diff options
Diffstat (limited to '17524.txt')
| -rw-r--r-- | 17524.txt | 19921 |
1 files changed, 19921 insertions, 0 deletions
diff --git a/17524.txt b/17524.txt new file mode 100644 index 0000000..26c07d4 --- /dev/null +++ b/17524.txt @@ -0,0 +1,19921 @@ +The Project Gutenberg EBook of Dramatische werken, by Henrik Ibsen + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Dramatische werken + Steunpilaren der maatschappij - Nora (een poppenhuis) - + Spoken - Een vijand des volks + +Author: Henrik Ibsen + +Release Date: January 23, 2006 [EBook #17524] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DRAMATISCHE WERKEN *** + + + + +Produced by Marc D'Hooghe. + + + + +HENRIK IBSEN + +DRAMATISCHE WERKEN + +VERTAALD NAAR DE OORSPRONKELIJKE NOORSCHE UITGAVE + +DOOR J. CLANT VAN DER MIJLL-PIEPERS + +& MET EENE INLEIDING VAN Dr. W.G.C. BIJVANCK + + + * * * * * + + +INHOUD + + +INLEIDING TOT IBSEN DOOR W.G.C. BIJVANCK + + +STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ + +NORA (EEN POPPENHUIS) + +SPOKEN + +EEN VIJAND DES VOLKS + + + * * * * * + +[Illustratie: HENRIK IBSEN. Naar het schilderij van E. WERENSKJOeLD (1895)] + + +INLEIDING TOT IBSEN DOOR W.G.C. BIJVANCK + + + * * * * * + +I. + +DE TIJD, HET WERK EN DE MAN. + + +Toen, in 1828, Henrik Ibsen ter wereld kwam, koos hij het juiste +oogenblik van geboorte voor zijn roeping als "staats- en +samenlevings-satyricus"[1] der 19e eeuw. + + Wie an dem Tag, der Dich der Welt verliehen, + Die Sonne stand zum Grusse der Planeten, + Bist alsobald und fort und fort gediehen + Nach dem Gesetz, wonach Du angetreten. + So musst Du sein, Dir kannst Du nicht entfliehen....[2] + +De stand der lichten aan den hemel, bij het eerste begroeten van het +levenslicht, bepaalt ons lot en onze bestemming,--zoo spreekt de +dichter-profeet, en er is zeker aan elk der menschenkinderen een weg van +ontwikkeling voorgeschreven en gezet van de vroegste kindsheid af, maar +of die baan uit de sterren valt af te lezen?--wij willen den dichter +gelooven, wanneer hij het zegt, en toch liever wat nader bij den grond +uitzien om onze overtuiging de rechte verzekerdheid te geven. + + * * * * * + +Heeft Ibsen's geboortejaar, het jaar 1828, als ik het noem en voor mijn +verbeelding opstel, niet zijn eigen min of meer expressieve physionomie? + +Het is een grensjaar. De wereld, ondanks de doorstane Revolutie, ligt +dan nog in banden. Wat oud is en vervallen en niet meer mocht bestaan, +overheerscht nog schijnbaar. Maar dat oude is al hol en verbrokkeld, +zijn tijd is voorbij, en een gevoel van vernieuwing herleeft; ja +zachtjes begint de wind reeds te blazen die de belofte van het nieuwe +brengt.... + +Laat mij, om de beteekenis aan te toonen van het jaar 1828, als +uitgangspunt voor den dichter, een overzicht nemen over de afgeloopen +eeuw. + + * * * * * + +Het hoofdmoment van de 19e eeuw is de Revolutie die haar inleidt, de +groote Omwenteling. Men denkt daarbij het eerst aan Frankrijk, aan een +staatsorde die werd omgekeerd, aan staatsgrenzen die werden gewijzigd en +opgeheven; maar het was niet uitsluitend een politieke gebeurtenis; zij +had ruimer gebied in Europa, zij greep den geheelen mensch aan en zij +hervormde menschengeest en menschengevoel. + +Wat men noemt de revolutionaire beweging of de hervorming van het eind +der 18e eeuw, dat heeft de dingen der wereld verplaatst en in een ander +licht gesteld: de menschen naderden tot elkander over de afscheiding van +hun stand en volksaard, de dingen verlieten hun vakken en indeelingen, +alles werd bezield door een geest van eenheid en verwantschap. Een nieuw +leven komt over het aangezicht van de aarde. Men staat anders dan +voorheen tegenover de natuur en tegenover zijn medemensch, tegenover +zijn verleden en zijn toekomst. Eenheid is het wachtwoord, en het is +alsof nu eerst de menschheid bezit gaat nemen van de wereld door haar +medegevoel. + +Men leerde toen den band onderscheiden en begrijpen die alle kennis en +wetenschap verbindt, onderling en met den geest zelf van den mensch; +en de doode massa van feiten en waarnemingen verrees daardoor tot een +opstanding. Het was een albezieling. De menschen vonden zich op eenmaal +terug, rijker, machtiger, grooter. Nieuwe krachten werden in hen +ontbonden. Verbeelding, inzicht, energie van denken groeiden aan[3]. +Het was een nieuwe spanning der vermogens.... + +Wanneer men zich de laatste jaren der 18e en nog de allereerste jaren +der 19e eeuw voorstelt, moet men dien krachtigen, alles meeslependen +adem van het nieuwe geestesleven voelen heengaan over de wereld. + + * * * * * + +Het Scandinavische Noorden deelde eerst laat in de beweging. Hendrik +Steffens[4], een man uit Noorwegen maar van Nederduitsch bloed, ging +naar Duitschland om zijn ziel in de atmosfeer van groote ideeen te +bevrijden van haar druk. Hem had in zijn engte en eenzaamheid het +heimwee overvallen naar een vereeniging met "de volle" menschheid en +natuur, en het was geweest als de drang van een behoefte aan godsdienst; +maar zijn heftige, wilde aard liet hem geen rust voordat hij zich had +doorgekampt tot zijn bestemming. + +Hoe gevoelt men aan het voorbeeld van den jongen Steffens, met wat voor +macht de trillingen van de grootere wereld zich langs onbekende wegen +voortplantten in de uithoeken van Europa! De staatkundige gebeurtenissen +van het eind der 18e eeuw gaven maar een stoot en een opwekking;--men +mag hun invloed niet over 't hoofd zien, evenmin als Steffens zelf +vergat met wat voor opwinding zijn vader thuis kwam op een dag--hij was +toen, in 1789, zestien jaar--en aan de kinderen vertelde van den val der +Bastille en het aanbreken van een nieuwen grooten tijd van vrijheid en +geluk[5]. + +"Het waren wonderbare dagen," zegt Steffens in zijn herinneringen, +"... het eerste oogenblik van geestdrift ... heeft iets reins en heiligs +gehad om nooit te vergeten." Maar het dwepende verlangen dat hem dreef +tot de natuur "in haar gansche volheid," zooals hij het uitdrukt, lag op +den grond van zijn hart; dat heimwee naar zielsbevrijding drong en +prikkelde den jongeling met onstuimiger kracht dan de voorbijgaande roes +van indrukwekkende gebeurtenissen. Hij moest de wijde wereld in om met +eigen oogen te zien wat de nieuwe tijd aan nieuwe menschen en nieuwe +ideeen deed opbloeien, hij moest zijn geest laven aan de bron van het +geestesleven in Duitschland: de wijsgeeren, de dichters, de mannen der +wetenschap moest hij kennen, en uit hun mond, door hun omgang moest hij +het wezen der nieuwe ideeen direct opnemen in zijn hart, als het +beginsel van een "voller" leven. + + * * * * * + +Toen hij--het was in het voorjaar 1802--uit Duitschland naar Kopenhagen +terugkwam, met het plan om voorlezingen te houden over zijn geestelijke +ondervinding, vond Steffens in Denemarkens hoofdstad onder zijn +enthousiaste hoorders, den dichter, den man geroepen om een levende +gestalte te geven aan zijn denkbeelden. "Ik gaf hem aan zichzelf," zegt +Steffens van zijn eerste kennismaking met Adam Oehlenschlaeger, "hij werd +zich bewust van zijn rijkdom, en ik schrikte bijna van de onstuimigheid +waarmede die jonge frissche bron mij tegemoet stroomde."[6] + +Het verhaal is bekend hoe die weeke, voor alle indrukken vatbare en toch +hartstochtelijke trotsche geest van Oehlenschlaeger het bezielende woord +van zijn ouderen tijdgenoot aannam en dadelijk in zijn poezie liet +weerklinken,--veel te bekend om het hier nog eens te geven. Maar ik kan +toch niet zonder even een vermelding dat tafereel voorbijgaan van +opbruisende geestdrift, waar de jonge dichter, eerst ik weet niet door +welk vooroordeel weerhouden, bij Steffens aarzelend een bezoek brengt, +om met hem te blijven spreken, wandelen, etend, rustend, van elf uur 's +morgens tot drie uur in den nacht, dan thuiskomt en een gedicht schrijft +voor zijn vriend tot bewijs voor zijn dichterschap, voor zijn pasgeboren +"volle" dichterschap. + +Daar raakt ons de ademtocht van den tijd onmiddellijk aan. Het krachtige +leven ontspruit dadelijk en natuurlijk. Het vindt zijn terugslag in de +gedachten. "Zoon van de Natuur," zoo karakteriseert Oehlenschlaeger den +held van zijn poetische vertelling "Aladdin of de wonderlamp." Aladdin's +genie is geluk. Het geluk komt tot hem zonder gezocht te worden, als tot +het voorwerp van zijn liefde. + +Tegenover Aladdin stelt de dichter Nureddin, den zorger en zwoeger, den +nachtwroeter en peinzer, gelijk hij het menschentype noemt, dat de +fortuin den rug toekeert. + +Oehlenschlaeger en het tijdstip dat hem dichter zag worden, stonden aan +den zonnekant. De genialiteit van de jeugd drong toen het sombere, +bleeke nadenken en zich bezinnen terug naar de schaduwen van den +nacht[7]. Want het waren toch nog iets meer den twee poetische typen, +Aladdin en Nureddin,--het zijn twee soorten van karakters in de +menschenwereld: de levensvolle, de toegrijper, de improvisator van geluk +en de twijfelaar, de peinzer, de levensloochenaar[8]. Hun contrast +openbaart en teekent zich niet slechts in de poezie, maar ook in de +opvolgende tijdvakken en in de groote mannen van het Scandinavische +Noorden. Oehlenschlaeger heeft door zijn voorstelling die typen aan de +menschen van het Noorden getoond. Ja, men kan misschien zeggen dat hij +buitendien en in 't algemeen een vorm gaf aan de elementen, waaruit de +nieuwe letter- en levenskunde van het Noorden zich begon op te bouwen. +Dat alles was weliswaar door hem nog niet in vaste, scherpe lijnen +getrokken, en de samenhang der karakters was dikwijls oppervlakkig en +onbepaald:--voor de toekomst viel nog iets te doen:--maar hij beproefde +het ten minste om de heele wereld in zijn werk af te spiegelen en zich +te doen bewegen. Hij hield het oog op het geheel....[9] + + * * * * * + +Een tien- of twaalftal jaren na Oehlenschlaeger's opgang keerde de +stemming zich om. De troostelooze en magere jaren kwamen aan. Het was +bij Napoleon's val, toen de nieuwe denkbeelden, na nog een opbruising, +hun krachten hadden verspild, toen de mannen van het Heilig Verbond zich +gereed maakten om onder den schijn van het Heilige de oude rechten weder +te doen gelden.... + +Men kent de gewoonte der dichters van het Noorden om hun helden op de +beslissende momenten van hun leven een hoogte te doen beklimmen tot het +houden van een alleenspraak in de eenzaamheid van den natuur. Nu gaat +het landschap waarop zij zelf en hun helden uitzien, zich verduisteren; +wolkgevaarten legeren zich daarover, en het gezicht van de hoogte is op +teleurstelling en smart. + +"Ik stond eenmaal," zoo leest men in een brief van het jaar 1814[10], +die als een karakteristiek van den tijd beschouwd moet worden,--"ik +stond eenmaal op een hoogen berg en keek rond in een heerlijke +streek.... En de oneindige zegen en de oneindige liefde vervulden mijn +hart door hun machtige nabijheid.... Die tijden zijn voorbij en het +leven is me een enge gevangenis geworden, de natuur een kille +regen-Novemberdag. Dikwijls bekroop mij het verlangen weer op dien +hoogen berg te stijgen en het uitzicht te hebben op de oneindige wereld. +Maar tevergeefs wachtte ik op den goddelijken geest en de onzegbaar +heerlijke nabijheid; en klagende ging ik van de hoogte af, bitter +weenende".... + + * * * * * + +Zoo scherp was de val. De vrije geest, en de scheppende verbeelding +moesten bukken onder het wicht van den tijd. + +Ze lag heel zwaar op de menschheid, de Restauratie, de Herstelling van +het verledene;--ze onderdrukte en ze weerhield. + +Welke kiemen van groei konden ook wel die jaren aan Europa verschaffen? +Wat vermochten ze aan de menschheid te schenken, de vorstencongressen en +vorstendecreten waarmede de wereld toen werd bestuurd? Een voorwendsel +van na- en overleven voor wat verouderd was en vermolmd! + +Niets meer. + + * * * * * + +Wij wenden ons tot Noorwegen, want daar is vooreerst onze standplaats[11]. + +Ook voor Noorwegen had nog even het licht opgeblonken te midden der +volkenverwarring. + +Het jaar 1814 gaf aan het land de vrijheid en een grondwet: vrijheid +tegenover de Deensche monarchie waarvan Noorwegen tot dien tijd deel had +uitgemaakt,--en door zijn grondwet van 17 Mei zelfstandigheid tegenover +Zweden waarmee het onder een zelfden koning kwam. + +Maar Noorwegen was verarmd en uitgedoofd. De inspanning om zijn grondwet +te verkrijgen had de laatste krachten verbruikt. + +Zoo scheen het. En voordeel van de constitutie had men niet. Niet +dadelijk ten minste. Wat in de toekomst lag kon niemand voorzien. +Op 't oogenblik toonde de boerenstand, de kern der bevolking, zich +onverschillig. Gehecht aan hun oude overleveringen, waren de boeren van +de nieuwe vrijheid niet gediend, ja zij gedroegen zich tegenover haar +zelfs vijandig. Gevolg van hun armoede en hun geestesarmoede. Maar de +bureaucratie, de kring van regeeringsambtenaren, nam het bestuur in +handen, en zij kon zelfs het woord van vrijheid niet verdragen, evenmin +als den naam der constitutie, uitvloeisel van den revolutionairen geest +uit het begin der eeuw. + +Zoo was er nergens van vrijheid sprake of 't moest zijn van de overoude, +eeuwengeheiligde Noorsche vrijheid om de dingen te laten gaan, zooals +zij wilden....[12] + +Diep onder het oppervlak welde en woelde er toch iets in den geest van +die menschen. + + * * * * * + +[Illustratie: Ibsen's geboortehuis te Skien (het huis rechts, tegenover +de Kerk)] + + +Een Noorman heeft een ingeschapen trots. Hij zal niet licht het +denkbeeld loslaten van een grootsche bestemming voor zich en voor zijn +volk. Maar de natie zelf, in haar teruggedrongen, armelijk bestaan, +miste persoonlijkheid. En daar kwam het in de eerste plaats op aan. Wat +in dien tijd aan Noorwegen, zoowel als aan de andere kleine volkeren van +Europa ontbrak, dat was een energiek nationaal karakter, een krachtige +physionomie. Het leek wel of de stormen der oorlogs- en geestesberoering +van de Revolutie de trekken van het gezicht hadden weggevaagd. Of paste +de oude verbleekte gelaatsuitdrukking niet meer bij het scherper licht +der nieuwe vrijheid?... + +Binnen het verloop van weinig jaren kwam er dan meer voortgang in de +zaken van het land. Het was zoo nog geen welvaart, dan toch een voorbode +van welvaart. Sinds 1825[13] kan men een groei der bevolking waarnemen. +En daarmee gepaard gaat een ontwikkeling. Het volkskarakter, zwijgend +nog, maakt zich gereed tot spreken en uitspreken, de trekken worden meer +gemarkeerd, en bij de nadering van het jaar 1830 neemt de spanning toe. +Dat alles uitte zich nog op studentenmanier, woelig en roezig, bij +feesten ter gelegenheid van de constitutieviering: men wilde de overheid +trotseeren. Toch in alle geval kwam er toon en kracht in de menschen en +de dingen. + +"Een taak[14] zoo onmetelijk groot, dat Miltons werk in vergelijking +daarmee eenvoudig schijnt, heeft me bezig gehouden en zal me nog maanden +bezighouden ook," schreef in 1828 een student van twintig jaren aan zijn +geliefde. "Het gedicht heet "Hemel en Aarde"--."[15] Is het niet alsof +men een van de jonge Titanen hoort, op het punt om 't luchtruim te +bestormen? + + * * * * * + +En zoo stormt hij ook die stille geschiedenis van Noorwegen binnen, de +onbesuisde dichter en patriot, Henrik Wergeland. Hij brengt tocht en +hartstocht met zich mee, de jongeling wien de wilde haren om het naief +geestdriftige gezicht zwieren. + +Ik weet niet of er nog menschen gevonden worden die het "hemel en aarde" +gedicht met voldoening kunnen lezen;--het werd in 't voorjaar van 1830 +voltooid en met een opdracht aan Henrik Steffens in de wereld +gezonden,--zoo vormloos zweeft het reuzenpoeem door ijle sferen van +hemel en aarde, zoo stapelen zich beelden en gedachten op om te +bemachtigen wat zij toch niet kunnen bereiken, zoo heerscht er een volte +en overvolte in het werk, en ze kan toch niet de leegte en de magerheid +der heele gestaltenis bedekken. Maar er is gang in de holle grootsche +uiting van den theologischen student. Hij heeft een ideaal, en hij +verpandt er zijn leven aan. Het "hemel-en-aarde"-gedicht stelt een datum +voor in de geschiedenis, en een opening en een toegang tot nieuwe +geschiedenis. + + * * * * * + +Wergeland was de zoon van een der mannen aan wie het land de constitutie +van het jaar 1814 was verschuldigd; hij leefde eenige jaren in het +stadje Eidsvold, waarna de grondwet werd genoemd. Men mag hem een kind +der revolutie noemen[16]. Maar hij staat een eind daarvan af. Wat hem +kenmerkt en wat het gedicht over het Menschenlot merkwaardig maakt is +het gevoel van een scheiding, van een soort breuk in de vermogens van +den mensch. De dichter liet zich niet dragen door den stroom, het was +voor hem geen uitstorting en geestdriftvolle overgaaf zooals 't aan den +dageraad der eeuw was voor de eerste jongeren van de groote beweging; +neen, hij zag het vooruit- en opwaartsdringende hoogere leven aan voor +een element van strijd in de menschenziel, tegen den rustigen, +harmonieuzen, natuurlijken ontwikkelingsgang in. Die strijd is hard en +scherp, maar hij moet leiden tot een overwinning. Aldus zegt het den +dichter zijn naief vertrouwende kinderlijke aard. Want is hij een +bittere kamper, hij heeft tegelijk behoefte aan liefde, aan vertrouwen, +aan harmonie. Hij is onverbeterlijk een optimist. + +Zoo heeft Wergeland in zijn dramatisch-episch wereldgedicht het type van +het echte Noorsche karakter aangegeven, al kon hij 't nog niet voluit +teekenen: dat karakter opgebouwd uit sluwheid en weekheid, uit liefde +en onbuigzamen trots van persoonlijkheid. Men zou in het werk van +Oehlenschlaeger misschien de beide bestanddeelen kunnen terugvinden, +ik heb het al gezegd, maar Wergeland geeft eerst de echt Noorsche +overzetting. Voor hem, voor den Noorschen dichter, wordt de menschheid +geleid en bezield door den genius van mokkende, wrokkende onrust, die +eigenzinnig overmoedig buiten zichzelf uit wil, en door den genius van +de overgaaf der liefde die, buigend voor de eigenwilligheid, haar +opvoert tot vrede en verlossing. De menschheid zoekt naar harmonie; zij +zal haar vinden, dit is Wergelands denkbeeld. Op een hooger peil geland, +treedt de mensch den Paradijsstaat weer binnen. + +Wergeland geloofde in zijn volk. Laat hem in zijn poeem met luchtbeelden +schermen, achter de woorden en over elkaar tuimelende symbolen klopte +wel degelijk het hart van een man. Hij had de zienersgaaf, en den moed +in een dorren tijd om te zijn: een volksman. Daarom kwam hij voor den +dag uit zijn poezie, en hij trok de conclusies van zijn "hemel-en-aard"- +gedicht op den vasten grond der aarde, op Noorwegens bodem. Het in hart +en ziel onverdorven menschenslag, dat de grondstof moest wezen voor het +rijk der toekomst, vond de dichter terug in zijn vaderland. Het was de +boerenbevolking waarop hij zijn verwachting grondde. Wanneer zij zich +bewust werd van haar waarde en haar geest vrijmaakte van de al te +beperkende banden, dan zou Noorwegen herleven. Hij zag in hen de "zonen +der natuur", met den aanleg en de voorbestemming om den idealen staat +tot een werkelijkheid te maken, een rechtop uit de eigen volkskracht +gegroeiden staat. + + * * * * * + +Er is een intieme tegenspraak in Wergelands opvatting. Ongetwijfeld. +Het denkbeeld van den harden strijd- en twijfeldrang in de menschenborst, +verdraagt zich niet goed met het natuurlijk ontvouwen van het nationaal +karakter. Maar dat contrast--daarin bestond juist zijn individuele +leven. Met die twee polen van zijn gevoel, verlangen naar kamp en naar +harmonie, raakte zijn bijzonder leven den omvang van het algemeene +leven, en die levensgevoeligheid, dat levensgevoel stelde hem in staat +om het Noorsch karakter uit zijn dofheid en verdooving te redden en te +bevrijden[17]. Wergeland opent de periode der "Noorschheid" voor het +Noorsche volk. + + * * * * * + +Een heelen afstand moet men doorloopen om van Oehlenschlaeger tot +Wergeland te komen. De een gebruikt zijn scheppende verbeelding om +verbeelding te scheppen: hij woont in een tooverland, zijn "Zoon der +Natuur" is een onbevangen dichter--de ander staat nabij de +werkelijkheid, zijn verbeelding wil een volk wekken en vormen: zijn +"Zoon der Natuur" is een boer. + + * * * * * + +Bjoernsterne Bjoernson, toen hij de inwijdingsrede uitsprak bij de +onthulling van Wergelands standbeeld op den nationalen feestdag van 17 +Mei (1881), vertelde van den dichter hoe hij een tijd lang gewoon was +geweest om op wandeltochten zijn zakken vol te hebben met boomzaden; nu +en dan onder weg, deed hij een greep en strooide daarvan uit; bij zijn +vrienden drong hij er op aan hetzelfde te doen. "Want niemand kan weten, +wat daaruit groeien zal." + +Het is de weg van een dichter door het leven, maar ook het leven van een +man, wiens handelen was poezie. + + * * * * * + +Niet dat Wergeland veel geluk heeft gevonden. + +Hij heeft een bitter leven gehad; hij spaarde zich niet, hij gaf en +werkte, in volkomen zelfonbekommernis, als leider van het volk; tot +belooning heeft men hem niet gespaard. Ook de natuur spande mee tegen +den "zoon van de natuur", zij gunde Wergeland maar een korten +arbeidstijd. "Ik ben niets anders geweest dan een dichter," zeide hij op +zijn sterfbed; maar dat dichterschap, ik herhaal het, was op zijn beurt +niet anders geweest dan een idealiseering van het woord waarmee hij de +loopbaan van volksman intrad: + +"Mijn doel is een nuttig Noorsch burger te wezen."[18] + + * * * * * + +Ik noem hier alleen Wergeland, omdat ik slechts de hoofdlijnen trek: +hij had zijn medearbeiders, dat spreekt van zelf, en hij volgde op +origineele manier de opkomende richting van de andere Scandinavische +landen,--van Denemarken vooral, dat den toon aangeeft in het +Noorden,--en van heel Europa[19]. + +De menschen werken niet, maar werken mee, zoo moet men zeggen. Er ligt +iets grooters om hen heen. Wanneer wij ons een voorstelling willen maken +van geestelijk bewegen in een bepaalden kring, dan zullen wij ons dien +kring denken omringd door al wijder cirkels: zij deelen elkander hun +kracht van strooming mede, en dikwijls is het moeilijk te onderscheiden +of de wijdere cirkel het leven en de beweging opwekt in den kleineren +kring, dan wel of de algemeene richting niet eerder ontstaat als een +samentelling en uitkomst van het pogen en dringen en zich uiten van al +die kleinere en kleinste kringen. + +Er is een Europeesch geestesleven. Men heeft in Noorwegen den looden +druk der restauratie van het oude gevoeld, al hebben de congressen der +Restauratie-jaren er hun invloed niet laten gelden; en toen de +Juli-revolutie van 1830 uitbrak en zegevierde, toen ondervond men de +verruiming van het leven ook in het Noorden,--de Juli-revolutie die een +verburgerlijking was van de groote Omwenteling. Zij was immers een +voortzetting en een vervolg van de kosmopolitische beweging, maar nu +binnen de landsgrenzen van ieder volk, evenals Wergeland en zijn +genooten een nationale transpositie volvoerden van de geestesmuziek der +Steffens' en Oehlenschlaegers uit het begin der eeuw[20]. + + * * * * * + +Wordt het nu mogelijk, na dezen rondgang door den tijd, zich een idee te +maken van het jaar 1828, Ibsen's geboortejaar? + +Het is een schemerjaar. Nog heerscht er stilte in de wereld. Maar in die +stilheid dreunt eerstens een klank door van den machtigen storm die over +Europa heengetrokken is, en die voor een tijd is ondergegaan in een +duister zwijgen;--tegelijk ook rijst er een gerucht van komende dingen. +Bleek besloten ligt nog de dag, maar in zijn blankheid en nauw gebroken +rust spiegelt hij de voorbijgegane en de naderende uren in een witten +nevelspiegel van trillende onzekerheid en onwezenlijkheid. +Dagschemering, morgenstond van herinnering, van berouw, van +voorgevoelens! + + * * * * * + +Wie in dat jaar 1828 werd geboren, diens jeugd ligt als in een lijst +tusschen de Juli-revolutie van 1830 en de Februari-revolutie van 1848: +de Juli-revolutie die een opfrisschende windvlaag is, de Februari- +revolutie welke dieper lagen van het volksbewustzijn omwoelt en die +evenbeeld wil worden van de groote Omwenteling. + +Hoe moest het hart opengaan van den twintigjarige, als daar in 1848 bij +zijn intreden in het mannelijk leven de onstuimige tijd hem de belofte +toewaaide van de expansie en uitbreiding van het leven! Maar licht en +schaduw gaan in de aanstaande jaren met elkander afwisselen, druk en +verruiming vervangen elkaar, vrijheid strijdt met absolutisme, en volk +kampt met volk. Die twintig of drie-en-twintig jaren van '48-'71, de +krachtigste leeftijd van den man wien 1828 als geboortejaar werd +toebeschikt--wat zal hij er al niet in doorleven, al leeft hij ook +alleen in zijn verbeelding met hen mee als met een schouwspel! + +1848 tot 1871,--dat is de revolutie en de nieuwe heerschappij van een +Bonaparte die de Februari-revolutie besluit, evenals de groote +Omwenteling uitliep op het het keizerrijk van Napoleon den Groote; dat +is de oorlog in het Oosten van Europa en de burgerkrijg in Amerika; dat +is de vereeniging van Italie en Duitschland tot nationale staten; dat is +de val van het keizerrijk, dat is de Commune en de brand van Parijs. + +Wij denken ons 'n tien- of vijftiental jaren verder dan het Communejaar, +en wij hebben in de tijdruimte die door '85 gesloten wordt, een periode +van staatkundige werkzaamheid beleefd. Europa bevindt zich in het teeken +der groote staatslieden: een Bismarck, een Gladstone, een Gambetta, +opbouwend en hervormend de innerlijke structuur van den staat hunner +landen, om hun kracht te geven en stand te doen houden te midden der +groote verhoudingen van de toekomst. + +Het is een tijdvak van inwendigen politieken strijd meer dan van groot +Europeesch leven. + +Wederom 'n tien of vijftien jaar later, en het eind der 19e eeuw is +nabij. Een nieuw verlangen trekt door de wereld. Niet langer is 't de +staat waarom de krachten zich scharen, het zijn geen staatkundige +hervormingen waarvoor de geestdrift opvlamt, neen, dieper en +uitgebreider tevens golft het bewegen der menschheid; de ziel der +samenleving zelf is in beroering, en zij zendt haar machtige trillingen +naar alle kanten uit. De tijd was gekomen voor de maatschappelijke +vraagstukken. Wie misdeeld is in het leven, gaat zijn aandeel eischen +van een levenswaard bestaan, de arbeiders, de vrouwen verdedigen hun +recht. En dit wordt het probleem: of de staat nog het vermogen heeft om +zich te transformeeren in een anderen, hoogeren vorm van samenleving dan +hij tot nu toe is geweest. + +Nieuwe standen, nieuwe krachten, nieuwe verlangens, maar ook een nieuw +verlangen. Als een lang onderdrukt heimwee naar vereeniging met het +onbekende, het toekomende, rijst er in het hart der menschheid een +behoefte aan overgaaf en opgaan in een onpersoonlijk leven, dat het +persoonlijk bestaan steunt en wijdt. Is het een zucht naar godsdienst, +of het haken naar een gelukstaat boven het leed der verteederende +wereldsmart? Is het een voorgevoel van den groei der individualiteit +buiten haar eenmaal getrokken grenzen, of de lust om breeder en intenser +in contact te treden met het leven en het genot van het leven?--Vreemde, +vage gevoelens doordringen de atmosfeer, wisselend van vormen, nu +deemoed en begeerte naar opoffering en zelfverloochening, dan bewustheid +van macht, van verheffing, van zaligend leed. Het zijn de hervormers, de +wijsgeeren, de dichters, de kunstenaars, die den toon aangeven, niet de +staatslieden meer.... + +En bij haar overgang naar de 20e eeuw, loopt het eind van de 19e in veel +opzichten evenwijdig met den uitgang van de 18e eeuw. Men mag ook hier +spreken van vernieuwing, van aaneensluiting en van een groot verschiet. +Alleen, er ontbreekt de hartstocht, het geweld, de majesteit en de +eenheid der beweging, en vooral de vreugd ontbreekt. Een omwending, geen +omwenteling. + + * * * * * + +[Illustratie: HENRIK IBSEN op 29-jarigen leeftijd] + +Zoo volgt ons oog den stroom van den tijd, wanneer hij, telkens +afgebroken, neerdaalt over drie streng gescheiden terrassen: het eerste +grenspunt, de stichting van het Duitsche Rijk en de opstand der +Parijsche Commune; de tweede grens, het bevestigen van het Europeesche +staatswezen,--waarna de stroom in uiteenloopende richting zijn loop +volgt. + +Geeft ons de Europeesche letterkunde, gesteld dat wij haar als een +voorstelling van het leven nemen, een getrouwen indruk van die +voorbijgaande jaren tijdvakken? + +Een volledig beeld zeker niet. De eerste periode werd nog geheel +beheerscht door de groote namen van auteurs wier opkomst samenviel met +de eerste helft der eeuw. Victor Hugo, George Sand, Dickens, om enkelen +te noemen, voerden het woord en lieten het zich niet ontnemen. Hun werk, +als 't het geheel van de samenleving wil omvamen, heeft iets gekunstelds, +het spreekt niet dadelijk uit het hart van de maatschappij. Het zoekt een +eenheid van het leven, maar het leven zelf is al buiten het kader van hun +werk gegroeid. + +In het tweede tijdvak was Zola de overnam. Ook hij wilde in zijn romans +een wereld samenvatten. Maar 't is meer een product van het innig +meeleven met zijn tijd. En zoodra wij op het derde terras van de laatste +helft der eeuw zijn aangeland, bemerken wij dat de behoefte om de +samenleving als een eenheid te grijpen, niet meer bestaat. De kunst in +haar intiemsten grond is lyrisch en individueel geworden. Zij wil een +invloed zijn, zij wil niet langer een spiegel wezen. + +Houdt de poezie--poezie hier in ruimste beteekenis genomen--ook wel +gelijken tred met den gang der maatschappij? + +Niemand zal ontkennen dat zij altoos de sporen draagt van den tijd +waarin ze opbloeit--hoe zou men zich de schepping van Zola kunnen denken +zonder den achtergrond van het "Schrikkelijk jaar"?--maar toch geeft zij +dikwijls antwoorden op vragen, lang geleden gesteld en zonder beteekenis +geworden, en zij stelt vragen waarop de toekomst het antwoord zal +brengen, als het geslacht dat vroeg, is voorbijgegaan.... + +Dit daargelaten echter,--want wij willen thans alleen weten hoe een man +van het jaar 1828 de wereld van de tweede helft der 19e eeuw zou zien. +Wij moeten zijn weg kennen en zijn houding, te midden der historie en +der literatuur van zijn tijd. + +Om Henrik Ibsen's gestalte in de wereldletterkunde te doen uitkomen, +kies ik ter vergelijking met den Noorschen dichter van 1828, een van de +allergrootsten, al mag men hem nog niet noemen: een van de +allerbekendsten, George Meredith[21]. + + * * * * * + +George Meredith is van het zelfde jaar, ja van denzelfden winter, maar +hij had het rijke, beschavingsleven van Engeland om in te aarden. Daarom +is het werk van den Engelschman breeder uitgegroeid.... + +Maar wij vragen niet naar den rijkdom en de weelderigheid van zijn +arbeidsveld,--wij hebben te maken met de ziel van den man en met de +gestalte, de teekening zijner ziel. + +Meredith is een stem, en er weerklinken van alle kanten stemmen in de +ruimte die zijn poezie vult. Het is de stem van het water en het +wuivende riet aan den waterrand, het zijn de stemmen van vogels in haar +eindelooze modulaties, en het zijn vrouwenstemmen in haar kristalreine +verheffing van geluid; het is ook zijn eigen zielestem, onmiddellijke +uiting van zijn gevoeligheid. Geestdriftig zou die stem en die stemming +zich hebben willen aansluiten en zich hebben overgegeven aan al wat er +voor grootsch bewegen in de wereld is omgegaan. Ze heeft gedweept met de +bevrijding van Italie en geklaagd en getroost bij de verduistering van +Frankrijk's lot,--maar dan heeft ze zich schuw teruggetrokken, +weerhouden door het teedere van haar innigheid. Een Swinburne en een +Morris, in rijper tijd, 'n tien of meer jaren na Meredith geboren, +konden door de breede muziek en den vollen krachtigen gang van hun taal +hun ouderen tijdgenoot overstemmen, evenals Bjoernsterne Bjoernson het +Henrik Ibsen heeft gedaan, in deze eerste periode van Europeesche +historie: Meredith was dat niet gegeven, en hij moest achteruitzetting +en het vergeten-worden dragen, evenals Ibsen 't deed. Er was nacht in +zijn talent en zijn geest. + +"Zij hield het oor van den nacht gevangen,"[22] zegt hij van eene, +wanneer ze in nachtelijke stilte zingt, en haar stem, door de +eenzaamheid gedragen, met het bewustzijn van haar macht en haar bekoring +den Nacht als dwingt tot luisteren. In Meredith's geest bestaat ook de +nauwe aanraking en gemeenschap tusschen zijn gevoeligheid en het +nachtelijke van zijn ziel. + +Hij heeft van nature de wijsheid van den nacht die de geheimen bezit van +een groot verleden. + +Zijn bezieling wordt gescherpt en voortgeleid door zijn kennis en zijn +verstand. En als de verbeelding bij hem uitgaat om gestalte te verleenen +aan het leven van zijn tijd, dan mag zij niet rusten eer de voorstelling +van het leven tot aan den tragischen rand is gebracht en het bloeiende +leven zelf, geknakt en getroffen, met angstig vragende oogen staat +tegenover den meedoogenloozen dood. + +Zoo rijst de blanke heerlijkheid van het pas ontknoppende bestaan voor +het oog van den dichter omgeven door een kring van duisternis[23]. Hij +heeft er toch het leven niet minder lief om, al zit hij 't als een +illusie, maar evenmin doet hij afstand van zijn gevoel van innige +verwantschap met die duisternis, die het mysterie van het leven in zich +besloten houdt. + +En het maakt dat hij zich bewust wordt van een scheiding tusschen zich +en de uiterlijke wereld, en tegelijk maakt het dat hij weet van een +afstand tusschen zijn innerlijke wereld en zichzelf, zijn eigenste zelf. +Want ook zijn innerlijke wereld heeft haar illusies waar toch niemand +buiten kan: zij spreekt van liefde, en hij, de dichter, kan den nacht +niet weren uit zijn hart--hij antwoordt met: eenzaamheid.... + +Afstand te bewaren ook tegenover het eigen liefdegevoel! Zich te +bezinnen, en zonder het levensgevoel op te geven, de vrijheid van geest +te handhaven![24] Dus luidt de wijsheid gesproten uit herinnering, +berouw en voorgevoelens, dus spreekt de morgenstond, nog onder de +kennis-zwangere schaduwen van den nacht, als het licht onwezenlijk +huivert en trilt over de goede dingen dezer aarde. + +"_Modern Love_"[25], Meredith's _Comedie der liefde_--maar het werk van +den Engelschen dichter is geen comedie, 't is een stem die klaagt en +berust--zegt in een reeks van gedichten zijn levenssmart en zijn +zelfbezinning. Het is als het roepen van een die zijn krachten +bijeenhoudt voor den komenden wedloop met het leven;--en ervaren, +doorstreden, gaat hij zijn grooteren werkkring binnen. + +Hij komt dan in die tweede periode van moderne Europeesche historie +welke ik, in tegenstelling tot de sociale, de politieke heb genoemd. + + * * * * * + +Meredith's talent ontwikkelde zich tot kunst van satire in grooten +stijl. Terwijl vragen van het hoogste staatkundig gewicht de partijen in +den staat bezig hielden, legde hij zijn hand heel zacht en heel rustig +tegen een van de steunpilaren der Engelschen maatschappij, en hij voelde +het ding wankel, hij toonde het van binnen hol. + +De zuil en stut van de Engelsche samenleving was de vermogende +landedelman, wel opgevoed en wel doorvoed, toongever van fatsoen en +ideaal van mannelijkheid. Meredith nam hem van zijn voetstuk af in zijn +breed opgezetten roman _The Egoist_[26], dien hij een comedie noemt. Het +leven strijkt daar binnen en toetst den heros en afgod, niet aan eenigen +maatstaf van politiek of economisch gewicht, maar zuiver naar zijn +gehalte aan menschheid. Het schepte leegte om hem heen, waar eerst de +volheid van het bestaan hem wijd en zijd omgaf, en 't lijkt wel alsof +het van alle kanten de dwergen en geesten verzamelt, om naar het rijk +der leugen die leugen der zelfzucht weg te voeren, die zich voor een +beginsel van levensbehoud uitgaf. + +Maar dan verheft zich toch de satire; zij is gelijk aan een straal van +den morgenstond, vallend te midden van een gekunstelde wereld, en zij +toont in haar eigen innig licht de waarheid en de vrijheid van het +leven. + +Comedie van den nacht en zijn spoken, en uit de schoot van den nacht +breekt los de eerste dageraad! + + * * * * * + +Als de tijd voortging en een nieuwe zedelijke orde werd voorgevoeld, nam +de macht en het vermogen van den kunstenaar toe, zijn schildering werd +breeder en menschelijker. Want het was hem waarlijk niet te doen om een +van de bijzondere vraagstukken die de aandacht van de wereld op 't +oogenblik troffen. Neen, hij lette alleen op den mensch in de eeuwige +verhoudingen van het natuurlijk leven. + +Hij zag hem wel bezig met zijn zaken en zijn eerzucht, begeerig naar +genot, naar geld, naar macht; maar in den grond kende hij hem alleen +in zijn zuiver menschelijke betrekkingen. Man en vrouw kende hij den +mensch, en hij schiep vrijheid om de vrouw, en hij wilde eerbied +scheppen in den man voor de liefde van de vrouw. De samenleving--wat is +ze hem anders en meer dan het samenzijn van man en vrouw in opofferenden +arbeid voor het groote leven[27]? + +Hoezeer was de dichter zich daarbij bewust van den afstand der +werkelijkheid! Hij legde om die reden zijn voorstelling van het leven +ook wel in een verleden tijd en won daarmee het recht om de lijnen van +zijn teekening grooter te trekken. Eindelijk ging hij zich alleen nog +geven in symbolische gedichten. Zoo rondt zich zijn bestaan af en uit +het diepst van zijn wezen spreekt hij de woorden: + + Lo where the eyelashes of night are raised + Yet lowly over morning's pure grey eyes[28]. + . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . + + +Een enkel voorbeeld geeft nog geen geldige aanwijzing van den koers dien +het geslacht van 1828 moest opgaan,--het spreekt vanzelf. Er is meer +noodig dan het geval van George Meredith om de ontwikkeling en opvolging +te toonen van hun loopbaan. Laat mij daarom nog een naam noemen, bv. +dien van Taine[29]. + + * * * * * + +Ook Henri Taine werd in 1828 geboren. Hij is bij de reconstructie van +Frankrijk na den oorlog van 1871 de satiricus in grooten stijl geweest, +die met zij _Origines de la France contemporaine_ aan de regeerders van +den dag het tafereel heeft voorgehouden van de werking der +Revolutie-hartstochten. + +Tot waarschuwing? + +Zoo was het niet bedoeld. Het boek stond op zijn eigen basis. Maar door +het scherpe en nijdige van zijn voorstelling waarschuwde het wel degelijk +tegen de vrijheid die de passies ontketent en de regeeringsbeginsels +vernietigt, en legde het allen nadruk op het gewicht van de steunpilaren +der samenleving, wier val niets dan verwarring geeft in den staat. + +Dus was Taine een tegenvoeter van Meredith en Ibsen! + +Laat dat zoo zijn, laat ons het voor 't oogenblik aannemen,--want de +volledige beteekenis van Taine's werk, dat zijn waarde behoudt buiten +den tijd, waarin het verscheen, kan men moeilijk in een paar woorden +ontvouwen. De hoofdzaak is, dat het met zijn bijtende ernst, tegenover +het oppervlakkig staatsbeleid van den dag, de elementen van het +menschelijk samenleven wilde toonen in den grooten samenhang van het +historisch leven. Daardoor is het aangesloten,--hoe verwijderd het ook +moge schijnen--bij het werk van de anderen. + +En de principes van Taine's geestelijken arbeid zijn dezelfde. + +Men moet daarbij in 't oog houden, natuurlijk, dat hij minder een artist +was en eerder een wetenschappelijk denker en literator. Maar dan vindt +men ook bij hem wederom de trillende nervositeit tegelijk met het +omvattend verstand. Zijn aandoeningen zijn intellectueel, zijn +verbeelding gaat uit op de dingen van den geest, daarom is het echter +niet de ijver van een geleerde die hem van zijn eerste jeugd af +aanspoort om het gebied van letteren, geschiedenis, kunst, philosophie +en zielsleven in bezit te nemen. Neen, er is een stem in zijn hart die +hem drijft in de ruimte om zijn lust en zijn dorst naar kennis te +verzadigen, en uit de diepste bron van zijn menschelijken aanleg rijst +een behoefte aan overgaaf, een zucht naar vereeniging met de natuur[30]. +Door zijn arbeid nadert hij haar, de Natuur. + +Hij wil en hij doet meer; hij verlangt zichzelf te beproeven en te +leeren kennen aan dien kring van kennis die voor hem de uiterlijke +wereld voorstelt. Want ook hij gevoelt den afstand tusschen zichzelf, en +wat buiten hem staat, en eveneens tusschen zijn eigenste zelf en zijn +innerlijke wereld. + +Die problemen grijpt hij aan als man van wetenschap in zijn groote werk +de l'_Intelligence_, en tevens geeft hij hun een persoonlijke vorm in +het boek dat men Taine's comedie der liefde en der samenleving zou +kunnen noemen, en dat heet _Vie et opinions de Thomas Graindorge_. + +Als wetenschappelijk onderzoeker gaat hij door tot de uiterste +consequenties. Taine ziet in het heelal slechts een schakel van oorzaken +en gevolgen; voor hem worden alle betrekkingen tusschen feiten--en er +zijn niet anders dan feiten--volledig uitgedrukt door een wet. Hij is de +strengst mogelijke determinist. Aan den anderen kant, op de vragen van +zijn persoonlijk leven, vindt hij geen antwoord dan: eenzaamheid. + +Taine vertoont daarom heel duidelijk het karakter van het geslacht van +1828. Hij is pessimist, omdat hij achter de illusies de bloote +werkelijkheid zoekt als een harde wet; maar hij heeft een grootsch +denkbeeld van het menschelijke. "Il s'agit toujours de decrire une ame +humaine ou les traits communs a un groupe naturel d'ames humaines."[31] +Dat is hem zijn taak: het menschelijke. Uit den nacht breekt het licht +te voorschijn. + +Van Beethoven heeft hij eens gezegd: "Il ressemble a un homme qui, apres +une nuit d'angoisses,... apercoit tout d'un coup un paysage repose et +matinal."[32] Zoo moet men zich ook Taine voorstellen in die eerste +periode, den tijd van het tweede keizerrijk: een tumultueusen denker, +die kampt met de stof om haar te beheerschen, maar die een uitweg zoekt +en hem vindt in de beschouwing van de kunst[33], het hoogste menschelijk +vermogen, scheppende de menschengestalte in haar volle evenwicht en +majesteit. + + * * * * * + +[Illustratie: Titelblad van het Manuscript van Ibsen's eerste Drama +"Catilina" (1849) op 21-jarigen leeftijd geschreven.] + + +De Fransch-Duitsche oorlog door den Commune-opstand gevolgd, heeft een +diepe insnede in Taine's leven getrokken. Hij kwam al meer en meer door +zijn werk in oppositie tegen de tijdstrooming--maar ik heb reeds over +die levensperiode en de _Origines de la France contemporaine_ gesproken. +Zijn langdurige kwaal en zijn dood--Taine is in 1893 gestorven--hebben +zijn taak onvoltooid gelaten. Een oordeel over de derde periode heeft +daardoor zijn bezwaren.... + + * * * * * + +Maar kan men zich door al dit opgenoemde niet een beeld vormen van de +typische mannen der generatie van 1828? Zij bezitten niet eenheid, niet +directheid van gaaf; neen, hun verbeelding spruit voort uit weten en +gevoel, uit verstand en gevoeligheid; zij komen van een grensjaar. + +Zij behooren tot een afloopenden grooten tijd, en er is nog iets in hen +van de macht en den drang uit het begin der eeuw, tegelijk met iets +bezonnens en ouds, dat terugdringt;--zij zijn opgegroeid onder den +invloed van de Juli-burger-omwenteling, en er blijft hun altoos iets bij +van het karakteristiek nationale, dat het teeken is van 1830.... + +Het revolutiejaar van 1848 brengt hun geest naar buiten. Dan gebruiken +zij het eerste groote tijdvak van hun leven om hun gebied en zichzelf in +bezit te nemen. Maar de gelijkmatige gang wordt in 1871 gewelddadig +afgebroken. Er was een toenadering geweest tusschen de volken van +Europa, en er had zich een soort van Europeesche maatschappij gevormd +onder de leiding van Frankrijk. Dat grootere samenleven hield op met den +val van het keizerrijk; de staten, die zich als in een familie wilden +vereenigen, trokken zich vijandig ieder in zijn staatsleven terug, en +ook in iedere afzonderlijke samenleving heeft de angst voor de Commune +een verscherping van het standenleven bewerkt. + +Men zou het zoo kunnen noemen, dat de maatschappelijke geest na 1871 een +inkrimping ondervindt, en zijn krachten beperkt tot het gebied van den +staat. Het talent der mannen waarvan hier sprake is, ondergaat daardoor +een ombuiging. Waren hun krachten minder geoefend geweest, hadden zij +niet reeds hun terrein verkend en vermeesterd, zij zouden misschien +stille beschouwers zijn geworden;--nu stelden zij hun eigen wereld, +tegenover de wereld die zij zagen; zij maakten oppositie, zij werden, +zooals het in die dagen heette, satirici. + +Totdat een nieuw Europeesch samenleven opkwam in de laatste jaren der +19e eeuw.... En het werk dier mannen begon zich meer aan te sluiten +bij de behoeften van den tijd. Zij namen deel aan den nieuwen +beschavingsarbeid. Maar zij waren in hun hart geworden: mannen van het +verleden. Van een groot verleden, zeker, dat het teeken droeg van het +algemeen menschelijke,--toch van het verleden. + +Zoo kwamen zij op een afstand van de gewone menschenwereld; en voor het +oog van hun tijdgenooten, verloren zij zich eenigszins, ondanks hun +scherp geprente trekken, in lichte nevelen en een blank onbestemd +schijnsel--overgang der heentrekkende schaduwen van den nacht tot het +eerste teere licht van den grijzenden morgen.... + + * * * * * + +Misschien heb ik bij deze zaken te lang stil gedaan en de aandacht door +een algemeen intermezzo vermoeid, in plaats van haar bij Noorwegen en de +Noorsche dingen te bepalen. Ik moet dan vragen om die beschouwingen over +den toestand van Europa en over Europeesche menschen te laten wijken +naar den achtergrond, zonder dat men ze daarom toch geheel uit het oog +mag verliezen. Ze zijn als een wijdere kring dien ik om den engere van +mijn onderwerp moest trekken, en de beweging van dien ruimeren cirkel +was het zeker wel noodig te volgen, nu het te doen is om Henrik Ibsen +die echt een Noor was, maar die zich soms in de eerste plaats gevoeld +heeft als een burger van Europa. + +De Scandinaviers die zoo trotsch zijn op hun Noorden, kunnen van tijd +tot tijd heel uit de hoogte neerzien op hun land en zijn beschaving. +Wat heeft Kierkegaard niet op Denemarken en zijn hoofdstad, dat nest, +gevloekt! En hoor Ibsen: + +"Waarom," vraagt hij[34], "staan wij die een Europeesch standpunt +innemen, zoo alleen in ons vaderland?--Wijl dit ons vaderland niet den +samenhang bezit van een staat; wijl men in het vaderland gemeentelijke +gedachten en gevoelens heeft, geen nationale, geen Scandinavische.... +Denkt ge dat dit fragment van Europeerdom een grondslag kan wezen voor +beschaving? Alleen een natie, wanneer ze een geheel uitmaakt, kan +meewerken aan een cultuurbeweging. Wij Scandinaviers zijn in de oogen +van Europa nog niet verder gekomen dan het gemeenteraads-standpunt. En +nergens ter wereld houdt een gemeenteraad er zich mee bezig om het rijk +van de toekomst, "het derde rijk", te verwachten of voor te bereiden." + + * * * * * + +Zoo sprak Ibsen wel in zijn boosheid. En echter volgde Noorwegen, op +zijn manier zeker, maar toch trouw en regelmatig, in de tweede helft der +19e eeuw, de lijn van ontwikkeling van geheel Europa. Alleen behoorde +het niet altijd tot de gelukkige landen van het werelddeel. + +Toen de revolutie van 1848 uitbrak, had Noorwegen zijn groote vraagstuk +voor zich[35], evenals de staten van Duitschland en van Italie het +hadden. Het was een vraag van expansie en van nationale vereeniging. Men +noemde het streven naar dat ideaal, Scandinavisme, en het bedoelde niet +alleen een verbroedering maar ook een nauwe aaneensluiting van de drie +rijken van het Noorden. + +De Pruisisch-Oostenrijksche campagne tegen Denemarken van het jaar 1864, +heeft aan de geestdrift voor het Scandinavisme een harden slag +toegebracht, toen het bleek hoe weinig "de broeders" geneigd waren +elkander bij te staan in nood: de vestiging van het Duitsche rijk in +1871 heeft daarop voor goed een eind gemaakt aan het plan,--omdat de +inbezitneming van Sleeswijk Duitschland dwong tot vijandschap tegenover +al die Scandinavische grootheid. En voor het prestige van het Duitsche +rijk moest het ideaal van het Noorden bukken. + +Bjoernsterne Bjoernson heeft toen, en onder die omstandigheden, aan +Noorwegen zijn leus gegeven. + +"Laat ons," zeide hij op een feestelijke bijeenkomst, (in 't eind van +het jaar 1866, na Koeninggraetz), "vooreerst en voor alles Noren zijn, en +op die wijs, daarna, Scandinaviers. Want ieder van de drie volken moet +zijn eigen aard hebben, om iets in ruil te kunnen geven aan de +anderen."[36] + +Het Scandinavisme in de verre toekomst!--te beginnen met Noorwegen voor +de Noren! + +Zoo is men ook in Noorwegen na 1870 begonnen met het opbouwen van den +modernen staat[37]. Het werd een verwezenlijking van Wergeland's idee. +De Noorsche boer kreeg zijn rechten, de constitutie kreeg haar +uitbreiding en Noorwegen kreeg, met zijn "reine" vlag, volle +zelfstandigheid tegenover Zweden. + +In 1882 is de crisis. Noorwegen speelt dan zijn "er op of er onder" +tegen de koninklijke macht. 1884 brengt de eindbeslissing, en het +volgend jaar ziet een nieuwe periode geopend, den tijd van +maatschappelijke en partieele hervormingen. De politieke ideeen hebben +toen hun dag gehad. + + * * * * * + +Ibsens leven toont wel duidelijk de indeeling der drie perioden. De tijd +van 1864 tot 1871--de ondergang van het Scandinavisme, de vestiging van +de Pruisische macht, en de Commune-opstand te Parijs--heeft hem, na zijn +eerste half schoolse, half spontane ontwikkeling, tot die rijpheid van +bewustzijn gebracht, die hem als een modern Europeesch man het volledig +bezit gaf van zijn talent. In de 70er jaren viel dan het begin van zijn +werk als "staats- en samenlevingssatiricus", en Ibsen nam met zijn +bitter boos aanvallend werk zijn scherpe aandeel aan het gevoels- en het +gedachtenleven van zijn volk. Het scheen wel alsof hij 't er op had +aangelegd, het uit de engte van zijn dorpelijk en gemeentelijk leven te +prikkelen tot het innemen van een hooger standpunt in de Europeesche +maatschappij. Sinds 1884 en '85 eindelijk, toen in Noorwegen de +politieke strijd was uitgestreden, verruimde en verbreedde zich zijn +talent[38]. Wat zijn land noodig had,--zoo zag hij den toestand in,--dat +waren sociale en praktische hervormingen, niet langer politieke +theorieen, en Ibsen's dramatische kunst weerspiegelt--maar 't is een +vrije ontvouwing van zijn dichtergaaf--die onvervulde, dringende +behoefte aan een energieke beschaving. + +Zoo wondervol loopen in het werk van den kunstenaar de draden samen die +de richting aangeven van het nationaal Noorsche en van het gezamelijk +Europeesche leven! + + * * * * * + +Ik moet thans dat werk nog overzien als een uiting van zijn +persoonlijkheid. + +Wat men het eerst hoort van den dichter is een klacht. Het gedicht dat +als eersteling in zijn verzamelde werken is opgenomen heet "_Berusting_". +Het is alsof de twintigjarige zijn droomen van grootheid en geluk niet +meer voor zich heeft, maar ze achter zich heen in 't verleden ziet +verdwijnen. Hoe eng is de atmosfeer in zijn werk! Er ligt een beklemming +over. + +De revolutie-storm van 1848 streek wel met een vlaag neer in het kleine +Noorsche stadje waar hij zijn gedrukte leven leidde, en de tocht van de +groote beweging wekte den armen apothekers-assistent wel uit zijn +dofheid, ontvlamde zijn geest; maar het bleef ten slotte bij hem een +kamp in het hart. Zoo ergens is hier, in Ibsen's dichtergeest, de +duisternis van den nacht. + +Maar ook hoogheid van gedachten-verbeelding en voorstelling. Het bewijs +is _Catilina_[39], het stuk dat de reeks van zijn drama's opent (1850). +Men denkt misschien een schoolthema in handen te krijgen, en men ontdekt +in de tragedie een hartekloppenden geest verdeeld tusschen wijd +uitgaande plannen en een berouwvol bewustzijn van zonde en onmacht. +De revolutie neemt er haar rol in--en woelt in een gemoed, vervuld van +mysterie en van de tradities van pietisme. Want dat werd, zoo men hem +wel beziet, Ibsen's Romein, Catilina: een revolutionaire, mysterieuze +pietist[40]. + +Het was voor den dichter een worsteling om van den nacht tot het licht +te komen, maar de schaduwen hebben het gewonnen. + +Hij gevoelde heel sterk de verdeeldheid van het leven, en de afscheiding +van de natuur. Ibsen heeft wel geprobeerd in den trant van Oehlenschlaeger +en zijn volgelingen romantische drama's te schrijven, maar de helden van +die tooneelspelen zijn in hun hart van Wergeland'sche structuur en echt +Noorsch. Twee zielen wonen in hun borst, en zij komen moeilijk uit hun +kampende schemerleven te voorschijn. + +De scherp logische consequentie van zijn geest noopte den dichter dan om +voor het onderwerp zijner drama's ook een zuiver Noorschen vorm te +kiezen. Zoo verschenen hard en streng als een Noorsche saga zijn +_Krijgers op Helgeland_[41] (of _Noorsche Krijgstocht_) ten tooneele +(1885). Het was Ibsen's tijd van "Noorschheid". Stug als de vorm zijn +ook de karakters van het verhaal. Wij krijgen den zedelijken indruk van +een wilde eenzaamheid. De dichter brengt in zijn tragedie het leven tot +den rand van den afgrond,--den dood in verlatenheid. + +De klagende stem is den nacht ingegaan. + + * * * * * + +Ik moet hier melding maken van een gedicht dat tot de lievelingsverzen +van den dichter behoorde. Het heet _De mijnwerker_[42], en het trotseert +den dag. Want wat de mijnwerker wil, als de dichter, in de diepte de +oplossing der raadsels zoeken die de natuur aan de menschheid opgeeft. +Hij keert zich af van het licht, omdat het zijn oogen verblindt met een +bedriegelijke klaarheid, en hij wil de schatten zien in de geheime kamer +van de aarde opgeborgen, hij wil de levenswetten naspeuren, daar waar ze +bloot liggen, aan de wortels van het bestaan.... Maar geen straal +schijnt nog in den afgrond om hem te toonen dat hij op 't goede pad is: +de hoop verzwakt, het vertrouwen daalt. Geen nood: in het donker is +vrede en rust. Hij blijft het houweel hanteeren; en 't gaat, hamerslag +op hamerslag, de diepte in aan den boezem der Natuur. + +Het is het hart van den dichter dat zich met geweld aandrukt, dat klopt +tegen het hart van den Nacht, hamerslag op hamerslag, met felle +hamerslagen. + +En wij worden gedachtig aan dien Henrik Steffens[43] die op den overgang +van 18e tot 19e eeuw uit het Noorden naar Duitschland toog, om daar zich +in de nieuwe wijsheid te laten inwijden. Want Steffens, een dichter +slechts in verlangen, was in werkelijkheid met zijn gedachten den weg +opgegaan van Ibsen's poetische verbeelding. Hij had in de diepe +aardlagen den sleutel van het leven gezocht en er de oorspronkelijke +levenswet gevonden. Ibsen trad met zijn fantasie in 't spoor van den +enthousiasten onderzoeker, en zijn gevoel voor mysterie was een +terugslag der natuurmystiek van een halve eeuw geleden. + +Met dit onderscheid echter, dat Steffens in zijn jeugd het licht en de +verruiming genoot, en steunend op de machtige beweging van zijn tijd, +zijn persoonlijkheid kon opbouwen,--terwijl Ibsen moeilijk de steile +duisternis moest doorworstelen. Maar hij groeide in talent en in +vastheid van greep op het leven. Hij dichtte zijn _Comedie der Liefde_ +(1862), hij schreef zijn Koningsdrama, de _Kroonpretendenten_ (1863). + +De _Kroonpretendenten_ waren voor den Noorschen dichter wat +Oehlenschlaeger's Aladdin en Nureddin, het Arabische tooververhaal van +het gelukskind en den ongeluksvogel, voor den Deenschen dichter zijn +geweest. Ibsen heeft den strijd in zijn hart tusschen zijn wil en zijn +peinzende onmacht in twee historische gestalten, twee tegenbeelden, +dramatisch geprojecteerd, en 't is door het scherp contrast van licht en +donker, een historie van leven geworden, ten minste voor zoover hij die +reeds geven kon. + +In de _Comedie der Liefde_ trad de dichter eindelijk, buiten het gebied +der sage en der historie, het gewone dagelijksche leven in. Hij +sprak,--op het tooneel altijd,--midden tusschen de toehoorders en de +menschen op het toneel,--van zijn hart tot zijn hart. Het de _comedie_ +van het ideale streven, dat door liefde bewust wordt van zichzelf,--de +_comedie_ van het ideaal, omdat het zich eenzaam voelt en moet gevoelen, +in zijn tegenstelling tegen een wereld, die niet anders dan het gewone +wil erkennen en kent. + +Schaduwen hangen er, zoowel over het historisch drama als over het +burgerlijk tooneelspel. Nog maken zich de personen en de +persoonlijkheden niet geheel los uit de lijst der gebeurtenissen en +gebeurlijkheden; maar zij spreken niet langer met gedrukte stem. Het +geluid heeft zich in de borst van den dichter ontbonden en ontwonden, +ook al hooren wij nog niet den vollen klank, alleen den weerklank. + +'t Is als het kloppen van het hamerend hart in den mijngang, uit de +verte vernomen. + +De dichter was namelijk wel niet langer onzeker van zijn weg, maar hij +ging hem alleen[44]. Niemand heeft zijn verlatenheid zoo moeten gevoelen +als die trotsche schuwe geest. Hij had zijn gaaf vermeesterd, zijn +rijkdom zag hij voor zich--in de diepte. Zou hij dien schat ooit aan het +licht kunnen brengen? De wereld was tegen hem, daar in het Noorden[45], +en hij had niets daartegenover dan zijn genie, dat door de wereld--daar +in het Noorden--niet meer geacht werd dan het poover talent van een +vlakken, handigen teekenaar. + +Hij bleef nog in schemering. + +"De dood! ik ken nog erger dan den dood--het is het grauwe schemeren,"[46] +zegt Jatgeir, de skalde in Ibsen's _Kroonpretendenten_. + + * * * * * + +[Illustratie: Ibsen's echtgenoote Suzanna Ibsen.] + + +Daar naderde het jaar 1864, de inleiding tot de grootheid van +Duitschland en de vernedering van het Scandinavische Noorden. Een +oogenblik had een straal van grootsche verwachting den geest van den +dichter verhelderd, hij had gehoopt op een krachtige samenwerking der +drie broedervolken. Maar het kwam anders uit. Ook dit was een _comedie_ +der liefde; zij had tot besluit een vereenzaming. Maar het was een +alleenstaan zonder ideaal. Het ideaal nam de dichter met zich mede, toen +hij mismoedig afscheid nam van zijn geboortegrond, en troosteloos door +het triumfeerende Duitschland heentrok naar het Zuiden. + +Hij had zijn vaderland verloren; hij herwon, hij herschiep het in zijn +hart, onder de zon van Italie. In Rome, te midden der atmosfeer van een +groote, eeuwige wereld schudde Ibsen de wolken en schaduwen van zijn +geest weg. Zijn ziel nam haar sprong. Hoe krachtig zwaaide hij den +hamer! En uit het doodsche, grijze blok van zijn herinnering en zijn +wrok, van zijn liefde en zijn norschen wil, beeldde hij de gestalten van +Brand en van Peer Gynt te voorschijn!--_Brand_ (1865), de stoere, +sombere held en martelaar van het ideaal, _Peer Gynt_ (1867), de +zorgelooze deugniet, wien de fortuin toch niet anders kan doen dan +toelachen. + +Hier zijn ze nu, maar ieder op zijn eigen grondstuk en levend voor +zichzelf, de Nureddin en Aladdin van de tooversprook, maar +getransformeerd, bijna onherkenbaar, tot nationale typen, en gedragen +en vervuld door de eigen passie, en door het eigen leed en de eigen +fantasie van hun dichter. Hoe is zijn kracht gestegen, hoe is niet +alleen zijn stem maar ook zijn verbeelding losgekomen in deze twee +scheppingen van de ochtendschemering!--De eene schepping rauw als de +morgen en kloek als het morgenbesluit tot hardnekkigen arbeid, de andere +speelsch en steelsch als de dartele dageraad, overmoedig vertrouwend in +de bedriegelijke hoop van het jonge licht! + + * * * * * + +Wijder strekten intusschen zijn gedachten[47]. Rome had het hem +aangedaan. Hij wilde eeuwigheid opnemen in zijn geest. Het onderwerp van +Julianus den Afvallige lokte hem aan, den keizer die op de samenkomst +van twee wereldwegen stond, Keizermacht en Christendom:--hier, de oude +wereld door het Romeinsche Keizerrijk tot een eenheid gebracht en +gevormd; daar, de nieuwe Christelijke wereld, haar eenheid zoekend in +een beginsel hooger dan de menschengemeenschap;--den keizer die, als in +morgenschemering gehuld, het matte oog gericht hield op een nevelige +toekomst waarin het hoogere beginsel, met de menschenwereld verzoend, +een nieuweren vorm van beschaving en gemeenschap zou vestigen. + +De tijd werkte aan de conceptie van den dichter mee[48], en moest +daaraan meewerken. Want de geest van Ibsen had distantie noodig[49]. En +'t is al opmerkelijk, dat de dichter pas voor goed aan den dramatischen +arbeid voor zijn keizersthema kon beginnen, toen hij Rome verlaten had +en in Duitschland zijn woonplaats had opgeslagen, zoo was het niet +minder van gewicht voor hem, dat hij ook nog de ervaring kreeg van het +groot gebeuren tusschen de jaren 1864 en 1871[50]. Die ondervinding +bevrijdde eerst zijn geest volledig: de neergang van het Fransche +Keizerrijk, de opkomst en het snel vergaan der Commune van Parijs, de +jonge macht van het Duitsche Rijk,--dat alles gaf zijn blik eerst de +energie om in de verte te zien. + +Hij keek niet langer in een benepen omgeving, noch van menschen, noch +van eigen hart. Neen, hij doorbrak met den zwaai van zijn hamer den +nauwe mijngangen van pietisch zondegevoel en berouwvolle verslagenheid, +hij verruimde zijn ziel; en hij ging iets begrijpen, buiten den +benauwden kring om van zijn persoonlijkheid, buiten den beperkenden +cirkel van het oogenblik om,--iets begrijpen van het wereldgebeuren, hoe +daar machten waren die ondergingen en die toch de toekomst voor zich +hadden, maar die toekomst niet konden verkrijgen, wanneer zij niet op +hun tijd en voor een tijd waren ondergegaan.... Het lot zwaaide den +hamer hard, maar het hamerde vast. + +Er kwam, gelijk ik heb gezegd, iets van eeuwigheidsgevoel in Ibsen's +geest. De jonge Wergeland had, in het jaar van 's dichters geboorte, het +idee opgevat om het boek van de bestemming der menschheid in geniale +verzen te vertolken, en zijn dichtsel was een luchtverheveling gebleven; +nu, na meer dan veertig jaren, zette Ibsen zich aan het werk, en hij kon +zijn gedicht met trots een "werelddrama" noemen. Zijn periode van +"Noorschheid" was voorbij. + + * * * * * + +Op die wijs, door eigen stoeren en pijnlijk geduldigen arbeid, verwierf +hij zich zijn aandeel in de groote Europeesche beschaving: aan de +anderen, aan een Meredith en een Taine, was zij van nature gekomen door +hun gestadige aanraking met een wereldcentrum: voor Ibsen was zij een +veroverd en wel gewonnen gebied. + +Welk was het voornaamste kenmerk van de moderne geestesstemming? + +Zij rustte op het wetenschappelijk geloof aan het determinisme--het +voorbeeld van Taine heeft het getoond[51]. En hoe hard het denkbeeld der +onverbiddelijke wet ook moge schijnen, Ibsen koos dat geloof tot het +zijne met gelatenheid, ja misschien met vreugde. + +Hij nam ze op in het bloed van zijn brein, de verzekerdheid en +gedetermineerdheid van den gang van het leven. De vaste bepaaldheid van +het bestaan gaf houding en bevrijding aan zijn geest. Het was een +wijsheid gegrond op de granietlaag van de aarde. + +Ibsen's tragedie van Julianus den Afvallige beweegt zich in de atmosfeer +van het determinisme. Dat geeft eenheid, en vooral ook eenheid van +horizon, aan het noodzakelijk wijd uiteenloopende verhaal van het +historisch drama. En door het toevallige van de gebeurtenissen weg te +nemen, heeft de dichter het tooneelspel, dat in de oudheid speelt, +tegelijk een beteekenis gegeven voor zijn eigen tijd. + +Wanneer men het gedicht zou moeten noemen dat het best de Europeesche +jaren van het tweede Keizerrijk weerspiegelt--die jaren met een +grootheid tusschen schijn en werkelijkheid in, half verraderlijk +illusoir en half idealistisch, de jaren van Napoleon III,--dan zou men +misschien het best doen om Victor Hugo en de overige dichters van het +tijdvak minder te tellen, en vooreerst te wijzen op den Julianus van +Ibsen, zijn _Keizer en Galilaeer_. + +Niet, dat het aan alle eischen voldoet. Ibsen zelf kon met het werk dat +hij zijn hoofdwerk heette, niet tevreden zijn. Iets ongelijks heeft het +en iets onvoldragens. Het is alsof de omvang der tragedie haarzelf in +den weg is geweest.... + + * * * * * + +Zij was onvoldragen, omdat de tijd veranderde. Toen het drama van +Julianus den Afvallige in het licht verscheen (1873), was er reeds een +ander aanschijn over de dingen gekomen. Voor den dichter werd het een +gesloten tijdvak; aan den eenen kant staat er zijn tragedie _Catilina_ +en aan den tegenovergestelden kant staat _Keizer en Galilaeer_, ieder +van beiden een teeken hoe ver zijn eerzucht reikte. Maar hij schreef +voortaan geen "werelddrama's" meer. + +Want de wereld was voor den dichter kleiner geworden. + +Dat lag aan hemzelf, nu hij zijn hoog standpunt innam en zijn talent +gerijpt en gedegen in zich droeg; maar dat lag ook aan de wereld, daar +in werkelijkheid veel grootheid of schijn van grootheid van haar was +weggegaan. + +Ibsen's gedachten keerden weer naar huis, zooals men naar den +moedergrond terugverlangt, bij een teleurstelling. En van dezen tijd af, +bleef hij met zijn verbeelding bij het geboorteland. + +Ik weet niet of iemand die dien tijd niet heeft meebeleefd, zich een +voorstelling kan maken van het gevoel hoe de wereld toen minder werd, +of liever hoe zij minder helder in haar groote verhoudingen voor het oog +lag. Er was teruggang. Dat zelfde determinisme dat een man als Ibsen +groot en wijd had leeren zien, werd door de kunst van de komende periode +op de details van het leven toegepast, en het leven werd een object van +waarneming voor den kunstenaar. Men constateerde verval; en men +behandelde het leven grof en klein. + +Was het niet een periode als tusschen licht en donker? Er ging al wel +een eerste nieuwe beweging en een geheime trilling over de aarde, maar +het geschiedde onder een lichtlooze, rauwe lucht. + + * * * * * + +Ibsen zag zijn land aan met den blik van een vreemdeling. Het lag op een +afstand. Hij voelde zich geen burger van Noorwegen. Kon hij, die voor +zich den rang veroverd had van lid der Europeesche samenleving, nog +langer wezen een staatsburger?--Maar hij had behoefte met de +maatschappij van het Noorden mee te leven.--Kon hij er zich anders +gedragen dan als satiricus? + + +Ibsen als een man van het "tusschen donker en licht", een onzekere, een +vrager, een twijfelaar, was een geboren satirist. Hij is begonnen met +satirische kluchten te schrijven, evenals Wergeland zijn "farcen" in de +wereld heeft gestuurd, evenals in iedere opkomende beschaving de man van +vernuft zich lucht verschaft door te hekelen. Midden onder zijn groote +werk[52] aan Brand, Peer Gynt en Julianus den Afvallige, had de dichter +een politieke comedie geschreven, het _Verbond der Jeugd_ (1869), en +reeds vroeger--wat kan men de _Comedie der Liefde_, als geheel genomen, +anders noemen dan een satire? Maar dit alles moet men toch alleen +aanzien voor een aanleiding en een inleiding[53]. De comedie van Ibsen +in zijn tweede groote periode is satire van een verschillend gehalte. + + * * * * * + +Ik heb ergens gelezen van een gesprek tusschen een Parijzenaar en een +bezoeker van Parijs uit een van de kleinere naties. Spoedig gaf de +Parijzenaar een woord ten beste over volken die geen geschiedenis +hebben.--"Maar wij hebben een geschiedenis, en wel een zeer +belangrijke...." viel hem de bezoeker in de rede.--"Ik heb er nooit +iets van gemerkt," zei de ander droogweg. + + * * * * * + +En dit is het eerste wat Ibsen's satire en comedie heeft vermocht: +voorheen kon men het bestaan van een samenleving in Noorwegen alleen +vermoeden; de dichter heeft haar tot een werkelijkheid gemaakt waarvan +men in Europa "merkte". + +Hij heeft de burgermaatschappij van zijn vaderland getoetst aan het +grootere leven dat hij voor zichzelf had verworven, en hij haalde uit +die maatschappij de echte qualiteit van zielen-essentie welke zij in +zich borg. Daartoe sloeg hij lustig met zijn hamer, en hij perste en +kwelde zijn menschen tot dat ze waardig waren uit hun beklemming te +ontsnappen naar de ruimte, naar de vrijheid, naar het grooter leven. + +Hoe heeft hij de arme Nora van het _Poppenhuis_--want ik spreek hier +niet van de _Steunpilaren der Maatschappij_ (1877), waar het echte leven +nog wat boven op ligt,--hoe heeft hij die arme Nora tot vertwijfeling +gebracht, door haar alle illusies over zichzelf en haar edelste daden en +haar hoogste liefdesverwachting te ontnemen en te ontscheuren! Hoe heeft +hij haar geprangd en benauwd met schuldgevoel en gewetensangst, om haar +dan uit te stooten in het donker van het leven! + +En nog verpletterender, nog grievender, nog dieper tot in diepste +diepten van het moederhart komen de hamerslagen neer op de echtgenoote +en moeder die het middelpunt is van Ibsen's drama _Spoken_. Hier vallen +geen illusies te bestrijden, maar het zijn spoken die het vreedzame huis +der zorgzame, verstandig goede weduwvrouwe belegeren en insluiten. Zij +rijzen op al dreigender en dreigender tot het verschrikkingsmoment van +het slot, wanneer ze haar het vergift in de hand duwen om haar +moordenaarster te maken van haar eenig kind! + +Die vrouwen heeft de dichter gebruikt, om aan haar de waarheid van het +leven hunner omgeving te beproeven;--de eene een zorgeloos-zorgend, +bewegelijk zonnekind, met een kern van innige harte-goedheid: zij was +een "dochter der natuur"; de andere is de overlegd-zorgende huisvrouw, +met een hart dat, bij al zijn behoefte aan licht, nooit vreugde heeft +gekend: zij heeft in de schaduw van het leven gestaan. En wanneer Nora, +bevrijd, het onbekende donkere leven intreedt, zal het duister van haar +pad wijken,--maar, vrouwe Alving, de heroine van het drama _Spoken_, +gaat door den ijzigen nacht, en de schimmen van den Nacht geven haar het +geleide. + +Vereenzaming--dat is het nijpend-pakkend gevoel waarop de satirische +tooneelspelen van Ibsen uitloopen; eenzaamheid tegenover de wereld, +eenzaamheid ook tegenover het eigen hart zijn daarin de uitsluitende +voorwaarde om te zijn wat men moet zijn, om te hebben, wat onze +menschen-aanleg zegt dat wij moeten hebben: een eigen persoonlijkheid. +De drama's van Ibsen staan in bitter geweldige oppositie tegen de +maatschappij; de samenleving, zoo zeggen zij, door haar conventies, door +haar wetten, door haar ziekten--want zij heeft haar ziekten en haar +besmetting--verdrukt en verwringt het hoogste bezit van de menschheid, +en de individualiteit is alleen te redden in ballingschap, in de +vrijheid der vereenzaming. + + * * * * * + +[Illustratie: Brief van Ibsen aan Georg Brandes.] + +Thans naderen wij de levenskern der gedachte van den dichter. +Persoonlijkheid is voor hem geen toeval: men kan niet anders zijn dan +men is, en men moet zijn wie men is. Ibsen was determinist, gelijk ik +heb uitgelegd. Vrijheid bestaat voor hem in het wezenlijk zijn, niet in +het anders zijn als de aard meebrengt, en er is een gedetermineerdheid +van het individu. Zijn ballingschap, zijn vereenzaming, beteekent dat +het de kracht geeft om de atmosfeer en den grond te zoeken waarin het +kan aarden. + +Welke is de elementairen macht: het individu of de gemeenschap door den +staat gesteund?--Ibsen, met zijn gemis van "het talent om staatsburger +te wezen", plaatst, in dezen tijd van triomfeerende staatkunde, het +volle gewicht in de schaal van het individu. Gedetermineerdheid +tegenover gedetermineerdheid,--het individu gaat hem voor; die van staat +en maatschappij is maar quasi. + +En dit is het groote leven in Ibsen's satirische drama's, dit gaf hun +dadelijk hun plaats in de Europeesche letterkunde, dat zij door hun +strengen bouw, door hun klemmende logica van gevoel, de gebeurtenissen +der kleine Noorsche maatschappij verhieven tot een typisch voorval van +het menschenleven, zonder daaraan karakter of kleur te ontnemen. Toen +Nora er eenmaal was, kon men zich den tijd niet voorstellen dat zij er +niet was geweest. Zij had noodzakelijkheid. + +Maar het groote van die comedies heb ik nog niet genoemd. Zij hebben een +voorgrond, waarop het verwarrend verdriet en de burleske brutaliteit +zich breed uitspreiden;--maar zij hebben ook een achtergrond van +aangehouden zwijgen, een diep verschiet van schemering met een heel +flauwen, grauwen morgenstraal. + +In _Brand_ en _Peer Gynt_ klaagt en treurt een nevenstem; in _Nora_ en +_Spoken_ hoort men haar eveneens, ofschoon ze bijna altoos zwijgt, ja, +zwijgend wacht om te spreken. + + * * * * * + +_Nora_ is van 1879, _Spoken_ van 1881, de _Volksvijand_ die zich bij de +vorigen aansluit, van 1882. Het is de tijd der Europeesche satire in +grooten stijl. Ibsen ging het scherpst vooraan. + + * * * * * + +Hij wist wat hij deed. Want daarin is hij een recht kind van den Nacht, +berekenend en kennend als de Nacht, dat hij zijn talent soms geheel in +handen overlaat van zijn logisch verstand. Toen in 1885 de politieke +strijd beslist was en het Noorsche volk mondigheid en zelfstandigheid +had verkregen, zeide Ibsen zelfbewust[54]: "Ja, het land is minder +bekrompen; men zou er zich nu wel kunnen roeren.... De politici zullen +dat aan hun inspanning toeschrijven en zich alle eer van de overwinning +geven, maar wij zijn het, wij dichters, die haar voorbereid hebben en +den strijd hebben ontbonden. Zonder ons was er noch strijd geweest, noch +zege". + + +In de jaren 1884 en '85 is de ombuiging. Mag ik zoo noemen, dan slaat +Europa, en slaat Noorwegen, een hoek om. Het uitzicht verwijdt zich; +een andere periode vangt aan. En zie eens wat uiterste gevoeligheid de +richting en de breed uitgebreide vleugeldrift van Ibsen's genius +bestuurt!--hij volvoert de wending mede. Op eenmaal zwenkte hij in zijn +scherpe vaart. + +Het komt bij den dichter niet als iets heel ongewoons. Want hij gaat wel +meer tot het uiterste in een lijn, om dan plotseling een nieuwen kant +van zijn talent te ontwikkelen. Zoo was hij na den grauwen nevelstorm +van nacht en eenzaamheid der _Krijgers op Helgeland_, zoo was het +eveneens thans na de stormachtige drama's der in vrijheid vereenzaamde +individualiteit. Waarlijk, het heeft er iets van alsof Ibsen het gevoel +had van iemand die lang op een hoogte heeft geleefd buiten het bereik +van het menschdom, en eensklaps krijgt hij het uitzicht op een ruime, +bevolkte vallei. Hij kwam van zijn bergtop af, de dichter, en hij begon +te spreken,--heel hoog en ironisch voorzeker,--maar toch ook met een +wonderbaar zachtmoedigen en schroomvallig teeren toon. + +Zijn _Wilde Eend_[55] is het drama van de kleine burgerlieden (1884). +De last van het leven wordt in het verhaal gedragen door de illusie van +twee vrouwen; de eene vrouw is laag bij de grond, en het leven gaat over +haar heen zonder haar een andere impressie te geven dan dat zij moet +voortgaan te zorgen en te slaven voor haar gezin; de andere is het kind, +het jonge meisje, in den eersten bloei van fantasie en aandoenlijkheid; +en aan het leven dat haar verdrukt en vernietigt, geeft ze al bij de +eerste aanraking haar uiterste van opoffering en toewijding. + +In de _Wilde Eend_ toont de dichter de samenleving in miniatuur met haar +goedheid en haar wreedheid, met haar zelfbedrog, haar lafheid, haar +onverschilligheid, maar ook met haar _poezie_,--een onnoodige poezie, +die in de ruimte verstuift en verklinkt. Het is een wereld, waarmee het +nog niet meenens is; zij denkt wel te bestaan, maar uit het niet bestaan +kan zij nog niet te voorschijn komen. Rechtaf herinnert het stuk aan het +eerste morgengrauwen,--half een illusie van teederheid, half een ijzige +adem van rauw nijpende nachtkou. + +Krachtiger en grootscher gaat het dan in _Rosmersholm_[56] (1886), waar +de nieuwe beschaving met haar onstuimig bloed en haar gaven hartstocht +aandruischt tegen het verfijnde, zichzelf al vreemder en vreemder +wordende, leven der oudere beschaving. + +En drama volgt op drama; de _Vrouw van de zee_ (1888) komt na +Rosmersholm, dat het hoogtepunt van Ibsen's dramatisch vermogen +voorstelt, en na de Vrouw van de Zee verschijnen _Hedda Gabler_ (1890), +_Bouwmeester Solness_ (1892), _Kleine Eyolf_ (1894).... + + * * * * * + +Zij weerspiegelen de ongelijkmatige bewegingen der samenleving in de +moderne maatschappij. + +Is het wel een samenleving? + +Zoo verschillend zijn haar elementen. Geen van die elementen wil zich +aan gestelde orde ondergeschikt houden, en aan elk ontbreekt iets; toch +verlangt ieder hunner voor zich de eerste plaats. + +In _Rosmersholm_, zijn meest beteekenende schepping, heeft Ibsen nog de +voorstelling van een mogelijke verzoening der disparate bestanddeelen, +maar hij kan die voorstelling niet geheel geven, hij vindt er geen vorm +voor. Het nieuwe gaat in Rosmersholm aan het oude te gronde, en het oude +gaat met het nieuwe in den dood. In het verschiet alleen rijst de betere +tijd voor onze gedachten,--slechts even voor onze verbeelding. + +Dezelfde indruk en aandoening van het onbestemde en gebrokene krijgt de +toeschouwer van de daarop volgende drama's nog sterker, en ook, in 't +eerste oogenblik, misschien meer verwarrend;--omdat de dichter, wanneer +het woord veroorloofd is, den achtergrond van zijn tooneel hoe langer +hoe meer naar voren brengt. Twee motieven kruisen elkander in die +stukken, en ze zijn aan elkander tegenovergesteld. Het hoofdmotief +spreekt soms van verzoening en vereeniging, zooals in de _Vrouw van de +zee_, maar dan is er een ander motief dat wijst op scheiding; of, gelijk +in _Hedda Gabler_, spreekt het hoofdmotief van verstoring en het +nevenmotief duidt opbouwing en stichting aan. Soms ook, als in _Kleine +Eyolf_, houden de motieven evenwicht met elkaar. Daar hebben wij wel het +tegenstrijdige en tegenstrevige der moderne maatschappij. + + * * * * * + +Zoo krijgt het theater van Ibsen perspectief en beweging. Wij komen +waarlijk in de grootere wereld zelf wanneer we met hem op het tooneel +zijn. Want hij weet de gebeurtenissen samen te vatten in een kort +bestek, en toch neemt hij er ruimte en tijd en ook distantie in op; hij +laat de verhoudingen met elkaar contrasteeren, maar ze weerspiegelen +zich ook in elkander; en hoeveel beelden en reflexen ontstaan daardoor +niet, die het verhaal uit zijn plankenomgeving losmaken en in ons brein +voort doen spelen! + +Alsof het daarbij alleen te doen was om het zien en het denken! Neen, er +rijst een muziek van verlangen uit die rij van dichterlijke scheppingen, +en een toon van fantastisch heimwee-gevoel, van hartstochtsbegeerte en +van hartstochtssmart klinkt voor ons op, of de zachte stem der +verdrukten die op uitkomst hopen, der stille geduldigen die in het leed +hun vertrouwen willen redden, bereikt ons oor, dringt door tot ons hart; +opofferingszucht en eigenzinnigheid, verslagenheid en trots trekken als +met vlagen van geluiden onzen geest voorbij ... en tot accompagnement +--stil, luister!--die klank van geregelde hamerslagen in de verte, +hamerslag op hamerslag; en men weet niet of zij bezig zijn weg te breken +en af te breken, dan wel of ze timmeren aan een nieuw gebouw voor het +nieuwe leven. + + * * * * * + +Ibsen, die het leven van zijn tijd meeleeft en doorleeft, treedt, +gedurende deze derde periode van zijn loopbaan, op die wijs in +verbinding met de maatschappij van het Noorden. Zij hebben elkander +eindelijk dan ontmoet, de dichter en zijn volk. + +Maar hij, de dichter, hield zich daarom niet op met de speciale vragen +van den dag. Naar den mensch alleen vroeg hij, in zijn natuurlijke +verhoudingen; hij vroeg hem naar zijn hart en zijn liefde, naar zijn +eerlijkheid en trouw. En het waren vooral geschiedenissen van vrouwen +die hij tot onderwerp koos van zijn voorstelling. + +"Een vrouw wanneer ze iets onderneemt, gaat gewoonlijk het verst," heeft +Ibsen gezegd. Dat "verst gaan" van de vrouwen beviel aan den dichter. +Hoe zou hij ingestemd hebben met de gedachte van Meredith, als hij haar +had hooren uitspreken: "De vrouw is wat er natuurlijks is overgebleven +in den mensch!" + +Misschien ging hij de samenleving meer waarderen, omdat hij de vrouw +meer leerde liefhebben. Want zoo wreed als vroeger laat hij haar niet +meer de duistere eenzaamheid binnengaan, en zelfs wanneer hij ze ten +dood voert, zooals hij met Hedda Gabler en de Rebekka van _Rosmersholm_ +doet, dan brengt hij haar dadelijk om, of hij geeft haar een geleide in +den geliefde--hand in hand. _Bevrijding_[57] is Ibsen's woord geworden, +en niet langer het scherpe woord: _vrijheid_. + + * * * * * + +Hij kwam zijn volk nabij, en toch kon Ibsen het niet meer geheel +naderen. Want hij ging al behooren tot het verleden. + +Er is een contrast in de motieven zijner laatste drama's waarop ik nog +niet voldoende heb gewezen: de tegenstelling tusschen een oude en een +nieuwe generatie van menschen. Langzamerhand wordt, in Ibsen's drama's, +de oppositie sterker van het opvolgende geslacht tegenover het +voorgaande, en de bruisende jeugd scheidt er zich af van de ouderlijke +woning om haar eigen weg van begeerte op te gaan (_John Gabriel +Borkman_, 1896). + +Ook die tweespalt van de moderne samenleving noteert de dichter, in zijn +eigen hooge stemming tegenover het leven; hij spaart de ouderen niet, en +hij erkent het recht van de jongeren. Maar men voelt dat het hem niet +gemakkelijk afgaat. Daar is iets hards, en daar is een breuk. Ibsen was +toch een man van het verleden geworden. + +Ja, erger: in veel opzichten was hij ouderwetsch.... + +Zijn groote ondernemers van zaken dateeren van dertig, veertig jaren +her, toen de ondernemingen nog niet zoo heel groot waren, zijn _grandes +coquettes_ hebben trekken die aan een voorbijgegane mode van coquetterie +herinneren, zijn beroemde beeldhouwer Rubek (_Wanneer wij dooden +ontwaken_) doet, wat het beeldhouwvak betreft, denken aan Thorwaldsen, +niet aan Rodin, of, om een Noorweger te noemen, aan Sinding....