als hij daaromtrent verhalen +mocht. + +--Dat doet u dan ook plezier, niet waar? + +Ze tuurde naar 't licht en zag de verte, die onzeker was.... Ze zei, +niet wetende: + +--Ja.... + +Hij deed seffens Hieronymus Bos herleven, en zijne handen begonnen te +wuiven, te keeren in 't geluchte, sierlijk en vroom. Hij teekende die +uitermatige figure, dien ziender van monsters en wangedrochten. + +Hij had ontdekt hoe een ellendig mensch Bos geweest was, hoe hij geleden +had tot zijn doodsure alle weeen, die een ziele dragen kan, en hoe hij +toch ten langeleste eronder was bezweken. Hij vertelde hoe de kunstenaar +dan gewerkt had, hoe zijn koortsige geest al die akeligheden geschapen +had en gebeeld in kleuren, en hoe in dat schijnbaar-drollige werk van +Bos een verwijt lag voor de menschen. Nadien had hij zijne eigenlijke +studie kunnen aangevangen: de invloed van Bos op Filips II van Spanje. +Hij schilderde Filips als een ziekelijke mystieker, die behagen vond in +de nare tafereelen van Bos. Hij zag den koning, met koortsige +nieuwsgierigheid, die tafereelen ontleden en beweegbaar maken. Hij zag +hem wreed worden in de nabijheid der hellegeesten van Bos, omdat hij +niet vreezen wilde. + +--En hij vreesde!... + +Allangerhand joeg Sebastiaan, in 't spreken, zijn bloed op, en zijne +gebaren schokten aleens zenuwachtig uiteen bij een woord, dat +hoofdzakelijk moest zijn. Hij meende Goedele's gedacht te boeien. Hij +merkte hoe zij hem nu nakeek, hoe hare oogen roerloos op zijn gelaat +zich vestigden. Hij wendde zijne blikken af en staarde gedwongen naar de +poedelhondjes, die op 't vensterblad pronkten, maar innerlijk was hij +tevreden dat zij hem in zijn rede zoo nauwkeurig volgen wou.... + +Tot ze hem meteen het woord afnam: + +--Is dat uw werk? + +Ze hoorde zelf, hoe koud haar gezegde klonk. Hij zweeg een oogenblik: +'t was of met een ruk de poedelhondjes waren opgesprongen. Hij bleef +beteuterd, vernederd zitten. Goedele, eerst verwonderd dat haar uitval +zoo pijnlijk was geworden, wilde niet meer wijken, en koppig dreef ze +door, slaande op elken zin, om zich op te hitsen. + +--Is dat uw doode werk?... En zal ik leven in 't bijzijn van al die +schimmen? Zult genievers een woord vinden, dan om die oude namen tot +levende gepeinzen herop te wekken?... Maar voelt ge niet dat ik +uitkwijnen moet in dien fantastischen rommel, in die beschimmelingen +zonder kleur noch gedaante?... Ik weet niet, wat ik noodig hebbe. 't Is +mij te onduidelijk, omdat ik ziek wordt stilaan. Maar mijne armen, mijne +handen, mijn nekke dien'k plooien moet, mijn gansche lijf wil lucht en +beweging. Van wat is en voelbaar is, wil ik genieten.... Ik vraag het +mij dagelijks af: 'k betaste mij en 'k vrage ... waar 'k zeer heb, waar +ge mij zeer doet, gij allen, die niet leven wilt!... + +Ze stond rechte, lengde zich uit, groot wordend en hare sterkte +uitspreidend om haar. + +--Mijn vleesch is struisch--maar binnenwaarts zegeviert de pijne. Ge +martelt mij aldus, ge nijpt mijn herte thoope in enge banden van koud +metaal. Waarom is alles dood wat ge mij te geven hebt? Waarom en toets +ik niets dan doode dingen, allentwege doode dingen? Hebt gijlie geen +polslag? hebt gijlie geen warme handen? hebt gijlie geen voelenden +geest? + +--Goedele! + +Hij vatte haar bij den arm. Hij was gekrenkt. Hij zei kort, met bevende +lippen: + +--Dat is slecht, wat ge doet. + +--Slecht?... Maar mijn hoofd berst en breekt. Wat hebbe'k miszeid? Mijn +hoofd is een zware kasse, en 't weegt me, 't weegt me zoo pijnlijk. Wat +draag ik daar al niet in, sinds jaren opgeraapt tallenkant! Die muren +hier folteren mij. Ge zult mijn man worden. Mag ik me niet ontlasten bij +u? Moet ik de sterkste zijn, en ben ik slecht, omdat ik u een part geef +van 't schrikkelijk gewichte? Ik wil niet meer leven alzoo. In dees huis +ben ik onvolledig en voel ik nood. Gij zijt gekomen. Gij zegt dat gij me +lief hebt.... + +Ze werd gewaar dat hare stem zeeg en te trillen begon; ze hief hare kin +omhoog en rok haren hals uit. Ze wilde hare woorden niet belijden, ze +zoo maar uitspreken, zonder dat ze een smertelijke herinnering opwekken +mochten. + +--Dat ge ... mij lief hebt ... ja. Leef nu! Doe niet mee met de doening +van heel dees huisgezin. Kijk rond u.... Vader speelt met popjes. +Grootvader is een roerende schaduw. Moeder ... och, moeder ... +Sebastiaan ... is me vaak lijk een noodlottige figure, gaande in steenen +stilzwijgendheid.... En gij nu nog vingert in een vunzig verleden.... Is +zoo de wereld, zoo de menschelijkheid?... Ik weet niet meer, ik twijfel +en ik lijd: ben ik abnormaal? + +Ze dwong stille haren arm los. + +--Ben ik buiten nature, en gijlie te zaam, leeft gij waarachtig naar 't +gebod van uw wezen? Ik word onzeker. Ik haper in mijn gepeinzen. Ik +bekijk alles te vergeeft ... te vergeeft, want uw aller zicht drijft me +slechts tot opstand.... En dulden wil ik, verdraagzaam, gedwee ... en ik +ween als ik eenzaam zit--Mocht ik dat alles u niet zeggen? + +Hij lei zijn magere handen, in blank gebaar, over zijn aangezicht en +liet ze erover trage neerwaarts zijgen. Hij sloot zijn oogen en verdroeg +een oogenblik de stilte. Dan sprak hij met veel droefenis en zijne +woorden, onderbroken bij poozen door onregelmatige zuchten, kregen in 't +luisterend geluchte, na 't verwilderd krijten van Goedele, een ongemeen +belang. Hij zei dat ze hem diepe pijn veroorzaakte, dat hij haar liefhad +boven al wat hem anderszins lief was, en dat hij zou ommekeeren in zijne +levensbaan, als het haar zoet mocht zijn. Hij kon niet nalaten, ook op +dezen stond van waarlijke smert, zijn gezegden te meten en schoon te +sieren in passende golvingen. Hij beluisterde zijn eigen. Hij vroeg: + +--Wat moet ik doen? Ge hebt mij zeer gedaan.... + +Ze viel terug neer op haren stoel, afgemat, en haar gemoed kwam vol. +Ze stortte dan voorwaarts op de tafel en begon te snikken. Ze voelde +Sebastiaan's vingeren streelend over hare schouders gaan en hoorde hoe +hij daarbinst haar troostte met schoone uitdrukkingen. Ze jammerde dat +hij haar vergeven moest, dat ze koortsig was en hem wel geerne bij haar +had, dat hij goed was voor haar en niet hoefde te veranderen ... dat zij +de schuld was van haar gemaakte wee, door haar wrevelige zenuwen, door +hare lichtzinnigheid, door hare vreesachtige zwakte. + +--Ge moogt niets zeggen hiervan aan moeder.... 'k ben ziek, ik verzeker +u. Ik ben onrustig en hebbe sinds gisteren hoofdpijn--slagen in de +hersens. + +Ze huilde en haar gansche lijf schokte op. Ze wilde niet kijken naar +Sebastiaan. Ze bleef liggen; haar gelaat dook weg in hare saamgebrachte +armen. + +--'t Is best ... dat moeder niets weet ... getweeen zullen we 't +gemakkelijker ... vergeten.... + +Maar moeder stond al in 't deurgat. Haar stevig aangezicht rees bleek op +uit de gapende donkerte, en 't licht kletste open op haar voorhoofd. Ze +tort naar voren. Hoe dof ook hare stappen smoorden over het dichte +tapijtsel, toch voelde meteen Goedele hare aanwezigheid. Ze sidderde en +haar asem bleef hangen in hare keel. Hare vroegere vreezen bevingen haar +op een nieuw en verlamden hare spieren. Ze dierf moeder's blikken niet +taken met haren blik. Ze wachtte. + +--Ik mag u ook wel troosten, mijn kind, zei Ursule met effen +bedaardheid.--Ze kwam naderbij, ging de tafel rond en schudde onderwege +Albien, die seffens rechtsprong en kinderlijk-benauwd daar te gapen +bleef. Ze stond nu in de volle klaarte. Ze was uitermatelijk groot en +meesteresse. Ze wenkte met hare hand ten teeken dat mijnheer Wilder zich +verwijderen mocht, onverwijld, en, als hij sprakeloos wegdrummelde, keek +ze rustig naar haar zakuurwerk. Men hoorde rijzekens het horloge tikken. +Ze sprak: + +--Het alkoollampje brandt nutteloos. + +Ze ging het uitdooven. Ze nam de sigaar op, die uit Albien's vingeren +geglibberd was, en blies de assche uiteen langs het tafellaken. Met +streelende zachtheid boog ze zich over Goedele en vroeg wat er deerde. + +--Ge moogt u niet ophitsen en schadelijke gepeinzen voeden. Wilt ge een +druppelken munte? + +--Danke, moeder ... ik ben ongemakkelijk, ik lust niets ... 't zal +geleidelijk overgaan. + +--Dat meen ik ook ... Mogen wij u morgen verwachten, Sebastiaan? + +Hij stond seffens recht en beloofde dat hij stellig komen zou. + +--'t Wordt nu late, voegde hij erbij, wel een endeken vernederd, omdat +zij hem zoo dadelijk wegzond. Hij was echter min in zijn schik nu en +vond het om dieswille niet onpasselijk, dat hij vertrekken mocht. Hij +wist niet wat zijne houding zijn moest. Hij zou morgen meer weten. + +Goedele droogde hare oogen en bracht hem zijn overjas en zijn hoed. +Niemand sprak daarbinst. Gedurig heerschte de wegende stilte. Op +elkendeen's lippen lag een onbeduidend gezegde, dat iets verroeren zou +in 't geluchte en een beetje rustigheid stichten, een beetje +verstrooidheid te gelijk.... Naar niemand en dierf noch en sprak. Men +haastte zich, in schijn onachtzaam en lui zich toonend, en de leegte die +overal was, werd onverdraaglijk.... + +Sebastiaan vertrok. + +Ursule kwam voor Goedele staan en kruiste hare armen over hare borst. + +Ze beet haar toe: + +--Kijk op! + +Ze wilde in de hersens wroeten van haar onwillig kind en tusschen hare +tanden heen sisten hare woorden. + +--Wat zijt ge van zin?... Ik vraag u--wat zijt ge van zin? ... Kijk op, +zegge 'k. Wat zijt ge van zin.... Laat me zien in uwe oogen. En duik uw +voorhoofd niet.... Op! wat is er? + +Ze bukte zich en stiet haar kinne naar voren, en een rimpel duwde de +hoeken van haren mond neerwaarts. + +--'t Wordt tijd dat ik het weet.... Nu zal ik alzoo gesteend en +gejammerd hebben om 't kwade gedrag van Romaan; nu zal ik alleen zijn +rechte gebleven om de hoop, die ik stelde in u ... en nu zoudt ge 't +leste gebouw omverre storten? + +Ze sloeg haar hoofd met een snok achterover, en stond daar een oogenblik +met hatelijke blikken en dichtbeloken lippen, zich in te houden precies, +om geen uiterst geweld te zeggen. Dan schoot ze uit, lijk een razende, +onbeteugeld en afgrijslijk. + +--'t En zal!... Hoe gij 't ook draait of keert, hoe oolijk gij 't +aanlegt, hoort ge?--'t En zal! Ik zal u vasterijgen.... Ik zal u +vasteketenen.... Ik zal u dwingen tot eerbied voor mijn wil.... Luister +goed--ik heb mijn leven lang gezwoegd en geslaafd om geld ... met mijne +vingeren, tot mijn nagels sleten ... en tot de nacht al verre was ... en +van heel vroeg in den morgen ... om geld.... Dat geld zou vruchtbaar +zijn. Luister goed: ik wil dat het vruchtbaar zij ... ik wil dat nog +zien om mijn ouderdom blij te maken.... Romaan heeft mij verraden ... +die laf hertig is en liever zijn moeder beleedigt ... dan zijn +slette.... Maar gij, ik zegge 't u, wees voorzichtig.... Ho! Ho! ik +zegge 't u.... Rechtgaan ... de weg is daar--ik heb hem u gewezen.... + +Ze merkte nu hoe Goedele, eerst verschrikt, zich allangerhand hervatte +en tot bezinning kwam, hoe zij zich tegenwoordig rustig neerzette en al +die harde woorden zonder aandoening liet wegslibberen, zijwaarts. Een +onzeglijke woede verdonkerde haar aangezicht en vierkantig viel haar +mond open. + +--Haa-aa-aa.... + +Maar ze wrong hare kaken regelmatig thoope en zweeg. Vluggelings begreep +ze dat het dwaas was met koppigheid tegen Goedele's koppigheid aan te +stooten, en hare gewone sluwheid dook op, almachtig. Hare minste gebaren +werden lijk te voren berekend en geleid, en hare gramschap liet ze +meteen wegvallen in een diepen zucht: + +--Och, Heere-lief!... + +Ze zakte naderhand ineen op een stoel, vouwde stille hare handen over +haren schoot, en, haar voorhoofd neerbuigend, staarde in droef gepeins +op 't gebloemte van het tapijt. Ze bleef een stonde sprakeloos en daar +zeeg over heur gelaat een groote droefenis. Met een ontroerde stemme zei +ze: + +--Ik heb ongelijk.... Ik voel dat ik niet wel ben.... Ik had u dat +anders moeten zeggen ... niet zoo brutaal, mijn kind ... maar ik ben +niet wel, zekerlijk.... Ik ben koortsig. Ge moogt die leelijke dingen +... daar even ... niet kwalijk opnemen. Ik heb u lief, ik wil uw +geluk.... + +--Ik ben niet gelukkig. + +--Ja ... daarom wil ik zoo hardnekkig uw geluk. Ik mag u niet laten +onzinnig zijn. Ik moet u leiden, ik moet u doen opgaan ... naar dat +later geluk.... Wat scheelt er?... Ge vindt het hier eng. Ge moet u +opbeuren. Het is hier niet eng. Wat scheelt er? Ge beeldt u dat allemaal +in, omdat ge te veel alleene zit. Ge timmert al die akeligheden op, in +uwe eenzaamheid.... Laat Bella hier komen!... na het diner ... 's +avonds, en praat wat, zing wat.... + +--Bella moet hier niet komen. + +--Laat Sebastiaan alle dagen zijn bezoek doen!... na het diner ... dat +deert immers niet! + +--Dat deert mij.... Kijk! Ik ben weer kalm. Alles kan gerust blijven +zooals vroeger. Maak u niet meer lastig om mijnentwille nu, moeder.... + +--Denk ook een beetje aan mij, Goedele ... zult ge? + +--Ik denk aan u.... + +--En beloof me dat ge braaf zult blijven.... Wel! Wel! een mensch heeft +al heel veel harde dingen voor in zijn leven ... hij mag niet zoo dwaas +zijn en kleine vervelingen opketsen tot smetten! Geef me een zoen.... + +Goedele stond recht en ging Ursule kussen op haar voorhoofd. Ze keerde +zich daarna langzaam omme en vertrok. Even bleef ze stille in 't +deurgat. + +--Goeien avond. + +Ze tort de trap op. + +--Goeien avond, antwoordde Ursule. + +Tot ze, dan boven, Goedele's kamerdeur hoorde sluiten, zat mevrouw +Wilder onbeweeglijk voor zich uit te kijken, zonder zien. De zoetigheid, +die zij om haren mond geleid had, viel meteen en haar bloed sprong in +een machtige geute naar heur slapen. Ze hief haar vuist omhooge en liet +ze met een forsig gezwaai neerploffen op het tafelberd. Een koffiekopje +joepte kantewaarts rinkelend omme en, over het witte laken, spreidde een +bruine vlek, die geleidelijk openging.... + +In de voorkamer stond Rik, en hij lachte stillekens, een diepe leute +gevoelend, zoo op een keer. + + + + * * * * * + + + +VI. + + +Goedele, als ze op hare kamer kwam, stak haar nachtlichtje aan en ging +neerzitten bij 't venster. De tuin was in dichte donkerte gezonken. +'t Had al gesmokkeld in den avond, en nu begon het te regenen. Tegen de +ruiten sloegen de druppels, menig en leuterig, aldus een tokkelveuzeken +makend, dat eentonig en klagend was. Altemets vulde de wind zijn +zoevende flanken en dan roefelde de volle vlage ineens langs het raam. +Andermaal was 't weer zoete, en de regen trippelde in gelijke maten, zoo +smertelijk van zin, dat Goedele om haar herte een endelooze droefenis +voelde, die in warme aandoening opjoeg, kriebelend binnen hare oogen. +Ze zat in hare schoone eenzaamheid den dag te overpeinzen, die verleden +was. Ze herdichtte den pronten morgen, vol zonne en klare droogte, de +levende stad, het levende volk daar krioelend langs luidelijke straten, +al het geruchte, dat deugddoende was, en dan, bij Romaan en Madeleen, +de vrije, heldere huiselijkheid. Ze zag Wiezeken; ze had Wiezeken danig +lief. Ze voelde hoe vol leven ook dit huis ginder was, met dat heel +zieke kindeken, en hoe dood die muren hier, die zoldering, die heele +monsterachtige doening van kouden steen. Ze voelde 't overal. Ze krinste +met hare schouders en bibberde van de killigheid die hier tallenkante +blijvende was ... en ze keek seffens naar de duisternis, den nacht in +den hof, om los te geraken met nieuwe gedachten, die klaarten brengen +moest in haar hoofd. Al wat ze hier met hare zinnen toetste, was haar +eene vernedering en woog op hare hersens. + +De regen klabbetterde welluidend voort. Van tijd was 't of hij wegdropte +en 't geluchte binstdien leeg en open aan 't worden was; de ruiten +bleven ongetaakt ... een stondeken ... maar opnieuw vingerde 't natte +weer algauw, en 't werd een reesem rappe geluiden, zich haastend om de +stilte in te winnen. En Goedele onderging den invloed van dezen +trippelzang, en langzaam baadde haar gansche lijf-en-ziele in 't zoete +gerucht, dat rijzende of zijgende ging. Ze bepeinsde zich en wroette in +haar binnenste, en legde somtijds een gevoel vaste, dat overanderlijk +blijven zou. Nadien was ze bezig met Ameye. Ze had bewondering voor zijn +groote figure--dien hoogen man met een sterk gezichte en een breede +borst. Ze zag nog duidelijk zijne witte handen: ze konden zoo struisch +een gebaar teekenen, en de vingeren gingen dan allen zaam en vouwden +zich thoope of rokken zich uit. 't Waren, lijk woorden, heldere +gezegden. Ze dacht: + +--Maar hij sprak zoo gek! + +Ze maakte zich met moeite wijs dat hij een grove lummel was en wellicht +brutaal moest wezen. Naderhand was ze zeker dat hij een drinkebroer of +een nachtraaf was. + +--Hij loopt in kroegjes.... + +Ze herkende het aan zijne goedzakkige manieren en aan de moeheid die +soms zoo zoetig zijne blikken maakte. Ze veronderstelde dat hij met +lichte meiskes omging. + +--De stad is zoo vol daarvan! + +Doch allicht veranderde ze van oordeel: 't was dan een "blase", een +ontgoocheld wezen, een kalme ziender van andermans leed en plezier--een +zonder doel en zonder verlangen, zonder drift ... ontzenuwd.... Ze had +gewild dat hij anders was. Romaan, zoo gauw begeesterd en zoo gauw +verslagen, had ze lief. Ze wou een man treffen, die op haar broeder +geleek. 't En duurde maar een vlage van den regen, en ze vond dat Romaan +in den grond een zwakkeling was.... + +Ze hoorde moeder slapen gaan, en naderhand Rik, en bleef nog turen aan +'t venster. De tijd verstreek langzaam, en 't was haar of zij 't niet +tasten kon: de ure bleef stille, alles hing in verwachting, zonder angst +noch ongeduur. Bijwijlen steeg in de boomen de asem van den wind, en +rijzekens werd ze den gang gewaar der stonden, die overhand wegzijpelden +in 't verleden, achterwaarts. + +De volle nacht, geheimzinnig en zwijgend en roerloos, begon in huis.... + +Maar meteen merkte Goedele een varende klaarte in bewegende vlekken +loopende van heester tot heester over den hof, dichtbij de woonste. 't +Was wel iemand, die in de eetzaal was en licht maakte en ermee, langs de +voorkamer wandelde, zoodat de teekening der ruiten laaierig in den tuin +zich openbreidde. Ze werd bang. Elkendeen was te bedde, of ... was Marie +in de keuken gebleven? + +--Maar wat verricht Marie in de eetplaats? + +Ze herinnerde zich dat ze ook Marie had hooren opgaan, naar hare kamer. +Het licht verdween. Voorzichtig tort iemand langs de trap naar boven, +en ging Goedele's deure voorbij: door de splete herkende zij Rik. Hij +stapte gebukt door en trachtte 't gestraal der keerse, die hij droeg, +met vreesachtige vingeren weg te bergen. Ze hoorde dat hij de leege +zalen binnenging. + +Deze leege zalen bezocht nooit iemand. Om de maand werden ze +schoongeschuurd en verlucht. Goedele had ze altijd met benauwdheid +genaderd, omdat hier, tusschen die papieren behangsels met gulden wapens +en heraldieke leeuwen nog precies heerschte de geest van den ouden +markies. Rik had dikwijls daarover zitten mompelen en beweerde dat hij +ten twaalve al eens een spook had zien rondwaren, om de vensters. Ze +hechtte nooit geloof aan Rik zijn gekke gezegden; hij was gestadig bezig +met schimmen en bange verschijningen en zeemeerminnen, en ze wist wel +dat dit al maar ziekelijke verzinsels waren, die hij broeide in zijn +ouden kop. Ze vond het nu echter danig zonderling, dat hijzelf, zonder +aarzeling, in de leege kamers drong. Ze ontsloot stille hare deur, liet +hare sloffen op den drempel en tort kousevoets in den gang. De eerste +zaal was leeg en de daaropvolgende ook. Van hier bemerkte ze 't +keerselicht dat op de muren danste, in de vierde. Voorzichtig naderde +ze, sloop langs de donkerte der hoeken naar voren, tot ze zien kon wat +er gebeurde. Ze bleef staan en hield haren asem op om geen 't minste +geruchte te maken, en ze keek verwonderd toe. + +Rik had zijn keersepan neergezet op 't roode plankierken, nabij den +schoorsteen. Hij knielde en boog zijn krommen rugge en maakte in de +schouwe een planke los. Hij tastte dan in de holte, en op zijn +aangezicht kwam seffens een groote blijdschap. + +--Ze zijn er nog! mompelde hij. + +Hij trok een blauw zakje te voorschijn en lei 't neere voor hem, en nam +vervolgens nog een grooter zakje, in getafeld linnen, en lei 't nevens +'t andere. Hij bekeek ze dan allebei met troetelende oogen, en zijn +tonge sleerde tweemaal over zijn lippen ten teeken dat hij tegenwoordig +gelukkig was. Hij ontknoopte zijn jas en over zijn beenen heen zeeg het +ivoren kistje, dat Sebastiaan aan moeder ten geschenke gegeven had. +Juist bij tijde kon hij 't grabbelen, en een subiete warmte schoot op +naar zijne wangen, bij 't gedacht dat het in zijn val op den vloer groot +gedruisch hadde gemaakt. Hij keek onwillekeurig omme, en Goedele zag +zijn oogen van schrik openstarren en zijn neuze, langgeworden, over zijn +mond een schaduw leggen, lijk een bange holte. Hij bukte zich opnieuw. +Hij ontsloot het getafeld zakje en goot in het kistje, profijtelijk om +niet de stilte te storen, den rinkelenden inhoud. 't Waren koperen en +zilveren muntstukken en allerlei kleine dingen van stoffelijke weerde: +gulden franjen, oude knoopen, kragen en borduursels van +marine-officiers, allerlei metalen platen en rondekens, schitterende +gesteenten. Goedele herkende in den kostelijken schat een duurbaren +halsband van peerlen en koralen stekjes met onderaan een schoon geel +kruis. Ze had het juweel overjaar verloren, meende ze. Ze merkte nog een +paar ringen, die Sebastiaan peinsde te zijn zoek geraakt bij de pompe, +een dag in den Zomer, als hij moegetennist was en zijn handen wou +wasschen. Vele kleinoodien lagen daar ondereen in wanorde. Rik wroette +met zijne vingeren erin en stak zijn kinne uit naar voren, en neep zijne +oogen dichte om diepe zijn wellust te voelen. Hij scharrelde in de +schitterende gesteenten, hij streelde langzaam dien overvloed van +weelde, peuterde om robijnen en diamanten, bepootelde de zware +kettingen, zich deugddoende aan zijn tastelijk eigendom. Zijn lippen +hergingen bijwijlen. Hij reutelde, zingend zoetekens: + +--Al 't mijne ... al 't mijne.... + +En zijn hoofd bijsde overentweer, op mate van het durend gedoe zijner +handen. Hij ontbond naderhand de snoeren van het kleine zakje, bracht de +keersepanne dichterbij, zoodat het vlammeken meteen wispelturig al links +en al rechts wiegde, en Rik zijn ronde schaduwe op den muur, over de +zoldering, tallenkante te dansen begon. Hij schudde 't zakje leeg in +zijn zijden klakke, die hij voor zijn knieen neergelegd had. 't Waren al +goudstukken, groote en kleine dooreen, en ze belden wel een oogenblik in +de ruimte, maar zwegen seffens als ze dof in de klakke sleerden. En Rik +zijn hoofd gloeide stilaan van ongemeene koortse, en zijne vingeren, die +weer aan 't schefferen waren in dien rijkdom, bibberden van +ongeduldigheid. En hij lispelde: + +--Al 't mijne.... + +Hij sprong meteen op en zijn gelaat werd wild, ruw, wreedaardig. Goedele +vreesde dat hij haar bemerken zou. Hij bleef rondkijken, en trok +geweldig zijn asem op langs zijn neuze, alsof hij een ongewonen reuk +opsnoof en weten wilde.... Hij tort naar een der vensters en keek door +een splete der luiken de donkerte in van den nacht. Hij zakte nadien +ineen op den grond, lengde zich uit en sloot zijn oor aan tegen den +vloer. Hij kroop seffens rechte en stond op een nieuw te staren en te +luisteren. Dan blikte hij neerwaarts op het volle kistje en de volle +klakke, en zijne armen gingen van weerskanten in liefderijke bewondering +omhoog. + +--Al 't mijne.... + +Zijn lijf rilde en zijn beenderen konden niet stille staan. Het +keerselicht klaterde in 't stralende goud en druppelde in 't geperel der +juweelen. Hij trippelde errond, en 't was of hij dansen wilde en maar +niet in kadense geraken kon. Zijne knieen kluppelden tegeneen aan en +zijne hielen wendden en keerden zich waaiewijs omme. Hij was vier, vijf +maal tewege neer te hurken en zijne handen reikten subiet naar die +schitteringe daar--en dadelijk sloeg zijn rugge opwaarts en hij huppelde +her en rond, lijk te voren.... + +Aldoor heviger schokten zijne schouders. Zijne blikken werden lijk staal +zoo puntig, en zijn mond, neerplooiend, viel in stuipachtige snokjes +scheef. Langs zijne slapen zijpelde een overdadig zweet, en zijne haren +plekten toe in natte strengen, van weerskanten. En hij hakkelde schor: + +--Al ... al ... 't mij-ij ... ne ... a-a-al.... + +Tot hij tegen den schoorsteen aanstruikelde, zich koortsig aan 't +marmeren schouwblad vastklampte, en langzaam neerviel, een +thoopezinkende klodde gelijk. Hij zat een oogenblik te hijgen belook +zijne wimpers, en zijn aangezicht, nu regelmatig en drifteloos, werd +uitermatelijk bleek.... + +Met een ruk rok hij zijnen hals uit en staroogde, benauwd en verwilderd +om zich heen. Maar fluks glimlachte hij en kroop over den vloer tot hij +'t kistje en de klakke taken kon. Haastig dook hij weer alles weg, en +schoof de plank over de heimelijke holte, binstdien nog zuchtend, alsof +hij spijt had dat hij op een ende toch weg moest van hier. + +--Wel! wel! pruttelde hij binnensmonds, Ursule ... gij onnoozele.... + +Goedele ijlde vluggelings naar heur kamer terug en zakte ontzet neer op +een stoel. Ze kon rijzekens hare gedachten bijeenrapen en voelde een +zeerdoende moeheid in hare beenen. Ze kon 't niet gelooven, wat zij +gezien had, en ze was danig ongerust, niet begrijpende die schrikkelijke +doening van Grootvader. De eenzaamheid werd haar onuitstaanbaar en haar +herte klopte om te breken. Ze vatte haar hoofd in beide hare handen. + +--'k Hebbe zoo'n pijn!... + +Ze meende dat hare hersens uiteenspatten zouden. In haar nekke vliemde +een borende smette en tot door hare lenden woog haar onverdragelijk +leed. Ze vroeg zich af: + +--Wat is 't? + +Zij en vatte niets. Zij en kon hare zinnen niet bijhouden. Ze zag +gedurig Rik zijn verwrongen gelaat, en de keerse, die er witte vlekken +op kletste. Ze wilde slapen en alles licht opnemen, lijk een gewone +gebeurtenis. Maar gestadig werkten hare teugellooze gepeinzen, +slingerden dooreen in haren kop, snokten en klopten tegen haren schedel +daarboven. En 't geluchte werd endeloos bang. + +Ze ontkleedde zich spoedig, kroop in haar bedde, blies het nachtlichtje +uit ... De donkerte spookte om haar; daar waarden heimelijke wolken in +de kamer. Ze moest seffens het lamplichtje weer aansteken, en dook zich +onder de dekens, drong huiverig ineen, hare knieen saambrengend in hare +armen. Het huis werd haar nu een schrikkelijke woonste en ze blikte met +afgrijzen in de toekomst. Ze herinnerde zich nog goed den koffiehandel +en den onverpoosden ijver van moeder. Ze wist dat moeder van nederige +afkomste was, dat grootvader op vischvangst leefde. Hoe was zoo gauw de +groote rijkdom gekomen? In een flikkering zag ze de gouden galonnen van +marine-officiers uit het getafeld zakje rollen. Ze dorst niet verder +denken. Ze neep met geweld hare oogen dicht en wilde op andere dingen +peinzen. Maar ze kon niet buiten het huis geraken, buiten dees huis van +gevaarlijke geheimzinnigheid, buiten deze knellende muren, en die deuren +allemaal.... + +--Is mijn deure goed vaste? + +Ze stapte uit haar bedde en ging de klinke herdraaien, om zeker te zijn. +Ze kroop bibberend onder de sargie. Ze dacht: hoe gelukkig is Romaan ... +en Madeleen ... en tante Olympe.... Ze zou alles aan Romaan vertellen, +hem raad vragen. Ze wist zelve geen raad. + +--Johannes zal meehelpen ... om raad.... + +Ze voelde Ameye nu van dichtebij: 't en was geen vreemdeling meer. Ze +verwonderde zich niet dat ze zoo plotselings zijn naam hoorde in haar, +en zij en schaamde zich ook niet daarover. Al wat hier bestond, had zich +meteen van haar verwijderd, en wat buiten het hekken leefde naderde tot +haar. Ze voelde nievers zoo pijnlijk eene vreemdte dan hier. Ameye was +een vriend. + +Geleidelijk voortmijmerend, kon ze op een ende 't zicht van dees +misdadig huis verlaten; ze sliep, oververmoeid, in en droomde van den +markies, van zijn zonderlinge gewoonten, van zijn wapens met kronen en +klauwende leeuwen.... en ze vond het zoo plezierig dat hij een pruike +droeg en dat het witte steertje, ommekrullend, daar boven zijn krage +gestadig met een gele lintje aan 't vlaggelen was.... + +Heel late in den morgen werd ze wakker. Ze was gestild. Ze herinnerde +zich seffens wat er gebeurd was, en 't en wekte in haar geen +buitengemeene aandoening. Hare gedachten waren verdraaid naar nieuwe +richtingen: ze had, docht haar, deze leelijkheid al lange aangenomen. +Als ze in de eetkamer binnenkwam, zag ze Ursule heel bleek en +thoopegedrongen in een leunstoel zitten. + +--Zijt ge ziek, moeder? vroeg ze. + +Ursule begon seffens te klagen en te jammeren: zij en had van den +ganschen nacht geen gebenedijd ooge dichte gekregen, en dezen uchtend +was ze opgestaan met een kwalijke slapte in de beenen. + +--'t Is of het rheumathiek ware.... + +En dan moest ze subiet hijgen, bij haar minste gedoe was ze afgemat; ze +was met groote moeite alleen beneden geraakt. En dan hadden ze haar nog +gefolterd. + +--Gefolterd ... wie? + +--'k Hebbe Marie weggezonden ... al dieveggen, die 'n mensch uit +medelijden van de strate raapt.... + +--Zoo dan terug op strate gesmeten? + +--Ze heeft me brutaal geantwoord.... Ze heeft geweigerd mij een +hoofdkussen te halen ... dat heeft ze. + +Op de trap hoorde Goedele een stille gesnik en dadelijk daarop een ruw +gemompel van Grootvader. + +--Toe-de ... toe-de ... ronkte Rik ... gij leelijke kerte ... en kus uw +handje ... dat ge er zoo zoetekens van af komt.... + +De deur in de voorkamer werd met een ruk toegesmeten, en nadien piepte +'t zware hekken. + +--Ze is weg, zei Ursule. + +Ze dorst niet spreken van het ivoren kistje dat haar ontstolen +was--Marie was een dievegge--en ze herkloeg met gelijke woorden over +haar leed: de pijne zonk tot in hare lenden en straalde van daar uit in +gansch haar lijf, en bijwijlen had ze een hevigen harteklop--haar kele +stropte toe en 't was alsof ze niet meer asemen zou. + +--En die rheumatiek daarenboven.... + +--Ge moet den dokter halen. + +--Och! Och!... + +Ze haalde de dokters alleen op 't laatste oogenblik, als geen andere +doening meer helpen kon. Ze was overtuigd dat de dokters prutsen, tot ze +de menschen voor goed ziek krijgen, en dat ze best later maar kwamen. +Toen ze, na Romaan zijn vlucht van huis, te bedde lag en endelijk den +dokter bij haar liet roepen, en dan hoorde van hem hoe ze in der +waarheid gevaarlijk ziek was, had ze werkelijk deugd, altijd maar +vreezende te voren, dat haar kwale slechts een tijdelijke +onpasselijkheid zou zijn. Ze wilde nu niet luisteren naar Goedele. Ze +liet zich gewillig pramen, oolijk-tevreden om Goedele's aandringende +deernis. Ze keek diep-mijmerende naar 't onbijt van hare dochter en +legde in hare oogen een geveinsde droefheid. Ze tuurde sprakeloos naar +de koffiekanne en het tinnen melkpotje en de witte teelkens en +koppekens, die daar ondereen in 't noesche licht te klateren stonden--en +naar Goedele's vingeren, die verduldig werkzaam waren eromme. Ze liet +een peinzende stilte vallen en wachtte tot het geluchte langs hare +woorden voordeelig werd. En ze herbegon dan vage dingen te zeggen, al +treurende, op een moeden toon en met slepende stemgolvingen. Ze sprak +van haar verleden, van ijverige tijden, tijden van duurbaar werk, van +voortdurend zwoegen. + +--Ho! ik hebbe gezwoegd!... + +Ze volendde eentonig hare klagementen en vroeg dan met spijtige +gezegden, wat zij voor zooveel slaafsch gedoe verwachten mocht. Ze +zanikte zoo. Ze werd het zelf gewaar hoe vervelend ze werd, en ze was +dan boos op haar eigen. Ze loerde zijlings naar Goedele, merkte hoe +rustig ze voortdeed met haar ontbijt, hoe ze soms weggeraakte met hare +gedachten en niet meer luisterde. Ze sprak luider, al op eens een vrage +doende om Goedele weer tot zich te trekken: + +--Wat is mijne belooninge? + +Goedele schrikte even op en boog subiet haar hoofd. + +--Wel ... moeder.... + +En Ursule jammerde verder, al voelde ze dat ze hare dochter maar niet +taken kon, niet vatten met iets. Wantrouwig meende ze nu dat Goedele +verdoken geheimen had, verdoken inzichten. Ze folterde haren geest met +nieuwe oolijkheid, aldoor tuk op versche subtiliteiten. + +En Goedele bleef sprakeloos. + +Rik tort binnen. Hij zei: + +--'k Hebbe ze op strate gegooid. + +Hij lachte met wel genoegen en wreef zijne handen overeen en zette zich +bij 't vuur te warmen. Hij schudde zijnen kop, ten teeken dat hij in +zijn geest aan 't redeneeren was, en hij deed zijne knieen tegeneen +knokkelen, in koortsige vroolijkheid. + +--Ze dorst nog weenen, de valsche leegloopster! + +'t Walgde Goedele. Ze stond recht en keek naar 't horloge, lijk iemand +die op de ure wacht om heen te gaan. Ursule bemerkte 't seffens. + +--Vertrekt ge? + +--Wiezeken bezoeken.... + +--'t Is half-elf. + +--'k Ben gauw terug ... rijzekens hooren hoe 't is ... daar ginder.... + +Rik lachte meteen luidop, en Goedele kreeg een pijnlijker stoot in haar +herte. Maar zij en keerde zich niet omme en ging zich aankleeden, +verlangend om weg te zijn van hier, waar nievers een gezellige warmte +komen wou.... + +Buiten voelde ze opnieuw haar lijf in vrije lustigheid, en algauw +verdreef ze uit haar hoofd de lastige gedachten, die daar woonden. 't +Was alsof zij zich op den drempel ontdeed van al wat binnen den huize +haar wrevelig miek. Ze haastte zich tot ze buiten bereik was, tot ze de +stille strate verlaten had en baden kon in 't gejoel der lawaaierige +stad. + +De regen had de steenen klaar gekletst en, bij plaatsen, speelde de dag +er met lichtende vlekken. De hemel bleef grijs en beloken, maar +zilverige tinten liepen er, ten teeken dat bovenwaarts de zonne aanwezig +en klaterend was. De huizen, in vlakke reken van weerskanten, zonder +zichtbaar dak en zonder wispelturigen gevel, stonden omhuld in vale +verven. De vensters waren holten rotewijs geschikt en de deuren, +tallenkante op eender hoogte, legden gelijke, donkerten er onder. De +drempels bleven zwijgend: geen troppels kinderen of kijvende vrouwen +waren eromme levend, lijk in 't zomertij of in de voorjaarszoelte. De +herbergen waren ruchtig en de winkels. Er roerde haastig volk. + +Goedele deed seffens mee met het rumoer; ze voelde zich wegsmelten in 't +gedruisch, dat ronkte om haar, en zij en was geen eenigheid meer in de +woeling der bezorgde menschen. Ze liet zich beinvloeden, ze liet zich +zwak worden, al-vergetend wat achterwege was, en nu een kinderlijk +belang stellend in de minste straatgebeurtenis. Ze huppelde door, +drentelend bij stonden, haperend aan schoone uitstallingen van +wintergoed. Ze dacht somtemets aan Romaan en Madeleen en het kindje. +Ze zou Wiezeken geerne wat lekkergoed meedragen en liep een bakkerijtje +binnen. Ze koos van ditte en van datte een pakje vol, en had een drollig +plezier in den naam van al deze snuisterijen. De bakker, een ronde man +met een zijpelend wezen en een neuze daar te midden, waar de teekening +der ruiten bijkans schitterwit op uitblonk, lichtte haar gulzig toe en +deed zijn beste moeite om zijn waar ordentelijk aan te prijzen. + +--Geen muntebollen, juffrouw? Geen lekkers op stokjes? Eerste klasse +juffrouw, en niet geverfd. + +Ze wees die gloedroode stampers af met een weigerend knikje. + +--Kletskoppen ... puur honing en een hemelsche bete, dat verzeker ik u. + +--Ja, dat wel. + +Ze keek in de wissen mandekens, die bij 't venster stonden, vol met +veranderlijke zoetigheid, en bloosde meteen als ze Ameye herkende, welke +voor 't raam te wachten stond. Hij groette haar met een buigen van zijn +hoofd, en ze was daardoor subiet in de war. Ze werd ongedurig en wilde +maar dadelijk gedaan maken met den dikken bakker, die 't haar met zijn +uiterste vriendelijkheid lastig maakte. Hij moest zich spoeden. Ze +voelde eene wrevelige warmte naar heure slapen opschieten, als de brave +man, een guitig lachje zettend, gulhertig verklaarde dat hij _sito-sito_ +klaar zou geraken. + +--Even nog een koordeken--hier--met een strikje ... Zoo! + +Ze keerde zich fluks omme en hoorde hoe hij haar met dienstwillige +woorden achterna volgde, overdreven en stilspottend, alsof hare +aandoening belachelijk bloot lag op haar aangezicht: + +--Als 't u zal believen, juffrouw--tot een naaste keer.... Anders, +juffrouw, anders de klinke draaien ... zoo ... let op de trap ... +zoo.... danke wel! + +De deur viel toe achter haar en zij stond vlak voor Ameye. Hij lachtte +en knikte, en prees de voorzienige stonde, die hem bij haar had +gebracht. Hij vroeg, in een vloed van hoffelijke woorden, hoe zij 't +maakte. De wolkenlaag in den hemel scheurde open en de zonne viel in +witte stralen tallenkant. Daar kwam een bedwelmende leutigheid in 't +geluchte. + +--Ik was naar uw broer tewege. + +--Ik ook, precies.... + +Ze zei 't gretig, met een dwaze haastigheid, die haar blozen deed. +Ze dierf er niet bijvoegen dat het wel meeviel, alzoo, en wist zelf een +beetje tegen te stribbelen, in schijnbare verlegenheid, als hij haar +voorstelde om saam de bane te doen. Ze kon echter niet weigeren en +verheugde zich om die onmogelijkheid. Hij moest niet lang aandringen. + +Ze praatten ondereen, gezellig, en 't en duurde maar weinigen tijd, eer +ze teenemaal vrij werden in hunne uitdrukkingen, los van alle gedwongen +beleefdheid. Hij sprak bijzonder zwaar, diep ernstig, en had altijd een +particulier zicht op de zaken. Ze voelde in hem een, die haar meester +was en waar ze leerlustig naar luisteren kon. Hij vatte het leven heel +breed op, heel menschelijk. Allerwege zag hij entwat, dat liefderijk was +en goedheid asemde. De menschen op strate, de peerden en de honden.... +Goedele keek ernaar, omdat hij er kon over klappen met zoo'n innigheid, +zoo'n belang. Hij groef in hare hersens diepe prenten, een nieuwe vizie +der dingen, en ze was nooit moe, ze hoorde hem aan met groote aandacht. + +De zonne bracht een spelend licht overal, lanterfantte langs de vele +ruiten, stortte met lustig gestraal, menig en rijkelijk, op de natte +steenen. Bij plaatsen was de hemel geheel en al blauw. 't Lawaai der +stad zwol op en het volk krioelde al thoope. Het docht Goedele dat er +veel kinder stemmekens tusschen stegen en tegelijk een schelle geklepper +deden omgaan, dat haar deugd deed. Ze werd vroolijk en antwoordde op +Ameye's grondige gezegden, met haar volle gemoed, en redeneerde met hem, +liet zich kwaadgezind omdat hij haar te vroeg gelijk gaf, en schaterde +het uit. Hij hoorde haar geerne bezig, voelde wel de nadering van deze +rijkbegaafde vrouw, en hij raadde hoe vernepen ze gehouden werd, +naarmate ze zich nu wild en begeesterd overgaf. + +Ze keken alles omme en na. Hij deed haar overal iets opmerken, dat ze +genoeglijk bezag, verwonderd dat zij zelve het niet merken kon. Voor hen +stapte een heer met een macferlan en een dame in kostelijke kleeding. +De dame hing aan den arm van den heer, die groot en struisch was en +matelijk voorttort. Ze kon hem haast niet opvolgen, en drilde nevens +hem, altijd een stap te late. 