summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--17537-8.txt9661
-rw-r--r--17537-8.zipbin0 -> 171717 bytes
-rw-r--r--17537-h.zipbin0 -> 176411 bytes
-rw-r--r--17537-h/17537-h.htm9797
-rw-r--r--17537.txt9661
-rw-r--r--17537.zipbin0 -> 171342 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
9 files changed, 29135 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/17537-8.txt b/17537-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..390d0f2
--- /dev/null
+++ b/17537-8.txt
@@ -0,0 +1,9661 @@
+The Project Gutenberg EBook of 't Bedrijf van den kwade, by Herman Teirlinck
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: 't Bedrijf van den kwade
+
+Author: Herman Teirlinck
+
+Release Date: January 23, 2006 [EBook #17537]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK 'T BEDRIJF VAN DEN KWADE ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+HERMAN TEIRLINCK'S
+
+'T BEDRIJF VAN DEN KWADE
+
+1904
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+I.
+
+
+'t Loof kleurde om de kruin der boomen, die achterwaarts stonden, statig
+en hooge, in den diepen hof; en 't lager plantsoen van 's gelijken
+verfde bij plaatsen, onder 't komend gewaai van den herfst, zijn
+bladeren geel of rossig, of rood lijk kastanjeslutsen, of klaar lijk een
+licht daar ievers.
+
+Goedele keek precies ernaar, door 't venster, en hoe de avond eromme al
+donkerend viel, keek ze, en hoe stilaan dieper de holten werden der
+wegdeinende dreven--en hoe eene waarachtige droefenisse uit den hemel
+zeeg. Ze leunde tegen 't raam. Ze tokkelde met hare vingeren zoetekens
+tegen de ruiten, zonder weten, op éenmatige wijs, en ging mee, al wijder
+en wijder, met hare verre gedachten. Altemets stortte een streuvelende
+wind in den lochting, en een park dahlia's neigden te zaam en rechtten
+zich en bijsden tenden hunne stengels nog een tijdeken. Hij asemde
+naderhand in 't rotelend geboomte en bleef er luidelijk hijgen en was
+seffens voorbij, met een schok--en waar zoefde hij ginds? Goedele voelde
+bij zijn sterke doening, heel de moedeloosheid van het najaar. 't Was
+haar of de tijd, in zijn haastige vleugeling, nu tastbaar werd, binst
+zijn vlucht naar de toekomst, aldoor stichtend 't verleden dat droevig
+was. Ze wendde haar hoofd zijwaarts op naar 't horloge, onbewust.
+Ze glimlachte even, omdat ze dees uur zoo tsieperig, zoo klein en
+niets-beduidend vond, en die gulden plate ook, met zijn verwaande
+orneering, zijn praatziek getjok, zijn vies-kruipende wijzers--zoo
+onmachtig, zoo kinderlijk, een onnoozel speelgoed. Buiten in 't vrije
+geluchte stormde de wind, en Goedele taakte er de eeuwigheid....
+
+Ze ging dan de breede tafel rond en luisterde binstdien met ongevraagde
+aandacht naar den slag van haar zij-ruischende kleeren het tapijtsel
+langsheen. Ze zette zich neer vóor 't klavier en wroetelde er onachtzaam
+in een muziekboek, en werd daarna gewaar dat ze dees alles beu was en
+dat heur 't vervelend pianogetamp zeer zou doen. Ze werd ongedurig; ze
+wist niets, dat groot genoeg was om mee te klinken met die stijgende
+golvingen in haar. Ze wilde niet spelen. Ze zou 't nietig achten, al wat
+ze spelen mocht. Het herfsteweer alleen was machtig genoeg.
+
+Ze hoorde rijzekens de korte stem van hare moeder, die weer wat te
+gebieden had aan vader of grootvader of de meid. Ze stond rechte en
+rustte tegen 't schouwblad en tuurde met roerlooze blikken naar een
+hoogen chrysanthementuil, die daar monsterachtig was, midden de tafel,
+in zijn laag-zittenden pot, met al die uitermatige kronen, valsch-wit en
+valsch-levend en klaterend van kostelijkheid. Ze verwonderde zich nog
+dat heur dees grof gedoe was opgezonden door Sebastiaan, haren
+verloofde.
+
+--Hij heeft dees van verre besteld, meende zij.
+
+Sebastiaan Vrebos was sinds veertien dagen naar Weenen vertrokken om er
+in de Albertina enkele teekeningen van Hieronymus Bos en een paar
+tafereelen van een ouden Brueghel te bezien. Van avond zou hij terug
+zijn. Sebastiaan was een jong archivaris, onlangs benoemd in de
+Koninklijke Bibliotheek, een heel lange en magere vent, liefelijk van
+uitzicht, met te groote engelblauwe oogen in een bleek gelaat, sierlijk
+omlokt met mat-blonde haren. Hij had langzame gebaren en deed al
+sprekend profijtelijk hergaan zijne witte vingeren en was aldoor
+verzonken in biddende houdingen. Goedele peinsde dat hij uitermatig
+vroom was. Hij was goed. Hij zei nooit een woord, dat sterk klonk of
+kwetsen mocht. Hij sprak nooit met drift, en werd nauwelijks een endeken
+van begeestering warm als hij 't over de oude Vlaamsche fantasten had,
+bijzonderlijk over Bos en Brueghel. Hij vond dan wel een gloeiend
+gezegde, maar meerendeels een stil-pieuse daarbij. Goedele had hem voor
+'t eerst bij mevrouw De Vleeschhouwer ontmoet, nu haast een jaar
+geleden. Hij had haar dadelijk met liefelijke gedienstigheid omringd,
+en, omdat hij zoo zacht was, kon zij hem goed verdragen rond haar. Hij
+kwam naderhand hier thuis, op de half-maandelijksche soepee-vergaderingen.
+Goedele ging nooit uit. Ze kende alleen de familie De Vleeschhouwer.
+Ze vond het wel aardig dat een djentelijke man om haar in deze droevige
+woonste komen wou en 't vleide heur aangenaam. Ze kreeg met welbehagen
+de stille bekentenis van Sebastiaan en voelde zich gelukkig omdat hij
+zegde door haar zoo gelukkig te zijn. Moeder verklaarde dat dees
+huwelijk heur aanstond, en mijnheer Vrebos werd met zijne aanvraag goed
+ontvangen. Sindsdien geraakte er een beetje verscheidenheid in 't
+eenvormige leven der familie Wilder: Sebastiaan kwam wekelijks een
+bezoek afleggen en bleef dan soepeeren, en dat alleen was al een
+gewichtige verandering; bij tijden werd ook een concert bijgewoond of
+een tentoonstelling bezocht; dan moest er in stad gesoepeerd worden--en
+ook dat was zeer gewichtig.
+
+Goedele keek toe naar de chrysanthemen, hoe bombastisch ze daar pronkten
+in schitterende ijdelheid, met hunne ommekrullende blaadjes, regelmatig
+middenwaarts toegevouwd. En hare gedachten, langs vage wegen, wendden
+zich geleidelijk naar de toekomst. Ze probeerde na te gaan, met
+waarschijnlijke veronderstellingen, hoe 't zijn zou, als ze dees huis en
+vader en moeder en grootvader verlaten zou. Zij en voelde in de verte
+geen heimwee, geene aandoening daarom. Ze zou hier uitgaan en zou den
+dorpel met haastigheid vergeten. 't Was hier ook zoo leeg, zoo lustloos
+en vunzig. Naarmate zij opgegroeid was in sterkte en schoonheid, had zij
+zich meer en meer vernepen en bezeerd gevonden, en nu stond zij daar, in
+hare volle grootte, een machtige vrouw, gekleineerd en gekwetst door al
+wat om haar was en werd. Bij moeder vond ze geen zoetiger toevlucht en
+vader was peuterig in zijn dagelijksche manieren; hij en deed maar
+bekrompen werken en wist geen doel, en steunde voor gewichtige besluiten
+op moeder. Grootvader was hard. Zij vreesde van die drie moeder alleene,
+omdat moeder danig struisch was in koppige, strenge besluiten, en korte,
+scherpe woorden had. Daarom was heur streelend de brave liefde van
+Sebastiaan. Zij en wachtte nooit met koortsig verlangen op hem, noch en
+vreesde gejaagd zijn vertrek. Ze liet zich zijn komste welgevallen en
+vleide zich een stonde in de lauwte zijner lijze genegenheid. Ze meende
+wel dat ze hem liefhad, maar de muren waren hier te eng en te zwaar.
+Ze zou met hem trouwen en in 't open geluchte gaan en vrij wezen. Alles
+zou nieuw zijn. Ze zou hem liefhebben, omdat hij goed was....
+
+Ze boog zich trage over de chrysanthemen en snoof den kouden geur ervan
+en voelde even de blaadjes kittelen over hare wangen. Die jeukte maakte
+haar ongedurig en, als zij weer in de boomen van den tuin het blazend
+gewaai hoorde roefelen, rechtte zij zich plots op, uit gansch hare
+lengte, en bleef roerloos kijken, strak vóór zich heen, naar een
+voorbijvliegend beeld. Op dees oogenblik voelde zij gansch haar vleesch
+in éene trilling pijnlijk worden en haar bloed slaan in forsche geuten
+naar hare slapen. Vluggelings viel om haar al wat bestond en blijvend
+zijn zou, en ze rees, grooter en sterker--en moeder en Sebastiaan en het
+huis--'t en raakte noch en deerde haar. Ze wou 't weere voelen zoeven
+langs hare wangen, ze wou heur haar los laten vlaggelen en ze wou
+luisteren naar 't geklapper van 't krakende geboomte....
+
+Seffens neigde haar voorhoofd en ze zocht verlegen naar 't gewone zicht
+der dingen, naar die twee visscherstafereelen aan den wand, naar 't
+klavier, naar de glazen dresse, met haar menig ruitwerk, zoo drollig van
+verve ... en hare oogen steunden erop, alsof zij er fluks naar grabbelen
+moest om niet omverre te stuiken. Wanneer ze opnieuw rustig was, tot ze
+stille naar 't venster en zonk weg met hare toevallige gedachten, al
+over den bonten lochting, een heelen tijd lang.
+
+--Goedele!
+
+Mevrouw Wilder stond in 't deurgat. Mevrouw Wilder was groot boven de
+mate, grooter nog dan hare dochter, en struisch ook daarenboven, breed
+geschouderd en grove gelend. Haar hoofd was lijk in brutalen steen
+gebeiteld, zonder nuttelooze kleinigheden--een laag, plat voorhoofd
+tusschen vlakke slapen, blauwe oogen in vierkante holten, sterke kaken
+en een stevige kin. Ze zag er uit wel een van tenden de vijftig jaren,
+maar effen-zwart bleven heur haren, zorgvuldig te midden open, in gladde
+vlechten gekamd en bezij hare ooren in een nat, regelmatig krulleken
+vastegeleid. Gerimpeld en was zij niet: haar gezichte bleef gedurig
+effen en eenvervig, en nooit en speelde er een vouwken of tintelde er
+een kleureken in dat toonloos, gelijkvormig gelaat. Haar breede hals,
+ten halve bloot boven de korte krage, was een paal van stoere kracht.
+Zij boog zelden. Zij stond, keersrechte, in haar zwarte merinoskleed;
+zij droeg haar hoofd daar hooge, waar 't blijvend was en rijzekens
+roerde. Zij en droeg oorbellen noch armband noch eenig ander sieraad;
+haar trouwring was heel smal en in haren zwellenden vinger vergroeid.
+Zij was koud. Ze vereenzaamde zich in een killige atmosfeer, die zij
+om haar geschapen had en allerwege meesleepte, overal stichtend een
+ongewoon ongemak bij de naderende menschen. Maar, in haren witten blik,
+lag anderzijds een verre treurnis, een verre klacht over leed, dat niet
+te heelen was. Seffens echter wist zij die zwakte met een stalen schicht
+te duiken--en seffens herkwam van wijd de droefheid, kalm en zonder
+deernisse. Bij tijden zakten hare lippen van weerskanten neerwaarts....
+
+Zij sprak nu van het avondmaal, met korte, rustige woorden te reke; zij
+wachtte zelden op een antwoord, zij zei meerendeels een gebod of een
+uitlegginge, en ontving weinig bevelen van anderen.
+
+--'t Eten moet klaar worden.
+
+--De tafel moet ge dekken.
+
+--Deze bloemen kan men andermaal best met ruste laten.
+
+Ze ging langzaam bij de tafel en raapte nauwkeurig eenige verslenste
+blaadjes op, naderhand nog uit de bloemen zelve geschonden vlekjes
+knippend, aandachtig. Ze keek naar 't horloge en merkte, op haar eigen
+zakuurwerk, dat de wijzers voorliepen, en kwam die dan trage goed duwen,
+met haren duim.
+
+Goedele zei:
+
+--Ja, moeder.
+
+Ze blikte naar Seppie, 't japansche hondje, dat rondtrippelde, om
+mevrouw Wilder's rokken, en nu subiet pal bleef en zijn plat snuitje
+ophief naar heur en te kwispelen probeerde met zijnen langharigen
+steert. Seppie snoof al eens en loerde zijwaarts, tuk op een zoetig
+woord van Goedele of een vriendelijk gebaar. Hij kwam dan endelijk toch
+aandrillen, ongeroepen en schuchter, en wreef zijn leelijk koppeken
+tegen haren voet.
+
+--Seppie maakt uw schoenen vuil met zijn tonge.
+
+--Wat zou hij?
+
+Ze wilde 't beestje vrij praten, en boog zich en streelde 't al
+krabbelend achter zijne ooren. Ze zei dat het koes moest blijven en
+braaf zijn en schoone manieren hebben, en was dan te wege weg naar de
+keuken bij Marie om alles te schikken. Maar mevrouw Wilder gebaarde dat
+zij wat wachten moest.
+
+--Is vader in den lochting?
+
+--'k Zag hem wandelen tusschen de palm-struiken.
+
+--Wiezeken is ziek.
+
+Goedele tort naderbij. Mevrouw Wilder zette zich neer en zuchtte diep,
+en hare oogen werden droeve. En ze vroeg:
+
+--Wist ge dat Wiezeken ziek is? Neen, moeder.
+
+Ze staarde scherp naar Goedele en hief hare hand een endeken op. Seppie
+keek nieuwsgierig toe, zijn tootje scheef draaiend ten teeken dat hij
+luisterde.
+
+--Ze hebben niet ommegezien. Ze zijn samengegaan. Ze hebben hun eigen in
+'t verderf gestort. Ze hebben mij miskend en hun eigen in 't verderf
+gestort....
+
+--U miskend....
+
+--Ja.
+
+Ze stond vluggelings rechte en tort naar heure dochter toe en neigde een
+beetje, haren hals uitrekkend om te kunnen fluisteren tusschen hare
+tanden:
+
+--Zult gij ze verontschuldigen?... Zwijg!
+
+En hare stemme zonk, laag wordend in holle tonen met kapotte
+scandeering:
+
+--Van zijn kindsbeen af heeft hij me danig centen gekost, hij.... Hij
+was ziek, of hij kloeg dat hij ziek was. Daar zijn hier dokters geweest
+met hoopen en op ons kosten hebben ze hun kwakzalverijen verkocht. Wat
+heeft hij al niet gehad aan speelgoed en snuisterijen? Wel! Wel!... En
+als hij dan een jongen was die endelijk op zijn pikkels staan kon, wat
+heeft hij al niet gehad aan nuttelooze plezierkens? En hij ging ter
+schole, en 't kostte allemaal. En hij ging naar de Universiteit ... ge
+zult later weten wat het gekost heeft. En al die boeken waaruit hij
+leeren leven zou? Wat heeft hij geleerd? Hij was ten langeleste
+ingenieur. Ingenieur van wat? waar? wat zou het opbrengen? Wel! Wel! Het
+heeft wat opgebracht! 't Is proper alzoo.... En daar zit hij nu, met een
+slonse en met een kind.
+
+Ze zweeg, haren mond toesnappend op het laatste woord, en ze ging bij 't
+venster staan en kruiste hare armen over hare borst. Daar viel een bange
+stilte in de kamer. Goedele leunde tegen 't klavier en hare vingeren
+raakten overhand, bij maniere van onbewust spelen, de bovenrandjes van
+een koperen kandeleer. Ze wist dat ze zwijgen moest als moeder van den
+verloren broeder sprak, en ze had dergelijke uitvallen ook al zoo
+dikwijls gehoord, dat het haar nu niet meer taakte en zij, maar liefst
+die overdreven gramschap van zelf koelen of vallen liet. Ze zag echter
+wel de diepte van moeder's koppige pijnen en ze vergaf haar gewillig een
+slechtdadig woord om wille der oorzake, die toch een blijvende en
+zeerdoende wonde was. Ze droeg daarom 't gewichte van deze
+ongemakkelijke stilte met verduldigheid en voelde deernisse. Mevrouw
+Wilder verliet het venster en ging nog een kanten doekje schoon leggen,
+dat gefronst en ommegevouwd lag op 't schouwblad. Ze deed naderhand de
+dresse open en toetste even de kristallen wijnbekers en een paar
+sineesche potjes, alsof zij dat alles schikken moest. Seppie trippelde
+in haren weg en ze fronste wrevelig hare wenkbrauwen, geweld doende om
+hem niet buiten de deure te stampen. Een geborduurd kussen en lag,
+volgens hare goesting, niet op zijn plaatse in een breeden leunstoel.
+Ze moest het eens opslaan en zuiver leggen te midden, en een haarken
+wegvingeren, dat er ievers vasthaperde.
+
+De avond viel daarbinst. Schuinsche klaarten smeten rood uit op het
+donkere wandpapier en speelden in aardige tinten langs een paar bronzen
+maskers, die daar te grijnzen hingen. In een hoek kwam een straal noesch
+leuterlichten over de randen van een bundel pauwpluimen, sierlijk zich
+opendoende uit een groene vaas, heel lang en wonderbaar beklaterd met
+gele en oranje vlekken. Hooger op, waar 't al diepe duisterde, blonk bij
+plekken 't geschitter van oude wapens. Op den schoorsteen stond nog in
+'t helle licht het koperen horloge met zijn zonderlinge plate, en,
+ernevens, twee hasseltsche potten, grove versierd en zwaar zittend op
+hunnen monsterachtigen buik. Onderaan stond de stove. De weggaande dag
+kletste tegen de schaterende roeden en ringen en talrijke ornamenten,
+en rustte arets in de donkere holten, zorgelijk gepotlood.
+
+Mevrouw Wilder's lippen vielen in een spijtige plooi neerwaarts, en ze
+zei:
+
+--Wel! Wel!
+
+Ze sloot de dresse met den sleutel en schoof nog een lade open en haalde
+er twee zilveren servetringen uit. Ze zette zich neer daarna en nam
+zwijgend Seppie op haren schoot. En Seppie likte en streelde en legde
+zijn oorkens, omdat hij 't zoo leutig vond. Hij rondde algauw zijnen
+rugge en vleide zich neêre en sloeg met zijnen steert en gaf gedurig
+vriendelijke stootjes met zijn voorhoofd, en hij was vies en liefelijk
+tezelfdertijd. Mevrouw Wilder streek met hare hand over hem tot hij
+bedaarde en stille bleef, en dan keek zij op naar Goedele. Toevallig
+stieten hare blikken tegen Goedele's mijmerende oogen. Goedele rilde een
+luttel stondeken en werd seffens verlegen, en mevrouw Wilder ook en was
+op dat oogenblik van geen vasten wil. 't Was of zij meteen allebei
+begrepen, allebei tastten hoeverre zij van mekaar verwijderd waren, en
+dat zij wellicht nooit in zoete kommunie zouden bijeen komen om liefde
+te voelen, hun warm vleesch te samen, hun lauwen asem te samen. 't Was
+of ze de groeve voelden, die diep werd en breed werd en vreeslijk werd.
+Ook, in een zelfde zicht en in een zelfden weemoed, zagen ze Romaan, den
+broeder en den zoon, verworpen uit het huis, waar nu zijne plaats overal
+een leegte was--want overal was zijne plaats....
+
+Mevrouw Wilder rechtte haastig haar zwaar lijf. Ze werd de kriebeling
+gewaar der naderende aandoening en ze had schrik daarvan. Ze vreesde
+neer te storten in de zoelte van zwakke emoties en palstaande wilde ze
+blijven. Alzeere bedwong zij met een vlugge, scherpe beredeneering de
+dwaze kuren van haar moederlijk hert, en hare oogen werden, lijk te
+voren, van rustig staal. Ze verliet de kamer, wendde zich halvelings
+omme bij de deure en riep op Seppie, die schuchter-drummend aandrevelen
+kwam. Ze tort echter na een stonde her binnen en lei hare hand op
+Goedele's schouder. En ze zei:
+
+--Wiezeken is ziek.
+
+Hare stemme verloor eenigszins de gewone droogte, de scherpe kortheid.
+Eene gemoedelijke klankwending wiegde er en brak er de nijpende kilte,
+zoodat allengs een zoetigheid boven geraakte en streelend werd.
+
+--Erg ziek....
+
+--Erg ziek?
+
+--Een ziekte in de kele, en zulke zijn de slimste.
+
+Ze was innerlijk tevreden dat Goedele getroffen was, alsof ze eerst
+gedacht had dat het nieuws weinig of geen belangstelling zou opwekken
+bij hare dochter. Een oogenblik kwam haar herte vol.
+
+--Het dutseken, fluisterde ze.
+
+--Ja, zei Goedele.
+
+--Ik hebbe ook veel triestigheid beleden met Romaan, als hij daar
+machteloos te hoesten lag in zijn wiegsken.
+
+Heel dat steenen gebouw, die granieten ziele smolt meteen tot een natte
+aandoening weg.
+
+--Ik weet wel, Goedele, wat een nacht is, een slapelooze stilte bij een
+kind, dat men met aaiïngen maar niet helpen kan ... Romaan is uw broer.
+
+Goedele keek op naar heur, met verwondering, niet wetende wat ze zeggen
+wou en zoekende naar heure oogen om te weten. Maar die oogen staarden,
+halfbeloken, naar de granaatbloemen van het tapijt.
+
+--'t Ware goed, als er iemand ging ... als gij gingt....
+
+--Ja ... ja ...
+
+--'t En is niet verre, in 't lage van de stad....
+
+Goedele vatte heure hand, toch rijzekens verschrikt dat die aldoor koud
+was gebleven. En te wege was zij te weenen van vreugde, omdat moeder op
+een ende toch bedaard was, toch goed was geworden voor haren jongen, die
+nu lijden moest--en omdat moeder een deugdelijk woord had gezeid, een
+zacht woord van liefde. Ze omvatte moeder's breede vingeren en drukte ze
+koortsig, en haar hoofd zeeg voorover en hare wimpers werden heet. Maar
+als zij dan moeders oogen zag, blank en puntig, en merkte hoe niet de
+minste altratie te speuren was op dit roerloos gelaat, niet de minste
+verandering in de hardheid van die vaste wangen, niet een trillend
+zierken in de rechte plooi van dien drogen mond, voelde zij zich
+gekwetst en ze week permintelijk, instinktmatig, beschaamd omdat zij
+zich alzoo bijkans overgaf.
+
+Mevrouw Wilder lei een bankbriefken van twintig frank op de tafel,
+zeggende dat Goedele er zorg moest van hebben en 't niet nutteloos
+verkwisten en 't maar geven aan Romaan ten uiterste, indien het
+waarachtig noodig was.
+
+--'t Kan ook gebeuren dat het niet noodig en is.
+
+Ze verdween, bijna onhoorbaar tertend, en zonder ommezien. En Goedele
+zonk trage neer op een stoel, geknakt, gebroken in hare hooghertigheid,
+wel wetende nu dat moeder niet edel wilde zijn, niet zachtmoedig wilde
+zijn. Ze zat zich af te vragen wat dan in moeder oorzake was van hare
+medelijdende woorden, en zij en vond geen uitlegginge om moeders
+inzichten te verklaren. Beteuterd tuurde ze naar 't papieren geld, dat
+tegenwoordig, ook in haren geest, zoo'n groote beteekenis kreeg.
+Moeder's vingeren, daar neerduwend dat vierkante ding, en 't openvouwend
+met zorgvuldigheid, en 't naderhand nog een wijlken overstreelend--'t
+bleef in haar geheugen een vastgespijkerd beeld. En ze dacht aan
+Romaan's spijtige geschiedenis, aan zijn vlucht met Madeleen en aan
+moeder's gramschap. En ze dacht aan Sebastiaan en aan zijn goede liefde.
+En aan zijn geld.
+
+--Sebastiaan heeft geld.
+
+'t Stond haar nu klaar voor, en Sebastiaan kreeg een ander gedaante, en
+ze meende nu dat zij hem liefhebben moest, als zelf zij hem in
+werkelijkheid niet liefhebben kon. Tegen de rotse van moeders wil zou
+zij tevergeefs horten. En moeders minzaamheid voor Sebastiaan steunde op
+geld; ze had er de zuivere, de stipte vizie van in 't beeld van moeders
+werkzame vingeren, streelend gaande om dat kostbaar briefelken. Maar
+Sebastiaan's liefde was oprecht. En ook zij was Sebastiaan genegen.
+
+--We zullen gelukkig zijn.
+
+En ze ging te lore in kalme droomen van stille huiselijkheid, haar eigen
+zettend bij 't vredig gefonkel van een duurbaren heerd en er luisterend
+naar wisselvallige gepeinzen.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+II
+
+
+Rik Derboven, mevrouw Wilder haar vader, was een visscher van de
+Noordzee. Indertijd was hij doodarm. Hij trouwde met een meisen van zijn
+prochie, een struisch wijf, die hem zes dochters gaf. Hij labeurde er
+voor, dag in dag uit, zich nievers een stonde rustigheid verleenend,
+nooit vermoeid en nooit ontmoedigd. 't Was een zwijgende vent met diepe
+inzichten, een steenen wil, een stugge kop, met koppigheid alles
+doordrijvend. Hij en wankelde noch en keerde; hij rukte met neerstige
+hardnekkigheid vooruit, hij en zag geen hinderpaal in 't belang van
+andere, hij zag alleen zijn doel. 's Avonds in den late, als hij een
+wijlken zich neerzette bij de stove, na den eten, was hij aldoor
+verdiept in verre combinaties en keek hij in den rook van zijne pijp
+naar de mogelijkheid van wijd-reikende oplossingen. Men mocht hem
+binstdien niet lastig vallen. De kinderen moesten te bedde liggen en
+moeder moest voorzichtig te werke gaan met hare schotels en haren
+avondkuisch. Hij bleef altemets in de donkerte een heel deel van den
+nacht, zoo zitten en denken. Hij luisterde dan naar gindsche roerende
+zee en zijn gepeins werd machtig. Aldus timmerde hij zijne stille
+plannen op, al bouwend en metsend en afbrekend en herdoende 't gansche
+idee op eene andere manier. Hij wilde dan tot eene waarschijnlijkheid
+geraken en ging niet slapen eer hij die vaste kreeg. Hij en schrikte
+voor geen kwade daad, hij en week maar voor den dood. Over een lijk heen
+zou hij niet terten. Anderszins wist hij dat hij in staat was tot alles,
+wat niet en docht, en brave menschen aanzag hij voor domkoppen. Hij was
+overal aanwezig, waar er wat aan zijne vingeren kon blijven haperen. Hij
+richtte kleine muiterijen in, onder de visschers, hij hitste de kerels
+op met woorden van haat en woorden van deernisse; hij sprak van
+bloedhonden en hertevreters, en hij stiet met zijn vollen nijd tegen 't
+hoofd zijner makkers, voortdurend kloppend tot ze op een ende daar
+gloeiend stonden, koortsig en razend, met veerdige handen. En als 't dan
+op een mislukte dolheid uitliep, was er toch éen, die zanten kwam, een
+die achterwaarts stond en wachtte, en naderhand 't profijt wegdroeg; en
+dat was Rik. Zoo stegen allengs zijne zaken. Hij kocht een boot. Hij
+kocht er twee. Hij deed smokkelreisjes, bracht vreemd goed in het land,
+bedroog en werd welvarend.
+
+Maar thuis sloeg hem de kans tegen. Een voor éen stierven vijf zijner
+dochters aan een zonderlinge hertziekte, die hen met schokjes wegdreef,
+in min dan drij jaren. Twee jaar nadien, ook onder de zelfde kwale
+lijdend, werd zijne vrouw door eene geraaktheid getroffen. Ze bleef zes
+maanden te bedde liggen en sukkelde er en wou, op een voornoene,
+redeloos opstaan. Rik was aan het strand. Hij vond bij zijn thuiskomste
+zijn wijf temidden van den vloer liggen; twee streepkens bloed liepen
+over hare lippen en een paternoster strengelde om hare vingeren. Naast
+moeder lag Ursule, het laatste dochterken, flauw asemend en buiten
+kennisse....
+
+Rik bleef nu met Ursule alleene. Hij en wilde niet hertrouwen. 't Zou
+zoo wel gaan. Ursule was toen dertien jaar oud. Hij leerde haar het
+huishouden, en na korten tijd, deed zij 't gansche werk. Het kind
+groeide alzoo op tot een stevige deerne en geen moeite was haar te
+zwaar. Ze begreep--al zei vader niets van zijne geheime doelen,
+--waarnaar de minste inzichten streven moesten. En ze was spaarzaam, en
+ze zwoegde, en ze werd sterk en groot in haar rusteloos slameur. Alle
+avonden liet Rik het lamplichtje laag komen over de tafel en hij
+verklaarde haar het spel der cijfers, de moeielijkste rekenkunde, tot
+den nacht tellend en hertellend en alles neerschrijvend te rote, met
+stipte nauwkeurigheid. Dat duurde tot haar twintigste jaar. Dan verkocht
+hij het armzalige huizeken, het dagelijksch gerief, de meubelen; dan
+verkocht hij zijne booten.... En ze trokken naar de stad en openden er
+een specerijwinkel. Er werd opnieuw gesmokkeld en gekonkelfoesd. De
+waren kwamen aan van tallenkant. Rik had alles meesterlijk geschikt.
+
+Maar Ursule allengerhand werd sterker dan haar vader. Ze speculeerde met
+meer vernuft en meer zekerheid ook. Ze bedroog hem en bewees het, en zoo
+ontstond bij hem eene pijnlijke angstvalligheid. Hij werd nu zwak en
+wankte in zijne minste ondernemingen. De zaken werden ook stilaan zoo
+geweldig vooruitgestooten, dat hij 't niet volhouden kon en meende te
+verongelukken. Dan bleef hem alleen nog over teenemaal op Ursule te
+berusten. En Ursule werd groote meesteresse in huis. Na vijf jaar was de
+specerijwinkel een aanzienlijke koffiehandel geworden.
+
+Omtrent dien tijd ontmoette zij Albien Wilder, een jongen van rijke
+familie, bevoordeeligd ambtenaar bij 't Ministerie van Binnenlandsche
+Zaken. Dagelijks moest hij de hooge poorten der magazijnen voorbij en
+dikwijls bemerkte hij Ursule, daar staande in hare volle lengte, breed
+en statig. Al dadelijk werd hij door dat struische wijf veroverd. Hij
+liet zich door een beursman aan den vader voorstellen. Van weerskanten
+werd er gewikt en berekend en uitgeteld, en zeven maand nadien trouwde
+Ursule met hem.
+
+'t En bracht niet veel verandering in huis. Albien was van nature een
+zwakkeling, en algauw lag hij onder Ursule's stalen wil en ging en
+handelde naar heure wenken. De koffiehandel, nog door Wilder's kapitalen
+gespijst, breidde zich meer en meer uit en werd eene machtige
+inrichting. Ursule was nu rijk. Maar niets kreeg een gewijzigd uitzicht
+in haar leven: ze wrocht en zwoegde, nievers tijd vindend om haren
+rijkdom te bezigen tot eigen genot. Geld winnen was overigens hare
+eenige vreugde; rijzekens had ze deugd aan hare moederschap--ze was
+moeder van een zoon, dien ze Romaan heette, naar den naam van Albien's
+overleden vader. En Albien zelve gewende zich aan die eentonige dagen.
+Hij trok 's uchtends naar zijn bureel en kwam 's avonds terug en nam
+zijn zuinig maal in de koude eetkamer. Allengs smolt ook zijn ideaal met
+Ursule's doelen saam: ze moesten geld verzamelen. Rik sprak bij stonden
+ervan:
+
+--We zullen 't ophoopen in stapelkens en nevenseen zetten en 't
+bekijken.
+
+'t En scheen hem niet belachelijk. 't Waren in zijn meeninge heerlijke
+plannen geworden. En gedrijen spaarden ze.
+
+Romaan werd door allerlei ziekten aangetast, vier jaar te rote. Ursule
+had het heel druk met de dokters, die zij den eenen na de anderen
+wegstuurde. Ze waakte lange nachten bij haar kind en bad dat het genezen
+zou. Ze toonde zich, gedurende dien tijd, heel vroom en heel
+vreesachtig. De dokters mochten niet meer in huis komen. Ze wilde alleen
+op God berusten--halvelings omdat het haar goedkooper viel, halvelings
+ook omdat zij in de wetenschap geen het minste vertrouwen had. Romaan
+kwam langzaam alle ziekten te boven en werd een droomerig jongetje.
+
+Hij was zes jaar oud, als Goedele geboren werd. Goedele was veel
+sterker. De kleinen groeiden op in een killig geluchte. Zij en voelden
+nievers de zoetigheid van liefderijke wezens; ze liepen beteuterd en te
+lore in hunne jeugd en benijdden ter schole de vriendelijkheid hunner
+makkers. Ze zouden echter de bane niet volgen, welke moeder hun door
+haar voorbeeld en hare woorden voorschreef, en deze ouders, welke
+gedurig en uitsluitend tuk waren op een peute geld, kregen kwistige
+kinderen. Romaan, als hij op de universiteit leerde, miek schulden.
+Ursule, die meer hechtte aan eenen goeden name dan aan eene eerlijke
+ziel, betaalde, maar ze hield naderhand den jongen zoo nauw dat hij
+haast niet meer met vrijheid denken kon. Zoo werd hij een zwijgende
+opstandeling. Het leven werd hem bitter. Hij droomde mee met
+Schopenhauer, wiens boeken hij met razernije verslond. De maatschappije
+scheen hem eene verschrikkelijke onrechtveerdigheid, waar de goeden tot
+blijvend leed verdoemd waren. Zijn hoofd was vol met utopische
+hervormingen--alles moest omgegooid en heropgebouwd worden: de standen,
+het huwelijk, de familie. Wat bestond, was slecht, was vort, was
+misdadig. 't Zicht der rijken folterde hem.
+
+In een kleine steeg, bezijden de Hoogeschool, woonde een arme weeze met
+hare tante. Daar verliefde hij op. Dagelijks trok hij het huizeken
+binnen, waar 't meisje te borduren zat. Ze maakte schoone bonte bloemen
+met zijden draad en hij had leute met hare liefelijke vingeren--hoe die
+met de naaide ieverig waren en hoe daaronder de teekening djentig
+zichtbaar werd. Het meisje heette Madeleen en die oude grijze daar, zoo
+mager en zoo roereloos, heette tante Olympe. Hij voelde hier warmte.
+Hij rookte hier pijpen en keek langs smalle vensterruiten naar de varende
+wolken. Hij was hier wel.
+
+--Madeleen....
+
+En ze wendde naar hem hare blauwe kijkers en lachtte even of knikte met
+zachte buigingen, bij maniere van gelukkig-zijn. Er zong iets in hem.
+Hij lachtte tegen. Ze waren seffens takkoord.
+
+Maar dan begonnen de leelijke dagen. Hij ging alles aan moeder bekennen
+op een avond. Hij wilde trouwen.
+
+--Met wie?
+
+Ursule sprong naar hem toe, en vatte zijne armen, en knelde die
+onbarmhertig in hare koortsige handen.
+
+--Met wie?
+
+Hij moest het herhalen, hij moest het tot drijmaal toe herhalen. Ze
+schoot seffens uit in een schaterlach, een wreed geklater, dat tegen de
+naakte muren plofte met vreeslijk lawaai. Ze liet hem los en kruiste
+hare armen over hare borst, en ze zwaaide hem dan in 't aangezicht dat
+het een slonse was zonder zedige manieren.
+
+--Een ploerte!
+
+Romaan rechtte zijn hoofd. Het deed hem zoo'n zeer wat moeder zei, maar
+nu had ze hem op het herte geslagen. Hij werd hard en hij werd koppig.
+Drij dagen bleef hij op zijne kamer zitten. Goedele bracht hem eten en
+kuste hem. Hij weende bij Goedele, en het was hem een goede troost.
+Den vierden dag ging hij vader aanspreken. Albien was verschrikt, en
+hakkelde, en voelde zich wegzinken zonder den steun van Ursule's
+sterkte. Hij probeerde toornig te zijn; hij was alleen toornig, omdat
+hij Ursule vreesde. Hij riep:
+
+--Weg, loop weg!
+
+Hij liep hem nadien zelf achterna, al stamelend dat er wel een oplossing
+te vinden zou zijn.
+
+--Allo, jongen, allo....
+
+Maar Ursule bleef onverbiddelijk, en den vijfden dag verliet Romaan
+zijne ouders. 't Was den vijfden dag.
+
+Hoe struisch Ursule ook was, 't knakte haar en ze werd ziek. Een volle
+weke lag ze te bedde, zuchtend en zich ommewerpend. Voor de eerste maal
+van haar leven wist ze geen besluit te nemen. Zij en wilde hem niet
+laten trouwen, zij en wilde geen geld geven aan die vreemde kerte. Ze
+fluisterde, al kijkend naar de zoldering, heel wijd:
+
+--Geen geld....
+
+Maar ze wilde ook Romaan niet kwijt zijn. Ze verwonderde zich dat ze
+hield van hem, na al zijn leelijke doening. En ze hield van hem. En
+daarom zou hij trouwen met een rijke juffrouw. Hij was ook rijk. Het
+idee dat hij nu toch met die ellendige loete trouwen zou, deed haar
+het oogenblik daarna terug raaskallen. En ze bekeek de zoldering met
+wijd-open oogen.
+
+--Geen geld....
+
+Ze meende endelijk een oplossing gevonden te hebben, en ze genas. Ze
+schreef aan Madeleen dat ze komen moest. Madeleen en kwam niet. Ze
+schreef opnieuw. Ze zou Madeleen omkoopen, haar eene ronde somme geven,
+als ze Romaan loslaten wou. En Madeleen en antwoordde niet. Ze begon
+weer te wanhopen en te klagen, en moest weer een paar dagen neerliggen.
+Rik kon haar opbeuren. Hij verzekerde haar dat het allemaal jeugdige
+zotternijen waren, en dat die vuurkens fluks uitvlammen zouden. Hij wist
+dat de jongen en 't meisje tegenwoordig ongehuwd reeds samenleefden op
+eene gemeubeleerde kamer, en die tortelliefde zou haren gang gaan, en
+naderhand zou Romaan boetveerdig terug keeren.
+
+--Ze zullen trouwen....
+
+--Zij en zullen niet trouwen.
+
+Waarom zouden ze trouwen? Ze hadden zoo al hun volle pleizier.
+
+--De plodde zal aandringen....
+
+--Zij en doet.
+
+Hij sprak kort. Ze herwon een beetje betrouwen en liet zich genezen.
+Maar zij en kon sindsdien niet ten volle meer hare zaken bewerken. Al
+hoopte ze stilaan dat Romaan de meid ten langeleste verlaten zou, ze
+bleef bij haarzelve klagen over 't verlies van haren zoon, en de handel
+leed door hare dagelijksche onachtzaamheden. Albien, die 't wel merkte,
+stelde schuchter voor het huis aan een opvolger over te laten. Ze wilde
+hier echter niets van hooren, en werd buitengewoon ieverig.
+
+--Denk niet meer aan hem, zei Albien, die er gestadig aan dacht.
+
+--Ja, zei Ursule.
+
+En ze dacht aan hem. Ze deed hem beloeren. Ze stuurde ook altemets
+Goedele, en vernam aldus dat Romaan in waarheid ongehuwd bleef en
+gemeenzaam leefde met Madeleen en tante Olympe. Hij had ook altijd
+gesproken van vrije liefde en nieuwe zeden. Zij was nu tevreden, omdat
+hij die dwaze gedachten behouden had. Ze kreeg verder te wete dat hij
+als ingenieur aan een bronsfabriek verbonden was, en het stilde haar in
+hare moederlijke bezorgdheid; hoe danig zij ook deze bezorgdheid met
+sterke beredeneeringen wilde versmooren, zij was bezorgd, tegen wil en
+dank zich moeder voelende.
+
+Een nieuw voorval wierp haar ten derde male te bed. Madeleen beviel van
+een dochterken. Meteen verzonk haar laatste hoop, want ze wist dat
+Romaan nu voor altijd vastegeklonken lag. Ze wilde Rik's noch Albien's
+troost ontvangen en Goedele ook moest verwijderd blijven. Van dien dag
+af begon de koffiehandel te slabakken. Er ontstonden onlusten onder de
+werklieden, en kleine muiterijen maakten Ursule en vooral Rik uitermatig
+benauwd. Toevallig konden ze, ver beneden de weerde, het huis koopen van
+een gevallen edelman, in een rijkemanswijk der stad. Ursule verkocht
+haren handel en nu gingen ze rentenieren. Albien zou voortwerken op zijn
+bureel. 't En deerde hem niet te vele, en 't bracht schoon geld op.
+
+De nieuwe woonste was prontelijk gelegen, boven de stedelijke warande,
+en over de breede vaart. 't Was een groot hotel, met, achterwaarts, een
+heerlijk park en een lochting vol bloemen. Aangename breede wegels
+liepen erlangs, allen saamkomend op een open terras, waar 't in den
+zomer krioelde van gloeiende of klaterende rozen. Het huis zelve was een
+vierkante massa met gelijke vensters. Talloos waren de kamers. Ursule
+achtte het nutteloos alles te meubeleeren. Ze had zich het huis voor
+eigen genot niet aangeworven: 't Was meer weerd dan 't geld dat zij er
+aan besteed had, en zij en zou al die kamers niet nutteloos gebruiken.
+Zoo bleven er een groot aantal leeg en vele luiken werden nooit
+ontsloten. Dat gaf aan deze woning een doodsch en akelig uitzicht en na
+enkele maanden verwierf zij ook in den geest der naburige menschen een
+geheimzinnige beteekenisse. Drijmaal daags zagen zij 't zware hekken
+opengaan: in den vroegen morgen, als Albien traagtrippelend naar 't
+Ministerie trok, later, omtrent tien uren, als Marie, de dienstmeid naar
+de markt moest, en 's avonds nog, als Albien terugkeerde. 's Zondags,
+bij de eerste uchtendure, gingen Ursule en Rik naar de kerke. Dichte te
+noentijd was 't de beurt van Goedele en haar vader. Zoo was de gewone
+gang gedurende vier jaren en heel zelden werd er eene verandering aan
+toegebracht. De menschen babbelden ondereen.
+
+--'t Is een spokige femilie, zeiden ze.
+
+En ze pinkoogden of plooiden hun lippen heimelijk, gebarende daarmede
+dat hier een wonderbare historie onder schuilen moest....
+
+ * * * * *
+
+Albien wandelde, te herfstevesperure, in den hof. Hij was nu een oud
+ventje geworden, met grijze krulharen om een rondbollig, rood gezichte.
+Hij snuffelde den lochting rond, met zijne diepe oogskens wroetelend
+links en rechts. Alhier rechtte hij een gebroken stengel, aldaar kneep
+hij een dorre bloem weg, alles in profijtelijke doening met voorzichtige
+vingeren betastend en bestreelend. Altemets maakte hij zijn eigen lastig
+om een vertrapt plantsoen, maar zoetig was zijne ongedurigheid en dan
+liep hij verder al mummelend:
+
+--Tet-tet-tet....
+
+Hij tort de wegels langzaam plat, kon nievers een papierken zien liggen
+en dook seffens de minste onregelmatigheid. Hij wilde alles in gelijke
+effenheid zien schoon wezen. De palmboomen moesten zorgelijk gesnoeid en
+gekapt worden, de graspleinen vlak gemaaid. Hij had deugd als niets meer
+buitensporig was, en liet zich daarna wat rusten op een der groene
+banken. Van daar bewonderde hij den tuin, volgde met liefde de sierlijke
+vaart der baantjes, de plezierige reke zonnebloemplanten, de kleine
+wilgen met zilveren tronk, en alginds het hooge gebladerte, rossig,
+bruin, gloeiend en geel. Hij pinkte af en toe een kruideken of een
+stofken van zijn bruine veste, en lei bij tijden een plooi rechtte in de
+vouw van zijn knie. Vervolgens trok hij voorzichtig een boeksken uit
+zijn zak en zette zich te lezen. Albien was een zwakke geest, geleid
+door allerlei manieën. Op zijn bureel was hij een niet-denkend mensch,
+een weerlooze schakel in de administratieve keten. Hij ging gewillig met
+de omstandigheden mee, zonder die te bespreken; hij bekampte ze in elk
+geval nooit. Zijn leven was zonder passie. Hij stortte maandelijks al
+het geld, dat hij won in de handen van Ursule, die altijd stiptelijk
+naging of de afkortingen voor de pensioenkas goed berekend waren. Hij
+hield geen duit achter. Hij kreeg van Ursule alle weken éen frank, en
+hij meende dat hij ook niet meer noodig had. Hij kocht daarmee altemets
+een dagblad, altemets een pakje nieuw zaad voor den lochting, meermaals
+echter een vijfcentenboekje. Die boekjes lagen in een klein winkelken
+van de benedenstad te koop achter de ruiten. Hij bleef eerst lang vóor
+'t raam staan eer hij binnenging. Hij moest ze allemaal eerst
+buitenwaarts bekijken, en de titels lezen en in zijnen geest dan
+vergelijken, om endelijk goed te weten wat hij nemen zou. 't Waren
+raadselboekjes, boekjes met charaden, met goocheltoeren, met
+wonderzottigheden.
+
+Hij verkoos over 't algemeen de goocheltoeren of het stekjesleggen, en
+dergelijke, waar hij zich tot laat in den avond mee kon bezighouden.
+Verhalen en dwaze perten, daar hield hij minder van.
+
+--Onnoozele dingetjes, zei hij.
+
+Hij peinsde dat hij een "vinder" was. Hij kon uren en uren nadenken over
+de oplossing van een raadsel. Achteraan in het boekje stonden de
+oplossingen gezamenlijk gedrukt, maar hij zocht eerst minstens een dag
+of drije eer hij 't opgaf. Dan was hij moedeloos. Hij beweerde dat de
+vraag onduidelijk gesteld werd, en achtte zich daarom slechts half
+overwonnen.
+
+Hij was nu een boekje over het dominospel aan 't lezen. Hij doordacht
+het en herdraaide in zijn hoofd de zinnen. Met een droog takje begon hij
+naderhand op den grond teekeningen te scharten--al vierkantjes en halve
+vierkantjes. Hij bezag dan dat ruitwerk met gedwongen aandacht, herlas
+enkele regels van 't boekje, was weer aan 't kijken en 't wrijven en 't
+teekenen.
+
+--Dobbel zesse hier....
+
+Hij was opnieuw bezig.
+
+--Dobbel vijf aldaar....
+
+Hij hief zijn voeten op om plaatse te maken en moest nadien toch
+heelemaal op de bank kruipen om zijn beenen uit den weg te krijgen.
+Zoo zat hij te raden en te rekenen en te kijven met het boekje of met
+zijn eigen vorig idee....
+
+Er werd gebeld en Marie deed het hooge hekken open. Albien zag
+Sebastiaan Vrebos door de voorzichtige splete te voorschijn komen,
+en hij vouwde fluks zijn blaarkens bijeen om hem vóor te loopen.
+
+--Wel! wie dat er dáar is!
+
+Hij was in den grond wel niet erg met die komste ingenomen. Hij meende
+zijn verveling door overdreven wellekomwoorden te moeten verbergen.
+
+--Mijn arme jongen, die zoo verre geweest zijt....
+
+Hij nam hem een pakje af en nog een pakje. Hij vatte hem bij den arm.
+
+--En nu danig vermoeid zijt, zeker danig vermoeid zijt.....
+
+Daarbinst viel 't ijzeren hekken met zijn bekend geruchte toe, achter
+hem.
+
+--Niet zoo erg toch, beste heer, lachte Sebastiaan.
+
+--Och!... en Goedele zal zóo tevreden zijn. Ze was ook dagelijks bezig
+over u, het brave kind. Ei! dat zal hier een aardige avond zijn.
+
+Hij dacht nu aan het soepee. Ursule zou wat goeds gereed maken bij deze
+gelegenheid, en daarvan zou hij evengoed als Rik misbruik maken. De
+gewone eetmalen waren ook zoo erg gewoon, zoo eender tevens en zoo grof.
+Als Sebastiaan thuis kwam werden ze beter verzorgd en kwam er bovendien
+nog een lekker extra bij. Dat bracht hem in zijn schik.
+
+--En hoe liep de reis af? Wat een heerlijk land moet het zijn ginder!
+
+--In de reden, ja--maar het land heb ik juist niet veel bekeken.
+
+--Al bergen en stroomen, meen ik?
+
+--Veel bergen....
+
+--Och!... en daar zult ge ons aan tafel van vertellen.... Wel Djeezes!
+als ik nu bedenk dat ik oud ben, en niets hebbe gezien! 't Zijn dingen,
+'t zijn dingen!
+
+Hij trok hem mee naar het terras. Sebastiaan kende die manieren. Ze
+walgden hem voor 't meerendeel; hij deed evenwel zijn best om zich
+buiten bereik te houden en liet dan liefst een onbeduidend vriendelijk
+lachje op zijne lippen versteenen, bij wijze van antwoord. Hij kon de
+familie Wilder moeielijk lijden--Goedele toch had hij innig lief, en
+haar schoon gelaat, daar berustte hij in, en het troostte hem over 't
+valsche gezwets, dat hem gedurig krenkte.
+
+Op het terras stonden Ursule en de stokoude Rik. Ursule ontving hem met
+open aangezicht en een streelenden blik.
+
+--Welkom, mijn vriend.
+
+--Hertelijk dank, mevrouw.
+
+Hij drukte hare hand en de koude vingeren van grootvader. Hij zei een
+reke vage woorden, binst dat Marie hem van zijn overjas en zijn hoed
+ontlastte.
+
+--De jongen heeft bergen gezien, riep Albien.
+
+--O ja....
+
+Ze omringden hem en vielen hem lastig met allerlei zoetigheidjes. Hij
+had een ivoren kistje medegebracht voor mevrouw Wilder en een heel
+wonderbaar gedoe voor mijnheer Wilder--een Zwitsersch huizeken,
+teenemaal gemachineerd, met een kleppend horloge en een beiaardspel en
+twee werkende figuurtjes--en nog een zilveren snuifdooze voor den ouden
+heer. Ze moesten alles dadelijk bezien en bewonderen, en hunne
+dankbaarheid in breede geuten uitwerpen. En Ursule zei:
+
+--Dat moest ge nu toch niet gedaan hebben.... Ze betastte haar kistje en
+beloerde de zilveren dooze van Rik. En Rik sprak met een lage stem, die
+ook zich liefelijk te wenden probeerde:
+
+--Ja, dat moest ge nu toch niet gedaan hebben.... Hij had liever een
+zwaarder dooze gekregen, maar hij keek zijne oogen algelijk zat op het
+schitterend geflikker der ciseleeringen van het deksel.
+
+--'t Is een kunstwerk.
+
+Hij woog het in zijne ervaren handen.
+
+Na een stonde kwam Goedele staan in de opening der deur. De noesche
+avondzonne straalde open langs haar lichtbruine kleed en teekende er
+gloeiende plooien. Haar gelaat klaarde zonderling op uit de donkere
+diepte der kamer, achter heur. Ze keek naar Sebastiaan en een flauwe
+glimlach krulde om haren mond, maar hare oogen hadden verre blikken,
+verwijd in stille droefenis. Sebastiaan boog zijn lijf naar haar, en
+deed een stap voorwaarts, en hief trage en bekoorlijk zijne armen op.
+
+--Goeienavond, Goedele.
+
+Hij voelde zijn herte weggaan van hem. Hij voelde zich leeg worden en
+pluimlichte. Hij omvatte in de stille straling zijner liefde deze vrouw,
+die groot en schoon en beminnelijk was.
+
+Zonder haaste en zonder drift, met eene zachte moeheid in de stem, zond
+ook Goedele hem haren groet.
+
+
+ * * * * *
+
+
+III
+
+
+Als mijnheer en mevrouw Devleeschhouwer, en hunne dochter, juffrouw
+Bella, en Alfred hun zoontje waren aangekomen, ging men aan tafel
+zitten. 't Was eerst een lustig gepraat ondereen, een wederzijdsch
+complimenteeren dat wegvlood in luttele woordekens, met lachjes erlangs.
+
+--Wel, mijnheer Vrebos, schetterde het nooit moede stemmeken van
+juffrouw Bella, wel, mijn goede heer, hoe zonnig ook het verre land is,
+hoe zonnig toch is 't huis waar verlangende herten wachten....
+
+Ze loerde daarbinst naar Goedele met liefelijke blikken, en draaide
+haastig omme haar ongedurig lijf en gilde:
+
+--Oh! l'amour!
+
+Elkendeen had zijn aangewezen plaats in de eetzaal. Men zette zich neer
+en frommelde de servetten open, naderhand met luie vingeren de vork of
+den lepel takend, die bij poozen alzoo te rinkelen begon. Mijnheer
+Wilder vroeg met groote belangstelling aan Alfred hoe 't nu zou afloopen
+met het najaarsexamen. De jongen was blijkbaar met deze vraag niet erg
+ingenomen, en antwoordde al blozend dat hem de uitslag wel gunstig
+toescheen.
+
+--De jongens hebben het tegenwoordig zoo druk met het leeren, zei
+mevrouw Devleeschhouwer.
+
+Het was ook de meening van mijnheer Wilder.
+
+--Wat zullen ze nu al uitsteken met hun Grieksch en hun Latijn?
+
+Maar mijnheer Devleeschhouwer vond het uitstekend, dat men zonder
+deernisse in de athenaea met de leerlingen omging.
+
+--Dat hebben de kerels van doen.
+
+Hij rondde zijnen buik om gewicht te geven aan zijn gezegde en liet de
+gouden ketting rotelen, die er als een vloek op te klateren hing.
+Mijnheer Wilder was een dik mensch met enge schouders en een uitermatig
+hoofd, kaal en zijpelend onder het gaslicht. Hij krulde alle uchtends
+zijne rosse knevels met een warm ijzer, zoodat die gedurig triomfelijk
+ommebogen en met een scherp puntje rechtkwamen. Te midden zijne vettige
+kin vlekte daar zijn bokkebaardje, een donker hoeksken. Hij Wilde er
+martiaal uitzien en deed zijn best om zijn lomp hoofd naar een
+officiersmodel te scheren. Mijnheer Devleeschhouwer was een man met een
+gemist ideaal, daarom ook een diep-ongelukkig wezen. Hij drukte nog
+dikwijls zijne spijt uit daaromtrent en deed het altijd met zoo 'n lage,
+droeve stemme, dat men algauw beseffen kon hoe danig hij gekrenkt,
+geknakt, gebroken was erdoor.
+
+--Ik en hebbe naar 't gebod der Voorzienigheid niet geluisterd, zei hij.
+
+'t Gebod der Voorzienigheid, zoo heette hij zijne roeping. Hij werd,
+meende hij, voor den degen geboren, tot meerder heil van zijn vaderland
+en van zijn vorst. Maar hij had naar 't gebod niet geluisterd; hij had
+zelfs in de burgerwacht zijne kans voorbij gekeken. En nu was hij oud.
+Nu was het te late. In de burgerwacht, door onlangs gestemde wetten
+heromgewerkt, zou hij nooit binnengeraken. Zijn troost berustte
+sindsdien op een militair uiterlijke, dat hij bijna verkrijgen kon, dank
+zij een gestadige aandacht, een koppige inachtneming. Hij droeg schoenen
+met hooge hielen. Hij gaf jaarlijks een rond sommetje om eerevoorzitter
+van een oud-korporalenkring te blijven. Zijne kravatspelde was een
+gouden kanon met allerliefste diamanten wielkens. Hij had een breeden
+ring met een miniature van Leopold I, en binnenwaarts had hij er in
+gothische lettertjes doen graveeren: "Pour Dieu, pour le Roi et pour la
+Patrie."
+
+Hij sprak grof en probeerde altemets brutaal te zijn.
+
+--Wel--Heere, zei mevrouw Devleeschhouwer, ge vindt het hier aan tafel
+wel goed dat men de kinderen afbeult ter schole, en als de jongen
+hoofdpijn heeft, zijt-de al seffens zelve aan het janken....
+
+--Eulalie! berispte mijnheer Devleeschhouwer.
+
+Hij en noemde in gezelschap maar ten uiterste zijne vrouw bij haren
+voornaam. Zij en mocht hem in zijne weerdigheid niet kwetsen. Maar
+Eulalie was een zeer lichtzinnig oud wijveken, met een bijtend karakter
+en sluwe manieren. Zij heette haren vent kortaf Nestor. Hij ware
+gelukkig geweest, als zij hem op soirée had willen aanspreken met een
+deftig "mijnheer Devleeschhouwer".
+
+--Mijn advies is ook dat men streng moet zijn, sprak Rik.
+
+Hij wendde zijne oogen zijwaarts op naar Ursule. Geheel zijn glad,
+vierkantig aangezicht lijnde omlage naar 't puntje van zijnen neus, en
+zijn tonge sleerde tweemaal overentweer langs zijne droge lippen. Omdat
+Ursule zijn gezegde met ruste liet, hief hij met een schokje zijn hoofd
+omhooge en zijn mond viel open in een hatelijken grijns:
+
+--Wat een woord niet taken wil, taakt de zweepe!
+
+Ursule zei:
+
+--Vader, ge moet zachte zijn....
+
+Hij droop haast weg in zijnen stoel en bleef er koes ineengedrongen,
+endelijk toch schokschouderend en zijn kinne met een koppigen ruk
+opduwend. Bella bracht het gesprek op een ander onderwerp, en vroeg,
+zoeterig lachend, aan Goedele of Sebastiaan nu wat van zijn reis
+vertellen mocht.
+
+--Dwing hem met uw lieve handjes.
+
+Ze schetterde en vond hare eigen woorden dol leuterig, en gilde in een
+lachbui:
+
+--Ma chère!
+
+Marie bracht de soep, die al zeere op de tafel, in elkendeens schotel,
+te dampen stond. De lepels begonnen hun tsinkelend zilverspel en
+schervelden langs de gladde tellooren met wrijvende geluiden. Sebastiaan
+boog zich over tafel en zijne linkerhand deed al wuivend een stil
+gebaar:
+
+--Laat juffrouw Bella maar bedaren--ze krijgt wel wat praats, als ze mij
+hierom genegen is.
+
+--Een beetje soep nog? vroeg mevrouw Devleeschhouwer.
+
+--Wel ja, wel ja, zei Albien.
+
+Goedele at langzaam en was precies zoo heinde en verre met hare
+gedachten. Ze keek altemets naar een schitterende lichtvlek op den
+spiegel, en bleef er dan staren, alsof ze geerne zich geleidelijk liet
+wegvaren in gaande gepeinzen. Sebastiaan keerde zijne oogen naar heur.
+Ze voelde meteen den toets zijner blikken en was seffens verlegen, even
+glimlachend om vriendelijk te zijn. Hij werd ook hare verwijderingen
+gewaar en fluisterde haar af en toe een onbeduidend woord toe, bij
+manier van haar terug te roepen, haar bij te houden, dichterbij.
+
+--Waaraan denkt ge?
+
+--Aan niets, mijn vriend....
+
+--Goedele is nooit zonder gedachten.
+
+--Ik bekeek die bloemen....
+
+Hij vond nu ook die bloemen leelijk, monsterachtig. Goedele lachte,
+omdat hij zelve ze besteld had. Hij bleef bij zijne meening, dat het
+afgrijselijke wangedrochten leken, en dan, al waren ze in waarheid
+schoone....
+
+--Ze zijn ondankbaar, zei hij, als ze u wegrukken van mij.
+
+Mevrouw Devleeschhouwer, die naast mijnheer Wilder zat, was druk bezig
+met hem over zuinigheid en gulzigheid. Dat was gekomen naar aanleiding
+van Alfred's ongemakkelijke doening. Alfred at met ongemeene
+schuchterheid, al langetandend en muilkens makend. Aldoor loerde hij
+naar Goedele en bouwde in zijn geest romantische toestanden, waar hij
+den held en zij de heldinne was, en moeder moest hem stootjes geven om
+hem te doen eten.
+
+--Hij eet zoo weinig t'onzent ook, zeide ze aan mijnheer Wilder.
+
+--De jongens moeten eten om groot te worden, was 't idee van Albien.
+
+Mevrouw Devleeschhouwer gaf hem gelijk, maar ze had toch liever een
+zoon, die zuinig was, dan een doorvreter met gulzige manieren, die alles
+verslinden kon en daar op een ende zou te zweeten zitten lijk een
+trampeerd, en geweld te doen om niet onpasselijk te worden.
+
+--En als de examentijd er komt, weten de kinderen zoo vreeslijk van dat
+folterend surmenage.... Lust gij nog een beetje spruitjes of wat
+vleesch, mijnheer Wilder?
+
+--Wel ja--wel ja....
+
+Alfred zette zich te blozen, omdat moeder hem met dat woord "kinderen"
+zoo kleineeren wou. Hij zag noesch op naar Goedele en onderzocht op haar
+kalm gelaat, of zij 't beluisterd had. Albien klopte stillekens op zijne
+schouders en zijn rood gelaat neeg naar 't zijne, in een breede bui van
+vriendelijkheid.
+
+--Allo! allo! mijn jongen, steek nu uw hoofd niet zoo proppensvol met
+vreemd gebrabbel en dolle cijferwebben. Vacantiedagen zijn er ook nog,
+en die naderen bij tijde.
+
+Hij moest eens niezen, en bracht zijn servet over zijn gelaat, dat
+naderhand purpergloeiend te voorschijn kwam, zijpelend van wellust.
+'t Had hem alzoo deugd gedaan, en hij veegde zijne oogen drooge.
+
+--Vandaag moogt ge u deugd doen, zei hij.
+
+Hij keek naar een rijkelijken hamelbout, die vol souse onder een gulden
+korste daar gloorde, triomfelijk en wonderbaar. Hij stelde bovendien een
+overgroot belang in de matelijke gebaren van Ursule, die den wijn
+inschonk. Mevrouw Devleeschhouwer bleek hem een weerdige gebuur-vrouwe.
+
+--Een glazeken roode? vroeg mevrouw Devleeschhouwer.
+
+--Wel ja, wel ja....
+
+Hij zei 't met geveinsde onachtzaamheid, alsof het hem niet schelen kon.
+Hij slurpte zijn beker met korte geutjes leeg, en likte een wegloopend
+dropken weg, profijtelijk. Hij gebaarde niet te merken dat Ursule hem
+gestadig belonkte en wist wel dat zij hem morgen met allerlei
+berispingen lastig vallen zou. Hij liet zich aan geen toekomstig ongemak
+gelegen; 't was hier tegenwoordig goed....
+
+Bella en wilde Sebastiaan niet met vrede laten.
+
+--Zal ik u met het weinige, dat ik zag, tevreden stellen? vroeg hij.
+
+Hij vertelde van het landschap, van 't hooge gebergte, zoo heerlijk in
+den avond, als 't laatste zonnegestraal in verre sneeuw blijft haperen
+en er de zoete schakeering ligt van zijn vele verven; hij beschreef met
+overgevoeligheid de subtiele harmonij der kleuren, opgaande van 't diepe
+blauw naar 't vurende oranje. Zijne handen wuifden in sierlijke buiging
+en zijne lange vingeren teekenden de kleinigheidjes, peuterden aan vage
+tinten, beloken in wegdoezelende klaarten, stipten eene eigenaardigheid
+ievers aan, of vielen neer, in vrome vouwing, lui en moede en zacht. Hij
+kon zoo een stonde lang zich ommedraaien in fijnstemmige gezegden, en
+zijne oogen keken binstdien de leegte door. Hij en had nooit driftige
+woorden--hij vertelde alles op zangerige rythmen met altemets een
+onbepaalde uitdrukking, die hij dan in een stijgen of dalen zijner
+stemme verklaarde. En zijn aangezicht bleef djentelijk, omdat geen
+sterke klank zijn mond vervormde. Hij was schoon. Hij sprak schoon.
+
+Bella boog zich over tafel en dronk aan zijne lippen die kunstige tale.
+
+--En Weenen?
+
+Hij wist van Weenen weinig. 't Was een moderne stad met veel lucht en
+licht. Hij had geen bepaalden indruk. Hij had vooral schilderijen
+bekeken.
+
+--O ja--Bos en Brueghel, zei Goedele.
+
+Ze was verlegen dat ze 't gezeid had seffens daarna, omdat het als een
+vermindering klonk van Sebastiaans betrachten. Maar hij was niet
+gekrenkt en meende dat het haar een vreedzaam geneuchte was daarvan te
+hooren spreken. Hij noemde 't werk van Hieronymus Bosch een wonder. Hij
+joeg de beelden achter mekaar, deed waarachtig in 't geluchte varen de
+mirakelachtige schepsels uit de verbeelding van den schilder geboren.
+Hij sprak van eene St. Antonius' tempteeringe, beschreef een vóor een de
+monsters daar vereend--konijnenkoppen op kinderbeentjes, menschenbuiken
+met oogen en een ooievaarsbek, vliegende draken, schertsende gezichten,
+grijnzende muilen. Hij deed ze herleven en benauwd worden in groene
+klaarten of wegschemeren in donkere spelonken. Maar hij was tewege warm
+te worden als hij over Brueghel begon.
+
+--Brueghel is de meester boven de meesters, juffrouw Bella, en stellig
+boven het begrip der menschen. Hij wist het leven uit te drukken in
+waarheid en zijne uitdrukking, aldoor een uitslag van stijlsynthesis,
+was een zuivere gave der kunst. Bij Brueghel vindt ge kleurharmonieën
+die men sinds niet meer heeft kunnen bereiken, en elke kleur op haar
+eigen ligt plat, effen, net. Hij dierf een hoop bonte boeren en krijgers
+neerwerpen op een vlakken sneeuwgrond, en 't en stoot noch en krenkt
+onze esthetische gevoelens: 't streelt en 't verwondert. Ik zag te
+Weenen een Babeltoren, waar 'k nu geen woorden voor vinde, schoon
+genoeg.
+
+Hij keerde zich zijwaarts naar Goedele.
+
+--Ik wou u dat alles dolgeerne doen zien.
+
+--Ja, mijn vriend?
+
+--Ik wou u doen taken deze hoogste hemelen der kunst, ik wou uwe ziel,
+uw gansche vleesch eenstemmig maken met deze wijdste trillingen der
+menschelijke ziele....
+
+--Ik ben u dankbaar hiervoor.
+
+Ze was stille, een zachte grens voor zijn uitgeworpen verlangens, stille
+en ernstig. Hij voelde wel de vreemdte, die over haar bleef en niet weg
+te drijven was met woorden, maar zijn herte lag open, zonder
+angstvalligheid noch vreesachtige koorts. Hij betrouwde op haar. Hij was
+gelukkig bij haar.
+
+Bella werd gloeiend rood en beet ongedurig op hare lippen. Ze was een
+appel aan 't schillen en deed het zoo los en grove, dat mevrouw Wilder
+het haar met een kort woord en een lachje opmerken deed. Ze keek met
+schuchtere blikken op naar Sebastiaan en een wijlken bibberden hare
+wimpers.
+
+--Weet ge nu niets van de menschen aldaar, mijnheer Vrebos? vroeg ze.
+
+Hij wendde naar heur zijne blauwe oogen, nog zat van Goedele's beeld.
+
+--Niets, juffrouw.
+
+--Wel--Heere! wat een zonderlinge reiziger, riep ze.
+
+Ze begon wrevelig en luidruchtig te lachen en smeet haast een kopje
+koffie omverre, dat Marie haar even voorgezet had. Ze schetterde, bevend
+en schokkend, voort en hare oogen kwamen vol tranen. Dan hief Rik zijnen
+witten kop omhooge.
+
+--Hebben die monsters indertijd bestaan?
+
+Sebastiaan sprak van uitbundige verbeeldingskracht en fanatieke tijden
+en probeerde klaar te blijven, met eenvoudige zinnen.
+
+--Maar hebben die monsters in tastbare gedaanten bestaan? vroeg Rik.
+
+--Zekerlijk niet....
+
+--Ha!
+
+Hij bukte zich en rok zijnen hals uit, blazend over zijne koffie en hem
+trage en matelijk inslurpend. Mijnheer Devleeschhouwer beweerde dat er
+nievers draken bestaan hadden.
+
+--En zeemeerminnen? fluisterde Rik.
+
+--Zeemeerminnen ook niet, zei mijnheer Devleeschhouwer.
+
+--Zeemeerminnen wel! zei Rik.
+
+Ze staken allemaal hun hoofd op. Rik was somber geworden.
+
+--Ik hebbe gezien, met deze oogen, die nog onthouden kunnen, een
+zeemeerminne in 't witte schuim der baren.
+
+--Tèt ... tèt ... tèt, pruttelde Albien, wiens oogen begonnen te zwemmen
+in wellust.
+
+--Ze schoof over 't water, als raakte zij 't niet. Ze dook zich en steeg
+weer boven, en zij had een steert, zooals 't afgebeeld staat op de
+prenten. Ze zong in den nacht. Ik weet het wel, vermits ik het gehoord
+heb. En ik heb gehoord wat ze naderhand zei. Ursule weet het ook wel,
+vermits ik het haar verteld hebbe, en van het ijzeren kistje weet ze
+ook.... Ha! Ha! Dat weten wij!
+
+Hij knikte en zijn kinne kwam vooruitsteken en hij wierp een brok suiker
+in zijn kopje. Ursule wees dat hier geen aandacht op te vestigen was en
+met uitermatige vriendelijkheid vroeg ze aan Bella of ze niet eens
+zingen wou. Mevrouw Devleeschhouwer prees al dadelijk de nieuwe
+zanglessen, die Bella van een Italiaansche dame ontving.
+
+--Een echte artiste ... en zoo heerlijk dat ze trilleeren kan!
+
+Bella moest rechtstaan en iets laten hooren, en dan zou mevrouw Wilder
+en mijnheer Vrebos zelf oordeelen kunnen.
+
+--Zing ereis van "Sur la rive solitaire"....
+
+--Een danig oud ding toch niet, mama.
+
+--Ho! maar dat vind ik juist zoo'n schoon stuk!
+
+ Sur la rive solitaire,
+ Loin de toi je désespère....
+
+Het is fijne muziek, Bella.
+
+Mijnheer Devleeschhouwer vond ook dat het fijne muziek was, en dat zij
+best dees lied zou kiezen. Juffrouw Bella verkoos echter "Les petits
+pavés". Dat was aandoenlijke zang, en Alfred kon ook geen ander
+fatsoenlijk begeleiden.
+
+Ze zong met een aangename stem, niet zonder eene gevoelerige
+gemanierdheid nochtans. Ze bleef altemets aandringen op een toon en
+maakte dramatische effecten daarmee, den klank warm en vol afrondend
+in den beginne om hem naderhand te doen uitsterven in smachtende
+halve-tinten. Als ze, bedrogen door heur eigen spel, hare oogen voelde
+nat worden, neep ze die halvelings toe, zoodat het licht op hare wimpers
+in de tranen fonkelde. Erdoor waterden hare bezweken blikken zijwaarts
+toe naar Sebastiaan, en hare woorden trilden in deze stonde waarachtig
+van hopelooze droefenis. Bij de laatste strofe zonken hare armen neere,
+en binst de endakkoorden van 't klavier bleef ze nog staan, en haar
+gezichte bewaarde swijlens zijne smartelijke uitdrukking.
+
+--Bravo! bravo! riep mijnheer Wilder.
+
+Elkendeen juichte haar toe.
+
+--Wat een allerliefste stem! zei Ursule.
+
+--En hoe zij die te leiden weet! zei mijnheer Vrebos.
+
+Mijnheer Devleeschhouwer peuterde aan zijn baardje en knikte goedkeurend
+en luisterde met welbehagen naar mevrouw Wilder, die de kwaliteiten van
+dezen zang overschatte. In den grond hield zij er niet van: het lied was
+lamlendig en éentonig, en het docht haar dat Bella lijk een ziekelijke
+katte daar te miauwen stond.
+
+--Het is heerlijk! zei ze en, met een veelbeteekenend stootje van hare
+onderlip, lachte ze Bella toe.
+
+Alfred droop naar zijne plaats terug en zat er, lijk te voren, met
+roerlooze oogen te turen naar Goedele. Maar mijnheer Wilder gaf hem nu
+duwkens in zijn zijde en fluisterde hem een breede uitlegging toe
+omtrent allerlei mekanische tuigen. Mijnheer Wilder was eenigermate
+onder den invloed van den wijn geraakt; zijn aangezicht vuurde lijk
+laaie karbonkelgloed, en roode vlekken beglansden zijn bolle voorhoofd.
+Het zwitsersch huizeken, dat Sebastiaan hem had meegebracht, kwam
+gestadig vóor zijn geest, en hij hoopte dat hij het straks aan Alfred
+zou kunnen toonen. Hij wilde bij Alfred belang verwekken voor het
+huizeken, omdat hij zelf 't zou te zien vragen. Hij wist dat Ursule hem
+niet toelaten zou het uit te pakken, als hij er uit eigen beweging van
+spreken zou.
+
+--Alfred zal 't verkrijgen, peinsde hij.
+
+Hij probeerde Alfred te bewegen. Hij wilde 't voorzichtig doen, vertelde
+eerst van automobielen, van elektrische trams. 't Begon Alfred alseffens
+schrikkelijk te vervelen.
+
+--Te Straasburg is er een wonderlijk horloge, zei Albien.
+
+Hij lei uit hoe daar eenthoeveel apostels en groote personagen bij 't
+slaan der klokken te werke gingen en draaiden en keerden en zwaaiden met
+hunne bronzen armen.
+
+--Maar een huizeken in hout, een beiaard daar in, en een vrouwken en een
+manneken, alles schoone ingewikkeld, jongen--hebt ge dat al ievers
+gezien?
+
+--Neen ik, zei Alfred.
+
+--He wel! ik hebbe er zoo een!
+
+Alfred staarde naar Goedele's vingeren, die om een zilveren lepelken
+verduldig werkzaam waren.
+
+--Ik hebbe er zoo een, herhaalde Albien, al duwend in Alfred's leên.
+
+Maar een luidelijk gedruisch kwam in de straat, onder de vensters, en
+alle woorden vielen meteen. 't Was een stijgende zang uit honderden
+kelen, een rommelend rumoer onderbroken door dreunend trompetgeschetter.
+Als de ruchtige stoet voorbij was en in een nevensteeg ging wegdoezelen,
+lijk somtemets de winden doen alover verre daken, was in de eetkamer een
+ongemakkelijke stilte meesteresse.
+
+--Werkvolk, zei Rik na een stonde.
+
+Mijnheer Devleeschhouwer deed onachtzaam al spelend zijn leeg tasje op
+tafel ommentweer rollen. Ze begonnen allemaal seffens dooreen te
+spreken. Ze wierpen een woord alhier en aldaar en ze waren koortsig.
+
+--Weer een meeting....
+
+--Weer een vechting....
+
+--Weer 't bedrijf van Zondag--een ophitsen, een losloopen van
+gewelddoeners.
+
+--Wat een tijd, wat een tijd!
+
+Mevrouw Devleeschhouwer herhaalde:
+
+--Wat een tijd! Wat een tijd!
+
+'t Was verkiezingsweke. Onlangs was er geweld gebeurd, een muiterij in
+'t lage der stad, een omnibus omverre geworpen en steenen uit de
+kasseide gehaald. Drij dooden.
+
+Rik mummelde dat het een hoop met beesten was.
+
+--Ze willen muren inbreken met hun voorhoofd.
+
+Mijnheer Wilder meende dat die menschen veeleer ongelukkig dan slecht
+waren. Hij zei 't ronduit. De regeering was onrechtveerdig, of zij wilde
+niet rechtveerdig genoeg zijn.
+
+--Elkendeen moet te eten krijgen.
+
+--Maar elkendeen moet werken, ronkte Rik, en dees zijn opgestookte
+leeggangers.
+
+--Ja, sprak Ursule, kort en hard.
+
+Sebastiaan peinsde ook dat de volksbeweging de maatschappij tot het
+uiterste kwaad leiden zou.
+
+--Wij zullen nooit en nievers allen tegelijk gelukkig zijn. Er zijn
+uitverkoren en verworpen wezens. Er moeten meesters zijn en slaven.
+De huidige democratie is de ondergang der kunsten, en maakt 't
+luilekkerland der middelmatigen. 't Getal domme menschen zal altijd
+grooter blijven dan 't getal verstandige--zij zouden dus 't
+hoofdzakelijke bestuur kiezen? Wij gaan geleidelijk naar 't verderf,
+omdat wij, uit leelijke deernisse, de onderste menschenlade niet
+opofferen durven.
+
+Goedele meende dat die deernisse niet zoo leelijk was en dat het volk,
+tot hooger besef zijner plichten komend, stilaan zich verstandelijk
+ontwikkelen zou.... Er geraakte in huis een ongemoedelijk geluchte. Men
+voelde allentwege een wrevelige kilte, en men loerde naar de plate van
+'t horloge. Mijnheer Devleeschouwer moest nog zijne denkwijze kenbaar
+maken.
+
+--Kwart over tien, lispelde zijn wijf met geveinsde onverschilligheid.
+Maar mijnheer Devleeschhouwer hield er bepaald aan ook zijn woord te
+plaatsen en hij deed het met de noodige deftigheid. 't En was, volgens
+hem, niet kwaad dat er af en toe een onlustje onder dat sociaal-minnend
+boeltje ontstond. Dat was eene gelegenheid om de sterkte der politie te
+staven. Hij hief zijne armen omhoog en werd praatziek:
+
+--Hoe loopt zoo'n opstand gemeenlijk uit? De politie neemt stevige
+maatregelen, de stoeten worden ontbonden, de burgerwacht, steunpilaar
+onzer huiselijke rechten, wordt bijeengeroepen en bezet alle straten.
+Als ik zeg alle straten, zal mij niemand tegenspreken. Wat hebben wij
+verleden Zondag gezien? Wat hebben wij in de dagbladen gelezen? Ik
+ontmoette majoor Cnaps. Hij zei: "De wet zal geëerbiedigd worden." Ja
+dat heeft hij gezegd.... Ik vind niets ter wereld schooner en statiger
+dan een officier der burgerwacht. Majoor Cnaps is ook een fier en
+heerlijk man, niet waar mevrouw Devleeschhouwer? Dat is nu wel de zaak
+niet, maar 't is eender. Een oproer blijft voor mij een deugdelijk
+verschijnsel.
+
+Elkendeen was allang te wege op te staan. Bella sprong endelijk rechte,
+met een lach verwittigend dat het laat werd. Ursule bracht hier tegen in
+dat het morgen rustdag zou zijn en er dan geen bezwaar was om nog een
+uurken te blijven; ze deed het echter heel lauw en meest bij wijze van
+beleefdheid. De stoelen werden alhier en alginds verschoven, en Goedele
+ging in de voorzaal 't gaslicht aansteken. Ze hielp mevrouw
+Devleeschhouwer en Bella zich aankleeden en schikte hunnen hoed en
+speldde hun vool vaste.
+
+Ze hoorde ze op den hof vóor 't hekken nog groeten en naderhand hun
+gemompel over de straat stille weghorzelen. Ursule was algauw in de
+keuken om inspectie te doen, en Albien scherrelde met zijn Zwitsersche
+dooze naar zijne kamer. Rik bleef zitten voor de leege glazen. Goedele
+zuchtte diepe. Ze tort naar het terras en bleef er een oogenblik staren
+door de donkerte naar de boomen, die in eentonigen avondzang te ruischen
+stonden, op de mate van den gelijken wind. Ze werd naderhand Sebastiaan
+gewaar achter heur, en draaide zich omme.
+
+--Gij?
+
+--Ja....
+
+Hij nam hare hand en drukte die en omving hare schouders, trage haar
+hoofd neerleggend op zijne borst. En in heur haar fluisterde hij zachte
+woorden. Ze was gestreeld erdoor en liet zich streelen, en zijn warme
+asem was een aangename jeukte over haar hoofd.
+
+--Wat hebbe 'k gedacht aan u, mijn Goedele!
+
+Hij zocht naar lijze zinnen en wrocht ze zorgvuldig zaam in zijn geest
+tot een lange lispeling, een lispelende zoetigheid. Hij peuterde aan
+zijn gevoelens tot het ruchtlooze vlindervlerken werden of een geest
+zonder gedaante. Hij en liet geen vezelken zijner ziele onaangeroerd,
+hij zei alles wat in zijn liefde tot een woord kon vervormd worden.
+
+--Ik keek naar een sterre, en voelde precies dat haar stralen u taakten.
+
+En Goedele liet overhaar neerkomen die stroom, die warmte, die
+vrede--tot zijne lippen meteen haar voorhoofd toetsen kwamen. Ze boog
+zich en sleerde uit zijne armen en stond dadelijk in 't volle licht der
+eetzaal. Hij sprak niet meer. Hij nam zijn overjas, en stak een sigaar
+aan. Hij drukte even hare hand en kustte die vluggelings, en vertrok.
+
+Moeder kwam aangeloopen en moest nog alles nazien op de tafel, de lepels
+tellen, de vorken, de suikertichelkens.
+
+--Waarom ontvangen wij dat volk? mummelde ze.
+
+Ze troostte zich met het idee, dat het nu hare beurt was en dat ze
+ongenadig zou zijn bij Devleeschhouwers en maar doorvreten zou. Het was
+sinds jaren zoo.
+
+Goedele ging slapen. Ze tort hare killige kamer binnen en miek licht.
+Haar venster stond nog open en 't vrije geluchte joeg in breede vlagen
+ommentweer. Ze belook de ramen en huiverde een endeken. De keerse stak
+weldra een rustig vlammeken omhooge en wierp schier roerlooze schaduwen
+tegen de muren. Het bedde stond hagelblank en vouwrijke gordijnen vielen
+erlangs, doorzichtig in 't gele uitspattende licht. Vóor een vierkant
+tafelken, ook met een witten geborduurden doek bedekt, zette Goedele
+zich neere en bleef er den avond herdenken in hare luie gepeinzen.
+
+Ze was moe. Ze haperde aan wrevelige herinneringen, al kleinigheidjes
+die groot werden in haren geest en waarmee ze dan een gedwongen
+hopeloosheid wilde bewijzen. Ze redeneerde tegen haar eigen zelve en
+gebruikte daartoe de minste gebeurtenis. Nimmer had ze met meer
+zekerheid de ijdelheid gevoeld van dees huis, de ijdelheid van dees
+leven. Het soepee walgde haar. 't Kwam in groote geuten naar haar hoofd,
+en al die menschen, elk met zijn particuliere dwaasheid, waren leelijk
+en terugstootend. Het beeld van mijnheer Devleeschhouwer krenkte haar,
+en zijne nietige vrouw, waanzinnig in kleine eerzuchtjes, kon ze niet
+verdragen. Bella ook werd haar een folterend hysterisch popje, aldoor
+smachtend en aroetekoeënd en potsierlijk. Hare ouders zelve bezeerden
+hare gedachten--moeder was valsch en vader was klein en grootvader was
+vrekkig. Ze zag nog den zwaren nekke van Alfred, binstdat hij op 't
+klavier spelend was, en zijn droog haar saamloopend, tenden zijn bolle
+hoofd, tot een stekelig sterreken....
+
+Ze achtte zich, met een haastigen schok, verveeld en vernederd door
+eigen verbeelding. Ze kleedde zich uit en vlocht heur haar bij dichte
+stringen en wond die in een kanten kapje saam. Ze stond nadien vóor den
+spiegel, bloothemds, en bekeek de schoonvervige naaktheid van haren
+hals, hare opwellende borsten, hare armen. Ze was groot en geweldig en
+majestatisch. Ze kwam haar eigen meteen voor als een aanbod, als een
+koopveerdige voorstelling, als een die zich niet bezittend was en
+eigendom zou worden. Een stijgende fierheid sloeg, met den stevigen klop
+van haar bloed, tegen hare slapen en ze voelde zich machtig, boven 't
+gepeuter en de ellende van dees huisgezin, boven al de luttele woorden,
+die flauwasemend neerzegen, menig en vederlichte. Ze wilde een forsig
+gezegde beluisteren, den vurigen toets van mannelijke armen belijden,
+ze wilde zich verdedigen met hare tastende handen en toch overwonnen
+worden....
+
+Ze viel neer op haren stoel, sidderend en hijgend. Ze dacht aan
+Sebastiaan, hoorde nog het zoeterig gefluister zijner liefde, zag nog
+het vroom gebaar zijner kunstige lippen, en zijne oogen, diepe en
+stille, zijne blauwe oogen. Ze werd, in éen scherp zicht, gewaar dat hij
+over haar niet heerschen zou, dat zij hem gewillig verdragen zou, en hem
+in dankbaarheid voor vredige uren liefhebben. Zij en bereikte, met een
+verste gepeins, geen wijde hoop in de toekomst, en haar hoofd zonk op
+hare borst, verduldig, begrijpend dat het niet denken mocht. Ze vatte
+langs alle kanten van haren geest, dat haar lot verveling was en dat
+geen schoon geweld haar driftverlangen zou bedaren.
+
+Ze weende nu en had deugd daaraan, en haar lijf snokte opwaarts, met
+haar hortend snikken mee....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+IV.
+
+
+Het was 's anderen daags frisch en leutig weer. De zonne had in den
+morgen een lagen mist verscheurd en wapperde tegenwoordig in een blauwen
+hemel, lijk bij uitkomend lentegetij. Goedele zou naar Romaan gaan. Het
+hekken viel luidelijk dichte achter haar, en nu tort ze over de straat
+en hare hielen klonken pleizierig op de koude steenen. Ze voelde zich
+vrij en keek alles genegen toe, alles liefelijk ontvangend wat zich
+voordeed. Ze bleef altemets de uitstalling der groote magazijnen
+bekijken, en 't was een waarachtig geneuchte voor haar. Ze stelde er
+algauw een groot belang in en bleef hier en daar haperen en
+lanterfanten, kiezend en afkeurend en aannemend met een knikje. Ze
+bewonderde in een engelsch confectiehuis een prachtig kareelbruin kleed
+uit zwaar laken, ruime pagodemouwen met oranje zijde gevoerd en bezet
+met zachten marterpels, een kraag met gulden franjen en zoo nauwkeurig
+met blinkende knopjes bezoomd, regelmatig te reke.... Ze had goesting
+naar zoo'n dracht, die haar rijkelijk maken zou en begeerig. Ze zou dien
+breeden rok voelen kloppen, gewichtig en wijdplooiend, om hare voeten.
+
+Op een hoek der groote middenlaan, stapte een sierlijke dame uit haar
+coupé. Even werd haar kleine leest in een ruischend gefrutsel van kant
+en satijn zichtbaar, en ze liep, al wippelend, een pasteiwinkel binnen.
+Goedele loerde ze nog na, benieuwd voor wat ze koopen zou, en ze merkte,
+achter de laden taartjes en suikergoed, hoe zij te kiezen begon en
+naderhand zich aan een luttel mokkakoekje te snuisteren zette. En ze
+beneed bijna deze vrouw, die schoon en wispelturig en vrij was in hare
+doening. Zóo, lijk deze, wilde ze worden--zoo, handelend naar beliefte,
+en geliefd naar haren zin. Ze zou ook genieten van den vroegen morgen en
+uitrijden in de uchtendkilte. Ze zou ook links en rechts binnen gaan,
+toevallig. Ze zou ook bijten in zoo'n taartje, met volle tanden, en ze
+zou trek hebben ernaar.
+
+Nu had zij geen trek. Ze had ook geen geld te vele. Ze had, buiten enkel
+klein zilver, het bankbriefje dat voor Romaan en zijn kindeken bestemd
+was. Geld van moeder. En ze dacht: we maken thuis ons eigen ongeluk....
+
+Binstdat ze vóor een modemagazijn stond en veel lust had in 't zicht van
+hoeden en linten, werd ze een jongen man gewaar, die haar sinds durenden
+tijd achtervolgde en maar overal stil bleef, waar zij iets te bekijken
+had. Ze vond hem onbeleefd en zou hem straks eens duchtig in de oogen
+staren, als dat loopje standvastig zijn mocht. In de spiegelvlakte der
+ruiten kon zij hem zien--een sterken vent, hoog en goedgeschouderd,
+fatsoenlijk aangekleed. Ze vond hem deftig en struisch, bijaldien hij
+haar dan toch danig krenkend en ongemanierd scheen. Hij wilde niet in
+haar aangezicht blikken, hij deed alsof hij haar niet merkte, voortdurig
+echter achterblijvend, gedwee en koppig tevens.
+
+--Hij heeft tijd te vele, meende Goedele.
+
+Ze tort dan haastig door, kronkelend door 't volk, straat in straat uit,
+zonder ommezien. Ze spoedde zich tot zij er moede van werd, en bleef
+rusten bij een tramhuisje. Tien stappen achterwaarts stond hij.
+Verontweerdigd stapte ze naar hem toe, hem bijna takend in 't
+voorbijloopen, en hij kon ditmaal haar toornige oogen niet ontvluchten.
+Hij bloosde rijzekens en sprong verlegen op een aankomende tram.
+
+Ze had er nu medelijden mee, met dien grooten lummel en lachte met zijne
+plotselinge benauwdheid. 't Was haar een onnoozel vermaakje geweest; ze
+dacht er aan, lijk aan een piepken-duik-spel van kleine kinderen. Ze
+herinnerde zich flauw zijn scherp gelaat, omschaduwd met donkere knevels
+en een vierkanten baard. Ze drilde voort, probeerde onderwege zijn
+beeltenisse precies af te teekenen en peinsde er later niet meer op.
+'t Was een dwaze leutigheid.
+
+In de lage stad ontmoette ze, langs de nauwe stegen, meer volk en was er
+meer verschillend lawaai. Winkeliers prezen hun waar op hunnen dorpel.
+Wijven stonden in donkere poorten te kakelen en te kijven. Allerlei
+menschen kwamen saam, bij dichte troppels, hun neuze opheffend, en
+turend naar blinde muren, met electorale plakkaten bontgevlekt. Kinderen
+draafden gichelend en schreeuwend rond en stormden tegelijk een
+ruchtigen brouwerswagen achterna. Uit open kroegen steeg 't rumoer van
+hevige redeneeringen. De toekomstige verkiezingen hadden alreeds deze
+wijk in rep en roere gesteld.
+
+Goedele kocht in een poppenkraam een poesjenel voor Wiezeken, geheel en
+al in een rood en groen pak, met gulden draad geborduurd. Ze dacht:
+
+--Ons pover Wiezeken!...
+
+Ze tort de vaartbrug over en geraakte, zijwaarts ommedraaiend, in een
+stille straat, die verder uitliep op de graanmarkt. Arets den hoek
+voorbij, was een ellegoedwinkel met hoogen gevel. Hier, op het eerste
+verdiep, woonde Romaan. Ze ging seffens den somberen gang door en steeg
+de smalle trap op. Er heerschte tallenkant een scherpe geur van lijnwaad
+en geverfd katoen. Ze klopte boven stille tegen de deur, hoorde
+binnenwaarts tante Olympe antwoorden, en draaide de klinke open.
+
+--Wel! wel! juffrouw Goedele! riep tante Olympe.
+
+Tante Olympe zat alleene aan 't patodders schillen. Ze kwam haastig
+aantrippelen, binstdien vluggelings hare handen schoonvegend met haar
+blauwe schort, en hielp Goedele zich ontdoen van haren mantel. 't Was
+een stokoud wijveken, mager en omlage gekromd. Haar luttel gezicht lag
+plat tusschen twee pronte vlechten zilverwit haar, en haar kinneken stak
+vooruit en ging huppelend mee met hare minste woorden. Ze droeg een
+zwarte kanten kap en getafelde halfmouwen. Twee lange oorbellen
+rinkelden van weerskanten tot in haren hals.
+
+--Ho! dat zal Romaan en Madeleen deugd doen, die brave komste van
+juffrouw Goedele.... Ik zei 't nog gisteravond bij mezelve: zou ze nu
+niet weten dat Wiezeken ziek is, en zou ze nu niet komen?... Maar ze
+komt. Dat is goed. Dat is goed.
+
+Ze roefelde met een handdoek over een stoel en schoof hem naar Goedele
+toe.
+
+--Och! en Wiezeken is zoo ziek, juffrouw!
+
+--Zoo erg?
+
+--Och ja! Och ja!
+
+Ze zuchtte en zette zich neer en staarde een wijlken naar een varende
+wolk, langs het venster.
+
+--Ik hebbe 't gepeinsd en ik hebbe 't gevreesd, juffrouw Goedele. Dat en
+kan toch niet deugen, zoo'n valsch huwelijk, niet waar? Ze zijn allebei
+braaf en ze hebben een schoon herte. Ze zien mij ook geerne. Romaan is
+braaf. En Madeleen is braaf. Maar wat willen ze nu koppig zijn, tegen
+den wil van Ons-lieven-heerken? Wat willen ze nu zondig zijn? En ze
+verdienen geen straffe. Wat willen ze de straffe met geweld zich
+aantrekken? Ik weet niet ... waarachtig.... Ons-Heere is zoo goed! Heeft
+hij ooit iemands ongeluk gemaakt? Hij heeft dikwijls iemands ongeluk
+vermeden....
+
+Hare oogen kwamen vol tranen en die rolden nadien, dikke en langzaam,
+langs hare kaken, in de diepe groeve van hare rimpels. En ze zei:
+
+--Zijn wil is deugdelijk. Ze moesten trouwen en neerknielen in de kerke.
+Dan zou alles effen komen.... Ziet-de 't? Ik word ziek daarvan.
+
+Ze blikte weer opwaarts, naar die wolke. Ze slikte een krop weg, die
+zeer deed in hare keel.
+
+--Maar nu is ook Wiezeken ziek geworden....
+
+--Is Wiezeken gevaarlijk ziek?
+
+--Ziek. 't En wil eten noch drinken. Keelpijne. 'k Hebbe al gesproken
+van lijzemeelpap met regenwater. 't Kindeken hoest, dat het mij pijn
+doet, 's nachts. 'k Hoore 't 's nachts hoesten. 't Is een holle hoest,
+die dan te huilen begint. 't Ligt in de voorkamer. 't Is bleek en mager
+geworden. G'en zult het niet meer herkennen, juffrouw Goedele. 't Zal
+wel zijne handjes uitsteken naar u, maar zulke tengere handjes, met
+vingerkens van teer hout precies. Madeleen en Romaan en mijnheer
+Johannes zijn er nu bij. Mijnheer Johannes komt schier alle dagen
+kijken, en Wiezeken ziet hem geerne.
+
+--En komt de dokter er ook bij?
+
+--Dagelijks. Hij wringt beulenijzers in Wiezeken's kele. Ik en kan 't
+niet zien, waarachtig. En dan moet ze citroen nemen tot heur tanden
+rabauwen. De dokter zegt dat het zal overgaan. Ze zeggen dat allemaal.
+Maar ik weet wel dat het ongeluk hier is binnen gekomen, en dat het niet
+wijken zal, als Romaan niet tot inkeer geraakt.
+
+Goedele stond recht.
+
+--'t Kindeken ligt in de voorkamer, zei tante Olympe.
+
+Ze was te wege Goedele vóor, om haar de deuren te openen. Ze mummelde
+gestadig en schudde haren witten kop, tenden raad. Ze keerde zich dan
+haastig omme en blikte zonder overgang vlak in Goedele's oogen, en ze
+vroeg:
+
+--Wilt gij Romaan overhalen?
+
+Ze beweerde dat Goedele het zonder moeite bekomen zou. Romaan sprak alle
+avonden van haar. Zij zou hem dadelijk tot zijn schoon verstand brengen.
+
+--Hij is nu buiten zijn gedachten versmeten.
+
+Goedele weerde zich zachtjes af.
+
+--Wilt ge niet? bad tante Olympe en hare lippen vielen in diepe droefenis
+neerwaarts, zoodat naar dezen nieuwen rimpel al de andere te gelijk
+negen, een beeld stichtend van onzeglijke smert. Goedele troostte
+haar--dat was niet zoo erg, en God hield zich niet zoo bepaald bezig met
+schadelijke uiterlijkheden.
+
+--Schadelijk?
+
+--Want als Romaan trouwt, dan sterft zijne moeder. Romaan doet het
+wellicht uit menschlievendheid, en doet hij niet best zoo? Moeder was
+niet edel jegens Madeleen, tante Olympe, maar ze blijft, spijts al haar
+ongelijk, zijne moeder, Madeleen weet toch dat Romaan haar niet verlaten
+zal. Zij mag niet willen dat Romaan's moeder sterft.
+
+Tante Olympe week achterwaarts tot tegen de dresse en ze hief
+permintelijk haren kromme rugge rechte. Haar aangezicht verloor meteen
+zijn lijdende uitdrukking en werd hard, puntig, stekelig.
+
+--Ja?... Ja?... Ja, juffrouw Goedele?
+
+Hare kin begon te trillen en ook hare beide handen beefden, en haar hals
+rok ze uit, de bruine pezen toonend boven hare witte krage, tusschen de
+blinkende oorbellen schijnbaar bruiner nog. Hare stemme steeg uit lage
+diepten, werd koortsig en sidderde, schoot weg in klaterende klanken en
+schorrelde thoope, lijk een pak blekken schervels, droge en ruig.
+
+--Maar nu sterft Wiezeken? Maar nu sterft het arme dutseken door den wil
+van God, door ulder koppigheid, ulder te gare. En als Romaan en Madeleen
+buiten geworpen werden, uit het andere huis, omdat ze niet wettig
+getrouwd waren, en als we samen het moeielijk hadden en aleens honger
+kregen--is dan mevrouw Wilder dankbaar geweest, dankbaar omdat Madeleen
+zich, naar hare goesting alzoo, lijk een slonse gedroeg?... Ik hebbe
+gewerkt met mijne oude vingeren, en met mijne oude oogen hebbe 'k
+gewerkt, en nu wonen we in een leelijk huis, waar Madeleen zich voort
+lijk een slonse mag gedragen. En nu sterft mevrouw Wilder niet. Ze zal
+wel gezond zijn, als Wiezeken sterft. Dan is Wiezeken uit de voeten....
+
+--Ho! Ho!... tante Olympe....
+
+Goedele was niet toornig--ze berispte stille, omdat tante Olympe bedaren
+zou. Maar tante Olympe moest uitspreken en naarmate hare stemme gebroken
+en afgemat, luttel werd, liepen sneller en zwaarder hare tranen over
+haar roerend aangezicht.
+
+--Ik mag het u zeggen, juffrouw Goedele. Ge zijt ons allen lief en
+genegen....
+
+Ze begon meteen te snikken. Het groote geweld was over, en ze kloeg nu,
+al hakkelend en schokkend. Haar lijf zakte ineen en ze was moe, kromme
+en scheef lijk te voren.
+
+--Och! kind, we doen zoo moedig ons devooren, gedrijen. Romaan is nog
+altijd op de fabriek; hij wint daar niet veel en we moeten hem helpen
+met borduurwerk. We doen het geerne, we doen het geerne.... Maar laat ze
+trouwen, als 't u belieft. Ik heb al zooveel geleden voor Madeleen, van
+toen ze klein was en hare ouders had verloren. Ik heb ze opgebracht en
+ze leeft in mijn herte. Laat ze nu trouwen, laat ze haar eer hebben, die
+'k zoo jaloersch hebbe bewaard. Laat ons hier weggaan, uit dees open
+huis, en laat Wiezeken later een naam dragen ... niet waar? Ben ik nu
+redeloos? Mag mevrouw Wilder redeloos zijn? En zou ze sterven, omdat een
+meisje eerlijk blijven wil? Zou ze? Maar ik, ikke, juffrouw, ik ga nu
+ook weg, door hare schuld dat voele 'k--en ik zie Romaan en Madeleen
+allebei zoo geerne....
+
+Ze moest gaan neerzitten op een stoel, en Goedele klopte zoetekens op
+hare schouders, een braaf woord zeggend, dat haar opbeuren zou. Ze werd
+kalm naderhand en snoot zich in haren grooten rooden neusdoek, en veegde
+trage hare oogen droge. Ze fluisterde, met een droef lachje, Goedele toe
+dat ze niets hiervan bij Romaan mocht laten gebaren. En vriendelijk, nog
+even na 't eerste woord een snik meeduwend, vroeg ze:
+
+--Wilt ge nu Wiezeken zien?
+
+Goedele nam de bonte pop, die zij medegebracht had, en ging vóor. Maar,
+bij de deure, bedacht zij zich en tort niet verder.
+
+--Wie is die mijnheer Johannes?
+
+Tante Olympe werd seffens praterig en lei uit hoe deze vriend van
+Romaan, een rijke kunstschilder, op een avond in huis gekomen was en hoe
+hij sindsdien wekelijks kwam en hen allen zeer genegen was.
+
+--Een brave ziele, juffrouw Goedele. Hij heeft de beeltenisse van 't
+kindeken gemaakt, op min dan drij dagen. Wel! dat is een stuk, schaap.
+Ge zult het zien. Ge zult peinzen dat Wiezeken in waarheid u komt
+toegeloopen....
+
+--Hoe is zijn name?
+
+--Ameye, Johannes Ameye--wij zeggen gemeenlijk hier mijnheer Johannes.
+'t Is een gouden hert.
+
+De deur werd precies opengestooten, en daar stond Madeleen. Ze viel
+dadelijk in Goedele's armen, haar kussend en groetend met dankbare
+woorden, en ze bezagen malkander naderhand met vochtige oogen. En
+Madeleen lispelde gestadig dat het braaf was, dat het goed was.
+
+--Och ja! ik ben tevreden.
+
+Romaan liep ook fluks bij en drukte zijne zuster op zijne borst, en dan
+stonden ze gedrijen een wijle sprakeloos ondereen, te kijken naar een
+gedacht van deugddoende liefde. De stilte is altemets een licht gewaad
+met gulden twijn geweven, waar de ziele te rusten blijft, te rusten en
+te luisteren naar schoone aandoeningen.
+
+Romaan nam nadien Goedele bij de hand en stelde haar vóor aan zijnen
+vriend. Ze dierf in den beginne niet opzien. Ze voelde iets ongemeens
+in 't geluchte, alsof deze man geen vreemde zijn zou en haar met een
+bevrienden lach bejegende.
+
+--Dees is haast mijn broeder, zei Romaan, zijn plaats in mijne liefde is
+nevens u.
+
+Ze keek er naar en herkende hem, zooals zij hem bij 't venster van den
+modewinkel voor 't eerst ontmoet had, en zooals zij er, bij het
+tramhuisje, toornig was op afgegaan. Hij bloosde en boog.
+
+--Hebbe 'k mejuffer niet elders gezien? Ik vrees dat ik een leelijk
+hoekje krijg in haar geheugen....
+
+Zijne stem was vol en zwaar, en sloeg in sierlijke golving om.
+
+--'k En hebbe u nooit ontmoet, zei Goedele.
+
+Tante Olympe had seffens de voorkamerdeur geopend en was aan 't babbelen
+met Wiezeken van een popje met djentige dracht en met twee drollige
+bulten. Madeleen begon over 't arme dutseken te klagen en vertelde hoe
+het toch zoo geleden had, den vorigen nacht, hoe 't hoestte en kuchte en
+pijnelijk zich wrong, hoe 't dan neerlag zonder couragie, bleek en
+afgemat, hoe 't zin had in niets, in niets van al wat het vroeger
+begeerde,--en hoe dat alles danig smertelijk was om zien.
+
+Ze gingen allemaal nog eens kijken. 't Beddeken stond in een luchtige
+kamer, naast de breede koetse van Romaan en Madeleen. Drij vensters
+wierpen licht op den blooten vloer en, bij kletsende geuten, tegen 't
+vermoeide muurpapier, vaag-bebloemd met bruinroode tulpen. En 't
+beddeken was sneeuwwit en zuiver en prontelijk, gewend aan de zorg van
+aandachtige moederhanden. Goedele bukte zich langzaam erover.
+
+--Dag, Wiezeken, mijn zoete boeleken....
+
+Wiezeken lag in 't blanke kussen, zoo luttel, zoo klein.... Haar hoofdje
+dook schier weg onder de sargie, een hoofdje bleek en vaal, met
+loodvervige schaduwen, oogjes diepe en wijd-denkend, en een mondje
+teenemaal verslenst. Ze lachte stille als ze Goedele herkende, en hare
+handjes gingen op naar heur, nadien weer neervallend, lui, onbeweeglijk,
+broos. Hare lippen ontsloot ze swijlens en ze wou zeggen: daáag!... en
+ze haperde in een zuchtje en zweeg. De pop werd nevens haar geleid, en
+ze was daarmee bovenmatelijk gelukkig. Ze bekeek haar met welbehagen en
+had plezier met de schitterende kleuren en die koperen knoppen en die
+domme bulten van weerskanten.
+
+--'t Is een poesjenel voor de brave kinderen.
+
+De poesjenel kon zijne armen toeklappen, als men op zijn buik neep, en
+dan rinkelden de twee bellekens, die aan zijne mouwen hingen. Tante
+Olympe neep maar gedurig op den houten buik en de poesjenel smeet zijne
+klinkende armen gedurig saam, en Wiezeken was bovenmatelijk gelukkig.
+Maar ze werd algauw weer slaperig en wendde haar hoofd omme, en dan
+moest Tante Olympe aan 't voetende het lieve lam pakken, dat mijnheer
+Johannes had meegebracht. En tante Olympe moest op het onderst plankje
+duwen tot het lam te bleeten begon. En 't lam zei:
+
+--Bêe-êe-êe-êe....
+
+Wiezeken lachte flauw en streek met hare vingerkens in de witte wolle en
+bleef er peuteren tot meteen hare oogen opnieuw heel verre staarden en
+ernstig werden. Het was alsof dees kind zijn moeielijke gepeinzen volgde
+en in diepe beschouwingen verzonk, aldoor mijmerend langs
+bovennatuurlijke zaken. Langzaam vielen zijne wimpers dicht en zijne
+handjes bleven stille.
+
+--'t Slaapt.
+
+Het sliep. Zijne wangen en zijn voorhoofd en zijne lippen--'t werd alles
+effen wit.
+
+Ze tuurden allemaal zwijgend ernaar. Romaan boog zijn hoofd en zijn kin
+rustte op zijne borste, en van onder zijne neergeduwde wenkbrauwen
+loerden droomend zijne rechte blikken. Hij hield zijn kind, dat
+beeldeken van smerte, in zijne hersens vaste en zijn hopeloos gedacht en
+wilde zich niet losrukken daarvan, hoe 't hem folterde en martelingen
+aandeed. Dat witte gelaat, in nauwmerkzame tinten opschaduwend uit al
+het blanke bedlinnen, dat heele broze koppeken, rijzekens een diepte
+wegend in 't donzig kussen, en dan de teekening daarin van beloken
+oogen, neerplooiende lippen, een luttel neusje, met kantewaarts een
+zoetvervig blauw--al wat nu Wiezeken was, 't hiew met pijnlijke slagen,
+een steenen herinnering in zijn geest. Madeleen keek schuw op naar hem,
+en ze toetste met haar hert zijn droevig gepeins, en een groot verdriet
+zeeg over haar.
+
+--'t Is een deugdelijke slaap, fluisterde tante Olympe.
+
+Ze kromde haren ronden rugge over 't bedde en lei den poesjenel aan 't
+voetende, nevens 't schaapje, en dook voorzichtig de lichte handjes van
+Wiezeken onder het deken. En ze prevelde nog:
+
+--Morgen zal 't ten halve genezen zijn.
+
+Ze rechtte zich en zag omme binstdien, en Romaan stond daar, vóor haar,
+te staren, heinde weg, roerloos en zonder uitkomste. En ze merkte, zóo
+blootliggend op zijn aangezicht, zijn endelooze leed. En ze herhaalde
+met onzekere stem, om toch wat leven in dees bange geluchte te krijgen:
+
+--Morgen zal 't ten halve genezen zijn.
+
+Maar de stilte en wilde niet breken, en hare woorden stierven seffens
+uit, zonder naklank, zonder een bijblijvend gedacht, dat mocht de
+angstige leegte vullen. En dan zweeg ze ook, met de anderen mee, en dan
+hoorde ze somtemets het snorkend asemken van 't zieke kind.
+
+Tot, op een ende, allengs 't rumoer van voorbijrijdende karren en een
+standvastig gebas van honden hier binnen drong en hoofdzakelijk werd,
+ten teeken dat stilaan elkendeen zich van Wiezekens' beeld lostrekken
+wou. Daar was buiten een man die riep:
+
+--Scherre-scherre-scherresliep!
+
+En hij deed een krissend wiel draaien, dat lijk een scheur door de
+ruimte kreesch. Naderhand klonk boven, op het tweede verdiep, 't geronk
+van een naaimachine, en bij poozen, een blijde meisjesstem vrij trillend
+in een leutig lied. Goedele lei haren arm op Romaan zijnen schouder, en
+Madeleen wendde met een diepen zucht haar aangezicht van hem af. En
+mijnheer Ameye zei:
+
+--We mogen hier alzoo niet blijven, en de kamer vullen....
+
+En terwijl allemaal stille wegdrumden, vroeg hij wat een lieve
+gebuurvrouw daar zong, ginder hooge. Tante Olympe trok voorzichtig de
+deure dicht, en begon seffens te vertellen van het zonderlinge
+huishouden.
+
+--Een blinde met zijn dochter.
+
+Ze noemde de dochter "een verloren maarte". De oude vader knorde en
+ronkte en keef den heelen godschen dag door, en 't meissen zong
+swijlens. Men hoorde ze van den morgen tot den avond. 't Waren goede
+herten.
+
+--En hoe geraken ze aan hun brood?
+
+--Ja, hoe geraken ze aan hun brood!...
+
+Tante Olympe zette zich bedenkelijk neer, en lonkte naar Madeleen, en
+vouwde hare handen over haren schoot, daarna eens smakkend, alsof ze
+iets zeggen zou van gewichte. Ze deed hare duimen overeen draaien.
+
+--Ja, mijnheer Johannes ... ze naait.
+
+Ze zei 't zoo beteuterd dat Ameye lachen moest, en elkendeen, met
+gemaakt geweld, meelachte. Ze werd dan een beetje rood, vlak naast de
+gouden oorbellen, en ze begon alzeere en vluggelings te babbelen om hare
+verlegen manieren te verbergen.
+
+--Ze staat laat op in den morgen. De oude is altijd eerst te been, en ik
+hoore zijne voeten scherrelen over 't plankier en zijn stok matelijk
+kloppen. Hij maakt zijn eigen fluks kwaad en dan staat hij te grollen of
+loopt mompelend rond. De man moet veel geleden hebben. 'k Zie 't op zijn
+gelaat. Hij heeft een moeden mond en zijn doode oogen liggen in een
+rimpelkrioelinge bijkans te lore. Zijn lippen hergaan bij stonden, alsof
+hij een antwoord gaf op een invallende gedachte. "Ja!" zegt hij, kort,
+droog, met tot ruk van zijn kinnebakkes, en niemand weet tot wien hij 't
+zegt. 'k Zeg hem al eens tegen, al lachend: "Neen!" als om te strijden
+met hem. Hij blijft dan staan op de trap en heft zijnen stok op, en 't
+getril van zijn neuze is een teeken van komende gramschap. Maar zijn arm
+valt omlage en zijn gezicht druipt neerwaarts in een verdraagzame
+droefenis, en hij zegt schuddebollend: "Och! Och! Och!" ... en zijn
+doening is dan van een, die mij gelijk geeft. 't Is een aardige vent,
+mijnheer Johannes.
+
+--En de dochter?
+
+Goedele vroeg hoe haar naam was.
+
+--Mariëtte, zei tante Olympe.
+
+Ze bleef, saamvouwend opnieuw hare handen, zitten, en riep nadien, met
+geveinsde belangstelling, de katte, die even van onder de dresse te
+voorschijn kwam en voorzichtig ruiken ging aan het tjopken van haren
+wenkenden vinger. Madeleen vertelde hoe Mariëtte gestadig leutig was en
+aldoor zong. De naaimachine geraakte wel eens in druk bedrijf, maar dat
+en gebeurde niet dikwijls. Mariëtte hield zich meer met hare twee
+kanarievogels en met hare begonia's bezig. In den uitkomende was 't een
+plezier hare werkzaamheid te zien, hoe ze aan 't sproeien was, en heel
+'t venster vol hing met kapucijnebloemen, schoone opgeleid langs een
+kunstmatige webbe van draden en touwtjes. En de vogels werden in dat
+getij buiten gehangen, boven 't raam, in de gouden zonne. Gestadig
+schikte ze de muitjes en spreidde er voolkens over om den wille van
+muggen en ander stekend ongedierte. En als ze niets te verrichten had,
+boog ze zich over de bloempotten heen en bracht hare lippen bijeen tot
+een toeterken en floot hare lievelingen voor. En lachen deed ze, zoo
+geheel alleene.
+
+--Maar....
+
+--Een herte zonder lusten dan? vroeg Ameye.
+
+--Ja, maar ... daar hapert iets....
+
+--Wat kan er haperen, dat niet in zooveel leutigheid weer loskomt?
+lachte Goedele.
+
+Madeleen knikte en lachte mee. Ze probeerde in een uitbundig gepraat
+Romaan's voorhoofd effen te krijgen, en sprak luidruchtig met overdreven
+golvingen van haar stemme en met wijde gebaren, zich buigend, en wijkend
+en zijlings wiegend, tot ze warm werd en te blozen begon. Romaan stond
+vóor 't venster en tuurde naar de wolken. Madeleen zei:
+
+--In den avond, als we al zinnens zijn naar bed te gaan, hooren we de
+trap onder voorzichtige terten kraken. Naderhand zijn er geen zangers
+meer boven, geen minste rumoer, geen getrippel van Mariëtte hare zotte
+voetjes. Alleen nog, somtemets, een kort gegrommel van den oude, die
+aleens poogt de deur open te doen. De deur is vaste....
+
+--De deur is vaste, ja, prevelde tante Olympe.
+
+--Omtrent twee uren in den morgen, kraakt opnieuw de trap en rotelt de
+sleutel in de klinke.
+
+--En Mariëtte...? vroeg Goedele.
+
+--Ja, Mariëtte zelve. 't Zijn hare eenige wandelingen. Ze gaat anders
+nooit uit.
+
+Romaan wendde zich omme.
+
+--Ssjt!... Hoore 'k Wiezeken niet?
+
+Elkendeen luisterde en de ongemakkelijke stilte heerschte lijk te voren,
+alle geluiden der strate groot makend. Tante Olympe ging kijken of
+Wiezeken sliep. Ze kwam weer op hare teenen, elkendeen geruststellend.
+
+--'t Slaapt lijk een engelken. Overmorgen is het te been.
+
+Ameye boog zich naar Goedele en vroeg, oolijk lachend, wat hare meening
+was omtrent Mariëtte. Madeleen trachtte de vraag af te weren, omdat die,
+volgens haar, zoo direkt in 't intiem denken dringen wilde. Men mocht
+niet oordeelen. 't Gold hier eene zeer delikate gevoelstoestand.
+
+Maar Goedele vond hier zoo diep een ernst niet in, en ze lei uit wat,
+haar inziens, een rechtveerdige uitspraak zijn zou.
+
+--Ik neem aan dat Mariëtte gelukkig is. Zij heeft heur eigen niets te
+verwijten.
+
+--Djeezes-Maria! kreet tante Olympe.
+
+--Zij mint het Lenteweer, de bloemen, de vogels, 't vrije geluchte, dat
+neervalt uit de blauwe hemelen. Ze voelt haar vleesch, haar heele lijf
+opengaan in schoonheid, in nature. Hare doening 's nachts en zal niet
+tegen nature zijn. Dat ware onmogelijk. En, overigens, wat doet ze dan?
+Ze gehoorzaamt misschien aan 't geheime bevel van haar wezen. Ik meen
+niet dat ze misdadig is. 't Ware in elk geval onwaarschijnlijk.
+
+--Ja, zei Romaan.
+
+--'t Is een slette, zei tante Olympe.
+
+Ameye lachte luid en stond recht. Hij trok zijn overjas aan en moest nu
+gaan--nog een paar zaakjes afhandelen vóor den noene--en morgen zou hij
+eens binnenloopen nog, rond den elven. Hij drukte forsig de hand van
+Romaan en groette tante Olympe minzaam, haar met een dwaas woord tot
+bedaring brengend, en lachte nog als hij Madeleen goeiendag wenschte.
+
+--'k Zal eens 't portret maken van Mariëtte....
+
+Hij boog vóor Goedele en drong nadien met zijne klare blikken heel diepe
+in hare oogen.
+
+--Voor u, juffrouw.
+
+--Ja, doe dat, sprak Goedele.
+
+Ze wist niet goed wat hare eigen bedoeling was met deze woorden. Ze had
+zoo werktuigelijk geantwoord, meerendeels om hare lippen te roeren en
+aldus eene wrevelige verlegenheid te duiken, die over heur aangezicht
+kwam. Ze hoorde naderhand alleen in ver lawaai al wat nog gezeid werd,
+en Ameye was lang verdwenen, als zij nog zijne blikken voelde, heel
+zonderling daar blijvend, vóor haar, met een bovennatuurlijken wil....
+
+Wanneer ze ook dees huis verlaten had, en de straten doorliep, werd ze
+droevig en was te wege weer te keeren. Ze asemde daar zoo vrij, en nu
+zou opnieuw moeder nevens haar komen, en grootvader en van avond
+Sebastiaan--heel die koude wereld, die gemanierde wereld; tusschen al
+die naakte muren haar nijpend en knellend en zeer doende. En 't povere
+kamerken, waar Wiezeken te lijden lag en was zoo eendelijk niet als
+gindsch vierkante steenmassa.
+
+Ze bleef droomend lanterfanten langs de uitstalling van den modewinkel
+en peinsde:
+
+--Die mijnheer Ameye is een leege man.
+
+Ze joeg hem seffens uit hare gedachten en verzinde 't beeld van
+Mariëtte. Ze vond daar behagen in--een kap met blonde lokken, een
+gezichteken als van een zoete deugniet, rond en rood en donzig, en een
+natte mond en gloeiende oogen en lieve vingeren, gewend aan 't bedrijf
+van kanten geluksweefsels. Ze liep bijna een kindje omverre. Ze werd
+beschaamd en stamelde en drilde voort, haastig. Ze zag een tram meteen
+stilstaan vlak vóor haar. Ze peinsde:
+
+--Die mijnheer Ameye is ongemanierd--en niet vriendelijk ... en niet
+schoon....
+
+En vlugger spoedde ze zich, zonder reden af en toe stil blijvend bij een
+schitterende kleur ievers aan een venster, of bij een hoog geluid, dat
+voorbij gilde. Ze hield van niets een vast gedacht. 't Sleerde allemaal
+over hare hersens. Ze wilde bij stonden tante Olympe oproepen in haar
+hoofd, haar zien trippelen en snokken met haar kinne en wuiven met haar
+armen. Ze wilde Wiezeken herdichten, het bleeke wicht. Ze zag den
+poesjenel. Ze zag het witwollig lam. Ze peinsde:
+
+--Waarom vroeg hij, wat ik over Mariëtte denk?
+
+En verder drevelde ze, koortsiger wordend naarmate hare gevoelens meer
+verward dooreen stringelden. Als ze in de stille wijk van blinde
+rijkemanshuizen geraakte, hijgde ze en was danig opgehitst. 't Docht
+haar dat de toekomst luchtig werd en dat er klaarten kwamen en een breed
+zicht. Ze voelde heel vaag eene grondige verandering in haar lijf, een
+ongewoon trillen, een ziedende leven. Ze hijgde, en zij en was niet moe.
+Ze was zeker dat iets heel schoons zich had veropenbaard in hare ziel.
+Ze vroeg niet naar een oorzake. Niets was bepaald. Ze baadde zoo in een
+streelende warmte, daaraan deugd hebbende en zonder verlangen
+voortgenietend. Haar bloed sloeg forsig omme en, in haren hals, tegen
+hare hooge krage, werd zij den sterken klop ervan gewaar.
+
+Ze stond meteen vóor 't donkere hekken. Ze hoorde de wind zoeven in de
+boomen van den hof. Alles brak, viel in haar. Ze moest zich vóor den
+drempel ontdoen van alle geestdrift, alle gejubel. Ze keek naar de koude
+muren en naar al die beloken vensters en onderaan naar de vier
+ontsloten--gladde ruiten, met de franjen van donker roode gordijnen en
+de witte beelden van twee steenen poedelhondjes. Ze boog haar hoofd en
+zuchtte. Het zware geluchte van daarbinnen sloeg haar tegen het
+aangezicht....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+V.
+
+
+Ursule vroeg haar of zij 't geld gebruikt had. Goedele had het
+bankbriefken bij 't uitgaan in tante Olympe's hand gestopt. Ze sprak nu
+heel onverschillig, terwijl ze haren hoed afnam en vóor den spiegel heur
+haar een beetje schikte:
+
+--Och! ja, moeder....
+
+Ursule antwoordde niet en ging een krulleken witte wolle wegknipperen,
+van Goedele's kleed.
+
+--Ge hebt wolle op uw kleed.
+
+Ze zette zich neer vóor 't venster en kruiste hare beenen en deed haar
+pantoffel bijzen op 't ende van haren opgeheven voet. Ze lei hare armen
+op de leuning van twee naaststaande stoelen en vroeg hoe 't met Wiezeken
+was. Goedele zei dat het haar niet goed voorkwam, dat het kind daar wel
+deerlijk lag, zoo wit over zijne kaken, zoo wassig, en zoo teerblauw op
+de randen van zijne lippen.
+
+--'t Zou moeten de buitenlucht hebben. 't Zou moeten kunnen breed
+asemen. Zijne longetjes zijn geheel vernepen, geheel klein en
+nutteloos....
+
+--En hijgt zijn borste?
+
+--Bij stonden.
+
+--En ... zou 't eraan kunnen ... weggaan...?
+
+--Watte?
+
+Ze keerde zich fluks omme en staarde in Ursule's oogen, zich buigend om
+indruk te maken. Maar moeder bleef roerloos en liet hare blikken
+geleidelijk meewiegen, met de bijzing van haren voet, kalm verklarend
+onderwijl dat ze dat zoo maar vroeg....
+
+--Uit belang ... zekerlijk.
+
+Met een ruk, alsof ze peinsde een wrokkig woord neer te gooien, zei
+Goedele dat Wiezeken den dood nabij was. Ze werd rood en voelde eene
+dwaze verontweerdiging haar hoofd dol maken. Ze joeg bijtende zinnen
+achter malkaar:
+
+--Ge moet het wel weten hoe Romaan nu lijdende is, gij die zoo geleden
+hebt om ons, indertijd, als we zieke wichten waren. Hij beseft nog niet
+hoe verre Wiezeken alreeds van hem verwijderd is. Hij ziet wel overal
+donkerten ommendom, maar hij hoopt. Gij weet het wel, niet waar? hoe die
+toestand is.... Gij zijt zijne moeder. Ik heb uw bankbriefken afgegeven.
+
+Ze ontzenuwde alzoo haar eigen zelve, en moest, na een stonde, wegloopen
+om niet haar drift uit te storten in geweldige gezegden.
+
+Mevrouw Wilder bleef nog beweegloos zitten, liet zich wegvaren in verre
+gepeinzen, streelde in haar brein 't vooruitzicht van een toekomst die
+wellicht weer goed worden zou. Ze voorspelde in hare hoopvolle
+mijmeringen nieuwe dagen van ijverig werk: Romaan en Goedele saam
+gespannen aan een reuzentaak, en, in een harrewatrije van voordeelige
+zaken, een versche geldstroom.... een weelde van rinkelend goud....
+Dàn wilde ze sterven, alleen dàn.
+
+Ze sprong rechte en duwde hare vuisten op de tafel. Ze siste tusschen
+hare tanden:
+
+--De prije zal ik wegkrijgen.
+
+Ze had het al lange gecombineerd, hoe ze Madeleen zou weggekregen
+hebben. Als Wiezeken dood was, zou alles wel braaf van stapel loopen.
+
+--Dat arme Wiezeken....
+
+Ze prevelde drij keeren:
+
+--Dat arme, arme Wiezeken....
+
+Ze beluisterde geerne hare stemme, wanneer ze 't onnoozel kindeken
+bekloeg. Ze had somtewijlen groote angsten. Ze dorst het aan haar zelve
+niet bekennen, dat ze Wiezeken's dood verzocht. Ze wilde dat verlangen
+wegjagen met een deerlijk woord, en verlangde maar gedurig naar dat
+ende.
+
+--'t Zou 't ende zijn.
+
+Ze redeneerde dan. 's Nachts werd ze altemets wakker en voelde hare
+vreezen naderen, een zonderling, verwijt, dat altijd opkwam bij bange
+uren en haar folterde. Ze redeneerde seffens--Wiezeken was zoo'n luttel
+ding, zoo ziekelijk van nature ... en wat zou er van geworden als het in
+leven bleef?... 't zou toch allengerhand wegtsieperen, stillekens....
+'t was beter dat men 't maar dadelijk verloste uit zijn pijnen ... het
+dutseken ... in den hemel zou 't gelukkig zijn....
+
+Tegenover Goedele dorst ze daarvan niet spreken.
+
+Na 't diner--ze hadden gevieren sprakeloos hun soep en hun vleesch met
+groenten gegeten--sloot Ursule zich in hare kamer op en Goedele
+lanterfantte bij 't klavier, behagen vindend in eene fantastische reeks
+van Grieg. Albien bleef zitten bij haar en, als de oude Rik ook langs de
+trap weggeraakte, schoof hij een stoel dichte bij de groote tafel en
+nam, bezij den schoorsteen, de dooze, die Sebastiaan hem had
+meegebracht. Hij zei:
+
+--Dat is een nar ding, wat ge daar speelt, mijn kind!...
+
+Hij zette zich goed op zijn gemak en bracht het Zwitsersch huizeken te
+voorschijn. Hij bekeek het al glimlachend, in kinderlijke bewondering,
+en leunde achterover om beter te genieten, een oogenbliksken, van het
+heerlijke zicht. 't Was een huizeken witgeverfd, met een hoog
+schalieblauw dak en groene luiken langs de gevels. Vooraan was precies
+een terras van bruine steenen met versiersels in eikenhout. Boven het
+dak steeg een vierkante toren. Daar hingen de klokken in. Men kon ze
+echter niet zien. Hij had zich dikwijls afgevraagd of 't in waarheid wel
+klokken waren en of dat beiaardspel niet feitelijk een snarenspel zou
+zijn.
+
+--Een bedriegsel, een bedriegsel, menschen....
+
+Maar schoone was 't gansche gedoe. Kantewaarts, onder de euzie, was een
+slot. Hij moest daar nu een sleutel insteken en draaien tot de
+binnenzijdsche mekaniek opgewonden was en een kort getjok er klopte, ten
+teeken dat de veêren gespannen waren. De sleutel hing aan zijn
+horlogieketen, naast een paar Hollandsche dubbeltjes, waar hij zelf een
+gat in geboord had, en een bronzen medalje van de onlangs gesloten
+nijverheidstentoonstelling--een geschenk van mijnheer Devleeschhouwer
+--een klein zonnewijzerken en een sigarenknipper, waar 't koper van
+ouderdom zich doorsmeet. Hij moest rechtstaan en zijn buik opsteken om
+den sleutel te bezigen. Hij zette zich nadien met een vroolijken zucht
+neder, en wachtte, en lei zijn rugge deugdelijk tegen de stoelleuning.
+Het binnenwerk begon te ratelen en seffens schoof een dubbele deure open
+op het terras. Twee poppen schoven, met een krijschend geruchte, naar
+buiten, en 't beiaardspel ving aan. 't Was nu een matelijk dansen. 't
+waren snokkende sprongskens begeleid door een roteleere van krakende
+wieltanden, naar 't oordeel van Albien allemaal wonderschoon. En de
+beiaard speelde een oud veuzeken, liefelijk en huppel-licht, en 't was
+hem een diep geneuchte ernaar te luisteren, elk toontje op te nemen,
+achtereen, en te troetelen in zijn hoofd, dat zat werd van de zoete
+harmonije. Hij mummelde, blozend van geluk:
+
+--Dat is nu mijn eigendom.
+
+Goedele keerde zich omme en keek hem na, hoe hij schuddebolde en meeging
+met den kleinen zang, hoe zijne handen ommentweere bijsden, rythmisch en
+half-beloken, en hoe zijn voorhoofd blonk en zijpelde van overvloedige
+wellust. Als de mekaniek stilaan verslapte en, met nog een laatste
+rukje, stillebleef, herwond hij ze op, en weer vergenoegde hij zich in
+'t zelfde deuntje en in 't eentonig gebaar der poppen. Hij verdeelde nu
+zijne aandacht en loerde meer bepaald naar den gang der blikken armen,
+nadien naar 't nijgen der steenroode koppekens, dan naar een haperinge,
+die, op gelijke afstanden, gebeurde en zich hernieuwde gedurig. 't Was
+'t wijveken, dat meteen roerloos viel, en, na een stonde, terug
+opsprong. Hij zocht beteuterd naar de oorzake van die onregelmatigheid.
+Goedele zag hem triestig worden en zijne lippen herdoen en schrik
+krijgen middelerwijl.
+
+--Mishandt er iets? vroeg ze.
+
+--Wel neen, wel neen, zoo precies....
+
+Hij sprak dan verlegen en verwonderde zich:
+
+--Ge kijkt ook hiernaar?... Hoe mirakelachtig dat is!
+
+Hij mooschte en prutste en draaide nog eens het spel in gang. Goedele
+keek naar hem en voelde groote deernisse. 't Klonk, in deze hooge kamer,
+zoo deerlijk, dat onnoozel muziekhuizeken. Op strate was er weinig
+rumoer--af en toe het tijdelijk gerij van een sjeeze. In den hof
+ruischte het zoevend geboomte. Hier, alleene en gelukkig, maakte Vader
+een zottig lawaai, gedurig bezig met zijn nutteloos bedrijf, alsof zóo
+eeniglijk zijn leven was en niets hem aanging daarbuiten. Ze vroeg:
+
+--Hebt ge daar wel zin in, vader, dat ik met Sebastiaan trouw?
+
+--Ba ja....
+
+--Wenscht ge dat uit ganscher herte, vader?
+
+Hij hief zijn ronden kop omhooge en zijne oogen zeiden genoegzaam dat
+hij nooit daarover nagedacht had. Het was besloten: ze zou trouwen met
+Sebastiaan. Ursule had het zoo besloten. En Sebastiaan was geen kwaad
+aanbod ook.
+
+--'t Is een brave jongen....
+
+--Dat is de zaak niet.
+
+Ze wilde hem doen aarzelen, eene onzekerheid brengen in dezen
+hinderlijken geest. Maar Albien kende slechts éene waarheid, en die lag
+besloten in de wet van Ursule. Even ontwaarde hij in de woorden van
+Goedele een opstand tegen die wet.... Hij bleef verbijsterd zitten, niet
+goed begrijpende zoo'n daad, die, naar zijne meening, de menschelijkheid
+te boven ging. Hij struikelde in een hakkelend gezegde:
+
+--Moeder heeft toch ... gesproken ... niet waar ... toch kenbaar gemaakt
+haren wil?... 't is haar wil toch?... van moeder?...
+
+Het rammelend huizeken viel stil en het deurken flapte toe. Goedele
+begon meteen luidruchtig te lachen van koortse. Dan keek ze Albien met
+natte oogen aan en boog zich over de tafel, zoekende met hare handen
+naar zijne luie vingeren.
+
+--Och, mijn goede vader, die nooit verdriet en hebt....
+
+Hij lachte mee en verjoeg alzoo het angstig oogenblik, dat over zijne
+slapen gekomen was.
+
+--Ha! Ha!... dat is een aardige perte ... 'n fameuze!...
+
+Hij vond het allerbest dat het zoo op een ende afliep. Hij was nu
+overgelukkig. Hij nam een kaartspel en begon voor zijn eigen kunsten te
+probeeren, die hij in Snoeck's boekjes aangeleerd had. Hij wond eerst
+nog eens het Zwitsersch huizeken op, en, binst dat de poppen op mate van
+het beiaardspel hunnen snokkigen dans deden, lei hij de kaarten
+nevenseen en deed toeren. Zoo was 't geluchte vol om hem. Zoo was overal
+de tastbare aanwezigheid van zijn eigendom en al wat leeg was in deze
+kamer, werd weelde, zijne weelde.
+
+--Denk ereis 'n kaartje uit, Goedele, van de éen en twintig die 'k hier
+openlegge ... toe ...
+
+Hare genegenheid deed hem deugd, omdat hij die gebruiken kon als een
+ernstige belangstelling in zijn doening. Hij vroeg:
+
+--Hebt-ge ze alreeds?
+
+--Ja ik, zei Goedele met een zucht, al leunend op hare ellebogen.
+
+--Nu moet-ge toogen in welk van deze drij pakjes uw kaarte ligt, de
+kaarte van uw keuze, zegt het boekje.
+
+--In 't deze, rechts....
+
+Hij mengelde 't spel, opgehitst, aangeprikkeld door Goedele's schijnbare
+aandacht. Hij sloeg de kaarten dooreen met een gedwongen sierlijkheid en
+trachtte zwierig te blijven in zijn minste gebaren. Hij hoopte de
+kaarten nadien weer in drij pakjes.
+
+--En nu?
+
+--In 't deze opnieuw, rechts....
+
+Hij herbegon, en een oolijk glimlachje straalde open over zijn gansche
+aangezicht. Hij verdeelde de kaarten.
+
+--En nu?
+
+--In 't pakje te midden....
+
+--In 't pakje te midden.
+
+Hij maakte zich een wellustige dobbelkinne. Met een haastige stemme
+verwittigde hij Goedele, dat ze nu goed opletten moest, en haar kaarte
+niet vergeten.
+
+--Hebt-ge ze nog vast in uw hoofd?
+
+--Ja....
+
+--Ik zal ze er seffens uithalen ... attentie, als 't u belieft ... een
+beetje attentie....
+
+Het huizeken was stil gevallen. Hij draaide vluggelings den sleutel erin
+en deed de wielkens werken lijk te voren, zoodat de beiaard zijn
+veuzeken hernam. Hij was goddelijk in zijn schik, en dees stonde was hem
+een onzeglijke verrukking. De wereld was vol van hem. Hij deed de
+kaarten overeen schuiven, telde en gebaarde, met geveinsde aandacht, de
+hulp van bovennatuurlijke geesten in te roepen. Hij bleef een wijlken
+dubben, zette zijn hoofd scheef en tuurde bedenkelijk naar de zoldering,
+in de afwachting der wonderbare machten.
+
+--Kijk nu!
+
+Hij smeet de kaarten overhand verre weg van hem en keerde fluks de elfde
+omme.
+
+--Koekelaas!
+
+Hij riep ze triomfantelijk uit, zonder aarzeling, en steeg van zijn
+stoel op, in glanzende glorie. Hij herhaalde:
+
+--Koekenaas.... Hee!
+
+--'t Was koekenaas.
+
+--Ik wist het, ge hoeft het mij niet te zeggen. Dees is tooveren ...
+eigenlijk....
+
+Goedele keek hem aan met zachte oogen. Ze was tevreden dat hij zoo
+gelukkig scheen, en prees zijn kunste. Hij viel haar in de rede,
+verklarende dat niets boven het dominospel en het kaarten reiken kon,
+en dat hij 't al zoo dikwijls gezegd had aan Alfred ... maar Alfred was
+niet vlug, moest hij bekennen, en had lompe gepeinzen, aldoor meenende
+dat hij 't beter wist dan de boekjes zelve. Alfred kon ook niet lang een
+zake bezien.
+
+--'t Is een kind nog.
+
+Hij lachte daarmee, alsof hij wel medelijden ten slotte gevoelde voor
+den jongen, die nog zoo kleinzielerig was ... omdat 't verstand voor de
+jaren niet en komt. Hij was te wege het huizeken nog eens op te winden,
+en verwonderde zich als Goedele bad dat hij 't maar niet doen zou. Hij
+vroeg, bedrukt:
+
+--Houdt ge niet hiervan?
+
+Ze stond recht. Ze stilde hem. Ze hield veel van dat wonder dingen,
+beweerde ze. 't Zou echter kapot geraken, als hij 't zoo dikwijls
+bezigde, en zag hij bovendien nog 't manneken en 't wijveken?
+
+--'t Wordt avond....
+
+Zij en merkte geen verven meer. Van uit de hooge vensters, langs de
+franjen der gordijnen, zijpelde het vage licht, in de kamer te lore zich
+verdeelend tot het wegdeemsterde in de hoeken. Zonderlinge klaarten
+blikkerden van tijd ievers op, als 't noesche verspergestraal tegen een
+koperen ornement botste of tegen een glazen pot, een porseleinen
+beeldeken, een witgeschuurde tinnen teele. Drij laatste krysanthemen
+vlekten de naderende donkerte met hun blanke trossen. Van tallenkant
+rees de plechtigheid der schemering, alles omvattend in zoetig gewaad,
+voordeelig voor de droomende stilten....
+
+Er werd gescheld aan 't voorhekken, en binst dat Albien zijn speelgoed
+wegdook in de dooze, tort Sebastiaan de kamer binnen. Het was zijn ure.
+Hij was altijd heel stipt. Goedele ontving hem met koortsachtige
+opgewondenheid, sprak luttele woordekens en was danig vriendelijk.
+Ze ontdeed hem van zijn overjas, omringde hem met hare dienstveerdige
+handen, bekommerde zich om zijne bleekte.
+
+--Zijt-ge vermoeid?
+
+--Een beetje.
+
+Hij voelde geerne hare hulpzame genegenheid en glimlachte geaffecteerd,
+zich neervleiende in zijn eigen weerde, herkend door haar, die hij
+liefhad. Hij vroeg aan mijnheer Wilder of hij 't huizeken schoon vond,
+en Albien vertelde hem hoe 't ineenstak, hoeveel tijd het in gang bleef
+en hoe schoon veuzekens de beiaard speelde. Terwijl Goedele een kopje
+koffie gereed maakte boven 't alkoollampje, en 't gaslicht aanstak, bood
+hij mijnheer Wilder een sigaar aan.
+
+--Dat zijn weer van die fijne sigaren, zei Albien.
+
+Ze smoorden en praatten ondereen. Goedele was uiterst gezellig en
+aangenaam. Ze schonk de koffie, wierp de klontjes suiker erin, roerde en
+wilde alles zelf doen.
+
+--Gebruikt ge melk van avond?
+
+--Als 't u belieft, een geutje....
+
+Ze beloerde op Sebastiaan's aangezicht hoe gelukkig hij was, hoe
+gevoelig voor hare dienstwillige gebaren, en hoe hij daar nu wegzonk in
+zijne onnoozele verwaandheid, tevreden en zat. En Vader nevens hem was
+ook een beeld van gezapig geneuchte. 't Was een gulden avond. Sebastiaan
+zei 't:
+
+--'t Is een gulden avond.
+
+Daar kropte dan iets in hare keel en ze zwolg geweldig om 't weg te
+krijgen, en glimlachte rijzekens ... maar heure oogen werden schaduwen.
+En ze overdreef daniger nog hare vriendelijkheid. Ze sprak zonder
+diepten, aldoor hare stem buigend in streelingen van korte,
+oppervlakkige gezegden. Ze schertste met Devleeschhouwer, maakte kleine
+portretjes, draaide hare meeningen tot lollige zetten en schaterde
+vroolijk daarbij.
+
+--Hebt-ge gemerkt de dwaze manieren van Bella?... Wel Jeezes!
+
+Door den rook der sigaren en 't geronksel van die vlugge babbelingen was
+Albien thoopegezakt en in slaap geraakt. Hij schoot altemets wakker,
+sluimerde seffens weer weg, en zijn hoofd bijsde ommentweere, zijn bolle
+glanzende hoofd.
+
+--Bella? vroeg Sebastiaan.
+
+--Wel ja, herinner u ... ze zat lijk een katte te lonken....
+
+--Ik weet niet....
+
+Ze ging voort. Ze spotte en peuterde aan diverse gezichtjes en had leute
+met die potsierlijke menschen. Sebastiaan duwde den damp zijner sigaar
+in ringen en krullekens omhoog, en liet zich dat grillig gepraat
+welgevallen. Het kwam alles zoo in zijn schik. Hij hield zich als een,
+die boven deze meisjesdoening staat, maar in waarheid had hij er deugd
+aan. Te dezer stonde was hij werkelijk de man, die thuis keert van zijn
+moeielijk en bovenzinnelijk werk, en zich nu vergenoegt in 't naïeve
+gesnater van zijne vrouw, die lieve, de mindere.... Hij luisterde en 't
+maakte hem dronken. Hij zei stille:
+
+--Later zullen wij interessante vrienden op diner ontvangen.
+
+--Wij?
+
+Goedele keek hem diep in de oogen, en ze voelde dat hare ziel zich op
+een ende losrukken zou. 't Zicht der toekomst, dat hij opriep, walgde,
+folterde haar. Ze wilde niet dat hij de toekomst aanroeren zou. De
+huidige uren wilde zij gelukkig maken, en ze zou meegaan, dag-in,
+dag-uit ... en wat er gebeuren moest, zou gebeuren. Ze was gedwee....
+Maar den sluier wilde zij ongeraakt zien hangen. Wat er achter was,
+bezeerde haar.
+
+Ze werd somber. Ze kon niet het onmogelijke doen en voortlachen. Ze
+staarde mijmerend in hare gepeinzen, wachtend tot de schoone eenzaamheid
+komen zou. Sebastiaan, verloren in zijn standvastig geneuchte, merkte
+niet hoe plotseling zij zich van hem verwijderd had. Onbewust vulde hij
+de stilte, die nu heerschend was; hij sprak van zijn zoeken, van zijn
+studie. Hij was bovenmatelijk gelukkig als hij daaromtrent verhalen
+mocht.
+
+--Dat doet u dan ook plezier, niet waar?
+
+Ze tuurde naar 't licht en zag de verte, die onzeker was.... Ze zei,
+niet wetende:
+
+--Ja....
+
+Hij deed seffens Hieronymus Bos herleven, en zijne handen begonnen te
+wuiven, te keeren in 't geluchte, sierlijk en vroom. Hij teekende die
+uitermatige figure, dien ziender van monsters en wangedrochten.
+
+Hij had ontdekt hoe een ellendig mensch Bos geweest was, hoe hij geleden
+had tot zijn doodsure alle weeën, die een ziele dragen kan, en hoe hij
+toch ten langeleste eronder was bezweken. Hij vertelde hoe de kunstenaar
+dan gewerkt had, hoe zijn koortsige geest al die akeligheden geschapen
+had en gebeeld in kleuren, en hoe in dat schijnbaar-drollige werk van
+Bos een verwijt lag voor de menschen. Nadien had hij zijne eigenlijke
+studie kunnen aangevangen: de invloed van Bos op Filips II van Spanje.
+Hij schilderde Filips als een ziekelijke mystieker, die behagen vond in
+de nare tafereelen van Bos. Hij zag den koning, met koortsige
+nieuwsgierigheid, die tafereelen ontleden en beweegbaar maken. Hij zag
+hem wreed worden in de nabijheid der hellegeesten van Bos, omdat hij
+niet vreezen wilde.
+
+--En hij vreesde!...
+
+Allangerhand joeg Sebastiaan, in 't spreken, zijn bloed op, en zijne
+gebaren schokten aleens zenuwachtig uiteen bij een woord, dat
+hoofdzakelijk moest zijn. Hij meende Goedele's gedacht te boeien. Hij
+merkte hoe zij hem nu nakeek, hoe hare oogen roerloos op zijn gelaat
+zich vestigden. Hij wendde zijne blikken af en staarde gedwongen naar de
+poedelhondjes, die op 't vensterblad pronkten, maar innerlijk was hij
+tevreden dat zij hem in zijn rede zoo nauwkeurig volgen wou....
+
+Tot ze hem meteen het woord afnam:
+
+--Is dàt uw werk?
+
+Ze hoorde zelf, hoe koud haar gezegde klonk. Hij zweeg een oogenblik:
+'t was of met een ruk de poedelhondjes waren opgesprongen. Hij bleef
+beteuterd, vernederd zitten. Goedele, eerst verwonderd dat haar uitval
+zoo pijnlijk was geworden, wilde niet meer wijken, en koppig dreef ze
+door, slaande op elken zin, om zich op te hitsen.
+
+--Is dàt uw doode werk?... En zal ik leven in 't bijzijn van al die
+schimmen? Zult genievers een woord vinden, dan om die oude namen tot
+levende gepeinzen herop te wekken?... Maar voelt ge niet dat ik
+uitkwijnen moet in dien fantastischen rommel, in die beschimmelingen
+zonder kleur noch gedaante?... Ik weet niet, wat ik noodig hebbe. 't Is
+mij te onduidelijk, omdat ik ziek wordt stilaan. Maar mijne armen, mijne
+handen, mijn nekke dien'k plooien moet, mijn gansche lijf wil lucht en
+beweging. Van wat is en voelbaar is, wil ik genieten.... Ik vraag het
+mij dagelijks af: 'k betaste mij en 'k vrage ... waar 'k zeer heb, waar
+ge mij zeer doet, gij allen, die niet leven wilt!...
+
+Ze stond rechte, lengde zich uit, groot wordend en hare sterkte
+uitspreidend om haar.
+
+--Mijn vleesch is struisch--maar binnenwaarts zegeviert de pijne. Ge
+martelt mij aldus, ge nijpt mijn herte thoope in enge banden van koud
+metaal. Waarom is alles dood wat ge mij te geven hebt? Waarom en toets
+ik niets dan doode dingen, allentwege doode dingen? Hebt gijlie geen
+polslag? hebt gijlie geen warme handen? hebt gijlie geen voelenden
+geest?
+
+--Goedele!
+
+Hij vatte haar bij den arm. Hij was gekrenkt. Hij zei kort, met bevende
+lippen:
+
+--Dat is slecht, wat ge doet.
+
+--Slecht?... Maar mijn hoofd berst en breekt. Wat hebbe'k miszeid? Mijn
+hoofd is een zware kasse, en 't weegt me, 't weegt me zoo pijnlijk. Wat
+draag ik daar al niet in, sinds jaren opgeraapt tallenkant! Die muren
+hier folteren mij. Ge zult mijn man worden. Mag ik me niet ontlasten bij
+u? Moet ik de sterkste zijn, en ben ik slecht, omdat ik u een part geef
+van 't schrikkelijk gewichte? Ik wil niet meer leven alzoo. In dees huis
+ben ik onvolledig en voel ik nood. Gij zijt gekomen. Gij zegt dat gij me
+lief hebt....
+
+Ze werd gewaar dat hare stem zeeg en te trillen begon; ze hief hare kin
+omhoog en rok haren hals uit. Ze wilde hare woorden niet belijden, ze
+zoo maar uitspreken, zonder dat ze een smertelijke herinnering opwekken
+mochten.
+
+--Dat ge ... mij lief hebt ... ja. Leef nu! Doe niet mee met de doening
+van heel dees huisgezin. Kijk rond u.... Vader speelt met popjes.
+Grootvader is een roerende schaduw. Moeder ... och, moeder ...
+Sebastiaan ... is me vaak lijk een noodlottige figure, gaande in steenen
+stilzwijgendheid.... En gij nu nog vingert in een vunzig verleden.... Is
+zóo de wereld, zóo de menschelijkheid?... Ik weet niet meer, ik twijfel
+en ik lijd: ben ik abnormaal?
+
+Ze dwong stille haren arm los.
+
+--Ben ik buiten nature, en gijlie te zaam, leeft gij waarachtig naar 't
+gebod van uw wezen? Ik word onzeker. Ik haper in mijn gepeinzen. Ik
+bekijk alles te vergeeft ... te vergeeft, want uw aller zicht drijft me
+slechts tot opstand.... En dulden wil ik, verdraagzaam, gedwee ... en ik
+ween als ik eenzaam zit--Mocht ik dat alles ú niet zeggen?
+
+Hij lei zijn magere handen, in blank gebaar, over zijn aangezicht en
+liet ze erover trage neerwaarts zijgen. Hij sloot zijn oogen en verdroeg
+een oogenblik de stilte. Dan sprak hij met veel droefenis en zijne
+woorden, onderbroken bij poozen door onregelmatige zuchten, kregen in 't
+luisterend geluchte, na 't verwilderd krijten van Goedele, een ongemeen
+belang. Hij zei dat ze hem diepe pijn veroorzaakte, dat hij haar liefhad
+boven al wat hem anderszins lief was, en dat hij zou ommekeeren in zijne
+levensbaan, als het haar zoet mocht zijn. Hij kon niet nalaten, ook op
+dezen stond van waarlijke smert, zijn gezegden te meten en schoon te
+sieren in passende golvingen. Hij beluisterde zijn eigen. Hij vroeg:
+
+--Wat moet ik doen? Ge hebt mij zeer gedaan....
+
+Ze viel terug neer op haren stoel, afgemat, en haar gemoed kwam vol.
+Ze stortte dan voorwaarts op de tafel en begon te snikken. Ze voelde
+Sebastiaan's vingeren streelend over hare schouders gaan en hoorde hoe
+hij daarbinst haar troostte met schoone uitdrukkingen. Ze jammerde dat
+hij haar vergeven moest, dat ze koortsig was en hem wel geerne bij haar
+had, dat hij goed was voor haar en niet hoefde te veranderen ... dat zij
+de schuld was van haar gemaakte wee, door haar wrevelige zenuwen, door
+hare lichtzinnigheid, door hare vreesachtige zwakte.
+
+--Ge moogt niets zeggen hiervan aan moeder.... 'k ben ziek, ik verzeker
+u. Ik ben onrustig en hebbe sinds gisteren hoofdpijn--slagen in de
+hersens.
+
+Ze huilde en haar gansche lijf schokte op. Ze wilde niet kijken naar
+Sebastiaan. Ze bleef liggen; haar gelaat dook weg in hare saamgebrachte
+armen.
+
+--'t Is best ... dat moeder niets weet ... getweeën zullen we 't
+gemakkelijker ... vergeten....
+
+Maar moeder stond al in 't deurgat. Haar stevig aangezicht rees bleek op
+uit de gapende donkerte, en 't licht kletste open op haar voorhoofd. Ze
+tort naar voren. Hoe dof ook hare stappen smoorden over het dichte
+tapijtsel, toch voelde meteen Goedele hare aanwezigheid. Ze sidderde en
+haar asem bleef hangen in hare keel. Hare vroegere vreezen bevingen haar
+op een nieuw en verlamden hare spieren. Ze dierf moeder's blikken niet
+taken met haren blik. Ze wachtte.
+
+--Ik mag u ook wel troosten, mijn kind, zei Ursule met effen
+bedaardheid.--Ze kwam naderbij, ging de tafel rond en schudde onderwege
+Albien, die seffens rechtsprong en kinderlijk-benauwd daar te gapen
+bleef. Ze stond nu in de volle klaarte. Ze was uitermatelijk groot en
+meesteresse. Ze wenkte met hare hand ten teeken dat mijnheer Wilder zich
+verwijderen mocht, onverwijld, en, als hij sprakeloos wegdrummelde, keek
+ze rustig naar haar zakuurwerk. Men hoorde rijzekens het horloge tikken.
+Ze sprak:
+
+--Het alkoollampje brandt nutteloos.
+
+Ze ging het uitdooven. Ze nam de sigaar op, die uit Albien's vingeren
+geglibberd was, en blies de assche uiteen langs het tafellaken. Met
+streelende zachtheid boog ze zich over Goedele en vroeg wat er deerde.
+
+--Ge moogt u niet ophitsen en schadelijke gepeinzen voeden. Wilt ge een
+druppelken munte?
+
+--Danke, moeder ... ik ben ongemakkelijk, ik lust niets ... 't zal
+geleidelijk overgaan.
+
+--Dat meen ik ook ... Mogen wij u morgen verwachten, Sebastiaan?
+
+Hij stond seffens recht en beloofde dat hij stellig komen zou.
+
+--'t Wordt nu late, voegde hij erbij, wel een endeken vernederd, omdat
+zij hem zoo dadelijk wegzond. Hij was echter min in zijn schik nu en
+vond het om dieswille niet onpasselijk, dat hij vertrekken mocht. Hij
+wist niet wat zijne houding zijn moest. Hij zou morgen meer weten.
+
+Goedele droogde hare oogen en bracht hem zijn overjas en zijn hoed.
+Niemand sprak daarbinst. Gedurig heerschte de wegende stilte. Op
+elkendeen's lippen lag een onbeduidend gezegde, dat iets verroeren zou
+in 't geluchte en een beetje rustigheid stichten, een beetje
+verstrooidheid te gelijk.... Naar niemand en dierf noch en sprak. Men
+haastte zich, in schijn onachtzaam en lui zich toonend, en de leegte die
+overal was, werd onverdraaglijk....
+
+Sebastiaan vertrok.
+
+Ursule kwam vóór Goedele staan en kruiste hare armen over hare borst.
+
+Ze beet haar toe:
+
+--Kijk òp!
+
+Ze wilde in de hersens wroeten van haar onwillig kind en tusschen hare
+tanden heen sisten hare woorden.
+
+--Wat zijt ge van zin?... Ik vraag u--wat zijt ge van zin? ... Kijk òp,
+zegge 'k. Wat zijt ge van zin.... Laat me zien in uwe oogen. En duik uw
+voorhoofd niet.... Op! wat is er?
+
+Ze bukte zich en stiet haar kinne naar voren, en een rimpel duwde de
+hoeken van haren mond neerwaarts.
+
+--'t Wordt tijd dat ik het weet.... Nu zal ik alzoo gesteend en
+gejammerd hebben om 't kwade gedrag van Romaan; nu zal ik alleen zijn
+rechte gebleven om de hoop, die ik stelde in u ... en nu zoudt ge 't
+leste gebouw omverre storten?
+
+Ze sloeg haar hoofd met een snok achterover, en stond daar een oogenblik
+met hatelijke blikken en dichtbeloken lippen, zich in te houden precies,
+om geen uiterst geweld te zeggen. Dan schoot ze uit, lijk een razende,
+onbeteugeld en afgrijslijk.
+
+--'t En zal!... Hoe gij 't ook draait of keert, hoe oolijk gij 't
+aanlegt, hoort ge?--'t En zal! Ik zal u vasterijgen.... Ik zal u
+vasteketenen.... Ik zal u dwingen tot eerbied voor mijn wil.... Luister
+goed--ik heb mijn leven lang gezwoegd en geslaafd om geld ... met mijne
+vingeren, tot mijn nagels sleten ... en tot de nacht al verre was ... en
+van heel vroeg in den morgen ... om geld.... Dat geld zou vruchtbaar
+zijn. Luister goed: ik wil dat het vruchtbaar zij ... ik wil dat nog
+zien om mijn ouderdom blij te maken.... Romaan heeft mij verraden ...
+die laf hertig is en liever zijn moeder beleedigt ... dan zijn
+slette.... Maar gij, ik zegge 't u, wees voorzichtig.... Ho! Ho! ik
+zegge 't u.... Rechtgaan ... de weg is dáar--ik heb hem u gewezen....
+
+Ze merkte nu hoe Goedele, eerst verschrikt, zich allangerhand hervatte
+en tot bezinning kwam, hoe zij zich tegenwoordig rustig neerzette en al
+die harde woorden zonder aandoening liet wegslibberen, zijwaarts. Een
+onzeglijke woede verdonkerde haar aangezicht en vierkantig viel haar
+mond open.
+
+--Haâ-aâ-aâ....
+
+Maar ze wrong hare kaken regelmatig thoope en zweeg. Vluggelings begreep
+ze dat het dwaas was met koppigheid tegen Goedele's koppigheid aan te
+stooten, en hare gewone sluwheid dook op, almachtig. Hare minste gebaren
+werden lijk te voren berekend en geleid, en hare gramschap liet ze
+meteen wegvallen in een diepen zucht:
+
+--Och, Heere-lief!...
+
+Ze zakte naderhand ineen op een stoel, vouwde stille hare handen over
+haren schoot, en, haar voorhoofd neerbuigend, staarde in droef gepeins
+op 't gebloemte van het tapijt. Ze bleef een stonde sprakeloos en daar
+zeeg over heur gelaat een groote droefenis. Met een ontroerde stemme zei
+ze:
+
+--Ik heb ongelijk.... Ik voel dat ik niet wel ben.... Ik had u dat
+anders moeten zeggen ... niet zoo brutaal, mijn kind ... maar ik ben
+niet wel, zekerlijk.... Ik ben koortsig. Ge moogt die leelijke dingen
+... daar even ... niet kwalijk opnemen. Ik heb u lief, ik wil uw
+geluk....
+
+--Ik ben niet gelukkig.
+
+--Ja ... daarom wil ik zoo hardnekkig uw geluk. Ik mag u niet laten
+onzinnig zijn. Ik moet u leiden, ik moet u doen opgaan ... naar dat
+later geluk.... Wat scheelt er?... Ge vindt het hier eng. Ge moet u
+opbeuren. Het is hier niet eng. Wat scheelt er? Ge beeldt u dat allemaal
+in, omdat ge te veel alleene zit. Ge timmert al die akeligheden op, in
+uwe eenzaamheid.... Laat Bella hier komen!... na het diner ... 's
+avonds, en praat wat, zing wat....
+
+--Bella moet hier niet komen.
+
+--Laat Sebastiaan alle dagen zijn bezoek doen!... na het diner ... dat
+deert immers niet!
+
+--Dat deert mij.... Kijk! Ik ben weer kalm. Alles kan gerust blijven
+zooals vroeger. Maak u niet meer lastig om mijnentwille nu, moeder....
+
+--Denk ook een beetje aan mij, Goedele ... zult ge?
+
+--Ik denk aan u....
+
+--En beloof me dat ge braaf zult blijven.... Wel! Wel! een mensch heeft
+al heel veel harde dingen voor in zijn leven ... hij mag niet zoo dwaas
+zijn en kleine vervelingen opketsen tot smetten! Geef me een zoen....
+
+Goedele stond recht en ging Ursule kussen op haar voorhoofd. Ze keerde
+zich daarna langzaam omme en vertrok. Even bleef ze stille in 't
+deurgat.
+
+--Goeien avond.
+
+Ze tort de trap op.
+
+--Goeien avond, antwoordde Ursule.
+
+Tot ze, dan boven, Goedele's kamerdeur hoorde sluiten, zat mevrouw
+Wilder onbeweeglijk vóor zich uit te kijken, zonder zien. De zoetigheid,
+die zij om haren mond geleid had, viel meteen en haar bloed sprong in
+een machtige geute naar heur slapen. Ze hief haar vuist omhooge en liet
+ze met een forsig gezwaai neerploffen op het tafelberd. Een koffiekopje
+joepte kantewaarts rinkelend omme en, over het witte laken, spreidde een
+bruine vlek, die geleidelijk openging....
+
+In de voorkamer stond Rik, en hij lachte stillekens, een diepe leute
+gevoelend, zóo op een keer.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+VI.
+
+
+Goedele, als ze op hare kamer kwam, stak haar nachtlichtje aan en ging
+neerzitten bij 't venster. De tuin was in dichte donkerte gezonken.
+'t Had al gesmokkeld in den avond, en nu begon het te regenen. Tegen de
+ruiten sloegen de druppels, menig en leuterig, aldus een tokkelveuzeken
+makend, dat eentonig en klagend was. Altemets vulde de wind zijn
+zoevende flanken en dan roefelde de volle vlage ineens langs het raam.
+Andermaal was 't weer zoete, en de regen trippelde in gelijke maten, zoo
+smertelijk van zin, dat Goedele om haar herte een endelooze droefenis
+voelde, die in warme aandoening opjoeg, kriebelend binnen hare oogen.
+Ze zat in hare schoone eenzaamheid den dag te overpeinzen, die verleden
+was. Ze herdichtte den pronten morgen, vol zonne en klare droogte, de
+levende stad, het levende volk daar krioelend langs luidelijke straten,
+al het geruchte, dat deugddoende was, en dan, bij Romaan en Madeleen,
+de vrije, heldere huiselijkheid. Ze zag Wiezeken; ze had Wiezeken danig
+lief. Ze voelde hoe vol leven ook dit huis ginder was, met dat heel
+zieke kindeken, en hoe dood die muren hier, die zoldering, die heele
+monsterachtige doening van kouden steen. Ze voelde 't overal. Ze krinste
+met hare schouders en bibberde van de killigheid die hier tallenkante
+blijvende was ... en ze keek seffens naar de duisternis, den nacht in
+den hof, om los te geraken met nieuwe gedachten, die klaarten brengen
+moest in haar hoofd. Al wat ze hier met hare zinnen toetste, was haar
+eene vernedering en woog op hare hersens.
+
+De regen klabbetterde welluidend voort. Van tijd was 't of hij wegdropte
+en 't geluchte binstdien leeg en open aan 't worden was; de ruiten
+bleven ongetaakt ... een stondeken ... maar opnieuw vingerde 't natte
+weer algauw, en 't werd een reesem rappe geluiden, zich haastend om de
+stilte in te winnen. En Goedele onderging den invloed van dezen
+trippelzang, en langzaam baadde haar gansche lijf-en-ziele in 't zoete
+gerucht, dat rijzende of zijgende ging. Ze bepeinsde zich en wroette in
+haar binnenste, en legde somtijds een gevoel vaste, dat overanderlijk
+blijven zou. Nadien was ze bezig met Ameye. Ze had bewondering voor zijn
+groote figure--dien hoogen man met een sterk gezichte en een breede
+borst. Ze zag nog duidelijk zijne witte handen: ze konden zoo struisch
+een gebaar teekenen, en de vingeren gingen dan allen zaam en vouwden
+zich thoope of rokken zich uit. 't Waren, lijk woorden, heldere
+gezegden. Ze dacht:
+
+--Maar hij sprak zoo gek!
+
+Ze maakte zich met moeite wijs dat hij een grove lummel was en wellicht
+brutaal moest wezen. Naderhand was ze zeker dat hij een drinkebroer of
+een nachtraaf was.
+
+--Hij loopt in kroegjes....
+
+Ze herkende het aan zijne goedzakkige manieren en aan de moeheid die
+soms zoo zoetig zijne blikken maakte. Ze veronderstelde dat hij met
+lichte meiskes omging.
+
+--De stad is zoo vol daarvan!
+
+Doch allicht veranderde ze van oordeel: 't was dan een "blasé", een
+ontgoocheld wezen, een kalme ziender van andermans leed en plezier--een
+zonder doel en zonder verlangen, zonder drift ... ontzenuwd.... Ze had
+gewild dat hij anders was. Romaan, zoo gauw begeesterd en zoo gauw
+verslagen, had ze lief. Ze wou een man treffen, die op haar broeder
+geleek. 't En duurde maar een vlage van den regen, en ze vond dat Romaan
+in den grond een zwakkeling was....
+
+Ze hoorde moeder slapen gaan, en naderhand Rik, en bleef nog turen aan
+'t venster. De tijd verstreek langzaam, en 't was haar of zij 't niet
+tasten kon: de ure bleef stille, alles hing in verwachting, zonder angst
+noch ongeduur. Bijwijlen steeg in de boomen de asem van den wind, en
+rijzekens werd ze den gang gewaar der stonden, die overhand wegzijpelden
+in 't verleden, achterwaarts.
+
+De volle nacht, geheimzinnig en zwijgend en roerloos, begon in huis....
+
+Maar meteen merkte Goedele een varende klaarte in bewegende vlekken
+loopende van heester tot heester over den hof, dichtbij de woonste. 't
+Was wel iemand, die in de eetzaal was en licht maakte en ermee, langs de
+voorkamer wandelde, zoodat de teekening der ruiten laaierig in den tuin
+zich openbreidde. Ze werd bang. Elkendeen was te bedde, of ... was Marie
+in de keuken gebleven?
+
+--Maar wat verricht Marie in de eetplaats?
+
+Ze herinnerde zich dat ze ook Marie had hooren opgaan, naar hare kamer.
+Het licht verdween. Voorzichtig tort iemand langs de trap naar boven,
+en ging Goedele's deure voorbij: door de splete herkende zij Rik. Hij
+stapte gebukt door en trachtte 't gestraal der keerse, die hij droeg,
+met vreesachtige vingeren weg te bergen. Ze hoorde dat hij de leege
+zalen binnenging.
+
+Deze leege zalen bezocht nooit iemand. Om de maand werden ze
+schoongeschuurd en verlucht. Goedele had ze altijd met benauwdheid
+genaderd, omdat hier, tusschen die papieren behangsels met gulden wapens
+en heraldieke leeuwen nog precies heerschte de geest van den ouden
+markies. Rik had dikwijls daarover zitten mompelen en beweerde dat hij
+ten twaalve al eens een spook had zien rondwaren, om de vensters. Ze
+hechtte nooit geloof aan Rik zijn gekke gezegden; hij was gestadig bezig
+met schimmen en bange verschijningen en zeemeerminnen, en ze wist wel
+dat dit al maar ziekelijke verzinsels waren, die hij broeide in zijn
+ouden kop. Ze vond het nu echter danig zonderling, dat hijzelf, zonder
+aarzeling, in de leege kamers drong. Ze ontsloot stille hare deur, liet
+hare sloffen op den drempel en tort kousevoets in den gang. De eerste
+zaal was leeg en de daaropvolgende ook. Van hier bemerkte ze 't
+keerselicht dat op de muren danste, in de vierde. Voorzichtig naderde
+ze, sloop langs de donkerte der hoeken naar voren, tot ze zien kon wat
+er gebeurde. Ze bleef staan en hield haren asem op om geen 't minste
+geruchte te maken, en ze keek verwonderd toe.
+
+Rik had zijn keersepan neergezet op 't roode plankierken, nabij den
+schoorsteen. Hij knielde en boog zijn krommen rugge en maakte in de
+schouwe een planke los. Hij tastte dan in de holte, en op zijn
+aangezicht kwam seffens een groote blijdschap.
+
+--Ze zijn er nog! mompelde hij.
+
+Hij trok een blauw zakje te voorschijn en lei 't neere voor hem, en nam
+vervolgens nog een grooter zakje, in getafeld linnen, en lei 't nevens
+'t andere. Hij bekeek ze dan allebei met troetelende oogen, en zijn
+tonge sleerde tweemaal over zijn lippen ten teeken dat hij tegenwoordig
+gelukkig was. Hij ontknoopte zijn jas en over zijn beenen heen zeeg het
+ivoren kistje, dat Sebastiaan aan moeder ten geschenke gegeven had.
+Juist bij tijde kon hij 't grabbelen, en een subiete warmte schoot op
+naar zijne wangen, bij 't gedacht dat het in zijn val op den vloer groot
+gedruisch hadde gemaakt. Hij keek onwillekeurig omme, en Goedele zag
+zijn oogen van schrik openstarren en zijn neuze, langgeworden, over zijn
+mond een schaduw leggen, lijk een bange holte. Hij bukte zich opnieuw.
+Hij ontsloot het getafeld zakje en goot in het kistje, profijtelijk om
+niet de stilte te storen, den rinkelenden inhoud. 't Waren koperen en
+zilveren muntstukken en allerlei kleine dingen van stoffelijke weerde:
+gulden franjen, oude knoopen, kragen en borduursels van
+marine-officiers, allerlei metalen platen en rondekens, schitterende
+gesteenten. Goedele herkende in den kostelijken schat een duurbaren
+halsband van peerlen en koralen stekjes met onderaan een schoon geel
+kruis. Ze had het juweel overjaar verloren, meende ze. Ze merkte nog een
+paar ringen, die Sebastiaan peinsde te zijn zoek geraakt bij de pompe,
+een dag in den Zomer, als hij moegetennist was en zijn handen wou
+wasschen. Vele kleinoodiën lagen daar ondereen in wanorde. Rik wroette
+met zijne vingeren erin en stak zijn kinne uit naar voren, en neep zijne
+oogen dichte om diepe zijn wellust te voelen. Hij scharrelde in de
+schitterende gesteenten, hij streelde langzaam dien overvloed van
+weelde, peuterde om robijnen en diamanten, bepootelde de zware
+kettingen, zich deugddoende aan zijn tastelijk eigendom. Zijn lippen
+hergingen bijwijlen. Hij reutelde, zingend zoetekens:
+
+--Al 't mijne ... àl 't mijne....
+
+En zijn hoofd bijsde overentweer, op mate van het durend gedoe zijner
+handen. Hij ontbond naderhand de snoeren van het kleine zakje, bracht de
+keersepanne dichterbij, zoodat het vlammeken meteen wispelturig al links
+en al rechts wiegde, en Rik zijn ronde schaduwe op den muur, over de
+zoldering, tallenkante te dansen begon. Hij schudde 't zakje leeg in
+zijn zijden klakke, die hij vóór zijn knieën neergelegd had. 't Waren al
+goudstukken, groote en kleine dooreen, en ze belden wel een oogenblik in
+de ruimte, maar zwegen seffens als ze dof in de klakke sleerden. En Rik
+zijn hoofd gloeide stilaan van ongemeene koortse, en zijne vingeren, die
+weer aan 't schefferen waren in dien rijkdom, bibberden van
+ongeduldigheid. En hij lispelde:
+
+--Al 't mijne....
+
+Hij sprong meteen op en zijn gelaat werd wild, ruw, wreedaardig. Goedele
+vreesde dat hij haar bemerken zou. Hij bleef rondkijken, en trok
+geweldig zijn asem op langs zijn neuze, alsof hij een ongewonen reuk
+opsnoof en weten wilde.... Hij tort naar een der vensters en keek door
+een splete der luiken de donkerte in van den nacht. Hij zakte nadien
+ineen op den grond, lengde zich uit en sloot zijn oor aan tegen den
+vloer. Hij kroop seffens rechte en stond op een nieuw te staren en te
+luisteren. Dan blikte hij neerwaarts op het volle kistje en de volle
+klakke, en zijne armen gingen van weerskanten in liefderijke bewondering
+omhoog.
+
+--Al 't mijne....
+
+Zijn lijf rilde en zijn beenderen konden niet stille staan. Het
+keerselicht klaterde in 't stralende goud en druppelde in 't geperel der
+juweelen. Hij trippelde errond, en 't was of hij dansen wilde en maar
+niet in kadense geraken kon. Zijne knieën kluppelden tegeneen aan en
+zijne hielen wendden en keerden zich waaiewijs omme. Hij was vier, vijf
+maal tewege neer te hurken en zijne handen reikten subiet naar die
+schitteringe daar--en dadelijk sloeg zijn rugge opwaarts en hij huppelde
+her en rond, lijk te voren....
+
+Aldoor heviger schokten zijne schouders. Zijne blikken werden lijk staal
+zoo puntig, en zijn mond, neerplooiend, viel in stuipachtige snokjes
+scheef. Langs zijne slapen zijpelde een overdadig zweet, en zijne haren
+plekten toe in natte strengen, van weerskanten. En hij hakkelde schor:
+
+--Al ... al ... 't mij-ij ... ne ... á-á-ál....
+
+Tot hij tegen den schoorsteen aanstruikelde, zich koortsig aan 't
+marmeren schouwblad vastklampte, en langzaam neerviel, een
+thoopezinkende klodde gelijk. Hij zat een oogenblik te hijgen belook
+zijne wimpers, en zijn aangezicht, nu regelmatig en drifteloos, werd
+uitermatelijk bleek....
+
+Met een ruk rok hij zijnen hals uit en staroogde, benauwd en verwilderd
+om zich heen. Maar fluks glimlachte hij en kroop over den vloer tot hij
+'t kistje en de klakke taken kon. Haastig dook hij weer alles weg, en
+schoof de plank over de heimelijke holte, binstdien nog zuchtend, alsof
+hij spijt had dat hij op een ende toch weg moest van hier.
+
+--Wel! wel! pruttelde hij binnensmonds, Ursule ... gij onnoozele....
+
+Goedele ijlde vluggelings naar heur kamer terug en zakte ontzet neer op
+een stoel. Ze kon rijzekens hare gedachten bijeenrapen en voelde een
+zeerdoende moeheid in hare beenen. Ze kon 't niet gelooven, wat zij
+gezien had, en ze was danig ongerust, niet begrijpende die schrikkelijke
+doening van Grootvader. De eenzaamheid werd haar onuitstaanbaar en haar
+herte klopte om te breken. Ze vatte haar hoofd in beide hare handen.
+
+--'k Hebbe zoo'n pijn!...
+
+Ze meende dat hare hersens uiteenspatten zouden. In haar nekke vliemde
+een borende smette en tot door hare lenden woog haar onverdragelijk
+leed. Ze vroeg zich af:
+
+--Wat is 't?
+
+Zij en vatte niets. Zij en kon hare zinnen niet bijhouden. Ze zag
+gedurig Rik zijn verwrongen gelaat, en de keerse, die er witte vlekken
+op kletste. Ze wilde slapen en alles licht opnemen, lijk een gewone
+gebeurtenis. Maar gestadig werkten hare teugellooze gepeinzen,
+slingerden dooreen in haren kop, snokten en klopten tegen haren schedel
+daarboven. En 't geluchte werd endeloos bang.
+
+Ze ontkleedde zich spoedig, kroop in haar bedde, blies het nachtlichtje
+uit ... De donkerte spookte om haar; daar waarden heimelijke wolken in
+de kamer. Ze moest seffens het lamplichtje weer aansteken, en dook zich
+onder de dekens, drong huiverig ineen, hare knieën saambrengend in hare
+armen. Het huis werd haar nu een schrikkelijke woonste en ze blikte met
+afgrijzen in de toekomst. Ze herinnerde zich nog goed den koffiehandel
+en den onverpoosden ijver van moeder. Ze wist dat moeder van nederige
+afkomste was, dat grootvader op vischvangst leefde. Hoe was zoo gauw de
+groote rijkdom gekomen? In een flikkering zag ze de gouden galonnen van
+marine-officiers uit het getafeld zakje rollen. Ze dorst niet verder
+denken. Ze neep met geweld hare oogen dicht en wilde op andere dingen
+peinzen. Maar ze kon niet buiten het huis geraken, buiten dees huis van
+gevaarlijke geheimzinnigheid, buiten deze knellende muren, en die deuren
+allemaal....
+
+--Is mijn deure goed vaste?
+
+Ze stapte uit haar bedde en ging de klinke herdraaien, om zeker te zijn.
+Ze kroop bibberend onder de sargie. Ze dacht: hoe gelukkig is Romaan ...
+en Madeleen ... en tante Olympe.... Ze zou alles aan Romaan vertellen,
+hem raad vragen. Ze wist zelve geen raad.
+
+--Johannes zal meehelpen ... om raad....
+
+Ze voelde Ameye nu van dichtebij: 't en was geen vreemdeling meer. Ze
+verwonderde zich niet dat ze zoo plotselings zijn naam hoorde in haar,
+en zij en schaamde zich ook niet daarover. Al wat hier bestond, had zich
+meteen van haar verwijderd, en wat buiten het hekken leefde naderde tot
+haar. Ze voelde nievers zoo pijnlijk eene vreemdte dan hier. Ameye was
+een vriend.
+
+Geleidelijk voortmijmerend, kon ze op een ende 't zicht van dees
+misdadig huis verlaten; ze sliep, oververmoeid, in en droomde van den
+markies, van zijn zonderlinge gewoonten, van zijn wapens met kronen en
+klauwende leeuwen.... en ze vond het zoo plezierig dat hij een pruike
+droeg en dat het witte steertje, ommekrullend, daar boven zijn krage
+gestadig met een gele lintje aan 't vlaggelen was....
+
+Heel late in den morgen werd ze wakker. Ze was gestild. Ze herinnerde
+zich seffens wat er gebeurd was, en 't en wekte in haar geen
+buitengemeene aandoening. Hare gedachten waren verdraaid naar nieuwe
+richtingen: ze had, docht haar, deze leelijkheid al lange aangenomen.
+Als ze in de eetkamer binnenkwam, zag ze Ursule heel bleek en
+thoopegedrongen in een leunstoel zitten.
+
+--Zijt ge ziek, moeder? vroeg ze.
+
+Ursule begon seffens te klagen en te jammeren: zij en had van den
+ganschen nacht geen gebenedijd ooge dichte gekregen, en dezen uchtend
+was ze opgestaan met een kwalijke slapte in de beenen.
+
+--'t Is of het rheumathiek ware....
+
+En dan moest ze subiet hijgen, bij haar minste gedoe was ze afgemat; ze
+was met groote moeite alleen beneden geraakt. En dan hadden ze haar nog
+gefolterd.
+
+--Gefolterd ... wie?
+
+--'k Hebbe Marie weggezonden ... al dieveggen, die 'n mensch uit
+medelijden van de strate raapt....
+
+--Zoo dan terug op strate gesmeten?
+
+--Ze heeft me brutaal geantwoord.... Ze heeft geweigerd mij een
+hoofdkussen te halen ... dat heeft ze.
+
+Op de trap hoorde Goedele een stille gesnik en dadelijk daarop een ruw
+gemompel van Grootvader.
+
+--Toe-de ... toe-de ... ronkte Rik ... gij leelijke kerte ... en kus uw
+handje ... dat ge er zoo zoetekens van af komt....
+
+De deur in de voorkamer werd met een ruk toegesmeten, en nadien piepte
+'t zware hekken.
+
+--Ze is weg, zei Ursule.
+
+Ze dorst niet spreken van het ivoren kistje dat haar ontstolen
+was--Marie was een dievegge--en ze herkloeg met gelijke woorden over
+haar leed: de pijne zonk tot in hare lenden en straalde van daar uit in
+gansch haar lijf, en bijwijlen had ze een hevigen harteklop--haar kele
+stropte toe en 't was alsof ze niet meer asemen zou.
+
+--En die rheumatiek daarenboven....
+
+--Ge moet den dokter halen.
+
+--Och! Och!...
+
+Ze haalde de dokters alleen op 't laatste oogenblik, als geen andere
+doening meer helpen kon. Ze was overtuigd dat de dokters prutsen, tot ze
+de menschen voor goed ziek krijgen, en dat ze best later maar kwamen.
+Toen ze, na Romaan zijn vlucht van huis, te bedde lag en endelijk den
+dokter bij haar liet roepen, en dan hoorde van hem hoe ze in der
+waarheid gevaarlijk ziek was, had ze werkelijk deugd, altijd maar
+vreezende te voren, dat haar kwale slechts een tijdelijke
+onpasselijkheid zou zijn. Ze wilde nu niet luisteren naar Goedele. Ze
+liet zich gewillig pramen, oolijk-tevreden om Goedele's aandringende
+deernis. Ze keek diep-mijmerende naar 't onbijt van hare dochter en
+legde in hare oogen een geveinsde droefheid. Ze tuurde sprakeloos naar
+de koffiekanne en het tinnen melkpotje en de witte teelkens en
+koppekens, die daar ondereen in 't noesche licht te klateren stonden--en
+naar Goedele's vingeren, die verduldig werkzaam waren eromme. Ze liet
+een peinzende stilte vallen en wachtte tot het geluchte langs hare
+woorden voordeelig werd. En ze herbegon dan vage dingen te zeggen, al
+treurende, op een moeden toon en met slepende stemgolvingen. Ze sprak
+van haar verleden, van ijverige tijden, tijden van duurbaar werk, van
+voortdurend zwoegen.
+
+--Ho! ik hebbe gezwoegd!...
+
+Ze volendde eentonig hare klagementen en vroeg dan met spijtige
+gezegden, wat zij voor zooveel slaafsch gedoe verwachten mocht. Ze
+zanikte zoo. Ze werd het zelf gewaar hoe vervelend ze werd, en ze was
+dan boos op haar eigen. Ze loerde zijlings naar Goedele, merkte hoe
+rustig ze voortdeed met haar ontbijt, hoe ze soms weggeraakte met hare
+gedachten en niet meer luisterde. Ze sprak luider, al op eens een vrage
+doende om Goedele weer tot zich te trekken:
+
+--Wat is mijne belooninge?
+
+Goedele schrikte even op en boog subiet haar hoofd.
+
+--Wel ... moeder....
+
+En Ursule jammerde verder, al voelde ze dat ze hare dochter maar niet
+taken kon, niet vatten met iets. Wantrouwig meende ze nu dat Goedele
+verdoken geheimen had, verdoken inzichten. Ze folterde haren geest met
+nieuwe oolijkheid, aldoor tuk op versche subtiliteiten.
+
+En Goedele bleef sprakeloos.
+
+Rik tort binnen. Hij zei:
+
+--'k Hebbe ze op strate gegooid.
+
+Hij lachte met wel genoegen en wreef zijne handen overeen en zette zich
+bij 't vuur te warmen. Hij schudde zijnen kop, ten teeken dat hij in
+zijn geest aan 't redeneeren was, en hij deed zijne knieën tegeneen
+knokkelen, in koortsige vroolijkheid.
+
+--Ze dorst nog weenen, de valsche leegloopster!
+
+'t Walgde Goedele. Ze stond recht en keek naar 't horloge, lijk iemand
+die op de ure wacht om heen te gaan. Ursule bemerkte 't seffens.
+
+--Vertrekt ge?
+
+--Wiezeken bezoeken....
+
+--'t Is half-elf.
+
+--'k Ben gauw terug ... rijzekens hooren hoe 't is ... daar ginder....
+
+Rik lachte meteen luidop, en Goedele kreeg een pijnlijker stoot in haar
+herte. Maar zij en keerde zich niet omme en ging zich aankleeden,
+verlangend om weg te zijn van hier, waar nievers een gezellige warmte
+komen wou....
+
+Buiten voelde ze opnieuw haar lijf in vrije lustigheid, en algauw
+verdreef ze uit haar hoofd de lastige gedachten, die daar woonden. 't
+Was alsof zij zich op den drempel ontdeed van al wat binnen den huize
+haar wrevelig miek. Ze haastte zich tot ze buiten bereik was, tot ze de
+stille strate verlaten had en baden kon in 't gejoel der lawaaierige
+stad.
+
+De regen had de steenen klaar gekletst en, bij plaatsen, speelde de dag
+er met lichtende vlekken. De hemel bleef grijs en beloken, maar
+zilverige tinten liepen er, ten teeken dat bovenwaarts de zonne aanwezig
+en klaterend was. De huizen, in vlakke reken van weerskanten, zonder
+zichtbaar dak en zonder wispelturigen gevel, stonden omhuld in vale
+verven. De vensters waren holten rotewijs geschikt en de deuren,
+tallenkante op eender hoogte, legden gelijke, donkerten er onder. De
+drempels bleven zwijgend: geen troppels kinderen of kijvende vrouwen
+waren eromme levend, lijk in 't zomertij of in de voorjaarszoelte. De
+herbergen waren ruchtig en de winkels. Er roerde haastig volk.
+
+Goedele deed seffens mee met het rumoer; ze voelde zich wegsmelten in 't
+gedruisch, dat ronkte om haar, en zij en was geen eenigheid meer in de
+woeling der bezorgde menschen. Ze liet zich beïnvloeden, ze liet zich
+zwak worden, al-vergetend wat achterwege was, en nu een kinderlijk
+belang stellend in de minste straatgebeurtenis. Ze huppelde door,
+drentelend bij stonden, haperend aan schoone uitstallingen van
+wintergoed. Ze dacht somtemets aan Romaan en Madeleen en het kindje.
+Ze zou Wiezeken geerne wat lekkergoed meedragen en liep een bakkerijtje
+binnen. Ze koos van ditte en van datte een pakje vol, en had een drollig
+plezier in den naam van al deze snuisterijen. De bakker, een ronde man
+met een zijpelend wezen en een neuze daar te midden, waar de teekening
+der ruiten bijkans schitterwit op uitblonk, lichtte haar gulzig toe en
+deed zijn beste moeite om zijn waar ordentelijk aan te prijzen.
+
+--Geen muntebollen, juffrouw? Geen lekkers op stokjes? Eerste klasse
+juffrouw, en niet geverfd.
+
+Ze wees die gloedroode stampers af met een weigerend knikje.
+
+--Kletskoppen ... puur honing en een hemelsche bete, dat verzeker ik u.
+
+--Ja, dat wel.
+
+Ze keek in de wissen mandekens, die bij 't venster stonden, vol met
+veranderlijke zoetigheid, en bloosde meteen als ze Ameye herkende, welke
+vóor 't raam te wachten stond. Hij groette haar met een buigen van zijn
+hoofd, en ze was daardoor subiet in de war. Ze werd ongedurig en wilde
+maar dadelijk gedaan maken met den dikken bakker, die 't haar met zijn
+uiterste vriendelijkheid lastig maakte. Hij moest zich spoeden. Ze
+voelde eene wrevelige warmte naar heure slapen opschieten, als de brave
+man, een guitig lachje zettend, gulhertig verklaarde dat hij _sito-sito_
+klaar zou geraken.
+
+--Even nog een koordeken--hier--met een strikje ... Zóo!
+
+Ze keerde zich fluks omme en hoorde hoe hij haar met dienstwillige
+woorden achterna volgde, overdreven en stilspottend, alsof hare
+aandoening belachelijk bloot lag op haar aangezicht:
+
+--Als 't u zal believen, juffrouw--tot een naaste keer.... Anders,
+juffrouw, anders de klinke draaien ... zóo ... let op de trap ...
+zóo.... danke wel!
+
+De deur viel toe achter haar en zij stond vlak vóor Ameye. Hij lachtte
+en knikte, en prees de voorzienige stonde, die hem bij haar had
+gebracht. Hij vroeg, in een vloed van hoffelijke woorden, hoe zij 't
+maakte. De wolkenlaag in den hemel scheurde open en de zonne viel in
+witte stralen tallenkant. Daar kwam een bedwelmende leutigheid in 't
+geluchte.
+
+--Ik was naar uw broer tewege.
+
+--Ik óok, precies....
+
+Ze zei 't gretig, met een dwaze haastigheid, die haar blozen deed.
+Ze dierf er niet bijvoegen dat het wel meeviel, alzoo, en wist zelf een
+beetje tegen te stribbelen, in schijnbare verlegenheid, als hij haar
+voorstelde om saam de bane te doen. Ze kon echter niet weigeren en
+verheugde zich om die onmogelijkheid. Hij moest niet lang aandringen.
+
+Ze praatten ondereen, gezellig, en 't en duurde maar weinigen tijd, eer
+ze teenemaal vrij werden in hunne uitdrukkingen, los van alle gedwongen
+beleefdheid. Hij sprak bijzonder zwaar, diep ernstig, en had altijd een
+particulier zicht op de zaken. Ze voelde in hem een, die haar meester
+was en waar ze leerlustig naar luisteren kon. Hij vatte het leven heel
+breed op, heel menschelijk. Allerwege zag hij entwat, dat liefderijk was
+en goedheid asemde. De menschen op strate, de peerden en de honden....
+Goedele keek ernaar, omdat hij er kon over klappen met zoo'n innigheid,
+zoo'n belang. Hij groef in hare hersens diepe prenten, een nieuwe vizie
+der dingen, en ze was nooit moe, ze hoorde hem aan met groote aandacht.
+
+De zonne bracht een spelend licht overal, lanterfantte langs de vele
+ruiten, stortte met lustig gestraal, menig en rijkelijk, op de natte
+steenen. Bij plaatsen was de hemel geheel en al blauw. 't Lawaai der
+stad zwol op en het volk krioelde al thoope. Het docht Goedele dat er
+veel kinder stemmekens tusschen stegen en tegelijk een schelle geklepper
+deden omgaan, dat haar deugd deed. Ze werd vroolijk en antwoordde op
+Ameye's grondige gezegden, met haar volle gemoed, en redeneerde met hem,
+liet zich kwaadgezind omdat hij haar te vroeg gelijk gaf, en schaterde
+het uit. Hij hoorde haar geerne bezig, voelde wel de nadering van deze
+rijkbegaafde vrouw, en hij raadde hoe vernepen ze gehouden werd,
+naarmate ze zich nu wild en begeesterd overgaf.
+
+Ze keken alles omme en na. Hij deed haar overal iets opmerken, dat ze
+genoeglijk bezag, verwonderd dat zij zelve het niet merken kon. Vóor hen
+stapte een heer met een macferlan en een dame in kostelijke kleeding.
+De dame hing aan den arm van den heer, die groot en struisch was en
+matelijk voorttort. Ze kon hem haast niet opvolgen, en drilde nevens
+hem, altijd een stap te late. 't Was alsof ze getweeën kreeftsgewijs
+doorgingen, allebei noesch weg. De dame deed den heer af en toe
+stilblijven voor een modewinkel, en de heer haperde gewillig vóor de
+uitstalling van een boekhandelaar. Ze zeiden maar luttele woorden.
+
+--Dat zijn brave getrouwde menschen, sprak Ameye.
+
+--Zoo verschillend van meeningen toch?
+
+--Ze geven malkander toe. Ze zijn redelijk. Zie! De heer kijkt naar de
+illustratie van het uithangbord, binstdat de dame nauwkeurig de hoeden
+beloert. Hij is verduldig. De dame zal straks verduldig zijn.
+
+--Maar dat is een zotte leven! meende Goedele.
+
+--Die menschen zijn getrouwd, zei Ameye. Hij liet haar naderhand vragen
+wat hij omtrent het huwelijk dacht, en hij beweerde dat de beteekenis
+van het huwelijk grootendeels in die boutade besloten lag.
+
+--Het huwelijk is wel een beetje onzedig.
+
+--Onzedig?
+
+--Maar een noodzakelijke instelling, die dan weinig te maken heeft met
+wat we liefde noemen. De liefde kan in het huwelijk bestaan, en heel
+vaak slijt eruit weg, omdat twee saamgebrachte wezens van nature sluw
+worden, door ikzucht, en geen wederzijdsch vertrouwen bewaren kunnen.
+Aldus spreek ik nog maar van gezonde, billijke huwelijken. Onze
+maatschappij is echter zóo ingesteld, dat over 't algemeen met een echte
+liefde geen rekenschap gehouden wordt.
+
+--O ja!...
+
+Hij voelde hoe zij met nadruk dat zei en seffens droeve werd. Hij bleef
+een oogenblik zwijgen en sprak nadien met een daling van zijn stemme:
+
+--De liefde daarenboven is waar zij is, en wij, zijn niet meester over
+haar. Wij zijn allemaal zoo'n zwakke, slaafsche schepsels, juffrouw.
+En als de liefde buiten het huwelijk komt, wat kunnen wij doen?...
+De liefde is _overal_ heilig.
+
+--Dat wil zeggen: de liefde mag wispelturig zijn?
+
+--De liefde is niet wispelturig, maar wij noemen altegauw liefde, wat
+geen liefde is, wat een klein gevoel is zonder wortelingen. De liefde is
+heilig, als zij grondelijk is en ons gansche vleesch beheerscht--en dan
+heeft ze paal noch perk, en dan kennen wij geen mate om ze te meten en
+geen banden om ze te dwingen. Dan is ze ons zelf, geheel en al, en
+heilig ... en overal....
+
+--Ik weet zoo geen liefde.
+
+Hij boog zijn hoofd, precies om een hevig gestraal der zonne te
+ontvluchten en zichtbaar hergingen rijzekens zijne lippen. Hij zag de
+waterplaskens en de grijze droogten wegsleren onder zijne voeten. Op
+deze stonde, waar ze beide stille voorttorten, ontstond er een wrevelig
+ongemak. Goedele voelde dat hare oogen moe werden, lijk die van iemand,
+die te lang in warme kamers bleef. Ze zei:
+
+--We loopen buiten onzen weg!
+
+Ze keerden zich alletwee naar links en rechts, en begonnen te lachen.
+Ze waren nabij de St. Anne markt.
+
+--Ja, sprak Ameye, we loopen buiten onzen weg....
+
+Ze was tewege hem te vragen waarom hij zoo zonderling op zijn woorden
+aandrong, maar ze gebaarde dat ze niet geluisterd had.
+
+'t Was hier een groote drukte. De menschen liepen dooreen in ijverig
+bedrijf. De markt was zwaar van rumoerig leven. Vrouwen met paanders
+drumden tegen malkander aan rond de kramen, en kozen hun waar, eromme
+pootelend en tastend en wroetelend om niet bedrogen te worden. Uit een
+zijstrate kwam een vlote stootkarrekens aangereden, met een gulden
+vracht appelsienen beladen en door ruchtige meissens gevoerd. Vóor 't
+portaal van de St. Anne-kerke stond een liedjeszanger te brullen van "de
+lieve Genoveva" binstdat zijn wijf, bezorgd voor al te strenge politie,
+een endeken verder de wacht hield. En de zonne wemelde tusschen die
+luidelijke beweging, smeet open haar bundels licht, klaterde langs de
+zwellende tenten, waaronder de wind zich toornig miek.
+
+Goedele lanterfantte een beetje, een toenemend belang stellend in de
+doening van die werkzame menschen, ook om de koelte te vergeten, die
+over haar en Ameye gezonken was. Ze verwonderde zich over 't een en 't
+ander, lachte altemets luidop of werd weemoedig van deernisse.
+
+--Aai-Jezes! Kijk hier!...
+
+Een oud manneken was daar dichtebij, ronddrevelend met een houten
+kistje, vol met muskaatnoten en kruidnagels. Zóo klein was hij, dat hij
+zich gedurig met de ellebogen te voorschijn moest worstelen en alleen
+zichtbaar werd door zijne uitbundige gebaren. Hij had luttele handjes.
+Hij droeg een grijze veste, en een roste broek, bleek en donker
+getafeld, slodderde om zijne kromme beenen. Hij dretste onhoorbaar op
+palullige sloffen, en een roode halsdoek, geelgebloemd, waaide rond
+zijnen korten hals. Zijn hoofd was rond en groot, en zijn gezichte, heel
+nietig tusschen twee uitschelpende ooren, lonkte en loerde, uiterst sluw
+en uiterst beweeglijk. Hij riep met een pieperig stemmeken:
+
+--Nikske van doen?... Alla-dan, madameken,... alhier! alhier!
+
+Hij zag Goedele, en hoe ze daar onthutst hem aan te kijken stond, en rok
+zijn nekke naar heur uit, en kwam vriendelijk zijn:
+
+--Toe-da, madameken, een dozijntje? Groffels, lijk er nievers meer te
+vinden zijn--en lekker ook voor tandpijne! Hoeveel? 't Zijn de leste.
+
+Hij merkte Ameye en werd seffens hoffelijk, aldoor buigend en groetend:
+
+--Mijnheere!
+
+Hij nam een kruidnagel met zijn duim en zijn wijsvinger en hief dien
+omhooge, profijtelijk:
+
+--'n Volle mate voor vijf centen!... Kijk nu toe! Zoo donker als de
+nacht en zoo sappig als de lente! Ge moogt kijken, madameken, en
+betasten ook... Alla-alla-de! een dozijn groffels voor 'n jong
+huishouden....
+
+Goedele bloosde, en Ameye moest den dwerg afwijzen met een strengen
+blik. 't Oudje hinkte zijlings weg en schetterde in een uitval:
+
+--Jè-dan ... schoon koppel....
+
+En 't gewone rumoer herbegon, breed en allerwege aanwezig, golvend over
+de menigte, die langs de kramen scharrelde.
+
+--Loopt ge aldus geerne in het razend gewoel? vroeg Ameye.
+
+--Wel ja ik, redelijk.
+
+--De tast van het volk is niet altijd zuiver....
+
+--Zeker, maar ik voel me hier zoo volledig leven, zoo gezond en zoo
+volledig. Ik weet niet--vandaag word ik mijn eigen zoo allerzijds
+gewaar, en alles is mij goed. Ik ben lijk iemand die lang ziek te bedde
+lag en nu uit mag ... en ik dartel in de zonne. Dat leelijk ventje was
+me niet leelijk. Die wijven te gare, die 'k zie staan met hun vuisten op
+hun heupen ... ik merk het wel: ze zijn gemeen.... Maar 'k bezie ze van
+een anderen kant precies ... en alles is mij goed....
+
+Ze wond zich op in 't spreken, probeerde haar vaag gevoel met stipte
+woorden uit te drukken en wijdde uit in vele zinnetjes, nooit tevreden
+omdat ze nooit iets bepalen kon. Ze jubelde en liet zich meegaan met den
+slag van haar driftig herte. Ameye was sprakeloos geworden. Hij stapte
+nevens haar en luisterde met gretigheid, seffens weer neerslachtig als
+er een korte stilte tusschen beide viel.
+
+Ze geraakten in de groote laan. Hij kocht van een leurend meisje een
+rankje hulstgroen met roode peerlen, en bood Goedele het takje aan.
+
+--Voor de aardigheid, zei hij.
+
+Hare hand bibberde even, als zij het broze takje aannam. Ze keek naar
+hem en hare blikken stieten geweldig tegen de zijne aan. Een bedwelmende
+flikkering schoot door haren geest en ze bleef een oogenblik
+verbijsterd, alsof zij haar ziele in zijne oogen opklaren zag, nu in
+lichtende waarheid zich veropenbarend aan haar eigen zelve, en een
+overgroot geneuchte maakte haar dronken....
+
+Ze stapten haastig door, zonder spreken, en geen vond het zonderling dat
+de andere zwijgende was. Ze spoedden zich om straks alleen te zijn, om
+te te peinzen in eenigheid--want nu was hun hoofd vol met aanzienlijke
+gedachten. Achterwege lag de gansche wereld. Achterwege was moeder en
+vader en het vreeselijke huis. Vooruit bestond de endelooze verte, de
+wijde ontijdelijkheid. Het was of ze nu deel gingen uitmaken van iets,
+dat machtig was boven de sterkte van menschenarmen--en eeuwig zijn zou.
+Ze verheerlijkten hun lijf en geest in een nieuwen dageraad ... en wat
+komen moest, was niet te weerhouden.
+
+Ze gingen alzoo. De wagens en sjeezen reden door, holderdebolder over de
+kasseide. De trams tjinkten van verre. Jongens ventten rond met
+dagbladen en riepen luidkeels het nieuws van den dag.
+
+--Zijn we nu op goeden weg? vroeg Goedele.
+
+--Ginder is de brugge.
+
+Bij de vaart werd-het stil. De luie schepen lagen vast tegen de kaaien
+en donkere mannen losten de koolvracht. Men zag ze over de planken
+wiegen, hun duistere gestalte, verlengd nog in het water, waar ze door
+vlug golvengeklets ziggezagsgewijs uiteen werd gezwabberd.