[58] + +Blijft ook de echt-Noorsche naiveteit[59] van oude dagteekening Ibsen +niet bij?... Maar ik ga niet voort met bijzaken op te tellen. Wat hem in +waarheid onderscheidt van zijn omgeving, dat zijn toch niet alleen zijn +gebreken, maar dat is in de eerste plaats zijn grootheid. Hij steekt een +hoofdlengte boven de anderen uit, door zijn behoefte en zijn vermogen om +in ieder fragment van het leven een geheel van leven te zien. De groote +Hervorming van het begin der 19e eeuw laat nog bij hem haar invloed +gelden,--in hem werkt nog een stemming door van de groote Revolutie.... + + * * * * * + +Daarom is hij, in onze hoogst moderne wereld, iemand van het verleden; +en Ibsen's werk ook trekt zich op 't eind terug uit de werkelijkheid van +de wereld. Het wordt symbolisch, dat is: het wil wat meer en wat anders +zeggen, dan het inderdaad zegt; het heeft overal heen betrekkingen[60]. + +Maar de voornaamste betrekking is van den dichter tot zijn eigen ziel. + +Hij staat voor me, in die symbolische drama's,--en zij beginnen reeds +met Bouwmeester Solness (1892), maar de twee laatste werken _John +Gabriel Borkman_ (1896) en _Wanneer wij dooden ontwaken_ (1899) zijn bij +uitnemendheid symbolisch te noemen,--ik zie hem voor me, afgewend van de +bedrijvige wereld, starend in de diepe verte, voor zijn geestesoog +oproepend het eigen leven en het leven der menschheid, tot voorwerp van +innig ene eeuwig beschouwen en overpeinzen. + + * * * * * + +[Illustratie: Ibsen's woning te Christiania tevens sterfhuis (1e etage)] + +Gedrongen en gebukt, met ik weet niet wat voor trotseerende macht in het +naar beneden gebogen voorhoofd, zit hij daar, in zich gekeerd en +verzonken, een denker van het bestaan. En hoe wijd verschillend is de +aanblik der dingen, gelijk hij ze in den spiegel zijner gedachten +opneemt, van den schijn waarmee de menschen hen omgeven! + +De menschen meenen dat hij, de dichter, tot een hoogtepunt van glorie +geklommen, rustig en zeker zijn triomf viert en geniet. Zij weten niet +dat, waar de wereld spreekt van een overwinning, dikwijls in het hart +van den overwinnaar een gevoel leeft van nederlaag. Maar hij weet het, +de dichter-peinzer. Wanneer hij aan een victorie denkt, dan is het aan +een van de toekomst. Zijn zegepraal,--daarvan is nog nooit het +bewustzijn tot hem doorgedrongen. Het is een triomf in afwachting en +verlangen. En hij weet dat die nooit zal komen. + +Hij gelijkt op den John Gabriel Borkman dien hij heeft geschapen, den +groot-ondernemer, den man met grootsche plannen van mijnbouwbedrijf en +ontwikkeling van welvaart. Borkman heeft de schatten van den grond uit +hun gebondenheid willen losmaken, en de menschen hebben hem hun +vertrouwen gegeven; maar hij is gestruikeld over een hinderpaal, een +hinderlaag, hij heeft zijn eerzucht geboet met opsluiting in de +gevangenis, daarna met opsluiting in het leven. Zijn eenige +vrijheid,--de illusie over de toekomst; zijn eenig vertoon van +trots,--de pose van gewaande grootheid. + +De dichter heeft, als zijn koopman, in de diepte willen graven; hij +wilde den rijkdom, gehouwen uit den mijngang van het hart, voor zijn +volk ontplooien, dat een stroom van energie zou uitgaan over zijn +Noorwegen, en hij moest onderdoen voor zooveel kleine verhoudingen in de +wereld,--hij moest zijn nederlaag erkennen tegenover de kleinheid van +zijn eigen geest, die de innigste eigenste kern en kracht van het leven +niet machtig en teeder genoeg vermocht te grijpen. + +En verder nog, tegelijk in 't verleden en in de toekomst zag de dichter. +Hij heeft gefaald, omdat hij zijn hart gaf aan den schijnrijkdom van het +leven. Wat deed hij daarmee anders dan het voorbeeld volgen van zijn +vader, zijn lichamelijken vader, Knut Ibsen, den rijken koopman, die +vertrouwend op zijn vermogen, zijn rijkdom had opgeofferd aan den +schijn, en die zijn weidsche uitzichten had zien ondergaan in een +failliet,--een gevangene voortaan van het leven? + +Maar hij, de zoon, hij, Henrik Johan Ibsen, had de engte van het +huiselijk bestaan niet kunnen verdragen. De begeerte en het zelfgevoel +en de trots van een eigen leven te voeren met zijn genot en zijn +grootheid had hem in de wijde wereld gelokt, en die vereenzaamden van +zijn huisgezin doen verstooten en vergeten. Die mokkende gevangenen die +op hem hun hoop hadden gebouwd, evenals het gezin van John Gabriel +Borkman zijn verwachting stelde op den zoon, die den naam van het +geslacht weder tot eere zou brengen,--hij had hun verlatenheid niet +gevoeld, en even als Erhard Borkman, gedreven en gezweept door zijn +wereldsche verlangen, had hij de ruimte gekozen.... + +Zoo peinsde en schouwde de dichter, en biechtte aan zichzelf de wreede +raadsels van het onontwijkbare lot--met hun schijnoplossing voor het +verstand van de wereld, hun onvervuldzijn in het wrakende besef van het +hart. + +En toch een illusie van vertrouwen, een pose van trots, een glimp van +verzekerdheid, een enkele flauwe lichtstraal, een dichter-overtuiging +van grootheid!... + +Of, in zijn meditatie over het gehalte van zijn kunst, rustte het oog +van den dichter op de drievoudige gestaltenis van zijn leven (_Wanneer +wij dooden ontwaken_). Het rees voor hem statuarisch in een enkelen +groep. De kunstenaar tusschen twee vrouwenbeelden: de eene vrouw, de +illusie van het ideaal, Irene, de vredebelovende bezielster der jeugd, +troosteres van den ouderdom; de andere, illusie der werkelijkheid, Maja, +de schijn, schijngezellin van zijn leven; de groep wordt afgesloten door +een achtergrond van gebergte, en een satyr, genius van den roes van het +natuurlijke levensgenot, ziet van die wilde hoogte op haar neer. + +Kunnen wij den dichter beluisteren en zijn fluisterende gedachten voor +ons gehoor opvangen, wanneer hij tegenover Irene, het in zijn jeugd +verlaten ideaal, en Maja, de wereldsche levensgenoote, gemeenschap houdt +met zijn ziel? + +Was er hem niet eenmaal een erfenis meegegeven uit den grooten zonnigen +dag van het levensgloren aan het begin der eeuw? maar zij was +weggezonken gedurende den nacht van den tijd in de mijnschacht van zijn +geest.... + +Het ideaal! + +Onder al de scherpte en bitterheid van zijn talent, onder den twijfel en +de vertwijfeling van zijn ziel, had de dichter toch den geheimen schat +van zijn ideaal bewaard. Een uniek verlangen doortrilde zijn +verborgenste hartekamer naar den reinen adel van de vrouwelijke +lentegestalte, het beeld der hernieuwing en herschepping van het jaar, +van het leven. En het was iets grooters dan het verlangen van zijn +persoonlijkheid; het was de behoefte en het heimwee van het stugge ras +waartoe hij behoorde, de zucht naar een wederopluiking van den teederen +luister van het leven, van de liefdevolle harmonie,--dat smachten en +haken en hijgen, dat eenmaal Wergeland's onbeholpen verzen doorgloeid +had, en dat de poezie van het Noorden met heimweevleugelen heeft doen +opstijgen. + +Maar trotsch en schuw, had de dichter de waarheid van zijn hart niet aan +eenig levend ideaal durven geven. Hij was teruggeweken voor de liefde: +in de werkelijkheid kende hij alleen de _comedie_ van de liefde, en hij +had zijn hart, de overgaaf van zijn geheele persoonlijkheid, niet over +voor een _comedie_. Zoo schiep hij, dichter en kunstenaar, in +vereenzaming zijn ideaal als dat van een eenzame tegenover het leven, +alsof er geen andere macht van vernieuwing bestond dan het eigen talent +en de eigen wil (_Brand_). De kunstenaar sloot zich op in zijn sfeer van +kunst. + +Wat hij voortaan van zijn kunst gaf voor het leven van zijn volk, dat +waren satires en "fratsen", "diergestalten" en caricaturen,--verwrongen +schaduwbeelden van het nooit meer te vervullen ideaal dat in zijn hart +bleef opgeborgen,--het ideaal dat de verholen achtergrond was voor zijn +misvorming van het leven. En de dichter-kunstenaar was in 't oog van de +wereld gehuwd met Maja, den schijn van de werkelijkheid. + +Daar ontmoette hem weder, midden in het gewone leven, de illusie van het +ideaal. Het ideaal kwam als een droomgestalte, en het was alsof het den +dichter in het leven had gevolgd en gezocht, nu hij zelf het ideaal niet +meer in 't leven wilde zoeken of volgen. + +Maar kon zij, Irene, de eenmaal verstootene, de zwaar beproefde, nog +langer de illusie geven van het ideaal? Was deze Irene nog een +vredebrengster die het leven zou vervullen en vernieuwen? De harde +lotsbestemming had haar in handen overgeleverd van het brutale +levensgenot. Zij was gekneusd, verminkt, bijna ontzield, een +levend-doode,--de ideale kunst was ten prooi geweest aan naturalisme en +grove zinnelijkheid. + +Toch.... + +De dichter zag haar in de oogen. Zijn medelijden met het leven was +ontwaakt, en met het ontwaken van zijn levensgevoel ontsloot zich in +zijn hart de teruggedrongen en opgepreste behoefte aan een vereeniging +van ideaal en leven, van kunst en gevoel. Hij zag haar in de starre +oogen: daar lag alleen rust en bevrediging; liefde welde in hem op voor +wat geslagen was en verbroken,... zijn liefde zou redden en heelen. De +oude scheppingsdrang hernieuwde zich.... Laat Maja, de schijngezellin, +vrij zijn, laat haar den satyr in 't gebergte volgen of hem bedriegen, +'t is den kunstenaar om 't even: hij wil zijn weergevonden ideaal, +Irene, opvoeren op hoogten van bergen in de reinheid en den glans van +het hooggestemde leven,--het brenge dan wat het wil. + + * * * * * + +Op die wijze houdt de dichter overzicht van de drie perioden van zijn +leven, den tijd van de _Comedie der Liefde_ en _Brand_[61], van satires, +van de wederaansluiting bij de samenleving. En hij ziet ze niet, zooals +wij ze zien, naar evenredigheid van wat ze hebben gebracht aan de +wereld, maar in vergelijking van wat ze misten ter voldoening aan de +behoeften van zijn ziel. Wij zien de volvoering, hij echter ziet het +ontbrekende. Zijn zegepraal en zijn glorie, ze zijn niet een zaak van +het verleden; hij heeft ze voor zich uitzweven,--in verlangen. Het is +hem alsof eerst nu, aan het eind van zijn levensweg, zijn oogen +opengaan. _Wanneer wij dooden ontwaken_! wanneer wij, die gemeend hebben +te leven, en die ons nauwelijks aan ons niet-bestaan konden +ontworstelen, eerst de oogen opslaan en het leven gewaar worden in zijn +oprechtheid en eenvoud!... + +Maar dan is het einde nabij. + +De dichter-peinzer weet het. Hij weet zichzelf, hij weet de afdwalingen +en afdalingen van zijn levensbaan, hij weet ook zijn glorie. Op de +hoogte van het leven verkeert hij in stille samenspraak met het Leven. +Een schijnsel omstraalt hem van het komende licht. Wat nood of de nacht +voor hem nabij is gekomen. Is hij ook niet een kind van den Nacht, hij +de mijnwerker, de graver en groever. De nacht, de aanstaande nacht, +brengt rust en vrede.--Laat hem genieten, dat eene, unieke oogenblik, +van het rein ontwaken zijner oogen. + +En van de hoogte kijkt de dichter uit op de hoogtepunten van zijn eigen +leven. + +Hij denkt aan zijn _Catilina_, het stuk van den somberen gewetens- en +wereldnacht, dat zijn trots was in de opgang van zijn jeugd; hij denkt +aan zijn _Julianus den Afvallige_[62], de schemerschepping geschapen op +de middaghoogte van zijn weg; en hij denkt aan het licht van het ideaal +dat voor hem oprijst en om hem heen rijst, nu de duistere schaduwen zijn +leeftijd overvallen. + +Zijn glorie is zijn opstanding, voor een oogenblik, uit den nijpenden +dood van het leven. + +Zie, de schemering heeft den nacht verjaagd, de morgenstond breekt zich +baan, brengt het licht; de morgenstond, het bleeke uur van herinnering, +van berouw, van voorgevoelens,--het ophelderende en oplichtende uur van +voorgevoel en verlangen, van verwachting, van Verrijzenis.... + + + * * * * * + + +AANTEEKENINGEN OP DE INLEIDING + + +[1] _Staats-satyricus_.--Zoo noemt zich Ibsen een paar maal in +tegenstelling zeker tot "staatsburger". "Ik heb het talent niet om +staatsburger te zijn," schreef hij aan G. Brandes. 3 Jan. 1882. + +[2] _Versregels_.--Goethe _Urworte_. W. A. III 95. + +[3] _Aangroeien v. verbeelding_.--W. Dilthey. _Das Erlebnis und die +Dichtung_. p. 284, 295. + +[4] _Steffens_.--H. Hoeffding. _Henrik Steffens. Tilskueren_. Jaarg. +1902. p. 942 vv. H. Steffens. _Was ich erlebte_. X. 269. "In der stillen +einsamen Jugend ward ich von einer Sehnsucht ergriffen, die mich der +Religion und der Natur in ihrer ganzen Fuelle entgegenfuehrte. Ein +unruhiges, ja wildes Temperament lockte mich im grellen Gegensatz." + +[5] _Steffen's vader over den val der Bastille_.--Vgl. Steffens ibid. I +362-364. + +[6] _Steffens over Oehlenschlaeger_.--_Was ich erlebte_ V. p. 26 vv. Ad. +Oehlenschlaeger _Meine Lebenserrinnerungen_. I 204, vv. Kr. Arentzen. +_Baggesen og Oehlenschlaeger_. Kopenh. 1872, II p. 21 vv. + +[7] _Genialiteit_.--Arentzen l.l. II. 147. + +[8] _Oehlenschlaeger als voorganger_.--Vgl. o.a. V. Birkedal. _Persoenlige +Oplevelser i et langt Liv_. III p. 66. + +[9] _Hij hield het oog op het geheel_.--Zie Oehlenschlaeger's voorwoord +tot de _Poetiske skrifter_ van 1805, de passage die begint: "Fundamentet +for den sande Kunst er Harmonieen...." + +[10] _Een brief van_ 1814.--Zie Arentzen l.l, Voorwoord van het derde +deel: vgl. ook Arentzen dl. VIII, p. 111. + +[11] _Toestand van Noorwegen_.--Zie H. Jaeger. _Literaturhistoriske +Pennetegninger (Norskhedsperioden)_ p. 140 vv. H. Lassen. _Henrik +Wergeland og hans Samtid_ (2e ed.) p. 76 v. H. Steffens l.l. IX p. 233. + +[12] _Het woord van vrijheid_.--De feestdag van den 17en Mei, datum der +constitutie, mocht gedurende geruimen tijd niet worden gevierd. In +Skien, Ibsen's geboortestad, liet men het alleen oogluikend toe, zelfs +als er na 1830 een verandering in de stemming was gekomen, uit vrees +voor een machtig man in de nabijheid der stad. H. Jaeger. _Henrik +Ibsen_. Et literaert livs billede. p. 15. + +[13] _Sinds_ 1825.--H. Jaeger. _Pennetegninger_. p. 146 naar +Schweigaard. _Norges Statistik. Schreef_ in 1828.--Lassen H. +_Wergeland_. p. 13, 30. + +[14] _Opdracht aan H. Steffens_.--Jaeger. l.l. p. 158 noot. + +[15] _Het hemel en aard gedicht_.--Van Wergelands _Skabelsen, Menensket +og Messias_ ken ik de eerste uitgaaf slechts uit Welhaven's kritiek +(_Samlede Skrifter_ dl. I). In de literatuurhistorien wordt gewoonlijk +de door Wergeland kort voor zijn dood herziene uitgaaf van 1845 (met den +titel _Mennesket_) aangehaald en besproken. Een exemplaar daarvan is in +Potgieters bibliotheek. + +[16] _Kind der revolutie_.--Zie behalve de bovengenoemden de belangrijke +inleiding van J.E. Sars tot W's _Norges Konstitutions historie_. H.W's +_Skrifter i Udvalg_, Kristiania, 1898. Dl. III. Voor Wergelands +denkbeelden in dezen eersten tijd, vlg. ook vooral zijn verhandeling +_Hvi skrider Menneskeheden saa langsomt frem_? (1831). _Skrifter i +udvalg_ I p. 600 vv. + +[17] _Levensgevoel_.--Men vgl. de mooie inleiding van C. Naerup tot W's +_Skrifter_. Dl. I en de bekende redevoering v. B. Bjoernson bij de +onthulling van W's standbeeld. + +[18] _Wergelands woorden_.--Zie L. Dietrichson. _Omrids af den norske +Poesis Historie_ II P. 58. + +[19] _Richting in Denemarken_.--Bedoeld is het zoogenaamde +Grundtvigianisme; voor de verhouding daarvan tot Oehlenschlaeger zie o.a. +Arentzen l.l. Dl. III en vv. + +[20] _Samenhang v. Europeesch geestesleven_. Het voorbeeld is ontleend +aan de citaten uit gelijktijdige dagbladen bij Jaeger l.l. p. 152. + +[21] _G. Meredith_.--Meredith is 12 Februari 1828 geboren in Hampshire +(R. le Gallienne. _G. Meredith. Some characteristics_. p. LVI.) Ook +Dante Gabriel Rossetti is in 1828 geboren, maar deze kan moeilijk ter +vergelijking gebezigd worden om zijn exotische afkomst--half Italiaan, +half Engelschman. Ook is zijn baan in 't midden afgebroken, en zijn +dichttalent werd voor een groot deel bepaald door zijn schildersneiging. +Bij Ibsen is het schildertalent geheel geweken. + +[22] _Zij hield het oor van den nacht gevangen_.--Meredith. _Sandra +Belloni_ ch. II. + +[23] _Zoo rijst de blanke heerlijkheid_ enz.--Meredith. _The ordeal of +Richard Feverel. Beauchamp's Career_. Vgl. mijn studie over M. in de +Gids van October, 1896. + +[24] _Zich te bezinnen_.--Allusie op de versregels van _Modern Love_ +XLVIII: More brain, O Lord, more brain! or we shall mar Utterley this +fair garden we might win. + +[25] _Modern Love_ is in 1862 uitgekomen. Ibsen is zijn _Kjaerlighedens +Komedie_ in 1860 begonnen. (R. Woerner. _Henrik Ibsen_. I p. 493). Den +besten commentaar op _Modern Love_ geeft G.M. Trevelyan. _The poetry and +philosophy of G.M._ + +[26] _The Egoist_.--Meredith's roman is uitgekomen in 1879. + +[27] _Romans uit Meredith's 3e periode:--One of our conquerors, Lord +Ormont and his Aminta, The amazing marriage_ verschenen van 1890-'95. + +[28] _"Lo, where"_ etc.--Aanhaling der slotregels van _The Sage +anamoured and the honest Lady_. Voor 't eerst gepubliceerd in 1894. + +[29] _Taine_.--Het 1e deel der _Origines de la France contemporaine_ +kwam uit in 1875, de volgende deelen die de Revolutie behandelen--en +daarom is 't hier vooral te doen--verschenen sinds 1878. + +[30] _Zucht naar vereeniging met de natuur_. Taine. _Vie et +correspondance_, de brief van 10 Maart 1849 aan Prevost Paradol. + +[31] "_Decrire une ame humaine._"--_De l'Intelligence_. (3e ed.) I +p. 21. + +[32] _"Il ressemble a un homme."_--_Vie et opinions de M. Graindorge_. +p. 324. + +[33] _Beschouwing van de kunst_.--_De l'ideal dans l'art_ (ed. 1867) +p. 129-131. + +[34] _Vraagt hij_.--Aan George Brandes, brief van 30 Januari 1875. + +[35] _Het groote vraagstuk_.--Zie Julius Clausen. _Scandinavismen +historisk fremstillet_, p. 85 vv. over de ontwikkeling dier richting in +1845. + +[36] _De leus van B. Bjoernson_.--J. Clausen l.l. p. 211. + +[37] _Het werk in Noorwegen na 1870_.--Vgl. vooral het programma van +Johan Sverdrup, den grooten Noorschen staatsman, in een brief van 1870 +meegedeeld in Halvorsen's _Norsk Forfatter-lexicon_. V p. 574, en voor +het staatsleven in Noorwegen, verder het geheele artikel. Zie ook de +inleiding van H. Haug's art. _Det norske Samlingsparti. Tilskueren_, +1905. p. 792. + +[38] _Sinds_ 1884 en '85.--Vgl. Ibsen's brief aan B. Bjoernson van 28 +Maart 1884, en H. Jaeger. _Henrik Ibsen_ p. 280 over Ibsen's bezoek aan +Noorwegen in 1885. Zie ook Laura Kieler. _Silhouetter_. p. 12. + +[39] _Revolutie en pietisme in Catilina_.--Vgl. H. Jaeger. _H. Ibsen og +hans vaerker, en fremstiling i grundrids_. p. 8, 9. R. Woerner. _H. +Ibsen_. p. 29. + +[40] _Pietisme en mysterie_.--Vgl. Collin. _H. Ibsen's dramatiske +Bygningsstil. Tilskueren_. Aug. 1906. + +[41] _De krijgers op Helgeland_.--In Augustus 1857 voltooid, in November +1858 te Christiania vertoond. + +[42] _De mijnwerker_.--Reeds 1851 verschenen. Een eerste omwerking +verscheen in 1863. In de uitgaaf der gedichten van 1871 (In de 4e +uitgaaf der _Digte_, die ik gebruik, 1882, staat _Bergmanden_ p. 17) +komt dan een tweede ingrijpende omwerking voor. Ik volg in mijn +_Inleiding_ natuurlijk de eerste versie, die het zuiverste beeld geeft. +Een vergelijking der beide eerste versies geeft R. Woerner's _Henrik +Ibsen_ I p. 397, zie ook aldaar p. 327. Hij heeft echter niet het belang +begrepen van de oorspronkelijke voorstelling van het gedicht. + +[43] _H. Steffens_.--Toespeling op zijn _Beitraege zur inneren +Naturgeschichte der Erde_. 1801. Vgl. daarover R. Haym. _Die romantische +Schule_. p. 626-630. + +[44] _Ibsen's twijfel aan den voortgang van zijn werk_.--Vgl. het +gesprek tusschen Jatgeir, den skalde en hertog Skule in het 4e bedrijf +van de _Kroonpretendenten_. + +[45] _Oordeel van de wereld_.--Vgl. o.a. H. Jaeger. p. 165. R. Woerner I +p. 139. Magdalene Thorensen's (schoonmoeder van Ibsen) oordeel over den +dichter in dezen tijd in G. Brandes' _Levned_, p. 149: "Hvad han +skriver, er fladt som en Tegning." etc. + +[46] _Grauwe schemeren_.--Tausmoerket. + +[47] _Intusschen_.--Sommige uitdrukkingen van Duitsche schrijvers, b.v. +van R. Lothar _Henrik Ibsen_, p. 91, zouden doen veronderstellen dat het +drama van Julianus den Afvallige door Ibsen na _Brand_ en in gevolge van +_Brand_ werd geconcipieerd; inderdaad is het een vroegere conceptie, +vgl. brief aan B. Bjoernson van 16 Sept. 1864, en L. Dietrichson. +_Svundne Tider_ I p. 336. + +[48] _Meewerking aan den tijd_.--Vgl. brief aan E. Gosse, 14 Octob. +1872. + +[49] _Distantie_.--Vgl. brief aan Magd. Thorensen, 3 December 1865. + +[50] _Het grote gebeuren tusschen_ 1864 en 1871.--Vgl. brief aan J. +Hoffory. 26 Febr. 1888. + +[51] _Determinisme_.--Hierbij mag ook de directe invloed van H. Taine +niet onopgemerkt blijven, met wiens werk Ibsen door G. Brandes bekend +werd. + +[52] _Midden onder zijn groote werk_.--Het eerste plan van het _Verbond +der Jeugd_ dagteekent denkelijk van 1874, vgl. den brief van 16 Sept. +1864 aan Bjoernson en de aanteekening daarop Ibsen's _Saemmtl. Werke_. X +p. 428. + +[53] _Het Verbond der Jeugd een inleiding_.--Vgl. A. Kerr. _Das neue +Drama_, p. 16-18. + +[54] In 1885_zeide Ibsen_.--Vgl. L. Kieler. _Silhouetter_. p. 12. + +[55] _De Wilde Eend_.--Voor de juiste opvatting van dit drama (de +beschouwing heeft haar oorsprong in den naasten kring van Ibsen), vgl. +H. Jaeger. _H. Ibsen og hans vaerker_. En _fremstilling i grundrids_. p. +176 vv. Zie ook van mijn hand _Poezie en Leven in de 19e eeuw_. p. 359 +vv. + +[56] _Rosmersholm_.--Vgl. A. v. Berger. _Studien en Kritiken_ p. 214 vv. +en het hierboven aangehaalde _Poezie en Leven_ p. 370 vv. + +[57] _Bevrijding_.--Vgl. Lou Andreas Salome. _H. Ibsen's Frauengestalten_. + +[58] _Sinding_.--Vergelijking van Sinding met Rodin in M. Bigeon. _Les +revoltes Scandinaves_, p. 83. + +[59] _Noorsche naieveteit_.--Vgl. L. Kieler l.l. + +[60] _De symbolische werken hebben overal heen betrekkingen_.--Vgl. b.v. +H. Dikmar's studie over Ibsen's _Bygmester Solness_ in _To literaere +Studier_. Kristiania 1894 en E. Holm. _H. Ibsen's politisches +Vermaechtnisz_. Wien, 1906. + +[61] _De Comedie der Liefde_ als een voorlooper van _Brand_.--Vgl. brief +aan T. Hegel van 31 Augustus 1866. + +[62] _Julianus de Afvallige_.--Vgl. brief aan L. Daae, 23 Februari 1873: +(Duitsche uitg.) "Im Charakter Julians findet sich mehr geistig +Durchlebtes, als ich dem Publikum gegenueber verantworten moechte." + + + * * * * * + + +DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ + +TOONEELSPEL IN VIER BEDRIJVEN + + + * * * * * + + +PERSONEN: + + KARSTEN BERNICK, Consul. + BETTY, zijn vrouw. + OLAF, hun zoon dertien jaar oud. + MARTHA BERNICK, zuster van den consul. + JOHAN TOeNNESEN, jongere broer van mevrouw Bernick. + LONA HESSEL, haar oudere halve-zuster. + HILMAR TOeNNESEN, neef van mevrouw Bernick. + ROeRLUND, hulpprediker. + RUMMEL, groothandelaar. + VIGELAND en + SANDSTAD, kooplieden. + DINA DORF, een jong meisje bij Bernick in huis. + KRAP, procuratiehouder van Bernick. + AUNE, scheepsbouwmeester. + Mevrouw RUMMEL. + Mevrouw HOLT, vrouw van den postdirecteur. + Mevrouw LYNGE, vrouw van den dokter. + HILDA RUMMEL. + NETTA HOLT. + + Burgers en andere inwoners, vreemde zeelui, stoomboot-passagiers + enz. + + + Het stuk speelt in een klein Noorsch havenstadje, in het huis van + den heer Bernick. + + * * * * * + + +EERSTE BEDRIJF + + Een ruime tuinkamer in het huis van consul Bernick. Links op den + voorgrond een deur leidend naar de kamer van den consul; wat verder + aan denzelfden wand een dergelijke deur. In 't midden van den + tegenovergestelden wand een groote entree-deur. De achterwand is + bijna geheel van spiegelglas met een openstaande deur die naar een + breede tuintrap leidt, waarover een zonnescherm gespannen is. Onder + aan de trap is een gedeelte van den tuin zichtbaar, omheind door + een hekje dat een uitgang heeft. Buiten langs het hekje loopt een + straat, die aan den overkant bebouwd is met kleine in lichte + kleuren geverfde houten huizen. Het is zomer en de zon schijnt + warm. Enkele menschen gaan nu en dan voorbij in de straat; zij + blijven staan en praten samen; in een winkel op den hoek worden + klanten bediend, enz. enz. + + Binnen in de tuinkamer zit rondom de tafel een gezelschap dames. In + het midden zit mevrouw Bernick. Aan haar linkerkant zit mevr. Holt + met haar dochter; daarnaast mevr. Rummel en haar dochter. Rechts + van mevr. Bernick zitten mevr. Lynge, Martha Bernick en Dina Dorf. + Alle dames houden zich bezig met een handwerk. Op de tafel liggen + groote stapels halfgereed of geknipt linnengoed en andere kleeren. + Wat verder weg bij een klein tafeltje waarop twee bloempotten en + een glas suikerwater staan, zit Roerlund en leest voor uit een + verguld-op-snee-gebonden boek, doch zoo dat maar enkele woorden + voor de toeschouwers verstaanbaar zijn. Buiten in den tuin loop + Olaf rond en schiet af en toe met een boog. + + Een beetje later komt Aune zachtjes binnen door de deur rechts. Dat + brengt een beetje stoornis in het voorlezen; mevr. Bernick knikt + hem toe en wijst naar de deur links. Aune gaat er zachtjes heen en + klopt een paar keer met eenige tusschenruimte op de deur van + Bernick's kamer. Krap komt met zijn hoed in de hand en stukken + onder den arm er uit. + + * * * * * + +KRAP. O, ben jij het die klopt? + +AUNE. Mijnheer Bernick heeft om me gezonden. + +KRAP. Dat heeft hij ook; maar hij kan je niet ontvangen. Hij heeft mij +opgedragen.... + +AUNE. U? Ik wou nog liever! + +KRAP. ... mij opgedragen het je te zeggen. Je moet ophouden met die +Zaterdag-avonds-voordrachten voor de werklui. + +AUNE. Zoo? Ik zou toch denken dat ik mijn eigen vrijen tijd mocht +gebruiken.... + +KRAP. Je mag niet je vrijen tijd gebruiken om de menschen onbruikbaar te +maken in hun werkuren. Verleden Zaterdag heb je gesproken over de schade +die de werklui zullen lijden door onze nieuwe machines en door de nieuwe +methode van werken op de werf. Waarom doe je dat? + +AUNE. Dat doe ik om de maatschappij te steunen. + +KRAP. Dat is zonderling! De consul zegt juist dat zoo iets de +maatschappij onderste boven gooit! + +AUNE. Mijn maatschappij is niet die van den heer Bernick, meneer Krap. +Als president van den werkliedenbond moet ik.... + +KRAP. Je bent in de allereerste plaats meesterknecht op de werf van den +heer Bernick. Je hebt in de allereerste plaats je plicht te doen jegens +den bond genaamd "de firma Bernick", want daarvan leven wij allemaal.... +Ziezoo, nu weet je wat de consul je te zeggen had. + +AUNE. De consul zou het niet op die manier gezegd hebben, meneer Krap! +Maar ik begrijp best aan wien ik dit te danken heb ... aan dien +vervloekten Amerikaan die hier in reparatie ligt. De menschen willen dat +hier net zoo gewerkt zal worden als zij daarginder gewend zijn, en +dat.... + +KRAP. Nou ja, hoor ... met die praatjes kan ik me niet inlaten. Je weet +nu hoe mijnheer Bernick er over denkt, en dus basta! Ga nu alsjeblieft +naar de werf terug, ze kunnen je daar noodig hebben; ik kom zelf straks +ook. Excuseert dames! (_Hij groet en gaat door den tuin de straat op. +Aune gaat stil naar rechts. Roerlund, die gedurende dit op gedempten toon +gevoerde gesprek is blijven doorlezen, heeft even daarna het boek uit en +slaat het dicht_). + +ROeRLUND. Ziezoo, lieve toehoorderessen, hiermee is het uit. + +MEVR. RUMMEL. Och, wat een leerrijk verhaal! + +MEVR. HOLT. En zoo stichtelijk! + +MEVR. BERNICK. Zoo'n boek geeft waarlijk heel wat om over na te denken. + +ROeRLUND. O ja; het is een weldadige tegenhanger van al de dingen, die +wij helaas, iederen dag zoowel in couranten als tijdschriften te lezen +krijgen. Die vergulde en geblankette buitenzijde die de groote +maatschappij ten toon stelt, wat verbergt die eigenlijk? Leegheid en +verrotting als ik het zoo zeggen mag. Daar is heelemaal geen moreele +vaste ondergrond onder de voeten. In een woord, het is een gepleisterd +graf, die groote hedendaagsche maatschappij. + +MEVR. HOLT. Ja ... dat is maar al te waar. + +MEVR. RUMMEL. Wij hoeven alleen maar te zien naar de Amerikaansche +zeelui, die tegenwoordig hier in de haven liggen. + +ROeRLUND. Och, van zulk uitschot der menschheid wil ik niet eens spreken. +Maar zelfs in de hoogere kringen ... hoe is het daar gesteld? Twijfel +en gisting overal; onrust in de gemoederen en onvastheid in alle +verhoudingen. Wat is het familieleven niet ondermijnd daarginder. Wat +een dringen en drijven om zelfs de hoogste waarheden onderste boven te +halen. + +DINA (_zonder op te zien_). Maar gebeuren daar ook niet wel groote +dingen? + +ROeRLUND. Groote dingen...? Ik begrijp niet.... + +MEVR. HOLT (_verbaasd_). Maar lieve hemel, Dina...! + +MEVR. RUMMEL (_tegelijkertijd_). Maar Dina, hoe verzin je 't...? + +ROeRLUND. Ik zou het niet als een geluk beschouwen als zulk soort van +dingen hier ook gebeurden. Neen, dan mogen wij God nog wel danken dat +het hier is zooals het is. Wel groeit ook hier helaas veel onkruid onder +de tarwe, maar wij doen toch braaf ons best om dat zoo goed mogelijk uit +te roeien. Het komt er op aan, dames, al het onreine en verderfelijke +ver van ons te houden, dat een onrustige tijd ons wil opdringen. + +MEVR. HOLT. En daarvan is hier ook al meer dan genoeg, helaas! + +MEVR. RUMMEL. Ja, 't heeft verleden jaar toch maar een haartje gescheeld +of wij hadden hier ook al een spoorweg gekregen. + +MEVR. BERNICK. Dat heeft Bernick gelukkig nog kunnen tegenhouden. + +ROeRLUND. De Voorzienigheid, mevrouw. U kan er van overtuigd zijn, dat uw +man het werktuig was in de hand van een Hoogere Macht, toen hij weigerde +zich met die zaak in te laten. + +MEVR. BERNICK. En toch werd hij zoo aangevallen in de couranten. Maar +wij vergeten heelemaal u te bedanken, mijnheer Roerlund. Het is waarlijk +meer dan vriendelijk van u ons zooveel van uw kostbaren tijd te geven. + +ROeRLUND. Geen kwestie van ... nu in de vacantie.... + +MEVR. BERNICK. Nu ja ... maar het is toch heusch wel een offer.... + +ROeRLUND (_haalt zijn stoel dichterbij_). Spreek daar toch nooit van, +lieve mevrouw. Brengt u niet allemaal een offer ter wille van een goede +zaak? Of brengt u het soms niet gewillig en blijmoedig? Deze +moreel-verdorvenen, aan wier verbetering wij arbeiden, zijn te +beschouwen als gewonde soldaten op een slagveld. U, dames, zijt allemaal +de diaconessen, de liefdezusters die pluksel maken voor de arme +ongelukkigen, met zachte hand verbanden aanlegt om de wonden, ze +verpleegt en geneest. + +MEVR. BERNICK. Het moet toch wel een hemelsche gaaf zijn om alles in +zoo'n mooi licht te kunnen zien. + +ROeRLUND. Veel is er in zoo iets aangeboren, maar veel kan men ook +verwerven. 't Komt er maar op aan de dingen te zien in het licht van een +ernstigen levenstaak. Wat zegt u er van, juffrouw Bernick? Vindt u niet +dat u om zoo te zeggen op een steviger grondslag staat, sedert u zich +wijdt aan de school? + +MARTHA. Och, ik weet eigenlijk niet wat ik zeggen moet. Soms als ik +daarginder de school binnenga, wou ik dat ik ver weg was op de wilde +zee. + +ROeRLUND. Ach ja, dat zijn de booze aanvechtingen, lieve juffrouw. Maar +voor dergelijke onstuimige gasten moeten wij onze deur streng gesloten +houden. De wilde zee ... dat meent u natuurlijk niet letterlijk; u +bedoelt de groote golvende menschenwereld daarbuiten, waar zoo velen te +gronde gaan. En hecht u dan waarlijk zooveel waarde aan dat leven dat u +daarginder hoort bruisen en ruischen? Kijk eens op straat. Daar loopen +de menschen zweetend en zwoegend in de brandende zon en maken het zich +druk met al hun zaken. Neen, dan hebben wij het toch heusch beter, wij, +die hier in de koelte zitten en onzen rug kunnen keeren naar den kant +van waar de moeilijkheden komen.... + +MARTHA. Och Heer, ja, u heeft stellig wel gelijk.... + +ROeRLUND. En in een huis als dit ... in een goed en rein thuis, waar het +familieleven zich in zijn mooiste gestalte vertoont ... waar vrede en +eendracht wonen.... (_tegen mevrouw Bernick_) Waar luistert u naar, +mevrouw? + +MEVR. BERNICK (_naar de eerste deur links gewend_). Wat praten ze hard +daar in de kamer. + +ROeRLUND. Is er dan iets bizonders gaande? + +MEVR. BERNICK. Ik weet 't niet. Maar ik hoor dat er iemand bij mijn man +is. + +(_Hilmar Toennesen, met een sigaar in den mond, komt uit de deur rechts +... hij blijft staan als hij al die dames ziet_). + +HILMAR. O, pardon.... (_wil zich terugtrekken_) + +MEVR. BERNICK. Neen Hilmar, kom maar hier, je hindert ons niet. Wou je +iets? + +HILMAR. Neen, ik kwam maar eens kijken. Goeden morgen, dames (_tegen +mevr. Bernick_). Nou, wat komt er nu van? + +MEVR. BERNICK. Waarvan? + +HILMAR. Wel, Bernick heeft immers een vergadering bij elkaar getrommeld. + +MEVR. BERNICK. Zoo? Maar wat is er dan eigenlijk aan de hand? + +HILMAR. Och, 't is dat gezanik weer over dien spoorweg. + +MEVR. RUMMEL. Neen ... maar dat kan toch niet! + +MEVR. BERNICK. Die arme Karsten, moet hij daar nu nog al meer +onaangenaamheden over hebben.... + +ROeRLUND. Maar hoe is dat mogelijk, mijnheer Toennesen? Consul Bernick +heeft toch verleden jaar zoo duidelijk te kennen gegeven dat hij geen +spoorweg wilde hebben. + +HILMAR. Ja, dat dacht ik ook. Maar ik heb daar straks Krap ontmoet en +die vertelde dat die spoorweghistorie weer op het tapijt was gebracht, +en dat Bernick zou vergaderen met drie geldmannen uit de stad. + +MEVR. RUMMEL. 't Wou mij ook al voorkomen of ik Rummel's stem zoo even +hoorde. + +HILMAR. Ja, mijnheer Rummel is er natuurlijk ook bij, en dan Sandstad +van den Steenweg en Michel Vigeland ... de "Heilige Michael" zooals ze +hem noemen. + +ROeRLUND. Hm.... + +HILMAR. Pardon, mijnheer Roerlund. + +MEVR. BERNICK. En 't was hier nu juist zoo rustig en vredig. + +HILMAR. Nou, wat dat betreft, ik heb er niets tegen dat ze weer eens een +beetje beginnen te bakkeleien. Dat is ten minste nog eens een afleiding. + +ROeRLUND. Mij dunkt zulk soort van afleidingen kunnen wij wel missen. + +HILMAR. Dat is een kwestie van temperament. Sommige naturen hebben nu en +dan eens een beetje opwekkenden strijd noodig. Maar zoo iets levert het +kleine stadsleven helaas maar weinig op, en niet iedereen is het +gegeven.... (_hij bladert in het boek van Roerlund_) "De vrouw als +dienstbare in de Maatschappij". Wat is dat voor onzin? + +MEVR. BERNICK. He, Hilmar, zeg dat nu niet. Je hebt zeker dat boek niet +gelezen? + +HILMAR. Neen, en ik ben ook heelemaal niet van plan het te doen. + +MEVR. BERNICK. Je voelt je zeker niet erg lekker vandaag. + +HILMAR. Neen, dat doe ik ook niet. + +MEVR. BERNICK. Heb je misschien van nacht niet goed geslapen? + +HILMAR. Neen, ik heb heel slecht geslapen. Ik wandelde nog een eindje om +gisteren avond, voor mijn zenuwen; liep toen nog even op in de societeit +en las daar een reisverhaal van de Noordpool. Dat is nog eens iets om +een mensch te stalen, als je ze zoo volgt in hun strijd met de elementen. + +MEVR. RUMMEL. Maar dat schijnt u toch niet goed bekomen te zijn, +mijnheer Toennesen. + +HILMAR. Neen, het is mij heel slecht bekomen. Ik heb mij den heelen +nacht om-en-om gerold tusschen waken en slapen en droomde dat ik +achterna gezeten werd door een afschuwelijken walrus. + +OLAF. Is u nagezeten door een walrus, oom? + +HILMAR. Dat heb ik gedroomd, jij domoor! Maar loop jij nou nog altijd te +spelen met dien mallen boog? Waarom zie je toch niet een behoorlijk +geweer te krijgen? + +OLAF. Nou, ik zou wat graag willen, maar.... + +HILMAR. Want een geweer dat beteekent ten minste wat; daar is altijd +iets spannends in als je vuren gaat. + +OLAF. En dan zou ik beren kunnen gaan schieten, he oom? Maar dat mag ik +toch niet van Papa. + +MEVR. BERNICK. Je moet hem heusch niet zulke dingen in het hoofd praten, +Hilmar. + +HILMAR. Hm ... een mooi geslacht dat ze opkweeken tegenwoordig! Maken ze +me daar een groote drukte over allerlei lichaamsoefeningen ... lieve god +ja!... en 't is niets dan een spelletje. Nooit een ernstig streven naar +dat echte stalende, dat er steekt in het manmoedig een gevaar te gemoet +gaan. Sta daar niet zoo met dien boog naar me te wijzen, jij lummel, die +kon wel eens losschieten. + +OLAF. Neen oom, er is geen pijl op. + +HILMAR. Dat kan je niet weten; er kan toch wel een pijl op zitten. Leg +ze weg, zeg ik.... Wat drommel, waarom ben jij niet meegevaren naar +Amerika met een van je vaders schepen? Daar kon je nog eens een +buffeljacht of een gevecht met Indianen bijwonen misschien. + +MEVR. BERNICK. Och maar, Hilmar.... + +OLAF. Nou, dat zou ik wat graag willen, oom; en misschien zou ik dan ook +Johan en tante Lona ook wel ontmoeten. + +HILMAR. Hm ... nonsens. + +MEVR. BERNICK. Olaf, je kunt nu wel weer in den tuin gaan. + +OLAF. He Ma, mag ik ook op straat gaan? + +MEVR. BERNICK. Ja, maar niet te ver weg. (_Olaf loopt het hekje uit_). + +ROeRLUND. U moet dat kind niet zulke dwaasheden in het hoofd praten, +mijnheer Toennesen. + +HILMAR. Neen, natuurlijk niet. Hij moet zoet hier blijven bij moeders +pappot, zooals zooveel anderen. + +ROeRLUND. Maar waarom maakt u dan zelf die reis niet eens? + +HILMAR. Ik? Met mijn zenuwlijden? Nou ja, dat spreekt, daar wordt hier +niet veel notitie van genomen. Maar buitendien ... een mensch heeft ook +plichten in acht te nemen jegens de wereld waarin hij verkeert. Er dient +toch wel _iemand_ te zijn om de vaan der idee hoog te houden. He! wat +schreeuwt hij weer! + +DE DAMES. Wie schreeuwt er? + +HILMAR. O dat weet ik niet. Ze praten een beetje erg hard daar binnen, +en dat maakt mij zenuwachtig. + +MEVR. RUMMEL. Dat zal mijn man wel zijn, mijnheer Toennesen. Maar weet u, +hij is zoo gewend in groote vergaderingen te spreken.... + +ROeRLUND. De anderen praten nu ook zoo zachtjes niet, vind ik. + +HILMAR. Neen, godbewaarme, als het er op aan komt de handen op de zakken +te houden, dan.... Alles gaat hier immers op in kleine materieele +berekeningen. Bah! + +MEVR. BERNICK. Dat is in alle geval beter dan vroeger toen alles in +plezier-maken opging. + +MEVR. LYNGE. Was het hier heusch zoo erg vroeger? + +MEVR. RUMMEL. O mevrouw, als u dat eens wist! U mag blij zijn dat u toen +niet hier woonde. + +MEVR. HOLT. Ja, hier is heel wat verandering gekomen! Als ik denk hoe +het was in mijn meisjestijd.... + +MEVR. RUMMEL. O ga maar eens in gedachten een veertien, vijftien jaar +terug. Lieve, goede hemel, wat een leven was dat! Toen bestonden nog de +dansclub en de muziekvereeniging.... + +MARTHA. En het tooneelgezelschap. Dat herinner ik mij nog heel goed. + +MEVR. RUMMEL. Ja, daar werd toen uw stuk gespeeld, mijnheer Toennesen. + +HILMAR (_gaat naar den achtergrond_). Och wat!... + +ROeRLUND. Een stuk van den student Toennesen? + +MEVR. RUMMEL. Ja, dat was lang voor dat u hier kwam, mijnheer Roerlund. +Maar het is maar een enkelen keer gespeeld. + +MEVR. LYNGE. Heeft u mij niet verteld dat u in dat stuk de rol van de +minnares gespeeld heeft, mevrouw Rummel? + +MEVR. RUMMEL (_kijkt op zij uit naar Roerlund_). Ik? Dat herinner ik mij +heusch niet meer, mevrouw. Maar ik herinner mij nog wel heel goed hoe +vreeselijk veel er toen werd uitgegaan. + +MEVR. HOLT. Ja, ik weet nog best in welke families er tweemaal in de +week een groot diner was. + +MEVR. LYNGE. En een rondreizend tooneelgezelschap is er ook eens +geweest, heb ik gehoord. + +MEVR. RUMMEL. Ja, dat was wel het allerergste!... + +MEVR. HOLT (_onrustig_). Hum ... hum.... + +MEVR. RUMMEL. O? Een tooneelgezelschap? Neen, daar weet ik niets meer +van. + +MEVR. LYNGE. Ja, de menschen moeten hier heel wat rare stukjes +uitgehaald hebben. Wat waren dat eigenlijk voor histories? + +MEVR. RUMMEL. Och, mevrouw, dat had eigenlijk niets te beduiden. + +MEVR. HOLT. Lieve Dina, geef mij dat linnen eens aan. + +MEVR. BERNICK (_gelijktijdig_). Beste Dina, ga eens vragen of Katrine de +koffie brengen wil. + +MARTHA. Ik ga met je mee, Dina. (_Dina en Martha gaan weg door de +laatste deur links_). + +MEVR. BERNICK (_staat op_). En ik moet u ook verzoeken mij even te +verontschuldigen, dames; misschien kunnen wij aanstonds wel buiten +koffie drinken. (_Zij gaat de tuintrap af en dekt de tafel. Roerlund +staat in de deur en praat met haar. Hilmar zit buiten te rooken_). + +MEVR. RUMMEL (_zachtjes_). Lieve hemel, mevrouw Lynge, wat heeft u mij +doen schrikken! + +MEVR. LYNGE. Ik? + +MEVR. HOLT. Ja, maar u begon er toch zelf over, mevrouw Rummel. + +MEVR. RUMMEL. Ik? Maar mevrouw Holt hoe kan u zoo iets zeggen? Ik heb +toch geen enkel woord losgelaten. + +MEVR. LYNGE. Maar wat is er dan toch? + +MEVR. RUMMEL. Hoe kon u daar nu over praten...! Zag u dan niet dat Dina +in de kamer was? + +MEVR. LYNGE. Dina? Maar lieve hemel, is er dan iets gebeurd met ...? + +MEVR. HOLT. En hier in huis nog al! Weet u dan niet dat de broer van +mevrouw Bernick...? + +MEVR. LYNGE. Wat dan toch? Ik weet heelemaal niets; ik ben hier pas +gekomen.... + +MEVR. RUMMEL. Heeft u niet gehoord dat...? Hm,... (_tegen haar +dochter_). Hilda, jij moest maar eens een beetje in de tuin gaan. + +MEVR. HOLT. En jij ook, Netta. En wees maar heel vriendelijk tegen die +arme Dina als ze komt. (_Beiden gaan de tuin in_). + +MEVR. LYNGE. En wat was er nu met dien broer van Mevrouw Bernick? + +MEVR. RUMMEL. Weet u dan niet dat hij die leelijke geschiedenis heeft +gehad? + +MEVR. LYNGE (_wijzend naar Hilmar_). Heeft mijnheer Toennesen een +leelijke geschiedenis gehad? + +MEVR. RUMMEL. Och, welneen; dit is immers haar neef. Ik spreek van haar +broer.... + +MEVR. HOLT. ... den verongelukten Toennesen.... + +MEVR. RUMMEL. Johan heette hij. Hij ging naar Amerika.... + +MEVR. HOLT. Hij _moest_ naar Amerika ... begrijpt u? + +MEVR. LYNGE. En had hij nu die leelijke historie? + +MEVR. RUMMEL. Ja, het was iets ... hoe zal ik het noemen...? Het was +iets met Dina's moeder. O, ik weet 't nog of het gisteren was. Johan +Toennesen was toen op het kantoor bij de oude mevrouw Bernick. Karsten +Bernick was pas van Parijs teruggekomen ... was nog niet eens +geengageerd.... + +MEVR. LYNGE. Nou ja ... maar die geschiedenis? + +MEVR. RUMMEL. Ja, ziet u ... dien winter was het tooneelgezelschap van +Moeller hier in de stad.... + +MEVR. HOLT. ... en bij dat gezelschap was de acteur Dorf met zijn vrouw. +Al de jongelui hier waren dol op haar.... + +MEVR. RUMMEL. Ja, hoe 't mogelijk was dat ze _die_ mooi vonden.... Maar +op een keer komt Dorf 's avonds laat thuis.... + +MEVR. HOLT. ... heel onverwacht.... + +MEVR. RUMMEL. ... en vindt daar ... neen dat kan ik u heusch niet +vertellen! + +MEVR. HOLT. Maar mevrouw, hij vond niemendal, want de deur was van +binnen gesloten. + +MEVR. RUMMEL. Nou ja, dat is net wat ik zeg; hij vond de deur gesloten. +En hij die binnen was, u begrijpt me wel, moest uit het raam springen. + +MEVR. HOLT. Heelemaal boven uit een zolderraam! + +MEVR. LYNGE. En was dat de broer van mevrouw Bernick? + +MEVR. RUMMEL. Ja zeker, die was het. + +MEVR. LYNGE. En is hij toen naar Amerika gegaan? + +MEVR. HOLT. Ja, dat moest hij toen wel doen, dat begrijpt u. + +MEVR. RUMMEL. Want achterna werd er iets ontdekt, dat al haast even erg +was. Verbeeld u, hij had de kas bestolen.... + +MEVR. HOLT. Ja maar, daar weet men het rechte niet van, mevrouw Rummel; +dat zijn misschien maar praatjes geweest. + +MEVR. RUMMEL. Neen maar, dat is nu ook! Was het dan niet bekend in de +heele stad? Is de oude mevrouw Bernick daardoor niet bijna failliet +gegaan? Dat heeft Rummel me zelf verteld. Maar _ik_ zal er wel zalig +over zwijgen.... + +MEVR. HOLT. Nou, madam Dorf kreeg in elk geval het geld niet, want +zij.... + +MEVR. LYNGE. Ja, hoe liep dat toen af tusschen Dina's ouders? + +MEVR. RUMMEL. Wel, Dorf liet zijn vrouw en kind in den steek. Maar dat +mensch was zoo brutaal om nog een heel jaar hier te blijven. Op het +tooneel durfde zij zich niet meer te vertoonen. Eerst is ze gaan +wasschen en naaien voor den kost.... + +MEVR. HOLT. En toen heeft ze geprobeerd om danslessen te geven. + +MEVR. RUMMEL. Maar dat ging natuurlijk ook niet. Welke ouders zouden hun +kinderen aan zoo'n schepsel willen toevertrouwen? Maar het duurde ook +niet lang meer met haar; die fijne madam was niet gewend te werken. Zij +kreeg het op de borst en stierf. + +MEVR. LYNGE. He, dat zijn echt leelijke histories! + +MEVR. RUMMEL. U kan begrijpen hoe naar dat allemaal was voor de +Bernicks. Dat is de donkere vlek in hun gelukszon, zooals Rummel het +eens uitdrukte. Daarom moet u maar nooit hier in huis er over spreken, +mevrouw Lynge. + +MEVR. HOLT. En ook alsjeblieft niet over haar halve zuster! + +MEVR. LYNGE. Zoo? heeft mevrouw Bernick ook nog een halve zuster? + +MEVR. RUMMEL. Gehad ... gelukkig! Want nu is alle betrekking met haar +afgebroken. Ja, dat was me ook een mooie! Stel u voor, die liep met +kortgeknipte haren en hooge heerenlaarzen als 't vuil weer was! + +MEVR. HOLT. En toen die halve broer van haar, dat ongeluk, er nu van +doorgegaan was, en de heele stad natuurlijk diep verontwaardigd was over +hem, weet u wat zij toen deed? Toen is ze hem nagereisd! + +MEVR. RUMMEL. O, maar dat schandaal dat zij gemaakt heeft nog eer ze weg +ging, mevrouw Holt! + +MEVR. HOLT. Sst, praat daar toch niet van. + +MEVR. LYNGE. Gut, maakte zij ook al schandaal? + +MEVR. RUMMEL. Neen maar, dat moet u hooren, lieve mevrouw. Bernick was +net geengageerd met Betty Toennesen; en zoo als hij met haar aan zijn arm +bij haar tante komt om zijn meisje te presenteeren.... + +MEVR HOLT. ... staat Lona Hessel op van haar stoel, en geeft den +knappen, fijngemanierden Karsten Bernick een oorvijg, dat hij +suizebolde. + +MEVR. LYNGE. Neen maar heb je nu ooit! + +MEVR. HOLT. Ja, het is heusch waar. + +MEVR. RUMMEL. En toen pakte zij haar koffer en vertrok naar Amerika. + +MEVR. LYNGE. Maar dan had ze misschien zelf een goed oogje op hem gehad? + +MEVR. RUMMEL. Ja natuurlijk, dat begrijpt u wel. Zij had zich verbeeld +dat hij met haar trouwen zou als hij terugkwam uit Parijs. + +MEVR. HOLT. Ja verbeeld je, dat zij zoo iets denken kon! Bernick, de +jonge elegante man van de wereld ... volleerd gentleman ... de lieveling +van alle dames.... + +MEVR. RUMMEL. ... en daarbij zoo fatsoenlijk, mevrouw Holt, en zoo +braaf! + +MEVR. LYNGE. Maar wat is die juffrouw Hessel daar in Amerika gaan +uitvoeren? + +MEVR. RUMMEL. Ja, ziet u, daarover ligt, zooals Rummel zich eens +uitdrukte, een sluier, die maar liever niet moet worden opgelicht. + +MEVR. LYNGE. Wat beteekent dat? + +MEVR. RUMMEL. Alle betrekking met de familie is al lang afgebroken, dat +begrijpt u wel. Maar zooveel weet de heele stad er toch wel van, dat zij +daar ginder in cafe's voor geld gezongen heeft.... + +MEVR. HOLT. ... en lezingen gehouden.... + +MEVR. RUMMEL. ... en een allerdolst boek geschreven heeft.... + +MEVR. LYNGE. Neen, maar! + +MEVR. RUMMEL. Ja, ja, Lona Hessel is ook wel een van de zonnevlekken in +het geluk van de familie Bernick. Maar nu is u dus op de hoogte, mevrouw +Lynge. De hemel weet dat ik er alleen over gesproken heb omdat u nu op +uw woorden zou kunnen passen. + +MEVR. LYNGE. Wees gerust daarop, lieve mevrouw. Maar die arme Dina Dorf! +Ik heb heusch medelijden met haar. + +MEVR. RUMMEL. Och, voor haar was het eigenlijk een groot geluk. Verbeeld +u eens dat zij bij haar ouders gebleven was! Wij hebben ons natuurlijk +allemaal veel met haar bemoeid en haar vermaand, zoo goed wij konden. +Later zette juffrouw Bernick het door dat zij hier in huis kwam. + +MEVR. HOLT. Maar een moeilijk kind is zij altijd geweest. Denk ook maar +eens aan ... al die slechte voorbeelden! Och, zoo'n kind is ook van zelf +heel anders dan een van de onzen; wij moeten wat toegevend voor haar +zijn, mevrouw. + +MEVR. RUMMEL. Sst ... daar komt ze. (_hardop_). Ja, die Dina, dat is een +echt flinke meid. Zoo? ben jij daar Dina? Wij scheiden net uit met +werken. + +MEVR. HOLT. O wat geurt je koffie heerlijk, lieve Dina! Ja, zoo'n kopje +koffie 's middags.... + +MEVR. BERNICK (_buiten op het terras_). Als u lust heeft om buiten te +komen dames! (_Martha en Dina hebben intusschen het dienstmeisje +geholpen het koffie-servies klaar te zetten. Al de dames gaan buiten +zitten; zij praten overdreven vriendelijk tegen Dina. Even later gaat +zij naar binnen en zoekt haar handwerk weer op_). + +MEVR. BERNICK. Dina, wil jij ook niet...? + +DINA. Neen, dank u ... liever niet. (_Zij gaat zitten met haar naaiwerk. +Mevr. Bernick en Roerlund wisselen een paar woorden; een oogenblik daarna +komt hij ook in de kamer_). + +ROeRLUND (_verlegt iets op de tafel en zegt zachtjes_). Dina! + +DINA. Ja.... + +ROeRLUND. Waarom wil je niet buiten zitten? + +DINA. Omdat, toen ik met de koffie binnenkwam, ik kon merken aan die +vreemde mevrouw, dat er over mij gesproken was. + +ROeRLUND. En heb je dan ook niet gemerkt hoe vriendelijk zij zoo even +tegen je was? + +DINA. Maar dat kan ik juist niet uitstaan! + +ROeRLUND. Je bent erg weerspannig van aard, Dina. + +DINA. Ja. + +ROeRLUND. Maar waarom ben je zoo? + +DINA. Ik ben nu eenmaal niet anders. + +ROeRLUND. Zou je er niet naar kunnen streven anders te worden? + +DINA. Neen. + +ROeRLUND. Waarom niet? + +DINA (_ziet hem aan_). Ik hoor immers tot de moreel-verdorvenen. + +ROeRLUND. Foei, Dina! + +DINA. Mijn moeder hoorde ook tot de moreel-verdorvenen. + +ROeRLUND. Wie heeft met je over zulke dingen gesproken? + +DINA. Niemand; ze zeggen nooit iets. Waarom? Ze pakken me allemaal zoo +voorzichtig aan alsof ik breken zou als.... O, wat haat ik die +goedhartigheid! + +ROeRLUND. Lieve Dina, ik begrijp heel goed, dat je je hier gedrukt voelt, +maar.... + +DINA. O, kon ik maar weggaan, ver weg! Ik zou mij wel redden en vooruit +komen, als ik maar niet hoefde te leven onder menschen die zoo ... +zoo.... + +ROeRLUND. Wat zoo? + +DINA. Zoo fatsoenlijk en zoo braaf zijn. + +ROeRLUND. Maar Dina, dat meen je toch niet! + +DINA. Och, u begrijpt heel goed hoe ik het bedoel. Iederen dag komen +Netta en Hilda hier, opdat ik een voorbeeld aan hen nemen zal. Ik kan +nooit zoo hoogst fatsoenlijk worden als zij. Ik _wil_ zoo niet worden. +O, was ik toch maar ver weg, dan zou ik wel flink worden. + +ROeRLUND. Maar je bent immers flink, Dina-lief. + +DINA. Wat helpt mij dat hier? + +ROeRLUND. Dus weggaan ... denk je daar in ernst over? + +DINA. Ik zou hier geen dag langer blijven als u hier niet was. + +ROeRLUND. Zeg me eens Dina ... waarom vindt je het eigenlijk zoo prettig +om met mij samen te zijn? + +DINA. Omdat u mij zooveel mooie dingen leert. + +ROeRLUND. Mooi? Noem je dat wat ik je leeren kan "mooie dingen"? + +DINA. Ja. Of eigenlijk ... u leert mij wel niets, maar als ik u hoor +spreken, dan ga ik allerlei mooie dingen zien. + +ROeRLUND. Wat versta je eigenlijk onder iets moois? + +DINA. Daar heb ik nooit over nagedacht. + +ROeRLUND. Denk daar dan nu eens over na. Wat versta je onder iets moois? + +DINA. Mooi is iets dat groot is ... en ver weg. + +ROeRLUND. Hm!... Lieve Dina, ik maak mij erg bezorgd over je. + +DINA. Anders niets dan dat? + +ROeRLUND. Je weet toch wel, hoe onuitsprekelijk lief je mij bent. + +DINA. Maar als ik Hilda of Netta was, zou u niet bang zijn het aan +iemand te laten merken. + +ROeRLUND. Ach Dina, je kunt zoo weinig al de consideraties beoordeelen +die ik in acht nemen moet.... Als een man een positie bekleedt, waarin +hij moet optreden als zedelijke steunpilaar van de wereld, waarin hij +verkeert, dan ... kan hij niet voorzichtig genoeg zijn. Als ik er maar +zeker van was, dat men mijn motieven goed zou begrijpen en er geen +verkeerden uitleg aan geven.... Maar dat is tot daaraan toe. Je _moet_ +en _zult_ voort geholpen worden. Dina, zal dit onze afspraak zijn, dat, +als ik kom ... als de omstandigheden mij toestaan te komen ... en ik +zeg: hier is mijn hand ... dat je die dan wilt aannemen en mijn vrouw +worden? Beloof je me dat, Dina? + +DINA. Ja. + +ROeRLUND. Dank je, dank je! Want ook voor mij.... Och Dina, ik hou toch +zoo veel van je.... Sst; daar komt iemand. Toe, Dina, doe 't voor mij +... ga naar de anderen toe. (_zij gaat naar de koffietafel. Op hetzelfde +oogenblik komen de heeren Rummel, Sandstad en Vigeland uit de eerste +kamer links, gevolgd door den heer Bernick, die een pak papieren in de +hand houdt_). + +BERNICK. Nou, de zaak is dus afgedaan. + +VIGELAND. Ja. In 's hemels naam dan maar. + +RUMMEL. 't Is afgedaan, Bernick! Het woord van een Noor staat vast als +een rots in de zee, dat weet je! + +BERNICK. En niemand zwicht, niemand wordt afvallig, hoeveel tegenstand +wij ook ontmoeten. + +RUMMEL. Wij staan en vallen met elkaar, Bernick! + +HILMAR (_in de tuindeur_). Vallen? Permitteert! Is het dan niet de +spoorweg die valt? + +BERNICK. Integendeel; die zullen wij wel aan het rollen krijgen.... + +RUMMEL. Met stoom, mijnheer Toennesen. + +HILMAR (_dichterbij_). Zoo? + +ROeRLUND. Hoe dat? + +MEVR. BERNICK (_in de tuindeur_). Maar Karsten-lief, wat beteekent dat +eigenlijk? + +BERNICK. Och, Betty-lief, wat kan jou dat nu interesseeren? (_tot de +drie heeren_). Maar nu moeten wij de lijsten opmaken, hoe eer hoe beter. +'t Spreekt van zelf dat wij vieren het eerst teekenen. De positie die +wij in de maatschappij bekleeden, maakt het ons tot plicht hierin voor +te gaan. + +SANDSTAD. Natuurlijk, mijnheer Bernick. + +RUMMEL. Het moet gaan, Bernick; dat staat vast. + +BERNICK. O ja, ik ben heelemaal niet bang voor den uitslag. Wij moeten +er ons best voor doen, ieder in zijn eigen kring van kennissen; en als +wij maar eerst eens kunnen wijzen op een levendige deelneming in alle +maatschappelijke kringen, dan volgt daaruit van zelf, dat ook de +gemeente het hare moet bijdragen. + +MEVR. BERNICK. Maar Karsten, nu moet je ons toch eigenlijk eens +vertellen.... + +BERNICK. Och, lieve Betty, dat is iets waar dames heelemaal niet in +komen kunnen. + +HILMAR. Je wilt je dus toch met die spoorweggeschiedenis inlaten? + +BERNICK. Ja, natuurlijk. + +ROeRLUND. Maar verleden jaar, mijnheer Bernick.... + +BERNICK. Verleden jaar was dat heel iets anders. Toen was er sprake van +een lijn langs de kust.... + +VIGELAND. ... die ten eenenmale overbodig zou zijn, meneer; want wij +hebben immers de stoombooten.... + +SANDSTAD. ... en die zoo onzinnig veel geld gekost zou hebben.... + +RUMMEL. ... ja, en die inderdaad de wezenlijke belangen van de stad zou +geschaad hebben.... + +BERNICK. De hoofdzaak was dat die in wijder kring geen nut gedaan zou +hebben. Daarom verzette ik er mij tegen; en zoo werd toen de binnenlijn +aangenomen. + +HILMAR. Die zal de steden in den omtrek toch niet aandoen. + +BERNICK. Maar die zal onze stad aandoen, mijn waarde Hilmar, want nu +wordt er een zijlijn aangelegd. + +HILMAR. O zoo; een nieuw plan dus. + +RUMMEL. En wat een prachtig plan ook, he? + +ROeRLUND. Hm.... + +VIGELAND. 't Kan niet ontkend worden dat de Voorzienigheid als 't ware +het terrein heeft klaar gemaakt voor een zijlijntje. + +ROeRLUND. Meent u dat in ernst, mijnheer Vigeland? + +BERNICK. Ja, ik moet toegeven, dat ik het ook als een bestiering +beschouw dat ik in 't voorjaar voor zaken op reis was op 't land, en +toevallig langs een weg door 't dal kwam, waar ik vroeger nooit geweest +was. Als een lichtstraal kwam het denkbeeld in mij op, dat hier een +zijlijn naar onze stad te maken moest zijn. Ik heb een ingenieur er heen +gezonden en den weg laten opnemen; hier heb ik de voorloopige +berekeningen en kostenopgaven; niets staat den aanleg in den weg. + +MEVR. BERNICK (_met de andere dames vooruitgekomen in de tuindeur_). +Maar lieve man, dat je dat alles zoo voor ons verborgen hebt gehouden. + +BERNICK. Och, mijn goede kind, jullie zoudt immers toch niet begrepen +hebben hoe dat alles in elkaar zat. Ik heb er overigens met geen levende +ziel over gesproken, voor van daag. Maar nu is het beslissende oogenblik +gekomen, nu moet er openlijk en met alle kracht gewerkt worden. Ja, al +moest ik mijn heele bestaan er aan geven, ik zal de zaak doorzetten. + +RUMMEL. Wij ook, Bernick, daar kan je op vertrouwen. + +ROeRLUND. Heeft u dan waarlijk zooveel verwachtingen van die onderneming, +heeren? + +BERNICK. Ja, dat zal waar zijn. Wat een hefboom zal die niet kunnen +worden voor onze heele maatschappij? Denk maar eens aan de groote +bosschen die toegankelijk gemaakt zullen worden; denk aan de rijken +ertslagen die in exploitatie kunnen worden genomen; denk aan de rivier +met haar talrijke watervallen! Wat een industrie kan zich daar +ontwikkelen! + +ROeRLUND. En vreest u niet dat een drukker verkeer met een verdorven +buitenwereld...? + +BERNICK. Neen, wees maar gerust, mijnheer Roerlund. Ons klein nijver +stadje staat, Goddank, tegenwoordig op een standpunt van gezonde +moraliteit. Wij hebben allen ons best gedaan om den bodem te draineeren, +als ik 't zoo noemen mag; en dat zullen wij ook verder doen, ieder op +zijn manier. U, mijnheer Roerlund, blijft voortgaan met uw zegenrijk werk +in school en huisgezin. Wij, de mannen der praktijk, steunen de +maatschappij door welvaart onder de menschen te brengen in de wijdst +mogelijken kring;... en onze vrouwen, ja, komt maar dichterbij dames, u +moogt het wel hooren,... onze vrouwen, zeg ik, onze echtgenooten en +dochters,... ja, u moet ongestoord voortwerken in den dienst der +weldadigheid, en zijt verder een hulp en een troost voor die u het naast +staan, zooals mijn lieve Betty en Martha dat voor mij en Olaf zijn.... +(_Kijkt rond_). Waar zit Olaf vandaag? + +MEVR. BERNICK. O, nu in de vacantie is het niet mogelijk hem in huis te +houden. + +BERNICK. Dan is hij zeker weer beneden aan den waterkant! Je zult zien, +hij laat het niet voor er een ongeluk gebeurd is. + +HILMAR. Kom ... laat hij zich maar eens meten met de natuurkrachten.... + +MEVR. RUMMEL. Wat vind ik het mooi van u, dat u zooveel gevoel voor het +gezin heeft, mijnheer Bernick! + +BERNICK. O, het gezin is immers de kern der maatschappij. Een goed +tehuis, achtenswaardige en trouwe vrienden, een kleine, gesloten kring, +waarin geen storende elementen hun schaduw werpen.... + +(_Krap komt met brieven en couranten van rechts_). + +KRAP. De buitenlandsche post, mijnheer de consul;... en een telegram van +New-York. + +BERNICK (_neemt het aan_). Ah, van de reederij ... over de "Indian +Girl". + +RUMMEL. Zoo? is de post gekomen? Ja, dan moet ik naar huis. + +VIGELAND. Ja, ik ook. + +SANDSTAD. Tot weerziens, mijnheer Bernick. + +BERNICK. Tot weerziens, heeren. En denkt er aan dat wij van middag om +vijf uur vergadering hebben. + +DE DRIE HEEREN. Ja, ja ... zeker ... dat spreekt. (_zij gaan naar rechts +af_). + +BERNICK (_die het telegram gelezen heeft_). Neen maar, dat is waarachtig +echt Amerikaansch! Eenvoudig stuitend.... + +MEVR. BERNICK. Hemel, Karsten, wat is er? + +BERNICK. Kijk eens Krap, lees dit eens! + +KRAP (_leest_). "Minst mogelijke reparatie; stuur "Indian Girl" terug +zoodra zeilklaar; goed seizoen; drijft desnoods op lading." Nou, ik moet +zeggen.... + +BERNICK. Drijft op lading! De heeren weten best dat met die lading het +schip zinkt als een baksteen, als er iets gebeurt. + +ROeRLUND. Ja, daar kan u nu eens zien, hoe het toegaat in die +veelgeprezen groote maatschappij. + +BERNICK. Daar heeft u gelijk in. Zelfs menschenlevens worden niet geteld +zoodra er winst of verlies in het spel is. (_tegen Krap_). Kan de +"Indian Girl" in zee gaan over vier of vijf dagen? + +KRAP. Ja, als meneer Vigeland het zoo schikken kan dat het werk op "de +Palmboom" zoolang stilstaat. + +BERNICK. Hm; dat zal hij niet doen. Enfin. Wil u misschien de post even +doorzien? Zeg eens, heeft u Olaf niet beneden op den steiger gezien? + +KRAP. Neen, mijnheer. (_af in de eerste kamer links_). + +BERNICK (_kijkt weer in het telegram_). Acht menschenlevens wagen die +heeren zoo maar kalm-weg er aan.... + +HILMAR. Och, 't is nu eenmaal het beroep van een zeeman om de elementen +te trotseeren. Daar moet toch iets spannends in zijn, zoo enkel met een +dunne plank tusschen jezelf en den afgrond.... + +BERNICK. Ja, ik zou den reeder bij ons wel eens willen zien die zich tot +zoo iets leenen zou. Niet een ... geen enkele.... (_krijgt Olaf in het +oog_). Zoo, Goddank dat hij heelhuids weer thuis is. (_Olaf met een +hengel in de hand is de straat opgekomen en komt door de tuindeur +binnen_). + +OLAF (_nog in de tuin_). Oom Hilmar, ik ben beneden geweest en heb de +stoomboot gezien. + +BERNICK. Ben je nu alweer op den steiger geweest? + +OLAF. Neen, ik ben enkel maar met een boot uit geweest. Maar oom, er is +een heel gezelschap kunstrijders aangekomen, met paarden en andere +dieren, en een heele boel passagiers! + +MEVR. RUMMEL. Wat? Krijgen we hier heusch kunstrijders te zien? + +ROeRLUND. Wij? Dat kan ik toch niet aannemen. + +MEVR. RUMMEL. Neen, _wij_ natuurlijk niet ... maar.... + +DINA. Ik zou ze wel graag zien. + +OLAF. Ja, ik ook. + +HILMAR. Je bent een lummel. Is daar nu iets aan te zien? Louter +dressuur. Neen, een Gaucho op zijn snuivenden mustang door de pampas te +zien jagen, dat is wat anders! Maar godbewaarme hier in dit nest.... + +OLAF (_trekt Martha aan haar japon_). Tante Martha, kijk, kijk ... daar +komen ze! + +MEVR. HOLT. Hemel ja, daar heb je ze. + +MEVR. LYNGE. O foei, die afschuwelijke menschen! + +(_Veel reizigers en een heele troep stadsvolk komen de straat langs_). + +MEVR. RUMMEL. Ja, dat is je echte kermisvolk. Ziet u die daar, met die +grijze japon, mevrouw Holt; zij draagt den knapzak op haar rug. + +MEVR. HOLT. Ja, en ze draagt hem aan haar parasol-stok! Dat is +natuurlijk de vrouw van den directeur. + +MEVR. RUMMEL. En daar heb je den directeur zelf, die met dien baard. Hij +ziet er net uit als een roover. Niet kijken, Hilda! + +MEVR. HOLT. Jij ook niet, Netta. + +OLAF. Mama, de directeur groet ons. + +BERNICK. Wat is dat? + +MEVR. BERNICK. Wat zeg je, kind? + +MEVR. RUMMEL. Ja, lieve hemel, daar groet die vrouw ook al! + +BERNICK. Neen, dat is toch te erg! + +MARTHA (_onwillekeurig_). Ah.... + +MEVR. BERNICK. Wat is er, Martha? + +MARTHA. Och niets, ik dacht maar.... + +OLAF (_schreeuwt van plezier_). Kijk, kijk, daar komen de anderen met de +paarden en de andere dieren! En daar heb je de Amerikanen ook! Al die +matrozen van de "Indian Girl".... (_men hoort Yankee-Doodle zingen +begeleid door een klarinet en trommels_). + +HILMAR (_houdt zijn ooren dicht_). Oeh, oeh, oeh! + +ROeRLUND. Mij dunkt, wij moesten ons een beetje afzonderen, dames; dat is +toch niet iets voor ons. Laat ons weer aan ons werk gaan. + +MEVR. BERNICK. Wij konden misschien de gordijnen dicht doen? + +ROeRLUND. Ja, dat is juist wat ik bedoelde (_de dames nemen hunne +plaatsen aan de tafel weer in; Roerlund sluit de tuindeur en doet de +gordijnen dicht; het is half-donker in de kamer_). + +OLAF (_die uitkijkt_). Ma, nu staat de vrouw van den directeur aan de +fontein haar gezicht te wasschen. + +MEVR. BERNICK. Wat? Midden op de markt! + +MEVR. RUMMEL. En dat op klaarlichten dag! + +HILMAR. Nou, als ik op reis was door de woestijn en een waterput +aantrof, zou ik mij ook niet lang bedenken om.... Au, die vreeselijke +klarinet! + +ROeRLUND. 't Zou waarlijk wel noodig zijn dat de politie zich er eens mee +bemoeide. + +BERNICK. Och wat; met vreemden moet men dat zoo nauw niet nemen; die +menschen hebben immers niet het aangeboren gevoel van fatsoen, dat ons +binnen de juiste perken houdt. Laat hen maar wat buitensporig doen. Wat +gaat ons dat aan? Al dat ongeregelde gedoe dat in strijd is met fatsoen +en goede zeden, raakt gelukkig onze maatschappij heelemaal niet, als ik +'t zoo zeggen mag.... Wat is dat? (_de vreemde dame komt snel binnen +door de deur rechts_). + +DE DAMES (_verschrikt maar zachtjes_). De paardrijdster! De vrouw van de +directeur! + +MEVR. BERNICK. Hemel! wat moet dat beteekenen? + +MARTHA (_opspringend_). Ah...! + +DE DAME. Dag lieve Betty! Dag Martha! Dag zwager! + +MEVR. BERNICK (_met een kreet_). Lona...! + +BERNICK (_tuimelt achteruit_). Zoo waar ik leef!... + +MEVR. HOLT. God zij ons genadig...! + +MEVR. RUMMEL. 't Is toch niet mogelijk...! + +HILMAR. Nou! Oeh! + +MEVR. BERNICK. Lona! Ben je het heusch...? + +LONA. Of ik het ben? Ja, bij mijn ziel, ik ben het. Je kunt mij wat dat +betreft gerust om den hals vallen. + +HILMAR. Oeh! Oeh! + +MEVR. BERNICK. En kom je nu hier als...? + +BERNICK. ... en je wilt hier optreden? + +LONA. Optreden? Hoezoo optreden? + +BERNICK. Ja ... ik bedoel ... met de kunstrijders.... + +LONA (_hardop lachend_). Hahaha! Ben je niet wijs, zwager? Denk je dat +ik bij de kunstrijders hoor? Neen; ik heb wel allerlei kunsten +uitgehaald en mij dikwijls gek aangesteld.... + +MEVR. RUMMEL. Hm.... + +LONA. ... maar kunststukken op een paard heb ik nooit vertoond. + +BERNICK. Dus toch niet.... + +MEVR. BERNICK. O, goddank! + +LONA. Neen, wij reisden heusch net als andere fatsoenlijke menschen ... +wel tweede klasse, maar dat zijn wij gewend. + +MEVR. BERNICK. _Wij_, zeg je? + +BERNICK (_een stap naderbij_). Wie "wij"? + +LONA. Ik en mijn kind, natuurlijk. + +DE DAMES (_verschrikt_). Haar kind! + +HILMAR. Wat! + +ROeRLUND. Nu, ik moet zeggen...! + +MEVR. BERNICK. Wat bedoel je toch, Lona? + +LONA. Ik bedoel natuurlijk John; ik heb geen ander kind dan John, zoover +ik weet,... of Johan, zooals jullie hem noemden.... + +MEVR. BERNICK. Johan...! + +MEVR. RUMMEL (_zachtjes tegen mevr. Lynge_). De beruchte broer! + +BERNICK (_weifelend_). Is Johan bij je? + +LONA. Zeker, zeker; ik reis nooit zonder hem. Maar jullie ziet er zoo +bedrukt uit. En je zit hier in 't halfdonker en naait aan iets wits.... +Er is toch geen sterfgeval in de familie? + +ROeRLUND. Mejuffrouw, u bevindt zich hier in de "Vereeniging voor moreel +Verdorvenen".... + +LONA (_halfluid_). Wat zegt u? Deze nette deftige dames zouden...? + +MEVR. RUMMEL. Neen ... daar is nu toch het eind van weg.... + +LONA. Och zoo, ja! Begrepen ... begrepen! Maar wat drommel, dat is +mevrouw Rummel! En daar ginds zit mevrouw Holt ook! Nou, we zijn er alle +drie niet jonger op geworden sedert wij elkaar het laatst gezien hebben. +Maar luistert nu eens, lieve menschen, laat nu de moreel-verdorvenen een +dagje wachten; daar worden zij niet slechter van. Een oogenblik van +vreugde als dit.... + +ROeRLUND. Een terugkeer is niet altijd een oogenblik van vreugde. + +LONA. Zoo? Wat leest u dan in uw Bijbel, dominee? + +ROeRLUND. Ik ben geen dominee. + +LONA. Nou, dan wordt u 't toch zeker wel eens.... Maar foei, foei,... +dat moreele linnengoed heeft zoo'n lucht van bederf ... precies een +lijkwa. Ik ben gewend aan de lucht van de prairieen zal ik je maar +zeggen. + +BERNICK (_veegt zijn voorhoofd af_). Ja, 't is hier waarlijk een beetje +bedompt. + +LONA. Wacht maar; we zullen wel uit dien grafkelder naar boven zien te +komen. (_Trekt de gordijnen open_). Het volle daglicht moet hier +invallen als de jongen komt. Dan zal je eens een jongen zien die zich +gewasschen heeft. + +HILMAR. Oeh! + +LONA (_zet deur en ramen open_) ... ja, dat is te zeggen, wanneer hij +zich gewasschen zal hebben in het hotel. Want op de boot werd hij zoo +smerig als een varken. + +HILMAR. Oeh! Oeh! + +LONA. Oeh? Ja, waarachtig, is dat niet...? (_wijst op Hilmar en vraagt +aan de anderen_). Boemelt hij nog altijd hier rond zonder iets anders te +doen dan oeh! te zeggen? + +HILMAR. Ik boemel niet rond; ik moet beweging nemen omdat ik lijdend +ben. + +ROeRLUND. Nu dames, ik geloof niet.... + +LONA (_die Olaf in het oog gekregen heeft_). Is dat jouw jongen, +Betty?... Geef mij een poot, vent! Of ben je misschien bang voor je oude +leelijke tante? + +ROeRLUND (_zijn boek onder den arm nemend_). Dames, ik geloof niet, dat +er meer stemming is voor ons, om verder te arbeiden van daag. Maar +morgen zullen wij immers weer samenkomen? + +LONA (_terwijl de vreemde dames opstaan om afscheid te nemen_). Wel ja, +laat ons dat doen. Ik zal present zijn. + +ROeRLUND. _U_? Met verlof, juffrouw, wat wil _u_ in _onze_ vereeniging? + +LONA. Ik wil een beetje versche lucht binnen laten, dominee. + + +EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF. + + +[Illustratie: De Heer C. de Vos als consul Bernick in De steunpilaren +der Maatschappij] + + + * * * * * + + +TWEEDE BEDRIJF + + Tuinkamer in Consul Bernick's huis. + + Mevrouw Bernick zit alleen aan de groote tafel met haar naaiwerk. + Even later komt de heer Bernick van rechts met zijn hoed op het + hoofd; handschoenen en stok in de hand. + + * * * * * + +MEVR. BERNICK. Zoo, ben je al terug, Karsten? + +BERNICK. Ja, ik heb iemand ontboden. + +MEVR. BERNICK (_zuchtend_). Och ja, Johan zal zeker wel weer hier komen. + +BERNICK. 't Is een man, zeg ik. (_zet zijn hoed af_). Waar blijven al de +dames van daag? + +MEVR. BERNICK. Mevrouw Rummel en Hilda hadden geen tijd. + +BERNICK. Zoo? Afgezegd? + +MEVR. BERNICK. Ja, ze hadden thuis zooveel te doen. + +BERNICK. Begrepen. En de anderen komen natuurlijk ook niet? + +MEVR. BERNICK. Neen, die hebben ook verhindering van daag. + +BERNICK. Dat had ik je wel vooruit kunnen vertellen. Waar is Olaf? + +MEVR. BERNICK. Ik heb hem een beetje met Dina laten uitgaan. + +BERNICK. Hm; Dina, dat lichtzinnige schepsel.... Om het gisteren +dadelijk zoo druk aan te leggen met Johan...! + +MEVR. BERNICK. Maar, man-lief, Dina weet immers heelemaal niet.... + +BERNICK. Nou, maar dan moest Johan in elk geval takt genoeg gehad hebben +om geen bizondere notitie van haar te nemen. Ik zag heel goed wat voor +oogen Vigeland opzette. + +MEVR. BERNICK (_met haar naaiwerk op haar schoot_). Karsten, begrijp jij +wat ze hier eigenlijk komen doen? + +BERNICK. Hm; hij heeft immers daarginder een "farm", waar het nog niet +zoo heel goed mee gaat; en _zij_ vertelde gisteren dat zij tweede klasse +reizen moeten.... + +MEVR. BERNICK. Ja, helaas, zoo iets moet het wel zijn. Maar dat _zij_ +meegekomen is! Zij! Na de doodelijke beleediging die zij je heeft +aangedaan.... + +BERNICK. Och, denk toch niet meer aan die oude geschiedenissen. + +MEVR. BERNICK. Hoe kan ik tegenwoordig aan iets anders denken? Hij is +toch mijn broer;... och, het is niet om hem, maar al de onaangenaamheden +die jij daardoor ondervinden kunt.... Karsten, ik ben zoo doodelijk bang +dat.... + +BERNICK. Waarvoor ben je bang? + +MEVR. BERNICK. Kunnen zij hem niet in de gevangenis zetten, voor het +geld dat je moeder ontstolen werd? + +BERNICK. Och wat, malligheid! Wie kan bewijzen dat er geld ontvreemd +werd? + +MEVR. BERNICK. Och God, dat weet immers de heele stad; en je hebt het +zelf gezegd.... + +BERNICK. Ik heb niets gezegd. De stad weet niets van die zaken af; dat +waren allemaal maar losse praatjes. + +MEVR. BERNICK. O wat sta jij toch hoog, Karsten! + +BERNICK. Laat die oude herinneringen toch rusten, zeg ik je! Je weet +niet hoe je me pijnigt met dat alles weer op te halen (_hij loopt op en +neer in de kamer ... dan gooit hij zijn stok weg_). Dat ze juist nu +moesten terugkomen ... nu ik juist in de stad en in de couranten een +onvermengd zuivere stemming jegens mij noodig heb. Er zullen in de +bladen van de omliggende plaatsen berichten over geschreven worden. Of +ik hen goed of slecht opgenomen heb ... over het een zal net zooveel +gekletst en geleuterd worden als over het ander. Ze zullen dien ouden +boel weer oprakelen,... net als jij doet. In een wereldje als het onze +... (_gooit zijn handschoenen op de tafel_). En geen enkel mensch heb ik +met wien ik praten kan of bij wien ik steun vinden kan. + +MEVR. BERNICK. Heelemaal niemand, Karsten? + +BERNICK. Neen ... ik zou niet weten wie. Dat ze mij nu juist op mijn dak +gestuurd zijn! Het is buiten kwestie dat ze niet op de een of andere +manier schandaal zullen maken ... vooral zij! 't Is me toch een ongeluk +zulke menschen in je familie te hebben! + +MEVR. BERNICK. Ik kan het toch niet helpen dat.... + +BERNICK. Wat kan je niet helpen? Dat ze familie van je zijn? Neen, dat +is een heel waar woord. + +MEVR. BERNICK. En ik heb hen ook niet verzocht om terug te komen. + +BERNICK. Jawel! Daar hebben wij het! ik heb hen niet verzocht om terug +te komen; ik heb hun niet geschreven; ik heb hen niet bij de haren +hierheen gehaald...! O, dat heele liedje ken ik al van buiten! + +MEVR. BERNICK (_barst in tranen uit_). Wat ben je vreeselijk +onaardig!... + +BERNICK. Juist, zoo is 't goed; ga nou maar grienen, dat de heele stad +ook daarover kletsen kan. Schei uit met die aanstellerij, Betty! Ga +buiten zitten; hier kan licht iemand komen. Moeten ze soms mevrouw met +rood-behuilde oogen zien zitten? Jawel, dat zou iets heerlijks zijn als +het onder de menschen kwam dat.... Wacht, daar hoor ik iemand in de gang +(_er wordt geklopt_). Binnen! (_Mevrouw gaat de tuintrap af met haar +naaiwerk. Aune komt van rechts binnen_). + +AUNE. Goeden dag, meneer Bernick. + +BERNICK. Goeden dag. Wel, je kunt zeker wel nagaan wat ik je te zeggen +heb, he? + +AUNE. Meneer Krap zei mij gisteren dat meneer de consul niet tevreden +was over.... + +BERNICK. Ik ben ontevreden over den heelen toestand op de werf, Aune. Je +schiet niets op met de reparaties. "De Palmboom" had al lang onder zeil +moeten zijn. Mijnheer Vigeland komt hier iederen dag er over zaniken; +hij is een lastige man om mee samen te werken. + +AUNE. "De Palmboom" kan overmorgen in zee gaan. + +BERNICK. Zoo, eindelijk. Maar die Amerikaan, de "Indian Girl," die hier +nu al vijf weken ligt en.... + +AUNE. De Amerikaan? Ik had begrepen dat wij in de eerste plaats al onze +krachten zouden wijden aan uw eigen schip. + +BERNICK. Ik heb je toch geen aanleiding gegeven om dat te denken. Met +den Amerikaan moet ook zooveel mogelijk voortgemaakt worden, maar dat +gebeurt niet. + +AUNE. De bodem van die schuit is door en door verrot, meneer; hoe meer +wij er aan lappen, hoe erger het wordt. + +BERNICK. Dat is niet de ware reden. Mijnheer Krap heeft mij gezegd wat +de eigenlijke reden is. Je kunt niet overweg met de nieuwe machines die +ik heb aangeschaft,... of liever, je _wilt_ er niet mee werken. + +AUNE. Meneer Bernick, ik ben nu al diep in de vijftig; van jongsaf ben +ik gewoon geweest op de oude manier te werken.... + +BERNICK. Daar kunnen wij het tegenwoordig niet meer mee doen. Je moet +niet denken, Aune, dat het mij te doen is om het grootere voordeel; dat +heb ik gelukkig niet noodig; maar ik moet rekening houden met de +maatschappij waarin ik leef, en met de zaak waarvan ik aan het hoofd +sta. 't Is van mij dat de vooruitgang moet uitgaan, anders komt er nooit +iets tot stand. + +AUNE. Ik ben ook zeer voor vooruitgang, meneer. + +BERNICK. Ja, voor je eigen kleinen kring, voor den werkmansstand. O, ik +ben wel op de hoogte van je drijven; je houdt toespraken; je stookt de +menschen op; maar als het er op aan komt iets nieuws aan te pakken, +zooals nu met onze machines, dan wil je er niet aan meedoen, dan wordt +je bang. + +AUNE. Ja, ik word net bang, meneer Bernick. Ik word bang voor velen wie +de machines het brood uit den mond nemen. Meneer de consul spreekt zoo +dikwijls van rekening houden met de maatschappij, maar ik geloof dat de +maatschappij toch ook wel haar plichten heeft. Hoe durven de wetenschap +en het kapitaal het wagen die nieuwe uitvindingen in te voeren, voor de +maatschappij een geslacht heeft opgekweekt dat ze weet te gebruiken? + +BERNICK. Je leest en denkt te veel, Aune; dat doet je geen goed; +daardoor wordt je ontevreden met je stand. + +AUNE. Neen meneer, dat is het niet; maar ik kan het niet aanzien dat de +eene brave werkman na den andere wordt weggezonden en broodeloos gemaakt +om die machines. + +BERNICK. Hm; toen de boekdrukkunst werd uitgevonden, werden er ook heel +wat schrijvers broodeloos gemaakt. + +AUNE. Zou meneer zich over die kunst zoo verheugd hebben, als hij toen +een schrijver was geweest? + +BERNICK. Ik heb je niet laten komen om met je te redetwisten. Ik heb je +laten roepen om je te zeggen dat de in reparatie liggende "Indian Girl" +klaar moet zijn om overmorgen uit te zeilen. + +AUNE. Maar, meneer.... + +BERNICK. Overmorgen, hoor je, gelijk met ons eigen schip; geen uur +later. Ik heb goede redenen om daar achter heen te zitten. Heb je van +ochtend de courant gelezen? Zoo; dan weet je ook dat de Amerikanen weer +opstootjes gemaakt hebben. Die bandelooze troep zet de heele stad +overeind; er gaat geen nacht om dat er niet gevochten wordt in de +herbergen en op straat; van andere gemeene dingen spreek ik nu maar +niet. + +AUNE. Ja, het is gemeen volk, dat is zeker. + +BERNICK. En wie krijgt de schuld van dat alles? Ik natuurlijk. Ja, op +mij wordt er over gescholden. De krantenschrijvers schimpen er in +bedekte termen op, dat wij al onze werkkracht aan "de Palmboom" +besteden. Ik, op wie de taak rust, door mijn voorbeeld invloed uit te +oefenen op mijn medeburgers, ik moet mij zulke dingen onder den neus +laten wrijven. Dat duld ik niet. Ik ben er niet van gediend dat mijn +naam op die manier beklad wordt. + +AUNE. O, meneer's naam is zoo best ... die kan daar wel tegen ... en nog +wel tegen veel meer! + +BERNICK. Nu niet. Juist tegenwoordig heb ik alle achting en +welwillendheid, die mijn medeburgers mij schenken willen, zeer noodig. +Ik heb, zooals je misschien al gehoord hebt, plannen voor een groote +onderneming; maar gelukt het slecht-gezinde menschen het onbepaalde +vertrouwen in mij aan het wankelen te brengen, dan kunnen daaruit voor +mij de grootste moeilijkheden voortkomen. Daarom wil ik, het koste wat +het wil, de kwaadaardige en lasterende krantenschrijvers geen vat op mij +geven, en daarom heb ik de termijn op overmorgen bepaald. + +AUNE. Meneer de consul, u zou evengoed de termijn op van middag kunnen +bepalen. + +BERNICK. Je bedoelt dat ik iets onmogelijks verlang? + +AUNE. Ja, met het aantal werklui, waarover wij nu kunnen beschikken.... + +BERNICK. Goed ... best;... dan zullen wij ons van elders voorzien. + +AUNE. Wil u waarlijk nog meer van onze oude werklui ontslaan? + +BERNICK. Neen, daar denk ik niet over. + +AUNE. Want ik geloof zeker dat het kwaad bloed zetten zou, zoowel in de +stad als in de kranten, als u dat deed. + +BERNICK. Dat 's niet onmogelijk. Daarom zullen wij het dan ook niet +doen. Maar, als de "Indian Girl" overmorgen niet zeilklaar is, dan +ontsla ik jou. + +AUNE (_met een schok_). Mij! (_hij lacht_). Dat zeit meneer toch zeker +maar voor de grap. + +BERNICK. Daar zou ik maar niet te veel op vertrouwen, als ik jou was. + +AUNE. Zou u er waarlijk over denken om _mij_ weg te zenden? Mij, terwijl +mijn vader en mijn grootvader hun leven lang op de werf gediend hebben, +en ik zelf ook.... + +BERNICK. En wie is het, die er mij toe noodzaakt? + +AUNE. U verlangt het onmogelijke, meneer. + +BERNICK. O, met wat goeden wil is niets onmogelijk. Ja of neen; geef mij +een bepaald antwoord, of ik ontsla je op slag. + +AUNE (_een stap nader_). Meneer de consul, heeft u goed bedacht wat het +beteekent, een oud werkman te ontslaan? U denkt, dan moet hij maar wat +anders zoeken. O ja, dat kan hij ook wel; maar is het daarmee afgedaan? +U moest er eens bij zijn, in het huis van zoo'n weggestuurden werkman, +als hij 's avonds thuiskomt en zijn gereedschapskist binnen zijn deur +zet. + +BERNICK. Denk je dat ik zoo maar luchthartig-weg laat gaan? Ben ik niet +altijd een goede patroon geweest? + +AUNE. Des te erger, meneer. Juist daarom zullen ze thuis niet _u_ de +schuld geven; zij zullen er mij niet over aanspreken, want dat durven +zij niet; maar ze zullen naar me kijken als ik het niet merk, en denken: +dat zal zeker wel verdiend zijn. En ziet u, dat,--dat kan ik niet +verdragen. Al ben ik maar een burgerman, toch ben ik altijd gewend +geweest thuis nommer een te zijn. Mijn eenvoudig thuis is ook een +maatschappij in het klein, meneer. Die kleine maatschappij heb ik kunnen +steunen en er boven op houden, omdat mijn vrouw in mij geloofde en mijn +kinderen in mij geloofd hebben. En nu moet dat alles in duigen vallen. + +BERNICK. Ja, als het niet anders kan, dan moet het mindere voor het +meerdere wijken; het bizondere moet in Gods naam voor het algemeene +opgeofferd worden. Anders weet ik je niet te antwoorden, en het gaat ook +niet anders toe in de wereld. Maar je bent een koppige kerel, Aune! Je +verzet je tegen mij, niet omdat je niet anders kunt, maar omdat je niet +wilt erkennen, dat machinewerk boven handenarbeid staat. + +AUNE. En u houdt er juist zoo aan vast, omdat u weet, dat u de pers +althans uw goeden wil toont, als u mij weg jaagt. + +BERNICK. En al was dat zoo? Je hoort immers wat er voor mij aan vast is +... of de pers mij aanvalt of welwillend voor mij gestemd wordt op een +oogenblik dat ik voor een groote zaak van algemeen belang werkzaam ben. +Zeg zelf: kan ik dan anders handelen dan ik doe? Ik kan je zeggen, het +is een kwestie van of jouw thuis staande te houden, zooals je het noemt, +of misschien honderden te beletten zich een eigen thuis te maken, een +eigen haard te bezitten, indien het mij niet gelukt dat door te zetten, +waar ik nu voor werk. Daarom is het dat ik je voor de keus stel. + +AUNE. Ja ... als de zaken zoo staan, dan heb ik niets meer te zeggen. + +BERNICK. Hm;... mijn waarde Aune, het doet mij oprecht leed dat wij nu +van elkaar moeten gaan. + +AUNE. Wij zullen niet van elkaar gaan, meneer. + +BERNICK. Hoezoo? + +AUNE. Een eenvoudig man heeft ook iets hoog te houden in de wereld. + +BERNICK. Zeker,... zeker...; en je denkt dus te kunnen beloven...? + +AUNE. De "Indian Girl" kan overmorgen uitgaan. + +(_Hij groet en gaat af naar rechts_). + +BERNICK. Ziezoo! Dien stijfkop heb ik dan toch doen buigen. Dat neem ik +als een goed voorteeken aan.... + +(_Hilmar, met een sigaar in den mond, komt door de tuindeur op_). + +HILMAR (_op de trap_). Dag Betty! Dag Bernick! + +MEVR. BERNICK. Goeden dag. + +HILMAR. Zoo, jij hebt gehuild, zie ik. Je weet 't dus zeker al? + +MEVR. BERNICK. Wat weet ik al? + +HILMAR. Dat het schandaal in vollen gang is? Oeh! + +BERNICK. Wat beteekent dat? + +HILMAR (_binnenkomend_). Jawel, de twee Amerikanen loopen de stad rond +en vertoonen zich in de straten in gezelschap van Dina Dorf. + +MEVR. BERNICK (_loopt hem na_). Maar Hilmar, dat kan toch niet waar +zijn...? + +HILMAR. Jawel, het is helaas volkomen waar. Lona was daarbij nog zoo +taktloos om mij aan te roepen; maar ik deed natuurlijk alsof ik het niet +hoorde. + +BERNICK. En dat is zeker niet onopgemerkt gebeurd? + +HILMAR. Neen, dat kan je begrijpen. De menschen stonden stil om hen na +te kijken. 't Leek wel als een loopend vuurtje door de stad te zijn +gegaan ... ongeveer zooals een brand in de prairieen in het verre +Westen. In alle huizen stonden de menschen te wachten voor de ramen tot +de optocht voorbij zou komen; hoofd aan hoofd achter de gordijnen ... +oeh! Ja, je moet me niet kwalijk nemen, Betty, dat ik oeh! zeg, want dat +alles maakt me zenuwachtig;... als dat nog lang duren moet, dan zal ik +genoodzaakt zijn plannen te maken om een tijdlang op reis te gaan. + +MEVR. BERNICK. Maar je hadt hem toch liever eens moeten toespreken en +hem onder het oog brengen.... + +HILMAR. In 't publiek? Op straat? Neen ... dat moet je me niet kwalijk +nemen. Maar dat die man zich hier nog in de stad durft vertoonen! Nou, +we zullen eens zien of de pers er niet een stokje voor steken kan. Ja, +neem me niet kwalijk, Betty, maar.... + +BERNICK. De pers, zeg je? Heb je dan al iets van dien aard gehoord? + +HILMAR. Jawel, er hangt wel zoo iets in de lucht. Toen ik gisteren avond +van je weg ging, liep ik nog even binnen in de societeit, om beter te +kunnen slapen. Ik merkte best aan de stilte die ontstond, dat er over de +twee Amerikanen gesproken was. Daar komt die onbeschaamde kerel, Hammer, +de redacteur, binnen en feliciteert mij hardop met de terugkomst van +mijn rijken neef. + +BERNICK. Rijken...? + +HILMAR. Ja, dat zei hij. Ik keek hem eens goed van onderen naar boven +aan en gaf hem te verstaan dat ik niets wist van Johan Toennesen's +rijkdom. "Zoo," zei hij, "dat is toch vreemd; in Amerika maken de +menschen toch gewoonlijk fortuin als zij iets hebben om mee te beginnen, +en uw neef ging immers niet met lege handen weg." + +BERNICK. Hm; doe mij nu een plezier.... + +MEVR. BERNICK (_bezorgd_). Nu, zie je toch eens Karsten.... + +HILMAR. Ja, mij heeft hij alvast een slapeloozen nacht bezorgd. En dan +loopt hij daar door de straten met een gezicht alsof er nooit iets met +hem gebeurd was. Waarom bleef hij nu maar niet voor goed weg? Sommige +menschen zijn toch ook zoo onuitstaanbaar taai! + +MEVR. BERNICK. Maar Hilmar, wat zeg je daar nu! + +HILMAR. O, niemendal. Maar zoo'n kerel ontkomt daar heelhuids aan +treinongelukken, Californische beren en Zwart-Voet Indianen, ja is zelfs +niet eens gescalpeerd.... Oeh! daar heb je ze! + +BERNICK (_kijkt de straat op_). Olaf is er ook bij! + +HILMAR. Ja natuurlijk; ze willen de menschen laten zien dat ze tot de +eerste familie van de stad behooren. Kijk, kijk, daar komen al de +dagdieven uit de apotheek om ze aan te gapen en het hunne er van te +zeggen. Dat is heusch te veel voor mijn zenuwen; hoe een man onder zulke +omstandigheden de vaan der idee hoog houden moet, dat.... + +BERNICK. Zij komen hier naar toe. Hoor eens Betty, het is mijn +uitdrukkelijk verlangen dat je ze zoo vriendelijk mogelijk bejegent. + +MEVR. BERNICK. Mag ik dat doen, Karsten? + +BERNICK. Ja zeker; zeker; en jij ook, Hilmar. Zij zullen hier, hoop ik, +niet zoo heel lang blijven; en als wij onder elkaar zijn geen +toespelingen alsjeblieft; wij mogen hen op geen manier kwetsen. + +MEVR. BERNICK. O Karsten, wat ben jij toch grootmoedig. + +BERNICK. Nu ja ... nu ja ... 't is goed. + +MEVR. BERNICK. Neen, laat mij je danken; en vergeef mij dat ik daar +straks zoo driftig was. O, je hadt immers alle reden om.... + +BERNICK. 't Is goed; 't is goed ... laat dat nu maar rusten! + +HILMAR. Oeh! + +(_Johan Toennesen en Dina, daar achter Lona Hessel en Olaf, komen den +tuin door_). + +LONA. Goeden dag, goeden dag, lieve menschen! + +JOHAN. Wij zijn er op uit geweest en hebben al de oude plekjes eens +opgezocht, Karsten. + +BERNICK. Ja, dat hoor ik. Heel wat veranderingen, niet waar? + +LONA. Consul Bernick's groote en goede daden overal. Wij zijn boven in +het plantsoen geweest dat jij de stad cadeau gedaan hebt. + +BERNICK. Zoo? Daar? + +LONA. "Geschenk van Karsten Bernick," zooals er boven den ingang staat. +Ja, jij bent hier wel de Groote Piet. + +JOHAN. En prachtige schepen heb je ook. Ik ontmoette den kapitein van +"de Palmboom", een ouden schoolkameraad van me.... + +LONA. En een nieuw schoolgebouw heb je ook laten zetten; en de +gasleiding en ook de waterleiding hebben ze aan jou te danken, hoor ik. + +BERNICK. Nu, men moet toch wat doen voor de maatschappij waarin men +leeft. + +LONA. Ja, dat is flink, Bernick. Maar het is ook verblijdend om te zien +hoe trotsch de menschen op je zijn. Ik ben niet ijdel, geloof ik; maar +ik kon toch niet nalaten om sommige menschen met wie wij praatten, te +laten hooren dat wij familie waren. + +HILMAR. Oeh! + +LONA. Zeg jij daar oeh! voor? + +HILMAR. Neen, ik zeg hm.... + +LONA. Nou, ga jij je gang maar, sukkel! Maar ben jullie van daag zoo +heel alleen? + +MEVR. BERNICK. Ja, van daag zijn wij alleen. + +LONA. O, we ontmoetten zoowaar een paar van die "moreelen" op de markt; +zij deden of zij het ijselijk druk hadden. Maar we hebben nog heelemaal +niet eens samen kunnen praten. Gisteren waren eerst die drie +spoorwegmannen hier, en toen kwam die dominee.... + +HILMAR. Hulpprediker.... + +LONA. _Ik_ noem hem dominee. Maar wat zeg jullie nu wel van _mijn_ werk +in deze vijftien jaar? Is hij niet een flinke kerel geworden? Wie zou +den wildzang nog herkennen die van hier wegliep? + +HILMAR. Hm...! + +JOHAN. Zeg, Lona, bluf nou maar niet te veel. + +LONA. Ja, ik ben daar nu echt trotsch op. Lieve Hemel, dat is het eenige +wat ik uitgevoerd heb in de wereld; maar dat geeft mij toch wel een +beetje recht van bestaan. Ja, Johan, zeg, als wij daaraan terug denken +hoe wij tweeen daarginder begonnen met onze vier leege klavieren.... + +HILMAR. Handen. + +LONA. Ik zeg klavieren, want smerig waren ze. + +HILMAR. Oeh! + +LONA. En leeg waren ze ook. + +HILMAR. Leeg? Nou ik moet zeggen...! + +LONA. Wat moet je zeggen? + +BERNICK. Hm! + +HILMAR. Ik moet zeggen ... oeh! (_gaat de tuintrap af_). + +LONA. Wat mankeert die vent? + +BERNICK. Och, stoor je maar niet aan hem; hij is een beetje zenuwachtig +tegenwoordig. Maar wil je den tuin niet eens zien? Daar ben je nog niet +geweest, en ik heb nu nog een uurtje vrij. + +LONA. Ja, heel graag; je kunt denken dat ik genoeg met mijn gedachten +hier in den tuin bij jullie ben geweest. + +MEVR. BERNICK. Daar is ook veel veranderd, dat zal je zien. + +(_Bernick, Mevr. Bernick en Lona gaan den tuin in, waar men hen af en +toe ziet gedurende het volgende_). + +OLAF (_in den tuindeur_). Oom Hilmar, weet u wat oom Johan mij vroeg? +Hij vroeg of ik met hem mee wou gaan naar Amerika. + +HILMAR. Jij, zoo'n lummel die hier aan je moeders rokken hangt.... + +OLAF. Maar dat wil ik nu ook niet langer. U zal eens zien als ik groot +ben.... + +HILMAR. Nonsens; jij hebt geen aanleg in je voor dat stalende dat er +gelegen is in.... (_zij gaan den tuin in_). + +JOHAN (_tegen Dina die haar hoed heeft afgezet en in de deur rechts +staat, terwijl zij het stof van haar japon schudt_). U heeft het knapjes +warm gekregen van de wandeling. + +DINA. Ja; het was een heerlijke wandeling. Zoo'n heerlijke wandeling heb +ik nog nooit gemaakt. + +JOHAN. U wandelt misschien niet dikwijls zoo in den voormiddag? + +DINA. Jawel, maar enkel met Olaf. + +JOHAN. Zoo.... U heeft misschien ook lust om in den tuin te gaan, of +blijft u liever hier? + +DINA. Neen, ik heb veel meer lust om hier te blijven. + +JOHAN. Ik ook. En dat is dus afgesproken, dat ik u iederen ochtend kom +afhalen om te wandelen. + +DINA. Neen, mijnheer Toennesen, dat moet u niet doen. + +JOHAN. Waarom niet? U heeft het toch beloofd. + +DINA. Jawel; maar nu ik er over nadenk ... neen, u moet niet met mij +uitgaan. + +JOHAN. Maar waarom dan toch niet? + +DINA. U is hier vreemd; u begrijpt dat niet; maar ik zal u zeggen.... + +JOHAN. Wel? + +DINA. Och neen ... ik spreek er liever niet over. + +JOHAN. O, tegen mij kan u gerust over alles spreken wat u wil. + +DINA. Dan zal ik het u zeggen: ik ben niet zooals andere jonge meisjes; +er is iets ... er is iets bizonders met mij. Daarom moet u het niet +doen. + +JOHAN. Daar begrijp ik heelemaal niets van. U heeft toch niets misdaan? + +DINA. Neen, ik niet, maar ... ik kan er niets meer van zeggen. U komt +het wel te weten door de anderen. + +JOHAN. Hm. + +DINA. Maar er was nog iets anders dat ik u graag vragen zou. + +JOHAN. En wat is dat dan? + +DINA. In Amerika is het immers zoo gemakkelijk om een betrekking te +krijgen? + +JOHAN. Nou, zoo heel gemakkelijk is het nu altijd niet; in het begin +moet je dikwijls heel wat uitstaan en hard werken. + +DINA. Daar zou ik ook niet tegen opzien.... + +JOHAN. U? + +DINA. Ik kan wel werken; ik ben gezond en sterk, en tante Martha heeft +mij van alles geleerd. + +JOHAN. Maar, wat drommel, ga dan met ons mee! + +DINA. Och, nu maakt u maar gekheid; dat heeft u tegen Olaf ook gezegd. +Maar wat ik eigenlijk wilde weten is, of de menschen daarginder erg ... +erg braaf zijn? + +JOHAN. Braaf? + +DINA. Ja, ik bedoel of ze ook zoo fatsoenlijk en in den vorm zijn, als +hier? + +JOHAN. Nou, ze zijn in elk geval niet zoo slecht als ze hier denken. +Daar hoeft u niet bang voor te zijn. + +DINA. U begrijpt mij niet. Ik zou juist willen dat ze niet zoo +fatsoenlijk en braaf waren. + +JOHAN. Niet? En hoe moeten ze dan zijn? + +DINA. Ik zou willen dat ze natuurlijk waren. + +JOHAN. Jawel, jawel, dat zijn ze misschien juist wel. + +DINA. Dan zou het goed voor mij zijn om er heen te gaan. + +JOHAN. Welzeker, en daarom moet u met ons meegaan. + +DINA. Neen, met u ga ik niet mee; ik moet alleen gaan. O, ik zou het nog +wel tot iets kunnen brengen; ik zou wel flink worden.... + +BERNICK (_beneden aan de tuintrap bij de beide dames_). Blijf maar, +blijf; ik zal het wel halen, Betty-lief. Je zoudt licht kou kunnen +vatten. (_Hij komt de kamer binnen en zoekt naar een chale_). + +MEVR. BERNICK (_in den tuin_). Jij moet ook meegaan, Johan. Wij gaan +naar de grot. + +BERNICK. Neen, Johan moet nu eens hier blijven! Hier, Dina, neem jij de +chale mee van mijn vrouw en ga met haar meer. Johan blijft bij mij, +Betty-lief. Ik moet nog eens het een-en-ander hooren over de toestanden +daarginder. + +MEVR. BERNICK. Goed! Maar kom gauw weer bij ons; je weet waar wij te +vinden zijn. (_Mevr. Bernick, Lona en Dina gaan door den tuin links +af_). + +BERNICK (_kijkt hen een oogenblik na, gaat dan de verste deur links +sluiten; dan gaat hij naar Johan toe, grijpt zijn beide handen die hij +schudt en drukt_). Johan, nu zijn wij alleen: laat mij je nu eens +danken. + +JOHAN. Ach wat! + +BERNICK. Mijn huis en haard, mijn huiselijk geluk, mijn heele positie in +de maatschappij ... heb ik aan jou te danken. + +JOHAN. Wel, dat doet mij plezier, beste Karsten, dan is er toch nog iets +goeds uit die gekke geschiedenis voortgekomen. + +BERNICK (_schudt hem opnieuw de hand_). Toch dank, dank, en nogmaals +dank! Niet een uit de tienduizend zou gedaan hebben wat jij toen voor +mij deedt. + +JOHAN. 