't Was alsof ze getweeen kreeftsgewijs +doorgingen, allebei noesch weg. De dame deed den heer af en toe +stilblijven voor een modewinkel, en de heer haperde gewillig voor de +uitstalling van een boekhandelaar. Ze zeiden maar luttele woorden. + +--Dat zijn brave getrouwde menschen, sprak Ameye. + +--Zoo verschillend van meeningen toch? + +--Ze geven malkander toe. Ze zijn redelijk. Zie! De heer kijkt naar de +illustratie van het uithangbord, binstdat de dame nauwkeurig de hoeden +beloert. Hij is verduldig. De dame zal straks verduldig zijn. + +--Maar dat is een zotte leven! meende Goedele. + +--Die menschen zijn getrouwd, zei Ameye. Hij liet haar naderhand vragen +wat hij omtrent het huwelijk dacht, en hij beweerde dat de beteekenis +van het huwelijk grootendeels in die boutade besloten lag. + +--Het huwelijk is wel een beetje onzedig. + +--Onzedig? + +--Maar een noodzakelijke instelling, die dan weinig te maken heeft met +wat we liefde noemen. De liefde kan in het huwelijk bestaan, en heel +vaak slijt eruit weg, omdat twee saamgebrachte wezens van nature sluw +worden, door ikzucht, en geen wederzijdsch vertrouwen bewaren kunnen. +Aldus spreek ik nog maar van gezonde, billijke huwelijken. Onze +maatschappij is echter zoo ingesteld, dat over 't algemeen met een echte +liefde geen rekenschap gehouden wordt. + +--O ja!... + +Hij voelde hoe zij met nadruk dat zei en seffens droeve werd. Hij bleef +een oogenblik zwijgen en sprak nadien met een daling van zijn stemme: + +--De liefde daarenboven is waar zij is, en wij, zijn niet meester over +haar. Wij zijn allemaal zoo'n zwakke, slaafsche schepsels, juffrouw. +En als de liefde buiten het huwelijk komt, wat kunnen wij doen?... +De liefde is _overal_ heilig. + +--Dat wil zeggen: de liefde mag wispelturig zijn? + +--De liefde is niet wispelturig, maar wij noemen altegauw liefde, wat +geen liefde is, wat een klein gevoel is zonder wortelingen. De liefde is +heilig, als zij grondelijk is en ons gansche vleesch beheerscht--en dan +heeft ze paal noch perk, en dan kennen wij geen mate om ze te meten en +geen banden om ze te dwingen. Dan is ze ons zelf, geheel en al, en +heilig ... en overal.... + +--Ik weet zoo geen liefde. + +Hij boog zijn hoofd, precies om een hevig gestraal der zonne te +ontvluchten en zichtbaar hergingen rijzekens zijne lippen. Hij zag de +waterplaskens en de grijze droogten wegsleren onder zijne voeten. Op +deze stonde, waar ze beide stille voorttorten, ontstond er een wrevelig +ongemak. Goedele voelde dat hare oogen moe werden, lijk die van iemand, +die te lang in warme kamers bleef. Ze zei: + +--We loopen buiten onzen weg! + +Ze keerden zich alletwee naar links en rechts, en begonnen te lachen. +Ze waren nabij de St. Anne markt. + +--Ja, sprak Ameye, we loopen buiten onzen weg.... + +Ze was tewege hem te vragen waarom hij zoo zonderling op zijn woorden +aandrong, maar ze gebaarde dat ze niet geluisterd had. + +'t Was hier een groote drukte. De menschen liepen dooreen in ijverig +bedrijf. De markt was zwaar van rumoerig leven. Vrouwen met paanders +drumden tegen malkander aan rond de kramen, en kozen hun waar, eromme +pootelend en tastend en wroetelend om niet bedrogen te worden. Uit een +zijstrate kwam een vlote stootkarrekens aangereden, met een gulden +vracht appelsienen beladen en door ruchtige meissens gevoerd. Voor 't +portaal van de St. Anne-kerke stond een liedjeszanger te brullen van "de +lieve Genoveva" binstdat zijn wijf, bezorgd voor al te strenge politie, +een endeken verder de wacht hield. En de zonne wemelde tusschen die +luidelijke beweging, smeet open haar bundels licht, klaterde langs de +zwellende tenten, waaronder de wind zich toornig miek. + +Goedele lanterfantte een beetje, een toenemend belang stellend in de +doening van die werkzame menschen, ook om de koelte te vergeten, die +over haar en Ameye gezonken was. Ze verwonderde zich over 't een en 't +ander, lachte altemets luidop of werd weemoedig van deernisse. + +--Aai-Jezes! Kijk hier!... + +Een oud manneken was daar dichtebij, ronddrevelend met een houten +kistje, vol met muskaatnoten en kruidnagels. Zoo klein was hij, dat hij +zich gedurig met de ellebogen te voorschijn moest worstelen en alleen +zichtbaar werd door zijne uitbundige gebaren. Hij had luttele handjes. +Hij droeg een grijze veste, en een roste broek, bleek en donker +getafeld, slodderde om zijne kromme beenen. Hij dretste onhoorbaar op +palullige sloffen, en een roode halsdoek, geelgebloemd, waaide rond +zijnen korten hals. Zijn hoofd was rond en groot, en zijn gezichte, heel +nietig tusschen twee uitschelpende ooren, lonkte en loerde, uiterst sluw +en uiterst beweeglijk. Hij riep met een pieperig stemmeken: + +--Nikske van doen?... Alla-dan, madameken,... alhier! alhier! + +Hij zag Goedele, en hoe ze daar onthutst hem aan te kijken stond, en rok +zijn nekke naar heur uit, en kwam vriendelijk zijn: + +--Toe-da, madameken, een dozijntje? Groffels, lijk er nievers meer te +vinden zijn--en lekker ook voor tandpijne! Hoeveel? 't Zijn de leste. + +Hij merkte Ameye en werd seffens hoffelijk, aldoor buigend en groetend: + +--Mijnheere! + +Hij nam een kruidnagel met zijn duim en zijn wijsvinger en hief dien +omhooge, profijtelijk: + +--'n Volle mate voor vijf centen!... Kijk nu toe! Zoo donker als de +nacht en zoo sappig als de lente! Ge moogt kijken, madameken, en +betasten ook... Alla-alla-de! een dozijn groffels voor 'n jong +huishouden.... + +Goedele bloosde, en Ameye moest den dwerg afwijzen met een strengen +blik. 't Oudje hinkte zijlings weg en schetterde in een uitval: + +--Je-dan ... schoon koppel.... + +En 't gewone rumoer herbegon, breed en allerwege aanwezig, golvend over +de menigte, die langs de kramen scharrelde. + +--Loopt ge aldus geerne in het razend gewoel? vroeg Ameye. + +--Wel ja ik, redelijk. + +--De tast van het volk is niet altijd zuiver.... + +--Zeker, maar ik voel me hier zoo volledig leven, zoo gezond en zoo +volledig. Ik weet niet--vandaag word ik mijn eigen zoo allerzijds +gewaar, en alles is mij goed. Ik ben lijk iemand die lang ziek te bedde +lag en nu uit mag ... en ik dartel in de zonne. Dat leelijk ventje was +me niet leelijk. Die wijven te gare, die 'k zie staan met hun vuisten op +hun heupen ... ik merk het wel: ze zijn gemeen.... Maar 'k bezie ze van +een anderen kant precies ... en alles is mij goed.... + +Ze wond zich op in 't spreken, probeerde haar vaag gevoel met stipte +woorden uit te drukken en wijdde uit in vele zinnetjes, nooit tevreden +omdat ze nooit iets bepalen kon. Ze jubelde en liet zich meegaan met den +slag van haar driftig herte. Ameye was sprakeloos geworden. Hij stapte +nevens haar en luisterde met gretigheid, seffens weer neerslachtig als +er een korte stilte tusschen beide viel. + +Ze geraakten in de groote laan. Hij kocht van een leurend meisje een +rankje hulstgroen met roode peerlen, en bood Goedele het takje aan. + +--Voor de aardigheid, zei hij. + +Hare hand bibberde even, als zij het broze takje aannam. Ze keek naar +hem en hare blikken stieten geweldig tegen de zijne aan. Een bedwelmende +flikkering schoot door haren geest en ze bleef een oogenblik +verbijsterd, alsof zij haar ziele in zijne oogen opklaren zag, nu in +lichtende waarheid zich veropenbarend aan haar eigen zelve, en een +overgroot geneuchte maakte haar dronken.... + +Ze stapten haastig door, zonder spreken, en geen vond het zonderling dat +de andere zwijgende was. Ze spoedden zich om straks alleen te zijn, om +te te peinzen in eenigheid--want nu was hun hoofd vol met aanzienlijke +gedachten. Achterwege lag de gansche wereld. Achterwege was moeder en +vader en het vreeselijke huis. Vooruit bestond de endelooze verte, de +wijde ontijdelijkheid. Het was of ze nu deel gingen uitmaken van iets, +dat machtig was boven de sterkte van menschenarmen--en eeuwig zijn zou. +Ze verheerlijkten hun lijf en geest in een nieuwen dageraad ... en wat +komen moest, was niet te weerhouden. + +Ze gingen alzoo. De wagens en sjeezen reden door, holderdebolder over de +kasseide. De trams tjinkten van verre. Jongens ventten rond met +dagbladen en riepen luidkeels het nieuws van den dag. + +--Zijn we nu op goeden weg? vroeg Goedele. + +--Ginder is de brugge. + +Bij de vaart werd-het stil. De luie schepen lagen vast tegen de kaaien +en donkere mannen losten de koolvracht. Men zag ze over de planken +wiegen, hun duistere gestalte, verlengd nog in het water, waar ze door +vlug golvengeklets ziggezagsgewijs uiteen werd gezwabberd. + +Als ze in de doode straat kwamen, waar Romaan woonde, vertraagde Ameye +zijnen gang, en hij sprak weemoedig, zonder naar Goedele op te zien: + +--We zijn er alreeds.... + +--Ge tert zoo zoetekens! + +Hij vertelde dat hij een beetje moe was: gisteren heel den avond gewerkt +aan een dringende bestelling, en dezen uchtend heel vroeg te been. Ze +vroeg: + +--Werkt ge veel? + +--Als ik alleen ben. + +--Zijt gij dikwijls alleen?... Ge hebt nog uwe moeder? + +--Moeder is ... weg. + +--Zoo eenig leeft ge! + +Ze had medelijden met hem. Ze herdacht wel het vierkante huis ginder en +hare ouders achter het hekken, maar vond het dan bij Ameye veel +droever--een woonste zonder heerd en altijd zonder geruchte. + +Hij bleef staan. Ze begreep niet waarom hij zoo aarzelend deed, waarom +een groeve boven zijne oogen zichtbaar werd ten teeken van pijnlijk +gemijmer. Ze praamde hem om door te stappen. + +--'t Wordt noene straks. + +--Ja. + +Hij tort verder zonder opkijken, en, voor de drempel, als Goedele het +linnenwinkeltje ingaan wou, vatte hij hare hand. Hij deed haar zeer, +hij knelde hare vingeren in de zijne, en zijn gelaat kwam naderbij. +Hij fluisterde: + +--Gij weet niet? + +Zijn asem taakte haren hals en deed haar rillen in al heure leden. + +--Niet? + +Ze bad dat hij haar los zou laten. Ze was bang omdat zijne blikken zoo +hopeloos werden, en ze werd niet seffens gewaar hoe onredelijk zijn +doeninge was: ze bekommerde zich om hem. Hij zuchtte zwaar en slokte +eens om zijn kele nat te krijgen. + +--Niet?... + +Ze hoorden, binnen in den winkel, een paar vrouwen hun keuze doen, en +heel omhooge, tenden de zoldertrap, een vroolijk liedeken van Mariette. + + Ah! Mosieu le capucin, + T'as d' la veine-- + T'as d' la veine!... + +Ameye zei: + +--Ik ben getrouwd ... al vier jaren.... + +Goedele rukte zich vrij. Ze voelde geen juiste verhoudingen meer. Ze +voelde niet meer wat ze was tegenover dezen man, niet meer dat hij voor +haar een vreemdeling was. Ze kon zich zoo seffens niet hervatten, en ze +werd heel bleek. Omdat ze leed, wilde ze straffen en geweldig handelen. + +Maar hare armen zonken neerwaarts en haar bloed deed een smertlijken +ommedraai. Over hare wangen rolden twee tranen, die ze niet had kunnen +verdringen en die nu in de hoeken van haar lippen haperen bleven. Ze +stamelde, haar gezicht verwringend tot een treurigen glimlach: + +--Ho!... ja ... zoo!... + +Ameye raapte het witte pakje met suikergoed en het rankje hulstgroen op, +die, nevenseen, op de zulle waren neergevallen. + + + + * * * * * + + + +VII. + + +Eenige dagen verstreken voor Goedele in eendelijke onverschilligheid. +Ze was heel korten tijd bij Romaan gebleven, had geweend omdat Wiezeken +er zoo deerlijk uitzag en was weggeloopen, seffens. Tante Olympe met haar +gestadig geklaag maakte haar zenuwachtig, en Madeleen ook, die daar met +gebogen hoofd aldoor te kijken zat in de toekomst. Ze was weggeloopen. +Ameye walgde haar. + +En de dagen waren verstreken alzoo. Ze wilde niet meer terug bij haar +broer, ginder waar ze geleden had een onverklaarbare pijne, nievers nog +geleden. Ze was bang. Ze wilde geerne alles wisschen uit haren geest, +maar niets anders wekte hare belangstelling, en ze voedde haar wee. +Al wat gebeurde om haar, werd haar onverschillig. Allentwege was 't +nietigheid, en de woorden, die gesproken werden, waren ijdel. + +Ze werd naderhand door opvretende eenzaamheid, streng voor wat buiten +het leven stond van hare droefenis. Ze had ruwe woorden met vader. Ze +verdroeg zijn onnoozel gespeel niet meer en zei het hem met een ruk. +En Albien keek dan verwonderd op, niet begrijpende die stoere manieren, +getaakt in zijne liefde, als hij nu dacht, in kinderlijke vreezen: + +--Zij ook ... en ziet mij niet geerne.... + +Omdat ze zoo verduldig was met hem, had hij gemeend dat zij hem dan toch +vatte. Hij vroeg: + +--Zijt ge ziek, mijn kind? + +Ze was getroffen omdat zijn stemme zoo diep een grondslag had, omdat hij +zoo innig bedrukt was, en meteen zoo vaderlijk. Ze zag hoe hij het +nieuwe Snoeckboekje met onverschillige vingeren van zich afduwde en +nader kwam, dichte bij haar, en zoetekens hare handen toetste. + +--Nu ben ik in waarheid triestig van zin, zei hij. + +Hij boog zich om goed in haar gezicht te blikken, om te zoeken naar heur +leed, dat wel ievers in hare oogen zou na te speuren zijn. + +--Hebt ge zeer?... Toe-de, mijne dochter.... waar is 't dat ge zeer hebt? +Voor de eerste maal voelde Goedele in dezen zachten man haar vader +levendig zijn en goed. Ze werd gewaar dat ze weenen zou, als ze geweld +moest doen om te spreken. Haar borste zwol. + +--Wat is 't, zei Albien, dat hier ommegaat, sinds dagen? Ge loopt rond +lijk te lore in dees huis, en ge zwijgt ... en het wordt van alle kanten +zoo bang. Ik heb nu geen lust meer in ditte ... noch datte.... Moeder is +ziek en gij?... Wat deert er? Ik heb nu permintelijk geen lust meer.... +Waar, waar, mijn kind. + +Stille kwamen zijne woorden te reke, en ze brachten eene treurige +stemming alom. Maar Goedele stiet dan aan tegen 't beeld van haar eigen +lot en ruw werd ze op nieuw. + +--Bah! + +Ze draaide op hare hielen rond, lijk een meisje licht van gemoed, en ze +liet vader alleen. Als ze de deur uit was, wilde ze wel terugkeeren en +den man meteen in hare armen prangen, al streelende dat brave hoofd, dat +kinderlijke, vol kleine gepeinzen. Ze kon niet: ze moest lachen luidop, +ten gebare dat ze hier alles potsierlijk vond, en ze drilde verder, +langs leege uren zich voortsleepend, lijk een schaduw in noesche licht. + +Ursule lag in haren leunstoel te denken. Seppie, het hondje, moest +gedurig op haren schoot stille blijven, en ze streelde met luiere +vingeren in zijn lange haren, wijlend achter zijne oorkens, waar 't hem +uitermate deugd deed. De dagen gingen omme en ze was gestadig aan 't +wroeten in hare hersens, overentweere wiegend met blijvende mijmeringen. + +--Daar heerscht een geheim in 't geluchte. Ze voelde 't zoo, ze tastte +'t. De doening van Goedele ontsnapte haar niet, en ze was zeker dat een +gevaarlijke gebeurtenis aan 't zieden was en aan 't zwellen. Omdat ze +nooit anders dan meesteresse geweest was en nievers door verborgen +machten bekampt, wilde ze klare wegen zien en vaste staan. Ze begreep +wel dat Goedele wegslibberen wou, en ze vreesde dat zij er toe komen +mocht. Om dwaze plannen te kunnen tegenwerken, moest ze Goedele's +inzichten kennen. En Goedele was ondoordringbaar.... + +Ursule's vroegere strijdlustigheid geraakte wakker stilaan: ze zou weer +door oolijke listen hare dochter overwinnen, lijk ze vroeger haar vader +overwonnen had. Ze deed Goedele door Justa, de nieuwe meid, bespieden. +Justa moest al de brieven over den moordamp in de keuken openbreken, +moest in Goedele's kamer snuffelen en laden met valsche sleutels +ontsluiten, alles omkeeren en inzien en beloeren. Ze had Justa voor +dergelijk werk bijzonderlijk aangenomen. + +Justa was een klein vrouwken, levendig en minzaam. Ze ontving alle +boodschap met een vriendelijk glimlachje en sprak iemand nooit anders +aan dan in den derden persoon. Ze had uiterst leelijke handen, met +omkrullende vingers, en hoekige kneukels. Ze bracht die gedurig bij +malkaar, in profijtelijke houding, boven haren buik en wreef ze trage +overeen, al schattend somtemets met vierkante nagels. 't Was een +Westvlaamsch meisen. Ursule kende hare ouders, gebogen eerde-wroeters +zonder hope, etende en biddende wezens, den dood nabij. Justa, de eenige +dochter, had met blij gemoed hare broers en de oudjes verlaten. Haar +doorslepen zinnen, waar ze aldoor in de parochie gebruik had van gemaakt +om oolijke daden te stichten, meende ze nu eens ten dienste van vrijer +bedrijvigheid te kunnen stellen. Als Ursule haar met korte woorden +uiteengeleid had wat in werkelijkheid van haar verlangd werd, had ze +aldadelijk heel de zake begrepen en aanveerdde gretig het nieuwe gebod. +Ze was bovendien werkzaam en net, bracht goede orde in de keuken en +leerde veel van Ursule, die haar in kookkunde hielp. Ze werd een +voortreffelijke meid. Men had haar een schoone belooning beloofd, als ze +dienstveerdig zijn wou naar Ursule's volle goesting. + +--Zoo is mijne goesting! had Ursule gezeid. + +Ze moest Goedele tot in haar minste bedrijf bespieden.... + +Ursule vernam echter niets. Goedele bleef thuis, liep de kamers door, +zat altemets een endeken te borduren, te knippen aan een kunsttapijtje, +te kijken meerendeels langs het venster naar 't gewaai dat bijsde in de +boomen. Hare kleeren, hare laden, hare brieven--'t werd alles besnuffeld +en befrutseld: nievers lag een verraad van haar geheim gedoe. Justa +luisterde achter de deure, als ze saam met Sebastiaan in de eetzaal was. + +--Wat zeggen ze? vroeg Ursule. + +--Bijna niets ... een woord ... een ja--een neen.... + +--Maar, hoofdzakelijk? + +--Niets! zei Justa. + +Ursule werd koortsig daarvan, hetgeen haar dan niet het minst voordeelig +was, want al nijpender drong de pijne van haar "rheumatiek" in hare +braaien en ze kon soms rijzekens opstaan uit haren zetel. Ze wilde geen +dokter. + +--'t Is rheumatiek. + +Dat was zoo haar zeker zijn. Ze hechtte daarenboven niet veel belang aan +die tijdelijke ziekelijkheid. Haar geest was voortdurend anderszijds +gespannen en wilde klaar krijgen de vaagheid om Goedele's manieren ... +Zij deed op een uchtend Goedele bij haar komen en neerzitten nevens 't +raam, vlak onder het nieuwe daglicht. Ze begon te klagen: ze had sinds +nachten geen ooge meer beloken, ze was zoo lijdende, ze voelde dat het +erg worden zou, en de nachtmerrie bezocht haar.... + +--Och! Och!... dat is vreeslijk! + +Ze praamde Goedele dat ze maar goed opletten moest, en in geen tocht +mocht blijven, en 's avonds aandachtig de vensters zou sluiten, en een +dobbele sargie vragen aan Justa. + +--'t Is nu 't gevaarlijke seizoen. + +Dan was 't een ander thema: ze wilde bovenal Goedele's geluk, ze dacht +er altijd, altijd aan, en ze zou alles doen om dat geluk te verzekeren. + +--Willen we verhuizen? + +Goedele hief onverschillig hare schouders op en zuchtte. Ursule drong +aan: + +--We zullen hier weggaan, we zullen een Engelsche villa betrekken, +ievers in den omliggende, waar er bloemen zijn, buiten de wilde stad. +Ik zie dat ge hier wegkwijnt en ik weet niet de reden. + +--Daar is geen reden ... en ik kwijn niet weg, moeder.... + +--Kom! Kom!... + +Ze stoop zich voorover en lonkte met droeve teerheid, wenkend dat +Goedele naderen zou. Ze sprak met zoetigheid: ze zag alles, ze was +moeder daarom, ze wist dat iets mishandde. + +--Voel ik dan niet?... Ik voel uw treurende gepeinzen. Niet neen zeggen, +kind, niet neen zeggen.... Ge draagt een last. Ik mag u helpen. Ik wil +doodgeerne uw leven zacht maken, uw wegen zacht maken. Duik niets voor +mij, die boven alles uwe moeder ben. Ik heb al doen uitzien naar een +villa, een djentig dingetje diepe in het loover. Ik wil ook niet dat ge +hier zoo eenig loopt. Bella zal na den noene komen, een paar uren, met +haar borduurwerk.... Zoo slijt de leege tijd. Ik ben vol zorgen om +uwentwil, mijn kind. Waarom wilt ge u verbergen voor mij? + +--Toch niet, moeder ... maar, kijk, ik ben moe en ziek. Romaan is zoo +buiten reden triestig en Madeleen ook ... en Wiezeken is verre, +verre.... + +--Is dat alleen uw droefenis? + +--Dat is een groote droefenis. + +Ursule bukte zich meer nog en vatte Goedele's hand. Ze vroeg, al +starrelings turend dwars in hare oogen: + +--En Sebastiaan?... Ge zit zwijgend nevens hem. Ge zegt hem niet wat uwe +tranen beduiden. Ge zegt niets. Dat zijn toch geen geheimen?... Mijn +pover kind, gij hebt Sebastiaan niet lief! + +Ze bleef uitermatig zachte en Goedele keek verwonderd op, niet wetende +wat er uit zoo'n gesprek komen moest en vreesachtig, om den wille van +moeder's sluwe manieren. Ursule vroeg; + +--Wenscht ge niet te trouwen met hem? Laat ons vertrouwelijk zijn. +We zullen saam beramen wat we doen moeten, en wel vinden, wel iets +vinden.... Ik wil u niet in iemands armen gooien, tegen uwen zin. Ik heb +goed nagedacht.... Spreek nu, laat uw herte vrij daar liggen voor mij, +uwe moeder. Hebt ge, buiten Sebastiaan, een man ontmoet, en voelt ge een +andere liefde? + +Goedele sprong koortsig rechte en schoot uit in eenen schokkenden lach. +Ze werd heel rood en haar oogen baadden in glinsterende tranen. Ze moest +haren neusdoek over haar aangezicht brengen en 't was of ze nadien te +niezen begon. Ze bedaarde. Ze riep: + +--Wel, moeder, onnoozele moeder! + +Ze wilde wegloopen, maar Goedele gebood dat ze blijven moest. Ze bleef. +Ze lachte lijk een zottin en joepte met snokjes opwaarts. Ze gichelde +bij poozen: + +--Ikke?... Ikke?... Wel hemelsche deugd! mijn moederken!... Liefde voelen +of andermans liefde ontvangen!... Bespottelijk, zoo'n idee!... Ik zegge +'t u: stel u in ruste... Ik trouw met Sebastiaan. + +Ze nam Seppie op, schudde hem boven haar hoofd, zoodat het beestje daar +in de leegte, met luie pootjes, te slodderen hing. Ze knikte hem toe, +smeet hem omhooge en grabbelde hem tegen hare borst vaste. Ze lei hem +naderhand op moeder haren schoot terug, merkte hoe ze nu vol met +haarkens was, langs hare schouders en op hare mouwen, en mummelde met +pruilende lippen: + +--Hatje! het leelijke jong!... + +Ze werd seffens heel ernstig, knipte de haarkens weg, zenuwachtig en +kort. Ursule jubelde in haar eigen, als ze de verklaring kreeg dat het +gewenschte huwelijk ten slotte toch gebeuren zou, maar nadien, bij 't +zonderling gesnap van Goedele, werd ze wantrouwig opnieuw. Ze zweeg +echter en rolde binstdien in haar hoofd een versche golving spijtige +gepeinzen. + +Al pratend, en dooreengooiend een reesem lichtzinnige woorden, drilde +Goedele langs de trap naar heur kamer, en sloot zich op. Ze viel lijk +een massa op haar bedde en begon hevig te schreemen. Dat duurde een +lange stonde, tot Justa haar opzoeken kwam voor 't noenmaal. Ze waschte +zich haastig, liet 't kille water vloeien over hare slapen en baaide +hare oogen. Ze had deugd aan die prille frischheid en voelde een klaarte +komen in hare onrustige gedachten. Ze tort dan de eetzaal binnen en ging +neerzitten, naar gewoonte, tusschen vader en moeder. + +Na den eten werd aan 't groote hekken gescheld. Bella schoot huppelend +in huis en vloog blozend en schaterend aan Ursule's hals. + +--Hoe gaat ge, beste mevrouw?... Wel! men kan het niet eens zien op uw +wezen, dat ge ooit ziek geweest zijt?... Dag, Goedele, dag, beste +heer.... 't Is wel koud buiten, hoor! Dan zet ik het op een drafken +langs de straten ... en de menschen kijken me na.... Ik loop geerne in +'t koude weer.... + +--Ja ... ja ... de jonkheid, lachte Albien. + +--Ik ben met de gauwte naar hier gedreveld ... Wilt ge even mijn paletot +helpen uittrekken, Goedele? Dat is een dwaas ding--ik geraak er nooit +van af. Mijn mouwen zijn ook zoo potsierlijk ingewikkeld.... Hai! +mijlieve, ge snokt me haast de armen van het lijf.... Ja! Ja! Ja! + +Ze danste van ongedurigheid, bijsde hare heupen en lachte. Ze tikte met +hare vingeren dolle haarkrullekens weg, die op haar voorhoofd belden en +jeukten in hare wenkbrauwen. Ze reikte dan aan Ursule een ranke mimosa, +die ze met haar hermelijnen mofje op de glazen dresse had neergeleid. + +--Djentig, hee? + +--Heerlijk, mijn kind--Onnoozel dat ge ervoor zoo'n dwaze onkosten doet. +'t En was in waarheid niet noodig.... + +--Ja!... ja!... ja!... + +--Danke. + +Bella weerde zich om drollerig te zijn en sprak van heur magere +spaaroordekens. Anders had ze een heelen ruiker meegebracht. + +--Ge weet wel--zoo zacht-witte winter-rozen ... maar dat kost! dat kost! +Ze zette zich neer en vingerde ongedurig om de gulden korreltjes van +hare halsketen en, omdat nu een tijd de stilte neerviel langs deze +ongezellige kamermuren, zocht ze opgewonden in haren geest naar spelende +woorden. Ze vertelde van thuis--hoe moeder sinds een paar dagen +aanhoudend aan maagpijn leed en hoe ze dan zoo lastig van humeur was, +en hoe vader dan wegliep, om ongemakken te vermijden. Ze tuurde naar 't +kille gezichte van Ursule, daar roerloos rustend tegen de hooge leuning +van haren stoel, schoon-gelijk van weerskanten en effen lijk gladde +marmersteen, even hard ook en zonder warmte van binnen. Ze voelde wel +dat ze met hare vroolijke zinnetjes kwam zonder uitslag aanstooten tegen +de roerlooze vlakten van dees gewillig gelaat. Ze loerde omdieswille +rijzekens naar Goedele, die opstaarde langs 't venster naar de varende +doening der wolken. Ze had een zonderlinge bangheid over zich, lijk +iemand die zondigt entwat en meent dat elkendeen 't kan lezen. 't En was +precies niet dat ze gezondigd had, maar toch vreesde ze den diepen, +droomenden blik van Goedele. Aan dien blik kon ze geen geheime gedachte +verbergen. Daarom taterde ze aldoor, haar eigen vergetende en alles om +haar vullende met ijdel gebabbel. Ursule knikte stillekens of +fluisterde: + +--Ja ... zekerlijk ... ik peinze aldus.... + +Bella was erdoor opgehitst en sprong mateloos van 't eene nietig voorval +naar 't andere. Ze wilde met woorden alles opjagen tot een gewichtige +gebeurtenis, en verzinde tallenkant eromme een kantwerk van +belangwekkende detailleeringen. Ze belonkte op Ursule's wezen of daar +endelijk geen snare bewegen zou en, als bijwijlen een rimpel langs den +neuze zonder reden dieper viel, bleef ze om haar gezegde met opzet +haperen en vertijen, meenende dat Goedele zoo meteen zeer aandachtig +werd. Ze was aan 't vertellen van de verkiezing. + +--Och! mevrouw-lieve, gijlie gaat nooit buiten huize! De stad is een +strijd, een roepen van kwade of geestdriftige menschen. Ge moet al die +gezichten eens zien uitrekken naar de brutale kleuren van politieke +plakkaten. De eene peinzen: 't is waarheid! De andere vloeken: ze +liegen! Daar loopt soms een heerken tusschen, dat zwijgt en niets en +denkt en in 't gewoel zijn dansend buiksken laat wiegen.... Die ziet er +gelukkig uit. + +Goedele liet over haar gaan die reesems huppelende zinnen en 't werd +haar in den beginne een aangenaam gezeur, lijze streelend langs hare +slapen. Ze voelde alzoo een korte bedaring ruste brengen in hare +opgeketste leden en ze mijmerde. Ze vaarde geleidelijk met onbepaalde +gedachten weg, en de ruimte daarbuiten, de schoone ruimte met hare vrije +golvingen en hare pluimlichte endeloosheid, kwam om haar. Ze zweefde er +in, en ze werd haar eigen aandoeningen nauwelijks gewaar. Ze kon wel in +'t zoete geharrewar van al hare ommentweer doezelende ideeen 't zicht +herkennen van Madeleen en Romaan, van Wiezeken en tante Olympe, van +Ameye.... Ze tastte nog het werkelijke leven, maar 't en bezeerde haar +niet. En Bella babbelde. En daarhooge togen de wolken voorbij. Ze kreeg +de heel grijze emotie van heur kinderjaren, eene vluchtige verschijning +van verre herinneringen, ginds in den hemel, rotewijs. En dan, +plotseling, de val van een takje hulstgroen met roode perels.... + +Ze bracht misnoegd hare hand over haar voorhoofd en het gekwetter van +Bella tjokte onwelluidend in hare ooren. Ze fronste hare wenkbrauwen, +stond seffens rechte en merkte opeens dat een nijpende hoofdpijne haren +kop tot in haar nekke omknelde. Ze stapte langzaam de deur uit. Ze bleef +aarzelen bij de zoldertrap en tort na een oogenblikje toch naar boven. + +Ze had nu een leelijke kure, een ziekelijke wreedheid. Ze ontmoette voor +hare slaapkamer grootvader, die er kousevoets stond, met angstige oogen, +te loeren kantewaarts naar heur. Ze herkende in zijne blikken de valsche +lichten, die hij niet duiken kon, en ze moest op die stonde door een +helsche kwaadwilligheid gedreven, hem treiteren, hem nijpen met +dubbelzinnige woorden, hem zeer doen met brutale gezegden. Dat voelde +ze. + +--Wat doet ge daar? + +Hij grinnikte en schokschouderde. Ze wilde hem wegjagen. + +--Uit mijne kamer! Wat doet ge, in mijne kamer tewege? Weg, zeg ik u! + +Ze fluisterde hem toe: + +--'k Hebbe toch al mijn laden vaste gesloten.... + +Rik rilde een tijdeken. 't Viel hem nu kwalijk, dat gedoe van Goedele. +Hij probeerde zijn lijf verontweerdigd achterover te snokken. Ze zei +dadelijk: + +--Haal moeder's kistje! + +Hij zakte ineen. Zou hij op dees oogenblik kapot gaan? Hij grabbelde +achterwaarts naar den muur om steun te vatten. Hij kon zijne oogen van +Goedele's hand niet krijgen, die, gebiedend, naar de hooge deur der +leege zalen wees. Hij zeeg lijk een vodde thoope en zijn asem wilde uit +zijn kele niet. Hij snakte. Hij deed zijn kop gedurig hergaan, lijk +iemand die jaknikt, en zijne vingeren scharrelden over den muur, wilden +zich ievers vasthaken. + +Goedele keerde zich vluggelings omme en tort klaar-lachend de trap af. +Hare lach klonk heel wit en eendelijk, en ze hoorde Bella beneden even +ophouden met tateren, binstdat moeder vroeg met ontstelde stem: + +--Wat gebeurt er? + +Ze kwam in de kamer weer en zette zich op een stoel. 't Was hier nu +danig droeve. Ze zei: + +--Ge moet mij alzoo niet bekijken, menschen.... Ik heb daar een vieze +leute gehad! + +Bella lachte subiet mee. + +--Vertel eens, Goedele.... + +--Straks! + +Ze ging voor den spiegel staan en schikte nauwkeurig eenige losse +haarstrengen. Ze peuterde nadien aan een strikje, dat leelijk viel op +haren rechterschouder, en vroeg, onverschillig: + +--Hebt ge uw borduurwerk mee, Bella? + +--Ja ... wacht even.... + +Ze zetten zich allebei onder 't noesche vensterlicht, en Goedele schoof +het kleine werktafelken bij. 't Duurde een heelen tijd, eer ze hun +tamboerijn gespannen hadden en de vele zijden strengetjes klaar gemaakt. +Bella was bezig aan een bleek-groen fichu, waar ze teer-gele +boterbloemen op stikte, in kransjes liefelijk saamgebracht. Ze was +seffens aan den gang, haastte zich gejaagd alsof 't gauw afmoest. Ze +boog zich lage over haar werk, en moest bijwijlen scheef gaan zitten om +licht te krijgen op de luttele teekening. Ze werkte altijd zoo, +gauw-weg, zonder goesting en zij en zocht nooit naar een fijne +nuanceering. Ze naaldde de tinten te gare, nagenoeg zooals ze aangeduid +waren op 't model, en ze was alzeere moe, om een beetje te rusten al +zuchtend. + +Goedele zat meestendeels met luie vingeren te wachten, te kijken naar +Bella, en ze merkte dan 't een en ander op, bitsig een woord zeggend, +dat onaangenaam klonk. Endelijk geraakte in huis een zwaar en moedeloos +zwijgen, en onderwijl zoefde alover den tuin een grillige wind. Ursule +had hare oogen dichtgedaan en hare handen lagen bijeen, rijzekens mekaar +takend, op haren schoot. + +--Zie! sprak Goedele, trouwen, daar moest ge eens aan denken, Bella! + +--Trouwen? + +Bella giechelde en de strengskens zijde schoven van haar knieen op het +voettapijt. Ze was tevreden dat ze, bukkend om 't lichte gerief op te +rapen, alzoo haar blozende wangen kon verbergen. Een leelijke rimpel +groef een nijdige schaduw om Goedele haren mond. Ze zei, koud: + +--Doe nu niet gek! Ik zie wel dat ge geerne er aan denken zoudt.... +Maar helpt mijnheer De Vleeschhouwer u niet hierin? Moeder heeft me aan +Vrebos geholpen.... A-propos, die komt straks weeral! + +Ze blikte naar 't horloge en vroeg: + +--Is 't hier 't juiste uur, moeder? + +Ursule ontlook langzaam hare oogen, trok haar uurwerk te voorschijn en +bracht het aan, heur oor. Ze keek nadien vluggelings er naar en +antwoordde: + +--Half-vijve. + +Hare wimpers vielen trage toe. + +Goedele vroeg een versche naalde aan Bella, en merkte hoe Bella's hand +even bibberde, al reikende over de werktafel. Dezelfde plooi zakte van +weerskanten, bezij hare lippen. Ze kreeg een kwaad en onweerstaanbaar +verlangen, precies lijk daarboven, als ze meteen voor grootvader stond. +Ze veranderde van stem en liet hare woorden met scherpe ruwte hakken in +de stilte. + +--Zeg eens, Bella, wat is eigenlijk uw idee omtrent mijn verloofde? + +Ze genoot in waarheid de ongesteldheid van het meisje, dat daar verlegen +en hopeloos tegen haar vrage spartelde. Het was haar een ongewoon +geneuchte, een deugddoend gevoel, dat uit een kwaden drift opwalmde en +spelemeide in hare hersens, heel zacht. Bella vingerde zonder aandacht +om haar borduurwerk en stamelde dat ze niets dacht. + +--Wat heb ik te denken, lieve, en wat bedoelt ge met zoo'n advies? + +--Juist uw advies. Ge meent zelve best wat ik bedoelen wil. Een advies. +Is hij schoon? + +--Och! + +--Is 't een vent met een lijf voor de liefde? + +--Zotte kappe! + +--Peinst hij diepe en drukt hij 't sierlijk uit? Enfin, ge joept daar nu +stotterend en ongedurig op uw stoel.... + +--Ik vind het hier bang.... + +--Ja--bang. + +Ze blikten subiet op naar mekaar en Bella beukte tegen de harde oogen +van Goedele. Ze zonk precies weg, niets meer doende, zich overgevend, +tewege te weenen. Ze wilde geerne opstaan en buiten loopen en lucht +krijgen. Ze fluisterde: + +--Ik word ongemakkelijk.... + +Omdat niemand haar opbeurde en te helpen naderde, werd de gloeiing om +hare slapen onverdragelijk. Ze voelde den scherpen stoot van Goedele's +blikken gedurig. Goedele zei: + +--Ge windt uzelve op. + +--Neen.... maar 't zal wel overgaan. De stove brandt geweldig. + +--De assche ligt dood. + +--Mag de deure niet open met een reetje? + +Ze stond op en werd eene knikkende slapte gewaar in hare knieen. Ze +bleef een endeken in het deurgat staan. Ze zag Rik zitten op de trap, +heel bleek, en staren met diepe oogen, grauw ommendomme beschaduwd. +Ze probeerde zich te hervatten en lachte den grijzaard even toe, al +groetend: + +--Daag--daag-- + +Rik grommelde onachtzaam, en ze tort binnen opnieuw, teenemaal +ontredderd. Er werd aan de straatpoorte gescheld. Ze bracht schokkend +hare hand over haren boezem, binstdat Goedele lachte: + +--We hebben van den duivel gesproken: daar is nu Sebastiaan! + +Bella hijgde. Het docht haar dat de tijd niet voort wilde, dat hij zich +langzaam uitrok en dat er geen ende aan dees folterend oogenblik zou +geraken. Ze vreesde de stonde, waar Sebastiaan zou binnen komen, en +seffens daarna verlangde zij die, benauwd voor de eeuwigheid die zij +meende van dit oogenblik af te zien aanbreken. Ze hoorde door 't getuit, +dat ziedde in hare ooren, de stemme van Ursule. + +--'t Ligt hier zoo alles in wanorde! + +En ze had dan nog een haastige beweging om de zijden draadjes, die +tallenkant uiteengewaaid waren, een beetje te schikken. Een haastige +stap klonk op den drempel. De peizelijke groet van Vrebos viel haar +zwaar te moede en ze kon nauwelijks glimlachen. Ze staarde naar de +boterbloempjes op het borduurtamboerijn. Als Goedele sprak, was 't +haar of heel de kamer instortte onder 't klabetterend lawaai. Ze lei +rijzekens hare hand in de uitgereikte hand van Sebastiaan. 't Was eene +nieuwe emotie. Goedele zei: + +--Kijk! Basti, ik en deug niet voor u. Ge moest eens goed ommezien en +met Bella trouwen! + +Bella gilde. Haar bloed schoot ineens weg en haar kinne schokte op hare +borst. Ze stortte achterwaarts over en lag, met een doffen slag, +roerloos op het tapijt. Elkendeen sprong toe. Men klopte in hare handen +en wreef over haar voorhoofd. + +--Djeezes-Maria! stotterde Ursule. + +Goedele stond een oogenblik triomfelijk rond te turen. Een donkerroode +blos kleurde hare wangen. Langs de open deur, merkte ze toevallig nog +Rik, die 't ivoren kistje aan 't bergen was, achter een fuchsiapot, +gebarende dat het daar ievers wel mogelijk was zoek geraakt. + +Ze was nu niet schoon. De twee rimpels in de hoekjes van haren mond +lagen heel diepe. + + + + * * * * * + + + +VIII. + + +Goedele had in den nacht hevige traanbuien, en zij en kon maar lichte +insluimeren, gedurig weer wakker opschietend in bange droefenis. Ze +weende bij 't naderen van haar onredelijk wee: ze dacht aan haar zelve, +aan de toekomst, en ze voelde dat haar leven gebroken was. Ze snikte +seffens. Ze had geen gramschap in haar, geen toornige uitvallen wolkten +met heete walmen op uit haar herte. Ze bekeek elkendeen zonder wrok. +Moeder was haar geen hardvochtig wezen meer en ze kon peinzen op heur, +zooals ze peinsde op vader: een groot medelijden verlamde haar oproerig +karakter en ze weende, duikende haar brandend gezichte in 't zakkend +geveder van haar hoofdkussen. + +In den morgen verzwakte haar uitermatig leed, maar ze bleef den dag door +turen naar den komenden winter, verslonden in vaag gemijmer, aldoor +treurig en maf. Ursule trachtte meermaals met zoet gevlei haar op te +beuren. Ze sprak weer van een cottage, waar ze zouden gaan inwonen, bij +'t naderen van de lente. Ze dierf echter het gezelschap van Bella niet +meer oproepen. Het was gisteren al te bar verloopen en de herinnering +eraan zou geen goed stichten. + +De weke liep door. De verkiezingen gebeurden met groot lawaai en een +nagalm ervan drong in dees spokig huis. Men sprak van 't voorval, en dat +bracht een beetje verscheidenheid binnen. Ook een heele zake was 't, als +Justa, in 't voorkamertje, het ivoren kistje ontdekte. 't Was tooverij. +Maar Ursule had voorloopig gewichtiger gepeins en Goedele was niet uit +haar droomen te leiden, zoodat het kistje algauw vergeten werd. + +Op een nacht begon 't nijpend te vriezen. Schoone bloemen waren 's +ochtends zichtbaar op de ruiten, witte bloemen met divers geblaan, +allemaal zuiver en sierlijk van vormen. De tuin lag met blanken rijmel +bestoven en de strate, onder den tert der menschen en 't gerammel der +wagens, klonk bijzonder luidelijk. De postbode bracht, al heel vroeg, +een brief voor Goedele. + +--Wat is 't? vroeg Ursule. + +Hij werd koortsig opengebroken. Er kwamen hier bijna nooit brieven toe, +behalve somtemets een kort schrijven van Vrebos of een welruikend +kaartje van mevrouw De Vleeschhouwer. Deze brief was van tante Olympe. + +--Nieuws van Romaan, fluisterde Goedele, heel laag. + +Hare blikken schoven vluggelings over de zwarte onregelmatige letters, +heel die brave, gebrekkige taal van 't oude wijveken, en stilaan +geraakten hare oogen vol. Ze moest rap pinken om de tranen weg te duwen +en verder klaar te zien. 