+
+Als ze in de doode straat kwamen, waar Romaan woonde, vertraagde Ameye
+zijnen gang, en hij sprak weemoedig, zonder naar Goedele op te zien:
+
+--We zijn er alreeds....
+
+--Ge tert zoo zoetekens!
+
+Hij vertelde dat hij een beetje moe was: gisteren heel den avond gewerkt
+aan een dringende bestelling, en dezen uchtend heel vroeg te been. Ze
+vroeg:
+
+--Werkt ge veel?
+
+--Als ik alleen ben.
+
+--Zijt gij dikwijls alleen?... Ge hebt nog uwe moeder?
+
+--Moeder is ... weg.
+
+--Zoo eenig leeft ge!
+
+Ze had medelijden met hem. Ze herdacht wel het vierkante huis ginder en
+hare ouders achter het hekken, maar vond het dan bij Ameye veel
+droever--een woonste zonder heerd en altijd zonder geruchte.
+
+Hij bleef staan. Ze begreep niet waarom hij zoo aarzelend deed, waarom
+een groeve boven zijne oogen zichtbaar werd ten teeken van pijnlijk
+gemijmer. Ze praamde hem om door te stappen.
+
+--'t Wordt noene straks.
+
+--Ja.
+
+Hij tort verder zonder opkijken, en, vóor de drempel, als Goedele het
+linnenwinkeltje ingaan wou, vatte hij hare hand. Hij deed haar zeer,
+hij knelde hare vingeren in de zijne, en zijn gelaat kwam naderbij.
+Hij fluisterde:
+
+--Gij weet niet?
+
+Zijn asem taakte haren hals en deed haar rillen in al heure leden.
+
+--Niet?
+
+Ze bad dat hij haar los zou laten. Ze was bang omdat zijne blikken zoo
+hopeloos werden, en ze werd niet seffens gewaar hoe onredelijk zijn
+doeninge was: ze bekommerde zich om hem. Hij zuchtte zwaar en slokte
+eens om zijn kele nat te krijgen.
+
+--Niet?...
+
+Ze hoorden, binnen in den winkel, een paar vrouwen hun keuze doen, en
+heel omhooge, tenden de zoldertrap, een vroolijk liedeken van Mariëtte.
+
+ Ah! Môsieu le capucin,
+ T'as d' la veine--
+ T'as d' la veine!...
+
+Ameye zei:
+
+--Ik ben getrouwd ... al vier jaren....
+
+Goedele rukte zich vrij. Ze voelde geen juiste verhoudingen meer. Ze
+voelde niet meer wat ze was tegenover dezen man, niet meer dat hij voor
+haar een vreemdeling was. Ze kon zich zoo seffens niet hervatten, en ze
+werd heel bleek. Omdat ze leed, wilde ze straffen en geweldig handelen.
+
+Maar hare armen zonken neerwaarts en haar bloed deed een smertlijken
+ommedraai. Over hare wangen rolden twee tranen, die ze niet had kunnen
+verdringen en die nu in de hoeken van haar lippen haperen bleven. Ze
+stamelde, haar gezicht verwringend tot een treurigen glimlach:
+
+--Ho!... ja ... zoo!...
+
+Ameye raapte het witte pakje met suikergoed en het rankje hulstgroen op,
+die, nevenseen, op de zulle waren neergevallen.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+VII.
+
+
+Eenige dagen verstreken voor Goedele in eendelijke onverschilligheid.
+Ze was heel korten tijd bij Romaan gebleven, had geweend omdat Wiezeken
+er zoo deerlijk uitzag en was weggeloopen, seffens. Tante Olympe met haar
+gestadig geklaag maakte haar zenuwachtig, en Madeleen ook, die daar met
+gebogen hoofd aldoor te kijken zat in de toekomst. Ze was weggeloopen.
+Ameye walgde haar.
+
+En de dagen waren verstreken alzoo. Ze wilde niet meer terug bij haar
+broer, ginder waar ze geleden had een onverklaarbare pijne, nievers nog
+geleden. Ze was bang. Ze wilde geerne alles wisschen uit haren geest,
+maar niets anders wekte hare belangstelling, en ze voedde haar wee.
+Al wat gebeurde om haar, werd haar onverschillig. Allentwege was 't
+nietigheid, en de woorden, die gesproken werden, waren ijdel.
+
+Ze werd naderhand door opvretende eenzaamheid, streng voor wat buiten
+het leven stond van hare droefenis. Ze had ruwe woorden met vader. Ze
+verdroeg zijn onnoozel gespeel niet meer en zei het hem met een ruk.
+En Albien keek dan verwonderd op, niet begrijpende die stoere manieren,
+getaakt in zijne liefde, als hij nu dacht, in kinderlijke vreezen:
+
+--Zij ook ... en ziet mij niet geerne....
+
+Omdat ze zoo verduldig was met hem, had hij gemeend dat zij hem dan toch
+vatte. Hij vroeg:
+
+--Zijt ge ziek, mijn kind?
+
+Ze was getroffen omdat zijn stemme zoo diep een grondslag had, omdat hij
+zoo innig bedrukt was, en meteen zoo vaderlijk. Ze zag hoe hij het
+nieuwe Snoeckboekje met onverschillige vingeren van zich afduwde en
+nader kwam, dichte bij haar, en zoetekens hare handen toetste.
+
+--Nu ben ik in waarheid triestig van zin, zei hij.
+
+Hij boog zich om goed in haar gezicht te blikken, om te zoeken naar heur
+leed, dat wel ievers in hare oogen zou na te speuren zijn.
+
+--Hebt ge zeer?... Toe-de, mijne dochter.... waar is 't dat ge zeer hebt?
+Voor de eerste maal voelde Goedele in dezen zachten man haar vader
+levendig zijn en goed. Ze werd gewaar dat ze weenen zou, als ze geweld
+moest doen om te spreken. Haar borste zwol.
+
+--Wat is 't, zei Albien, dat hier ommegaat, sinds dagen? Ge loopt rond
+lijk te lore in dees huis, en ge zwijgt ... en het wordt van alle kanten
+zoo bang. Ik heb nu geen lust meer in ditte ... noch datte.... Moeder is
+ziek en gij?... Wat deert er? Ik heb nu permintelijk geen lust meer....
+Wáar, wáar, mijn kind.
+
+Stille kwamen zijne woorden te reke, en ze brachten eene treurige
+stemming alom. Maar Goedele stiet dan aan tegen 't beeld van haar eigen
+lot en ruw werd ze op nieuw.
+
+--Bah!
+
+Ze draaide op hare hielen rond, lijk een meisje licht van gemoed, en ze
+liet vader alleen. Als ze de deur uit was, wilde ze wel terugkeeren en
+den man meteen in hare armen prangen, al streelende dat brave hoofd, dat
+kinderlijke, vol kleine gepeinzen. Ze kon niet: ze moest lachen luidop,
+ten gebare dat ze hier alles potsierlijk vond, en ze drilde verder,
+langs leege uren zich voortsleepend, lijk een schaduw in noesche licht.
+
+Ursule lag in haren leunstoel te denken. Seppie, het hondje, moest
+gedurig op haren schoot stille blijven, en ze streelde met luiere
+vingeren in zijn lange haren, wijlend achter zijne oorkens, waar 't hem
+uitermate deugd deed. De dagen gingen omme en ze was gestadig aan 't
+wroeten in hare hersens, overentweere wiegend met blijvende mijmeringen.
+
+--Daar heerscht een geheim in 't geluchte. Ze voelde 't zoo, ze tastte
+'t. De doening van Goedele ontsnapte haar niet, en ze was zeker dat een
+gevaarlijke gebeurtenis aan 't zieden was en aan 't zwellen. Omdat ze
+nooit anders dan meesteresse geweest was en nievers door verborgen
+machten bekampt, wilde ze klare wegen zien en vaste staan. Ze begreep
+wel dat Goedele wegslibberen wou, en ze vreesde dat zij er toe komen
+mocht. Om dwaze plannen te kunnen tegenwerken, moest ze Goedele's
+inzichten kennen. En Goedele was ondoordringbaar....
+
+Ursule's vroegere strijdlustigheid geraakte wakker stilaan: ze zou weer
+door oolijke listen hare dochter overwinnen, lijk ze vroeger haar vader
+overwonnen had. Ze deed Goedele door Justa, de nieuwe meid, bespieden.
+Justa moest al de brieven over den moordamp in de keuken openbreken,
+moest in Goedele's kamer snuffelen en laden met valsche sleutels
+ontsluiten, alles omkeeren en inzien en beloeren. Ze had Justa voor
+dergelijk werk bijzonderlijk aangenomen.
+
+Justa was een klein vrouwken, levendig en minzaam. Ze ontving alle
+boodschap met een vriendelijk glimlachje en sprak iemand nooit anders
+aan dan in den derden persoon. Ze had uiterst leelijke handen, met
+omkrullende vingers, en hoekige kneukels. Ze bracht die gedurig bij
+malkaar, in profijtelijke houding, boven haren buik en wreef ze trage
+overeen, al schattend somtemets met vierkante nagels. 't Was een
+Westvlaamsch meisen. Ursule kende hare ouders, gebogen eerde-wroeters
+zonder hope, etende en biddende wezens, den dood nabij. Justa, de eenige
+dochter, had met blij gemoed hare broers en de oudjes verlaten. Haar
+doorslepen zinnen, waar ze aldoor in de parochie gebruik had van gemaakt
+om oolijke daden te stichten, meende ze nu eens ten dienste van vrijer
+bedrijvigheid te kunnen stellen. Als Ursule haar met korte woorden
+uiteengeleid had wat in werkelijkheid van haar verlangd werd, had ze
+aldadelijk heel de zake begrepen en aanveerdde gretig het nieuwe gebod.
+Ze was bovendien werkzaam en net, bracht goede orde in de keuken en
+leerde veel van Ursule, die haar in kookkunde hielp. Ze werd een
+voortreffelijke meid. Men had haar een schoone belooning beloofd, als ze
+dienstveerdig zijn wou naar Ursule's volle goesting.
+
+--Zóo is mijne goesting! had Ursule gezeid.
+
+Ze moest Goedele tot in haar minste bedrijf bespieden....
+
+Ursule vernam echter niets. Goedele bleef thuis, liep de kamers door,
+zat altemets een endeken te borduren, te knippen aan een kunsttapijtje,
+te kijken meerendeels langs het venster naar 't gewaai dat bijsde in de
+boomen. Hare kleeren, hare laden, hare brieven--'t werd alles besnuffeld
+en befrutseld: nievers lag een verraad van haar geheim gedoe. Justa
+luisterde achter de deure, als ze saam met Sebastiaan in de eetzaal was.
+
+--Wat zeggen ze? vroeg Ursule.
+
+--Bijna niets ... een woord ... een ja--een neen....
+
+--Maar, hoofdzakelijk?
+
+--Niets! zei Justa.
+
+Ursule werd koortsig daarvan, hetgeen haar dan niet het minst voordeelig
+was, want al nijpender drong de pijne van haar "rheumatiek" in hare
+braaien en ze kon soms rijzekens opstaan uit haren zetel. Ze wilde geen
+dokter.
+
+--'t Is rheumatiek.
+
+Dat was zóo haar zeker zijn. Ze hechtte daarenboven niet veel belang aan
+die tijdelijke ziekelijkheid. Haar geest was voortdurend anderszijds
+gespannen en wilde klaar krijgen de vaagheid om Goedele's manieren ...
+Zij deed op een uchtend Goedele bij haar komen en neerzitten nevens 't
+raam, vlak onder het nieuwe daglicht. Ze begon te klagen: ze had sinds
+nachten geen ooge meer beloken, ze was zóo lijdende, ze voelde dat het
+erg worden zou, en de nachtmerrie bezocht haar....
+
+--Och! Och!... dat is vreeslijk!
+
+Ze praamde Goedele dat ze maar goed opletten moest, en in geen tocht
+mocht blijven, en 's avonds aandachtig de vensters zou sluiten, en een
+dobbele sargie vragen aan Justa.
+
+--'t Is nu 't gevaarlijke seizoen.
+
+Dan was 't een ander thema: ze wilde bovenal Goedele's geluk, ze dacht
+er altijd, altijd aan, en ze zou alles doen om dat geluk te verzekeren.
+
+--Willen we verhuizen?
+
+Goedele hief onverschillig hare schouders op en zuchtte. Ursule drong
+aan:
+
+--We zullen hier weggaan, we zullen een Engelsche villa betrekken,
+ievers in den omliggende, waar er bloemen zijn, buiten de wilde stad.
+Ik zie dat ge hier wegkwijnt en ik weet niet de reden.
+
+--Daar is geen reden ... en ik kwijn niet weg, moeder....
+
+--Kom! Kom!...
+
+Ze stoop zich voorover en lonkte met droeve teerheid, wenkend dat
+Goedele naderen zou. Ze sprak met zoetigheid: ze zag alles, ze was
+moeder daarom, ze wist dat iets mishandde.
+
+--Voel ik dan niet?... Ik voel uw treurende gepeinzen. Niet neen zeggen,
+kind, niet neen zeggen.... Ge draagt een last. Ik mag u helpen. Ik wil
+doodgeerne uw leven zacht maken, uw wegen zacht maken. Duik niets voor
+mij, die boven alles uwe moeder ben. Ik heb al doen uitzien naar een
+villa, een djentig dingetje diepe in het loover. Ik wil ook niet dat ge
+hier zoo eenig loopt. Bella zal na den noene komen, een paar uren, met
+haar borduurwerk.... Zoo slijt de leege tijd. Ik ben vol zorgen om
+uwentwil, mijn kind. Waarom wilt ge u verbergen voor mij?
+
+--Toch niet, moeder ... maar, kijk, ik ben moe en ziek. Romaan is zoo
+buiten reden triestig en Madeleen ook ... en Wiezeken is verre,
+verre....
+
+--Is dat alleen uw droefenis?
+
+--Dat is een groote droefenis.
+
+Ursule bukte zich meer nog en vatte Goedele's hand. Ze vroeg, al
+starrelings turend dwars in hare oogen:
+
+--En Sebastiaan?... Ge zit zwijgend nevens hem. Ge zegt hem niet wat uwe
+tranen beduiden. Ge zegt niets. Dat zijn toch geen geheimen?... Mijn
+pover kind, gij hebt Sebastiaan niet lief!
+
+Ze bleef uitermatig zachte en Goedele keek verwonderd op, niet wetende
+wat er uit zoo'n gesprek komen moest en vreesachtig, om den wille van
+moeder's sluwe manieren. Ursule vroeg;
+
+--Wenscht ge niet te trouwen met hem? Laat ons vertrouwelijk zijn.
+We zullen saam beramen wat we doen moeten, en wel vinden, wel iets
+vinden.... Ik wil u niet in iemands armen gooien, tegen uwen zin. Ik heb
+goed nagedacht.... Spreek nu, laat uw herte vrij daar liggen vóor mij,
+uwe moeder. Hebt ge, buiten Sebastiaan, een man ontmoet, en voelt ge een
+andere liefde?
+
+Goedele sprong koortsig rechte en schoot uit in eenen schokkenden lach.
+Ze werd heel rood en haar oogen baadden in glinsterende tranen. Ze moest
+haren neusdoek over haar aangezicht brengen en 't was of ze nadien te
+niezen begon. Ze bedaarde. Ze riep:
+
+--Wel, moeder, onnoozele moeder!
+
+Ze wilde wegloopen, maar Goedele gebood dat ze blijven moest. Ze bleef.
+Ze lachte lijk een zottin en joepte met snokjes opwaarts. Ze gichelde
+bij poozen:
+
+--Ikke?... Ikke?... Wel hemelsche deugd! mijn moederken!... Liefde voelen
+of andermans liefde ontvangen!... Bespottelijk, zoo'n idee!... Ik zegge
+'t u: stel u in ruste... Ik trouw met Sebastiaan.
+
+Ze nam Seppie op, schudde hem boven haar hoofd, zoodat het beestje daar
+in de leegte, met luie pootjes, te slodderen hing. Ze knikte hem toe,
+smeet hem omhooge en grabbelde hem tegen hare borst vaste. Ze lei hem
+naderhand op moeder haren schoot terug, merkte hoe ze nu vol met
+haarkens was, langs hare schouders en op hare mouwen, en mummelde met
+pruilende lippen:
+
+--Hatje! het leelijke jong!...
+
+Ze werd seffens heel ernstig, knipte de haarkens weg, zenuwachtig en
+kort. Ursule jubelde in haar eigen, als ze de verklaring kreeg dat het
+gewenschte huwelijk ten slotte toch gebeuren zou, maar nadien, bij 't
+zonderling gesnap van Goedele, werd ze wantrouwig opnieuw. Ze zweeg
+echter en rolde binstdien in haar hoofd een versche golving spijtige
+gepeinzen.
+
+Al pratend, en dooreengooiend een reesem lichtzinnige woorden, drilde
+Goedele langs de trap naar heur kamer, en sloot zich op. Ze viel lijk
+een massa op haar bedde en begon hevig te schreemen. Dat duurde een
+lange stonde, tot Justa haar opzoeken kwam voor 't noenmaal. Ze waschte
+zich haastig, liet 't kille water vloeien over hare slapen en baaide
+hare oogen. Ze had deugd aan die prille frischheid en voelde een klaarte
+komen in hare onrustige gedachten. Ze tort dan de eetzaal binnen en ging
+neerzitten, naar gewoonte, tusschen vader en moeder.
+
+Na den eten werd aan 't groote hekken gescheld. Bella schoot huppelend
+in huis en vloog blozend en schaterend aan Ursule's hals.
+
+--Hoe gaat ge, beste mevrouw?... Wel! men kan het niet eens zien op uw
+wezen, dat ge ooit ziek geweest zijt?... Dag, Goedele, dag, beste
+heer.... 't Is wel koud buiten, hoor! Dan zet ik het op een drafken
+langs de straten ... en de menschen kijken me na.... Ik loop geerne in
+'t koude weer....
+
+--Ja ... ja ... de jonkheid, lachte Albien.
+
+--Ik ben met de gauwte naar hier gedreveld ... Wilt ge even mijn paletot
+helpen uittrekken, Goedele? Dat is een dwaas ding--ik geraak er nooit
+van af. Mijn mouwen zijn ook zoo potsierlijk ingewikkeld.... Hai!
+mijlieve, ge snokt me haast de armen van het lijf.... Ja! Ja! Ja!
+
+Ze danste van ongedurigheid, bijsde hare heupen en lachte. Ze tikte met
+hare vingeren dolle haarkrullekens weg, die op haar voorhoofd belden en
+jeukten in hare wenkbrauwen. Ze reikte dan aan Ursule een ranke mimosa,
+die ze met haar hermelijnen mofje op de glazen dresse had neergeleid.
+
+--Djentig, hee?
+
+--Heerlijk, mijn kind--Onnoozel dat ge ervoor zoo'n dwaze onkosten doet.
+'t En was in waarheid niet noodig....
+
+--Ja!... ja!... ja!...
+
+--Danke.
+
+Bella weerde zich om drollerig te zijn en sprak van heur magere
+spaaroordekens. Anders had ze een heelen ruiker meegebracht.
+
+--Ge weet wel--zoo zacht-witte winter-rozen ... maar dat kost! dat kost!
+Ze zette zich neer en vingerde ongedurig om de gulden korreltjes van
+hare halsketen en, omdat nu een tijd de stilte neerviel langs deze
+ongezellige kamermuren, zocht ze opgewonden in haren geest naar spelende
+woorden. Ze vertelde van thuis--hoe moeder sinds een paar dagen
+aanhoudend aan maagpijn leed en hoe ze dan zoo lastig van humeur was,
+en hoe vader dan wegliep, om ongemakken te vermijden. Ze tuurde naar 't
+kille gezichte van Ursule, daar roerloos rustend tegen de hooge leuning
+van haren stoel, schoon-gelijk van weerskanten en effen lijk gladde
+marmersteen, even hard ook en zonder warmte van binnen. Ze voelde wel
+dat ze met hare vroolijke zinnetjes kwam zonder uitslag aanstooten tegen
+de roerlooze vlakten van dees gewillig gelaat. Ze loerde omdieswille
+rijzekens naar Goedele, die opstaarde langs 't venster naar de varende
+doening der wolken. Ze had een zonderlinge bangheid over zich, lijk
+iemand die zondigt entwat en meent dat elkendeen 't kan lezen. 't En was
+precies niet dat ze gezondigd had, maar toch vreesde ze den diepen,
+droomenden blik van Goedele. Aan dien blik kon ze geen geheime gedachte
+verbergen. Daarom taterde ze aldoor, haar eigen vergetende en alles om
+haar vullende met ijdel gebabbel. Ursule knikte stillekens of
+fluisterde:
+
+--Ja ... zekerlijk ... ik peinze aldus....
+
+Bella was erdoor opgehitst en sprong mateloos van 't eene nietig voorval
+naar 't andere. Ze wilde met woorden alles opjagen tot een gewichtige
+gebeurtenis, en verzinde tallenkant eromme een kantwerk van
+belangwekkende detailleeringen. Ze belonkte op Ursule's wezen of daar
+endelijk geen snare bewegen zou en, als bijwijlen een rimpel langs den
+neuze zonder reden dieper viel, bleef ze om haar gezegde met opzet
+haperen en vertijen, meenende dat Goedele zoo meteen zeer aandachtig
+werd. Ze was aan 't vertellen van de verkiezing.
+
+--Och! mevrouw-lieve, gijlie gaat nooit buiten huize! De stad is éen
+strijd, éen roepen van kwade of geestdriftige menschen. Ge moet al die
+gezichten eens zien uitrekken naar de brutale kleuren van politieke
+plakkaten. De eene peinzen: 't is waarheid! De andere vloeken: ze
+liegen! Daar loopt soms een heerken tusschen, dat zwijgt en niets en
+denkt en in 't gewoel zijn dansend buiksken laat wiegen.... Die ziet er
+gelukkig uit.
+
+Goedele liet over haar gaan die reesems huppelende zinnen en 't werd
+haar in den beginne een aangenaam gezeur, lijze streelend langs hare
+slapen. Ze voelde alzoo een korte bedaring ruste brengen in hare
+opgeketste leden en ze mijmerde. Ze vaarde geleidelijk met onbepaalde
+gedachten weg, en de ruimte daarbuiten, de schoone ruimte met hare vrije
+golvingen en hare pluimlichte endeloosheid, kwam om haar. Ze zweefde er
+in, en ze werd haar eigen aandoeningen nauwelijks gewaar. Ze kon wel in
+'t zoete geharrewar van al hare ommentweer doezelende ideeën 't zicht
+herkennen van Madeleen en Romaan, van Wiezeken en tante Olympe, van
+Ameye.... Ze tastte nog het werkelijke leven, maar 't en bezeerde haar
+niet. En Bella babbelde. En daarhooge togen de wolken voorbij. Ze kreeg
+de heel grijze emotie van heur kinderjaren, eene vluchtige verschijning
+van verre herinneringen, ginds in den hemel, rotewijs. En dan,
+plotseling, de val van een takje hulstgroen met roode perels....
+
+Ze bracht misnoegd hare hand over haar voorhoofd en het gekwetter van
+Bella tjokte onwelluidend in hare ooren. Ze fronste hare wenkbrauwen,
+stond seffens rechte en merkte opeens dat een nijpende hoofdpijne haren
+kop tot in haar nekke omknelde. Ze stapte langzaam de deur uit. Ze bleef
+aarzelen bij de zoldertrap en tort na een oogenblikje toch naar boven.
+
+Ze had nu een leelijke kure, een ziekelijke wreedheid. Ze ontmoette vóór
+hare slaapkamer grootvader, die er kousevoets stond, met angstige oogen,
+te loeren kantewaarts naar heur. Ze herkende in zijne blikken de valsche
+lichten, die hij niet duiken kon, en ze moest op die stonde door een
+helsche kwaadwilligheid gedreven, hem treiteren, hem nijpen met
+dubbelzinnige woorden, hem zeer doen met brutale gezegden. Dat voelde
+ze.
+
+--Wat doet ge daar?
+
+Hij grinnikte en schokschouderde. Ze wilde hem wegjagen.
+
+--Uit mijne kamer! Wat doet ge, in mijne kamer tewege? Weg, zeg ik u!
+
+Ze fluisterde hem toe:
+
+--'k Hebbe toch al mijn laden vaste gesloten....
+
+Rik rilde een tijdeken. 't Viel hem nu kwalijk, dat gedoe van Goedele.
+Hij probeerde zijn lijf verontweerdigd achterover te snokken. Ze zei
+dadelijk:
+
+--Haal moeder's kistje!
+
+Hij zakte ineen. Zou hij op dees oogenblik kapot gaan? Hij grabbelde
+achterwaarts naar den muur om steun te vatten. Hij kon zijne oogen van
+Goedele's hand niet krijgen, die, gebiedend, naar de hooge deur der
+leege zalen wees. Hij zeeg lijk een vodde thoope en zijn asem wilde uit
+zijn kele niet. Hij snakte. Hij deed zijn kop gedurig hergaan, lijk
+iemand die jaknikt, en zijne vingeren scharrelden over den muur, wilden
+zich ievers vasthaken.
+
+Goedele keerde zich vluggelings omme en tort klaar-lachend de trap af.
+Hare lach klonk heel wit en eendelijk, en ze hoorde Bella beneden even
+ophouden met tateren, binstdat moeder vroeg met ontstelde stem:
+
+--Wat gebeurt er?
+
+Ze kwam in de kamer weer en zette zich op een stoel. 't Was hier nu
+danig droeve. Ze zei:
+
+--Ge moet mij alzoo niet bekijken, menschen.... Ik heb daar een vieze
+leute gehad!
+
+Bella lachte subiet mee.
+
+--Vertel eens, Goedele....
+
+--Straks!
+
+Ze ging vóor den spiegel staan en schikte nauwkeurig eenige losse
+haarstrengen. Ze peuterde nadien aan een strikje, dat leelijk viel op
+haren rechterschouder, en vroeg, onverschillig:
+
+--Hebt ge uw borduurwerk mee, Bella?
+
+--Ja ... wacht even....
+
+Ze zetten zich allebei onder 't noesche vensterlicht, en Goedele schoof
+het kleine werktafelken bij. 't Duurde een heelen tijd, eer ze hun
+tamboerijn gespannen hadden en de vele zijden strengetjes klaar gemaakt.
+Bella was bezig aan een bleek-groen fichu, waar ze teer-gele
+boterbloemen op stikte, in kransjes liefelijk saamgebracht. Ze was
+seffens aan den gang, haastte zich gejaagd alsof 't gauw afmoest. Ze
+boog zich lage over haar werk, en moest bijwijlen scheef gaan zitten om
+licht te krijgen op de luttele teekening. Ze werkte altijd zoo,
+gauw-weg, zonder goesting en zij en zocht nooit naar een fijne
+nuanceering. Ze naaldde de tinten te gare, nagenoeg zooals ze aangeduid
+waren op 't model, en ze was alzeere moe, om een beetje te rusten al
+zuchtend.
+
+Goedele zat meestendeels met luie vingeren te wachten, te kijken naar
+Bella, en ze merkte dan 't een en ander op, bitsig een woord zeggend,
+dat onaangenaam klonk. Endelijk geraakte in huis een zwaar en moedeloos
+zwijgen, en onderwijl zoefde alover den tuin een grillige wind. Ursule
+had hare oogen dichtgedaan en hare handen lagen bijeen, rijzekens mekaar
+takend, op haren schoot.
+
+--Zie! sprak Goedele, trouwen, daar moest ge eens aan denken, Bella!
+
+--Trouwen?
+
+Bella giechelde en de strengskens zijde schoven van haar knieën op het
+voettapijt. Ze was tevreden dat ze, bukkend om 't lichte gerief op te
+rapen, alzoo haar blozende wangen kon verbergen. Een leelijke rimpel
+groef een nijdige schaduw om Goedele haren mond. Ze zei, koud:
+
+--Doe nu niet gek! Ik zie wel dat ge geerne er aan denken zoudt....
+Maar helpt mijnheer De Vleeschhouwer u niet hierin? Moeder heeft me aan
+Vrebos geholpen.... A-propos, die komt straks weeral!
+
+Ze blikte naar 't horloge en vroeg:
+
+--Is 't hier 't juiste uur, moeder?
+
+Ursule ontlook langzaam hare oogen, trok haar uurwerk te voorschijn en
+bracht het aan, heur oor. Ze keek nadien vluggelings er naar en
+antwoordde:
+
+--Half-vijve.
+
+Hare wimpers vielen trage toe.
+
+Goedele vroeg een versche naalde aan Bella, en merkte hoe Bella's hand
+even bibberde, al reikende over de werktafel. Dezelfde plooi zakte van
+weerskanten, bezij hare lippen. Ze kreeg een kwaad en onweerstaanbaar
+verlangen, precies lijk daarboven, als ze meteen vóor grootvader stond.
+Ze veranderde van stem en liet hare woorden met scherpe ruwte hakken in
+de stilte.
+
+--Zeg eens, Bella, wat is eigenlijk uw idee omtrent mijn verloofde?
+
+Ze genoot in waarheid de ongesteldheid van het meisje, dat daar verlegen
+en hopeloos tegen haar vrage spartelde. Het was haar een ongewoon
+geneuchte, een deugddoend gevoel, dat uit een kwaden drift opwalmde en
+spelemeide in hare hersens, heel zacht. Bella vingerde zonder aandacht
+om haar borduurwerk en stamelde dat ze niets dacht.
+
+--Wat heb ik te denken, lieve, en wat bedoelt ge met zoo'n advies?
+
+--Juist uw advies. Ge meent zelve best wat ik bedoelen wil. Een advies.
+Is hij schoon?
+
+--Och!
+
+--Is 't een vent met een lijf voor de liefde?
+
+--Zotte kappe!
+
+--Peinst hij diepe en drukt hij 't sierlijk uit? Enfin, ge joept daar nu
+stotterend en ongedurig op uw stoel....
+
+--Ik vind het hier bang....
+
+--Ja--bang.
+
+Ze blikten subiet op naar mekaar en Bella beukte tegen de harde oogen
+van Goedele. Ze zonk precies weg, niets meer doende, zich overgevend,
+tewege te weenen. Ze wilde geerne opstaan en buiten loopen en lucht
+krijgen. Ze fluisterde:
+
+--Ik word ongemakkelijk....
+
+Omdat niemand haar opbeurde en te helpen naderde, werd de gloeiing om
+hare slapen onverdragelijk. Ze voelde den scherpen stoot van Goedele's
+blikken gedurig. Goedele zei:
+
+--Ge windt uzelve op.
+
+--Neen.... maar 't zal wel overgaan. De stove brandt geweldig.
+
+--De assche ligt dood.
+
+--Mag de deure niet open met een reetje?
+
+Ze stond op en werd eene knikkende slapte gewaar in hare knieën. Ze
+bleef een endeken in het deurgat staan. Ze zag Rik zitten op de trap,
+heel bleek, en staren met diepe oogen, grauw ommendomme beschaduwd.
+Ze probeerde zich te hervatten en lachte den grijzaard even toe, al
+groetend:
+
+--Dâag--dâag--
+
+Rik grommelde onachtzaam, en ze tort binnen opnieuw, teenemaal
+ontredderd. Er werd aan de straatpoorte gescheld. Ze bracht schokkend
+hare hand over haren boezem, binstdat Goedele lachte:
+
+--We hebben van den duivel gesproken: daar is nu Sebastiaan!
+
+Bella hijgde. Het docht haar dat de tijd niet voort wilde, dat hij zich
+langzaam uitrok en dat er geen ende aan dees folterend oogenblik zou
+geraken. Ze vreesde de stonde, waar Sebastiaan zou binnen komen, en
+seffens daarna verlangde zij die, benauwd voor de eeuwigheid die zij
+meende van dit oogenblik af te zien aanbreken. Ze hoorde door 't getuit,
+dat ziedde in hare ooren, de stemme van Ursule.
+
+--'t Ligt hier zoo alles in wanorde!
+
+En ze had dan nog een haastige beweging om de zijden draadjes, die
+tallenkant uiteengewaaid waren, een beetje te schikken. Een haastige
+stap klonk op den drempel. De peizelijke groet van Vrebos viel haar
+zwaar te moede en ze kon nauwelijks glimlachen. Ze staarde naar de
+boterbloempjes op het borduurtamboerijn. Als Goedele sprak, was 't
+haar of heel de kamer instortte onder 't klabetterend lawaai. Ze lei
+rijzekens hare hand in de uitgereikte hand van Sebastiaan. 't Was eene
+nieuwe emotie. Goedele zei:
+
+--Kijk! Basti, ik en deug niet voor u. Ge moest eens goed ommezien en
+met Bella trouwen!
+
+Bella gilde. Haar bloed schoot ineens weg en haar kinne schokte op hare
+borst. Ze stortte achterwaarts over en lag, met een doffen slag,
+roerloos op het tapijt. Elkendeen sprong toe. Men klopte in hare handen
+en wreef over haar voorhoofd.
+
+--Djeezes-Maria! stotterde Ursule.
+
+Goedele stond een oogenblik triomfelijk rond te turen. Een donkerroode
+blos kleurde hare wangen. Langs de open deur, merkte ze toevallig nog
+Rik, die 't ivoren kistje aan 't bergen was, achter een fuchsiapot,
+gebarende dat het daar ievers wel mogelijk was zoek geraakt.
+
+Ze was nu niet schoon. De twee rimpels in de hoekjes van haren mond
+lagen heel diepe.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+VIII.
+
+
+Goedele had in den nacht hevige traanbuien, en zij en kon maar lichte
+insluimeren, gedurig weer wakker opschietend in bange droefenis. Ze
+weende bij 't naderen van haar onredelijk wee: ze dacht aan haar zelve,
+aan de toekomst, en ze voelde dat haar leven gebroken was. Ze snikte
+seffens. Ze had geen gramschap in haar, geen toornige uitvallen wolkten
+met heete walmen op uit haar herte. Ze bekeek elkendeen zonder wrok.
+Moeder was haar geen hardvochtig wezen meer en ze kon peinzen op heur,
+zooals ze peinsde op vader: een groot medelijden verlamde haar oproerig
+karakter en ze weende, duikende haar brandend gezichte in 't zakkend
+geveder van haar hoofdkussen.
+
+In den morgen verzwakte haar uitermatig leed, maar ze bleef den dag door
+turen naar den komenden winter, verslonden in vaag gemijmer, aldoor
+treurig en maf. Ursule trachtte meermaals met zoet gevlei haar op te
+beuren. Ze sprak weer van een cottage, waar ze zouden gaan inwonen, bij
+'t naderen van de lente. Ze dierf echter het gezelschap van Bella niet
+meer oproepen. Het was gisteren al te bar verloopen en de herinnering
+eraan zou geen goed stichten.
+
+De weke liep door. De verkiezingen gebeurden met groot lawaai en een
+nagalm ervan drong in dees spokig huis. Men sprak van 't voorval, en dat
+bracht een beetje verscheidenheid binnen. Ook een heele zake was 't, als
+Justa, in 't voorkamertje, het ivoren kistje ontdekte. 't Was tooverij.
+Maar Ursule had voorloopig gewichtiger gepeins en Goedele was niet uit
+haar droomen te leiden, zoodat het kistje algauw vergeten werd.
+
+Op een nacht begon 't nijpend te vriezen. Schoone bloemen waren 's
+ochtends zichtbaar op de ruiten, witte bloemen met divers geblaan,
+allemaal zuiver en sierlijk van vormen. De tuin lag met blanken rijmel
+bestoven en de strate, onder den tert der menschen en 't gerammel der
+wagens, klonk bijzonder luidelijk. De postbode bracht, al heel vroeg,
+een brief voor Goedele.
+
+--Wat is 't? vroeg Ursule.
+
+Hij werd koortsig opengebroken. Er kwamen hier bijna nooit brieven toe,
+behalve somtemets een kort schrijven van Vrebos of een welruikend
+kaartje van mevrouw De Vleeschhouwer. Deze brief was van tante Olympe.
+
+--Nieuws van Romaan, fluisterde Goedele, heel laag.
+
+Hare blikken schoven vluggelings over de zwarte onregelmatige letters,
+heel die brave, gebrekkige taal van 't oude wijveken, en stilaan
+geraakten hare oogen vol. Ze moest rap pinken om de tranen weg te duwen
+en verder klaar te zien. 't Was slecht nieuws.
+
+Ursule lengde haren hals uit, en op dees oogenblik overviel haar
+werkelijk een breede moederlijke aandoening. Ze stotterde, een ongemak
+voelend in haar kele:
+
+--Watte?... Watte?... Hein?
+
+Ze beloerde 't stille geween van Goedele, elken traan te reke, die rond
+werd onder de donkere wimpers, klaar optikkelde met een sterreken
+veranderlijk licht en trage neerwaarts droop. Goedele stamelde:
+
+--Slecht nieuws....
+
+--'t Is van Wiezeken, niet waar?
+
+--Wiezeken is aan het sterven.
+
+Ze zaten nu allebei rechtover mekaar, in stilte te schreemen. In langen
+tijd had Ursule zoo 'n ware emotie niet gehad en ze verwonderde zich dat
+dees waarachtige droefheid, die haar week maakte en afmatte, haar zacht
+was en deugdelijk. Ze voelde dat ze met dees leed tot dichtebij Romaan
+naderde en ze jubelde zoete, al snikkend, omdat Romaan zoo dichtebij
+was. Ze werd bijna tegen hare vingeren de warmte gewaar van zijn
+geliefde voorhoofd.... Ze zei:
+
+--Ge moet gaan....
+
+--Ja.
+
+--Ge moet zeggen ... iets van mij ... iets van zijne moeder ... aan
+Romaan.
+
+Goedele voelde dadelijk dat moeder rechtzinnig was en ze wilde haar
+geerne kussen, dankbaar om hare goede smert. Binstdat ze zich met haast
+aankleedde, vertelde ze van den verloren broer, zooals ze er nog nooit
+hier in huis over had verteld. Ze wist vele bijzonderheden aan te halen,
+waaruit het gulden hert van Romaan stralend te voorschijn kwam. Het was
+alsof ze tewege was ook van Madeleen te spreken. Het woord verzoening
+geraakte bijkans op hare lippen.... Ze zweeg echter, op dat woord juist,
+nog aarzelend en nog vreezend.
+
+Buiten, op de koude straat, tort ze dapper door. Ze was weer in 't
+gewoel van de haastige menschen, ze taakte weer het drukke werk van al
+die dravende lijven, en, hoe onzeker ook, ze genoot de luchtige vrijheid
+lijk overrijd. Maar gauw drilden hare voeten, al slaande tegen hare
+rokken, en ze beluisterde den slag, hem gauwer aanzettend, om gauwer
+ginder te zijn. De winkels met hunne breede vensters en veelvervige
+uitstallingen sleerden zijlings voorbij. Ze herkende ievers een
+confectiehuis en wierp hare blikken subiet anderzijds. Een oud ventje
+hinkte krukkebeenend op haar af en reikte eene bevende hand uit. Ze
+bleef staan en vingerde in haar geldtasje en gaf een stuiver aan den
+man. Hij boog en een kistje met solferdoosjes, dat hing op zijne borst,
+kwikte schier omme.
+
+Ze hoorde niet wat hij mompelde. Ze was tevreden dat ze hem iets gegeven
+had en dat het niet lang geduurd had. Ze geraakte zoo in 't lage van de
+stad. De trams zoefden en kruisten malkaar. De karren waggelden met
+ongemeen gedruisch. Een kindje riep haar na:
+
+--Juffrouw! Juffrouw!
+
+Ze keek omme en zag het dutseken aandrevelen met een zakdoekje.
+
+--'t Uwe, juffrouw?
+
+Ze tastte in haar pelsen mofje en bloosde, omdat een oude heer haar heel
+scherp aankeek binstdien.
+
+--Ja, lieveken.... Danke.
+
+Verlegen liep ze verder. Tenden de strate lag de vaart. Nog de brug over
+en dan een klein draf ken. Wat zou ze zien? Een rappe angstigheid kwam
+over haar.
+
+--Wat zal ik zien?
+
+Op de brug was al meer moedeloos haar gang en ze tort langzaam, swijlens
+starende naar 't water van weerskanten. Het water was bij plaatsen
+dichtgevrozen, maar om de schepen, die lui en diepe lagen, allemaal
+bijeen langs de dokken, klotsten de vrije golfjes overhand. De grijze
+hemel klaterde erheen, in zilveren schervels, en altemets sprong een
+vliemken stralend licht er te midden op, naar den willekeur van het
+toevallig gespeel. Goedele's blikken bleven daar onbewust haperen en
+hare oogen waren wijd-open aan 't zien. 't Geflikker spatterde aardig
+in haar hoofd en 't herbegon altijd zijn veranderlijke wiegeling. Ze kon
+precies niet verder uitkijken, recht vóor haar, waar haar weg gebaand
+was. Hare handen werden heel warm in het doezelig mofje, en ze hervroeg,
+een vaag zicht krijgend van de leelijke werkelijkheid, die naderend was:
+
+--Wat zal ik zien?
+
+Aan 't klein gesleer van hare voeten werd ze meteen gewaar dat ze te
+lanterfanten stond. Een brouwersgast met zwaar gespan riep, om ze uit
+zijn weg te krijgen. Ze liep. Ze beluisterde weer den korten klop van
+hare beenen in 't matelijk gedruisch van hare rokken slaan.
+
+Ze bleef uitasemen op den drempel van den ellegoedwinkel. De nijpende
+geur van dees huis kwam haar ontstellen, en, al wilde ze gestadig denken
+aan 't akelige zicht van Wiezeken, zich daarmee bedwelmend, ze dacht ook
+aan Ameye, die daarboven waarschijnlijk was. Gauw probeerde ze te
+verzinnen welke houding ze aannemen zou, maar seffens schudde ze haar
+hoofd, alsof ze meende:
+
+--Wat scheelt het mij, en wat ben ik tot hem? Ze ging de trap op. Het
+docht haar dat het hier wel akelig zijn moest: de winkel lag stille en
+ginder hooge lag stille insgelijks het leutige lied van Mariëtte. De
+trap kraakte. Ze zag in de hoeken de gewone stofkens herroeren met het
+kleine gewaai van haar kleeren. Ze merkte 't allemaal op, tot de
+luttelste dingen, en ze klampte zich permintelijk eraan vaste, gestadig
+het oogenblik wegschuivend, dat toch al gelijk aanbreken moest. Ze keek
+naar hare hand endelijk, hoe die trage zich naar de deurklinke reikte en
+hoe de deurklinke daar precies te wachten hing....
+
+Ze tort beraden binnen. Niemand was hier in de keuken. Hare blikken
+vielen links en rechts op 't vele tinnen en koperen gerief. De koffie
+stond te dampen op de stove en daar walmde allentwege de goede geur.
+
+Tante Olympe stak loerend de zijkamer open en fluks, als ze Goedele
+herkende, kwam vóor haar staan, treurig doende met haar gerimpeld witte
+gezichtje. Ze zeiden mekaar geen goeiendag. Dat lag zoo verre van haar.
+Goedele vroeg, lage sprekend:
+
+--Wiezeken?...
+
+Tante Olympe zeeg neer op een stoel en bracht haren voorschoot over haar
+wezen. Goedele moest nevens haar gaan zitten en herhaaldelijk vragen
+nog, eer het oude wijveken haar geween kon breken. Ze stotterde op een
+ende:
+
+--De dokter is er bij.... Ze hebben er aan gewerkt dezen nacht, met
+drijen.... Ze hebben er aan gesneden ... en Wiezeken haar keelken ligt
+open.
+
+--Wat zegt de dokter?
+
+--Niets ... en durft hij--maar ik, juffrouw, ik weet wel wat sterven is
+en hoe de Dood doet, als ze nadert.... Dat arme boeleken!
+
+--En Romaan?
+
+Ze had een flauwen lach over hare magere lippen, om te beteekenen dat
+het ook met hem deerlijk gelegen was. Ze blikte dan zuchtend langs 't
+venster naar den wit-grijzen hemel en ze fluisterde:
+
+--We zijn hier in dees huis, nu juist twee jaar geleden, binnengekomen.
+Ze vouwde hare vereelte handen op haren schoot te gare en voortdurend
+tuurde naar het effen geluchte, met schokjes zeggend:
+
+--En zoo gaat Wiezeken eruit ... en zoo zal ik eruit gaan ... en zullen
+wij allemaal eruit gaan....
+
+--Is mijnheer Ameye hier?
+
+Tante Olympe begon te tateren en haar kaken glansden op, zonder
+overgang.
+
+--O ja! die goeie mijnheer!
+
+Ze sprak met bewondering en dankbaarheid over hem. Alle dagen was hij
+komen zien hoe 't ging. Hij was 't, die de dokters was gaan opzoeken en
+Romaan met brave woorden steunde. Den vorigen nacht was hij tot heel
+late gebleven, omdat Wiezeken er zoo heel ellendig uitzag. In den
+komenden morgen had hij hem pas verlaten, maar straks zou hij weer
+binnenloopen en nieuws vragen. Hij had tante Olympe aangespoord om te
+schrijven aan Goedele.
+
+--Och, me-kind, ik en dacht er niet aan. Ge moet me vergeven. Ik ben
+heelemaal zonder memorie en 'k dool alhier en al ginds met mijnen
+poveren kop! Het is nu goed, danig goed, dat ge gekomen zijt.
+
+Goedele hoorde in de zijkamer de stem van den dokter, in druk gefluister
+met Madeleen. Dan een groet, een korten slag van de deur en den dalenden
+stap van iemand, zwaar krakend over de trap.
+
+--De dokter gaat weg, zei tante Olympe.
+
+Madeleen tort weenende de keuken binnen en begon luidop te snikken, als
+ze Goedele zag, op wier borste ze kwam uithuilen, zonder mate, haar
+overgroot verdriet. Ze jammerde:
+
+--'t Is gedaan ... 't is gedaan ... och Heere!
+
+Goedele streelde zachte met hare vingeren over Madeleen's bleeke wezen
+en streek heur verwaaide haarstrengen effen. Ze vroeg:
+
+--'t Kan nog beteren?--Toe, Leentje, wees rustig.
+
+--De dokter zegt: nog vier uren, nog zesse.... Ik weet niet meer wat ik
+doen moet. Ik voel dat alles kapot gaat. Ik kan geen moed meer hebben.
+Ik heb nu weken lang moed gehad, moed gehad.... Wat baat nog moed?
+
+--Ge moet malkander steunen.... Het is een ongeluk.
+
+--Ja--een ongeluk. Ameye zegt ook--een ongeluk. Maar na al mijn leed,
+na al mijn ongeluk, nog dees ongeluk weer. Ik kan niet meer....
+
+--Ge zijt niet alleen....
+
+--Romaan is buiten zinnen. Hij begrijpt niets. Hij wordt zot. Hij
+antwoordt niet als ik hem aanspreek. Hij zegt niets.... Ik heb toch ook
+troost noodig!
+
+Goedele kuste haar en pinkte gauw een heet-kittelenden traan weg. Ze
+werd gewaar dat men haar meesleepte in al dees wanhoopsdoening en dat
+zij niet tegenstribbelen kon. Tante Olympe stond vóor 't venster naar de
+daken der huizen te kijken. Goedele merkte hoe haar ouden rugge opsnokte
+af en toe, en hoe onophoudend haar bevende hand het tipje van den
+blauwen voorschoot over hare oogen bracht. En hier, op hare borst, sloeg
+in hevige snikken uit de koortsige smert van Madeleen. Ze taakte
+allentwege de geweldige droefenis, die heerschte in huis, en ze moest
+ook stilaan buigen, neergeduwd door 't overdadig leed. Ze kreeg in de
+minste voorwerpen 't klare zicht van de al-meesterende ellende: de tafel
+stond ongebruikt, de moor had een zwijgende tote, de borstels lagen
+droge en de schotelvodde heel stijf--en was het niet alsof de soepkomme,
+achter de ruiten van de dresse, geen dienst meer deed? Nutteloos dampte
+op de stove de welriekende koffiekanne. Goedele vroeg algauw, om de
+overweldigende treurnisse te keer te gaan:
+
+--Mag ik Romaan zien?
+
+Sprakeloos gingen ze, Madeleen vooraan. In de ziekenkamer neep een geur
+van jodeform en woog een zoelte van moede lucht, lijk in hospitalen.
+Bij 't kleine beddeken zat Romaan, diepe gebogen, zijn kinne in beide
+saamgebrachte handen, aan 't staren zonder ende, recht vóor zich uit.
+Bleek als een laken en mat was zijn aangezicht, beschaduwd door de
+blauwige holten zijner oogen.
+
+Hij keek niet op. 't Was alsof hij niets opnam van wat om hem gebeurde.
+Hij hoorde niet. Goedele reikte hare armen naar hem en stamelde, bevend:
+
+--Broer ... broer....
+
+Hij keek niet op. Hij was niet hier. Heel verre tuurde hij en zijn
+gelaat, in strakke droomerij verslonden, en peesde noch en herging. Even
+roerden zijne wimpers en trilde zijne rechterhand. Zijn bloed sloeg in
+rappe slagen bultig uit op zijne slapen. Goedele naderde en bukte over
+hem en toetste stille zijnen schouder. Hij vroeg, schier onhoorbaar:
+
+--Wat is er?
+
+--Ik.... Bezie mij, Romaan....
+
+Langzaam wendde hij zijn kop omme en zijne vermoeide blikken, door
+koortse ontgloeid, priemden diepe in de oogen van Goedele. Geen blijde
+verwondering en roerde de groote kommernis, die langs zijn voorhoofd
+rimpelde. Hij zei, onverschillig.
+
+--Hâa!...
+
+Hij stond rechte. Hij tuurde trage naar Goedele's mantel, naar haar
+pelsen krage en haar breeden hoed. Zijn stemme was koud, eentonig:
+
+--Komt ge van huis, zoo?
+
+--Ja....
+
+--Wiezeken heeft verleden nacht met haar poesjenel gespeeld en ze heeft
+naar u gevraagd. Ge weet wel, die poesjenel...? Wiezeken heeft toen naar
+u gevraagd.
+
+Er lag zoo direkt een verwijt in die woorden, dat Goedele te blozen
+begon.
+
+Ze keek naar Wiezeken en ze herkende Wiezeken haast niet. 't Was
+teenemaal ineengekrompen. 't Lag met ontsloten mondje te snakken, al
+slapend, naar lucht, en zijn neusje vliesde permintelijk open en toe,
+asem zoekend te vergeefs. Goedele heur herte deed ineens sterkelijk zeer
+en een pijnlijke aandoening stropte vaste in haar kele. Ze wou zeggen:
+
+--'t Slaapt....
+
+Romaan hoorde den klank wegfluisteren op hare lippen en lachte:
+
+--Hee! slapen....
+
+Madeleen bad dat hij nu zou in de keuken gaan en een ei zuipen, en
+Goedele deed mee om hem daartoe te bewegen. Hij werd erom lastig, maar
+als hij zag dat Madeleen zich bij 't beddeken neerzette en dat het kind
+aldus alleene niet zou blijven, gaf hij toe en volgde zijne zuster.
+
+In de keuken zakte hij thoope op een stoel. Hij zei aan tante Olympe,
+die de koffietasjes op de tafel plaatste:
+
+--Wat maakt gijlie allemaal veel gedruisch!
+
+Hij belonkte den aschbak, die opklaarde onder 't gefonkel der laaie
+kolen. De stilte echter was hem algauw een groote last en 't getik van
+'t kleine horloge kon hij weldra niet meer verdragen. Hij vroeg een
+kopje koffie. Hij roerde met het lepeltje erin en volgde het luttel
+schuim, dat op de dampende vlakte ommeringde in diverse draaiingen.
+Naderhand vestigde hij al zijne aandacht op 't bedrijf van Goedele's
+armen, die haar hoed afnam en heur mantel weghing nevens de dresse.
+Hij zuchtte en vroeg:
+
+--Is dat een nieuwe hoed?
+
+Hij vond het zelf gek dat hij die vrage deed, en verzocht Goedele dat ze
+neerzitten zou. Hij zei:
+
+--Vertel me eens wat, zusje. Ik ben zoo in folterende spanning. Ik weet
+niet wat er buiten gebeurt. Och! ge kunt niet gissen, gij, hoe diepe een
+mensch lijden kan.... Het leed, Goedele, en heeft geen palen.
+
+--Alles komt weer goed.
+
+--Alles?
+
+Hij glimlachte droeve en hief zijn koffie tot dichtebij zijne lippen.
+Hij snoof den walmenden geur op en zette het kopje, met een tikje, weer
+op tafel neer.
+
+--Meent ge dat, Goedele?
+
+Ze verzekerde met haastigheid, om hem te troosten. Hij schudde stille
+zijn hoofd en zijne onderlip zakte rijzekens neerwaarts. Trage schoof
+hij zijne vingeren door zijn haar, en liet ze lui afsleren langs zijne
+ooren en zijnen hals. Hij lei ze nadien op de tafel en ging de bochtige
+aderen na, die blauw uitkrinkelden op het mat-bleeke vleesch. Het docht
+hem dat ze buiten hem waren en hij verwonderde zich dat de magere
+beentjes, als hij ze roerde al trommelend op het tafelberd, zoo
+zichtbaar waren. De zware stilte woog hier tallenkant.
+
+Hij kruiste meteen zijn beenen overeen, leunde achterwaarts over en na
+zijn opgeheven knie in beide handen, lijk iemand die eene gemakkelijke
+houding zoekt om te converseeren. Over zijn aangezicht kwam een spijtige
+oolijkheid en hij vroeg:
+
+--En thuis bij u, hoe draait daar de rommel?
+
+Hij hechtte schijnbaar geen belang aan zijne woorden, en hij wiegde
+zoetekens op zijnen stoel, bij maniere van spelen. Goedele wilde seffens
+een goede hoop in zijn hoofd brengen, en omdat zij zich herinnerde de
+hertelijke aandoening van moeder, zei ze:
+
+--Goed.... Ge weet wel wat ik beduid daarmee. Het huis is in ruste. Het
+staat daar zonder geruchten, in den grooten zwijgenden tuin. We leven te
+gare daarin. De deuren blijven dicht en geen lawaai van buiten dringt
+binnen. Geleidelijk geraakt in de stilte het geweldig verleden effen....
+
+--Wat wilt dat zeggen? Effen?
+
+--De herinneringen zijn nu vaag geworden en men begint te merken dat er
+maar iets van overblijft ... wij, en dat we leven ... tastbaar nevens
+malkander staan....
+
+--Leven ... leven ... leven....
+
+Hij tuurde naar de zoldering en liet zijn hoofd ten geheele overhangen,
+op de leuning van zijn stoel. Goedele voelde dat zij hem naderen kon met
+het gansche droeve huis van ginder....
+
+--Daar zijn t'onzent leege plaatsen om de tafel, Romaan. Moeder wordt
+zwak. Moeder vraagt naar u. Ze heeft geweend dezen morgen.
+
+Hij wipte meteen rechte en stond midden de keuken heel verwilderd naar
+Goedele te zien. Hij stiet haar ruw aan tegen het aangezicht, met zijne
+blikken. Hij boog zich over haar, benauwd fluisterend:
+
+--Wie heeft u hier gezonden?
+
+Hij merkte dadelijk hoe bang zijzelve werd en hij week, op een ende
+uitberstend met schrikkelijke woede. Zijne armen zwaaiden toornig
+ommentweer en dieper zakten de rimpels in zijn voorhoofd. Hij riep:
+
+--Wie? Wat komt ge hier praten van iemand ... die onze moeder is? Moet
+ge mij komen aantasten, als ik nu lam lig, en denkt ge dat ik niet meer
+tegenstribbelen kan? Ho! Ho! Ho! Het kind is bijna dood.... Ze naderen!
+Ze naderen!
+
+Goedele zat verplet en met pijnlijke angstigheid blikte ze op naar heur
+broeder.
+
+Hij rok zijn mond open om al zijn haat in vierkante brokken neer te
+gooien.
+
+--Ze hebben mij in mijne zoete droomen getroffen. Ze hebben mijne liefde
+bezoedeld, bemorst, beslijkt.... Hee! Hee! Ze hebben mijne jeugd
+berimpeld en mijne herte vergald!... Wacht even! Laat me woorden vinden
+... laat me zoeken ... Wacht!
+
+Hij slikte moeielijk het speeksel in, dat zijn tong belemmerde.
+
+--Maar waar was moeder, als ik Madeleen en tante geen eten meer kon
+geven? En als Wiezeken er dan nog bij kwam? En als Wiezeken dan nog ziek
+werd? Moeder keek niet omme.... Nu, nu, binstdat het kind sterft, komt
+er versche hoop! Willen we nu de slonse laten zitten? Het kind is dood.
+Het kind is vergeten. Willen we nu naar huis gaan en ons' moeder gaan
+kussen?
+
+Zijn stemme zonk, werd heesch en moe, en zijne oogen doofden weg in
+natheid.
+
+--Gij weet niet Goedele, wat er al gebeurd is. Gij weet niet hoe moeder
+Madeleen wou omkoopen, hoe ze haar vervolgd heeft zonder ruste. Ik heb
+naamlooze brieven ontvangen.... Ik durf u alles niet zeggen. Moeder is
+een misdadige. Nu stuurt ze u tot mij ... u, die 'k buiten en boven
+alles stelde, naast mijne vrouw. Luister--ze zal voort alles aanwenden,
+alles, alles.... Ze zal huichelen, ze zal weenen.... Ge hebt gezegd dat
+ze geweend had!
+
+Goedele snikte. Hij lei zijne hand op haren schouder en sprak nu zonder
+drift, met een droeve zachtheid, een kleine stilte latend tusschen elk
+woord, om schoone en klaar en peiselijk te wezen. Daar schorde altemets
+een klank in zijne keel of 't was aleens, alsof hij zijn asem averechts
+ophaalde.
+
+--Heb ik u zeer gedaan?
+
+Hij vingerde langs heur haar, zoete haperend in de losse krullen, en hij
+streelde haar aldus en kriebelde achter hare ooren.
+
+--Ik heb geen kwade inzichten, zusje, ik ben zeer diepe geknakt en mijn
+leven is me straks een last. Ben ik ruw geweest en heb ik u met ruwheid
+getaakt? Maar zonder oogen ben ik nu, mijn zusje--en alles wordt zwart
+om me. Ik heb u niet gezien. Ik wil u geerne voelen dichte, zoo.... Ge
+moet mij vergeven.
+
+Ze keek op naar hem en hij zag in hare oogen de klaarte liggen van al
+hare liefde. Een heete traan dropte dikrollend langs zijne wangen en
+pletste met klein geflits midden op haar voorhoofd.
+
+--Laat ons sterkelijk hopen, zei ze.
+
+Hij knikte en zijne wimpers vielen toe....
+
+Naderhand werd er op de deur geklopt en zonder wachten klonk de klinke
+omme. Tante Olympe stond seffens rechte en was tevreden dat er toch
+iemand een ende kwam stellen aan het pijnlijk gesprek. Ze huppelde tot
+aan den dorpel.
+
+--Goeien morgen!
+
+'t Was Ameye. Hij boog seffens heel beleefd, als hij Goedele bemerkte.
+Het was wel eene subiete aandoening, die hij daarmee verbergen wou, en
+een tijdelijke blos kleurde zijne wangen en zijne ooren. Hij bedwong
+echter algauw zijne vlugge ontsteltenis en sprak heel gemakkelijk van
+kleine zaakjes, zich vooral bezighoudend met Wiezeken. Hij liet al
+gelijk geen durende droefenis wegen op de conversatie en vermeed
+zorgelijk een tragisch woord of gevaarlijke toespelingen. Daar lag iets
+opzettelijk lichtzinnigs in zijne zinnen en nievers duldde hij een
+stonde stilte, wetende dat de smert al zwijgend opzwelt en zwaar wordt.
+Hij zei:
+
+--Ziekten draaien alzoo soms heel zonderling uit. We moeten ons nu niet
+laten beïnvloeden.... Hebt ge Wiezeken al gezien, juffrouw? En wat dunkt
+u? Het kind ziet er niet zoo bar slecht uit.
+
+Hij klopte op de knie van Romaan:
+
+--Jongen! gij zijt de ziekste! Ge hebt niet de minste koeragie. Ge zit
+daar met een bleek en afgemat gelaat, en uwe oogen rollen vervaarlijk
+omme. Wat helpt dat allemaal? Kijk eens naar mij! Ik heb den geheelen
+nacht hiernaast, in de iodoform, een pestlucht, gezeten. Ik heb een
+beetje geslapen--als ik thuis kwam, ik heb vrij veel geëten, en ik ben
+hier terug, gezond. Heeft Romaan wat geëten, dezen uchtend, tante
+Olympe?
+
+--Een walm koffie opgesnoven....
+
+--Dat is buiten reden!
+
+Hij liet zich ten halve kwaad en eischte dat Romaan dadelijk een paar
+eieren zuipen zou. Hij was daarbinst stille aan het tateren met Goedele,
+die hem sprakeloos, met vage bewondering, had beluisterd. Hij vroeg hoe
+zijzelve 't stelde, en verzekerde dat hij in waarheid gelukkig was haar
+te ontmoeten, al had hij ook aan smertelijke omstandigheden haar komste
+te danken. Hij zag dat ze hem moeielijk antwoord gaf en tevergeefs
+probeerde een hoffelijke formule te gebruiken. Hij praatte maar door en
+staarde soms met ongemeene strakheid in hare oogen.
+
+Goedele had hem zich heel anders voorgesteld. Hij was precies een andere
+man. Het docht haar dat hij meer dienstveerdig was en meer ijverig in
+zijne dienstveerdigheid. Hij deelde zijn eigen precies uit en al wat hij
+zei, 't en was maar om gauw de gapende stilten te stoppen. Ze voelde dat
+alles zeer duidelijk, en stilaan groeide zijn gansche wezen op in haar.
+Ze was 't bewust, dat hij zich alzoo meester maakte van haar en haar
+teenemaal met zijn eigen leven vervulde. Ze had ook zoo dikwijls en zoo
+lange aan hem gedacht en zich zijn bijzijn gewoon gemaakt, dat hij 't nu
+gemakkelijk kon en dat het haar niet vreemd voorkwam. Zijn woorden
+trilden in haar met ongemeene galmen, en zij luisterde ernaar, en 't was
+haar alsof ze nooit te luisteren zou staken. Als zijn stemme altemets
+opklom tot een vrage--zij hoorde aan den stijgenden klank dat hij een
+vrage deed--wist ze daarom niet seffens wat ze antwoorden moest, en zij
+vond het ook niet zonderling dat hij op geen antwoord wachtte. 't
+Geluchte was vol van hem en ze asemde in dat geluchte. Ze merkte weleens
+dat hij nooit zinspeelde op vroeger ontmoetingen en zich niet
+verwonderde over hare lange afwezigheid. Ze had dan, lijk een
+hoofddraaiing, de leege sensatie, die zij lestmaal op den drempel met
+Ameye gevoeld had--en ze zag nog, in scherpe herinnering, hoe hij zich
+toen langzaam boog om het hulsttakje op te rapen....
+
+Een rap sloffengesleer schoof scherrelend in de nevenkamer en Madeleen
+stond meteen hijgend in het deurgat. Ze bracht hare handen aan hare keel
+precies om daar een nijpinge weg te krijgen, die haar te spreken
+belette, en, in haar doodsbleek gezichte, viel haar mond open, een
+blauwe schaduw trekkend, van weerskanten, in hare kaken. Romaan sprong
+lijk een zinnelooze naar heur en zijn koffiekopje viel
+kletterschervelend in brokkelingen uiteen op den vloer. Hij duwde haar
+op zijde en liep haar voorbij, de ziekenkamer in. Tante Olympe begon
+schrikkelijk te beven en ze bad:
+
+--Aai-Heere! Aai-Heere! wat is er nu?
+
+Goedele nam Madeleen in hare armen en Ameye bracht een glas water aan
+hare lippen. Ze paaiden haar, vragend:
+
+--Hebt ge zeer? Ge moogt u niet zoo opjagen, lieve. Kijk eens opwaarts.
+Wat is er gebeurd?
+
+Madeleen slikte moeielijk en wees naar achteren met haren vinger, dof
+stamelend:
+
+--'t Kind ... 't kind....
+
+Ze hoorden dan Romaan, die hoog te roepen begon, met onherkennelijke
+stem, en daartusschen 't kleine geween van tante Olympe. Ameye haastte
+zich ook naar de kamer, en Goedele sprenkelde kille droppels op Madeleen
+haar gezichte.
+
+--Hoort ge? hakkelde Madeleen, zich opwerpend heel smertelijk in
+Goedele's armen.
+
+--Maar wat deert er toch?
+
+--Hoort ge?... 't Sterft!
+
+Ze viel nadien huilend naar voren op Goedele haren schoot en jammerde:
+
+--Ho! Hoóo!... mijn kindeken, mijn kindeken, mijn dutseken!...
+
+Haar lijf snokte op en rilde, en hare vingeren waren in pijnlijke
+stuipen ommegekruld. Ze hief zich dan, plots zwijgend op, en keek
+verwilderd Goedele aan. Ze fluisterde, geheimzinnig:
+
+--'t Is vreeslijk. Ik kon 't niet zien. Ik kon 't niet uithouden. Ik zal
+daar iets leelijks van krijgen, in mijnen kop! 't Lag met zijne armen
+zoo subiet hopeloos geweld te doen ... en te rukken aan de sargie, met
+zijn nagels ... en 't heeft mij meteen bezien, met zijn oogskens wijd
+open.... Wat wou 't zeggen, o God! 't En kon niet spreken, en die
+oogen.... Ik dacht dat het te roepen begon. 't En zei niets. 't Waren
+die oogen.
+
+--Drink een beetje, lieve.
+
+--Ja.
+
+Ze grabbelde bibberend naar het glas. Tante kwam ook half zinneloos in
+de keuken binnengeloopen en hief hare armen omhooge. Ze stotterde:
+
+--'t Is zonde!
+
+En ze deed teeken, achter Madeleen's rugge, dat Goedele zou gaan en
+helpen.
+
+Goedele ging. Ze voelde hare voeten, al gaande, niet slaan op den vloer,
+en 't was alsof hare beenen automatisch voorttorten. Haar lijf hing naar
+voren. Ze had schrik en dierf niet 't kindeken zien--en haastte zich om
+te zien....
+
+Vóor 't beddeken, aan 't voetende, stakerechte stond Ameye. Ernevens,
+op een lage stoel zat Romaan. Zij verroerden zich niet. Ze keken
+halsstarrig toe. Het kind lag heel wit midden op het witte kussen en op
+zijn aangezicht was geen speur van leven meer. 't En asemde niet ...
+Goedele week instinktmatig. Ze was tewege het te zeggen, dat het geen
+asem meer had.
+
+--Romaan....
+
+--Ssjt!...
+
+Wiezeken stak haar linkerhandje uit. Haar mondje viel open en een
+moeielijk geronk ratelde in haar kele. Hare oogen lagen toe en een blauw
+streepken randde er onder aan. In de hoekjes tinkelde een klare traan en
+'t licht, dat tusschen de gordijnen neerzijpelde, speelde er met luttel
+gestraal.
+
+--Laat me haar hoofd opheffen. 't Ligt te lage.
+
+Goedele bukte zich. De iodoformreuk walmde nu bijtend over haar gelaat
+omhooge. Ze schoof hare handen onder de heete dekens en hief zoetekens
+het kind uit den warmen konk, waar 't zijn koortse broeide. 't Was
+pluimlichte. Ze raakte, door 't fijne hemdeken, het tengere ruggebeen en
+de ringen van de ribbetjes.
+
+Maar Wiezeken wierp haar lijf opeens zijwaarts uit en lag een
+schrikkelijk geweld te doen om asem op te halen. Haar buikje zonk diepe
+in en hare borst zwol uitermate. Twee putjes zakten van weerskanten
+onder hare kin en hare slapen sloegen met traag geklop. 't Geronk en
+staakte niet in haar kele, en ze smeet zich ten geheele met leelijke
+schokken op, daarbinst zwaaiend in de leegte met hare armen. Ze opende
+dan endelijk hare oogen, keek heel strak Goedele aan, en haar gezicht
+werd grauw-rood van het danig geweld. Ze zakte seffens in het witte
+kussen weg. De matte bleekte herkwam over geheel haar hoofdeken en hare
+handjes vielen onbeweeglijk op de sargie. Zij en roerde nu weer niet.
+Hare oogen waren beloken en de blauwe randjes waren blauwer geworden.
+Asemde ze? 't Was weer alsof ze buiten leven lag. Goedele, zich lager
+bukkend, en werd over haar open mondje geen tocht van lucht gewaar. Ze
+vatte dan de tengere vingeren en gedwee, gevoelloos, flets verdroegen ze
+den toets. Goedele roerde op een nieuw de vreeslijke angst, en ze lonkte
+zijwaarts op naar Ameye, geen afstand meer voelend tusschen hem en
+haarzelve in de harrewarrije van het groote ongeluk. Met vreemde stem
+sprak Romaan:
+
+--Laat ons nu rustig zijn....
+
+Zijne lippen waren droog en kleurloos, en 't wit van zijne oogen was in
+de hoekjes langs kleine aderen rood geworden. Hij trok stille Goedele
+zijlings weg en fluisterde:
+
+--Het slaapt.
+
+Op dat oogenblik hadden Goedele en Ameye dezelfde trilling en ze
+staarden naar mekaar. Ze begrepen meteen wat niet in woorden over hunne
+lippen kwam, en ze bogen onder dezelfde vreesachtige treurnisse hun
+hoofd. Alles werd groot in deze kamer en de geruchten van de strate,
+eerst niet opgemerkt, begonnen luidelijk te klabetteren tegen de muren.
+Binst eene toevallige stilte, die neerzeeg al met een keer en een
+benauwdheid lei langs alle voorwerpen, klonk tegen de zoldering den
+doffen tert van Mariëtte's vader, en de deure begon redeloos te rotelen.
+Een siddering kroop over Ameye zijn rugge en Goedele krinste bang met
+hare schouders. Ze blikten allebei terzelfdertijd neer naar het kind....
+
+Daar kwam een blauwe verve over Wiezeken's gezichte en haar neuzeken
+puntte scherp naar omhooge. Drie rimpelingen groeven een leelijke
+schaduw op haar voorhoofd en de hoekjes van haar mond zakten neere,
+haar kinne wegduwend tot een beenderig tjopken. Romaan zei:
+
+--Is hier geen zeupken water voor het kind?
+
+Ameye en Goedele hadden alweer eene pijnlijke verwondering, zóo rustig,
+bijkans onverschillig, was zijn gezegde. Ameye bracht een lepelken water
+aan de lippen van het bengelken en Goedele hielp hem, Wiezeken zoete
+opheffend opdat ze goed zwelgen zou. Ze zagen malkanders handen
+nevenseen te werke en 't was alsof ze sinds lange zoo in gewone doening
+werkzaam waren geweest. Ze dachten niet daaraan: het was een algemeen
+gevoel, dat niet tot preciese gedachten opschokte. Ze waren niet
+verwonderd dat het zoo werkelijk was. Hunne handen taakten hunne handen.
+
+Het water drupte nutteloos weg in Wiezeken's hals en de kilte en bracht
+geen beweging op het blauwe gezichtje. Aldoor blauwer werd het, en
+dieper, smertelijker 't gerimpel daarboven....
+
+--'t Is dat ze slaapt, mummelde Romaan.
+
+Goedele kon zich niet meer bedwingen en gauw te reke stortten hare
+tranen plat neere op de witte dekens. Ameye fluisterde:
+
+--Wees sterk....
+
+Ze beet op hare lippen en 't zicht van de schrikkelijke doening, die in
+haar vlugge getraan tot vage strepen was weggesmolten, kwam op een nieuw
+klaar te voorschijn. Ze was Ameye dankbaar dat hij dat woord gezeid had
+en dat weer sterkte haar zinnen staalde. Ze hoopte nu een rap ende, de
+rappe nadering van den sterken slag, om dan met zekerheid te kunnen
+worstelen. Tegenwoordig hing nog 't gevaar als een wolke te dreigen,
+en 't was te hooge en te wijd en overal tastbaar--en nievers te taken.
+Ze wachtte. Ze wist dat Ameye haar een steun was. Als de schrikkelijke
+smert zou uitbreken, zou ze pal staan, met een herte vol troost....
+
+Plots iets ziende, dat lange buiten 't bereik van zijn begrip gebleven
+was, rok zich Romaan met een hard gesnok van zijn spieren uit op zijn
+stoel, en wipte nadien rechte.
+
+--Hee-la!
+
+'t Was een doffe roep en zijne wenkbrauwen kromden verwilderd naar
+omhooge. Hij knelde Ameye's arm forsig tusschen zijne vingeren en neep
+door, zijn eigen afmattend met overdadig geweld. Ameye zweeg. Romaan
+hijgde:
+
+--Ziet ge ... ziet ge gijlie dan niet?...
+
+--'t Zal overtrekken....
+
+--Hee-la!
+
+Hij boog zich en, in een subiete duizeling, stortte bijna voorover.
+Hij reikte zijn hand gretig uit naar zijn kind en hakkelde, zinnelooze
+woorden kappend in 't gaan van zijn onrustigen asem.
+
+--Overtrekken.... Overtrekken?... Watte?
+
+Wiezeken stiet nog eens haar borst opwaarts en heel haar lijveken bultte
+uit, onder de bleeke sargie. Ze duwde hare ellebogen in 't kussen en
+steunde erop en haar magere kele werd lang, een smal peezeken gelijk,
+dat door de kinne hooploos werd opgetrokken. Haar mondje werd een
+vierkantige holte en daarbinnen was 't al donkerrood en ratelde een
+rukkend snorken diepe.... Dan opende ze hare oogen en tuurde met
+onzeglijke pijne rechtuit, heel verre, nievers hulp meer vindend
+hierdichte.
+
+Zóo staarden hare oogen, al viel weer plat haar pover geraamte, al
+rustten weer hare moede handjes, al zegen weer toe hare lipjes, heel wit
+van verve, heel droge, heel doorzichtig.... Zoo keek ze. Ze was nu niets
+meer, zoo nietig en vergaan. Ze was niets meer. En tot het laatste keek
+ze alginder, en de strakke blik doezelde weg achter een vool van grijze
+natheid....
+
+Goedele zakte ineen op hare knieën.
+
+Romaan had een tijdeken verschrikt zijn asem ingehouden en wankte nadien
+achteruit. Heel zijne ellende, heel zijn endeloos leed kreet hij in wild
+gejammer uit en hij stampte razend op den vloer, aldoor slaande met
+zijne vuisten tegen zijne slapen.
+
+Zoodat Madeleen plots de deur opensmeet en daar stond, zonder een traan,
+zonder een woord, lijk een doode overend....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+IX.
+
+
+Late in den avond kon Goedele naar huis gaan. De groote woonste was haar
+gansch vreemd geworden, zooals die vóor haar in de donkerte, heel
+massief, achter het hekken oprees. Binstdat ze de deurbelle deed
+rinkelen en zich nog aan 't verwonderen was over den lang-vergeten klank
+ervan, merkte ze achter zich, midden de strate, Justa. Justa beweerde
+dat ze juffrouw was gaan opzoeken, om wille van de vroege donkerte, en
+dat ze nu toch danig tevreden was dat juffrouw endelijk ongedeerd was
+thuis geraakt.
+
+--Mevrouw was zoo ongerust in den namiddag! fleemde ze zoeterig, terwijl
+ze den groote sleutel in het klinkende slot duwde.
+
+--Mevrouw wilde maar altijd nieuws weten. Juffrouw weet nu misschien wel
+nieuws.
+
+Goedele antwoordde niet en stapte gauw binnen. Terloops was haar idee
+dat Justa haar gevolgd had en nageloerd langs den weg, maar ze dacht er
+niet verder over na. Dat alles, meende zij, was ook nu zoo verre van
+haar verwijderd, dat ze geen belang meer stellen kon in peuterige
+leelijkheidjes.
+
+Ze had de smart tot diepe in haar vleesch gevoeld; en wat hier ommeging,
+de doening van moeder en de kinderachtigheid van vader, al dat suffe
+bedrijf van elkendeen in de groote leege woonste, 't was rijzekens een
+buitenmenschelijk gespeel. Ze zag even in haren geest het pieuze gebaar
+van Sebastiaan zijn vingeren....
+
+Ze stond vóor Ursule. Ze had het gevoel dat ze heel hoog stond. Ze zei
+simpel:
+
+--Het kind is dood.
+
+Ursule en roerde niet. Ze keek naar Seppie, die zich had neergevleid om
+hare voeten en nu lui zijn muilken snuivend opstak naar Goedele. Haar
+blik was hard, gewoon-hard, en de lichtstreep, die de lampeklaarten op
+heur gladgestreken haar leiden, en bewoog geen steke naar achteren noch
+voren. Ze sprak:
+
+--God hebbe zijn zielken. Het lieveken is gelukkig.
+
+Na een stonde vroeg ze of Romaan sterk was, en als ze vernam dat hij
+zeer afgemat en terneergeslagen het verlies van zijn dochterken beleden
+had, viel van hare lippen een koud woord, dat vreemd tegen hare
+gevoelerigheid van te-morgen afstak.
+
+--De tijd zal 't uitwisschen, zei ze.
+
+Goedele had meteen geschokt opgekeken. Ze bedaarde echter subiet, zich
+peiselijk opheffend in de wijde golving van haar leed, en beaamde
+stille:
+
+--Ja, de tijd zal 't uitwisschen....
+
+Ze verliet zonder groeten de eetplaats en tort langzaam de trap op.
+Haar kamer, docht haar, had een zonderling uitzicht en met de roerende
+keersevlamme klaarden de stoelen, de witte vlekken van 't bedde, en de
+breede spiegel van de toilettafel, met onbekende vormen op. Het scheen
+haar hier alles zoo oneigen en de reuk van de versche lakens tingel de
+in haren neuze, lijk iets dat nooit bij deze lakens behoord had. Wat was
+hier gebeurd? Ze schudde haar hoofd en mompelde lijdelijk:
+
+--In mij is 't gebeurd....
+
+Ze had het ganschelijke gevoel daarvan, maar verder kon ze in haar eigen
+niet ingaan. Ze beleefde de vreemde veranderingen die haar ziele
+ommegewenteld hadden en de oorzaken lagen te diepe. Daar was iets
+gebeurd. Over al het onduidelijke wezen van haar machtige wee, reikte
+die zekerheid.
+
+Lang bleef ze eer ze inslapen kon, en 's uchtends als ze wakker werd,
+was ze haar gekeerde nature nog niet gewend en waarde hetzelfde vreemd
+geluchte rond de kamer. Binst den dag liep ze met Justa de stad op en
+af en bestelde wat noodig was voor Wiezeken's begraving. Ze deed het
+smertelijke werk zonder vermoeienis. Ze was sterk. Ameye had alles
+opgeschreven wat ze te doen had. Ze deed het alzoo, stlptelijk zijn
+zeggen nakomend, met groote zorgelijkheid. Al voorbijgaand, tort ze bij
+Madeleen en Romaan eens binnen. Ze waren allebei zeer verslagen nog,
+ofschoon Ameye hen niet verlaten had en hun gestadig zijn
+zoet-sprekenden troost gaf. Ze kustte met vrome teerheid hun bleeke
+voorhoofd en drukte de hand van haren moedigen vriend.
+
+Weer drilde ze de straten door. Ze had maar weinig geld. Johannes had
+haar opgeleid dat ze alle bestellingen in zijn naam doen zou. Ze
+bestelde echter alles in name van moeder en ze schrikte niet bij 't idee
+dat moeder vreeslijk opschieten zou. Ze vreesde moeder niet meer. Ze
+dacht zelfs niet aan een vrees, die komen zou. Ze handelde heel
+eenvoudig, praktisch. Moeder had geld.
+
+Omtrent den vallenden avond was gansch het droevig gedoe in orde en
+geraakte ze terug thuis. Ze sprak binst het soepee geen woord en ze deed
+nadien Sebastiaan verwittigen, dat hij in de eerste acht dagen niet
+komen moest. Hij had haar seffens met ommegaanden bode een langen brief
+gestuurd, waarin hij de oorzaken van hare terughouding ten hoogste prees
+en met lange zinnen toch hare deugdelijke opsluiting betreurde. Ze las
+de eerste bladzijde en liet den brief dadelijk wegglijden tusschen hare
+vingeren.
+
+Als ze tewege was op te gaan naar heur slaapkamer, zag ze bij den heerd
+vader zitten, lage gebukt en turende roerloos naar 't gespetter van het
+open vuur. Hij had ook aldoor zwijgend door de koude stilte van het huis
+gewandeld vandage, en hij voelde zich bovenmatelijk droeve worden in de
+droefenis, die Goedele langs alle kamers neerzijgen liet van haar. Hij
+vatte wel niet teenemaal het rechte begrip van wat er zoo geheimzinnig
+in de leegte gebeurende was, maar zijn treurnisse was echt. Goedele kwam
+nevens hem staan en merkte hoe over zijne ronde wangen de blinkende
+tranen rolden en ze vroeg:
+
+--Hebt ge groot verdriet?
+
+Hij glimlachte binst zijn stille geween en keek op in haar aangezicht.
+
+--Wel ja ik, zei hij.
+
+--Romaan is diepe getroffen, vader. Het is goed dat ge dat meevoelt.
+
+Hij stamelde, heel week wordend:
+
+--Ja, het is goed ... het is goed....
+
+Hij maakte ervan, zonder goed in te zien, een groot ongeluk, en zijn
+herte was er vol mee. Hij probeerde aan het kindje te denken, dat hij
+nooit gezien had, en aan Madeleen, die hij nooit gezien had. Hij dierf
+dat nu doen, in de aanwezigheid van Goedele en buiten 't bereik van
+zijne vrouw. Hij voelde Goedele's hand op zijnen schouder rusten en dat
+deed hem zachte deugd.
+
+Goedele en verwijlde niet lange bij hem. Al trof ze nu een
+teer-lijdelijk herte, al trilde in het kille huif een snare van goede
+aandoening, ze kon niet zoo seffens aansluiten met vader. Vader was, met
+al de rest, verre verwijderd van haar innige leven en ze bekeek hem van
+verre. Ze bleef koel, alhoewel een streelende zoetigheid om hare woorden
+fluweelde. Ze zei:
+
+--Goeienavond....
+
+En met eene aaiende buiging golfde hare stem. Hij voelde hare vingeren
+trage wegsleeren over zijn schouder en hij zat subiet heel alleene en
+bangwordend in den naderenden nacht, te turen zonder weten naar 't
+laaierig vuur, dat oplikte langs de vlammende scheiers.
+
+'s Anderendaags was 't weer een ijverig en verward bedrijf. Na een
+loopken in de stad, waar ze nog haastig 't een en ander te verrichten
+had, kwam Goedele bij Romaan. Ze vond hem in de keuken. Hij keek
+rijzekens op, als ze binnenkwam, en nauw hoorbaar groette haar. Ze kon
+door licht en menig getater hem niet uit zijn somber gemijmer krijgen en
+ze moest het endelijk opgeven, met een zucht. Ook Madeleen en liet zich
+door geen troosting roeren en zat in zwijgende neerslachtigheid precies
+te voelen over haar den stillen gang van den tijd. Niemand sprak over
+het kind. Tante Olympe was lijk een automaat den vloer aan 't
+affledderen en stond bijwijlen zonder kijken te roefelen over een zelfde
+plekke.
+
+--Ge moet ulie struisch houden, zei Goedele.
+
+'t Geluid van haar stemme wuifde uiteen en viel dadelijk plat neere,
+versmoord tusschen de muren, en zonder uitslag. Het huis was vol van
+Wiezeken, en niemand sprak van Wiezeken.
+
+Een tijdeken vóor den noene tort Ameye binnen. 't En deed Goedele geen
+emotie aan, hem op een nieuw dichte bij haar te voelen. Ze was 't alzoo,
+zonder overgang, reeds gewend, en lei hare hand met rustigheid in de
+zijne. Ze was wel tevreden dat hij haar helpen kwam om de stilte te
+bestrijden, waar zij hopeloos in alleene bleef. Hij voelde met meer
+gemak de doode leegte, en zijne gebaren, 't vergaan van zijn wezen en
+'t gedoe van zijne armen, waren min gemaakt. Het gelukte hem, met gewone
+gezegden, 't getik van 't horloge te bemeesteren, dat zoo pijnlijk het
+ongeluk hier in zeerdoende stondekens tjokte. Hij sprak van 't weer--'t
+geluchte was vochtiger en lager de hemel, en 't zou wel sneeuwen eer 't
+avond werd....
+
+--Sneeuwen? vroeg Romaan, verschrikt.
+
+Ze voelden 't plots allemaal tegare waaraan hij dacht en zagen hoe de
+sneeuw, binst de deemstering, zou neerwaarts vlagen en ommevlokkelen,
+langs het eendelijke graf.... Want het huis was vol van Wiezeken, en
+niemand sprak van Wiezeken.
+
+En, in der waarheid, de sneeuw viel. 't Was eerst een opwirrelend gewaai
+van kleine witte dingetjes--endelijk, als de mannen kwamen en 't
+kisteken wegdroegen en 't wegschoven onder een schoon floers met
+franjen, op den zwarten wagen--endelijk een regelmatige val van dikke
+trossels, licht-dalend bij buien en stille lijk een groot, blank geheim.
+
+Romaan had geëischt dat niemand op de begrafenis zou uitgenoodigd
+worden. De strate was leeg. Gevieren--tante Olympe was thuis gebleven
+om alles weg te ruimen wat tot een pijnlijke herinnering aanleiding kon
+geven--gevieren volgden ze te voete de koetse en ze zagen even, in hun
+voortdurend geween, de menschen van weerskanten groeten en verwonderd
+blijven staan, al kijkend naar dien rijkemans wagen rijzekens begeleid.
+
+Na de zegening in de kerke, stapten ze in een groote sjeeze en reden
+achteraan, nu geschokt in dees groote huurkasse met versleten kussens.
+Madeleen voelde hoe alleenig ze hier zaten en hoe alleenig ginder
+Wiezeken lag, en ze stamelde:
+
+--Me dunkt dat wij er nu zoo verre van af zijn....
+
+--Ja, zei Romaan, heel laag.
+
+Maar Ameye was weer aan 't vertellen en trachtte met diepe woorden 't
+zachte vergaan van dees tijdelijke leed te doen voelen. Ze luisterden
+wel naar hem, zagen wel een wijlken lang de troostvolle beelden
+opflikkeren, die hij ontstak in hun gepeinzen. 't Matelijk gewiel van de
+sjeeze echter en de kloppende draf van de peerden, de almachtige sneeuw,
+die achter de ruitjes in wijde vlagen neerwoei en 't hoorbaar gerol van
+den rouwwagen, vooraan, den schrikkelijken wagen, al 't gedruisch
+dreunde zoo sterkelijk aan tegen hunne hersenen, dat ze seffens hun
+hoofd lieten zakken en op hunne vingeren 't heete gespets van hunne
+tranen gewaar werden.
+
+Het kerkhof was heel en al een wit veld door zijschaduwen van zerken en
+zuilen gebroken. De mannen, die waren meegekomen en waar de wind ook
+omme wit gewinterd had, maakten het kistje bloot en bonden er twee
+koorden rond.
+
+Het was een akelige stonde. De sneeuw smeet in Romaan zijn gezicht, lijk
+hij daar van voren stond, dichtebij. Hij ging alles nauwkeurig na en 't
+zicht van dat houten ding, waar Wiezeken in beloken lag, spijkerde zich
+met zeerdoend hamergestamp vaste in zijnen geest. Hij hoorde 't
+hopelooze gesnik van Madeleen, als Wiezeken in 't volle weer verdragen
+werd en zoo eendelijk wegzakte, diepe, in de eendelijke holte. Hij
+merkte nog hoe de mannen bedaard en onverschillig te werke gingen....
+
+Daar kwam een groote moeheid over hem en zijne knieën knikten thoope.
+Hij wist meteen niet meer duidelijk wat er gebeurende was en liet zich
+door Johannes meeleiden. Hij trutselde, wilde een klaarte krijgen in
+zijn gedachten en mummelde gestadig:
+
+--Maar ... maar ... sapristi! Zijn we nu allemaal tegare?...
+
+Hij werd opgeheven en zat op een nieuw in het rijtuig. Hij zag Madeleen
+weer uitbersten in een wee zonder ende en kreeg meteen 't idee dat hij
+ze troosten moest.
+
+--Toe-de, mijn kind ... ge moet op iets anders peinzen....
+
+Ze waren allemaal bang van hem. Hij zei:
+
+--'t Is hier plezant, zoo te rijden....
+
+Hij klopte op Madeleens schouder en bukte zich om te blikken in haar
+betraand gezichte. Hij streelde nadien hare handen en peuterde zoetekens
+over hare vingeren en begon ook te weenen. Hij liet zijn hoofd
+neerzijgen tegen hare borste en sloot zijne oogen.
+
+Ze geraakten thuis. Ze moesten hem wakker maken en hij keek heel
+verwilderd toe, zonder begrijpen. Hij ging de trap op en vond in de
+keuken tante Olympe aan 't jeremieeren met Mariëtte. Mariëtte wilde
+subiet wegloopen, verlegen omdat ze midden in al deze droefenis betrapt
+werd. Ameye vroeg dat ze arets blijven zou en ze groette elkendeen
+minzaam. Het was eene afleiding en de kamers, waar Wiezeken nu voor
+altijd uit was, en gaapten zoo akelig niet.
+
+Goedele bracht de hoeden en mantels weg en toonde zich uitermate
+gedienstig. Ze schikte de koffiekommekens, had beste koekskens veerdig,
+vulde met djente bewegingen de leegte, die tallenkante herkomen wou.
+En Ameye hielp dapper mee, aldoor de conversatie rechthoudend en de
+aandacht op allerlei zaken verstrooiend. Mariëtte begreep seffens dat
+ze ook van hulp zijn kon en haar klaar stemmeken deed ze sierlijk
+oprinkelen. Ze was alzoo waarachtig een hupsche deerne en hare handen
+waren zoo klein en zoo blank, en ze vingerde zoo prontelijk ermee, om
+haar gezegde uit te teekenen. Ze merkte dat uit de hoeken van de kamer
+allengs de deemsteringe naar voren kroop en ze voelde dat, al
+duisterend, 't geluchte vol zou geraken met een nieuwe angstigheid.
+
+--Wil ik de lampe aansteken?
+
+Elkendeen keek naar 't venster, waar de dag nog lichtend bezig was. De
+sneeuw bijsde er onophoudend naar 't westen toe, waarheen de wind zijn
+joependen asem joeg, en de vlokken kletsten altemets met een klein
+getjok tegen de ruiten of maakten, precies dansend, een sprongsken en
+een ronde. Als de lampe brandde, was alles in de kamer beverfd met een
+warm-gele klaarte, en dan werd de dalende dag buiten een kille
+blauwigheid. Mariëtte schoof de gordijntjes dichte. De kamer was meteen
+heel gezellig van de wijde vreemdte afgezonderd.
+
+--Zie-zoo, lachte Mariëtte, nu zitten we lekker.
+
+Ze lachte halvelings, en zij en schond niemands gevoelen met hare lichte
+pleizierigheid. Ze ging het vuur in de stove opkoteren, zoodat het
+poefend te zoeven begon. Ze schonk de koffie in en naderhand een
+druppelken cognac, en ze dwong elkendeen mee te doen en te drinken.
+Johannes kon ook wonderlijk alle droefenis wegtingelen met 't gevleugel
+van zijne aardige woorden. Getweeën droegen ze behendig hun moeielijke
+take, en endelijk scheen alle groot verdriet verdwenen. Madeleen
+glimlachte en knikte weleens. Romaan bleef sprakeloos, maar effen was
+zijn witte voorhoofd. Het schartend getik van 't horloge en was niet
+hoorbaar meer, en tante Olympe deed haar duimen spelenderwijs overeen
+draaien.
+
+Mariëtte werd dan ten geheele leutig en zette zich aan 't verhalen.
+Ze had al wat zonderlinge tijdekens beleefd, en in haar memorie had ze
+alles opgestapeld. Ze vertelde met gemoedelijke geestigheid, en ze wist
+zoo naïef aaneen te knoopen een historie van hare kanarievogels en een
+avonture van de lage strate. En, al zei ze bijwijlen een opgelicht
+zinnetje, ze kon 't allemaal zoo vermakelijk op een blozend lachje doen
+afloopen, dat zelfs Ameye ook dadelijk onder den peisvollen indruk van
+hare tooverige bevalligheid geraakte. Hij klopte op Romaans knie en zei:
+
+--Hoort ge?
+
+Romaan was daar met zinnen onderstboven in de war. Door al 't gepraat
+heen bleef hij onveranderlijk rondstaren en zweeg. Hij had geen
+gedachten meer. Hij zat thuis. Hij voelde wel dat iets haperde ievers
+... ievers ... maar 't vervaagde alginds, verre van hier. Hij zat goed
+thuis en vóor hem zat Madeleen, en hij zag Goedele en Johannes en de
+anderen, een warmen kring van roerende lijven. En deugdelijk was hem 't
+gedruisch. Lijk men soms op steile bergen de endelooze rustigheid der
+hemelen met rustigheid bewonderen kan en weet dat men niet blikken mag
+naar onder, waar duizelende diepten het hoofd verdraaien--zoo zat hij
+en keek naar elkendeen, en dierf niet kijken alginds, ievers waar 't
+smokkel weerde, verre van hier.... En gedurig voelde hij den
+vriendelijken stoot van Johannes' elleboog of 't gewrijf van zijn
+vingeren, zachte.
+
+--Ziet ge?
+
+Hij knikte verlegen en zijn gelaat en bewoog niet.
+
+--Hoort ge?
+
+'t Was alweer Mariëtte, die plezant was. Hij knikte. Zijne oogen zochten
+naar Madeleen, die knikte. Hij dronk een zeupken koffie en proefde dat
+er geen suiker genoeg in was. Hij roerde genoeglijk met het
+bel-tjinkelende lepelken....
+
+Binstdien, al meer en meer, omdoezelde een lijze moeheid zijne leden.
+Zijne handen hingen langs de sporten van zijn stoel arets te wiegen, en
+lager zonk zijn kinne. Het docht hem dat hij wel danig zwaar zat en dat
+de leuning hem in zijn rugge bezeerde. De woorden om hem en 't gespeel
+van de golvende stemmen werden een rumoerend lawaai, waarin hij niets
+meer herkende. 't Raasde tallenkant en 't kwam wegen op zijne hersens.
+Hij was plots ganschelijk warm, en de hitte kriebelde in zijn haar en
+onder zijne oksels.
+
+Hij stond subiet rechte en een blos spatte uit op zijne kaken. Elkendeen
+zweeg. Zijn tonge lag dikke in zijn mond en hij kon haast niet
+uitspreken een wenk, die in zijn hoofd bewoog:
+
+--Komt ge? We gaan....
+
+Hij glimlachte oolijk naderhand en mummelde:
+
+--Tante Olympe zal 't bedde niet opgemaakt hebben....
+
+Zijn stap was onvaste en hij drukte gretig Ameye's hand, die naar hem
+uitgereikt was. 't Ontlastte Goedele, dat hij zoo stille te rusten ging,
+en ze kustte hevig Madeleen, die ook zeer moe was geworden.
+
+Maar als Madeleen en Romaan weg waren, viel als een gewichte het
+taterend gedoe. Mariëtte was haastig om deze tafel te ontvluchten en
+blikte met zichtbare bezorgdheid naar het uur. Johannes en sprak bijkans
+niet meer en tuurde naar 't geschitter van een lampstraaltje op den
+bodem van zijn cognacruimer. Hij groette onachtzaam Mariëtte als ze de
+kamer verliet, en zat nu tusschen leege stoelen naar leege gepeinzen te
+zien. Tante Olympe zuchtte Juidop.
+
+--Aai-Heere God!
+
+En zoo drijmaal te reke, om de aandacht her op de droeve gebeurtenis te
+roepen. 't En was niet uit haar hoofd te praten, dat de eerste schuld
+lag in de onwettelijke betrekkingen en dat God een huwelijk bestrafte,
+dat Hijzelf niet had mogen inzegenen. Ze had wel geerne daarover
+gejammerd op een nieuw, om haar emotie deugd te doen.
+
+--Aai-Heere God! mijn kinderen!
+
+Ameye echter en keek niet op, en Goedele was insgelijks in alleenig
+gemijmer verzonken, zoodat tante Olympe van lieverlede ook zweeg en
+alzoo haar wimpers voelde dudderen. 't Duurde een ommegang van haar
+altijd-zelfde gedachten, eer ze haar oude kappe boog en tegen het
+tafelberd in slaap donkelde.
+
+Een zonderlinge koortse hing in 't geluchte. De wind vlaagde hoorbaar
+tegen 't raam en piepte altemets in een losse rete. 't Vuur in de stove
+werkte te hard en een kwalijke hitte schoof in zware asems eromme.
+'t Was late in den avond geworden, en Goedele dierf niet zeggen:
+
+--'t Is tijd....
+
+Ze voelde 't gestreel van Ameye zijn droomerige stilte en 't aaide haar,
+'t bedwelmde haar, 't joeg een hijgen in haar borste. Ze wist wel dat
+zij hier nu niets meer te verrichten had, en wat ze nu deed, zoo
+luisteren naar een gedacht en lui worden in een kwaden vrede--ze wist
+dat het niet docht. Ze werd in haar lijf de wellust gewaar van liggen
+in de zoelte en taken de slapheid van den locht. En ze zei niet:
+
+--'t Is tijd....
+
+Ze probeerde te denken aan moeder.... Moeders gezichte doezelde weg en
+ze kon geen beeld opvangen, dat stiptelijk moeder was. Haar zinnen
+roerden in ziekelijke teerheid, rustend bij 't doode Wiezeken, rustend
+bij Romaan en Madeleen, want dáar was tegenwoordig een rust, waar ze
+lange stonden in verwijlen wou. Ze luisterde alles af....
+
+Ze verlangde niet dat Johannes spreken zou of dat zijne handen, schoone
+bij mekaar gebracht over zijne knieën, zouden 't gebaar doen van
+woorden. Ze verlangde dat de tijd zou stille hangen, en ze toetste
+Johannes' gepeins. Een ander verlangen en wist ze niet. De toekomst kon
+ze niet mooier willen, en zij en had geen begeerte die zou worden in
+mooiere toekomst volbracht. En zoo had ze stilaan geen besef van wat
+haar te doen stond.
+
+Geen daad kon ze verzinnen, en ze luisterde aldoor naar het doen van
+Ameye, en ze peinsde niet meer:
+
+--'t Is tijd....
+
+Ze was droeve en vleide zich in zoetige droefenis, en daar was in
+waarheid precies geen tijd om haar. Ze schoot ineens op, met een
+pijnlijken ruk, als Madeleen in het deurgat kwam staan, vragende:
+
+--Waar hebt ge 't gezet?
+
+Ze ging seffens naar haar toe en vatte hare handen.
+
+--Wat?
+
+--'t Beddeken, 't kleene....
+
+--Lieve, uwe vingeren zijn klamp en ge loopt kousevoets in den koude.
+Maak u niet ziek en bezorg u om niets. Laat alles begaan.
+
+--Ja, maar als ik er zoo meteen ievers tegenstruikel....
+
+--Denk niet daaraan.
+
+--Of 't kussen ievers zie, met een konksken te midden in, nog....
+
+--Geef me een zoen en zij rustig. Slaapt Romaan?
+
+--Romaan slaapt.... En waar zijn de fleschkens? En de kleeren ook al?
+
+--Ge doet me pijn, Madeleen.
+
+--Zie ... wees niet kwaad ... ik heb schrik ... ik zie gedurig schimmen
+hergaan over de gordijnen. Ik weet wel dat het een doening is van de
+strate. 't Is me algelijk danig bang en ik kan soms niet slikken.
+
+--'t Zal de werking van de koffie zijn.
+
+--Ja, dàt is 't.
+
+Ze zei 't met vastheid en was seffens tevreden dat er zoo simpellijk een
+uitlegging was voor dat angstig bedrijf in haar hoofd. Ze merkte dan dat
+tante Olympe heel scheef gezakt was en ganschelijk weggedommeld. Ze had
+nog een flauwen lach en verdween.
+
+Ameye bleef zitten en Goedele zette zich lijk te voren rechtover hem.
+Ze voelde nu dat zijne oogen strak op haar gevestigd waren, en ze wendde
+hare blikken zijlings naar de dresse. De potjes, die daar stonden op
+planken, met hun witte buiken en krullende ooren en een rozige roze vlak
+vooraan, bekeek ze met geveinsde aandacht. Een tinnen teele, schoone
+versierd met een ranke doffe blaren, blonk geweldig uit, en ernevens, in
+een tasje van oud porselein, dorde een doode palmtuil. De teele droeg
+ervan de onbeweeglijke schaduw, lijk ze daar door het noesche licht van
+de lampe opgesmeten werd. Anderszins was de dresse een donkere kasse,
+want niets en was van achteren te merken. Goedele zag allengs ook
+wegsmokkelen de potjes en het klaterende tin, en in haar hoofd peuterde
+alleen de onverdraaglijke last van Ameye's blik. Hij kittelde haar,
+krabde en puntelde, zoodat het een folteringe werd. Ze duldde de
+foltering. Ze wist dat, moest ze nu subiet opkijken, ze Ameye's oogen
+zou zien. Ze wist wat ze zien zou in de oogen. Hij deed haar zeer, hij
+was ongemanierd en hij was onzedelijk. Maar--moest ze nu subiet
+opkijken--ze zou geen ongemanierdheid en geen cynische treiteringe zien.
+Ze voelde 't heel klaar, en opkijken en deed ze niet.
+
+Maar bukte hij zich niet en leunde op de tafel om beter zijn blikken te
+doen wegen. Ze stond haastig rechte en zei:
+
+--'t Is tijd.
+
+'t Klonk eenbarelijk en ze was zelve verwonderd. Ze meende dat ze 't
+leelijkste woord genomen had en dat ze nu gaan moést. Zijn vrage was een
+fluistering.
+
+--Tijd?
+
+Zijn stemme, met dat éene woord, omvatte haar in een lauwe fleering en
+het docht haar dat hijzelf haar tallenkante te gelijk taken kwam. Ze
+betreurde dat ze gesproken had en betreurde dat hij sprak. Ze had de
+peis gebroken van eene zinnelijke mijmering en ze vreesde dat, met de
+beweging van haar lijf, met den gedwongen tert van hare voeten, ze de
+schoonheid van dezen avond onherroepelijk verdrijven zou. Hij sloot
+zijne oogen en lispelde:
+
+--Ik meende dat een eeuwigheid was aangebroken....
+
+Het trof haar dat ook hij in 't gewiegel van dezelfde gepeinzen vervoerd
+was. Ze werd bang. Zou hij verder spreken? Zou hij in een vallend
+gezegde uit hem gooien wat zij wist dat er droomend gebeurde? Ze werd
+uitermatelijk bang en hare vingeren schoven bibberend overeen. Ze boog
+zich algauw over tante Olympe en schudde haar ruw wakker. Het wijveken
+hief scheef omhooge haar afgemat gezicht en keek verward op.
+
+--Hein?
+
+--'t Is late nacht, zei Goedele. Ik moet naar huis. Ga, bidde,
+daarbinnen kijken of Madeleen nu rustig is....
+
+Tante Olympe verliet knikkebeenend de kamer, maar 't gesleer van hare
+voeten was nog merkbaar alover de ruischende planken van den vloer.
+Ameye rechtte zich langzaam op. Heel simpellijk, alsof hij wel wist dat
+geen weigering te verwachten was, sprak hij:
+
+--Ik ga mee. Alleene moogt ge over strate niet loopen.
+
+Ze antwoordde koud dat hij zich eigenlijk geen moeite moest geven en
+gerust daar blijven kon, als hij eerst zóo van plan was. Hij vroeg:
+
+--Wat kan ik hier doen? Elkendeen slaapt en gij zijt weg....
+
+Tante Olympe kwam op hare teenen her binnen, teeken doende dat alles
+rustig was, en Goedele werd buiten reden haastig. Haar hoed, binstdat
+ze hem opzette, beefde in hare handen en een ongemeene gichtigheid
+kriebelde achter hare ooren. Onder 't licht van de lampe schitterde,
+uiterst beweeglijk, de diamant van haren ring. Ze was seffens veerdig en
+smeet zonder hulpe haar mantel over hare schouders. Ze voelde nog een
+beetje vochtigheid in de pelsenkrage, die killig haren nekke taakte. Die
+plotselinge frischheid deed haar deugd, en ze trok met meer bedaardheid
+hare handschoenen aan. Als ze endelijk ommekeek, stond daar Ameye
+alreeds te wachten.
+
+--Kunnen we gaan, juffrouw?
+
+--Ja, mijnheer.
+
+Ze deed haar best om hard te zijn of onverschillig. Ze groette tante
+Olympe met overdreven vriendelijkheid, om goed 't verschil duidelijk te
+maken.
+
+--Slaap zachte!
+
+Ze vestigde hare aandacht op de lampe, die aan 't uitvonken was, en
+tante Olympe, ten halve slaperig, knikte dat ze alles wel zou in orde
+brengen, al lachend groetend:
+
+--Tot morgen?
+
+--Tot morgen.
+
+Het licht, dat in vierkante vlekken op de trappen spetterde, vernauwde
+subiet, en de deur klonk dichte.
+
+Ze geraakten op strate. 't En sneeuwde niet meer, maar allerwege reikte
+de blanke vlakte, rijzekens gebroken door 't somber geschemer der
+gevels. Geen mensch roerde daarin. Een benauwde stilte heerschte hier en
+'t was alsof 't nooit anders was geweest en 't nooit anders zou worden.
+Altemets roefelde van boven een wijde wind benedenwaarts, scharrelde
+hoorbaar langs de daken, in de goten, huilde ievers in een
+toevallige-holte of joeg vrij door, meester over de stede. Het licht dat
+van de lanterens openviel, rondde een gele verve plat op de witheid van
+den winter, en, als 't gewaai aan 't rotelen was, waggelde de vlamme en
+roerden op den grond de schaduwstrepen en de klaarten. Andermaal was
+alles stille en men hoorde heel verre 't geronk van de hooge stad, den
+galm van haar late pleizieren.
+
+Een tijdeken bleven Goedele en Ameye op den drempel staan. 't Schoot
+haar plots te binnen dat Justa misschien op den loer was gezet, en ze
+staarde links en rechts den nacht door. Ze zei, opdat hij ook zou
+rondblikken:
+
+--Geen ziele op weg....
+
+Hij blikte rond.
+
+--Geen ziele....
+
+Ze hadden allebei terzelfdertijd 't gevoel van deze vreeslijke
+alleenigheid, en hun voet schoof schuchter door de krakende sneeuw. In
+zijstraten en bewoog insgelijks geen levend bedrijf van menschen, en 't
+was alsof ze doolden in een doode stad, zoo tertende naast mekaar op
+zinkenden grond, waar nievers het speur van stappen was achtergebleven.
+Tusschen de spleetjes van onvaste blaffeturen straalde altemets een
+geutje licht, en binnen een huis dreunde bij stonden de slag van een
+pompe of 't getjok van een ijverige naaimachine. Het tijdelijke lawaai
+stierf gauw uit en lijk te voren herkwam de almachtige stilte langs de
+effenheid van gansch de blanke vlakte. De drempels lagen bedolven en een
+hooge zulle kon halvelings nog opduiken vóor de woonste van rijke lui.
+
+In een ommedraai van den weg merkten ze de sombere gestalte van een
+politieagent. Verder alweer reikte de onbezochte straat, geruchteloos.
+En ze gingen, neerwaarts blikkend, luisterend naar eigen beweeg. Ze
+spraken niet en ze waren gedurig veerdig om te spreken. Ameye wilde met
+geen dwaas gepraat beginnen en zocht het sterke woord, waarmee hij
+beginnen moest. Een vredige zekerheid was in hem rijp geworden en zijn
+besluit lag klaar in zijne gedachten. 't Ware nu dom geweest, indien hij
+met gewone zinnetjes te converseeren ging. Hij liet eerst de stilte hare
+diepe werking doen....
+
+In ongedurige verwachting stapte Goedele nevens hem. Ze taakte soms zijn
+elleboog, als haar voet zijlings uitsleerde, en zoo rilde een
+zonderlinge wrevel langs haren rugge op. Al meer koortse verwarde hare
+zinnen en ze beet somtewijlen toornig op hare tanden, vernederd in eigen
+onverdraagzaamheid. Ook de eenvormige klein-geruchten, 't piepen van de
+sneeuw onder haren schoen, 't geruisch van hare rokken en een kleine
+wrijving van haar pelsenkrage, saam met haar blazenden asem, joeg ten
+uiterste haar lastig ongeduld. Bij 't inslaan van een nauwe stege, werd
+ze gewaar dat ze de baan te buiten waren en misliepen. En toch, al wilde
+ze haastig zijn en zich haar ongeduur tot rap doordrillen opdringen, ze
+zweeg.
+
+De schaduw, die van de daken viel, was dichter hier en nauwer lagen de
+drempels tegenovereen. Daar was ievers nog een kroegje ruchtig, maar
+wijder uit donkerde alles weg in ganschelijke eenzaamheid. Het begon te
+sneeuwen....
+
+Ameye rok zijn regenscherm open en schoof dichte aan naast Goedele.
+
+--Leun op mijnen arm, zei hij.
+
+Hij sprak heel lage, gewichtig en daardoor was zijn nadering, in
+Goedele's hoofd, een diepzinnige gebeurtenis. Haar ongeduld zakte thoope
+en ze voelde een groote aandoening over haar komen. Aarzelend hief ze
+hare hand op en rustte op zijnen arm. Ze kon niet doorwegen erop. Een
+zonderling gevoel deed hare vingeren tingelen, zoodat de tast van zijn
+lijf ze opwippen deed overhand. Hij fluisterde:
+
+--Nu hebbe 'k een wonderbaar geneuchte....
+
+Ze meende dat ze te wege was weg te zinken, en het docht haar meteen dat
+de eerde roerde en een holte groef onder haar. Elk woord, dat hij
+uitgesproken had, brandde en daverde in hare hersens en haar hoofd zelve
+werd een holle kasse, waar ze met ongemeen geweld ommeroefelden. Wat had
+hij gezeid? 't Ruischte als een schrikkelijke golving:
+
+--Een wonderbaar geneuchte....
+
+Ze spande al hare krachten in om sterk te blijven en klampte zich vaste
+aan andere gedachten. Ze wilde denken aan Romaan, en denken aan
+Madeleen, en hare emotie in tranen uitgieten alover 't graf van
+Wiezeken. Ze maakte vluggelings beelden van wanhoop, om iets dat
+opjoepte in haar herte neer te duwen. Ze dwong hare gepeinzen tot
+weemoed en richtte ze alginder, waar 't ongeluk was binnengeslopen en
+waar ze gansch den dag had kunnen weenen. Ze vroeg zich af:
+
+--Schiet Romaan nu niet wakker en hoort hij niet 't geloei van den
+eendelijken wind?
+
+Ze kon geen angstigheid leggen in haar borste. Ze vroeg zich af:
+
+--Loopt Madeleen nu niet dolend rond, in waanzin zoekend naar ...
+naar....
+
+Maar ze stiet seffens aan tegen de struischte van 't eenbarelijk geluid:
+
+--Een wonderbaar geneuchte....
+
+Het klokte zonder ende, en klapperde hare leden door, en 't galmde in
+trillingen weg om haastig weer op te lawaaien, éen krachtig gedruisch.
+Ze meende dat ze niet meer te kampen vermocht.... Dan zag ze in
+toevallige gepeinzen 't moedeloos gezichte van Sebastiaan en ze moest
+blijven staan, plots ongemakkelijk wordend. Ze voelde nadien dichtebij
+den buigenden blik van Ameye en stapte verder, gedreven door koortsige
+hardnekkigheid. Een oogenblik kon ze nagaan Sebastiaan's bleeke wezen en
+luie vingeren. Ze had geerne een geweldige wroeging willen krijgen, een
+bijtend folteren van al haar vleesch, een schok in haar herte om neer te
+zinken, onmachtig.... Het bleeke wezen vervaagde, teerde uit zonder
+oogenverwijt; en sterker herstraalde tallenkant, triomfelijk, het lokkig
+gezegde:
+
+--Een wonderbaar ... een wonderbaar....
+
+Ze voelde dat hij zijn stap vertraagde, en dat zijn arm lager zeeg en
+achterwaarts zich rondde. Ze voelde zijne hand sleeren langs haren rug
+en haar omvatten in haar leen. Toen merkte ze hoe dikke de sneeuw al
+zwijgend omlage streek, en zag ze den witten schijn van zijn gelaat uit
+den nacht opklaren en bukken over haar voorhoofd. Ze schrok subiet. Ze
+neep hare oogen toe en kon niet verder terten. Zijn warme asem kittelde
+alreeds op hare slapen. Ze neeg op zij en zakte zonder willen tegen
+zijne borste. Ze hoorde heel zachte:
+
+--Goedele ... Goedele....
+
+Op haren mond brandde nu de wilde hitte van zijne lippen, en haar mond
+werd wild heet.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+X.
+
+
+Het was alles alzoo door de ziekelijke demoralisatie van de
+omstandigheden gekomen, maar Goedele was daarvan niet bewust. Ze leefde
+nu daarin, met onzeglijke drift opasemend het koortsige geluchte, en ze
+wist niet dat er een andere weelde der zinnen kon zijn. Alles had ook
+meegeholpen in 't kwade bedrijf--haar opgroei tusschen de muren van 't
+massieve, leege huis, haar omgang met het onecht gedoe van moeder en
+Sebastiaan, de nabijheid van Romaan's ongeluk en Wiezekens dood.
+
+Ze klampte zich nu vast aan 't morbiede lijfgenot, niet meer vattende
+dat een dieper ziel el even haar aandeel kon zijn. Als ze late in den
+morgen hare oogen openstak en de dag zag uiteenkletsen tegen de witte
+zoldering van hare slaapkamer, voelde ze zich breed en struisch geworden
+in de lichtende vrijheid van een nieuw bestaan, wonderlijk en ongeraden.
+Al zag ze eerst niet heel klaar in wat er gebeurd was, al vervaagde alle
+detailleering in een grijze doezeling, die ganschelijk de vreemde
+zekerheid van hare gedachten uitmaakte, het was heur àl zonnig, wat
+optikkelde in hare hersens. Het zonderling gevoel, dat haar in een
+gestadige duizeling bracht, was wel rijzekens omrild met de siddering
+van lastige angstigheid, en ze moest soms hare vingeren op haar
+voorhoofd leggen om er de subiete hitte te koelen. Ze vroeg zich niet
+met bangheid af:
+
+--Wat heb ik nu gedaan?
+
+Ze was om de nieuwheid van haar voelen bang, en wat ze gedaan had, was
+goed, was zoete. Ze was niet bij machte om uit de verveling van haar
+verleden nu een spijt op te rakelen. Ze redeneerde bovendien niet.
+Ze proefde langzaam hare versche emoties, en ze was zoo verre van de
+overige doening verwijderd, dat ze de mogelijkheid van een anderen
+toestand niet taken kon.
+
+Als ze zich aankleedde, bleef ze vóor den spiegel een lange stonde de
+malsche sierlijkheid van haren blooten hals en de ronde blankheid van
+hare armen bewonderen. Het scheen haar dat ze in, der waarheid schoon
+was, en een zondige fierheid lei zinnelijke stralen in hare oogen.
+
+Het schoot dan als een schicht door haar memorie dat ze Johannes vandaag
+nog een bijeenkomst beloofd had. Ze had het niet vergeten, maar nu,
+binstdat ze haar naakte vleesch met het smeulende vuur van passie
+verheerlijkte, kwam het haar brutaal-klaar te voorschijn....
+
+Een aarzeling haperde in hare gepeinzen en een wijlken verwarde hare
+aandoening. Dat ze gaan zou bij hem, en dus een leven beginnen waar ze
+schoon-handelend in optreden zou, ze wist het. Maar ze schrikte, omdat
+het oogenblik zoo dichte bij in de toekomst stond--'t was alsof het
+aanzienlijke bedrijf nu reeds hare leden kwam raken. Ze dierf niet
+denken aan wat er precies gebeuren zou; seffens roerden hare ideeën
+thoope en ze was tewege weg te zinken in een bedwelmende zoetigheid.
+
+Ze herpakte haarzelve. Haar boezem klopte geweldig en een blauwe ader
+lijnde teer uit op hare slapen. Ze stamelde:
+
+--Vandage niet--vandage niet....
+
+Hij moest wachten, hij mocht niet verlangen dat ze zich ten geheele
+subiet overgaf, en ze wilde niet dat hij zoo gauw hare zwakheid zou
+kennen. Eene vrouwelijke oolijkheid schuilde onder de uiterlijke sterkte
+van haar besluit.
+
+--Vandage niet!
+
+Eerst zou ze een ganschen dag 't genot herleven van den vorigen avond,
+elke kleine gebeurtenis heropschudden in hare herinnering, en weer
+genieten de eerste handeling van die zonderlinge liefde, die niet zonde
+heette, omdat ze liefde was. Op een nieuw zou ze de eenzaamheid van de
+nachtelijke strate voelen, den zwijgenden val van wiegewije sneeuwgevlok,
+de warmte naast haar zijde van zijn arm, van zijn krachtig lijf, en 't
+buigen van zijn zoenzware lippen....
+
+De uchtend was schoon: de wolkenlage rolde uiteen en langs een
+bleekblauwen hemel zilverde een liefelijk zonnegestraal. Op de ruiten
+spikkelde daardoor een menig sterrenspel van witte vonkjes en Goedele
+keek met pleizier ernaar, een zelfde leute voelend in haar herte.
+
+Zoo tort ze de trap af, alles beminnelijk vindend wat ze ontmoette op
+haar weg. Seppie stond bij een deure zijn koppeken op te heffen en te
+kwispelen zeer gevoegelijk met zijn kodde.
+
+--Dag, Seppie!
+
+Vader zat in de eetkamer aan 't dubben over nieuwe uitvindingen en het
+scheen haar dat hij zoo'n mooi-zoete hoofd had, zoo lijze haarkrullekens
+om zijne ooren en zoo kinderlijke blikken. Ze was hem nu sterk genegen
+en ze knikte hem toe. Hij glimlachte tegen.
+
+Moeder rustte in haren zetel, bij 't stille gekraak van den heerd.
+Ze draaide seffens haar wezen omme naar Goedele en een angstige
+nieuwsgierigheid bibberde in hare oogen. Ze vroeg dadelijk:
+
+--Hoe is 't met Romaan?
+
+Goedele zei, met een vreemde verwondering:
+
+--Romaan?
+
+Ze had zelve nog niet aan Romaan gedacht en ze was nu heel verschrikt,
+omdat de gansche gebeurtenis--de droefheid in gindsch gefolterd
+huisgezin, de mee-uitgesnikte droefheid--zoo verre achterwaarts gelegen
+was. De dag van gisteren was met leven gevuld en 't schoot haar
+pijnelijk door de hersens dat Wiezeken dood was, dat Wiezeken begraven
+was, dat men nog om Wiezeken weende. Ze legde moeielijk uit, geweld
+doende om natuurlijke woorden te vinden:
+
+--Goed ... hij is struisch gebleven ... hij maakt zich nu een reden ...
+hij is in slaap gevallen ... vermoeid....
+
+--Hoe late was 't als ge hem verlaten hebt?
+
+Goedele voelde meteen de doordringende hardheid van moeders blik en ze
+bloosde in zwijgende verontweerdiging. Ze keerde zich naar vader, en
+boog over hem, en kuste zijn peiselijk voorhoofd. Ze ging naderhand
+onverschillig neerzitten aan tafel en schoof een kommeken vóor zich en
+schonk koffie. Vader reikte haar den suikerpot over.
+
+Ursule sprak:
+
+--Het was na twaalven als ge thuis zijt gekomen.
+
+Goedele antwoordde met licht humeur dat het wel kon, dat zij 't
+geloofde, dat zij 't zich niet meer herinnerde. Ze wist nu zeker dat
+Justa op den loer was uitgegaan, en het krenkte haar diep. Ze vroeg met
+een klein lachje:
+
+--Heeft Justa mij op de bane niet ontmoet?
+
+Ameye had haar langs omwegen naar huis gebracht en ze giechelde spottend
+bij de gedachte dat ze aldus Justa ontloopen was. Ursule zei niets meer
+en tuurde naar 't vuur.
+
+Met den klank van moeders stem en de bijtende scherpheid van hare
+woorden, was de koude vreemdte van dees huis her op Goedele's schouders
+gezonken. Ze voelde alweer den wijden afstand van de hier-wonende
+menschen en de schrikkelijke nauwte van het hier-kwijnende leven. Een
+versche opstand woelde in haar en ze wilde zich wreken met algauw weg te
+rukken van hier. Ze zou Johannes niet doen wachten....
+
+ * * * * *
+
+Omtrent den avond, als langs de muren der straten de eerste donkerte
+kroop, vertrok ze. Een hijgende jacht klopte met joepen en bonzen in
+hare leden en ze drilde gichtig door. Ze werd den wind niet gewaar,
+die nu heel bitsig ommevlaagde, aan hoeken van hooge huizen een wilde
+wirreling dansend, die plat hare rokken tegen hare beenen sloeg.
+
+Ze beluisterde ievers 't geklep van 't uur, dat van een prochietoren
+neerwaarts rinkelde, altemets weggevlegeld door 't hevige gewaai. Ze
+geraakte in onbekende wijken. Ze moest bijtijden aan een politieman
+vragen, waar ze den weg inslaan zou, en dan keek dat roode mansgezichte
+bedaard op naar heur, zonderling doende. Ze hoorde maar rijzekens wat
+hij zei, en drevelde voort, en had straks weeral alles vergeten.
+Ze vreesde bijkans dat ze te late zou aankomen en dat Johannes,
+moe-gewacht, niet meer ter plaatse zijn kon. Ze vroeg dan haastig:
+
+--Is 't nog verre?
+
+Een ander rood gezichte blikte in haar wezen en maakte haar met langzame
+uitleggingen wrevelig.
+
+--Nee-ë, als ge doorstapt, juffrouw, en geen omwegen begint....
+
+Ze liep verder eer 't laatste woord tot haar geraakte.
+
+Al dichter zeeg de donkerte. Een klein oud manneken stak met een perse
+de lanteernbekken aan en elk licht werd subiet een waggelend leven,
+opwippend in den avond, die daardoor precies doezeliger spookte. De
+klaarten vielen in de liggende vlakjes gesmolten sneeuw en trilden er
+een oogenblik, naarmate Goedele huppelend voorbijtort.
+
+Ze stapte endelijk trager. Ze gebaarde dat ze hier heel onverschillig
+aankwam en verjoeg op haar gelaat de spanning, die haar wenkbrauwen
+fronste. Ze had Ameye gezien.
+
+Maar in haar binnenste schokte eene geweldige benauwdheid, en ze wist
+niet met welk gezegde ze hem begroeten zou. Zou ze schijnbaar verwonderd
+naar hem opkijken en haar woorden kiezen naar den klank van zijn woord?
+
+Ze blikte zijwaarts. Ze voelde dat hij haar herkend had en rap op haar
+afkwam.
+
+--Goedele!
+
+Het was haar een onzeglijk geneuchte en over gansch haar lijf kwam zijn
+stemme streelen met de zoete galming van haren naam. Ze wendde zich omme
+naar hem, verlegen, blozend, en ze schoof hare hand uit haar pelsen
+mofje, hem reikende in ganschelijke overwinning hare witte vingeren.
+
+Ze taakte dan den warmen toets van zijn lijf en ging moe hangen aan
+zijnen arm. Het docht haar dat de voorbijgaande menschen haar aankeken.
+Het docht haar dat elkendeen beloerde hare overgroote aandoening en dat
+haar herte openlag, bloot vóor elkendeen's oogen. Ze dacht verder aan
+niets meer dat achterzijds volbracht was in 't verleden, en alles werd
+een helle nieuwigheid. Ze vroeg, ontroerd:
+
+--Waar gaan we?
+
+Ze kon niet verzinnen entwat dat nog verscholen lag, halvelings te
+raden, in de toekomst. Ze leefde ten volle en eeniglijk midden in haar
+huidig geluk.
+
+En hij wist zoo wonderbaar te vertellen van nietigheden, die altegare
+met blij gefluister omrankten deze heilzame stonde. Hij lachte en
+tooverde een prettig gewiegel van luttele beeldekens in hare hersens.
+Ze zag de beeldekens wiegelen en lachte mee. Nu was er geen tastbare tijd
+meer en niets van wat den samengang van hun bestaan uitmaakte, scheen
+haar vergankelijk te zijn. Overal was licht het gewone gerucht van de
+stad en haar hoofd was vol zacht-ruischende geluiden. Ze blikte altemets
+op in zijn gelaat en ze vond hem schoon als de zonne. Dan waren hare
+oogen met gulden licht beladen en 't gedoe van de loopende menschen was
+haar een dooreenvarende vaagheid. Hij vroeg:
+
+--Zijt ge moe?
+
+Het was zoo zoete dat hij een minste trilling van haar handen opmerkte
+en zich dan dadelijk om de oorzake bekommerde. Ze glimlachte even, omdat
+haar zijn vrage heel gek in de zinnen klonk en ze was zeker dat ze, lijk
+nu, gaan zou mijlen en mijlen te reke zonder moeheid, zonder den last
+van haar lijf gewaar te worden. En nooit zou zijn liefderijke stemme
+hare aandacht verzadigen en een wreveling worden in hare ooren. Hij zei:
+
+--Uwe vingeren zijn warm....
+
+Aardig dat hij zoo innig om haar bezorgd was en haar minste
+gewaarwording omstreelde met de aaiing van zijne stemme. Ze voelde
+echter niets meer--noch 't slaan van hare voeten tegen de steenen, noch
+'t woelig gewentel van den wind, lijk hij somtemets met vervaarlijk
+geweld omzwirrelde, al pletsend op de vlakke muren zijn matelooze jacht.
+
+Ze gingen ook een tijdeken zonder spreken, en dan was 't alsof hunne
+gepeinzen, hooge boven het zot lawaai der strate, ievers in
+buitenzinnelijke vredigheid tegare kwamen, éen-wordend en bij parende
+rijen rondbijzend als een vlucht van gekoppelde tortelduiven. Ze zouden
+zoo zwijgend geerne gebleven zijn, maar dan merkten ze algauw dat ze
+onbetamelijk deden, en ze schuilden onder een pluimlichte conversatie
+hunne diepe zaligheid.
+
+In 't voorbijgaan viel om hen een subiete vlage van orkestgeluiden met,
+uit groote ruiten en breede deuren, 't geklater van sterk-stralend
+licht. Hij lispelde, haar zijwaarts meetrekkend:
+
+--Willen we hier eens binnen?
+
+Ze knikte. Het was haar alles eender, als 't maar een gezamenlijke
+doening was. Ze wipte nu de marmeren trapzuilen over en geraakte in de
+groote drinkzaal. 't Was haar een vlugge duizeling, de storting van al
+de withelle klaarte en, rekewijs langs 't verblindend geflikker van
+blanke tafelborden en ster-vonkend glasgerief, de sombere krioeling van
+menschen. Het docht haar, naarmate ze doortort zoekend daar binst naar
+een plaatse, dat al deze gezichten overhand opkeken naar heur en ze
+ried, in een zijblik, de blankheid van hun wendende voorhoofden. Ze
+voelde zich dan opgroeien, groot en struisch als ze was, grooter nog,
+en fier-schoone in hare grootheid.
+
+Als ze neerzat, verwarde meer en meer, in traag bedrijf, een gestadige
+bedwelming hare opgejaagde zinnen. Ze taterde. Ze voldeed met dol
+gepraat haar lastig ongeduur, en ze staarde gedurig vlak in Johannes
+zijn gelaat, er lavend de gulzigheid van hare gretige blikken.
+
+De muziek vervulde onderwijl met diverse golving van tonen het razende
+geluchte. Goedele liet zich wegdrijven erlangs. Nooit was ze zoo dronken
+geweest van vage geneuchten, die ze haast werkelijk taken kon, al
+smeulden ze nog, met onzeker vuur, daar vóor haar, heel dichte, in de
+toekomst. Hij zei:
+
+--Drink eens.
+
+--Ik spreek liever. Luistert ge niet?
+
+--Laat uwe lippen koelen.
+
+Ze liet haren mond raken den ijskouden drank, en rilde bij de kilte,
+haar gansche lijf door. Hij merkte dat ze rijzekens schrok, en bood haar
+lauwer water en 't suikerbordje. Ze zei:
+
+--Ik wou wel koffie.
+
+--Koffie moogt ge niet hebben.
+
+Ze lachte koortsig:
+
+--Wat belieft?
+
+Hij bestelde melk, en ze vond naderhand dat melk te heet en te dikke
+was. Ze bloosde endelijk en boog zich al zuchtend:
+
+--Och! ik weet niet--ik heb geen smaak ... ge moogt mij zoo scherp niet
+aankijken.
+
+Hij schaterde met geveinsde leute, en ze maakte even een pruilend
+moezeken, zich ten halve kantewaarts wendend:
+
+--Ik zal u niets meer vragen.
+
+--Doe dat.
+
+Ze moest dan meelachen.
+
+Als ze weer met hem op strate was, en plots het wiegelend
+orkestgedruisch wegroezelde achter haar, stond ze lijk dronken in den
+kouden avond. Ze drukte Ameye's arm en probeerde haar stappen te passen
+op de mate van zijn tragen gang. Ze boog haar hoofd en keek naar de
+tjoppen van hare schoenen, die overhand van onder haren mantel te
+voorschijn kwamen om seffens weg te duiken op een nieuw. Ameye brak
+schuchter de stilte, die neergeraakt was over hen:
+
+--Willen we naar 'n schouwburg?
+
+Ze beweerde dat ze niet aangekleed was daarvoor en liet een nieuwe
+stilte heerschen. Ze voelde dat hij zocht om samen alleen met haar
+te zitten en ze verwachtte met eene angstige aandoening wat hij nog
+voorstellen zou. Ze had er niet aan gedacht dat de avond zoo in
+trippelgang niet afloopen kón. Ze was niet bang voor hem. Ze wist dat
+hij hier de woorden niet vermocht te zeggen, welke hij zeggen moest.
+En hoe zou zijzelve ze hier aanhooren?
+
+--Willen we ... hebt ge geen trek in iets? was zijn verlegen vrage.
+
+Ze wist niet hoe hem te helpen. Ze zei dat alles haar goed was en dat
+hij zich maar niet moest lastig maken. Ze staarde in zijne oogen en
+fluisterde:
+
+--Ik ben gelukkig!
+
+Dan was 't weer een wandelen, straat in, straat uit, zonder ende.
+Johannes had niet meer dezelfde zwierigheid in het gesprek en zijne
+gedachten, gestadig in spanning, volgden moeielijk de woorden van
+Goedele. Hij vroeg dan meteen, heel rap, alsof hij in een geute al zijn
+moed daar neersmeet met éen gezegde:
+
+--We gaan soupeeren....
+
+Hij voelde dat hare hand een tijdeken op zijn arm bibberde, en hoorde
+dat ze precies struikelde. Ze kon niet goed een klank uit haar kele
+stooten en ze hief zijwaarts hare oogen naar hem. Hij las een groot
+vertrouwen in hare strakke blikken, een vertrouwen, dat alle aanvallen
+tarten kon.... Ze zei:
+
+--'t Is me eender ... als ge wilt....
+
+Ze zei 't ultermatelijk stille, en het was te merken dat haar antwoord
+haperde over hare tong. Hij voelde dat ze zich overgaf en dat haar
+aarzelende bede was: wees zachte, en doe niet hard, en krenk me niet....
+
+Hij stapte rapper door en 't jubelde al in hem, wat zingend opgalmde uit
+zijn herte. Vóor 't portaal van eene groote restauratie bukte hij zich
+en lachte:
+
+--Hier?
+
+Ze had, starende in een zonderling gemijmer, een droeven lach. Ze knikte
+en bracht dieper over haar aangezicht de licht-bruine vool, die om haren
+hoed was vastgestrikt.
+
+Hij duwde de witte deur open, die naar de eenzame salons leidde en
+bracht haar in een mooi versierd kabinet binnen, kleurig verlicht met
+elektrische bloemlampen. Hij was opgeruimd en sprak met ingetogen
+haastigheid. Hij vond dat ze zoo onpleizierig was.
+
+--Nu geen leute bederven, hoor!
+
+Hij nam haar mofje en hielp haar mantel uittrekken, en gaf alles rap
+over aan een kelner, die zwijgend in het deurgat kwam staan. Ze zette
+zich neer en zuchtte. Ze zag haar eigen gelaat rechtover zich in een
+spiegel en had een vlugge gebaar om even nog een haarkrulle weg te
+strijken, die buiten plaatse geraakt was.
+
+Johannes bestelde het eten, alles koud om alles in eens te kunnen
+krijgen en binstdat de geluidlooze lijven der kelners in druk bedrijf
+om de tafel werkzaam waren, verhaalde hij met kinderlijke gretigheid
+aardige avonturen.
+
+Goedele kwam al dadelijk onder den invloed van zijn driftig praten en
+kon hem endelijk met juichende blijheid antwoorden. Het kwam haar voor
+dat ze droomde, dat alles fluks weer neerstorten zou in dagelijksche
+werkelijkheid. Hoe was alles ontstaan? Ze wist niets meer. 't Was te rap
+gebeurd. Ze voelde Johannes dichtebij haar en al wat hier in verven en
+tonen aanwezig was, kwam heel zoete haar leden omstreden.
+
+De deure werd dichtegedraaid. Ze waren nu alleen. Ze hoorden den gang
+der kelners geleidelijk wegstappen op de doffe tapijten en teenemaal
+uitsterven, langs dalende trappen. Johannes bracht haar bij de tafel,
+en 't was alsof hij in waarheid niet merken wou de eenzaamheid van die
+muren, de beloken geluidloosheid van deze deur.... Het klepperde in hare
+hersens:
+
+--We zijn alleene....
+
+Maar Johannes werd schijnbaar niets gewaar, en zette zich rechtover haar
+en was dadelijk bezig met snijden en deelen en schinken. Goedele hoorde,
+midden in de zangerige doening van zijne stem, 't gerinkel der teere
+roemers en de harde klabettering van vorken en messen op gladde
+tellooren. 't Verwarde allemaal schielijk ondereen en haar hoofd was vol
+van 't eenvormig gedruisch;
+
+--Alleene ... alleene....
+
+Ze keek bedwelmd op. Ze nam zonder weten aldoor aan, wat hij haar
+overreikte en ze lachte lijze mee als hij schaterend te lachen begon.
+Somtemets schoten heete walmen naar heure slapen en dan doopte ze hare
+lippen in de deugddoende frischheid van den wijn. Ze verwonderde zich
+dat Johannes zoo zorgelijk zich bezighield met het luttele bedrijf van
+het eten, dat hij al den ijver van zijne vingeren daaromtrent in gulzige
+werking bracht, en dat hij daar zat, vóor haar, aan 't spinnen een
+aardige webbe van kleine vertellingen, zonder aandacht precies voor hare
+aanwezigheid, zonder herinnering precies aan hunne verleden
+verwachtingen....
+
+
+En 't ging alweer hamerend op in haar vleesch, stijgend in dreunende
+slagen, tot hare gedachten maar éen gedacht meer vormden, een gedacht
+van zonderlinge angst:
+
+--Alleene....
+
+Hij hief zijn glas op en 't licht bibberde veranderlijk in den roerenden
+drank. Hij sprak van levenslust en kommerlooze leute, en over zijn wezen
+kwam een stil-lachend pleizier, een natten gloed leggend in zijn
+diep-zwarte oogen. Ze taakte 't groote geneuchte, dat hij met woorden
+boven de tafel leven deed, en ze duizelde bij stonden, geen uitweg meer
+wetend voor 't overweldigend geluk, dat opgloeide in haar. En haar glas
+reikte ze naar 't zijne uit....
+
+Al meer vervaagde stilaan het zicht der dingen. Een trossel druiven
+praalde, purper-schijnend, midden tusschen de blankheid van porseleinen
+schalen. Ze zag niets anders meer ommedom. 't Overige gekleur fonkelde
+uit in schemerende lichtvlakten, altemets gestriemd met vluchtige
+strepen. Johannes was opgestaan....
+
+Ze voelde nu zijn warme nabijheid. Ze voelde zijn arm, die om haar leen
+kwam fleeren en haar dichter aansloot tegen hem. En zijn asem kittelde
+over haar gezichte.
+
+--Melieve....
+
+Haar emotie sloeg in forsche klopping door hare leden. Zijn stemme
+brandde en smeet in laaie golving om haar. Hij fluisterde met hijgende
+gichtigheid:
+
+--Laat me u voelen ... zoo dichtbij ... tasten uw werkelijk lijf en den
+blik, die optoovert uit uwe oogen. Zóo zijn we in sterke zaligheid te
+gare--te gare, lijk het zijn moest naar de wetten van ons beider lot.
+Weet ge ooit hoe diep ik u lieve!
+
+Zijn mond toetste bijkans haren mond en zijn woorden stieten aan tegen
+hare lippen. Hij lispelde, begeesterd:
+
+--Kijk òp--kijk òp ... en dring in mij.... Weet ge ooit hoe ganschelijk
+mijn leven is vastgeketend aan uw leven! Kijk òp.... De toekomst is me
+een blijde straling geworden.
+
+Hij sprak van de toekomst. Hij kuste haar op haar voorhoofd en in heur
+haar. Hij sprak van de toekomst, vervoerd, verrukt, en lang beeldde hij
+'t haar vóor, hoe ze saam, buiten aller wete, jaloersch voor eigen
+geluk, hun genot in een klein huizeken zouden bergen, hoe ze daar trage
+avonden zouden slijten, aldoor in 't gulden wonder van hun liefde. Hij
+verzinde een sierlijke detailleering daaromme, zoodat 't opstraalde in
+menig geflikker, vlammekens alhier en alginder--altegare een groot
+minnevuur. Hij joeg zijn woorden achter mekaar en zoende haar driftig en
+aaide hare vingeren, vragend:
+
+--Wilt ge?... wilt ge?
+
+Ze stamelde, heel week wordend:
+
+--Ik ... wil....
+
+Hare borste golfde geweldig, hare wimpers waren heet en zij voelde de
+tranen niet, die stille over hare wangen rolden. Ze snikte endelijk en
+vatte in plotselijke drift zijn hoofd in hare handen en drukte 't met
+ongemeene kracht tegen haren zwellenden boezem. Ze hakkelde:
+
+--Ja ... ja ... ik wil ... ik zie u zóo ... machtig geerne ... u ...
+u....
+
+Hare natte lippen sleerden, lang-zoenend over zijnen hals.
+
+Het was alzoo een stonde van overmatige aandoening en al wat rond haar
+bestond, al wat ze nog in beweeglijke grijsheid herkende, de witte
+spetsing van roemers en teelen, de purpere gloeiing van druiven, het
+tinteleerende gesternte van bloemlampen--al wat ze zonder aandacht nog
+opnam in haren geest, 't vloeide uiteen, 't verwijderde zich en 't
+roerde een ende ginder, heinde en verre.
+
+Ze was hier met Johannes, en niets leefde buiten 't leven, dat ze met
+Johannes uitasemde. De wereld lag in de wijdte, waar ze niets meer raken
+kon, waar ze met een stoot van heur herte de wereld verdreven had. En ze
+groeide op ten hemel, in bovenzinnelijke verrukking....
+
+Met hem ... met Johannes ... eeniglijk....
+
+Alleene.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XI.
+
+
+Binst de dagen, die volgden, was de droom, die Goedele zich, buiten de
+tastbare werkelijkheid, omtrent al 't gebeurde had voorgesteld, tot eene
+zonderlinge, onbewuste werkelijkheid opgewassen. 't En was geen droom
+meer. Ze had het nieuwe sterke leven met het vorige en nog thuis-wezende
+leven vereend, en altezamen was 't een dooreenwarrelend bestaan
+geworden, waar boven klaterde de harde drift van hare liefde.
+
+De nabijheid van moeder en de nuchtere vrijagie van Sebastiaan werden
+haar onverschillig en ze beleed den last ervan met effene
+verdraagzaamheid.
+
+Hare eenige aandacht lag in 't verbergen van haar geheim bedrijf, en ze
+wist met doorslepen oolijkheid de slimme beloeringen van Justa te
+verweren.
+
+Twee- en drijmaal te weke bracht ze een haastig bezoek bij Romaan en
+liep dan, langs veranderlijke omwegen, de stad omme, endelijk in een
+verlaten wijk een laag huizeken binnensluipend.... Niemand mocht
+vermoeden dat ze hier kwam, en ze nam dan ook alle voorzorgen om te
+beletten dat iemand 't vermoeden kon. Daar Ursule niemand bij Romaan
+zenden kon, geraakte zij deze vreemde doening niet te wete. Ze deed
+overigens maar af en toe hare dochter achtervolgen, en daar Justa haar
+iedermaal zeggen kwam dat Goedele bij haar broer binnen was, had zij
+geen verdere verdenkingen. Omdat Goedele ook thuis tot redelijke
+handeling scheen teruggekeerd en nu teenemaal met Sebastiaan verzoend
+bleek, had ze geen onrustigheid meer. Haar rheumatiek beterde er
+schijnbaar door, en ze kon al ommentweer wandelen en tallenkant
+inspectie doen.
+
+Goedele had in hare oogen een goed gedrag. Alleen deed ze nu meer aan
+toilet en had over haar een overdreven prontigheid. Maar in het idee van
+Ursule, was 't allemaal om Sebastiaan te behagen, en zoo waren 't,
+peinsde ze, goed-besteedde onkosten, die later wel dikken intrest zouden
+afwerpen.
+
+Goedele bekommerde zich om niets en liet alles gedwee gebeuren wat in
+huis de gewone gang der dingen was. Altemets had ze een vlugge zwakheid,
+meerendeels veroorzaakt door 't zachte blikken van Sebastiaan of 't
+tijdelijk zuchten van Bella. Als ze echter alleen op strate kwam en
+'t groote gewoel der stad hoorde, was alles weer vergeten, en vuurde
+slechts nog in haar ziele 't verlangen om geweldig te leven. Het
+bezoekje bij Romaan was haar insgelijks een koortsaansporing: ze voelde
+er 't ongezond bestaan van hare liefde, midden in 't weevolle geluchte,
+en ze asemde er algauw 't bedwelmende gift, dat haar tot kwalijk
+zinnenbedrijf uitermate stemde. En Romaan bovendien bracht een gestadige
+duizeling in haar hoofd met de listige argumentatie van zijn vrije
+theorieën. Binstdat tante Olympe stilaan wegkwijnde en kermde dat hij nu
+toch met Madeleen trouwen zou, kwam hij dan met zijn hoogdravende
+levensopvattingen te voorschijn, en Goedele voelde dat alles weer goed
+was. In hare hersens wapperden de driftige woorden:
+
+--Leven!... Leven!... Vrije leven en vrije liefde!...
+
+En ze leefde aldus, en 't deed haar deugd dat ze 't onder Romaan's
+invloed zoo schoone merkte. Ze was vrij. Geen banden knelden haar, geen
+wil van moeder bezeerde haar, geen muren van 't vierkante huis alginds
+wogen op haar. Ze was vrij levend en hare liefde, die sterkelijk uit
+eigen zinlijke emotie en eigen gepeinzen was opgerezen, hare liefde was
+vrij....
+
+Met nieuwe gretigheid liep ze dan naar het huizeken, waar Johannes op
+haar wachtte of waar zij op Johannes wachten zou.
+
+Het stond in een nauw en stil straatje, en ze kon 't goed bereiken
+zonder belonkt te worden. 't Was een laag ouderwetsch gedoe met éen
+verdiep en een trap vóór de deure. Johannes had het binnenwaarts met
+kunstigen smaak versierd. Er waren vlakvloers twee plaatsen en een
+verandah. Hij had de verandah met allerhande groen en gebloemte bezet,
+en een schuchter blauwig licht laten binnenzijpelen. Daarnevens had hij
+een weelderige zitkamer gemaakt met open heerd, en alles was er in zoo
+teere tinten aangebracht dat nievers een blik aanstooten kon tegen een
+onbehendige verve. Dikke tapijten voerden den tert van voeten en 't
+lichte geschuif van stoelen onhoorbaar over den vloer. Lage zetels
+omdeden 't lekkere vuur, dat langs welriekende sperrescheiers opvlamde,
+en pelsen matten legden onderaan een doezelige zoetigheid.
+
+Deze plaats gaf met een dobbele deure toegang tot de slaapkamer. Hier
+was met voorliefde het minste hoekje mooi-gezellig gemaakt en midden-in
+stond de breede sponde, geheel en al met kanten spreien bedekt en
+omhangen met doorzichtige voolen. Lichtgeel marmer lag op de waschtafel
+en er rechtover, was een hooge psyché-spiegel ook met licht gewaad
+omstrjkt. Langs de muren viel, in zwaar gevouw, het thee-rozig
+behangsel.
+
+Goedele ging zelden op het verdiep, waar Johannes twee liefelijke
+leeskabinetten en een badkamerken aangelegd had. Het huizeken had
+overigens 't karakter niet van een blijvende woonste en 't leek meer
+op een verrukkelijk pied-à-terre, een donzig nest voor schuchtere en
+angstige verliefden.
+
+'t Gebeurde zelden dat hij niet vóor haar binnen was. Ze had halvelings
+de deur opengeduwd, als hij haar reeds in zijne armen ontving en haar,
+onder driftig zoenen, telkens bedankte dat zij toch weer gekomen was.
+Hij staarde diepe in hare oogen:
+
+--Melieve!
+
+--Johan!
+
+Ze lachte hem gulzig tegen, en lei hare hand om zijnen schouder, en
+leunde met haar voorhoofd op zijne borst. Stille nam hij haren hoed en
+haren mantel, en ze moest seffens hare schoenen uitdoen en lederen
+slofjes aansteken.
+
+--Waar ge warme pootjes mee houdt....
+
+Ze waren alzoo geheel thuis. Ze gingen zitten bij den heerd en Johannes
+wakkerde 't vuur aan, zoodat de vlammen opkrulden en iedermaal een laaie
+klaarte deden opgloeien in de schemergrijze kamer. Ze zaten naast
+mekaar. Binst mijmerende stonden, wijl ze sprakeloos in de fonkeling der
+scheiers staarden en enkel mekaar's vingeren lijze op den rand der
+zetels dooreen hadden geleid, kwam in huis het verre lawaai van de stad.
+Geleidelijk zeeg de langzame donkerte en wijder sprong het licht uit den
+heerd. Ze voelden heel schoone den vredigen samengang van hunne
+gedachten, lijk een vleugeling van pluimlichte winden.
+
+Naderhand keken ze op naar mekaar en, in een opgaan van teugellooze
+passie, vielen hunne lijven tegaar. Ze fluisterden vervoerd hunne heete
+woorden van liefde en hun verlangen brandde hun borste vaneen, in dolle
+jacht hun bloed opzweepend.
+
+--Ziet ge mij geerne?
+
+--Eeuwig ... eeuwig....
+
+De avond somberde deugdelijk om hen henen, en de klaarte van 't vuur
+sloeg al breeder uit en strengelde hun beider hoofd in éen laaien ring
+van vlammen.
+
+--Voele 'k u? Zijt gij 't, lieve?
+
+--Hier zijn uwe lippen....
+
+--Voele 'k u gansehelijk? Me dunkt, daar zullen geen dagen meer komen,
+en dees is de laatste dag....
+
+--'t Is eene eeuwigheid, die begint.
+
+Goedele prangde hem op haren boezem en heerlijk gaf zich ten geheele
+over aan 't schrikkelijke geweld van hare liefde.
+
+Ze lag in late deemstering op het bedde, en alles wat om haar was
+waterde in groene nattigheid weg. Ze hoorde den matelijken gang van
+haren asem, tot ook dát wijder uit verzuchtte en ze dan overmand in
+diepen slaap geraakte. 't En duurde niet lang. Verwilderd stak ze hare
+oogen openen zat seffens overend. Johannes, aan 't voetende gezeten,
+beloerde met liefderijken blik haar kinderlijke vrees en 't schoon
+gebaar van haar ontwaken. Hij vatte haren blooten arm en kuste haren
+schouder. Ze bloosde en glimlachte:
+
+--Ik wist ... niet meer....
+
+Ze was blij dat hij hier was dichtebij, en dat hare schaamte redeloos
+over haren rugge rilde. De pracht van heur haar rees breed-golvend langs
+haren naakten hals, en ze las in de wondere doening van zijne oogen, dat
+ze aldus mooi was en begeerlijk. Ze was gelukkig. Ze was
+onvoorwaardelijk aan hem en wou mooi zijn om aan hem te blijven. En zoo
+boog ze over hem en merkte de siddering, die langs zijne leden opging,
+terwijl ze hem taakte met haar lauwzoete vleesch.
+
+--Zult ge me nooit verlaten?
+
+Hij belook haren mond met een zoen en omsloot haar met versche
+driftigheid in zijne armen. Ze was zeker, al vroeg ze 't met aaiende
+stemme, dat hij haar niet verlaten zou. Ze wist wel haren onregelmatigen
+toestand en 't deed haar dikwijls pijne, als ze bedacht wat er in zijn
+ander leven lag, 'tgene hij niet met het hare beleefde. Maar dan zag ze
+de vrome verwijfdheid van Sebastiaan, en ze kon Johannes vergeven wat
+zij, bijkans in eendere mate, met Sebastiaan voorhad. Niets weerstond
+overigens aan de sterkte van hare liefde, nog verschoond door het
+treffend argumenteeren van Romaan. Ze had niettemin niets durven
+bekennen aan haar broeder en dikwijls, wijl ze Madeleen bekeek, wutelde
+ievers in een hoek van haar geweten een vreemdsoortige wroeging....
+
+Ze wist dat Johannes haar niet verlaten zou. Al meer en meer kende ze
+den machtigen invloed van hare struische schoonheid, en ze troetelde
+haar lijf nu, bezorgd voor een vlekje, dat de matte blankheid ervan
+breken kon. Ze mocht op Johannes vertrouwen.
+
+--Wordt Madeleen door Romaan verlaten? vroeg hij soms.
+
+Hij wettigde heel gemakkelijk hunnen toestand, en ze dacht er weldra
+niet meer aan dat er grondelijke moeielijkheden ievers mochten oprijzen.
+
+Langzaam, met sneeuw en vorst, nevelde de winter voorbij. 't Werd vuil
+weere, en triestige regendagen trokken zich schreiend uit achter mekaar.
+Ze zaten soms een heel en tijd te luisteren naar 't dropgetjokkel op de
+vensterruiten of naar 't gewaai van de vlage, gelijk die bij stonden
+forsig neersmeet in de schouw. Ze drongen tegeneen en rustten, slape aan
+slape, in zwijgende aandacht. Eene endelooze droefenis woog daarbuiten
+en alles, langs gevels en daken, was grauw en grijs. Op het glazen
+gewelf der verandah spetterde de regen. 't Was er een wippen en dansen
+van ruchtige druppels, haastig achtereen, naar de mate van den
+wispelturigen wind. 't Hield altemets plotseling op, en Goedele blikte
+kantewaarts naar Johannes.
+
+--'t Gaat over....
+
+--'t Herbegint.
+
+Ze streelden mekaar's vingeren. Ze knikten in onzeggelijk geneuchte, en
+'t leelijke weer maakte het veilig huizeken gezellig en warm. Ze waren
+hier goed. Ze hielden hier van mekaar. Hunne vingeren kriebelden lichte
+over hunne vingeren....
+
+De dagen verlengden aldoor en, na den regen, glom het eerste gelach der
+zonne.
+
+De Lente kwam precies zoo subiet, zonder overgang. Een teer blauw
+geluchte welfde hooge en diepe boven de stad zijn fraaie bogen, en
+daaronder speelde 't gestraal van den frisschen dag, even gebroken door
+het tijdelijk verkeer van wattige wolkskens. 't Gebeurde in waarheid
+zonder overgang. Ende Maarte keerden alhier de zwaluwen terug en in den
+beginne van April schoten tallenkant langs warandewegen en beplante
+lanen de sapvette knoppen. 't Getwijg wiegelde met tenger groen, eer de
+maand ten halve was verloopen, en Mei was er rijzekens, als de kinderen
+op strate reeds met kevers speelden.
+
+In de stille steeg, waar ze nu met nieuw verlangen het huizeken vulde,
+beluisterde Goedele het kleine stemgeluid der bengels:
+
+ Vliege--vliege--vleugeke,
+ Dat beesteke gaat naar 't meuleke,
+ Alover de zokken,
+ Alover de blokken.
+ Onze-lieve-Vrouwe van het kerrekhofken....
+
+De zang was haar een liefelijk pleizier. Ze tastte erlangs de blijheid
+van het versche getij en de zilveren wappering van de zonne. Ze
+glimlachte. Johannes zat bij 't raam aan 't schetsen. Ze staarde naar
+hem en ging na de struische lijn van zijn rugge, het somber schouwspel
+van zijn hoofd en dieper, vlak boven de witheid van zijn teekenboek, de
+schoone sterkte van zijn aangezicht. Ze taakte permintelijk den forschen
+bouw zijner schouders en verwijlde naderhand om 't behendig bedrijf
+zijner vingeren. Ze was vol bewondering voor hem, omdat hij pront was en
+krachtig en groot. Een djentelijk vuur van den dag trilde tusschen 't
+menig geplooi van de venstergordijn en viel helstralend op zijn
+rechterhand. En daarmee hoorde ze klaar bijzend, ginderbuiten, het
+luttel gerinkel van 't lied:
+
+ Vliege--vliege--vleugeken,
+ Dat beesteke gaat naar 't meuleken....
+
+Ze zag in hare gepeinzen, 't profijtelijk gepeuter van teere
+kinderpollekens om 't langzame lijf van de kevers, de ongedurige
+flikkering van hun loerende oogen, en 't kraken van hun broekskens,
+terwijl ze op hun knieën voortklefferden. Ze verzinde dat de meidiertjes
+endelijk opvlogen, en 't was dan seffens een juichend handgeklap, een
+zot jubelen van al die keelkens.... Ze tuurde naar de zonnevlek langs
+Johannes zijn werkzame vingeren, en ze glimlachte vergenoegd.
+
+Zoo omleuterde de jonge Lente haar herte. Ze zei:
+
+--Johan!
+
+Hij keek op, en zijn donkere oogen hadden elk een sterreken van het
+goede voorjaarslicht. Ze wenkte zoetekens met haar hoofd en hij kwam
+over haar buigen. Ze blikte in zijn wezen en vroeg:
+
+--Waarom zijt ge bezig, zoo ijverig ... en zoo verre van mij?
+
+--Ik maak entwat--'k en wete niet klaar.... Ik heb overal bloemen in
+mijn hoofd en ik zie overal gulden plantsoen. Ik peinsde dat ik 't zoo
+neerleggen kon, in lijnen....
+
+--Niet waar? Allemaal te gare een groot perk van diverse kleuren?...
+Kom bij me. Ik heb in mijn hersens een ringende vlucht van vogels, en ze
+kwinkeleeren dooreen. Luister eens naar uw eigen....
+
+'t Steeg daarbuiten heel zacht en deugddoende, soms lijk een bimmeling
+van klokskens:
+
+ Alover de zokken,
+ Alover de blokken,
+ Onze-lieve-Vrouwe van het kerrekhofken....
+
+Goedele's haar kriebelde om zijn neuze en lager bukte hij, fluisterend:
+
+--'t Is 't nieuwe seizoen, melieve.... Nu juicht tallenkant de liefde
+die hier vóor maanden te juichen begon, hier eeniglijk. Nu klatert het
+zonnevuur en laait op met den vlammigen brand van ons lijven. Zijt ge
+gelukkig?
+
+--Bemint ge mij?
+
+Ze lachten alle twee en brachten hun gretige lippen samen. De
+zonnestraal, die noesch door de reten van de witte gordijn was
+binnengedrongen, bleef nog een wijlken langs de sporten van Johannes'
+leegen stoel lanterfanten en duisterde geleidelijk weg.
+
+Zoo leuterde de jonge Lente.
+
+Andermaal was de nanoen overheerlijk. Ze besloten dan dat ze de stad
+zouden verlaten en vermeien in de opgroenende velden aan den rand van
+het aloude Zeuniërwoud. Ze vertrokken met den trein en vonden het
+prettig, zoo te gare zitten in het zoevende coupé, tegeneengedrongen,
+matelijk geschokt op de wippende kussens en kijkend, met kinderlijke
+achtzaamheid, naar 't voorbijjagende landschap. 't Was eerst het sombere
+zicht van de buitenwijken der stad, de zwartdampige fabrieksschouwen en
+de grauwbesmookte daken, de vuile muren beplakt met hel-schreeuwende
+reclames of beschilderd met namen van ruchtige firma's. Stilaan, na de
+rote lage werkmanshuizekens, rees een olmenlaan en lag verder een
+malsche weide open.
+
+--Waar zijn we hier?
+
+--Heelemaal buiten de poorten ... de vesten over ... en Brabant in....
+
+--Ei? Kijk daar!
+
+'t Was, bezij de baan, een groote kudde schapen, die schuchter tegen
+den barm verdrongen, roerloos te wachten stond, tot de vervaarlijke
+stoomvaart voorbij zou daveren. Goedele behield een liefelijk beeld
+ervan, lijk de beestjes daar in 't zilveren zonnegeweld wit opwolden,
+hun stokkepootjes vreesachtig te gare en hun koppen bovenuit, al te
+zamen gerokken naar 't veilig beschut van den barm. Het was alsof
+zijzelve met eendere angstigheid een duurbaar leven had te bergen, en ze
+roerde haren arm om zekerlijk het buigend lijf van Johannes te voelen.
+De zonne spetterde lustig tegen de ruiten....
+
+Als ze kort daarop moest afstappen en de statie doorging, meende ze dat
+de treinbediende haar met zonderlinge aandacht bekeek en blikte ze bang
+ommentweere, verveerd dat ievers een vijandig oog haar betrappen mocht.
+In 't open veld, heinde en wijd bespikkeld met springjeugdig plantsoen,
+lag voor haar een onendige peiselijkheid en algauw vergat ze de wereld
+van koude muren en valsche verhoudingen om mee te leven met de sappige
+natuur. Hier vooral meende ze de waarheid te tasten van Romaan's
+vrijzinnige theorieën en ze werd dronken van de hevige lucht.
+
+Ze hing aan Johannes' arm. Ze roken allebei zwijgend den sterken geur
+van het hoog-wassend gers, en het tokkelig sterregedoe van de menige
+meerschbloemen draaide zot en grappig in hunne hersens. Ze verlieten de
+wegels en torten in de dichte beemden, en 't was een versche leute
+iedermaal ze struikelden in 't harrewarrig gewas of plots vóor hun
+voeten een jonge puit opjoepen deden.
+
+--Aai-Heere! wat hebbe 'k geschrokken!
+
+--Jrsst!... wipte de puit.
+
+En een rilde weikerse bibberde even tenden haren slanken steel,
+waarlangs hij te lore was gesprongen....
+
+Ze liepen een beekje over en stonden hijgend te lachen aan den anderen
+kant. Goedele bloosde tot achter hare ooren. Ze drilden met het waterken
+mee en bleven altemets neerhurken, waar de oevers breeder werden en een
+schoone partije lischriet heen en omme waaide onder de aaiing van een
+heimelijken wind.
+
+--Wordt ge moe, lieve?
+
+--Wat zou ik!
+
+Ze staarden naar het spel van de zonne langs de klein-klotsende golfjes
+en hoe daarover meteen een spinnekobbe langebeende, patjinkel-patjokkel,
+op al haar grootste gemak.
+
+--Ze blijft stille....
+
+--Ze peinst.
+
+Een koppel waternaalden zegen bibbervleugelend neerwaarts en zetten zich
+nevenseen op een drijvende blare. Alles was voor Goedele ongezien en
+wonderbaar. Ze wist geen weg met hare gulzige nieuwsgierigheid en ze
+lengde haren hals naar het ruchtlooze water, waar zoo verschillig een
+intense leven aan 't roeren was. Onder de klare vlakte deed een
+salamander lui waggelen haren kronkel-krommen steert....
+
+Ze stonden naderhand recht en, hand in hand, huppelden verder, zat van
+'t schoone licht en bedwelmd door den struischen reuk der meerschen.
+Hunne vingeren waren ineengehaakt en ze blikten benedenwaarts in 't
+diepe gers, waaruit, bij elken stap, een zwerm gevleugelde dierkens
+opwolkte en uit mekaar stoof. Ze vertrapten de zaadzware hoofden der
+halmkens.
+
+Uit een laag korenveld rees in noesche vlucht een leeuwerik omhooge. Zij
+stonden seffens te luisteren naar zijn heerlijk getater en keken op, hem
+navolgend tot tegen den schitterenden hemel. Hij kwetterde maar gedurig
+en steeg met stage verduldigheid.
+
+--Ziet ge 'm nog?
+
+--Wacht ... ja ... ja....
+
+--Langs die luttele watte ginds....
+
+--Ik zie hem!
+
+Hij was een klein zwart puntje geworden en nog warrelde in blijde
+schatering zijn juichende lied. Hij ging òp. Al bewoog hij naar rechts
+noch anderzijds, al bleef hij ginder donker-puntelen tegen het stralende
+gewelf, al was hij nu bijkans een stofken, zonder gedaante en
+levenloos--òp, hooger en hooger, kleiner en kleiner, òp ging hij! Ze
+voelden 't allebei. Hunne oogen kittelden van 't staren en droog was
+hunne keel. Ze hielden haast hun asem in en fluisterden:
+
+--Nog...?
+
+--Een zierken....
+
+--Hij is weg!
+
+--Neen!
+
+--'k Hebbe hem weere....
+
+--Ho!... Ho!... Ja....
+
+Een verraste kreet ontviel hun meteen. De leeuwerik
+daalde--daalde--plots zwijgend, plots grooter wordend, een doode massa,
+die straks zou neerpletsen, met een akeligen stoot, op den harden
+grond.... Maar kijk! hij streek, al met een keer levend opnieuw, dicht
+bij de eerde zijlings weg en dook zachtekens in het groene koren.
+
+Goedele wendde hare oogen naar Johannes en een tijdeken lachtten ze
+malkander tegen. Dan liepen ze weer door en hun hoofd was nog vol van de
+hevige straling, die ze langs den diepen hemel hadden opgenomen.
+
+Bij valavond bereikten ze een groote hoeve en daar konnen ze een schel
+hespe krijgen met roggebrood. Ze waren waarachtig uitgehongerd en nooit
+hadden ze meer smaak in 't eten. De zware boerenkost was hun licht en ze
+hadden danig pleizier, de eene om de aardige gulzigheid van den anderen.
+'t Was hier een lage kamer met zwart-eiken zoldering en twee
+groen-geruite vensters. De roode glans van de zonne hing gulden ranken
+erlangs, zoodat in huis een vreemd purperen licht schemerde, hier en
+daar opschietend langs de bolle bulten van het koperen kookgerief. Onder
+'t blauwachtige schouwkleed zat ten halve in de donkerte de oude
+pachteresse, grijs-geschort en gebukt in de vouwen van haren gelen
+borstdoek. Ze was daar een beeld van eenzaamheid en stilte, van eendere
+verve als de doodgaande dag en zwijgend als de nacht, die zou komen. Ze
+had ook in deze kamer die albeheerschende beteekenisse, zoodat Goedele
+noch Johannes de zoetigheid van 't geluchte haast niet storen dierven en
+zich spoedden om weer vrij te zijn in den open buiten.
+
+Maar buiten was nu de wonderlijke avond aan gang en ze geraakten seffens
+in de stemming van de droomerige stonde. Ze gingen stille arm aan arm,
+langs verlaten wegels woudewaarts, en keken mijmerend naar hunne dobble
+schaduw, die schuins tegen de barms oprees of verder in gedoken grachten
+wegzakte. Heel wijd, waar 't endelooze geboomte somberde, klonk de
+matelijke roep van een boschuil.
+
+De avond weefde allerzijds een doorzichtig gewaad van goudgele en oranje
+en warm-roode tinten, en de hooge populieren stonden rekewijs aan den
+rand der beemden, met bronzen stam in 't zachte licht. Rijzekens
+streuvelde een blood gewaai erlangs, en een hoogste blaadje wiegelde
+tenden het roerloos getwijg, daarboven danig zwart tegen 't groen-blauwe
+deemsteren van den hemel.
+
+Ten oosten nevelde de grauwte al dikker en dikker en, als ze zich
+ommekeerden, zagen ze 't donkere schaliedak van de hoeve mee vergaan met
+de duisternis, die ginder trage werd opgestapeld. Even riemde omhooge
+langs de schouw een lintje witten damp, en 't begon heel subtiel rond te
+ringelen, wispelturig en speelsch, tot het openpluimde en uiteendonsde
+en dood was.
+
+Goedele drong dichter bij Johannes aan. In haar rustte al 't geweld van
+den schoonen dag en ze had nu een zachte behoefte om 't niet in
+gichtigheid weer op te jagen. Ze wilde rustig zijn. Ze voelde zich
+meegroeien tot eene effene vrede, met den peiselijken avond, en ze zou
+niets hier breken, noch door onsierlijk gebaar noch door kwetterend
+gezegde. Ze leefde even sterk als in den nanoen, maar 't was
+tegenwoordig een bewustvolle, rijpe leven, de moutere uitslag van 't
+schaterend rumoer over dag.
+
+Sprakeloos gingen ze en drongen binnen 't nachtlijke woud.
+
+Hij vroeg of ze entwat vreesde. Het docht hem dat hare hand beefde en ze
+meteen de bangheid taakte, die onder 't somber gewelf der beuken varende
+was. Hij omvatte hare leen en drukte haar lijf zoetekens tegen het
+zijne. Ze blikte naar hem dankbaar op en hij zag een vluchtige straling
+opflikkeren in hare oogen.
+
+--Weent ge?
+
+Ze boog haar hoofd diepe aangedaan en schudde 't nadien ontkennend.
+Ze stamelde:
+
+--Het is hier alles zoo plechtig, zoo heerlijk....
+
+Hij zei dat het de endeloosheid was van hunne liefde en, trage wandelend
+liet ze zich geheel aanleunen tegen hem. Ze waren alzoo, te gare, éen
+schuivende schimme, éen wezen, en hun asem joeg opwaarts, bijeenwaaiend
+langs hun voorhoofd tot een streelende lauwte. Ze gingen door. Ze wisten
+niet waar de weg hen leidde en hoe dees gaan zou ophouden; maar zij en
+hadden geen zicht voor toekomstig gedoe, zoo ganschelijk waren door
+huidig geluk vervuld hunne begeesterde zielen. Hij vroeg:
+
+--Zijt ge nu weer rustig?
+
+Ze knikte en drukte innig haar hoofd op zijnen schouder.
+
+Nievers hadden ze ooit in zoo zwijgend en vredig een nacht gewandeld en
+hunne liefde heerschte hier in almachtige meesterschap. Goedele wendde
+altemets hare blikken achterwaarts: waar, alginds, tenden een klare
+holte het stille woud begon, zag ze nog een vlekje van den hemel,
+donkerrood geverfd en smeulend in schuchtere asschevonken. Ze was uit de
+klaarte gekomen, uit het wijde dal, dat zonder leven wegdeemsterde, en
+ze tort nu in het zwarte bosch, zich veilig voelend, heel lijze, aan
+Johannes' arm. Ze spraken weinig. De plechtigheid van deze eenzame
+donkerte drong binnen hunne ziel en ze wisten dat geen woord
+tegenwoordig welsprekend kon zijn. Bijwijlen keken ze op naar mekaar en
+schouwden, trager stappend, in mekaar's gezichte, en de endelooze
+teerheid, die in hunne oogen straalde, was een vrucht van de heilige
+stilte.
+
+Zoo was de stilte.
+
+Alleen hun voeten ruischten over het mulle stof en raakten soms een
+doode takje, een springende kei, een teurfel graseerde.... Van
+weerszijde reikten het ondoordringbare heestergedoe en 't sterke
+geboomte en, tallenkante, als een ontastbare muur, de éenige duisternis.
+Heel verre steeg even 't geraas van een stoomwagen of 't rollen, altijd
+door, van daverende wielen. Maar 't was een doezelinge wijd op den
+achtergrond, en 't en taakte bijkans de stilte niet, de heerlijke
+stilte, 't schoone bedrijf van dezen rustigen nacht.
+
+Ze drukten malkanders hand. Ze waren aaneengestrengeld en hunne vingeren
+sleerden langs hun staag-gaande lijf. Johannes drong bij stonden dicht
+aan tegen Goedele, en, alsof hij een vrage had gedaan, antwoordde ze
+fluisterend:
+
+--Ik ben gelukkig....
+
+Dus was hare stem geenszins een stoornisse van de stilte, maar een deel
+van de stilte zelve, een schakel van het gulden nachtgeheim. Want hun
+minste gebaar weefde mee in 't gebouw van de àl-zoete harmonije en
+spinde een draad van het broze gewaad der stilte. De stilte bleef omdoen
+de mooie werking van den schuivenden tijd en van hun stralende liefde.
+En zoo gebeurde 't dat Goedele sprak, alsof Johannes een vrage had
+gedaan.
+
+De weg verbreedde meteen. De boomen, die boven de bane hunne takken tot
+een dicht gewelf hadden vereend, gingen vaneen en stonden in ronde rote.
+Uit den hemel viel een aarzelend licht en kwam onderaan bibberen
+langsheen het roerloos getwijg.
+
+Ze torten niet verder. Ze blikten daarboven en tuurden in 't
+zwart-blauwe geluchte, naar ginds, waar duizenden sterren optikkelden,
+in wonderbare krioelinge. Hunne lippen krulden rijzekens omme en ze
+beloerden verrukt 't gefonkel van den ontzaglijken hemel, die over hen,
+in zilverig gedrup, zijne wijdsche blijheid uitstortte. Overal zijpelde
+het zachte licht en 't wielde menig de tinteling ommentweere langs de
+bolle diepte, allerzijds raderkens draaiend van kostbare juweelen. 't
+Was een kleurgedaver zonder ruste, al kransen en roerende ranken, al
+weelde en djentige rijkelijkheid, holderdebolder dooreen, hel en
+prillevend en speelsch. 't Vulde alom de ruimte, 't daalde precies,
+'t omvatte hunne slapen en 't fleerde langs hunne vingeren. Johannes
+murmelde, dichter komend:
+
+--Verwijder u niet....
+
+Goedele zei, begeesterd, ontrukt aan de hardheid van de eerde:
+
+--Stil.... Ik sta in het licht.
+
+Op dees oogenblik was geen minste leegte meer tusschen hunne lijven, en
+tegare sloten zich hunne gepeinzen aan. Hooger dreven ze, waar geen
+gevaar hun machtig leven kon bedreigen en geen verwijt bezeeren het
+lieve bedrijf van hun ziel.
+
+'t En was geen duizeling, die rapper hun bloed door hunne leden joeg.
+Ze waren vervoerd, zwevend in 't onmetelijk geluchte, waar duizendvoud
+ringelde 't beweeglijk gesternte. Ze hadden geen verlangen. Ze beleefden
+in trage stonden de gebeurende voldoening van al hunne lusten. Hij
+omarmde haar, smeekend:
+
+--Verwijder u niet....
+
+Ze stotterde, nauw hoorbaar, haar hals uitlengend en pinkend met hare
+wimpers:
+
+--Ik ... ikke ... ikke....
+
+Ze vond niet het woord--daar was geen woord.... Daar was de zalige
+stilte, de stilte vol van 't zilvertjokkend geluid der sterren....
+Toch de stilte, die niet te storen was.
+
+--Houde'k u? Hebbe'k u? U ... u...? vroeg hij, en 't was lijk een verre
+gedruisch, waarlangs belde het lichte sterrenspel. Ze voelde hem
+tallenkant. Hij was niet buiten haar. Waar ze al tastte, hij was
+aanwezig en ze voelde dat hij aanwezig was. Hare oogen werden nat en het
+tikkelende vuur van den hemel begon te wemelen en weg te doezelen in
+nartige vlakten. 't Deemsterde haast ten volle en ze sloot hare oogen.
+Geleidelijk keek ze zijlings naar Johannes en liet haar hoofd zinken op
+zijnen schouder. Ze verging precies, binstdat hij zonder gretigheid, mee
+met de peiselijke doening van den nacht, zijne lippen op hare lippen
+drukte.
+
+Als ze tot bezinning geraakten werden ze ongedurig. 't Was nu het
+gebiedende vleesch, dat gulzig werd, en ze stapten haastig door, ten
+geheele overgeleverd aan de foltering van hunne driften. Daar hing geen
+geheimzinnigheid meer onder het roerlooze lover en hunne voeten
+roefelden onvoorzichtig in 't opwippende zand.
+
+Ze verlieten 't woud. Ze troffen verder den trein en zaten in 't coupé
+dicht naast mekaar, met zondige gepeinzen. Heel de onstuimige sterkte
+van hunne passie rilde door hunne leden en ze taakten malkanders handen,
+om de lauwe matheid van 't bloote vel te voelen. Ze spraken weinig. Hun
+asem was heet.
+
+--Waar zijn we hier?
+
+--Bijna binnen de stad.
+
+Ze legden een geveinsde onverschilligheid in hunne woorden, maar al hun
+gedachten vloeiden saam tot éen gichtig, woelig, zinnelijk beeld. Ze
+gaven zich over, zonder strijd, aan hun brandende koortse. Ze deden
+niets om de brutale tempteeringe uit hun lijf te krijgen. Alleen
+veinsden ze een oppervlakkige vreedzaamheid, beschaamd voor malkanders
+brandende blikken.
+
+'t Gedruisch van de stad en 't geharrewar van menschen en sjeezen, de
+klaterende straling der lichten en 't zware geluchte, dat hier te wegen
+hing tusschen de hooge muren, 't hitste allemaal meer en meer de hevige
+jeukte hunner lusten--Ze drilden nevenseen, geen onwegen zoekend om
+ongemerkt te worden, zonder geduld en zonder mate. Ze keken niet op naar
+mekaar....
+
+Als ze op een ende 't kleine huizeken binnen waren en nu seffens weer
+ganschelijk alleen in de welriekende nachtkamer stonden, wilden ze zich
+niet langer meer bedwingen. Hunne armen strengelden woest om hun leen en
+hun hijgende monden vielen, met een schok van hun gansche lijf, te gare.
+
+'t Was hier donker. De straatlanteeren speelde heel stillekens met
+vierkante lichtjes langs de beloken venstergordijn.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XII.
+
+
+De aanhoudende slagen van 't noodlot hadden gevaarlijk tante Olympe
+aangetast en, in haar ouden geest, was ze een dwazen schrik aan 't
+voederen. Al wat gebeurd was, al 't leelijke en 't onherroepelijke, vond
+een oorzake in den onregelmatigen toestand van Romaan en Madeleen. Ze
+schuddebolde en pruttelde al zuchtend:
+
+--Onregelmatig--en zoo lastert gijlie God.
+
+Romaan en hoorde 't meerendeels niet en Madeleen, die geen kwaad
+bedreef, en geloofde niet dat ze gestraft moest worden. Tante Olympe's
+klagen werd dan ook weinig in acht genomen en Madeleen beperkte zich met
+een klein antwoordeken, berustende in de toekomst, die beter zijn zou.
+
+--Ge moet trouwen, zei tante Olympe.
+
+--Dat komt wel ... later, zei Madeleen.
+
+Maar de dagen verliepen in grijs verdriet en tante Olympe broeide hare
+angsten. Ze zat nu uren lang, binst den nanoen, te bidden en te peuteren
+om de korrels van haren paternoster. Dat en stilde haar niet. Al dieper
+en dieper knaagde de oolijke vrees en Ons-lieve-Heerken, dat zij zich
+altijd zoete en medelijdend had voorgesteld, werd in hare hersens een
+schrikkelijk figuur, een toornig gezichte met wegend verwijt. De oogen
+van Ons-lieven-Heerken waren twee vurende karbonkels, zonder deernisse,
+zonder barmhertigheid. Die oogen geboden voortdurend:
+
+--Ze moeten trouwen!
+
+En 't was voor tante Olympe een donderend gebod. Ze had schoon te bidden
+heele reesems verduldige rozenkransen, ze had schoon de medehulp van
+Onze-lieve-Vrouwe in te roepen en de tusschenkomst van den heiligen
+Antoon, die in alle omstandigheden zoo braaf en genadig was
+geweest--niets baatte. Onophoudelijk hoorde ze 't vreeslijke gebod.
+
+'s Nachts kon ze niet slapen. Ze draaide en herdraaide haar mager lijf
+onder de sargie, ze dook haar benauwde wezen, ze krinkelde thoope tegen
+den muur. Hare lippen prevelden de vele wees-gegroeten en hare vingeren
+waren gestadig saam, in vrome houding. Ze had geerne een schoon gebed
+verzonnen, zooals er met koude letters in haar kerkboek gedrukt lagen,
+maar hare zinnen waren verward en ze zou nooit drij woorden te reke
+kunnen dichten. 't Was een haastig wees-gegroet, dat over haren mond
+dibberde.
+
+Ze stond heel vroeg op en ging met roode oogen zitten in de keuken.
+Wat ze dagelijks 't eerst hoorde, was 't leutig gezang van Mariëtte en
+telkens maakte ze algauw een kruisken over haar gelaat en haar borste,
+peinzende:
+
+--De zonde is hier tallenkant in huis....
+
+Zij en at bijkans niet meer en Madeleen moest halvelings kijven, om haar
+'s noenes aan tafel te te krijgen. Zoo werd ze uitermatig zwak en tenden
+de Lente kon ze uit haar bedde niet meer.
+
+Romaan, die dat pover bedrijf onachtzaam had bijgewoond, werd nu meteen
+getroffen door al dat groote verdriet. Hij kwam op een morgen bij de
+sponde staan en nam voorzichtig de beenderige handen van het wijveken.
+Hij sprak met aandoening, bad dat ze beteren zou, zich niet laten
+weghongeren alzoo en koeragie hebben.
+
+--Koeragie, tante. Ze zuchtte. Ze vroeg:
+
+--Koeragie?
+
+De blosjes, die voortijds zoo liefelijk een verve legden op hare kaken,
+waren weggezonken in de algemeene bleekte van heur aangezicht. Ze
+stamelde:
+
+--Ik kan niet ... ik kan niet, jongen....
+
+Hij streelde hare vingeren. Hij beweerde dat ze wel kon, als ze zich nu
+eens een beetje dwingen wou. Ze moest geen groot geweld doen en haar
+eigen niet bezeeren. Alleen toegeven, en redelijk zijn....
+
+--Niet waar, tante?
+
+Ze glimlachte droeve. Ze wist wel dat hij goed was en deugdelijk--maar
+ginder hooge spookte de vervaarlijke gramschap van Ons-lieven-Heerken.
+Met vreesachtige aarzelingen zei ze 't hem.
+
+--Mag ik het u zeggen?
+
+Hij kuste haar op haar voorhoofd, en ze zei 't hem, al weenend. Al 't
+ongeluk dat gekomen was en al 't ongeluk dat nog komen zou, ze droegen
+hier gedrijen de waarachtige schuld ervan.
+
+--Gijlie hebt 't bedreven, en ikke, mijn jongen, hebbe 't geduld. Waarom
+heeft Madeleen u dat allemaal niet uitgelegd? Hoor eens.... Waarom is uw
+gang dweers tegen den wil van God? God is de sterkste.
+
+Ze taterde zoo een heel en tijd, tot ze moe werd, tot haar asem te kort
+schoot en ze dan midden een woord haperen bleef. Hare oogen vielen
+langzaam toe. Ze fluisterde:
+
+--Wilt ge mij niet begrijpen?
+
+Hij drukte haar gewillige handen. Hij had zelf te veel geleden om leed
+van anderen te stichten. Hij verwonderde zich dat tante Olympe in
+waarheid leed droeg. Hij boog zich, hij knielde om dichte bij haar te
+zijn. Hij streek lijze over haar slapen en bezag haar lange, zooals ze
+daar klein-hijgend te rusten lag. Hij lispelde:
+
+--Tante Olympe, slaapt ge?
+
+Hare lippen roerden en een glimlach speelde erlangs. Hij zei:
+
+--Tante Olympe, wij zien u allemaal geerne. Ja ja ... tante Olympe ...
+we moeten wij u gehoorzaam zijn....
+
+Hij voelde zelf de aandoening komen en kittelen in zijn neuze. 't Docht
+hem dat al zijne theorieën tegenover het tastelijk dood-gaan van deze
+goede vrouw nietig werden en zonder werkelijken uitslag. Wat was hier de
+macht van eene utopische bespiegeling? Hij werd het in een slag van
+zijne zenuwen gewaar: het zou een schoonheid zijn van zijn ziele, die
+uitblinken zou, als hij nu tante Olympe, spijts de rhetoriek van een
+bovenzinnelijk stelsel, wou helpen. Zijn gemoed brak, binst den troost,
+dien hij in ontroerde gezegden haar gaf:
+
+--We moeten wij doen wat gij zegt.... En het is zeer waar, al wat ge
+zegt.... Bekijk me eens....
+
+Ze was moe en trage hief ze hare wimpers op. Dankbaar keek ze naar hem
+en hij taakte de teere liefde, die hare blikken omstraalde.
+
+--Bekijk me..., ik ben immers uw zoon ... ik zal trouwen met Madeleen.
+Zult ge spoedig weer genezen?
+
+Ze knikte. Ze bleef hem bezien en ze grabbelde gretig met haar bevende
+vingeren naar zijn hoofd. Ze zoende hem en hij voelde de snikken
+opschokken in haar lijf. Ze kon niet spreken. Ze was danig gelukkig....
+
+En ze genas ook. Ze liep lijk te voren ijverig en gedienstig de kamers
+rond en, na een paar weken, ontbloeide de pleizierige blos op 't
+tjoppeken van haar kaken. Het huis was nu vol van de nieuwe gebeurtenis
+en Romaan was tevreden, omdat alles zoo vol geraakte. Hij was wel een
+beetje verlegen als hij de zaak aan Johannes uitlegde, en daar kwam dan
+een kleine koortse langs zijn woorden. Johannes beluisterde hem zonder
+spreken, al spelend met zijn rietje langs de reetjes van den vloer. 't
+Gesprek liep heel zonderling ten ende en een kilte bleef haperen in 't
+geluchte.
+
+Voor Goedele was 't eene ontzettende verwondering. Ze werd teenemaal
+ongemakkelijk en, in haar boezem, schartte een onbekend gevoel.
+
+--Trouwen!
+
+Het woord weergalmde in haar hersens en 't deed meteen een heele doening
+naderen, die--sinds wanneer?--och! al zoo lange verwijderd was. Als
+hooge schaduwen togen de vroegere beelden voorbij, en de schrikkelijke
+vaart van al die groote donkerten bracht een zware angst in haar hert.
+Wat was er nu gaande? Ze had het gevoel dat men haar verliet. Ze had de
+verschooning van haar handelen gevonden in Romaan's onregelmatigen
+toestand. Nu liet Romaan haar in den steek. Ze was kwaad. Ze was nijdig
+vooral op Madeleen. In de grondige demoralisatie, waarin ze zich had
+laten meeslepen, meende ze dat Madeleen nu ophield te blijven wat
+Goedele nog was, om iets te wezen dat Goedele niet meer vermocht te
+worden. Ze had de wettige sensatie daarvan.
+
+--Madeleen verheft zich!
+
+'t Rinkelde in haar hoofd en 't verlamde hare leden. De lieve geur van
+gindsch zoete slaapkamer kwam redeloos opwalmen in haar neus en--was
+daar iets viezelijks in, tegenwoordig? Ze verklaarde niets aan haar
+eigen. Ze worstelde tegen een hardnekkig geknaag van puntige gepeinzen.
+Ze worstelde tegen de massa van haar gansche verleden, dat opzuilde
+tallenkant bovenmatig en bedreigend. En ze dierf niet Romaan
+tegenspreken, hem toeroepen dat hij eene lafheid beging. 't Was wel een
+teeken dat ze voelde hoe zwak en lage zijzelve was.... Ze merkte 't.
+
+Veertien dagen bleef ze thuis. Ze wilde Johannes niet ontmoeten. Ze was
+klein en leelijk.
+
+--Madeleen verheft zich!
+
+Daardoor was zij, Goedele, klein en leelijk. Ze bleef thuis. Ze verbood
+aan Sebastiaan haar nog op te zoeken. Ze zei hem dat ze groote rust
+noodig had. Ze leefde dan, nietsdoende en sprakeloos en lui. Ze zette
+zich viermaal vóor haar schrijftafelken, te wege een langen brief voor
+Ameye op te stellen. Ze ging traagzaam wandelen in den tuin, bezij de
+rote leeljen en de hoopen bloedende rhododendrons. Vaak kwam vader
+trippelbeenen nevens haar, al vertellend met blijde gebaren van een
+nieuwe uitvindinge.
+
+Andermaal ontmoette ze in schaduwrijke diepten het witte gezicht van
+grootvader. Ze voelde telkens een wreveling in haren nekke en wees dat
+hij van kant zou terten. Hij en vreesde haar niet meer; zij werd het
+ganschelijk gewaar. Hij bleef haar grijnzend aanstaren en puntte
+spotachtig zijn scherpen wijsvinger uit naar heur. Een oolijke
+uitdrukking lag te kriebelen in zijn oogen en maakte haar lastig.
+
+--Ga weg!
+
+Hij bukte zich, rechtte zich daarna heel langzaam op, opende zijn diepen
+mond en hief, gek-doende, zijne wenkbrauwen omhooge. Een ratelend
+gerucht steeg uit zijne keel. Ze wilde hem zijwaarts duwen. Hij sprong
+naar achteren en draaide om den stam van een boom, voortdurig zijn
+lachend wezen wendend naar haar.
+
+Ze stapte haastig voorbij en dacht:
+
+--Hij weet entwat.
+
+Zijn lach waggelde achter haar en dook wijder weg in het duistere
+gebladerte.
+
+Ze doolde aldus langs het zwijgende huis, dag aan dag, opvretend haar
+heimelijke lastigheid. Ze kon op een ende niets meer verdragen, niets
+van wat hier de dagelijksche doening was en de spokige eendelijkheid van
+al deze sprakelooze gezichten. Ze wilde niet langer bedwingen den drang,
+die haar opzweepte om het doodsche geluchte te breken, om de menschen
+lijdelijk te maken, die daar nu ommegingen met ongezegde doelen, elk op
+zijn eentje versteend in zijn zwijgen.
+
+Ze wou Justa wegjagen. Ze botste aan tegen de bedaarde koppigheid van
+moeder.
+
+Ursule, sinds den dood van Wiezeken, gevoederd door herlevende hoop, was
+haast geheel genezen. Ze zat in haren leunstoel hare toekomstige werking
+te verzinnen: Romaan weer thuis en Goedele saam met Romaan aan 't
+woelen, aan 't zwabberen met gretige vingeren, aan 't garen het
+ontzaglijke geld. De fortuin van Sebastiaan zou erbij vloeien ... en
+naderhand 't vele goud nog van een rijke schoondochter....
+
+Uren zat ze zoo en niemand stoorde haar. Ze dichtte een grootsch plan.
+Ze geraakte er niet toe te denken dat misschien Romaan niet thuis zou
+komen en dat Goedele tegenstribbelen mocht. Ze had hare gansche
+heerschappije weer in handen en geen wil zou weerstaan aan haar wil. Ze
+bouwde in hare hersens de machtige machinatie die zou endelijk
+ommedraaien, naar heur volle goesting, met geweldig raderwerk.
+
+Als ze hoorde dat Goedele tegen Justa opschoot, neep een strakke
+strengheid hare lippen te gare tot een bleek streepken en stond ze
+verontweerdigd rechte. Seffens moest Goedele vóor haar verschijnen. Ze
+beet haar toe:
+
+--Wat is 't?
+
+Goedele zette zich, onverschillig, zonder ommezien, neer vóor 't
+klavier. Korter hakte het stekkig gezegde:
+
+--Wat is 't?
+
+Goedele glimlachte. De hardheid, die zoo puntig in Ursule's oogen kon
+opflitsen, blikkerde nu ook in hare oogen op. Trage, al rilde even hare
+hand, duwde ze met haren wijsvinger een klinkende toetse neer. Ze zei,
+lage, onverkennelijk:
+
+--Niets.
+
+Hare wimpers vielen toe om naderhand met een rappen wip, weer wijd open
+de witte straling van haar blikken te toogen. Ursule ging nevens haar
+staan en smeet koortsig het klavier dichte. 't Gaf een luidelijken slag,
+en ze bleven allebei daarna een tijdeken roerloos.
+
+Goedele voelde haar wezen heet worden. Ze richtte zich met geveinsde
+onverschilligheid op en tort stille over het tapijt, niet opziende naar
+heur moeder. Al gaande liet ze hare hand lui sleeren langs het
+tafelberd, ten teeken van onbekommerde rustigheid. Ursule vroeg:
+
+--Ge hebt Justa doorgezonden?
+
+--Dat jong walgt me.
+
+--Ge hebt ze doorgezonden?
+
+--Ja....
+
+Ursule stoop zich naar heur en naderde. Ze riep ineens:
+
+--Maar wat meent ge? En ben _ik_, hier niet? Mij wordt voortaan, en mij
+alleen, en zonder tegenwoord gehoorzaamd! Gij hebt mij noodig, gij en
+Romaan. En ik heb ulie noodig, alle twee. Het is nu de tijd dat de
+sterke samenwerking eene werkelijkheid moet worden. Het hoofd van dat
+alles, dat ben ik.
+
+--Ik begrijp u niet.
+
+--Gehoorzaam zonder begrijpen. Ik ben het hoofd zeg ik u. Justa blijft.
+Romaan....
+
+--Maar hoe wordt Romaan hierin gemengd?
+
+--Eens staat hij daar, nevens u.
+
+--En Madeleen?
+
+Goedele merkte hoe subiet op dees woord de groote woede van moeder
+wegschokte in een flauw ophalen van schouders. Ze zag plots wat moeder
+zich inbeeldde, wat, na Wiezeken's dood, stilaan een zekerheid was
+geworden in haar geest, en waarover ze zoo lange aan 't mijmeren zat,
+alleene, in haren zetel. Ze zag 't, en ze had nu een leelijk geneuchte,
+omdat ze 't gansche gestel omverre kon werpen, omdat ze moeder's
+oppersten hoogmoed kapot kon slaan. In deze mate was hare ontzenuwing
+gevorderd dat ze behagen vinden zou, op dit oogenblik, in moeder's leed.
+Ze zei:
+
+--Laat Romaan met Madeleen....
+
+--Ik weet wat ik laten mag.
+
+Ze herzei, met stiller stemme, buigend in gemanierde woordklanken:
+
+--Laat Romaan met Madeleen.... Het is nu een feit, dat ze trouwen
+zullen.
+
+Ze had zich niet voorgesteld dat zoo geweldig moeder's smert zou zijn.
+Ursule wankte en haar schrikkelijk lijf schokte kantewaarts. Ze neep
+haren mond krampachtig toe en liet hem nadien vierkantig openvallen, al
+stootend en stotterend om een klaar woord uit haar kele te krijgen.
+
+--Trouwen ... trouwen....
+
+Ze wrong de ratelende geluiden thoope, en daar siste een snijdenden
+klank tusschen hare tanden. Ze wilde alles uitzeggen te gelijk wat zoo
+herre-kaderre in hare hersens klabetterde en ze vond geen zin. Ze
+steunde tegen 't klavier en de losse pateelkens van de keershouders
+rinkelden bij haar minste gebaar. Ze was bleek als een doek, en hare
+lippen werden blauw en droog. Een onzeglijke haat vuurde in haar oogen.
+Ze reutelde:
+
+--Ge liegt!
+
+Hare tonge lag precies vaste achter hare tanden. Omdat ze niet spreken
+kon, niet uitschreeuwen al wat in haar kop zich ophoopte, schoot plots
+een vreeselijke woede op naar heur hoofd en begon daar te gloeien. Hare
+handen grabbelden naar een stoel, vatte dien, als ware hij pluimlichte,
+bij de sporten en, in blinde gramschap, hief hem omhooge om met
+lawaaierig geweld hem tegen den vloer te werpen. Hij stortte met een
+sterken slag neere en brak.
+
+Ursule stond nu ontzet, zonder machte, en keek smeekend op naar Goedele.
+Ze vond de woorden terug, die zoolange teugelloos en onvatbaar zich
+hadden verwijderd, en ze bad hare dochter, dat ze de waarheid zeggen
+zou.
+
+--Ge moet de waarheid zeggen.... Ge moogt mij niet folteren. O-God! zoo
+foltert ge me. Waarom? Wat zijn uwe inzichten, mijn kind? Als ik u ruw
+aanspreek, moet ge me telkens vergeven, seffens. Ik ben zoo dikwijls
+vernederd door u, en dat maakt me uitzinnig. We zullen Justa wegzenden.
+We zullen een schoon huizeken gaan bewonen, buiten, in 't loof. Niet
+waar?... Zeg dat ge me bedrogen hebt.... Hoe hebbe 'k dat toch kunnen
+gelooven!
+
+Goedele antwoordde niet. Ze had zich bij 't venster neergezet en tuurde
+in den tuin, die daar zoo wonderlijk met noesche zonne lag beklad. En
+Ursule en hield niet op.
+
+--Mijn kind, nooit begrijpt ge de wilde smert, die ge mij hebt
+aangedaan. Ik heb gedacht dat ik zinneloos werd te wege. Maar alles is
+maar spel. Waarom spreekt ge niet? Waarom blikt ge zijwaarts? Zie me
+hier wachten naar een woord. We zullen wegloopen uit deze leelijke
+woonste en in 't blijde groen gaan schuilen. Ik zal u vertellen van de
+heerlijke toekomst ... hoe prachtig die eendracht--gij en Romaan....
+
+--Romaan trouwt.
+
+--Hoe wreed zijt ge, mijn Goedele! Wordt de jongen krankzinnig?
+
+--Hij heeft me gezeid dat hij trouwde.
+
+--Maar Wiezeken is immers dood!
+
+--Laat ons zwijgen--moeder....
+
+Ursule tort vooruit.
+
+--Nu zwijgen!... Spijts alles, heb ik hope gehad. Spijts alles, wat me
+tot wanhoop neerdrukte. Ik heb me vastgeklampt aan een groot werk, dat
+in de toekomst liggen zou. Ho! ho! hebbe 'k niet gezwegen, jaren en
+jaren? Is niet van zwijgen mijn leven een lange calvarie? Spijts alles
+hebbe 'k mijn droom behouden. Mijne kinderen zijn in opstand gekomen.
+Ik had nóg hoop, tóch hoop.
+
+Ze liet haar hoofd zinken op hare borst en bracht hare beide handen
+bedrukt over haar aangezicht.
+
+--Nu is Romaan voor goed ... gestorven.
+
+Langzaam verliet ze de kamer. Haar breede rugge schokte opwaarts, alsof
+sterkelijk klopte in haar lijf een geweldig gesnik.
+
+Een zonderling gevoel kwam Goedele bewegen. Alle kwaadaardigheid was uit
+haar gedachten geweken, en ze zat nu heel beteuterd te herdenken moeders
+overweldigend wee. Om wille van Romaans nieuw besluit, hield ze op nog
+vertrouwen te hebben in de theoretische en uitsluitelijke bespiegelingen
+van haar broeder. Wat bleef er in waarheid nog over van heel dien kamp
+om vrije, onafhankelijke liefde? Hij trouwde. Hij deed heel kleintjes,
+heel gewoon mee met de dikke burgertjes. Hij werd "redelijk". Hij zou
+ook op strate loopen met Madeleen aan zijn arm, kreeftewijs, hij
+blikkend naar uitgestalde boeken, zij naar hoeden en nieuw-modegoed.
+Ze herinnerde zich goed dat ze zoo'n paar nagekeken had, eens op een
+dag--met Ameye.
+
+Ameye!
+
+Ze fronste hare wenkbrauwen, 't werd harrewarrig in haar hoofd. Ze dacht
+weer aan moeder. Ware alles niet beter, indien ze gehoorzaam ware
+geweest?
+
+--Romaan is nu voor goed gestorven.
+
+En zij, Goedele? Wat zou 't zijn, als moeder haar zondig bedrijf met
+Ameye te wete geraakte? In een vaag zicht, schemerde 't opwaarts in haar
+hoofd,--dat elkendeen binnen dees huis zijn eigen ongeluk, met
+verborgen, heimelijke gebaren bevorderde. En zij ook, door haar wilde
+overgave aan Ameye, had heur eigen ongeluk beraamd.
+
+Al vroeg in den avond ging ze zich opsluiten in hare kamer. En op een
+nieuw herschudde ze hare onvaste gepeinzen. Ze ging langs 't venster na,
+hoe in den tuin de blauwe nacht lager en lager woog en hoe ginds het
+dichte loof der boomen langs de donkerte danig massief opduisterde.
+En dieper drongen hare gedachten, naar een verlangde oplossing.
+
+'t Moest opklaren om haar. Wat was er gebeurd dat ze zoo lichtzinnig
+weggevallen was in poelen van zonde? Ze kon 't zich niet uitleggen.
+Ze kon niet bespieden in 't jonge verleden den geleidelijken gang der
+omstandigheden en, erlangs, hare toenemende, onweerbare machteloosheid.
+Koppig wilde ze nu dat 't moest opklaren.
+
+Een onschadelijke wind roefelde met zotte wippen door 't geluchte en het
+schaduwrijke bosschage roerde stillekens zijn zwart-doezelige randen.
+Naderhand heerschtte groote rustigheid tallenkant. Goedele staarde
+gestadig naar buiten, en ze vond in de verre duisternisse een gewillig
+plein voor den tocht van haar loopende ideeën. Ze bukte zich en leunde
+met hare kin in beide hare handen. De stad alginder zweeg. Rijzekens
+daverde nauw hoorbaar een dof rumoer. In huis was elkendeen te bedde.
+
+Ze stond recht. Ze voelde haar eigen een groote schim zijn in de donkere
+kamer. Ze neep hardnekkig hare lippen te gare en hare oogen vielen toe.
+Ze had de harrewarrije in haren geest ontknoopt en stond met haar
+machtig lijf, vastberaden, tegenover de oplossing, die zich opdrong.
+Ze was besloten. Ze beet, sissend, haar eigen toe:
+
+--Niet meer gaan!