't Is ook wat! Waren we niet allebei jong en loszinnig? Een van +ons beiden moest de schuld toch op zich nemen.... + +BERNICK. Maar wie was daar nader aan toe dan de schuldige zelf? + +JOHAN. Stop! Toen was de onschuldige er nader aan toe. Ik was immers +heelemaal vrij en ouderloos. En 't was een waar geluk om van die +kantoor-slavernij af te komen. Maar jij hadt je oude moeder nog, en +daarbij was je net stil geengageerd met Betty, die zoo veel van je +hield. Wat zou ze begonnen hebben als ze te weten was gekomen...? + +BERNICK. Zeker ... zeker ... alles waar, maar.... + +JOHAN. En was het niet juist om Betty dat je een eind ging maken aan dat +scharrelpartijtje met madam Dorf? 't Was immers daarom dat je bij haar +boven was dien avond.... + +BERNICK. Ja, die onzalige avond, toen die dronken kerel thuiskwam...! +Ja, Johan, dat was om Betty; maar toch ... dat je zoo grootmoedig den +schijn tegen je zelf keerde en weg ging.... + +JOHAN. Heb maar geen gewetensbezwaren, beste kerel. We waren het er +immers over eens dat het zoo zijn zou; je _moest_ gered worden, en je +was immers mijn vriend. Ja, op die vriendschap was ik wat trotsch! Ik +liep hier rond als een gewoon huisbakken inlander; en toen kwam jij +terug, elegant en voornaam, van je groote buitenlandsche reis. Je was in +Parijs en in Londen geweest. En toen koos je mij tot intiemen vriend, +hoewel ik vier jaar jonger was dan jij;... nou ja, dat was omdat jij +Betty het hof maakte, dat begrijp ik nu wel. Maar wat was ik daar +trotsch op! En wie zou dat niet geweest zijn? Wie zou zich niet graag +voor je opgeofferd hebben; vooral omdat er toch niet meer aan vast was +dan een maand lang wat kletspraatjes in de stad, en ik meteen de wijde +wereld kon intrekken. + +BERNICK. Hm; mijn beste Johan, ik moet je eerlijk zeggen, dat die +geschiedenis nog niet zoo heelemaal vergeten is. + +JOHAN. Zoo? Niet? Nou wat raakt mij dat, als ik weer daarginder op mijn +farm zit.... + +BERNICK. Dus je gaat weer terug? + +JOHAN. Ja, stellig. + +BERNICK. Maar toch niet zoo heel gauw, hoop ik? + +JOHAN. Zoo gauw mogelijk. Ik ben alleen maar meegekomen om Lona plezier +te doen. + +BERNICK. Zoo? Om Lona? + +JOHAN. Ja, zie je, Lona is niet jong meer, en in den laatsten tijd begon +het verlangen naar haar eigen land haar te kwellen; maar zij wou het +nooit bekennen. (_Glimlachend_). Hoe zou zij zoo'n lichtzinnig wezen +durven achterlaten, dat zich, toen hij negentien jaar oud was al had +afgegeven met.... + +BERNICK. En...? + +JOHAN. Ja, Karsten, nu moet ik je iets biechten, waarover ik me schaam. + +BERNICK. Je hebt haar toch niet verteld hoe de zaak in elkaar zit? + +JOHAN. Ja, dat heb ik wel. Het was verkeerd van mij maar ik kon niet +anders. Je kunt je niet voorstellen wat Lona voor mij geweest is. Jij +hebt haar nooit goed kunnen uitstaan, maar voor mij is ze als een moeder +geweest. In de eerste jaren, toen wij het zoo spaansch hadden +daarginder, wat heeft ze toen niet gewerkt. En toen ik langen tijd ziek +lag en niets kon verdienen, en het ook niet kon verhinderen, toen is zij +liederen gaan zingen in cafe's, voordrachten gaan houden, waar de +menschen om lachten; en toen heeft ze een boek geschreven waar zij +naderhand om gelachen en geschreid heeft,... allemaal om mij in leven te +houden. Daarom kon ik het niet langer aanzien hoe zij van den winter +verteerde van heimwee, zij, die gezwoegd en geslaafd had voor mij! Neen, +dat kon ik niet, Karsten. En daarom zei ik: ga terug Lona, je hoeft voor +mij niet bang te zijn; ik ben niet zoo lichtzinnig als je denkt. En zoo +... zoo kwam zij het te weten. + +BERNICK. En hoe nam zij het op? + +JOHAN. Nou, ze vond, wat ook waar was, dat als ik wist niets misdaan te +hebben, ik er ook niets tegen hebben kon de reis mee te maken. Maar wees +gerust, Lona verklapt niets, en ik zal ook nu wel weer mijn mond houden. + +BERNICK. Ja ... ja ... daar vertrouw ik ook op. + +JOHAN. Daar heb je mijn hand er op. En nu zullen wij niet meer spreken +over die oude geschiedenis; gelukkig is dat de eenige dolle streek, +zoover ik weet, die een van ons heeft uitgehaald. Nu wil ik van de +enkele dagen dat ik hier ben ten volle genieten. Je weet niet wat een +heerlijke wandeling wij van morgen gemaakt hebben. Wie zou gedacht +hebben dat die kleine dreumes, die hier rondliep en voor engeltje +speelde op het tooneel...! Maar zeg toch eens,... hoe is het toen verder +met haar ouders afgeloopen? + +BERNICK. Och, ik weet er niet meer van te vertellen dan ik je schreef +kort nadat je weg was. Je hebt immers die twee brieven wel gekregen? + +JOHAN. Jawel; jawel; ik heb ze nog allebei. Die dronkenlap liep immers +van haar weg? + +BERNICK. En is later in de jenever gestikt. + +JOHAN. Zij stierf immers ook kort daarop? Maar jij hebt zeker alles voor +haar gedaan wat je in stilte doen kon? + +BERNICK. Zij was trotsch; zij heeft nooit iets verraden en ze wilde +niets aannemen. + +JOHAN. 't Is in elke geval goed dat je Dina in huis genomen hebt. + +BERNICK. Ja, maar het is eigenlijk Martha geweest die dat heeft +doorgedreven. + +JOHAN. Zoo was dat Martha's werk? Ja, Martha ... dat is waar ook ... +waar zit die toch van daag? + +BERNICK. O, _die_,... als die niet aan 't les geven is op school, dan +is ze bij haar zieken. + +JOHAN. Dus Martha heeft zich met haar bezig gehouden. + +BERNICK. Ja, Martha heeft altijd een zeker zwakje gehad voor alles wat +opvoeding is. Daarom heeft zij ook een betrekking aan de volksschool +aangenomen. Dat was een groote dwaasheid van haar. + +JOHAN. Ja, zij zag er gisteren erg vermoeid uit; ik vrees ook dat zij +daarvoor niet sterk genoeg is. + +BERNICK. Och, wat haar gezondheid betreft zou het wel gaan. Maar het is +onaangenaam voor _mij_; 't staat net of ik, haar broer, geen lust heb om +haar te onderhouden. + +JOHAN. Te onderhouden? Ik dacht dat zij zelf geld genoeg had om.... + +BERNICK. Geen cent. Je herinnert je nog wel wat voor een benauwde tijd +het was voor moeder toen jij weg ging. Zij hield het toen met mijn hulp +nog wel een tijdlang vol; maar dat kon op den duur toch zoo niet gaan. +Daarom liet ik mij in de firma opnemen; maar zoo ging het toen ook +alweer niet. Ik moest dus de heele zaak overnemen, en toen wij onze +balans opmaakten, bleek het dat er van het aandeel van mijn moeder zoo +goed als niets overbleef. Toen moeder kort daarna overleed, was er +natuurlijk ook voor Martha niets. + +JOHAN. Die arme Martha! + +BERNICK. Arme? Waarom? Je denkt toch niet dat zij iets te kort komt? +O neen, ik durf gerust zeggen dat ik een goede broer ben. Zij woont +natuurlijk bij ons in en eet aan onze tafel; van hetgeen zij verdient +kan zij ruim zich kleeden, en een vrouw alleen ... wat zal die met meer +uitvoeren? + +JOHAN. Hm; in Amerika denken wij daar anders over. + +BERNICK. Ja, dat geloof ik wel; in zoo'n vrijgevochten maatschappij als +de Amerikaansche. Maar hier, in ons kleine kringetje, waar Goddank de +verdorvenheid tot op heden althans, nog niet is binnengedrongen, hier +stellen de vrouwen zich er mee tevreden een gepaste, al is het dan ook +een bescheiden plaats in te nemen. Het is bovendien Martha's eigen +schuld; zij had waarachtig al lang bezorgd kunnen zijn, als zij maar +gewild had. + +JOHAN. Je bedoelt dat zij had kunnen trouwen? + +BERNICK. Ja, zij had zelfs meer dan eens een heel goede partij kunnen +doen; zij heeft verscheidene goede aanzoeken gehad. Merkwaardig genoeg; +een onbemiddeld meisje, niet jong meer, en daarbij hoogst onbeduidend. + +JOHAN. Onbeduidend? + +BERNICK. Nou, ik maak er haar geen verwijt van. Ik verlang haar niet +anders dan ze is. Je begrijpt, in een groot huis als het onze, is het +altijd gemakkelijk zoo'n eenvoudig persoontje te hebben die je voor +alles gebruiken kunt. + +JOHAN. Jawel, maar zij...? + +BERNICK. Zij? Hoe dat?... Nu ja, zij heeft natuurlijk ook wel wat om +zich voor te interesseren. Zij heeft mij toch, en Betty en Olaf en mij. +Een mensch moet niet altijd in de eerste plaats aan zich zelf denken, en +allerminst een vrouw. Wij hebben toch allemaal een kleinere of grootere +maatschappij om te steunen en voor te werken. Zoo doe _ik_ althans +(_wijst naar Krap, die van rechts komt_). Daar heb je net het bewijs +voor mijn stelling. Denk je dat het mijn eigen zaken zijn die mij in +beslag nemen? Volstrekt niet. (_Snel tegen Krap_). Wel? + +KRAP (_zacht, laat een pak papieren zien_). Alle koopcontracten in orde. + +BERNICK. Prachtig! Uitmuntend!... Ja, beste jongen, nu moet je mij +heusch voor een poosje excuseeren. (_Gedempt en met een handdruk_). +Dank, dank, Johan; en wees er van overtuigd, dat ik alles, waarmee ik je +van dienst kan zijn,... nu, je begrijpt mij wel.... Kom, mijnheer Krap. +(_Zij gaan Bernick's kamer binnen_). + +JOHAN (_kijkt hen een poos na_). Hm.... (_hij wil den tuin ingaan. Op +hetzelfde oogenblik komt Martha met een mandje aan haar arm van +rechts_). + +JOHAN. Kijk eens aan, Martha! + +MARTHA. O ... Johan ... ben jij het? + +JOHAN. Ook al zoo vroeg op het pad? + +MARTHA. Ja. Wacht maar even, als je wilt; de anderen zullen wel dadelijk +komen. (_Wil naar links weggaan_). + +JOHAN. Hoor eens, Martha, heb je altijd zoo'n haast? + +MARTHA. Ik? + +JOHAN. Gisteren liep je ook al weg, zoodat ik geen woord met je kon +praten, en van daag.... + +MARTHA. Ja, maar.... + +JOHAN. Vroeger waren wij toch altijd bij elkaar, wij twee oude +speelkameraden. + +MARTHA. Och, Johan, dat is zoo heel, heel lang geleden. + +JOHAN. Wel, het is op den kop af vijftien jaar geleden, niet meer en +niet minder. Vindt je soms dat ik zoo erg veranderd ben? + +MARTHA. Jij? O ja, jij ook, hoewel.... + +JOHAN. Nou wat? + +MARTHA. Och ... niets. + +JOHAN. Je schijnt niet erg blij te zijn om me terug te zien. + +MARTHA. Je heb zoo lang gewacht ... _te_ lang. + +JOHAN. Gewacht? Dat ik terugkomen zou? + +MARTHA. Ja. + +JOHAN. En waarvoor dacht je dat ik terugkomen zou? + +MARTHA. Om goed te maken wat je misdaan hebt. + +JOHAN. Ik? + +MARTHA. Heb je vergeten dat er een vrouw in ellende en schande gestorven +is door jouw schuld? Heb je vergeten, dat door jouw schuld de beste +jaren van een opgroeiend meisje vergald werden? + +JOHAN. En dat moet ik van jou hooren? Martha, heeft je broer dan +nooit...? + +MARTHA. Wat? + +JOHAN. Heeft hij nooit...; nu ja, ik bedoel, heeft hij nooit zooveel als +een woord tot mijn verontschuldiging gezegd? + +MARTHA. Och, Johan, je kent immers Karsten's strenge principes wel. + +JOHAN. Hum..., ja zeker, zeker ken ik de strenge principes van mijn +ouden vriend Karsten wel.... Maar dat is toch...! Wel!... Ik sprak zoo +even met hem. Ik vind dat hij opvallend veranderd is. + +MARTHA. Hoe kan je dat zeggen? Karsten is toch altijd zoo'n uitstekend +mensch geweest. + +JOHAN. Zoo was het eigenlijk niet bedoeld; maar dat doet er niet toe. +Hm; nu begrijp ik pas in welk licht je mij gezien hebt; je hebt gewacht +en uitgekeken naar de terugkomst van den verloren zoon. + +MARTHA. Johan, ik zal je zeggen in welk licht ik je gezien heb (_wijst +naar den tuin_). Zie je haar, die daarginder in het gras met Olaf +speelt? Dat is Dina. Herinner je je nog dien verwarde brief dien je mij +schreef toen je weg ging? Je schreef dat ik in je gelooven moest. Ik heb +in je geloofd, Johan. Al die slechte dingen die later van je verteld +werden, moeten in de verwarring, zonder nadenken, zonder overleg gebeurd +zijn.... + +JOHAN. Wat voor dingen bedoel je? + +MARTHA. Och, je begrijpt mij heel goed;... daarover praat ik niet meer. +Maar je moest immers weg, van voren af aan beginnen, een nieuw leven. +Zie je, Johan, ik ben je plaatsvervangster hier geweest, ik, je oude +speelkameraad. De plichten die jij hier verzuimde te vervullen, of niet +vervullen kon, die heb ik op mij genomen en voor je vervuld. Ik vertel +je dit omdat je je ook niet dat nog te verwijten zoudt hebben. Voor het +arme, verongelijkte kind, ben ik een moeder geweest; ik heb haar +opgevoed zoo goed als ik kon.... + +JOHAN. En je heele leven daaraan verspild.... + +MARTHA. Dat is niet verspild. Maar je bent laat gekomen, Johan. + +JOHAN. Martha ... als ik je alles zeggen kon.... Wel, laat ik je in elk +geval danken voor je trouwe vriendschap. + +MARTHA (_met een droevig lachje_). Hm.... Zoo, nu heb ik ten minste +gezegd wat ik op 't hart had. Sst; daar komt iemand. Adieu; ik kan nu +niet.... (_zij gaat weg door de verste deur links. Lona Hessel komt uit +den tuin, gevolgd door Mevr. Bernick_). + +MEVR. BERNICK (_nog in den tuin_). Maar om 's hemels wil, Lona, wat +verzin je toch! + +LONA. Laat mij toch maar begaan; ik wil en moet met hem spreken. + +MEVR. BERNICK. Maar dat zou toch het grootst mogelijke schandaal geven! +O Johan, ben jij daar nog? + +LONA. Maak dat je wegkomt, jongen; blijf niet hier in de kameratmosfeer +omhangen; ga den tuin in en praat een beetje met Dina. + +JOHAN. Dat was ik juist van plan. + +MEVR. BERNICK. Maar.... + +LONA. Hoor eens, Johan, heb je Dina al eens goed aangekeken? + +JOHAN. Ik geloof van ja. + +LONA. Je moet haar maar eens heel nauwkeurig opnemen, jongen. Dat zou +iets voor jou zijn! + +MEVR. BERNICK. Maar Lona! + +JOHAN. Iets voor mij? + +LONA. Ja, om naar te kijken, meen ik. Ga nu maar! + +JOHAN. Maar al te graag! (_hij gaat den tuin in_). + +MEVR. BERNICK. Lona, ik sta verstomd over je. Dit kan je toch onmogelijk +ernst zijn. + +LONA. Ja waarachtig is het mij ernst. Is zij niet frisch en gezond en +braaf? Zij is net een vrouw voor Johan. Zoo een heeft hij daarginder net +noodig; dat zal wat anders zijn dan een oude stiefzuster! + +MEVR. BERNICK. Dina! Dina Dorf! Denk toch eens aan!... + +LONA. Ik denk in de eerste plaats aan het geluk van mijn jongen. Want +hem een beetje helpen moet ik wel; zelf is hij niet heel handig in zulke +dingen; voor meisjes en vrouwen heeft hij nooit veel oog gehad. + +MEVR. BERNICK. Hij niet? Johan! Nou, mij dunkt dat wij van het tegendeel +de treurige bewijzen wel gehad hebben.... + +LONA. Naar den drommel met die malle geschiedenis! waar is Bernick? Ik +moet hem spreken. + +MEVR. BERNICK. Lona, je doet het niet, zeg ik je! + +LONA. Ik doe het wel. Heeft de jongen zin in haar ... en zij in hem ... +dan zullen ze elkaar krijgen ook. Bernick is immers zoo'n knappe man; +die moet dan maar een uitweg vinden.... + +MEVR. BERNICK. En geloof je dat zulke Amerikaansche onwelvoegelijkheden +hier geduld zullen worden.... + +LONA. Leuterpraat, Betty. + +MEVR. BERNICK. ... dat een man als Karsten, met zijn streng moreele +begrippen.... + +LONA. Och wat! Die zullen wel zoo overdreven streng niet zijn. + +MEVR. BERNICK. Wat durf je daar te zeggen? + +LONA. Ik durf zeggen dat Bernick wel niet zooveel braver zal zijn dan +andere mannen. + +MEVR. BERNICK. Zoo diep zit dus de haat nog in je! Maar wat wil je dan +toch eigenlijk hier, als je nooit hebt kunnen vergeten dat...? Ik +begrijp niet dat je hem onder de oogen durfde komen na de schandelijke +beleediging die je hem hebt aangedaan. + +LONA. Ja, Betty, toen heb ik mij leelijk vergaloppeerd. + +MEVR. BERNICK. En hoe grootmoedig heeft hij het je niet vergeven, hij, +die toch nooit iets misdaan had! Want hij kon toch niet helpen dat jij +je hier illusies gemaakt hadt. Maar sinds dien tijd heb je ook een hekel +aan mij. (_Begint te schreien_). Je hebt mij mijn geluk nooit gegund. En +nu kom je hier om mij al die narigheid te bezorgen ... om de heele stad +te laten zien in wat voor een familie ik Karsten gebracht heb. Ik zal er +op aangezien worden, en dat is het juist wat je wilt. O, het is +afschuwelijk van je! (_Ze gaat schreiend weg door de verste deur +links_). + +LONA (_haar nakijkend_). Arme Betty! (_Bernick komt uit zijn kamer_). + +BERNICK (_nog in de deur_). Ja, ja, dat is best mijnheer Krap; dat is +uitstekend. Stuur vierhonderd kronen voor voedsel voor de armen. (_keert +zich om_). Lona! (_dichterbij_). Ben je alleen? Komt Betty niet hier? + +LONA. Neen. Zal ik haar soms gaan halen? + +BERNICK. Neen, neen, neen, niet doen! O Lona, je weet niet hoe ik er +naar verlangd heb eens openhartig met je te praten ... om je vergeving +af te smeeken. + +LONA. Hoor eens, Karsten, laat ons niet sentimenteel worden; dat staat +ons niet. + +BERNICK. Je _moet_ mij aanhooren, Lona. Ik weet wel hoezeer de schijn +tegen mij is, nu je gehoord hebt van die zaak met Dina's moeder. Maar +ik zweer je, dat het maar een korte opwinding geweest is; ik heb eens +heusch eerlijk en oprecht van je gehouden. + +LONA. Waarvoor denk je dat ik teruggekomen ben? + +BERNICK. Wat je ook van plan bent, ik smeek je niets te ondernemen voor +ik mij gerechtvaardigd heb. Ik kan het, Lona, ik kan mij in elk geval +verontschuldigen. + +LONA. Nu ben je bang.... Je hebt eens van mij gehouden, zeg je. Ja, dat +heb je me dikwijls genoeg verzekerd in je brieven; en misschien was het +ook wel waar ... in zekeren zin ... zoolang je nog daarginder in een +ruimer en vrijer wereld leefde, die je den moed gaf zelf vrij en ruim te +denken. Je vondt misschien bij mij meer karakter en eigen wil en +zelfstandigheid, dan bij de meesten hier. En dan was het ook een geheim +tusschen ons beiden; niemand kon je uitlachen over je slechten smaak. + +BERNICK. Lona, hoe kan je toch denken...? + +LONA. Maar toen je terugkwam, toen je allerlei spotternijen hoorde, die +als hagel op me neervielen, toen je hoorde hoe er gelachen werd over +alles wat ze hier mijn dwaasheden noemden.... + +BERNICK. Maar je was toen ook erg excentriek. + +LONA. Toch voornamelijk om al die stijve harken te ergeren, die in +pantalons en rokken door de stad slenterden. En toen je dan die jonge +verleidelijke actrice ontmoette.... + +BERNICK. Het was een kwajongensstreek ... anders niets; ik zweer dat er +geen tiende deel waar was van al de praatjes en den laster die in omloop +waren. + +LONA. 't Kan zijn; maar toen nu Betty thuis kwam, mooi, bloeiend, door +allen vergood ... en het bekend werd dat zij het heele fortuin van tante +erven zou, en ik niets zou krijgen.... + +BERNICK. Ja, dat is nu juist de zaak, Lona; en nu zal je ook alles +zonder omwegen hooren. Ik had Betty toen niet lief. Ik maakte het niet +af met jou om een nieuwe verliefdheid. Ronduit gezegd, het was om het +geld. Ik was er toe gedwongen; ik _moest_ dat geld hebben. + +LONA. En dat zeg je mij zoo maar vlak in mijn gezicht? + +BERNICK. Ja, dat doe ik. Luister eens, Lona.... + +LONA. En toch schreef je mij dat een onoverwinnelijke liefde voor Betty +zich meester van je gemaakt had, deed je een beroep op mijn +grootmoedigheid, bezwoer je mij ter wille van Betty te zwijgen over wat +er tusschen ons geweest was.... + +BERNICK. Ik _moest_ het wel doen, zeg ik je immers. + +LONA. Nou, dan weet de hemel dat ik er geen berouw van heb dat ik mij +toen zoo vergaloppeerde. + +BERNICK. Laat ik je eens koel en kalm vertellen hoe de toestand was in +die dagen. Mijn moeder stond, zooals je je herinnert, aan het hoofd van +de zaak; maar zij had absoluut geen verstand van zaken. Ik werd haastig +teruggeroepen uit Parijs; de tijden waren kritiek; ik moest de zaak weer +op de been helpen. Wat vond ik? Ik vond, wat natuurlijk diep geheim +gehouden moest worden, een zoo goed als geruineerd huis. Ja, het was zoo +goed als geruineerd, dit oude aanzienlijke huis, dat al sedert drie +geslachten had bestaan. Wat had ik, de zoon, de eenige zoon, anders te +doen dan om te zien naar een reddingsmiddel? + +LONA. En zoo redde je het huis Bernick ten koste van een vrouw. + +BERNICK. Je weet wel dat Betty van mij hield. + +LONA. Maar ik dan? + +BERNICK. Geloof mij ... Lona ... je zoudt met mij nooit gelukkig +geworden zijn. + +LONA. Was het uit bezorgdheid voor mijn geluk dat je mij losliet? + +BERNICK. Denk je soms dat ik uit egoisme handelde zoo als ik het deed? +Als ik toen alleen gestaan had, dan zou ik flink en moedig van voren af +aan begonnen zijn. Maar je hebt geen idee hoe een zakenman, onder den +druk van een onmogelijke zware verantwoordelijkheid, samengroeit met de +zaak die hij erft. Weet je wel dat het wel en wee van honderden, ja +duizenden, van hem afhangt? En bedenk je wel dat de heele maatschappij, +die wij allebei ons thuis noemen, op de gevoeligste manier de gevolgen +van den val van het huis Bernick zou ondervonden hebben? + +LONA. En is het ook ter wille van de maatschappij dat je al vijftien +jaar lang die leugen volgehouden hebt? + +BERNICK. Die leugen? + +LONA. Wat weet Betty van alles, wat te grond ligt aan je vereeniging met +haar, en daaraan vooraf ging? + +BERNICK. Waarom zou ik haar zonder eenig nut pijn doen, met haar die +dingen te vertellen? + +LONA. Zonder eenig nut, zeg je? Ja, ja, je bent een man van zaken; jij +moet weten wat nuttig is of niet.... Maar hoor nu eens, Karsten, nu zal +ik ook eens koel en kalm spreken. Zeg mij eens ... ben je nu ook heusch +gelukkig? + +BERNICK. In mijn gezin, bedoel je? + +LONA. Ja. + +BERNICK. Ja, Lona, dat ben ik. O, je bent niet voor niets zoo'n +opofferende vriendin voor mij geweest. Ik durf zeggen dat ik ieder jaar +gelukkiger ben geworden. Betty is lief en meegaande. En wat heeft zij in +den loop der jaren geleerd zich naar mijn eigenaarigheden te voegen...! + +LONA. Hm. + +BERNICK. Vroeger had zij een heeleboel overspannen idees over de liefde; +zij kon zich maar niet vereenigen met de gedachte dat die zachtjes aan +moest overgaan in een kalme vriendschap. + +LONA. Maar berust zij nu daarin? + +BERNICK. Volkomen. Je kunt begrijpen dat de dagelijksche omgang met mij, +haar ook veel heeft gerijpt en niet zonder invloed op haar gebleven is. +De menschen moeten leeren van beide kanten wat water in hun wijn te +doen, als zij in de maatschappij waarin zij leven waardig hun plaats +zullen innemen. Dat heeft Betty later ook leeren inzien, en daarom is +ons huis nu een voorbeeld voor onze medeburgers. + +LONA. Maar die medeburgers weten niets van de leugen? + +BERNICK. Van de leugen? + +LONA. Ja, van de leugen waarin je nu al vijftien jaar volhardt. + +BERNICK. En dat noem je...? + +LONA. Een leugen, noem ik het. Een drievoudige leugen. Eerst tegen mij; +toen tegen Betty, en dan de leugen tegen Johan. + +BERNICK. Betty heeft nooit verlangd dat ik spreken zou. + +LONA. Omdat zij niets wist. + +BERNICK. En jij zult het ook niet verlangen ... uit consideratie voor +haar. + +LONA. Neen, zeker niet. Ik zal hun spot nog wel langer verdragen; ik heb +een breeden rug. + +BERNICK. En Johan zal het ook niet eischen; dat heeft hij mij beloofd. + +LONA. Maar jij zelf, Karsten? Is er niets in je binnenste dat verlangt +uit dien toestand van leugen te komen? + +BERNICK. Ik zou vrijwillig mijn huiselijk geluk en mijn positie in de +maatschappij opgeven! + +LONA. Welk recht heb je om die positie te behouden? + +BERNICK. Gedurende vijftien jaar heb mij iederen dag een beetje recht +daarop gekocht met mijn levenswandel en met wat ik bereikt heb. + +LONA. Ja, je hebt veel gedaan en bereikt, zoowel voor je zelf als voor +de anderen. Je bent de eerste en rijkste man van de stad; niemand durft +zich tegen jouw wil te verzetten, omdat je doorgaat voor iemand zonder +smet of blaam. Je thuis gaat door voor een modelthuis, je levenswandel +voor een voorbeeld. Maar al die heerlijkheid, en jij er bij, rust op een +onvasten moerasgrond. Een oogenblik kan er komen, een woord gesproken +worden ... en jij met al je heerlijkheid gaat naar de diepte, als je je +niet bij tijds bergt. + +BERNICK. Lona, wat kom je hier eigenlijk doen? + +LONA. Ik wil je helpen om vasten grond onder je voeten te krijgen, +Karsten. + +BERNICK. Wraak nemen! Je wilt je wreken? Ik dacht het al. Maar dat zal +je niet gelukken! Er is maar een mensch die met autoriteit zou kunnen +optreden, en hij zal zwijgen. + +LONA. Johan? + +BERNICK. Ja, Johan. Indien iemand anders mij aanklaagt, dan ontken ik +alles. Als ze mij willen vernietigen dan zal ik vechten op leven en +dood. Maar het zal je nooit gelukken, zeg ik je! Hij, die mij zou kunnen +neervellen, zwijgt ... en hij gaat weer ver weg. + +(_Rummel en Vigeland komen van rechts_). + +RUMMEL. Goeden dag, goeden dag, m'n waarde Bernick; je moet met ons mee +naar de handelsmaatschappij; we hebben vergadering over de +spoorweg-kwestie, zooals je weet. + +BERNICK. Ik kan niet. Onmogelijk op 't oogenblik. + +VIGELAND. U _moet_ waarlijk, mijnheer Bernick.... + +RUMMEL. Je moet, Bernick. Er zijn menschen die ons tegenwerken. Hammer, +de redacteur en de anderen die voor de kustlijn waren, beweren dat er +particuliere belangen steken achter het nieuwe plan. + +BERNICK. Nu, leg hun dan uit.... + +VIGELAND. Dat geeft niets wat wij zeggen, mijnheer de consul.... + +RUMMEL. Neen neen, je moet zelf komen; van jou waagt natuurlijk niemand +zoo iets te veronderstellen. + +LONA. Neen, dat zou ik ook denken. + +BERNICK. Ik kan niet, zeg ik je; ik ben onwel;... + +(_Roerlund komt van rechts_). + +ROeRLUND. Pardon, mijnheer Bernick, u ziet mij hier hevig ontsteld.... + +BERNICK. Ja ... wat scheelt u? + +ROeRLUND. Ik moet u een vraag doen, mijnheer Bernick. Is het met uw +goedvinden dat het jonge meisje, dat een toevlucht onder uw dak gevonden +heeft, zich op de openbare straat vertoont in gezelschap van een +persoon, die.... + +LONA. Van welk persoon, dominee? + +ROeRLUND. Van den persoon dien zij, van alle menschen ter wereld, het +eerst van zich af houden moest. + +LONA. Hoho! + +ROeRLUND. Is dat met uw goedvinden, mijnheer Bernick? + +BERNICK (_die hoed en handschoenen zoekt_). Ik weet nergens van. Pardon, +ik heb haast; ik moet naar de handelsmaatschappij. + +HILMAR (_komt uit den tuin en gaat naar de verste deur links_). Betty, +Betty, hoor eens! + +MEVR. BERNICK (_in de deur_). Wat is er? + +HILMAR. Je moet eens naar de tuin gaan en een einde maken aan dat gevrij +van een zeker individu met die Dina Dorf. Mijn zenuwen zijn er heelemaal +door van streek, alleen maar van het aan te hooren. + +LONA. Zoo? Wat heeft dat individu dan gezegd? + +HILMAR. O, anders niet dan dat hij wil dat zij met hem mee naar Amerika +zal gaan. Oeh! + +ROeRLUND. Hoe is het mogelijk! + +MEVR. BERNICK. Wat zeg je? + +LONA. Maar dat zou juist uitstekend zijn! + +BERNICK. Onmogelijk, je hebt 't niet goed verstaan. + +HILMAR. Vraag het hem dan zelf. Daar komt het paartje. Maar laat mij er +alsjeblieft buiten. + +BERNICK (_tegen Rummel en Vigeland_). Ik kom dadelijk ... een oogenblik +maar.... (_Rummel en Vigeland gaan af naar rechts. Johan en Dina komen +uit den tuin_). + +JOHAN. Hoera, Lona, ze gaat met ons mee! + +MEVR. BERNICK. Maar, Johan,... wat een onbezonnenheid...! + +ROeRLUND. Is dat waar? Zoo'n verregaand schandaal! Met welke +verleidingskunsten heeft u...? + +JOHAN. Nou, nou, mijnheer; let een beetje op uw woorden! + +ROeRLUND. Antwoord mij Dina, is dat je plan? Heb je uit eigen beweging +die beslissing genomen? + +DINA. Ik moet hier van daan. + +ROeRLUND. Maar met hem ... met hem! + +DINA. Noem mij eens een ander hier die den moed zou hebben om mij mee te +nemen. + +ROeRLUND. Dan zal je ook weten wie hij is! + +JOHAN. Zeg niets. + +BERNICK. Geen woord meer. + +ROeRLUND. Dan zou ik de maatschappij, voor wier zedelijkheid en +welvoegelijkheid ik waken moet, een slechten dienst bewijzen. En +onverantwoordelijk zou ik handelen jegens dit jonge meisje, wier +opvoeding ik ook voor een groot deel geleid heb, en die mij.... + +JOHAN. Neem u in acht voor wat u gaat doen! + +ROeRLUND. Zij _moet_ het weten! Dina, dit is de man die schuld heeft aan +al de ellende en de schande van je moeder. + +BERNICK. Mijnheer Roerlund...! + +DINA. Hij! (_tegen Johan_). Is dat waar? + +JOHAN. Karsten, geef jij antwoord. + +BERNICK. Geen woord meer! Van daag zal hier verder over gezwegen worden. + +DINA. 't Is dus waar. + +ROeRLUND. 't Is waar ... 't is waar. En meer nog dan dat. Die kerel, aan +wien je je vertrouwen geschonken hebt, liep niet met leege handen van +huis weg;... de kas van weduwe Bernick ... de consul kan het getuigen! + +LONA. Leugenaar! + +BERNICK. Ah...! + +MEVR. BERNICK. O God! O God! + +JOHAN (_loopt op hem toe met opgeheven arm_). En dat waag jij!... + +LONA (_afwerend_). Sla hem niet, Johan! + +ROeRLUND. Ja, vergrijp je maar aan mij. Maar de waarheid moet toch aan +het licht komen; en dit _is_ de waarheid; mijnheer Bernick heeft het +zelf gezegd en de heele stad weet het.... Ziezoo, Dina, nu ken je hem. +(_Kort zwijgen_). + +JOHAN (_zachtjes, hem bij den arm pakkend_). Karsten, Karsten, wat heb +je gedaan! + +MEVR. BERNICK (_gesmoord en schreiend_). O Karsten, dat ik je in al die +schande brengen moest! + +SANDSTAD (_komt snel van rechts en roept met de kruk van de deur in de +hand_). Nu _moet_ u eindelijk komen, mijnheer de consul! De heele +spoorweg hangt nog maar aan een draadje! + +BERNICK (_wezenloos_). Wat is er? Wat moet ik...? + +LONA (_ernstig en met nadruk_). Je moet de maatschappij gaan steunen, +Bernick. + +SANDSTAD. Ja, mijnheer, kom, kom; wij hebben uw heele moreele overwicht +noodig. + +JOHAN (_vlak bij hem_). Bernick, morgen moeten wij samen spreken. + +(_Hij gaat heen door den tuin; Bernick gaat willoos met Sandstad rechts +af_). + + +EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF. + + + * * * * * + + +DERDE BEDRIJF + + Tuinkamer in Bernick's huis. + + * * * * * + +(_Bernick met een Spaansch rietje in de hand, komt hevig vertoornd uit +de achterste kamer links en laat de deur half open staan_). + + +BERNICK. Ziezoo, nu is het eindelijk eens ernst geworden; dit pak zal +hem heugen, denk ik. (_Tegen iemand binnen in de kamer_). Wat zeg je?... +En ik zeg dat jij een onverstandige moeder bent! Je spreekt hem voor en +steunt hem in al zijn kwajongensstreken.... Geen kwajongensstreken? Wat +noem jij 't dan? Om 's nachts het huis uit te sluipen en met een +visschersboot mee op zee te gaan en weg te blijven tot op klaarlichten +dag,... en mij zoo'n doodelijken angst op het lijf jagen, terwijl ik +toch al zoo veel aan mijn hoofd heb. En dan waagt die deugniet het nog +mij te dreigen dat hij wegloopen zal! Laat hij 't maar eens +probeeren!... Jij? Neen, dat geloof ik graag; jij geeft er niet veel om +wat hij uithaalt! Al was zijn leven er mee gemoeid, geloof ik...! Zoo? +Maar ik heb een taak hier te vervullen; mij kan het wel schelen of ik +een kind nalaat of niet.... Niet tegenspreken, Betty; het blijft zooals +ik gezegd heb; hij heeft huisarrest.... (_luistert_). Sst; laat niemand +iets merken. + +(_Krap komt van rechts_). + +KRAP. Heeft u een oogenblik tijd, mijnheer? + +BERNICK (_gooit het rietje weg_). Jawel, jawel. Komt u van de werf? + +KRAP. Zoo net. Hm.... + +BERNICK. Wel? Er is toch niets met "de Palmboom"? + +KRAP. "De Palmboom" kan morgen in zee, maar.... + +BERNICK. Met de "Indian Girl" dus? Dacht ik het niet dat die +stijfkop.... + +KRAP. De "Indian Girl" kan ook uitzeilen morgen; maar ... die zal 't +niet ver brengen. + +BERNICK. Wat bedoelt u? + +KRAP. Neem mij niet kwalijk, mijnheer; de deur staat aan en ik geloof +dat er iemand binnen is.... + +BERNICK (_sluit de deur_). Ziezoo. Maar wat is het dan dat niemand +hooren mag? + +KRAP. Het is dit, dat Aune van plan schijnt te zijn de "Indian Girl" met +man en muis naar den kelder te laten gaan. + +BERNICK. Maar de hemel zij ons genadig, hoe kan u denken...? + +KRAP. Ik kan het mij anders niet verklaren, mijnheer. + +BERNICK. Maar zeg mij dan toch met een paar woorden.... + +KRAP. Dat zal ik. U weet zelf hoe lamzalig het toeging op de werf sedert +wij de nieuwe machines kregen en de nieuwe, ongeoefende werklui. + +BERNICK. Ja, ja. + +KRAP. Maar van ochtend, toen ik op de werf kwam, merkte ik dat de +reparatie van den Amerikaan opvallend gevorderd was; het groote lek in +den bodem, u weet wel, die verrotte plek.... + +BERNICK. Ja, ja, wat daarvan? + +KRAP. Volkomen gerepareerd,... oogenschijnlijk althans; gepantserd; zag +er uit als nieuw; hoorde dat Aune zelf den heelen nacht daar onderin met +licht gewerkt had. + +BERNICK. Ja, ja, en dan...? + +KRAP. k' Liep er over na te denken; het volk was juist aan 't schaften, +en zoo vond ik de gelegenheid om ongemerkt eens alles op te nemen van +binnen en van buiten; 't was moeilijk genoeg om in het ruim van die +zwaar geladen schuit te komen; maar kreeg zekerheid. Er wordt geknoeid, +mijnheer Bernick. + +BERNICK. Ik kan het niet gelooven, mijnheer Krap. Ik kan en wil zoo iets +niet gelooven van Aune. + +KRAP. 't Spijt me ... maar 't is de zuivere waarheid. Er wordt geknoeid, +zeg ik u. Geen nieuw hout ingezet, zoover ik kon nagaan, alleen maar +gestopt en gekalefaterd en gedekt met platen en geteerd zeildoek en zoo +al meer. Eenvoudig prutserij! "Indian Girl" haalt New-York nooit; zinkt +als een gebarsten pot. + +BERNICK. Maar dat is verschrikkelijk! En wat kan hij daarmee voorhebben, +denkt u? + +KRAP. Wil waarschijnlijk de machines in discrediet brengen; wil zich +wreken; wil dat die heele oude arbeiderstroep weer in genade zal worden +aangenomen. + +BERNICK. En zoo zet hij misschien al die menschenlevens op het spel. + +KRAP. Hij zei onlangs: daar zijn geen menschen aan boord van de "Indian +Girl", enkel beesten. + +BERNICK. Ja, ja, dat kan zijn; maar heeft hij dan geen eerbied voor het +groote kapitaal dat er mee verloren gaat? + +KRAP. Aune heeft maling aan het groote kapitaal, mijnheer Bernick. + +BERNICK. Zeer juist; hij is een drijver en een onruststoker; maar zoo +iets gewetenloos als dit.... Hoor eens, mijnheer Krap, die zaak moet nog +eens onderzocht worden. Geen woord er over tegen wien ook. De eer van +onze werf zou er onder lijden als zoo iets bekend werd. + +KRAP. Natuurlijk, maar.... + +BERNICK. In het middagschaftuur moet u nog eens in het schip zien te +komen; ik moet volle zekerheid hebben. + +KRAP. Die zal u hebben, mijnheer. Maar permitteer mij, wat wil u dan +doen? + +BERNICK. De zaak aangeven, natuurlijk. Wij kunnen ons toch niet +medeplichtig maken aan iets dat gewoon een misdaad is. Mijn geweten moet +zuiver zijn. Het zal buitendien een goeden indruk maken zoowel bij de +pers als in het algemeen op de menschen, wanneer men ziet, dat ik alle +persoonlijke belangen op zij zet en het recht zijn loop laat. + +KRAP. Zeer waar, mijnheer. + +BERNICK. Maar in de eerste plaats volle zekerheid. En tot zoolang +zwijgen.... + +KRAP. Geen woord, mijnheer; en zekerheid zal u hebben. (_Hij gaat weg +door den tuin en de straat af_). + +BERNICK (_halfluid_). Ontzettend! Maar neen, dat is toch onmogelijk,... +ondenkbaar! (_Terwijl hij zijn kamer binnen wil gaan komt Hilmar van +rechts_). + +HILMAR. Dag Bernick! Ik feliciteer je met je overwinning in de +Handelsmaatschappij gisteren. + +BERNICK. O, dank je. + +HILMAR. Het was een schitterende overwinning, hoor ik, de overwinning +van de verstandige liefde voor je eigen stad over egoisme en +vooroordeel,... iets als een razzia van de Franschen tegen de Kabylen. +Merkwaardig dat je na die onaangename scene hier in huis.... + +BERNICK. Nu ja ... zwijg daar nu maar liever over. + +HILMAR. Maar de groote slag is toch nog niet geleverd. + +BERNICK. In de spoorweg-kwestie bedoel je? + +HILMAR. Ja, je weet toch wel wat Hammer tegen je in zijn schild voert? + +BERNICK. Neen, wat dan? + +HILMAR. Hij heeft zich vastgeklampt aan een praatje dat hier rondgaat, +en daar wil hij een courantenartikel van maken. + +BERNICK. Welk praatje? + +HILMAR. Wel, natuurlijk van den grooten aankoop van terreinen langs de +zijlijn. + +BERNICK. Wat zeg je? Loopt daar een praatje over? + +HILMAR. Ja, 't is al door de heele stad. Ik hoorde het op de societeit, +waar ik even binnen liep. Een notaris van hier moet in alle stilte in +commissie alle bosschen, ertslagen en watervallen opgekocht hebben.... + +BERNICK. Is 't ook bekend voor wie? + +HILMAR. Op de societiet dachten ze dat 't voor een consortium was, lui +van buiten de stad, die van je plannen de lucht gekregen hadden en zich +nu voor de prijzen stegen.... Hoe gemeen toch ... oeh! + +BERNICK. Gemeen? + +HILMAR. Ja, dat vreemden zich op die manier indringen in onze streken, +en dat zelfs een notaris hier uit de stad zich daartoe leenen wil! Nou +gaan die vreemde lui met de winst strijken. + +BERNICK. Maar het is toch maar een los praatje. + +HILMAR. Dat intusschen geloofd wordt, en morgen of overmorgen spijkert +Hammer het vast als een feit. Op de societeit waren ze er allemaal al +nijdig over. Ik hoorde verscheidene lui zeggen dat als het praatje +waarheid bleek te zijn, dan zouden zij zich laten schrappen van de +lijsten. + +BERNICK. Onmogelijk! + +HILMAR. Zoo? Waarom waren deze winkelierszielen zoo bereid om met je mee +te gaan in je plannen, denk je? Geloof je niet dat ze zelf hun neus er +al op gespitst hadden.... + +BERNICK. Onmogelijk, zeg ik je. Zooveel gemeenschapszin bestaat hier +toch nog wel in onze kleine maatschappij.... + +HILMAR. Hier? Ja, jij bent nu eenmaal een optimist, en oordeelt anderen +naar je zelf. Maar ik, die een vrij geoefend opmerker ben.... Hier is er +geen een,--met uitzondering van ons beiden natuurlijk,--geen een zeg ik +je, die de vaan der idee hoog houdt. (_Gaat naar den achtergrond_). Oeh! +daar zie ik ze alweer aankomen! + +BERNICK. Wie? + +HILMAR. De twee Amerikanen (_kijkt naar rechts_). En met wie loopen ze? +Ja, lieve God, is dat niet de kapitein van de "Indian Girl"? Oeh! + +BERNICK. Wat hebben ze met hem te maken? + +HILMAR. O, dat is juist heel geschikt gezelschap. Die man moet +slavenhandelaar of zeeroover geweest zijn; en wie weet wat die twee al +die jaren hebben uitgevoerd. + +BERNICK. Ik moet zeggen dat het je heel leelijk staat om zoo slecht over +hen te denken. + +HILMAR. Ja, jij bent nu eenmaal een optimist. Maar nu hebben wij ze weer +op ons dak natuurlijk. Ik zal me daarom maar bij tijds.... (_gaat naar +de deur links_). + +(_Lona komt van rechts op_). + +LONA. Hoe is 't, Hilmar, jaag ik je de kamer uit. + +HILMAR. Volstrekt niet. Ik had juist een beetje haast; ik moet Betty +even spreken. (_Gaat de verste kamer links binnen_). + +BERNICK (_na een kort zwijgen_). Wel, Lona? + +LONA. Ja? + +BERNICK. Hoe sta ik van daag voor je? + +LONA. Net als gisteren. Een leugen meer of minder.... + +BERNICK. Ik zal je opheldering geven. Waar is Johan? + +LONA. Hij komt straks. Hij moest nog iemand spreken. + +BERNICK. Na wat je gisteren hoorde, zal je begrijpen, dat mijn heele +bestaan verwoest is als de waarheid aan het licht komt. + +LONA. Dat begrijp ik. + +BERNICK. 't Spreekt natuurlijk van zelf, dat _ik_ mij niet schuldig +gemaakt heb aan de misdaad waarover hier gebabbeld wordt. + +LONA. Dat spreekt. Maar wie was dan de dief? + +BERNICK. Er was heelemaal geen dief; er is geen geld gestolen; geen cent +is er vermist. + +LONA. Wat zeg je? + +BERNICK. Geen cent, zeg ik je. + +LONA. Maar dat praatje dan? Hoe kwam dan dat schandelijke praatje in de +wereld dat Johan...? + +BERNICK. Lona, aan jou geloof ik te kunnen zeggen wat ik aan niemand +anders zeg. Ik wil voor jou niets verzwijgen. _Ik_ ben voor een deel +schuld er aan dat dat praatje werd uitgestrooid. + +LONA. Jij? En dat kon je hem aandoen, die voor jou...! + +BERNICK. Je moet mij niet veroordeelen zonder te bedenken hoe de zaken +toen stonden. Ik vertelde je dat immers gisteren. Ik kwam thuis en vond +mijn moeder gewikkeld in een heele serie van onverstandige +ondernemingen; allerlei ongelukken kwamen er bij. Het was of alles ons +opeens moest tegenloopen. Ons huis stond op vallen. Ik was half +onverschillig en half wanhopig. Lona, ik geloof heusch dat 't +voornamelijk was om mij te verdooven, dat ik mij inliet met die relatie, +die Johan er toe bracht weg te gaan. + +LONA. Hm.... + +BERNICK. Je kunt je wel voorstellen, hoe er allerlei praatjes werden +uitgestrooid toen je allebei weg waart. Er werd gezegd dat dit niet zijn +eerste lichtzinnige streek was. Dorf zou een groote som geld van hem +gekregen hebben om zijn mond te houden en weg te gaan, heette het. +Anderen hielden vol dat _zij_ het gekregen had. In dienzelfden tijd +bleef het geen geheim meer dat ons huis moeite had zijn verplichtingen +na te komen. Wat was natuurlijker dan dat de kwaadsprekers deze twee +dingen met elkaar in verband brachten? Toen nu de vrouw hier bleef en +maar armelijk leefde, beweerde men dat hij het geld meegenomen had naar +Amerika; en onder al die praatjes werd de som al grooter en grooter. + +LONA. En jij, Karsten? + +BERNICK. Ik greep dat praatje aan als een reddingsplank. + +LONA. En strooide het verder uit? + +BERNICK. Ik sprak het niet tegen. De schuldeischers begonnen ons lastig +te vallen; 't kwam er op aan hen te kalmeeren. In geen geval mocht de +soliditeit van het huis verdacht worden. Wij verkeerden in een +oogenblikkelijke verlegenheid; men moest alleen maar niet te veel +aandringen ... ons een beetje tijd laten; ieder zou het zijne krijgen. + +LONA. En kreeg ieder het zijne ook? + +BERNICK. Ja, Lona, dat praatje redde ons huis en maakte mij tot den man +die ik nu ben. + +LONA. Een leugen heeft je dus gemaakt tot den man die je nu bent? + +BERNICK. Wien deed dat toen kwaad? Johan's plan was om nooit weer terug +te komen. + +LONA. Je vraagt wien dat kwaad deed? Kijk eens in je zelf en zeg me of +het jou geen kwaad gedaan heeft. + +BERNICK. Kijk in welken man je wilt, en in een ieder zal je op zijn +minst een donkeren plek vinden die hij verbergen moet. + +LONA. En jullie noemt je de steunpilaren der maatschappij! + +BERNICK. De maatschappij heeft toch geen betere. + +LONA. En wat doet het er toe of zoo'n maatschappij gesteund wordt of +niet? Wat is het, waar hier aan gehecht wordt? Schijn en leugen ... en +anders niets. Hier leef jij nu, de eerste man van de stad, in +heerlijkheid en vreugde, in macht en aanzien, jij die een onschuldige +als misdadiger gebrandmerkt hebt. + +BERNICK. Denk je soms dat ik 't niet diep voel dat ik hem onrecht +aangedaan heb? En denk je soms dat ik niet bereid ben dat onrecht weer +goed te maken? + +LONA. Waarmee? Met de waarheid te zeggen? + +BERNICK. En zoo iets zou je van mij kunnen vergen? + +LONA. Waarmee anders kan je zoo'n onrecht weer goed maken? + +BERNICK. Ik ben rijk, Lona. Johan kan van mij eischen wat hij wil.... + +LONA. Ja, bied hem eens geld aan, dan zal je eens hooren wat hij je +antwoordt. + +BERNICK. Weet jij wat zijn plannen zijn? + +LONA. Neen, sedert gisteren zegt hij niets meer. Het is of dat alles hem +opeens tot een volwassen man gemaakt heeft. + +BERNICK. Ik moet hem spreken. + +LONA. Daar heb je hem. (_Johan komt van rechts_). + +BERNICK (_naar hem toegaand_). Johan...! + +JOHAN (_afwerend_). Eerst ik. Gisteren ochtend gaf ik je mijn woord dat +ik zwijgen zou. + +BERNICK. Dat deed je. + +JOHAN. Maar toen wist ik nog niet.... + +BERNICK. Johan, laat mij met een paar woorden maar zeggen, hoe de zaak +in elkaar zit.... + +JOHAN. Dat 's niet noodig; ik begrijp het heel best. Het huis Bernick +had toen een moeilijken tijd; en omdat ik weg was en jij met den naam +van een weerlooze doen kon wat je wou.... Wel, ik wil je daarover niet +zoo heel hard vallen; we waren allebei jong en lichtzinnig in die dagen. +Maar _nu_ heb ik de waarheid noodig en nu moet je spreken. + +BERNICK. En juist nu heb ik mijn heele prestige noodig en daarom kan ik +nu niet spreken. + +JOHAN. Van die verzinsels die je over mij hebt uitgestrooid trek ik mij +niet veel aan. Maar dat andere ... daarin moet je schuld bekennen. Dina +moet mijn vrouw worden en hier, hier in de stad, wil ik met haar leven +en huishouden. + +LONA. Wil je dat heusch? + +BERNICK. Met Dina? Als je vrouw? Hier in de stad? + +JOHAN. Ja ... hier; juist hier wil ik blijven om al die leugenaars en +kwaadsprekers te trotseeren. Maar om haar tot mijn vrouw te kunnen +maken, is het noodzakelijk dat jij mij rehabiliteert. + +BERNICK. Heb je bedacht dat als ik het eene beken ik daarmee ook het +andere op mij nemen moet? Je zult zeggen dat ik uit onze boeken kan +bewijzen dat er geen onregelmatigheden hebben plaats gehad? Maar dat kan +ik niet; onze boeken zijn in dien tijd niet zoo heel nauwkeurig +bijgehouden. En zelfs al kon ik dat ... wat zou daarmee gewonnen zijn? +Zou ik dan toch niet voor alle menschen staan als de man die zich eens +door een onwaarheid gered had en die vijftien jaar lang die onwaarheid +en alles wat er mee samenhing had laten voortwoekeren en wortel +schieten, zonder ook maar een enkelen stap gedaan te hebben om dat te +stuiten? Je kent ons wereldje niet meer, anders zou je weten dat dat +mijn volslagen ondergang ten gevolge zou hebben. + +JOHAN. Ik kan je alleen zeggen dat ik met de dochter van madam Dorf +trouwen wil en met haar wonen hier in de stad. + +BERNICK (_veegt zijn voorhoofd af_). Hoor eens, Johan ... en jij ook +Lona. Het zijn geen alledaagsche omstandigheden waarin ik dezer dagen +juist verkeer. De zaken staan zoo, dat je mij vernietigt als je dat +tegen mij gaat beginnen. En niet mij alleen, maar ook een mooie en +zegenrijke toekomst voor de heele stad, die toch ook je beider +geboorteplaats is. + +JOHAN. En ontzie ik jou, dan vernietig ik zelf mijn eigen geluk en mijn +heele toekomst. + +LONA. Ga voort, Karsten. + +BERNICK. Luistert dan. Het hangt allemaal samen met de spoorweg-kwestie, +en dat is niet zoo'n onverschillige zaak als jullie wel denkt. Je hebt +zeker wel gehoord dat er het vorige jaar kwestie was van een lijn langs +de kust? Daar waren veel stemmen voor, die meetelden hier in de stad en +ook in de omgeving; en ook voornamelijk in de dagbladen. Maar ik wist +dat plan te verhinderen, omdat het onze kustvaart schade gedaan zou +hebben. + +LONA. Ben je zelf geinteresseerd in die kustvaart? + +BERNICK. Ja. Maar niemand durfde mij daarom verdacht maken; mijn +algemeen geachte naam was als een scherm en schild boven mijn hoofd. Ik +had overigens de schade wel kunnen dragen, maar de plaats zelf had die +niet kunnen lijden. Zoo werd er besloten een binnenlandsche lijn aan te +leggen. Toen dat gebeurd was, ben ik eens in het geheim gaan opnemen of +er een zijlijn aan te leggen was. + +LONA. Waarom in het geheim, Karsten? + +BERNICK. Heb je hooren spreken over den grooten aankoop van +boschgronden, groeven en watervallen...? + +JOHAN. Ja, dat gaat immers uit van een consortium buiten de stad?... + +BERNICK. Zoo, als die gronden daar nu liggen, zijn ze zoo goed als +waardeloos voor de overal verspreid wonende eigenaars. Daardoor zijn ze +betrekkelijk goedkoop verkocht. Was er gewacht, totdat die zijlijn een +uitgemaakte zaak was, dan zouden de eigenaars ongehoorde prijzen +gevraagd hebben. + +LONA. Jawel, jawel. Maar verder? + +BERNICK. Nu komt dat, wat op verschillende manier uitgelegd kan worden +... dat, wat een man in onze kringen alleen kan doen en bekennen, +wanneer hij steunen kan op een vlekkenloozen en geachten naam. + +LONA. Wel? + +BERNICK. Ik ben 't die dat alles heb opgekocht. + +LONA. Jij? + +JOHAN. Voor eigen rekening? + +BERNICK. Voor eigen rekening. Komt die zijlijn tot stand, dan ben ik +millionnair; komt die niet tot stand, dan ben ik geruineerd. + +LONA. Dat is een waagstuk, Karsten. + +BERNICK. Mijn heele vermogen heb ik er aan gewaagd. + +LONA. Ik dacht niet zoozeer aan je vermogen, maar als het aan het licht +komt, dat.... + +BERNICK. Ja, daar zit de knoop. Met een vlekkenloozen naam, zooals de +mijne tot nog toe was, kan ik die zaak op mij nemen, er mee voor den dag +komen en tegen mijn medeburgers zeggen: "Kijk, dat heb ik gewaagd in het +belang van de maatschappij!" + +LONA. Van de maatschappij? + +BERNICK. Ja; en geen een zal er twijfelen aan mijn bedoelingen. + +LONA. Dan zijn hier toch mannen die eerlijker gehandeld hebben dan jij, +zonder bijgedachten of nevenbedoelingen. + +BERNICK. Wie dan? + +LONA. Wel, zoowel Rummel als Sandstad en Vigeland. + +BERNICK. Om hen voor mijn plan te winnen ben ik genoodzaakt geweest hen +in te wijden in de zaak. + +LONA. En...? + +BERNICK. Zij hebben een vijfde van de winst voor zich bedongen. + +LONA. O, die steunpilaren van de maatschappij! + +BERNICK. En is het dan de maatschappij zelf niet die ons dwingt langs +kronkelpaden te gaan? Wat zou er gebeurd zijn als ik niet in het geheim +gehandeld had? Allemaal zouden zij op die zaak aangevallen zijn, en den +heelen boel verdeeld, verspreid, bedorven en verknoeid hebben. Hier in +de stad is er buiten mij geen enkel man die zoo'n groote zaak als dit +worden zal, zou weten te leiden. Hier in 't land hebben over 't algemeen +alleen de van buiten-af gekomen families aanleg voor groote +ondernemingen. Daarom spreekt mijn geweten mij dan ook vrij op dit punt. +Alleen in _mijn_ handen kunnen deze bezittingen een ware en blijvende +zegen worden voor de velen die zij brood verschaffen zullen. + +LONA. Ik geloof dat je daarin gelijk hebt, Karsten. + +JOHAN. Maar ik ken die velen niet en mijn levensgeluk staat op het spel. + +BERNICK. Het welzijn van je geboorteplaats staat ook op het spel. Komen +er nu dingen voor den dag, die een schaduw werpen op mijn vroeger leven, +dan zullen al mijn tegenstanders met vereende krachten mij aanvallen. +Een jeugdige afdwaling wordt in onze maatschappij nooit uitgewischt. Zij +zullen mijn heele leven, tusschen toen en nu, gaan napluizen, allerlei +kleine voorvallen oprakelen, en ze in het licht van wat er nu bekend +geworden is gaan beschouwen en beoordeelen. Ze zullen mij onder het +gewicht van geruchten en lasterpraatjes trachten te verpletteren. Van +die spoorwegzaak moet ik mij terugtrekken; en als _ik_ mijn hand daarvan +aftrek, dan valt die, en ik ben met een slag geruineerd en +maatschappelijk dood. + +LONA. Johan, na wat je gehoord hebt, moet je heengaan en zwijgen. + +BERNICK. Ja, o ja, Johan, dat moet je! + +JOHAN. Goed; ik zal weggaan en zwijgen; maar ik kom terug en dan zal ik +spreken. + +BERNICK. Blijf daarginder, Johan; blijf zwijgen, en ik ben bereid alles +met je te deelen.... + +JOHAN. Hou je geld maar; maar geef mij mijn goeden naam terug. + +BERNICK. Door den mijnen op te offeren! + +JOHAN. Dat moet je maar met je eigen wereldje zien klaar te spelen. +Ik moet en kan en wil Dina hebben. Daarom ga ik morgen al weg met de +"Indian Girl". + +BERNICK. Met de "Indian Girl"? + +JOHAN. Ja. De kapitein heeft beloofd mij mee te nemen. Ik ga terug, +verkoop mijn farm en regel mijn zaken. Over twee maanden ben ik weer +hier. + +BERNICK. En zal je dan spreken? + +JOHAN. Dan moet de schuldige zelf maar de schuld op zich nemen. + +BERNICK. Vergeet je dat ik dan ook dat op mij nemen moet, waaraan ik mij +niet schuldig heb gemaakt? + +JOHAN. Wie was het die vijftien jaar geleden profiteerde van dat +schandelijke praatje? + +BERNICK. Je drijft mij tot wanhoop! Maar als je spreekt, ontken ik +alles! Ik zeg dat het een complot tegen mij is, een wraakneming; dat je +bent overgekomen om mij geld af te persen! + +LONA. Schaam je, Karsten! + +BERNICK. Ik ben wanhopig, zeg ik je, en ik vecht voor mijn leven. +Ik ontken alles, alles! + +JOHAN. Ik heb je twee brieven. In mijn koffer vond ik ze tusschen mijn +andere papieren. Van ochtend las ik ze nog eens door; die spreken +duidelijk genoeg. + +BERNICK. En die brieven wil je overleggen? + +JOHAN. Als het noodig mocht worden ... ja. + +BERNICK. En over twee maanden ben je weer hier terug? + +JOHAN. Dat hoop ik. De wind is goed. Over drie weken ben ik in New-York +... als de "Indian Girl" niet vergaat. + +BERNICK (_schrikt_). Vergaat? Waarom zou de "Indian Girl" vergaan? + +JOHAN. Ja, dat zeg ik ook. + +BERNICK (_bijna onhoorbaar_). Vergaan? + +JOHAN. Dus, Bernick, je weet nu wat je te wachten staat; je moet in dien +tusschentijd maar raad schaffen. Vaarwel! Betty mag je van mij groeten, +hoewel zij zich weinig zusterlijk jegens mij gedragen heeft. Maar Martha +wil ik toch nog even zien. Zij moet aan Dina zeggen ... zij moet mij +beloven.... (_hij gaat weg door de verste deur links_). + +BERNICK (_in zich zelf_). "Indian Girl"...? (_snel_). Lona, je _moet_ +dat verhinderen! + +LONA. Je ziet het zelf, Karsten ... ik heb geen macht meer over hem +(_zij volgt Johan in de kamer links_). + +BERNICK (_onrustig_). Vergaan...? + +(_Aune komt op van rechts_). + +AUNE. Excuseer, is meneer de consul bezig? + +BERNICK (_keert zich driftig om_). Wat wil je? + +AUNE. Verzoeken of ik meneer een vraag mag doen? + +BERNICK. Nou ja; gauw dan. Wat wou je vragen? + +AUNE. Ik wou vragen of het vast staat ... onomstootelijk vast ... of ik +afgedankt word als de "Indian Girl" morgen niet zou kunnen uitzeilen? + +BERNICK. Wat is dat? Het schip _is_ immers zeilklaar? + +AUNE. Ja ... dat is zoo. Maar als het nu eens niet zoo was ... werd ik +dan ontslagen? + +BERNICK. Wat moet dat met zulke doellooze vragen? + +AUNE. Ik zou dat zoo graag willen weten, meneer Bernick. Zeg u alleen +maar of ik ontslagen worden zou? + +BERNICK. Ben ik gewoon mijn woord te houden of niet? + +AUNE. Ik zou dus morgen mijn positie verliezen in mijn huis en onder hen +die mij het naast zijn ... mijn invloed verliezen onder den +werkmansstand ... alle gelegenheid verliezen om nuttig werkzaam te zijn +onder de geringen en laaggeplaatsten in de maatschappij. + +BERNICK. Aune, die zaak is afgedaan. + +AUNE. Nou, dan moet de "Indian Girl" maar uitgaan. + +(_Korte stilte_). + +BERNICK. Hoor eens, ik kan mijn oogen niet overal hebben; kan niet voor +alles aansprankelijk zijn;... je kunt mij toch wel de verzekering geven +dat de reparaties behoorlijk uitgevoerd zijn? + +AUNE. U heeft mij een erg korten termijn gesteld, meneer. + +BERNICK. Maar de reparaties zijn betrouwbaar, zeg je? + +AUNE. Nou ... we hebben goed weer en het is zomer. + +(_Weer zwijgen_). + +BERNICK. Heb je me anders niets te zeggen? + +AUNE. Anders weet ik niet, meneer de consul. + +BERNICK. Dus de "Indian Girl" zeilt uit?... + +AUNE. Morgen? + +BERNICK. Ja. + +AUNE. Goed. (_Hij groet en gaat heen_). + +(_Bernik staat een oogenblik besluiteloos; gaat dan snel naar de +entree-deur, alsof hij Aune wilde terugroepen; maar blijft onrustig +staan met de hand op den deurknop. Op hetzelfde oogenblik wordt de deur +van buiten geopend en treedt Krap binnen_). + +KRAP (_gedempt_). O zoo, hij was dus hier. Heeft hij bekend? + +BERNICK. Hm...; heeft u iets ontdekt? + +KRAP. Waarvoor zou dat nog noodig zijn? Zag u niet aan zijn oogen dat +zijn geweten niet zuiver is? + +BERNICK. Och wat;... zoo iets kan men niet zien. Heeft u iets ontdekt, +vraag ik? + +KRAP. Kon er niet bij komen; was te laat; ze waren al bezig het schip +uit het dok te halen. Maar juist die haast bewijst duidelijk dat.... + +BERNICK. Bewijst niets. Het schip is dus gekeurd? + +KRAP. Natuurlijk; maar.... + +BERNICK. Ziet u nu wel. En men heeft natuurlijk geen klachten over iets +uitgebracht? + +KRAP. Mijnheer Bernick, u weet maar al te goed hoe dat keuren in zijn +werk gaat, vooral op een werf, die zoo'n goeden naam heeft als het onze. + +BERNICK. Dat doet er niet toe. Wij zijn van de verantwoordelijkheid af. + +KRAP. Mijnheer Bernick, heeft u waarlijk niet kunnen merken aan Aune, +dat...? + +BERNICK. Aune heeft mij volmaakt gerustgesteld, zeg ik u. + +KRAP. En ik zeg u, dat ik moreel overtuigd ben, dat.... + +BERNICK. Wat moet dat beteekenen, mijnheer Krap? Ik merk wel dat u iets +tegen den man heeft; maar wil u hem te lijf, dan moet u een andere +aanleiding zoeken. U weet hoeveel er mij aan gelegen is ... of beter +gezegd aan de reederij ... dat de "Indian Girl" morgen onder zeil gaat. + +KRAP. Goed, goed; dan moet het maar; maar eer wij van dat schip weer wat +hooren ... hm! + +(_Vigeland komt van rechts op_). + +VIGELAND. Uw dienaar, meneer Bernick. Heeft u een oogenblik tijd? + +BERNICK. Tot uw dienst, mijnheer Vigeland. + +VIGELAND. Ik kwam alleen maar eens hooren of u er ook niet voor is dat +"de Palmboom" morgen uitgaat? + +BERNICK. Ja zeker; dat is ook zoo afgesproken. + +VIGELAND. Maar nu komt de kapitein bij mij en zegt dat er storm +gesignaleerd is. + +KRAP. De barometer is sedert van ochtend sterk gedaald. + +BERNICK. Zoo? Wordt er storm verwacht? + +VIGELAND. Een stijve koelte althans; maar geen tegenwind, +integendeel.... + +BERNICK. Hm; ja, wat zegt u er van? + +VIGELAND. Ik zeg, zooals ik ook tegen de kapitein zei, dat "de Palmboom" +in de hand der Voorzienigheid is. En buitendien gaat ze vooreerst toch +alleen de Noordzee over; en in Engeland zijn de vrachtprijzen juist nu +nog al tamelijk hoog, zoodat.... + +BERNICK. Ja, het zou waarschijnlijk lijden tot verlies voor ons als wij +wachten. + +VIGELAND. Het schip is immers ook solide en bovendien voor de volle +waarde geassureerd. Neen, dan is het heel wat grooter risico met de +"Indian Girl". + +BERNICK. Hoe bedoelt u dat? + +VIGELAND. Die zeilt immers ook morgen uit? + +BERNICK. Ja, de reederij heeft er erg achter heen gezeten, en +bovendien.... + +VIGELAND. Nou, als die oude kast het er op wagen kan ... en met zoo'n +bemanning op den koop toe ... dan zou het wel schande zijn als wij +niet.... + +BERNICK. Zeker, zeker. U heeft vermoedelijk de scheepspapieren bij u? + +VIGELAND. Ja, hier zijn ze. + +BERNICK. Best; wil u dan maar naar binnen gaan met mijnheer Krap. + +KRAP. Alsjeblieft; komt dadelijk in orde. + +VIGELAND. Dank u.... En de uitkomst geven wij over aan de Almachtige, +meneer de consul. (_Hij gaat met Krap in de voorste kamer links. Roerlund +komt door den tuin op_). + +ROeRLUND. Welzoo, tref ik u om dezen tijd van den dag thuis, mijnheer +Bernick. + +BERNICK (_in gedachte_). Zooals u ziet. + +ROeRLUND. Ik kom eigenlijk voor mevrouw. Ik dacht zoo dat een woord van +troost haar welkom zou zijn. + +BERNICK. Dat zal het zeker. Maar _ik_ zou ook wel eens graag willen +spreken. + +ROeRLUND. Met genoegen, mijnheer Bernick. Maar wat scheelt u? U ziet er +zoo bleek en ontdaan uit. + +BERNICK. Zoo? Waarlijk? Ja, hoe kan het ook anders ... wat stapelt zich +deze laatste dagen niet alles op elkaar om mij heen. Mijn eigen groote +zaak ... en die spoorweg.... Hoort eens, mijnheer Roerlund. Mag ik u eens +een vraag doen? + +ROeRLUND. Volgaarne. + +BERNICK. Ik ben over iets aan het denken geraakt. Als men voor een zaak +staat van zoo verstrekkenden invloed, dat de welvaart van duizenden +ermee gemoeid is.... Als dat nu een een enkel offer noodig maakte? + +ROeRLUND. Hoe meent u dat? + +BERNICK. Bijvoorbeeld: iemand denkt er over een groote fabriek op te +richten. Hij weet zeker ... want dat heeft de ondervinding hem geleerd +... dat vroeger of later het bedrijf in die fabriek menschenlevens +kosten zal. + +ROeRLUND. Ja, dat is maar al te waarschijnlijk. + +BERNICK. Of een ander gaat mijnen exploiteeren. Hij neemt zoowel +huisvaders als jonge levenslustige menschen in zijn dienst. Is het niet +met zekerheid vooruit te zeggen dat die niet allen het leven er zullen +afbrengen? + +ROeRLUND. Ja, helaas, dat is maar al te waar. + +BERNICK. Dus zoo iemand weet vooruit dat de zaak die hij ondernemen wil, +zonder twijfel menschenlevens kosten zal. Maar die onderneming is van +algemeen belang; voor ieder menschenleven dat ze kost zal hij evenzeer +zonder twijfel de welvaart van honderden bevorderen. + +ROeRLUND. Jawel, u denkt aan de spoorweg ... aan al die gevaarlijke +uitgravingen, het laten springen van rotsen, en zoo al meer.... + +BERNICK. Ja ... juist, ik denk aan den spoorweg. En bovendien ... de +spoorweg zal zoowel fabrieken als bergwerken doen ontstaan. Maar denkt u +niet dat toch.... + +ROeRLUND. Waarde mijnheer Bernick, u is haast al te nauwgezet. Ik bedoel +dat als u de zaak overgeeft in de hand der Voorzienigheid.... + +BERNICK. Ja ... zeker; de Voorzienigheid.... + +ROeRLUND. ... dan is u verantwoord. Leg u maar gerust uw spoorweg aan. + +BERNICK. Ja, maar nu stel ik eens een bizonder geval. Ik stel, dat men +op een gevaarlijke plek een rots moet laten springen; maar dat is daar +bepaald noodzakelijk om den spoorweg tot stand te doen komen. Ik stel +dat de ingenieur weet dat het den werkman, die de mijn moet doen +ontvlammen, het leven kosten zal; maar het is de plicht van den +ingenieur den werkman er heen te zenden om het te doen. + +ROeRLUND. Hm.... + +BERNICK. Ik weet wat u zeggen wil. Het zou groot zijn als de ingenieur +zelf de lont nam en er heen ging om de mijn te laten springen. Maar zoo +iets doet men niet. Hij moet dus den werkman opofferen. + +ROeRLUND. Dat zou geen ingenieur bij ons ooit doen. + +BERNICK. Geen enkel ingenieur in de groote landen zou zich een oogenblik +bedenken om het te doen. + +ROeRLUND. In de groote landen? Neen, dat geloof ik graag. In die +verdorven en gewetenlooze maatschappij.... + +BERNICK. O, er is heel veel goeds in die maatschappij. + +ROeRLUND. En dat kan u zeggen, u, die zelf...? + +BERNICK. In de groote maatschappij heeft iemand toch de ruimte om een +nuttige onderneming te pousseeren; daar heeft men den moed iets op te +offeren voor een groote zaak; maar hier wordt men belemmerd door +allerlei onbeduidende consideraties en bedenkingen. + +ROeRLUND. Is een menschenleven een onbeduidende consideratie? + +BERNICK. Wanneer dit menschenleven nu als een belemmering staat +tegenover de welvaart van duizenden? + +ROeRLUND. Maar u stelt gewoon ondenkbare gevallen, mijnheer! Ik begrijp u +van daag heelemaal niet. En dan wijst u op de groote maatschappij.... +Ja, daarginder, wat is een menschenleven daar waard? Daar rekent men met +menschenlevens als met kapitalen. Maar wij staan toch op een geheel +ander zedelijk standpunt, zou ik denken. Kijk maar eens naar onzen +eerwaardigen reeders-stand! Noem een enkelen reeder hier bij ons, die om +snoode winst een menschenleven zou opofferen! En denk eens aan die +schurken daarginder in de groote maatschappij, die ter wille van de +winst het eene onzeewaardige schip na het andere bevrachten.... + +BERNICK. Ik spreek niet van onzeewaardige schepen! + +ROeRLUND. Maar _ik_ spreek er van, mijnheer Bernick. + +BERNICK. Maar wat heeft dat er nu mee te maken? Dat raakt de heele zaak +niet.... O, die kleine angstvallige overwegingen! Als een generaal bij +ons zijn troepen in het vuur moest brengen en ze laten neerschieten, zou +hij er achterna slapelooze nachten van hebben. Zoo is het elders niet. +U moest eens hooren wat hij daarbinnen vertelt.... + +ROeRLUND. Hij? Wie? De Amerikaan?... + +BERNICK. Ja, hij. U moet eens hooren hoe men in Amerika.... + +ROeRLUND. Is hij binnen? En dat zegt u mij niet? Ik zal dadelijk.... + +BERNICK. Het helpt u toch niets; met hem komt u toch niet verder. + +ROeRLUND. Dat zullen wij eens zien. O daar is hij. (_Johan komt uit de +kamer links_). + +JOHAN (_praat in de open deur tegen iemand daar binnen_). Ja, ja, Dina, +'t is goed; maar ik laat je toch niet los. Ik kom terug, en dan zal +alles in orde komen tusschen ons. + +ROeRLUND. Met verlof, wat wil u daarmee zeggen? Wat is u van plan? + +JOHAN. Ik ben van plan het jonge meisje bij wie u mij gisteren belasterd +heeft, tot mijn vrouw te maken. + +ROeRLUND. Tot uw?... En zou u denken dat...? + +JOHAN. Ik wil dat zij mijn vrouw zal worden. + +ROeRLUND. Nu, dan zal u ook hooren.... (_gaat naar de half-openstaande +deur_). Mevrouw Bernick, wil u zoo goed zijn getuige te zijn.... En u +ook, juffrouw Martha. En laat u Dina even hier komen (_ziet Lona_). +O, is u ook hier? + +LONA (_in de deur_). Moet ik ook komen? + +ROeRLUND. Zooveel als maar willen; hoe meer hoe beter. + +BERNICK. Wat is u van plan? + +(_Lona, mevr. Bernick, Martha, Dina en Hilmar komen uit de kamer_). + +MEVR. BERNICK. Mijnheer Roerlund, ik heb met den besten wil niet kunnen +beletten.... + +ROeRLUND. _Ik_ zal het hem beletten, mevrouw.... Dina, je bent een +onbezonnen meisje. Maar ik verwijt je dat niet zoo heel erg. Je hebt al +veel te lang hier den zedelijken steun ontbeerd, die je staande moest +houden. Ik maak er mezelf een verwijt van dat ik je dien steun al niet +lang gegeven heb. + +DINA. U moet nu niets zeggen! + +MEVR. BERNICK. Wat moet dat beteekenen? + +ROeRLUND. Juist nu moet ik spreken, Dina, hoewel je gedrag gisteren en +van daag het mij tienmaal moeilijker heeft gemaakt. Maar om jou te +redden moeten alle andere overwegingen zwichten. Je herinnert je de +woorden die ik tegen je zei; je herinnert je welk antwoord je beloofde +mij te zullen geven als ik vond dat de tijd gekomen was. Nu mag ik mij +niet langer bedenken, en daarom ... (_tegen Johan_) dit jonge meisje, +dat u met uw aanzoeken lastig valt, is mijn verloofde! + +MEVR. BERNICK. Wat zegt u daar? + +BERNICK. Dina! + +JOHAN. Zij! Uw...? + +MARTHA. O neen, neen, Dina! + +LONA. Leugens. + +JOHAN. Dina ... zegt die man de waarheid? + +DINA (_na een oogenblik_). Ja. + +ROeRLUND. Hiermee zijn, naar ik hoop, alle verleidingskunsten machteloos +gemaakt. De stap, dien ik in Dina's belang besloten heb te doen, mag +volgaarne in onzen heelen kring bekend gemaakt worden. Ik voed de +stellige hoop, dat er geen verkeerden uitleg aan gegeven worden zal. +Maar nu, mevrouw, geloof ik dat wij het best zullen doen haar hier van +daan te brengen, en te trachten weer rust en evenwicht in haar ziel te +doen terugkeeren. + +MEVR. BERNICK. Ja, kom mee! O, Dina, wat een geluk voor je! (_zij leidt +haar weg naar links; Roerlund gaat met hen mee_). + +MARTHA. Vaarwel, Johan! (_zij gaat weg_). + +HILMAR (_in de tuindeur_). Hum ... nou moet ik dan toch zeggen.... + +LONA (_die Dina met de oogen gevolgd heeft_). Niet den moed verliezen, +jongen. Ik blijf hier en zal op den dominee passen (_zij gaat weg naar +rechts_). + +BERNICK. Johan, nu ga je toch niet weg met de "Indian Girl"? + +JOHAN. Juist nu wel. + +BERNICK. Maar dan kom je toch niet terug? + +JOHAN. Ik kom wel terug. + +BERNICK. Na wat er gebeurd is? Wat wil je dan nu nog? + +JOHAN. Me op jullie allemaal wreken; er zooveel ik maar kan van jullie +verpletteren. + +(_Hij gaat naar rechts af. Vigeland en Krap komen uit Bernick's kamer_). + +VIGELAND. Ziezoo, nu zijn de papieren in orde, meneer de consul. + +BERNICK. Goed, goed.... + +KRAP (_gedempt_). En het blijft er dus bij dat de "Indian Girl" morgen +uitzeilt? + +BERNICK. Die zeilt uit. (_Hij gaat in zijn kamer. Vigeland en Krap gaan +weg naar rechts. Hilmar wil met hen meegaan, maar op hetzelfde oogenblik +steekt Olaf voorzichtig zijn hoofd buiten de deur links_). + +OLAF. Oom! Oom Hilmar! + +HILMAR. Oeh ben jij het? Waarom blijf je niet boven? Je hebt immers +huisarrest. + +OLAF (_een paar passen naar voren_). Stil! Oom Hilmar, weet u 't nieuws? + +HILMAR. Ja, ik weet dat je een pak slaag hebt gehad van daag. + +OLAF (_kijkt dreigend naar de kamer van zijn vader_). Hij zal me niet +dikwijls meer slaan. Maar weet u dat oom Johan morgen uitzeilt met de +Amerikanen? + +HILMAR. Wat raakt jou dat? Maak dat je naar boven komt. + +OLAF. Ik zal misschien toch nog wel eens meegaan op buffeljacht, oom! + +HILMAR. 't Mocht wat; zoo'n papkind als jij.... + +OLAF. Ja, wacht maar; morgen zal u eens wat hooren! + +HILMAR. Lummel! + +(_Hij gaat weg door den tuin. Olaf gaat de kamer weer in en sluit de +deur als hij Krap ziet, die van rechts komt_). + +KRAP (_gaat naar de deur van Bernick's kamer en doet die half open_). +Excuseer dat ik nog eens terugkom, mijnheer Bernick ... maar er komt een +geweldige storm opzetten. (_Wacht een oogenblik; geen antwoord_). Moet +de "Indian Girl" toch uitgaan? (_na een korte pauze antwoordt:_) + +BERNICK. De "Indian Girl" gaat toch uit. + +(_Krap sluit de deur en gaat weer weg naar rechts_). + + +EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF. + + +[Illustratie: Mevr. Th. Mann-Bouwmeester als Lona in De steunpilaren +der Maatschappij, 4e Bedrijf] + + + * * * * * + + +VIERDE BEDRIJF. + + Tuinkamer bij Bernick. De groote tafel is weggenomen. Het is een + stormachtige namiddag en al schemerdonker. De duisternis neemt toe + onder het volgende. + + Een bediende steekt de kroon aan; een paar dienstmeisjes brengen + bloempotten, lampen en kaarsen, die zij op de tafels en gueridons + langs de wanden neerzetten. Rummel, in rok en witte das, met + handschoenen aan, staat in de kamer en geeft aanwijzingen. + + * * * * * + +RUMMEL (_tegen den knecht_). Niet alle kaarsen, Jacob, om den anderen +maar. Het mag er niet al te feestelijk uitzien, het moet een verrassing +zijn. En al die bloemen...? Nou ja, laat die maar staan; de menschen +kunnen denken dat die er alle dag staan.... + +(_Bernick komt uit zijn kamer_). + +BERNICK (_nog in de deur_). Wat beteekent dat? + +RUMMEL. O je, ben jij daar al? (_tegen het personeel_). Ja, nu moet je +zoo lang maar heengaan. (_De knecht en de meisjes gaan door de verste +deur links weg_). + +BERNICK (_komt naderbij_). Maar Rummel, wat beteekent dat toch? + +RUMMEL. Dat beteekent dat het mooiste oogenblik van je leven gekomen is. +De stad brengt van avond aan zijn voornaamsten burger een serenade. + +BERNICK. Wat zeg je? + +RUMMEL. Een serenade met muziek! Fakkels zouden wij er ook bij gehad +hebben, maar dat durfden wij niet te wagen met dit stormachtige weer. +Maar geillumineerd wordt er; en dat klinkt ook allemaal heel goed als +het in de couranten komt. + +BERNICK. Hoor eens, Rummel, daar wil ik niets mee te maken hebben. + +RUMMEL. Ja, het is nu te laat; over een half uur hebben wij ze hier. + +BERNICK. Maar waarom heb je mij daar vooruit niets van gezegd? + +RUMMEL. Juist omdat ik bang was dat je er iets tegen zoudt hebben. Maar +ik heb met je vrouw gecomplotteerd. Zij stond mij toe een-en-ander te +arrangeeren en zal ook voor ververschingen zorgen. + +BERNICK (_luistert_). Wat is dat? Zijn ze daar al? 't Is of ik hoor +zingen. + +RUMMEL (_bij de tuindeur_). Zingen? O, dat zijn de Amerikanen maar. Dat +is de "Indian Girl" die uitgaat. + +BERNICK. Gaat die uit? Ja ... neen, ik kan van avond niet, Rummel, ik +ben ziek. + +RUMMEL. Ja, je ziet er werkelijk slecht uit. Maar je moet je een beetje +opmonteren. Wat bliksem, kerel, je _moet_. Sandstad en Vigeland en ik +hechten het grootste gewicht aan het gelukken van die ovatie. Onze +tegenstanders moeten verpletterd worden onder den druk van een zoo +algemeen mogelijke uiting van sympathie. Er komen al geruchten in +omloop; het bericht van de terrein-aankoopen is niet langer stil te +houden. Je moet noodzakelijk al van avond, onder gezang en mooie +toespraken en het klinken van glazen, enfin, onder den indruk van een +gloeiende feeststemming, hen laten weten wat je voor het welzijn der +maatschappij geriskeerd hebt. Onder den indruk van zoo'n gloeiende +feeststemming, zooals ik zoo even zei, kan men hier bij ons ontzettend +veel bereiken. Maar die hoort er dan ook bij, anders gaat het niet. + +BERNICK. Jawel, jawel.... + +RUMMEL. En vooral als je met zoo'n delicate en netelige zaak voor den +dag moet komen. Nou, je hebt Goddank, een naam die een duwtje velen kan. +Maar luister eens; we moesten toch eerst eens het een-en-ander +afspreken. Hilmar Toennesen heeft een vers op je gemaakt. Het begint heel +mooi met de woorden: "Houdt hoog het vaandel der idee." En Roerlund heeft +de opdracht gekregen de feestrede te houden. Daar moet je natuurlijk op +antwoorden. + +BERNICK. Dat kan ik niet van avond, Rummel. Zou jij 't niet...? + +RUMMEL. Onmogelijk, al zou ik 't graag doen. De toespraak wordt, zooals +je wel denken kunt, voornamelijk tot jou gericht. Nou, misschien krijgen +wij anderen ook wel een paar woorden. Ik heb er met Vigeland en Sandstad +over gesproken. Wij dachten zoo dat jij met een "leve het welzijn van +onze maatschappij" zou kunnen antwoorden; Sandstad zal eenige woorden +spreken over de eendracht tusschen de verschillende klassen onzer +maatschappij; Vigeland zal dan iets zeggen van hoe gewenscht het is dat +de nieuwe onderneming het moreele fondament waarop wij staan, niet zal +doen wankelen, en ik denk met een paar gepaste woorden de vrouwen te +gedenken, wier meer bescheiden werkkring ook niet zonder beteekenis is +voor de maatschappij. Maar je luistert heelemaal niet.... + +BERNICK. Jawel ... zeker. Maar zeg eens, geloof je dat het zwaar weer is +op zee? + +RUMMEL. O, je bent bang voor "de Palmboom"? Die is immers goed +geassureerd. + +BERNICK. Geassureerd, ja; maar.... + +RUMMEL. En een flink schip; en dat is het voornaamste. + +BERNICK. Hm.... Als er iets gebeurt met een schip, dan is het daarom nog +niet gezegd dat er menschenlevens mee verloren gaan. Het schip en de +lading kunnen verloren gaan ... en men kan koffers en papieren +verliezen.... + +RUMMEL. Wat drommel, koffers en papieren beteekenen toch zooveel niet. + +BERNICK. Dat niet! Neen, neen, ik wou maar zeggen.... Stil ... daar +zingen ze weer. + +RUMMEL. Dat is aan boord van "de Palmboom". + +(_Vigeland komt van rechts_). + +VIGELAND. Ja, "de Palmboom" loopt aanstonds uit. Goeden avond, meneer de +consul. + +BERNICK. En u, die een zeevaartkundige is, blijft u er bij dat...? + +VIGELAND. Ik houd mij aan de Voorzienigheid, meneer de consul. Bovendien +ben ik zelf aan boord geweest en heb eenige traktaatjes uitgedeeld, die, +naar ik hoop, een gezegende uitwerking zullen hebben. + +(_Sandstad en Krap komen van rechts_). + +SANDSTAD (_nog in de deur_). Ja, als dat goed gaat, dan gaat alles goed. +Zoo, goeden avond, goeden avond! + +BERNICK. Is er iets aan de hand, mijnheer Krap? + +KRAP. Ik zeg niemendal, mijnheer Bernick. + +SANDSTAD. De heele bemanning op de "Indian Girl" is dronken. Ik zal geen +eerlijk man zijn als die beesten er levend afkomen. + +(_Lona komt van rechts_). + +LONA (_tegen Bernick_). Zoo ... nu kan ik je van hem groeten. + +BERNICK. Al aan boord? + +LONA. Zoo dadelijk ten minste. We namen afscheid voor de deur van het +hotel. + +BERNICK. En zijn plan staat vast? + +LONA. Vast als een rots. + +RUMMEL (_bij het raam_). De drommel hale die nieuwmodische inrichtingen! +Ik kan die gordijnen niet naar beneden krijgen. + +LONA. Moeten ze naar beneden? Ik dacht juist.... + +RUMMEL. Eerst naar beneden, juffrouw. U weet immers wat er gebeuren +gaat? + +LONA. Jawel, laat mij u eens helpen. (_Pakt de koorden beet_). Ik laat +het gordijn zakken voor mijn zwager ... hoewel ik het liever zou +ophalen. + +RUMMEL. Dat kan u ook doen, straks. Als de tuin vol menschen is gaan de +gordijnen op, en dan zien zij binnen een verraste en blijde familie ... +het huis van een stadsburger moet zijn als een glazen huis. + +BERNICK (_schijnt iets te willen zeggen, maar keert snel om en gaat naar +zijn kamer_). + +RUMMEL. Laat ons nu nog even voor het laatst alles afspreken. Kom mee, +mijnheer Krap, u moet ons helpen met een paar inlichtingen. + +(_Al de heeren gaan de kamer van Bernick binnen. Lona heeft de gordijnen +voor het raam dichtgetrokken en wil juist ook dat voor de openstaande +glazen deur dichttrekken, als Olaf van bovenaf op de tuinpad springt. +Hij heeft een plaid over de schouders en een bundel in de hand_). + +LONA. O! Goede Hemel, jongen, is me dat doen schrikken! + +OLAF (_verbergt zijn bundel_). Sst! tante! + +LONA. Spring je uit het raam? Waar moet je naar toe? + +OLAF. Stil; niets zeggen. Ik ga naar oom Johan ... even maar naar de +steiger, weet u ... alleen maar even afscheid nemen. Goeden nacht, +tante! (_Hij loopt weg door den tuin_). + +LONA. Neen, blijf hier! Olaf!... Olaf! + +(_Johan, gekleed voor de reis, met een tasch over zijn schouders, komt +voorzichtig door de deur rechts_). + +JOHAN. Lona! + +LONA (_keert zich om_). Wat! Kom je terug? + +JOHAN. Ik heb nog een paar minuten tijd. Ik moet haar nog eens zien. Wij +kunnen zoo niet van elkaar gaan. + +(_Martha en Dina, allebei met mantels om, en de laatste met een klein +valies in de hand, komen door de verste deur links_). + +DINA. Naar hem toe! naar hem! + +MARTHA. Ja, Dina, je zult naar hem toe! + +DINA. Daar is hij! + +JOHAN. Dina! + +DINA. Neem me mee! + +JOHAN. Wat...! + +LONA. Wil je dat? + +DINA. Ja, neem me mee! Die andere heeft mij geschreven ... heeft gezegd +dat van avond alle menschen het weten zullen.... + +JOHAN. Dina, hou je niet van hem? + +DINA. Ik heb nooit van hem gehouden. Ik spring in het water als ik zijn +verloofde worden moet. O wat heeft hij mij gisteren vernederd met zijn +arrogante woorden! Wat liet hij mij voelen dat hij een minderwaardige +tot zich ophief. Ik duld niet langer die geringschatting. Ik wil weg. +Mag ik met je meegaan? + +JOHAN. Ja, ja ... duizendmaal ja! + +DINA. Ik zal je niet lang tot last zijn. Help mij alleen maar om naar +Amerika te komen; help mij een beetje terecht in het begin.... + +JOHAN. Hoera! Dat zal wel in orde komen, Dina! + +LONA (_wijst naar Bernick's deur_). Sst; zachtjes, zachtjes! + +JOHAN. Dina, ik zal je op de handen dragen! + +DINA. Dat mag je niet. Ik wil zelf vooruitkomen; en daarginder kan ik +dat wel. Als ik maar eerst van hier weg ben. O, die mevrouwen ... dat +weet je nog niet ... die hebben mij ook geschreven van daag. Zij hebben +mij vermaand dat ik mijn geluk toch goed beseffen moest, mij +voorgehouden hoe grootmoedig hij zich betoond heeft. Morgen en alle +dagen zullen zij zitten op te letten om te zien of ik mij dat alles wel +waardig maak. Ik heb een afschuw van al die vroomheid! + +JOHAN. Zeg mij eens, Dina, is het daarom alleen dat je weggaat? Ben ik +niets voor je? + +DINA. Zeker, Johan, je bent meer voor mij dan alle andere menschen te +zamen. + +JOHAN. O Dina...! + +DINA. Ze zeggen hier allemaal dat ik je moet haten en verafschuwen, dat +dat mijn plicht is. Maar ik begrijp niet waarom dat mijn plicht zou +zijn, en zal dat ook nooit leeren begrijpen. + +LONA. Dat moet je ook niet, mijn kind! + +MARTHA. Neen, dat moet je niet; en daarom moet je ook met hem meegaan +als zijn vrouw. + +JOHAN. Ja, ja! + +LONA. Wat? Daarvoor moet ik je een zoen geven Martha! Dat had ik van jou +niet verwacht. + +MARTHA. Neen, dat wil ik wel gelooven; ik had 't zelf ook niet verwacht. +Maar eens moest het bij mij tot een uitbarsting komen. Ach, wat gaan wij +hier toch gebukt onder den vloek van traditie en gewoonte! Kom daar +tegen op, Dina. Word zijn vrouw. Doe iets dat al dien sleur trotseert! + +JOHAN. Wat is je antwoord, Dina? + +DINA. Ja, ik wil je vrouw worden. + +JOHAN. Dina! + +DINA. Maar eerst wil ik werken, zelf iets worden ... net als jij. Ik wil +geen ding zijn dat genomen wordt. + +LONA. Braaf zoo ... zoo moet het wezen. + +JOHAN. Goed; ik zal wachten en hopen.... + +LONA. ... en winnen, jongen! Maar nu aan boord! + +JOHAN. Ja, aan boord! O, Lona! mijn lieve zuster, nog even een woordje. +Hoor eens.... (_hij gaat met haar naar den achtergrond en spreekt +haastig met haar_). + +MARTHA. Dina, jij gelukkige!... laat mij je eens aanzien, je nog eens +omhelzen ... voor 't allerlaatst.... + +DINA. Niet voor 't laatst; neen, lieve, beste tante, wij zullen elkaar +terugzien. + +MARTHA. Nooit meer! Beloof mij dat, Dina, kom nooit meer terug (_grijpt +haar beide handen en kijkt haar aan_). Nu ga je het geluk tegemoet, mijn +lief kind ... over de groote zee. O, hoe dikwijls heb ik daar naar +verlangd, als ik in de school was! Daarginder moet het mooi zijn, een +ruimere hemel; de wolken gaan daar hooger dan hier; een vrijere lucht +waait daar over de hoofden der menschen heen.... + +DINA. O, tante Martha, u volgt ons nog wel eens. + +MARTHA. Ik? Nooit; nooit. Hier heb ik mijn kleine levenstaak, en nu +geloof ik wel dat ik geheel en onverdeeld zal kunnen worden wat ik zijn +moet. + +DINA. Ik kan er niet aan denken dat ik van u afscheid nemen moet. + +MARTHA. Ach, een mensch kan van veel afscheid nemen, Dina (_kust haar_). +Maar dat zal je, hoop ik, nooit ondervinden, mijn lief kind. Beloof mij +dat je hem gelukkig maken zult. + +DINA. Ik wil niets beloven; ik heb een hekel aan beloven; alles moet +gaan zooals het gaan kan. + +MARTHA. Ja, ja; dat is zoo. Blijf jij maar zooals je bent ... waar en +trouw tegenover je zelf. + +DINA. Dat zal ik, tante. + +LONA (_verbergt, terwijl zij terug komt, eenige papieren die Johan haar +gegeven heeft_). Braaf, braaf, mijn beste jongen! Maar nu moet je weg! + +JOHAN. Ja, nu hebben wij geen tijd meer te verliezen. Vaarwel, Lona; +dank voor al je liefde. Vaarwel Martha, en dank, jij ook, voor je trouwe +vriendschap. + +MARTHA. Vaarwel, Johan! Vaarwel, Dina! En veel geluk je leven lang! + +(_Zij en Lona dringen hen zachtjes naar de deur in den achtergrond. +Johan en Dina gaan snel den tuin door. Lona sluit de deur en trekt het +gordijn er voor_). + +LONA. Nu zijn wij alleen, Martha. Jij hebt haar verloren en ik hem. + +MARTHA. Jij hem...? + +LONA. O, ik had hem daarginder al half verloren. De jongen begon te +verlangen om op eigen beenen te staan; daarom maakte ik hem wijs dat ik +heimwee had. + +MARTHA. Daarom? Ja dan begrijp ik dat je terugkwam. Maar hij zal naar +jou terug verlangen Lona. + +LONA. Naar een oude stiefzuster?... wat zou hij daar nu nog aan hebben? +Om hun geluk te bereiken, verscheuren mannen zoo gemakkelijk wat hen +bindt. + +MARTHA. Ja; dat gebeurt wel eens. + +LONA. Maar wij blijven bij elkaar, Martha. + +MARTHA. Kan ik dan iets voor je zijn? + +LONA. Voor wie zou je meer kunnen zijn? Wij twee pleegmoeders ... hebben +wij niet allebei onze kinderen verloren? Nu zijn wij alleen. + +MARTHA. Ja, alleen. En daarom zal jij het ook weten ... ik heb hem boven +alles in de wereld lief gehad. + +LONA. Martha! (_grijpt haar arm_). Is dat waar? + +MARTHA. Mijn heele leven ligt in die woorden. Ik heb hem liefgehad en op +hem gewacht. Iederen zomer heb ik verwacht dat hij komen zou. En toen +kwam hij eindelijk;... maar hij zag mij niet. + +LONA. Hem liefgehad! En jij zelf was het die hem het geluk in handen +gaf. + +MARTHA. Zou ik hem het geluk niet geven als ik hem toch liefhad? Ja, ik +heb hem liefgehad. Heel mijn leven is een leven voor hem geweest, van +het oogenblik af dat hij wegging. Of ik reden had om te hopen, denk je? +O ja, ik geloof wel dat ik daar reden toe had. Maar toen hij nu +terugkwam ... toen was het of alles uit zijn herinnering was weggevaagd. +Hij zag mij niet. + +LONA. Het was Dina die je in de schaduw stelde, Martha. + +MARTHA. 