't Was slecht nieuws. + +Ursule lengde haren hals uit, en op dees oogenblik overviel haar +werkelijk een breede moederlijke aandoening. Ze stotterde, een ongemak +voelend in haar kele: + +--Watte?... Watte?... Hein? + +Ze beloerde 't stille geween van Goedele, elken traan te reke, die rond +werd onder de donkere wimpers, klaar optikkelde met een sterreken +veranderlijk licht en trage neerwaarts droop. Goedele stamelde: + +--Slecht nieuws.... + +--'t Is van Wiezeken, niet waar? + +--Wiezeken is aan het sterven. + +Ze zaten nu allebei rechtover mekaar, in stilte te schreemen. In langen +tijd had Ursule zoo 'n ware emotie niet gehad en ze verwonderde zich dat +dees waarachtige droefheid, die haar week maakte en afmatte, haar zacht +was en deugdelijk. Ze voelde dat ze met dees leed tot dichtebij Romaan +naderde en ze jubelde zoete, al snikkend, omdat Romaan zoo dichtebij +was. Ze werd bijna tegen hare vingeren de warmte gewaar van zijn +geliefde voorhoofd.... Ze zei: + +--Ge moet gaan.... + +--Ja. + +--Ge moet zeggen ... iets van mij ... iets van zijne moeder ... aan +Romaan. + +Goedele voelde dadelijk dat moeder rechtzinnig was en ze wilde haar +geerne kussen, dankbaar om hare goede smert. Binstdat ze zich met haast +aankleedde, vertelde ze van den verloren broer, zooals ze er nog nooit +hier in huis over had verteld. Ze wist vele bijzonderheden aan te halen, +waaruit het gulden hert van Romaan stralend te voorschijn kwam. Het was +alsof ze tewege was ook van Madeleen te spreken. Het woord verzoening +geraakte bijkans op hare lippen.... Ze zweeg echter, op dat woord juist, +nog aarzelend en nog vreezend. + +Buiten, op de koude straat, tort ze dapper door. Ze was weer in 't +gewoel van de haastige menschen, ze taakte weer het drukke werk van al +die dravende lijven, en, hoe onzeker ook, ze genoot de luchtige vrijheid +lijk overrijd. Maar gauw drilden hare voeten, al slaande tegen hare +rokken, en ze beluisterde den slag, hem gauwer aanzettend, om gauwer +ginder te zijn. De winkels met hunne breede vensters en veelvervige +uitstallingen sleerden zijlings voorbij. Ze herkende ievers een +confectiehuis en wierp hare blikken subiet anderzijds. Een oud ventje +hinkte krukkebeenend op haar af en reikte eene bevende hand uit. Ze +bleef staan en vingerde in haar geldtasje en gaf een stuiver aan den +man. Hij boog en een kistje met solferdoosjes, dat hing op zijne borst, +kwikte schier omme. + +Ze hoorde niet wat hij mompelde. Ze was tevreden dat ze hem iets gegeven +had en dat het niet lang geduurd had. Ze geraakte zoo in 't lage van de +stad. De trams zoefden en kruisten malkaar. De karren waggelden met +ongemeen gedruisch. Een kindje riep haar na: + +--Juffrouw! Juffrouw! + +Ze keek omme en zag het dutseken aandrevelen met een zakdoekje. + +--'t Uwe, juffrouw? + +Ze tastte in haar pelsen mofje en bloosde, omdat een oude heer haar heel +scherp aankeek binstdien. + +--Ja, lieveken.... Danke. + +Verlegen liep ze verder. Tenden de strate lag de vaart. Nog de brug over +en dan een klein draf ken. Wat zou ze zien? Een rappe angstigheid kwam +over haar. + +--Wat zal ik zien? + +Op de brug was al meer moedeloos haar gang en ze tort langzaam, swijlens +starende naar 't water van weerskanten. Het water was bij plaatsen +dichtgevrozen, maar om de schepen, die lui en diepe lagen, allemaal +bijeen langs de dokken, klotsten de vrije golfjes overhand. De grijze +hemel klaterde erheen, in zilveren schervels, en altemets sprong een +vliemken stralend licht er te midden op, naar den willekeur van het +toevallig gespeel. Goedele's blikken bleven daar onbewust haperen en +hare oogen waren wijd-open aan 't zien. 't Geflikker spatterde aardig +in haar hoofd en 't herbegon altijd zijn veranderlijke wiegeling. Ze kon +precies niet verder uitkijken, recht voor haar, waar haar weg gebaand +was. Hare handen werden heel warm in het doezelig mofje, en ze hervroeg, +een vaag zicht krijgend van de leelijke werkelijkheid, die naderend was: + +--Wat zal ik zien? + +Aan 't klein gesleer van hare voeten werd ze meteen gewaar dat ze te +lanterfanten stond. Een brouwersgast met zwaar gespan riep, om ze uit +zijn weg te krijgen. Ze liep. Ze beluisterde weer den korten klop van +hare beenen in 't matelijk gedruisch van hare rokken slaan. + +Ze bleef uitasemen op den drempel van den ellegoedwinkel. De nijpende +geur van dees huis kwam haar ontstellen, en, al wilde ze gestadig denken +aan 't akelige zicht van Wiezeken, zich daarmee bedwelmend, ze dacht ook +aan Ameye, die daarboven waarschijnlijk was. Gauw probeerde ze te +verzinnen welke houding ze aannemen zou, maar seffens schudde ze haar +hoofd, alsof ze meende: + +--Wat scheelt het mij, en wat ben ik tot hem? Ze ging de trap op. Het +docht haar dat het hier wel akelig zijn moest: de winkel lag stille en +ginder hooge lag stille insgelijks het leutige lied van Mariette. De +trap kraakte. Ze zag in de hoeken de gewone stofkens herroeren met het +kleine gewaai van haar kleeren. Ze merkte 't allemaal op, tot de +luttelste dingen, en ze klampte zich permintelijk eraan vaste, gestadig +het oogenblik wegschuivend, dat toch al gelijk aanbreken moest. Ze keek +naar hare hand endelijk, hoe die trage zich naar de deurklinke reikte en +hoe de deurklinke daar precies te wachten hing.... + +Ze tort beraden binnen. Niemand was hier in de keuken. Hare blikken +vielen links en rechts op 't vele tinnen en koperen gerief. De koffie +stond te dampen op de stove en daar walmde allentwege de goede geur. + +Tante Olympe stak loerend de zijkamer open en fluks, als ze Goedele +herkende, kwam voor haar staan, treurig doende met haar gerimpeld witte +gezichtje. Ze zeiden mekaar geen goeiendag. Dat lag zoo verre van haar. +Goedele vroeg, lage sprekend: + +--Wiezeken?... + +Tante Olympe zeeg neer op een stoel en bracht haren voorschoot over haar +wezen. Goedele moest nevens haar gaan zitten en herhaaldelijk vragen +nog, eer het oude wijveken haar geween kon breken. Ze stotterde op een +ende: + +--De dokter is er bij.... Ze hebben er aan gewerkt dezen nacht, met +drijen.... Ze hebben er aan gesneden ... en Wiezeken haar keelken ligt +open. + +--Wat zegt de dokter? + +--Niets ... en durft hij--maar ik, juffrouw, ik weet wel wat sterven is +en hoe de Dood doet, als ze nadert.... Dat arme boeleken! + +--En Romaan? + +Ze had een flauwen lach over hare magere lippen, om te beteekenen dat +het ook met hem deerlijk gelegen was. Ze blikte dan zuchtend langs 't +venster naar den wit-grijzen hemel en ze fluisterde: + +--We zijn hier in dees huis, nu juist twee jaar geleden, binnengekomen. +Ze vouwde hare vereelte handen op haren schoot te gare en voortdurend +tuurde naar het effen geluchte, met schokjes zeggend: + +--En zoo gaat Wiezeken eruit ... en zoo zal ik eruit gaan ... en zullen +wij allemaal eruit gaan.... + +--Is mijnheer Ameye hier? + +Tante Olympe begon te tateren en haar kaken glansden op, zonder +overgang. + +--O ja! die goeie mijnheer! + +Ze sprak met bewondering en dankbaarheid over hem. Alle dagen was hij +komen zien hoe 't ging. Hij was 't, die de dokters was gaan opzoeken en +Romaan met brave woorden steunde. Den vorigen nacht was hij tot heel +late gebleven, omdat Wiezeken er zoo heel ellendig uitzag. In den +komenden morgen had hij hem pas verlaten, maar straks zou hij weer +binnenloopen en nieuws vragen. Hij had tante Olympe aangespoord om te +schrijven aan Goedele. + +--Och, me-kind, ik en dacht er niet aan. Ge moet me vergeven. Ik ben +heelemaal zonder memorie en 'k dool alhier en al ginds met mijnen +poveren kop! Het is nu goed, danig goed, dat ge gekomen zijt. + +Goedele hoorde in de zijkamer de stem van den dokter, in druk gefluister +met Madeleen. Dan een groet, een korten slag van de deur en den dalenden +stap van iemand, zwaar krakend over de trap. + +--De dokter gaat weg, zei tante Olympe. + +Madeleen tort weenende de keuken binnen en begon luidop te snikken, als +ze Goedele zag, op wier borste ze kwam uithuilen, zonder mate, haar +overgroot verdriet. Ze jammerde: + +--'t Is gedaan ... 't is gedaan ... och Heere! + +Goedele streelde zachte met hare vingeren over Madeleen's bleeke wezen +en streek heur verwaaide haarstrengen effen. Ze vroeg: + +--'t Kan nog beteren?--Toe, Leentje, wees rustig. + +--De dokter zegt: nog vier uren, nog zesse.... Ik weet niet meer wat ik +doen moet. Ik voel dat alles kapot gaat. Ik kan geen moed meer hebben. +Ik heb nu weken lang moed gehad, moed gehad.... Wat baat nog moed? + +--Ge moet malkander steunen.... Het is een ongeluk. + +--Ja--een ongeluk. Ameye zegt ook--een ongeluk. Maar na al mijn leed, +na al mijn ongeluk, nog dees ongeluk weer. Ik kan niet meer.... + +--Ge zijt niet alleen.... + +--Romaan is buiten zinnen. Hij begrijpt niets. Hij wordt zot. Hij +antwoordt niet als ik hem aanspreek. Hij zegt niets.... Ik heb toch ook +troost noodig! + +Goedele kuste haar en pinkte gauw een heet-kittelenden traan weg. Ze +werd gewaar dat men haar meesleepte in al dees wanhoopsdoening en dat +zij niet tegenstribbelen kon. Tante Olympe stond voor 't venster naar de +daken der huizen te kijken. Goedele merkte hoe haar ouden rugge opsnokte +af en toe, en hoe onophoudend haar bevende hand het tipje van den +blauwen voorschoot over hare oogen bracht. En hier, op hare borst, sloeg +in hevige snikken uit de koortsige smert van Madeleen. Ze taakte +allentwege de geweldige droefenis, die heerschte in huis, en ze moest +ook stilaan buigen, neergeduwd door 't overdadig leed. Ze kreeg in de +minste voorwerpen 't klare zicht van de al-meesterende ellende: de tafel +stond ongebruikt, de moor had een zwijgende tote, de borstels lagen +droge en de schotelvodde heel stijf--en was het niet alsof de soepkomme, +achter de ruiten van de dresse, geen dienst meer deed? Nutteloos dampte +op de stove de welriekende koffiekanne. Goedele vroeg algauw, om de +overweldigende treurnisse te keer te gaan: + +--Mag ik Romaan zien? + +Sprakeloos gingen ze, Madeleen vooraan. In de ziekenkamer neep een geur +van jodeform en woog een zoelte van moede lucht, lijk in hospitalen. +Bij 't kleine beddeken zat Romaan, diepe gebogen, zijn kinne in beide +saamgebrachte handen, aan 't staren zonder ende, recht voor zich uit. +Bleek als een laken en mat was zijn aangezicht, beschaduwd door de +blauwige holten zijner oogen. + +Hij keek niet op. 't Was alsof hij niets opnam van wat om hem gebeurde. +Hij hoorde niet. Goedele reikte hare armen naar hem en stamelde, bevend: + +--Broer ... broer.... + +Hij keek niet op. Hij was niet hier. Heel verre tuurde hij en zijn +gelaat, in strakke droomerij verslonden, en peesde noch en herging. Even +roerden zijne wimpers en trilde zijne rechterhand. Zijn bloed sloeg in +rappe slagen bultig uit op zijne slapen. Goedele naderde en bukte over +hem en toetste stille zijnen schouder. Hij vroeg, schier onhoorbaar: + +--Wat is er? + +--Ik.... Bezie mij, Romaan.... + +Langzaam wendde hij zijn kop omme en zijne vermoeide blikken, door +koortse ontgloeid, priemden diepe in de oogen van Goedele. Geen blijde +verwondering en roerde de groote kommernis, die langs zijn voorhoofd +rimpelde. Hij zei, onverschillig. + +--Haa!... + +Hij stond rechte. Hij tuurde trage naar Goedele's mantel, naar haar +pelsen krage en haar breeden hoed. Zijn stemme was koud, eentonig: + +--Komt ge van huis, zoo? + +--Ja.... + +--Wiezeken heeft verleden nacht met haar poesjenel gespeeld en ze heeft +naar u gevraagd. Ge weet wel, die poesjenel...? Wiezeken heeft toen naar +u gevraagd. + +Er lag zoo direkt een verwijt in die woorden, dat Goedele te blozen +begon. + +Ze keek naar Wiezeken en ze herkende Wiezeken haast niet. 't Was +teenemaal ineengekrompen. 't Lag met ontsloten mondje te snakken, al +slapend, naar lucht, en zijn neusje vliesde permintelijk open en toe, +asem zoekend te vergeefs. Goedele heur herte deed ineens sterkelijk zeer +en een pijnlijke aandoening stropte vaste in haar kele. Ze wou zeggen: + +--'t Slaapt.... + +Romaan hoorde den klank wegfluisteren op hare lippen en lachte: + +--Hee! slapen.... + +Madeleen bad dat hij nu zou in de keuken gaan en een ei zuipen, en +Goedele deed mee om hem daartoe te bewegen. Hij werd erom lastig, maar +als hij zag dat Madeleen zich bij 't beddeken neerzette en dat het kind +aldus alleene niet zou blijven, gaf hij toe en volgde zijne zuster. + +In de keuken zakte hij thoope op een stoel. Hij zei aan tante Olympe, +die de koffietasjes op de tafel plaatste: + +--Wat maakt gijlie allemaal veel gedruisch! + +Hij belonkte den aschbak, die opklaarde onder 't gefonkel der laaie +kolen. De stilte echter was hem algauw een groote last en 't getik van +'t kleine horloge kon hij weldra niet meer verdragen. Hij vroeg een +kopje koffie. Hij roerde met het lepeltje erin en volgde het luttel +schuim, dat op de dampende vlakte ommeringde in diverse draaiingen. +Naderhand vestigde hij al zijne aandacht op 't bedrijf van Goedele's +armen, die haar hoed afnam en heur mantel weghing nevens de dresse. +Hij zuchtte en vroeg: + +--Is dat een nieuwe hoed? + +Hij vond het zelf gek dat hij die vrage deed, en verzocht Goedele dat ze +neerzitten zou. Hij zei: + +--Vertel me eens wat, zusje. Ik ben zoo in folterende spanning. Ik weet +niet wat er buiten gebeurt. Och! ge kunt niet gissen, gij, hoe diepe een +mensch lijden kan.... Het leed, Goedele, en heeft geen palen. + +--Alles komt weer goed. + +--Alles? + +Hij glimlachte droeve en hief zijn koffie tot dichtebij zijne lippen. +Hij snoof den walmenden geur op en zette het kopje, met een tikje, weer +op tafel neer. + +--Meent ge dat, Goedele? + +Ze verzekerde met haastigheid, om hem te troosten. Hij schudde stille +zijn hoofd en zijne onderlip zakte rijzekens neerwaarts. Trage schoof +hij zijne vingeren door zijn haar, en liet ze lui afsleren langs zijne +ooren en zijnen hals. Hij lei ze nadien op de tafel en ging de bochtige +aderen na, die blauw uitkrinkelden op het mat-bleeke vleesch. Het docht +hem dat ze buiten hem waren en hij verwonderde zich dat de magere +beentjes, als hij ze roerde al trommelend op het tafelberd, zoo +zichtbaar waren. De zware stilte woog hier tallenkant. + +Hij kruiste meteen zijn beenen overeen, leunde achterwaarts over en na +zijn opgeheven knie in beide handen, lijk iemand die eene gemakkelijke +houding zoekt om te converseeren. Over zijn aangezicht kwam een spijtige +oolijkheid en hij vroeg: + +--En thuis bij u, hoe draait daar de rommel? + +Hij hechtte schijnbaar geen belang aan zijne woorden, en hij wiegde +zoetekens op zijnen stoel, bij maniere van spelen. Goedele wilde seffens +een goede hoop in zijn hoofd brengen, en omdat zij zich herinnerde de +hertelijke aandoening van moeder, zei ze: + +--Goed.... Ge weet wel wat ik beduid daarmee. Het huis is in ruste. Het +staat daar zonder geruchten, in den grooten zwijgenden tuin. We leven te +gare daarin. De deuren blijven dicht en geen lawaai van buiten dringt +binnen. Geleidelijk geraakt in de stilte het geweldig verleden effen.... + +--Wat wilt dat zeggen? Effen? + +--De herinneringen zijn nu vaag geworden en men begint te merken dat er +maar iets van overblijft ... wij, en dat we leven ... tastbaar nevens +malkander staan.... + +--Leven ... leven ... leven.... + +Hij tuurde naar de zoldering en liet zijn hoofd ten geheele overhangen, +op de leuning van zijn stoel. Goedele voelde dat zij hem naderen kon met +het gansche droeve huis van ginder.... + +--Daar zijn t'onzent leege plaatsen om de tafel, Romaan. Moeder wordt +zwak. Moeder vraagt naar u. Ze heeft geweend dezen morgen. + +Hij wipte meteen rechte en stond midden de keuken heel verwilderd naar +Goedele te zien. Hij stiet haar ruw aan tegen het aangezicht, met zijne +blikken. Hij boog zich over haar, benauwd fluisterend: + +--Wie heeft u hier gezonden? + +Hij merkte dadelijk hoe bang zijzelve werd en hij week, op een ende +uitberstend met schrikkelijke woede. Zijne armen zwaaiden toornig +ommentweer en dieper zakten de rimpels in zijn voorhoofd. Hij riep: + +--Wie? Wat komt ge hier praten van iemand ... die onze moeder is? Moet +ge mij komen aantasten, als ik nu lam lig, en denkt ge dat ik niet meer +tegenstribbelen kan? Ho! Ho! Ho! Het kind is bijna dood.... Ze naderen! +Ze naderen! + +Goedele zat verplet en met pijnlijke angstigheid blikte ze op naar heur +broeder. + +Hij rok zijn mond open om al zijn haat in vierkante brokken neer te +gooien. + +--Ze hebben mij in mijne zoete droomen getroffen. Ze hebben mijne liefde +bezoedeld, bemorst, beslijkt.... Hee! Hee! Ze hebben mijne jeugd +berimpeld en mijne herte vergald!... Wacht even! Laat me woorden vinden +... laat me zoeken ... Wacht! + +Hij slikte moeielijk het speeksel in, dat zijn tong belemmerde. + +--Maar waar was moeder, als ik Madeleen en tante geen eten meer kon +geven? En als Wiezeken er dan nog bij kwam? En als Wiezeken dan nog ziek +werd? Moeder keek niet omme.... Nu, nu, binstdat het kind sterft, komt +er versche hoop! Willen we nu de slonse laten zitten? Het kind is dood. +Het kind is vergeten. Willen we nu naar huis gaan en ons' moeder gaan +kussen? + +Zijn stemme zonk, werd heesch en moe, en zijne oogen doofden weg in +natheid. + +--Gij weet niet Goedele, wat er al gebeurd is. Gij weet niet hoe moeder +Madeleen wou omkoopen, hoe ze haar vervolgd heeft zonder ruste. Ik heb +naamlooze brieven ontvangen.... Ik durf u alles niet zeggen. Moeder is +een misdadige. Nu stuurt ze u tot mij ... u, die 'k buiten en boven +alles stelde, naast mijne vrouw. Luister--ze zal voort alles aanwenden, +alles, alles.... Ze zal huichelen, ze zal weenen.... Ge hebt gezegd dat +ze geweend had! + +Goedele snikte. Hij lei zijne hand op haren schouder en sprak nu zonder +drift, met een droeve zachtheid, een kleine stilte latend tusschen elk +woord, om schoone en klaar en peiselijk te wezen. Daar schorde altemets +een klank in zijne keel of 't was aleens, alsof hij zijn asem averechts +ophaalde. + +--Heb ik u zeer gedaan? + +Hij vingerde langs heur haar, zoete haperend in de losse krullen, en hij +streelde haar aldus en kriebelde achter hare ooren. + +--Ik heb geen kwade inzichten, zusje, ik ben zeer diepe geknakt en mijn +leven is me straks een last. Ben ik ruw geweest en heb ik u met ruwheid +getaakt? Maar zonder oogen ben ik nu, mijn zusje--en alles wordt zwart +om me. Ik heb u niet gezien. Ik wil u geerne voelen dichte, zoo.... Ge +moet mij vergeven. + +Ze keek op naar hem en hij zag in hare oogen de klaarte liggen van al +hare liefde. Een heete traan dropte dikrollend langs zijne wangen en +pletste met klein geflits midden op haar voorhoofd. + +--Laat ons sterkelijk hopen, zei ze. + +Hij knikte en zijne wimpers vielen toe.... + +Naderhand werd er op de deur geklopt en zonder wachten klonk de klinke +omme. Tante Olympe stond seffens rechte en was tevreden dat er toch +iemand een ende kwam stellen aan het pijnlijk gesprek. Ze huppelde tot +aan den dorpel. + +--Goeien morgen! + +'t Was Ameye. Hij boog seffens heel beleefd, als hij Goedele bemerkte. +Het was wel eene subiete aandoening, die hij daarmee verbergen wou, en +een tijdelijke blos kleurde zijne wangen en zijne ooren. Hij bedwong +echter algauw zijne vlugge ontsteltenis en sprak heel gemakkelijk van +kleine zaakjes, zich vooral bezighoudend met Wiezeken. Hij liet al +gelijk geen durende droefenis wegen op de conversatie en vermeed +zorgelijk een tragisch woord of gevaarlijke toespelingen. Daar lag iets +opzettelijk lichtzinnigs in zijne zinnen en nievers duldde hij een +stonde stilte, wetende dat de smert al zwijgend opzwelt en zwaar wordt. +Hij zei: + +--Ziekten draaien alzoo soms heel zonderling uit. We moeten ons nu niet +laten beinvloeden.... Hebt ge Wiezeken al gezien, juffrouw? En wat dunkt +u? Het kind ziet er niet zoo bar slecht uit. + +Hij klopte op de knie van Romaan: + +--Jongen! gij zijt de ziekste! Ge hebt niet de minste koeragie. Ge zit +daar met een bleek en afgemat gelaat, en uwe oogen rollen vervaarlijk +omme. Wat helpt dat allemaal? Kijk eens naar mij! Ik heb den geheelen +nacht hiernaast, in de iodoform, een pestlucht, gezeten. Ik heb een +beetje geslapen--als ik thuis kwam, ik heb vrij veel geeten, en ik ben +hier terug, gezond. Heeft Romaan wat geeten, dezen uchtend, tante +Olympe? + +--Een walm koffie opgesnoven.... + +--Dat is buiten reden! + +Hij liet zich ten halve kwaad en eischte dat Romaan dadelijk een paar +eieren zuipen zou. Hij was daarbinst stille aan het tateren met Goedele, +die hem sprakeloos, met vage bewondering, had beluisterd. Hij vroeg hoe +zijzelve 't stelde, en verzekerde dat hij in waarheid gelukkig was haar +te ontmoeten, al had hij ook aan smertelijke omstandigheden haar komste +te danken. Hij zag dat ze hem moeielijk antwoord gaf en tevergeefs +probeerde een hoffelijke formule te gebruiken. Hij praatte maar door en +staarde soms met ongemeene strakheid in hare oogen. + +Goedele had hem zich heel anders voorgesteld. Hij was precies een andere +man. Het docht haar dat hij meer dienstveerdig was en meer ijverig in +zijne dienstveerdigheid. Hij deelde zijn eigen precies uit en al wat hij +zei, 't en was maar om gauw de gapende stilten te stoppen. Ze voelde dat +alles zeer duidelijk, en stilaan groeide zijn gansche wezen op in haar. +Ze was 't bewust, dat hij zich alzoo meester maakte van haar en haar +teenemaal met zijn eigen leven vervulde. Ze had ook zoo dikwijls en zoo +lange aan hem gedacht en zich zijn bijzijn gewoon gemaakt, dat hij 't nu +gemakkelijk kon en dat het haar niet vreemd voorkwam. Zijn woorden +trilden in haar met ongemeene galmen, en zij luisterde ernaar, en 't was +haar alsof ze nooit te luisteren zou staken. Als zijn stemme altemets +opklom tot een vrage--zij hoorde aan den stijgenden klank dat hij een +vrage deed--wist ze daarom niet seffens wat ze antwoorden moest, en zij +vond het ook niet zonderling dat hij op geen antwoord wachtte. 't +Geluchte was vol van hem en ze asemde in dat geluchte. Ze merkte weleens +dat hij nooit zinspeelde op vroeger ontmoetingen en zich niet +verwonderde over hare lange afwezigheid. Ze had dan, lijk een +hoofddraaiing, de leege sensatie, die zij lestmaal op den drempel met +Ameye gevoeld had--en ze zag nog, in scherpe herinnering, hoe hij zich +toen langzaam boog om het hulsttakje op te rapen.... + +Een rap sloffengesleer schoof scherrelend in de nevenkamer en Madeleen +stond meteen hijgend in het deurgat. Ze bracht hare handen aan hare keel +precies om daar een nijpinge weg te krijgen, die haar te spreken +belette, en, in haar doodsbleek gezichte, viel haar mond open, een +blauwe schaduw trekkend, van weerskanten, in hare kaken. Romaan sprong +lijk een zinnelooze naar heur en zijn koffiekopje viel +kletterschervelend in brokkelingen uiteen op den vloer. Hij duwde haar +op zijde en liep haar voorbij, de ziekenkamer in. Tante Olympe begon +schrikkelijk te beven en ze bad: + +--Aai-Heere! Aai-Heere! wat is er nu? + +Goedele nam Madeleen in hare armen en Ameye bracht een glas water aan +hare lippen. Ze paaiden haar, vragend: + +--Hebt ge zeer? Ge moogt u niet zoo opjagen, lieve. Kijk eens opwaarts. +Wat is er gebeurd? + +Madeleen slikte moeielijk en wees naar achteren met haren vinger, dof +stamelend: + +--'t Kind ... 't kind.... + +Ze hoorden dan Romaan, die hoog te roepen begon, met onherkennelijke +stem, en daartusschen 't kleine geween van tante Olympe. Ameye haastte +zich ook naar de kamer, en Goedele sprenkelde kille droppels op Madeleen +haar gezichte. + +--Hoort ge? hakkelde Madeleen, zich opwerpend heel smertelijk in +Goedele's armen. + +--Maar wat deert er toch? + +--Hoort ge?... 't Sterft! + +Ze viel nadien huilend naar voren op Goedele haren schoot en jammerde: + +--Ho! Hooo!... mijn kindeken, mijn kindeken, mijn dutseken!... + +Haar lijf snokte op en rilde, en hare vingeren waren in pijnlijke +stuipen ommegekruld. Ze hief zich dan, plots zwijgend op, en keek +verwilderd Goedele aan. Ze fluisterde, geheimzinnig: + +--'t Is vreeslijk. Ik kon 't niet zien. Ik kon 't niet uithouden. Ik zal +daar iets leelijks van krijgen, in mijnen kop! 't Lag met zijne armen +zoo subiet hopeloos geweld te doen ... en te rukken aan de sargie, met +zijn nagels ... en 't heeft mij meteen bezien, met zijn oogskens wijd +open.... Wat wou 't zeggen, o God! 't En kon niet spreken, en die +oogen.... Ik dacht dat het te roepen begon. 't En zei niets. 't Waren +die oogen. + +--Drink een beetje, lieve. + +--Ja. + +Ze grabbelde bibberend naar het glas. Tante kwam ook half zinneloos in +de keuken binnengeloopen en hief hare armen omhooge. Ze stotterde: + +--'t Is zonde! + +En ze deed teeken, achter Madeleen's rugge, dat Goedele zou gaan en +helpen. + +Goedele ging. Ze voelde hare voeten, al gaande, niet slaan op den vloer, +en 't was alsof hare beenen automatisch voorttorten. Haar lijf hing naar +voren. Ze had schrik en dierf niet 't kindeken zien--en haastte zich om +te zien.... + +Voor 't beddeken, aan 't voetende, stakerechte stond Ameye. Ernevens, +op een lage stoel zat Romaan. Zij verroerden zich niet. Ze keken +halsstarrig toe. Het kind lag heel wit midden op het witte kussen en op +zijn aangezicht was geen speur van leven meer. 't En asemde niet ... +Goedele week instinktmatig. Ze was tewege het te zeggen, dat het geen +asem meer had. + +--Romaan.... + +--Ssjt!... + +Wiezeken stak haar linkerhandje uit. Haar mondje viel open en een +moeielijk geronk ratelde in haar kele. Hare oogen lagen toe en een blauw +streepken randde er onder aan. In de hoekjes tinkelde een klare traan en +'t licht, dat tusschen de gordijnen neerzijpelde, speelde er met luttel +gestraal. + +--Laat me haar hoofd opheffen. 't Ligt te lage. + +Goedele bukte zich. De iodoformreuk walmde nu bijtend over haar gelaat +omhooge. Ze schoof hare handen onder de heete dekens en hief zoetekens +het kind uit den warmen konk, waar 't zijn koortse broeide. 't Was +pluimlichte. Ze raakte, door 't fijne hemdeken, het tengere ruggebeen en +de ringen van de ribbetjes. + +Maar Wiezeken wierp haar lijf opeens zijwaarts uit en lag een +schrikkelijk geweld te doen om asem op te halen. Haar buikje zonk diepe +in en hare borst zwol uitermate. Twee putjes zakten van weerskanten +onder hare kin en hare slapen sloegen met traag geklop. 't Geronk en +staakte niet in haar kele, en ze smeet zich ten geheele met leelijke +schokken op, daarbinst zwaaiend in de leegte met hare armen. Ze opende +dan endelijk hare oogen, keek heel strak Goedele aan, en haar gezicht +werd grauw-rood van het danig geweld. Ze zakte seffens in het witte +kussen weg. De matte bleekte herkwam over geheel haar hoofdeken en hare +handjes vielen onbeweeglijk op de sargie. Zij en roerde nu weer niet. +Hare oogen waren beloken en de blauwe randjes waren blauwer geworden. +Asemde ze? 't Was weer alsof ze buiten leven lag. Goedele, zich lager +bukkend, en werd over haar open mondje geen tocht van lucht gewaar. Ze +vatte dan de tengere vingeren en gedwee, gevoelloos, flets verdroegen ze +den toets. Goedele roerde op een nieuw de vreeslijke angst, en ze lonkte +zijwaarts op naar Ameye, geen afstand meer voelend tusschen hem en +haarzelve in de harrewarrije van het groote ongeluk. Met vreemde stem +sprak Romaan: + +--Laat ons nu rustig zijn.... + +Zijne lippen waren droog en kleurloos, en 't wit van zijne oogen was in +de hoekjes langs kleine aderen rood geworden. Hij trok stille Goedele +zijlings weg en fluisterde: + +--Het slaapt. + +Op dat oogenblik hadden Goedele en Ameye dezelfde trilling en ze +staarden naar mekaar. Ze begrepen meteen wat niet in woorden over hunne +lippen kwam, en ze bogen onder dezelfde vreesachtige treurnisse hun +hoofd. Alles werd groot in deze kamer en de geruchten van de strate, +eerst niet opgemerkt, begonnen luidelijk te klabetteren tegen de muren. +Binst eene toevallige stilte, die neerzeeg al met een keer en een +benauwdheid lei langs alle voorwerpen, klonk tegen de zoldering den +doffen tert van Mariette's vader, en de deure begon redeloos te rotelen. +Een siddering kroop over Ameye zijn rugge en Goedele krinste bang met +hare schouders. Ze blikten allebei terzelfdertijd neer naar het kind.... + +Daar kwam een blauwe verve over Wiezeken's gezichte en haar neuzeken +puntte scherp naar omhooge. Drie rimpelingen groeven een leelijke +schaduw op haar voorhoofd en de hoekjes van haar mond zakten neere, +haar kinne wegduwend tot een beenderig tjopken. Romaan zei: + +--Is hier geen zeupken water voor het kind? + +Ameye en Goedele hadden alweer eene pijnlijke verwondering, zoo rustig, +bijkans onverschillig, was zijn gezegde. Ameye bracht een lepelken water +aan de lippen van het bengelken en Goedele hielp hem, Wiezeken zoete +opheffend opdat ze goed zwelgen zou. Ze zagen malkanders handen +nevenseen te werke en 't was alsof ze sinds lange zoo in gewone doening +werkzaam waren geweest. Ze dachten niet daaraan: het was een algemeen +gevoel, dat niet tot preciese gedachten opschokte. Ze waren niet +verwonderd dat het zoo werkelijk was. Hunne handen taakten hunne handen. + +Het water drupte nutteloos weg in Wiezeken's hals en de kilte en bracht +geen beweging op het blauwe gezichtje. Aldoor blauwer werd het, en +dieper, smertelijker 't gerimpel daarboven.... + +--'t Is dat ze slaapt, mummelde Romaan. + +Goedele kon zich niet meer bedwingen en gauw te reke stortten hare +tranen plat neere op de witte dekens. Ameye fluisterde: + +--Wees sterk.... + +Ze beet op hare lippen en 't zicht van de schrikkelijke doening, die in +haar vlugge getraan tot vage strepen was weggesmolten, kwam op een nieuw +klaar te voorschijn. Ze was Ameye dankbaar dat hij dat woord gezeid had +en dat weer sterkte haar zinnen staalde. Ze hoopte nu een rap ende, de +rappe nadering van den sterken slag, om dan met zekerheid te kunnen +worstelen. Tegenwoordig hing nog 't gevaar als een wolke te dreigen, +en 't was te hooge en te wijd en overal tastbaar--en nievers te taken. +Ze wachtte. Ze wist dat Ameye haar een steun was. Als de schrikkelijke +smert zou uitbreken, zou ze pal staan, met een herte vol troost.... + +Plots iets ziende, dat lange buiten 't bereik van zijn begrip gebleven +was, rok zich Romaan met een hard gesnok van zijn spieren uit op zijn +stoel, en wipte nadien rechte. + +--Hee-la! + +'t Was een doffe roep en zijne wenkbrauwen kromden verwilderd naar +omhooge. Hij knelde Ameye's arm forsig tusschen zijne vingeren en neep +door, zijn eigen afmattend met overdadig geweld. Ameye zweeg. Romaan +hijgde: + +--Ziet ge ... ziet ge gijlie dan niet?... + +--'t Zal overtrekken.... + +--Hee-la! + +Hij boog zich en, in een subiete duizeling, stortte bijna voorover. +Hij reikte zijn hand gretig uit naar zijn kind en hakkelde, zinnelooze +woorden kappend in 't gaan van zijn onrustigen asem. + +--Overtrekken.... Overtrekken?... Watte? + +Wiezeken stiet nog eens haar borst opwaarts en heel haar lijveken bultte +uit, onder de bleeke sargie. Ze duwde hare ellebogen in 't kussen en +steunde erop en haar magere kele werd lang, een smal peezeken gelijk, +dat door de kinne hooploos werd opgetrokken. Haar mondje werd een +vierkantige holte en daarbinnen was 't al donkerrood en ratelde een +rukkend snorken diepe.... Dan opende ze hare oogen en tuurde met +onzeglijke pijne rechtuit, heel verre, nievers hulp meer vindend +hierdichte. + +Zoo staarden hare oogen, al viel weer plat haar pover geraamte, al +rustten weer hare moede handjes, al zegen weer toe hare lipjes, heel wit +van verve, heel droge, heel doorzichtig.... Zoo keek ze. Ze was nu niets +meer, zoo nietig en vergaan. Ze was niets meer. En tot het laatste keek +ze alginder, en de strakke blik doezelde weg achter een vool van grijze +natheid.... + +Goedele zakte ineen op hare knieen. + +Romaan had een tijdeken verschrikt zijn asem ingehouden en wankte nadien +achteruit. Heel zijne ellende, heel zijn endeloos leed kreet hij in wild +gejammer uit en hij stampte razend op den vloer, aldoor slaande met +zijne vuisten tegen zijne slapen. + +Zoodat Madeleen plots de deur opensmeet en daar stond, zonder een traan, +zonder een woord, lijk een doode overend.... + + + + * * * * * + + + +IX. + + +Late in den avond kon Goedele naar huis gaan. De groote woonste was haar +gansch vreemd geworden, zooals die voor haar in de donkerte, heel +massief, achter het hekken oprees. Binstdat ze de deurbelle deed +rinkelen en zich nog aan 't verwonderen was over den lang-vergeten klank +ervan, merkte ze achter zich, midden de strate, Justa. Justa beweerde +dat ze juffrouw was gaan opzoeken, om wille van de vroege donkerte, en +dat ze nu toch danig tevreden was dat juffrouw endelijk ongedeerd was +thuis geraakt. + +--Mevrouw was zoo ongerust in den namiddag! fleemde ze zoeterig, terwijl +ze den groote sleutel in het klinkende slot duwde. + +--Mevrouw wilde maar altijd nieuws weten. Juffrouw weet nu misschien wel +nieuws. + +Goedele antwoordde niet en stapte gauw binnen. Terloops was haar idee +dat Justa haar gevolgd had en nageloerd langs den weg, maar ze dacht er +niet verder over na. Dat alles, meende zij, was ook nu zoo verre van +haar verwijderd, dat ze geen belang meer stellen kon in peuterige +leelijkheidjes. + +Ze had de smart tot diepe in haar vleesch gevoeld; en wat hier ommeging, +de doening van moeder en de kinderachtigheid van vader, al dat suffe +bedrijf van elkendeen in de groote leege woonste, 't was rijzekens een +buitenmenschelijk gespeel. Ze zag even in haren geest het pieuze gebaar +van Sebastiaan zijn vingeren.... + +Ze stond voor Ursule. Ze had het gevoel dat ze heel hoog stond. Ze zei +simpel: + +--Het kind is dood. + +Ursule en roerde niet. Ze keek naar Seppie, die zich had neergevleid om +hare voeten en nu lui zijn muilken snuivend opstak naar Goedele. Haar +blik was hard, gewoon-hard, en de lichtstreep, die de lampeklaarten op +heur gladgestreken haar leiden, en bewoog geen steke naar achteren noch +voren. Ze sprak: + +--God hebbe zijn zielken. Het lieveken is gelukkig. + +Na een stonde vroeg ze of Romaan sterk was, en als ze vernam dat hij +zeer afgemat en terneergeslagen het verlies van zijn dochterken beleden +had, viel van hare lippen een koud woord, dat vreemd tegen hare +gevoelerigheid van te-morgen afstak. + +--De tijd zal 't uitwisschen, zei ze. + +Goedele had meteen geschokt opgekeken. Ze bedaarde echter subiet, zich +peiselijk opheffend in de wijde golving van haar leed, en beaamde +stille: + +--Ja, de tijd zal 't uitwisschen.... + +Ze verliet zonder groeten de eetplaats en tort langzaam de trap op. +Haar kamer, docht haar, had een zonderling uitzicht en met de roerende +keersevlamme klaarden de stoelen, de witte vlekken van 't bedde, en de +breede spiegel van de toilettafel, met onbekende vormen op. Het scheen +haar hier alles zoo oneigen en de reuk van de versche lakens tingel de +in haren neuze, lijk iets dat nooit bij deze lakens behoord had. Wat was +hier gebeurd? Ze schudde haar hoofd en mompelde lijdelijk: + +--In mij is 't gebeurd.... + +Ze had het ganschelijke gevoel daarvan, maar verder kon ze in haar eigen +niet ingaan. Ze beleefde de vreemde veranderingen die haar ziele +ommegewenteld hadden en de oorzaken lagen te diepe. Daar was iets +gebeurd. Over al het onduidelijke wezen van haar machtige wee, reikte +die zekerheid. + +Lang bleef ze eer ze inslapen kon, en 's uchtends als ze wakker werd, +was ze haar gekeerde nature nog niet gewend en waarde hetzelfde vreemd +geluchte rond de kamer. Binst den dag liep ze met Justa de stad op en +af en bestelde wat noodig was voor Wiezeken's begraving. Ze deed het +smertelijke werk zonder vermoeienis. Ze was sterk. Ameye had alles +opgeschreven wat ze te doen had. Ze deed het alzoo, stlptelijk zijn +zeggen nakomend, met groote zorgelijkheid. Al voorbijgaand, tort ze bij +Madeleen en Romaan eens binnen. Ze waren allebei zeer verslagen nog, +ofschoon Ameye hen niet verlaten had en hun gestadig zijn +zoet-sprekenden troost gaf. Ze kustte met vrome teerheid hun bleeke +voorhoofd en drukte de hand van haren moedigen vriend. + +Weer drilde ze de straten door. Ze had maar weinig geld. Johannes had +haar opgeleid dat ze alle bestellingen in zijn naam doen zou. Ze +bestelde echter alles in name van moeder en ze schrikte niet bij 't idee +dat moeder vreeslijk opschieten zou. Ze vreesde moeder niet meer. Ze +dacht zelfs niet aan een vrees, die komen zou. Ze handelde heel +eenvoudig, praktisch. Moeder had geld. + +Omtrent den vallenden avond was gansch het droevig gedoe in orde en +geraakte ze terug thuis. Ze sprak binst het soepee geen woord en ze deed +nadien Sebastiaan verwittigen, dat hij in de eerste acht dagen niet +komen moest. Hij had haar seffens met ommegaanden bode een langen brief +gestuurd, waarin hij de oorzaken van hare terughouding ten hoogste prees +en met lange zinnen toch hare deugdelijke opsluiting betreurde. Ze las +de eerste bladzijde en liet den brief dadelijk wegglijden tusschen hare +vingeren. + +Als ze tewege was op te gaan naar heur slaapkamer, zag ze bij den heerd +vader zitten, lage gebukt en turende roerloos naar 't gespetter van het +open vuur. Hij had ook aldoor zwijgend door de koude stilte van het huis +gewandeld vandage, en hij voelde zich bovenmatelijk droeve worden in de +droefenis, die Goedele langs alle kamers neerzijgen liet van haar. Hij +vatte wel niet teenemaal het rechte begrip van wat er zoo geheimzinnig +in de leegte gebeurende was, maar zijn treurnisse was echt. Goedele kwam +nevens hem staan en merkte hoe over zijne ronde wangen de blinkende +tranen rolden en ze vroeg: + +--Hebt ge groot verdriet? + +Hij glimlachte binst zijn stille geween en keek op in haar aangezicht. + +--Wel ja ik, zei hij. + +--Romaan is diepe getroffen, vader. Het is goed dat ge dat meevoelt. + +Hij stamelde, heel week wordend: + +--Ja, het is goed ... het is goed.... + +Hij maakte ervan, zonder goed in te zien, een groot ongeluk, en zijn +herte was er vol mee. Hij probeerde aan het kindje te denken, dat hij +nooit gezien had, en aan Madeleen, die hij nooit gezien had. Hij dierf +dat nu doen, in de aanwezigheid van Goedele en buiten 't bereik van +zijne vrouw. Hij voelde Goedele's hand op zijnen schouder rusten en dat +deed hem zachte deugd. + +Goedele en verwijlde niet lange bij hem. Al trof ze nu een +teer-lijdelijk herte, al trilde in het kille huif een snare van goede +aandoening, ze kon niet zoo seffens aansluiten met vader. Vader was, met +al de rest, verre verwijderd van haar innige leven en ze bekeek hem van +verre. Ze bleef koel, alhoewel een streelende zoetigheid om hare woorden +fluweelde. Ze zei: + +--Goeienavond.... + +En met eene aaiende buiging golfde hare stem. Hij voelde hare vingeren +trage wegsleeren over zijn schouder en hij zat subiet heel alleene en +bangwordend in den naderenden nacht, te turen zonder weten naar 't +laaierig vuur, dat oplikte langs de vlammende scheiers. + +'s Anderendaags was 't weer een ijverig en verward bedrijf. Na een +loopken in de stad, waar ze nog haastig 't een en ander te verrichten +had, kwam Goedele bij Romaan. Ze vond hem in de keuken. Hij keek +rijzekens op, als ze binnenkwam, en nauw hoorbaar groette haar. Ze kon +door licht en menig getater hem niet uit zijn somber gemijmer krijgen en +ze moest het endelijk opgeven, met een zucht. Ook Madeleen en liet zich +door geen troosting roeren en zat in zwijgende neerslachtigheid precies +te voelen over haar den stillen gang van den tijd. Niemand sprak over +het kind. Tante Olympe was lijk een automaat den vloer aan 't +affledderen en stond bijwijlen zonder kijken te roefelen over een zelfde +plekke. + +--Ge moet ulie struisch houden, zei Goedele. + +'t Geluid van haar stemme wuifde uiteen en viel dadelijk plat neere, +versmoord tusschen de muren, en zonder uitslag. Het huis was vol van +Wiezeken, en niemand sprak van Wiezeken. + +Een tijdeken voor den noene tort Ameye binnen. 