+
+Niet meer gaan. Ze zou bij Ameye niet meer gaan. Ze zou moeder helpen.
+Het was toch _moeder_. Ze zou haar, met haar overige leven, gedienstig
+zijn. Ze kruiste hare armen over hare borst, en 't was, een tijdeken
+lang, alsof ze de toekomst tartte, alsof ze heel diepe eene aarzeling
+voelde en haar eigen in de toekomst tartte.
+
+Rap stak ze een keerse aan en kleedde zich uit--maar, als ze haar witte
+lijf in den spiegel heel weelderig zag opbleeken, rilde ze. Ze vreesde
+haar onmachtig vleesch en 't klaterde daar in de schuinsche vlam van de
+keerse zoo rijkelijk....
+
+Ze spoedde zich. Ze kroop in haar bedde, blies 't licht uit en bracht
+huiverig de frissche lakens over hare schouders. Nog neep ze koppig hare
+tanden saam en stiet:
+
+--Niet meer gaan!
+
+Ze hikte nadien, begon te beven over al hare leden, en 't werd een
+stotteren, een pijnlijke hakkelinge:
+
+--Niet--meer--gaan....
+
+Ze barstte uit in luid gejammer, weenend en snikkend hopeloos, en, al
+stortte thoope gansch haar sterk besluit, al sleerde ze weg, met lijf en
+ziele, in 't vorig slameur van passie en gevoelerigheid, ze stamelde,
+benauwd, verloren:
+
+--Niet ... niet meer gaan ... niet meer ... niet-meer....
+
+Ze drukte koortsig haar hoofdkussen in hare armen.
+
+
+ * * * * *
+
+
+XIII.
+
+
+Ze was 's anderendaags vroeg te been. Ursule was nu teenemaal ziek
+geworden en kon uit haar bedde niet. Ze deed Goedele bij haar komen en
+vroeg zachte, of ze Romaan wou gaan opzoeken en hem uitdrukkelijk vragen
+wat hij van zins was.
+
+Goedele ging.
+
+Ze was tevreden dat moeder zelve haar doorzond. Ze liep. Nog nooit had
+ze den weg zoo spoedig afgeleid, en, als ze bij Romaan kwam en zijn
+bevestigend antwoord ontvangen had, was ze weer gichtig om weg te zijn.
+
+Wat dreef haar? Ze drilde gretig over strate, en haar bloed joeg forsig
+ommedom.
+
+Op de brugge bleef ze een wijlken in onzekerheid staan. Hare blikken
+volgden 't zonnig geklots van het water, waarin donkerend wegkronkelde
+de schaduw van een bootje. Hare kaken bloosden. Ze hoorde om haar 't
+bedwelmend rumoer van de ijverige stad en voelde, van weerskanten haar
+lijf, den haastigen gang der menschen. Even aarzelde ze nog....
+
+Ze liep nu weeral. Ze smeet haar hoofd achterover in wild gebaar. Hare
+voeten klepperden vluggelings over de kasseide, en tegen haar voorhoofd
+sloeg gedurig 't schoone geweld van de zonne. Ze draafde voorwaarts,
+kleintrippelend, steegjen in en steegjen uit. De warmte, die langs hare
+leden opklom, deed haar deugd en ze glimlachte haast, al werend de zoete
+straling af, die neerpletselde uit den ronden hemel.
+
+Ze stond meteen vóór 't kleine huizeken. 't Was de gewone stonde.
+
+Zou Johannes wachten op haar.
+
+Ze had den sleutel niet bij! Zoo lange dagen had ze in folterende
+angstigheid en koppig dwaas gedoe haar liefde verwaarloosd, en ze
+vreesde dat Johannes, moe van wachten, 't opgegeven had. Ze klopte.
+
+Subiet schoof 't deurken open en hij stond daar, met gulzige blijdschap
+haar ontvangend. Hij leidde haar binnen, ontdeed haar van haar hoed en
+drukte haar sterkelijk tegen zijn borste. Hij en had geen verwijt. Hij
+bloosde van geluk. Hij en vroeg niet waar zij zoo al met een keer
+verwijld had, zonder verwittigen, en zijn blik was klaar, open, vol van
+zijne al-vergoedende liefde. Ze meende toch, beschaamd tegenover al
+zijne kieschheid, dat ze hem een uitlegging schuldig was, en ze haperde
+in ingewikkelde gezegden. Ze zette zich neer op zijnen schoot en omvatte
+zijn hoofd. Ze fluisterde:
+
+--Ik ben stout geweest....
+
+Hij kuste op hare lippen de ongemakkelijke woorden weg. Hare vingeren
+schoven streelend langs zijne slapen en sleerden door zijn haar. En ze
+zei:
+
+--Ja--stout, en ondankbaar.... Och, weet ik nog wat er gebeurd is?
+Kijk me eens aan.... Ligt er ievers een leelijk speur in mijne oogen?
+
+--Zwijg, lieve. Mij zie 'k dáar in een sterreken....
+
+--Ge zijt goed. Wanneer was ik laatst bij u? Een eeuw is 't geleden.
+
+--Een eeuw, ja....
+
+--Herinnert ge u nog mij?
+
+--Deugniet, die me lief zijt!
+
+Hij lachte luid. Maar Goedele, in zwakke aandoening, voelde haar herte
+week worden. Het docht haar dat ze nooit dieper hare liefde gewaar was
+geworden dan nu. Ze zei, met bevende stemme, dat hij zekerlijk boos
+geweest was op haar.
+
+--En nu ziet ge mij minder geerne. Ik merke 't aan mijn eigen. Zoo
+machtig woelde in mij uw beeld. Ik hebbe schuld, Johannes. Waarom zegt
+ge niet dat ik schuld hebbe? 't Is dat kleiner mijne schuld is in uwe
+gepeinzen, wijl kleiner uw liefde is geworden....
+
+--Nu wordt ge schuldig, in waarheid.
+
+Hij antwoordde heel ernstig, en ze bleven een langen tijd sprakeloos
+turen in malkanders wezen, tot weer hunne lippen te gare zich vereenden,
+trage en innig. Ze liet haar hoofd nadien neerzijgen op zijnen schouder,
+en haar warme asem fleerde matelijk langs zijn blooten hals.
+
+De zonne, van uit de vierkante vensterruitjes, stortte in lichtende
+tichels op den vloer en zijpelde om hunne borsten, lager wegklaterend
+over hunne knieën. Op de geheven tjoppekens van Goedele's schoenen,
+tikkelde een leutige straal en spetste er veelvoudig uiteen.
+
+Ze zwegen. Her geraakte hier de schoone peiselijkheid van vroeger, en
+vertrouwelijk schoven allentwege de welriekende luchten. 't Was de
+bedwelming van te voren, en ze voelden zich wegglijden, weerloos en
+gedwee, binstdat korter hun boezem opzwol. 't Was terug de liefelijke,
+al-beheerschende stilte, de gulden stilte, waarlangs hunne gevoelens
+ommezweefden en nevenseen overentweere wiegden, beladen met de weelde
+hunner passie.
+
+Een logge wagen reed over de strate voorbij en traagzaam verwijderde
+zijn rollende wielrammeling. Ze luisterden er naar, eerst teenemaal
+omdaan door de zware geluiden, naderhand volgende met nauwkeurige
+zorgelijkheid het verre lawaai, tot heel wijd het dooddoedelde--endelijk
+dood.... Hunne gespannen aandacht was meegegaan, en nu waren ze precies
+in een groote leegte alleen gebleven. Maar des te inniger voelden ze
+seffens malkanders armen en malkanders lauwte. Te gare rokken zich hunne
+spieren en de struische drift steeg in hunne leden, met den rapperen
+klop van hun bloed. Goedele's lippen taakten zijne lippen en een warme
+nattigheid baadde hare oogen. Ze stamelde:
+
+--Hebt ge mij nog lief ... nog ganschelijk lief?
+
+--Eeuwig....
+
+Hunne wimpers trilden en vielen toe....
+
+Dus was weergekomen, zonder genade, de heerschappij van hunne liefde.
+
+In Goedele en haperde geen aarzeling meer. Ze geraakte in vroolijke
+stemming, drevelde om de kamer, schikte entwat, dat van zijn plaatse was
+verschoven, en toonde zich buitengewoon opgeruimd. Getweeën waren ze
+nadien luid-lachend aan het spelen, malkander treiterend of kriebelend
+of peensend.
+
+Nabij den noene stond Goedele beteuterd naar 't horloge te kijken.
+
+--'t Is tijd!...
+
+Ze zuchtte 't bijkans. Johannes zei dat ook hij weg moest naar zijn
+atelier, en verwonderde zich dat de voormiddag zoo ijlings verloopen
+was. Goedele vroeg:
+
+--Naar uw atelier?
+
+--Ja.
+
+--Ik ga mee!
+
+'t Was zoo een plotselijke gril, en ze had ook nooit aan dat atelier
+gedacht. 't Was nu eene gelegenheid om eens alles af te zien en die
+onbekende kunst te benaderen.
+
+Ze merkte meteen hoe Johannes subiet heel bleek werd. Een groote angst
+beknelde haar en ze wist niet meer wat zeggen. Hij bedwong zijne
+aandoening en kwam haar zoetekens omarmen, fluisterend:
+
+--Dat ware wel aardig. Maar hoe komt ge daarop, nu juist, ten vollen
+noentijde? Saam dien grooten weg doen, in 't zicht misschien van bekende
+menschen....
+
+--Ge kunt vooraan loopen. Straks vind ik u ginder.
+
+--Ja, zoo is 't goed....
+
+Ze hervatte zich seffens. Haar voorstel kwam haar dom voor, omdat hij 't
+zoo gul wilde aannemen. In hare hersens was, op dat éene oogenblik, de
+foltering gedrongen van wantrouw en jaloerschheid, en zoo verzinde ze nu
+een oolijke maniere om spijze te geven aan hare leelijke
+nieuwsgierigheid. Ze viel hem in de rede:
+
+--Neen!
+
+--Wat nog, lieve? Wilt ge u blootstellen aan de kwaadwilligheid van een
+praatzieke wereld? Zou 't niet onverstandig wezen, als we nu, na zoo
+veel voorzorgen, bij klaren dage onvoorzichtig gingen te werk gaan?
+
+--Ik ga mee....
+
+Ze was koppig, lijk ze thuis koppig was. Ze voelde dat hij haar niet
+geerne meenam en dat een reden daarvoor bestond, die buiten haar zinnen
+reikte. Had hij haar iets te verbergen? Zijn atelier lag eenzaam
+kantewaarts de stad, een groot houten ding met populieren eromme. Wat
+kon hij daar bergen, dat ze niet zien mocht? Hij was bleek geworden. Hij
+kon nu zeggen alle mogelijke sluwheidjes, ze zou gaan met hem en met hem
+den drempel beterten.
+
+Hij kuste haar. Hij lispelde:
+
+--Wat zijt ge koud!
+
+Hij wreef over haar voorhoofd en streek trage heur haar zijlings weg.
+Hij bad streelend dat ze eens deugdelijk lachen zou en den rimpel langs
+haren mond doen wegzakken. Hij begreep niets van hare handelwijze,
+beweerde hij, en hij deed alle mogelijk gevlei om haar op te wekken.
+Hij vroeg endelijk:
+
+--Maar wat meent ge?
+
+Ze staarde heel diep in zijne oogen, tastte er naar gedoken gepeinzen,
+en trage sprak ze:
+
+--Wat meent ... gij?
+
+Hij werd ongeduldig, duwde koortsig zijn hoed op zijn hoofd, tort lastig
+over het tapijt, van end tot end, en bleef daarna stokkestijf
+rechtestaan.
+
+--Nu dan.... Kom!
+
+Goedele bibberde van ongedurigheid, binstdat ze zich aanschikte. Ze
+verlieten zwijgend het huizeken en stapten nevenseen, zwijgend, langs de
+straat.
+
+'t Was ijverig noenbedrijf in de stad. Haastig te rote dretsten voorbij
+de langhalzige fabriekwroeters. Matelijk scherrebeende hun beenderig
+lijf naar voren, en erlangs wapperde in gelijke schokjes hun
+blauw-katoenen veste. De meisjes taterden ondereen en een lach schaterde
+altemets boven hun beweeglijk groepje, terwijl even opstraalde de
+bleekte van die gezichten alteenegaar. Oude sukkeleers hinkepatjinkten
+achterna, bezeerd door 't zware geweld van de zonne, en ze kromden hun
+rugge om 't vuur van haar hevig gestraal te ontweren. Jonge guiten, met
+witte kaakjes bevuild door den damp, joepten van links naar rechts, druk
+bezig met rap gespeel. In hooger wijken was 't, bezij de eenvervige
+huizen, de moede gang van beambten, verslonden in dagbladlectuur, of de
+fiere prontigheid van anemieke winkeljuffertjes....
+
+Goedele drilde daar midden in zonder spreken. Door hare hersens
+slingerden verwarde gedachten, en ze liet ze seffens los om nieuwe vaste
+te houden. Hoeverre was alweer de zoete vredigheid! Lijk gisteren, lijk
+ten uchtend was ze aan pijnlijke onzekerheid overgelaten. Romaan had
+zich verwijderd van haar. Ze vreesde het ergste, tegenwoordig. Maar, hoe
+ze ook een vermoedelijk feit uit Johannes' zonderlinge manieren trachtte
+af te leiden, ze stond altijd ten slotte vóor een vrage te weifelen, en
+ze maakte haar geest uitermatelijk moe.
+
+--Wat moet ik vreezen?
+
+Ze vreesde het ergste. Johannes blikte bijwijlen zijlings naar haar, en
+als hij hare oogen taakte, lachte hij stille. Ze voelde echter, al
+leuterde dan seffens een versche rustigheid in haar, dat hij zijn wezen
+tot een vriendelijk masker dwong. En seffens vreesde zij 't ergste.
+
+Ze wist niet wat het ergste kon zijn. Holderdebolder wirrelden hare
+angsten door mekaar, kleine en groote. Wat grondelijk het allergrootste
+ongeluk zou zijn, wist ze zich niet voor te stellen. Alzoo was ze
+gedurig haar bangheid aan 't overdrijven door zotte sprongen van hare
+inbeelding.
+
+Als ginder, tenden de laatste straten, de populieren, met gulden licht
+beklaterd, zichtbaar werden rondom 't atelier, vertraagde johannes
+zijnen gang en kwam dichter nevens haar zijn stap meten op den haren.
+Zonder opkijken vroeg hij of ze reeds een schildersatelier gezien had.
+Ze schudde ontkennend haar hoofd. Ze vond het akelig dat hij nu een
+lange beschrijving van 't kunstenaarsleven haar ontvouwde. Hij had daar
+over nooit gesproken. Hij zei:
+
+--Artiesten zijn wanordelijk.
+
+Was hij zich aan 't verontschuldigen omtrent wanorde? Goedele kreeg
+versch vertrouwen en minder hijgde ze, als hij de hooge poorte
+opendraaide.
+
+Ze stonden in een kleine kamer. Hij zette zich neer in een sofa en
+bekeek haar lange, zonder spreken. Als een pale bleef ze rechte en haast
+kleurloos waren hare lippen geworden. Hij wenkte dat ze naderen zou en
+naast hem rusten een stondeken. Zij en roerde niet. Alles was haar hier
+danig vreemd. Was deze plaats door dezelfde hand geschikt, die, ginds in
+het huizeke, zoo brooze en subtiel te werke was gegaan. Hoe somber was
+hier alles aangesteld. Bronzen beelden reikten tallenkant hopelooze
+armen en de muren waren bespookt met nare gezichten. Ze kon zich niet
+inbeelden dat tusschen al dees donkere schimmen, langs al die diepten
+van kleuren en heimelijke lichten, Johannes verbleef. Maar ze zei niets.
+Ze wachtte. Hij sprak:
+
+--Zijt ge nu voldaan, lieve?
+
+Ze wachtte tot hij haar de groote werkzaal zou toogen. Ze was veerdig
+voor alle verwonderingen en ze bleef staan, roerloos en pal. In de halve
+duisternisse klaarde sterkelijk op hare matte bleekte. Ameye boog
+langzaam zijn hoofd en zonk weg in verre gepeins.
+
+Geen minste gerucht bewoog. Op het schouwblad rustte een dood uurwerk.
+Bezij de deur hing een hoop kleeren en, ernevens, op een hoog tafelken,
+dorde een bloemtuil. Goedele voelde hier de moeheid van leven....
+
+Johannes rechtte zich meteen en vatte hare hand. Hij bad:
+
+--Geef me een zoen.
+
+Ze lengde haren hals onsierlijk uit en kuste hem. Dan hief hij een
+grauwe gordijn omhooge en leidde haar binnen.
+
+Het atelier schaterde in 't volle noenevuur. Op den drempel aarzelde
+Goedele bezeerd door 't felle licht, en de groote ruimte, die in deze
+zaal zoo machtig was, beknelde haar een oogenblik. Ze asemde zwaar en
+tort onvaste naar voren.
+
+Van tallenkante keken de schilderijen naar heur. Ze schemerden vóor hare
+oogen, landschappen en binnenhuizen, àl verven van veranderlijk
+getintel, scherp omvat in gulden lijsten. 't Fonkelde onder mekaar. Ze
+trachtte zachte te glimlachen, omdat nu hare angstigheid verdwenen was
+en ze daar algelijk te rillen stond. Ze fluisterde, zich wendend naar
+Johannes:
+
+--Wat doe'k dwaas, he?
+
+Maar seffens ontstelde ze en onwillekeurig wankte. Ze reikte hare hand
+naar ginds, waar hoofdzakelijk een weelderig beeld opglansde, en stapte
+meteen, stijf en precies automatisch, er naartoe. In een toeten van hare
+ooren, hoorde ze Johannes, achter haar, zeggen:
+
+--'t Is Mariëtte.... Ik had u dat portret beloofd.
+
+Mariëtte! Ja, zoo was in waarheid Mariëtte! Mariëtte, half naakt in een
+weelde van blauwe zijde en thee-rozig fluweel, een wulpsche Mariëtte met
+natte lippen en min-zware oogleden. Ze murmelde:
+
+--Mariëtte...?
+
+Zoo moest Mariëtte zijn--een lijf van rijke blankheid, ongedekt en
+onverlegen, schoon en krachtig. Hare handen waren lijk de streeling
+zelve van de liefde en zoo djentelijk en lichte lagen daar hare
+vingeren, alsof ze alleen den last van zoenen zouden dragen. Haar hals
+verhief zich, ten-halve gebogen, en de blauwe schaduw van de kinne
+teekende nog vaster de heerlijke golving ervan. Daaronder praalde de
+onbevlekte effenheid van haren boezem, opbultend zonder geweld, en
+donzig als perzikrijpte. Bedwelmend was haar gansche aangezicht,
+verlicht, boven den blos der wangen, door 't geheimzinnig gestraal van
+wonderbare blikken.
+
+Zoo was Mariëtte wel.... Maar wat somberde ommendom de donkere glimming
+van bruine haren? Mariëtte moest blond zijn. Goedele kreeg hoofdpijn en
+ze bracht haar zakdoek over hare oogen. Weer keek ze naar het tooverig
+beeld.
+
+--Is dat ... Mariëtte...?
+
+Ze merkte boven de lijst een rankje droog hulstgroen en ze meende dat ze
+nu weenen zou. Al luider tuitten hare ooren. Ze voelde in deze Mariëtte
+de weergave van heur eigen wezen. Dat waren _hare_ leden, dat was _haar_
+gelaat, bedorven en verschoond in bovenmatigen minnehandel. Dat was
+_haar_ portret, de realiteit van haar verzonken bestaan, iets, dat zij
+had gedaan in gedachten en gebaren, en dat door Johannes ten geheele
+tastelijk was gemaakt. Ze raakte er de volledige voorstelling van haren
+val, en 't zicht ervan begon haar te walgen, al leefde nog zoo schoone
+daar, in doorslepen kunst van kleuren en schakeeringen, gansch hare
+liefde. Was 't dan die liefde zelve, die haar walgen deed?
+
+Ze haperde met bevende blikken langs het takje hulstgroen en vluchtig
+zag ze in haren geest den drempel, waar 't eens was neergevallen.
+Duidelijk herklonk om haar het verre lied:
+
+ Ah! mosieu le capucin,
+ T'as d'la veine,
+ T'as d'la veine!...
+
+'t Was Mariëtte! En hier was nu Mariëtte in onveranderlijke afbeelding
+aanwezig, met alles, wat zij, Goedele, nadien geworden was....
+
+Ze dorst zich niet ommewenden naar Ameye. 't Docht haar dat ze walgelijk
+deed, en een zeerdoende schaamte neep om hare slapen. Ze woonde aldus
+bij, zonder hulp, de pijnlijke verbrokkeling van al wat zoo geweldig
+haar verlangen en hare passie uitmaakte. Ze voelde 't heel duidelijk,
+vermits al meer en meer haar geest vergrijsde in de algemeene
+harrewarrije van tinten en klaarten. Ze beet dan op hare lippen om niet
+te lore in hopeloos gesnik los te bersten. Dat was nog de kracht van
+hare eigenliefde.
+
+Hij toetste haar en ze huiverde.
+
+--Ge zijt zoo bleek....
+
+Hij wilde haar omarmen en de emotie wegkussen, die zichtbaar was op haar
+gelaat. Zachte weerde ze zijne handen af, die haar niet liefderijk meer
+waren en wier streeling een smertelijke foltering geworden was. Ze
+voelde wel dat ze bedaren zou, en in versche geuten schoot naar heur
+hoofd de bedwelmende zekerheid dat ze door dwaze gevoelerigheid
+aangetast was. Ze had willen in een diepe donkerte gansch alleene zijn
+en stille.
+
+Hij sprak niet meer en droeve volgde met angstige oogen haar minste
+gebaren. Als hij zag dat ze bevend haar arm uitreikte, midden de
+plaatse, naar een besluierde schilderij, zakte moedeloos zijn hoofd op
+zijne borste. Zonder roeren stond ze, haar vinger gestadig naar 't
+geheimzinnige doek gericht. Hij tort langzaam vooruit en deed de zwarte
+vool vallen.
+
+Uit een duisteren achtergrond drong vlak naar voren, met intense
+uitdrukking, 't gezichte van een vrouw en 't blonde koppeken van een
+kindje. De vrouw en bezag het kindje niet, en ook het kindje keek niet
+op naar zijne moeder. Ze stegen uit de grauwe duisternis, die schemerde
+achteraan, en ze staarden, over de gulden lijst, rechte vooruit. Niets
+was hier bestaande dan deze gezichten: hunne lijven, somber bekleed,
+vielen weg in de schaduwen ommendom, maar geweldig sprongen uitwaarts de
+bleekheid van de vrouw en de zoetige blondheid van het kindje. Eene
+groot-menschelijke schoonheid lag droomend om 't gelaat van de moeder:
+rijzekens ingevallen waren hare wangen en een kleine diepte blauwde
+onder de slapen, maar sierlijk was de vorm van haar gansche wezen. De
+effene blankheid van haar voorhoofd straalde hevig onder de warme verve
+van heur vaste haar en een klaarte omlijnde de regelmatige buiging van
+haar neuze. Lichtelijk beschaduwd was haar bovenlip, binstdat de ronde
+kinne onderaan in halve helderheid optinkelde, en te midden rijp-rozig
+praalde, in strengen neergang, haar fijne mond.
+
+Deze vrouw was niet schoon door uiterlijke schoonheid, maar
+diep-menschelijk was ze, en schoon daardoor. Een onzeggelijke droefenis
+verzwaarde hare blikken en ook niet leutig staarde het kindje nevens
+haar. 't Was alsof in de grauwte achteraan een onzichtbare
+noodlottigheid deze twee tot lijdelijke bezorgdheid doemde, alsof
+gedurig een kwaaddoende hand tallenkant over hun hert de smert van leven
+deed voelen. Een geheim zweefde om hunne oogen en ze waren lijk
+gezichten, die men uit klare vensters meteen verre in den nacht ziet
+turen, alwaar ze niets ontwaren kunnen en waar schuilt de komende
+gebeurtenis van hun ongeluk.
+
+Een doffe kreet was pijnlijk uit Goedele's keel geroteld. Met éen slag
+stortte alles neer, wat haar opjoeg tot zinnelijk leven, en ze was nu
+een gebroken wezen, kapot door hem, dien ze boven alles had geliefd. Een
+uiterste oproer verwrong hare spieren en ze sprong voorwaarts, naar
+Johannes. Ze vatte hem bij zijn arm en al hare krachten hoopte ze opeen
+om met hatelijke oogen zijn droeven blik te weerstaan. Ze hijgde en deed
+schrikkelijk geweld om haar reutelende woorden over haar tonge te
+stooten. Ze hakkelde:
+
+--De moeder van dees kind?... Van dees kind?...
+
+Ze schudde hem en prentte hare nagels in zijn kleeren. Ze wou 't hem
+doen uitspreken, uit zijn mond vernemen de waarheid, die ze nooit had
+durven aanzien en die nu oprees, vreeslijker dan ze had kunnen
+vermoeden. Ze riep:
+
+--Spreek ... maar spreek!
+
+En hij sprak niet. De tijd, die verliep, rukte precies haar vleesch
+vaneen.
+
+--Zijt ge niet laf?... De moeder van dees kind.... Ik verzink, ik
+verzink, o mijn God!
+
+Ze verlamde meteen en hare vingeren sleerden ontspannen langs zijnen
+arm. Met doffer stemme, na een stilte, die in gansch hare lengte de
+kracht van het volbracht gevaar begeleidde, sprak ze, schijnbaar
+bedaard:
+
+--Zeg me wie deze vrouw is, Johannes.
+
+Hij boog zijn hoofd en zuchtte. Hij vond geen gezegde om haar te
+stillen, om haar te troosten, om weer op te wekken in versche
+minneweelde haar vernederd hert. Hij zweeg.
+
+--Zeg me--wie, Johannes.
+
+Ze wist het. De droomende treurnisse, die gansch het beeld omlichtte,
+die 't kenbaar miek voor haar, Goedele, de gedoken oorzaak van de
+treurnisse zelve--'t was allemaal een laaie openbaring. Hare lippen
+beefden en rappe stralen fonkelden noesch weg uit hare oogen. Hij zei,
+voelend dat haar niets te verbergen meer overbleef:
+
+--Mijne vrouw.
+
+Ze ontving zonder wijken de harde bekentenis. 't Was haar alsof ze
+midden puinen stond en allentwege om haar kwam de wijde droefenis, die
+nievers een ende zou krijgen. Langzaam keerde ze zich omme en tort,
+schokkend bij elken stap, naar de deur. Ze hoorde in 't gezoef, dat haar
+hoofd vulde, nog Johannes' gebroken stemme:
+
+--Goedele!... Goedele!...
+
+Ze hief zonder haaste de fluweel en gordijn op, ging het duistere
+kamerken door en geraakte op straat. Dan liep ze, recht vóor zich uit,
+en zij en dierf niet ommezien. De gezichten der menschen, die haar
+voorbijsleerden, waren lijk bleeke vlakten, geruchtloos schuivend in
+nattig geluchte. Waar was de zonne? 't Was al grijs en nevelig wat haar
+omdeed, en de gezichten doken spokig daarin op, werden groot en spoedden
+zich achterwaarts. 't Herklonk een tijdeken als een ver geween:
+
+--Goe-öe-dele!
+
+'t Klabetterde tegen de luidelijke beenderen van haren schedel, die als
+een holle kasse aan 't ratelen ging....
+
+Moe, afgemat kwam ze thuis aan. Het ijzeren hekken krijschte trage open
+en ze viel bijkans voorover. Ze zag Justa en vroeg, verwilderd:
+
+--Zijde gij hier nog?
+
+Ze lei haren hoed op een stoel, en, als ze de gewone dingen hier gewaar
+werd, die tafel en die kasse en 't gezellige klavier, stortte hopeloos
+haar wee over haar. Vader zat bij 't venster met een kaartspel aan 't
+tellen. Zijn grijze krullekop zilverde aardig in 't zijgende licht. Ze
+had hem willen kussen.
+
+Hij keek op en verwonderde zich, lachend:
+
+--Ha!... gij....
+
+Hij zette seffens een bedrukt gelaat, lijk iemand die zich meteen
+herinnert dat hij treurig moet zijn, en vertelde dat moeder in den
+voornoene onder een leelijke geraaktheid was gevallen en dat ze nu zeer
+ziek te bedde lag. Goedele liep uitzinnig de trap op.
+
+Voor de eerste maal sinds lange vreesde ze dat moeder lijden mocht, en
+in haar verward gemoed klopte 't verwijt--dat ze schuld had aan moeders
+lijden. Ze beukte struikelend tegen de deur aan. Ze stapte binnen
+paalrechte, gewelddoende om niet omverre te stuiken, en naderde zoo de
+sponde. De witte lakens werden een duizelige beweging in hare oogen en
+moeders hoofd, dat haast vierkantig op de klare kussens rustte,
+beschaduwd door diepe oogholten, schemerde aleens stille weg, om subiet
+weer ruw en hard op te bulten.
+
+De aandoening ging uitjagen in Goedele's borst en hare wimpers werden
+heet.
+
+Ze stamelde:
+
+--Moeder....
+
+De klank van haar eigen stemme kwam hare emotie overdrijven. Ursule
+vroeg:
+
+--Zal hij trouwen?
+
+Trouwen? Goedele zag subiet het povere kamerken van Romaan, waar ze
+gedrieën een nieuw geluk bewerkten in liefelijke eendracht. Ze knikte,
+niet goed meer wetend wat eigenlijk hare boodschap geweest was.
+
+--Ja.
+
+Ursule in een uiterste poging rechtte zich en zat overend. Haar wezen
+werd grauw van ingetogen woede. Ze duwde hare vuisten in haar
+hoofdkussen en hare nagels krabden hoorbaar over het gespannen laken.
+Ze vroeg op een nieuw, binstdat ze hare lippen, in vreeselijke gramschap,
+uitlengde naar Goedele:
+
+--Zal hij--trouwen?
+
+--Ja, moeder.
+
+--Hein?
+
+Ze hijgde en een reuteling rochelde nattig in haar keel. Ze wachtte naar
+'t herhaalde antwoord en 't was alsof ze tóch hoopte dat het niet zou
+herhaald worden.
+
+--Ja....
+
+Een snok rukte haar kinne naar omhooge en terwijl ze achterover
+neerzakte, stiet ze met een worp al haar haat, haar wilden, grenzeloozen
+haat uit haar boezem--een walg en een grijnzen:
+
+--De hoere!
+
+Haar mond bleef halvelings open.
+
+'t Was voor Goedele een verschrikkelijke slag en 't woord hing een
+stonde te daveren in 't geluchte. Ze viel op hare knieën, vatte moeders
+hand en begon te snikken en te roepen, geen andere uiting meer wetend
+voor haar wanhoop, geen hulpe meer vindend in niemand, noch steun in
+geen toekomst.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XIV.
+
+
+Ursule was leelijk aangetast. Dagen na dagen bleef ze liggen in haar
+bedde, zich opwerpend somtemets, naderhand afgemat en roerloos. Ze sprak
+niet. Ze kon niet spreken, hoe ze ook geweld deed om een gedacht luide
+te doen opklinken. Ze bracht onzinnig geratel uit, en ze lag dan weer
+zwijgend te turen heel strak naar de zoldering. De dokter die haar
+dagelijks bezoeken kwam zei dat ze groote rust noodig had en dat men
+haar omtrent alles moest involgen. Hij merkte niet hoe woedend ze
+telkens was, als hij verscheen, en hoe ze met hare oogen teeken deed dat
+men hem wegjagen moest.
+
+Met rust en groote zorgen zou ze stilaan genezen. Veel tijd was daartoe
+noodzakelijk en veel voorzichtigheid.
+
+Goedele zat gestadig aan de sponde en deed met effen verduldigheid al
+wat haar de minste grillen van Ursule opdrongen. Uitermatelijk
+dienstveerdig en welwillend, liep ze links en rechts, naar den wenk van
+moeder's ziekelijke onstandvastigheid, de kamer rond. Geen weerzin
+voelde ze en geen moeheid. Ze hield zich alzoo in drukke bezigheid en
+het was voor haar in feite eene afleiding.
+
+Want geen klaarte was nog in hare zinnen gekomen. Het schrikkelijke
+voorval had haar verdraaid en in haar duizelig hoofd daverde gedurig een
+onoplosbare harrewarrije. Ze beleed zonder uitkomste een knagend, dof
+wee, en haar lijf was nu iets geworden dat ze pijnlijk tallenkant
+meesleurde, achter de troebele zucht van haar strijdende gepeinzen. Ze
+dacht niet aan Johannes: met éen schok was hij weggerukt geweest en heel
+verre schemerde ievers zijn onzekere schaduw. Ze had geen behoefte te
+denken aan hem, die zoo wijd bestond, teenemaal buiten 't bereik van
+haar denken. Maar onophoudelijk dacht ze aan een bange gebeurtenis, aan
+een groot geweld, dat volbracht was, iets zonder vaste vormen, zonder
+kleur en preciese maten--een massa, opdonkerend zoo subiet, juist achter
+haar. Verder was geen verleden: 't verleden en reikte niet verder,
+geborgen door de donkerte van dezen opzuilenden paal. 't Was een nacht,
+die alle dagen dook.
+
+Een weke verliep, en nog altijd wist ze geen uitslag aan haar lijdelijk
+gemijmer. Nog was ze werkzaam, in de duffe ziekekamer, en ging lijk
+dronken gebogen onder de vracht van het volendigd ongeluk. Even verre en
+ondoordringbaar bleef 't verleden, naar achteren en buiten zicht geduwd
+door gindsche vervaarlijke somberheid.
+
+Goedele luisterde naar moeders asem, als ze sliep, of beloerde haar
+minste gebaar, als ze lastig te spartelen lag onder de sargie. Ze lonkte
+alles na, bezorgd en ordelijk. Ze handelde niet ganschelijk bewust, maar
+bevreesd voor nieuwe rampen, die ze niet bepalen kon en waar ze nievers
+een opkomende oorzaak voor ontwaarde. Ze handelde heel bang--tevreden
+dat ze handelen mocht en dus den zeerdoenden tijd opstoppen, die
+tallenkant met benauwde leegten te gapen hing. Ze bedwelmde zich met
+werken, met hergaan; ze maakte zich zwaar-dom in gestadige beweging om
+niet, al rustend, achterwaarts te kijken naar de hooge schim van 't
+verrichte noodlot.
+
+Na de derde week kreeg Ursule heur sprake terug, maar ze was nog niet
+losgeraakt uit eene luie verwikkeling van hare gedachten. Ze was lijk
+eene die, verdwaasd na een harden slag, zich om alles verwondert en
+niets met zekerheid benaderen durft. Bij Ursule echter ging dat
+lanterfantig gedoe van hare hersens gepaard met de sprongen van hare
+prikkelbare lastigheid. Ze lag altemets stille te kouten met Goedele.
+
+--Zie eens hoe de zonne ringskens teekent over de ruiten.
+
+--Ja, ringskens.
+
+--En hoe ze sterrekens puntelt in het stof, de ruimte langs....
+
+--Ja.
+
+Ze deed dan meteen een kwaad gebaar en riep:
+
+--Wat een boel! De lucht is dikke van vuilnis.... Maar wie kuischt hier,
+wie moet hier het huis opruimen en zuiver houden? Of wilt ge mij
+allemaal den dieperik inhelpen met uwe wanorde.... Leêgaards! Leêgaards!
+
+Ze was niet te stillen, en ze schreeuwde tot heel blauw haar hals werd
+en ze nadien, al hijgend, roerloos wegzakte in de kussens.
+
+Goedele baadde dan haar voorhoofd met ijswater en paaide haar heel
+zoetig, belovend dat ze voor alles zorgen zou.
+
+Andermaal waren ze getweeën precies aan het spelen met Seppie. Goedele
+rolde een balletje papier en gooide 't over den vloer. Het hondje sprong
+gretig er naar toe, trachtte het beweeglijk speelgoed vaste te vangen
+tusschen zijne grabbelende voorpooten en wilde 't gek-vlugge vaneen
+rukken tusschen zijne tanden. Zijn muilken snuffelde haastig hier en
+daar, hapte vergeefs te dichte of te verre. De bal joepte kantewaarts,
+rees langs zijne onervaren nagels weg en liep een endeken wijder. Seppie
+bleef een wijle plattebuiks loeren en wachten tot dat levendig ding
+stille zou blijven. Hij mat zijn wip, pootelde slibberend naar voren en
+stiet dwaas tegen 't papier aan. Even ruischte het en rolde het te lore
+onder de kasse. Nu lag hij te krabben om het her in 't bereik van zijn
+neus te halen. Hij kantelde op zijn linkerflank omme en stiet hopeloos
+met zijn achterpooten, binstdat zijn kodde koortsig overentwere te
+vlaggelen begon.... Hij gaf de poging op, rechtte zijn vermoeid lijf en
+stond zijlings heel dom naar Ursule te kijken. Ursule troetelde:
+
+--He-wel, mijn floddereerken, gij zotte bobijne! Ze lachte met
+luidelijke leutigheid, en Goedele moest Seppie oppakken en hem op 't
+bedde zetten, waar hij seffens aan 't luierikken lag onderdefleerende
+vingeren van zijn meesteresse.
+
+Maar subiet kwam een nieuwe koortse Ursule aantasten en ze pruttelde:
+
+--Nah ... nah ... de schoone sargie, de schoone lakens.... Kunt ge zijn
+pooten niet proper maken, eer ge hem hier alles schenden laat. Och God,
+och God! wanneer zal ik genezen zijn en dees huis bestieren, dat naar
+zijn ondergang wil!
+
+Goedele verdroeg hare buien, en zoo gingen de dagen om. Ze deed niets
+liever dan moeders verlangen benaderen, en zij en had geen pijne, als
+haar een ongegrond verwijt toegesnauwd werd.
+
+Met dezelfde gewilligheid ontving ze de bezoeken van Sebastiaan. Ze deed
+hem nu dikwijls komen en de jongen was aangedaan om den wille van hare
+brave liefelijkheid. Ze was niet meer ruw met hem. Ze zocht zijne
+nabijheid zonder den wrevel te vreezen, die opging langs 't vrome gebaar
+van zijne handen. Ze zaten weer saam aan moeders voetende, en hij kon er
+spreken van zijn vele werkzaamheid, van zijne toekomst. Als Goedele hem
+bezig hoorde, zijn woorden volgend, die heerlijke plannen omschreven,
+had ze aldoor eene zwijgende aandacht. Maar, al knikte ze en liet ze
+geen minste gezegde onbeluisterd, ze taakte niet al wat hij vertelde
+voor haar. Hij zat, lijk altijd, te zoeken naar schoone zinnen, trage en
+zorgvuldig.
+
+--Mij, Goedele, overvalt gedurig het prachtige zicht der toekomst, waar
+gij almachtige godinne zijt. Ik schik dan alles en verander hier en daar
+een beeld, en 'k zoeke vlijtig of 't nievers u bezeeren kan. Zoo scheppe
+'k in mijne gepeinzen de zoetste zoetigheid om u, en--hoe zou daar
+entwat haperen, als gij er lachend en stralend te midden staat...?
+
+Hij liet eene korte stilte gewichte geven aan de golving van zijn stemme
+en voegde er bij:
+
+--Ik ben gelukkig dat ge mij aanhooren wilt. Hij verwijlde alzoo met
+weeke profijtelijkheid in 't gespeel van welluidende zinnetjes. Het was
+klaar te merken dat de vorige onverschilligheid van Goedele alras
+vergeten was en dat hij, lijk eertijds, zijn precieuse doening herpakte.
+Hij schreef de plotselijke veranderingen toe aan Goedele's grillige
+jeugd.
+
+En Goedele, tuk op vermoeiend bedrijf, deed ook al het mogelijke om hare
+houding weg te vegen uit elkendeens herinnering. Heimelijk meende ze
+daardoor haar eigen geweten effen te krijgen. Ze beantwoordde Sebastiaan
+met ongeveinsde gretigheid. Ze wachtte zelfs ongeduldig naar het dalen
+van zijn langzame gezegden, om subiet haar gulzige woorden te plaatsen.
+Ze boog zich naar hem en praatte zoo, dronken van eigen stemgeruisch. Ze
+interesseerde zich aan zijne studiën over Hieronymus Bos.
+
+--Wat vind ik zoo'n man wonderlijk--zoo bezig gestadig met buitensporige
+fantazeering, een hoofd vol wangedrochten, hanen met ezelsooren, kiekens
+met snoeksmuilen en honderompen met klein-kinderbillen.... Als dat nu
+altegare holderdebolder uit een nacht te voorschijn komt lijk uit een
+grauwe spelonke....
+
+Ursule opende rijzekens hare oogen en mompelde dat ze wat anders
+vertellen moest. Ze glimlachte:
+
+--Ik zie permintelijk al die dwaasheden!
+
+En Sebastiaan omdeed dan met kunstige epitheten het leelijke zicht,
+zoodat nog alleen de ontzaglijke kunst van Bos overblijven moest.
+
+En omme gingen de dagen.
+
+Ursule, alhoewel ze haar bedde nog niet verlaten mocht, was toch op
+goede beterschap, en hare gedachten klaarden op. Ze herzag met
+stiptelijke nauwkeurigheid al wat gebeurd was, en ze lag dan in versche
+hope te beramen een nieuwe instelling. Ze stapte over 't gebeurde heen
+om met sterke moedwilligheid de toekomst in te richten. Het ideaal, dat
+ze zich al zoo langen tijd gesmeed had, kon ze niet ten geheele
+loslaten: ze zou nu met Goedele alleene de schrikkelijke zaken herdoen.
+En ze verzinde grootsche werkingen.
+
+Op een dag, in den valavond--ze lag nu meerendeels alleen--liet ze
+Goedele bij haar roepen.
+
+--Zet u, mijn kind.
+
+Ze was uitermatig zachte en glimlachte. Dadelijk voelde Goedele dat de
+vroegere oolijkheid weergekomen was, maar niet als eertijds steeg in
+haar boezem de verontweerdiging of de gramschap. Ze verdroeg lijdzaam
+alle uitdrukkingen van moeders karakter. Ze verlangde zelfs dat ze
+eronder lijden mocht. Ze wilde geerne gekastijd worden, en ze zou geen
+minste beweging doen om den stoot van moeders slechte inzichten af te
+weren. Ze wilde zeggen, seffens:
+
+--Moeder, g'en moet geen omwegen maken. Ge moogt subiet eischen de volle
+bevrediging van gansch uwen wil. Ik zal u gehoorzamen.
+
+Ze vreesde echter dat moeder 't zou euvel opnemen, en ze moest moeder
+alle leed of luttel verdriet besparen. Ursule sprak, fleemend:
+
+--Morgen uchtend moet ge een brief sturen naar notaris Van Kalken. Ik
+zal hem onderteekenen. Ge zegt daarin dat ik te Heysse die plezante
+villa koop, waarvan hij me gesproken heeft. Ge zegt dat hij onverwijld
+de noodige maatregelen nemen moet, en dat we om de maand nog alginder
+willen wonen.
+
+--Ja, moeder.
+
+--Ik doe 't voor u, mijn kind, die bleek wordt en zekerlijk de groote
+lucht noodig hebt. Ge hebt me zoo liefderijk verpleegd en ik ben nu ook
+gelukkig, omdat ik u met zoo'n villa gelukkig maken kan.... Wat zal dat
+ook heerlijk zijn, he? Zijn we al eens in Heysse geweest? Ik herinner me
+niet....
+
+--Ik herinner me niet, moeder.
+
+--Ja, dat zal heerlijk zijn!
+
+Ze zweeg een stonde en de avond daalde daarbinst. De beweeglijke
+deemstering speelde om de venstergordijnen, grauwe schaduwen leggend
+langs de plooien, en ze kwam neerwaarts doezelen bezij de muren om haar
+dikten op te stapelen in de hoeken, binnen de schouwe of onder de kasse.
+Van daar reikte ze vreesachtig hare schuwe armen over den vloer, verder
+en verder vingerend tot allerzijds een halve duisternisse waarde,
+waaruit alleen opflikkerden nog de witte beddelakens en de klatering van
+de vensterruiten.
+
+Ursule wist den gemoedelijken invloed van den avond. Ze nam stille
+Goedele's vingeren, fluisterend:
+
+--Kom dichterbij, mijn kind....
+
+Ze streelde hare armen en liet heel trage hare woorden beelden worden in
+de wattige donkerte.
+
+--Mijn kind, uw grootvader was een arme visscher. Jaren en jaren zwoegde
+hij en wist, door zijn schrandere kunde en zijn hardnekkigen moed, zijn
+sterke werk tot bloeiende uitslagen te brengen. Maar als zijn geest aan
+'t verzwakken ging, heb ik 't beleid van zijn zaken op mij genomen en de
+doening doorgezet. Wij zijn geslaagd. 't En was niet, mijn kind, te
+danken aan een gelukkige saamkomste van meevallende omstandigheden. Wij
+hebben ons goed met aanhoudend geweld gerukt uit den klauw van het
+noodlot. Wij hebben gezwoegd. Gelooft ge, Goedele, dat al wat hier u
+omringt en zachte uw niets-doen steunen komt, door ons al schattend en
+nagelend, stukje bij stukje werd binnengebracht? Het moet u moeielijk te
+denken zijn, hoe pijnlijk uw welzijn is tot stand gekomen. Gij hebt geen
+sreke daarvoor gedaan, en gij kunt dus niet weten hoe wij die weelde
+bereikt hebben,--die weelde voor u. Maar wat is deze weelde? Wat is een
+leven, dat niet werkzaam is--en dat geld, al dat geld? Zoo insgelijks
+moet geld werkzaam zijn, mijn kind....
+
+Goedele luisterde met aandacht, en, binst de donzige schemering, klonk
+moeders stem met endelooze goedheid om. Ze liet de klanken zacht
+aankloppen tegen hare hersens en de beelden werden zichtbaar overhand.
+Geen aandoening wekte in haar de trage gezegden, maar ze hielden haar
+geest bezig, zoodat geen ander gepeins er folteren kwam. Ze leunde tegen
+'t bedde, en ze voelde gestadig 't gekriebel van moeders vingeren over
+hare hand. Ursule zei:
+
+--Als grootvaders geest aan 't verzwakken ging, heb ik 't beleid van
+zijn zaken op mij genomen, ja. Naderhand ben ikzelve verzwakt en niemand
+was daar om de vruchtbare doening door te zetten. Nu zijn we langen tijd
+gebleven zonder nuttig bedrijf, en dàt is zonde. Wat wij door werken
+gewonnen hebben, moet verder door werken oogsten dragen. Ja, oogsten
+dragen. Meent ge niet, mijn kind, dat we hier lam en schuldig de dagen
+langshenen slenteren? Meent ge niet dat we schadelijk zijn?
+
+Ze zweeg een wijlken.
+
+--We zijn schadelijk, omdat we de leêgheid van onze handen
+bevoordeeligen. En, ziet ge, ik had gedacht eertijds: later wordt mijn
+jongen groot en struisch, later schiet mijne dochter krachtig op, en dan
+werp ik den last van mijnen rugge en dan zie 'k mijn kinderen met nieuwe
+sterkte het schoone gewicht dragen ... later.... Toen heb ik den tijd
+afgewacht, maar de tijd is niet gekomen.... Toen heb ik geweld willen
+doen.... Toen is mijn jongen vergaan, verre van mij, te lore, te lore.
+
+Dikker stapelde de duisternis zich tallenkante thoope. Goedele zag
+rijzekens in 't witte gelaat van Ursule de donkere schaduw van den mond,
+die roerde. De oogen echter, weggeveegd door den dompigen nacht, zag ze
+ziet.
+
+--En zal ik nu alle hoop moeten verlaten, mijn kind? Zal ik, na alle
+verlies, de laatste toevlucht, die nu rest, verliezen? Ik vrage u dat.
+Ik dwing u niet. We moeten discuteeren.
+
+Naarmate ze dichter haar doel naderde, deed ze zoeter fluisteren haar
+wiegende stem, en ze trachtte na te gaan op Goedele's wezen, dat vlak
+onder de schuinsche klaarte van 't venster nog opbleekte, hoe hare
+woorden een doordringenden invloed kregen. Goedele's wezen bleef stille
+en aandachtig. 't En was geen moedeloosheid, die er over lag; 't was een
+geduldige ondergeschiktheid, alsof ze nu op voorhand alles aannemen en
+verdragen zou. En, in waarheid, ze verdroeg op voorhand alles zonder
+onderzoek, gewillig en gedwee. Ze meenden erdoor stilaan haar zondig
+gedrag te vereffenen. Ursule vroeg: Zoudt ge mij gehoorzamen ... in
+alles?
+
+--Ja.... Ja....
+
+--In alles wat mijn wil mag zijn? Want, ziet ge, mijn laatste hoop is in
+u. Mag ik op u berusten?
+
+--Ja, moeder.
+
+Ze zei 't trage en vastberaden. Een plotselijke emotie schoot op in
+Ursule, en op hare lippen kwam roeren de kleine krulling van een
+heimelijken lach. Ze bleef een wijle in de voordeelige donkerte alreeds
+genieten van de zegepraal, die naderend was. Ze vatte nadien Goedele's
+arm en deed haar dochter buigen, tot ze haar asem voelde in heur haar.
+Ze lispelde:
+
+--Ik dank u, ik dank u, ik hebbe u lief.
+
+Ze rechtte zich dan, zat bijkans overend op de kussens en hare handen
+kwamen roerloos liggen nevenseen, profijtelijk op de sargie. Het was bij
+haar een gewone houding, als ze een gewichtige zake aantasten moest.
+Hare duimen taakten mekaar. Ze sprak:
+
+--Nu zullen we geld gaan winnen. Weet ge wat dat is? Het geld komt
+binnen, uit al die menschenvingeren, die schuiven en plakken viezelijk
+eromme. Het heeft een plezanten klank. We maken er hoopkens van. We doen
+het werken, 't holt en 't schaveelt ijverig tallenkant, waar ik weet dat
+het veilig is ... en 't komt hier aanrinkelen, verdobbeld,
+vertiendobbeld. We maken er weer hoopkens van. Ja, ja, mijn kind, het is
+een liefelijkgespeel.... Endelijk tellen we de hoopkens te gare.
+
+Ze likte met hare tonge trage over hare lippen, maar hare handen bleven
+onbeweeglijk liggen. Op denzelfden toon, bijna zonder overgang in de
+daling van hare stem, zei ze:
+
+--Trouw nu ... trouw nu gauw met Sebastiaan ... ons basis is sterker,
+als ge getrouwd zijt met hem.... Waarom schrikt ge, Goedele?
+
+Goedele had geschrikt. Al was haar inzicht tegenwoordig toch met Vrebos
+te trouwen, ze wist niet dat de daad zoo dichte bij haar was, gereed om
+te gebeuren. Ze meende wel dat niets restte van haar vroeger leven en
+dat haar geweten bedaren zou in eene opoffering ... in dees huwelijk,
+dat elkendeens wensch omsloot. Ze meende 't zoo allemaal wel. Maar dat
+de dag alreeds dreigend opduiken zou, haast tastbaar, was een gedachte
+waaraan ze zich geerne hadde langzaam gewend. De leelijke wezenlijkheid
+moest voorbereid worden en ginder achterwaarts zou dan de schrikkelijke
+massa wegschemeren, die er voortdurend aan 't spoken was. Ze stamelde:
+
+--Ik schrik niet.... Ik zou willen denken, een beetje. Ik zou willen
+alles bezien, eerst, en de toekomst doen opklaren. Ik zie niet goed
+daarin....
+
+Ursules mond viel in gramschap open:
+
+--Hein?
+
+--Ge moogt u niet opjagen, moeder. Ik zal u gehoorzamen. Laat me eens
+stille overwegen....
+
+Ursule zakte thoope in den konk van de witte lakens. Ze deed hare oogen
+toe en hare vingeren krulden te zamen, stuipachtig geweld doende onder
+de sargie.
+
+De nacht was teenemaal aanwezig, en rijzekens haperde nog een schuchtere
+blauwigheid langs de ruiten van het venster. Goedele stak dan het
+gaslicht aan, en de vlamme sprong laaierig omhooge, waarachtig de stilte
+brekend, die lastig in de kamer was gedrongen.
+
+ * * * * *
+
+De villa werd aangekocht, opgeschikt en seffens bewoond. 't Was voor
+Goedele in den beginne een versch leven, en ze vond hare gansche
+bezigheid in den tuin, waar 't alles zoo gezellig was aangelegd. Kleine
+wegelkens kruisten er dweers en door, en diverse borduren van rozen en
+geraniums en ander gebloemte kleurden sierlijk erlangs. Vooral de wijdte
+van den grooten hemel was haar eene deugddoende nieuwigheid. Ze volgde
+met emotie de langzame vaart der wolken, daar bollend pluimlichte in de
+zonnige diepten....
+
+Maar naderhand was de grootsche doening der natuur een kwalijke
+aanstoot, en 't driftige verleden, met al zijne gulzige levendigheid en
+zijne onstuimige passies, doemde opwaarts allentwege. De opzuilende
+duisternis viel in reten open en, omvoold arets door azurig geschemer,
+stegen de verschillige beelden van hare liefde.
+
+Ze zag Johannes.
+
+Hij en wekte geen afkeer bij haar. Hij was geworden een droom, niet te
+genaken, en ze kon, zonder wroeging, in gepeinzen herleven het zoete
+bedrijf van hunne jeugd. En alles was verre, verre....
+
+Tot somtijden haar boezem te hijgen begon en ze sterkelijk versche
+roerselen gewaar werd in haar lijf. De ruimte om haar was haar nog te
+nauw. Haar vleesch tingelde en gloeide.... Ze liep dan in huis en
+babbelde onzinnig met vader, of ging neerzitten nevens Sebastiaan,
+leunen tegen zijn schouder en strak beloeren het vrome gepeuter van
+zijne vingeren. Zoo kwam de rustigheid stilaan terug, en terwijl ze weer
+opkeek naar 't verleden, was alles verder nog dan te voren, heel verre,
+heel verre.
+
+Als 't were schoon was en de volle zomerzonne neerklaterde in gouden
+fonkeling overal, wandelde ze alleene met Sebastiaan het wijde veld
+omme. Sebastiaan kwam kort na den noene, en zoo wandelden ze samen tot
+den avond. Ze overdreef hare vriendelijkheid en hij, overgelukkig,
+pronkte in 't genot van zijn man-zijn, zijn meester-zijn. De plotselijke
+omdraai van Goedele's handelwijze was bij hem gauw begrijpelijk geworden
+en, in naïeven overmoed, schreef hij nu de verandering toe aan zijn
+eigen geduld en karaktervastheid. Hij stapte nevens haar en voelde zich
+groot en sterk. Geerne tastte hij 't gewicht van haar lijf op zijnen
+arm.
+
+Eens--de avond was al dichtebij en westewaarts vuurde de late zonne in
+een draaiing van gloeiend licht--waren ze, langs een pijnboschje, buiten
+hun weg geraakt. Op de akkers, die verder zich uitbreidden, naar het dal
+toe, waar schuilde het kleine dorp, zwoegden de oogstwroeters, lage
+gebukt en traag-wordend onder den last van het machtige werk. De winden
+waren stille gevallen, en altemets klonk in 't zwijgend geluchte de roep
+van een boever of 't krijschend gewet van een zeis. De boomen legden
+lange schaduwen over de baan, en de barmen ook hieven zich donkerend op
+tegen den purperen hemel.
+
+Voor de eerste maal welde in Sebastiaan de aandoening van zijne liefde
+brandend op. Hij werd zenuwachtig en de taking van Goedele's handen deed
+heete lochten walmen naar zijn hoofd. Hij antwoordde kort en verlegen op
+wat ze hem heel lichtelijk aan 't vertellen was, en zijne slapen werden
+soms danig koud. 't Lag gedurig op zijne lippen ... nu eens krachtig
+vooruit te komen met een innig woord, nu eens uit te spreken al wat hij
+zoo meteen in zich bruischen voelde. Maar hij was schuchter. Waarom
+kwamen de zinnen nu niet sierlijk te reke, lijk altijd? Hij had er nooit
+aan gedacht dat hij eens de zotte begeerte zou hebben deze vrouw wild op
+zijne borste te drukken. 't Verlangen dorde zijn kele, en hij zweeg. Hij
+werd gewaar dat hij hakkelen zou, en hij vreesde er heel deerlijk en
+belachelijk uit te zien.
+
+De avond was aan 't weven zijn doorzichtig floers, en ginder, matelijk
+vooruit-tertend, bukten de maaiers in geweldig bedrijf. Een puiken wipte
+in de gracht en niets roerde weer daarna. Goedele verheerlijkte de
+mooiheid van alle kleuren, die zacht ineenvloeiden, neventinten
+vlechtend daartusschen, menig en wonderbaar. Een wijde vredigheid was,
+lijk een effen vijver, spiegelzoete in haar.
+
+Sebastiaan bleef meteen staan en vatte hare hand. Zijn gezicht was
+onverkennelijk, zoo diepe had een koortsige emotie er over gewoeld.
+
+--Goedele, wacht....
+
+Ze keek op naar hem en verwonderde zich over zijn zonderling gebaar.
+Hij sprak dan, schokkend, jagend de woorden de eene na de andere, in éen
+asem zijn liefde zeggend.
+
+Het was een andere precies. Goedele had gemeend dat hij altijd maar
+vertijen zou in een welsprekenden, kouden minnehandel, en ze had althans
+lichter 't gedacht van een huwelijk met hem aangenomen. Ze merkte nu in
+zijne oogen iets dat haar Johannes herdenken deed. Haar bloed schoot in
+plotselingen afkeer opwaarts. Hij sprak:
+
+--Daar foltert mij een pijnlijke knaging. Daar is nievers een
+peiselijkheid. Daar is nievers een deugdelijke kilte. Daar is overal,
+overal--u! Wat moet ik doen met al mijn gelijke dagen? Hertel de vele
+maanden, die reeds verloren zijn achter ons. Ik kan niet meer verdragen
+'t idee van langer wachten en meer verlies. Maar kijk! wat zult ge
+beslissen? Ik ben onmachtig. Ge zijt zeer lief met me. We moesten saam
+wegvluchten uit gindsch groote huis van de stad. En alhier zijt ge
+gevlucht--en gij hebt het gansche huis meegenomen! Herbegint dan hier
+een leven, dat ik gindsch reeds beleefd heb? En zal ik u van dichtebij
+verlangen en nooit u hebben? En ben ik in waarheid niet dichtebij?
+
+Het was, bij Goedele, afkeer. Ze was te wege hem van haar weg te
+stooten. Ze wilde niet dat hij haar gedurig krenken zou met de
+bekentenis van eene liefde, die haar walgde. Ze huiverde als ze bedacht,
+dat hij die liefde opketste om ze bij haar te komen stillen.
+
+Ze wilde niet. Hard staalde hare koppigheid dien wil. Ze wrong zich los
+met een korten ruk en zag hoe plots zijn wezen hopeloos werd. Hare
+verhouding tot dezen man kwam haar klaarder te voorschijn en ze boog
+haar hoofd. Ze was niets. Ze had gezondigd buiten alle mate, en 't
+woord, dat moeder ten opzichte van Madeleen uitgespuwd had, ratelde
+opnieuw in hare ooren. Ze was niets. Met gretigheid moest ze alle boeten
+aanvaarden, want geen boete was groot genoeg. In een haastig zicht
+schemerden vóor haar op het droeve gezicht van de vrouw en het blonde
+kopje van het kind, uit Johannes' atelier. Die beiden staarden naar heur
+en de vreemde blik, die in hun oogen lag, weende er van zoo endeloos een
+smette....
+
+Ze boog haar hoofd. Ze zou trouwen. Ze zou alle opoffering aannemen, en
+geen toekomst was nog in te winnen. Twee tranen biggelden een endeken
+aan den tjop van hare wimpers en vielen, zonder hare wangen te taken, in
+den avond. Ze fluisterde:
+
+--Ik doe ... wat ge wilt....
+
+Hij naderde en omarmde haar, en zijne lippen kwamen gulzig rusten op
+haren mond. Ze dacht aan moeder, die nu zeer tevreden zou zijn, en dan
+zonk precies de wereld weg om haar. Ze neep hare oogen dichte en zakte,
+zonder hope, te lore in haar overgroote leed....
+
+De maaiers torten ook moe en zwaar, langs de gele wegen, alhier en
+alginder, sprakeloos, naar huis.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XV.
+
+
+Als ze vernam dat het huwelijk vast besloten was, bloosde Ursule van
+ingetogen vreugde. Voor haar was dus de beslissende zegepraal nabij.
+Ze zat in haren leunstoel te gichelen en ze voelde zich oogenblikkelijk
+beter worden. Ze murmelde:
+
+--Ik genees!
+
+Ze kon echter nog uit haar zetel niet. Hare beenen bleven lam en haar
+rugge was zonder sterkte.
+
+De trouwdag werd bepaald. Elkendeen was haastig om de gebeurtenisse te
+naderen. Maar Goedele werd nu door nieuwe angsten bekneld. Ze wilde niet
+meer eten, en blauwe randen vielen diepe in, onder hare oogen. Ze was
+altemets zoo bleek over gansch haar wezen, dat ze een zieke geleek, en
+ze werd naderhand uitermatelijk zwak. Bijwijlen was 't alsof een
+gewichte opschoof uit hare maag en hare keel kwam stoppen. Ze kon 't
+door zwelgen niet doen neerzijgen en deed dan vergeefsch geweld om het
+op te stooten langs haren mond.
+
+Moeder omringde haar met ijverige bezorgdheid en vreesde dat ze zoo aan
+'t wegkwijnen zou geraken. Ze veinsde eene ál-omstreelende goedheid en
+haar minste woord was van eenige liefde. Op een morgen, binstdat ze met
+Goedele alleen zat in de lage voorkamer, wilde ze de getuigenis geven
+van hare brave gevoelens. Ze reikte haar het sleutelken van hare
+geldkist over en zei:
+
+--In 't bovenste laagje ligt een kleine beurze met goudmunt. Neem die,
+en breng me die.
+
+Werktuigelijk ging Goedele en kwam met het beursje terug. Ursule liet de
+rinkelende stukken overeen neerschuiven in haren schoot en begon ze
+zorgelijk te tellen. Ze vingerde luierig erover, betastte met wegende
+traagzaamheid elk geel schijveken, en fluisterde:
+
+--Negenhonderd--duizend--twaalfhonderd, twaalfhonderd, twalef....
+
+Ze keek op naar Goedele en een ongewone glinstering blikkerde onder hare
+neergeduwde wenkbrauwen. Ze bedwong dees driftig geschitter en lijk te
+voren verkregen hare oogen de straling van 't koude staal. Ze sprak,
+fleemend:
+
+--Wilt ge me nóg van dienste zijn, mijn kind? Het is zoete weer buiten.
+Ge zijt bleek en ge zoudt moeten wandelen door 't bloote geluchte, ja,
+ja.... Wilt ge in den nanoen tot binnen de stad eens loopen? Sebastiaan
+komt niet vóor 't avondeten hier vandaag. Ge kunt terug zijn ...
+gemakkelijk....
+
+Ze wachtte een tijdeken en lager liet ze hare stemme zakken:
+
+--Ik wou geerne dat ge eens ... ginder gingt ... bij Romaan....
+
+Omdat Goedele met pijnlijke haastigheid haar gebogen hoofd ophief, deed
+ze alweer vluggelings achtereen hare woorden drillen, dof en eentonig:
+
+--Ge moet niets vertellen van mij--en mij achterna niets van hem
+vertellen. Ik weet niet waarom ik u daar doe binnengaan. Ik heb geen
+reden. Ik denk aan geen reden. 't Komt mij sinds een paar dagen zoo
+geweldig op en ik kan 't nu niet meer weerhouden. Koop onderwege iets
+met dees geld. Ge moogt niet zeggen dat het van mij komt. Ge moogt niet
+spreken van mij aan ... mijn zoon.... Wilt ge?
+
+Ze reikte 't geld over en Goedele nam het aan, ook gepakt door moeders
+geveinsde aandoening. Ursule had eerst eene groote blijdschap en ze
+jubelde in haar binnenste, al roerde geen vezel op haar gelaat:
+
+--Ik hebbe mijn hardvochtigheid van vroeger weergekocht!
+
+Want ze voelde dat Goedele haar nu insgelijks met al de snaren van haar
+teer-trillend herte verbonden was. Nadien echter schoot door hare
+hersens spijt--omdat die gulden somme zonder weerkomste zich
+verwijderde. Ze loerde een tijdeken naar Goedele's vingeren die om de
+beurze peuterden en hoorde de rinkeling daarbinnen van de dierbare
+stukken. Ze beet al gauw heel woest op hare tanden om den wrevel, die
+kroop langs hare leden, te bedwingen. Ze had, 't oogenblik daarna, alle
+moeite om een lach om hare lippen te wringen, als Goedele met dankbare
+oogen opkeek naar heur. En seffens, binstdat het meisje de kamer
+verliet, herkwam over gansch haar wezen de steenen hardheid, die 't
+waarlijke beeld was van hare dorre ziel.
+
+Zoo, na den noene, vertrok Goedele.
+
+Vader leidde haar tot aan 't station. Ze ging sprakeloos over den weg en
+bereidde aldus haar geest tot de geleidelijke benadering van al hare
+herinneringen. Albien trippelde nevens haar, vertellend van een
+elektrisch tuig, dat hij in 'thooge van de stad gezien had. Hij legde
+weer in juichende woorden bloot zijne kinderlijke verwondering en
+vermoeide zich al schokkend met zijn kort-dik lijf of al zwaaiend met
+zijne armen, bij maniere van treffende bewijsvoering. Als ze beiden 't
+spoor bereikten, hield hij op met tateren en lengde zich uit op zijne
+teenen om zijn dochter te kussen. Hij dacht niet aan zijn zoon. Hij
+dacht nooit aan iets dat buiten zijn wondere uitvindingen lag of dat
+niet direkt-tastbaar aanwezig was.
+
+Hij riep van verre, wuivend met zijn neusdoek:
+
+--Daág!... Daág!...
+
+Tot de trein vertrok, bleef hij zoo, op den gelen weg, en Goedele, bij
+'t weggaan, zag hem staan, rond uitkomend boven een roodgouden
+klaverpartije, bollig en zelve rood. Zijn kleine armen zwaaiden
+ommentweere en 't witte gevlaggel daarboven smeet overhand een schaduw
+over zijn glanzenden krullekop. Anders was tallenkant de machtige zonne.
+
+Hij geraakte vlugge buiten zicht, en, in een hoek van 't coupé, zat nu
+Goedele te mijmeren, omdaan van 't gelijke treingeratel. Een oude dame
+zat rechtover haar, onverschillig turend het vensterruitje door, langs
+de wegschuivende landouwen. Hare rimpelige handen, waarover 't geweld
+gewoeld had van gansch een vermoeiend leven, rustten wijd van een, elk
+op een knie. Een paar ringen, te groot voor de magere vingeren, hadden
+een dooden schijn van doffe gesteenten. De minste waggeling der kussens
+stiet deze vrouw naar links of rechts; maar, hoe zij ook overendweer
+dommelde, hare blikken en roerden niet, aldoor starend over het
+veranderlijke veld.
+
+Niets had Goedele dichter bij 't jonge verleden gebracht en haar zoo
+meteen het pijnlijk gevoel ervan doen hervoelen als deze reis. Ze zou
+haar broeder wederzien. Maar tevens wist ze de nadering te tasten van al
+wat gebeurd was, gebeurd en stilaan in zoete vergetelheid weggesust. 't
+Schoot alteenegare wakker. Naarmate ze doorreed, werden duidelijker en
+scherper de leelijke beelden van haar zondige liefde, en de onrust, die
+toch gedurig dof-diepe in haar binnenste roezemoesde, klepperde heel
+bange op, soms met stooten haar kele toestroppend.
+
+En ze kon hare gedachten niet afwenden, langs een anderen vredigen kant.
+Al keek ze met koppige aandacht naar 't verfrommeld wezen van de oude
+dame, ze zag dat wezen niet--en sterk spookte in hare hersens 't zicht
+van haar verloren vreugde.
+
+Ze probeerde dan zich buiten 't bereik van hare foltering te helpen met
+spreken. Ze wilde eene lichte conversatie beginnen en zei blozend entwat
+over 't liefelijke weer.
+
+--Een schoone oogst, niet waar, mevrouw?
+
+--Ja.
+
+De dame blikte even op naar heur, heel onverschillig, en draaide terug
+naar 't verre landschap haar bleek gezicht. Goedele bleef in nog
+pijnlijker alleenigheid zitten en voelde dichter zich door 't lijdelijk
+verleden omringd. Dan gaf ze zich ten geheele over aan hare droeve
+gepeinzen en herleefde achtereen al de dagen te reke, die hare liefde
+hadden gevoed. Nooit had zij 't klaarder herdacht: de gebeurtenissen
+lagen zonder nevel open vóor haar. Ze zag ze worden en kruipen in den
+tijd en te zamen bouwen het schrikkelijke ongeluk. Niets was omdoken.
+Ze zag heel bepaald Wiezeken's ziekte, en haar bezoek bij 't zieke kind.
+Ze had een poesjenel gekocht en ze had Johannes ontmoet....
+
+Ze had Johannes ontmoet.
+
+En Wiezeken was bleeker geworden.--Hoe was 't gekomen? Wat had zij,
+Goedele, daarbinst gedaan? Ze herinnerde zich goed dat ze Johannes
+ontvlucht had....
+
+Ze had Johannes ontvlucht.
+
+Maar Wiezeken stierf. Ja. Boven 't kleine beddeken zag ze zijne handen,
+en zijne handen toetsten hare handen. Waarom was dat allemaal gebeurd?
+Waarom was naderhand, in de half-donkere kamer, die stilte, gekomen, die
+haar zoo nauw naast Johannes bracht? Ze was buiten haar gezonde zinnen
+geraakt, niet waar? En Johannes ook. Dat was de aandoening van het
+noodlot. In haar was iets lafs gekomen, lijk bij zieke menschen. In haar
+had een oolijke geest een groote werking begonnen en ze had zich niet
+verdedigd. Maar wie zou haar ook geholpen hebben? Daarom had ze zich
+niet verdedigd, misschien.... Haar vleesch was betingeld en almachtig
+had over haar geheerscht de Kwade, met zijn leelijk bedrijf,--en ze had
+zich weerloos overgegeven....
+
+Ze had zich overgegeven aan Johannes.
+
+Lange herdeed ze in gedachten heel 't onzeggelijk geneuchte van hare
+liefde. Haar hoofd zakte lage op hare borste en dieper schoof haar rugge
+langs de kussens van 't coupé. Ze werd de sjokkende rolling van den
+trein niet meer gewaar. Hare vingeren sleurden willoos kantewaarts over
+haren schoot en bleven zonder roeren van weerskanten, danig moe precies.
+Het lederen taschje, dat aan haren arm hing, schokte tot tenden hare
+voormouw en slibberde naast haar knie, waar 't stille wippelde bij elke
+onregelmatigheid van de vluchtige vaart.
+
+Ze zat zoo, zoete verdoold in herinneringen, tot ze meteen rilde en hare
+schouders angstig opstak. 't Was dat ze 't atelier herzag, het duistere
+kamertje, en dan, na 't zondige portret van Mariëtte, de smertelijke
+moeder en het droomende kind. Ze herleed de plotselijke breuke van hare
+liefde. Ze hervoelde den afgrond waar ze heel dien tijd van passie in
+verzonken was. Den afgrond!...
+
+De liefde!...
+
+Aldus was hare liefde geweest. Hare oogen werden nat. Eene subiete
+wanhoop greep haar over gansch haar trillend lijf. Ze wilde loopen,
+loopen, zoeken tallenkante, het huizeken zoeken, en de zachte kamer en
+het blauwe bedde. Hare lippen bewogen en ze lengde hare kinne opwaarts
+om te roepen,
+
+--Johannes! Johan!... Ho! Johan!...
+
+Ze schrok, en haar gezicht werd koud, en een traan, omlage wiegelend,
+brandde er een gloeiende strepe. Ze bracht hare hand aan haren mond,
+en bleef zoo, zonder geluid, zonder gebaar....
+
+De dame tuurde lijk te voren door 't lawaaierig vensterken, en buiten
+schoven nu de zware huizen en sombere schouwen der stad voorbij.
+
+ * * * * *
+
+'t Was over. Langs de woelige straten ging Goedele en ze haastte zich
+niet, soms kinderlijk aandachtig bij de uitstalling van een modewinkel
+verwijlend. Ze vroeg zich niet af, hoe ginder bij Romaan en Madeleen nu
+'t leven was. Ze tort onverschillig door en 't was zonder weten dat ze
+bij plaatsen haperen bleef. Even zoo trage en gewillig als ze in Heysse
+rondzwerfde, tort ze hier door. Ze dacht niet aan 't geld, dat moeder
+haar had meegegeven, en ook het uitzonderlijk gedoe van moeder had haar
+geen oogenblik opgehouden. Alle feitjes, die gezamenlijk den morgen en
+den noene uitmaakten, 't waren feitjes buiten haar en ze leefde langzaam
+daartusschen. Ze kocht een pakje snuisteringen voor tante Olympe.
+
+--Die goeie tante Olympe!
+
+Ze glimlachte; maar seffens waren hare gedachten anderzijds en ze stond
+vol zorgen naar een keuze van kanten en borduursels te staren. Ze zei
+bij haar eigen:
+
+--'t Wordt allengs tijd dat ik wat voor mijn huwelijk schik....
+
+Ze kon zonder aandoening heel lang onderwege peinzen, al gaande, over
+haar huwelijk. 't En was haar geen zeerdoend beeld. 't Zou een gewoon
+voorval worden, lijk alle voorval geworden was om haar.
+
+Ze geraakte in de zwijgende steeg, waar Romaan woonde. Als de reuk van
+den ellegoedwinkel nijpend in haar neus opschoot, voelde ze wel een
+subiete leegte in haar herte, en ze moest een wijlken rusten op de trap.
+Binnen huis was nievers geruchte.
+
+Ze klopte aan de deur en draaide zelve daarna de klinke open. Madeleen
+zat in de keuken en Romaan stond bij 't venster een dagblad te
+overkijken. Ze blikten alle twee te gelijk op en hun gezichte ontvouwde
+zich tot een vriendelijken groet:
+
+--Kijk! wie daar toch endelijk is!
+
+--Dat is wel zusje....
+
+Ze kwamen af naar Goedele en kusten haar warm, en ze bloosde al lachend.
+
+Ze voelde de taking van de zachte deugdelijkheid, die hier huisde, waar
+niets koud of vreemd haar toescheen. Ze liet zich gedwee van haar hoed
+ontdoen en seffens zaten ze gedrijen rond de tafel, gemoedelijk elk zijn
+nieuws vertellend.
+
+Romaan was, lijk vroeger, opgeruimd en leutig. Niets van het droeve
+verleden was op zijn blij gezichte nog te bespeuren, dan enkel een
+kleine groeve midden zijn voorhoofd. Hij was weer kloek geworden en zijn
+blikken weer zoo diep-verstandig, zoo vlug-schitterend. Hij bukte zich
+over het tafelberd al sprekend, en tikkelde met zijne vingeren op
+Goedele's hand. Hij merkte wel de moede treurnisse, die zij mee had
+gebracht. Hij merkte hoe ze vermagerd was en hoe hare wangen, mat van
+verve, de donkerte van hare oogen nog versomberden. Hij had medelijden.
+Een blauwe ader sloeg uit op hare slapen. Hij wilde 't allemaal
+wegbabbelen met plezierig getater.
+
+--Er is nieuws, hoor!
+
+Hij vertelde dat tante Olympe ganschelijk genezen was, sinds zijn
+huwelijk, en dat ook hier het geluk teruggekomen was. Tante Olympe had
+geen zorgen meer. 's Uchtends was ze de eerste uit het bedde, maar na
+den noene moest zij er binst éen uurken weer in.
+
+--Ze ligt nu haar uiltje te vangen.
+
+Tante Olympe had maar éen verlangen meer: uit dees huis gaan en in
+zonniger wijken wonen en een schoon keuken hebben met een verlakte
+stove.
+
+--Djeezes, ja, die verlakte stoven! schaterde Madeleen.
+
+Tante Olympe sprak alle dagen daarvan. Ook had Romaan besloten dat hij
+verhuizen zou. De woonste was hier anders zoo onuitstaanbaar niet.
+Mariëtte zong niet meer, maar nu was Madeleen den ganschen dag door aan
+het zingen. Goedele vroeg:
+
+--Mariëtte?
+
+--Ze is vertrokken daags na Paschen, niemand weet waarheen. Haar vader
+is hier gebleven en alle veertien dagen krijgt hij geld. De bazin van
+den ellegoedwinkel maakt zijn teele eten en snijdt zijne boterhammen.
+Hij sukkelt zoo. Hij en sakkert noch en grommelt niet meer. 't Is
+daarboven heel rustig, heel droeve geworden, maar Madeleen maakt
+tegenwoordig leutig lawaai....
+
+Madeleen was verlegen en boog haar hoofd, en, onder zotte
+haarkrullekens, werden kriekerood hare ooren. Romaan begon luidop te
+lachen. Hij stoop zich naar heur toe en fluisterde plagend:
+
+--Mag ik 't zeggen?...
+
+Ze schudde pruilend haren kop en pinkte een twijndraadje weg, dat over
+hare mouw hing. Hij kittelde haar in haar nekke en lispelde zonder
+genade:
+
+--Hee?... mag ik? Zal ik 't maar uitbellen?... Hij blikte schalks op
+naar Goedele en pinkoogde snel. Dan rechtte hij zich en leunde
+gemakkelijk met zijne ellebogen op de tafel. Hij likte lui zijne lippen
+af, om Madeleen's lastigheid uit te lengen, en smakte trage.
+
+--Luister, Goedele....
+
+Hij sprak dan lage, alsof 't een groot geheim gold, en een stralend
+geluk verlichtte zijn gansch gelaat:
+
+--Madeleen zal.... weer moeder worden....
+
+Hij schaterde 't seffens daarop uit, 't kamerken vervullend met vroolijk
+rumoer.
+
+--Zoo word ik vader meteenent! Wat bloost ge, vrouwken? We hermaken ons
+geluk, en daar we volgens alle regels getrouwd zijn, zal ons geen kwade
+hand overvallen. Vraag 't maar aan tante Olympe!
+
+Tante Olympe kwam juist binnen en stond in 't deurgat te knikken. De
+lange oorbellen bijsden tegen haar krage en de tjopkens van haar kaken
+droegen den sterken blos van vroeger.
+
+Ze zette zich in de ronde neer en 't werd nu een gezellig samenzijn.
+Madeleen schonk de koffie en spreidde 't hagelwitte ammelaken. De
+kommekens rinkelden en dampten geurig, en elkendeen wist met leutig
+gekout de gaande uren genoeglijk te sieren. Hoe ras vloog omme de blijde
+tijd! Niemand zag de ruiten verbleeken en noescher zich uitrekken de
+schaduw tallenkant! Tante Olympe vooral had danig werk met vertellen,
+en ze gooide zoo aardig alle voorvallen harrewarrig dooreen, nievers een
+leemte latend, waar de stilte kon binnenkruipen en rusten.
+
+--En mijnheer Johannes, waar zou die nu zitten?
+
+Goedele beet gauw op hare lippen om hare ongedurigheid te bemeesteren,
+en ze liet zwijgend Romaan uitleggen hoe Ameye sinds de mededeeling van
+zijn huwelijk met Madeleen het huis verlaten had, en hoe hij kort daarop
+vertrokken was naar Duitschland. Goedele viel hem gejaagd in de rede:
+
+--Voor ... hoelang?
+
+--Hij is weg. Hij heeft mij geschreven dat het kunstenaarsleven in
+België onmogelijk was en dat hij zijn vaderland verliet om meer
+dankbaarheid in den vreemde te vinden. Hij doet wel. Ons landje is in
+waarheid voor artisten een streke zonder uitkomste. We zijn te arm of we
+zijn te dom. In Duitschland zal Ameye zijn weg banen, en dan hooren wij
+nog wel spreken van hem. Hij was goed voor ons. Hij was een warme
+vriend.
+
+--Hij blijft ... ginder?
+
+--Ja.
+
+Madeleen bracht een schotel met snuisteringen op tafel, en Goedele
+herinnerde zich meteen dat ze wat suikergoed voor tante Olympe in haar
+taschje gestoken had. Hare handen beefden rijzekens, binstdat ze het
+blauw-gestrikt pak overreikte en ze lachte zonder de heete natheid weg
+te krijgen uit hare oogen. Wat scheelde haar Ameye's heengaan? 't Was
+zoo best. Ze overtuigde haarzelve en dwong haar eigen 't geluid van
+onverschillige woorden op. Ze dacht:
+
+--Het is zóo best.
+
+Maar, al had ze Johannes sinds lange vaarwel toegezegd in alle haar
+gepeinzen en al was ze hem niet dankbaar, hem, die haar gegeven had wat
+ze niet kon behouden, toch was haar zijn verre aftocht een onverweerbare
+emotie. Het was haar als de plechtige onherroepelijke staving van haar
+gebroken liefde. Ze had wel geen liefde meer, en het kon haar dan ook
+niet deren dat hij, de liefde en de schuld, zich voor altijd verwijderd
+had.... Spijts alles, deed haar deze verwijdering zeer. Het was lijk een
+graf, dat men ommedelft en vernielt.
+
+Romaan wist nog meer. Hij was vertrokken heel alleene, en zijne vrouw
+was bij hare ouders in Engeland, met haar zoontje teruggekeerd. Goedele
+had een droeven uitroep:
+
+--Ha! het was een zoontje....
+
+En Romaan keek subiet verwonderd op, plots zwijgend en nadien gretig
+zijn koffie opslurpend.
+
+--Weet ge wanneer hij vertrokken is? vroeg Goedele.
+
+Hij zette onvoorzichtig zijn kommeken neer en zei kort, in schijn geen
+acht gevend op zijn woorden:
+
+--Daags na Paschen.
+
+--Daags na Paschen?
+
+Zij schrok en zag in haar geest het zotte gezicht van Mariëtte. Waar was
+Mariëtte naar toe?
+
+Romaan merkte dat ze schrok en dat hare vingeren over het tafeldoek
+koortsig aan 't peuteren gingen. Hij keek dan strak en hard in hare
+oogen, speurde er de vergeefs bedwongen aandoening, en zijne hand
+grabbelde met een reik naar heure hand.
+
+--Goedele!
+
+Ze blikten altegelijk op naar hem. Zijne wenkbrauwen schoven angstig
+omhooge, alsof hem iets heel wreeds trof, iets dat niet te gelooven was
+en zich zonder waarschuwing had vastgeankerd in zijne hersenen. Maar
+Goedele stond rechte meteen en schokte weg in een luidelijk geschater.
+Ze ging leunen tegen 't raam om beter haar koortsigen lach te verdragen
+en ze bukte zich bijwijlen, neergeduwd door onverklaard pleizier. Ze
+giechelde:
+
+--Neen! dat is een lol, broer!--Nu wordt ge--grappig! Zeg eens--zeg eens
+wat ge denkt.... Nu zult ge leute hebben, menschen.... Ferm!
+
+Tante Olympe had reeds pleizier op voorhand en lachte mee. Romaan zat
+beteuterd rond te zien en Madeleen krulde, halvelings glimmend, haar
+lippen omme. Goedele merkte dat ieder begrepen had, en grijnsde:
+
+--Gek, hee! Maar hoe komt hij eraan!...
+
+--Ja, hoe komt hij daaraan!
+
+En niemand zei in woorden wat hij dacht, omdat de zake zoo gevoelig zich
+voordeed, en ... ja, omdat 't allemaal toch zottigheid was. 't Geval
+hing echter tegenwoordig in 't geluchte aan het groeien en, al sprak men
+verder over kleine dingetjes, 't bleef daar hangen en alle gepeinzen
+kwamen 't gedurig taken binst zijn groei.
+
+Als later Goedele veerdig stond om huiswaarts te keeren, klonken de
+groeten hard en menig, zonder de lieve innigheid, waarmee ze bij haar
+komste omwonden waren. Ze ging de trap af en zag de drij gezichten in de
+donkerte van 't deurgat knikken op haar. Ze bepeinsde zich een wijlken,
+wenkte dat tante Olympe meegaan zou naar beneden en stopte haar moeders
+geldbeurze in de hand, fluisterend:
+
+--Dat is voor de verlakte stove!
+
+Ze liep de strate langs, die in den voor-avond heel rustig en geluidloos
+was, en ze geraakte gauw binnen de ruchtige stad. Ze zou zich haasten om
+nog den vroegsten trein te treffen en dan vóor Sebastiaan thuis te zijn.
+
+In haar hoofd kruisten, ondereen in woelige wanorde, hare nieuwe
+gedachten. Ze beredeneerde haar minste gewaarwording en wist endelijk,
+buiten alle angstigheid of driften, een uitlegging te vinden voor elk
+gevoel. Johannes was vertrokken, en zijn vrouw, zijn kind waren
+vertrokken. Ze zou ze nievers onverwachts ontmoeten en ze kon nu stille,
+zonder stoornisse, de zoete vergetelheid laten zinken over alles. Wat
+baatte het verder te treuren? Alles was goed. Kwam niet, na zooveel
+ongeluk, de heilzame vrede in Romaan's huisgezin weer? Wiezeken was
+dood. Wat baatte het verder te treuren? Daar zou een nieuw kind komen.
+Johannes was weg. Daar zou een versche genegenheid haar herte van alle
+wanhoop verwijderd houden. Zij moest meehelpen, meebouwen hare toekomst
+en niet machteloos wegzakken in 't onveranderlijk verleden. Sebastiaan
+was braaf en edelmoedig. Hij zou haar omringen met zijne gewillige
+dienstveerdigheid. En de heerd zou warm worden. Ze glimlachte en
+peinsde:
+
+--Wat ben ik dwaas!
+
+Ze besloot hare zwakheid te overwinnen en hare oogen voorgoed van hare
+herinneringen af te wenden. Ze zou zich met koppigheid losrukken en
+niets meer betreuren, wat toch niet te verbeteren viel.
+
+--'t Wordt eene onuitstaanbare dwingelandij! Ja, zekerlijk. Ze zou dien
+last afwerpen van hare schouders en aandachtig alles schikken voor 't
+nieuwe leven, dat aanving. Ze moest alle dingen bekijken langs den
+voordeeligen kant en niet gedurig de afwezigheid beweenen van wat ze
+eens, toevallig en buiten recht, bezeten had. Ze moest Sebastiaan leeren
+kennen. Ze kende hem niet: hij was haar onverdraagbaar geweest, omdat
+hij Johannes niet was. Nu echter zou ze hem van dichtebij beschouwen en
+zijne schoone deugden bewonderen. En hij had haar lief. Hij zou haar
+vele doen vergeven, dat hij niet laten kon. Te gare zouden ze endelijk
+brave geneuchten beleven en hun huizeken voelen teenemaal lauw worden
+van eender geluk. Saam zouden ze Romaan bezoeken, en Romaan zou met
+Madeleen ook bezoek brengen. En later zou ze aan haar broer teruggeven,
+wat moeder hem ontnomen had....
+
+--Moeder geeft 't hem misschien vanzelf.... Ja, zekerlijk. En vader zou
+insgelijks inniger een figuur worden in haar leven. Ze beloofde, met een
+zacht medelijden, dat ze hem het wonder elektrisch tuig zou aankoopen,
+waar hij met zoo sterk een begeerte van gesproken had. Den ouden Rik
+moest ze tevens genegen zijn. Ze zou hem zijn zotte grillen laten
+bewaren en al eens heimelijk een blinkenden knop in zijn bereik gooien.
+Ze zou hem niet naloeren, als hij 's nachts zijn povere rijkdommen ging
+bewonderen en bepootelen. Hij zou gerust sterven, zonder gestoord te
+worden.
+
+--We doen wij allemaal dwaas, en we moeten genadig zijn....
+
+Ja, zekerlijk. En ze zou ook moeder onvoorwaardelijk involgen.
+
+Ze voelde dat tegenover moeder haar grootste ongelijk was. Ze had moeder
+verraden en ze moest in de toekomst alles boetveerdig weer goed maken.
+Ze zou moeder gehoorzaam zijn en maar doen wat ze soms zoo wild
+verlangde. 't Zou altemets lastig zijn, dat stekelig cijferen en hoekig
+handelen met geld. Maar moeder zou 't op een ende zelf opgeven. 't En
+was niet meer dan een tijdelijke grilligheid, en later zou ze ook de
+vlakke vrede benaderen, met Sebastiaan en Romaan, altegare onder de
+zoetige lampe.
+
+Goedele liep even nog een pasteibakkerij binnen en bestelde met de
+gauwte een potje chocolade en een rhumkoekje. Het was in leutige
+opgeruimdheid dat ze hier was ingedreveld, en ze zette zich neer, met
+kinderlijke gretigheid wachtend. Ze at gulzig en de reuk van den drank
+speelde aangenaam in haren kop. Ze had zich, peinsde ze, zonder
+weerkomste uit het leelijk verleden geworsteld. Ze jubelde binnenzijds.
+
+--Wat ben ik blij!
+
+Al kriebelde nog ievers een bijzondere angstigheid ... Want een gevaar
+kon opdoemen binst de dagen, die over haar versche leven varen moesten.
+Ze had een vagen schrik, zonder dees onzeker gevoel te kunnen uitleggen.
+En toch, algelijk, ze had vertrouwen en ze slurpte met plezierige
+slokjes de welriekende chocolade op. De oude dame, die ze op den trein
+gezien had, tort den winkel binnen. Goedele had een dwazen afkeer en
+werd onpasselijk precies. De rhum wipte opwaarts in haren neus, en het
+docht haar dat hier subiet 't geluchte bevangen werd.
+
+Ze stond recht en wilde heengaan. Maar eene loome zwakte verlamde hare
+beenen en ze wankte, tewege voorover neer te storten. Ze geraakte buiten
+en de volle lucht verkwikte haar niet. 't Was alsof de lauwe geur der
+pasteien standvastig ommewolkte en misselijke walmen opjoeg uit hare
+maag. De menschen, die voorbijgingen, grauwden te saam weg tot
+schuivende nevelen en bijwijlen flitste, daar te midden door, de groene
+verven van een tramwagen. De lanteerens werden aangestoken en ook uit de
+ruiten der winkels viel een geel-rood licht, dat met de blauwe klaarte
+der hemelen te strijden begon. Alles klaterde ineen en streepte te lore
+met den gang van het woelende volk. Ze wist niet wat haar overviel. Ze
+was lijk verslagen en een onzeglijke foltering snoerde haar kele vaste.
+Ze stamelde:
+
+--O God! Hó-ó-ó!...
+
+Ze kwam onder de boomen van een square en moest zich haasten om een bank
+te bereiken. Ze zakte thoope en hare knieën bibberden, rijzekens
+kluppelend tegen mekaar. Ze voelde dat ze uitermatig bleek was: haar
+gezichte was hevig gespannen en iets smertelijks duwde de hoeken van
+haren mond neerwaarts. Hare gedachten strengelden dooreen en haar hoofd
+ronkte lijk een leege kasse....
+
+Nu voelde ze meteen de bepaalde pijn.... Ze bukte zich om haar leed weg
+te wringen en joepte dan gejaagd op. Hare oogen blikten verwilderd rond
+en hinkend drilde ze vooruit, dronken van overgroot verdriet. Ze beukte
+tegen de menschen en, zonder ommezien, zwengelde verder door. Op de
+brugge, vóor 't zacht-klotsende water, bleef ze staan. Ze lei hare
+handen nevenseen op de ijzeren leuning en tuurde zinneloos naar den
+glinster-grauwen vloed. Wat was dat daar diepe en zoete! Ze voelde zich
+meegetrokken, gelokt door de streelende vrede, die hier beneden lag.
+Ze krampte zich aan de leuning vaste. Ze knikte, alsof ze den roep van
+verre wenken beantwoordde, en ze hoorde boven 't rumoer van de stad,
+de aaiing van een liefelijk geluid:
+
+--Voort!... voort!... voort!...
+
+En ze knikte. Wat was dat daar diepe! En boven, langs de straten, wat
+een ongeduur en wat een martelie! Haar asem hikte in haar boezem en hare
+vingeren begonnen te voelen 't geweld, dat haar lijf boven de balie zou
+heffen. Ze prevelde onduidelijke woorden, nadien drijmaal ja zeggend,
+mee met het besluit, dat hare hersens bemeesterde.... En voller klonk al
+ginds, en dichte, en allentwege, het liefelijk geluid:
+
+--Voort! voort!
+
+Maar ze liet plots de leuning los en vluchtte tusschen de veilige muren
+der huizen, nu snikkend en stotterend:
+
+--'k En mag niet! 'k En mag niet!
+
+Hare tranen rolden onophoudend over haar gelaat, en haar borste schokte
+zeerdoende omhooge. Ze zag niets meer. Ze hoorde niets meer. Ze wilde
+zich alle oogenblikken laten neervallen. 't Kwam haar dan voor dat de
+menschen haar mochten taken, en ze was beschaamd dat men haar taken zou.
+
+Ze stond meteen vóor 't station.
+
+Een tijdeken bleef ze nog aarzelen en ze wist geen wil om haar doening
+te leiden. Endelijk stapte ze binnen, terwijl ze hare oogen met haar
+zakdoek droog wreef. Ze zou niet laf zijn. Ze zou heel simpel lijk
+zeggen:
+
+--Bastiaan, ga weg. Ik ben verdomd.... Ik heb een kind.
+
+En ze meende daarbij:
+
+--Hij zal me vermoorden....
+
+Die gedachte deed haar deugd.
+
+
+ * * * * *
+
+
+XVI.
+
+
+Als ze thuis kwam, vertelde haar Justa dat Ursule in den valavond zieker
+was geworden en aldoor maar vroeg waar hare dochter was. Goedele
+herkende 't huis niet meer; al de kleuren hier waren haar vreemd en 't
+was alsof ze voor 't eerst deze zaal zag, en deze stoelen, en deze
+tafel. Gedreven door 't geweld van haar eenzijdig besluit, wilde ze
+seffens Sebastiaan zien.
+
+--Waar is Sebastiaan?
+
+--Hij komt pas na den eten, juffrouw.
+
+--Ha, zoo ... na den eten....
+
+Ze wist niet of ze straks nog moed zou hebben. Ze wilde aan Sebastiaan
+alleen bekentenisse doen, en 't was nu spijtig dat ze voor hem
+aangekomen was. Sebastiaan moest de eerste het ongeluk vernemen.
+
+Trage tort ze de trap op en duwde de deur open van moeders slaapkamer.
+Ze keek niet zijwaarts. Ze merkte niet hoe plotseling Ursule zich
+overend oprechte uit de bleeke sargiën. Ze stapte naar den hoogen
+spiegel, en deed haar hoed af, en schikte peuterig, zonder aandacht,
+heur haar. Ursule stamelde:
+
+--Maar wat zijt ge van zin?
+
+Ze keerde zich omme en knikte, naderhand zich bekommerend:
+
+--Hebt ge meer zeer, moeder?
+
+--Ja wel, in mijn beenen.... Kom hier!
+
+--Ik kom.
+
+Ze naderde. Ze lei hare hand op het kussen en Ursule vatte die subiet,
+koortsig vragend wat er met de beurze gebeurd was.
+
+--Met de beurze?
+
+--Ja.... Ik hadde u niets moeten meegeven--of een kleinigheid. Heb ik u
+waarachtig al dat schoone geld meegegeven?... Och Heere! ik weet niet
+goed meer. Wat gaf ik u mee?
+
+Goedele herinnerde zich maar halvelings en ze fronste hare wenkbrauwen,
+zoekend in haren geest. Op een ende viel ze uit:
+
+--Ha! de verlakte stove!
+
+--Watte? Ik gaf u twalefhonderd....
+
+--Zekerlijk. 'k Herinner me nu. Ze waren in een fluweelen beurzeken.
+Weet ge niet of Sebastiaan nog lange zal wegblijven?
+
+--Twalef honderd.... Wat brengt ge terug?
+
+--Maar, moeder....
+
+--Wat hebt ge gekocht?
+
+--Wacht even.... Ik heb gezeid: Dàt is voor de verlakte stove.
+
+--Ge wordt krankzinnig! Wat bleef er over?
+
+--Niets.
+
+Ursule viel in de witte lakens weg en sloot hare oogen. Ze hief hare
+handen op en deed, heel droeve, teeken dat niemand meer naderen zou.
+Terzelfdertijd roerde een snik in hare keel en voor de eerste maal zag
+Goedele een traan van innig lijden tusschen hare beloken wimpers te
+voorschijn dringen, stralend opzwellen en wegrollen over hare slapen.
+Moeder weende. Goedele fluisterde:
+
+--Moeder weent....
+
+Het maakte een zonderlingen indruk op haar en ze verwijlde met vage
+gepeinzen om het zeldzaam geval, terwijl ze heenging en in de eetplaats
+stapte. Ze zei 't aan vader, die reeds bij de tafel heel rustig zat,
+blij omdat Ursule hem niet beloeren zou onder 't eten. Ze klopte op
+zijnen schouder en fluisterde:
+
+--Moeder weent....
+
+Ze wees met haren vinger naar de zoldering. Hij keek verwonderd op en
+merkte de matte bleekte van haar gezicht, de blauwe holten onder hare
+oogen. Hij wist niet wat te zeggen, en hij voelde nu heel sterkelijk dat
+zijne dochter leed. Hij stond rechte en vatte hare armen, en over zijn
+bolle gelaat grijnsde een bange onrust. Hij blikte strak en benauwd in
+haar wezen en vroeg:
+
+--Wat is er, mijn kind?... Wat gebeurt er, mijn kind?... mijn kind?
+
+Hij werd zoo innig gewaar dat het zijn kind was, en bibberde van binnen,
+aldoor zeggend het woord, dat zoo helder opklaarde in gansch zijn
+vleesch.
+
+--Mijn zoete kind....
+
+Hij streelde haar en dwong haar neer te zitten, nevens hem, en gedurig
+vroeg hij wat er scheelde. Goedele liet hem gewillig begaan en
+geleidelijk kwam een zware melancholie over haar. Ze meende, al omdoende
+haren vader met een liefderijken blik:
+
+--Ik heb u miskend!
+
+Dàt was de waarheid, 't werd haar nu duidelijk. Het docht haar dat ze
+hem te lieven begon op dees oogenblik--en dat op dees oogenblik ze hem
+verlaten moest. Ze staarde naderhand een pooze naar de vlamme van de
+lampe, waarlangs een lichtgierig pepelken rond en omme vleugelde. En ze
+sprak droomend, langzaam haar zinnen drijvend op gelijke tonen:
+
+--Het ware zoo zoete geweest--een huis met een spelend vuur, àl muren en
+àl kamerkens, en daarover een veilig groot dak! Ik zou er allentwege
+gemakkelijke stoelen geplaatst hebben, kussekens en donzige leuningen,
+opdat niemand zich bezeeren mocht. Het zou een woonste zijn van eerbied
+en genegenheid. Niets zou er storen de goesting van Sebastiaan, noch de
+goesting van vader en moeder....
+
+Albien beluisterde haar en seffens was hij weer vol begeesterend
+geneuchte. En hij liet zijne oogen opflikkeren van leute en knikte:
+
+--Dát zal een geluk zijn!
+
+Goedele lachte treurig:
+
+--Ja, een geluk en een vrede. Ik had het zóo gepeinsd en zóo was nog
+mijn eenig verlangen. Ik deed het niet voor mij, maar het zou mijn
+wroeging stillen. Zie! Samen zouden we spelen, en dat elektrisch ding
+... al wat u begeerlijk is, 't zou 't onze zijn. Daar zijn zoo schoone
+dingen in de wereld, vader!
+
+--Zekerlijk, zekerlijk.
+
+--Onze tuin is zoo schoon ... en al wat er te bloeien staat en te
+fleuren ... en dat pepelken daar, pover dierken zoo wonderlijk ...
+'t bijst om ons klaarte....
+
+Albien stak ook zijn hoofd ernaar en hij vond 't ook heerlijk, en zijne
+kinderlijke rustigheid herkwam. Goedele sprak stiller:
+
+--Zóo zou ons leven geweest zijn, allemaal in minzame eendracht vereend,
+al onze handen te gare, en we zouden alles mooi vinden rond ons....
+Ik had het zoo gedroomd, na de ervaring, die 'k beleden had.
+
+--We zullen 't zóo doen....
+
+--Doen! Doen! Ik heb gerekend zonder het noodlot. Ik heb gedacht dat
+alles ophield--als ik ophield. Maar 't Kwade Bedrijf loopt door, loopt
+verder. Ik kan 't niet meer tegenhouden, ikke, die de oorzake ben. Ik
+val nu ook, getaakt door 't gevoelloos geweld, sterker dan ik, waaruit
+het geboren werd.... Wat kijkt ge me zonderling aan, vader?
+
+--Ik weet niet.... ik weet niet goed....
+
+--Geef me een zoen.
+
+Hij naderde haar en nam haar hoofd in alle bei zijne armen en kuste haar
+op hare wangen. Hij begreep niet wat gebeurende was, hij werd alleen
+gewaar de voorbereiding van een ongewone daad, en het deed hem deugd dat
+hij zijne verlegenheid wegduiken kon in eene warme omhelzing. Goedele's
+haar kriebelde om zijnen neuze en zijne wimpers werden nat. Hij zei
+terwijl hij weer neerzat onder 't lampelicht en zijn traan wegpinkte,
+lachend, verlegen:
+
+--'t Is van de jeukte....
+
+Ze lachte mee en ze vroeg nadien, of hij zijn schoon huisje nog eens
+wilde uithalen en de popjes doen dansen. Hare stemme beefde:
+
+--Om mij plezier te doen.
+
+Hij liep seffens in de voorkamer en kwam met de dooze terug. Hij
+scharrelde de tellooren aan kant, spreidde het ammelaken profijtelijk
+open, en bracht zijn wonder speelgoed te voorschijn. Zijne oogen
+fonkelden van vreugde en fierheid. Zijne vingeren waren koortsig te
+werke, ijverig in overgedienstigheid, en zijn tonge puntelde eventjes
+in 't hoekje van zijn mond.
+
+Het Zwitsersch huizeken stond daar met zijn blauwe dak en zijn groene
+luiken, zijn sierlijk portaal en de popjes. Hij stak den sleutel in de
+mekaniek en draaide het ratelend tuig op tot de kleine klokke
+binnenzijds klonk.
+
+--Ha! zei hij.
+
+Hij leunde achterover om goed 't effekt van het schouwspel op te nemen
+in zijn aandachtigen kop, en het spektakel ving aan. Het wijveken
+schokte eerst omhooge en seffens daarna joepte ook het manneken los.
+De beiaard tikkelde met zijn luttel gespeel van bellen, en de stijve
+dans begon.
+
+--Hoe schoone!
+
+--Hoe ... schoone!... zuchtte Goedele.
+
+Ze zat in de halve donkerte, achter Albien, en ze beloerde hem. Haar
+gemoed kwam vol en ze zou weer stille aan het weenen vallen, aldoor
+kijkend naar haar vader. Hij jubelde van blijdschap.
+
+--Dat zijn dingen! Dat zijn dingen! Hoe maken ze 't? Hoe komen ze aan
+'t idee?
+
+En de beiaard rinkelde zoo aangenaam, lijk dropkens in een welluidend
+water--en de popjes huppelden snokkig en op mate--en heel die doening
+was zoo djentelijk....
+
+--Hoe brengen ze 't aan mekaar?
+
+Goedele voelde gestadig de heete groevekens van hare tranen en staarde
+met wijd-open oogen naar hem, die daar te leuteren zat, zonder
+kommernisse, zonder zicht op 't huiselijk ongeluk. Een hopelooze smert
+wrong haar herte thoope, en ze deed haar eigen zeer om stille te
+blijven, stille bij vaders jubelend plezier.
+
+Zoo stille bleef ze. Als de pijn haar asem forsig wegstiet door haar
+kele, versmachtte ze het eendelijk geluid onder de helle klatering van
+een hikkend lachen. Dan was vader uitermatelijk voldaan. Hij wipte op
+zijn stoel, een prettig gezichte zettend:
+
+--Ai! 't valt dood!
+
+De klokskens klepten tegare uit op een grondelijk akkoord en dan was er
+een groote stilte. Rijzekens flodderde hoorbaar in 't geluchte het
+werkzaam gedoe van het zotte pepelken.
+
+Sebastiaan stond wachtend in het deurgat en vroeg oolijk, een ongewonen
+klank leggend hier, waar 't zoo innig trilde van gezelligheid:
+
+--Mag ik nu binnen?
+
+Goedele schrok en rechtte zich. 't Kwam her klaar en sterk in hare
+hersens dat ze tegenwoordig handelen moest. Ze ging op hem af, en hij
+reikte zijne hand naar heur. Ze schudde haar hoofd en deed teeken dat
+hij haar volgen zou. Ze stapte stokkestijf. Hare knieën plooiden haast
+niet en hard klopten hare hielen tegen den vloer. Ze sprak niet. Haar
+hals lengde zich paalrechte boven hare schouders. Hare armen hingen
+roerloos langs haar lijf, dat matelijk voorwaarts schoof.
+
+Sebastiaan zag haar zwijgend over den drempel terten, bijkans zijn veste
+raken en voorbijgaan, zonder een blik. Hij volgde haar. Hij begreep dat
+ze hem over ernstige zaken te spreken had. Hij gooide zijn hoed op een
+stoel en volgde haar. Hij had een wrevelig gevoel. Goedele's breede
+rugge, zonder een buiging voortschokkend, werd hem lijk de
+ondoordringbare effenheid van een gevaarlijk geheim.
+
+Ze stegen langs de trap en, moeders kamer voorbijgaande, fluisterde
+Goedele:
+
+--Zoetekens....
+
+Ze bereikte hare eigen kamer, stak algauw 't licht aan, bad met een
+korten wenk dat hij zou binnen komen en wees hem een stoel. De klaarte
+pletste tallenkante rond en, langs de spleet van de deure, viel in een
+lange strepe over den drempel op den donkeren vloer van den gang.
+
+Ze zetten zich neer. Ze waren precies verlegen en 't was alsof ze meteen
+wijd verwijderd waren van malkander, beschaamd voor hun samenzijn.
+Sebastiaan ried dat geen luttele woorden in deze schrikkelijke stilte
+zouden vallen, en hij dierf niet zeggen:
+
+--Wat is er? Wat maakt u zoo bleek en lijdelijk?
+
+Hij merkte dat ze bleek en lijdelijk was, maar hij was halvelings bang
+voor de reden. Hij wilde de nadering van die reden niet verhaasten,
+omdat zijn benauwd gemoed er al de pijnlijke gevolgen van vreesde. Heel
+vaag zag hij entwaar de schaduw van een ongeluk. Hij zweeg. Zijn magere
+handen lei hij op het tafelberd en hij wachtte zoo.
+
+--Bastiaan, zei Goedele, Bastiaan, ik had u al lange moeten bekennen ...
+al lange, daar niets te bergen is en alle kwaad in voortdurige werking
+doorwoelt ... al lange, ja, bekennen, bekennen....
+
+Ze had besloten heel simpellijk bekentenisse doen; ze kon echter niet.
+Ze had den moed niet daartoe: zoo onwetend en buiten alle leelijke
+verdenkingen zat daar Sebastiaan, en zijn gelaat had seffens zoo angstig
+een uitdrukking, dat ze een brutale uitlegging niet te boven kon. Ze
+wilde schipperen en toch tot een eigen direkte beschuldiging en geraakte
+ze niet. Ze zweeg een oogenblik. De woorden wisten niet tot eene
+oprechte verklaring saam te smelten. Ze werd dan heel klein en laf. Het
+speet haar dat ze nog hier levend was, dat ze niet de aanlokking van het
+glinsterende water beantwoord had, ginder, ginder.... Alles ware nu
+volbracht: men hadde 't een ongeval genoemd. Ze stamelde, week wordend:
+
+--Och Heere! hoe moet ik dat uitbrengen!...
+
+Ze wilde wegloopen, de velden over, tot ze neerstorten zou, in
+doodelijke alleenigheid, den veiligen dood nabij. Ze hervatte zich met
+groote moeite en bedwong hare zwakheid. Ze smeet hare zoekende gezegden
+ondereen, soms gebroken door ongelijk gehijg:
+
+--Laat me zeggen.... Ik heb u hier ontvangen, ik heb al gedaan wat in
+mijn machte was om u toe te lachen, om u genegen te zijn en uwe liefde
+niet van mij af te wijzen.... Helaas! ik was uwe liefde niet weerdig.
+Ik had een verdorven ziel en mijne zinnen verlangden de woeste streeling
+van zondigen minnehandel.... Schrik niet! Maak me niet benauwd. Ik ben
+schuldig, maar medelijden heb ik noodig.... Ik heb u ontvangen, en
+bedrogen heb ik u naderhand!
+
+Hij stond recht, heel bleek, en vroeg:
+
+--Wilt ge openhertig spreken?
+
+Maar ze zocht uitvluchtsels om hem de waarheid minder hard te maken:
+
+--Ge moogt me niet stooten en bezeeren. Ik wil tot het ende alles
+zeggen. Ik wil dat ge van zelf, doch zonder haat, weggaat van hier.
+
+--Ik begrijp u niet.
+
+--Peins dan niet meer op mij. Ik heb u nooit geerne gezien, en Bella
+alleen ziet u geerne ... ja, Bella, het arme kind.... Waarom moest ik u
+mij onttrekken en u verwijderen van haar? Ik was laf. Bekijk me zoo
+droef niet. Zeg niets. Laat mij doorzeggen. Zeg niets, Sebastiaan....
+
+Ze deed een trage gebaar met hare hand, precies om hem zachte af te
+weren, en sloot hare oogen. Nu was 't haar meer duidelijk geworden en ze
+kon in de donkerte beter hare gedachten nagaan. Haar stemme daalde:
+
+--Ik heb gedurende weken en weken durven spreken met u, durven antwoord
+geven op uwe woorden van liefde. Ik heb zwijgend en misdadig uwe
+genegenheid gevoed. Ik heb zwijgend uwe droomen spijze gegeven. Dat heb
+ik zwijgend gedaan. De blik, dien ik u toewierp, was schijnbaar rein....
+Rein! Rein! O kon ik nu verzinken!
+
+Ze opende fluks hare oogen, boog zich en joeg seffens gichtig hare
+woorden achter mekaar:
+
+--Luister. Ik heb Sebastiaan beleedigd. Ik heb gespot met Sebastiaan.
+'s Avonds zat ik schuchter nevens u, en over dag lag ik in andermans armen!
+
+--Goedele!
+
+Ze viel neer op haren stoel en bracht hare handen over haar wezen. Een
+zware stilte hing in de kamer en de vlamme kraakte daarin heel gewichtig
+op, boven de lampe.
+
+--Goedele!
+
+Hij kon de zwijgende stonde met zijn heeschen kreet niet overwinnen. Een
+ongenadige zwaarte woog op zijne borst en hij voelde zijn longen eronder
+vernauwen. Hij snakte naar zijn asem. Toorn en smert scheurden zijne
+hersens vaneen en hij wist geen daad aan te vangen: een straffe of een
+afkeer.... Hij wilde dan verder weten.
+
+'t Schorde in zijn keel:
+
+--Met wien?... Zeg me met wien?...
+
+Ze antwoordde niet. Het licht begon te schemeren vóor zijne oogen,
+te waggelen ommentweer en donkere wolken rolden opwaarts uit purperen
+kuilen. Hij deed een stap, en vatte woest haren arm, en smeet haar
+geweldig tegen het tafel berd. Zijn mond viel in een grijns open om
+'t leelijke woord neer te spuwen, dat brandde op zijn tonge.
+
+Ze keek heel zoet op naar hem. Ze had een blik vol dankbaarheid. Ze
+wachtte gedwee de slagen van zijne gramschap. Dan week hij tot tegen den
+muur, rukte zijn halsboordje los en hijgde vrijer. Hij stond moedeloos,
+verplet, verloren. Hij vroeg:
+
+--Is 't waar?
+
+Ze knikte en hij liet zijn kinne neerstooten op zijn borst. Hij draaide
+zich kantewaarts naar de deur en tort trage erheen. Hij zei en de klank
+van zijn woord was onherkennelijk geworden:
+
+--Vaar-wel....
+
+Ze vermocht uit haar gansche macht niet hem antwoord te geven. Hare
+lippen werden wit en mat. Ze lispelde onhoorbaar:
+
+--Vaar-wel....
+
+Hij hoorde 't algelijk, en zijn bloed deed een schrikkelijken ommezwaai
+door zijne leden. Hij reikte zijne hand naar de koperen klinke en
+grabbelde ernaar. Eene koude rilling kroop over zijn rugge en zijne
+beenen zakten tegeneen. Hij kon niet weg. Hij kwam terug en viel
+snikkend aan hare voeten. Hij prangde haar vast en bad:
+
+--Jaag me niet hieruit, jaag me niet buiten u!... Niet waar? Het zijn
+kwalijke verzinsels.... Ge overdrijft immers! Ge zijt niet slecht!
+Ge zijt schoon, ge zijt schoon!
+
+Ze weerde zich zachte los en had een hopeloos gebaar. Zou ze alles
+móeten zeggen en haar ten geheele bloot werpen aan zijnen afkeer?
+Hij smeekte:
+
+--Ik geloof u niet! Maak me niet zinneloos, Goedele! Zeg me dat ge weer
+braaf zijt. Hebt ge geleden? Alles zal ik u doen vergeten. Daar is tegen
+ons geen weerstand, die we niet breken zullen. Ik zie u geerne. Ik zal u
+altijd geerne, geerne zien....
+
+Ze hief zich uit gansch hare lengte op en fronste hare wenkbrauwen. Ze
+zou spreken. Ze zou den laatsten slag hem toebrengen en zonder deernisse
+slaan. Ze voelde dat ze 't alaam geworden was van het noodlot. Ze zei:
+
+--Ik mag niet.... Ge moet weg, weg ... weg.... Ik ben bezoedeld....
+Ik,--ikke.--
+
+Hare oogen bleven plots wijdopen en verwilderd staren naar de deur, en
+haar kinne begon subiet te beven, zodat hare tanden klopten over mekaar:
+op den drempel stond Ursule. Ursule, als eene doode zoo bleek, stak hare
+armen vooruit. Haar witte nachtrok plooide in rechte vouwen omlage en ze
+was aldus grooter, vreeslijker dan ooit. Vierkantig spookte boven hare
+breede schouders haar schrikkelijk aangezicht. Ze riep:
+
+--Hee-la!
+
+Ze naderde, en dof dreunde elke stap op het vloertapijt. Ze leunde tegen
+den muur, vatte overhand de stoelen en geraakte tot aan de tafel. Ze rok
+haren groven hals uit naar heur kind, en een bovenmatelijke haat omdeed
+haar ganschelijk. Ze reikte stuipachtig hare handen en vingerde koortsig
+in de leegte, reutelend:
+
+--Hier! Hier, prije--en zwijgen!
+
+Ze bekeek vluggelings Sebastiaan en riep hem:
+
+--Ze liegt!
+
+En weer scharrelde ze voorwaarts, grijpend naar Goedele, te wege neer te
+stuiken over haar. Ze kreet:
+
+--Zwijg!... Há-á-á! ik zal u leeren, ik zal u beteren, ik zal uw tonge
+wegduwen in uw rompe....
+
+Ze zag dat Goedele week en geweld deed om te spreken; gedurig tastte ze
+gretig ernaar om haar vaste te pakken en te temmen. Ze was buiten zinnen
+en sleurde haar lamme beenen of stekte ze stokkestijf naar voren. En
+niets zou haar tegenhouden: ze wilde haar dochter de kele toenijpen om
+haar het spreken te beletten, en driftig, kwaad om hare eigen
+traagzaamheid, volgde ze dien wil.
+
+Als Goedele tegen de kasse aanstiet en niet verder meer wijken kon, brak
+meteen haar benauwde angst. Tegenover moeder en tegenover Sebastiaan, ze
+móest spreken en ze zou. Ze hakkelde:
+
+--Laat me....
+
+Ze drong thoope, veerdig voor alle straf, stiet haar hoofd achterover en
+zei:
+
+--Ik ben zwanger.
+
+Ze zag het lijf van Sebastiaan pijnlijk opschokken en het witte kleed
+van moeder een grooten armzwaai uitbreiden in 't geluchte. Zonder een
+woord, met een luidelijken slag, stortte Ursule neer op den vloer.
+
+Albien stiet de deur open, kwam binnen gelopen en begon seffens te
+huilen. Goedele dacht niets, voelde niet en stond halstarrig te
+bibberen. De lampe had een eendelijk licht, het licht dat bijwijlen
+'s winters uit de mane zijgt. Tenden den donkeren gang beloerde Rik de
+booze gebeurtenis en vulde, oolijk glimlachend, zijn pijpe.
+
+Ursule was dood.
+
+'T ENDE
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's 't Bedrijf van den kwade, by Herman Teirlinck
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK 'T BEDRIJF VAN DEN KWADE ***
+
+***** This file should be named 17537-8.txt or 17537-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/7/5/3/17537/
+
+Produced by Marc D'Hooghe <marcdh@pandora.be>
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/17537-8.zip b/17537-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..03e6121
--- /dev/null
+++ b/17537-8.zip
Binary files differ
diff --git a/17537-h.zip b/17537-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..f801cc4
--- /dev/null
+++ b/17537-h.zip
Binary files differ
diff --git a/17537-h/17537-h.htm b/17537-h/17537-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..b482aff
--- /dev/null
+++ b/17537-h/17537-h.htm
@@ -0,0 +1,9797 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN"
+ "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd">
+
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml">
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" />
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of 't Bedrijf van den kwade, by Herman Teirlinck.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+/*<![CDATA[ XML blockout */
+<!--
+ p { margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em;
+ }
+ h1,h2,h3,h4,h5,h6 {
+ text-align: center; /* all headings centered */
+ clear: both;
+ }
+ hr { width: 33%;
+ margin-top: 2em;
+ margin-bottom: 2em;
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ clear: both;
+ }
+
+ table {margin-left: auto; margin-right: auto;}
+
+ body{margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;
+ }
+
+ .pagenum { /* uncomment the next line for invisible page numbers */
+ /* visibility: hidden; */
+ position: absolute;
+ left: 92%;
+ font-size: smaller;
+ text-align: right;
+ } /* page numbers */
+
+ .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */
+ .blockquot{margin-left: 5%; margin-right: 10%;}
+ .sidenote {width: 20%; padding-bottom: .5em; padding-top: .5em;
+ padding-left: .5em; padding-right: .5em; margin-left: 1em;
+ float: right; clear: right; margin-top: 1em;
+ font-size: smaller; color: black; background: #eeeeee; border: dashed 1px;}
+
+ .bb {border-bottom: solid 2px;}
+ .bl {border-left: solid 2px;}
+ .bt {border-top: solid 2px;}
+ .br {border-right: solid 2px;}
+ .bbox {border: solid 2px;}
+
+ .center {text-align: center;}
+ .smcap {font-variant: small-caps;}
+ .u {text-decoration: underline;}
+
+ .caption {font-weight: bold;}
+
+ .figcenter {margin: auto; text-align: center;}
+
+ .figleft {float: left; clear: left; margin-left: 0; margin-bottom: 1em; margin-top:
+ 1em; margin-right: 1em; padding: 0; text-align: center;}
+
+ .figright {float: right; clear: right; margin-left: 1em; margin-bottom: 1em;
+ margin-top: 1em; margin-right: 0; padding: 0; text-align: center;}
+
+ .footnotes {border: dashed 1px;}
+ .footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;}
+ .footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;}
+ .fnanchor {vertical-align: super; font-size: .8em; text-decoration: none;}
+
+ .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;}
+ .poem br {display: none;}
+ .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;}
+ .poem span.i0 {display: block; margin-left: 0em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i1 {display: block; margin-left: 1em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i12 {display: block; margin-left: 12em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i3 {display: block; margin-left: 3em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ // -->
+ /* XML end ]]>*/
+ </style>
+ </head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of 't Bedrijf van den kwade, by Herman Teirlinck
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: 't Bedrijf van den kwade
+
+Author: Herman Teirlinck
+
+Release Date: January 23, 2006 [EBook #17537]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK 'T BEDRIJF VAN DEN KWADE ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+
+
+
+<h1>HERMAN TEIRLINCK'S</h1>
+
+<h1>'T BEDRIJF VAN DEN KWADE</h1>
+
+<h4>1904</h4>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<div class='center'>
+<table border="0" cellpadding="4" cellspacing="0" summary="contents">
+<tr><td><a href="#hI">I</a></td><td><a href="#hVI">VI</a></td> <td><a href="#hXI">XI</a></td></tr>
+<tr><td><a href="#hII">II</a></td><td><a href="#hVII">VII</a></td><td><a href="#hXII">XII</a></td></tr>
+<tr><td><a href="#hIII">III</a></td><td><a href="#hVIII">VIII</a></td><td><a href="#hXIII">XIII</a></td></tr>
+<tr><td><a href="#hIV">IV</a></td><td><a href="#hIX">IX</a></td><td><a href="#hXIV">XIV</a></td></tr>
+<tr><td><a href="#hV">V</a></td> <td><a href="#hX">X</a></td> <td><a href="#hXV">XV</a></td></tr>
+</table></div>
+
+
+<h3><a name="hI" id="hI"></a>I.</h3>
+
+
+<p>'t Loof kleurde om de kruin der boomen, die achterwaarts stonden, statig
+en hooge, in den diepen hof; en 't lager plantsoen van 's gelijken
+verfde bij plaatsen, onder 't komend gewaai van den herfst, zijn
+bladeren geel of rossig, of rood lijk kastanjeslutsen, of klaar lijk een
+licht daar ievers.</p>
+
+<p>Goedele keek precies ernaar, door 't venster, en hoe de avond eromme al
+donkerend viel, keek ze, en hoe stilaan dieper de holten werden der
+wegdeinende dreven&mdash;en hoe eene waarachtige droefenisse uit den hemel
+zeeg. Ze leunde tegen 't raam. Ze tokkelde met hare vingeren zoetekens
+tegen de ruiten, zonder weten, op &eacute;enmatige wijs, en ging mee, al wijder
+en wijder, met hare verre gedachten. Altemets stortte een streuvelende
+wind in den lochting, en een park dahlia's neigden te zaam en rechtten
+zich en bijsden tenden hunne stengels nog een tijdeken. Hij asemde
+naderhand in 't rotelend geboomte en bleef er luidelijk hijgen en was
+seffens voorbij, met een schok&mdash;en waar zoefde hij ginds? Goedele voelde
+bij zijn sterke doening, heel de moedeloosheid van het najaar. 't Was
+haar of de tijd, in zijn haastige vleugeling, nu tastbaar werd, binst
+zijn vlucht naar de toekomst, aldoor stichtend 't verleden dat droevig
+was. Ze wendde haar hoofd zijwaarts op naar 't horloge, onbewust. Ze
+glimlachte even, omdat ze dees uur zoo tsieperig, zoo klein en
+niets-beduidend vond, en die gulden plate ook, met zijn verwaande
+orneering, zijn praatziek getjok, zijn vies-kruipende wijzers&mdash;zoo
+onmachtig, zoo kinderlijk, een onnoozel speelgoed. Buiten in 't vrije
+geluchte stormde de wind, en Goedele taakte er de eeuwigheid....</p>
+
+<p>Ze ging dan de breede tafel rond en luisterde binstdien met ongevraagde
+aandacht naar den slag van haar zij-ruischende kleeren het tapijtsel
+langsheen. Ze zette zich neer v&oacute;or 't klavier en wroetelde er onachtzaam
+in een muziekboek, en werd daarna gewaar dat ze dees alles beu was en
+dat heur 't vervelend pianogetamp zeer zou doen. Ze werd ongedurig; ze
+wist niets, dat groot genoeg was om mee te klinken met die stijgende
+golvingen in haar. Ze wilde niet spelen. Ze zou 't nietig achten, al wat
+ze spelen mocht. Het herfsteweer alleen was machtig genoeg.</p>
+
+<p>Ze hoorde rijzekens de korte stem van hare moeder, die weer wat te
+gebieden had aan vader of grootvader of de meid. Ze stond rechte en
+rustte tegen 't schouwblad en tuurde met roerlooze blikken naar een
+hoogen chrysanthementuil, die daar monsterachtig was, midden de tafel,
+in zijn laag-zittenden pot, met al die uitermatige kronen, valsch-wit en
+valsch-levend en klaterend van kostelijkheid. Ze verwonderde zich nog
+dat heur dees grof gedoe was opgezonden door Sebastiaan, haren
+verloofde.</p>
+
+<p>&mdash;Hij heeft dees van verre besteld, meende zij.</p>
+
+<p>Sebastiaan Vrebos was sinds veertien dagen naar Weenen vertrokken om er
+in de Albertina enkele teekeningen van Hieronymus Bos en een paar
+tafereelen van een ouden Brueghel te bezien. Van avond zou hij terug
+zijn. Sebastiaan was een jong archivaris, onlangs benoemd in de
+Koninklijke Bibliotheek, een heel lange en magere vent, liefelijk van
+uitzicht, met te groote engelblauwe oogen in een bleek gelaat, sierlijk
+omlokt met mat-blonde haren. Hij had langzame gebaren en deed al
+sprekend profijtelijk hergaan zijne witte vingeren en was aldoor
+verzonken in biddende houdingen. Goedele peinsde dat hij uitermatig
+vroom was. Hij was goed. Hij zei nooit een woord, dat sterk klonk of
+kwetsen mocht. Hij sprak nooit met drift, en werd nauwelijks een endeken
+van begeestering warm als hij 't over de oude Vlaamsche fantasten had,
+bijzonderlijk over Bos en Brueghel. Hij vond dan wel een gloeiend
+gezegde, maar meerendeels een stil-pieuse daarbij. Goedele had hem voor
+'t eerst bij mevrouw De Vleeschhouwer ontmoet, nu haast een jaar
+geleden. Hij had haar dadelijk met liefelijke gedienstigheid omringd,
+en, omdat hij zoo zacht was, kon zij hem goed verdragen rond haar. Hij
+kwam naderhand hier thuis, op de half-maandelijksche soepee-vergaderingen.
+Goedele ging nooit uit. Ze kende alleen de familie De Vleeschhouwer. Ze
+vond het wel aardig dat een djentelijke man om haar in deze droevige
+woonste komen wou en 't vleide heur aangenaam. Ze kreeg met welbehagen
+de stille bekentenis van Sebastiaan en voelde zich gelukkig omdat hij
+zegde door haar zoo gelukkig te zijn. Moeder verklaarde dat dees
+huwelijk heur aanstond, en mijnheer Vrebos werd met zijne aanvraag goed
+ontvangen. Sindsdien geraakte er een beetje verscheidenheid in 't
+eenvormige leven der familie Wilder: Sebastiaan kwam wekelijks een
+bezoek afleggen en bleef dan soepeeren, en dat alleen was al een
+gewichtige verandering; bij tijden werd ook een concert bijgewoond of
+een tentoonstelling bezocht; dan moest er in stad gesoepeerd worden&mdash;en
+ook dat was zeer gewichtig.</p>
+
+<p>Goedele keek toe naar de chrysanthemen, hoe bombastisch ze daar pronkten
+in schitterende ijdelheid, met hunne ommekrullende blaadjes, regelmatig
+middenwaarts toegevouwd. En hare gedachten, langs vage wegen, wendden
+zich geleidelijk naar de toekomst. Ze probeerde na te gaan, met
+waarschijnlijke veronderstellingen, hoe 't zijn zou, als ze dees huis en
+vader en moeder en grootvader verlaten zou. Zij en voelde in de verte
+geen heimwee, geene aandoening daarom. Ze zou hier uitgaan en zou den
+dorpel met haastigheid vergeten. 't Was hier ook zoo leeg, zoo lustloos
+en vunzig. Naarmate zij opgegroeid was in sterkte en schoonheid, had zij
+zich meer en meer vernepen en bezeerd gevonden, en nu stond zij daar, in
+hare volle grootte, een machtige vrouw, gekleineerd en gekwetst door al
+wat om haar was en werd. Bij moeder vond ze geen zoetiger toevlucht en
+vader was peuterig in zijn dagelijksche manieren; hij en deed maar
+bekrompen werken en wist geen doel, en steunde voor gewichtige besluiten
+op moeder. Grootvader was hard. Zij vreesde van die drie moeder alleene,
+omdat moeder danig struisch was in koppige, strenge besluiten, en korte,
+scherpe woorden had. Daarom was heur streelend de brave liefde van
+Sebastiaan. Zij en wachtte nooit met koortsig verlangen op hem, noch en
+vreesde gejaagd zijn vertrek. Ze liet zich zijn komste welgevallen en
+vleide zich een stonde in de lauwte zijner lijze genegenheid. Ze meende
+wel dat ze hem liefhad, maar de muren waren hier te eng en te zwaar. Ze
+zou met hem trouwen en in 't open geluchte gaan en vrij wezen. Alles zou
+nieuw zijn. Ze zou hem liefhebben, omdat hij goed was....</p>
+
+<p>Ze boog zich trage over de chrysanthemen en snoof den kouden geur ervan
+en voelde even de blaadjes kittelen over hare wangen. Die jeukte maakte
+haar ongedurig en, als zij weer in de boomen van den tuin het blazend
+gewaai hoorde roefelen, rechtte zij zich plots op, uit gansch hare
+lengte, en bleef roerloos kijken, strak v&oacute;&oacute;r zich heen, naar een
+voorbijvliegend beeld. Op dees oogenblik voelde zij gansch haar vleesch
+in &eacute;ene trilling pijnlijk worden en haar bloed slaan in forsche geuten
+naar hare slapen. Vluggelings viel om haar al wat bestond en blijvend
+zijn zou, en ze rees, grooter en sterker&mdash;en moeder en Sebastiaan en het
+huis&mdash;'t en raakte noch en deerde haar. Ze wou 't weere voelen zoeven
+langs hare wangen, ze wou heur haar los laten vlaggelen en ze wou
+luisteren naar 't geklapper van 't krakende geboomte....</p>
+
+<p>Seffens neigde haar voorhoofd en ze zocht verlegen naar 't gewone zicht
+der dingen, naar die twee visscherstafereelen aan den wand, naar 't
+klavier, naar de glazen dresse, met haar menig ruitwerk, zoo drollig van
+verve ... en hare oogen steunden erop, alsof zij er fluks naar grabbelen
+moest om niet omverre te stuiken. Wanneer ze opnieuw rustig was, tot ze
+stille naar 't venster en zonk weg met hare toevallige gedachten, al
+over den bonten lochting, een heelen tijd lang.</p>
+
+<p>&mdash;Goedele!</p>
+
+<p>Mevrouw Wilder stond in 't deurgat. Mevrouw Wilder was groot boven de
+mate, grooter nog dan hare dochter, en struisch ook daarenboven, breed
+geschouderd en grove gelend. Haar hoofd was lijk in brutalen steen
+gebeiteld, zonder nuttelooze kleinigheden&mdash;een laag, plat voorhoofd
+tusschen vlakke slapen, blauwe oogen in vierkante holten, sterke kaken
+en een stevige kin. Ze zag er uit wel een van tenden de vijftig jaren,
+maar effen-zwart bleven heur haren, zorgvuldig te midden open, in gladde
+vlechten gekamd en bezij hare ooren in een nat, regelmatig krulleken
+vastegeleid. Gerimpeld en was zij niet: haar gezichte bleef gedurig
+effen en eenvervig, en nooit en speelde er een vouwken of tintelde er
+een kleureken in dat toonloos, gelijkvormig gelaat. Haar breede hals,
+ten halve bloot boven de korte krage, was een paal van stoere kracht.
+Zij boog zelden. Zij stond, keersrechte, in haar zwarte merinoskleed;
+zij droeg haar hoofd daar hooge, waar 't blijvend was en rijzekens
+roerde. Zij en droeg oorbellen noch armband noch eenig ander sieraad;
+haar trouwring was heel smal en in haren zwellenden vinger vergroeid.
+Zij was koud. Ze vereenzaamde zich in een killige atmosfeer, die zij om
+haar geschapen had en allerwege meesleepte, overal stichtend een
+ongewoon ongemak bij de naderende menschen. Maar, in haren witten blik,
+lag anderzijds een verre treurnis, een verre klacht over leed, dat niet
+te heelen was. Seffens echter wist zij die zwakte met een stalen schicht
+te duiken&mdash;en seffens herkwam van wijd de droefheid, kalm en zonder
+deernisse. Bij tijden zakten hare lippen van weerskanten neerwaarts....</p>
+
+<p>Zij sprak nu van het avondmaal, met korte, rustige woorden te reke; zij
+wachtte zelden op een antwoord, zij zei meerendeels een gebod of een
+uitlegginge, en ontving weinig bevelen van anderen.</p>
+
+<p>&mdash;'t Eten moet klaar worden.</p>
+
+<p>&mdash;De tafel moet ge dekken.</p>
+
+<p>&mdash;Deze bloemen kan men andermaal best met ruste laten.</p>
+
+<p>Ze ging langzaam bij de tafel en raapte nauwkeurig eenige verslenste
+blaadjes op, naderhand nog uit de bloemen zelve geschonden vlekjes
+knippend, aandachtig. Ze keek naar 't horloge en merkte, op haar eigen
+zakuurwerk, dat de wijzers voorliepen, en kwam die dan trage goed duwen,
+met haren duim.</p>
+
+<p>Goedele zei:</p>
+
+<p>&mdash;Ja, moeder.</p>
+
+<p>Ze blikte naar Seppie, 't japansche hondje, dat rondtrippelde, om
+mevrouw Wilder's rokken, en nu subiet pal bleef en zijn plat snuitje
+ophief naar heur en te kwispelen probeerde met zijnen langharigen
+steert. Seppie snoof al eens en loerde zijwaarts, tuk op een zoetig
+woord van Goedele of een vriendelijk gebaar. Hij kwam dan endelijk toch
+aandrillen, ongeroepen en schuchter, en wreef zijn leelijk koppeken
+tegen haren voet.</p>
+
+<p>&mdash;Seppie maakt uw schoenen vuil met zijn tonge.</p>
+
+<p>&mdash;Wat zou hij?</p>
+
+<p>Ze wilde 't beestje vrij praten, en boog zich en streelde 't al
+krabbelend achter zijne ooren. Ze zei dat het koes moest blijven en
+braaf zijn en schoone manieren hebben, en was dan te wege weg naar de
+keuken bij Marie om alles te schikken. Maar mevrouw Wilder gebaarde dat
+zij wat wachten moest.</p>
+
+<p>&mdash;Is vader in den lochting?</p>
+
+<p>&mdash;'k Zag hem wandelen tusschen de palm-struiken.</p>
+
+<p>&mdash;Wiezeken is ziek.</p>
+
+<p>Goedele tort naderbij. Mevrouw Wilder zette zich neer en zuchtte diep,
+en hare oogen werden droeve. En ze vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Wist ge dat Wiezeken ziek is? Neen, moeder.</p>
+
+<p>Ze staarde scherp naar Goedele en hief hare hand een endeken op. Seppie
+keek nieuwsgierig toe, zijn tootje scheef draaiend ten teeken dat hij
+luisterde.</p>
+
+<p>&mdash;Ze hebben niet ommegezien. Ze zijn samengegaan. Ze hebben hun eigen in
+'t verderf gestort. Ze hebben mij miskend en hun eigen in 't verderf
+gestort....</p>
+
+<p>&mdash;U miskend....</p>
+
+<p>&mdash;Ja.</p>
+
+<p>Ze stond vluggelings rechte en tort naar heure dochter toe en neigde een
+beetje, haren hals uitrekkend om te kunnen fluisteren tusschen hare
+tanden:</p>
+
+<p>&mdash;Zult gij ze verontschuldigen?... Zwijg!</p>
+
+<p>En hare stemme zonk, laag wordend in holle tonen met kapotte
+scandeering:</p>
+
+<p>&mdash;Van zijn kindsbeen af heeft hij me danig centen gekost, hij.... Hij
+was ziek, of hij kloeg dat hij ziek was. Daar zijn hier dokters geweest
+met hoopen en op ons kosten hebben ze hun kwakzalverijen verkocht. Wat
+heeft hij al niet gehad aan speelgoed en snuisterijen? Wel! Wel!... En
+als hij dan een jongen was die endelijk op zijn pikkels staan kon, wat
+heeft hij al niet gehad aan nuttelooze plezierkens? En hij ging ter
+schole, en 't kostte allemaal. En hij ging naar de Universiteit ... ge
+zult later weten wat het gekost heeft. En al die boeken waaruit hij
+leeren leven zou? Wat heeft hij geleerd? Hij was ten langeleste
+ingenieur. Ingenieur van wat? waar? wat zou het opbrengen? Wel! Wel! Het
+heeft wat opgebracht! 't Is proper alzoo.... En daar zit hij nu, met een
+slonse en met een kind.</p>
+
+<p>Ze zweeg, haren mond toesnappend op het laatste woord, en ze ging bij 't
+venster staan en kruiste hare armen over hare borst. Daar viel een bange
+stilte in de kamer. Goedele leunde tegen 't klavier en hare vingeren
+raakten overhand, bij maniere van onbewust spelen, de bovenrandjes van
+een koperen kandeleer. Ze wist dat ze zwijgen moest als moeder van den
+verloren broeder sprak, en ze had dergelijke uitvallen ook al zoo
+dikwijls gehoord, dat het haar nu niet meer taakte en zij, maar liefst
+die overdreven gramschap van zelf koelen of vallen liet. Ze zag echter
+wel de diepte van moeder's koppige pijnen en ze vergaf haar gewillig een
+slechtdadig woord om wille der oorzake, die toch een blijvende en
+zeerdoende wonde was. Ze droeg daarom 't gewichte van deze
+ongemakkelijke stilte met verduldigheid en voelde deernisse. Mevrouw
+Wilder verliet het venster en ging nog een kanten doekje schoon leggen,
+dat gefronst en ommegevouwd lag op 't schouwblad. Ze deed naderhand de
+dresse open en toetste even de kristallen wijnbekers en een paar
+sineesche potjes, alsof zij dat alles schikken moest. Seppie trippelde
+in haren weg en ze fronste wrevelig hare wenkbrauwen, geweld doende om
+hem niet buiten de deure te stampen. Een geborduurd kussen en lag,
+volgens hare goesting, niet op zijn plaatse in een breeden leunstoel. Ze
+moest het eens opslaan en zuiver leggen te midden, en een haarken
+wegvingeren, dat er ievers vasthaperde.</p>
+
+<p>De avond viel daarbinst. Schuinsche klaarten smeten rood uit op het
+donkere wandpapier en speelden in aardige tinten langs een paar bronzen
+maskers, die daar te grijnzen hingen. In een hoek kwam een straal noesch
+leuterlichten over de randen van een bundel pauwpluimen, sierlijk zich
+opendoende uit een groene vaas, heel lang en wonderbaar beklaterd met
+gele en oranje vlekken. Hooger op, waar 't al diepe duisterde, blonk bij
+plekken 't geschitter van oude wapens. Op den schoorsteen stond nog in
+'t helle licht het koperen horloge met zijn zonderlinge plate, en,
+ernevens, twee hasseltsche potten, grove versierd en zwaar zittend op
+hunnen monsterachtigen buik. Onderaan stond de stove. De weggaande dag
+kletste tegen de schaterende roeden en ringen en talrijke ornamenten, en
+rustte arets in de donkere holten, zorgelijk gepotlood.</p>
+
+<p>Mevrouw Wilder's lippen vielen in een spijtige plooi neerwaarts, en ze
+zei:</p>
+
+<p>&mdash;Wel! Wel!</p>
+
+<p>Ze sloot de dresse met den sleutel en schoof nog een lade open en haalde
+er twee zilveren servetringen uit. Ze zette zich neer daarna en nam
+zwijgend Seppie op haren schoot. En Seppie likte en streelde en legde
+zijn oorkens, omdat hij 't zoo leutig vond. Hij rondde algauw zijnen
+rugge en vleide zich ne&ecirc;re en sloeg met zijnen steert en gaf gedurig
+vriendelijke stootjes met zijn voorhoofd, en hij was vies en liefelijk
+tezelfdertijd. Mevrouw Wilder streek met hare hand over hem tot hij
+bedaarde en stille bleef, en dan keek zij op naar Goedele. Toevallig
+stieten hare blikken tegen Goedele's mijmerende oogen. Goedele rilde een
+luttel stondeken en werd seffens verlegen, en mevrouw Wilder ook en was
+op dat oogenblik van geen vasten wil. 't Was of zij meteen allebei
+begrepen, allebei tastten hoeverre zij van mekaar verwijderd waren, en
+dat zij wellicht nooit in zoete kommunie zouden bijeen komen om liefde
+te voelen, hun warm vleesch te samen, hun lauwen asem te samen. 't Was
+of ze de groeve voelden, die diep werd en breed werd en vreeslijk werd.
+Ook, in een zelfde zicht en in een zelfden weemoed, zagen ze Romaan, den
+broeder en den zoon, verworpen uit het huis, waar nu zijne plaats overal
+een leegte was&mdash;want overal was zijne plaats....</p>
+
+<p>Mevrouw Wilder rechtte haastig haar zwaar lijf. Ze werd de kriebeling
+gewaar der naderende aandoening en ze had schrik daarvan. Ze vreesde
+neer te storten in de zoelte van zwakke emoties en palstaande wilde ze
+blijven. Alzeere bedwong zij met een vlugge, scherpe beredeneering de
+dwaze kuren van haar moederlijk hert, en hare oogen werden, lijk te
+voren, van rustig staal. Ze verliet de kamer, wendde zich halvelings
+omme bij de deure en riep op Seppie, die schuchter-drummend aandrevelen
+kwam. Ze tort echter na een stonde her binnen en lei hare hand op
+Goedele's schouder. En ze zei:</p>
+
+<p>&mdash;Wiezeken is ziek.</p>
+
+<p>Hare stemme verloor eenigszins de gewone droogte, de scherpe kortheid.
+Eene gemoedelijke klankwending wiegde er en brak er de nijpende kilte,
+zoodat allengs een zoetigheid boven geraakte en streelend werd.</p>
+
+<p>&mdash;Erg ziek....</p>
+
+<p>&mdash;Erg ziek?</p>
+
+<p>&mdash;Een ziekte in de kele, en zulke zijn de slimste.</p>
+
+<p>Ze was innerlijk tevreden dat Goedele getroffen was, alsof ze eerst
+gedacht had dat het nieuws weinig of geen belangstelling zou opwekken
+bij hare dochter. Een oogenblik kwam haar herte vol.</p>
+
+<p>&mdash;Het dutseken, fluisterde ze.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, zei Goedele.</p>
+
+<p>&mdash;Ik hebbe ook veel triestigheid beleden met Romaan, als hij daar
+machteloos te hoesten lag in zijn wiegsken.</p>
+
+<p>Heel dat steenen gebouw, die granieten ziele smolt meteen tot een natte
+aandoening weg.</p>
+
+<p>&mdash;Ik weet wel, Goedele, wat een nacht is, een slapelooze stilte bij een
+kind, dat men met aai&iuml;ngen maar niet helpen kan ... Romaan is uw broer.</p>
+
+<p>Goedele keek op naar heur, met verwondering, niet wetende wat ze zeggen
+wou en zoekende naar heure oogen om te weten. Maar die oogen staarden,
+halfbeloken, naar de granaatbloemen van het tapijt.</p>
+
+<p>&mdash;'t Ware goed, als er iemand ging ... als gij gingt....</p>
+
+<p>&mdash;Ja ... ja ...</p>
+
+<p>&mdash;'t En is niet verre, in 't lage van de stad....</p>
+
+<p>Goedele vatte heure hand, toch rijzekens verschrikt dat die aldoor koud
+was gebleven. En te wege was zij te weenen van vreugde, omdat moeder op
+een ende toch bedaard was, toch goed was geworden voor haren jongen, die
+nu lijden moest&mdash;en omdat moeder een deugdelijk woord had gezeid, een
+zacht woord van liefde. Ze omvatte moeder's breede vingeren en drukte ze
+koortsig, en haar hoofd zeeg voorover en hare wimpers werden heet. Maar
+als zij dan moeders oogen zag, blank en puntig, en merkte hoe niet de
+minste altratie te speuren was op dit roerloos gelaat, niet de minste
+verandering in de hardheid van die vaste wangen, niet een trillend
+zierken in de rechte plooi van dien drogen mond, voelde zij zich
+gekwetst en ze week permintelijk, instinktmatig, beschaamd omdat zij
+zich alzoo bijkans overgaf.</p>
+
+<p>Mevrouw Wilder lei een bankbriefken van twintig frank op de tafel,
+zeggende dat Goedele er zorg moest van hebben en 't niet nutteloos
+verkwisten en 't maar geven aan Romaan ten uiterste, indien het
+waarachtig noodig was.</p>
+
+<p>&mdash;'t Kan ook gebeuren dat het niet noodig en is.</p>
+
+<p>Ze verdween, bijna onhoorbaar tertend, en zonder ommezien. En Goedele
+zonk trage neer op een stoel, geknakt, gebroken in hare hooghertigheid,
+wel wetende nu dat moeder niet edel wilde zijn, niet zachtmoedig wilde
+zijn. Ze zat zich af te vragen wat dan in moeder oorzake was van hare
+medelijdende woorden, en zij en vond geen uitlegginge om moeders
+inzichten te verklaren. Beteuterd tuurde ze naar 't papieren geld, dat
+tegenwoordig, ook in haren geest, zoo'n groote beteekenis kreeg.
+Moeder's vingeren, daar neerduwend dat vierkante ding, en 't openvouwend
+met zorgvuldigheid, en 't naderhand nog een wijlken overstreelend&mdash;'t
+bleef in haar geheugen een vastgespijkerd beeld. En ze dacht aan
+Romaan's spijtige geschiedenis, aan zijn vlucht met Madeleen en aan
+moeder's gramschap. En ze dacht aan Sebastiaan en aan zijn goede liefde.
+En aan zijn geld.</p>
+
+<p>&mdash;Sebastiaan heeft geld.</p>
+
+<p>'t Stond haar nu klaar voor, en Sebastiaan kreeg een ander gedaante, en
+ze meende nu dat zij hem liefhebben moest, als zelf zij hem in
+werkelijkheid niet liefhebben kon. Tegen de rotse van moeders wil zou
+zij tevergeefs horten. En moeders minzaamheid voor Sebastiaan steunde op
+geld; ze had er de zuivere, de stipte vizie van in 't beeld van moeders
+werkzame vingeren, streelend gaande om dat kostbaar briefelken. Maar
+Sebastiaan's liefde was oprecht. En ook zij was Sebastiaan genegen.</p>
+
+<p>&mdash;We zullen gelukkig zijn.</p>
+
+<p>En ze ging te lore in kalme droomen van stille huiselijkheid, haar eigen
+zettend bij 't vredig gefonkel van een duurbaren heerd en er luisterend
+naar wisselvallige gepeinzen.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h3><a name="hII" id="hII"></a>II.</h3>
+
+
+<p>Rik Derboven, mevrouw Wilder haar vader, was een visscher van de
+Noordzee. Indertijd was hij doodarm. Hij trouwde met een meisen van zijn
+prochie, een struisch wijf, die hem zes dochters gaf. Hij labeurde er
+voor, dag in dag uit, zich nievers een stonde rustigheid verleenend,
+nooit vermoeid en nooit ontmoedigd. 't Was een zwijgende vent met diepe
+inzichten, een steenen wil, een stugge kop, met koppigheid alles
+doordrijvend. Hij en wankelde noch en keerde; hij rukte met neerstige
+hardnekkigheid vooruit, hij en zag geen hinderpaal in 't belang van
+andere, hij zag alleen zijn doel. 's Avonds in den late, als hij een
+wijlken zich neerzette bij de stove, na den eten, was hij aldoor
+verdiept in verre combinaties en keek hij in den rook van zijne pijp
+naar de mogelijkheid van wijd-reikende oplossingen. Men mocht hem
+binstdien niet lastig vallen. De kinderen moesten te bedde liggen en
+moeder moest voorzichtig te werke gaan met hare schotels en haren
+avondkuisch. Hij bleef altemets in de donkerte een heel deel van den
+nacht, zoo zitten en denken. Hij luisterde dan naar gindsche roerende
+zee en zijn gepeins werd machtig. Aldus timmerde hij zijne stille
+plannen op, al bouwend en metsend en afbrekend en herdoende 't gansche
+idee op eene andere manier. Hij wilde dan tot eene waarschijnlijkheid
+geraken en ging niet slapen eer hij die vaste kreeg. Hij en schrikte
+voor geen kwade daad, hij en week maar voor den dood. Over een lijk heen
+zou hij niet terten. Anderszins wist hij dat hij in staat was tot alles,
+wat niet en docht, en brave menschen aanzag hij voor domkoppen. Hij was
+overal aanwezig, waar er wat aan zijne vingeren kon blijven haperen. Hij
+richtte kleine muiterijen in, onder de visschers, hij hitste de kerels
+op met woorden van haat en woorden van deernisse; hij sprak van
+bloedhonden en hertevreters, en hij stiet met zijn vollen nijd tegen 't
+hoofd zijner makkers, voortdurend kloppend tot ze op een ende daar
+gloeiend stonden, koortsig en razend, met veerdige handen. En als 't dan
+op een mislukte dolheid uitliep, was er toch &eacute;en, die zanten kwam, een
+die achterwaarts stond en wachtte, en naderhand 't profijt wegdroeg; en
+dat was Rik. Zoo stegen allengs zijne zaken. Hij kocht een boot. Hij
+kocht er twee. Hij deed smokkelreisjes, bracht vreemd goed in het land,
+bedroog en werd welvarend.</p>
+
+<p>Maar thuis sloeg hem de kans tegen. Een voor &eacute;en stierven vijf zijner
+dochters aan een zonderlinge hertziekte, die hen met schokjes wegdreef,
+in min dan drij jaren. Twee jaar nadien, ook onder de zelfde kwale
+lijdend, werd zijne vrouw door eene geraaktheid getroffen. Ze bleef zes
+maanden te bedde liggen en sukkelde er en wou, op een voornoene,
+redeloos opstaan. Rik was aan het strand. Hij vond bij zijn thuiskomste
+zijn wijf temidden van den vloer liggen; twee streepkens bloed liepen
+over hare lippen en een paternoster strengelde om hare vingeren. Naast
+moeder lag Ursule, het laatste dochterken, flauw asemend en buiten
+kennisse....</p>
+
+<p>Rik bleef nu met Ursule alleene. Hij en wilde niet hertrouwen. 't Zou
+zoo wel gaan. Ursule was toen dertien jaar oud. Hij leerde haar het
+huishouden, en na korten tijd, deed zij 't gansche werk. Het kind
+groeide alzoo op tot een stevige deerne en geen moeite was haar te
+zwaar. Ze begreep&mdash;al zei vader niets van zijne geheime doelen,
+&mdash;waarnaar de minste inzichten streven moesten. En ze was spaarzaam, en
+ze zwoegde, en ze werd sterk en groot in haar rusteloos slameur. Alle
+avonden liet Rik het lamplichtje laag komen over de tafel en hij
+verklaarde haar het spel der cijfers, de moeielijkste rekenkunde, tot
+den nacht tellend en hertellend en alles neerschrijvend te rote, met
+stipte nauwkeurigheid. Dat duurde tot haar twintigste jaar. Dan verkocht
+hij het armzalige huizeken, het dagelijksch gerief, de meubelen; dan
+verkocht hij zijne booten.... En ze trokken naar de stad en openden er
+een specerijwinkel. Er werd opnieuw gesmokkeld en gekonkelfoesd. De
+waren kwamen aan van tallenkant. Rik had alles meesterlijk geschikt.</p>
+
+<p>Maar Ursule allengerhand werd sterker dan haar vader. Ze speculeerde met
+meer vernuft en meer zekerheid ook. Ze bedroog hem en bewees het, en zoo
+ontstond bij hem eene pijnlijke angstvalligheid. Hij werd nu zwak en
+wankte in zijne minste ondernemingen. De zaken werden ook stilaan zoo
+geweldig vooruitgestooten, dat hij 't niet volhouden kon en meende te
+verongelukken. Dan bleef hem alleen nog over teenemaal op Ursule te
+berusten. En Ursule werd groote meesteresse in huis. Na vijf jaar was de
+specerijwinkel een aanzienlijke koffiehandel geworden.</p>
+
+<p>Omtrent dien tijd ontmoette zij Albien Wilder, een jongen van rijke
+familie, bevoordeeligd ambtenaar bij 't Ministerie van Binnenlandsche
+Zaken. Dagelijks moest hij de hooge poorten der magazijnen voorbij en
+dikwijls bemerkte hij Ursule, daar staande in hare volle lengte, breed
+en statig. Al dadelijk werd hij door dat struische wijf veroverd. Hij
+liet zich door een beursman aan den vader voorstellen. Van weerskanten
+werd er gewikt en berekend en uitgeteld, en zeven maand nadien trouwde
+Ursule met hem.</p>
+
+<p>'t En bracht niet veel verandering in huis. Albien was van nature een
+zwakkeling, en algauw lag hij onder Ursule's stalen wil en ging en
+handelde naar heure wenken. De koffiehandel, nog door Wilder's kapitalen
+gespijst, breidde zich meer en meer uit en werd eene machtige
+inrichting. Ursule was nu rijk. Maar niets kreeg een gewijzigd uitzicht
+in haar leven: ze wrocht en zwoegde, nievers tijd vindend om haren
+rijkdom te bezigen tot eigen genot. Geld winnen was overigens hare
+eenige vreugde; rijzekens had ze deugd aan hare moederschap&mdash;ze was
+moeder van een zoon, dien ze Romaan heette, naar den naam van Albien's
+overleden vader. En Albien zelve gewende zich aan die eentonige dagen.
+Hij trok 's uchtends naar zijn bureel en kwam 's avonds terug en nam
+zijn zuinig maal in de koude eetkamer. Allengs smolt ook zijn ideaal met
+Ursule's doelen saam: ze moesten geld verzamelen. Rik sprak bij stonden
+ervan:</p>
+
+<p>&mdash;We zullen 't ophoopen in stapelkens en nevenseen zetten en 't
+bekijken.</p>
+
+<p>'t En scheen hem niet belachelijk. 't Waren in zijn meeninge heerlijke
+plannen geworden. En gedrijen spaarden ze.</p>
+
+<p>Romaan werd door allerlei ziekten aangetast, vier jaar te rote. Ursule
+had het heel druk met de dokters, die zij den eenen na de anderen
+wegstuurde. Ze waakte lange nachten bij haar kind en bad dat het genezen
+zou. Ze toonde zich, gedurende dien tijd, heel vroom en heel
+vreesachtig. De dokters mochten niet meer in huis komen. Ze wilde alleen
+op God berusten&mdash;halvelings omdat het haar goedkooper viel, halvelings
+ook omdat zij in de wetenschap geen het minste vertrouwen had. Romaan
+kwam langzaam alle ziekten te boven en werd een droomerig jongetje.</p>
+
+<p>Hij was zes jaar oud, als Goedele geboren werd. Goedele was veel
+sterker. De kleinen groeiden op in een killig geluchte. Zij en voelden
+nievers de zoetigheid van liefderijke wezens; ze liepen beteuterd en te
+lore in hunne jeugd en benijdden ter schole de vriendelijkheid hunner
+makkers. Ze zouden echter de bane niet volgen, welke moeder hun door
+haar voorbeeld en hare woorden voorschreef, en deze ouders, welke
+gedurig en uitsluitend tuk waren op een peute geld, kregen kwistige
+kinderen. Romaan, als hij op de universiteit leerde, miek schulden.
+Ursule, die meer hechtte aan eenen goeden name dan aan eene eerlijke
+ziel, betaalde, maar ze hield naderhand den jongen zoo nauw dat hij
+haast niet meer met vrijheid denken kon. Zoo werd hij een zwijgende
+opstandeling. Het leven werd hem bitter. Hij droomde mee met
+Schopenhauer, wiens boeken hij met razernije verslond. De maatschappije
+scheen hem eene verschrikkelijke onrechtveerdigheid, waar de goeden tot
+blijvend leed verdoemd waren. Zijn hoofd was vol met utopische
+hervormingen&mdash;alles moest omgegooid en heropgebouwd worden: de standen,
+het huwelijk, de familie. Wat bestond, was slecht, was vort, was
+misdadig. 't Zicht der rijken folterde hem.</p>
+
+<p>In een kleine steeg, bezijden de Hoogeschool, woonde een arme weeze met
+hare tante. Daar verliefde hij op. Dagelijks trok hij het huizeken
+binnen, waar 't meisje te borduren zat. Ze maakte schoone bonte bloemen
+met zijden draad en hij had leute met hare liefelijke vingeren&mdash;hoe die
+met de naaide ieverig waren en hoe daaronder de teekening djentig
+zichtbaar werd. Het meisje heette Madeleen en die oude grijze daar, zoo
+mager en zoo roereloos, heette tante Olympe. Hij voelde hier warmte. Hij
+rookte hier pijpen en keek langs smalle vensterruiten naar de varende
+wolken. Hij was hier wel.</p>
+
+<p>&mdash;Madeleen....</p>
+
+<p>En ze wendde naar hem hare blauwe kijkers en lachtte even of knikte met
+zachte buigingen, bij maniere van gelukkig-zijn. Er zong iets in hem.
+Hij lachtte tegen. Ze waren seffens takkoord.</p>
+
+<p>Maar dan begonnen de leelijke dagen. Hij ging alles aan moeder bekennen
+op een avond. Hij wilde trouwen.</p>
+
+<p>&mdash;Met wie?</p>
+
+<p>Ursule sprong naar hem toe, en vatte zijne armen, en knelde die
+onbarmhertig in hare koortsige handen.</p>
+
+<p>&mdash;Met wie?</p>
+
+<p>Hij moest het herhalen, hij moest het tot drijmaal toe herhalen. Ze
+schoot seffens uit in een schaterlach, een wreed geklater, dat tegen de
+naakte muren plofte met vreeslijk lawaai. Ze liet hem los en kruiste
+hare armen over hare borst, en ze zwaaide hem dan in 't aangezicht dat
+het een slonse was zonder zedige manieren.</p>
+
+<p>&mdash;Een ploerte!</p>
+
+<p>Romaan rechtte zijn hoofd. Het deed hem zoo'n zeer wat moeder zei, maar
+nu had ze hem op het herte geslagen. Hij werd hard en hij werd koppig.
+Drij dagen bleef hij op zijne kamer zitten. Goedele bracht hem eten en
+kuste hem. Hij weende bij Goedele, en het was hem een goede troost. Den
+vierden dag ging hij vader aanspreken. Albien was verschrikt, en
+hakkelde, en voelde zich wegzinken zonder den steun van Ursule's
+sterkte. Hij probeerde toornig te zijn; hij was alleen toornig, omdat
+hij Ursule vreesde. Hij riep:</p>
+
+<p>&mdash;Weg, loop weg!</p>
+
+<p>Hij liep hem nadien zelf achterna, al stamelend dat er wel een oplossing
+te vinden zou zijn.</p>
+
+<p>&mdash;Allo, jongen, allo....</p>
+
+<p>Maar Ursule bleef onverbiddelijk, en den vijfden dag verliet Romaan
+zijne ouders. 't Was den vijfden dag.</p>
+
+<p>Hoe struisch Ursule ook was, 't knakte haar en ze werd ziek. Een volle
+weke lag ze te bedde, zuchtend en zich ommewerpend. Voor de eerste maal
+van haar leven wist ze geen besluit te nemen. Zij en wilde hem niet
+laten trouwen, zij en wilde geen geld geven aan die vreemde kerte. Ze
+fluisterde, al kijkend naar de zoldering, heel wijd:</p>
+
+<p>&mdash;Geen geld....</p>
+
+<p>Maar ze wilde ook Romaan niet kwijt zijn. Ze verwonderde zich dat ze
+hield van hem, na al zijn leelijke doening. En ze hield van hem. En
+daarom zou hij trouwen met een rijke juffrouw. Hij was ook rijk. Het
+idee dat hij nu toch met die ellendige loete trouwen zou, deed haar het
+oogenblik daarna terug raaskallen. En ze bekeek de zoldering met
+wijd-open oogen.</p>
+
+<p>&mdash;Geen geld....</p>
+
+<p>Ze meende endelijk een oplossing gevonden te hebben, en ze genas. Ze
+schreef aan Madeleen dat ze komen moest. Madeleen en kwam niet. Ze
+schreef opnieuw. Ze zou Madeleen omkoopen, haar eene ronde somme geven,
+als ze Romaan loslaten wou. En Madeleen en antwoordde niet. Ze begon
+weer te wanhopen en te klagen, en moest weer een paar dagen neerliggen.
+Rik kon haar opbeuren. Hij verzekerde haar dat het allemaal jeugdige
+zotternijen waren, en dat die vuurkens fluks uitvlammen zouden. Hij wist
+dat de jongen en 't meisje tegenwoordig ongehuwd reeds samenleefden op
+eene gemeubeleerde kamer, en die tortelliefde zou haren gang gaan, en
+naderhand zou Romaan boetveerdig terug keeren.</p>
+
+<p>&mdash;Ze zullen trouwen....</p>
+
+<p>&mdash;Zij en zullen niet trouwen.</p>
+
+<p>Waarom zouden ze trouwen? Ze hadden zoo al hun volle pleizier.</p>
+
+<p>&mdash;De plodde zal aandringen....</p>
+
+<p>&mdash;Zij en doet.</p>
+
+<p>Hij sprak kort. Ze herwon een beetje betrouwen en liet zich genezen.
+Maar zij en kon sindsdien niet ten volle meer hare zaken bewerken. Al
+hoopte ze stilaan dat Romaan de meid ten langeleste verlaten zou, ze
+bleef bij haarzelve klagen over 't verlies van haren zoon, en de handel
+leed door hare dagelijksche onachtzaamheden. Albien, die 't wel merkte,
+stelde schuchter voor het huis aan een opvolger over te laten. Ze wilde
+hier echter niets van hooren, en werd buitengewoon ieverig.</p>
+
+<p>&mdash;Denk niet meer aan hem, zei Albien, die er gestadig aan dacht.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, zei Ursule.</p>
+
+<p>En ze dacht aan hem. Ze deed hem beloeren. Ze stuurde ook altemets
+Goedele, en vernam aldus dat Romaan in waarheid ongehuwd bleef en
+gemeenzaam leefde met Madeleen en tante Olympe. Hij had ook altijd
+gesproken van vrije liefde en nieuwe zeden. Zij was nu tevreden, omdat
+hij die dwaze gedachten behouden had. Ze kreeg verder te wete dat hij
+als ingenieur aan een bronsfabriek verbonden was, en het stilde haar in
+hare moederlijke bezorgdheid; hoe danig zij ook deze bezorgdheid met
+sterke beredeneeringen wilde versmooren, zij was bezorgd, tegen wil en
+dank zich moeder voelende.</p>
+
+<p>Een nieuw voorval wierp haar ten derde male te bed. Madeleen beviel van
+een dochterken. Meteen verzonk haar laatste hoop, want ze wist dat
+Romaan nu voor altijd vastegeklonken lag. Ze wilde Rik's noch Albien's
+troost ontvangen en Goedele ook moest verwijderd blijven. Van dien dag
+af begon de koffiehandel te slabakken. Er ontstonden onlusten onder de
+werklieden, en kleine muiterijen maakten Ursule en vooral Rik uitermatig
+benauwd. Toevallig konden ze, ver beneden de weerde, het huis koopen van
+een gevallen edelman, in een rijkemanswijk der stad. Ursule verkocht
+haren handel en nu gingen ze rentenieren. Albien zou voortwerken op zijn
+bureel. 't En deerde hem niet te vele, en 't bracht schoon geld op.</p>
+
+<p>De nieuwe woonste was prontelijk gelegen, boven de stedelijke warande,
+en over de breede vaart. 't Was een groot hotel, met, achterwaarts, een
+heerlijk park en een lochting vol bloemen. Aangename breede wegels
+liepen erlangs, allen saamkomend op een open terras, waar 't in den
+zomer krioelde van gloeiende of klaterende rozen. Het huis zelve was een
+vierkante massa met gelijke vensters. Talloos waren de kamers. Ursule
+achtte het nutteloos alles te meubeleeren. Ze had zich het huis voor
+eigen genot niet aangeworven: 't Was meer weerd dan 't geld dat zij er
+aan besteed had, en zij en zou al die kamers niet nutteloos gebruiken.
+Zoo bleven er een groot aantal leeg en vele luiken werden nooit
+ontsloten. Dat gaf aan deze woning een doodsch en akelig uitzicht en na
+enkele maanden verwierf zij ook in den geest der naburige menschen een
+geheimzinnige beteekenisse. Drijmaal daags zagen zij 't zware hekken
+opengaan: in den vroegen morgen, als Albien traagtrippelend naar 't
+Ministerie trok, later, omtrent tien uren, als Marie, de dienstmeid naar
+de markt moest, en 's avonds nog, als Albien terugkeerde. 's Zondags,
+bij de eerste uchtendure, gingen Ursule en Rik naar de kerke. Dichte te
+noentijd was 't de beurt van Goedele en haar vader. Zoo was de gewone
+gang gedurende vier jaren en heel zelden werd er eene verandering aan
+toegebracht. De menschen babbelden ondereen.</p>
+
+<p>&mdash;'t Is een spokige femilie, zeiden ze.</p>
+
+<p>En ze pinkoogden of plooiden hun lippen heimelijk, gebarende daarmede
+dat hier een wonderbare historie onder schuilen moest....</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Albien wandelde, te herfstevesperure, in den hof. Hij was nu een oud
+ventje geworden, met grijze krulharen om een rondbollig, rood gezichte.
+Hij snuffelde den lochting rond, met zijne diepe oogskens wroetelend
+links en rechts. Alhier rechtte hij een gebroken stengel, aldaar kneep
+hij een dorre bloem weg, alles in profijtelijke doening met voorzichtige
+vingeren betastend en bestreelend. Altemets maakte hij zijn eigen lastig
+om een vertrapt plantsoen, maar zoetig was zijne ongedurigheid en dan
+liep hij verder al mummelend:</p>
+
+<p>&mdash;Tet-tet-tet....</p>
+
+<p>Hij tort de wegels langzaam plat, kon nievers een papierken zien liggen
+en dook seffens de minste onregelmatigheid. Hij wilde alles in gelijke
+effenheid zien schoon wezen. De palmboomen moesten zorgelijk gesnoeid en
+gekapt worden, de graspleinen vlak gemaaid. Hij had deugd als niets meer
+buitensporig was, en liet zich daarna wat rusten op een der groene
+banken. Van daar bewonderde hij den tuin, volgde met liefde de sierlijke
+vaart der baantjes, de plezierige reke zonnebloemplanten, de kleine
+wilgen met zilveren tronk, en alginds het hooge gebladerte, rossig,
+bruin, gloeiend en geel. Hij pinkte af en toe een kruideken of een
+stofken van zijn bruine veste, en lei bij tijden een plooi rechtte in de
+vouw van zijn knie. Vervolgens trok hij voorzichtig een boeksken uit
+zijn zak en zette zich te lezen. Albien was een zwakke geest, geleid
+door allerlei manie&euml;n. Op zijn bureel was hij een niet-denkend mensch,
+een weerlooze schakel in de administratieve keten. Hij ging gewillig met
+de omstandigheden mee, zonder die te bespreken; hij bekampte ze in elk
+geval nooit. Zijn leven was zonder passie. Hij stortte maandelijks al
+het geld, dat hij won in de handen van Ursule, die altijd stiptelijk
+naging of de afkortingen voor de pensioenkas goed berekend waren. Hij
+hield geen duit achter. Hij kreeg van Ursule alle weken &eacute;en frank, en
+hij meende dat hij ook niet meer noodig had. Hij kocht daarmee altemets
+een dagblad, altemets een pakje nieuw zaad voor den lochting, meermaals
+echter een vijfcentenboekje. Die boekjes lagen in een klein winkelken
+van de benedenstad te koop achter de ruiten. Hij bleef eerst lang v&oacute;or
+'t raam staan eer hij binnenging. Hij moest ze allemaal eerst
+buitenwaarts bekijken, en de titels lezen en in zijnen geest dan
+vergelijken, om endelijk goed te weten wat hij nemen zou. 't Waren
+raadselboekjes, boekjes met charaden, met goocheltoeren, met
+wonderzottigheden.</p>
+
+<p>Hij verkoos over 't algemeen de goocheltoeren of het stekjesleggen, en
+dergelijke, waar hij zich tot laat in den avond mee kon bezighouden.
+Verhalen en dwaze perten, daar hield hij minder van.</p>
+
+<p>&mdash;Onnoozele dingetjes, zei hij.</p>
+
+<p>Hij peinsde dat hij een "vinder" was. Hij kon uren en uren nadenken over
+de oplossing van een raadsel. Achteraan in het boekje stonden de
+oplossingen gezamenlijk gedrukt, maar hij zocht eerst minstens een dag
+of drije eer hij 't opgaf. Dan was hij moedeloos. Hij beweerde dat de
+vraag onduidelijk gesteld werd, en achtte zich daarom slechts half
+overwonnen.</p>
+
+<p>Hij was nu een boekje over het dominospel aan 't lezen. Hij doordacht
+het en herdraaide in zijn hoofd de zinnen. Met een droog takje begon hij
+naderhand op den grond teekeningen te scharten&mdash;al vierkantjes en halve
+vierkantjes. Hij bezag dan dat ruitwerk met gedwongen aandacht, herlas
+enkele regels van 't boekje, was weer aan 't kijken en 't wrijven en 't
+teekenen.</p>
+
+<p>&mdash;Dobbel zesse hier....</p>
+
+<p>Hij was opnieuw bezig.</p>
+
+<p>&mdash;Dobbel vijf aldaar....</p>
+
+<p>Hij hief zijn voeten op om plaatse te maken en moest nadien toch
+heelemaal op de bank kruipen om zijn beenen uit den weg te krijgen. Zoo
+zat hij te raden en te rekenen en te kijven met het boekje of met zijn
+eigen vorig idee....</p>
+
+<p>Er werd gebeld en Marie deed het hooge hekken open. Albien zag
+Sebastiaan Vrebos door de voorzichtige splete te voorschijn komen, en
+hij vouwde fluks zijn blaarkens bijeen om hem v&oacute;or te loopen.</p>
+
+<p>&mdash;Wel! wie dat er d&aacute;ar is!</p>
+
+<p>Hij was in den grond wel niet erg met die komste ingenomen. Hij meende
+zijn verveling door overdreven wellekomwoorden te moeten verbergen.</p>
+
+<p>&mdash;Mijn arme jongen, die zoo verre geweest zijt....</p>
+
+<p>Hij nam hem een pakje af en nog een pakje. Hij vatte hem bij den arm.</p>
+
+<p>&mdash;En nu danig vermoeid zijt, zeker danig vermoeid zijt.....</p>
+
+<p>Daarbinst viel 't ijzeren hekken met zijn bekend geruchte toe, achter
+hem.</p>
+
+<p>&mdash;Niet zoo erg toch, beste heer, lachte Sebastiaan.</p>
+
+<p>&mdash;Och!... en Goedele zal z&oacute;o tevreden zijn. Ze was ook dagelijks bezig
+over u, het brave kind. Ei! dat zal hier een aardige avond zijn.</p>
+
+<p>Hij dacht nu aan het soepee. Ursule zou wat goeds gereed maken bij deze
+gelegenheid, en daarvan zou hij evengoed als Rik misbruik maken. De
+gewone eetmalen waren ook zoo erg gewoon, zoo eender tevens en zoo grof.
+Als Sebastiaan thuis kwam werden ze beter verzorgd en kwam er bovendien
+nog een lekker extra bij. Dat bracht hem in zijn schik.</p>
+
+<p>&mdash;En hoe liep de reis af? Wat een heerlijk land moet het zijn ginder!</p>
+
+<p>&mdash;In de reden, ja&mdash;maar het land heb ik juist niet veel bekeken.</p>
+
+<p>&mdash;Al bergen en stroomen, meen ik?</p>
+
+<p>&mdash;Veel bergen....</p>
+
+<p>&mdash;Och!... en daar zult ge ons aan tafel van vertellen.... Wel Djeezes!
+als ik nu bedenk dat ik oud ben, en niets hebbe gezien! 't Zijn dingen,
+'t zijn dingen!</p>
+
+<p>Hij trok hem mee naar het terras. Sebastiaan kende die manieren. Ze
+walgden hem voor 't meerendeel; hij deed evenwel zijn best om zich
+buiten bereik te houden en liet dan liefst een onbeduidend vriendelijk
+lachje op zijne lippen versteenen, bij wijze van antwoord. Hij kon de
+familie Wilder moeielijk lijden&mdash;Goedele toch had hij innig lief, en
+haar schoon gelaat, daar berustte hij in, en het troostte hem over 't
+valsche gezwets, dat hem gedurig krenkte.</p>
+
+<p>Op het terras stonden Ursule en de stokoude Rik. Ursule ontving hem met
+open aangezicht en een streelenden blik.</p>
+
+<p>&mdash;Welkom, mijn vriend.</p>
+
+<p>&mdash;Hertelijk dank, mevrouw.</p>
+
+<p>Hij drukte hare hand en de koude vingeren van grootvader. Hij zei een
+reke vage woorden, binst dat Marie hem van zijn overjas en zijn hoed
+ontlastte.</p>
+
+<p>&mdash;De jongen heeft bergen gezien, riep Albien.</p>
+
+<p>&mdash;O ja....</p>
+
+<p>Ze omringden hem en vielen hem lastig met allerlei zoetigheidjes. Hij
+had een ivoren kistje medegebracht voor mevrouw Wilder en een heel
+wonderbaar gedoe voor mijnheer Wilder&mdash;een Zwitsersch huizeken,
+teenemaal gemachineerd, met een kleppend horloge en een beiaardspel en
+twee werkende figuurtjes&mdash;en nog een zilveren snuifdooze voor den ouden
+heer. Ze moesten alles dadelijk bezien en bewonderen, en hunne
+dankbaarheid in breede geuten uitwerpen. En Ursule zei:</p>
+
+<p>&mdash;Dat moest ge nu toch niet gedaan hebben.... Ze betastte haar kistje en
+beloerde de zilveren dooze van Rik. En Rik sprak met een lage stem, die
+ook zich liefelijk te wenden probeerde:</p>
+
+<p>&mdash;Ja, dat moest ge nu toch niet gedaan hebben.... Hij had liever een
+zwaarder dooze gekregen, maar hij keek zijne oogen algelijk zat op het
+schitterend geflikker der ciseleeringen van het deksel.</p>
+
+<p>&mdash;'t Is een kunstwerk.</p>
+
+<p>Hij woog het in zijne ervaren handen.</p>
+
+<p>Na een stonde kwam Goedele staan in de opening der deur. De noesche
+avondzonne straalde open langs haar lichtbruine kleed en teekende er
+gloeiende plooien. Haar gelaat klaarde zonderling op uit de donkere
+diepte der kamer, achter heur. Ze keek naar Sebastiaan en een flauwe
+glimlach krulde om haren mond, maar hare oogen hadden verre blikken,
+verwijd in stille droefenis. Sebastiaan boog zijn lijf naar haar, en
+deed een stap voorwaarts, en hief trage en bekoorlijk zijne armen op.</p>
+
+<p>&mdash;Goeienavond, Goedele.</p>
+
+<p>Hij voelde zijn herte weggaan van hem. Hij voelde zich leeg worden en
+pluimlichte. Hij omvatte in de stille straling zijner liefde deze vrouw,
+die groot en schoon en beminnelijk was.</p>
+
+<p>Zonder haaste en zonder drift, met eene zachte moeheid in de stem, zond
+ook Goedele hem haren groet.</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h3><a name="hIII" id="hIII"></a>III.</h3>
+
+
+<p>Als mijnheer en mevrouw Devleeschhouwer, en hunne dochter, juffrouw
+Bella, en Alfred hun zoontje waren aangekomen, ging men aan tafel
+zitten. 't Was eerst een lustig gepraat ondereen, een wederzijdsch
+complimenteeren dat wegvlood in luttele woordekens, met lachjes erlangs.</p>
+
+<p>&mdash;Wel, mijnheer Vrebos, schetterde het nooit moede stemmeken van
+juffrouw Bella, wel, mijn goede heer, hoe zonnig ook het verre land is,
+hoe zonnig toch is 't huis waar verlangende herten wachten....</p>
+
+<p>Ze loerde daarbinst naar Goedele met liefelijke blikken, en draaide
+haastig omme haar ongedurig lijf en gilde:</p>
+
+<p>&mdash;Oh! l'amour!</p>
+
+<p>Elkendeen had zijn aangewezen plaats in de eetzaal. Men zette zich neer
+en frommelde de servetten open, naderhand met luie vingeren de vork of
+den lepel takend, die bij poozen alzoo te rinkelen begon. Mijnheer
+Wilder vroeg met groote belangstelling aan Alfred hoe 't nu zou afloopen
+met het najaarsexamen. De jongen was blijkbaar met deze vraag niet erg
+ingenomen, en antwoordde al blozend dat hem de uitslag wel gunstig
+toescheen.</p>
+
+<p>&mdash;De jongens hebben het tegenwoordig zoo druk met het leeren, zei
+mevrouw Devleeschhouwer.</p>
+
+<p>Het was ook de meening van mijnheer Wilder.</p>
+
+<p>&mdash;Wat zullen ze nu al uitsteken met hun Grieksch en hun Latijn?</p>
+
+<p>Maar mijnheer Devleeschhouwer vond het uitstekend, dat men zonder
+deernisse in de athenaea met de leerlingen omging.</p>
+
+<p>&mdash;Dat hebben de kerels van doen.</p>
+
+<p>Hij rondde zijnen buik om gewicht te geven aan zijn gezegde en liet de
+gouden ketting rotelen, die er als een vloek op te klateren hing.
+Mijnheer Wilder was een dik mensch met enge schouders en een uitermatig
+hoofd, kaal en zijpelend onder het gaslicht. Hij krulde alle uchtends
+zijne rosse knevels met een warm ijzer, zoodat die gedurig triomfelijk
+ommebogen en met een scherp puntje rechtkwamen. Te midden zijne vettige
+kin vlekte daar zijn bokkebaardje, een donker hoeksken. Hij Wilde er
+martiaal uitzien en deed zijn best om zijn lomp hoofd naar een
+officiersmodel te scheren. Mijnheer Devleeschhouwer was een man met een
+gemist ideaal, daarom ook een diep-ongelukkig wezen. Hij drukte nog
+dikwijls zijne spijt uit daaromtrent en deed het altijd met zoo 'n lage,
+droeve stemme, dat men algauw beseffen kon hoe danig hij gekrenkt,
+geknakt, gebroken was erdoor.</p>
+
+<p>&mdash;Ik en hebbe naar 't gebod der Voorzienigheid niet geluisterd, zei hij.</p>
+
+<p>'t Gebod der Voorzienigheid, zoo heette hij zijne roeping. Hij werd,
+meende hij, voor den degen geboren, tot meerder heil van zijn vaderland
+en van zijn vorst. Maar hij had naar 't gebod niet geluisterd; hij had
+zelfs in de burgerwacht zijne kans voorbij gekeken. En nu was hij oud.
+Nu was het te late. In de burgerwacht, door onlangs gestemde wetten
+heromgewerkt, zou hij nooit binnengeraken. Zijn troost berustte
+sindsdien op een militair uiterlijke, dat hij bijna verkrijgen kon, dank
+zij een gestadige aandacht, een koppige inachtneming. Hij droeg schoenen
+met hooge hielen. Hij gaf jaarlijks een rond sommetje om eerevoorzitter
+van een oud-korporalenkring te blijven. Zijne kravatspelde was een
+gouden kanon met allerliefste diamanten wielkens. Hij had een breeden
+ring met een miniature van Leopold I, en binnenwaarts had hij er in
+gothische lettertjes doen graveeren: "Pour Dieu, pour le Roi et pour la
+Patrie."</p>
+
+<p>Hij sprak grof en probeerde altemets brutaal te zijn.</p>
+
+<p>&mdash;Wel&mdash;Heere, zei mevrouw Devleeschhouwer, ge vindt het hier aan tafel
+wel goed dat men de kinderen afbeult ter schole, en als de jongen
+hoofdpijn heeft, zijt-de al seffens zelve aan het janken....</p>
+
+<p>&mdash;Eulalie! berispte mijnheer Devleeschhouwer.</p>
+
+<p>Hij en noemde in gezelschap maar ten uiterste zijne vrouw bij haren
+voornaam. Zij en mocht hem in zijne weerdigheid niet kwetsen. Maar
+Eulalie was een zeer lichtzinnig oud wijveken, met een bijtend karakter
+en sluwe manieren. Zij heette haren vent kortaf Nestor. Hij ware
+gelukkig geweest, als zij hem op soir&eacute;e had willen aanspreken met een
+deftig "mijnheer Devleeschhouwer".</p>
+
+<p>&mdash;Mijn advies is ook dat men streng moet zijn, sprak Rik.</p>
+
+<p>Hij wendde zijne oogen zijwaarts op naar Ursule. Geheel zijn glad,
+vierkantig aangezicht lijnde omlage naar 't puntje van zijnen neus, en
+zijn tonge sleerde tweemaal overentweer langs zijne droge lippen. Omdat
+Ursule zijn gezegde met ruste liet, hief hij met een schokje zijn hoofd
+omhooge en zijn mond viel open in een hatelijken grijns:</p>
+
+<p>&mdash;Wat een woord niet taken wil, taakt de zweepe!</p>
+
+<p>Ursule zei:</p>
+
+<p>&mdash;Vader, ge moet zachte zijn....</p>
+
+<p>Hij droop haast weg in zijnen stoel en bleef er koes ineengedrongen,
+endelijk toch schokschouderend en zijn kinne met een koppigen ruk
+opduwend. Bella bracht het gesprek op een ander onderwerp, en vroeg,
+zoeterig lachend, aan Goedele of Sebastiaan nu wat van zijn reis
+vertellen mocht.</p>
+
+<p>&mdash;Dwing hem met uw lieve handjes.</p>
+
+<p>Ze schetterde en vond hare eigen woorden dol leuterig, en gilde in een
+lachbui:</p>
+
+<p>&mdash;Ma ch&egrave;re!</p>
+
+<p>Marie bracht de soep, die al zeere op de tafel, in elkendeens schotel,
+te dampen stond. De lepels begonnen hun tsinkelend zilverspel en
+schervelden langs de gladde tellooren met wrijvende geluiden. Sebastiaan
+boog zich over tafel en zijne linkerhand deed al wuivend een stil
+gebaar:</p>
+
+<p>&mdash;Laat juffrouw Bella maar bedaren&mdash;ze krijgt wel wat praats, als ze mij
+hierom genegen is.</p>
+
+<p>&mdash;Een beetje soep nog? vroeg mevrouw Devleeschhouwer.</p>
+
+<p>&mdash;Wel ja, wel ja, zei Albien.</p>
+
+<p>Goedele at langzaam en was precies zoo heinde en verre met hare
+gedachten. Ze keek altemets naar een schitterende lichtvlek op den
+spiegel, en bleef er dan staren, alsof ze geerne zich geleidelijk liet
+wegvaren in gaande gepeinzen. Sebastiaan keerde zijne oogen naar heur.
+Ze voelde meteen den toets zijner blikken en was seffens verlegen, even
+glimlachend om vriendelijk te zijn. Hij werd ook hare verwijderingen
+gewaar en fluisterde haar af en toe een onbeduidend woord toe, bij
+manier van haar terug te roepen, haar bij te houden, dichterbij.</p>
+
+<p>&mdash;Waaraan denkt ge?</p>
+
+<p>&mdash;Aan niets, mijn vriend....</p>
+
+<p>&mdash;Goedele is nooit zonder gedachten.</p>
+
+<p>&mdash;Ik bekeek die bloemen....</p>
+
+<p>Hij vond nu ook die bloemen leelijk, monsterachtig. Goedele lachte,
+omdat hij zelve ze besteld had. Hij bleef bij zijne meening, dat het
+afgrijselijke wangedrochten leken, en dan, al waren ze in waarheid
+schoone....</p>
+
+<p>&mdash;Ze zijn ondankbaar, zei hij, als ze u wegrukken van mij.</p>
+
+<p>Mevrouw Devleeschhouwer, die naast mijnheer Wilder zat, was druk bezig
+met hem over zuinigheid en gulzigheid. Dat was gekomen naar aanleiding
+van Alfred's ongemakkelijke doening. Alfred at met ongemeene
+schuchterheid, al langetandend en muilkens makend. Aldoor loerde hij
+naar Goedele en bouwde in zijn geest romantische toestanden, waar hij
+den held en zij de heldinne was, en moeder moest hem stootjes geven om
+hem te doen eten.</p>
+
+<p>&mdash;Hij eet zoo weinig t'onzent ook, zeide ze aan mijnheer Wilder.</p>
+
+<p>&mdash;De jongens moeten eten om groot te worden, was 't idee van Albien.</p>
+
+<p>Mevrouw Devleeschhouwer gaf hem gelijk, maar ze had toch liever een
+zoon, die zuinig was, dan een doorvreter met gulzige manieren, die alles
+verslinden kon en daar op een ende zou te zweeten zitten lijk een
+trampeerd, en geweld te doen om niet onpasselijk te worden.</p>
+
+<p>&mdash;En als de examentijd er komt, weten de kinderen zoo vreeslijk van dat
+folterend surmenage.... Lust gij nog een beetje spruitjes of wat
+vleesch, mijnheer Wilder?</p>
+
+<p>&mdash;Wel ja&mdash;wel ja....</p>
+
+<p>Alfred zette zich te blozen, omdat moeder hem met dat woord "kinderen"
+zoo kleineeren wou. Hij zag noesch op naar Goedele en onderzocht op haar
+kalm gelaat, of zij 't beluisterd had. Albien klopte stillekens op zijne
+schouders en zijn rood gelaat neeg naar 't zijne, in een breede bui van
+vriendelijkheid.</p>
+
+<p>&mdash;Allo! allo! mijn jongen, steek nu uw hoofd niet zoo proppensvol met
+vreemd gebrabbel en dolle cijferwebben. Vacantiedagen zijn er ook nog,
+en die naderen bij tijde.</p>
+
+<p>Hij moest eens niezen, en bracht zijn servet over zijn gelaat, dat
+naderhand purpergloeiend te voorschijn kwam, zijpelend van wellust.
+'t Had hem alzoo deugd gedaan, en hij veegde zijne oogen drooge.</p>
+
+<p>&mdash;Vandaag moogt ge u deugd doen, zei hij.</p>
+
+<p>Hij keek naar een rijkelijken hamelbout, die vol souse onder een gulden
+korste daar gloorde, triomfelijk en wonderbaar. Hij stelde bovendien een
+overgroot belang in de matelijke gebaren van Ursule, die den wijn
+inschonk. Mevrouw Devleeschhouwer bleek hem een weerdige gebuur-vrouwe.</p>
+
+<p>&mdash;Een glazeken roode? vroeg mevrouw Devleeschhouwer.</p>
+
+<p>&mdash;Wel ja, wel ja....</p>
+
+<p>Hij zei 't met geveinsde onachtzaamheid, alsof het hem niet schelen kon.
+Hij slurpte zijn beker met korte geutjes leeg, en likte een wegloopend
+dropken weg, profijtelijk. Hij gebaarde niet te merken dat Ursule hem
+gestadig belonkte en wist wel dat zij hem morgen met allerlei
+berispingen lastig vallen zou. Hij liet zich aan geen toekomstig ongemak
+gelegen; 't was hier tegenwoordig goed....</p>
+
+<p>Bella en wilde Sebastiaan niet met vrede laten.</p>
+
+<p>&mdash;Zal ik u met het weinige, dat ik zag, tevreden stellen? vroeg hij.</p>
+
+<p>Hij vertelde van het landschap, van 't hooge gebergte, zoo heerlijk in
+den avond, als 't laatste zonnegestraal in verre sneeuw blijft haperen
+en er de zoete schakeering ligt van zijn vele verven; hij beschreef met
+overgevoeligheid de subtiele harmonij der kleuren, opgaande van 't diepe
+blauw naar 't vurende oranje. Zijne handen wuifden in sierlijke buiging
+en zijne lange vingeren teekenden de kleinigheidjes, peuterden aan vage
+tinten, beloken in wegdoezelende klaarten, stipten eene eigenaardigheid
+ievers aan, of vielen neer, in vrome vouwing, lui en moede en zacht. Hij
+kon zoo een stonde lang zich ommedraaien in fijnstemmige gezegden, en
+zijne oogen keken binstdien de leegte door. Hij en had nooit driftige
+woorden&mdash;hij vertelde alles op zangerige rythmen met altemets een
+onbepaalde uitdrukking, die hij dan in een stijgen of dalen zijner
+stemme verklaarde. En zijn aangezicht bleef djentelijk, omdat geen
+sterke klank zijn mond vervormde. Hij was schoon. Hij sprak schoon.</p>
+
+<p>Bella boog zich over tafel en dronk aan zijne lippen die kunstige tale.</p>
+
+<p>&mdash;En Weenen?</p>
+
+<p>Hij wist van Weenen weinig. 't Was een moderne stad met veel lucht en
+licht. Hij had geen bepaalden indruk. Hij had vooral schilderijen
+bekeken.</p>
+
+<p>&mdash;O ja&mdash;Bos en Brueghel, zei Goedele.</p>
+
+<p>Ze was verlegen dat ze 't gezeid had seffens daarna, omdat het als een
+vermindering klonk van Sebastiaans betrachten. Maar hij was niet
+gekrenkt en meende dat het haar een vreedzaam geneuchte was daarvan te
+hooren spreken. Hij noemde 't werk van Hieronymus Bosch een wonder. Hij
+joeg de beelden achter mekaar, deed waarachtig in 't geluchte varen de
+mirakelachtige schepsels uit de verbeelding van den schilder geboren.
+Hij sprak van eene St. Antonius' tempteeringe, beschreef een v&oacute;or een de
+monsters daar vereend&mdash;konijnenkoppen op kinderbeentjes, menschenbuiken
+met oogen en een ooievaarsbek, vliegende draken, schertsende gezichten,
+grijnzende muilen. Hij deed ze herleven en benauwd worden in groene
+klaarten of wegschemeren in donkere spelonken. Maar hij was tewege warm
+te worden als hij over Brueghel begon.</p>
+
+<p>&mdash;Brueghel is de meester boven de meesters, juffrouw Bella, en stellig
+boven het begrip der menschen. Hij wist het leven uit te drukken in
+waarheid en zijne uitdrukking, aldoor een uitslag van stijlsynthesis,
+was een zuivere gave der kunst. Bij Brueghel vindt ge kleurharmonie&euml;n
+die men sinds niet meer heeft kunnen bereiken, en elke kleur op haar
+eigen ligt plat, effen, net. Hij dierf een hoop bonte boeren en krijgers
+neerwerpen op een vlakken sneeuwgrond, en 't en stoot noch en krenkt
+onze esthetische gevoelens: 't streelt en 't verwondert. Ik zag te
+Weenen een Babeltoren, waar 'k nu geen woorden voor vinde, schoon
+genoeg.</p>
+
+<p>Hij keerde zich zijwaarts naar Goedele.</p>
+
+<p>&mdash;Ik wou u dat alles dolgeerne doen zien.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, mijn vriend?</p>
+
+<p>&mdash;Ik wou u doen taken deze hoogste hemelen der kunst, ik wou uwe ziel,
+uw gansche vleesch eenstemmig maken met deze wijdste trillingen der
+menschelijke ziele....</p>
+
+<p>&mdash;Ik ben u dankbaar hiervoor.</p>
+
+<p>Ze was stille, een zachte grens voor zijn uitgeworpen verlangens, stille
+en ernstig. Hij voelde wel de vreemdte, die over haar bleef en niet weg
+te drijven was met woorden, maar zijn herte lag open, zonder
+angstvalligheid noch vreesachtige koorts. Hij betrouwde op haar. Hij was
+gelukkig bij haar.</p>
+
+<p>Bella werd gloeiend rood en beet ongedurig op hare lippen. Ze was een
+appel aan 't schillen en deed het zoo los en grove, dat mevrouw Wilder
+het haar met een kort woord en een lachje opmerken deed. Ze keek met
+schuchtere blikken op naar Sebastiaan en een wijlken bibberden hare
+wimpers.</p>
+
+<p>&mdash;Weet ge nu niets van de menschen aldaar, mijnheer Vrebos? vroeg ze.</p>
+
+<p>Hij wendde naar heur zijne blauwe oogen, nog zat van Goedele's beeld.</p>
+
+<p>&mdash;Niets, juffrouw.</p>
+
+<p>&mdash;Wel&mdash;Heere! wat een zonderlinge reiziger, riep ze.</p>
+
+<p>Ze begon wrevelig en luidruchtig te lachen en smeet haast een kopje
+koffie omverre, dat Marie haar even voorgezet had. Ze schetterde, bevend
+en schokkend, voort en hare oogen kwamen vol tranen. Dan hief Rik zijnen
+witten kop omhooge.</p>
+
+<p>&mdash;Hebben die monsters indertijd bestaan?</p>
+
+<p>Sebastiaan sprak van uitbundige verbeeldingskracht en fanatieke tijden
+en probeerde klaar te blijven, met eenvoudige zinnen.</p>
+
+<p>&mdash;Maar hebben die monsters in tastbare gedaanten bestaan? vroeg Rik.</p>
+
+<p>&mdash;Zekerlijk niet....</p>
+
+<p>&mdash;Ha!</p>
+
+<p>Hij bukte zich en rok zijnen hals uit, blazend over zijne koffie en hem
+trage en matelijk inslurpend. Mijnheer Devleeschhouwer beweerde dat er
+nievers draken bestaan hadden.</p>
+
+<p>&mdash;En zeemeerminnen? fluisterde Rik.</p>
+
+<p>&mdash;Zeemeerminnen ook niet, zei mijnheer Devleeschhouwer.</p>
+
+<p>&mdash;Zeemeerminnen wel! zei Rik.</p>
+
+<p>Ze staken allemaal hun hoofd op. Rik was somber geworden.</p>
+
+<p>&mdash;Ik hebbe gezien, met deze oogen, die nog onthouden kunnen, een
+zeemeerminne in 't witte schuim der baren.</p>
+
+<p>&mdash;T&egrave;t ... t&egrave;t ... t&egrave;t, pruttelde Albien, wiens oogen begonnen te zwemmen
+in wellust.</p>
+
+<p>&mdash;Ze schoof over 't water, als raakte zij 't niet. Ze dook zich en steeg
+weer boven, en zij had een steert, zooals 't afgebeeld staat op de
+prenten. Ze zong in den nacht. Ik weet het wel, vermits ik het gehoord
+heb. En ik heb gehoord wat ze naderhand zei. Ursule weet het ook wel,
+vermits ik het haar verteld hebbe, en van het ijzeren kistje weet ze
+ook.... Ha! Ha! Dat weten wij!</p>
+
+<p>Hij knikte en zijn kinne kwam vooruitsteken en hij wierp een brok suiker
+in zijn kopje. Ursule wees dat hier geen aandacht op te vestigen was en
+met uitermatige vriendelijkheid vroeg ze aan Bella of ze niet eens
+zingen wou. Mevrouw Devleeschhouwer prees al dadelijk de nieuwe
+zanglessen, die Bella van een Italiaansche dame ontving.</p>
+
+<p>&mdash;Een echte artiste ... en zoo heerlijk dat ze trilleeren kan!</p>
+
+<p>Bella moest rechtstaan en iets laten hooren, en dan zou mevrouw Wilder
+en mijnheer Vrebos zelf oordeelen kunnen.</p>
+
+<p>&mdash;Zing ereis van "Sur la rive solitaire"....</p>
+
+<p>&mdash;Een danig oud ding toch niet, mama.</p>
+
+<p>&mdash;Ho! maar dat vind ik juist zoo'n schoon stuk!</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">Sur la rive solitaire,<br /></span>
+<span class="i0">Loin de toi je d&eacute;sesp&egrave;re....<br /></span>
+</div></div>
+
+<p>Het is fijne muziek, Bella.</p>
+
+<p>Mijnheer Devleeschhouwer vond ook dat het fijne muziek was, en dat zij
+best dees lied zou kiezen. Juffrouw Bella verkoos echter "Les petits
+pav&eacute;s". Dat was aandoenlijke zang, en Alfred kon ook geen ander
+fatsoenlijk begeleiden.</p>
+
+<p>Ze zong met een aangename stem, niet zonder eene gevoelerige
+gemanierdheid nochtans. Ze bleef altemets aandringen op een toon en
+maakte dramatische effecten daarmee, den klank warm en vol afrondend in
+den beginne om hem naderhand te doen uitsterven in smachtende
+halve-tinten. Als ze, bedrogen door heur eigen spel, hare oogen voelde
+nat worden, neep ze die halvelings toe, zoodat het licht op hare wimpers
+in de tranen fonkelde. Erdoor waterden hare bezweken blikken zijwaarts
+toe naar Sebastiaan, en hare woorden trilden in deze stonde waarachtig
+van hopelooze droefenis. Bij de laatste strofe zonken hare armen neere,
+en binst de endakkoorden van 't klavier bleef ze nog staan, en haar
+gezichte bewaarde swijlens zijne smartelijke uitdrukking.</p>
+
+<p>&mdash;Bravo! bravo! riep mijnheer Wilder.</p>
+
+<p>Elkendeen juichte haar toe.</p>
+
+<p>&mdash;Wat een allerliefste stem! zei Ursule.</p>
+
+<p>&mdash;En hoe zij die te leiden weet! zei mijnheer Vrebos.</p>
+
+<p>Mijnheer Devleeschhouwer peuterde aan zijn baardje en knikte goedkeurend
+en luisterde met welbehagen naar mevrouw Wilder, die de kwaliteiten van
+dezen zang overschatte. In den grond hield zij er niet van: het lied was
+lamlendig en &eacute;entonig, en het docht haar dat Bella lijk een ziekelijke
+katte daar te miauwen stond.</p>
+
+<p>&mdash;Het is heerlijk! zei ze en, met een veelbeteekenend stootje van hare
+onderlip, lachte ze Bella toe.</p>
+
+<p>Alfred droop naar zijne plaats terug en zat er, lijk te voren, met
+roerlooze oogen te turen naar Goedele. Maar mijnheer Wilder gaf hem nu
+duwkens in zijn zijde en fluisterde hem een breede uitlegging toe
+omtrent allerlei mekanische tuigen. Mijnheer Wilder was eenigermate
+onder den invloed van den wijn geraakt; zijn aangezicht vuurde lijk
+laaie karbonkelgloed, en roode vlekken beglansden zijn bolle voorhoofd.