't Was goed dat zij het deed. Toen hij wegging indertijd, waren +wij van gelijken leeftijd. Toen ik hem terugzag.... O, dat vreeselijke +oogenblik!... werd het mij duidelijk dat ik nu tien jaar ouder was dan +hij. Hij had daarginder gewerkt in den helderen warmen zonneschijn, en +jeugd en gezondheid ingedronken met iederen ademtocht. En terwijl zat ik +hier binnen en spon en spon.... + +LONA. ... den draad van zijn geluk, Martha. + +MARTHA. Ja, het was goud dat ik spon, Lona. Geen bitterheid! Niet waar, +wij zijn allebei goede zusters voor hem geweest? + +LONA (_slaat de armen om haar heen_). Martha! + +(_Bernick komt uit zijn kamer_). + +BERNICK (_tegen de heeren binnen_). Ja, ja, beschik alles maar zooals je +'t best vindt. Als het tijd is zal ik wel.... (_sluit de deur_). O, is +daar iemand? Hoor eens, Martha, je moet je een beetje gaan verkleeden. +En zeg aan Betty dat zij het ook doet. Ik verlang natuurlijk geen groot +toilet ... alleen maar een nette huisjapon. Maar je moet je haasten. + +LONA. En een vroolijk, opgeruimd gezicht er bij zetten, Martha, en een +paar blijde oogen. + +BERNICK. Olaf moet ook beneden komen; ik wil dat hij naast mij zal +staan. + +LONA. Hm; Olaf.... + +MARTHA. Ik zal het Betty gaan zeggen (_zij gaat weg door de verste deur +links_). + +LONA. Dus nu is het gewichtige, plechtige oogenblik gekomen. + +BERNICK (_die onrustig op en neer loopt_). Ja ... nu is het er dan. + +LONA. Ik kan mij voorstellen dat een man zich op zoo'n oogenblik trotsch +en gelukkig voelt. + +BERNICK (_kijkt haar aan_). Hm. + +LONA. De heele stad zal geillumineerd zijn, hoor ik. + +BERNICK. Ja, zoo iets zijn ze van plan. + +LONA. Alle vereenigingen met hun banieren zullen zich aansluiten bij den +stoet. Je naam zal in vurige letters prijken. Van nacht zal er naar alle +kanten getelegrafeerd worden: "In den kring zijner gelukkige familie +ontving Consul Bernick de hulde van zijn medeburgers als een der +steunpilaren der maatschappij." + +BERNICK. Dat zal wel; en buiten zullen ze hoera roepen, en de menigte +zal net zoo lang juichen tot ik mij daar in de deur vertoon, en dan ben +ik wel gedwongen om te gaan buigen en bedanken. + +LONA. O, gedwongen.... + +BERNICK. Denk je soms dat ik mij op dit oogenblik gelukkig voel? + +LONA. Neen, ik geloof niet dat je je zoo echt heelemaal gelukkig voelen +kunt. + +BERNICK. Lona, je veracht me. + +LONA. Nog niet. + +BERNICK. Daartoe heb je ook niet het recht. Niet om mij te +_verachten_!... Lona, je kunt niet begrijpen hoe onzegbaar eenzaam ik +hier sta in deze benauwde bekrompen maatschappij ... hoe ik jaar op jaar +mijn eischen voor een bevredigende levenstaak lager heb moeten stellen. +Wat heb ik eigenlijk gedaan, al lijkt het ook nog zooveel? Lapwerk ... +prutserijen! Wat anders of wat meer wordt hier niet geduld. Als ik een +stap verder zou willen gaan dan strookt met de stemming van de +opvatting, die juist aan de orde van den dag zijn, dan was het uit met +mijn macht. Weet je wat wij zijn, wij, die beschouwd worden als de +steunpilaren van de maatschappij? Wij zijn het werktuig der maatschappij +... niets meer en niets minder. + +LONA. Hoe komt het dat je dat nu pas inziet? + +BERNICK. Doordat ik veel nagedacht heb den laatsten tijd ... sedert jij +terug kwam--en vooral van avond.... O, Lona, waarom heb ik jou niet +heelemaal gekend indertijd ... in dien ouden tijd! + +LONA. En wat dan? + +BERNICK. Dan had ik je nooit losgelaten; en had ik jou gehad, dan stond +ik nu niet waar ik sta. + +LONA. En denk je er niet aan wat _zij_ voor je had kunnen worden, zij, +die je koos in mijn plaats? + +BERNICK. Ik weet in elk geval, dat zij voor mij niet is geworden dat, +waaraan ik zoozeer behoefte had. + +LONA. Omdat je nooit je levenstaak met haar gedeeld hebt; omdat jullie +verhouding nooit open en waar is geweest; omdat je haar laat verkwijnen +onder het verwijt van de schande, die jij gebracht hebt over haar naaste +betrekkingen. + +BERNICK. Ja ... ja ... ja; dat komt allemaal van de leugen en den +valschen schijn. + +LONA. En waarom breek je dan niet met al die leugens en valschen schijn? + +BERNICK. Nu nog? Nu is het te laat, Lona. + +LONA. Karsten, zeg me toch eens, wat voor bevrediging geeft het toch die +schijn en dat bedrog? + +BERNICK. Mij geven ze niets. Ik moet ten onder gaan net als deze heele +knoei-maatschappij. Maar er groeit een geslacht op dat na ons komt. Het +is voor mijn zoon dat ik werk; voor hem maak ik een levenstaak klaar. +Er zal een tijd komen dat in het maatschappelijke leven waarheid zal +heerschen, en daarop zal hij een gelukkiger bestaan grondvesten dan dat +van zijn vader was. + +LONA. Met een leugen als onderlaag? Bedenk toch wat je je zoon als +erfenis achterlaat. + +BERNICK (_met onderdrukte wanhoop_). Ik laat hem nog duizendmaal +slechter erfenis na dan je weet. Maar eens moet toch de vloek worden +opgeheven. En toch ... toch.... (_uitbarstend_). Hoe kon jullie mij dat +alles toch aandoen! Maar 't is gebeurd. Nu moet ik verder. Het zal +jullie niet gelukken mij er onder te krijgen! + +(_Hilmar met een open briefje in de hand komt haastig en ontsteld van +rechts_). + +HILMAR. Maar dat is toch ... Betty, Betty! + +BERNICK. Wat is er? Komen ze al? + +HILMAR. Neen, neen; maar ik moet noodzakelijk iemand spreken.... (_hij +gaat weg door de verste deur links_). + +LONA. Karsten, je praat er van dat wij gekomen zouden zijn om je er +onder te krijgen. Laat mij je eens zeggen, van welk metaal hij is +gemaakt, die verloren zoon, dien jullie brave maatschappij schuwt als +een pestlijder. Hij kan jullie missen want hij is nu weg. + +BERNICK. Maar hij wou terugkomen.... + +LONA. Johan komt nooit meer terug. Hij is voor goed weg en Dina is met +hem meegegaan. + +BERNICK. Komt hij niet terug? En is Dina met hem mee? + +LONA. Ja, om daarginder zijn vrouw te worden. Zoo geven die twee je +deugdzame maatschappij een slag in het gezicht ... net als ik indertijd +... nou ja! + +BERNICK. Weg ... zij ook ... met de "Indian Girl"...! + +LONA. Neen; zoo'n kostbaren last durfde hij niet aan die roekelooze +bende toe te vertrouwen. Johan en Dina zijn vertrokken met "de +Palmboom". + +BERNICK. Ah...! Dus voor niets.... (_loopt snel heen, rukt de deur van +zijn kamer open en roept naar binnen_). Krap, hou de "Indian Girl" op; +die moet van avond niet uitzeilen! + +KRAP (_binnen in de kamer_). "Indian Girl" is al in zee, mijnheer. + +BERNICK (_sluit de deur en zegt met matte stem_): Te laat ... en +onnoodig.... + +LONA. Wat meen je? + +BERNICK. Niets, niets. Ga weg...! + +LONA. Hm; kijk eens Karsten. Johan laat je zeggen dat hij mij zijn +reputatie toevertrouwt die hij jou eens leende, en ook den eerlijken +naam dien je hem ontnam toen hij weg was. Johan zal zwijgen; en ik kan +doen en laten in die zaak wat ik wil. Kijk, hier heb ik je beide brieven +in mijn hand. + +BERNICK. Heb jij die? En nu ... nu wil je ... van avond al ... misschien +als de serenade.... + +LONA. Ik kwam niet hier om je te verraden, maar om je wakker te schudden +dat je uit eigen beweging de waarheid zoudt zeggen. Dat is mij niet +gelukt. Blijf dan voortleven in je leugen! Kijk ... ik verscheur beide +brieven. Neem de stukken ... daar heb je ze. Nu is er niets meer dat +tegen je getuigen kan, Karsten. Nu kan je gerust zijn; wees nu ook +gelukkig ... als je kunt. + +BERNICK (_ontroerd_). Lona ... waarom heb je dat niet eerder gedaan! Nu +is het te laat; nu heb ik mijn heele leven verspeeld; ik kan niet meer +leven na dezen dag. + +LONA. Wat is er dan gebeurd? + +BERNICK. Vraag het mij niet.... Maar ik _moet_ toch verder leven! Ik +_wil_ leven ... voor Olaf. Hij moet alles weer goed maken, boete doen +voor alles.... + +LONA. Karsten...! + +(_Hilmar komt haastig terug_). + +HILMAR. Nergens te vinden; weg; Betty ook niet! + +BERNICK. Wat scheelt je? + +HILMAR. Ik durf het je niet zeggen. + +BERNICK. Wat is dat? Je moet en zult het mij zeggen! + +HILMAR. Nu dan; Olaf is er van door met de "Indian Girl". + +BERNICK (_tuimelt achteruit_). Olaf ... met de "Indian Girl"! Neen ... +neen! + +LONA. Ja, 't is waar! Nu begrijp ik het ... ik zag dat hij uit het raam +sprong. + +BERNICK (_in de deur van zijn kamer roept in wanhoop_). Krap, hou de +"Indian Girl" op om alles in de wereld. + +KRAP (_komt naar buiten_). Onmogelijk, mijnheer. Hoe kan u denken +dat.... + +BERNICK. Wij _moeten_ het schip ophouden.... Olaf is aan boord! + +KRAP. Wat zegt u! + +RUMMEL (_komt naar buiten_). Olaf weggeloopen? Niet mogelijk! + +SANDSTAD (_komt ook_). Hij zal wel met den loods teruggestuurd worden, +mijnheer Bernick. + +HILMAR. Neen, neen; hij heeft mij geschreven; (_laat het briefje zien_) +hij zegt dat hij zich in het ruim verstoppen zal tot zij in volle zee +zijn. + +BERNICK. Ik zie hem nooit terug! + +RUMMEL. Och wat, onzin! Een sterk, flink schip, pas gerepareerd.... + +VIGELAND (_ook buiten gekomen_). ... van uw eigen werf, meneer de +consul! + +BERNICK. Ik zie hem nooit terug, zeg ik jullie! Ik ben hem kwijt, Lona, +en ... nu zie ik het in ... ik heb hem nooit gehad (_luistert_). Wat is +dat? + +RUMMEL. Muziek. Daar komt de serenade. + +BERNICK. Ik kan niet, ik wil niemand ontvangen. + +RUMMEL. Waar denk je aan! Dat is onmogelijk. + +SANDSTAD. Onmogelijk, meneer; bedenk toch wat er voor u op het spel +staat. + +BERNICK. Wat kan mij dat alles nu nog schelen! Wien heb ik nu nog om +voor te werken? + +RUMMEL. Hoe kan je zoo iets vragen? Wij zijn er toch nog en de +maatschappij! + +VIGELAND. Dat was een waar woord. + +SANDSTAD. En meneer vergeet toch zeker niet dat wij.... (_Martha komt +door de verste deur links. Men hoort de muziek in de verte_). + +MARTHA. Daar komt de stoet; maar Betty is niet thuis; ik begrijp niet +waar zij.... + +BERNICK. Niet thuis! Daar zie je het nu Lona, geen steun ... noch in +vreugde, noch in leed! + +RUMMEL. Haal de gordijnen op! Help mij eens even, mijnheer Krap. U ook +mijnheer Sandstad. Doodjammer dat de familie nu juist zoo verspreid is! +Heelemaal niet volgens het programma. + +(_De gordijnen van de deur en de ramen worden weggetrokken. Men ziet de +heele straat geillumineerd. Tegen het huis aan de overzijde is een groot +transparant geplaatst met het opschrift: "Leve Consul Bernick, de steun +onzer maatschappij!"_). + +BERNICK (_wijkt schuw terug_). Weg met dat alles! Ik wil het niet zien! +Doe uit! Doe uit! + +RUMMEL. Met alle respect, Bernick, is het je in 't hoofd geslagen? + +MARTHA. Wat scheelt hem, Lona? + +LONA. Sst! (_zij praat zachtjes met haar_). + +BERNICK. Weg met die honende opschrift, zeg ik! Zie jullie niet dat die +lichten de tongen naar ons uitsteken? + +RUMMEL. Neen maar, nu moet ik toch bekennen.... + +BERNICK. Och, wat begrijpen jullie ook...! Maar ik, ik...! Lichten in +een sterfkamer zijn het! + +KRAP. Hm.... + +RUMMEL. Neen, maar, hoor eens, Bernick, je trekt je dat al te erg aan. + +SANDSTAD. De jongen maakt een plezierreisje over den Oceaan, en dan +krijgt u hem weer terug. + +VIGELAND. Maar vertrouwen op den Almachtige, meneer de consul. + +RUMMEL. En op de schuit, Bernick; die zal toch wel niet zoo dadelijk +zinken, vermoed ik. + +KRAP. Hm.... + +RUMMEL. Ja, als het nu een van die drijvende lijkkisten was, waar je zoo +van hoort in de groote maatschappij.... + +BERNICK. Ik voel dat mijn haar grijs wordt in dit uur. (_Mevrouw +Bernick, met een grooten doek over haar hoofd, komt de tuindeur door_). + +MEVR. BERNICK. Karsten, Karsten! Weet je...! + +BERNICK. Ja, ik weet ... maar jij;... jij, die niets ziet,... jij, die +geen moederoog voor hem hebt...! + +MEVR. BERNICK. O, luister toch...! + +BERNICK. Waarom heb je niet over hem gewaakt? Nu heb ik hem verloren. +Geef hem mij terug als je kunt! + +MEVR. BERNICK. Ja, dat kan ik, ik heb hem! + +DE HEEREN. Ah...! + +HILMAR. Nou, dat dacht ik ook wel. + +MARTHA. Karsten, je hebt hem terug! + +LONA. Ja; maar weet hem nu ook voor je te winnen. + +BERNICK. Je hebt hem! Is het waar wat je zegt? Waar is hij? + +MEVR. BERNICK. Dat zeg ik je niet voor je hem vergeven hebt. + +BERNICK. Och wat, vergeven...! Maar hoe kwam je te weten...? + +MEVR. BERNICK. Denk je dat een moeder niets ziet? Ik was in doodsangst +dat je er iets van merken zoudt. Een paar woorden die hij gisteren +losliet ... en toen zijn kamer leeg was en zijn ransel en zijn kleeren +weg waren.... + +BERNICK. Ja ... ja...? + +MEVR. BERNICK. ... ging ik loopen; haalde Aune op; wij zijn met zijn +zeilboot uitgegaan; het Amerikaansche schip wou juist uitzeilen. Goddank +kwamen wij nog bijtijds ... ging aan boord, liet het ruim doorzoeken ... +vond hem.... O Karsten, je moet hem niet straffen! + +BERNICK. Betty! + +MEVR. BERNICK. En ook Aune niet! + +BERNICK. Aune? Wat weet je van hem? Is de "Indian Girl" weer onder zeil? + +MEVR. BERNICK. Neen, dat is juist de zaak.... + +BERNICK. Toe zeg ... gauw! + +MEVR. BERNICK. Aune was net zoo ontdaan als ik; het onderzoek nam nog al +tijd; het begon donker te worden zoodat de loods bezwaren begon te +opperen, en zoo verstoutte Aune zich ... om in jou naam.... + +BERNICK. Wat? + +MEVR. BERNICK. Het schip tot morgen op te houden. + +KRAP. Hm.... + +BERNICK. O, wat een onuitsprekelijk geluk! + +MEVR. BERNICK. Ben je niet boos? + +BERNICK. O Betty, wat een overstelpend geluk! + +RUMMEL. Je bent ook veel te nauwgezet. + +HILMAR. Ja, zoodra er sprake is van een kleinen strijd met de elementen, +dan ... oeh! + +KRAP (_bij het raam_). Daar komt de stoet door het tuinhek, mijnheer. + +BERNICK. Ja, nu mag hij komen. + +RUMMEL. De heele tuin loopt vol menschen. + +SANDSTAD. De heele straat is propvol. + +RUMMEL. De heele stad is op de been, Bernick. Het is waarlijk een +verheffend oogenblik. + +VIGELAND. Laat ons het in deemoed aannemen, meneer Rummel. + +RUMMEL. Alle banieren zijn er bij. Wat een stoet! Daar hebben we de +feestcommissie met mijnheer Roerlund aan het hoofd. + +BERNICK. Laat ze nu maar komen, zeg ik! + +RUMMEL. Maar hoor eens, in den opgewonden toestand, waarin je +verkeert.... + +BERNICK. Wat dan? + +RUMMEL. Zou ik niet ongenegen zijn het woord in jou plaats te voeren. + +BERNICK. Neen, dank je; van avond wil ik zelf spreken. + +RUMMEL. Maar weet je ook wat je zeggen moet? + +BERNICK. Jawel, wees maar gerust, Rummel,... nu weet ik wel wat ik +zeggen moet. + +(_De muziek is intusschen opgehouden. De tuindeur wordt geopend. Roerlund +treedt binnen aan het hoofd van de feestcommissie, vergezeld van een +paar huurbedienden, die een overdekte mand dragen. Achter hen komen de +burgers van de stad van alle standen, zooveel als de kamer maar bergen +kan. Een onafzienbare menigte met banieren en vlaggen ontwaart men +buiten in den tuin en op de straat_). + +ROeRLUND. Hoog vereerde Heer Consul! Ik zie aan de verrassing die zich op +uw gelaat afspiegelt, dat wij hier als onverwachte gasten binnen dringen +in uw gelukkigen familiekring, aan uw vredigen haard, omringd door +achtenswaardige en werkzame vrienden en medeburgers. Maar het was ons +een behoefte des harten u onze hulde te brengen. Het is niet de eerste +keer dat zoo iets gebeurt, maar wel voor het eerst in zoo veelomvattende +mate. Wij hebben u menigmaal onzen dank gebracht voor den breeden +moreelen grondslag, waarop u om zoo te zeggen, onze maatschappij heeft +opgebouwd. Dezen keer huldigen wij u in het bizonder als de +helderziende, onvermoeide, onzelfzuchtige, ja zelfopofferende +medeburger, die het initiatief heeft genomen in een onderneming, die, +volgens de meening van alle deskundigen, een machtigen stoot vooruit +geven zal aan de tijdelijke welvaart van onze maatschappij. + +STEMMEN UIT DE MENIGTE. Bravo, bravo! + +ROeRLUND. En juist die glorieschijn van onzelfzuchtigheid, die over heel +uw levenswandel ligt, is wat zoo onuitsprekelijk weldadig werkt, vooral +in den tegenwoordigen tijd. U is nu bezig ons een ... ja, ik zie er geen +bezwaar in het woord prozaisch en rondweg uit te spreken ... een +spoorweg te bezorgen. + +VELE STEMMEN. Bravo, bravo! + +ROeRLUND. Maar die onderneming schijnt op moeilijkheden te zullen +stuiten, inderdaad alleen te berde gebracht door bekrompen, zelfzuchtige +overwegingen. + +STEMMEN. Ha! ha! + +ROeRLUND. Het is namelijk niet onbekend gebleven dat zekere individuen, +niet tot onze maatschappij behoorend, de nijvere burgers van onze stad +zijn voor geweest, en zich in bezit van sommige voordeelen gesteld +hebben, die rederlijkerwijze onze eigen stad ten goede hadden moeten +komen. + +STEMMEN. Ja, ja! + +ROeRLUND. Deze betreurenswaardige zaak is natuurlijk ook u ter oore +gekomen, mijnheer de consul. Maar niettemin streeft u onvervaard uw doel +na, wel wetende dat een staatsburger niet alleen zijn eigen +gemeentebelangen voor oogen hebben moet. + +VERSCHEIDENE STEMMEN. Hm! Neen, neen! Jawel: jawel! + +ROeRLUND. Zoo is het dan den mensch zoowel als den staatsburger,... +zooals de man moet en behoort te zijn ... dien wij dezen avond onze +hulde brengen. Moge uw onderneming tot een waar en blijvend geluk voor +deze onze maatschappij worden! De spoorweg kan inderdaad een weg worden, +die ons blootstelt aan het binnendringen van vreemde, verderfelijke +elementen, maar tevens een weg, die ons snel weer van hen bevrijdt. En +tegen slechte elementen van buitenaf kunnen wij ons toch ook nu niet +beveiligen. Maar dat wij juist op dezen feestavond, zooals verteld +wordt, gelukkig en spoediger dan te verwachten was, zekere elementen van +dien aard zijn kwijtgeraakt.... + +STEMMEN. Sst! Sst! + +ROeRLUND. ... dat neem ik aan als een gelukkig voorteeken voor de +onderneming. Als ik dit punt hier aanroer, bewijst dit, dat wij ons +bevinden in een huis, waar de eischen van het gemoed hooger worden +gesteld dan familiebanden. + +STEMMEN. Bravo! + +BERNICK (_tegelijkertijd_). Permitteer mij.... + +ROeRLUND. Nog maar enkele woorden, mijnheer de consul. Wat u voor deze +gemeente gedaan heeft, dat deed u zeker niet met de bijgedachte dat het +u een tastbaar voordeel zou brengen. Maar een gering bewijs van +erkentelijkheid van uwe dankbare medeburgers mag u toch niet versmaden, +en allerminst in zulk een gewichtig oogenblik, nu wij, volgens +verzekering van mannen van de praktijk, aan den vooravond van een nieuw +tijdperk staan. + +VELE STEMMEN. Bravo! Bravo! + +(_Hij geeft den bedienden een wenk; zij dragen de mand aan; de leden van +de feestcommissie halen onder het volgende de voorwerpen waarvan +gesproken wordt, er uit en bieden ze aan_). + +ROeRLUND. Zoo zijn wij dan zoo vrij, mijnheer de consul, u een zilveren +koffieservies aan te bieden. Laat het uwe tafel sieren wanneer wij in de +toekomst, zooals zoo vaak tot nog toe, het genoegen smaken in dit +gastvrije huis bijeen te komen.--En ook u, mijne heeren, die zoo +bereidwillig den grootsten man van onze maatschappij hebt bijgestaan, +verzoeken wij een klein geschenk als aandenken wel te willen aannemen. +Deze zilveren beker is voor u, mijnheer Rummel. U heeft zoo dikwijls in +veelzeggende woorden, onder 't klinken der glazen, voor onze +maatschappelijke belangen een lans gebroken; moge u nog dikwijls een +waardige gelegenheid vinden om dezen beker op te heffen en te +ledigen.--U, mijnheer Sandstad, mag ik dit album overreiken met +fotografieen van eenige medeburgers. Aan uwe bekende en erkende +humaniteit heeft u het te danken dat u vrienden telt in alle kringen der +maatschappij.--En voor u, mijnheer Vigeland, heb ik ter versiering van +uwe binnenkamer, deezen bundel preeken op velijn papier en in prachtband +aan te bieden. Onder der jaren rijpenden invloed is u tot een +hoogernstigen levensbeschouwing gekomen; uw arbeid in uw dagelijkschen +werkkring is in den loop der jaren, door de gedachte aan het hoogere en +het hiernamaals, gelouterd en geadeld (_keert zich tot de menigte_). En +hiermede, mijne vrienden: leve consul Bernick en zijn medestrijders! Een +hoera voor onze steunpilaren der maatschappij! + +DE HEELE SCHARE. Leve consul Bernick! Leve de steunpilaren der +maatschappij! Hoera, hoera, hoera! + +LONA. Mijn gelukwenschen, Karsten! (_Afwachtende stilte_). + +BERNICK (_begint ernstig en langzaam_). Mijne medeburgers,... bij monde +van uw woordvoerder werd er gezegd dat wij heden staan aan den vooravond +van een nieuw tijdperk,... en ik hoop dat die verwachting verwezenlijkt +zal worden. Maar opdat dat zal kunnen geschieden, moeten wij de waarheid +zoeken,... de waarheid, die tot op heden doorgaans en in alle kringen +geen onderkomen gevonden heeft in deze maatschappij (_verrassing onder +de omstanders_). + +BERNICK. Ik moet beginnen met de loftuigingen af te wijzen, waarmee u, +mijnheer Roerlund, volgens oud gebruik bij dergelijke gelegenheden, mij +heeft overladen. Ik verdien die niet; want ik ben tot op dezen dag geen +onzelfzuchtig man geweest. Al heb ik dan niet altijd naar geldelijk +voordeel gestreefd, dan ben ik mij nu althans wel bewust, dat de +begeerte, het verlangen naar macht, invloed, aanzien, de drijfveeren +zijn geweest bij de meeste mijner daden. + +RUMMEL (_halfluid_). Wat beteekent dat? + +BERNICK. Tegenover mijn medeburgers heb ik mij daarover niets te +verwijten; want ik geloof nog dat ik onder de bekwamen hier bij ons, +in de eerste rij mag plaats nemen. + +VELE STEMMEN. Ja, ja, ja! + +BERNICK. Maar wat ik mijzelf ten laste leg, is dat ik zoo dikwijls zwak +genoeg ben geweest om langs kronkelpaden te gaan, omdat ik bang was voor +de mij bekende neiging van onze maatschappij, om onzuivere motieven te +zoeken achter alles wat een man onderneemt. En nu kom ik tot een punt +dat daarmee samenhangt. + +RUMMEL (_onrustig_). Hum ... hm! + +BERNICK. Er loopen hier geruchten over groote terrein-aankoopen, in den +omtrek. Deze gronden heb ik gekocht, allemaal, ik alleen. + +GEDEMPTE STEMMEN. Wat zegt hij? De consul? Consul Bernick? + +BERNICK. Ze zijn voorlopig in mijn handen. Natuurlijk heb ik mijn +medewerkers, de heeren Rummel, Vigeland en Sandstad, in het vertrouwen +genomen, en zijn wij overeengekomen.... + +RUMMEL. Dat is niet waar! Bewijs ... bewijs...! + +VIGELAND. Wij zijn niets overeengekomen! + +SANDSTAD. Neen, nu moet ik toch zeggen.... + +BERNICK. Dat is heel juist; wij zijn nog niet overeengekomen over dat, +wat ik zeggen wilde. Maar ik hoop vast, dat de drie heeren het met mij +eens zullen zijn, als ik zeg dat ik van avond besloten heb om van dit +grondbezit een algemeene vennootschap te maken; ieder die wil kan er +aandeel in krijgen. + +VELE STEMMEN. Hoera! Leve consul Bernick! + +RUMMEL (_zachtjes tegen Bernick_). Zoo'n gemeen verraad!... + +SANDSTAD (_evenzoo_). Ons zoo voor den gek te houden...! + +VIGELAND. De duivel zal me halen...! Och lieve Heertje wat zeg ik daar! + +DE MENIGTE (_buiten_). Hoera, hoera, hoera! + +BERNICK. Stilte, mijne heeren. Deze hulde komt mij niet toe; want dat, +waartoe ik nu besloten heb, was niet van den beginne af mijn plan. Mijn +plan was het allemaal zelf te houden, en ik geloof nog, dat deze +bezittingen het best geexploiteerd kunnen worden als ze in eene hand +blijven. Maar ik laat u de keus. Wenscht men het, dan ben ik bereid ze +te beheeren naar mijn beste krachten. + +STEMMEN. Ja! Ja! Ja! + +BERNICK. Maar eerst moeten mijne medeburgers mij geheel kennen. Laat dan +ieder met zich zelf te rade gaan, en laat het vast staan, dat wij van +heden avond af een nieuw tijdperk ingaan. De oude tijd, met zijn +blanketsel, met zijn huichelarij en valschen schijn, met zijn +leugenachtig fatsoen en zijn jammerlijke overwegingen, zal voor ons +worden als een museum ... toegankelijk voor hen die leeren willen; en +aan dat museum schenken wij,... niet waar heeren?... zoowel het +koffieservies als den beker, het album en den bundel preeken op velijn +papier en in prachtband. + +RUMMEL. Ja natuurlijk. + +VIGELAND (_bromt_). Als u het andere ons toch heeft afgenomen, dan.... + +SANDSTAD. Alsjeblieft. + +BERNICK. Maar nu nog de voornaamste afrekening met mijn maatschappij. Er +werd gezegd dat slechte elementen ons van avond verlaten hadden. Ik kan +er bijvoegen, wat men nog niet weet: de man, op wien deze woorden +doelden, is niet alleen weggegaan; hem volgde om zijn vrouw te +worden.... + +LONA (_luid_). Dina Dorf. + +ROeRLUND. Wat! + +MEVR. BERNICK. Wat zeg je? (_groote beweging_). + +ROeRLUND. Gevlucht? Weggelopen ... met hem! Onmogelijk! + +BERNICK. Om zijn vrouw te worden, mijnheer Roerlund. En ik voeg er nog +iets bij. (_Zachtjes_) Betty, vat moed om te dragen wat er komen gaat. +(_Luid_) Ik zeg: hoeden af voor dien man! Want hij heeft grootmoedig de +schuld van een ander op zich genomen. Mijne medeburgers, ik wil alle +leugenachtigheid nu van mij wegdoen; het heeft niet veel gescheeld of +zij had iederen druppel bloeds in mij vergiftigd. Gij zult alles weten. +_Ik_ was de schuldige vijftien jaar geleden! + +MEVR. BERNICK (_zacht en bevend_). Karsten! + +MARTHA (_evenzoo_). O, Johan...! + +LONA. Nu heb je eindelijk jezelf overwonnen! + +(_Groote verbazing van alle aanwezigen_). + +BERNICK. Ja, mijne medeburgers, ik was de schuldige en hij ging heen. +De leelijke en onware geruchten, die later uitgestrooid werden nu nog te +logenstraffen, daartoe is geen mensch meer bij machte. Maar daarover mag +ik mij niet beklagen. Vijftien jaar geleden heb ik van deze geruchten +gebruik gemaakt om mij naar boven te werken ... of ik nu daarmee ook +vallen moet, daarover moet een ieder maar met zichzelf te rade gaan. + +ROeRLUND. Wat een donderslag! De eerste man van de stad...! (_gedempt +tegen mevr. Bernick_) Ach, wat beklaag ik u, mevrouw! + +HILMAR. Zoo'n bekentenis! Nou, ik moet zeggen...! + +BERNICK. Maar van avond geen beslissing. Ik verzoek iedereen naar huis +te gaan ... kalm na te denken ... en in zich zelf te kijken. Wanneer de +gemoederen tot rust zullen gekomen zijn, dan zal het blijken of ik +verloren of gewonnen heb door te spreken. Het ga u wel! Er is nog veel, +veel waarover ik berouw gevoel; maar dat gaat alleen mijn eigen geweten +aan. Goeden nacht! Weg met alle feestelijkheid. Wij voelen nu allen wel +dat zoo iets hier niet op zijn plaats is. + +ROeRLUND. Zeer zeker niet. (_gedempt tegen mevr. Bernick_) Weggelopen! +Zij was dus toch mijner geheel onwaardig. (_halfluid tegen de +feestcommissie_) Ja, heeren, mij dunkt na hetgeen er nu heeft +plaatsgehad, doen wij het best maar in alle stilte te vertrekken. + +HILMAR. Hoe men na zoo iets nog de vaan der idee hoog zal kunnen houden, +dat.... Oeh! + +(_Wat Bernick gezegd heeft is intusschen fluisterend van mond tot mond +gegaan. Alle deelnemers aan den stoet gaan door den tuin weg. Rummel, +Sandstad en Vigeland gaan heen, gedempt maar heftig met elkaar pratend. +Hilmar sluipt weg naar rechts. Bernick, Mevr. Bernick, Martha, Lona en +Krap zijn, onder stilzwijgen, in de kamer achtergebleven_). + +BERNICK. Betty, kan je mij vergeven? + +MEVR. BERNICK (_ziet hem glimlachend aan_). Weet je wel, Karsten, dat je +mij in al die jaren, niet zoo'n heerlijk vooruitzicht hebt geopend als +nu? + +BERNICK. Hoezoo? + +MEVR. BERNICK. Vele jaren lang heb ik geloofd dat ik je eens gehad had +en je weer had verloren. Nu weet ik dat ik je nooit gehad heb, maar nu +zal ik je weten te winnen. + +BERNICK (_slaat zijn armen om haar heen_). O, Betty! je _hebt_ me al +gewonnen! Door Lona heb ik je eerst goed leeren kennen. Maar laat nu +Olaf komen! + +MEVR. BERNICK. Ja, nu zal je hem terug hebben...! Mijnheer Krap! (_zij +spreekt op den achtergrond met hem. Hij gaat weg door de tuindeur. Onder +het volgende worden achtereenvolgens alle lichten en transparanten in de +huizen uitgedoofd_). + +BERNICK (_gedempt_). Dank Lona, jij hebt het beste in mij ... en voor +mij ... gered. + +LONA. Heb ik dan anders gewild? + +BERNICK. Ja ... of neen? Ik kan niet goed wijs uit je worden.... + +LONA. Hm.... + +BERNICK. Dus geen haat? Geen wraak? Waarom ben je dan toch teruggekomen? + +LONA. Oude liefde roest niet. + +BERNICK. Lona! + +LONA. Toen Johan mij dat van die leugen vertelde, toen zwoer ik bij +mezelf: de held van mijn jonge jaren _zal_ weer vrij voor mij staan, +vrij en waar! + +BERNICK. O, hoe weinig heb ik, ellendig mensch, dat aan je verdiend! + +LONA. Ja, Karsten, als wij vrouwen er naar vroegen wat verdiend is...! + +(_Aune komt met Olaf uit den tuin_). + +BERNICK (_loopt op hem toe_). Olaf! + +OLAF. Vader, ik beloof u, dat ik nooit meer.... + +BERNICK. ... zal wegloopen? + +OLAF. Ja, ja, dat beloof ik u, vader! + +BERNICK. En ik beloof je dat je er nooit meer reden voor hebben zult. +Voortaan zal je vrij zijn om op te groeien, niet als erfgenaam van +_mijn_ levenstaak, maar als iemand die zijn eigen levenstaak hebben zal. + +OLAF. En mag ik dan ook worden wat ik wil? + +BERNICK. Ja, dat mag je. + +OLAF. Dank u. Dan wil ik geen steunpilaar der maatschappij worden. + +BERNICK. Zoo? En waarom niet? + +OLAF. O, omdat mij dat zoo vervelend lijkt! + +BERNICK. Je zult jezelf worden Olaf; de rest moet dan maar gaan zooals +het kan.--En jij Aune? + +AUNE. Ik weet 't, meneer de consul, ik ben ontslagen. + +BERNICK. Wij blijven bij elkaar, Aune; en vergeef mij.... + +AUNE. Hoezoo? Het schip gaat van avond niet meer uit. + +BERNICK. En ook morgen nog niet. Ik stelde je een veel te korte termijn. +Het moet grondiger gerepareerd worden. + +AUNE. Dat zal gebeuren, meneer de consul ... en met de nieuwe machines! + +BERNICK. Zoo is het best. Maar grondig en nauwkeurig! Er is veel dat bij +ons grondige en nauwkeurige reparatie noodig heeft. Nu, goeden nacht, +Aune. + +AUNE. Goeden nacht, meneer de consul;... en dank, dank, dank! (_hij gaat +weg naar rechts_). + +MEVR. BERNICK. Nu zijn ze allemaal weg. + +BERNICK. En wij zijn alleen. Mijn naam schittert niet langer in vurige +letters; alle lichten zijn uitgedoofd in de ramen. + +LONA. Zou je ze weer aangestoken willen hebben? + +BERNICK. Voor geen geld van de wereld! Wat ben ik ver weg geweest! Je +zult er van verbijsterd staan als je het hoort. 't Is me nu of ik na een +vergiftiging weer tot bezinning en tot mezelf gekomen ben. Maar ik voel +het ... ik kan nog weer jong en gezond worden. O, komt dichterbij ... +vlak naast mij. Kom Betty! Kom Olaf, mijn jongen! En jij, Martha;... 't +is of ik je in al die jaren niet gezien heb. + +LONA. Neen, dat geloof ik ook. Jullie maatschappij is er een van oude +jonggezellen; jullie kijkt niet naar de vrouw. + +BERNICK. 't Is waar ... heel waar; en juist daarom ... ja, hoor, dat +staat vast, Lona, je mag niet weer weggaan van Betty en mij. + +MEVR. BERNICK. Neen, Lona, je mag niet meer weg. + +LONA. Neen; hoe zou ik het ook kunnen verantwoorden weg te gaan van +jullie jonge luitjes die nu pas je jonge leven gaat beginnen. Ben ik +niet de pleegmoeder? Jij en ik, Martha, wij twee oude tantes.... Waar +kijk je naar? + +MARTHA. Hoe de lucht opklaart. Hoe het licht wordt over de zee! "De +Palmboom" is een geluksschip. + +LONA. En heeft het geluk aan boord. + +BERNICK. En wij ... wij hebben een langen, ernstigen werkdag voor ons; +_ik_ vooral. Maar die mag komen; blijft maar dicht om mij heen, jullie +trouwe, brave vrouwen. Dat heb ik ook geleerd in deze dagen; jullie +vrouwen zijn de ware steunpilaren van de maatschappij. + +LONA. Dan heb je toch maar gebrekkige wijsheid opgedaan, Karsten. (_Legt +haar handen zwaar op zijn schouders_) Neen, hoor; waarheid en vrijheid +... dat zijn de steunpilaren der maatschappij! + + +EINDE VAN HET VIERDE OF LAATSTE BEDRIJF + + + * * * * * + + +NORA + +(EEN POPPENHUIS) + +DRAMA IN DRIE BEDRIJVEN + + + * * * * * + + +PERSONEN: + + Advocaat HELMER. + NORA, zijne vrouw. + Dokter RANK. + Mevrouw LINDE. + Zaakwaarnemer KROGSTAD. + HELMER's drie kleine kinderen. + ANNA-MARIE, kindermeid bij Helmer. + HELENE, dienstmeisje. + Besteller. + (Speelt in HELMER's huis.) + + * * * * * + + +EERSTE BEDRIJF. + + Een gezellig en smaakvol maar niet kostbaar gemeubelde kamer. + Rechts een deur op den achtergrond leidt naar het portaal; een + tweede deur links achter leidt naar Helmer's werkkamer. Tusschen + deze beide deuren een piano. Midden in den linkerwand een deur en + verderop een raam. Bij het raam een ronde tafel met leunstoelen en + een kleine sofa. In den rechterwand een deur, en aan denzelfden + kant, iets meer op den voorgrond een porceleinen kachel met een + paar gemakkelijke stoelen en een schommelstoel. Tusschen de kachel + en de zijdeur een klein tafeltje. Kopergravures aan de wanden. Een + etagere met kleine snuisterijen; een boekenkastje met boeken in + prachtbanden. Een kleed op den vloer; vuur in de kachel. Het is + winter. + + Er wordt gebeld op het portaal; even daarna hoort men dat er wordt + open gedaan; Nora komt vroolijk neuriend de kamer binnen; zij is + gekleed met hoed en mantel en draagt een massa pakjes, die zij op + de tafel rechts neerlegt. Zij laat de deur naar het portaal open + staan, en men ziet een besteller staan met een kerstboom en een + mand, die hij overgeeft aan het dienstmeisje, dat de deur heeft + open gedaan. + + * * * * * + +NORA. Stop den kerstboom goed weg, Helene. De kinderen mogen hem vooral +niet te zien krijgen voor van avond, als hij opgesierd is. (_Tegen den +besteller, terwijl zij haar portemonnaie voor den dag haalt_). Hoeveel? + +BESTELLER. Een halve kroon. + +NORA. Daar heb je een kroon. Houd maar. (_De besteller bedankt en +vertrekt. Nora sluit de deur, terwijl zij haar hoed afdoet lacht zij +vergenoegd in zichzelf_). + +NORA (_haalt een zakje bonbons uit haar zak en eet er een paar van; gaat +dan voorzichtig naar de deur van Helmers kamer en luistert_). Jawel hij +is thuis. (_Begint weer te neurien terwijl zij naar de tafel rechts +gaat_). + +HELMER (_in zijn kamer_). Is dat mijn leeuwerikje dat daar zingt? + +NORA (_bezig haar pakjes open te maken_). Ja! + +HELMER. Is dat mijn eekhorentje dat daar rondtrippelt? + +NORA. Ja-a! + +HELMER. Wanneer is het eekhorentje thuis gekomen? + +NORA. Daar net pas. (_Stopt het zakje in haar zak en veegt haar mond +af_). Kom eens hier, Torwald, kom eens kijken wat ik gekocht heb. + +HELMER. Stil, even wachten! (_Even daarna doet hij de deur open en kijkt +naar binnen, met de pen in de hand_). Gekocht zeg je? Dat allemaal? Is +mijn verspilstertje weer eens aan 't geld verdoen geweest? + +NORA. Ja maar, Torwald, dit jaar mogen wij nu wel eens een beetje uit +den band springen. Dit is het eerste kerstfeest dat wij niet zuinig +hoeven te zijn. + +HELMER. Ja maar, weet je, ook vooral niet verkwistend. + +NORA. Jawel, Torwald, een beetje verkwistend kunnen wij nu wel zijn. Is +'t niet? Maar een heel, heel klein beetje. Je krijgt immers nu een groot +salaris en gaat heel veel geld verdienen. + +HELMER. Ja, met Nieuwjaar; maar dan moeten er nog een heele drie maanden +verloopen eer ik mijn salaris ontvang. + +NORA. Poeh! tot zoolang kunnen we immers wel wat leenen. + +HELMER. Nora! (_Gaat naar haar toe en pakt haar schertsend bij haar +oor_). Heeft de lichtzinnigheid je weer te pakken? Stel nu eens dat ik +duizend kronen leende en jij zoudt ze in den kersttijd opmaken, en ik +kreeg op Oudejaarsavond een dakpan op mijn hoofd, die me dood.... + +NORA (_houdt hem de hand voor den mond_). He foei! wil je wel eens niet +zulke akelige dingen zeggen. + +HELMER. Jawel maar, stel nu eens dat zoo iets gebeurde ... wat dan? + +NORA. Als er zoo iets vreeselijks gebeurde, zou het mij totaal +onverschillig zijn of ik schulden had of niet. + +HELMER. Goed ... maar de menschen van wie ik het geleend had? + +NORA. Die? wat gaan die mij aan! Dat zijn toch maar vreemden. + +HELMER. Nora! Nora! Je bent toch een echte vrouw! Neen, maar in vollen +ernst Nora, je weet hoe ik over die dingen denk. Geen schulden maken! +Nooit leenen! Er komt een gevoel van onvrijheid en ook iets dat niet +mooi is in een huishouden, dat berust op schulden en geleend geld. Wij +hebben ons tot nu toe flink weten te redden, en dat zullen wij ook +verder doen, den korten tijd dat het nog noodig is. + +NORA (_gaat naar de kachel_). 't Is goed Torwald. Zooals je wilt. + +HELMER (_volgt haar_). Maar nu mag mijn leeuwerikje daarom de +vleugeltjes niet laten hangen, hoor! Wat? Pruilt mijn eekhorentje? +(_haalt zijn portemonnaie uit zijn zak_).... Nora, wat denk je wel dat ik +hier heb? + +NORA (_wendt zich vlug om_). Geld!... + +HELMER. Ziedaar. (_Telt haar eenig papiergeld uit_). Ik weet immers wel, +kindje, dat er heel wat geld noodig is in een huishouden in den +kersttijd. + +NORA (_telt_). Tien ... twintig ... dertig ... veertig. O, dank je, dank +je, Torwald; daar kom ik een heelen tijd mee toe! + +HELMER. Maar dat moet dan nu ook in ernst, hoor! + +NORA. Ja zeker, dat zal ik ook wel. Maar kom nu eens hier, dan zal ik je +alles eens laten zien wat ik gekocht heb. En zoo goedkoop! Kijk, hier is +een nieuw pakje voor Ivar ... en dan nog een sabel. Hier is een paard en +een trompet voor Bob. En hier is een pop en een poppenbedje voor Emmy; +dat is nu niet zoo erg mooi, maar zij maakt toch dadelijk alles kapot. +En hier heb ik goed voor japonnen en zakdoeken voor de meiden; de oude +Anna-Marie mocht eigenlijk wel wat meer hebben. + +HELMER. En wat zit er in dat pakje daar? + +NORA (_met een gilletje_). Neen, Torwald, dat mag je niet zien voor van +avond! + +HELMER. Zoo, zoo. Maar vertel me nu eens, jij kleine verspilster, wat +zou je nu zelf graag hebben? + +NORA. O, ik? Ik geef eigenlijk nergens om. + +HELMER. Jawel, dat doe je wel. Noem nu eens iets voor mijn beurs +beschikbaars dat je erg graag zoudt willen hebben. + +NORA. Neen, ik weet 't heusch niet. Ja toch ... hoor eens, Torwald.... + +HELMER. Ja? + +NORA (_speelt met de knoopen van zijn jas zonder hem aan te zien_). Als +je me dan volstrekt iets geven wilt, dan zou je ... zou je.... + +HELMER. Nou dan ... voor den dag er mee!... + +NORA (_haastig_). Dan zou je mij geld kunnen geven, Torwald. Alleen maar +zoo veel als je denkt dat je missen kunt; dan zal ik er dezer dagen wel +eens wat voor koopen. + +HELMER. Neen maar, Nora.... + +NORA. Och toe, doe het maar, Torwald-lief; ik wou het zoo heel graag. +Dan zal ik het geld in een mooi goud papiertje pakken en aan den +kerstboom hangen. Zal dat niet leuk zijn? + +HELMER. Hoe noemen we ook weer iemand die zoo graag te veel geld +uitgeeft? + +NORA. Jawel, een verspilstertje, dat weet ik nu wel. Maar laten wij het +nu zoo maar doen, Torwald; dan heb ik den tijd om eens te bedenken wat +ik het best kan gebruiken. Is dat nu niet heel verstandig? Zeg? + +HELMER (_glimlachend_). Ja zeker ... dat wil zeggen, als je heusch dat +geld kon bewaren en er dan werkelijk iets voor je zelf van kocht. Maar +zoo wordt het toch weer in het huishouden en voor allerlei onnoodige +dingen gebruikt en dan moet ik later maar weer opdokken. + +NORA. He toch, Torwald! + +HELMER. 't Is niets anders, mijn lieve Noraatje. Mijn leeuwerikje is +allerliefst, maar het is een duur houbeestje. Niemand zou kunnen +gelooven dat het een man zooveel geld kost er zoo'n lief diertje op na +te houden. + +NORA. He, hoe kan je dat nu zeggen? Ik spaar toch heusch zooveel ik maar +kan. + +HELMER (_lacht_). Ja ... dat is een waar woord. Zooveel je maar kunt. +Maar je kunt het heelemaal niet! + +NORA. Hm ... ja... je moest maar eens weten hoeveel uitgaven wij +leeuweriken en eekhorens hebben! + +HELMER. Je bent een wonderlijk klein ding. Precies je vader. Je bent er +altijd op uit om aan geld te komen, maar zoo als je het hebt, glijdt het +je letterlijk door de vingers; je weet nooit wat je er mee uitvoert. Nou +... wij moeten je maar nemen zooals je bent. Dat zit in 't bloed. Ja +heusch, zoo iets is erfelijk. + +NORA. Ik wou dat ik maar een heeleboel eigenschappen van Papa geerfd +had. + +HELMER. En ik wou je niet graag anders hebben dan je bent, net zooals je +bent, mijn lief klein zangvogeltje. Maar hoor eens eventjes; ik bedenk +me daar wat. Je ziet er zoo ... zoo ... hoe zal ik het noemen ... zoo +verdacht uit vandaag.... + +NORA. Ik? + +HELMER. Ja. Kijk mij eens goed aan? + +NORA (_doet het_). En dan? + +HELMER (_dreigt met den vinger_). Heeft mijn lekkerbekje vandaag niet +gesnoept toen ze in de stad was? + +NORA. Welneen, hoe kom je er bij! + +HELMER. Is mijn lekkerbekje heusch niet eens eventjes bij een +banketbakker binnen gegaan? + +NORA. Neen, heusch niet, Torwald. + +HELMER. Niet een beetje confituren gesnoept? + +NORA. Neen, heelemaal niet. + +HELMER. Zelfs niet eens wat bonbons geknabbeld? + +NORA. Och neen, Torwald, heusch niet.... + +HELMER. Nou ... nou ... nou ... ik zeg 't natuurlijk maar voor de +grap.... + +NORA (_gaat naar de tafel_). 't Zou toch immers niet in mij opkomen iets +te doen dat jij niet graag hebt. + +HELMER. Neen, dat weet ik ook wel; en je hebt mij immers je woord +gegeven.... (_Gaat naar haar toe_). Bewaar jij je verrassingen en +geheimpjes dan maar, mijn lieveling. Die komen van avond, als de +kerstboom aangestoken is, wel aan het licht, denk ik. + +NORA. Heb je er aan gedacht dokter Rank te inviteeren? + +HELMER. Neen. Maar dat hoeft ook niet; het spreekt toch van zelf dat hij +bij ons eet. Toch zal ik het hem straks nog vragen als hij komt. Fijnen +wijn heb ik besteld. O, Nora, je weet niet hoe ik mij op van avond +verheug! + +NORA. Ik ook. En wat zullen de kinderen een pret hebben! + +HELMER. He, het is toch een heerlijke gedachte dat ik nu een goede vaste +positie heb, met een ruim salaris. Niet waar? Het is een waar genot +daaraan te denken. + +NORA. O, het is heerlijk. + +HELMER. Weet je wel verleden jaar kerstmis? Drie weken te voren ging jij +je elken avond opsluiten en zat tot diep in den nacht bloemen te maken +voor den kerstboom en allerlei andere mooiigheden om ons te verrassen. +Bah, dat was de vervelendste tijd dien ik ooit beleefd heb. + +NORA. Maar ik verveelde mij heelemaal niet. + +HELMER (_glimlachend_). Maar het viel toch wel een beetje povertjes uit, +he? + +NORA. Moet je mij daar nu nog mee plagen? Kon ik het helpen dat de kat +binnen gekomen was en alles kapot had gemaakt? + +HELMER. Neen, zeker niet, mijn arme Noraatje. Jij hadt de lieve +bedoeling ons allemaal blij te maken, en dat is de hoofdzaak. Maar het +is toch maar goed dat die benauwde tijden voorbij zijn. + +NORA. Ja, dat is echt heerlijk. + +HELMER. Nu hoef ik niet meer alleen te zitten en mij te vervelen, en jij +hoeft je lieve oogen en je mooie fijne handjes niet meer te +vermoeien.... + +NORA (_klapt in de handen_). Neen, he? dat hoeft nu niet meer. O, wat is +dat toch innig heerlijk om te hooren! (_Grijpt zijn arm_). Nu zal ik je +eens vertellen, Torwald, hoe ik had gedacht dat wij het hier moesten +inrichten. Zoodra het Nieuwjaar is.... (_Bellen voor_). O, daar wordt +gebeld. (_Reddert de kamer wat op_). Daar is zeker visite! Hoe +vervelend! + +HELMER. Ik ben niet thuis voor visite, dat weet je. + +DIENSTMEISJE (_in de deur_). Mevrouw daar is een vreemde dame. + +NORA. Laat mevrouw binnen. + +DIENSTMEISJE (_tegen Helmer_). En de dokter is er ook. + +HELMER. Is hij naar mijn kamer gegaan? + +DIENSTMEISJE. Ja mijnheer. + +(_Helmer gaat naar zijn kamer. Het meisje laat mevrouw Linde binnen die +in reistoilet is, en doet de deur acht zich dicht_). + +MEVR. LINDE (_beschroomd en een beetje aarzelend_). Dag Nora. + +NORA (_weifelend_). Dag ... e.... + +MEVR. LINDE. Je kent me zeker niet meer. + +NORA. Neen ... ik weet niet goed.... O ja, ik meen toch van wel. +(_Uitbarstend_). Wat! Kristine! Ben jij het heusch? + +MEVR. LINDE. Ja, ik ben het. + +NORA. Kristine! En ik die je niet herkende! Maar hoe kon ik ook.... +(_Zachter_). Wat ben je veranderd, Kristine! + +MEVR. LINDE. Ja, dat ben ik zeker. In negen ... tien lange jaren.... + +NORA. Is het al zoo lang geleden dat wij elkaar gezien hebben? Ja ... +dat moet wel. Och, de laatste acht jaren zijn zoo'n gelukkige tijd +geweest! En ben je nu ook hier in de stad gekomen? Die heele lange reis +in den winter ... dat is een dapper stuk. + +MEVR. LINDE. Ja, ik ben net van ochtend met de boot aangekomen. + +NORA. Natuurlijk om het kerstfeest mee te vieren. Dat is heerlijk! Nu we +zullen ons stellig best amuseeren. Maar doe je hoed toch af! Je hebt het +toch niet te koud? (_Helpt haar_). Zie zoo; nu gaan we eens gezellig bij +de kachel zitten. Neen, daar in dien gemakkelijken stoel ... ik hier in +den schommelstoel. (_Vat haar handen_). Ja, nu heb je je oude bekende +gezicht toch weer ... het was maar zoo in 't eerste oogenblik.... Een +beetje bleeker ben je wel geworden ... en misschien een beetje magerder +ook. + +MEVR. LINDE. En veel, veel ouder, Nora. + +NORA. Ja, misschien een beetje ouder ook; een heel heel klein beetje; +lang niet zoo erg veel. (_Houdt plotseling op--ernstig_). O maar waar +heb ik toch mijn hersens ... ik zit hier zoo maar te babbelen!... Lieve, +beste Kristine kan je het mij vergeven? + +MEVR. LINDE. Wat bedoel je Nora? + +NORA (_zachtjes_). Arme Kristine, je bent immers weduwe geworden. + +MEVR. LINDE. Ja, drie jaar geleden. + +NORA. O, ik wist het eigenlijk wel; ik heb het in de courant gezien. Je +kunt het gerust gelooven, Kristine-lief, 'k heb er dikwijls over gedacht +je te schrijven toen ter tijd; maar ik stelde het altijd uit, en altijd +kwam er iets tusschenbeiden. + +MEVR. LINDE. Och Nora-lief, dat begrijp ik zoo goed. + +NORA. Neen, het was toch heel onaardig van mij. Jij arme Kristine, wat +heb je al een boel ondervonden.... En hij heeft je niets nagelaten om +van te leven, he? + +MEVR. LINDE. Neen ... niets. + +NORA. Ook geen kind? + +MEVR. LINDE. Neen. + +NORA. Dus heelemaal niets? + +MEVR. LINDE. Zelfs geen droefheid of gemis om op te teren. + +NORA (_kijkt haar ongeloovig aan_). Maar Kristine, hoe is dat mogelijk? + +MEVR. LINDE (_glimlacht droevig en streelt Nora over het haar_). Ja dat +gebeurt soms wel eens, Nora. + +NORA. Zoo heelemaal alleen! Wat moet dat droevig zijn voor je. Ik heb +drie schatten van kinderen! Ik kan ze je nu niet laten zien; ze zijn uit +wandelen met de meid. Maar nu moet je mij eens alles vertellen.... + +MEVR. LINDE. Neen ... neen ... vertel jij liever. + +NORA. Neen ... jij moet beginnen. Vandaag wil ik eens niet egoist zijn. +Vandaag wil ik alleen aan jouw omstandigheden denken. Maar een ding moet +ik je toch vertellen. Weet je al van het groote geluk dat ons dezer +dagen te beurt is gevallen? + +MEVR. LINDE. Neen. Wat is dat dan? + +NORA. Verbeeld je, mijn man is directeur van de Hypotheekbank geworden! + +MEVR. LINDE. Je man? O, wat een geluk! + +NORA. Ja, kolossaal! Advocaat is toch altijd zoo'n onzeker bestaan, +vooral als je alleen goede zaken wilt aannemen. En andere zaken heeft +Torwald natuurlijk nooit gewild en daarin ben ik het ook geheel met hem +eens. Je kunt je begrijpen hoe blij wij zijn! Hij is met ingang van het +nieuwe jaar aangesteld, en dan krijgt hij een groot salaris en veel +percenten. Wij kunnen dan heel anders gaan leven dan tot nu toe ... net +zooals we willen. O, Kristine, ik voel me toch zoo luchtig en gelukkig! +Want het is toch maar heerlijk om heel veel geld te hebben en heelemaal +geen zorgen daarover. Vind je ook niet? + +MEVR. LINDE. Zeker, en in elk geval moet het al heerlijk zijn om het +noodige te hebben. + +NORA. Neen, niet alleen het noodige, maar een boel, een heeleboel geld! + +MEVR. LINDE (_glimlacht_). Nora, Nora, ben je nog altijd niet verstandig +geworden? In onzen schooltijd was je altijd erg verkwistend. + +NORA (_lacht stil_). Ja, dat zegt Torwald nu nog. Maar "Nora, Nora" is +niet zoo dwaas als jullie denkt.... O, we hebben het heusch niet zoo +gehad dat ik veel uitgeven kon. Wij hebben allebei moeten werken! + +MEVR. LINDE. Jij ook? + +NORA. Ja, kleinigheden ... handwerkjes ... haak- en borduurwerkjes en +zoowat; (_luchtig_) en ook nog andere dingen. Je weet wel dat Torwald +van het departement weg ging toen wij trouwden? Er was niets geen +vooruitzicht op bevordering bij zijn afdeeling en hij moest toch toen +meer geld verdienen dan te voren. Maar in het eerste jaar heeft hij zich +dan ook heelemaal overwerkt. Hij moest allerlei bijverdienste zoeken, +dat begrijp je, en werken van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Maar +dat kon hij niet volhouden en hij is doodziek er van geworden. En toen +zeiden de doktoren dat hij volstrekt naar het Zuiden moest. + +MEVR. LINDE. Dat 's waar; je bent samen een heel jaar in Italie geweest, +he? + +NORA. Ja. Maar het was zoo gemakkelijk niet om weg te komen, hoor! Ivar +was toen pas geboren. Maar weg moesten we natuurlijk. O, het was een +verrukkelijk mooie reis. En het heeft Torwalds leven gered. Maar het +heeft heel wat geld gekost. + +MEVR. LINDE. Ja, dat kan ik wel begrijpen. + +NORA. Vier-duizend-acht-honderd kronen. Dat is een schep geld, zeg. + +MEVR. LINDE. Zeker ... maar in zoo'n geval is het ten minste een groot +geluk als je het hebt. + +NORA. Ja maar, weet je, we kregen het van Papa. + +MEVR. LINDE. Ah zoo! Het was ook juist in dien tijd dat je vader stierf, +geloof ik. + +NORA. Ja juist, Kristine, dat was net in die dagen. En verbeeld je, ik +kon niet naar hem toe gaan om hem te verplegen. Ik wachtte hier iederen +dag de geboorte van kleinen Ivar af. En dan had ik nog mijn armen +doorzieken Torwald op te passen. Mijn lieve goede Papa! Ik heb hem niet +meer gezien. O, dat is mijn grootste verdriet geweest zoo lang ik +getrouwd ben. + +MEVR. LINDE. Ik weet dat je heel veel van hem hieldt. Maar jullie gingt +dus naar Italie? + +NORA. Ja, we hadden er nu immers het geld voor; en de dokters zaten er +erg achter heen. Een maand later zijn we toen vertrokken. + +MEVR. LINDE. En is je man heelemaal hersteld teruggekomen? + +NORA. O, zoo gezond als een visch! + +MEVR. LINDE. Maar ... de dokter? + +NORA. Hoe zoo? + +MEVR. LINDE. Ik dacht dat het meisje zei dat de dokter er was, die +mijnheer die gelijk met mij aan de deur was. + +NORA. O, dat was dokter Rank, maar die komt niet als dokter; dat is onze +beste vriend, en hij komt hier op zijn minst eens per dag eens +aanloopen. Neen, Torwald heeft geen ziek uur meer gekend na dien tijd. +En de kinderen zijn frisch en gezond en ik ook. (_Springt op en klapt in +de handen_). O, Kristine, wat is het toch verrukkelijk om te leven en +gelukkig te zijn!... Neen maar ... 't is toch afschuwelijk van me ... ik +praat aldoor maar over mezelf. (_Gaat dicht bij haar zitten op een +tabouretje en legt haar armen op Kristine's schoot_). Och toe, wees niet +boos op mij!... Zeg eens, is het heusch waar dat je niet van je man +hieldt? Waarom nam je hem dan? + +MEVR. LINDE. Mijn moeder leefde nog en zij was bedlegerig en +hulpbehoevend. En dan had ik nog twee jongere broers om voor te zorgen. +Ik vond mijzelf toen niet verantwoord als ik hem niet aannam. + +NORA. Neen ... neen ... daar kan je wel gelijk in hebben. Dus toen was +hij rijk? + +MEVR. LINDE. Ik geloof dat hij er warmpjes in zat. Maar hij had geen +vast bestaan, en zijn zaken schenen niet zoo heel goed te staan. Althans +toen hij stierf ging alles over den kop en bleef er niets over. + +NORA. En toen? + +MEVR. LINDE. Ja, toen moest ik er mij maar doorheen slaan met het +een-en-ander te verkoopen en een schooltje te houden en wat ik verder +zoo hier en daar te doen kon krijgen. De laatste drie jaar zijn voor mij +geweest, als een enkele lange werkdag zonder rust. Nu is die uit, Nora. +Mijn arme moeder heeft mij niet meer noodig, want zij is heengegaan. En +de jongens hebben mij ook niet meer noodig; zij zijn in betrekking en +kunnen voor zichzelf zorgen. + +NORA. Wat moet je je nu opgelucht voelen.... + +MEVR. LINDE. Och neen; alleen niet-te-zeggen leeg. Niemand meer om voor +te leven. (_Staat zenuwachtig op_). Daarom hield ik het daarginder in +dien uithoek niet meer uit. Hier moet het toch gemakkelijker zijn om +iets te vinden dat je heelemaal in beslag neemt en je gedachten bezig +houdt. Als ik maar zoo gelukkig was een vaste betrekking te krijgen, +iets op een kantoor of zoo.... + +NORA. O maar Kristine, dat is zoo vreeselijk inspannend; en je ziet er +nu al zoo vermoeid uit. Het zou heel wat beter voor je zijn als je eerst +eens een poosje naar een badplaats ging. + +MEVR. LINDE (_gaat naar het raam_). Ik heb geen Papa die mij reisgeld +geven kan. + +NORA (_staat op_). O, wees niet boos op mij. + +MEVR. LINDE (_naar haar toegaand_). Lieve Nora, wees jij niet boos op +mij. Dat is het ergste in een positie als de mijne, dat je gemoed zoo +verbitterd wordt. Je hebt niemand om voor te werken, en toch moet je +naar alle kanten heen werk zoeken. Je moet toch leven, en dan wordt je +egoist. Toen je mij vertelde van die gelukkige verandering in je positie +... wil je 't wel gelooven?... was ik er minder blij over voor jou dan +voor mijzelf. + +NORA. Hoe meen je dat? O, nu begrijp ik je. Je bedoelt dat Torwald +misschien wat voor je zou kunnen doen? + +MEVR. LINDE. Ja, daar dacht ik aan. + +NORA. Dat zal hij ook wel Kristine. Laat dat maar aan mij over; ik zal +hem dat zoo netjes bijbrengen, zoo netjes ... eens iets heel liefs +bedenken dat hij erg graag heeft. O, ik wil je zoo innig graag van +dienst zijn. + +MEVR. LINDE. Wat is dat lief van je, Nora, dat je je zoo hartelijk voor +mij interesseert ... dubbel lief van jou, die zelf zoo weinig weet van +de moeilijkheden van het leven. + +NORA. Ik?... weet ik daar zoo weinig van?... + +MEVR. LINDE (_glimlachend_). Nou ... dat beetje handwerken en zoo ... Je +bent nog een kind, Nora. + +NORA (_loopt door de kamer met het hoofd in den nek_). Dat moest je niet +op zoo'n hoogen toon zeggen. + +MEVR. LINDE. Zoo? Niet? + +NORA. Je bent net als de anderen. Je denkt allemaal dat ik niet deug +voor iets ernstigs. + +MEVR. LINDE. Och kom.... + +NORA. ... dat ik nog niets gedaan heb in deze moeilijke wereld. + +MEVR. LINDE. Maar lieve Nora, je hebt immers daar straks al je +tegenspoeden verteld. + +NORA. Och wat ... die bagatellen! (_Zachtjes_). Ik heb je het groote +niet verteld. + +MEVR. LINDE. Het groote? Wat bedoel je daarmee? + +NORA. Je kijkt op me neer Kristine, maar dat moest je toch niet doen. +Jij bent er trotsch op dat je zoo hard en zoo lang voor je moeder hebt +gewerkt. + +MEVR. LINDE. Ik kijk heusch op niemand neer. Maar dat is waar: ik ben +zoowel trotsch als blij, als ik er aan denk, dat het mij vergund was de +laatste jaren van mijn arme moeder althans vrij van zorgen voor haar te +maken. + +NORA. En je bent ook trotsch als je er aan denkt wat je gedaan hebt voor +je broers. + +MEVR. LINDE. Mij dunkt dat ik daar ook wel het recht toe heb. + +NORA. Dat dunkt mij ook. Maar nu zal ik je eens wat vertellen, Kristine. +Ik heb ook iets om trotsch en blij over te zijn. + +MEVR. LINDE. Daar twijfel ik geen oogenblik aan. Maar hoe bedoel je dat? + +NORA. Spreek zachtjes. Verbeeld je dat Torwald het eens hoorde! Hij mag +het om niets ter wereld hooren ... niemand mag het weten. Kristine; +niemand dan jij.... + +MEVR. LINDE. Maar wat _is_ het dan toch? + +NORA. Kom eens hier. (_Trekt haar op de sofa naast zich_). Weet je, ik +heb ook iets om trotsch en blij over te zijn. _Ik_ heb Torwald's leven +gered. + +MEVR. LINDE. Gered? Hoezoo gered? + +NORA. Ik vertelde je immers van die reis naar Italie. Torwald zou er +nooit boven op gekomen zijn als hij er niet heen gegaan was.... + +MEVR. LINDE. Nu ja; en je vader gaf je het noodige geld er voor.... + +NORA (_glimlacht_). Ja, dat gelooft Torwald en alle andere menschen +gelooven het; maar.... + +MEVR. LINDE. Maar?... + +NORA. Papa gaf ons geen rooie duit. _Ik_ ben 't geweest die het geld +bijeen heb gescharreld. + +MEVR. LINDE. Jij? Heel die groote som? + +NORA. Vier duizend acht honderd kronen. Wat zeg je daarvan? + +MEVR. LINDE. Maar Nora, hoe heb je dat kunnen doen? Had je dan een prijs +uit de loterij getrokken? + +NORA (_verachtelijk_). Uit de loterij? (_Geringschattend_). Wat zou daar +nu voor kunst aan geweest zijn? + +MEVR. LINDE. Maar waar haalde je het dan van daan? + +NORA (_neuriet zacht en geheimzinnig_). Hm! tra la la la! + +MEVR. LINDE. Want leenen kon je toch ook niet. + +NORA. Zoo? En waarom niet? + +MEVR. LINDE. Welneen, een vrouw kan immers geen leening aangaan zonder +medeweten van haar man. + +NORA (_werpt het hoofd in den nek_). O, als het maar een vrouw is die +een beetje verstand van zaken heeft ... een vrouw die een beetje handig +is ... dan.... + +MEVR. LINDE. Maar Nora, ik begrijp er heelemaal niets van. + +NORA. Dat hoeft ook niet. Ik heb immers niet gezegd dat ik het geld +_geleend_ heb? Ik kan het toch ook wel op een andere manier gekregen +hebben. (_Gooit zich achterover op de sofa_). Ik kan het gekregen hebben +van een of anderen bewonderaar. Als je er zoo lief uitziet als ik.... + +MEVR. LINDE. Wat ben je toch een dwaasje, Nora! + +NORA. Nu ben je zeker woest nieuwsgierig, he? + +MEVR. LINDE. Ja maar, hoor eens even, Nora-lief, heb je toch niet een +beetje onbezonnen gehandeld? + +NORA (_zit weer rechtop_). Onbezonnen om je man's leven te redden? + +MEVR. LINDE. Mij dunkt dat het onbezonnen is om zonder zijn +voorkennis.... + +NORA. Maar hij mocht er juist niets van weten! Lieve hemel, begrijp je +dat dan niet? Hij mocht niet eens weten hoe slecht hij er aan toe was. +'t Was bij _mij_ dat de dokters kwamen en zeiden dat zijn leven in +gevaar was ... dat niets anders hem kon redden dan een verblijf in het +Zuiden. Geloof je niet dat ik eerst probeerde op een andere manier mij +uit den brand te redden? Ik zei tegen hem hoe heerlijk het voor mij zijn +zou om eens naar het buitenland te gaan, net als andere jonge vrouwen; +ik huilde en smeekte; ik zei dat hij toch alsjeblieft moest denken aan +mijn positie en hij lief voor mij moest wezen en mij mijn zin geven. En +toen werd hij bijna boos. Hij zei dat ik lichtzinnig was, en dat het +zijn plicht als getrouwd man was, om mij niet toe te geven in grillen en +kuren ... zoo noemde hij het geloof ik. Jawel, dacht ik, gered worden +moet je toch, en toen heb _ik_ een uitweg gezocht. + +MEVR. LINDE. En kwam je man het niet te weten van je vader, dat het geld +niet van hem kwam? + +NORA. Neen ... nooit. Papa stierf juist in die dagen. Ik was van plan +hem op de hoogte te brengen van de zaak en hem te vragen niets te +verraden. Maar hij was al zoo ziek.... 't Was helaas toen ook niet meer +noodig. + +MEVR. LINDE. En heb je er later nooit iets van verteld aan je man? + +NORA. Neen! lieve hemel, hoe verzin je het! Hij die zoo streng is op dat +punt! En bovendien ... Torwald met zijn sterk ontwikkeld gevoel van +eigenwaarde ... hoe pijnlijk en vernederend zou het voor hem zijn als +hij wist dat hij iets aan mij te danken had. Dat zou de verhouding +tusschen ons heelemaal verstoren; ons mooi lief thuis zou dan niet meer +zijn wat het nu is. + +MEVR. LINDE. Zal je het hem dan nooit zeggen? + +NORA (_nadenkend, half glimlachend_). Jawel ... later misschien;... over +vele jaren als ik niet meer zoo mooi ben als nu.... Daar moet je niet om +lachen! Ik bedoel natuurlijk: als Torwald niet meer zooveel met mij op +heeft; als hij er geen plezier meer in heeft dat ik voor hem dans, of me +verkleed, of wat voordraag. Dan kon het wel goed zijn om nog iets achter +de hand te hebben.... (_Uitbarstend_). Och malligheid! Die tijd komt +nooit.... Maar hoe vindt je nu eigenlijk mijn groot geheim, Kristine? +Kan ik nu ook niet iets flinks doen?... Ik verzeker je dat die zaak mij +al heel wat moeilijkheden bezorgd heeft. 't Is heusch zoo gemakkelijk +niet voor mij geweest om op tijd aan mijn verplichtingen te voldoen. +Weet je, in de zaken-wereld is er iets dat ze driemaandelijksche rente +noemen en iets dat afbetaling heet, en dat is altijd zoo verschrikkelijk +moeilijk bij te brengen. Daarom heb ik zoo'n beetje op alles moeten +bezuinigen, waar ik maar kon, zie je. Van het huishoudgeld kon ik +natuurlijk niets op zij leggen, want Torwald moest het toch goed hebben. +De kinderen konden toch ook niet slecht gekleed gaan; wat ik voor hen +kreeg moest ik allemaal gebruiken vond ik. Die lieve, schattige +kleintjes. + +MEVR. LINDE. Dus moest je het wel vinden op je eigen uitgaven, arme +Nora? + +NORA. Ja natuurlijk. Ik was er dan ook het naaste aan toe. Telkens als +Torwald mij geld gaf voor nieuwe japonnen of zoo iets, gebruikte ik +nooit meer dan de helft; kocht altijd de eenvoudigste en goedkoopste +dingen. Een waar geluk is het dat alles mij zoo goed kleedt, zoodat +Torwald er niets van merkte. Maar het viel mij dikwijls moeilijk +Kristine; want het is toch erg prettig om mooi gekleed te gaan, niet +waar? + +MEVR. LINDE. Dat zal waar zijn! + +NORA. Nu maar, ik heb ook andere bronnen van inkomsten gehad. Verleden +winter was ik zoo gelukkig een heeleboel copieerwerk te krijgen. Dan +sloot ik mij op en zat den heelen avond te schrijven tot diep in den +nacht. O ik was dikwijls zoo moe, zoo moe! Maar het was toch verbazend +vermakelijk om zoo te zitten werken en er geld mee te verdienen. Het was +haast net of ik een man was. + +MEVR. LINDE. Maar hoeveel heb je op die manier kunnen afbetalen? + +NORA. Ja, dat kan ik zoo precies niet zeggen. Weet je, het is erg +moeilijk om uit zaken wijs te worden. Ik weet alleen dat ik alles +betaald heb wat ik maar bij elkaar kon schrapen. Dikwijls heb ik geen +raad geweten. (_Glimlacht_). Dan zat ik mij hier maar te verbeelden dat +een oude rijke heer verliefd op me geworden was.... + +MEVR. LINDE. Wat! Wat voor een heer? + +NORA. Och malligheid!... en dat hij nu gestorven was en zijn testament +geopend werd, en daar stond met groote letters: "Al mijn geld moet aan +de beminnelijke mevrouw Nora Helmer worden uitbetaald terstond contant." + +MEVR. LINDE. Maar Nora-lief ... wat was dat voor een heer? + +NORA. Lieve hemel, begrijp je het dan niet? Die oude heer bestond +heelemaal niet; dat was maar zoo iets waar ik dan aldoor aan dacht, als +ik niet wist waar ik het geld vandaan moest halen. Maar dat doet er nu +niets meer toe; die oude vervelende sinjeur kan voor mijn part blijven +waar hij is; noch hij noch zijn testament kan mij iets meer schelen, +want nu heb ik geen zorgen meer. (_Springt op_). O god, Kristine, dat is +toch een zalige gedachte! Geen zorgen meer! Vrij te zijn, heelemaal +vrij! Te kunnen spelen en stoeien met de kinderen; alles mooi en netjes +in huis te kunnen hebben, alles net zooals Torwald het graag heeft! En +dan wordt het gauw weer lente en de lucht heelemaal blauw. Misschien +gaan wij dan wel een reisje maken ... mogelijk wel naar de zee, die ik +zoo graag nog eens terugzien wou! O ja, ja, het is toch maar +verrukkelijk om te leven en gelukkig te zijn! + +(_Er wordt gebeld aan de voordeur_). + +MEVR. LINDE (_staat op_). Daar wordt gebeld; nu zal ik maar heengaan. + +NORA. Welneen, blijf maar; hier komt stellig niemand; het zal wel voor +Torwald zijn.... + +DIENSTMEISJE (_in de deur_). Neemt u mij niet kwalijk, mevrouw ... maar +hier is een heer die wil meneer de advocaat spreken. + +NORA. Meneer de directeur, meen je. + +DIENSTMEISJE. Jawel, mevrouw, meneer de directeur; maar ik wist niet ... +omdat de dokter binnen is.... + +NORA. Wie is die meneer? + +Zaakwaarnemer KROGSTAD (_in de deur_). Ik ben het mevrouw. + +(_Mevr. Linde schrikt en gaat bij het raam staan_). + +NORA (_gaat hem een paar passen te gemoet; gespannen half-luid_). U? Wat +beteekent dat? Waarover wou u mijn man spreken? + +KROGSTAD. Over bankzaken ... tot op zekere hoogte. Ik heb een klein +postje bij de Hypotheekbank, en uw man wordt nu onze chef, naar ik +hoor.... + +NORA. Het is dus over.... + +KROGSTAD. Over zaken, droge kantoorzaken, mevrouw; anders niets. + +NORA. Ja, wil u dan maar zoo goed zijn even in het kantoor te gaan. +(_Groet onverschillig, terwijl zij de deur naar het portaal opendoet; +dan gaat zij naar de kachel kijken_). + +MEVR. LINDE. Nora ... wie was die man? + +NORA. Dat is een zekere zaakwaarnemer Krogstad. + +MEVR. LINDE. Dus was hij het heusch! + +NORA. Ken je dien man? + +MEVR. LINDE. Ik heb hem gekend ... vele jaren geleden. Hij was een +tijdlang zaakwaarnemer daarginder bij ons. + +NORA. Ja dat was hij ook. + +MEVR. LINDE. Wat is hij veranderd! + +NORA. Hij is heel ongelukkig getrouwd geweest. + +MEVR. LINDE. Nu is hij immers weduwnaar? + +NORA. Met een heeleboel kinderen. Zie zoo, nu vlamt het weer. (_Zij +sluit de deur van de kachel en schuift den schommelstoel een beetje op +zij_). + +MEVR. LINDE. Hij heeft allerlei zaken aan de hand, zeggen ze. + +NORA. Zoo? Ja dat kan wel zijn; ik weet er niet van ... maar laat ons nu +niet aan zaken denken; dat is zoo vervelend. + +(_Dokter Rank komt uit Helmer's kamer_). + +DOKTER RANK (_nog in de deur_). Neen, neen zeg ik; ik wil je niet +hinderen. Ik ga liever even binnen bij je vrouw. (_Sluit de deur en +bemerkt mevr. Linde_). O, pardon; ik zie dat ik hier ook ongelegen kom. + +NORA. Welneen, heelemaal niet. (_Stelt voor_). Dokter Rank--Mevrouw +Linde. + +RANK. Och zoo. Een naam die hier in huis dikwijls genoemd wordt. Ik +geloof dat ik mevrouw voorbij liep op de trap. + +MEVR. LINDE. Ja, ik loop heel langzaam een trap op; ik kan niet goed +stijgen. + +RANK. Zoo? Is u niet goed in orde van binnen? + +MEVR. LINDE. Eigenlijk meer wat overwerkt. + +RANK. Anders niet? Dan is u zeker naar de stad gekomen om eens wat +ontspanning te nemen met de kerstfeesten. + +MEVR. LINDE. Ik ben hierheen gekomen om werk te zoeken. + +RANK. Moet dat een geneesmiddel zijn voor iemand die al overwerkt is? + +MEVR. LINDE. Men moet toch leven, dokter. + +RANK. Ja, dat is zoo de algemeene opinie, dat dat noodzakelijk is. + +NORA. Nou maar, dokter Rank ... u wil toch ook wel graag leven. + +RANK. Ja zeker wil ik dat. Zoo ellendig als ik ben, wil ik toch graag +mijn kwaal zoo lang mogelijk rekken. Al mijn patienten zijn net eender. +En zoo gaat het de moreel-aangetasten ook. Daar is nu juist op dit +oogenblik zoo'n moreel-melaatsche bij Helmer.... + +MEVR. LINDE (_gedempt_). Ah! + +NORA. Wie meent u? + +RANK. O, dat is een zaakwaarnemer, Krogstad, iemand die heelemaal buiten +uw sfeer leeft. Die man is moreel in den grond bedorven, maar zelfs hij +begon er over, alsof 't iets hooggewichtigs was, dat hij toch _leven_ +moest. + +NORA. Zoo? Waar kwam hij eigenlijk Torwald over spreken? + +RANK. Ik weet het heusch niet: ik hoorde alleen dat het iets over de +Hypotheekbank was. + +NORA. Ik wist niet dat Krog ... dat die zaakwaarnemer Krogstad iets met +de Hypotheekbank te maken had. + +RANK. Ja, hij heeft daar een soort betrekking. (_Tegen mevr. Linde_). Ik +weet niet of u daarginder, waar u vandaan komt, ook zulk slag van +menschen heeft, die blazend en hijgend overal rondloopen om moreele +verwording en onpluize zaakjes op te snorren en dan de betrokken +personen als 't ware ter observatie op te sluiten in een of andere (voor +de speurders) voordeelige betrekking. De gezonden mogen dan netjes +buiten blijven staan toekijken. + +MEVR. LINDE. Het zijn toch ook de zieken die het 't meest noodig hebben +opgesloten te worden. + +RANK (_haalt de schouders op_). Ja, daar hebben wij de kwestie. _Die_ +opvatting maakt nu juist een ziekenhuis van de maatschappij. + +(_Nora, in haar eigen gedachten verdiept, barst uit in een halfluid +lachen en klapt in haar handen_). + +RANK. Hoe lacht u daar zoo om? Weet u eigenlijk wel wat de maatschappij +is? + +NORA. Wat kan mij die vervelende maatschappij schelen? Ik lachte om heel +iets anders ... iets vreeselijk vermakelijks.... Zeg u nu eens, dokter +... worden al die menschen die werkzaam zijn bij de Hypotheekbank nu +afhankelijk van Torwald? + +RANK. Vindt u dat zoo vreeselijk vermakelijk? + +NORA (_glimlacht en neuriet_). Waarom niet? (_Loopt rond door de +kamer_). Ja, dat is toch ontzettend grappig om te denken, dat wij ... +dat Torwald nu zooveel invloed op zooveel menschen krijgt. (_Haalt de +bonbons uit haar zak_). Dokter heeft u ook trek in bonbons? + +RANK. Kijk eens aan, bonbons.... Ik dacht dat dat verboden waar was +hier. + +NORA. Ja, maar deze heeft Kristine voor mij meegebracht. + +MEVR. LINDE. Wat?... Ik?... + +NORA. Nou ... nou ... schrik maar niet. Jij kon immers niet weten, dat +Torwald ze mij verboden heeft. Weet je, hij is bang dat ik er leelijke +tanden van krijgen zal. Maar och ... voor een enkel keertje.... Niet +waar dokter? Alsjeblieft. (_Stopt hem een bonbon in den mond_). En jij +ook Kristine. En ik mag er ook eentje ... een kleintje maar ... een ... +of op zijn hoogst twee! (_Loopt weer rond_). Nu ben ik toch zoo +in-gelukkig. Nu is er maar een ding in de wereld waar ik zoo'n dollen +lust in zou hebben. + +RANK. En dat is? + +NORA. Het is iets dat ik zoo dolgraag zou willen zeggen, zoo, dat +Torwald het hoorde. + +RANK. En waarom zegt u het dan niet? + +NORA. Neen ... ik durf niet ... het is zoo leelijk. + +MEVR. LINDE. Leelijk? + +RANK. Ja, dan is het niet geraden. Maar tegen ons kan u 't toch wel.... +Wat is het dan dat u zoo graag wou zeggen, zoo, dat Helmer het hoorde? + +NORA. Ik heb zoo'n dollen lust om te zeggen: bliksems! + +RANK. Hoe heb ik het nu met u! + +MEVR. LINDE. 't Is zonde Nora. + +RANK. Zeg u 't dan nu maar. Daar is hij! + +NORA (_stopt de bonbons weg_). Sst, sst, sst! + +(_Helmer komt uit zijn kamer met zijn overjas op den arm en zijn hoed in +de hand_). + +NORA (_naar hem toegaand_). Wel Torwald-lief, ben je van hem af? + +HELMER. Ja hij is weg. + +NORA. Mag ik je even voorstellen: dat is Kristine die in de stad gekomen +is. + +HELMER. Kristine?... Pardon, ik weet niet goed.... + +NORA. Mevrouw Linde, Torwald-lief; mevrouw Kristine Linde. + +HELMER. Ach zoo. Vermoedelijk een vriendin van mijn vrouw uit haar +kindertijd? + +MEVR. LINDE. Ja, wij hebben elkaar vroeger gekend. + +NORA. En verbeeld je, nu heeft zij die lange reis hierheen gemaakt om +eens met jou te kunnen spreken. + +HELMER. Dat wil zeggen? + +MEVR. LINDE. Dat nu juist niet.... + +NORA. Kristine is namelijk zoo vreeselijk handig met kantoorwerk, en nu +wou ze zoo dolgraag onder de leiding komen van een knappen man, om er +zich nog verder in te bekwamen.... + +HELMER. Heel verstandig mevrouw. + +NORA. En toen ze hoorde dat je directeur van die Bank was geworden--dat +was daar door een telegram bekend gemaakt--reisde zij, zoodra zij kon, +hier heen en.... Niet waar Torwald, je wilt, om mij plezier te doen, wel +wat voor Kristine doen? Zeg? + +HELMER. Welzeker, dat is heel wel mogelijk. Mevrouw is vermoedelijk +weduwe? + +MEVR. LINDE. Ja. + +HELMER. En heeft u al wat ondervinding in kantoorzaken? + +MEVR. LINDE. Ja, tamelijk wel. + +HELMER. Nu, dan is het heel waarschijnlijk dat ik u een betrekking zal +kunnen bezorgen.... + +NORA (_klapt in haar handen_). Zie je wel! Zie je wel! + +HELMER. U is op een gelukkig oogenblik gekomen, mevrouw.... + +MEVR. LINDE. O, hoe kan ik u genoeg danken?... + +HELMER. Heelemaal niet noodig. (_Trekt zijn overjas aan_). Maar vandaag +moet u mij excuseeren.... + +RANK. Wacht, ik ga met je mee. (_Haalt zijn pels uit het portaal en +warmt dien bij den kachel_). + +NORA. Blijf niet lang weg, Torwald-lief. + +HELMER. Een uurtje maar, langer niet. + +NORA. Ga jij ook weg, Kristine? + +MEVR. LINDE (_doet haar mantel om_). Ja ik moet weg; ik moet nog een +kamer zoeken. + +HELMER. Dan kunnen wij misschien zoo ver samen gaan. + +NORA (_helpt haar_). Hoe vervelend nu dat we zoo klein behuisd zijn, +maar wij kunnen je onmogelijk.... + +MEVR. LINDE. Och welneen. Hoe kom je er bij! Dag Nora-lief, hartelijk +dank voor alles! + +NORA. Tot ziens. Ja, zeg, je komt toch van avond terug? En u ook dokter? +Wat? Of u wel genoeg zal zijn? Wel ja, natuurlijk wel; pak u maar goed +in. (_Onder algemeen gepraat gaan zij het portaal op. Buiten op de trap +klinken kinderstemmen_). + +NORA. Daar zijn ze! Daar zijn ze! (_Zij gaat gauw de buitendeur +opendoen. De kindermeid Anna-Marie komt met de kinderen boven. Pakt en +kust ze_). Hier zijn mijn schatjes, mijn lievelingen!... Daar heb je ze +nu Kristine! Zijn ze niet heerlijk? + +RANK. Niet hier in den tocht blijven staan praten! + +HELMER. Kom mevrouw Linde, nu wordt het hier niet meer uit te houden +voor iemand die geen kinderen heeft. + +(_Dokter Rank, Helmer en mevr. Linde gaan naar beneden. De kindermeid +gaat met de kinderen naar binnen. Nora ook, en sluit dan de deur_). + +NORA. Wat zien jullie er frisch en lekker uit. Wat een roode wangen! Als +appeltjes en rozen. (_De kinderen praten den heelen tijd er tusschen +door_). Heb je zoo'n pret gehad? Dat is best. Och kom! heb jij Emmy en +Bob tegelijk gesleed? Neen maar, verbeeld je toch eens. Je bent een +flinke jongen, Ivar. Och, Anna-Marie, geef haar mij een beetje. Mijn +lief klein poppekindje! (_Neemt het kleinste op den arm en danst er mee +door de kamer_). Ja ... ja, mama zal ook met Bob dansen. Wat? Hebben +jullie sneeuwballen gegooid? O, daar had ik bij moeten zijn! Neen, laat +maar, ik zal ze zelf wel uitkleeden Anna-Marie. Toe ja, laat mij dat nu +eens doen ... het is zoo prettig. Ga jij maar even naar de kinderkamer; +je ziet er verkleumd uit. Er staat nog warme koffie op de kachel voor +je. + +(_De meid gaat in de kamer links. Nora trekt de kinderen hun jasjes enz. +uit en gooit het goed hier en daar neer, terwijl zij hen door elkander +laat vertellen_). + +NORA. Och heusch? Was er een groote hond die je achterna liep? Maar hij +beet je niet he? Neen, de honden bijten zulke lieve zoete poppekindjes +niet. Niet in de pakjes kijken, Ivar! Wat dat is? Ja dat zou je wel eens +willen weten. Neen ... neen ... daar zit iets leelijks in. Wat? Spelen? +Maar wat dan? Verstoppertje? Ja, dat is goed, we zullen verstoppertje +spelen. Bob moet zich het eerst verstoppen. Moet _ik_ het doen? Goed +dan--dan zal ik mij verstoppen. + +(_Zij en de kinderen spelen lachend en juichend in de kamer en in de +aangrenzende kamer rechts. Ten slotte verstopt Nora zich onder de tafel; +de kinderen stormen naar binnen, maar kunnen haar niet vinden; zij +hooren haar gesmoord lachen, loopen naar de tafel toe, lichten het +tafelkleed op en zien haar. Stormachtig gejuich. Zij kruipt te +voorschijn alsof zij hen bang maken wil. Nieuw gejuich. Er is intusschen +geklopt; niemand heeft er op gelet. Nu wordt de deur half geopend en +Krogstad komt te voorschijn; hij wacht even; het spel wordt +voortgezet_). + +KROGSTAD. Neem me niet kwalijk, mevrouw Helmer.... + +NORA (_met een gesmoorden kreet, keert zich om en springt half op_). Ah! +wat wou u? + +KROGSTAD. Excuseer mij, maar de buitendeur stond aan; de een of ander +heeft zeker vergeten ze te sluiten.... + +NORA (_staat op_). Mijn man is niet thuis, meneer Krogstad. + +KROGSTAD. Dat weet ik. + +NORA. O ... ja? wat wou u dan eigenlijk? + +KROGSTAD. Een woordje met u spreken. + +NORA. Met...? (_Tegen de kinderen zachtjes_). Gaat nu zoet naar +Anna-Marie. Wat? Neen, die vreemde man zal mama heusch geen kwaad doen. +Als hij weg is gaan we weer spelen. (_Zij brengt de kinderen in de kamer +links en doet de deur achter hen dicht. Gejaagd, zenuwachtig_). Wou u +met mij spreken? + +KROGSTAD. Ja. + +NORA. Van daag?... Maar het is toch nog niet de eerste van de maand. + +KROGSTAD. Neen ... het is kerstavond. Het zal van u zelf afhangen, of +dat een gelukkige avond voor u zijn zal. + +NORA. Wat wilt u toch? Ik kan vandaag heelemaal niet.... + +KROGSTAD. Daar zullen wij voorloopig niet meer over spreken. Het is iets +anders. U heeft toch wel een oogenblikje tijd? + +NORA. O ja, zeker, 'k heb wel een oogenblikje, hoewel.... + +KROGSTAD. Alsjeblieft dan. Ik zat in het restaurant van Olsen en zag uw +man voorbijgaan.... + +NORA. Ja?... + +KROGSTAD. ... met een dame. + +NORA. En wat zou dat? + +KROGSTAD. Zou ik zoo vrij mogen zijn te vragen: was die dame niet een +zekere mevrouw Linde? + +NORA. Jawel. + +KROGSTAD. Zoo pas in de stad gekomen. + +NORA. Ja ... van daag. + +KROGSTAD. Zij is immers een goede vriendin van u? + +NORA. Ja zeker. Maar ik zie niet in.... + +KROGSTAD. Ik heb haar vroeger ook gekend. + +NORA. Dat weet ik. + +KROGSTAD. Zoo? Is u op de hoogte van de zaak? Dat dacht ik wel. Mag ik u +dan kort en goed vragen of mevrouw Linde een betrekking krijgt bij de +Hypotheekbank? + +NORA. Hoe durft u zoo vrijpostig zijn om _mij_ uit te vragen, meneer +Krogstad, u, een van mijn mans ondergeschikten? Maar omdat u er naar +vraagt, zal u 't weten ook. Ja, mevrouw Linde zal een betrekking +krijgen. En ik ben het die haar die bezorgd heeft. Nu weet u het meneer +Krogstad. + +KROGSTAD. Mijn vermoeden was dus juist. + +NORA (_loopt in de kamer op en neer_). O, een klein beetje invloed heeft +iemand toch altijd nog wel, zou ik denken. Al ben ik dan maar een vrouw, +daarom is het nog volstrekt niet gezegd dat.... Als men in een +ondergeschikte positie verkeert, meneer Krogstad, mag men zich waarlijk +wel wachten om iemand voor het hoofd te stooten, die ... hm.... + +KROGSTAD. ... die invloed heeft? + +NORA. Juist, ja. + +KROGSTAD (_met veranderde stem_). Mevrouw Helmer, wil u zoo goed zijn om +uw invloed te mijnen behoeve te gebruiken? + +NORA. Wat bedoelt u? + +KROGSTAD. Wil u zoo goed zijn er voor te zorgen dat ik mijn +ondergeschikte betrekking bij de Bank behoud? + +NORA. Wat beteekent dat? Wie denkt er aan u uw betrekking te ontnemen? + +KROGSTAD. O, u hoeft tegenover mij niet te doen alsof u van niets weet. +Ik begrijp heel goed dat het uw vriendin niet aangenaam kan zijn zich +bloot te stellen aan een ontmoeting met mij; en ik begrijp nu ook aan +wie ik het te danken zal hebben als ik weggejaagd word. + +NORA. Maar ik geef u de verzekering.... + +KROGSTAD. Jawel, jawel ... kort en goed: het is nu nog tijd, en ik geef +u den raad uw invloed te gebruiken om het te verhinderen. + +NORA. Maar meneer Krogstad, ik heb volstrekt geen invloed. + +KROGSTAD. Zoo? Ik dacht dat u daar straks zelf zei.... + +NORA. Dat was natuurlijk zoo niet op te vatten. Ik! Hoe kan u gelooven +dat ik zoo'n invloed op mijn man heb? + +KROGSTAD. O, ik ken uw man al van onzen studententijd af. Ik denk niet +dat meneer de Bankdirecteur vaster in zijn schoenen staat dan andere +getrouwde mannen. + +NORA. Als u geringschattend over mijn man spreekt, wijs ik u de deur. + +KROGSTAD. Mevrouw is dapper. + +NORA. Ik ben niet langer bang voor u. Na Nieuwjaar zal ik gauw van de +heele geschiedenis af zijn. + +KROGSTAD (_zich beheerschend_). Luister nu eens, mevrouw. Als de nood +aan den man komt, ben ik van plan een strijd op leven en dood te voeren +om mijn postje aan de Bank te behouden. + +NORA. Ja, dat begint er heusch naar uit te zien. + +KROGSTAD. Het is niet alleen om het salaris; daar is het mij het minst +om te doen. Maar er is iets anders.... Nou ja, ik zal 't maar zeggen. +Ziet u, het is dit: u weet natuurlijk evengoed als iedereen dat ik mij, +vele jaren geleden, aan een onbezonnenheid heb schuldig gemaakt. + +NORA. Ik geloof dat ik daar wel eens iets van gehoord heb. + +KROGSTAD. De zaak is niet voor het gerecht gekomen; maar toch waren +terstond alle wegen voor mij afgesloten, als 't ware. Zoo kwam ik er toe +mij in te laten met het soort van zaken dat u weet. Iets moest ik wel +aanpakken, en ik durf zeggen dat ik nog niet een van de slechtsten in +mijn soort ben. Maar nu wil ik dien heelen boel aan kant doen. Mijn +zoons beginnen groot te worden; om hunnentwil moet ik mijn best doen om +zooveel mogelijk weer in de algemeene achting te rijzen. Dat postje bij +de Bank was om zoo te zeggen de eerste sport op de ladder daartoe. En nu +wil uw man mij van de ladder afschoppen, zoodat ik weer beneden in de +modder kom te liggen. + +NORA. Maar, goede hemel, meneer Krogstad, het staat heusch niet in mijn +macht om u te helpen. + +KROGSTAD. Dat komt eenvoudig omdat u niet wil. Maar ik bezit de middelen +om u te dwingen. + +NORA. U wil toch niet aan mijn man gaan vertellen dat ik u geld schuldig +ben? + +KROGSTAD. Hm; en als ik dat nu eens deed? + +NORA. Dat zou een schandelijke manier van doen zijn. (_Met tranen in +haar stem_). Dat geheim dat mijn vreugde en mijn trots is, dat zou hij +op zoo'n leelijke en plompe manier te weten komen ... te weten door _u_. +U zal mij aan de vreeselijkste onaangenaamheden bloot stellen.... + +KROGSTAD. Enkel maar onaangenaamheden? + +NORA (_heftig_). Maar doe het maar; het zal voor u zelf het ergst zijn; +want dan zal mijn man pas eens goed zien wat voor een slecht mensch u +is, en dan zal u heel zeker uw betrekking niet behouden. + +KROGSTAD. Ik vroeg of het enkel huiselijke onaangenaamheden waren, waar +u bang voor is? + +NORA. Als mijn man het te weten komt, zal hij natuurlijk terstond +betalen wat er nog staat; en dan hebben wij verder niets meer met u te +maken. + +KROGSTAD (_een beetje dichterbij_). Hoor eens, mevrouw Helmer; u heeft +of geen heel sterk geheugen, of heelemaal geen begrip van zaken. Ik zal +u de zaak eens wat duidelijker maken. + +NORA. Hoe dan? + +KROGSTAD. Toen uw man ziek was, kwam u bij mij om vijfduizend kronen te +leen. + +NORA. Ik wist niemand anders. + +KROGSTAD. Ik beloofde u het geld te zullen bezorgen. + +NORA. En dat deed u ook. + +KROGSTAD. Ik beloofde u het geld te zullen bezorgen onder zekere +voorwaarden. U was toen zoo bezet met de ziekte van uw man en zoo +verlangend om het geld voor de reis in handen te krijgen, dat u, geloof +ik, geen gedachte meer over had voor alle bijkomende omstandigheden. Het +kan daarom niet misplaatst zijn u daaraan nog eens te herinneren. Dus: +ik beloofde u het geld te bezorgen tegen een schuldbekentenis, die ik u +opmaakte. + +NORA. En die ik onderteekende. + +KROGSTAD. Juist. Maar onderaan voegde ik er eenige regels bij, waarin +stond dat uw vader borg bleef voor de som. Deze regels moest uw vader +onderteekenen. + +NORA. Moest?... Hij heeft ze immers onderteekend. + +KROGSTAD. Ik had den datum in blanco gelaten; d.w.z. uw vader moest zelf +invullen op welken dag hij het papier teekende. Herinnert mevrouw zich +dat? + +NORA. Ja ... ik geloof 't wel.... + +KROGSTAD. Daarna gaf ik u de schuldbekentenis om die per post op te +sturen aan uw vader. Was het zoo niet? + +NORA. Jawel. + +KROGSTAD. En dat deed u natuurlijk ook terstond; want al vijf of zes +dagen later bracht u mij de schuldbekentenis met de onderteekening van +uw vader terug. En toen betaalde ik u het geld uit. + +NORA. Nu ja; heb ik dan niet behoorlijk afbetaald? + +KROGSTAD. Zoo tamelijk, jawel. Maar ... om nog eens terug te komen op +dat waar wij over spraken ... dat was toen wel een moeilijke tijd voor +u, mevrouw. + +NORA. Dat was het zeker. + +KROGSTAD. Uw vader was toen ook heel ziek, meen ik. + +NORA. Hij lag op sterven. + +KROGSTAD. En stierf ook kort daarna? + +NORA. Ja. + +KROGSTAD. Herinnert u zich toevallig den sterfdag van uw vader? Welke +dag van de maand het was, bedoel ik. + +NORA. Papa stierf den 29sten September. + +KROGSTAD. Dat komt precies uit; ik heb het nagevraagd. En daarom is er +iets zonderlings in de zaak (_haalt een papier voor den dag_) dat ik mij +volstrekt niet verklaren kan. + +NORA. Wat voor zonderlings? Ik weet niet.... + +KROGSTAD. Het zonderlinge, mevrouw, is dat uw vader deze +schuldbekentenis heeft onderteekend drie dagen na zijn dood. + +NORA. Hoe dat? Ik begrijp niet.... + +KROGSTAD. Uw vader stierf den 29sten September. Maar kijk nu eens hier. +Hier heeft uw vader zijn handteekening gedateerd op den 2den October. Is +dat niet vreemd, mevrouw? + +NORA (_zwijgt_). + +KROGSTAD. Kan u mij dat verklaren? + +NORA (_blijft zwijgen_). + +KROGSTAD. Opvallend is het ook, dat de woorden 2 October en het jaartal +niet geschreven zijn met de hand van uw vader, maar met een hand die ik +meen te kennen. Nu, er is wel een verklaring voor te vinden; uw vader +kan vergeten hebben den datum er bij te zetten, en de een of ander heeft +dien op de gis ingevuld, eer zijn dood nog bekend was. Daar steekt geen +kwaad in. Waar het op aan komt is de handteekening. En die is toch wel +echt, niet waar mevrouw? Het is toch inderdaad uw vader, die daar zelf +zijn naam heeft neergeschreven? + +NORA (_na eenig zwijgen--werpt het hoofd in den nek en ziet hem +uitdagend aan_). Neen ... die is niet echt. Ik ben het die papa's naam +geschreven heb. + +KROGSTAD. Mevrouw ... weet u wel dat dat een gevaarlijke bekentenis is? + +NORA. Waarom? U zal uw geld gauw genoeg krijgen. + +KROGSTAD. Mag ik u een vraag doen?... Waarom zond u dat papier niet aan +uw vader? + +NORA. Dat was onmogelijk. Papa was immers al zoo zwaar ziek. Als ik hem +om zijn onderteekening had gevraagd, had ik hem ook moeten zeggen +waarvoor ik het geld gebruiken moest. Maar ik kon hem toch niet zeggen, +zoo ziek als hij was, dat het leven van mijn man in gevaar was. Dat was +toch onmogelijk. + +KROGSTAD. Dan was het beter geweest voor u als u die reis maar had +opgegeven. + +NORA. Neen ... dat kon heelemaal niet. Die reis moest immers het leven +van mijn man redden. Die kon ik niet opgeven. + +KROGSTAD. Maar heeft u er dan niet aan gedacht dat het een bedrog was +tegenover mij? + +NORA. Daar kon ik mij heusch niet mee ophouden. Aan u dacht ik in 't +geheel niet. Ik kon u niet uitstaan om al die gevoellooze bezwaren die u +maakte, hoewel u wist hoe slecht mijn man er aan toe was. + +KROGSTAD. Mevrouw Helmer, u heeft blijkbaar geen duidelijke voorstelling +van dat waaraan u zich heeft schuldig gemaakt. Maar ik kan u zeggen dat +wat _ik_ eens misdeed, dat wat mijn heele maatschappelijke positie +verwoestte, niets meer en niets erger was dan dit. + +NORA. U? Zou u mij willen wijs maken dat u eens een moedige daad heeft +gedaan om het leven van uw vrouw te redden? + +KROGSTAD. De wet vraagt niet naar beweegredenen. + +NORA. Dat moet dan al een heel slechte wet zijn. + +KROGSTAD. Slecht of niet ... breng ik dit stuk papier voor het gerecht, +dan wordt u volgens de wet veroordeeld. + +NORA. Daar geloof ik niets van. Een dochter zou het recht niet hebben +haar armen doodzieken vader te bewaren voor angsten en zorgen? Zou een +vrouw het recht niet hebben het leven van haar man te redden? Ik ken de +wet zoo precies niet; maar ik ben er zeker van dat daarin ergens wel +iets moet staan, dat zoo iets geoorloofd is. En dat zou u niet weten, u, +die zaakwaarnemer is? U moet al een heel slecht jurist zijn, meneer +Krogstad. + +KROGSTAD. Dat kan zijn. Van _mijn_ zaken ... van zulke zaken als u en ik +samen hebben, gelooft u toch zeker wel dat ik verstand heb? Goed. Doe u +nu maar wat u wil. Maar _dit_ zeg ik u: word ik voor den tweeden keer +uitgestooten, dan zal u mij gezelschap houden. (_Hij groet en gaat heen +door het portaal_). + +NORA (_een poosje nadenkend; schudt dan het hoofd_). Och wat!... Hij wil +mij bang maken; zoo dom ben ik nu niet. (_Gaat de kleeren van de +kinderen bij elkaar leggen--houdt dan in-eens op_). Maar?... Neen, dat +is toch onmogelijk! Ik deed het immers uit liefde. + +DE KINDEREN (_in de deur links_). Mama, nu is die vreemde man weg! + +NORA. Ja, ja, ik weet 't wel. Maar niet over dien vreemden man spreken, +hoor, tegen niemand, ook niet tegen Papa! + +DE KINDEREN. Neen Maatje; maar wil u nu weer met ons spelen? + +NORA. Neen ... nu niet. + +DE KINDEREN. He Maatje, u heeft 't toch beloofd! + +NORA. Ja, maar ik kan nu niet. Gaat nu naar binnen; ik heb nog zoo veel +te doen. Toe, gaat nu zoet naar de kinderkamer, mijn lieve schatjes! +(_Zij dringt hen zachtjes de andere kamer in en sluit de deur achter +hen. Gaat op de sofa zitten, neemt een borduurwerkje op, doet enkele +steken, maar scheidt er dadelijk weer mee uit_). Neen! (_Gooit haar werk +neer, staat op, loopt naar de deur en roept_). Helene! breng den +kerstboom eens binnen. (_Gaat naar de tafel links en doet de la open; +wacht dan weer_). Neen ... maar dat kan toch niet mogelijk zijn! + +DIENSTMEISJE (_met den boom_). Waar moet ik hem neerzetten, mevrouw? + +NORA. Daar, midden op den grond. + +DIENSTMEISJE. Moet ik nog iets anders halen? + +NORA. Neen, dankje; ik heb alles wat ik noodig heb. + +(_Het meisje zet den boom neer en gaat heen. Nora bezig den kerstboom op +te sieren_). Hier lichtjes, en daar bloemen. Die afschuwelijke kerel! +Allemaal kletspraatjes! Er is niets van aan. De boom zal prachtig +worden. Ik zal alles doen waar je plezier in hebt, Torwald ... ik zal +voor je zingen, voor je dansen.... + +(_Helmer komt van buiten met een pak papieren onder den arm_). + +NORA. Zoo, ben je al terug? + +HELMER. Ja. Is er iemand geweest? + +NORA. Hier? Neen. + +HELMER. Dat is vreemd. Ik zag Krogstad de straatdeur uitgaan. + +NORA. Zoo? O ja, dat 's waar, Krogstad was even hier. + +HELMER. Nora, ik kan het je aanzien dat hij hier is geweest om je te +vragen een goed woord voor hem te doen. + +NORA. Ja. + +HELMER. En dat moest je doen alsof het uit jezelf kwam, he? Je moest +voor mij verzwijgen dat hij hier was geweest. Heeft hij je dat ook niet +gevraagd? + +NORA. Jawel, Torwald, maar.... + +HELMER. Nora, Nora, hoe kon je je daar nu mee inlaten? Zoo'n kerel te +woord te staan en hem iets te beloven! En dan nog op den koop toe mij +een onwaarheid te zeggen! + +NORA. Een onwaarheid? + +HELMER. Zei je dan niet dat er niemand geweest was? (_Dreigt met zijn +vinger_). Dat moet mijn zangvogeltje nooit meer doen. Een zangvogeltje +moet nooit valsche tonen laten hooren! (_Slaat zijn arm om haar heen_). +Is het zoo niet? Ja, dat wist ik immers wel. (_Laat haar los_). En nu +praten wij er niet meer over. (_Gaat bij de kachel zitten_). He, wat is +het hier gezellig en lekker. (_Kijkt zijn papieren vluchtig door_). + +NORA (_bezig met den kerstboom--na een kleine pauze_). Torwald! + +HELMER. Ja. + +NORA. Ik verheug mij zoo dol op het gecostumeerde bal bij de Stenborgs +overmorgen. + +HELMER. En ik ben dol nieuwsgierig om te zien waarmee je mij verrassen +zult. + +NORA. Och, 't is eigenlijk mal ... maar.... + +HELMER. Wat dan? + +NORA. Ik kan niets goeds bedenken; ik vind 't allemaal zoo flauw, zoo +onbeduidend. + +HELMER. Is kleine Nora tot die slotsom gekomen? + +NORA (_achter zijn stoel met de armen op de leuning rustend_). Heb je +het erg druk, Torwald? + +HELMER. Och.... + +NORA. Wat zijn dat voor papieren? + +HELMER. Zaken van de Bank. + +NORA. Nu al? + +HELMER. Ik heb mij door het aftredende bestuur volmacht laten geven om +de noodige veranderingen in het personeel en in de regeling van de +werkzaamheden te kunnen maken. Daar moet ik de feestweek voor gebruiken. +Met Nieuwjaar wil ik alles in orde hebben. + +NORA. Dus was het daarom dat die arme Krogstad.... + +HELMER. Hm. + +NORA (_heelemaal leunend op den rug van zijn stoel, speelt met haar +vingers met zijn nekharen_). Als je het niet zoo druk hadt, zou ik je om +een heel grooten dienst willen vragen, Torwald. + +HELMER. Laat eens hooren. Wat zou dat zijn? + +NORA. Je weet wel dat niemand zoo'n goeden smaak heeft als jij. En nu +zou ik er zoo graag goed uitzien op het gecostumeerde bal. Zou jij me nu +niet een beetje willen helpen en zeggen, als wat ik gaan zal en hoe mijn +costuum gemaakt moet worden? + +HELMER. Oho, is mijn eigenzinnig kindje aan 't zoeken naar een reddenden +engel? + +NORA. Ja, Torwald; ik kan niet klaar komen zonder jouw hulp. + +HELMER. Goed dan; ik zal er over denken; wij zullen wel raad schaffen. + +NORA. He, dat is lief van je. (_Gaat weer naar den boom--een pauze_). +Wat doen die roode bloemen daar mooi he? Zeg eens, is het heusch zoo +iets ergs wat die Krogstad gedaan heeft? + +HELMER. Valsche handteekeningen gemaakt. Heb je er eenig begrip van wat +dat beteekent? + +NORA. Kan hij dat niet uit gebrek gedaan hebben? + +HELMER. Jawel, of, zooals zooveel anderen, uit onbezonnenheid. Ik ben +niet zoo harteloos, dat ik iemand onvoorwaardelijk zou veroordeelen, +voor een dergelijke op zichzelf staande daad. + +NORA. Neen, he, Torwald? + +HELMER. Menigeen kan zich zedelijk weer opheffen, als hij openlijk zijn +schuld bekent en zijn straf ondergaat. + +NORA. Straf?... + +HELMER. Maar dien weg volgde Krogstad niet; hij redde zich er uit door +geknoei en gedraai; en dat is juist wat hem moreel te gronde deed gaan. + +NORA. Geloof je dat?... + +HELMER. Stel je maar eens voor hoe zoo iemand, met zoo iets op zijn +geweten, moet liegen en huichelen en naar alle kanten comedie spelen, +altijd een masker dragen, zelfs voor die hem het naast zijn, ja zelfs +voor zijn vrouw en kinderen. En voor de kinderen is dat juist het +vreeselijkst, Nora. + +NORA. Waarom? + +HELMER. Omdat zoo'n atmosfeer van leugen in het huiselijke leven ziekte +en besmetting brengt. Met iederen ademtocht krijgen de kinderen in zoo'n +huis kiemen van slechtheid binnen. + +NORA (_heel dicht achter hem_). Ben je daar zeker van? + +HELMER. Och, lieve, dat heb ik dikwijls genoeg ondervonden als advocaat. +Bijna alle vroeg-verdorven menschen hebben leugenachtige moeders gehad. + +NORA. Waarom juist moeders? + +HELMER. Dat komt meestal van de moeders; maar ook van de vaders kunnen +zij het natuurlijk overerven; dat weet ieder jurist. En toch heeft die +Krogstad jarenlang thuis zijn eigen kinderen vergiftigd met leugens en +comediespel; daarom noem ik hem moreel verworden. (_Steekt haar beide +handen toe_). Daarom moet mijn kleine lieve Nora mij beloven niet meer +voor hem te pleiten. Je hand er op. Nou, wat is dat nu? Geef mij je +hand! Zie zoo. Afgedaan. Ik verzeker je dat het mij onmogelijk zou zijn +met hem samen te werken; ik voel letterlijk en physiek onwelzijn in de +nabijheid van zulke menschen. + +NORA (_trekt haar hand terug en gaat naar den anderen kant van den +boom_). Wat is het hier warm! En ik heb nog zooveel te doen. + +HELMER (_staat op en neemt zijn papieren op_). Ja, ik moet ook zien dat +ik dit nog een beetje doorkijk voor wij aan tafel gaan. Over je costuum +zal ik ook denken. En iets om in een goud papiertje aan den boom te +hangen heb ik misschien ook wel bij de hand. (_Legt zijn hand op haar +hoofd_). O, jij, mijn eenig, lief zangvogeltje! (_Hij gaat in zijn kamer +en sluit de deur achter zich_). + +NORA (_zachtjes, na eenig zwijgen_). Och wat! Het is niet waar. Het is +onmogelijk. Het _moet_ onmogelijk zijn. + +DE KINDERMEID (_in de deur links_). De kleintjes vragen toch zoo, of ze +bij Mama mogen komen. + +NORA. Neen ... neen ... neen ... laat ze niet hier komen! Toe, ga jij +bij hen, Anna-Marie. + +DE KINDERMEID. Goed mevrouw. (_Sluit de deur_). + +NORA (_bleek van schrik_). Mijn lieve kleintjes slecht maken! Mijn huis +vergiftigen? (_Korte pauze; dan heft zij het hoofd op_). Dat is niet +waar. Dat kan nooit in der eeuwigheid waar zijn! + + +EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF + + + * * * * * + + +TWEEDE BEDRIJF + + Zelfde kamer. In den hoek bij de piano staat de kerstboom, leeg + geplukt, verfonfaaid en met afgebrande kaarsjes. Nora's hoed en + mantel liggen op de sofa. + + Nora alleen in de kamer, loopt onrustig heen en weer; blijft ten + slotte staan bij de sofa en neemt haar mantel op. + + * * * * * + +NORA (_laat haar mantel weer los_). Daar komt iemand! (_Luistert aan de +deur_). Neen ... toch niet.... Natuurlijk... van daag komt er geen +mensch, eersten kerstdag ... en morgen ook niet.... Maar misschien.... +(_Doet de deur open en kijkt buiten_). Neen ... niets in de brievenbus; +heelemaal leeg. (_Loopt door de kamer_). Och malligheid! Hij doet 't +immers niet. Zoo iets kan immers niet gebeuren. 