't En deed Goedele geen +emotie aan, hem op een nieuw dichte bij haar te voelen. Ze was 't alzoo, +zonder overgang, reeds gewend, en lei hare hand met rustigheid in de +zijne. Ze was wel tevreden dat hij haar helpen kwam om de stilte te +bestrijden, waar zij hopeloos in alleene bleef. Hij voelde met meer +gemak de doode leegte, en zijne gebaren, 't vergaan van zijn wezen en +'t gedoe van zijne armen, waren min gemaakt. Het gelukte hem, met gewone +gezegden, 't getik van 't horloge te bemeesteren, dat zoo pijnlijk het +ongeluk hier in zeerdoende stondekens tjokte. Hij sprak van 't weer--'t +geluchte was vochtiger en lager de hemel, en 't zou wel sneeuwen eer 't +avond werd.... + +--Sneeuwen? vroeg Romaan, verschrikt. + +Ze voelden 't plots allemaal tegare waaraan hij dacht en zagen hoe de +sneeuw, binst de deemstering, zou neerwaarts vlagen en ommevlokkelen, +langs het eendelijke graf.... Want het huis was vol van Wiezeken, en +niemand sprak van Wiezeken. + +En, in der waarheid, de sneeuw viel. 't Was eerst een opwirrelend gewaai +van kleine witte dingetjes--endelijk, als de mannen kwamen en 't +kisteken wegdroegen en 't wegschoven onder een schoon floers met +franjen, op den zwarten wagen--endelijk een regelmatige val van dikke +trossels, licht-dalend bij buien en stille lijk een groot, blank geheim. + +Romaan had geeischt dat niemand op de begrafenis zou uitgenoodigd +worden. De strate was leeg. Gevieren--tante Olympe was thuis gebleven +om alles weg te ruimen wat tot een pijnlijke herinnering aanleiding kon +geven--gevieren volgden ze te voete de koetse en ze zagen even, in hun +voortdurend geween, de menschen van weerskanten groeten en verwonderd +blijven staan, al kijkend naar dien rijkemans wagen rijzekens begeleid. + +Na de zegening in de kerke, stapten ze in een groote sjeeze en reden +achteraan, nu geschokt in dees groote huurkasse met versleten kussens. +Madeleen voelde hoe alleenig ze hier zaten en hoe alleenig ginder +Wiezeken lag, en ze stamelde: + +--Me dunkt dat wij er nu zoo verre van af zijn.... + +--Ja, zei Romaan, heel laag. + +Maar Ameye was weer aan 't vertellen en trachtte met diepe woorden 't +zachte vergaan van dees tijdelijke leed te doen voelen. Ze luisterden +wel naar hem, zagen wel een wijlken lang de troostvolle beelden +opflikkeren, die hij ontstak in hun gepeinzen. 't Matelijk gewiel van de +sjeeze echter en de kloppende draf van de peerden, de almachtige sneeuw, +die achter de ruitjes in wijde vlagen neerwoei en 't hoorbaar gerol van +den rouwwagen, vooraan, den schrikkelijken wagen, al 't gedruisch +dreunde zoo sterkelijk aan tegen hunne hersenen, dat ze seffens hun +hoofd lieten zakken en op hunne vingeren 't heete gespets van hunne +tranen gewaar werden. + +Het kerkhof was heel en al een wit veld door zijschaduwen van zerken en +zuilen gebroken. De mannen, die waren meegekomen en waar de wind ook +omme wit gewinterd had, maakten het kistje bloot en bonden er twee +koorden rond. + +Het was een akelige stonde. De sneeuw smeet in Romaan zijn gezicht, lijk +hij daar van voren stond, dichtebij. Hij ging alles nauwkeurig na en 't +zicht van dat houten ding, waar Wiezeken in beloken lag, spijkerde zich +met zeerdoend hamergestamp vaste in zijnen geest. Hij hoorde 't +hopelooze gesnik van Madeleen, als Wiezeken in 't volle weer verdragen +werd en zoo eendelijk wegzakte, diepe, in de eendelijke holte. Hij +merkte nog hoe de mannen bedaard en onverschillig te werke gingen.... + +Daar kwam een groote moeheid over hem en zijne knieen knikten thoope. +Hij wist meteen niet meer duidelijk wat er gebeurende was en liet zich +door Johannes meeleiden. Hij trutselde, wilde een klaarte krijgen in +zijn gedachten en mummelde gestadig: + +--Maar ... maar ... sapristi! Zijn we nu allemaal tegare?... + +Hij werd opgeheven en zat op een nieuw in het rijtuig. Hij zag Madeleen +weer uitbersten in een wee zonder ende en kreeg meteen 't idee dat hij +ze troosten moest. + +--Toe-de, mijn kind ... ge moet op iets anders peinzen.... + +Ze waren allemaal bang van hem. Hij zei: + +--'t Is hier plezant, zoo te rijden.... + +Hij klopte op Madeleens schouder en bukte zich om te blikken in haar +betraand gezichte. Hij streelde nadien hare handen en peuterde zoetekens +over hare vingeren en begon ook te weenen. Hij liet zijn hoofd +neerzijgen tegen hare borste en sloot zijne oogen. + +Ze geraakten thuis. Ze moesten hem wakker maken en hij keek heel +verwilderd toe, zonder begrijpen. Hij ging de trap op en vond in de +keuken tante Olympe aan 't jeremieeren met Mariette. Mariette wilde +subiet wegloopen, verlegen omdat ze midden in al deze droefenis betrapt +werd. Ameye vroeg dat ze arets blijven zou en ze groette elkendeen +minzaam. Het was eene afleiding en de kamers, waar Wiezeken nu voor +altijd uit was, en gaapten zoo akelig niet. + +Goedele bracht de hoeden en mantels weg en toonde zich uitermate +gedienstig. Ze schikte de koffiekommekens, had beste koekskens veerdig, +vulde met djente bewegingen de leegte, die tallenkante herkomen wou. +En Ameye hielp dapper mee, aldoor de conversatie rechthoudend en de +aandacht op allerlei zaken verstrooiend. Mariette begreep seffens dat +ze ook van hulp zijn kon en haar klaar stemmeken deed ze sierlijk +oprinkelen. Ze was alzoo waarachtig een hupsche deerne en hare handen +waren zoo klein en zoo blank, en ze vingerde zoo prontelijk ermee, om +haar gezegde uit te teekenen. Ze merkte dat uit de hoeken van de kamer +allengs de deemsteringe naar voren kroop en ze voelde dat, al +duisterend, 't geluchte vol zou geraken met een nieuwe angstigheid. + +--Wil ik de lampe aansteken? + +Elkendeen keek naar 't venster, waar de dag nog lichtend bezig was. De +sneeuw bijsde er onophoudend naar 't westen toe, waarheen de wind zijn +joependen asem joeg, en de vlokken kletsten altemets met een klein +getjok tegen de ruiten of maakten, precies dansend, een sprongsken en +een ronde. Als de lampe brandde, was alles in de kamer beverfd met een +warm-gele klaarte, en dan werd de dalende dag buiten een kille +blauwigheid. Mariette schoof de gordijntjes dichte. De kamer was meteen +heel gezellig van de wijde vreemdte afgezonderd. + +--Zie-zoo, lachte Mariette, nu zitten we lekker. + +Ze lachte halvelings, en zij en schond niemands gevoelen met hare lichte +pleizierigheid. Ze ging het vuur in de stove opkoteren, zoodat het +poefend te zoeven begon. Ze schonk de koffie in en naderhand een +druppelken cognac, en ze dwong elkendeen mee te doen en te drinken. +Johannes kon ook wonderlijk alle droefenis wegtingelen met 't gevleugel +van zijne aardige woorden. Getweeen droegen ze behendig hun moeielijke +take, en endelijk scheen alle groot verdriet verdwenen. Madeleen +glimlachte en knikte weleens. Romaan bleef sprakeloos, maar effen was +zijn witte voorhoofd. Het schartend getik van 't horloge en was niet +hoorbaar meer, en tante Olympe deed haar duimen spelenderwijs overeen +draaien. + +Mariette werd dan ten geheele leutig en zette zich aan 't verhalen. +Ze had al wat zonderlinge tijdekens beleefd, en in haar memorie had ze +alles opgestapeld. Ze vertelde met gemoedelijke geestigheid, en ze wist +zoo naief aaneen te knoopen een historie van hare kanarievogels en een +avonture van de lage strate. En, al zei ze bijwijlen een opgelicht +zinnetje, ze kon 't allemaal zoo vermakelijk op een blozend lachje doen +afloopen, dat zelfs Ameye ook dadelijk onder den peisvollen indruk van +hare tooverige bevalligheid geraakte. Hij klopte op Romaans knie en zei: + +--Hoort ge? + +Romaan was daar met zinnen onderstboven in de war. Door al 't gepraat +heen bleef hij onveranderlijk rondstaren en zweeg. Hij had geen +gedachten meer. Hij zat thuis. Hij voelde wel dat iets haperde ievers +... ievers ... maar 't vervaagde alginds, verre van hier. Hij zat goed +thuis en voor hem zat Madeleen, en hij zag Goedele en Johannes en de +anderen, een warmen kring van roerende lijven. En deugdelijk was hem 't +gedruisch. Lijk men soms op steile bergen de endelooze rustigheid der +hemelen met rustigheid bewonderen kan en weet dat men niet blikken mag +naar onder, waar duizelende diepten het hoofd verdraaien--zoo zat hij +en keek naar elkendeen, en dierf niet kijken alginds, ievers waar 't +smokkel weerde, verre van hier.... En gedurig voelde hij den +vriendelijken stoot van Johannes' elleboog of 't gewrijf van zijn +vingeren, zachte. + +--Ziet ge? + +Hij knikte verlegen en zijn gelaat en bewoog niet. + +--Hoort ge? + +'t Was alweer Mariette, die plezant was. Hij knikte. Zijne oogen zochten +naar Madeleen, die knikte. Hij dronk een zeupken koffie en proefde dat +er geen suiker genoeg in was. Hij roerde genoeglijk met het +bel-tjinkelende lepelken.... + +Binstdien, al meer en meer, omdoezelde een lijze moeheid zijne leden. +Zijne handen hingen langs de sporten van zijn stoel arets te wiegen, en +lager zonk zijn kinne. Het docht hem dat hij wel danig zwaar zat en dat +de leuning hem in zijn rugge bezeerde. De woorden om hem en 't gespeel +van de golvende stemmen werden een rumoerend lawaai, waarin hij niets +meer herkende. 't Raasde tallenkant en 't kwam wegen op zijne hersens. +Hij was plots ganschelijk warm, en de hitte kriebelde in zijn haar en +onder zijne oksels. + +Hij stond subiet rechte en een blos spatte uit op zijne kaken. Elkendeen +zweeg. Zijn tonge lag dikke in zijn mond en hij kon haast niet +uitspreken een wenk, die in zijn hoofd bewoog: + +--Komt ge? We gaan.... + +Hij glimlachte oolijk naderhand en mummelde: + +--Tante Olympe zal 't bedde niet opgemaakt hebben.... + +Zijn stap was onvaste en hij drukte gretig Ameye's hand, die naar hem +uitgereikt was. 't Ontlastte Goedele, dat hij zoo stille te rusten ging, +en ze kustte hevig Madeleen, die ook zeer moe was geworden. + +Maar als Madeleen en Romaan weg waren, viel als een gewichte het +taterend gedoe. Mariette was haastig om deze tafel te ontvluchten en +blikte met zichtbare bezorgdheid naar het uur. Johannes en sprak bijkans +niet meer en tuurde naar 't geschitter van een lampstraaltje op den +bodem van zijn cognacruimer. Hij groette onachtzaam Mariette als ze de +kamer verliet, en zat nu tusschen leege stoelen naar leege gepeinzen te +zien. Tante Olympe zuchtte Juidop. + +--Aai-Heere God! + +En zoo drijmaal te reke, om de aandacht her op de droeve gebeurtenis te +roepen. 't En was niet uit haar hoofd te praten, dat de eerste schuld +lag in de onwettelijke betrekkingen en dat God een huwelijk bestrafte, +dat Hijzelf niet had mogen inzegenen. Ze had wel geerne daarover +gejammerd op een nieuw, om haar emotie deugd te doen. + +--Aai-Heere God! mijn kinderen! + +Ameye echter en keek niet op, en Goedele was insgelijks in alleenig +gemijmer verzonken, zoodat tante Olympe van lieverlede ook zweeg en +alzoo haar wimpers voelde dudderen. 't Duurde een ommegang van haar +altijd-zelfde gedachten, eer ze haar oude kappe boog en tegen het +tafelberd in slaap donkelde. + +Een zonderlinge koortse hing in 't geluchte. De wind vlaagde hoorbaar +tegen 't raam en piepte altemets in een losse rete. 't Vuur in de stove +werkte te hard en een kwalijke hitte schoof in zware asems eromme. +'t Was late in den avond geworden, en Goedele dierf niet zeggen: + +--'t Is tijd.... + +Ze voelde 't gestreel van Ameye zijn droomerige stilte en 't aaide haar, +'t bedwelmde haar, 't joeg een hijgen in haar borste. Ze wist wel dat +zij hier nu niets meer te verrichten had, en wat ze nu deed, zoo +luisteren naar een gedacht en lui worden in een kwaden vrede--ze wist +dat het niet docht. Ze werd in haar lijf de wellust gewaar van liggen +in de zoelte en taken de slapheid van den locht. En ze zei niet: + +--'t Is tijd.... + +Ze probeerde te denken aan moeder.... Moeders gezichte doezelde weg en +ze kon geen beeld opvangen, dat stiptelijk moeder was. Haar zinnen +roerden in ziekelijke teerheid, rustend bij 't doode Wiezeken, rustend +bij Romaan en Madeleen, want daar was tegenwoordig een rust, waar ze +lange stonden in verwijlen wou. Ze luisterde alles af.... + +Ze verlangde niet dat Johannes spreken zou of dat zijne handen, schoone +bij mekaar gebracht over zijne knieen, zouden 't gebaar doen van +woorden. Ze verlangde dat de tijd zou stille hangen, en ze toetste +Johannes' gepeins. Een ander verlangen en wist ze niet. De toekomst kon +ze niet mooier willen, en zij en had geen begeerte die zou worden in +mooiere toekomst volbracht. En zoo had ze stilaan geen besef van wat +haar te doen stond. + +Geen daad kon ze verzinnen, en ze luisterde aldoor naar het doen van +Ameye, en ze peinsde niet meer: + +--'t Is tijd.... + +Ze was droeve en vleide zich in zoetige droefenis, en daar was in +waarheid precies geen tijd om haar. Ze schoot ineens op, met een +pijnlijken ruk, als Madeleen in het deurgat kwam staan, vragende: + +--Waar hebt ge 't gezet? + +Ze ging seffens naar haar toe en vatte hare handen. + +--Wat? + +--'t Beddeken, 't kleene.... + +--Lieve, uwe vingeren zijn klamp en ge loopt kousevoets in den koude. +Maak u niet ziek en bezorg u om niets. Laat alles begaan. + +--Ja, maar als ik er zoo meteen ievers tegenstruikel.... + +--Denk niet daaraan. + +--Of 't kussen ievers zie, met een konksken te midden in, nog.... + +--Geef me een zoen en zij rustig. Slaapt Romaan? + +--Romaan slaapt.... En waar zijn de fleschkens? En de kleeren ook al? + +--Ge doet me pijn, Madeleen. + +--Zie ... wees niet kwaad ... ik heb schrik ... ik zie gedurig schimmen +hergaan over de gordijnen. Ik weet wel dat het een doening is van de +strate. 't Is me algelijk danig bang en ik kan soms niet slikken. + +--'t Zal de werking van de koffie zijn. + +--Ja, dat is 't. + +Ze zei 't met vastheid en was seffens tevreden dat er zoo simpellijk een +uitlegging was voor dat angstig bedrijf in haar hoofd. Ze merkte dan dat +tante Olympe heel scheef gezakt was en ganschelijk weggedommeld. Ze had +nog een flauwen lach en verdween. + +Ameye bleef zitten en Goedele zette zich lijk te voren rechtover hem. +Ze voelde nu dat zijne oogen strak op haar gevestigd waren, en ze wendde +hare blikken zijlings naar de dresse. De potjes, die daar stonden op +planken, met hun witte buiken en krullende ooren en een rozige roze vlak +vooraan, bekeek ze met geveinsde aandacht. Een tinnen teele, schoone +versierd met een ranke doffe blaren, blonk geweldig uit, en ernevens, in +een tasje van oud porselein, dorde een doode palmtuil. De teele droeg +ervan de onbeweeglijke schaduw, lijk ze daar door het noesche licht van +de lampe opgesmeten werd. Anderszins was de dresse een donkere kasse, +want niets en was van achteren te merken. Goedele zag allengs ook +wegsmokkelen de potjes en het klaterende tin, en in haar hoofd peuterde +alleen de onverdraaglijke last van Ameye's blik. Hij kittelde haar, +krabde en puntelde, zoodat het een folteringe werd. Ze duldde de +foltering. Ze wist dat, moest ze nu subiet opkijken, ze Ameye's oogen +zou zien. Ze wist wat ze zien zou in de oogen. Hij deed haar zeer, hij +was ongemanierd en hij was onzedelijk. Maar--moest ze nu subiet +opkijken--ze zou geen ongemanierdheid en geen cynische treiteringe zien. +Ze voelde 't heel klaar, en opkijken en deed ze niet. + +Maar bukte hij zich niet en leunde op de tafel om beter zijn blikken te +doen wegen. Ze stond haastig rechte en zei: + +--'t Is tijd. + +'t Klonk eenbarelijk en ze was zelve verwonderd. Ze meende dat ze 't +leelijkste woord genomen had en dat ze nu gaan moest. Zijn vrage was een +fluistering. + +--Tijd? + +Zijn stemme, met dat eene woord, omvatte haar in een lauwe fleering en +het docht haar dat hijzelf haar tallenkante te gelijk taken kwam. Ze +betreurde dat ze gesproken had en betreurde dat hij sprak. Ze had de +peis gebroken van eene zinnelijke mijmering en ze vreesde dat, met de +beweging van haar lijf, met den gedwongen tert van hare voeten, ze de +schoonheid van dezen avond onherroepelijk verdrijven zou. Hij sloot +zijne oogen en lispelde: + +--Ik meende dat een eeuwigheid was aangebroken.... + +Het trof haar dat ook hij in 't gewiegel van dezelfde gepeinzen vervoerd +was. Ze werd bang. Zou hij verder spreken? Zou hij in een vallend +gezegde uit hem gooien wat zij wist dat er droomend gebeurde? Ze werd +uitermatelijk bang en hare vingeren schoven bibberend overeen. Ze boog +zich algauw over tante Olympe en schudde haar ruw wakker. Het wijveken +hief scheef omhooge haar afgemat gezicht en keek verward op. + +--Hein? + +--'t Is late nacht, zei Goedele. Ik moet naar huis. Ga, bidde, +daarbinnen kijken of Madeleen nu rustig is.... + +Tante Olympe verliet knikkebeenend de kamer, maar 't gesleer van hare +voeten was nog merkbaar alover de ruischende planken van den vloer. +Ameye rechtte zich langzaam op. Heel simpellijk, alsof hij wel wist dat +geen weigering te verwachten was, sprak hij: + +--Ik ga mee. Alleene moogt ge over strate niet loopen. + +Ze antwoordde koud dat hij zich eigenlijk geen moeite moest geven en +gerust daar blijven kon, als hij eerst zoo van plan was. Hij vroeg: + +--Wat kan ik hier doen? Elkendeen slaapt en gij zijt weg.... + +Tante Olympe kwam op hare teenen her binnen, teeken doende dat alles +rustig was, en Goedele werd buiten reden haastig. Haar hoed, binstdat +ze hem opzette, beefde in hare handen en een ongemeene gichtigheid +kriebelde achter hare ooren. Onder 't licht van de lampe schitterde, +uiterst beweeglijk, de diamant van haren ring. Ze was seffens veerdig en +smeet zonder hulpe haar mantel over hare schouders. Ze voelde nog een +beetje vochtigheid in de pelsenkrage, die killig haren nekke taakte. Die +plotselinge frischheid deed haar deugd, en ze trok met meer bedaardheid +hare handschoenen aan. Als ze endelijk ommekeek, stond daar Ameye +alreeds te wachten. + +--Kunnen we gaan, juffrouw? + +--Ja, mijnheer. + +Ze deed haar best om hard te zijn of onverschillig. Ze groette tante +Olympe met overdreven vriendelijkheid, om goed 't verschil duidelijk te +maken. + +--Slaap zachte! + +Ze vestigde hare aandacht op de lampe, die aan 't uitvonken was, en +tante Olympe, ten halve slaperig, knikte dat ze alles wel zou in orde +brengen, al lachend groetend: + +--Tot morgen? + +--Tot morgen. + +Het licht, dat in vierkante vlekken op de trappen spetterde, vernauwde +subiet, en de deur klonk dichte. + +Ze geraakten op strate. 't En sneeuwde niet meer, maar allerwege reikte +de blanke vlakte, rijzekens gebroken door 't somber geschemer der +gevels. Geen mensch roerde daarin. Een benauwde stilte heerschte hier en +'t was alsof 't nooit anders was geweest en 't nooit anders zou worden. +Altemets roefelde van boven een wijde wind benedenwaarts, scharrelde +hoorbaar langs de daken, in de goten, huilde ievers in een +toevallige-holte of joeg vrij door, meester over de stede. Het licht dat +van de lanterens openviel, rondde een gele verve plat op de witheid van +den winter, en, als 't gewaai aan 't rotelen was, waggelde de vlamme en +roerden op den grond de schaduwstrepen en de klaarten. Andermaal was +alles stille en men hoorde heel verre 't geronk van de hooge stad, den +galm van haar late pleizieren. + +Een tijdeken bleven Goedele en Ameye op den drempel staan. 't Schoot +haar plots te binnen dat Justa misschien op den loer was gezet, en ze +staarde links en rechts den nacht door. Ze zei, opdat hij ook zou +rondblikken: + +--Geen ziele op weg.... + +Hij blikte rond. + +--Geen ziele.... + +Ze hadden allebei terzelfdertijd 't gevoel van deze vreeslijke +alleenigheid, en hun voet schoof schuchter door de krakende sneeuw. In +zijstraten en bewoog insgelijks geen levend bedrijf van menschen, en 't +was alsof ze doolden in een doode stad, zoo tertende naast mekaar op +zinkenden grond, waar nievers het speur van stappen was achtergebleven. +Tusschen de spleetjes van onvaste blaffeturen straalde altemets een +geutje licht, en binnen een huis dreunde bij stonden de slag van een +pompe of 't getjok van een ijverige naaimachine. Het tijdelijke lawaai +stierf gauw uit en lijk te voren herkwam de almachtige stilte langs de +effenheid van gansch de blanke vlakte. De drempels lagen bedolven en een +hooge zulle kon halvelings nog opduiken voor de woonste van rijke lui. + +In een ommedraai van den weg merkten ze de sombere gestalte van een +politieagent. Verder alweer reikte de onbezochte straat, geruchteloos. +En ze gingen, neerwaarts blikkend, luisterend naar eigen beweeg. Ze +spraken niet en ze waren gedurig veerdig om te spreken. Ameye wilde met +geen dwaas gepraat beginnen en zocht het sterke woord, waarmee hij +beginnen moest. Een vredige zekerheid was in hem rijp geworden en zijn +besluit lag klaar in zijne gedachten. 't Ware nu dom geweest, indien hij +met gewone zinnetjes te converseeren ging. Hij liet eerst de stilte hare +diepe werking doen.... + +In ongedurige verwachting stapte Goedele nevens hem. Ze taakte soms zijn +elleboog, als haar voet zijlings uitsleerde, en zoo rilde een +zonderlinge wrevel langs haren rugge op. Al meer koortse verwarde hare +zinnen en ze beet somtewijlen toornig op hare tanden, vernederd in eigen +onverdraagzaamheid. Ook de eenvormige klein-geruchten, 't piepen van de +sneeuw onder haren schoen, 't geruisch van hare rokken en een kleine +wrijving van haar pelsenkrage, saam met haar blazenden asem, joeg ten +uiterste haar lastig ongeduld. Bij 't inslaan van een nauwe stege, werd +ze gewaar dat ze de baan te buiten waren en misliepen. En toch, al wilde +ze haastig zijn en zich haar ongeduur tot rap doordrillen opdringen, ze +zweeg. + +De schaduw, die van de daken viel, was dichter hier en nauwer lagen de +drempels tegenovereen. Daar was ievers nog een kroegje ruchtig, maar +wijder uit donkerde alles weg in ganschelijke eenzaamheid. Het begon te +sneeuwen.... + +Ameye rok zijn regenscherm open en schoof dichte aan naast Goedele. + +--Leun op mijnen arm, zei hij. + +Hij sprak heel lage, gewichtig en daardoor was zijn nadering, in +Goedele's hoofd, een diepzinnige gebeurtenis. Haar ongeduld zakte thoope +en ze voelde een groote aandoening over haar komen. Aarzelend hief ze +hare hand op en rustte op zijnen arm. Ze kon niet doorwegen erop. Een +zonderling gevoel deed hare vingeren tingelen, zoodat de tast van zijn +lijf ze opwippen deed overhand. Hij fluisterde: + +--Nu hebbe 'k een wonderbaar geneuchte.... + +Ze meende dat ze te wege was weg te zinken, en het docht haar meteen dat +de eerde roerde en een holte groef onder haar. Elk woord, dat hij +uitgesproken had, brandde en daverde in hare hersens en haar hoofd zelve +werd een holle kasse, waar ze met ongemeen geweld ommeroefelden. Wat had +hij gezeid? 't Ruischte als een schrikkelijke golving: + +--Een wonderbaar geneuchte.... + +Ze spande al hare krachten in om sterk te blijven en klampte zich vaste +aan andere gedachten. Ze wilde denken aan Romaan, en denken aan +Madeleen, en hare emotie in tranen uitgieten alover 't graf van +Wiezeken. Ze maakte vluggelings beelden van wanhoop, om iets dat +opjoepte in haar herte neer te duwen. Ze dwong hare gepeinzen tot +weemoed en richtte ze alginder, waar 't ongeluk was binnengeslopen en +waar ze gansch den dag had kunnen weenen. Ze vroeg zich af: + +--Schiet Romaan nu niet wakker en hoort hij niet 't geloei van den +eendelijken wind? + +Ze kon geen angstigheid leggen in haar borste. Ze vroeg zich af: + +--Loopt Madeleen nu niet dolend rond, in waanzin zoekend naar ... +naar.... + +Maar ze stiet seffens aan tegen de struischte van 't eenbarelijk geluid: + +--Een wonderbaar geneuchte.... + +Het klokte zonder ende, en klapperde hare leden door, en 't galmde in +trillingen weg om haastig weer op te lawaaien, een krachtig gedruisch. +Ze meende dat ze niet meer te kampen vermocht.... Dan zag ze in +toevallige gepeinzen 't moedeloos gezichte van Sebastiaan en ze moest +blijven staan, plots ongemakkelijk wordend. Ze voelde nadien dichtebij +den buigenden blik van Ameye en stapte verder, gedreven door koortsige +hardnekkigheid. Een oogenblik kon ze nagaan Sebastiaan's bleeke wezen en +luie vingeren. Ze had geerne een geweldige wroeging willen krijgen, een +bijtend folteren van al haar vleesch, een schok in haar herte om neer te +zinken, onmachtig.... Het bleeke wezen vervaagde, teerde uit zonder +oogenverwijt; en sterker herstraalde tallenkant, triomfelijk, het lokkig +gezegde: + +--Een wonderbaar ... een wonderbaar.... + +Ze voelde dat hij zijn stap vertraagde, en dat zijn arm lager zeeg en +achterwaarts zich rondde. Ze voelde zijne hand sleeren langs haren rug +en haar omvatten in haar leen. Toen merkte ze hoe dikke de sneeuw al +zwijgend omlage streek, en zag ze den witten schijn van zijn gelaat uit +den nacht opklaren en bukken over haar voorhoofd. Ze schrok subiet. Ze +neep hare oogen toe en kon niet verder terten. Zijn warme asem kittelde +alreeds op hare slapen. Ze neeg op zij en zakte zonder willen tegen +zijne borste. Ze hoorde heel zachte: + +--Goedele ... Goedele.... + +Op haren mond brandde nu de wilde hitte van zijne lippen, en haar mond +werd wild heet. + + + + * * * * * + + +X. + + +Het was alles alzoo door de ziekelijke demoralisatie van de +omstandigheden gekomen, maar Goedele was daarvan niet bewust. Ze leefde +nu daarin, met onzeglijke drift opasemend het koortsige geluchte, en ze +wist niet dat er een andere weelde der zinnen kon zijn. Alles had ook +meegeholpen in 't kwade bedrijf--haar opgroei tusschen de muren van 't +massieve, leege huis, haar omgang met het onecht gedoe van moeder en +Sebastiaan, de nabijheid van Romaan's ongeluk en Wiezekens dood. + +Ze klampte zich nu vast aan 't morbiede lijfgenot, niet meer vattende +dat een dieper ziel el even haar aandeel kon zijn. Als ze late in den +morgen hare oogen openstak en de dag zag uiteenkletsen tegen de witte +zoldering van hare slaapkamer, voelde ze zich breed en struisch geworden +in de lichtende vrijheid van een nieuw bestaan, wonderlijk en ongeraden. +Al zag ze eerst niet heel klaar in wat er gebeurd was, al vervaagde alle +detailleering in een grijze doezeling, die ganschelijk de vreemde +zekerheid van hare gedachten uitmaakte, het was heur al zonnig, wat +optikkelde in hare hersens. Het zonderling gevoel, dat haar in een +gestadige duizeling bracht, was wel rijzekens omrild met de siddering +van lastige angstigheid, en ze moest soms hare vingeren op haar +voorhoofd leggen om er de subiete hitte te koelen. Ze vroeg zich niet +met bangheid af: + +--Wat heb ik nu gedaan? + +Ze was om de nieuwheid van haar voelen bang, en wat ze gedaan had, was +goed, was zoete. Ze was niet bij machte om uit de verveling van haar +verleden nu een spijt op te rakelen. Ze redeneerde bovendien niet. +Ze proefde langzaam hare versche emoties, en ze was zoo verre van de +overige doening verwijderd, dat ze de mogelijkheid van een anderen +toestand niet taken kon. + +Als ze zich aankleedde, bleef ze voor den spiegel een lange stonde de +malsche sierlijkheid van haren blooten hals en de ronde blankheid van +hare armen bewonderen. Het scheen haar dat ze in, der waarheid schoon +was, en een zondige fierheid lei zinnelijke stralen in hare oogen. + +Het schoot dan als een schicht door haar memorie dat ze Johannes vandaag +nog een bijeenkomst beloofd had. Ze had het niet vergeten, maar nu, +binstdat ze haar naakte vleesch met het smeulende vuur van passie +verheerlijkte, kwam het haar brutaal-klaar te voorschijn.... + +Een aarzeling haperde in hare gepeinzen en een wijlken verwarde hare +aandoening. Dat ze gaan zou bij hem, en dus een leven beginnen waar ze +schoon-handelend in optreden zou, ze wist het. Maar ze schrikte, omdat +het oogenblik zoo dichte bij in de toekomst stond--'t was alsof het +aanzienlijke bedrijf nu reeds hare leden kwam raken. Ze dierf niet +denken aan wat er precies gebeuren zou; seffens roerden hare ideeen +thoope en ze was tewege weg te zinken in een bedwelmende zoetigheid. + +Ze herpakte haarzelve. Haar boezem klopte geweldig en een blauwe ader +lijnde teer uit op hare slapen. Ze stamelde: + +--Vandage niet--vandage niet.... + +Hij moest wachten, hij mocht niet verlangen dat ze zich ten geheele +subiet overgaf, en ze wilde niet dat hij zoo gauw hare zwakheid zou +kennen. Eene vrouwelijke oolijkheid schuilde onder de uiterlijke sterkte +van haar besluit. + +--Vandage niet! + +Eerst zou ze een ganschen dag 't genot herleven van den vorigen avond, +elke kleine gebeurtenis heropschudden in hare herinnering, en weer +genieten de eerste handeling van die zonderlinge liefde, die niet zonde +heette, omdat ze liefde was. Op een nieuw zou ze de eenzaamheid van de +nachtelijke strate voelen, den zwijgenden val van wiegewije sneeuwgevlok, +de warmte naast haar zijde van zijn arm, van zijn krachtig lijf, en 't +buigen van zijn zoenzware lippen.... + +De uchtend was schoon: de wolkenlage rolde uiteen en langs een +bleekblauwen hemel zilverde een liefelijk zonnegestraal. Op de ruiten +spikkelde daardoor een menig sterrenspel van witte vonkjes en Goedele +keek met pleizier ernaar, een zelfde leute voelend in haar herte. + +Zoo tort ze de trap af, alles beminnelijk vindend wat ze ontmoette op +haar weg. Seppie stond bij een deure zijn koppeken op te heffen en te +kwispelen zeer gevoegelijk met zijn kodde. + +--Dag, Seppie! + +Vader zat in de eetkamer aan 't dubben over nieuwe uitvindingen en het +scheen haar dat hij zoo'n mooi-zoete hoofd had, zoo lijze haarkrullekens +om zijne ooren en zoo kinderlijke blikken. Ze was hem nu sterk genegen +en ze knikte hem toe. Hij glimlachte tegen. + +Moeder rustte in haren zetel, bij 't stille gekraak van den heerd. +Ze draaide seffens haar wezen omme naar Goedele en een angstige +nieuwsgierigheid bibberde in hare oogen. Ze vroeg dadelijk: + +--Hoe is 't met Romaan? + +Goedele zei, met een vreemde verwondering: + +--Romaan? + +Ze had zelve nog niet aan Romaan gedacht en ze was nu heel verschrikt, +omdat de gansche gebeurtenis--de droefheid in gindsch gefolterd +huisgezin, de mee-uitgesnikte droefheid--zoo verre achterwaarts gelegen +was. De dag van gisteren was met leven gevuld en 't schoot haar +pijnelijk door de hersens dat Wiezeken dood was, dat Wiezeken begraven +was, dat men nog om Wiezeken weende. Ze legde moeielijk uit, geweld +doende om natuurlijke woorden te vinden: + +--Goed ... hij is struisch gebleven ... hij maakt zich nu een reden ... +hij is in slaap gevallen ... vermoeid.... + +--Hoe late was 't als ge hem verlaten hebt? + +Goedele voelde meteen de doordringende hardheid van moeders blik en ze +bloosde in zwijgende verontweerdiging. Ze keerde zich naar vader, en +boog over hem, en kuste zijn peiselijk voorhoofd. Ze ging naderhand +onverschillig neerzitten aan tafel en schoof een kommeken voor zich en +schonk koffie. Vader reikte haar den suikerpot over. + +Ursule sprak: + +--Het was na twaalven als ge thuis zijt gekomen. + +Goedele antwoordde met licht humeur dat het wel kon, dat zij 't +geloofde, dat zij 't zich niet meer herinnerde. Ze wist nu zeker dat +Justa op den loer was uitgegaan, en het krenkte haar diep. Ze vroeg met +een klein lachje: + +--Heeft Justa mij op de bane niet ontmoet? + +Ameye had haar langs omwegen naar huis gebracht en ze giechelde spottend +bij de gedachte dat ze aldus Justa ontloopen was. Ursule zei niets meer +en tuurde naar 't vuur. + +Met den klank van moeders stem en de bijtende scherpheid van hare +woorden, was de koude vreemdte van dees huis her op Goedele's schouders +gezonken. Ze voelde alweer den wijden afstand van de hier-wonende +menschen en de schrikkelijke nauwte van het hier-kwijnende leven. Een +versche opstand woelde in haar en ze wilde zich wreken met algauw weg te +rukken van hier. Ze zou Johannes niet doen wachten.... + + * * * * * + +Omtrent den avond, als langs de muren der straten de eerste donkerte +kroop, vertrok ze. Een hijgende jacht klopte met joepen en bonzen in +hare leden en ze drilde gichtig door. Ze werd den wind niet gewaar, +die nu heel bitsig ommevlaagde, aan hoeken van hooge huizen een wilde +wirreling dansend, die plat hare rokken tegen hare beenen sloeg. + +Ze beluisterde ievers 't geklep van 't uur, dat van een prochietoren +neerwaarts rinkelde, altemets weggevlegeld door 't hevige gewaai. Ze +geraakte in onbekende wijken. Ze moest bijtijden aan een politieman +vragen, waar ze den weg inslaan zou, en dan keek dat roode mansgezichte +bedaard op naar heur, zonderling doende. Ze hoorde maar rijzekens wat +hij zei, en drevelde voort, en had straks weeral alles vergeten. +Ze vreesde bijkans dat ze te late zou aankomen en dat Johannes, +moe-gewacht, niet meer ter plaatse zijn kon. Ze vroeg dan haastig: + +--Is 't nog verre? + +Een ander rood gezichte blikte in haar wezen en maakte haar met langzame +uitleggingen wrevelig. + +--Nee-e, als ge doorstapt, juffrouw, en geen omwegen begint.... + +Ze liep verder eer 't laatste woord tot haar geraakte. + +Al dichter zeeg de donkerte. Een klein oud manneken stak met een perse +de lanteernbekken aan en elk licht werd subiet een waggelend leven, +opwippend in den avond, die daardoor precies doezeliger spookte. De +klaarten vielen in de liggende vlakjes gesmolten sneeuw en trilden er +een oogenblik, naarmate Goedele huppelend voorbijtort. + +Ze stapte endelijk trager. Ze gebaarde dat ze hier heel onverschillig +aankwam en verjoeg op haar gelaat de spanning, die haar wenkbrauwen +fronste. Ze had Ameye gezien. + +Maar in haar binnenste schokte eene geweldige benauwdheid, en ze wist +niet met welk gezegde ze hem begroeten zou. Zou ze schijnbaar verwonderd +naar hem opkijken en haar woorden kiezen naar den klank van zijn woord? + +Ze blikte zijwaarts. Ze voelde dat hij haar herkend had en rap op haar +afkwam. + +--Goedele! + +Het was haar een onzeglijk geneuchte en over gansch haar lijf kwam zijn +stemme streelen met de zoete galming van haren naam. Ze wendde zich omme +naar hem, verlegen, blozend, en ze schoof hare hand uit haar pelsen +mofje, hem reikende in ganschelijke overwinning hare witte vingeren. + +Ze taakte dan den warmen toets van zijn lijf en ging moe hangen aan +zijnen arm. Het docht haar dat de voorbijgaande menschen haar aankeken. +Het docht haar dat elkendeen beloerde hare overgroote aandoening en dat +haar herte openlag, bloot voor elkendeen's oogen. Ze dacht verder aan +niets meer dat achterzijds volbracht was in 't verleden, en alles werd +een helle nieuwigheid. Ze vroeg, ontroerd: + +--Waar gaan we? + +Ze kon niet verzinnen entwat dat nog verscholen lag, halvelings te +raden, in de toekomst. Ze leefde ten volle en eeniglijk midden in haar +huidig geluk. + +En hij wist zoo wonderbaar te vertellen van nietigheden, die altegare +met blij gefluister omrankten deze heilzame stonde. Hij lachte en +tooverde een prettig gewiegel van luttele beeldekens in hare hersens. +Ze zag de beeldekens wiegelen en lachte mee. Nu was er geen tastbare tijd +meer en niets van wat den samengang van hun bestaan uitmaakte, scheen +haar vergankelijk te zijn. Overal was licht het gewone gerucht van de +stad en haar hoofd was vol zacht-ruischende geluiden. Ze blikte altemets +op in zijn gelaat en ze vond hem schoon als de zonne. Dan waren hare +oogen met gulden licht beladen en 't gedoe van de loopende menschen was +haar een dooreenvarende vaagheid. Hij vroeg: + +--Zijt ge moe? + +Het was zoo zoete dat hij een minste trilling van haar handen opmerkte +en zich dan dadelijk om de oorzake bekommerde. Ze glimlachte even, omdat +haar zijn vrage heel gek in de zinnen klonk en ze was zeker dat ze, lijk +nu, gaan zou mijlen en mijlen te reke zonder moeheid, zonder den last +van haar lijf gewaar te worden. En nooit zou zijn liefderijke stemme +hare aandacht verzadigen en een wreveling worden in hare ooren. Hij zei: + +--Uwe vingeren zijn warm.... + +Aardig dat hij zoo innig om haar bezorgd was en haar minste +gewaarwording omstreelde met de aaiing van zijne stemme. Ze voelde +echter niets meer--noch 't slaan van hare voeten tegen de steenen, noch +'t woelig gewentel van den wind, lijk hij somtemets met vervaarlijk +geweld omzwirrelde, al pletsend op de vlakke muren zijn matelooze jacht. + +Ze gingen ook een tijdeken zonder spreken, en dan was 't alsof hunne +gepeinzen, hooge boven het zot lawaai der strate, ievers in +buitenzinnelijke vredigheid tegare kwamen, een-wordend en bij parende +rijen rondbijzend als een vlucht van gekoppelde tortelduiven. Ze zouden +zoo zwijgend geerne gebleven zijn, maar dan merkten ze algauw dat ze +onbetamelijk deden, en ze schuilden onder een pluimlichte conversatie +hunne diepe zaligheid. + +In 't voorbijgaan viel om hen een subiete vlage van orkestgeluiden met, +uit groote ruiten en breede deuren, 't geklater van sterk-stralend +licht. Hij lispelde, haar zijwaarts meetrekkend: + +--Willen we hier eens binnen? + +Ze knikte. Het was haar alles eender, als 't maar een gezamenlijke +doening was. Ze wipte nu de marmeren trapzuilen over en geraakte in de +groote drinkzaal. 