+Het zwitsersch huizeken, dat Sebastiaan hem had meegebracht, kwam
+gestadig v&oacute;or zijn geest, en hij hoopte dat hij het straks aan Alfred
+zou kunnen toonen. Hij wilde bij Alfred belang verwekken voor het
+huizeken, omdat hij zelf 't zou te zien vragen. Hij wist dat Ursule hem
+niet toelaten zou het uit te pakken, als hij er uit eigen beweging van
+spreken zou.</p>
+
+<p>&mdash;Alfred zal 't verkrijgen, peinsde hij.</p>
+
+<p>Hij probeerde Alfred te bewegen. Hij wilde 't voorzichtig doen, vertelde
+eerst van automobielen, van elektrische trams. 't Begon Alfred alseffens
+schrikkelijk te vervelen.</p>
+
+<p>&mdash;Te Straasburg is er een wonderlijk horloge, zei Albien.</p>
+
+<p>Hij lei uit hoe daar eenthoeveel apostels en groote personagen bij 't
+slaan der klokken te werke gingen en draaiden en keerden en zwaaiden met
+hunne bronzen armen.</p>
+
+<p>&mdash;Maar een huizeken in hout, een beiaard daar in, en een vrouwken en een
+manneken, alles schoone ingewikkeld, jongen&mdash;hebt ge dat al ievers
+gezien?</p>
+
+<p>&mdash;Neen ik, zei Alfred.</p>
+
+<p>&mdash;He wel! ik hebbe er zoo een!</p>
+
+<p>Alfred staarde naar Goedele's vingeren, die om een zilveren lepelken
+verduldig werkzaam waren.</p>
+
+<p>&mdash;Ik hebbe er zoo een, herhaalde Albien, al duwend in Alfred's le&ecirc;n.</p>
+
+<p>Maar een luidelijk gedruisch kwam in de straat, onder de vensters, en
+alle woorden vielen meteen. 't Was een stijgende zang uit honderden
+kelen, een rommelend rumoer onderbroken door dreunend trompetgeschetter.
+Als de ruchtige stoet voorbij was en in een nevensteeg ging wegdoezelen,
+lijk somtemets de winden doen alover verre daken, was in de eetkamer een
+ongemakkelijke stilte meesteresse.</p>
+
+<p>&mdash;Werkvolk, zei Rik na een stonde.</p>
+
+<p>Mijnheer Devleeschhouwer deed onachtzaam al spelend zijn leeg tasje op
+tafel ommentweer rollen. Ze begonnen allemaal seffens dooreen te
+spreken. Ze wierpen een woord alhier en aldaar en ze waren koortsig.</p>
+
+<p>&mdash;Weer een meeting....</p>
+
+<p>&mdash;Weer een vechting....</p>
+
+<p>&mdash;Weer 't bedrijf van Zondag&mdash;een ophitsen, een losloopen van
+gewelddoeners.</p>
+
+<p>&mdash;Wat een tijd, wat een tijd!</p>
+
+<p>Mevrouw Devleeschhouwer herhaalde:</p>
+
+<p>&mdash;Wat een tijd! Wat een tijd!</p>
+
+<p>'t Was verkiezingsweke. Onlangs was er geweld gebeurd, een muiterij in
+'t lage der stad, een omnibus omverre geworpen en steenen uit de
+kasseide gehaald. Drij dooden.</p>
+
+<p>Rik mummelde dat het een hoop met beesten was.</p>
+
+<p>&mdash;Ze willen muren inbreken met hun voorhoofd.</p>
+
+<p>Mijnheer Wilder meende dat die menschen veeleer ongelukkig dan slecht
+waren. Hij zei 't ronduit. De regeering was onrechtveerdig, of zij wilde
+niet rechtveerdig genoeg zijn.</p>
+
+<p>&mdash;Elkendeen moet te eten krijgen.</p>
+
+<p>&mdash;Maar elkendeen moet werken, ronkte Rik, en dees zijn opgestookte
+leeggangers.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, sprak Ursule, kort en hard.</p>
+
+<p>Sebastiaan peinsde ook dat de volksbeweging de maatschappij tot het
+uiterste kwaad leiden zou.</p>
+
+<p>&mdash;Wij zullen nooit en nievers allen tegelijk gelukkig zijn. Er zijn
+uitverkoren en verworpen wezens. Er moeten meesters zijn en slaven.
+De huidige democratie is de ondergang der kunsten, en maakt 't
+luilekkerland der middelmatigen. 't Getal domme menschen zal altijd
+grooter blijven dan 't getal verstandige&mdash;zij zouden dus 't
+hoofdzakelijke bestuur kiezen? Wij gaan geleidelijk naar 't verderf,
+omdat wij, uit leelijke deernisse, de onderste menschenlade niet
+opofferen durven.</p>
+
+<p>Goedele meende dat die deernisse niet zoo leelijk was en dat het volk,
+tot hooger besef zijner plichten komend, stilaan zich verstandelijk
+ontwikkelen zou.... Er geraakte in huis een ongemoedelijk geluchte. Men
+voelde allentwege een wrevelige kilte, en men loerde naar de plate van
+'t horloge. Mijnheer Devleeschouwer moest nog zijne denkwijze kenbaar
+maken.</p>
+
+<p>&mdash;Kwart over tien, lispelde zijn wijf met geveinsde onverschilligheid.
+Maar mijnheer Devleeschhouwer hield er bepaald aan ook zijn woord te
+plaatsen en hij deed het met de noodige deftigheid. 't En was, volgens
+hem, niet kwaad dat er af en toe een onlustje onder dat sociaal-minnend
+boeltje ontstond. Dat was eene gelegenheid om de sterkte der politie te
+staven. Hij hief zijne armen omhoog en werd praatziek:</p>
+
+<p>&mdash;Hoe loopt zoo'n opstand gemeenlijk uit? De politie neemt stevige
+maatregelen, de stoeten worden ontbonden, de burgerwacht, steunpilaar
+onzer huiselijke rechten, wordt bijeengeroepen en bezet alle straten.
+Als ik zeg alle straten, zal mij niemand tegenspreken. Wat hebben wij
+verleden Zondag gezien? Wat hebben wij in de dagbladen gelezen? Ik
+ontmoette majoor Cnaps. Hij zei: "De wet zal ge&euml;erbiedigd worden." Ja
+dat heeft hij gezegd.... Ik vind niets ter wereld schooner en statiger
+dan een officier der burgerwacht. Majoor Cnaps is ook een fier en
+heerlijk man, niet waar mevrouw Devleeschhouwer? Dat is nu wel de zaak
+niet, maar 't is eender. Een oproer blijft voor mij een deugdelijk
+verschijnsel.</p>
+
+<p>Elkendeen was allang te wege op te staan. Bella sprong endelijk rechte,
+met een lach verwittigend dat het laat werd. Ursule bracht hier tegen in
+dat het morgen rustdag zou zijn en er dan geen bezwaar was om nog een
+uurken te blijven; ze deed het echter heel lauw en meest bij wijze van
+beleefdheid. De stoelen werden alhier en alginds verschoven, en Goedele
+ging in de voorzaal 't gaslicht aansteken. Ze hielp mevrouw
+Devleeschhouwer en Bella zich aankleeden en schikte hunnen hoed en
+speldde hun vool vaste.</p>
+
+<p>Ze hoorde ze op den hof v&oacute;or 't hekken nog groeten en naderhand hun
+gemompel over de straat stille weghorzelen. Ursule was algauw in de
+keuken om inspectie te doen, en Albien scherrelde met zijn Zwitsersche
+dooze naar zijne kamer. Rik bleef zitten voor de leege glazen. Goedele
+zuchtte diepe. Ze tort naar het terras en bleef er een oogenblik staren
+door de donkerte naar de boomen, die in eentonigen avondzang te ruischen
+stonden, op de mate van den gelijken wind. Ze werd naderhand Sebastiaan
+gewaar achter heur, en draaide zich omme.</p>
+
+<p>&mdash;Gij?</p>
+
+<p>&mdash;Ja....</p>
+
+<p>Hij nam hare hand en drukte die en omving hare schouders, trage haar
+hoofd neerleggend op zijne borst. En in heur haar fluisterde hij zachte
+woorden. Ze was gestreeld erdoor en liet zich streelen, en zijn warme
+asem was een aangename jeukte over haar hoofd.</p>
+
+<p>&mdash;Wat hebbe 'k gedacht aan u, mijn Goedele!</p>
+
+<p>Hij zocht naar lijze zinnen en wrocht ze zorgvuldig zaam in zijn geest
+tot een lange lispeling, een lispelende zoetigheid. Hij peuterde aan
+zijn gevoelens tot het ruchtlooze vlindervlerken werden of een geest
+zonder gedaante. Hij en liet geen vezelken zijner ziele onaangeroerd,
+hij zei alles wat in zijn liefde tot een woord kon vervormd worden.</p>
+
+<p>&mdash;Ik keek naar een sterre, en voelde precies dat haar stralen u taakten.</p>
+
+<p>En Goedele liet overhaar neerkomen die stroom, die warmte, die
+vrede&mdash;tot zijne lippen meteen haar voorhoofd toetsen kwamen. Ze boog
+zich en sleerde uit zijne armen en stond dadelijk in 't volle licht der
+eetzaal. Hij sprak niet meer. Hij nam zijn overjas, en stak een sigaar
+aan. Hij drukte even hare hand en kustte die vluggelings, en vertrok.</p>
+
+<p>Moeder kwam aangeloopen en moest nog alles nazien op de tafel, de lepels
+tellen, de vorken, de suikertichelkens.</p>
+
+<p>&mdash;Waarom ontvangen wij dat volk? mummelde ze.</p>
+
+<p>Ze troostte zich met het idee, dat het nu hare beurt was en dat ze
+ongenadig zou zijn bij Devleeschhouwers en maar doorvreten zou. Het was
+sinds jaren zoo.</p>
+
+<p>Goedele ging slapen. Ze tort hare killige kamer binnen en miek licht.
+Haar venster stond nog open en 't vrije geluchte joeg in breede vlagen
+ommentweer. Ze belook de ramen en huiverde een endeken. De keerse stak
+weldra een rustig vlammeken omhooge en wierp schier roerlooze schaduwen
+tegen de muren. Het bedde stond hagelblank en vouwrijke gordijnen vielen
+erlangs, doorzichtig in 't gele uitspattende licht. V&oacute;or een vierkant
+tafelken, ook met een witten geborduurden doek bedekt, zette Goedele
+zich neere en bleef er den avond herdenken in hare luie gepeinzen.</p>
+
+<p>Ze was moe. Ze haperde aan wrevelige herinneringen, al kleinigheidjes
+die groot werden in haren geest en waarmee ze dan een gedwongen
+hopeloosheid wilde bewijzen. Ze redeneerde tegen haar eigen zelve en
+gebruikte daartoe de minste gebeurtenis. Nimmer had ze met meer
+zekerheid de ijdelheid gevoeld van dees huis, de ijdelheid van dees
+leven. Het soepee walgde haar. 't Kwam in groote geuten naar haar hoofd,
+en al die menschen, elk met zijn particuliere dwaasheid, waren leelijk
+en terugstootend. Het beeld van mijnheer Devleeschhouwer krenkte haar,
+en zijne nietige vrouw, waanzinnig in kleine eerzuchtjes, kon ze niet
+verdragen. Bella ook werd haar een folterend hysterisch popje, aldoor
+smachtend en aroetekoe&euml;nd en potsierlijk. Hare ouders zelve bezeerden
+hare gedachten&mdash;moeder was valsch en vader was klein en grootvader was
+vrekkig. Ze zag nog den zwaren nekke van Alfred, binstdat hij op 't
+klavier spelend was, en zijn droog haar saamloopend, tenden zijn bolle
+hoofd, tot een stekelig sterreken....</p>
+
+<p>Ze achtte zich, met een haastigen schok, verveeld en vernederd door
+eigen verbeelding. Ze kleedde zich uit en vlocht heur haar bij dichte
+stringen en wond die in een kanten kapje saam. Ze stond nadien v&oacute;or den
+spiegel, bloothemds, en bekeek de schoonvervige naaktheid van haren
+hals, hare opwellende borsten, hare armen. Ze was groot en geweldig en
+majestatisch. Ze kwam haar eigen meteen voor als een aanbod, als een
+koopveerdige voorstelling, als een die zich niet bezittend was en
+eigendom zou worden. Een stijgende fierheid sloeg, met den stevigen klop
+van haar bloed, tegen hare slapen en ze voelde zich machtig, boven 't
+gepeuter en de ellende van dees huisgezin, boven al de luttele woorden,
+die flauwasemend neerzegen, menig en vederlichte. Ze wilde een forsig
+gezegde beluisteren, den vurigen toets van mannelijke armen belijden, ze
+wilde zich verdedigen met hare tastende handen en toch overwonnen
+worden....</p>
+
+<p>Ze viel neer op haren stoel, sidderend en hijgend. Ze dacht aan
+Sebastiaan, hoorde nog het zoeterig gefluister zijner liefde, zag nog
+het vroom gebaar zijner kunstige lippen, en zijne oogen, diepe en
+stille, zijne blauwe oogen. Ze werd, in &eacute;en scherp zicht, gewaar dat hij
+over haar niet heerschen zou, dat zij hem gewillig verdragen zou, en hem
+in dankbaarheid voor vredige uren liefhebben. Zij en bereikte, met een
+verste gepeins, geen wijde hoop in de toekomst, en haar hoofd zonk op
+hare borst, verduldig, begrijpend dat het niet denken mocht. Ze vatte
+langs alle kanten van haren geest, dat haar lot verveling was en dat
+geen schoon geweld haar driftverlangen zou bedaren.</p>
+
+<p>Ze weende nu en had deugd daaraan, en haar lijf snokte opwaarts, met
+haar hortend snikken mee....</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h3><a name="hIV" id="hIV"></a>IV.</h3>
+
+
+<p>Het was 's anderen daags frisch en leutig weer. De zonne had in den
+morgen een lagen mist verscheurd en wapperde tegenwoordig in een blauwen
+hemel, lijk bij uitkomend lentegetij. Goedele zou naar Romaan gaan. Het
+hekken viel luidelijk dichte achter haar, en nu tort ze over de straat
+en hare hielen klonken pleizierig op de koude steenen. Ze voelde zich
+vrij en keek alles genegen toe, alles liefelijk ontvangend wat zich
+voordeed. Ze bleef altemets de uitstalling der groote magazijnen
+bekijken, en 't was een waarachtig geneuchte voor haar. Ze stelde er
+algauw een groot belang in en bleef hier en daar haperen en
+lanterfanten, kiezend en afkeurend en aannemend met een knikje. Ze
+bewonderde in een engelsch confectiehuis een prachtig kareelbruin kleed
+uit zwaar laken, ruime pagodemouwen met oranje zijde gevoerd en bezet
+met zachten marterpels, een kraag met gulden franjen en zoo nauwkeurig
+met blinkende knopjes bezoomd, regelmatig te reke.... Ze had goesting
+naar zoo'n dracht, die haar rijkelijk maken zou en begeerig. Ze zou dien
+breeden rok voelen kloppen, gewichtig en wijdplooiend, om hare voeten.</p>
+
+<p>Op een hoek der groote middenlaan, stapte een sierlijke dame uit haar
+coup&eacute;. Even werd haar kleine leest in een ruischend gefrutsel van kant
+en satijn zichtbaar, en ze liep, al wippelend, een pasteiwinkel binnen.
+Goedele loerde ze nog na, benieuwd voor wat ze koopen zou, en ze merkte,
+achter de laden taartjes en suikergoed, hoe zij te kiezen begon en
+naderhand zich aan een luttel mokkakoekje te snuisteren zette. En ze
+beneed bijna deze vrouw, die schoon en wispelturig en vrij was in hare
+doening. Z&oacute;o, lijk deze, wilde ze worden&mdash;zoo, handelend naar beliefte,
+en geliefd naar haren zin. Ze zou ook genieten van den vroegen morgen en
+uitrijden in de uchtendkilte. Ze zou ook links en rechts binnen gaan,
+toevallig. Ze zou ook bijten in zoo'n taartje, met volle tanden, en ze
+zou trek hebben ernaar.</p>
+
+<p>Nu had zij geen trek. Ze had ook geen geld te vele. Ze had, buiten enkel
+klein zilver, het bankbriefje dat voor Romaan en zijn kindeken bestemd
+was. Geld van moeder. En ze dacht: we maken thuis ons eigen ongeluk....</p>
+
+<p>Binstdat ze v&oacute;or een modemagazijn stond en veel lust had in 't zicht van
+hoeden en linten, werd ze een jongen man gewaar, die haar sinds durenden
+tijd achtervolgde en maar overal stil bleef, waar zij iets te bekijken
+had. Ze vond hem onbeleefd en zou hem straks eens duchtig in de oogen
+staren, als dat loopje standvastig zijn mocht. In de spiegelvlakte der
+ruiten kon zij hem zien&mdash;een sterken vent, hoog en goedgeschouderd,
+fatsoenlijk aangekleed. Ze vond hem deftig en struisch, bijaldien hij
+haar dan toch danig krenkend en ongemanierd scheen. Hij wilde niet in
+haar aangezicht blikken, hij deed alsof hij haar niet merkte, voortdurig
+echter achterblijvend, gedwee en koppig tevens.</p>
+
+<p>&mdash;Hij heeft tijd te vele, meende Goedele.</p>
+
+<p>Ze tort dan haastig door, kronkelend door 't volk, straat in straat uit,
+zonder ommezien. Ze spoedde zich tot zij er moede van werd, en bleef
+rusten bij een tramhuisje. Tien stappen achterwaarts stond hij.
+Verontweerdigd stapte ze naar hem toe, hem bijna takend in 't
+voorbijloopen, en hij kon ditmaal haar toornige oogen niet ontvluchten.
+Hij bloosde rijzekens en sprong verlegen op een aankomende tram.</p>
+
+<p>Ze had er nu medelijden mee, met dien grooten lummel en lachte met zijne
+plotselinge benauwdheid. 't Was haar een onnoozel vermaakje geweest; ze
+dacht er aan, lijk aan een piepken-duik-spel van kleine kinderen. Ze
+herinnerde zich flauw zijn scherp gelaat, omschaduwd met donkere knevels
+en een vierkanten baard. Ze drilde voort, probeerde onderwege zijn
+beeltenisse precies af te teekenen en peinsde er later niet meer op. 't
+Was een dwaze leutigheid.</p>
+
+<p>In de lage stad ontmoette ze, langs de nauwe stegen, meer volk en was er
+meer verschillend lawaai. Winkeliers prezen hun waar op hunnen dorpel.
+Wijven stonden in donkere poorten te kakelen en te kijven. Allerlei
+menschen kwamen saam, bij dichte troppels, hun neuze opheffend, en
+turend naar blinde muren, met electorale plakkaten bontgevlekt. Kinderen
+draafden gichelend en schreeuwend rond en stormden tegelijk een
+ruchtigen brouwerswagen achterna. Uit open kroegen steeg 't rumoer van
+hevige redeneeringen. De toekomstige verkiezingen hadden alreeds deze
+wijk in rep en roere gesteld.</p>
+
+<p>Goedele kocht in een poppenkraam een poesjenel voor Wiezeken, geheel en
+al in een rood en groen pak, met gulden draad geborduurd. Ze dacht:</p>
+
+<p>&mdash;Ons pover Wiezeken!...</p>
+
+<p>Ze tort de vaartbrug over en geraakte, zijwaarts ommedraaiend, in een
+stille straat, die verder uitliep op de graanmarkt. Arets den hoek
+voorbij, was een ellegoedwinkel met hoogen gevel. Hier, op het eerste
+verdiep, woonde Romaan. Ze ging seffens den somberen gang door en steeg
+de smalle trap op. Er heerschte tallenkant een scherpe geur van lijnwaad
+en geverfd katoen. Ze klopte boven stille tegen de deur, hoorde
+binnenwaarts tante Olympe antwoorden, en draaide de klinke open.</p>
+
+<p>&mdash;Wel! wel! juffrouw Goedele! riep tante Olympe.</p>
+
+<p>Tante Olympe zat alleene aan 't patodders schillen. Ze kwam haastig
+aantrippelen, binstdien vluggelings hare handen schoonvegend met haar
+blauwe schort, en hielp Goedele zich ontdoen van haren mantel. 't Was
+een stokoud wijveken, mager en omlage gekromd. Haar luttel gezicht lag
+plat tusschen twee pronte vlechten zilverwit haar, en haar kinneken stak
+vooruit en ging huppelend mee met hare minste woorden. Ze droeg een
+zwarte kanten kap en getafelde halfmouwen. Twee lange oorbellen
+rinkelden van weerskanten tot in haren hals.</p>
+
+<p>&mdash;Ho! dat zal Romaan en Madeleen deugd doen, die brave komste van
+juffrouw Goedele.... Ik zei 't nog gisteravond bij mezelve: zou ze nu
+niet weten dat Wiezeken ziek is, en zou ze nu niet komen?... Maar ze
+komt. Dat is goed. Dat is goed.</p>
+
+<p>Ze roefelde met een handdoek over een stoel en schoof hem naar Goedele
+toe.</p>
+
+<p>&mdash;Och! en Wiezeken is zoo ziek, juffrouw!</p>
+
+<p>&mdash;Zoo erg?</p>
+
+<p>&mdash;Och ja! Och ja!</p>
+
+<p>Ze zuchtte en zette zich neer en staarde een wijlken naar een varende
+wolk, langs het venster.</p>
+
+<p>&mdash;Ik hebbe 't gepeinsd en ik hebbe 't gevreesd, juffrouw Goedele. Dat en
+kan toch niet deugen, zoo'n valsch huwelijk, niet waar? Ze zijn allebei
+braaf en ze hebben een schoon herte. Ze zien mij ook geerne. Romaan is
+braaf. En Madeleen is braaf. Maar wat willen ze nu koppig zijn, tegen
+den wil van Ons-lieven-heerken? Wat willen ze nu zondig zijn? En ze
+verdienen geen straffe. Wat willen ze de straffe met geweld zich
+aantrekken? Ik weet niet ... waarachtig.... Ons-Heere is zoo goed! Heeft
+hij ooit iemands ongeluk gemaakt? Hij heeft dikwijls iemands ongeluk
+vermeden....</p>
+
+<p>Hare oogen kwamen vol tranen en die rolden nadien, dikke en langzaam,
+langs hare kaken, in de diepe groeve van hare rimpels. En ze zei:</p>
+
+<p>&mdash;Zijn wil is deugdelijk. Ze moesten trouwen en neerknielen in de kerke.
+Dan zou alles effen komen.... Ziet-de 't? Ik word ziek daarvan.</p>
+
+<p>Ze blikte weer opwaarts, naar die wolke. Ze slikte een krop weg, die
+zeer deed in hare keel.</p>
+
+<p>&mdash;Maar nu is ook Wiezeken ziek geworden....</p>
+
+<p>&mdash;Is Wiezeken gevaarlijk ziek?</p>
+
+<p>&mdash;Ziek. 't En wil eten noch drinken. Keelpijne. 'k Hebbe al gesproken
+van lijzemeelpap met regenwater. 't Kindeken hoest, dat het mij pijn
+doet, 's nachts. 'k Hoore 't 's nachts hoesten. 't Is een holle hoest,
+die dan te huilen begint. 't Ligt in de voorkamer. 't Is bleek en mager
+geworden. G'en zult het niet meer herkennen, juffrouw Goedele. 't Zal
+wel zijne handjes uitsteken naar u, maar zulke tengere handjes, met
+vingerkens van teer hout precies. Madeleen en Romaan en mijnheer
+Johannes zijn er nu bij. Mijnheer Johannes komt schier alle dagen
+kijken, en Wiezeken ziet hem geerne.</p>
+
+<p>&mdash;En komt de dokter er ook bij?</p>
+
+<p>&mdash;Dagelijks. Hij wringt beulenijzers in Wiezeken's kele. Ik en kan 't
+niet zien, waarachtig. En dan moet ze citroen nemen tot heur tanden
+rabauwen. De dokter zegt dat het zal overgaan. Ze zeggen dat allemaal.
+Maar ik weet wel dat het ongeluk hier is binnen gekomen, en dat het niet
+wijken zal, als Romaan niet tot inkeer geraakt.</p>
+
+<p>Goedele stond recht.</p>
+
+<p>&mdash;'t Kindeken ligt in de voorkamer, zei tante Olympe.</p>
+
+<p>Ze was te wege Goedele v&oacute;or, om haar de deuren te openen. Ze mummelde
+gestadig en schudde haren witten kop, tenden raad. Ze keerde zich dan
+haastig omme en blikte zonder overgang vlak in Goedele's oogen, en ze
+vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Wilt gij Romaan overhalen?</p>
+
+<p>Ze beweerde dat Goedele het zonder moeite bekomen zou. Romaan sprak alle
+avonden van haar. Zij zou hem dadelijk tot zijn schoon verstand brengen.</p>
+
+<p>&mdash;Hij is nu buiten zijn gedachten versmeten.</p>
+
+<p>Goedele weerde zich zachtjes af.</p>
+
+<p>&mdash;Wilt ge niet? bad tante Olympe en hare lippen vielen in diepe droefenis
+neerwaarts, zoodat naar dezen nieuwen rimpel al de andere te gelijk
+negen, een beeld stichtend van onzeglijke smert. Goedele troostte
+haar&mdash;dat was niet zoo erg, en God hield zich niet zoo bepaald bezig met
+schadelijke uiterlijkheden.</p>
+
+<p>&mdash;Schadelijk?</p>
+
+<p>&mdash;Want als Romaan trouwt, dan sterft zijne moeder. Romaan doet het
+wellicht uit menschlievendheid, en doet hij niet best zoo? Moeder was
+niet edel jegens Madeleen, tante Olympe, maar ze blijft, spijts al haar
+ongelijk, zijne moeder, Madeleen weet toch dat Romaan haar niet verlaten
+zal. Zij mag niet willen dat Romaan's moeder sterft.</p>
+
+<p>Tante Olympe week achterwaarts tot tegen de dresse en ze hief
+permintelijk haren kromme rugge rechte. Haar aangezicht verloor meteen
+zijn lijdende uitdrukking en werd hard, puntig, stekelig.</p>
+
+<p>&mdash;Ja?... Ja?... Ja, juffrouw Goedele?</p>
+
+<p>Hare kin begon te trillen en ook hare beide handen beefden, en haar hals
+rok ze uit, de bruine pezen toonend boven hare witte krage, tusschen de
+blinkende oorbellen schijnbaar bruiner nog. Hare stemme steeg uit lage
+diepten, werd koortsig en sidderde, schoot weg in klaterende klanken en
+schorrelde thoope, lijk een pak blekken schervels, droge en ruig.</p>
+
+<p>&mdash;Maar nu sterft Wiezeken? Maar nu sterft het arme dutseken door den wil
+van God, door ulder koppigheid, ulder te gare. En als Romaan en Madeleen
+buiten geworpen werden, uit het andere huis, omdat ze niet wettig
+getrouwd waren, en als we samen het moeielijk hadden en aleens honger
+kregen&mdash;is dan mevrouw Wilder dankbaar geweest, dankbaar omdat Madeleen
+zich, naar hare goesting alzoo, lijk een slonse gedroeg?... Ik hebbe
+gewerkt met mijne oude vingeren, en met mijne oude oogen hebbe 'k
+gewerkt, en nu wonen we in een leelijk huis, waar Madeleen zich voort
+lijk een slonse mag gedragen. En nu sterft mevrouw Wilder niet. Ze zal
+wel gezond zijn, als Wiezeken sterft. Dan is Wiezeken uit de voeten....</p>
+
+<p>&mdash;Ho! Ho!... tante Olympe....</p>
+
+<p>Goedele was niet toornig&mdash;ze berispte stille, omdat tante Olympe bedaren
+zou. Maar tante Olympe moest uitspreken en naarmate hare stemme gebroken
+en afgemat, luttel werd, liepen sneller en zwaarder hare tranen over
+haar roerend aangezicht.</p>
+
+<p>&mdash;Ik mag het u zeggen, juffrouw Goedele. Ge zijt ons allen lief en
+genegen....</p>
+
+<p>Ze begon meteen te snikken. Het groote geweld was over, en ze kloeg nu,
+al hakkelend en schokkend. Haar lijf zakte ineen en ze was moe, kromme
+en scheef lijk te voren.</p>
+
+<p>&mdash;Och! kind, we doen zoo moedig ons devooren, gedrijen. Romaan is nog
+altijd op de fabriek; hij wint daar niet veel en we moeten hem helpen
+met borduurwerk. We doen het geerne, we doen het geerne.... Maar laat ze
+trouwen, als 't u belieft. Ik heb al zooveel geleden voor Madeleen, van
+toen ze klein was en hare ouders had verloren. Ik heb ze opgebracht en
+ze leeft in mijn herte. Laat ze nu trouwen, laat ze haar eer hebben, die
+'k zoo jaloersch hebbe bewaard. Laat ons hier weggaan, uit dees open
+huis, en laat Wiezeken later een naam dragen ... niet waar? Ben ik nu
+redeloos? Mag mevrouw Wilder redeloos zijn? En zou ze sterven, omdat een
+meisje eerlijk blijven wil? Zou ze? Maar ik, ikke, juffrouw, ik ga nu
+ook weg, door hare schuld dat voele 'k&mdash;en ik zie Romaan en Madeleen
+allebei zoo geerne....</p>
+
+<p>Ze moest gaan neerzitten op een stoel, en Goedele klopte zoetekens op
+hare schouders, een braaf woord zeggend, dat haar opbeuren zou. Ze werd
+kalm naderhand en snoot zich in haren grooten rooden neusdoek, en veegde
+trage hare oogen droge. Ze fluisterde, met een droef lachje, Goedele toe
+dat ze niets hiervan bij Romaan mocht laten gebaren. En vriendelijk, nog
+even na 't eerste woord een snik meeduwend, vroeg ze:</p>
+
+<p>&mdash;Wilt ge nu Wiezeken zien?</p>
+
+<p>Goedele nam de bonte pop, die zij medegebracht had, en ging v&oacute;or. Maar,
+bij de deure, bedacht zij zich en tort niet verder.</p>
+
+<p>&mdash;Wie is die mijnheer Johannes?</p>
+
+<p>Tante Olympe werd seffens praterig en lei uit hoe deze vriend van
+Romaan, een rijke kunstschilder, op een avond in huis gekomen was en hoe
+hij sindsdien wekelijks kwam en hen allen zeer genegen was.</p>
+
+<p>&mdash;Een brave ziele, juffrouw Goedele. Hij heeft de beeltenisse van 't
+kindeken gemaakt, op min dan drij dagen. Wel! dat is een stuk, schaap.
+Ge zult het zien. Ge zult peinzen dat Wiezeken in waarheid u komt
+toegeloopen....</p>
+
+<p>&mdash;Hoe is zijn name?</p>
+
+<p>&mdash;Ameye, Johannes Ameye&mdash;wij zeggen gemeenlijk hier mijnheer Johannes.
+'t Is een gouden hert.</p>
+
+<p>De deur werd precies opengestooten, en daar stond Madeleen. Ze viel
+dadelijk in Goedele's armen, haar kussend en groetend met dankbare
+woorden, en ze bezagen malkander naderhand met vochtige oogen. En
+Madeleen lispelde gestadig dat het braaf was, dat het goed was.</p>
+
+<p>&mdash;Och ja! ik ben tevreden.</p>
+
+<p>Romaan liep ook fluks bij en drukte zijne zuster op zijne borst, en dan
+stonden ze gedrijen een wijle sprakeloos ondereen, te kijken naar een
+gedacht van deugddoende liefde. De stilte is altemets een licht gewaad
+met gulden twijn geweven, waar de ziele te rusten blijft, te rusten en
+te luisteren naar schoone aandoeningen.</p>
+
+<p>Romaan nam nadien Goedele bij de hand en stelde haar v&oacute;or aan zijnen
+vriend. Ze dierf in den beginne niet opzien. Ze voelde iets ongemeens in
+'t geluchte, alsof deze man geen vreemde zijn zou en haar met een
+bevrienden lach bejegende.</p>
+
+<p>&mdash;Dees is haast mijn broeder, zei Romaan, zijn plaats in mijne liefde is
+nevens u.</p>
+
+<p>Ze keek er naar en herkende hem, zooals zij hem bij 't venster van den
+modewinkel voor 't eerst ontmoet had, en zooals zij er, bij het
+tramhuisje, toornig was op afgegaan. Hij bloosde en boog.</p>
+
+<p>&mdash;Hebbe 'k mejuffer niet elders gezien? Ik vrees dat ik een leelijk
+hoekje krijg in haar geheugen....</p>
+
+<p>Zijne stem was vol en zwaar, en sloeg in sierlijke golving om.</p>
+
+<p>&mdash;'k En hebbe u nooit ontmoet, zei Goedele.</p>
+
+<p>Tante Olympe had seffens de voorkamerdeur geopend en was aan 't babbelen
+met Wiezeken van een popje met djentige dracht en met twee drollige
+bulten. Madeleen begon over 't arme dutseken te klagen en vertelde hoe
+het toch zoo geleden had, den vorigen nacht, hoe 't hoestte en kuchte en
+pijnelijk zich wrong, hoe 't dan neerlag zonder couragie, bleek en
+afgemat, hoe 't zin had in niets, in niets van al wat het vroeger
+begeerde,&mdash;en hoe dat alles danig smertelijk was om zien.</p>
+
+<p>Ze gingen allemaal nog eens kijken. 't Beddeken stond in een luchtige
+kamer, naast de breede koetse van Romaan en Madeleen. Drij vensters
+wierpen licht op den blooten vloer en, bij kletsende geuten, tegen 't
+vermoeide muurpapier, vaag-bebloemd met bruinroode tulpen. En 't
+beddeken was sneeuwwit en zuiver en prontelijk, gewend aan de zorg van
+aandachtige moederhanden. Goedele bukte zich langzaam erover.</p>
+
+<p>&mdash;Dag, Wiezeken, mijn zoete boeleken....</p>
+
+<p>Wiezeken lag in 't blanke kussen, zoo luttel, zoo klein.... Haar hoofdje
+dook schier weg onder de sargie, een hoofdje bleek en vaal, met
+loodvervige schaduwen, oogjes diepe en wijd-denkend, en een mondje
+teenemaal verslenst. Ze lachte stille als ze Goedele herkende, en hare
+handjes gingen op naar heur, nadien weer neervallend, lui, onbeweeglijk,
+broos. Hare lippen ontsloot ze swijlens en ze wou zeggen: da&aacute;ag!... en
+ze haperde in een zuchtje en zweeg. De pop werd nevens haar geleid, en
+ze was daarmee bovenmatelijk gelukkig. Ze bekeek haar met welbehagen en
+had plezier met de schitterende kleuren en die koperen knoppen en die
+domme bulten van weerskanten.</p>
+
+<p>&mdash;'t Is een poesjenel voor de brave kinderen.</p>
+
+<p>De poesjenel kon zijne armen toeklappen, als men op zijn buik neep, en
+dan rinkelden de twee bellekens, die aan zijne mouwen hingen. Tante
+Olympe neep maar gedurig op den houten buik en de poesjenel smeet zijne
+klinkende armen gedurig saam, en Wiezeken was bovenmatelijk gelukkig.
+Maar ze werd algauw weer slaperig en wendde haar hoofd omme, en dan
+moest Tante Olympe aan 't voetende het lieve lam pakken, dat mijnheer
+Johannes had meegebracht. En tante Olympe moest op het onderst plankje
+duwen tot het lam te bleeten begon. En 't lam zei:</p>
+
+<p>&mdash;B&ecirc;e-&ecirc;e-&ecirc;e-&ecirc;e....</p>
+
+<p>Wiezeken lachte flauw en streek met hare vingerkens in de witte wolle en
+bleef er peuteren tot meteen hare oogen opnieuw heel verre staarden en
+ernstig werden. Het was alsof dees kind zijn moeielijke gepeinzen volgde
+en in diepe beschouwingen verzonk, aldoor mijmerend langs
+bovennatuurlijke zaken. Langzaam vielen zijne wimpers dicht en zijne
+handjes bleven stille.</p>
+
+<p>&mdash;'t Slaapt.</p>
+
+<p>Het sliep. Zijne wangen en zijn voorhoofd en zijne lippen&mdash;'t werd alles
+effen wit.</p>
+
+<p>Ze tuurden allemaal zwijgend ernaar. Romaan boog zijn hoofd en zijn kin
+rustte op zijne borste, en van onder zijne neergeduwde wenkbrauwen
+loerden droomend zijne rechte blikken. Hij hield zijn kind, dat
+beeldeken van smerte, in zijne hersens vaste en zijn hopeloos gedacht en
+wilde zich niet losrukken daarvan, hoe 't hem folterde en martelingen
+aandeed. Dat witte gelaat, in nauwmerkzame tinten opschaduwend uit al
+het blanke bedlinnen, dat heele broze koppeken, rijzekens een diepte
+wegend in 't donzig kussen, en dan de teekening daarin van beloken
+oogen, neerplooiende lippen, een luttel neusje, met kantewaarts een
+zoetvervig blauw&mdash;al wat nu Wiezeken was, 't hiew met pijnlijke slagen,
+een steenen herinnering in zijn geest. Madeleen keek schuw op naar hem,
+en ze toetste met haar hert zijn droevig gepeins, en een groot verdriet
+zeeg over haar.</p>
+
+<p>&mdash;'t Is een deugdelijke slaap, fluisterde tante Olympe.</p>
+
+<p>Ze kromde haren ronden rugge over 't bedde en lei den poesjenel aan 't
+voetende, nevens 't schaapje, en dook voorzichtig de lichte handjes van
+Wiezeken onder het deken. En ze prevelde nog:</p>
+
+<p>&mdash;Morgen zal 't ten halve genezen zijn.</p>
+
+<p>Ze rechtte zich en zag omme binstdien, en Romaan stond daar, v&oacute;or haar,
+te staren, heinde weg, roerloos en zonder uitkomste. En ze merkte, z&oacute;o
+blootliggend op zijn aangezicht, zijn endelooze leed. En ze herhaalde
+met onzekere stem, om toch wat leven in dees bange geluchte te krijgen:</p>
+
+<p>&mdash;Morgen zal 't ten halve genezen zijn.</p>
+
+<p>Maar de stilte en wilde niet breken, en hare woorden stierven seffens
+uit, zonder naklank, zonder een bijblijvend gedacht, dat mocht de
+angstige leegte vullen. En dan zweeg ze ook, met de anderen mee, en dan
+hoorde ze somtemets het snorkend asemken van 't zieke kind.</p>
+
+<p>Tot, op een ende, allengs 't rumoer van voorbijrijdende karren en een
+standvastig gebas van honden hier binnen drong en hoofdzakelijk werd,
+ten teeken dat stilaan elkendeen zich van Wiezekens' beeld lostrekken
+wou. Daar was buiten een man die riep:</p>
+
+<p>&mdash;Scherre-scherre-scherresliep!</p>
+
+<p>En hij deed een krissend wiel draaien, dat lijk een scheur door de
+ruimte kreesch. Naderhand klonk boven, op het tweede verdiep, 't geronk
+van een naaimachine, en bij poozen, een blijde meisjesstem vrij trillend
+in een leutig lied. Goedele lei haren arm op Romaan zijnen schouder, en
+Madeleen wendde met een diepen zucht haar aangezicht van hem af. En
+mijnheer Ameye zei:</p>
+
+<p>&mdash;We mogen hier alzoo niet blijven, en de kamer vullen....</p>
+
+<p>En terwijl allemaal stille wegdrumden, vroeg hij wat een lieve
+gebuurvrouw daar zong, ginder hooge. Tante Olympe trok voorzichtig de
+deure dicht, en begon seffens te vertellen van het zonderlinge
+huishouden.</p>
+
+<p>&mdash;Een blinde met zijn dochter.</p>
+
+<p>Ze noemde de dochter "een verloren maarte". De oude vader knorde en
+ronkte en keef den heelen godschen dag door, en 't meissen zong
+swijlens. Men hoorde ze van den morgen tot den avond. 't Waren goede
+herten.</p>
+
+<p>&mdash;En hoe geraken ze aan hun brood?</p>
+
+<p>&mdash;Ja, hoe geraken ze aan hun brood!...</p>
+
+<p>Tante Olympe zette zich bedenkelijk neer, en lonkte naar Madeleen, en
+vouwde hare handen over haren schoot, daarna eens smakkend, alsof ze
+iets zeggen zou van gewichte. Ze deed hare duimen overeen draaien.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, mijnheer Johannes ... ze naait.</p>
+
+<p>Ze zei 't zoo beteuterd dat Ameye lachen moest, en elkendeen, met
+gemaakt geweld, meelachte. Ze werd dan een beetje rood, vlak naast de
+gouden oorbellen, en ze begon alzeere en vluggelings te babbelen om hare
+verlegen manieren te verbergen.</p>
+
+<p>&mdash;Ze staat laat op in den morgen. De oude is altijd eerst te been, en ik
+hoore zijne voeten scherrelen over 't plankier en zijn stok matelijk
+kloppen. Hij maakt zijn eigen fluks kwaad en dan staat hij te grollen of
+loopt mompelend rond. De man moet veel geleden hebben. 'k Zie 't op zijn
+gelaat. Hij heeft een moeden mond en zijn doode oogen liggen in een
+rimpelkrioelinge bijkans te lore. Zijn lippen hergaan bij stonden, alsof
+hij een antwoord gaf op een invallende gedachte. "Ja!" zegt hij, kort,
+droog, met tot ruk van zijn kinnebakkes, en niemand weet tot wien hij 't
+zegt. 'k Zeg hem al eens tegen, al lachend: "Neen!" als om te strijden
+met hem. Hij blijft dan staan op de trap en heft zijnen stok op, en 't
+getril van zijn neuze is een teeken van komende gramschap. Maar zijn arm
+valt omlage en zijn gezicht druipt neerwaarts in een verdraagzame
+droefenis, en hij zegt schuddebollend: "Och! Och! Och!" ... en zijn
+doening is dan van een, die mij gelijk geeft. 't Is een aardige vent,
+mijnheer Johannes.</p>
+
+<p>&mdash;En de dochter?</p>
+
+<p>Goedele vroeg hoe haar naam was.</p>
+
+<p>&mdash;Mari&euml;tte, zei tante Olympe.</p>
+
+<p>Ze bleef, saamvouwend opnieuw hare handen, zitten, en riep nadien, met
+geveinsde belangstelling, de katte, die even van onder de dresse te
+voorschijn kwam en voorzichtig ruiken ging aan het tjopken van haren
+wenkenden vinger. Madeleen vertelde hoe Mari&euml;tte gestadig leutig was en
+aldoor zong. De naaimachine geraakte wel eens in druk bedrijf, maar dat
+en gebeurde niet dikwijls. Mari&euml;tte hield zich meer met hare twee
+kanarievogels en met hare begonia's bezig. In den uitkomende was 't een
+plezier hare werkzaamheid te zien, hoe ze aan 't sproeien was, en heel
+'t venster vol hing met kapucijnebloemen, schoone opgeleid langs een
+kunstmatige webbe van draden en touwtjes. En de vogels werden in dat
+getij buiten gehangen, boven 't raam, in de gouden zonne. Gestadig
+schikte ze de muitjes en spreidde er voolkens over om den wille van
+muggen en ander stekend ongedierte. En als ze niets te verrichten had,
+boog ze zich over de bloempotten heen en bracht hare lippen bijeen tot
+een toeterken en floot hare lievelingen voor. En lachen deed ze, zoo
+geheel alleene.</p>
+
+<p>&mdash;Maar....</p>
+
+<p>&mdash;Een herte zonder lusten dan? vroeg Ameye.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, maar ... daar hapert iets....</p>
+
+<p>&mdash;Wat kan er haperen, dat niet in zooveel leutigheid weer loskomt?
+lachte Goedele.</p>
+
+<p>Madeleen knikte en lachte mee. Ze probeerde in een uitbundig gepraat
+Romaan's voorhoofd effen te krijgen, en sprak luidruchtig met overdreven
+golvingen van haar stemme en met wijde gebaren, zich buigend, en wijkend
+en zijlings wiegend, tot ze warm werd en te blozen begon. Romaan stond
+v&oacute;or 't venster en tuurde naar de wolken. Madeleen zei:</p>
+
+<p>&mdash;In den avond, als we al zinnens zijn naar bed te gaan, hooren we de
+trap onder voorzichtige terten kraken. Naderhand zijn er geen zangers
+meer boven, geen minste rumoer, geen getrippel van Mari&euml;tte hare zotte
+voetjes. Alleen nog, somtemets, een kort gegrommel van den oude, die
+aleens poogt de deur open te doen. De deur is vaste....</p>
+
+<p>&mdash;De deur is vaste, ja, prevelde tante Olympe.</p>
+
+<p>&mdash;Omtrent twee uren in den morgen, kraakt opnieuw de trap en rotelt de
+sleutel in de klinke.</p>
+
+<p>&mdash;En Mari&euml;tte...? vroeg Goedele.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, Mari&euml;tte zelve. 't Zijn hare eenige wandelingen. Ze gaat anders
+nooit uit.</p>
+
+<p>Romaan wendde zich omme.</p>
+
+<p>&mdash;Ssjt!... Hoore 'k Wiezeken niet?</p>
+
+<p>Elkendeen luisterde en de ongemakkelijke stilte heerschte lijk te voren,
+alle geluiden der strate groot makend. Tante Olympe ging kijken of
+Wiezeken sliep. Ze kwam weer op hare teenen, elkendeen geruststellend.</p>
+
+<p>&mdash;'t Slaapt lijk een engelken. Overmorgen is het te been.</p>
+
+<p>Ameye boog zich naar Goedele en vroeg, oolijk lachend, wat hare meening
+was omtrent Mari&euml;tte. Madeleen trachtte de vraag af te weren, omdat die,
+volgens haar, zoo direkt in 't intiem denken dringen wilde. Men mocht
+niet oordeelen. 't Gold hier eene zeer delikate gevoelstoestand.</p>
+
+<p>Maar Goedele vond hier zoo diep een ernst niet in, en ze lei uit wat,
+haar inziens, een rechtveerdige uitspraak zijn zou.</p>
+
+<p>&mdash;Ik neem aan dat Mari&euml;tte gelukkig is. Zij heeft heur eigen niets te
+verwijten.</p>
+
+<p>&mdash;Djeezes-Maria! kreet tante Olympe.</p>
+
+<p>&mdash;Zij mint het Lenteweer, de bloemen, de vogels, 't vrije geluchte, dat
+neervalt uit de blauwe hemelen. Ze voelt haar vleesch, haar heele lijf
+opengaan in schoonheid, in nature. Hare doening 's nachts en zal niet
+tegen nature zijn. Dat ware onmogelijk. En, overigens, wat doet ze dan?
+Ze gehoorzaamt misschien aan 't geheime bevel van haar wezen. Ik meen
+niet dat ze misdadig is. 't Ware in elk geval onwaarschijnlijk.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, zei Romaan.</p>
+
+<p>&mdash;'t Is een slette, zei tante Olympe.</p>
+
+<p>Ameye lachte luid en stond recht. Hij trok zijn overjas aan en moest nu
+gaan&mdash;nog een paar zaakjes afhandelen v&oacute;or den noene&mdash;en morgen zou hij
+eens binnenloopen nog, rond den elven. Hij drukte forsig de hand van
+Romaan en groette tante Olympe minzaam, haar met een dwaas woord tot
+bedaring brengend, en lachte nog als hij Madeleen goeiendag wenschte.</p>
+
+<p>&mdash;'k Zal eens 't portret maken van Mari&euml;tte....</p>
+
+<p>Hij boog v&oacute;or Goedele en drong nadien met zijne klare blikken heel diepe
+in hare oogen.</p>
+
+<p>&mdash;Voor u, juffrouw.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, doe dat, sprak Goedele.</p>
+
+<p>Ze wist niet goed wat hare eigen bedoeling was met deze woorden. Ze had
+zoo werktuigelijk geantwoord, meerendeels om hare lippen te roeren en
+aldus eene wrevelige verlegenheid te duiken, die over heur aangezicht
+kwam. Ze hoorde naderhand alleen in ver lawaai al wat nog gezeid werd,
+en Ameye was lang verdwenen, als zij nog zijne blikken voelde, heel
+zonderling daar blijvend, v&oacute;or haar, met een bovennatuurlijken wil....</p>
+
+<p>Wanneer ze ook dees huis verlaten had, en de straten doorliep, werd ze
+droevig en was te wege weer te keeren. Ze asemde daar zoo vrij, en nu
+zou opnieuw moeder nevens haar komen, en grootvader en van avond
+Sebastiaan&mdash;heel die koude wereld, die gemanierde wereld; tusschen al
+die naakte muren haar nijpend en knellend en zeer doende. En 't povere
+kamerken, waar Wiezeken te lijden lag en was zoo eendelijk niet als
+gindsch vierkante steenmassa.</p>
+
+<p>Ze bleef droomend lanterfanten langs de uitstalling van den modewinkel
+en peinsde:</p>
+
+<p>&mdash;Die mijnheer Ameye is een leege man.</p>
+
+<p>Ze joeg hem seffens uit hare gedachten en verzinde 't beeld van
+Mari&euml;tte. Ze vond daar behagen in&mdash;een kap met blonde lokken, een
+gezichteken als van een zoete deugniet, rond en rood en donzig, en een
+natte mond en gloeiende oogen en lieve vingeren, gewend aan 't bedrijf
+van kanten geluksweefsels. Ze liep bijna een kindje omverre. Ze werd
+beschaamd en stamelde en drilde voort, haastig. Ze zag een tram meteen
+stilstaan vlak v&oacute;or haar. Ze peinsde:</p>
+
+<p>&mdash;Die mijnheer Ameye is ongemanierd&mdash;en niet vriendelijk ... en niet
+schoon....</p>
+
+<p>En vlugger spoedde ze zich, zonder reden af en toe stil blijvend bij een
+schitterende kleur ievers aan een venster, of bij een hoog geluid, dat
+voorbij gilde. Ze hield van niets een vast gedacht. 't Sleerde allemaal
+over hare hersens. Ze wilde bij stonden tante Olympe oproepen in haar
+hoofd, haar zien trippelen en snokken met haar kinne en wuiven met haar
+armen. Ze wilde Wiezeken herdichten, het bleeke wicht. Ze zag den
+poesjenel. Ze zag het witwollig lam. Ze peinsde:</p>
+
+<p>&mdash;Waarom vroeg hij, wat ik over Mari&euml;tte denk?</p>
+
+<p>En verder drevelde ze, koortsiger wordend naarmate hare gevoelens meer
+verward dooreen stringelden. Als ze in de stille wijk van blinde
+rijkemanshuizen geraakte, hijgde ze en was danig opgehitst. 't Docht
+haar dat de toekomst luchtig werd en dat er klaarten kwamen en een breed
+zicht. Ze voelde heel vaag eene grondige verandering in haar lijf, een
+ongewoon trillen, een ziedende leven. Ze hijgde, en zij en was niet moe.
+Ze was zeker dat iets heel schoons zich had veropenbaard in hare ziel.
+Ze vroeg niet naar een oorzake. Niets was bepaald. Ze baadde zoo in een
+streelende warmte, daaraan deugd hebbende en zonder verlangen
+voortgenietend. Haar bloed sloeg forsig omme en, in haren hals, tegen
+hare hooge krage, werd zij den sterken klop ervan gewaar.</p>
+
+<p>Ze stond meteen v&oacute;or 't donkere hekken. Ze hoorde de wind zoeven in de
+boomen van den hof. Alles brak, viel in haar. Ze moest zich v&oacute;or den
+drempel ontdoen van alle geestdrift, alle gejubel. Ze keek naar de koude
+muren en naar al die beloken vensters en onderaan naar de vier
+ontsloten&mdash;gladde ruiten, met de franjen van donker roode gordijnen en
+de witte beelden van twee steenen poedelhondjes. Ze boog haar hoofd en
+zuchtte. Het zware geluchte van daarbinnen sloeg haar tegen het
+aangezicht....</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h3><a name="hV" id="hV"></a>V.</h3>
+
+
+<p>Ursule vroeg haar of zij 't geld gebruikt had. Goedele had het
+bankbriefken bij 't uitgaan in tante Olympe's hand gestopt. Ze sprak nu
+heel onverschillig, terwijl ze haren hoed afnam en v&oacute;or den spiegel heur
+haar een beetje schikte:</p>
+
+<p>&mdash;Och! ja, moeder....</p>
+
+<p>Ursule antwoordde niet en ging een krulleken witte wolle wegknipperen,
+van Goedele's kleed.</p>
+
+<p>&mdash;Ge hebt wolle op uw kleed.</p>
+
+<p>Ze zette zich neer v&oacute;or 't venster en kruiste hare beenen en deed haar
+pantoffel bijzen op 't ende van haren opgeheven voet. Ze lei hare armen
+op de leuning van twee naaststaande stoelen en vroeg hoe 't met Wiezeken
+was. Goedele zei dat het haar niet goed voorkwam, dat het kind daar wel
+deerlijk lag, zoo wit over zijne kaken, zoo wassig, en zoo teerblauw op
+de randen van zijne lippen.</p>
+
+<p>&mdash;'t Zou moeten de buitenlucht hebben. 't Zou moeten kunnen breed
+asemen. Zijne longetjes zijn geheel vernepen, geheel klein en
+nutteloos....</p>
+
+<p>&mdash;En hijgt zijn borste?</p>
+
+<p>&mdash;Bij stonden.</p>
+
+<p>&mdash;En ... zou 't eraan kunnen ... weggaan...?</p>
+
+<p>&mdash;Watte?</p>
+
+<p>Ze keerde zich fluks omme en staarde in Ursule's oogen, zich buigend om
+indruk te maken. Maar moeder bleef roerloos en liet hare blikken
+geleidelijk meewiegen, met de bijzing van haren voet, kalm verklarend
+onderwijl dat ze dat zoo maar vroeg....</p>
+
+<p>&mdash;Uit belang ... zekerlijk.</p>
+
+<p>Met een ruk, alsof ze peinsde een wrokkig woord neer te gooien, zei
+Goedele dat Wiezeken den dood nabij was. Ze werd rood en voelde eene
+dwaze verontweerdiging haar hoofd dol maken. Ze joeg bijtende zinnen
+achter malkaar:</p>
+
+<p>&mdash;Ge moet het wel weten hoe Romaan nu lijdende is, gij die zoo geleden
+hebt om ons, indertijd, als we zieke wichten waren. Hij beseft nog niet
+hoe verre Wiezeken alreeds van hem verwijderd is. Hij ziet wel overal
+donkerten ommendom, maar hij hoopt. Gij weet het wel, niet waar? hoe die
+toestand is.... Gij zijt zijne moeder. Ik heb uw bankbriefken afgegeven.</p>
+
+<p>Ze ontzenuwde alzoo haar eigen zelve, en moest, na een stonde, wegloopen
+om niet haar drift uit te storten in geweldige gezegden.</p>
+
+<p>Mevrouw Wilder bleef nog beweegloos zitten, liet zich wegvaren in verre
+gepeinzen, streelde in haar brein 't vooruitzicht van een toekomst die
+wellicht weer goed worden zou. Ze voorspelde in hare hoopvolle
+mijmeringen nieuwe dagen van ijverig werk: Romaan en Goedele saam
+gespannen aan een reuzentaak, en, in een harrewatrije van voordeelige
+zaken, een versche geldstroom.... een weelde van rinkelend goud.... D&agrave;n
+wilde ze sterven, alleen d&agrave;n.</p>
+
+<p>Ze sprong rechte en duwde hare vuisten op de tafel. Ze siste tusschen
+hare tanden:</p>
+
+<p>&mdash;De prije zal ik wegkrijgen.</p>
+
+<p>Ze had het al lange gecombineerd, hoe ze Madeleen zou weggekregen
+hebben. Als Wiezeken dood was, zou alles wel braaf van stapel loopen.</p>
+
+<p>&mdash;Dat arme Wiezeken....</p>
+
+<p>Ze prevelde drij keeren:</p>
+
+<p>&mdash;Dat arme, arme Wiezeken....</p>
+
+<p>Ze beluisterde geerne hare stemme, wanneer ze 't onnoozel kindeken
+bekloeg. Ze had somtewijlen groote angsten. Ze dorst het aan haar zelve
+niet bekennen, dat ze Wiezeken's dood verzocht. Ze wilde dat verlangen
+wegjagen met een deerlijk woord, en verlangde maar gedurig naar dat
+ende.</p>
+
+<p>&mdash;'t Zou 't ende zijn.</p>
+
+<p>Ze redeneerde dan. 's Nachts werd ze altemets wakker en voelde hare
+vreezen naderen, een zonderling, verwijt, dat altijd opkwam bij bange
+uren en haar folterde. Ze redeneerde seffens&mdash;Wiezeken was zoo'n luttel
+ding, zoo ziekelijk van nature ... en wat zou er van geworden als het in
+leven bleef?... 't zou toch allengerhand wegtsieperen, stillekens.... 't
+was beter dat men 't maar dadelijk verloste uit zijn pijnen ... het
+dutseken ... in den hemel zou 't gelukkig zijn....</p>
+
+<p>Tegenover Goedele dorst ze daarvan niet spreken.</p>
+
+<p>Na 't diner&mdash;ze hadden gevieren sprakeloos hun soep en hun vleesch met
+groenten gegeten&mdash;sloot Ursule zich in hare kamer op en Goedele
+lanterfantte bij 't klavier, behagen vindend in eene fantastische reeks
+van Grieg. Albien bleef zitten bij haar en, als de oude Rik ook langs de
+trap weggeraakte, schoof hij een stoel dichte bij de groote tafel en
+nam, bezij den schoorsteen, de dooze, die Sebastiaan hem had
+meegebracht. Hij zei:</p>
+
+<p>&mdash;Dat is een nar ding, wat ge daar speelt, mijn kind!...</p>
+
+<p>Hij zette zich goed op zijn gemak en bracht het Zwitsersch huizeken te
+voorschijn. Hij bekeek het al glimlachend, in kinderlijke bewondering,
+en leunde achterover om beter te genieten, een oogenbliksken, van het
+heerlijke zicht. 't Was een huizeken witgeverfd, met een hoog
+schalieblauw dak en groene luiken langs de gevels. Vooraan was precies
+een terras van bruine steenen met versiersels in eikenhout. Boven het
+dak steeg een vierkante toren. Daar hingen de klokken in. Men kon ze
+echter niet zien. Hij had zich dikwijls afgevraagd of 't in waarheid wel
+klokken waren en of dat beiaardspel niet feitelijk een snarenspel zou
+zijn.</p>
+
+<p>&mdash;Een bedriegsel, een bedriegsel, menschen....</p>
+
+<p>Maar schoone was 't gansche gedoe. Kantewaarts, onder de euzie, was een
+slot. Hij moest daar nu een sleutel insteken en draaien tot de
+binnenzijdsche mekaniek opgewonden was en een kort getjok er klopte, ten
+teeken dat de ve&ecirc;ren gespannen waren. De sleutel hing aan zijn
+horlogieketen, naast een paar Hollandsche dubbeltjes, waar hij zelf een
+gat in geboord had, en een bronzen medalje van de onlangs gesloten
+nijverheidstentoonstelling&mdash;een geschenk van mijnheer Devleeschhouwer
+&mdash;een klein zonnewijzerken en een sigarenknipper, waar 't koper van
+ouderdom zich doorsmeet. Hij moest rechtstaan en zijn buik opsteken om
+den sleutel te bezigen. Hij zette zich nadien met een vroolijken zucht
+neder, en wachtte, en lei zijn rugge deugdelijk tegen de stoelleuning.
+Het binnenwerk begon te ratelen en seffens schoof een dubbele deure open
+op het terras. Twee poppen schoven, met een krijschend geruchte, naar
+buiten, en 't beiaardspel ving aan. 't Was nu een matelijk dansen. 't
+waren snokkende sprongskens begeleid door een roteleere van krakende
+wieltanden, naar 't oordeel van Albien allemaal wonderschoon. En de
+beiaard speelde een oud veuzeken, liefelijk en huppel-licht, en 't was
+hem een diep geneuchte ernaar te luisteren, elk toontje op te nemen,
+achtereen, en te troetelen in zijn hoofd, dat zat werd van de zoete
+harmonije. Hij mummelde, blozend van geluk:</p>
+
+<p>&mdash;Dat is nu mijn eigendom.</p>
+
+<p>Goedele keerde zich omme en keek hem na, hoe hij schuddebolde en meeging
+met den kleinen zang, hoe zijne handen ommentweere bijsden, rythmisch en
+half-beloken, en hoe zijn voorhoofd blonk en zijpelde van overvloedige
+wellust. Als de mekaniek stilaan verslapte en, met nog een laatste
+rukje, stillebleef, herwond hij ze op, en weer vergenoegde hij zich in
+'t zelfde deuntje en in 't eentonig gebaar der poppen. Hij verdeelde nu
+zijne aandacht en loerde meer bepaald naar den gang der blikken armen,
+nadien naar 't nijgen der steenroode koppekens, dan naar een haperinge,
+die, op gelijke afstanden, gebeurde en zich hernieuwde gedurig. 't Was
+'t wijveken, dat meteen roerloos viel, en, na een stonde, terug
+opsprong. Hij zocht beteuterd naar de oorzake van die onregelmatigheid.
+Goedele zag hem triestig worden en zijne lippen herdoen en schrik
+krijgen middelerwijl.</p>
+
+<p>&mdash;Mishandt er iets? vroeg ze.</p>
+
+<p>&mdash;Wel neen, wel neen, zoo precies....</p>
+
+<p>Hij sprak dan verlegen en verwonderde zich:</p>
+
+<p>&mdash;Ge kijkt ook hiernaar?... Hoe mirakelachtig dat is!</p>
+
+<p>Hij mooschte en prutste en draaide nog eens het spel in gang. Goedele
+keek naar hem en voelde groote deernisse. 't Klonk, in deze hooge kamer,
+zoo deerlijk, dat onnoozel muziekhuizeken. Op strate was er weinig
+rumoer&mdash;af en toe het tijdelijk gerij van een sjeeze. In den hof
+ruischte het zoevend geboomte. Hier, alleene en gelukkig, maakte Vader
+een zottig lawaai, gedurig bezig met zijn nutteloos bedrijf, alsof z&oacute;o
+eeniglijk zijn leven was en niets hem aanging daarbuiten. Ze vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Hebt ge daar wel zin in, vader, dat ik met Sebastiaan trouw?</p>
+
+<p>&mdash;Ba ja....</p>
+
+<p>&mdash;Wenscht ge dat uit ganscher herte, vader?</p>
+
+<p>Hij hief zijn ronden kop omhooge en zijne oogen zeiden genoegzaam dat
+hij nooit daarover nagedacht had. Het was besloten: ze zou trouwen met
+Sebastiaan. Ursule had het zoo besloten. En Sebastiaan was geen kwaad
+aanbod ook.</p>
+
+<p>&mdash;'t Is een brave jongen....</p>
+
+<p>&mdash;Dat is de zaak niet.</p>
+
+<p>Ze wilde hem doen aarzelen, eene onzekerheid brengen in dezen
+hinderlijken geest. Maar Albien kende slechts &eacute;ene waarheid, en die lag
+besloten in de wet van Ursule. Even ontwaarde hij in de woorden van
+Goedele een opstand tegen die wet.... Hij bleef verbijsterd zitten, niet
+goed begrijpende zoo'n daad, die, naar zijne meening, de menschelijkheid
+te boven ging. Hij struikelde in een hakkelend gezegde:</p>
+
+<p>&mdash;Moeder heeft toch ... gesproken ... niet waar ... toch kenbaar gemaakt
+haren wil?... 't is haar wil toch?... van moeder?...</p>
+
+<p>Het rammelend huizeken viel stil en het deurken flapte toe. Goedele
+begon meteen luidruchtig te lachen van koortse. Dan keek ze Albien met
+natte oogen aan en boog zich over de tafel, zoekende met hare handen
+naar zijne luie vingeren.</p>
+
+<p>&mdash;Och, mijn goede vader, die nooit verdriet en hebt....</p>
+
+<p>Hij lachte mee en verjoeg alzoo het angstig oogenblik, dat over zijne
+slapen gekomen was.</p>
+
+<p>&mdash;Ha! Ha!... dat is een aardige perte ... 'n fameuze!...</p>
+
+<p>Hij vond het allerbest dat het zoo op een ende afliep. Hij was nu
+overgelukkig. Hij nam een kaartspel en begon voor zijn eigen kunsten te
+probeeren, die hij in Snoeck's boekjes aangeleerd had. Hij wond eerst
+nog eens het Zwitsersch huizeken op, en, binst dat de poppen op mate van
+het beiaardspel hunnen snokkigen dans deden, lei hij de kaarten
+nevenseen en deed toeren. Zoo was 't geluchte vol om hem. Zoo was overal
+de tastbare aanwezigheid van zijn eigendom en al wat leeg was in deze
+kamer, werd weelde, zijne weelde.</p>
+
+<p>&mdash;Denk ereis 'n kaartje uit, Goedele, van de &eacute;en en twintig die 'k hier
+openlegge ... toe ...</p>
+
+<p>Hare genegenheid deed hem deugd, omdat hij die gebruiken kon als een
+ernstige belangstelling in zijn doening. Hij vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Hebt-ge ze alreeds?</p>
+
+<p>&mdash;Ja ik, zei Goedele met een zucht, al leunend op hare ellebogen.</p>
+
+<p>&mdash;Nu moet-ge toogen in welk van deze drij pakjes uw kaarte ligt, de
+kaarte van uw keuze, zegt het boekje.</p>
+
+<p>&mdash;In 't deze, rechts....</p>
+
+<p>Hij mengelde 't spel, opgehitst, aangeprikkeld door Goedele's schijnbare
+aandacht. Hij sloeg de kaarten dooreen met een gedwongen sierlijkheid en
+trachtte zwierig te blijven in zijn minste gebaren. Hij hoopte de
+kaarten nadien weer in drij pakjes.</p>
+
+<p>&mdash;En nu?</p>
+
+<p>&mdash;In 't deze opnieuw, rechts....</p>
+
+<p>Hij herbegon, en een oolijk glimlachje straalde open over zijn gansche
+aangezicht. Hij verdeelde de kaarten.</p>
+
+<p>&mdash;En nu?</p>
+
+<p>&mdash;In 't pakje te midden....</p>
+
+<p>&mdash;In 't pakje te midden.</p>
+
+<p>Hij maakte zich een wellustige dobbelkinne. Met een haastige stemme
+verwittigde hij Goedele, dat ze nu goed opletten moest, en haar kaarte
+niet vergeten.</p>
+
+<p>&mdash;Hebt-ge ze nog vast in uw hoofd?</p>
+
+<p>&mdash;Ja....</p>
+
+<p>&mdash;Ik zal ze er seffens uithalen ... attentie, als 't u belieft ... een
+beetje attentie....</p>
+
+<p>Het huizeken was stil gevallen. Hij draaide vluggelings den sleutel erin
+en deed de wielkens werken lijk te voren, zoodat de beiaard zijn
+veuzeken hernam. Hij was goddelijk in zijn schik, en dees stonde was hem
+een onzeglijke verrukking. De wereld was vol van hem. Hij deed de
+kaarten overeen schuiven, telde en gebaarde, met geveinsde aandacht, de
+hulp van bovennatuurlijke geesten in te roepen. Hij bleef een wijlken
+dubben, zette zijn hoofd scheef en tuurde bedenkelijk naar de zoldering,
+in de afwachting der wonderbare machten.</p>
+
+<p>&mdash;Kijk nu!</p>
+
+<p>Hij smeet de kaarten overhand verre weg van hem en keerde fluks de elfde
+omme.</p>
+
+<p>&mdash;Koekelaas!</p>
+
+<p>Hij riep ze triomfantelijk uit, zonder aarzeling, en steeg van zijn
+stoel op, in glanzende glorie. Hij herhaalde:</p>
+
+<p>&mdash;Koekenaas.... Hee!</p>
+
+<p>&mdash;'t Was koekenaas.</p>
+
+<p>&mdash;Ik wist het, ge hoeft het mij niet te zeggen. Dees is tooveren ...
+eigenlijk....</p>
+
+<p>Goedele keek hem aan met zachte oogen. Ze was tevreden dat hij zoo
+gelukkig scheen, en prees zijn kunste. Hij viel haar in de rede,
+verklarende dat niets boven het dominospel en het kaarten reiken kon, en
+dat hij 't al zoo dikwijls gezegd had aan Alfred ... maar Alfred was
+niet vlug, moest hij bekennen, en had lompe gepeinzen, aldoor meenende
+dat hij 't beter wist dan de boekjes zelve. Alfred kon ook niet lang een
+zake bezien.</p>
+
+<p>&mdash;'t Is een kind nog.</p>
+
+<p>Hij lachte daarmee, alsof hij wel medelijden ten slotte gevoelde voor
+den jongen, die nog zoo kleinzielerig was ... omdat 't verstand voor de
+jaren niet en komt. Hij was te wege het huizeken nog eens op te winden,
+en verwonderde zich als Goedele bad dat hij 't maar niet doen zou. Hij
+vroeg, bedrukt:</p>
+
+<p>&mdash;Houdt ge niet hiervan?</p>
+
+<p>Ze stond recht. Ze stilde hem. Ze hield veel van dat wonder dingen,
+beweerde ze. 't Zou echter kapot geraken, als hij 't zoo dikwijls
+bezigde, en zag hij bovendien nog 't manneken en 't wijveken?</p>
+
+<p>&mdash;'t Wordt avond....</p>
+
+<p>Zij en merkte geen verven meer. Van uit de hooge vensters, langs de
+franjen der gordijnen, zijpelde het vage licht, in de kamer te lore zich
+verdeelend tot het wegdeemsterde in de hoeken. Zonderlinge klaarten
+blikkerden van tijd ievers op, als 't noesche verspergestraal tegen een
+koperen ornement botste of tegen een glazen pot, een porseleinen
+beeldeken, een witgeschuurde tinnen teele. Drij laatste krysanthemen
+vlekten de naderende donkerte met hun blanke trossen. Van tallenkant
+rees de plechtigheid der schemering, alles omvattend in zoetig gewaad,
+voordeelig voor de droomende stilten....</p>
+
+<p>Er werd gescheld aan 't voorhekken, en binst dat Albien zijn speelgoed
+wegdook in de dooze, tort Sebastiaan de kamer binnen. Het was zijn ure.
+Hij was altijd heel stipt. Goedele ontving hem met koortsachtige
+opgewondenheid, sprak luttele woordekens en was danig vriendelijk. Ze
+ontdeed hem van zijn overjas, omringde hem met hare dienstveerdige
+handen, bekommerde zich om zijne bleekte.</p>
+
+<p>&mdash;Zijt-ge vermoeid?</p>
+
+<p>&mdash;Een beetje.</p>
+
+<p>Hij voelde geerne hare hulpzame genegenheid en glimlachte geaffecteerd,
+zich neervleiende in zijn eigen weerde, herkend door haar, die hij
+liefhad. Hij vroeg aan mijnheer Wilder of hij 't huizeken schoon vond,
+en Albien vertelde hem hoe 't ineenstak, hoeveel tijd het in gang bleef
+en hoe schoon veuzekens de beiaard speelde. Terwijl Goedele een kopje
+koffie gereed maakte boven 't alkoollampje, en 't gaslicht aanstak, bood
+hij mijnheer Wilder een sigaar aan.</p>
+
+<p>&mdash;Dat zijn weer van die fijne sigaren, zei Albien.</p>
+
+<p>Ze smoorden en praatten ondereen. Goedele was uiterst gezellig en
+aangenaam. Ze schonk de koffie, wierp de klontjes suiker erin, roerde en
+wilde alles zelf doen.</p>
+
+<p>&mdash;Gebruikt ge melk van avond?</p>
+
+<p>&mdash;Als 't u belieft, een geutje....</p>
+
+<p>Ze beloerde op Sebastiaan's aangezicht hoe gelukkig hij was, hoe
+gevoelig voor hare dienstwillige gebaren, en hoe hij daar nu wegzonk in
+zijne onnoozele verwaandheid, tevreden en zat. En Vader nevens hem was
+ook een beeld van gezapig geneuchte. 't Was een gulden avond. Sebastiaan
+zei 't:</p>
+
+<p>&mdash;'t Is een gulden avond.</p>
+
+<p>Daar kropte dan iets in hare keel en ze zwolg geweldig om 't weg te
+krijgen, en glimlachte rijzekens ... maar heure oogen werden schaduwen.
+En ze overdreef daniger nog hare vriendelijkheid. Ze sprak zonder
+diepten, aldoor hare stem buigend in streelingen van korte,
+oppervlakkige gezegden. Ze schertste met Devleeschhouwer, maakte kleine
+portretjes, draaide hare meeningen tot lollige zetten en schaterde
+vroolijk daarbij.</p>
+
+<p>&mdash;Hebt-ge gemerkt de dwaze manieren van Bella?... Wel Jeezes!</p>
+
+<p>Door den rook der sigaren en 't geronksel van die vlugge babbelingen was
+Albien thoopegezakt en in slaap geraakt. Hij schoot altemets wakker,
+sluimerde seffens weer weg, en zijn hoofd bijsde ommentweere, zijn bolle
+glanzende hoofd.</p>
+
+<p>&mdash;Bella? vroeg Sebastiaan.</p>
+
+<p>&mdash;Wel ja, herinner u ... ze zat lijk een katte te lonken....</p>
+
+<p>&mdash;Ik weet niet....</p>
+
+<p>Ze ging voort. Ze spotte en peuterde aan diverse gezichtjes en had leute
+met die potsierlijke menschen. Sebastiaan duwde den damp zijner sigaar
+in ringen en krullekens omhoog, en liet zich dat grillig gepraat
+welgevallen. Het kwam alles zoo in zijn schik. Hij hield zich als een,
+die boven deze meisjesdoening staat, maar in waarheid had hij er deugd
+aan. Te dezer stonde was hij werkelijk de man, die thuis keert van zijn
+moeielijk en bovenzinnelijk werk, en zich nu vergenoegt in 't na&iuml;eve
+gesnater van zijne vrouw, die lieve, de mindere.... Hij luisterde en 't
+maakte hem dronken. Hij zei stille:</p>
+
+<p>&mdash;Later zullen wij interessante vrienden op diner ontvangen.</p>
+
+<p>&mdash;Wij?</p>
+
+<p>Goedele keek hem diep in de oogen, en ze voelde dat hare ziel zich op
+een ende losrukken zou. 't Zicht der toekomst, dat hij opriep, walgde,
+folterde haar. Ze wilde niet dat hij de toekomst aanroeren zou. De
+huidige uren wilde zij gelukkig maken, en ze zou meegaan, dag-in,
+dag-uit ... en wat er gebeuren moest, zou gebeuren. Ze was gedwee....
+Maar den sluier wilde zij ongeraakt zien hangen. Wat er achter was,
+bezeerde haar.</p>
+
+<p>Ze werd somber. Ze kon niet het onmogelijke doen en voortlachen. Ze
+staarde mijmerend in hare gepeinzen, wachtend tot de schoone eenzaamheid
+komen zou. Sebastiaan, verloren in zijn standvastig geneuchte, merkte
+niet hoe plotseling zij zich van hem verwijderd had. Onbewust vulde hij
+de stilte, die nu heerschend was; hij sprak van zijn zoeken, van zijn
+studie. Hij was bovenmatelijk gelukkig als hij daaromtrent verhalen
+mocht.</p>
+
+<p>&mdash;Dat doet u dan ook plezier, niet waar?</p>
+
+<p>Ze tuurde naar 't licht en zag de verte, die onzeker was.... Ze zei,
+niet wetende:</p>
+
+<p>&mdash;Ja....</p>
+
+<p>Hij deed seffens Hieronymus Bos herleven, en zijne handen begonnen te
+wuiven, te keeren in 't geluchte, sierlijk en vroom. Hij teekende die
+uitermatige figure, dien ziender van monsters en wangedrochten.</p>
+
+<p>Hij had ontdekt hoe een ellendig mensch Bos geweest was, hoe hij geleden
+had tot zijn doodsure alle wee&euml;n, die een ziele dragen kan, en hoe hij
+toch ten langeleste eronder was bezweken. Hij vertelde hoe de kunstenaar
+dan gewerkt had, hoe zijn koortsige geest al die akeligheden geschapen
+had en gebeeld in kleuren, en hoe in dat schijnbaar-drollige werk van
+Bos een verwijt lag voor de menschen. Nadien had hij zijne eigenlijke
+studie kunnen aangevangen: de invloed van Bos op Filips II van Spanje.
+Hij schilderde Filips als een ziekelijke mystieker, die behagen vond in
+de nare tafereelen van Bos. Hij zag den koning, met koortsige
+nieuwsgierigheid, die tafereelen ontleden en beweegbaar maken. Hij zag
+hem wreed worden in de nabijheid der hellegeesten van Bos, omdat hij
+niet vreezen wilde.</p>
+
+<p>&mdash;En hij vreesde!...</p>
+
+<p>Allangerhand joeg Sebastiaan, in 't spreken, zijn bloed op, en zijne
+gebaren schokten aleens zenuwachtig uiteen bij een woord, dat
+hoofdzakelijk moest zijn. Hij meende Goedele's gedacht te boeien. Hij
+merkte hoe zij hem nu nakeek, hoe hare oogen roerloos op zijn gelaat
+zich vestigden. Hij wendde zijne blikken af en staarde gedwongen naar de
+poedelhondjes, die op 't vensterblad pronkten, maar innerlijk was hij
+tevreden dat zij hem in zijn rede zoo nauwkeurig volgen wou....</p>
+
+<p>Tot ze hem meteen het woord afnam:</p>
+
+<p>&mdash;Is d&agrave;t uw werk?</p>
+
+<p>Ze hoorde zelf, hoe koud haar gezegde klonk. Hij zweeg een oogenblik: 't
+was of met een ruk de poedelhondjes waren opgesprongen. Hij bleef
+beteuterd, vernederd zitten. Goedele, eerst verwonderd dat haar uitval
+zoo pijnlijk was geworden, wilde niet meer wijken, en koppig dreef ze
+door, slaande op elken zin, om zich op te hitsen.</p>
+
+<p>&mdash;Is d&agrave;t uw doode werk?... En zal ik leven in 't bijzijn van al die
+schimmen? Zult genievers een woord vinden, dan om die oude namen tot
+levende gepeinzen herop te wekken?... Maar voelt ge niet dat ik
+uitkwijnen moet in dien fantastischen rommel, in die beschimmelingen
+zonder kleur noch gedaante?... Ik weet niet, wat ik noodig hebbe. 't Is
+mij te onduidelijk, omdat ik ziek wordt stilaan. Maar mijne armen, mijne
+handen, mijn nekke dien'k plooien moet, mijn gansche lijf wil lucht en
+beweging. Van wat is en voelbaar is, wil ik genieten.... Ik vraag het
+mij dagelijks af: 'k betaste mij en 'k vrage ... waar 'k zeer heb, waar
+ge mij zeer doet, gij allen, die niet leven wilt!...</p>
+
+<p>Ze stond rechte, lengde zich uit, groot wordend en hare sterkte
+uitspreidend om haar.</p>
+
+<p>&mdash;Mijn vleesch is struisch&mdash;maar binnenwaarts zegeviert de pijne. Ge
+martelt mij aldus, ge nijpt mijn herte thoope in enge banden van koud
+metaal. Waarom is alles dood wat ge mij te geven hebt? Waarom en toets
+ik niets dan doode dingen, allentwege doode dingen? Hebt gijlie geen
+polslag? hebt gijlie geen warme handen? hebt gijlie geen voelenden
+geest?</p>
+
+<p>&mdash;Goedele!</p>
+
+<p>Hij vatte haar bij den arm. Hij was gekrenkt. Hij zei kort, met bevende
+lippen:</p>
+
+<p>&mdash;Dat is slecht, wat ge doet.</p>
+
+<p>&mdash;Slecht?... Maar mijn hoofd berst en breekt. Wat hebbe'k miszeid? Mijn
+hoofd is een zware kasse, en 't weegt me, 't weegt me zoo pijnlijk. Wat
+draag ik daar al niet in, sinds jaren opgeraapt tallenkant! Die muren
+hier folteren mij. Ge zult mijn man worden. Mag ik me niet ontlasten bij
+u? Moet ik de sterkste zijn, en ben ik slecht, omdat ik u een part geef
+van 't schrikkelijk gewichte? Ik wil niet meer leven alzoo. In dees huis
+ben ik onvolledig en voel ik nood. Gij zijt gekomen. Gij zegt dat gij me
+lief hebt....</p>
+
+<p>Ze werd gewaar dat hare stem zeeg en te trillen begon; ze hief hare kin
+omhoog en rok haren hals uit. Ze wilde hare woorden niet belijden, ze
+zoo maar uitspreken, zonder dat ze een smertelijke herinnering opwekken
+mochten.</p>
+
+<p>&mdash;Dat ge ... mij lief hebt ... ja. Leef nu! Doe niet mee met de doening
+van heel dees huisgezin. Kijk rond u.... Vader speelt met popjes.
+Grootvader is een roerende schaduw. Moeder ... och, moeder ...
+Sebastiaan ... is me vaak lijk een noodlottige figure, gaande in steenen
+stilzwijgendheid.... En gij nu nog vingert in een vunzig verleden.... Is
+z&oacute;o de wereld, z&oacute;o de menschelijkheid?... Ik weet niet meer, ik twijfel
+en ik lijd: ben ik abnormaal?</p>
+
+<p>Ze dwong stille haren arm los.</p>
+
+<p>&mdash;Ben ik buiten nature, en gijlie te zaam, leeft gij waarachtig naar 't
+gebod van uw wezen? Ik word onzeker. Ik haper in mijn gepeinzen. Ik
+bekijk alles te vergeeft ... te vergeeft, want uw aller zicht drijft me
+slechts tot opstand.... En dulden wil ik, verdraagzaam, gedwee ... en ik
+ween als ik eenzaam zit&mdash;Mocht ik dat alles &uacute; niet zeggen?</p>
+
+<p>Hij lei zijn magere handen, in blank gebaar, over zijn aangezicht en
+liet ze erover trage neerwaarts zijgen. Hij sloot zijn oogen en verdroeg
+een oogenblik de stilte. Dan sprak hij met veel droefenis en zijne
+woorden, onderbroken bij poozen door onregelmatige zuchten, kregen in 't
+luisterend geluchte, na 't verwilderd krijten van Goedele, een ongemeen
+belang. Hij zei dat ze hem diepe pijn veroorzaakte, dat hij haar liefhad
+boven al wat hem anderszins lief was, en dat hij zou ommekeeren in zijne
+levensbaan, als het haar zoet mocht zijn. Hij kon niet nalaten, ook op
+dezen stond van waarlijke smert, zijn gezegden te meten en schoon te
+sieren in passende golvingen. Hij beluisterde zijn eigen. Hij vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Wat moet ik doen? Ge hebt mij zeer gedaan....</p>
+
+<p>Ze viel terug neer op haren stoel, afgemat, en haar gemoed kwam vol. Ze
+stortte dan voorwaarts op de tafel en begon te snikken. Ze voelde
+Sebastiaan's vingeren streelend over hare schouders gaan en hoorde hoe
+hij daarbinst haar troostte met schoone uitdrukkingen. Ze jammerde dat
+hij haar vergeven moest, dat ze koortsig was en hem wel geerne bij haar
+had, dat hij goed was voor haar en niet hoefde te veranderen ... dat zij
+de schuld was van haar gemaakte wee, door haar wrevelige zenuwen, door
+hare lichtzinnigheid, door hare vreesachtige zwakte.</p>
+
+<p>&mdash;Ge moogt niets zeggen hiervan aan moeder.... 'k ben ziek, ik verzeker
+u. Ik ben onrustig en hebbe sinds gisteren hoofdpijn&mdash;slagen in de
+hersens.</p>
+
+<p>Ze huilde en haar gansche lijf schokte op. Ze wilde niet kijken naar
+Sebastiaan. Ze bleef liggen; haar gelaat dook weg in hare saamgebrachte
+armen.</p>
+
+<p>&mdash;'t Is best ... dat moeder niets weet ... getwee&euml;n zullen we 't
+gemakkelijker ... vergeten....</p>
+
+<p>Maar moeder stond al in 't deurgat. Haar stevig aangezicht rees bleek op
+uit de gapende donkerte, en 't licht kletste open op haar voorhoofd. Ze
+tort naar voren. Hoe dof ook hare stappen smoorden over het dichte
+tapijtsel, toch voelde meteen Goedele hare aanwezigheid. Ze sidderde en
+haar asem bleef hangen in hare keel. Hare vroegere vreezen bevingen haar
+op een nieuw en verlamden hare spieren. Ze dierf moeder's blikken niet
+taken met haren blik. Ze wachtte.</p>
+
+<p>&mdash;Ik mag u ook wel troosten, mijn kind, zei Ursule met effen
+bedaardheid.&mdash;Ze kwam naderbij, ging de tafel rond en schudde onderwege
+Albien, die seffens rechtsprong en kinderlijk-benauwd daar te gapen
+bleef. Ze stond nu in de volle klaarte. Ze was uitermatelijk groot en
+meesteresse. Ze wenkte met hare hand ten teeken dat mijnheer Wilder zich
+verwijderen mocht, onverwijld, en, als hij sprakeloos wegdrummelde, keek
+ze rustig naar haar zakuurwerk. Men hoorde rijzekens het horloge tikken.
+Ze sprak:</p>
+
+<p>&mdash;Het alkoollampje brandt nutteloos.</p>
+
+<p>Ze ging het uitdooven. Ze nam de sigaar op, die uit Albien's vingeren
+geglibberd was, en blies de assche uiteen langs het tafellaken. Met
+streelende zachtheid boog ze zich over Goedele en vroeg wat er deerde.</p>
+
+<p>&mdash;Ge moogt u niet ophitsen en schadelijke gepeinzen voeden. Wilt ge een
+druppelken munte?</p>
+
+<p>&mdash;Danke, moeder ... ik ben ongemakkelijk, ik lust niets ... 't zal
+geleidelijk overgaan.</p>
+
+<p>&mdash;Dat meen ik ook ... Mogen wij u morgen verwachten, Sebastiaan?</p>
+
+<p>Hij stond seffens recht en beloofde dat hij stellig komen zou.</p>
+
+<p>&mdash;'t Wordt nu late, voegde hij erbij, wel een endeken vernederd, omdat
+zij hem zoo dadelijk wegzond. Hij was echter min in zijn schik nu en
+vond het om dieswille niet onpasselijk, dat hij vertrekken mocht. Hij
+wist niet wat zijne houding zijn moest. Hij zou morgen meer weten.</p>
+
+<p>Goedele droogde hare oogen en bracht hem zijn overjas en zijn hoed.
+Niemand sprak daarbinst. Gedurig heerschte de wegende stilte. Op
+elkendeen's lippen lag een onbeduidend gezegde, dat iets verroeren zou
+in 't geluchte en een beetje rustigheid stichten, een beetje
+verstrooidheid te gelijk.... Naar niemand en dierf noch en sprak. Men
+haastte zich, in schijn onachtzaam en lui zich toonend, en de leegte die
+overal was, werd onverdraaglijk....</p>
+
+<p>Sebastiaan vertrok.</p>
+
+<p>Ursule kwam v&oacute;&oacute;r Goedele staan en kruiste hare armen over hare borst.</p>
+
+<p>Ze beet haar toe:</p>
+
+<p>&mdash;Kijk &ograve;p!</p>
+
+<p>Ze wilde in de hersens wroeten van haar onwillig kind en tusschen hare
+tanden heen sisten hare woorden.</p>
+
+<p>&mdash;Wat zijt ge van zin?... Ik vraag u&mdash;wat zijt ge van zin? ... Kijk &ograve;p,
+zegge 'k. Wat zijt ge van zin.... Laat me zien in uwe oogen. En duik uw
+voorhoofd niet.... Op! wat is er?</p>
+
+<p>Ze bukte zich en stiet haar kinne naar voren, en een rimpel duwde de
+hoeken van haren mond neerwaarts.</p>
+
+<p>&mdash;'t Wordt tijd dat ik het weet.... Nu zal ik alzoo gesteend en
+gejammerd hebben om 't kwade gedrag van Romaan; nu zal ik alleen zijn
+rechte gebleven om de hoop, die ik stelde in u ... en nu zoudt ge 't
+leste gebouw omverre storten?</p>
+
+<p>Ze sloeg haar hoofd met een snok achterover, en stond daar een oogenblik
+met hatelijke blikken en dichtbeloken lippen, zich in te houden precies,
+om geen uiterst geweld te zeggen. Dan schoot ze uit, lijk een razende,
+onbeteugeld en afgrijslijk.</p>
+
+<p>&mdash;'t En zal!... Hoe gij 't ook draait of keert, hoe oolijk gij 't
+aanlegt, hoort ge?&mdash;'t En zal! Ik zal u vasterijgen.... Ik zal u
+vasteketenen.... Ik zal u dwingen tot eerbied voor mijn wil.... Luister
+goed&mdash;ik heb mijn leven lang gezwoegd en geslaafd om geld ... met mijne
+vingeren, tot mijn nagels sleten ... en tot de nacht al verre was ... en
+van heel vroeg in den morgen ... om geld.... Dat geld zou vruchtbaar
+zijn. Luister goed: ik wil dat het vruchtbaar zij ... ik wil dat nog
+zien om mijn ouderdom blij te maken.... Romaan heeft mij verraden ...
+die laf hertig is en liever zijn moeder beleedigt ... dan zijn
+slette.... Maar gij, ik zegge 't u, wees voorzichtig.... Ho! Ho! ik
+zegge 't u.... Rechtgaan ... de weg is d&aacute;ar&mdash;ik heb hem u gewezen....</p>
+
+<p>Ze merkte nu hoe Goedele, eerst verschrikt, zich allangerhand hervatte
+en tot bezinning kwam, hoe zij zich tegenwoordig rustig neerzette en al
+die harde woorden zonder aandoening liet wegslibberen, zijwaarts. Een
+onzeglijke woede verdonkerde haar aangezicht en vierkantig viel haar
+mond open.</p>
+
+<p>&mdash;Ha&acirc;-a&acirc;-a&acirc;....</p>
+
+<p>Maar ze wrong hare kaken regelmatig thoope en zweeg. Vluggelings begreep
+ze dat het dwaas was met koppigheid tegen Goedele's koppigheid aan te
+stooten, en hare gewone sluwheid dook op, almachtig. Hare minste gebaren
+werden lijk te voren berekend en geleid, en hare gramschap liet ze
+meteen wegvallen in een diepen zucht:</p>
+
+<p>&mdash;Och, Heere-lief!...</p>
+
+<p>Ze zakte naderhand ineen op een stoel, vouwde stille hare handen over
+haren schoot, en, haar voorhoofd neerbuigend, staarde in droef gepeins
+op 't gebloemte van het tapijt. Ze bleef een stonde sprakeloos en daar
+zeeg over heur gelaat een groote droefenis. Met een ontroerde stemme zei
+ze:</p>
+
+<p>&mdash;Ik heb ongelijk.... Ik voel dat ik niet wel ben.... Ik had u dat
+anders moeten zeggen ... niet zoo brutaal, mijn kind ... maar ik ben
+niet wel, zekerlijk.... Ik ben koortsig. Ge moogt die leelijke dingen
+... daar even ... niet kwalijk opnemen. Ik heb u lief, ik wil uw
+geluk....</p>
+
+<p>&mdash;Ik ben niet gelukkig.</p>
+
+<p>&mdash;Ja ... daarom wil ik zoo hardnekkig uw geluk. Ik mag u niet laten
+onzinnig zijn. Ik moet u leiden, ik moet u doen opgaan ... naar dat
+later geluk.... Wat scheelt er?... Ge vindt het hier eng. Ge moet u
+opbeuren. Het is hier niet eng. Wat scheelt er? Ge beeldt u dat allemaal
+in, omdat ge te veel alleene zit. Ge timmert al die akeligheden op, in
+uwe eenzaamheid.... Laat Bella hier komen!... na het diner ... 's
+avonds, en praat wat, zing wat....</p>
+
+<p>&mdash;Bella moet hier niet komen.</p>
+
+<p>&mdash;Laat Sebastiaan alle dagen zijn bezoek doen!... na het diner ... dat
+deert immers niet!</p>
+
+<p>&mdash;Dat deert mij.... Kijk! Ik ben weer kalm. Alles kan gerust blijven
+zooals vroeger. Maak u niet meer lastig om mijnentwille nu, moeder....</p>
+
+<p>&mdash;Denk ook een beetje aan mij, Goedele ... zult ge?</p>
+
+<p>&mdash;Ik denk aan u....</p>
+
+<p>&mdash;En beloof me dat ge braaf zult blijven.... Wel! Wel! een mensch heeft
+al heel veel harde dingen voor in zijn leven ... hij mag niet zoo dwaas
+zijn en kleine vervelingen opketsen tot smetten! Geef me een zoen....</p>
+
+<p>Goedele stond recht en ging Ursule kussen op haar voorhoofd. Ze keerde
+zich daarna langzaam omme en vertrok. Even bleef ze stille in 't
+deurgat.</p>
+
+<p>&mdash;Goeien avond.</p>
+
+<p>Ze tort de trap op.</p>
+
+<p>&mdash;Goeien avond, antwoordde Ursule.</p>
+
+<p>Tot ze, dan boven, Goedele's kamerdeur hoorde sluiten, zat mevrouw
+Wilder onbeweeglijk v&oacute;or zich uit te kijken, zonder zien. De zoetigheid,
+die zij om haren mond geleid had, viel meteen en haar bloed sprong in
+een machtige geute naar heur slapen. Ze hief haar vuist omhooge en liet
+ze met een forsig gezwaai neerploffen op het tafelberd. Een koffiekopje
+joepte kantewaarts rinkelend omme en, over het witte laken, spreidde een
+bruine vlek, die geleidelijk openging....</p>
+
+<p>In de voorkamer stond Rik, en hij lachte stillekens, een diepe leute
+gevoelend, z&oacute;o op een keer.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h3><a name="hVI" id="hVI"></a>VI.</h3>
+
+
+<p>Goedele, als ze op hare kamer kwam, stak haar nachtlichtje aan en ging
+neerzitten bij 't venster. De tuin was in dichte donkerte gezonken.
+'t Had al gesmokkeld in den avond, en nu begon het te regenen. Tegen de
+ruiten sloegen de druppels, menig en leuterig, aldus een tokkelveuzeken
+makend, dat eentonig en klagend was. Altemets vulde de wind zijn
+zoevende flanken en dan roefelde de volle vlage ineens langs het raam.
+Andermaal was 't weer zoete, en de regen trippelde in gelijke maten, zoo
+smertelijk van zin, dat Goedele om haar herte een endelooze droefenis
+voelde, die in warme aandoening opjoeg, kriebelend binnen hare oogen.
+Ze zat in hare schoone eenzaamheid den dag te overpeinzen, die verleden
+was. Ze herdichtte den pronten morgen, vol zonne en klare droogte, de
+levende stad, het levende volk daar krioelend langs luidelijke straten,
+al het geruchte, dat deugddoende was, en dan, bij Romaan en Madeleen,
+de vrije, heldere huiselijkheid. Ze zag Wiezeken; ze had Wiezeken danig
+lief. Ze voelde hoe vol leven ook dit huis ginder was, met dat heel
+zieke kindeken, en hoe dood die muren hier, die zoldering, die heele
+monsterachtige doening van kouden steen. Ze voelde 't overal. Ze krinste
+met hare schouders en bibberde van de killigheid die hier tallenkante
+blijvende was ... en ze keek seffens naar de duisternis, den nacht in
+den hof, om los te geraken met nieuwe gedachten, die klaarten brengen
+moest in haar hoofd. Al wat ze hier met hare zinnen toetste, was haar
+eene vernedering en woog op hare hersens.</p>
+
+<p>De regen klabbetterde welluidend voort. Van tijd was 't of hij wegdropte
+en 't geluchte binstdien leeg en open aan 't worden was; de ruiten
+bleven ongetaakt ... een stondeken ... maar opnieuw vingerde 't natte
+weer algauw, en 't werd een reesem rappe geluiden, zich haastend om de
+stilte in te winnen. En Goedele onderging den invloed van dezen
+trippelzang, en langzaam baadde haar gansche lijf-en-ziele in 't zoete
+gerucht, dat rijzende of zijgende ging. Ze bepeinsde zich en wroette in
+haar binnenste, en legde somtijds een gevoel vaste, dat overanderlijk
+blijven zou. Nadien was ze bezig met Ameye. Ze had bewondering voor zijn
+groote figure&mdash;dien hoogen man met een sterk gezichte en een breede
+borst. Ze zag nog duidelijk zijne witte handen: ze konden zoo struisch
+een gebaar teekenen, en de vingeren gingen dan allen zaam en vouwden
+zich thoope of rokken zich uit. 't Waren, lijk woorden, heldere
+gezegden. Ze dacht:</p>
+
+<p>&mdash;Maar hij sprak zoo gek!</p>
+
+<p>Ze maakte zich met moeite wijs dat hij een grove lummel was en wellicht
+brutaal moest wezen. Naderhand was ze zeker dat hij een drinkebroer of
+een nachtraaf was.</p>
+
+<p>&mdash;Hij loopt in kroegjes....</p>
+
+<p>Ze herkende het aan zijne goedzakkige manieren en aan de moeheid die
+soms zoo zoetig zijne blikken maakte. Ze veronderstelde dat hij met
+lichte meiskes omging.</p>
+
+<p>&mdash;De stad is zoo vol daarvan!</p>
+
+<p>Doch allicht veranderde ze van oordeel: 't was dan een "blas&eacute;", een
+ontgoocheld wezen, een kalme ziender van andermans leed en plezier&mdash;een
+zonder doel en zonder verlangen, zonder drift ... ontzenuwd.... Ze had
+gewild dat hij anders was. Romaan, zoo gauw begeesterd en zoo gauw
+verslagen, had ze lief. Ze wou een man treffen, die op haar broeder
+geleek. 't En duurde maar een vlage van den regen, en ze vond dat Romaan
+in den grond een zwakkeling was....</p>
+
+<p>Ze hoorde moeder slapen gaan, en naderhand Rik, en bleef nog turen aan
+'t venster. De tijd verstreek langzaam, en 't was haar of zij 't niet
+tasten kon: de ure bleef stille, alles hing in verwachting, zonder angst
+noch ongeduur. Bijwijlen steeg in de boomen de asem van den wind, en
+rijzekens werd ze den gang gewaar der stonden, die overhand wegzijpelden
+in 't verleden, achterwaarts.</p>
+
+<p>De volle nacht, geheimzinnig en zwijgend en roerloos, begon in huis....</p>
+
+<p>Maar meteen merkte Goedele een varende klaarte in bewegende vlekken
+loopende van heester tot heester over den hof, dichtbij de woonste. 't
+Was wel iemand, die in de eetzaal was en licht maakte en ermee, langs de
+voorkamer wandelde, zoodat de teekening der ruiten laaierig in den tuin
+zich openbreidde. Ze werd bang. Elkendeen was te bedde, of ... was Marie
+in de keuken gebleven?</p>
+
+<p>&mdash;Maar wat verricht Marie in de eetplaats?</p>
+
+<p>Ze herinnerde zich dat ze ook Marie had hooren opgaan, naar hare kamer.
+Het licht verdween. Voorzichtig tort iemand langs de trap naar boven, en
+ging Goedele's deure voorbij: door de splete herkende zij Rik. Hij
+stapte gebukt door en trachtte 't gestraal der keerse, die hij droeg,
+met vreesachtige vingeren weg te bergen. Ze hoorde dat hij de leege
+zalen binnenging.</p>
+
+<p>Deze leege zalen bezocht nooit iemand. Om de maand werden ze
+schoongeschuurd en verlucht. Goedele had ze altijd met benauwdheid
+genaderd, omdat hier, tusschen die papieren behangsels met gulden wapens
+en heraldieke leeuwen nog precies heerschte de geest van den ouden
+markies. Rik had dikwijls daarover zitten mompelen en beweerde dat hij
+ten twaalve al eens een spook had zien rondwaren, om de vensters. Ze
+hechtte nooit geloof aan Rik zijn gekke gezegden; hij was gestadig bezig
+met schimmen en bange verschijningen en zeemeerminnen, en ze wist wel
+dat dit al maar ziekelijke verzinsels waren, die hij broeide in zijn
+ouden kop. Ze vond het nu echter danig zonderling, dat hijzelf, zonder
+aarzeling, in de leege kamers drong. Ze ontsloot stille hare deur, liet
+hare sloffen op den drempel en tort kousevoets in den gang. De eerste
+zaal was leeg en de daaropvolgende ook. Van hier bemerkte ze 't
+keerselicht dat op de muren danste, in de vierde. Voorzichtig naderde
+ze, sloop langs de donkerte der hoeken naar voren, tot ze zien kon wat
+er gebeurde. Ze bleef staan en hield haren asem op om geen 't minste
+geruchte te maken, en ze keek verwonderd toe.</p>
+
+<p>Rik had zijn keersepan neergezet op 't roode plankierken, nabij den
+schoorsteen. Hij knielde en boog zijn krommen rugge en maakte in de
+schouwe een planke los. Hij tastte dan in de holte, en op zijn
+aangezicht kwam seffens een groote blijdschap.</p>
+
+<p>&mdash;Ze zijn er nog! mompelde hij.</p>
+
+<p>Hij trok een blauw zakje te voorschijn en lei 't neere voor hem, en nam
+vervolgens nog een grooter zakje, in getafeld linnen, en lei 't nevens
+'t andere. Hij bekeek ze dan allebei met troetelende oogen, en zijn
+tonge sleerde tweemaal over zijn lippen ten teeken dat hij tegenwoordig
+gelukkig was. Hij ontknoopte zijn jas en over zijn beenen heen zeeg het
+ivoren kistje, dat Sebastiaan aan moeder ten geschenke gegeven had.
+Juist bij tijde kon hij 't grabbelen, en een subiete warmte schoot op
+naar zijne wangen, bij 't gedacht dat het in zijn val op den vloer groot
+gedruisch hadde gemaakt. Hij keek onwillekeurig omme, en Goedele zag
+zijn oogen van schrik openstarren en zijn neuze, langgeworden, over zijn
+mond een schaduw leggen, lijk een bange holte. Hij bukte zich opnieuw.
+Hij ontsloot het getafeld zakje en goot in het kistje, profijtelijk om
+niet de stilte te storen, den rinkelenden inhoud. 't Waren koperen en
+zilveren muntstukken en allerlei kleine dingen van stoffelijke weerde:
+gulden franjen, oude knoopen, kragen en borduursels van
+marine-officiers, allerlei metalen platen en rondekens, schitterende
+gesteenten. Goedele herkende in den kostelijken schat een duurbaren
+halsband van peerlen en koralen stekjes met onderaan een schoon geel
+kruis. Ze had het juweel overjaar verloren, meende ze. Ze merkte nog een
+paar ringen, die Sebastiaan peinsde te zijn zoek geraakt bij de pompe,
+een dag in den Zomer, als hij moegetennist was en zijn handen wou
+wasschen. Vele kleinoodi&euml;n lagen daar ondereen in wanorde. Rik wroette
+met zijne vingeren erin en stak zijn kinne uit naar voren, en neep zijne
+oogen dichte om diepe zijn wellust te voelen. Hij scharrelde in de
+schitterende gesteenten, hij streelde langzaam dien overvloed van
+weelde, peuterde om robijnen en diamanten, bepootelde de zware
+kettingen, zich deugddoende aan zijn tastelijk eigendom. Zijn lippen
+hergingen bijwijlen. Hij reutelde, zingend zoetekens:</p>
+
+<p>&mdash;Al 't mijne ... &agrave;l 't mijne....</p>
+
+<p>En zijn hoofd bijsde overentweer, op mate van het durend gedoe zijner
+handen. Hij ontbond naderhand de snoeren van het kleine zakje, bracht de
+keersepanne dichterbij, zoodat het vlammeken meteen wispelturig al links
+en al rechts wiegde, en Rik zijn ronde schaduwe op den muur, over de
+zoldering, tallenkante te dansen begon. Hij schudde 't zakje leeg in
+zijn zijden klakke, die hij v&oacute;&oacute;r zijn knie&euml;n neergelegd had. 't Waren al
+goudstukken, groote en kleine dooreen, en ze belden wel een oogenblik in
+de ruimte, maar zwegen seffens als ze dof in de klakke sleerden. En Rik
+zijn hoofd gloeide stilaan van ongemeene koortse, en zijne vingeren, die
+weer aan 't schefferen waren in dien rijkdom, bibberden van
+ongeduldigheid. En hij lispelde:</p>
+
+<p>&mdash;Al 't mijne....</p>
+
+<p>Hij sprong meteen op en zijn gelaat werd wild, ruw, wreedaardig. Goedele
+vreesde dat hij haar bemerken zou. Hij bleef rondkijken, en trok
+geweldig zijn asem op langs zijn neuze, alsof hij een ongewonen reuk
+opsnoof en weten wilde.... Hij tort naar een der vensters en keek door
+een splete der luiken de donkerte in van den nacht. Hij zakte nadien
+ineen op den grond, lengde zich uit en sloot zijn oor aan tegen den
+vloer. Hij kroop seffens rechte en stond op een nieuw te staren en te
+luisteren. Dan blikte hij neerwaarts op het volle kistje en de volle
+klakke, en zijne armen gingen van weerskanten in liefderijke bewondering
+omhoog.</p>
+
+<p>&mdash;Al 't mijne....</p>
+
+<p>Zijn lijf rilde en zijn beenderen konden niet stille staan. Het
+keerselicht klaterde in 't stralende goud en druppelde in 't geperel der
+juweelen. Hij trippelde errond, en 't was of hij dansen wilde en maar
+niet in kadense geraken kon. Zijne knie&euml;n kluppelden tegeneen aan en
+zijne hielen wendden en keerden zich waaiewijs omme. Hij was vier, vijf
+maal tewege neer te hurken en zijne handen reikten subiet naar die
+schitteringe daar&mdash;en dadelijk sloeg zijn rugge opwaarts en hij huppelde
+her en rond, lijk te voren....</p>
+
+<p>Aldoor heviger schokten zijne schouders. Zijne blikken werden lijk staal
+zoo puntig, en zijn mond, neerplooiend, viel in stuipachtige snokjes
+scheef. Langs zijne slapen zijpelde een overdadig zweet, en zijne haren
+plekten toe in natte strengen, van weerskanten. En hij hakkelde schor:</p>
+
+<p>&mdash;Al ... al ... 't mij-ij ... ne ... &aacute;-&aacute;-&aacute;l....</p>
+
+<p>Tot hij tegen den schoorsteen aanstruikelde, zich koortsig aan 't
+marmeren schouwblad vastklampte, en langzaam neerviel, een
+thoopezinkende klodde gelijk. Hij zat een oogenblik te hijgen belook
+zijne wimpers, en zijn aangezicht, nu regelmatig en drifteloos, werd
+uitermatelijk bleek....</p>
+
+<p>Met een ruk rok hij zijnen hals uit en staroogde, benauwd en verwilderd
+om zich heen. Maar fluks glimlachte hij en kroop over den vloer tot hij
+'t kistje en de klakke taken kon. Haastig dook hij weer alles weg, en
+schoof de plank over de heimelijke holte, binstdien nog zuchtend, alsof
+hij spijt had dat hij op een ende toch weg moest van hier.</p>
+
+<p>&mdash;Wel! wel! pruttelde hij binnensmonds, Ursule ... gij onnoozele....</p>
+
+<p>Goedele ijlde vluggelings naar heur kamer terug en zakte ontzet neer op
+een stoel. Ze kon rijzekens hare gedachten bijeenrapen en voelde een
+zeerdoende moeheid in hare beenen. Ze kon 't niet gelooven, wat zij
+gezien had, en ze was danig ongerust, niet begrijpende die schrikkelijke
+doening van Grootvader. De eenzaamheid werd haar onuitstaanbaar en haar
+herte klopte om te breken. Ze vatte haar hoofd in beide hare handen.</p>
+
+<p>&mdash;'k Hebbe zoo'n pijn!...</p>
+
+<p>Ze meende dat hare hersens uiteenspatten zouden. In haar nekke vliemde
+een borende smette en tot door hare lenden woog haar onverdragelijk
+leed. Ze vroeg zich af:</p>
+
+<p>&mdash;Wat is 't?</p>
+
+<p>Zij en vatte niets. Zij en kon hare zinnen niet bijhouden. Ze zag
+gedurig Rik zijn verwrongen gelaat, en de keerse, die er witte vlekken
+op kletste. Ze wilde slapen en alles licht opnemen, lijk een gewone
+gebeurtenis. Maar gestadig werkten hare teugellooze gepeinzen,
+slingerden dooreen in haren kop, snokten en klopten tegen haren schedel
+daarboven. En 't geluchte werd endeloos bang.</p>
+
+<p>Ze ontkleedde zich spoedig, kroop in haar bedde, blies het nachtlichtje
+uit ... De donkerte spookte om haar; daar waarden heimelijke wolken in
+de kamer. Ze moest seffens het lamplichtje weer aansteken, en dook zich
+onder de dekens, drong huiverig ineen, hare knie&euml;n saambrengend in hare
+armen. Het huis werd haar nu een schrikkelijke woonste en ze blikte met
+afgrijzen in de toekomst. Ze herinnerde zich nog goed den koffiehandel
+en den onverpoosden ijver van moeder. Ze wist dat moeder van nederige
+afkomste was, dat grootvader op vischvangst leefde. Hoe was zoo gauw de
+groote rijkdom gekomen? In een flikkering zag ze de gouden galonnen van
+marine-officiers uit het getafeld zakje rollen. Ze dorst niet verder
+denken. Ze neep met geweld hare oogen dicht en wilde op andere dingen
+peinzen. Maar ze kon niet buiten het huis geraken, buiten dees huis van
+gevaarlijke geheimzinnigheid, buiten deze knellende muren, en die deuren
+allemaal....</p>
+
+<p>&mdash;Is mijn deure goed vaste?</p>
+
+<p>Ze stapte uit haar bedde en ging de klinke herdraaien, om zeker te zijn.
+Ze kroop bibberend onder de sargie. Ze dacht: hoe gelukkig is Romaan ...
+en Madeleen ... en tante Olympe.... Ze zou alles aan Romaan vertellen,
+hem raad vragen. Ze wist zelve geen raad.</p>
+
+<p>&mdash;Johannes zal meehelpen ... om raad....</p>
+
+<p>Ze voelde Ameye nu van dichtebij: 't en was geen vreemdeling meer. Ze
+verwonderde zich niet dat ze zoo plotselings zijn naam hoorde in haar,
+en zij en schaamde zich ook niet daarover. Al wat hier bestond, had zich
+meteen van haar verwijderd, en wat buiten het hekken leefde naderde tot
+haar. Ze voelde nievers zoo pijnlijk eene vreemdte dan hier. Ameye was
+een vriend.</p>
+
+<p>Geleidelijk voortmijmerend, kon ze op een ende 't zicht van dees
+misdadig huis verlaten; ze sliep, oververmoeid, in en droomde van den
+markies, van zijn zonderlinge gewoonten, van zijn wapens met kronen en
+klauwende leeuwen.... en ze vond het zoo plezierig dat hij een pruike
+droeg en dat het witte steertje, ommekrullend, daar boven zijn krage
+gestadig met een gele lintje aan 't vlaggelen was....</p>
+
+<p>Heel late in den morgen werd ze wakker. Ze was gestild. Ze herinnerde
+zich seffens wat er gebeurd was, en 't en wekte in haar geen
+buitengemeene aandoening. Hare gedachten waren verdraaid naar nieuwe
+richtingen: ze had, docht haar, deze leelijkheid al lange aangenomen.
+Als ze in de eetkamer binnenkwam, zag ze Ursule heel bleek en
+thoopegedrongen in een leunstoel zitten.</p>
+
+<p>&mdash;Zijt ge ziek, moeder? vroeg ze.</p>
+
+<p>Ursule begon seffens te klagen en te jammeren: zij en had van den
+ganschen nacht geen gebenedijd ooge dichte gekregen, en dezen uchtend
+was ze opgestaan met een kwalijke slapte in de beenen.</p>
+
+<p>&mdash;'t Is of het rheumathiek ware....</p>
+
+<p>En dan moest ze subiet hijgen, bij haar minste gedoe was ze afgemat; ze
+was met groote moeite alleen beneden geraakt. En dan hadden ze haar nog
+gefolterd.</p>
+
+<p>&mdash;Gefolterd ... wie?</p>
+
+<p>&mdash;'k Hebbe Marie weggezonden ... al dieveggen, die 'n mensch uit
+medelijden van de strate raapt....</p>
+
+<p>&mdash;Zoo dan terug op strate gesmeten?</p>
+
+<p>&mdash;Ze heeft me brutaal geantwoord.... Ze heeft geweigerd mij een
+hoofdkussen te halen ... dat heeft ze.</p>
+
+<p>Op de trap hoorde Goedele een stille gesnik en dadelijk daarop een ruw
+gemompel van Grootvader.</p>
+
+<p>&mdash;Toe-de ... toe-de ... ronkte Rik ... gij leelijke kerte ... en kus uw
+handje ... dat ge er zoo zoetekens van af komt....</p>
+
+<p>De deur in de voorkamer werd met een ruk toegesmeten, en nadien piepte
+'t zware hekken.</p>
+
+<p>&mdash;Ze is weg, zei Ursule.</p>
+
+<p>Ze dorst niet spreken van het ivoren kistje dat haar ontstolen
+was&mdash;Marie was een dievegge&mdash;en ze herkloeg met gelijke woorden over
+haar leed: de pijne zonk tot in hare lenden en straalde van daar uit in
+gansch haar lijf, en bijwijlen had ze een hevigen harteklop&mdash;haar kele
+stropte toe en 't was alsof ze niet meer asemen zou.</p>
+
+<p>&mdash;En die rheumatiek daarenboven....</p>
+
+<p>&mdash;Ge moet den dokter halen.</p>
+
+<p>&mdash;Och! Och!...</p>
+
+<p>Ze haalde de dokters alleen op 't laatste oogenblik, als geen andere
+doening meer helpen kon. Ze was overtuigd dat de dokters prutsen, tot ze
+de menschen voor goed ziek krijgen, en dat ze best later maar kwamen.
+Toen ze, na Romaan zijn vlucht van huis, te bedde lag en endelijk den
+dokter bij haar liet roepen, en dan hoorde van hem hoe ze in der
+waarheid gevaarlijk ziek was, had ze werkelijk deugd, altijd maar
+vreezende te voren, dat haar kwale slechts een tijdelijke
+onpasselijkheid zou zijn. Ze wilde nu niet luisteren naar Goedele. Ze
+liet zich gewillig pramen, oolijk-tevreden om Goedele's aandringende
+deernis. Ze keek diep-mijmerende naar 't onbijt van hare dochter en
+legde in hare oogen een geveinsde droefheid. Ze tuurde sprakeloos naar
+de koffiekanne en het tinnen melkpotje en de witte teelkens en
+koppekens, die daar ondereen in 't noesche licht te klateren stonden&mdash;en
+naar Goedele's vingeren, die verduldig werkzaam waren eromme. Ze liet
+een peinzende stilte vallen en wachtte tot het geluchte langs hare
+woorden voordeelig werd. En ze herbegon dan vage dingen te zeggen, al
+treurende, op een moeden toon en met slepende stemgolvingen. Ze sprak
+van haar verleden, van ijverige tijden, tijden van duurbaar werk, van
+voortdurend zwoegen.</p>
+
+<p>&mdash;Ho! ik hebbe gezwoegd!...</p>
+
+<p>Ze volendde eentonig hare klagementen en vroeg dan met spijtige
+gezegden, wat zij voor zooveel slaafsch gedoe verwachten mocht. Ze
+zanikte zoo. Ze werd het zelf gewaar hoe vervelend ze werd, en ze was
+dan boos op haar eigen. Ze loerde zijlings naar Goedele, merkte hoe
+rustig ze voortdeed met haar ontbijt, hoe ze soms weggeraakte met hare
+gedachten en niet meer luisterde. Ze sprak luider, al op eens een vrage
+doende om Goedele weer tot zich te trekken:</p>
+
+<p>&mdash;Wat is mijne belooninge?</p>
+
+<p>Goedele schrikte even op en boog subiet haar hoofd.</p>
+
+<p>&mdash;Wel ... moeder....</p>
+
+<p>En Ursule jammerde verder, al voelde ze dat ze hare dochter maar niet
+taken kon, niet vatten met iets. Wantrouwig meende ze nu dat Goedele
+verdoken geheimen had, verdoken inzichten. Ze folterde haren geest met
+nieuwe oolijkheid, aldoor tuk op versche subtiliteiten.</p>
+
+<p>En Goedele bleef sprakeloos.</p>
+
+<p>Rik tort binnen. Hij zei:</p>
+
+<p>&mdash;'k Hebbe ze op strate gegooid.</p>
+
+<p>Hij lachte met wel genoegen en wreef zijne handen overeen en zette zich
+bij 't vuur te warmen. Hij schudde zijnen kop, ten teeken dat hij in
+zijn geest aan 't redeneeren was, en hij deed zijne knie&euml;n tegeneen
+knokkelen, in koortsige vroolijkheid.</p>
+
+<p>&mdash;Ze dorst nog weenen, de valsche leegloopster!</p>
+
+<p>'t Walgde Goedele. Ze stond recht en keek naar 't horloge, lijk iemand
+die op de ure wacht om heen te gaan. Ursule bemerkte 't seffens.</p>
+
+<p>&mdash;Vertrekt ge?</p>
+
+<p>&mdash;Wiezeken bezoeken....</p>
+
+<p>&mdash;'t Is half-elf.</p>
+
+<p>&mdash;'k Ben gauw terug ... rijzekens hooren hoe 't is ... daar ginder....</p>
+
+<p>Rik lachte meteen luidop, en Goedele kreeg een pijnlijker stoot in haar
+herte. Maar zij en keerde zich niet omme en ging zich aankleeden,
+verlangend om weg te zijn van hier, waar nievers een gezellige warmte
+komen wou....</p>
+
+<p>Buiten voelde ze opnieuw haar lijf in vrije lustigheid, en algauw
+verdreef ze uit haar hoofd de lastige gedachten, die daar woonden. 't
+Was alsof zij zich op den drempel ontdeed van al wat binnen den huize
+haar wrevelig miek. Ze haastte zich tot ze buiten bereik was, tot ze de
+stille strate verlaten had en baden kon in 't gejoel der lawaaierige
+stad.</p>
+
+<p>De regen had de steenen klaar gekletst en, bij plaatsen, speelde de dag
+er met lichtende vlekken. De hemel bleef grijs en beloken, maar
+zilverige tinten liepen er, ten teeken dat bovenwaarts de zonne aanwezig
+en klaterend was. De huizen, in vlakke reken van weerskanten, zonder
+zichtbaar dak en zonder wispelturigen gevel, stonden omhuld in vale
+verven. De vensters waren holten rotewijs geschikt en de deuren,
+tallenkante op eender hoogte, legden gelijke, donkerten er onder. De
+drempels bleven zwijgend: geen troppels kinderen of kijvende vrouwen
+waren eromme levend, lijk in 't zomertij of in de voorjaarszoelte. De
+herbergen waren ruchtig en de winkels. Er roerde haastig volk.</p>
+
+<p>Goedele deed seffens mee met het rumoer; ze voelde zich wegsmelten in 't
+gedruisch, dat ronkte om haar, en zij en was geen eenigheid meer in de
+woeling der bezorgde menschen. Ze liet zich be&iuml;nvloeden, ze liet zich
+zwak worden, al-vergetend wat achterwege was, en nu een kinderlijk
+belang stellend in de minste straatgebeurtenis. Ze huppelde door,
+drentelend bij stonden, haperend aan schoone uitstallingen van
+wintergoed. Ze dacht somtemets aan Romaan en Madeleen en het kindje. Ze
+zou Wiezeken geerne wat lekkergoed meedragen en liep een bakkerijtje
+binnen. Ze koos van ditte en van datte een pakje vol, en had een drollig
+plezier in den naam van al deze snuisterijen. De bakker, een ronde man
+met een zijpelend wezen en een neuze daar te midden, waar de teekening
+der ruiten bijkans schitterwit op uitblonk, lichtte haar gulzig toe en
+deed zijn beste moeite om zijn waar ordentelijk aan te prijzen.</p>
+
+<p>&mdash;Geen muntebollen, juffrouw? Geen lekkers op stokjes? Eerste klasse
+juffrouw, en niet geverfd.</p>
+
+<p>Ze wees die gloedroode stampers af met een weigerend knikje.</p>
+
+<p>&mdash;Kletskoppen ... puur honing en een hemelsche bete, dat verzeker ik u.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, dat wel.</p>
+
+<p>Ze keek in de wissen mandekens, die bij 't venster stonden, vol met
+veranderlijke zoetigheid, en bloosde meteen als ze Ameye herkende, welke
+v&oacute;or 't raam te wachten stond. Hij groette haar met een buigen van zijn
+hoofd, en ze was daardoor subiet in de war. Ze werd ongedurig en wilde
+maar dadelijk gedaan maken met den dikken bakker, die 't haar met zijn
+uiterste vriendelijkheid lastig maakte. Hij moest zich spoeden. Ze
+voelde eene wrevelige warmte naar heure slapen opschieten, als de brave
+man, een guitig lachje zettend, gulhertig verklaarde dat hij <i>sito-sito</i>
+klaar zou geraken.</p>
+
+<p>&mdash;Even nog een koordeken&mdash;hier&mdash;met een strikje ... Z&oacute;o!</p>
+
+<p>Ze keerde zich fluks omme en hoorde hoe hij haar met dienstwillige
+woorden achterna volgde, overdreven en stilspottend, alsof hare
+aandoening belachelijk bloot lag op haar aangezicht:</p>
+
+<p>&mdash;Als 't u zal believen, juffrouw&mdash;tot een naaste keer.... Anders,
+juffrouw, anders de klinke draaien ... z&oacute;o ... let op de trap ...
+z&oacute;o.... danke wel!</p>
+
+<p>De deur viel toe achter haar en zij stond vlak v&oacute;or Ameye. Hij lachtte
+en knikte, en prees de voorzienige stonde, die hem bij haar had
+gebracht. Hij vroeg, in een vloed van hoffelijke woorden, hoe zij 't
+maakte. De wolkenlaag in den hemel scheurde open en de zonne viel in
+witte stralen tallenkant. Daar kwam een bedwelmende leutigheid in 't
+geluchte.</p>
+
+<p>&mdash;Ik was naar uw broer tewege.</p>
+
+<p>&mdash;Ik &oacute;ok, precies....</p>
+
+<p>Ze zei 't gretig, met een dwaze haastigheid, die haar blozen deed. Ze
+dierf er niet bijvoegen dat het wel meeviel, alzoo, en wist zelf een
+beetje tegen te stribbelen, in schijnbare verlegenheid, als hij haar
+voorstelde om saam de bane te doen. Ze kon echter niet weigeren en
+verheugde zich om die onmogelijkheid. Hij moest niet lang aandringen.</p>
+
+<p>Ze praatten ondereen, gezellig, en 't en duurde maar weinigen tijd, eer
+ze teenemaal vrij werden in hunne uitdrukkingen, los van alle gedwongen
+beleefdheid. Hij sprak bijzonder zwaar, diep ernstig, en had altijd een
+particulier zicht op de zaken. Ze voelde in hem een, die haar meester
+was en waar ze leerlustig naar luisteren kon. Hij vatte het leven heel
+breed op, heel menschelijk. Allerwege zag hij entwat, dat liefderijk was
+en goedheid asemde. De menschen op strate, de peerden en de honden....
+Goedele keek ernaar, omdat hij er kon over klappen met zoo'n innigheid,
+zoo'n belang. Hij groef in hare hersens diepe prenten, een nieuwe vizie
+der dingen, en ze was nooit moe, ze hoorde hem aan met groote aandacht.</p>
+
+<p>De zonne bracht een spelend licht overal, lanterfantte langs de vele
+ruiten, stortte met lustig gestraal, menig en rijkelijk, op de natte
+steenen. Bij plaatsen was de hemel geheel en al blauw. 't Lawaai der
+stad zwol op en het volk krioelde al thoope. Het docht Goedele dat er
+veel kinder stemmekens tusschen stegen en tegelijk een schelle geklepper
+deden omgaan, dat haar deugd deed. Ze werd vroolijk en antwoordde op
+Ameye's grondige gezegden, met haar volle gemoed, en redeneerde met hem,
+liet zich kwaadgezind omdat hij haar te vroeg gelijk gaf, en schaterde
+het uit. Hij hoorde haar geerne bezig, voelde wel de nadering van deze
+rijkbegaafde vrouw, en hij raadde hoe vernepen ze gehouden werd,
+naarmate ze zich nu wild en begeesterd overgaf.</p>
+
+<p>Ze keken alles omme en na. Hij deed haar overal iets opmerken, dat ze
+genoeglijk bezag, verwonderd dat zij zelve het niet merken kon. V&oacute;or hen
+stapte een heer met een macferlan en een dame in kostelijke kleeding. De
+dame hing aan den arm van den heer, die groot en struisch was en
+matelijk voorttort. Ze kon hem haast niet opvolgen, en drilde nevens
+hem, altijd een stap te late. 't Was alsof ze getwee&euml;n kreeftsgewijs
+doorgingen, allebei noesch weg. De dame deed den heer af en toe
+stilblijven voor een modewinkel, en de heer haperde gewillig v&oacute;or de
+uitstalling van een boekhandelaar. Ze zeiden maar luttele woorden.</p>
+
+<p>&mdash;Dat zijn brave getrouwde menschen, sprak Ameye.</p>
+
+<p>&mdash;Zoo verschillend van meeningen toch?</p>
+
+<p>&mdash;Ze geven malkander toe. Ze zijn redelijk. Zie! De heer kijkt naar de
+illustratie van het uithangbord, binstdat de dame nauwkeurig de hoeden
+beloert. Hij is verduldig. De dame zal straks verduldig zijn.</p>
+
+<p>&mdash;Maar dat is een zotte leven! meende Goedele.</p>
+
+<p>&mdash;Die menschen zijn getrouwd, zei Ameye. Hij liet haar naderhand vragen
+wat hij omtrent het huwelijk dacht, en hij beweerde dat de beteekenis
+van het huwelijk grootendeels in die boutade besloten lag.</p>
+
+<p>&mdash;Het huwelijk is wel een beetje onzedig.</p>
+
+<p>&mdash;Onzedig?</p>
+
+<p>&mdash;Maar een noodzakelijke instelling, die dan weinig te maken heeft met
+wat we liefde noemen. De liefde kan in het huwelijk bestaan, en heel
+vaak slijt eruit weg, omdat twee saamgebrachte wezens van nature sluw
+worden, door ikzucht, en geen wederzijdsch vertrouwen bewaren kunnen.
+Aldus spreek ik nog maar van gezonde, billijke huwelijken. Onze
+maatschappij is echter z&oacute;o ingesteld, dat over 't algemeen met een echte
+liefde geen rekenschap gehouden wordt.</p>
+
+<p>&mdash;O ja!...</p>
+
+<p>Hij voelde hoe zij met nadruk dat zei en seffens droeve werd. Hij bleef
+een oogenblik zwijgen en sprak nadien met een daling van zijn stemme:</p>
+
+<p>&mdash;De liefde daarenboven is waar zij is, en wij, zijn niet meester over
+haar. Wij zijn allemaal zoo'n zwakke, slaafsche schepsels, juffrouw. En
+als de liefde buiten het huwelijk komt, wat kunnen wij doen?... De
+liefde is <i>overal</i> heilig.</p>
+
+<p>&mdash;Dat wil zeggen: de liefde mag wispelturig zijn?</p>
+
+<p>&mdash;De liefde is niet wispelturig, maar wij noemen altegauw liefde, wat
+geen liefde is, wat een klein gevoel is zonder wortelingen. De liefde is
+heilig, als zij grondelijk is en ons gansche vleesch beheerscht&mdash;en dan
+heeft ze paal noch perk, en dan kennen wij geen mate om ze te meten en
+geen banden om ze te dwingen. Dan is ze ons zelf, geheel en al, en
+heilig ... en overal....</p>
+
+<p>&mdash;Ik weet zoo geen liefde.</p>
+
+<p>Hij boog zijn hoofd, precies om een hevig gestraal der zonne te
+ontvluchten en zichtbaar hergingen rijzekens zijne lippen. Hij zag de
+waterplaskens en de grijze droogten wegsleren onder zijne voeten. Op
+deze stonde, waar ze beide stille voorttorten, ontstond er een wrevelig
+ongemak. Goedele voelde dat hare oogen moe werden, lijk die van iemand,
+die te lang in warme kamers bleef. Ze zei:</p>
+
+<p>&mdash;We loopen buiten onzen weg!</p>
+
+<p>Ze keerden zich alletwee naar links en rechts, en begonnen te lachen. Ze
+waren nabij de St. Anne markt.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, sprak Ameye, we loopen buiten onzen weg....</p>
+
+<p>Ze was tewege hem te vragen waarom hij zoo zonderling op zijn woorden
+aandrong, maar ze gebaarde dat ze niet geluisterd had.</p>
+
+<p>'t Was hier een groote drukte. De menschen liepen dooreen in ijverig
+bedrijf. De markt was zwaar van rumoerig leven. Vrouwen met paanders
+drumden tegen malkander aan rond de kramen, en kozen hun waar, eromme
+pootelend en tastend en wroetelend om niet bedrogen te worden. Uit een
+zijstrate kwam een vlote stootkarrekens aangereden, met een gulden
+vracht appelsienen beladen en door ruchtige meissens gevoerd. V&oacute;or 't
+portaal van de St. Anne-kerke stond een liedjeszanger te brullen van "de
+lieve Genoveva" binstdat zijn wijf, bezorgd voor al te strenge politie,
+een endeken verder de wacht hield. En de zonne wemelde tusschen die
+luidelijke beweging, smeet open haar bundels licht, klaterde langs de
+zwellende tenten, waaronder de wind zich toornig miek.</p>
+
+<p>Goedele lanterfantte een beetje, een toenemend belang stellend in de
+doening van die werkzame menschen, ook om de koelte te vergeten, die
+over haar en Ameye gezonken was. Ze verwonderde zich over 't een en 't
+ander, lachte altemets luidop of werd weemoedig van deernisse.</p>
+
+<p>&mdash;Aai-Jezes! Kijk hier!...</p>
+
+<p>Een oud manneken was daar dichtebij, ronddrevelend met een houten
+kistje, vol met muskaatnoten en kruidnagels. Z&oacute;o klein was hij, dat hij
+zich gedurig met de ellebogen te voorschijn moest worstelen en alleen
+zichtbaar werd door zijne uitbundige gebaren. Hij had luttele handjes.
+Hij droeg een grijze veste, en een roste broek, bleek en donker
+getafeld, slodderde om zijne kromme beenen. Hij dretste onhoorbaar op
+palullige sloffen, en een roode halsdoek, geelgebloemd, waaide rond
+zijnen korten hals. Zijn hoofd was rond en groot, en zijn gezichte, heel
+nietig tusschen twee uitschelpende ooren, lonkte en loerde, uiterst sluw
+en uiterst beweeglijk. Hij riep met een pieperig stemmeken:</p>
+
+<p>&mdash;Nikske van doen?... Alla-dan, madameken,... alhier! alhier!</p>
+
+<p>Hij zag Goedele, en hoe ze daar onthutst hem aan te kijken stond, en rok
+zijn nekke naar heur uit, en kwam vriendelijk zijn:</p>
+
+<p>&mdash;Toe-da, madameken, een dozijntje? Groffels, lijk er nievers meer te
+vinden zijn&mdash;en lekker ook voor tandpijne! Hoeveel? 't Zijn de leste.</p>
+
+<p>Hij merkte Ameye en werd seffens hoffelijk, aldoor buigend en groetend:</p>
+
+<p>&mdash;Mijnheere!</p>
+
+<p>Hij nam een kruidnagel met zijn duim en zijn wijsvinger en hief dien
+omhooge, profijtelijk:</p>
+
+<p>&mdash;'n Volle mate voor vijf centen!... Kijk nu toe! Zoo donker als de
+nacht en zoo sappig als de lente! Ge moogt kijken, madameken, en
+betasten ook... Alla-alla-de! een dozijn groffels voor 'n jong
+huishouden....</p>
+
+<p>Goedele bloosde, en Ameye moest den dwerg afwijzen met een strengen
+blik. 't Oudje hinkte zijlings weg en schetterde in een uitval:</p>
+
+<p>&mdash;J&egrave;-dan ... schoon koppel....</p>
+
+<p>En 't gewone rumoer herbegon, breed en allerwege aanwezig, golvend over
+de menigte, die langs de kramen scharrelde.</p>
+
+<p>&mdash;Loopt ge aldus geerne in het razend gewoel? vroeg Ameye.</p>
+
+<p>&mdash;Wel ja ik, redelijk.</p>
+
+<p>&mdash;De tast van het volk is niet altijd zuiver....</p>
+
+<p>&mdash;Zeker, maar ik voel me hier zoo volledig leven, zoo gezond en zoo
+volledig. Ik weet niet&mdash;vandaag word ik mijn eigen zoo allerzijds
+gewaar, en alles is mij goed. Ik ben lijk iemand die lang ziek te bedde
+lag en nu uit mag ... en ik dartel in de zonne. Dat leelijk ventje was
+me niet leelijk. Die wijven te gare, die 'k zie staan met hun vuisten op
+hun heupen ... ik merk het wel: ze zijn gemeen.... Maar 'k bezie ze van
+een anderen kant precies ... en alles is mij goed....</p>
+
+<p>Ze wond zich op in 't spreken, probeerde haar vaag gevoel met stipte
+woorden uit te drukken en wijdde uit in vele zinnetjes, nooit tevreden
+omdat ze nooit iets bepalen kon. Ze jubelde en liet zich meegaan met den
+slag van haar driftig herte. Ameye was sprakeloos geworden. Hij stapte
+nevens haar en luisterde met gretigheid, seffens weer neerslachtig als
+er een korte stilte tusschen beide viel.</p>
+
+<p>Ze geraakten in de groote laan. Hij kocht van een leurend meisje een
+rankje hulstgroen met roode peerlen, en bood Goedele het takje aan.</p>
+
+<p>&mdash;Voor de aardigheid, zei hij.</p>
+
+<p>Hare hand bibberde even, als zij het broze takje aannam. Ze keek naar
+hem en hare blikken stieten geweldig tegen de zijne aan. Een bedwelmende
+flikkering schoot door haren geest en ze bleef een oogenblik
+verbijsterd, alsof zij haar ziele in zijne oogen opklaren zag, nu in
+lichtende waarheid zich veropenbarend aan haar eigen zelve, en een
+overgroot geneuchte maakte haar dronken....</p>
+
+<p>Ze stapten haastig door, zonder spreken, en geen vond het zonderling dat
+de andere zwijgende was. Ze spoedden zich om straks alleen te zijn, om
+te te peinzen in eenigheid&mdash;want nu was hun hoofd vol met aanzienlijke
+gedachten. Achterwege lag de gansche wereld. Achterwege was moeder en
+vader en het vreeselijke huis. Vooruit bestond de endelooze verte, de
+wijde ontijdelijkheid. Het was of ze nu deel gingen uitmaken van iets,
+dat machtig was boven de sterkte van menschenarmen&mdash;en eeuwig zijn zou.
+Ze verheerlijkten hun lijf en geest in een nieuwen dageraad ... en wat
+komen moest, was niet te weerhouden.</p>
+
+<p>Ze gingen alzoo. De wagens en sjeezen reden door, holderdebolder over de
+kasseide. De trams tjinkten van verre. Jongens ventten rond met
+dagbladen en riepen luidkeels het nieuws van den dag.</p>
+
+<p>&mdash;Zijn we nu op goeden weg? vroeg Goedele.</p>
+
+<p>&mdash;Ginder is de brugge.</p>
+
+<p>Bij de vaart werd-het stil. De luie schepen lagen vast tegen de kaaien
+en donkere mannen losten de koolvracht. Men zag ze over de planken
+wiegen, hun duistere gestalte, verlengd nog in het water, waar ze door
+vlug golvengeklets ziggezagsgewijs uiteen werd gezwabberd.</p>
+
+<p>Als ze in de doode straat kwamen, waar Romaan woonde, vertraagde Ameye
+zijnen gang, en hij sprak weemoedig, zonder naar Goedele op te zien:</p>
+
+<p>&mdash;We zijn er alreeds....</p>
+
+<p>&mdash;Ge tert zoo zoetekens!</p>
+
+<p>Hij vertelde dat hij een beetje moe was: gisteren heel den avond gewerkt
+aan een dringende bestelling, en dezen uchtend heel vroeg te been. Ze
+vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Werkt ge veel?</p>
+
+<p>&mdash;Als ik alleen ben.</p>
+
+<p>&mdash;Zijt gij dikwijls alleen?... Ge hebt nog uwe moeder?</p>
+
+<p>&mdash;Moeder is ... weg.</p>
+
+<p>&mdash;Zoo eenig leeft ge!</p>
+
+<p>Ze had medelijden met hem. Ze herdacht wel het vierkante huis ginder en
+hare ouders achter het hekken, maar vond het dan bij Ameye veel
+droever&mdash;een woonste zonder heerd en altijd zonder geruchte.</p>
+
+<p>Hij bleef staan. Ze begreep niet waarom hij zoo aarzelend deed, waarom
+een groeve boven zijne oogen zichtbaar werd ten teeken van pijnlijk
+gemijmer. Ze praamde hem om door te stappen.</p>
+
+<p>&mdash;'t Wordt noene straks.</p>
+
+<p>&mdash;Ja.</p>
+
+<p>Hij tort verder zonder opkijken, en, v&oacute;or de drempel, als Goedele het
+linnenwinkeltje ingaan wou, vatte hij hare hand. Hij deed haar zeer, hij
+knelde hare vingeren in de zijne, en zijn gelaat kwam naderbij. Hij
+fluisterde:</p>
+
+<p>&mdash;Gij weet niet?</p>
+
+<p>Zijn asem taakte haren hals en deed haar rillen in al heure leden.</p>
+
+<p>&mdash;Niet?</p>
+
+<p>Ze bad dat hij haar los zou laten. Ze was bang omdat zijne blikken zoo
+hopeloos werden, en ze werd niet seffens gewaar hoe onredelijk zijn
+doeninge was: ze bekommerde zich om hem. Hij zuchtte zwaar en slokte
+eens om zijn kele nat te krijgen.</p>
+
+<p>&mdash;Niet?...</p>
+
+<p>Ze hoorden, binnen in den winkel, een paar vrouwen hun keuze doen, en
+heel omhooge, tenden de zoldertrap, een vroolijk liedeken van Mari&euml;tte.</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i1">Ah! M&ocirc;sieu le capucin,<br /></span>
+<span class="i1">T'as d' la veine&mdash;<br /></span>
+<span class="i1">T'as d' la veine!...<br /></span>
+</div></div>
+
+<p>Ameye zei:</p>
+
+<p>&mdash;Ik ben getrouwd ... al vier jaren....</p>
+
+<p>Goedele rukte zich vrij. Ze voelde geen juiste verhoudingen meer. Ze
+voelde niet meer wat ze was tegenover dezen man, niet meer dat hij voor
+haar een vreemdeling was. Ze kon zich zoo seffens niet hervatten, en ze
+werd heel bleek. Omdat ze leed, wilde ze straffen en geweldig handelen.</p>
+
+<p>Maar hare armen zonken neerwaarts en haar bloed deed een smertlijken
+ommedraai. Over hare wangen rolden twee tranen, die ze niet had kunnen
+verdringen en die nu in de hoeken van haar lippen haperen bleven. Ze
+stamelde, haar gezicht verwringend tot een treurigen glimlach:</p>
+
+<p>&mdash;Ho!... ja ... zoo!...</p>
+
+<p>Ameye raapte het witte pakje met suikergoed en het rankje hulstgroen op,
+die, nevenseen, op de zulle waren neergevallen.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h3><a name="hVII" id="hVII"></a>VII.</h3>
+
+
+<p>Eenige dagen verstreken voor Goedele in eendelijke onverschilligheid. Ze
+was heel korten tijd bij Romaan gebleven, had geweend omdat Wiezeken er
+zoo deerlijk uitzag en was weggeloopen, seffens. Tante Olympe met haar
+gestadig geklaag maakte haar zenuwachtig, en Madeleen ook, die daar met
+gebogen hoofd aldoor te kijken zat in de toekomst. Ze was weggeloopen.
+Ameye walgde haar.</p>
+
+<p>En de dagen waren verstreken alzoo. Ze wilde niet meer terug bij haar
+broer, ginder waar ze geleden had een onverklaarbare pijne, nievers nog
+geleden. Ze was bang. Ze wilde geerne alles wisschen uit haren geest,
+maar niets anders wekte hare belangstelling, en ze voedde haar wee.
+Al wat gebeurde om haar, werd haar onverschillig. Allentwege was 't
+nietigheid, en de woorden, die gesproken werden, waren ijdel.</p>
+
+<p>Ze werd naderhand door opvretende eenzaamheid, streng voor wat buiten
+het leven stond van hare droefenis. Ze had ruwe woorden met vader. Ze
+verdroeg zijn onnoozel gespeel niet meer en zei het hem met een ruk.
+En Albien keek dan verwonderd op, niet begrijpende die stoere manieren,
+getaakt in zijne liefde, als hij nu dacht, in kinderlijke vreezen:</p>
+
+<p>&mdash;Zij ook ... en ziet mij niet geerne....</p>
+
+<p>Omdat ze zoo verduldig was met hem, had hij gemeend dat zij hem dan toch
+vatte. Hij vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Zijt ge ziek, mijn kind?</p>
+
+<p>Ze was getroffen omdat zijn stemme zoo diep een grondslag had, omdat hij
+zoo innig bedrukt was, en meteen zoo vaderlijk. Ze zag hoe hij het
+nieuwe Snoeckboekje met onverschillige vingeren van zich afduwde en
+nader kwam, dichte bij haar, en zoetekens hare handen toetste.</p>
+
+<p>&mdash;Nu ben ik in waarheid triestig van zin, zei hij.</p>
+
+<p>Hij boog zich om goed in haar gezicht te blikken, om te zoeken naar heur
+leed, dat wel ievers in hare oogen zou na te speuren zijn.</p>
+
+<p>&mdash;Hebt ge zeer?... Toe-de, mijne dochter.... waar is 't dat ge zeer hebt?
+Voor de eerste maal voelde Goedele in dezen zachten man haar vader
+levendig zijn en goed. Ze werd gewaar dat ze weenen zou, als ze geweld
+moest doen om te spreken. Haar borste zwol.</p>
+
+<p>&mdash;Wat is 't, zei Albien, dat hier ommegaat, sinds dagen? Ge loopt rond
+lijk te lore in dees huis, en ge zwijgt ... en het wordt van alle kanten
+zoo bang. Ik heb nu geen lust meer in ditte ... noch datte.... Moeder is
+ziek en gij?... Wat deert er? Ik heb nu permintelijk geen lust meer....
+W&aacute;ar, w&aacute;ar, mijn kind.</p>
+
+<p>Stille kwamen zijne woorden te reke, en ze brachten eene treurige
+stemming alom. Maar Goedele stiet dan aan tegen 't beeld van haar eigen
+lot en ruw werd ze op nieuw.</p>
+
+<p>&mdash;Bah!</p>
+
+<p>Ze draaide op hare hielen rond, lijk een meisje licht van gemoed, en ze
+liet vader alleen. Als ze de deur uit was, wilde ze wel terugkeeren en
+den man meteen in hare armen prangen, al streelende dat brave hoofd, dat
+kinderlijke, vol kleine gepeinzen. Ze kon niet: ze moest lachen luidop,
+ten gebare dat ze hier alles potsierlijk vond, en ze drilde verder,
+langs leege uren zich voortsleepend, lijk een schaduw in noesche licht.</p>
+
+<p>Ursule lag in haren leunstoel te denken. Seppie, het hondje, moest
+gedurig op haren schoot stille blijven, en ze streelde met luiere
+vingeren in zijn lange haren, wijlend achter zijne oorkens, waar 't hem
+uitermate deugd deed. De dagen gingen omme en ze was gestadig aan 't
+wroeten in hare hersens, overentweere wiegend met blijvende mijmeringen.</p>
+
+<p>&mdash;Daar heerscht een geheim in 't geluchte. Ze voelde 't zoo, ze tastte
+'t. De doening van Goedele ontsnapte haar niet, en ze was zeker dat een
+gevaarlijke gebeurtenis aan 't zieden was en aan 't zwellen. Omdat ze
+nooit anders dan meesteresse geweest was en nievers door verborgen
+machten bekampt, wilde ze klare wegen zien en vaste staan. Ze begreep
+wel dat Goedele wegslibberen wou, en ze vreesde dat zij er toe komen
+mocht. Om dwaze plannen te kunnen tegenwerken, moest ze Goedele's
+inzichten kennen. En Goedele was ondoordringbaar....</p>
+
+<p>Ursule's vroegere strijdlustigheid geraakte wakker stilaan: ze zou weer
+door oolijke listen hare dochter overwinnen, lijk ze vroeger haar vader
+overwonnen had. Ze deed Goedele door Justa, de nieuwe meid, bespieden.
+Justa moest al de brieven over den moordamp in de keuken openbreken,
+moest in Goedele's kamer snuffelen en laden met valsche sleutels
+ontsluiten, alles omkeeren en inzien en beloeren. Ze had Justa voor
+dergelijk werk bijzonderlijk aangenomen.</p>
+
+<p>Justa was een klein vrouwken, levendig en minzaam. Ze ontving alle
+boodschap met een vriendelijk glimlachje en sprak iemand nooit anders
+aan dan in den derden persoon. Ze had uiterst leelijke handen, met
+omkrullende vingers, en hoekige kneukels. Ze bracht die gedurig bij
+malkaar, in profijtelijke houding, boven haren buik en wreef ze trage
+overeen, al schattend somtemets met vierkante nagels. 't Was een
+Westvlaamsch meisen. Ursule kende hare ouders, gebogen eerde-wroeters
+zonder hope, etende en biddende wezens, den dood nabij. Justa, de eenige
+dochter, had met blij gemoed hare broers en de oudjes verlaten. Haar
+doorslepen zinnen, waar ze aldoor in de parochie gebruik had van gemaakt
+om oolijke daden te stichten, meende ze nu eens ten dienste van vrijer
+bedrijvigheid te kunnen stellen. Als Ursule haar met korte woorden
+uiteengeleid had wat in werkelijkheid van haar verlangd werd, had ze
+aldadelijk heel de zake begrepen en aanveerdde gretig het nieuwe gebod.
+Ze was bovendien werkzaam en net, bracht goede orde in de keuken en
+leerde veel van Ursule, die haar in kookkunde hielp. Ze werd een
+voortreffelijke meid. Men had haar een schoone belooning beloofd, als ze
+dienstveerdig zijn wou naar Ursule's volle goesting.</p>
+
+<p>&mdash;Z&oacute;o is mijne goesting! had Ursule gezeid.</p>
+
+<p>Ze moest Goedele tot in haar minste bedrijf bespieden....</p>
+
+<p>Ursule vernam echter niets. Goedele bleef thuis, liep de kamers door,
+zat altemets een endeken te borduren, te knippen aan een kunsttapijtje,
+te kijken meerendeels langs het venster naar 't gewaai dat bijsde in de
+boomen. Hare kleeren, hare laden, hare brieven&mdash;'t werd alles besnuffeld
+en befrutseld: nievers lag een verraad van haar geheim gedoe. Justa
+luisterde achter de deure, als ze saam met Sebastiaan in de eetzaal was.</p>
+
+<p>&mdash;Wat zeggen ze? vroeg Ursule.</p>
+
+<p>&mdash;Bijna niets ... een woord ... een ja&mdash;een neen....</p>
+
+<p>&mdash;Maar, hoofdzakelijk?</p>
+
+<p>&mdash;Niets! zei Justa.</p>
+
+<p>Ursule werd koortsig daarvan, hetgeen haar dan niet het minst voordeelig
+was, want al nijpender drong de pijne van haar "rheumatiek" in hare
+braaien en ze kon soms rijzekens opstaan uit haren zetel. Ze wilde geen
+dokter.</p>
+
+<p>&mdash;'t Is rheumatiek.</p>
+
+<p>Dat was z&oacute;o haar zeker zijn. Ze hechtte daarenboven niet veel belang aan
+die tijdelijke ziekelijkheid. Haar geest was voortdurend anderszijds
+gespannen en wilde klaar krijgen de vaagheid om Goedele's manieren ...
+Zij deed op een uchtend Goedele bij haar komen en neerzitten nevens 't
+raam, vlak onder het nieuwe daglicht. Ze begon te klagen: ze had sinds
+nachten geen ooge meer beloken, ze was z&oacute;o lijdende, ze voelde dat het
+erg worden zou, en de nachtmerrie bezocht haar....</p>
+
+<p>&mdash;Och! Och!... dat is vreeslijk!</p>
+
+<p>Ze praamde Goedele dat ze maar goed opletten moest, en in geen tocht
+mocht blijven, en 's avonds aandachtig de vensters zou sluiten, en een
+dobbele sargie vragen aan Justa.</p>
+
+<p>&mdash;'t Is nu 't gevaarlijke seizoen.</p>
+
+<p>Dan was 't een ander thema: ze wilde bovenal Goedele's geluk, ze dacht
+er altijd, altijd aan, en ze zou alles doen om dat geluk te verzekeren.</p>
+
+<p>&mdash;Willen we verhuizen?</p>
+
+<p>Goedele hief onverschillig hare schouders op en zuchtte. Ursule drong
+aan:</p>
+
+<p>&mdash;We zullen hier weggaan, we zullen een Engelsche villa betrekken,
+ievers in den omliggende, waar er bloemen zijn, buiten de wilde stad.
+Ik zie dat ge hier wegkwijnt en ik weet niet de reden.</p>
+
+<p>&mdash;Daar is geen reden ... en ik kwijn niet weg, moeder....</p>
+
+<p>&mdash;Kom! Kom!...</p>
+
+<p>Ze stoop zich voorover en lonkte met droeve teerheid, wenkend dat
+Goedele naderen zou. Ze sprak met zoetigheid: ze zag alles, ze was
+moeder daarom, ze wist dat iets mishandde.</p>
+
+<p>&mdash;Voel ik dan niet?... Ik voel uw treurende gepeinzen. Niet neen zeggen,
+kind, niet neen zeggen.... Ge draagt een last. Ik mag u helpen. Ik wil
+doodgeerne uw leven zacht maken, uw wegen zacht maken. Duik niets voor
+mij, die boven alles uwe moeder ben. Ik heb al doen uitzien naar een
+villa, een djentig dingetje diepe in het loover. Ik wil ook niet dat ge
+hier zoo eenig loopt. Bella zal na den noene komen, een paar uren, met
+haar borduurwerk.... Zoo slijt de leege tijd. Ik ben vol zorgen om
+uwentwil, mijn kind. Waarom wilt ge u verbergen voor mij?</p>
+
+<p>&mdash;Toch niet, moeder ... maar, kijk, ik ben moe en ziek. Romaan is zoo
+buiten reden triestig en Madeleen ook ... en Wiezeken is verre,
+verre....</p>
+
+<p>&mdash;Is dat alleen uw droefenis?</p>
+
+<p>&mdash;Dat is een groote droefenis.</p>
+
+<p>Ursule bukte zich meer nog en vatte Goedele's hand. Ze vroeg, al
+starrelings turend dwars in hare oogen:</p>
+
+<p>&mdash;En Sebastiaan?... Ge zit zwijgend nevens hem. Ge zegt hem niet wat uwe
+tranen beduiden. Ge zegt niets. Dat zijn toch geen geheimen?... Mijn
+pover kind, gij hebt Sebastiaan niet lief!</p>
+
+<p>Ze bleef uitermatig zachte en Goedele keek verwonderd op, niet wetende
+wat er uit zoo'n gesprek komen moest en vreesachtig, om den wille van
+moeder's sluwe manieren. Ursule vroeg;</p>
+
+<p>&mdash;Wenscht ge niet te trouwen met hem? Laat ons vertrouwelijk zijn. We
+zullen saam beramen wat we doen moeten, en wel vinden, wel iets
+vinden.... Ik wil u niet in iemands armen gooien, tegen uwen zin. Ik heb
+goed nagedacht.... Spreek nu, laat uw herte vrij daar liggen v&oacute;or mij,
+uwe moeder. Hebt ge, buiten Sebastiaan, een man ontmoet, en voelt ge een
+andere liefde?</p>
+
+<p>Goedele sprong koortsig rechte en schoot uit in eenen schokkenden lach.
+Ze werd heel rood en haar oogen baadden in glinsterende tranen. Ze moest
+haren neusdoek over haar aangezicht brengen en 't was of ze nadien te
+niezen begon. Ze bedaarde. Ze riep:</p>
+
+<p>&mdash;Wel, moeder, onnoozele moeder!</p>
+
+<p>Ze wilde wegloopen, maar Goedele gebood dat ze blijven moest. Ze bleef.
+Ze lachte lijk een zottin en joepte met snokjes opwaarts. Ze gichelde
+bij poozen:</p>
+
+<p>&mdash;Ikke?... Ikke?... Wel hemelsche deugd! mijn moederken!... Liefde voelen
+of andermans liefde ontvangen!... Bespottelijk, zoo'n idee!... Ik zegge
+'t u: stel u in ruste... Ik trouw met Sebastiaan.</p>
+
+<p>Ze nam Seppie op, schudde hem boven haar hoofd, zoodat het beestje daar
+in de leegte, met luie pootjes, te slodderen hing. Ze knikte hem toe,
+smeet hem omhooge en grabbelde hem tegen hare borst vaste. Ze lei hem
+naderhand op moeder haren schoot terug, merkte hoe ze nu vol met
+haarkens was, langs hare schouders en op hare mouwen, en mummelde met
+pruilende lippen:</p>
+
+<p>&mdash;Hatje! het leelijke jong!...</p>
+
+<p>Ze werd seffens heel ernstig, knipte de haarkens weg, zenuwachtig en
+kort. Ursule jubelde in haar eigen, als ze de verklaring kreeg dat het
+gewenschte huwelijk ten slotte toch gebeuren zou, maar nadien, bij 't
+zonderling gesnap van Goedele, werd ze wantrouwig opnieuw. Ze zweeg
+echter en rolde binstdien in haar hoofd een versche golving spijtige
+gepeinzen.</p>
+
+<p>Al pratend, en dooreengooiend een reesem lichtzinnige woorden, drilde
+Goedele langs de trap naar heur kamer, en sloot zich op. Ze viel lijk
+een massa op haar bedde en begon hevig te schreemen. Dat duurde een
+lange stonde, tot Justa haar opzoeken kwam voor 't noenmaal. Ze waschte
+zich haastig, liet 't kille water vloeien over hare slapen en baaide
+hare oogen. Ze had deugd aan die prille frischheid en voelde een klaarte
+komen in hare onrustige gedachten. Ze tort dan de eetzaal binnen en ging
+neerzitten, naar gewoonte, tusschen vader en moeder.</p>
+
+<p>Na den eten werd aan 't groote hekken gescheld. Bella schoot huppelend
+in huis en vloog blozend en schaterend aan Ursule's hals.</p>
+
+<p>&mdash;Hoe gaat ge, beste mevrouw?... Wel! men kan het niet eens zien op uw
+wezen, dat ge ooit ziek geweest zijt?... Dag, Goedele, dag, beste
+heer.... 't Is wel koud buiten, hoor! Dan zet ik het op een drafken
+langs de straten ... en de menschen kijken me na.... Ik loop geerne in
+'t koude weer....</p>
+
+<p>&mdash;Ja ... ja ... de jonkheid, lachte Albien.</p>
+
+<p>&mdash;Ik ben met de gauwte naar hier gedreveld ... Wilt ge even mijn paletot
+helpen uittrekken, Goedele? Dat is een dwaas ding&mdash;ik geraak er nooit
+van af. Mijn mouwen zijn ook zoo potsierlijk ingewikkeld.... Hai!
+mijlieve, ge snokt me haast de armen van het lijf.... Ja! Ja! Ja!</p>
+
+<p>Ze danste van ongedurigheid, bijsde hare heupen en lachte. Ze tikte met
+hare vingeren dolle haarkrullekens weg, die op haar voorhoofd belden en
+jeukten in hare wenkbrauwen. Ze reikte dan aan Ursule een ranke mimosa,
+die ze met haar hermelijnen mofje op de glazen dresse had neergeleid.</p>
+
+<p>&mdash;Djentig, hee?</p>
+
+<p>&mdash;Heerlijk, mijn kind&mdash;Onnoozel dat ge ervoor zoo'n dwaze onkosten doet.
+'t En was in waarheid niet noodig....</p>
+
+<p>&mdash;Ja!... ja!... ja!...</p>
+
+<p>&mdash;Danke.</p>
+
+<p>Bella weerde zich om drollerig te zijn en sprak van heur magere
+spaaroordekens. Anders had ze een heelen ruiker meegebracht.</p>
+
+<p>&mdash;Ge weet wel&mdash;zoo zacht-witte winter-rozen ... maar dat kost! dat kost!
+Ze zette zich neer en vingerde ongedurig om de gulden korreltjes van
+hare halsketen en, omdat nu een tijd de stilte neerviel langs deze
+ongezellige kamermuren, zocht ze opgewonden in haren geest naar spelende
+woorden. Ze vertelde van thuis&mdash;hoe moeder sinds een paar dagen
+aanhoudend aan maagpijn leed en hoe ze dan zoo lastig van humeur was, en
+hoe vader dan wegliep, om ongemakken te vermijden. Ze tuurde naar 't
+kille gezichte van Ursule, daar roerloos rustend tegen de hooge leuning
+van haren stoel, schoon-gelijk van weerskanten en effen lijk gladde
+marmersteen, even hard ook en zonder warmte van binnen. Ze voelde wel
+dat ze met hare vroolijke zinnetjes kwam zonder uitslag aanstooten tegen
+de roerlooze vlakten van dees gewillig gelaat. Ze loerde omdieswille
+rijzekens naar Goedele, die opstaarde langs 't venster naar de varende
+doening der wolken. Ze had een zonderlinge bangheid over zich, lijk
+iemand die zondigt entwat en meent dat elkendeen 't kan lezen. 't En was
+precies niet dat ze gezondigd had, maar toch vreesde ze den diepen,
+droomenden blik van Goedele. Aan dien blik kon ze geen geheime gedachte
+verbergen. Daarom taterde ze aldoor, haar eigen vergetende en alles om
+haar vullende met ijdel gebabbel. Ursule knikte stillekens of
+fluisterde:</p>
+
+<p>&mdash;Ja ... zekerlijk ... ik peinze aldus....</p>
+
+<p>Bella was erdoor opgehitst en sprong mateloos van 't eene nietig voorval
+naar 't andere. Ze wilde met woorden alles opjagen tot een gewichtige
+gebeurtenis, en verzinde tallenkant eromme een kantwerk van
+belangwekkende detailleeringen. Ze belonkte op Ursule's wezen of daar
+endelijk geen snare bewegen zou en, als bijwijlen een rimpel langs den
+neuze zonder reden dieper viel, bleef ze om haar gezegde met opzet
+haperen en vertijen, meenende dat Goedele zoo meteen zeer aandachtig
+werd. Ze was aan 't vertellen van de verkiezing.</p>
+
+<p>&mdash;Och! mevrouw-lieve, gijlie gaat nooit buiten huize! De stad is &eacute;en
+strijd, &eacute;en roepen van kwade of geestdriftige menschen. Ge moet al die
+gezichten eens zien uitrekken naar de brutale kleuren van politieke
+plakkaten. De eene peinzen: 't is waarheid! De andere vloeken: ze
+liegen! Daar loopt soms een heerken tusschen, dat zwijgt en niets en
+denkt en in 't gewoel zijn dansend buiksken laat wiegen.... Die ziet er
+gelukkig uit.</p>
+
+<p>Goedele liet over haar gaan die reesems huppelende zinnen en 't werd
+haar in den beginne een aangenaam gezeur, lijze streelend langs hare
+slapen. Ze voelde alzoo een korte bedaring ruste brengen in hare
+opgeketste leden en ze mijmerde. Ze vaarde geleidelijk met onbepaalde
+gedachten weg, en de ruimte daarbuiten, de schoone ruimte met hare vrije
+golvingen en hare pluimlichte endeloosheid, kwam om haar. Ze zweefde er
+in, en ze werd haar eigen aandoeningen nauwelijks gewaar. Ze kon wel in
+'t zoete geharrewar van al hare ommentweer doezelende idee&euml;n 't zicht
+herkennen van Madeleen en Romaan, van Wiezeken en tante Olympe, van
+Ameye.... Ze tastte nog het werkelijke leven, maar 't en bezeerde haar
+niet. En Bella babbelde. En daarhooge togen de wolken voorbij. Ze kreeg
+de heel grijze emotie van heur kinderjaren, eene vluchtige verschijning
+van verre herinneringen, ginds in den hemel, rotewijs. En dan,
+plotseling, de val van een takje hulstgroen met roode perels....</p>
+
+<p>Ze bracht misnoegd hare hand over haar voorhoofd en het gekwetter van
+Bella tjokte onwelluidend in hare ooren. Ze fronste hare wenkbrauwen,
+stond seffens rechte en merkte opeens dat een nijpende hoofdpijne haren
+kop tot in haar nekke omknelde. Ze stapte langzaam de deur uit. Ze bleef
+aarzelen bij de zoldertrap en tort na een oogenblikje toch naar boven.</p>
+
+<p>Ze had nu een leelijke kure, een ziekelijke wreedheid. Ze ontmoette v&oacute;&oacute;r
+hare slaapkamer grootvader, die er kousevoets stond, met angstige oogen,
+te loeren kantewaarts naar heur. Ze herkende in zijne blikken de valsche
+lichten, die hij niet duiken kon, en ze moest op die stonde door een
+helsche kwaadwilligheid gedreven, hem treiteren, hem nijpen met
+dubbelzinnige woorden, hem zeer doen met brutale gezegden. Dat voelde
+ze.</p>
+
+<p>&mdash;Wat doet ge daar?</p>
+
+<p>Hij grinnikte en schokschouderde. Ze wilde hem wegjagen.</p>
+
+<p>&mdash;Uit mijne kamer! Wat doet ge, in mijne kamer tewege? Weg, zeg ik u!</p>
+
+<p>Ze fluisterde hem toe:</p>
+
+<p>&mdash;'k Hebbe toch al mijn laden vaste gesloten....</p>
+
+<p>Rik rilde een tijdeken. 't Viel hem nu kwalijk, dat gedoe van Goedele.
+Hij probeerde zijn lijf verontweerdigd achterover te snokken. Ze zei
+dadelijk:</p>
+
+<p>&mdash;Haal moeder's kistje!</p>
+
+<p>Hij zakte ineen. Zou hij op dees oogenblik kapot gaan? Hij grabbelde
+achterwaarts naar den muur om steun te vatten. Hij kon zijne oogen van
+Goedele's hand niet krijgen, die, gebiedend, naar de hooge deur der
+leege zalen wees. Hij zeeg lijk een vodde thoope en zijn asem wilde uit
+zijn kele niet. Hij snakte. Hij deed zijn kop gedurig hergaan, lijk
+iemand die jaknikt, en zijne vingeren scharrelden over den muur, wilden
+zich ievers vasthaken.</p>
+
+<p>Goedele keerde zich vluggelings omme en tort klaar-lachend de trap af.
+Hare lach klonk heel wit en eendelijk, en ze hoorde Bella beneden even
+ophouden met tateren, binstdat moeder vroeg met ontstelde stem:</p>
+
+<p>&mdash;Wat gebeurt er?</p>
+
+<p>Ze kwam in de kamer weer en zette zich op een stoel. 't Was hier nu
+danig droeve. Ze zei:</p>
+
+<p>&mdash;Ge moet mij alzoo niet bekijken, menschen.... Ik heb daar een vieze
+leute gehad!</p>
+
+<p>Bella lachte subiet mee.</p>
+
+<p>&mdash;Vertel eens, Goedele....</p>
+
+<p>&mdash;Straks!</p>
+
+<p>Ze ging v&oacute;or den spiegel staan en schikte nauwkeurig eenige losse
+haarstrengen. Ze peuterde nadien aan een strikje, dat leelijk viel op
+haren rechterschouder, en vroeg, onverschillig:</p>
+
+<p>&mdash;Hebt ge uw borduurwerk mee, Bella?</p>
+
+<p>&mdash;Ja ... wacht even....</p>
+
+<p>Ze zetten zich allebei onder 't noesche vensterlicht, en Goedele schoof
+het kleine werktafelken bij. 't Duurde een heelen tijd, eer ze hun
+tamboerijn gespannen hadden en de vele zijden strengetjes klaar gemaakt.
+Bella was bezig aan een bleek-groen fichu, waar ze teer-gele
+boterbloemen op stikte, in kransjes liefelijk saamgebracht. Ze was
+seffens aan den gang, haastte zich gejaagd alsof 't gauw afmoest. Ze
+boog zich lage over haar werk, en moest bijwijlen scheef gaan zitten om
+licht te krijgen op de luttele teekening. Ze werkte altijd zoo,
+gauw-weg, zonder goesting en zij en zocht nooit naar een fijne
+nuanceering. Ze naaldde de tinten te gare, nagenoeg zooals ze aangeduid
+waren op 't model, en ze was alzeere moe, om een beetje te rusten al
+zuchtend.</p>
+
+<p>Goedele zat meestendeels met luie vingeren te wachten, te kijken naar
+Bella, en ze merkte dan 't een en ander op, bitsig een woord zeggend,
+dat onaangenaam klonk. Endelijk geraakte in huis een zwaar en moedeloos
+zwijgen, en onderwijl zoefde alover den tuin een grillige wind. Ursule
+had hare oogen dichtgedaan en hare handen lagen bijeen, rijzekens mekaar
+takend, op haren schoot.</p>
+
+<p>&mdash;Zie! sprak Goedele, trouwen, daar moest ge eens aan denken, Bella!</p>
+
+<p>&mdash;Trouwen?</p>
+
+<p>Bella giechelde en de strengskens zijde schoven van haar knie&euml;n op het
+voettapijt. Ze was tevreden dat ze, bukkend om 't lichte gerief op te
+rapen, alzoo haar blozende wangen kon verbergen. Een leelijke rimpel
+groef een nijdige schaduw om Goedele haren mond. Ze zei, koud:</p>
+
+<p>&mdash;Doe nu niet gek! Ik zie wel dat ge geerne er aan denken zoudt.... Maar
+helpt mijnheer De Vleeschhouwer u niet hierin? Moeder heeft me aan
+Vrebos geholpen.... A-propos, die komt straks weeral!</p>
+
+<p>Ze blikte naar 't horloge en vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Is 't hier 't juiste uur, moeder?</p>
+
+<p>Ursule ontlook langzaam hare oogen, trok haar uurwerk te voorschijn en
+bracht het aan, heur oor. Ze keek nadien vluggelings er naar en
+antwoordde:</p>
+
+<p>&mdash;Half-vijve.</p>
+
+<p>Hare wimpers vielen trage toe.</p>
+
+<p>Goedele vroeg een versche naalde aan Bella, en merkte hoe Bella's hand
+even bibberde, al reikende over de werktafel. Dezelfde plooi zakte van
+weerskanten, bezij hare lippen. Ze kreeg een kwaad en onweerstaanbaar
+verlangen, precies lijk daarboven, als ze meteen v&oacute;or grootvader stond.
+Ze veranderde van stem en liet hare woorden met scherpe ruwte hakken in
+de stilte.</p>
+
+<p>&mdash;Zeg eens, Bella, wat is eigenlijk uw idee omtrent mijn verloofde?</p>
+
+<p>Ze genoot in waarheid de ongesteldheid van het meisje, dat daar verlegen
+en hopeloos tegen haar vrage spartelde. Het was haar een ongewoon
+geneuchte, een deugddoend gevoel, dat uit een kwaden drift opwalmde en
+spelemeide in hare hersens, heel zacht. Bella vingerde zonder aandacht
+om haar borduurwerk en stamelde dat ze niets dacht.</p>
+
+<p>&mdash;Wat heb ik te denken, lieve, en wat bedoelt ge met zoo'n advies?</p>
+
+<p>&mdash;Juist uw advies. Ge meent zelve best wat ik bedoelen wil. Een advies.
+Is hij schoon?</p>
+
+<p>&mdash;Och!</p>
+
+<p>&mdash;Is 't een vent met een lijf voor de liefde?</p>
+
+<p>&mdash;Zotte kappe!</p>
+
+<p>&mdash;Peinst hij diepe en drukt hij 't sierlijk uit? Enfin, ge joept daar nu
+stotterend en ongedurig op uw stoel....</p>
+
+<p>&mdash;Ik vind het hier bang....</p>
+
+<p>&mdash;Ja&mdash;bang.</p>
+
+<p>Ze blikten subiet op naar mekaar en Bella beukte tegen de harde oogen
+van Goedele. Ze zonk precies weg, niets meer doende, zich overgevend,
+tewege te weenen. Ze wilde geerne opstaan en buiten loopen en lucht
+krijgen. Ze fluisterde:</p>
+
+<p>&mdash;Ik word ongemakkelijk....</p>
+
+<p>Omdat niemand haar opbeurde en te helpen naderde, werd de gloeiing om
+hare slapen onverdragelijk. Ze voelde den scherpen stoot van Goedele's
+blikken gedurig. Goedele zei:</p>
+
+<p>&mdash;Ge windt uzelve op.</p>
+
+<p>&mdash;Neen.... maar 't zal wel overgaan. De stove brandt geweldig.</p>
+
+<p>&mdash;De assche ligt dood.</p>
+
+<p>&mdash;Mag de deure niet open met een reetje?</p>
+
+<p>Ze stond op en werd eene knikkende slapte gewaar in hare knie&euml;n. Ze
+bleef een endeken in het deurgat staan. Ze zag Rik zitten op de trap,
+heel bleek, en staren met diepe oogen, grauw ommendomme beschaduwd. Ze
+probeerde zich te hervatten en lachte den grijzaard even toe, al
+groetend:</p>
+
+<p>&mdash;D&acirc;ag&mdash;d&acirc;ag&mdash;</p>
+
+<p>Rik grommelde onachtzaam, en ze tort binnen opnieuw, teenemaal
+ontredderd. Er werd aan de straatpoorte gescheld. Ze bracht schokkend
+hare hand over haren boezem, binstdat Goedele lachte:</p>
+
+<p>&mdash;We hebben van den duivel gesproken: daar is nu Sebastiaan!</p>
+
+<p>Bella hijgde. Het docht haar dat de tijd niet voort wilde, dat hij zich
+langzaam uitrok en dat er geen ende aan dees folterend oogenblik zou
+geraken. Ze vreesde de stonde, waar Sebastiaan zou binnen komen, en
+seffens daarna verlangde zij die, benauwd voor de eeuwigheid die zij
+meende van dit oogenblik af te zien aanbreken. Ze hoorde door 't getuit,
+dat ziedde in hare ooren, de stemme van Ursule.</p>
+
+<p>&mdash;'t Ligt hier zoo alles in wanorde!</p>
+
+<p>En ze had dan nog een haastige beweging om de zijden draadjes, die
+tallenkant uiteengewaaid waren, een beetje te schikken. Een haastige
+stap klonk op den drempel. De peizelijke groet van Vrebos viel haar
+zwaar te moede en ze kon nauwelijks glimlachen. Ze staarde naar de
+boterbloempjes op het borduurtamboerijn. Als Goedele sprak, was 't haar
+of heel de kamer instortte onder 't klabetterend lawaai. Ze lei
+rijzekens hare hand in de uitgereikte hand van Sebastiaan. 't Was eene
+nieuwe emotie. Goedele zei:</p>
+
+<p>&mdash;Kijk! Basti, ik en deug niet voor u. Ge moest eens goed ommezien en
+met Bella trouwen!</p>
+
+<p>Bella gilde. Haar bloed schoot ineens weg en haar kinne schokte op hare
+borst. Ze stortte achterwaarts over en lag, met een doffen slag,
+roerloos op het tapijt. Elkendeen sprong toe. Men klopte in hare handen
+en wreef over haar voorhoofd.</p>
+
+<p>&mdash;Djeezes-Maria! stotterde Ursule.</p>
+
+<p>Goedele stond een oogenblik triomfelijk rond te turen. Een donkerroode
+blos kleurde hare wangen. Langs de open deur, merkte ze toevallig nog
+Rik, die 't ivoren kistje aan 't bergen was, achter een fuchsiapot,
+gebarende dat het daar ievers wel mogelijk was zoek geraakt.</p>
+
+<p>Ze was nu niet schoon. De twee rimpels in de hoekjes van haren mond
+lagen heel diepe.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h3><a name="hVIII" id="hVIII"></a>VIII.</h3>
+
+
+<p>Goedele had in den nacht hevige traanbuien, en zij en kon maar lichte
+insluimeren, gedurig weer wakker opschietend in bange droefenis. Ze
+weende bij 't naderen van haar onredelijk wee: ze dacht aan haar zelve,
+aan de toekomst, en ze voelde dat haar leven gebroken was. Ze snikte
+seffens. Ze had geen gramschap in haar, geen toornige uitvallen wolkten
+met heete walmen op uit haar herte. Ze bekeek elkendeen zonder wrok.
+Moeder was haar geen hardvochtig wezen meer en ze kon peinzen op heur,
+zooals ze peinsde op vader: een groot medelijden verlamde haar oproerig
+karakter en ze weende, duikende haar brandend gezichte in 't zakkend
+geveder van haar hoofdkussen.</p>
+
+<p>In den morgen verzwakte haar uitermatig leed, maar ze bleef den dag door
+turen naar den komenden winter, verslonden in vaag gemijmer, aldoor
+treurig en maf. Ursule trachtte meermaals met zoet gevlei haar op te
+beuren. Ze sprak weer van een cottage, waar ze zouden gaan inwonen, bij
+'t naderen van de lente. Ze dierf echter het gezelschap van Bella niet
+meer oproepen. Het was gisteren al te bar verloopen en de herinnering
+eraan zou geen goed stichten.</p>
+
+<p>De weke liep door. De verkiezingen gebeurden met groot lawaai en een
+nagalm ervan drong in dees spokig huis. Men sprak van 't voorval, en dat
+bracht een beetje verscheidenheid binnen. Ook een heele zake was 't, als
+Justa, in 't voorkamertje, het ivoren kistje ontdekte. 't Was tooverij.
+Maar Ursule had voorloopig gewichtiger gepeins en Goedele was niet uit
+haar droomen te leiden, zoodat het kistje algauw vergeten werd.</p>
+
+<p>Op een nacht begon 't nijpend te vriezen. Schoone bloemen waren 's
+ochtends zichtbaar op de ruiten, witte bloemen met divers geblaan,
+allemaal zuiver en sierlijk van vormen. De tuin lag met blanken rijmel
+bestoven en de strate, onder den tert der menschen en 't gerammel der
+wagens, klonk bijzonder luidelijk. De postbode bracht, al heel vroeg,
+een brief voor Goedele.</p>
+
+<p>&mdash;Wat is 't? vroeg Ursule.</p>
+
+<p>Hij werd koortsig opengebroken. Er kwamen hier bijna nooit brieven toe,
+behalve somtemets een kort schrijven van Vrebos of een welruikend
+kaartje van mevrouw De Vleeschhouwer. Deze brief was van tante Olympe.</p>
+
+<p>&mdash;Nieuws van Romaan, fluisterde Goedele, heel laag.</p>
+
+<p>Hare blikken schoven vluggelings over de zwarte onregelmatige letters,
+heel die brave, gebrekkige taal van 't oude wijveken, en stilaan
+geraakten hare oogen vol. Ze moest rap pinken om de tranen weg te duwen
+en verder klaar te zien. 't Was slecht nieuws.</p>
+
+<p>Ursule lengde haren hals uit, en op dees oogenblik overviel haar
+werkelijk een breede moederlijke aandoening. Ze stotterde, een ongemak
+voelend in haar kele:</p>
+
+<p>&mdash;Watte?... Watte?... Hein?</p>
+
+<p>Ze beloerde 't stille geween van Goedele, elken traan te reke, die rond
+werd onder de donkere wimpers, klaar optikkelde met een sterreken
+veranderlijk licht en trage neerwaarts droop. Goedele stamelde:</p>
+
+<p>&mdash;Slecht nieuws....</p>
+
+<p>&mdash;'t Is van Wiezeken, niet waar?</p>
+
+<p>&mdash;Wiezeken is aan het sterven.</p>
+
+<p>Ze zaten nu allebei rechtover mekaar, in stilte te schreemen. In langen
+tijd had Ursule zoo 'n ware emotie niet gehad en ze verwonderde zich dat
+dees waarachtige droefheid, die haar week maakte en afmatte, haar zacht
+was en deugdelijk. Ze voelde dat ze met dees leed tot dichtebij Romaan
+naderde en ze jubelde zoete, al snikkend, omdat Romaan zoo dichtebij
+was. Ze werd bijna tegen hare vingeren de warmte gewaar van zijn
+geliefde voorhoofd.... Ze zei:</p>
+
+<p>&mdash;Ge moet gaan....</p>
+
+<p>&mdash;Ja.</p>
+
+<p>&mdash;Ge moet zeggen ... iets van mij ... iets van zijne moeder ... aan
+Romaan.</p>
+
+<p>Goedele voelde dadelijk dat moeder rechtzinnig was en ze wilde haar
+geerne kussen, dankbaar om hare goede smert. Binstdat ze zich met haast
+aankleedde, vertelde ze van den verloren broer, zooals ze er nog nooit
+hier in huis over had verteld. Ze wist vele bijzonderheden aan te halen,
+waaruit het gulden hert van Romaan stralend te voorschijn kwam. Het was
+alsof ze tewege was ook van Madeleen te spreken. Het woord verzoening
+geraakte bijkans op hare lippen.... Ze zweeg echter, op dat woord juist,
+nog aarzelend en nog vreezend.</p>
+
+<p>Buiten, op de koude straat, tort ze dapper door. Ze was weer in 't
+gewoel van de haastige menschen, ze taakte weer het drukke werk van al
+die dravende lijven, en, hoe onzeker ook, ze genoot de luchtige vrijheid
+lijk overrijd. Maar gauw drilden hare voeten, al slaande tegen hare
+rokken, en ze beluisterde den slag, hem gauwer aanzettend, om gauwer
+ginder te zijn. De winkels met hunne breede vensters en veelvervige
+uitstallingen sleerden zijlings voorbij. Ze herkende ievers een
+confectiehuis en wierp hare blikken subiet anderzijds. Een oud ventje
+hinkte krukkebeenend op haar af en reikte eene bevende hand uit. Ze
+bleef staan en vingerde in haar geldtasje en gaf een stuiver aan den
+man. Hij boog en een kistje met solferdoosjes, dat hing op zijne borst,
+kwikte schier omme.</p>
+
+<p>Ze hoorde niet wat hij mompelde. Ze was tevreden dat ze hem iets gegeven
+had en dat het niet lang geduurd had. Ze geraakte zoo in 't lage van de
+stad. De trams zoefden en kruisten malkaar. De karren waggelden met
+ongemeen gedruisch. Een kindje riep haar na:</p>
+
+<p>&mdash;Juffrouw! Juffrouw!</p>
+
+<p>Ze keek omme en zag het dutseken aandrevelen met een zakdoekje.</p>
+
+<p>&mdash;'t Uwe, juffrouw?</p>
+
+<p>Ze tastte in haar pelsen mofje en bloosde, omdat een oude heer haar heel
+scherp aankeek binstdien.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, lieveken.... Danke.</p>
+
+<p>Verlegen liep ze verder. Tenden de strate lag de vaart. Nog de brug over
+en dan een klein draf ken. Wat zou ze zien? Een rappe angstigheid kwam
+over haar.</p>
+
+<p>&mdash;Wat zal ik zien?</p>
+
+<p>Op de brug was al meer moedeloos haar gang en ze tort langzaam, swijlens
+starende naar 't water van weerskanten. Het water was bij plaatsen
+dichtgevrozen, maar om de schepen, die lui en diepe lagen, allemaal
+bijeen langs de dokken, klotsten de vrije golfjes overhand. De grijze
+hemel klaterde erheen, in zilveren schervels, en altemets sprong een
+vliemken stralend licht er te midden op, naar den willekeur van het
+toevallig gespeel. Goedele's blikken bleven daar onbewust haperen en
+hare oogen waren wijd-open aan 't zien. 't Geflikker spatterde aardig in
+haar hoofd en 't herbegon altijd zijn veranderlijke wiegeling. Ze kon
+precies niet verder uitkijken, recht v&oacute;or haar, waar haar weg gebaand
+was. Hare handen werden heel warm in het doezelig mofje, en ze hervroeg,
+een vaag zicht krijgend van de leelijke werkelijkheid, die naderend was:</p>
+
+<p>&mdash;Wat zal ik zien?</p>
+
+<p>Aan 't klein gesleer van hare voeten werd ze meteen gewaar dat ze te
+lanterfanten stond. Een brouwersgast met zwaar gespan riep, om ze uit
+zijn weg te krijgen. Ze liep. Ze beluisterde weer den korten klop van
+hare beenen in 't matelijk gedruisch van hare rokken slaan.</p>
+
+<p>Ze bleef uitasemen op den drempel van den ellegoedwinkel. De nijpende
+geur van dees huis kwam haar ontstellen, en, al wilde ze gestadig denken
+aan 't akelige zicht van Wiezeken, zich daarmee bedwelmend, ze dacht ook
+aan Ameye, die daarboven waarschijnlijk was. Gauw probeerde ze te
+verzinnen welke houding ze aannemen zou, maar seffens schudde ze haar
+hoofd, alsof ze meende:</p>
+
+<p>&mdash;Wat scheelt het mij, en wat ben ik tot hem? Ze ging de trap op. Het
+docht haar dat het hier wel akelig zijn moest: de winkel lag stille en
+ginder hooge lag stille insgelijks het leutige lied van Mari&euml;tte. De
+trap kraakte. Ze zag in de hoeken de gewone stofkens herroeren met het
+kleine gewaai van haar kleeren. Ze merkte 't allemaal op, tot de
+luttelste dingen, en ze klampte zich permintelijk eraan vaste, gestadig
+het oogenblik wegschuivend, dat toch al gelijk aanbreken moest. Ze keek
+naar hare hand endelijk, hoe die trage zich naar de deurklinke reikte en
+hoe de deurklinke daar precies te wachten hing....</p>
+
+<p>Ze tort beraden binnen. Niemand was hier in de keuken. Hare blikken
+vielen links en rechts op 't vele tinnen en koperen gerief. De koffie
+stond te dampen op de stove en daar walmde allentwege de goede geur.</p>
+
+<p>Tante Olympe stak loerend de zijkamer open en fluks, als ze Goedele
+herkende, kwam v&oacute;or haar staan, treurig doende met haar gerimpeld witte
+gezichtje. Ze zeiden mekaar geen goeiendag. Dat lag zoo verre van haar.
+Goedele vroeg, lage sprekend:</p>
+
+<p>&mdash;Wiezeken?...</p>
+
+<p>Tante Olympe zeeg neer op een stoel en bracht haren voorschoot over haar
+wezen. Goedele moest nevens haar gaan zitten en herhaaldelijk vragen
+nog, eer het oude wijveken haar geween kon breken. Ze stotterde op een
+ende:</p>
+
+<p>&mdash;De dokter is er bij.... Ze hebben er aan gewerkt dezen nacht, met
+drijen.... Ze hebben er aan gesneden ... en Wiezeken haar keelken ligt
+open.</p>
+
+<p>&mdash;Wat zegt de dokter?</p>
+
+<p>&mdash;Niets ... en durft hij&mdash;maar ik, juffrouw, ik weet wel wat sterven is
+en hoe de Dood doet, als ze nadert.... Dat arme boeleken!</p>
+
+<p>&mdash;En Romaan?</p>
+
+<p>Ze had een flauwen lach over hare magere lippen, om te beteekenen dat
+het ook met hem deerlijk gelegen was. Ze blikte dan zuchtend langs 't
+venster naar den wit-grijzen hemel en ze fluisterde:</p>
+
+<p>&mdash;We zijn hier in dees huis, nu juist twee jaar geleden, binnengekomen.
+Ze vouwde hare vereelte handen op haren schoot te gare en voortdurend
+tuurde naar het effen geluchte, met schokjes zeggend:</p>
+
+<p>&mdash;En zoo gaat Wiezeken eruit ... en zoo zal ik eruit gaan ... en zullen
+wij allemaal eruit gaan....</p>
+
+<p>&mdash;Is mijnheer Ameye hier?</p>
+
+<p>Tante Olympe begon te tateren en haar kaken glansden op, zonder
+overgang.</p>
+
+<p>&mdash;O ja! die goeie mijnheer!</p>
+
+<p>Ze sprak met bewondering en dankbaarheid over hem. Alle dagen was hij
+komen zien hoe 't ging. Hij was 't, die de dokters was gaan opzoeken en
+Romaan met brave woorden steunde. Den vorigen nacht was hij tot heel
+late gebleven, omdat Wiezeken er zoo heel ellendig uitzag. In den
+komenden morgen had hij hem pas verlaten, maar straks zou hij weer
+binnenloopen en nieuws vragen. Hij had tante Olympe aangespoord om te
+schrijven aan Goedele.</p>
+
+<p>&mdash;Och, me-kind, ik en dacht er niet aan. Ge moet me vergeven. Ik ben
+heelemaal zonder memorie en 'k dool alhier en al ginds met mijnen
+poveren kop! Het is nu goed, danig goed, dat ge gekomen zijt.</p>
+
+<p>Goedele hoorde in de zijkamer de stem van den dokter, in druk gefluister
+met Madeleen. Dan een groet, een korten slag van de deur en den dalenden
+stap van iemand, zwaar krakend over de trap.</p>
+
+<p>&mdash;De dokter gaat weg, zei tante Olympe.</p>
+
+<p>Madeleen tort weenende de keuken binnen en begon luidop te snikken, als
+ze Goedele zag, op wier borste ze kwam uithuilen, zonder mate, haar
+overgroot verdriet. Ze jammerde:</p>
+
+<p>&mdash;'t Is gedaan ... 't is gedaan ... och Heere!</p>
+
+<p>Goedele streelde zachte met hare vingeren over Madeleen's bleeke wezen
+en streek heur verwaaide haarstrengen effen. Ze vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;'t Kan nog beteren?&mdash;Toe, Leentje, wees rustig.</p>
+
+<p>&mdash;De dokter zegt: nog vier uren, nog zesse.... Ik weet niet meer wat ik
+doen moet. Ik voel dat alles kapot gaat. Ik kan geen moed meer hebben.
+Ik heb nu weken lang moed gehad, moed gehad.... Wat baat nog moed?</p>
+
+<p>&mdash;Ge moet malkander steunen.... Het is een ongeluk.</p>
+
+<p>&mdash;Ja&mdash;een ongeluk. Ameye zegt ook&mdash;een ongeluk. Maar na al mijn leed, na
+al mijn ongeluk, nog dees ongeluk weer. Ik kan niet meer....</p>
+
+<p>&mdash;Ge zijt niet alleen....</p>
+
+<p>&mdash;Romaan is buiten zinnen. Hij begrijpt niets. Hij wordt zot. Hij
+antwoordt niet als ik hem aanspreek. Hij zegt niets.... Ik heb toch ook
+troost noodig!</p>
+
+<p>Goedele kuste haar en pinkte gauw een heet-kittelenden traan weg. Ze
+werd gewaar dat men haar meesleepte in al dees wanhoopsdoening en dat
+zij niet tegenstribbelen kon. Tante Olympe stond v&oacute;or 't venster naar de
+daken der huizen te kijken. Goedele merkte hoe haar ouden rugge opsnokte
+af en toe, en hoe onophoudend haar bevende hand het tipje van den
+blauwen voorschoot over hare oogen bracht. En hier, op hare borst, sloeg
+in hevige snikken uit de koortsige smert van Madeleen. Ze taakte
+allentwege de geweldige droefenis, die heerschte in huis, en ze moest
+ook stilaan buigen, neergeduwd door 't overdadig leed. Ze kreeg in de
+minste voorwerpen 't klare zicht van de al-meesterende ellende: de tafel
+stond ongebruikt, de moor had een zwijgende tote, de borstels lagen
+droge en de schotelvodde heel stijf&mdash;en was het niet alsof de soepkomme,
+achter de ruiten van de dresse, geen dienst meer deed? Nutteloos dampte
+op de stove de welriekende koffiekanne. Goedele vroeg algauw, om de
+overweldigende treurnisse te keer te gaan:</p>
+
+<p>&mdash;Mag ik Romaan zien?</p>
+
+<p>Sprakeloos gingen ze, Madeleen vooraan. In de ziekenkamer neep een geur
+van jodeform en woog een zoelte van moede lucht, lijk in hospitalen. Bij
+'t kleine beddeken zat Romaan, diepe gebogen, zijn kinne in beide
+saamgebrachte handen, aan 't staren zonder ende, recht v&oacute;or zich uit.
+Bleek als een laken en mat was zijn aangezicht, beschaduwd door de
+blauwige holten zijner oogen.</p>
+
+<p>Hij keek niet op. 't Was alsof hij niets opnam van wat om hem gebeurde.
+Hij hoorde niet. Goedele reikte hare armen naar hem en stamelde, bevend:</p>
+
+<p>&mdash;Broer ... broer....</p>
+
+<p>Hij keek niet op. Hij was niet hier. Heel verre tuurde hij en zijn
+gelaat, in strakke droomerij verslonden, en peesde noch en herging. Even
+roerden zijne wimpers en trilde zijne rechterhand. Zijn bloed sloeg in
+rappe slagen bultig uit op zijne slapen. Goedele naderde en bukte over
+hem en toetste stille zijnen schouder. Hij vroeg, schier onhoorbaar:</p>
+
+<p>&mdash;Wat is er?</p>
+
+<p>&mdash;Ik.... Bezie mij, Romaan....</p>
+
+<p>Langzaam wendde hij zijn kop omme en zijne vermoeide blikken, door
+koortse ontgloeid, priemden diepe in de oogen van Goedele. Geen blijde
+verwondering en roerde de groote kommernis, die langs zijn voorhoofd
+rimpelde. Hij zei, onverschillig.</p>
+
+<p>&mdash;H&acirc;a!...</p>
+
+<p>Hij stond rechte. Hij tuurde trage naar Goedele's mantel, naar haar
+pelsen krage en haar breeden hoed. Zijn stemme was koud, eentonig:</p>
+
+<p>&mdash;Komt ge van huis, zoo?</p>
+
+<p>&mdash;Ja....</p>
+
+<p>&mdash;Wiezeken heeft verleden nacht met haar poesjenel gespeeld en ze heeft
+naar u gevraagd. Ge weet wel, die poesjenel...? Wiezeken heeft toen naar
+u gevraagd.</p>
+
+<p>Er lag zoo direkt een verwijt in die woorden, dat Goedele te blozen
+begon.</p>
+
+<p>Ze keek naar Wiezeken en ze herkende Wiezeken haast niet. 't Was
+teenemaal ineengekrompen. 't Lag met ontsloten mondje te snakken, al
+slapend, naar lucht, en zijn neusje vliesde permintelijk open en toe,
+asem zoekend te vergeefs. Goedele heur herte deed ineens sterkelijk zeer
+en een pijnlijke aandoening stropte vaste in haar kele. Ze wou zeggen:</p>
+
+<p>&mdash;'t Slaapt....</p>
+
+<p>Romaan hoorde den klank wegfluisteren op hare lippen en lachte:</p>
+
+<p>&mdash;Hee! slapen....</p>
+
+<p>Madeleen bad dat hij nu zou in de keuken gaan en een ei zuipen, en
+Goedele deed mee om hem daartoe te bewegen. Hij werd erom lastig, maar
+als hij zag dat Madeleen zich bij 't beddeken neerzette en dat het kind
+aldus alleene niet zou blijven, gaf hij toe en volgde zijne zuster.</p>
+
+<p>In de keuken zakte hij thoope op een stoel. Hij zei aan tante Olympe,
+die de koffietasjes op de tafel plaatste:</p>
+
+<p>&mdash;Wat maakt gijlie allemaal veel gedruisch!</p>
+
+<p>Hij belonkte den aschbak, die opklaarde onder 't gefonkel der laaie
+kolen. De stilte echter was hem algauw een groote last en 't getik van
+'t kleine horloge kon hij weldra niet meer verdragen. Hij vroeg een
+kopje koffie. Hij roerde met het lepeltje erin en volgde het luttel
+schuim, dat op de dampende vlakte ommeringde in diverse draaiingen.
+Naderhand vestigde hij al zijne aandacht op 't bedrijf van Goedele's
+armen, die haar hoed afnam en heur mantel weghing nevens de dresse. Hij
+zuchtte en vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Is dat een nieuwe hoed?</p>
+
+<p>Hij vond het zelf gek dat hij die vrage deed, en verzocht Goedele dat ze
+neerzitten zou. Hij zei:</p>
+
+<p>&mdash;Vertel me eens wat, zusje. Ik ben zoo in folterende spanning. Ik weet
+niet wat er buiten gebeurt. Och! ge kunt niet gissen, gij, hoe diepe een
+mensch lijden kan.... Het leed, Goedele, en heeft geen palen.</p>
+
+<p>&mdash;Alles komt weer goed.</p>
+
+<p>&mdash;Alles?</p>
+
+<p>Hij glimlachte droeve en hief zijn koffie tot dichtebij zijne lippen.
+Hij snoof den walmenden geur op en zette het kopje, met een tikje, weer
+op tafel neer.</p>
+
+<p>&mdash;Meent ge dat, Goedele?</p>
+
+<p>Ze verzekerde met haastigheid, om hem te troosten. Hij schudde stille
+zijn hoofd en zijne onderlip zakte rijzekens neerwaarts. Trage schoof
+hij zijne vingeren door zijn haar, en liet ze lui afsleren langs zijne
+ooren en zijnen hals. Hij lei ze nadien op de tafel en ging de bochtige
+aderen na, die blauw uitkrinkelden op het mat-bleeke vleesch. Het docht
+hem dat ze buiten hem waren en hij verwonderde zich dat de magere
+beentjes, als hij ze roerde al trommelend op het tafelberd, zoo
+zichtbaar waren. De zware stilte woog hier tallenkant.</p>
+
+<p>Hij kruiste meteen zijn beenen overeen, leunde achterwaarts over en na
+zijn opgeheven knie in beide handen, lijk iemand die eene gemakkelijke
+houding zoekt om te converseeren. Over zijn aangezicht kwam een spijtige
+oolijkheid en hij vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;En thuis bij u, hoe draait daar de rommel?</p>
+
+<p>Hij hechtte schijnbaar geen belang aan zijne woorden, en hij wiegde
+zoetekens op zijnen stoel, bij maniere van spelen. Goedele wilde seffens
+een goede hoop in zijn hoofd brengen, en omdat zij zich herinnerde de
+hertelijke aandoening van moeder, zei ze:</p>
+
+<p>&mdash;Goed.... Ge weet wel wat ik beduid daarmee. Het huis is in ruste. Het
+staat daar zonder geruchten, in den grooten zwijgenden tuin. We leven te
+gare daarin. De deuren blijven dicht en geen lawaai van buiten dringt
+binnen. Geleidelijk geraakt in de stilte het geweldig verleden effen....</p>
+
+<p>&mdash;Wat wilt dat zeggen? Effen?</p>
+
+<p>&mdash;De herinneringen zijn nu vaag geworden en men begint te merken dat er
+maar iets van overblijft ... wij, en dat we leven ... tastbaar nevens
+malkander staan....</p>
+
+<p>&mdash;Leven ... leven ... leven....</p>
+
+<p>Hij tuurde naar de zoldering en liet zijn hoofd ten geheele overhangen,
+op de leuning van zijn stoel. Goedele voelde dat zij hem naderen kon met
+het gansche droeve huis van ginder....</p>
+
+<p>&mdash;Daar zijn t'onzent leege plaatsen om de tafel, Romaan. Moeder wordt
+zwak. Moeder vraagt naar u. Ze heeft geweend dezen morgen.</p>
+
+<p>Hij wipte meteen rechte en stond midden de keuken heel verwilderd naar
+Goedele te zien. Hij stiet haar ruw aan tegen het aangezicht, met zijne
+blikken. Hij boog zich over haar, benauwd fluisterend:</p>
+
+<p>&mdash;Wie heeft u hier gezonden?</p>
+
+<p>Hij merkte dadelijk hoe bang zijzelve werd en hij week, op een ende
+uitberstend met schrikkelijke woede. Zijne armen zwaaiden toornig
+ommentweer en dieper zakten de rimpels in zijn voorhoofd. Hij riep:</p>
+
+<p>&mdash;Wie? Wat komt ge hier praten van iemand ... die onze moeder is? Moet
+ge mij komen aantasten, als ik nu lam lig, en denkt ge dat ik niet meer
+tegenstribbelen kan? Ho! Ho! Ho! Het kind is bijna dood.... Ze naderen!
+Ze naderen!</p>
+
+<p>Goedele zat verplet en met pijnlijke angstigheid blikte ze op naar heur
+broeder.</p>
+
+<p>Hij rok zijn mond open om al zijn haat in vierkante brokken neer te
+gooien.</p>
+
+<p>&mdash;Ze hebben mij in mijne zoete droomen getroffen. Ze hebben mijne liefde
+bezoedeld, bemorst, beslijkt.... Hee! Hee! Ze hebben mijne jeugd
+berimpeld en mijne herte vergald!... Wacht even! Laat me woorden vinden
+... laat me zoeken ... Wacht!</p>
+
+<p>Hij slikte moeielijk het speeksel in, dat zijn tong belemmerde.</p>
+
+<p>&mdash;Maar waar was moeder, als ik Madeleen en tante geen eten meer kon
+geven? En als Wiezeken er dan nog bij kwam? En als Wiezeken dan nog ziek
+werd? Moeder keek niet omme.... Nu, nu, binstdat het kind sterft, komt
+er versche hoop! Willen we nu de slonse laten zitten? Het kind is dood.