't Is een +onmogelijkheid. Ik heb immers drie kleine kinderen. + +DE KINDERMEID (_komt met een groote kartonnen doos uit de kamer links_). +Eindelijk heb ik toch de doos met uw costuum gevonden. + +NORA. O dank je; zet ze maar op de tafel. + +DE KINDERMEID. 't Is zonde, mevrouw; het kan nog heel goed in orde +gemaakt worden; 't is alleen een geduldwerkje. + +NORA. Ja, ik zal mevrouw Linde gaan vragen of die mij een beetje helpen +wil. + +DE KINDERMEID. Wou u nu weer uitgaan? In dit leelijke weer? Mevrouw Nora +zal nog kou vatten ... en ziek worden. + +NORA. O, dat zou het ergste niet zijn. Wat doen de kinderen? + +DE KINDERMEID. De arme stakkerdjes spelen met al het moois van den +kerstboom, maar.... + +NORA. Vragen ze dikwijls naar mij? + +DE KINDERMEID. Ze zijn het zoo gewend dat Mamaatje bij hen is. + +NORA. Ja maar, Anna-Marie, ik kan voortaan niet zooveel meer bij hen +zijn als vroeger. + +DE KINDERMEID. Och, kleine kinderen wennen aan alles. + +NORA. Geloof je dat? Geloof je dat ze hun Mama zouden vergeten als zij +voor goed weg was? + +DE KINDERMEID. 't Is zonde ... voor goed weg. + +NORA. Hoor eens, Anna-Marie, vertel me eens ... daar heb ik al zoo +dikwijls over gedacht ... hoe kon je het toch over je hart verkrijgen om +je kind bij vreemden te doen? + +DE KINDERMEID. Maar dat moest ik wel, toen ik als min bij de kleine Nora +zou komen. + +NORA. Ja maar, dat je dat _wou_ doen? + +DE KINDERMEID. Als ik zoo'n goeden minnedienst kon krijgen? Een arme +meid die ongelukkig gemaakt is, mag nog blij toe zijn. Want die slechte +kerel deed heelemaal niets voor mij. + +NORA. Maar je dochter heeft je zeker vergeten. + +DE KINDERMEID. O neen, dat heeft ze toch waarlijk niet. Zij heeft mij +geschreven, toen zij is aangenomen en ook toen ze getrouwd is. + +NORA (_omhelst haar_). Mijn oude Anna-Marie, je bent een goede moeder +voor mij geweest toen ik klein was. + +DE KINDERMEID. Kleine Nora, dat stakkerdje, had immers geen andere +moeder dan mij. + +NORA. En als de kleintjes geen andere moeder hadden, dan weet ik wel dat +jij ook voor hen.... Och mallepraat. (_Doet de doos open_). Ga nu maar +weer bij de kinderen. Nu moet ik.... Morgen zal je eens zien hoe +prachtig ik zijn zal. + +DE KINDERMEID. Ja, daar zal zoo waar niemand op het heele bal zijn zoo +prachtig als mevrouw Nora. (_Zij gaat in de kamer links_). + +NORA (_begint de doos uit te pakken, maar gooit al gauw den heelen boel +neer_). O, als ik maar durfde uitgaan. Als er maar niemand kwam. Als er +thuis in dien tijd maar niets gebeurde. Och ik zeur; er komt geen +mensch. Alleen maar niet denken. Mijn mof opborstelen. Mooie +handschoenen, mooie handschoenen. Jaag het weg! Een, twee, drie, vier, +vijf, zes.... (_Gilt_). O, daar komen ze.... (_wil naar de deur, maar +blijft besluiteloos staan_). + +MEVR. LINDE (_komt van het portaal, waar zij haar hoed heeft afgedaan_). + +NORA. O, ben jij het Kristine. Er is toch niemand anders daar?... He, 't +is goed dat je komt. + +MEVR. LINDE. Ik hoor dat je bij mij geweest bent en naar mij hebt +gevraagd? + +NORA. Ja, ik kwam juist voorbij. Er is iets waar je mij alsjeblieft mee +helpen moet. Laten we hier op de sofa gaan zitten. Kijk eens. Morgen is +er een gecostumeerd bal bij de Stenborgs, die hier boven ons wonen, en +nu wil Torwald dat ik gaan zal als Napolitaansch visschersmeisje en de +Tarantella dansen, die ik op Capri geleerd heb. + +MEVR. LINDE. Kijk eens aan; dus je zult een heele voorstelling geven? + +NORA. Ja, Torwald wil graag dat ik het doe. Kijk hier is het costuum; +dat liet Torwald daarginder voor mij maken. Maar nu is het allemaal zoo +gehavend, dat ik eigenlijk niet weet.... + +MEVR. LINDE. O, dat is gauw weer in orde te brengen; het is alleen maar +het garneersel dat hier en daar een beetje losgegaan is. Heb je naald en +draad? Zoo, dan hebben we al alles wat we noodig hebben. + +NORA. He wat lief van je, Kristine! + +MEVR. LINDE (_naait_). Dus morgen zal je gecostumeerd zijn? Weet je wat +... dan kom ik eens even kijken hoe je er uit ziet. Maar ik heb nog +heelemaal vergeten je te bedanken voor den gezelligen avond van +gisteren. + +NORA (_staat op en loopt door de kamer_). Och, ik vond het hier gisteren +niet zoo gezellig als anders. Je hadt een beetje vroeger in stad moeten +komen, Kristine.--Ja Torwald heeft er goed slag van zijn huis mooi en +prettig te maken. + +MEVR. LINDE. Maar jij niet minder, dunkt mij; je bent niet voor niets de +dochter van je vader. Maar zeg eens, is die dokter Rank altijd zoo +bedrukt als gisteren? + +NORA. Neen, gisteren was het erg opvallend. Maar hij is lijdend aan een +heel gevaarlijke ziekte. Hij heeft ruggemergstering, de stakkerd. Weet +je, zijn vader was een akelige man, die er liefjes op na hield en al zoo +meer, en daardoor was zijn zoon van kind af ziekelijk, begrijp je? + +MEVR. LINDE (_laat haar werk zakken_). Maar liefste, beste Nora, hoe kom +jij zulke dingen te weten? + +NORA (_loopt rond_). Och ... als je drie kinderen hebt, dan krijg je +soms wel eens bezoek van ... van vrouwen, die zoo half-en-half dokter +zijn, en die vertellen je dan het een-en-ander. + +MEVR. LINDE (_naait weer ... kleine stilte_). Komt dokter Rank hier alle +dag aan huis? + +NORA. Vast iederen dag. Hij is Torwald's beste vriend, al van voor zijn +trouwen, en ook mijn vriend. Dokter Rank is zooveel als lid van het +gezin. + +MEVR. LINDE. Maar is de man wel heel oprecht? Ik bedoel, zegt hij niet +graag maar wat om menschen aangenaam te zijn? + +NORA. Neen ... integendeel. Hoe kom je daarbij? + +MEVR. LINDE. Toen je hem aan me voorstelde, zei hij dadelijk dat hij +mijn naam hier in huis dikwijls gehoord had; maar later merkte ik, dat +je man er heelemaal geen idee van had wie ik eigenlijk was. Hoe kon dan +dokter Rank...? + +NORA. Jawel, dat is toch heuschwaar, Kristine. Zie je, Torwald houdt zoo +ontzettend veel van mij; en daarom wil hij mij heel alleen hebben, +zooals hij zegt. In den eersten tijd was hij als 't ware jaloersch als +ik alleen maar iemand noemde van de lieve menschen thuis. Nou, toen liet +ik dat dan ook maar. Maar met dokter Rank spreek ik dikwijls over al die +dingen, want hij luistert er graag naar, zie je. + +MEVR. LINDE. Hoor eens, Nora, je bent in sommige dingen nog net een +kind; ik ben een heel eind ouder dan jij en heb ook een beetje meer +ondervinding. Ik zal je eens iets zeggen: je moet zien dat je van die +zaak met dien dokter Rank afkomt. + +NORA. Van welke zaak moet ik zien af te komen? + +MEVR. LINDE. Zoowel van het een als van het ander, dunkt mij. Gisteren +praatte je over een rijken bewonderaar, die je geld moest bezorgen.... + +NORA. Ja, een die er niet is ... helaas. Maar wat zou dat? + +MEVR. LINDE. Heeft dokter Rank geld? + +NORA. Jawel. + +MEVR. LINDE. En niemand om voor te zorgen? + +NORA. Neen, niemand ... maar...? + +MEVR. LINDE. En hij komt hier iederen dag aan huis? + +NORA. Ja, dat zei ik je immers? + +MEVR. LINDE. Hoe kan zoo'n beschaafd man zoo onkiesch zijn? + +NORA. Ik begrijp je heelemaal niet. + +MEVR. LINDE. Houd je nu niet van den domme, Nora. Denk je dan dat ik +niet begrijp van wien je die vijf duizend kronen geleend hebt? + +NORA. Ben je niet wijs? Hoe kom je er bij? Een vriend van ons, die +iederen dag bij ons komt! Wat zou dat voor een vreeselijke pijnlijke +verhouding zijn! + +MEVR. LINDE. Dus heusch niet van hem? + +NORA. Neen, dat verzeker ik je. Dat is nooit een oogenblik in mij +opgekomen.... Bovendien toen had hij ook nog geen geld ... hij heeft pas +later geerfd. + +MEVR. LINDE. Nou, dat was maar heel gelukkig voor jou, geloof ik, +Nora-lief. + +NORA. Neen, dat is nog nooit in mij opgekomen om dokter Ranker om te +vragen.... Anders ... ik weet zeker dat als ik er om vroeg.... + +MEVR. LINDE. Maar dat doe je natuurlijk niet. + +NORA. Neen natuurlijk niet. Ik geloof niet, ik kan mij niet voorstellen +dat het noodzakelijk zou kunnen worden. Maar ik ben er zeker van, dat +als ik met dokter Rank sprak.... + +MEVR. LINDE. Buiten je man om? + +NORA. Ik moet dat andere uit de wereld hebben ... dat is ook buiten hem +om. Daar moet ik zien af te komen. + +MEVR. LINDE. Ja ... ja ... dat zei ik gisteren ook, maar.... + +NORA (_loopt op en neer_). Een man kan zoo iets veel beter klaar spelen +dan een vrouw.... + +MEVR. LINDE. Als het je eigen man is, ja. + +NORA. Och leuterpraat. (_blijft staan_). Als iemand alles betaalt wat +hij schuldig is dan krijgt hij immers zijn schuldbekentenis terug? + +MEVR. LINDE. Ja, dat spreekt. + +NORA. En dan kan je die in honderd-duizend-stukken scheuren en +verbranden ... zoo'n ellendig smerig papier! + +MEVR. LINDE (_kijkt haar strak aan, legt haar naaiwerk neer en staat +langzaam op_). Nora, je verbergt iets voor me. + +NORA. Kan je mij dat aanzien? + +MEVR. LINDE. Er is iets met je gebeurd sedert gisteren ochtend. Nora, +wat is er? + +NORA (_naar haar toegaand_). Kristine! (_luistert_). Sst! Daar komt +Torwald thuis. Wacht, ga zoo lang bij de kinderen zitten. Torwald kan +dien naairommel niet uitstaan. Laat Anna-Marie je helpen. + +MEVR. LINDE (_neemt een gedeelte van haar werk mee_). Ja ... ja ... maar +ik ga niet weg, voor wij eens openhartig gepraat hebben. (_Af naar +links; tegelijkertijd komt Helmer van het portaal_). + +NORA (_loopt hem te gemoet_). O, wat heb je je lang laten wachten, lieve +Torwald. + +HELMER. Was dat de naaister? + +NORA. Neen, dat was Kristine; zij helpt mij mijn costuum in orde maken. +Je zult eens zien hoe mooi ik zijn zal! + +HELMER. Ja, was dat nu niet een gelukkige inval van mij? + +NORA. Prachtig! Maar ben ik nu ook niet lief dat ik je zin doe? + +HELMER (_zijn hand onder haar kin leggend_). Lief ... omdat je je man +zijn zin doet? Nou, jij dwaasje, ik weet wel dat je het zoo niet meent. +Maar ik wil je niet hinderen; je moet zeker gaan passen. + +NORA. En jij hebt zeker te werken? + +HELMER. Ja (_wijst op een pak papieren_). Kijk eens hier. Ik ben in de +Bank geweest.... (_wil naar zijn kamer gaan_). + +NORA. Torwald. + +HELMER (_blijft staan_). Ja. + +NORA. Als je eekhorentje je nu eens heel erg dringend om iets vroeg...? + +HELMER. Wat dan? + +NORA. Zal je het dan doen? + +HELMER. Eerst moet ik natuurlijk weten wat het is. + +NORA. Je eekhorentje zou in de rondte springen en allerlei kunstjes +maken, als jij nu een lief en toegevend was. + +HELMER. Voor den dag er mee dan! + +NORA. Je leeuwerikje zou luid en zachtjes door alle kamers zingen.... + +HELMER. Och wat, dat doet mijn leeuwerikje immers toch. + +NORA. Ik zou als een elf voor je dansen in den maneschijn, Torwald. + +HELMER. Nora ... het is toch niet dat, waarop je van morgen doelde? + +NORA (_dichterbij_). Juist, Torwald, ik smeek je er om! + +HELMER. En durf je waarlijk nog eens op die zaak terug te komen? + +NORA. Ja, Torwald, ja, je _moet_ me mijn zin geven; je _moet_ Krogstad +zijn betrekking bij de Bank laten behouden. + +HELMER. Mijn lieve Nora, zijn betrekking is bestemd voor mevrouw Linde. + +NORA. Ja, dat is vreeselijk lief van je; maar dan kan je toch wel een +anderen klerk wegsturen in plaats van Krogstad. + +HELMER. Dat is nu toch een ongelooflijke doordrijverij! Omdat jij hem +een onbekookte belofte geeft om een goed woord voor hem te doen, zou +ik...! + +NORA. Daarom is het niet, Torwald. Het is voor je zelf. Die man schrijft +immers in de vuilste couranten, dat heb je zelf gezegd. Hij kan je zoo +ontzettend veel kwaad doen. Ik heb zoo'n doodelijken angst voor hem.... + +HELMER. Aha! nu begrijp ik 't; het zijn oude herinneringen die je bang +maken. + +NORA. Wat bedoel je daarmee? + +HELMER. Je denkt natuurlijk aan je vader. + +NORA. Ja ... juist. Herinner je maar eens hoe slechte menschen in de +couranten schreven over papa en hoe afschuwelijk ze hem belasterden. +Ik geloof zeker dat zij het zoover gebracht zouden hebben dat hij zijn +ontslag kreeg, als de Regeering jou niet gezonden had om die zaak te +onderzoeken, en als jij niet zoo welwillend en hulpvaardig voor hem was +geweest. + +HELMER. Mijn kleine Nora, er is een aanmerkelijk verschil tusschen je +vader en mij. Je vader was als ambtenaar niet onaantastbaar. Maar dat +ben ik wel; en dat hoopt ik te blijven zoo lang ik mijn betrekking +vervul. + +NORA. O, niemand weet wat slechte menschen kunnen bedenken. Nu zouden +wij het zoo goed, zoo rustig en gelukkig kunnen hebben hier, in ons +vredig huis, zonder zorgen ... jij en ik en de kinderen, Torwald! Daarom +smeek ik je.... + +HELMER. En juist door je voorspraak maak je het mij onmogelijk hem te +houden. Als het nu ruchtbaar werd, dat de nieuwe directeur zich door +zijn vrouw had laten ompraten.... + +NORA. Wat dan nog? + +HELMER. Neen natuurlijk; als het kleine eigenzinnige vrouwtje haar zin +maar kreeg.... Ik zou mij belachelijk maken voor mijn heele personeel +... de menschen op het idee brengen dat ik toegankelijk was voor +allerlei invloeden van buiten af? Geloof me, daarvan zou ik de gevolgen +gauw genoeg ondervinden! En buitendien ... er is nog iets dat Krogstad +volkomen onmogelijk maakt bij de Bank, zoo lang ik daar directeur ben. + +NORA. Wat is dat? + +HELMER. Misschien had ik zijn moreele tekortkomingen desnoods nog door +de vingers kunnen zien. + +NORA. Ja, niet waar? + +HELMER. En ik hoor dat hij ook heel bruikbaar moet zijn. Maar hij is een +goede kennis uit vroeger dagen. Dat is zoo een van die overijlde +kennismakingen, waar je zoo dikwijls in je later leven last van hebt. +Ja, ik wil het jou wel ronduit bekennen, we gingen zelfs heel familiaar +met elkaar om. En hij, zoo taktloos mogelijk, maakt daar volstrekt geen +geheim van als er anderen bij zijn. Integendeel ... hij verbeeldt zich +dat hij daarom het recht heeft nog jij en jou tegen mij te spelen; en +dan komt hij ieder oogenblik voor den dag met zijn: zeg eens, Helmer! +Ik verzeker je dat mij dat hoogst pijnlijk aandoet. Hij zou mij mijn +positie aan de Bank onhoudbaar maken. + +NORA. Torwald, dat alles meen je toch niet in ernst? + +HELMER. Zoo? Waarom niet? + +NORA. Neen, dat zijn toch allemaal eigenlijk maar kleinzielige +overwegingen. + +HELMER. Wat zeg je daar? Kleinzielig? Dus jij vindt mij kleinzielig? + +NORA. Neen integendeel, Torwald-lief, en juist daarom.... + +HELMER. Dat is hetzelfde; je noemt mijn motieven kleinzielig; dus dan +moet ik het ook wel zijn. Kleinzielig! Waarachtig!... Nou, daar zullen +wij eens gauw een eind aan maken (_gaat naar het portaal en roept_). +Helene! + +NORA. Wat ga je doen? + +HELMER (_zoekt in zijn papieren_). Er een einde aan maken. + +(_Het meisje komt binnen_). + +HELMER. Hier; ga terstond naar beneden met dezen brief. Hou een +besteller aan en laat die hem bezorgen. Maar gauw. Het adres staat er +op. Wacht, hier is geld. + +DIENSTMEISJE. Best mijnheer. (_Zij gaat weg met den brief_). + +HELMER (_legt zijn papieren weer bij elkaar_). Zie zoo, mevrouwtje +dwingeland. + +NORA (_ademloos_). Torwald ... wat was dat voor een brief? + +HELMER. Krogstad's ontslag. + +NORA. Herroep dat, Torwald! het is nog tijd. O Torwald, herroep dat! Doe +het om mijnentwil ... om je zelfs wil ... ter wille van de kinderen! Och +toe, Torwald; doe het! Je weet niet wat daaruit voortkomen kan voor ons +allen. + +HELMER. Te laat. + +NORA. Ja, te laat. + +HELMER. Lieve Nora, ik vergeef je je angst, hoewel die in den grond een +beleediging is voor mij. Ja, dat is zoo! Of is het geen beleediging te +gelooven, dat _ik_ bang zou zijn voor de wraak van een verloopen +zaakwaarnemer? Maar ik vergeef het je toch, omdat het zoo'n mooi bewijs +is van je groote liefde voor mij. (_Neemt haar in zijn armen_). Het moet +nu eenmaal zoo zijn, als het er op aankomt, heb ik zoowel moed als +kracht. Je zult zien, ik ben de man die alles op zich durft te nemen. + +NORA (_doodverschrikt_). Wat meen je daarmee? + +HELMER. Alles, zeg ik je.... + +NORA (_bedaard_). Dat zal nooit in der eeuwigheid gebeuren. + +HELMER. Goed ... dan deelen wij, Nora ... als man en vrouw. Zoo behoort +het ook. (_liefkoost haar_). Ben je nu tevreden? Kom ... kom ... kom ... +niet zulke verschrikte oogen opzetten. Het is immers allemaal niets dan +pure verbeelding.... Nu moest je de Tarantella nog eens doorspelen en je +oefenen met de tamboerijn. Ik ga in het binnen-kantoor zitten en doe de +tusschendeur dicht, dan hoor ik niets; dan kan je net zooveel leven +maken als je wilt (_gaat naar de deur_). En als Rank komt, zeg hem dan +waar hij mij vinden kan. (_Hij knikt haar toe, gaat met zijn papieren +zijn kamer binnen en doet de deur achter zich dicht_). + +NORA (_in wilden angst, staat als vastgenageld, fluistert_). Hij zou in +staat zijn het te doen. Neen dat nooit in der eeuwigheid! Liever alles +dan dat! Redding.... Een uitweg.... (_er wordt gebeld_). Dokter Rank.... +Liever alles dan dat! Liever _alles_ wat het dan ook zijn moge! (_Zij +strijkt met de handen over haar gezicht, doet haar best kalm te zijn en +gaat de deur open doen. Dokter Rank staat buiten en hangt zijn pels aan +den kapstok. Gedurende het nu volgende begint het donker te worden_). + +NORA. Dag dokter. Ik herkende uw belletje. Maar u moet nu niet bij +Torwald gaan, want ik geloof dat hij iets te doen heeft. + +RANK. En u? + +NORA (_terwijl hij de kamer binnen gaat en zij de deur achter hem +sluit_). O, dat weet u wel ... voor u heb ik altijd wel tijd. + +RANK. Dank u ... dat is lief van u. Daar zal ik gebruik van maken zoo +lang als ik kan. + +NORA. Wat meent u daarmee? Zoo lang als u kan? + +RANK. Schrikt u daarvan? + +NORA. Och, het is zoo'n wonderlijk zeggen. Denkt u dan dat er iets +gebeuren zal? + +RANK. Er zal iets gebeuren waar ik mij al lang op voorbereid heb. Maar +ik dacht toch nog niet dat het zoo gauw komen zou. + +NORA (_grijpt zijn arm_). Wat is dat? Wat weet u dan? Dokter, u moet het +mij zeggen! + +RANK (_gaat bij de kachel zitten_). Ik ga hard achteruit. Er is niets +meer aan te doen. + +NORA (_haalt verlicht adem_). Is er iets met u? + +RANK. Met wie anders? Het helpt niet of je jezelf wat voorliegt. Ik ben +de miserabelste van al mijn patienten. Ik heb dezer dagen mijn inwendige +balans eens opgemaakt. Bankroet. Binnen een maand lig ik waarschijnlijk +al te vergaan daarginder op het kerkhof. + +NORA. He foei, wat een leelijke dingen zegt u daar. + +RANK. Het is ook een vervloekt leelijk ding. Maar het ergste is dat er +zoo veel andere leelijke dingen vooraf moeten gaan. Ik heb nu nog maar +een onderzoek te doen; als ik daarmee klaar ben, weet ik zoo ongeveer +wanneer het op zijn eind loopt. En nu moet ik u iets zeggen. Helmer, met +zijn verfijnde natuur, heeft zoo'n sterk uitgedrukten afkeer van al wat +leelijk is, dat ik hem niet in mijn ziekekamer wil hebben. + +NORA. Maar dokter.... + +RANK. Ik wil er hem niet hebben, zeg ik u. In geen geval. Ik sluit mijn +deur voor hem.... Zoodra ik volle zekerheid heb van het ergste, zend ik +u een visitekaartje met een zwart kruis er op; dan weet u dat de ellende +van de laatste periode begonnen is. + +NORA. Neen maar, vandaag is u heusch niet te hebben! En ik, die juist +zoo hoopte, dat u in een heel goede bui zou zijn! + +RANK. Met den dood vlak voor oogen?... En op die manier te moeten boeten +voor de schuld van een ander. Is dat nu rechtvaardig?--En ieder gezin +wordt op een of andere manier door een dergelijke vergelding bezocht.... + +NORA (_houdt haar handen voor de ooren_). Praatjes! Vroolijk zijn! +Vroolijk! + +RANK. Ja, bij mijn ziel, 't is ook eigenlijk om te lachen, de heele +historie. Mijn arme onschuldige rug moet het ontgelden voor het +vroolijke luitenantsleven van mijn vader. + +NORA (_bij de tafel links_). Hij is immers zoo verzot op asperges en +pate-de-foie-gras. Is 't niet? + +RANK. Ja ... en op truffels. + +NORA. O ja, truffels. En op oesters ook, he? + +RANK. Ja, oesters; oesters, dat spreekt. + +NORA. En dan veel portwijn en champagne er bij.... 't Is toch treurig +dat al die lekkere dingen zoo ongezond zijn. + +RANK. Vooral als ze slecht nawerken op een ongelukkig lichaam dat er +niets van genoten heeft. + +NORA. Ja, dat is zeker wel het allertreurigste. + +RANK (_ziet haar uitvorsend aan_). Hum.... + +NORA. Waarom lacht u? + +RANK. Neen, _u_ lachte. + +NORA. Neen, 't was u die lachte, dokter! + +RANK (_staat op_). U is toch nog grooter ondeugd dan ik dacht. + +NORA. Ik heb van daag ook zoo'n lust om gekheid te maken. + +RANK. Dat lijkt wel zoo. + +NORA (_met beide handen op zijn schouder_). Lieve, beste dokter Rank, u +mag niet heengaan van Torwald en mij. + +RANK. Och, dat verdriet zou u wel gauw te boven zijn. Zij die heengaan +worden gauw vergeten. + +NORA (_ziet hem angstig aan_). Gelooft u dat? + +RANK. Men maakt nieuwe kennissen en krijgt nieuwe relaties, en dan.... + +NORA. Wie krijgt nieuwe relaties? + +RANK. Wel u en Helmer allebei, als ik weg ben. U is al goed op weg, +dunkt me. Wat had die mevrouw Linde hier nu te maken gisteren avond? + +NORA. Oho! U is toch bij geval niet jaloersch op die arme Kristine? + +RANK. Jawel, dat ben ik wel. Zij zal mijn opvolgster worden hier in +huis. Als ik afgedaan heb, zal dat mensch.... + +NORA. Sst; spreek zoo hard niet; zij is hiernaast. + +RANK. Van daag alweer? Ziet u nu wel! + +NORA. Alleen maar om wat aan mijn costuum te naaien. Lieve hemel, wat is +u onmogelijk! (_Gaat op de sofa zitten_). Wees nu eens lief, dokter; +morgen zal u eens zien hoe mooi ik zal dansen; en dan moet u maar denken +dat ik het heel alleen voor u doe ... nu ja, natuurlijk ook voor Torwald +... dat spreekt. (_Haalt enkele dingen uit de kartonnen doos_). Dokter, +gaat u nu eens hier zitten, dan zal ik u wat laten kijken. + +RANK (_gaat zitten_). Wat zijn dat? + +NORA. Kijk dan. Kijk! + +RANK. Zijden kousen! + +NORA. Vleeschkleurige. Zijn ze niet prachtig? Ja, 't is hier nu al zoo +donker; maar morgen.... Neen, neen, neen; u mag alleen maar de voeten +zien. Och ja, eigenlijk mag u de rest ook wel zien. + +RANK. Hm...! + +NORA. Waarom kijkt u zoo kritiesch? Denkt u soms dat ze mij niet passen? + +RANK. Daar kan ik onmogelijk eenige gegronde reden voor hebben. + +NORA (_kijkt hem een oogenblik aan_). Foei ... u moest u schamen. +(_Slaat met de kousen luchtig om zijn ooren_). Daar ... dat verdient u! +(_Pakt de kousen weer in_). + +RANK. En wat zijn er nog meer voor heerlijkheden die ik te zien krijg? + +NORA. U krijgt heelemaal niets meer te zien, want u is heel ondeugend. +(_Zij neuriet en rommelt zoo'n beetje in de doos_). + +RANK (_na een kort zwijgen_). Als ik hier nu zoo heel vertrouwelijk bij +u zit, dan begrijp ik niet ... neen, dan kan ik mij niet voorstellen ... +wat er van mij geworden zou zijn, als ik nooit bij u aan huis gekomen +was. + +NORA (_glimlachend_). Ja, ik geloof wel dat u het eigenlijk heel +gezellig bij ons vindt. + +RANK (_zachter, voor zich uitziende_). En dan dat alles te moeten +verlaten.... + +NORA. Praatjes.... U gaat ons niet verlaten. + +RANK (_als voren_). ... en niet eens een armzalig bewijs van dank te +kunnen achterlaten ... ternauwernood een vluchtig gemis... niets anders +dan een leege plaats, die door den eersten den besten ingenomen kan +worden. + +NORA. En als ik nu eens vroeg om...? Neen.... + +RANK. Om wat? + +NORA. Om een groot bewijs van uw vriendschap...? + +RANK. Ja ... ja? + +NORA. Neen ... ik meen ... om een ontzettend grooten dienst.... + +RANK. Zou u mij heusch voor een enkelen keer zoo gelukkig willen maken? + +NORA. Neen ... ik kan toch niet, dokter; het is zoo onmogelijk veel, +zoowel raad als hulp en een dienst!... + +RANK. Hoe meer hoe beter. 't Is mij onbegrijpelijk waarop u doelen kan. +Toe, zeg 't dan toch. Vertrouwt u mij dan niet? + +NORA. Ja, ik vertrouw u meer dan iemand anders. U is mijn beste vriend, +dat weet ik wel. Daarom zal ik het u ook zeggen. Hoort u eens: U moet +mij helpen om iets te verhinderen. U weet hoe innig, hoe dol veel +Torwald van mij houdt; geen oogenblik zou hij zich bedenken om zijn +leven voor mij op te offeren. + +RANK (_tot haar overbuigend_). Nora ... geloof je dan dat hij de eenige +is...? + +NORA (_met een schok_). Die...? + +RANK. Die graag zijn leven voor je opofferen zou? + +NORA (_droevig_). Och zoo. + +RANK. Ik heb het mijzelf beloofd dat je het weten zoudt voor ik +heenging. Een betere gelegenheid zal zich nooit weer voordoen. Ja, Nora +... nu weet je het. En nu weet je ook dat je op mij vertrouwen kunt +zooals op niemand anders. + +NORA (_staat op, kalm en onbewogen_). Laat mij eens even door. + +RANK (_maakt plaats voor haar maar blijft zitten_). Nora.... + +NORA (_in de deur naar het portaal_). Helene! breng de lamp eens binnen +(_gaat naar de kachel_). Ach, beste dokter, dat staat u nu eigenlijk +heel leelijk. + +RANK (_staat op_). Dat ik je even lief heb als een ander? Staat dat mij +leelijk? + +NORA. Neen, maar dat u het mij zegt. Dat was immers heelemaal niet +noodig.... + +RANK. Wat bedoel je? Wist je het dan? + +(_Het dienstmeisje komt binnen met de lamp, zet die op de tafel en gaat +weer heen_). + +RANK. Nora ... mevrouw Helmer ... ik vraag u of u er iets van geweten +heeft? + +NORA. Och, weet ik of ik iets geweten heb of niet! Dat kan ik u heusch +niet zeggen.... Dat u nu zoo onhandig zijn kon, dokter! Nu was alles zoo +goed. + +RANK. Nu, u heeft nu in elk geval de zekerheid dat ik met lichaam en +ziel tot uw beschikking ben. En wil u me nu zeggen wat het is? + +NORA (_kijkt hem aan_). Na wat u gezegd heeft? + +RANK. Ik smeek u, zeg mij nu wat het is. + +NORA. Neen, nu kan ik u niets meer zeggen. + +RANK. O ja, jawel.... Zoo moet u mij niet straffen. Toe, laat mij voor u +mogen doen wat een mensch bij machte is te doen. + +NORA. Nu kan u niets meer voor mij doen.... Och, ik zal ook wel geen +hulp noodig hebben. U zal zien dat het allemaal maar verbeelding van mij +was. Ja, dat is het stellig ... natuurlijk! (_gaat in de schommelstoel +zitten, kijkt hem aan, glimlacht_). U is me zoowaar een mooie meneer, +dokter! Is u nu eigenlijk niet een beetje beschaamd nu het licht op is? + +RANK. Neen; eigenlijk niet! Maar nu moet ik misschien wel weggaan ... +voor goed? + +NORA. Neen, dat mag u stellig niet doen. U moet natuurlijk hier blijven +komen net als altijd. U weet immers te goed dat Torwald u niet missen +kan. + +RANK. Ja ... maar u? + +NORA. O, ik vind het altijd dol prettig als u komt. + +RANK. Dat is het juist wat mij op een verkeerd spoor gelokt heeft. U is +mij een raadsel. Menigmaal leek het mij dat u net zoo graag met mij +samen was als met Helmer. + +NORA. Ja, ziet u, er zijn zoo enkele menschen van wie je het meest +houdt, en anderen met wie je bijna 't liefst wil samen zijn. + +RANK. Jawel, daar is wel iets van aan. + +NORA. Toen ik nog thuis was, hield ik natuurlijk het meeste van Papa. +Maar ik vond het altijd dol prettig om stilletjes bij de meiden te gaan +zitten; want die bedrilden mij nooit en die praatten altijd zoo amusant +onder elkaar. + +RANK. Aha; dus ik ben voor hen in de plaats gekomen. + +NORA (_springt op en gaat naar hem toe_). O lieve beste dokter, zoo +bedoelde ik 't nu heelemaal niet! Maar u kan wel begrijpen, dat het met +Torwald net is als met papa.... (_Het dienstmeisje komt binnen_). + +DIENSTMEISJE. Mevrouw! (_fluistert en reikt haar een kaartje over_). + +NORA (_kijkt even op het kaartje_). Och! (_steekt het in haar zak_). + +RANK. Is er iets onaangenaams? + +NORA. O neen ... neen ... volstrekt niet; het is maar iets ... het is +mijn nieuwe costuum.... + +RANK. Uw costuum? Dat ligt immers daar? + +NORA. O ja, dat; maar dit is een ander ... ik heb het besteld ... +Torwald mag het niet weten. + +RANK. Haha, daar hebben wij dus het groote geheim. + +NORA. Juist; gaat u maar naar hem toe, hij zit in de binnenkamer: hou +hem zoo lang aan de praat.... + +RANK. Wees gerust: ik zal hem wel vast houden. (_Af naar Helmer's +kamer_). + +NORA (_tegen het meisje_). Staat hij te wachten in de keuken? + +DIENSTMEISJE. Ja, hij is de achtertrap opgekomen.... + +NORA. Maar heb je hem dan niet gezegd dat er iemand binnen was? + +DIENSTMEISJE. Jawel, maar dat gaf niets. + +NORA. Wou hij niet weggaan? + +DIENSTMEISJE. Neen, hij gaat niet weg, voor hij mevrouw gesproken heeft. + +NORA. Laat hem dan maar binnen; maar zachtjes. Helene, het moet het +tegen niemand zeggen; het is een verrassing voor mijnheer. + +DIENSTMEISJE. Jawel mevrouw, ik begrijp het wel.... (_af_). + +NORA. Nu zal het vreeselijkste gebeuren. Het komt toch. Neen, neen, +neen, het kan niet ... het mag niet.... (_zij schuift den grendel voor +Helmer's deur. Het dienstmeisje doet de deur open voor Krogstad en sluit +die weer achter hem. Hij is gekleed voor de reis, in pels, +met-bont-gevoerde-laarzen en een bonten muts_). + +NORA (_vlak bij hem_). Spreek zachtjes; mijn man is thuis. + +KROGSTAD. Nou, dat doet er niet toe.... + +NORA. Wat wil u van mij? + +KROGSTAD. Dat u mij uitsluitsel geeft over iets. + +NORA. Gauw dan. Waarover? + +KROGSTAD. U weet natuurlijk dat ik ontslagen ben? + +NORA. Ik kon het niet verhinderen, meneer Krogstad. Ik heb mijn uiterste +best voor u gedaan; maar het hielp allemaal niets. + +KROGSTAD. Houdt uw man zoo weinig van u? Hij weet waaraan ik u kan +blootstellen, en toch waagt hij.... + +NORA. Hoe kan u denken dat hij er iets van weet! + +KROGSTAD. O neen, ik dacht ook eigenlijk wel van niet. Het leek zoo +weinig op mijn goeden Torwald Helmer om zoo manmoedig te zijn.... + +NORA. Mijnheer Krogstad, ik eisch respect voor mijn man. + +KROGSTAD. O zeker, alle verschuldigde respect. Maar aangezien mevrouw +het zoo angstvallig verborgen houdt, durf ik wel aannemen dat u ook +beter ingelicht is dan gisteren over wat u eigenlijk gedaan heeft? + +NORA. Beter althans dan u er mij van op de hoogte brengen kon. + +KROGSTAD. Ja, zoo'n slecht jurist als ik.... + +NORA. Wat wil u van mij? + +KROGSTAD. Alleen maar eens zien hoe u het maakte, mevrouw Helmer. Ik heb +den heelen dag rondgeloopen al maar denkende aan u. Een geld-inner, een +afgedankte klerk, een ... nou ja, enfin, zoo'n mensch als ik, heeft ook +nog zoo iets wat ze een hart noemen, ziet u. + +NORA. Bewijs dat dan; denk aan mijn kinderen. + +KROGSTAD. Heeft u of uw man aan de mijnen gedacht? Maar dat is tot +daaraan toe. Ik wou u alleen maar dit zeggen, dat u die zaak niet al te +ernstig behoeft op te nemen. Van mijn kant zal ik vooreerst geen +aangifte doen. + +NORA. O neen ... niet waar ... dat wist ik wel! + +KROGSTAD. De heele zaak kan in der minne geschikt worden; het hoeft +heelemaal niet onder de menschen te komen; het blijft tusschen ons +drieen. + +NORA. Mijn man mag er nooit iets van te weten komen. + +KROGSTAD. Hoe zal u dat kunnen voorkomen? Kan u misschien betalen wat er +nog staat? + +NORA. Neen, niet zoo dadelijk. + +KROGSTAD. Of weet u soms een middel om aan geld te komen een dezer +dagen? + +NORA. Geen middel waarvan ik gebruik maken wil. + +KROGSTAD. Nu, het zou u toch niets gebaat hebben. Al stond u hier voor +mij met nog zooveel contanten in uw hand, u kreeg uw schuldbekentenis +toch niet van mij terug. + +NORA. Maar zeg mij dan toch wat u er mee doen wil? + +KROGSTAD. Ik wil dat papier alleen maar bewaren ... het onder mij +houden. Niemand buiten ons zal er iets van weten. Mocht u dus rondloopen +met een of ander wanhopig voornemen.... + +NORA. Dat doe ik. + +KROGSTAD ... als u er soms over denken mocht van huis en haard weg te +loopen.... + +NORA. Dat doe ik! + +KROGSTAD. Of ... over iets ergers nog.... + +NORA. Hoe weet u dat? + +KROGSTAD. ... laat u dat voornemen dan varen. + +NORA. Hoe kan u weten dat ik over zoo iets denk? + +KROGSTAD. De meesten denken in den eersten schrik daar over. Ik dacht er +ook over, maar, och god, ik had er den moed niet toe.... + +NORA. Ik ook niet. + +KROGSTAD (_verlicht_). Neen, niet waar; u heeft er ook den moed niet toe +... u ook niet.... + +NORA. Neen ... neen ... ik heb er den moed niet toe! + +KROGSTAD. Het zou ook een groote dwaasheid zijn. Als de eerste +huiselijke storm maar over is.... Ik heb hier in mijn zak een brief aan +uw man.... + +NORA. En staat het daar allemaal in? + +KROGSTAD. In de zachts mogelijke termen uitgedrukt. + +NORA (_snel_). Die brief mag niet in zijn handen komen! Verscheur hem! +Ik zal toch het geld wel zien te krijgen. + +KROGSTAD. Pardon mevrouw, maar ik meen u daar straks gezegd te +hebben.... + +NORA. O ik spreek niet van het geld dat ik u nog schuldig ben. Zeg mij +hoeveel geld u van mijn man verlangt, dan zal ik het u bezorgen. + +KROGSTAD. Ik verlang geen geld van uw man. + +NORA. Wat verlangt u dan? + +KROGSTAD. Dat zal ik u zeggen. Ik wil er weer boven op, mevrouw, ik wil +vooruit, en daarin moet uw man mij behulpzaam zijn. Sedert anderhalf +jaar heb ik niets gedaan waarop iets te zeggen valt. Ik heb al dien tijd +nagenoeg gebrek geleden, maar ik was tevreden met er mij stap voor stap +boven op te werken. En nu ben ik weggejaagd. Maar nu neem ik er geen +genoegen meer mee alleen uit genade weer te worden aangenomen. Ik wil +vooruit zeg ik u. Ik wil weer bij de Bank terugkomen ... maar in een +hoogere positie; uw man moet maar een betrekking voor mij creeren. + +NORA. Dat doet hij van zijn leven niet! + +KROGSTAD. Dat doet hij wel; ik ken hem. Hij durft niet te kikken. En ben +ik er maar eerst weer in, met hem, dan zal u eens wat zien! Binnen het +jaar ben ik de rechterhand van den directeur. En dan zal Nils Krogstad +de man zijn, die de zaken leidt aan de Bank en niet Torwald Helmer. + +NORA. Maar dat zal u nooit beleven! + +KROGSTAD. Wil u soms...? + +NORA. Nu heb ik er den moed toe. + +KROGSTAD. O, u maakt mij niet bang! Een fijn verwend dametje als u.... + +NORA. U zal het zien; u zal het zien! + +KROGSTAD. Onder het ijs misschien? In het diepe, ijskoude, pikzwarte +water? En dan in het voorjaar boven komen drijven, leelijk, +onherkenbaar, met uitgevallen haar...? + +NORA. U maakt mij toch niet bang. + +KROGSTAD. Maar u maakt mij ook niet bang. Zoo iets doet men niet, +mevrouw Helmer. Bovendien, waartoe zou het dienen? Ik heb hem nu immers +toch in mijn macht. + +NORA. Daarna? Als ik er niet meer...? + +KROGSTAD. Vergeet u dan, dat ik ook dan nog over uw goeden naam kan +beschikken? + +NORA (_staat sprakeloos ... ziet hem aan_). + +KROGSTAD. Zoo ... nu weet u er alles van. Bega dus geen dwaasheden. Als +Helmer mijn brief ontvangen heeft, wacht ik bericht van hem. En onthoud, +dat het uw man zelf is die mij weer dwingt tot dergelijke praktijken. +Dat vergeef ik hem nooit! Vaarwel mevrouw! (_af door het portaal_). + +NORA (_bij de deur ... opent die op een kier en luistert_). Hij gaat weg +... geeft den brief niet af.... O, neen ... neen, dat zou ook al te erg +zijn! (_opent de deur hoe langer hoe verder_). Wat is dat nu?... Hij +blijft buiten staan ... gaat nog niet naar beneden. Zou hij zich +bedenken? Zou hij.... (_er valt een brief in de bus; daarop hoort men +Krogstad de trappen afgaan_). + +NORA (_met een gesmoorden kreet, loopt door de kamer naar de sofa ... +kleine pauze_). In de brievenbus. (_Sluipt schuw naar de buitendeur_). +Daar ligt hij ... Torwald, Torwald ... nu is er geen uitkomst meer! + +MEVR. LINDE (_komt met het costuum uit de kamer links_). Nu weet ik er +verder niets meer aan te doen. Wil je het misschien eens passen? + +NORA (_heesch en zachtjes_). Kristine, kom eens hier. + +MEVR. LINDE (_legt de japon op de sofa neer_). Wat is er? Je ziet er +heelemaal ontdaan uit. + +NORA. Kom eens hier. Zie je dien brief? Daar, kijk, achter het glas van +de brievenbus. + +MEVR. LINDE. Jawel; ik zie hem wel. + +NORA. Dat is een brief van Krogstad.... + +MEVR. LINDE. Nora ... het is Krogstad die je het geld geleend heeft! + +NORA. Ja, en nu komt Torwald alles te weten. + +MEVR. LINDE. O, geloof mij, Nora, dat is voor jullie allebei het beste. + +NORA. Er is nog veel meer dan je weet. Ik heb een valsche handteekening +gemaakt. + +MEVR. LINDE. Groote hemel...! + +NORA. Nu wil ik je een ding zeggen, Kristine, jij moet mijn getuige +zijn. + +MEVR. LINDE. Hoezoo je getuige? Wat moet ik...? + +NORA. Als ik soms gek worden mocht ... en dat zou wel eens kunnen +gebeuren.... + +MEVR. LINDE. Nora! + +NORA. Of als er iets anders met mij gebeurde ... iets ... waardoor ik +niet hier kon zijn.... + +MEVR. LINDE. Nora, Nora, je bent buiten jezelf! + +NORA. Als er dan iemand was die alles op zich wou nemen, de schuld van +alles, begrijp je.... + +MEVR. LINDE. Ja ... Ja ... maar hoe kan je denken? + +NORA. Dan moet jij getuigen, dat het niet waar is, Kristine. Ik ben +volstrekt niet buiten mezelf; ik ben bij mijn volle verstand nu; ik +alleen heb het allemaal gedaan. Onthoud dat goed. + +MEVR. LINDE. Zeker zal ik dat. Maar ik begrijp er niets van. + +NORA. Och, hoe zou jij dat ook kunnen begrijpen? Wat nu gebeuren zal, +dat is juist het wonderbare. + +MEVR. LINDE. Het wonderbare? + +NORA. Ja, het wonderbare. Maar dat is zoo vreeselijk, Kristine; dat mag +niet gebeuren, om alles in de wereld niet! + +MEVR. LINDE. Ik zal terstond met Krogstad gaan spreken. + +NORA. Ga niet naar hem toe; hij zou je kwaad doen! + +MEVR. LINDE. Er is een tijd geweest dat hij graag alles, wat het ook +was, voor mij zou gedaan hebben. + +NORA. Hij? + +MEVR. LINDE. Waar woont hij? + +NORA. Och, ik weet 't niet ... ja toch (_tast in haar zak_). hier is +zijn kaartje. Maar de brief, de brief!... + +HELMER (_in zijn kamer, klopt op de deur_). Nora! + +NORA (_gilt van angst_). Wat is er? Wat wou je van me? + +HELMER. Nou, nou, schrik maar zoo niet! We komen immers niet binnen; je +hebt den grendel op de deur gedaan; ben je soms aan het passen? + +NORA. Ja, ja; ik ben aan het passen. Het wordt zoo mooi, Torwald! + +MEVR. LINDE (_die het kaartje heeft gelezen_). Hij woont hier vlak bij, +even den hoek om. + +NORA. Och ja; maar het helpt immers toch niets. Wij zijn verloren. De +brief ligt in de bus. + +MEVR. LINDE. En heeft je man den sleutel? + +NORA. Ja, altijd. + +MEVR. LINDE. Krogstad moet zijn brief ongelezen terug vragen, hij moet +maar een voorwendsel zien te vinden.... + +NORA. Maar juist om dezen tijd gaat Torwald altijd.... + +MEVR. LINDE. Houdt hem dan op; ga zoolang bij hem binnen. Ik kom zoo +gauw mogelijk terug (_gaat snel heen door het portaal_). + +NORA (_gaat naar Helmer's deur, opent die en kijkt naar binnen_). +Torwald! + +HELMER (_in de binnenkamer_). Zoo mag een mensch eindelijk weer zijn +eigen kamer binnen gaan? Kom Rank, nu krijgen we wat te zien.... (_in de +deur_). Wat is dat nu? + +NORA. Wat Torwald-lief? + +HELMER. Rank had mij voorbereid op een prachtige verkleedpartij. + +RANK (_in de deur_). Ik had dat zoo begrepen, maar dan heb ik mij zeker +vergist. + +NORA. Neen, niemand krijgt mij te bewonderen in al mijn pracht voor +morgen. + +HELMER. Maar lieve Nora, je ziet er zoo moe uit. Heb je te lang +gerepeteerd? + +NORA. Neen, ik heb nog heelemaal niet gerepeteerd. + +HELMER. Dat zal toch noodig zijn. + +NORA. Ja, dat is zeker noodig, Torwald. Maar ik kan er zonder jouw hulp +niet komen; ik heb het allemaal glad vergeten. + +HELMER. O, we zullen dat wel gauw weer eens opknappen. + +NORA. Ja, help mij weer eens een beetje op gang, Torwald. Beloof je mij +dat? Ik ben zoo bang. Al die menschen.... Je moet je van avond eens +geheel aan mij wijden. Niets van zaken of zoo, geen pen in de hand +nemen. He? Doe je 't Torwald-lief? + +HELMER. Dat beloof ik je; van avond zal ik gansch en al tot je +beschikking zijn, jij klein hulpeloos ding!... Hm, ja ... een ding moet +ik toch eerst.... (_gaat naar de buitendeur_). + +NORA. Wat wil je daar nu doen? + +HELMER. Alleen maar eens kijken of er geen brieven gekomen zijn. + +NORA. Neen, neen, niet doen, Torwald! + +HELMER. Wat moet dat? + +NORA. Toe, Torwald, er zijn er geen. + +HELMER. Laat mij toch even zien (_wil gaan_). + +NORA (_bij de piano, slaat de eerste maten van de Tarantella aan_). + +HELMER (_bij de deur ... blijft staan_). Aha! + +NORA. Ik kan morgen niet dansen als ik niet met jou gerepeteerd heb. + +HELMER (_gaat naar haar toe_). Ben je heusch zoo bang, kindje-lief? + +NORA. Ja, onwijs bang. Laat ons nu dadelijk even repeteeren; er is nog +net tijd voor wij aan tafel gaan. Toe, ga nu aan de piano zitten en +accompagneer mij; wijs mij terecht en dirigeer mij, zooals vroeger. + +HELMER. Graag ... als je het verlangt (_gaat voor de piano zitten_). + +NORA (_ haalt de tamboerijn uit de doos en ook een lange kleurige +echarpe waarin zij zich haastig drapeert; dan doet zij een sprong +vooruit en roept:_) Speel nu! Dan zal ik dansen! + +(_Helmer speelt en Nora danst; dokter Rank staat bij de piano, achter +Helmer, en ziet toe_). + +HELMER (_spelend_). Langzamer, langzamer! + +NORA. 'k Kan niet anders! + +HELMER. Niet zoo woest, Nora! + +NORA. Zoo moet het juist! + +HELMER (_houdt op_). Neen, neen, neen ... dat gaat heelemaal niet. + +NORA (_lacht en zwaait met de tamboerijn_). Heb ik het niet gezegd? + +RANK. Laat mij eens voor haar spelen. + +HELMER (_staat op_). Ja, dat 's goed; dan kan ik haar beter dirigeeren. + +(_Rank gaat voor de piano zitten en speelt; Nora danst hoe langer hoe +wilder. Helmer is bij de kachel gaan staan en roept haar voortdurend +terechtwijzingen en aanmerkingen toe; zij schijnt ze niet te hooren; +haar haar gaat los en valt over haar schouders; zij merkt het niet op en +danst maar door. Mevrouw Linde komt binnen_). + +MEVR. LINDE (_blijft verstomd staan in de deur_). Ah...! + +NORA (_onder het dansen door_). 't Is hier een vroolijke partij, +Kristine! + +HELMER. Maar liefste Nora, je danst alsof je leven op het spel stond.... + +NORA. Dat doet het ook. + +HELMER. Rank, houd op; dit is gewoon gekkenwerk. Toe, schei uit. (_Rank +houdt op met spelen, en Nora staat plotseling stil_). + +HELMER (_naar haar toegaand_). Dat had ik nu toch nooit gedacht. Je hebt +alles vergeten wat ik je geleerd heb. + +NORA (_gooit de tamboerijn neer_). Nu zie je het zelf. + +HELMER. Ja, je mag nog wel eens een lesje hebben. + +NORA. Je ziet hoe noodig het is. Je moet tot het laatst toe met me +repeteeren. Beloof je mij dat Torwald? + +HELMER. Daar kan je vast op rekenen. + +NORA. Je moet je noch vandaag noch morgen, met iets anders bemoeien dan +met mij; je moet geen brief open maken ... zelfs de brievenbus niet.... + +HELMER. Ah ... dat is nog de angst voor dien kerel.... + +NORA. O ja ... dat ook. + +HELMER. Nora, ik zie het aan je gezicht, er ligt al een brief van hem. + +NORA. Ik weet 't niet; ik geloof 't; maar je mag nu zoo iets niet lezen. +Er mag niets leelijks tusschen ons komen voor alles voorbij is. + +RANK (_zacht tegen Helmer_). Doe haar zin nu maar. + +HELMER (_slaat zijn armen om haar heen_). Nou, 't kindje zal haar zin +hebben. Maar morgen avond, als je gedanst hebt.... + +NORA. Dan ben je vrij. + +DIENSTMEISJE (_in de deur rechts_). Mevrouw, het eten is opgedaan. + +NORA. Breng een flesch Champagne, Helene. + +DIENSTMEISJE. Ja, mevrouw. (_af_) + +HELMER. Zoo, zoo ... groot feest dus? + +NORA. Een champagne-fuif tot aan den lichten morgen! (_Roept in het +portaal_). En ook wat bonbons, Helene, een heelen boel ... voor dezen +keer! + +HELMER (_grijpt haar handen_). Kalm, kalm, kalm, kindje; niet zoo woest +opgewonden. Wees nu weer mijn lieve kleine leeuwerik, zooals anders. + +NORA. Ja, ja strakjes. Maar ga nu maar naar binnen, en u ook dokter. +Kristine, jij moet me even helpen mijn haar weer op te steken. + +RANK (_zacht, terwijl zij weggaan_). Is er soms iets ... iets aan de +hand? + +HELMER. Och wel neen! beste kerel; het is alleen die kinderachtige +angst, waarvan ik je vertelde. (_Zij gaan rechts af_). + +NORA. Wel!? + +MEVR. LINDE. Uit de stad. + +NORA. Ik zag het aan je. + +MEVR. LINDE. Morgen avond komt hij thuis. Ik liet een briefje achter. + +NORA. Dat hadt je wel kunnen laten. Je moet niet meer trachten iets +tegen te houden. Eigenlijk is het toch iets heerlijks dat wachten op de +komst van het wonderbare. + +MEVR. LINDE. Wat is dat toch waar je op wacht? + +NORA. Och, dat kan jij toch niet begrijpen. Ga vast naar hen toe; ik kom +dadelijk ook. (_Mevr. Linde gaat naar de eetkamer_). + +NORA (_staat even stil als om tot zichzelf te komen; dan kijkt zij op de +klok_). Vijf uur. Nog zeven uur eer het middernacht is. Dan nog +vier-en-twintig uur tot morgen nacht. Dan is de Tarantella uit. +Vier-en-twintig en zeven? Dus nog een-en-dertig uren te leven. + +HELMER (_in de deur rechts_). Maar waar blijft mijn leeuwerikje dan +toch? + +NORA (_met open armen naar hem toe_). Hier is je leeuwerikje! + + +EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF. + + +[Illustratie: Mejuffr. Rika Hopper als Nora (einde van het 2de Bedrijf)] + + + * * * * * + + +DERDE BEDRIJF. + + Zelfde kamer. De canape-tafel staat midden in de kamer met stoelen + er om heen. Brandende lamp op tafel. De deur naar het portaal staat + open. Van de bovenverdieping klinkt dansmuziek. + + Mevr. Linde zit aan de tafel en bladert in een boek; probeert te + lezen, maar schijnt haar gedachten er niet bij te kunnen houden. + Een paar maal luistert zij gespannen naar den kant van de + buitendeur. + + * * * * * + +MEVR. LINDE (_kijkt op de klok_). Nog al niet. En 't wordt toch hoog +tijd. Als hij maar niet.... (_luistert weer_). Ah! daar is hij. (_Zij +gaat naar het portaal en opent voorzichtig de buitendeur; men hoort +zachtjes loopen op de trap; zij fluistert_): Kom binnen. Er is niemand. + +KROGSTAD (_in de deur_). Ik vond thuis een briefje van u. Wat beteekent +dat? + +Mevr. LINDE. Ik moet U noodzakelijk spreken. + +KROGSTAD. En moest dat volstrekt hier in huis gebeuren? + +MEVR. LINDE. Bij mij thuis kon het niet; mijn kamer heeft geen +afzonderlijken opgang. Kom binnen; we zijn heel alleen; de meiden slapen +en de Helmers zijn op 't bal hier boven. + +KROGSTAD (_gaat de kamer binnen_). Kijk eens aan! Dansen de Helmers van +avond? + +MEVR. LINDE. Ja, waarom niet? + +KROGSTAD. Och ja; waarom ook niet? + +MEVR. LINDE. Zeg, Krogstad, laat ons nu eens samen praten. + +KROGSTAD. Hebben wij elkaar dan nog iets te zeggen? + +MEVR. LINDE. Ja. Wij hebben elkaar heel veel te zeggen. + +KROGSTAD. Ik dacht van niet. + +MEVR. LINDE. Omdat je mij nooit goed begrepen hebt. + +KROGSTAD. Was er dan nog iets anders te begrijpen dan dat wat zoo +dood-gewoon is in de wereld? Een vrouw zonder hart, die een man laat +loopen, als er zich iets anders voordoet dat voordeeliger is? + +MEVR. LINDE. Geloof je dat ik zoo heelemaal zonder hart ben? En geloof +je dat ik het zoo maar luchtig-weg afmaakte? + +KROGSTAD. Deed je dat dan niet? + +MEVR. LINDE. Krogstad heb je dat waarlijk gedacht? + +KROGSTAD. Als het niet zoo was waarom schreef je mij dan zoo als je +deedt? + +MEVR. LINDE. Ik kon immers niet anders. Als ik 't met jou afmaakte, was +het toch ook mijn plicht alles bij je uit te roeien wat je voor mij +voelde. + +KROGSTAD (_wringt de handen_). Zoo was het dus gemeend. En dat alles ... +alles alleen om het geld! + +MEVR. LINDE. Je moet niet vergeten dat ik een zieke, hulpbehoevende +moeder had en twee kleine broertjes. Wij konden niet op je wachten, +Krogstad. Je hadt toen immers nog heelemaal geen vooruitzichten. + +KROGSTAD. Al was het zoo, dan hadt je toch niet het recht mij te +verstooten voor een ander. + +MEVR. LINDE. Ik weet het niet. Menigmaal heb ik mij afgevraagd of ik het +recht er toe had. + +KROGSTAD (_zachter_). Toen je mij losliet, was het of de grond onder +mijn voeten weggleed. En zie nu eens wat er van mij geworden is: een +schipbreukeling op een wrak. + +MEVR. LINDE. Er kon wel hulp nabij zijn. + +KROGSTAD. Die was nabij; maar toen ben jij tusschenbeiden gekomen. + +MEVR. LINDE. Buiten mijn weten, Krogstad. Pas van daag heb ik gehoord +dat ik in jouw plaats kom bij de Bank. + +KROGSTAD. Ik geloof 't als je het zegt. Maar nu je het weet, trek je je +nu terug? + +MEVR. LINDE. Neen, want dat zou je toch niets baten. + +KROGSTAD. Baten, baten ... ik zou het toch graag willen. + +MEVR. LINDE. Ik heb geleerd met overleg te handelen. Het leven en de +harde, bittere noodzakelijkheid hebben mij dat geleerd. + +KROGSTAD. En het leven heeft mij geleerd niet aan mooie woorden te +gelooven. + +MEVR. LINDE. Dan heeft het leven je iets heel verstandigs geleerd. Maar +aan daden mag je toch gelooven? + +KROGSTAD. Wat meen je daarmee? + +MEVR. LINDE. Je zei, dat je stond als een schipbreukeling op een wrak. + +KROGSTAD. En ik had alle reden om dat te zeggen. + +MEVR. LINDE. Ik zit ook als een schipbreukelinge op een wrak. Niemand om +voor te zorgen en niemand die om mij geeft. + +KROGSTAD. Je hebt zelf gekozen. + +MEVR. LINDE. Ik had toen geen andere keus. + +KROGSTAD. Nou ... maar wat wou je zeggen? + +MEVR. LINDE. Krogstad, als wij twee schipbreukelingen nu eens tot elkaar +konden komen? + +KROGSTAD. Wat zeg je?! + +MEVR. LINDE. Twee menschen samen op een wrak zijn er toch beter aan toe, +dan ieder afzonderlijk op het zijne. + +KROGSTAD. Kristine! + +MEVR. LINDE. Waarvoor denk je dat ik in de stad gekomen ben? + +KROGSTAD. Zou je waarlijk een gedachte voor mij gehad hebben? + +MEVR. LINDE. Ik moet werken om het leven te kunnen dragen. Al mijn +levensdagen, zoo lang ik mij herinneren kan, heb ik gewerkt, en dat is +mijn grootste en eenige genot geweest. Maar nu sta ik heel alleen in de +wereld, zoo ontzettend leeg en verlaten. Alleen voor je zelf te werken +geeft geen genot. Krogstad, geef mij iemand en iets om voor te werken. + +KROGSTAD. Dat kan ik niet gelooven. Dat is alleen maar de +zelfverheerlijkende overspanning van een vrouw, die zich opofferen wil. + +MEVR. LINDE. Heb je ooit gemerkt dat ik overspannen was? + +KROGSTAD. Zou je dat waarlijk willen doen? Zeg eens eerlijk ... weet je +alles van mijn verleden? + +MEVR. LINDE. Ja. + +KROGSTAD. En weet je ook voor wat ik hier doorga? + +MEVR. LINDE. Je zei daar straks iets, alsof je meende dat je met mij een +ander mensch hadt kunnen worden. + +KROGSTAD. Dat weet ik zeker. + +MEVR. LINDE. Zou dat niet nu nog kunnen gebeuren? + +KROGSTAD. Kristine ... zeg je dat na rijp overleg? Ja ... dat doe je. Ik +zie het je aan. Heb je er waarlijk moed toe? + +MEVR. LINDE. Ik heb behoefte voor iemand een moeder te zijn en je +kinderen hebben behoefte aan een moeder. Wij beiden hebben behoefte aan +elkaar. Krogstad, ik geloof in het goede in je;... ik durf gerust verder +met jouw door het leven te gaan. + +KROGSTAD (_grijpt haar handen_). Dankje, dankje, Kristine! O, nu zal ik +mij ook in de oogen van anderen weer kunnen oprichten ... O maar ik +vergat.... + +MEVR. LINDE (_luistert_). Sst! De Tarantella! Ga nu weg, gauw! + +KROGSTAD. Waarom? Wat is dat? + +MEVR. LINDE. Hoor je dat dansen hier boven? Als dat uit is, kunnen ze +ieder oogenblik terugkomen. + +KROGSTAD. O ja ... ik zal heengaan. 't Is toch alles vergeefs. Je weet +natuurlijk niet wat ik tegen de Helmers op touw gezet heb. + +MEVR. LINDE. Ja wel, Krogstad, ik weet het. + +KROGSTAD. En toch heb je moed?... + +MEVR. LINDE. Ik begrijp best waartoe de wanhoop een man als jij bent, +drijven kan. + +KROGSTAD. O, 'k wou dat ik het ongedaan kon maken! + +MEVR. LINDE. Dat zou je wel kunnen; want je brief ligt nog in de bus. + +KROGSTAD. Weet je dat zeker? + +MEVR. LINDE. Heel zeker; maar.... + +KROGSTAD (_ziet haar uitvorschend aan_). Moet ik het misschien zoo +verstaan, dat je je vriendin redden wilt tot elken prijs? Zeg het dan +liever ronduit. Is dat zoo? + +MEVR. LINDE. Krogstad, wie zich eens ter wille van anderen verkocht +heeft, doet het niet voor een tweeden keer. + +KROGSTAD. Ik zal mijn brief terug vragen. + +Mevr. LINDE. Neen, neen.... + +KROGSTAD. Jawel, natuurlijk; ik blijf hier tot Helmer beneden komt; dan +zeg ik hem dat hij mij dien brief terug geven moet ... dat ik het daarin +alleen heb over mijn ontslag ... dat hij hem niet moet lezen.... + +MEVR. LINDE. Neen, Krogstad, je moet dien brief niet terug vragen. + +KROGSTAD. Maar was het eigenlijk niet daarom dat je mij hier besteld +hadt? + +MEVR. LINDE. Jawel, in den eersten schrik; maar er ligt nu een heel +etmaal tusschen, en ik heb in dien tijd ongelooflijke dingen bijgewoond, +hier in huis. Helmer moet alles weten; dat onzalige geheim moet aan het +licht komen; het moet tot een volledige verklaring tusschen die twee +komen; het kan onmogelijk zoo blijven voortgaan met al die +verborgenheden en uitvluchten. + +KROGSTAD. Nu goed dan; als jij het er op wagen wilt. Maar een ding kan +ik in elk geval doen, en dat zal terstond gedaan worden.... + +MEVR. LINDE (_luistert_). Haast je! Ga gauw! de dans is uit; wij zijn +geen oogenblik langer veilig. + +KROGSTAD. Ik zal beneden op je wachten. + +MEVR. LINDE. Ja, dat 's goed. Dan kan je mij thuis brengen. + +KROGSTAD. Zoo onbegrijpelijk gelukkig ben ik nog nooit in mijn leven +geweest. (_hij gaat de buitendeur uit; de kamerdeur blijft half open +staan_). + +MEVR. LINDE (_reddert een beetje op en legt haar hoed en mantel klaar_). +Wat een omkeer! Ja, wat een omkeer! Menschen om voor te werken ... om +voor te leven; een thuis dat ik gezellig maken kan. Nu, ik zal ferm +moeten aanpakken. Als ze nu maar gauw kwamen.... (_luistert_). Aha! daar +zijn ze. Gauw mijn hoed aan (_neemt hoed en mantel op_). + +(_Men hoort de stemmen van Helmer en Nora buiten; een sleutel wordt +omgedraaid en Helmer duwt Nora bijna met geweld het portaal in. Zij +draagt het Italiaansche costuum met een grooten zwarten doek over alles +heen; hij is in rok-en-witte-das met een open zwarte domino er over +heen_). + +NORA (_nog in de deur, tegenstribbelend_). Neen, neen, neen; niet naar +binnen! Ik wil weer naar boven. Ik wil nog niet zoo vroeg weggaan. + +HELMER. Maar liefste Nora.... + +NORA. He toe, Torwald, ik bid je, ik smeek je, nog maar een enkel +uurtje! + +HELMER. Geen minuut langer, mijn lieve Nora. Je weet dat was de +afspraak. Kom, ga naar binnen; als je hier blijft staan vat je kou (_hij +dringt haar trots haar tegenstribbelen zachtjes de kamer in_). + +MEVR. LINDE. Goeden avond. + +NORA. Kristine! + +HELMER. Wat, mevrouw, is u nog zoo laat hier? + +MEVR. LINDE. Ja, neem mij niet kwalijk; ik wou Nora zoo graag in haar +costuum zien. + +NORA. Heb je hier op mij zitten wachten? + +MEVR. LINDE. Ja, ik kwam helaas een beetje te laat; je was al naar +boven; en toen vond ik dat ik toch niet weggaan kon zonder je gezien te +hebben. + +HELMER (_neemt Nora den doek af_). Ja, bekijk haar maar eens goed. Mij +dunkt zij is het bekijken waard. Is zij niet prachtig, mevrouw? + +MEVR. LINDE. Ja, dat moet ik toegeven.... + +HELMER. Is zij niet buitengewoon mooi? Dat was ook op de partij de +algemeene opinie. Maar vreeselijk eigenzinnig is zij ... dat lieve +kleine dingske. Wat zullen wij er aan doen? Wil u wel gelooven dat ik +haast geweld moest gebruiken om haar weg te krijgen? + +NORA. O Torwald, het zal je nog berouwen dat je mij nog niet, zal was 't +maar een half uurtje, hebt gegund. + +HELMER. Daar hoort u 't nu. Zij danst haar Tarantella ... wordt +stormachtig toegejuicht ... wat ook wel verdiend was ... hoewel de +uitvoering misschien wel wat al te realistisch was ... ik bedoel, wel +iets meer dan streng genomen strookte met de eischen van de kunst. Maar +enfin. De hoofdzaak is dat zij succes heeft, groot succes. Mocht ik haar +nu daarna nog laten blijven? Den indruk verzwakken? Neen ... dank je +wel; ik nam mijn Capri-meisje ... mijn capricieus Capri-meisje zou ik +kunnen zeggen ... aan mijn arm; gauw even de zaal rond ... buigen naar +alle kanten ... en, zooals het in de boeken heet ... de mooie +verschijning was verdwenen. Een slot moet altijd effectvol zijn; maar +dat kan ik Nora maar niet aan het verstand brengen. Poeh! wat is het +hier warm! (_hij gooit zijn domino op een stoel neer en doet de deur +naar zijn kamer open_). Wat? Hier is het nog donker. O ja, natuurlijk. +Pardon.... (_hij gaat naar binnen en steekt een paar kaarsen aan_). + +NORA (_fluistert snel en ademloos_). Wel? + +MEVR. LINDE (_zacht_). Ik heb hem gesproken. + +NORA. En...? + +MEVR. LINDE. Nora ... je moet je man alles zeggen. + +NORA (_toonloos_). Ik wist 't wel. + +MEVR. LINDE. Je hebt niets te vreezen van Krogstad; maar zeggen moet je +'t. + +NORA. Ik zeg niets. + +MEVR. LINDE. Dan zal de brief het doen. + +NORA. Dankje, Kristine: ik weet nu wat mij te doen staat. Sst!... + +HELMER (_komt binnen_). Wel, mevrouw, heeft u haar nu bewonderd? + +MEVR. LINDE. Ja; en nu ga ik u goeden nacht wenschen. + +HELMER. Wat? nu al! Is dat van u, dat breiwerk? + +MEVR. LINDE (_neemt het op_). Ja, dank u; dat had ik bijna vergeten. + +HELMER. Dus u breit? + +MEVR. LINDE. O ja. + +HELMER. Weet u wat, u moest liever borduren. + +MEVR. LINDE. Zoo? Waarom? + +HELMER. Omdat 't zooveel mooier is. Ziet u maar; men houdt een +borduurwerk zoo, in de linkerhand, en dan haalt men met de rechterhand +de naald er door ... zoo ... in een luchtige, lange bocht ... niet +waar?... + +MEVR. LINDE. Jawel, dat kan wel zijn.... + +HELMER. Daarentegen kan breien nooit anders dan onschoon zijn; kijk +maar: die vastgeklemde armen ... de breinaalden die op en neer gaan ... +daar is iets Chineesch in die beweging.... Ja, dat was waarlijk +uitstekende Champagne die ze daar schonken. + +MEVR. LINDE. Goeden nacht Nora, en wees niet meer eigenzinnig. + +HELMER. Goed gezegd, mevrouw Linde! + +MEVR. LINDE. Goeden nacht, mijnheer Helmer. + +HELMER (_geleidt haar tot aan de deur_). Goeden nacht, goeden nacht; ik +hoop dat u goed thuiskomen zal? Ik zou u graag ... maar u woont nog al +niet ver hier van daan. Goeden nacht, goeden nacht. (_Zij gaat weg; hij +sluit de deur en komt weer binnen_). Zie zoo; eindelijk hebben we haar +dan toch de deur uit. Ze is schromelijk vervelend, dat mensch. + +NORA. Ben je niet moe, Torwald? + +HELMER. Neen, in 't minst niet. + +NORA. Heb je geen slaap ook? + +HELMER. Heelemaal niet: ik voel me integendeel bizonder opgewekt. Maar +jij? Ja, jij ziet er echt moe en slaperig uit. + +NORA. Ja, ik ben erg moe. Ik zal maar gauw gaan slapen. + +HELMER. Zie je nu wel! Ik had dus toch wel gelijk om maar niet langer te +blijven. + +NORA. O, het is altijd goed wat je doet. + +HELMER (_kust haar op het voorhoofd_). Nu spreekt mijn leeuwerikje als +een groot mensch. Maar heb je opgelet hoe jolig Rank vanavond was? + +NORA. Zoo? Was hij vroolijk? Ik heb hem niet gesproken. + +HELMER. Ik ook bijna niet; maar ik heb hem in lang niet in zoo'n goede +bui gezien, (_kijkt haar een poosje aan; komt dan dichterbij haar_). Hm +... het is toch maar heerlijk om weer bij je eigen thuis te komen ... om +heel alleen met jou te zijn ... o jij verrukkelijk, heerlijk jong +vrouwtje. + +NORA. Kijk mij niet zoo aan, Torwald! + +HELMER. Mag ik niet kijken naar het liefste wat ik heb? Naar al die +heerlijkheid die van mij is, van mij alleen, heelemaal en uitsluitend +van mij. + +NORA (_gaat naar den anderen kant van de tafel_). Je moet van avond niet +zulke dingen tegen mij zeggen. + +HELMER (_loopt haar na_). Je hebt de Tarantella nog in je bloed, merk +ik. En dat maakt je nog verleidelijker. Hoor; nu beginnen de gasten weg +te gaan. (_Zachter_) Nora, nu wordt gauw het heele huis stil. + +NORA. Ja dat hoop ik. + +HELMER. Ja, niet waar, mijn eigen schat? O, weet je,... als ik zoo met +je uit ben, op een partij ... weet je waarom ik dan zoo weinig met je +spreek, me zoo ver van je houd, je alleen maar zo nu en dan eens +stilletjes een oogje geef ... weet je waarom ik dat doe? Dat doe ik +omdat ik me dan verbeeld dat je in stilte mijn geliefde bent, mijn jonge +heimelijk verloofde, en dat niemand vermoedt dat er iets tusschen ons +bestaat. + +NORA. Och ja, ja, ja, ik weet wel dat al je gedachten altijd bij mij +zijn. + +HELMER. En als wij dan weggaan, en ik je chale om je teere jeugdige +schoudertjes heenleg ... om dien prachtig gevormden nek ... dan stel ik +mij voor dat je mijn jonge bruid bent, dat wij zoo pas getrouwd zijn en +van de plechtigheid terug komen, en ik je voor de eerste maal binnen +leid in mijn huis ... dat ik voor de eerste maal alleen met je ben, mijn +jong sidderend prachtvrouwtje! Dezen heelen avond heb ik geen ander +verlangen gehad dan naar jou. Toen ik je in de Tarantella zoo zag +draaien en lokken ... toen kookte mijn bloed; ik hield 't niet langer +uit ... daarom was het dat ik je zoo vroeg meenam naar huis.... + +NORA. Toe Torwald! Laat me nu met rust. Daar wil ik nu liever niet van +weten. + +HELMER. Wat beteekent dat nu? Houd je mij een beetje voor den gek, +Noraatje? Wil ... wil? Ben ik je man dan niet? (_Er wordt geklopt aan de +buitendeur_). + +NORA (_schrikt_). Hoor je dat? + +HELMER (_naar het portaal gaand_). Wie is daar? + +DOKTER RANK (_buiten_). Ik ben het. Mag ik een oogenblik binnen komen? + +HELMER (_zachtjes, ontstemd_). Och, wat moet hij nu? (_Hardop_). Wacht +even. (_Gaat de deur opendoen_). Zoo, dat is nog eens aardig van je dat +je onze deur niet voorbij gaat. + +RANK. Ik meende je stem te hooren, en toen wou ik toch nog even komen +kijken. (_Laat zijn blikken vluchtig in het rond gaan_). Ach ja; die +lieve welbekende kamers. Je hebt het hier goed en gezellig samen, jullie +met je beidjes. + +HELMER. 't Leek me zoo dat je je boven ook nog al amuseerde. + +RANK. Buitengewoon. En waarom ook niet? Waarom zal een mensch niet van +alles genieten op de wereld? In elk geval zooveel hij kan en zoo lang +hij kan. De wijn was uitstekend.... + +HELMER. Vooral de Champagne. + +RANK. Heb jij dat ook opgemerkt? Het is haast niet te gelooven zooveel +als ik er van doorspoelen kon. + +NORA. Torwald heeft ook veel Champagne gedronken van avond. + +RANK. Zoo? + +NORA. Ja, en dan is hij naderhand altijd zoo vroolijk gestemd. + +RANK. Nou, waarom zou een mensch zich niet eens een vroolijken avond +permiteeren na een goed gebruikten dag? + +HELMER. Een goed gebruikten dag ... daar durf ik mij helaas niet op +beroemen. + +RANK (_klopt hem op den schouder_). Maar dat durf ik, zie je. + +NORA. Dokter, u heeft zeker een wetenschappelijk onderzoek gedaan +vandaag. + +RANK. Ja juist. + +HELMER. Kijk eens aan, kleine Nora praat over wetenschappelijke +onderzoekingen! + +NORA. En mag ik u geluk wenschen met den uitslag? + +RANK. Ja, waarachtig, dat mag u. + +NORA. Het was dus goed. + +RANK. Het allerbeste zoowel voor den dokter als voor den patient ... +zekerheid. + +NORA (_snel en verschrikt_). Zekerheid? + +RANK. Volkomen zekerheid. Mocht ik daarna niet eens een vroolijken avond +hebben? + +NORA. Ja, daar had u gelijk in, dokter. + +HELMER. Dat zeg ik ook; als het je morgen dan maar niet opbreekt. + +RANK. Och, een mensch heeft niets om niet in het leven. + +NORA. Dokter, u houdt zeker veel van gemaskerde partijen? + +RANK. Ja, als er een heeleboel dwaze maskers zijn. + +NORA. Hoor eens; hoe zullen wij tweeen ons verkleeden op een volgende +partij? + +HELMER. Jij kleine pretmaakster ... denk je nu alweer over de volgende? + +RANK. Wij tweeen? Wacht, dat zal ik u eens vertellen. U moet een +gelukskind zijn. + +HELMER. Ja, maar bedenk dan een costuum dat dat uitdrukt. + +RANK. Laat je vrouw maar komen zoo als ze is.... + +HELMER. Dat was nu eens mooi gezegd. Maar weet je nog niet wat je dan +zelf zijn zult? + +RANK. Jawel, beste kerel, dat heb ik met mezelf al uitgemaakt. + +HELMER. Wat dan? + +RANK. Op de volgende gemaskerden partij zal ik onzichtbaar zijn. + +HELMER. Dat is een komieke inval! + +RANK. Er bestaat ergens iets als een groote zwarte hoed ... heb je nooit +gehoord van een onzichtbaar-makende hoed? Dien doen ze dan over je heen, +en dan is er niemand die je zien kan. + +HELMER (_met een onderdrukt lachje_). Ja, dat zal wel waar zijn. + +RANK. Maar ik zou glad vergeten waarvoor ik eigenlijk kom. Helmer, toe +geef mij een sigaar, een van je donkere Havanna's. + +HELMER. Met het grootste genoegen (_biedt hem zijn koker aan_). + +RANK (_neemt er een en snijdt er het puntje af_). Dank je. + +NORA (_strijkt een lucifer af_). Laat ik u eens een vlammetje geven. + +RANK. Heel vriendelijk. Dank u wel. (_Zij houdt de lucifer bij; hij +steekt op_). En nu adieu. + +HELMER. Adieu, adieu beste vriend! + +NORA. Slaap wel, dokter. + +RANK. Dank voor dien wensch. + +NORA. Wensch mij hetzelfde toe. + +RANK. U? O ja, als u dat graag wil ... slaap wel. En dank voor het +vlammetje (_hij knikt hun beiden toe en gaat heen_). + +HELMER (_halfluid_). Hij had wel wat veel gedronken. + +NORA (_verstrooid_). Misschien wel. + +(_Helmer haalt zijn sleutelring uit zijn zak en gaat naar het portaal_). + +NORA. Torwald, wat ga je daar doen? + +HELMER. Ik moet de brievenbus leeg maken; ze is heelemaal vol; er is +geen plaats meer voor de courant morgen ochtend.... + +NORA. Ga je nu nog werken van nacht? + +HELMER. Je weet wel dat ik daar geen plan op heb ... wat is dat? Er is +iemand aan het slot geweest. + +NORA. Aan het slot?... + +HELMER. Ja, bepaald. Wie kan dat zijn? Ik kan toch niet denken dat de +meiden...? Hier ligt een afgebroken haarspeld. Die is van jou Nora.... + +NORA (_snel_). Dan moeten de kinderen 't gedaan hebben.... + +HELMER. Dat moet je hun dan toch heusch afleeren. Hm; hm;... ha, daar +heb ik 't toch open (_neemt den inhoud er uit en roept in de keuken_). +Helene!... Helene! doe het licht uit op het portaal (_hij komt de kamer +binnen en sluit de deur naar het portaal_). + +HELMER (_met de brieven in zijn hand_). Kijk eens hier, wil je eens zien +hoe zich dat opgehoopt heeft? (_kijkt ze na_). Wat is dat? + +NORA (_bij het raam_). De brief! O neen, neen, Torwald! + +HELMER. Twee visitekaartjes ... van Rank. + +NORA. Van dokter Rank? + +HELMER (_bekijkt ze_). Doctor medicinae Rank. Die lagen boven op; hij +moet ze er in gestoken hebben toen hij wegging. + +NORA. Staat er iets op? + +HELMER. Er staat een zwart kruis boven zijn naam. Kijk. Dat is toch een +sombere aardigheid. 't Is net of hij zijn eigen doodsbericht zendt. + +NORA. Dat doet hij ook. + +HELMER. Wat? Weet jij er van? Heeft hij je er iets van gezegd? + +NORA. Ja, wanneer wij die kaartjes ontvingen, had hij afscheid van ons +genomen. Hij wil zich opsluiten om te sterven. + +HELMER. Mijn arme vriend! Ik wist wel dat ik hem niet lang meer houden +zou. Maar zoo gauw.... En nu verstopt hij zich als een gewond dier! + +NORA. Als het toch gebeuren moet, is het maar het best het zonder veel +woorden te doen. Vind je ook niet Torwald? + +HELMER (_loopt op en neer_). Hij was zoo samengegroeid met ons. Ik zal +mij niet kunnen voorstellen dat hij weg is. Hij, met zijn lijden en zijn +eenzaamheid maakte als 't ware den donkeren achtergrond uit, waartegen +ons zonnig geluk zoo helder uitkwam. Ja, het is misschien toch zoo het +beste. Voor hem althans. (_Blijft staan_). En misschien voor ons, Nora. +Nu zijn wij beiden heel alleen voor elkander (_slaat zijn armen om haar +heen_). O, jij, mijn lieve, lieve vrouw, 't is mij of ik je niet stevig +genoeg vasthouden kan. Weet je, Nora ... dikwijls wensch ik dat een +onmiddellijk gevaar je mocht dreigen, om alles, mijn leven, mijn goed en +bloed en alles voor je op het spel te kunnen zetten. + +NORA (_maakt zich los en zegt vast en besloten_). Nu moet je je brieven +gaan lezen, Torwald. + +HELMER. Neen, neen ... van nacht niet. Van nacht wil ik bij jou blijven, +mijn lieve vrouwtje! + +NORA. Met doodsgedachten aan je vriend? + +HELMER. Je hebt gelijk; dat heeft ons beiden geschokt. Er is iets +storends tusschen ons gekomen ... gedachten aan dood en verwording. Daar +moeten wij ons van zoeken te bevrijden. Tot zoo lang ... zullen wij +ieder naar onze eigen kamer gaan. + +NORA (_aan zijn hals hangend_). Torwald,... goeden nacht! Goeden nacht! + +HELMER (_kust haar op het voorhoofd_). Goeden nacht, mijn zangvogeltje. +Slaap wel, Nora. Nu ga ik de brieven doorlezen. (_Hij gaat met het pak +in zijn kamer en sluit de deur achter zich_). + +NORA (_loopt door de kamer met verwilderde oogen--grijpt Helmer's +domino, slaat die om, en fluistert haastig, heesch en afgebroken_): Hem +nooit meer zien. Nooit. Nooit. Nooit. (_Gooit haar chale over haar +hoofd_). De kinderen ook nooit meer zien. Hen ook niet. Nooit, nooit.... +O, dat koude donkere water! O, die ijzige diepte!... Die.... O, was het +maar voorbij!... Nu heeft hij den brief ... nu leest hij hem.... O, neen +... neen... nog niet. Torwald, vaarwel ... vaarwel mijn kleintjes! (_Zij +wil de deur uitstormen ... op hetzelfde oogenblik rukt Helmer de zijne +open met een open brief in de handen_). + +HELMER. Nora! + +NORA (_gilt_). Ah...! + +HELMER. Wat is dat? Weet je wat er in dezen brief staat? + +NORA. Ja, ik weet het. Laat mij gaan! Laat mij er uit! + +HELMER (_houdt haar tegen_). Waar wil je heen? + +NORA (_tracht zich los te rukken_). Je mag mij niet redden, Torwald! + +HELMER (_tuimelt terug_). Waar dus! Is het waar, wat hij schrijft? Neen, +neen; dat kan onmogelijk waar zijn...! + +NORA. Het is waar. Ik heb je lief gehad boven _alles_ in de wereld. + +HELMER. O, kom mij niet aan boord met zulke armzalige uitvluchten. + +NORA (_doet een stap naar hem toe_). Torwald...! + +HELMER. Jij rampzalige ... wat heb je gedaan? + +NORA. Laat mij weggaan. Jij mag er niet voor boeten. Jij mag het niet op +je nemen. + +HELMER. Geen comedie-vertooningen alsjeblieft. (_Sluit de deur af_). +Hier zal je blijven en mij rekenschap geven. Begrijp je wat je gedaan +hebt? Antwoord me! Heb je er eenig begrip van? + +NORA (_kijkt hem onafgebroken aan en zegt met een uitdrukking van +verstarring_): Ja, nu begin ik het pas goed te begrijpen. + +HELMER (_loopt op en neer_). O, wat een vreeselijk ontwaken! Al deze +acht jaren lang ... zij, die mijn vreugd en mijn trots was ... een +huichelaarster, een leugenaarster ... erger, erger nog ... een +misdadigster! O, hoe niet-in-te-denken afschuwelijk is dat alles!... +Foei! Foei! + +NORA (_zwijgt en kijkt hem maar steeds onafgewend aan_). + +HELMER (_blijft vlak voor haar staan_). Ik had moeten bedenken dat zoo +iets gebeuren kon. Ik had het moeten voorzien. Al de lichtzinnige +opvattingen van je vader.... Zwijg! Al de lichtzinnige opvattingen van +je vader heb jij geerfd. Geen godsdienst, geen moraal, geen +plichtgevoel.... O, wat word ik er voor gestraft dat ik zijn +tekortkomingen door de vingers zag. Voor jou deed ik het, en zoo beloon +je er mij voor. + +NORA. Ja ... zoo. + +HELMER. Mijn heele geluk heb je nu verwoest. Mijn heele toekomst heb je +bedorven. O, het is ontzettend daaraan te denken. Een gewetenlooze kerel +heeft mij in zijn macht; hij kan met mij doen wat hij wil; alles van mij +eischen, over mij bevelen en heerschen naar zijn goedvinden ... en ik +durf niet te kikken. En zoo jammerlijk diep moet ik zinken en te gronde +gaan door de schuld van een lichtzinnige vrouw! + +NORA. Als ik uit de wereld ben, dan ben je vrij. + +HELMER. Och, verkoop geen kunsten. Zulke mooie praatjes had je vader ook +altijd bij de hand. Wat zou het mij helpen of jij al uit de wereld was, +zooals je zegt? Dat helpt mij hoegenaamd niets! Hij kan de zaak immers +toch bekend maken; en doet hij dat dan word ik misschien nog wel +verdacht van de hand in jouw misdadig spel gehad te hebben. Misschien +zullen de menschen nog denken dat ik er achter zat ... dat ik je er toe +aangezet heb! En dat alles heb ik aan jou te danken, aan jou, die ik op +de handen heb gedragen zoolang wij getrouwd zijn. Begrijp je nu wat je +mij aangedaan hebt? + +NORA (_koel en kalm_). Ja. + +HELMER. Het is zoo ongelooflijk, dat ik 't nog niet in me opnemen kan. +Maar wij moeten zien hoe wij er ons uitredden. Doe dien doek af. Dien +doek af, zeg ik. Ik moet zien dat ik hem op de een andere manier +tevreden stel. De zaak moet in de doos, hoe dan ook.... En wat jou en +mij betreft, moet uiterlijk alles maar blijven zooals vroeger. Maar +natuurlijk alleen voor het oog van de wereld. Je blijft dus hier in +huis, dat spreekt van zelf. Maar de kinderen mag je niet opvoeden, die +durf ik je niet toevertrouwen.... O, dat te moeten zeggen tegen haar, +die ik zoo lief gehad heb en nog...! Nou ... dat moet nu uit zijn. Van +geluk is voortaan geen kwestie meer; alleen moeten we trachten de +restjes, den schijn nog te redden. (_Er wordt buiten gebeld_). + +HELMER (_schrikt_). Wat is dat? Zoo laat nog. Zou het vreeselijkste...? +Zou hij...? Verberg je Nora! Zeg dat je ziek bent. + +(_Nora blijft onbewegelijk staan. Helmer gaat de voordeur open doen_). + +DIENSTMEISJE (_half ontkleed in het portaal_). Een brief voor mevrouw. + +HELMER. Geef mij dien (_grijpt den brief en sluit de deur_). Ja, dat is +van hem. Jij krijgt hem niet; ik zal hem zelf lezen. + +NORA. Lees jij maar. + +HELMER (_bij de lamp_). Ik heb er haast geen moed toe. Misschien zijn we +wel verloren, jij en ik allebei. Neen, ik _moet_ 't toch weten (_breekt +den brief open; kijkt enkele regels door bekijkt een inliggend papier; +een vreugdekreet_). Nora! + +NORA (_ziet hem vragend aan_). + +HELMER. Nora!... Neen, ik moet het nog eens overlezen.... Ja, ja ... het +is zoo. We zijn gered! Nora, ik ben gered! + +NORA. En ik? + +HELMER. Jij ook, natuurlijk; we zijn allebei gered. Kijk maar. Hij +stuurt je je schuldbekentenis terug. Hij schrijft dat hij het betreurt +en berouw heeft ... dat een gelukkige omkeer in zijn leven ... och, wat +kan het ons schelen wat hij schrijft! wij zijn gered, Nora! Niemand kan +je meer iets doen. O, Nora, Nora! Neen, eerst moet al die ellende de +wereld uit. Laat mij eens zien.... (_kijkt even naar de +onderteekening_). Och neen; ik wil 't liever niet zien; alles moet maar +als een droom voor mij geweest zijn (_scheurt de schuldbekentenis en +beide brieven in stukken, gooit alles in de kachel en kijkt er naar +terwijl het verbrandt_). Ziezoo; nu is het weg.... Hij schreef dat jij +sedert Kerstavond.... O, dat moeten drie vreeselijke dagen voor je +geweest zijn, Nora. + +NORA. Ik heb een hevigen strijd gestreden deze drie laatste dagen. + +HELMER. En je hebt je ellendig gevoeld en geen anderen uitweg gezien +dan.... Neen, wij willen niet meer denken aan al die afschuwelijke +dingen. Wij willen alleen maar juichen en herhalen: het is voorbij! +Luister toch eens naar me Nora, het is of je het nog niet recht +begrijpt: het is voorbij! wat is er toch ... dat je gezicht zoo strak +staat? Och, mijn arme kleine Nora, ik begrijp het wel; je kunt nog niet +gelooven dat ik 't je vergeven heb. Maar dat heb ik heusch, Nora; ik +zweer 't je: ik heb je alles vergeven. Ik weet immers wel dat wat je +deedt dat deedt je uit liefde voor mij. + +NORA. Dat is waar. + +HELMER. Je hebt van mij gehouden zooals een vrouw van haar man houden +moest. Je hadt alleen geen voldoende inzicht in de keus van de middelen. +Maar denk je dat je mij minder lief bent omdat je niet in staat bent +zelfstandig te handelen? Neen, hoor. Steun maar op mij; ik zal je wel +raden en leiden. Ik zou geen man moeten zijn als juist die vrouwelijke +hulpeloosheid je niet nog dubbel aantrekkelijk maakte in mijn oogen. Je +moet je de harde woorden die ik zei in mijn eersten schrik, toen ik +dacht dat alles boven mijn hoofd instortte, maar niet aantrekken. Ik heb +je vergeven Nora; ik zweer je dat ik je vergeven heb. + +NORA. Ik dank je voor je vergiffenis (_zij gaat weg door de deur +rechts_). + +HELMER. Neen, blijf nu.... (_kijkt naar binnen_). Wat ga je in de +slaapkamer doen? + +NORA. Mijn maskeradepak uit doen. + +HELMER (_bij de open deur_). Ja, dat is goed; tracht tot rust en weer in +evenwicht te komen, mijn arm verschrikt zangvogeltje. Rust maar eens +lekker uit; ik heb breede vleugels om je mee te dekken (_loopt rond +dichtbij de deur blijvend_). O, wat is ons huis toch gezellig en mooi, +Nora. Hier ben je veilig; hier zal ik je houden als een opgejaagde duif, +die ik ongedeerd uit de klauwen van een havik heb gered; ik zal je arm +kloppend hartje wel tot kalmte brengen. Zoo zachtjes aan, Nora, geloof +me maar. Morgen zal je alles al in een heel ander licht zien; al gauw +zal alles weer net zijn als vroeger; ik zal je niet dikwijls meer +behoeven te herhalen dat ik je vergeven heb; je zult zelf wel heel goed +voelen dat ik het gedaan heb. Hoe ben je toch op het idee gekomen dat ik +je verstooten zou of je ook maar iets verwijten? Och Noraatje, je kent +het hart van een echten man nog niet. Er is voor een man zoo iets +onbeschrijfelijk zoets en bevredigends in het gevoel dat hij zijn vrouw +vergiffenis geschonken heeft, zoo van ganscher harte, zie je. Zij is +daarmee om zoo te zeggen dubbel zijn eigendom geworden; hij heeft haar +als 't ware op nieuw haar plaats in de wereld gegeven; zij is in zekeren +zin nu zoowel zijn kind als zijn vrouw geworden. Zoo zal jij voortaan +voor mij zijn, jij mijn klein hulpeloos wezentje. Wees maar niet bang, +Nora, wees alleen maar openhartig tegen mij; ik zal zoowel je wil als je +geweten zijn.... Wat is dat nu? Ben je niet naar bed gegaan? Heb je je +verkleed? + +NORA (_in haar daagsche japon_). Ja, Torwald, ik heb mij verkleed. + +HELMER. Maar waarom, nu nog zoo laat?... + +NORA. Ik ga van nacht niet slapen. + +HELMER. Maar, lieve Nora.... + +NORA (_kijkt op de klok_). Het is nog niet zoo heel laat. Ga hier eens +zitten, Torwald; wij hebben een heelen boel te bespreken (_zij gaat +zitten aan den eenen kant van de tafel_). + +HELMER. Nora,... wat beteekent dat? Dat strakke gezicht.... + +NORA. Ga er bij zitten ... het zal lang duren. Ik heb veel met je te +bepraten. + +HELMER (_gaat tegenover haar aan de tafel zitten_). Je maakt me angstig, +Nora. En ik begrijp je niet. + +NORA. Neen, dat is het juist. Je begrijpt mij niet. En ik heb jou ook +nooit begrepen ... voor van avond. Neen, je moet mij niet in de rede +vallen. Je moet alleen maar luisteren. Dit is een afrekening, Torwald. + +HELMER. Hoe bedoel je dat? + +NORA (_na een kort zwijgen_). Is er niet iets dat je opvalt nu wij hier +zoo zitten? + +HELMER. En wat zou dat dan moeten zijn? + +NORA. Wij zijn nu acht jaar getrouwd. Treft het je niet, dat het de +eerste keer is dat wij beiden, jij en ik, man en vrouw, ernstig samen +spreken? + +HELMER. Ja ... ernstig ... wat bedoel je daarmee? + +NORA. In volle acht jaren ... ja langer nog ... van onze eerste +kennismaking af, hebben wij nooit een ernstig woord over ernstige dingen +gewisseld. + +HELMER. Moest ik je dan, zonder noodzaak, altijd in wijden in +moeilijkheden die je mij toch niet kon helpen dragen? + +NORA. Ik spreek niet van moeilijkheden. Ik zeg dat wij nooit eens +ernstig bij elkaar gezeten hebben om iets grondig te bespreken. + +HELMER. Maar, liefste Nora, zou dat dan iets voor jou geweest zijn? + +NORA. Dat is nu juist de zaak. Je hebt me nooit begrepen.... Er is mij +groot onrecht aangedaan, Torwald. Eerst door Papa en later door jou. + +HELMER. Wat! Door ons beiden ... ons beiden ... die meer van jou +gehouden hebben dan van iemand ter wereld? + +NORA (_schudt het hoofd_). Je hebt mij geen van beiden ooit liefgehad. +Jij hebt het alleen prettig gevonden om op mij verliefd te zijn. + +HELMER. Maar Nora, wat zijn dat voor woorden. + +NORA. Ja, het is toch zoo, Torwald. Toen ik thuis was bij Papa, vertelde +hij mij hoe hij over de dingen dacht, en dan vond ik dat alles ook zoo; +of, als ik er anders over dacht, verborg ik het maar, want dat zou hij +niet prettig gevonden hebben. Hij noemde mij zijn poppekind, en hij +speelde met mij zooals ik met mijn poppen speelde. Toen ik in jouw huis +kwam.... + +HELMER. Wat is dat nu voor een manier om over ons huwelijk te spreken? + +NORA (_onverstoorbaar_). Ik bedoel: toen ik uit Papa's handen overging +in de jouwe. Je richtte alles in naar jouw smaak, en zoo kreeg ik +denzelfden smaak als jij; of ik hield mij maar zoo ... ik weet 't zelf +niet goed ... ik geloof dat het zoowel het een als het ander was; nu +eens dit dan eens dat. Als ik er nu op terug zie, komt het me voor alsof +ik hier geleefd heb als een arm mensch ... levend van de hand in den +tand.... Ik heb geleefd van kunsten-maken voor jou, Torwald. Maar jij +wilde dat zoo. Jij en Papa hebben groote zonde aan mij begaan. Jij bent +er schuld aan dat er niets van mij is terechtgekomen. + +HELMER. Nora, wat ben je onbillijk en ondankbaar! Ben je hier dan niet +gelukkig geweest? + +NORA. Neen, dat ben ik nooit geweest. Ik dacht het te zijn; maar ik ben +het nooit geweest. + +HELMER. Niet ... niet gelukkig? + +NORA. Neen; ik had alleen maar pret. En jij bent altijd zoo lief voor +mij geweest. Maar ons huis is niets anders geweest dan een speelkamer. +Ik ben je poppe-vrouwtje geweest net als ik thuis Papa's poppekind was. +En de kinderen zijn weer mijn poppen geweest. Ik vond 't prettig als jij +met mij speelde, net als de kinderen het prettig vinden als ik met hen +speel. Dat is ons huwelijk geweest, Torwald. + +HELMER. Er is wel iets waars in wat je zegt ... hoe overdreven en +overspannen het dan ook zijn mag. Maar voortaan zal het anders worden. +De tijd van spelen zal voorbij zijn; nu komt het opvoedingswerk. + +NORA. De opvoeding van wie? Van mij of van de kinderen? + +HELMER. Van allebei, mijn beste Nora, van jou en van de kinderen. + +NORA. Och, Torwald, jij bent de man niet om mij op te voeden tot een +echte vrouw voor je. + +HELMER. En dat zegt jij? + +NORA. En ik ... ben ik in staat kinderen op te voeden? + +HELMER. Nora! + +NORA. Zei je dat zelf niet daar straks ... dat werk durfde jij mij niet +toevertrouwen. + +HELMER. In een oogenblik van drift! Wil je daar nu aan hechten? + +NORA. Ja zeker; want dat was heel juist gezegd. Die taak is te zwaar +voor mij. Er is een andere taak, die eerst moet afgedaan worden. Ik moet +mijzelf zien op te voeden. Jij bent niet de man die mij daarbij helpen +kan. Daarvoor moet ik alleen zijn. En daarom ga ik nu van je weg. + +HELMER (_springt op_). Wat zeg je daar? + +NORA. Ik moet geheel alleen zijn, als ik mijzelf en alle dingen buiten +mij zal leeren zien, zoo als ze zijn. Daarom kan ik niet langer bij je +blijven. + +HELMER. Nora! Nora! + +NORA. Ik ga nu dadelijk weg. Kristine zal mij voor van nacht wel +logeeren.... + +HELMER. Je bent niet wijs! Ik permiteer het niet! Ik verbied het je! + +NORA. Het helpt nu niet meer of je mij iets verbiedt. Ik zal meenemen +wat van mij zelf is. Van jou wil ik niet hebben, noch nu noch later. + +HELMER. Maar dat is krankzinnigheid! + +NORA. Morgen ga ik naar huis ... ik bedoel mijn oude thuis. Daar zal het +mij het gemakkelijkst vallen het een of ander te beginnen. + +HELMER. O, jij verblind, onervaren schepsel! + +NORA. Ik moet zien ervaring op te doen, Torwald. + +HELMER. Je huis, je man en kinderen verlaten! En denk je er heelemaal +niet aan wat de menschen daarvan zullen zeggen? + +NORA. Daar kan ik mij niet aan storen. Ik weet alleen dat het voor mij +noodzakelijk is. + +HELMER. O, het is schandelijk. Dat je je zoo aan je heiligste plichten +onttrekken kunt! + +NORA. Wat noem jij mijn heiligste plichten? + +HELMER. Moet ik je dat nog zeggen? Heb je geen plichten jegens je man en +kinderen? + +NORA. Ik heb nog andere even heilige plichten. + +HELMER. Dat heb je niet. Wat zouden dat wel voor plichten zijn? + +NORA. Plichten jegens mij zelf. + +HELMER. In de eerste plaats ben je vrouw en moeder. + +NORA. Daar geloof ik niet meer aan. Ik geloof dat ik in de eerste plaats +mensch ben, ik, net zoo goed als jij ... of in elk geval zal ik trachten +het te worden. Ik weet wel dat in elk geval zal trachten het te worden. +Ik weet wel dat de meeste menschen jou gelijk geven, Torwald, en dat er +iets dergelijks in de boeken staat. Maar ik kan mij niet langer tevreden +stellen met wat de menschen zeggen en wat er in de boeken staat. Ik moet +zelf nadenken over de dingen en tot klaarheid zien te komen. + +HELMER. Dus het zou je niet duidelijk zijn wat je positie in je eigen +huis is? Heb je dan bij zoo'n gewetensvraag geen onfeilbaren gids? Heb +je dan geen godsdienst? + +NORA. Och, Torwald, ik weet immers niet eens goed wat godsdienst is. + +HELMER. Wat zeg je daar? + +NORA. Ik weet niets anders dan wat domine Hansen zei, toen ik voor mijn +belijdenis leerde. Hij vertelde dat godsdienst was dit en dat. Wanneer +ik hier vandaan ben, zal ik ook dat vraagstuk onderzoeken. Dan zal ik +zien of het waar was wat domine Hansen zei, of in elk geval of het waar +is voor mij. + +HELMER. Maar, dat is toch iets ongehoords van zoo'n jonge vrouw! Maar +als de godsdienst je dan geen wegwijzer zijn kan, laat mij dan een +beroep doen op je geweten. Want gevoel voor goed en kwaad heb je toch? +Of ... heb je dat misschien ook niet? + +NORA. Och, Torwald, daarop kan ik ik moeilijk antwoorden. Ik weet 't +waarlijk niet! Ik ben heelemaal in de war met alles. Ik weet alleen dat +ik een heel andere opvatting van die dingen heb dan jij. Ik heb nu ook +gehoord dat de wet heel anders is dan ik dacht; maar dat die wet goed +zou zijn, dat wil er bij mij maar niet in. Een vrouw heeft dus niet het +recht haar ouden stervenden vader te ontzien, of het leven van haar man +te redden! Zoo iets kan ik nog niet gelooven. + +HELMER. Je praat als een kind. Je begrijpt niets van de maatschappij +waarin je leeft! + +NORA. Neen, dat doe ik ook niet. Maar nu wil ik die leeren kennen. Ik +moet er achter zien te komen wie gelijk heeft, de maatschappij of ik. + +HELMER. Je bent ziek, Nora; je hebt de koorts; ik geloof haast dat je +hoofd een beetje in de war is. + +NORA. Ik heb mij nog nooit zoo helder en zeker van mijzelf gevoeld als +van nacht. + +HELMER. En in klaarheid en zekerheid verlaat je je man en kinderen? + +NORA. Ja, dat doe ik. + +HELMER. Dan is er nog een verklaring mogelijk. + +NORA. Welke dan? + +HELMER. Dat je niet meer van me houdt. + +NORA. Dat is het juist. + +HELMER. Nora!... En dat zeg jij! + +NORA. O, het doet mij zoo zeer, Torwald; want je bent altijd zoo lief +voor mij geweest. Maar ik kan er niets aan doen. Ik houd niet meer van +je. + +HELMER (_met moeite zich bedwingend_). Ben je daar ook zoo vast en zeker +van overtuigd? + +NORA. Ja, volkomen vast en zeker. Daarom wil ik niet langer hier +blijven. + +HELMER. En zou je mij ook kunnen ophelderen waardoor ik je liefde +verspeeld heb? + +NORA. Ja, dat zal ik. Het was van avond, toen het wonderheerlijke niet +kwam; want toen zag ik dat je niet de man was voor wien ik je gehouden +had. + +HELMER. Verklaar je nader, dat begrijp ik niet. + +NORA. Ik heb acht jaar lang zoo geduldig gewacht; want och hemel, ik zag +wel in dat het wonderheerlijke niet zoo iederen dag gebeurt. Toen kwam +die ellende over mij, en toen was ik zoo vast overtuigd: nu zal het +wonderheerlijke komen. Toen Krogstad's brief in de bus lag ... geen +oogenblik kwam het in mij op, dat je buigen zoudt onder de voorwaarden +van dien man. Ik was zoo vast overtuigd dat je tegen hem zeggen zoudt: +maak de zaak maar bekend aan de heele wereld. En als dat gebeurd was.... + +HELMER. Ja, wat dan? Als ik mijn eigen vrouw had overgegeven aan schande +en achterklap...! + +NORA. Als dat gebeurd was, dan dacht ik vast en zeker, zou jij optreden +en alles op je nemen en zeggen: ik ben de schuldige! + +HELMER. Nora...! + +NORA. Je bedoelt dat ik nooit zoo'n offer van je zou aangenomen hebben? +Neen, natuurlijk niet. Maar wat zou mijn beweren waard zijn tegen het +jouwe?... Dat was het wonderheerlijke, waarop ik hoopte met vrees en +beven. En om dat te verhinderen wou ik een einde aan mijn leven maken. + +HELMER. Ik zou graag nacht en dag voor je werken, Nora,... zorgen en +verdriet voor je op me nemen. Maar geen mensch offert zijn eer op voor +iemand die hij liefheeft. + +NORA. Dat hebben toch honderd-duizenden vrouwen gedaan. + +HELMER. Och, je denkt en je praat als een onverstandig kind.... + +NORA. 