't Was haar een vlugge duizeling, de storting van al +de withelle klaarte en, rekewijs langs 't verblindend geflikker van +blanke tafelborden en ster-vonkend glasgerief, de sombere krioeling van +menschen. Het docht haar, naarmate ze doortort zoekend daar binst naar +een plaatse, dat al deze gezichten overhand opkeken naar heur en ze +ried, in een zijblik, de blankheid van hun wendende voorhoofden. Ze +voelde zich dan opgroeien, groot en struisch als ze was, grooter nog, +en fier-schoone in hare grootheid. + +Als ze neerzat, verwarde meer en meer, in traag bedrijf, een gestadige +bedwelming hare opgejaagde zinnen. Ze taterde. Ze voldeed met dol +gepraat haar lastig ongeduur, en ze staarde gedurig vlak in Johannes +zijn gelaat, er lavend de gulzigheid van hare gretige blikken. + +De muziek vervulde onderwijl met diverse golving van tonen het razende +geluchte. Goedele liet zich wegdrijven erlangs. Nooit was ze zoo dronken +geweest van vage geneuchten, die ze haast werkelijk taken kon, al +smeulden ze nog, met onzeker vuur, daar voor haar, heel dichte, in de +toekomst. Hij zei: + +--Drink eens. + +--Ik spreek liever. Luistert ge niet? + +--Laat uwe lippen koelen. + +Ze liet haren mond raken den ijskouden drank, en rilde bij de kilte, +haar gansche lijf door. Hij merkte dat ze rijzekens schrok, en bood haar +lauwer water en 't suikerbordje. Ze zei: + +--Ik wou wel koffie. + +--Koffie moogt ge niet hebben. + +Ze lachte koortsig: + +--Wat belieft? + +Hij bestelde melk, en ze vond naderhand dat melk te heet en te dikke +was. Ze bloosde endelijk en boog zich al zuchtend: + +--Och! ik weet niet--ik heb geen smaak ... ge moogt mij zoo scherp niet +aankijken. + +Hij schaterde met geveinsde leute, en ze maakte even een pruilend +moezeken, zich ten halve kantewaarts wendend: + +--Ik zal u niets meer vragen. + +--Doe dat. + +Ze moest dan meelachen. + +Als ze weer met hem op strate was, en plots het wiegelend +orkestgedruisch wegroezelde achter haar, stond ze lijk dronken in den +kouden avond. Ze drukte Ameye's arm en probeerde haar stappen te passen +op de mate van zijn tragen gang. Ze boog haar hoofd en keek naar de +tjoppen van hare schoenen, die overhand van onder haren mantel te +voorschijn kwamen om seffens weg te duiken op een nieuw. Ameye brak +schuchter de stilte, die neergeraakt was over hen: + +--Willen we naar 'n schouwburg? + +Ze beweerde dat ze niet aangekleed was daarvoor en liet een nieuwe +stilte heerschen. Ze voelde dat hij zocht om samen alleen met haar +te zitten en ze verwachtte met eene angstige aandoening wat hij nog +voorstellen zou. Ze had er niet aan gedacht dat de avond zoo in +trippelgang niet afloopen kon. Ze was niet bang voor hem. Ze wist dat +hij hier de woorden niet vermocht te zeggen, welke hij zeggen moest. +En hoe zou zijzelve ze hier aanhooren? + +--Willen we ... hebt ge geen trek in iets? was zijn verlegen vrage. + +Ze wist niet hoe hem te helpen. Ze zei dat alles haar goed was en dat +hij zich maar niet moest lastig maken. Ze staarde in zijne oogen en +fluisterde: + +--Ik ben gelukkig! + +Dan was 't weer een wandelen, straat in, straat uit, zonder ende. +Johannes had niet meer dezelfde zwierigheid in het gesprek en zijne +gedachten, gestadig in spanning, volgden moeielijk de woorden van +Goedele. Hij vroeg dan meteen, heel rap, alsof hij in een geute al zijn +moed daar neersmeet met een gezegde: + +--We gaan soupeeren.... + +Hij voelde dat hare hand een tijdeken op zijn arm bibberde, en hoorde +dat ze precies struikelde. Ze kon niet goed een klank uit haar kele +stooten en ze hief zijwaarts hare oogen naar hem. Hij las een groot +vertrouwen in hare strakke blikken, een vertrouwen, dat alle aanvallen +tarten kon.... Ze zei: + +--'t Is me eender ... als ge wilt.... + +Ze zei 't ultermatelijk stille, en het was te merken dat haar antwoord +haperde over hare tong. Hij voelde dat ze zich overgaf en dat haar +aarzelende bede was: wees zachte, en doe niet hard, en krenk me niet.... + +Hij stapte rapper door en 't jubelde al in hem, wat zingend opgalmde uit +zijn herte. Voor 't portaal van eene groote restauratie bukte hij zich +en lachte: + +--Hier? + +Ze had, starende in een zonderling gemijmer, een droeven lach. Ze knikte +en bracht dieper over haar aangezicht de licht-bruine vool, die om haren +hoed was vastgestrikt. + +Hij duwde de witte deur open, die naar de eenzame salons leidde en +bracht haar in een mooi versierd kabinet binnen, kleurig verlicht met +elektrische bloemlampen. Hij was opgeruimd en sprak met ingetogen +haastigheid. Hij vond dat ze zoo onpleizierig was. + +--Nu geen leute bederven, hoor! + +Hij nam haar mofje en hielp haar mantel uittrekken, en gaf alles rap +over aan een kelner, die zwijgend in het deurgat kwam staan. Ze zette +zich neer en zuchtte. Ze zag haar eigen gelaat rechtover zich in een +spiegel en had een vlugge gebaar om even nog een haarkrulle weg te +strijken, die buiten plaatse geraakt was. + +Johannes bestelde het eten, alles koud om alles in eens te kunnen +krijgen en binstdat de geluidlooze lijven der kelners in druk bedrijf +om de tafel werkzaam waren, verhaalde hij met kinderlijke gretigheid +aardige avonturen. + +Goedele kwam al dadelijk onder den invloed van zijn driftig praten en +kon hem endelijk met juichende blijheid antwoorden. Het kwam haar voor +dat ze droomde, dat alles fluks weer neerstorten zou in dagelijksche +werkelijkheid. Hoe was alles ontstaan? Ze wist niets meer. 't Was te rap +gebeurd. Ze voelde Johannes dichtebij haar en al wat hier in verven en +tonen aanwezig was, kwam heel zoete haar leden omstreden. + +De deure werd dichtegedraaid. Ze waren nu alleen. Ze hoorden den gang +der kelners geleidelijk wegstappen op de doffe tapijten en teenemaal +uitsterven, langs dalende trappen. Johannes bracht haar bij de tafel, +en 't was alsof hij in waarheid niet merken wou de eenzaamheid van die +muren, de beloken geluidloosheid van deze deur.... Het klepperde in hare +hersens: + +--We zijn alleene.... + +Maar Johannes werd schijnbaar niets gewaar, en zette zich rechtover haar +en was dadelijk bezig met snijden en deelen en schinken. Goedele hoorde, +midden in de zangerige doening van zijne stem, 't gerinkel der teere +roemers en de harde klabettering van vorken en messen op gladde +tellooren. 't Verwarde allemaal schielijk ondereen en haar hoofd was vol +van 't eenvormig gedruisch; + +--Alleene ... alleene.... + +Ze keek bedwelmd op. Ze nam zonder weten aldoor aan, wat hij haar +overreikte en ze lachte lijze mee als hij schaterend te lachen begon. +Somtemets schoten heete walmen naar heure slapen en dan doopte ze hare +lippen in de deugddoende frischheid van den wijn. Ze verwonderde zich +dat Johannes zoo zorgelijk zich bezighield met het luttele bedrijf van +het eten, dat hij al den ijver van zijne vingeren daaromtrent in gulzige +werking bracht, en dat hij daar zat, voor haar, aan 't spinnen een +aardige webbe van kleine vertellingen, zonder aandacht precies voor hare +aanwezigheid, zonder herinnering precies aan hunne verleden +verwachtingen.... + + +En 't ging alweer hamerend op in haar vleesch, stijgend in dreunende +slagen, tot hare gedachten maar een gedacht meer vormden, een gedacht +van zonderlinge angst: + +--Alleene.... + +Hij hief zijn glas op en 't licht bibberde veranderlijk in den roerenden +drank. Hij sprak van levenslust en kommerlooze leute, en over zijn wezen +kwam een stil-lachend pleizier, een natten gloed leggend in zijn +diep-zwarte oogen. Ze taakte 't groote geneuchte, dat hij met woorden +boven de tafel leven deed, en ze duizelde bij stonden, geen uitweg meer +wetend voor 't overweldigend geluk, dat opgloeide in haar. En haar glas +reikte ze naar 't zijne uit.... + +Al meer vervaagde stilaan het zicht der dingen. Een trossel druiven +praalde, purper-schijnend, midden tusschen de blankheid van porseleinen +schalen. Ze zag niets anders meer ommedom. 't Overige gekleur fonkelde +uit in schemerende lichtvlakten, altemets gestriemd met vluchtige +strepen. Johannes was opgestaan.... + +Ze voelde nu zijn warme nabijheid. Ze voelde zijn arm, die om haar leen +kwam fleeren en haar dichter aansloot tegen hem. En zijn asem kittelde +over haar gezichte. + +--Melieve.... + +Haar emotie sloeg in forsche klopping door hare leden. Zijn stemme +brandde en smeet in laaie golving om haar. Hij fluisterde met hijgende +gichtigheid: + +--Laat me u voelen ... zoo dichtbij ... tasten uw werkelijk lijf en den +blik, die optoovert uit uwe oogen. Zoo zijn we in sterke zaligheid te +gare--te gare, lijk het zijn moest naar de wetten van ons beider lot. +Weet ge ooit hoe diep ik u lieve! + +Zijn mond toetste bijkans haren mond en zijn woorden stieten aan tegen +hare lippen. Hij lispelde, begeesterd: + +--Kijk op--kijk op ... en dring in mij.... Weet ge ooit hoe ganschelijk +mijn leven is vastgeketend aan uw leven! Kijk op.... De toekomst is me +een blijde straling geworden. + +Hij sprak van de toekomst. Hij kuste haar op haar voorhoofd en in heur +haar. Hij sprak van de toekomst, vervoerd, verrukt, en lang beeldde hij +'t haar voor, hoe ze saam, buiten aller wete, jaloersch voor eigen +geluk, hun genot in een klein huizeken zouden bergen, hoe ze daar trage +avonden zouden slijten, aldoor in 't gulden wonder van hun liefde. Hij +verzinde een sierlijke detailleering daaromme, zoodat 't opstraalde in +menig geflikker, vlammekens alhier en alginder--altegare een groot +minnevuur. Hij joeg zijn woorden achter mekaar en zoende haar driftig en +aaide hare vingeren, vragend: + +--Wilt ge?... wilt ge? + +Ze stamelde, heel week wordend: + +--Ik ... wil.... + +Hare borste golfde geweldig, hare wimpers waren heet en zij voelde de +tranen niet, die stille over hare wangen rolden. Ze snikte endelijk en +vatte in plotselijke drift zijn hoofd in hare handen en drukte 't met +ongemeene kracht tegen haren zwellenden boezem. Ze hakkelde: + +--Ja ... ja ... ik wil ... ik zie u zoo ... machtig geerne ... u ... +u.... + +Hare natte lippen sleerden, lang-zoenend over zijnen hals. + +Het was alzoo een stonde van overmatige aandoening en al wat rond haar +bestond, al wat ze nog in beweeglijke grijsheid herkende, de witte +spetsing van roemers en teelen, de purpere gloeiing van druiven, het +tinteleerende gesternte van bloemlampen--al wat ze zonder aandacht nog +opnam in haren geest, 't vloeide uiteen, 't verwijderde zich en 't +roerde een ende ginder, heinde en verre. + +Ze was hier met Johannes, en niets leefde buiten 't leven, dat ze met +Johannes uitasemde. De wereld lag in de wijdte, waar ze niets meer raken +kon, waar ze met een stoot van heur herte de wereld verdreven had. En ze +groeide op ten hemel, in bovenzinnelijke verrukking.... + +Met hem ... met Johannes ... eeniglijk.... + +Alleene. + + + + * * * * * + + + +XI. + + +Binst de dagen, die volgden, was de droom, die Goedele zich, buiten de +tastbare werkelijkheid, omtrent al 't gebeurde had voorgesteld, tot eene +zonderlinge, onbewuste werkelijkheid opgewassen. 't En was geen droom +meer. Ze had het nieuwe sterke leven met het vorige en nog thuis-wezende +leven vereend, en altezamen was 't een dooreenwarrelend bestaan +geworden, waar boven klaterde de harde drift van hare liefde. + +De nabijheid van moeder en de nuchtere vrijagie van Sebastiaan werden +haar onverschillig en ze beleed den last ervan met effene +verdraagzaamheid. + +Hare eenige aandacht lag in 't verbergen van haar geheim bedrijf, en ze +wist met doorslepen oolijkheid de slimme beloeringen van Justa te +verweren. + +Twee- en drijmaal te weke bracht ze een haastig bezoek bij Romaan en +liep dan, langs veranderlijke omwegen, de stad omme, endelijk in een +verlaten wijk een laag huizeken binnensluipend.... Niemand mocht +vermoeden dat ze hier kwam, en ze nam dan ook alle voorzorgen om te +beletten dat iemand 't vermoeden kon. Daar Ursule niemand bij Romaan +zenden kon, geraakte zij deze vreemde doening niet te wete. Ze deed +overigens maar af en toe hare dochter achtervolgen, en daar Justa haar +iedermaal zeggen kwam dat Goedele bij haar broer binnen was, had zij +geen verdere verdenkingen. Omdat Goedele ook thuis tot redelijke +handeling scheen teruggekeerd en nu teenemaal met Sebastiaan verzoend +bleek, had ze geen onrustigheid meer. Haar rheumatiek beterde er +schijnbaar door, en ze kon al ommentweer wandelen en tallenkant +inspectie doen. + +Goedele had in hare oogen een goed gedrag. Alleen deed ze nu meer aan +toilet en had over haar een overdreven prontigheid. Maar in het idee van +Ursule, was 't allemaal om Sebastiaan te behagen, en zoo waren 't, +peinsde ze, goed-besteedde onkosten, die later wel dikken intrest zouden +afwerpen. + +Goedele bekommerde zich om niets en liet alles gedwee gebeuren wat in +huis de gewone gang der dingen was. Altemets had ze een vlugge zwakheid, +meerendeels veroorzaakt door 't zachte blikken van Sebastiaan of 't +tijdelijk zuchten van Bella. Als ze echter alleen op strate kwam en +'t groote gewoel der stad hoorde, was alles weer vergeten, en vuurde +slechts nog in haar ziele 't verlangen om geweldig te leven. Het +bezoekje bij Romaan was haar insgelijks een koortsaansporing: ze voelde +er 't ongezond bestaan van hare liefde, midden in 't weevolle geluchte, +en ze asemde er algauw 't bedwelmende gift, dat haar tot kwalijk +zinnenbedrijf uitermate stemde. En Romaan bovendien bracht een gestadige +duizeling in haar hoofd met de listige argumentatie van zijn vrije +theorieen. Binstdat tante Olympe stilaan wegkwijnde en kermde dat hij nu +toch met Madeleen trouwen zou, kwam hij dan met zijn hoogdravende +levensopvattingen te voorschijn, en Goedele voelde dat alles weer goed +was. In hare hersens wapperden de driftige woorden: + +--Leven!... Leven!... Vrije leven en vrije liefde!... + +En ze leefde aldus, en 't deed haar deugd dat ze 't onder Romaan's +invloed zoo schoone merkte. Ze was vrij. Geen banden knelden haar, geen +wil van moeder bezeerde haar, geen muren van 't vierkante huis alginds +wogen op haar. Ze was vrij levend en hare liefde, die sterkelijk uit +eigen zinlijke emotie en eigen gepeinzen was opgerezen, hare liefde was +vrij.... + +Met nieuwe gretigheid liep ze dan naar het huizeken, waar Johannes op +haar wachtte of waar zij op Johannes wachten zou. + +Het stond in een nauw en stil straatje, en ze kon 't goed bereiken +zonder belonkt te worden. 't Was een laag ouderwetsch gedoe met een +verdiep en een trap voor de deure. Johannes had het binnenwaarts met +kunstigen smaak versierd. Er waren vlakvloers twee plaatsen en een +verandah. Hij had de verandah met allerhande groen en gebloemte bezet, +en een schuchter blauwig licht laten binnenzijpelen. Daarnevens had hij +een weelderige zitkamer gemaakt met open heerd, en alles was er in zoo +teere tinten aangebracht dat nievers een blik aanstooten kon tegen een +onbehendige verve. Dikke tapijten voerden den tert van voeten en 't +lichte geschuif van stoelen onhoorbaar over den vloer. Lage zetels +omdeden 't lekkere vuur, dat langs welriekende sperrescheiers opvlamde, +en pelsen matten legden onderaan een doezelige zoetigheid. + +Deze plaats gaf met een dobbele deure toegang tot de slaapkamer. Hier +was met voorliefde het minste hoekje mooi-gezellig gemaakt en midden-in +stond de breede sponde, geheel en al met kanten spreien bedekt en +omhangen met doorzichtige voolen. Lichtgeel marmer lag op de waschtafel +en er rechtover, was een hooge psyche-spiegel ook met licht gewaad +omstrjkt. Langs de muren viel, in zwaar gevouw, het thee-rozig +behangsel. + +Goedele ging zelden op het verdiep, waar Johannes twee liefelijke +leeskabinetten en een badkamerken aangelegd had. Het huizeken had +overigens 't karakter niet van een blijvende woonste en 't leek meer +op een verrukkelijk pied-a-terre, een donzig nest voor schuchtere en +angstige verliefden. + +'t Gebeurde zelden dat hij niet voor haar binnen was. Ze had halvelings +de deur opengeduwd, als hij haar reeds in zijne armen ontving en haar, +onder driftig zoenen, telkens bedankte dat zij toch weer gekomen was. +Hij staarde diepe in hare oogen: + +--Melieve! + +--Johan! + +Ze lachte hem gulzig tegen, en lei hare hand om zijnen schouder, en +leunde met haar voorhoofd op zijne borst. Stille nam hij haren hoed en +haren mantel, en ze moest seffens hare schoenen uitdoen en lederen +slofjes aansteken. + +--Waar ge warme pootjes mee houdt.... + +Ze waren alzoo geheel thuis. Ze gingen zitten bij den heerd en Johannes +wakkerde 't vuur aan, zoodat de vlammen opkrulden en iedermaal een laaie +klaarte deden opgloeien in de schemergrijze kamer. Ze zaten naast +mekaar. Binst mijmerende stonden, wijl ze sprakeloos in de fonkeling der +scheiers staarden en enkel mekaar's vingeren lijze op den rand der +zetels dooreen hadden geleid, kwam in huis het verre lawaai van de stad. +Geleidelijk zeeg de langzame donkerte en wijder sprong het licht uit den +heerd. Ze voelden heel schoone den vredigen samengang van hunne +gedachten, lijk een vleugeling van pluimlichte winden. + +Naderhand keken ze op naar mekaar en, in een opgaan van teugellooze +passie, vielen hunne lijven tegaar. Ze fluisterden vervoerd hunne heete +woorden van liefde en hun verlangen brandde hun borste vaneen, in dolle +jacht hun bloed opzweepend. + +--Ziet ge mij geerne? + +--Eeuwig ... eeuwig.... + +De avond somberde deugdelijk om hen henen, en de klaarte van 't vuur +sloeg al breeder uit en strengelde hun beider hoofd in een laaien ring +van vlammen. + +--Voele 'k u? Zijt gij 't, lieve? + +--Hier zijn uwe lippen.... + +--Voele 'k u gansehelijk? Me dunkt, daar zullen geen dagen meer komen, +en dees is de laatste dag.... + +--'t Is eene eeuwigheid, die begint. + +Goedele prangde hem op haren boezem en heerlijk gaf zich ten geheele +over aan 't schrikkelijke geweld van hare liefde. + +Ze lag in late deemstering op het bedde, en alles wat om haar was +waterde in groene nattigheid weg. Ze hoorde den matelijken gang van +haren asem, tot ook dat wijder uit verzuchtte en ze dan overmand in +diepen slaap geraakte. 't En duurde niet lang. Verwilderd stak ze hare +oogen openen zat seffens overend. Johannes, aan 't voetende gezeten, +beloerde met liefderijken blik haar kinderlijke vrees en 't schoon +gebaar van haar ontwaken. Hij vatte haren blooten arm en kuste haren +schouder. Ze bloosde en glimlachte: + +--Ik wist ... niet meer.... + +Ze was blij dat hij hier was dichtebij, en dat hare schaamte redeloos +over haren rugge rilde. De pracht van heur haar rees breed-golvend langs +haren naakten hals, en ze las in de wondere doening van zijne oogen, dat +ze aldus mooi was en begeerlijk. Ze was gelukkig. Ze was +onvoorwaardelijk aan hem en wou mooi zijn om aan hem te blijven. En zoo +boog ze over hem en merkte de siddering, die langs zijne leden opging, +terwijl ze hem taakte met haar lauwzoete vleesch. + +--Zult ge me nooit verlaten? + +Hij belook haren mond met een zoen en omsloot haar met versche +driftigheid in zijne armen. Ze was zeker, al vroeg ze 't met aaiende +stemme, dat hij haar niet verlaten zou. Ze wist wel haren onregelmatigen +toestand en 't deed haar dikwijls pijne, als ze bedacht wat er in zijn +ander leven lag, 'tgene hij niet met het hare beleefde. Maar dan zag ze +de vrome verwijfdheid van Sebastiaan, en ze kon Johannes vergeven wat +zij, bijkans in eendere mate, met Sebastiaan voorhad. Niets weerstond +overigens aan de sterkte van hare liefde, nog verschoond door het +treffend argumenteeren van Romaan. Ze had niettemin niets durven +bekennen aan haar broeder en dikwijls, wijl ze Madeleen bekeek, wutelde +ievers in een hoek van haar geweten een vreemdsoortige wroeging.... + +Ze wist dat Johannes haar niet verlaten zou. Al meer en meer kende ze +den machtigen invloed van hare struische schoonheid, en ze troetelde +haar lijf nu, bezorgd voor een vlekje, dat de matte blankheid ervan +breken kon. Ze mocht op Johannes vertrouwen. + +--Wordt Madeleen door Romaan verlaten? vroeg hij soms. + +Hij wettigde heel gemakkelijk hunnen toestand, en ze dacht er weldra +niet meer aan dat er grondelijke moeielijkheden ievers mochten oprijzen. + +Langzaam, met sneeuw en vorst, nevelde de winter voorbij. 't Werd vuil +weere, en triestige regendagen trokken zich schreiend uit achter mekaar. +Ze zaten soms een heel en tijd te luisteren naar 't dropgetjokkel op de +vensterruiten of naar 't gewaai van de vlage, gelijk die bij stonden +forsig neersmeet in de schouw. Ze drongen tegeneen en rustten, slape aan +slape, in zwijgende aandacht. Eene endelooze droefenis woog daarbuiten +en alles, langs gevels en daken, was grauw en grijs. Op het glazen +gewelf der verandah spetterde de regen. 't Was er een wippen en dansen +van ruchtige druppels, haastig achtereen, naar de mate van den +wispelturigen wind. 't Hield altemets plotseling op, en Goedele blikte +kantewaarts naar Johannes. + +--'t Gaat over.... + +--'t Herbegint. + +Ze streelden mekaar's vingeren. Ze knikten in onzeggelijk geneuchte, en +'t leelijke weer maakte het veilig huizeken gezellig en warm. Ze waren +hier goed. Ze hielden hier van mekaar. Hunne vingeren kriebelden lichte +over hunne vingeren.... + +De dagen verlengden aldoor en, na den regen, glom het eerste gelach der +zonne. + +De Lente kwam precies zoo subiet, zonder overgang. Een teer blauw +geluchte welfde hooge en diepe boven de stad zijn fraaie bogen, en +daaronder speelde 't gestraal van den frisschen dag, even gebroken door +het tijdelijk verkeer van wattige wolkskens. 't Gebeurde in waarheid +zonder overgang. Ende Maarte keerden alhier de zwaluwen terug en in den +beginne van April schoten tallenkant langs warandewegen en beplante +lanen de sapvette knoppen. 't Getwijg wiegelde met tenger groen, eer de +maand ten halve was verloopen, en Mei was er rijzekens, als de kinderen +op strate reeds met kevers speelden. + +In de stille steeg, waar ze nu met nieuw verlangen het huizeken vulde, +beluisterde Goedele het kleine stemgeluid der bengels: + + Vliege--vliege--vleugeke, + Dat beesteke gaat naar 't meuleke, + Alover de zokken, + Alover de blokken. + Onze-lieve-Vrouwe van het kerrekhofken.... + +De zang was haar een liefelijk pleizier. Ze tastte erlangs de blijheid +van het versche getij en de zilveren wappering van de zonne. Ze +glimlachte. Johannes zat bij 't raam aan 't schetsen. Ze staarde naar +hem en ging na de struische lijn van zijn rugge, het somber schouwspel +van zijn hoofd en dieper, vlak boven de witheid van zijn teekenboek, de +schoone sterkte van zijn aangezicht. Ze taakte permintelijk den forschen +bouw zijner schouders en verwijlde naderhand om 't behendig bedrijf +zijner vingeren. Ze was vol bewondering voor hem, omdat hij pront was en +krachtig en groot. Een djentelijk vuur van den dag trilde tusschen 't +menig geplooi van de venstergordijn en viel helstralend op zijn +rechterhand. En daarmee hoorde ze klaar bijzend, ginderbuiten, het +luttel gerinkel van 't lied: + + Vliege--vliege--vleugeken, + Dat beesteke gaat naar 't meuleken.... + +Ze zag in hare gepeinzen, 't profijtelijk gepeuter van teere +kinderpollekens om 't langzame lijf van de kevers, de ongedurige +flikkering van hun loerende oogen, en 't kraken van hun broekskens, +terwijl ze op hun knieen voortklefferden. Ze verzinde dat de meidiertjes +endelijk opvlogen, en 't was dan seffens een juichend handgeklap, een +zot jubelen van al die keelkens.... Ze tuurde naar de zonnevlek langs +Johannes zijn werkzame vingeren, en ze glimlachte vergenoegd. + +Zoo omleuterde de jonge Lente haar herte. Ze zei: + +--Johan! + +Hij keek op, en zijn donkere oogen hadden elk een sterreken van het +goede voorjaarslicht. Ze wenkte zoetekens met haar hoofd en hij kwam +over haar buigen. Ze blikte in zijn wezen en vroeg: + +--Waarom zijt ge bezig, zoo ijverig ... en zoo verre van mij? + +--Ik maak entwat--'k en wete niet klaar.... Ik heb overal bloemen in +mijn hoofd en ik zie overal gulden plantsoen. Ik peinsde dat ik 't zoo +neerleggen kon, in lijnen.... + +--Niet waar? Allemaal te gare een groot perk van diverse kleuren?... +Kom bij me. Ik heb in mijn hersens een ringende vlucht van vogels, en ze +kwinkeleeren dooreen. Luister eens naar uw eigen.... + +'t Steeg daarbuiten heel zacht en deugddoende, soms lijk een bimmeling +van klokskens: + + Alover de zokken, + Alover de blokken, + Onze-lieve-Vrouwe van het kerrekhofken.... + +Goedele's haar kriebelde om zijn neuze en lager bukte hij, fluisterend: + +--'t Is 't nieuwe seizoen, melieve.... Nu juicht tallenkant de liefde +die hier voor maanden te juichen begon, hier eeniglijk. Nu klatert het +zonnevuur en laait op met den vlammigen brand van ons lijven. Zijt ge +gelukkig? + +--Bemint ge mij? + +Ze lachten alle twee en brachten hun gretige lippen samen. De +zonnestraal, die noesch door de reten van de witte gordijn was +binnengedrongen, bleef nog een wijlken langs de sporten van Johannes' +leegen stoel lanterfanten en duisterde geleidelijk weg. + +Zoo leuterde de jonge Lente. + +Andermaal was de nanoen overheerlijk. Ze besloten dan dat ze de stad +zouden verlaten en vermeien in de opgroenende velden aan den rand van +het aloude Zeunierwoud. Ze vertrokken met den trein en vonden het +prettig, zoo te gare zitten in het zoevende coupe, tegeneengedrongen, +matelijk geschokt op de wippende kussens en kijkend, met kinderlijke +achtzaamheid, naar 't voorbijjagende landschap. 't Was eerst het sombere +zicht van de buitenwijken der stad, de zwartdampige fabrieksschouwen en +de grauwbesmookte daken, de vuile muren beplakt met hel-schreeuwende +reclames of beschilderd met namen van ruchtige firma's. Stilaan, na de +rote lage werkmanshuizekens, rees een olmenlaan en lag verder een +malsche weide open. + +--Waar zijn we hier? + +--Heelemaal buiten de poorten ... de vesten over ... en Brabant in.... + +--Ei? Kijk daar! + +'t Was, bezij de baan, een groote kudde schapen, die schuchter tegen +den barm verdrongen, roerloos te wachten stond, tot de vervaarlijke +stoomvaart voorbij zou daveren. Goedele behield een liefelijk beeld +ervan, lijk de beestjes daar in 't zilveren zonnegeweld wit opwolden, +hun stokkepootjes vreesachtig te gare en hun koppen bovenuit, al te +zamen gerokken naar 't veilig beschut van den barm. Het was alsof +zijzelve met eendere angstigheid een duurbaar leven had te bergen, en ze +roerde haren arm om zekerlijk het buigend lijf van Johannes te voelen. +De zonne spetterde lustig tegen de ruiten.... + +Als ze kort daarop moest afstappen en de statie doorging, meende ze dat +de treinbediende haar met zonderlinge aandacht bekeek en blikte ze bang +ommentweere, verveerd dat ievers een vijandig oog haar betrappen mocht. +In 't open veld, heinde en wijd bespikkeld met springjeugdig plantsoen, +lag voor haar een onendige peiselijkheid en algauw vergat ze de wereld +van koude muren en valsche verhoudingen om mee te leven met de sappige +natuur. Hier vooral meende ze de waarheid te tasten van Romaan's +vrijzinnige theorieen en ze werd dronken van de hevige lucht. + +Ze hing aan Johannes' arm. Ze roken allebei zwijgend den sterken geur +van het hoog-wassend gers, en het tokkelig sterregedoe van de menige +meerschbloemen draaide zot en grappig in hunne hersens. Ze verlieten de +wegels en torten in de dichte beemden, en 't was een versche leute +iedermaal ze struikelden in 't harrewarrig gewas of plots voor hun +voeten een jonge puit opjoepen deden. + +--Aai-Heere! wat hebbe 'k geschrokken! + +--Jrsst!... wipte de puit. + +En een rilde weikerse bibberde even tenden haren slanken steel, +waarlangs hij te lore was gesprongen.... + +Ze liepen een beekje over en stonden hijgend te lachen aan den anderen +kant. Goedele bloosde tot achter hare ooren. Ze drilden met het waterken +mee en bleven altemets neerhurken, waar de oevers breeder werden en een +schoone partije lischriet heen en omme waaide onder de aaiing van een +heimelijken wind. + +--Wordt ge moe, lieve? + +--Wat zou ik! + +Ze staarden naar het spel van de zonne langs de klein-klotsende golfjes +en hoe daarover meteen een spinnekobbe langebeende, patjinkel-patjokkel, +op al haar grootste gemak. + +--Ze blijft stille.... + +--Ze peinst. + +Een koppel waternaalden zegen bibbervleugelend neerwaarts en zetten zich +nevenseen op een drijvende blare. Alles was voor Goedele ongezien en +wonderbaar. Ze wist geen weg met hare gulzige nieuwsgierigheid en ze +lengde haren hals naar het ruchtlooze water, waar zoo verschillig een +intense leven aan 't roeren was. Onder de klare vlakte deed een +salamander lui waggelen haren kronkel-krommen steert.... + +Ze stonden naderhand recht en, hand in hand, huppelden verder, zat van +'t schoone licht en bedwelmd door den struischen reuk der meerschen. +Hunne vingeren waren ineengehaakt en ze blikten benedenwaarts in 't +diepe gers, waaruit, bij elken stap, een zwerm gevleugelde dierkens +opwolkte en uit mekaar stoof. Ze vertrapten de zaadzware hoofden der +halmkens. + +Uit een laag korenveld rees in noesche vlucht een leeuwerik omhooge. Zij +stonden seffens te luisteren naar zijn heerlijk getater en keken op, hem +navolgend tot tegen den schitterenden hemel. Hij kwetterde maar gedurig +en steeg met stage verduldigheid. + +--Ziet ge 'm nog? + +--Wacht ... ja ... ja.... + +--Langs die luttele watte ginds.... + +--Ik zie hem! + +Hij was een klein zwart puntje geworden en nog warrelde in blijde +schatering zijn juichende lied. Hij ging op. Al bewoog hij naar rechts +noch anderzijds, al bleef hij ginder donker-puntelen tegen het stralende +gewelf, al was hij nu bijkans een stofken, zonder gedaante en +levenloos--op, hooger en hooger, kleiner en kleiner, op ging hij! Ze +voelden 't allebei. Hunne oogen kittelden van 't staren en droog was +hunne keel. Ze hielden haast hun asem in en fluisterden: + +--Nog...? + +--Een zierken.... + +--Hij is weg! + +--Neen! + +--'k Hebbe hem weere.... + +--Ho!... Ho!... Ja.... + +Een verraste kreet ontviel hun meteen. De leeuwerik +daalde--daalde--plots zwijgend, plots grooter wordend, een doode massa, +die straks zou neerpletsen, met een akeligen stoot, op den harden +grond.... Maar kijk! hij streek, al met een keer levend opnieuw, dicht +bij de eerde zijlings weg en dook zachtekens in het groene koren. + +Goedele wendde hare oogen naar Johannes en een tijdeken lachtten ze +malkander tegen. Dan liepen ze weer door en hun hoofd was nog vol van de +hevige straling, die ze langs den diepen hemel hadden opgenomen. + +Bij valavond bereikten ze een groote hoeve en daar konnen ze een schel +hespe krijgen met roggebrood. Ze waren waarachtig uitgehongerd en nooit +hadden ze meer smaak in 't eten. De zware boerenkost was hun licht en ze +hadden danig pleizier, de eene om de aardige gulzigheid van den anderen. +'t Was hier een lage kamer met zwart-eiken zoldering en twee +groen-geruite vensters. De roode glans van de zonne hing gulden ranken +erlangs, zoodat in huis een vreemd purperen licht schemerde, hier en +daar opschietend langs de bolle bulten van het koperen kookgerief. Onder +'t blauwachtige schouwkleed zat ten halve in de donkerte de oude +pachteresse, grijs-geschort en gebukt in de vouwen van haren gelen +borstdoek. Ze was daar een beeld van eenzaamheid en stilte, van eendere +verve als de doodgaande dag en zwijgend als de nacht, die zou komen. Ze +had ook in deze kamer die albeheerschende beteekenisse, zoodat Goedele +noch Johannes de zoetigheid van 't geluchte haast niet storen dierven en +zich spoedden om weer vrij te zijn in den open buiten. + +Maar buiten was nu de wonderlijke avond aan gang en ze geraakten seffens +in de stemming van de droomerige stonde. Ze gingen stille arm aan arm, +langs verlaten wegels woudewaarts, en keken mijmerend naar hunne dobble +schaduw, die schuins tegen de barms oprees of verder in gedoken grachten +wegzakte. Heel wijd, waar 't endelooze geboomte somberde, klonk de +matelijke roep van een boschuil. + +De avond weefde allerzijds een doorzichtig gewaad van goudgele en oranje +en warm-roode tinten, en de hooge populieren stonden rekewijs aan den +rand der beemden, met bronzen stam in 't zachte licht. Rijzekens +streuvelde een blood gewaai erlangs, en een hoogste blaadje wiegelde +tenden het roerloos getwijg, daarboven danig zwart tegen 't groen-blauwe +deemsteren van den hemel. + +Ten oosten nevelde de grauwte al dikker en dikker en, als ze zich +ommekeerden, zagen ze 't donkere schaliedak van de hoeve mee vergaan met +de duisternis, die ginder trage werd opgestapeld. Even riemde omhooge +langs de schouw een lintje witten damp, en 't begon heel subtiel rond te +ringelen, wispelturig en speelsch, tot het openpluimde en uiteendonsde +en dood was. + +Goedele drong dichter bij Johannes aan. In haar rustte al 't geweld van +den schoonen dag en ze had nu een zachte behoefte om 't niet in +gichtigheid weer op te jagen. Ze wilde rustig zijn. Ze voelde zich +meegroeien tot eene effene vrede, met den peiselijken avond, en ze zou +niets hier breken, noch door onsierlijk gebaar noch door kwetterend +gezegde. Ze leefde even sterk als in den nanoen, maar 't was +tegenwoordig een bewustvolle, rijpe leven, de moutere uitslag van 't +schaterend rumoer over dag. + +Sprakeloos gingen ze en drongen binnen 't nachtlijke woud. + +Hij vroeg of ze entwat vreesde. Het docht hem dat hare hand beefde en ze +meteen de bangheid taakte, die onder 't somber gewelf der beuken varende +was. Hij omvatte hare leen en drukte haar lijf zoetekens tegen het +zijne. Ze blikte naar hem dankbaar op en hij zag een vluchtige straling +opflikkeren in hare oogen. + +--Weent ge? + +Ze boog haar hoofd diepe aangedaan en schudde 't nadien ontkennend. +Ze stamelde: + +--Het is hier alles zoo plechtig, zoo heerlijk.... + +Hij zei dat het de endeloosheid was van hunne liefde en, trage wandelend +liet ze zich geheel aanleunen tegen hem. Ze waren alzoo, te gare, een +schuivende schimme, een wezen, en hun asem joeg opwaarts, bijeenwaaiend +langs hun voorhoofd tot een streelende lauwte. Ze gingen door. Ze wisten +niet waar de weg hen leidde en hoe dees gaan zou ophouden; maar zij en +hadden geen zicht voor toekomstig gedoe, zoo ganschelijk waren door +huidig geluk vervuld hunne begeesterde zielen. Hij vroeg: + +--Zijt ge nu weer rustig? + +Ze knikte en drukte innig haar hoofd op zijnen schouder. + +Nievers hadden ze ooit in zoo zwijgend en vredig een nacht gewandeld en +hunne liefde heerschte hier in almachtige meesterschap. Goedele wendde +altemets hare blikken achterwaarts: waar, alginds, tenden een klare +holte het stille woud begon, zag ze nog een vlekje van den hemel, +donkerrood geverfd en smeulend in schuchtere asschevonken. Ze was uit de +klaarte gekomen, uit het wijde dal, dat zonder leven wegdeemsterde, en +ze tort nu in het zwarte bosch, zich veilig voelend, heel lijze, aan +Johannes' arm. Ze spraken weinig. De plechtigheid van deze eenzame +donkerte drong binnen hunne ziel en ze wisten dat geen woord +tegenwoordig welsprekend kon zijn. Bijwijlen keken ze op naar mekaar en +schouwden, trager stappend, in mekaar's gezichte, en de endelooze +teerheid, die in hunne oogen straalde, was een vrucht van de heilige +stilte. + +Zoo was de stilte. + +Alleen hun voeten ruischten over het mulle stof en raakten soms een +doode takje, een springende kei, een teurfel graseerde.... Van +weerszijde reikten het ondoordringbare heestergedoe en 't sterke +geboomte en, tallenkante, als een ontastbare muur, de eenige duisternis. +Heel verre steeg even 't geraas van een stoomwagen of 't rollen, altijd +door, van daverende wielen. Maar 't was een doezelinge wijd op den +achtergrond, en 't en taakte bijkans de stilte niet, de heerlijke +stilte, 't schoone bedrijf van dezen rustigen nacht. + +Ze drukten malkanders hand. Ze waren aaneengestrengeld en hunne vingeren +sleerden langs hun staag-gaande lijf. Johannes drong bij stonden dicht +aan tegen Goedele, en, alsof hij een vrage had gedaan, antwoordde ze +fluisterend: + +--Ik ben gelukkig.... + +Dus was hare stem geenszins een stoornisse van de stilte, maar een deel +van de stilte zelve, een schakel van het gulden nachtgeheim. Want hun +minste gebaar weefde mee in 't gebouw van de al-zoete harmonije en +spinde een draad van het broze gewaad der stilte. De stilte bleef omdoen +de mooie werking van den schuivenden tijd en van hun stralende liefde. +En zoo gebeurde 't dat Goedele sprak, alsof Johannes een vrage had +gedaan. + +De weg verbreedde meteen. De boomen, die boven de bane hunne takken tot +een dicht gewelf hadden vereend, gingen vaneen en stonden in ronde rote. +Uit den hemel viel een aarzelend licht en kwam onderaan bibberen +langsheen het roerloos getwijg. + +Ze torten niet verder. Ze blikten daarboven en tuurden in 't +zwart-blauwe geluchte, naar ginds, waar duizenden sterren optikkelden, +in wonderbare krioelinge. Hunne lippen krulden rijzekens omme en ze +beloerden verrukt 't gefonkel van den ontzaglijken hemel, die over hen, +in zilverig gedrup, zijne wijdsche blijheid uitstortte. Overal zijpelde +het zachte licht en 't wielde menig de tinteling ommentweere langs de +bolle diepte, allerzijds raderkens draaiend van kostbare juweelen. 't +Was een kleurgedaver zonder ruste, al kransen en roerende ranken, al +weelde en djentige rijkelijkheid, holderdebolder dooreen, hel en +prillevend en speelsch. 't Vulde alom de ruimte, 't daalde precies, +'t omvatte hunne slapen en 't fleerde langs hunne vingeren. Johannes +murmelde, dichter komend: + +--Verwijder u niet.... + +Goedele zei, begeesterd, ontrukt aan de hardheid van de eerde: + +--Stil.... Ik sta in het licht. + +Op dees oogenblik was geen minste leegte meer tusschen hunne lijven, en +tegare sloten zich hunne gepeinzen aan. Hooger dreven ze, waar geen +gevaar hun machtig leven kon bedreigen en geen verwijt bezeeren het +lieve bedrijf van hun ziel. + +'t En was geen duizeling, die rapper hun bloed door hunne leden joeg. +Ze waren vervoerd, zwevend in 't onmetelijk geluchte, waar duizendvoud +ringelde 't beweeglijk gesternte. Ze hadden geen verlangen. Ze beleefden +in trage stonden de gebeurende voldoening van al hunne lusten. Hij +omarmde haar, smeekend: + +--Verwijder u niet.... + +Ze stotterde, nauw hoorbaar, haar hals uitlengend en pinkend met hare +wimpers: + +--Ik ... ikke ... ikke.... + +Ze vond niet het woord--daar was geen woord.... Daar was de zalige +stilte, de stilte vol van 't zilvertjokkend geluid der sterren.... +Toch de stilte, die niet te storen was. + +--Houde'k u? Hebbe'k u? U ... u...? vroeg hij, en 't was lijk een verre +gedruisch, waarlangs belde het lichte sterrenspel. Ze voelde hem +tallenkant. Hij was niet buiten haar. Waar ze al tastte, hij was +aanwezig en ze voelde dat hij aanwezig was. Hare oogen werden nat en het +tikkelende vuur van den hemel begon te wemelen en weg te doezelen in +nartige vlakten. 't Deemsterde haast ten volle en ze sloot hare oogen. +Geleidelijk keek ze zijlings naar Johannes en liet haar hoofd zinken op +zijnen schouder. Ze verging precies, binstdat hij zonder gretigheid, mee +met de peiselijke doening van den nacht, zijne lippen op hare lippen +drukte. + +Als ze tot bezinning geraakten werden ze ongedurig. 't Was nu het +gebiedende vleesch, dat gulzig werd, en ze stapten haastig door, ten +geheele overgeleverd aan de foltering van hunne driften. Daar hing geen +geheimzinnigheid meer onder het roerlooze lover en hunne voeten +roefelden onvoorzichtig in 't opwippende zand. + +Ze verlieten 't woud. Ze troffen verder den trein en zaten in 't coupe +dicht naast mekaar, met zondige gepeinzen. Heel de onstuimige sterkte +van hunne passie rilde door hunne leden en ze taakten malkanders handen, +om de lauwe matheid van 't bloote vel te voelen. Ze spraken weinig. Hun +asem was heet. + +--Waar zijn we hier? + +--Bijna binnen de stad. + +Ze legden een geveinsde onverschilligheid in hunne woorden, maar al hun +gedachten vloeiden saam tot een gichtig, woelig, zinnelijk beeld. Ze +gaven zich over, zonder strijd, aan hun brandende koortse. Ze deden +niets om de brutale tempteeringe uit hun lijf te krijgen. Alleen +veinsden ze een oppervlakkige vreedzaamheid, beschaamd voor malkanders +brandende blikken. + +'t Gedruisch van de stad en 't geharrewar van menschen en sjeezen, de +klaterende straling der lichten en 't zware geluchte, dat hier te wegen +hing tusschen de hooge muren, 't hitste allemaal meer en meer de hevige +jeukte hunner lusten--Ze drilden nevenseen, geen onwegen zoekend om +ongemerkt te worden, zonder geduld en zonder mate. Ze keken niet op naar +mekaar.... + +Als ze op een ende 't kleine huizeken binnen waren en nu seffens weer +ganschelijk alleen in de welriekende nachtkamer stonden, wilden ze zich +niet langer meer bedwingen. Hunne armen strengelden woest om hun leen en +hun hijgende monden vielen, met een schok van hun gansche lijf, te gare. + +'t Was hier donker. De straatlanteeren speelde heel stillekens met +vierkante lichtjes langs de beloken venstergordijn. + + + + * * * * * + + + +XII. + + +De aanhoudende slagen van 't noodlot hadden gevaarlijk tante Olympe +aangetast en, in haar ouden geest, was ze een dwazen schrik aan 't +voederen. Al wat gebeurd was, al 't leelijke en 't onherroepelijke, vond +een oorzake in den onregelmatigen toestand van Romaan en Madeleen. Ze +schuddebolde en pruttelde al zuchtend: + +--Onregelmatig--en zoo lastert gijlie God. + +Romaan en hoorde 't meerendeels niet en Madeleen, die geen kwaad +bedreef, en geloofde niet dat ze gestraft moest worden. Tante Olympe's +klagen werd dan ook weinig in acht genomen en Madeleen beperkte zich met +een klein antwoordeken, berustende in de toekomst, die beter zijn zou. + +--Ge moet trouwen, zei tante Olympe. + +--Dat komt wel ... later, zei Madeleen. + +Maar de dagen verliepen in grijs verdriet en tante Olympe broeide hare +angsten. Ze zat nu uren lang, binst den nanoen, te bidden en te peuteren +om de korrels van haren paternoster. Dat en stilde haar niet. Al dieper +en dieper knaagde de oolijke vrees en Ons-lieve-Heerken, dat zij zich +altijd zoete en medelijdend had voorgesteld, werd in hare hersens een +schrikkelijk figuur, een toornig gezichte met wegend verwijt. De oogen +van Ons-lieven-Heerken waren twee vurende karbonkels, zonder deernisse, +zonder barmhertigheid. Die oogen geboden voortdurend: + +--Ze moeten trouwen! + +En 't was voor tante Olympe een donderend gebod. Ze had schoon te bidden +heele reesems verduldige rozenkransen, ze had schoon de medehulp van +Onze-lieve-Vrouwe in te roepen en de tusschenkomst van den heiligen +Antoon, die in alle omstandigheden zoo braaf en genadig was +geweest--niets baatte. Onophoudelijk hoorde ze 't vreeslijke gebod. + +'s Nachts kon ze niet slapen. Ze draaide en herdraaide haar mager lijf +onder de sargie, ze dook haar benauwde wezen, ze krinkelde thoope tegen +den muur. Hare lippen prevelden de vele wees-gegroeten en hare vingeren +waren gestadig saam, in vrome houding. Ze had geerne een schoon gebed +verzonnen, zooals er met koude letters in haar kerkboek gedrukt lagen, +maar hare zinnen waren verward en ze zou nooit drij woorden te reke +kunnen dichten. 