+Het kind is vergeten. Willen we nu naar huis gaan en ons' moeder gaan
+kussen?</p>
+
+<p>Zijn stemme zonk, werd heesch en moe, en zijne oogen doofden weg in
+natheid.</p>
+
+<p>&mdash;Gij weet niet Goedele, wat er al gebeurd is. Gij weet niet hoe moeder
+Madeleen wou omkoopen, hoe ze haar vervolgd heeft zonder ruste. Ik heb
+naamlooze brieven ontvangen.... Ik durf u alles niet zeggen. Moeder is
+een misdadige. Nu stuurt ze u tot mij ... u, die 'k buiten en boven
+alles stelde, naast mijne vrouw. Luister&mdash;ze zal voort alles aanwenden,
+alles, alles.... Ze zal huichelen, ze zal weenen.... Ge hebt gezegd dat
+ze geweend had!</p>
+
+<p>Goedele snikte. Hij lei zijne hand op haren schouder en sprak nu zonder
+drift, met een droeve zachtheid, een kleine stilte latend tusschen elk
+woord, om schoone en klaar en peiselijk te wezen. Daar schorde altemets
+een klank in zijne keel of 't was aleens, alsof hij zijn asem averechts
+ophaalde.</p>
+
+<p>&mdash;Heb ik u zeer gedaan?</p>
+
+<p>Hij vingerde langs heur haar, zoete haperend in de losse krullen, en hij
+streelde haar aldus en kriebelde achter hare ooren.</p>
+
+<p>&mdash;Ik heb geen kwade inzichten, zusje, ik ben zeer diepe geknakt en mijn
+leven is me straks een last. Ben ik ruw geweest en heb ik u met ruwheid
+getaakt? Maar zonder oogen ben ik nu, mijn zusje&mdash;en alles wordt zwart
+om me. Ik heb u niet gezien. Ik wil u geerne voelen dichte, zoo.... Ge
+moet mij vergeven.</p>
+
+<p>Ze keek op naar hem en hij zag in hare oogen de klaarte liggen van al
+hare liefde. Een heete traan dropte dikrollend langs zijne wangen en
+pletste met klein geflits midden op haar voorhoofd.</p>
+
+<p>&mdash;Laat ons sterkelijk hopen, zei ze.</p>
+
+<p>Hij knikte en zijne wimpers vielen toe....</p>
+
+<p>Naderhand werd er op de deur geklopt en zonder wachten klonk de klinke
+omme. Tante Olympe stond seffens rechte en was tevreden dat er toch
+iemand een ende kwam stellen aan het pijnlijk gesprek. Ze huppelde tot
+aan den dorpel.</p>
+
+<p>&mdash;Goeien morgen!</p>
+
+<p>'t Was Ameye. Hij boog seffens heel beleefd, als hij Goedele bemerkte.
+Het was wel eene subiete aandoening, die hij daarmee verbergen wou, en
+een tijdelijke blos kleurde zijne wangen en zijne ooren. Hij bedwong
+echter algauw zijne vlugge ontsteltenis en sprak heel gemakkelijk van
+kleine zaakjes, zich vooral bezighoudend met Wiezeken. Hij liet al
+gelijk geen durende droefenis wegen op de conversatie en vermeed
+zorgelijk een tragisch woord of gevaarlijke toespelingen. Daar lag iets
+opzettelijk lichtzinnigs in zijne zinnen en nievers duldde hij een
+stonde stilte, wetende dat de smert al zwijgend opzwelt en zwaar wordt.
+Hij zei:</p>
+
+<p>&mdash;Ziekten draaien alzoo soms heel zonderling uit. We moeten ons nu niet
+laten be&iuml;nvloeden.... Hebt ge Wiezeken al gezien, juffrouw? En wat dunkt
+u? Het kind ziet er niet zoo bar slecht uit.</p>
+
+<p>Hij klopte op de knie van Romaan:</p>
+
+<p>&mdash;Jongen! gij zijt de ziekste! Ge hebt niet de minste koeragie. Ge zit
+daar met een bleek en afgemat gelaat, en uwe oogen rollen vervaarlijk
+omme. Wat helpt dat allemaal? Kijk eens naar mij! Ik heb den geheelen
+nacht hiernaast, in de iodoform, een pestlucht, gezeten. Ik heb een
+beetje geslapen&mdash;als ik thuis kwam, ik heb vrij veel ge&euml;ten, en ik ben
+hier terug, gezond. Heeft Romaan wat ge&euml;ten, dezen uchtend, tante
+Olympe?</p>
+
+<p>&mdash;Een walm koffie opgesnoven....</p>
+
+<p>&mdash;Dat is buiten reden!</p>
+
+<p>Hij liet zich ten halve kwaad en eischte dat Romaan dadelijk een paar
+eieren zuipen zou. Hij was daarbinst stille aan het tateren met Goedele,
+die hem sprakeloos, met vage bewondering, had beluisterd. Hij vroeg hoe
+zijzelve 't stelde, en verzekerde dat hij in waarheid gelukkig was haar
+te ontmoeten, al had hij ook aan smertelijke omstandigheden haar komste
+te danken. Hij zag dat ze hem moeielijk antwoord gaf en tevergeefs
+probeerde een hoffelijke formule te gebruiken. Hij praatte maar door en
+staarde soms met ongemeene strakheid in hare oogen.</p>
+
+<p>Goedele had hem zich heel anders voorgesteld. Hij was precies een andere
+man. Het docht haar dat hij meer dienstveerdig was en meer ijverig in
+zijne dienstveerdigheid. Hij deelde zijn eigen precies uit en al wat hij
+zei, 't en was maar om gauw de gapende stilten te stoppen. Ze voelde dat
+alles zeer duidelijk, en stilaan groeide zijn gansche wezen op in haar.
+Ze was 't bewust, dat hij zich alzoo meester maakte van haar en haar
+teenemaal met zijn eigen leven vervulde. Ze had ook zoo dikwijls en zoo
+lange aan hem gedacht en zich zijn bijzijn gewoon gemaakt, dat hij 't nu
+gemakkelijk kon en dat het haar niet vreemd voorkwam. Zijn woorden
+trilden in haar met ongemeene galmen, en zij luisterde ernaar, en 't was
+haar alsof ze nooit te luisteren zou staken. Als zijn stemme altemets
+opklom tot een vrage&mdash;zij hoorde aan den stijgenden klank dat hij een
+vrage deed&mdash;wist ze daarom niet seffens wat ze antwoorden moest, en zij
+vond het ook niet zonderling dat hij op geen antwoord wachtte. 't
+Geluchte was vol van hem en ze asemde in dat geluchte. Ze merkte weleens
+dat hij nooit zinspeelde op vroeger ontmoetingen en zich niet
+verwonderde over hare lange afwezigheid. Ze had dan, lijk een
+hoofddraaiing, de leege sensatie, die zij lestmaal op den drempel met
+Ameye gevoeld had&mdash;en ze zag nog, in scherpe herinnering, hoe hij zich
+toen langzaam boog om het hulsttakje op te rapen....</p>
+
+<p>Een rap sloffengesleer schoof scherrelend in de nevenkamer en Madeleen
+stond meteen hijgend in het deurgat. Ze bracht hare handen aan hare keel
+precies om daar een nijpinge weg te krijgen, die haar te spreken
+belette, en, in haar doodsbleek gezichte, viel haar mond open, een
+blauwe schaduw trekkend, van weerskanten, in hare kaken. Romaan sprong
+lijk een zinnelooze naar heur en zijn koffiekopje viel
+kletterschervelend in brokkelingen uiteen op den vloer. Hij duwde haar
+op zijde en liep haar voorbij, de ziekenkamer in. Tante Olympe begon
+schrikkelijk te beven en ze bad:</p>
+
+<p>&mdash;Aai-Heere! Aai-Heere! wat is er nu?</p>
+
+<p>Goedele nam Madeleen in hare armen en Ameye bracht een glas water aan
+hare lippen. Ze paaiden haar, vragend:</p>
+
+<p>&mdash;Hebt ge zeer? Ge moogt u niet zoo opjagen, lieve. Kijk eens opwaarts.
+Wat is er gebeurd?</p>
+
+<p>Madeleen slikte moeielijk en wees naar achteren met haren vinger, dof
+stamelend:</p>
+
+<p>&mdash;'t Kind ... 't kind....</p>
+
+<p>Ze hoorden dan Romaan, die hoog te roepen begon, met onherkennelijke
+stem, en daartusschen 't kleine geween van tante Olympe. Ameye haastte
+zich ook naar de kamer, en Goedele sprenkelde kille droppels op Madeleen
+haar gezichte.</p>
+
+<p>&mdash;Hoort ge? hakkelde Madeleen, zich opwerpend heel smertelijk in
+Goedele's armen.</p>
+
+<p>&mdash;Maar wat deert er toch?</p>
+
+<p>&mdash;Hoort ge?... 't Sterft!</p>
+
+<p>Ze viel nadien huilend naar voren op Goedele haren schoot en jammerde:</p>
+
+<p>&mdash;Ho! Ho&oacute;o!... mijn kindeken, mijn kindeken, mijn dutseken!...</p>
+
+<p>Haar lijf snokte op en rilde, en hare vingeren waren in pijnlijke
+stuipen ommegekruld. Ze hief zich dan, plots zwijgend op, en keek
+verwilderd Goedele aan. Ze fluisterde, geheimzinnig:</p>
+
+<p>&mdash;'t Is vreeslijk. Ik kon 't niet zien. Ik kon 't niet uithouden. Ik zal
+daar iets leelijks van krijgen, in mijnen kop! 't Lag met zijne armen
+zoo subiet hopeloos geweld te doen ... en te rukken aan de sargie, met
+zijn nagels ... en 't heeft mij meteen bezien, met zijn oogskens wijd
+open.... Wat wou 't zeggen, o God! 't En kon niet spreken, en die
+oogen.... Ik dacht dat het te roepen begon. 't En zei niets. 't Waren
+die oogen.</p>
+
+<p>&mdash;Drink een beetje, lieve.</p>
+
+<p>&mdash;Ja.</p>
+
+<p>Ze grabbelde bibberend naar het glas. Tante kwam ook half zinneloos in
+de keuken binnengeloopen en hief hare armen omhooge. Ze stotterde:</p>
+
+<p>&mdash;'t Is zonde!</p>
+
+<p>En ze deed teeken, achter Madeleen's rugge, dat Goedele zou gaan en
+helpen.</p>
+
+<p>Goedele ging. Ze voelde hare voeten, al gaande, niet slaan op den vloer,
+en 't was alsof hare beenen automatisch voorttorten. Haar lijf hing naar
+voren. Ze had schrik en dierf niet 't kindeken zien&mdash;en haastte zich om
+te zien....</p>
+
+<p>V&oacute;or 't beddeken, aan 't voetende, stakerechte stond Ameye. Ernevens, op
+een lage stoel zat Romaan. Zij verroerden zich niet. Ze keken
+halsstarrig toe. Het kind lag heel wit midden op het witte kussen en op
+zijn aangezicht was geen speur van leven meer. 't En asemde niet ...
+Goedele week instinktmatig. Ze was tewege het te zeggen, dat het geen
+asem meer had.</p>
+
+<p>&mdash;Romaan....</p>
+
+<p>&mdash;Ssjt!...</p>
+
+<p>Wiezeken stak haar linkerhandje uit. Haar mondje viel open en een
+moeielijk geronk ratelde in haar kele. Hare oogen lagen toe en een blauw
+streepken randde er onder aan. In de hoekjes tinkelde een klare traan en
+'t licht, dat tusschen de gordijnen neerzijpelde, speelde er met luttel
+gestraal.</p>
+
+<p>&mdash;Laat me haar hoofd opheffen. 't Ligt te lage.</p>
+
+<p>Goedele bukte zich. De iodoformreuk walmde nu bijtend over haar gelaat
+omhooge. Ze schoof hare handen onder de heete dekens en hief zoetekens
+het kind uit den warmen konk, waar 't zijn koortse broeide. 't Was
+pluimlichte. Ze raakte, door 't fijne hemdeken, het tengere ruggebeen en
+de ringen van de ribbetjes.</p>
+
+<p>Maar Wiezeken wierp haar lijf opeens zijwaarts uit en lag een
+schrikkelijk geweld te doen om asem op te halen. Haar buikje zonk diepe
+in en hare borst zwol uitermate. Twee putjes zakten van weerskanten
+onder hare kin en hare slapen sloegen met traag geklop. 't Geronk en
+staakte niet in haar kele, en ze smeet zich ten geheele met leelijke
+schokken op, daarbinst zwaaiend in de leegte met hare armen. Ze opende
+dan endelijk hare oogen, keek heel strak Goedele aan, en haar gezicht
+werd grauw-rood van het danig geweld. Ze zakte seffens in het witte
+kussen weg. De matte bleekte herkwam over geheel haar hoofdeken en hare
+handjes vielen onbeweeglijk op de sargie. Zij en roerde nu weer niet.
+Hare oogen waren beloken en de blauwe randjes waren blauwer geworden.
+Asemde ze? 't Was weer alsof ze buiten leven lag. Goedele, zich lager
+bukkend, en werd over haar open mondje geen tocht van lucht gewaar. Ze
+vatte dan de tengere vingeren en gedwee, gevoelloos, flets verdroegen ze
+den toets. Goedele roerde op een nieuw de vreeslijke angst, en ze lonkte
+zijwaarts op naar Ameye, geen afstand meer voelend tusschen hem en
+haarzelve in de harrewarrije van het groote ongeluk. Met vreemde stem
+sprak Romaan:</p>
+
+<p>&mdash;Laat ons nu rustig zijn....</p>
+
+<p>Zijne lippen waren droog en kleurloos, en 't wit van zijne oogen was in
+de hoekjes langs kleine aderen rood geworden. Hij trok stille Goedele
+zijlings weg en fluisterde:</p>
+
+<p>&mdash;Het slaapt.</p>
+
+<p>Op dat oogenblik hadden Goedele en Ameye dezelfde trilling en ze
+staarden naar mekaar. Ze begrepen meteen wat niet in woorden over hunne
+lippen kwam, en ze bogen onder dezelfde vreesachtige treurnisse hun
+hoofd. Alles werd groot in deze kamer en de geruchten van de strate,
+eerst niet opgemerkt, begonnen luidelijk te klabetteren tegen de muren.
+Binst eene toevallige stilte, die neerzeeg al met een keer en een
+benauwdheid lei langs alle voorwerpen, klonk tegen de zoldering den
+doffen tert van Mari&euml;tte's vader, en de deure begon redeloos te rotelen.
+Een siddering kroop over Ameye zijn rugge en Goedele krinste bang met
+hare schouders. Ze blikten allebei terzelfdertijd neer naar het kind....</p>
+
+<p>Daar kwam een blauwe verve over Wiezeken's gezichte en haar neuzeken
+puntte scherp naar omhooge. Drie rimpelingen groeven een leelijke
+schaduw op haar voorhoofd en de hoekjes van haar mond zakten neere, haar
+kinne wegduwend tot een beenderig tjopken. Romaan zei:</p>
+
+<p>&mdash;Is hier geen zeupken water voor het kind?</p>
+
+<p>Ameye en Goedele hadden alweer eene pijnlijke verwondering, z&oacute;o rustig,
+bijkans onverschillig, was zijn gezegde. Ameye bracht een lepelken water
+aan de lippen van het bengelken en Goedele hielp hem, Wiezeken zoete
+opheffend opdat ze goed zwelgen zou. Ze zagen malkanders handen
+nevenseen te werke en 't was alsof ze sinds lange zoo in gewone doening
+werkzaam waren geweest. Ze dachten niet daaraan: het was een algemeen
+gevoel, dat niet tot preciese gedachten opschokte. Ze waren niet
+verwonderd dat het zoo werkelijk was. Hunne handen taakten hunne handen.</p>
+
+<p>Het water drupte nutteloos weg in Wiezeken's hals en de kilte en bracht
+geen beweging op het blauwe gezichtje. Aldoor blauwer werd het, en
+dieper, smertelijker 't gerimpel daarboven....</p>
+
+<p>&mdash;'t Is dat ze slaapt, mummelde Romaan.</p>
+
+<p>Goedele kon zich niet meer bedwingen en gauw te reke stortten hare
+tranen plat neere op de witte dekens. Ameye fluisterde:</p>
+
+<p>&mdash;Wees sterk....</p>
+
+<p>Ze beet op hare lippen en 't zicht van de schrikkelijke doening, die in
+haar vlugge getraan tot vage strepen was weggesmolten, kwam op een nieuw
+klaar te voorschijn. Ze was Ameye dankbaar dat hij dat woord gezeid had
+en dat weer sterkte haar zinnen staalde. Ze hoopte nu een rap ende, de
+rappe nadering van den sterken slag, om dan met zekerheid te kunnen
+worstelen. Tegenwoordig hing nog 't gevaar als een wolke te dreigen, en
+'t was te hooge en te wijd en overal tastbaar&mdash;en nievers te taken. Ze
+wachtte. Ze wist dat Ameye haar een steun was. Als de schrikkelijke
+smert zou uitbreken, zou ze pal staan, met een herte vol troost....</p>
+
+<p>Plots iets ziende, dat lange buiten 't bereik van zijn begrip gebleven
+was, rok zich Romaan met een hard gesnok van zijn spieren uit op zijn
+stoel, en wipte nadien rechte.</p>
+
+<p>&mdash;Hee-la!</p>
+
+<p>'t Was een doffe roep en zijne wenkbrauwen kromden verwilderd naar
+omhooge. Hij knelde Ameye's arm forsig tusschen zijne vingeren en neep
+door, zijn eigen afmattend met overdadig geweld. Ameye zweeg. Romaan
+hijgde:</p>
+
+<p>&mdash;Ziet ge ... ziet ge gijlie dan niet?...</p>
+
+<p>&mdash;'t Zal overtrekken....</p>
+
+<p>&mdash;Hee-la!</p>
+
+<p>Hij boog zich en, in een subiete duizeling, stortte bijna voorover. Hij
+reikte zijn hand gretig uit naar zijn kind en hakkelde, zinnelooze
+woorden kappend in 't gaan van zijn onrustigen asem.</p>
+
+<p>&mdash;Overtrekken.... Overtrekken?... Watte?</p>
+
+<p>Wiezeken stiet nog eens haar borst opwaarts en heel haar lijveken bultte
+uit, onder de bleeke sargie. Ze duwde hare ellebogen in 't kussen en
+steunde erop en haar magere kele werd lang, een smal peezeken gelijk,
+dat door de kinne hooploos werd opgetrokken. Haar mondje werd een
+vierkantige holte en daarbinnen was 't al donkerrood en ratelde een
+rukkend snorken diepe.... Dan opende ze hare oogen en tuurde met
+onzeglijke pijne rechtuit, heel verre, nievers hulp meer vindend
+hierdichte.</p>
+
+<p>Z&oacute;o staarden hare oogen, al viel weer plat haar pover geraamte, al
+rustten weer hare moede handjes, al zegen weer toe hare lipjes, heel wit
+van verve, heel droge, heel doorzichtig.... Zoo keek ze. Ze was nu niets
+meer, zoo nietig en vergaan. Ze was niets meer. En tot het laatste keek
+ze alginder, en de strakke blik doezelde weg achter een vool van grijze
+natheid....</p>
+
+<p>Goedele zakte ineen op hare knie&euml;n.</p>
+
+<p>Romaan had een tijdeken verschrikt zijn asem ingehouden en wankte nadien
+achteruit. Heel zijne ellende, heel zijn endeloos leed kreet hij in wild
+gejammer uit en hij stampte razend op den vloer, aldoor slaande met
+zijne vuisten tegen zijne slapen.</p>
+
+<p>Zoodat Madeleen plots de deur opensmeet en daar stond, zonder een traan,
+zonder een woord, lijk een doode overend....</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h3><a name="hIX" id="hIX"></a>IX.</h3>
+
+
+<p>Late in den avond kon Goedele naar huis gaan. De groote woonste was haar
+gansch vreemd geworden, zooals die v&oacute;or haar in de donkerte, heel
+massief, achter het hekken oprees. Binstdat ze de deurbelle deed
+rinkelen en zich nog aan 't verwonderen was over den lang-vergeten klank
+ervan, merkte ze achter zich, midden de strate, Justa. Justa beweerde
+dat ze juffrouw was gaan opzoeken, om wille van de vroege donkerte, en
+dat ze nu toch danig tevreden was dat juffrouw endelijk ongedeerd was
+thuis geraakt.</p>
+
+<p>&mdash;Mevrouw was zoo ongerust in den namiddag! fleemde ze zoeterig, terwijl
+ze den groote sleutel in het klinkende slot duwde.</p>
+
+<p>&mdash;Mevrouw wilde maar altijd nieuws weten. Juffrouw weet nu misschien wel
+nieuws.</p>
+
+<p>Goedele antwoordde niet en stapte gauw binnen. Terloops was haar idee
+dat Justa haar gevolgd had en nageloerd langs den weg, maar ze dacht er
+niet verder over na. Dat alles, meende zij, was ook nu zoo verre van
+haar verwijderd, dat ze geen belang meer stellen kon in peuterige
+leelijkheidjes.</p>
+
+<p>Ze had de smart tot diepe in haar vleesch gevoeld; en wat hier ommeging,
+de doening van moeder en de kinderachtigheid van vader, al dat suffe
+bedrijf van elkendeen in de groote leege woonste, 't was rijzekens een
+buitenmenschelijk gespeel. Ze zag even in haren geest het pieuze gebaar
+van Sebastiaan zijn vingeren....</p>
+
+<p>Ze stond v&oacute;or Ursule. Ze had het gevoel dat ze heel hoog stond. Ze zei
+simpel:</p>
+
+<p>&mdash;Het kind is dood.</p>
+
+<p>Ursule en roerde niet. Ze keek naar Seppie, die zich had neergevleid om
+hare voeten en nu lui zijn muilken snuivend opstak naar Goedele. Haar
+blik was hard, gewoon-hard, en de lichtstreep, die de lampeklaarten op
+heur gladgestreken haar leiden, en bewoog geen steke naar achteren noch
+voren. Ze sprak:</p>
+
+<p>&mdash;God hebbe zijn zielken. Het lieveken is gelukkig.</p>
+
+<p>Na een stonde vroeg ze of Romaan sterk was, en als ze vernam dat hij
+zeer afgemat en terneergeslagen het verlies van zijn dochterken beleden
+had, viel van hare lippen een koud woord, dat vreemd tegen hare
+gevoelerigheid van te-morgen afstak.</p>
+
+<p>&mdash;De tijd zal 't uitwisschen, zei ze.</p>
+
+<p>Goedele had meteen geschokt opgekeken. Ze bedaarde echter subiet, zich
+peiselijk opheffend in de wijde golving van haar leed, en beaamde
+stille:</p>
+
+<p>&mdash;Ja, de tijd zal 't uitwisschen....</p>
+
+<p>Ze verliet zonder groeten de eetplaats en tort langzaam de trap op.
+Haar kamer, docht haar, had een zonderling uitzicht en met de roerende
+keersevlamme klaarden de stoelen, de witte vlekken van 't bedde, en de
+breede spiegel van de toilettafel, met onbekende vormen op. Het scheen
+haar hier alles zoo oneigen en de reuk van de versche lakens tingel de
+in haren neuze, lijk iets dat nooit bij deze lakens behoord had. Wat was
+hier gebeurd? Ze schudde haar hoofd en mompelde lijdelijk:</p>
+
+<p>&mdash;In mij is 't gebeurd....</p>
+
+<p>Ze had het ganschelijke gevoel daarvan, maar verder kon ze in haar eigen
+niet ingaan. Ze beleefde de vreemde veranderingen die haar ziele
+ommegewenteld hadden en de oorzaken lagen te diepe. Daar was iets
+gebeurd. Over al het onduidelijke wezen van haar machtige wee, reikte
+die zekerheid.</p>
+
+<p>Lang bleef ze eer ze inslapen kon, en 's uchtends als ze wakker werd,
+was ze haar gekeerde nature nog niet gewend en waarde hetzelfde vreemd
+geluchte rond de kamer. Binst den dag liep ze met Justa de stad op en af
+en bestelde wat noodig was voor Wiezeken's begraving. Ze deed het
+smertelijke werk zonder vermoeienis. Ze was sterk. Ameye had alles
+opgeschreven wat ze te doen had. Ze deed het alzoo, stlptelijk zijn
+zeggen nakomend, met groote zorgelijkheid. Al voorbijgaand, tort ze bij
+Madeleen en Romaan eens binnen. Ze waren allebei zeer verslagen nog,
+ofschoon Ameye hen niet verlaten had en hun gestadig zijn
+zoet-sprekenden troost gaf. Ze kustte met vrome teerheid hun bleeke
+voorhoofd en drukte de hand van haren moedigen vriend.</p>
+
+<p>Weer drilde ze de straten door. Ze had maar weinig geld. Johannes had
+haar opgeleid dat ze alle bestellingen in zijn naam doen zou. Ze
+bestelde echter alles in name van moeder en ze schrikte niet bij 't idee
+dat moeder vreeslijk opschieten zou. Ze vreesde moeder niet meer. Ze
+dacht zelfs niet aan een vrees, die komen zou. Ze handelde heel
+eenvoudig, praktisch. Moeder had geld.</p>
+
+<p>Omtrent den vallenden avond was gansch het droevig gedoe in orde en
+geraakte ze terug thuis. Ze sprak binst het soepee geen woord en ze deed
+nadien Sebastiaan verwittigen, dat hij in de eerste acht dagen niet
+komen moest. Hij had haar seffens met ommegaanden bode een langen brief
+gestuurd, waarin hij de oorzaken van hare terughouding ten hoogste prees
+en met lange zinnen toch hare deugdelijke opsluiting betreurde. Ze las
+de eerste bladzijde en liet den brief dadelijk wegglijden tusschen hare
+vingeren.</p>
+
+<p>Als ze tewege was op te gaan naar heur slaapkamer, zag ze bij den heerd
+vader zitten, lage gebukt en turende roerloos naar 't gespetter van het
+open vuur. Hij had ook aldoor zwijgend door de koude stilte van het huis
+gewandeld vandage, en hij voelde zich bovenmatelijk droeve worden in de
+droefenis, die Goedele langs alle kamers neerzijgen liet van haar. Hij
+vatte wel niet teenemaal het rechte begrip van wat er zoo geheimzinnig
+in de leegte gebeurende was, maar zijn treurnisse was echt. Goedele kwam
+nevens hem staan en merkte hoe over zijne ronde wangen de blinkende
+tranen rolden en ze vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Hebt ge groot verdriet?</p>
+
+<p>Hij glimlachte binst zijn stille geween en keek op in haar aangezicht.</p>
+
+<p>&mdash;Wel ja ik, zei hij.</p>
+
+<p>&mdash;Romaan is diepe getroffen, vader. Het is goed dat ge dat meevoelt.</p>
+
+<p>Hij stamelde, heel week wordend:</p>
+
+<p>&mdash;Ja, het is goed ... het is goed....</p>
+
+<p>Hij maakte ervan, zonder goed in te zien, een groot ongeluk, en zijn
+herte was er vol mee. Hij probeerde aan het kindje te denken, dat hij
+nooit gezien had, en aan Madeleen, die hij nooit gezien had. Hij dierf
+dat nu doen, in de aanwezigheid van Goedele en buiten 't bereik van
+zijne vrouw. Hij voelde Goedele's hand op zijnen schouder rusten en dat
+deed hem zachte deugd.</p>
+
+<p>Goedele en verwijlde niet lange bij hem. Al trof ze nu een
+teer-lijdelijk herte, al trilde in het kille huif een snare van goede
+aandoening, ze kon niet zoo seffens aansluiten met vader. Vader was, met
+al de rest, verre verwijderd van haar innige leven en ze bekeek hem van
+verre. Ze bleef koel, alhoewel een streelende zoetigheid om hare woorden
+fluweelde. Ze zei:</p>
+
+<p>&mdash;Goeienavond....</p>
+
+<p>En met eene aaiende buiging golfde hare stem. Hij voelde hare vingeren
+trage wegsleeren over zijn schouder en hij zat subiet heel alleene en
+bangwordend in den naderenden nacht, te turen zonder weten naar 't
+laaierig vuur, dat oplikte langs de vlammende scheiers.</p>
+
+<p>'s Anderendaags was 't weer een ijverig en verward bedrijf. Na een
+loopken in de stad, waar ze nog haastig 't een en ander te verrichten
+had, kwam Goedele bij Romaan. Ze vond hem in de keuken. Hij keek
+rijzekens op, als ze binnenkwam, en nauw hoorbaar groette haar. Ze kon
+door licht en menig getater hem niet uit zijn somber gemijmer krijgen en
+ze moest het endelijk opgeven, met een zucht. Ook Madeleen en liet zich
+door geen troosting roeren en zat in zwijgende neerslachtigheid precies
+te voelen over haar den stillen gang van den tijd. Niemand sprak over
+het kind. Tante Olympe was lijk een automaat den vloer aan 't
+affledderen en stond bijwijlen zonder kijken te roefelen over een zelfde
+plekke.</p>
+
+<p>&mdash;Ge moet ulie struisch houden, zei Goedele.</p>
+
+<p>'t Geluid van haar stemme wuifde uiteen en viel dadelijk plat neere,
+versmoord tusschen de muren, en zonder uitslag. Het huis was vol van
+Wiezeken, en niemand sprak van Wiezeken.</p>
+
+<p>Een tijdeken v&oacute;or den noene tort Ameye binnen. 't En deed Goedele geen
+emotie aan, hem op een nieuw dichte bij haar te voelen. Ze was 't alzoo,
+zonder overgang, reeds gewend, en lei hare hand met rustigheid in de
+zijne. Ze was wel tevreden dat hij haar helpen kwam om de stilte te
+bestrijden, waar zij hopeloos in alleene bleef. Hij voelde met meer
+gemak de doode leegte, en zijne gebaren, 't vergaan van zijn wezen en
+'t gedoe van zijne armen, waren min gemaakt. Het gelukte hem, met gewone
+gezegden, 't getik van 't horloge te bemeesteren, dat zoo pijnlijk het
+ongeluk hier in zeerdoende stondekens tjokte. Hij sprak van 't weer&mdash;'t
+geluchte was vochtiger en lager de hemel, en 't zou wel sneeuwen eer 't
+avond werd....</p>
+
+<p>&mdash;Sneeuwen? vroeg Romaan, verschrikt.</p>
+
+<p>Ze voelden 't plots allemaal tegare waaraan hij dacht en zagen hoe de
+sneeuw, binst de deemstering, zou neerwaarts vlagen en ommevlokkelen,
+langs het eendelijke graf.... Want het huis was vol van Wiezeken, en
+niemand sprak van Wiezeken.</p>
+
+<p>En, in der waarheid, de sneeuw viel. 't Was eerst een opwirrelend gewaai
+van kleine witte dingetjes&mdash;endelijk, als de mannen kwamen en 't
+kisteken wegdroegen en 't wegschoven onder een schoon floers met
+franjen, op den zwarten wagen&mdash;endelijk een regelmatige val van dikke
+trossels, licht-dalend bij buien en stille lijk een groot, blank geheim.</p>
+
+<p>Romaan had ge&euml;ischt dat niemand op de begrafenis zou uitgenoodigd
+worden. De strate was leeg. Gevieren&mdash;tante Olympe was thuis gebleven
+om alles weg te ruimen wat tot een pijnlijke herinnering aanleiding kon
+geven&mdash;gevieren volgden ze te voete de koetse en ze zagen even, in hun
+voortdurend geween, de menschen van weerskanten groeten en verwonderd
+blijven staan, al kijkend naar dien rijkemans wagen rijzekens begeleid.</p>
+
+<p>Na de zegening in de kerke, stapten ze in een groote sjeeze en reden
+achteraan, nu geschokt in dees groote huurkasse met versleten kussens.
+Madeleen voelde hoe alleenig ze hier zaten en hoe alleenig ginder
+Wiezeken lag, en ze stamelde:</p>
+
+<p>&mdash;Me dunkt dat wij er nu zoo verre van af zijn....</p>
+
+<p>&mdash;Ja, zei Romaan, heel laag.</p>
+
+<p>Maar Ameye was weer aan 't vertellen en trachtte met diepe woorden 't
+zachte vergaan van dees tijdelijke leed te doen voelen. Ze luisterden
+wel naar hem, zagen wel een wijlken lang de troostvolle beelden
+opflikkeren, die hij ontstak in hun gepeinzen. 't Matelijk gewiel van de
+sjeeze echter en de kloppende draf van de peerden, de almachtige sneeuw,
+die achter de ruitjes in wijde vlagen neerwoei en 't hoorbaar gerol van
+den rouwwagen, vooraan, den schrikkelijken wagen, al 't gedruisch
+dreunde zoo sterkelijk aan tegen hunne hersenen, dat ze seffens hun
+hoofd lieten zakken en op hunne vingeren 't heete gespets van hunne
+tranen gewaar werden.</p>
+
+<p>Het kerkhof was heel en al een wit veld door zijschaduwen van zerken en
+zuilen gebroken. De mannen, die waren meegekomen en waar de wind ook
+omme wit gewinterd had, maakten het kistje bloot en bonden er twee
+koorden rond.</p>
+
+<p>Het was een akelige stonde. De sneeuw smeet in Romaan zijn gezicht, lijk
+hij daar van voren stond, dichtebij. Hij ging alles nauwkeurig na en 't
+zicht van dat houten ding, waar Wiezeken in beloken lag, spijkerde zich
+met zeerdoend hamergestamp vaste in zijnen geest. Hij hoorde 't
+hopelooze gesnik van Madeleen, als Wiezeken in 't volle weer verdragen
+werd en zoo eendelijk wegzakte, diepe, in de eendelijke holte. Hij
+merkte nog hoe de mannen bedaard en onverschillig te werke gingen....</p>
+
+<p>Daar kwam een groote moeheid over hem en zijne knie&euml;n knikten thoope.
+Hij wist meteen niet meer duidelijk wat er gebeurende was en liet zich
+door Johannes meeleiden. Hij trutselde, wilde een klaarte krijgen in
+zijn gedachten en mummelde gestadig:</p>
+
+<p>&mdash;Maar ... maar ... sapristi! Zijn we nu allemaal tegare?...</p>
+
+<p>Hij werd opgeheven en zat op een nieuw in het rijtuig. Hij zag Madeleen
+weer uitbersten in een wee zonder ende en kreeg meteen 't idee dat hij
+ze troosten moest.</p>
+
+<p>&mdash;Toe-de, mijn kind ... ge moet op iets anders peinzen....</p>
+
+<p>Ze waren allemaal bang van hem. Hij zei:</p>
+
+<p>&mdash;'t Is hier plezant, zoo te rijden....</p>
+
+<p>Hij klopte op Madeleens schouder en bukte zich om te blikken in haar
+betraand gezichte. Hij streelde nadien hare handen en peuterde zoetekens
+over hare vingeren en begon ook te weenen. Hij liet zijn hoofd
+neerzijgen tegen hare borste en sloot zijne oogen.</p>
+
+<p>Ze geraakten thuis. Ze moesten hem wakker maken en hij keek heel
+verwilderd toe, zonder begrijpen. Hij ging de trap op en vond in de
+keuken tante Olympe aan 't jeremieeren met Mari&euml;tte. Mari&euml;tte wilde
+subiet wegloopen, verlegen omdat ze midden in al deze droefenis betrapt
+werd. Ameye vroeg dat ze arets blijven zou en ze groette elkendeen
+minzaam. Het was eene afleiding en de kamers, waar Wiezeken nu voor
+altijd uit was, en gaapten zoo akelig niet.</p>
+
+<p>Goedele bracht de hoeden en mantels weg en toonde zich uitermate
+gedienstig. Ze schikte de koffiekommekens, had beste koekskens veerdig,
+vulde met djente bewegingen de leegte, die tallenkante herkomen wou.
+En Ameye hielp dapper mee, aldoor de conversatie rechthoudend en de
+aandacht op allerlei zaken verstrooiend. Mari&euml;tte begreep seffens dat
+ze ook van hulp zijn kon en haar klaar stemmeken deed ze sierlijk
+oprinkelen. Ze was alzoo waarachtig een hupsche deerne en hare handen
+waren zoo klein en zoo blank, en ze vingerde zoo prontelijk ermee, om
+haar gezegde uit te teekenen. Ze merkte dat uit de hoeken van de kamer
+allengs de deemsteringe naar voren kroop en ze voelde dat, al
+duisterend, 't geluchte vol zou geraken met een nieuwe angstigheid.</p>
+
+<p>&mdash;Wil ik de lampe aansteken?</p>
+
+<p>Elkendeen keek naar 't venster, waar de dag nog lichtend bezig was. De
+sneeuw bijsde er onophoudend naar 't westen toe, waarheen de wind zijn
+joependen asem joeg, en de vlokken kletsten altemets met een klein
+getjok tegen de ruiten of maakten, precies dansend, een sprongsken en
+een ronde. Als de lampe brandde, was alles in de kamer beverfd met een
+warm-gele klaarte, en dan werd de dalende dag buiten een kille
+blauwigheid. Mari&euml;tte schoof de gordijntjes dichte. De kamer was meteen
+heel gezellig van de wijde vreemdte afgezonderd.</p>
+
+<p>&mdash;Zie-zoo, lachte Mari&euml;tte, nu zitten we lekker.</p>
+
+<p>Ze lachte halvelings, en zij en schond niemands gevoelen met hare lichte
+pleizierigheid. Ze ging het vuur in de stove opkoteren, zoodat het
+poefend te zoeven begon. Ze schonk de koffie in en naderhand een
+druppelken cognac, en ze dwong elkendeen mee te doen en te drinken.
+Johannes kon ook wonderlijk alle droefenis wegtingelen met 't gevleugel
+van zijne aardige woorden. Getwee&euml;n droegen ze behendig hun moeielijke
+take, en endelijk scheen alle groot verdriet verdwenen. Madeleen
+glimlachte en knikte weleens. Romaan bleef sprakeloos, maar effen was
+zijn witte voorhoofd. Het schartend getik van 't horloge en was niet
+hoorbaar meer, en tante Olympe deed haar duimen spelenderwijs overeen
+draaien.</p>
+
+<p>Mari&euml;tte werd dan ten geheele leutig en zette zich aan 't verhalen. Ze
+had al wat zonderlinge tijdekens beleefd, en in haar memorie had ze
+alles opgestapeld. Ze vertelde met gemoedelijke geestigheid, en ze wist
+zoo na&iuml;ef aaneen te knoopen een historie van hare kanarievogels en een
+avonture van de lage strate. En, al zei ze bijwijlen een opgelicht
+zinnetje, ze kon 't allemaal zoo vermakelijk op een blozend lachje doen
+afloopen, dat zelfs Ameye ook dadelijk onder den peisvollen indruk van
+hare tooverige bevalligheid geraakte. Hij klopte op Romaans knie en zei:</p>
+
+<p>&mdash;Hoort ge?</p>
+
+<p>Romaan was daar met zinnen onderstboven in de war. Door al 't gepraat
+heen bleef hij onveranderlijk rondstaren en zweeg. Hij had geen
+gedachten meer. Hij zat thuis. Hij voelde wel dat iets haperde ievers
+... ievers ... maar 't vervaagde alginds, verre van hier. Hij zat goed
+thuis en v&oacute;or hem zat Madeleen, en hij zag Goedele en Johannes en de
+anderen, een warmen kring van roerende lijven. En deugdelijk was hem 't
+gedruisch. Lijk men soms op steile bergen de endelooze rustigheid der
+hemelen met rustigheid bewonderen kan en weet dat men niet blikken mag
+naar onder, waar duizelende diepten het hoofd verdraaien&mdash;zoo zat hij en
+keek naar elkendeen, en dierf niet kijken alginds, ievers waar 't
+smokkel weerde, verre van hier.... En gedurig voelde hij den
+vriendelijken stoot van Johannes' elleboog of 't gewrijf van zijn
+vingeren, zachte.</p>
+
+<p>&mdash;Ziet ge?</p>
+
+<p>Hij knikte verlegen en zijn gelaat en bewoog niet.</p>
+
+<p>&mdash;Hoort ge?</p>
+
+<p>'t Was alweer Mari&euml;tte, die plezant was. Hij knikte. Zijne oogen zochten
+naar Madeleen, die knikte. Hij dronk een zeupken koffie en proefde dat
+er geen suiker genoeg in was. Hij roerde genoeglijk met het
+bel-tjinkelende lepelken....</p>
+
+<p>Binstdien, al meer en meer, omdoezelde een lijze moeheid zijne leden.
+Zijne handen hingen langs de sporten van zijn stoel arets te wiegen, en
+lager zonk zijn kinne. Het docht hem dat hij wel danig zwaar zat en dat
+de leuning hem in zijn rugge bezeerde. De woorden om hem en 't gespeel
+van de golvende stemmen werden een rumoerend lawaai, waarin hij niets
+meer herkende. 't Raasde tallenkant en 't kwam wegen op zijne hersens.
+Hij was plots ganschelijk warm, en de hitte kriebelde in zijn haar en
+onder zijne oksels.</p>
+
+<p>Hij stond subiet rechte en een blos spatte uit op zijne kaken. Elkendeen
+zweeg. Zijn tonge lag dikke in zijn mond en hij kon haast niet
+uitspreken een wenk, die in zijn hoofd bewoog:</p>
+
+<p>&mdash;Komt ge? We gaan....</p>
+
+<p>Hij glimlachte oolijk naderhand en mummelde:</p>
+
+<p>&mdash;Tante Olympe zal 't bedde niet opgemaakt hebben....</p>
+
+<p>Zijn stap was onvaste en hij drukte gretig Ameye's hand, die naar hem
+uitgereikt was. 't Ontlastte Goedele, dat hij zoo stille te rusten ging,
+en ze kustte hevig Madeleen, die ook zeer moe was geworden.</p>
+
+<p>Maar als Madeleen en Romaan weg waren, viel als een gewichte het
+taterend gedoe. Mari&euml;tte was haastig om deze tafel te ontvluchten en
+blikte met zichtbare bezorgdheid naar het uur. Johannes en sprak bijkans
+niet meer en tuurde naar 't geschitter van een lampstraaltje op den
+bodem van zijn cognacruimer. Hij groette onachtzaam Mari&euml;tte als ze de
+kamer verliet, en zat nu tusschen leege stoelen naar leege gepeinzen te
+zien. Tante Olympe zuchtte Juidop.</p>
+
+<p>&mdash;Aai-Heere God!</p>
+
+<p>En zoo drijmaal te reke, om de aandacht her op de droeve gebeurtenis te
+roepen. 't En was niet uit haar hoofd te praten, dat de eerste schuld
+lag in de onwettelijke betrekkingen en dat God een huwelijk bestrafte,
+dat Hijzelf niet had mogen inzegenen. Ze had wel geerne daarover
+gejammerd op een nieuw, om haar emotie deugd te doen.</p>
+
+<p>&mdash;Aai-Heere God! mijn kinderen!</p>
+
+<p>Ameye echter en keek niet op, en Goedele was insgelijks in alleenig
+gemijmer verzonken, zoodat tante Olympe van lieverlede ook zweeg en
+alzoo haar wimpers voelde dudderen. 't Duurde een ommegang van haar
+altijd-zelfde gedachten, eer ze haar oude kappe boog en tegen het
+tafelberd in slaap donkelde.</p>
+
+<p>Een zonderlinge koortse hing in 't geluchte. De wind vlaagde hoorbaar
+tegen 't raam en piepte altemets in een losse rete. 't Vuur in de stove
+werkte te hard en een kwalijke hitte schoof in zware asems eromme. 't
+Was late in den avond geworden, en Goedele dierf niet zeggen:</p>
+
+<p>&mdash;'t Is tijd....</p>
+
+<p>Ze voelde 't gestreel van Ameye zijn droomerige stilte en 't aaide haar,
+'t bedwelmde haar, 't joeg een hijgen in haar borste. Ze wist wel dat
+zij hier nu niets meer te verrichten had, en wat ze nu deed, zoo
+luisteren naar een gedacht en lui worden in een kwaden vrede&mdash;ze wist
+dat het niet docht. Ze werd in haar lijf de wellust gewaar van liggen in
+de zoelte en taken de slapheid van den locht. En ze zei niet:</p>
+
+<p>&mdash;'t Is tijd....</p>
+
+<p>Ze probeerde te denken aan moeder.... Moeders gezichte doezelde weg en
+ze kon geen beeld opvangen, dat stiptelijk moeder was. Haar zinnen
+roerden in ziekelijke teerheid, rustend bij 't doode Wiezeken, rustend
+bij Romaan en Madeleen, want d&aacute;ar was tegenwoordig een rust, waar ze
+lange stonden in verwijlen wou. Ze luisterde alles af....</p>
+
+<p>Ze verlangde niet dat Johannes spreken zou of dat zijne handen, schoone
+bij mekaar gebracht over zijne knie&euml;n, zouden 't gebaar doen van
+woorden. Ze verlangde dat de tijd zou stille hangen, en ze toetste
+Johannes' gepeins. Een ander verlangen en wist ze niet. De toekomst kon
+ze niet mooier willen, en zij en had geen begeerte die zou worden in
+mooiere toekomst volbracht. En zoo had ze stilaan geen besef van wat
+haar te doen stond.</p>
+
+<p>Geen daad kon ze verzinnen, en ze luisterde aldoor naar het doen van
+Ameye, en ze peinsde niet meer:</p>
+
+<p>&mdash;'t Is tijd....</p>
+
+<p>Ze was droeve en vleide zich in zoetige droefenis, en daar was in
+waarheid precies geen tijd om haar. Ze schoot ineens op, met een
+pijnlijken ruk, als Madeleen in het deurgat kwam staan, vragende:</p>
+
+<p>&mdash;Waar hebt ge 't gezet?</p>
+
+<p>Ze ging seffens naar haar toe en vatte hare handen.</p>
+
+<p>&mdash;Wat?</p>
+
+<p>&mdash;'t Beddeken, 't kleene....</p>
+
+<p>&mdash;Lieve, uwe vingeren zijn klamp en ge loopt kousevoets in den koude.
+Maak u niet ziek en bezorg u om niets. Laat alles begaan.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, maar als ik er zoo meteen ievers tegenstruikel....</p>
+
+<p>&mdash;Denk niet daaraan.</p>
+
+<p>&mdash;Of 't kussen ievers zie, met een konksken te midden in, nog....</p>
+
+<p>&mdash;Geef me een zoen en zij rustig. Slaapt Romaan?</p>
+
+<p>&mdash;Romaan slaapt.... En waar zijn de fleschkens? En de kleeren ook al?</p>
+
+<p>&mdash;Ge doet me pijn, Madeleen.</p>
+
+<p>&mdash;Zie ... wees niet kwaad ... ik heb schrik ... ik zie gedurig schimmen
+hergaan over de gordijnen. Ik weet wel dat het een doening is van de
+strate. 't Is me algelijk danig bang en ik kan soms niet slikken.</p>
+
+<p>&mdash;'t Zal de werking van de koffie zijn.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, d&agrave;t is 't.</p>
+
+<p>Ze zei 't met vastheid en was seffens tevreden dat er zoo simpellijk een
+uitlegging was voor dat angstig bedrijf in haar hoofd. Ze merkte dan dat
+tante Olympe heel scheef gezakt was en ganschelijk weggedommeld. Ze had
+nog een flauwen lach en verdween.</p>
+
+<p>Ameye bleef zitten en Goedele zette zich lijk te voren rechtover hem.
+Ze voelde nu dat zijne oogen strak op haar gevestigd waren, en ze wendde
+hare blikken zijlings naar de dresse. De potjes, die daar stonden op
+planken, met hun witte buiken en krullende ooren en een rozige roze vlak
+vooraan, bekeek ze met geveinsde aandacht. Een tinnen teele, schoone
+versierd met een ranke doffe blaren, blonk geweldig uit, en ernevens, in
+een tasje van oud porselein, dorde een doode palmtuil. De teele droeg
+ervan de onbeweeglijke schaduw, lijk ze daar door het noesche licht van
+de lampe opgesmeten werd. Anderszins was de dresse een donkere kasse,
+want niets en was van achteren te merken. Goedele zag allengs ook
+wegsmokkelen de potjes en het klaterende tin, en in haar hoofd peuterde
+alleen de onverdraaglijke last van Ameye's blik. Hij kittelde haar,
+krabde en puntelde, zoodat het een folteringe werd. Ze duldde de
+foltering. Ze wist dat, moest ze nu subiet opkijken, ze Ameye's oogen
+zou zien. Ze wist wat ze zien zou in de oogen. Hij deed haar zeer, hij
+was ongemanierd en hij was onzedelijk. Maar&mdash;moest ze nu subiet
+opkijken&mdash;ze zou geen ongemanierdheid en geen cynische treiteringe zien.
+Ze voelde 't heel klaar, en opkijken en deed ze niet.</p>
+
+<p>Maar bukte hij zich niet en leunde op de tafel om beter zijn blikken te
+doen wegen. Ze stond haastig rechte en zei:</p>
+
+<p>&mdash;'t Is tijd.</p>
+
+<p>'t Klonk eenbarelijk en ze was zelve verwonderd. Ze meende dat ze 't
+leelijkste woord genomen had en dat ze nu gaan mo&eacute;st. Zijn vrage was een
+fluistering.</p>
+
+<p>&mdash;Tijd?</p>
+
+<p>Zijn stemme, met dat &eacute;ene woord, omvatte haar in een lauwe fleering en
+het docht haar dat hijzelf haar tallenkante te gelijk taken kwam. Ze
+betreurde dat ze gesproken had en betreurde dat hij sprak. Ze had de
+peis gebroken van eene zinnelijke mijmering en ze vreesde dat, met de
+beweging van haar lijf, met den gedwongen tert van hare voeten, ze de
+schoonheid van dezen avond onherroepelijk verdrijven zou. Hij sloot
+zijne oogen en lispelde:</p>
+
+<p>&mdash;Ik meende dat een eeuwigheid was aangebroken....</p>
+
+<p>Het trof haar dat ook hij in 't gewiegel van dezelfde gepeinzen vervoerd
+was. Ze werd bang. Zou hij verder spreken? Zou hij in een vallend
+gezegde uit hem gooien wat zij wist dat er droomend gebeurde? Ze werd
+uitermatelijk bang en hare vingeren schoven bibberend overeen. Ze boog
+zich algauw over tante Olympe en schudde haar ruw wakker. Het wijveken
+hief scheef omhooge haar afgemat gezicht en keek verward op.</p>
+
+<p>&mdash;Hein?</p>
+
+<p>&mdash;'t Is late nacht, zei Goedele. Ik moet naar huis. Ga, bidde,
+daarbinnen kijken of Madeleen nu rustig is....</p>
+
+<p>Tante Olympe verliet knikkebeenend de kamer, maar 't gesleer van hare
+voeten was nog merkbaar alover de ruischende planken van den vloer.
+Ameye rechtte zich langzaam op. Heel simpellijk, alsof hij wel wist dat
+geen weigering te verwachten was, sprak hij:</p>
+
+<p>&mdash;Ik ga mee. Alleene moogt ge over strate niet loopen.</p>
+
+<p>Ze antwoordde koud dat hij zich eigenlijk geen moeite moest geven en
+gerust daar blijven kon, als hij eerst z&oacute;o van plan was. Hij vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Wat kan ik hier doen? Elkendeen slaapt en gij zijt weg....</p>
+
+<p>Tante Olympe kwam op hare teenen her binnen, teeken doende dat alles
+rustig was, en Goedele werd buiten reden haastig. Haar hoed, binstdat ze
+hem opzette, beefde in hare handen en een ongemeene gichtigheid
+kriebelde achter hare ooren. Onder 't licht van de lampe schitterde,
+uiterst beweeglijk, de diamant van haren ring. Ze was seffens veerdig en
+smeet zonder hulpe haar mantel over hare schouders. Ze voelde nog een
+beetje vochtigheid in de pelsenkrage, die killig haren nekke taakte. Die
+plotselinge frischheid deed haar deugd, en ze trok met meer bedaardheid
+hare handschoenen aan. Als ze endelijk ommekeek, stond daar Ameye
+alreeds te wachten.</p>
+
+<p>&mdash;Kunnen we gaan, juffrouw?</p>
+
+<p>&mdash;Ja, mijnheer.</p>
+
+<p>Ze deed haar best om hard te zijn of onverschillig. Ze groette tante
+Olympe met overdreven vriendelijkheid, om goed 't verschil duidelijk te
+maken.</p>
+
+<p>&mdash;Slaap zachte!</p>
+
+<p>Ze vestigde hare aandacht op de lampe, die aan 't uitvonken was, en
+tante Olympe, ten halve slaperig, knikte dat ze alles wel zou in orde
+brengen, al lachend groetend:</p>
+
+<p>&mdash;Tot morgen?</p>
+
+<p>&mdash;Tot morgen.</p>
+
+<p>Het licht, dat in vierkante vlekken op de trappen spetterde, vernauwde
+subiet, en de deur klonk dichte.</p>
+
+<p>Ze geraakten op strate. 't En sneeuwde niet meer, maar allerwege reikte
+de blanke vlakte, rijzekens gebroken door 't somber geschemer der
+gevels. Geen mensch roerde daarin. Een benauwde stilte heerschte hier en
+'t was alsof 't nooit anders was geweest en 't nooit anders zou worden.
+Altemets roefelde van boven een wijde wind benedenwaarts, scharrelde
+hoorbaar langs de daken, in de goten, huilde ievers in een
+toevallige-holte of joeg vrij door, meester over de stede. Het licht dat
+van de lanterens openviel, rondde een gele verve plat op de witheid van
+den winter, en, als 't gewaai aan 't rotelen was, waggelde de vlamme en
+roerden op den grond de schaduwstrepen en de klaarten. Andermaal was
+alles stille en men hoorde heel verre 't geronk van de hooge stad, den
+galm van haar late pleizieren.</p>
+
+<p>Een tijdeken bleven Goedele en Ameye op den drempel staan. 't Schoot
+haar plots te binnen dat Justa misschien op den loer was gezet, en ze
+staarde links en rechts den nacht door. Ze zei, opdat hij ook zou
+rondblikken:</p>
+
+<p>&mdash;Geen ziele op weg....</p>
+
+<p>Hij blikte rond.</p>
+
+<p>&mdash;Geen ziele....</p>
+
+<p>Ze hadden allebei terzelfdertijd 't gevoel van deze vreeslijke
+alleenigheid, en hun voet schoof schuchter door de krakende sneeuw. In
+zijstraten en bewoog insgelijks geen levend bedrijf van menschen, en 't
+was alsof ze doolden in een doode stad, zoo tertende naast mekaar op
+zinkenden grond, waar nievers het speur van stappen was achtergebleven.
+Tusschen de spleetjes van onvaste blaffeturen straalde altemets een
+geutje licht, en binnen een huis dreunde bij stonden de slag van een
+pompe of 't getjok van een ijverige naaimachine. Het tijdelijke lawaai
+stierf gauw uit en lijk te voren herkwam de almachtige stilte langs de
+effenheid van gansch de blanke vlakte. De drempels lagen bedolven en een
+hooge zulle kon halvelings nog opduiken v&oacute;or de woonste van rijke lui.</p>
+
+<p>In een ommedraai van den weg merkten ze de sombere gestalte van een
+politieagent. Verder alweer reikte de onbezochte straat, geruchteloos.
+En ze gingen, neerwaarts blikkend, luisterend naar eigen beweeg. Ze
+spraken niet en ze waren gedurig veerdig om te spreken. Ameye wilde met
+geen dwaas gepraat beginnen en zocht het sterke woord, waarmee hij
+beginnen moest. Een vredige zekerheid was in hem rijp geworden en zijn
+besluit lag klaar in zijne gedachten. 't Ware nu dom geweest, indien hij
+met gewone zinnetjes te converseeren ging. Hij liet eerst de stilte hare
+diepe werking doen....</p>
+
+<p>In ongedurige verwachting stapte Goedele nevens hem. Ze taakte soms zijn
+elleboog, als haar voet zijlings uitsleerde, en zoo rilde een
+zonderlinge wrevel langs haren rugge op. Al meer koortse verwarde hare
+zinnen en ze beet somtewijlen toornig op hare tanden, vernederd in eigen
+onverdraagzaamheid. Ook de eenvormige klein-geruchten, 't piepen van de
+sneeuw onder haren schoen, 't geruisch van hare rokken en een kleine
+wrijving van haar pelsenkrage, saam met haar blazenden asem, joeg ten
+uiterste haar lastig ongeduld. Bij 't inslaan van een nauwe stege, werd
+ze gewaar dat ze de baan te buiten waren en misliepen. En toch, al wilde
+ze haastig zijn en zich haar ongeduur tot rap doordrillen opdringen, ze
+zweeg.</p>
+
+<p>De schaduw, die van de daken viel, was dichter hier en nauwer lagen de
+drempels tegenovereen. Daar was ievers nog een kroegje ruchtig, maar
+wijder uit donkerde alles weg in ganschelijke eenzaamheid. Het begon te
+sneeuwen....</p>
+
+<p>Ameye rok zijn regenscherm open en schoof dichte aan naast Goedele.</p>
+
+<p>&mdash;Leun op mijnen arm, zei hij.</p>
+
+<p>Hij sprak heel lage, gewichtig en daardoor was zijn nadering, in
+Goedele's hoofd, een diepzinnige gebeurtenis. Haar ongeduld zakte thoope
+en ze voelde een groote aandoening over haar komen. Aarzelend hief ze
+hare hand op en rustte op zijnen arm. Ze kon niet doorwegen erop. Een
+zonderling gevoel deed hare vingeren tingelen, zoodat de tast van zijn
+lijf ze opwippen deed overhand. Hij fluisterde:</p>
+
+<p>&mdash;Nu hebbe 'k een wonderbaar geneuchte....</p>
+
+<p>Ze meende dat ze te wege was weg te zinken, en het docht haar meteen dat
+de eerde roerde en een holte groef onder haar. Elk woord, dat hij
+uitgesproken had, brandde en daverde in hare hersens en haar hoofd zelve
+werd een holle kasse, waar ze met ongemeen geweld ommeroefelden. Wat had
+hij gezeid? 't Ruischte als een schrikkelijke golving:</p>
+
+<p>&mdash;Een wonderbaar geneuchte....</p>
+
+<p>Ze spande al hare krachten in om sterk te blijven en klampte zich vaste
+aan andere gedachten. Ze wilde denken aan Romaan, en denken aan
+Madeleen, en hare emotie in tranen uitgieten alover 't graf van
+Wiezeken. Ze maakte vluggelings beelden van wanhoop, om iets dat
+opjoepte in haar herte neer te duwen. Ze dwong hare gepeinzen tot
+weemoed en richtte ze alginder, waar 't ongeluk was binnengeslopen en
+waar ze gansch den dag had kunnen weenen. Ze vroeg zich af:</p>
+
+<p>&mdash;Schiet Romaan nu niet wakker en hoort hij niet 't geloei van den
+eendelijken wind?</p>
+
+<p>Ze kon geen angstigheid leggen in haar borste. Ze vroeg zich af:</p>
+
+<p>&mdash;Loopt Madeleen nu niet dolend rond, in waanzin zoekend naar ...
+naar....</p>
+
+<p>Maar ze stiet seffens aan tegen de struischte van 't eenbarelijk geluid:</p>
+
+<p>&mdash;Een wonderbaar geneuchte....</p>
+
+<p>Het klokte zonder ende, en klapperde hare leden door, en 't galmde in
+trillingen weg om haastig weer op te lawaaien, &eacute;en krachtig gedruisch.
+Ze meende dat ze niet meer te kampen vermocht.... Dan zag ze in
+toevallige gepeinzen 't moedeloos gezichte van Sebastiaan en ze moest
+blijven staan, plots ongemakkelijk wordend. Ze voelde nadien dichtebij
+den buigenden blik van Ameye en stapte verder, gedreven door koortsige
+hardnekkigheid. Een oogenblik kon ze nagaan Sebastiaan's bleeke wezen en
+luie vingeren. Ze had geerne een geweldige wroeging willen krijgen, een
+bijtend folteren van al haar vleesch, een schok in haar herte om neer te
+zinken, onmachtig.... Het bleeke wezen vervaagde, teerde uit zonder
+oogenverwijt; en sterker herstraalde tallenkant, triomfelijk, het lokkig
+gezegde:</p>
+
+<p>&mdash;Een wonderbaar ... een wonderbaar....</p>
+
+<p>Ze voelde dat hij zijn stap vertraagde, en dat zijn arm lager zeeg en
+achterwaarts zich rondde. Ze voelde zijne hand sleeren langs haren rug
+en haar omvatten in haar leen. Toen merkte ze hoe dikke de sneeuw al
+zwijgend omlage streek, en zag ze den witten schijn van zijn gelaat uit
+den nacht opklaren en bukken over haar voorhoofd. Ze schrok subiet. Ze
+neep hare oogen toe en kon niet verder terten. Zijn warme asem kittelde
+alreeds op hare slapen. Ze neeg op zij en zakte zonder willen tegen
+zijne borste. Ze hoorde heel zachte:</p>
+
+<p>&mdash;Goedele ... Goedele....</p>
+
+<p>Op haren mond brandde nu de wilde hitte van zijne lippen, en haar mond
+werd wild heet.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h3><a name="hX" id="hX"></a>X.</h3>
+
+
+<p>Het was alles alzoo door de ziekelijke demoralisatie van de
+omstandigheden gekomen, maar Goedele was daarvan niet bewust. Ze leefde
+nu daarin, met onzeglijke drift opasemend het koortsige geluchte, en ze
+wist niet dat er een andere weelde der zinnen kon zijn. Alles had ook
+meegeholpen in 't kwade bedrijf&mdash;haar opgroei tusschen de muren van 't
+massieve, leege huis, haar omgang met het onecht gedoe van moeder en
+Sebastiaan, de nabijheid van Romaan's ongeluk en Wiezekens dood.</p>
+
+<p>Ze klampte zich nu vast aan 't morbiede lijfgenot, niet meer vattende
+dat een dieper ziel el even haar aandeel kon zijn. Als ze late in den
+morgen hare oogen openstak en de dag zag uiteenkletsen tegen de witte
+zoldering van hare slaapkamer, voelde ze zich breed en struisch geworden
+in de lichtende vrijheid van een nieuw bestaan, wonderlijk en ongeraden.
+Al zag ze eerst niet heel klaar in wat er gebeurd was, al vervaagde alle
+detailleering in een grijze doezeling, die ganschelijk de vreemde
+zekerheid van hare gedachten uitmaakte, het was heur &agrave;l zonnig, wat
+optikkelde in hare hersens. Het zonderling gevoel, dat haar in een
+gestadige duizeling bracht, was wel rijzekens omrild met de siddering
+van lastige angstigheid, en ze moest soms hare vingeren op haar
+voorhoofd leggen om er de subiete hitte te koelen. Ze vroeg zich niet
+met bangheid af:</p>
+
+<p>&mdash;Wat heb ik nu gedaan?</p>
+
+<p>Ze was om de nieuwheid van haar voelen bang, en wat ze gedaan had, was
+goed, was zoete. Ze was niet bij machte om uit de verveling van haar
+verleden nu een spijt op te rakelen. Ze redeneerde bovendien niet.
+Ze proefde langzaam hare versche emoties, en ze was zoo verre van de
+overige doening verwijderd, dat ze de mogelijkheid van een anderen
+toestand niet taken kon.</p>
+
+<p>Als ze zich aankleedde, bleef ze v&oacute;or den spiegel een lange stonde de
+malsche sierlijkheid van haren blooten hals en de ronde blankheid van
+hare armen bewonderen. Het scheen haar dat ze in, der waarheid schoon
+was, en een zondige fierheid lei zinnelijke stralen in hare oogen.</p>
+
+<p>Het schoot dan als een schicht door haar memorie dat ze Johannes vandaag
+nog een bijeenkomst beloofd had. Ze had het niet vergeten, maar nu,
+binstdat ze haar naakte vleesch met het smeulende vuur van passie
+verheerlijkte, kwam het haar brutaal-klaar te voorschijn....</p>
+
+<p>Een aarzeling haperde in hare gepeinzen en een wijlken verwarde hare
+aandoening. Dat ze gaan zou bij hem, en dus een leven beginnen waar ze
+schoon-handelend in optreden zou, ze wist het. Maar ze schrikte, omdat
+het oogenblik zoo dichte bij in de toekomst stond&mdash;'t was alsof het
+aanzienlijke bedrijf nu reeds hare leden kwam raken. Ze dierf niet
+denken aan wat er precies gebeuren zou; seffens roerden hare idee&euml;n
+thoope en ze was tewege weg te zinken in een bedwelmende zoetigheid.</p>
+
+<p>Ze herpakte haarzelve. Haar boezem klopte geweldig en een blauwe ader
+lijnde teer uit op hare slapen. Ze stamelde:</p>
+
+<p>&mdash;Vandage niet&mdash;vandage niet....</p>
+
+<p>Hij moest wachten, hij mocht niet verlangen dat ze zich ten geheele
+subiet overgaf, en ze wilde niet dat hij zoo gauw hare zwakheid zou
+kennen. Eene vrouwelijke oolijkheid schuilde onder de uiterlijke sterkte
+van haar besluit.</p>
+
+<p>&mdash;Vandage niet!</p>
+
+<p>Eerst zou ze een ganschen dag 't genot herleven van den vorigen avond,
+elke kleine gebeurtenis heropschudden in hare herinnering, en weer
+genieten de eerste handeling van die zonderlinge liefde, die niet zonde
+heette, omdat ze liefde was. Op een nieuw zou ze de eenzaamheid van de
+nachtelijke strate voelen, den zwijgenden val van wiegewije sneeuwgevlok,
+de warmte naast haar zijde van zijn arm, van zijn krachtig lijf, en 't
+buigen van zijn zoenzware lippen....</p>
+
+<p>De uchtend was schoon: de wolkenlage rolde uiteen en langs een
+bleekblauwen hemel zilverde een liefelijk zonnegestraal. Op de ruiten
+spikkelde daardoor een menig sterrenspel van witte vonkjes en Goedele
+keek met pleizier ernaar, een zelfde leute voelend in haar herte.</p>
+
+<p>Zoo tort ze de trap af, alles beminnelijk vindend wat ze ontmoette op
+haar weg. Seppie stond bij een deure zijn koppeken op te heffen en te
+kwispelen zeer gevoegelijk met zijn kodde.</p>
+
+<p>&mdash;Dag, Seppie!</p>
+
+<p>Vader zat in de eetkamer aan 't dubben over nieuwe uitvindingen en het
+scheen haar dat hij zoo'n mooi-zoete hoofd had, zoo lijze haarkrullekens
+om zijne ooren en zoo kinderlijke blikken. Ze was hem nu sterk genegen
+en ze knikte hem toe. Hij glimlachte tegen.</p>
+
+<p>Moeder rustte in haren zetel, bij 't stille gekraak van den heerd.
+Ze draaide seffens haar wezen omme naar Goedele en een angstige
+nieuwsgierigheid bibberde in hare oogen. Ze vroeg dadelijk:</p>
+
+<p>&mdash;Hoe is 't met Romaan?</p>
+
+<p>Goedele zei, met een vreemde verwondering:</p>
+
+<p>&mdash;Romaan?</p>
+
+<p>Ze had zelve nog niet aan Romaan gedacht en ze was nu heel verschrikt,
+omdat de gansche gebeurtenis&mdash;de droefheid in gindsch gefolterd
+huisgezin, de mee-uitgesnikte droefheid&mdash;zoo verre achterwaarts gelegen
+was. De dag van gisteren was met leven gevuld en 't schoot haar
+pijnelijk door de hersens dat Wiezeken dood was, dat Wiezeken begraven
+was, dat men nog om Wiezeken weende. Ze legde moeielijk uit, geweld
+doende om natuurlijke woorden te vinden:</p>
+
+<p>&mdash;Goed ... hij is struisch gebleven ... hij maakt zich nu een reden ...
+hij is in slaap gevallen ... vermoeid....</p>
+
+<p>&mdash;Hoe late was 't als ge hem verlaten hebt?</p>
+
+<p>Goedele voelde meteen de doordringende hardheid van moeders blik en ze
+bloosde in zwijgende verontweerdiging. Ze keerde zich naar vader, en
+boog over hem, en kuste zijn peiselijk voorhoofd. Ze ging naderhand
+onverschillig neerzitten aan tafel en schoof een kommeken v&oacute;or zich en
+schonk koffie. Vader reikte haar den suikerpot over.</p>
+
+<p>Ursule sprak:</p>
+
+<p>&mdash;Het was na twaalven als ge thuis zijt gekomen.</p>
+
+<p>Goedele antwoordde met licht humeur dat het wel kon, dat zij 't
+geloofde, dat zij 't zich niet meer herinnerde. Ze wist nu zeker dat
+Justa op den loer was uitgegaan, en het krenkte haar diep. Ze vroeg met
+een klein lachje:</p>
+
+<p>&mdash;Heeft Justa mij op de bane niet ontmoet?</p>
+
+<p>Ameye had haar langs omwegen naar huis gebracht en ze giechelde spottend
+bij de gedachte dat ze aldus Justa ontloopen was. Ursule zei niets meer
+en tuurde naar 't vuur.</p>
+
+<p>Met den klank van moeders stem en de bijtende scherpheid van hare
+woorden, was de koude vreemdte van dees huis her op Goedele's schouders
+gezonken. Ze voelde alweer den wijden afstand van de hier-wonende
+menschen en de schrikkelijke nauwte van het hier-kwijnende leven. Een
+versche opstand woelde in haar en ze wilde zich wreken met algauw weg te
+rukken van hier. Ze zou Johannes niet doen wachten....</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Omtrent den avond, als langs de muren der straten de eerste donkerte
+kroop, vertrok ze. Een hijgende jacht klopte met joepen en bonzen in
+hare leden en ze drilde gichtig door. Ze werd den wind niet gewaar, die
+nu heel bitsig ommevlaagde, aan hoeken van hooge huizen een wilde
+wirreling dansend, die plat hare rokken tegen hare beenen sloeg.</p>
+
+<p>Ze beluisterde ievers 't geklep van 't uur, dat van een prochietoren
+neerwaarts rinkelde, altemets weggevlegeld door 't hevige gewaai. Ze
+geraakte in onbekende wijken. Ze moest bijtijden aan een politieman
+vragen, waar ze den weg inslaan zou, en dan keek dat roode mansgezichte
+bedaard op naar heur, zonderling doende. Ze hoorde maar rijzekens wat
+hij zei, en drevelde voort, en had straks weeral alles vergeten. Ze
+vreesde bijkans dat ze te late zou aankomen en dat Johannes,
+moe-gewacht, niet meer ter plaatse zijn kon. Ze vroeg dan haastig:</p>
+
+<p>&mdash;Is 't nog verre?</p>
+
+<p>Een ander rood gezichte blikte in haar wezen en maakte haar met langzame
+uitleggingen wrevelig.</p>
+
+<p>&mdash;Nee-&euml;, als ge doorstapt, juffrouw, en geen omwegen begint....</p>
+
+<p>Ze liep verder eer 't laatste woord tot haar geraakte.</p>
+
+<p>Al dichter zeeg de donkerte. Een klein oud manneken stak met een perse
+de lanteernbekken aan en elk licht werd subiet een waggelend leven,
+opwippend in den avond, die daardoor precies doezeliger spookte. De
+klaarten vielen in de liggende vlakjes gesmolten sneeuw en trilden er
+een oogenblik, naarmate Goedele huppelend voorbijtort.</p>
+
+<p>Ze stapte endelijk trager. Ze gebaarde dat ze hier heel onverschillig
+aankwam en verjoeg op haar gelaat de spanning, die haar wenkbrauwen
+fronste. Ze had Ameye gezien.</p>
+
+<p>Maar in haar binnenste schokte eene geweldige benauwdheid, en ze wist
+niet met welk gezegde ze hem begroeten zou. Zou ze schijnbaar verwonderd
+naar hem opkijken en haar woorden kiezen naar den klank van zijn woord?</p>
+
+<p>Ze blikte zijwaarts. Ze voelde dat hij haar herkend had en rap op haar
+afkwam.</p>
+
+<p>&mdash;Goedele!</p>
+
+<p>Het was haar een onzeglijk geneuchte en over gansch haar lijf kwam zijn
+stemme streelen met de zoete galming van haren naam. Ze wendde zich omme
+naar hem, verlegen, blozend, en ze schoof hare hand uit haar pelsen
+mofje, hem reikende in ganschelijke overwinning hare witte vingeren.</p>
+
+<p>Ze taakte dan den warmen toets van zijn lijf en ging moe hangen aan
+zijnen arm. Het docht haar dat de voorbijgaande menschen haar aankeken.
+Het docht haar dat elkendeen beloerde hare overgroote aandoening en dat
+haar herte openlag, bloot v&oacute;or elkendeen's oogen. Ze dacht verder aan
+niets meer dat achterzijds volbracht was in 't verleden, en alles werd
+een helle nieuwigheid. Ze vroeg, ontroerd:</p>
+
+<p>&mdash;Waar gaan we?</p>
+
+<p>Ze kon niet verzinnen entwat dat nog verscholen lag, halvelings te
+raden, in de toekomst. Ze leefde ten volle en eeniglijk midden in haar
+huidig geluk.</p>
+
+<p>En hij wist zoo wonderbaar te vertellen van nietigheden, die altegare
+met blij gefluister omrankten deze heilzame stonde. Hij lachte en
+tooverde een prettig gewiegel van luttele beeldekens in hare hersens.
+Ze zag de beeldekens wiegelen en lachte mee. Nu was er geen tastbare tijd
+meer en niets van wat den samengang van hun bestaan uitmaakte, scheen
+haar vergankelijk te zijn. Overal was licht het gewone gerucht van de
+stad en haar hoofd was vol zacht-ruischende geluiden. Ze blikte altemets
+op in zijn gelaat en ze vond hem schoon als de zonne. Dan waren hare
+oogen met gulden licht beladen en 't gedoe van de loopende menschen was
+haar een dooreenvarende vaagheid. Hij vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Zijt ge moe?</p>
+
+<p>Het was zoo zoete dat hij een minste trilling van haar handen opmerkte
+en zich dan dadelijk om de oorzake bekommerde. Ze glimlachte even, omdat
+haar zijn vrage heel gek in de zinnen klonk en ze was zeker dat ze, lijk
+nu, gaan zou mijlen en mijlen te reke zonder moeheid, zonder den last
+van haar lijf gewaar te worden. En nooit zou zijn liefderijke stemme
+hare aandacht verzadigen en een wreveling worden in hare ooren. Hij zei:</p>
+
+<p>&mdash;Uwe vingeren zijn warm....</p>
+
+<p>Aardig dat hij zoo innig om haar bezorgd was en haar minste
+gewaarwording omstreelde met de aaiing van zijne stemme. Ze voelde
+echter niets meer&mdash;noch 't slaan van hare voeten tegen de steenen, noch
+'t woelig gewentel van den wind, lijk hij somtemets met vervaarlijk
+geweld omzwirrelde, al pletsend op de vlakke muren zijn matelooze jacht.</p>
+
+<p>Ze gingen ook een tijdeken zonder spreken, en dan was 't alsof hunne
+gepeinzen, hooge boven het zot lawaai der strate, ievers in
+buitenzinnelijke vredigheid tegare kwamen, &eacute;en-wordend en bij parende
+rijen rondbijzend als een vlucht van gekoppelde tortelduiven. Ze zouden
+zoo zwijgend geerne gebleven zijn, maar dan merkten ze algauw dat ze
+onbetamelijk deden, en ze schuilden onder een pluimlichte conversatie
+hunne diepe zaligheid.</p>
+
+<p>In 't voorbijgaan viel om hen een subiete vlage van orkestgeluiden met,
+uit groote ruiten en breede deuren, 't geklater van sterk-stralend
+licht. Hij lispelde, haar zijwaarts meetrekkend:</p>
+
+<p>&mdash;Willen we hier eens binnen?</p>
+
+<p>Ze knikte. Het was haar alles eender, als 't maar een gezamenlijke
+doening was. Ze wipte nu de marmeren trapzuilen over en geraakte in de
+groote drinkzaal. 't Was haar een vlugge duizeling, de storting van al
+de withelle klaarte en, rekewijs langs 't verblindend geflikker van
+blanke tafelborden en ster-vonkend glasgerief, de sombere krioeling van
+menschen. Het docht haar, naarmate ze doortort zoekend daar binst naar
+een plaatse, dat al deze gezichten overhand opkeken naar heur en ze
+ried, in een zijblik, de blankheid van hun wendende voorhoofden. Ze
+voelde zich dan opgroeien, groot en struisch als ze was, grooter nog,
+en fier-schoone in hare grootheid.</p>
+
+<p>Als ze neerzat, verwarde meer en meer, in traag bedrijf, een gestadige
+bedwelming hare opgejaagde zinnen. Ze taterde. Ze voldeed met dol
+gepraat haar lastig ongeduur, en ze staarde gedurig vlak in Johannes
+zijn gelaat, er lavend de gulzigheid van hare gretige blikken.</p>
+
+<p>De muziek vervulde onderwijl met diverse golving van tonen het razende
+geluchte. Goedele liet zich wegdrijven erlangs. Nooit was ze zoo dronken
+geweest van vage geneuchten, die ze haast werkelijk taken kon, al
+smeulden ze nog, met onzeker vuur, daar v&oacute;or haar, heel dichte, in de
+toekomst. Hij zei:</p>
+
+<p>&mdash;Drink eens.</p>
+
+<p>&mdash;Ik spreek liever. Luistert ge niet?</p>
+
+<p>&mdash;Laat uwe lippen koelen.</p>
+
+<p>Ze liet haren mond raken den ijskouden drank, en rilde bij de kilte,
+haar gansche lijf door. Hij merkte dat ze rijzekens schrok, en bood haar
+lauwer water en 't suikerbordje. Ze zei:</p>
+
+<p>&mdash;Ik wou wel koffie.</p>
+
+<p>&mdash;Koffie moogt ge niet hebben.</p>
+
+<p>Ze lachte koortsig:</p>
+
+<p>&mdash;Wat belieft?</p>
+
+<p>Hij bestelde melk, en ze vond naderhand dat melk te heet en te dikke
+was. Ze bloosde endelijk en boog zich al zuchtend:</p>
+
+<p>&mdash;Och! ik weet niet&mdash;ik heb geen smaak ... ge moogt mij zoo scherp niet
+aankijken.</p>
+
+<p>Hij schaterde met geveinsde leute, en ze maakte even een pruilend
+moezeken, zich ten halve kantewaarts wendend:</p>
+
+<p>&mdash;Ik zal u niets meer vragen.</p>
+
+<p>&mdash;Doe dat.</p>
+
+<p>Ze moest dan meelachen.</p>
+
+<p>Als ze weer met hem op strate was, en plots het wiegelend
+orkestgedruisch wegroezelde achter haar, stond ze lijk dronken in den
+kouden avond. Ze drukte Ameye's arm en probeerde haar stappen te passen
+op de mate van zijn tragen gang. Ze boog haar hoofd en keek naar de
+tjoppen van hare schoenen, die overhand van onder haren mantel te
+voorschijn kwamen om seffens weg te duiken op een nieuw. Ameye brak
+schuchter de stilte, die neergeraakt was over hen:</p>
+
+<p>&mdash;Willen we naar 'n schouwburg?</p>
+
+<p>Ze beweerde dat ze niet aangekleed was daarvoor en liet een nieuwe
+stilte heerschen. Ze voelde dat hij zocht om samen alleen met haar
+te zitten en ze verwachtte met eene angstige aandoening wat hij nog
+voorstellen zou. Ze had er niet aan gedacht dat de avond zoo in
+trippelgang niet afloopen k&oacute;n. Ze was niet bang voor hem. Ze wist dat
+hij hier de woorden niet vermocht te zeggen, welke hij zeggen moest.
+En hoe zou zijzelve ze hier aanhooren?</p>
+
+<p>&mdash;Willen we ... hebt ge geen trek in iets? was zijn verlegen vrage.</p>
+
+<p>Ze wist niet hoe hem te helpen. Ze zei dat alles haar goed was en dat
+hij zich maar niet moest lastig maken. Ze staarde in zijne oogen en
+fluisterde:</p>
+
+<p>&mdash;Ik ben gelukkig!</p>
+
+<p>Dan was 't weer een wandelen, straat in, straat uit, zonder ende.
+Johannes had niet meer dezelfde zwierigheid in het gesprek en zijne
+gedachten, gestadig in spanning, volgden moeielijk de woorden van
+Goedele. Hij vroeg dan meteen, heel rap, alsof hij in een geute al zijn
+moed daar neersmeet met &eacute;en gezegde:</p>
+
+<p>&mdash;We gaan soupeeren....</p>
+
+<p>Hij voelde dat hare hand een tijdeken op zijn arm bibberde, en hoorde
+dat ze precies struikelde. Ze kon niet goed een klank uit haar kele
+stooten en ze hief zijwaarts hare oogen naar hem. Hij las een groot
+vertrouwen in hare strakke blikken, een vertrouwen, dat alle aanvallen
+tarten kon.... Ze zei:</p>
+
+<p>&mdash;'t Is me eender ... als ge wilt....</p>
+
+<p>Ze zei 't ultermatelijk stille, en het was te merken dat haar antwoord
+haperde over hare tong. Hij voelde dat ze zich overgaf en dat haar
+aarzelende bede was: wees zachte, en doe niet hard, en krenk me niet....</p>
+
+<p>Hij stapte rapper door en 't jubelde al in hem, wat zingend opgalmde uit
+zijn herte. V&oacute;or 't portaal van eene groote restauratie bukte hij zich
+en lachte:</p>
+
+<p>&mdash;Hier?</p>
+
+<p>Ze had, starende in een zonderling gemijmer, een droeven lach. Ze knikte
+en bracht dieper over haar aangezicht de licht-bruine vool, die om haren
+hoed was vastgestrikt.</p>
+
+<p>Hij duwde de witte deur open, die naar de eenzame salons leidde en
+bracht haar in een mooi versierd kabinet binnen, kleurig verlicht met
+elektrische bloemlampen. Hij was opgeruimd en sprak met ingetogen
+haastigheid. Hij vond dat ze zoo onpleizierig was.</p>
+
+<p>&mdash;Nu geen leute bederven, hoor!</p>
+
+<p>Hij nam haar mofje en hielp haar mantel uittrekken, en gaf alles rap
+over aan een kelner, die zwijgend in het deurgat kwam staan. Ze zette
+zich neer en zuchtte. Ze zag haar eigen gelaat rechtover zich in een
+spiegel en had een vlugge gebaar om even nog een haarkrulle weg te
+strijken, die buiten plaatse geraakt was.</p>
+
+<p>Johannes bestelde het eten, alles koud om alles in eens te kunnen
+krijgen en binstdat de geluidlooze lijven der kelners in druk bedrijf om
+de tafel werkzaam waren, verhaalde hij met kinderlijke gretigheid
+aardige avonturen.</p>
+
+<p>Goedele kwam al dadelijk onder den invloed van zijn driftig praten en
+kon hem endelijk met juichende blijheid antwoorden. Het kwam haar voor
+dat ze droomde, dat alles fluks weer neerstorten zou in dagelijksche
+werkelijkheid. Hoe was alles ontstaan? Ze wist niets meer. 't Was te rap
+gebeurd. Ze voelde Johannes dichtebij haar en al wat hier in verven en
+tonen aanwezig was, kwam heel zoete haar leden omstreden.</p>
+
+<p>De deure werd dichtegedraaid. Ze waren nu alleen. Ze hoorden den gang
+der kelners geleidelijk wegstappen op de doffe tapijten en teenemaal
+uitsterven, langs dalende trappen. Johannes bracht haar bij de tafel,
+en 't was alsof hij in waarheid niet merken wou de eenzaamheid van die
+muren, de beloken geluidloosheid van deze deur.... Het klepperde in hare
+hersens:</p>
+
+<p>&mdash;We zijn alleene....</p>
+
+<p>Maar Johannes werd schijnbaar niets gewaar, en zette zich rechtover haar
+en was dadelijk bezig met snijden en deelen en schinken. Goedele hoorde,
+midden in de zangerige doening van zijne stem, 't gerinkel der teere
+roemers en de harde klabettering van vorken en messen op gladde
+tellooren. 't Verwarde allemaal schielijk ondereen en haar hoofd was vol
+van 't eenvormig gedruisch;</p>
+
+<p>&mdash;Alleene ... alleene....</p>
+
+<p>Ze keek bedwelmd op. Ze nam zonder weten aldoor aan, wat hij haar
+overreikte en ze lachte lijze mee als hij schaterend te lachen begon.
+Somtemets schoten heete walmen naar heure slapen en dan doopte ze hare
+lippen in de deugddoende frischheid van den wijn. Ze verwonderde zich
+dat Johannes zoo zorgelijk zich bezighield met het luttele bedrijf van
+het eten, dat hij al den ijver van zijne vingeren daaromtrent in gulzige
+werking bracht, en dat hij daar zat, v&oacute;or haar, aan 't spinnen een
+aardige webbe van kleine vertellingen, zonder aandacht precies voor hare
+aanwezigheid, zonder herinnering precies aan hunne verleden
+verwachtingen....</p>
+
+
+<p>En 't ging alweer hamerend op in haar vleesch, stijgend in dreunende
+slagen, tot hare gedachten maar &eacute;en gedacht meer vormden, een gedacht
+van zonderlinge angst:</p>
+
+<p>&mdash;Alleene....</p>
+
+<p>Hij hief zijn glas op en 't licht bibberde veranderlijk in den roerenden
+drank. Hij sprak van levenslust en kommerlooze leute, en over zijn wezen
+kwam een stil-lachend pleizier, een natten gloed leggend in zijn
+diep-zwarte oogen. Ze taakte 't groote geneuchte, dat hij met woorden
+boven de tafel leven deed, en ze duizelde bij stonden, geen uitweg meer
+wetend voor 't overweldigend geluk, dat opgloeide in haar. En haar glas
+reikte ze naar 't zijne uit....</p>
+
+<p>Al meer vervaagde stilaan het zicht der dingen. Een trossel druiven
+praalde, purper-schijnend, midden tusschen de blankheid van porseleinen
+schalen. Ze zag niets anders meer ommedom. 't Overige gekleur fonkelde
+uit in schemerende lichtvlakten, altemets gestriemd met vluchtige
+strepen. Johannes was opgestaan....</p>
+
+<p>Ze voelde nu zijn warme nabijheid. Ze voelde zijn arm, die om haar leen
+kwam fleeren en haar dichter aansloot tegen hem. En zijn asem kittelde
+over haar gezichte.</p>
+
+<p>&mdash;Melieve....</p>
+
+<p>Haar emotie sloeg in forsche klopping door hare leden. Zijn stemme
+brandde en smeet in laaie golving om haar. Hij fluisterde met hijgende
+gichtigheid:</p>
+
+<p>&mdash;Laat me u voelen ... zoo dichtbij ... tasten uw werkelijk lijf en den
+blik, die optoovert uit uwe oogen. Z&oacute;o zijn we in sterke zaligheid te
+gare&mdash;te gare, lijk het zijn moest naar de wetten van ons beider lot.
+Weet ge ooit hoe diep ik u lieve!</p>
+
+<p>Zijn mond toetste bijkans haren mond en zijn woorden stieten aan tegen
+hare lippen. Hij lispelde, begeesterd:</p>
+
+<p>&mdash;Kijk &ograve;p&mdash;kijk &ograve;p ... en dring in mij.... Weet ge ooit hoe ganschelijk
+mijn leven is vastgeketend aan uw leven! Kijk &ograve;p.... De toekomst is me
+een blijde straling geworden.</p>
+
+<p>Hij sprak van de toekomst. Hij kuste haar op haar voorhoofd en in heur
+haar. Hij sprak van de toekomst, vervoerd, verrukt, en lang beeldde hij
+'t haar v&oacute;or, hoe ze saam, buiten aller wete, jaloersch voor eigen
+geluk, hun genot in een klein huizeken zouden bergen, hoe ze daar trage
+avonden zouden slijten, aldoor in 't gulden wonder van hun liefde. Hij
+verzinde een sierlijke detailleering daaromme, zoodat 't opstraalde in
+menig geflikker, vlammekens alhier en alginder&mdash;altegare een groot
+minnevuur. Hij joeg zijn woorden achter mekaar en zoende haar driftig en
+aaide hare vingeren, vragend:</p>
+
+<p>&mdash;Wilt ge?... wilt ge?</p>
+
+<p>Ze stamelde, heel week wordend:</p>
+
+<p>&mdash;Ik ... wil....</p>
+
+<p>Hare borste golfde geweldig, hare wimpers waren heet en zij voelde de
+tranen niet, die stille over hare wangen rolden. Ze snikte endelijk en
+vatte in plotselijke drift zijn hoofd in hare handen en drukte 't met
+ongemeene kracht tegen haren zwellenden boezem. Ze hakkelde:</p>
+
+<p>&mdash;Ja ... ja ... ik wil ... ik zie u z&oacute;o ... machtig geerne ... u ...
+u....</p>
+
+<p>Hare natte lippen sleerden, lang-zoenend over zijnen hals.</p>
+
+<p>Het was alzoo een stonde van overmatige aandoening en al wat rond haar
+bestond, al wat ze nog in beweeglijke grijsheid herkende, de witte
+spetsing van roemers en teelen, de purpere gloeiing van druiven, het
+tinteleerende gesternte van bloemlampen&mdash;al wat ze zonder aandacht nog
+opnam in haren geest, 't vloeide uiteen, 't verwijderde zich en 't
+roerde een ende ginder, heinde en verre.</p>
+
+<p>Ze was hier met Johannes, en niets leefde buiten 't leven, dat ze met
+Johannes uitasemde. De wereld lag in de wijdte, waar ze niets meer raken
+kon, waar ze met een stoot van heur herte de wereld verdreven had. En ze
+groeide op ten hemel, in bovenzinnelijke verrukking....</p>
+
+<p>Met hem ... met Johannes ... eeniglijk....</p>
+
+<p>Alleene.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h3><a name="hXI" id="hXI"></a>XI.</h3>
+
+
+<p>Binst de dagen, die volgden, was de droom, die Goedele zich, buiten de
+tastbare werkelijkheid, omtrent al 't gebeurde had voorgesteld, tot eene
+zonderlinge, onbewuste werkelijkheid opgewassen. 't En was geen droom
+meer. Ze had het nieuwe sterke leven met het vorige en nog thuis-wezende
+leven vereend, en altezamen was 't een dooreenwarrelend bestaan
+geworden, waar boven klaterde de harde drift van hare liefde.</p>
+
+<p>De nabijheid van moeder en de nuchtere vrijagie van Sebastiaan werden
+haar onverschillig en ze beleed den last ervan met effene
+verdraagzaamheid.</p>
+
+<p>Hare eenige aandacht lag in 't verbergen van haar geheim bedrijf, en ze
+wist met doorslepen oolijkheid de slimme beloeringen van Justa te
+verweren.</p>
+
+<p>Twee- en drijmaal te weke bracht ze een haastig bezoek bij Romaan en
+liep dan, langs veranderlijke omwegen, de stad omme, endelijk in een
+verlaten wijk een laag huizeken binnensluipend.... Niemand mocht
+vermoeden dat ze hier kwam, en ze nam dan ook alle voorzorgen om te
+beletten dat iemand 't vermoeden kon. Daar Ursule niemand bij Romaan
+zenden kon, geraakte zij deze vreemde doening niet te wete. Ze deed
+overigens maar af en toe hare dochter achtervolgen, en daar Justa haar
+iedermaal zeggen kwam dat Goedele bij haar broer binnen was, had zij
+geen verdere verdenkingen. Omdat Goedele ook thuis tot redelijke
+handeling scheen teruggekeerd en nu teenemaal met Sebastiaan verzoend
+bleek, had ze geen onrustigheid meer. Haar rheumatiek beterde er
+schijnbaar door, en ze kon al ommentweer wandelen en tallenkant
+inspectie doen.</p>
+
+<p>Goedele had in hare oogen een goed gedrag. Alleen deed ze nu meer aan
+toilet en had over haar een overdreven prontigheid. Maar in het idee van
+Ursule, was 't allemaal om Sebastiaan te behagen, en zoo waren 't,
+peinsde ze, goed-besteedde onkosten, die later wel dikken intrest zouden
+afwerpen.</p>
+
+<p>Goedele bekommerde zich om niets en liet alles gedwee gebeuren wat in
+huis de gewone gang der dingen was. Altemets had ze een vlugge zwakheid,
+meerendeels veroorzaakt door 't zachte blikken van Sebastiaan of 't
+tijdelijk zuchten van Bella. Als ze echter alleen op strate kwam en 't
+groote gewoel der stad hoorde, was alles weer vergeten, en vuurde
+slechts nog in haar ziele 't verlangen om geweldig te leven. Het
+bezoekje bij Romaan was haar insgelijks een koortsaansporing: ze voelde
+er 't ongezond bestaan van hare liefde, midden in 't weevolle geluchte,
+en ze asemde er algauw 't bedwelmende gift, dat haar tot kwalijk
+zinnenbedrijf uitermate stemde. En Romaan bovendien bracht een gestadige
+duizeling in haar hoofd met de listige argumentatie van zijn vrije
+theorie&euml;n. Binstdat tante Olympe stilaan wegkwijnde en kermde dat hij nu
+toch met Madeleen trouwen zou, kwam hij dan met zijn hoogdravende
+levensopvattingen te voorschijn, en Goedele voelde dat alles weer goed
+was. In hare hersens wapperden de driftige woorden:</p>
+
+<p>&mdash;Leven!... Leven!... Vrije leven en vrije liefde!...</p>
+
+<p>En ze leefde aldus, en 't deed haar deugd dat ze 't onder Romaan's
+invloed zoo schoone merkte. Ze was vrij. Geen banden knelden haar, geen
+wil van moeder bezeerde haar, geen muren van 't vierkante huis alginds
+wogen op haar. Ze was vrij levend en hare liefde, die sterkelijk uit
+eigen zinlijke emotie en eigen gepeinzen was opgerezen, hare liefde was
+vrij....</p>
+
+<p>Met nieuwe gretigheid liep ze dan naar het huizeken, waar Johannes op
+haar wachtte of waar zij op Johannes wachten zou.</p>
+
+<p>Het stond in een nauw en stil straatje, en ze kon 't goed bereiken
+zonder belonkt te worden. 't Was een laag ouderwetsch gedoe met &eacute;en
+verdiep en een trap v&oacute;&oacute;r de deure. Johannes had het binnenwaarts met
+kunstigen smaak versierd. Er waren vlakvloers twee plaatsen en een
+verandah. Hij had de verandah met allerhande groen en gebloemte bezet,
+en een schuchter blauwig licht laten binnenzijpelen. Daarnevens had hij
+een weelderige zitkamer gemaakt met open heerd, en alles was er in zoo
+teere tinten aangebracht dat nievers een blik aanstooten kon tegen een
+onbehendige verve. Dikke tapijten voerden den tert van voeten en 't
+lichte geschuif van stoelen onhoorbaar over den vloer. Lage zetels
+omdeden 't lekkere vuur, dat langs welriekende sperrescheiers opvlamde,
+en pelsen matten legden onderaan een doezelige zoetigheid.</p>
+
+<p>Deze plaats gaf met een dobbele deure toegang tot de slaapkamer. Hier
+was met voorliefde het minste hoekje mooi-gezellig gemaakt en midden-in
+stond de breede sponde, geheel en al met kanten spreien bedekt en
+omhangen met doorzichtige voolen. Lichtgeel marmer lag op de waschtafel
+en er rechtover, was een hooge psych&eacute;-spiegel ook met licht gewaad
+omstrjkt. Langs de muren viel, in zwaar gevouw, het thee-rozig
+behangsel.</p>
+
+<p>Goedele ging zelden op het verdiep, waar Johannes twee liefelijke
+leeskabinetten en een badkamerken aangelegd had. Het huizeken had
+overigens 't karakter niet van een blijvende woonste en 't leek meer op
+een verrukkelijk pied-&agrave;-terre, een donzig nest voor schuchtere en
+angstige verliefden.</p>
+
+<p>'t Gebeurde zelden dat hij niet v&oacute;or haar binnen was. Ze had halvelings
+de deur opengeduwd, als hij haar reeds in zijne armen ontving en haar,
+onder driftig zoenen, telkens bedankte dat zij toch weer gekomen was.
+Hij staarde diepe in hare oogen:</p>
+
+<p>&mdash;Melieve!</p>
+
+<p>&mdash;Johan!</p>
+
+<p>Ze lachte hem gulzig tegen, en lei hare hand om zijnen schouder, en
+leunde met haar voorhoofd op zijne borst. Stille nam hij haren hoed en
+haren mantel, en ze moest seffens hare schoenen uitdoen en lederen
+slofjes aansteken.</p>
+
+<p>&mdash;Waar ge warme pootjes mee houdt....</p>
+
+<p>Ze waren alzoo geheel thuis. Ze gingen zitten bij den heerd en Johannes
+wakkerde 't vuur aan, zoodat de vlammen opkrulden en iedermaal een laaie
+klaarte deden opgloeien in de schemergrijze kamer. Ze zaten naast
+mekaar. Binst mijmerende stonden, wijl ze sprakeloos in de fonkeling der
+scheiers staarden en enkel mekaar's vingeren lijze op den rand der
+zetels dooreen hadden geleid, kwam in huis het verre lawaai van de stad.
+Geleidelijk zeeg de langzame donkerte en wijder sprong het licht uit den
+heerd. Ze voelden heel schoone den vredigen samengang van hunne
+gedachten, lijk een vleugeling van pluimlichte winden.</p>
+
+<p>Naderhand keken ze op naar mekaar en, in een opgaan van teugellooze
+passie, vielen hunne lijven tegaar. Ze fluisterden vervoerd hunne heete
+woorden van liefde en hun verlangen brandde hun borste vaneen, in dolle
+jacht hun bloed opzweepend.</p>
+
+<p>&mdash;Ziet ge mij geerne?</p>
+
+<p>&mdash;Eeuwig ... eeuwig....</p>
+
+<p>De avond somberde deugdelijk om hen henen, en de klaarte van 't vuur
+sloeg al breeder uit en strengelde hun beider hoofd in &eacute;en laaien ring
+van vlammen.</p>
+
+<p>&mdash;Voele 'k u? Zijt gij 't, lieve?</p>
+
+<p>&mdash;Hier zijn uwe lippen....</p>
+
+<p>&mdash;Voele 'k u gansehelijk? Me dunkt, daar zullen geen dagen meer komen,
+en dees is de laatste dag....</p>
+
+<p>&mdash;'t Is eene eeuwigheid, die begint.</p>
+
+<p>Goedele prangde hem op haren boezem en heerlijk gaf zich ten geheele
+over aan 't schrikkelijke geweld van hare liefde.</p>
+
+<p>Ze lag in late deemstering op het bedde, en alles wat om haar was
+waterde in groene nattigheid weg. Ze hoorde den matelijken gang van
+haren asem, tot ook d&aacute;t wijder uit verzuchtte en ze dan overmand in
+diepen slaap geraakte. 't En duurde niet lang. Verwilderd stak ze hare
+oogen openen zat seffens overend. Johannes, aan 't voetende gezeten,
+beloerde met liefderijken blik haar kinderlijke vrees en 't schoon
+gebaar van haar ontwaken. Hij vatte haren blooten arm en kuste haren
+schouder. Ze bloosde en glimlachte:</p>
+
+<p>&mdash;Ik wist ... niet meer....</p>
+
+<p>Ze was blij dat hij hier was dichtebij, en dat hare schaamte redeloos
+over haren rugge rilde. De pracht van heur haar rees breed-golvend langs
+haren naakten hals, en ze las in de wondere doening van zijne oogen, dat
+ze aldus mooi was en begeerlijk. Ze was gelukkig. Ze was
+onvoorwaardelijk aan hem en wou mooi zijn om aan hem te blijven. En zoo
+boog ze over hem en merkte de siddering, die langs zijne leden opging,
+terwijl ze hem taakte met haar lauwzoete vleesch.</p>
+
+<p>&mdash;Zult ge me nooit verlaten?</p>
+
+<p>Hij belook haren mond met een zoen en omsloot haar met versche
+driftigheid in zijne armen. Ze was zeker, al vroeg ze 't met aaiende
+stemme, dat hij haar niet verlaten zou. Ze wist wel haren onregelmatigen
+toestand en 't deed haar dikwijls pijne, als ze bedacht wat er in zijn
+ander leven lag, 'tgene hij niet met het hare beleefde. Maar dan zag ze
+de vrome verwijfdheid van Sebastiaan, en ze kon Johannes vergeven wat
+zij, bijkans in eendere mate, met Sebastiaan voorhad. Niets weerstond
+overigens aan de sterkte van hare liefde, nog verschoond door het
+treffend argumenteeren van Romaan. Ze had niettemin niets durven
+bekennen aan haar broeder en dikwijls, wijl ze Madeleen bekeek, wutelde
+ievers in een hoek van haar geweten een vreemdsoortige wroeging....</p>
+
+<p>Ze wist dat Johannes haar niet verlaten zou. Al meer en meer kende ze
+den machtigen invloed van hare struische schoonheid, en ze troetelde
+haar lijf nu, bezorgd voor een vlekje, dat de matte blankheid ervan
+breken kon. Ze mocht op Johannes vertrouwen.</p>
+
+<p>&mdash;Wordt Madeleen door Romaan verlaten? vroeg hij soms.</p>
+
+<p>Hij wettigde heel gemakkelijk hunnen toestand, en ze dacht er weldra
+niet meer aan dat er grondelijke moeielijkheden ievers mochten oprijzen.</p>
+
+<p>Langzaam, met sneeuw en vorst, nevelde de winter voorbij. 't Werd vuil
+weere, en triestige regendagen trokken zich schreiend uit achter mekaar.
+Ze zaten soms een heel en tijd te luisteren naar 't dropgetjokkel op de
+vensterruiten of naar 't gewaai van de vlage, gelijk die bij stonden
+forsig neersmeet in de schouw. Ze drongen tegeneen en rustten, slape aan
+slape, in zwijgende aandacht. Eene endelooze droefenis woog daarbuiten
+en alles, langs gevels en daken, was grauw en grijs. Op het glazen
+gewelf der verandah spetterde de regen. 't Was er een wippen en dansen
+van ruchtige druppels, haastig achtereen, naar de mate van den
+wispelturigen wind. 't Hield altemets plotseling op, en Goedele blikte
+kantewaarts naar Johannes.</p>
+
+<p>&mdash;'t Gaat over....</p>
+
+<p>&mdash;'t Herbegint.</p>
+
+<p>Ze streelden mekaar's vingeren. Ze knikten in onzeggelijk geneuchte, en
+'t leelijke weer maakte het veilig huizeken gezellig en warm. Ze waren
+hier goed. Ze hielden hier van mekaar. Hunne vingeren kriebelden lichte
+over hunne vingeren....</p>
+
+<p>De dagen verlengden aldoor en, na den regen, glom het eerste gelach der
+zonne.</p>
+
+<p>De Lente kwam precies zoo subiet, zonder overgang. Een teer blauw
+geluchte welfde hooge en diepe boven de stad zijn fraaie bogen, en
+daaronder speelde 't gestraal van den frisschen dag, even gebroken door
+het tijdelijk verkeer van wattige wolkskens. 't Gebeurde in waarheid
+zonder overgang. Ende Maarte keerden alhier de zwaluwen terug en in den
+beginne van April schoten tallenkant langs warandewegen en beplante
+lanen de sapvette knoppen. 't Getwijg wiegelde met tenger groen, eer de
+maand ten halve was verloopen, en Mei was er rijzekens, als de kinderen
+op strate reeds met kevers speelden.</p>
+
+<p>In de stille steeg, waar ze nu met nieuw verlangen het huizeken vulde,
+beluisterde Goedele het kleine stemgeluid der bengels:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">Vliege&mdash;vliege&mdash;vleugeke,<br /></span>
+<span class="i0">Dat beesteke gaat naar 't meuleke,<br /></span>
+<span class="i2">Alover de zokken,<br /></span>
+<span class="i2">Alover de blokken.<br /></span>
+<span class="i0">Onze-lieve-Vrouwe van het kerrekhofken....<br /></span>
+</div></div>
+
+<p>De zang was haar een liefelijk pleizier. Ze tastte erlangs de blijheid
+van het versche getij en de zilveren wappering van de zonne. Ze
+glimlachte. Johannes zat bij 't raam aan 't schetsen. Ze staarde naar
+hem en ging na de struische lijn van zijn rugge, het somber schouwspel
+van zijn hoofd en dieper, vlak boven de witheid van zijn teekenboek, de
+schoone sterkte van zijn aangezicht. Ze taakte permintelijk den forschen
+bouw zijner schouders en verwijlde naderhand om 't behendig bedrijf
+zijner vingeren. Ze was vol bewondering voor hem, omdat hij pront was en
+krachtig en groot. Een djentelijk vuur van den dag trilde tusschen 't
+menig geplooi van de venstergordijn en viel helstralend op zijn
+rechterhand. En daarmee hoorde ze klaar bijzend, ginderbuiten, het
+luttel gerinkel van 't lied:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2.5em;">Vliege&mdash;vliege&mdash;vleugeken,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Dat beesteke gaat naar 't meuleken....</span><br />
+</p>
+
+<p>Ze zag in hare gepeinzen, 't profijtelijk gepeuter van teere
+kinderpollekens om 't langzame lijf van de kevers, de ongedurige
+flikkering van hun loerende oogen, en 't kraken van hun broekskens,
+terwijl ze op hun knie&euml;n voortklefferden. Ze verzinde dat de meidiertjes
+endelijk opvlogen, en 't was dan seffens een juichend handgeklap, een
+zot jubelen van al die keelkens.... Ze tuurde naar de zonnevlek langs
+Johannes zijn werkzame vingeren, en ze glimlachte vergenoegd.</p>
+
+<p>Zoo omleuterde de jonge Lente haar herte. Ze zei:</p>
+
+<p>&mdash;Johan!</p>
+
+<p>Hij keek op, en zijn donkere oogen hadden elk een sterreken van het
+goede voorjaarslicht. Ze wenkte zoetekens met haar hoofd en hij kwam
+over haar buigen. Ze blikte in zijn wezen en vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Waarom zijt ge bezig, zoo ijverig ... en zoo verre van mij?</p>
+
+<p>&mdash;Ik maak entwat&mdash;'k en wete niet klaar.... Ik heb overal bloemen in
+mijn hoofd en ik zie overal gulden plantsoen. Ik peinsde dat ik 't zoo
+neerleggen kon, in lijnen....</p>
+
+<p>&mdash;Niet waar? Allemaal te gare een groot perk van diverse kleuren?...
+Kom bij me. Ik heb in mijn hersens een ringende vlucht van vogels, en ze
+kwinkeleeren dooreen. Luister eens naar uw eigen....</p>
+
+<p>'t Steeg daarbuiten heel zacht en deugddoende, soms lijk een bimmeling
+van klokskens:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i3">Alover de zokken,<br /></span>
+<span class="i3">Alover de blokken,<br /></span>
+<span class="i1">Onze-lieve-Vrouwe van het kerrekhofken....<br /></span>
+</div></div>
+
+<p>Goedele's haar kriebelde om zijn neuze en lager bukte hij, fluisterend:</p>
+
+<p>&mdash;'t Is 't nieuwe seizoen, melieve.... Nu juicht tallenkant de liefde
+die hier v&oacute;or maanden te juichen begon, hier eeniglijk. Nu klatert het
+zonnevuur en laait op met den vlammigen brand van ons lijven. Zijt ge
+gelukkig?</p>
+
+<p>&mdash;Bemint ge mij?</p>
+
+<p>Ze lachten alle twee en brachten hun gretige lippen samen. De
+zonnestraal, die noesch door de reten van de witte gordijn was
+binnengedrongen, bleef nog een wijlken langs de sporten van Johannes'
+leegen stoel lanterfanten en duisterde geleidelijk weg.</p>
+
+<p>Zoo leuterde de jonge Lente.</p>
+
+<p>Andermaal was de nanoen overheerlijk. Ze besloten dan dat ze de stad
+zouden verlaten en vermeien in de opgroenende velden aan den rand van
+het aloude Zeuni&euml;rwoud. Ze vertrokken met den trein en vonden het
+prettig, zoo te gare zitten in het zoevende coup&eacute;, tegeneengedrongen,
+matelijk geschokt op de wippende kussens en kijkend, met kinderlijke
+achtzaamheid, naar 't voorbijjagende landschap. 't Was eerst het sombere
+zicht van de buitenwijken der stad, de zwartdampige fabrieksschouwen en
+de grauwbesmookte daken, de vuile muren beplakt met hel-schreeuwende
+reclames of beschilderd met namen van ruchtige firma's. Stilaan, na de
+rote lage werkmanshuizekens, rees een olmenlaan en lag verder een
+malsche weide open.</p>
+
+<p>&mdash;Waar zijn we hier?</p>
+
+<p>&mdash;Heelemaal buiten de poorten ... de vesten over ... en Brabant in....</p>
+
+<p>&mdash;Ei? Kijk daar!</p>
+
+<p>'t Was, bezij de baan, een groote kudde schapen, die schuchter tegen
+den barm verdrongen, roerloos te wachten stond, tot de vervaarlijke
+stoomvaart voorbij zou daveren. Goedele behield een liefelijk beeld
+ervan, lijk de beestjes daar in 't zilveren zonnegeweld wit opwolden,
+hun stokkepootjes vreesachtig te gare en hun koppen bovenuit, al te
+zamen gerokken naar 't veilig beschut van den barm. Het was alsof
+zijzelve met eendere angstigheid een duurbaar leven had te bergen, en ze
+roerde haren arm om zekerlijk het buigend lijf van Johannes te voelen.
+De zonne spetterde lustig tegen de ruiten....</p>
+
+<p>Als ze kort daarop moest afstappen en de statie doorging, meende ze dat
+de treinbediende haar met zonderlinge aandacht bekeek en blikte ze bang
+ommentweere, verveerd dat ievers een vijandig oog haar betrappen mocht.
+In 't open veld, heinde en wijd bespikkeld met springjeugdig plantsoen,
+lag voor haar een onendige peiselijkheid en algauw vergat ze de wereld
+van koude muren en valsche verhoudingen om mee te leven met de sappige
+natuur. Hier vooral meende ze de waarheid te tasten van Romaan's
+vrijzinnige theorie&euml;n en ze werd dronken van de hevige lucht.</p>
+
+<p>Ze hing aan Johannes' arm. Ze roken allebei zwijgend den sterken geur
+van het hoog-wassend gers, en het tokkelig sterregedoe van de menige
+meerschbloemen draaide zot en grappig in hunne hersens. Ze verlieten de
+wegels en torten in de dichte beemden, en 't was een versche leute
+iedermaal ze struikelden in 't harrewarrig gewas of plots v&oacute;or hun
+voeten een jonge puit opjoepen deden.</p>
+
+<p>&mdash;Aai-Heere! wat hebbe 'k geschrokken!</p>
+
+<p>&mdash;Jrsst!... wipte de puit.</p>
+
+<p>En een rilde weikerse bibberde even tenden haren slanken steel,
+waarlangs hij te lore was gesprongen....</p>
+
+<p>Ze liepen een beekje over en stonden hijgend te lachen aan den anderen
+kant. Goedele bloosde tot achter hare ooren. Ze drilden met het waterken
+mee en bleven altemets neerhurken, waar de oevers breeder werden en een
+schoone partije lischriet heen en omme waaide onder de aaiing van een
+heimelijken wind.</p>
+
+<p>&mdash;Wordt ge moe, lieve?</p>
+
+<p>&mdash;Wat zou ik!</p>
+
+<p>Ze staarden naar het spel van de zonne langs de klein-klotsende golfjes
+en hoe daarover meteen een spinnekobbe langebeende, patjinkel-patjokkel,
+op al haar grootste gemak.</p>
+
+<p>&mdash;Ze blijft stille....</p>
+
+<p>&mdash;Ze peinst.</p>
+
+<p>Een koppel waternaalden zegen bibbervleugelend neerwaarts en zetten zich
+nevenseen op een drijvende blare. Alles was voor Goedele ongezien en
+wonderbaar. Ze wist geen weg met hare gulzige nieuwsgierigheid en ze
+lengde haren hals naar het ruchtlooze water, waar zoo verschillig een
+intense leven aan 't roeren was. Onder de klare vlakte deed een
+salamander lui waggelen haren kronkel-krommen steert....</p>
+
+<p>Ze stonden naderhand recht en, hand in hand, huppelden verder, zat van
+'t schoone licht en bedwelmd door den struischen reuk der meerschen.
+Hunne vingeren waren ineengehaakt en ze blikten benedenwaarts in 't
+diepe gers, waaruit, bij elken stap, een zwerm gevleugelde dierkens
+opwolkte en uit mekaar stoof. Ze vertrapten de zaadzware hoofden der
+halmkens.</p>
+
+<p>Uit een laag korenveld rees in noesche vlucht een leeuwerik omhooge. Zij
+stonden seffens te luisteren naar zijn heerlijk getater en keken op, hem
+navolgend tot tegen den schitterenden hemel. Hij kwetterde maar gedurig
+en steeg met stage verduldigheid.</p>
+
+<p>&mdash;Ziet ge 'm nog?</p>
+
+<p>&mdash;Wacht ... ja ... ja....</p>
+
+<p>&mdash;Langs die luttele watte ginds....</p>
+
+<p>&mdash;Ik zie hem!</p>
+
+<p>Hij was een klein zwart puntje geworden en nog warrelde in blijde
+schatering zijn juichende lied. Hij ging &ograve;p. Al bewoog hij naar rechts
+noch anderzijds, al bleef hij ginder donker-puntelen tegen het stralende
+gewelf, al was hij nu bijkans een stofken, zonder gedaante en
+levenloos&mdash;&ograve;p, hooger en hooger, kleiner en kleiner, &ograve;p ging hij! Ze
+voelden 't allebei. Hunne oogen kittelden van 't staren en droog was
+hunne keel. Ze hielden haast hun asem in en fluisterden:</p>
+
+<p>&mdash;Nog...?</p>
+
+<p>&mdash;Een zierken....</p>
+
+<p>&mdash;Hij is weg!</p>
+
+<p>&mdash;Neen!</p>
+
+<p>&mdash;'k Hebbe hem weere....</p>
+
+<p>&mdash;Ho!... Ho!... Ja....</p>
+
+<p>Een verraste kreet ontviel hun meteen. De leeuwerik
+daalde&mdash;daalde&mdash;plots zwijgend, plots grooter wordend, een doode massa,
+die straks zou neerpletsen, met een akeligen stoot, op den harden
+grond.... Maar kijk! hij streek, al met een keer levend opnieuw, dicht
+bij de eerde zijlings weg en dook zachtekens in het groene koren.</p>
+
+<p>Goedele wendde hare oogen naar Johannes en een tijdeken lachtten ze
+malkander tegen. Dan liepen ze weer door en hun hoofd was nog vol van de
+hevige straling, die ze langs den diepen hemel hadden opgenomen.</p>
+
+<p>Bij valavond bereikten ze een groote hoeve en daar konnen ze een schel
+hespe krijgen met roggebrood. Ze waren waarachtig uitgehongerd en nooit
+hadden ze meer smaak in 't eten. De zware boerenkost was hun licht en ze
+hadden danig pleizier, de eene om de aardige gulzigheid van den anderen.
+'t Was hier een lage kamer met zwart-eiken zoldering en twee
+groen-geruite vensters. De roode glans van de zonne hing gulden ranken
+erlangs, zoodat in huis een vreemd purperen licht schemerde, hier en
+daar opschietend langs de bolle bulten van het koperen kookgerief. Onder
+'t blauwachtige schouwkleed zat ten halve in de donkerte de oude
+pachteresse, grijs-geschort en gebukt in de vouwen van haren gelen
+borstdoek. Ze was daar een beeld van eenzaamheid en stilte, van eendere
+verve als de doodgaande dag en zwijgend als de nacht, die zou komen. Ze
+had ook in deze kamer die albeheerschende beteekenisse, zoodat Goedele
+noch Johannes de zoetigheid van 't geluchte haast niet storen dierven en
+zich spoedden om weer vrij te zijn in den open buiten.</p>
+
+<p>Maar buiten was nu de wonderlijke avond aan gang en ze geraakten seffens
+in de stemming van de droomerige stonde. Ze gingen stille arm aan arm,
+langs verlaten wegels woudewaarts, en keken mijmerend naar hunne dobble
+schaduw, die schuins tegen de barms oprees of verder in gedoken grachten
+wegzakte. Heel wijd, waar 't endelooze geboomte somberde, klonk de
+matelijke roep van een boschuil.</p>
+
+<p>De avond weefde allerzijds een doorzichtig gewaad van goudgele en oranje
+en warm-roode tinten, en de hooge populieren stonden rekewijs aan den
+rand der beemden, met bronzen stam in 't zachte licht. Rijzekens
+streuvelde een blood gewaai erlangs, en een hoogste blaadje wiegelde
+tenden het roerloos getwijg, daarboven danig zwart tegen 't groen-blauwe
+deemsteren van den hemel.</p>
+
+<p>Ten oosten nevelde de grauwte al dikker en dikker en, als ze zich
+ommekeerden, zagen ze 't donkere schaliedak van de hoeve mee vergaan met
+de duisternis, die ginder trage werd opgestapeld. Even riemde omhooge
+langs de schouw een lintje witten damp, en 't begon heel subtiel rond te
+ringelen, wispelturig en speelsch, tot het openpluimde en uiteendonsde
+en dood was.</p>
+
+<p>Goedele drong dichter bij Johannes aan. In haar rustte al 't geweld van
+den schoonen dag en ze had nu een zachte behoefte om 't niet in
+gichtigheid weer op te jagen. Ze wilde rustig zijn. Ze voelde zich
+meegroeien tot eene effene vrede, met den peiselijken avond, en ze zou
+niets hier breken, noch door onsierlijk gebaar noch door kwetterend
+gezegde. Ze leefde even sterk als in den nanoen, maar 't was
+tegenwoordig een bewustvolle, rijpe leven, de moutere uitslag van 't
+schaterend rumoer over dag.</p>
+
+<p>Sprakeloos gingen ze en drongen binnen 't nachtlijke woud.</p>
+
+<p>Hij vroeg of ze entwat vreesde. Het docht hem dat hare hand beefde en ze
+meteen de bangheid taakte, die onder 't somber gewelf der beuken varende
+was. Hij omvatte hare leen en drukte haar lijf zoetekens tegen het
+zijne. Ze blikte naar hem dankbaar op en hij zag een vluchtige straling
+opflikkeren in hare oogen.</p>
+
+<p>&mdash;Weent ge?</p>
+
+<p>Ze boog haar hoofd diepe aangedaan en schudde 't nadien ontkennend.
+Ze stamelde:</p>
+
+<p>&mdash;Het is hier alles zoo plechtig, zoo heerlijk....</p>
+
+<p>Hij zei dat het de endeloosheid was van hunne liefde en, trage wandelend
+liet ze zich geheel aanleunen tegen hem. Ze waren alzoo, te gare, &eacute;en
+schuivende schimme, &eacute;en wezen, en hun asem joeg opwaarts, bijeenwaaiend
+langs hun voorhoofd tot een streelende lauwte. Ze gingen door. Ze wisten
+niet waar de weg hen leidde en hoe dees gaan zou ophouden; maar zij en
+hadden geen zicht voor toekomstig gedoe, zoo ganschelijk waren door
+huidig geluk vervuld hunne begeesterde zielen. Hij vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Zijt ge nu weer rustig?</p>
+
+<p>Ze knikte en drukte innig haar hoofd op zijnen schouder.</p>
+
+<p>Nievers hadden ze ooit in zoo zwijgend en vredig een nacht gewandeld en
+hunne liefde heerschte hier in almachtige meesterschap. Goedele wendde
+altemets hare blikken achterwaarts: waar, alginds, tenden een klare
+holte het stille woud begon, zag ze nog een vlekje van den hemel,
+donkerrood geverfd en smeulend in schuchtere asschevonken. Ze was uit de
+klaarte gekomen, uit het wijde dal, dat zonder leven wegdeemsterde, en
+ze tort nu in het zwarte bosch, zich veilig voelend, heel lijze, aan
+Johannes' arm. Ze spraken weinig. De plechtigheid van deze eenzame
+donkerte drong binnen hunne ziel en ze wisten dat geen woord
+tegenwoordig welsprekend kon zijn. Bijwijlen keken ze op naar mekaar en
+schouwden, trager stappend, in mekaar's gezichte, en de endelooze
+teerheid, die in hunne oogen straalde, was een vrucht van de heilige
+stilte.</p>
+
+<p>Zoo was de stilte.</p>
+
+<p>Alleen hun voeten ruischten over het mulle stof en raakten soms een
+doode takje, een springende kei, een teurfel graseerde.... Van
+weerszijde reikten het ondoordringbare heestergedoe en 't sterke
+geboomte en, tallenkante, als een ontastbare muur, de &eacute;enige duisternis.
+Heel verre steeg even 't geraas van een stoomwagen of 't rollen, altijd
+door, van daverende wielen. Maar 't was een doezelinge wijd op den
+achtergrond, en 't en taakte bijkans de stilte niet, de heerlijke
+stilte, 't schoone bedrijf van dezen rustigen nacht.</p>
+
+<p>Ze drukten malkanders hand. Ze waren aaneengestrengeld en hunne vingeren
+sleerden langs hun staag-gaande lijf. Johannes drong bij stonden dicht
+aan tegen Goedele, en, alsof hij een vrage had gedaan, antwoordde ze
+fluisterend:</p>
+
+<p>&mdash;Ik ben gelukkig....</p>
+
+<p>Dus was hare stem geenszins een stoornisse van de stilte, maar een deel
+van de stilte zelve, een schakel van het gulden nachtgeheim. Want hun
+minste gebaar weefde mee in 't gebouw van de &agrave;l-zoete harmonije en
+spinde een draad van het broze gewaad der stilte. De stilte bleef omdoen
+de mooie werking van den schuivenden tijd en van hun stralende liefde.
+En zoo gebeurde 't dat Goedele sprak, alsof Johannes een vrage had
+gedaan.</p>
+
+<p>De weg verbreedde meteen. De boomen, die boven de bane hunne takken tot
+een dicht gewelf hadden vereend, gingen vaneen en stonden in ronde rote.
+Uit den hemel viel een aarzelend licht en kwam onderaan bibberen
+langsheen het roerloos getwijg.</p>
+
+<p>Ze torten niet verder. Ze blikten daarboven en tuurden in 't
+zwart-blauwe geluchte, naar ginds, waar duizenden sterren optikkelden,
+in wonderbare krioelinge. Hunne lippen krulden rijzekens omme en ze
+beloerden verrukt 't gefonkel van den ontzaglijken hemel, die over hen,
+in zilverig gedrup, zijne wijdsche blijheid uitstortte. Overal zijpelde
+het zachte licht en 't wielde menig de tinteling ommentweere langs de
+bolle diepte, allerzijds raderkens draaiend van kostbare juweelen. 't
+Was een kleurgedaver zonder ruste, al kransen en roerende ranken, al
+weelde en djentige rijkelijkheid, holderdebolder dooreen, hel en
+prillevend en speelsch. 't Vulde alom de ruimte, 't daalde precies,
+'t omvatte hunne slapen en 't fleerde langs hunne vingeren. Johannes
+murmelde, dichter komend:</p>
+
+<p>&mdash;Verwijder u niet....</p>
+
+<p>Goedele zei, begeesterd, ontrukt aan de hardheid van de eerde:</p>
+
+<p>&mdash;Stil.... Ik sta in het licht.</p>
+
+<p>Op dees oogenblik was geen minste leegte meer tusschen hunne lijven, en
+tegare sloten zich hunne gepeinzen aan. Hooger dreven ze, waar geen
+gevaar hun machtig leven kon bedreigen en geen verwijt bezeeren het
+lieve bedrijf van hun ziel.</p>
+
+<p>'t En was geen duizeling, die rapper hun bloed door hunne leden joeg.
+Ze waren vervoerd, zwevend in 't onmetelijk geluchte, waar duizendvoud
+ringelde 't beweeglijk gesternte. Ze hadden geen verlangen. Ze beleefden
+in trage stonden de gebeurende voldoening van al hunne lusten. Hij
+omarmde haar, smeekend:</p>
+
+<p>&mdash;Verwijder u niet....</p>
+
+<p>Ze stotterde, nauw hoorbaar, haar hals uitlengend en pinkend met hare
+wimpers:</p>
+
+<p>&mdash;Ik ... ikke ... ikke....</p>
+
+<p>Ze vond niet het woord&mdash;daar was geen woord.... Daar was de zalige
+stilte, de stilte vol van 't zilvertjokkend geluid der sterren....
+Toch de stilte, die niet te storen was.</p>
+
+<p>&mdash;Houde'k u? Hebbe'k u? U ... u...? vroeg hij, en 't was lijk een verre
+gedruisch, waarlangs belde het lichte sterrenspel. Ze voelde hem
+tallenkant. Hij was niet buiten haar. Waar ze al tastte, hij was
+aanwezig en ze voelde dat hij aanwezig was. Hare oogen werden nat en het
+tikkelende vuur van den hemel begon te wemelen en weg te doezelen in
+nartige vlakten. 't Deemsterde haast ten volle en ze sloot hare oogen.
+Geleidelijk keek ze zijlings naar Johannes en liet haar hoofd zinken op
+zijnen schouder. Ze verging precies, binstdat hij zonder gretigheid, mee
+met de peiselijke doening van den nacht, zijne lippen op hare lippen
+drukte.</p>
+
+<p>Als ze tot bezinning geraakten werden ze ongedurig. 't Was nu het
+gebiedende vleesch, dat gulzig werd, en ze stapten haastig door, ten
+geheele overgeleverd aan de foltering van hunne driften. Daar hing geen
+geheimzinnigheid meer onder het roerlooze lover en hunne voeten
+roefelden onvoorzichtig in 't opwippende zand.</p>
+
+<p>Ze verlieten 't woud. Ze troffen verder den trein en zaten in 't coup&eacute;
+dicht naast mekaar, met zondige gepeinzen. Heel de onstuimige sterkte
+van hunne passie rilde door hunne leden en ze taakten malkanders handen,
+om de lauwe matheid van 't bloote vel te voelen. Ze spraken weinig. Hun
+asem was heet.</p>
+
+<p>&mdash;Waar zijn we hier?</p>
+
+<p>&mdash;Bijna binnen de stad.</p>
+
+<p>Ze legden een geveinsde onverschilligheid in hunne woorden, maar al hun
+gedachten vloeiden saam tot &eacute;en gichtig, woelig, zinnelijk beeld. Ze
+gaven zich over, zonder strijd, aan hun brandende koortse. Ze deden
+niets om de brutale tempteeringe uit hun lijf te krijgen. Alleen
+veinsden ze een oppervlakkige vreedzaamheid, beschaamd voor malkanders
+brandende blikken.</p>
+
+<p>'t Gedruisch van de stad en 't geharrewar van menschen en sjeezen, de
+klaterende straling der lichten en 't zware geluchte, dat hier te wegen
+hing tusschen de hooge muren, 't hitste allemaal meer en meer de hevige
+jeukte hunner lusten&mdash;Ze drilden nevenseen, geen onwegen zoekend om
+ongemerkt te worden, zonder geduld en zonder mate. Ze keken niet op naar
+mekaar....</p>
+
+<p>Als ze op een ende 't kleine huizeken binnen waren en nu seffens weer
+ganschelijk alleen in de welriekende nachtkamer stonden, wilden ze zich
+niet langer meer bedwingen. Hunne armen strengelden woest om hun leen en
+hun hijgende monden vielen, met een schok van hun gansche lijf, te gare.</p>
+
+<p>'t Was hier donker. De straatlanteeren speelde heel stillekens met
+vierkante lichtjes langs de beloken venstergordijn.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h3><a name="hXII" id="hXII"></a>XII.</h3>
+
+
+<p>De aanhoudende slagen van 't noodlot hadden gevaarlijk tante Olympe
+aangetast en, in haar ouden geest, was ze een dwazen schrik aan 't
+voederen. Al wat gebeurd was, al 't leelijke en 't onherroepelijke, vond
+een oorzake in den onregelmatigen toestand van Romaan en Madeleen. Ze
+schuddebolde en pruttelde al zuchtend:</p>
+
+<p>&mdash;Onregelmatig&mdash;en zoo lastert gijlie God.</p>
+
+<p>Romaan en hoorde 't meerendeels niet en Madeleen, die geen kwaad
+bedreef, en geloofde niet dat ze gestraft moest worden. Tante Olympe's
+klagen werd dan ook weinig in acht genomen en Madeleen beperkte zich met
+een klein antwoordeken, berustende in de toekomst, die beter zijn zou.</p>
+
+<p>&mdash;Ge moet trouwen, zei tante Olympe.</p>
+
+<p>&mdash;Dat komt wel ... later, zei Madeleen.</p>
+
+<p>Maar de dagen verliepen in grijs verdriet en tante Olympe broeide hare
+angsten. Ze zat nu uren lang, binst den nanoen, te bidden en te peuteren
+om de korrels van haren paternoster. Dat en stilde haar niet. Al dieper
+en dieper knaagde de oolijke vrees en Ons-lieve-Heerken, dat zij zich
+altijd zoete en medelijdend had voorgesteld, werd in hare hersens een
+schrikkelijk figuur, een toornig gezichte met wegend verwijt. De oogen
+van Ons-lieven-Heerken waren twee vurende karbonkels, zonder deernisse,
+zonder barmhertigheid. Die oogen geboden voortdurend:</p>
+
+<p>&mdash;Ze moeten trouwen!</p>
+
+<p>En 't was voor tante Olympe een donderend gebod. Ze had schoon te bidden
+heele reesems verduldige rozenkransen, ze had schoon de medehulp van
+Onze-lieve-Vrouwe in te roepen en de tusschenkomst van den heiligen
+Antoon, die in alle omstandigheden zoo braaf en genadig was
+geweest&mdash;niets baatte. Onophoudelijk hoorde ze 't vreeslijke gebod.</p>
+
+<p>'s Nachts kon ze niet slapen. Ze draaide en herdraaide haar mager lijf
+onder de sargie, ze dook haar benauwde wezen, ze krinkelde thoope tegen
+den muur. Hare lippen prevelden de vele wees-gegroeten en hare vingeren
+waren gestadig saam, in vrome houding. Ze had geerne een schoon gebed
+verzonnen, zooals er met koude letters in haar kerkboek gedrukt lagen,
+maar hare zinnen waren verward en ze zou nooit drij woorden te reke
+kunnen dichten. 't Was een haastig wees-gegroet, dat over haren mond
+dibberde.</p>
+
+<p>Ze stond heel vroeg op en ging met roode oogen zitten in de keuken.
+Wat ze dagelijks 't eerst hoorde, was 't leutig gezang van Mari&euml;tte en
+telkens maakte ze algauw een kruisken over haar gelaat en haar borste,
+peinzende:</p>
+
+<p>&mdash;De zonde is hier tallenkant in huis....</p>
+
+<p>Zij en at bijkans niet meer en Madeleen moest halvelings kijven, om haar
+'s noenes aan tafel te te krijgen. Zoo werd ze uitermatig zwak en tenden
+de Lente kon ze uit haar bedde niet meer.</p>
+
+<p>Romaan, die dat pover bedrijf onachtzaam had bijgewoond, werd nu meteen
+getroffen door al dat groote verdriet. Hij kwam op een morgen bij de
+sponde staan en nam voorzichtig de beenderige handen van het wijveken.
+Hij sprak met aandoening, bad dat ze beteren zou, zich niet laten
+weghongeren alzoo en koeragie hebben.</p>
+
+<p>&mdash;Koeragie, tante. Ze zuchtte. Ze vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Koeragie?</p>
+
+<p>De blosjes, die voortijds zoo liefelijk een verve legden op hare kaken,
+waren weggezonken in de algemeene bleekte van heur aangezicht. Ze
+stamelde:</p>
+
+<p>&mdash;Ik kan niet ... ik kan niet, jongen....</p>
+
+<p>Hij streelde hare vingeren. Hij beweerde dat ze wel kon, als ze zich nu
+eens een beetje dwingen wou. Ze moest geen groot geweld doen en haar
+eigen niet bezeeren. Alleen toegeven, en redelijk zijn....</p>
+
+<p>&mdash;Niet waar, tante?</p>
+
+<p>Ze glimlachte droeve. Ze wist wel dat hij goed was en deugdelijk&mdash;maar
+ginder hooge spookte de vervaarlijke gramschap van Ons-lieven-Heerken.
+Met vreesachtige aarzelingen zei ze 't hem.</p>
+
+<p>&mdash;Mag ik het u zeggen?</p>
+
+<p>Hij kuste haar op haar voorhoofd, en ze zei 't hem, al weenend. Al 't
+ongeluk dat gekomen was en al 't ongeluk dat nog komen zou, ze droegen
+hier gedrijen de waarachtige schuld ervan.</p>
+
+<p>&mdash;Gijlie hebt 't bedreven, en ikke, mijn jongen, hebbe 't geduld. Waarom
+heeft Madeleen u dat allemaal niet uitgelegd? Hoor eens.... Waarom is uw
+gang dweers tegen den wil van God? God is de sterkste.</p>
+
+<p>Ze taterde zoo een heel en tijd, tot ze moe werd, tot haar asem te kort
+schoot en ze dan midden een woord haperen bleef. Hare oogen vielen
+langzaam toe. Ze fluisterde:</p>
+
+<p>&mdash;Wilt ge mij niet begrijpen?</p>
+
+<p>Hij drukte haar gewillige handen. Hij had zelf te veel geleden om leed
+van anderen te stichten. Hij verwonderde zich dat tante Olympe in
+waarheid leed droeg. Hij boog zich, hij knielde om dichte bij haar te
+zijn. Hij streek lijze over haar slapen en bezag haar lange, zooals ze
+daar klein-hijgend te rusten lag. Hij lispelde:</p>
+
+<p>&mdash;Tante Olympe, slaapt ge?</p>
+
+<p>Hare lippen roerden en een glimlach speelde erlangs. Hij zei:</p>
+
+<p>&mdash;Tante Olympe, wij zien u allemaal geerne. Ja ja ... tante Olympe ...
+we moeten wij u gehoorzaam zijn....</p>
+
+<p>Hij voelde zelf de aandoening komen en kittelen in zijn neuze. 't Docht
+hem dat al zijne theorie&euml;n tegenover het tastelijk dood-gaan van deze
+goede vrouw nietig werden en zonder werkelijken uitslag. Wat was hier de
+macht van eene utopische bespiegeling? Hij werd het in een slag van
+zijne zenuwen gewaar: het zou een schoonheid zijn van zijn ziele, die
+uitblinken zou, als hij nu tante Olympe, spijts de rhetoriek van een
+bovenzinnelijk stelsel, wou helpen. Zijn gemoed brak, binst den troost,
+dien hij in ontroerde gezegden haar gaf:</p>
+
+<p>&mdash;We moeten wij doen wat gij zegt.... En het is zeer waar, al wat ge
+zegt.... Bekijk me eens....</p>
+
+<p>Ze was moe en trage hief ze hare wimpers op. Dankbaar keek ze naar hem
+en hij taakte de teere liefde, die hare blikken omstraalde.</p>
+
+<p>&mdash;Bekijk me..., ik ben immers uw zoon ... ik zal trouwen met Madeleen.
+Zult ge spoedig weer genezen?</p>
+
+<p>Ze knikte. Ze bleef hem bezien en ze grabbelde gretig met haar bevende
+vingeren naar zijn hoofd. Ze zoende hem en hij voelde de snikken
+opschokken in haar lijf. Ze kon niet spreken. Ze was danig gelukkig....</p>
+
+<p>En ze genas ook. Ze liep lijk te voren ijverig en gedienstig de kamers
+rond en, na een paar weken, ontbloeide de pleizierige blos op 't
+tjoppeken van haar kaken. Het huis was nu vol van de nieuwe gebeurtenis
+en Romaan was tevreden, omdat alles zoo vol geraakte. Hij was wel een
+beetje verlegen als hij de zaak aan Johannes uitlegde, en daar kwam dan
+een kleine koortse langs zijn woorden. Johannes beluisterde hem zonder
+spreken, al spelend met zijn rietje langs de reetjes van den vloer. 't
+Gesprek liep heel zonderling ten ende en een kilte bleef haperen in 't
+geluchte.</p>
+
+<p>Voor Goedele was 't eene ontzettende verwondering. Ze werd teenemaal
+ongemakkelijk en, in haar boezem, schartte een onbekend gevoel.</p>
+
+<p>&mdash;Trouwen!</p>
+
+<p>Het woord weergalmde in haar hersens en 't deed meteen een heele doening
+naderen, die&mdash;sinds wanneer?&mdash;och! al zoo lange verwijderd was. Als
+hooge schaduwen togen de vroegere beelden voorbij, en de schrikkelijke
+vaart van al die groote donkerten bracht een zware angst in haar hert.
+Wat was er nu gaande? Ze had het gevoel dat men haar verliet. Ze had de
+verschooning van haar handelen gevonden in Romaan's onregelmatigen
+toestand. Nu liet Romaan haar in den steek. Ze was kwaad. Ze was nijdig
+vooral op Madeleen. In de grondige demoralisatie, waarin ze zich had
+laten meeslepen, meende ze dat Madeleen nu ophield te blijven wat
+Goedele nog was, om iets te wezen dat Goedele niet meer vermocht te
+worden. Ze had de wettige sensatie daarvan.</p>
+
+<p>&mdash;Madeleen verheft zich!</p>
+
+<p>'t Rinkelde in haar hoofd en 't verlamde hare leden. De lieve geur van
+gindsch zoete slaapkamer kwam redeloos opwalmen in haar neus en&mdash;was
+daar iets viezelijks in, tegenwoordig? Ze verklaarde niets aan haar
+eigen. Ze worstelde tegen een hardnekkig geknaag van puntige gepeinzen.
+Ze worstelde tegen de massa van haar gansche verleden, dat opzuilde
+tallenkant bovenmatig en bedreigend. En ze dierf niet Romaan
+tegenspreken, hem toeroepen dat hij eene lafheid beging. 't Was wel een
+teeken dat ze voelde hoe zwak en lage zijzelve was.... Ze merkte 't.</p>
+
+<p>Veertien dagen bleef ze thuis. Ze wilde Johannes niet ontmoeten. Ze was
+klein en leelijk.</p>
+
+<p>&mdash;Madeleen verheft zich!</p>
+
+<p>Daardoor was zij, Goedele, klein en leelijk. Ze bleef thuis. Ze verbood
+aan Sebastiaan haar nog op te zoeken. Ze zei hem dat ze groote rust
+noodig had. Ze leefde dan, nietsdoende en sprakeloos en lui. Ze zette
+zich viermaal v&oacute;or haar schrijftafelken, te wege een langen brief voor
+Ameye op te stellen. Ze ging traagzaam wandelen in den tuin, bezij de
+rote leeljen en de hoopen bloedende rhododendrons. Vaak kwam vader
+trippelbeenen nevens haar, al vertellend met blijde gebaren van een
+nieuwe uitvindinge.</p>
+
+<p>Andermaal ontmoette ze in schaduwrijke diepten het witte gezicht van
+grootvader. Ze voelde telkens een wreveling in haren nekke en wees dat
+hij van kant zou terten. Hij en vreesde haar niet meer; zij werd het
+ganschelijk gewaar. Hij bleef haar grijnzend aanstaren en puntte
+spotachtig zijn scherpen wijsvinger uit naar heur. Een oolijke
+uitdrukking lag te kriebelen in zijn oogen en maakte haar lastig.</p>
+
+<p>&mdash;Ga weg!</p>
+
+<p>Hij bukte zich, rechtte zich daarna heel langzaam op, opende zijn diepen
+mond en hief, gek-doende, zijne wenkbrauwen omhooge. Een ratelend
+gerucht steeg uit zijne keel. Ze wilde hem zijwaarts duwen. Hij sprong
+naar achteren en draaide om den stam van een boom, voortdurig zijn
+lachend wezen wendend naar haar.</p>
+
+<p>Ze stapte haastig voorbij en dacht:</p>
+
+<p>&mdash;Hij weet entwat.</p>
+
+<p>Zijn lach waggelde achter haar en dook wijder weg in het duistere
+gebladerte.</p>
+
+<p>Ze doolde aldus langs het zwijgende huis, dag aan dag, opvretend haar
+heimelijke lastigheid. Ze kon op een ende niets meer verdragen, niets
+van wat hier de dagelijksche doening was en de spokige eendelijkheid van
+al deze sprakelooze gezichten. Ze wilde niet langer bedwingen den drang,
+die haar opzweepte om het doodsche geluchte te breken, om de menschen
+lijdelijk te maken, die daar nu ommegingen met ongezegde doelen, elk op
+zijn eentje versteend in zijn zwijgen.</p>
+
+<p>Ze wou Justa wegjagen. Ze botste aan tegen de bedaarde koppigheid van
+moeder.</p>
+
+<p>Ursule, sinds den dood van Wiezeken, gevoederd door herlevende hoop, was
+haast geheel genezen. Ze zat in haren leunstoel hare toekomstige werking
+te verzinnen: Romaan weer thuis en Goedele saam met Romaan aan 't
+woelen, aan 't zwabberen met gretige vingeren, aan 't garen het
+ontzaglijke geld. De fortuin van Sebastiaan zou erbij vloeien ... en
+naderhand 't vele goud nog van een rijke schoondochter....</p>
+
+<p>Uren zat ze zoo en niemand stoorde haar. Ze dichtte een grootsch plan.
+Ze geraakte er niet toe te denken dat misschien Romaan niet thuis zou
+komen en dat Goedele tegenstribbelen mocht. Ze had hare gansche
+heerschappije weer in handen en geen wil zou weerstaan aan haar wil. Ze
+bouwde in hare hersens de machtige machinatie die zou endelijk
+ommedraaien, naar heur volle goesting, met geweldig raderwerk.</p>
+
+<p>Als ze hoorde dat Goedele tegen Justa opschoot, neep een strakke
+strengheid hare lippen te gare tot een bleek streepken en stond ze
+verontweerdigd rechte. Seffens moest Goedele v&oacute;or haar verschijnen. Ze
+beet haar toe:</p>
+
+<p>&mdash;Wat is 't?</p>
+
+<p>Goedele zette zich, onverschillig, zonder ommezien, neer v&oacute;or 't
+klavier. Korter hakte het stekkig gezegde:</p>
+
+<p>&mdash;Wat is 't?</p>
+
+<p>Goedele glimlachte. De hardheid, die zoo puntig in Ursule's oogen kon
+opflitsen, blikkerde nu ook in hare oogen op. Trage, al rilde even hare
+hand, duwde ze met haren wijsvinger een klinkende toetse neer. Ze zei,
+lage, onverkennelijk:</p>
+
+<p>&mdash;Niets.</p>
+
+<p>Hare wimpers vielen toe om naderhand met een rappen wip, weer wijd open
+de witte straling van haar blikken te toogen. Ursule ging nevens haar
+staan en smeet koortsig het klavier dichte. 't Gaf een luidelijken slag,
+en ze bleven allebei daarna een tijdeken roerloos.</p>
+
+<p>Goedele voelde haar wezen heet worden. Ze richtte zich met geveinsde
+onverschilligheid op en tort stille over het tapijt, niet opziende naar
+heur moeder. Al gaande liet ze hare hand lui sleeren langs het
+tafelberd, ten teeken van onbekommerde rustigheid. Ursule vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Ge hebt Justa doorgezonden?</p>
+
+<p>&mdash;Dat jong walgt me.</p>
+
+<p>&mdash;Ge hebt ze doorgezonden?</p>
+
+<p>&mdash;Ja....</p>
+
+<p>Ursule stoop zich naar heur en naderde. Ze riep ineens:</p>
+
+<p>&mdash;Maar wat meent ge? En ben <i>ik</i>, hier niet? Mij wordt voortaan, en mij
+alleen, en zonder tegenwoord gehoorzaamd! Gij hebt mij noodig, gij en
+Romaan. En ik heb ulie noodig, alle twee. Het is nu de tijd dat de
+sterke samenwerking eene werkelijkheid moet worden. Het hoofd van dat
+alles, dat ben ik.</p>
+
+<p>&mdash;Ik begrijp u niet.</p>
+
+<p>&mdash;Gehoorzaam zonder begrijpen. Ik ben het hoofd zeg ik u. Justa blijft.
+Romaan....</p>
+
+<p>&mdash;Maar hoe wordt Romaan hierin gemengd?</p>
+
+<p>&mdash;Eens staat hij daar, nevens u.</p>
+
+<p>&mdash;En Madeleen?</p>
+
+<p>Goedele merkte hoe subiet op dees woord de groote woede van moeder
+wegschokte in een flauw ophalen van schouders. Ze zag plots wat moeder
+zich inbeeldde, wat, na Wiezeken's dood, stilaan een zekerheid was
+geworden in haar geest, en waarover ze zoo lange aan 't mijmeren zat,
+alleene, in haren zetel. Ze zag 't, en ze had nu een leelijk geneuchte,
+omdat ze 't gansche gestel omverre kon werpen, omdat ze moeder's
+oppersten hoogmoed kapot kon slaan. In deze mate was hare ontzenuwing
+gevorderd dat ze behagen vinden zou, op dit oogenblik, in moeder's leed.
+Ze zei:</p>
+
+<p>&mdash;Laat Romaan met Madeleen....</p>
+
+<p>&mdash;Ik weet wat ik laten mag.</p>
+
+<p>Ze herzei, met stiller stemme, buigend in gemanierde woordklanken:</p>
+
+<p>&mdash;Laat Romaan met Madeleen.... Het is nu een feit, dat ze trouwen
+zullen.</p>
+
+<p>Ze had zich niet voorgesteld dat zoo geweldig moeder's smert zou zijn.
+Ursule wankte en haar schrikkelijk lijf schokte kantewaarts. Ze neep
+haren mond krampachtig toe en liet hem nadien vierkantig openvallen, al
+stootend en stotterend om een klaar woord uit haar kele te krijgen.</p>
+
+<p>&mdash;Trouwen ... trouwen....</p>
+
+<p>Ze wrong de ratelende geluiden thoope, en daar siste een snijdenden
+klank tusschen hare tanden. Ze wilde alles uitzeggen te gelijk wat zoo
+herre-kaderre in hare hersens klabetterde en ze vond geen zin. Ze
+steunde tegen 't klavier en de losse pateelkens van de keershouders
+rinkelden bij haar minste gebaar. Ze was bleek als een doek, en hare
+lippen werden blauw en droog. Een onzeglijke haat vuurde in haar oogen.
+Ze reutelde:</p>
+
+<p>&mdash;Ge liegt!</p>
+
+<p>Hare tonge lag precies vaste achter hare tanden. Omdat ze niet spreken
+kon, niet uitschreeuwen al wat in haar kop zich ophoopte, schoot plots
+een vreeselijke woede op naar heur hoofd en begon daar te gloeien. Hare
+handen grabbelden naar een stoel, vatte dien, als ware hij pluimlichte,
+bij de sporten en, in blinde gramschap, hief hem omhooge om met
+lawaaierig geweld hem tegen den vloer te werpen. Hij stortte met een
+sterken slag neere en brak.</p>
+
+<p>Ursule stond nu ontzet, zonder machte, en keek smeekend op naar Goedele.
+Ze vond de woorden terug, die zoolange teugelloos en onvatbaar zich
+hadden verwijderd, en ze bad hare dochter, dat ze de waarheid zeggen
+zou.</p>
+
+<p>&mdash;Ge moet de waarheid zeggen.... Ge moogt mij niet folteren. O-God! zoo
+foltert ge me. Waarom? Wat zijn uwe inzichten, mijn kind? Als ik u ruw
+aanspreek, moet ge me telkens vergeven, seffens. Ik ben zoo dikwijls
+vernederd door u, en dat maakt me uitzinnig. We zullen Justa wegzenden.
+We zullen een schoon huizeken gaan bewonen, buiten, in 't loof. Niet
+waar?... Zeg dat ge me bedrogen hebt.... Hoe hebbe 'k dat toch kunnen
+gelooven!</p>
+
+<p>Goedele antwoordde niet. Ze had zich bij 't venster neergezet en tuurde
+in den tuin, die daar zoo wonderlijk met noesche zonne lag beklad. En
+Ursule en hield niet op.</p>
+
+<p>&mdash;Mijn kind, nooit begrijpt ge de wilde smert, die ge mij hebt
+aangedaan. Ik heb gedacht dat ik zinneloos werd te wege. Maar alles is
+maar spel. Waarom spreekt ge niet? Waarom blikt ge zijwaarts? Zie me
+hier wachten naar een woord. We zullen wegloopen uit deze leelijke
+woonste en in 't blijde groen gaan schuilen. Ik zal u vertellen van de
+heerlijke toekomst ... hoe prachtig die eendracht&mdash;gij en Romaan....</p>
+
+<p>&mdash;Romaan trouwt.</p>
+
+<p>&mdash;Hoe wreed zijt ge, mijn Goedele! Wordt de jongen krankzinnig?</p>
+
+<p>&mdash;Hij heeft me gezeid dat hij trouwde.</p>
+
+<p>&mdash;Maar Wiezeken is immers dood!</p>
+
+<p>&mdash;Laat ons zwijgen&mdash;moeder....</p>
+
+<p>Ursule tort vooruit.</p>
+
+<p>&mdash;Nu zwijgen!... Spijts alles, heb ik hope gehad. Spijts alles, wat me
+tot wanhoop neerdrukte. Ik heb me vastgeklampt aan een groot werk, dat
+in de toekomst liggen zou. Ho! ho! hebbe 'k niet gezwegen, jaren en
+jaren? Is niet van zwijgen mijn leven een lange calvarie? Spijts alles
+hebbe 'k mijn droom behouden. Mijne kinderen zijn in opstand gekomen.
+Ik had n&oacute;g hoop, t&oacute;ch hoop.</p>
+
+<p>Ze liet haar hoofd zinken op hare borst en bracht hare beide handen
+bedrukt over haar aangezicht.</p>
+
+<p>&mdash;Nu is Romaan voor goed ... gestorven.</p>
+
+<p>Langzaam verliet ze de kamer. Haar breede rugge schokte opwaarts, alsof
+sterkelijk klopte in haar lijf een geweldig gesnik.</p>
+
+<p>Een zonderling gevoel kwam Goedele bewegen. Alle kwaadaardigheid was uit
+haar gedachten geweken, en ze zat nu heel beteuterd te herdenken moeders
+overweldigend wee. Om wille van Romaans nieuw besluit, hield ze op nog
+vertrouwen te hebben in de theoretische en uitsluitelijke bespiegelingen
+van haar broeder. Wat bleef er in waarheid nog over van heel dien kamp
+om vrije, onafhankelijke liefde? Hij trouwde. Hij deed heel kleintjes,
+heel gewoon mee met de dikke burgertjes. Hij werd "redelijk". Hij zou
+ook op strate loopen met Madeleen aan zijn arm, kreeftewijs, hij
+blikkend naar uitgestalde boeken, zij naar hoeden en nieuw-modegoed.
+Ze herinnerde zich goed dat ze zoo'n paar nagekeken had, eens op een
+dag&mdash;met Ameye.</p>
+
+<p>Ameye!</p>
+
+<p>Ze fronste hare wenkbrauwen, 't werd harrewarrig in haar hoofd. Ze dacht
+weer aan moeder. Ware alles niet beter, indien ze gehoorzaam ware
+geweest?</p>
+
+<p>&mdash;Romaan is nu voor goed gestorven.</p>
+
+<p>En zij, Goedele? Wat zou 't zijn, als moeder haar zondig bedrijf met
+Ameye te wete geraakte? In een vaag zicht, schemerde 't opwaarts in haar
+hoofd,&mdash;dat elkendeen binnen dees huis zijn eigen ongeluk, met
+verborgen, heimelijke gebaren bevorderde. En zij ook, door haar wilde
+overgave aan Ameye, had heur eigen ongeluk beraamd.</p>
+
+<p>Al vroeg in den avond ging ze zich opsluiten in hare kamer. En op een
+nieuw herschudde ze hare onvaste gepeinzen. Ze ging langs 't venster na,
+hoe in den tuin de blauwe nacht lager en lager woog en hoe ginds het
+dichte loof der boomen langs de donkerte danig massief opduisterde.
+En dieper drongen hare gedachten, naar een verlangde oplossing.</p>
+
+<p>'t Moest opklaren om haar. Wat was er gebeurd dat ze zoo lichtzinnig
+weggevallen was in poelen van zonde? Ze kon 't zich niet uitleggen.
+Ze kon niet bespieden in 't jonge verleden den geleidelijken gang der
+omstandigheden en, erlangs, hare toenemende, onweerbare machteloosheid.
+Koppig wilde ze nu dat 't moest opklaren.</p>
+
+<p>Een onschadelijke wind roefelde met zotte wippen door 't geluchte en het
+schaduwrijke bosschage roerde stillekens zijn zwart-doezelige randen.
+Naderhand heerschtte groote rustigheid tallenkant. Goedele staarde
+gestadig naar buiten, en ze vond in de verre duisternisse een gewillig
+plein voor den tocht van haar loopende idee&euml;n. Ze bukte zich en leunde
+met hare kin in beide hare handen. De stad alginder zweeg. Rijzekens
+daverde nauw hoorbaar een dof rumoer. In huis was elkendeen te bedde.</p>
+
+<p>Ze stond recht. Ze voelde haar eigen een groote schim zijn in de donkere
+kamer. Ze neep hardnekkig hare lippen te gare en hare oogen vielen toe.
+Ze had de harrewarrije in haren geest ontknoopt en stond met haar
+machtig lijf, vastberaden, tegenover de oplossing, die zich opdrong.
+Ze was besloten. Ze beet, sissend, haar eigen toe:</p>
+
+<p>&mdash;Niet meer gaan!</p>
+
+<p>Niet meer gaan. Ze zou bij Ameye niet meer gaan. Ze zou moeder helpen.
+Het was toch <i>moeder</i>. Ze zou haar, met haar overige leven, gedienstig
+zijn. Ze kruiste hare armen over hare borst, en 't was, een tijdeken
+lang, alsof ze de toekomst tartte, alsof ze heel diepe eene aarzeling
+voelde en haar eigen in de toekomst tartte.</p>
+
+<p>Rap stak ze een keerse aan en kleedde zich uit&mdash;maar, als ze haar witte
+lijf in den spiegel heel weelderig zag opbleeken, rilde ze. Ze vreesde
+haar onmachtig vleesch en 't klaterde daar in de schuinsche vlam van de
+keerse zoo rijkelijk....</p>
+
+<p>Ze spoedde zich. Ze kroop in haar bedde, blies 't licht uit en bracht
+huiverig de frissche lakens over hare schouders. Nog neep ze koppig hare
+tanden saam en stiet:</p>
+
+<p>&mdash;Niet meer gaan!</p>
+
+<p>Ze hikte nadien, begon te beven over al hare leden, en 't werd een
+stotteren, een pijnlijke hakkelinge:</p>
+
+<p>&mdash;Niet&mdash;meer&mdash;gaan....</p>
+
+<p>Ze barstte uit in luid gejammer, weenend en snikkend hopeloos, en, al
+stortte thoope gansch haar sterk besluit, al sleerde ze weg, met lijf en
+ziele, in 't vorig slameur van passie en gevoelerigheid, ze stamelde,
+benauwd, verloren:</p>
+
+<p>&mdash;Niet ... niet meer gaan ... niet meer ... niet-meer....</p>
+
+<p>Ze drukte koortsig haar hoofdkussen in hare armen.</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h3><a name="hXIII" id="hXIII"></a>XIII.</h3>
+
+
+<p>Ze was 's anderendaags vroeg te been. Ursule was nu teenemaal ziek
+geworden en kon uit haar bedde niet. Ze deed Goedele bij haar komen en
+vroeg zachte, of ze Romaan wou gaan opzoeken en hem uitdrukkelijk vragen
+wat hij van zins was.</p>
+
+<p>Goedele ging.</p>
+
+<p>Ze was tevreden dat moeder zelve haar doorzond. Ze liep. Nog nooit had
+ze den weg zoo spoedig afgeleid, en, als ze bij Romaan kwam en zijn
+bevestigend antwoord ontvangen had, was ze weer gichtig om weg te zijn.</p>
+
+<p>Wat dreef haar? Ze drilde gretig over strate, en haar bloed joeg forsig
+ommedom.</p>
+
+<p>Op de brugge bleef ze een wijlken in onzekerheid staan. Hare blikken
+volgden 't zonnig geklots van het water, waarin donkerend wegkronkelde
+de schaduw van een bootje. Hare kaken bloosden. Ze hoorde om haar 't
+bedwelmend rumoer van de ijverige stad en voelde, van weerskanten haar
+lijf, den haastigen gang der menschen. Even aarzelde ze nog....</p>
+
+<p>Ze liep nu weeral. Ze smeet haar hoofd achterover in wild gebaar. Hare
+voeten klepperden vluggelings over de kasseide, en tegen haar voorhoofd
+sloeg gedurig 't schoone geweld van de zonne. Ze draafde voorwaarts,
+kleintrippelend, steegjen in en steegjen uit. De warmte, die langs hare
+leden opklom, deed haar deugd en ze glimlachte haast, al werend de zoete
+straling af, die neerpletselde uit den ronden hemel.</p>
+
+<p>Ze stond meteen v&oacute;&oacute;r 't kleine huizeken. 't Was de gewone stonde.</p>
+
+<p>Zou Johannes wachten op haar.</p>
+
+<p>Ze had den sleutel niet bij! Zoo lange dagen had ze in folterende
+angstigheid en koppig dwaas gedoe haar liefde verwaarloosd, en ze
+vreesde dat Johannes, moe van wachten, 't opgegeven had. Ze klopte.</p>
+
+<p>Subiet schoof 't deurken open en hij stond daar, met gulzige blijdschap
+haar ontvangend. Hij leidde haar binnen, ontdeed haar van haar hoed en
+drukte haar sterkelijk tegen zijn borste. Hij en had geen verwijt. Hij
+bloosde van geluk. Hij en vroeg niet waar zij zoo al met een keer
+verwijld had, zonder verwittigen, en zijn blik was klaar, open, vol van
+zijne al-vergoedende liefde. Ze meende toch, beschaamd tegenover al
+zijne kieschheid, dat ze hem een uitlegging schuldig was, en ze haperde
+in ingewikkelde gezegden. Ze zette zich neer op zijnen schoot en omvatte
+zijn hoofd. Ze fluisterde:</p>
+
+<p>&mdash;Ik ben stout geweest....</p>
+
+<p>Hij kuste op hare lippen de ongemakkelijke woorden weg. Hare vingeren
+schoven streelend langs zijne slapen en sleerden door zijn haar. En ze
+zei:</p>
+
+<p>&mdash;Ja&mdash;stout, en ondankbaar.... Och, weet ik nog wat er gebeurd is?
+Kijk me eens aan.... Ligt er ievers een leelijk speur in mijne oogen?</p>
+
+<p>&mdash;Zwijg, lieve. Mij zie 'k d&aacute;ar in een sterreken....</p>
+
+<p>&mdash;Ge zijt goed. Wanneer was ik laatst bij u? Een eeuw is 't geleden.</p>
+
+<p>&mdash;Een eeuw, ja....</p>
+
+<p>&mdash;Herinnert ge u nog mij?</p>
+
+<p>&mdash;Deugniet, die me lief zijt!</p>
+
+<p>Hij lachte luid. Maar Goedele, in zwakke aandoening, voelde haar herte
+week worden. Het docht haar dat ze nooit dieper hare liefde gewaar was
+geworden dan nu. Ze zei, met bevende stemme, dat hij zekerlijk boos
+geweest was op haar.</p>
+
+<p>&mdash;En nu ziet ge mij minder geerne. Ik merke 't aan mijn eigen. Zoo
+machtig woelde in mij uw beeld. Ik hebbe schuld, Johannes. Waarom zegt
+ge niet dat ik schuld hebbe? 't Is dat kleiner mijne schuld is in uwe
+gepeinzen, wijl kleiner uw liefde is geworden....</p>
+
+<p>&mdash;Nu wordt ge schuldig, in waarheid.</p>
+
+<p>Hij antwoordde heel ernstig, en ze bleven een langen tijd sprakeloos
+turen in malkanders wezen, tot weer hunne lippen te gare zich vereenden,
+trage en innig. Ze liet haar hoofd nadien neerzijgen op zijnen schouder,
+en haar warme asem fleerde matelijk langs zijn blooten hals.</p>
+
+<p>De zonne, van uit de vierkante vensterruitjes, stortte in lichtende
+tichels op den vloer en zijpelde om hunne borsten, lager wegklaterend
+over hunne knie&euml;n. Op de geheven tjoppekens van Goedele's schoenen,
+tikkelde een leutige straal en spetste er veelvoudig uiteen.</p>
+
+<p>Ze zwegen. Her geraakte hier de schoone peiselijkheid van vroeger, en
+vertrouwelijk schoven allentwege de welriekende luchten. 't Was de
+bedwelming van te voren, en ze voelden zich wegglijden, weerloos en
+gedwee, binstdat korter hun boezem opzwol. 't Was terug de liefelijke,
+al-beheerschende stilte, de gulden stilte, waarlangs hunne gevoelens
+ommezweefden en nevenseen overentweere wiegden, beladen met de weelde
+hunner passie.</p>
+
+<p>Een logge wagen reed over de strate voorbij en traagzaam verwijderde
+zijn rollende wielrammeling. Ze luisterden er naar, eerst teenemaal
+omdaan door de zware geluiden, naderhand volgende met nauwkeurige
+zorgelijkheid het verre lawaai, tot heel wijd het dooddoedelde&mdash;endelijk
+dood.... Hunne gespannen aandacht was meegegaan, en nu waren ze precies
+in een groote leegte alleen gebleven. Maar des te inniger voelden ze
+seffens malkanders armen en malkanders lauwte. Te gare rokken zich hunne
+spieren en de struische drift steeg in hunne leden, met den rapperen
+klop van hun bloed. Goedele's lippen taakten zijne lippen en een warme
+nattigheid baadde hare oogen. Ze stamelde:</p>
+
+<p>&mdash;Hebt ge mij nog lief ... nog ganschelijk lief?</p>
+
+<p>&mdash;Eeuwig....</p>
+
+<p>Hunne wimpers trilden en vielen toe....</p>
+
+<p>Dus was weergekomen, zonder genade, de heerschappij van hunne liefde.</p>
+
+<p>In Goedele en haperde geen aarzeling meer. Ze geraakte in vroolijke
+stemming, drevelde om de kamer, schikte entwat, dat van zijn plaatse was
+verschoven, en toonde zich buitengewoon opgeruimd. Getwee&euml;n waren ze
+nadien luid-lachend aan het spelen, malkander treiterend of kriebelend
+of peensend.</p>
+
+<p>Nabij den noene stond Goedele beteuterd naar 't horloge te kijken.</p>
+
+<p>&mdash;'t Is tijd!...</p>
+
+<p>Ze zuchtte 't bijkans. Johannes zei dat ook hij weg moest naar zijn
+atelier, en verwonderde zich dat de voormiddag zoo ijlings verloopen
+was. Goedele vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Naar uw atelier?</p>
+
+<p>&mdash;Ja.</p>
+
+<p>&mdash;Ik ga mee!</p>
+
+<p>'t Was zoo een plotselijke gril, en ze had ook nooit aan dat atelier
+gedacht. 't Was nu eene gelegenheid om eens alles af te zien en die
+onbekende kunst te benaderen.</p>
+
+<p>Ze merkte meteen hoe Johannes subiet heel bleek werd. Een groote angst
+beknelde haar en ze wist niet meer wat zeggen. Hij bedwong zijne
+aandoening en kwam haar zoetekens omarmen, fluisterend:</p>
+
+<p>&mdash;Dat ware wel aardig. Maar hoe komt ge daarop, nu juist, ten vollen
+noentijde? Saam dien grooten weg doen, in 't zicht misschien van bekende
+menschen....</p>
+
+<p>&mdash;Ge kunt vooraan loopen. Straks vind ik u ginder.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, zoo is 't goed....</p>
+
+<p>Ze hervatte zich seffens. Haar voorstel kwam haar dom voor, omdat hij 't
+zoo gul wilde aannemen. In hare hersens was, op dat &eacute;ene oogenblik, de
+foltering gedrongen van wantrouw en jaloerschheid, en zoo verzinde ze nu
+een oolijke maniere om spijze te geven aan hare leelijke
+nieuwsgierigheid. Ze viel hem in de rede:</p>
+
+<p>&mdash;Neen!</p>
+
+<p>&mdash;Wat nog, lieve? Wilt ge u blootstellen aan de kwaadwilligheid van een
+praatzieke wereld? Zou 't niet onverstandig wezen, als we nu, na zoo
+veel voorzorgen, bij klaren dage onvoorzichtig gingen te werk gaan?</p>
+
+<p>&mdash;Ik ga mee....</p>
+
+<p>Ze was koppig, lijk ze thuis koppig was. Ze voelde dat hij haar niet
+geerne meenam en dat een reden daarvoor bestond, die buiten haar zinnen
+reikte. Had hij haar iets te verbergen? Zijn atelier lag eenzaam
+kantewaarts de stad, een groot houten ding met populieren eromme. Wat
+kon hij daar bergen, dat ze niet zien mocht? Hij was bleek geworden. Hij
+kon nu zeggen alle mogelijke sluwheidjes, ze zou gaan met hem en met hem
+den drempel beterten.</p>
+
+<p>Hij kuste haar. Hij lispelde:</p>
+
+<p>&mdash;Wat zijt ge koud!</p>
+
+<p>Hij wreef over haar voorhoofd en streek trage heur haar zijlings weg.
+Hij bad streelend dat ze eens deugdelijk lachen zou en den rimpel langs
+haren mond doen wegzakken. Hij begreep niets van hare handelwijze,
+beweerde hij, en hij deed alle mogelijk gevlei om haar op te wekken.
+Hij vroeg endelijk:</p>
+
+<p>&mdash;Maar wat meent ge?</p>
+
+<p>Ze staarde heel diep in zijne oogen, tastte er naar gedoken gepeinzen,
+en trage sprak ze:</p>
+
+<p>&mdash;Wat meent ... gij?</p>
+
+<p>Hij werd ongeduldig, duwde koortsig zijn hoed op zijn hoofd, tort lastig
+over het tapijt, van end tot end, en bleef daarna stokkestijf
+rechtestaan.</p>
+
+<p>&mdash;Nu dan.... Kom!</p>
+
+<p>Goedele bibberde van ongedurigheid, binstdat ze zich aanschikte. Ze
+verlieten zwijgend het huizeken en stapten nevenseen, zwijgend, langs de
+straat.</p>
+
+<p>'t Was ijverig noenbedrijf in de stad. Haastig te rote dretsten voorbij
+de langhalzige fabriekwroeters. Matelijk scherrebeende hun beenderig
+lijf naar voren, en erlangs wapperde in gelijke schokjes hun
+blauw-katoenen veste. De meisjes taterden ondereen en een lach schaterde
+altemets boven hun beweeglijk groepje, terwijl even opstraalde de
+bleekte van die gezichten alteenegaar. Oude sukkeleers hinkepatjinkten
+achterna, bezeerd door 't zware geweld van de zonne, en ze kromden hun
+rugge om 't vuur van haar hevig gestraal te ontweren. Jonge guiten, met
+witte kaakjes bevuild door den damp, joepten van links naar rechts, druk
+bezig met rap gespeel. In hooger wijken was 't, bezij de eenvervige
+huizen, de moede gang van beambten, verslonden in dagbladlectuur, of de
+fiere prontigheid van anemieke winkeljuffertjes....</p>
+
+<p>Goedele drilde daar midden in zonder spreken. Door hare hersens
+slingerden verwarde gedachten, en ze liet ze seffens los om nieuwe vaste
+te houden. Hoeverre was alweer de zoete vredigheid! Lijk gisteren, lijk
+ten uchtend was ze aan pijnlijke onzekerheid overgelaten. Romaan had
+zich verwijderd van haar. Ze vreesde het ergste, tegenwoordig. Maar, hoe
+ze ook een vermoedelijk feit uit Johannes' zonderlinge manieren trachtte
+af te leiden, ze stond altijd ten slotte v&oacute;or een vrage te weifelen, en
+ze maakte haar geest uitermatelijk moe.</p>
+
+<p>&mdash;Wat moet ik vreezen?</p>
+
+<p>Ze vreesde het ergste. Johannes blikte bijwijlen zijlings naar haar, en
+als hij hare oogen taakte, lachte hij stille. Ze voelde echter, al
+leuterde dan seffens een versche rustigheid in haar, dat hij zijn wezen
+tot een vriendelijk masker dwong. En seffens vreesde zij 't ergste.</p>
+
+<p>Ze wist niet wat het ergste kon zijn. Holderdebolder wirrelden hare
+angsten door mekaar, kleine en groote. Wat grondelijk het allergrootste
+ongeluk zou zijn, wist ze zich niet voor te stellen. Alzoo was ze
+gedurig haar bangheid aan 't overdrijven door zotte sprongen van hare
+inbeelding.</p>
+
+<p>Als ginder, tenden de laatste straten, de populieren, met gulden licht
+beklaterd, zichtbaar werden rondom 't atelier, vertraagde johannes
+zijnen gang en kwam dichter nevens haar zijn stap meten op den haren.
+Zonder opkijken vroeg hij of ze reeds een schildersatelier gezien had.
+Ze schudde ontkennend haar hoofd. Ze vond het akelig dat hij nu een
+lange beschrijving van 't kunstenaarsleven haar ontvouwde. Hij had daar
+over nooit gesproken. Hij zei:</p>
+
+<p>&mdash;Artiesten zijn wanordelijk.</p>
+
+<p>Was hij zich aan 't verontschuldigen omtrent wanorde? Goedele kreeg
+versch vertrouwen en minder hijgde ze, als hij de hooge poorte
+opendraaide.</p>
+
+<p>Ze stonden in een kleine kamer. Hij zette zich neer in een sofa en
+bekeek haar lange, zonder spreken. Als een pale bleef ze rechte en haast
+kleurloos waren hare lippen geworden. Hij wenkte dat ze naderen zou en
+naast hem rusten een stondeken. Zij en roerde niet. Alles was haar hier
+danig vreemd. Was deze plaats door dezelfde hand geschikt, die, ginds in
+het huizeke, zoo brooze en subtiel te werke was gegaan. Hoe somber was
+hier alles aangesteld. Bronzen beelden reikten tallenkant hopelooze
+armen en de muren waren bespookt met nare gezichten. Ze kon zich niet
+inbeelden dat tusschen al dees donkere schimmen, langs al die diepten
+van kleuren en heimelijke lichten, Johannes verbleef. Maar ze zei niets.
+Ze wachtte. Hij sprak:</p>
+
+<p>&mdash;Zijt ge nu voldaan, lieve?</p>
+
+<p>Ze wachtte tot hij haar de groote werkzaal zou toogen. Ze was veerdig
+voor alle verwonderingen en ze bleef staan, roerloos en pal. In de halve
+duisternisse klaarde sterkelijk op hare matte bleekte. Ameye boog
+langzaam zijn hoofd en zonk weg in verre gepeins.</p>
+
+<p>Geen minste gerucht bewoog. Op het schouwblad rustte een dood uurwerk.
+Bezij de deur hing een hoop kleeren en, ernevens, op een hoog tafelken,
+dorde een bloemtuil. Goedele voelde hier de moeheid van leven....</p>
+
+<p>Johannes rechtte zich meteen en vatte hare hand. Hij bad:</p>
+
+<p>&mdash;Geef me een zoen.</p>
+
+<p>Ze lengde haren hals onsierlijk uit en kuste hem. Dan hief hij een
+grauwe gordijn omhooge en leidde haar binnen.</p>
+
+<p>Het atelier schaterde in 't volle noenevuur. Op den drempel aarzelde
+Goedele bezeerd door 't felle licht, en de groote ruimte, die in deze
+zaal zoo machtig was, beknelde haar een oogenblik. Ze asemde zwaar en
+tort onvaste naar voren.</p>
+
+<p>Van tallenkante keken de schilderijen naar heur. Ze schemerden v&oacute;or hare
+oogen, landschappen en binnenhuizen, &agrave;l verven van veranderlijk
+getintel, scherp omvat in gulden lijsten. 't Fonkelde onder mekaar. Ze
+trachtte zachte te glimlachen, omdat nu hare angstigheid verdwenen was
+en ze daar algelijk te rillen stond. Ze fluisterde, zich wendend naar
+Johannes:</p>
+
+<p>&mdash;Wat doe'k dwaas, he?</p>
+
+<p>Maar seffens ontstelde ze en onwillekeurig wankte. Ze reikte hare hand
+naar ginds, waar hoofdzakelijk een weelderig beeld opglansde, en stapte
+meteen, stijf en precies automatisch, er naartoe. In een toeten van hare
+ooren, hoorde ze Johannes, achter haar, zeggen:</p>
+
+<p>&mdash;'t Is Mari&euml;tte.... Ik had u dat portret beloofd.</p>
+
+<p>Mari&euml;tte! Ja, zoo was in waarheid Mari&euml;tte! Mari&euml;tte, half naakt in een
+weelde van blauwe zijde en thee-rozig fluweel, een wulpsche Mari&euml;tte met
+natte lippen en min-zware oogleden. Ze murmelde:</p>
+
+<p>&mdash;Mari&euml;tte...?</p>
+
+<p>Zoo moest Mari&euml;tte zijn&mdash;een lijf van rijke blankheid, ongedekt en
+onverlegen, schoon en krachtig. Hare handen waren lijk de streeling
+zelve van de liefde en zoo djentelijk en lichte lagen daar hare
+vingeren, alsof ze alleen den last van zoenen zouden dragen. Haar hals
+verhief zich, ten-halve gebogen, en de blauwe schaduw van de kinne
+teekende nog vaster de heerlijke golving ervan. Daaronder praalde de
+onbevlekte effenheid van haren boezem, opbultend zonder geweld, en
+donzig als perzikrijpte. Bedwelmend was haar gansche aangezicht,
+verlicht, boven den blos der wangen, door 't geheimzinnig gestraal van
+wonderbare blikken.</p>
+
+<p>Zoo was Mari&euml;tte wel.... Maar wat somberde ommendom de donkere glimming
+van bruine haren? Mari&euml;tte moest blond zijn. Goedele kreeg hoofdpijn en
+ze bracht haar zakdoek over hare oogen. Weer keek ze naar het tooverig
+beeld.</p>
+
+<p>&mdash;Is dat ... Mari&euml;tte...?</p>
+
+<p>Ze merkte boven de lijst een rankje droog hulstgroen en ze meende dat ze
+nu weenen zou. Al luider tuitten hare ooren. Ze voelde in deze Mari&euml;tte
+de weergave van heur eigen wezen. Dat waren <i>hare</i> leden, dat was <i>haar</i>
+gelaat, bedorven en verschoond in bovenmatigen minnehandel. Dat was
+<i>haar</i> portret, de realiteit van haar verzonken bestaan, iets, dat zij
+had gedaan in gedachten en gebaren, en dat door Johannes ten geheele
+tastelijk was gemaakt. Ze raakte er de volledige voorstelling van haren
+val, en 't zicht ervan begon haar te walgen, al leefde nog zoo schoone
+daar, in doorslepen kunst van kleuren en schakeeringen, gansch hare
+liefde. Was 't dan die liefde zelve, die haar walgen deed?</p>
+
+<p>Ze haperde met bevende blikken langs het takje hulstgroen en vluchtig
+zag ze in haren geest den drempel, waar 't eens was neergevallen.
+Duidelijk herklonk om haar het verre lied:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i1">Ah! mosieu le capucin,<br /></span>
+<span class="i3">T'as d'la veine,<br /></span>
+<span class="i3">T'as d'la veine!...<br /></span>
+</div></div>
+
+<p>'t Was Mari&euml;tte! En hier was nu Mari&euml;tte in onveranderlijke afbeelding
+aanwezig, met alles, wat zij, Goedele, nadien geworden was....</p>
+
+<p>Ze dorst zich niet ommewenden naar Ameye. 't Docht haar dat ze walgelijk
+deed, en een zeerdoende schaamte neep om hare slapen. Ze woonde aldus
+bij, zonder hulp, de pijnlijke verbrokkeling van al wat zoo geweldig
+haar verlangen en hare passie uitmaakte. Ze voelde 't heel duidelijk,
+vermits al meer en meer haar geest vergrijsde in de algemeene
+harrewarrije van tinten en klaarten. Ze beet dan op hare lippen om niet
+te lore in hopeloos gesnik los te bersten. Dat was nog de kracht van
+hare eigenliefde.</p>
+
+<p>Hij toetste haar en ze huiverde.</p>
+
+<p>&mdash;Ge zijt zoo bleek....</p>
+
+<p>Hij wilde haar omarmen en de emotie wegkussen, die zichtbaar was op haar
+gelaat. Zachte weerde ze zijne handen af, die haar niet liefderijk meer
+waren en wier streeling een smertelijke foltering geworden was. Ze
+voelde wel dat ze bedaren zou, en in versche geuten schoot naar heur
+hoofd de bedwelmende zekerheid dat ze door dwaze gevoelerigheid
+aangetast was. Ze had willen in een diepe donkerte gansch alleene zijn
+en stille.</p>
+
+<p>Hij sprak niet meer en droeve volgde met angstige oogen haar minste
+gebaren. Als hij zag dat ze bevend haar arm uitreikte, midden de
+plaatse, naar een besluierde schilderij, zakte moedeloos zijn hoofd op
+zijne borste. Zonder roeren stond ze, haar vinger gestadig naar 't
+geheimzinnige doek gericht. Hij tort langzaam vooruit en deed de zwarte
+vool vallen.</p>
+
+<p>Uit een duisteren achtergrond drong vlak naar voren, met intense
+uitdrukking, 't gezichte van een vrouw en 't blonde koppeken van een
+kindje. De vrouw en bezag het kindje niet, en ook het kindje keek niet
+op naar zijne moeder. Ze stegen uit de grauwe duisternis, die schemerde
+achteraan, en ze staarden, over de gulden lijst, rechte vooruit. Niets
+was hier bestaande dan deze gezichten: hunne lijven, somber bekleed,
+vielen weg in de schaduwen ommendom, maar geweldig sprongen uitwaarts de
+bleekheid van de vrouw en de zoetige blondheid van het kindje. Eene
+groot-menschelijke schoonheid lag droomend om 't gelaat van de moeder:
+rijzekens ingevallen waren hare wangen en een kleine diepte blauwde
+onder de slapen, maar sierlijk was de vorm van haar gansche wezen. De
+effene blankheid van haar voorhoofd straalde hevig onder de warme verve
+van heur vaste haar en een klaarte omlijnde de regelmatige buiging van
+haar neuze. Lichtelijk beschaduwd was haar bovenlip, binstdat de ronde
+kinne onderaan in halve helderheid optinkelde, en te midden rijp-rozig
+praalde, in strengen neergang, haar fijne mond.</p>
+
+<p>Deze vrouw was niet schoon door uiterlijke schoonheid, maar
+diep-menschelijk was ze, en schoon daardoor. Een onzeggelijke droefenis
+verzwaarde hare blikken en ook niet leutig staarde het kindje nevens
+haar. 't Was alsof in de grauwte achteraan een onzichtbare
+noodlottigheid deze twee tot lijdelijke bezorgdheid doemde, alsof
+gedurig een kwaaddoende hand tallenkant over hun hert de smert van leven
+deed voelen. Een geheim zweefde om hunne oogen en ze waren lijk
+gezichten, die men uit klare vensters meteen verre in den nacht ziet
+turen, alwaar ze niets ontwaren kunnen en waar schuilt de komende
+gebeurtenis van hun ongeluk.</p>
+
+<p>Een doffe kreet was pijnlijk uit Goedele's keel geroteld. Met &eacute;en slag
+stortte alles neer, wat haar opjoeg tot zinnelijk leven, en ze was nu
+een gebroken wezen, kapot door hem, dien ze boven alles had geliefd. Een
+uiterste oproer verwrong hare spieren en ze sprong voorwaarts, naar
+Johannes. Ze vatte hem bij zijn arm en al hare krachten hoopte ze opeen
+om met hatelijke oogen zijn droeven blik te weerstaan. Ze hijgde en deed
+schrikkelijk geweld om haar reutelende woorden over haar tonge te
+stooten. Ze hakkelde:</p>
+
+<p>&mdash;De moeder van dees kind?... Van dees kind?...</p>
+
+<p>Ze schudde hem en prentte hare nagels in zijn kleeren. Ze wou 't hem
+doen uitspreken, uit zijn mond vernemen de waarheid, die ze nooit had
+durven aanzien en die nu oprees, vreeslijker dan ze had kunnen
+vermoeden. Ze riep:</p>
+
+<p>&mdash;Spreek ... maar spreek!</p>
+
+<p>En hij sprak niet. De tijd, die verliep, rukte precies haar vleesch
+vaneen.</p>
+
+<p>&mdash;Zijt ge niet laf?... De moeder van dees kind.... Ik verzink, ik
+verzink, o mijn God!</p>
+
+<p>Ze verlamde meteen en hare vingeren sleerden ontspannen langs zijnen
+arm. Met doffer stemme, na een stilte, die in gansch hare lengte de
+kracht van het volbracht gevaar begeleidde, sprak ze, schijnbaar
+bedaard:</p>
+
+<p>&mdash;Zeg me wie deze vrouw is, Johannes.</p>
+
+<p>Hij boog zijn hoofd en zuchtte. Hij vond geen gezegde om haar te
+stillen, om haar te troosten, om weer op te wekken in versche
+minneweelde haar vernederd hert. Hij zweeg.</p>
+
+<p>&mdash;Zeg me&mdash;wie, Johannes.</p>
+
+<p>Ze wist het. De droomende treurnisse, die gansch het beeld omlichtte,
+die 't kenbaar miek voor haar, Goedele, de gedoken oorzaak van de
+treurnisse zelve&mdash;'t was allemaal een laaie openbaring. Hare lippen
+beefden en rappe stralen fonkelden noesch weg uit hare oogen. Hij zei,
+voelend dat haar niets te verbergen meer overbleef:</p>
+
+<p>&mdash;Mijne vrouw.</p>
+
+<p>Ze ontving zonder wijken de harde bekentenis. 't Was haar alsof ze
+midden puinen stond en allentwege om haar kwam de wijde droefenis, die
+nievers een ende zou krijgen. Langzaam keerde ze zich omme en tort,
+schokkend bij elken stap, naar de deur. Ze hoorde in 't gezoef, dat haar
+hoofd vulde, nog Johannes' gebroken stemme:</p>
+
+<p>&mdash;Goedele!... Goedele!...</p>
+
+<p>Ze hief zonder haaste de fluweel en gordijn op, ging het duistere
+kamerken door en geraakte op straat. Dan liep ze, recht v&oacute;or zich uit,
+en zij en dierf niet ommezien. De gezichten der menschen, die haar
+voorbijsleerden, waren lijk bleeke vlakten, geruchtloos schuivend in
+nattig geluchte. Waar was de zonne? 't Was al grijs en nevelig wat haar
+omdeed, en de gezichten doken spokig daarin op, werden groot en spoedden
+zich achterwaarts. 't Herklonk een tijdeken als een ver geween:</p>
+
+<p>&mdash;Goe-&ouml;e-dele!</p>
+
+<p>'t Klabetterde tegen de luidelijke beenderen van haren schedel, die als
+een holle kasse aan 't ratelen ging....</p>
+
+<p>Moe, afgemat kwam ze thuis aan. Het ijzeren hekken krijschte trage open
+en ze viel bijkans voorover. Ze zag Justa en vroeg, verwilderd:</p>
+
+<p>&mdash;Zijde gij hier nog?</p>
+
+<p>Ze lei haren hoed op een stoel, en, als ze de gewone dingen hier gewaar
+werd, die tafel en die kasse en 't gezellige klavier, stortte hopeloos
+haar wee over haar. Vader zat bij 't venster met een kaartspel aan 't
+tellen. Zijn grijze krullekop zilverde aardig in 't zijgende licht. Ze
+had hem willen kussen.</p>
+
+<p>Hij keek op en verwonderde zich, lachend:</p>
+
+<p>&mdash;Ha!... gij....</p>
+
+<p>Hij zette seffens een bedrukt gelaat, lijk iemand die zich meteen
+herinnert dat hij treurig moet zijn, en vertelde dat moeder in den
+voornoene onder een leelijke geraaktheid was gevallen en dat ze nu zeer
+ziek te bedde lag. Goedele liep uitzinnig de trap op.</p>
+
+<p>Voor de eerste maal sinds lange vreesde ze dat moeder lijden mocht, en
+in haar verward gemoed klopte 't verwijt&mdash;dat ze schuld had aan moeders
+lijden. Ze beukte struikelend tegen de deur aan. Ze stapte binnen
+paalrechte, gewelddoende om niet omverre te stuiken, en naderde zoo de
+sponde. De witte lakens werden een duizelige beweging in hare oogen en
+moeders hoofd, dat haast vierkantig op de klare kussens rustte,
+beschaduwd door diepe oogholten, schemerde aleens stille weg, om subiet
+weer ruw en hard op te bulten.</p>
+
+<p>De aandoening ging uitjagen in Goedele's borst en hare wimpers werden
+heet.</p>
+
+<p>Ze stamelde:</p>
+
+<p>&mdash;Moeder....</p>
+
+<p>De klank van haar eigen stemme kwam hare emotie overdrijven. Ursule
+vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Zal hij trouwen?</p>
+
+<p>Trouwen? Goedele zag subiet het povere kamerken van Romaan, waar ze
+gedrie&euml;n een nieuw geluk bewerkten in liefelijke eendracht. Ze knikte,
+niet goed meer wetend wat eigenlijk hare boodschap geweest was.</p>
+
+<p>&mdash;Ja.</p>
+
+<p>Ursule in een uiterste poging rechtte zich en zat overend. Haar wezen
+werd grauw van ingetogen woede. Ze duwde hare vuisten in haar
+hoofdkussen en hare nagels krabden hoorbaar over het gespannen laken.
+Ze vroeg op een nieuw, binstdat ze hare lippen, in vreeselijke gramschap,
+uitlengde naar Goedele:</p>
+
+<p>&mdash;Zal hij&mdash;trouwen?</p>
+
+<p>&mdash;Ja, moeder.</p>
+
+<p>&mdash;Hein?</p>
+
+<p>Ze hijgde en een reuteling rochelde nattig in haar keel. Ze wachtte naar
+'t herhaalde antwoord en 't was alsof ze t&oacute;ch hoopte dat het niet zou
+herhaald worden.</p>
+
+<p>&mdash;Ja....</p>
+
+<p>Een snok rukte haar kinne naar omhooge en terwijl ze achterover
+neerzakte, stiet ze met een worp al haar haat, haar wilden, grenzeloozen
+haat uit haar boezem&mdash;een walg en een grijnzen:</p>
+
+<p>&mdash;De hoere!</p>
+
+<p>Haar mond bleef halvelings open.</p>
+
+<p>'t Was voor Goedele een verschrikkelijke slag en 't woord hing een
+stonde te daveren in 't geluchte. Ze viel op hare knie&euml;n, vatte moeders
+hand en begon te snikken en te roepen, geen andere uiting meer wetend
+voor haar wanhoop, geen hulpe meer vindend in niemand, noch steun in
+geen toekomst.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h3><a name="hXIV" id="hXIV"></a>XIV.</h3>
+
+
+<p>Ursule was leelijk aangetast. Dagen na dagen bleef ze liggen in haar
+bedde, zich opwerpend somtemets, naderhand afgemat en roerloos. Ze sprak
+niet. Ze kon niet spreken, hoe ze ook geweld deed om een gedacht luide
+te doen opklinken. Ze bracht onzinnig geratel uit, en ze lag dan weer
+zwijgend te turen heel strak naar de zoldering. De dokter die haar
+dagelijks bezoeken kwam zei dat ze groote rust noodig had en dat men
+haar omtrent alles moest involgen. Hij merkte niet hoe woedend ze
+telkens was, als hij verscheen, en hoe ze met hare oogen teeken deed dat
+men hem wegjagen moest.</p>
+
+<p>Met rust en groote zorgen zou ze stilaan genezen. Veel tijd was daartoe
+noodzakelijk en veel voorzichtigheid.</p>
+
+<p>Goedele zat gestadig aan de sponde en deed met effen verduldigheid al
+wat haar de minste grillen van Ursule opdrongen. Uitermatelijk
+dienstveerdig en welwillend, liep ze links en rechts, naar den wenk van
+moeder's ziekelijke onstandvastigheid, de kamer rond. Geen weerzin
+voelde ze en geen moeheid. Ze hield zich alzoo in drukke bezigheid en
+het was voor haar in feite eene afleiding.</p>
+
+<p>Want geen klaarte was nog in hare zinnen gekomen. Het schrikkelijke
+voorval had haar verdraaid en in haar duizelig hoofd daverde gedurig een
+onoplosbare harrewarrije. Ze beleed zonder uitkomste een knagend, dof
+wee, en haar lijf was nu iets geworden dat ze pijnlijk tallenkant
+meesleurde, achter de troebele zucht van haar strijdende gepeinzen. Ze
+dacht niet aan Johannes: met &eacute;en schok was hij weggerukt geweest en heel
+verre schemerde ievers zijn onzekere schaduw. Ze had geen behoefte te
+denken aan hem, die zoo wijd bestond, teenemaal buiten 't bereik van
+haar denken. Maar onophoudelijk dacht ze aan een bange gebeurtenis, aan
+een groot geweld, dat volbracht was, iets zonder vaste vormen, zonder
+kleur en preciese maten&mdash;een massa, opdonkerend zoo subiet, juist achter
+haar. Verder was geen verleden: 't verleden en reikte niet verder,
+geborgen door de donkerte van dezen opzuilenden paal. 't Was een nacht,
+die alle dagen dook.</p>
+
+<p>Een weke verliep, en nog altijd wist ze geen uitslag aan haar lijdelijk
+gemijmer. Nog was ze werkzaam, in de duffe ziekekamer, en ging lijk
+dronken gebogen onder de vracht van het volendigd ongeluk. Even verre en
+ondoordringbaar bleef 't verleden, naar achteren en buiten zicht geduwd
+door gindsche vervaarlijke somberheid.</p>
+
+<p>Goedele luisterde naar moeders asem, als ze sliep, of beloerde haar
+minste gebaar, als ze lastig te spartelen lag onder de sargie. Ze lonkte
+alles na, bezorgd en ordelijk. Ze handelde niet ganschelijk bewust, maar
+bevreesd voor nieuwe rampen, die ze niet bepalen kon en waar ze nievers
+een opkomende oorzaak voor ontwaarde. Ze handelde heel bang&mdash;tevreden
+dat ze handelen mocht en dus den zeerdoenden tijd opstoppen, die
+tallenkant met benauwde leegten te gapen hing. Ze bedwelmde zich met
+werken, met hergaan; ze maakte zich zwaar-dom in gestadige beweging om
+niet, al rustend, achterwaarts te kijken naar de hooge schim van 't
+verrichte noodlot.</p>
+
+<p>Na de derde week kreeg Ursule heur sprake terug, maar ze was nog niet
+losgeraakt uit eene luie verwikkeling van hare gedachten. Ze was lijk
+eene die, verdwaasd na een harden slag, zich om alles verwondert en
+niets met zekerheid benaderen durft. Bij Ursule echter ging dat
+lanterfantig gedoe van hare hersens gepaard met de sprongen van hare
+prikkelbare lastigheid. Ze lag altemets stille te kouten met Goedele.</p>
+
+<p>&mdash;Zie eens hoe de zonne ringskens teekent over de ruiten.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, ringskens.</p>
+
+<p>&mdash;En hoe ze sterrekens puntelt in het stof, de ruimte langs....</p>
+
+<p>&mdash;Ja.</p>
+
+<p>Ze deed dan meteen een kwaad gebaar en riep:</p>
+
+<p>&mdash;Wat een boel! De lucht is dikke van vuilnis.... Maar wie kuischt hier,
+wie moet hier het huis opruimen en zuiver houden? Of wilt ge mij
+allemaal den dieperik inhelpen met uwe wanorde.... Le&ecirc;gaards! Le&ecirc;gaards!</p>
+
+<p>Ze was niet te stillen, en ze schreeuwde tot heel blauw haar hals werd
+en ze nadien, al hijgend, roerloos wegzakte in de kussens.</p>
+
+<p>Goedele baadde dan haar voorhoofd met ijswater en paaide haar heel
+zoetig, belovend dat ze voor alles zorgen zou.</p>
+
+<p>Andermaal waren ze getwee&euml;n precies aan het spelen met Seppie. Goedele
+rolde een balletje papier en gooide 't over den vloer. Het hondje sprong
+gretig er naar toe, trachtte het beweeglijk speelgoed vaste te vangen
+tusschen zijne grabbelende voorpooten en wilde 't gek-vlugge vaneen
+rukken tusschen zijne tanden. Zijn muilken snuffelde haastig hier en
+daar, hapte vergeefs te dichte of te verre. De bal joepte kantewaarts,
+rees langs zijne onervaren nagels weg en liep een endeken wijder. Seppie
+bleef een wijle plattebuiks loeren en wachten tot dat levendig ding
+stille zou blijven. Hij mat zijn wip, pootelde slibberend naar voren en
+stiet dwaas tegen 't papier aan. Even ruischte het en rolde het te lore
+onder de kasse. Nu lag hij te krabben om het her in 't bereik van zijn
+neus te halen. Hij kantelde op zijn linkerflank omme en stiet hopeloos
+met zijn achterpooten, binstdat zijn kodde koortsig overentwere te
+vlaggelen begon.... Hij gaf de poging op, rechtte zijn vermoeid lijf en
+stond zijlings heel dom naar Ursule te kijken. Ursule troetelde:</p>
+
+<p>&mdash;He-wel, mijn floddereerken, gij zotte bobijne! Ze lachte met
+luidelijke leutigheid, en Goedele moest Seppie oppakken en hem op 't
+bedde zetten, waar hij seffens aan 't luierikken lag onderdefleerende
+vingeren van zijn meesteresse.</p>
+
+<p>Maar subiet kwam een nieuwe koortse Ursule aantasten en ze pruttelde:</p>
+
+<p>&mdash;Nah ... nah ... de schoone sargie, de schoone lakens.... Kunt ge zijn
+pooten niet proper maken, eer ge hem hier alles schenden laat. Och God,
+och God! wanneer zal ik genezen zijn en dees huis bestieren, dat naar
+zijn ondergang wil!</p>
+
+<p>Goedele verdroeg hare buien, en zoo gingen de dagen om. Ze deed niets
+liever dan moeders verlangen benaderen, en zij en had geen pijne, als
+haar een ongegrond verwijt toegesnauwd werd.</p>
+
+<p>Met dezelfde gewilligheid ontving ze de bezoeken van Sebastiaan. Ze deed
+hem nu dikwijls komen en de jongen was aangedaan om den wille van hare
+brave liefelijkheid. Ze was niet meer ruw met hem. Ze zocht zijne
+nabijheid zonder den wrevel te vreezen, die opging langs 't vrome gebaar
+van zijne handen. Ze zaten weer saam aan moeders voetende, en hij kon er
+spreken van zijn vele werkzaamheid, van zijne toekomst. Als Goedele hem
+bezig hoorde, zijn woorden volgend, die heerlijke plannen omschreven,
+had ze aldoor eene zwijgende aandacht. Maar, al knikte ze en liet ze
+geen minste gezegde onbeluisterd, ze taakte niet al wat hij vertelde
+voor haar. Hij zat, lijk altijd, te zoeken naar schoone zinnen, trage en
+zorgvuldig.</p>
+
+<p>&mdash;Mij, Goedele, overvalt gedurig het prachtige zicht der toekomst, waar
+gij almachtige godinne zijt. Ik schik dan alles en verander hier en daar
+een beeld, en 'k zoeke vlijtig of 't nievers u bezeeren kan. Zoo scheppe
+'k in mijne gepeinzen de zoetste zoetigheid om u, en&mdash;hoe zou daar
+entwat haperen, als gij er lachend en stralend te midden staat...?</p>
+
+<p>Hij liet eene korte stilte gewichte geven aan de golving van zijn stemme
+en voegde er bij:</p>
+
+<p>&mdash;Ik ben gelukkig dat ge mij aanhooren wilt. Hij verwijlde alzoo met
+weeke profijtelijkheid in 't gespeel van welluidende zinnetjes. Het was
+klaar te merken dat de vorige onverschilligheid van Goedele alras
+vergeten was en dat hij, lijk eertijds, zijn precieuse doening herpakte.
+Hij schreef de plotselijke veranderingen toe aan Goedele's grillige
+jeugd.</p>
+
+<p>En Goedele, tuk op vermoeiend bedrijf, deed ook al het mogelijke om hare
+houding weg te vegen uit elkendeens herinnering. Heimelijk meende ze
+daardoor haar eigen geweten effen te krijgen. Ze beantwoordde Sebastiaan
+met ongeveinsde gretigheid. Ze wachtte zelfs ongeduldig naar het dalen
+van zijn langzame gezegden, om subiet haar gulzige woorden te plaatsen.
+Ze boog zich naar hem en praatte zoo, dronken van eigen stemgeruisch. Ze
+interesseerde zich aan zijne studi&euml;n over Hieronymus Bos.</p>
+
+<p>&mdash;Wat vind ik zoo'n man wonderlijk&mdash;zoo bezig gestadig met buitensporige
+fantazeering, een hoofd vol wangedrochten, hanen met ezelsooren, kiekens
+met snoeksmuilen en honderompen met klein-kinderbillen.... Als dat nu
+altegare holderdebolder uit een nacht te voorschijn komt lijk uit een
+grauwe spelonke....</p>
+
+<p>Ursule opende rijzekens hare oogen en mompelde dat ze wat anders
+vertellen moest. Ze glimlachte:</p>
+
+<p>&mdash;Ik zie permintelijk al die dwaasheden!</p>
+
+<p>En Sebastiaan omdeed dan met kunstige epitheten het leelijke zicht,
+zoodat nog alleen de ontzaglijke kunst van Bos overblijven moest.</p>
+
+<p>En omme gingen de dagen.</p>
+
+<p>Ursule, alhoewel ze haar bedde nog niet verlaten mocht, was toch op
+goede beterschap, en hare gedachten klaarden op. Ze herzag met
+stiptelijke nauwkeurigheid al wat gebeurd was, en ze lag dan in versche
+hope te beramen een nieuwe instelling. Ze stapte over 't gebeurde heen
+om met sterke moedwilligheid de toekomst in te richten. Het ideaal, dat
+ze zich al zoo langen tijd gesmeed had, kon ze niet ten geheele
+loslaten: ze zou nu met Goedele alleene de schrikkelijke zaken herdoen.