't Kan zijn. Maar jij denkt noch spreekt als de man, aan wien ik +mij moet kunnen verbinden. Toen je schrik over was... niet voor wat +_mij_ dreigde, maar voor wat er voor jou uit voort vloeien kon, en toen +alle gevaar voorbij was ... toen was het voor jou, alsof er niets +gebeurd was. Ik was weer net als te voren je zangvogeltje, je pop, die +je voortaan dubben voorzichtig op de handen dragen zoudt, omdat ze zoo +teer en broos was. (_Staat op_). Torwald, op dat oogenblik werd het mij +duidelijk, dat ik hier acht jaar lang geleefd had met een vreemden man, +en dat ik drie kinderen bij hem gekregen had.... O, ik kan er niet aan +denken! Ik zou mijzelf in stukken kunnen scheuren! + +HELMER (_bedroefd_). Ik zie 't wel ... ik zie 't wel. Er is zeer zeker +een diepe kloof tusschen ons ontstaan.... Maar Nora, zou die niet te +overbruggen zijn? + +NORA. Zoo als ik nu ben, kan ik je vrouw niet zijn. + +HELMER. Ik heb de kracht om een ander mensch te worden. + +NORA. Misschien ... als je pop je wordt afgenomen. + +HELMER. O scheiden ... scheiden van jou! Neen, neen, Nora, die gedachte +kan ik nog niet in mij opnemen. + +NORA (_gaat de kamer rechts binnen_). Des te zekerder moet het gebeuren. +(_Zij komt terug met hoed en mantel en een klein valies, dat zij op een +stoel bij de tafel zet_). + +HELMER. Nora! Nora! nog niet! Wacht tot morgen. + +NORA (_doet haar mantel aan_). Ik kan niet den nacht overblijven in de +kamers van een vreemden man. + +HELMER. Maar kunnen wij hier dan niet samen wonen als broer en +zuster...? + +NORA (_zet haar hoed op_). Je weet heel goed dat dat niet lang zou +duren.... Vaarwel, Torwald. Ik wil de kinderen niet meer zien. Ik weet +dat ze in betere handen zijn dan bij mij. Zoo als ik nu ben, kan ik +niets voor hen zijn. + +HELMER. Maar later, Nora ... later...? + +NORA. Hoe kan ik dat weten? Ik weet immers nog heelemaal niet wat er van +mij worden zal. + +HELMER. Maar je bent toch mijn vrouw, zoowel nu als later. + +NORA. Hoor eens, Torwald;... wanneer een vrouw het huis van haar man +verlaat zoo als ik nu doe, dan is hij, heb ik gehoord, volgens de wet +ontslagen van alle verplichtingen jegens haar. Je mag je in niets meer +gebonden voelen, evenmin als ik het zijn zal. Er moet volle vrijheid +zijn aan beide kanten. Hier heb je je ring terug. Geef mij nu ook den +mijnen. + +HELMER. Ook dat nog? + +NORA. Ook dat. + +HELMER. Daar heb je hem. + +NORA. Zoo. Dus nu is alles voorbij. De sleutels leg ik daar neer. De +meiden weten alles wat het huishouden betreft ... beter dan ik. Morgen +als ik weg ben zal Kristine hier komen om in te pakken wat ik van thuis +heb meegebracht. Dat moet mij opgezonden worden. + +HELMER. Voorbij ... voorbij! Nora, zal je nooit meer aan mij denken? + +NORA. Ik zal wel heel dikwijls nog denken aan jou en de kinderen en dit +huis. + +HELMER. Mag ik je schrijven, Nora? + +NORA. Neen ... nooit. Dat sta ik je niet toe. + +HELMER. Maar, ik mag je toch zenden.... + +NORA. Niets ... niets. + +HELMER. ... je helpen als je het noodig mocht hebben. + +NORA. Neen ... zeg ik. Ik neem niets aan van vreemden. + +HELMER. Nora ... kan ik dan nooit iets meer dan een vreemde voor je +worden? + +NORA (_neemt haar valies op_). Och Torwald, dan zou het +allerwonderheerlijkste moeten gebeuren.... + +HELMER. Noem mij dat wonderheerlijkste! + +NORA. Dan zouden wij beiden, jij zoowel als ik, zooveel veranderd moeten +zijn dat.... Och Torwald, ik geloof niet meer aan iets wonderheerlijks. + +HELMER. Maar ik wil er aan gelooven. Noem het! Zooveel veranderd zijn +dat...? + +NORA. Dat ons samenleven een huwelijk kon worden. Vaarwel. (_Zij gaat +weg door het portaal_). + +HELMER (_valt neer op een stoel bij de deur en bedekt zijn gezicht met +de handen_). Nora! Nora! (_Kijkt om zich heen en staat op_). Weg. Zij is +weg. (_Met een straal van hoop_). Het wonderheerlijkste...? + +(_Beneden hoort men met een bons een deur in het slot vallen_). + + +EINDE VAN HET DERDE OF LAATSTE BEDRIJF. + + + * * * * * + + +SPOKEN + +EEN FAMILIE-DRAMA + +IN DRIE BEDRIJVEN + + + * * * * * + + +PERSONEN: + + Mevrouw HELENE ALVING, weduwe van den heer Alving, + in leven kapitein en kamerheer. + OSWALD ALVING, haar zoon, schilder. + Dominee MANDERS. + ENGSTRAND, schrijnwerker. + REGINE ENGSTRAND, bij Mevr. Alving in huis wonend. + Het stuk speelt op het landgoed van Mevr. Alving, aan een groote + fjord in westelijk Noorwegen. + + * * * * * + + +EERSTE BEDRIJF. + + Een ruime kamer met een deur in den linker zijmuur en twee deuren + in den muur rechts. Midden in de kamer een ronde tafel met stoelen + er omheen; op de tafel liggen boeken, tijdschriften en couranten. + Op den voorgrond links een raam en daarbij een klein canape met een + werktafeltje er voor. Achter de kamer een glazen serre met bloemen + en planten, iets smaller dan de kamer. Aan de rechterkant daarvan + een deur die naar den tuin leidt. Door de glazen wanden heen ziet + men een somber fjord-landschap, omsluierd door een dichten regen. + + Engstrand staat bij den tuindeur. Zijn linkerbeen is een beetje + verdraaid; onder den hak van zijn laars heeft hij een houten klos. + Regine met een leeg gietertje in de hand, houdt hem tegen als hij + de serre binnenkomen wil. + + * * * * * + +REGINE (_met gedempte stem_). Wat kom je hier doen? Blijf daar staan. Je +druipt van den regen. + +ENGSTRAND. 't Is de regen van Onze Lieve Heertje, kindlief. + +REGINE. Zeg liever dat het de regen van den duivel is. + +ENGSTRAND. Jesses Regine, wat een praat (_komt een paar stappen +vooruit_). Maar wat ik je nou zeggen wou.... + +REGINE. Stamp toch zoo niet, mensch! De jonge mijnheer ligt boven te +slapen. + +ENGSTRAND. Ligt hij te slapen? Op klaarlichten dag? + +REGINE. Dat gaat jou niet aan. + +ENGSTRAND. Ik ben aan de zwier geweest gisterenavond.... + +REGINE. Dat geloof ik graag. + +ENGSTRAND. Och ja, wij zijn maar zwakke schepsels, kindlief.... + +REGINE. Ja, dat zijn wij wel. + +ENGSTRAND. ... en de verleidingen zijn menigvuldig in deze wereld, zie +je...; maar toch was ik, zoo waar als God, om half zes van morgen vroeg +al weer aan het werk. + +REGINE. Nou ja, 't is goed; maak nu maar dat je wegkomt. Ik wil hier +geen rendez-vous-tjes met je hebben. + +ENGSTRAND. Wat wil je niet hebben, zeg je? + +REGINE. Ik wil niet dat iemand je hier zien zal. Kom, ga nu heen. + +ENGSTRAND (_een paar passen dichterbij_). Neen, om de bliksem, ik ga +niet weg voor ik met je gesproken heb. Van middag kom ik klaar met het +werk daarginder in het schoolgebouw, en dan ga ik van nacht met de +stoomboot naar de stad terug. + +REGINE (_mompelt_). Goede reis! + +ENGSTRAND. Dank je wel, kind. Morgen zal het gesticht immers ingewijd +worden en dan zal het hier waarschijnlijk een groote herrie worden met +veel drinken, zie je. En niemand moet van Jakob Engstrand kunnen zeggen +dat hij zich niet onthouden kan als de verleiding komt. + +REGINE. Ho! + +ENGSTRAND. Want morgen komen er hier zooveel van de grootheid bij +elkaar. En dominee Manders wordt ook verwacht. + +REGINE. Die komt van daag al. + +ENGSTRAND. Zoo waarlijk. En ik wil om de bliksem niet dat hij iets op me +te zeggen zal kunnen hebben, begrijp je. + +REGINE. O zoo, is dat de zaak! + +ENGSTRAND. Is wat de zaak? + +REGINE (_kijkt hem strak aan_). Waarvoor moet je dominee Manders nou +weer in de luren leggen? + +ENGSTRAND. Stil, stil; ben je gek? Zou ik dominee Manders in de luren +willen leggen? O, neen, dominee Manders is veel te vriendelijk tegen mij +voor zoo iets. Maar waar ik nu eigenlijk over spreken wou is dit, zie +je, dat ik dus van nacht weer naar huis terug ga. + +REGINE. Vertrek hoe eer hoe liever wat mij betreft. + +ENGSTRAND. Ja, maar ik wil dat jij meegaat, Regine. + +REGINE (_met open mond_). Dat ik meega...? Wat zeg je nou? + +ENGSTRAND. Ja, ik wil dat je mee naar huis gaat, zeg ik. + +REGINE (_honend_). Nooit in der eeuwigheid krijg je mij mee naar huis. + +ENGSTRAND. Dat zullen we eens zien. + +REGINE. Ja, dat zal je net eens zien. _Ik_, die opgegroeid ben bij +mevrouw Alving, de vrouw van een kamerheer...? _Ik_, die hier bijna als +kind in huis ben.... Zou _ik_ met _jou_ naar huis gaan? Naar zoo'n huis. +Dank je lekker! + +ENGSTRAND. Wat bliksem is dat? Wou jij opstaan tegen je vader, deern? + +REGINE (_zonder hem aan te zien, bromt_). Je hebt dikwijls genoeg gezegd +dat ik je niks aanging. + +ENGSTRAND. Nou, wat kan je dat schelen.... + +REGINE. Heb je me niet dikwijls uitgescholden voor een...? Fi donc! + +ENGSTRAND. Neen, zoo waarachtig als God, zoo'n leelijk woord heb ik +nooit gebruikt. + +REGINE. O, ik weet heel goed wat voor een woord je gebruikte. + +ENGSTRAND. Nou ja, dat was alleen maar als ik wat aangeschoten was +... hm. De verleidingen zijn menigvuldig in deze wereld, Regine. + +REGINE. Bah! + +ENGSTRAND. En dat was dan als je moeder onhandelbaar was. Iets moest ik +dan toch zoeken om haar te pesten. Ze deed altijd zoo fijn en voornaam +(_nabootsend_). "Laat me los, Engstrand! Laat me met rust! Ik heb drie +jaar gediend bij mijnheer Alving, den kamerheer, op Rozenheuvel, hoor!" +(_lacht_). Jesses, ja, ze kon maar nooit vergeten dat de kapitein +kamerheer geworden was terwijl zij daar diende. + +REGINE. Arme moeder;... die heb je gauw genoeg in het graf geholpen. + +ENGSTRAND (_zich oprichtend_). O ja, dat spreekt, ik ben natuurlijk de +schuld van alles. + +REGINE (_afgewend, halfluid_). Ajakkes! en dan dat been. + +ENGSTRAND. Wat zeg je, kindlief? + +REGINE. Pied de mouton. + +ENGSTRAND. Is dat Engelsch? + +REGINE. Ja. + +ENGSTRAND. Ja ... ja; geleerdheid heb je hier opgedaan, en dat kan je nu +goed te pas komen, Regine. + +REGINE (_na even zwijgen_). En waarvoor wou je me dan eigenlijk mee naar +de stad hebben? + +ENGSTRAND. Kan je nog vragen waarom een vader zijn eenig kind thuis +hebben wil? Ben ik geen eenzame verlaten weduwnaar? + +REGINE. Och, kom mij toch niet met zulke praatjes aan boord. Waarvoor +wil je mij thuis hebben? + +ENGSTRAND. Dat zal ik je zeggen. Ik dacht er over wat nieuws te +beginnen. + +REGINE. Dat heb je al zoo dikwijls geprobeerd; maar 't ging toch altijd +weer mis. + +ENGSTRAND. Ja, maar dezen keer zal je eens wat zien, Regine!... +De duivel haal me.... + +REGINE (_stampvoetend_). Schei toch uit met dat gevloek! + +ENGSTRAND. Nou ja, nou ja; daar heb je groot gelijk in kindlief! Ik wou +alleen maar zeggen ... ik heb nog al een aardig duitje op zij gelegd van +het werk in het nieuwe gesticht. + +REGINE. Zoo, heb je? Nou, dat tref je dan. + +ENGSTRAND. Waaraan zal een mensch ook zijn geld uitgeven hier buiten? + +REGINE. Nou, en dan? + +ENGSTRAND. Wel, zie je, zoo kwam ik er over te denken om het ergens in +te steken dat wat opbrengen kon. Ik dacht zoo iets van een soort +logement voor zeelui.... + +REGINE. Ajakkes! + +ENGSTRAND. Een echt fijn logement, zie je;... niet zoo'n gewoon smerig +ding voor matrozen. Neen, wat bliksem,... het zou iets moeten zijn voor +scheepskapiteins en stuurlui en ... en echt nette menschen, zie je. + +REGINE. En dan zou ik...? + +ENGSTRAND. Jij zou mij daarbij moeten helpen, ja. Alleen zoo maar voor +den schijn, dat begrijp je wel. Je zult het waarachtig niet moeilijk +hebben, kindlief. Je kunt het net zoo goed hebben als je maar wilt. + +REGINE. Jawel ... o ja! + +ENGSTRAND. Maar vrouwen moeten er in huis zijn, dat is zoo klaar als de +dag. Want 's avonds zullen wij het een beetje prettig maken met zingen +en dansen en zoowat meer. Je moet denken, het zijn zeelui die +rondzwalken op alle zeeen (_dichterbij_). Wees nou niet dom, en gooi je +eigen glazen niet in, Regine. Wat zal er hier buiten van je worden? Zal +je er hier iets aan hebben, dat mevrouw je van alles heeft laten leeren? +Je hebt niet veel lust om op de kinderen te passen in het nieuwe +gesticht, hoor ik. Is dat dan ook iets voor jou, om je af te beulen voor +die smerige kinderen? + +REGINE. Neen, als het ging zoo als ik 't graag wou, dan.... Nou, dat kan +nog komen. Dat kan nog komen! + +ENGSTRAND. Wat kan nog komen? + +REGINE. Bemoei je daar maar niet mee.... Heb je hier veel geld verdiend? + +ENGSTRAND. Alles bij elkaar kan het wel een zeven of achthonderd kronen +zijn. + +REGINE. Dat is nog zoo kwaad niet. + +ENGSTRAND. Het is genoeg om mee op gang te komen, kindlief. + +REGINE. Zou je er niet eens over denken mij wat van dat geld te geven? + +ENGSTRAND. Neen, waarachtig niet, daar denk ik niet over. + +REGINE. Zou je mij niet eens wat zenden voor een armzalig japonnetje? + +ENGSTRAND. Kom maar bij mij in de stad wonen, zeg, dan kan je +japonnetjes genoeg krijgen. + +REGINE. Poeh! Dat kan ik op mijn eigen houtje ook wel, als ik er lust in +heb. + +ENGSTRAND. Neen, aan een leidende vaderhand gaat dat beter, Regine. Nu +kan ik een mooi huis krijgen in de Kleine Havenstraat. Veel contanten +zijn daar niet voor noodig; en daar konden wij dan een soort van tehuis +voor zeelui van maken, zie je. + +REGINE. Maar ik _wil_ niet met je mee! Ik heb niets met je te maken. Ruk +uit! + +ENGSTRAND. Je zoudt waarachtig niet lang bij mij blijven, kindlief. Dat +kan zoo lang niet duren. Als je 't maar handig aanlegt. Zoo'n knappe +meid als jij in de paar laatste jaren geworden bent.... + +REGINE. Nou?... + +ENGSTRAND. 't Zou zoo lang niet duren voor er een stuurman kwam,... of +misschien een kapitein.... + +REGINE. Ik dank je om met zoo'n vent te trouwen. Zeelui hebben geen +savoir-vivre. + +ENGSTRAND. Wat hebben ze niet? + +REGINE. Ik zeg dat ik weet wat zeelui zijn. Dat zijn geen menschen om +mee te trouwen. + +ENGSTRAND. Dan trouw je ze niet. 't Kan toch nog wel de moeite waard +zijn (_vertrouwelijker_). Hij ... die Engelschman ... die met zijn +pleizierjacht ... hij gaf wel driehonderd thalers ... en zij was niks +mooier dan jij, zeg. + +REGINE (_op hem toeloopend_). Er uit, zeg ik je! + +ENGSTRAND (_wijkt terug_). Nou, nou; jij zal me toch niet gaan slaan, +he? + +REGINE. Jawel! Als je nog iets van moeder zegt, dan sla ik je. Er uit, +zeg ik je! (_dringt hem naar de tuindeur_). En sla niet met de deuren; +de jonge mijnheer Alving.... + +ENGSTRAND. ... die slaapt, jawel. Je bent verbazend bezorgd voor den +jongen mijnheer Alving.... (_zachter_). Oho; is _hij_ 't misschien +die...? + +REGINE. Er uit, en maak dat je wegkomt! Je bent niet goed snik mensch! +Neen, niet dien kant. Daar komt dominee Manders aan. Gauw de keukentrap +af! + +ENGSTRAND (_naar rechts_). Ja, ja, ik ga al. Maar praat eens met hem die +daar aankomt. _Hij_ is de man die je zeggen zal wat een kind zijn vader +verschuldigd is. Want ik ben toch je vader, zie je, dat kan ik bewijzen +uit je geboorteakte. + +(_Hij gaat weg door de tweede deur, die Regine heeft opengedaan en weer +achter hem sluit_). + +(_Regine kijkt gauw even in den spiegel, waait zich met haar zakdoek en +trekt haar halsboordje wat recht; dan doet zij of ze bezig is met de +bloemen_). + +(_Dominee Manders, in overjas en met een parapluie en een klein +reistaschje met een riem over zijn schouders, komt door de tuindeur in +de serre_). + +DOM. MANDERS. Dag Regine. + +REGINE (_keert zich blij verrast om_). Neen maar!... Dag dominee! Is de +boot al aan? + +DOM. MANDERS. Net aangekomen (_gaat de tuinkamer binnen_). Wat een +vreeselijken regen hebben wij deze laatste dagen. + +REGINE (_volgt hem_). 't Is zulk gezegend weer voor de boeren, dominee. + +DOM. MANDERS. Ja, daar heb je wel gelijk in. Daar denken wij +stadsmenschen zoo weinig aan. (_Hij begint zijn overjas uit te doen_). + +REGINE. O, mag ik u even helpen?... Ziezoo. Neen maar wat is die nat! Ik +zal uw jas maar wat uithangen in de voorkamer. En uw parapluie...; die +zal ik uitzetten, dan droogt die beter. + +(_Zij gaat er mee de kamer uit door de tweede deur rechts. Dom. Manders +doet het reistaschje af en legt het met zijn hoed op een stoel. In dien +tijd komt Regine weer binnen_). + +DOM. MANDERS. He, het doet iemand goed om weer binnen te zijn. En is +alles wel hier? + +REGINE. Ja, dank u. + +DOM. MANDERS. Maar erg druk, kan ik me zoo voorstellen, met het oog op +morgen. + +REGINE. O ja, er is hier heel wat te doen. + +DOM. MANDERS. En mevrouw Alving is toch thuis hoop ik? + +REGINE. Ja, natuurlijk! Zij is maar even boven om den jongen mijnheer +zijn chocolade te geven. + +DOM. MANDERS. Ja, dat is waar ... ik hoorde beneden aan de aanlegplaats +dat Oswald gekomen was. + +REGINE. Ja, hij is eergisteren gekomen. Wij hadden hem niet voor vandaag +verwacht. + +DOM. MANDERS. En frisch en gezond hoop ik? + +REGINE. Ja, dank u, dat wel. Maar vreeselijk vermoeid van de reis. Hij +is in eene rek doorgereden van Parijs...; ik bedoel hij heeft de heele +route met een en denzelfden trein gemaakt. Ik geloof dat hij nu een +beetje slaapt, daarom mogen wij wel een beetje zachtjes praten. + +DOM. MANDERS. Ja, sst, we zullen doodstil zijn! + +REGINE (_terwijl zij een gemakkelijken stoel bij de tafel schuift_). En +gaat u zitten, alsjeblieft, dominee, en maak het u makkelijk. (_Hij gaat +zitten; zij schuift een voetenbankje onder zijn voeten_). Zie zoo! Zit +dominee nu goed? + +DOM. MANDERS. Dank je, dank je, ik zit best (_bekijkt haar_). Hoor eens +Regine, ik geloof dat je heusch gegroeid bent sedert ik je het laatst +zag. + +REGINE. Gelooft dominee dat? Mevrouw zegt dat ik wat gevulder ben +geworden ook. + +DOM. MANDERS. Gevulder? Ja, misschien ... een beetje ... net genoeg +(_korte pauze_). + +REGINE. Zal ik misschien mevrouw gaan roepen? + +DOM. MANDERS. Dank je, dank je, dat heeft geen haast, kindlief. En +vertel mij nu eens, mijn goede Regine, hoe maakt het je vader hier +buiten? + +REGINE. Dank u, dominee, dat gaat nog al. + +DOM. MANDERS. Hij was onlangs bij mij toen hij den laatsten keer in de +stad was. + +REGINE. Och ja? Was hij bij u? Hij is altijd zoo blij als hij dominee te +spreken krijgen kan. + +DOM. MANDERS. En je gaat zeker overdag nog al eens naar hem toe? + +REGINE. Ik? Jawel; als ik eens een oogenblikje tijd heb.... + +DOM. MANDERS. Je vader is geen krachtige persoonlijkheid, Regine. Hij +heeft erg behoefte aan een leidende hand. + +REGINE. Och ja, dat kan misschien wel zijn. + +DOM. MANDERS. Hij heeft behoefte om iemand om zich heen te hebben, van +wie hij houden kan, en aan wier oordeel hij hechten kan. Hij erkende dat +zelf zoo trouwhartig, toen hij laatst bij mij was. + +REGINE. Ja, hij heeft mij ook over zoo iets gesproken. Maar ik weet niet +of mevrouw Alving mij missen wil,... vooral nu, nu wij zooveel te doen +krijgen met het nieuwe gesticht. En ik zou het ook vreeselijk naar +vinden om van mevrouw Alving weg te gaan, want zij is toch altijd zoo +lief voor mij geweest. + +DOM. MANDERS. Maar je plicht als dochter, meisjelief.... Natuurlijk +zouden wij eerst de toestemming van je mevrouw moeten vragen. + +REGINE. Maar ik weet ook niet of het wel passend voor mij is, op mijn +leeftijd, het huis van een ongetrouwd man te bestieren. + +DOM. MANDERS. Wat! Maar mijn lieve Regine, het is toch je eigen vader +van wien hier sprake is! + +REGINE. Ja, dat kan wel zijn, maar toch.... Ja, als het nu een goed huis +was, bij een echten heer.... + +DOM. MANDERS. Maar, mijn goede Regine! + +REGINE. ... zoo een, voor wien ik toewijding voelen en tegen wien ik +opzien kon, en als 't ware de plaats van een dochter vervullen.... + +DOM. MANDERS. Ja maar, mijn lieve goede kind.... + +REGINE. ... dan zou ik wel graag naar de stad willen. Hier buiten is het +erg eenzaam,... en dominee weet zelf ook wel wat het is om zoo alleen te +staan in de wereld. En dat durf ik wel zeggen, dat ik handig en gewillig +ben. Weet dominee niet zoo'n betrekking voor mij? + +DOM. MANDERS. Ik? Neen, dat weet ik heusch niet. + +REGINE. Maar lieve beste dominee ... denk in elk geval eens aan mij, als +u soms.... + +DOM. MANDERS (_staat op_). Ja, dat zal ik, Regine. + +REGINE. Ja, want als ik.... + +DOM. MANDERS. Zou je nu misschien zoo vriendelijk willen zijn mevrouw te +gaan roepen? + +REGINE. Die zal nu wel dadelijk komen, dominee (_zij gaat weg naar +links_). + +DOM. MANDERS (_loopt een paar maal de kamer op en neer; blijft een +poosje op den achtergrond staan met de handen op den rug en kijkt uit in +den tuin. Dan komt hij weer bij de tafel terug, neemt een boek op en +kijkt naar den titel, schrikt en kijkt nog meer boeken in_). Hm,... zoo +... ja! + +(_Mevrouw Alving komt binnen door de deur links, gevolgd door Regine, +die dadelijk weer weg gaat door de voorste deur rechts_). + +MEVR. ALVING (_reikt hem de hand_). Welkom dominee. + +DOM. MANDERS. Goeden dag, mevrouw. Daar ben ik zooals ik u beloofde. + +MEVR. ALVING. Altijd op klokslag. + +DOM. MANDERS. Maar 't was moeilijk genoeg om weg te komen. Al die +commissies en besturen waarin ik zit.... + +MEVR. ALVING. Des te vriendelijker van u dat u zoo vroeg komt. Nu kunnen +wij onze zaken afdoen voor wij aan tafel gaan. Maar waar is uw koffer? + +DOM. MANDERS. (_snel_). Mijn goed staat in den winkel, beneden bij den +steiger. Ik logeer daar van nacht. + +MEVR. ALVING (_onderdrukt een glimlach_). Is u er waarlijk niet toe te +bewegen bij mij te overnachten ... ook dezen keer niet? + +DOM. MANDERS. Neen, neen, mevrouw; overigens zeer veel dank. Ik blijf +maar daar beneden, zooals gewoonlijk. Dat is zoo gemakkelijk, als ik +weer aan boord moet. + +MEVR. ALVING. Nu, u moet doen zooals u wil. Maar ik zou anders wel +denken dat wij twee oude menschen.... + +DOM. MANDERS. Och heertje ja, u maakt maar gekheid. Nu ja, u is +natuurlijk van daag uitermate blij. Eerst het inwijdingsfeest morgen, en +dan heeft u ook Oswald weer thuis, hoor ik. + +MEVR. ALVING. Ja, verbeeld u, wat een geluk voor mij! Het is nu al meer +dan twee jaar geleden dat hij het laatst thuis was. En nu heeft hij +beloofd den heelen winter bij mij te zullen blijven. + +DOM. MANDERS. Och ja, waarlijk? Dat is aardig en hartelijk van hem. Want +het moet wel heel wat aantrekkelijker zijn om in Rome of Parijs te +wonen, denk ik zoo. + +MEVR. ALVING. Ja, maar hier thuis heeft hij zijn moeder, ziet u. Och, +mijn eigen lieve jongen,... hij heeft nog wel hart voor zijn moeder! + +DOM. MANDERS. Dat zou toch ook al te treurig zijn als afwezigheid en +zich bezig houden met kunst, zulke natuurlijke gevoelens zou doen +uitslijten. + +MEVR. ALVING. Ja, dat mag u wel zeggen. Maar bij hem is daar waarlijk +geen nood voor. 't Zal mij heusch benieuwen of u hem zal herkennen. Hij +komt straks beneden; hij ligt nu boven wat te rusten op de canape.... +Maar ga toch zitten, waarde dominee. + +DOM. MANDERS. Dank u. 't Schikt u dus nu wel...? + +MEVR. ALVING. Welzeker. (_Zij gaat aan de tafel zitten_). + +DOM. MANDERS. Best; dan zal ik het u laten zien.... (_gaat naar den +stoel waar zijn reistaschje ligt, neemt er een pakje papieren uit, gaat +aan de tafel tegenover haar zitten en zoekt een open plek voor zijn +papieren_). Hier hebben we nu vooreerst.... (_afbrekend_). Zeg u mij +toch eens, Mevrouw, hoe komen _die_ boeken hier? + +MEVR. ALVING. Die boeken? Dat zijn boeken die ik lees. + +DOM. MANDERS. Leest u dergelijke geschriften? + +MEVR. ALVING. Ja zeker. + +DOM. MANDERS. Voelt u dat u beter of gelukkiger wordt door die lektuur? + +MEVR. ALVING. Ik vind dat het mij rust geeft. + +DOM. MANDERS. Dat is opmerkelijk. Hoe dat zoo? + +MEVR. ALVING. Ja, ik krijg er als 't ware de verklaring en de +bevestiging door, van veel dat ik voor mijzelf heb uitgedacht. Want dat +is het wonderlijke, dat er eigenlijk niets nieuws staat in die boeken. +Er staat niets anders in dan dat, wat de meeste menschen denken en +gelooven. Het is maar de zaak dat de meeste menschen er zich geen +rekenschap van geven, of het niet willen weten. + +DOM. MANDERS. Maar lieve Hemel! Gelooft u in vollen ernst dat de meeste +menschen...? + +MEVR. ALVING. Ja, dat geloof ik stellig. + +DOM. MANDERS. Maar toch niet hier in ons land? Niet hier bij ons? + +MEVR. ALVING. O ja, wel zeker, hier bij ons ook. + +DOM. MANDERS. Neen, dan moet ik toch zeggen...! + +MEVR. ALVING. Maar wat heeft u eigenlijk _tegen_ die boeken? + +DOM. MANDERS. Er tegen? U gelooft toch niet dat ik mij bezig houd met +het doorsnuffelen van dergelijke producten? + +MEVR. ALVING. Dat wil zeggen dat u heelemaal niet kent wat u +veroordeelt. + +DOM. MANDERS. Ik heb genoeg _over_ deze geschriften gelezen om ze af te +keuren. + +MEVR. ALVING. Ja, maar uw eigen oordeel.... + +DOM. MANDERS. Lieve mevrouw, er komt velerlei in het leven voor waarin +men zich moet verlaten op anderen. Dat is nu eenmaal zoo in de wereld; +en dat is ook goed. Wat zou er anders terechtkomen van de maatschappij? + +MEVR. ALVING. Jawel, daarin kan u gelijk hebben. + +DOM. MANDERS. Overigens ontken ik natuurlijk niet dat er veel +aantrekkelijks in deze boeken zijn kan. En ik kan er u ook geen verwijt +van maken dat u op de hoogte wenscht te blijven van de geestelijke +stroomingen, die zooals men zegt, in de groote buitenwereld omgaan,... +waar u uw zoon zoo langen tijd heeft laten rondtrekken. Maar.... + +MEVR. ALVING. Maar...? + +DOM. MANDERS (_zachter sprekend_). Maar men spreekt er niet over, +mevrouw. Men behoeft toch waarlijk niet Jan-en-alleman rekenschap te +geven van wat men leest en wat men denkt binnen zijn eigen vier muren. + +MEVR. ALVING. Neen, natuurlijk niet; dat zou ik ook denken. + +DOM. MANDERS. Maar bedenk nu alleen maar eens wat u verplicht is +tegenover dat gesticht, dat u besloot op te richten in een tijd, toen +uwe zienswijze in geestelijke dingen nog zoo heel anders was dan nu;... +zoover ik althans kan nagaan. + +MEVR. ALVING. Ja, ja, dat geef ik volmaakt toe. Maar wij zouden over het +gesticht.... + +DOM. MANDERS. Wij zouden over het gesticht spreken, ja. Dus ... +voorzichtig zijn, lieve mevrouw! En nu gaan wij over tot de zaken +(_opent de portefeuille en neemt er eenige papieren uit_). Ziet u deze +papieren? + +MEVR. ALVING. De stukken? + +DOM. MANDERS. Allemaal. En alles in orde. U kan gerust gelooven dat het +moeite gekost heeft om ze op tijd in handen te krijgen. De ambtenaren +zijn haast pijnlijk nauwgezet in het afdoen van zulke zaken. Maar hier +hebben wij ze dan toch (_bladert in de massa_). Ziet u, hier is de in +het grondboek ingeschreven akte van schenking, voor het deel van het +goed Solvik, behoorend tot het landgoed Rozenheuvel, met de daarop zich +bevindende nieuwopgetrokken gebouwen van woonhuizen, schoollokalen, +onderwijzerswoning en kapel. En hier is het bewijs van het legaat en van +de statuten der stichting. Hier, ziet u maar alsjeblieft.... (_leest +voor_). De statuten van Het Tehuis voor Kinderen "Kapitein Alving's +Stichting".... + +MEVR. ALVING (_kijkt op het papier_). Dat is het dus. + +DOM. MANDERS. Ik heb den titel kapitein gekozen en niet kamerheer. +Kapitein staat eenvoudiger. + +MEVR. ALVING. Ja, ja; net als u goed vindt. + +DOM. MANDERS. En hier heeft u het spaarbankboekje van het te beleggen +kapitaal, dat uitgezet is om de bedrijfskosten van het gesticht te +bestrijden. + +MEVR. ALVING. Dank u, maar wees zoo vriendelijk dat voor het gemak maar +te bewaren. + +DOM. MANDERS. Heel gaarne. Mij dunkt wij moesten het geld voorloopig op +de spaarbank laten. De rentevoet is wel niet erg uitlokkend, vier +procent met halfjarige opzegging. Als wij er later een solide hypotheek +voor konden krijgen.... Het zou natuurlijk een eerste en in alle +opzichten sekure moeten zijn ... dan konden wij er nog eens verder over +spreken. + +MEVR. ALVING. Ja, ja, dominee; van al die dingen heeft u veel meer +verstand dan ik. + +DOM. MANDERS. Ik zal in elk geval wel eens goed uit mijn oogen +kijken.... Maar dan is er nog iets wat ik al meermalen heb willen +vragen. + +MEVR. ALVING. En wat is dat dan? + +DOM. MANDERS. Moeten de gebouwen geassureerd worden of niet? + +MEVR. ALVING. Ja, natuurlijk moeten ze geassureerd worden. + +DOM. MANDERS. Ja, wacht eens even, mevrouw. Laat ons die zaak nog eens +nader beschouwen. + +MEVR. ALVING. Bij mij is alles geassureerd, de gebouwen, de roerende +goederen, de oogst en het vee. + +DOM. MANDERS. Natuurlijk. Op uw eigen landgoed. Dat doe ik ook,... dat +spreekt van zelf. Maar hier, ziet u, is het een heel andere zaak. Het +gesticht zal toch als het ware gewijd worden tot een hoogere +levensroeping. + +MEVR. ALVING. Ja, maar omdat.... + +DOM. MANDERS. Wat mij persoonlijk betreft, zou ik er zeer zeker in de +verte niets aanstootelijks in vinden om ons tegen alle mogelijkheden te +verzekeren.... + +MEVR. ALVING. Neen, dat dunkt mij ook. + +DOM. MANDERS. ... Maar hoe staat het met den geest van de menschen hier +in den omtrek. Dat weet u stellig beter dan ik. + +MEVR. ALVING. Hm, de geest.... + +DOM. MANDERS. Zijn hier betrekkelijk nog al veel menschen, met wier +opinie werkelijk rekening moet gehouden worden, die er aanstoot aan +zouden kunnen nemen? + +MEVR. ALVING. Wat verstaat u eigenlijk onder menschen met wier opinie +rekening moet gehouden worden? + +DOM. MANDERS. Wel, ik denk in de eerste plaats aan mannen die in zoover +onafhankelijk en invloedrijk genoeg zijn, dat men moeilijk nalaten kan +eenige rekening te houden met hunne opinie. + +MEVR. ALVING. Van die zijn er hier verscheidene, aan wie het misschien +wel aanstoot zou kunnen geven, indien.... + +DOM. MANDERS. Nu, ziet u nu wel! Bij ons in de stad zijn er heel wat van +dat slag. Denk maar eens aan al de volgelingen van mijn ambtsbroeder! +Men zou er waarlijk licht toe kunnen komen het op te vatten alsof noch u +noch ik, het ware vertrouwen op een hoogere bestiering bezat. + +MEVR. ALVING. Maar wat u betreft, waarde dominee, weet u althans voor u +zelf dat.... + +DOM. MANDERS. Ja, ik weet; ik weet;... ik heb mijn overtuiging; dat is +waar. Maar wij zouden toch niet kunnen verhinderen dat er een verkeerden +en ongewenschten uitleg aan gegeven werd. En die zou dan weer allicht +een belemmerenden invloed uitoefenen op de heele stichting. + +MEVR. ALVING. Ja, als dat het gevolg zou zijn, dan.... + +DOM. MANDERS. Ik kan ook niet geheel uit het oog verliezen de +moeilijke,... ja, ik mag wel zeggen pijnlijke verhouding, waarin ik +misschien geraken zou. In de toonaangevende kringen van de stad, houdt +men zich veel bezig met de gestichtskwestie. Het gesticht is immers voor +een deel ook opgericht ten bate van de stad, en het is te hopen dat het +in niet geringe mate onze gemeentelijke armenlasten zal verlichten. Maar +daar ik nu uw raadsman ben geweest en het practische deel van de zaak +beheerd heb, moet ik vreezen dat de benijders in de allereerste plaats +zich op mij zullen werpen.... + +MEVR. ALVING. Neen, daaraan mag u zich niet blootstellen.... + +DOM. MANDERS. ... Om nog niet eens te spreken van de aanvallen, die zeer +stellig op mij gericht zullen worden in zekere bladen en tijdschriften, +die.... + +MEVR. ALVING. Al genoeg dominee; deze laatste overweging is al ruim +voldoende. + +DOM. MANDERS. U wil dus dat het geassureerd worden zal? + +MEVR. ALVING. Neen, wij zullen het dan maar laten. + +DOM. MANDERS (_leunt achterover in zijn stoel_). Maar als er nu eens een +ongeluk gebeurde? Men kan toch nooit weten.... Zou u dan de schade weer +kunnen vergoeden? + +MEVR. ALVING. Neen; dat zeg ik ronduit, dat zou ik zeer stellig niet +doen. + +DOM. MANDERS. Ja, maar ... dan is het toch een bedenkelijke +verantwoordelijkheid, die wij op ons nemen. + +MEVR. ALVING. Maar vindt u dan dat wij anders _kunnen_? + +DOM. MANDERS. Neen; dat is het juist; we _kunnen_ eigenlijk niet anders. +Wij mogen ons toch niet blootstellen aan een verkeerd oordeel; en het is +ons volstrekt niet geoorloofd ergernis te verwekken in de gemeente. + +MEVR. ALVING. U, als dominee, in elk geval niet. + +DOM. MANDERS. En ik vind dan toch werkelijk ook, dat wij er op moeten +vertrouwen dat op zulk een stichting zegen zal rusten,... ja zelfs, dat +die onder bizondere bescherming staat. + +MEVR. ALVING. Laat ons dat hopen, dominee. + +DOM. MANDERS. Zullen wij het er dus maar bij laten? + +MEVR. ALVING. Ja, zeker. + +DOM. MANDERS. Best. Zooals u wil (_noteert_). Dus ... niet assureeren. + +MEVR. ALVING. 't Is anders wonderlijk dat u daar juist van daag over +komt spreken.... + +DOM. MANDERS. Ik heb er al dikwijls over gedacht het u te vragen.... + +MEVR. ALVING. ... want gisteren hadden wij daarginder bijna brand gehad. + +DOM. MANDERS. Wat zegt u! + +MEVR. ALVING. Nu, het had overigens niets te beteekenen. Een hoop +houtkrullen had vuur gevat in de timmermanswerkplaats. + +DOM. MANDERS. Waar Engstrand werkt? + +MEVR. ALVING. Ja. Hij moet dikwijls heel onvoorzichtig zijn met +lucifers, zeggen ze. + +DOM. MANDERS. Hij heeft zooveel aan zijn hoofd, die man ... zoo velerlei +verzoekingen. Goddank legt hij er zich nu op toe een onberispelijk leven +te leiden, naar ik hoor. + +MEVR. ALVING. Zoo? Wie zegt dat? + +DOM. MANDERS. Dat heeft hij mij zelf verzekerd. En een knap werkman is +hij toch ook. + +MEVR. ALVING. O ja, zoo lang hij nuchter is.... + +DOM. MANDERS. Ja, die treurige zwakheid; maar hij is er dikwijls toe +genoodzaakt voor dat akelige been, zegt hij. Den laatsten keer dat hij +in de stad was, deed hij mij waarlijk aan. Hij kwam bij mij en bedankte +mij zoo hartelijk omdat ik hem hier werk verschaft had, zoodat hij nu +met Regine samen kon zijn. + +MEVR. ALVING. Hij merkt anders niet veel van haar. + +DOM. MANDERS. Jawel, hij spreekt haar iederen dag, dat vertelde hij mij +zelf. + +MEVR. ALVING. Nu ja ... dat kan ook wel zijn. + +DOM. MANDERS. Hij voelt zoo goed dat hij behoefte heeft aan iemand die +hem terughouden kan als de verleiding nabij is. Dat is het beminnelijke +in Jakob Engstrand, dat hij zoo volslagen hulpeloos bij iemand komt en +zich aanklaagt en zijn eigen zwakheid bekent. Laatst was hij bij mij en +sprak met mij.... Hoor eens, mevrouw, als het hem een hartsbehoef te +zijn zou om Regine bij zich thuis te hebben.... + +MEVR. ALVING (_staat snel op_). Regine! + +DOM. MANDERS. ... dan moet u zich daar niet tegen verzetten. + +MEVR. ALVING. Jawel, daar zal ik mij zeer zeker tegen verzetten. En +bovendien,... Regine krijgt immers een betrekking in het gesticht. + +DOM. MANDERS. Maar denk toch eens aan, hij is toch haar vader.... + +MEVR. ALVING. O, ik weet best wat voor soort van een vader hij voor haar +geweest is. Neen, naar hem zal zij nooit teruggaan met mijn goedvinden. + +DOM. MANDERS (_staat op_). Maar lieve mevrouw, wind u daarover toch niet +zoo op. Het is bedroevend zoo als u Engstrand miskent. Het is of ik u +een schrik op het lijf jaag.... + +MEVR. ALVING. Dat doet er niet toe. Ik heb Regine tot mij genomen, en +bij mij zal zij blijven (_luistert_). Sst, dominee, spreek daar nu niet +meer over. (_Haar gezicht verheldert_). Hoor! Daar komt Oswald de trap +af. Nu houden wij ons verder alleen met hem bezig. + +(_Oswald Alving in een overjas, met zijn hoed in de hand en rookend uit +een groote meerschuimen pijp, komt binnen door de deur links_). + +OSWALD (_blijft in de deur staan_). O pardon ... ik dacht dat u in het +kantoor zat (_komt naderbij_). Goeden dag, dominee. + +DOM. MANDERS. Ah...! Dat is merkwaardig.... + +MEVR. ALVING. Wel, wat zegt u nu van hem, dominee? + +DOM. MANDERS. Ik zeg ... ik zeg.... Neen maar, is dat nu waarlijk...? + +OSWALD. Jawel, het is heusch de verloren zoon, dominee. + +DOM. MANDERS. Maar, mijn waarde jonge vriend.... + +OSWALD. Nou, dan de teruggekomen zoon. + +MEVR. ALVING. Oswald denkt er aan dat u er toen zooveel tegen had dat +hij schilder werd. + +DOM. MANDERS. Voor menschelijke oogen kan menige stap in het leven +bedenkelijk schijnen, die toch later.... (_schudt hem de hand_). Nu, +welkom, welkom! Neen, mijn waarde Oswald.... Ja, mag ik je nog wel bij +je voornaam noemen? + +OSWALD. Hoe zou u mij dan anders noemen? + +DOM. MANDERS. Heel goed. 't Was dit dat ik zeggen wilde, mijn waarde +Oswald,... je moet niet denken dat ik onvoorwaardelijk den +kunstenaarsstand veroordeel. Ik neem aan dat er velen zijn, die hun +innerlijk wezen onbedorven bewaren kunnen ook in dien stand. + +OSWALD. Dat zullen wij moeten hopen. + +MEVR. ALVING (_stralend van vreugde_). Ik ken er een die zoowel zijn +innerlijke als zijn uiterlijke wezen onbedorven bewaard heeft. Kijk hem +maar eens aan, dominee. + +OSWALD (_loopt heen en weer_). Ja, ja, moederlief, laat dat nu maar +rusten. + +DOM. MANDERS. Nu, met verlof ... dat kan niet ontkend worden. En je bent +al begonnen naam te maken ook. In de dagbladen is er dikwijls over je +gesproken, en wel buitengewoon gunstig ook. Hoewel ... ik moet zeggen +... in den laatsten tijd heb ik er zooveel niet meer van gezien. + +OSWALD (_in de serre_). In den laatsten tijd heb ik niet zoo veel meer +geschilderd. + +MEVR. ALVING. Een schilder moet tusschenbeiden ook eens wat rust nemen. + +DOM. MANDERS. Dat kan ik begrijpen. En dan bereidt men zich voor en +verzamelt kracht voor iets groots. + +OSWALD. Ja.--Moeder, gaan wij nog niet haast eten? + +MEVR. ALVING. Over een klein half uurtje. Eetlust heeft hij gelukkig. + +DOM. MANDERS. En de tabak smaakt hem ook. + +OSWALD. Ik vond papa's pijp boven op de kamer, en zoo.... + +DOM. MANDERS. Aha, dat was het dus! + +MEVR. ALVING. Wat? + +DOM. MANDERS. Toen Oswald daar de deur in kwam met de pijp in den mond, +was het of ik zijn vader in levenden lijve zag. + +OSWALD. Och kom? + +MEVR. ALVING. O, hoe kan u het zeggen! Oswald lijkt toch op mij. + +DOM. MANDERS. Ja; maar er is een trek om de mondhoeken, iets om de +lippen, dat zoo eigenaardig aan Alving herinnert ... althans nu hij +rookt. + +MEVR. ALVING. Heelemaal niet. Oswald heeft eerder iets van een +geestelijke om den mond, vind ik. + +DOM. MANDERS. O ja, o ja, verscheidene van mijn ambtsbroeders hebben een +dergelijken trek. + +MEVR. ALVING. Maar leg je pijp liever weg, mijn jongen; ik heb hier niet +graag tabaksrook. + +OSWALD. Met genoegen. Ik wou die pijp alleen maar eens probeeren, omdat +ik als kind er eens uit gerookt heb. + +MEVR. ALVING. Jij? + +OSWALD. Ja. Ik was toen nog heel klein. Maar ik herinner mij dat ik +boven bij papa op de kamer kwam op een avond, en hij zoo vroolijk en +jolig was. + +MEVR. ALVING. Och kom, je herinnert je niets meer van die jaren. + +OSWALD. Jawel, ik herinner mij duidelijk dat hij mij op zijn knieen +zette en liet rooken uit zijn pijp. Rook, jongen, zei hij ... flink +rooken, jongen! En ik rookte wat ik kon, totdat ik voelde dat ik +heelemaal bleek werd en het zweet in groote droppels op mijn voorhoofd +stond. Toen lachte hij dat hij schaterde.... + +DOM. MANDERS. Dat was toch al heel vreemd. + +MEVR. ALVING. Och dominee, dat heeft Oswald gedroomd! + +OSWALD. Neen, moeder, ik heb het volstrekt niet gedroomd. Want ... +herinner je je dat dan niet meer ... toen kwam jij binnen en droeg me +naar de kinderkamer. Daar werd ik toen onpasselijk en zag ik dat je +huilde.... Haalde papa dikwijls zulke grappen uit? + +DOM. MANDERS. In zijn jeugd was hij een bizonder levenslustig mensch.... + +OSWALD. ... en heeft toch nog zooveel gedaan in de wereld. Zooveel goeds +en nuttigs tot stand gebracht; en was toch nog jong toen hij stierf. + +DOM. MANDERS. Ja, je hebt in waarheid den naam van een werkzaam en +bekwaam man geerfd, mijn waarde Oswald. Nu, dat zal, naar wij hopen, je +een spoorslag zijn.... + +OSWALD. Dat behoorde het ten minste te zijn, ja. + +DOM. MANDERS. Het is in elk geval mooi van je dat je thuis komt voor +zijn eere-dag. + +OSWALD. Minder kon ik al niet voor papa doen. + +MEVR. ALVING. En dat ik hem zoo lang mag houden ... dat is nu nog het +allermooiste van hem. + +DOM. MANDERS. Ja, je blijft den heelen winter hier, hoor ik. + +OSWALD. Ik blijf thuis voor onbepaalden tijd, dominee.... O, het is toch +zoo heerlijk om weer bij moeder thuis te zijn! + +MEVR. ALVING (_stralend_). Ja, he, mijn jongen? + +DOM. MANDERS (_kijkt hem deelnemend aan_). Je bent al vroeg de wijde +wereld ingegaan, mijn waarde Oswald. + +OSWALD. Dat is zoo. Soms denk ik wel eens of het niet wat al te vroeg +was. + +MEVR. ALVING. O, wel neen, volstrekt niet. Dat is juist goed voor een +flinken jongen. En vooral voor een eenig kind. Die moet niet thuis aan +moeders rokken blijven hangen om zich te laten bederven. + +DOM. MANDERS. Dat is een bewering die wel voor tegenspraak vatbaar is, +mevrouw. Het ouderlijk huis is en blijft toch de ware plaats voor een +kind. + +OSWALD. Daarin ben ik het geheel met den dominee eens. + +DOM. MANDERS. Zie nu maar eens naar uw eigen zoon. Wij kunnen er gerust +over spreken in zijn bijzijn. Wat zijn voor hem de gevolgen geweest? Hij +is zes-zeven-en-twintig jaar oud geworden en heeft nooit gelegenheid +gehad een geregeld tehuis te leeren kennen. + +OSWALD. Pardon, dominee,... dat heeft u glad mis. + +DOM. MANDERS. Zoo? Ik dacht toch dat je zoo goed als uitsluitend in +kunstenaarskringen verkeerd had. + +OSWALD. Dat heb ik ook. + +DOM. MANDERS. En meest onder jongere artisten. + +OSWALD. Jawel. + +DOM. MANDERS. Maar ik dacht dat de meesten van die luitjes geen middelen +hadden om een huishouden op te zetten en zich te vestigen. + +OSWALD. Er zijn er velen onder hen die geen middelen genoeg hebben om te +trouwen, dominee. + +DOM. MANDERS. Nu ja, dat is net wat ik zeg. + +OSWALD. Maar daarom kunnen zij toch wel een tehuis hebben. En dat hebben +dan ook sommigen; en dat is een heel geregeld en een heel gezellig +tehuis. + +MEVR. ALVING (_volgt in spanning het gesprek ... knikt, maar zegt +niets_). + +DOM. MANDERS. Maar ik spreek niet van een jonggezellen-tehuis. Onder een +tehuis versta ik een huisgezin, waar een man leeft met zijn vrouw en +kinderen. + +OSWALD. Jawel; of met zijn kinderen en de moeder van zijn kinderen. + +DOM. MANDERS (_schrikt ... slaat de handen in elkaar_). Genadige Hemel! + +OSWALD. Wel? + +DOM. MANDERS. Leven met ... de moeder van zijn kinderen...! + +OSWALD. Zou u dan liever willen dat hij de moeder van zijn kinderen +verstiet? + +DOM. MANDERS. Het is dus van onwettige verhoudingen dat je spreekt! Over +een zoogenaamd leven in wilden echt! + +OSWALD. Ik heb nooit iets bizonder wilds opgemerkt in het samenleven van +die lui. + +DOM. MANDERS. Maar hoe is het mogelijk dat een ... een maar eenigszins +welopgevoed man of een jonge vrouw, er zich in schikken kan op die +manier te leven ... zoo maar voor het oog van iedereen! + +OSWALD. Maar wat moeten ze dan doen? Een arm jong artiste,... een arm +jong meisje.... Trouwen kost een boel geld. Wat moeten ze dan doen? + +DOM. MANDERS. Wat ze moeten doen? Wel, mijnheer Alving, ik zal u zeggen +wat zij moeten doen. Zij moesten van 't begin af aan elkaar vermeden +hebben,... dat moesten ze! + +OSWALD. Met zulke praatjes komt u niet ver bij jonge, warmbloedige, +verliefde menschen! + +MEVR. ALVING. Neen, daar komt u niet ver mee! + +DOM. MANDERS (_voortgaand_). En dat de overheid zoo iets duldt! Dat zoo +iets openlijk geschieden mag! (_Tot mevr. Alving gewend_). Had ik dus +geen reden om in mijn hart bekommerd te zijn over uw zoon? In kringen +waar de onverhulde onzedelijkheid in zwang is en als het ware recht van +bestaan gekregen heeft.... + +OSWALD. Ik zal u eens iets zeggen, dominee. Ik ben een vaste zondagsgast +geweest in een paar dergelijke ongeregelde huisgezinnen.... + +DOM. MANDERS. En dat op zondag! + +OSWALD. Ja, dat is de dag waarop men zich amuseert. Maar nooit heb ik +een aanstootelijk woord gehoord, en nog minder ben ik getuige geweest +van iets dat men onzedelijk zou kunnen noemen. Neen, weet u wanneer en +waar ik onzedelijkheid heb aangetroffen in de artistenkringen? + +DOM. MANDERS. Neen, Goddank! + +OSWALD. Nu, dan zal ik mij permitteeren het u te vertellen. Ik heb die +aangetroffen, wanneer een-of-ander van onze modelechtgenooten of +huisvaders daarginder kwam, om eens een beetje op zijn eigen houtje rond +te kijken ... en dan artisten de eer aandeed hen op te zoeken in hun +armzalige cafe's. Daar werden wij behoorlijk ingelicht. Die heeren +wisten ons te vertellen van plaatsen en dingen waar wij nog nooit van +gedroomd hadden. + +DOM. MANDERS. Wat? Wil u beweren dat eerbare mannen uit ons land +zouden...? + +OSWALD. En als dergelijke eerbare mannen weer thuiskwamen ... heeft u +hen dan nooit hooren uitpakken over de hand-over-hand toenemende +onzedelijkheid in het buitenland? + +DOM. MANDERS. Jawel, natuurlijk.... + +MEVR. ALVING. Dat heb ik ook wel gehoord. + +OSWALD. Nou, u kan hen gerust op hun woord gelooven. Daar zijn menschen +onder die van die zaken op de hoogte zijn (_grijpt naar zijn hoofd_). O +... dat het mooie, heerlijke vrijheidsleven daarginder ... dat het zoo +bezoedeld moet worden! + +MEVR. ALVING. Je moet je niet zoo opwinden, Oswald; dat is niet goed +voor je. + +OSWALD. Neen, daarin heb je gelijk, moeder. Dat is niet gezond voor mij. +Het is die vervloekte moeheid, zie je. Ik zal een klein eindje omloopen +voor wij aan tafel gaan. Neem mij niet kwalijk, dominee, u kan daar zoo +niet in komen; maar het kwam zoo in mij op (_hij gaat weg door de tweede +deur rechts_). + +MEVR. ALVING. Mijn arme jongen ...! + +DOM. MANDERS. Ja, dat mag u wel zeggen. Zoo ver is het dus al met hem +gekomen! + +MEVR. ALVING (_kijkt hem aan en zwijgt_). + +DOM. MANDERS (_loopt op en neer_). Hij noemde zich de verloren zoon. Ja, +helaas ... helaas! + +MEVR. ALVING (_kijkt hem steeds aan_). + +DOM. MANDERS. En wat zegt u van dat alles? + +MEVR. ALVING. Ik zeg dat Oswald gelijk had in ieder woord dat hij zei. + +DOM. MANDERS (_blijft staan_). Gelijk? Gelijk? In zulke principes! + +MEVR. ALVING. Hier in mijn eenzaamheid ben ik er toe gekomen er net +eender over te denken, dominee. Maar ik heb nooit gewaagd het onderwerp +aan te roeren. Nu, 't is goed; mijn jongen zal voor mij spreken. + +DOM. MANDERS. U is een beklagenswaardige vrouw, mevrouw Alving. Maar nu +wil ik eens een ernstig woord met u spreken. Nu is het niet meer uw +zakenbeheerder en raadsman, die voor u staat. Het is de geestelijke, +zooals hij voor u stond in het moeilijkste uur van uw leven. + +MEVR. ALVING. En wat heeft de geestelijke mij te zeggen? + +DOM. MANDERS. Eerst wil ik uw herinneringen wakker roepen, mevrouw. Het +tijdstip is wel gekozen. Morgen zal het tien jaar geleden zijn dat uw +man gestorven is; morgen zal het gedenkteeken onthuld worden voor hem, +die heengegaan is. Morgen zal ik spreken tot de heele verzamelde schare; +maar heden wil ik spreken tot u alleen. + +MEVR. ALVING. Goed, dominee; ga u gang! + +DOM. MANDERS. Weet u nog, dat u, na ter nauwernood een jaar getrouwd te +zijn geweest, aan den rand van den afgrond heeft gestaan? Dat u uw huis +en haard verliet,... dat u wegliep van uw man;... ja mevrouw Alving +wegliep, wegliep, en weigerde terug te keeren tot hem, hoezeer hij er +ook om bad en smeekte? + +MEVR. ALVING. Heeft u vergeten hoe grenzenloos ongelukkig ik mij +gevoelde dat eerste jaar? + +DOM. MANDERS. Dat is juist de echte geest van verzet die geluk eischt +hier in het leven. Welk recht hebben wij menschen op geluk? Neen, wij +moeten onzen plicht doen, mevrouw! En uw plicht was het te blijven bij +den man, dien u eens gekozen had, en aan wien u verbonden was door +heilige banden. + +MEVR. ALVING. U weet best wat voor een leven Alving leidde in dien tijd; +aan welke uitspattingen Bij zich schuldig maakte. + +DOM. MANDERS. Ik weet heel goed welke geruchten er over hem rondgingen; +en ik ben zeker de allerlaatste om zijn levenswandel in zijn jeugd goed +te keuren, voor zoover die geruchten waarheid bevatten. Maar een vrouw +is niet als rechter gesteld over haar man. Het was uw plicht geweest in +nederigheid het kruis te dragen, dat een Hoogere Wil noodig voor u +geacht had. Maar in plaats daarvan wierp u in arren moede uw kruis af, +verliet den struikelende dien u had moeten steunen, zette uw goeden naam +op het spel, en ... had bijna den naam van anderen er ook bij verspeeld. + +MEVR. ALVING. Van anderen? Van een ander, bedoelt u zeker. + +DOM. MANDERS. Het was ongehoord roekeloos van u om een toevlucht te +zoeken bij _mij_. + +MEVR. ALVING. Bij onzen geestelijke? Bij onzen huisvriend? + +DOM. MANDERS. Juist.... Ja, dank uw Heer en God, dat ik de noodige +kracht bezat, dat ik u kon afbrengen van uw overspannen voornemens en +dat het mij vergund werd u op den weg van den plicht en tot uw wettigen +echtgenoot terug te voeren. + +MEVR. ALVING. Ja, dominee, dat was inderdaad uw werk. + +DOM. MANDERS. Ik was maar een zwak werktuig in de hand van een Hoogere +Macht. En hoe is het u niet tot een grooten zegen geworden voor al uw +latere levensdagen, dat ik u weer deed buigen onder plicht en +gehoorzaamheid? Is het niet gegaan zooals ik u voorzegd had? Keerde +Alving niet terug van zijn afdwalingen, zooals het een man betaamt? +Leefde hij sedert niet in liefde en onberispelijk met u alle volgende +jaren? Werd hij niet een weldoener voor deze streek, en hief hij u niet +zoo tot zich op, dat u naderhand zijn medewerkster werd in alles wat hij +ondernam? En wel een bekwame medewerkster;... o, ik weet het, mevrouw; +_dien_ lof moet ik u geven. Maar nu kom ik tot den tweeden grooten +misstap in uw leven. + +MEVR. ALVING. Wat bedoelt u daarmee? + +DOM. MANDERS. Evenals u eens de plichten der echtgenoote verzaakt heeft, +zoo heeft u later die der moeder verzaakt. + +MEVR. ALVING. Ah...! + +DOM. MANDERS. U is uw levenlang beheerscht geworden door een +onheilzwangeren geest van eigenzinnigheid. Al uw streven is daarheen +gericht geweest u van dwang en wetten vrij te maken. Nooit heeft u +eenigen knellenden band kunnen velen. Alles wat u in het leven +bezwaarde, heeft u roekeloos en gewetenloos van u afgeworpen, als een +last, waarover u zelf te beschikken had. Het behaagde u niet langer +echtgenoote te zijn, en u verliet uw man. Het viel u lastig moeder te +zijn, en u zond uw kind weg onder vreemden. + +MEVR. ALVING. Ja, dat is waar; dat heb ik gedaan. + +DOM. MANDERS. Maar daardoor is u ook een vreemde voor hem gebleven. + +MEVR. ALVING. Neen, neen, dat ben ik niet! + +DOM. MANDERS. Dat is u wel; dat _moet_ u wel zijn. En hoe heeft u hem nu +terug gekregen! Bedenk het wel; mevrouw, u heeft veel gezondigd tegen uw +man; ... dat erkent u door dat gedenkteeken daar beneden voor hem op te +richten. Erken nu ook hoe u heeft gezondigd tegen uw zoon; het kan nog +tijd zijn om hem van zijn dwaalweg terug te brengen. Keer zelf om; en +richt op, wat er misschien nog in hem op te richten is. Want (_met +opgeheven wijsvinger_) in waarheid, mevrouw Alving, u is een met schuld +beladen moeder!... Ik heb het mijn plicht geacht u dat te zeggen. + +(_Zwijgen_). + +MEVR. ALVING (_langzaam en met zelfbeheersching_). Nu heeft u gesproken, +dominee; en morgen zal u openlijk spreken om mijn man te gedenken. Ik +zal morgen niet spreken. Maar nu wil ik eens even tot u spreken, zooals +u tot mij gesproken heeft. + +DOM. MANDERS. Natuurlijk; u wil verontschuldigingen aanvoeren voor uwe +handelwijze.... + +MEVR. ALVING. Neen. Ik wil alleen maar vertellen. + +DOM. MANDERS. Nu...? + +MEVR. ALVING. Alles wat u zooeven hier zei, van mij en mijn man en ons +samenleven, nadat u, zooals u het noemde, mij op den weg van den plicht +had teruggevoerd ... van dat alles weet u door eigen waarneming, +volstrekt niets. Van dat oogenblik af zette u, onze dagelijksche +huisvriend,... nooit meer een voet in ons huis. + +DOM. MANDERS. U heeft immers, onmiddellijk daarop, met uw man de stad +verlaten. + +MEVR. ALVING. Ja, en hier buiten is u zoo lang mijn man leefde nooit bij +ons gekomen. Het zijn zaken geweest die u dwongen mij op te zoeken, toen +u in de kwestie van het gesticht is betrokken geworden. + +DOM. MANDERS. Helene ... als dat een verwijt moet zijn, dan verzoek ik u +wel te overwegen.... + +MEVR. ALVING. ... alles wat u aan uw positie verschuldigd was; jawel. En +ook dat ik een van haar man weggeloopen vrouw was. Men kan nooit +terughoudend genoeg zijn tegenover zulke roekelooze vrouwen. + +DOM. MANDERS. Lieve ... mevrouw dat is nu wel ontzettend overdreven.... + +MEVR. ALVING. Ja, ja, ja ... dat kan wel zijn. Ik wou alleen maar zeggen +dat toen u een oordeel uitsprak over mijn huwelijksleven, u eenvoudig +steunde op de algemeen gangbare opvatting. + +DOM. MANDERS. Nu ja; en wat zou dat? + +MEVR. ALVING. Maar Manders, nu zal ik u de waarheid eens zeggen. Ik heb +het mijzelf plechtig beloofd dat u het eenmaal weten zou. U alleen! + +DOM. MANDERS. En wat is dan de waarheid? + +MEVR. ALVING. De waarheid is, dat mijn man net zoo gedepraveerd stierf +als hij altijd geleefd had. + +DOM. MANDERS (_grijpt naar een stoel_). Wat zegt u? + +MEVR. ALVING. Na een negentienjarig huwelijk nog even gedepraveerd ... +in zijn zinnelijke lusten althans ... als hij was voor u ons trouwde. + +DOM. MANDERS. En deze jeugd-afdwalingen,... deze ongeregeldheden,... +uitspattingen, als u wil, noemt u gedepraveerdheid! + +MEVR. ALVING. Onze huisdokter gebruikte die uitdrukking. + +DOM. MANDERS. Nu begrijp ik u niet. + +MEVR. ALVING. Dat hoeft ook niet. + +DOM. MANDERS. 't Begint mij haast te duizelen. Uw heele huwelijk,... het +heele veeljarige samenleven met uw man zou niets anders zijn dan een +overdekte afgrond! + +MEVR. ALVING. Absoluut niets anders. Nu weet u het. + +DOM. MANDERS. Daar ... daar kan ik nog niet bij. Ik kan het niet in me +opnemen! Niet vasthouden! Maar hoe was het dan mogelijk dat...? Hoe +heeft zoo iets verborgen kunnen blijven? + +MEVR. ALVING. Dat is juist mijn voortdurende dagelijksche strijd +geweest. Toen Oswald geboren was, meende ik dat het wat beter ging met +Alving. Maar dat duurde niet lang. En nu moest ik dubbel strijden, +strijden op leven en dood, dat maar niemand zou te weten komen, wat voor +een mensch de vader van mijn kind was. En u weet wel hoe innemend Alving +was. Niemand scheen ooit iets anders dan goeds van hem te kunnen +gelooven. Hij was een van die menschen, wiens reputatie er niet onder +lijdt, hoe hij ook leeft. Maar toen, Manders,... dat moet u ook weten +... toen kwam het afschuwelijkste van alles. + +DOM. MANDERS. Iets nog afschuwelijker dan dat! + +MEVR. ALVING. Ik had alles verdragen, hoewel ik zeer goed wist wat er in +het geheim buitenshuis gebeurde. Maar toen het schandaal binnen onze +eigen vier muren begon.... + +DOM. MANDERS. Wat zegt u! Hier! + +MEVR. ALVING. Ja, hier in ons eigen huis. Daar, (_zij wijst naar de +eerste deur rechts_) in de eetkamer was het, dat ik het 't eerst merkte. +Ik had iets te doen in die kamer en de deur stond aan. Toen hoorde ik +ons kamermeisje de tuintrap opkomen met water voor de bloemen daarginds. + +DOM. MANDERS. Ja, en...? + +MEVR. ALVING. Even daarna hoorde ik dat Alving ook kwam. Ik hoorde dat +hij zachtjes iets tegen haar zei. En toen hoorde ik (_met een kort +lachje_). O, het klinkt mij nog altijd zoo schrijnend en toch zoo +belachelijk ook;... toen hoorde ik mijn eigen dienstmeisje fluisteren: +Laat me los, mijnheer! Laat mij met rust! + +DOM. MANDERS. Wat een ongepaste lichtzinnigheid van hem! O, maar meer +dan lichtzinnigheid was dat niet, mevrouw. Geloof wat ik u zeg. + +MEVR. ALVING. Ik kwam gauw genoeg te weten wat ik er van gelooven moest. +Mijn man kreeg gedaan wat hij wou van het meisje,... en die relatie had +gevolgen dominee. + +DOM. MANDERS (_als versteend_). En dat alles hier in huis! Hier in huis! + +MEVR. ALVING. Ik had al veel uitgestaan in dit huis. Want om hem 's +avonds thuis te houden ... en 's nachts ... moest ik meedoen met zijn +geheime drinkpartijen boven op zijn kamer. Daar heb ik moeten zitten, +alleen met hem, met hem moeten klinken en drinken, zijn vuile +dronkemanspraat moeten aanhooren, en met hem moeten worstelen om hem +eindelijk in bed te krijgen.... + +DOM. MANDERS (_geschokt_). Dat u dat alles heeft kunnen uithouden! + +MEVR. ALVING. Ik had mijn kleinen jongen voor wien ik het uithield. Maar +toen die laatste beleediging er bij kwam; toen mijn eigen dienstmeisje +... toen beloofde ik mij zelf dat er een eind aan komen zou! En toen nam +ik het gezag in handen in huis ... geheel en al ... over hem en over al +het verdere. Want nu had ik een wapen tegen hem, ziet u; hij durfde niet +meer kikken. Toen was het dat ik Oswald van huis wegzond. Hij werd haast +zeven jaar en begon op te merken en te vragen, zooals kinderen dat doen. +Dat kon ik niet meer dragen, Manders. 't Leek mij of het kind vergiftigd +worden moest alleen maar door te ademen in dit bezoedelde huis. Daarom +zond ik hem weg. En nu begrijpt u ook waarom hij nooit een voet in huis +heeft gehad zoo lang zijn vader leefde. Niemand weet wat mij dat gekost +heeft. + +DOM. MANDERS. U heeft in waarheid het leven leeren kennen. + +MEVR. ALVING. Ik zou het nooit hebben uitgehouden als ik mijn werk niet +gehad had. Ja, want ik mag wel zeggen dat ik gewerkt heb! Al deze +vermeerderingen van ons grondbezit, alle verbeteringen, al die +practische inrichtingen, waarvoor Alving geprezen en geroemd werd,... +denkt u dat _hij_ daarvoor energie had? _Hij_, die den heelen dag op de +canape lag te lezen in een ouden staatsalmanak! Neen; nu zal ik u dat +ook vertellen; _ik_ was het die hem dien weg opdreef, wanneer hij nu en +dan zijn heldere oogenblikken had; _ik_ was het die den heelen last +moest voortslepen, wanneer hij weer begon met zijn uitspattingen of in +elkaar zakte in jammer en ellende. + +DOM. MANDERS. En voor dien man richt u een gedenkteeken op! + +MEVR. ALVING. Daarin ziet u de macht van het kwade geweten.... + +DOM. MANDERS. Het kwade geweten? Hoe meent u dat? + +MEVR. ALVING. Het stond mij altijd voor den geest dat het onmogelijk +anders kon, of de waarheid _moest_ eens uitkomen en geloofd worden. +Daarom moest het gesticht als het ware alle geruchten te niet doen en +allen twijfel op zij zetten. + +DOM. MANDERS. Daarin heeft u zeer zeker uw doel niet gemist, mevrouw. + +MEVR. ALVING. En ik had nog een andere reden. Ik wou niet dat Oswald, +mijn eigen jongen, iets hoegenaamd van zijn vader zou erven. + +DOM. MANDERS. Het is dus Alving's vermogen, dat...? + +MEVR. ALVING. Ja. De sommen die ik jaar op jaar aan het gesticht +geschonken heb, overtreffen het fortuin, ik heb het nauwkeurig +uitgerekend ... dat in zijn tijd luitenant Alving tot een goede partij +maakte. + +DOM. MANDERS. Ik begrijp u.... + +MEVR. ALVING. Dat was de koopsom.... Ik wil niet dat dat geld in +Oswald's handen zal overgaan. Mijn zoon moet alles van mij alleen +hebben. + +(_Oswald komt door de tweede deur rechts; van hoed en overjas heeft hij +zich ontdaan_). + +MEVR. ALVING (_hem tegemoet gaand_). Ben je daar al terug? mijn beste +lieve jongen! + +OSWALD. Ja, wat moet je buiten uitvoeren in dien eeuwigdurenden regen? +Maar ik hoor dat wij aan tafel zullen gaan. Dat is uitstekend! + +REGINE (_met een pakje uit de eetkamer komend_). Er is een pakje voor +mevrouw gekomen (_reikt het haar over_). + +MEVR. ALVING (_met een blik op dominee Manders_). De feestzangen voor +morgen waarschijnlijk. + +DOM. MANDERS. Hm.... + +REGINE. En er is opgedaan. + +MEVR. ALVING. Goed; wij komen dadelijk; ik wil maar even.... (_begint +het pakje open te maken_). + +REGINE (_tegen Oswald_). Verlangt mijnheer witte of roode port? + +OSWALD. Allebei, alsjeblieft. + +REGINE. Bien...; heel goed mijnheer (_zij gaat de eetkamer binnen_). + +OSWALD. Ik zal wel eens even helpen met het opentrekken van de flesschen +(_gaat de eetkamer in waarvan de deur weer halfopen glijdt achter hem_). + +MEVR. ALVING (_die het pakje geopend heeft_). Jawel, juist; hier hebben +we de feestzangen, dominee. + +DOM. MANDERS (_met gevouwen handen_). Hoe ik morgen met een opgewekt +gemoed mijn toespraak zal kunnen houden, dat...! + +MEVR. ALVING. Och, dat zal wel gaan. + +DOM. MANDERS (_zachtjes om niet in de eetkamer gehoord te worden_). Ja, +schandaal mogen wij toch niet verwekken. + +MEVR. ALVING. Neen. Maar dan is ook dit lange leelijke comediespel uit. +Van overmorgen af, zal het voor mij zijn alsof de doode nooit in dit +huis geleefd had. Hier zal niemand meer zijn dan mijn jongen en zijn +moeder. + +(_Men hoort in de eetkamer leven van een stoel die omvalt; +tegelijkertijd hoort men_:) + +REGINE's stem (_duidelijk maar fluisterend_). Maar Oswald! Ben je gek? +Laat me los! + +MEVR. ALVING (_schrikt hevig_). Ah...! + +(_Zij staart als verbijsterd naar de halfopen deur. Men hoort Oswald +hoesten en neurieen daarbinnen. Een flesch wordt opengetrokken_). + +DOM. MANDERS (_verontwaardigd_). Maar wat _is_ dat toch? Wat gebeurt +daar toch! mevrouw? + +MEVR. ALVING (_heesch_). Spoken. Het paar uit de serre waart daar weer +om. + +DOM. MANDERS. Wat zegt u! Regine...? Is _zij_...? + +MEVR. ALVING. Ja. Kom. Geen woord...! + +(_Zij grijpt den arm van dominee Manders en gaat wankelend de eetkamer +binnen_). + + +EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF. + + + * * * * * + + +TWEEDE BEDRIJF + + Zelfde kamer. Een mist van regen ligt nog altijd dicht over het + heele landschap. + + Dominee Manders en mevrouw Alving komen uit de eetkamer. + + * * * * * + +MEVR. ALVING (_nog in de deur_). Wel mag het u bekomen, dominee +(_spreekt in de eetkamer_). Kom je niet bij ons, Oswald? + +OSWALD (_binnen_). Dankje, neen; ik denk dat ik een eindje uitga. + +MEVR. ALVING. Ja, dat is goed; 't is nu net een beetje droog (_sluit de +deur van de eetkamer en gaat naar de deur van de voorkamer. Roept_:) +Regine! + +REGINE (_buiten_). Ja mevrouw? + +MEVR. ALVING. Ga naar beneden in de strijkkamer aan de kransen +meehelpen. + +REGINE. Ja mevrouw. + +MEVR. ALVING (_vergewist zich dat Regine weggaat, daarna sluit zij de +deur_). + +DOM. MANDERS. Hij kan daarginder toch niets hooren? + +MEVR. ALVING. Niet als de deur dicht is. En hij gaat bovendien uit. + +DOM. MANDERS. Ik ben er nog ontsteld van. Ik begrijp niet hoe ik nog een +stuk van uw lekker diner door mijn keel heb kunnen krijgen. + +MEVR. ALVING (_haar onrust beheerschend loopt op en neer_). Ik ook niet. +Maar wat is er aan te doen? + +DOM. MANDERS. Ja, wat is er aan te doen? Ik weet het waarlijk niet; ik +ben zoo volstrekt onervaren in dergelijke gevallen. + +MEVR. ALVING. Ik ben overtuigd dat er nog geen ongeluk gebeurd is. + +DOM. MANDERS. Neen, dat verhoede de Hemel! Maar een ongepaste verhouding +is het toch zeer zeker. + +MEVR. ALVING. De heele geschiedenis is maar een losse inval van Oswald; +daar kan u zeker van zijn. + +DOM. MANDERS. Ja, ik ben, zooals gezegd, niet op de hoogte van +dergelijke dingen; maar ik vind toch met uw verlof.... + +MEVR. ALVING. Zij moet natuurlijk het huis uit. En wel dadelijk. Dat is +zoo klaar als de dag.... + +DOM. MANDERS. Ja, dat spreekt. + +MEVR. ALVING. Maar waarheen? Wij kunnen het niet verantwoorden dat.... + +DOM. MANDERS. Waarheen? Natuurlijk naar huis, naar haar vader. + +MEVR. ALVING. Naar wien, zei u? + +DOM. MANDERS. Naar haar.... Maar neen, Engstrand, is niet haar.... Maar +Heer in den Hemel, mevrouw, hoe is dat mogelijk? U moet u daarin toch +vergissen. + +MEVR. ALVING. Helaas, ik vergis mij in geen enkel opzicht, Johanne moest +het mij wel bekennen,... en Alving kon het niet loochenen. Dus bleef er +niets anders te doen over dan de zaak te smoren. + +DOM. MANDERS. Ja, dat was het eenig mogelijke. + +MEVR. ALVING. Het meisje moest terstond uit haar dienst en kreeg een +tamelijk groote som geld om tot nader orde te zwijgen. Voor de rest +zorgde zij zelf toen zij in de stad kwam. Zij knoopte de oude kennis met +Engstrand weer aan, liet er wel iets van verluiden, denk ik, dat zij +zooveel geld had, en maakte hem zoowat wijs van den een of anderen +vreemdeling, die hier met een pleizierjacht gelegen had in den zomer. +Zoo werden zij en Engstrand in der haast getrouwd. Ja, u heeft hen +immers zelf ingezegend. + +DOM. MANDERS. Maar hoe moet ik mij dan verklaren...? Ik herinner mij +duidelijk dat Engstrand kwam om over de inzegening te spreken. Hij was +zoo vol bitter berouw, en betreurde zoo oprecht de lichtzinnigheid +waaraan hij en zijn verloofde zich hadden schuldig gemaakt. + +MEVR. ALVING. Ja, hij moest toch de schuld op zich nemen. + +DOM. MANDERS. Maar zulk een onoprechtheid van hem! En dat tegenover +_mij_! Dat had ik met verlof niet van Jakob Engstrand gedacht. Nu, ik +zal hem eens ernstig onderhanden nemen; daar kan hij op rekenen.... En +dan die onzedelijkheid van zoo'n vereeniging! Om het geld!... Hoe groot +was het bedrag waarover het meisje te beschikken had? + +MEVR. ALVING. Drie honderd thaler. + +DOM. MANDERS. Verbeeld u toch,... voor een armzalige driehonderd thaler +zich te laten trouwen met een gevallen vrouw! + +MEVR. ALVING. Wat zegt u dan wel van mij, die zich liet trouwen met een +gevallen man? + +DOM. MANDERS. Maar de Hemel beware ons! Wat zegt u nu? Een gevallen man! + +MEVR. ALVING. Denkt u misschien dat Alving reiner was, toen ik met hem +naar het altaar ging, dan Johanne was, toen Engstrand zich met haar liet +trouwen? + +DOM. MANDERS. Ja, maar dat is toch een hemelsbreed verschil.... + +MEVR. ALVING. Volstrekt niet. Er was wel een groot verschil in den +prijs,... een armzalige driehonderd thaler en een heel fortuin. + +DOM. MANDERS. Maar hoe kan u nu twee zoo ongelijke gevallen vergelijken. +U was toch te rade gegaan met uw hart en met uw bloedverwanten. + +MEVR. ALVING (_ziet hem niet aan_). Ik meende dat u begreep waarheen +dat, wat u mijn hart noemt, toen verdwaald was. + +DOM. MANDERS (_koud_). Indien ik zoo iets begrepen had, zou ik nooit een +dagelijksche gast in het huis van uw man geworden zijn. + +MEVR. ALVING. Nu, zooveel is althans zeker, dat ik met mijzelf in +waarheid niet te rade ging. + +DOM. MANDERS. Nu, maar dan toch met wie u het naast bestonden; zooals +voorgeschreven is; met uw moeder en uw beide tantes. + +MEVR. ALVING. Ja, dat is waar. Die drie maakten de rekening voor mij op! +O het is ongelooflijk hoe precies zij uitmaakten dat het gewoon +krankzinnigheid zou zijn om een dergelijk aanzoek af te wijzen. Als mijn +moeder nu nog eens kon zien waar al die heerlijkheid heen geleid had! + +DOM. MANDERS. Voor de uitkomst kan niemand aansprakelijk gesteld worden. +Maar dat staat althans vast, dat uw huwelijk gesloten werd +overeenkomstig met de wet en de openbare orde. + +MEVR. ALVING (_bij het raam_). Ja, die wet en die orde! Ik denk dikwijls +dat juist _die_ alle onheil in de wereld stichten. + +DOM. MANDERS. Mevrouw Alving, nu bezondigt u zich. + +MEVR. ALVING. Ja, dat kan wel zijn. Maar ik stoor mij niet langer aan al +die banden en conventies. Ik kan 't niet meer! Ik moet mij vrij maken. + +DOM. MANDERS. Wat bedoelt u daarmee? + +MEVR. ALVING (_trommelt op de ruiten_). Ik moest nooit iets van Alvings +leven verborgen gehouden hebben. Maar ik durfde toen niet anders,... +zelfs niet om mijn zelfs wil. Zoo laf was ik. + +DOM. MANDERS. Laf? + +MEVR. ALVING. Als de menschen wat te weten waren gekomen, zouden zij +gezegd hebben: arme man, het is natuurlijk dat hij uit den band springt, +hij, die een vrouw heeft die van hem wegloopt. + +DOM. MANDERS. Met eenig recht kon men zoo iets ook wel zeggen. + +MEVR. ALVING (_ziet hem strak aan_). Als ik was wie ik zijn moest, dan +riep ik Oswald bij mij en zei: hoor eens mijn jongen, je vader was een +diepgevallen mensch.... + +DOM. MANDERS. Maar genadige Hemel!... + +MEVR. ALVING. ... en dan vertelde ik hem alles wat ik u verteld heb,... +alles, haarfijn! + +DOM. MANDERS. Ik ben haast verontwaardigd over u, mevrouw. + +MEVR. ALVING. Ja, dat weet ik. Ik weet het immers wel! Ik kom zelf in +opstand tegen die gedachte (_gaat weg van het raam_). Zoo laf ben ik. + +DOM. MANDERS. En dat noemt u lafheid, als u eenvoudig uw verschuldigden +plicht betracht? Heeft u vergeten dat een kind zijn vader en moeder moet +achten en liefhebben? + +MEVR. ALVING. Laat ons het niet zoo in het algemeen nemen. Laat ons de +vraag stellen: moet Oswald den kamerheer Alving achten en liefhebben? + +DOM. MANDERS. Is er dan geen stem in uw moederhart die u verbiedt de +idealen van uw zoon omlaag te halen? + +MEVR. ALVING. En de waarheid dan? + +DOM. MANDERS. En de idealen dan? + +MEVR. ALVING. Och ... idealen, idealen! Als ik maar niet zoo laf was als +ik ben! + +DOM. MANDERS. Gooi de idealen niet weg, mevrouw,... want dat wreekt zich +bitter. En dan vooral Oswald. Oswald heeft helaas toch al niet zoo heel +veel idealen. Maar zooveel heb ik wel kunnen merken, dat zijn vader wel +voor hem staat als zulk een ideaal. + +MEVR. ALVING. Daarin heeft u gelijk. + +DOM. MANDERS. En die voorstellingen heeft u zelf gewekt en gevoed bij +hem door uw brieven. + +MEVR. ALVING. Ja; ik ging gebukt onder plichten en conventies, daarom +loog ik mijn jongen wat voor, jaar in jaar uit. O, hoe laf ... hoe laf +ben ik geweest! + +DOM. MANDERS. U heeft een gelukkige illusie bij uw zoon doen ontstaan, +mevrouw,... en daar mag u waarlijk niet geringschattend over denken. + +MEVR. ALVING. Hm; wie weet of dat nu juist wel zoo goed was.... Maar van +scharrelen met Regine wil ik in elk geval niets weten. Hij zal mij dat +arme kind niet ongelukkig maken. + +DOM. MANDERS. Neen, goede God, dat zou iets vreeselijks zijn. + +MEVR. ALVING. Als ik wist dat hij het ernstig met haar meende en het tot +zijn geluk zijn zou.... + +DOM. MANDERS. Wat? Wat dan? + +MEVR. ALVING. Maar dat zou het niet zijn; want Regine is er helaas het +meisje niet naar. + +DOM. MANDERS. Wel, wat toch? Wat bedoelt u? + +MEVR. ALVING. Als ik niet zoo godsjammerlijk laf was als ik ben, dan zou +ik tegen hem zeggen: trouw met haar, of ga met haar leven zooals je +wilt; maar laat er geen geknoei zijn.... + +DOM. MANDERS. Maar genadige Hemel! Een wettig huwelijk dus! Zoo iets +verschrikkelijks!--Zoo iets ongehoords...! + +MEVR. ALVING. Zei u iets ongehoords? Met de hand op het hart, dominee +Manders, gelooft u niet dat er rondom in het land verscheidene echtparen +te vinden zouden zijn, die elkaar even na in het bloed bestaan? + +DOM. MANDERS. Ik begrijp u heelemaal niet. + +MEVR. ALVING. Och jawel, dat doet u wel. + +DOM. MANDERS. Nu ja, u stelt u het mogelijke geval voor dat.... Ja, +helaas, het huwelijksleven is zeker niet altijd zoo rein als het +behoorde te wezen. Maar zoo iets als waarop u doelt, kan men toch nooit +weten,... althans niet met zekerheid. Hier daarentegen ... dat u, een +moeder, zou kunnen toestaan dat uw zoon...! + +MEVR. ALVING. Maar ik wil het immers niet. Ik zou het niet willen +toestaan, om niets ter wereld; dat is juist wat ik zeg. + +DOM. MANDERS. Neen, omdat u laf is, zooals u het uitdrukt. Maar als u +dus niet laf was.... Och lieve Heer ... zulk een stuitende verbintenis! + +MEVR. ALVING. Nu ja, we stammen overigens allemaal van zulk soort +verbintenissen af, zegt men. En wie is het die het in de wereld zoo +heeft ingericht, dominee? + +DOM. MANDERS. Op zulke vragen ga ik met u niet in, mevrouw. Daartoe +bezit u in de verte niet den waren geest. Maar dat u durft zeggen dat +het laf van u is...! + +MEVR. ALVING. Nu zal ik u eens uitleggen hoe ik dat meen. Ik ben bang en +schuw, omdat er in mij iets van dat spookachtige zit, dat ik nooit +geheel kan afschudden. + +DOM. MANDERS. Hoe noemde u dat? + +MEVR. ALVING. Spookachtig. Toen ik Regine en Oswald daarbinnen hoorde, +was het of ik spoken voor mij zag. Maar ik geloof haast dat wij allemaal +spoken zijn, dominee. Het is niet alleen dat, wat wij van vader en +moeder geerfd hebben dat in ons spookt. Het zijn allerhande oude +afgestorven opvattingen en allerlei oud dood geloof en zulke dingen +meer. Het is niet levend in ons; maar het zit er toch en wij kunnen het +niet kwijt raken. Als ik alleen maar een courant opneem en er in lees, +is het net of ik spoken tusschen de regels zie sluipen. Er moeten overal +spoken leven in het heele land. Zij moeten er in massa zijn, als het +zand der zee, dunkt mij. En dan zijn wij zoo godsjammerlijk lichtschuw +allemaal.... + +DOM. MANDERS. Aha, ... daar hebben wij dus de uitwerking van uwe +lektuur. Mooie vruchten inderdaad! O, die afschuwelijke, oproerige +vrijdenkers-geschriften! + +MEVR. ALVING. U vergist zich, dominee. U is zelf de man die mij aanzette +tot nadenken; en daar ben ik u heel dankbaar voor. + +DOM. MANDERS. Ik? + +MEVR. ALVING. Ja, toen u mij dwong terug te keeren tot dat wat u mijn +plicht noemde; toen u prees als waar en goed dat, waartegen heel mijn +wezen in opstand kwam, als tegen iets afschuwelijks. Toen was het dat ik +begon uw leeringen op de keper te beschouwen. Ik wilde alleen maar een +enkelen knoop losmaken, maar toen ik dien eenen los had, viel alles uit +elkaar. En toen zag ik dat het machinenaaisel was. + +DOM. MANDERS (_stil, geschokt_). Zou dat zijn wat ik met den zwaarsten +strijd mijns levens gewonnen had? + +MEVR. ALVING. Noem het liever uw treurigste nederlaag. + +DOM. MANDERS. Het was de grootste overwinning van mijn leven, Helene; de +overwinning op mijn eigen ik. + +MEVR. ALVING. Het was een misdaad jegens ons beiden. + +DOM. MANDERS. Dat ik u gebood en zei: vrouw, ga terug naar uw wettigen +echtgenoot, toen u als een verdoolde bij mij kwam en riep: hier ben ik; +neem mij!... Was dat een misdaad? + +MEVR. ALVING. Ja, ik beschouw het als zoodanig. + +DOM. MANDERS. Wij begrijpen elkaar niet. + +MEVR. ALVING. Nu althans niet meer. + +DOM. MANDERS. Nooit,... nooit in mijn geheimste gedachten zelfs, heb ik +u anders gezien dan als de vrouw van een ander. + +MEVR. ALVING. Ja?... gelooft u? + +DOM. MANDERS. Helene...! + +MEVR. ALVING. Men vergeet zoo licht hoe men vroeger was. + +DOM. MANDERS. Ik niet. Ik ben dezelfde die ik altijd geweest ben. + +MEVR. ALVING (_verandert van toon_). Jawel, jawel ... laat ons maar niet +meer over dien ouden tijd praten. U zit nu tot over de ooren in +commissies en besturen; en ik loop hier te vechten met spoken, in mij +zoowel als buiten mij. + +DOM. MANDERS. Van die buiten u rondwaren wil ik u afhelpen. Na alles wat +ik van daag met ontzetting van u gehoord heb, kan ik het voor mijn +geweten niet verantwoorden een jong alleenstaand meisje in uw huis te +laten blijven. + +MEVR. ALVING. Gelooft u ook niet dat het 't beste zou zijn als wij haar +goed bezorgd konden krijgen? Ik bedoel ... goed getrouwd. + +DOM. MANDERS. Ongetwijfeld. Ik geloof dat dat in alle opzichten +wenschelijk voor haar zijn zou. Regine is immers op een leeftijd dat ... +ja, ik heb daar zoo geen verstand van, maar.... + +MEVR. ALVING. Regine was al heel vroeg volwassen. + +DOM. MANDERS. Ja, niet waar? Er ligt mij iets van bij dat zij +lichaamlijk al opvallend sterk ontwikkeld was, toen ik haar voor haar +belijdenis voorbereidde. Maar voorloopig moet zij in elk geval naar +huis, onder de hoede van haar vader.... Och neen, Engstrand is niet.... +Dat hij,... _hij_ zoo de waarheid voor mij kon verbergen! + +(_Er wordt geklopt aan de deur van de voorkamer_). + +MEVR. ALVING. Wie kan dat zijn? Binnen! + +ENGSTRAND (_in zijn zondagspak ... in de deur_). Ik vraag wel excuus, +maar.... + +DOM. MANDERS. Aha! Hm.... + +MEVR. ALVING. Ben jij het Engstrand? + +ENGSTRAND. ... er was geen een van de dienstmeisjes bij de hand, en toen +was ik maar zoo vrij en brutaal om te kloppen. + +MEVR. ALVING. Nou ja ... kom maar binnen. Wou je mij spreken? + +ENGSTRAND (_komt binnen_). Neen ... dank u vriendelijk. Maar ik zou wel +graag even den dominee willen spreken. + +DOM. MANDERS (_loopt op en neer_). Hm; zoo? Wou je mij spreken? +Inderdaad? + +ENGSTRAND. Ja, ik zou zoo heel graag.... + +DOM. MANDERS (_blijft voor hem staan_). Nu; mag ik eens vragen waarover +dan? + +ENGSTRAND. Jawel dominee; het was dit: er wordt daarginder nu afrekening +gehouden. Wel bedankt, mevrouw!... En nu zijn wij met alles klaar; en nu +dacht ik dat het zoo mooi en gepast zou zijn als wij, die zoo braaf +samen gewerkt hebben al dien tijd,... nu dacht ik moesten wij dat +besluiten met een kleine geestelijke bijeenkomst van avond. + +DOM. MANDERS. Een bijeenkomst? Daarginder in het gesticht? + +ENGSTRAND. Ja, vindt dominee dat misschien niet gepast, dan.... + +DOM. MANDERS. Ja zeker vind ik dat, maar ... hm.... + +ENGSTRAND. Ik heb gewoonlijk 's avonds zoo'n kleine bijeenkomst +gehouden.... + +MEVR. ALVING. Zoo? + +ENGSTRAND. Ja, zoo nu en dan; om zoo te zeggen een kleine +godsdienstoefening. Maar ik ben maar een geringe burgerman en bezit er, +God helpe mij, niet de ware gave voor, en daarom dacht ik, omdat dominee +Manders nu toch juist hier is. + +DOM. MANDERS. Ja, zie je, Engstrand, ik moet je eerst eens een vraag +doen. Ben je wel in de ware stemming voor zulk een bijeenkomst? Voel je +je geweten wel vrij en zuiver? + +ENGSTRAND. Och lieve God, het is toch niet de moeite waard om over mijn +geweten te spreken, dominee. + +DOM. MANDERS. Jawel, het is juist daarover dat ik je spreken wil. Wat +heb je daarop te antwoorden? + +ENGSTRAND. Ja, dat geweten ... dat kan leelijk genoeg opspelen soms. + +DOM. MANDERS. Zoo, dus dat erken je althans. Maar wil je mij dan eens +zonder omwegen zeggen ... hoe zit die zaak met Regine? + +MEVR. ALVING (_snel_). Dominee Manders! + +DOM. MANDERS (_geruststellend_). Laat u mij maar begaan.... + +ENGSTRAND. Met Regine! Jesses, wat doet u mij daar schrikken! (_kijkt +naar mevrouw Alving_). Er is toch niets met Regine gebeurd? + +DOM. MANDERS. Dat willen wij hopen. Maar ik bedoel, hoe zit dat met jou +en Regine? Je gaat immers door voor haar vader. Niet? + +ENGSTRAND (_onzeker_). Ja ... hm ... dominee weet toch wel van mij en +van Johanne zaliger.... + +DOM. MANDERS. Geen verdraaien van de waarheid nu meer. Je overleden +vrouw heeft aan mevrouw Alving verteld hoe de zaak in elkaar zit, voor +zij haar dienst verliet. + +ENGSTRAND. Nou dan moest zij...! Deed zij dat dan toch? + +DOM. MANDERS. Je bent dus ontmaskerd Engstrand. + +ENGSTRAND. En zij die zwoer en vloekte bij hoog en laag.... + +DOM. MANDERS. Vloekte zij? + +ENGSTRAND. Neen, zij zwoer alleen maar, maar toch zoo oprecht en van +harte. + +DOM. MANDERS. En al die jaren lang heb je de waarheid voor mij verborgen +gehouden. Die voor _mij_ verborgen, die je volkomen in alles vertrouwd +heb. + +ENGSTRAND. Ja, helaas, dat heb ik gedaan. + +DOM. MANDERS. Heb ik dat aan je verdiend, Engstrand? Ben ik niet altijd +bereid geweest om je met raad en daad bij te staan, zoover het in mijn +macht stond? Antwoord mij! Is dat zoo niet? + +ENGSTRAND. Het had er maar dikwijls slecht voor mij uitgezien, als ik +dominee Manders niet gehad had. + +DOM. MANDERS. En dan beloon je mij op die manier. Maakt dat ik +onjuistheden inschrijf in het kerkelijk register, en onthoudt mij daarna +nog jaren lang de ophelderingen die je mij en de waarheid verschuldigd +bent. Je handelwijze is ten eenenmale onverantwoordelijk geweest, +Engstrand; en van nu af is het uit tusschen ons. + +ENGSTRAND (_met een zucht_). Ja, dat zal wel ... dat begrijp ik. + +DOM. MANDERS. Ja, want hoe zou je je wel kunnen rechtvaardigen? + +ENGSTRAND. Maar had zij zich dan nog meer moeten vertramponeeren door er +over te babbelen? Als dominee zich nu eens wil voorstellen dat hij in +hetzelfde geval verkeerde als Johanne zaliger.... + +DOM. MANDERS. Ik! + +ENGSTRAND. Jesses, jesses, ik meen nu niet zoo precies eender. Ik bedoel +maar dat dominee iets zou hebben om zich over te schamen tegenover de +menschen, zooals ze zeggen. Wij manspersonen moeten toch een arme vrouw +niet al te streng veroordeelen, dominee. + +DOM. MANDERS. Maar dat doe ik ook niet. Ik verwijt jou je onoprechtheid. + +ENGSTRAND. Zou ik dominee eens een klein vraagje mogen doen? + +DOM. MANDERS. Jawel, vraag maar. + +ENGSTRAND. Is het niet goed en braaf van een man, als hij de gevallen +vrouw opricht? + +DOM. MANDERS. Ja, dat spreekt. + +ENGSTRAND. En is een man niet verplicht eerlijk zijn woord te houden? + +DOM. MANDERS. Ja natuurlijk, maar.... + +ENGSTRAND. Toen Johanne ongelukkig was gemaakt door dien Engelschman ... +of misschien was het een Amerikaander of een Russer, zooals ze ze noemen +... nou, toen kwam zij naar de stad. Het arme schepsel had mij vroeger +al een paar keer den bons gegeven, want ze keek alleen maar naar de +mooiigheid toen en ik had immers dat mankement aan mijn been. Ja, +dominee zal zich nog wel herinneren dat ik eens een keer een danshuis +binnen gegaan ben, waar matrozen en andere zeelui in dronkenschap en +gemeenheid herrie maakten om zoo te zeggen. En toen ik hen vermanen wou +om zich tot een nieuw leven te bekeeren.... + +MEVR. ALVING (_bij het raam_). Hm.... + +DOM. MANDERS. Ik weet het Engstrand, die ruwe menschen gooiden je van de +trappen. Dat voorval heb je mij vroeger al eens meegedeeld. Je draagt je +ongemak met eere. + +ENGSTRAND. Ik verhoovaardig er mij niet op, dominee. Maar wat ik +vertellen wou, is dit, dat zij bij mij kwam en mij alles huilend en +tandenklapperend toevertrouwde. Ik moet zeggen, dominee, het deed mij +zoo innig leed om dat aan te hooren. + +DOM. MANDERS. Zoo, deed je dat leed Engstrand. Nu, en toen? + +ENGSTRAND. Nou, toen zei ik zoo tegen haar: die Amerikaander, die zwalkt +op de groote zee rond. En jij, Johanne, zeg ik, je hebt gezondigd en +bent een gevallen schepsel. Maar Jakob Engstrand, zeg ik, die staat op +twee flinke beenen;... ja, dat bedoelde ik maar zoo bij wijze van +gelijkenis weet u, dominee. + +DOM. MANDERS. Dat begrijp ik wel. Ga maar voort. + +ENGSTRAND. Ja ... en toen richtte ik haar weer op en liet mij eerlijk +met haar trouwen, opdat de menschen niet te weten zouden komen dat zij +zich met vreemden had afgegeven. + +DOM. MANDERS. Dat was alles heel braaf van je gehandeld. Ik kan alleen +niet goedkeuren dat je dat geld wou aannemen.... + +ENGSTRAND. Geld? Ik? Geen roode duit. + +DOM. MANDERS (_vragend mevrouw Alving aanziend_). Maar...! + +ENGSTRAND. O ja,... wacht eens; nu weet ik wat u meent. Johanne had toch +wel een paar centen. Maar daar wou ik niets van weten. Foei, zei ik, +Mammon, dat is der zonde loon; dat armzalige goud ... of bankpapiertjes +of wat het mag geweest zijn ... dat gooien wij dien Amerikaander weer in +zijn gezicht, zei ik. Maar hij was weg en verdwenen, ver over de wilde +zee, dominee. + +DOM. MANDERS. Zoo, was hij weg, mijn brave Engstrand? + +ENGSTRAND. Ja. En toen besloten Johanne en ik, dat het geld gebruikt zou +worden voor de opvoeding van het kind. En dat gebeurde dan ook; en ik +kan van iedere cent rekenschap afleggen. + +DOM. MANDERS. Dat verandert de zaak zeker aanmerkelijk. + +ENGSTRAND. Zoo zit het in elkaar, dominee. En ik durf wel zeggen dat ik +een goede vader voor Regine geweest ben,... zoover mijn krachten reikten +altijd ... want ik ben maar een zwak mensch, helaas. + +DOM. MANDERS. Kom, kom, mijn waarde Engstrand.... + +ENGSTRAND. Maar dat durf ik wel zeggen, dat ik het kind heb opgevoed en +in liefde geleefd heb met Johanne zaliger, en eerbaar, zooals er +geschreven staat. Maar nooit is het in mij opgekomen naar dominee +Manders toe te gaan en mij te verhoovaardigen en er mij iets op te laten +voorstaan dat ik eens een goede daad gedaan had. Neen, als Jakob +Engstrand zoo iets overkomt, dan zwijgt hij er over. 