't Was een haastig wees-gegroet, dat over haren mond +dibberde. + +Ze stond heel vroeg op en ging met roode oogen zitten in de keuken. +Wat ze dagelijks 't eerst hoorde, was 't leutig gezang van Mariette en +telkens maakte ze algauw een kruisken over haar gelaat en haar borste, +peinzende: + +--De zonde is hier tallenkant in huis.... + +Zij en at bijkans niet meer en Madeleen moest halvelings kijven, om haar +'s noenes aan tafel te te krijgen. Zoo werd ze uitermatig zwak en tenden +de Lente kon ze uit haar bedde niet meer. + +Romaan, die dat pover bedrijf onachtzaam had bijgewoond, werd nu meteen +getroffen door al dat groote verdriet. Hij kwam op een morgen bij de +sponde staan en nam voorzichtig de beenderige handen van het wijveken. +Hij sprak met aandoening, bad dat ze beteren zou, zich niet laten +weghongeren alzoo en koeragie hebben. + +--Koeragie, tante. Ze zuchtte. Ze vroeg: + +--Koeragie? + +De blosjes, die voortijds zoo liefelijk een verve legden op hare kaken, +waren weggezonken in de algemeene bleekte van heur aangezicht. Ze +stamelde: + +--Ik kan niet ... ik kan niet, jongen.... + +Hij streelde hare vingeren. Hij beweerde dat ze wel kon, als ze zich nu +eens een beetje dwingen wou. Ze moest geen groot geweld doen en haar +eigen niet bezeeren. Alleen toegeven, en redelijk zijn.... + +--Niet waar, tante? + +Ze glimlachte droeve. Ze wist wel dat hij goed was en deugdelijk--maar +ginder hooge spookte de vervaarlijke gramschap van Ons-lieven-Heerken. +Met vreesachtige aarzelingen zei ze 't hem. + +--Mag ik het u zeggen? + +Hij kuste haar op haar voorhoofd, en ze zei 't hem, al weenend. Al 't +ongeluk dat gekomen was en al 't ongeluk dat nog komen zou, ze droegen +hier gedrijen de waarachtige schuld ervan. + +--Gijlie hebt 't bedreven, en ikke, mijn jongen, hebbe 't geduld. Waarom +heeft Madeleen u dat allemaal niet uitgelegd? Hoor eens.... Waarom is uw +gang dweers tegen den wil van God? God is de sterkste. + +Ze taterde zoo een heel en tijd, tot ze moe werd, tot haar asem te kort +schoot en ze dan midden een woord haperen bleef. Hare oogen vielen +langzaam toe. Ze fluisterde: + +--Wilt ge mij niet begrijpen? + +Hij drukte haar gewillige handen. Hij had zelf te veel geleden om leed +van anderen te stichten. Hij verwonderde zich dat tante Olympe in +waarheid leed droeg. Hij boog zich, hij knielde om dichte bij haar te +zijn. Hij streek lijze over haar slapen en bezag haar lange, zooals ze +daar klein-hijgend te rusten lag. Hij lispelde: + +--Tante Olympe, slaapt ge? + +Hare lippen roerden en een glimlach speelde erlangs. Hij zei: + +--Tante Olympe, wij zien u allemaal geerne. Ja ja ... tante Olympe ... +we moeten wij u gehoorzaam zijn.... + +Hij voelde zelf de aandoening komen en kittelen in zijn neuze. 't Docht +hem dat al zijne theorieen tegenover het tastelijk dood-gaan van deze +goede vrouw nietig werden en zonder werkelijken uitslag. Wat was hier de +macht van eene utopische bespiegeling? Hij werd het in een slag van +zijne zenuwen gewaar: het zou een schoonheid zijn van zijn ziele, die +uitblinken zou, als hij nu tante Olympe, spijts de rhetoriek van een +bovenzinnelijk stelsel, wou helpen. Zijn gemoed brak, binst den troost, +dien hij in ontroerde gezegden haar gaf: + +--We moeten wij doen wat gij zegt.... En het is zeer waar, al wat ge +zegt.... Bekijk me eens.... + +Ze was moe en trage hief ze hare wimpers op. Dankbaar keek ze naar hem +en hij taakte de teere liefde, die hare blikken omstraalde. + +--Bekijk me..., ik ben immers uw zoon ... ik zal trouwen met Madeleen. +Zult ge spoedig weer genezen? + +Ze knikte. Ze bleef hem bezien en ze grabbelde gretig met haar bevende +vingeren naar zijn hoofd. Ze zoende hem en hij voelde de snikken +opschokken in haar lijf. Ze kon niet spreken. Ze was danig gelukkig.... + +En ze genas ook. Ze liep lijk te voren ijverig en gedienstig de kamers +rond en, na een paar weken, ontbloeide de pleizierige blos op 't +tjoppeken van haar kaken. Het huis was nu vol van de nieuwe gebeurtenis +en Romaan was tevreden, omdat alles zoo vol geraakte. Hij was wel een +beetje verlegen als hij de zaak aan Johannes uitlegde, en daar kwam dan +een kleine koortse langs zijn woorden. Johannes beluisterde hem zonder +spreken, al spelend met zijn rietje langs de reetjes van den vloer. 't +Gesprek liep heel zonderling ten ende en een kilte bleef haperen in 't +geluchte. + +Voor Goedele was 't eene ontzettende verwondering. Ze werd teenemaal +ongemakkelijk en, in haar boezem, schartte een onbekend gevoel. + +--Trouwen! + +Het woord weergalmde in haar hersens en 't deed meteen een heele doening +naderen, die--sinds wanneer?--och! al zoo lange verwijderd was. Als +hooge schaduwen togen de vroegere beelden voorbij, en de schrikkelijke +vaart van al die groote donkerten bracht een zware angst in haar hert. +Wat was er nu gaande? Ze had het gevoel dat men haar verliet. Ze had de +verschooning van haar handelen gevonden in Romaan's onregelmatigen +toestand. Nu liet Romaan haar in den steek. Ze was kwaad. Ze was nijdig +vooral op Madeleen. In de grondige demoralisatie, waarin ze zich had +laten meeslepen, meende ze dat Madeleen nu ophield te blijven wat +Goedele nog was, om iets te wezen dat Goedele niet meer vermocht te +worden. Ze had de wettige sensatie daarvan. + +--Madeleen verheft zich! + +'t Rinkelde in haar hoofd en 't verlamde hare leden. De lieve geur van +gindsch zoete slaapkamer kwam redeloos opwalmen in haar neus en--was +daar iets viezelijks in, tegenwoordig? Ze verklaarde niets aan haar +eigen. Ze worstelde tegen een hardnekkig geknaag van puntige gepeinzen. +Ze worstelde tegen de massa van haar gansche verleden, dat opzuilde +tallenkant bovenmatig en bedreigend. En ze dierf niet Romaan +tegenspreken, hem toeroepen dat hij eene lafheid beging. 't Was wel een +teeken dat ze voelde hoe zwak en lage zijzelve was.... Ze merkte 't. + +Veertien dagen bleef ze thuis. Ze wilde Johannes niet ontmoeten. Ze was +klein en leelijk. + +--Madeleen verheft zich! + +Daardoor was zij, Goedele, klein en leelijk. Ze bleef thuis. Ze verbood +aan Sebastiaan haar nog op te zoeken. Ze zei hem dat ze groote rust +noodig had. Ze leefde dan, nietsdoende en sprakeloos en lui. Ze zette +zich viermaal voor haar schrijftafelken, te wege een langen brief voor +Ameye op te stellen. Ze ging traagzaam wandelen in den tuin, bezij de +rote leeljen en de hoopen bloedende rhododendrons. Vaak kwam vader +trippelbeenen nevens haar, al vertellend met blijde gebaren van een +nieuwe uitvindinge. + +Andermaal ontmoette ze in schaduwrijke diepten het witte gezicht van +grootvader. Ze voelde telkens een wreveling in haren nekke en wees dat +hij van kant zou terten. Hij en vreesde haar niet meer; zij werd het +ganschelijk gewaar. Hij bleef haar grijnzend aanstaren en puntte +spotachtig zijn scherpen wijsvinger uit naar heur. Een oolijke +uitdrukking lag te kriebelen in zijn oogen en maakte haar lastig. + +--Ga weg! + +Hij bukte zich, rechtte zich daarna heel langzaam op, opende zijn diepen +mond en hief, gek-doende, zijne wenkbrauwen omhooge. Een ratelend +gerucht steeg uit zijne keel. Ze wilde hem zijwaarts duwen. Hij sprong +naar achteren en draaide om den stam van een boom, voortdurig zijn +lachend wezen wendend naar haar. + +Ze stapte haastig voorbij en dacht: + +--Hij weet entwat. + +Zijn lach waggelde achter haar en dook wijder weg in het duistere +gebladerte. + +Ze doolde aldus langs het zwijgende huis, dag aan dag, opvretend haar +heimelijke lastigheid. Ze kon op een ende niets meer verdragen, niets +van wat hier de dagelijksche doening was en de spokige eendelijkheid van +al deze sprakelooze gezichten. Ze wilde niet langer bedwingen den drang, +die haar opzweepte om het doodsche geluchte te breken, om de menschen +lijdelijk te maken, die daar nu ommegingen met ongezegde doelen, elk op +zijn eentje versteend in zijn zwijgen. + +Ze wou Justa wegjagen. Ze botste aan tegen de bedaarde koppigheid van +moeder. + +Ursule, sinds den dood van Wiezeken, gevoederd door herlevende hoop, was +haast geheel genezen. Ze zat in haren leunstoel hare toekomstige werking +te verzinnen: Romaan weer thuis en Goedele saam met Romaan aan 't +woelen, aan 't zwabberen met gretige vingeren, aan 't garen het +ontzaglijke geld. De fortuin van Sebastiaan zou erbij vloeien ... en +naderhand 't vele goud nog van een rijke schoondochter.... + +Uren zat ze zoo en niemand stoorde haar. Ze dichtte een grootsch plan. +Ze geraakte er niet toe te denken dat misschien Romaan niet thuis zou +komen en dat Goedele tegenstribbelen mocht. Ze had hare gansche +heerschappije weer in handen en geen wil zou weerstaan aan haar wil. Ze +bouwde in hare hersens de machtige machinatie die zou endelijk +ommedraaien, naar heur volle goesting, met geweldig raderwerk. + +Als ze hoorde dat Goedele tegen Justa opschoot, neep een strakke +strengheid hare lippen te gare tot een bleek streepken en stond ze +verontweerdigd rechte. Seffens moest Goedele voor haar verschijnen. Ze +beet haar toe: + +--Wat is 't? + +Goedele zette zich, onverschillig, zonder ommezien, neer voor 't +klavier. Korter hakte het stekkig gezegde: + +--Wat is 't? + +Goedele glimlachte. De hardheid, die zoo puntig in Ursule's oogen kon +opflitsen, blikkerde nu ook in hare oogen op. Trage, al rilde even hare +hand, duwde ze met haren wijsvinger een klinkende toetse neer. Ze zei, +lage, onverkennelijk: + +--Niets. + +Hare wimpers vielen toe om naderhand met een rappen wip, weer wijd open +de witte straling van haar blikken te toogen. Ursule ging nevens haar +staan en smeet koortsig het klavier dichte. 't Gaf een luidelijken slag, +en ze bleven allebei daarna een tijdeken roerloos. + +Goedele voelde haar wezen heet worden. Ze richtte zich met geveinsde +onverschilligheid op en tort stille over het tapijt, niet opziende naar +heur moeder. Al gaande liet ze hare hand lui sleeren langs het +tafelberd, ten teeken van onbekommerde rustigheid. Ursule vroeg: + +--Ge hebt Justa doorgezonden? + +--Dat jong walgt me. + +--Ge hebt ze doorgezonden? + +--Ja.... + +Ursule stoop zich naar heur en naderde. Ze riep ineens: + +--Maar wat meent ge? En ben _ik_, hier niet? Mij wordt voortaan, en mij +alleen, en zonder tegenwoord gehoorzaamd! Gij hebt mij noodig, gij en +Romaan. En ik heb ulie noodig, alle twee. Het is nu de tijd dat de +sterke samenwerking eene werkelijkheid moet worden. Het hoofd van dat +alles, dat ben ik. + +--Ik begrijp u niet. + +--Gehoorzaam zonder begrijpen. Ik ben het hoofd zeg ik u. Justa blijft. +Romaan.... + +--Maar hoe wordt Romaan hierin gemengd? + +--Eens staat hij daar, nevens u. + +--En Madeleen? + +Goedele merkte hoe subiet op dees woord de groote woede van moeder +wegschokte in een flauw ophalen van schouders. Ze zag plots wat moeder +zich inbeeldde, wat, na Wiezeken's dood, stilaan een zekerheid was +geworden in haar geest, en waarover ze zoo lange aan 't mijmeren zat, +alleene, in haren zetel. Ze zag 't, en ze had nu een leelijk geneuchte, +omdat ze 't gansche gestel omverre kon werpen, omdat ze moeder's +oppersten hoogmoed kapot kon slaan. In deze mate was hare ontzenuwing +gevorderd dat ze behagen vinden zou, op dit oogenblik, in moeder's leed. +Ze zei: + +--Laat Romaan met Madeleen.... + +--Ik weet wat ik laten mag. + +Ze herzei, met stiller stemme, buigend in gemanierde woordklanken: + +--Laat Romaan met Madeleen.... Het is nu een feit, dat ze trouwen +zullen. + +Ze had zich niet voorgesteld dat zoo geweldig moeder's smert zou zijn. +Ursule wankte en haar schrikkelijk lijf schokte kantewaarts. Ze neep +haren mond krampachtig toe en liet hem nadien vierkantig openvallen, al +stootend en stotterend om een klaar woord uit haar kele te krijgen. + +--Trouwen ... trouwen.... + +Ze wrong de ratelende geluiden thoope, en daar siste een snijdenden +klank tusschen hare tanden. Ze wilde alles uitzeggen te gelijk wat zoo +herre-kaderre in hare hersens klabetterde en ze vond geen zin. Ze +steunde tegen 't klavier en de losse pateelkens van de keershouders +rinkelden bij haar minste gebaar. Ze was bleek als een doek, en hare +lippen werden blauw en droog. Een onzeglijke haat vuurde in haar oogen. +Ze reutelde: + +--Ge liegt! + +Hare tonge lag precies vaste achter hare tanden. Omdat ze niet spreken +kon, niet uitschreeuwen al wat in haar kop zich ophoopte, schoot plots +een vreeselijke woede op naar heur hoofd en begon daar te gloeien. Hare +handen grabbelden naar een stoel, vatte dien, als ware hij pluimlichte, +bij de sporten en, in blinde gramschap, hief hem omhooge om met +lawaaierig geweld hem tegen den vloer te werpen. Hij stortte met een +sterken slag neere en brak. + +Ursule stond nu ontzet, zonder machte, en keek smeekend op naar Goedele. +Ze vond de woorden terug, die zoolange teugelloos en onvatbaar zich +hadden verwijderd, en ze bad hare dochter, dat ze de waarheid zeggen +zou. + +--Ge moet de waarheid zeggen.... Ge moogt mij niet folteren. O-God! zoo +foltert ge me. Waarom? Wat zijn uwe inzichten, mijn kind? Als ik u ruw +aanspreek, moet ge me telkens vergeven, seffens. Ik ben zoo dikwijls +vernederd door u, en dat maakt me uitzinnig. We zullen Justa wegzenden. +We zullen een schoon huizeken gaan bewonen, buiten, in 't loof. Niet +waar?... Zeg dat ge me bedrogen hebt.... Hoe hebbe 'k dat toch kunnen +gelooven! + +Goedele antwoordde niet. Ze had zich bij 't venster neergezet en tuurde +in den tuin, die daar zoo wonderlijk met noesche zonne lag beklad. En +Ursule en hield niet op. + +--Mijn kind, nooit begrijpt ge de wilde smert, die ge mij hebt +aangedaan. Ik heb gedacht dat ik zinneloos werd te wege. Maar alles is +maar spel. Waarom spreekt ge niet? Waarom blikt ge zijwaarts? Zie me +hier wachten naar een woord. We zullen wegloopen uit deze leelijke +woonste en in 't blijde groen gaan schuilen. Ik zal u vertellen van de +heerlijke toekomst ... hoe prachtig die eendracht--gij en Romaan.... + +--Romaan trouwt. + +--Hoe wreed zijt ge, mijn Goedele! Wordt de jongen krankzinnig? + +--Hij heeft me gezeid dat hij trouwde. + +--Maar Wiezeken is immers dood! + +--Laat ons zwijgen--moeder.... + +Ursule tort vooruit. + +--Nu zwijgen!... Spijts alles, heb ik hope gehad. Spijts alles, wat me +tot wanhoop neerdrukte. Ik heb me vastgeklampt aan een groot werk, dat +in de toekomst liggen zou. Ho! ho! hebbe 'k niet gezwegen, jaren en +jaren? Is niet van zwijgen mijn leven een lange calvarie? Spijts alles +hebbe 'k mijn droom behouden. Mijne kinderen zijn in opstand gekomen. +Ik had nog hoop, toch hoop. + +Ze liet haar hoofd zinken op hare borst en bracht hare beide handen +bedrukt over haar aangezicht. + +--Nu is Romaan voor goed ... gestorven. + +Langzaam verliet ze de kamer. Haar breede rugge schokte opwaarts, alsof +sterkelijk klopte in haar lijf een geweldig gesnik. + +Een zonderling gevoel kwam Goedele bewegen. Alle kwaadaardigheid was uit +haar gedachten geweken, en ze zat nu heel beteuterd te herdenken moeders +overweldigend wee. Om wille van Romaans nieuw besluit, hield ze op nog +vertrouwen te hebben in de theoretische en uitsluitelijke bespiegelingen +van haar broeder. Wat bleef er in waarheid nog over van heel dien kamp +om vrije, onafhankelijke liefde? Hij trouwde. Hij deed heel kleintjes, +heel gewoon mee met de dikke burgertjes. Hij werd "redelijk". Hij zou +ook op strate loopen met Madeleen aan zijn arm, kreeftewijs, hij +blikkend naar uitgestalde boeken, zij naar hoeden en nieuw-modegoed. +Ze herinnerde zich goed dat ze zoo'n paar nagekeken had, eens op een +dag--met Ameye. + +Ameye! + +Ze fronste hare wenkbrauwen, 't werd harrewarrig in haar hoofd. Ze dacht +weer aan moeder. Ware alles niet beter, indien ze gehoorzaam ware +geweest? + +--Romaan is nu voor goed gestorven. + +En zij, Goedele? Wat zou 't zijn, als moeder haar zondig bedrijf met +Ameye te wete geraakte? In een vaag zicht, schemerde 't opwaarts in haar +hoofd,--dat elkendeen binnen dees huis zijn eigen ongeluk, met +verborgen, heimelijke gebaren bevorderde. En zij ook, door haar wilde +overgave aan Ameye, had heur eigen ongeluk beraamd. + +Al vroeg in den avond ging ze zich opsluiten in hare kamer. En op een +nieuw herschudde ze hare onvaste gepeinzen. Ze ging langs 't venster na, +hoe in den tuin de blauwe nacht lager en lager woog en hoe ginds het +dichte loof der boomen langs de donkerte danig massief opduisterde. +En dieper drongen hare gedachten, naar een verlangde oplossing. + +'t Moest opklaren om haar. Wat was er gebeurd dat ze zoo lichtzinnig +weggevallen was in poelen van zonde? Ze kon 't zich niet uitleggen. +Ze kon niet bespieden in 't jonge verleden den geleidelijken gang der +omstandigheden en, erlangs, hare toenemende, onweerbare machteloosheid. +Koppig wilde ze nu dat 't moest opklaren. + +Een onschadelijke wind roefelde met zotte wippen door 't geluchte en het +schaduwrijke bosschage roerde stillekens zijn zwart-doezelige randen. +Naderhand heerschtte groote rustigheid tallenkant. Goedele staarde +gestadig naar buiten, en ze vond in de verre duisternisse een gewillig +plein voor den tocht van haar loopende ideeen. Ze bukte zich en leunde +met hare kin in beide hare handen. De stad alginder zweeg. Rijzekens +daverde nauw hoorbaar een dof rumoer. In huis was elkendeen te bedde. + +Ze stond recht. Ze voelde haar eigen een groote schim zijn in de donkere +kamer. Ze neep hardnekkig hare lippen te gare en hare oogen vielen toe. +Ze had de harrewarrije in haren geest ontknoopt en stond met haar +machtig lijf, vastberaden, tegenover de oplossing, die zich opdrong. +Ze was besloten. Ze beet, sissend, haar eigen toe: + +--Niet meer gaan! + +Niet meer gaan. Ze zou bij Ameye niet meer gaan. Ze zou moeder helpen. +Het was toch _moeder_. Ze zou haar, met haar overige leven, gedienstig +zijn. Ze kruiste hare armen over hare borst, en 't was, een tijdeken +lang, alsof ze de toekomst tartte, alsof ze heel diepe eene aarzeling +voelde en haar eigen in de toekomst tartte. + +Rap stak ze een keerse aan en kleedde zich uit--maar, als ze haar witte +lijf in den spiegel heel weelderig zag opbleeken, rilde ze. Ze vreesde +haar onmachtig vleesch en 't klaterde daar in de schuinsche vlam van de +keerse zoo rijkelijk.... + +Ze spoedde zich. Ze kroop in haar bedde, blies 't licht uit en bracht +huiverig de frissche lakens over hare schouders. Nog neep ze koppig hare +tanden saam en stiet: + +--Niet meer gaan! + +Ze hikte nadien, begon te beven over al hare leden, en 't werd een +stotteren, een pijnlijke hakkelinge: + +--Niet--meer--gaan.... + +Ze barstte uit in luid gejammer, weenend en snikkend hopeloos, en, al +stortte thoope gansch haar sterk besluit, al sleerde ze weg, met lijf en +ziele, in 't vorig slameur van passie en gevoelerigheid, ze stamelde, +benauwd, verloren: + +--Niet ... niet meer gaan ... niet meer ... niet-meer.... + +Ze drukte koortsig haar hoofdkussen in hare armen. + + + * * * * * + + +XIII. + + +Ze was 's anderendaags vroeg te been. Ursule was nu teenemaal ziek +geworden en kon uit haar bedde niet. Ze deed Goedele bij haar komen en +vroeg zachte, of ze Romaan wou gaan opzoeken en hem uitdrukkelijk vragen +wat hij van zins was. + +Goedele ging. + +Ze was tevreden dat moeder zelve haar doorzond. Ze liep. Nog nooit had +ze den weg zoo spoedig afgeleid, en, als ze bij Romaan kwam en zijn +bevestigend antwoord ontvangen had, was ze weer gichtig om weg te zijn. + +Wat dreef haar? Ze drilde gretig over strate, en haar bloed joeg forsig +ommedom. + +Op de brugge bleef ze een wijlken in onzekerheid staan. Hare blikken +volgden 't zonnig geklots van het water, waarin donkerend wegkronkelde +de schaduw van een bootje. Hare kaken bloosden. Ze hoorde om haar 't +bedwelmend rumoer van de ijverige stad en voelde, van weerskanten haar +lijf, den haastigen gang der menschen. Even aarzelde ze nog.... + +Ze liep nu weeral. Ze smeet haar hoofd achterover in wild gebaar. Hare +voeten klepperden vluggelings over de kasseide, en tegen haar voorhoofd +sloeg gedurig 't schoone geweld van de zonne. Ze draafde voorwaarts, +kleintrippelend, steegjen in en steegjen uit. De warmte, die langs hare +leden opklom, deed haar deugd en ze glimlachte haast, al werend de zoete +straling af, die neerpletselde uit den ronden hemel. + +Ze stond meteen voor 't kleine huizeken. 't Was de gewone stonde. + +Zou Johannes wachten op haar. + +Ze had den sleutel niet bij! Zoo lange dagen had ze in folterende +angstigheid en koppig dwaas gedoe haar liefde verwaarloosd, en ze +vreesde dat Johannes, moe van wachten, 't opgegeven had. Ze klopte. + +Subiet schoof 't deurken open en hij stond daar, met gulzige blijdschap +haar ontvangend. Hij leidde haar binnen, ontdeed haar van haar hoed en +drukte haar sterkelijk tegen zijn borste. Hij en had geen verwijt. Hij +bloosde van geluk. Hij en vroeg niet waar zij zoo al met een keer +verwijld had, zonder verwittigen, en zijn blik was klaar, open, vol van +zijne al-vergoedende liefde. Ze meende toch, beschaamd tegenover al +zijne kieschheid, dat ze hem een uitlegging schuldig was, en ze haperde +in ingewikkelde gezegden. Ze zette zich neer op zijnen schoot en omvatte +zijn hoofd. Ze fluisterde: + +--Ik ben stout geweest.... + +Hij kuste op hare lippen de ongemakkelijke woorden weg. Hare vingeren +schoven streelend langs zijne slapen en sleerden door zijn haar. En ze +zei: + +--Ja--stout, en ondankbaar.... Och, weet ik nog wat er gebeurd is? +Kijk me eens aan.... Ligt er ievers een leelijk speur in mijne oogen? + +--Zwijg, lieve. Mij zie 'k daar in een sterreken.... + +--Ge zijt goed. Wanneer was ik laatst bij u? Een eeuw is 't geleden. + +--Een eeuw, ja.... + +--Herinnert ge u nog mij? + +--Deugniet, die me lief zijt! + +Hij lachte luid. Maar Goedele, in zwakke aandoening, voelde haar herte +week worden. Het docht haar dat ze nooit dieper hare liefde gewaar was +geworden dan nu. Ze zei, met bevende stemme, dat hij zekerlijk boos +geweest was op haar. + +--En nu ziet ge mij minder geerne. Ik merke 't aan mijn eigen. Zoo +machtig woelde in mij uw beeld. Ik hebbe schuld, Johannes. Waarom zegt +ge niet dat ik schuld hebbe? 't Is dat kleiner mijne schuld is in uwe +gepeinzen, wijl kleiner uw liefde is geworden.... + +--Nu wordt ge schuldig, in waarheid. + +Hij antwoordde heel ernstig, en ze bleven een langen tijd sprakeloos +turen in malkanders wezen, tot weer hunne lippen te gare zich vereenden, +trage en innig. Ze liet haar hoofd nadien neerzijgen op zijnen schouder, +en haar warme asem fleerde matelijk langs zijn blooten hals. + +De zonne, van uit de vierkante vensterruitjes, stortte in lichtende +tichels op den vloer en zijpelde om hunne borsten, lager wegklaterend +over hunne knieen. Op de geheven tjoppekens van Goedele's schoenen, +tikkelde een leutige straal en spetste er veelvoudig uiteen. + +Ze zwegen. Her geraakte hier de schoone peiselijkheid van vroeger, en +vertrouwelijk schoven allentwege de welriekende luchten. 't Was de +bedwelming van te voren, en ze voelden zich wegglijden, weerloos en +gedwee, binstdat korter hun boezem opzwol. 't Was terug de liefelijke, +al-beheerschende stilte, de gulden stilte, waarlangs hunne gevoelens +ommezweefden en nevenseen overentweere wiegden, beladen met de weelde +hunner passie. + +Een logge wagen reed over de strate voorbij en traagzaam verwijderde +zijn rollende wielrammeling. Ze luisterden er naar, eerst teenemaal +omdaan door de zware geluiden, naderhand volgende met nauwkeurige +zorgelijkheid het verre lawaai, tot heel wijd het dooddoedelde--endelijk +dood.... Hunne gespannen aandacht was meegegaan, en nu waren ze precies +in een groote leegte alleen gebleven. Maar des te inniger voelden ze +seffens malkanders armen en malkanders lauwte. Te gare rokken zich hunne +spieren en de struische drift steeg in hunne leden, met den rapperen +klop van hun bloed. Goedele's lippen taakten zijne lippen en een warme +nattigheid baadde hare oogen. Ze stamelde: + +--Hebt ge mij nog lief ... nog ganschelijk lief? + +--Eeuwig.... + +Hunne wimpers trilden en vielen toe.... + +Dus was weergekomen, zonder genade, de heerschappij van hunne liefde. + +In Goedele en haperde geen aarzeling meer. Ze geraakte in vroolijke +stemming, drevelde om de kamer, schikte entwat, dat van zijn plaatse was +verschoven, en toonde zich buitengewoon opgeruimd. Getweeen waren ze +nadien luid-lachend aan het spelen, malkander treiterend of kriebelend +of peensend. + +Nabij den noene stond Goedele beteuterd naar 't horloge te kijken. + +--'t Is tijd!... + +Ze zuchtte 't bijkans. Johannes zei dat ook hij weg moest naar zijn +atelier, en verwonderde zich dat de voormiddag zoo ijlings verloopen +was. Goedele vroeg: + +--Naar uw atelier? + +--Ja. + +--Ik ga mee! + +'t Was zoo een plotselijke gril, en ze had ook nooit aan dat atelier +gedacht. 't Was nu eene gelegenheid om eens alles af te zien en die +onbekende kunst te benaderen. + +Ze merkte meteen hoe Johannes subiet heel bleek werd. Een groote angst +beknelde haar en ze wist niet meer wat zeggen. Hij bedwong zijne +aandoening en kwam haar zoetekens omarmen, fluisterend: + +--Dat ware wel aardig. Maar hoe komt ge daarop, nu juist, ten vollen +noentijde? Saam dien grooten weg doen, in 't zicht misschien van bekende +menschen.... + +--Ge kunt vooraan loopen. Straks vind ik u ginder. + +--Ja, zoo is 't goed.... + +Ze hervatte zich seffens. Haar voorstel kwam haar dom voor, omdat hij 't +zoo gul wilde aannemen. In hare hersens was, op dat eene oogenblik, de +foltering gedrongen van wantrouw en jaloerschheid, en zoo verzinde ze nu +een oolijke maniere om spijze te geven aan hare leelijke +nieuwsgierigheid. Ze viel hem in de rede: + +--Neen! + +--Wat nog, lieve? Wilt ge u blootstellen aan de kwaadwilligheid van een +praatzieke wereld? Zou 't niet onverstandig wezen, als we nu, na zoo +veel voorzorgen, bij klaren dage onvoorzichtig gingen te werk gaan? + +--Ik ga mee.... + +Ze was koppig, lijk ze thuis koppig was. Ze voelde dat hij haar niet +geerne meenam en dat een reden daarvoor bestond, die buiten haar zinnen +reikte. Had hij haar iets te verbergen? Zijn atelier lag eenzaam +kantewaarts de stad, een groot houten ding met populieren eromme. Wat +kon hij daar bergen, dat ze niet zien mocht? Hij was bleek geworden. Hij +kon nu zeggen alle mogelijke sluwheidjes, ze zou gaan met hem en met hem +den drempel beterten. + +Hij kuste haar. Hij lispelde: + +--Wat zijt ge koud! + +Hij wreef over haar voorhoofd en streek trage heur haar zijlings weg. +Hij bad streelend dat ze eens deugdelijk lachen zou en den rimpel langs +haren mond doen wegzakken. Hij begreep niets van hare handelwijze, +beweerde hij, en hij deed alle mogelijk gevlei om haar op te wekken. +Hij vroeg endelijk: + +--Maar wat meent ge? + +Ze staarde heel diep in zijne oogen, tastte er naar gedoken gepeinzen, +en trage sprak ze: + +--Wat meent ... gij? + +Hij werd ongeduldig, duwde koortsig zijn hoed op zijn hoofd, tort lastig +over het tapijt, van end tot end, en bleef daarna stokkestijf +rechtestaan. + +--Nu dan.... Kom! + +Goedele bibberde van ongedurigheid, binstdat ze zich aanschikte. Ze +verlieten zwijgend het huizeken en stapten nevenseen, zwijgend, langs de +straat. + +'t Was ijverig noenbedrijf in de stad. Haastig te rote dretsten voorbij +de langhalzige fabriekwroeters. Matelijk scherrebeende hun beenderig +lijf naar voren, en erlangs wapperde in gelijke schokjes hun +blauw-katoenen veste. De meisjes taterden ondereen en een lach schaterde +altemets boven hun beweeglijk groepje, terwijl even opstraalde de +bleekte van die gezichten alteenegaar. Oude sukkeleers hinkepatjinkten +achterna, bezeerd door 't zware geweld van de zonne, en ze kromden hun +rugge om 't vuur van haar hevig gestraal te ontweren. Jonge guiten, met +witte kaakjes bevuild door den damp, joepten van links naar rechts, druk +bezig met rap gespeel. In hooger wijken was 't, bezij de eenvervige +huizen, de moede gang van beambten, verslonden in dagbladlectuur, of de +fiere prontigheid van anemieke winkeljuffertjes.... + +Goedele drilde daar midden in zonder spreken. Door hare hersens +slingerden verwarde gedachten, en ze liet ze seffens los om nieuwe vaste +te houden. Hoeverre was alweer de zoete vredigheid! Lijk gisteren, lijk +ten uchtend was ze aan pijnlijke onzekerheid overgelaten. Romaan had +zich verwijderd van haar. Ze vreesde het ergste, tegenwoordig. Maar, hoe +ze ook een vermoedelijk feit uit Johannes' zonderlinge manieren trachtte +af te leiden, ze stond altijd ten slotte voor een vrage te weifelen, en +ze maakte haar geest uitermatelijk moe. + +--Wat moet ik vreezen? + +Ze vreesde het ergste. Johannes blikte bijwijlen zijlings naar haar, en +als hij hare oogen taakte, lachte hij stille. Ze voelde echter, al +leuterde dan seffens een versche rustigheid in haar, dat hij zijn wezen +tot een vriendelijk masker dwong. En seffens vreesde zij 't ergste. + +Ze wist niet wat het ergste kon zijn. Holderdebolder wirrelden hare +angsten door mekaar, kleine en groote. Wat grondelijk het allergrootste +ongeluk zou zijn, wist ze zich niet voor te stellen. Alzoo was ze +gedurig haar bangheid aan 't overdrijven door zotte sprongen van hare +inbeelding. + +Als ginder, tenden de laatste straten, de populieren, met gulden licht +beklaterd, zichtbaar werden rondom 't atelier, vertraagde johannes +zijnen gang en kwam dichter nevens haar zijn stap meten op den haren. +Zonder opkijken vroeg hij of ze reeds een schildersatelier gezien had. +Ze schudde ontkennend haar hoofd. Ze vond het akelig dat hij nu een +lange beschrijving van 't kunstenaarsleven haar ontvouwde. Hij had daar +over nooit gesproken. Hij zei: + +--Artiesten zijn wanordelijk. + +Was hij zich aan 't verontschuldigen omtrent wanorde? Goedele kreeg +versch vertrouwen en minder hijgde ze, als hij de hooge poorte +opendraaide. + +Ze stonden in een kleine kamer. Hij zette zich neer in een sofa en +bekeek haar lange, zonder spreken. Als een pale bleef ze rechte en haast +kleurloos waren hare lippen geworden. Hij wenkte dat ze naderen zou en +naast hem rusten een stondeken. Zij en roerde niet. Alles was haar hier +danig vreemd. Was deze plaats door dezelfde hand geschikt, die, ginds in +het huizeke, zoo brooze en subtiel te werke was gegaan. Hoe somber was +hier alles aangesteld. Bronzen beelden reikten tallenkant hopelooze +armen en de muren waren bespookt met nare gezichten. Ze kon zich niet +inbeelden dat tusschen al dees donkere schimmen, langs al die diepten +van kleuren en heimelijke lichten, Johannes verbleef. Maar ze zei niets. +Ze wachtte. Hij sprak: + +--Zijt ge nu voldaan, lieve? + +Ze wachtte tot hij haar de groote werkzaal zou toogen. Ze was veerdig +voor alle verwonderingen en ze bleef staan, roerloos en pal. In de halve +duisternisse klaarde sterkelijk op hare matte bleekte. Ameye boog +langzaam zijn hoofd en zonk weg in verre gepeins. + +Geen minste gerucht bewoog. Op het schouwblad rustte een dood uurwerk. +Bezij de deur hing een hoop kleeren en, ernevens, op een hoog tafelken, +dorde een bloemtuil. Goedele voelde hier de moeheid van leven.... + +Johannes rechtte zich meteen en vatte hare hand. Hij bad: + +--Geef me een zoen. + +Ze lengde haren hals onsierlijk uit en kuste hem. Dan hief hij een +grauwe gordijn omhooge en leidde haar binnen. + +Het atelier schaterde in 't volle noenevuur. Op den drempel aarzelde +Goedele bezeerd door 't felle licht, en de groote ruimte, die in deze +zaal zoo machtig was, beknelde haar een oogenblik. Ze asemde zwaar en +tort onvaste naar voren. + +Van tallenkante keken de schilderijen naar heur. Ze schemerden voor hare +oogen, landschappen en binnenhuizen, al verven van veranderlijk +getintel, scherp omvat in gulden lijsten. 't Fonkelde onder mekaar. Ze +trachtte zachte te glimlachen, omdat nu hare angstigheid verdwenen was +en ze daar algelijk te rillen stond. Ze fluisterde, zich wendend naar +Johannes: + +--Wat doe'k dwaas, he? + +Maar seffens ontstelde ze en onwillekeurig wankte. Ze reikte hare hand +naar ginds, waar hoofdzakelijk een weelderig beeld opglansde, en stapte +meteen, stijf en precies automatisch, er naartoe. In een toeten van hare +ooren, hoorde ze Johannes, achter haar, zeggen: + +--'t Is Mariette.... Ik had u dat portret beloofd. + +Mariette! Ja, zoo was in waarheid Mariette! Mariette, half naakt in een +weelde van blauwe zijde en thee-rozig fluweel, een wulpsche Mariette met +natte lippen en min-zware oogleden. Ze murmelde: + +--Mariette...? + +Zoo moest Mariette zijn--een lijf van rijke blankheid, ongedekt en +onverlegen, schoon en krachtig. Hare handen waren lijk de streeling +zelve van de liefde en zoo djentelijk en lichte lagen daar hare +vingeren, alsof ze alleen den last van zoenen zouden dragen. Haar hals +verhief zich, ten-halve gebogen, en de blauwe schaduw van de kinne +teekende nog vaster de heerlijke golving ervan. Daaronder praalde de +onbevlekte effenheid van haren boezem, opbultend zonder geweld, en +donzig als perzikrijpte. Bedwelmend was haar gansche aangezicht, +verlicht, boven den blos der wangen, door 't geheimzinnig gestraal van +wonderbare blikken. + +Zoo was Mariette wel.... Maar wat somberde ommendom de donkere glimming +van bruine haren? Mariette moest blond zijn. Goedele kreeg hoofdpijn en +ze bracht haar zakdoek over hare oogen. Weer keek ze naar het tooverig +beeld. + +--Is dat ... Mariette...? + +Ze merkte boven de lijst een rankje droog hulstgroen en ze meende dat ze +nu weenen zou. Al luider tuitten hare ooren. Ze voelde in deze Mariette +de weergave van heur eigen wezen. Dat waren _hare_ leden, dat was _haar_ +gelaat, bedorven en verschoond in bovenmatigen minnehandel. Dat was +_haar_ portret, de realiteit van haar verzonken bestaan, iets, dat zij +had gedaan in gedachten en gebaren, en dat door Johannes ten geheele +tastelijk was gemaakt. Ze raakte er de volledige voorstelling van haren +val, en 't zicht ervan begon haar te walgen, al leefde nog zoo schoone +daar, in doorslepen kunst van kleuren en schakeeringen, gansch hare +liefde. Was 't dan die liefde zelve, die haar walgen deed? + +Ze haperde met bevende blikken langs het takje hulstgroen en vluchtig +zag ze in haren geest den drempel, waar 't eens was neergevallen. +Duidelijk herklonk om haar het verre lied: + + Ah! mosieu le capucin, + T'as d'la veine, + T'as d'la veine!... + +'t Was Mariette! En hier was nu Mariette in onveranderlijke afbeelding +aanwezig, met alles, wat zij, Goedele, nadien geworden was.... + +Ze dorst zich niet ommewenden naar Ameye. 't Docht haar dat ze walgelijk +deed, en een zeerdoende schaamte neep om hare slapen. Ze woonde aldus +bij, zonder hulp, de pijnlijke verbrokkeling van al wat zoo geweldig +haar verlangen en hare passie uitmaakte. Ze voelde 't heel duidelijk, +vermits al meer en meer haar geest vergrijsde in de algemeene +harrewarrije van tinten en klaarten. Ze beet dan op hare lippen om niet +te lore in hopeloos gesnik los te bersten. Dat was nog de kracht van +hare eigenliefde. + +Hij toetste haar en ze huiverde. + +--Ge zijt zoo bleek.... + +Hij wilde haar omarmen en de emotie wegkussen, die zichtbaar was op haar +gelaat. Zachte weerde ze zijne handen af, die haar niet liefderijk meer +waren en wier streeling een smertelijke foltering geworden was. Ze +voelde wel dat ze bedaren zou, en in versche geuten schoot naar heur +hoofd de bedwelmende zekerheid dat ze door dwaze gevoelerigheid +aangetast was. Ze had willen in een diepe donkerte gansch alleene zijn +en stille. + +Hij sprak niet meer en droeve volgde met angstige oogen haar minste +gebaren. Als hij zag dat ze bevend haar arm uitreikte, midden de +plaatse, naar een besluierde schilderij, zakte moedeloos zijn hoofd op +zijne borste. Zonder roeren stond ze, haar vinger gestadig naar 't +geheimzinnige doek gericht. Hij tort langzaam vooruit en deed de zwarte +vool vallen. + +Uit een duisteren achtergrond drong vlak naar voren, met intense +uitdrukking, 't gezichte van een vrouw en 't blonde koppeken van een +kindje. De vrouw en bezag het kindje niet, en ook het kindje keek niet +op naar zijne moeder. Ze stegen uit de grauwe duisternis, die schemerde +achteraan, en ze staarden, over de gulden lijst, rechte vooruit. Niets +was hier bestaande dan deze gezichten: hunne lijven, somber bekleed, +vielen weg in de schaduwen ommendom, maar geweldig sprongen uitwaarts de +bleekheid van de vrouw en de zoetige blondheid van het kindje. Eene +groot-menschelijke schoonheid lag droomend om 't gelaat van de moeder: +rijzekens ingevallen waren hare wangen en een kleine diepte blauwde +onder de slapen, maar sierlijk was de vorm van haar gansche wezen. De +effene blankheid van haar voorhoofd straalde hevig onder de warme verve +van heur vaste haar en een klaarte omlijnde de regelmatige buiging van +haar neuze. Lichtelijk beschaduwd was haar bovenlip, binstdat de ronde +kinne onderaan in halve helderheid optinkelde, en te midden rijp-rozig +praalde, in strengen neergang, haar fijne mond. + +Deze vrouw was niet schoon door uiterlijke schoonheid, maar +diep-menschelijk was ze, en schoon daardoor. Een onzeggelijke droefenis +verzwaarde hare blikken en ook niet leutig staarde het kindje nevens +haar. 