+En ze verzinde grootsche werkingen.</p>
+
+<p>Op een dag, in den valavond&mdash;ze lag nu meerendeels alleen&mdash;liet ze
+Goedele bij haar roepen.</p>
+
+<p>&mdash;Zet u, mijn kind.</p>
+
+<p>Ze was uitermatig zachte en glimlachte. Dadelijk voelde Goedele dat de
+vroegere oolijkheid weergekomen was, maar niet als eertijds steeg in
+haar boezem de verontweerdiging of de gramschap. Ze verdroeg lijdzaam
+alle uitdrukkingen van moeders karakter. Ze verlangde zelfs dat ze
+eronder lijden mocht. Ze wilde geerne gekastijd worden, en ze zou geen
+minste beweging doen om den stoot van moeders slechte inzichten af te
+weren. Ze wilde zeggen, seffens:</p>
+
+<p>&mdash;Moeder, g'en moet geen omwegen maken. Ge moogt subiet eischen de volle
+bevrediging van gansch uwen wil. Ik zal u gehoorzamen.</p>
+
+<p>Ze vreesde echter dat moeder 't zou euvel opnemen, en ze moest moeder
+alle leed of luttel verdriet besparen. Ursule sprak, fleemend:</p>
+
+<p>&mdash;Morgen uchtend moet ge een brief sturen naar notaris Van Kalken. Ik
+zal hem onderteekenen. Ge zegt daarin dat ik te Heysse die plezante
+villa koop, waarvan hij me gesproken heeft. Ge zegt dat hij onverwijld
+de noodige maatregelen nemen moet, en dat we om de maand nog alginder
+willen wonen.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, moeder.</p>
+
+<p>&mdash;Ik doe 't voor u, mijn kind, die bleek wordt en zekerlijk de groote
+lucht noodig hebt. Ge hebt me zoo liefderijk verpleegd en ik ben nu ook
+gelukkig, omdat ik u met zoo'n villa gelukkig maken kan.... Wat zal dat
+ook heerlijk zijn, he? Zijn we al eens in Heysse geweest? Ik herinner me
+niet....</p>
+
+<p>&mdash;Ik herinner me niet, moeder.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, dat zal heerlijk zijn!</p>
+
+<p>Ze zweeg een stonde en de avond daalde daarbinst. De beweeglijke
+deemstering speelde om de venstergordijnen, grauwe schaduwen leggend
+langs de plooien, en ze kwam neerwaarts doezelen bezij de muren om haar
+dikten op te stapelen in de hoeken, binnen de schouwe of onder de kasse.
+Van daar reikte ze vreesachtig hare schuwe armen over den vloer, verder
+en verder vingerend tot allerzijds een halve duisternisse waarde,
+waaruit alleen opflikkerden nog de witte beddelakens en de klatering van
+de vensterruiten.</p>
+
+<p>Ursule wist den gemoedelijken invloed van den avond. Ze nam stille
+Goedele's vingeren, fluisterend:</p>
+
+<p>&mdash;Kom dichterbij, mijn kind....</p>
+
+<p>Ze streelde hare armen en liet heel trage hare woorden beelden worden in
+de wattige donkerte.</p>
+
+<p>&mdash;Mijn kind, uw grootvader was een arme visscher. Jaren en jaren zwoegde
+hij en wist, door zijn schrandere kunde en zijn hardnekkigen moed, zijn
+sterke werk tot bloeiende uitslagen te brengen. Maar als zijn geest aan
+'t verzwakken ging, heb ik 't beleid van zijn zaken op mij genomen en de
+doening doorgezet. Wij zijn geslaagd. 't En was niet, mijn kind, te
+danken aan een gelukkige saamkomste van meevallende omstandigheden. Wij
+hebben ons goed met aanhoudend geweld gerukt uit den klauw van het
+noodlot. Wij hebben gezwoegd. Gelooft ge, Goedele, dat al wat hier u
+omringt en zachte uw niets-doen steunen komt, door ons al schattend en
+nagelend, stukje bij stukje werd binnengebracht? Het moet u moeielijk te
+denken zijn, hoe pijnlijk uw welzijn is tot stand gekomen. Gij hebt geen
+sreke daarvoor gedaan, en gij kunt dus niet weten hoe wij die weelde
+bereikt hebben,&mdash;die weelde voor u. Maar wat is deze weelde? Wat is een
+leven, dat niet werkzaam is&mdash;en dat geld, al dat geld? Zoo insgelijks
+moet geld werkzaam zijn, mijn kind....</p>
+
+<p>Goedele luisterde met aandacht, en, binst de donzige schemering, klonk
+moeders stem met endelooze goedheid om. Ze liet de klanken zacht
+aankloppen tegen hare hersens en de beelden werden zichtbaar overhand.
+Geen aandoening wekte in haar de trage gezegden, maar ze hielden haar
+geest bezig, zoodat geen ander gepeins er folteren kwam. Ze leunde tegen
+'t bedde, en ze voelde gestadig 't gekriebel van moeders vingeren over
+hare hand. Ursule zei:</p>
+
+<p>&mdash;Als grootvaders geest aan 't verzwakken ging, heb ik 't beleid van
+zijn zaken op mij genomen, ja. Naderhand ben ikzelve verzwakt en niemand
+was daar om de vruchtbare doening door te zetten. Nu zijn we langen tijd
+gebleven zonder nuttig bedrijf, en d&agrave;t is zonde. Wat wij door werken
+gewonnen hebben, moet verder door werken oogsten dragen. Ja, oogsten
+dragen. Meent ge niet, mijn kind, dat we hier lam en schuldig de dagen
+langshenen slenteren? Meent ge niet dat we schadelijk zijn?</p>
+
+<p>Ze zweeg een wijlken.</p>
+
+<p>&mdash;We zijn schadelijk, omdat we de le&ecirc;gheid van onze handen
+bevoordeeligen. En, ziet ge, ik had gedacht eertijds: later wordt mijn
+jongen groot en struisch, later schiet mijne dochter krachtig op, en dan
+werp ik den last van mijnen rugge en dan zie 'k mijn kinderen met nieuwe
+sterkte het schoone gewicht dragen ... later.... Toen heb ik den tijd
+afgewacht, maar de tijd is niet gekomen.... Toen heb ik geweld willen
+doen.... Toen is mijn jongen vergaan, verre van mij, te lore, te lore.</p>
+
+<p>Dikker stapelde de duisternis zich tallenkante thoope. Goedele zag
+rijzekens in 't witte gelaat van Ursule de donkere schaduw van den mond,
+die roerde. De oogen echter, weggeveegd door den dompigen nacht, zag ze
+ziet.</p>
+
+<p>&mdash;En zal ik nu alle hoop moeten verlaten, mijn kind? Zal ik, na alle
+verlies, de laatste toevlucht, die nu rest, verliezen? Ik vrage u dat.
+Ik dwing u niet. We moeten discuteeren.</p>
+
+<p>Naarmate ze dichter haar doel naderde, deed ze zoeter fluisteren haar
+wiegende stem, en ze trachtte na te gaan op Goedele's wezen, dat vlak
+onder de schuinsche klaarte van 't venster nog opbleekte, hoe hare
+woorden een doordringenden invloed kregen. Goedele's wezen bleef stille
+en aandachtig. 't En was geen moedeloosheid, die er over lag; 't was een
+geduldige ondergeschiktheid, alsof ze nu op voorhand alles aannemen en
+verdragen zou. En, in waarheid, ze verdroeg op voorhand alles zonder
+onderzoek, gewillig en gedwee. Ze meenden erdoor stilaan haar zondig
+gedrag te vereffenen. Ursule vroeg: Zoudt ge mij gehoorzamen ... in
+alles?</p>
+
+<p>&mdash;Ja.... Ja....</p>
+
+<p>&mdash;In alles wat mijn wil mag zijn? Want, ziet ge, mijn laatste hoop is in
+u. Mag ik op u berusten?</p>
+
+<p>&mdash;Ja, moeder.</p>
+
+<p>Ze zei 't trage en vastberaden. Een plotselijke emotie schoot op in
+Ursule, en op hare lippen kwam roeren de kleine krulling van een
+heimelijken lach. Ze bleef een wijle in de voordeelige donkerte alreeds
+genieten van de zegepraal, die naderend was. Ze vatte nadien Goedele's
+arm en deed haar dochter buigen, tot ze haar asem voelde in heur haar.
+Ze lispelde:</p>
+
+<p>&mdash;Ik dank u, ik dank u, ik hebbe u lief.</p>
+
+<p>Ze rechtte zich dan, zat bijkans overend op de kussens en hare handen
+kwamen roerloos liggen nevenseen, profijtelijk op de sargie. Het was bij
+haar een gewone houding, als ze een gewichtige zake aantasten moest.
+Hare duimen taakten mekaar. Ze sprak:</p>
+
+<p>&mdash;Nu zullen we geld gaan winnen. Weet ge wat dat is? Het geld komt
+binnen, uit al die menschenvingeren, die schuiven en plakken viezelijk
+eromme. Het heeft een plezanten klank. We maken er hoopkens van. We doen
+het werken, 't holt en 't schaveelt ijverig tallenkant, waar ik weet dat
+het veilig is ... en 't komt hier aanrinkelen, verdobbeld,
+vertiendobbeld. We maken er weer hoopkens van. Ja, ja, mijn kind, het is
+een liefelijkgespeel.... Endelijk tellen we de hoopkens te gare.</p>
+
+<p>Ze likte met hare tonge trage over hare lippen, maar hare handen bleven
+onbeweeglijk liggen. Op denzelfden toon, bijna zonder overgang in de
+daling van hare stem, zei ze:</p>
+
+<p>&mdash;Trouw nu ... trouw nu gauw met Sebastiaan ... ons basis is sterker,
+als ge getrouwd zijt met hem.... Waarom schrikt ge, Goedele?</p>
+
+<p>Goedele had geschrikt. Al was haar inzicht tegenwoordig toch met Vrebos
+te trouwen, ze wist niet dat de daad zoo dichte bij haar was, gereed om
+te gebeuren. Ze meende wel dat niets restte van haar vroeger leven en
+dat haar geweten bedaren zou in eene opoffering ... in dees huwelijk,
+dat elkendeens wensch omsloot. Ze meende 't zoo allemaal wel. Maar dat
+de dag alreeds dreigend opduiken zou, haast tastbaar, was een gedachte
+waaraan ze zich geerne hadde langzaam gewend. De leelijke wezenlijkheid
+moest voorbereid worden en ginder achterwaarts zou dan de schrikkelijke
+massa wegschemeren, die er voortdurend aan 't spoken was. Ze stamelde:</p>
+
+<p>&mdash;Ik schrik niet.... Ik zou willen denken, een beetje. Ik zou willen
+alles bezien, eerst, en de toekomst doen opklaren. Ik zie niet goed
+daarin....</p>
+
+<p>Ursules mond viel in gramschap open:</p>
+
+<p>&mdash;Hein?</p>
+
+<p>&mdash;Ge moogt u niet opjagen, moeder. Ik zal u gehoorzamen. Laat me eens
+stille overwegen....</p>
+
+<p>Ursule zakte thoope in den konk van de witte lakens. Ze deed hare oogen
+toe en hare vingeren krulden te zamen, stuipachtig geweld doende onder
+de sargie.</p>
+
+<p>De nacht was teenemaal aanwezig, en rijzekens haperde nog een schuchtere
+blauwigheid langs de ruiten van het venster. Goedele stak dan het
+gaslicht aan, en de vlamme sprong laaierig omhooge, waarachtig de stilte
+brekend, die lastig in de kamer was gedrongen.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>De villa werd aangekocht, opgeschikt en seffens bewoond. 't Was voor
+Goedele in den beginne een versch leven, en ze vond hare gansche
+bezigheid in den tuin, waar 't alles zoo gezellig was aangelegd. Kleine
+wegelkens kruisten er dweers en door, en diverse borduren van rozen en
+geraniums en ander gebloemte kleurden sierlijk erlangs. Vooral de wijdte
+van den grooten hemel was haar eene deugddoende nieuwigheid. Ze volgde
+met emotie de langzame vaart der wolken, daar bollend pluimlichte in de
+zonnige diepten....</p>
+
+<p>Maar naderhand was de grootsche doening der natuur een kwalijke
+aanstoot, en 't driftige verleden, met al zijne gulzige levendigheid en
+zijne onstuimige passies, doemde opwaarts allentwege. De opzuilende
+duisternis viel in reten open en, omvoold arets door azurig geschemer,
+stegen de verschillige beelden van hare liefde.</p>
+
+<p>Ze zag Johannes.</p>
+
+<p>Hij en wekte geen afkeer bij haar. Hij was geworden een droom, niet te
+genaken, en ze kon, zonder wroeging, in gepeinzen herleven het zoete
+bedrijf van hunne jeugd. En alles was verre, verre....</p>
+
+<p>Tot somtijden haar boezem te hijgen begon en ze sterkelijk versche
+roerselen gewaar werd in haar lijf. De ruimte om haar was haar nog te
+nauw. Haar vleesch tingelde en gloeide.... Ze liep dan in huis en
+babbelde onzinnig met vader, of ging neerzitten nevens Sebastiaan,
+leunen tegen zijn schouder en strak beloeren het vrome gepeuter van
+zijne vingeren. Zoo kwam de rustigheid stilaan terug, en terwijl ze weer
+opkeek naar 't verleden, was alles verder nog dan te voren, heel verre,
+heel verre.</p>
+
+<p>Als 't were schoon was en de volle zomerzonne neerklaterde in gouden
+fonkeling overal, wandelde ze alleene met Sebastiaan het wijde veld
+omme. Sebastiaan kwam kort na den noene, en zoo wandelden ze samen tot
+den avond. Ze overdreef hare vriendelijkheid en hij, overgelukkig,
+pronkte in 't genot van zijn man-zijn, zijn meester-zijn. De plotselijke
+omdraai van Goedele's handelwijze was bij hem gauw begrijpelijk geworden
+en, in na&iuml;even overmoed, schreef hij nu de verandering toe aan zijn
+eigen geduld en karaktervastheid. Hij stapte nevens haar en voelde zich
+groot en sterk. Geerne tastte hij 't gewicht van haar lijf op zijnen
+arm.</p>
+
+<p>Eens&mdash;de avond was al dichtebij en westewaarts vuurde de late zonne in
+een draaiing van gloeiend licht&mdash;waren ze, langs een pijnboschje, buiten
+hun weg geraakt. Op de akkers, die verder zich uitbreidden, naar het dal
+toe, waar schuilde het kleine dorp, zwoegden de oogstwroeters, lage
+gebukt en traag-wordend onder den last van het machtige werk. De winden
+waren stille gevallen, en altemets klonk in 't zwijgend geluchte de roep
+van een boever of 't krijschend gewet van een zeis. De boomen legden
+lange schaduwen over de baan, en de barmen ook hieven zich donkerend op
+tegen den purperen hemel.</p>
+
+<p>Voor de eerste maal welde in Sebastiaan de aandoening van zijne liefde
+brandend op. Hij werd zenuwachtig en de taking van Goedele's handen deed
+heete lochten walmen naar zijn hoofd. Hij antwoordde kort en verlegen op
+wat ze hem heel lichtelijk aan 't vertellen was, en zijne slapen werden
+soms danig koud. 't Lag gedurig op zijne lippen ... nu eens krachtig
+vooruit te komen met een innig woord, nu eens uit te spreken al wat hij
+zoo meteen in zich bruischen voelde. Maar hij was schuchter. Waarom
+kwamen de zinnen nu niet sierlijk te reke, lijk altijd? Hij had er nooit
+aan gedacht dat hij eens de zotte begeerte zou hebben deze vrouw wild op
+zijne borste te drukken. 't Verlangen dorde zijn kele, en hij zweeg. Hij
+werd gewaar dat hij hakkelen zou, en hij vreesde er heel deerlijk en
+belachelijk uit te zien.</p>
+
+<p>De avond was aan 't weven zijn doorzichtig floers, en ginder, matelijk
+vooruit-tertend, bukten de maaiers in geweldig bedrijf. Een puiken wipte
+in de gracht en niets roerde weer daarna. Goedele verheerlijkte de
+mooiheid van alle kleuren, die zacht ineenvloeiden, neventinten
+vlechtend daartusschen, menig en wonderbaar. Een wijde vredigheid was,
+lijk een effen vijver, spiegelzoete in haar.</p>
+
+<p>Sebastiaan bleef meteen staan en vatte hare hand. Zijn gezicht was
+onverkennelijk, zoo diepe had een koortsige emotie er over gewoeld.</p>
+
+<p>&mdash;Goedele, wacht....</p>
+
+<p>Ze keek op naar hem en verwonderde zich over zijn zonderling gebaar.
+Hij sprak dan, schokkend, jagend de woorden de eene na de andere, in &eacute;en
+asem zijn liefde zeggend.</p>
+
+<p>Het was een andere precies. Goedele had gemeend dat hij altijd maar
+vertijen zou in een welsprekenden, kouden minnehandel, en ze had althans
+lichter 't gedacht van een huwelijk met hem aangenomen. Ze merkte nu in
+zijne oogen iets dat haar Johannes herdenken deed. Haar bloed schoot in
+plotselingen afkeer opwaarts. Hij sprak:</p>
+
+<p>&mdash;Daar foltert mij een pijnlijke knaging. Daar is nievers een
+peiselijkheid. Daar is nievers een deugdelijke kilte. Daar is overal,
+overal&mdash;u! Wat moet ik doen met al mijn gelijke dagen? Hertel de vele
+maanden, die reeds verloren zijn achter ons. Ik kan niet meer verdragen
+'t idee van langer wachten en meer verlies. Maar kijk! wat zult ge
+beslissen? Ik ben onmachtig. Ge zijt zeer lief met me. We moesten saam
+wegvluchten uit gindsch groote huis van de stad. En alhier zijt ge
+gevlucht&mdash;en gij hebt het gansche huis meegenomen! Herbegint dan hier
+een leven, dat ik gindsch reeds beleefd heb? En zal ik u van dichtebij
+verlangen en nooit u hebben? En ben ik in waarheid niet dichtebij?</p>
+
+<p>Het was, bij Goedele, afkeer. Ze was te wege hem van haar weg te
+stooten. Ze wilde niet dat hij haar gedurig krenken zou met de
+bekentenis van eene liefde, die haar walgde. Ze huiverde als ze bedacht,
+dat hij die liefde opketste om ze bij haar te komen stillen.</p>
+
+<p>Ze wilde niet. Hard staalde hare koppigheid dien wil. Ze wrong zich los
+met een korten ruk en zag hoe plots zijn wezen hopeloos werd. Hare
+verhouding tot dezen man kwam haar klaarder te voorschijn en ze boog
+haar hoofd. Ze was niets. Ze had gezondigd buiten alle mate, en 't
+woord, dat moeder ten opzichte van Madeleen uitgespuwd had, ratelde
+opnieuw in hare ooren. Ze was niets. Met gretigheid moest ze alle boeten
+aanvaarden, want geen boete was groot genoeg. In een haastig zicht
+schemerden v&oacute;or haar op het droeve gezicht van de vrouw en het blonde
+kopje van het kind, uit Johannes' atelier. Die beiden staarden naar heur
+en de vreemde blik, die in hun oogen lag, weende er van zoo endeloos een
+smette....</p>
+
+<p>Ze boog haar hoofd. Ze zou trouwen. Ze zou alle opoffering aannemen, en
+geen toekomst was nog in te winnen. Twee tranen biggelden een endeken
+aan den tjop van hare wimpers en vielen, zonder hare wangen te taken, in
+den avond. Ze fluisterde:</p>
+
+<p>&mdash;Ik doe ... wat ge wilt....</p>
+
+<p>Hij naderde en omarmde haar, en zijne lippen kwamen gulzig rusten op
+haren mond. Ze dacht aan moeder, die nu zeer tevreden zou zijn, en dan
+zonk precies de wereld weg om haar. Ze neep hare oogen dichte en zakte,
+zonder hope, te lore in haar overgroote leed....</p>
+
+<p>De maaiers torten ook moe en zwaar, langs de gele wegen, alhier en
+alginder, sprakeloos, naar huis.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h3><a name="hXV" id="hXV"></a>XV.</h3>
+
+
+<p>Als ze vernam dat het huwelijk vast besloten was, bloosde Ursule van
+ingetogen vreugde. Voor haar was dus de beslissende zegepraal nabij.
+Ze zat in haren leunstoel te gichelen en ze voelde zich oogenblikkelijk
+beter worden. Ze murmelde:</p>
+
+<p>&mdash;Ik genees!</p>
+
+<p>Ze kon echter nog uit haar zetel niet. Hare beenen bleven lam en haar
+rugge was zonder sterkte.</p>
+
+<p>De trouwdag werd bepaald. Elkendeen was haastig om de gebeurtenisse te
+naderen. Maar Goedele werd nu door nieuwe angsten bekneld. Ze wilde niet
+meer eten, en blauwe randen vielen diepe in, onder hare oogen. Ze was
+altemets zoo bleek over gansch haar wezen, dat ze een zieke geleek, en
+ze werd naderhand uitermatelijk zwak. Bijwijlen was 't alsof een
+gewichte opschoof uit hare maag en hare keel kwam stoppen. Ze kon 't
+door zwelgen niet doen neerzijgen en deed dan vergeefsch geweld om het
+op te stooten langs haren mond.</p>
+
+<p>Moeder omringde haar met ijverige bezorgdheid en vreesde dat ze zoo aan
+'t wegkwijnen zou geraken. Ze veinsde eene &aacute;l-omstreelende goedheid en
+haar minste woord was van eenige liefde. Op een morgen, binstdat ze met
+Goedele alleen zat in de lage voorkamer, wilde ze de getuigenis geven
+van hare brave gevoelens. Ze reikte haar het sleutelken van hare
+geldkist over en zei:</p>
+
+<p>&mdash;In 't bovenste laagje ligt een kleine beurze met goudmunt. Neem die,
+en breng me die.</p>
+
+<p>Werktuigelijk ging Goedele en kwam met het beursje terug. Ursule liet de
+rinkelende stukken overeen neerschuiven in haren schoot en begon ze
+zorgelijk te tellen. Ze vingerde luierig erover, betastte met wegende
+traagzaamheid elk geel schijveken, en fluisterde:</p>
+
+<p>&mdash;Negenhonderd&mdash;duizend&mdash;twaalfhonderd, twaalfhonderd, twalef....</p>
+
+<p>Ze keek op naar Goedele en een ongewone glinstering blikkerde onder hare
+neergeduwde wenkbrauwen. Ze bedwong dees driftig geschitter en lijk te
+voren verkregen hare oogen de straling van 't koude staal. Ze sprak,
+fleemend:</p>
+
+<p>&mdash;Wilt ge me n&oacute;g van dienste zijn, mijn kind? Het is zoete weer buiten.
+Ge zijt bleek en ge zoudt moeten wandelen door 't bloote geluchte, ja,
+ja.... Wilt ge in den nanoen tot binnen de stad eens loopen? Sebastiaan
+komt niet v&oacute;or 't avondeten hier vandaag. Ge kunt terug zijn ...
+gemakkelijk....</p>
+
+<p>Ze wachtte een tijdeken en lager liet ze hare stemme zakken:</p>
+
+<p>&mdash;Ik wou geerne dat ge eens ... ginder gingt ... bij Romaan....</p>
+
+<p>Omdat Goedele met pijnlijke haastigheid haar gebogen hoofd ophief, deed
+ze alweer vluggelings achtereen hare woorden drillen, dof en eentonig:</p>
+
+<p>&mdash;Ge moet niets vertellen van mij&mdash;en mij achterna niets van hem
+vertellen. Ik weet niet waarom ik u daar doe binnengaan. Ik heb geen
+reden. Ik denk aan geen reden. 't Komt mij sinds een paar dagen zoo
+geweldig op en ik kan 't nu niet meer weerhouden. Koop onderwege iets
+met dees geld. Ge moogt niet zeggen dat het van mij komt. Ge moogt niet
+spreken van mij aan ... mijn zoon.... Wilt ge?</p>
+
+<p>Ze reikte 't geld over en Goedele nam het aan, ook gepakt door moeders
+geveinsde aandoening. Ursule had eerst eene groote blijdschap en ze
+jubelde in haar binnenste, al roerde geen vezel op haar gelaat:</p>
+
+<p>&mdash;Ik hebbe mijn hardvochtigheid van vroeger weergekocht!</p>
+
+<p>Want ze voelde dat Goedele haar nu insgelijks met al de snaren van haar
+teer-trillend herte verbonden was. Nadien echter schoot door hare
+hersens spijt&mdash;omdat die gulden somme zonder weerkomste zich
+verwijderde. Ze loerde een tijdeken naar Goedele's vingeren die om de
+beurze peuterden en hoorde de rinkeling daarbinnen van de dierbare
+stukken. Ze beet al gauw heel woest op hare tanden om den wrevel, die
+kroop langs hare leden, te bedwingen. Ze had, 't oogenblik daarna, alle
+moeite om een lach om hare lippen te wringen, als Goedele met dankbare
+oogen opkeek naar heur. En seffens, binstdat het meisje de kamer
+verliet, herkwam over gansch haar wezen de steenen hardheid, die 't
+waarlijke beeld was van hare dorre ziel.</p>
+
+<p>Zoo, na den noene, vertrok Goedele.</p>
+
+<p>Vader leidde haar tot aan 't station. Ze ging sprakeloos over den weg en
+bereidde aldus haar geest tot de geleidelijke benadering van al hare
+herinneringen. Albien trippelde nevens haar, vertellend van een
+elektrisch tuig, dat hij in 'thooge van de stad gezien had. Hij legde
+weer in juichende woorden bloot zijne kinderlijke verwondering en
+vermoeide zich al schokkend met zijn kort-dik lijf of al zwaaiend met
+zijne armen, bij maniere van treffende bewijsvoering. Als ze beiden 't
+spoor bereikten, hield hij op met tateren en lengde zich uit op zijne
+teenen om zijn dochter te kussen. Hij dacht niet aan zijn zoon. Hij
+dacht nooit aan iets dat buiten zijn wondere uitvindingen lag of dat
+niet direkt-tastbaar aanwezig was.</p>
+
+<p>Hij riep van verre, wuivend met zijn neusdoek:</p>
+
+<p>&mdash;Da&aacute;g!... Da&aacute;g!...</p>
+
+<p>Tot de trein vertrok, bleef hij zoo, op den gelen weg, en Goedele, bij
+'t weggaan, zag hem staan, rond uitkomend boven een roodgouden
+klaverpartije, bollig en zelve rood. Zijn kleine armen zwaaiden
+ommentweere en 't witte gevlaggel daarboven smeet overhand een schaduw
+over zijn glanzenden krullekop. Anders was tallenkant de machtige zonne.</p>
+
+<p>Hij geraakte vlugge buiten zicht, en, in een hoek van 't coup&eacute;, zat nu
+Goedele te mijmeren, omdaan van 't gelijke treingeratel. Een oude dame
+zat rechtover haar, onverschillig turend het vensterruitje door, langs
+de wegschuivende landouwen. Hare rimpelige handen, waarover 't geweld
+gewoeld had van gansch een vermoeiend leven, rustten wijd van een, elk
+op een knie. Een paar ringen, te groot voor de magere vingeren, hadden
+een dooden schijn van doffe gesteenten. De minste waggeling der kussens
+stiet deze vrouw naar links of rechts; maar, hoe zij ook overendweer
+dommelde, hare blikken en roerden niet, aldoor starend over het
+veranderlijke veld.</p>
+
+<p>Niets had Goedele dichter bij 't jonge verleden gebracht en haar zoo
+meteen het pijnlijk gevoel ervan doen hervoelen als deze reis. Ze zou
+haar broeder wederzien. Maar tevens wist ze de nadering te tasten van al
+wat gebeurd was, gebeurd en stilaan in zoete vergetelheid weggesust. 't
+Schoot alteenegare wakker. Naarmate ze doorreed, werden duidelijker en
+scherper de leelijke beelden van haar zondige liefde, en de onrust, die
+toch gedurig dof-diepe in haar binnenste roezemoesde, klepperde heel
+bange op, soms met stooten haar kele toestroppend.</p>
+
+<p>En ze kon hare gedachten niet afwenden, langs een anderen vredigen kant.
+Al keek ze met koppige aandacht naar 't verfrommeld wezen van de oude
+dame, ze zag dat wezen niet&mdash;en sterk spookte in hare hersens 't zicht
+van haar verloren vreugde.</p>
+
+<p>Ze probeerde dan zich buiten 't bereik van hare foltering te helpen met
+spreken. Ze wilde eene lichte conversatie beginnen en zei blozend entwat
+over 't liefelijke weer.</p>
+
+<p>&mdash;Een schoone oogst, niet waar, mevrouw?</p>
+
+<p>&mdash;Ja.</p>
+
+<p>De dame blikte even op naar heur, heel onverschillig, en draaide terug
+naar 't verre landschap haar bleek gezicht. Goedele bleef in nog
+pijnlijker alleenigheid zitten en voelde dichter zich door 't lijdelijk
+verleden omringd. Dan gaf ze zich ten geheele over aan hare droeve
+gepeinzen en herleefde achtereen al de dagen te reke, die hare liefde
+hadden gevoed. Nooit had zij 't klaarder herdacht: de gebeurtenissen
+lagen zonder nevel open v&oacute;or haar. Ze zag ze worden en kruipen in den
+tijd en te zamen bouwen het schrikkelijke ongeluk. Niets was omdoken.
+Ze zag heel bepaald Wiezeken's ziekte, en haar bezoek bij 't zieke kind.
+Ze had een poesjenel gekocht en ze had Johannes ontmoet....</p>
+
+<p>Ze had Johannes ontmoet.</p>
+
+<p>En Wiezeken was bleeker geworden.&mdash;Hoe was 't gekomen? Wat had zij,
+Goedele, daarbinst gedaan? Ze herinnerde zich goed dat ze Johannes
+ontvlucht had....</p>
+
+<p>Ze had Johannes ontvlucht.</p>
+
+<p>Maar Wiezeken stierf. Ja. Boven 't kleine beddeken zag ze zijne handen,
+en zijne handen toetsten hare handen. Waarom was dat allemaal gebeurd?
+Waarom was naderhand, in de half-donkere kamer, die stilte, gekomen, die
+haar zoo nauw naast Johannes bracht? Ze was buiten haar gezonde zinnen
+geraakt, niet waar? En Johannes ook. Dat was de aandoening van het
+noodlot. In haar was iets lafs gekomen, lijk bij zieke menschen. In haar
+had een oolijke geest een groote werking begonnen en ze had zich niet
+verdedigd. Maar wie zou haar ook geholpen hebben? Daarom had ze zich
+niet verdedigd, misschien.... Haar vleesch was betingeld en almachtig
+had over haar geheerscht de Kwade, met zijn leelijk bedrijf,&mdash;en ze had
+zich weerloos overgegeven....</p>
+
+<p>Ze had zich overgegeven aan Johannes.</p>
+
+<p>Lange herdeed ze in gedachten heel 't onzeggelijk geneuchte van hare
+liefde. Haar hoofd zakte lage op hare borste en dieper schoof haar rugge
+langs de kussens van 't coup&eacute;. Ze werd de sjokkende rolling van den
+trein niet meer gewaar. Hare vingeren sleurden willoos kantewaarts over
+haren schoot en bleven zonder roeren van weerskanten, danig moe precies.
+Het lederen taschje, dat aan haren arm hing, schokte tot tenden hare
+voormouw en slibberde naast haar knie, waar 't stille wippelde bij elke
+onregelmatigheid van de vluchtige vaart.</p>
+
+<p>Ze zat zoo, zoete verdoold in herinneringen, tot ze meteen rilde en hare
+schouders angstig opstak. 't Was dat ze 't atelier herzag, het duistere
+kamertje, en dan, na 't zondige portret van Mari&euml;tte, de smertelijke
+moeder en het droomende kind. Ze herleed de plotselijke breuke van hare
+liefde. Ze hervoelde den afgrond waar ze heel dien tijd van passie in
+verzonken was. Den afgrond!...</p>
+
+<p>De liefde!...</p>
+
+<p>Aldus was hare liefde geweest. Hare oogen werden nat. Eene subiete
+wanhoop greep haar over gansch haar trillend lijf. Ze wilde loopen,
+loopen, zoeken tallenkante, het huizeken zoeken, en de zachte kamer en
+het blauwe bedde. Hare lippen bewogen en ze lengde hare kinne opwaarts
+om te roepen,</p>
+
+<p>&mdash;Johannes! Johan!... Ho! Johan!...</p>
+
+<p>Ze schrok, en haar gezicht werd koud, en een traan, omlage wiegelend,
+brandde er een gloeiende strepe. Ze bracht hare hand aan haren mond,
+en bleef zoo, zonder geluid, zonder gebaar....</p>
+
+<p>De dame tuurde lijk te voren door 't lawaaierig vensterken, en buiten
+schoven nu de zware huizen en sombere schouwen der stad voorbij.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>'t Was over. Langs de woelige straten ging Goedele en ze haastte zich
+niet, soms kinderlijk aandachtig bij de uitstalling van een modewinkel
+verwijlend. Ze vroeg zich niet af, hoe ginder bij Romaan en Madeleen nu
+'t leven was. Ze tort onverschillig door en 't was zonder weten dat ze
+bij plaatsen haperen bleef. Even zoo trage en gewillig als ze in Heysse
+rondzwerfde, tort ze hier door. Ze dacht niet aan 't geld, dat moeder
+haar had meegegeven, en ook het uitzonderlijk gedoe van moeder had haar
+geen oogenblik opgehouden. Alle feitjes, die gezamenlijk den morgen en
+den noene uitmaakten, 't waren feitjes buiten haar en ze leefde langzaam
+daartusschen. Ze kocht een pakje snuisteringen voor tante Olympe.</p>
+
+<p>&mdash;Die goeie tante Olympe!</p>
+
+<p>Ze glimlachte; maar seffens waren hare gedachten anderzijds en ze stond
+vol zorgen naar een keuze van kanten en borduursels te staren. Ze zei
+bij haar eigen:</p>
+
+<p>&mdash;'t Wordt allengs tijd dat ik wat voor mijn huwelijk schik....</p>
+
+<p>Ze kon zonder aandoening heel lang onderwege peinzen, al gaande, over
+haar huwelijk. 't En was haar geen zeerdoend beeld. 't Zou een gewoon
+voorval worden, lijk alle voorval geworden was om haar.</p>
+
+<p>Ze geraakte in de zwijgende steeg, waar Romaan woonde. Als de reuk van
+den ellegoedwinkel nijpend in haar neus opschoot, voelde ze wel een
+subiete leegte in haar herte, en ze moest een wijlken rusten op de trap.
+Binnen huis was nievers geruchte.</p>
+
+<p>Ze klopte aan de deur en draaide zelve daarna de klinke open. Madeleen
+zat in de keuken en Romaan stond bij 't venster een dagblad te
+overkijken. Ze blikten alle twee te gelijk op en hun gezichte ontvouwde
+zich tot een vriendelijken groet:</p>
+
+<p>&mdash;Kijk! wie daar toch endelijk is!</p>
+
+<p>&mdash;Dat is wel zusje....</p>
+
+<p>Ze kwamen af naar Goedele en kusten haar warm, en ze bloosde al lachend.</p>
+
+<p>Ze voelde de taking van de zachte deugdelijkheid, die hier huisde, waar
+niets koud of vreemd haar toescheen. Ze liet zich gedwee van haar hoed
+ontdoen en seffens zaten ze gedrijen rond de tafel, gemoedelijk elk zijn
+nieuws vertellend.</p>
+
+<p>Romaan was, lijk vroeger, opgeruimd en leutig. Niets van het droeve
+verleden was op zijn blij gezichte nog te bespeuren, dan enkel een
+kleine groeve midden zijn voorhoofd. Hij was weer kloek geworden en zijn
+blikken weer zoo diep-verstandig, zoo vlug-schitterend. Hij bukte zich
+over het tafelberd al sprekend, en tikkelde met zijne vingeren op
+Goedele's hand. Hij merkte wel de moede treurnisse, die zij mee had
+gebracht. Hij merkte hoe ze vermagerd was en hoe hare wangen, mat van
+verve, de donkerte van hare oogen nog versomberden. Hij had medelijden.
+Een blauwe ader sloeg uit op hare slapen. Hij wilde 't allemaal
+wegbabbelen met plezierig getater.</p>
+
+<p>&mdash;Er is nieuws, hoor!</p>
+
+<p>Hij vertelde dat tante Olympe ganschelijk genezen was, sinds zijn
+huwelijk, en dat ook hier het geluk teruggekomen was. Tante Olympe had
+geen zorgen meer. 's Uchtends was ze de eerste uit het bedde, maar na
+den noene moest zij er binst &eacute;en uurken weer in.</p>
+
+<p>&mdash;Ze ligt nu haar uiltje te vangen.</p>
+
+<p>Tante Olympe had maar &eacute;en verlangen meer: uit dees huis gaan en in
+zonniger wijken wonen en een schoon keuken hebben met een verlakte
+stove.</p>
+
+<p>&mdash;Djeezes, ja, die verlakte stoven! schaterde Madeleen.</p>
+
+<p>Tante Olympe sprak alle dagen daarvan. Ook had Romaan besloten dat hij
+verhuizen zou. De woonste was hier anders zoo onuitstaanbaar niet.
+Mari&euml;tte zong niet meer, maar nu was Madeleen den ganschen dag door aan
+het zingen. Goedele vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Mari&euml;tte?</p>
+
+<p>&mdash;Ze is vertrokken daags na Paschen, niemand weet waarheen. Haar vader
+is hier gebleven en alle veertien dagen krijgt hij geld. De bazin van
+den ellegoedwinkel maakt zijn teele eten en snijdt zijne boterhammen.
+Hij sukkelt zoo. Hij en sakkert noch en grommelt niet meer. 't Is
+daarboven heel rustig, heel droeve geworden, maar Madeleen maakt
+tegenwoordig leutig lawaai....</p>
+
+<p>Madeleen was verlegen en boog haar hoofd, en, onder zotte
+haarkrullekens, werden kriekerood hare ooren. Romaan begon luidop te
+lachen. Hij stoop zich naar heur toe en fluisterde plagend:</p>
+
+<p>&mdash;Mag ik 't zeggen?...</p>
+
+<p>Ze schudde pruilend haren kop en pinkte een twijndraadje weg, dat over
+hare mouw hing. Hij kittelde haar in haar nekke en lispelde zonder
+genade:</p>
+
+<p>&mdash;Hee?... mag ik? Zal ik 't maar uitbellen?... Hij blikte schalks op
+naar Goedele en pinkoogde snel. Dan rechtte hij zich en leunde
+gemakkelijk met zijne ellebogen op de tafel. Hij likte lui zijne lippen
+af, om Madeleen's lastigheid uit te lengen, en smakte trage.</p>
+
+<p>&mdash;Luister, Goedele....</p>
+
+<p>Hij sprak dan lage, alsof 't een groot geheim gold, en een stralend
+geluk verlichtte zijn gansch gelaat:</p>
+
+<p>&mdash;Madeleen zal.... weer moeder worden....</p>
+
+<p>Hij schaterde 't seffens daarop uit, 't kamerken vervullend met vroolijk
+rumoer.</p>
+
+<p>&mdash;Zoo word ik vader meteenent! Wat bloost ge, vrouwken? We hermaken ons
+geluk, en daar we volgens alle regels getrouwd zijn, zal ons geen kwade
+hand overvallen. Vraag 't maar aan tante Olympe!</p>
+
+<p>Tante Olympe kwam juist binnen en stond in 't deurgat te knikken. De
+lange oorbellen bijsden tegen haar krage en de tjopkens van haar kaken
+droegen den sterken blos van vroeger.</p>
+
+<p>Ze zette zich in de ronde neer en 't werd nu een gezellig samenzijn.
+Madeleen schonk de koffie en spreidde 't hagelwitte ammelaken. De
+kommekens rinkelden en dampten geurig, en elkendeen wist met leutig
+gekout de gaande uren genoeglijk te sieren. Hoe ras vloog omme de blijde
+tijd! Niemand zag de ruiten verbleeken en noescher zich uitrekken de
+schaduw tallenkant! Tante Olympe vooral had danig werk met vertellen,
+en ze gooide zoo aardig alle voorvallen harrewarrig dooreen, nievers een
+leemte latend, waar de stilte kon binnenkruipen en rusten.</p>
+
+<p>&mdash;En mijnheer Johannes, waar zou die nu zitten?</p>
+
+<p>Goedele beet gauw op hare lippen om hare ongedurigheid te bemeesteren,
+en ze liet zwijgend Romaan uitleggen hoe Ameye sinds de mededeeling van
+zijn huwelijk met Madeleen het huis verlaten had, en hoe hij kort daarop
+vertrokken was naar Duitschland. Goedele viel hem gejaagd in de rede:</p>
+
+<p>&mdash;Voor ... hoelang?</p>
+
+<p>&mdash;Hij is weg. Hij heeft mij geschreven dat het kunstenaarsleven in
+Belgi&euml; onmogelijk was en dat hij zijn vaderland verliet om meer
+dankbaarheid in den vreemde te vinden. Hij doet wel. Ons landje is in
+waarheid voor artisten een streke zonder uitkomste. We zijn te arm of we
+zijn te dom. In Duitschland zal Ameye zijn weg banen, en dan hooren wij
+nog wel spreken van hem. Hij was goed voor ons. Hij was een warme
+vriend.</p>
+
+<p>&mdash;Hij blijft ... ginder?</p>
+
+<p>&mdash;Ja.</p>
+
+<p>Madeleen bracht een schotel met snuisteringen op tafel, en Goedele
+herinnerde zich meteen dat ze wat suikergoed voor tante Olympe in haar
+taschje gestoken had. Hare handen beefden rijzekens, binstdat ze het
+blauw-gestrikt pak overreikte en ze lachte zonder de heete natheid weg
+te krijgen uit hare oogen. Wat scheelde haar Ameye's heengaan? 't Was
+zoo best. Ze overtuigde haarzelve en dwong haar eigen 't geluid van
+onverschillige woorden op. Ze dacht:</p>
+
+<p>&mdash;Het is z&oacute;o best.</p>
+
+<p>Maar, al had ze Johannes sinds lange vaarwel toegezegd in alle haar
+gepeinzen en al was ze hem niet dankbaar, hem, die haar gegeven had wat
+ze niet kon behouden, toch was haar zijn verre aftocht een onverweerbare
+emotie. Het was haar als de plechtige onherroepelijke staving van haar
+gebroken liefde. Ze had wel geen liefde meer, en het kon haar dan ook
+niet deren dat hij, de liefde en de schuld, zich voor altijd verwijderd
+had.... Spijts alles, deed haar deze verwijdering zeer. Het was lijk een
+graf, dat men ommedelft en vernielt.</p>
+
+<p>Romaan wist nog meer. Hij was vertrokken heel alleene, en zijne vrouw
+was bij hare ouders in Engeland, met haar zoontje teruggekeerd. Goedele
+had een droeven uitroep:</p>
+
+<p>&mdash;Ha! het was een zoontje....</p>
+
+<p>En Romaan keek subiet verwonderd op, plots zwijgend en nadien gretig
+zijn koffie opslurpend.</p>
+
+<p>&mdash;Weet ge wanneer hij vertrokken is? vroeg Goedele.</p>
+
+<p>Hij zette onvoorzichtig zijn kommeken neer en zei kort, in schijn geen
+acht gevend op zijn woorden:</p>
+
+<p>&mdash;Daags na Paschen.</p>
+
+<p>&mdash;Daags na Paschen?</p>
+
+<p>Zij schrok en zag in haar geest het zotte gezicht van Mari&euml;tte. Waar was
+Mari&euml;tte naar toe?</p>
+
+<p>Romaan merkte dat ze schrok en dat hare vingeren over het tafeldoek
+koortsig aan 't peuteren gingen. Hij keek dan strak en hard in hare
+oogen, speurde er de vergeefs bedwongen aandoening, en zijne hand
+grabbelde met een reik naar heure hand.</p>
+
+<p>&mdash;Goedele!</p>
+
+<p>Ze blikten altegelijk op naar hem. Zijne wenkbrauwen schoven angstig
+omhooge, alsof hem iets heel wreeds trof, iets dat niet te gelooven was
+en zich zonder waarschuwing had vastgeankerd in zijne hersenen. Maar
+Goedele stond rechte meteen en schokte weg in een luidelijk geschater.
+Ze ging leunen tegen 't raam om beter haar koortsigen lach te verdragen
+en ze bukte zich bijwijlen, neergeduwd door onverklaard pleizier. Ze
+giechelde:</p>
+
+<p>&mdash;Neen! dat is een lol, broer!&mdash;Nu wordt ge&mdash;grappig! Zeg eens&mdash;zeg eens
+wat ge denkt.... Nu zult ge leute hebben, menschen.... Ferm!</p>
+
+<p>Tante Olympe had reeds pleizier op voorhand en lachte mee. Romaan zat
+beteuterd rond te zien en Madeleen krulde, halvelings glimmend, haar
+lippen omme. Goedele merkte dat ieder begrepen had, en grijnsde:</p>
+
+<p>&mdash;Gek, hee! Maar hoe komt hij eraan!...</p>
+
+<p>&mdash;Ja, hoe komt hij daaraan!</p>
+
+<p>En niemand zei in woorden wat hij dacht, omdat de zake zoo gevoelig zich
+voordeed, en ... ja, omdat 't allemaal toch zottigheid was. 't Geval
+hing echter tegenwoordig in 't geluchte aan het groeien en, al sprak men
+verder over kleine dingetjes, 't bleef daar hangen en alle gepeinzen
+kwamen 't gedurig taken binst zijn groei.</p>
+
+<p>Als later Goedele veerdig stond om huiswaarts te keeren, klonken de
+groeten hard en menig, zonder de lieve innigheid, waarmee ze bij haar
+komste omwonden waren. Ze ging de trap af en zag de drij gezichten in de
+donkerte van 't deurgat knikken op haar. Ze bepeinsde zich een wijlken,
+wenkte dat tante Olympe meegaan zou naar beneden en stopte haar moeders
+geldbeurze in de hand, fluisterend:</p>
+
+<p>&mdash;Dat is voor de verlakte stove!</p>
+
+<p>Ze liep de strate langs, die in den voor-avond heel rustig en geluidloos
+was, en ze geraakte gauw binnen de ruchtige stad. Ze zou zich haasten om
+nog den vroegsten trein te treffen en dan v&oacute;or Sebastiaan thuis te zijn.</p>
+
+<p>In haar hoofd kruisten, ondereen in woelige wanorde, hare nieuwe
+gedachten. Ze beredeneerde haar minste gewaarwording en wist endelijk,
+buiten alle angstigheid of driften, een uitlegging te vinden voor elk
+gevoel. Johannes was vertrokken, en zijn vrouw, zijn kind waren
+vertrokken. Ze zou ze nievers onverwachts ontmoeten en ze kon nu stille,
+zonder stoornisse, de zoete vergetelheid laten zinken over alles. Wat
+baatte het verder te treuren? Alles was goed. Kwam niet, na zooveel
+ongeluk, de heilzame vrede in Romaan's huisgezin weer? Wiezeken was
+dood. Wat baatte het verder te treuren? Daar zou een nieuw kind komen.
+Johannes was weg. Daar zou een versche genegenheid haar herte van alle
+wanhoop verwijderd houden. Zij moest meehelpen, meebouwen hare toekomst
+en niet machteloos wegzakken in 't onveranderlijk verleden. Sebastiaan
+was braaf en edelmoedig. Hij zou haar omringen met zijne gewillige
+dienstveerdigheid. En de heerd zou warm worden. Ze glimlachte en
+peinsde:</p>
+
+<p>&mdash;Wat ben ik dwaas!</p>
+
+<p>Ze besloot hare zwakheid te overwinnen en hare oogen voorgoed van hare
+herinneringen af te wenden. Ze zou zich met koppigheid losrukken en
+niets meer betreuren, wat toch niet te verbeteren viel.</p>
+
+<p>&mdash;'t Wordt eene onuitstaanbare dwingelandij! Ja, zekerlijk. Ze zou dien
+last afwerpen van hare schouders en aandachtig alles schikken voor 't
+nieuwe leven, dat aanving. Ze moest alle dingen bekijken langs den
+voordeeligen kant en niet gedurig de afwezigheid beweenen van wat ze
+eens, toevallig en buiten recht, bezeten had. Ze moest Sebastiaan leeren
+kennen. Ze kende hem niet: hij was haar onverdraagbaar geweest, omdat
+hij Johannes niet was. Nu echter zou ze hem van dichtebij beschouwen en
+zijne schoone deugden bewonderen. En hij had haar lief. Hij zou haar
+vele doen vergeven, dat hij niet laten kon. Te gare zouden ze endelijk
+brave geneuchten beleven en hun huizeken voelen teenemaal lauw worden
+van eender geluk. Saam zouden ze Romaan bezoeken, en Romaan zou met
+Madeleen ook bezoek brengen. En later zou ze aan haar broer teruggeven,
+wat moeder hem ontnomen had....</p>
+
+<p>&mdash;Moeder geeft 't hem misschien vanzelf.... Ja, zekerlijk. En vader zou
+insgelijks inniger een figuur worden in haar leven. Ze beloofde, met een
+zacht medelijden, dat ze hem het wonder elektrisch tuig zou aankoopen,
+waar hij met zoo sterk een begeerte van gesproken had. Den ouden Rik
+moest ze tevens genegen zijn. Ze zou hem zijn zotte grillen laten
+bewaren en al eens heimelijk een blinkenden knop in zijn bereik gooien.
+Ze zou hem niet naloeren, als hij 's nachts zijn povere rijkdommen ging
+bewonderen en bepootelen. Hij zou gerust sterven, zonder gestoord te
+worden.</p>
+
+<p>&mdash;We doen wij allemaal dwaas, en we moeten genadig zijn....</p>
+
+<p>Ja, zekerlijk. En ze zou ook moeder onvoorwaardelijk involgen.</p>
+
+<p>Ze voelde dat tegenover moeder haar grootste ongelijk was. Ze had moeder
+verraden en ze moest in de toekomst alles boetveerdig weer goed maken.
+Ze zou moeder gehoorzaam zijn en maar doen wat ze soms zoo wild
+verlangde. 't Zou altemets lastig zijn, dat stekelig cijferen en hoekig
+handelen met geld. Maar moeder zou 't op een ende zelf opgeven. 't En
+was niet meer dan een tijdelijke grilligheid, en later zou ze ook de
+vlakke vrede benaderen, met Sebastiaan en Romaan, altegare onder de
+zoetige lampe.</p>
+
+<p>Goedele liep even nog een pasteibakkerij binnen en bestelde met de
+gauwte een potje chocolade en een rhumkoekje. Het was in leutige
+opgeruimdheid dat ze hier was ingedreveld, en ze zette zich neer, met
+kinderlijke gretigheid wachtend. Ze at gulzig en de reuk van den drank
+speelde aangenaam in haren kop. Ze had zich, peinsde ze, zonder
+weerkomste uit het leelijk verleden geworsteld. Ze jubelde binnenzijds.</p>
+
+<p>&mdash;Wat ben ik blij!</p>
+
+<p>Al kriebelde nog ievers een bijzondere angstigheid ... Want een gevaar
+kon opdoemen binst de dagen, die over haar versche leven varen moesten.
+Ze had een vagen schrik, zonder dees onzeker gevoel te kunnen uitleggen.
+En toch, algelijk, ze had vertrouwen en ze slurpte met plezierige
+slokjes de welriekende chocolade op. De oude dame, die ze op den trein
+gezien had, tort den winkel binnen. Goedele had een dwazen afkeer en
+werd onpasselijk precies. De rhum wipte opwaarts in haren neus, en het
+docht haar dat hier subiet 't geluchte bevangen werd.</p>
+
+<p>Ze stond recht en wilde heengaan. Maar eene loome zwakte verlamde hare
+beenen en ze wankte, tewege voorover neer te storten. Ze geraakte buiten
+en de volle lucht verkwikte haar niet. 't Was alsof de lauwe geur der
+pasteien standvastig ommewolkte en misselijke walmen opjoeg uit hare
+maag. De menschen, die voorbijgingen, grauwden te saam weg tot
+schuivende nevelen en bijwijlen flitste, daar te midden door, de groene
+verven van een tramwagen. De lanteerens werden aangestoken en ook uit de
+ruiten der winkels viel een geel-rood licht, dat met de blauwe klaarte
+der hemelen te strijden begon. Alles klaterde ineen en streepte te lore
+met den gang van het woelende volk. Ze wist niet wat haar overviel. Ze
+was lijk verslagen en een onzeglijke foltering snoerde haar kele vaste.
+Ze stamelde:</p>
+
+<p>&mdash;O God! H&oacute;-&oacute;-&oacute;!...</p>
+
+<p>Ze kwam onder de boomen van een square en moest zich haasten om een bank
+te bereiken. Ze zakte thoope en hare knie&euml;n bibberden, rijzekens
+kluppelend tegen mekaar. Ze voelde dat ze uitermatig bleek was: haar
+gezichte was hevig gespannen en iets smertelijks duwde de hoeken van
+haren mond neerwaarts. Hare gedachten strengelden dooreen en haar hoofd
+ronkte lijk een leege kasse....</p>
+
+<p>Nu voelde ze meteen de bepaalde pijn.... Ze bukte zich om haar leed weg
+te wringen en joepte dan gejaagd op. Hare oogen blikten verwilderd rond
+en hinkend drilde ze vooruit, dronken van overgroot verdriet. Ze beukte
+tegen de menschen en, zonder ommezien, zwengelde verder door. Op de
+brugge, v&oacute;or 't zacht-klotsende water, bleef ze staan. Ze lei hare
+handen nevenseen op de ijzeren leuning en tuurde zinneloos naar den
+glinster-grauwen vloed. Wat was dat daar diepe en zoete! Ze voelde zich
+meegetrokken, gelokt door de streelende vrede, die hier beneden lag.
+Ze krampte zich aan de leuning vaste. Ze knikte, alsof ze den roep van
+verre wenken beantwoordde, en ze hoorde boven 't rumoer van de stad,
+de aaiing van een liefelijk geluid:</p>
+
+<p>&mdash;Voort!... voort!... voort!...</p>
+
+<p>En ze knikte. Wat was dat daar diepe! En boven, langs de straten, wat
+een ongeduur en wat een martelie! Haar asem hikte in haar boezem en hare
+vingeren begonnen te voelen 't geweld, dat haar lijf boven de balie zou
+heffen. Ze prevelde onduidelijke woorden, nadien drijmaal ja zeggend,
+mee met het besluit, dat hare hersens bemeesterde.... En voller klonk al
+ginds, en dichte, en allentwege, het liefelijk geluid:</p>
+
+<p>&mdash;Voort! voort!</p>
+
+<p>Maar ze liet plots de leuning los en vluchtte tusschen de veilige muren
+der huizen, nu snikkend en stotterend:</p>
+
+<p>&mdash;'k En mag niet! 'k En mag niet!</p>
+
+<p>Hare tranen rolden onophoudend over haar gelaat, en haar borste schokte
+zeerdoende omhooge. Ze zag niets meer. Ze hoorde niets meer. Ze wilde
+zich alle oogenblikken laten neervallen. 't Kwam haar dan voor dat de
+menschen haar mochten taken, en ze was beschaamd dat men haar taken zou.</p>
+
+<p>Ze stond meteen v&oacute;or 't station.</p>
+
+<p>Een tijdeken bleef ze nog aarzelen en ze wist geen wil om haar doening
+te leiden. Endelijk stapte ze binnen, terwijl ze hare oogen met haar
+zakdoek droog wreef. Ze zou niet laf zijn. Ze zou heel simpel lijk
+zeggen:</p>
+
+<p>&mdash;Bastiaan, ga weg. Ik ben verdomd.... Ik heb een kind.</p>
+
+<p>En ze meende daarbij:</p>
+
+<p>&mdash;Hij zal me vermoorden....</p>
+
+<p>Die gedachte deed haar deugd.</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<p>XVI.</p>
+
+
+<p>Als ze thuis kwam, vertelde haar Justa dat Ursule in den valavond zieker
+was geworden en aldoor maar vroeg waar hare dochter was. Goedele
+herkende 't huis niet meer; al de kleuren hier waren haar vreemd en 't
+was alsof ze voor 't eerst deze zaal zag, en deze stoelen, en deze
+tafel. Gedreven door 't geweld van haar eenzijdig besluit, wilde ze
+seffens Sebastiaan zien.</p>
+
+<p>&mdash;Waar is Sebastiaan?</p>
+
+<p>&mdash;Hij komt pas na den eten, juffrouw.</p>
+
+<p>&mdash;Ha, zoo ... na den eten....</p>
+
+<p>Ze wist niet of ze straks nog moed zou hebben. Ze wilde aan Sebastiaan
+alleen bekentenisse doen, en 't was nu spijtig dat ze voor hem
+aangekomen was. Sebastiaan moest de eerste het ongeluk vernemen.</p>
+
+<p>Trage tort ze de trap op en duwde de deur open van moeders slaapkamer.
+Ze keek niet zijwaarts. Ze merkte niet hoe plotseling Ursule zich
+overend oprechte uit de bleeke sargi&euml;n. Ze stapte naar den hoogen
+spiegel, en deed haar hoed af, en schikte peuterig, zonder aandacht,
+heur haar. Ursule stamelde:</p>
+
+<p>&mdash;Maar wat zijt ge van zin?</p>
+
+<p>Ze keerde zich omme en knikte, naderhand zich bekommerend:</p>
+
+<p>&mdash;Hebt ge meer zeer, moeder?</p>
+
+<p>&mdash;Ja wel, in mijn beenen.... Kom hier!</p>
+
+<p>&mdash;Ik kom.</p>
+
+<p>Ze naderde. Ze lei hare hand op het kussen en Ursule vatte die subiet,
+koortsig vragend wat er met de beurze gebeurd was.</p>
+
+<p>&mdash;Met de beurze?</p>
+
+<p>&mdash;Ja.... Ik hadde u niets moeten meegeven&mdash;of een kleinigheid. Heb ik u
+waarachtig al dat schoone geld meegegeven?... Och Heere! ik weet niet
+goed meer. Wat gaf ik u mee?</p>
+
+<p>Goedele herinnerde zich maar halvelings en ze fronste hare wenkbrauwen,
+zoekend in haren geest. Op een ende viel ze uit:</p>
+
+<p>&mdash;Ha! de verlakte stove!</p>
+
+<p>&mdash;Watte? Ik gaf u twalefhonderd....</p>
+
+<p>&mdash;Zekerlijk. 'k Herinner me nu. Ze waren in een fluweelen beurzeken.
+Weet ge niet of Sebastiaan nog lange zal wegblijven?</p>
+
+<p>&mdash;Twalef honderd.... Wat brengt ge terug?</p>
+
+<p>&mdash;Maar, moeder....</p>
+
+<p>&mdash;Wat hebt ge gekocht?</p>
+
+<p>&mdash;Wacht even.... Ik heb gezeid: D&agrave;t is voor de verlakte stove.</p>
+
+<p>&mdash;Ge wordt krankzinnig! Wat bleef er over?</p>
+
+<p>&mdash;Niets.</p>
+
+<p>Ursule viel in de witte lakens weg en sloot hare oogen. Ze hief hare
+handen op en deed, heel droeve, teeken dat niemand meer naderen zou.
+Terzelfdertijd roerde een snik in hare keel en voor de eerste maal zag
+Goedele een traan van innig lijden tusschen hare beloken wimpers te
+voorschijn dringen, stralend opzwellen en wegrollen over hare slapen.
+Moeder weende. Goedele fluisterde:</p>
+
+<p>&mdash;Moeder weent....</p>
+
+<p>Het maakte een zonderlingen indruk op haar en ze verwijlde met vage
+gepeinzen om het zeldzaam geval, terwijl ze heenging en in de eetplaats
+stapte. Ze zei 't aan vader, die reeds bij de tafel heel rustig zat,
+blij omdat Ursule hem niet beloeren zou onder 't eten. Ze klopte op
+zijnen schouder en fluisterde:</p>
+
+<p>&mdash;Moeder weent....</p>
+
+<p>Ze wees met haren vinger naar de zoldering. Hij keek verwonderd op en
+merkte de matte bleekte van haar gezicht, de blauwe holten onder hare
+oogen. Hij wist niet wat te zeggen, en hij voelde nu heel sterkelijk dat
+zijne dochter leed. Hij stond rechte en vatte hare armen, en over zijn
+bolle gelaat grijnsde een bange onrust. Hij blikte strak en benauwd in
+haar wezen en vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Wat is er, mijn kind?... Wat gebeurt er, mijn kind?... mijn kind?</p>
+
+<p>Hij werd zoo innig gewaar dat het zijn kind was, en bibberde van binnen,
+aldoor zeggend het woord, dat zoo helder opklaarde in gansch zijn
+vleesch.</p>
+
+<p>&mdash;Mijn zoete kind....</p>
+
+<p>Hij streelde haar en dwong haar neer te zitten, nevens hem, en gedurig
+vroeg hij wat er scheelde. Goedele liet hem gewillig begaan en
+geleidelijk kwam een zware melancholie over haar. Ze meende, al omdoende
+haren vader met een liefderijken blik:</p>
+
+<p>&mdash;Ik heb u miskend!</p>
+
+<p>D&agrave;t was de waarheid, 't werd haar nu duidelijk. Het docht haar dat ze
+hem te lieven begon op dees oogenblik&mdash;en dat op dees oogenblik ze hem
+verlaten moest. Ze staarde naderhand een pooze naar de vlamme van de
+lampe, waarlangs een lichtgierig pepelken rond en omme vleugelde. En ze
+sprak droomend, langzaam haar zinnen drijvend op gelijke tonen:</p>
+
+<p>&mdash;Het ware zoo zoete geweest&mdash;een huis met een spelend vuur, &agrave;l muren en
+&agrave;l kamerkens, en daarover een veilig groot dak! Ik zou er allentwege
+gemakkelijke stoelen geplaatst hebben, kussekens en donzige leuningen,
+opdat niemand zich bezeeren mocht. Het zou een woonste zijn van eerbied
+en genegenheid. Niets zou er storen de goesting van Sebastiaan, noch de
+goesting van vader en moeder....</p>
+
+<p>Albien beluisterde haar en seffens was hij weer vol begeesterend
+geneuchte. En hij liet zijne oogen opflikkeren van leute en knikte:</p>
+
+<p>&mdash;D&aacute;t zal een geluk zijn!</p>
+
+<p>Goedele lachte treurig:</p>
+
+<p>&mdash;Ja, een geluk en een vrede. Ik had het z&oacute;o gepeinsd en z&oacute;o was nog
+mijn eenig verlangen. Ik deed het niet voor mij, maar het zou mijn
+wroeging stillen. Zie! Samen zouden we spelen, en dat elektrisch ding
+... al wat u begeerlijk is, 't zou 't onze zijn. Daar zijn zoo schoone
+dingen in de wereld, vader!</p>
+
+<p>&mdash;Zekerlijk, zekerlijk.</p>
+
+<p>&mdash;Onze tuin is zoo schoon ... en al wat er te bloeien staat en te
+fleuren ... en dat pepelken daar, pover dierken zoo wonderlijk ...
+'t bijst om ons klaarte....</p>
+
+<p>Albien stak ook zijn hoofd ernaar en hij vond 't ook heerlijk, en zijne
+kinderlijke rustigheid herkwam. Goedele sprak stiller:</p>
+
+<p>&mdash;Z&oacute;o zou ons leven geweest zijn, allemaal in minzame eendracht vereend,
+al onze handen te gare, en we zouden alles mooi vinden rond ons....
+Ik had het zoo gedroomd, na de ervaring, die 'k beleden had.</p>
+
+<p>&mdash;We zullen 't z&oacute;o doen....</p>
+
+<p>&mdash;Doen! Doen! Ik heb gerekend zonder het noodlot. Ik heb gedacht dat
+alles ophield&mdash;als ik ophield. Maar 't Kwade Bedrijf loopt door, loopt
+verder. Ik kan 't niet meer tegenhouden, ikke, die de oorzake ben. Ik
+val nu ook, getaakt door 't gevoelloos geweld, sterker dan ik, waaruit
+het geboren werd.... Wat kijkt ge me zonderling aan, vader?</p>
+
+<p>&mdash;Ik weet niet.... ik weet niet goed....</p>
+
+<p>&mdash;Geef me een zoen.</p>
+
+<p>Hij naderde haar en nam haar hoofd in alle bei zijne armen en kuste haar
+op hare wangen. Hij begreep niet wat gebeurende was, hij werd alleen
+gewaar de voorbereiding van een ongewone daad, en het deed hem deugd dat
+hij zijne verlegenheid wegduiken kon in eene warme omhelzing. Goedele's
+haar kriebelde om zijnen neuze en zijne wimpers werden nat. Hij zei
+terwijl hij weer neerzat onder 't lampelicht en zijn traan wegpinkte,
+lachend, verlegen:</p>
+
+<p>&mdash;'t Is van de jeukte....</p>
+
+<p>Ze lachte mee en ze vroeg nadien, of hij zijn schoon huisje nog eens
+wilde uithalen en de popjes doen dansen. Hare stemme beefde:</p>
+
+<p>&mdash;Om mij plezier te doen.</p>
+
+<p>Hij liep seffens in de voorkamer en kwam met de dooze terug. Hij
+scharrelde de tellooren aan kant, spreidde het ammelaken profijtelijk
+open, en bracht zijn wonder speelgoed te voorschijn. Zijne oogen
+fonkelden van vreugde en fierheid. Zijne vingeren waren koortsig te
+werke, ijverig in overgedienstigheid, en zijn tonge puntelde eventjes
+in 't hoekje van zijn mond.</p>
+
+<p>Het Zwitsersch huizeken stond daar met zijn blauwe dak en zijn groene
+luiken, zijn sierlijk portaal en de popjes. Hij stak den sleutel in de
+mekaniek en draaide het ratelend tuig op tot de kleine klokke
+binnenzijds klonk.</p>
+
+<p>&mdash;Ha! zei hij.</p>
+
+<p>Hij leunde achterover om goed 't effekt van het schouwspel op te nemen
+in zijn aandachtigen kop, en het spektakel ving aan. Het wijveken
+schokte eerst omhooge en seffens daarna joepte ook het manneken los.
+De beiaard tikkelde met zijn luttel gespeel van bellen, en de stijve
+dans begon.</p>
+
+<p>&mdash;Hoe schoone!</p>
+
+<p>&mdash;Hoe ... schoone!... zuchtte Goedele.</p>
+
+<p>Ze zat in de halve donkerte, achter Albien, en ze beloerde hem. Haar
+gemoed kwam vol en ze zou weer stille aan het weenen vallen, aldoor
+kijkend naar haar vader. Hij jubelde van blijdschap.</p>
+
+<p>&mdash;Dat zijn dingen! Dat zijn dingen! Hoe maken ze 't? Hoe komen ze aan
+'t idee?</p>
+
+<p>En de beiaard rinkelde zoo aangenaam, lijk dropkens in een welluidend
+water&mdash;en de popjes huppelden snokkig en op mate&mdash;en heel die doening
+was zoo djentelijk....</p>
+
+<p>&mdash;Hoe brengen ze 't aan mekaar?</p>
+
+<p>Goedele voelde gestadig de heete groevekens van hare tranen en staarde
+met wijd-open oogen naar hem, die daar te leuteren zat, zonder
+kommernisse, zonder zicht op 't huiselijk ongeluk. Een hopelooze smert
+wrong haar herte thoope, en ze deed haar eigen zeer om stille te
+blijven, stille bij vaders jubelend plezier.</p>
+
+<p>Zoo stille bleef ze. Als de pijn haar asem forsig wegstiet door haar
+kele, versmachtte ze het eendelijk geluid onder de helle klatering van
+een hikkend lachen. Dan was vader uitermatelijk voldaan. Hij wipte op
+zijn stoel, een prettig gezichte zettend:</p>
+
+<p>&mdash;Ai! 't valt dood!</p>
+
+<p>De klokskens klepten tegare uit op een grondelijk akkoord en dan was er
+een groote stilte. Rijzekens flodderde hoorbaar in 't geluchte het
+werkzaam gedoe van het zotte pepelken.</p>
+
+<p>Sebastiaan stond wachtend in het deurgat en vroeg oolijk, een ongewonen
+klank leggend hier, waar 't zoo innig trilde van gezelligheid:</p>
+
+<p>&mdash;Mag ik nu binnen?</p>
+
+<p>Goedele schrok en rechtte zich. 't Kwam her klaar en sterk in hare
+hersens dat ze tegenwoordig handelen moest. Ze ging op hem af, en hij
+reikte zijne hand naar heur. Ze schudde haar hoofd en deed teeken dat
+hij haar volgen zou. Ze stapte stokkestijf. Hare knie&euml;n plooiden haast
+niet en hard klopten hare hielen tegen den vloer. Ze sprak niet. Haar
+hals lengde zich paalrechte boven hare schouders. Hare armen hingen
+roerloos langs haar lijf, dat matelijk voorwaarts schoof.</p>
+
+<p>Sebastiaan zag haar zwijgend over den drempel terten, bijkans zijn veste
+raken en voorbijgaan, zonder een blik. Hij volgde haar. Hij begreep dat
+ze hem over ernstige zaken te spreken had. Hij gooide zijn hoed op een
+stoel en volgde haar. Hij had een wrevelig gevoel. Goedele's breede
+rugge, zonder een buiging voortschokkend, werd hem lijk de
+ondoordringbare effenheid van een gevaarlijk geheim.</p>
+
+<p>Ze stegen langs de trap en, moeders kamer voorbijgaande, fluisterde
+Goedele:</p>
+
+<p>&mdash;Zoetekens....</p>
+
+<p>Ze bereikte hare eigen kamer, stak algauw 't licht aan, bad met een
+korten wenk dat hij zou binnen komen en wees hem een stoel. De klaarte
+pletste tallenkante rond en, langs de spleet van de deure, viel in een
+lange strepe over den drempel op den donkeren vloer van den gang.</p>
+
+<p>Ze zetten zich neer. Ze waren precies verlegen en 't was alsof ze meteen
+wijd verwijderd waren van malkander, beschaamd voor hun samenzijn.
+Sebastiaan ried dat geen luttele woorden in deze schrikkelijke stilte
+zouden vallen, en hij dierf niet zeggen:</p>
+
+<p>&mdash;Wat is er? Wat maakt u zoo bleek en lijdelijk?</p>
+
+<p>Hij merkte dat ze bleek en lijdelijk was, maar hij was halvelings bang
+voor de reden. Hij wilde de nadering van die reden niet verhaasten,
+omdat zijn benauwd gemoed er al de pijnlijke gevolgen van vreesde. Heel
+vaag zag hij entwaar de schaduw van een ongeluk. Hij zweeg. Zijn magere
+handen lei hij op het tafelberd en hij wachtte zoo.</p>
+
+<p>&mdash;Bastiaan, zei Goedele, Bastiaan, ik had u al lange moeten bekennen ...
+al lange, daar niets te bergen is en alle kwaad in voortdurige werking
+doorwoelt ... al lange, ja, bekennen, bekennen....</p>
+
+<p>Ze had besloten heel simpellijk bekentenisse doen; ze kon echter niet.
+Ze had den moed niet daartoe: zoo onwetend en buiten alle leelijke
+verdenkingen zat daar Sebastiaan, en zijn gelaat had seffens zoo angstig
+een uitdrukking, dat ze een brutale uitlegging niet te boven kon. Ze
+wilde schipperen en toch tot een eigen direkte beschuldiging en geraakte
+ze niet. Ze zweeg een oogenblik. De woorden wisten niet tot eene
+oprechte verklaring saam te smelten. Ze werd dan heel klein en laf. Het
+speet haar dat ze nog hier levend was, dat ze niet de aanlokking van het
+glinsterende water beantwoord had, ginder, ginder.... Alles ware nu
+volbracht: men hadde 't een ongeval genoemd. Ze stamelde, week wordend:</p>
+
+<p>&mdash;Och Heere! hoe moet ik dat uitbrengen!...</p>
+
+<p>Ze wilde wegloopen, de velden over, tot ze neerstorten zou, in
+doodelijke alleenigheid, den veiligen dood nabij. Ze hervatte zich met
+groote moeite en bedwong hare zwakheid. Ze smeet hare zoekende gezegden
+ondereen, soms gebroken door ongelijk gehijg:</p>
+
+<p>&mdash;Laat me zeggen.... Ik heb u hier ontvangen, ik heb al gedaan wat in
+mijn machte was om u toe te lachen, om u genegen te zijn en uwe liefde
+niet van mij af te wijzen.... Helaas! ik was uwe liefde niet weerdig.
+Ik had een verdorven ziel en mijne zinnen verlangden de woeste streeling
+van zondigen minnehandel.... Schrik niet! Maak me niet benauwd. Ik ben
+schuldig, maar medelijden heb ik noodig.... Ik heb u ontvangen, en
+bedrogen heb ik u naderhand!</p>
+
+<p>Hij stond recht, heel bleek, en vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Wilt ge openhertig spreken?</p>
+
+<p>Maar ze zocht uitvluchtsels om hem de waarheid minder hard te maken:</p>
+
+<p>&mdash;Ge moogt me niet stooten en bezeeren. Ik wil tot het ende alles
+zeggen. Ik wil dat ge van zelf, doch zonder haat, weggaat van hier.</p>
+
+<p>&mdash;Ik begrijp u niet.</p>
+
+<p>&mdash;Peins dan niet meer op mij. Ik heb u nooit geerne gezien, en Bella
+alleen ziet u geerne ... ja, Bella, het arme kind.... Waarom moest ik u
+mij onttrekken en u verwijderen van haar? Ik was laf. Bekijk me zoo
+droef niet. Zeg niets. Laat mij doorzeggen. Zeg niets, Sebastiaan....</p>
+
+<p>Ze deed een trage gebaar met hare hand, precies om hem zachte af te
+weren, en sloot hare oogen. Nu was 't haar meer duidelijk geworden en ze
+kon in de donkerte beter hare gedachten nagaan. Haar stemme daalde:</p>
+
+<p>&mdash;Ik heb gedurende weken en weken durven spreken met u, durven antwoord
+geven op uwe woorden van liefde. Ik heb zwijgend en misdadig uwe
+genegenheid gevoed. Ik heb zwijgend uwe droomen spijze gegeven. Dat heb
+ik zwijgend gedaan. De blik, dien ik u toewierp, was schijnbaar rein....
+Rein! Rein! O kon ik nu verzinken!</p>
+
+<p>Ze opende fluks hare oogen, boog zich en joeg seffens gichtig hare
+woorden achter mekaar:</p>
+
+<p>&mdash;Luister. Ik heb Sebastiaan beleedigd. Ik heb gespot met Sebastiaan.
+'s Avonds zat ik schuchter nevens u, en over dag lag ik in andermans armen!</p>
+
+<p>&mdash;Goedele!</p>
+
+<p>Ze viel neer op haren stoel en bracht hare handen over haar wezen. Een
+zware stilte hing in de kamer en de vlamme kraakte daarin heel gewichtig
+op, boven de lampe.</p>
+
+<p>&mdash;Goedele!</p>
+
+<p>Hij kon de zwijgende stonde met zijn heeschen kreet niet overwinnen. Een
+ongenadige zwaarte woog op zijne borst en hij voelde zijn longen eronder
+vernauwen. Hij snakte naar zijn asem. Toorn en smert scheurden zijne
+hersens vaneen en hij wist geen daad aan te vangen: een straffe of een
+afkeer.... Hij wilde dan verder weten.</p>
+
+<p>'t Schorde in zijn keel:</p>
+
+<p>&mdash;Met wien?... Zeg me met wien?...</p>
+
+<p>Ze antwoordde niet. Het licht begon te schemeren v&oacute;or zijne oogen,
+te waggelen ommentweer en donkere wolken rolden opwaarts uit purperen
+kuilen. Hij deed een stap, en vatte woest haren arm, en smeet haar
+geweldig tegen het tafel berd. Zijn mond viel in een grijns open om
+'t leelijke woord neer te spuwen, dat brandde op zijn tonge.</p>
+
+<p>Ze keek heel zoet op naar hem. Ze had een blik vol dankbaarheid. Ze
+wachtte gedwee de slagen van zijne gramschap. Dan week hij tot tegen den
+muur, rukte zijn halsboordje los en hijgde vrijer. Hij stond moedeloos,
+verplet, verloren. Hij vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Is 't waar?</p>
+
+<p>Ze knikte en hij liet zijn kinne neerstooten op zijn borst. Hij draaide
+zich kantewaarts naar de deur en tort trage erheen. Hij zei en de klank
+van zijn woord was onherkennelijk geworden:</p>
+
+<p>&mdash;Vaar-wel....</p>
+
+<p>Ze vermocht uit haar gansche macht niet hem antwoord te geven. Hare
+lippen werden wit en mat. Ze lispelde onhoorbaar:</p>
+
+<p>&mdash;Vaar-wel....</p>
+
+<p>Hij hoorde 't algelijk, en zijn bloed deed een schrikkelijken ommezwaai
+door zijne leden. Hij reikte zijne hand naar de koperen klinke en
+grabbelde ernaar. Eene koude rilling kroop over zijn rugge en zijne
+beenen zakten tegeneen. Hij kon niet weg. Hij kwam terug en viel
+snikkend aan hare voeten. Hij prangde haar vast en bad:</p>
+
+<p>&mdash;Jaag me niet hieruit, jaag me niet buiten u!... Niet waar? Het zijn
+kwalijke verzinsels.... Ge overdrijft immers! Ge zijt niet slecht!
+Ge zijt schoon, ge zijt schoon!</p>
+
+<p>Ze weerde zich zachte los en had een hopeloos gebaar. Zou ze alles
+m&oacute;eten zeggen en haar ten geheele bloot werpen aan zijnen afkeer?
+Hij smeekte:</p>
+
+<p>&mdash;Ik geloof u niet! Maak me niet zinneloos, Goedele! Zeg me dat ge weer
+braaf zijt. Hebt ge geleden? Alles zal ik u doen vergeten. Daar is tegen
+ons geen weerstand, die we niet breken zullen. Ik zie u geerne. Ik zal u
+altijd geerne, geerne zien....</p>
+
+<p>Ze hief zich uit gansch hare lengte op en fronste hare wenkbrauwen. Ze
+zou spreken. Ze zou den laatsten slag hem toebrengen en zonder deernisse
+slaan. Ze voelde dat ze 't alaam geworden was van het noodlot. Ze zei:</p>
+
+<p>&mdash;Ik mag niet.... Ge moet weg, weg ... weg.... Ik ben bezoedeld....
+Ik,&mdash;ikke.&mdash;</p>
+
+<p>Hare oogen bleven plots wijdopen en verwilderd staren naar de deur, en
+haar kinne begon subiet te beven, zodat hare tanden klopten over mekaar:
+op den drempel stond Ursule. Ursule, als eene doode zoo bleek, stak hare
+armen vooruit. Haar witte nachtrok plooide in rechte vouwen omlage en ze
+was aldus grooter, vreeslijker dan ooit. Vierkantig spookte boven hare
+breede schouders haar schrikkelijk aangezicht. Ze riep:</p>
+
+<p>&mdash;Hee-la!</p>
+
+<p>Ze naderde, en dof dreunde elke stap op het vloertapijt. Ze leunde tegen
+den muur, vatte overhand de stoelen en geraakte tot aan de tafel. Ze rok
+haren groven hals uit naar heur kind, en een bovenmatelijke haat omdeed
+haar ganschelijk. Ze reikte stuipachtig hare handen en vingerde koortsig
+in de leegte, reutelend:</p>
+
+<p>&mdash;Hier! Hier, prije&mdash;en zwijgen!</p>
+
+<p>Ze bekeek vluggelings Sebastiaan en riep hem:</p>
+
+<p>&mdash;Ze liegt!</p>
+
+<p>En weer scharrelde ze voorwaarts, grijpend naar Goedele, te wege neer te
+stuiken over haar. Ze kreet:</p>
+
+<p>&mdash;Zwijg!... H&aacute;-&aacute;-&aacute;! ik zal u leeren, ik zal u beteren, ik zal uw tonge
+wegduwen in uw rompe....</p>
+
+<p>Ze zag dat Goedele week en geweld deed om te spreken; gedurig tastte ze
+gretig ernaar om haar vaste te pakken en te temmen. Ze was buiten zinnen
+en sleurde haar lamme beenen of stekte ze stokkestijf naar voren. En
+niets zou haar tegenhouden: ze wilde haar dochter de kele toenijpen om
+haar het spreken te beletten, en driftig, kwaad om hare eigen
+traagzaamheid, volgde ze dien wil.</p>
+
+<p>Als Goedele tegen de kasse aanstiet en niet verder meer wijken kon, brak
+meteen haar benauwde angst. Tegenover moeder en tegenover Sebastiaan, ze
+m&oacute;est spreken en ze zou. Ze hakkelde:</p>
+
+<p>&mdash;Laat me....</p>
+
+<p>Ze drong thoope, veerdig voor alle straf, stiet haar hoofd achterover en
+zei:</p>
+
+<p>&mdash;Ik ben zwanger.</p>
+
+<p>Ze zag het lijf van Sebastiaan pijnlijk opschokken en het witte kleed
+van moeder een grooten armzwaai uitbreiden in 't geluchte. Zonder een
+woord, met een luidelijken slag, stortte Ursule neer op den vloer.</p>
+
+<p>Albien stiet de deur open, kwam binnen gelopen en begon seffens te
+huilen. Goedele dacht niets, voelde niet en stond halstarrig te
+bibberen. De lampe had een eendelijk licht, het licht dat bijwijlen
+'s winters uit de mane zijgt. Tenden den donkeren gang beloerde Rik de
+booze gebeurtenis en vulde, oolijk glimlachend, zijn pijpe.</p>
+
+<p>Ursule was dood.</p>
+
+<p>'T ENDE</p>
+
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's 't Bedrijf van den kwade, by Herman Teirlinck
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK 'T BEDRIJF VAN DEN KWADE ***
+
+***** This file should be named 17537-h.htm or 17537-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/7/5/3/17537/
+
+Produced by Marc D'Hooghe, marcdh@pandora.be
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/17537.txt b/17537.txt
new file mode 100644
index 0000000..c9db486
--- /dev/null
+++ b/17537.txt
@@ -0,0 +1,9661 @@
+The Project Gutenberg EBook of 't Bedrijf van den kwade, by Herman Teirlinck
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: 't Bedrijf van den kwade
+
+Author: Herman Teirlinck
+
+Release Date: January 23, 2006 [EBook #17537]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK 'T BEDRIJF VAN DEN KWADE ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+HERMAN TEIRLINCK'S
+
+'T BEDRIJF VAN DEN KWADE
+
+1904
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+I.
+
+
+'t Loof kleurde om de kruin der boomen, die achterwaarts stonden, statig
+en hooge, in den diepen hof; en 't lager plantsoen van 's gelijken
+verfde bij plaatsen, onder 't komend gewaai van den herfst, zijn
+bladeren geel of rossig, of rood lijk kastanjeslutsen, of klaar lijk een
+licht daar ievers.
+
+Goedele keek precies ernaar, door 't venster, en hoe de avond eromme al
+donkerend viel, keek ze, en hoe stilaan dieper de holten werden der
+wegdeinende dreven--en hoe eene waarachtige droefenisse uit den hemel
+zeeg. Ze leunde tegen 't raam. Ze tokkelde met hare vingeren zoetekens
+tegen de ruiten, zonder weten, op eenmatige wijs, en ging mee, al wijder
+en wijder, met hare verre gedachten. Altemets stortte een streuvelende
+wind in den lochting, en een park dahlia's neigden te zaam en rechtten
+zich en bijsden tenden hunne stengels nog een tijdeken. Hij asemde
+naderhand in 't rotelend geboomte en bleef er luidelijk hijgen en was
+seffens voorbij, met een schok--en waar zoefde hij ginds? Goedele voelde
+bij zijn sterke doening, heel de moedeloosheid van het najaar. 't Was
+haar of de tijd, in zijn haastige vleugeling, nu tastbaar werd, binst
+zijn vlucht naar de toekomst, aldoor stichtend 't verleden dat droevig
+was. Ze wendde haar hoofd zijwaarts op naar 't horloge, onbewust.
+Ze glimlachte even, omdat ze dees uur zoo tsieperig, zoo klein en
+niets-beduidend vond, en die gulden plate ook, met zijn verwaande
+orneering, zijn praatziek getjok, zijn vies-kruipende wijzers--zoo
+onmachtig, zoo kinderlijk, een onnoozel speelgoed. Buiten in 't vrije
+geluchte stormde de wind, en Goedele taakte er de eeuwigheid....
+
+Ze ging dan de breede tafel rond en luisterde binstdien met ongevraagde
+aandacht naar den slag van haar zij-ruischende kleeren het tapijtsel
+langsheen. Ze zette zich neer voor 't klavier en wroetelde er onachtzaam
+in een muziekboek, en werd daarna gewaar dat ze dees alles beu was en
+dat heur 't vervelend pianogetamp zeer zou doen. Ze werd ongedurig; ze
+wist niets, dat groot genoeg was om mee te klinken met die stijgende
+golvingen in haar. Ze wilde niet spelen. Ze zou 't nietig achten, al wat
+ze spelen mocht. Het herfsteweer alleen was machtig genoeg.
+
+Ze hoorde rijzekens de korte stem van hare moeder, die weer wat te
+gebieden had aan vader of grootvader of de meid. Ze stond rechte en
+rustte tegen 't schouwblad en tuurde met roerlooze blikken naar een
+hoogen chrysanthementuil, die daar monsterachtig was, midden de tafel,
+in zijn laag-zittenden pot, met al die uitermatige kronen, valsch-wit en
+valsch-levend en klaterend van kostelijkheid. Ze verwonderde zich nog
+dat heur dees grof gedoe was opgezonden door Sebastiaan, haren
+verloofde.
+
+--Hij heeft dees van verre besteld, meende zij.
+
+Sebastiaan Vrebos was sinds veertien dagen naar Weenen vertrokken om er
+in de Albertina enkele teekeningen van Hieronymus Bos en een paar
+tafereelen van een ouden Brueghel te bezien. Van avond zou hij terug
+zijn. Sebastiaan was een jong archivaris, onlangs benoemd in de
+Koninklijke Bibliotheek, een heel lange en magere vent, liefelijk van
+uitzicht, met te groote engelblauwe oogen in een bleek gelaat, sierlijk
+omlokt met mat-blonde haren. Hij had langzame gebaren en deed al
+sprekend profijtelijk hergaan zijne witte vingeren en was aldoor
+verzonken in biddende houdingen. Goedele peinsde dat hij uitermatig
+vroom was. Hij was goed. Hij zei nooit een woord, dat sterk klonk of
+kwetsen mocht. Hij sprak nooit met drift, en werd nauwelijks een endeken
+van begeestering warm als hij 't over de oude Vlaamsche fantasten had,
+bijzonderlijk over Bos en Brueghel. Hij vond dan wel een gloeiend
+gezegde, maar meerendeels een stil-pieuse daarbij. Goedele had hem voor
+'t eerst bij mevrouw De Vleeschhouwer ontmoet, nu haast een jaar
+geleden. Hij had haar dadelijk met liefelijke gedienstigheid omringd,
+en, omdat hij zoo zacht was, kon zij hem goed verdragen rond haar. Hij
+kwam naderhand hier thuis, op de half-maandelijksche soepee-vergaderingen.
+Goedele ging nooit uit. Ze kende alleen de familie De Vleeschhouwer.
+Ze vond het wel aardig dat een djentelijke man om haar in deze droevige
+woonste komen wou en 't vleide heur aangenaam. Ze kreeg met welbehagen
+de stille bekentenis van Sebastiaan en voelde zich gelukkig omdat hij
+zegde door haar zoo gelukkig te zijn. Moeder verklaarde dat dees
+huwelijk heur aanstond, en mijnheer Vrebos werd met zijne aanvraag goed
+ontvangen. Sindsdien geraakte er een beetje verscheidenheid in 't
+eenvormige leven der familie Wilder: Sebastiaan kwam wekelijks een
+bezoek afleggen en bleef dan soepeeren, en dat alleen was al een
+gewichtige verandering; bij tijden werd ook een concert bijgewoond of
+een tentoonstelling bezocht; dan moest er in stad gesoepeerd worden--en
+ook dat was zeer gewichtig.
+
+Goedele keek toe naar de chrysanthemen, hoe bombastisch ze daar pronkten
+in schitterende ijdelheid, met hunne ommekrullende blaadjes, regelmatig
+middenwaarts toegevouwd. En hare gedachten, langs vage wegen, wendden
+zich geleidelijk naar de toekomst. Ze probeerde na te gaan, met
+waarschijnlijke veronderstellingen, hoe 't zijn zou, als ze dees huis en
+vader en moeder en grootvader verlaten zou. Zij en voelde in de verte
+geen heimwee, geene aandoening daarom. Ze zou hier uitgaan en zou den
+dorpel met haastigheid vergeten. 't Was hier ook zoo leeg, zoo lustloos
+en vunzig. Naarmate zij opgegroeid was in sterkte en schoonheid, had zij
+zich meer en meer vernepen en bezeerd gevonden, en nu stond zij daar, in
+hare volle grootte, een machtige vrouw, gekleineerd en gekwetst door al
+wat om haar was en werd. Bij moeder vond ze geen zoetiger toevlucht en
+vader was peuterig in zijn dagelijksche manieren; hij en deed maar
+bekrompen werken en wist geen doel, en steunde voor gewichtige besluiten
+op moeder. Grootvader was hard. Zij vreesde van die drie moeder alleene,
+omdat moeder danig struisch was in koppige, strenge besluiten, en korte,
+scherpe woorden had. Daarom was heur streelend de brave liefde van
+Sebastiaan. Zij en wachtte nooit met koortsig verlangen op hem, noch en
+vreesde gejaagd zijn vertrek. Ze liet zich zijn komste welgevallen en
+vleide zich een stonde in de lauwte zijner lijze genegenheid. Ze meende
+wel dat ze hem liefhad, maar de muren waren hier te eng en te zwaar.
+Ze zou met hem trouwen en in 't open geluchte gaan en vrij wezen. Alles
+zou nieuw zijn. Ze zou hem liefhebben, omdat hij goed was....
+
+Ze boog zich trage over de chrysanthemen en snoof den kouden geur ervan
+en voelde even de blaadjes kittelen over hare wangen. Die jeukte maakte
+haar ongedurig en, als zij weer in de boomen van den tuin het blazend
+gewaai hoorde roefelen, rechtte zij zich plots op, uit gansch hare
+lengte, en bleef roerloos kijken, strak voor zich heen, naar een
+voorbijvliegend beeld. Op dees oogenblik voelde zij gansch haar vleesch
+in eene trilling pijnlijk worden en haar bloed slaan in forsche geuten
+naar hare slapen. Vluggelings viel om haar al wat bestond en blijvend
+zijn zou, en ze rees, grooter en sterker--en moeder en Sebastiaan en het
+huis--'t en raakte noch en deerde haar. Ze wou 't weere voelen zoeven
+langs hare wangen, ze wou heur haar los laten vlaggelen en ze wou
+luisteren naar 't geklapper van 't krakende geboomte....
+
+Seffens neigde haar voorhoofd en ze zocht verlegen naar 't gewone zicht
+der dingen, naar die twee visscherstafereelen aan den wand, naar 't
+klavier, naar de glazen dresse, met haar menig ruitwerk, zoo drollig van
+verve ... en hare oogen steunden erop, alsof zij er fluks naar grabbelen
+moest om niet omverre te stuiken. Wanneer ze opnieuw rustig was, tot ze
+stille naar 't venster en zonk weg met hare toevallige gedachten, al
+over den bonten lochting, een heelen tijd lang.
+
+--Goedele!
+
+Mevrouw Wilder stond in 't deurgat. Mevrouw Wilder was groot boven de
+mate, grooter nog dan hare dochter, en struisch ook daarenboven, breed
+geschouderd en grove gelend. Haar hoofd was lijk in brutalen steen
+gebeiteld, zonder nuttelooze kleinigheden--een laag, plat voorhoofd
+tusschen vlakke slapen, blauwe oogen in vierkante holten, sterke kaken
+en een stevige kin. Ze zag er uit wel een van tenden de vijftig jaren,
+maar effen-zwart bleven heur haren, zorgvuldig te midden open, in gladde
+vlechten gekamd en bezij hare ooren in een nat, regelmatig krulleken
+vastegeleid. Gerimpeld en was zij niet: haar gezichte bleef gedurig
+effen en eenvervig, en nooit en speelde er een vouwken of tintelde er
+een kleureken in dat toonloos, gelijkvormig gelaat. Haar breede hals,
+ten halve bloot boven de korte krage, was een paal van stoere kracht.
+Zij boog zelden. Zij stond, keersrechte, in haar zwarte merinoskleed;
+zij droeg haar hoofd daar hooge, waar 't blijvend was en rijzekens
+roerde. Zij en droeg oorbellen noch armband noch eenig ander sieraad;
+haar trouwring was heel smal en in haren zwellenden vinger vergroeid.
+Zij was koud. Ze vereenzaamde zich in een killige atmosfeer, die zij
+om haar geschapen had en allerwege meesleepte, overal stichtend een
+ongewoon ongemak bij de naderende menschen. Maar, in haren witten blik,
+lag anderzijds een verre treurnis, een verre klacht over leed, dat niet
+te heelen was. Seffens echter wist zij die zwakte met een stalen schicht
+te duiken--en seffens herkwam van wijd de droefheid, kalm en zonder
+deernisse. Bij tijden zakten hare lippen van weerskanten neerwaarts....
+
+Zij sprak nu van het avondmaal, met korte, rustige woorden te reke; zij
+wachtte zelden op een antwoord, zij zei meerendeels een gebod of een
+uitlegginge, en ontving weinig bevelen van anderen.
+
+--'t Eten moet klaar worden.
+
+--De tafel moet ge dekken.
+
+--Deze bloemen kan men andermaal best met ruste laten.
+
+Ze ging langzaam bij de tafel en raapte nauwkeurig eenige verslenste
+blaadjes op, naderhand nog uit de bloemen zelve geschonden vlekjes
+knippend, aandachtig. Ze keek naar 't horloge en merkte, op haar eigen
+zakuurwerk, dat de wijzers voorliepen, en kwam die dan trage goed duwen,
+met haren duim.
+
+Goedele zei:
+
+--Ja, moeder.
+
+Ze blikte naar Seppie, 't japansche hondje, dat rondtrippelde, om
+mevrouw Wilder's rokken, en nu subiet pal bleef en zijn plat snuitje
+ophief naar heur en te kwispelen probeerde met zijnen langharigen
+steert. Seppie snoof al eens en loerde zijwaarts, tuk op een zoetig
+woord van Goedele of een vriendelijk gebaar. Hij kwam dan endelijk toch
+aandrillen, ongeroepen en schuchter, en wreef zijn leelijk koppeken
+tegen haren voet.
+
+--Seppie maakt uw schoenen vuil met zijn tonge.
+
+--Wat zou hij?
+
+Ze wilde 't beestje vrij praten, en boog zich en streelde 't al
+krabbelend achter zijne ooren. Ze zei dat het koes moest blijven en
+braaf zijn en schoone manieren hebben, en was dan te wege weg naar de
+keuken bij Marie om alles te schikken. Maar mevrouw Wilder gebaarde dat
+zij wat wachten moest.
+
+--Is vader in den lochting?
+
+--'k Zag hem wandelen tusschen de palm-struiken.
+
+--Wiezeken is ziek.
+
+Goedele tort naderbij. Mevrouw Wilder zette zich neer en zuchtte diep,
+en hare oogen werden droeve. En ze vroeg:
+
+--Wist ge dat Wiezeken ziek is? Neen, moeder.
+
+Ze staarde scherp naar Goedele en hief hare hand een endeken op. Seppie
+keek nieuwsgierig toe, zijn tootje scheef draaiend ten teeken dat hij
+luisterde.
+
+--Ze hebben niet ommegezien. Ze zijn samengegaan. Ze hebben hun eigen in
+'t verderf gestort. Ze hebben mij miskend en hun eigen in 't verderf
+gestort....
+
+--U miskend....
+
+--Ja.
+
+Ze stond vluggelings rechte en tort naar heure dochter toe en neigde een
+beetje, haren hals uitrekkend om te kunnen fluisteren tusschen hare
+tanden:
+
+--Zult gij ze verontschuldigen?... Zwijg!
+
+En hare stemme zonk, laag wordend in holle tonen met kapotte
+scandeering:
+
+--Van zijn kindsbeen af heeft hij me danig centen gekost, hij.... Hij
+was ziek, of hij kloeg dat hij ziek was. Daar zijn hier dokters geweest
+met hoopen en op ons kosten hebben ze hun kwakzalverijen verkocht. Wat
+heeft hij al niet gehad aan speelgoed en snuisterijen? Wel! Wel!... En
+als hij dan een jongen was die endelijk op zijn pikkels staan kon, wat
+heeft hij al niet gehad aan nuttelooze plezierkens? En hij ging ter
+schole, en 't kostte allemaal. En hij ging naar de Universiteit ... ge
+zult later weten wat het gekost heeft. En al die boeken waaruit hij
+leeren leven zou? Wat heeft hij geleerd? Hij was ten langeleste
+ingenieur. Ingenieur van wat? waar? wat zou het opbrengen? Wel! Wel! Het
+heeft wat opgebracht! 't Is proper alzoo.... En daar zit hij nu, met een
+slonse en met een kind.
+
+Ze zweeg, haren mond toesnappend op het laatste woord, en ze ging bij 't
+venster staan en kruiste hare armen over hare borst. Daar viel een bange
+stilte in de kamer. Goedele leunde tegen 't klavier en hare vingeren
+raakten overhand, bij maniere van onbewust spelen, de bovenrandjes van
+een koperen kandeleer. Ze wist dat ze zwijgen moest als moeder van den
+verloren broeder sprak, en ze had dergelijke uitvallen ook al zoo
+dikwijls gehoord, dat het haar nu niet meer taakte en zij, maar liefst
+die overdreven gramschap van zelf koelen of vallen liet. Ze zag echter
+wel de diepte van moeder's koppige pijnen en ze vergaf haar gewillig een
+slechtdadig woord om wille der oorzake, die toch een blijvende en
+zeerdoende wonde was. Ze droeg daarom 't gewichte van deze
+ongemakkelijke stilte met verduldigheid en voelde deernisse. Mevrouw
+Wilder verliet het venster en ging nog een kanten doekje schoon leggen,
+dat gefronst en ommegevouwd lag op 't schouwblad. Ze deed naderhand de
+dresse open en toetste even de kristallen wijnbekers en een paar
+sineesche potjes, alsof zij dat alles schikken moest. Seppie trippelde
+in haren weg en ze fronste wrevelig hare wenkbrauwen, geweld doende om
+hem niet buiten de deure te stampen. Een geborduurd kussen en lag,
+volgens hare goesting, niet op zijn plaatse in een breeden leunstoel.
+Ze moest het eens opslaan en zuiver leggen te midden, en een haarken
+wegvingeren, dat er ievers vasthaperde.
+
+De avond viel daarbinst. Schuinsche klaarten smeten rood uit op het
+donkere wandpapier en speelden in aardige tinten langs een paar bronzen
+maskers, die daar te grijnzen hingen. In een hoek kwam een straal noesch
+leuterlichten over de randen van een bundel pauwpluimen, sierlijk zich
+opendoende uit een groene vaas, heel lang en wonderbaar beklaterd met
+gele en oranje vlekken. Hooger op, waar 't al diepe duisterde, blonk bij
+plekken 't geschitter van oude wapens. Op den schoorsteen stond nog in
+'t helle licht het koperen horloge met zijn zonderlinge plate, en,
+ernevens, twee hasseltsche potten, grove versierd en zwaar zittend op
+hunnen monsterachtigen buik. Onderaan stond de stove. De weggaande dag
+kletste tegen de schaterende roeden en ringen en talrijke ornamenten,
+en rustte arets in de donkere holten, zorgelijk gepotlood.
+
+Mevrouw Wilder's lippen vielen in een spijtige plooi neerwaarts, en ze
+zei:
+
+--Wel! Wel!
+
+Ze sloot de dresse met den sleutel en schoof nog een lade open en haalde
+er twee zilveren servetringen uit. Ze zette zich neer daarna en nam
+zwijgend Seppie op haren schoot. En Seppie likte en streelde en legde
+zijn oorkens, omdat hij 't zoo leutig vond. Hij rondde algauw zijnen
+rugge en vleide zich neere en sloeg met zijnen steert en gaf gedurig
+vriendelijke stootjes met zijn voorhoofd, en hij was vies en liefelijk
+tezelfdertijd. Mevrouw Wilder streek met hare hand over hem tot hij
+bedaarde en stille bleef, en dan keek zij op naar Goedele. Toevallig
+stieten hare blikken tegen Goedele's mijmerende oogen. Goedele rilde een
+luttel stondeken en werd seffens verlegen, en mevrouw Wilder ook en was
+op dat oogenblik van geen vasten wil. 't Was of zij meteen allebei
+begrepen, allebei tastten hoeverre zij van mekaar verwijderd waren, en
+dat zij wellicht nooit in zoete kommunie zouden bijeen komen om liefde
+te voelen, hun warm vleesch te samen, hun lauwen asem te samen. 't Was
+of ze de groeve voelden, die diep werd en breed werd en vreeslijk werd.
+Ook, in een zelfde zicht en in een zelfden weemoed, zagen ze Romaan, den
+broeder en den zoon, verworpen uit het huis, waar nu zijne plaats overal
+een leegte was--want overal was zijne plaats....
+
+Mevrouw Wilder rechtte haastig haar zwaar lijf. Ze werd de kriebeling
+gewaar der naderende aandoening en ze had schrik daarvan. Ze vreesde
+neer te storten in de zoelte van zwakke emoties en palstaande wilde ze
+blijven. Alzeere bedwong zij met een vlugge, scherpe beredeneering de
+dwaze kuren van haar moederlijk hert, en hare oogen werden, lijk te
+voren, van rustig staal. Ze verliet de kamer, wendde zich halvelings
+omme bij de deure en riep op Seppie, die schuchter-drummend aandrevelen
+kwam. Ze tort echter na een stonde her binnen en lei hare hand op
+Goedele's schouder. En ze zei:
+
+--Wiezeken is ziek.
+
+Hare stemme verloor eenigszins de gewone droogte, de scherpe kortheid.
+Eene gemoedelijke klankwending wiegde er en brak er de nijpende kilte,
+zoodat allengs een zoetigheid boven geraakte en streelend werd.
+
+--Erg ziek....
+
+--Erg ziek?
+
+--Een ziekte in de kele, en zulke zijn de slimste.
+
+Ze was innerlijk tevreden dat Goedele getroffen was, alsof ze eerst
+gedacht had dat het nieuws weinig of geen belangstelling zou opwekken
+bij hare dochter. Een oogenblik kwam haar herte vol.
+
+--Het dutseken, fluisterde ze.
+
+--Ja, zei Goedele.
+
+--Ik hebbe ook veel triestigheid beleden met Romaan, als hij daar
+machteloos te hoesten lag in zijn wiegsken.
+
+Heel dat steenen gebouw, die granieten ziele smolt meteen tot een natte
+aandoening weg.
+
+--Ik weet wel, Goedele, wat een nacht is, een slapelooze stilte bij een
+kind, dat men met aaiingen maar niet helpen kan ... Romaan is uw broer.
+
+Goedele keek op naar heur, met verwondering, niet wetende wat ze zeggen
+wou en zoekende naar heure oogen om te weten. Maar die oogen staarden,
+halfbeloken, naar de granaatbloemen van het tapijt.
+
+--'t Ware goed, als er iemand ging ... als gij gingt....
+
+--Ja ... ja ...
+
+--'t En is niet verre, in 't lage van de stad....
+
+Goedele vatte heure hand, toch rijzekens verschrikt dat die aldoor koud
+was gebleven. En te wege was zij te weenen van vreugde, omdat moeder op
+een ende toch bedaard was, toch goed was geworden voor haren jongen, die
+nu lijden moest--en omdat moeder een deugdelijk woord had gezeid, een
+zacht woord van liefde. Ze omvatte moeder's breede vingeren en drukte ze
+koortsig, en haar hoofd zeeg voorover en hare wimpers werden heet. Maar
+als zij dan moeders oogen zag, blank en puntig, en merkte hoe niet de
+minste altratie te speuren was op dit roerloos gelaat, niet de minste
+verandering in de hardheid van die vaste wangen, niet een trillend
+zierken in de rechte plooi van dien drogen mond, voelde zij zich
+gekwetst en ze week permintelijk, instinktmatig, beschaamd omdat zij
+zich alzoo bijkans overgaf.
+
+Mevrouw Wilder lei een bankbriefken van twintig frank op de tafel,
+zeggende dat Goedele er zorg moest van hebben en 't niet nutteloos
+verkwisten en 't maar geven aan Romaan ten uiterste, indien het
+waarachtig noodig was.
+
+--'t Kan ook gebeuren dat het niet noodig en is.
+
+Ze verdween, bijna onhoorbaar tertend, en zonder ommezien. En Goedele
+zonk trage neer op een stoel, geknakt, gebroken in hare hooghertigheid,
+wel wetende nu dat moeder niet edel wilde zijn, niet zachtmoedig wilde
+zijn. Ze zat zich af te vragen wat dan in moeder oorzake was van hare
+medelijdende woorden, en zij en vond geen uitlegginge om moeders
+inzichten te verklaren. Beteuterd tuurde ze naar 't papieren geld, dat
+tegenwoordig, ook in haren geest, zoo'n groote beteekenis kreeg.
+Moeder's vingeren, daar neerduwend dat vierkante ding, en 't openvouwend
+met zorgvuldigheid, en 't naderhand nog een wijlken overstreelend--'t
+bleef in haar geheugen een vastgespijkerd beeld. En ze dacht aan
+Romaan's spijtige geschiedenis, aan zijn vlucht met Madeleen en aan
+moeder's gramschap. En ze dacht aan Sebastiaan en aan zijn goede liefde.
+En aan zijn geld.
+
+--Sebastiaan heeft geld.
+
+'t Stond haar nu klaar voor, en Sebastiaan kreeg een ander gedaante, en
+ze meende nu dat zij hem liefhebben moest, als zelf zij hem in
+werkelijkheid niet liefhebben kon. Tegen de rotse van moeders wil zou
+zij tevergeefs horten. En moeders minzaamheid voor Sebastiaan steunde op
+geld; ze had er de zuivere, de stipte vizie van in 't beeld van moeders
+werkzame vingeren, streelend gaande om dat kostbaar briefelken. Maar
+Sebastiaan's liefde was oprecht. En ook zij was Sebastiaan genegen.
+
+--We zullen gelukkig zijn.
+
+En ze ging te lore in kalme droomen van stille huiselijkheid, haar eigen
+zettend bij 't vredig gefonkel van een duurbaren heerd en er luisterend
+naar wisselvallige gepeinzen.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+II
+
+
+Rik Derboven, mevrouw Wilder haar vader, was een visscher van de
+Noordzee. Indertijd was hij doodarm. Hij trouwde met een meisen van zijn
+prochie, een struisch wijf, die hem zes dochters gaf. Hij labeurde er
+voor, dag in dag uit, zich nievers een stonde rustigheid verleenend,
+nooit vermoeid en nooit ontmoedigd. 't Was een zwijgende vent met diepe
+inzichten, een steenen wil, een stugge kop, met koppigheid alles
+doordrijvend. Hij en wankelde noch en keerde; hij rukte met neerstige
+hardnekkigheid vooruit, hij en zag geen hinderpaal in 't belang van
+andere, hij zag alleen zijn doel. 's Avonds in den late, als hij een
+wijlken zich neerzette bij de stove, na den eten, was hij aldoor
+verdiept in verre combinaties en keek hij in den rook van zijne pijp
+naar de mogelijkheid van wijd-reikende oplossingen. Men mocht hem
+binstdien niet lastig vallen. De kinderen moesten te bedde liggen en
+moeder moest voorzichtig te werke gaan met hare schotels en haren
+avondkuisch. Hij bleef altemets in de donkerte een heel deel van den
+nacht, zoo zitten en denken. Hij luisterde dan naar gindsche roerende
+zee en zijn gepeins werd machtig. Aldus timmerde hij zijne stille
+plannen op, al bouwend en metsend en afbrekend en herdoende 't gansche
+idee op eene andere manier. Hij wilde dan tot eene waarschijnlijkheid
+geraken en ging niet slapen eer hij die vaste kreeg. Hij en schrikte
+voor geen kwade daad, hij en week maar voor den dood. Over een lijk heen
+zou hij niet terten. Anderszins wist hij dat hij in staat was tot alles,
+wat niet en docht, en brave menschen aanzag hij voor domkoppen. Hij was
+overal aanwezig, waar er wat aan zijne vingeren kon blijven haperen. Hij
+richtte kleine muiterijen in, onder de visschers, hij hitste de kerels
+op met woorden van haat en woorden van deernisse; hij sprak van
+bloedhonden en hertevreters, en hij stiet met zijn vollen nijd tegen 't
+hoofd zijner makkers, voortdurend kloppend tot ze op een ende daar
+gloeiend stonden, koortsig en razend, met veerdige handen. En als 't dan
+op een mislukte dolheid uitliep, was er toch een, die zanten kwam, een
+die achterwaarts stond en wachtte, en naderhand 't profijt wegdroeg; en
+dat was Rik. Zoo stegen allengs zijne zaken. Hij kocht een boot. Hij
+kocht er twee. Hij deed smokkelreisjes, bracht vreemd goed in het land,
+bedroog en werd welvarend.
+
+Maar thuis sloeg hem de kans tegen. Een voor een stierven vijf zijner
+dochters aan een zonderlinge hertziekte, die hen met schokjes wegdreef,
+in min dan drij jaren. Twee jaar nadien, ook onder de zelfde kwale
+lijdend, werd zijne vrouw door eene geraaktheid getroffen. Ze bleef zes
+maanden te bedde liggen en sukkelde er en wou, op een voornoene,
+redeloos opstaan. Rik was aan het strand. Hij vond bij zijn thuiskomste
+zijn wijf temidden van den vloer liggen; twee streepkens bloed liepen
+over hare lippen en een paternoster strengelde om hare vingeren. Naast
+moeder lag Ursule, het laatste dochterken, flauw asemend en buiten
+kennisse....
+
+Rik bleef nu met Ursule alleene. Hij en wilde niet hertrouwen. 't Zou
+zoo wel gaan. Ursule was toen dertien jaar oud. Hij leerde haar het
+huishouden, en na korten tijd, deed zij 't gansche werk. Het kind
+groeide alzoo op tot een stevige deerne en geen moeite was haar te
+zwaar. Ze begreep--al zei vader niets van zijne geheime doelen,
+--waarnaar de minste inzichten streven moesten. En ze was spaarzaam, en
+ze zwoegde, en ze werd sterk en groot in haar rusteloos slameur. Alle
+avonden liet Rik het lamplichtje laag komen over de tafel en hij
+verklaarde haar het spel der cijfers, de moeielijkste rekenkunde, tot
+den nacht tellend en hertellend en alles neerschrijvend te rote, met
+stipte nauwkeurigheid. Dat duurde tot haar twintigste jaar. Dan verkocht
+hij het armzalige huizeken, het dagelijksch gerief, de meubelen; dan
+verkocht hij zijne booten.... En ze trokken naar de stad en openden er
+een specerijwinkel. Er werd opnieuw gesmokkeld en gekonkelfoesd. De
+waren kwamen aan van tallenkant. Rik had alles meesterlijk geschikt.
+
+Maar Ursule allengerhand werd sterker dan haar vader. Ze speculeerde met
+meer vernuft en meer zekerheid ook. Ze bedroog hem en bewees het, en zoo
+ontstond bij hem eene pijnlijke angstvalligheid. Hij werd nu zwak en
+wankte in zijne minste ondernemingen. De zaken werden ook stilaan zoo
+geweldig vooruitgestooten, dat hij 't niet volhouden kon en meende te
+verongelukken. Dan bleef hem alleen nog over teenemaal op Ursule te
+berusten. En Ursule werd groote meesteresse in huis. Na vijf jaar was de
+specerijwinkel een aanzienlijke koffiehandel geworden.
+
+Omtrent dien tijd ontmoette zij Albien Wilder, een jongen van rijke
+familie, bevoordeeligd ambtenaar bij 't Ministerie van Binnenlandsche
+Zaken. Dagelijks moest hij de hooge poorten der magazijnen voorbij en
+dikwijls bemerkte hij Ursule, daar staande in hare volle lengte, breed
+en statig. Al dadelijk werd hij door dat struische wijf veroverd. Hij
+liet zich door een beursman aan den vader voorstellen. Van weerskanten
+werd er gewikt en berekend en uitgeteld, en zeven maand nadien trouwde
+Ursule met hem.
+
+'t En bracht niet veel verandering in huis. Albien was van nature een
+zwakkeling, en algauw lag hij onder Ursule's stalen wil en ging en
+handelde naar heure wenken. De koffiehandel, nog door Wilder's kapitalen
+gespijst, breidde zich meer en meer uit en werd eene machtige
+inrichting. Ursule was nu rijk. Maar niets kreeg een gewijzigd uitzicht
+in haar leven: ze wrocht en zwoegde, nievers tijd vindend om haren
+rijkdom te bezigen tot eigen genot. Geld winnen was overigens hare
+eenige vreugde; rijzekens had ze deugd aan hare moederschap--ze was
+moeder van een zoon, dien ze Romaan heette, naar den naam van Albien's
+overleden vader. En Albien zelve gewende zich aan die eentonige dagen.
+Hij trok 's uchtends naar zijn bureel en kwam 's avonds terug en nam
+zijn zuinig maal in de koude eetkamer. Allengs smolt ook zijn ideaal met
+Ursule's doelen saam: ze moesten geld verzamelen. Rik sprak bij stonden
+ervan:
+
+--We zullen 't ophoopen in stapelkens en nevenseen zetten en 't
+bekijken.
+
+'t En scheen hem niet belachelijk. 't Waren in zijn meeninge heerlijke
+plannen geworden. En gedrijen spaarden ze.
+
+Romaan werd door allerlei ziekten aangetast, vier jaar te rote. Ursule
+had het heel druk met de dokters, die zij den eenen na de anderen
+wegstuurde. Ze waakte lange nachten bij haar kind en bad dat het genezen
+zou. Ze toonde zich, gedurende dien tijd, heel vroom en heel
+vreesachtig. De dokters mochten niet meer in huis komen. Ze wilde alleen
+op God berusten--halvelings omdat het haar goedkooper viel, halvelings
+ook omdat zij in de wetenschap geen het minste vertrouwen had. Romaan
+kwam langzaam alle ziekten te boven en werd een droomerig jongetje.
+
+Hij was zes jaar oud, als Goedele geboren werd. Goedele was veel
+sterker. De kleinen groeiden op in een killig geluchte. Zij en voelden
+nievers de zoetigheid van liefderijke wezens; ze liepen beteuterd en te
+lore in hunne jeugd en benijdden ter schole de vriendelijkheid hunner
+makkers. Ze zouden echter de bane niet volgen, welke moeder hun door
+haar voorbeeld en hare woorden voorschreef, en deze ouders, welke
+gedurig en uitsluitend tuk waren op een peute geld, kregen kwistige
+kinderen. Romaan, als hij op de universiteit leerde, miek schulden.
+Ursule, die meer hechtte aan eenen goeden name dan aan eene eerlijke
+ziel, betaalde, maar ze hield naderhand den jongen zoo nauw dat hij
+haast niet meer met vrijheid denken kon. Zoo werd hij een zwijgende
+opstandeling. Het leven werd hem bitter. Hij droomde mee met
+Schopenhauer, wiens boeken hij met razernije verslond. De maatschappije
+scheen hem eene verschrikkelijke onrechtveerdigheid, waar de goeden tot
+blijvend leed verdoemd waren. Zijn hoofd was vol met utopische
+hervormingen--alles moest omgegooid en heropgebouwd worden: de standen,
+het huwelijk, de familie. Wat bestond, was slecht, was vort, was
+misdadig. 't Zicht der rijken folterde hem.
+
+In een kleine steeg, bezijden de Hoogeschool, woonde een arme weeze met
+hare tante. Daar verliefde hij op. Dagelijks trok hij het huizeken
+binnen, waar 't meisje te borduren zat. Ze maakte schoone bonte bloemen
+met zijden draad en hij had leute met hare liefelijke vingeren--hoe die
+met de naaide ieverig waren en hoe daaronder de teekening djentig
+zichtbaar werd. Het meisje heette Madeleen en die oude grijze daar, zoo
+mager en zoo roereloos, heette tante Olympe. Hij voelde hier warmte.
+Hij rookte hier pijpen en keek langs smalle vensterruiten naar de varende
+wolken. Hij was hier wel.
+
+--Madeleen....
+
+En ze wendde naar hem hare blauwe kijkers en lachtte even of knikte met
+zachte buigingen, bij maniere van gelukkig-zijn. Er zong iets in hem.
+Hij lachtte tegen. Ze waren seffens takkoord.
+
+Maar dan begonnen de leelijke dagen. Hij ging alles aan moeder bekennen
+op een avond. Hij wilde trouwen.
+
+--Met wie?
+
+Ursule sprong naar hem toe, en vatte zijne armen, en knelde die
+onbarmhertig in hare koortsige handen.
+
+--Met wie?
+
+Hij moest het herhalen, hij moest het tot drijmaal toe herhalen. Ze
+schoot seffens uit in een schaterlach, een wreed geklater, dat tegen de
+naakte muren plofte met vreeslijk lawaai. Ze liet hem los en kruiste
+hare armen over hare borst, en ze zwaaide hem dan in 't aangezicht dat
+het een slonse was zonder zedige manieren.
+
+--Een ploerte!
+
+Romaan rechtte zijn hoofd. Het deed hem zoo'n zeer wat moeder zei, maar
+nu had ze hem op het herte geslagen. Hij werd hard en hij werd koppig.
+Drij dagen bleef hij op zijne kamer zitten. Goedele bracht hem eten en
+kuste hem. Hij weende bij Goedele, en het was hem een goede troost.
+Den vierden dag ging hij vader aanspreken. Albien was verschrikt, en
+hakkelde, en voelde zich wegzinken zonder den steun van Ursule's
+sterkte. Hij probeerde toornig te zijn; hij was alleen toornig, omdat
+hij Ursule vreesde. Hij riep:
+
+--Weg, loop weg!
+
+Hij liep hem nadien zelf achterna, al stamelend dat er wel een oplossing
+te vinden zou zijn.
+
+--Allo, jongen, allo....
+
+Maar Ursule bleef onverbiddelijk, en den vijfden dag verliet Romaan
+zijne ouders. 't Was den vijfden dag.
+
+Hoe struisch Ursule ook was, 't knakte haar en ze werd ziek. Een volle
+weke lag ze te bedde, zuchtend en zich ommewerpend. Voor de eerste maal
+van haar leven wist ze geen besluit te nemen. Zij en wilde hem niet
+laten trouwen, zij en wilde geen geld geven aan die vreemde kerte. Ze
+fluisterde, al kijkend naar de zoldering, heel wijd:
+
+--Geen geld....
+
+Maar ze wilde ook Romaan niet kwijt zijn. Ze verwonderde zich dat ze
+hield van hem, na al zijn leelijke doening. En ze hield van hem. En
+daarom zou hij trouwen met een rijke juffrouw. Hij was ook rijk. Het
+idee dat hij nu toch met die ellendige loete trouwen zou, deed haar
+het oogenblik daarna terug raaskallen. En ze bekeek de zoldering met
+wijd-open oogen.
+
+--Geen geld....
+
+Ze meende endelijk een oplossing gevonden te hebben, en ze genas. Ze
+schreef aan Madeleen dat ze komen moest. Madeleen en kwam niet. Ze
+schreef opnieuw. Ze zou Madeleen omkoopen, haar eene ronde somme geven,
+als ze Romaan loslaten wou. En Madeleen en antwoordde niet. Ze begon
+weer te wanhopen en te klagen, en moest weer een paar dagen neerliggen.
+Rik kon haar opbeuren. Hij verzekerde haar dat het allemaal jeugdige
+zotternijen waren, en dat die vuurkens fluks uitvlammen zouden. Hij wist
+dat de jongen en 't meisje tegenwoordig ongehuwd reeds samenleefden op
+eene gemeubeleerde kamer, en die tortelliefde zou haren gang gaan, en
+naderhand zou Romaan boetveerdig terug keeren.
+
+--Ze zullen trouwen....
+
+--Zij en zullen niet trouwen.
+
+Waarom zouden ze trouwen? Ze hadden zoo al hun volle pleizier.
+
+--De plodde zal aandringen....
+
+--Zij en doet.
+
+Hij sprak kort. Ze herwon een beetje betrouwen en liet zich genezen.
+Maar zij en kon sindsdien niet ten volle meer hare zaken bewerken. Al
+hoopte ze stilaan dat Romaan de meid ten langeleste verlaten zou, ze
+bleef bij haarzelve klagen over 't verlies van haren zoon, en de handel
+leed door hare dagelijksche onachtzaamheden. Albien, die 't wel merkte,
+stelde schuchter voor het huis aan een opvolger over te laten. Ze wilde
+hier echter niets van hooren, en werd buitengewoon ieverig.
+
+--Denk niet meer aan hem, zei Albien, die er gestadig aan dacht.
+
+--Ja, zei Ursule.
+
+En ze dacht aan hem. Ze deed hem beloeren. Ze stuurde ook altemets
+Goedele, en vernam aldus dat Romaan in waarheid ongehuwd bleef en
+gemeenzaam leefde met Madeleen en tante Olympe. Hij had ook altijd
+gesproken van vrije liefde en nieuwe zeden. Zij was nu tevreden, omdat
+hij die dwaze gedachten behouden had. Ze kreeg verder te wete dat hij
+als ingenieur aan een bronsfabriek verbonden was, en het stilde haar in
+hare moederlijke bezorgdheid; hoe danig zij ook deze bezorgdheid met
+sterke beredeneeringen wilde versmooren, zij was bezorgd, tegen wil en
+dank zich moeder voelende.
+
+Een nieuw voorval wierp haar ten derde male te bed. Madeleen beviel van
+een dochterken. Meteen verzonk haar laatste hoop, want ze wist dat
+Romaan nu voor altijd vastegeklonken lag. Ze wilde Rik's noch Albien's
+troost ontvangen en Goedele ook moest verwijderd blijven. Van dien dag
+af begon de koffiehandel te slabakken. Er ontstonden onlusten onder de
+werklieden, en kleine muiterijen maakten Ursule en vooral Rik uitermatig
+benauwd. Toevallig konden ze, ver beneden de weerde, het huis koopen van
+een gevallen edelman, in een rijkemanswijk der stad. Ursule verkocht
+haren handel en nu gingen ze rentenieren. Albien zou voortwerken op zijn
+bureel. 't En deerde hem niet te vele, en 't bracht schoon geld op.
+
+De nieuwe woonste was prontelijk gelegen, boven de stedelijke warande,
+en over de breede vaart. 't Was een groot hotel, met, achterwaarts, een
+heerlijk park en een lochting vol bloemen. Aangename breede wegels
+liepen erlangs, allen saamkomend op een open terras, waar 't in den
+zomer krioelde van gloeiende of klaterende rozen. Het huis zelve was een
+vierkante massa met gelijke vensters. Talloos waren de kamers. Ursule
+achtte het nutteloos alles te meubeleeren. Ze had zich het huis voor
+eigen genot niet aangeworven: 't Was meer weerd dan 't geld dat zij er
+aan besteed had, en zij en zou al die kamers niet nutteloos gebruiken.
+Zoo bleven er een groot aantal leeg en vele luiken werden nooit
+ontsloten. Dat gaf aan deze woning een doodsch en akelig uitzicht en na
+enkele maanden verwierf zij ook in den geest der naburige menschen een
+geheimzinnige beteekenisse. Drijmaal daags zagen zij 't zware hekken
+opengaan: in den vroegen morgen, als Albien traagtrippelend naar 't
+Ministerie trok, later, omtrent tien uren, als Marie, de dienstmeid naar
+de markt moest, en 's avonds nog, als Albien terugkeerde. 's Zondags,
+bij de eerste uchtendure, gingen Ursule en Rik naar de kerke. Dichte te
+noentijd was 't de beurt van Goedele en haar vader. Zoo was de gewone
+gang gedurende vier jaren en heel zelden werd er eene verandering aan
+toegebracht. De menschen babbelden ondereen.
+
+--'t Is een spokige femilie, zeiden ze.
+
+En ze pinkoogden of plooiden hun lippen heimelijk, gebarende daarmede
+dat hier een wonderbare historie onder schuilen moest....
+
+ * * * * *
+
+Albien wandelde, te herfstevesperure, in den hof. Hij was nu een oud
+ventje geworden, met grijze krulharen om een rondbollig, rood gezichte.
+Hij snuffelde den lochting rond, met zijne diepe oogskens wroetelend
+links en rechts. Alhier rechtte hij een gebroken stengel, aldaar kneep
+hij een dorre bloem weg, alles in profijtelijke doening met voorzichtige
+vingeren betastend en bestreelend. Altemets maakte hij zijn eigen lastig
+om een vertrapt plantsoen, maar zoetig was zijne ongedurigheid en dan
+liep hij verder al mummelend:
+
+--Tet-tet-tet....
+
+Hij tort de wegels langzaam plat, kon nievers een papierken zien liggen
+en dook seffens de minste onregelmatigheid. Hij wilde alles in gelijke
+effenheid zien schoon wezen. De palmboomen moesten zorgelijk gesnoeid en
+gekapt worden, de graspleinen vlak gemaaid. Hij had deugd als niets meer
+buitensporig was, en liet zich daarna wat rusten op een der groene
+banken. Van daar bewonderde hij den tuin, volgde met liefde de sierlijke
+vaart der baantjes, de plezierige reke zonnebloemplanten, de kleine
+wilgen met zilveren tronk, en alginds het hooge gebladerte, rossig,
+bruin, gloeiend en geel. Hij pinkte af en toe een kruideken of een
+stofken van zijn bruine veste, en lei bij tijden een plooi rechtte in de
+vouw van zijn knie. Vervolgens trok hij voorzichtig een boeksken uit
+zijn zak en zette zich te lezen. Albien was een zwakke geest, geleid
+door allerlei manieen. Op zijn bureel was hij een niet-denkend mensch,
+een weerlooze schakel in de administratieve keten. Hij ging gewillig met
+de omstandigheden mee, zonder die te bespreken; hij bekampte ze in elk
+geval nooit. Zijn leven was zonder passie. Hij stortte maandelijks al
+het geld, dat hij won in de handen van Ursule, die altijd stiptelijk
+naging of de afkortingen voor de pensioenkas goed berekend waren. Hij
+hield geen duit achter. Hij kreeg van Ursule alle weken een frank, en
+hij meende dat hij ook niet meer noodig had. Hij kocht daarmee altemets
+een dagblad, altemets een pakje nieuw zaad voor den lochting, meermaals
+echter een vijfcentenboekje. Die boekjes lagen in een klein winkelken
+van de benedenstad te koop achter de ruiten. Hij bleef eerst lang voor
+'t raam staan eer hij binnenging. Hij moest ze allemaal eerst
+buitenwaarts bekijken, en de titels lezen en in zijnen geest dan
+vergelijken, om endelijk goed te weten wat hij nemen zou. 't Waren
+raadselboekjes, boekjes met charaden, met goocheltoeren, met
+wonderzottigheden.
+
+Hij verkoos over 't algemeen de goocheltoeren of het stekjesleggen, en
+dergelijke, waar hij zich tot laat in den avond mee kon bezighouden.
+Verhalen en dwaze perten, daar hield hij minder van.
+
+--Onnoozele dingetjes, zei hij.
+
+Hij peinsde dat hij een "vinder" was. Hij kon uren en uren nadenken over
+de oplossing van een raadsel. Achteraan in het boekje stonden de
+oplossingen gezamenlijk gedrukt, maar hij zocht eerst minstens een dag
+of drije eer hij 't opgaf. Dan was hij moedeloos. Hij beweerde dat de
+vraag onduidelijk gesteld werd, en achtte zich daarom slechts half
+overwonnen.
+
+Hij was nu een boekje over het dominospel aan 't lezen. Hij doordacht
+het en herdraaide in zijn hoofd de zinnen. Met een droog takje begon hij
+naderhand op den grond teekeningen te scharten--al vierkantjes en halve
+vierkantjes. Hij bezag dan dat ruitwerk met gedwongen aandacht, herlas
+enkele regels van 't boekje, was weer aan 't kijken en 't wrijven en 't
+teekenen.
+
+--Dobbel zesse hier....
+
+Hij was opnieuw bezig.
+
+--Dobbel vijf aldaar....
+
+Hij hief zijn voeten op om plaatse te maken en moest nadien toch
+heelemaal op de bank kruipen om zijn beenen uit den weg te krijgen.
+Zoo zat hij te raden en te rekenen en te kijven met het boekje of met
+zijn eigen vorig idee....
+
+Er werd gebeld en Marie deed het hooge hekken open. Albien zag
+Sebastiaan Vrebos door de voorzichtige splete te voorschijn komen,
+en hij vouwde fluks zijn blaarkens bijeen om hem voor te loopen.
+
+--Wel! wie dat er daar is!
+
+Hij was in den grond wel niet erg met die komste ingenomen. Hij meende
+zijn verveling door overdreven wellekomwoorden te moeten verbergen.
+
+--Mijn arme jongen, die zoo verre geweest zijt....
+
+Hij nam hem een pakje af en nog een pakje. Hij vatte hem bij den arm.
+
+--En nu danig vermoeid zijt, zeker danig vermoeid zijt.....
+
+Daarbinst viel 't ijzeren hekken met zijn bekend geruchte toe, achter
+hem.
+
+--Niet zoo erg toch, beste heer, lachte Sebastiaan.
+
+--Och!... en Goedele zal zoo tevreden zijn. Ze was ook dagelijks bezig
+over u, het brave kind. Ei! dat zal hier een aardige avond zijn.
+
+Hij dacht nu aan het soepee. Ursule zou wat goeds gereed maken bij deze
+gelegenheid, en daarvan zou hij evengoed als Rik misbruik maken. De
+gewone eetmalen waren ook zoo erg gewoon, zoo eender tevens en zoo grof.
+Als Sebastiaan thuis kwam werden ze beter verzorgd en kwam er bovendien
+nog een lekker extra bij. Dat bracht hem in zijn schik.
+
+--En hoe liep de reis af? Wat een heerlijk land moet het zijn ginder!
+
+--In de reden, ja--maar het land heb ik juist niet veel bekeken.
+
+--Al bergen en stroomen, meen ik?
+
+--Veel bergen....
+
+--Och!... en daar zult ge ons aan tafel van vertellen.... Wel Djeezes!
+als ik nu bedenk dat ik oud ben, en niets hebbe gezien! 't Zijn dingen,
+'t zijn dingen!
+
+Hij trok hem mee naar het terras. Sebastiaan kende die manieren. Ze
+walgden hem voor 't meerendeel; hij deed evenwel zijn best om zich
+buiten bereik te houden en liet dan liefst een onbeduidend vriendelijk
+lachje op zijne lippen versteenen, bij wijze van antwoord. Hij kon de
+familie Wilder moeielijk lijden--Goedele toch had hij innig lief, en
+haar schoon gelaat, daar berustte hij in, en het troostte hem over 't
+valsche gezwets, dat hem gedurig krenkte.
+
+Op het terras stonden Ursule en de stokoude Rik. Ursule ontving hem met
+open aangezicht en een streelenden blik.
+
+--Welkom, mijn vriend.
+
+--Hertelijk dank, mevrouw.
+
+Hij drukte hare hand en de koude vingeren van grootvader. Hij zei een
+reke vage woorden, binst dat Marie hem van zijn overjas en zijn hoed
+ontlastte.
+
+--De jongen heeft bergen gezien, riep Albien.
+
+--O ja....
+
+Ze omringden hem en vielen hem lastig met allerlei zoetigheidjes. Hij
+had een ivoren kistje medegebracht voor mevrouw Wilder en een heel
+wonderbaar gedoe voor mijnheer Wilder--een Zwitsersch huizeken,
+teenemaal gemachineerd, met een kleppend horloge en een beiaardspel en
+twee werkende figuurtjes--en nog een zilveren snuifdooze voor den ouden
+heer. Ze moesten alles dadelijk bezien en bewonderen, en hunne
+dankbaarheid in breede geuten uitwerpen. En Ursule zei:
+
+--Dat moest ge nu toch niet gedaan hebben.... Ze betastte haar kistje en
+beloerde de zilveren dooze van Rik. En Rik sprak met een lage stem, die
+ook zich liefelijk te wenden probeerde:
+
+--Ja, dat moest ge nu toch niet gedaan hebben.... Hij had liever een
+zwaarder dooze gekregen, maar hij keek zijne oogen algelijk zat op het
+schitterend geflikker der ciseleeringen van het deksel.
+
+--'t Is een kunstwerk.
+
+Hij woog het in zijne ervaren handen.
+
+Na een stonde kwam Goedele staan in de opening der deur. De noesche
+avondzonne straalde open langs haar lichtbruine kleed en teekende er
+gloeiende plooien. Haar gelaat klaarde zonderling op uit de donkere
+diepte der kamer, achter heur. Ze keek naar Sebastiaan en een flauwe
+glimlach krulde om haren mond, maar hare oogen hadden verre blikken,
+verwijd in stille droefenis. Sebastiaan boog zijn lijf naar haar, en
+deed een stap voorwaarts, en hief trage en bekoorlijk zijne armen op.
+
+--Goeienavond, Goedele.
+
+Hij voelde zijn herte weggaan van hem. Hij voelde zich leeg worden en
+pluimlichte. Hij omvatte in de stille straling zijner liefde deze vrouw,
+die groot en schoon en beminnelijk was.
+
+Zonder haaste en zonder drift, met eene zachte moeheid in de stem, zond
+ook Goedele hem haren groet.
+
+
+ * * * * *
+
+
+III
+
+
+Als mijnheer en mevrouw Devleeschhouwer, en hunne dochter, juffrouw
+Bella, en Alfred hun zoontje waren aangekomen, ging men aan tafel
+zitten. 't Was eerst een lustig gepraat ondereen, een wederzijdsch
+complimenteeren dat wegvlood in luttele woordekens, met lachjes erlangs.
+
+--Wel, mijnheer Vrebos, schetterde het nooit moede stemmeken van
+juffrouw Bella, wel, mijn goede heer, hoe zonnig ook het verre land is,
+hoe zonnig toch is 't huis waar verlangende herten wachten....
+
+Ze loerde daarbinst naar Goedele met liefelijke blikken, en draaide
+haastig omme haar ongedurig lijf en gilde:
+
+--Oh! l'amour!
+
+Elkendeen had zijn aangewezen plaats in de eetzaal. Men zette zich neer
+en frommelde de servetten open, naderhand met luie vingeren de vork of
+den lepel takend, die bij poozen alzoo te rinkelen begon. Mijnheer
+Wilder vroeg met groote belangstelling aan Alfred hoe 't nu zou afloopen
+met het najaarsexamen. De jongen was blijkbaar met deze vraag niet erg
+ingenomen, en antwoordde al blozend dat hem de uitslag wel gunstig
+toescheen.
+
+--De jongens hebben het tegenwoordig zoo druk met het leeren, zei
+mevrouw Devleeschhouwer.
+
+Het was ook de meening van mijnheer Wilder.
+
+--Wat zullen ze nu al uitsteken met hun Grieksch en hun Latijn?
+
+Maar mijnheer Devleeschhouwer vond het uitstekend, dat men zonder
+deernisse in de athenaea met de leerlingen omging.
+
+--Dat hebben de kerels van doen.
+
+Hij rondde zijnen buik om gewicht te geven aan zijn gezegde en liet de
+gouden ketting rotelen, die er als een vloek op te klateren hing.
+Mijnheer Wilder was een dik mensch met enge schouders en een uitermatig
+hoofd, kaal en zijpelend onder het gaslicht. Hij krulde alle uchtends
+zijne rosse knevels met een warm ijzer, zoodat die gedurig triomfelijk
+ommebogen en met een scherp puntje rechtkwamen. Te midden zijne vettige
+kin vlekte daar zijn bokkebaardje, een donker hoeksken. Hij Wilde er
+martiaal uitzien en deed zijn best om zijn lomp hoofd naar een
+officiersmodel te scheren. Mijnheer Devleeschhouwer was een man met een
+gemist ideaal, daarom ook een diep-ongelukkig wezen. Hij drukte nog
+dikwijls zijne spijt uit daaromtrent en deed het altijd met zoo 'n lage,
+droeve stemme, dat men algauw beseffen kon hoe danig hij gekrenkt,
+geknakt, gebroken was erdoor.
+
+--Ik en hebbe naar 't gebod der Voorzienigheid niet geluisterd, zei hij.
+
+'t Gebod der Voorzienigheid, zoo heette hij zijne roeping. Hij werd,
+meende hij, voor den degen geboren, tot meerder heil van zijn vaderland
+en van zijn vorst. Maar hij had naar 't gebod niet geluisterd; hij had
+zelfs in de burgerwacht zijne kans voorbij gekeken. En nu was hij oud.
+Nu was het te late. In de burgerwacht, door onlangs gestemde wetten
+heromgewerkt, zou hij nooit binnengeraken. Zijn troost berustte
+sindsdien op een militair uiterlijke, dat hij bijna verkrijgen kon, dank
+zij een gestadige aandacht, een koppige inachtneming. Hij droeg schoenen
+met hooge hielen. Hij gaf jaarlijks een rond sommetje om eerevoorzitter
+van een oud-korporalenkring te blijven. Zijne kravatspelde was een
+gouden kanon met allerliefste diamanten wielkens. Hij had een breeden
+ring met een miniature van Leopold I, en binnenwaarts had hij er in
+gothische lettertjes doen graveeren: "Pour Dieu, pour le Roi et pour la
+Patrie."
+
+Hij sprak grof en probeerde altemets brutaal te zijn.
+
+--Wel--Heere, zei mevrouw Devleeschhouwer, ge vindt het hier aan tafel
+wel goed dat men de kinderen afbeult ter schole, en als de jongen
+hoofdpijn heeft, zijt-de al seffens zelve aan het janken....
+
+--Eulalie! berispte mijnheer Devleeschhouwer.
+
+Hij en noemde in gezelschap maar ten uiterste zijne vrouw bij haren
+voornaam. Zij en mocht hem in zijne weerdigheid niet kwetsen. Maar
+Eulalie was een zeer lichtzinnig oud wijveken, met een bijtend karakter
+en sluwe manieren. Zij heette haren vent kortaf Nestor. Hij ware
+gelukkig geweest, als zij hem op soiree had willen aanspreken met een
+deftig "mijnheer Devleeschhouwer".
+
+--Mijn advies is ook dat men streng moet zijn, sprak Rik.
+
+Hij wendde zijne oogen zijwaarts op naar Ursule. Geheel zijn glad,
+vierkantig aangezicht lijnde omlage naar 't puntje van zijnen neus, en
+zijn tonge sleerde tweemaal overentweer langs zijne droge lippen. Omdat
+Ursule zijn gezegde met ruste liet, hief hij met een schokje zijn hoofd
+omhooge en zijn mond viel open in een hatelijken grijns:
+
+--Wat een woord niet taken wil, taakt de zweepe!
+
+Ursule zei:
+
+--Vader, ge moet zachte zijn....
+
+Hij droop haast weg in zijnen stoel en bleef er koes ineengedrongen,
+endelijk toch schokschouderend en zijn kinne met een koppigen ruk
+opduwend. Bella bracht het gesprek op een ander onderwerp, en vroeg,
+zoeterig lachend, aan Goedele of Sebastiaan nu wat van zijn reis
+vertellen mocht.
+
+--Dwing hem met uw lieve handjes.
+
+Ze schetterde en vond hare eigen woorden dol leuterig, en gilde in een
+lachbui:
+
+--Ma chere!
+
+Marie bracht de soep, die al zeere op de tafel, in elkendeens schotel,
+te dampen stond. De lepels begonnen hun tsinkelend zilverspel en
+schervelden langs de gladde tellooren met wrijvende geluiden. Sebastiaan
+boog zich over tafel en zijne linkerhand deed al wuivend een stil
+gebaar:
+
+--Laat juffrouw Bella maar bedaren--ze krijgt wel wat praats, als ze mij
+hierom genegen is.
+
+--Een beetje soep nog? vroeg mevrouw Devleeschhouwer.
+
+--Wel ja, wel ja, zei Albien.
+
+Goedele at langzaam en was precies zoo heinde en verre met hare
+gedachten. Ze keek altemets naar een schitterende lichtvlek op den
+spiegel, en bleef er dan staren, alsof ze geerne zich geleidelijk liet
+wegvaren in gaande gepeinzen. Sebastiaan keerde zijne oogen naar heur.
+Ze voelde meteen den toets zijner blikken en was seffens verlegen, even
+glimlachend om vriendelijk te zijn. Hij werd ook hare verwijderingen
+gewaar en fluisterde haar af en toe een onbeduidend woord toe, bij
+manier van haar terug te roepen, haar bij te houden, dichterbij.
+
+--Waaraan denkt ge?
+
+--Aan niets, mijn vriend....
+
+--Goedele is nooit zonder gedachten.
+
+--Ik bekeek die bloemen....
+
+Hij vond nu ook die bloemen leelijk, monsterachtig. Goedele lachte,
+omdat hij zelve ze besteld had. Hij bleef bij zijne meening, dat het
+afgrijselijke wangedrochten leken, en dan, al waren ze in waarheid
+schoone....
+
+--Ze zijn ondankbaar, zei hij, als ze u wegrukken van mij.
+
+Mevrouw Devleeschhouwer, die naast mijnheer Wilder zat, was druk bezig
+met hem over zuinigheid en gulzigheid. Dat was gekomen naar aanleiding
+van Alfred's ongemakkelijke doening. Alfred at met ongemeene
+schuchterheid, al langetandend en muilkens makend. Aldoor loerde hij
+naar Goedele en bouwde in zijn geest romantische toestanden, waar hij
+den held en zij de heldinne was, en moeder moest hem stootjes geven om
+hem te doen eten.
+
+--Hij eet zoo weinig t'onzent ook, zeide ze aan mijnheer Wilder.
+
+--De jongens moeten eten om groot te worden, was 't idee van Albien.
+
+Mevrouw Devleeschhouwer gaf hem gelijk, maar ze had toch liever een
+zoon, die zuinig was, dan een doorvreter met gulzige manieren, die alles
+verslinden kon en daar op een ende zou te zweeten zitten lijk een
+trampeerd, en geweld te doen om niet onpasselijk te worden.
+
+--En als de examentijd er komt, weten de kinderen zoo vreeslijk van dat
+folterend surmenage.... Lust gij nog een beetje spruitjes of wat
+vleesch, mijnheer Wilder?
+
+--Wel ja--wel ja....
+
+Alfred zette zich te blozen, omdat moeder hem met dat woord "kinderen"
+zoo kleineeren wou. Hij zag noesch op naar Goedele en onderzocht op haar
+kalm gelaat, of zij 't beluisterd had. Albien klopte stillekens op zijne
+schouders en zijn rood gelaat neeg naar 't zijne, in een breede bui van
+vriendelijkheid.
+
+--Allo! allo! mijn jongen, steek nu uw hoofd niet zoo proppensvol met
+vreemd gebrabbel en dolle cijferwebben. Vacantiedagen zijn er ook nog,
+en die naderen bij tijde.
+
+Hij moest eens niezen, en bracht zijn servet over zijn gelaat, dat
+naderhand purpergloeiend te voorschijn kwam, zijpelend van wellust.
+'t Had hem alzoo deugd gedaan, en hij veegde zijne oogen drooge.
+
+--Vandaag moogt ge u deugd doen, zei hij.
+
+Hij keek naar een rijkelijken hamelbout, die vol souse onder een gulden
+korste daar gloorde, triomfelijk en wonderbaar. Hij stelde bovendien een
+overgroot belang in de matelijke gebaren van Ursule, die den wijn
+inschonk. Mevrouw Devleeschhouwer bleek hem een weerdige gebuur-vrouwe.
+
+--Een glazeken roode? vroeg mevrouw Devleeschhouwer.
+
+--Wel ja, wel ja....
+
+Hij zei 't met geveinsde onachtzaamheid, alsof het hem niet schelen kon.
+Hij slurpte zijn beker met korte geutjes leeg, en likte een wegloopend
+dropken weg, profijtelijk. Hij gebaarde niet te merken dat Ursule hem
+gestadig belonkte en wist wel dat zij hem morgen met allerlei
+berispingen lastig vallen zou. Hij liet zich aan geen toekomstig ongemak
+gelegen; 't was hier tegenwoordig goed....
+
+Bella en wilde Sebastiaan niet met vrede laten.
+
+--Zal ik u met het weinige, dat ik zag, tevreden stellen? vroeg hij.
+
+Hij vertelde van het landschap, van 't hooge gebergte, zoo heerlijk in
+den avond, als 't laatste zonnegestraal in verre sneeuw blijft haperen
+en er de zoete schakeering ligt van zijn vele verven; hij beschreef met
+overgevoeligheid de subtiele harmonij der kleuren, opgaande van 't diepe
+blauw naar 't vurende oranje. Zijne handen wuifden in sierlijke buiging
+en zijne lange vingeren teekenden de kleinigheidjes, peuterden aan vage
+tinten, beloken in wegdoezelende klaarten, stipten eene eigenaardigheid
+ievers aan, of vielen neer, in vrome vouwing, lui en moede en zacht. Hij
+kon zoo een stonde lang zich ommedraaien in fijnstemmige gezegden, en
+zijne oogen keken binstdien de leegte door. Hij en had nooit driftige
+woorden--hij vertelde alles op zangerige rythmen met altemets een
+onbepaalde uitdrukking, die hij dan in een stijgen of dalen zijner
+stemme verklaarde. En zijn aangezicht bleef djentelijk, omdat geen
+sterke klank zijn mond vervormde. Hij was schoon. Hij sprak schoon.
+
+Bella boog zich over tafel en dronk aan zijne lippen die kunstige tale.
+
+--En Weenen?
+
+Hij wist van Weenen weinig. 't Was een moderne stad met veel lucht en
+licht. Hij had geen bepaalden indruk. Hij had vooral schilderijen
+bekeken.
+
+--O ja--Bos en Brueghel, zei Goedele.
+
+Ze was verlegen dat ze 't gezeid had seffens daarna, omdat het als een
+vermindering klonk van Sebastiaans betrachten. Maar hij was niet
+gekrenkt en meende dat het haar een vreedzaam geneuchte was daarvan te
+hooren spreken. Hij noemde 't werk van Hieronymus Bosch een wonder. Hij
+joeg de beelden achter mekaar, deed waarachtig in 't geluchte varen de
+mirakelachtige schepsels uit de verbeelding van den schilder geboren.
+Hij sprak van eene St. Antonius' tempteeringe, beschreef een voor een de
+monsters daar vereend--konijnenkoppen op kinderbeentjes, menschenbuiken
+met oogen en een ooievaarsbek, vliegende draken, schertsende gezichten,
+grijnzende muilen. Hij deed ze herleven en benauwd worden in groene
+klaarten of wegschemeren in donkere spelonken. Maar hij was tewege warm
+te worden als hij over Brueghel begon.
+
+--Brueghel is de meester boven de meesters, juffrouw Bella, en stellig
+boven het begrip der menschen. Hij wist het leven uit te drukken in
+waarheid en zijne uitdrukking, aldoor een uitslag van stijlsynthesis,
+was een zuivere gave der kunst. Bij Brueghel vindt ge kleurharmonieen
+die men sinds niet meer heeft kunnen bereiken, en elke kleur op haar
+eigen ligt plat, effen, net. Hij dierf een hoop bonte boeren en krijgers
+neerwerpen op een vlakken sneeuwgrond, en 't en stoot noch en krenkt
+onze esthetische gevoelens: 't streelt en 't verwondert. Ik zag te
+Weenen een Babeltoren, waar 'k nu geen woorden voor vinde, schoon
+genoeg.
+
+Hij keerde zich zijwaarts naar Goedele.
+
+--Ik wou u dat alles dolgeerne doen zien.
+
+--Ja, mijn vriend?
+
+--Ik wou u doen taken deze hoogste hemelen der kunst, ik wou uwe ziel,
+uw gansche vleesch eenstemmig maken met deze wijdste trillingen der
+menschelijke ziele....
+
+--Ik ben u dankbaar hiervoor.
+
+Ze was stille, een zachte grens voor zijn uitgeworpen verlangens, stille
+en ernstig. Hij voelde wel de vreemdte, die over haar bleef en niet weg
+te drijven was met woorden, maar zijn herte lag open, zonder
+angstvalligheid noch vreesachtige koorts. Hij betrouwde op haar. Hij was
+gelukkig bij haar.
+
+Bella werd gloeiend rood en beet ongedurig op hare lippen. Ze was een
+appel aan 't schillen en deed het zoo los en grove, dat mevrouw Wilder
+het haar met een kort woord en een lachje opmerken deed. Ze keek met
+schuchtere blikken op naar Sebastiaan en een wijlken bibberden hare
+wimpers.
+
+--Weet ge nu niets van de menschen aldaar, mijnheer Vrebos? vroeg ze.
+
+Hij wendde naar heur zijne blauwe oogen, nog zat van Goedele's beeld.
+
+--Niets, juffrouw.
+
+--Wel--Heere! wat een zonderlinge reiziger, riep ze.
+
+Ze begon wrevelig en luidruchtig te lachen en smeet haast een kopje
+koffie omverre, dat Marie haar even voorgezet had. Ze schetterde, bevend
+en schokkend, voort en hare oogen kwamen vol tranen. Dan hief Rik zijnen
+witten kop omhooge.
+
+--Hebben die monsters indertijd bestaan?
+
+Sebastiaan sprak van uitbundige verbeeldingskracht en fanatieke tijden
+en probeerde klaar te blijven, met eenvoudige zinnen.
+
+--Maar hebben die monsters in tastbare gedaanten bestaan? vroeg Rik.
+
+--Zekerlijk niet....
+
+--Ha!
+
+Hij bukte zich en rok zijnen hals uit, blazend over zijne koffie en hem
+trage en matelijk inslurpend. Mijnheer Devleeschhouwer beweerde dat er
+nievers draken bestaan hadden.
+
+--En zeemeerminnen? fluisterde Rik.
+
+--Zeemeerminnen ook niet, zei mijnheer Devleeschhouwer.
+
+--Zeemeerminnen wel! zei Rik.
+
+Ze staken allemaal hun hoofd op. Rik was somber geworden.
+
+--Ik hebbe gezien, met deze oogen, die nog onthouden kunnen, een
+zeemeerminne in 't witte schuim der baren.
+
+--Tet ... tet ... tet, pruttelde Albien, wiens oogen begonnen te zwemmen
+in wellust.
+
+--Ze schoof over 't water, als raakte zij 't niet. Ze dook zich en steeg
+weer boven, en zij had een steert, zooals 't afgebeeld staat op de
+prenten. Ze zong in den nacht. Ik weet het wel, vermits ik het gehoord
+heb. En ik heb gehoord wat ze naderhand zei. Ursule weet het ook wel,
+vermits ik het haar verteld hebbe, en van het ijzeren kistje weet ze
+ook.... Ha! Ha! Dat weten wij!
+
+Hij knikte en zijn kinne kwam vooruitsteken en hij wierp een brok suiker
+in zijn kopje. Ursule wees dat hier geen aandacht op te vestigen was en
+met uitermatige vriendelijkheid vroeg ze aan Bella of ze niet eens
+zingen wou. Mevrouw Devleeschhouwer prees al dadelijk de nieuwe
+zanglessen, die Bella van een Italiaansche dame ontving.
+
+--Een echte artiste ... en zoo heerlijk dat ze trilleeren kan!
+
+Bella moest rechtstaan en iets laten hooren, en dan zou mevrouw Wilder
+en mijnheer Vrebos zelf oordeelen kunnen.
+
+--Zing ereis van "Sur la rive solitaire"....
+
+--Een danig oud ding toch niet, mama.
+
+--Ho! maar dat vind ik juist zoo'n schoon stuk!
+
+ Sur la rive solitaire,
+ Loin de toi je desespere....
+
+Het is fijne muziek, Bella.
+
+Mijnheer Devleeschhouwer vond ook dat het fijne muziek was, en dat zij
+best dees lied zou kiezen. Juffrouw Bella verkoos echter "Les petits
+paves". Dat was aandoenlijke zang, en Alfred kon ook geen ander
+fatsoenlijk begeleiden.
+
+Ze zong met een aangename stem, niet zonder eene gevoelerige
+gemanierdheid nochtans. Ze bleef altemets aandringen op een toon en
+maakte dramatische effecten daarmee, den klank warm en vol afrondend
+in den beginne om hem naderhand te doen uitsterven in smachtende
+halve-tinten. Als ze, bedrogen door heur eigen spel, hare oogen voelde
+nat worden, neep ze die halvelings toe, zoodat het licht op hare wimpers
+in de tranen fonkelde. Erdoor waterden hare bezweken blikken zijwaarts
+toe naar Sebastiaan, en hare woorden trilden in deze stonde waarachtig
+van hopelooze droefenis. Bij de laatste strofe zonken hare armen neere,
+en binst de endakkoorden van 't klavier bleef ze nog staan, en haar
+gezichte bewaarde swijlens zijne smartelijke uitdrukking.
+
+--Bravo! bravo! riep mijnheer Wilder.
+
+Elkendeen juichte haar toe.
+
+--Wat een allerliefste stem! zei Ursule.
+
+--En hoe zij die te leiden weet! zei mijnheer Vrebos.
+
+Mijnheer Devleeschhouwer peuterde aan zijn baardje en knikte goedkeurend
+en luisterde met welbehagen naar mevrouw Wilder, die de kwaliteiten van
+dezen zang overschatte. In den grond hield zij er niet van: het lied was
+lamlendig en eentonig, en het docht haar dat Bella lijk een ziekelijke
+katte daar te miauwen stond.
+
+--Het is heerlijk! zei ze en, met een veelbeteekenend stootje van hare
+onderlip, lachte ze Bella toe.
+
+Alfred droop naar zijne plaats terug en zat er, lijk te voren, met
+roerlooze oogen te turen naar Goedele. Maar mijnheer Wilder gaf hem nu
+duwkens in zijn zijde en fluisterde hem een breede uitlegging toe
+omtrent allerlei mekanische tuigen. Mijnheer Wilder was eenigermate
+onder den invloed van den wijn geraakt; zijn aangezicht vuurde lijk
+laaie karbonkelgloed, en roode vlekken beglansden zijn bolle voorhoofd.
+Het zwitsersch huizeken, dat Sebastiaan hem had meegebracht, kwam
+gestadig voor zijn geest, en hij hoopte dat hij het straks aan Alfred
+zou kunnen toonen. Hij wilde bij Alfred belang verwekken voor het
+huizeken, omdat hij zelf 't zou te zien vragen. Hij wist dat Ursule hem
+niet toelaten zou het uit te pakken, als hij er uit eigen beweging van
+spreken zou.
+
+--Alfred zal 't verkrijgen, peinsde hij.
+
+Hij probeerde Alfred te bewegen. Hij wilde 't voorzichtig doen, vertelde
+eerst van automobielen, van elektrische trams. 't Begon Alfred alseffens
+schrikkelijk te vervelen.
+
+--Te Straasburg is er een wonderlijk horloge, zei Albien.
+
+Hij lei uit hoe daar eenthoeveel apostels en groote personagen bij 't
+slaan der klokken te werke gingen en draaiden en keerden en zwaaiden met
+hunne bronzen armen.
+
+--Maar een huizeken in hout, een beiaard daar in, en een vrouwken en een
+manneken, alles schoone ingewikkeld, jongen--hebt ge dat al ievers
+gezien?
+
+--Neen ik, zei Alfred.
+
+--He wel! ik hebbe er zoo een!
+
+Alfred staarde naar Goedele's vingeren, die om een zilveren lepelken
+verduldig werkzaam waren.
+
+--Ik hebbe er zoo een, herhaalde Albien, al duwend in Alfred's leen.
+
+Maar een luidelijk gedruisch kwam in de straat, onder de vensters, en
+alle woorden vielen meteen. 't Was een stijgende zang uit honderden
+kelen, een rommelend rumoer onderbroken door dreunend trompetgeschetter.
+Als de ruchtige stoet voorbij was en in een nevensteeg ging wegdoezelen,
+lijk somtemets de winden doen alover verre daken, was in de eetkamer een
+ongemakkelijke stilte meesteresse.
+
+--Werkvolk, zei Rik na een stonde.
+
+Mijnheer Devleeschhouwer deed onachtzaam al spelend zijn leeg tasje op
+tafel ommentweer rollen. Ze begonnen allemaal seffens dooreen te
+spreken. Ze wierpen een woord alhier en aldaar en ze waren koortsig.
+
+--Weer een meeting....
+
+--Weer een vechting....
+
+--Weer 't bedrijf van Zondag--een ophitsen, een losloopen van
+gewelddoeners.
+
+--Wat een tijd, wat een tijd!
+
+Mevrouw Devleeschhouwer herhaalde:
+
+--Wat een tijd! Wat een tijd!
+
+'t Was verkiezingsweke. Onlangs was er geweld gebeurd, een muiterij in
+'t lage der stad, een omnibus omverre geworpen en steenen uit de
+kasseide gehaald. Drij dooden.
+
+Rik mummelde dat het een hoop met beesten was.
+
+--Ze willen muren inbreken met hun voorhoofd.
+
+Mijnheer Wilder meende dat die menschen veeleer ongelukkig dan slecht
+waren. Hij zei 't ronduit. De regeering was onrechtveerdig, of zij wilde
+niet rechtveerdig genoeg zijn.
+
+--Elkendeen moet te eten krijgen.
+
+--Maar elkendeen moet werken, ronkte Rik, en dees zijn opgestookte
+leeggangers.
+
+--Ja, sprak Ursule, kort en hard.
+
+Sebastiaan peinsde ook dat de volksbeweging de maatschappij tot het
+uiterste kwaad leiden zou.
+
+--Wij zullen nooit en nievers allen tegelijk gelukkig zijn. Er zijn
+uitverkoren en verworpen wezens. Er moeten meesters zijn en slaven.
+De huidige democratie is de ondergang der kunsten, en maakt 't
+luilekkerland der middelmatigen. 't Getal domme menschen zal altijd
+grooter blijven dan 't getal verstandige--zij zouden dus 't
+hoofdzakelijke bestuur kiezen? Wij gaan geleidelijk naar 't verderf,
+omdat wij, uit leelijke deernisse, de onderste menschenlade niet
+opofferen durven.
+
+Goedele meende dat die deernisse niet zoo leelijk was en dat het volk,
+tot hooger besef zijner plichten komend, stilaan zich verstandelijk
+ontwikkelen zou.... Er geraakte in huis een ongemoedelijk geluchte. Men
+voelde allentwege een wrevelige kilte, en men loerde naar de plate van
+'t horloge. Mijnheer Devleeschouwer moest nog zijne denkwijze kenbaar
+maken.
+
+--Kwart over tien, lispelde zijn wijf met geveinsde onverschilligheid.
+Maar mijnheer Devleeschhouwer hield er bepaald aan ook zijn woord te
+plaatsen en hij deed het met de noodige deftigheid. 't En was, volgens
+hem, niet kwaad dat er af en toe een onlustje onder dat sociaal-minnend
+boeltje ontstond. Dat was eene gelegenheid om de sterkte der politie te
+staven. Hij hief zijne armen omhoog en werd praatziek:
+
+--Hoe loopt zoo'n opstand gemeenlijk uit? De politie neemt stevige
+maatregelen, de stoeten worden ontbonden, de burgerwacht, steunpilaar
+onzer huiselijke rechten, wordt bijeengeroepen en bezet alle straten.
+Als ik zeg alle straten, zal mij niemand tegenspreken. Wat hebben wij
+verleden Zondag gezien? Wat hebben wij in de dagbladen gelezen? Ik
+ontmoette majoor Cnaps. Hij zei: "De wet zal geeerbiedigd worden." Ja
+dat heeft hij gezegd.... Ik vind niets ter wereld schooner en statiger
+dan een officier der burgerwacht. Majoor Cnaps is ook een fier en
+heerlijk man, niet waar mevrouw Devleeschhouwer? Dat is nu wel de zaak
+niet, maar 't is eender. Een oproer blijft voor mij een deugdelijk
+verschijnsel.
+
+Elkendeen was allang te wege op te staan. Bella sprong endelijk rechte,
+met een lach verwittigend dat het laat werd. Ursule bracht hier tegen in
+dat het morgen rustdag zou zijn en er dan geen bezwaar was om nog een
+uurken te blijven; ze deed het echter heel lauw en meest bij wijze van
+beleefdheid. De stoelen werden alhier en alginds verschoven, en Goedele
+ging in de voorzaal 't gaslicht aansteken. Ze hielp mevrouw
+Devleeschhouwer en Bella zich aankleeden en schikte hunnen hoed en
+speldde hun vool vaste.
+
+Ze hoorde ze op den hof voor 't hekken nog groeten en naderhand hun
+gemompel over de straat stille weghorzelen. Ursule was algauw in de
+keuken om inspectie te doen, en Albien scherrelde met zijn Zwitsersche
+dooze naar zijne kamer. Rik bleef zitten voor de leege glazen. Goedele
+zuchtte diepe. Ze tort naar het terras en bleef er een oogenblik staren
+door de donkerte naar de boomen, die in eentonigen avondzang te ruischen
+stonden, op de mate van den gelijken wind. Ze werd naderhand Sebastiaan
+gewaar achter heur, en draaide zich omme.
+
+--Gij?
+
+--Ja....
+
+Hij nam hare hand en drukte die en omving hare schouders, trage haar
+hoofd neerleggend op zijne borst. En in heur haar fluisterde hij zachte
+woorden. Ze was gestreeld erdoor en liet zich streelen, en zijn warme
+asem was een aangename jeukte over haar hoofd.
+
+--Wat hebbe 'k gedacht aan u, mijn Goedele!
+
+Hij zocht naar lijze zinnen en wrocht ze zorgvuldig zaam in zijn geest
+tot een lange lispeling, een lispelende zoetigheid. Hij peuterde aan
+zijn gevoelens tot het ruchtlooze vlindervlerken werden of een geest
+zonder gedaante. Hij en liet geen vezelken zijner ziele onaangeroerd,
+hij zei alles wat in zijn liefde tot een woord kon vervormd worden.
+
+--Ik keek naar een sterre, en voelde precies dat haar stralen u taakten.
+
+En Goedele liet overhaar neerkomen die stroom, die warmte, die
+vrede--tot zijne lippen meteen haar voorhoofd toetsen kwamen. Ze boog
+zich en sleerde uit zijne armen en stond dadelijk in 't volle licht der
+eetzaal. Hij sprak niet meer. Hij nam zijn overjas, en stak een sigaar
+aan. Hij drukte even hare hand en kustte die vluggelings, en vertrok.
+
+Moeder kwam aangeloopen en moest nog alles nazien op de tafel, de lepels
+tellen, de vorken, de suikertichelkens.
+
+--Waarom ontvangen wij dat volk? mummelde ze.
+
+Ze troostte zich met het idee, dat het nu hare beurt was en dat ze
+ongenadig zou zijn bij Devleeschhouwers en maar doorvreten zou. Het was
+sinds jaren zoo.
+
+Goedele ging slapen. Ze tort hare killige kamer binnen en miek licht.
+Haar venster stond nog open en 't vrije geluchte joeg in breede vlagen
+ommentweer. Ze belook de ramen en huiverde een endeken. De keerse stak
+weldra een rustig vlammeken omhooge en wierp schier roerlooze schaduwen
+tegen de muren. Het bedde stond hagelblank en vouwrijke gordijnen vielen
+erlangs, doorzichtig in 't gele uitspattende licht. Voor een vierkant
+tafelken, ook met een witten geborduurden doek bedekt, zette Goedele
+zich neere en bleef er den avond herdenken in hare luie gepeinzen.
+
+Ze was moe. Ze haperde aan wrevelige herinneringen, al kleinigheidjes
+die groot werden in haren geest en waarmee ze dan een gedwongen
+hopeloosheid wilde bewijzen. Ze redeneerde tegen haar eigen zelve en
+gebruikte daartoe de minste gebeurtenis. Nimmer had ze met meer
+zekerheid de ijdelheid gevoeld van dees huis, de ijdelheid van dees
+leven. Het soepee walgde haar. 't Kwam in groote geuten naar haar hoofd,
+en al die menschen, elk met zijn particuliere dwaasheid, waren leelijk
+en terugstootend. Het beeld van mijnheer Devleeschhouwer krenkte haar,
+en zijne nietige vrouw, waanzinnig in kleine eerzuchtjes, kon ze niet
+verdragen. Bella ook werd haar een folterend hysterisch popje, aldoor
+smachtend en aroetekoeend en potsierlijk. Hare ouders zelve bezeerden
+hare gedachten--moeder was valsch en vader was klein en grootvader was
+vrekkig. Ze zag nog den zwaren nekke van Alfred, binstdat hij op 't
+klavier spelend was, en zijn droog haar saamloopend, tenden zijn bolle
+hoofd, tot een stekelig sterreken....
+
+Ze achtte zich, met een haastigen schok, verveeld en vernederd door
+eigen verbeelding. Ze kleedde zich uit en vlocht heur haar bij dichte
+stringen en wond die in een kanten kapje saam. Ze stond nadien voor den
+spiegel, bloothemds, en bekeek de schoonvervige naaktheid van haren
+hals, hare opwellende borsten, hare armen. Ze was groot en geweldig en
+majestatisch. Ze kwam haar eigen meteen voor als een aanbod, als een
+koopveerdige voorstelling, als een die zich niet bezittend was en
+eigendom zou worden. Een stijgende fierheid sloeg, met den stevigen klop
+van haar bloed, tegen hare slapen en ze voelde zich machtig, boven 't
+gepeuter en de ellende van dees huisgezin, boven al de luttele woorden,
+die flauwasemend neerzegen, menig en vederlichte. Ze wilde een forsig
+gezegde beluisteren, den vurigen toets van mannelijke armen belijden,
+ze wilde zich verdedigen met hare tastende handen en toch overwonnen
+worden....
+
+Ze viel neer op haren stoel, sidderend en hijgend. Ze dacht aan
+Sebastiaan, hoorde nog het zoeterig gefluister zijner liefde, zag nog
+het vroom gebaar zijner kunstige lippen, en zijne oogen, diepe en
+stille, zijne blauwe oogen. Ze werd, in een scherp zicht, gewaar dat hij
+over haar niet heerschen zou, dat zij hem gewillig verdragen zou, en hem
+in dankbaarheid voor vredige uren liefhebben. Zij en bereikte, met een
+verste gepeins, geen wijde hoop in de toekomst, en haar hoofd zonk op
+hare borst, verduldig, begrijpend dat het niet denken mocht. Ze vatte
+langs alle kanten van haren geest, dat haar lot verveling was en dat
+geen schoon geweld haar driftverlangen zou bedaren.
+
+Ze weende nu en had deugd daaraan, en haar lijf snokte opwaarts, met
+haar hortend snikken mee....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+IV.
+
+
+Het was 's anderen daags frisch en leutig weer. De zonne had in den
+morgen een lagen mist verscheurd en wapperde tegenwoordig in een blauwen
+hemel, lijk bij uitkomend lentegetij. Goedele zou naar Romaan gaan. Het
+hekken viel luidelijk dichte achter haar, en nu tort ze over de straat
+en hare hielen klonken pleizierig op de koude steenen. Ze voelde zich
+vrij en keek alles genegen toe, alles liefelijk ontvangend wat zich
+voordeed. Ze bleef altemets de uitstalling der groote magazijnen
+bekijken, en 't was een waarachtig geneuchte voor haar. Ze stelde er
+algauw een groot belang in en bleef hier en daar haperen en
+lanterfanten, kiezend en afkeurend en aannemend met een knikje. Ze
+bewonderde in een engelsch confectiehuis een prachtig kareelbruin kleed
+uit zwaar laken, ruime pagodemouwen met oranje zijde gevoerd en bezet
+met zachten marterpels, een kraag met gulden franjen en zoo nauwkeurig
+met blinkende knopjes bezoomd, regelmatig te reke.... Ze had goesting
+naar zoo'n dracht, die haar rijkelijk maken zou en begeerig. Ze zou dien
+breeden rok voelen kloppen, gewichtig en wijdplooiend, om hare voeten.
+
+Op een hoek der groote middenlaan, stapte een sierlijke dame uit haar
+coupe. Even werd haar kleine leest in een ruischend gefrutsel van kant
+en satijn zichtbaar, en ze liep, al wippelend, een pasteiwinkel binnen.
+Goedele loerde ze nog na, benieuwd voor wat ze koopen zou, en ze merkte,
+achter de laden taartjes en suikergoed, hoe zij te kiezen begon en
+naderhand zich aan een luttel mokkakoekje te snuisteren zette. En ze
+beneed bijna deze vrouw, die schoon en wispelturig en vrij was in hare
+doening. Zoo, lijk deze, wilde ze worden--zoo, handelend naar beliefte,
+en geliefd naar haren zin. Ze zou ook genieten van den vroegen morgen en
+uitrijden in de uchtendkilte. Ze zou ook links en rechts binnen gaan,
+toevallig. Ze zou ook bijten in zoo'n taartje, met volle tanden, en ze
+zou trek hebben ernaar.
+
+Nu had zij geen trek. Ze had ook geen geld te vele. Ze had, buiten enkel
+klein zilver, het bankbriefje dat voor Romaan en zijn kindeken bestemd
+was. Geld van moeder. En ze dacht: we maken thuis ons eigen ongeluk....
+
+Binstdat ze voor een modemagazijn stond en veel lust had in 't zicht van
+hoeden en linten, werd ze een jongen man gewaar, die haar sinds durenden
+tijd achtervolgde en maar overal stil bleef, waar zij iets te bekijken
+had. Ze vond hem onbeleefd en zou hem straks eens duchtig in de oogen
+staren, als dat loopje standvastig zijn mocht. In de spiegelvlakte der
+ruiten kon zij hem zien--een sterken vent, hoog en goedgeschouderd,
+fatsoenlijk aangekleed. Ze vond hem deftig en struisch, bijaldien hij
+haar dan toch danig krenkend en ongemanierd scheen. Hij wilde niet in
+haar aangezicht blikken, hij deed alsof hij haar niet merkte, voortdurig
+echter achterblijvend, gedwee en koppig tevens.
+
+--Hij heeft tijd te vele, meende Goedele.
+
+Ze tort dan haastig door, kronkelend door 't volk, straat in straat uit,
+zonder ommezien. Ze spoedde zich tot zij er moede van werd, en bleef
+rusten bij een tramhuisje. Tien stappen achterwaarts stond hij.
+Verontweerdigd stapte ze naar hem toe, hem bijna takend in 't
+voorbijloopen, en hij kon ditmaal haar toornige oogen niet ontvluchten.
+Hij bloosde rijzekens en sprong verlegen op een aankomende tram.
+
+Ze had er nu medelijden mee, met dien grooten lummel en lachte met zijne
+plotselinge benauwdheid. 't Was haar een onnoozel vermaakje geweest; ze
+dacht er aan, lijk aan een piepken-duik-spel van kleine kinderen. Ze
+herinnerde zich flauw zijn scherp gelaat, omschaduwd met donkere knevels
+en een vierkanten baard. Ze drilde voort, probeerde onderwege zijn
+beeltenisse precies af te teekenen en peinsde er later niet meer op.
+'t Was een dwaze leutigheid.
+
+In de lage stad ontmoette ze, langs de nauwe stegen, meer volk en was er
+meer verschillend lawaai. Winkeliers prezen hun waar op hunnen dorpel.
+Wijven stonden in donkere poorten te kakelen en te kijven. Allerlei
+menschen kwamen saam, bij dichte troppels, hun neuze opheffend, en
+turend naar blinde muren, met electorale plakkaten bontgevlekt. Kinderen
+draafden gichelend en schreeuwend rond en stormden tegelijk een
+ruchtigen brouwerswagen achterna. Uit open kroegen steeg 't rumoer van
+hevige redeneeringen. De toekomstige verkiezingen hadden alreeds deze
+wijk in rep en roere gesteld.
+
+Goedele kocht in een poppenkraam een poesjenel voor Wiezeken, geheel en
+al in een rood en groen pak, met gulden draad geborduurd. Ze dacht:
+
+--Ons pover Wiezeken!...
+
+Ze tort de vaartbrug over en geraakte, zijwaarts ommedraaiend, in een
+stille straat, die verder uitliep op de graanmarkt. Arets den hoek
+voorbij, was een ellegoedwinkel met hoogen gevel. Hier, op het eerste
+verdiep, woonde Romaan. Ze ging seffens den somberen gang door en steeg
+de smalle trap op. Er heerschte tallenkant een scherpe geur van lijnwaad
+en geverfd katoen. Ze klopte boven stille tegen de deur, hoorde
+binnenwaarts tante Olympe antwoorden, en draaide de klinke open.
+
+--Wel! wel! juffrouw Goedele! riep tante Olympe.
+
+Tante Olympe zat alleene aan 't patodders schillen. Ze kwam haastig
+aantrippelen, binstdien vluggelings hare handen schoonvegend met haar
+blauwe schort, en hielp Goedele zich ontdoen van haren mantel. 't Was
+een stokoud wijveken, mager en omlage gekromd. Haar luttel gezicht lag
+plat tusschen twee pronte vlechten zilverwit haar, en haar kinneken stak
+vooruit en ging huppelend mee met hare minste woorden. Ze droeg een
+zwarte kanten kap en getafelde halfmouwen. Twee lange oorbellen
+rinkelden van weerskanten tot in haren hals.
+
+--Ho! dat zal Romaan en Madeleen deugd doen, die brave komste van
+juffrouw Goedele.... Ik zei 't nog gisteravond bij mezelve: zou ze nu
+niet weten dat Wiezeken ziek is, en zou ze nu niet komen?... Maar ze
+komt. Dat is goed. Dat is goed.
+
+Ze roefelde met een handdoek over een stoel en schoof hem naar Goedele
+toe.
+
+--Och! en Wiezeken is zoo ziek, juffrouw!
+
+--Zoo erg?
+
+--Och ja! Och ja!
+
+Ze zuchtte en zette zich neer en staarde een wijlken naar een varende
+wolk, langs het venster.
+
+--Ik hebbe 't gepeinsd en ik hebbe 't gevreesd, juffrouw Goedele. Dat en
+kan toch niet deugen, zoo'n valsch huwelijk, niet waar? Ze zijn allebei
+braaf en ze hebben een schoon herte. Ze zien mij ook geerne. Romaan is
+braaf. En Madeleen is braaf. Maar wat willen ze nu koppig zijn, tegen
+den wil van Ons-lieven-heerken? Wat willen ze nu zondig zijn? En ze
+verdienen geen straffe. Wat willen ze de straffe met geweld zich
+aantrekken? Ik weet niet ... waarachtig.... Ons-Heere is zoo goed! Heeft
+hij ooit iemands ongeluk gemaakt? Hij heeft dikwijls iemands ongeluk
+vermeden....
+
+Hare oogen kwamen vol tranen en die rolden nadien, dikke en langzaam,
+langs hare kaken, in de diepe groeve van hare rimpels. En ze zei:
+
+--Zijn wil is deugdelijk. Ze moesten trouwen en neerknielen in de kerke.
+Dan zou alles effen komen.... Ziet-de 't? Ik word ziek daarvan.
+
+Ze blikte weer opwaarts, naar die wolke. Ze slikte een krop weg, die
+zeer deed in hare keel.
+
+--Maar nu is ook Wiezeken ziek geworden....
+
+--Is Wiezeken gevaarlijk ziek?
+
+--Ziek. 't En wil eten noch drinken. Keelpijne. 'k Hebbe al gesproken
+van lijzemeelpap met regenwater. 't Kindeken hoest, dat het mij pijn
+doet, 's nachts. 'k Hoore 't 's nachts hoesten. 't Is een holle hoest,
+die dan te huilen begint. 't Ligt in de voorkamer. 't Is bleek en mager
+geworden. G'en zult het niet meer herkennen, juffrouw Goedele. 't Zal
+wel zijne handjes uitsteken naar u, maar zulke tengere handjes, met
+vingerkens van teer hout precies. Madeleen en Romaan en mijnheer
+Johannes zijn er nu bij. Mijnheer Johannes komt schier alle dagen
+kijken, en Wiezeken ziet hem geerne.
+
+--En komt de dokter er ook bij?
+
+--Dagelijks. Hij wringt beulenijzers in Wiezeken's kele. Ik en kan 't
+niet zien, waarachtig. En dan moet ze citroen nemen tot heur tanden
+rabauwen. De dokter zegt dat het zal overgaan. Ze zeggen dat allemaal.
+Maar ik weet wel dat het ongeluk hier is binnen gekomen, en dat het niet
+wijken zal, als Romaan niet tot inkeer geraakt.
+
+Goedele stond recht.
+
+--'t Kindeken ligt in de voorkamer, zei tante Olympe.
+
+Ze was te wege Goedele voor, om haar de deuren te openen. Ze mummelde
+gestadig en schudde haren witten kop, tenden raad. Ze keerde zich dan
+haastig omme en blikte zonder overgang vlak in Goedele's oogen, en ze
+vroeg:
+
+--Wilt gij Romaan overhalen?
+
+Ze beweerde dat Goedele het zonder moeite bekomen zou. Romaan sprak alle
+avonden van haar. Zij zou hem dadelijk tot zijn schoon verstand brengen.
+
+--Hij is nu buiten zijn gedachten versmeten.
+
+Goedele weerde zich zachtjes af.
+
+--Wilt ge niet? bad tante Olympe en hare lippen vielen in diepe droefenis
+neerwaarts, zoodat naar dezen nieuwen rimpel al de andere te gelijk
+negen, een beeld stichtend van onzeglijke smert. Goedele troostte
+haar--dat was niet zoo erg, en God hield zich niet zoo bepaald bezig met
+schadelijke uiterlijkheden.
+
+--Schadelijk?
+
+--Want als Romaan trouwt, dan sterft zijne moeder. Romaan doet het
+wellicht uit menschlievendheid, en doet hij niet best zoo? Moeder was
+niet edel jegens Madeleen, tante Olympe, maar ze blijft, spijts al haar
+ongelijk, zijne moeder, Madeleen weet toch dat Romaan haar niet verlaten
+zal. Zij mag niet willen dat Romaan's moeder sterft.
+
+Tante Olympe week achterwaarts tot tegen de dresse en ze hief
+permintelijk haren kromme rugge rechte. Haar aangezicht verloor meteen
+zijn lijdende uitdrukking en werd hard, puntig, stekelig.
+
+--Ja?... Ja?... Ja, juffrouw Goedele?
+
+Hare kin begon te trillen en ook hare beide handen beefden, en haar hals
+rok ze uit, de bruine pezen toonend boven hare witte krage, tusschen de
+blinkende oorbellen schijnbaar bruiner nog. Hare stemme steeg uit lage
+diepten, werd koortsig en sidderde, schoot weg in klaterende klanken en
+schorrelde thoope, lijk een pak blekken schervels, droge en ruig.
+
+--Maar nu sterft Wiezeken? Maar nu sterft het arme dutseken door den wil
+van God, door ulder koppigheid, ulder te gare. En als Romaan en Madeleen
+buiten geworpen werden, uit het andere huis, omdat ze niet wettig
+getrouwd waren, en als we samen het moeielijk hadden en aleens honger
+kregen--is dan mevrouw Wilder dankbaar geweest, dankbaar omdat Madeleen
+zich, naar hare goesting alzoo, lijk een slonse gedroeg?... Ik hebbe
+gewerkt met mijne oude vingeren, en met mijne oude oogen hebbe 'k
+gewerkt, en nu wonen we in een leelijk huis, waar Madeleen zich voort
+lijk een slonse mag gedragen. En nu sterft mevrouw Wilder niet. Ze zal
+wel gezond zijn, als Wiezeken sterft. Dan is Wiezeken uit de voeten....
+
+--Ho! Ho!... tante Olympe....
+
+Goedele was niet toornig--ze berispte stille, omdat tante Olympe bedaren
+zou. Maar tante Olympe moest uitspreken en naarmate hare stemme gebroken
+en afgemat, luttel werd, liepen sneller en zwaarder hare tranen over
+haar roerend aangezicht.
+
+--Ik mag het u zeggen, juffrouw Goedele. Ge zijt ons allen lief en
+genegen....
+
+Ze begon meteen te snikken. Het groote geweld was over, en ze kloeg nu,
+al hakkelend en schokkend. Haar lijf zakte ineen en ze was moe, kromme
+en scheef lijk te voren.
+
+--Och! kind, we doen zoo moedig ons devooren, gedrijen. Romaan is nog
+altijd op de fabriek; hij wint daar niet veel en we moeten hem helpen
+met borduurwerk. We doen het geerne, we doen het geerne.... Maar laat ze
+trouwen, als 't u belieft. Ik heb al zooveel geleden voor Madeleen, van
+toen ze klein was en hare ouders had verloren. Ik heb ze opgebracht en
+ze leeft in mijn herte. Laat ze nu trouwen, laat ze haar eer hebben, die
+'k zoo jaloersch hebbe bewaard. Laat ons hier weggaan, uit dees open
+huis, en laat Wiezeken later een naam dragen ... niet waar? Ben ik nu
+redeloos? Mag mevrouw Wilder redeloos zijn? En zou ze sterven, omdat een
+meisje eerlijk blijven wil? Zou ze? Maar ik, ikke, juffrouw, ik ga nu
+ook weg, door hare schuld dat voele 'k--en ik zie Romaan en Madeleen
+allebei zoo geerne....
+
+Ze moest gaan neerzitten op een stoel, en Goedele klopte zoetekens op
+hare schouders, een braaf woord zeggend, dat haar opbeuren zou. Ze werd
+kalm naderhand en snoot zich in haren grooten rooden neusdoek, en veegde
+trage hare oogen droge. Ze fluisterde, met een droef lachje, Goedele toe
+dat ze niets hiervan bij Romaan mocht laten gebaren. En vriendelijk, nog
+even na 't eerste woord een snik meeduwend, vroeg ze:
+
+--Wilt ge nu Wiezeken zien?
+
+Goedele nam de bonte pop, die zij medegebracht had, en ging voor. Maar,
+bij de deure, bedacht zij zich en tort niet verder.
+
+--Wie is die mijnheer Johannes?
+
+Tante Olympe werd seffens praterig en lei uit hoe deze vriend van
+Romaan, een rijke kunstschilder, op een avond in huis gekomen was en hoe
+hij sindsdien wekelijks kwam en hen allen zeer genegen was.
+
+--Een brave ziele, juffrouw Goedele. Hij heeft de beeltenisse van 't
+kindeken gemaakt, op min dan drij dagen. Wel! dat is een stuk, schaap.
+Ge zult het zien. Ge zult peinzen dat Wiezeken in waarheid u komt
+toegeloopen....
+
+--Hoe is zijn name?
+
+--Ameye, Johannes Ameye--wij zeggen gemeenlijk hier mijnheer Johannes.
+'t Is een gouden hert.
+
+De deur werd precies opengestooten, en daar stond Madeleen. Ze viel
+dadelijk in Goedele's armen, haar kussend en groetend met dankbare
+woorden, en ze bezagen malkander naderhand met vochtige oogen. En
+Madeleen lispelde gestadig dat het braaf was, dat het goed was.
+
+--Och ja! ik ben tevreden.
+
+Romaan liep ook fluks bij en drukte zijne zuster op zijne borst, en dan
+stonden ze gedrijen een wijle sprakeloos ondereen, te kijken naar een
+gedacht van deugddoende liefde. De stilte is altemets een licht gewaad
+met gulden twijn geweven, waar de ziele te rusten blijft, te rusten en
+te luisteren naar schoone aandoeningen.
+
+Romaan nam nadien Goedele bij de hand en stelde haar voor aan zijnen
+vriend. Ze dierf in den beginne niet opzien. Ze voelde iets ongemeens
+in 't geluchte, alsof deze man geen vreemde zijn zou en haar met een
+bevrienden lach bejegende.
+
+--Dees is haast mijn broeder, zei Romaan, zijn plaats in mijne liefde is
+nevens u.
+
+Ze keek er naar en herkende hem, zooals zij hem bij 't venster van den
+modewinkel voor 't eerst ontmoet had, en zooals zij er, bij het
+tramhuisje, toornig was op afgegaan. Hij bloosde en boog.
+
+--Hebbe 'k mejuffer niet elders gezien? Ik vrees dat ik een leelijk
+hoekje krijg in haar geheugen....
+
+Zijne stem was vol en zwaar, en sloeg in sierlijke golving om.
+
+--'k En hebbe u nooit ontmoet, zei Goedele.
+
+Tante Olympe had seffens de voorkamerdeur geopend en was aan 't babbelen
+met Wiezeken van een popje met djentige dracht en met twee drollige
+bulten. Madeleen begon over 't arme dutseken te klagen en vertelde hoe
+het toch zoo geleden had, den vorigen nacht, hoe 't hoestte en kuchte en
+pijnelijk zich wrong, hoe 't dan neerlag zonder couragie, bleek en
+afgemat, hoe 't zin had in niets, in niets van al wat het vroeger
+begeerde,--en hoe dat alles danig smertelijk was om zien.
+
+Ze gingen allemaal nog eens kijken. 't Beddeken stond in een luchtige
+kamer, naast de breede koetse van Romaan en Madeleen. Drij vensters
+wierpen licht op den blooten vloer en, bij kletsende geuten, tegen 't
+vermoeide muurpapier, vaag-bebloemd met bruinroode tulpen. En 't
+beddeken was sneeuwwit en zuiver en prontelijk, gewend aan de zorg van
+aandachtige moederhanden. Goedele bukte zich langzaam erover.
+
+--Dag, Wiezeken, mijn zoete boeleken....
+
+Wiezeken lag in 't blanke kussen, zoo luttel, zoo klein.... Haar hoofdje
+dook schier weg onder de sargie, een hoofdje bleek en vaal, met
+loodvervige schaduwen, oogjes diepe en wijd-denkend, en een mondje
+teenemaal verslenst. Ze lachte stille als ze Goedele herkende, en hare
+handjes gingen op naar heur, nadien weer neervallend, lui, onbeweeglijk,
+broos. Hare lippen ontsloot ze swijlens en ze wou zeggen: daaag!... en
+ze haperde in een zuchtje en zweeg. De pop werd nevens haar geleid, en
+ze was daarmee bovenmatelijk gelukkig. Ze bekeek haar met welbehagen en
+had plezier met de schitterende kleuren en die koperen knoppen en die
+domme bulten van weerskanten.
+
+--'t Is een poesjenel voor de brave kinderen.
+
+De poesjenel kon zijne armen toeklappen, als men op zijn buik neep, en
+dan rinkelden de twee bellekens, die aan zijne mouwen hingen. Tante
+Olympe neep maar gedurig op den houten buik en de poesjenel smeet zijne
+klinkende armen gedurig saam, en Wiezeken was bovenmatelijk gelukkig.
+Maar ze werd algauw weer slaperig en wendde haar hoofd omme, en dan
+moest Tante Olympe aan 't voetende het lieve lam pakken, dat mijnheer
+Johannes had meegebracht. En tante Olympe moest op het onderst plankje
+duwen tot het lam te bleeten begon. En 't lam zei:
+
+--Bee-ee-ee-ee....
+
+Wiezeken lachte flauw en streek met hare vingerkens in de witte wolle en
+bleef er peuteren tot meteen hare oogen opnieuw heel verre staarden en
+ernstig werden. Het was alsof dees kind zijn moeielijke gepeinzen volgde
+en in diepe beschouwingen verzonk, aldoor mijmerend langs
+bovennatuurlijke zaken. Langzaam vielen zijne wimpers dicht en zijne
+handjes bleven stille.
+
+--'t Slaapt.
+
+Het sliep. Zijne wangen en zijn voorhoofd en zijne lippen--'t werd alles
+effen wit.
+
+Ze tuurden allemaal zwijgend ernaar. Romaan boog zijn hoofd en zijn kin
+rustte op zijne borste, en van onder zijne neergeduwde wenkbrauwen
+loerden droomend zijne rechte blikken. Hij hield zijn kind, dat
+beeldeken van smerte, in zijne hersens vaste en zijn hopeloos gedacht en
+wilde zich niet losrukken daarvan, hoe 't hem folterde en martelingen
+aandeed. Dat witte gelaat, in nauwmerkzame tinten opschaduwend uit al
+het blanke bedlinnen, dat heele broze koppeken, rijzekens een diepte
+wegend in 't donzig kussen, en dan de teekening daarin van beloken
+oogen, neerplooiende lippen, een luttel neusje, met kantewaarts een
+zoetvervig blauw--al wat nu Wiezeken was, 't hiew met pijnlijke slagen,
+een steenen herinnering in zijn geest. Madeleen keek schuw op naar hem,
+en ze toetste met haar hert zijn droevig gepeins, en een groot verdriet
+zeeg over haar.
+
+--'t Is een deugdelijke slaap, fluisterde tante Olympe.
+
+Ze kromde haren ronden rugge over 't bedde en lei den poesjenel aan 't
+voetende, nevens 't schaapje, en dook voorzichtig de lichte handjes van
+Wiezeken onder het deken. En ze prevelde nog:
+
+--Morgen zal 't ten halve genezen zijn.
+
+Ze rechtte zich en zag omme binstdien, en Romaan stond daar, voor haar,
+te staren, heinde weg, roerloos en zonder uitkomste. En ze merkte, zoo
+blootliggend op zijn aangezicht, zijn endelooze leed. En ze herhaalde
+met onzekere stem, om toch wat leven in dees bange geluchte te krijgen:
+
+--Morgen zal 't ten halve genezen zijn.
+
+Maar de stilte en wilde niet breken, en hare woorden stierven seffens
+uit, zonder naklank, zonder een bijblijvend gedacht, dat mocht de
+angstige leegte vullen. En dan zweeg ze ook, met de anderen mee, en dan
+hoorde ze somtemets het snorkend asemken van 't zieke kind.
+
+Tot, op een ende, allengs 't rumoer van voorbijrijdende karren en een
+standvastig gebas van honden hier binnen drong en hoofdzakelijk werd,
+ten teeken dat stilaan elkendeen zich van Wiezekens' beeld lostrekken
+wou. Daar was buiten een man die riep:
+
+--Scherre-scherre-scherresliep!
+
+En hij deed een krissend wiel draaien, dat lijk een scheur door de
+ruimte kreesch. Naderhand klonk boven, op het tweede verdiep, 't geronk
+van een naaimachine, en bij poozen, een blijde meisjesstem vrij trillend
+in een leutig lied. Goedele lei haren arm op Romaan zijnen schouder, en
+Madeleen wendde met een diepen zucht haar aangezicht van hem af. En
+mijnheer Ameye zei:
+
+--We mogen hier alzoo niet blijven, en de kamer vullen....
+
+En terwijl allemaal stille wegdrumden, vroeg hij wat een lieve
+gebuurvrouw daar zong, ginder hooge. Tante Olympe trok voorzichtig de
+deure dicht, en begon seffens te vertellen van het zonderlinge
+huishouden.
+
+--Een blinde met zijn dochter.
+
+Ze noemde de dochter "een verloren maarte". De oude vader knorde en
+ronkte en keef den heelen godschen dag door, en 't meissen zong
+swijlens. Men hoorde ze van den morgen tot den avond. 't Waren goede
+herten.
+
+--En hoe geraken ze aan hun brood?
+
+--Ja, hoe geraken ze aan hun brood!...
+
+Tante Olympe zette zich bedenkelijk neer, en lonkte naar Madeleen, en
+vouwde hare handen over haren schoot, daarna eens smakkend, alsof ze
+iets zeggen zou van gewichte. Ze deed hare duimen overeen draaien.
+
+--Ja, mijnheer Johannes ... ze naait.
+
+Ze zei 't zoo beteuterd dat Ameye lachen moest, en elkendeen, met
+gemaakt geweld, meelachte. Ze werd dan een beetje rood, vlak naast de
+gouden oorbellen, en ze begon alzeere en vluggelings te babbelen om hare
+verlegen manieren te verbergen.
+
+--Ze staat laat op in den morgen. De oude is altijd eerst te been, en ik
+hoore zijne voeten scherrelen over 't plankier en zijn stok matelijk
+kloppen. Hij maakt zijn eigen fluks kwaad en dan staat hij te grollen of
+loopt mompelend rond. De man moet veel geleden hebben. 'k Zie 't op zijn
+gelaat. Hij heeft een moeden mond en zijn doode oogen liggen in een
+rimpelkrioelinge bijkans te lore. Zijn lippen hergaan bij stonden, alsof
+hij een antwoord gaf op een invallende gedachte. "Ja!" zegt hij, kort,
+droog, met tot ruk van zijn kinnebakkes, en niemand weet tot wien hij 't
+zegt. 'k Zeg hem al eens tegen, al lachend: "Neen!" als om te strijden
+met hem. Hij blijft dan staan op de trap en heft zijnen stok op, en 't
+getril van zijn neuze is een teeken van komende gramschap. Maar zijn arm
+valt omlage en zijn gezicht druipt neerwaarts in een verdraagzame
+droefenis, en hij zegt schuddebollend: "Och! Och! Och!" ... en zijn
+doening is dan van een, die mij gelijk geeft. 't Is een aardige vent,
+mijnheer Johannes.
+
+--En de dochter?
+
+Goedele vroeg hoe haar naam was.
+
+--Mariette, zei tante Olympe.
+
+Ze bleef, saamvouwend opnieuw hare handen, zitten, en riep nadien, met
+geveinsde belangstelling, de katte, die even van onder de dresse te
+voorschijn kwam en voorzichtig ruiken ging aan het tjopken van haren
+wenkenden vinger. Madeleen vertelde hoe Mariette gestadig leutig was en
+aldoor zong. De naaimachine geraakte wel eens in druk bedrijf, maar dat
+en gebeurde niet dikwijls. Mariette hield zich meer met hare twee
+kanarievogels en met hare begonia's bezig. In den uitkomende was 't een
+plezier hare werkzaamheid te zien, hoe ze aan 't sproeien was, en heel
+'t venster vol hing met kapucijnebloemen, schoone opgeleid langs een
+kunstmatige webbe van draden en touwtjes. En de vogels werden in dat
+getij buiten gehangen, boven 't raam, in de gouden zonne. Gestadig
+schikte ze de muitjes en spreidde er voolkens over om den wille van
+muggen en ander stekend ongedierte. En als ze niets te verrichten had,
+boog ze zich over de bloempotten heen en bracht hare lippen bijeen tot
+een toeterken en floot hare lievelingen voor. En lachen deed ze, zoo
+geheel alleene.
+
+--Maar....
+
+--Een herte zonder lusten dan? vroeg Ameye.
+
+--Ja, maar ... daar hapert iets....
+
+--Wat kan er haperen, dat niet in zooveel leutigheid weer loskomt?
+lachte Goedele.
+
+Madeleen knikte en lachte mee. Ze probeerde in een uitbundig gepraat
+Romaan's voorhoofd effen te krijgen, en sprak luidruchtig met overdreven
+golvingen van haar stemme en met wijde gebaren, zich buigend, en wijkend
+en zijlings wiegend, tot ze warm werd en te blozen begon. Romaan stond
+voor 't venster en tuurde naar de wolken. Madeleen zei:
+
+--In den avond, als we al zinnens zijn naar bed te gaan, hooren we de
+trap onder voorzichtige terten kraken. Naderhand zijn er geen zangers
+meer boven, geen minste rumoer, geen getrippel van Mariette hare zotte
+voetjes. Alleen nog, somtemets, een kort gegrommel van den oude, die
+aleens poogt de deur open te doen. De deur is vaste....
+
+--De deur is vaste, ja, prevelde tante Olympe.
+
+--Omtrent twee uren in den morgen, kraakt opnieuw de trap en rotelt de
+sleutel in de klinke.
+
+--En Mariette...? vroeg Goedele.
+
+--Ja, Mariette zelve. 't Zijn hare eenige wandelingen. Ze gaat anders
+nooit uit.
+
+Romaan wendde zich omme.
+
+--Ssjt!... Hoore 'k Wiezeken niet?
+
+Elkendeen luisterde en de ongemakkelijke stilte heerschte lijk te voren,
+alle geluiden der strate groot makend. Tante Olympe ging kijken of
+Wiezeken sliep. Ze kwam weer op hare teenen, elkendeen geruststellend.
+
+--'t Slaapt lijk een engelken. Overmorgen is het te been.
+
+Ameye boog zich naar Goedele en vroeg, oolijk lachend, wat hare meening
+was omtrent Mariette. Madeleen trachtte de vraag af te weren, omdat die,
+volgens haar, zoo direkt in 't intiem denken dringen wilde. Men mocht
+niet oordeelen. 't Gold hier eene zeer delikate gevoelstoestand.
+
+Maar Goedele vond hier zoo diep een ernst niet in, en ze lei uit wat,
+haar inziens, een rechtveerdige uitspraak zijn zou.
+
+--Ik neem aan dat Mariette gelukkig is. Zij heeft heur eigen niets te
+verwijten.
+
+--Djeezes-Maria! kreet tante Olympe.
+
+--Zij mint het Lenteweer, de bloemen, de vogels, 't vrije geluchte, dat
+neervalt uit de blauwe hemelen. Ze voelt haar vleesch, haar heele lijf
+opengaan in schoonheid, in nature. Hare doening 's nachts en zal niet
+tegen nature zijn. Dat ware onmogelijk. En, overigens, wat doet ze dan?
+Ze gehoorzaamt misschien aan 't geheime bevel van haar wezen. Ik meen
+niet dat ze misdadig is. 't Ware in elk geval onwaarschijnlijk.
+
+--Ja, zei Romaan.
+
+--'t Is een slette, zei tante Olympe.
+
+Ameye lachte luid en stond recht. Hij trok zijn overjas aan en moest nu
+gaan--nog een paar zaakjes afhandelen voor den noene--en morgen zou hij
+eens binnenloopen nog, rond den elven. Hij drukte forsig de hand van
+Romaan en groette tante Olympe minzaam, haar met een dwaas woord tot
+bedaring brengend, en lachte nog als hij Madeleen goeiendag wenschte.
+
+--'k Zal eens 't portret maken van Mariette....