't Komt helaas ook +niet zoo dikwijls voor. En wanneer ik bij dominee Manders kom, heb ik +altijd al zooveel te praten over al wat er verkeerd en gebrekkig in mij +is. Want ik zeg, wat ik daar straks al zei ... dat geweten kan soms +leelijk genoeg opspelen. + +DOM. MANDERS. Geef mij je hand, Jakob Engstrand. + +ENGSTRAND. Jesses, dominee.... + +DOM. MANDERS. Geen complimenten (_drukt hem de hand_). Ziezoo! + +ENGSTRAND. En als ik dominee nu heel vriendelijk om vergeving vroeg.... + +DOM. MANDERS. Jij? Neen, integendeel ... ik ben het die jou vergeving +vraag ... + +ENGSTRAND. Och heereje, neen! + +DOM. MANDERS. Jawel ... zeker. En ik doe het van ganscher harte. Vergeef +mij dat ik je zoo kon miskennen. En ik wou dat ik je op de eene of +andere manier een bewijs kon geven van mijn oprecht berouw en mijn +goeden wil om je te helpen.... + +ENGSTRAND. Zou dominee dat waarlijk willen? + +DOM. MANDERS. Met het grootste genoegen. + +ENGSTRAND. Ja, daarvoor zou nu juist een mooie gelegenheid zijn. Met het +geluksgeld dat ik hier heb kunnen overleggen, dacht ik een soort van +tehuis voor zeelui op te richten in de stad. + +MEVR. ALVING. Jij? + +ENGSTRAND. Ja, dat zou om zoo te zeggen een soort van asyl moeten +worden. De verleidingen zijn zoo menigvuldig voor den zeeman, als hij +aan land vertoeft. Maar in dat huis bij mij zou hij dan kunnen zijn als +onder vaderlijk toezicht, dacht ik zoo. + +DOM. MANDERS. Wat zegt u daarvan, mevrouw! + +ENGSTRAND. Het is wel niet bar veel wat ik heb om mee te beginnen, God +beter 't; maar als nu maar een weldadige hand mij helpen wou, dan.... + +DOM. MANDERS. Nu ja, wij zullen die zaak nog eens nader overwegen. Je +plan lacht mij buitengewoon toe. Maar ga nu vast vooruit en maak alles +in orde en steek licht aan, dat het er een beetje feestelijk uitziet, en +dan zullen wij een stichtelijk uurtje samen doorbrengen, mijn waarde +Engstrand, want nu ben je, geloof ik, wel in de ware stemming. + +ENGSTRAND. Ja, dat geloof ik ook. Vaarwel dan, mevrouw, en dank voor +alles: En blijf u maar goed op Regine passen, alsjeblieft, (_veegt een +traan weg_). 't Kind van Johanne zaliger ... hm, het is wonderlijk ... +maar het is net alsof ze mij zoo aan het hart vast gegroeid is. Ja, +waarachtig, zoo is het (_groet en gaat weg door de voorkamer_). + +DOM. MANDERS. Wel, wat zegt u nu van den man, mevrouw? Dat was een heel +andere verklaring die wij daar kregen. + +MEVR. ALVING. Ja, dat was het wel. + +DOM. MANDERS. Daar ziet u nu alweer, hoe uitermate voorzichtig men zijn +moet in het veroordeelen van zijn medemenschen. Maar het is toch ook een +ware vreugde des harten te zien, dat men zich vergist heeft. Wat zegt u +er van? + +MEVR. ALVING. Ik zeg dat je bent en blijft een groot kind, Manders. + +DOM. MANDERS. Ik? + +MEVR. ALVING (_legt beide handen op zijn schouders_). En ik zeg dat ik +lust zou hebben mijn beide armen om je hals te slaan. + +DOM. MANDERS (_trekt zich haastig terug_). Neen, neen, God zegen u...; +zulke begeerten.... + +MEVR. ALVING (_glimlachend_). O, u hoeft niet bang voor mij te zijn. + +DOM. MANDERS (_bij de tafel_). U heeft soms zoo'n overdreven manier om u +uit te drukken. Nu zal ik eerst de stukken bij elkaar zoeken en ze in +mijn taschje bergen (_doet aldus_). Ziezoo. En nu, tot straks. Let goed +op als Oswald terug komt. Ik zie u dan nog wel even (_hij neemt zijn +hoed en gaat heen door de voorkamer_). + +MEVR. ALVING (_zucht, kijkt een oogenblik uit het raam, ruimt wat op in +de kamer, en wil de eetkamer in gaan, maar blijft met een gesmoorden +uitroep in de deur staan_). Oswald, zit je nog aan tafel! + +OSWALD (_in de eetkamer_). Ik rook maar even mijn sigaar uit. + +MEVR. ALVING. Ik dacht dat je een eindje was gaan loopen. + +OSWALD. In dat weer? + +(_Men hoort een glas klinken. Mevr. Alving laat de deur open en gaat met +haar breiwerk op de canape zitten bij het raam_). + +OSWALD (_binnen_). Was het dominee Manders niet die daar wegging? + +MEVR. ALVING. Ja, hij ging naar het gesticht. + +OSWALD. Hm. (_Men hoort weer een glas en karaf klinken_). + +MEVR. ALVING. Lieve Oswald, je moet een beetje voorzichtig zijn met die +likeur. Die is erg sterk. + +OSWALD. Die is goed tegen de vochtigheid. + +OSWALD. Wil je niet liever hier bij mij komen zitten? + +OSWALD. Ik mag daar immers niet rooken. + +MEVR. ALVING. Een sigaar mag je hier wel rooken, dat weet je toch wel. + +OSWALD. Nou ja, dan kom ik. Nog maar een enkel droppeltje.... Ziezoo +(_hij komt met een sigaar de kamer in en sluit de deur achter zich. Even +zwijgen_). + +OSWALD. Waar is de dominee naar toe? + +MEVR. ALVING. Dat zeg ik je daar net: hij ging naar het gesticht. + +OSWALD. O ja, dat 's waar. + +MEVR. ALVING. Je moet niet zoo lang aan tafel blijven zitten, Oswald. + +OSWALD (_de sigaar achter zijn rug houdend_). Maar dat vind ik zoo +gezellig, moedertje (_streelt en liefkoost haar_). Denk eens aan, wat +dat voor mij is, weer thuis te zijn, aan moeders eigen tafel te zitten, +in moeders kamer, en te eten van moeders lekkere schotels. + +MEVR. ALVING. Mijn lieve, lieve jongen! + +OSWALD (_een beetje ongedurig, loopt te rooken_). En wat zal ik anders +uitvoeren hier. Ik kan niets doen.... + +MEVR. ALVING. Kan je niets doen? + +OSWALD. Met zulk grauw weer? Zonder een enkelen zonnestraal den heelen +dag? (_loopt heen en weer_). O dat ... niet te kunnen werken...! + +MEVR. ALVING. Misschien was het toch niet verstandig van je dat je naar +huis kwam. + +OSWALD. Jawel moeder; dat moest. + +MEVR. ALVING. Want tienmaal liever zou ik mij het geluk van je bij mij +te hebben ontzeggen, dan dat jij.... + +OSWALD (_blijft bij de tafel staan_). Zeg eens, moeder,... is het heusch +zoo'n groot geluk voor je om mij thuis te hebben? + +MEVR. ALVING. Of dat een geluk voor mij is! + +OSWALD (_verfrommelt een courant_). Mij dunkt, het moet al haast +hetzelfde voor je zijn, of ik er ben of niet. + +MEVR. ALVING. Hoe kan je het over je hart verkrijgen dat tegen je moeder +te zeggen, Oswald! + +OSWALD. Maar je hebt toch altijd zoo goed zonder mij kunnen leven. + +MEVR. ALVING. Ja; ik heb zonder je geleefd;... dat is waar. + +(_Zwijgen. De schemering begint langzaam te vallen. Oswald loopt heen en +weer. Zijn sigaar heeft hij weggelegd_). + +OSWALD (_blijft bij mevr. Alving staan_). Moeder, mag ik bij je op de +canape komen zitten? + +MEVR. ALVING (_maakt plaats voor hem_). Ja, graag, jongen-lief. + +OSWALD (_gaat zitten_). Nu moet ik je iets zeggen, moeder. + +MEVR. ALVING (_in spanning_). Wel? + +OSWALD (_staart voor zich uit_). Want ik kan het niet langer uithouden. + +MEVR. ALVING. Wat uithouden? Wat is er? + +OSWALD (_als voren_). Ik heb er niet toe kunnen komen je er over te +schrijven; en sedert ik weer thuis ben.... + +MEVR. ALVING (_grijpt zijn arm_). Oswald, wat is er? + +OSWALD. Gisteren al en van daag heb ik getracht die gedachten van mij af +te schudden ... mij er van los te maken. Maar het gaat niet. + +MEVR. ALVING (_staat op_). Nu moet je eens ronduit zeggen wat er is, +Oswald. + +OSWALD (_trekt haar op de canape terug_). Blijf zitten, dan zal ik +probeeren het je te zeggen.... Ik heb zoo geklaagd over vermoeidheid na +de reis.... + +MEVR. ALVING. Nu ja! En?... + +OSWALD. Maar dat is het niet wat mij mankeert; niet een gewoon +moe-zijn.... + +MEVR. ALVING (_wil opspringen_). Je bent toch niet ziek, Oswald! + +OSWALD (_trekt haar weer terug_). Blijf zitten, moeder. Neem het maar +kalm op. Ik ben ook niet eigenlijk ziek, niet wat men gewoonlijk ziek +noemt (_slaat de handen samen om zijn hoofd_). Moeder ik ben geestelijk +gebroken ... op ... ik kan nooit meer werken! (_hij valt met de handen +voor zijn gezicht in haar schoot en barst in snikken uit_). + +MEVR. ALVING (_bleek en bevend_). Oswald, kijk mij eens aan! Neen, neen, +dat is niet waar! + +OSWALD (_kijkt op met wanhopende oogen_). Nooit meer te kunnen werken! +Nooit meer ... nooit meer! Levend dood te zijn! Moeder, kan je je zoo +iets vreeselijks voorstellen? + +MEVR. ALVING. Mijn arme, ongelukkige jongen! Hoe is dat vreeselijke over +je gekomen? + +OSWALD (_gaat weer overeind zitten_). Ja, dat kan ik juist absoluut niet +begrijpen of nagaan. Ik heb nooit zoo wild geleefd. In geen enkel +opzicht. Dat moet je heusch niet van me denken, moeder! Dat heb ik nooit +gedaan. + +MEVR. ALVING. Dat denk ik ook niet, Oswald. + +OSWALD. En toch is het gekomen! Dat verschrikkelijke ongeluk. + +MEVR. ALVING. O, maar dat zal wel weer terechtkomen, mijn lieve, lieve +jongen. Dat is niets dan overspanning. Dat kan je gerust aannemen. + +OSWALD (_bedroefd_). Dat dacht ik ook in het begin; maar dat is niet +zoo. + +MEVR. ALVING. Vertel mij eens alles van A tot Z. + +OSWALD. Ja, dat wou ik ook. + +MEVR. ALVING. Wanneer heb je het 't eerst gemerkt? + +OSWALD. Het was dadelijk nadat ik den vorigen keer thuis was geweest en +weer in Parijs terug was. Het begon met afschuwelijke hoofdpijnen ... +vooral in mijn achterhoofd, meende ik. Het was of er een ijzeren ring om +mijn nek en daarboven werd dichtgeschroefd. + +MEVR. ALVING. En dan? + +OSWALD. In 't begin dacht ik dat 't niets anders was dan de gewone +hoofdpijnen, die mij zoo geplaagd hadden in den tijd van mijn groei. + +MEVR. ALVING. Ja, ja.... + +OSWALD. Maar dat was zoo niet; dat merkte ik al gauw. Ik kon niet meer +werken. Ik wou een nieuw groot schilderij beginnen, maar het was of mijn +kunst weg was; ik was als lamgeslagen; ik kon mij geen vaste +voorstelling van iets meer maken; het duizelde voor mij ... alles +draaide. O, dat was een vreeselijke toestand! Eindelijk zond ik om den +dokter ... en van hem hoorde ik wat het was. + +MEVR. ALVING. Hoe bedoel je? + +OSWALD. Het was een van de eerste doktoren van Parijs. Ik moest hem toen +vertellen wat en hoe ik het allemaal voelde. En toen begon hij mij +allerlei vragen te doen, die naar mijn idee, niets met de zaak te maken +hadden; ik begreep niet waar de man heen wou.... + +MEVR. ALVING. En? + +OSWALD. Ten slotte zei hij: er is van je geboorte af al iets wormstekigs +in je geweest,... hij gebruikte letterlijk het woord "vermoulu". + +MEVR. ALVING (_in spanning_). Wat meende hij daarmee? + +OSWALD. Ik begreep het ook niet en verzocht hem zich nader te verklaren. +En toen zei die oude cynicus.... (_balt de vuist_) O...! + +MEVR. ALVING. Wat zei hij? + +OSWALD. Hij zei: de zonden der vaderen worden bezocht aan de kinderen. + +MEVR. ALVING (_staat langzaam op_). De zonden der vaderen...! + +OSWALD. Ik had hem haast een slag in zijn gezicht gegeven.... + +MEVR. ALVING (_loopt heen en weer_). De zonden der vaderen.... + +OSWALD (_glimlacht droef_). Ja, hoe vind je 't? Natuurlijk verzekerde ik +hem dat er van zoo iets geen sprake kon zijn. Maar denk je dat hij zich +gewonnen gaf? Neen, hij bleef er bij; en pas toen ik je brieven voor den +dag had gehaald en al de plaatsen waar je over vader schreef, vertaald +had.... + +MEVR. ALVING. Toen...? + +OSWALD. Ja, toen moest hij van zelf wel toegeven dat hij op een +dwaalspoor was; en toen hoorde ik de waarheid! Dat heerlijke, gelukkige +jonge leven dat ik geleid had met mijn kameraden had ik moeten mijden. +Dat had te veel van mijn krachten gevergd. Eigen schuld dus! + +MEVR. ALVING. Oswald! O neen, geloof dat niet! + +OSWALD. Er is geen andere verklaring mogelijk, zei hij. Dat is het +verschrikkelijke. Hopeloos verloren voor mijn heele leven ... door mijn +eigen onbezonnenheid. Alles, wat ik had willen doen in de wereld,... +daar niet meer aan te mogen denken,... er niet meer aan te kunnen +denken. O, kon ik mijn leven nog maar eens overdoen,... het allemaal +ongedaan maken! (_hij laat zich voorover vallen met het gezicht op de +canape_). + +MEVR. ALVING (_wringt de handen en loopt in hevigen tweestrijd op en +neer_). + +OSWALD (_richt zich half op na een poosje; blijft met den elleboog op de +canape gesteund zitten_). Als het nog iets overgeerfds was,... iets dat +je zelf niet helpen kon. Maar zoo! Op zoo'n schandelijke, onnadenkende, +lichtzinnige manier je eigen geluk vergooid te hebben, je eigen +gezondheid, alles, alles ... je toekomst, je leven.... + +MEVR. ALVING. Neen, neen, mijn eigen lieve jongen, dat is onmogelijk! +(_buigt zich over hem heen_). Je bent er niet zoo wanhopig aan toe als +je denkt. + +OSWALD. O, je weet 't niet.... (_springt op_). En dan nog dat er bij, +dat ik jou al dat verdriet bezorg! Dikwijls heb ik bijna gewenscht en +gehoopt dat je minder van me zoudt houden. + +MEVR. ALVING. Ik, Oswald, mijn eenige jongen! Het eenige wat ik in de +wereld nog heb. Het eenige wat waarde voor mij heeft! + +OSWALD (_grijpt haar beide handen en kust ze_). Ja, ja, ik zie het wel. +Als ik thuis ben zie ik het immers wel. En juist dat is voor mij een van +de ergste dingen er van.... Maar nu weet je het dus. En nu zullen wij er +van daag niet meer over spreken. Ik kan er niet zoo lang achter elkaar +over denken (_loopt heen en weer_). Geef mij wat te drinken, moeder! + +MEVR. ALVING. Drinken? Wat wil je nu drinken? + +OSWALD. Och, wat je hebt. Je hebt immers kouden punch in huis? + +MEVR. ALVING. Ja, maar, mijn beste Oswald...! + +OSWALD. Toe, weiger het me niet. Wees nu lief! Ik moet iets hebben om al +die kwellende gedachten weg te spoelen (_gaat naar de serre_). En dan +... wat is het hier donker! + +MEVR. ALVING (_trekt aan de bel rechts_). + +OSWALD. En die onophoudelijke regen. Weken lang kan dat duren; maanden +soms. Nooit een zonnestraal te zien. De keeren dat ik thuis geweest ben, +herinner ik mij niet ooit de zon te hebben zien schijnen. + +MEVR. ALVING. Oswald,... je denkt er over van mij weg te gaan. + +OSWALD. Hm.... (_ademt zwaar_). Ik denk over niets. Kan aan niets +denken! (_zachtjes_). Dat zal ik wel laten. + +REGINE (_uit de eetkamer_). Heeft mevrouw gebeld? + +MEVR. ALVING. Ja, breng de lamp eens binnen. + +REGINE. Dadelijk mevrouw. Ze is al aangestoken (_gaat weg_). + +MEVR. ALVING (_gaat naar Oswald toe_). Oswald, wees niet gesloten +tegenover mij. + +OSWALD. Dat ben ik ook niet, moeder (_gaat naar de tafel_). Mij dunkt +dat ik je zoo veel gezegd heb. + +REGINE (_brengt de lamp en zet die op tafel_). + +MEVR. ALVING. Hoor eens, Regine, je moet eens een halve flesch champagne +brengen. + +REGINE. Jawel, mevrouw (_gaat weer heen_). + +OSWALD (_neemt haar hoofd tusschen zijn handen_). Zoo is het goed. Ik +wist wel dat moeder haar jongen geen dorst zou laten lijden. + +MEVR. ALVING. Jou? mijn arme lieve Oswald; hoe zou ik jou nu iets kunnen +weigeren? + +OSWALD (_levendig_). Is dat waar, moeder? Meen je dat? + +MEVR. ALVING. Hoe zoo? Wat? + +OSWALD. Dat je me niets zoudt kunnen weigeren? + +MEVR. ALVING. Maar Oswald-lief.... + +OSWALD. Sst! + +REGINE (_brengt een blaadje met een halve flesch champagne en twee +glazen, dat zij op tafel zet_). Zal ik de flesch openmaken? + +OSWALD. Neen, dankje, dat zal ik zelf wel doen. (_Regine gaat weer +weg_). + +MEVR. ALVING (_gaat bij de tafel zitten_). Wat bedoelde je daar straks +... dat ik je niet moest weigeren? + +OSWALD (_bezig de flesch open te maken_). Eerst een glas ... of twee. + +(_De kurk springt er af; hij schenkt een glas in en wil ook een tweede +inschenken_). + +MEVR. ALVING. (_houdt haar hand er op_). Dankje ... voor mij niet. + +OSWALD. Nou voor mij dan! + +(_Hij drinkt het glas uit, vult het opnieuw en drinkt het weer uit; dan +gaat hij bij de tafel zitten_). + +MEVR. ALVING (_afwachtend_). Nu dan? + +OSWALD (_zonder haar aan te zien_). Hoor eens, moeder ... 't leek mij +dat jij en dominee Manders zoo vreemd ... hm, zoo stil waart aan tafel. + +MEVR. ALVING. Heb je dat opgemerkt? + +OSWALD. Ja. Hm.... (_na even zwijgen_). Zeg eens ... hoe vind je Regine? + +MEVR. ALVING. Hoe ik haar vind? + +OSWALD. Ja, is zij niet prachtig? + +MEVR. ALVING. Beste Oswald, jij kent haar niet zoo goed als ik.... + +OSWALD. Wel? + +MEVR. ALVING. Regine is helaas, veel te lang thuis gebleven. Ik had haar +vroeger bij mij moeten nemen. + +OSWALD. Ja, maar, is zij niet prachtig om te zien, moeder? (_vult zijn +glas_). + +MEVR. ALVING. Regine heeft vele en groote gebreken.... + +OSWALD. Nou ja, wat doet dat er toe? (_hij drinkt weer_). + +MEVR. ALVING. Maar ik hou toch van haar; en ik ben voor haar +verantwoordelijk. Ik wou voor niets ter wereld dat er iets met haar +gebeurde. + +OSWALD (_springt op_). Moeder, Regine is de eenige die mij redden kan! + +MEVR. ALVING (_staat op_). Wat bedoel je daarmee? + +OSWALD. Ik kan al die ellende op den duur niet alleen dragen. + +MEVR. ALVING. Heb je je moeder dan niet om je te helpen die te dragen? + +OSWALD. Jawel, dat dacht ik, en daarom ben ik ook naar huis terug +gekomen. Maar het gaat zoo niet. Ik zie 't wel; het gaat niet. Ik hou +het leven hier niet uit! + +MEVR. ALVING. Oswald! + +OSWALD. Ik moet anders leven, moeder. Daarom moet ik van je weg. Ik wil +niet dat je dat altijd zult moeten aanzien. + +MEVR. ALVING. Mijn arme jongen! Maar Oswald, zoolang je zoo ziek bent +als nu.... + +OSWALD. Als het alleen maar die ziekte was, dan bleef ik wel bij je, +moeder. Want je bent de beste vriend dien ik heb. + +MEVR. ALVING. Ja, niet waar, Oswald, dat ben ik? + +OSWALD (_loopt onrustig rond_). Maar het is al die ellende ... iets ... +berouw ... en dan die ontzettende angst! + +MEVR. ALVING (_gaat hem na_). Angst? Wat voor angst? Wat meen je? + +OSWALD. O, je moet me niets meer vragen. Ik weet het niet. Ik kan het je +niet beschrijven. + +MEVR. ALVING (_gaat naar rechts en trekt aan de bel_). + +OSWALD. Wat wil je gaan doen? + +MEVR. ALVING. Ik wil dat mijn jongen vroolijk zal zijn, dat wil ik. Hij +mag niet zoo tobben (_tegen Regine die binnen komt_). Meer champagne. +Een heele flesch. + +(_Regine af_). + +OSWALD. Moeder! + +MEVR. ALVING. Denk je dat wij hier buiten ook niet weten te leven? + +OSWALD. Is zij niet prachtig om te zien? En zoo mooi gebouwd! En zoo +door-en-door gezond! + +MEVR. ALVING (_gaat aan de tafel zitten_). Ga zitten, Oswald, en laat +ons eens rustig praten. + +OSWALD (_gaat zitten_). Je weet nog niet, moeder, dat ik iets goed te +maken heb aan Regine. + +MEVR. ALVING. Jij? + +OSWALD. O, maar een kleine onbezonnenheid, als je het zoo noemen wilt. +Trouwens iets heel onschuldigs. Toen ik den laatsten keer thuis was.... + +MEVR. ALVING. Ja? + +OSWALD. ... vroeg zij mij zoo dikwijls naar Parijs, en ik vertelde haar +het een-en-ander van daarginder. En ik herinner mij dat ik er eens toe +kwam om te zeggen: zou je zelf geen lust hebben daar eens heen te gaan? + +MEVR. ALVING. En? + +OSWALD. Ik zag dat zij tot over haar ooren kleurde en toen zei zij: ja, +daar heb ik zeker wel lust in. Nou ja, antwoordde ik, dat kan misschien +nog wel eens gebeuren ... of zoo iets. + +MEVR. ALVING. En verder? + +OSWALD. Ik had natuurlijk de heele zaak vergeten; maar toen ik haar +eergisteren vroeg of zij niet blij was dat ik nu zoo lang thuis zou +blijven.... + +MEVR. ALVING. Ja? + +OSWALD. ... toen keek ze mij zoo wonderlijk aan, en vroeg toen: maar wat +komt er dan van mijn reis naar Parijs? + +MEVR. ALVING. Haar reis? + +OSWALD. En toen kreeg ik het er uit, dat zij het voor ernst had +opgenomen, en aldoor aan mij gedacht had en Fransch had geleerd.... + +MEVR. ALVING. Daarvoor dus.... + +OSWALD. Moeder,... toen ik dat mooie, prachtige, frissche meisje daar +voor mij zag staan ... vroeger had ik nooit zoo op haar gelet ... maar +nu, toen zij daar als met open armen voor mij stond, bereid om mij er in +op te nemen.... + +MEVR. ALVING. Oswald! + +OSWALD. ... toen werd het mij duidelijk dat er bij haar redding was; +want ik zag dat in haar levensblijheid leeft. + +MEVR. ALVING (_verschrikt_). Levensblijheid...? Kan die je redding zijn? + +REGINE (_uit de eetkamer met een flesch champagne_). Ik vraag excuus dat +ik zoo lang weg bleef; maar ik moest er voor in den kelder gaan.... +(_zet de flesch op tafel_). + +OSWALD. En haal nog een glas. + +REGINE (_kijkt hem verwonderd aan_). Daar staat mevrouws glas, mijnheer. + +OSWALD. Ja maar, haal er een voor jezelf, Regine. + +REGINE (_schrikt hevig en werpt snel van ter zijde een blik naar Mevr. +Alving_). + +OSWALD. Nou? + +REGINE (_zacht en aarzelend_). Als mevrouw er niet tegen heeft...? + +MEVR. ALVING. Ga een glas halen, Regine. + +OSWALD (_kijkt haar na_). Heb je op haar gang gelet? Zoo flink en +elastisch. + +MEVR. ALVING. Dat gebeurt niet, Oswald! + +OSWALD. Het is een uitgemaakte zaak, dat zie je immers. Daar helpt geen +tegenstribbelen aan. + +REGINE (_komt terug met een leeg glas in de hand_). + +OSWALD. Ga zitten, Regine. + +REGINE (_kijkt mevr. Alving aan_). + +MEVR. ALVING. Ga maar zitten. + +REGINE (_gaat zitten op een stoel bij de deur van de eetkamer en houdt +voortdurend het leege glas in de hand_). + +MEVR. ALVING. Oswald, wat was dat wat je zei over levensblijheid? + +OSWALD. Ja, levensblijheid, moeder,... daar weten ze hier in ons land +niet veel van. Ik heb er nooit iets van gemerkt. + +MEVR. ALVING. Ook niet als je bij mij bent? + +OSWALD. Niet als ik hier thuis ben. Maar dat begrijp je zoo niet. + +MEVR. ALVING. Jawel, ik geloof haast dat ik het wel begrijp ... nu. + +OSWALD. Levensblijheid ... en dan het genot van werken. Ja, in den grond +is dat wel hetzelfde. Maar daarvan weten ze hier ook niets. + +MEVR. ALVING. Dat kan wel waar zijn, vertel er eens wat meer van. + +OSWALD. Ja, ik wil er dit mee zeggen, dat hier aan de menschen wordt +geleerd te gelooven dat werken een vloek is en een straf voor hun +zonden, en dat het leven iets jammerlijks is, waar wij hoe eer hoe +liever maar van verlost moeten worden. + +MEVR. ALVING. Een jammerdal, ja. En dat maken wij er dan oprecht en +eerlijk ook van. + +OSWALD. Maar van zoo iets willen de menschen in het buitenland niets +weten. Daar gelooft geen mensch meer in ernst aan zulke leerstellingen. +Daar voel je het als iets jubelend gelukzaligs alleen maar dat je leeft. +Moeder, heb je niet opgemerkt, dat alles wat ik geschilderd heb, op +levensblijheid betrekking had? Altijd en voortdurend op levensblijheid. +Er is licht en zonneschijn en zondagslucht ... en vroolijke stralende +menschengezichten. Daarom ben ik bang om hier bij jou thuis te blijven. + +MEVR. ALVING. Bang? Waarom ben je bang hier bij mij? + +OSWALD. Ik ben bang dat alles wat er in mij woelt hier tot iets leelijks +ontaarden zal. + +MEVR. ALVING (_kijkt hem vast aan_). Geloof je dat dat gebeuren zou? + +OSWALD. Ik weet het heel zeker. En al leefde je hier hetzelfde leven als +daarginder, dan zou het toch niet hetzelfde zijn. + +MEVR. ALVING (_die in spanning heeft geluisterd, staat op met groote +ernstige oogen en zegt_). Nu zie ik het verband. + +OSWALD. Wat zie je? + +MEVR. ALVING. Nu zie ik het voor het allereerst. En nu kan ik spreken. + +OSWALD (_staat op_). Moeder ik begrijp je niet. + +REGINE (_die ook is opgestaan_). Zal ik misschien weggaan? + +MEVR. ALVING. Neen, blijf hier. Nu kan ik spreken. Nu, mijn jongen, zal +je alles weten. En dan kan je kiezen. Oswald! Regine! + +OSWALD. Stil. De dominee.... + +DOM. MANDERS (_komt door de voorkamer binnen_). Ziezoo; wij hebben een +hartverheffend uurtje doorgebracht. + +OSWALD. Wij ook. + +DOM. MANDERS. Engstrand moet geholpen worden met dat asyl voor zeelui. +Regine moet met hem meegaan om hem behulpzaam te zijn.... + +REGINE. Neen, dank u, dominee. + +DOM. MANDERS (_bemerkt haar nu pas_). Wat...? Hier...? En met een glas +in de hand? + +REGINE (_zet snel haar glas neer_). Pardon...! + +OSWALD. Regine gaat met mij mee, dominee. + +DOM. MANDERS. Mee! Met u! + +OSWALD. Ja, als mijn vrouw,... als zij wil. + +DOM. MANDERS. Genadige Hemel...! + +REGINE. Ik kan het niet helpen, dominee. + +OSWALD. Of zij blijft hier, als ik blijf. + +REGINE (_onwillekeurig_). Hier? + +DOM. MANDERS. Ik sta verstomd over u, mevrouw. + +MEVR. ALVING. Noch het een noch het ander zal gebeuren; want nu kan ik +vrij uit spreken. + +DOM. MANDERS. Maar dat zal u toch niet doen! Neen, neen, neen! + +MEVR. ALVING. Jawel; ik zal en ik kan het doen. En toch zullen er geen +idealen omlaag gehaald worden. + +OSWALD. Moeder, wat wordt er hier voor mij verborgen gehouden? + +REGINE (_luisterend_). Mevrouw! Hoor eens! Er staan menschen buiten te +schreeuwen. (_Zij gaat in de serre en kijkt naar buiten_). + +OSWALD (_bij het raam links_). Wat is er te doen? Waar komt die gloed +vandaan? + +REGINE (_roept_). Er is brand in het gesticht! + +MEVR. ALVING (_bij het raam_). Brand! + +DOM. MANDERS. Brand? Onmogelijk. Ik kom er net vandaan. + +OSWALD. Waar is mijn hoed? Nou, dat doet er ook niet toe.... Vaders +gesticht...! (_hij loopt naar buiten door de tuindeur_). + +MEVR. ALVING. Mijn doek, Regine! 't Staat in lichtelaaie! + +DOM. MANDERS. Ontzettend! Mevrouw Alving, daar licht het oordeel over +dit huis van ongerechtigheid! + +MEVR. ALVING. Jawel ... zeker. Kom Regine. (_Zij en Regine gaan haastig +weg door de voorkamer_). + +DOM. MANDERS (_slaat de handen in elkaar_). En niet geassureerd! (_gaat +weg langs denzelfden weg_). + + +EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF. + + + * * * * * + + +DERDE BEDRIJF. + + Zelfde kamer. Alle deuren staan open. De lamp brandt nog steeds op + tafel. Buiten is het donker, alleen een zwakke lichtschijn op den + achtergrond. + + Mevr. Alving met een grooten doek om haar hoofd, staat in de serre + en kijkt naar buiten. Regine, ook met een doek om, staat een beetje + achter haar. + + * * * * * + +MEVR. ALVING. Alles verbrand. Tot den grond toe. + +REGINE. 't Brandt nog in de kelders. + +MEVR. ALVING. Dat Oswald nog niet terug komt. Er is toch niets meer te +redden. + +REGINE. Zal ik hem misschien zijn hoed gaan brengen? + +MEVR. ALVING. Heeft hij niet eens zijn hoed op? + +REGINE (_wijst naar de voorkamer_). Neen; daar hangt hij. + +MEVR. ALVING. Laat hem dan maar hangen. Hij zal nu toch wel gauw komen. +Ik zal zelf even gaan zien (_zij gaat de tuindeur uit_). + +DOM. MANDERS (_komt uit de voorkamer_). Is mevrouw niet hier? + +REGINE. Mevrouw is net den tuin in gegaan. + +DOM. MANDERS. Dit is de verschrikkelijkste nacht dien ik ooit beleefd +heb. + +REGINE. Ja, wat een ontzettend ongeluk, dominee! + +DOM. MANDERS. O, spreek er niet van! Ik durf er ter nauwernood aan +denken. + +REGINE. Maar hoe is het toch aangekomen? + +DOM. MANDERS. Vraag mij niets, Regine! Hoe kan ik dat weten? Wil jij +misschien ook...? Is het niet genoeg dat je vader...? + +REGINE. Wat is er met hem? + +DOM. MANDERS. Hij maakt mij nog krankzinnig! + +ENGSTRAND (_komt door de voorkamer_). Dominee! + +DOM. MANDERS (_keert zich verschrikt om_). Volg je mij hier ook al? + +ENGSTRAND. Ja bliksem nog toe...! Jesses! dat is toch al te vreeselijk, +dominee! + +DOM. MANDERS (_loopt heen en weer_). Helaas! helaas! + +REGINE. Wat is er toch? + +ENGSTRAND. Och, het kwam door die bijeenkomst, zie je (_zachtjes_). Nu +heb ik hem aan den haak, kindlief! (_luid_). En dat ik nu de schuld +moest zijn, dat dominee zoo'n ongeluk moest overkomen! + +DOM. MANDERS. Maar ik verzeker je, Engstrand.... + +ENGSTRAND. Maar er is toch niemand anders dan dominee bezig geweest met +licht daarginder. + +DOM. MANDERS (_blijft staan_). Ja, dat beweer jij. Maar ik kan mij +volstrekt niet herinneren een kaars in mijn hand te hebben gehad. + +ENGSTRAND. Maar ik heb het toch heel duidelijk gezien dat dominee de +kaars opnam en ze met zijn vingers snoot en de afgebrande pit in de +krullen gooide. + +DOM. MANDERS. Heb jij dat gezien? + +ENGSTRAND. Ja, dat heb ik duidelijk gezien. + +DOM. MANDERS. Dat kan ik mij toch niet begrijpen. 't Is toch nooit mijn +gewoonte om een kaars met mijn vingers te snuiten. + +ENGSTRAND. Ja, het stond ook, met verlof, erg ongemanierd, dat deed het. +Maar zou het erg voor u kunnen worden, dominee? + +DOM. MANDERS (_onrustig heen en weer loopend_). O, vraag er mij toch +niet naar! + +ENGSTRAND (_met hem meeloopend_). En dominee heeft ook niet geassureerd? + +DOM. MANDERS (_aldoor loopend_). Neen ... neen ... neen; dat hoor je +immers. + +ENGSTRAND (_achter hem aan_). Niet geassureerd. En stil de kamer uit te +gaan en den boel in brand te steken. Jesses, jesses, wat een ongeluk! + +DOM. MANDERS (_droogt zijn voorhoofd af_). Ja, dat mag je wel zeggen, +Engstrand. + +ENGSTRAND. En dat zoo iets gebeuren moet met een weldadige inrichting, +die nuttig zou geweest zijn voor stad en land, zooals ze zeggen. De +couranten zullen dominee ook niet zachtjes aanpakken, vrees ik. + +DOM. MANDERS. Daarover loop ik juist te denken. Dat is haast het ergste +van alles. Al die hatelijke aanvallen en beschuldigingen...! O, het is +vreeselijk daaraan te denken! + +MEVR. ALVING (_komt uit den tuin_). Hij is niet te bewegen om van het +blusschen weg te gaan. + +DOM. MANDERS. O, is u daar, mevrouw. + +MEVR. ALVING. Nu komt u toch nog van uw feestrede af, dominee. + +DOM. MANDERS. O, ik had met het grootste genoegen.... + +MEVR. ALVING (_gedempt_). 't Is het beste dat het maar ging zoo als het +ging. Dit gesticht had toch geen zegen aangebracht. + +DOM. MANDERS. Zou u denken? + +MEVR. ALVING. Denkt u dat dan niet? + +DOM. MANDERS. Maar het was toch een ontzettend ongeluk. + +MEVR. ALVING. Wij zullen er maar kort en goed over praten als over een +zaak.... Wacht je op dominee, Engstrand? + +ENGSTRAND (_bij de deur van de voorkamer_). Ja, mevrouw. + +MEVR. ALVING. Ga dan zoo lang zitten. + +ENGSTRAND. Dank u; ik kan hier wel blijven staan. + +MEVR. ALVING (_tegen Dom. Manders_). U gaat waarschijnlijk straks met de +boot weg? + +DOM. MANDERS. Ja; over een uur vertrekt die. + +MEVR. ALVING. Wees dan zoo goed al de papieren weer mee te nemen. Ik wil +geen woord meer over die zaak hooren. Ik heb andere dingen aan mijn +hoofd.... + +DOM. MANDERS. Mevrouw.... + +MEVR. ALVING. Later zal ik u volmacht zenden om alles te regelen zooals +u zelf wil. + +DOM. MANDERS. Dat neem ik van harte gaarne op mij. De oorspronkelijke +bestemming van het legaat moet nu helaas geheel veranderd worden. + +MEVR. ALVING. Dat spreekt van zelf. + +DOM. MANDERS. Ja, dan denk ik het voorloopig zoo te regelen dat de hoeve +Solvik aan het distrikt komt. Den grond kan men toch niet waardeloos +noemen. Een of andere nuttige bestemming is daar altijd toch wel aan te +geven. En de renten van het geld dat op de spaarbank staat, zou ik +misschien als meest passend kunnen gebruiken om een of andere +onderneming te steunen, die gezegd worden kan de stad ten goede te +komen. + +MEVR. ALVING. Net zooals u wil. De heele zaak is mij nu absoluut +onverschillig. + +ENGSTRAND. Denk aan mijn tehuis voor zeelui, dominee! + +DOM. MANDERS. Ja, zeker ... daar zeg je zoo wat. Nu, dat moeten wij nog +eens nader overleggen. + +ENGSTRAND. Neen, wat duivel, niet overleggen.... Jesses dan toch! + +DOM. MANDERS (_met een zucht_). Ik weet helaas ook niet, hoe lang ik nog +die zaken in handen hebben zal. Of de publieke opinie mij niet zal +noodzaken mij terug te trekken. Dat hangt heelemaal van het gerechtelijk +onderzoek af. + +MEVR. ALVING. Wat zegt u daar? + +DOM. MANDERS. En van den uitslag daarvan kan men vooruit volstrekt niets +met zekerheid zeggen. + +ENGSTRAND (_dichtbij_). O welzeker kan men dat. Want hier staat Jakob +Engstrand ook nog. + +DOM. MANDERS. Ja ... ja ... maar...? + +ENGSTRAND. En Jakob Engstrand is niet de man die een waardigen weldoener +in den steek laat als de nood aan den man komt, zooals ze zeggen. + +DOM. MANDERS. Ja, maar, mijn waarde ... hoe...? + +ENGSTRAND. Jakob Engstrand is om zoo te zeggen te vergelijken bij een +reddenden engel, dominee! + +DOM. MANDERS. Neen, neen, dat kan ik toch waarlijk niet aannemen. + +ENGSTRAND. Och, dat moet u toch maar doen. Ik ken iemand die nog eens de +schuld van een ander op zich genomen heeft ... wat? + +DOM. MANDERS. Jakob! (_drukt hem de hand_). Je bent een zeldzaam mensch. +Nu, je zult je asyl voor zeelui hebben, hoor.... Daar kan je op aan. + +ENGSTRAND (_wil bedanken, maar kan niet van aandoening_). + +DOM. MANDERS (_hangt zijn reistaschje over zijn schouders_). En nu weg. +Wij reizen samen. + +ENGSTRAND (_bij de eetkamerdeur zachtjes tegen Regine_). Ga met me mee, +meid! Je zult een leventje hebben als een prinses. + +REGINE (_werpt het hoofd in den nek_). Merci! (_zij gaat naar de +voorkamer en haalt dominee's hoed_). + +DOM. MANDERS. Vaarwel, mevrouw. En moge de geest van orde en wet spoedig +zijn intocht houden in deze woning. + +MEVR. ALVING. Vaarwel Manders! (_zij gaat naar de serre, terwijl zij +Oswald door de tuindeur ziet binnenkomen_). + +ENGSTRAND (_terwijl hij en Regine den dominee aan zijn jas helpen_). +Vaarwel, kindlief. En als er 't een of ander gebeuren mocht, dan weet je +waar Jakob Engstrand te vinden is (_zachtjes_) Kleine Havenstraat, +hm...! (_tegen Mevr. Alving en Oswald_). En het huis voor de zwervende +zeelui zal heeten "Kamerheer Alvings Tehuis". En als ik het huis naar +mijn goedvinden besturen mag, dan durf ik beloven, dat het den kamerheer +zaliger waardig worden zal. + +DOM. MANDERS (_in de deur_). Hm ... hm! Kom nu, mijn waarde Engstrand. +Vaarwel, vaarwel! (_hij en Engstrand gaan weg door de voorkamerdeur_). + +OSWALD (_gaat naar de tafel_). Wat is dat voor een huis waar hij van +sprak? + +MEVR. ALVING. Dat is een soort asyl dat hij en dominee Manders willen +oprichten. + +OSWALD. Dat zal ook afbranden, net als dit hier. + +Mevr. Alving. Hoe kom je daarbij? + +OSWALD. Alles zal verbranden. Er zal niets meer overblijven dat aan +vader herinnert. Ik verbrand immers ook. + +REGINE (_kijkt hem verschrikt aan_). + +MEVR. ALVING. Oswald! Je had niet zoolang daarginder moeten blijven, +mijn arme jongen. + +OSWALD (_gaat aan de tafel zitten_). Ik geloof haast dat je gelijk hebt. + +MEVR. ALVING. Laat mij je gezicht afdrogen, Oswald; je bent heelemaal +nat (_droogt zijn gezicht af met haar zakdoek_). + +OSWALD (_kijkt onverschillig voor zich uit_). Dankje moeder. + +MEVR. ALVING. Ben je niet moe, Oswald? Wil je misschien gaan slapen? + +OSWALD (_angstig_). Neen, neen ... niet slapen! Ik slaap nooit; ik houd +me maar zoo (_bedroefd_). Dat komt gauw genoeg. + +MEVR. ALVING (_kijkt hem bezorgd aan_). Ja, je bent toch heusch wel +ziek, mijn lieveling. + +REGINE (_in spanning_). Is mijnheer ziek? + +OSWALD (_ongeduldig_). Doe de deuren toch dicht! Die doodelijke +angst.... + +MEVR. ALVING. Doe ze dicht, Regine. + +(_Regine sluit de deuren en blijft staan bij de voorkamer deur. Mevr. +Alving doet haar doek af. Regine eveneens_). + +MEVR. ALVING (_schuift een stoel bij Oswald en gaat bij hem zitten_). +Ziezoo, nu kom ik bij je zitten.... + +OSWALD. Ja, doe dat. En Regine moet ook binnen blijven. Regine moet +altijd om me heen zijn. Je wilt mij wel behulpzaam zijn, niet waar, +Regine? + +REGINE. Ik begrijp u niet.... + +MEVR. ALVING. Behulpzaam zijn? + +OSWALD. Ja, als het noodig mocht worden. + +MEVR. ALVING. Oswald, heb je dan je moeder niet om je behulpzaam te +zijn? + +OSWALD. Jij? (_glimlacht_). Neen, moeder, daarmee kan jij me niet helpen +(_lacht droevig_). Jij! Haha! (_kijkt haar ernstig aan_). Hoewel, +eigenlijk was jij er wel het naaste aan toe (_driftig_). Waarom kan je +geen je tegen mij zeggen, Regine? Waarom noem je mij niet Oswald? + +REGINE (_zachtjes_). Ik geloof niet dat mevrouw dat goed zou vinden. + +MEVR. ALVING. Wacht nog maar even, straks mag je het doen. En kom jij +ook hier bij ons zitten. + +REGINE (_gaat bescheiden en aarzelend aan den anderen kant van de tafel +zitten_). + +MEVR. ALVING. En nu, mijn arme geplaagde jongen, nu zal ik den last van +je ziel afnemen.... + +OSWALD. Jij, moeder? + +MEVR. ALVING ... alles wat je gewetenswroeging en berouw en zelfverwijt +noemt.... + +OSWALD. En geloof je dat je dat kunt? + +MEVR. ALVING. Ja, nu kan ik het, Oswald. Daar straks sprak je over +levensblijheid; en toen ging er als het ware een nieuw licht op over +alle dingen van mijn heele leven. + +OSWALD (_schudt het hoofd_). Daar begrijp ik niets van. + +MEVR. ALVING. Je moest je vader gekend hebben, toen hij nog heel jong +luitenant was. _Hij_ was vol levensblijheid! + +OSWALD. Ja, dat weet ik. + +MEVR. ALVING. Het was als zondagsweer alleen maar om hem te zien. En dan +die onstuimige kracht en levensvolheid die in hem waren! + +OSWALD. En dan...? + +MEVR. ALVING. Nu, toen moest zoo'n levensblij kind,... want hij was nog +net een kind toen--toen moest hij hier gaan wonen in een provinciestad +die geen vreugde te bieden had, alleen maar wat amusementen. Moest hier +rondloopen, waar hij geen levensdoel had, alleen maar een betrekking. +Geen werk waaraan hij zich met zijn heele ziel kon wijden,... hij had +alleen maar bezigheden. Geen enkelen kameraad die in staat was te voelen +wat levensblijheid is;... alleen maar boemelaars en drinkebroers.... + +OSWALD. Moeder...! + +MEVR. ALVING. En zoo ging het dan zoo als het wel gaan moest. + +OSWALD. En hoe moest het dan gaan? + +MEVR. ALVING. Je zei zelf van avond hoe het met jou gaan zou als je +thuisbleef. + +OSWALD. Wil je daarmee zeggen dat papa...? + +MEVR. ALVING. Je arme vader vond nooit een uitweg voor de overvloeiende +levensblijheid die in hem was. Ik bracht ook geen zondagsweer in huis. + +OSWALD. Ook jij niet? + +MEVR. ALVING. Ze hadden mij wat geleerd van plichten en dergelijke +dingen, waaraan ik langen tijd geloofd heb. Alles liep uit op +plichten,... _mijn_ plichten en _zijn_ plichten en.... Ik vrees, Oswald, +dat ik je armen vader zijn thuis onhoudbaar gemaakt heb. + +OSWALD. Waarom heb je mij nooit iets daarover geschreven? + +MEVR. ALVING. Ik heb het vroeger nooit zoo ingezien dat ik tegen jou, +zijn zoon, het onderwerp kon aanroeren. + +OSWALD. En hoe zag je het dan? + +MEVR. ALVING (_langzaam_). Ik zag alleen dit eene maar, dat je vader een +verwoest gestel had, voor jij nog geboren was. + +OSWALD (_gedempt_). Ah...! (_hij staat op en gaat naar het raam_). + +MEVR. ALVING. En dan vervolgde mij dag in dag uit, die eene gedachte, +dat Regine eigenlijk hier even goed thuis hoorde ... als mijn eigen +jongen. + +OSWALD (_keert zich plotseling om_). Regine! + +REGINE (_komt overeind en vraagt gedempt_). Ik.... + +MEVR. ALVING. Ja, nu weet je het allebei. + +OSWALD. Regine! + +REGINE (_in zich zelf_). Dus was moeder van den lichten kant! + +MEVR. ALVING. Je moeder was braaf in veel opzichten, Regine. + +REGINE. Ja maar, zij was dan toch van den lichten kant. Ja, soms heb ik +het wel eens gedacht, maar.... Ja, mevrouw, permitteert u mij dan dat ik +maar terstond weg ga...? + +MEVR. ALVING. Meen je dat heusch, Regine? + +REGINE. Ja, zeker meen ik dat. + +MEVR. ALVING. Je bent natuurlijk vrij om te doen zoo als je wilt,... +maar.... + +OSWALD (_gaat naar Regine toe_). Ga je nu weg? Hier hoor je immers +thuis. + +REGINE. Merci, mijnheer Alving;... ja, nu kan ik ook wel Oswald tegen je +zeggen. Maar ik had mij niet voorgesteld dat het op die manier zou +zijn.... + +MEVR. ALVING. Regine, ik ben niet openhartig tegen je geweest.... + +REGINE. Neen, en dat is schandelijk genoeg! Had ik geweten dat Oswald +ziekelijk was, dan.... En nu er dan toch niets van komen kan tusschen +ons.... Neen, ik kan heusch niet hier buiten blijven en me afbeulen voor +zieke menschen. + +OSWALD. Zelfs niet voor iemand die je zoo na bestaat? + +REGINE. Neen, waarlijk dat kan ik niet. Een arm meisje moet van haar +jeugd profiteeren, want anders zit je op zwart zaad voor je het weet. +En ik heb ook levensblijheid in me, mevrouw! + +MEVR. ALVING. Ja, helaas; maar gooi je niet weg, Regine. + +REGINE. O, als dat gebeurt, dan zal het wel zoo moeten wezen. Als Oswald +naar zijn vader aardt, dan zal ik wel naar mijn moeder aarden, denk +ik.... Mag ik vragen, mevrouw, of dominee Manders weet van dit geval met +mij? + +MEVR. ALVING. Dominee Manders weet er alles van. + +REGINE (_druk bezig met haar doek om te doen_). Ja, dan moet ik maar +zien zoo gauw mogelijk met de boot weg te komen. Dominee Manders is +zoo'n lieve man om iets van gedaan te krijgen; en ik vind eigenlijk dat +ik evenveel recht heb op een beetje van dat geld als die akelige +schrijnwerker. + +MEVR. ALVING. Dat is je van harte gegund, Regine. + +REGINE (_kijkt haar strak aan_). Mevrouw had mij wel kunnen opvoeden als +een grootelui's kind; dat was gepaster geweest voor mij (_werpt het +hoofd in den nek_). Maar wat kan het mij ook schelen! (_met een nijdigen +blik op de ongeopende flesch_). Ik zal toch nog wel eens champagne +drinken met deftige lui! + +MEVR. ALVING. En als je behoefte voelt aan een thuis, Regine, kom dan +bij mij. + +REGINE. Neen, dank u wel, mevrouw. Dan zal dominee Manders zich wel over +mij ontfermen. En als het heelemaal mis gaat met me, dan weet ik immers +nu een plek waar ik thuis hoor. + +MEVR. ALVING. Waar dan? + +REGINE. In kamerheer Alvings Asyl. + +MEVR. ALVING. Regine,... nu zie ik het,... jij loopt in je verderf! + +REGINE. Och wat! Adieu (_zij groet en gaat door de voorkamer weg_). + +OSWALD (_staat bij het raam en kijkt naar buiten_). Is ze weg? + +MEVR. ALVING. Ja. + +OSWALD (_mompelt in zich zelf_). Dat is een gekke geschiedenis. + +MEVR. ALVING (_komt achter hem staan en legt haar handen op zijn +schouders_). Oswald, mijn jongen, heeft het je erg geschokt? + +OSWALD (_keert haar zijn gezicht toe_). Dat van Papa, bedoel je? + +MEVR. ALVING. Van je ongelukkigen vader, ja. Ik ben zoo bang dat het je +te veel heeft aangedaan. + +OSWALD. Hoe kom je er bij? Ja, 't kwam mij wel heel onverwacht; maar +eigenlijk kan het mij heel weinig schelen. + +MEVR. ALVING (_neemt haar handen weg_). Kan het je niet schelen dat je +vader zoo vreeselijk ongelukkig was? + +OSWALD. Natuurlijk kan ik medelijden met hem voelen zoo als met ieder +ander, maar.... + +MEVR. ALVING. Niets anders dan dat! Voor je eigen vader! + +OSWALD (_ongeduldig_). Nou ja, vader ... vader.... Ik heb vader immers +nooit gekend. Ik herinner mij niets anders van hem, dan dat hij mij eens +aan het braken heeft gemaakt. + +MEVR. ALVING. Dat is toch een vreeselijke gedachte! Moet een kind dan +niet in elk geval liefde voelen voor zijn vader? + +OSWALD. Als een kind zijn vader niets te danken heeft? Hem nooit heeft +gekend? Hecht je heusch nog aan dat oude bijgeloof, jij, die overigens +zoo verlicht bent? + +MEVR. ALVING. Zou dat dan enkel maar bijgeloof zijn...! + +OSWALD. Ja, dat moet je toch wel inzien, moeder. Dat is zoo een van die +opvattingen die nu eenmaal in de wereld gangbaar zijn en dus.... + +MEVR. ALVING (_geschokt_). Spoken! + +OSWALD (_loopt heen en weer_). Ja, je kunt ze gerust spoken noemen. + +MEVR. ALVING (_uitbarstend_). Oswald,... dan hou je ook niet van mij! + +OSWALD. Jou ken ik ten minste toch.... + +MEVR. ALVING. Je kent me ... maar is dat alles! + +OSWALD. En ik weet immers hoeveel je van mij houdt, en daarvoor moet ik +je toch dankbaar zijn. En nu ik ziek ben kan je zoo veel voor mij doen. + +MEVR. ALVING. Ja, niet waar, Oswald! O ik zou haast je ziek-zijn kunnen +zegenen, omdat het je naar mij toe gedreven heeft. Want ik zie het wel; +je bent nog niet van mij; je moet gewonnen worden. + +OSWALD (_ongeduldig_). Jawel, jawel. Dat zijn nu maar allemaal van die +zeggetjes. Je moet niet vergeten dat ik een zieke ben, moeder. Ik kan +mij niet zooveel bezig houden met anderen; ik heb genoeg te denken over +mezelf. + +MEVR. ALVING (_zachtjes_). Ik zal tevreden en geduldig zijn. + +OSWALD. En vroolijk, moeder! + +MEVR. ALVING. Ja, mijn jongen, je hebt gelijk (_gaat naar hem toe_). Heb +ik nu alle wroeging en zelfverwijt van je afgenomen? + +OSWALD. Ja, dat heb je. Maar wie neemt nu den angst weg? + +MEVR. ALVING. Den angst? + +OSWALD (_loopt heen en weer_). Regine zou het gedaan hebben voor een +goed woord. + +MEVR. ALVING. Ik begrijp je niet. Wat is dat van dien angst ... en van +Regine? + +OSWALD. Is het al erg laat in den nacht, moeder? + +MEVR. ALVING. Het is al vroeg in den morgen (_kijkt uit de serre naar +buiten_). Het wordt al licht boven op de bergen. En het wordt een +heldere dag, Oswald! Straks zal je de zon zien. + +OSWALD. Daar verheug ik mij op. O, er kan nog veel en velerlei zijn om +mij over te verheugen en voor te leven.... + +MEVR. ALVING. Dat zou ik denken! + +OSWALD. Al kan ik dan niet werken, dan.... + +MEVR. ALVING. O, je zult wel gauw weer kunnen werken, jongen-lief. Nu +heb je immers niet meer al die kwellende en drukkende gedachten om over +te tobben. + +OSWALD. Neen, het was goed dat je al die verkeerde voorstellingen van +mij hebt afgenomen. En als ik nu dat eene nog maar te boven ben.... +(_gaat op de canape zitten_). Nu gaan we een beetje babbelen, moeder. + +MEVR. ALVING. Ja, laat ons dat doen (_zij schuift een makkelijken stoel +bij de canape en gaat dicht naast hem zitten_). + +OSWALD. ... en intusschen komt de zon op. En dan weet je het. En dan heb +ik niet langer dien angst. + +MEVR. ALVING. Wat weet ik dan, zeg je? + +OSWALD (_zonder naar haar te luisteren_). Moeder, heb je niet daar +straks gezegd, dat er niets was wat je niet voor mij doen zoudt, als ik +het je vroeg? + +MEVR. ALVING. Ja, zeker, dat heb ik gezegd! + +OSWALD. En blijf je daarbij, moeder? + +MEVR. ALVING. Daar kan je op vertrouwen, jij mijn lieve, eenige jongen. +Ik leef immers voor niets anders dan voor jou alleen. + +OSWALD. Ja, ja. Hoor nu eens.... Jij, moeder, hebt een sterke, moedige +ziel, dat weet ik. Je moet heel rustig blijven zitten, als je het hoort. + +MEVR. ALVING. Maar wat is er dan voor vreeselijks...! + +OSWALD. Je moet niet gillen, hoor je? Beloof je mij dat? Wij zullen er +heel kalm over praten. Beloof je mij dat, moeder? + +MEVR. ALVING. Ja, ja, ik beloof het je; maar zeg het dan...! + +OSWALD. Nou; dan zal ik je zeggen dat die moeheid,... en dat ik er niet +aan denken kan te werken,... dat dat alles niet mijn eigenlijke ziekte +is.... + +MEVR. ALVING. Wat is dan je ziekte? + +OSWALD. Mijn ziekte, die ik als erfstuk heb gekregen, die ... (_wijst op +zijn voorhoofd en voegt er heel zachtjes bij_) zit hier. + +MEVR. ALVING (_bijna sprakeloos_). Oswald! neen ... neen! + +OSWALD. Niet gillen. Dat kan ik niet verdragen. Ja, moeder, die zit +daarbinnen en ligt op de loer. En die kan ieder oogenblik uitbreken. + +MEVR. ALVING. O, hoe ontzettend...! + +OSWALD. Kalm nu maar. Zoo staat het nu met mij.... + +MEVR. ALVING (_springt op_). Dat is niet waar, Oswald! Dat is +onmogelijk! Dat kan niet waar zijn! + +OSWALD. In Parijs heb ik een aanval gehad. Die ging gauw weer over. Maar +toen ik hoorde hoe het met mij geweest was, toen kwam er zoo'n razende +angst over mij; en toen reisde ik naar huis, naar jou toe, zoo gauw ik +kon. + +MEVR. ALVING. Dat is dus die angst...! + +OSWALD. Ja, want dat is niet-te-zeggen afschuwelijk, zie je. O, als het +maar een gewone doodelijke ziekte was geweest ... want ik ben niet zoo +bang om dood te gaan, al wil ik graag zoo lang mogelijk blijven leven. + +MEVR. ALVING. Ja, zeker, Oswald, dat moet je ook. + +OSWALD. Maar dat is zoo vreeselijk afschuwelijk om als 't ware weer een +bakerkind te worden; om gevoed te moeten worden, en.... O,... dat is +niet te zeggen! + +MEVR. ALVING. 't Kind heeft zijn moeder om hem te verzorgen. + +OSWALD (_springt op_). Neen, dat nooit; dat is het juist wat ik niet +wil! Ik kan er niet aan denken dat ik misschien jarenlang zoo zou moeten +liggen,... en oud en grijs worden. En dan kon jij nog wel voor mij dood +gaan in dien tijd. (_Gaat in mevrouws stoel zitten_). Want het behoeft +niet dadelijk doodelijk te zijn, zei de dokter. Hij noemde het een soort +van hersenverweeking ... of zoo iets. (_glimlacht droevig_). Ik vind dat +dat zoo mooi klinkt. Ik moet dan altijd denken aan kersroode +zijfluweelen draperieen,... iets dat zacht is om langs te strijken met +je hand. + +MEVR. ALVING (_roept_). Oswald! + +OSWALD (_springt weer op en loopt door de kamer_). En nu heb je mij +Regine afgenomen...! Had ik haar maar gehad. Zij zou mij wel geholpen +hebben. + +MEVR. ALVING (_gaat naar hem toe_). Wat meen je daarmee, mijn lieveling? +Is er dan iets ter wereld waarmee ik je niet zou willen helpen? + +OSWALD. Toen ik te Parijs weer van dien aanval hersteld was, zei de +dokter mij, dat als het weer terug kwam ... en het komt terug ... dat er +dan geen hoop meer was. + +MEVR. ALVING. En hij was zoo onbarmhartig om je.... + +OSWALD. Ik eischte het van hem. Ik zei hem dat ik beschikkingen te maken +had.... (_glimlacht listig_). En dat had ik ook..., (_haalt een doosje +uit zijn borstzak_). Moeder, zie je dat? + +MEVR. ALVING. Wat is dat? + +OSWALD. Morfinepoeders. + +MEVR. ALVING (_kijkt hem verschrikt aan_). Oswald,... mijn jongen? + +OSWALD. Ik heb twaalf capsules opgespaard. + +MEVR. ALVING (_grijpt er naar_). Geef mij dat doosje, Oswald! + +OSWALD. Nog niet, moeder, (_hij stopt het weer in zijn zak_). + +MEVR. ALVING. Dat overleef ik niet! + +OSWALD. Je moet het overleven. Had ik Regine nu maar hier gehad, dan had +ik haar gezegd hoe het met mij stond ... en haar om dien laatsten dienst +gevraagd. Zij zou mij wel geholpen hebben; daar ben ik zeker van. + +[Illustratie: Mevr. W. Schwab-Welman en de Heer E.P. Erfmann Jr. als +Mevr. Alving en Oswald in "Spoken" (3e Bedrijf)] + +MEVR. ALVING. Nooit. + +OSWALD. Als het vreeselijke gekomen was en zij mij hier hulpeloos zag +liggen, als een klein kind, opgegeven, verloren, hopeloos,... niet meer +te redden.... + +MEVR. ALVING. Nooit van haar leven had Regine dat gedaan! + +OSWALD. Regine had het wel gedaan. Regine was zoo heerlijk luchthartig. +En het zou haar ook gauw verveeld hebben zoo'n zieke als ik ben op te +passen. + +MEVR. ALVING. Dan dank ik den Hemel dat Regine er niet meer is! + +OSWALD. Ja, nu moet jij mij dus dien dienst bewijzen, moeder. + +MEVR. ALVING (_gilt_). Ik! + +OSWALD. Wie is er nader aan toe dan jij? + +MEVR. ALVING. Ik! Je moeder! + +OSWALD. Juist daarom. + +MEVR. ALVING. Ik, die je het leven gegeven heb! + +OSWALD. Ik heb je niet om dat leven gevraagd! En wat is dat voor een +leven dat je mij gegeven hebt? Ik wil het niet hebben! Je moet het terug +nemen! + +MEVR. ALVING. Help! Help! (_zij loopt naar de voorkamer_). + +OSWALD (_haar achterna_). Loop niet van mij weg! Waar wil je heen? + +MEVR. ALVING (_in de voorkamer_). Den dokter voor je halen, Oswald! Laat +mij er uit! + +OSWALD (_ook daar_). Je gaat er niet uit. En hier komt niemand binnen. +(_Er wordt een sleutel omgedraaid_). + +MEVR. ALVING (_komt terug_). Oswald! Oswald,... mijn kind! + +OSWALD (_komt achter haar_). En jij wilt zeggen dat je mij als een +moeder lief hebt ... jij, die mij al dien onzegbaren angst kunt zien +lijden! + +MEVR. ALVING. (_Na een oogenblik stilte, zegt met groote +zelfbeheersching_). Hier heb je mijn hand er op. + +OSWALD. Wil je...? + +MEVR. ALVING. Als het noodig mocht worden. Maar het zal niet noodig +zijn. Neen, neen, dat zal 't nooit worden! + +OSWALD. Ja, laat ons dat hopen. En laat ons zoo lang bij elkaar blijven +als we kunnen. Dankje, moeder. + +(_Hij gaat in den grooten stoel zitten dien mevr. bij de canape +geschoven heeft. De dag komt aan; de lamp blijft branden op de tafel_). + +MEVR. ALVING (_komt voorzichtig bij hem_). Voel je je nu rustig? + +OSWALD. Ja. + +MEVR. ALVING (_over hem heengebogen_). Dat is een vreeselijke +voorstelling van je geweest, Oswald. Niets dan verbeelding. Al die +emoties heb je niet kunnen verdragen. Maar nu moet je uitrusten, thuis +bij je eigen moeder, jij mijn hartekind! Alles waar je maar naar wijst, +zal je hebben, net als toen je een klein kindje was.... Ziezoo. Nu is de +aanval voorbij. Zie je wel, hoe gemakkelijk het over ging? O, dat wist +ik ook wel.... En kijk eens, Oswald, wat een mooien dag wij krijgen? +Heerlijke zonneschijn! Nu kan je je land pas goed zien. (_Zij gaat naar +de tafel en draait de lamp uit. Zonsopgang. De gletscher en de +bergtoppen op den achtergrond liggen in het stralende morgenlicht_). + +OSWALD (_zit in den stoel met zijn rug naar den achtergrond, zonder zich +te bewegen. Plotseling zegt hij_): Moeder, geef mij de zon. + +MEVR. ALVING (_bij de tafel ziet hem verschrikt aan_). Wat zeg je? + +OSWALD (_herhaalt dof en toonloos_). De zon. De zon. + +MEVR. ALVING (_vlakbij hem_). Oswald, hoe is het met je? + +OSWALD (_schijnt in den stoel in elkaar te zakken; alle spieren worden +slap; zijn gezicht verliest alle uitdrukking; de oogen staren wezenloos +voor zich uit_). + +MEVR. ALVING (_bevend van angst_). Wat is dat (_gilt_) Oswald! Wat is +er! (_valt op de knieen bij hem neer en schudt hem_) Oswald! Oswald! +Kijk me aan! Ken je mij niet? + +OSWALD (_toonloos als voren_). De zon. De zon. + +MEVR. ALVING (_springt wanhopig op, grijpt met beide handen in haar +haren en roept_): Dat kan ik niet dragen! (_fluistert als verstijfd van +schrik_). Dat kan ik niet dragen! Nooit! (_plotseling_). Waar heeft hij +ze gelaten? (_voelt pijlsnel op zijn borst_). Hier! (_wijkt een paar +stappen terug en gilt_). Neen, neen! (_zij staat een paar passen van hem +af, de handen in het haar en staart hem in sprakelooze ontzetting aan_). + +OSWALD (_zit onbeweeglijk als te voren en zegt_) De zon. De zon. + + +EINDE VAN HET DERDE OF LAATSTE BEDRIJF. + + + * * * * * + + +EEN VIJAND DES VOLKS + +TOONEELSPEL IN VIJF BEDRIJVEN + + + * * * * * + + +PERSONEN: + + DOKTER THOMAS STOCKMANN, baddokter. + MEVROUW STOCKMANN, zijn vrouw. + PETRA, hunne dochter, onderwijzeres. + EJLIF en MORTEN, hun zonen, dertien en tien jaar oud. + PETER STOCKMANN, oudere broeder van den dokter, + burgemeester, hoofd van de politie en president van het + Bestuur der Badinrichting, enz. + MORTEN KUL, leerlooier, pleegvader van Mevr. Stockmann. + HOVSTAD, redacteur van de "Volksbode". + BILLING, medewerker aan dat blad. + HORSTER, scheepskapitein. + ASLAKSEN, boekdrukker. + + Het stuk speelt in een kustplaats in Zuidelijk Noorwegen. + + * * * * * + + +EERSTE BEDRIJF. + + De huiskamer van den dokter. Het is avond. De kamer is netjes maar + heel eenvoudig ingericht en gemeubileerd. In den zijwand rechts + zijn twee deuren, waarvan de achterste naar de voorkamer leidt en + de voorste naar de werkkamer van den dokter. In den + tegenovergestelden wand, vlak tegenover de deur naar de voorkamer, + is een deur die naar de overige vertrekken van het gezin leidt. + Midden in dien zelfden wand staat de kachel, en meer op den + voorgrond een canape, met een spiegel er boven en een ovale tafel + met kleed, er voor. Op de tafel een brandende lamp met kap. Op den + achtergrond een open deur naar de eetkamer. Daarbinnen is gedekt + voor het avondeten; lamp op tafel. + + Billing zit in de eetkamer met een servet onder zijn kin. Mevr. + Stockmann staat bij de tafel en reikt hem een schotel aan met een + groot stuk gebraden vleesch. De overige plaatsen om de tafel zijn + onbezet; op de tafel staat alles in wanorde als na het einde van + een maaltijd. + + * * * * * + +MEVR. STOCKMANN. Ja, als u een uur te laat komt, mijnheer Billing, moet +u tevreden zijn met koud eten. + +BILLING (_etend_). Het smaakt uitstekend,... heerlijk zelfs. + +MEVR. STOCKMANN. U weet wel dat Stockmann erg precies is op zijn +etensuren.... + +BILLING. Dat kan mij heelemaal niet schelen. Ik geloof haast dat het nog +beter smaakt als ik zoo heel alleen en ongestoord eten kan. + +MEVR. STOCKMANN. Nu, goed; als 't u maar smaakt, dan.... (_luistert naar +de voorkamer_) Daar komt Hovstad zeker ook. + +BILLING. Misschien wel. + +(_Burgemeester Stockmann komt binnen, in overjas en met zijn uniformpet +op; zijn stok in de hand_). + +BURGEM. STOCKMANN. Goeden avond, waarde schoonzuster. + +MEVR. STOCKMANN (_gaat naar de huiskamer_). Kijk eens aan, is u daar? +Goeden avond. Dat is aardig van u dat u eens bij ons komt. + +BURGEM. STOCKMANN. Ik kwam juist voorbij en toen.... (_met een blik naar +de eetkamer_) O, maar u heeft bezoek, naar 't schijnt. + +MEVR. STOCKMANN (_een beetje verlegen_). O, neen, volstrekt niet, dat is +maar toevallig (_snel_). Wil u niet ook een stukje mee eten? + +BURGEM. STOCKMANN. Ik! Dank u wel; Godbewaarme warm eten 's avonds; dat +gedoogt mijn spijsvertering niet. + +MEVR. STOCKMANN. O, maar, voor een enkelen keer.... + +BURGEM. STOCKMANN. Neen, neen, dank je wel. Ik hou me aan een kopje thee +en een boterhammetje. Dat is toch gezonder op den duur,... en ook wel +wat goedkooper. + +MEVR. STOCKMANN (_glimlacht_). U moet niet denken dat Thomas en ik het +ook zoo over den balk gooien. + +BURGEM. STOCKMANN. U niet, schoonzuster; dat zij verre van mij (_wijst +naar de werkkamer van den dokter_). Is hij soms niet thuis? + +MEVR. STOCKMANN. Neen, hij is nog een eindje omgegaan na het eten ... +hij en de jongens. + +BURGEM. STOCKMANN. Of dat nu wel gezond is? (_luistert_). Daar komt hij +geloof ik. + +MEVR. STOCKMANN. Neen, dat zal hij nog niet zijn (_er wordt geklopt_). +Binnen! (_Hovstad komt uit de voorkamer_). + +MEVR. STOCKMANN. O, is u dat, mijnheer Hovstad...? + +HOVSTAD. Ja, ik maak u mijn excuses; maar ik werd opgehouden in de +drukkerij. Goeden avond, burgemeester. + +BURGEM. STOCKMANN (_groet een beetje stijf_). Mijnheer Hovstad. U komt +zeker voor zaken. + +HOVSTAD. Gedeeltelijk. 't Is voor iets dat in ons blad komen moet. + +BURGEM. STOCKMANN. Dat kan ik mij voorstellen. Mijn broer moet een +bizonder vruchtbaar medewerker van de "Volksbode" zijn, naar ik hoor. + +HOVSTAD. Ja, hij permitteert zich in de "Volksbode" te schrijven, +wanneer hij over het een of ander de waarheid zeggen wil. + +MEVR. STOCKMANN (_tegen Hovstad_). Maar wil u niet...? (_wijst naar de +eetkamer_). + +BURGEM. STOCKMANN. O, ik neem het hem volstrekt niet kwalijk, dat hij +schrijft voor den kring van lezers bij wie hij de meeste instemming kan +verwachten. Overigens heb ik persoonlijk geen reden om iets tegen uw +blad te hebben, mijnheer Hovstad. + +HOVSTAD. Neen, dat dunkt mij ook. + +BURGEM. STOCKMANN. Over het geheel genomen heerscht er een mooie geest +van verdraagzaamheid in onze stad;... een waarlijk goede +gemeenschapsgeest. En dat komt daar vandaan dat wij ons om een groot +algemeen belang vereenigen kunnen,... een belang dat in gelijke mate +alle rechtschapen burgers aangaat.... + +HOVSTAD. De badinrichting, ja. + +BURGEM. STOCKMANN. Juist. Wij hebben allen onze groote, nieuwe, +prachtige badinrichting. Let op! De baden worden hier nog de voornaamste +bron van inkomsten voor de stad, mijnheer Hovstad. Zonder eenigen +twijfel! + +MEVR. STOCKMANN. Dat zegt Thomas ook. + +BURGEM. STOCKMANN. Wat is de plaats niet reusachtig vooruitgegaan deze +laatste paar jaren! Er is geld onder de menschen gekomen; leven en +beweging. Gebouwen en grondeigendommen stijgen iederen dag in waarde. + +HOVSTAD. En de werkeloosheid vermindert. + +BURGEM. STOCKMANN. Dat ook, ja. De armenlasten zijn voor de bezittende +klasse in verblijdende mate verminderd, en dat zal nog beter worden, als +wij dit jaar maar een mooien zomer krijgen;... een massa vreemdelingen +en veel zieken waardoor de inrichting bekend wordt.... + +HOVSTAD. En daar is wel uitzicht op, hoor ik. + +BURGEM. STOCKMANN. Het ziet er veelbelovend uit. Iederen dag komen er al +aanvragen om woningen en zoo al meer. + +HOVSTAD. Nu, dan komt het artikel van den dokter juist van pas. + +BURGEM. STOCKMANN. Heeft hij nu weer wat geschreven? + +HOVSTAD. Het is iets dat hij verleden winter al schreef; een aanbeveling +van de badinrichting, een uiteenzetting van den gunstigen +gezondheidstoestand hier bij ons. Maar toen liet ik het stuk liggen. + +BURGEM. STOCKMANN. Aha, dan was er zeker het een of ander niet in den +haak? + +HOVSTAD. Neen, dat niet; maar ik hield het voor beter er mee te wachten +tot 't voorjaar; want nu beginnen de menschen voorbereidselen te maken +en te denken over een zomerverblijf.... + +BURGEM. STOCKMANN. Zeer juist; buitengewoon juist gezien, mijnheer. + +MEVR. STOCKMANN. Ja, Thomas is waarlijk onvermoeid waar het de +badinrichting betreft. + +BURGEM. STOCKMANN. Nu ja, hij is er dan ook bij aangesteld. + +HOVSTAD. Ja, en dan is hij het toch ook, die er den eersten stoot aan +heeft gegeven. + +BURGEM. STOCKMANN. Is _hij_ dat? Zoo? Ja, ik hoor wel eens meer dat +sommige menschen dat denken. Maar ik geloof toch wel dat _ik_ ook voor +een bescheiden deel in die zaak betrokken was. + +MEVR. STOCKMANN. Ja zeker; dat zegt Thomas ook altijd. + +HOVSTAD. Maar wie ontkent dat dan, burgemeester? U heeft de zaak op gang +geholpen en praktisch uitgevoerd; dat weten wij immers allemaal. Ik +bedoelde alleen maar dat het idee oorspronkelijk van den dokter kwam. + +BURGEM. STOCKMANN. Ja, idees heeft mijn broer zeker genoeg gehad, zijn +leven lang ... helaas. Maar als er iets uitgevoerd moet worden is er een +ander slag van mannen noodig, mijnheer Hovstad. En ik dacht eigenlijk +dat men allerminst hier in huis.... + +MEVR. STOCKMANN. Maar waarde zwager.... + +HOVSTAD. Maar hoe kan burgemeester toch.... + +MEVR. STOCKMANN. Ga u toch binnen om wat te gebruiken, mijnheer Hovstad; +mijn man zal in dien tusschentijd wel komen. + +HOVSTAD. Dank u; een klein stukje wil ik wel.... (_gaat in de +eetkamer_). + +BURGEM. STOCKMANN (_gedempt_). 't Is toch vreemd met die lui die zoo +regelrecht van boeren afstammen ... nooit kunnen zij die takteloosheid +afleeren.... + +MEVR. STOCKMANN. Maar dat is toch niet de moeite waard om er over te +denken? Kan u met Thomas die eer niet broederlijk deelen? + +BURGEM. STOCKMANN. Ja, dat zou je zoo zeggen; maar blijkbaar neemt niet +iedereen genoegen met deelen. + +MEVR. STOCKMANN. Och onzin! U en Thomas kunnen immers zoo uitstekend +samen overweg (_luistert_). Daar komt hij, geloof ik (_gaat de deur van +de voorkamer opendoen_). + +DR. STOCKMANN (_lacht en stommelt_). Kijk eens Katrine, hier krijg je +nog een gast. Jolig, he? Alsjeblieft, kapitein Horster; hang uw jas maar +aan den kapstok. O zoo, draagt u geen overjas? Verbeeld je, ik heb hem +op straat opgevangen; hij was haast niet mee te krijgen. + +KAPITEIN HORSTER (_komt binnen en begroet mevr. Stockmann_). + +DR. STOCKMANN (_in de deur_). Naar binnen, jongens! Zeg, die rammelen +alweer van den honger! Kom hier, kapitein, nu zal u eens een lekker +stukje vleesch proeven.... (_hij drijft Horster de eetkamer in. Ejlif en +Morten gaan die ook binnen_). + +MEVR. STOCKMANN. Maar Thomas, zie je dan niet...? + +DR. STOCKMANN (_wendt zich om in de deur_). O, ben jij daar Peter! +(_gaat hem de hand reiken_). Dat is alleraardigst. + +BURGEM. STOCKMANN. Ja, maar ik moet helaas terstond weer weg. + +DR. STOCKMANN. Praatjes! Aanstonds komt de grog op tafel. Je vergeet +toch de grog niet, Katrine? + +MEVR. STOCKMANN. Neen, zeker niet; het water kookt al (_af in de +eetkamer_). + +BURGEM. STOCKMANN. Grog ook al!... + +DR. STOCKMANN. Ja. Ga nu toch zitten, dan maken wij het hier gezellig. + +BURGEM. STOCKMANN. Dank je, neen; ik doe nooit mee aan grog-fuiven. + +DR. STOCKMANN. Nu maar dit is toch geen fuif. + +BURGEM. STOCKMANN. Mij lijkt het toch zoo.... (_kijkt naar de +eetkamer_). Het is merkwaardig wat die allemaal verslinden kunnen. + +DR. STOCKMANN (_wrijft zich de handen_). Ja, is dat geen genot om jonge +menschen te zien eten? Altijd eetlust, wat? Zoo moet het ook zijn. Eten +moeten ze. Krachten opdoen! Zij zijn de menschen die de gistende +toekomststoffen zullen omwoelen, Peter. + +BURGEM. STOCKMANN. Mag ik vragen wat hier "om te woelen" is, zooals je +je uitdrukt? + +DR. STOCKMANN. Ja, daar moet je de jeugd maar naar vragen ... als de +tijd daar is. Wij zien dat natuurlijk niet meer. Dat spreekt. Twee oude +knullen, zooals jij en ik.... + +BURGEM. STOCKMANN. Nou, nou, zeg! Dat is toch een heel zonderlinge +benaming.... + +DR. STOCKMANN. Ja, je moet 't maar zoo nauw niet met me nemen, Peter. +Want ik ben zoo innig blij en in mijn schik, moet ik je zeggen. Ik voel +me zoo onbeschrijflijk gelukkig midden in dit kiemende, uitbottende +leven. Wat een heerlijke tijd is het toch waarin wij leven. Het is of er +een heele nieuwe wereld rondom ons aan het opbloeien is. + +BURGEM. STOCKMANN. Vindt je dat waarlijk? + +DR. STOCKMANN. Jij kunt dat natuurlijk niet zoo zien als ik. Jij hebt je +heele leven hier met dat alles meegeleefd; en dan stompt de indruk af. +Maar ik die daar in mijn uithoek in het Noorden moest zitten al die +jaren, haast nooit een vreemde zag die een opwekkend woord voor mij +had,... op mij werkt dat alsof ik plotseling in het drukke leven van een +wereldstad ben verplaatst. + +BURGEM. STOCKMANN. Hm,... een wereldstad.... + +DR. STOCKMANN. Ja, ik weet wel dat de verhoudingen hier klein zijn in +vergelijking met vele andere plaatsen. Maar hier is leven, belofte voor +de toekomst, een aantal dingen om voor te werken en te strijden; en dat +is de hoofdzaak (_roept_): Katrine, is de brievenbesteller er niet +geweest? + +MEVR. STOCKMANN. Neen, er is niemand geweest. + +DR. STOCKMANN. En dan het goede leven hier, Peter! Dat is iets dat +iemand leert waardeeren, als je, zooals wij, nagenoeg honger geleden +hebt.... + +BURGEM. STOCKMANN. Lieve hemel!... + +DR. STOCKMANN. Ja, ja, je kunt je wel begrijpen dat wij het menigmaal +benauwd hadden, daar in het hooge Noorden. En nu als een heer te kunnen +leven! Vandaag, bijvoorbeeld, hebben wij gebraden rundvleesch op tafel +gehad; ja wij hebben er zelfs van avond ook nog van. Wil je niet eens +een stukje proeven? Of zal ik het je ten minste even laten zien? Kom +eens hier.... + +BURGEM. STOCKMANN. Neen, neen, dank je, stellig niet.... + +DR. STOCKMANN. Nou, kom dan toch maar eens hier. Kijk, wij hebben een +tafelkleed gekregen. + +BURGEM. STOCKMANN. Ja dat heb ik gezien. + +DR. STOCKMANN. En een lampekap hebben we ook. Zie je? Dat heeft Katrine +allemaal van gespaard geld aangeschaft. En dat maakt de kamer zoo +gezellig. Vind je ook niet? Ga hier eens staan;... neen, neen, niet zoo. +Zoo, ja? Zie je, als het licht er zoo geconcentreerd op valt.... Ik vind +heusch dat het elegant staat. He? + +BURGEM. STOCKMANN. Ja, als men zich die weelde veroorloven kan.... + +DR. STOCKMANN. O ja, nu kan ik mij die wel veroorloven; Katrine zegt dat +ik bijna zoo veel verdien als wij noodig hebben. + +BURGEM. STOCKMANN. Bijna, ja...! + +DR. STOCKMANN. Maar een man van de wetenschap dient toch ook een beetje +voornaam te leven. Ik ben er zeker van dat een gewoon lid van het +gemeentebestuur veel meer verteert in een jaar dan ik. + +BURGEM. STOCKMANN. Ja, dat geloof ik graag! Een lid van het +gemeentebestuur, een overheidspersoon!... + +DR. STOCKMANN. Nou, dan een gewoon groothandelaar! Zoo een verteert wel +ik weet niet hoeveel maal zooveel als ik. + +BURGEM. STOCKMANN. Ja, dat brengt hun positie nu zoo mee. + +DR. STOCKMANN. Overigens doe ik heelemaal geen onnoodige uitgaven, +Peter! Maar ik kan mij toch niet het groote genoegen ontzeggen om +menschen bij mij te zien. Dat heb ik noodig, zie je. Ik, die zoolang in +verbanning geleefd heb;... voor mij is het een levensbehoefte om met +jonge, frissche, moedige jonge menschen, vrijzinnige, ondernemende jonge +menschen;... en dat zijn ze, die allemaal, die daarbinnen zoo lekker +zitten te eten. Ik wou dat je Hovstad wat nader leerde kennen.... + +BURGEM. STOCKMANN. Ja, Hovstad ... dat is waar, hij vertelde mij, dat +hij weer een artikel van je zou opnemen in zijn courant. + +DR. STOCKMANN. Een artikel van mij? + +BURGEM. STOCKMANN. Ja, over de badinrichting. Een artikel dat je van den +winter al geschreven hadt. + +DR. STOCKMANN. O dat, ja!... Neen, maar dat wil ik nu vooreerst niet +geplaatst hebben. + +BURGEM. STOCKMANN. Niet? Ik vind toch dat het juist nu de beste tijd er +voor is. + +DR. STOCKMANN. Ja, daar kan je wel gelijk in hebben, in gewone +omstandigheden.... (_loopt door de kamer_) + +BURGEM. STOCKMANN (_volgt hem met de oogen_). Wat zijn er dan nu voor +ongewone omstandigheden? + +DR. STOCKMANN (_blijft staan_). Ja, Peter, dat kan ik je op het +oogenblik heusch nog niet zeggen, in elk geval van avond niet. Misschien +is er heel veel ongewoons in de omstandigheden, of misschien ook +heelemaal niets. Het kan heel goed zijn dat het maar verbeelding is. + +BURGEM. STOCKMANN. Ik moet bekennen dat dit uiterst raadselachtig +klinkt. Is er iets aan de hand? Iets waar ik buiten gehouden moet +worden? Ik zou toch meenen, dat ik, als president van het bestuur der +badinrichting.... + +DR. STOCKMANN. En ik zou toch meenen dat ik ... neen, laten we elkaar +niet in het haar vliegen, Peter. + +BURGEM. STOCKMANN. De Hemel bewaar me; 't is mijn gewoonte niet om +iemand in het haar te vliegen, zooals je zegt. Maar ik moet er heel +beslist op aandringen dat alle maatregelen langs officieelen weg en door +de wettig daarvoor aangestelde machten behandeld worden. Ik kan niet +toestaan dat men langs kronkelpaden of achterwegen gaat. + +DR. STOCKMANN. Ben _ik_ gewoon langs kronkelpaden of achterwegen te +gaan? + +BURGEM. STOCKMANN. Je hebt in elk geval een ingeboren neiging om je +_eigen_ weg te gaan. En dat is in een goed geregelde maatschappij al +haast evenmin toe te laten.... De eenling moet zich volstrekt aan de +meerderheid onderwerpen of, juister gezegd, aan de gestelde machten die +te waken hebben over het algemeen welzijn. + +DR. STOCKMANN. Dat mag waar zijn. Maar wat drommel gaat mij dat aan? + +BURGEM. STOCKMANN. Omdat je dat maar nooit schijnt te kunnen leeren, +mijn goede Thomas. Maar pas op; je zult daar nog eens leergeld voor +moeten betalen; vroeg of laat. Nu, ik heb je gewaarschuwd. Adieu. + +DR. STOCKMANN. Maar ben je nu stapelgek? Je bent het spoor heelemaal +bijster.... + +BURGEM. STOCKMANN. Dat overkomt mij toch anders niet dikwijls. Overigens +moet ik je verzoeken.... (_groet naar de eetkamer_). Adieu, Katrine. +Adieu, heeren (_gaat weg_). + +MEVR. STOCKMANN (_komt in de huiskamer_). Is hij weg? + +DR. STOCKMANN. Ja, zeg; en zoo nijdig als een spin. + +MEVR. STOCKMANN. Maar, Thomas-lief, wat heb je hem dan nu weer gedaan? + +DR. STOCKMANN. Niemendal. Hij kan toch niet verlangen dat ik hem +rekenschap zal afleggen voor de tijd daar is. + +MEVR. STOCKMANN. Waarvan moest je hem rekenschap geven? + +DR. STOCKMANN. Hm; niet naar vragen, Katrine.... Vreemd dat de post nog +niet komt. + +(_Hovstad, Billing en Horster zijn van tafel opgestaan en komen in de +huiskamer. Ejlif en Morten komen even daarna_). + +BILLING (_rekt zich uit_). He, na zoo'n souper voel je je goddome een +ander mensch. + +HOVSTAD. De burgemeester was niet erg in zijn knollen-tuin vandaag. + +DR. STOCKMANN. Dat komt van zijn maag. Hij lijdt aan slechte +spijsvertering. + +HOVSTAD. Ik denk dat voornamelijk wij, van de "Volksbode", hem wat zwaar +in de maag liggen. + +MEVR. STOCKMANN. U is er toch nog al goed afgekomen bij hem, dunkt me. + +HOVSTAD. O jawel, maar dat is maar een soort van wapenstilstand. + +BILLING. Dat is het! Dat woord teekent den toestand. + +DR. STOCKMANN. Wij moeten bedenken dat Peter een eenzaam levend mensch +is, de stakkerd! Hij heeft geen eigen thuis waar hij het gezellig hebben +kan; hij heeft altijd maar zaken, zaken. En al die verdomde slappe thee, +waar hij zich mee vol giet. Komt jongens, schuift toch stoelen bij de +tafel! Katrine, krijgen we nu de grog? + +MEVR. STOCKMANN (_naar de eetkamer gaande_). Ik zal ze je dadelijk +geven. + +DR. STOCKMANN. En gaat u nu op de canape zitten, kapitein. Een zeldzame +gast als u.... Alsjeblieft, neemt plaats, vrienden. + +(_De heeren gaan om de tafel zitten. Mevr. Stockmann brengt een blad met +een bouilloir, glazen, karaffen enz_). + +MEVR. STOCKMANN. Ziedaar; hier is arak, en dit is rhum; en hier staat +cognac. Nu moet ieder zich zelf maar bedienen. + +DR. STOCKMANN (_neemt een glas_). Ja, dat zullen we hebben (_terwijl de +grog gemengd wordt_). En dan de sigaren. Ejlif, jij weet wel waar het +kistje staat. En jij, Morten, moest mijn pijp eens halen (_de jongens +gaan in de kamer rechts_). Ik verdenk Ejlif dat hij wel eens een sigaar +kaapt nu en dan, maar ik doe alsof ik niets merk (_roept_). En ook mijn +kalotje, Morten! Katrine, kan jij hem niet eens zeggen waar ik het heb +neergelegd. O, hij heeft het al! (_de jongens brengen het verlangde_). +Asjeblieft, vrienden. Ik hou mij bij mijn pijp zooals je weet. Die heeft +al heel wat tochten in stormweer met mij meegemaakt, daarginder in 't +Noorden (_klinkt_). Op je welzijn! Jongens, het is toch heel wat beter +om hier warm en rustig te zitten, hoor! + +MEVR. STOCKMANN (_breiend_). Zeilt u al gauw weer uit, kapitein? + +HORSTER. In de volgende week denk ik hier klaar te komen. + +MEVR. STOCKMANN. En dan gaat u immers naar Amerika? + +HORSTER. Ja, dat is het plan. + +BILLING. Maar dan kan u niet meedoen aan de nieuwe verkiezingen. + +HORSTER. Zijn hier dan nieuwe verkiezingen aanstaande? + +BILLING. Weet u dat niet? + +HORSTER. Neen, ik bemoei mij niet met die dingen. + +BILLING. Maar u stelt toch belang in de publieke zaak? + +HORSTER. Neen, daar heb ik geen verstand van. + +BILLING. Enfin; maar iemand moet toch in elk geval stemmen. + +HORSTER. Die er niets van begrijpen ook? + +BILLING. Er niets van begrijpen? Wat meent u daar eigenlijk mee? De +maatschappij is als een schip; alle mannen moeten meehelpen aan het +roer. + +HORSTER. Dat kan misschien goed zijn aan land; maar aan boord zou dat +niet best gaan. + +HOVSTAD. 