't Was alsof in de grauwte achteraan een onzichtbare +noodlottigheid deze twee tot lijdelijke bezorgdheid doemde, alsof +gedurig een kwaaddoende hand tallenkant over hun hert de smert van leven +deed voelen. Een geheim zweefde om hunne oogen en ze waren lijk +gezichten, die men uit klare vensters meteen verre in den nacht ziet +turen, alwaar ze niets ontwaren kunnen en waar schuilt de komende +gebeurtenis van hun ongeluk. + +Een doffe kreet was pijnlijk uit Goedele's keel geroteld. Met een slag +stortte alles neer, wat haar opjoeg tot zinnelijk leven, en ze was nu +een gebroken wezen, kapot door hem, dien ze boven alles had geliefd. Een +uiterste oproer verwrong hare spieren en ze sprong voorwaarts, naar +Johannes. Ze vatte hem bij zijn arm en al hare krachten hoopte ze opeen +om met hatelijke oogen zijn droeven blik te weerstaan. Ze hijgde en deed +schrikkelijk geweld om haar reutelende woorden over haar tonge te +stooten. Ze hakkelde: + +--De moeder van dees kind?... Van dees kind?... + +Ze schudde hem en prentte hare nagels in zijn kleeren. Ze wou 't hem +doen uitspreken, uit zijn mond vernemen de waarheid, die ze nooit had +durven aanzien en die nu oprees, vreeslijker dan ze had kunnen +vermoeden. Ze riep: + +--Spreek ... maar spreek! + +En hij sprak niet. De tijd, die verliep, rukte precies haar vleesch +vaneen. + +--Zijt ge niet laf?... De moeder van dees kind.... Ik verzink, ik +verzink, o mijn God! + +Ze verlamde meteen en hare vingeren sleerden ontspannen langs zijnen +arm. Met doffer stemme, na een stilte, die in gansch hare lengte de +kracht van het volbracht gevaar begeleidde, sprak ze, schijnbaar +bedaard: + +--Zeg me wie deze vrouw is, Johannes. + +Hij boog zijn hoofd en zuchtte. Hij vond geen gezegde om haar te +stillen, om haar te troosten, om weer op te wekken in versche +minneweelde haar vernederd hert. Hij zweeg. + +--Zeg me--wie, Johannes. + +Ze wist het. De droomende treurnisse, die gansch het beeld omlichtte, +die 't kenbaar miek voor haar, Goedele, de gedoken oorzaak van de +treurnisse zelve--'t was allemaal een laaie openbaring. Hare lippen +beefden en rappe stralen fonkelden noesch weg uit hare oogen. Hij zei, +voelend dat haar niets te verbergen meer overbleef: + +--Mijne vrouw. + +Ze ontving zonder wijken de harde bekentenis. 't Was haar alsof ze +midden puinen stond en allentwege om haar kwam de wijde droefenis, die +nievers een ende zou krijgen. Langzaam keerde ze zich omme en tort, +schokkend bij elken stap, naar de deur. Ze hoorde in 't gezoef, dat haar +hoofd vulde, nog Johannes' gebroken stemme: + +--Goedele!... Goedele!... + +Ze hief zonder haaste de fluweel en gordijn op, ging het duistere +kamerken door en geraakte op straat. Dan liep ze, recht voor zich uit, +en zij en dierf niet ommezien. De gezichten der menschen, die haar +voorbijsleerden, waren lijk bleeke vlakten, geruchtloos schuivend in +nattig geluchte. Waar was de zonne? 't Was al grijs en nevelig wat haar +omdeed, en de gezichten doken spokig daarin op, werden groot en spoedden +zich achterwaarts. 't Herklonk een tijdeken als een ver geween: + +--Goe-oee-dele! + +'t Klabetterde tegen de luidelijke beenderen van haren schedel, die als +een holle kasse aan 't ratelen ging.... + +Moe, afgemat kwam ze thuis aan. Het ijzeren hekken krijschte trage open +en ze viel bijkans voorover. Ze zag Justa en vroeg, verwilderd: + +--Zijde gij hier nog? + +Ze lei haren hoed op een stoel, en, als ze de gewone dingen hier gewaar +werd, die tafel en die kasse en 't gezellige klavier, stortte hopeloos +haar wee over haar. Vader zat bij 't venster met een kaartspel aan 't +tellen. Zijn grijze krullekop zilverde aardig in 't zijgende licht. Ze +had hem willen kussen. + +Hij keek op en verwonderde zich, lachend: + +--Ha!... gij.... + +Hij zette seffens een bedrukt gelaat, lijk iemand die zich meteen +herinnert dat hij treurig moet zijn, en vertelde dat moeder in den +voornoene onder een leelijke geraaktheid was gevallen en dat ze nu zeer +ziek te bedde lag. Goedele liep uitzinnig de trap op. + +Voor de eerste maal sinds lange vreesde ze dat moeder lijden mocht, en +in haar verward gemoed klopte 't verwijt--dat ze schuld had aan moeders +lijden. Ze beukte struikelend tegen de deur aan. Ze stapte binnen +paalrechte, gewelddoende om niet omverre te stuiken, en naderde zoo de +sponde. De witte lakens werden een duizelige beweging in hare oogen en +moeders hoofd, dat haast vierkantig op de klare kussens rustte, +beschaduwd door diepe oogholten, schemerde aleens stille weg, om subiet +weer ruw en hard op te bulten. + +De aandoening ging uitjagen in Goedele's borst en hare wimpers werden +heet. + +Ze stamelde: + +--Moeder.... + +De klank van haar eigen stemme kwam hare emotie overdrijven. Ursule +vroeg: + +--Zal hij trouwen? + +Trouwen? Goedele zag subiet het povere kamerken van Romaan, waar ze +gedrieen een nieuw geluk bewerkten in liefelijke eendracht. Ze knikte, +niet goed meer wetend wat eigenlijk hare boodschap geweest was. + +--Ja. + +Ursule in een uiterste poging rechtte zich en zat overend. Haar wezen +werd grauw van ingetogen woede. Ze duwde hare vuisten in haar +hoofdkussen en hare nagels krabden hoorbaar over het gespannen laken. +Ze vroeg op een nieuw, binstdat ze hare lippen, in vreeselijke gramschap, +uitlengde naar Goedele: + +--Zal hij--trouwen? + +--Ja, moeder. + +--Hein? + +Ze hijgde en een reuteling rochelde nattig in haar keel. Ze wachtte naar +'t herhaalde antwoord en 't was alsof ze toch hoopte dat het niet zou +herhaald worden. + +--Ja.... + +Een snok rukte haar kinne naar omhooge en terwijl ze achterover +neerzakte, stiet ze met een worp al haar haat, haar wilden, grenzeloozen +haat uit haar boezem--een walg en een grijnzen: + +--De hoere! + +Haar mond bleef halvelings open. + +'t Was voor Goedele een verschrikkelijke slag en 't woord hing een +stonde te daveren in 't geluchte. Ze viel op hare knieen, vatte moeders +hand en begon te snikken en te roepen, geen andere uiting meer wetend +voor haar wanhoop, geen hulpe meer vindend in niemand, noch steun in +geen toekomst. + + + + * * * * * + + + +XIV. + + +Ursule was leelijk aangetast. Dagen na dagen bleef ze liggen in haar +bedde, zich opwerpend somtemets, naderhand afgemat en roerloos. Ze sprak +niet. Ze kon niet spreken, hoe ze ook geweld deed om een gedacht luide +te doen opklinken. Ze bracht onzinnig geratel uit, en ze lag dan weer +zwijgend te turen heel strak naar de zoldering. De dokter die haar +dagelijks bezoeken kwam zei dat ze groote rust noodig had en dat men +haar omtrent alles moest involgen. Hij merkte niet hoe woedend ze +telkens was, als hij verscheen, en hoe ze met hare oogen teeken deed dat +men hem wegjagen moest. + +Met rust en groote zorgen zou ze stilaan genezen. Veel tijd was daartoe +noodzakelijk en veel voorzichtigheid. + +Goedele zat gestadig aan de sponde en deed met effen verduldigheid al +wat haar de minste grillen van Ursule opdrongen. Uitermatelijk +dienstveerdig en welwillend, liep ze links en rechts, naar den wenk van +moeder's ziekelijke onstandvastigheid, de kamer rond. Geen weerzin +voelde ze en geen moeheid. Ze hield zich alzoo in drukke bezigheid en +het was voor haar in feite eene afleiding. + +Want geen klaarte was nog in hare zinnen gekomen. Het schrikkelijke +voorval had haar verdraaid en in haar duizelig hoofd daverde gedurig een +onoplosbare harrewarrije. Ze beleed zonder uitkomste een knagend, dof +wee, en haar lijf was nu iets geworden dat ze pijnlijk tallenkant +meesleurde, achter de troebele zucht van haar strijdende gepeinzen. Ze +dacht niet aan Johannes: met een schok was hij weggerukt geweest en heel +verre schemerde ievers zijn onzekere schaduw. Ze had geen behoefte te +denken aan hem, die zoo wijd bestond, teenemaal buiten 't bereik van +haar denken. Maar onophoudelijk dacht ze aan een bange gebeurtenis, aan +een groot geweld, dat volbracht was, iets zonder vaste vormen, zonder +kleur en preciese maten--een massa, opdonkerend zoo subiet, juist achter +haar. Verder was geen verleden: 't verleden en reikte niet verder, +geborgen door de donkerte van dezen opzuilenden paal. 't Was een nacht, +die alle dagen dook. + +Een weke verliep, en nog altijd wist ze geen uitslag aan haar lijdelijk +gemijmer. Nog was ze werkzaam, in de duffe ziekekamer, en ging lijk +dronken gebogen onder de vracht van het volendigd ongeluk. Even verre en +ondoordringbaar bleef 't verleden, naar achteren en buiten zicht geduwd +door gindsche vervaarlijke somberheid. + +Goedele luisterde naar moeders asem, als ze sliep, of beloerde haar +minste gebaar, als ze lastig te spartelen lag onder de sargie. Ze lonkte +alles na, bezorgd en ordelijk. Ze handelde niet ganschelijk bewust, maar +bevreesd voor nieuwe rampen, die ze niet bepalen kon en waar ze nievers +een opkomende oorzaak voor ontwaarde. Ze handelde heel bang--tevreden +dat ze handelen mocht en dus den zeerdoenden tijd opstoppen, die +tallenkant met benauwde leegten te gapen hing. Ze bedwelmde zich met +werken, met hergaan; ze maakte zich zwaar-dom in gestadige beweging om +niet, al rustend, achterwaarts te kijken naar de hooge schim van 't +verrichte noodlot. + +Na de derde week kreeg Ursule heur sprake terug, maar ze was nog niet +losgeraakt uit eene luie verwikkeling van hare gedachten. Ze was lijk +eene die, verdwaasd na een harden slag, zich om alles verwondert en +niets met zekerheid benaderen durft. Bij Ursule echter ging dat +lanterfantig gedoe van hare hersens gepaard met de sprongen van hare +prikkelbare lastigheid. Ze lag altemets stille te kouten met Goedele. + +--Zie eens hoe de zonne ringskens teekent over de ruiten. + +--Ja, ringskens. + +--En hoe ze sterrekens puntelt in het stof, de ruimte langs.... + +--Ja. + +Ze deed dan meteen een kwaad gebaar en riep: + +--Wat een boel! De lucht is dikke van vuilnis.... Maar wie kuischt hier, +wie moet hier het huis opruimen en zuiver houden? Of wilt ge mij +allemaal den dieperik inhelpen met uwe wanorde.... Leegaards! Leegaards! + +Ze was niet te stillen, en ze schreeuwde tot heel blauw haar hals werd +en ze nadien, al hijgend, roerloos wegzakte in de kussens. + +Goedele baadde dan haar voorhoofd met ijswater en paaide haar heel +zoetig, belovend dat ze voor alles zorgen zou. + +Andermaal waren ze getweeen precies aan het spelen met Seppie. Goedele +rolde een balletje papier en gooide 't over den vloer. Het hondje sprong +gretig er naar toe, trachtte het beweeglijk speelgoed vaste te vangen +tusschen zijne grabbelende voorpooten en wilde 't gek-vlugge vaneen +rukken tusschen zijne tanden. Zijn muilken snuffelde haastig hier en +daar, hapte vergeefs te dichte of te verre. De bal joepte kantewaarts, +rees langs zijne onervaren nagels weg en liep een endeken wijder. Seppie +bleef een wijle plattebuiks loeren en wachten tot dat levendig ding +stille zou blijven. Hij mat zijn wip, pootelde slibberend naar voren en +stiet dwaas tegen 't papier aan. Even ruischte het en rolde het te lore +onder de kasse. Nu lag hij te krabben om het her in 't bereik van zijn +neus te halen. Hij kantelde op zijn linkerflank omme en stiet hopeloos +met zijn achterpooten, binstdat zijn kodde koortsig overentwere te +vlaggelen begon.... Hij gaf de poging op, rechtte zijn vermoeid lijf en +stond zijlings heel dom naar Ursule te kijken. Ursule troetelde: + +--He-wel, mijn floddereerken, gij zotte bobijne! Ze lachte met +luidelijke leutigheid, en Goedele moest Seppie oppakken en hem op 't +bedde zetten, waar hij seffens aan 't luierikken lag onderdefleerende +vingeren van zijn meesteresse. + +Maar subiet kwam een nieuwe koortse Ursule aantasten en ze pruttelde: + +--Nah ... nah ... de schoone sargie, de schoone lakens.... Kunt ge zijn +pooten niet proper maken, eer ge hem hier alles schenden laat. Och God, +och God! wanneer zal ik genezen zijn en dees huis bestieren, dat naar +zijn ondergang wil! + +Goedele verdroeg hare buien, en zoo gingen de dagen om. Ze deed niets +liever dan moeders verlangen benaderen, en zij en had geen pijne, als +haar een ongegrond verwijt toegesnauwd werd. + +Met dezelfde gewilligheid ontving ze de bezoeken van Sebastiaan. Ze deed +hem nu dikwijls komen en de jongen was aangedaan om den wille van hare +brave liefelijkheid. Ze was niet meer ruw met hem. Ze zocht zijne +nabijheid zonder den wrevel te vreezen, die opging langs 't vrome gebaar +van zijne handen. Ze zaten weer saam aan moeders voetende, en hij kon er +spreken van zijn vele werkzaamheid, van zijne toekomst. Als Goedele hem +bezig hoorde, zijn woorden volgend, die heerlijke plannen omschreven, +had ze aldoor eene zwijgende aandacht. Maar, al knikte ze en liet ze +geen minste gezegde onbeluisterd, ze taakte niet al wat hij vertelde +voor haar. Hij zat, lijk altijd, te zoeken naar schoone zinnen, trage en +zorgvuldig. + +--Mij, Goedele, overvalt gedurig het prachtige zicht der toekomst, waar +gij almachtige godinne zijt. Ik schik dan alles en verander hier en daar +een beeld, en 'k zoeke vlijtig of 't nievers u bezeeren kan. Zoo scheppe +'k in mijne gepeinzen de zoetste zoetigheid om u, en--hoe zou daar +entwat haperen, als gij er lachend en stralend te midden staat...? + +Hij liet eene korte stilte gewichte geven aan de golving van zijn stemme +en voegde er bij: + +--Ik ben gelukkig dat ge mij aanhooren wilt. Hij verwijlde alzoo met +weeke profijtelijkheid in 't gespeel van welluidende zinnetjes. Het was +klaar te merken dat de vorige onverschilligheid van Goedele alras +vergeten was en dat hij, lijk eertijds, zijn precieuse doening herpakte. +Hij schreef de plotselijke veranderingen toe aan Goedele's grillige +jeugd. + +En Goedele, tuk op vermoeiend bedrijf, deed ook al het mogelijke om hare +houding weg te vegen uit elkendeens herinnering. Heimelijk meende ze +daardoor haar eigen geweten effen te krijgen. Ze beantwoordde Sebastiaan +met ongeveinsde gretigheid. Ze wachtte zelfs ongeduldig naar het dalen +van zijn langzame gezegden, om subiet haar gulzige woorden te plaatsen. +Ze boog zich naar hem en praatte zoo, dronken van eigen stemgeruisch. Ze +interesseerde zich aan zijne studien over Hieronymus Bos. + +--Wat vind ik zoo'n man wonderlijk--zoo bezig gestadig met buitensporige +fantazeering, een hoofd vol wangedrochten, hanen met ezelsooren, kiekens +met snoeksmuilen en honderompen met klein-kinderbillen.... Als dat nu +altegare holderdebolder uit een nacht te voorschijn komt lijk uit een +grauwe spelonke.... + +Ursule opende rijzekens hare oogen en mompelde dat ze wat anders +vertellen moest. Ze glimlachte: + +--Ik zie permintelijk al die dwaasheden! + +En Sebastiaan omdeed dan met kunstige epitheten het leelijke zicht, +zoodat nog alleen de ontzaglijke kunst van Bos overblijven moest. + +En omme gingen de dagen. + +Ursule, alhoewel ze haar bedde nog niet verlaten mocht, was toch op +goede beterschap, en hare gedachten klaarden op. Ze herzag met +stiptelijke nauwkeurigheid al wat gebeurd was, en ze lag dan in versche +hope te beramen een nieuwe instelling. Ze stapte over 't gebeurde heen +om met sterke moedwilligheid de toekomst in te richten. Het ideaal, dat +ze zich al zoo langen tijd gesmeed had, kon ze niet ten geheele +loslaten: ze zou nu met Goedele alleene de schrikkelijke zaken herdoen. +En ze verzinde grootsche werkingen. + +Op een dag, in den valavond--ze lag nu meerendeels alleen--liet ze +Goedele bij haar roepen. + +--Zet u, mijn kind. + +Ze was uitermatig zachte en glimlachte. Dadelijk voelde Goedele dat de +vroegere oolijkheid weergekomen was, maar niet als eertijds steeg in +haar boezem de verontweerdiging of de gramschap. Ze verdroeg lijdzaam +alle uitdrukkingen van moeders karakter. Ze verlangde zelfs dat ze +eronder lijden mocht. Ze wilde geerne gekastijd worden, en ze zou geen +minste beweging doen om den stoot van moeders slechte inzichten af te +weren. Ze wilde zeggen, seffens: + +--Moeder, g'en moet geen omwegen maken. Ge moogt subiet eischen de volle +bevrediging van gansch uwen wil. Ik zal u gehoorzamen. + +Ze vreesde echter dat moeder 't zou euvel opnemen, en ze moest moeder +alle leed of luttel verdriet besparen. Ursule sprak, fleemend: + +--Morgen uchtend moet ge een brief sturen naar notaris Van Kalken. Ik +zal hem onderteekenen. Ge zegt daarin dat ik te Heysse die plezante +villa koop, waarvan hij me gesproken heeft. Ge zegt dat hij onverwijld +de noodige maatregelen nemen moet, en dat we om de maand nog alginder +willen wonen. + +--Ja, moeder. + +--Ik doe 't voor u, mijn kind, die bleek wordt en zekerlijk de groote +lucht noodig hebt. Ge hebt me zoo liefderijk verpleegd en ik ben nu ook +gelukkig, omdat ik u met zoo'n villa gelukkig maken kan.... Wat zal dat +ook heerlijk zijn, he? Zijn we al eens in Heysse geweest? Ik herinner me +niet.... + +--Ik herinner me niet, moeder. + +--Ja, dat zal heerlijk zijn! + +Ze zweeg een stonde en de avond daalde daarbinst. De beweeglijke +deemstering speelde om de venstergordijnen, grauwe schaduwen leggend +langs de plooien, en ze kwam neerwaarts doezelen bezij de muren om haar +dikten op te stapelen in de hoeken, binnen de schouwe of onder de kasse. +Van daar reikte ze vreesachtig hare schuwe armen over den vloer, verder +en verder vingerend tot allerzijds een halve duisternisse waarde, +waaruit alleen opflikkerden nog de witte beddelakens en de klatering van +de vensterruiten. + +Ursule wist den gemoedelijken invloed van den avond. Ze nam stille +Goedele's vingeren, fluisterend: + +--Kom dichterbij, mijn kind.... + +Ze streelde hare armen en liet heel trage hare woorden beelden worden in +de wattige donkerte. + +--Mijn kind, uw grootvader was een arme visscher. Jaren en jaren zwoegde +hij en wist, door zijn schrandere kunde en zijn hardnekkigen moed, zijn +sterke werk tot bloeiende uitslagen te brengen. Maar als zijn geest aan +'t verzwakken ging, heb ik 't beleid van zijn zaken op mij genomen en de +doening doorgezet. Wij zijn geslaagd. 't En was niet, mijn kind, te +danken aan een gelukkige saamkomste van meevallende omstandigheden. Wij +hebben ons goed met aanhoudend geweld gerukt uit den klauw van het +noodlot. Wij hebben gezwoegd. Gelooft ge, Goedele, dat al wat hier u +omringt en zachte uw niets-doen steunen komt, door ons al schattend en +nagelend, stukje bij stukje werd binnengebracht? Het moet u moeielijk te +denken zijn, hoe pijnlijk uw welzijn is tot stand gekomen. Gij hebt geen +sreke daarvoor gedaan, en gij kunt dus niet weten hoe wij die weelde +bereikt hebben,--die weelde voor u. Maar wat is deze weelde? Wat is een +leven, dat niet werkzaam is--en dat geld, al dat geld? Zoo insgelijks +moet geld werkzaam zijn, mijn kind.... + +Goedele luisterde met aandacht, en, binst de donzige schemering, klonk +moeders stem met endelooze goedheid om. Ze liet de klanken zacht +aankloppen tegen hare hersens en de beelden werden zichtbaar overhand. +Geen aandoening wekte in haar de trage gezegden, maar ze hielden haar +geest bezig, zoodat geen ander gepeins er folteren kwam. Ze leunde tegen +'t bedde, en ze voelde gestadig 't gekriebel van moeders vingeren over +hare hand. Ursule zei: + +--Als grootvaders geest aan 't verzwakken ging, heb ik 't beleid van +zijn zaken op mij genomen, ja. Naderhand ben ikzelve verzwakt en niemand +was daar om de vruchtbare doening door te zetten. Nu zijn we langen tijd +gebleven zonder nuttig bedrijf, en dat is zonde. Wat wij door werken +gewonnen hebben, moet verder door werken oogsten dragen. Ja, oogsten +dragen. Meent ge niet, mijn kind, dat we hier lam en schuldig de dagen +langshenen slenteren? Meent ge niet dat we schadelijk zijn? + +Ze zweeg een wijlken. + +--We zijn schadelijk, omdat we de leegheid van onze handen +bevoordeeligen. En, ziet ge, ik had gedacht eertijds: later wordt mijn +jongen groot en struisch, later schiet mijne dochter krachtig op, en dan +werp ik den last van mijnen rugge en dan zie 'k mijn kinderen met nieuwe +sterkte het schoone gewicht dragen ... later.... Toen heb ik den tijd +afgewacht, maar de tijd is niet gekomen.... Toen heb ik geweld willen +doen.... Toen is mijn jongen vergaan, verre van mij, te lore, te lore. + +Dikker stapelde de duisternis zich tallenkante thoope. Goedele zag +rijzekens in 't witte gelaat van Ursule de donkere schaduw van den mond, +die roerde. De oogen echter, weggeveegd door den dompigen nacht, zag ze +ziet. + +--En zal ik nu alle hoop moeten verlaten, mijn kind? Zal ik, na alle +verlies, de laatste toevlucht, die nu rest, verliezen? Ik vrage u dat. +Ik dwing u niet. We moeten discuteeren. + +Naarmate ze dichter haar doel naderde, deed ze zoeter fluisteren haar +wiegende stem, en ze trachtte na te gaan op Goedele's wezen, dat vlak +onder de schuinsche klaarte van 't venster nog opbleekte, hoe hare +woorden een doordringenden invloed kregen. Goedele's wezen bleef stille +en aandachtig. 't En was geen moedeloosheid, die er over lag; 't was een +geduldige ondergeschiktheid, alsof ze nu op voorhand alles aannemen en +verdragen zou. En, in waarheid, ze verdroeg op voorhand alles zonder +onderzoek, gewillig en gedwee. Ze meenden erdoor stilaan haar zondig +gedrag te vereffenen. Ursule vroeg: Zoudt ge mij gehoorzamen ... in +alles? + +--Ja.... Ja.... + +--In alles wat mijn wil mag zijn? Want, ziet ge, mijn laatste hoop is in +u. Mag ik op u berusten? + +--Ja, moeder. + +Ze zei 't trage en vastberaden. Een plotselijke emotie schoot op in +Ursule, en op hare lippen kwam roeren de kleine krulling van een +heimelijken lach. Ze bleef een wijle in de voordeelige donkerte alreeds +genieten van de zegepraal, die naderend was. Ze vatte nadien Goedele's +arm en deed haar dochter buigen, tot ze haar asem voelde in heur haar. +Ze lispelde: + +--Ik dank u, ik dank u, ik hebbe u lief. + +Ze rechtte zich dan, zat bijkans overend op de kussens en hare handen +kwamen roerloos liggen nevenseen, profijtelijk op de sargie. Het was bij +haar een gewone houding, als ze een gewichtige zake aantasten moest. +Hare duimen taakten mekaar. Ze sprak: + +--Nu zullen we geld gaan winnen. Weet ge wat dat is? Het geld komt +binnen, uit al die menschenvingeren, die schuiven en plakken viezelijk +eromme. Het heeft een plezanten klank. We maken er hoopkens van. We doen +het werken, 't holt en 't schaveelt ijverig tallenkant, waar ik weet dat +het veilig is ... en 't komt hier aanrinkelen, verdobbeld, +vertiendobbeld. We maken er weer hoopkens van. Ja, ja, mijn kind, het is +een liefelijkgespeel.... Endelijk tellen we de hoopkens te gare. + +Ze likte met hare tonge trage over hare lippen, maar hare handen bleven +onbeweeglijk liggen. Op denzelfden toon, bijna zonder overgang in de +daling van hare stem, zei ze: + +--Trouw nu ... trouw nu gauw met Sebastiaan ... ons basis is sterker, +als ge getrouwd zijt met hem.... Waarom schrikt ge, Goedele? + +Goedele had geschrikt. Al was haar inzicht tegenwoordig toch met Vrebos +te trouwen, ze wist niet dat de daad zoo dichte bij haar was, gereed om +te gebeuren. Ze meende wel dat niets restte van haar vroeger leven en +dat haar geweten bedaren zou in eene opoffering ... in dees huwelijk, +dat elkendeens wensch omsloot. Ze meende 't zoo allemaal wel. Maar dat +de dag alreeds dreigend opduiken zou, haast tastbaar, was een gedachte +waaraan ze zich geerne hadde langzaam gewend. De leelijke wezenlijkheid +moest voorbereid worden en ginder achterwaarts zou dan de schrikkelijke +massa wegschemeren, die er voortdurend aan 't spoken was. Ze stamelde: + +--Ik schrik niet.... Ik zou willen denken, een beetje. Ik zou willen +alles bezien, eerst, en de toekomst doen opklaren. Ik zie niet goed +daarin.... + +Ursules mond viel in gramschap open: + +--Hein? + +--Ge moogt u niet opjagen, moeder. Ik zal u gehoorzamen. Laat me eens +stille overwegen.... + +Ursule zakte thoope in den konk van de witte lakens. Ze deed hare oogen +toe en hare vingeren krulden te zamen, stuipachtig geweld doende onder +de sargie. + +De nacht was teenemaal aanwezig, en rijzekens haperde nog een schuchtere +blauwigheid langs de ruiten van het venster. Goedele stak dan het +gaslicht aan, en de vlamme sprong laaierig omhooge, waarachtig de stilte +brekend, die lastig in de kamer was gedrongen. + + * * * * * + +De villa werd aangekocht, opgeschikt en seffens bewoond. 't Was voor +Goedele in den beginne een versch leven, en ze vond hare gansche +bezigheid in den tuin, waar 't alles zoo gezellig was aangelegd. Kleine +wegelkens kruisten er dweers en door, en diverse borduren van rozen en +geraniums en ander gebloemte kleurden sierlijk erlangs. Vooral de wijdte +van den grooten hemel was haar eene deugddoende nieuwigheid. Ze volgde +met emotie de langzame vaart der wolken, daar bollend pluimlichte in de +zonnige diepten.... + +Maar naderhand was de grootsche doening der natuur een kwalijke +aanstoot, en 't driftige verleden, met al zijne gulzige levendigheid en +zijne onstuimige passies, doemde opwaarts allentwege. De opzuilende +duisternis viel in reten open en, omvoold arets door azurig geschemer, +stegen de verschillige beelden van hare liefde. + +Ze zag Johannes. + +Hij en wekte geen afkeer bij haar. Hij was geworden een droom, niet te +genaken, en ze kon, zonder wroeging, in gepeinzen herleven het zoete +bedrijf van hunne jeugd. En alles was verre, verre.... + +Tot somtijden haar boezem te hijgen begon en ze sterkelijk versche +roerselen gewaar werd in haar lijf. De ruimte om haar was haar nog te +nauw. Haar vleesch tingelde en gloeide.... Ze liep dan in huis en +babbelde onzinnig met vader, of ging neerzitten nevens Sebastiaan, +leunen tegen zijn schouder en strak beloeren het vrome gepeuter van +zijne vingeren. Zoo kwam de rustigheid stilaan terug, en terwijl ze weer +opkeek naar 't verleden, was alles verder nog dan te voren, heel verre, +heel verre. + +Als 't were schoon was en de volle zomerzonne neerklaterde in gouden +fonkeling overal, wandelde ze alleene met Sebastiaan het wijde veld +omme. Sebastiaan kwam kort na den noene, en zoo wandelden ze samen tot +den avond. Ze overdreef hare vriendelijkheid en hij, overgelukkig, +pronkte in 't genot van zijn man-zijn, zijn meester-zijn. De plotselijke +omdraai van Goedele's handelwijze was bij hem gauw begrijpelijk geworden +en, in naieven overmoed, schreef hij nu de verandering toe aan zijn +eigen geduld en karaktervastheid. Hij stapte nevens haar en voelde zich +groot en sterk. Geerne tastte hij 't gewicht van haar lijf op zijnen +arm. + +Eens--de avond was al dichtebij en westewaarts vuurde de late zonne in +een draaiing van gloeiend licht--waren ze, langs een pijnboschje, buiten +hun weg geraakt. Op de akkers, die verder zich uitbreidden, naar het dal +toe, waar schuilde het kleine dorp, zwoegden de oogstwroeters, lage +gebukt en traag-wordend onder den last van het machtige werk. De winden +waren stille gevallen, en altemets klonk in 't zwijgend geluchte de roep +van een boever of 't krijschend gewet van een zeis. De boomen legden +lange schaduwen over de baan, en de barmen ook hieven zich donkerend op +tegen den purperen hemel. + +Voor de eerste maal welde in Sebastiaan de aandoening van zijne liefde +brandend op. Hij werd zenuwachtig en de taking van Goedele's handen deed +heete lochten walmen naar zijn hoofd. Hij antwoordde kort en verlegen op +wat ze hem heel lichtelijk aan 't vertellen was, en zijne slapen werden +soms danig koud. 't Lag gedurig op zijne lippen ... nu eens krachtig +vooruit te komen met een innig woord, nu eens uit te spreken al wat hij +zoo meteen in zich bruischen voelde. Maar hij was schuchter. Waarom +kwamen de zinnen nu niet sierlijk te reke, lijk altijd? Hij had er nooit +aan gedacht dat hij eens de zotte begeerte zou hebben deze vrouw wild op +zijne borste te drukken. 't Verlangen dorde zijn kele, en hij zweeg. Hij +werd gewaar dat hij hakkelen zou, en hij vreesde er heel deerlijk en +belachelijk uit te zien. + +De avond was aan 't weven zijn doorzichtig floers, en ginder, matelijk +vooruit-tertend, bukten de maaiers in geweldig bedrijf. Een puiken wipte +in de gracht en niets roerde weer daarna. Goedele verheerlijkte de +mooiheid van alle kleuren, die zacht ineenvloeiden, neventinten +vlechtend daartusschen, menig en wonderbaar. Een wijde vredigheid was, +lijk een effen vijver, spiegelzoete in haar. + +Sebastiaan bleef meteen staan en vatte hare hand. Zijn gezicht was +onverkennelijk, zoo diepe had een koortsige emotie er over gewoeld. + +--Goedele, wacht.... + +Ze keek op naar hem en verwonderde zich over zijn zonderling gebaar. +Hij sprak dan, schokkend, jagend de woorden de eene na de andere, in een +asem zijn liefde zeggend. + +Het was een andere precies. Goedele had gemeend dat hij altijd maar +vertijen zou in een welsprekenden, kouden minnehandel, en ze had althans +lichter 't gedacht van een huwelijk met hem aangenomen. Ze merkte nu in +zijne oogen iets dat haar Johannes herdenken deed. Haar bloed schoot in +plotselingen afkeer opwaarts. Hij sprak: + +--Daar foltert mij een pijnlijke knaging. Daar is nievers een +peiselijkheid. Daar is nievers een deugdelijke kilte. Daar is overal, +overal--u! Wat moet ik doen met al mijn gelijke dagen? Hertel de vele +maanden, die reeds verloren zijn achter ons. Ik kan niet meer verdragen +'t idee van langer wachten en meer verlies. Maar kijk! wat zult ge +beslissen? Ik ben onmachtig. Ge zijt zeer lief met me. We moesten saam +wegvluchten uit gindsch groote huis van de stad. En alhier zijt ge +gevlucht--en gij hebt het gansche huis meegenomen! Herbegint dan hier +een leven, dat ik gindsch reeds beleefd heb? En zal ik u van dichtebij +verlangen en nooit u hebben? En ben ik in waarheid niet dichtebij? + +Het was, bij Goedele, afkeer. Ze was te wege hem van haar weg te +stooten. Ze wilde niet dat hij haar gedurig krenken zou met de +bekentenis van eene liefde, die haar walgde. Ze huiverde als ze bedacht, +dat hij die liefde opketste om ze bij haar te komen stillen. + +Ze wilde niet. Hard staalde hare koppigheid dien wil. Ze wrong zich los +met een korten ruk en zag hoe plots zijn wezen hopeloos werd. Hare +verhouding tot dezen man kwam haar klaarder te voorschijn en ze boog +haar hoofd. Ze was niets. Ze had gezondigd buiten alle mate, en 't +woord, dat moeder ten opzichte van Madeleen uitgespuwd had, ratelde +opnieuw in hare ooren. Ze was niets. Met gretigheid moest ze alle boeten +aanvaarden, want geen boete was groot genoeg. In een haastig zicht +schemerden voor haar op het droeve gezicht van de vrouw en het blonde +kopje van het kind, uit Johannes' atelier. Die beiden staarden naar heur +en de vreemde blik, die in hun oogen lag, weende er van zoo endeloos een +smette.... + +Ze boog haar hoofd. Ze zou trouwen. Ze zou alle opoffering aannemen, en +geen toekomst was nog in te winnen. Twee tranen biggelden een endeken +aan den tjop van hare wimpers en vielen, zonder hare wangen te taken, in +den avond. Ze fluisterde: + +--Ik doe ... wat ge wilt.... + +Hij naderde en omarmde haar, en zijne lippen kwamen gulzig rusten op +haren mond. Ze dacht aan moeder, die nu zeer tevreden zou zijn, en dan +zonk precies de wereld weg om haar. Ze neep hare oogen dichte en zakte, +zonder hope, te lore in haar overgroote leed.... + +De maaiers torten ook moe en zwaar, langs de gele wegen, alhier en +alginder, sprakeloos, naar huis. + + + + * * * * * + + + +XV. + + +Als ze vernam dat het huwelijk vast besloten was, bloosde Ursule van +ingetogen vreugde. Voor haar was dus de beslissende zegepraal nabij. +Ze zat in haren leunstoel te gichelen en ze voelde zich oogenblikkelijk +beter worden. Ze murmelde: + +--Ik genees! + +Ze kon echter nog uit haar zetel niet. Hare beenen bleven lam en haar +rugge was zonder sterkte. + +De trouwdag werd bepaald. Elkendeen was haastig om de gebeurtenisse te +naderen. Maar Goedele werd nu door nieuwe angsten bekneld. Ze wilde niet +meer eten, en blauwe randen vielen diepe in, onder hare oogen. Ze was +altemets zoo bleek over gansch haar wezen, dat ze een zieke geleek, en +ze werd naderhand uitermatelijk zwak. Bijwijlen was 't alsof een +gewichte opschoof uit hare maag en hare keel kwam stoppen. Ze kon 't +door zwelgen niet doen neerzijgen en deed dan vergeefsch geweld om het +op te stooten langs haren mond. + +Moeder omringde haar met ijverige bezorgdheid en vreesde dat ze zoo aan +'t wegkwijnen zou geraken. Ze veinsde eene al-omstreelende goedheid en +haar minste woord was van eenige liefde. Op een morgen, binstdat ze met +Goedele alleen zat in de lage voorkamer, wilde ze de getuigenis geven +van hare brave gevoelens. Ze reikte haar het sleutelken van hare +geldkist over en zei: + +--In 't bovenste laagje ligt een kleine beurze met goudmunt. Neem die, +en breng me die. + +Werktuigelijk ging Goedele en kwam met het beursje terug. Ursule liet de +rinkelende stukken overeen neerschuiven in haren schoot en begon ze +zorgelijk te tellen. Ze vingerde luierig erover, betastte met wegende +traagzaamheid elk geel schijveken, en fluisterde: + +--Negenhonderd--duizend--twaalfhonderd, twaalfhonderd, twalef.... + +Ze keek op naar Goedele en een ongewone glinstering blikkerde onder hare +neergeduwde wenkbrauwen. Ze bedwong dees driftig geschitter en lijk te +voren verkregen hare oogen de straling van 't koude staal. Ze sprak, +fleemend: + +--Wilt ge me nog van dienste zijn, mijn kind? Het is zoete weer buiten. +Ge zijt bleek en ge zoudt moeten wandelen door 't bloote geluchte, ja, +ja.... Wilt ge in den nanoen tot binnen de stad eens loopen? Sebastiaan +komt niet voor 't avondeten hier vandaag. Ge kunt terug zijn ... +gemakkelijk.... + +Ze wachtte een tijdeken en lager liet ze hare stemme zakken: + +--Ik wou geerne dat ge eens ... ginder gingt ... bij Romaan.... + +Omdat Goedele met pijnlijke haastigheid haar gebogen hoofd ophief, deed +ze alweer vluggelings achtereen hare woorden drillen, dof en eentonig: + +--Ge moet niets vertellen van mij--en mij achterna niets van hem +vertellen. Ik weet niet waarom ik u daar doe binnengaan. Ik heb geen +reden. Ik denk aan geen reden. 't Komt mij sinds een paar dagen zoo +geweldig op en ik kan 't nu niet meer weerhouden. Koop onderwege iets +met dees geld. Ge moogt niet zeggen dat het van mij komt. Ge moogt niet +spreken van mij aan ... mijn zoon.... Wilt ge? + +Ze reikte 't geld over en Goedele nam het aan, ook gepakt door moeders +geveinsde aandoening. Ursule had eerst eene groote blijdschap en ze +jubelde in haar binnenste, al roerde geen vezel op haar gelaat: + +--Ik hebbe mijn hardvochtigheid van vroeger weergekocht! + +Want ze voelde dat Goedele haar nu insgelijks met al de snaren van haar +teer-trillend herte verbonden was. Nadien echter schoot door hare +hersens spijt--omdat die gulden somme zonder weerkomste zich +verwijderde. Ze loerde een tijdeken naar Goedele's vingeren die om de +beurze peuterden en hoorde de rinkeling daarbinnen van de dierbare +stukken. Ze beet al gauw heel woest op hare tanden om den wrevel, die +kroop langs hare leden, te bedwingen. Ze had, 't oogenblik daarna, alle +moeite om een lach om hare lippen te wringen, als Goedele met dankbare +oogen opkeek naar heur. En seffens, binstdat het meisje de kamer +verliet, herkwam over gansch haar wezen de steenen hardheid, die 't +waarlijke beeld was van hare dorre ziel. + +Zoo, na den noene, vertrok Goedele. + +Vader leidde haar tot aan 't station. Ze ging sprakeloos over den weg en +bereidde aldus haar geest tot de geleidelijke benadering van al hare +herinneringen. Albien trippelde nevens haar, vertellend van een +elektrisch tuig, dat hij in 'thooge van de stad gezien had. Hij legde +weer in juichende woorden bloot zijne kinderlijke verwondering en +vermoeide zich al schokkend met zijn kort-dik lijf of al zwaaiend met +zijne armen, bij maniere van treffende bewijsvoering. Als ze beiden 't +spoor bereikten, hield hij op met tateren en lengde zich uit op zijne +teenen om zijn dochter te kussen. Hij dacht niet aan zijn zoon. Hij +dacht nooit aan iets dat buiten zijn wondere uitvindingen lag of dat +niet direkt-tastbaar aanwezig was. + +Hij riep van verre, wuivend met zijn neusdoek: + +--Daag!... Daag!... + +Tot de trein vertrok, bleef hij zoo, op den gelen weg, en Goedele, bij +'t weggaan, zag hem staan, rond uitkomend boven een roodgouden +klaverpartije, bollig en zelve rood. Zijn kleine armen zwaaiden +ommentweere en 't witte gevlaggel daarboven smeet overhand een schaduw +over zijn glanzenden krullekop. Anders was tallenkant de machtige zonne. + +Hij geraakte vlugge buiten zicht, en, in een hoek van 't coupe, zat nu +Goedele te mijmeren, omdaan van 't gelijke treingeratel. Een oude dame +zat rechtover haar, onverschillig turend het vensterruitje door, langs +de wegschuivende landouwen. Hare rimpelige handen, waarover 't geweld +gewoeld had van gansch een vermoeiend leven, rustten wijd van een, elk +op een knie. Een paar ringen, te groot voor de magere vingeren, hadden +een dooden schijn van doffe gesteenten. De minste waggeling der kussens +stiet deze vrouw naar links of rechts; maar, hoe zij ook overendweer +dommelde, hare blikken en roerden niet, aldoor starend over het +veranderlijke veld. + +Niets had Goedele dichter bij 't jonge verleden gebracht en haar zoo +meteen het pijnlijk gevoel ervan doen hervoelen als deze reis. Ze zou +haar broeder wederzien. Maar tevens wist ze de nadering te tasten van al +wat gebeurd was, gebeurd en stilaan in zoete vergetelheid weggesust. 't +Schoot alteenegare wakker. Naarmate ze doorreed, werden duidelijker en +scherper de leelijke beelden van haar zondige liefde, en de onrust, die +toch gedurig dof-diepe in haar binnenste roezemoesde, klepperde heel +bange op, soms met stooten haar kele toestroppend. + +En ze kon hare gedachten niet afwenden, langs een anderen vredigen kant. +Al keek ze met koppige aandacht naar 't verfrommeld wezen van de oude +dame, ze zag dat wezen niet--en sterk spookte in hare hersens 't zicht +van haar verloren vreugde. + +Ze probeerde dan zich buiten 't bereik van hare foltering te helpen met +spreken. Ze wilde eene lichte conversatie beginnen en zei blozend entwat +over 't liefelijke weer. + +--Een schoone oogst, niet waar, mevrouw? + +--Ja. + +De dame blikte even op naar heur, heel onverschillig, en draaide terug +naar 't verre landschap haar bleek gezicht. Goedele bleef in nog +pijnlijker alleenigheid zitten en voelde dichter zich door 't lijdelijk +verleden omringd. Dan gaf ze zich ten geheele over aan hare droeve +gepeinzen en herleefde achtereen al de dagen te reke, die hare liefde +hadden gevoed. Nooit had zij 't klaarder herdacht: de gebeurtenissen +lagen zonder nevel open voor haar. Ze zag ze worden en kruipen in den +tijd en te zamen bouwen het schrikkelijke ongeluk. Niets was omdoken. +Ze zag heel bepaald Wiezeken's ziekte, en haar bezoek bij 't zieke kind. +Ze had een poesjenel gekocht en ze had Johannes ontmoet.... + +Ze had Johannes ontmoet. + +En Wiezeken was bleeker geworden.--Hoe was 't gekomen? Wat had zij, +Goedele, daarbinst gedaan? Ze herinnerde zich goed dat ze Johannes +ontvlucht had.... + +Ze had Johannes ontvlucht. + +Maar Wiezeken stierf. Ja. Boven 't kleine beddeken zag ze zijne handen, +en zijne handen toetsten hare handen. Waarom was dat allemaal gebeurd? +Waarom was naderhand, in de half-donkere kamer, die stilte, gekomen, die +haar zoo nauw naast Johannes bracht? Ze was buiten haar gezonde zinnen +geraakt, niet waar? En Johannes ook. Dat was de aandoening van het +noodlot. In haar was iets lafs gekomen, lijk bij zieke menschen. In haar +had een oolijke geest een groote werking begonnen en ze had zich niet +verdedigd. Maar wie zou haar ook geholpen hebben? Daarom had ze zich +niet verdedigd, misschien.... Haar vleesch was betingeld en almachtig +had over haar geheerscht de Kwade, met zijn leelijk bedrijf,--en ze had +zich weerloos overgegeven.... + +Ze had zich overgegeven aan Johannes. + +Lange herdeed ze in gedachten heel 't onzeggelijk geneuchte van hare +liefde. Haar hoofd zakte lage op hare borste en dieper schoof haar rugge +langs de kussens van 't coupe. Ze werd de sjokkende rolling van den +trein niet meer gewaar. Hare vingeren sleurden willoos kantewaarts over +haren schoot en bleven zonder roeren van weerskanten, danig moe precies. +Het lederen taschje, dat aan haren arm hing, schokte tot tenden hare +voormouw en slibberde naast haar knie, waar 't stille wippelde bij elke +onregelmatigheid van de vluchtige vaart. + +Ze zat zoo, zoete verdoold in herinneringen, tot ze meteen rilde en hare +schouders angstig opstak. 