+
+Hij boog voor Goedele en drong nadien met zijne klare blikken heel diepe
+in hare oogen.
+
+--Voor u, juffrouw.
+
+--Ja, doe dat, sprak Goedele.
+
+Ze wist niet goed wat hare eigen bedoeling was met deze woorden. Ze had
+zoo werktuigelijk geantwoord, meerendeels om hare lippen te roeren en
+aldus eene wrevelige verlegenheid te duiken, die over heur aangezicht
+kwam. Ze hoorde naderhand alleen in ver lawaai al wat nog gezeid werd,
+en Ameye was lang verdwenen, als zij nog zijne blikken voelde, heel
+zonderling daar blijvend, voor haar, met een bovennatuurlijken wil....
+
+Wanneer ze ook dees huis verlaten had, en de straten doorliep, werd ze
+droevig en was te wege weer te keeren. Ze asemde daar zoo vrij, en nu
+zou opnieuw moeder nevens haar komen, en grootvader en van avond
+Sebastiaan--heel die koude wereld, die gemanierde wereld; tusschen al
+die naakte muren haar nijpend en knellend en zeer doende. En 't povere
+kamerken, waar Wiezeken te lijden lag en was zoo eendelijk niet als
+gindsch vierkante steenmassa.
+
+Ze bleef droomend lanterfanten langs de uitstalling van den modewinkel
+en peinsde:
+
+--Die mijnheer Ameye is een leege man.
+
+Ze joeg hem seffens uit hare gedachten en verzinde 't beeld van
+Mariette. Ze vond daar behagen in--een kap met blonde lokken, een
+gezichteken als van een zoete deugniet, rond en rood en donzig, en een
+natte mond en gloeiende oogen en lieve vingeren, gewend aan 't bedrijf
+van kanten geluksweefsels. Ze liep bijna een kindje omverre. Ze werd
+beschaamd en stamelde en drilde voort, haastig. Ze zag een tram meteen
+stilstaan vlak voor haar. Ze peinsde:
+
+--Die mijnheer Ameye is ongemanierd--en niet vriendelijk ... en niet
+schoon....
+
+En vlugger spoedde ze zich, zonder reden af en toe stil blijvend bij een
+schitterende kleur ievers aan een venster, of bij een hoog geluid, dat
+voorbij gilde. Ze hield van niets een vast gedacht. 't Sleerde allemaal
+over hare hersens. Ze wilde bij stonden tante Olympe oproepen in haar
+hoofd, haar zien trippelen en snokken met haar kinne en wuiven met haar
+armen. Ze wilde Wiezeken herdichten, het bleeke wicht. Ze zag den
+poesjenel. Ze zag het witwollig lam. Ze peinsde:
+
+--Waarom vroeg hij, wat ik over Mariette denk?
+
+En verder drevelde ze, koortsiger wordend naarmate hare gevoelens meer
+verward dooreen stringelden. Als ze in de stille wijk van blinde
+rijkemanshuizen geraakte, hijgde ze en was danig opgehitst. 't Docht
+haar dat de toekomst luchtig werd en dat er klaarten kwamen en een breed
+zicht. Ze voelde heel vaag eene grondige verandering in haar lijf, een
+ongewoon trillen, een ziedende leven. Ze hijgde, en zij en was niet moe.
+Ze was zeker dat iets heel schoons zich had veropenbaard in hare ziel.
+Ze vroeg niet naar een oorzake. Niets was bepaald. Ze baadde zoo in een
+streelende warmte, daaraan deugd hebbende en zonder verlangen
+voortgenietend. Haar bloed sloeg forsig omme en, in haren hals, tegen
+hare hooge krage, werd zij den sterken klop ervan gewaar.
+
+Ze stond meteen voor 't donkere hekken. Ze hoorde de wind zoeven in de
+boomen van den hof. Alles brak, viel in haar. Ze moest zich voor den
+drempel ontdoen van alle geestdrift, alle gejubel. Ze keek naar de koude
+muren en naar al die beloken vensters en onderaan naar de vier
+ontsloten--gladde ruiten, met de franjen van donker roode gordijnen en
+de witte beelden van twee steenen poedelhondjes. Ze boog haar hoofd en
+zuchtte. Het zware geluchte van daarbinnen sloeg haar tegen het
+aangezicht....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+V.
+
+
+Ursule vroeg haar of zij 't geld gebruikt had. Goedele had het
+bankbriefken bij 't uitgaan in tante Olympe's hand gestopt. Ze sprak nu
+heel onverschillig, terwijl ze haren hoed afnam en voor den spiegel heur
+haar een beetje schikte:
+
+--Och! ja, moeder....
+
+Ursule antwoordde niet en ging een krulleken witte wolle wegknipperen,
+van Goedele's kleed.
+
+--Ge hebt wolle op uw kleed.
+
+Ze zette zich neer voor 't venster en kruiste hare beenen en deed haar
+pantoffel bijzen op 't ende van haren opgeheven voet. Ze lei hare armen
+op de leuning van twee naaststaande stoelen en vroeg hoe 't met Wiezeken
+was. Goedele zei dat het haar niet goed voorkwam, dat het kind daar wel
+deerlijk lag, zoo wit over zijne kaken, zoo wassig, en zoo teerblauw op
+de randen van zijne lippen.
+
+--'t Zou moeten de buitenlucht hebben. 't Zou moeten kunnen breed
+asemen. Zijne longetjes zijn geheel vernepen, geheel klein en
+nutteloos....
+
+--En hijgt zijn borste?
+
+--Bij stonden.
+
+--En ... zou 't eraan kunnen ... weggaan...?
+
+--Watte?
+
+Ze keerde zich fluks omme en staarde in Ursule's oogen, zich buigend om
+indruk te maken. Maar moeder bleef roerloos en liet hare blikken
+geleidelijk meewiegen, met de bijzing van haren voet, kalm verklarend
+onderwijl dat ze dat zoo maar vroeg....
+
+--Uit belang ... zekerlijk.
+
+Met een ruk, alsof ze peinsde een wrokkig woord neer te gooien, zei
+Goedele dat Wiezeken den dood nabij was. Ze werd rood en voelde eene
+dwaze verontweerdiging haar hoofd dol maken. Ze joeg bijtende zinnen
+achter malkaar:
+
+--Ge moet het wel weten hoe Romaan nu lijdende is, gij die zoo geleden
+hebt om ons, indertijd, als we zieke wichten waren. Hij beseft nog niet
+hoe verre Wiezeken alreeds van hem verwijderd is. Hij ziet wel overal
+donkerten ommendom, maar hij hoopt. Gij weet het wel, niet waar? hoe die
+toestand is.... Gij zijt zijne moeder. Ik heb uw bankbriefken afgegeven.
+
+Ze ontzenuwde alzoo haar eigen zelve, en moest, na een stonde, wegloopen
+om niet haar drift uit te storten in geweldige gezegden.
+
+Mevrouw Wilder bleef nog beweegloos zitten, liet zich wegvaren in verre
+gepeinzen, streelde in haar brein 't vooruitzicht van een toekomst die
+wellicht weer goed worden zou. Ze voorspelde in hare hoopvolle
+mijmeringen nieuwe dagen van ijverig werk: Romaan en Goedele saam
+gespannen aan een reuzentaak, en, in een harrewatrije van voordeelige
+zaken, een versche geldstroom.... een weelde van rinkelend goud....
+Dan wilde ze sterven, alleen dan.
+
+Ze sprong rechte en duwde hare vuisten op de tafel. Ze siste tusschen
+hare tanden:
+
+--De prije zal ik wegkrijgen.
+
+Ze had het al lange gecombineerd, hoe ze Madeleen zou weggekregen
+hebben. Als Wiezeken dood was, zou alles wel braaf van stapel loopen.
+
+--Dat arme Wiezeken....
+
+Ze prevelde drij keeren:
+
+--Dat arme, arme Wiezeken....
+
+Ze beluisterde geerne hare stemme, wanneer ze 't onnoozel kindeken
+bekloeg. Ze had somtewijlen groote angsten. Ze dorst het aan haar zelve
+niet bekennen, dat ze Wiezeken's dood verzocht. Ze wilde dat verlangen
+wegjagen met een deerlijk woord, en verlangde maar gedurig naar dat
+ende.
+
+--'t Zou 't ende zijn.
+
+Ze redeneerde dan. 's Nachts werd ze altemets wakker en voelde hare
+vreezen naderen, een zonderling, verwijt, dat altijd opkwam bij bange
+uren en haar folterde. Ze redeneerde seffens--Wiezeken was zoo'n luttel
+ding, zoo ziekelijk van nature ... en wat zou er van geworden als het in
+leven bleef?... 't zou toch allengerhand wegtsieperen, stillekens....
+'t was beter dat men 't maar dadelijk verloste uit zijn pijnen ... het
+dutseken ... in den hemel zou 't gelukkig zijn....
+
+Tegenover Goedele dorst ze daarvan niet spreken.
+
+Na 't diner--ze hadden gevieren sprakeloos hun soep en hun vleesch met
+groenten gegeten--sloot Ursule zich in hare kamer op en Goedele
+lanterfantte bij 't klavier, behagen vindend in eene fantastische reeks
+van Grieg. Albien bleef zitten bij haar en, als de oude Rik ook langs de
+trap weggeraakte, schoof hij een stoel dichte bij de groote tafel en
+nam, bezij den schoorsteen, de dooze, die Sebastiaan hem had
+meegebracht. Hij zei:
+
+--Dat is een nar ding, wat ge daar speelt, mijn kind!...
+
+Hij zette zich goed op zijn gemak en bracht het Zwitsersch huizeken te
+voorschijn. Hij bekeek het al glimlachend, in kinderlijke bewondering,
+en leunde achterover om beter te genieten, een oogenbliksken, van het
+heerlijke zicht. 't Was een huizeken witgeverfd, met een hoog
+schalieblauw dak en groene luiken langs de gevels. Vooraan was precies
+een terras van bruine steenen met versiersels in eikenhout. Boven het
+dak steeg een vierkante toren. Daar hingen de klokken in. Men kon ze
+echter niet zien. Hij had zich dikwijls afgevraagd of 't in waarheid wel
+klokken waren en of dat beiaardspel niet feitelijk een snarenspel zou
+zijn.
+
+--Een bedriegsel, een bedriegsel, menschen....
+
+Maar schoone was 't gansche gedoe. Kantewaarts, onder de euzie, was een
+slot. Hij moest daar nu een sleutel insteken en draaien tot de
+binnenzijdsche mekaniek opgewonden was en een kort getjok er klopte, ten
+teeken dat de veeren gespannen waren. De sleutel hing aan zijn
+horlogieketen, naast een paar Hollandsche dubbeltjes, waar hij zelf een
+gat in geboord had, en een bronzen medalje van de onlangs gesloten
+nijverheidstentoonstelling--een geschenk van mijnheer Devleeschhouwer
+--een klein zonnewijzerken en een sigarenknipper, waar 't koper van
+ouderdom zich doorsmeet. Hij moest rechtstaan en zijn buik opsteken om
+den sleutel te bezigen. Hij zette zich nadien met een vroolijken zucht
+neder, en wachtte, en lei zijn rugge deugdelijk tegen de stoelleuning.
+Het binnenwerk begon te ratelen en seffens schoof een dubbele deure open
+op het terras. Twee poppen schoven, met een krijschend geruchte, naar
+buiten, en 't beiaardspel ving aan. 't Was nu een matelijk dansen. 't
+waren snokkende sprongskens begeleid door een roteleere van krakende
+wieltanden, naar 't oordeel van Albien allemaal wonderschoon. En de
+beiaard speelde een oud veuzeken, liefelijk en huppel-licht, en 't was
+hem een diep geneuchte ernaar te luisteren, elk toontje op te nemen,
+achtereen, en te troetelen in zijn hoofd, dat zat werd van de zoete
+harmonije. Hij mummelde, blozend van geluk:
+
+--Dat is nu mijn eigendom.
+
+Goedele keerde zich omme en keek hem na, hoe hij schuddebolde en meeging
+met den kleinen zang, hoe zijne handen ommentweere bijsden, rythmisch en
+half-beloken, en hoe zijn voorhoofd blonk en zijpelde van overvloedige
+wellust. Als de mekaniek stilaan verslapte en, met nog een laatste
+rukje, stillebleef, herwond hij ze op, en weer vergenoegde hij zich in
+'t zelfde deuntje en in 't eentonig gebaar der poppen. Hij verdeelde nu
+zijne aandacht en loerde meer bepaald naar den gang der blikken armen,
+nadien naar 't nijgen der steenroode koppekens, dan naar een haperinge,
+die, op gelijke afstanden, gebeurde en zich hernieuwde gedurig. 't Was
+'t wijveken, dat meteen roerloos viel, en, na een stonde, terug
+opsprong. Hij zocht beteuterd naar de oorzake van die onregelmatigheid.
+Goedele zag hem triestig worden en zijne lippen herdoen en schrik
+krijgen middelerwijl.
+
+--Mishandt er iets? vroeg ze.
+
+--Wel neen, wel neen, zoo precies....
+
+Hij sprak dan verlegen en verwonderde zich:
+
+--Ge kijkt ook hiernaar?... Hoe mirakelachtig dat is!
+
+Hij mooschte en prutste en draaide nog eens het spel in gang. Goedele
+keek naar hem en voelde groote deernisse. 't Klonk, in deze hooge kamer,
+zoo deerlijk, dat onnoozel muziekhuizeken. Op strate was er weinig
+rumoer--af en toe het tijdelijk gerij van een sjeeze. In den hof
+ruischte het zoevend geboomte. Hier, alleene en gelukkig, maakte Vader
+een zottig lawaai, gedurig bezig met zijn nutteloos bedrijf, alsof zoo
+eeniglijk zijn leven was en niets hem aanging daarbuiten. Ze vroeg:
+
+--Hebt ge daar wel zin in, vader, dat ik met Sebastiaan trouw?
+
+--Ba ja....
+
+--Wenscht ge dat uit ganscher herte, vader?
+
+Hij hief zijn ronden kop omhooge en zijne oogen zeiden genoegzaam dat
+hij nooit daarover nagedacht had. Het was besloten: ze zou trouwen met
+Sebastiaan. Ursule had het zoo besloten. En Sebastiaan was geen kwaad
+aanbod ook.
+
+--'t Is een brave jongen....
+
+--Dat is de zaak niet.
+
+Ze wilde hem doen aarzelen, eene onzekerheid brengen in dezen
+hinderlijken geest. Maar Albien kende slechts eene waarheid, en die lag
+besloten in de wet van Ursule. Even ontwaarde hij in de woorden van
+Goedele een opstand tegen die wet.... Hij bleef verbijsterd zitten, niet
+goed begrijpende zoo'n daad, die, naar zijne meening, de menschelijkheid
+te boven ging. Hij struikelde in een hakkelend gezegde:
+
+--Moeder heeft toch ... gesproken ... niet waar ... toch kenbaar gemaakt
+haren wil?... 't is haar wil toch?... van moeder?...
+
+Het rammelend huizeken viel stil en het deurken flapte toe. Goedele
+begon meteen luidruchtig te lachen van koortse. Dan keek ze Albien met
+natte oogen aan en boog zich over de tafel, zoekende met hare handen
+naar zijne luie vingeren.
+
+--Och, mijn goede vader, die nooit verdriet en hebt....
+
+Hij lachte mee en verjoeg alzoo het angstig oogenblik, dat over zijne
+slapen gekomen was.
+
+--Ha! Ha!... dat is een aardige perte ... 'n fameuze!...
+
+Hij vond het allerbest dat het zoo op een ende afliep. Hij was nu
+overgelukkig. Hij nam een kaartspel en begon voor zijn eigen kunsten te
+probeeren, die hij in Snoeck's boekjes aangeleerd had. Hij wond eerst
+nog eens het Zwitsersch huizeken op, en, binst dat de poppen op mate van
+het beiaardspel hunnen snokkigen dans deden, lei hij de kaarten
+nevenseen en deed toeren. Zoo was 't geluchte vol om hem. Zoo was overal
+de tastbare aanwezigheid van zijn eigendom en al wat leeg was in deze
+kamer, werd weelde, zijne weelde.
+
+--Denk ereis 'n kaartje uit, Goedele, van de een en twintig die 'k hier
+openlegge ... toe ...
+
+Hare genegenheid deed hem deugd, omdat hij die gebruiken kon als een
+ernstige belangstelling in zijn doening. Hij vroeg:
+
+--Hebt-ge ze alreeds?
+
+--Ja ik, zei Goedele met een zucht, al leunend op hare ellebogen.
+
+--Nu moet-ge toogen in welk van deze drij pakjes uw kaarte ligt, de
+kaarte van uw keuze, zegt het boekje.
+
+--In 't deze, rechts....
+
+Hij mengelde 't spel, opgehitst, aangeprikkeld door Goedele's schijnbare
+aandacht. Hij sloeg de kaarten dooreen met een gedwongen sierlijkheid en
+trachtte zwierig te blijven in zijn minste gebaren. Hij hoopte de
+kaarten nadien weer in drij pakjes.
+
+--En nu?
+
+--In 't deze opnieuw, rechts....
+
+Hij herbegon, en een oolijk glimlachje straalde open over zijn gansche
+aangezicht. Hij verdeelde de kaarten.
+
+--En nu?
+
+--In 't pakje te midden....
+
+--In 't pakje te midden.
+
+Hij maakte zich een wellustige dobbelkinne. Met een haastige stemme
+verwittigde hij Goedele, dat ze nu goed opletten moest, en haar kaarte
+niet vergeten.
+
+--Hebt-ge ze nog vast in uw hoofd?
+
+--Ja....
+
+--Ik zal ze er seffens uithalen ... attentie, als 't u belieft ... een
+beetje attentie....
+
+Het huizeken was stil gevallen. Hij draaide vluggelings den sleutel erin
+en deed de wielkens werken lijk te voren, zoodat de beiaard zijn
+veuzeken hernam. Hij was goddelijk in zijn schik, en dees stonde was hem
+een onzeglijke verrukking. De wereld was vol van hem. Hij deed de
+kaarten overeen schuiven, telde en gebaarde, met geveinsde aandacht, de
+hulp van bovennatuurlijke geesten in te roepen. Hij bleef een wijlken
+dubben, zette zijn hoofd scheef en tuurde bedenkelijk naar de zoldering,
+in de afwachting der wonderbare machten.
+
+--Kijk nu!
+
+Hij smeet de kaarten overhand verre weg van hem en keerde fluks de elfde
+omme.
+
+--Koekelaas!
+
+Hij riep ze triomfantelijk uit, zonder aarzeling, en steeg van zijn
+stoel op, in glanzende glorie. Hij herhaalde:
+
+--Koekenaas.... Hee!
+
+--'t Was koekenaas.
+
+--Ik wist het, ge hoeft het mij niet te zeggen. Dees is tooveren ...
+eigenlijk....
+
+Goedele keek hem aan met zachte oogen. Ze was tevreden dat hij zoo
+gelukkig scheen, en prees zijn kunste. Hij viel haar in de rede,
+verklarende dat niets boven het dominospel en het kaarten reiken kon,
+en dat hij 't al zoo dikwijls gezegd had aan Alfred ... maar Alfred was
+niet vlug, moest hij bekennen, en had lompe gepeinzen, aldoor meenende
+dat hij 't beter wist dan de boekjes zelve. Alfred kon ook niet lang een
+zake bezien.
+
+--'t Is een kind nog.
+
+Hij lachte daarmee, alsof hij wel medelijden ten slotte gevoelde voor
+den jongen, die nog zoo kleinzielerig was ... omdat 't verstand voor de
+jaren niet en komt. Hij was te wege het huizeken nog eens op te winden,
+en verwonderde zich als Goedele bad dat hij 't maar niet doen zou. Hij
+vroeg, bedrukt:
+
+--Houdt ge niet hiervan?
+
+Ze stond recht. Ze stilde hem. Ze hield veel van dat wonder dingen,
+beweerde ze. 't Zou echter kapot geraken, als hij 't zoo dikwijls
+bezigde, en zag hij bovendien nog 't manneken en 't wijveken?
+
+--'t Wordt avond....
+
+Zij en merkte geen verven meer. Van uit de hooge vensters, langs de
+franjen der gordijnen, zijpelde het vage licht, in de kamer te lore zich
+verdeelend tot het wegdeemsterde in de hoeken. Zonderlinge klaarten
+blikkerden van tijd ievers op, als 't noesche verspergestraal tegen een
+koperen ornement botste of tegen een glazen pot, een porseleinen
+beeldeken, een witgeschuurde tinnen teele. Drij laatste krysanthemen
+vlekten de naderende donkerte met hun blanke trossen. Van tallenkant
+rees de plechtigheid der schemering, alles omvattend in zoetig gewaad,
+voordeelig voor de droomende stilten....
+
+Er werd gescheld aan 't voorhekken, en binst dat Albien zijn speelgoed
+wegdook in de dooze, tort Sebastiaan de kamer binnen. Het was zijn ure.
+Hij was altijd heel stipt. Goedele ontving hem met koortsachtige
+opgewondenheid, sprak luttele woordekens en was danig vriendelijk.
+Ze ontdeed hem van zijn overjas, omringde hem met hare dienstveerdige
+handen, bekommerde zich om zijne bleekte.
+
+--Zijt-ge vermoeid?
+
+--Een beetje.
+
+Hij voelde geerne hare hulpzame genegenheid en glimlachte geaffecteerd,
+zich neervleiende in zijn eigen weerde, herkend door haar, die hij
+liefhad. Hij vroeg aan mijnheer Wilder of hij 't huizeken schoon vond,
+en Albien vertelde hem hoe 't ineenstak, hoeveel tijd het in gang bleef
+en hoe schoon veuzekens de beiaard speelde. Terwijl Goedele een kopje
+koffie gereed maakte boven 't alkoollampje, en 't gaslicht aanstak, bood
+hij mijnheer Wilder een sigaar aan.
+
+--Dat zijn weer van die fijne sigaren, zei Albien.
+
+Ze smoorden en praatten ondereen. Goedele was uiterst gezellig en
+aangenaam. Ze schonk de koffie, wierp de klontjes suiker erin, roerde en
+wilde alles zelf doen.
+
+--Gebruikt ge melk van avond?
+
+--Als 't u belieft, een geutje....
+
+Ze beloerde op Sebastiaan's aangezicht hoe gelukkig hij was, hoe
+gevoelig voor hare dienstwillige gebaren, en hoe hij daar nu wegzonk in
+zijne onnoozele verwaandheid, tevreden en zat. En Vader nevens hem was
+ook een beeld van gezapig geneuchte. 't Was een gulden avond. Sebastiaan
+zei 't:
+
+--'t Is een gulden avond.
+
+Daar kropte dan iets in hare keel en ze zwolg geweldig om 't weg te
+krijgen, en glimlachte rijzekens ... maar heure oogen werden schaduwen.
+En ze overdreef daniger nog hare vriendelijkheid. Ze sprak zonder
+diepten, aldoor hare stem buigend in streelingen van korte,
+oppervlakkige gezegden. Ze schertste met Devleeschhouwer, maakte kleine
+portretjes, draaide hare meeningen tot lollige zetten en schaterde
+vroolijk daarbij.
+
+--Hebt-ge gemerkt de dwaze manieren van Bella?... Wel Jeezes!
+
+Door den rook der sigaren en 't geronksel van die vlugge babbelingen was
+Albien thoopegezakt en in slaap geraakt. Hij schoot altemets wakker,
+sluimerde seffens weer weg, en zijn hoofd bijsde ommentweere, zijn bolle
+glanzende hoofd.
+
+--Bella? vroeg Sebastiaan.
+
+--Wel ja, herinner u ... ze zat lijk een katte te lonken....
+
+--Ik weet niet....
+
+Ze ging voort. Ze spotte en peuterde aan diverse gezichtjes en had leute
+met die potsierlijke menschen. Sebastiaan duwde den damp zijner sigaar
+in ringen en krullekens omhoog, en liet zich dat grillig gepraat
+welgevallen. Het kwam alles zoo in zijn schik. Hij hield zich als een,
+die boven deze meisjesdoening staat, maar in waarheid had hij er deugd
+aan. Te dezer stonde was hij werkelijk de man, die thuis keert van zijn
+moeielijk en bovenzinnelijk werk, en zich nu vergenoegt in 't naieve
+gesnater van zijne vrouw, die lieve, de mindere.... Hij luisterde en 't
+maakte hem dronken. Hij zei stille:
+
+--Later zullen wij interessante vrienden op diner ontvangen.
+
+--Wij?
+
+Goedele keek hem diep in de oogen, en ze voelde dat hare ziel zich op
+een ende losrukken zou. 't Zicht der toekomst, dat hij opriep, walgde,
+folterde haar. Ze wilde niet dat hij de toekomst aanroeren zou. De
+huidige uren wilde zij gelukkig maken, en ze zou meegaan, dag-in,
+dag-uit ... en wat er gebeuren moest, zou gebeuren. Ze was gedwee....
+Maar den sluier wilde zij ongeraakt zien hangen. Wat er achter was,
+bezeerde haar.
+
+Ze werd somber. Ze kon niet het onmogelijke doen en voortlachen. Ze
+staarde mijmerend in hare gepeinzen, wachtend tot de schoone eenzaamheid
+komen zou. Sebastiaan, verloren in zijn standvastig geneuchte, merkte
+niet hoe plotseling zij zich van hem verwijderd had. Onbewust vulde hij
+de stilte, die nu heerschend was; hij sprak van zijn zoeken, van zijn
+studie. Hij was bovenmatelijk gelukkig als hij daaromtrent verhalen
+mocht.
+
+--Dat doet u dan ook plezier, niet waar?
+
+Ze tuurde naar 't licht en zag de verte, die onzeker was.... Ze zei,
+niet wetende:
+
+--Ja....
+
+Hij deed seffens Hieronymus Bos herleven, en zijne handen begonnen te
+wuiven, te keeren in 't geluchte, sierlijk en vroom. Hij teekende die
+uitermatige figure, dien ziender van monsters en wangedrochten.
+
+Hij had ontdekt hoe een ellendig mensch Bos geweest was, hoe hij geleden
+had tot zijn doodsure alle weeen, die een ziele dragen kan, en hoe hij
+toch ten langeleste eronder was bezweken. Hij vertelde hoe de kunstenaar
+dan gewerkt had, hoe zijn koortsige geest al die akeligheden geschapen
+had en gebeeld in kleuren, en hoe in dat schijnbaar-drollige werk van
+Bos een verwijt lag voor de menschen. Nadien had hij zijne eigenlijke
+studie kunnen aangevangen: de invloed van Bos op Filips II van Spanje.
+Hij schilderde Filips als een ziekelijke mystieker, die behagen vond in
+de nare tafereelen van Bos. Hij zag den koning, met koortsige
+nieuwsgierigheid, die tafereelen ontleden en beweegbaar maken. Hij zag
+hem wreed worden in de nabijheid der hellegeesten van Bos, omdat hij
+niet vreezen wilde.
+
+--En hij vreesde!...
+
+Allangerhand joeg Sebastiaan, in 't spreken, zijn bloed op, en zijne
+gebaren schokten aleens zenuwachtig uiteen bij een woord, dat
+hoofdzakelijk moest zijn. Hij meende Goedele's gedacht te boeien. Hij
+merkte hoe zij hem nu nakeek, hoe hare oogen roerloos op zijn gelaat
+zich vestigden. Hij wendde zijne blikken af en staarde gedwongen naar de
+poedelhondjes, die op 't vensterblad pronkten, maar innerlijk was hij
+tevreden dat zij hem in zijn rede zoo nauwkeurig volgen wou....
+
+Tot ze hem meteen het woord afnam:
+
+--Is dat uw werk?
+
+Ze hoorde zelf, hoe koud haar gezegde klonk. Hij zweeg een oogenblik:
+'t was of met een ruk de poedelhondjes waren opgesprongen. Hij bleef
+beteuterd, vernederd zitten. Goedele, eerst verwonderd dat haar uitval
+zoo pijnlijk was geworden, wilde niet meer wijken, en koppig dreef ze
+door, slaande op elken zin, om zich op te hitsen.
+
+--Is dat uw doode werk?... En zal ik leven in 't bijzijn van al die
+schimmen? Zult genievers een woord vinden, dan om die oude namen tot
+levende gepeinzen herop te wekken?... Maar voelt ge niet dat ik
+uitkwijnen moet in dien fantastischen rommel, in die beschimmelingen
+zonder kleur noch gedaante?... Ik weet niet, wat ik noodig hebbe. 't Is
+mij te onduidelijk, omdat ik ziek wordt stilaan. Maar mijne armen, mijne
+handen, mijn nekke dien'k plooien moet, mijn gansche lijf wil lucht en
+beweging. Van wat is en voelbaar is, wil ik genieten.... Ik vraag het
+mij dagelijks af: 'k betaste mij en 'k vrage ... waar 'k zeer heb, waar
+ge mij zeer doet, gij allen, die niet leven wilt!...
+
+Ze stond rechte, lengde zich uit, groot wordend en hare sterkte
+uitspreidend om haar.
+
+--Mijn vleesch is struisch--maar binnenwaarts zegeviert de pijne. Ge
+martelt mij aldus, ge nijpt mijn herte thoope in enge banden van koud
+metaal. Waarom is alles dood wat ge mij te geven hebt? Waarom en toets
+ik niets dan doode dingen, allentwege doode dingen? Hebt gijlie geen
+polslag? hebt gijlie geen warme handen? hebt gijlie geen voelenden
+geest?
+
+--Goedele!
+
+Hij vatte haar bij den arm. Hij was gekrenkt. Hij zei kort, met bevende
+lippen:
+
+--Dat is slecht, wat ge doet.
+
+--Slecht?... Maar mijn hoofd berst en breekt. Wat hebbe'k miszeid? Mijn
+hoofd is een zware kasse, en 't weegt me, 't weegt me zoo pijnlijk. Wat
+draag ik daar al niet in, sinds jaren opgeraapt tallenkant! Die muren
+hier folteren mij. Ge zult mijn man worden. Mag ik me niet ontlasten bij
+u? Moet ik de sterkste zijn, en ben ik slecht, omdat ik u een part geef
+van 't schrikkelijk gewichte? Ik wil niet meer leven alzoo. In dees huis
+ben ik onvolledig en voel ik nood. Gij zijt gekomen. Gij zegt dat gij me
+lief hebt....
+
+Ze werd gewaar dat hare stem zeeg en te trillen begon; ze hief hare kin
+omhoog en rok haren hals uit. Ze wilde hare woorden niet belijden, ze
+zoo maar uitspreken, zonder dat ze een smertelijke herinnering opwekken
+mochten.
+
+--Dat ge ... mij lief hebt ... ja. Leef nu! Doe niet mee met de doening
+van heel dees huisgezin. Kijk rond u.... Vader speelt met popjes.
+Grootvader is een roerende schaduw. Moeder ... och, moeder ...
+Sebastiaan ... is me vaak lijk een noodlottige figure, gaande in steenen
+stilzwijgendheid.... En gij nu nog vingert in een vunzig verleden.... Is
+zoo de wereld, zoo de menschelijkheid?... Ik weet niet meer, ik twijfel
+en ik lijd: ben ik abnormaal?
+
+Ze dwong stille haren arm los.
+
+--Ben ik buiten nature, en gijlie te zaam, leeft gij waarachtig naar 't
+gebod van uw wezen? Ik word onzeker. Ik haper in mijn gepeinzen. Ik
+bekijk alles te vergeeft ... te vergeeft, want uw aller zicht drijft me
+slechts tot opstand.... En dulden wil ik, verdraagzaam, gedwee ... en ik
+ween als ik eenzaam zit--Mocht ik dat alles u niet zeggen?
+
+Hij lei zijn magere handen, in blank gebaar, over zijn aangezicht en
+liet ze erover trage neerwaarts zijgen. Hij sloot zijn oogen en verdroeg
+een oogenblik de stilte. Dan sprak hij met veel droefenis en zijne
+woorden, onderbroken bij poozen door onregelmatige zuchten, kregen in 't
+luisterend geluchte, na 't verwilderd krijten van Goedele, een ongemeen
+belang. Hij zei dat ze hem diepe pijn veroorzaakte, dat hij haar liefhad
+boven al wat hem anderszins lief was, en dat hij zou ommekeeren in zijne
+levensbaan, als het haar zoet mocht zijn. Hij kon niet nalaten, ook op
+dezen stond van waarlijke smert, zijn gezegden te meten en schoon te
+sieren in passende golvingen. Hij beluisterde zijn eigen. Hij vroeg:
+
+--Wat moet ik doen? Ge hebt mij zeer gedaan....
+
+Ze viel terug neer op haren stoel, afgemat, en haar gemoed kwam vol.
+Ze stortte dan voorwaarts op de tafel en begon te snikken. Ze voelde
+Sebastiaan's vingeren streelend over hare schouders gaan en hoorde hoe
+hij daarbinst haar troostte met schoone uitdrukkingen. Ze jammerde dat
+hij haar vergeven moest, dat ze koortsig was en hem wel geerne bij haar
+had, dat hij goed was voor haar en niet hoefde te veranderen ... dat zij
+de schuld was van haar gemaakte wee, door haar wrevelige zenuwen, door
+hare lichtzinnigheid, door hare vreesachtige zwakte.
+
+--Ge moogt niets zeggen hiervan aan moeder.... 'k ben ziek, ik verzeker
+u. Ik ben onrustig en hebbe sinds gisteren hoofdpijn--slagen in de
+hersens.
+
+Ze huilde en haar gansche lijf schokte op. Ze wilde niet kijken naar
+Sebastiaan. Ze bleef liggen; haar gelaat dook weg in hare saamgebrachte
+armen.
+
+--'t Is best ... dat moeder niets weet ... getweeen zullen we 't
+gemakkelijker ... vergeten....
+
+Maar moeder stond al in 't deurgat. Haar stevig aangezicht rees bleek op
+uit de gapende donkerte, en 't licht kletste open op haar voorhoofd. Ze
+tort naar voren. Hoe dof ook hare stappen smoorden over het dichte
+tapijtsel, toch voelde meteen Goedele hare aanwezigheid. Ze sidderde en
+haar asem bleef hangen in hare keel. Hare vroegere vreezen bevingen haar
+op een nieuw en verlamden hare spieren. Ze dierf moeder's blikken niet
+taken met haren blik. Ze wachtte.
+
+--Ik mag u ook wel troosten, mijn kind, zei Ursule met effen
+bedaardheid.--Ze kwam naderbij, ging de tafel rond en schudde onderwege
+Albien, die seffens rechtsprong en kinderlijk-benauwd daar te gapen
+bleef. Ze stond nu in de volle klaarte. Ze was uitermatelijk groot en
+meesteresse. Ze wenkte met hare hand ten teeken dat mijnheer Wilder zich
+verwijderen mocht, onverwijld, en, als hij sprakeloos wegdrummelde, keek
+ze rustig naar haar zakuurwerk. Men hoorde rijzekens het horloge tikken.
+Ze sprak:
+
+--Het alkoollampje brandt nutteloos.
+
+Ze ging het uitdooven. Ze nam de sigaar op, die uit Albien's vingeren
+geglibberd was, en blies de assche uiteen langs het tafellaken. Met
+streelende zachtheid boog ze zich over Goedele en vroeg wat er deerde.
+
+--Ge moogt u niet ophitsen en schadelijke gepeinzen voeden. Wilt ge een
+druppelken munte?
+
+--Danke, moeder ... ik ben ongemakkelijk, ik lust niets ... 't zal
+geleidelijk overgaan.
+
+--Dat meen ik ook ... Mogen wij u morgen verwachten, Sebastiaan?
+
+Hij stond seffens recht en beloofde dat hij stellig komen zou.
+
+--'t Wordt nu late, voegde hij erbij, wel een endeken vernederd, omdat
+zij hem zoo dadelijk wegzond. Hij was echter min in zijn schik nu en
+vond het om dieswille niet onpasselijk, dat hij vertrekken mocht. Hij
+wist niet wat zijne houding zijn moest. Hij zou morgen meer weten.
+
+Goedele droogde hare oogen en bracht hem zijn overjas en zijn hoed.
+Niemand sprak daarbinst. Gedurig heerschte de wegende stilte. Op
+elkendeen's lippen lag een onbeduidend gezegde, dat iets verroeren zou
+in 't geluchte en een beetje rustigheid stichten, een beetje
+verstrooidheid te gelijk.... Naar niemand en dierf noch en sprak. Men
+haastte zich, in schijn onachtzaam en lui zich toonend, en de leegte die
+overal was, werd onverdraaglijk....
+
+Sebastiaan vertrok.
+
+Ursule kwam voor Goedele staan en kruiste hare armen over hare borst.
+
+Ze beet haar toe:
+
+--Kijk op!
+
+Ze wilde in de hersens wroeten van haar onwillig kind en tusschen hare
+tanden heen sisten hare woorden.
+
+--Wat zijt ge van zin?... Ik vraag u--wat zijt ge van zin? ... Kijk op,
+zegge 'k. Wat zijt ge van zin.... Laat me zien in uwe oogen. En duik uw
+voorhoofd niet.... Op! wat is er?
+
+Ze bukte zich en stiet haar kinne naar voren, en een rimpel duwde de
+hoeken van haren mond neerwaarts.
+
+--'t Wordt tijd dat ik het weet.... Nu zal ik alzoo gesteend en
+gejammerd hebben om 't kwade gedrag van Romaan; nu zal ik alleen zijn
+rechte gebleven om de hoop, die ik stelde in u ... en nu zoudt ge 't
+leste gebouw omverre storten?
+
+Ze sloeg haar hoofd met een snok achterover, en stond daar een oogenblik
+met hatelijke blikken en dichtbeloken lippen, zich in te houden precies,
+om geen uiterst geweld te zeggen. Dan schoot ze uit, lijk een razende,
+onbeteugeld en afgrijslijk.
+
+--'t En zal!... Hoe gij 't ook draait of keert, hoe oolijk gij 't
+aanlegt, hoort ge?--'t En zal! Ik zal u vasterijgen.... Ik zal u
+vasteketenen.... Ik zal u dwingen tot eerbied voor mijn wil.... Luister
+goed--ik heb mijn leven lang gezwoegd en geslaafd om geld ... met mijne
+vingeren, tot mijn nagels sleten ... en tot de nacht al verre was ... en
+van heel vroeg in den morgen ... om geld.... Dat geld zou vruchtbaar
+zijn. Luister goed: ik wil dat het vruchtbaar zij ... ik wil dat nog
+zien om mijn ouderdom blij te maken.... Romaan heeft mij verraden ...
+die laf hertig is en liever zijn moeder beleedigt ... dan zijn
+slette.... Maar gij, ik zegge 't u, wees voorzichtig.... Ho! Ho! ik
+zegge 't u.... Rechtgaan ... de weg is daar--ik heb hem u gewezen....
+
+Ze merkte nu hoe Goedele, eerst verschrikt, zich allangerhand hervatte
+en tot bezinning kwam, hoe zij zich tegenwoordig rustig neerzette en al
+die harde woorden zonder aandoening liet wegslibberen, zijwaarts. Een
+onzeglijke woede verdonkerde haar aangezicht en vierkantig viel haar
+mond open.
+
+--Haa-aa-aa....
+
+Maar ze wrong hare kaken regelmatig thoope en zweeg. Vluggelings begreep
+ze dat het dwaas was met koppigheid tegen Goedele's koppigheid aan te
+stooten, en hare gewone sluwheid dook op, almachtig. Hare minste gebaren
+werden lijk te voren berekend en geleid, en hare gramschap liet ze
+meteen wegvallen in een diepen zucht:
+
+--Och, Heere-lief!...
+
+Ze zakte naderhand ineen op een stoel, vouwde stille hare handen over
+haren schoot, en, haar voorhoofd neerbuigend, staarde in droef gepeins
+op 't gebloemte van het tapijt. Ze bleef een stonde sprakeloos en daar
+zeeg over heur gelaat een groote droefenis. Met een ontroerde stemme zei
+ze:
+
+--Ik heb ongelijk.... Ik voel dat ik niet wel ben.... Ik had u dat
+anders moeten zeggen ... niet zoo brutaal, mijn kind ... maar ik ben
+niet wel, zekerlijk.... Ik ben koortsig. Ge moogt die leelijke dingen
+... daar even ... niet kwalijk opnemen. Ik heb u lief, ik wil uw
+geluk....
+
+--Ik ben niet gelukkig.
+
+--Ja ... daarom wil ik zoo hardnekkig uw geluk. Ik mag u niet laten
+onzinnig zijn. Ik moet u leiden, ik moet u doen opgaan ... naar dat
+later geluk.... Wat scheelt er?... Ge vindt het hier eng. Ge moet u
+opbeuren. Het is hier niet eng. Wat scheelt er? Ge beeldt u dat allemaal
+in, omdat ge te veel alleene zit. Ge timmert al die akeligheden op, in
+uwe eenzaamheid.... Laat Bella hier komen!... na het diner ... 's
+avonds, en praat wat, zing wat....
+
+--Bella moet hier niet komen.
+
+--Laat Sebastiaan alle dagen zijn bezoek doen!... na het diner ... dat
+deert immers niet!
+
+--Dat deert mij.... Kijk! Ik ben weer kalm. Alles kan gerust blijven
+zooals vroeger. Maak u niet meer lastig om mijnentwille nu, moeder....
+
+--Denk ook een beetje aan mij, Goedele ... zult ge?
+
+--Ik denk aan u....
+
+--En beloof me dat ge braaf zult blijven.... Wel! Wel! een mensch heeft
+al heel veel harde dingen voor in zijn leven ... hij mag niet zoo dwaas
+zijn en kleine vervelingen opketsen tot smetten! Geef me een zoen....
+
+Goedele stond recht en ging Ursule kussen op haar voorhoofd. Ze keerde
+zich daarna langzaam omme en vertrok. Even bleef ze stille in 't
+deurgat.
+
+--Goeien avond.
+
+Ze tort de trap op.
+
+--Goeien avond, antwoordde Ursule.
+
+Tot ze, dan boven, Goedele's kamerdeur hoorde sluiten, zat mevrouw
+Wilder onbeweeglijk voor zich uit te kijken, zonder zien. De zoetigheid,
+die zij om haren mond geleid had, viel meteen en haar bloed sprong in
+een machtige geute naar heur slapen. Ze hief haar vuist omhooge en liet
+ze met een forsig gezwaai neerploffen op het tafelberd. Een koffiekopje
+joepte kantewaarts rinkelend omme en, over het witte laken, spreidde een
+bruine vlek, die geleidelijk openging....
+
+In de voorkamer stond Rik, en hij lachte stillekens, een diepe leute
+gevoelend, zoo op een keer.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+VI.
+
+
+Goedele, als ze op hare kamer kwam, stak haar nachtlichtje aan en ging
+neerzitten bij 't venster. De tuin was in dichte donkerte gezonken.
+'t Had al gesmokkeld in den avond, en nu begon het te regenen. Tegen de
+ruiten sloegen de druppels, menig en leuterig, aldus een tokkelveuzeken
+makend, dat eentonig en klagend was. Altemets vulde de wind zijn
+zoevende flanken en dan roefelde de volle vlage ineens langs het raam.
+Andermaal was 't weer zoete, en de regen trippelde in gelijke maten, zoo
+smertelijk van zin, dat Goedele om haar herte een endelooze droefenis
+voelde, die in warme aandoening opjoeg, kriebelend binnen hare oogen.
+Ze zat in hare schoone eenzaamheid den dag te overpeinzen, die verleden
+was. Ze herdichtte den pronten morgen, vol zonne en klare droogte, de
+levende stad, het levende volk daar krioelend langs luidelijke straten,
+al het geruchte, dat deugddoende was, en dan, bij Romaan en Madeleen,
+de vrije, heldere huiselijkheid. Ze zag Wiezeken; ze had Wiezeken danig
+lief. Ze voelde hoe vol leven ook dit huis ginder was, met dat heel
+zieke kindeken, en hoe dood die muren hier, die zoldering, die heele
+monsterachtige doening van kouden steen. Ze voelde 't overal. Ze krinste
+met hare schouders en bibberde van de killigheid die hier tallenkante
+blijvende was ... en ze keek seffens naar de duisternis, den nacht in
+den hof, om los te geraken met nieuwe gedachten, die klaarten brengen
+moest in haar hoofd. Al wat ze hier met hare zinnen toetste, was haar
+eene vernedering en woog op hare hersens.
+
+De regen klabbetterde welluidend voort. Van tijd was 't of hij wegdropte
+en 't geluchte binstdien leeg en open aan 't worden was; de ruiten
+bleven ongetaakt ... een stondeken ... maar opnieuw vingerde 't natte
+weer algauw, en 't werd een reesem rappe geluiden, zich haastend om de
+stilte in te winnen. En Goedele onderging den invloed van dezen
+trippelzang, en langzaam baadde haar gansche lijf-en-ziele in 't zoete
+gerucht, dat rijzende of zijgende ging. Ze bepeinsde zich en wroette in
+haar binnenste, en legde somtijds een gevoel vaste, dat overanderlijk
+blijven zou. Nadien was ze bezig met Ameye. Ze had bewondering voor zijn
+groote figure--dien hoogen man met een sterk gezichte en een breede
+borst. Ze zag nog duidelijk zijne witte handen: ze konden zoo struisch
+een gebaar teekenen, en de vingeren gingen dan allen zaam en vouwden
+zich thoope of rokken zich uit. 't Waren, lijk woorden, heldere
+gezegden. Ze dacht:
+
+--Maar hij sprak zoo gek!
+
+Ze maakte zich met moeite wijs dat hij een grove lummel was en wellicht
+brutaal moest wezen. Naderhand was ze zeker dat hij een drinkebroer of
+een nachtraaf was.
+
+--Hij loopt in kroegjes....
+
+Ze herkende het aan zijne goedzakkige manieren en aan de moeheid die
+soms zoo zoetig zijne blikken maakte. Ze veronderstelde dat hij met
+lichte meiskes omging.
+
+--De stad is zoo vol daarvan!
+
+Doch allicht veranderde ze van oordeel: 't was dan een "blase", een
+ontgoocheld wezen, een kalme ziender van andermans leed en plezier--een
+zonder doel en zonder verlangen, zonder drift ... ontzenuwd.... Ze had
+gewild dat hij anders was. Romaan, zoo gauw begeesterd en zoo gauw
+verslagen, had ze lief. Ze wou een man treffen, die op haar broeder
+geleek. 't En duurde maar een vlage van den regen, en ze vond dat Romaan
+in den grond een zwakkeling was....
+
+Ze hoorde moeder slapen gaan, en naderhand Rik, en bleef nog turen aan
+'t venster. De tijd verstreek langzaam, en 't was haar of zij 't niet
+tasten kon: de ure bleef stille, alles hing in verwachting, zonder angst
+noch ongeduur. Bijwijlen steeg in de boomen de asem van den wind, en
+rijzekens werd ze den gang gewaar der stonden, die overhand wegzijpelden
+in 't verleden, achterwaarts.
+
+De volle nacht, geheimzinnig en zwijgend en roerloos, begon in huis....
+
+Maar meteen merkte Goedele een varende klaarte in bewegende vlekken
+loopende van heester tot heester over den hof, dichtbij de woonste. 't
+Was wel iemand, die in de eetzaal was en licht maakte en ermee, langs de
+voorkamer wandelde, zoodat de teekening der ruiten laaierig in den tuin
+zich openbreidde. Ze werd bang. Elkendeen was te bedde, of ... was Marie
+in de keuken gebleven?
+
+--Maar wat verricht Marie in de eetplaats?
+
+Ze herinnerde zich dat ze ook Marie had hooren opgaan, naar hare kamer.
+Het licht verdween. Voorzichtig tort iemand langs de trap naar boven,
+en ging Goedele's deure voorbij: door de splete herkende zij Rik. Hij
+stapte gebukt door en trachtte 't gestraal der keerse, die hij droeg,
+met vreesachtige vingeren weg te bergen. Ze hoorde dat hij de leege
+zalen binnenging.
+
+Deze leege zalen bezocht nooit iemand. Om de maand werden ze
+schoongeschuurd en verlucht. Goedele had ze altijd met benauwdheid
+genaderd, omdat hier, tusschen die papieren behangsels met gulden wapens
+en heraldieke leeuwen nog precies heerschte de geest van den ouden
+markies. Rik had dikwijls daarover zitten mompelen en beweerde dat hij
+ten twaalve al eens een spook had zien rondwaren, om de vensters. Ze
+hechtte nooit geloof aan Rik zijn gekke gezegden; hij was gestadig bezig
+met schimmen en bange verschijningen en zeemeerminnen, en ze wist wel
+dat dit al maar ziekelijke verzinsels waren, die hij broeide in zijn
+ouden kop. Ze vond het nu echter danig zonderling, dat hijzelf, zonder
+aarzeling, in de leege kamers drong. Ze ontsloot stille hare deur, liet
+hare sloffen op den drempel en tort kousevoets in den gang. De eerste
+zaal was leeg en de daaropvolgende ook. Van hier bemerkte ze 't
+keerselicht dat op de muren danste, in de vierde. Voorzichtig naderde
+ze, sloop langs de donkerte der hoeken naar voren, tot ze zien kon wat
+er gebeurde. Ze bleef staan en hield haren asem op om geen 't minste
+geruchte te maken, en ze keek verwonderd toe.
+
+Rik had zijn keersepan neergezet op 't roode plankierken, nabij den
+schoorsteen. Hij knielde en boog zijn krommen rugge en maakte in de
+schouwe een planke los. Hij tastte dan in de holte, en op zijn
+aangezicht kwam seffens een groote blijdschap.
+
+--Ze zijn er nog! mompelde hij.
+
+Hij trok een blauw zakje te voorschijn en lei 't neere voor hem, en nam
+vervolgens nog een grooter zakje, in getafeld linnen, en lei 't nevens
+'t andere. Hij bekeek ze dan allebei met troetelende oogen, en zijn
+tonge sleerde tweemaal over zijn lippen ten teeken dat hij tegenwoordig
+gelukkig was. Hij ontknoopte zijn jas en over zijn beenen heen zeeg het
+ivoren kistje, dat Sebastiaan aan moeder ten geschenke gegeven had.
+Juist bij tijde kon hij 't grabbelen, en een subiete warmte schoot op
+naar zijne wangen, bij 't gedacht dat het in zijn val op den vloer groot
+gedruisch hadde gemaakt. Hij keek onwillekeurig omme, en Goedele zag
+zijn oogen van schrik openstarren en zijn neuze, langgeworden, over zijn
+mond een schaduw leggen, lijk een bange holte. Hij bukte zich opnieuw.
+Hij ontsloot het getafeld zakje en goot in het kistje, profijtelijk om
+niet de stilte te storen, den rinkelenden inhoud. 't Waren koperen en
+zilveren muntstukken en allerlei kleine dingen van stoffelijke weerde:
+gulden franjen, oude knoopen, kragen en borduursels van
+marine-officiers, allerlei metalen platen en rondekens, schitterende
+gesteenten. Goedele herkende in den kostelijken schat een duurbaren
+halsband van peerlen en koralen stekjes met onderaan een schoon geel
+kruis. Ze had het juweel overjaar verloren, meende ze. Ze merkte nog een
+paar ringen, die Sebastiaan peinsde te zijn zoek geraakt bij de pompe,
+een dag in den Zomer, als hij moegetennist was en zijn handen wou
+wasschen. Vele kleinoodien lagen daar ondereen in wanorde. Rik wroette
+met zijne vingeren erin en stak zijn kinne uit naar voren, en neep zijne
+oogen dichte om diepe zijn wellust te voelen. Hij scharrelde in de
+schitterende gesteenten, hij streelde langzaam dien overvloed van
+weelde, peuterde om robijnen en diamanten, bepootelde de zware
+kettingen, zich deugddoende aan zijn tastelijk eigendom. Zijn lippen
+hergingen bijwijlen. Hij reutelde, zingend zoetekens:
+
+--Al 't mijne ... al 't mijne....
+
+En zijn hoofd bijsde overentweer, op mate van het durend gedoe zijner
+handen. Hij ontbond naderhand de snoeren van het kleine zakje, bracht de
+keersepanne dichterbij, zoodat het vlammeken meteen wispelturig al links
+en al rechts wiegde, en Rik zijn ronde schaduwe op den muur, over de
+zoldering, tallenkante te dansen begon. Hij schudde 't zakje leeg in
+zijn zijden klakke, die hij voor zijn knieen neergelegd had. 't Waren al
+goudstukken, groote en kleine dooreen, en ze belden wel een oogenblik in
+de ruimte, maar zwegen seffens als ze dof in de klakke sleerden. En Rik
+zijn hoofd gloeide stilaan van ongemeene koortse, en zijne vingeren, die
+weer aan 't schefferen waren in dien rijkdom, bibberden van
+ongeduldigheid. En hij lispelde:
+
+--Al 't mijne....
+
+Hij sprong meteen op en zijn gelaat werd wild, ruw, wreedaardig. Goedele
+vreesde dat hij haar bemerken zou. Hij bleef rondkijken, en trok
+geweldig zijn asem op langs zijn neuze, alsof hij een ongewonen reuk
+opsnoof en weten wilde.... Hij tort naar een der vensters en keek door
+een splete der luiken de donkerte in van den nacht. Hij zakte nadien
+ineen op den grond, lengde zich uit en sloot zijn oor aan tegen den
+vloer. Hij kroop seffens rechte en stond op een nieuw te staren en te
+luisteren. Dan blikte hij neerwaarts op het volle kistje en de volle
+klakke, en zijne armen gingen van weerskanten in liefderijke bewondering
+omhoog.
+
+--Al 't mijne....
+
+Zijn lijf rilde en zijn beenderen konden niet stille staan. Het
+keerselicht klaterde in 't stralende goud en druppelde in 't geperel der
+juweelen. Hij trippelde errond, en 't was of hij dansen wilde en maar
+niet in kadense geraken kon. Zijne knieen kluppelden tegeneen aan en
+zijne hielen wendden en keerden zich waaiewijs omme. Hij was vier, vijf
+maal tewege neer te hurken en zijne handen reikten subiet naar die
+schitteringe daar--en dadelijk sloeg zijn rugge opwaarts en hij huppelde
+her en rond, lijk te voren....
+
+Aldoor heviger schokten zijne schouders. Zijne blikken werden lijk staal
+zoo puntig, en zijn mond, neerplooiend, viel in stuipachtige snokjes
+scheef. Langs zijne slapen zijpelde een overdadig zweet, en zijne haren
+plekten toe in natte strengen, van weerskanten. En hij hakkelde schor:
+
+--Al ... al ... 't mij-ij ... ne ... a-a-al....
+
+Tot hij tegen den schoorsteen aanstruikelde, zich koortsig aan 't
+marmeren schouwblad vastklampte, en langzaam neerviel, een
+thoopezinkende klodde gelijk. Hij zat een oogenblik te hijgen belook
+zijne wimpers, en zijn aangezicht, nu regelmatig en drifteloos, werd
+uitermatelijk bleek....
+
+Met een ruk rok hij zijnen hals uit en staroogde, benauwd en verwilderd
+om zich heen. Maar fluks glimlachte hij en kroop over den vloer tot hij
+'t kistje en de klakke taken kon. Haastig dook hij weer alles weg, en
+schoof de plank over de heimelijke holte, binstdien nog zuchtend, alsof
+hij spijt had dat hij op een ende toch weg moest van hier.
+
+--Wel! wel! pruttelde hij binnensmonds, Ursule ... gij onnoozele....
+
+Goedele ijlde vluggelings naar heur kamer terug en zakte ontzet neer op
+een stoel. Ze kon rijzekens hare gedachten bijeenrapen en voelde een
+zeerdoende moeheid in hare beenen. Ze kon 't niet gelooven, wat zij
+gezien had, en ze was danig ongerust, niet begrijpende die schrikkelijke
+doening van Grootvader. De eenzaamheid werd haar onuitstaanbaar en haar
+herte klopte om te breken. Ze vatte haar hoofd in beide hare handen.
+
+--'k Hebbe zoo'n pijn!...
+
+Ze meende dat hare hersens uiteenspatten zouden. In haar nekke vliemde
+een borende smette en tot door hare lenden woog haar onverdragelijk
+leed. Ze vroeg zich af:
+
+--Wat is 't?
+
+Zij en vatte niets. Zij en kon hare zinnen niet bijhouden. Ze zag
+gedurig Rik zijn verwrongen gelaat, en de keerse, die er witte vlekken
+op kletste. Ze wilde slapen en alles licht opnemen, lijk een gewone
+gebeurtenis. Maar gestadig werkten hare teugellooze gepeinzen,
+slingerden dooreen in haren kop, snokten en klopten tegen haren schedel
+daarboven. En 't geluchte werd endeloos bang.
+
+Ze ontkleedde zich spoedig, kroop in haar bedde, blies het nachtlichtje
+uit ... De donkerte spookte om haar; daar waarden heimelijke wolken in
+de kamer. Ze moest seffens het lamplichtje weer aansteken, en dook zich
+onder de dekens, drong huiverig ineen, hare knieen saambrengend in hare
+armen. Het huis werd haar nu een schrikkelijke woonste en ze blikte met
+afgrijzen in de toekomst. Ze herinnerde zich nog goed den koffiehandel
+en den onverpoosden ijver van moeder. Ze wist dat moeder van nederige
+afkomste was, dat grootvader op vischvangst leefde. Hoe was zoo gauw de
+groote rijkdom gekomen? In een flikkering zag ze de gouden galonnen van
+marine-officiers uit het getafeld zakje rollen. Ze dorst niet verder
+denken. Ze neep met geweld hare oogen dicht en wilde op andere dingen
+peinzen. Maar ze kon niet buiten het huis geraken, buiten dees huis van
+gevaarlijke geheimzinnigheid, buiten deze knellende muren, en die deuren
+allemaal....
+
+--Is mijn deure goed vaste?
+
+Ze stapte uit haar bedde en ging de klinke herdraaien, om zeker te zijn.
+Ze kroop bibberend onder de sargie. Ze dacht: hoe gelukkig is Romaan ...
+en Madeleen ... en tante Olympe.... Ze zou alles aan Romaan vertellen,
+hem raad vragen. Ze wist zelve geen raad.
+
+--Johannes zal meehelpen ... om raad....
+
+Ze voelde Ameye nu van dichtebij: 't en was geen vreemdeling meer. Ze
+verwonderde zich niet dat ze zoo plotselings zijn naam hoorde in haar,
+en zij en schaamde zich ook niet daarover. Al wat hier bestond, had zich
+meteen van haar verwijderd, en wat buiten het hekken leefde naderde tot
+haar. Ze voelde nievers zoo pijnlijk eene vreemdte dan hier. Ameye was
+een vriend.
+
+Geleidelijk voortmijmerend, kon ze op een ende 't zicht van dees
+misdadig huis verlaten; ze sliep, oververmoeid, in en droomde van den
+markies, van zijn zonderlinge gewoonten, van zijn wapens met kronen en
+klauwende leeuwen.... en ze vond het zoo plezierig dat hij een pruike
+droeg en dat het witte steertje, ommekrullend, daar boven zijn krage
+gestadig met een gele lintje aan 't vlaggelen was....
+
+Heel late in den morgen werd ze wakker. Ze was gestild. Ze herinnerde
+zich seffens wat er gebeurd was, en 't en wekte in haar geen
+buitengemeene aandoening. Hare gedachten waren verdraaid naar nieuwe
+richtingen: ze had, docht haar, deze leelijkheid al lange aangenomen.
+Als ze in de eetkamer binnenkwam, zag ze Ursule heel bleek en
+thoopegedrongen in een leunstoel zitten.
+
+--Zijt ge ziek, moeder? vroeg ze.
+
+Ursule begon seffens te klagen en te jammeren: zij en had van den
+ganschen nacht geen gebenedijd ooge dichte gekregen, en dezen uchtend
+was ze opgestaan met een kwalijke slapte in de beenen.
+
+--'t Is of het rheumathiek ware....
+
+En dan moest ze subiet hijgen, bij haar minste gedoe was ze afgemat; ze
+was met groote moeite alleen beneden geraakt. En dan hadden ze haar nog
+gefolterd.
+
+--Gefolterd ... wie?
+
+--'k Hebbe Marie weggezonden ... al dieveggen, die 'n mensch uit
+medelijden van de strate raapt....
+
+--Zoo dan terug op strate gesmeten?
+
+--Ze heeft me brutaal geantwoord.... Ze heeft geweigerd mij een
+hoofdkussen te halen ... dat heeft ze.
+
+Op de trap hoorde Goedele een stille gesnik en dadelijk daarop een ruw
+gemompel van Grootvader.
+
+--Toe-de ... toe-de ... ronkte Rik ... gij leelijke kerte ... en kus uw
+handje ... dat ge er zoo zoetekens van af komt....
+
+De deur in de voorkamer werd met een ruk toegesmeten, en nadien piepte
+'t zware hekken.
+
+--Ze is weg, zei Ursule.
+
+Ze dorst niet spreken van het ivoren kistje dat haar ontstolen
+was--Marie was een dievegge--en ze herkloeg met gelijke woorden over
+haar leed: de pijne zonk tot in hare lenden en straalde van daar uit in
+gansch haar lijf, en bijwijlen had ze een hevigen harteklop--haar kele
+stropte toe en 't was alsof ze niet meer asemen zou.
+
+--En die rheumatiek daarenboven....
+
+--Ge moet den dokter halen.
+
+--Och! Och!...
+
+Ze haalde de dokters alleen op 't laatste oogenblik, als geen andere
+doening meer helpen kon. Ze was overtuigd dat de dokters prutsen, tot ze
+de menschen voor goed ziek krijgen, en dat ze best later maar kwamen.
+Toen ze, na Romaan zijn vlucht van huis, te bedde lag en endelijk den
+dokter bij haar liet roepen, en dan hoorde van hem hoe ze in der
+waarheid gevaarlijk ziek was, had ze werkelijk deugd, altijd maar
+vreezende te voren, dat haar kwale slechts een tijdelijke
+onpasselijkheid zou zijn. Ze wilde nu niet luisteren naar Goedele. Ze
+liet zich gewillig pramen, oolijk-tevreden om Goedele's aandringende
+deernis. Ze keek diep-mijmerende naar 't onbijt van hare dochter en
+legde in hare oogen een geveinsde droefheid. Ze tuurde sprakeloos naar
+de koffiekanne en het tinnen melkpotje en de witte teelkens en
+koppekens, die daar ondereen in 't noesche licht te klateren stonden--en
+naar Goedele's vingeren, die verduldig werkzaam waren eromme. Ze liet
+een peinzende stilte vallen en wachtte tot het geluchte langs hare
+woorden voordeelig werd. En ze herbegon dan vage dingen te zeggen, al
+treurende, op een moeden toon en met slepende stemgolvingen. Ze sprak
+van haar verleden, van ijverige tijden, tijden van duurbaar werk, van
+voortdurend zwoegen.
+
+--Ho! ik hebbe gezwoegd!...
+
+Ze volendde eentonig hare klagementen en vroeg dan met spijtige
+gezegden, wat zij voor zooveel slaafsch gedoe verwachten mocht. Ze
+zanikte zoo. Ze werd het zelf gewaar hoe vervelend ze werd, en ze was
+dan boos op haar eigen. Ze loerde zijlings naar Goedele, merkte hoe
+rustig ze voortdeed met haar ontbijt, hoe ze soms weggeraakte met hare
+gedachten en niet meer luisterde. Ze sprak luider, al op eens een vrage
+doende om Goedele weer tot zich te trekken:
+
+--Wat is mijne belooninge?
+
+Goedele schrikte even op en boog subiet haar hoofd.
+
+--Wel ... moeder....
+
+En Ursule jammerde verder, al voelde ze dat ze hare dochter maar niet
+taken kon, niet vatten met iets. Wantrouwig meende ze nu dat Goedele
+verdoken geheimen had, verdoken inzichten. Ze folterde haren geest met
+nieuwe oolijkheid, aldoor tuk op versche subtiliteiten.
+
+En Goedele bleef sprakeloos.
+
+Rik tort binnen. Hij zei:
+
+--'k Hebbe ze op strate gegooid.
+
+Hij lachte met wel genoegen en wreef zijne handen overeen en zette zich
+bij 't vuur te warmen. Hij schudde zijnen kop, ten teeken dat hij in
+zijn geest aan 't redeneeren was, en hij deed zijne knieen tegeneen
+knokkelen, in koortsige vroolijkheid.
+
+--Ze dorst nog weenen, de valsche leegloopster!
+
+'t Walgde Goedele. Ze stond recht en keek naar 't horloge, lijk iemand
+die op de ure wacht om heen te gaan. Ursule bemerkte 't seffens.
+
+--Vertrekt ge?
+
+--Wiezeken bezoeken....
+
+--'t Is half-elf.
+
+--'k Ben gauw terug ... rijzekens hooren hoe 't is ... daar ginder....
+
+Rik lachte meteen luidop, en Goedele kreeg een pijnlijker stoot in haar
+herte. Maar zij en keerde zich niet omme en ging zich aankleeden,
+verlangend om weg te zijn van hier, waar nievers een gezellige warmte
+komen wou....
+
+Buiten voelde ze opnieuw haar lijf in vrije lustigheid, en algauw
+verdreef ze uit haar hoofd de lastige gedachten, die daar woonden. 't
+Was alsof zij zich op den drempel ontdeed van al wat binnen den huize
+haar wrevelig miek. Ze haastte zich tot ze buiten bereik was, tot ze de
+stille strate verlaten had en baden kon in 't gejoel der lawaaierige
+stad.
+
+De regen had de steenen klaar gekletst en, bij plaatsen, speelde de dag
+er met lichtende vlekken. De hemel bleef grijs en beloken, maar
+zilverige tinten liepen er, ten teeken dat bovenwaarts de zonne aanwezig
+en klaterend was. De huizen, in vlakke reken van weerskanten, zonder
+zichtbaar dak en zonder wispelturigen gevel, stonden omhuld in vale
+verven. De vensters waren holten rotewijs geschikt en de deuren,
+tallenkante op eender hoogte, legden gelijke, donkerten er onder. De
+drempels bleven zwijgend: geen troppels kinderen of kijvende vrouwen
+waren eromme levend, lijk in 't zomertij of in de voorjaarszoelte. De
+herbergen waren ruchtig en de winkels. Er roerde haastig volk.
+
+Goedele deed seffens mee met het rumoer; ze voelde zich wegsmelten in 't
+gedruisch, dat ronkte om haar, en zij en was geen eenigheid meer in de
+woeling der bezorgde menschen. Ze liet zich beinvloeden, ze liet zich
+zwak worden, al-vergetend wat achterwege was, en nu een kinderlijk
+belang stellend in de minste straatgebeurtenis. Ze huppelde door,
+drentelend bij stonden, haperend aan schoone uitstallingen van
+wintergoed. Ze dacht somtemets aan Romaan en Madeleen en het kindje.
+Ze zou Wiezeken geerne wat lekkergoed meedragen en liep een bakkerijtje
+binnen. Ze koos van ditte en van datte een pakje vol, en had een drollig
+plezier in den naam van al deze snuisterijen. De bakker, een ronde man
+met een zijpelend wezen en een neuze daar te midden, waar de teekening
+der ruiten bijkans schitterwit op uitblonk, lichtte haar gulzig toe en
+deed zijn beste moeite om zijn waar ordentelijk aan te prijzen.
+
+--Geen muntebollen, juffrouw? Geen lekkers op stokjes? Eerste klasse
+juffrouw, en niet geverfd.
+
+Ze wees die gloedroode stampers af met een weigerend knikje.
+
+--Kletskoppen ... puur honing en een hemelsche bete, dat verzeker ik u.
+
+--Ja, dat wel.
+
+Ze keek in de wissen mandekens, die bij 't venster stonden, vol met
+veranderlijke zoetigheid, en bloosde meteen als ze Ameye herkende, welke
+voor 't raam te wachten stond. Hij groette haar met een buigen van zijn
+hoofd, en ze was daardoor subiet in de war. Ze werd ongedurig en wilde
+maar dadelijk gedaan maken met den dikken bakker, die 't haar met zijn
+uiterste vriendelijkheid lastig maakte. Hij moest zich spoeden. Ze
+voelde eene wrevelige warmte naar heure slapen opschieten, als de brave
+man, een guitig lachje zettend, gulhertig verklaarde dat hij _sito-sito_
+klaar zou geraken.
+
+--Even nog een koordeken--hier--met een strikje ... Zoo!
+
+Ze keerde zich fluks omme en hoorde hoe hij haar met dienstwillige
+woorden achterna volgde, overdreven en stilspottend, alsof hare
+aandoening belachelijk bloot lag op haar aangezicht:
+
+--Als 't u zal believen, juffrouw--tot een naaste keer.... Anders,
+juffrouw, anders de klinke draaien ... zoo ... let op de trap ...
+zoo.... danke wel!
+
+De deur viel toe achter haar en zij stond vlak voor Ameye. Hij lachtte
+en knikte, en prees de voorzienige stonde, die hem bij haar had
+gebracht. Hij vroeg, in een vloed van hoffelijke woorden, hoe zij 't
+maakte. De wolkenlaag in den hemel scheurde open en de zonne viel in
+witte stralen tallenkant. Daar kwam een bedwelmende leutigheid in 't
+geluchte.
+
+--Ik was naar uw broer tewege.
+
+--Ik ook, precies....
+
+Ze zei 't gretig, met een dwaze haastigheid, die haar blozen deed.
+Ze dierf er niet bijvoegen dat het wel meeviel, alzoo, en wist zelf een
+beetje tegen te stribbelen, in schijnbare verlegenheid, als hij haar
+voorstelde om saam de bane te doen. Ze kon echter niet weigeren en
+verheugde zich om die onmogelijkheid. Hij moest niet lang aandringen.
+
+Ze praatten ondereen, gezellig, en 't en duurde maar weinigen tijd, eer
+ze teenemaal vrij werden in hunne uitdrukkingen, los van alle gedwongen
+beleefdheid. Hij sprak bijzonder zwaar, diep ernstig, en had altijd een
+particulier zicht op de zaken. Ze voelde in hem een, die haar meester
+was en waar ze leerlustig naar luisteren kon. Hij vatte het leven heel
+breed op, heel menschelijk. Allerwege zag hij entwat, dat liefderijk was
+en goedheid asemde. De menschen op strate, de peerden en de honden....
+Goedele keek ernaar, omdat hij er kon over klappen met zoo'n innigheid,
+zoo'n belang. Hij groef in hare hersens diepe prenten, een nieuwe vizie
+der dingen, en ze was nooit moe, ze hoorde hem aan met groote aandacht.
+
+De zonne bracht een spelend licht overal, lanterfantte langs de vele
+ruiten, stortte met lustig gestraal, menig en rijkelijk, op de natte
+steenen. Bij plaatsen was de hemel geheel en al blauw. 't Lawaai der
+stad zwol op en het volk krioelde al thoope. Het docht Goedele dat er
+veel kinder stemmekens tusschen stegen en tegelijk een schelle geklepper
+deden omgaan, dat haar deugd deed. Ze werd vroolijk en antwoordde op
+Ameye's grondige gezegden, met haar volle gemoed, en redeneerde met hem,
+liet zich kwaadgezind omdat hij haar te vroeg gelijk gaf, en schaterde
+het uit. Hij hoorde haar geerne bezig, voelde wel de nadering van deze
+rijkbegaafde vrouw, en hij raadde hoe vernepen ze gehouden werd,
+naarmate ze zich nu wild en begeesterd overgaf.
+
+Ze keken alles omme en na. Hij deed haar overal iets opmerken, dat ze
+genoeglijk bezag, verwonderd dat zij zelve het niet merken kon. Voor hen
+stapte een heer met een macferlan en een dame in kostelijke kleeding.
+De dame hing aan den arm van den heer, die groot en struisch was en
+matelijk voorttort. Ze kon hem haast niet opvolgen, en drilde nevens
+hem, altijd een stap te late. 't Was alsof ze getweeen kreeftsgewijs
+doorgingen, allebei noesch weg. De dame deed den heer af en toe
+stilblijven voor een modewinkel, en de heer haperde gewillig voor de
+uitstalling van een boekhandelaar. Ze zeiden maar luttele woorden.
+
+--Dat zijn brave getrouwde menschen, sprak Ameye.
+
+--Zoo verschillend van meeningen toch?
+
+--Ze geven malkander toe. Ze zijn redelijk. Zie! De heer kijkt naar de
+illustratie van het uithangbord, binstdat de dame nauwkeurig de hoeden
+beloert. Hij is verduldig. De dame zal straks verduldig zijn.
+
+--Maar dat is een zotte leven! meende Goedele.
+
+--Die menschen zijn getrouwd, zei Ameye. Hij liet haar naderhand vragen
+wat hij omtrent het huwelijk dacht, en hij beweerde dat de beteekenis
+van het huwelijk grootendeels in die boutade besloten lag.
+
+--Het huwelijk is wel een beetje onzedig.
+
+--Onzedig?
+
+--Maar een noodzakelijke instelling, die dan weinig te maken heeft met
+wat we liefde noemen. De liefde kan in het huwelijk bestaan, en heel
+vaak slijt eruit weg, omdat twee saamgebrachte wezens van nature sluw
+worden, door ikzucht, en geen wederzijdsch vertrouwen bewaren kunnen.
+Aldus spreek ik nog maar van gezonde, billijke huwelijken. Onze
+maatschappij is echter zoo ingesteld, dat over 't algemeen met een echte
+liefde geen rekenschap gehouden wordt.
+
+--O ja!...
+
+Hij voelde hoe zij met nadruk dat zei en seffens droeve werd. Hij bleef
+een oogenblik zwijgen en sprak nadien met een daling van zijn stemme:
+
+--De liefde daarenboven is waar zij is, en wij, zijn niet meester over
+haar. Wij zijn allemaal zoo'n zwakke, slaafsche schepsels, juffrouw.
+En als de liefde buiten het huwelijk komt, wat kunnen wij doen?...
+De liefde is _overal_ heilig.
+
+--Dat wil zeggen: de liefde mag wispelturig zijn?
+
+--De liefde is niet wispelturig, maar wij noemen altegauw liefde, wat
+geen liefde is, wat een klein gevoel is zonder wortelingen. De liefde is
+heilig, als zij grondelijk is en ons gansche vleesch beheerscht--en dan
+heeft ze paal noch perk, en dan kennen wij geen mate om ze te meten en
+geen banden om ze te dwingen. Dan is ze ons zelf, geheel en al, en
+heilig ... en overal....
+
+--Ik weet zoo geen liefde.
+
+Hij boog zijn hoofd, precies om een hevig gestraal der zonne te
+ontvluchten en zichtbaar hergingen rijzekens zijne lippen. Hij zag de
+waterplaskens en de grijze droogten wegsleren onder zijne voeten. Op
+deze stonde, waar ze beide stille voorttorten, ontstond er een wrevelig
+ongemak. Goedele voelde dat hare oogen moe werden, lijk die van iemand,
+die te lang in warme kamers bleef. Ze zei:
+
+--We loopen buiten onzen weg!
+
+Ze keerden zich alletwee naar links en rechts, en begonnen te lachen.
+Ze waren nabij de St. Anne markt.
+
+--Ja, sprak Ameye, we loopen buiten onzen weg....
+
+Ze was tewege hem te vragen waarom hij zoo zonderling op zijn woorden
+aandrong, maar ze gebaarde dat ze niet geluisterd had.
+
+'t Was hier een groote drukte. De menschen liepen dooreen in ijverig
+bedrijf. De markt was zwaar van rumoerig leven. Vrouwen met paanders
+drumden tegen malkander aan rond de kramen, en kozen hun waar, eromme
+pootelend en tastend en wroetelend om niet bedrogen te worden. Uit een
+zijstrate kwam een vlote stootkarrekens aangereden, met een gulden
+vracht appelsienen beladen en door ruchtige meissens gevoerd. Voor 't
+portaal van de St. Anne-kerke stond een liedjeszanger te brullen van "de
+lieve Genoveva" binstdat zijn wijf, bezorgd voor al te strenge politie,
+een endeken verder de wacht hield. En de zonne wemelde tusschen die
+luidelijke beweging, smeet open haar bundels licht, klaterde langs de
+zwellende tenten, waaronder de wind zich toornig miek.
+
+Goedele lanterfantte een beetje, een toenemend belang stellend in de
+doening van die werkzame menschen, ook om de koelte te vergeten, die
+over haar en Ameye gezonken was. Ze verwonderde zich over 't een en 't
+ander, lachte altemets luidop of werd weemoedig van deernisse.
+
+--Aai-Jezes! Kijk hier!...
+
+Een oud manneken was daar dichtebij, ronddrevelend met een houten
+kistje, vol met muskaatnoten en kruidnagels. Zoo klein was hij, dat hij
+zich gedurig met de ellebogen te voorschijn moest worstelen en alleen
+zichtbaar werd door zijne uitbundige gebaren. Hij had luttele handjes.
+Hij droeg een grijze veste, en een roste broek, bleek en donker
+getafeld, slodderde om zijne kromme beenen. Hij dretste onhoorbaar op
+palullige sloffen, en een roode halsdoek, geelgebloemd, waaide rond
+zijnen korten hals. Zijn hoofd was rond en groot, en zijn gezichte, heel
+nietig tusschen twee uitschelpende ooren, lonkte en loerde, uiterst sluw
+en uiterst beweeglijk. Hij riep met een pieperig stemmeken:
+
+--Nikske van doen?... Alla-dan, madameken,... alhier! alhier!
+
+Hij zag Goedele, en hoe ze daar onthutst hem aan te kijken stond, en rok
+zijn nekke naar heur uit, en kwam vriendelijk zijn:
+
+--Toe-da, madameken, een dozijntje? Groffels, lijk er nievers meer te
+vinden zijn--en lekker ook voor tandpijne! Hoeveel? 't Zijn de leste.
+
+Hij merkte Ameye en werd seffens hoffelijk, aldoor buigend en groetend:
+
+--Mijnheere!
+
+Hij nam een kruidnagel met zijn duim en zijn wijsvinger en hief dien
+omhooge, profijtelijk:
+
+--'n Volle mate voor vijf centen!... Kijk nu toe! Zoo donker als de
+nacht en zoo sappig als de lente! Ge moogt kijken, madameken, en
+betasten ook... Alla-alla-de! een dozijn groffels voor 'n jong
+huishouden....
+
+Goedele bloosde, en Ameye moest den dwerg afwijzen met een strengen
+blik. 't Oudje hinkte zijlings weg en schetterde in een uitval:
+
+--Je-dan ... schoon koppel....
+
+En 't gewone rumoer herbegon, breed en allerwege aanwezig, golvend over
+de menigte, die langs de kramen scharrelde.
+
+--Loopt ge aldus geerne in het razend gewoel? vroeg Ameye.
+
+--Wel ja ik, redelijk.
+
+--De tast van het volk is niet altijd zuiver....
+
+--Zeker, maar ik voel me hier zoo volledig leven, zoo gezond en zoo
+volledig. Ik weet niet--vandaag word ik mijn eigen zoo allerzijds
+gewaar, en alles is mij goed. Ik ben lijk iemand die lang ziek te bedde
+lag en nu uit mag ... en ik dartel in de zonne. Dat leelijk ventje was
+me niet leelijk. Die wijven te gare, die 'k zie staan met hun vuisten op
+hun heupen ... ik merk het wel: ze zijn gemeen.... Maar 'k bezie ze van
+een anderen kant precies ... en alles is mij goed....
+
+Ze wond zich op in 't spreken, probeerde haar vaag gevoel met stipte
+woorden uit te drukken en wijdde uit in vele zinnetjes, nooit tevreden
+omdat ze nooit iets bepalen kon. Ze jubelde en liet zich meegaan met den
+slag van haar driftig herte. Ameye was sprakeloos geworden. Hij stapte
+nevens haar en luisterde met gretigheid, seffens weer neerslachtig als
+er een korte stilte tusschen beide viel.
+
+Ze geraakten in de groote laan. Hij kocht van een leurend meisje een
+rankje hulstgroen met roode peerlen, en bood Goedele het takje aan.
+
+--Voor de aardigheid, zei hij.
+
+Hare hand bibberde even, als zij het broze takje aannam. Ze keek naar
+hem en hare blikken stieten geweldig tegen de zijne aan. Een bedwelmende
+flikkering schoot door haren geest en ze bleef een oogenblik
+verbijsterd, alsof zij haar ziele in zijne oogen opklaren zag, nu in
+lichtende waarheid zich veropenbarend aan haar eigen zelve, en een
+overgroot geneuchte maakte haar dronken....
+
+Ze stapten haastig door, zonder spreken, en geen vond het zonderling dat
+de andere zwijgende was. Ze spoedden zich om straks alleen te zijn, om
+te te peinzen in eenigheid--want nu was hun hoofd vol met aanzienlijke
+gedachten. Achterwege lag de gansche wereld. Achterwege was moeder en
+vader en het vreeselijke huis. Vooruit bestond de endelooze verte, de
+wijde ontijdelijkheid. Het was of ze nu deel gingen uitmaken van iets,
+dat machtig was boven de sterkte van menschenarmen--en eeuwig zijn zou.
+Ze verheerlijkten hun lijf en geest in een nieuwen dageraad ... en wat
+komen moest, was niet te weerhouden.
+
+Ze gingen alzoo. De wagens en sjeezen reden door, holderdebolder over de
+kasseide. De trams tjinkten van verre. Jongens ventten rond met
+dagbladen en riepen luidkeels het nieuws van den dag.
+
+--Zijn we nu op goeden weg? vroeg Goedele.
+
+--Ginder is de brugge.
+
+Bij de vaart werd-het stil. De luie schepen lagen vast tegen de kaaien
+en donkere mannen losten de koolvracht. Men zag ze over de planken
+wiegen, hun duistere gestalte, verlengd nog in het water, waar ze door
+vlug golvengeklets ziggezagsgewijs uiteen werd gezwabberd.
+
+Als ze in de doode straat kwamen, waar Romaan woonde, vertraagde Ameye
+zijnen gang, en hij sprak weemoedig, zonder naar Goedele op te zien:
+
+--We zijn er alreeds....
+
+--Ge tert zoo zoetekens!
+
+Hij vertelde dat hij een beetje moe was: gisteren heel den avond gewerkt
+aan een dringende bestelling, en dezen uchtend heel vroeg te been. Ze
+vroeg:
+
+--Werkt ge veel?
+
+--Als ik alleen ben.
+
+--Zijt gij dikwijls alleen?... Ge hebt nog uwe moeder?
+
+--Moeder is ... weg.
+
+--Zoo eenig leeft ge!
+
+Ze had medelijden met hem. Ze herdacht wel het vierkante huis ginder en
+hare ouders achter het hekken, maar vond het dan bij Ameye veel
+droever--een woonste zonder heerd en altijd zonder geruchte.
+
+Hij bleef staan. Ze begreep niet waarom hij zoo aarzelend deed, waarom
+een groeve boven zijne oogen zichtbaar werd ten teeken van pijnlijk
+gemijmer. Ze praamde hem om door te stappen.
+
+--'t Wordt noene straks.
+
+--Ja.
+
+Hij tort verder zonder opkijken, en, voor de drempel, als Goedele het
+linnenwinkeltje ingaan wou, vatte hij hare hand. Hij deed haar zeer,
+hij knelde hare vingeren in de zijne, en zijn gelaat kwam naderbij.
+Hij fluisterde:
+
+--Gij weet niet?
+
+Zijn asem taakte haren hals en deed haar rillen in al heure leden.
+
+--Niet?
+
+Ze bad dat hij haar los zou laten. Ze was bang omdat zijne blikken zoo
+hopeloos werden, en ze werd niet seffens gewaar hoe onredelijk zijn
+doeninge was: ze bekommerde zich om hem. Hij zuchtte zwaar en slokte
+eens om zijn kele nat te krijgen.
+
+--Niet?...
+
+Ze hoorden, binnen in den winkel, een paar vrouwen hun keuze doen, en
+heel omhooge, tenden de zoldertrap, een vroolijk liedeken van Mariette.
+
+ Ah! Mosieu le capucin,
+ T'as d' la veine--
+ T'as d' la veine!...
+
+Ameye zei:
+
+--Ik ben getrouwd ... al vier jaren....
+
+Goedele rukte zich vrij. Ze voelde geen juiste verhoudingen meer. Ze
+voelde niet meer wat ze was tegenover dezen man, niet meer dat hij voor
+haar een vreemdeling was. Ze kon zich zoo seffens niet hervatten, en ze
+werd heel bleek. Omdat ze leed, wilde ze straffen en geweldig handelen.
+
+Maar hare armen zonken neerwaarts en haar bloed deed een smertlijken
+ommedraai. Over hare wangen rolden twee tranen, die ze niet had kunnen
+verdringen en die nu in de hoeken van haar lippen haperen bleven. Ze
+stamelde, haar gezicht verwringend tot een treurigen glimlach:
+
+--Ho!... ja ... zoo!...
+
+Ameye raapte het witte pakje met suikergoed en het rankje hulstgroen op,
+die, nevenseen, op de zulle waren neergevallen.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+VII.
+
+
+Eenige dagen verstreken voor Goedele in eendelijke onverschilligheid.
+Ze was heel korten tijd bij Romaan gebleven, had geweend omdat Wiezeken
+er zoo deerlijk uitzag en was weggeloopen, seffens. Tante Olympe met haar
+gestadig geklaag maakte haar zenuwachtig, en Madeleen ook, die daar met
+gebogen hoofd aldoor te kijken zat in de toekomst. Ze was weggeloopen.
+Ameye walgde haar.
+
+En de dagen waren verstreken alzoo. Ze wilde niet meer terug bij haar
+broer, ginder waar ze geleden had een onverklaarbare pijne, nievers nog
+geleden. Ze was bang. Ze wilde geerne alles wisschen uit haren geest,
+maar niets anders wekte hare belangstelling, en ze voedde haar wee.
+Al wat gebeurde om haar, werd haar onverschillig. Allentwege was 't
+nietigheid, en de woorden, die gesproken werden, waren ijdel.
+
+Ze werd naderhand door opvretende eenzaamheid, streng voor wat buiten
+het leven stond van hare droefenis. Ze had ruwe woorden met vader. Ze
+verdroeg zijn onnoozel gespeel niet meer en zei het hem met een ruk.
+En Albien keek dan verwonderd op, niet begrijpende die stoere manieren,
+getaakt in zijne liefde, als hij nu dacht, in kinderlijke vreezen:
+
+--Zij ook ... en ziet mij niet geerne....
+
+Omdat ze zoo verduldig was met hem, had hij gemeend dat zij hem dan toch
+vatte. Hij vroeg:
+
+--Zijt ge ziek, mijn kind?
+
+Ze was getroffen omdat zijn stemme zoo diep een grondslag had, omdat hij
+zoo innig bedrukt was, en meteen zoo vaderlijk. Ze zag hoe hij het
+nieuwe Snoeckboekje met onverschillige vingeren van zich afduwde en
+nader kwam, dichte bij haar, en zoetekens hare handen toetste.
+
+--Nu ben ik in waarheid triestig van zin, zei hij.
+
+Hij boog zich om goed in haar gezicht te blikken, om te zoeken naar heur
+leed, dat wel ievers in hare oogen zou na te speuren zijn.
+
+--Hebt ge zeer?... Toe-de, mijne dochter.... waar is 't dat ge zeer hebt?
+Voor de eerste maal voelde Goedele in dezen zachten man haar vader
+levendig zijn en goed. Ze werd gewaar dat ze weenen zou, als ze geweld
+moest doen om te spreken. Haar borste zwol.
+
+--Wat is 't, zei Albien, dat hier ommegaat, sinds dagen? Ge loopt rond
+lijk te lore in dees huis, en ge zwijgt ... en het wordt van alle kanten
+zoo bang. Ik heb nu geen lust meer in ditte ... noch datte.... Moeder is
+ziek en gij?... Wat deert er? Ik heb nu permintelijk geen lust meer....
+Waar, waar, mijn kind.
+
+Stille kwamen zijne woorden te reke, en ze brachten eene treurige
+stemming alom. Maar Goedele stiet dan aan tegen 't beeld van haar eigen
+lot en ruw werd ze op nieuw.
+
+--Bah!
+
+Ze draaide op hare hielen rond, lijk een meisje licht van gemoed, en ze
+liet vader alleen. Als ze de deur uit was, wilde ze wel terugkeeren en
+den man meteen in hare armen prangen, al streelende dat brave hoofd, dat
+kinderlijke, vol kleine gepeinzen. Ze kon niet: ze moest lachen luidop,
+ten gebare dat ze hier alles potsierlijk vond, en ze drilde verder,
+langs leege uren zich voortsleepend, lijk een schaduw in noesche licht.
+
+Ursule lag in haren leunstoel te denken. Seppie, het hondje, moest
+gedurig op haren schoot stille blijven, en ze streelde met luiere
+vingeren in zijn lange haren, wijlend achter zijne oorkens, waar 't hem
+uitermate deugd deed. De dagen gingen omme en ze was gestadig aan 't
+wroeten in hare hersens, overentweere wiegend met blijvende mijmeringen.
+
+--Daar heerscht een geheim in 't geluchte. Ze voelde 't zoo, ze tastte
+'t. De doening van Goedele ontsnapte haar niet, en ze was zeker dat een
+gevaarlijke gebeurtenis aan 't zieden was en aan 't zwellen. Omdat ze
+nooit anders dan meesteresse geweest was en nievers door verborgen
+machten bekampt, wilde ze klare wegen zien en vaste staan. Ze begreep
+wel dat Goedele wegslibberen wou, en ze vreesde dat zij er toe komen
+mocht. Om dwaze plannen te kunnen tegenwerken, moest ze Goedele's
+inzichten kennen. En Goedele was ondoordringbaar....
+
+Ursule's vroegere strijdlustigheid geraakte wakker stilaan: ze zou weer
+door oolijke listen hare dochter overwinnen, lijk ze vroeger haar vader
+overwonnen had. Ze deed Goedele door Justa, de nieuwe meid, bespieden.
+Justa moest al de brieven over den moordamp in de keuken openbreken,
+moest in Goedele's kamer snuffelen en laden met valsche sleutels
+ontsluiten, alles omkeeren en inzien en beloeren. Ze had Justa voor
+dergelijk werk bijzonderlijk aangenomen.
+
+Justa was een klein vrouwken, levendig en minzaam. Ze ontving alle
+boodschap met een vriendelijk glimlachje en sprak iemand nooit anders
+aan dan in den derden persoon. Ze had uiterst leelijke handen, met
+omkrullende vingers, en hoekige kneukels. Ze bracht die gedurig bij
+malkaar, in profijtelijke houding, boven haren buik en wreef ze trage
+overeen, al schattend somtemets met vierkante nagels. 't Was een
+Westvlaamsch meisen. Ursule kende hare ouders, gebogen eerde-wroeters
+zonder hope, etende en biddende wezens, den dood nabij. Justa, de eenige
+dochter, had met blij gemoed hare broers en de oudjes verlaten. Haar
+doorslepen zinnen, waar ze aldoor in de parochie gebruik had van gemaakt
+om oolijke daden te stichten, meende ze nu eens ten dienste van vrijer
+bedrijvigheid te kunnen stellen. Als Ursule haar met korte woorden
+uiteengeleid had wat in werkelijkheid van haar verlangd werd, had ze
+aldadelijk heel de zake begrepen en aanveerdde gretig het nieuwe gebod.
+Ze was bovendien werkzaam en net, bracht goede orde in de keuken en
+leerde veel van Ursule, die haar in kookkunde hielp. Ze werd een
+voortreffelijke meid. Men had haar een schoone belooning beloofd, als ze
+dienstveerdig zijn wou naar Ursule's volle goesting.
+
+--Zoo is mijne goesting! had Ursule gezeid.
+
+Ze moest Goedele tot in haar minste bedrijf bespieden....
+
+Ursule vernam echter niets. Goedele bleef thuis, liep de kamers door,
+zat altemets een endeken te borduren, te knippen aan een kunsttapijtje,
+te kijken meerendeels langs het venster naar 't gewaai dat bijsde in de
+boomen. Hare kleeren, hare laden, hare brieven--'t werd alles besnuffeld
+en befrutseld: nievers lag een verraad van haar geheim gedoe. Justa
+luisterde achter de deure, als ze saam met Sebastiaan in de eetzaal was.
+
+--Wat zeggen ze? vroeg Ursule.
+
+--Bijna niets ... een woord ... een ja--een neen....
+
+--Maar, hoofdzakelijk?
+
+--Niets! zei Justa.
+
+Ursule werd koortsig daarvan, hetgeen haar dan niet het minst voordeelig
+was, want al nijpender drong de pijne van haar "rheumatiek" in hare
+braaien en ze kon soms rijzekens opstaan uit haren zetel. Ze wilde geen
+dokter.
+
+--'t Is rheumatiek.
+
+Dat was zoo haar zeker zijn. Ze hechtte daarenboven niet veel belang aan
+die tijdelijke ziekelijkheid. Haar geest was voortdurend anderszijds
+gespannen en wilde klaar krijgen de vaagheid om Goedele's manieren ...
+Zij deed op een uchtend Goedele bij haar komen en neerzitten nevens 't
+raam, vlak onder het nieuwe daglicht. Ze begon te klagen: ze had sinds
+nachten geen ooge meer beloken, ze was zoo lijdende, ze voelde dat het
+erg worden zou, en de nachtmerrie bezocht haar....
+
+--Och! Och!... dat is vreeslijk!
+
+Ze praamde Goedele dat ze maar goed opletten moest, en in geen tocht
+mocht blijven, en 's avonds aandachtig de vensters zou sluiten, en een
+dobbele sargie vragen aan Justa.
+
+--'t Is nu 't gevaarlijke seizoen.
+
+Dan was 't een ander thema: ze wilde bovenal Goedele's geluk, ze dacht
+er altijd, altijd aan, en ze zou alles doen om dat geluk te verzekeren.
+
+--Willen we verhuizen?
+
+Goedele hief onverschillig hare schouders op en zuchtte. Ursule drong
+aan:
+
+--We zullen hier weggaan, we zullen een Engelsche villa betrekken,
+ievers in den omliggende, waar er bloemen zijn, buiten de wilde stad.
+Ik zie dat ge hier wegkwijnt en ik weet niet de reden.
+
+--Daar is geen reden ... en ik kwijn niet weg, moeder....
+
+--Kom! Kom!...
+
+Ze stoop zich voorover en lonkte met droeve teerheid, wenkend dat
+Goedele naderen zou. Ze sprak met zoetigheid: ze zag alles, ze was
+moeder daarom, ze wist dat iets mishandde.
+
+--Voel ik dan niet?... Ik voel uw treurende gepeinzen. Niet neen zeggen,
+kind, niet neen zeggen.... Ge draagt een last. Ik mag u helpen. Ik wil
+doodgeerne uw leven zacht maken, uw wegen zacht maken. Duik niets voor
+mij, die boven alles uwe moeder ben. Ik heb al doen uitzien naar een
+villa, een djentig dingetje diepe in het loover. Ik wil ook niet dat ge
+hier zoo eenig loopt. Bella zal na den noene komen, een paar uren, met
+haar borduurwerk.... Zoo slijt de leege tijd. Ik ben vol zorgen om
+uwentwil, mijn kind. Waarom wilt ge u verbergen voor mij?
+
+--Toch niet, moeder ... maar, kijk, ik ben moe en ziek. Romaan is zoo
+buiten reden triestig en Madeleen ook ... en Wiezeken is verre,
+verre....
+
+--Is dat alleen uw droefenis?
+
+--Dat is een groote droefenis.
+
+Ursule bukte zich meer nog en vatte Goedele's hand. Ze vroeg, al
+starrelings turend dwars in hare oogen:
+
+--En Sebastiaan?... Ge zit zwijgend nevens hem. Ge zegt hem niet wat uwe
+tranen beduiden. Ge zegt niets. Dat zijn toch geen geheimen?... Mijn
+pover kind, gij hebt Sebastiaan niet lief!
+
+Ze bleef uitermatig zachte en Goedele keek verwonderd op, niet wetende
+wat er uit zoo'n gesprek komen moest en vreesachtig, om den wille van
+moeder's sluwe manieren. Ursule vroeg;
+
+--Wenscht ge niet te trouwen met hem? Laat ons vertrouwelijk zijn.
+We zullen saam beramen wat we doen moeten, en wel vinden, wel iets
+vinden.... Ik wil u niet in iemands armen gooien, tegen uwen zin. Ik heb
+goed nagedacht.... Spreek nu, laat uw herte vrij daar liggen voor mij,
+uwe moeder. Hebt ge, buiten Sebastiaan, een man ontmoet, en voelt ge een
+andere liefde?
+
+Goedele sprong koortsig rechte en schoot uit in eenen schokkenden lach.
+Ze werd heel rood en haar oogen baadden in glinsterende tranen. Ze moest
+haren neusdoek over haar aangezicht brengen en 't was of ze nadien te
+niezen begon. Ze bedaarde. Ze riep:
+
+--Wel, moeder, onnoozele moeder!
+
+Ze wilde wegloopen, maar Goedele gebood dat ze blijven moest. Ze bleef.
+Ze lachte lijk een zottin en joepte met snokjes opwaarts. Ze gichelde
+bij poozen:
+
+--Ikke?... Ikke?... Wel hemelsche deugd! mijn moederken!... Liefde voelen
+of andermans liefde ontvangen!... Bespottelijk, zoo'n idee!... Ik zegge
+'t u: stel u in ruste... Ik trouw met Sebastiaan.
+
+Ze nam Seppie op, schudde hem boven haar hoofd, zoodat het beestje daar
+in de leegte, met luie pootjes, te slodderen hing. Ze knikte hem toe,
+smeet hem omhooge en grabbelde hem tegen hare borst vaste. Ze lei hem
+naderhand op moeder haren schoot terug, merkte hoe ze nu vol met
+haarkens was, langs hare schouders en op hare mouwen, en mummelde met
+pruilende lippen:
+
+--Hatje! het leelijke jong!...
+
+Ze werd seffens heel ernstig, knipte de haarkens weg, zenuwachtig en
+kort. Ursule jubelde in haar eigen, als ze de verklaring kreeg dat het
+gewenschte huwelijk ten slotte toch gebeuren zou, maar nadien, bij 't
+zonderling gesnap van Goedele, werd ze wantrouwig opnieuw. Ze zweeg
+echter en rolde binstdien in haar hoofd een versche golving spijtige
+gepeinzen.
+
+Al pratend, en dooreengooiend een reesem lichtzinnige woorden, drilde
+Goedele langs de trap naar heur kamer, en sloot zich op. Ze viel lijk
+een massa op haar bedde en begon hevig te schreemen. Dat duurde een
+lange stonde, tot Justa haar opzoeken kwam voor 't noenmaal. Ze waschte
+zich haastig, liet 't kille water vloeien over hare slapen en baaide
+hare oogen. Ze had deugd aan die prille frischheid en voelde een klaarte
+komen in hare onrustige gedachten. Ze tort dan de eetzaal binnen en ging
+neerzitten, naar gewoonte, tusschen vader en moeder.
+
+Na den eten werd aan 't groote hekken gescheld. Bella schoot huppelend
+in huis en vloog blozend en schaterend aan Ursule's hals.
+
+--Hoe gaat ge, beste mevrouw?... Wel! men kan het niet eens zien op uw
+wezen, dat ge ooit ziek geweest zijt?... Dag, Goedele, dag, beste
+heer.... 't Is wel koud buiten, hoor! Dan zet ik het op een drafken
+langs de straten ... en de menschen kijken me na.... Ik loop geerne in
+'t koude weer....
+
+--Ja ... ja ... de jonkheid, lachte Albien.
+
+--Ik ben met de gauwte naar hier gedreveld ... Wilt ge even mijn paletot
+helpen uittrekken, Goedele? Dat is een dwaas ding--ik geraak er nooit
+van af. Mijn mouwen zijn ook zoo potsierlijk ingewikkeld.... Hai!
+mijlieve, ge snokt me haast de armen van het lijf.... Ja! Ja! Ja!
+
+Ze danste van ongedurigheid, bijsde hare heupen en lachte. Ze tikte met
+hare vingeren dolle haarkrullekens weg, die op haar voorhoofd belden en
+jeukten in hare wenkbrauwen. Ze reikte dan aan Ursule een ranke mimosa,
+die ze met haar hermelijnen mofje op de glazen dresse had neergeleid.
+
+--Djentig, hee?
+
+--Heerlijk, mijn kind--Onnoozel dat ge ervoor zoo'n dwaze onkosten doet.
+'t En was in waarheid niet noodig....
+
+--Ja!... ja!... ja!...
+
+--Danke.
+
+Bella weerde zich om drollerig te zijn en sprak van heur magere
+spaaroordekens. Anders had ze een heelen ruiker meegebracht.
+
+--Ge weet wel--zoo zacht-witte winter-rozen ... maar dat kost! dat kost!
+Ze zette zich neer en vingerde ongedurig om de gulden korreltjes van
+hare halsketen en, omdat nu een tijd de stilte neerviel langs deze
+ongezellige kamermuren, zocht ze opgewonden in haren geest naar spelende
+woorden. Ze vertelde van thuis--hoe moeder sinds een paar dagen
+aanhoudend aan maagpijn leed en hoe ze dan zoo lastig van humeur was,
+en hoe vader dan wegliep, om ongemakken te vermijden. Ze tuurde naar 't
+kille gezichte van Ursule, daar roerloos rustend tegen de hooge leuning
+van haren stoel, schoon-gelijk van weerskanten en effen lijk gladde
+marmersteen, even hard ook en zonder warmte van binnen. Ze voelde wel
+dat ze met hare vroolijke zinnetjes kwam zonder uitslag aanstooten tegen
+de roerlooze vlakten van dees gewillig gelaat. Ze loerde omdieswille
+rijzekens naar Goedele, die opstaarde langs 't venster naar de varende
+doening der wolken. Ze had een zonderlinge bangheid over zich, lijk
+iemand die zondigt entwat en meent dat elkendeen 't kan lezen. 't En was
+precies niet dat ze gezondigd had, maar toch vreesde ze den diepen,
+droomenden blik van Goedele. Aan dien blik kon ze geen geheime gedachte
+verbergen. Daarom taterde ze aldoor, haar eigen vergetende en alles om
+haar vullende met ijdel gebabbel. Ursule knikte stillekens of
+fluisterde:
+
+--Ja ... zekerlijk ... ik peinze aldus....
+
+Bella was erdoor opgehitst en sprong mateloos van 't eene nietig voorval
+naar 't andere. Ze wilde met woorden alles opjagen tot een gewichtige
+gebeurtenis, en verzinde tallenkant eromme een kantwerk van
+belangwekkende detailleeringen. Ze belonkte op Ursule's wezen of daar
+endelijk geen snare bewegen zou en, als bijwijlen een rimpel langs den
+neuze zonder reden dieper viel, bleef ze om haar gezegde met opzet
+haperen en vertijen, meenende dat Goedele zoo meteen zeer aandachtig
+werd. Ze was aan 't vertellen van de verkiezing.
+
+--Och! mevrouw-lieve, gijlie gaat nooit buiten huize! De stad is een
+strijd, een roepen van kwade of geestdriftige menschen. Ge moet al die
+gezichten eens zien uitrekken naar de brutale kleuren van politieke
+plakkaten. De eene peinzen: 't is waarheid! De andere vloeken: ze
+liegen! Daar loopt soms een heerken tusschen, dat zwijgt en niets en
+denkt en in 't gewoel zijn dansend buiksken laat wiegen.... Die ziet er
+gelukkig uit.
+
+Goedele liet over haar gaan die reesems huppelende zinnen en 't werd
+haar in den beginne een aangenaam gezeur, lijze streelend langs hare
+slapen. Ze voelde alzoo een korte bedaring ruste brengen in hare
+opgeketste leden en ze mijmerde. Ze vaarde geleidelijk met onbepaalde
+gedachten weg, en de ruimte daarbuiten, de schoone ruimte met hare vrije
+golvingen en hare pluimlichte endeloosheid, kwam om haar. Ze zweefde er
+in, en ze werd haar eigen aandoeningen nauwelijks gewaar. Ze kon wel in
+'t zoete geharrewar van al hare ommentweer doezelende ideeen 't zicht
+herkennen van Madeleen en Romaan, van Wiezeken en tante Olympe, van
+Ameye.... Ze tastte nog het werkelijke leven, maar 't en bezeerde haar
+niet. En Bella babbelde. En daarhooge togen de wolken voorbij. Ze kreeg
+de heel grijze emotie van heur kinderjaren, eene vluchtige verschijning
+van verre herinneringen, ginds in den hemel, rotewijs. En dan,
+plotseling, de val van een takje hulstgroen met roode perels....
+
+Ze bracht misnoegd hare hand over haar voorhoofd en het gekwetter van
+Bella tjokte onwelluidend in hare ooren. Ze fronste hare wenkbrauwen,
+stond seffens rechte en merkte opeens dat een nijpende hoofdpijne haren
+kop tot in haar nekke omknelde. Ze stapte langzaam de deur uit. Ze bleef
+aarzelen bij de zoldertrap en tort na een oogenblikje toch naar boven.
+
+Ze had nu een leelijke kure, een ziekelijke wreedheid. Ze ontmoette voor
+hare slaapkamer grootvader, die er kousevoets stond, met angstige oogen,
+te loeren kantewaarts naar heur. Ze herkende in zijne blikken de valsche
+lichten, die hij niet duiken kon, en ze moest op die stonde door een
+helsche kwaadwilligheid gedreven, hem treiteren, hem nijpen met
+dubbelzinnige woorden, hem zeer doen met brutale gezegden. Dat voelde
+ze.
+
+--Wat doet ge daar?
+
+Hij grinnikte en schokschouderde. Ze wilde hem wegjagen.
+
+--Uit mijne kamer! Wat doet ge, in mijne kamer tewege? Weg, zeg ik u!
+
+Ze fluisterde hem toe:
+
+--'k Hebbe toch al mijn laden vaste gesloten....
+
+Rik rilde een tijdeken. 't Viel hem nu kwalijk, dat gedoe van Goedele.
+Hij probeerde zijn lijf verontweerdigd achterover te snokken. Ze zei
+dadelijk:
+
+--Haal moeder's kistje!
+
+Hij zakte ineen. Zou hij op dees oogenblik kapot gaan? Hij grabbelde
+achterwaarts naar den muur om steun te vatten. Hij kon zijne oogen van
+Goedele's hand niet krijgen, die, gebiedend, naar de hooge deur der
+leege zalen wees. Hij zeeg lijk een vodde thoope en zijn asem wilde uit
+zijn kele niet. Hij snakte. Hij deed zijn kop gedurig hergaan, lijk
+iemand die jaknikt, en zijne vingeren scharrelden over den muur, wilden
+zich ievers vasthaken.
+
+Goedele keerde zich vluggelings omme en tort klaar-lachend de trap af.
+Hare lach klonk heel wit en eendelijk, en ze hoorde Bella beneden even
+ophouden met tateren, binstdat moeder vroeg met ontstelde stem:
+
+--Wat gebeurt er?
+
+Ze kwam in de kamer weer en zette zich op een stoel. 't Was hier nu
+danig droeve. Ze zei:
+
+--Ge moet mij alzoo niet bekijken, menschen.... Ik heb daar een vieze
+leute gehad!
+
+Bella lachte subiet mee.
+
+--Vertel eens, Goedele....
+
+--Straks!
+
+Ze ging voor den spiegel staan en schikte nauwkeurig eenige losse
+haarstrengen. Ze peuterde nadien aan een strikje, dat leelijk viel op
+haren rechterschouder, en vroeg, onverschillig:
+
+--Hebt ge uw borduurwerk mee, Bella?
+
+--Ja ... wacht even....
+
+Ze zetten zich allebei onder 't noesche vensterlicht, en Goedele schoof
+het kleine werktafelken bij. 't Duurde een heelen tijd, eer ze hun
+tamboerijn gespannen hadden en de vele zijden strengetjes klaar gemaakt.
+Bella was bezig aan een bleek-groen fichu, waar ze teer-gele
+boterbloemen op stikte, in kransjes liefelijk saamgebracht. Ze was
+seffens aan den gang, haastte zich gejaagd alsof 't gauw afmoest. Ze
+boog zich lage over haar werk, en moest bijwijlen scheef gaan zitten om
+licht te krijgen op de luttele teekening. Ze werkte altijd zoo,
+gauw-weg, zonder goesting en zij en zocht nooit naar een fijne
+nuanceering. Ze naaldde de tinten te gare, nagenoeg zooals ze aangeduid
+waren op 't model, en ze was alzeere moe, om een beetje te rusten al
+zuchtend.
+
+Goedele zat meestendeels met luie vingeren te wachten, te kijken naar
+Bella, en ze merkte dan 't een en ander op, bitsig een woord zeggend,
+dat onaangenaam klonk. Endelijk geraakte in huis een zwaar en moedeloos
+zwijgen, en onderwijl zoefde alover den tuin een grillige wind. Ursule
+had hare oogen dichtgedaan en hare handen lagen bijeen, rijzekens mekaar
+takend, op haren schoot.
+
+--Zie! sprak Goedele, trouwen, daar moest ge eens aan denken, Bella!
+
+--Trouwen?
+
+Bella giechelde en de strengskens zijde schoven van haar knieen op het
+voettapijt. Ze was tevreden dat ze, bukkend om 't lichte gerief op te
+rapen, alzoo haar blozende wangen kon verbergen. Een leelijke rimpel
+groef een nijdige schaduw om Goedele haren mond. Ze zei, koud:
+
+--Doe nu niet gek! Ik zie wel dat ge geerne er aan denken zoudt....
+Maar helpt mijnheer De Vleeschhouwer u niet hierin? Moeder heeft me aan
+Vrebos geholpen.... A-propos, die komt straks weeral!
+
+Ze blikte naar 't horloge en vroeg:
+
+--Is 't hier 't juiste uur, moeder?
+
+Ursule ontlook langzaam hare oogen, trok haar uurwerk te voorschijn en
+bracht het aan, heur oor. Ze keek nadien vluggelings er naar en
+antwoordde:
+
+--Half-vijve.
+
+Hare wimpers vielen trage toe.
+
+Goedele vroeg een versche naalde aan Bella, en merkte hoe Bella's hand
+even bibberde, al reikende over de werktafel. Dezelfde plooi zakte van
+weerskanten, bezij hare lippen. Ze kreeg een kwaad en onweerstaanbaar
+verlangen, precies lijk daarboven, als ze meteen voor grootvader stond.
+Ze veranderde van stem en liet hare woorden met scherpe ruwte hakken in
+de stilte.
+
+--Zeg eens, Bella, wat is eigenlijk uw idee omtrent mijn verloofde?
+
+Ze genoot in waarheid de ongesteldheid van het meisje, dat daar verlegen
+en hopeloos tegen haar vrage spartelde. Het was haar een ongewoon
+geneuchte, een deugddoend gevoel, dat uit een kwaden drift opwalmde en
+spelemeide in hare hersens, heel zacht. Bella vingerde zonder aandacht
+om haar borduurwerk en stamelde dat ze niets dacht.
+
+--Wat heb ik te denken, lieve, en wat bedoelt ge met zoo'n advies?
+
+--Juist uw advies. Ge meent zelve best wat ik bedoelen wil. Een advies.
+Is hij schoon?
+
+--Och!
+
+--Is 't een vent met een lijf voor de liefde?
+
+--Zotte kappe!
+
+--Peinst hij diepe en drukt hij 't sierlijk uit? Enfin, ge joept daar nu
+stotterend en ongedurig op uw stoel....
+
+--Ik vind het hier bang....
+
+--Ja--bang.
+
+Ze blikten subiet op naar mekaar en Bella beukte tegen de harde oogen
+van Goedele. Ze zonk precies weg, niets meer doende, zich overgevend,
+tewege te weenen. Ze wilde geerne opstaan en buiten loopen en lucht
+krijgen. Ze fluisterde:
+
+--Ik word ongemakkelijk....
+
+Omdat niemand haar opbeurde en te helpen naderde, werd de gloeiing om
+hare slapen onverdragelijk. Ze voelde den scherpen stoot van Goedele's
+blikken gedurig. Goedele zei:
+
+--Ge windt uzelve op.
+
+--Neen.... maar 't zal wel overgaan. De stove brandt geweldig.
+
+--De assche ligt dood.
+
+--Mag de deure niet open met een reetje?
+
+Ze stond op en werd eene knikkende slapte gewaar in hare knieen. Ze
+bleef een endeken in het deurgat staan. Ze zag Rik zitten op de trap,
+heel bleek, en staren met diepe oogen, grauw ommendomme beschaduwd.
+Ze probeerde zich te hervatten en lachte den grijzaard even toe, al
+groetend:
+
+--Daag--daag--
+
+Rik grommelde onachtzaam, en ze tort binnen opnieuw, teenemaal
+ontredderd. Er werd aan de straatpoorte gescheld. Ze bracht schokkend
+hare hand over haren boezem, binstdat Goedele lachte:
+
+--We hebben van den duivel gesproken: daar is nu Sebastiaan!
+
+Bella hijgde. Het docht haar dat de tijd niet voort wilde, dat hij zich
+langzaam uitrok en dat er geen ende aan dees folterend oogenblik zou
+geraken. Ze vreesde de stonde, waar Sebastiaan zou binnen komen, en
+seffens daarna verlangde zij die, benauwd voor de eeuwigheid die zij
+meende van dit oogenblik af te zien aanbreken. Ze hoorde door 't getuit,
+dat ziedde in hare ooren, de stemme van Ursule.
+
+--'t Ligt hier zoo alles in wanorde!
+
+En ze had dan nog een haastige beweging om de zijden draadjes, die
+tallenkant uiteengewaaid waren, een beetje te schikken. Een haastige
+stap klonk op den drempel. De peizelijke groet van Vrebos viel haar
+zwaar te moede en ze kon nauwelijks glimlachen. Ze staarde naar de
+boterbloempjes op het borduurtamboerijn. Als Goedele sprak, was 't
+haar of heel de kamer instortte onder 't klabetterend lawaai. Ze lei
+rijzekens hare hand in de uitgereikte hand van Sebastiaan. 't Was eene
+nieuwe emotie. Goedele zei:
+
+--Kijk! Basti, ik en deug niet voor u. Ge moest eens goed ommezien en
+met Bella trouwen!
+
+Bella gilde. Haar bloed schoot ineens weg en haar kinne schokte op hare
+borst. Ze stortte achterwaarts over en lag, met een doffen slag,
+roerloos op het tapijt. Elkendeen sprong toe. Men klopte in hare handen
+en wreef over haar voorhoofd.
+
+--Djeezes-Maria! stotterde Ursule.
+
+Goedele stond een oogenblik triomfelijk rond te turen. Een donkerroode
+blos kleurde hare wangen. Langs de open deur, merkte ze toevallig nog
+Rik, die 't ivoren kistje aan 't bergen was, achter een fuchsiapot,
+gebarende dat het daar ievers wel mogelijk was zoek geraakt.
+
+Ze was nu niet schoon. De twee rimpels in de hoekjes van haren mond
+lagen heel diepe.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+VIII.
+
+
+Goedele had in den nacht hevige traanbuien, en zij en kon maar lichte
+insluimeren, gedurig weer wakker opschietend in bange droefenis. Ze
+weende bij 't naderen van haar onredelijk wee: ze dacht aan haar zelve,
+aan de toekomst, en ze voelde dat haar leven gebroken was. Ze snikte
+seffens. Ze had geen gramschap in haar, geen toornige uitvallen wolkten
+met heete walmen op uit haar herte. Ze bekeek elkendeen zonder wrok.
+Moeder was haar geen hardvochtig wezen meer en ze kon peinzen op heur,
+zooals ze peinsde op vader: een groot medelijden verlamde haar oproerig
+karakter en ze weende, duikende haar brandend gezichte in 't zakkend
+geveder van haar hoofdkussen.
+
+In den morgen verzwakte haar uitermatig leed, maar ze bleef den dag door
+turen naar den komenden winter, verslonden in vaag gemijmer, aldoor
+treurig en maf. Ursule trachtte meermaals met zoet gevlei haar op te
+beuren. Ze sprak weer van een cottage, waar ze zouden gaan inwonen, bij
+'t naderen van de lente. Ze dierf echter het gezelschap van Bella niet
+meer oproepen. Het was gisteren al te bar verloopen en de herinnering
+eraan zou geen goed stichten.
+
+De weke liep door. De verkiezingen gebeurden met groot lawaai en een
+nagalm ervan drong in dees spokig huis. Men sprak van 't voorval, en dat
+bracht een beetje verscheidenheid binnen. Ook een heele zake was 't, als
+Justa, in 't voorkamertje, het ivoren kistje ontdekte. 't Was tooverij.
+Maar Ursule had voorloopig gewichtiger gepeins en Goedele was niet uit
+haar droomen te leiden, zoodat het kistje algauw vergeten werd.
+
+Op een nacht begon 't nijpend te vriezen. Schoone bloemen waren 's
+ochtends zichtbaar op de ruiten, witte bloemen met divers geblaan,
+allemaal zuiver en sierlijk van vormen. De tuin lag met blanken rijmel
+bestoven en de strate, onder den tert der menschen en 't gerammel der
+wagens, klonk bijzonder luidelijk. De postbode bracht, al heel vroeg,
+een brief voor Goedele.
+
+--Wat is 't? vroeg Ursule.
+
+Hij werd koortsig opengebroken. Er kwamen hier bijna nooit brieven toe,
+behalve somtemets een kort schrijven van Vrebos of een welruikend
+kaartje van mevrouw De Vleeschhouwer. Deze brief was van tante Olympe.
+
+--Nieuws van Romaan, fluisterde Goedele, heel laag.
+
+Hare blikken schoven vluggelings over de zwarte onregelmatige letters,
+heel die brave, gebrekkige taal van 't oude wijveken, en stilaan
+geraakten hare oogen vol. Ze moest rap pinken om de tranen weg te duwen
+en verder klaar te zien. 't Was slecht nieuws.
+
+Ursule lengde haren hals uit, en op dees oogenblik overviel haar
+werkelijk een breede moederlijke aandoening. Ze stotterde, een ongemak
+voelend in haar kele:
+
+--Watte?... Watte?... Hein?
+
+Ze beloerde 't stille geween van Goedele, elken traan te reke, die rond
+werd onder de donkere wimpers, klaar optikkelde met een sterreken
+veranderlijk licht en trage neerwaarts droop. Goedele stamelde:
+
+--Slecht nieuws....
+
+--'t Is van Wiezeken, niet waar?
+
+--Wiezeken is aan het sterven.
+
+Ze zaten nu allebei rechtover mekaar, in stilte te schreemen. In langen
+tijd had Ursule zoo 'n ware emotie niet gehad en ze verwonderde zich dat
+dees waarachtige droefheid, die haar week maakte en afmatte, haar zacht
+was en deugdelijk. Ze voelde dat ze met dees leed tot dichtebij Romaan
+naderde en ze jubelde zoete, al snikkend, omdat Romaan zoo dichtebij
+was. Ze werd bijna tegen hare vingeren de warmte gewaar van zijn
+geliefde voorhoofd.... Ze zei:
+
+--Ge moet gaan....
+
+--Ja.
+
+--Ge moet zeggen ... iets van mij ... iets van zijne moeder ... aan
+Romaan.
+
+Goedele voelde dadelijk dat moeder rechtzinnig was en ze wilde haar
+geerne kussen, dankbaar om hare goede smert. Binstdat ze zich met haast
+aankleedde, vertelde ze van den verloren broer, zooals ze er nog nooit
+hier in huis over had verteld. Ze wist vele bijzonderheden aan te halen,
+waaruit het gulden hert van Romaan stralend te voorschijn kwam. Het was
+alsof ze tewege was ook van Madeleen te spreken. Het woord verzoening
+geraakte bijkans op hare lippen.... Ze zweeg echter, op dat woord juist,
+nog aarzelend en nog vreezend.
+
+Buiten, op de koude straat, tort ze dapper door. Ze was weer in 't
+gewoel van de haastige menschen, ze taakte weer het drukke werk van al
+die dravende lijven, en, hoe onzeker ook, ze genoot de luchtige vrijheid
+lijk overrijd. Maar gauw drilden hare voeten, al slaande tegen hare
+rokken, en ze beluisterde den slag, hem gauwer aanzettend, om gauwer
+ginder te zijn. De winkels met hunne breede vensters en veelvervige
+uitstallingen sleerden zijlings voorbij. Ze herkende ievers een
+confectiehuis en wierp hare blikken subiet anderzijds. Een oud ventje
+hinkte krukkebeenend op haar af en reikte eene bevende hand uit. Ze
+bleef staan en vingerde in haar geldtasje en gaf een stuiver aan den
+man. Hij boog en een kistje met solferdoosjes, dat hing op zijne borst,
+kwikte schier omme.
+
+Ze hoorde niet wat hij mompelde. Ze was tevreden dat ze hem iets gegeven
+had en dat het niet lang geduurd had. Ze geraakte zoo in 't lage van de
+stad. De trams zoefden en kruisten malkaar. De karren waggelden met
+ongemeen gedruisch. Een kindje riep haar na:
+
+--Juffrouw! Juffrouw!
+
+Ze keek omme en zag het dutseken aandrevelen met een zakdoekje.
+
+--'t Uwe, juffrouw?
+
+Ze tastte in haar pelsen mofje en bloosde, omdat een oude heer haar heel
+scherp aankeek binstdien.
+
+--Ja, lieveken.... Danke.
+
+Verlegen liep ze verder. Tenden de strate lag de vaart. Nog de brug over
+en dan een klein draf ken. Wat zou ze zien? Een rappe angstigheid kwam
+over haar.
+
+--Wat zal ik zien?
+
+Op de brug was al meer moedeloos haar gang en ze tort langzaam, swijlens
+starende naar 't water van weerskanten. Het water was bij plaatsen
+dichtgevrozen, maar om de schepen, die lui en diepe lagen, allemaal
+bijeen langs de dokken, klotsten de vrije golfjes overhand. De grijze
+hemel klaterde erheen, in zilveren schervels, en altemets sprong een
+vliemken stralend licht er te midden op, naar den willekeur van het
+toevallig gespeel. Goedele's blikken bleven daar onbewust haperen en
+hare oogen waren wijd-open aan 't zien. 't Geflikker spatterde aardig
+in haar hoofd en 't herbegon altijd zijn veranderlijke wiegeling. Ze kon
+precies niet verder uitkijken, recht voor haar, waar haar weg gebaand
+was. Hare handen werden heel warm in het doezelig mofje, en ze hervroeg,
+een vaag zicht krijgend van de leelijke werkelijkheid, die naderend was:
+
+--Wat zal ik zien?
+
+Aan 't klein gesleer van hare voeten werd ze meteen gewaar dat ze te
+lanterfanten stond. Een brouwersgast met zwaar gespan riep, om ze uit
+zijn weg te krijgen. Ze liep. Ze beluisterde weer den korten klop van
+hare beenen in 't matelijk gedruisch van hare rokken slaan.
+
+Ze bleef uitasemen op den drempel van den ellegoedwinkel. De nijpende
+geur van dees huis kwam haar ontstellen, en, al wilde ze gestadig denken
+aan 't akelige zicht van Wiezeken, zich daarmee bedwelmend, ze dacht ook
+aan Ameye, die daarboven waarschijnlijk was. Gauw probeerde ze te
+verzinnen welke houding ze aannemen zou, maar seffens schudde ze haar
+hoofd, alsof ze meende:
+
+--Wat scheelt het mij, en wat ben ik tot hem? Ze ging de trap op. Het
+docht haar dat het hier wel akelig zijn moest: de winkel lag stille en
+ginder hooge lag stille insgelijks het leutige lied van Mariette. De
+trap kraakte. Ze zag in de hoeken de gewone stofkens herroeren met het
+kleine gewaai van haar kleeren. Ze merkte 't allemaal op, tot de
+luttelste dingen, en ze klampte zich permintelijk eraan vaste, gestadig
+het oogenblik wegschuivend, dat toch al gelijk aanbreken moest. Ze keek
+naar hare hand endelijk, hoe die trage zich naar de deurklinke reikte en
+hoe de deurklinke daar precies te wachten hing....
+
+Ze tort beraden binnen. Niemand was hier in de keuken. Hare blikken
+vielen links en rechts op 't vele tinnen en koperen gerief. De koffie
+stond te dampen op de stove en daar walmde allentwege de goede geur.
+
+Tante Olympe stak loerend de zijkamer open en fluks, als ze Goedele
+herkende, kwam voor haar staan, treurig doende met haar gerimpeld witte
+gezichtje. Ze zeiden mekaar geen goeiendag. Dat lag zoo verre van haar.
+Goedele vroeg, lage sprekend:
+
+--Wiezeken?...
+
+Tante Olympe zeeg neer op een stoel en bracht haren voorschoot over haar
+wezen. Goedele moest nevens haar gaan zitten en herhaaldelijk vragen
+nog, eer het oude wijveken haar geween kon breken. Ze stotterde op een
+ende:
+
+--De dokter is er bij.... Ze hebben er aan gewerkt dezen nacht, met
+drijen.... Ze hebben er aan gesneden ... en Wiezeken haar keelken ligt
+open.
+
+--Wat zegt de dokter?
+
+--Niets ... en durft hij--maar ik, juffrouw, ik weet wel wat sterven is
+en hoe de Dood doet, als ze nadert.... Dat arme boeleken!
+
+--En Romaan?
+
+Ze had een flauwen lach over hare magere lippen, om te beteekenen dat
+het ook met hem deerlijk gelegen was. Ze blikte dan zuchtend langs 't
+venster naar den wit-grijzen hemel en ze fluisterde:
+
+--We zijn hier in dees huis, nu juist twee jaar geleden, binnengekomen.
+Ze vouwde hare vereelte handen op haren schoot te gare en voortdurend
+tuurde naar het effen geluchte, met schokjes zeggend:
+
+--En zoo gaat Wiezeken eruit ... en zoo zal ik eruit gaan ... en zullen
+wij allemaal eruit gaan....
+
+--Is mijnheer Ameye hier?
+
+Tante Olympe begon te tateren en haar kaken glansden op, zonder
+overgang.
+
+--O ja! die goeie mijnheer!
+
+Ze sprak met bewondering en dankbaarheid over hem. Alle dagen was hij
+komen zien hoe 't ging. Hij was 't, die de dokters was gaan opzoeken en
+Romaan met brave woorden steunde. Den vorigen nacht was hij tot heel
+late gebleven, omdat Wiezeken er zoo heel ellendig uitzag. In den
+komenden morgen had hij hem pas verlaten, maar straks zou hij weer
+binnenloopen en nieuws vragen. Hij had tante Olympe aangespoord om te
+schrijven aan Goedele.
+
+--Och, me-kind, ik en dacht er niet aan. Ge moet me vergeven. Ik ben
+heelemaal zonder memorie en 'k dool alhier en al ginds met mijnen
+poveren kop! Het is nu goed, danig goed, dat ge gekomen zijt.
+
+Goedele hoorde in de zijkamer de stem van den dokter, in druk gefluister
+met Madeleen. Dan een groet, een korten slag van de deur en den dalenden
+stap van iemand, zwaar krakend over de trap.
+
+--De dokter gaat weg, zei tante Olympe.
+
+Madeleen tort weenende de keuken binnen en begon luidop te snikken, als
+ze Goedele zag, op wier borste ze kwam uithuilen, zonder mate, haar
+overgroot verdriet. Ze jammerde:
+
+--'t Is gedaan ... 't is gedaan ... och Heere!
+
+Goedele streelde zachte met hare vingeren over Madeleen's bleeke wezen
+en streek heur verwaaide haarstrengen effen. Ze vroeg:
+
+--'t Kan nog beteren?--Toe, Leentje, wees rustig.
+
+--De dokter zegt: nog vier uren, nog zesse.... Ik weet niet meer wat ik
+doen moet. Ik voel dat alles kapot gaat. Ik kan geen moed meer hebben.
+Ik heb nu weken lang moed gehad, moed gehad.... Wat baat nog moed?
+
+--Ge moet malkander steunen.... Het is een ongeluk.
+
+--Ja--een ongeluk. Ameye zegt ook--een ongeluk. Maar na al mijn leed,
+na al mijn ongeluk, nog dees ongeluk weer. Ik kan niet meer....
+
+--Ge zijt niet alleen....
+
+--Romaan is buiten zinnen. Hij begrijpt niets. Hij wordt zot. Hij
+antwoordt niet als ik hem aanspreek. Hij zegt niets.... Ik heb toch ook
+troost noodig!
+
+Goedele kuste haar en pinkte gauw een heet-kittelenden traan weg. Ze
+werd gewaar dat men haar meesleepte in al dees wanhoopsdoening en dat
+zij niet tegenstribbelen kon. Tante Olympe stond voor 't venster naar de
+daken der huizen te kijken. Goedele merkte hoe haar ouden rugge opsnokte
+af en toe, en hoe onophoudend haar bevende hand het tipje van den
+blauwen voorschoot over hare oogen bracht. En hier, op hare borst, sloeg
+in hevige snikken uit de koortsige smert van Madeleen. Ze taakte
+allentwege de geweldige droefenis, die heerschte in huis, en ze moest
+ook stilaan buigen, neergeduwd door 't overdadig leed. Ze kreeg in de
+minste voorwerpen 't klare zicht van de al-meesterende ellende: de tafel
+stond ongebruikt, de moor had een zwijgende tote, de borstels lagen
+droge en de schotelvodde heel stijf--en was het niet alsof de soepkomme,
+achter de ruiten van de dresse, geen dienst meer deed? Nutteloos dampte
+op de stove de welriekende koffiekanne. Goedele vroeg algauw, om de
+overweldigende treurnisse te keer te gaan:
+
+--Mag ik Romaan zien?
+
+Sprakeloos gingen ze, Madeleen vooraan. In de ziekenkamer neep een geur
+van jodeform en woog een zoelte van moede lucht, lijk in hospitalen.
+Bij 't kleine beddeken zat Romaan, diepe gebogen, zijn kinne in beide
+saamgebrachte handen, aan 't staren zonder ende, recht voor zich uit.
+Bleek als een laken en mat was zijn aangezicht, beschaduwd door de
+blauwige holten zijner oogen.
+
+Hij keek niet op. 't Was alsof hij niets opnam van wat om hem gebeurde.
+Hij hoorde niet. Goedele reikte hare armen naar hem en stamelde, bevend:
+
+--Broer ... broer....
+
+Hij keek niet op. Hij was niet hier. Heel verre tuurde hij en zijn
+gelaat, in strakke droomerij verslonden, en peesde noch en herging. Even
+roerden zijne wimpers en trilde zijne rechterhand. Zijn bloed sloeg in
+rappe slagen bultig uit op zijne slapen. Goedele naderde en bukte over
+hem en toetste stille zijnen schouder. Hij vroeg, schier onhoorbaar:
+
+--Wat is er?
+
+--Ik.... Bezie mij, Romaan....
+
+Langzaam wendde hij zijn kop omme en zijne vermoeide blikken, door
+koortse ontgloeid, priemden diepe in de oogen van Goedele. Geen blijde
+verwondering en roerde de groote kommernis, die langs zijn voorhoofd
+rimpelde. Hij zei, onverschillig.
+
+--Haa!...
+
+Hij stond rechte. Hij tuurde trage naar Goedele's mantel, naar haar
+pelsen krage en haar breeden hoed. Zijn stemme was koud, eentonig:
+
+--Komt ge van huis, zoo?
+
+--Ja....
+
+--Wiezeken heeft verleden nacht met haar poesjenel gespeeld en ze heeft
+naar u gevraagd. Ge weet wel, die poesjenel...? Wiezeken heeft toen naar
+u gevraagd.
+
+Er lag zoo direkt een verwijt in die woorden, dat Goedele te blozen
+begon.
+
+Ze keek naar Wiezeken en ze herkende Wiezeken haast niet. 't Was
+teenemaal ineengekrompen. 't Lag met ontsloten mondje te snakken, al
+slapend, naar lucht, en zijn neusje vliesde permintelijk open en toe,
+asem zoekend te vergeefs. Goedele heur herte deed ineens sterkelijk zeer
+en een pijnlijke aandoening stropte vaste in haar kele. Ze wou zeggen:
+
+--'t Slaapt....
+
+Romaan hoorde den klank wegfluisteren op hare lippen en lachte:
+
+--Hee! slapen....
+
+Madeleen bad dat hij nu zou in de keuken gaan en een ei zuipen, en
+Goedele deed mee om hem daartoe te bewegen. Hij werd erom lastig, maar
+als hij zag dat Madeleen zich bij 't beddeken neerzette en dat het kind
+aldus alleene niet zou blijven, gaf hij toe en volgde zijne zuster.
+
+In de keuken zakte hij thoope op een stoel. Hij zei aan tante Olympe,
+die de koffietasjes op de tafel plaatste:
+
+--Wat maakt gijlie allemaal veel gedruisch!
+
+Hij belonkte den aschbak, die opklaarde onder 't gefonkel der laaie
+kolen. De stilte echter was hem algauw een groote last en 't getik van
+'t kleine horloge kon hij weldra niet meer verdragen. Hij vroeg een
+kopje koffie. Hij roerde met het lepeltje erin en volgde het luttel
+schuim, dat op de dampende vlakte ommeringde in diverse draaiingen.
+Naderhand vestigde hij al zijne aandacht op 't bedrijf van Goedele's
+armen, die haar hoed afnam en heur mantel weghing nevens de dresse.
+Hij zuchtte en vroeg:
+
+--Is dat een nieuwe hoed?
+
+Hij vond het zelf gek dat hij die vrage deed, en verzocht Goedele dat ze
+neerzitten zou. Hij zei:
+
+--Vertel me eens wat, zusje. Ik ben zoo in folterende spanning. Ik weet
+niet wat er buiten gebeurt. Och! ge kunt niet gissen, gij, hoe diepe een
+mensch lijden kan.... Het leed, Goedele, en heeft geen palen.
+
+--Alles komt weer goed.
+
+--Alles?
+
+Hij glimlachte droeve en hief zijn koffie tot dichtebij zijne lippen.
+Hij snoof den walmenden geur op en zette het kopje, met een tikje, weer
+op tafel neer.
+
+--Meent ge dat, Goedele?
+
+Ze verzekerde met haastigheid, om hem te troosten. Hij schudde stille
+zijn hoofd en zijne onderlip zakte rijzekens neerwaarts. Trage schoof
+hij zijne vingeren door zijn haar, en liet ze lui afsleren langs zijne
+ooren en zijnen hals. Hij lei ze nadien op de tafel en ging de bochtige
+aderen na, die blauw uitkrinkelden op het mat-bleeke vleesch. Het docht
+hem dat ze buiten hem waren en hij verwonderde zich dat de magere
+beentjes, als hij ze roerde al trommelend op het tafelberd, zoo
+zichtbaar waren. De zware stilte woog hier tallenkant.
+
+Hij kruiste meteen zijn beenen overeen, leunde achterwaarts over en na
+zijn opgeheven knie in beide handen, lijk iemand die eene gemakkelijke
+houding zoekt om te converseeren. Over zijn aangezicht kwam een spijtige
+oolijkheid en hij vroeg:
+
+--En thuis bij u, hoe draait daar de rommel?
+
+Hij hechtte schijnbaar geen belang aan zijne woorden, en hij wiegde
+zoetekens op zijnen stoel, bij maniere van spelen. Goedele wilde seffens
+een goede hoop in zijn hoofd brengen, en omdat zij zich herinnerde de
+hertelijke aandoening van moeder, zei ze:
+
+--Goed.... Ge weet wel wat ik beduid daarmee. Het huis is in ruste. Het
+staat daar zonder geruchten, in den grooten zwijgenden tuin. We leven te
+gare daarin. De deuren blijven dicht en geen lawaai van buiten dringt
+binnen. Geleidelijk geraakt in de stilte het geweldig verleden effen....
+
+--Wat wilt dat zeggen? Effen?
+
+--De herinneringen zijn nu vaag geworden en men begint te merken dat er
+maar iets van overblijft ... wij, en dat we leven ... tastbaar nevens
+malkander staan....
+
+--Leven ... leven ... leven....
+
+Hij tuurde naar de zoldering en liet zijn hoofd ten geheele overhangen,
+op de leuning van zijn stoel. Goedele voelde dat zij hem naderen kon met
+het gansche droeve huis van ginder....
+
+--Daar zijn t'onzent leege plaatsen om de tafel, Romaan. Moeder wordt
+zwak. Moeder vraagt naar u. Ze heeft geweend dezen morgen.
+
+Hij wipte meteen rechte en stond midden de keuken heel verwilderd naar
+Goedele te zien. Hij stiet haar ruw aan tegen het aangezicht, met zijne
+blikken. Hij boog zich over haar, benauwd fluisterend:
+
+--Wie heeft u hier gezonden?
+
+Hij merkte dadelijk hoe bang zijzelve werd en hij week, op een ende
+uitberstend met schrikkelijke woede. Zijne armen zwaaiden toornig
+ommentweer en dieper zakten de rimpels in zijn voorhoofd. Hij riep:
+
+--Wie? Wat komt ge hier praten van iemand ... die onze moeder is? Moet
+ge mij komen aantasten, als ik nu lam lig, en denkt ge dat ik niet meer
+tegenstribbelen kan? Ho! Ho! Ho! Het kind is bijna dood.... Ze naderen!
+Ze naderen!
+
+Goedele zat verplet en met pijnlijke angstigheid blikte ze op naar heur
+broeder.
+
+Hij rok zijn mond open om al zijn haat in vierkante brokken neer te
+gooien.
+
+--Ze hebben mij in mijne zoete droomen getroffen. Ze hebben mijne liefde
+bezoedeld, bemorst, beslijkt.... Hee! Hee! Ze hebben mijne jeugd
+berimpeld en mijne herte vergald!... Wacht even! Laat me woorden vinden
+... laat me zoeken ... Wacht!
+
+Hij slikte moeielijk het speeksel in, dat zijn tong belemmerde.
+
+--Maar waar was moeder, als ik Madeleen en tante geen eten meer kon
+geven? En als Wiezeken er dan nog bij kwam? En als Wiezeken dan nog ziek
+werd? Moeder keek niet omme.... Nu, nu, binstdat het kind sterft, komt
+er versche hoop! Willen we nu de slonse laten zitten? Het kind is dood.
+Het kind is vergeten. Willen we nu naar huis gaan en ons' moeder gaan
+kussen?
+
+Zijn stemme zonk, werd heesch en moe, en zijne oogen doofden weg in
+natheid.
+
+--Gij weet niet Goedele, wat er al gebeurd is. Gij weet niet hoe moeder
+Madeleen wou omkoopen, hoe ze haar vervolgd heeft zonder ruste. Ik heb
+naamlooze brieven ontvangen.... Ik durf u alles niet zeggen. Moeder is
+een misdadige. Nu stuurt ze u tot mij ... u, die 'k buiten en boven
+alles stelde, naast mijne vrouw. Luister--ze zal voort alles aanwenden,
+alles, alles.... Ze zal huichelen, ze zal weenen.... Ge hebt gezegd dat
+ze geweend had!
+
+Goedele snikte. Hij lei zijne hand op haren schouder en sprak nu zonder
+drift, met een droeve zachtheid, een kleine stilte latend tusschen elk
+woord, om schoone en klaar en peiselijk te wezen. Daar schorde altemets
+een klank in zijne keel of 't was aleens, alsof hij zijn asem averechts
+ophaalde.
+
+--Heb ik u zeer gedaan?
+
+Hij vingerde langs heur haar, zoete haperend in de losse krullen, en hij
+streelde haar aldus en kriebelde achter hare ooren.
+
+--Ik heb geen kwade inzichten, zusje, ik ben zeer diepe geknakt en mijn
+leven is me straks een last. Ben ik ruw geweest en heb ik u met ruwheid
+getaakt? Maar zonder oogen ben ik nu, mijn zusje--en alles wordt zwart
+om me. Ik heb u niet gezien. Ik wil u geerne voelen dichte, zoo.... Ge
+moet mij vergeven.
+
+Ze keek op naar hem en hij zag in hare oogen de klaarte liggen van al
+hare liefde. Een heete traan dropte dikrollend langs zijne wangen en
+pletste met klein geflits midden op haar voorhoofd.
+
+--Laat ons sterkelijk hopen, zei ze.
+
+Hij knikte en zijne wimpers vielen toe....
+
+Naderhand werd er op de deur geklopt en zonder wachten klonk de klinke
+omme. Tante Olympe stond seffens rechte en was tevreden dat er toch
+iemand een ende kwam stellen aan het pijnlijk gesprek. Ze huppelde tot
+aan den dorpel.
+
+--Goeien morgen!
+
+'t Was Ameye. Hij boog seffens heel beleefd, als hij Goedele bemerkte.
+Het was wel eene subiete aandoening, die hij daarmee verbergen wou, en
+een tijdelijke blos kleurde zijne wangen en zijne ooren. Hij bedwong
+echter algauw zijne vlugge ontsteltenis en sprak heel gemakkelijk van
+kleine zaakjes, zich vooral bezighoudend met Wiezeken. Hij liet al
+gelijk geen durende droefenis wegen op de conversatie en vermeed
+zorgelijk een tragisch woord of gevaarlijke toespelingen. Daar lag iets
+opzettelijk lichtzinnigs in zijne zinnen en nievers duldde hij een
+stonde stilte, wetende dat de smert al zwijgend opzwelt en zwaar wordt.
+Hij zei:
+
+--Ziekten draaien alzoo soms heel zonderling uit. We moeten ons nu niet
+laten beinvloeden.... Hebt ge Wiezeken al gezien, juffrouw? En wat dunkt
+u? Het kind ziet er niet zoo bar slecht uit.
+
+Hij klopte op de knie van Romaan:
+
+--Jongen! gij zijt de ziekste! Ge hebt niet de minste koeragie. Ge zit
+daar met een bleek en afgemat gelaat, en uwe oogen rollen vervaarlijk
+omme. Wat helpt dat allemaal? Kijk eens naar mij! Ik heb den geheelen
+nacht hiernaast, in de iodoform, een pestlucht, gezeten. Ik heb een
+beetje geslapen--als ik thuis kwam, ik heb vrij veel geeten, en ik ben
+hier terug, gezond. Heeft Romaan wat geeten, dezen uchtend, tante
+Olympe?
+
+--Een walm koffie opgesnoven....
+
+--Dat is buiten reden!
+
+Hij liet zich ten halve kwaad en eischte dat Romaan dadelijk een paar
+eieren zuipen zou. Hij was daarbinst stille aan het tateren met Goedele,
+die hem sprakeloos, met vage bewondering, had beluisterd. Hij vroeg hoe
+zijzelve 't stelde, en verzekerde dat hij in waarheid gelukkig was haar
+te ontmoeten, al had hij ook aan smertelijke omstandigheden haar komste
+te danken. Hij zag dat ze hem moeielijk antwoord gaf en tevergeefs
+probeerde een hoffelijke formule te gebruiken. Hij praatte maar door en
+staarde soms met ongemeene strakheid in hare oogen.
+
+Goedele had hem zich heel anders voorgesteld. Hij was precies een andere
+man. Het docht haar dat hij meer dienstveerdig was en meer ijverig in
+zijne dienstveerdigheid. Hij deelde zijn eigen precies uit en al wat hij
+zei, 't en was maar om gauw de gapende stilten te stoppen. Ze voelde dat
+alles zeer duidelijk, en stilaan groeide zijn gansche wezen op in haar.
+Ze was 't bewust, dat hij zich alzoo meester maakte van haar en haar
+teenemaal met zijn eigen leven vervulde. Ze had ook zoo dikwijls en zoo
+lange aan hem gedacht en zich zijn bijzijn gewoon gemaakt, dat hij 't nu
+gemakkelijk kon en dat het haar niet vreemd voorkwam. Zijn woorden
+trilden in haar met ongemeene galmen, en zij luisterde ernaar, en 't was
+haar alsof ze nooit te luisteren zou staken. Als zijn stemme altemets
+opklom tot een vrage--zij hoorde aan den stijgenden klank dat hij een
+vrage deed--wist ze daarom niet seffens wat ze antwoorden moest, en zij
+vond het ook niet zonderling dat hij op geen antwoord wachtte. 't
+Geluchte was vol van hem en ze asemde in dat geluchte. Ze merkte weleens
+dat hij nooit zinspeelde op vroeger ontmoetingen en zich niet
+verwonderde over hare lange afwezigheid. Ze had dan, lijk een
+hoofddraaiing, de leege sensatie, die zij lestmaal op den drempel met
+Ameye gevoeld had--en ze zag nog, in scherpe herinnering, hoe hij zich
+toen langzaam boog om het hulsttakje op te rapen....
+
+Een rap sloffengesleer schoof scherrelend in de nevenkamer en Madeleen
+stond meteen hijgend in het deurgat. Ze bracht hare handen aan hare keel
+precies om daar een nijpinge weg te krijgen, die haar te spreken
+belette, en, in haar doodsbleek gezichte, viel haar mond open, een
+blauwe schaduw trekkend, van weerskanten, in hare kaken. Romaan sprong
+lijk een zinnelooze naar heur en zijn koffiekopje viel
+kletterschervelend in brokkelingen uiteen op den vloer. Hij duwde haar
+op zijde en liep haar voorbij, de ziekenkamer in. Tante Olympe begon
+schrikkelijk te beven en ze bad:
+
+--Aai-Heere! Aai-Heere! wat is er nu?
+
+Goedele nam Madeleen in hare armen en Ameye bracht een glas water aan
+hare lippen. Ze paaiden haar, vragend:
+
+--Hebt ge zeer? Ge moogt u niet zoo opjagen, lieve. Kijk eens opwaarts.
+Wat is er gebeurd?
+
+Madeleen slikte moeielijk en wees naar achteren met haren vinger, dof
+stamelend:
+
+--'t Kind ... 't kind....
+
+Ze hoorden dan Romaan, die hoog te roepen begon, met onherkennelijke
+stem, en daartusschen 't kleine geween van tante Olympe. Ameye haastte
+zich ook naar de kamer, en Goedele sprenkelde kille droppels op Madeleen
+haar gezichte.
+
+--Hoort ge? hakkelde Madeleen, zich opwerpend heel smertelijk in
+Goedele's armen.
+
+--Maar wat deert er toch?
+
+--Hoort ge?... 't Sterft!
+
+Ze viel nadien huilend naar voren op Goedele haren schoot en jammerde:
+
+--Ho! Hooo!... mijn kindeken, mijn kindeken, mijn dutseken!...
+
+Haar lijf snokte op en rilde, en hare vingeren waren in pijnlijke
+stuipen ommegekruld. Ze hief zich dan, plots zwijgend op, en keek
+verwilderd Goedele aan. Ze fluisterde, geheimzinnig:
+
+--'t Is vreeslijk. Ik kon 't niet zien. Ik kon 't niet uithouden. Ik zal
+daar iets leelijks van krijgen, in mijnen kop! 't Lag met zijne armen
+zoo subiet hopeloos geweld te doen ... en te rukken aan de sargie, met
+zijn nagels ... en 't heeft mij meteen bezien, met zijn oogskens wijd
+open.... Wat wou 't zeggen, o God! 't En kon niet spreken, en die
+oogen.... Ik dacht dat het te roepen begon. 't En zei niets. 't Waren
+die oogen.
+
+--Drink een beetje, lieve.
+
+--Ja.
+
+Ze grabbelde bibberend naar het glas. Tante kwam ook half zinneloos in
+de keuken binnengeloopen en hief hare armen omhooge. Ze stotterde:
+
+--'t Is zonde!
+
+En ze deed teeken, achter Madeleen's rugge, dat Goedele zou gaan en
+helpen.
+
+Goedele ging. Ze voelde hare voeten, al gaande, niet slaan op den vloer,
+en 't was alsof hare beenen automatisch voorttorten. Haar lijf hing naar
+voren. Ze had schrik en dierf niet 't kindeken zien--en haastte zich om
+te zien....
+
+Voor 't beddeken, aan 't voetende, stakerechte stond Ameye. Ernevens,
+op een lage stoel zat Romaan. Zij verroerden zich niet. Ze keken
+halsstarrig toe. Het kind lag heel wit midden op het witte kussen en op
+zijn aangezicht was geen speur van leven meer. 't En asemde niet ...
+Goedele week instinktmatig. Ze was tewege het te zeggen, dat het geen
+asem meer had.
+
+--Romaan....
+
+--Ssjt!...
+
+Wiezeken stak haar linkerhandje uit. Haar mondje viel open en een
+moeielijk geronk ratelde in haar kele. Hare oogen lagen toe en een blauw
+streepken randde er onder aan. In de hoekjes tinkelde een klare traan en
+'t licht, dat tusschen de gordijnen neerzijpelde, speelde er met luttel
+gestraal.
+
+--Laat me haar hoofd opheffen. 't Ligt te lage.
+
+Goedele bukte zich. De iodoformreuk walmde nu bijtend over haar gelaat
+omhooge. Ze schoof hare handen onder de heete dekens en hief zoetekens
+het kind uit den warmen konk, waar 't zijn koortse broeide. 't Was
+pluimlichte. Ze raakte, door 't fijne hemdeken, het tengere ruggebeen en
+de ringen van de ribbetjes.
+
+Maar Wiezeken wierp haar lijf opeens zijwaarts uit en lag een
+schrikkelijk geweld te doen om asem op te halen. Haar buikje zonk diepe
+in en hare borst zwol uitermate. Twee putjes zakten van weerskanten
+onder hare kin en hare slapen sloegen met traag geklop. 't Geronk en
+staakte niet in haar kele, en ze smeet zich ten geheele met leelijke
+schokken op, daarbinst zwaaiend in de leegte met hare armen. Ze opende
+dan endelijk hare oogen, keek heel strak Goedele aan, en haar gezicht
+werd grauw-rood van het danig geweld. Ze zakte seffens in het witte
+kussen weg. De matte bleekte herkwam over geheel haar hoofdeken en hare
+handjes vielen onbeweeglijk op de sargie. Zij en roerde nu weer niet.
+Hare oogen waren beloken en de blauwe randjes waren blauwer geworden.
+Asemde ze? 't Was weer alsof ze buiten leven lag. Goedele, zich lager
+bukkend, en werd over haar open mondje geen tocht van lucht gewaar. Ze
+vatte dan de tengere vingeren en gedwee, gevoelloos, flets verdroegen ze
+den toets. Goedele roerde op een nieuw de vreeslijke angst, en ze lonkte
+zijwaarts op naar Ameye, geen afstand meer voelend tusschen hem en
+haarzelve in de harrewarrije van het groote ongeluk. Met vreemde stem
+sprak Romaan:
+
+--Laat ons nu rustig zijn....
+
+Zijne lippen waren droog en kleurloos, en 't wit van zijne oogen was in
+de hoekjes langs kleine aderen rood geworden. Hij trok stille Goedele
+zijlings weg en fluisterde:
+
+--Het slaapt.
+
+Op dat oogenblik hadden Goedele en Ameye dezelfde trilling en ze
+staarden naar mekaar. Ze begrepen meteen wat niet in woorden over hunne
+lippen kwam, en ze bogen onder dezelfde vreesachtige treurnisse hun
+hoofd. Alles werd groot in deze kamer en de geruchten van de strate,
+eerst niet opgemerkt, begonnen luidelijk te klabetteren tegen de muren.
+Binst eene toevallige stilte, die neerzeeg al met een keer en een
+benauwdheid lei langs alle voorwerpen, klonk tegen de zoldering den
+doffen tert van Mariette's vader, en de deure begon redeloos te rotelen.
+Een siddering kroop over Ameye zijn rugge en Goedele krinste bang met
+hare schouders. Ze blikten allebei terzelfdertijd neer naar het kind....
+
+Daar kwam een blauwe verve over Wiezeken's gezichte en haar neuzeken
+puntte scherp naar omhooge. Drie rimpelingen groeven een leelijke
+schaduw op haar voorhoofd en de hoekjes van haar mond zakten neere,
+haar kinne wegduwend tot een beenderig tjopken. Romaan zei:
+
+--Is hier geen zeupken water voor het kind?
+
+Ameye en Goedele hadden alweer eene pijnlijke verwondering, zoo rustig,
+bijkans onverschillig, was zijn gezegde. Ameye bracht een lepelken water
+aan de lippen van het bengelken en Goedele hielp hem, Wiezeken zoete
+opheffend opdat ze goed zwelgen zou. Ze zagen malkanders handen
+nevenseen te werke en 't was alsof ze sinds lange zoo in gewone doening
+werkzaam waren geweest. Ze dachten niet daaraan: het was een algemeen
+gevoel, dat niet tot preciese gedachten opschokte. Ze waren niet
+verwonderd dat het zoo werkelijk was. Hunne handen taakten hunne handen.
+
+Het water drupte nutteloos weg in Wiezeken's hals en de kilte en bracht
+geen beweging op het blauwe gezichtje. Aldoor blauwer werd het, en
+dieper, smertelijker 't gerimpel daarboven....
+
+--'t Is dat ze slaapt, mummelde Romaan.
+
+Goedele kon zich niet meer bedwingen en gauw te reke stortten hare
+tranen plat neere op de witte dekens. Ameye fluisterde:
+
+--Wees sterk....
+
+Ze beet op hare lippen en 't zicht van de schrikkelijke doening, die in
+haar vlugge getraan tot vage strepen was weggesmolten, kwam op een nieuw
+klaar te voorschijn. Ze was Ameye dankbaar dat hij dat woord gezeid had
+en dat weer sterkte haar zinnen staalde. Ze hoopte nu een rap ende, de
+rappe nadering van den sterken slag, om dan met zekerheid te kunnen
+worstelen. Tegenwoordig hing nog 't gevaar als een wolke te dreigen,
+en 't was te hooge en te wijd en overal tastbaar--en nievers te taken.
+Ze wachtte. Ze wist dat Ameye haar een steun was. Als de schrikkelijke
+smert zou uitbreken, zou ze pal staan, met een herte vol troost....
+
+Plots iets ziende, dat lange buiten 't bereik van zijn begrip gebleven
+was, rok zich Romaan met een hard gesnok van zijn spieren uit op zijn
+stoel, en wipte nadien rechte.
+
+--Hee-la!
+
+'t Was een doffe roep en zijne wenkbrauwen kromden verwilderd naar
+omhooge. Hij knelde Ameye's arm forsig tusschen zijne vingeren en neep
+door, zijn eigen afmattend met overdadig geweld. Ameye zweeg. Romaan
+hijgde:
+
+--Ziet ge ... ziet ge gijlie dan niet?...
+
+--'t Zal overtrekken....
+
+--Hee-la!
+
+Hij boog zich en, in een subiete duizeling, stortte bijna voorover.
+Hij reikte zijn hand gretig uit naar zijn kind en hakkelde, zinnelooze
+woorden kappend in 't gaan van zijn onrustigen asem.
+
+--Overtrekken.... Overtrekken?... Watte?
+
+Wiezeken stiet nog eens haar borst opwaarts en heel haar lijveken bultte
+uit, onder de bleeke sargie. Ze duwde hare ellebogen in 't kussen en
+steunde erop en haar magere kele werd lang, een smal peezeken gelijk,
+dat door de kinne hooploos werd opgetrokken. Haar mondje werd een
+vierkantige holte en daarbinnen was 't al donkerrood en ratelde een
+rukkend snorken diepe.... Dan opende ze hare oogen en tuurde met
+onzeglijke pijne rechtuit, heel verre, nievers hulp meer vindend
+hierdichte.
+
+Zoo staarden hare oogen, al viel weer plat haar pover geraamte, al
+rustten weer hare moede handjes, al zegen weer toe hare lipjes, heel wit
+van verve, heel droge, heel doorzichtig.... Zoo keek ze. Ze was nu niets
+meer, zoo nietig en vergaan. Ze was niets meer. En tot het laatste keek
+ze alginder, en de strakke blik doezelde weg achter een vool van grijze
+natheid....
+
+Goedele zakte ineen op hare knieen.
+
+Romaan had een tijdeken verschrikt zijn asem ingehouden en wankte nadien
+achteruit. Heel zijne ellende, heel zijn endeloos leed kreet hij in wild
+gejammer uit en hij stampte razend op den vloer, aldoor slaande met
+zijne vuisten tegen zijne slapen.
+
+Zoodat Madeleen plots de deur opensmeet en daar stond, zonder een traan,
+zonder een woord, lijk een doode overend....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+IX.
+
+
+Late in den avond kon Goedele naar huis gaan. De groote woonste was haar
+gansch vreemd geworden, zooals die voor haar in de donkerte, heel
+massief, achter het hekken oprees. Binstdat ze de deurbelle deed
+rinkelen en zich nog aan 't verwonderen was over den lang-vergeten klank
+ervan, merkte ze achter zich, midden de strate, Justa. Justa beweerde
+dat ze juffrouw was gaan opzoeken, om wille van de vroege donkerte, en
+dat ze nu toch danig tevreden was dat juffrouw endelijk ongedeerd was
+thuis geraakt.
+
+--Mevrouw was zoo ongerust in den namiddag! fleemde ze zoeterig, terwijl
+ze den groote sleutel in het klinkende slot duwde.
+
+--Mevrouw wilde maar altijd nieuws weten. Juffrouw weet nu misschien wel
+nieuws.
+
+Goedele antwoordde niet en stapte gauw binnen. Terloops was haar idee
+dat Justa haar gevolgd had en nageloerd langs den weg, maar ze dacht er
+niet verder over na. Dat alles, meende zij, was ook nu zoo verre van
+haar verwijderd, dat ze geen belang meer stellen kon in peuterige
+leelijkheidjes.
+
+Ze had de smart tot diepe in haar vleesch gevoeld; en wat hier ommeging,
+de doening van moeder en de kinderachtigheid van vader, al dat suffe
+bedrijf van elkendeen in de groote leege woonste, 't was rijzekens een
+buitenmenschelijk gespeel. Ze zag even in haren geest het pieuze gebaar
+van Sebastiaan zijn vingeren....
+
+Ze stond voor Ursule. Ze had het gevoel dat ze heel hoog stond. Ze zei
+simpel:
+
+--Het kind is dood.
+
+Ursule en roerde niet. Ze keek naar Seppie, die zich had neergevleid om
+hare voeten en nu lui zijn muilken snuivend opstak naar Goedele. Haar
+blik was hard, gewoon-hard, en de lichtstreep, die de lampeklaarten op
+heur gladgestreken haar leiden, en bewoog geen steke naar achteren noch
+voren. Ze sprak:
+
+--God hebbe zijn zielken. Het lieveken is gelukkig.
+
+Na een stonde vroeg ze of Romaan sterk was, en als ze vernam dat hij
+zeer afgemat en terneergeslagen het verlies van zijn dochterken beleden
+had, viel van hare lippen een koud woord, dat vreemd tegen hare
+gevoelerigheid van te-morgen afstak.
+
+--De tijd zal 't uitwisschen, zei ze.
+
+Goedele had meteen geschokt opgekeken. Ze bedaarde echter subiet, zich
+peiselijk opheffend in de wijde golving van haar leed, en beaamde
+stille:
+
+--Ja, de tijd zal 't uitwisschen....
+
+Ze verliet zonder groeten de eetplaats en tort langzaam de trap op.
+Haar kamer, docht haar, had een zonderling uitzicht en met de roerende
+keersevlamme klaarden de stoelen, de witte vlekken van 't bedde, en de
+breede spiegel van de toilettafel, met onbekende vormen op. Het scheen
+haar hier alles zoo oneigen en de reuk van de versche lakens tingel de
+in haren neuze, lijk iets dat nooit bij deze lakens behoord had. Wat was
+hier gebeurd? Ze schudde haar hoofd en mompelde lijdelijk:
+
+--In mij is 't gebeurd....
+
+Ze had het ganschelijke gevoel daarvan, maar verder kon ze in haar eigen
+niet ingaan. Ze beleefde de vreemde veranderingen die haar ziele
+ommegewenteld hadden en de oorzaken lagen te diepe. Daar was iets
+gebeurd. Over al het onduidelijke wezen van haar machtige wee, reikte
+die zekerheid.
+
+Lang bleef ze eer ze inslapen kon, en 's uchtends als ze wakker werd,
+was ze haar gekeerde nature nog niet gewend en waarde hetzelfde vreemd
+geluchte rond de kamer. Binst den dag liep ze met Justa de stad op en
+af en bestelde wat noodig was voor Wiezeken's begraving. Ze deed het
+smertelijke werk zonder vermoeienis. Ze was sterk. Ameye had alles
+opgeschreven wat ze te doen had. Ze deed het alzoo, stlptelijk zijn
+zeggen nakomend, met groote zorgelijkheid. Al voorbijgaand, tort ze bij
+Madeleen en Romaan eens binnen. Ze waren allebei zeer verslagen nog,
+ofschoon Ameye hen niet verlaten had en hun gestadig zijn
+zoet-sprekenden troost gaf. Ze kustte met vrome teerheid hun bleeke
+voorhoofd en drukte de hand van haren moedigen vriend.
+
+Weer drilde ze de straten door. Ze had maar weinig geld. Johannes had
+haar opgeleid dat ze alle bestellingen in zijn naam doen zou. Ze
+bestelde echter alles in name van moeder en ze schrikte niet bij 't idee
+dat moeder vreeslijk opschieten zou. Ze vreesde moeder niet meer. Ze
+dacht zelfs niet aan een vrees, die komen zou. Ze handelde heel
+eenvoudig, praktisch. Moeder had geld.
+
+Omtrent den vallenden avond was gansch het droevig gedoe in orde en
+geraakte ze terug thuis. Ze sprak binst het soepee geen woord en ze deed
+nadien Sebastiaan verwittigen, dat hij in de eerste acht dagen niet
+komen moest. Hij had haar seffens met ommegaanden bode een langen brief
+gestuurd, waarin hij de oorzaken van hare terughouding ten hoogste prees
+en met lange zinnen toch hare deugdelijke opsluiting betreurde. Ze las
+de eerste bladzijde en liet den brief dadelijk wegglijden tusschen hare
+vingeren.
+
+Als ze tewege was op te gaan naar heur slaapkamer, zag ze bij den heerd
+vader zitten, lage gebukt en turende roerloos naar 't gespetter van het
+open vuur. Hij had ook aldoor zwijgend door de koude stilte van het huis
+gewandeld vandage, en hij voelde zich bovenmatelijk droeve worden in de
+droefenis, die Goedele langs alle kamers neerzijgen liet van haar. Hij
+vatte wel niet teenemaal het rechte begrip van wat er zoo geheimzinnig
+in de leegte gebeurende was, maar zijn treurnisse was echt. Goedele kwam
+nevens hem staan en merkte hoe over zijne ronde wangen de blinkende
+tranen rolden en ze vroeg:
+
+--Hebt ge groot verdriet?
+
+Hij glimlachte binst zijn stille geween en keek op in haar aangezicht.
+
+--Wel ja ik, zei hij.
+
+--Romaan is diepe getroffen, vader. Het is goed dat ge dat meevoelt.
+
+Hij stamelde, heel week wordend:
+
+--Ja, het is goed ... het is goed....
+
+Hij maakte ervan, zonder goed in te zien, een groot ongeluk, en zijn
+herte was er vol mee. Hij probeerde aan het kindje te denken, dat hij
+nooit gezien had, en aan Madeleen, die hij nooit gezien had. Hij dierf
+dat nu doen, in de aanwezigheid van Goedele en buiten 't bereik van
+zijne vrouw. Hij voelde Goedele's hand op zijnen schouder rusten en dat
+deed hem zachte deugd.
+
+Goedele en verwijlde niet lange bij hem. Al trof ze nu een
+teer-lijdelijk herte, al trilde in het kille huif een snare van goede
+aandoening, ze kon niet zoo seffens aansluiten met vader. Vader was, met
+al de rest, verre verwijderd van haar innige leven en ze bekeek hem van
+verre. Ze bleef koel, alhoewel een streelende zoetigheid om hare woorden
+fluweelde. Ze zei:
+
+--Goeienavond....
+
+En met eene aaiende buiging golfde hare stem. Hij voelde hare vingeren
+trage wegsleeren over zijn schouder en hij zat subiet heel alleene en
+bangwordend in den naderenden nacht, te turen zonder weten naar 't
+laaierig vuur, dat oplikte langs de vlammende scheiers.
+
+'s Anderendaags was 't weer een ijverig en verward bedrijf. Na een
+loopken in de stad, waar ze nog haastig 't een en ander te verrichten
+had, kwam Goedele bij Romaan. Ze vond hem in de keuken. Hij keek
+rijzekens op, als ze binnenkwam, en nauw hoorbaar groette haar. Ze kon
+door licht en menig getater hem niet uit zijn somber gemijmer krijgen en
+ze moest het endelijk opgeven, met een zucht. Ook Madeleen en liet zich
+door geen troosting roeren en zat in zwijgende neerslachtigheid precies
+te voelen over haar den stillen gang van den tijd. Niemand sprak over
+het kind. Tante Olympe was lijk een automaat den vloer aan 't
+affledderen en stond bijwijlen zonder kijken te roefelen over een zelfde
+plekke.
+
+--Ge moet ulie struisch houden, zei Goedele.
+
+'t Geluid van haar stemme wuifde uiteen en viel dadelijk plat neere,
+versmoord tusschen de muren, en zonder uitslag. Het huis was vol van
+Wiezeken, en niemand sprak van Wiezeken.
+
+Een tijdeken voor den noene tort Ameye binnen. 't En deed Goedele geen
+emotie aan, hem op een nieuw dichte bij haar te voelen. Ze was 't alzoo,
+zonder overgang, reeds gewend, en lei hare hand met rustigheid in de
+zijne. Ze was wel tevreden dat hij haar helpen kwam om de stilte te
+bestrijden, waar zij hopeloos in alleene bleef. Hij voelde met meer
+gemak de doode leegte, en zijne gebaren, 't vergaan van zijn wezen en
+'t gedoe van zijne armen, waren min gemaakt. Het gelukte hem, met gewone
+gezegden, 't getik van 't horloge te bemeesteren, dat zoo pijnlijk het
+ongeluk hier in zeerdoende stondekens tjokte. Hij sprak van 't weer--'t
+geluchte was vochtiger en lager de hemel, en 't zou wel sneeuwen eer 't
+avond werd....
+
+--Sneeuwen? vroeg Romaan, verschrikt.
+
+Ze voelden 't plots allemaal tegare waaraan hij dacht en zagen hoe de
+sneeuw, binst de deemstering, zou neerwaarts vlagen en ommevlokkelen,
+langs het eendelijke graf.... Want het huis was vol van Wiezeken, en
+niemand sprak van Wiezeken.
+
+En, in der waarheid, de sneeuw viel. 't Was eerst een opwirrelend gewaai
+van kleine witte dingetjes--endelijk, als de mannen kwamen en 't
+kisteken wegdroegen en 't wegschoven onder een schoon floers met
+franjen, op den zwarten wagen--endelijk een regelmatige val van dikke
+trossels, licht-dalend bij buien en stille lijk een groot, blank geheim.
+
+Romaan had geeischt dat niemand op de begrafenis zou uitgenoodigd
+worden. De strate was leeg. Gevieren--tante Olympe was thuis gebleven
+om alles weg te ruimen wat tot een pijnlijke herinnering aanleiding kon
+geven--gevieren volgden ze te voete de koetse en ze zagen even, in hun
+voortdurend geween, de menschen van weerskanten groeten en verwonderd
+blijven staan, al kijkend naar dien rijkemans wagen rijzekens begeleid.
+
+Na de zegening in de kerke, stapten ze in een groote sjeeze en reden
+achteraan, nu geschokt in dees groote huurkasse met versleten kussens.
+Madeleen voelde hoe alleenig ze hier zaten en hoe alleenig ginder
+Wiezeken lag, en ze stamelde:
+
+--Me dunkt dat wij er nu zoo verre van af zijn....
+
+--Ja, zei Romaan, heel laag.
+
+Maar Ameye was weer aan 't vertellen en trachtte met diepe woorden 't
+zachte vergaan van dees tijdelijke leed te doen voelen. Ze luisterden
+wel naar hem, zagen wel een wijlken lang de troostvolle beelden
+opflikkeren, die hij ontstak in hun gepeinzen. 't Matelijk gewiel van de
+sjeeze echter en de kloppende draf van de peerden, de almachtige sneeuw,
+die achter de ruitjes in wijde vlagen neerwoei en 't hoorbaar gerol van
+den rouwwagen, vooraan, den schrikkelijken wagen, al 't gedruisch
+dreunde zoo sterkelijk aan tegen hunne hersenen, dat ze seffens hun
+hoofd lieten zakken en op hunne vingeren 't heete gespets van hunne
+tranen gewaar werden.
+
+Het kerkhof was heel en al een wit veld door zijschaduwen van zerken en
+zuilen gebroken. De mannen, die waren meegekomen en waar de wind ook
+omme wit gewinterd had, maakten het kistje bloot en bonden er twee
+koorden rond.
+
+Het was een akelige stonde. De sneeuw smeet in Romaan zijn gezicht, lijk
+hij daar van voren stond, dichtebij. Hij ging alles nauwkeurig na en 't
+zicht van dat houten ding, waar Wiezeken in beloken lag, spijkerde zich
+met zeerdoend hamergestamp vaste in zijnen geest. Hij hoorde 't
+hopelooze gesnik van Madeleen, als Wiezeken in 't volle weer verdragen
+werd en zoo eendelijk wegzakte, diepe, in de eendelijke holte. Hij
+merkte nog hoe de mannen bedaard en onverschillig te werke gingen....
+
+Daar kwam een groote moeheid over hem en zijne knieen knikten thoope.
+Hij wist meteen niet meer duidelijk wat er gebeurende was en liet zich
+door Johannes meeleiden. Hij trutselde, wilde een klaarte krijgen in
+zijn gedachten en mummelde gestadig:
+
+--Maar ... maar ... sapristi! Zijn we nu allemaal tegare?...
+
+Hij werd opgeheven en zat op een nieuw in het rijtuig. Hij zag Madeleen
+weer uitbersten in een wee zonder ende en kreeg meteen 't idee dat hij
+ze troosten moest.
+
+--Toe-de, mijn kind ... ge moet op iets anders peinzen....
+
+Ze waren allemaal bang van hem. Hij zei:
+
+--'t Is hier plezant, zoo te rijden....
+
+Hij klopte op Madeleens schouder en bukte zich om te blikken in haar
+betraand gezichte. Hij streelde nadien hare handen en peuterde zoetekens
+over hare vingeren en begon ook te weenen. Hij liet zijn hoofd
+neerzijgen tegen hare borste en sloot zijne oogen.
+
+Ze geraakten thuis. Ze moesten hem wakker maken en hij keek heel
+verwilderd toe, zonder begrijpen. Hij ging de trap op en vond in de
+keuken tante Olympe aan 't jeremieeren met Mariette. Mariette wilde
+subiet wegloopen, verlegen omdat ze midden in al deze droefenis betrapt
+werd. Ameye vroeg dat ze arets blijven zou en ze groette elkendeen
+minzaam. Het was eene afleiding en de kamers, waar Wiezeken nu voor
+altijd uit was, en gaapten zoo akelig niet.
+
+Goedele bracht de hoeden en mantels weg en toonde zich uitermate
+gedienstig. Ze schikte de koffiekommekens, had beste koekskens veerdig,
+vulde met djente bewegingen de leegte, die tallenkante herkomen wou.
+En Ameye hielp dapper mee, aldoor de conversatie rechthoudend en de
+aandacht op allerlei zaken verstrooiend. Mariette begreep seffens dat
+ze ook van hulp zijn kon en haar klaar stemmeken deed ze sierlijk
+oprinkelen. Ze was alzoo waarachtig een hupsche deerne en hare handen
+waren zoo klein en zoo blank, en ze vingerde zoo prontelijk ermee, om
+haar gezegde uit te teekenen. Ze merkte dat uit de hoeken van de kamer
+allengs de deemsteringe naar voren kroop en ze voelde dat, al
+duisterend, 't geluchte vol zou geraken met een nieuwe angstigheid.
+
+--Wil ik de lampe aansteken?
+
+Elkendeen keek naar 't venster, waar de dag nog lichtend bezig was. De
+sneeuw bijsde er onophoudend naar 't westen toe, waarheen de wind zijn
+joependen asem joeg, en de vlokken kletsten altemets met een klein
+getjok tegen de ruiten of maakten, precies dansend, een sprongsken en
+een ronde. Als de lampe brandde, was alles in de kamer beverfd met een
+warm-gele klaarte, en dan werd de dalende dag buiten een kille
+blauwigheid. Mariette schoof de gordijntjes dichte. De kamer was meteen
+heel gezellig van de wijde vreemdte afgezonderd.
+
+--Zie-zoo, lachte Mariette, nu zitten we lekker.
+
+Ze lachte halvelings, en zij en schond niemands gevoelen met hare lichte
+pleizierigheid. Ze ging het vuur in de stove opkoteren, zoodat het
+poefend te zoeven begon. Ze schonk de koffie in en naderhand een
+druppelken cognac, en ze dwong elkendeen mee te doen en te drinken.
+Johannes kon ook wonderlijk alle droefenis wegtingelen met 't gevleugel
+van zijne aardige woorden. Getweeen droegen ze behendig hun moeielijke
+take, en endelijk scheen alle groot verdriet verdwenen. Madeleen
+glimlachte en knikte weleens. Romaan bleef sprakeloos, maar effen was
+zijn witte voorhoofd. Het schartend getik van 't horloge en was niet
+hoorbaar meer, en tante Olympe deed haar duimen spelenderwijs overeen
+draaien.
+
+Mariette werd dan ten geheele leutig en zette zich aan 't verhalen.
+Ze had al wat zonderlinge tijdekens beleefd, en in haar memorie had ze
+alles opgestapeld. Ze vertelde met gemoedelijke geestigheid, en ze wist
+zoo naief aaneen te knoopen een historie van hare kanarievogels en een
+avonture van de lage strate. En, al zei ze bijwijlen een opgelicht
+zinnetje, ze kon 't allemaal zoo vermakelijk op een blozend lachje doen
+afloopen, dat zelfs Ameye ook dadelijk onder den peisvollen indruk van
+hare tooverige bevalligheid geraakte. Hij klopte op Romaans knie en zei:
+
+--Hoort ge?
+
+Romaan was daar met zinnen onderstboven in de war. Door al 't gepraat
+heen bleef hij onveranderlijk rondstaren en zweeg. Hij had geen
+gedachten meer. Hij zat thuis. Hij voelde wel dat iets haperde ievers
+... ievers ... maar 't vervaagde alginds, verre van hier. Hij zat goed
+thuis en voor hem zat Madeleen, en hij zag Goedele en Johannes en de
+anderen, een warmen kring van roerende lijven. En deugdelijk was hem 't
+gedruisch. Lijk men soms op steile bergen de endelooze rustigheid der
+hemelen met rustigheid bewonderen kan en weet dat men niet blikken mag
+naar onder, waar duizelende diepten het hoofd verdraaien--zoo zat hij
+en keek naar elkendeen, en dierf niet kijken alginds, ievers waar 't
+smokkel weerde, verre van hier.... En gedurig voelde hij den
+vriendelijken stoot van Johannes' elleboog of 't gewrijf van zijn
+vingeren, zachte.
+
+--Ziet ge?
+
+Hij knikte verlegen en zijn gelaat en bewoog niet.
+
+--Hoort ge?
+
+'t Was alweer Mariette, die plezant was. Hij knikte. Zijne oogen zochten
+naar Madeleen, die knikte. Hij dronk een zeupken koffie en proefde dat
+er geen suiker genoeg in was. Hij roerde genoeglijk met het
+bel-tjinkelende lepelken....
+
+Binstdien, al meer en meer, omdoezelde een lijze moeheid zijne leden.
+Zijne handen hingen langs de sporten van zijn stoel arets te wiegen, en
+lager zonk zijn kinne. Het docht hem dat hij wel danig zwaar zat en dat
+de leuning hem in zijn rugge bezeerde. De woorden om hem en 't gespeel
+van de golvende stemmen werden een rumoerend lawaai, waarin hij niets
+meer herkende. 't Raasde tallenkant en 't kwam wegen op zijne hersens.
+Hij was plots ganschelijk warm, en de hitte kriebelde in zijn haar en
+onder zijne oksels.
+
+Hij stond subiet rechte en een blos spatte uit op zijne kaken. Elkendeen
+zweeg. Zijn tonge lag dikke in zijn mond en hij kon haast niet
+uitspreken een wenk, die in zijn hoofd bewoog:
+
+--Komt ge? We gaan....
+
+Hij glimlachte oolijk naderhand en mummelde:
+
+--Tante Olympe zal 't bedde niet opgemaakt hebben....
+
+Zijn stap was onvaste en hij drukte gretig Ameye's hand, die naar hem
+uitgereikt was. 't Ontlastte Goedele, dat hij zoo stille te rusten ging,
+en ze kustte hevig Madeleen, die ook zeer moe was geworden.
+
+Maar als Madeleen en Romaan weg waren, viel als een gewichte het
+taterend gedoe. Mariette was haastig om deze tafel te ontvluchten en
+blikte met zichtbare bezorgdheid naar het uur. Johannes en sprak bijkans
+niet meer en tuurde naar 't geschitter van een lampstraaltje op den
+bodem van zijn cognacruimer. Hij groette onachtzaam Mariette als ze de
+kamer verliet, en zat nu tusschen leege stoelen naar leege gepeinzen te
+zien. Tante Olympe zuchtte Juidop.
+
+--Aai-Heere God!
+
+En zoo drijmaal te reke, om de aandacht her op de droeve gebeurtenis te
+roepen. 't En was niet uit haar hoofd te praten, dat de eerste schuld
+lag in de onwettelijke betrekkingen en dat God een huwelijk bestrafte,
+dat Hijzelf niet had mogen inzegenen. Ze had wel geerne daarover
+gejammerd op een nieuw, om haar emotie deugd te doen.
+
+--Aai-Heere God! mijn kinderen!
+
+Ameye echter en keek niet op, en Goedele was insgelijks in alleenig
+gemijmer verzonken, zoodat tante Olympe van lieverlede ook zweeg en
+alzoo haar wimpers voelde dudderen. 't Duurde een ommegang van haar
+altijd-zelfde gedachten, eer ze haar oude kappe boog en tegen het
+tafelberd in slaap donkelde.
+
+Een zonderlinge koortse hing in 't geluchte. De wind vlaagde hoorbaar
+tegen 't raam en piepte altemets in een losse rete. 't Vuur in de stove
+werkte te hard en een kwalijke hitte schoof in zware asems eromme.
+'t Was late in den avond geworden, en Goedele dierf niet zeggen:
+
+--'t Is tijd....
+
+Ze voelde 't gestreel van Ameye zijn droomerige stilte en 't aaide haar,
+'t bedwelmde haar, 't joeg een hijgen in haar borste. Ze wist wel dat
+zij hier nu niets meer te verrichten had, en wat ze nu deed, zoo
+luisteren naar een gedacht en lui worden in een kwaden vrede--ze wist
+dat het niet docht. Ze werd in haar lijf de wellust gewaar van liggen
+in de zoelte en taken de slapheid van den locht. En ze zei niet:
+
+--'t Is tijd....
+
+Ze probeerde te denken aan moeder.... Moeders gezichte doezelde weg en
+ze kon geen beeld opvangen, dat stiptelijk moeder was. Haar zinnen
+roerden in ziekelijke teerheid, rustend bij 't doode Wiezeken, rustend
+bij Romaan en Madeleen, want daar was tegenwoordig een rust, waar ze
+lange stonden in verwijlen wou. Ze luisterde alles af....
+
+Ze verlangde niet dat Johannes spreken zou of dat zijne handen, schoone
+bij mekaar gebracht over zijne knieen, zouden 't gebaar doen van
+woorden. Ze verlangde dat de tijd zou stille hangen, en ze toetste
+Johannes' gepeins. Een ander verlangen en wist ze niet. De toekomst kon
+ze niet mooier willen, en zij en had geen begeerte die zou worden in
+mooiere toekomst volbracht. En zoo had ze stilaan geen besef van wat
+haar te doen stond.
+
+Geen daad kon ze verzinnen, en ze luisterde aldoor naar het doen van
+Ameye, en ze peinsde niet meer:
+
+--'t Is tijd....
+
+Ze was droeve en vleide zich in zoetige droefenis, en daar was in
+waarheid precies geen tijd om haar. Ze schoot ineens op, met een
+pijnlijken ruk, als Madeleen in het deurgat kwam staan, vragende:
+
+--Waar hebt ge 't gezet?
+
+Ze ging seffens naar haar toe en vatte hare handen.
+
+--Wat?
+
+--'t Beddeken, 't kleene....
+
+--Lieve, uwe vingeren zijn klamp en ge loopt kousevoets in den koude.
+Maak u niet ziek en bezorg u om niets. Laat alles begaan.
+
+--Ja, maar als ik er zoo meteen ievers tegenstruikel....
+
+--Denk niet daaraan.
+
+--Of 't kussen ievers zie, met een konksken te midden in, nog....
+
+--Geef me een zoen en zij rustig. Slaapt Romaan?
+
+--Romaan slaapt.... En waar zijn de fleschkens? En de kleeren ook al?
+
+--Ge doet me pijn, Madeleen.
+
+--Zie ... wees niet kwaad ... ik heb schrik ... ik zie gedurig schimmen
+hergaan over de gordijnen. Ik weet wel dat het een doening is van de
+strate. 't Is me algelijk danig bang en ik kan soms niet slikken.
+
+--'t Zal de werking van de koffie zijn.
+
+--Ja, dat is 't.
+
+Ze zei 't met vastheid en was seffens tevreden dat er zoo simpellijk een
+uitlegging was voor dat angstig bedrijf in haar hoofd. Ze merkte dan dat
+tante Olympe heel scheef gezakt was en ganschelijk weggedommeld. Ze had
+nog een flauwen lach en verdween.
+
+Ameye bleef zitten en Goedele zette zich lijk te voren rechtover hem.
+Ze voelde nu dat zijne oogen strak op haar gevestigd waren, en ze wendde
+hare blikken zijlings naar de dresse. De potjes, die daar stonden op
+planken, met hun witte buiken en krullende ooren en een rozige roze vlak
+vooraan, bekeek ze met geveinsde aandacht. Een tinnen teele, schoone
+versierd met een ranke doffe blaren, blonk geweldig uit, en ernevens, in
+een tasje van oud porselein, dorde een doode palmtuil. De teele droeg
+ervan de onbeweeglijke schaduw, lijk ze daar door het noesche licht van
+de lampe opgesmeten werd. Anderszins was de dresse een donkere kasse,
+want niets en was van achteren te merken. Goedele zag allengs ook
+wegsmokkelen de potjes en het klaterende tin, en in haar hoofd peuterde
+alleen de onverdraaglijke last van Ameye's blik. Hij kittelde haar,
+krabde en puntelde, zoodat het een folteringe werd. Ze duldde de
+foltering. Ze wist dat, moest ze nu subiet opkijken, ze Ameye's oogen
+zou zien. Ze wist wat ze zien zou in de oogen. Hij deed haar zeer, hij
+was ongemanierd en hij was onzedelijk. Maar--moest ze nu subiet
+opkijken--ze zou geen ongemanierdheid en geen cynische treiteringe zien.
+Ze voelde 't heel klaar, en opkijken en deed ze niet.
+
+Maar bukte hij zich niet en leunde op de tafel om beter zijn blikken te
+doen wegen. Ze stond haastig rechte en zei:
+
+--'t Is tijd.
+
+'t Klonk eenbarelijk en ze was zelve verwonderd. Ze meende dat ze 't
+leelijkste woord genomen had en dat ze nu gaan moest. Zijn vrage was een
+fluistering.
+
+--Tijd?
+
+Zijn stemme, met dat eene woord, omvatte haar in een lauwe fleering en
+het docht haar dat hijzelf haar tallenkante te gelijk taken kwam. Ze
+betreurde dat ze gesproken had en betreurde dat hij sprak. Ze had de
+peis gebroken van eene zinnelijke mijmering en ze vreesde dat, met de
+beweging van haar lijf, met den gedwongen tert van hare voeten, ze de
+schoonheid van dezen avond onherroepelijk verdrijven zou. Hij sloot
+zijne oogen en lispelde:
+
+--Ik meende dat een eeuwigheid was aangebroken....
+
+Het trof haar dat ook hij in 't gewiegel van dezelfde gepeinzen vervoerd
+was. Ze werd bang. Zou hij verder spreken? Zou hij in een vallend
+gezegde uit hem gooien wat zij wist dat er droomend gebeurde? Ze werd
+uitermatelijk bang en hare vingeren schoven bibberend overeen. Ze boog
+zich algauw over tante Olympe en schudde haar ruw wakker. Het wijveken
+hief scheef omhooge haar afgemat gezicht en keek verward op.
+
+--Hein?
+
+--'t Is late nacht, zei Goedele. Ik moet naar huis. Ga, bidde,
+daarbinnen kijken of Madeleen nu rustig is....
+
+Tante Olympe verliet knikkebeenend de kamer, maar 't gesleer van hare
+voeten was nog merkbaar alover de ruischende planken van den vloer.
+Ameye rechtte zich langzaam op. Heel simpellijk, alsof hij wel wist dat
+geen weigering te verwachten was, sprak hij:
+
+--Ik ga mee. Alleene moogt ge over strate niet loopen.
+
+Ze antwoordde koud dat hij zich eigenlijk geen moeite moest geven en
+gerust daar blijven kon, als hij eerst zoo van plan was. Hij vroeg:
+
+--Wat kan ik hier doen? Elkendeen slaapt en gij zijt weg....
+
+Tante Olympe kwam op hare teenen her binnen, teeken doende dat alles
+rustig was, en Goedele werd buiten reden haastig. Haar hoed, binstdat
+ze hem opzette, beefde in hare handen en een ongemeene gichtigheid
+kriebelde achter hare ooren. Onder 't licht van de lampe schitterde,
+uiterst beweeglijk, de diamant van haren ring. Ze was seffens veerdig en
+smeet zonder hulpe haar mantel over hare schouders. Ze voelde nog een
+beetje vochtigheid in de pelsenkrage, die killig haren nekke taakte. Die
+plotselinge frischheid deed haar deugd, en ze trok met meer bedaardheid
+hare handschoenen aan. Als ze endelijk ommekeek, stond daar Ameye
+alreeds te wachten.
+
+--Kunnen we gaan, juffrouw?
+
+--Ja, mijnheer.
+
+Ze deed haar best om hard te zijn of onverschillig. Ze groette tante
+Olympe met overdreven vriendelijkheid, om goed 't verschil duidelijk te
+maken.
+
+--Slaap zachte!
+
+Ze vestigde hare aandacht op de lampe, die aan 't uitvonken was, en
+tante Olympe, ten halve slaperig, knikte dat ze alles wel zou in orde
+brengen, al lachend groetend:
+
+--Tot morgen?
+
+--Tot morgen.
+
+Het licht, dat in vierkante vlekken op de trappen spetterde, vernauwde
+subiet, en de deur klonk dichte.
+
+Ze geraakten op strate. 't En sneeuwde niet meer, maar allerwege reikte
+de blanke vlakte, rijzekens gebroken door 't somber geschemer der
+gevels. Geen mensch roerde daarin. Een benauwde stilte heerschte hier en
+'t was alsof 't nooit anders was geweest en 't nooit anders zou worden.
+Altemets roefelde van boven een wijde wind benedenwaarts, scharrelde
+hoorbaar langs de daken, in de goten, huilde ievers in een
+toevallige-holte of joeg vrij door, meester over de stede. Het licht dat
+van de lanterens openviel, rondde een gele verve plat op de witheid van
+den winter, en, als 't gewaai aan 't rotelen was, waggelde de vlamme en
+roerden op den grond de schaduwstrepen en de klaarten. Andermaal was
+alles stille en men hoorde heel verre 't geronk van de hooge stad, den
+galm van haar late pleizieren.
+
+Een tijdeken bleven Goedele en Ameye op den drempel staan. 't Schoot
+haar plots te binnen dat Justa misschien op den loer was gezet, en ze
+staarde links en rechts den nacht door. Ze zei, opdat hij ook zou
+rondblikken:
+
+--Geen ziele op weg....
+
+Hij blikte rond.
+
+--Geen ziele....
+
+Ze hadden allebei terzelfdertijd 't gevoel van deze vreeslijke
+alleenigheid, en hun voet schoof schuchter door de krakende sneeuw. In
+zijstraten en bewoog insgelijks geen levend bedrijf van menschen, en 't
+was alsof ze doolden in een doode stad, zoo tertende naast mekaar op
+zinkenden grond, waar nievers het speur van stappen was achtergebleven.
+Tusschen de spleetjes van onvaste blaffeturen straalde altemets een
+geutje licht, en binnen een huis dreunde bij stonden de slag van een
+pompe of 't getjok van een ijverige naaimachine. Het tijdelijke lawaai
+stierf gauw uit en lijk te voren herkwam de almachtige stilte langs de
+effenheid van gansch de blanke vlakte. De drempels lagen bedolven en een
+hooge zulle kon halvelings nog opduiken voor de woonste van rijke lui.
+
+In een ommedraai van den weg merkten ze de sombere gestalte van een
+politieagent. Verder alweer reikte de onbezochte straat, geruchteloos.
+En ze gingen, neerwaarts blikkend, luisterend naar eigen beweeg. Ze
+spraken niet en ze waren gedurig veerdig om te spreken. Ameye wilde met
+geen dwaas gepraat beginnen en zocht het sterke woord, waarmee hij
+beginnen moest. Een vredige zekerheid was in hem rijp geworden en zijn
+besluit lag klaar in zijne gedachten. 't Ware nu dom geweest, indien hij
+met gewone zinnetjes te converseeren ging. Hij liet eerst de stilte hare
+diepe werking doen....
+
+In ongedurige verwachting stapte Goedele nevens hem. Ze taakte soms zijn
+elleboog, als haar voet zijlings uitsleerde, en zoo rilde een
+zonderlinge wrevel langs haren rugge op. Al meer koortse verwarde hare
+zinnen en ze beet somtewijlen toornig op hare tanden, vernederd in eigen
+onverdraagzaamheid. Ook de eenvormige klein-geruchten, 't piepen van de
+sneeuw onder haren schoen, 't geruisch van hare rokken en een kleine
+wrijving van haar pelsenkrage, saam met haar blazenden asem, joeg ten
+uiterste haar lastig ongeduld. Bij 't inslaan van een nauwe stege, werd
+ze gewaar dat ze de baan te buiten waren en misliepen. En toch, al wilde
+ze haastig zijn en zich haar ongeduur tot rap doordrillen opdringen, ze
+zweeg.
+
+De schaduw, die van de daken viel, was dichter hier en nauwer lagen de
+drempels tegenovereen. Daar was ievers nog een kroegje ruchtig, maar
+wijder uit donkerde alles weg in ganschelijke eenzaamheid. Het begon te
+sneeuwen....
+
+Ameye rok zijn regenscherm open en schoof dichte aan naast Goedele.
+
+--Leun op mijnen arm, zei hij.
+
+Hij sprak heel lage, gewichtig en daardoor was zijn nadering, in
+Goedele's hoofd, een diepzinnige gebeurtenis. Haar ongeduld zakte thoope
+en ze voelde een groote aandoening over haar komen. Aarzelend hief ze
+hare hand op en rustte op zijnen arm. Ze kon niet doorwegen erop. Een
+zonderling gevoel deed hare vingeren tingelen, zoodat de tast van zijn
+lijf ze opwippen deed overhand. Hij fluisterde:
+
+--Nu hebbe 'k een wonderbaar geneuchte....
+
+Ze meende dat ze te wege was weg te zinken, en het docht haar meteen dat
+de eerde roerde en een holte groef onder haar. Elk woord, dat hij
+uitgesproken had, brandde en daverde in hare hersens en haar hoofd zelve
+werd een holle kasse, waar ze met ongemeen geweld ommeroefelden. Wat had
+hij gezeid? 't Ruischte als een schrikkelijke golving:
+
+--Een wonderbaar geneuchte....
+
+Ze spande al hare krachten in om sterk te blijven en klampte zich vaste
+aan andere gedachten. Ze wilde denken aan Romaan, en denken aan
+Madeleen, en hare emotie in tranen uitgieten alover 't graf van
+Wiezeken. Ze maakte vluggelings beelden van wanhoop, om iets dat
+opjoepte in haar herte neer te duwen. Ze dwong hare gepeinzen tot
+weemoed en richtte ze alginder, waar 't ongeluk was binnengeslopen en
+waar ze gansch den dag had kunnen weenen. Ze vroeg zich af:
+
+--Schiet Romaan nu niet wakker en hoort hij niet 't geloei van den
+eendelijken wind?
+
+Ze kon geen angstigheid leggen in haar borste. Ze vroeg zich af:
+
+--Loopt Madeleen nu niet dolend rond, in waanzin zoekend naar ...
+naar....
+
+Maar ze stiet seffens aan tegen de struischte van 't eenbarelijk geluid:
+
+--Een wonderbaar geneuchte....
+
+Het klokte zonder ende, en klapperde hare leden door, en 't galmde in
+trillingen weg om haastig weer op te lawaaien, een krachtig gedruisch.
+Ze meende dat ze niet meer te kampen vermocht.... Dan zag ze in
+toevallige gepeinzen 't moedeloos gezichte van Sebastiaan en ze moest
+blijven staan, plots ongemakkelijk wordend. Ze voelde nadien dichtebij
+den buigenden blik van Ameye en stapte verder, gedreven door koortsige
+hardnekkigheid. Een oogenblik kon ze nagaan Sebastiaan's bleeke wezen en
+luie vingeren. Ze had geerne een geweldige wroeging willen krijgen, een
+bijtend folteren van al haar vleesch, een schok in haar herte om neer te
+zinken, onmachtig.... Het bleeke wezen vervaagde, teerde uit zonder
+oogenverwijt; en sterker herstraalde tallenkant, triomfelijk, het lokkig
+gezegde:
+
+--Een wonderbaar ... een wonderbaar....
+
+Ze voelde dat hij zijn stap vertraagde, en dat zijn arm lager zeeg en
+achterwaarts zich rondde. Ze voelde zijne hand sleeren langs haren rug
+en haar omvatten in haar leen. Toen merkte ze hoe dikke de sneeuw al
+zwijgend omlage streek, en zag ze den witten schijn van zijn gelaat uit
+den nacht opklaren en bukken over haar voorhoofd. Ze schrok subiet. Ze
+neep hare oogen toe en kon niet verder terten. Zijn warme asem kittelde
+alreeds op hare slapen. Ze neeg op zij en zakte zonder willen tegen
+zijne borste. Ze hoorde heel zachte:
+
+--Goedele ... Goedele....
+
+Op haren mond brandde nu de wilde hitte van zijne lippen, en haar mond
+werd wild heet.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+X.
+
+
+Het was alles alzoo door de ziekelijke demoralisatie van de
+omstandigheden gekomen, maar Goedele was daarvan niet bewust. Ze leefde
+nu daarin, met onzeglijke drift opasemend het koortsige geluchte, en ze
+wist niet dat er een andere weelde der zinnen kon zijn. Alles had ook
+meegeholpen in 't kwade bedrijf--haar opgroei tusschen de muren van 't
+massieve, leege huis, haar omgang met het onecht gedoe van moeder en
+Sebastiaan, de nabijheid van Romaan's ongeluk en Wiezekens dood.
+
+Ze klampte zich nu vast aan 't morbiede lijfgenot, niet meer vattende
+dat een dieper ziel el even haar aandeel kon zijn. Als ze late in den
+morgen hare oogen openstak en de dag zag uiteenkletsen tegen de witte
+zoldering van hare slaapkamer, voelde ze zich breed en struisch geworden
+in de lichtende vrijheid van een nieuw bestaan, wonderlijk en ongeraden.
+Al zag ze eerst niet heel klaar in wat er gebeurd was, al vervaagde alle
+detailleering in een grijze doezeling, die ganschelijk de vreemde
+zekerheid van hare gedachten uitmaakte, het was heur al zonnig, wat
+optikkelde in hare hersens. Het zonderling gevoel, dat haar in een
+gestadige duizeling bracht, was wel rijzekens omrild met de siddering
+van lastige angstigheid, en ze moest soms hare vingeren op haar
+voorhoofd leggen om er de subiete hitte te koelen. Ze vroeg zich niet
+met bangheid af:
+
+--Wat heb ik nu gedaan?
+
+Ze was om de nieuwheid van haar voelen bang, en wat ze gedaan had, was
+goed, was zoete. Ze was niet bij machte om uit de verveling van haar
+verleden nu een spijt op te rakelen. Ze redeneerde bovendien niet.
+Ze proefde langzaam hare versche emoties, en ze was zoo verre van de
+overige doening verwijderd, dat ze de mogelijkheid van een anderen
+toestand niet taken kon.
+
+Als ze zich aankleedde, bleef ze voor den spiegel een lange stonde de
+malsche sierlijkheid van haren blooten hals en de ronde blankheid van
+hare armen bewonderen. Het scheen haar dat ze in, der waarheid schoon
+was, en een zondige fierheid lei zinnelijke stralen in hare oogen.
+
+Het schoot dan als een schicht door haar memorie dat ze Johannes vandaag
+nog een bijeenkomst beloofd had. Ze had het niet vergeten, maar nu,
+binstdat ze haar naakte vleesch met het smeulende vuur van passie
+verheerlijkte, kwam het haar brutaal-klaar te voorschijn....
+
+Een aarzeling haperde in hare gepeinzen en een wijlken verwarde hare
+aandoening. Dat ze gaan zou bij hem, en dus een leven beginnen waar ze
+schoon-handelend in optreden zou, ze wist het. Maar ze schrikte, omdat
+het oogenblik zoo dichte bij in de toekomst stond--'t was alsof het
+aanzienlijke bedrijf nu reeds hare leden kwam raken. Ze dierf niet
+denken aan wat er precies gebeuren zou; seffens roerden hare ideeen
+thoope en ze was tewege weg te zinken in een bedwelmende zoetigheid.
+
+Ze herpakte haarzelve. Haar boezem klopte geweldig en een blauwe ader
+lijnde teer uit op hare slapen. Ze stamelde:
+
+--Vandage niet--vandage niet....
+
+Hij moest wachten, hij mocht niet verlangen dat ze zich ten geheele
+subiet overgaf, en ze wilde niet dat hij zoo gauw hare zwakheid zou
+kennen. Eene vrouwelijke oolijkheid schuilde onder de uiterlijke sterkte
+van haar besluit.
+
+--Vandage niet!
+
+Eerst zou ze een ganschen dag 't genot herleven van den vorigen avond,
+elke kleine gebeurtenis heropschudden in hare herinnering, en weer
+genieten de eerste handeling van die zonderlinge liefde, die niet zonde
+heette, omdat ze liefde was. Op een nieuw zou ze de eenzaamheid van de
+nachtelijke strate voelen, den zwijgenden val van wiegewije sneeuwgevlok,
+de warmte naast haar zijde van zijn arm, van zijn krachtig lijf, en 't
+buigen van zijn zoenzware lippen....
+
+De uchtend was schoon: de wolkenlage rolde uiteen en langs een
+bleekblauwen hemel zilverde een liefelijk zonnegestraal. Op de ruiten
+spikkelde daardoor een menig sterrenspel van witte vonkjes en Goedele
+keek met pleizier ernaar, een zelfde leute voelend in haar herte.
+
+Zoo tort ze de trap af, alles beminnelijk vindend wat ze ontmoette op
+haar weg. Seppie stond bij een deure zijn koppeken op te heffen en te
+kwispelen zeer gevoegelijk met zijn kodde.
+
+--Dag, Seppie!
+
+Vader zat in de eetkamer aan 't dubben over nieuwe uitvindingen en het
+scheen haar dat hij zoo'n mooi-zoete hoofd had, zoo lijze haarkrullekens
+om zijne ooren en zoo kinderlijke blikken. Ze was hem nu sterk genegen
+en ze knikte hem toe. Hij glimlachte tegen.
+
+Moeder rustte in haren zetel, bij 't stille gekraak van den heerd.
+Ze draaide seffens haar wezen omme naar Goedele en een angstige
+nieuwsgierigheid bibberde in hare oogen. Ze vroeg dadelijk:
+
+--Hoe is 't met Romaan?
+
+Goedele zei, met een vreemde verwondering:
+
+--Romaan?
+
+Ze had zelve nog niet aan Romaan gedacht en ze was nu heel verschrikt,
+omdat de gansche gebeurtenis--de droefheid in gindsch gefolterd
+huisgezin, de mee-uitgesnikte droefheid--zoo verre achterwaarts gelegen
+was. De dag van gisteren was met leven gevuld en 't schoot haar
+pijnelijk door de hersens dat Wiezeken dood was, dat Wiezeken begraven
+was, dat men nog om Wiezeken weende. Ze legde moeielijk uit, geweld
+doende om natuurlijke woorden te vinden:
+
+--Goed ... hij is struisch gebleven ... hij maakt zich nu een reden ...
+hij is in slaap gevallen ... vermoeid....
+
+--Hoe late was 't als ge hem verlaten hebt?
+
+Goedele voelde meteen de doordringende hardheid van moeders blik en ze
+bloosde in zwijgende verontweerdiging. Ze keerde zich naar vader, en
+boog over hem, en kuste zijn peiselijk voorhoofd. Ze ging naderhand
+onverschillig neerzitten aan tafel en schoof een kommeken voor zich en
+schonk koffie. Vader reikte haar den suikerpot over.
+
+Ursule sprak:
+
+--Het was na twaalven als ge thuis zijt gekomen.
+
+Goedele antwoordde met licht humeur dat het wel kon, dat zij 't
+geloofde, dat zij 't zich niet meer herinnerde. Ze wist nu zeker dat
+Justa op den loer was uitgegaan, en het krenkte haar diep. Ze vroeg met
+een klein lachje:
+
+--Heeft Justa mij op de bane niet ontmoet?
+
+Ameye had haar langs omwegen naar huis gebracht en ze giechelde spottend
+bij de gedachte dat ze aldus Justa ontloopen was. Ursule zei niets meer
+en tuurde naar 't vuur.
+
+Met den klank van moeders stem en de bijtende scherpheid van hare
+woorden, was de koude vreemdte van dees huis her op Goedele's schouders
+gezonken. Ze voelde alweer den wijden afstand van de hier-wonende
+menschen en de schrikkelijke nauwte van het hier-kwijnende leven. Een
+versche opstand woelde in haar en ze wilde zich wreken met algauw weg te
+rukken van hier. Ze zou Johannes niet doen wachten....
+
+ * * * * *
+
+Omtrent den avond, als langs de muren der straten de eerste donkerte
+kroop, vertrok ze. Een hijgende jacht klopte met joepen en bonzen in
+hare leden en ze drilde gichtig door. Ze werd den wind niet gewaar,
+die nu heel bitsig ommevlaagde, aan hoeken van hooge huizen een wilde
+wirreling dansend, die plat hare rokken tegen hare beenen sloeg.
+
+Ze beluisterde ievers 't geklep van 't uur, dat van een prochietoren
+neerwaarts rinkelde, altemets weggevlegeld door 't hevige gewaai. Ze
+geraakte in onbekende wijken. Ze moest bijtijden aan een politieman
+vragen, waar ze den weg inslaan zou, en dan keek dat roode mansgezichte
+bedaard op naar heur, zonderling doende. Ze hoorde maar rijzekens wat
+hij zei, en drevelde voort, en had straks weeral alles vergeten.
+Ze vreesde bijkans dat ze te late zou aankomen en dat Johannes,
+moe-gewacht, niet meer ter plaatse zijn kon. Ze vroeg dan haastig:
+
+--Is 't nog verre?
+
+Een ander rood gezichte blikte in haar wezen en maakte haar met langzame
+uitleggingen wrevelig.
+
+--Nee-e, als ge doorstapt, juffrouw, en geen omwegen begint....
+
+Ze liep verder eer 't laatste woord tot haar geraakte.
+
+Al dichter zeeg de donkerte. Een klein oud manneken stak met een perse
+de lanteernbekken aan en elk licht werd subiet een waggelend leven,
+opwippend in den avond, die daardoor precies doezeliger spookte. De
+klaarten vielen in de liggende vlakjes gesmolten sneeuw en trilden er
+een oogenblik, naarmate Goedele huppelend voorbijtort.
+
+Ze stapte endelijk trager. Ze gebaarde dat ze hier heel onverschillig
+aankwam en verjoeg op haar gelaat de spanning, die haar wenkbrauwen
+fronste. Ze had Ameye gezien.
+
+Maar in haar binnenste schokte eene geweldige benauwdheid, en ze wist
+niet met welk gezegde ze hem begroeten zou. Zou ze schijnbaar verwonderd
+naar hem opkijken en haar woorden kiezen naar den klank van zijn woord?
+
+Ze blikte zijwaarts. Ze voelde dat hij haar herkend had en rap op haar
+afkwam.
+
+--Goedele!
+
+Het was haar een onzeglijk geneuchte en over gansch haar lijf kwam zijn
+stemme streelen met de zoete galming van haren naam. Ze wendde zich omme
+naar hem, verlegen, blozend, en ze schoof hare hand uit haar pelsen
+mofje, hem reikende in ganschelijke overwinning hare witte vingeren.
+
+Ze taakte dan den warmen toets van zijn lijf en ging moe hangen aan
+zijnen arm. Het docht haar dat de voorbijgaande menschen haar aankeken.
+Het docht haar dat elkendeen beloerde hare overgroote aandoening en dat
+haar herte openlag, bloot voor elkendeen's oogen. Ze dacht verder aan
+niets meer dat achterzijds volbracht was in 't verleden, en alles werd
+een helle nieuwigheid. Ze vroeg, ontroerd:
+
+--Waar gaan we?
+
+Ze kon niet verzinnen entwat dat nog verscholen lag, halvelings te
+raden, in de toekomst. Ze leefde ten volle en eeniglijk midden in haar
+huidig geluk.
+
+En hij wist zoo wonderbaar te vertellen van nietigheden, die altegare
+met blij gefluister omrankten deze heilzame stonde. Hij lachte en
+tooverde een prettig gewiegel van luttele beeldekens in hare hersens.
+Ze zag de beeldekens wiegelen en lachte mee. Nu was er geen tastbare tijd
+meer en niets van wat den samengang van hun bestaan uitmaakte, scheen
+haar vergankelijk te zijn. Overal was licht het gewone gerucht van de
+stad en haar hoofd was vol zacht-ruischende geluiden. Ze blikte altemets
+op in zijn gelaat en ze vond hem schoon als de zonne. Dan waren hare
+oogen met gulden licht beladen en 't gedoe van de loopende menschen was
+haar een dooreenvarende vaagheid. Hij vroeg:
+
+--Zijt ge moe?
+
+Het was zoo zoete dat hij een minste trilling van haar handen opmerkte
+en zich dan dadelijk om de oorzake bekommerde. Ze glimlachte even, omdat
+haar zijn vrage heel gek in de zinnen klonk en ze was zeker dat ze, lijk
+nu, gaan zou mijlen en mijlen te reke zonder moeheid, zonder den last
+van haar lijf gewaar te worden. En nooit zou zijn liefderijke stemme
+hare aandacht verzadigen en een wreveling worden in hare ooren. Hij zei:
+
+--Uwe vingeren zijn warm....
+
+Aardig dat hij zoo innig om haar bezorgd was en haar minste
+gewaarwording omstreelde met de aaiing van zijne stemme. Ze voelde
+echter niets meer--noch 't slaan van hare voeten tegen de steenen, noch
+'t woelig gewentel van den wind, lijk hij somtemets met vervaarlijk
+geweld omzwirrelde, al pletsend op de vlakke muren zijn matelooze jacht.
+
+Ze gingen ook een tijdeken zonder spreken, en dan was 't alsof hunne
+gepeinzen, hooge boven het zot lawaai der strate, ievers in
+buitenzinnelijke vredigheid tegare kwamen, een-wordend en bij parende
+rijen rondbijzend als een vlucht van gekoppelde tortelduiven. Ze zouden
+zoo zwijgend geerne gebleven zijn, maar dan merkten ze algauw dat ze
+onbetamelijk deden, en ze schuilden onder een pluimlichte conversatie
+hunne diepe zaligheid.
+
+In 't voorbijgaan viel om hen een subiete vlage van orkestgeluiden met,
+uit groote ruiten en breede deuren, 't geklater van sterk-stralend
+licht. Hij lispelde, haar zijwaarts meetrekkend:
+
+--Willen we hier eens binnen?
+
+Ze knikte. Het was haar alles eender, als 't maar een gezamenlijke
+doening was. Ze wipte nu de marmeren trapzuilen over en geraakte in de
+groote drinkzaal. 't Was haar een vlugge duizeling, de storting van al
+de withelle klaarte en, rekewijs langs 't verblindend geflikker van
+blanke tafelborden en ster-vonkend glasgerief, de sombere krioeling van
+menschen. Het docht haar, naarmate ze doortort zoekend daar binst naar
+een plaatse, dat al deze gezichten overhand opkeken naar heur en ze
+ried, in een zijblik, de blankheid van hun wendende voorhoofden. Ze
+voelde zich dan opgroeien, groot en struisch als ze was, grooter nog,
+en fier-schoone in hare grootheid.
+
+Als ze neerzat, verwarde meer en meer, in traag bedrijf, een gestadige
+bedwelming hare opgejaagde zinnen. Ze taterde. Ze voldeed met dol
+gepraat haar lastig ongeduur, en ze staarde gedurig vlak in Johannes
+zijn gelaat, er lavend de gulzigheid van hare gretige blikken.
+
+De muziek vervulde onderwijl met diverse golving van tonen het razende
+geluchte. Goedele liet zich wegdrijven erlangs. Nooit was ze zoo dronken
+geweest van vage geneuchten, die ze haast werkelijk taken kon, al
+smeulden ze nog, met onzeker vuur, daar voor haar, heel dichte, in de
+toekomst. Hij zei:
+
+--Drink eens.
+
+--Ik spreek liever. Luistert ge niet?
+
+--Laat uwe lippen koelen.
+
+Ze liet haren mond raken den ijskouden drank, en rilde bij de kilte,
+haar gansche lijf door. Hij merkte dat ze rijzekens schrok, en bood haar
+lauwer water en 't suikerbordje. Ze zei:
+
+--Ik wou wel koffie.
+
+--Koffie moogt ge niet hebben.
+
+Ze lachte koortsig:
+
+--Wat belieft?
+
+Hij bestelde melk, en ze vond naderhand dat melk te heet en te dikke
+was. Ze bloosde endelijk en boog zich al zuchtend:
+
+--Och! ik weet niet--ik heb geen smaak ... ge moogt mij zoo scherp niet
+aankijken.
+
+Hij schaterde met geveinsde leute, en ze maakte even een pruilend
+moezeken, zich ten halve kantewaarts wendend:
+
+--Ik zal u niets meer vragen.
+
+--Doe dat.
+
+Ze moest dan meelachen.
+
+Als ze weer met hem op strate was, en plots het wiegelend
+orkestgedruisch wegroezelde achter haar, stond ze lijk dronken in den
+kouden avond. Ze drukte Ameye's arm en probeerde haar stappen te passen
+op de mate van zijn tragen gang. Ze boog haar hoofd en keek naar de
+tjoppen van hare schoenen, die overhand van onder haren mantel te
+voorschijn kwamen om seffens weg te duiken op een nieuw. Ameye brak
+schuchter de stilte, die neergeraakt was over hen:
+
+--Willen we naar 'n schouwburg?
+
+Ze beweerde dat ze niet aangekleed was daarvoor en liet een nieuwe
+stilte heerschen. Ze voelde dat hij zocht om samen alleen met haar
+te zitten en ze verwachtte met eene angstige aandoening wat hij nog
+voorstellen zou. Ze had er niet aan gedacht dat de avond zoo in
+trippelgang niet afloopen kon. Ze was niet bang voor hem. Ze wist dat
+hij hier de woorden niet vermocht te zeggen, welke hij zeggen moest.
+En hoe zou zijzelve ze hier aanhooren?
+
+--Willen we ... hebt ge geen trek in iets? was zijn verlegen vrage.
+
+Ze wist niet hoe hem te helpen. Ze zei dat alles haar goed was en dat
+hij zich maar niet moest lastig maken. Ze staarde in zijne oogen en
+fluisterde:
+
+--Ik ben gelukkig!
+
+Dan was 't weer een wandelen, straat in, straat uit, zonder ende.
+Johannes had niet meer dezelfde zwierigheid in het gesprek en zijne
+gedachten, gestadig in spanning, volgden moeielijk de woorden van
+Goedele. Hij vroeg dan meteen, heel rap, alsof hij in een geute al zijn
+moed daar neersmeet met een gezegde:
+
+--We gaan soupeeren....
+
+Hij voelde dat hare hand een tijdeken op zijn arm bibberde, en hoorde
+dat ze precies struikelde. Ze kon niet goed een klank uit haar kele
+stooten en ze hief zijwaarts hare oogen naar hem. Hij las een groot
+vertrouwen in hare strakke blikken, een vertrouwen, dat alle aanvallen
+tarten kon.... Ze zei:
+
+--'t Is me eender ... als ge wilt....
+
+Ze zei 't ultermatelijk stille, en het was te merken dat haar antwoord
+haperde over hare tong. Hij voelde dat ze zich overgaf en dat haar
+aarzelende bede was: wees zachte, en doe niet hard, en krenk me niet....
+
+Hij stapte rapper door en 't jubelde al in hem, wat zingend opgalmde uit
+zijn herte. Voor 't portaal van eene groote restauratie bukte hij zich
+en lachte:
+
+--Hier?
+
+Ze had, starende in een zonderling gemijmer, een droeven lach. Ze knikte
+en bracht dieper over haar aangezicht de licht-bruine vool, die om haren
+hoed was vastgestrikt.
+
+Hij duwde de witte deur open, die naar de eenzame salons leidde en
+bracht haar in een mooi versierd kabinet binnen, kleurig verlicht met
+elektrische bloemlampen. Hij was opgeruimd en sprak met ingetogen
+haastigheid. Hij vond dat ze zoo onpleizierig was.
+
+--Nu geen leute bederven, hoor!
+
+Hij nam haar mofje en hielp haar mantel uittrekken, en gaf alles rap
+over aan een kelner, die zwijgend in het deurgat kwam staan. Ze zette
+zich neer en zuchtte. Ze zag haar eigen gelaat rechtover zich in een
+spiegel en had een vlugge gebaar om even nog een haarkrulle weg te
+strijken, die buiten plaatse geraakt was.
+
+Johannes bestelde het eten, alles koud om alles in eens te kunnen
+krijgen en binstdat de geluidlooze lijven der kelners in druk bedrijf
+om de tafel werkzaam waren, verhaalde hij met kinderlijke gretigheid
+aardige avonturen.
+
+Goedele kwam al dadelijk onder den invloed van zijn driftig praten en
+kon hem endelijk met juichende blijheid antwoorden. Het kwam haar voor
+dat ze droomde, dat alles fluks weer neerstorten zou in dagelijksche
+werkelijkheid. Hoe was alles ontstaan? Ze wist niets meer. 't Was te rap
+gebeurd. Ze voelde Johannes dichtebij haar en al wat hier in verven en
+tonen aanwezig was, kwam heel zoete haar leden omstreden.
+
+De deure werd dichtegedraaid. Ze waren nu alleen. Ze hoorden den gang
+der kelners geleidelijk wegstappen op de doffe tapijten en teenemaal
+uitsterven, langs dalende trappen. Johannes bracht haar bij de tafel,
+en 't was alsof hij in waarheid niet merken wou de eenzaamheid van die
+muren, de beloken geluidloosheid van deze deur.... Het klepperde in hare
+hersens:
+
+--We zijn alleene....
+
+Maar Johannes werd schijnbaar niets gewaar, en zette zich rechtover haar
+en was dadelijk bezig met snijden en deelen en schinken. Goedele hoorde,
+midden in de zangerige doening van zijne stem, 't gerinkel der teere
+roemers en de harde klabettering van vorken en messen op gladde
+tellooren. 't Verwarde allemaal schielijk ondereen en haar hoofd was vol
+van 't eenvormig gedruisch;
+
+--Alleene ... alleene....
+
+Ze keek bedwelmd op. Ze nam zonder weten aldoor aan, wat hij haar
+overreikte en ze lachte lijze mee als hij schaterend te lachen begon.
+Somtemets schoten heete walmen naar heure slapen en dan doopte ze hare
+lippen in de deugddoende frischheid van den wijn. Ze verwonderde zich
+dat Johannes zoo zorgelijk zich bezighield met het luttele bedrijf van
+het eten, dat hij al den ijver van zijne vingeren daaromtrent in gulzige
+werking bracht, en dat hij daar zat, voor haar, aan 't spinnen een
+aardige webbe van kleine vertellingen, zonder aandacht precies voor hare
+aanwezigheid, zonder herinnering precies aan hunne verleden
+verwachtingen....
+
+
+En 't ging alweer hamerend op in haar vleesch, stijgend in dreunende
+slagen, tot hare gedachten maar een gedacht meer vormden, een gedacht
+van zonderlinge angst:
+
+--Alleene....
+
+Hij hief zijn glas op en 't licht bibberde veranderlijk in den roerenden
+drank. Hij sprak van levenslust en kommerlooze leute, en over zijn wezen
+kwam een stil-lachend pleizier, een natten gloed leggend in zijn
+diep-zwarte oogen. Ze taakte 't groote geneuchte, dat hij met woorden
+boven de tafel leven deed, en ze duizelde bij stonden, geen uitweg meer
+wetend voor 't overweldigend geluk, dat opgloeide in haar. En haar glas
+reikte ze naar 't zijne uit....
+
+Al meer vervaagde stilaan het zicht der dingen. Een trossel druiven
+praalde, purper-schijnend, midden tusschen de blankheid van porseleinen
+schalen. Ze zag niets anders meer ommedom. 't Overige gekleur fonkelde
+uit in schemerende lichtvlakten, altemets gestriemd met vluchtige
+strepen. Johannes was opgestaan....
+
+Ze voelde nu zijn warme nabijheid. Ze voelde zijn arm, die om haar leen
+kwam fleeren en haar dichter aansloot tegen hem. En zijn asem kittelde
+over haar gezichte.
+
+--Melieve....
+
+Haar emotie sloeg in forsche klopping door hare leden. Zijn stemme
+brandde en smeet in laaie golving om haar. Hij fluisterde met hijgende
+gichtigheid:
+
+--Laat me u voelen ... zoo dichtbij ... tasten uw werkelijk lijf en den
+blik, die optoovert uit uwe oogen. Zoo zijn we in sterke zaligheid te
+gare--te gare, lijk het zijn moest naar de wetten van ons beider lot.
+Weet ge ooit hoe diep ik u lieve!
+
+Zijn mond toetste bijkans haren mond en zijn woorden stieten aan tegen
+hare lippen. Hij lispelde, begeesterd:
+
+--Kijk op--kijk op ... en dring in mij.... Weet ge ooit hoe ganschelijk
+mijn leven is vastgeketend aan uw leven! Kijk op.... De toekomst is me
+een blijde straling geworden.
+
+Hij sprak van de toekomst. Hij kuste haar op haar voorhoofd en in heur
+haar. Hij sprak van de toekomst, vervoerd, verrukt, en lang beeldde hij
+'t haar voor, hoe ze saam, buiten aller wete, jaloersch voor eigen
+geluk, hun genot in een klein huizeken zouden bergen, hoe ze daar trage
+avonden zouden slijten, aldoor in 't gulden wonder van hun liefde. Hij
+verzinde een sierlijke detailleering daaromme, zoodat 't opstraalde in
+menig geflikker, vlammekens alhier en alginder--altegare een groot
+minnevuur. Hij joeg zijn woorden achter mekaar en zoende haar driftig en
+aaide hare vingeren, vragend:
+
+--Wilt ge?... wilt ge?
+
+Ze stamelde, heel week wordend:
+
+--Ik ... wil....
+
+Hare borste golfde geweldig, hare wimpers waren heet en zij voelde de
+tranen niet, die stille over hare wangen rolden. Ze snikte endelijk en
+vatte in plotselijke drift zijn hoofd in hare handen en drukte 't met
+ongemeene kracht tegen haren zwellenden boezem. Ze hakkelde:
+
+--Ja ... ja ... ik wil ... ik zie u zoo ... machtig geerne ... u ...
+u....
+
+Hare natte lippen sleerden, lang-zoenend over zijnen hals.
+
+Het was alzoo een stonde van overmatige aandoening en al wat rond haar
+bestond, al wat ze nog in beweeglijke grijsheid herkende, de witte
+spetsing van roemers en teelen, de purpere gloeiing van druiven, het
+tinteleerende gesternte van bloemlampen--al wat ze zonder aandacht nog
+opnam in haren geest, 't vloeide uiteen, 't verwijderde zich en 't
+roerde een ende ginder, heinde en verre.
+
+Ze was hier met Johannes, en niets leefde buiten 't leven, dat ze met
+Johannes uitasemde. De wereld lag in de wijdte, waar ze niets meer raken
+kon, waar ze met een stoot van heur herte de wereld verdreven had. En ze
+groeide op ten hemel, in bovenzinnelijke verrukking....
+
+Met hem ... met Johannes ... eeniglijk....
+
+Alleene.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XI.
+
+
+Binst de dagen, die volgden, was de droom, die Goedele zich, buiten de
+tastbare werkelijkheid, omtrent al 't gebeurde had voorgesteld, tot eene
+zonderlinge, onbewuste werkelijkheid opgewassen. 't En was geen droom
+meer. Ze had het nieuwe sterke leven met het vorige en nog thuis-wezende
+leven vereend, en altezamen was 't een dooreenwarrelend bestaan
+geworden, waar boven klaterde de harde drift van hare liefde.
+
+De nabijheid van moeder en de nuchtere vrijagie van Sebastiaan werden
+haar onverschillig en ze beleed den last ervan met effene
+verdraagzaamheid.
+
+Hare eenige aandacht lag in 't verbergen van haar geheim bedrijf, en ze
+wist met doorslepen oolijkheid de slimme beloeringen van Justa te
+verweren.
+
+Twee- en drijmaal te weke bracht ze een haastig bezoek bij Romaan en
+liep dan, langs veranderlijke omwegen, de stad omme, endelijk in een
+verlaten wijk een laag huizeken binnensluipend.... Niemand mocht
+vermoeden dat ze hier kwam, en ze nam dan ook alle voorzorgen om te
+beletten dat iemand 't vermoeden kon. Daar Ursule niemand bij Romaan
+zenden kon, geraakte zij deze vreemde doening niet te wete. Ze deed
+overigens maar af en toe hare dochter achtervolgen, en daar Justa haar
+iedermaal zeggen kwam dat Goedele bij haar broer binnen was, had zij
+geen verdere verdenkingen. Omdat Goedele ook thuis tot redelijke
+handeling scheen teruggekeerd en nu teenemaal met Sebastiaan verzoend
+bleek, had ze geen onrustigheid meer. Haar rheumatiek beterde er
+schijnbaar door, en ze kon al ommentweer wandelen en tallenkant
+inspectie doen.
+
+Goedele had in hare oogen een goed gedrag. Alleen deed ze nu meer aan
+toilet en had over haar een overdreven prontigheid. Maar in het idee van
+Ursule, was 't allemaal om Sebastiaan te behagen, en zoo waren 't,
+peinsde ze, goed-besteedde onkosten, die later wel dikken intrest zouden
+afwerpen.
+
+Goedele bekommerde zich om niets en liet alles gedwee gebeuren wat in
+huis de gewone gang der dingen was. Altemets had ze een vlugge zwakheid,
+meerendeels veroorzaakt door 't zachte blikken van Sebastiaan of 't
+tijdelijk zuchten van Bella. Als ze echter alleen op strate kwam en
+'t groote gewoel der stad hoorde, was alles weer vergeten, en vuurde
+slechts nog in haar ziele 't verlangen om geweldig te leven. Het
+bezoekje bij Romaan was haar insgelijks een koortsaansporing: ze voelde
+er 't ongezond bestaan van hare liefde, midden in 't weevolle geluchte,
+en ze asemde er algauw 't bedwelmende gift, dat haar tot kwalijk
+zinnenbedrijf uitermate stemde. En Romaan bovendien bracht een gestadige
+duizeling in haar hoofd met de listige argumentatie van zijn vrije
+theorieen. Binstdat tante Olympe stilaan wegkwijnde en kermde dat hij nu
+toch met Madeleen trouwen zou, kwam hij dan met zijn hoogdravende
+levensopvattingen te voorschijn, en Goedele voelde dat alles weer goed
+was. In hare hersens wapperden de driftige woorden:
+
+--Leven!... Leven!... Vrije leven en vrije liefde!...
+
+En ze leefde aldus, en 't deed haar deugd dat ze 't onder Romaan's
+invloed zoo schoone merkte. Ze was vrij. Geen banden knelden haar, geen
+wil van moeder bezeerde haar, geen muren van 't vierkante huis alginds
+wogen op haar. Ze was vrij levend en hare liefde, die sterkelijk uit
+eigen zinlijke emotie en eigen gepeinzen was opgerezen, hare liefde was
+vrij....
+
+Met nieuwe gretigheid liep ze dan naar het huizeken, waar Johannes op
+haar wachtte of waar zij op Johannes wachten zou.
+
+Het stond in een nauw en stil straatje, en ze kon 't goed bereiken
+zonder belonkt te worden. 't Was een laag ouderwetsch gedoe met een
+verdiep en een trap voor de deure. Johannes had het binnenwaarts met
+kunstigen smaak versierd. Er waren vlakvloers twee plaatsen en een
+verandah. Hij had de verandah met allerhande groen en gebloemte bezet,
+en een schuchter blauwig licht laten binnenzijpelen. Daarnevens had hij
+een weelderige zitkamer gemaakt met open heerd, en alles was er in zoo
+teere tinten aangebracht dat nievers een blik aanstooten kon tegen een
+onbehendige verve. Dikke tapijten voerden den tert van voeten en 't
+lichte geschuif van stoelen onhoorbaar over den vloer. Lage zetels
+omdeden 't lekkere vuur, dat langs welriekende sperrescheiers opvlamde,
+en pelsen matten legden onderaan een doezelige zoetigheid.
+
+Deze plaats gaf met een dobbele deure toegang tot de slaapkamer. Hier
+was met voorliefde het minste hoekje mooi-gezellig gemaakt en midden-in
+stond de breede sponde, geheel en al met kanten spreien bedekt en
+omhangen met doorzichtige voolen. Lichtgeel marmer lag op de waschtafel
+en er rechtover, was een hooge psyche-spiegel ook met licht gewaad
+omstrjkt. Langs de muren viel, in zwaar gevouw, het thee-rozig
+behangsel.
+
+Goedele ging zelden op het verdiep, waar Johannes twee liefelijke
+leeskabinetten en een badkamerken aangelegd had. Het huizeken had
+overigens 't karakter niet van een blijvende woonste en 't leek meer
+op een verrukkelijk pied-a-terre, een donzig nest voor schuchtere en
+angstige verliefden.
+
+'t Gebeurde zelden dat hij niet voor haar binnen was. Ze had halvelings
+de deur opengeduwd, als hij haar reeds in zijne armen ontving en haar,
+onder driftig zoenen, telkens bedankte dat zij toch weer gekomen was.
+Hij staarde diepe in hare oogen:
+
+--Melieve!
+
+--Johan!
+
+Ze lachte hem gulzig tegen, en lei hare hand om zijnen schouder, en
+leunde met haar voorhoofd op zijne borst. Stille nam hij haren hoed en
+haren mantel, en ze moest seffens hare schoenen uitdoen en lederen
+slofjes aansteken.
+
+--Waar ge warme pootjes mee houdt....
+
+Ze waren alzoo geheel thuis. Ze gingen zitten bij den heerd en Johannes
+wakkerde 't vuur aan, zoodat de vlammen opkrulden en iedermaal een laaie
+klaarte deden opgloeien in de schemergrijze kamer. Ze zaten naast
+mekaar. Binst mijmerende stonden, wijl ze sprakeloos in de fonkeling der
+scheiers staarden en enkel mekaar's vingeren lijze op den rand der
+zetels dooreen hadden geleid, kwam in huis het verre lawaai van de stad.
+Geleidelijk zeeg de langzame donkerte en wijder sprong het licht uit den
+heerd. Ze voelden heel schoone den vredigen samengang van hunne
+gedachten, lijk een vleugeling van pluimlichte winden.
+
+Naderhand keken ze op naar mekaar en, in een opgaan van teugellooze
+passie, vielen hunne lijven tegaar. Ze fluisterden vervoerd hunne heete
+woorden van liefde en hun verlangen brandde hun borste vaneen, in dolle
+jacht hun bloed opzweepend.
+
+--Ziet ge mij geerne?
+
+--Eeuwig ... eeuwig....
+
+De avond somberde deugdelijk om hen henen, en de klaarte van 't vuur
+sloeg al breeder uit en strengelde hun beider hoofd in een laaien ring
+van vlammen.
+
+--Voele 'k u? Zijt gij 't, lieve?
+
+--Hier zijn uwe lippen....
+
+--Voele 'k u gansehelijk? Me dunkt, daar zullen geen dagen meer komen,
+en dees is de laatste dag....
+
+--'t Is eene eeuwigheid, die begint.
+
+Goedele prangde hem op haren boezem en heerlijk gaf zich ten geheele
+over aan 't schrikkelijke geweld van hare liefde.
+
+Ze lag in late deemstering op het bedde, en alles wat om haar was
+waterde in groene nattigheid weg. Ze hoorde den matelijken gang van
+haren asem, tot ook dat wijder uit verzuchtte en ze dan overmand in
+diepen slaap geraakte. 't En duurde niet lang. Verwilderd stak ze hare
+oogen openen zat seffens overend. Johannes, aan 't voetende gezeten,
+beloerde met liefderijken blik haar kinderlijke vrees en 't schoon
+gebaar van haar ontwaken. Hij vatte haren blooten arm en kuste haren
+schouder. Ze bloosde en glimlachte:
+
+--Ik wist ... niet meer....
+
+Ze was blij dat hij hier was dichtebij, en dat hare schaamte redeloos
+over haren rugge rilde. De pracht van heur haar rees breed-golvend langs
+haren naakten hals, en ze las in de wondere doening van zijne oogen, dat
+ze aldus mooi was en begeerlijk. Ze was gelukkig. Ze was
+onvoorwaardelijk aan hem en wou mooi zijn om aan hem te blijven. En zoo
+boog ze over hem en merkte de siddering, die langs zijne leden opging,
+terwijl ze hem taakte met haar lauwzoete vleesch.
+
+--Zult ge me nooit verlaten?
+
+Hij belook haren mond met een zoen en omsloot haar met versche
+driftigheid in zijne armen. Ze was zeker, al vroeg ze 't met aaiende
+stemme, dat hij haar niet verlaten zou. Ze wist wel haren onregelmatigen
+toestand en 't deed haar dikwijls pijne, als ze bedacht wat er in zijn
+ander leven lag, 'tgene hij niet met het hare beleefde. Maar dan zag ze
+de vrome verwijfdheid van Sebastiaan, en ze kon Johannes vergeven wat
+zij, bijkans in eendere mate, met Sebastiaan voorhad. Niets weerstond
+overigens aan de sterkte van hare liefde, nog verschoond door het
+treffend argumenteeren van Romaan. Ze had niettemin niets durven
+bekennen aan haar broeder en dikwijls, wijl ze Madeleen bekeek, wutelde
+ievers in een hoek van haar geweten een vreemdsoortige wroeging....
+
+Ze wist dat Johannes haar niet verlaten zou. Al meer en meer kende ze
+den machtigen invloed van hare struische schoonheid, en ze troetelde
+haar lijf nu, bezorgd voor een vlekje, dat de matte blankheid ervan
+breken kon. Ze mocht op Johannes vertrouwen.
+
+--Wordt Madeleen door Romaan verlaten? vroeg hij soms.
+
+Hij wettigde heel gemakkelijk hunnen toestand, en ze dacht er weldra
+niet meer aan dat er grondelijke moeielijkheden ievers mochten oprijzen.
+
+Langzaam, met sneeuw en vorst, nevelde de winter voorbij. 't Werd vuil
+weere, en triestige regendagen trokken zich schreiend uit achter mekaar.
+Ze zaten soms een heel en tijd te luisteren naar 't dropgetjokkel op de
+vensterruiten of naar 't gewaai van de vlage, gelijk die bij stonden
+forsig neersmeet in de schouw. Ze drongen tegeneen en rustten, slape aan
+slape, in zwijgende aandacht. Eene endelooze droefenis woog daarbuiten
+en alles, langs gevels en daken, was grauw en grijs. Op het glazen
+gewelf der verandah spetterde de regen. 't Was er een wippen en dansen
+van ruchtige druppels, haastig achtereen, naar de mate van den
+wispelturigen wind. 't Hield altemets plotseling op, en Goedele blikte
+kantewaarts naar Johannes.
+
+--'t Gaat over....
+
+--'t Herbegint.
+
+Ze streelden mekaar's vingeren. Ze knikten in onzeggelijk geneuchte, en
+'t leelijke weer maakte het veilig huizeken gezellig en warm. Ze waren
+hier goed. Ze hielden hier van mekaar. Hunne vingeren kriebelden lichte
+over hunne vingeren....
+
+De dagen verlengden aldoor en, na den regen, glom het eerste gelach der
+zonne.
+
+De Lente kwam precies zoo subiet, zonder overgang. Een teer blauw
+geluchte welfde hooge en diepe boven de stad zijn fraaie bogen, en
+daaronder speelde 't gestraal van den frisschen dag, even gebroken door
+het tijdelijk verkeer van wattige wolkskens. 't Gebeurde in waarheid
+zonder overgang. Ende Maarte keerden alhier de zwaluwen terug en in den
+beginne van April schoten tallenkant langs warandewegen en beplante
+lanen de sapvette knoppen. 't Getwijg wiegelde met tenger groen, eer de
+maand ten halve was verloopen, en Mei was er rijzekens, als de kinderen
+op strate reeds met kevers speelden.
+
+In de stille steeg, waar ze nu met nieuw verlangen het huizeken vulde,
+beluisterde Goedele het kleine stemgeluid der bengels:
+
+ Vliege--vliege--vleugeke,
+ Dat beesteke gaat naar 't meuleke,
+ Alover de zokken,
+ Alover de blokken.
+ Onze-lieve-Vrouwe van het kerrekhofken....
+
+De zang was haar een liefelijk pleizier. Ze tastte erlangs de blijheid
+van het versche getij en de zilveren wappering van de zonne. Ze
+glimlachte. Johannes zat bij 't raam aan 't schetsen. Ze staarde naar
+hem en ging na de struische lijn van zijn rugge, het somber schouwspel
+van zijn hoofd en dieper, vlak boven de witheid van zijn teekenboek, de
+schoone sterkte van zijn aangezicht. Ze taakte permintelijk den forschen
+bouw zijner schouders en verwijlde naderhand om 't behendig bedrijf
+zijner vingeren. Ze was vol bewondering voor hem, omdat hij pront was en
+krachtig en groot. Een djentelijk vuur van den dag trilde tusschen 't
+menig geplooi van de venstergordijn en viel helstralend op zijn
+rechterhand. En daarmee hoorde ze klaar bijzend, ginderbuiten, het
+luttel gerinkel van 't lied:
+
+ Vliege--vliege--vleugeken,
+ Dat beesteke gaat naar 't meuleken....
+
+Ze zag in hare gepeinzen, 't profijtelijk gepeuter van teere
+kinderpollekens om 't langzame lijf van de kevers, de ongedurige
+flikkering van hun loerende oogen, en 't kraken van hun broekskens,
+terwijl ze op hun knieen voortklefferden. Ze verzinde dat de meidiertjes
+endelijk opvlogen, en 't was dan seffens een juichend handgeklap, een
+zot jubelen van al die keelkens.... Ze tuurde naar de zonnevlek langs
+Johannes zijn werkzame vingeren, en ze glimlachte vergenoegd.
+
+Zoo omleuterde de jonge Lente haar herte. Ze zei:
+
+--Johan!
+
+Hij keek op, en zijn donkere oogen hadden elk een sterreken van het
+goede voorjaarslicht. Ze wenkte zoetekens met haar hoofd en hij kwam
+over haar buigen. Ze blikte in zijn wezen en vroeg:
+
+--Waarom zijt ge bezig, zoo ijverig ... en zoo verre van mij?
+
+--Ik maak entwat--'k en wete niet klaar.... Ik heb overal bloemen in
+mijn hoofd en ik zie overal gulden plantsoen. Ik peinsde dat ik 't zoo
+neerleggen kon, in lijnen....
+
+--Niet waar? Allemaal te gare een groot perk van diverse kleuren?...
+Kom bij me. Ik heb in mijn hersens een ringende vlucht van vogels, en ze
+kwinkeleeren dooreen. Luister eens naar uw eigen....
+
+'t Steeg daarbuiten heel zacht en deugddoende, soms lijk een bimmeling
+van klokskens:
+
+ Alover de zokken,
+ Alover de blokken,
+ Onze-lieve-Vrouwe van het kerrekhofken....
+
+Goedele's haar kriebelde om zijn neuze en lager bukte hij, fluisterend:
+
+--'t Is 't nieuwe seizoen, melieve.... Nu juicht tallenkant de liefde
+die hier voor maanden te juichen begon, hier eeniglijk. Nu klatert het
+zonnevuur en laait op met den vlammigen brand van ons lijven. Zijt ge
+gelukkig?
+
+--Bemint ge mij?
+
+Ze lachten alle twee en brachten hun gretige lippen samen. De
+zonnestraal, die noesch door de reten van de witte gordijn was
+binnengedrongen, bleef nog een wijlken langs de sporten van Johannes'
+leegen stoel lanterfanten en duisterde geleidelijk weg.
+
+Zoo leuterde de jonge Lente.
+
+Andermaal was de nanoen overheerlijk. Ze besloten dan dat ze de stad
+zouden verlaten en vermeien in de opgroenende velden aan den rand van
+het aloude Zeunierwoud. Ze vertrokken met den trein en vonden het
+prettig, zoo te gare zitten in het zoevende coupe, tegeneengedrongen,
+matelijk geschokt op de wippende kussens en kijkend, met kinderlijke
+achtzaamheid, naar 't voorbijjagende landschap. 't Was eerst het sombere
+zicht van de buitenwijken der stad, de zwartdampige fabrieksschouwen en
+de grauwbesmookte daken, de vuile muren beplakt met hel-schreeuwende
+reclames of beschilderd met namen van ruchtige firma's. Stilaan, na de
+rote lage werkmanshuizekens, rees een olmenlaan en lag verder een
+malsche weide open.
+
+--Waar zijn we hier?
+
+--Heelemaal buiten de poorten ... de vesten over ... en Brabant in....
+
+--Ei? Kijk daar!
+
+'t Was, bezij de baan, een groote kudde schapen, die schuchter tegen
+den barm verdrongen, roerloos te wachten stond, tot de vervaarlijke
+stoomvaart voorbij zou daveren. Goedele behield een liefelijk beeld
+ervan, lijk de beestjes daar in 't zilveren zonnegeweld wit opwolden,
+hun stokkepootjes vreesachtig te gare en hun koppen bovenuit, al te
+zamen gerokken naar 't veilig beschut van den barm. Het was alsof
+zijzelve met eendere angstigheid een duurbaar leven had te bergen, en ze
+roerde haren arm om zekerlijk het buigend lijf van Johannes te voelen.
+De zonne spetterde lustig tegen de ruiten....
+
+Als ze kort daarop moest afstappen en de statie doorging, meende ze dat
+de treinbediende haar met zonderlinge aandacht bekeek en blikte ze bang
+ommentweere, verveerd dat ievers een vijandig oog haar betrappen mocht.
+In 't open veld, heinde en wijd bespikkeld met springjeugdig plantsoen,
+lag voor haar een onendige peiselijkheid en algauw vergat ze de wereld
+van koude muren en valsche verhoudingen om mee te leven met de sappige
+natuur. Hier vooral meende ze de waarheid te tasten van Romaan's
+vrijzinnige theorieen en ze werd dronken van de hevige lucht.
+
+Ze hing aan Johannes' arm. Ze roken allebei zwijgend den sterken geur
+van het hoog-wassend gers, en het tokkelig sterregedoe van de menige
+meerschbloemen draaide zot en grappig in hunne hersens. Ze verlieten de
+wegels en torten in de dichte beemden, en 't was een versche leute
+iedermaal ze struikelden in 't harrewarrig gewas of plots voor hun
+voeten een jonge puit opjoepen deden.
+
+--Aai-Heere! wat hebbe 'k geschrokken!
+
+--Jrsst!... wipte de puit.
+
+En een rilde weikerse bibberde even tenden haren slanken steel,
+waarlangs hij te lore was gesprongen....
+
+Ze liepen een beekje over en stonden hijgend te lachen aan den anderen
+kant. Goedele bloosde tot achter hare ooren. Ze drilden met het waterken
+mee en bleven altemets neerhurken, waar de oevers breeder werden en een
+schoone partije lischriet heen en omme waaide onder de aaiing van een
+heimelijken wind.
+
+--Wordt ge moe, lieve?
+
+--Wat zou ik!
+
+Ze staarden naar het spel van de zonne langs de klein-klotsende golfjes
+en hoe daarover meteen een spinnekobbe langebeende, patjinkel-patjokkel,
+op al haar grootste gemak.
+
+--Ze blijft stille....
+
+--Ze peinst.
+
+Een koppel waternaalden zegen bibbervleugelend neerwaarts en zetten zich
+nevenseen op een drijvende blare. Alles was voor Goedele ongezien en
+wonderbaar. Ze wist geen weg met hare gulzige nieuwsgierigheid en ze
+lengde haren hals naar het ruchtlooze water, waar zoo verschillig een
+intense leven aan 't roeren was. Onder de klare vlakte deed een
+salamander lui waggelen haren kronkel-krommen steert....
+
+Ze stonden naderhand recht en, hand in hand, huppelden verder, zat van
+'t schoone licht en bedwelmd door den struischen reuk der meerschen.
+Hunne vingeren waren ineengehaakt en ze blikten benedenwaarts in 't
+diepe gers, waaruit, bij elken stap, een zwerm gevleugelde dierkens
+opwolkte en uit mekaar stoof. Ze vertrapten de zaadzware hoofden der
+halmkens.
+
+Uit een laag korenveld rees in noesche vlucht een leeuwerik omhooge. Zij
+stonden seffens te luisteren naar zijn heerlijk getater en keken op, hem
+navolgend tot tegen den schitterenden hemel. Hij kwetterde maar gedurig
+en steeg met stage verduldigheid.
+
+--Ziet ge 'm nog?
+
+--Wacht ... ja ... ja....
+
+--Langs die luttele watte ginds....
+
+--Ik zie hem!
+
+Hij was een klein zwart puntje geworden en nog warrelde in blijde
+schatering zijn juichende lied. Hij ging op. Al bewoog hij naar rechts
+noch anderzijds, al bleef hij ginder donker-puntelen tegen het stralende
+gewelf, al was hij nu bijkans een stofken, zonder gedaante en
+levenloos--op, hooger en hooger, kleiner en kleiner, op ging hij! Ze
+voelden 't allebei. Hunne oogen kittelden van 't staren en droog was
+hunne keel. Ze hielden haast hun asem in en fluisterden:
+
+--Nog...?
+
+--Een zierken....
+
+--Hij is weg!
+
+--Neen!
+
+--'k Hebbe hem weere....
+
+--Ho!... Ho!... Ja....
+
+Een verraste kreet ontviel hun meteen. De leeuwerik
+daalde--daalde--plots zwijgend, plots grooter wordend, een doode massa,
+die straks zou neerpletsen, met een akeligen stoot, op den harden
+grond.... Maar kijk! hij streek, al met een keer levend opnieuw, dicht
+bij de eerde zijlings weg en dook zachtekens in het groene koren.
+
+Goedele wendde hare oogen naar Johannes en een tijdeken lachtten ze
+malkander tegen. Dan liepen ze weer door en hun hoofd was nog vol van de
+hevige straling, die ze langs den diepen hemel hadden opgenomen.
+
+Bij valavond bereikten ze een groote hoeve en daar konnen ze een schel
+hespe krijgen met roggebrood. Ze waren waarachtig uitgehongerd en nooit
+hadden ze meer smaak in 't eten. De zware boerenkost was hun licht en ze
+hadden danig pleizier, de eene om de aardige gulzigheid van den anderen.
+'t Was hier een lage kamer met zwart-eiken zoldering en twee
+groen-geruite vensters. De roode glans van de zonne hing gulden ranken
+erlangs, zoodat in huis een vreemd purperen licht schemerde, hier en
+daar opschietend langs de bolle bulten van het koperen kookgerief. Onder
+'t blauwachtige schouwkleed zat ten halve in de donkerte de oude
+pachteresse, grijs-geschort en gebukt in de vouwen van haren gelen
+borstdoek. Ze was daar een beeld van eenzaamheid en stilte, van eendere
+verve als de doodgaande dag en zwijgend als de nacht, die zou komen. Ze
+had ook in deze kamer die albeheerschende beteekenisse, zoodat Goedele
+noch Johannes de zoetigheid van 't geluchte haast niet storen dierven en
+zich spoedden om weer vrij te zijn in den open buiten.
+
+Maar buiten was nu de wonderlijke avond aan gang en ze geraakten seffens
+in de stemming van de droomerige stonde. Ze gingen stille arm aan arm,
+langs verlaten wegels woudewaarts, en keken mijmerend naar hunne dobble
+schaduw, die schuins tegen de barms oprees of verder in gedoken grachten
+wegzakte. Heel wijd, waar 't endelooze geboomte somberde, klonk de
+matelijke roep van een boschuil.
+
+De avond weefde allerzijds een doorzichtig gewaad van goudgele en oranje
+en warm-roode tinten, en de hooge populieren stonden rekewijs aan den
+rand der beemden, met bronzen stam in 't zachte licht. Rijzekens
+streuvelde een blood gewaai erlangs, en een hoogste blaadje wiegelde
+tenden het roerloos getwijg, daarboven danig zwart tegen 't groen-blauwe
+deemsteren van den hemel.
+
+Ten oosten nevelde de grauwte al dikker en dikker en, als ze zich
+ommekeerden, zagen ze 't donkere schaliedak van de hoeve mee vergaan met
+de duisternis, die ginder trage werd opgestapeld. Even riemde omhooge
+langs de schouw een lintje witten damp, en 't begon heel subtiel rond te
+ringelen, wispelturig en speelsch, tot het openpluimde en uiteendonsde
+en dood was.
+
+Goedele drong dichter bij Johannes aan. In haar rustte al 't geweld van
+den schoonen dag en ze had nu een zachte behoefte om 't niet in
+gichtigheid weer op te jagen. Ze wilde rustig zijn. Ze voelde zich
+meegroeien tot eene effene vrede, met den peiselijken avond, en ze zou
+niets hier breken, noch door onsierlijk gebaar noch door kwetterend
+gezegde. Ze leefde even sterk als in den nanoen, maar 't was
+tegenwoordig een bewustvolle, rijpe leven, de moutere uitslag van 't
+schaterend rumoer over dag.
+
+Sprakeloos gingen ze en drongen binnen 't nachtlijke woud.
+
+Hij vroeg of ze entwat vreesde. Het docht hem dat hare hand beefde en ze
+meteen de bangheid taakte, die onder 't somber gewelf der beuken varende
+was. Hij omvatte hare leen en drukte haar lijf zoetekens tegen het
+zijne. Ze blikte naar hem dankbaar op en hij zag een vluchtige straling
+opflikkeren in hare oogen.
+
+--Weent ge?
+
+Ze boog haar hoofd diepe aangedaan en schudde 't nadien ontkennend.
+Ze stamelde:
+
+--Het is hier alles zoo plechtig, zoo heerlijk....
+
+Hij zei dat het de endeloosheid was van hunne liefde en, trage wandelend
+liet ze zich geheel aanleunen tegen hem. Ze waren alzoo, te gare, een
+schuivende schimme, een wezen, en hun asem joeg opwaarts, bijeenwaaiend
+langs hun voorhoofd tot een streelende lauwte. Ze gingen door. Ze wisten
+niet waar de weg hen leidde en hoe dees gaan zou ophouden; maar zij en
+hadden geen zicht voor toekomstig gedoe, zoo ganschelijk waren door
+huidig geluk vervuld hunne begeesterde zielen. Hij vroeg:
+
+--Zijt ge nu weer rustig?
+
+Ze knikte en drukte innig haar hoofd op zijnen schouder.
+
+Nievers hadden ze ooit in zoo zwijgend en vredig een nacht gewandeld en
+hunne liefde heerschte hier in almachtige meesterschap. Goedele wendde
+altemets hare blikken achterwaarts: waar, alginds, tenden een klare
+holte het stille woud begon, zag ze nog een vlekje van den hemel,
+donkerrood geverfd en smeulend in schuchtere asschevonken. Ze was uit de
+klaarte gekomen, uit het wijde dal, dat zonder leven wegdeemsterde, en
+ze tort nu in het zwarte bosch, zich veilig voelend, heel lijze, aan
+Johannes' arm. Ze spraken weinig. De plechtigheid van deze eenzame
+donkerte drong binnen hunne ziel en ze wisten dat geen woord
+tegenwoordig welsprekend kon zijn. Bijwijlen keken ze op naar mekaar en
+schouwden, trager stappend, in mekaar's gezichte, en de endelooze
+teerheid, die in hunne oogen straalde, was een vrucht van de heilige
+stilte.
+
+Zoo was de stilte.
+
+Alleen hun voeten ruischten over het mulle stof en raakten soms een
+doode takje, een springende kei, een teurfel graseerde.... Van
+weerszijde reikten het ondoordringbare heestergedoe en 't sterke
+geboomte en, tallenkante, als een ontastbare muur, de eenige duisternis.
+Heel verre steeg even 't geraas van een stoomwagen of 't rollen, altijd
+door, van daverende wielen. Maar 't was een doezelinge wijd op den
+achtergrond, en 't en taakte bijkans de stilte niet, de heerlijke
+stilte, 't schoone bedrijf van dezen rustigen nacht.
+
+Ze drukten malkanders hand. Ze waren aaneengestrengeld en hunne vingeren
+sleerden langs hun staag-gaande lijf. Johannes drong bij stonden dicht
+aan tegen Goedele, en, alsof hij een vrage had gedaan, antwoordde ze
+fluisterend:
+
+--Ik ben gelukkig....
+
+Dus was hare stem geenszins een stoornisse van de stilte, maar een deel
+van de stilte zelve, een schakel van het gulden nachtgeheim. Want hun
+minste gebaar weefde mee in 't gebouw van de al-zoete harmonije en
+spinde een draad van het broze gewaad der stilte. De stilte bleef omdoen
+de mooie werking van den schuivenden tijd en van hun stralende liefde.
+En zoo gebeurde 't dat Goedele sprak, alsof Johannes een vrage had
+gedaan.
+
+De weg verbreedde meteen. De boomen, die boven de bane hunne takken tot
+een dicht gewelf hadden vereend, gingen vaneen en stonden in ronde rote.
+Uit den hemel viel een aarzelend licht en kwam onderaan bibberen
+langsheen het roerloos getwijg.
+
+Ze torten niet verder. Ze blikten daarboven en tuurden in 't
+zwart-blauwe geluchte, naar ginds, waar duizenden sterren optikkelden,
+in wonderbare krioelinge. Hunne lippen krulden rijzekens omme en ze
+beloerden verrukt 't gefonkel van den ontzaglijken hemel, die over hen,
+in zilverig gedrup, zijne wijdsche blijheid uitstortte. Overal zijpelde
+het zachte licht en 't wielde menig de tinteling ommentweere langs de
+bolle diepte, allerzijds raderkens draaiend van kostbare juweelen. 't
+Was een kleurgedaver zonder ruste, al kransen en roerende ranken, al
+weelde en djentige rijkelijkheid, holderdebolder dooreen, hel en
+prillevend en speelsch. 't Vulde alom de ruimte, 't daalde precies,
+'t omvatte hunne slapen en 't fleerde langs hunne vingeren. Johannes
+murmelde, dichter komend:
+
+--Verwijder u niet....
+
+Goedele zei, begeesterd, ontrukt aan de hardheid van de eerde:
+
+--Stil.... Ik sta in het licht.
+
+Op dees oogenblik was geen minste leegte meer tusschen hunne lijven, en
+tegare sloten zich hunne gepeinzen aan. Hooger dreven ze, waar geen
+gevaar hun machtig leven kon bedreigen en geen verwijt bezeeren het
+lieve bedrijf van hun ziel.
+
+'t En was geen duizeling, die rapper hun bloed door hunne leden joeg.
+Ze waren vervoerd, zwevend in 't onmetelijk geluchte, waar duizendvoud
+ringelde 't beweeglijk gesternte. Ze hadden geen verlangen. Ze beleefden
+in trage stonden de gebeurende voldoening van al hunne lusten. Hij
+omarmde haar, smeekend:
+
+--Verwijder u niet....
+
+Ze stotterde, nauw hoorbaar, haar hals uitlengend en pinkend met hare
+wimpers:
+
+--Ik ... ikke ... ikke....
+
+Ze vond niet het woord--daar was geen woord.... Daar was de zalige
+stilte, de stilte vol van 't zilvertjokkend geluid der sterren....
+Toch de stilte, die niet te storen was.
+
+--Houde'k u? Hebbe'k u? U ... u...? vroeg hij, en 't was lijk een verre
+gedruisch, waarlangs belde het lichte sterrenspel. Ze voelde hem
+tallenkant. Hij was niet buiten haar. Waar ze al tastte, hij was
+aanwezig en ze voelde dat hij aanwezig was. Hare oogen werden nat en het
+tikkelende vuur van den hemel begon te wemelen en weg te doezelen in
+nartige vlakten. 't Deemsterde haast ten volle en ze sloot hare oogen.
+Geleidelijk keek ze zijlings naar Johannes en liet haar hoofd zinken op
+zijnen schouder. Ze verging precies, binstdat hij zonder gretigheid, mee
+met de peiselijke doening van den nacht, zijne lippen op hare lippen
+drukte.
+
+Als ze tot bezinning geraakten werden ze ongedurig. 't Was nu het
+gebiedende vleesch, dat gulzig werd, en ze stapten haastig door, ten
+geheele overgeleverd aan de foltering van hunne driften. Daar hing geen
+geheimzinnigheid meer onder het roerlooze lover en hunne voeten
+roefelden onvoorzichtig in 't opwippende zand.
+
+Ze verlieten 't woud. Ze troffen verder den trein en zaten in 't coupe
+dicht naast mekaar, met zondige gepeinzen. Heel de onstuimige sterkte
+van hunne passie rilde door hunne leden en ze taakten malkanders handen,
+om de lauwe matheid van 't bloote vel te voelen. Ze spraken weinig. Hun
+asem was heet.
+
+--Waar zijn we hier?
+
+--Bijna binnen de stad.
+
+Ze legden een geveinsde onverschilligheid in hunne woorden, maar al hun
+gedachten vloeiden saam tot een gichtig, woelig, zinnelijk beeld. Ze
+gaven zich over, zonder strijd, aan hun brandende koortse. Ze deden
+niets om de brutale tempteeringe uit hun lijf te krijgen. Alleen
+veinsden ze een oppervlakkige vreedzaamheid, beschaamd voor malkanders
+brandende blikken.
+
+'t Gedruisch van de stad en 't geharrewar van menschen en sjeezen, de
+klaterende straling der lichten en 't zware geluchte, dat hier te wegen
+hing tusschen de hooge muren, 't hitste allemaal meer en meer de hevige
+jeukte hunner lusten--Ze drilden nevenseen, geen onwegen zoekend om
+ongemerkt te worden, zonder geduld en zonder mate. Ze keken niet op naar
+mekaar....
+
+Als ze op een ende 't kleine huizeken binnen waren en nu seffens weer
+ganschelijk alleen in de welriekende nachtkamer stonden, wilden ze zich
+niet langer meer bedwingen. Hunne armen strengelden woest om hun leen en
+hun hijgende monden vielen, met een schok van hun gansche lijf, te gare.
+
+'t Was hier donker. De straatlanteeren speelde heel stillekens met
+vierkante lichtjes langs de beloken venstergordijn.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XII.
+
+
+De aanhoudende slagen van 't noodlot hadden gevaarlijk tante Olympe
+aangetast en, in haar ouden geest, was ze een dwazen schrik aan 't
+voederen. Al wat gebeurd was, al 't leelijke en 't onherroepelijke, vond
+een oorzake in den onregelmatigen toestand van Romaan en Madeleen. Ze
+schuddebolde en pruttelde al zuchtend:
+
+--Onregelmatig--en zoo lastert gijlie God.
+
+Romaan en hoorde 't meerendeels niet en Madeleen, die geen kwaad
+bedreef, en geloofde niet dat ze gestraft moest worden. Tante Olympe's
+klagen werd dan ook weinig in acht genomen en Madeleen beperkte zich met
+een klein antwoordeken, berustende in de toekomst, die beter zijn zou.
+
+--Ge moet trouwen, zei tante Olympe.
+
+--Dat komt wel ... later, zei Madeleen.
+
+Maar de dagen verliepen in grijs verdriet en tante Olympe broeide hare
+angsten. Ze zat nu uren lang, binst den nanoen, te bidden en te peuteren
+om de korrels van haren paternoster. Dat en stilde haar niet. Al dieper
+en dieper knaagde de oolijke vrees en Ons-lieve-Heerken, dat zij zich
+altijd zoete en medelijdend had voorgesteld, werd in hare hersens een
+schrikkelijk figuur, een toornig gezichte met wegend verwijt. De oogen
+van Ons-lieven-Heerken waren twee vurende karbonkels, zonder deernisse,
+zonder barmhertigheid. Die oogen geboden voortdurend:
+
+--Ze moeten trouwen!
+
+En 't was voor tante Olympe een donderend gebod. Ze had schoon te bidden
+heele reesems verduldige rozenkransen, ze had schoon de medehulp van
+Onze-lieve-Vrouwe in te roepen en de tusschenkomst van den heiligen
+Antoon, die in alle omstandigheden zoo braaf en genadig was
+geweest--niets baatte. Onophoudelijk hoorde ze 't vreeslijke gebod.
+
+'s Nachts kon ze niet slapen. Ze draaide en herdraaide haar mager lijf
+onder de sargie, ze dook haar benauwde wezen, ze krinkelde thoope tegen
+den muur. Hare lippen prevelden de vele wees-gegroeten en hare vingeren
+waren gestadig saam, in vrome houding. Ze had geerne een schoon gebed
+verzonnen, zooals er met koude letters in haar kerkboek gedrukt lagen,
+maar hare zinnen waren verward en ze zou nooit drij woorden te reke
+kunnen dichten. 't Was een haastig wees-gegroet, dat over haren mond
+dibberde.
+
+Ze stond heel vroeg op en ging met roode oogen zitten in de keuken.
+Wat ze dagelijks 't eerst hoorde, was 't leutig gezang van Mariette en
+telkens maakte ze algauw een kruisken over haar gelaat en haar borste,
+peinzende:
+
+--De zonde is hier tallenkant in huis....
+
+Zij en at bijkans niet meer en Madeleen moest halvelings kijven, om haar
+'s noenes aan tafel te te krijgen. Zoo werd ze uitermatig zwak en tenden
+de Lente kon ze uit haar bedde niet meer.
+
+Romaan, die dat pover bedrijf onachtzaam had bijgewoond, werd nu meteen
+getroffen door al dat groote verdriet. Hij kwam op een morgen bij de
+sponde staan en nam voorzichtig de beenderige handen van het wijveken.
+Hij sprak met aandoening, bad dat ze beteren zou, zich niet laten
+weghongeren alzoo en koeragie hebben.
+
+--Koeragie, tante. Ze zuchtte. Ze vroeg:
+
+--Koeragie?
+
+De blosjes, die voortijds zoo liefelijk een verve legden op hare kaken,
+waren weggezonken in de algemeene bleekte van heur aangezicht. Ze
+stamelde:
+
+--Ik kan niet ... ik kan niet, jongen....
+
+Hij streelde hare vingeren. Hij beweerde dat ze wel kon, als ze zich nu
+eens een beetje dwingen wou. Ze moest geen groot geweld doen en haar
+eigen niet bezeeren. Alleen toegeven, en redelijk zijn....
+
+--Niet waar, tante?
+
+Ze glimlachte droeve. Ze wist wel dat hij goed was en deugdelijk--maar
+ginder hooge spookte de vervaarlijke gramschap van Ons-lieven-Heerken.
+Met vreesachtige aarzelingen zei ze 't hem.
+
+--Mag ik het u zeggen?
+
+Hij kuste haar op haar voorhoofd, en ze zei 't hem, al weenend. Al 't
+ongeluk dat gekomen was en al 't ongeluk dat nog komen zou, ze droegen
+hier gedrijen de waarachtige schuld ervan.
+
+--Gijlie hebt 't bedreven, en ikke, mijn jongen, hebbe 't geduld. Waarom
+heeft Madeleen u dat allemaal niet uitgelegd? Hoor eens.... Waarom is uw
+gang dweers tegen den wil van God? God is de sterkste.
+
+Ze taterde zoo een heel en tijd, tot ze moe werd, tot haar asem te kort
+schoot en ze dan midden een woord haperen bleef. Hare oogen vielen
+langzaam toe. Ze fluisterde:
+
+--Wilt ge mij niet begrijpen?
+
+Hij drukte haar gewillige handen. Hij had zelf te veel geleden om leed
+van anderen te stichten. Hij verwonderde zich dat tante Olympe in
+waarheid leed droeg. Hij boog zich, hij knielde om dichte bij haar te
+zijn. Hij streek lijze over haar slapen en bezag haar lange, zooals ze
+daar klein-hijgend te rusten lag. Hij lispelde:
+
+--Tante Olympe, slaapt ge?
+
+Hare lippen roerden en een glimlach speelde erlangs. Hij zei:
+
+--Tante Olympe, wij zien u allemaal geerne. Ja ja ... tante Olympe ...
+we moeten wij u gehoorzaam zijn....
+
+Hij voelde zelf de aandoening komen en kittelen in zijn neuze. 't Docht
+hem dat al zijne theorieen tegenover het tastelijk dood-gaan van deze
+goede vrouw nietig werden en zonder werkelijken uitslag. Wat was hier de
+macht van eene utopische bespiegeling? Hij werd het in een slag van
+zijne zenuwen gewaar: het zou een schoonheid zijn van zijn ziele, die
+uitblinken zou, als hij nu tante Olympe, spijts de rhetoriek van een
+bovenzinnelijk stelsel, wou helpen. Zijn gemoed brak, binst den troost,
+dien hij in ontroerde gezegden haar gaf:
+
+--We moeten wij doen wat gij zegt.... En het is zeer waar, al wat ge
+zegt.... Bekijk me eens....
+
+Ze was moe en trage hief ze hare wimpers op. Dankbaar keek ze naar hem
+en hij taakte de teere liefde, die hare blikken omstraalde.
+
+--Bekijk me..., ik ben immers uw zoon ... ik zal trouwen met Madeleen.
+Zult ge spoedig weer genezen?
+
+Ze knikte. Ze bleef hem bezien en ze grabbelde gretig met haar bevende
+vingeren naar zijn hoofd. Ze zoende hem en hij voelde de snikken
+opschokken in haar lijf. Ze kon niet spreken. Ze was danig gelukkig....
+
+En ze genas ook. Ze liep lijk te voren ijverig en gedienstig de kamers
+rond en, na een paar weken, ontbloeide de pleizierige blos op 't
+tjoppeken van haar kaken. Het huis was nu vol van de nieuwe gebeurtenis
+en Romaan was tevreden, omdat alles zoo vol geraakte. Hij was wel een
+beetje verlegen als hij de zaak aan Johannes uitlegde, en daar kwam dan
+een kleine koortse langs zijn woorden. Johannes beluisterde hem zonder
+spreken, al spelend met zijn rietje langs de reetjes van den vloer. 't
+Gesprek liep heel zonderling ten ende en een kilte bleef haperen in 't
+geluchte.
+
+Voor Goedele was 't eene ontzettende verwondering. Ze werd teenemaal
+ongemakkelijk en, in haar boezem, schartte een onbekend gevoel.
+
+--Trouwen!
+
+Het woord weergalmde in haar hersens en 't deed meteen een heele doening
+naderen, die--sinds wanneer?--och! al zoo lange verwijderd was. Als
+hooge schaduwen togen de vroegere beelden voorbij, en de schrikkelijke
+vaart van al die groote donkerten bracht een zware angst in haar hert.
+Wat was er nu gaande? Ze had het gevoel dat men haar verliet. Ze had de
+verschooning van haar handelen gevonden in Romaan's onregelmatigen
+toestand. Nu liet Romaan haar in den steek. Ze was kwaad. Ze was nijdig
+vooral op Madeleen. In de grondige demoralisatie, waarin ze zich had
+laten meeslepen, meende ze dat Madeleen nu ophield te blijven wat
+Goedele nog was, om iets te wezen dat Goedele niet meer vermocht te
+worden. Ze had de wettige sensatie daarvan.
+
+--Madeleen verheft zich!
+
+'t Rinkelde in haar hoofd en 't verlamde hare leden. De lieve geur van
+gindsch zoete slaapkamer kwam redeloos opwalmen in haar neus en--was
+daar iets viezelijks in, tegenwoordig? Ze verklaarde niets aan haar
+eigen. Ze worstelde tegen een hardnekkig geknaag van puntige gepeinzen.
+Ze worstelde tegen de massa van haar gansche verleden, dat opzuilde
+tallenkant bovenmatig en bedreigend. En ze dierf niet Romaan
+tegenspreken, hem toeroepen dat hij eene lafheid beging. 't Was wel een
+teeken dat ze voelde hoe zwak en lage zijzelve was.... Ze merkte 't.
+
+Veertien dagen bleef ze thuis. Ze wilde Johannes niet ontmoeten. Ze was
+klein en leelijk.
+
+--Madeleen verheft zich!
+
+Daardoor was zij, Goedele, klein en leelijk. Ze bleef thuis. Ze verbood
+aan Sebastiaan haar nog op te zoeken. Ze zei hem dat ze groote rust
+noodig had. Ze leefde dan, nietsdoende en sprakeloos en lui. Ze zette
+zich viermaal voor haar schrijftafelken, te wege een langen brief voor
+Ameye op te stellen. Ze ging traagzaam wandelen in den tuin, bezij de
+rote leeljen en de hoopen bloedende rhododendrons. Vaak kwam vader
+trippelbeenen nevens haar, al vertellend met blijde gebaren van een
+nieuwe uitvindinge.
+
+Andermaal ontmoette ze in schaduwrijke diepten het witte gezicht van
+grootvader. Ze voelde telkens een wreveling in haren nekke en wees dat
+hij van kant zou terten. Hij en vreesde haar niet meer; zij werd het
+ganschelijk gewaar. Hij bleef haar grijnzend aanstaren en puntte
+spotachtig zijn scherpen wijsvinger uit naar heur. Een oolijke
+uitdrukking lag te kriebelen in zijn oogen en maakte haar lastig.
+
+--Ga weg!
+
+Hij bukte zich, rechtte zich daarna heel langzaam op, opende zijn diepen
+mond en hief, gek-doende, zijne wenkbrauwen omhooge. Een ratelend
+gerucht steeg uit zijne keel. Ze wilde hem zijwaarts duwen. Hij sprong
+naar achteren en draaide om den stam van een boom, voortdurig zijn
+lachend wezen wendend naar haar.
+
+Ze stapte haastig voorbij en dacht:
+
+--Hij weet entwat.
+
+Zijn lach waggelde achter haar en dook wijder weg in het duistere
+gebladerte.
+
+Ze doolde aldus langs het zwijgende huis, dag aan dag, opvretend haar
+heimelijke lastigheid. Ze kon op een ende niets meer verdragen, niets
+van wat hier de dagelijksche doening was en de spokige eendelijkheid van
+al deze sprakelooze gezichten. Ze wilde niet langer bedwingen den drang,
+die haar opzweepte om het doodsche geluchte te breken, om de menschen
+lijdelijk te maken, die daar nu ommegingen met ongezegde doelen, elk op
+zijn eentje versteend in zijn zwijgen.
+
+Ze wou Justa wegjagen. Ze botste aan tegen de bedaarde koppigheid van
+moeder.
+
+Ursule, sinds den dood van Wiezeken, gevoederd door herlevende hoop, was
+haast geheel genezen. Ze zat in haren leunstoel hare toekomstige werking
+te verzinnen: Romaan weer thuis en Goedele saam met Romaan aan 't
+woelen, aan 't zwabberen met gretige vingeren, aan 't garen het
+ontzaglijke geld. De fortuin van Sebastiaan zou erbij vloeien ... en
+naderhand 't vele goud nog van een rijke schoondochter....
+
+Uren zat ze zoo en niemand stoorde haar. Ze dichtte een grootsch plan.
+Ze geraakte er niet toe te denken dat misschien Romaan niet thuis zou
+komen en dat Goedele tegenstribbelen mocht. Ze had hare gansche
+heerschappije weer in handen en geen wil zou weerstaan aan haar wil. Ze
+bouwde in hare hersens de machtige machinatie die zou endelijk
+ommedraaien, naar heur volle goesting, met geweldig raderwerk.
+
+Als ze hoorde dat Goedele tegen Justa opschoot, neep een strakke
+strengheid hare lippen te gare tot een bleek streepken en stond ze
+verontweerdigd rechte. Seffens moest Goedele voor haar verschijnen. Ze
+beet haar toe:
+
+--Wat is 't?
+
+Goedele zette zich, onverschillig, zonder ommezien, neer voor 't
+klavier. Korter hakte het stekkig gezegde:
+
+--Wat is 't?
+
+Goedele glimlachte. De hardheid, die zoo puntig in Ursule's oogen kon
+opflitsen, blikkerde nu ook in hare oogen op. Trage, al rilde even hare
+hand, duwde ze met haren wijsvinger een klinkende toetse neer. Ze zei,
+lage, onverkennelijk:
+
+--Niets.
+
+Hare wimpers vielen toe om naderhand met een rappen wip, weer wijd open
+de witte straling van haar blikken te toogen. Ursule ging nevens haar
+staan en smeet koortsig het klavier dichte. 't Gaf een luidelijken slag,
+en ze bleven allebei daarna een tijdeken roerloos.
+
+Goedele voelde haar wezen heet worden. Ze richtte zich met geveinsde
+onverschilligheid op en tort stille over het tapijt, niet opziende naar
+heur moeder. Al gaande liet ze hare hand lui sleeren langs het
+tafelberd, ten teeken van onbekommerde rustigheid. Ursule vroeg:
+
+--Ge hebt Justa doorgezonden?
+
+--Dat jong walgt me.
+
+--Ge hebt ze doorgezonden?
+
+--Ja....
+
+Ursule stoop zich naar heur en naderde. Ze riep ineens:
+
+--Maar wat meent ge? En ben _ik_, hier niet? Mij wordt voortaan, en mij
+alleen, en zonder tegenwoord gehoorzaamd! Gij hebt mij noodig, gij en
+Romaan. En ik heb ulie noodig, alle twee. Het is nu de tijd dat de
+sterke samenwerking eene werkelijkheid moet worden. Het hoofd van dat
+alles, dat ben ik.
+
+--Ik begrijp u niet.
+
+--Gehoorzaam zonder begrijpen. Ik ben het hoofd zeg ik u. Justa blijft.
+Romaan....
+
+--Maar hoe wordt Romaan hierin gemengd?
+
+--Eens staat hij daar, nevens u.
+
+--En Madeleen?
+
+Goedele merkte hoe subiet op dees woord de groote woede van moeder
+wegschokte in een flauw ophalen van schouders. Ze zag plots wat moeder
+zich inbeeldde, wat, na Wiezeken's dood, stilaan een zekerheid was
+geworden in haar geest, en waarover ze zoo lange aan 't mijmeren zat,
+alleene, in haren zetel. Ze zag 't, en ze had nu een leelijk geneuchte,
+omdat ze 't gansche gestel omverre kon werpen, omdat ze moeder's
+oppersten hoogmoed kapot kon slaan. In deze mate was hare ontzenuwing
+gevorderd dat ze behagen vinden zou, op dit oogenblik, in moeder's leed.
+Ze zei:
+
+--Laat Romaan met Madeleen....
+
+--Ik weet wat ik laten mag.
+
+Ze herzei, met stiller stemme, buigend in gemanierde woordklanken:
+
+--Laat Romaan met Madeleen.... Het is nu een feit, dat ze trouwen
+zullen.
+
+Ze had zich niet voorgesteld dat zoo geweldig moeder's smert zou zijn.
+Ursule wankte en haar schrikkelijk lijf schokte kantewaarts. Ze neep
+haren mond krampachtig toe en liet hem nadien vierkantig openvallen, al
+stootend en stotterend om een klaar woord uit haar kele te krijgen.
+
+--Trouwen ... trouwen....
+
+Ze wrong de ratelende geluiden thoope, en daar siste een snijdenden
+klank tusschen hare tanden. Ze wilde alles uitzeggen te gelijk wat zoo
+herre-kaderre in hare hersens klabetterde en ze vond geen zin. Ze
+steunde tegen 't klavier en de losse pateelkens van de keershouders
+rinkelden bij haar minste gebaar. Ze was bleek als een doek, en hare
+lippen werden blauw en droog. Een onzeglijke haat vuurde in haar oogen.
+Ze reutelde:
+
+--Ge liegt!
+
+Hare tonge lag precies vaste achter hare tanden. Omdat ze niet spreken
+kon, niet uitschreeuwen al wat in haar kop zich ophoopte, schoot plots
+een vreeselijke woede op naar heur hoofd en begon daar te gloeien. Hare
+handen grabbelden naar een stoel, vatte dien, als ware hij pluimlichte,
+bij de sporten en, in blinde gramschap, hief hem omhooge om met
+lawaaierig geweld hem tegen den vloer te werpen. Hij stortte met een
+sterken slag neere en brak.
+
+Ursule stond nu ontzet, zonder machte, en keek smeekend op naar Goedele.
+Ze vond de woorden terug, die zoolange teugelloos en onvatbaar zich
+hadden verwijderd, en ze bad hare dochter, dat ze de waarheid zeggen
+zou.
+
+--Ge moet de waarheid zeggen.... Ge moogt mij niet folteren. O-God! zoo
+foltert ge me. Waarom? Wat zijn uwe inzichten, mijn kind? Als ik u ruw
+aanspreek, moet ge me telkens vergeven, seffens. Ik ben zoo dikwijls
+vernederd door u, en dat maakt me uitzinnig. We zullen Justa wegzenden.
+We zullen een schoon huizeken gaan bewonen, buiten, in 't loof. Niet
+waar?... Zeg dat ge me bedrogen hebt.... Hoe hebbe 'k dat toch kunnen
+gelooven!
+
+Goedele antwoordde niet. Ze had zich bij 't venster neergezet en tuurde
+in den tuin, die daar zoo wonderlijk met noesche zonne lag beklad. En
+Ursule en hield niet op.
+
+--Mijn kind, nooit begrijpt ge de wilde smert, die ge mij hebt
+aangedaan. Ik heb gedacht dat ik zinneloos werd te wege. Maar alles is
+maar spel. Waarom spreekt ge niet? Waarom blikt ge zijwaarts? Zie me
+hier wachten naar een woord. We zullen wegloopen uit deze leelijke
+woonste en in 't blijde groen gaan schuilen. Ik zal u vertellen van de
+heerlijke toekomst ... hoe prachtig die eendracht--gij en Romaan....
+
+--Romaan trouwt.
+
+--Hoe wreed zijt ge, mijn Goedele! Wordt de jongen krankzinnig?
+
+--Hij heeft me gezeid dat hij trouwde.
+
+--Maar Wiezeken is immers dood!
+
+--Laat ons zwijgen--moeder....
+
+Ursule tort vooruit.
+
+--Nu zwijgen!... Spijts alles, heb ik hope gehad. Spijts alles, wat me
+tot wanhoop neerdrukte. Ik heb me vastgeklampt aan een groot werk, dat
+in de toekomst liggen zou. Ho! ho! hebbe 'k niet gezwegen, jaren en
+jaren? Is niet van zwijgen mijn leven een lange calvarie? Spijts alles
+hebbe 'k mijn droom behouden. Mijne kinderen zijn in opstand gekomen.
+Ik had nog hoop, toch hoop.
+
+Ze liet haar hoofd zinken op hare borst en bracht hare beide handen
+bedrukt over haar aangezicht.
+
+--Nu is Romaan voor goed ... gestorven.
+
+Langzaam verliet ze de kamer. Haar breede rugge schokte opwaarts, alsof
+sterkelijk klopte in haar lijf een geweldig gesnik.
+
+Een zonderling gevoel kwam Goedele bewegen. Alle kwaadaardigheid was uit
+haar gedachten geweken, en ze zat nu heel beteuterd te herdenken moeders
+overweldigend wee. Om wille van Romaans nieuw besluit, hield ze op nog
+vertrouwen te hebben in de theoretische en uitsluitelijke bespiegelingen
+van haar broeder. Wat bleef er in waarheid nog over van heel dien kamp
+om vrije, onafhankelijke liefde? Hij trouwde. Hij deed heel kleintjes,
+heel gewoon mee met de dikke burgertjes. Hij werd "redelijk". Hij zou
+ook op strate loopen met Madeleen aan zijn arm, kreeftewijs, hij
+blikkend naar uitgestalde boeken, zij naar hoeden en nieuw-modegoed.
+Ze herinnerde zich goed dat ze zoo'n paar nagekeken had, eens op een
+dag--met Ameye.
+
+Ameye!
+
+Ze fronste hare wenkbrauwen, 't werd harrewarrig in haar hoofd. Ze dacht
+weer aan moeder. Ware alles niet beter, indien ze gehoorzaam ware
+geweest?
+
+--Romaan is nu voor goed gestorven.
+
+En zij, Goedele? Wat zou 't zijn, als moeder haar zondig bedrijf met
+Ameye te wete geraakte? In een vaag zicht, schemerde 't opwaarts in haar
+hoofd,--dat elkendeen binnen dees huis zijn eigen ongeluk, met
+verborgen, heimelijke gebaren bevorderde. En zij ook, door haar wilde
+overgave aan Ameye, had heur eigen ongeluk beraamd.
+
+Al vroeg in den avond ging ze zich opsluiten in hare kamer. En op een
+nieuw herschudde ze hare onvaste gepeinzen. Ze ging langs 't venster na,
+hoe in den tuin de blauwe nacht lager en lager woog en hoe ginds het
+dichte loof der boomen langs de donkerte danig massief opduisterde.
+En dieper drongen hare gedachten, naar een verlangde oplossing.
+
+'t Moest opklaren om haar. Wat was er gebeurd dat ze zoo lichtzinnig
+weggevallen was in poelen van zonde? Ze kon 't zich niet uitleggen.
+Ze kon niet bespieden in 't jonge verleden den geleidelijken gang der
+omstandigheden en, erlangs, hare toenemende, onweerbare machteloosheid.
+Koppig wilde ze nu dat 't moest opklaren.
+
+Een onschadelijke wind roefelde met zotte wippen door 't geluchte en het
+schaduwrijke bosschage roerde stillekens zijn zwart-doezelige randen.
+Naderhand heerschtte groote rustigheid tallenkant. Goedele staarde
+gestadig naar buiten, en ze vond in de verre duisternisse een gewillig
+plein voor den tocht van haar loopende ideeen. Ze bukte zich en leunde
+met hare kin in beide hare handen. De stad alginder zweeg. Rijzekens
+daverde nauw hoorbaar een dof rumoer. In huis was elkendeen te bedde.
+
+Ze stond recht. Ze voelde haar eigen een groote schim zijn in de donkere
+kamer. Ze neep hardnekkig hare lippen te gare en hare oogen vielen toe.
+Ze had de harrewarrije in haren geest ontknoopt en stond met haar
+machtig lijf, vastberaden, tegenover de oplossing, die zich opdrong.
+Ze was besloten. Ze beet, sissend, haar eigen toe:
+
+--Niet meer gaan!
+
+Niet meer gaan. Ze zou bij Ameye niet meer gaan. Ze zou moeder helpen.
+Het was toch _moeder_. Ze zou haar, met haar overige leven, gedienstig
+zijn. Ze kruiste hare armen over hare borst, en 't was, een tijdeken
+lang, alsof ze de toekomst tartte, alsof ze heel diepe eene aarzeling
+voelde en haar eigen in de toekomst tartte.
+
+Rap stak ze een keerse aan en kleedde zich uit--maar, als ze haar witte
+lijf in den spiegel heel weelderig zag opbleeken, rilde ze. Ze vreesde
+haar onmachtig vleesch en 't klaterde daar in de schuinsche vlam van de
+keerse zoo rijkelijk....
+
+Ze spoedde zich. Ze kroop in haar bedde, blies 't licht uit en bracht
+huiverig de frissche lakens over hare schouders. Nog neep ze koppig hare
+tanden saam en stiet:
+
+--Niet meer gaan!
+
+Ze hikte nadien, begon te beven over al hare leden, en 't werd een
+stotteren, een pijnlijke hakkelinge:
+
+--Niet--meer--gaan....
+
+Ze barstte uit in luid gejammer, weenend en snikkend hopeloos, en, al
+stortte thoope gansch haar sterk besluit, al sleerde ze weg, met lijf en
+ziele, in 't vorig slameur van passie en gevoelerigheid, ze stamelde,
+benauwd, verloren:
+
+--Niet ... niet meer gaan ... niet meer ... niet-meer....
+
+Ze drukte koortsig haar hoofdkussen in hare armen.
+
+
+ * * * * *
+
+
+XIII.
+
+
+Ze was 's anderendaags vroeg te been. Ursule was nu teenemaal ziek
+geworden en kon uit haar bedde niet. Ze deed Goedele bij haar komen en
+vroeg zachte, of ze Romaan wou gaan opzoeken en hem uitdrukkelijk vragen
+wat hij van zins was.
+
+Goedele ging.
+
+Ze was tevreden dat moeder zelve haar doorzond. Ze liep. Nog nooit had
+ze den weg zoo spoedig afgeleid, en, als ze bij Romaan kwam en zijn
+bevestigend antwoord ontvangen had, was ze weer gichtig om weg te zijn.
+
+Wat dreef haar? Ze drilde gretig over strate, en haar bloed joeg forsig
+ommedom.
+
+Op de brugge bleef ze een wijlken in onzekerheid staan. Hare blikken
+volgden 't zonnig geklots van het water, waarin donkerend wegkronkelde
+de schaduw van een bootje. Hare kaken bloosden. Ze hoorde om haar 't
+bedwelmend rumoer van de ijverige stad en voelde, van weerskanten haar
+lijf, den haastigen gang der menschen. Even aarzelde ze nog....
+
+Ze liep nu weeral. Ze smeet haar hoofd achterover in wild gebaar. Hare
+voeten klepperden vluggelings over de kasseide, en tegen haar voorhoofd
+sloeg gedurig 't schoone geweld van de zonne. Ze draafde voorwaarts,
+kleintrippelend, steegjen in en steegjen uit. De warmte, die langs hare
+leden opklom, deed haar deugd en ze glimlachte haast, al werend de zoete
+straling af, die neerpletselde uit den ronden hemel.
+
+Ze stond meteen voor 't kleine huizeken. 't Was de gewone stonde.
+
+Zou Johannes wachten op haar.
+
+Ze had den sleutel niet bij! Zoo lange dagen had ze in folterende
+angstigheid en koppig dwaas gedoe haar liefde verwaarloosd, en ze
+vreesde dat Johannes, moe van wachten, 't opgegeven had. Ze klopte.
+
+Subiet schoof 't deurken open en hij stond daar, met gulzige blijdschap
+haar ontvangend. Hij leidde haar binnen, ontdeed haar van haar hoed en
+drukte haar sterkelijk tegen zijn borste. Hij en had geen verwijt. Hij
+bloosde van geluk. Hij en vroeg niet waar zij zoo al met een keer
+verwijld had, zonder verwittigen, en zijn blik was klaar, open, vol van
+zijne al-vergoedende liefde. Ze meende toch, beschaamd tegenover al
+zijne kieschheid, dat ze hem een uitlegging schuldig was, en ze haperde
+in ingewikkelde gezegden. Ze zette zich neer op zijnen schoot en omvatte
+zijn hoofd. Ze fluisterde:
+
+--Ik ben stout geweest....
+
+Hij kuste op hare lippen de ongemakkelijke woorden weg. Hare vingeren
+schoven streelend langs zijne slapen en sleerden door zijn haar. En ze
+zei:
+
+--Ja--stout, en ondankbaar.... Och, weet ik nog wat er gebeurd is?
+Kijk me eens aan.... Ligt er ievers een leelijk speur in mijne oogen?
+
+--Zwijg, lieve. Mij zie 'k daar in een sterreken....
+
+--Ge zijt goed. Wanneer was ik laatst bij u? Een eeuw is 't geleden.
+
+--Een eeuw, ja....
+
+--Herinnert ge u nog mij?
+
+--Deugniet, die me lief zijt!
+
+Hij lachte luid. Maar Goedele, in zwakke aandoening, voelde haar herte
+week worden. Het docht haar dat ze nooit dieper hare liefde gewaar was
+geworden dan nu. Ze zei, met bevende stemme, dat hij zekerlijk boos
+geweest was op haar.
+
+--En nu ziet ge mij minder geerne. Ik merke 't aan mijn eigen. Zoo
+machtig woelde in mij uw beeld. Ik hebbe schuld, Johannes. Waarom zegt
+ge niet dat ik schuld hebbe? 't Is dat kleiner mijne schuld is in uwe
+gepeinzen, wijl kleiner uw liefde is geworden....
+
+--Nu wordt ge schuldig, in waarheid.
+
+Hij antwoordde heel ernstig, en ze bleven een langen tijd sprakeloos
+turen in malkanders wezen, tot weer hunne lippen te gare zich vereenden,
+trage en innig. Ze liet haar hoofd nadien neerzijgen op zijnen schouder,
+en haar warme asem fleerde matelijk langs zijn blooten hals.
+
+De zonne, van uit de vierkante vensterruitjes, stortte in lichtende
+tichels op den vloer en zijpelde om hunne borsten, lager wegklaterend
+over hunne knieen. Op de geheven tjoppekens van Goedele's schoenen,
+tikkelde een leutige straal en spetste er veelvoudig uiteen.
+
+Ze zwegen. Her geraakte hier de schoone peiselijkheid van vroeger, en
+vertrouwelijk schoven allentwege de welriekende luchten. 't Was de
+bedwelming van te voren, en ze voelden zich wegglijden, weerloos en
+gedwee, binstdat korter hun boezem opzwol. 't Was terug de liefelijke,
+al-beheerschende stilte, de gulden stilte, waarlangs hunne gevoelens
+ommezweefden en nevenseen overentweere wiegden, beladen met de weelde
+hunner passie.
+
+Een logge wagen reed over de strate voorbij en traagzaam verwijderde
+zijn rollende wielrammeling. Ze luisterden er naar, eerst teenemaal
+omdaan door de zware geluiden, naderhand volgende met nauwkeurige
+zorgelijkheid het verre lawaai, tot heel wijd het dooddoedelde--endelijk
+dood.... Hunne gespannen aandacht was meegegaan, en nu waren ze precies
+in een groote leegte alleen gebleven. Maar des te inniger voelden ze
+seffens malkanders armen en malkanders lauwte. Te gare rokken zich hunne
+spieren en de struische drift steeg in hunne leden, met den rapperen
+klop van hun bloed. Goedele's lippen taakten zijne lippen en een warme
+nattigheid baadde hare oogen. Ze stamelde:
+
+--Hebt ge mij nog lief ... nog ganschelijk lief?
+
+--Eeuwig....
+
+Hunne wimpers trilden en vielen toe....
+
+Dus was weergekomen, zonder genade, de heerschappij van hunne liefde.
+
+In Goedele en haperde geen aarzeling meer. Ze geraakte in vroolijke
+stemming, drevelde om de kamer, schikte entwat, dat van zijn plaatse was
+verschoven, en toonde zich buitengewoon opgeruimd. Getweeen waren ze
+nadien luid-lachend aan het spelen, malkander treiterend of kriebelend
+of peensend.
+
+Nabij den noene stond Goedele beteuterd naar 't horloge te kijken.
+
+--'t Is tijd!...
+
+Ze zuchtte 't bijkans. Johannes zei dat ook hij weg moest naar zijn
+atelier, en verwonderde zich dat de voormiddag zoo ijlings verloopen
+was. Goedele vroeg:
+
+--Naar uw atelier?
+
+--Ja.
+
+--Ik ga mee!
+
+'t Was zoo een plotselijke gril, en ze had ook nooit aan dat atelier
+gedacht. 't Was nu eene gelegenheid om eens alles af te zien en die
+onbekende kunst te benaderen.
+
+Ze merkte meteen hoe Johannes subiet heel bleek werd. Een groote angst
+beknelde haar en ze wist niet meer wat zeggen. Hij bedwong zijne
+aandoening en kwam haar zoetekens omarmen, fluisterend:
+
+--Dat ware wel aardig. Maar hoe komt ge daarop, nu juist, ten vollen
+noentijde? Saam dien grooten weg doen, in 't zicht misschien van bekende
+menschen....
+
+--Ge kunt vooraan loopen. Straks vind ik u ginder.
+
+--Ja, zoo is 't goed....
+
+Ze hervatte zich seffens. Haar voorstel kwam haar dom voor, omdat hij 't
+zoo gul wilde aannemen. In hare hersens was, op dat eene oogenblik, de
+foltering gedrongen van wantrouw en jaloerschheid, en zoo verzinde ze nu
+een oolijke maniere om spijze te geven aan hare leelijke
+nieuwsgierigheid. Ze viel hem in de rede:
+
+--Neen!
+
+--Wat nog, lieve? Wilt ge u blootstellen aan de kwaadwilligheid van een
+praatzieke wereld? Zou 't niet onverstandig wezen, als we nu, na zoo
+veel voorzorgen, bij klaren dage onvoorzichtig gingen te werk gaan?
+
+--Ik ga mee....
+
+Ze was koppig, lijk ze thuis koppig was. Ze voelde dat hij haar niet
+geerne meenam en dat een reden daarvoor bestond, die buiten haar zinnen
+reikte. Had hij haar iets te verbergen? Zijn atelier lag eenzaam
+kantewaarts de stad, een groot houten ding met populieren eromme. Wat
+kon hij daar bergen, dat ze niet zien mocht? Hij was bleek geworden. Hij
+kon nu zeggen alle mogelijke sluwheidjes, ze zou gaan met hem en met hem
+den drempel beterten.
+
+Hij kuste haar. Hij lispelde:
+
+--Wat zijt ge koud!
+
+Hij wreef over haar voorhoofd en streek trage heur haar zijlings weg.
+Hij bad streelend dat ze eens deugdelijk lachen zou en den rimpel langs
+haren mond doen wegzakken. Hij begreep niets van hare handelwijze,
+beweerde hij, en hij deed alle mogelijk gevlei om haar op te wekken.
+Hij vroeg endelijk:
+
+--Maar wat meent ge?
+
+Ze staarde heel diep in zijne oogen, tastte er naar gedoken gepeinzen,
+en trage sprak ze:
+
+--Wat meent ... gij?
+
+Hij werd ongeduldig, duwde koortsig zijn hoed op zijn hoofd, tort lastig
+over het tapijt, van end tot end, en bleef daarna stokkestijf
+rechtestaan.
+
+--Nu dan.... Kom!
+
+Goedele bibberde van ongedurigheid, binstdat ze zich aanschikte. Ze
+verlieten zwijgend het huizeken en stapten nevenseen, zwijgend, langs de
+straat.
+
+'t Was ijverig noenbedrijf in de stad. Haastig te rote dretsten voorbij
+de langhalzige fabriekwroeters. Matelijk scherrebeende hun beenderig
+lijf naar voren, en erlangs wapperde in gelijke schokjes hun
+blauw-katoenen veste. De meisjes taterden ondereen en een lach schaterde
+altemets boven hun beweeglijk groepje, terwijl even opstraalde de
+bleekte van die gezichten alteenegaar. Oude sukkeleers hinkepatjinkten
+achterna, bezeerd door 't zware geweld van de zonne, en ze kromden hun
+rugge om 't vuur van haar hevig gestraal te ontweren. Jonge guiten, met
+witte kaakjes bevuild door den damp, joepten van links naar rechts, druk
+bezig met rap gespeel. In hooger wijken was 't, bezij de eenvervige
+huizen, de moede gang van beambten, verslonden in dagbladlectuur, of de
+fiere prontigheid van anemieke winkeljuffertjes....
+
+Goedele drilde daar midden in zonder spreken. Door hare hersens
+slingerden verwarde gedachten, en ze liet ze seffens los om nieuwe vaste
+te houden. Hoeverre was alweer de zoete vredigheid! Lijk gisteren, lijk
+ten uchtend was ze aan pijnlijke onzekerheid overgelaten. Romaan had
+zich verwijderd van haar. Ze vreesde het ergste, tegenwoordig. Maar, hoe
+ze ook een vermoedelijk feit uit Johannes' zonderlinge manieren trachtte
+af te leiden, ze stond altijd ten slotte voor een vrage te weifelen, en
+ze maakte haar geest uitermatelijk moe.
+
+--Wat moet ik vreezen?
+
+Ze vreesde het ergste. Johannes blikte bijwijlen zijlings naar haar, en
+als hij hare oogen taakte, lachte hij stille. Ze voelde echter, al
+leuterde dan seffens een versche rustigheid in haar, dat hij zijn wezen
+tot een vriendelijk masker dwong. En seffens vreesde zij 't ergste.
+
+Ze wist niet wat het ergste kon zijn. Holderdebolder wirrelden hare
+angsten door mekaar, kleine en groote. Wat grondelijk het allergrootste
+ongeluk zou zijn, wist ze zich niet voor te stellen. Alzoo was ze
+gedurig haar bangheid aan 't overdrijven door zotte sprongen van hare
+inbeelding.
+
+Als ginder, tenden de laatste straten, de populieren, met gulden licht
+beklaterd, zichtbaar werden rondom 't atelier, vertraagde johannes
+zijnen gang en kwam dichter nevens haar zijn stap meten op den haren.
+Zonder opkijken vroeg hij of ze reeds een schildersatelier gezien had.
+Ze schudde ontkennend haar hoofd. Ze vond het akelig dat hij nu een
+lange beschrijving van 't kunstenaarsleven haar ontvouwde. Hij had daar
+over nooit gesproken. Hij zei:
+
+--Artiesten zijn wanordelijk.
+
+Was hij zich aan 't verontschuldigen omtrent wanorde? Goedele kreeg
+versch vertrouwen en minder hijgde ze, als hij de hooge poorte
+opendraaide.
+
+Ze stonden in een kleine kamer. Hij zette zich neer in een sofa en
+bekeek haar lange, zonder spreken. Als een pale bleef ze rechte en haast
+kleurloos waren hare lippen geworden. Hij wenkte dat ze naderen zou en
+naast hem rusten een stondeken. Zij en roerde niet. Alles was haar hier
+danig vreemd. Was deze plaats door dezelfde hand geschikt, die, ginds in
+het huizeke, zoo brooze en subtiel te werke was gegaan. Hoe somber was
+hier alles aangesteld. Bronzen beelden reikten tallenkant hopelooze
+armen en de muren waren bespookt met nare gezichten. Ze kon zich niet
+inbeelden dat tusschen al dees donkere schimmen, langs al die diepten
+van kleuren en heimelijke lichten, Johannes verbleef. Maar ze zei niets.
+Ze wachtte. Hij sprak:
+
+--Zijt ge nu voldaan, lieve?
+
+Ze wachtte tot hij haar de groote werkzaal zou toogen. Ze was veerdig
+voor alle verwonderingen en ze bleef staan, roerloos en pal. In de halve
+duisternisse klaarde sterkelijk op hare matte bleekte. Ameye boog
+langzaam zijn hoofd en zonk weg in verre gepeins.
+
+Geen minste gerucht bewoog. Op het schouwblad rustte een dood uurwerk.
+Bezij de deur hing een hoop kleeren en, ernevens, op een hoog tafelken,
+dorde een bloemtuil. Goedele voelde hier de moeheid van leven....
+
+Johannes rechtte zich meteen en vatte hare hand. Hij bad:
+
+--Geef me een zoen.
+
+Ze lengde haren hals onsierlijk uit en kuste hem. Dan hief hij een
+grauwe gordijn omhooge en leidde haar binnen.
+
+Het atelier schaterde in 't volle noenevuur. Op den drempel aarzelde
+Goedele bezeerd door 't felle licht, en de groote ruimte, die in deze
+zaal zoo machtig was, beknelde haar een oogenblik. Ze asemde zwaar en
+tort onvaste naar voren.
+
+Van tallenkante keken de schilderijen naar heur. Ze schemerden voor hare
+oogen, landschappen en binnenhuizen, al verven van veranderlijk
+getintel, scherp omvat in gulden lijsten. 't Fonkelde onder mekaar. Ze
+trachtte zachte te glimlachen, omdat nu hare angstigheid verdwenen was
+en ze daar algelijk te rillen stond. Ze fluisterde, zich wendend naar
+Johannes:
+
+--Wat doe'k dwaas, he?
+
+Maar seffens ontstelde ze en onwillekeurig wankte. Ze reikte hare hand
+naar ginds, waar hoofdzakelijk een weelderig beeld opglansde, en stapte
+meteen, stijf en precies automatisch, er naartoe. In een toeten van hare
+ooren, hoorde ze Johannes, achter haar, zeggen:
+
+--'t Is Mariette.... Ik had u dat portret beloofd.
+
+Mariette! Ja, zoo was in waarheid Mariette! Mariette, half naakt in een
+weelde van blauwe zijde en thee-rozig fluweel, een wulpsche Mariette met
+natte lippen en min-zware oogleden. Ze murmelde:
+
+--Mariette...?
+
+Zoo moest Mariette zijn--een lijf van rijke blankheid, ongedekt en
+onverlegen, schoon en krachtig. Hare handen waren lijk de streeling
+zelve van de liefde en zoo djentelijk en lichte lagen daar hare
+vingeren, alsof ze alleen den last van zoenen zouden dragen. Haar hals
+verhief zich, ten-halve gebogen, en de blauwe schaduw van de kinne
+teekende nog vaster de heerlijke golving ervan. Daaronder praalde de
+onbevlekte effenheid van haren boezem, opbultend zonder geweld, en
+donzig als perzikrijpte. Bedwelmend was haar gansche aangezicht,
+verlicht, boven den blos der wangen, door 't geheimzinnig gestraal van
+wonderbare blikken.
+
+Zoo was Mariette wel.... Maar wat somberde ommendom de donkere glimming
+van bruine haren? Mariette moest blond zijn. Goedele kreeg hoofdpijn en
+ze bracht haar zakdoek over hare oogen. Weer keek ze naar het tooverig
+beeld.
+
+--Is dat ... Mariette...?
+
+Ze merkte boven de lijst een rankje droog hulstgroen en ze meende dat ze
+nu weenen zou. Al luider tuitten hare ooren. Ze voelde in deze Mariette
+de weergave van heur eigen wezen. Dat waren _hare_ leden, dat was _haar_
+gelaat, bedorven en verschoond in bovenmatigen minnehandel. Dat was
+_haar_ portret, de realiteit van haar verzonken bestaan, iets, dat zij
+had gedaan in gedachten en gebaren, en dat door Johannes ten geheele
+tastelijk was gemaakt. Ze raakte er de volledige voorstelling van haren
+val, en 't zicht ervan begon haar te walgen, al leefde nog zoo schoone
+daar, in doorslepen kunst van kleuren en schakeeringen, gansch hare
+liefde. Was 't dan die liefde zelve, die haar walgen deed?
+
+Ze haperde met bevende blikken langs het takje hulstgroen en vluchtig
+zag ze in haren geest den drempel, waar 't eens was neergevallen.
+Duidelijk herklonk om haar het verre lied:
+
+ Ah! mosieu le capucin,
+ T'as d'la veine,
+ T'as d'la veine!...
+
+'t Was Mariette! En hier was nu Mariette in onveranderlijke afbeelding
+aanwezig, met alles, wat zij, Goedele, nadien geworden was....
+
+Ze dorst zich niet ommewenden naar Ameye. 't Docht haar dat ze walgelijk
+deed, en een zeerdoende schaamte neep om hare slapen. Ze woonde aldus
+bij, zonder hulp, de pijnlijke verbrokkeling van al wat zoo geweldig
+haar verlangen en hare passie uitmaakte. Ze voelde 't heel duidelijk,
+vermits al meer en meer haar geest vergrijsde in de algemeene
+harrewarrije van tinten en klaarten. Ze beet dan op hare lippen om niet
+te lore in hopeloos gesnik los te bersten. Dat was nog de kracht van
+hare eigenliefde.
+
+Hij toetste haar en ze huiverde.
+
+--Ge zijt zoo bleek....
+
+Hij wilde haar omarmen en de emotie wegkussen, die zichtbaar was op haar
+gelaat. Zachte weerde ze zijne handen af, die haar niet liefderijk meer
+waren en wier streeling een smertelijke foltering geworden was. Ze
+voelde wel dat ze bedaren zou, en in versche geuten schoot naar heur
+hoofd de bedwelmende zekerheid dat ze door dwaze gevoelerigheid
+aangetast was. Ze had willen in een diepe donkerte gansch alleene zijn
+en stille.
+
+Hij sprak niet meer en droeve volgde met angstige oogen haar minste
+gebaren. Als hij zag dat ze bevend haar arm uitreikte, midden de
+plaatse, naar een besluierde schilderij, zakte moedeloos zijn hoofd op
+zijne borste. Zonder roeren stond ze, haar vinger gestadig naar 't
+geheimzinnige doek gericht. Hij tort langzaam vooruit en deed de zwarte
+vool vallen.
+
+Uit een duisteren achtergrond drong vlak naar voren, met intense
+uitdrukking, 't gezichte van een vrouw en 't blonde koppeken van een
+kindje. De vrouw en bezag het kindje niet, en ook het kindje keek niet
+op naar zijne moeder. Ze stegen uit de grauwe duisternis, die schemerde
+achteraan, en ze staarden, over de gulden lijst, rechte vooruit. Niets
+was hier bestaande dan deze gezichten: hunne lijven, somber bekleed,
+vielen weg in de schaduwen ommendom, maar geweldig sprongen uitwaarts de
+bleekheid van de vrouw en de zoetige blondheid van het kindje. Eene
+groot-menschelijke schoonheid lag droomend om 't gelaat van de moeder:
+rijzekens ingevallen waren hare wangen en een kleine diepte blauwde
+onder de slapen, maar sierlijk was de vorm van haar gansche wezen. De
+effene blankheid van haar voorhoofd straalde hevig onder de warme verve
+van heur vaste haar en een klaarte omlijnde de regelmatige buiging van
+haar neuze. Lichtelijk beschaduwd was haar bovenlip, binstdat de ronde
+kinne onderaan in halve helderheid optinkelde, en te midden rijp-rozig
+praalde, in strengen neergang, haar fijne mond.
+
+Deze vrouw was niet schoon door uiterlijke schoonheid, maar
+diep-menschelijk was ze, en schoon daardoor. Een onzeggelijke droefenis
+verzwaarde hare blikken en ook niet leutig staarde het kindje nevens
+haar. 't Was alsof in de grauwte achteraan een onzichtbare
+noodlottigheid deze twee tot lijdelijke bezorgdheid doemde, alsof
+gedurig een kwaaddoende hand tallenkant over hun hert de smert van leven
+deed voelen. Een geheim zweefde om hunne oogen en ze waren lijk
+gezichten, die men uit klare vensters meteen verre in den nacht ziet
+turen, alwaar ze niets ontwaren kunnen en waar schuilt de komende
+gebeurtenis van hun ongeluk.
+
+Een doffe kreet was pijnlijk uit Goedele's keel geroteld. Met een slag
+stortte alles neer, wat haar opjoeg tot zinnelijk leven, en ze was nu
+een gebroken wezen, kapot door hem, dien ze boven alles had geliefd. Een
+uiterste oproer verwrong hare spieren en ze sprong voorwaarts, naar
+Johannes. Ze vatte hem bij zijn arm en al hare krachten hoopte ze opeen
+om met hatelijke oogen zijn droeven blik te weerstaan. Ze hijgde en deed
+schrikkelijk geweld om haar reutelende woorden over haar tonge te
+stooten. Ze hakkelde:
+
+--De moeder van dees kind?... Van dees kind?...
+
+Ze schudde hem en prentte hare nagels in zijn kleeren. Ze wou 't hem
+doen uitspreken, uit zijn mond vernemen de waarheid, die ze nooit had
+durven aanzien en die nu oprees, vreeslijker dan ze had kunnen
+vermoeden. Ze riep:
+
+--Spreek ... maar spreek!
+
+En hij sprak niet. De tijd, die verliep, rukte precies haar vleesch
+vaneen.
+
+--Zijt ge niet laf?... De moeder van dees kind.... Ik verzink, ik
+verzink, o mijn God!
+
+Ze verlamde meteen en hare vingeren sleerden ontspannen langs zijnen
+arm. Met doffer stemme, na een stilte, die in gansch hare lengte de
+kracht van het volbracht gevaar begeleidde, sprak ze, schijnbaar
+bedaard:
+
+--Zeg me wie deze vrouw is, Johannes.
+
+Hij boog zijn hoofd en zuchtte. Hij vond geen gezegde om haar te
+stillen, om haar te troosten, om weer op te wekken in versche
+minneweelde haar vernederd hert. Hij zweeg.
+
+--Zeg me--wie, Johannes.
+
+Ze wist het. De droomende treurnisse, die gansch het beeld omlichtte,
+die 't kenbaar miek voor haar, Goedele, de gedoken oorzaak van de
+treurnisse zelve--'t was allemaal een laaie openbaring. Hare lippen
+beefden en rappe stralen fonkelden noesch weg uit hare oogen. Hij zei,
+voelend dat haar niets te verbergen meer overbleef:
+
+--Mijne vrouw.
+
+Ze ontving zonder wijken de harde bekentenis. 't Was haar alsof ze
+midden puinen stond en allentwege om haar kwam de wijde droefenis, die
+nievers een ende zou krijgen. Langzaam keerde ze zich omme en tort,
+schokkend bij elken stap, naar de deur. Ze hoorde in 't gezoef, dat haar
+hoofd vulde, nog Johannes' gebroken stemme:
+
+--Goedele!... Goedele!...
+
+Ze hief zonder haaste de fluweel en gordijn op, ging het duistere
+kamerken door en geraakte op straat. Dan liep ze, recht voor zich uit,
+en zij en dierf niet ommezien. De gezichten der menschen, die haar
+voorbijsleerden, waren lijk bleeke vlakten, geruchtloos schuivend in
+nattig geluchte. Waar was de zonne? 't Was al grijs en nevelig wat haar
+omdeed, en de gezichten doken spokig daarin op, werden groot en spoedden
+zich achterwaarts. 't Herklonk een tijdeken als een ver geween:
+
+--Goe-oee-dele!
+
+'t Klabetterde tegen de luidelijke beenderen van haren schedel, die als
+een holle kasse aan 't ratelen ging....
+
+Moe, afgemat kwam ze thuis aan. Het ijzeren hekken krijschte trage open
+en ze viel bijkans voorover. Ze zag Justa en vroeg, verwilderd:
+
+--Zijde gij hier nog?
+
+Ze lei haren hoed op een stoel, en, als ze de gewone dingen hier gewaar
+werd, die tafel en die kasse en 't gezellige klavier, stortte hopeloos
+haar wee over haar. Vader zat bij 't venster met een kaartspel aan 't
+tellen. Zijn grijze krullekop zilverde aardig in 't zijgende licht. Ze
+had hem willen kussen.
+
+Hij keek op en verwonderde zich, lachend:
+
+--Ha!... gij....
+
+Hij zette seffens een bedrukt gelaat, lijk iemand die zich meteen
+herinnert dat hij treurig moet zijn, en vertelde dat moeder in den
+voornoene onder een leelijke geraaktheid was gevallen en dat ze nu zeer
+ziek te bedde lag. Goedele liep uitzinnig de trap op.
+
+Voor de eerste maal sinds lange vreesde ze dat moeder lijden mocht, en
+in haar verward gemoed klopte 't verwijt--dat ze schuld had aan moeders
+lijden. Ze beukte struikelend tegen de deur aan. Ze stapte binnen
+paalrechte, gewelddoende om niet omverre te stuiken, en naderde zoo de
+sponde. De witte lakens werden een duizelige beweging in hare oogen en
+moeders hoofd, dat haast vierkantig op de klare kussens rustte,
+beschaduwd door diepe oogholten, schemerde aleens stille weg, om subiet
+weer ruw en hard op te bulten.
+
+De aandoening ging uitjagen in Goedele's borst en hare wimpers werden
+heet.
+
+Ze stamelde:
+
+--Moeder....
+
+De klank van haar eigen stemme kwam hare emotie overdrijven. Ursule
+vroeg:
+
+--Zal hij trouwen?
+
+Trouwen? Goedele zag subiet het povere kamerken van Romaan, waar ze
+gedrieen een nieuw geluk bewerkten in liefelijke eendracht. Ze knikte,
+niet goed meer wetend wat eigenlijk hare boodschap geweest was.
+
+--Ja.
+
+Ursule in een uiterste poging rechtte zich en zat overend. Haar wezen
+werd grauw van ingetogen woede. Ze duwde hare vuisten in haar
+hoofdkussen en hare nagels krabden hoorbaar over het gespannen laken.
+Ze vroeg op een nieuw, binstdat ze hare lippen, in vreeselijke gramschap,
+uitlengde naar Goedele:
+
+--Zal hij--trouwen?
+
+--Ja, moeder.
+
+--Hein?
+
+Ze hijgde en een reuteling rochelde nattig in haar keel. Ze wachtte naar
+'t herhaalde antwoord en 't was alsof ze toch hoopte dat het niet zou
+herhaald worden.
+
+--Ja....
+
+Een snok rukte haar kinne naar omhooge en terwijl ze achterover
+neerzakte, stiet ze met een worp al haar haat, haar wilden, grenzeloozen
+haat uit haar boezem--een walg en een grijnzen:
+
+--De hoere!
+
+Haar mond bleef halvelings open.
+
+'t Was voor Goedele een verschrikkelijke slag en 't woord hing een
+stonde te daveren in 't geluchte. Ze viel op hare knieen, vatte moeders
+hand en begon te snikken en te roepen, geen andere uiting meer wetend
+voor haar wanhoop, geen hulpe meer vindend in niemand, noch steun in
+geen toekomst.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XIV.
+
+
+Ursule was leelijk aangetast. Dagen na dagen bleef ze liggen in haar
+bedde, zich opwerpend somtemets, naderhand afgemat en roerloos. Ze sprak
+niet. Ze kon niet spreken, hoe ze ook geweld deed om een gedacht luide
+te doen opklinken. Ze bracht onzinnig geratel uit, en ze lag dan weer
+zwijgend te turen heel strak naar de zoldering. De dokter die haar
+dagelijks bezoeken kwam zei dat ze groote rust noodig had en dat men
+haar omtrent alles moest involgen. Hij merkte niet hoe woedend ze
+telkens was, als hij verscheen, en hoe ze met hare oogen teeken deed dat
+men hem wegjagen moest.
+
+Met rust en groote zorgen zou ze stilaan genezen. Veel tijd was daartoe
+noodzakelijk en veel voorzichtigheid.
+
+Goedele zat gestadig aan de sponde en deed met effen verduldigheid al
+wat haar de minste grillen van Ursule opdrongen. Uitermatelijk
+dienstveerdig en welwillend, liep ze links en rechts, naar den wenk van
+moeder's ziekelijke onstandvastigheid, de kamer rond. Geen weerzin
+voelde ze en geen moeheid. Ze hield zich alzoo in drukke bezigheid en
+het was voor haar in feite eene afleiding.
+
+Want geen klaarte was nog in hare zinnen gekomen. Het schrikkelijke
+voorval had haar verdraaid en in haar duizelig hoofd daverde gedurig een
+onoplosbare harrewarrije. Ze beleed zonder uitkomste een knagend, dof
+wee, en haar lijf was nu iets geworden dat ze pijnlijk tallenkant
+meesleurde, achter de troebele zucht van haar strijdende gepeinzen. Ze
+dacht niet aan Johannes: met een schok was hij weggerukt geweest en heel
+verre schemerde ievers zijn onzekere schaduw. Ze had geen behoefte te
+denken aan hem, die zoo wijd bestond, teenemaal buiten 't bereik van
+haar denken. Maar onophoudelijk dacht ze aan een bange gebeurtenis, aan
+een groot geweld, dat volbracht was, iets zonder vaste vormen, zonder
+kleur en preciese maten--een massa, opdonkerend zoo subiet, juist achter
+haar. Verder was geen verleden: 't verleden en reikte niet verder,
+geborgen door de donkerte van dezen opzuilenden paal. 't Was een nacht,
+die alle dagen dook.
+
+Een weke verliep, en nog altijd wist ze geen uitslag aan haar lijdelijk
+gemijmer. Nog was ze werkzaam, in de duffe ziekekamer, en ging lijk
+dronken gebogen onder de vracht van het volendigd ongeluk. Even verre en
+ondoordringbaar bleef 't verleden, naar achteren en buiten zicht geduwd
+door gindsche vervaarlijke somberheid.
+
+Goedele luisterde naar moeders asem, als ze sliep, of beloerde haar
+minste gebaar, als ze lastig te spartelen lag onder de sargie. Ze lonkte
+alles na, bezorgd en ordelijk. Ze handelde niet ganschelijk bewust, maar
+bevreesd voor nieuwe rampen, die ze niet bepalen kon en waar ze nievers
+een opkomende oorzaak voor ontwaarde. Ze handelde heel bang--tevreden
+dat ze handelen mocht en dus den zeerdoenden tijd opstoppen, die
+tallenkant met benauwde leegten te gapen hing. Ze bedwelmde zich met
+werken, met hergaan; ze maakte zich zwaar-dom in gestadige beweging om
+niet, al rustend, achterwaarts te kijken naar de hooge schim van 't
+verrichte noodlot.
+
+Na de derde week kreeg Ursule heur sprake terug, maar ze was nog niet
+losgeraakt uit eene luie verwikkeling van hare gedachten. Ze was lijk
+eene die, verdwaasd na een harden slag, zich om alles verwondert en
+niets met zekerheid benaderen durft. Bij Ursule echter ging dat
+lanterfantig gedoe van hare hersens gepaard met de sprongen van hare
+prikkelbare lastigheid. Ze lag altemets stille te kouten met Goedele.
+
+--Zie eens hoe de zonne ringskens teekent over de ruiten.
+
+--Ja, ringskens.
+
+--En hoe ze sterrekens puntelt in het stof, de ruimte langs....
+
+--Ja.
+
+Ze deed dan meteen een kwaad gebaar en riep:
+
+--Wat een boel! De lucht is dikke van vuilnis.... Maar wie kuischt hier,
+wie moet hier het huis opruimen en zuiver houden? Of wilt ge mij
+allemaal den dieperik inhelpen met uwe wanorde.... Leegaards! Leegaards!
+
+Ze was niet te stillen, en ze schreeuwde tot heel blauw haar hals werd
+en ze nadien, al hijgend, roerloos wegzakte in de kussens.
+
+Goedele baadde dan haar voorhoofd met ijswater en paaide haar heel
+zoetig, belovend dat ze voor alles zorgen zou.
+
+Andermaal waren ze getweeen precies aan het spelen met Seppie. Goedele
+rolde een balletje papier en gooide 't over den vloer. Het hondje sprong
+gretig er naar toe, trachtte het beweeglijk speelgoed vaste te vangen
+tusschen zijne grabbelende voorpooten en wilde 't gek-vlugge vaneen
+rukken tusschen zijne tanden. Zijn muilken snuffelde haastig hier en
+daar, hapte vergeefs te dichte of te verre. De bal joepte kantewaarts,
+rees langs zijne onervaren nagels weg en liep een endeken wijder. Seppie
+bleef een wijle plattebuiks loeren en wachten tot dat levendig ding
+stille zou blijven. Hij mat zijn wip, pootelde slibberend naar voren en
+stiet dwaas tegen 't papier aan. Even ruischte het en rolde het te lore
+onder de kasse. Nu lag hij te krabben om het her in 't bereik van zijn
+neus te halen. Hij kantelde op zijn linkerflank omme en stiet hopeloos
+met zijn achterpooten, binstdat zijn kodde koortsig overentwere te
+vlaggelen begon.... Hij gaf de poging op, rechtte zijn vermoeid lijf en
+stond zijlings heel dom naar Ursule te kijken. Ursule troetelde:
+
+--He-wel, mijn floddereerken, gij zotte bobijne! Ze lachte met
+luidelijke leutigheid, en Goedele moest Seppie oppakken en hem op 't
+bedde zetten, waar hij seffens aan 't luierikken lag onderdefleerende
+vingeren van zijn meesteresse.
+
+Maar subiet kwam een nieuwe koortse Ursule aantasten en ze pruttelde:
+
+--Nah ... nah ... de schoone sargie, de schoone lakens.... Kunt ge zijn
+pooten niet proper maken, eer ge hem hier alles schenden laat. Och God,
+och God! wanneer zal ik genezen zijn en dees huis bestieren, dat naar
+zijn ondergang wil!
+
+Goedele verdroeg hare buien, en zoo gingen de dagen om. Ze deed niets
+liever dan moeders verlangen benaderen, en zij en had geen pijne, als
+haar een ongegrond verwijt toegesnauwd werd.
+
+Met dezelfde gewilligheid ontving ze de bezoeken van Sebastiaan. Ze deed
+hem nu dikwijls komen en de jongen was aangedaan om den wille van hare
+brave liefelijkheid. Ze was niet meer ruw met hem. Ze zocht zijne
+nabijheid zonder den wrevel te vreezen, die opging langs 't vrome gebaar
+van zijne handen. Ze zaten weer saam aan moeders voetende, en hij kon er
+spreken van zijn vele werkzaamheid, van zijne toekomst. Als Goedele hem
+bezig hoorde, zijn woorden volgend, die heerlijke plannen omschreven,
+had ze aldoor eene zwijgende aandacht. Maar, al knikte ze en liet ze
+geen minste gezegde onbeluisterd, ze taakte niet al wat hij vertelde
+voor haar. Hij zat, lijk altijd, te zoeken naar schoone zinnen, trage en
+zorgvuldig.
+
+--Mij, Goedele, overvalt gedurig het prachtige zicht der toekomst, waar
+gij almachtige godinne zijt. Ik schik dan alles en verander hier en daar
+een beeld, en 'k zoeke vlijtig of 't nievers u bezeeren kan. Zoo scheppe
+'k in mijne gepeinzen de zoetste zoetigheid om u, en--hoe zou daar
+entwat haperen, als gij er lachend en stralend te midden staat...?
+
+Hij liet eene korte stilte gewichte geven aan de golving van zijn stemme
+en voegde er bij:
+
+--Ik ben gelukkig dat ge mij aanhooren wilt. Hij verwijlde alzoo met
+weeke profijtelijkheid in 't gespeel van welluidende zinnetjes. Het was
+klaar te merken dat de vorige onverschilligheid van Goedele alras
+vergeten was en dat hij, lijk eertijds, zijn precieuse doening herpakte.
+Hij schreef de plotselijke veranderingen toe aan Goedele's grillige
+jeugd.
+
+En Goedele, tuk op vermoeiend bedrijf, deed ook al het mogelijke om hare
+houding weg te vegen uit elkendeens herinnering. Heimelijk meende ze
+daardoor haar eigen geweten effen te krijgen. Ze beantwoordde Sebastiaan
+met ongeveinsde gretigheid. Ze wachtte zelfs ongeduldig naar het dalen
+van zijn langzame gezegden, om subiet haar gulzige woorden te plaatsen.
+Ze boog zich naar hem en praatte zoo, dronken van eigen stemgeruisch. Ze
+interesseerde zich aan zijne studien over Hieronymus Bos.
+
+--Wat vind ik zoo'n man wonderlijk--zoo bezig gestadig met buitensporige
+fantazeering, een hoofd vol wangedrochten, hanen met ezelsooren, kiekens
+met snoeksmuilen en honderompen met klein-kinderbillen.... Als dat nu
+altegare holderdebolder uit een nacht te voorschijn komt lijk uit een
+grauwe spelonke....
+
+Ursule opende rijzekens hare oogen en mompelde dat ze wat anders
+vertellen moest. Ze glimlachte:
+
+--Ik zie permintelijk al die dwaasheden!
+
+En Sebastiaan omdeed dan met kunstige epitheten het leelijke zicht,
+zoodat nog alleen de ontzaglijke kunst van Bos overblijven moest.
+
+En omme gingen de dagen.
+
+Ursule, alhoewel ze haar bedde nog niet verlaten mocht, was toch op
+goede beterschap, en hare gedachten klaarden op. Ze herzag met
+stiptelijke nauwkeurigheid al wat gebeurd was, en ze lag dan in versche
+hope te beramen een nieuwe instelling. Ze stapte over 't gebeurde heen
+om met sterke moedwilligheid de toekomst in te richten. Het ideaal, dat
+ze zich al zoo langen tijd gesmeed had, kon ze niet ten geheele
+loslaten: ze zou nu met Goedele alleene de schrikkelijke zaken herdoen.
+En ze verzinde grootsche werkingen.
+
+Op een dag, in den valavond--ze lag nu meerendeels alleen--liet ze
+Goedele bij haar roepen.
+
+--Zet u, mijn kind.
+
+Ze was uitermatig zachte en glimlachte. Dadelijk voelde Goedele dat de
+vroegere oolijkheid weergekomen was, maar niet als eertijds steeg in
+haar boezem de verontweerdiging of de gramschap. Ze verdroeg lijdzaam
+alle uitdrukkingen van moeders karakter. Ze verlangde zelfs dat ze
+eronder lijden mocht. Ze wilde geerne gekastijd worden, en ze zou geen
+minste beweging doen om den stoot van moeders slechte inzichten af te
+weren. Ze wilde zeggen, seffens:
+
+--Moeder, g'en moet geen omwegen maken. Ge moogt subiet eischen de volle
+bevrediging van gansch uwen wil. Ik zal u gehoorzamen.
+
+Ze vreesde echter dat moeder 't zou euvel opnemen, en ze moest moeder
+alle leed of luttel verdriet besparen. Ursule sprak, fleemend:
+
+--Morgen uchtend moet ge een brief sturen naar notaris Van Kalken. Ik
+zal hem onderteekenen. Ge zegt daarin dat ik te Heysse die plezante
+villa koop, waarvan hij me gesproken heeft. Ge zegt dat hij onverwijld
+de noodige maatregelen nemen moet, en dat we om de maand nog alginder
+willen wonen.
+
+--Ja, moeder.
+
+--Ik doe 't voor u, mijn kind, die bleek wordt en zekerlijk de groote
+lucht noodig hebt. Ge hebt me zoo liefderijk verpleegd en ik ben nu ook
+gelukkig, omdat ik u met zoo'n villa gelukkig maken kan.... Wat zal dat
+ook heerlijk zijn, he? Zijn we al eens in Heysse geweest? Ik herinner me
+niet....
+
+--Ik herinner me niet, moeder.
+
+--Ja, dat zal heerlijk zijn!
+
+Ze zweeg een stonde en de avond daalde daarbinst. De beweeglijke
+deemstering speelde om de venstergordijnen, grauwe schaduwen leggend
+langs de plooien, en ze kwam neerwaarts doezelen bezij de muren om haar
+dikten op te stapelen in de hoeken, binnen de schouwe of onder de kasse.
+Van daar reikte ze vreesachtig hare schuwe armen over den vloer, verder
+en verder vingerend tot allerzijds een halve duisternisse waarde,
+waaruit alleen opflikkerden nog de witte beddelakens en de klatering van
+de vensterruiten.
+
+Ursule wist den gemoedelijken invloed van den avond. Ze nam stille
+Goedele's vingeren, fluisterend:
+
+--Kom dichterbij, mijn kind....
+
+Ze streelde hare armen en liet heel trage hare woorden beelden worden in
+de wattige donkerte.
+
+--Mijn kind, uw grootvader was een arme visscher. Jaren en jaren zwoegde
+hij en wist, door zijn schrandere kunde en zijn hardnekkigen moed, zijn
+sterke werk tot bloeiende uitslagen te brengen. Maar als zijn geest aan
+'t verzwakken ging, heb ik 't beleid van zijn zaken op mij genomen en de
+doening doorgezet. Wij zijn geslaagd. 't En was niet, mijn kind, te
+danken aan een gelukkige saamkomste van meevallende omstandigheden. Wij
+hebben ons goed met aanhoudend geweld gerukt uit den klauw van het
+noodlot. Wij hebben gezwoegd. Gelooft ge, Goedele, dat al wat hier u
+omringt en zachte uw niets-doen steunen komt, door ons al schattend en
+nagelend, stukje bij stukje werd binnengebracht? Het moet u moeielijk te
+denken zijn, hoe pijnlijk uw welzijn is tot stand gekomen. Gij hebt geen
+sreke daarvoor gedaan, en gij kunt dus niet weten hoe wij die weelde
+bereikt hebben,--die weelde voor u. Maar wat is deze weelde? Wat is een
+leven, dat niet werkzaam is--en dat geld, al dat geld? Zoo insgelijks
+moet geld werkzaam zijn, mijn kind....
+
+Goedele luisterde met aandacht, en, binst de donzige schemering, klonk
+moeders stem met endelooze goedheid om. Ze liet de klanken zacht
+aankloppen tegen hare hersens en de beelden werden zichtbaar overhand.
+Geen aandoening wekte in haar de trage gezegden, maar ze hielden haar
+geest bezig, zoodat geen ander gepeins er folteren kwam. Ze leunde tegen
+'t bedde, en ze voelde gestadig 't gekriebel van moeders vingeren over
+hare hand. Ursule zei:
+
+--Als grootvaders geest aan 't verzwakken ging, heb ik 't beleid van
+zijn zaken op mij genomen, ja. Naderhand ben ikzelve verzwakt en niemand
+was daar om de vruchtbare doening door te zetten. Nu zijn we langen tijd
+gebleven zonder nuttig bedrijf, en dat is zonde. Wat wij door werken
+gewonnen hebben, moet verder door werken oogsten dragen. Ja, oogsten
+dragen. Meent ge niet, mijn kind, dat we hier lam en schuldig de dagen
+langshenen slenteren? Meent ge niet dat we schadelijk zijn?
+
+Ze zweeg een wijlken.
+
+--We zijn schadelijk, omdat we de leegheid van onze handen
+bevoordeeligen. En, ziet ge, ik had gedacht eertijds: later wordt mijn
+jongen groot en struisch, later schiet mijne dochter krachtig op, en dan
+werp ik den last van mijnen rugge en dan zie 'k mijn kinderen met nieuwe
+sterkte het schoone gewicht dragen ... later.... Toen heb ik den tijd
+afgewacht, maar de tijd is niet gekomen.... Toen heb ik geweld willen
+doen.... Toen is mijn jongen vergaan, verre van mij, te lore, te lore.
+
+Dikker stapelde de duisternis zich tallenkante thoope. Goedele zag
+rijzekens in 't witte gelaat van Ursule de donkere schaduw van den mond,
+die roerde. De oogen echter, weggeveegd door den dompigen nacht, zag ze
+ziet.
+
+--En zal ik nu alle hoop moeten verlaten, mijn kind? Zal ik, na alle
+verlies, de laatste toevlucht, die nu rest, verliezen? Ik vrage u dat.
+Ik dwing u niet. We moeten discuteeren.
+
+Naarmate ze dichter haar doel naderde, deed ze zoeter fluisteren haar
+wiegende stem, en ze trachtte na te gaan op Goedele's wezen, dat vlak
+onder de schuinsche klaarte van 't venster nog opbleekte, hoe hare
+woorden een doordringenden invloed kregen. Goedele's wezen bleef stille
+en aandachtig. 't En was geen moedeloosheid, die er over lag; 't was een
+geduldige ondergeschiktheid, alsof ze nu op voorhand alles aannemen en
+verdragen zou. En, in waarheid, ze verdroeg op voorhand alles zonder
+onderzoek, gewillig en gedwee. Ze meenden erdoor stilaan haar zondig
+gedrag te vereffenen. Ursule vroeg: Zoudt ge mij gehoorzamen ... in
+alles?
+
+--Ja.... Ja....
+
+--In alles wat mijn wil mag zijn? Want, ziet ge, mijn laatste hoop is in
+u. Mag ik op u berusten?
+
+--Ja, moeder.
+
+Ze zei 't trage en vastberaden. Een plotselijke emotie schoot op in
+Ursule, en op hare lippen kwam roeren de kleine krulling van een
+heimelijken lach. Ze bleef een wijle in de voordeelige donkerte alreeds
+genieten van de zegepraal, die naderend was. Ze vatte nadien Goedele's
+arm en deed haar dochter buigen, tot ze haar asem voelde in heur haar.
+Ze lispelde:
+
+--Ik dank u, ik dank u, ik hebbe u lief.
+
+Ze rechtte zich dan, zat bijkans overend op de kussens en hare handen
+kwamen roerloos liggen nevenseen, profijtelijk op de sargie. Het was bij
+haar een gewone houding, als ze een gewichtige zake aantasten moest.
+Hare duimen taakten mekaar. Ze sprak:
+
+--Nu zullen we geld gaan winnen. Weet ge wat dat is? Het geld komt
+binnen, uit al die menschenvingeren, die schuiven en plakken viezelijk
+eromme. Het heeft een plezanten klank. We maken er hoopkens van. We doen
+het werken, 't holt en 't schaveelt ijverig tallenkant, waar ik weet dat
+het veilig is ... en 't komt hier aanrinkelen, verdobbeld,
+vertiendobbeld. We maken er weer hoopkens van. Ja, ja, mijn kind, het is
+een liefelijkgespeel.... Endelijk tellen we de hoopkens te gare.
+
+Ze likte met hare tonge trage over hare lippen, maar hare handen bleven
+onbeweeglijk liggen. Op denzelfden toon, bijna zonder overgang in de
+daling van hare stem, zei ze:
+
+--Trouw nu ... trouw nu gauw met Sebastiaan ... ons basis is sterker,
+als ge getrouwd zijt met hem.... Waarom schrikt ge, Goedele?
+
+Goedele had geschrikt. Al was haar inzicht tegenwoordig toch met Vrebos
+te trouwen, ze wist niet dat de daad zoo dichte bij haar was, gereed om
+te gebeuren. Ze meende wel dat niets restte van haar vroeger leven en
+dat haar geweten bedaren zou in eene opoffering ... in dees huwelijk,
+dat elkendeens wensch omsloot. Ze meende 't zoo allemaal wel. Maar dat
+de dag alreeds dreigend opduiken zou, haast tastbaar, was een gedachte
+waaraan ze zich geerne hadde langzaam gewend. De leelijke wezenlijkheid
+moest voorbereid worden en ginder achterwaarts zou dan de schrikkelijke
+massa wegschemeren, die er voortdurend aan 't spoken was. Ze stamelde:
+
+--Ik schrik niet.... Ik zou willen denken, een beetje. Ik zou willen
+alles bezien, eerst, en de toekomst doen opklaren. Ik zie niet goed
+daarin....
+
+Ursules mond viel in gramschap open:
+
+--Hein?
+
+--Ge moogt u niet opjagen, moeder. Ik zal u gehoorzamen. Laat me eens
+stille overwegen....
+
+Ursule zakte thoope in den konk van de witte lakens. Ze deed hare oogen
+toe en hare vingeren krulden te zamen, stuipachtig geweld doende onder
+de sargie.
+
+De nacht was teenemaal aanwezig, en rijzekens haperde nog een schuchtere
+blauwigheid langs de ruiten van het venster. Goedele stak dan het
+gaslicht aan, en de vlamme sprong laaierig omhooge, waarachtig de stilte
+brekend, die lastig in de kamer was gedrongen.
+
+ * * * * *
+
+De villa werd aangekocht, opgeschikt en seffens bewoond. 't Was voor
+Goedele in den beginne een versch leven, en ze vond hare gansche
+bezigheid in den tuin, waar 't alles zoo gezellig was aangelegd. Kleine
+wegelkens kruisten er dweers en door, en diverse borduren van rozen en
+geraniums en ander gebloemte kleurden sierlijk erlangs. Vooral de wijdte
+van den grooten hemel was haar eene deugddoende nieuwigheid. Ze volgde
+met emotie de langzame vaart der wolken, daar bollend pluimlichte in de
+zonnige diepten....
+
+Maar naderhand was de grootsche doening der natuur een kwalijke
+aanstoot, en 't driftige verleden, met al zijne gulzige levendigheid en
+zijne onstuimige passies, doemde opwaarts allentwege. De opzuilende
+duisternis viel in reten open en, omvoold arets door azurig geschemer,
+stegen de verschillige beelden van hare liefde.
+
+Ze zag Johannes.
+
+Hij en wekte geen afkeer bij haar. Hij was geworden een droom, niet te
+genaken, en ze kon, zonder wroeging, in gepeinzen herleven het zoete
+bedrijf van hunne jeugd. En alles was verre, verre....
+
+Tot somtijden haar boezem te hijgen begon en ze sterkelijk versche
+roerselen gewaar werd in haar lijf. De ruimte om haar was haar nog te
+nauw. Haar vleesch tingelde en gloeide.... Ze liep dan in huis en
+babbelde onzinnig met vader, of ging neerzitten nevens Sebastiaan,
+leunen tegen zijn schouder en strak beloeren het vrome gepeuter van
+zijne vingeren. Zoo kwam de rustigheid stilaan terug, en terwijl ze weer
+opkeek naar 't verleden, was alles verder nog dan te voren, heel verre,
+heel verre.
+
+Als 't were schoon was en de volle zomerzonne neerklaterde in gouden
+fonkeling overal, wandelde ze alleene met Sebastiaan het wijde veld
+omme. Sebastiaan kwam kort na den noene, en zoo wandelden ze samen tot
+den avond. Ze overdreef hare vriendelijkheid en hij, overgelukkig,
+pronkte in 't genot van zijn man-zijn, zijn meester-zijn. De plotselijke
+omdraai van Goedele's handelwijze was bij hem gauw begrijpelijk geworden
+en, in naieven overmoed, schreef hij nu de verandering toe aan zijn
+eigen geduld en karaktervastheid. Hij stapte nevens haar en voelde zich
+groot en sterk. Geerne tastte hij 't gewicht van haar lijf op zijnen
+arm.
+
+Eens--de avond was al dichtebij en westewaarts vuurde de late zonne in
+een draaiing van gloeiend licht--waren ze, langs een pijnboschje, buiten
+hun weg geraakt. Op de akkers, die verder zich uitbreidden, naar het dal
+toe, waar schuilde het kleine dorp, zwoegden de oogstwroeters, lage
+gebukt en traag-wordend onder den last van het machtige werk. De winden
+waren stille gevallen, en altemets klonk in 't zwijgend geluchte de roep
+van een boever of 't krijschend gewet van een zeis. De boomen legden
+lange schaduwen over de baan, en de barmen ook hieven zich donkerend op
+tegen den purperen hemel.
+
+Voor de eerste maal welde in Sebastiaan de aandoening van zijne liefde
+brandend op. Hij werd zenuwachtig en de taking van Goedele's handen deed
+heete lochten walmen naar zijn hoofd. Hij antwoordde kort en verlegen op
+wat ze hem heel lichtelijk aan 't vertellen was, en zijne slapen werden
+soms danig koud. 't Lag gedurig op zijne lippen ... nu eens krachtig
+vooruit te komen met een innig woord, nu eens uit te spreken al wat hij
+zoo meteen in zich bruischen voelde. Maar hij was schuchter. Waarom
+kwamen de zinnen nu niet sierlijk te reke, lijk altijd? Hij had er nooit
+aan gedacht dat hij eens de zotte begeerte zou hebben deze vrouw wild op
+zijne borste te drukken. 't Verlangen dorde zijn kele, en hij zweeg. Hij
+werd gewaar dat hij hakkelen zou, en hij vreesde er heel deerlijk en
+belachelijk uit te zien.
+
+De avond was aan 't weven zijn doorzichtig floers, en ginder, matelijk
+vooruit-tertend, bukten de maaiers in geweldig bedrijf. Een puiken wipte
+in de gracht en niets roerde weer daarna. Goedele verheerlijkte de
+mooiheid van alle kleuren, die zacht ineenvloeiden, neventinten
+vlechtend daartusschen, menig en wonderbaar. Een wijde vredigheid was,
+lijk een effen vijver, spiegelzoete in haar.
+
+Sebastiaan bleef meteen staan en vatte hare hand. Zijn gezicht was
+onverkennelijk, zoo diepe had een koortsige emotie er over gewoeld.
+
+--Goedele, wacht....
+
+Ze keek op naar hem en verwonderde zich over zijn zonderling gebaar.
+Hij sprak dan, schokkend, jagend de woorden de eene na de andere, in een
+asem zijn liefde zeggend.
+
+Het was een andere precies. Goedele had gemeend dat hij altijd maar
+vertijen zou in een welsprekenden, kouden minnehandel, en ze had althans
+lichter 't gedacht van een huwelijk met hem aangenomen. Ze merkte nu in
+zijne oogen iets dat haar Johannes herdenken deed. Haar bloed schoot in
+plotselingen afkeer opwaarts. Hij sprak:
+
+--Daar foltert mij een pijnlijke knaging. Daar is nievers een
+peiselijkheid. Daar is nievers een deugdelijke kilte. Daar is overal,
+overal--u! Wat moet ik doen met al mijn gelijke dagen? Hertel de vele
+maanden, die reeds verloren zijn achter ons. Ik kan niet meer verdragen
+'t idee van langer wachten en meer verlies. Maar kijk! wat zult ge
+beslissen? Ik ben onmachtig. Ge zijt zeer lief met me. We moesten saam
+wegvluchten uit gindsch groote huis van de stad. En alhier zijt ge
+gevlucht--en gij hebt het gansche huis meegenomen! Herbegint dan hier
+een leven, dat ik gindsch reeds beleefd heb? En zal ik u van dichtebij
+verlangen en nooit u hebben? En ben ik in waarheid niet dichtebij?
+
+Het was, bij Goedele, afkeer. Ze was te wege hem van haar weg te
+stooten. Ze wilde niet dat hij haar gedurig krenken zou met de
+bekentenis van eene liefde, die haar walgde. Ze huiverde als ze bedacht,
+dat hij die liefde opketste om ze bij haar te komen stillen.
+
+Ze wilde niet. Hard staalde hare koppigheid dien wil. Ze wrong zich los
+met een korten ruk en zag hoe plots zijn wezen hopeloos werd. Hare
+verhouding tot dezen man kwam haar klaarder te voorschijn en ze boog
+haar hoofd. Ze was niets. Ze had gezondigd buiten alle mate, en 't
+woord, dat moeder ten opzichte van Madeleen uitgespuwd had, ratelde
+opnieuw in hare ooren. Ze was niets. Met gretigheid moest ze alle boeten
+aanvaarden, want geen boete was groot genoeg. In een haastig zicht
+schemerden voor haar op het droeve gezicht van de vrouw en het blonde
+kopje van het kind, uit Johannes' atelier. Die beiden staarden naar heur
+en de vreemde blik, die in hun oogen lag, weende er van zoo endeloos een
+smette....
+
+Ze boog haar hoofd. Ze zou trouwen. Ze zou alle opoffering aannemen, en
+geen toekomst was nog in te winnen. Twee tranen biggelden een endeken
+aan den tjop van hare wimpers en vielen, zonder hare wangen te taken, in
+den avond. Ze fluisterde:
+
+--Ik doe ... wat ge wilt....
+
+Hij naderde en omarmde haar, en zijne lippen kwamen gulzig rusten op
+haren mond. Ze dacht aan moeder, die nu zeer tevreden zou zijn, en dan
+zonk precies de wereld weg om haar. Ze neep hare oogen dichte en zakte,
+zonder hope, te lore in haar overgroote leed....
+
+De maaiers torten ook moe en zwaar, langs de gele wegen, alhier en
+alginder, sprakeloos, naar huis.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XV.
+
+
+Als ze vernam dat het huwelijk vast besloten was, bloosde Ursule van
+ingetogen vreugde. Voor haar was dus de beslissende zegepraal nabij.
+Ze zat in haren leunstoel te gichelen en ze voelde zich oogenblikkelijk
+beter worden. Ze murmelde:
+
+--Ik genees!
+
+Ze kon echter nog uit haar zetel niet. Hare beenen bleven lam en haar
+rugge was zonder sterkte.
+
+De trouwdag werd bepaald. Elkendeen was haastig om de gebeurtenisse te
+naderen. Maar Goedele werd nu door nieuwe angsten bekneld. Ze wilde niet
+meer eten, en blauwe randen vielen diepe in, onder hare oogen. Ze was
+altemets zoo bleek over gansch haar wezen, dat ze een zieke geleek, en
+ze werd naderhand uitermatelijk zwak. Bijwijlen was 't alsof een
+gewichte opschoof uit hare maag en hare keel kwam stoppen. Ze kon 't
+door zwelgen niet doen neerzijgen en deed dan vergeefsch geweld om het
+op te stooten langs haren mond.
+
+Moeder omringde haar met ijverige bezorgdheid en vreesde dat ze zoo aan
+'t wegkwijnen zou geraken. Ze veinsde eene al-omstreelende goedheid en
+haar minste woord was van eenige liefde. Op een morgen, binstdat ze met
+Goedele alleen zat in de lage voorkamer, wilde ze de getuigenis geven
+van hare brave gevoelens. Ze reikte haar het sleutelken van hare
+geldkist over en zei:
+
+--In 't bovenste laagje ligt een kleine beurze met goudmunt. Neem die,
+en breng me die.
+
+Werktuigelijk ging Goedele en kwam met het beursje terug. Ursule liet de
+rinkelende stukken overeen neerschuiven in haren schoot en begon ze
+zorgelijk te tellen. Ze vingerde luierig erover, betastte met wegende
+traagzaamheid elk geel schijveken, en fluisterde:
+
+--Negenhonderd--duizend--twaalfhonderd, twaalfhonderd, twalef....
+
+Ze keek op naar Goedele en een ongewone glinstering blikkerde onder hare
+neergeduwde wenkbrauwen. Ze bedwong dees driftig geschitter en lijk te
+voren verkregen hare oogen de straling van 't koude staal. Ze sprak,
+fleemend:
+
+--Wilt ge me nog van dienste zijn, mijn kind? Het is zoete weer buiten.
+Ge zijt bleek en ge zoudt moeten wandelen door 't bloote geluchte, ja,
+ja.... Wilt ge in den nanoen tot binnen de stad eens loopen? Sebastiaan
+komt niet voor 't avondeten hier vandaag. Ge kunt terug zijn ...
+gemakkelijk....
+
+Ze wachtte een tijdeken en lager liet ze hare stemme zakken:
+
+--Ik wou geerne dat ge eens ... ginder gingt ... bij Romaan....
+
+Omdat Goedele met pijnlijke haastigheid haar gebogen hoofd ophief, deed
+ze alweer vluggelings achtereen hare woorden drillen, dof en eentonig:
+
+--Ge moet niets vertellen van mij--en mij achterna niets van hem
+vertellen. Ik weet niet waarom ik u daar doe binnengaan. Ik heb geen
+reden. Ik denk aan geen reden. 't Komt mij sinds een paar dagen zoo
+geweldig op en ik kan 't nu niet meer weerhouden. Koop onderwege iets
+met dees geld. Ge moogt niet zeggen dat het van mij komt. Ge moogt niet
+spreken van mij aan ... mijn zoon.... Wilt ge?
+
+Ze reikte 't geld over en Goedele nam het aan, ook gepakt door moeders
+geveinsde aandoening. Ursule had eerst eene groote blijdschap en ze
+jubelde in haar binnenste, al roerde geen vezel op haar gelaat:
+
+--Ik hebbe mijn hardvochtigheid van vroeger weergekocht!
+
+Want ze voelde dat Goedele haar nu insgelijks met al de snaren van haar
+teer-trillend herte verbonden was. Nadien echter schoot door hare
+hersens spijt--omdat die gulden somme zonder weerkomste zich
+verwijderde. Ze loerde een tijdeken naar Goedele's vingeren die om de
+beurze peuterden en hoorde de rinkeling daarbinnen van de dierbare
+stukken. Ze beet al gauw heel woest op hare tanden om den wrevel, die
+kroop langs hare leden, te bedwingen. Ze had, 't oogenblik daarna, alle
+moeite om een lach om hare lippen te wringen, als Goedele met dankbare
+oogen opkeek naar heur. En seffens, binstdat het meisje de kamer
+verliet, herkwam over gansch haar wezen de steenen hardheid, die 't
+waarlijke beeld was van hare dorre ziel.
+
+Zoo, na den noene, vertrok Goedele.
+
+Vader leidde haar tot aan 't station. Ze ging sprakeloos over den weg en
+bereidde aldus haar geest tot de geleidelijke benadering van al hare
+herinneringen. Albien trippelde nevens haar, vertellend van een
+elektrisch tuig, dat hij in 'thooge van de stad gezien had. Hij legde
+weer in juichende woorden bloot zijne kinderlijke verwondering en
+vermoeide zich al schokkend met zijn kort-dik lijf of al zwaaiend met
+zijne armen, bij maniere van treffende bewijsvoering. Als ze beiden 't
+spoor bereikten, hield hij op met tateren en lengde zich uit op zijne
+teenen om zijn dochter te kussen. Hij dacht niet aan zijn zoon. Hij
+dacht nooit aan iets dat buiten zijn wondere uitvindingen lag of dat
+niet direkt-tastbaar aanwezig was.
+
+Hij riep van verre, wuivend met zijn neusdoek:
+
+--Daag!... Daag!...
+
+Tot de trein vertrok, bleef hij zoo, op den gelen weg, en Goedele, bij
+'t weggaan, zag hem staan, rond uitkomend boven een roodgouden
+klaverpartije, bollig en zelve rood. Zijn kleine armen zwaaiden
+ommentweere en 't witte gevlaggel daarboven smeet overhand een schaduw
+over zijn glanzenden krullekop. Anders was tallenkant de machtige zonne.
+
+Hij geraakte vlugge buiten zicht, en, in een hoek van 't coupe, zat nu
+Goedele te mijmeren, omdaan van 't gelijke treingeratel. Een oude dame
+zat rechtover haar, onverschillig turend het vensterruitje door, langs
+de wegschuivende landouwen. Hare rimpelige handen, waarover 't geweld
+gewoeld had van gansch een vermoeiend leven, rustten wijd van een, elk
+op een knie. Een paar ringen, te groot voor de magere vingeren, hadden
+een dooden schijn van doffe gesteenten. De minste waggeling der kussens
+stiet deze vrouw naar links of rechts; maar, hoe zij ook overendweer
+dommelde, hare blikken en roerden niet, aldoor starend over het
+veranderlijke veld.
+
+Niets had Goedele dichter bij 't jonge verleden gebracht en haar zoo
+meteen het pijnlijk gevoel ervan doen hervoelen als deze reis. Ze zou
+haar broeder wederzien. Maar tevens wist ze de nadering te tasten van al
+wat gebeurd was, gebeurd en stilaan in zoete vergetelheid weggesust. 't
+Schoot alteenegare wakker. Naarmate ze doorreed, werden duidelijker en
+scherper de leelijke beelden van haar zondige liefde, en de onrust, die
+toch gedurig dof-diepe in haar binnenste roezemoesde, klepperde heel
+bange op, soms met stooten haar kele toestroppend.
+
+En ze kon hare gedachten niet afwenden, langs een anderen vredigen kant.
+Al keek ze met koppige aandacht naar 't verfrommeld wezen van de oude
+dame, ze zag dat wezen niet--en sterk spookte in hare hersens 't zicht
+van haar verloren vreugde.
+
+Ze probeerde dan zich buiten 't bereik van hare foltering te helpen met
+spreken. Ze wilde eene lichte conversatie beginnen en zei blozend entwat
+over 't liefelijke weer.
+
+--Een schoone oogst, niet waar, mevrouw?
+
+--Ja.
+
+De dame blikte even op naar heur, heel onverschillig, en draaide terug
+naar 't verre landschap haar bleek gezicht. Goedele bleef in nog
+pijnlijker alleenigheid zitten en voelde dichter zich door 't lijdelijk
+verleden omringd. Dan gaf ze zich ten geheele over aan hare droeve
+gepeinzen en herleefde achtereen al de dagen te reke, die hare liefde
+hadden gevoed. Nooit had zij 't klaarder herdacht: de gebeurtenissen
+lagen zonder nevel open voor haar. Ze zag ze worden en kruipen in den
+tijd en te zamen bouwen het schrikkelijke ongeluk. Niets was omdoken.
+Ze zag heel bepaald Wiezeken's ziekte, en haar bezoek bij 't zieke kind.
+Ze had een poesjenel gekocht en ze had Johannes ontmoet....
+
+Ze had Johannes ontmoet.
+
+En Wiezeken was bleeker geworden.--Hoe was 't gekomen? Wat had zij,
+Goedele, daarbinst gedaan? Ze herinnerde zich goed dat ze Johannes
+ontvlucht had....
+
+Ze had Johannes ontvlucht.
+
+Maar Wiezeken stierf. Ja. Boven 't kleine beddeken zag ze zijne handen,
+en zijne handen toetsten hare handen. Waarom was dat allemaal gebeurd?
+Waarom was naderhand, in de half-donkere kamer, die stilte, gekomen, die
+haar zoo nauw naast Johannes bracht? Ze was buiten haar gezonde zinnen
+geraakt, niet waar? En Johannes ook. Dat was de aandoening van het
+noodlot. In haar was iets lafs gekomen, lijk bij zieke menschen. In haar
+had een oolijke geest een groote werking begonnen en ze had zich niet
+verdedigd. Maar wie zou haar ook geholpen hebben? Daarom had ze zich
+niet verdedigd, misschien.... Haar vleesch was betingeld en almachtig
+had over haar geheerscht de Kwade, met zijn leelijk bedrijf,--en ze had
+zich weerloos overgegeven....
+
+Ze had zich overgegeven aan Johannes.
+
+Lange herdeed ze in gedachten heel 't onzeggelijk geneuchte van hare
+liefde. Haar hoofd zakte lage op hare borste en dieper schoof haar rugge
+langs de kussens van 't coupe. Ze werd de sjokkende rolling van den
+trein niet meer gewaar. Hare vingeren sleurden willoos kantewaarts over
+haren schoot en bleven zonder roeren van weerskanten, danig moe precies.
+Het lederen taschje, dat aan haren arm hing, schokte tot tenden hare
+voormouw en slibberde naast haar knie, waar 't stille wippelde bij elke
+onregelmatigheid van de vluchtige vaart.
+
+Ze zat zoo, zoete verdoold in herinneringen, tot ze meteen rilde en hare
+schouders angstig opstak. 't Was dat ze 't atelier herzag, het duistere
+kamertje, en dan, na 't zondige portret van Mariette, de smertelijke
+moeder en het droomende kind. Ze herleed de plotselijke breuke van hare
+liefde. Ze hervoelde den afgrond waar ze heel dien tijd van passie in
+verzonken was. Den afgrond!...
+
+De liefde!...
+
+Aldus was hare liefde geweest. Hare oogen werden nat. Eene subiete
+wanhoop greep haar over gansch haar trillend lijf. Ze wilde loopen,
+loopen, zoeken tallenkante, het huizeken zoeken, en de zachte kamer en
+het blauwe bedde. Hare lippen bewogen en ze lengde hare kinne opwaarts
+om te roepen,
+
+--Johannes! Johan!... Ho! Johan!...
+
+Ze schrok, en haar gezicht werd koud, en een traan, omlage wiegelend,
+brandde er een gloeiende strepe. Ze bracht hare hand aan haren mond,
+en bleef zoo, zonder geluid, zonder gebaar....
+
+De dame tuurde lijk te voren door 't lawaaierig vensterken, en buiten
+schoven nu de zware huizen en sombere schouwen der stad voorbij.
+
+ * * * * *
+
+'t Was over. Langs de woelige straten ging Goedele en ze haastte zich
+niet, soms kinderlijk aandachtig bij de uitstalling van een modewinkel
+verwijlend. Ze vroeg zich niet af, hoe ginder bij Romaan en Madeleen nu
+'t leven was. Ze tort onverschillig door en 't was zonder weten dat ze
+bij plaatsen haperen bleef. Even zoo trage en gewillig als ze in Heysse
+rondzwerfde, tort ze hier door. Ze dacht niet aan 't geld, dat moeder
+haar had meegegeven, en ook het uitzonderlijk gedoe van moeder had haar
+geen oogenblik opgehouden. Alle feitjes, die gezamenlijk den morgen en
+den noene uitmaakten, 't waren feitjes buiten haar en ze leefde langzaam
+daartusschen. Ze kocht een pakje snuisteringen voor tante Olympe.
+
+--Die goeie tante Olympe!
+
+Ze glimlachte; maar seffens waren hare gedachten anderzijds en ze stond
+vol zorgen naar een keuze van kanten en borduursels te staren. Ze zei
+bij haar eigen:
+
+--'t Wordt allengs tijd dat ik wat voor mijn huwelijk schik....
+
+Ze kon zonder aandoening heel lang onderwege peinzen, al gaande, over
+haar huwelijk. 't En was haar geen zeerdoend beeld. 't Zou een gewoon
+voorval worden, lijk alle voorval geworden was om haar.
+
+Ze geraakte in de zwijgende steeg, waar Romaan woonde. Als de reuk van
+den ellegoedwinkel nijpend in haar neus opschoot, voelde ze wel een
+subiete leegte in haar herte, en ze moest een wijlken rusten op de trap.
+Binnen huis was nievers geruchte.
+
+Ze klopte aan de deur en draaide zelve daarna de klinke open. Madeleen
+zat in de keuken en Romaan stond bij 't venster een dagblad te
+overkijken. Ze blikten alle twee te gelijk op en hun gezichte ontvouwde
+zich tot een vriendelijken groet:
+
+--Kijk! wie daar toch endelijk is!
+
+--Dat is wel zusje....
+
+Ze kwamen af naar Goedele en kusten haar warm, en ze bloosde al lachend.
+
+Ze voelde de taking van de zachte deugdelijkheid, die hier huisde, waar
+niets koud of vreemd haar toescheen. Ze liet zich gedwee van haar hoed
+ontdoen en seffens zaten ze gedrijen rond de tafel, gemoedelijk elk zijn
+nieuws vertellend.
+
+Romaan was, lijk vroeger, opgeruimd en leutig. Niets van het droeve
+verleden was op zijn blij gezichte nog te bespeuren, dan enkel een
+kleine groeve midden zijn voorhoofd. Hij was weer kloek geworden en zijn
+blikken weer zoo diep-verstandig, zoo vlug-schitterend. Hij bukte zich
+over het tafelberd al sprekend, en tikkelde met zijne vingeren op
+Goedele's hand. Hij merkte wel de moede treurnisse, die zij mee had
+gebracht. Hij merkte hoe ze vermagerd was en hoe hare wangen, mat van
+verve, de donkerte van hare oogen nog versomberden. Hij had medelijden.
+Een blauwe ader sloeg uit op hare slapen. Hij wilde 't allemaal
+wegbabbelen met plezierig getater.
+
+--Er is nieuws, hoor!
+
+Hij vertelde dat tante Olympe ganschelijk genezen was, sinds zijn
+huwelijk, en dat ook hier het geluk teruggekomen was. Tante Olympe had
+geen zorgen meer. 's Uchtends was ze de eerste uit het bedde, maar na
+den noene moest zij er binst een uurken weer in.
+
+--Ze ligt nu haar uiltje te vangen.
+
+Tante Olympe had maar een verlangen meer: uit dees huis gaan en in
+zonniger wijken wonen en een schoon keuken hebben met een verlakte
+stove.
+
+--Djeezes, ja, die verlakte stoven! schaterde Madeleen.
+
+Tante Olympe sprak alle dagen daarvan. Ook had Romaan besloten dat hij
+verhuizen zou. De woonste was hier anders zoo onuitstaanbaar niet.
+Mariette zong niet meer, maar nu was Madeleen den ganschen dag door aan
+het zingen. Goedele vroeg:
+
+--Mariette?
+
+--Ze is vertrokken daags na Paschen, niemand weet waarheen. Haar vader
+is hier gebleven en alle veertien dagen krijgt hij geld. De bazin van
+den ellegoedwinkel maakt zijn teele eten en snijdt zijne boterhammen.
+Hij sukkelt zoo. Hij en sakkert noch en grommelt niet meer. 't Is
+daarboven heel rustig, heel droeve geworden, maar Madeleen maakt
+tegenwoordig leutig lawaai....
+
+Madeleen was verlegen en boog haar hoofd, en, onder zotte
+haarkrullekens, werden kriekerood hare ooren. Romaan begon luidop te
+lachen. Hij stoop zich naar heur toe en fluisterde plagend:
+
+--Mag ik 't zeggen?...
+
+Ze schudde pruilend haren kop en pinkte een twijndraadje weg, dat over
+hare mouw hing. Hij kittelde haar in haar nekke en lispelde zonder
+genade:
+
+--Hee?... mag ik? Zal ik 't maar uitbellen?... Hij blikte schalks op
+naar Goedele en pinkoogde snel. Dan rechtte hij zich en leunde
+gemakkelijk met zijne ellebogen op de tafel. Hij likte lui zijne lippen
+af, om Madeleen's lastigheid uit te lengen, en smakte trage.
+
+--Luister, Goedele....
+
+Hij sprak dan lage, alsof 't een groot geheim gold, en een stralend
+geluk verlichtte zijn gansch gelaat:
+
+--Madeleen zal.... weer moeder worden....
+
+Hij schaterde 't seffens daarop uit, 't kamerken vervullend met vroolijk
+rumoer.
+
+--Zoo word ik vader meteenent! Wat bloost ge, vrouwken? We hermaken ons
+geluk, en daar we volgens alle regels getrouwd zijn, zal ons geen kwade
+hand overvallen. Vraag 't maar aan tante Olympe!
+
+Tante Olympe kwam juist binnen en stond in 't deurgat te knikken. De
+lange oorbellen bijsden tegen haar krage en de tjopkens van haar kaken
+droegen den sterken blos van vroeger.
+
+Ze zette zich in de ronde neer en 't werd nu een gezellig samenzijn.
+Madeleen schonk de koffie en spreidde 't hagelwitte ammelaken. De
+kommekens rinkelden en dampten geurig, en elkendeen wist met leutig
+gekout de gaande uren genoeglijk te sieren. Hoe ras vloog omme de blijde
+tijd! Niemand zag de ruiten verbleeken en noescher zich uitrekken de
+schaduw tallenkant! Tante Olympe vooral had danig werk met vertellen,
+en ze gooide zoo aardig alle voorvallen harrewarrig dooreen, nievers een
+leemte latend, waar de stilte kon binnenkruipen en rusten.
+
+--En mijnheer Johannes, waar zou die nu zitten?
+
+Goedele beet gauw op hare lippen om hare ongedurigheid te bemeesteren,
+en ze liet zwijgend Romaan uitleggen hoe Ameye sinds de mededeeling van
+zijn huwelijk met Madeleen het huis verlaten had, en hoe hij kort daarop
+vertrokken was naar Duitschland. Goedele viel hem gejaagd in de rede:
+
+--Voor ... hoelang?
+
+--Hij is weg. Hij heeft mij geschreven dat het kunstenaarsleven in
+Belgie onmogelijk was en dat hij zijn vaderland verliet om meer
+dankbaarheid in den vreemde te vinden. Hij doet wel. Ons landje is in
+waarheid voor artisten een streke zonder uitkomste. We zijn te arm of we
+zijn te dom. In Duitschland zal Ameye zijn weg banen, en dan hooren wij
+nog wel spreken van hem. Hij was goed voor ons. Hij was een warme
+vriend.
+
+--Hij blijft ... ginder?
+
+--Ja.
+
+Madeleen bracht een schotel met snuisteringen op tafel, en Goedele
+herinnerde zich meteen dat ze wat suikergoed voor tante Olympe in haar
+taschje gestoken had. Hare handen beefden rijzekens, binstdat ze het
+blauw-gestrikt pak overreikte en ze lachte zonder de heete natheid weg
+te krijgen uit hare oogen. Wat scheelde haar Ameye's heengaan? 't Was
+zoo best. Ze overtuigde haarzelve en dwong haar eigen 't geluid van
+onverschillige woorden op. Ze dacht:
+
+--Het is zoo best.
+
+Maar, al had ze Johannes sinds lange vaarwel toegezegd in alle haar
+gepeinzen en al was ze hem niet dankbaar, hem, die haar gegeven had wat
+ze niet kon behouden, toch was haar zijn verre aftocht een onverweerbare
+emotie. Het was haar als de plechtige onherroepelijke staving van haar
+gebroken liefde. Ze had wel geen liefde meer, en het kon haar dan ook
+niet deren dat hij, de liefde en de schuld, zich voor altijd verwijderd
+had.... Spijts alles, deed haar deze verwijdering zeer. Het was lijk een
+graf, dat men ommedelft en vernielt.
+
+Romaan wist nog meer. Hij was vertrokken heel alleene, en zijne vrouw
+was bij hare ouders in Engeland, met haar zoontje teruggekeerd. Goedele
+had een droeven uitroep:
+
+--Ha! het was een zoontje....
+
+En Romaan keek subiet verwonderd op, plots zwijgend en nadien gretig
+zijn koffie opslurpend.
+
+--Weet ge wanneer hij vertrokken is? vroeg Goedele.
+
+Hij zette onvoorzichtig zijn kommeken neer en zei kort, in schijn geen
+acht gevend op zijn woorden:
+
+--Daags na Paschen.
+
+--Daags na Paschen?
+
+Zij schrok en zag in haar geest het zotte gezicht van Mariette. Waar was
+Mariette naar toe?
+
+Romaan merkte dat ze schrok en dat hare vingeren over het tafeldoek
+koortsig aan 't peuteren gingen. Hij keek dan strak en hard in hare
+oogen, speurde er de vergeefs bedwongen aandoening, en zijne hand
+grabbelde met een reik naar heure hand.
+
+--Goedele!
+
+Ze blikten altegelijk op naar hem. Zijne wenkbrauwen schoven angstig
+omhooge, alsof hem iets heel wreeds trof, iets dat niet te gelooven was
+en zich zonder waarschuwing had vastgeankerd in zijne hersenen. Maar
+Goedele stond rechte meteen en schokte weg in een luidelijk geschater.
+Ze ging leunen tegen 't raam om beter haar koortsigen lach te verdragen
+en ze bukte zich bijwijlen, neergeduwd door onverklaard pleizier. Ze
+giechelde:
+
+--Neen! dat is een lol, broer!--Nu wordt ge--grappig! Zeg eens--zeg eens
+wat ge denkt.... Nu zult ge leute hebben, menschen.... Ferm!
+
+Tante Olympe had reeds pleizier op voorhand en lachte mee. Romaan zat
+beteuterd rond te zien en Madeleen krulde, halvelings glimmend, haar
+lippen omme. Goedele merkte dat ieder begrepen had, en grijnsde:
+
+--Gek, hee! Maar hoe komt hij eraan!...
+
+--Ja, hoe komt hij daaraan!
+
+En niemand zei in woorden wat hij dacht, omdat de zake zoo gevoelig zich
+voordeed, en ... ja, omdat 't allemaal toch zottigheid was. 't Geval
+hing echter tegenwoordig in 't geluchte aan het groeien en, al sprak men
+verder over kleine dingetjes, 't bleef daar hangen en alle gepeinzen
+kwamen 't gedurig taken binst zijn groei.
+
+Als later Goedele veerdig stond om huiswaarts te keeren, klonken de
+groeten hard en menig, zonder de lieve innigheid, waarmee ze bij haar
+komste omwonden waren. Ze ging de trap af en zag de drij gezichten in de
+donkerte van 't deurgat knikken op haar. Ze bepeinsde zich een wijlken,
+wenkte dat tante Olympe meegaan zou naar beneden en stopte haar moeders
+geldbeurze in de hand, fluisterend:
+
+--Dat is voor de verlakte stove!
+
+Ze liep de strate langs, die in den voor-avond heel rustig en geluidloos
+was, en ze geraakte gauw binnen de ruchtige stad. Ze zou zich haasten om
+nog den vroegsten trein te treffen en dan voor Sebastiaan thuis te zijn.
+
+In haar hoofd kruisten, ondereen in woelige wanorde, hare nieuwe
+gedachten. Ze beredeneerde haar minste gewaarwording en wist endelijk,
+buiten alle angstigheid of driften, een uitlegging te vinden voor elk
+gevoel. Johannes was vertrokken, en zijn vrouw, zijn kind waren
+vertrokken. Ze zou ze nievers onverwachts ontmoeten en ze kon nu stille,
+zonder stoornisse, de zoete vergetelheid laten zinken over alles. Wat
+baatte het verder te treuren? Alles was goed. Kwam niet, na zooveel
+ongeluk, de heilzame vrede in Romaan's huisgezin weer? Wiezeken was
+dood. Wat baatte het verder te treuren? Daar zou een nieuw kind komen.
+Johannes was weg. Daar zou een versche genegenheid haar herte van alle
+wanhoop verwijderd houden. Zij moest meehelpen, meebouwen hare toekomst
+en niet machteloos wegzakken in 't onveranderlijk verleden. Sebastiaan
+was braaf en edelmoedig. Hij zou haar omringen met zijne gewillige
+dienstveerdigheid. En de heerd zou warm worden. Ze glimlachte en
+peinsde:
+
+--Wat ben ik dwaas!
+
+Ze besloot hare zwakheid te overwinnen en hare oogen voorgoed van hare
+herinneringen af te wenden. Ze zou zich met koppigheid losrukken en
+niets meer betreuren, wat toch niet te verbeteren viel.
+
+--'t Wordt eene onuitstaanbare dwingelandij! Ja, zekerlijk. Ze zou dien
+last afwerpen van hare schouders en aandachtig alles schikken voor 't
+nieuwe leven, dat aanving. Ze moest alle dingen bekijken langs den
+voordeeligen kant en niet gedurig de afwezigheid beweenen van wat ze
+eens, toevallig en buiten recht, bezeten had. Ze moest Sebastiaan leeren
+kennen. Ze kende hem niet: hij was haar onverdraagbaar geweest, omdat
+hij Johannes niet was. Nu echter zou ze hem van dichtebij beschouwen en
+zijne schoone deugden bewonderen. En hij had haar lief. Hij zou haar
+vele doen vergeven, dat hij niet laten kon. Te gare zouden ze endelijk
+brave geneuchten beleven en hun huizeken voelen teenemaal lauw worden
+van eender geluk. Saam zouden ze Romaan bezoeken, en Romaan zou met
+Madeleen ook bezoek brengen. En later zou ze aan haar broer teruggeven,
+wat moeder hem ontnomen had....
+
+--Moeder geeft 't hem misschien vanzelf.... Ja, zekerlijk. En vader zou
+insgelijks inniger een figuur worden in haar leven. Ze beloofde, met een
+zacht medelijden, dat ze hem het wonder elektrisch tuig zou aankoopen,
+waar hij met zoo sterk een begeerte van gesproken had. Den ouden Rik
+moest ze tevens genegen zijn. Ze zou hem zijn zotte grillen laten
+bewaren en al eens heimelijk een blinkenden knop in zijn bereik gooien.
+Ze zou hem niet naloeren, als hij 's nachts zijn povere rijkdommen ging
+bewonderen en bepootelen. Hij zou gerust sterven, zonder gestoord te
+worden.
+
+--We doen wij allemaal dwaas, en we moeten genadig zijn....
+
+Ja, zekerlijk. En ze zou ook moeder onvoorwaardelijk involgen.
+
+Ze voelde dat tegenover moeder haar grootste ongelijk was. Ze had moeder
+verraden en ze moest in de toekomst alles boetveerdig weer goed maken.
+Ze zou moeder gehoorzaam zijn en maar doen wat ze soms zoo wild
+verlangde. 't Zou altemets lastig zijn, dat stekelig cijferen en hoekig
+handelen met geld. Maar moeder zou 't op een ende zelf opgeven. 't En
+was niet meer dan een tijdelijke grilligheid, en later zou ze ook de
+vlakke vrede benaderen, met Sebastiaan en Romaan, altegare onder de
+zoetige lampe.
+
+Goedele liep even nog een pasteibakkerij binnen en bestelde met de
+gauwte een potje chocolade en een rhumkoekje. Het was in leutige
+opgeruimdheid dat ze hier was ingedreveld, en ze zette zich neer, met
+kinderlijke gretigheid wachtend. Ze at gulzig en de reuk van den drank
+speelde aangenaam in haren kop. Ze had zich, peinsde ze, zonder
+weerkomste uit het leelijk verleden geworsteld. Ze jubelde binnenzijds.
+
+--Wat ben ik blij!
+
+Al kriebelde nog ievers een bijzondere angstigheid ... Want een gevaar
+kon opdoemen binst de dagen, die over haar versche leven varen moesten.
+Ze had een vagen schrik, zonder dees onzeker gevoel te kunnen uitleggen.
+En toch, algelijk, ze had vertrouwen en ze slurpte met plezierige
+slokjes de welriekende chocolade op. De oude dame, die ze op den trein
+gezien had, tort den winkel binnen. Goedele had een dwazen afkeer en
+werd onpasselijk precies. De rhum wipte opwaarts in haren neus, en het
+docht haar dat hier subiet 't geluchte bevangen werd.
+
+Ze stond recht en wilde heengaan. Maar eene loome zwakte verlamde hare
+beenen en ze wankte, tewege voorover neer te storten. Ze geraakte buiten
+en de volle lucht verkwikte haar niet. 't Was alsof de lauwe geur der
+pasteien standvastig ommewolkte en misselijke walmen opjoeg uit hare
+maag. De menschen, die voorbijgingen, grauwden te saam weg tot
+schuivende nevelen en bijwijlen flitste, daar te midden door, de groene
+verven van een tramwagen. De lanteerens werden aangestoken en ook uit de
+ruiten der winkels viel een geel-rood licht, dat met de blauwe klaarte
+der hemelen te strijden begon. Alles klaterde ineen en streepte te lore
+met den gang van het woelende volk. Ze wist niet wat haar overviel. Ze
+was lijk verslagen en een onzeglijke foltering snoerde haar kele vaste.
+Ze stamelde:
+
+--O God! Ho-o-o!...
+
+Ze kwam onder de boomen van een square en moest zich haasten om een bank
+te bereiken. Ze zakte thoope en hare knieen bibberden, rijzekens
+kluppelend tegen mekaar. Ze voelde dat ze uitermatig bleek was: haar
+gezichte was hevig gespannen en iets smertelijks duwde de hoeken van
+haren mond neerwaarts. Hare gedachten strengelden dooreen en haar hoofd
+ronkte lijk een leege kasse....
+
+Nu voelde ze meteen de bepaalde pijn.... Ze bukte zich om haar leed weg
+te wringen en joepte dan gejaagd op. Hare oogen blikten verwilderd rond
+en hinkend drilde ze vooruit, dronken van overgroot verdriet. Ze beukte
+tegen de menschen en, zonder ommezien, zwengelde verder door. Op de
+brugge, voor 't zacht-klotsende water, bleef ze staan. Ze lei hare
+handen nevenseen op de ijzeren leuning en tuurde zinneloos naar den
+glinster-grauwen vloed. Wat was dat daar diepe en zoete! Ze voelde zich
+meegetrokken, gelokt door de streelende vrede, die hier beneden lag.
+Ze krampte zich aan de leuning vaste. Ze knikte, alsof ze den roep van
+verre wenken beantwoordde, en ze hoorde boven 't rumoer van de stad,
+de aaiing van een liefelijk geluid:
+
+--Voort!... voort!... voort!...
+
+En ze knikte. Wat was dat daar diepe! En boven, langs de straten, wat
+een ongeduur en wat een martelie! Haar asem hikte in haar boezem en hare
+vingeren begonnen te voelen 't geweld, dat haar lijf boven de balie zou
+heffen. Ze prevelde onduidelijke woorden, nadien drijmaal ja zeggend,
+mee met het besluit, dat hare hersens bemeesterde.... En voller klonk al
+ginds, en dichte, en allentwege, het liefelijk geluid:
+
+--Voort! voort!
+
+Maar ze liet plots de leuning los en vluchtte tusschen de veilige muren
+der huizen, nu snikkend en stotterend:
+
+--'k En mag niet! 'k En mag niet!
+
+Hare tranen rolden onophoudend over haar gelaat, en haar borste schokte
+zeerdoende omhooge. Ze zag niets meer. Ze hoorde niets meer. Ze wilde
+zich alle oogenblikken laten neervallen. 't Kwam haar dan voor dat de
+menschen haar mochten taken, en ze was beschaamd dat men haar taken zou.
+
+Ze stond meteen voor 't station.
+
+Een tijdeken bleef ze nog aarzelen en ze wist geen wil om haar doening
+te leiden. Endelijk stapte ze binnen, terwijl ze hare oogen met haar
+zakdoek droog wreef. Ze zou niet laf zijn. Ze zou heel simpel lijk
+zeggen:
+
+--Bastiaan, ga weg. Ik ben verdomd.... Ik heb een kind.
+
+En ze meende daarbij:
+
+--Hij zal me vermoorden....
+
+Die gedachte deed haar deugd.
+
+
+ * * * * *
+
+
+XVI.
+
+
+Als ze thuis kwam, vertelde haar Justa dat Ursule in den valavond zieker
+was geworden en aldoor maar vroeg waar hare dochter was. Goedele
+herkende 't huis niet meer; al de kleuren hier waren haar vreemd en 't
+was alsof ze voor 't eerst deze zaal zag, en deze stoelen, en deze
+tafel. Gedreven door 't geweld van haar eenzijdig besluit, wilde ze
+seffens Sebastiaan zien.
+
+--Waar is Sebastiaan?
+
+--Hij komt pas na den eten, juffrouw.
+
+--Ha, zoo ... na den eten....
+
+Ze wist niet of ze straks nog moed zou hebben. Ze wilde aan Sebastiaan
+alleen bekentenisse doen, en 't was nu spijtig dat ze voor hem
+aangekomen was. Sebastiaan moest de eerste het ongeluk vernemen.
+
+Trage tort ze de trap op en duwde de deur open van moeders slaapkamer.
+Ze keek niet zijwaarts. Ze merkte niet hoe plotseling Ursule zich
+overend oprechte uit de bleeke sargien. Ze stapte naar den hoogen
+spiegel, en deed haar hoed af, en schikte peuterig, zonder aandacht,
+heur haar. Ursule stamelde:
+
+--Maar wat zijt ge van zin?
+
+Ze keerde zich omme en knikte, naderhand zich bekommerend:
+
+--Hebt ge meer zeer, moeder?
+
+--Ja wel, in mijn beenen.... Kom hier!
+
+--Ik kom.
+
+Ze naderde. Ze lei hare hand op het kussen en Ursule vatte die subiet,
+koortsig vragend wat er met de beurze gebeurd was.
+
+--Met de beurze?
+
+--Ja.... Ik hadde u niets moeten meegeven--of een kleinigheid. Heb ik u
+waarachtig al dat schoone geld meegegeven?... Och Heere! ik weet niet
+goed meer. Wat gaf ik u mee?
+
+Goedele herinnerde zich maar halvelings en ze fronste hare wenkbrauwen,
+zoekend in haren geest. Op een ende viel ze uit:
+
+--Ha! de verlakte stove!
+
+--Watte? Ik gaf u twalefhonderd....
+
+--Zekerlijk. 'k Herinner me nu. Ze waren in een fluweelen beurzeken.
+Weet ge niet of Sebastiaan nog lange zal wegblijven?
+
+--Twalef honderd.... Wat brengt ge terug?
+
+--Maar, moeder....
+
+--Wat hebt ge gekocht?
+
+--Wacht even.... Ik heb gezeid: Dat is voor de verlakte stove.
+
+--Ge wordt krankzinnig! Wat bleef er over?
+
+--Niets.
+
+Ursule viel in de witte lakens weg en sloot hare oogen. Ze hief hare
+handen op en deed, heel droeve, teeken dat niemand meer naderen zou.
+Terzelfdertijd roerde een snik in hare keel en voor de eerste maal zag
+Goedele een traan van innig lijden tusschen hare beloken wimpers te
+voorschijn dringen, stralend opzwellen en wegrollen over hare slapen.
+Moeder weende. Goedele fluisterde:
+
+--Moeder weent....
+
+Het maakte een zonderlingen indruk op haar en ze verwijlde met vage
+gepeinzen om het zeldzaam geval, terwijl ze heenging en in de eetplaats
+stapte. Ze zei 't aan vader, die reeds bij de tafel heel rustig zat,
+blij omdat Ursule hem niet beloeren zou onder 't eten. Ze klopte op
+zijnen schouder en fluisterde:
+
+--Moeder weent....
+
+Ze wees met haren vinger naar de zoldering. Hij keek verwonderd op en
+merkte de matte bleekte van haar gezicht, de blauwe holten onder hare
+oogen. Hij wist niet wat te zeggen, en hij voelde nu heel sterkelijk dat
+zijne dochter leed. Hij stond rechte en vatte hare armen, en over zijn
+bolle gelaat grijnsde een bange onrust. Hij blikte strak en benauwd in
+haar wezen en vroeg:
+
+--Wat is er, mijn kind?... Wat gebeurt er, mijn kind?... mijn kind?
+
+Hij werd zoo innig gewaar dat het zijn kind was, en bibberde van binnen,
+aldoor zeggend het woord, dat zoo helder opklaarde in gansch zijn
+vleesch.
+
+--Mijn zoete kind....
+
+Hij streelde haar en dwong haar neer te zitten, nevens hem, en gedurig
+vroeg hij wat er scheelde. Goedele liet hem gewillig begaan en
+geleidelijk kwam een zware melancholie over haar. Ze meende, al omdoende
+haren vader met een liefderijken blik:
+
+--Ik heb u miskend!
+
+Dat was de waarheid, 't werd haar nu duidelijk. Het docht haar dat ze
+hem te lieven begon op dees oogenblik--en dat op dees oogenblik ze hem
+verlaten moest. Ze staarde naderhand een pooze naar de vlamme van de
+lampe, waarlangs een lichtgierig pepelken rond en omme vleugelde. En ze
+sprak droomend, langzaam haar zinnen drijvend op gelijke tonen:
+
+--Het ware zoo zoete geweest--een huis met een spelend vuur, al muren en
+al kamerkens, en daarover een veilig groot dak! Ik zou er allentwege
+gemakkelijke stoelen geplaatst hebben, kussekens en donzige leuningen,
+opdat niemand zich bezeeren mocht. Het zou een woonste zijn van eerbied
+en genegenheid. Niets zou er storen de goesting van Sebastiaan, noch de
+goesting van vader en moeder....
+
+Albien beluisterde haar en seffens was hij weer vol begeesterend
+geneuchte. En hij liet zijne oogen opflikkeren van leute en knikte:
+
+--Dat zal een geluk zijn!
+
+Goedele lachte treurig:
+
+--Ja, een geluk en een vrede. Ik had het zoo gepeinsd en zoo was nog
+mijn eenig verlangen. Ik deed het niet voor mij, maar het zou mijn
+wroeging stillen. Zie! Samen zouden we spelen, en dat elektrisch ding
+... al wat u begeerlijk is, 't zou 't onze zijn. Daar zijn zoo schoone
+dingen in de wereld, vader!
+
+--Zekerlijk, zekerlijk.
+
+--Onze tuin is zoo schoon ... en al wat er te bloeien staat en te
+fleuren ... en dat pepelken daar, pover dierken zoo wonderlijk ...
+'t bijst om ons klaarte....
+
+Albien stak ook zijn hoofd ernaar en hij vond 't ook heerlijk, en zijne
+kinderlijke rustigheid herkwam. Goedele sprak stiller:
+
+--Zoo zou ons leven geweest zijn, allemaal in minzame eendracht vereend,
+al onze handen te gare, en we zouden alles mooi vinden rond ons....
+Ik had het zoo gedroomd, na de ervaring, die 'k beleden had.
+
+--We zullen 't zoo doen....
+
+--Doen! Doen! Ik heb gerekend zonder het noodlot. Ik heb gedacht dat
+alles ophield--als ik ophield. Maar 't Kwade Bedrijf loopt door, loopt
+verder. Ik kan 't niet meer tegenhouden, ikke, die de oorzake ben. Ik
+val nu ook, getaakt door 't gevoelloos geweld, sterker dan ik, waaruit
+het geboren werd.... Wat kijkt ge me zonderling aan, vader?
+
+--Ik weet niet.... ik weet niet goed....
+
+--Geef me een zoen.
+
+Hij naderde haar en nam haar hoofd in alle bei zijne armen en kuste haar
+op hare wangen. Hij begreep niet wat gebeurende was, hij werd alleen
+gewaar de voorbereiding van een ongewone daad, en het deed hem deugd dat
+hij zijne verlegenheid wegduiken kon in eene warme omhelzing. Goedele's
+haar kriebelde om zijnen neuze en zijne wimpers werden nat. Hij zei
+terwijl hij weer neerzat onder 't lampelicht en zijn traan wegpinkte,
+lachend, verlegen:
+
+--'t Is van de jeukte....
+
+Ze lachte mee en ze vroeg nadien, of hij zijn schoon huisje nog eens
+wilde uithalen en de popjes doen dansen. Hare stemme beefde:
+
+--Om mij plezier te doen.
+
+Hij liep seffens in de voorkamer en kwam met de dooze terug. Hij
+scharrelde de tellooren aan kant, spreidde het ammelaken profijtelijk
+open, en bracht zijn wonder speelgoed te voorschijn. Zijne oogen
+fonkelden van vreugde en fierheid. Zijne vingeren waren koortsig te
+werke, ijverig in overgedienstigheid, en zijn tonge puntelde eventjes
+in 't hoekje van zijn mond.
+
+Het Zwitsersch huizeken stond daar met zijn blauwe dak en zijn groene
+luiken, zijn sierlijk portaal en de popjes. Hij stak den sleutel in de
+mekaniek en draaide het ratelend tuig op tot de kleine klokke
+binnenzijds klonk.
+
+--Ha! zei hij.
+
+Hij leunde achterover om goed 't effekt van het schouwspel op te nemen
+in zijn aandachtigen kop, en het spektakel ving aan. Het wijveken
+schokte eerst omhooge en seffens daarna joepte ook het manneken los.
+De beiaard tikkelde met zijn luttel gespeel van bellen, en de stijve
+dans begon.
+
+--Hoe schoone!
+
+--Hoe ... schoone!... zuchtte Goedele.
+
+Ze zat in de halve donkerte, achter Albien, en ze beloerde hem. Haar
+gemoed kwam vol en ze zou weer stille aan het weenen vallen, aldoor
+kijkend naar haar vader. Hij jubelde van blijdschap.
+
+--Dat zijn dingen! Dat zijn dingen! Hoe maken ze 't? Hoe komen ze aan
+'t idee?
+
+En de beiaard rinkelde zoo aangenaam, lijk dropkens in een welluidend
+water--en de popjes huppelden snokkig en op mate--en heel die doening
+was zoo djentelijk....
+
+--Hoe brengen ze 't aan mekaar?
+
+Goedele voelde gestadig de heete groevekens van hare tranen en staarde
+met wijd-open oogen naar hem, die daar te leuteren zat, zonder
+kommernisse, zonder zicht op 't huiselijk ongeluk. Een hopelooze smert
+wrong haar herte thoope, en ze deed haar eigen zeer om stille te
+blijven, stille bij vaders jubelend plezier.
+
+Zoo stille bleef ze. Als de pijn haar asem forsig wegstiet door haar
+kele, versmachtte ze het eendelijk geluid onder de helle klatering van
+een hikkend lachen. Dan was vader uitermatelijk voldaan. Hij wipte op
+zijn stoel, een prettig gezichte zettend:
+
+--Ai! 't valt dood!
+
+De klokskens klepten tegare uit op een grondelijk akkoord en dan was er
+een groote stilte. Rijzekens flodderde hoorbaar in 't geluchte het
+werkzaam gedoe van het zotte pepelken.
+
+Sebastiaan stond wachtend in het deurgat en vroeg oolijk, een ongewonen
+klank leggend hier, waar 't zoo innig trilde van gezelligheid:
+
+--Mag ik nu binnen?
+
+Goedele schrok en rechtte zich. 't Kwam her klaar en sterk in hare
+hersens dat ze tegenwoordig handelen moest. Ze ging op hem af, en hij
+reikte zijne hand naar heur. Ze schudde haar hoofd en deed teeken dat
+hij haar volgen zou. Ze stapte stokkestijf. Hare knieen plooiden haast
+niet en hard klopten hare hielen tegen den vloer. Ze sprak niet. Haar
+hals lengde zich paalrechte boven hare schouders. Hare armen hingen
+roerloos langs haar lijf, dat matelijk voorwaarts schoof.
+
+Sebastiaan zag haar zwijgend over den drempel terten, bijkans zijn veste
+raken en voorbijgaan, zonder een blik. Hij volgde haar. Hij begreep dat
+ze hem over ernstige zaken te spreken had. Hij gooide zijn hoed op een
+stoel en volgde haar. Hij had een wrevelig gevoel. Goedele's breede
+rugge, zonder een buiging voortschokkend, werd hem lijk de
+ondoordringbare effenheid van een gevaarlijk geheim.
+
+Ze stegen langs de trap en, moeders kamer voorbijgaande, fluisterde
+Goedele:
+
+--Zoetekens....
+
+Ze bereikte hare eigen kamer, stak algauw 't licht aan, bad met een
+korten wenk dat hij zou binnen komen en wees hem een stoel. De klaarte
+pletste tallenkante rond en, langs de spleet van de deure, viel in een
+lange strepe over den drempel op den donkeren vloer van den gang.
+
+Ze zetten zich neer. Ze waren precies verlegen en 't was alsof ze meteen
+wijd verwijderd waren van malkander, beschaamd voor hun samenzijn.
+Sebastiaan ried dat geen luttele woorden in deze schrikkelijke stilte
+zouden vallen, en hij dierf niet zeggen:
+
+--Wat is er? Wat maakt u zoo bleek en lijdelijk?
+
+Hij merkte dat ze bleek en lijdelijk was, maar hij was halvelings bang
+voor de reden. Hij wilde de nadering van die reden niet verhaasten,
+omdat zijn benauwd gemoed er al de pijnlijke gevolgen van vreesde. Heel
+vaag zag hij entwaar de schaduw van een ongeluk. Hij zweeg. Zijn magere
+handen lei hij op het tafelberd en hij wachtte zoo.
+
+--Bastiaan, zei Goedele, Bastiaan, ik had u al lange moeten bekennen ...
+al lange, daar niets te bergen is en alle kwaad in voortdurige werking
+doorwoelt ... al lange, ja, bekennen, bekennen....
+
+Ze had besloten heel simpellijk bekentenisse doen; ze kon echter niet.
+Ze had den moed niet daartoe: zoo onwetend en buiten alle leelijke
+verdenkingen zat daar Sebastiaan, en zijn gelaat had seffens zoo angstig
+een uitdrukking, dat ze een brutale uitlegging niet te boven kon. Ze
+wilde schipperen en toch tot een eigen direkte beschuldiging en geraakte
+ze niet. Ze zweeg een oogenblik. De woorden wisten niet tot eene
+oprechte verklaring saam te smelten. Ze werd dan heel klein en laf. Het
+speet haar dat ze nog hier levend was, dat ze niet de aanlokking van het
+glinsterende water beantwoord had, ginder, ginder.... Alles ware nu
+volbracht: men hadde 't een ongeval genoemd. Ze stamelde, week wordend:
+
+--Och Heere! hoe moet ik dat uitbrengen!...
+
+Ze wilde wegloopen, de velden over, tot ze neerstorten zou, in
+doodelijke alleenigheid, den veiligen dood nabij. Ze hervatte zich met
+groote moeite en bedwong hare zwakheid. Ze smeet hare zoekende gezegden
+ondereen, soms gebroken door ongelijk gehijg:
+
+--Laat me zeggen.... Ik heb u hier ontvangen, ik heb al gedaan wat in
+mijn machte was om u toe te lachen, om u genegen te zijn en uwe liefde
+niet van mij af te wijzen.... Helaas! ik was uwe liefde niet weerdig.
+Ik had een verdorven ziel en mijne zinnen verlangden de woeste streeling
+van zondigen minnehandel.... Schrik niet! Maak me niet benauwd. Ik ben
+schuldig, maar medelijden heb ik noodig.... Ik heb u ontvangen, en
+bedrogen heb ik u naderhand!
+
+Hij stond recht, heel bleek, en vroeg:
+
+--Wilt ge openhertig spreken?
+
+Maar ze zocht uitvluchtsels om hem de waarheid minder hard te maken:
+
+--Ge moogt me niet stooten en bezeeren. Ik wil tot het ende alles
+zeggen. Ik wil dat ge van zelf, doch zonder haat, weggaat van hier.
+
+--Ik begrijp u niet.
+
+--Peins dan niet meer op mij. Ik heb u nooit geerne gezien, en Bella
+alleen ziet u geerne ... ja, Bella, het arme kind.... Waarom moest ik u
+mij onttrekken en u verwijderen van haar? Ik was laf. Bekijk me zoo
+droef niet. Zeg niets. Laat mij doorzeggen. Zeg niets, Sebastiaan....
+
+Ze deed een trage gebaar met hare hand, precies om hem zachte af te
+weren, en sloot hare oogen. Nu was 't haar meer duidelijk geworden en ze
+kon in de donkerte beter hare gedachten nagaan. Haar stemme daalde:
+
+--Ik heb gedurende weken en weken durven spreken met u, durven antwoord
+geven op uwe woorden van liefde. Ik heb zwijgend en misdadig uwe
+genegenheid gevoed. Ik heb zwijgend uwe droomen spijze gegeven. Dat heb
+ik zwijgend gedaan. De blik, dien ik u toewierp, was schijnbaar rein....
+Rein! Rein! O kon ik nu verzinken!
+
+Ze opende fluks hare oogen, boog zich en joeg seffens gichtig hare
+woorden achter mekaar:
+
+--Luister. Ik heb Sebastiaan beleedigd. Ik heb gespot met Sebastiaan.
+'s Avonds zat ik schuchter nevens u, en over dag lag ik in andermans armen!
+
+--Goedele!
+
+Ze viel neer op haren stoel en bracht hare handen over haar wezen. Een
+zware stilte hing in de kamer en de vlamme kraakte daarin heel gewichtig
+op, boven de lampe.
+
+--Goedele!
+
+Hij kon de zwijgende stonde met zijn heeschen kreet niet overwinnen. Een
+ongenadige zwaarte woog op zijne borst en hij voelde zijn longen eronder
+vernauwen. Hij snakte naar zijn asem. Toorn en smert scheurden zijne
+hersens vaneen en hij wist geen daad aan te vangen: een straffe of een
+afkeer.... Hij wilde dan verder weten.
+
+'t Schorde in zijn keel:
+
+--Met wien?... Zeg me met wien?...
+
+Ze antwoordde niet. Het licht begon te schemeren voor zijne oogen,
+te waggelen ommentweer en donkere wolken rolden opwaarts uit purperen
+kuilen. Hij deed een stap, en vatte woest haren arm, en smeet haar
+geweldig tegen het tafel berd. Zijn mond viel in een grijns open om
+'t leelijke woord neer te spuwen, dat brandde op zijn tonge.
+
+Ze keek heel zoet op naar hem. Ze had een blik vol dankbaarheid. Ze
+wachtte gedwee de slagen van zijne gramschap. Dan week hij tot tegen den
+muur, rukte zijn halsboordje los en hijgde vrijer. Hij stond moedeloos,
+verplet, verloren. Hij vroeg:
+
+--Is 't waar?
+
+Ze knikte en hij liet zijn kinne neerstooten op zijn borst. Hij draaide
+zich kantewaarts naar de deur en tort trage erheen. Hij zei en de klank
+van zijn woord was onherkennelijk geworden:
+
+--Vaar-wel....
+
+Ze vermocht uit haar gansche macht niet hem antwoord te geven. Hare
+lippen werden wit en mat. Ze lispelde onhoorbaar:
+
+--Vaar-wel....
+
+Hij hoorde 't algelijk, en zijn bloed deed een schrikkelijken ommezwaai
+door zijne leden. Hij reikte zijne hand naar de koperen klinke en
+grabbelde ernaar. Eene koude rilling kroop over zijn rugge en zijne
+beenen zakten tegeneen. Hij kon niet weg. Hij kwam terug en viel
+snikkend aan hare voeten. Hij prangde haar vast en bad:
+
+--Jaag me niet hieruit, jaag me niet buiten u!... Niet waar? Het zijn
+kwalijke verzinsels.... Ge overdrijft immers! Ge zijt niet slecht!
+Ge zijt schoon, ge zijt schoon!
+
+Ze weerde zich zachte los en had een hopeloos gebaar. Zou ze alles
+moeten zeggen en haar ten geheele bloot werpen aan zijnen afkeer?
+Hij smeekte:
+
+--Ik geloof u niet! Maak me niet zinneloos, Goedele! Zeg me dat ge weer
+braaf zijt. Hebt ge geleden? Alles zal ik u doen vergeten. Daar is tegen
+ons geen weerstand, die we niet breken zullen. Ik zie u geerne. Ik zal u
+altijd geerne, geerne zien....
+
+Ze hief zich uit gansch hare lengte op en fronste hare wenkbrauwen. Ze
+zou spreken. Ze zou den laatsten slag hem toebrengen en zonder deernisse
+slaan. Ze voelde dat ze 't alaam geworden was van het noodlot. Ze zei:
+
+--Ik mag niet.... Ge moet weg, weg ... weg.... Ik ben bezoedeld....
+Ik,--ikke.--
+
+Hare oogen bleven plots wijdopen en verwilderd staren naar de deur, en
+haar kinne begon subiet te beven, zodat hare tanden klopten over mekaar:
+op den drempel stond Ursule. Ursule, als eene doode zoo bleek, stak hare
+armen vooruit. Haar witte nachtrok plooide in rechte vouwen omlage en ze
+was aldus grooter, vreeslijker dan ooit. Vierkantig spookte boven hare
+breede schouders haar schrikkelijk aangezicht. Ze riep:
+
+--Hee-la!
+
+Ze naderde, en dof dreunde elke stap op het vloertapijt. Ze leunde tegen
+den muur, vatte overhand de stoelen en geraakte tot aan de tafel. Ze rok
+haren groven hals uit naar heur kind, en een bovenmatelijke haat omdeed
+haar ganschelijk. Ze reikte stuipachtig hare handen en vingerde koortsig
+in de leegte, reutelend:
+
+--Hier! Hier, prije--en zwijgen!
+
+Ze bekeek vluggelings Sebastiaan en riep hem:
+
+--Ze liegt!
+
+En weer scharrelde ze voorwaarts, grijpend naar Goedele, te wege neer te
+stuiken over haar. Ze kreet:
+
+--Zwijg!... Ha-a-a! ik zal u leeren, ik zal u beteren, ik zal uw tonge
+wegduwen in uw rompe....
+
+Ze zag dat Goedele week en geweld deed om te spreken; gedurig tastte ze
+gretig ernaar om haar vaste te pakken en te temmen. Ze was buiten zinnen
+en sleurde haar lamme beenen of stekte ze stokkestijf naar voren. En
+niets zou haar tegenhouden: ze wilde haar dochter de kele toenijpen om
+haar het spreken te beletten, en driftig, kwaad om hare eigen
+traagzaamheid, volgde ze dien wil.
+
+Als Goedele tegen de kasse aanstiet en niet verder meer wijken kon, brak
+meteen haar benauwde angst. Tegenover moeder en tegenover Sebastiaan, ze
+moest spreken en ze zou. Ze hakkelde:
+
+--Laat me....
+
+Ze drong thoope, veerdig voor alle straf, stiet haar hoofd achterover en
+zei:
+
+--Ik ben zwanger.
+
+Ze zag het lijf van Sebastiaan pijnlijk opschokken en het witte kleed
+van moeder een grooten armzwaai uitbreiden in 't geluchte. Zonder een
+woord, met een luidelijken slag, stortte Ursule neer op den vloer.
+
+Albien stiet de deur open, kwam binnen gelopen en begon seffens te
+huilen. Goedele dacht niets, voelde niet en stond halstarrig te
+bibberen. De lampe had een eendelijk licht, het licht dat bijwijlen
+'s winters uit de mane zijgt. Tenden den donkeren gang beloerde Rik de
+booze gebeurtenis en vulde, oolijk glimlachend, zijn pijpe.
+
+Ursule was dood.
+
+'T ENDE
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's 't Bedrijf van den kwade, by Herman Teirlinck
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK 'T BEDRIJF VAN DEN KWADE ***
+
+***** This file should be named 17537.txt or 17537.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/7/5/3/17537/
+
+Produced by Marc D'Hooghe <marcdh@pandora.be>
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/17537.zip b/17537.zip
new file mode 100644
index 0000000..cc45d8e
--- /dev/null
+++ b/17537.zip
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..613cc69
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #17537 (https://www.gutenberg.org/ebooks/17537)