't Was dat ze 't atelier herzag, het duistere +kamertje, en dan, na 't zondige portret van Mariette, de smertelijke +moeder en het droomende kind. Ze herleed de plotselijke breuke van hare +liefde. Ze hervoelde den afgrond waar ze heel dien tijd van passie in +verzonken was. Den afgrond!... + +De liefde!... + +Aldus was hare liefde geweest. Hare oogen werden nat. Eene subiete +wanhoop greep haar over gansch haar trillend lijf. Ze wilde loopen, +loopen, zoeken tallenkante, het huizeken zoeken, en de zachte kamer en +het blauwe bedde. Hare lippen bewogen en ze lengde hare kinne opwaarts +om te roepen, + +--Johannes! Johan!... Ho! Johan!... + +Ze schrok, en haar gezicht werd koud, en een traan, omlage wiegelend, +brandde er een gloeiende strepe. Ze bracht hare hand aan haren mond, +en bleef zoo, zonder geluid, zonder gebaar.... + +De dame tuurde lijk te voren door 't lawaaierig vensterken, en buiten +schoven nu de zware huizen en sombere schouwen der stad voorbij. + + * * * * * + +'t Was over. Langs de woelige straten ging Goedele en ze haastte zich +niet, soms kinderlijk aandachtig bij de uitstalling van een modewinkel +verwijlend. Ze vroeg zich niet af, hoe ginder bij Romaan en Madeleen nu +'t leven was. Ze tort onverschillig door en 't was zonder weten dat ze +bij plaatsen haperen bleef. Even zoo trage en gewillig als ze in Heysse +rondzwerfde, tort ze hier door. Ze dacht niet aan 't geld, dat moeder +haar had meegegeven, en ook het uitzonderlijk gedoe van moeder had haar +geen oogenblik opgehouden. Alle feitjes, die gezamenlijk den morgen en +den noene uitmaakten, 't waren feitjes buiten haar en ze leefde langzaam +daartusschen. Ze kocht een pakje snuisteringen voor tante Olympe. + +--Die goeie tante Olympe! + +Ze glimlachte; maar seffens waren hare gedachten anderzijds en ze stond +vol zorgen naar een keuze van kanten en borduursels te staren. Ze zei +bij haar eigen: + +--'t Wordt allengs tijd dat ik wat voor mijn huwelijk schik.... + +Ze kon zonder aandoening heel lang onderwege peinzen, al gaande, over +haar huwelijk. 't En was haar geen zeerdoend beeld. 't Zou een gewoon +voorval worden, lijk alle voorval geworden was om haar. + +Ze geraakte in de zwijgende steeg, waar Romaan woonde. Als de reuk van +den ellegoedwinkel nijpend in haar neus opschoot, voelde ze wel een +subiete leegte in haar herte, en ze moest een wijlken rusten op de trap. +Binnen huis was nievers geruchte. + +Ze klopte aan de deur en draaide zelve daarna de klinke open. Madeleen +zat in de keuken en Romaan stond bij 't venster een dagblad te +overkijken. Ze blikten alle twee te gelijk op en hun gezichte ontvouwde +zich tot een vriendelijken groet: + +--Kijk! wie daar toch endelijk is! + +--Dat is wel zusje.... + +Ze kwamen af naar Goedele en kusten haar warm, en ze bloosde al lachend. + +Ze voelde de taking van de zachte deugdelijkheid, die hier huisde, waar +niets koud of vreemd haar toescheen. Ze liet zich gedwee van haar hoed +ontdoen en seffens zaten ze gedrijen rond de tafel, gemoedelijk elk zijn +nieuws vertellend. + +Romaan was, lijk vroeger, opgeruimd en leutig. Niets van het droeve +verleden was op zijn blij gezichte nog te bespeuren, dan enkel een +kleine groeve midden zijn voorhoofd. Hij was weer kloek geworden en zijn +blikken weer zoo diep-verstandig, zoo vlug-schitterend. Hij bukte zich +over het tafelberd al sprekend, en tikkelde met zijne vingeren op +Goedele's hand. Hij merkte wel de moede treurnisse, die zij mee had +gebracht. Hij merkte hoe ze vermagerd was en hoe hare wangen, mat van +verve, de donkerte van hare oogen nog versomberden. Hij had medelijden. +Een blauwe ader sloeg uit op hare slapen. Hij wilde 't allemaal +wegbabbelen met plezierig getater. + +--Er is nieuws, hoor! + +Hij vertelde dat tante Olympe ganschelijk genezen was, sinds zijn +huwelijk, en dat ook hier het geluk teruggekomen was. Tante Olympe had +geen zorgen meer. 's Uchtends was ze de eerste uit het bedde, maar na +den noene moest zij er binst een uurken weer in. + +--Ze ligt nu haar uiltje te vangen. + +Tante Olympe had maar een verlangen meer: uit dees huis gaan en in +zonniger wijken wonen en een schoon keuken hebben met een verlakte +stove. + +--Djeezes, ja, die verlakte stoven! schaterde Madeleen. + +Tante Olympe sprak alle dagen daarvan. Ook had Romaan besloten dat hij +verhuizen zou. De woonste was hier anders zoo onuitstaanbaar niet. +Mariette zong niet meer, maar nu was Madeleen den ganschen dag door aan +het zingen. Goedele vroeg: + +--Mariette? + +--Ze is vertrokken daags na Paschen, niemand weet waarheen. Haar vader +is hier gebleven en alle veertien dagen krijgt hij geld. De bazin van +den ellegoedwinkel maakt zijn teele eten en snijdt zijne boterhammen. +Hij sukkelt zoo. Hij en sakkert noch en grommelt niet meer. 't Is +daarboven heel rustig, heel droeve geworden, maar Madeleen maakt +tegenwoordig leutig lawaai.... + +Madeleen was verlegen en boog haar hoofd, en, onder zotte +haarkrullekens, werden kriekerood hare ooren. Romaan begon luidop te +lachen. Hij stoop zich naar heur toe en fluisterde plagend: + +--Mag ik 't zeggen?... + +Ze schudde pruilend haren kop en pinkte een twijndraadje weg, dat over +hare mouw hing. Hij kittelde haar in haar nekke en lispelde zonder +genade: + +--Hee?... mag ik? Zal ik 't maar uitbellen?... Hij blikte schalks op +naar Goedele en pinkoogde snel. Dan rechtte hij zich en leunde +gemakkelijk met zijne ellebogen op de tafel. Hij likte lui zijne lippen +af, om Madeleen's lastigheid uit te lengen, en smakte trage. + +--Luister, Goedele.... + +Hij sprak dan lage, alsof 't een groot geheim gold, en een stralend +geluk verlichtte zijn gansch gelaat: + +--Madeleen zal.... weer moeder worden.... + +Hij schaterde 't seffens daarop uit, 't kamerken vervullend met vroolijk +rumoer. + +--Zoo word ik vader meteenent! Wat bloost ge, vrouwken? We hermaken ons +geluk, en daar we volgens alle regels getrouwd zijn, zal ons geen kwade +hand overvallen. Vraag 't maar aan tante Olympe! + +Tante Olympe kwam juist binnen en stond in 't deurgat te knikken. De +lange oorbellen bijsden tegen haar krage en de tjopkens van haar kaken +droegen den sterken blos van vroeger. + +Ze zette zich in de ronde neer en 't werd nu een gezellig samenzijn. +Madeleen schonk de koffie en spreidde 't hagelwitte ammelaken. De +kommekens rinkelden en dampten geurig, en elkendeen wist met leutig +gekout de gaande uren genoeglijk te sieren. Hoe ras vloog omme de blijde +tijd! Niemand zag de ruiten verbleeken en noescher zich uitrekken de +schaduw tallenkant! Tante Olympe vooral had danig werk met vertellen, +en ze gooide zoo aardig alle voorvallen harrewarrig dooreen, nievers een +leemte latend, waar de stilte kon binnenkruipen en rusten. + +--En mijnheer Johannes, waar zou die nu zitten? + +Goedele beet gauw op hare lippen om hare ongedurigheid te bemeesteren, +en ze liet zwijgend Romaan uitleggen hoe Ameye sinds de mededeeling van +zijn huwelijk met Madeleen het huis verlaten had, en hoe hij kort daarop +vertrokken was naar Duitschland. Goedele viel hem gejaagd in de rede: + +--Voor ... hoelang? + +--Hij is weg. Hij heeft mij geschreven dat het kunstenaarsleven in +Belgie onmogelijk was en dat hij zijn vaderland verliet om meer +dankbaarheid in den vreemde te vinden. Hij doet wel. Ons landje is in +waarheid voor artisten een streke zonder uitkomste. We zijn te arm of we +zijn te dom. In Duitschland zal Ameye zijn weg banen, en dan hooren wij +nog wel spreken van hem. Hij was goed voor ons. Hij was een warme +vriend. + +--Hij blijft ... ginder? + +--Ja. + +Madeleen bracht een schotel met snuisteringen op tafel, en Goedele +herinnerde zich meteen dat ze wat suikergoed voor tante Olympe in haar +taschje gestoken had. Hare handen beefden rijzekens, binstdat ze het +blauw-gestrikt pak overreikte en ze lachte zonder de heete natheid weg +te krijgen uit hare oogen. Wat scheelde haar Ameye's heengaan? 't Was +zoo best. Ze overtuigde haarzelve en dwong haar eigen 't geluid van +onverschillige woorden op. Ze dacht: + +--Het is zoo best. + +Maar, al had ze Johannes sinds lange vaarwel toegezegd in alle haar +gepeinzen en al was ze hem niet dankbaar, hem, die haar gegeven had wat +ze niet kon behouden, toch was haar zijn verre aftocht een onverweerbare +emotie. Het was haar als de plechtige onherroepelijke staving van haar +gebroken liefde. Ze had wel geen liefde meer, en het kon haar dan ook +niet deren dat hij, de liefde en de schuld, zich voor altijd verwijderd +had.... Spijts alles, deed haar deze verwijdering zeer. Het was lijk een +graf, dat men ommedelft en vernielt. + +Romaan wist nog meer. Hij was vertrokken heel alleene, en zijne vrouw +was bij hare ouders in Engeland, met haar zoontje teruggekeerd. Goedele +had een droeven uitroep: + +--Ha! het was een zoontje.... + +En Romaan keek subiet verwonderd op, plots zwijgend en nadien gretig +zijn koffie opslurpend. + +--Weet ge wanneer hij vertrokken is? vroeg Goedele. + +Hij zette onvoorzichtig zijn kommeken neer en zei kort, in schijn geen +acht gevend op zijn woorden: + +--Daags na Paschen. + +--Daags na Paschen? + +Zij schrok en zag in haar geest het zotte gezicht van Mariette. Waar was +Mariette naar toe? + +Romaan merkte dat ze schrok en dat hare vingeren over het tafeldoek +koortsig aan 't peuteren gingen. Hij keek dan strak en hard in hare +oogen, speurde er de vergeefs bedwongen aandoening, en zijne hand +grabbelde met een reik naar heure hand. + +--Goedele! + +Ze blikten altegelijk op naar hem. Zijne wenkbrauwen schoven angstig +omhooge, alsof hem iets heel wreeds trof, iets dat niet te gelooven was +en zich zonder waarschuwing had vastgeankerd in zijne hersenen. Maar +Goedele stond rechte meteen en schokte weg in een luidelijk geschater. +Ze ging leunen tegen 't raam om beter haar koortsigen lach te verdragen +en ze bukte zich bijwijlen, neergeduwd door onverklaard pleizier. Ze +giechelde: + +--Neen! dat is een lol, broer!--Nu wordt ge--grappig! Zeg eens--zeg eens +wat ge denkt.... Nu zult ge leute hebben, menschen.... Ferm! + +Tante Olympe had reeds pleizier op voorhand en lachte mee. Romaan zat +beteuterd rond te zien en Madeleen krulde, halvelings glimmend, haar +lippen omme. Goedele merkte dat ieder begrepen had, en grijnsde: + +--Gek, hee! Maar hoe komt hij eraan!... + +--Ja, hoe komt hij daaraan! + +En niemand zei in woorden wat hij dacht, omdat de zake zoo gevoelig zich +voordeed, en ... ja, omdat 't allemaal toch zottigheid was. 't Geval +hing echter tegenwoordig in 't geluchte aan het groeien en, al sprak men +verder over kleine dingetjes, 't bleef daar hangen en alle gepeinzen +kwamen 't gedurig taken binst zijn groei. + +Als later Goedele veerdig stond om huiswaarts te keeren, klonken de +groeten hard en menig, zonder de lieve innigheid, waarmee ze bij haar +komste omwonden waren. Ze ging de trap af en zag de drij gezichten in de +donkerte van 't deurgat knikken op haar. Ze bepeinsde zich een wijlken, +wenkte dat tante Olympe meegaan zou naar beneden en stopte haar moeders +geldbeurze in de hand, fluisterend: + +--Dat is voor de verlakte stove! + +Ze liep de strate langs, die in den voor-avond heel rustig en geluidloos +was, en ze geraakte gauw binnen de ruchtige stad. Ze zou zich haasten om +nog den vroegsten trein te treffen en dan voor Sebastiaan thuis te zijn. + +In haar hoofd kruisten, ondereen in woelige wanorde, hare nieuwe +gedachten. Ze beredeneerde haar minste gewaarwording en wist endelijk, +buiten alle angstigheid of driften, een uitlegging te vinden voor elk +gevoel. Johannes was vertrokken, en zijn vrouw, zijn kind waren +vertrokken. Ze zou ze nievers onverwachts ontmoeten en ze kon nu stille, +zonder stoornisse, de zoete vergetelheid laten zinken over alles. Wat +baatte het verder te treuren? Alles was goed. Kwam niet, na zooveel +ongeluk, de heilzame vrede in Romaan's huisgezin weer? Wiezeken was +dood. Wat baatte het verder te treuren? Daar zou een nieuw kind komen. +Johannes was weg. Daar zou een versche genegenheid haar herte van alle +wanhoop verwijderd houden. Zij moest meehelpen, meebouwen hare toekomst +en niet machteloos wegzakken in 't onveranderlijk verleden. Sebastiaan +was braaf en edelmoedig. Hij zou haar omringen met zijne gewillige +dienstveerdigheid. En de heerd zou warm worden. Ze glimlachte en +peinsde: + +--Wat ben ik dwaas! + +Ze besloot hare zwakheid te overwinnen en hare oogen voorgoed van hare +herinneringen af te wenden. Ze zou zich met koppigheid losrukken en +niets meer betreuren, wat toch niet te verbeteren viel. + +--'t Wordt eene onuitstaanbare dwingelandij! Ja, zekerlijk. Ze zou dien +last afwerpen van hare schouders en aandachtig alles schikken voor 't +nieuwe leven, dat aanving. Ze moest alle dingen bekijken langs den +voordeeligen kant en niet gedurig de afwezigheid beweenen van wat ze +eens, toevallig en buiten recht, bezeten had. Ze moest Sebastiaan leeren +kennen. Ze kende hem niet: hij was haar onverdraagbaar geweest, omdat +hij Johannes niet was. Nu echter zou ze hem van dichtebij beschouwen en +zijne schoone deugden bewonderen. En hij had haar lief. Hij zou haar +vele doen vergeven, dat hij niet laten kon. Te gare zouden ze endelijk +brave geneuchten beleven en hun huizeken voelen teenemaal lauw worden +van eender geluk. Saam zouden ze Romaan bezoeken, en Romaan zou met +Madeleen ook bezoek brengen. En later zou ze aan haar broer teruggeven, +wat moeder hem ontnomen had.... + +--Moeder geeft 't hem misschien vanzelf.... Ja, zekerlijk. En vader zou +insgelijks inniger een figuur worden in haar leven. Ze beloofde, met een +zacht medelijden, dat ze hem het wonder elektrisch tuig zou aankoopen, +waar hij met zoo sterk een begeerte van gesproken had. Den ouden Rik +moest ze tevens genegen zijn. Ze zou hem zijn zotte grillen laten +bewaren en al eens heimelijk een blinkenden knop in zijn bereik gooien. +Ze zou hem niet naloeren, als hij 's nachts zijn povere rijkdommen ging +bewonderen en bepootelen. Hij zou gerust sterven, zonder gestoord te +worden. + +--We doen wij allemaal dwaas, en we moeten genadig zijn.... + +Ja, zekerlijk. En ze zou ook moeder onvoorwaardelijk involgen. + +Ze voelde dat tegenover moeder haar grootste ongelijk was. Ze had moeder +verraden en ze moest in de toekomst alles boetveerdig weer goed maken. +Ze zou moeder gehoorzaam zijn en maar doen wat ze soms zoo wild +verlangde. 't Zou altemets lastig zijn, dat stekelig cijferen en hoekig +handelen met geld. Maar moeder zou 't op een ende zelf opgeven. 't En +was niet meer dan een tijdelijke grilligheid, en later zou ze ook de +vlakke vrede benaderen, met Sebastiaan en Romaan, altegare onder de +zoetige lampe. + +Goedele liep even nog een pasteibakkerij binnen en bestelde met de +gauwte een potje chocolade en een rhumkoekje. Het was in leutige +opgeruimdheid dat ze hier was ingedreveld, en ze zette zich neer, met +kinderlijke gretigheid wachtend. Ze at gulzig en de reuk van den drank +speelde aangenaam in haren kop. Ze had zich, peinsde ze, zonder +weerkomste uit het leelijk verleden geworsteld. Ze jubelde binnenzijds. + +--Wat ben ik blij! + +Al kriebelde nog ievers een bijzondere angstigheid ... Want een gevaar +kon opdoemen binst de dagen, die over haar versche leven varen moesten. +Ze had een vagen schrik, zonder dees onzeker gevoel te kunnen uitleggen. +En toch, algelijk, ze had vertrouwen en ze slurpte met plezierige +slokjes de welriekende chocolade op. De oude dame, die ze op den trein +gezien had, tort den winkel binnen. Goedele had een dwazen afkeer en +werd onpasselijk precies. De rhum wipte opwaarts in haren neus, en het +docht haar dat hier subiet 't geluchte bevangen werd. + +Ze stond recht en wilde heengaan. Maar eene loome zwakte verlamde hare +beenen en ze wankte, tewege voorover neer te storten. Ze geraakte buiten +en de volle lucht verkwikte haar niet. 't Was alsof de lauwe geur der +pasteien standvastig ommewolkte en misselijke walmen opjoeg uit hare +maag. De menschen, die voorbijgingen, grauwden te saam weg tot +schuivende nevelen en bijwijlen flitste, daar te midden door, de groene +verven van een tramwagen. De lanteerens werden aangestoken en ook uit de +ruiten der winkels viel een geel-rood licht, dat met de blauwe klaarte +der hemelen te strijden begon. Alles klaterde ineen en streepte te lore +met den gang van het woelende volk. Ze wist niet wat haar overviel. Ze +was lijk verslagen en een onzeglijke foltering snoerde haar kele vaste. +Ze stamelde: + +--O God! Ho-o-o!... + +Ze kwam onder de boomen van een square en moest zich haasten om een bank +te bereiken. Ze zakte thoope en hare knieen bibberden, rijzekens +kluppelend tegen mekaar. Ze voelde dat ze uitermatig bleek was: haar +gezichte was hevig gespannen en iets smertelijks duwde de hoeken van +haren mond neerwaarts. Hare gedachten strengelden dooreen en haar hoofd +ronkte lijk een leege kasse.... + +Nu voelde ze meteen de bepaalde pijn.... Ze bukte zich om haar leed weg +te wringen en joepte dan gejaagd op. Hare oogen blikten verwilderd rond +en hinkend drilde ze vooruit, dronken van overgroot verdriet. Ze beukte +tegen de menschen en, zonder ommezien, zwengelde verder door. Op de +brugge, voor 't zacht-klotsende water, bleef ze staan. Ze lei hare +handen nevenseen op de ijzeren leuning en tuurde zinneloos naar den +glinster-grauwen vloed. Wat was dat daar diepe en zoete! Ze voelde zich +meegetrokken, gelokt door de streelende vrede, die hier beneden lag. +Ze krampte zich aan de leuning vaste. Ze knikte, alsof ze den roep van +verre wenken beantwoordde, en ze hoorde boven 't rumoer van de stad, +de aaiing van een liefelijk geluid: + +--Voort!... voort!... voort!... + +En ze knikte. Wat was dat daar diepe! En boven, langs de straten, wat +een ongeduur en wat een martelie! Haar asem hikte in haar boezem en hare +vingeren begonnen te voelen 't geweld, dat haar lijf boven de balie zou +heffen. Ze prevelde onduidelijke woorden, nadien drijmaal ja zeggend, +mee met het besluit, dat hare hersens bemeesterde.... En voller klonk al +ginds, en dichte, en allentwege, het liefelijk geluid: + +--Voort! voort! + +Maar ze liet plots de leuning los en vluchtte tusschen de veilige muren +der huizen, nu snikkend en stotterend: + +--'k En mag niet! 'k En mag niet! + +Hare tranen rolden onophoudend over haar gelaat, en haar borste schokte +zeerdoende omhooge. Ze zag niets meer. Ze hoorde niets meer. Ze wilde +zich alle oogenblikken laten neervallen. 't Kwam haar dan voor dat de +menschen haar mochten taken, en ze was beschaamd dat men haar taken zou. + +Ze stond meteen voor 't station. + +Een tijdeken bleef ze nog aarzelen en ze wist geen wil om haar doening +te leiden. Endelijk stapte ze binnen, terwijl ze hare oogen met haar +zakdoek droog wreef. Ze zou niet laf zijn. Ze zou heel simpel lijk +zeggen: + +--Bastiaan, ga weg. Ik ben verdomd.... Ik heb een kind. + +En ze meende daarbij: + +--Hij zal me vermoorden.... + +Die gedachte deed haar deugd. + + + * * * * * + + +XVI. + + +Als ze thuis kwam, vertelde haar Justa dat Ursule in den valavond zieker +was geworden en aldoor maar vroeg waar hare dochter was. Goedele +herkende 't huis niet meer; al de kleuren hier waren haar vreemd en 't +was alsof ze voor 't eerst deze zaal zag, en deze stoelen, en deze +tafel. Gedreven door 't geweld van haar eenzijdig besluit, wilde ze +seffens Sebastiaan zien. + +--Waar is Sebastiaan? + +--Hij komt pas na den eten, juffrouw. + +--Ha, zoo ... na den eten.... + +Ze wist niet of ze straks nog moed zou hebben. Ze wilde aan Sebastiaan +alleen bekentenisse doen, en 't was nu spijtig dat ze voor hem +aangekomen was. Sebastiaan moest de eerste het ongeluk vernemen. + +Trage tort ze de trap op en duwde de deur open van moeders slaapkamer. +Ze keek niet zijwaarts. Ze merkte niet hoe plotseling Ursule zich +overend oprechte uit de bleeke sargien. Ze stapte naar den hoogen +spiegel, en deed haar hoed af, en schikte peuterig, zonder aandacht, +heur haar. Ursule stamelde: + +--Maar wat zijt ge van zin? + +Ze keerde zich omme en knikte, naderhand zich bekommerend: + +--Hebt ge meer zeer, moeder? + +--Ja wel, in mijn beenen.... Kom hier! + +--Ik kom. + +Ze naderde. Ze lei hare hand op het kussen en Ursule vatte die subiet, +koortsig vragend wat er met de beurze gebeurd was. + +--Met de beurze? + +--Ja.... Ik hadde u niets moeten meegeven--of een kleinigheid. Heb ik u +waarachtig al dat schoone geld meegegeven?... Och Heere! ik weet niet +goed meer. Wat gaf ik u mee? + +Goedele herinnerde zich maar halvelings en ze fronste hare wenkbrauwen, +zoekend in haren geest. Op een ende viel ze uit: + +--Ha! de verlakte stove! + +--Watte? Ik gaf u twalefhonderd.... + +--Zekerlijk. 'k Herinner me nu. Ze waren in een fluweelen beurzeken. +Weet ge niet of Sebastiaan nog lange zal wegblijven? + +--Twalef honderd.... Wat brengt ge terug? + +--Maar, moeder.... + +--Wat hebt ge gekocht? + +--Wacht even.... Ik heb gezeid: Dat is voor de verlakte stove. + +--Ge wordt krankzinnig! Wat bleef er over? + +--Niets. + +Ursule viel in de witte lakens weg en sloot hare oogen. Ze hief hare +handen op en deed, heel droeve, teeken dat niemand meer naderen zou. +Terzelfdertijd roerde een snik in hare keel en voor de eerste maal zag +Goedele een traan van innig lijden tusschen hare beloken wimpers te +voorschijn dringen, stralend opzwellen en wegrollen over hare slapen. +Moeder weende. Goedele fluisterde: + +--Moeder weent.... + +Het maakte een zonderlingen indruk op haar en ze verwijlde met vage +gepeinzen om het zeldzaam geval, terwijl ze heenging en in de eetplaats +stapte. Ze zei 't aan vader, die reeds bij de tafel heel rustig zat, +blij omdat Ursule hem niet beloeren zou onder 't eten. Ze klopte op +zijnen schouder en fluisterde: + +--Moeder weent.... + +Ze wees met haren vinger naar de zoldering. Hij keek verwonderd op en +merkte de matte bleekte van haar gezicht, de blauwe holten onder hare +oogen. Hij wist niet wat te zeggen, en hij voelde nu heel sterkelijk dat +zijne dochter leed. Hij stond rechte en vatte hare armen, en over zijn +bolle gelaat grijnsde een bange onrust. Hij blikte strak en benauwd in +haar wezen en vroeg: + +--Wat is er, mijn kind?... Wat gebeurt er, mijn kind?... mijn kind? + +Hij werd zoo innig gewaar dat het zijn kind was, en bibberde van binnen, +aldoor zeggend het woord, dat zoo helder opklaarde in gansch zijn +vleesch. + +--Mijn zoete kind.... + +Hij streelde haar en dwong haar neer te zitten, nevens hem, en gedurig +vroeg hij wat er scheelde. Goedele liet hem gewillig begaan en +geleidelijk kwam een zware melancholie over haar. Ze meende, al omdoende +haren vader met een liefderijken blik: + +--Ik heb u miskend! + +Dat was de waarheid, 't werd haar nu duidelijk. Het docht haar dat ze +hem te lieven begon op dees oogenblik--en dat op dees oogenblik ze hem +verlaten moest. Ze staarde naderhand een pooze naar de vlamme van de +lampe, waarlangs een lichtgierig pepelken rond en omme vleugelde. En ze +sprak droomend, langzaam haar zinnen drijvend op gelijke tonen: + +--Het ware zoo zoete geweest--een huis met een spelend vuur, al muren en +al kamerkens, en daarover een veilig groot dak! Ik zou er allentwege +gemakkelijke stoelen geplaatst hebben, kussekens en donzige leuningen, +opdat niemand zich bezeeren mocht. Het zou een woonste zijn van eerbied +en genegenheid. Niets zou er storen de goesting van Sebastiaan, noch de +goesting van vader en moeder.... + +Albien beluisterde haar en seffens was hij weer vol begeesterend +geneuchte. En hij liet zijne oogen opflikkeren van leute en knikte: + +--Dat zal een geluk zijn! + +Goedele lachte treurig: + +--Ja, een geluk en een vrede. Ik had het zoo gepeinsd en zoo was nog +mijn eenig verlangen. Ik deed het niet voor mij, maar het zou mijn +wroeging stillen. Zie! Samen zouden we spelen, en dat elektrisch ding +... al wat u begeerlijk is, 't zou 't onze zijn. Daar zijn zoo schoone +dingen in de wereld, vader! + +--Zekerlijk, zekerlijk. + +--Onze tuin is zoo schoon ... en al wat er te bloeien staat en te +fleuren ... en dat pepelken daar, pover dierken zoo wonderlijk ... +'t bijst om ons klaarte.... + +Albien stak ook zijn hoofd ernaar en hij vond 't ook heerlijk, en zijne +kinderlijke rustigheid herkwam. Goedele sprak stiller: + +--Zoo zou ons leven geweest zijn, allemaal in minzame eendracht vereend, +al onze handen te gare, en we zouden alles mooi vinden rond ons.... +Ik had het zoo gedroomd, na de ervaring, die 'k beleden had. + +--We zullen 't zoo doen.... + +--Doen! Doen! Ik heb gerekend zonder het noodlot. Ik heb gedacht dat +alles ophield--als ik ophield. Maar 't Kwade Bedrijf loopt door, loopt +verder. Ik kan 't niet meer tegenhouden, ikke, die de oorzake ben. Ik +val nu ook, getaakt door 't gevoelloos geweld, sterker dan ik, waaruit +het geboren werd.... Wat kijkt ge me zonderling aan, vader? + +--Ik weet niet.... ik weet niet goed.... + +--Geef me een zoen. + +Hij naderde haar en nam haar hoofd in alle bei zijne armen en kuste haar +op hare wangen. Hij begreep niet wat gebeurende was, hij werd alleen +gewaar de voorbereiding van een ongewone daad, en het deed hem deugd dat +hij zijne verlegenheid wegduiken kon in eene warme omhelzing. Goedele's +haar kriebelde om zijnen neuze en zijne wimpers werden nat. Hij zei +terwijl hij weer neerzat onder 't lampelicht en zijn traan wegpinkte, +lachend, verlegen: + +--'t Is van de jeukte.... + +Ze lachte mee en ze vroeg nadien, of hij zijn schoon huisje nog eens +wilde uithalen en de popjes doen dansen. Hare stemme beefde: + +--Om mij plezier te doen. + +Hij liep seffens in de voorkamer en kwam met de dooze terug. Hij +scharrelde de tellooren aan kant, spreidde het ammelaken profijtelijk +open, en bracht zijn wonder speelgoed te voorschijn. Zijne oogen +fonkelden van vreugde en fierheid. Zijne vingeren waren koortsig te +werke, ijverig in overgedienstigheid, en zijn tonge puntelde eventjes +in 't hoekje van zijn mond. + +Het Zwitsersch huizeken stond daar met zijn blauwe dak en zijn groene +luiken, zijn sierlijk portaal en de popjes. Hij stak den sleutel in de +mekaniek en draaide het ratelend tuig op tot de kleine klokke +binnenzijds klonk. + +--Ha! zei hij. + +Hij leunde achterover om goed 't effekt van het schouwspel op te nemen +in zijn aandachtigen kop, en het spektakel ving aan. Het wijveken +schokte eerst omhooge en seffens daarna joepte ook het manneken los. +De beiaard tikkelde met zijn luttel gespeel van bellen, en de stijve +dans begon. + +--Hoe schoone! + +--Hoe ... schoone!... zuchtte Goedele. + +Ze zat in de halve donkerte, achter Albien, en ze beloerde hem. Haar +gemoed kwam vol en ze zou weer stille aan het weenen vallen, aldoor +kijkend naar haar vader. Hij jubelde van blijdschap. + +--Dat zijn dingen! Dat zijn dingen! Hoe maken ze 't? Hoe komen ze aan +'t idee? + +En de beiaard rinkelde zoo aangenaam, lijk dropkens in een welluidend +water--en de popjes huppelden snokkig en op mate--en heel die doening +was zoo djentelijk.... + +--Hoe brengen ze 't aan mekaar? + +Goedele voelde gestadig de heete groevekens van hare tranen en staarde +met wijd-open oogen naar hem, die daar te leuteren zat, zonder +kommernisse, zonder zicht op 't huiselijk ongeluk. Een hopelooze smert +wrong haar herte thoope, en ze deed haar eigen zeer om stille te +blijven, stille bij vaders jubelend plezier. + +Zoo stille bleef ze. Als de pijn haar asem forsig wegstiet door haar +kele, versmachtte ze het eendelijk geluid onder de helle klatering van +een hikkend lachen. Dan was vader uitermatelijk voldaan. Hij wipte op +zijn stoel, een prettig gezichte zettend: + +--Ai! 't valt dood! + +De klokskens klepten tegare uit op een grondelijk akkoord en dan was er +een groote stilte. Rijzekens flodderde hoorbaar in 't geluchte het +werkzaam gedoe van het zotte pepelken. + +Sebastiaan stond wachtend in het deurgat en vroeg oolijk, een ongewonen +klank leggend hier, waar 't zoo innig trilde van gezelligheid: + +--Mag ik nu binnen? + +Goedele schrok en rechtte zich. 't Kwam her klaar en sterk in hare +hersens dat ze tegenwoordig handelen moest. Ze ging op hem af, en hij +reikte zijne hand naar heur. Ze schudde haar hoofd en deed teeken dat +hij haar volgen zou. Ze stapte stokkestijf. Hare knieen plooiden haast +niet en hard klopten hare hielen tegen den vloer. Ze sprak niet. Haar +hals lengde zich paalrechte boven hare schouders. Hare armen hingen +roerloos langs haar lijf, dat matelijk voorwaarts schoof. + +Sebastiaan zag haar zwijgend over den drempel terten, bijkans zijn veste +raken en voorbijgaan, zonder een blik. Hij volgde haar. Hij begreep dat +ze hem over ernstige zaken te spreken had. Hij gooide zijn hoed op een +stoel en volgde haar. Hij had een wrevelig gevoel. Goedele's breede +rugge, zonder een buiging voortschokkend, werd hem lijk de +ondoordringbare effenheid van een gevaarlijk geheim. + +Ze stegen langs de trap en, moeders kamer voorbijgaande, fluisterde +Goedele: + +--Zoetekens.... + +Ze bereikte hare eigen kamer, stak algauw 't licht aan, bad met een +korten wenk dat hij zou binnen komen en wees hem een stoel. De klaarte +pletste tallenkante rond en, langs de spleet van de deure, viel in een +lange strepe over den drempel op den donkeren vloer van den gang. + +Ze zetten zich neer. Ze waren precies verlegen en 't was alsof ze meteen +wijd verwijderd waren van malkander, beschaamd voor hun samenzijn. +Sebastiaan ried dat geen luttele woorden in deze schrikkelijke stilte +zouden vallen, en hij dierf niet zeggen: + +--Wat is er? Wat maakt u zoo bleek en lijdelijk? + +Hij merkte dat ze bleek en lijdelijk was, maar hij was halvelings bang +voor de reden. Hij wilde de nadering van die reden niet verhaasten, +omdat zijn benauwd gemoed er al de pijnlijke gevolgen van vreesde. Heel +vaag zag hij entwaar de schaduw van een ongeluk. Hij zweeg. Zijn magere +handen lei hij op het tafelberd en hij wachtte zoo. + +--Bastiaan, zei Goedele, Bastiaan, ik had u al lange moeten bekennen ... +al lange, daar niets te bergen is en alle kwaad in voortdurige werking +doorwoelt ... al lange, ja, bekennen, bekennen.... + +Ze had besloten heel simpellijk bekentenisse doen; ze kon echter niet. +Ze had den moed niet daartoe: zoo onwetend en buiten alle leelijke +verdenkingen zat daar Sebastiaan, en zijn gelaat had seffens zoo angstig +een uitdrukking, dat ze een brutale uitlegging niet te boven kon. Ze +wilde schipperen en toch tot een eigen direkte beschuldiging en geraakte +ze niet. Ze zweeg een oogenblik. De woorden wisten niet tot eene +oprechte verklaring saam te smelten. Ze werd dan heel klein en laf. Het +speet haar dat ze nog hier levend was, dat ze niet de aanlokking van het +glinsterende water beantwoord had, ginder, ginder.... Alles ware nu +volbracht: men hadde 't een ongeval genoemd. Ze stamelde, week wordend: + +--Och Heere! hoe moet ik dat uitbrengen!... + +Ze wilde wegloopen, de velden over, tot ze neerstorten zou, in +doodelijke alleenigheid, den veiligen dood nabij. Ze hervatte zich met +groote moeite en bedwong hare zwakheid. Ze smeet hare zoekende gezegden +ondereen, soms gebroken door ongelijk gehijg: + +--Laat me zeggen.... Ik heb u hier ontvangen, ik heb al gedaan wat in +mijn machte was om u toe te lachen, om u genegen te zijn en uwe liefde +niet van mij af te wijzen.... Helaas! ik was uwe liefde niet weerdig. +Ik had een verdorven ziel en mijne zinnen verlangden de woeste streeling +van zondigen minnehandel.... Schrik niet! Maak me niet benauwd. Ik ben +schuldig, maar medelijden heb ik noodig.... Ik heb u ontvangen, en +bedrogen heb ik u naderhand! + +Hij stond recht, heel bleek, en vroeg: + +--Wilt ge openhertig spreken? + +Maar ze zocht uitvluchtsels om hem de waarheid minder hard te maken: + +--Ge moogt me niet stooten en bezeeren. Ik wil tot het ende alles +zeggen. Ik wil dat ge van zelf, doch zonder haat, weggaat van hier. + +--Ik begrijp u niet. + +--Peins dan niet meer op mij. Ik heb u nooit geerne gezien, en Bella +alleen ziet u geerne ... ja, Bella, het arme kind.... Waarom moest ik u +mij onttrekken en u verwijderen van haar? Ik was laf. Bekijk me zoo +droef niet. Zeg niets. Laat mij doorzeggen. Zeg niets, Sebastiaan.... + +Ze deed een trage gebaar met hare hand, precies om hem zachte af te +weren, en sloot hare oogen. Nu was 't haar meer duidelijk geworden en ze +kon in de donkerte beter hare gedachten nagaan. Haar stemme daalde: + +--Ik heb gedurende weken en weken durven spreken met u, durven antwoord +geven op uwe woorden van liefde. Ik heb zwijgend en misdadig uwe +genegenheid gevoed. Ik heb zwijgend uwe droomen spijze gegeven. Dat heb +ik zwijgend gedaan. De blik, dien ik u toewierp, was schijnbaar rein.... +Rein! Rein! O kon ik nu verzinken! + +Ze opende fluks hare oogen, boog zich en joeg seffens gichtig hare +woorden achter mekaar: + +--Luister. Ik heb Sebastiaan beleedigd. Ik heb gespot met Sebastiaan. +'s Avonds zat ik schuchter nevens u, en over dag lag ik in andermans armen! + +--Goedele! + +Ze viel neer op haren stoel en bracht hare handen over haar wezen. Een +zware stilte hing in de kamer en de vlamme kraakte daarin heel gewichtig +op, boven de lampe. + +--Goedele! + +Hij kon de zwijgende stonde met zijn heeschen kreet niet overwinnen. Een +ongenadige zwaarte woog op zijne borst en hij voelde zijn longen eronder +vernauwen. Hij snakte naar zijn asem. Toorn en smert scheurden zijne +hersens vaneen en hij wist geen daad aan te vangen: een straffe of een +afkeer.... Hij wilde dan verder weten. + +'t Schorde in zijn keel: + +--Met wien?... Zeg me met wien?... + +Ze antwoordde niet. Het licht begon te schemeren voor zijne oogen, +te waggelen ommentweer en donkere wolken rolden opwaarts uit purperen +kuilen. Hij deed een stap, en vatte woest haren arm, en smeet haar +geweldig tegen het tafel berd. Zijn mond viel in een grijns open om +'t leelijke woord neer te spuwen, dat brandde op zijn tonge. + +Ze keek heel zoet op naar hem. Ze had een blik vol dankbaarheid. Ze +wachtte gedwee de slagen van zijne gramschap. Dan week hij tot tegen den +muur, rukte zijn halsboordje los en hijgde vrijer. Hij stond moedeloos, +verplet, verloren. Hij vroeg: + +--Is 't waar? + +Ze knikte en hij liet zijn kinne neerstooten op zijn borst. Hij draaide +zich kantewaarts naar de deur en tort trage erheen. Hij zei en de klank +van zijn woord was onherkennelijk geworden: + +--Vaar-wel.... + +Ze vermocht uit haar gansche macht niet hem antwoord te geven. Hare +lippen werden wit en mat. Ze lispelde onhoorbaar: + +--Vaar-wel.... + +Hij hoorde 't algelijk, en zijn bloed deed een schrikkelijken ommezwaai +door zijne leden. Hij reikte zijne hand naar de koperen klinke en +grabbelde ernaar. Eene koude rilling kroop over zijn rugge en zijne +beenen zakten tegeneen. Hij kon niet weg. Hij kwam terug en viel +snikkend aan hare voeten. Hij prangde haar vast en bad: + +--Jaag me niet hieruit, jaag me niet buiten u!... Niet waar? Het zijn +kwalijke verzinsels.... Ge overdrijft immers! Ge zijt niet slecht! +Ge zijt schoon, ge zijt schoon! + +Ze weerde zich zachte los en had een hopeloos gebaar. Zou ze alles +moeten zeggen en haar ten geheele bloot werpen aan zijnen afkeer? +Hij smeekte: + +--Ik geloof u niet! Maak me niet zinneloos, Goedele! Zeg me dat ge weer +braaf zijt. Hebt ge geleden? Alles zal ik u doen vergeten. Daar is tegen +ons geen weerstand, die we niet breken zullen. Ik zie u geerne. Ik zal u +altijd geerne, geerne zien.... + +Ze hief zich uit gansch hare lengte op en fronste hare wenkbrauwen. Ze +zou spreken. Ze zou den laatsten slag hem toebrengen en zonder deernisse +slaan. Ze voelde dat ze 't alaam geworden was van het noodlot. Ze zei: + +--Ik mag niet.... Ge moet weg, weg ... weg.... Ik ben bezoedeld.... +Ik,--ikke.-- + +Hare oogen bleven plots wijdopen en verwilderd staren naar de deur, en +haar kinne begon subiet te beven, zodat hare tanden klopten over mekaar: +op den drempel stond Ursule. Ursule, als eene doode zoo bleek, stak hare +armen vooruit. Haar witte nachtrok plooide in rechte vouwen omlage en ze +was aldus grooter, vreeslijker dan ooit. Vierkantig spookte boven hare +breede schouders haar schrikkelijk aangezicht. Ze riep: + +--Hee-la! + +Ze naderde, en dof dreunde elke stap op het vloertapijt. Ze leunde tegen +den muur, vatte overhand de stoelen en geraakte tot aan de tafel. Ze rok +haren groven hals uit naar heur kind, en een bovenmatelijke haat omdeed +haar ganschelijk. Ze reikte stuipachtig hare handen en vingerde koortsig +in de leegte, reutelend: + +--Hier! Hier, prije--en zwijgen! + +Ze bekeek vluggelings Sebastiaan en riep hem: + +--Ze liegt! + +En weer scharrelde ze voorwaarts, grijpend naar Goedele, te wege neer te +stuiken over haar. Ze kreet: + +--Zwijg!... Ha-a-a! ik zal u leeren, ik zal u beteren, ik zal uw tonge +wegduwen in uw rompe.... + +Ze zag dat Goedele week en geweld deed om te spreken; gedurig tastte ze +gretig ernaar om haar vaste te pakken en te temmen. Ze was buiten zinnen +en sleurde haar lamme beenen of stekte ze stokkestijf naar voren. En +niets zou haar tegenhouden: ze wilde haar dochter de kele toenijpen om +haar het spreken te beletten, en driftig, kwaad om hare eigen +traagzaamheid, volgde ze dien wil. + +Als Goedele tegen de kasse aanstiet en niet verder meer wijken kon, brak +meteen haar benauwde angst. Tegenover moeder en tegenover Sebastiaan, ze +moest spreken en ze zou. Ze hakkelde: + +--Laat me.... + +Ze drong thoope, veerdig voor alle straf, stiet haar hoofd achterover en +zei: + +--Ik ben zwanger. + +Ze zag het lijf van Sebastiaan pijnlijk opschokken en het witte kleed +van moeder een grooten armzwaai uitbreiden in 't geluchte. Zonder een +woord, met een luidelijken slag, stortte Ursule neer op den vloer. + +Albien stiet de deur open, kwam binnen gelopen en begon seffens te +huilen. Goedele dacht niets, voelde niet en stond halstarrig te +bibberen. De lampe had een eendelijk licht, het licht dat bijwijlen +'s winters uit de mane zijgt. Tenden den donkeren gang beloerde Rik de +booze gebeurtenis en vulde, oolijk glimlachend, zijn pijpe. + +Ursule was dood. + +'T ENDE + + + + + +End of Project Gutenberg's 't Bedrijf van den kwade, by Herman Teirlinck + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK 'T BEDRIJF VAN DEN KWADE *** + +***** This file should be named 17537.txt or 17537.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/7/5/3/17537/ + +Produced by Marc D'Hooghe <marcdh@pandora.be> + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/17537.zip b/17537.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..cc45d8e --- /dev/null +++ b/17537.zip diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..613cc69 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #17537 (https://www.gutenberg.org/ebooks/17537) |