't Is vreemd dat de meeste zeelui zich zoo weinig interesseeren +voor de zaken aan land. + +BILLING. Heel merkwaardig. + +DR. STOCKMANN. Zeelui zijn als trekvogels; die voelen zich zoowel in het +zuiden als in het noorden thuis. Maar daarom moeten wij hier zooveel te +meer doen, mijnheer Hovstad. Komt er morgen iets van algemeen belang in +de "Volksbode"? + +HOVSTAD. Niets over plaatselijke aangelegenheden. Maar overmorgen dacht +ik uw artikel te plaatsen.... + +DR. STOCKMANN. Ja, bliksems, dat artikel! Neen, hoor, daar moet u nog +mee wachten. + +HOVSTAD. Zoo? Wij hebben er nu net zoo goed plaats voor, en mij dunkt +het is nu juist de gunstigste tijd.... + +DR. STOCKMANN. Jawel, dat kan wel waar zijn; maar u moet er toch mee +wachten. Ik zal u later wel ophelderen.... + +(_Petra, met hoed en mantel en een pak schriften onder haar arm, komt +uit de voorkamer_). + +PETRA. Goeden avond. + +DR. STOCKMANN. Goeden avond, Petra, ben je daar? (_wederzijdsche +begroetingen; Petra legt hoed en mantel op een stoel bij de deur_). + +PETRA. En daar zitten ze zich hier maar te goed te doen, terwijl ik mij +buiten afbeul! + +DR. STOCKMANN. Nou, doe jij je dan ook maar eens te goed. + +BILLING. Zal ik u een glaasje klaar maken? + +PETRA (_gaat naar de tafel_), Dank u; dat doe ik liever zelf; u maakt +het altijd veel te sterk. Maar 't is waar ook, vader, ik heb een brief +voor je (_gaat naar den stoel waar haar hoed ligt_). + +DR. STOCKMANN. Een brief? Van wie? + +PETRA (_zoekt in den zak van haar mantel_). De brievenbesteller gaf hem +mij juist toen ik uit ging.... + +DR. STOCKMANN (_staat op en gaat naar haar toe_). En breng je mij dien +nu pas! + +PETRA. Ik had heusch geen tijd om er weer mee terug te gaan. +Alsjeblieft. + +DR. STOCKMANN (_grijpt den brief_). Laat zien, laat zien, kind! (_kijkt +naar het adres_). Ja juist, juist...! + +MEVR. STOCKMANN. Is het dat waar je zoo lang op gewacht hebt, Thomas? + +DR. STOCKMANN. Ja juist; nu moet ik dadelijk naar mijn kamer.... Waar +vind ik een licht, Katrine? Er is al weer geen lamp in mijn kamer! + +MEVR. STOCKMANN. Jawel, de lamp staat aangestoken op je schrijftafel. + +DR. STOCKMANN. Goed; best. Excuseert mij een oogenblik.... (_gaat in +zijn kamer rechts_). + +PETRA. Wat zou dat kunnen zijn, moeder? + +MEVR. STOCKMANN. Ik weet 't niet; in de laatste dagen heeft hij zoo +dikwijls naar den brievenbesteller gevraagd. + +BILLING. Vermoedelijk een patient buiten de stad. + +PETRA. Arme vader; hij krijgt haast al te veel te doen (_maakt een glas +grog klaar_). He, dat zal smaken! + +HOVSTAD. Heeft u van daag ook les gegeven in de avondschool? + +PETRA (_proeft van haar grog_). Twee uur. + +BILLING. En in den voormiddag vier uur in het instituut.... + +PETRA (_gaat bij de tafel zitten_). Vijf uur. + +MEVR. STOCKMANN. En van avond heb je nog schriften te corrigeeren, zie +ik. + +PETRA. Ja, een heele vracht. + +HORSTER. U heeft ook heel wat te doen, naar 't schijnt. + +PETRA. Ja, maar dat is heerlijk. Dan ben je naderhand zoo verrukkelijk +moe. + +BILLING. Vindt u dat heerlijk? + +PETRA. Ja; dan slaap je zoo lekker. + +MORTEN. Zeg, Petra, jij moet wel erg zondig zijn. + +PETRA. Zondig? + +MORTEN. Ja, als je zooveel werkt. Mijnheer Roerlund zegt dat werken een +straf is voor onze zonden. + +EJLIF (_fluit_). Poeh! Wat ben jij dom om zoo iets te gelooven. + +MEVR. STOCKMANN. Nou, nou, Ejlif! + +BILLING (_lacht_). Neen, die is prachtig! + +HOVSTAD. Zou jij niet graag zooveel willen werken, Morten? + +MORTEN. Neen, daar heb ik niks geen lust in. + +HOVSTAD. Ja, maar, wat wil je dan worden mettertijd? + +MORTEN. _Ik_ zou 't liefst viking worden. + +EJLIF. Maar dan zou je toch een heiden moeten zijn. + +MORTEN. Nou, dan zou ik een heiden kunnen worden. + +BILLING. Dat ben ik met je eens, Morten. Dat is net wat ik ook zeg. + +MEVR. STOCKMANN (_maakt teekens_). Welneen, mijnheer Billing, dat meent +u niet. + +BILLING. Jawel, goddome...! Ik ben een heiden, en daar ben ik trotsch +op. Let u maar eens op, binnen kort worden wij allemaal heidenen. + +MORTEN. En mogen we dan alles doen wat we willen? + +BILLING. Ja, kijk eens, Morten.... + +MEVR. STOCKMANN. Kom jongens, vooruit, naar binnen. Je hebt zeker nog +wel schoolwerk te maken voor morgen. + +EJLIF. _Ik_ kon toch nog best een beetje hier blijven.... + +MEVR. STOCKMANN. Neen, jij ook niet. Gaat nu allebei weg. + +(_De jongens zeggen goeden nacht en gaan de kamer links binnen_). + +HOVSTAD. Gelooft u heusch dat het niet goed is voor de jongens dat ze +zulke dingen hooren? + +MEVR. STOCKMANN. Och, ik weet het niet; maar ik heb het niet graag. + +PETRA. Ja maar, moeder, dat lijkt mij toch heel verkeerd. + +MEVR. STOCKMANN. Ja, dat kan nu wel zijn; maar ik heb het niet graag; +niet hier in huis. + +PETRA. Er is zooveel onwaarheid in huis en op school. Thuis moet er +gezwegen worden en op school moeten we de kinderen wat voorliegen. + +HORSTER. Wat voorliegen? + +PETRA. Ja, denkt u niet dat wij met heel wat voor den dag moeten komen, +waar wij zelf niets van gelooven? + +BILLING. Ja, dat is maar al te waar. + +PETRA. Had ik er het geld maar voor, dan zou ik zelf een school beginnen +en daar zou het anders toegaan. + +BILLING. Och wat, geld.... + +HORSTER. Ja, als u daarover denkt, juffrouw Stockmann, dan kan ik u wel +aan een lokaal helpen. Het groote oude huis van mijn overleden vader +staat zoo goed als leeg; daar is beneden een heel groote eetzaal.... + +PETRA (_lacht_). O, dank u, het is heel vriendelijk van u; maar daar +komt toch niets van. + +HOVSTAD. Welneen, juffrouw Petra zal wel overgaan tot de journalistiek, +denk ik. O ja, dat 's waar ... heeft u al tijd gehad om dat Engelsche +verhaal eens in te kijken dat u voor ons vertalen zou? + +PETRA. Neen, nog niet; maar u zal het heusch op tijd hebben. + +(_Dr. Stockmann komt uit zijn kamer met den geopenden brief in de +hand_). + +Dr. Stockmann (_zwaait met den brief_). Hoort eens hier ... nu zal de +stad wat nieuws te hooren krijgen. + +BILLING. Nieuws? + +MEVR. STOCKMANN. Wat is dat voor nieuws? + +DR. STOCKMANN. Een groote ontdekking, Katrine! + +HOVSTAD. Zoo? + +MEVR. STOCKMANN. Die jij gedaan hebt? + +DR. STOCKMANN. Ja, ik zelf (_loopt heen en weer_). Laat ze nu maar komen +en zeggen, zooals gewoonlijk, dat het hersenschimmen en inbeeldingen +zijn van een gek! Maar ze zullen het wel laten! Haha! ze zullen het wel +uit hun hart laten, zeg ik. + +PETRA. Maar vader, zeg dan eens wat het is? + +DR. STOCKMANN. Jawel, laat me maar den tijd, dan zal jullie allemaal het +weten. Had ik Peter nu maar eens hier! Nu kan je eens zien, hoe wij +menschen hier rondloopen en oordeelen als blinde mollen.... + +HOVSTAD. Wat bedoelt u daarmee, dokter? + +DR. STOCKMANN (_blijft bij de tafel staan_). Is het niet de algemeene +opinie dat onze stad een gezond plekje is? + +HOVSTAD. Ja, natuurlijk. + +DR. STOCKMANN. Een heel buitengewoon gezond plekje zelfs,... een plekje +dat verdient heel warm aanbevolen te worden zoowel voor zieke als +gezonde menschen.... + +MEVR. STOCKMANN. Ja maar, Thomas-lief.... + +DR. STOCKMANN. En aanbevolen en aangeprezen hebben wij het dan ook. +Ik heb er herhaaldelijk over geschreven zoowel in de "Volksbode" als in +vlugschriften. + +HOVSTAD. Jawel ... en? + +DR. STOCKMANN. Die badinrichting, die men de slagader der stad en de +levenszenuw der stad en ... de duivel weet wat al meer noemt.... + +BILLING. "Het kloppende hart van de stad" heb ik mij eens in een +feestelijk moment veroorloofd te.... + +DR. STOCKMANN. O ja, dat ook al. Maar weet u nu wat die in werkelijkheid +is, die groote, prachtige, veelgeprezen badgelegenheid, die zooveel geld +gekost heeft ... weet u wat die is? + +HOVSTAD. Neen, wat is ze dan? + +DR. STOCKMANN. De heele badplaats is een pesthol. + +PETRA. De badplaats, vader! + +MEVR. STOCKMANN (_tegelijkertijd_). Onze badplaats! + +HOVSTAD (_evenzoo_). Maar, dokter.... + +BILLING. Ongelooflijk! + +DR. STOCKMANN. De heele badinrichting is een gepleisterd vergiftig graf, +zeg ik. Gevaarlijk voor de gezondheid in den allerhoogsten graad! Al het +vuil boven in het Molendal,... alles wat daar zoo geweldig stinkt,... +dat alles infecteert het water in de aanvoerbuizen van het brongebouw, +en die zelfde vervloekte, vergiftige smeerboel siepelt ook door naar het +strand.... + +HORSTER. Daar waar de zeebaden gebruikt worden? + +DR. STOCKMANN. Precies daar. + +HOVSTAD. Waardoor weet u dat alles zoo zeker, dokter? + +DR. STOCKMANN. Ik heb dat alles zoo nauwgezet mogelijk onderzocht. O, ik +had al lang een vermoeden van zoo iets. Verleden jaar hadden wij hier +een aantal opvallende ziektegevallen onder de badgasten,... zoowel +typheuse als gastrische koortsen.... + +MEVR. STOCKMANN. Ja, dat is waar. + +DR. STOCKMANN. Wij dachten toen dat de vreemdelingen de besmetting +overgebracht hadden; later evenwel,... van den winter ... kwam ik tot +andere gedachten; ik ging het water onderzoeken zoo goed als het ging. + +MEVR. STOCKMANN. Dus daarmee heb je het zoo druk gehad! + +DR. STOCKMANN. Ja, je mag wel zeggen dat ik het druk had, Katrine! Maar +hier ontbraken mij toch de noodige wetenschappelijke hulpmiddelen, en +dus zond ik proeven op van het drinkwater en van het zeewater aan de +universiteit om er een juiste chemische analyse van te krijgen. + +HOVSTAD. En die heeft u nu gekregen? + +DR. STOCKMANN (_wijst op den brief_). Hier heb ik die! Het aanwezig zijn +van verrotte organische stoffen in het water is uitgemaakt ... +bacterieen in massa's. Het is absoluut schadelijk voor de gezondheid, +zoowel voor uit- als inwendig gebruik. + +MEVR. STOCKMANN. Het is een waar geluk dat je daar nog bijtijds achter +gekomen bent. + +DR. STOCKMANN. Ja, dat mag je wel zeggen. + +HOVSTAD. En wat denkt u nu te doen, dokter? + +DR. STOCKMANN. Natuurlijk zien den boel te veranderen. + +HOVSTAD. Zou dat te doen zijn? + +DR. STOCKMANN. Dat moet te doen zijn. Anders is de heele badinrichting +onbruikbaar,... geruineerd. Maar dat heeft geen nood. Ik weet voor +mijzelf heel goed wat er gedaan moet worden. + +MEVR. STOCKMANN. Maar, beste Thomas, dat je dat alles zoo geheim +gehouden hebt. + +DR. STOCKMANN. Wel ja, ik had zeker de heele stad moeten rondloopen en +er over babbelen voor ik volle zekerheid had? Neen, dank je; zoo gek ben +ik niet. + +PETRA. Nou maar, tegen ons hier in huis.... + +DR. STOCKMANN. Tegen geen levende ziel. Maar morgen mag je naar den +"das" loopen.... + +MEVR. STOCKMANN. Maar, Thomas...! + +DR. STOCKMANN. Nou ja, naar grootvader dan. Dan zal hij wat hebben om +zich over te verbazen, de oude; hij gelooft immers dat ik krankzinnig +ben.... O ja, er zijn er wel meer die dat gelooven, heb ik gemerkt. Maar +nu zullen de heeren dan zien...; nu zullen ze eens zien...; (_loopt rond +en wrijft zich de handen_). Dat zal hier in de stad een opstootje geven, +Katrine! Daar kan je je geen voorstelling van maken. De heele +waterleiding moet verlegd worden. + +HOVSTAD (_staat op_). De heele waterleiding...? + +DR. STOCKMANN. Ja, dat spreekt. De prise d'eau ligt te laag; die moet +verlegd worden naar een veel hooger gelegen punt. + +PETRA. Dus had je toch gelijk? + +DR. STOCKMANN. Ja, weet je dat nog, Petra? Ik heb er tegen geschreven +toen zij met den aanleg zouden beginnen. Maar toen was er niemand die +naar mij luisteren wou. Nou, je kunt begrijpen dat ik hun de volle laag +geven zal; want ik heb natuurlijk een uitvoerige uiteenzetting aan het +bestuur der badinrichting opgemaakt; die ligt al de heele week klaar; ik +heb alleen hierop gewacht (_wijst op den brief_). Maar nu moet die ook +onmiddellijk weg (_gaat in zijn kamer en komt terug met een pak +papieren_). Kijk eens hier! Vier heele dichtbeschreven vellen vol! En +den brief zal ik er bij voegen. Een courant, Katrine! Geef mij eens iets +om dit in te pakken. Goed. Ziezoo. Geef dit aan ... aan.... +(_stampvoetend_). Hoe duivel heet ze nu ook weer? Nou, geef het aan de +meid en zeg dat zij het terstond bij den burgemeester brengen moet. + +(_Mevr. Stockmann gaat met het pak naar de eetkamer_). + +PETRA. Wat denk je dat oom Peter er van zeggen zal, vader? + +DR. STOCKMANN. Wat zou hij er wel van kunnen zeggen? Hij moet toch op +zijn minst wel blij zijn dat zoo'n belangrijke waarheid aan het licht +gekomen is, denk ik. + +HOVSTAD. Zou ik met een enkel woord van uwe ontdekking in de "Volksbode" +mogen gewagen? + +DR. STOCKMANN. Ja, daarvoor zou ik u heel dankbaar zijn. + +HOVSTAD. Het is toch ook wenschelijk dat het publiek hoe eer hoe beter +ingelicht wordt. + +DR. STOCKMANN. Ja zeker. + +MEVR. STOCKMANN (_komt terug_). Zij is er al mee weg. + +BILLING. U wordt ... goddome ... de eerste man van de stad, dokter. + +DR. STOCKMANN. Och wat; ik heb immers eigenlijk niets meer dan mijn +plicht gedaan. Ik ben een gelukkig schatgraver geweest; dat is alles, +maar toch.... + +BILLING. Hovstad, wat dunkt je, moest de stad den dokter geen serenade +brengen? + +HOVSTAD. Ik zal er in elk geval werk van maken. + +BILLING. En ik zal er met Aslaksen over spreken. + +DR. STOCKMANN. Neen, beste vrienden, laat zulke grappen maar achterwege; +ik wil niets van dergelijke dingen weten. En als het bestuur van de +badinrichting er misschien over denken mocht mij een geldelijke toelage +te geven, dan neem ik die niet aan. Katrine, dat zeg ik je,... ik neem +die niet aan. + +MEVR. STOCKMANN. Daar heb je gelijk in, Thomas. + +PETRA (_heft haar glas op_). Vader! + +HOVSTAD en BILLING. Prosit, prosit, dokter! + +HORSTER (_klinkt met den dokter_). Moge u alleen genoegen beleven van +die zaak! + +DR. STOCKMANN. Dank, dank, beste vrienden! Ik ben zoo innig blij ... o, +het is toch heerlijk te weten dat je je verdienstelijk gemaakt hebt +jegens je geboorteplaats en je medeburgers. Hoera, Katrine! + +(_Hij pakt haar met beide handen om den hals en draait met haar in de +rondte. Mevr. Stockmann gilt en stribbelt tegen. Lachen, handgeklap en +hoera-geroep voor den dokter. De jongens komen om de deur kijken_). + + +EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF. + + + * * * * * + + +TWEEDE BEDRIJF. + + Huiskamer van den dokter. De deur naar de eetkamer is gesloten. + Voormiddag. + + * * * * * + +MEVR. STOCKMANN (_komt met een verzegelden brief uit de eetkamer, gaat +naar de voorste deur rechts en kijkt naar binnen_). Ben je thuis, +Thomas? + +DR. STOCKMANN (_in de kamer_). Ja, ik kom net thuis. (_komt binnen_). Is +er iets? + +MEVR. STOCKMANN. Een brief van je broer (_reikt hem dien over_). + +DR. STOCKMANN. Aha, laat eens zien (_maakt het couvert open en leest_). +"Het toegezonden manuscript zend ik u hierbij terug...." (_leest +prevelend verder_). Hm.... + +MEVR. STOCKMANN. Wat zegt hij er van? + +DR. STOCKMANN (_steekt de papieren in zijn zak_). Niets; hij schrijft +alleen dat hij van middag zelf hier komen zal. + +MEVR. STOCKMANN. Dan mag je er wel aan denken dat je thuis blijft. + +DR. STOCKMANN. Ja, dat kan ook best; ik ben klaar met mijn +ochtendvisites. + +MEVR. STOCKMANN. Ik ben erg nieuwsgierig om te weten hoe hij het +opneemt. + +DR. STOCKMANN. Je zult zien dat hij het niet goed vindt dat _ik_ het ben +en _hij_ het niet is die die ontdekking gedaan heeft. + +MEVR. STOCKMANN. Ja, ben jij daar ook niet bang voor? + +DR. STOCKMANN. Nou, in zijn hart moet hij er toch blij over zijn, dat +begrijp je wel. Maar toch.... Peter is zoo vervloekt bang dat iemand +anders dan hij iets ten bate van de stad doen zou. + +MEVR. STOCKMANN. Maar Thomas,... weet je wat ... dan moest je zoo lief +zijn de eer met hem te deelen. Kon je het niet zoo inkleeden dat hij 't +was die je op het spoor gebracht heeft? + +DR. STOCKMANN. Ja, wat mij betreft, graag. Als ik de zaak maar in orde +krijg, dan.... + +De oude Morten Kiil (_steekt zijn hoofd door de voorkamerdeur, kijkt +spiedend rond, lacht stil en vraagt sluw_). Is het ... is het waar? + +MEVR. STOCKMANN (_gaat naar hem toe_). Vader,... is u het? + +DR. STOCKMANN. Kijk eens aan, schoonpapa; morgen, morgen! + +MEVR. STOCKMANN. Maar kom toch binnen. + +M. KIIL. Ja, als het waar is, want anders ga ik weer heen. + +DR. STOCKMANN. Als wat waar is? + +M. KIIL. Die gekheid met de waterleiding. Is dat heusch waar? + +DR. STOCKMANN. Ja zeker is het waar. Maar hoe is u daar achter gekomen? + +M. KIIL (_komt binnen_). Petra liep even op toen zij naar school +ging.... + +DR. STOCKMANN. Zoo? + +M. KIIL. Jaha: en toen vertelde zij het.... Ik dacht dat zij mij maar +voor den gek houden wou; maar dat lijkt niet op Petra. + +DR. STOCKMANN. Hoe kon u dat nu denken! + +M. KIIL. O, je moet nooit iemand vertrouwen; je kunt om den tuin geleid +worden eer je het weet. Maar dus is het toch waar? + +DR. STOCKMANN. Ja, zeer zeker. Ga toch even zitten, schoonpapa. (_dwingt +hem zachtjes op de canape_). En is het niet een waar geluk voor de +stad...? + +M. KIIL (_heeft moeite zijn lachen te bedwingen_). Een geluk voor de +stad? + +DR. STOCKMANN. Dat ik dit nog bijtijds ontdekt heb. + +M. KIIL (_als voren_). Jawel, jawel!... Maar ik had nooit gedacht dat je +je eigen vleeschelijken broer er zoo zou laten inloopen. + +DR. STOCKMANN. Er laten inloopen? + +MEVR. STOCKMANN. Neen maar, vader-lief.... + +M. KIIL (_rust met zijn kin op zijn handen die hij op den knop van zijn +stok samengevouwen heeft en knipoogt sluw tegen den dokter_). Hoe was +het ook weer. Was het niet dat er dieren in de waterleidingbuizen +gekomen waren? + +DR. STOCKMANN. O ja, infusiediertjes. + +M. KIIL. En er zouden een heeleboel van die dieren daarin gekomen zijn, +zei Petra. Een reusachtige massa. + +DR. STOCKMANN. Ja zeker; er kunnen er wel honderdduizenden in zijn. + +M. KIIL. Maar niemand kan ze zien,... niet waar? + +DR. STOCKMANN. Neen, zien kan je ze niet. + +M. KIIL (_met een stillen klokkenden lach_). De duivel hale mij! Dit is +nog het mooiste dat ik ooit van je gehoord heb. + +DR. STOCKMANN. Hoe meent u dat? + +M. KIIL. Maar nooit in der eeuwigheid maak je zoo iets den burgemeester +wijs. + +DR. STOCKMANN. Nu, dat zullen wij nog eens zien. + +M. KIIL. Denk je dat hij zoo gek zou zijn? + +DR. STOCKMANN. Ik hoop dat de heele stad zoo gek zal zijn. + +M. KIIL. De heele stad! Ja, dat kan voor den donder wel zijn. Maar dat +is net goed voor dat volk. Die willen immers zoo veel wijzer zijn dan +wij oude lui. Zij hebben mij als een hond uit den gemeenteraad gejaagd +met hun tegenstemmen. Ja, dat hebben ze ... me er uitgejaagd als een +hond. Maar nu krijgen ze hun trekken thuis. Houd die maar voor den gek, +Stockmann. + +DR. STOCKMANN. Maar schoonpapa.... + +M. KIIL. Houd ze voor den gek, zeg ik (_staat op_). Als je 't zoo ver +brengen kunt dat de burgemeester en zijn vrienden er in vliegen, dan +geef ik dadelijk, op slag, honderd kronen voor de armen. + +DR. STOCKMANN. Kijk, dat zou nog eens aardig van u zijn. + +M. KIIL. Nou, zoo dik zit het er bij mij ook niet aan, zooals je weet; +maar krijg je ze zoover, dan geef ik met Kerstmis vijftig kronen aan de +armen. + +(_Hovstad komt uit de voorkamer_). + +HOVSTAD. Goeden morgen! (_blijft staan_). O, pardon.... + +DR. STOCKMANN. Neen kom maar; kom maar.... + +M. KIIL (_lacht weer als voren_). Hij! Is hij er ook bij? + +HOVSTAD. Wat bedoelt u? + +DR. STOCKMANN. Ja zeker is hij er bij. + +M. KIIL. Dat kon ik ook haast wel denken! Het moet in de couranten +komen. Nou, jij bent me wel de ware, Stockmann. Overlegt nu maar eens +goed samen; nu ga ik weg. + +DR. STOCKMANN. O neen, blijf nog wat schoonpapa. + +M. KIIL. Neen, nu ga ik weg. En bedenk maar eens goed hoe je hen het +best er in laat vliegen. Je moet dat toch voor den duivel niet voor +niets gedaan hebben. (_Hij gaat weg; mevr. Stockmann gaat met hem mee_). + +DR. STOCKMANN (_lacht_). Stel u voor, die oude gelooft geen woord van +die zaak met de waterleiding. + +HOVSTAD. O was het daarover...? + +DR. STOCKMANN. Ja, daarover hadden wij het. En u komt misschien ook wel +voor die zaak? + +HOVSTAD. Ja juist. Heeft u een oogenblik tijd, dokter? + +DR. STOCKMANN. Zoo lang u maar wil, mijn waarde. + +HOVSTAD. Heeft u al iets gehoord van den burgemeester? + +DR. STOCKMANN. Nog niet. Hij komt straks hier. + +HOVSTAD. Ik heb veel over die zaak nagedacht sedert gisteren avond. + +DR. STOCKMANN. Zoo? Ja? + +HOVSTAD. Voor u als dokter en als man van de wetenschap, staat dit geval +met de waterleiding geheel op zich zelf. Ik bedoel, dat u er niet bij +bedenkt hoe dit met veel andere dingen samenhangt. + +DR. STOCKMANN. Ja, hoe zoo...? Laat ons gaan zitten.... Neen, daar op de +canape. + +(_Hovstad gaat op de canape zitten, de dokter in een fauteuil aan den +anderen kant van de tafel_). + +DR. STOCKMANN. U denkt dus...? + +HOVSTAD. U zei gisteren dat het water bedorven werd door verontreiniging +van den grond. + +DR. STOCKMANN. Ja, het komt zonder twijfel uit dat giftige moeras +daarboven in het Molendal. + +HOVSTAD. Pardon, dokter, maar ik geloof dat het uit een heel ander +moeras komt. + +DR. STOCKMANN. Wat voor een moeras zou dat dan moeten zijn? + +HOVSTAD. Het moeras waarin ons heele communale leven wortelt en +verteert. + +DR. STOCKMANN. Maar voor den drommel, mijnheer Hovstad, wat zijn dat nu +voor praatjes? + +HOVSTAD. Al de stadsaangelegenheden zijn zachtjes aan in handen gekomen +van een bende ambtenaren.... + +DR. STOCKMANN. Nu, het zijn niet allemaal ambtenaren. + +HOVSTAD. Neen, maar die geen ambtenaren zijn, zijn toch ten minste +vrienden en aanhangers van die ambtenaren; dat zijn al de rijken, al +die, met hun oude geachte namen in de stad; die zijn het die ons +regeeren en besturen. + +DR. STOCKMANN. Ja, maar die menschen bezitten ook inderdaad bekwaamheid +en juist inzicht. + +HOVSTAD. Gaven zij een bewijs van juist inzicht en bekwaamheid, toen zij +de waterleiding aanlegden daar waar die nu ligt? + +DR. STOCKMANN. Neen, dat was natuurlijk een groote domheid van hen. Maar +die zal nu wel goedgemaakt worden. + +HOVSTAD. Denkt u dat dat zoo glad gaan zal? + +DR. STOCKMANN. Glad of niet ... gaan zal het in elk geval. + +HOVSTAD. Ja, indien de pers er zich mee bemoeit. + +DR. STOCKMANN. Zal heelemaal niet noodig zijn, mijn waarde. + +HOVSTAD. Pardon, dokter, maar ik wil zeggen dat ik van plan ben, zelf +die zaak te behandelen. + +DR. STOCKMANN. In de courant? + +HOVSTAD. Ja. Toen ik de "Volksbode" overnam, was het mijn doel dezen +ring van oude eigenzinnige wijsneuzen die hier overal inzaten, te +verbreken. + +DR. STOCKMANN. Maar u heeft mij toch zelf verteld hoe dat afliep; het +blad was er bijna mee op de flesch gegaan. + +HOVSTAD. Ja, toen moesten wij de vlag strijken; dat is volkomen waar. +Want er dreigde gevaar dat de badinrichting niet tot stand zou komen, +als die mannen vielen. Maar nu staat die er en nu kunnen wij de groote +heeren missen. + +DR. STOCKMANN. Missen, ja; maar we hebben toch veel aan hen te danken. + +HOVSTAD. Dat zal ook naar behooren erkend worden; maar een journalist +van mijn richting kan een gelegenheid als deze niet voorbij laten gaan. +De fabel der onfeilbaarheid der vroede mannen moet eens een duw hebben. +Dergelijke dingen moeten net zoo goed uitgeroeid worden als ander +bijgeloof. + +DR. STOCKMANN. Daarin ben ik het van ganscher harte met u eens, mijnheer +Hovstad; is iets een bijgeloof, dan weg er mee! + +HOVSTAD. Den burgemeester zou ik niet graag hard aanpakken, omdat hij uw +broer is. Maar u vindt toch zeker, evenals ik, dat de waarheid boven +alle andere overwegingen gaan moet. + +DR. STOCKMANN. Dat spreekt vanzel.... (_Opgewonden_). Ja maar...! +Maar...! + +HOVSTAD. U moet mij niet verkeerd beoordeelen. Ik ben niet egoister of +eergieriger dan de meeste menschen. + +DR. STOCKMANN. Maar mijn waarde, wie zegt dat dan? + +HOVSTAD. Ik ben maar van geringe afkomst, zooals u weet; en ik heb +voldoende gelegenheid gehad om te zien, wat in de lagere klassen der +maatschappij het meest noodig is. En dat is: deel te nemen aan de +leiding der algemeene zaken, dokter. Dat is het wat bekwaamheid en +kennis en gevoel van eigenwaarde ontwikkelt.... + +DR. STOCKMANN. Dat kan ik mij heel goed voorstellen.... + +HOVSTAD. Daarom vind ik dat een journalist een groote +verantwoordelijkheid op zich neemt, wanneer hij een gunstige gelegenheid +verzuimt tot vrijmaking van de menigte, de geringen, de onderdrukten. Ik +weet wel, in het kamp der groote heeren zullen zij dat frazen en +opgeschroefde taal noemen; maar dat moeten ze dan maar doen als ze er +lust in hebben. Als ik mijn geweten maar zuiver voel, dan.... + +DR. STOCKMANN. Juist, ja juist! Mijnheer Hovstad. Maar toch ... +duivels.... (_er wordt geklopt_). Binnen! + +(_Aslaksen in de voorkamer deur. Hij is uiterst eenvoudig maar +fatsoenlijk gekleed, in 't zwart, met een witte, een beetje verkreukte +das, handschoenen en vilten hoed in de hand_). + +ASLAKSEN (_buigt_). Neem me niet kwalijk, dokter, dat ik zoo vrij +ben.... + +DR. STOCKMANN (_staat op_). Kijk eens aan,... daar hebben wij mijnheer +Aslaksen! + +ASLAKSEN. Jawel, dokter. + +HOVSTAD (_staat op_). Moet je mij hebben, Aslaksen? + +ASLAKSEN. Neen mijnheer; ik wist niet dat ik u hier zou aantreffen. +Neen, het was de dokter zelf.... + +DR. STOCKMANN. Zoo? Wat is er van uw dienst? + +ASLAKSEN. Is het waar wat ik van mijnheer Billing hoorde, dat de dokter +er over denkt ons een betere waterleiding te bezorgen? + +DR. STOCKMANN. Ja, voor de badinrichting. + +ASLAKSEN. Jawel, dat begrijp ik wel. Nu, dan kom ik om te zeggen dat ik +die zaak steunen zal naar mijn beste krachten. + +HOVSTAD (_tegen Stockmann_). Ziet u! + +DR. STOCKMANN. Daarvoor zeg ik u van harte dank, maar.... + +ASLAKSEN. Want het zou misschien toch goed kunnen zijn als u ons, kleine +luiden, had om u te steunen. Wij maken om zoo te zeggen een compacte +meerderheid uit;... als wij ernstig _willen_. En het is altijd goed om +de meerderheid op zijn hand te hebben. + +DR. STOCKMANN. Dat is onloochenbaar waar; ik kan alleen maar niet +begrijpen dat dergelijke maatregelen hier noodig zouden kunnen zijn. +Mij dunkt zoo'n duidelijke en eenvoudige zaak.... + +ASLAKSEN. O ja, maar dat zou toch geen kwaad kunnen; ik ken de lokale +autoriteiten maar al te goed; de hooge heeren zijn niet heel +toegankelijk voor voorstellen die van anderen uitgaan. En daarom dacht +ik, dat het misschien niet ongewenscht zijn zou als wij een kleine +demonstratie op touw zetten. + +HOVSTAD. Jawel, zeer juist. + +DR. STOCKMANN. Een demonstratie zegt u? En op welke manier zou u dat dan +eigenlijk willen doen? + +ASLAKSEN. Natuurlijk in zeer gematigden vorm, dokter. Ik leg er mij +altijd op toe maat te houden, want maathouden is de eerste deugd van een +staatsburger,... naar _mijn_ opvatting althans. + +DR. STOCKMANN. Daarvoor staat u ook wel bekend. + +ASLAKSEN. Ja, dat mag ik geloof ik wel zeggen. En die zaak van de +waterleiding, die is van zoo groot gewicht voor ons kleine burgers. Het +badhuis belooft als 't ware een goudmijntje voor de stad te worden. Van +dat badhuis moeten wij allemaal bestaan, en 't allermeest wij +huiseigenaren. Daarom willen wij dus graag de badinrichting zooveel wij +kunnen steunen. En omdat ik nu president ben van den Bond van +Huiseigenaren.... + +DR. STOCKMANN. Wel...? + +ASLAKSEN. ... en daar ik bovendien agent ben van het +Matigheidsgenootschap ... ja, dokter weet immers wel dat ik werk voor de +matigheidszaak? + +DR. STOCKMANN. Jawel; jawel. + +ASLAKSEN. Nu, ... dan begrijpt u wel dat ik met een heelen boel menschen +in aanraking kom. En daar ik bekend sta als een ordelijk en goedgezind +burger, zooals dokter zelf zegt, heb ik een zekeren invloed in de +stad,... een kleine overmacht ... al zeg ik het zelf. + +DR. STOCKMANN. Dat is mij wel bekend, mijnheer Aslaksen. + +ASLAKSEN. Ja, ziet u ... daarom zou het voor mij een kleinigheid zijn om +een adres op te stellen, als het noodig mocht zijn. + +DR. STOCKMANN. Een adres, zegt u? + +ASLAKSEN. Ja, een soort van dankadres van de stadsburgers, omdat u die +voor allen zoo gewichtige zaak aan het licht heeft gebracht. Het spreekt +van zelf dat dat met de noodige bezadigdheid zou moeten opgesteld +worden, zoo, dat de autoriteiten en zij die de macht in handen hebben er +geen aanstoot aan kunnen nemen. En als wij daar maar op passen, dan kan +toch niemand het ons kwalijk nemen, dunkt mij. + +HOVSTAD. Nu, zelfs al beviel het hun nu niet zoo heel erg.... + +ASLAKSEN. Neen, neen, neen, niet de overheid krenken, mijnheer Hovstad. +Geen oppositie tegen menschen die ons zoo dicht op de hielen zitten. +Daar heb ik genoeg van gezien in mijn leven; en daar komt ook nooit iets +goeds van. Maar de verstandige en vrijmoedige uitingen van een +staatsburger daar kan niemand iets tegen hebben. + +DR. STOCKMANN (_schudt hem de hand_). Ik kan u niet zeggen, waarde heer +Aslaksen, hoe hartelijk het mij verheugt zooveel instemming bij mijne +medeburgers te vinden. Ik ben zoo blij ... zoo blij!... Hoor eens ... +wil u niet een glaasje sherry ... wat? + +ASLAKSEN. Neen, dank u wel; ik gebruik nooit iets van dien aard. + +DR. STOCKMANN. Nou, een glas bier dan ... wat zegt u daarvan? + +ASLAKSEN. Dank u, ook niet; ik gebruik nooit iets zoo vroeg op den dag. +Maar nu zal ik de stad ingaan om eens te praten met eenige huiseigenaren +en de stemming voor te bereiden. + +DR. STOCKMANN. Het is allervriendelijkst van u, mijnheer Aslaksen; maar +het wil er bij mij nog maar niet in, dat al die maatregelen noodig +zouden zijn; mij dunkt die zaak moet geheel van zelf kunnen gaan. + +ASLAKSEN. De autoriteiten werken een beetje zwaarwichtig, dokter. Nu, +lieve Hemel, ik zeg dat niet om hun een lak op te leggen.... + +HOVSTAD. Morgen zullen wij ze een beetje opzweepen in ons blad, +Aslaksen. + +ASLAKSEN. Maar toch vooral niet te hardhandig, mijnheer Hovstad. Ga +zachtjes te werk en met beleid, anders krijgt u ze niet van de plaats. +U kan gerust aannemen wat ik u zeg; ik heb ondervinding opgedaan in de +school des levens.... Nu, dan neem ik dus afscheid. U weet nu dat wij +kleine burgers in elk geval achter u staan als een muur. U heeft de +compacte meerderheid op uw hand, dokter. + +DR. STOCKMANN. Mijn hartelijken dank (_reikt hem de hand_). Adieu, +adieu! + +ASLAKSEN. Gaat u mee naar de drukkerij, mijnheer Hovstad? + +HOVSTAD. Ik kom aanstonds, ik heb nog iets af te doen. + +ASLAKSEN. Best, best. + +(_Hij groet en gaat heen; Dr. Stockmann gaat met hem mee naar de +voorkamer_). + +HOVSTAD (_terwijl de dokter weer binnen komt_). Wel, wat zegt u er van, +dokter? Vindt u niet dat het tijd wordt hier eens wat versche lucht +binnen te laten en al die slapheid en halfheid en lafheid eens door +elkander te schudden? + +DR. STOCKMANN. Doelt u daarmee op Aslaksen? + +HOVSTAD. Ja. Hij is een van die lui die in het moeras wortelen ... al is +hij overigens nog zoo'n brave man. En zoo zijn de meesten hier bij ons; +zij zwaaien en zwenken naar beide kanten; door al hun overwegingen en +bedenkingen durven zij nooit een heelen stap te doen. + +DR. STOCKMANN. Maar Aslaksen schijnt mij toch een heel welgezind man te +zijn. + +HOVSTAD. Er is iets dat ik nog hooger stel; en dat is een onafhankelijk +en zelfbewust man te zijn. + +DR. STOCKMANN. Dat moet ik u volkomen toegeven. + +HOVSTAD. Daarom wil ik nu de gelegenheid aangrijpen en beproeven, of ik +de wel gezinden er niet toe zou kunnen krijgen zich eens ferm aan te +pakken. Die autoriteiten-vereering moet hier in de stad uitgeroeid +worden. Over dezen onverantwoordelijken misgreep met de waterleiding +moeten alle stemgerechtigde burgers ingelicht worden. + +DR. STOCKMANN. Goed; wanneer u meent dat het voor het algemeen welzijn +is, dan moet dat gebeuren; maar niet voor ik met mijn broer gesproken +heb. + +HOVSTAD. Ik schrijf in elk geval al vast een hoofdartikel. En als dan de +burgemeester niet voor de zaak te vinden is.... + +DR. STOCKMANN. O, maar hoe kan u zoo iets denken? + +HOVSTAD. Dat zou nog zoo onmogelijk niet zijn. En dan ...? + +DR. STOCKMANN. Ja, dan beloof ik u...; hoor eens,... dan kan u mijn +rapport afdrukken ... en in zijn geheel opnemen. + +HOVSTAD. Mag ik dat? Is dat een gegeven woord? + +DR. STOCKMANN (_reikt hem het manuscript over_). Hier is het; neem het +mee; het kan in elk geval geen kwaad dat u het eens doorleest; en dan +geeft u het mij later terug. + +HOVSTAD. Best; heel goed; dat zal ik doen. En nu adieu, dokter. + +DR. STOCKMANN. Adieu, adieu. Maar u zal zien, mijnheer Hovstad, die zaak +gaat glad,... van een leien dakje! + +HOVSTAD. Hm;... wij zullen zien. + +(_Hij groet en gaat weg door de voorkamer_). + +DR. STOCKMANN (_gaat naar de eetkamer en kijkt naar binnen_). Katrine! +Zoo, ben jij thuis gekomen, Petra? + +PETRA (_komt binnen_). Ja, ik kom net van school. + +MEVR. STOCKMANN (_komt ook_). Is hij er nog niet geweest? + +DR. STOCKMANN. Peter? Neen. Maar ik heb een heel gesprek gehad met +Hovstad. Hij is heelemaal vervuld van de ontdekking die ik gedaan heb. +Ja, zie je, die reikt eigenlijk heel wat verder dan ik zelf eerst dacht. +En daarom heeft hij mij zijn blad ter beschikking gesteld als het noodig +mocht zijn. + +MEVR. STOCKMANN. Maar denk je dat het noodig zijn zal? + +DR. STOCKMANN. Volstrekt niet. Maar het is in elk geval een trotsch +gevoel de onafhankelijke vrijzinnige pers op zijn hand te hebben. Ja, en +verbeeld je, ook van den president van den Bond van Huiseigenaren heb ik +een bezoek gehad. + +MEVR. STOCKMANN. Zoo? En wat wou die? + +DR. STOCKMANN. Mij ook steunen. Ze willen mij allemaal steunen in geval +het spaak loopen mocht. Katrine,... weet je wat ik achter mij heb staan? + +MEVR. STOCKMANN. Achter je? Neen, wat dan? + +DR. STOCKMANN. De compacte meerderheid. + +MEVR. STOCKMANN. Zoo zoo. Is dat goed voor je, Thomas? + +DR. STOCKMANN. Nou, dat zou ik denken, dat het goed was! (_wrijft zich +de handen en loopt op en neer_). Lieve God, wat is het toch heerlijk om +zoo broederlijk vereend met je medeburgers te staan! + +PETRA. En zooveel goeds en nuttigs te doen, vader! + +DR. STOCKMANN. Ja, en dan nog wel voor je eigen geboorteplaats! + +MEVR. STOCKMANN. Daar werd gebeld. + +DR. STOCKMANN. Daar zal hij zijn.... (_Er wordt geklopt_). Binnen! + +BURGEM. STOCKMANN (_komt uit de voorkamer_). Goeden morgen. + +DR. STOCKMANN. Welkom, Peter! + +MEVR. STOCKMANN. Goeden morgen. Hoe gaat het? + +BURGEM. STOCKMANN. Dank je ... zoo zoo (_tegen den dokter_). Ik ontving +gisteren, na kantoortijd, een rapport van je over het water in het +badhuis. + +DR. STOCKMANN. Ja. Heb je dat gelezen? + +BURGEM. STOCKMANN. Ja. + +DR. STOCKMANN. En wat zeg je wel van de zaak? + +BURGEM. STOCKMANN (_met een zijdelingschenblik_). Hm.... + +MEVR. STOCKMANN. Kom, Petra (_zij en Petra gaan in de kamer links_). + +BURGEM. STOCKMANN (_na een pauze_). Was het noodzakelijk dat je al die +onderzoekingen achter mijn rug om deed? + +DR. STOCKMANN. Ja; zoolang ik nog geen volstrekte zekerheid had.... + +BURGEM. STOCKMANN. En die meen je dus nu te hebben? + +DR. STOCKMANN. Daar heb je je nu wel zelf van kunnen overtuigen. + +BURGEM. STOCKMANN. Is het je plan dit stuk over te leggen aan het +bestuur der badinrichting als een soort van officieel document? + +DR. STOCKMANN. Ja. Iets moet er aan de zaak gedaan worden; en wel +terstond. + +BURGEM. STOCKMANN. Je gebruikt, zooals gewoonlijk, krasse termen in je +verslag. Je zegt o.a. dat dat wat wij onzen badgasten aanbieden een +permanente vergiftiging is. + +DR. STOCKMANN. Kan men het dan anders noemen? Denk toch eens aan ... +vergiftigd water voor in- en uitwendig gebruik! En dat voor arme zieke +menschen, die te goeder trouw hun toevlucht tot ons nemen, en hun goede +geld uitgeven om hun gezondheid terug te krijgen! + +BURGEM. STOCKMANN. En zoo kom je in je deductie tot het resultaat, dat +wij een riool aanleggen moeten om de onreinheden uit het Molendal af te +voeren, en dat de waterleiding verlegd moet worden. + +DR. STOCKMANN. Ja, weet jij een andere oplossing? Ik niet. + +BURGEM. STOCKMANN. Ik verzon van ochtend een boodschap bij den +stadsingenieur. En toen bracht ik ... zoo half en half in scherts ... +deze maatregelen ter sprake, als iets dat wij in de toekomst misschien +eens in overweging zouden moeten nemen. + +DR. STOCKMANN. In de toekomst eens misschien! + +BURGEM. STOCKMANN. Hij glimlachte om mijn vermeende extravagance ... +natuurlijk. Heb je je de moeite gegeven eens te overdenken wat de +voorgestelde veranderingen zouden kosten? Volgens de inlichtingen die ik +ontving, zouden de uitgaven waarschijnlijk in de honderdduizenden +loopen. + +DR. STOCKMANN. Zou het zoo duur worden? + +BURGEM. STOCKMANN. Ja. En dan komt nog het ergste. Dat werk zou minstens +twee jaar tijd vorderen. + +DR. STOCKMANN. Twee jaar, zeg je? Twee heele jaren? + +BURGEM. STOCKMANN. Op zijn minst. En wat zullen we in dien tusschentijd +met de badplaats doen? Moeten wij ze sluiten? Ja, daar zouden wij wel +toe gedwongen worden, of denk je soms dat iemand nog hier bij ons komen +zou, als het ruchtbaar werd dat het water schadelijk voor de gezondheid +is? + +DR. STOCKMANN. Ja maar, Peter, dat is toch zoo. + +BURGEM. STOCKMANN. En dat alles nu ... juist nu, nu de inrichting in +opkomst is. De omliggende steden bezitten ook wel enkele voordeelen die +ze als badplaatsen gezocht kunnen maken. Geloof je niet dat die +onmiddellijk alles in het werk zullen stellen om den heelen stroom van +vreemdelingen tot zich te trekken? Dat spreekt immers van zelf. En daar +zaten wij dan; waarschijnlijk konden wij dan de heele kostbare +inrichting wel opruimen; en dan had jij je geboorteplaats geruineerd. + +DR. STOCKMANN. Geruineerd ... ik...! + +BURGEM. STOCKMANN. Het is enkel en alleen door het badhuis dat de stad +een noemenswaardige toekomst voor zich heeft. Dat zie je toch zeker +evengoed in als ik. + +DR. STOCKMANN. Maar wat had je dan gedacht dat er gedaan moest worden? + +BURGEM. STOCKMANN. Ik heb uit je rapport niet de overtuiging gekregen +dat de toestand van het water zoo bedenkelijk is als jij dien voorstelt. + +DR. STOCKMANN. Maar die is eerder nog slechter! Of dat wordt hij althans +in den zomer, als de warmte komt. + +BURGEM. STOCKMANN. Zooals ik zei, ik geloof dat je erg overdrijft. Een +knap dokter moet zijn maatregelen weten te nemen naar de +omstandigheden;... hij moet schadelijke invloeden weten te voorkomen en +ze te bestrijden wanneer zij zich zichtbaar doen gelden. + +DR. STOCKMANN. En dus...? Wat verder...? + +BURGEM. STOCKMANN. De bestaande watertoevoer van het badhuis is nu +eenmaal een feit en daarmee moet natuurlijk rekening gehouden worden. +Maar waarschijnlijk zal de directie te zijner tijd niet ongenegen zijn +om in overweging te nemen, in hoeverre het met niet onoverkomelijke +geldelijke offers mogelijk zou zijn, eenige verbeteringen te laten +aanbrengen. + +DR. STOCKMANN. En met zoo'n streek denk je mij te kunnen vangen? + +BURGEM. STOCKMANN. Streek? + +DR. STOCKMANN. Ja, dat zou een streek zijn,... een bedriegerij, een +leugen, gewoon-weg een misdaad tegen het publiek, jegens de heele +maatschappij! + +BURGEM. STOCKMANN. Ik heb, zooals ik al opmerkte, niet de overtuiging +gekregen dat er eenig onmiddellijk gevaar bestaat. + +DR. STOCKMANN. Dat heb je wel! Dat kan niet anders. Mijn uiteenzetting +is afdoende en juist, dat _weet_ ik! En je begrijpt dat heel goed, +Peter, maar je wilt het eenvoudig niet toegeven. Jij was het die het +doordreef dat de gebouwen gezet werden en de waterleiding werd aangelegd +op de plaats waar jij het aanwees; en de zaak is eenvoudig _dit_: dat je +die vervloekte stommigheid niet bekennen wilt. Poeh!... denk je dat ik +je niet doorzie? + +BURGEM. STOCKMANN. En zelfs al was dat zoo? Indien ik misschien ietwat +angstvallig vast houd aan mijn prestige, dan geschiedt dat ten bate van +de stad. Zonder moreel overwicht kan ik de zaken niet zoo besturen en +leiden als ik het dienstig acht ten beste van allen. Daarom ... en ook +om verschillende andere redenen ... is er mij zeer veel aan gelegen dat +je rapport niet aan de directie der badinrichting wordt ingeleverd. In +het belang van het algemeen welzijn moet dat achtergehouden worden. Ik +zal dan later de zaak in discussie brengen en wij zullen in alle stilte +doen wat mogelijk is. Maar er mag niets ... geen enkel woord ... van +deze fatale zaak openbaar gemaakt worden. + +DR. STOCKMANN. Ja, dat zal je toch niet kunnen verhinderen, mijn waarde +Peter. + +BURGEM. STOCKMANN. Het moet en zal verhinderd worden. + +DR. STOCKMANN. Dat gaat niet, zeg ik je. Er zijn er al te veel die er +van weten. + +BURGEM. STOCKMANN. Er van weten? Wie? Toch niet die heeren van de +"Volksbode"? + +DR. STOCKMANN. O ja, die ook. De vrijzinnige onafhankelijke pers zal er +wel voor zorgen dat jullie je plicht doet. + +BURGEM. STOCKMANN (_na een korte pauze_). Je bent toch een ongelooflijk +onbesuisd mensch, Thomas. Heb je dan niet bedacht wat voor gevolgen dat +zou kunnen hebben voor jou zelf? + +DR. STOCKMANN. Gevolgen? Gevolgen voor mij? + +BURGEM. STOCKMANN. Voor jou en je gezin.... + +DR. STOCKMANN. Wat duivel beteekent dat? + +BURGEM. STOCKMANN. Ik geloof dat ik altijd een bereidwillige en +behulpzame broer voor je geweest ben. + +DR. STOCKMANN. Ja, dat ben je; en daarvoor zeg ik je dank. + +BURGEM. STOCKMANN. Niet noodig. Voor een deel ben ik er ook genoodzaakt +toe geweest om mijn zelfs wil. Ik heb altijd gehoopt dat ik je +eenigermate in toom zou kunnen houden, als ik je hielp je financieele +positie wat te verbeteren. + +DR. STOCKMANN. Wat? Deed je dat dus alleen voor je zelf...? + +BURGEM. STOCKMANN. Gedeeltelijk, zeg ik. Het is pijnlijk voor een +ambtenaar als zijn naaste betrekkingen zich telkens weer +compromitteeren. + +DR. STOCKMANN. En je vindt dus dat ik dat doe? + +BURGEM. STOCKMANN. Ja, helaas, doe je dat, zonder dat je het weet. +En dan je onzalige neiging om in 't openbaar over alle mogelijke en +onmogelijke dingen te schrijven. Niet zoodra krijg je een inval,... +of terstond moet je er een courantenartikel of een heele brochure over +schrijven. + +DR. STOCKMANN. Ja maar, is het dan niet de plicht van een staatsburger +om het aan het publiek mee te deelen wanneer hij een nieuw idee heeft? + +BURGEM. STOCKMANN. O, het publiek heeft heelemaal geen behoefte aan +nieuwe idees. Het publiek vaart het beste bij de oude, goede, algemeen +gangbare idees die het al bezit. + +DR. STOCKMANN. En dat zeg je zoo maar ronduit! + +BURGEM. STOCKMANN. Ja, een keer moet ik toch eens ronduit met je +spreken. Tot nu toe heb ik getracht het te vermijden, omdat ik weet hoe +prikkelbaar je bent; maar nu moet ik je de waarheid eens zeggen, Thomas. +Je kunt je niet voorstellen hoeveel kwaad je jezelf doet met je +overijling. Je beklaagt je over de autoriteiten, ja zelfs over de +regeering,... valt die zelfs heftig aan ... houdt vol dat je op zij +gezet en vervolgd wordt. Maar kan je dan iets anders verwachten,... +zoo'n lastig mensch als jij bent. + +DR. STOCKMANN. Wat nou ... ben ik lastig ook al? + +BURGEM. STOCKMANN. Ja, Thomas, je bent een heel lastig mensch om mee +samen te werken. Dat heb ik ondervonden. Je stapt over alle +consideraties heen; je schijnt heelemaal te vergeten, dat ik het ben aan +wien je je betrekking als baddokter te danken hebt.... + +DR. STOCKMANN. Dat kwam mij alleen toe! Mij en geen ander! Ik was de +eerste die inzag dat de stad een bloeiende badplaats worden kon; en ik +was de eenige die dat toen inzag. Ik stond alleen en streed voor dat +denkbeeld vele jaren lang, en ik schreef ... schreef.... + +BURGEM. STOCKMANN. Volkomen waar. Maar toen was het goede oogenblik nog +niet gekomen. Nu, dat kon je daarginder in je uithoek niet beoordeelen. +Maar toen dan eindelijk het geschikte moment gekomen was, toen nam ik +... met de anderen ... de zaak in handen.... + +DR. STOCKMANN. Ja, en toen verknoeiden jullie mijn heele prachtige plan. +O ja, nu blijkt pas goed wat voor geslepen kerels jullie waart! + +BURGEM. STOCKMANN. Naar mijn idee blijkt alleen dat jij weer behoefte +hebt aan een veiligheidsklep voor je strijdlust. Je wilt je superieuren +te lijf;... ouder gewoonte. Je kunt geen macht boven je dulden; je kijkt +een ieder, die een hoogere betrekking heeft, met schele oogen aan; je +beschouwt hem als je persoonlijken vijand,... en terstond is ieder wapen +tegen hem je welkom. Maar nu heb ik je er op attent gemaakt, welke +belangen er voor de stad op het spel staan, en dientengevolge ook voor +mij. En daarom zeg ik, Thomas, dat ik onverbiddelijk ben in den eisch +dien ik van plan ben je nu te stellen. + +DR. STOCKMANN. En wat is dat dan voor een eisch? + +BURGEM. STOCKMANN. Daar je je mond niet hebt kunnen houden over deze +netelige zaak, tegen menschen die er niets mee te maken hebben, hoewel +je het als een bestuursgeheim voor je hadt moeten houden, kunnen wij de +zaak natuurlijk niet meer smoren. Allerhande geruchten zullen in omloop +komen en de slechtgezinden onder ons zullen die met allerlei toevoegsels +aandikken. Daarom zal het noodig zijn dat jij deze geruchten openlijk +tegenspreekt. + +DR. STOCKMANN. Ik? Wat meen je? Ik begrijp je niet. + +BURGEM. STOCKMANN. Men zou kunnen verwachten dat jij, bij een hernieuwd +onderzoek, tot het resultaat komt, dat de zaak op verre na niet zoo +gevaarlijk en bedenkelijk is, als je je in het eerste oogenblik +verbeeldde. + +DR. STOCKMANN. Aha ... dat verwacht je dus van me! + +BURGEM. STOCKMANN. En verder verwacht men, dat je vertrouwt ... en dat +openlijk uitspreekt ... dat het bestuur grondig en nauwgezet het noodige +in het werk stellen zal om mogelijke misstanden te verhelpen. + +DR. STOCKMANN. Maar dat zal je nooit in der eeuwigheid kunnen doen, zoo +lang je je behelpt met knoei- en lapwerk. Dit zeg ik je, Peter, en dat +is mijn eerlijke en vaste overtuiging...! + +BURGEM. STOCKMANN. Als ondergeschikt ambtenaar is het je niet geoorloofd +een aparte overtuiging te hebben. + +DR. STOCKMANN (_ontsteld_). Niet geoorloofd om een...? + +BURGEM. STOCKMANN. Als ondergeschikt ambtenaar, zeg ik. Als +particulier,... ja, dat is heel wat anders. Maar als ondergeschikte, in +dienst van de badinrichting is het je niet geoorloofd een overtuiging +uit te spreken, die in strijd is met die van je superieuren. + +DR. STOCKMANN. Dat gaat te ver! Ik als dokter, als wetenschappelijk man, +zou niet het recht hebben om...! + +BURGEM. STOCKMANN. De zaak waarvan hier sprake is, is niet enkel een +wetenschappelijke; dat is een gecombineerde zaak; het is zoowel een +technische als een oekonomische! + +DR. STOCKMANN. Och wat duivel! Laat het voor mijn part zijn wat het wil! +Ik wil vrijheid hebben om te spreken over alle mogelijke zaken in de +wereld! + +BURGEM. STOCKMANN. Alsjeblieft. Alleen maar niet over die betreffende de +badinrichting.... Dat verbieden wij je. + +DR. STOCKMANN (_schreeuwt_). Jullie verbiedt mij.... Jullie! Zulke...! + +BURGEM. STOCKMANN. Ik verbied het je...; ik, je chef. En wanneer ik het +je verbied dan heb jij te gehoorzamen. + +DR. STOCKMANN (_bedwingt zich_). Peter,... waarachtig, als je mijn broer +niet was.... + +PETRA (_rukt de deur open_). Vader, dat moet je niet verdragen! + +MEVR. STOCKMANN (_haar achterna_). Petra! Petra! + +BURGEM. STOCKMANN. Ah, men heeft staan luisteren. + +MEVR. STOCKMANN. Je praatte zoo hard; wij konden niet helpen dat wij.... + +PETRA. Ja, ik heb staan luisteren. + +BURGEM. STOCKMANN. Nu, eigenlijk ben ik er blij om.... + +DR. STOCKMANN (_komt dichter bij hem_). Je zei iets van verbieden en +gehoorzamen...? + +BURGEM. STOCKMANN. Je hebt mij gedwongen op dien toon te spreken. + +DR. STOCKMANN. En nu moet ik met een openlijke verklaring mijzelf een +slag in mijn gezicht geven? + +BURGEM. STOCKMANN. Wij houden het voor absoluut noodzakelijk dat je een +verklaring publiceert zooals ik die verlangd heb. + +DR. STOCKMANN. En als ik nu niet ... gehoorzaam? + +BURGEM. STOCKMANN. Dan geven wij zelf een verklaring uit tot +geruststelling van het publiek. + +DR. STOCKMANN. Best; maar dan schrijf ik tegen jullie. Ik blijf bij mijn +idee; ik zal bewijzen dat ik gelijk heb en jullie ongelijk hebt. En wat +zal je dan doen? + +BURGEM. STOCKMANN. Dan zal ik niet kunnen verhinderen dat je ontslagen +wordt. + +DR. STOCKMANN. Wat...! + +PETRA. Vader ... ontslagen! + +MEVR. STOCKMANN. Ontslagen! + +BURGEM. STOCKMANN. Ontslagen als baddokter. Ik zal mij genoodzaakt zien +je voor te dragen voor onmiddellijk ontslag, en je te ontheffen van alle +functies die met de badinrichting in verband staan. + +DR. STOCKMANN. En dat zou jullie durven wagen! + +BURGEM. STOCKMANN. Je bent het zelf die hier een gewaagd spel speelt. + +PETRA. Oom, dat is een schandelijke manier van doen tegen een man als +papa! + +MEVR. STOCKMANN. Petra, wil je wel eens je mond houden! + +BURGEM. STOCKMANN (_kijkt Petra aan_). Aha, men schijnt zich hier ook al +te permitteeren zijn opinie ten beste te geven. Ja, natuurlijk (_tegen +mevr_.) Schoonzuster, u is vermoedelijk de verstandigste hier in huis. +Gebruik den invloed dien u op uw man heeft, doe hem inzien wat voor +gevolgen dit hebben zal, zoowel voor zijn gezin.... + +DR. STOCKMANN. Mijn gezin gaat niemand anders aan dan mij. + +BURGEM. STOCKMANN. ... zoowel voor zijn gezin, zeg ik, als voor de stad +waar hij woont. + +DR. STOCKMANN. _Ik_ ben het die het ware welzijn van de stad wil. Ik wil +de misslagen onthullen die vroeg of laat aan het licht moeten komen. En +het zal nog wel eens blijken of ik mijn geboorteplaats lief heb. + +BURGEM. STOCKMANN. Jij, die in blinden trots de stad haar voornaamste +levensbron wilt afsnijden! + +DR. STOCKMANN. Die bron is vergiftigd, mensch! Ben je dan krankzinnig? +Wij leven hier van geschacher met smerigheid en vuilnis! Het heele +opbloeiende leven van onze maatschappij put zijn voedsel uit een leugen! + +BURGEM. STOCKMANN. Hersenschimmen ... of misschien nog wel wat ergers. +De man die zulke beleedigende insinuaties tegen zijn eigen stad durft +uiten, moet wel een vijand van de maatschappij zijn. + +DR. STOCKMANN (_op hem toeloopend_). En dat waag jij...! + +MEVR. STOCKMANN (_komt tusschenbeiden_). Thomas! + +PETRA (_pakt haar vader bij den arm_). Hou je kalm, vader! + +BURGEM. STOCKMANN. Ik wil mij niet aan gewelddadigheden blootstellen. +Je bent nu gewaarschuwd. Bedenk dus wat je jezelf en je gezin verplicht +bent. Adieu. (_gaat weg_). + +DR. STOCKMANN (_loopt op en neer_). En zoo'n behandeling moet ik mij +laten welgevallen! In mijn eigen huis. Katrine! Wat zeg jij daarvan? + +MEVR. STOCKMANN. Ja, 't is zonde en schande, Thomas.... + +PETRA. Ik wou dat ik oom maar eens te lijf mocht gaan...! + +DR. STOCKMANN. 't Is mijn eigen schuld; ik had al lang eens op mijn poot +moeten spelen,... mijn tanden laten zien ... van mij afbijten! En mij +een vijand van de maatschappij te noemen! Mij! Dat laat ik bij mijn ziel +en zaligheid niet op me zitten! + +MEVR. STOCKMANN. Maar, mijn lieve Thomas, je broer heeft nu eenmaal de +macht in handen.... + +DR. STOCKMANN. Ja maar, ik heb het recht, zie je! + +MEVR. STOCKMANN. Och ja, het recht, het recht; wat helpt het of je al +het recht hebt als je geen macht bezit? + +PETRA. Maar moeder ... hoe kan je toch zulke dingen zeggen? + +DR. STOCKMANN. Dus in eene vrije maatschappij zou het je niets helpen +het recht op je hand te hebben! Je bent komiek Katrine! En bovendien,... +heb ik dan niet de vrijzinnige onafhankelijke pers voor mij ... en de +compacte meerderheid achter mij? Dat is toch wel macht genoeg zou ik +denken! + +MEVR. STOCKMANN. Maar lieve God, Thomas, je denkt er toch niet aan.... + +DR. STOCKMANN. Waar denk ik niet aan? + +MEVR. STOCKMANN. ... om je tegen je broer te verzetten, meen ik. + +DR. STOCKMANN. Wat duivel wil je dan dat ik andere doen zal, als ik niet +loslaten wil wat recht en waarheid is? + +PETRA. Ja, dat zou ik ook wel eens willen weten! + +MEVR. STOCKMANN. Maar het helpt je immers absoluut niemendal; als ze +niet willen dan willen ze niet. + +DR. STOCKMANN. Hoho, Katrine, laat mij maar tijd, dan zal je zien dat ik +toch mijn wil doorzet. + +MEVR. STOCKMANN. Ja, je zult misschien doordrijven dat je je ontslag +krijgt,... dat zal je. + +DR. STOCKMANN. Dan heb ik in elk geval mijn plicht tegenover het +publiek, tegenover de maatschappij gedaan. Ik, dien hij een vijand van +de maatschappij heeft genoemd! + +MEVR. STOCKMANN. Maar jegens je gezin, Thomas? Jegens ons hier thuis? +Vindt je dat je op die manier je plicht doet jegens hen voor wier +onderhoud je zorgen moet? + +PETRA. Och, denk toch niet altijd in de eerste plaats aan ons, moeder. + +MEVR. STOCKMANN. Ja, jij hebt goed praten; jij kunt desnoods op eigen +beenen staan.... Maar denk aan de jongens, Thomas; en denk ook een +beetje aan jezelf en aan mij.... + +DR. STOCKMANN. Maar ik geloof dat je niet goed wijs bent, Katrine! Als +ik zoo jammerlijk laf was om met dien Peter en zijn verdomden troep te +capituleeren, zou ik dan wel ooit een gelukkig oogenblik in mijn leven +meer kunnen hebben? + +MEVR. STOCKMANN. Ja, dat weet ik niet; maar Onze Lieve Heer beware ons +voor het geluk dat ons allen te wachten staat, als jij in je trots +volhardt. Dan sta je weer zonder brood, zonder vast inkomen. Mij dunkt, +daar hebben wij genoeg van gehad in vroeger dagen; denk er aan, Thomas; +bedenk wat dat zeggen wil. + +DR. STOCKMANN (_in hevigen tweestrijd_). En tot zoo iets kunnen die +bureau-slaven een vrij en eerlijk man brengen! Is dat niet vreeselijk, +Katrine? + +MEVR. STOCKMANN. Ja, ze hebben schandelijk gehandeld tegenover je, dat +staat vast. Maar lieve God, er is zoo veel dat onrechtvaardig is, +waaronder een mensch zich maar buigen moet.... Daar zijn de jongens, +Thomas! Kijk ze eens aan! Wat zal er van hen worden? O neen, neen, je +kunt het nooit over je hart verkrijgen.... + +(_Ejlif en Morten met hun schoolboeken zijn intusschen binnengekomen_). + +DR. STOCKMANN. De jongens!... (_Staat op eens vast besloten stil_). En +al zou de heele wereld te gronde gaan, toch buig ik mijn nek niet onder +het juk (_gaat naar zijn kamer_). + +MEVR. STOCKMANN (_hem achterna_). Thomas,... wat ga je doen! + +DR. STOCKMANN (_bij de deur_). Ik wil het recht behouden om mijn jongens +in de oogen te zien, als zij eens tot vrije mannen zullen zijn +opgegroeid (_gaat binnen_). + +MEVR. STOCKMANN (_barst in tranen uit_). O, God helpe en trooste ons +allen! + +PETRA. Vader is ferm! Hij buigt niet! + +(_De jongens vragen verwonderd wat er is; Petra beduidt hen dat zij +zwijgen moeten_). + + +EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF. + + + * * * * * + + +DERDE BEDRIJF. + + De redactie-kamer van de "Volksbode." Links achter de entree-deur; + rechts in denzelfden wand een glazen deur, waardoor men in de + drukkerij kijkt. In den wand rechts een deur. Midden in de kamer + een groote tafel bedekt met papieren, couranten en boeken. Vooraan + links een raam en daarbij een lessenaar met hooge kruk. Een paar + fauteuils staan bij de tafel; eenige andere stoelen langs den muur. + De kamer is somber en ongezellig, het meubilair oud, de fauteuils + vuil en versleten. In de drukkerij ziet men een paar zetters aan + het werk; verderop is een handpers in werking. + + Redacteur Hovstad zit aan den lessenaar te schrijven. Even later + komt Billing binnen van rechts met het manuscript van den dokter in + zijn hand. + + * * * * * + +BILLING. Nou ik moet zeggen dat...! + +HOVSTAD (_schrijvend_). Heb je het doorgelezen? + +BILLING (_legt het manuscript op den lessenaar_). Ja, dat heb ik. + +HOVSTAD. Flink scherp, he? + +BILLING. Scherp? Hij is goddome vernietigend. Ieder woord komt als een +bijlslag neer, zoo geweldig.... + +HOVSTAD. Ja, maar de menschen vallen niet met den eersten slag. + +BILLING. Dat is waar; maar dan gaan wij voort met er op te slaan,... +slag op slag, dat het heele groote-heeren regiment onderste boven ligt. +Toen ik dat daar in mijn kamer zat te lezen, was het of ik in de verte +de revolutie zag aankomen. + +HOVSTAD (_keert zich om_). Sst; zeg dat maar niet dat Aslaksen het +hoort. + +BILLING (_spreekt zachter_). Aslaksen is een haas, een laffe vent; er +zit niets geen mannenmoed in hem. Maar dezen keer zal je toch je wil +doorzetten, he? Het artikel van den dokter plaats je toch wel? + +HOVSTAD. Ja, als de burgemeester nu maar niet goedwillig met hem mee +gaat, dan.... + +BILLING. Dat zou verduiveld vervelend zijn. + +HOVSTAD. Nu, wij kunnen ons in elk geval de omstandigheden ten nutte +maken, wat er ook gebeure. Gaat de burgemeester niet in op de +voorstellen van den dokter, dan krijgt hij de heele kleine burgerij op +zijn dak,... den heelen Bond van Huiseigenaren en al de anderen. En gaat +hij er wel op in, dan krijgt hij het aan den stok met een heelen troep +van de groote aandeelhouders, die tot nu toe zijn beste steun waren. + +BILLING. Jawel, zeker; want die zullen stellig wat moeten opdokken.... + +HOVSTAD. Ja, daarop kan je je wel laten hangen. En dan is die ring +verbroken, zie je, en dan zullen wij dag aan dag het publiek er over +inlichten, dat de burgemeester ongeschikt is in alle opzichten, en dat +alle posten van vertrouwen in de stad, evenals het heele +gemeentebestuur, moesten gegeven worden in handen van vrijzinnige +mannen. + +BILLING. Dat is, goddome, raak! Ik zie het, ik zie het al voor me ... +wij staan als aan den vooravond van een revolutie! + +(_Er wordt geklopt_). + +HOVSTAD. Stil! (_roept_) Binnen! + +(_Dr. Stockmann komt door de deur links achter_). + +HOVSTAD (_gaat naar hem toe_). O, daar hebben wij den dokter. Wel? + +DR. STOCKMANN. Druk maar raak, mijnheer Hovstad. + +HOVSTAD. Dus het kwam er toe? + +BILLING. Hoera! + +DR. STOCKMANN. Druk maar raak, zeg ik. Ja, zeker kwam het er toe. Maar +nu zullen ze dan ook hun zin hebben. Nu wordt het oorlog hier in de +stad, mijnheer Billing! + +BILLING. Oorlog op leven en dood, hoop ik! Het mes op de keel, dokter! + +DR. STOCKMANN. Dat rapport is maar een begin. Ik loop al met mijn hoofd +vol van vier, vijf ontwerpen voor nieuwe artikels. Waar zit Aslaksen? + +BILLING (_roept in de drukkerij_). Aslaksen, kom eens even hier! + +HOVSTAD. Vier, vijf nieuwe artikels, zei u? Over dezelfde zaak? + +DR. STOCKMANN. Neen, geen idee, mijn waarde! Neen, over heel andere +dingen. Maar het gaat allemaal van de waterleiding en het riool uit. Het +een volgt uit het ander, begrijpt u. Het is net als wanneer je begint +een oud gebouw af te breken ... dat gaat precies eender. + +BILLING. Dat is, goddome, waar; je schijnt er nooit mee klaar te komen +voor je den heelen boel naar beneden hebt gehaald. + +ASLAKSEN (_uit de drukkerij_). Naar beneden gehaald! Dokter denkt er +toch niet over het badhuis af te breken? + +HOVSTAD. In de verste verte niet; wees maar niet bang. + +DR. STOCKMANN. Neen, er is sprake van heel andere dingen. Wel, en wat +zegt u van mijn verslag, mijnheer Hovstad? + +HOVSTAD. Ik vind het een waar meesterstuk.... + +DR. STOCKMANN. Ja, niet waar? Nu dat doet mij plezier; dat doet mij +plezier. + +HOVSTAD. Zoo helder en duidelijk; men behoeft heelemaal geen man van het +vak te zijn om het verband te begrijpen. Ik durf gerust zeggen dat u +alle ontwikkelden op uw hand krijgen zal. + +ASLAKSEN. En ook alle bezadigden? + +BILLING. Bezadigden en niet bezadigden, ik denk wel nagenoeg de heele +stad. + +ASLAKSEN. Nu, dan kunnen wij dat verslag wel drukken. + +DR. STOCKMANN. Ja, dat zou ik ook denken! + +HOVSTAD. Morgen vroeg komt het in de courant. + +DR. STOCKMANN. Bliksems ja, er moet geen enkele dag verloren gaan. Hoor +eens, mijnheer Aslaksen. Ik wou u vragen of u persoonlijk voor het +manuscript zorgen wil. + +ASLAKSEN. Dat zal ik. + +DR. STOCKMANN. Waak er over alsof het goud was. Geen enkele drukfout; +ieder woord is van belang. Ik kom later nog wel even aan; misschien zou +ik dan al een gedeelte proef kunnen zien.... Ik kan niet zeggen hoe ik +er naar verlang het gedrukt te zien ... de wereld in geslingerd.... + +BILLING. Geslingerd ... ja, als een bliksemschicht! + +DR. STOCKMANN. ... aan het oordeel van alle verstandige medeburgers +onderworpen. O, u kan u geen begrip maken van wat mij van daag is +aangedaan. Men heeft mij met allerlei dingen gedreigd, men heeft mij +willen ontnemen wat toch zonneklaar een mensch zijn goed recht is ... + +BILLING. Wat! Dat wat uw goed recht als mensch is! + +DR. STOCKMANN. ... men heeft mij willen vernederen, mij tot een schurk +willen maken ... geeischt dat ik persoonlijk voordeel boven mijn +innigste, heiligste overtuiging stellen zou.... + +BILLING. Dat is, goddome, toch wat al te bar. + +HOVSTAD. Och ja, van dien kant kan men alles verwachten. + +DR. STOCKMANN. Maar met mij zullen zij aan het kortste eind trekken; dat +zullen zij zwart op wit van mij hebben. Nu wil ik, om zoo te zeggen, +voortaan in de "Volksbode" voor anker gaan liggen, en hen bombardeeren +met ontplofbare artikels.... + +ASLAKSEN. Ja maar, hoor eens.... + +BILLING. Hoera, er komt oorlog, er komt oorlog! + +DR. STOCKMANN. ... ik zal ze tegen den grond slaan, ik zal ze +vermorzelen, hun vestingwerken voor de oogen van het heele rechtschapen +publiek met den grond gelijk maken! Dat zal ik doen! + +ASLAKSEN. Maar doe het toch gematigd, dokter; schiet met mate.... + +BILLING. Welneen, welneen! Het dynamiet niet sparen! + +DR. STOCKMANN (_gaat onverstoorbaar door_). Want nu is het niet meer +alleen de kwestie van de waterleiding en het riool, ziet u. Neen, nu is +het onze heele samenleving hier die gereinigd, gedesinfecteerd worden +moet. + +BILLING. Daar klonk het bevrijdingswoord! + +DR. STOCKMANN. Alle lapwerk-veteranen moeten er uit. En dat op alle +mogelijk gebied! Er hebben zich oneindige verschieten voor mij geopend +van daag. Heel duidelijk is mij dat alles nog niet; maar dat komt wel. +Wij moeten jonge frissche banierdragers zoeken, beste vrienden; wij +moeten nieuwe commandanten hebben op alle voorposten. + +BILLING. Juist, juist! + +DR. STOCKMANN. En als wij maar eensgezind zijn, dan gaat het zoo glad, +zoo glad! De heele omwenteling zal van stapel loopen als een schip. +Gelooft u ook niet? + +HOVSTAD. Ik, voor mijn part, geloof dat wij nu uitzicht hebben het +gemeentebestuur over te brengen in die handen, waar het van rechtswege +behoort te zijn. + +ASLAKSEN. En als wij maar gematigd te werk gaan, dan kan ik mij niet +voorstellen dat het gevaarlijk zou kunnen zijn. + +DR. STOCKMANN. Wat duivel kan het schelen of het gevaarlijk is of niet! +Dat wat ik doe, doe ik in naam der waarheid en voor mijn eigen geweten. + +HOVSTAD. U is een man die verdiend gesteund te worden, dokter. + +ASLAKSEN. Ja, dat staat vast, de dokter is een oprecht vriend van de +stad; een ware vriend van de samenleving, ja. + +BILLING. Dokter Stockmann is, goddome, een vriend van het volk, +Aslaksen! + +ASLAKSEN. Ik denk dat de Bond van Huiseigenaren van die uitdrukking gauw +gebruik zal maken. + +DR. STOCKMANN (_bewogen, drukt hem de hand_). Dank, dank, mijn lieve +trouwe vrienden;... het is zoo verkwikkend dat alles te hooren;... mijn +broer noemde mij heel anders.... Nou, dat zal hij, bij mijn ziel, met +woeker terug krijgen! Maar nu moet ik weg om naar een armen stakkerd te +gaan kijken.... Straks kom ik terug, zooals gezegd. Zorg goed voor mijn +manuscript, mijnheer Aslaksen;... en laat, bij al wat u lief is, +alsjeblieft geen enkel uitroepingsteeken weg! Zet er liever nog een paar +bij! Goed, best; tot straks dan; adieu! + +(_Wederzijdsche groeten terwijl zij hem tot aan de deur geleiden en hij +weg gaat_). + +HOVSTAD. Hij kan onbetaalbaar nuttig voor ons worden. + +ASLAKSEN. Ja, zoo lang hij zich alleen houdt aan die zaak van de +badinrichting. Maar als hij verder gaat, is het niet raadzaam met hem +gemeene zaak te maken. + +HOVSTAD. Hm, dat komt er maar op aan.... + +BILLING. Je bent ook zoo vervloekt bang, Aslaksen. + +ASLAKSEN. Bang? Ja, waar het de lokale autoriteiten betreft, ben ik +bang, mijnheer Billing; dat is iets dat ik in de school der ervaring +geleerd heb, moet ik u zeggen. Maar zet mij eens voor de hooge politiek, +ja, zelfs voor de oppositie tegen de regeering, en zie dan eens of ik +bang ben. + +BILLING. Neen, dan zeker niet, neen; maar dat is juist het +tegenstrijdige in je. + +ASLAKSEN. Ik ben een man die er een geweten op na houdt, dat is de heele +zaak. Valt iemand de Regeering aan, dan doet hij de maatschappij in elk +geval geen kwaad; want die lui storen er zich niet aan, ziet u;... zij +blijven toch waar ze zijn. Maar de _lokale_ autoriteiten, die kunnen +omvergeworpen worden, en dan komt misschien de onkunde aan het roer, tot +onherstelbare schade van huiseigenaren en anderen. + +HOVSTAD. Maar de opvoeding der burgers door zelfbestuur ... gaat dat je +niet ter harte? + +ASLAKSEN. Als iemand iets bereikt heeft dat hij graag behouden wil, dan +kan hij zich niet met alles bezig houden, mijnheer Hovstad. + +HOVSTAD. Nou, dan hoop ik van mijn leven niets te bereiken. + +BILLING. Mooi zoo! + +ASLAKSEN (_glimlacht_). Hm. (_wijst naar den lessenaar_). Op die +redacteurskruk daar, heeft voor u meneer Stensgaard gezeten, die +regeeringscommissaris is geworden. + +BILLING (_spuwt_). Bah! Zoo'n overlooper. + +HOVSTAD. Ik ben geen weerhaan ... en zal het nooit worden ook. + +ASLAKSEN. Iemand die aan politiek doet, moet zich nooit tot iets +verbinden, mijnheer Hovstad. En u, mijnheer Billing, moest ook maar +liever een beetje bakzeil halen, dezer dagen, dunkt me; want u +solliciteert immers naar de betrekking van secretaris bij het +gemeentebestuur. + +BILLING. Ik...! + +HOVSTAD. Jij, Billing...! + +BILLING. Nou ja ... wat duivel, je begrijpt toch wel dat dat maar is om +die hoogwijze heeren te ergeren. + +ASLAKSEN. Ja, mij gaat het heelemaal niet aan. Maar als ik beschuldigd +word van lafheid en tegenstrijdigheid in mijn houding, dan wil ik alleen +daar maar op komen, dat Aslaksens politiek verleden voor alle menschen +open ligt. Ik ben heelemaal niet veranderd, alleen heb ik meer leeren +maat houden, ziet u. Mijn hart is geheel bij het volk; maar ik ontken +niet dat mijn verstand een beetje overhelt naar de autoriteiten,... naar +de lokale dan altijd (_hij gaat de drukkerij binnen_). + +BILLING. We moesten toch zien dat we van hem afkwamen, Hovstad. + +HOVSTAD. Weet je iemand anders, die ons crediet geeft voor papier, +zetwerk en drukloon? + +BILLING. 't Is toch een vervloekt ding dat wij het noodige +bedrijfskapitaal niet hebben. + +HOVSTAD (_gaat aan zijn lessenaar zitten_). Ja, als we dat maar hadden, +dan.... + +BILLING. Als je er eens met den dokter over sprak? + +HOVSTAD (_bladert in zijn papieren_). Wat zou dat helpen? Hij bezit +immers niets. + +BILLING. Neen; maar hij heeft een goede achter de hand, den ouden Morten +Kiil,... de "das" zooals ze hem noemen. + +HOVSTAD (_schrijvend_). Weet je dat zoo zeker dat _die_ wat heeft? + +BILLING. Goddome, ja, hij wel! En een deel daarvan moet toch wel aan +Stockmanns familie komen. Hij zal toch wel wat meegeven ... aan de +kinderen althans. + +HOVSTAD (_keert zich half om_). Reken je daarop? + +BILLING. Of ik er op reken? Ik reken natuurlijk nergens op. + +HOVSTAD. Daar doe je wel aan. En op die betrekking van secretaris zou ik +ook maar heelemaal niet rekenen; want ik kan je verzekeren ... die krijg +je nooit. + +BILLING. Denk je dat ik dat niet opperbest weet? Maar het is me al zoo +lief dat ik die niet krijg. Zoo op zij gezet te worden vuurt je +strijdlust aan;... je krijgt, om zoo te zeggen, weer toevoer van nieuwe +gal en daar kan je soms behoefte aan hebben in zoo'n kraaiennest als +hier, waar zoo zelden eens iets gebeurt dat je een beetje opwindt. + +HOVSTAD (_schrijvend_). O ja; o ja. + +BILLING. Nou ... je zult gauw genoeg wat van mij hooren!... Nu ga ik de +oproeping aan den Bond van Huiseigenaren schrijven, (_hij gaat in de +kamer rechts_). + +HOVSTAD (_zit aan den lessenaar, bijt op zijn pennenhouder en zegt +langzaam_). Hm,... jawel.... (_er wordt geklopt_). Binnen! + +(_Petra komt door de deur links achter_). + +HOVSTAD (_staat op_). Och, is u daar? Komt u hier? + +PETRA. Ja, u moet mij excuseeren.... + +HOVSTAD (_trekt een fauteuil bij_). Wil u niet gaan zitten? + +PETRA. Neen, dank u; ik ga dadelijk weer weg. + +HOVSTAD. Is het misschien iets van uw vader, waar u.... + +PETRA. Neen het is iets van mijzelf. (_haalt een boek uit haar zak_). +Hier is dat Engelsche verhaal. + +HOVSTAD. Waarom brengt u dat terug? + +PETRA. Omdat ik het niet vertalen wil. + +HOVSTAD. Maar u beloofde het mij toch zoo vast.... + +PETRA. Ja, maar toen had ik het nog niet gelezen. En u heeft het zeker +ook niet gelezen. + +HOVSTAD. Neen; u weet dat ik geen Engelsch ken; maar.... + +PETRA. Nu juist; daarom moet ik u zeggen dat u iets anders zoeken moet +(_legt het boek op de tafel_). Dit kan u volstrekt niet gebruiken in de +"Volksbode". + +HOVSTAD. Waarom niet? + +PETRA. Omdat het geheel in strijd is met uw eigen beginselen. + +HOVSTAD. Nu, wat dat betreft.... + +PETRA. U begrijpt mij nog niet goed. Dit is een verhaal waarin verteld +wordt, dat een hooge bestiering waakt over de zoogenaamd brave menschen +hier op aarde en alles ten slotte ten beste voor hen beschikt,... en dat +de zoogenaamd slechten hun straf krijgen. + +HOVSTAD. Maar dat is juist heel mooi. Dat is net iets wat het volk +hebben wil. + +PETRA. Wil u dan de man zijn die het volk zulke dingen voorzet? Zelf +gelooft u daar immers geen woord van. U weet opperbest dat het in de +werkelijkheid zoo niet toegaat. + +HOVSTAD. Daarin heeft u volkomen gelijk, maar een redacteur kan niet +altijd doen zooals hij 't liefst zou willen. Men moet dikwijls buigen +voor de opinie der menschen in dingen van minder belang. De politiek is +de hoofdzaak in het leven ... of althans voor een dagblad. En als ik wil +dat de menschen mij volgen zullen op den weg naar vrijmaking en +vooruitgang, dan moet ik hen niet afschrikken. Als zij onder aan ons +blad zulk een braaf verhaaltje lezen, dan gaan ze gewilliger mee met dat +wat bovenaan gedrukt staat;... dat geeft hun een rustig gevoel. + +PETRA. Foei, zoo sluw gaat u dus te werk om u lezers te vangen; u is +toch geen spin! + +HOVSTAD (_glimlacht_). Dank voor uw goede opinie. Neen; dat is ook +eigenlijk maar Billing's gedachtengang, niet de mijne. + +PETRA. Billing's...! + +HOVSTAD. Ja, zoo sprak hij er ten minste onlangs over. Het is ook +Billing die er zoo op gesteld is dat verhaal te plaatsen; ik ken het +boek niet. + +PETRA. Maar hoe kan Billing met zijn radicale opvattingen...! + +HOVSTAD. Och, Billing is veelzijdig. Nu solliciteert hij naar de +betrekking van secretaris bij het gemeentebestuur ook al, hoor ik. + +PETRA. Dat geloof ik niet, mijnheer Hovstad. Hoe zou hij zich in zoo +iets kunnen voegen? + +HOVSTAD. Ja, dat moet u hem zelf maar vragen! + +PETRA. Nooit zou ik dat van Billing gedacht hebben. + +HOVSTAD (_kijkt haar strak aan_). Niet? Komt u dat zoo heel onverwacht? + +PETRA. Ja. Of misschien toch niet. Ik weet 't eigenlijk niet.... + +HOVSTAD. Wij dagbladschrijvers deugen niet veel, juffrouw Stockmann. + +PETRA. Zegt u dat in ernst? + +HOVSTAD. Soms denk ik het wel eens. + +PETRA. Ja, onder den indruk van het gewone dagelijksche gekrakeel, dat +kan ik wel begrijpen. Maar nu, nu u op komt voor een groote zaak.... + +HOVSTAD. Die van uw vader, meent u? + +PETRA. Ja juist. Nu, dunkt me, moet u zich voelen als een man die meer +waard is dan anderen. + +HOVSTAD. Ja, van daag voel ik zoo iets. + +PETRA. Niet waar? Is het zoo niet? O, u heeft een mooie levenstaak +gekozen. Miskende waarheden en nieuwe vrije levensopvattingen een weg te +banen ... ja zelfs alleen het zonder vrees optreden voor iemand die +verongelijkt wordt.... + +HOVSTAD. Vooral als die verongelijkte ... hm ... ik weet niet goed, hoe +ik.... + +PETRA. Als hij zoo rechtschapen en zoo door-en-door eerlijk is, meent u? + +HOVSTAD (_zachter_). Vooral wanneer die uw vader is; wou ik zeggen. + +PETRA (_plotseling veranderd_). Daarom? + +HOVSTAD. Ja, Petra,... juffrouw Petra. + +PETRA. Komt dat dus voor u in de allereerste plaats? Niet de zaak zelf? +Niet de waarheid; niet vaders hooge gloeiende ziel? + +HOVSTAD. Jawel,... ja dat spreekt, dat ook. + +PETRA. Neen; nu heeft u zich versproken, mijnheer Hovstad, en nu geloof +ik u in geen enkel opzicht meer. + +HOVSTAD. Kan u mij dat zoo kwalijk nemen, dat het voornamelijk om +uwentwil is...? + +PETRA. Wat ik u kwalijk neem, is dat u niet eerlijk tegenover vader is +geweest. U heeft met hem gesproken alsof de waarheid en het heil der +maatschappij u het allernaast aan het hart lagen. U heeft vader zoowel +als mij voor den gek gehouden; u is niet de man voor wien u zich uitgaf. +En dat vergeef ik u nooit! + +HOVSTAD. Dat moest u liever niet zoo stellig zeggen, juffrouw Petra; en +allerminst nu. + +PETRA. Waarom niet nu? + +HOVSTAD. Omdat uw vader mijn hulp niet missen kan. + +PETRA (_kijkt op hem neer_). Dus van die kracht is u ook nog? Bah! + +HOVSTAD. Neen, neen, dat meen ik niet! Het valt mij ook zoo onverwacht +op het lijf. Dat moet u niet gelooven! + +PETRA. Ik weet nu wat ik gelooven moet. Adieu. + +ASLAKSEN (_uit de drukkerij, haastig en geheimzinnig_). Bliksems, meneer +Hovstad.... (_ziet Petra_). Au, verdomme.... + +PETRA. Daar ligt het boek. Geeft u 't maar aan iemand anders (_gaat naar +de uitgangsdeur_). + +HOVSTAD (_loopt mee_). Maar, juffrouw.... + +PETRA. Vaarwel (_gaat weg_). + +ASLAKSEN. Meneer Hovstad, hoor eens! + +HOVSTAD. Nou, nou, wat is er dan? + +ASLAKSEN. De burgemeester is in de drukkerij. + +HOVSTAD. De burgemeester, zeg je? + +ASLAKSEN. Ja, hij wil u spreken; hij kwam achterin,... wou niet gezien +worden, dat begrijpt u. + +HOVSTAD. Wat kan dat zijn? Neen wacht, ik zal zelf.... (_hij gaat naar +de deur van de drukkerij, groet en verzoekt den burgemeester binnen te +komen_). + +HOVSTAD. Hou de wacht, Aslaksen, dat niemand.... + +ASLAKSEN. Begrepen.... (_gaat de drukkerij binnen_) + +BURGEM. STOCKMANN. Mijnheer Hovstad had wel niet verwacht mij hier te +zien. + +HOVSTAD. Neen, dat had ik stellig niet. + +BURGEM. STOCKMANN (_kijkt rond_). U is hier waarlijk heel gezellig +ingericht, heel aardig. + +HOVSTAD. O.... + +BURGEM. STOCKMANN. En nu kom ik zoo maar zonder complimenten en leg +beslag op uw tijd. + +HOVSTAD. Alsjeblieft, burgemeester, ik ben tot uw dienst. Maar mag ik u +niet ontlasten van...? (_legt uniformpet en stok op een stoel_). En wil +burgemeester niet gaan zitten? + +BURGEM. STOCKMANN (_gaat bij de tafel zitten_). Dank u. + +(_Hovstad gaat ook aan de tafel zitten_). + +BURGEM. STOCKMANN. Ik heb van daag een waarlijk groot verdriet gehad, +mijnheer Hovstad. + +HOVSTAD. Zoo? Och ja, bij zooveel zaken als burgemeester aan zijn hoofd +heeft.... + +BURGEM. STOCKMANN. Dat van van daag heeft de baddokter mij aangedaan. + +HOVSTAD. De dokter? Zoo? + +BURGEM. STOCKMANN. Hij heeft een soort van verslag geschreven voor het +bestuur van de badinrichting, over een aantal vermeende gebreken.... + +HOVSTAD. Och kom? + +BURGEM. STOCKMANN. Ja, heeft hij het u niet verteld? Ik dacht dat hij +zei.... + +HOVSTAD. O ja, dat 's waar, hij liet er een paar woorden over los.... + +ASLAKSEN (_uit de drukkerij_). Ik wou even het manuscript.... + +HOVSTAD (_kriebelig_). Hm; dat ligt immers daar op den lessenaar. + +ASLAKSEN (_vindt het_). Mooi zoo. + +BURGEM. STOCKMANN. Maar kijk eens, daar heeft u het juist.... + +ASLAKSEN. Ja, dat is het stuk van den dokter, burgemeester. + +HOVSTAD. O, is het dat waar u van spreekt? + +BURGEM. STOCKMANN. Precies. Wat denkt u er van? + +HOVSTAD. Ja, ik ben geen man van het vak, en ik heb het maar vluchtig +gelezen. + +BURGEM. STOCKMANN. Maar u laat het toch drukken? + +HOVSTAD. Een man van naam kan ik dat niet goed weigeren.... + +ASLAKSEN. Ik heb niets te zeggen in dagbladzaken, burgemeester. + +BURGEM. STOCKMANN. Dat spreekt. + +ASLAKSEN. Ik druk maar wat ik in mijn handen krijg. + +BURGEM. STOCKMANN. Zoo behoort het ook. + +ASLAKSEN. En daarom mag ik zeker wel.... (_gaat naar de deur van de +drukkerij_). + +BURGEM. STOCKMANN. Neen, blijf nog een oogenblik, mijnheer Aslaksen. Met +uw goedvinden, mijnheer Hovstad.... + +HOVSTAD. Alsjeblieft, burgemeester.... + +BURGEM. STOCKMANN. U is een kalm en verstandig man, mijnheer Aslaksen. + +ASLAKSEN. 't Doet mij plezier dat burgemeester er zoo over denkt. + +BURGEM. STOCKMANN. En een man van invloed in wijden kring. + +ASLAKSEN. Voornamelijk onder de kleine luiden ... ja. + +BURGEM. STOCKMANN. De kleine belastingplichtigen zijn het talrijkst, +hier, even als overal. + +ASLAKSEN. Dat zijn ze zeker. + +BURGEM. STOCKMANN. En ik twijfel er niet aan of u kent den geest van de +meesten van die lui. Is het zoo niet? + +ASLAKSEN. Ja, burgemeester, ik geloof dat ik wel zeggen mag dat ik dien +ken. + +BURGEM. STOCKMANN. Nu als er dan zoo'n prijzenswaardige offervaardigheid +heerscht onder de minder gegoede burgers, dan.... + +ASLAKSEN. Hoe dat? + +HOVSTAD. Offervaardigheid? + +BURGEM. STOCKMANN. Dat is een mooi blijk van gemeenschapszin; een heel +mooi blijk. Ik had haast gezegd dat ik het niet verwacht had. Maar u +kent den geest beter dan ik. + +ASLAKSEN. Ja, maar, burgemeester.... + +BURGEM. STOCKMANN. En het zullen waarlijk geen geringe offers zijn die +de stad zal moeten brengen. + +HOVSTAD. De stad? + +ASLAKSEN. Maar ik begrijp niet.... Het is toch de badinrichting...! + +BURGEM. STOCKMANN. Volgens een voorloopige berekening zullen de +veranderingen, die de baddokter wenschelijk acht, een paar +honderdduizend kronen beloopen. + +ASLAKSEN. Dat is een heeleboel geld, maar.... + +BURGEM. STOCKMANN. Natuurlijk zal het noodig zijn dat de gemeente een +leening sluit. + +HOVSTAD (_staat op_). Het is toch niet de bedoeling dat de stad...? + +ASLAKSEN. Zou dat uit de gemeentekas moeten gaan! Uit de magere beurzen +van de kleine burgers? + +BURGEM. STOCKMANN. Ja, geeerde heer Aslaksen, waar zouden de middelen +anders van daan moeten komen? + +ASLAKSEN. Daar moeten de heeren voor zorgen wien de badinrichting +aangaat. + +BURGEM. STOCKMANN. De aandeelhouders zijn niet in staat nog verder te +gaan dan ze al gegaan zijn. + +ASLAKSEN. Is dat heel zeker, burgemeester? + +BURGEM. STOCKMANN. Ik heb nauwkeurige inlichtingen ingewonnen. Wenscht +men dus deze veelomvattende veranderingen, dan moet de stad ze zelf +bekostigen. + +ASLAKSEN. Maar bliksems nog toe ... excuseer burgemeester ... maar dan +wordt het een heel ander geval, meneer Hovstad. + +HOVSTAD. Ja, dat is zeker. + +BURGEM. STOCKMANN. Het fataalste is, dat wij genoodzaakt zijn de +badplaats te sluiten voor een paar jaar. + +HOVSTAD. Sluiten? Heelemaal sluiten? + +ASLAKSEN. Twee jaar lang! + +BURGEM. STOCKMANN. Ja, zoo lang zal het werk duren op zijn minst. + +ASLAKSEN. Neen maar, voor den donder, dat houden wij niet uit, +burgemeester! Waar zullen wij huiseigenaren dan van leven in dien tijd? + +BURGEM. STOCKMANN. Dat is, helaas, een moeilijk te beantwoorden vraag. +Maar wat wil u dat wij dan doen zullen? Denkt u dat er een enkele +badgast hier komen zou als men hem wijs maakt dat het water bedorven is, +dat wij op een verpesten grond leven, dat de heele stad.... + +ASLAKSEN. En is dat dan allemaal maar verbeelding? + +BURGEM. STOCKMANN. Ik heb mij met den besten wil, niet van het tegendeel +kunnen overtuigen. + +ASLAKSEN. Ja maar, dan is het toch onverantwoordelijk van dokter +Stockmann.... Ik vraag excuus burgemeester, maar.... + +BURGEM. STOCKMANN. Het is een treurige waarheid, die u daar uitspreekt, +mijnheer Aslaksen. Mijn broer is, helaas, altijd een onnadenkend mensch +geweest. + +ASLAKSEN. En dan zou u hem in zoo iets willen steunen, meneer Hovstad? + +HOVSTAD. Maar wie kon dan ook denken, dat...? + +BURGEM. STOCKMANN. Ik heb een korte rectificatie van den toestand +opgesteld, zoo als die van een kalm zakelijk standpunt moet beschouwd +worden, en daarbij heb ik aangegeven op welke wijze de mogelijke +ongemakken zouden te verhelpen zijn, met middelen die voor de kas der +badinrichting bereikbaar zijn. + +HOVSTAD. Heeft u dat opstel bij u, burgemeester? + +BURGEM. STOCKMANN (_zoekt in zijn zak_). Ja; ik nam het mee voor het +geval dat u.... + +ASLAKSEN (_snel_). Bliksems, daar is hij! + +BURGEM. STOCKMANN. Wie? Mijn broer? + +HOVSTAD. Waar ... waar? + +ASLAKSEN. Hij loopt door de drukkerij. + +BURGEM. STOCKMANN. Dat is fataal. Ik zou hem niet gaarne hier ontmoeten, +en ik heb nog verscheidene dingen met u te bespreken. + +HOVSTAD. (_wijst naar de deur rechts_). Gaat u daar zoo lang binnen. + +BURGEM. STOCKMANN. Maar...? + +HOVSTAD. Daar vindt u mijnheer Billing. + +ASLAKSEN. Weg, weg, burgemeester, daar komt hij! + +BURGEM. STOCKMANN. Ja, jawel; maar zie hem gauw weer weg te krijgen. + +(_Hij gaat weg door de deur rechts, die Aslaksen voor hem opent en weer +sluit_). + +HOVSTAD. Doe alsof je met iets bezig bent, Aslaksen. (_hij gaat zitten +schrijven. Aslaksen rommelt in een pak couranten op een stoel rechts_). + +DR. STOCKMANN (_komt uit de drukkerij_). Daar ben ik weer. (_legt hoed +en stok weg_). + +HOVSTAD (schrijvend). Nu al, dokter? Maak voort met dat waar we over +spraken, Aslaksen. We hebben bitter weinig tijd van daag. + +DR. STOCKMANN (_tegen Aslaksen_). Nog geen proef, hoor ik? + +ASLAKSEN (_zonder zich om te keeren_). Neen, hoe kon dokter dat +verwachten? + +DR. STOCKMANN. Och neen; maar ik ben ongeduldig, dat kan u wel +begrijpen. Ik heb rust noch duur voor ik het gedrukt zie. + +HOVSTAD. Hm; dat zal nog wel een poosje duren. Geloof je ook niet, +Aslaksen? + +ASLAKSEN. Ja, daar ben ik ook bang voor. + +DR. STOCKMANN. Goed, goed, beste vrienden; dan kom ik nog maar eens +terug; ik kom met plezier tweemaal als het noodig is. Zoo'n gewichtige +zaak ... de welvaart van de heele stad ... daarbij mag waarachtig niet +geluierd worden. (_wil weggaan, doch blijft staan en komt terug_). Hoor +eens, er is nog een ding waar ik u graag over spreken wou. + +HOVSTAD. Pardon; maar zouden wij niet een anderen keer.... + +DR. STOCKMANN. Het is met twee woorden gezegd. 't Is alleen dit maar ... +als men nu morgen mijn rapport leest in uw blad, en aldus te weten komt +dat ik hier den heelen winter in stilte gewerkt heb voor het welzijn van +de stad.... + +HOVSTAD. Ja maar, dokter.... + +DR. STOCKMANN. Ik weet wat u zeggen wil. U meent dat het niets meer was +dan mijn plicht ... eenvoudig mijn plicht als burger. Ja, natuurlijk; +dat weet ik net zoo goed als u. Maar mijn medeburgers, ziet u ... och +lieve Heer, die goede menschen houden toch zooveel van mij.... + +ASLAKSEN. Ja, de burgerij heeft wel veel van u gehouden tot op dezen +dag, dokter. + +DR. STOCKMANN. Ja, en juist daarom ben ik bang, dat ... ik wou dit maar +zeggen: als het nu tot hen komt vooral tot de onbemiddelde klasse ... +als een aanmaning om voortaan de stadsaangelegenheden zelf in handen te +nemen.... + +HOVSTAD (_staat op_). Hm, dokter ik wil u niet verbergen.... + +DR. STOCKMANN. Aha, ... dacht ik het niet dat er iets broeide! Maar daar +wil ik niets van weten. Als er zoo iets op touw gezet wordt.... + +HOVSTAD. Wat dan? + +DR. STOCKMANN. Nou, 't een of 't ander ... een serenade of een banket of +een inschrijving voor een cadeau ... of wat het dan ook zijn moge, dan +moet u mij heilig en vast beloven om dat tegen te gaan. En u ook, +mijnheer Aslaksen, hoort u! + +HOVSTAD. Pardon dokter, wij kunnen u net zoo goed nu als later de +waarheid zeggen.... + +(_Mevr. Stockmann met hoed en mantel komt binnen door de deur links +achter_). + +MEVR. STOCKMANN (ziet den dokter). Jawel, daar is hij zoo waar! + +HOVSTAD (_gaat haar tegemoet_). Kijk eens aan, daar komt mevrouw ook! + +DR. STOCKMANN. Wat duivel kom jij hier doen, Katrine? + +MEVR. STOCKMANN. Dat kan je toch wel begrijpen, denk ik. + +HOVSTAD. Wil u niet gaan zitten, mevrouw? Of misschien.... + +MEVR. STOCKMANN. Dank u; doe geen moeite. En u moet het mij niet kwalijk +nemen, dat ik Stockmann kom halen; ik ben moeder van drie kinderen moet +ik u zeggen. + +DR. STOCKMANN. Malligheid, onzin; dat weten we immers wel. + +MEVR. STOCKMANN. Nou, het heeft er anders niet veel van of je veel aan +vrouw en kinderen denkt van daag; anders zou je ons niet allemaal +ongelukkig gaan maken. + +DR. STOCKMANN. Maar ben je nu heelemaal mal, Katrine? Zal het een man +met vrouw en kinderen niet geoorloofd zijn de waarheid te +verkondigen;... een nuttig en werkzaam staatsburger te zijn,... zal het +hem verboden zijn de stad te dienen waarin hij leeft? + +MEVR. STOCKMANN. Alles met mate, Thomas! + +ASLAKSEN. Dat zeg ik ook. Maat houden in alle dingen. + +MEVR. STOCKMANN. En daarom bezondigt u zich aan ons, mijnheer Hovstad, +als u mijn man weg lokt van huis en haard en hem verleidt tot dit alles. + +HOVSTAD. Ik verleid waarachtig geen mensch tot.... + +DR. STOCKMANN. Verleiden! Denk je dat _ik_ mij laat verleiden! + +MEVR. STOCKMANN. Jawel, dat doe je wel. Ik weet wel dat je de knapste +man van de stad bent; maar je bent zoo vreeselijk gemakkelijk te +verleiden, Thomas. En bedenk toch eens, dat hij zijn betrekking bij de +badinrichting verliest als u laat drukken wat hij geschreven heeft. + +ASLAKSEN. Wat? + +HOVSTAD. Ja, dokter, weet u wat.... + +Dr. Stockmann (_lacht_). Haha, laten ze 't maar eens probeeren...! O, +neen, zeg ... ze zullen er wel voor oppassen. Want ik heb de compacte +meerderheid achter me, zie je! + +MEVR. STOCKMANN. Ja, dat is juist het ongeluk, dat je zoo iets ellendigs +achter je hebt. + +DR. STOCKMANN. Mallepraat, Katrine,... ga naar huis en zorg voor je +huishouden en laat de zorg voor maatschappelijke dingen aan mij over. +Hoe kan je toch zoo bang zijn als ik zoo rustig en blijmoedig ben? +(_wrijft zich de handen en loopt op en neer_). De waarheid en het volk +zullen den slag winnen, daar kan je op aan. O, ik zie den heelen +vrijzinnigen burgerstand zich al scharen tot een zegevierend leger...! +(_stoot tegen een stoel_). Wat ... wat duivel is dat hier? + +ASLAKSEN (_kijkt dien kant uit_). O wee! + +HOVSTAD (_evenzoo_). Hm.... + +DR. STOCKMANN. Hier ligt zoowaar het toppunt der autoriteit. (_hij neemt +de pet van den burgemeester voorzichtig met de toppen van zijn vingers +op en houdt die in de hoogte_). + +MEVR. STOCKMANN. De pet van den burgemeester! + +DR. STOCKMANN. En hier is zijn commandostaf ook. Hoe komt voor den +drommel...? + +HOVSTAD. Ja.... + +DR. STOCKMANN. O, ik begrijp er alles van! Hij is hier geweest om u te +bepraten. Haha, daar kwam hij aan het rechte kantoor! En toen hij mij in +de drukkerij in het oog kreeg.... (_barst in lachen uit_). Is hij gaan +loopen, mijnheer Aslaksen? + +ASLAKSEN (_snel_). Ja, waarachtig, hij is gaan loopen, dokter. + +DR. STOCKMANN. Is gaan loopen zonder stok en.... Larifari; Peter loopt +zoo maar niet weg. Maar wat duivel, waar heb je hem gelaten? Ah ... +daarbinnen natuurlijk. Nou zal je eens wat zien, Katrine! + +MEVR. STOCKMANN. Thomas, ik bid je! + +ASLAKSEN. Neem u in acht, dokter. + +DR. STOCKMANN (_heeft burgemeesters pet opgezet en zijn stok in de hand +genomen; dan gaat hij naar de deur, gooit die open en salueert met de +hand aan de klep van de pet_). + +(_Burgemeester komt binnen, rood van kwaadheid. Achter hem aan komt +Billing_). + +BURGEM. STOCKMANN. Wat moet die vertooning beteekenen? + +DR. STOCKMANN. Een beetje respect, mijn goede Peter. Nu vertegenwoordig +_ik_ de autoriteit van de stad. (_hij wandelt op en neer_). + +MEVR. STOCKMANN (_bijna schreiend_). Maar Thomas dan toch! + +BURGEM. STOCKMANN (_loopt hem na_). Geef mij mijn pet en mijn stok! + +DR. STOCKMANN (_als voren_). Al ben jij het hoofd van de politie, ik ben +het hoofd van de stad.... Ik ben baas van den heelen boel, ik, zie je! + +BURGEM. STOCKMANN. Zet die pet af, zeg ik je. Bedenk dat het een +reglementaire uniformpet is! + +DR. STOCKMANN. Poeh! Denk je dat de ontwakende volksleeuw zich bang laat +maken door uniformpetten? Want morgen komt er revolutie in de stad, dat +je het maar weet. Jij dreigde mij af te zetten, maar nu zet ik jou af +... onthef je van al je posten van vertrouwen.... Geloof je soms dat ik +dat niet kan? Ja wel, hoor; ik heb de zegevierende machten van de +maatschappij op mijn hand. Hovstad en Billing zullen donderen in de +"Volksbode", en Aslaksen rukt uit aan het hoofd van den heelen Bond van +Huiseigenaren.... + +ASLAKSEN. Dat doe ik niet, dokter. + +DR. STOCKMANN. Ja, welzeker, doet u dat.... + +BURGEM. STOCKMANN. Ah, zoo, mijnheer Hovstad prefereert misschien toch +ook om zich aan te sluiten bij de beweging? + +HOVSTAD. Neen, burgemeester. + +ASLAKSEN. Neen, mijnheer Hovstad is zoo gek niet dat hij zich zelf en +zijn blad er aan zou wagen, en dat ter wille van een hersenschim. + +DR. STOCKMANN (_kijkt rond_). Wat beteekent dat alles? + +HOVSTAD. U heeft uw zaak in een valsch licht voorgesteld, dokter; en +daarom kan ik die niet steunen. + +BILLING. Neen, na wat burgemeester zoo vriendelijk was mij te vertellen +daar straks.... + +DR. STOCKMANN. In een valsch licht! Laat dat toch aan mij over! Druk +mijn opstel maar; ik ben mans genoeg om zelf de verantwoordelijkheid er +voor op mij te nemen. + +HOVSTAD. Ik druk het niet. Ik kan en wil en durf het niet drukken. + +DR. STOCKMANN. Durft u niet? Wat zijn dat voor praatjes? U is toch +redacteur en het zijn toch de heeren redacteurs die de pers regeeren, +zou ik denken! + +ASLAKSEN. Neen, dat zijn de abonne's, dokter. + +BURGEM. STOCKMANN. Gelukkig, ja. + +ASLAKSEN. Het is de publieke opinie, het verlichte publiek, de +huiseigenaren en al de anderen; die zijn het die de pers regeeren. + +DR. STOCKMANN (_kalm_). En al deze machten heb ik tegen mij? + +ASLAKSEN. Ja; het zou de ondergang van de burgerij zijn als uw verslag +gedrukt werd. + +DR. STOCKMANN. Zoo.... + +BURGEM. STOCKMANN. Mijn pet en mijn stok! + +DR. STOCKMANN (_neemt de pet af en legt die met den stok op de tafel_). + +BURGEM. STOCKMANN (_neemt ze allebei op_). Je burgemeesterswaardigheid +was van korten duur. + +DR. STOCKMANN. Wij zijn er nog niet. (_tegen Hovstad_). Het is dus +volstrekt onmogelijk om mijn verslag in de "Volksbode" geplaatst te +krijgen? + +HOVSTAD. Volstrekt onmogelijk; ook uit consideratie voor uw gezin. + +DR. STOCKMANN. O, u hoeft waarachtig niet in de war te zitten over mijn +gezin, mijnheer Hovstad. + +BURGEM. STOCKMANN (_haalt een papier uit zijn zak_). Tot voorlichting +van het publiek zal het wel voldoende zijn, als dit er in komt; dit is +een officieele verklaring. Alsjeblieft. + +HOVSTAD (_neemt het aan_). Goed; dat zullen wij plaatsen. + +DR. STOCKMANN. Maar het mijne niet! Men verbeeldt zich dat men mij en de +waarheid doodzwijgen kan! Maar dat gaat nog zoo gemakkelijk niet als je +denkt. Mijnheer Aslaksen, wil u dadelijk mijn manuscript nemen en het +als vlugschrift drukken ... voor mijn rekening ... als mijn eigen +uitgaaf. Ik wil vierhonderd exemplaren hebben; neen, vijf-, zeshonderd +wil ik er hebben. + +ASLAKSEN. Al wou u het met goud betalen, ik durf mijn drukkerij er niet +toe leenen, dokter. Ik durf het niet voor de publieke opinie. U krijgt +dat in de heele stad nergens gedrukt. + +DR. STOCKMANN. Geef het mij dan terug. + +HOVSTAD (_reikt hem het M.S. over_). Alsjeblieft. + +DR. STOCKMANN (_haalt hoed en stok_). De wereld in zal het toch. Ik zal +het voorlezen in een groote volksvergadering; al mijn medeburgers moeten +de stem der waarheid hooren. + +BURGEM. STOCKMANN. Geen enkele vereeniging in de heele stad staat je een +lokaal af voor zoo iets. + +ASLAKSEN. Geen enkele; dat weet ik zeker. + +BILLING. Neen, verdomd als ze het doen! + +MEVR. STOCKMANN. Dat zou toch al te schandelijk zijn! Waarom zijn ze +ineens zoo tegen je allemaal? + +DR. STOCKMANN (_toornig_). Dat zal ik je zeggen. Omdat alle mannen hier +in de stad oude wijven zijn ... net als jij; ze denken allemaal alleen +aan hun gezin en niet aan de maatschappij. + +MEVR. STOCKMANN (_grijpt zijn arm_). Dan zal ik hun een ... een oud wijf +laten zien, dat een man kan zijn ... voor een enkelen keer. Want nu ben +ik op jouw hand, Thomas! + +DR. STOCKMANN. Dat was flink gesproken, Katrine! En de wereld in zal +het, bij mijn ziel en zaligheid! Kan ik geen lokaal in huur krijgen, dan +huur ik een tamboer om met mij door de stad te gaan, en dan lees ik het +voor op alle hoeken van de straten. + +BURGEM. STOCKMANN. Zoo stapelgek ben je toch nog niet! + +DR. STOCKMANN. Jawel, zoo gek ben ik wel! + +ASLAKSEN. U krijgt geen enkelen man in de heele stad, die met u mee wil +gaan. + +BILLING. Neen, verdomd als u er een krijgt! + +MEVR. STOCKMANN. Niet toegeven, Thomas! Ik zal de jongens vragen om met +je mee te gaan. + +DR. STOCKMANN. Dat is een prachtig idee! + +MEVR. STOCKMANN. Morten doet het dolgraag; en Ejlif gaat ook wel mee. + +DR. STOCKMANN. Ja, en Petra! En jij zelf, Katrine! + +MEVR. STOCKMANN. Neen, ik zelf niet; maar ik zal aan het raam staan en +naar je kijken; dat zal ik. + +DR. STOCKMANN (_slaat zijn armen om haar heen en kust haar_). Dank je +daarvoor! Nu wordt het een tweegevecht, dappere heeren! Ik wil toch zien +of de laagheid de macht bezit om den patriot, die de maatschappij wil +reinigen, den mond te snoeren. + +(_Hij en zijn vrouw af door de deur links achter_). + +BURGEM. STOCKMANN (_schudt bedenkelijk het hoofd_). Nu heeft hij haar +ook gek gemaakt! + + +EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF. + + + * * * * * + + +VIERDE BEDRIJF. + + Een groote ouderwetsche zaal in het huis van kapitein Horster. Een + openstaande dubbele deur op den achtergrond leidt naar een + voorkamer. In den linkerwand zijn drie ramen: in 't midden van den + tegenovergestelden wand is een verhooging geplaatst en daarop een + klein tafeltje met twee kaarsen, een waterkaraf, een glas en een + handbel. De zaal is verder verlicht door lustres tusschen de ramen + geplaatst. Links op den voorgrond staat een tafel met kaarsen er op + en een stoel er voor. Heel vooraan rechts is een deur waarbij een + paar stoelen staan. + + Een groote menigte stadsburgers uit alle standen. Enkele vrouwen en + eenige schooljongens ziet men er tusschen. Steeds meer menschen + stroomen naar binnen van den achtergrond komend, tot de zaal vol + is. + + * * * * * + +EEN BURGER (_tegen een anderen dien hij tegenkomt_). Zoo, ben jij hier +ook van avond, Lamstad? + +DE TOEGESPROKENE. Ja, ik doe mee bij alle volksvergaderingen. + +EEN DAARBIJ STAANDE. Je hebt toch wel een pijp meegenomen, zeg? + +DE TWEEDE. Ja zeker; jij niet? + +DE DERDE. Ja waarachtig. En schipper Evensen zou een heel groote hoorn +meebrengen heeft hij gezegd. + +DE TWEEDE. Evensen ... die is goed! + +(_Gelach in de groep_). + +EEN VIERDE (_komt er bij_). Zeg eens, wat moet er toch gebeuren van +avond? + +DE TWEEDE. Wel dokter Stockmann zal spreken tegen den burgemeester. + +DE NIEUW AANGEKOMENE. Maar de burgemeester is immers zijn broer? + +DE EERSTE. Dat doet er niet toe; dokter Stockmann is niet bang. + +DE DERDE. Maar hij heeft toch ongelijk; dat stond in de "Volksbode". + +DE TWEEDE. Ja, dezen keer moet hij zeker ongelijk hebben; want niemand +wou hem een zaal afstaan, noch de Bond van Huiseigenaren, noch de +Burgerclub. + +DE EERSTE. Niet eens de kuurzaal kon hij krijgen. + +DE TWEEDE. Ja, dat zal wel waar zijn. + +EEN MAN (_in een andere groep_). Met wien moet je het nou eigenlijk +houden, in dit geval, zeg? + +EEN TWEEDE (_zelfde groep_). Richt je maar naar Aslaksen, den +boekdrukker, en doe zooals hij doet. + +BILLING (_met een portefeuille onder den arm, baant zich een weg door de +menigte_). Permitteert, heeren! Mag ik even door alsjeblieft? Ik ben de +verslaggever van de "Volksbode". Dank u wel! (_hij gaat aan de tafel +links zitten_). + +EEN WERKMAN. Wie was dat? + +EEN TWEEDE. Ken je _dien_ niet? Dat is Billing, van Aslaksen zijn +courant. + +(_Kapitein Horster brengt mevrouw Stockmann en Petra binnen door de +voordeur rechts. Ejlif en Morten volgen_). + +HORSTER. Hier dacht ik dat de familie het best zou zitten; hier is u er +dadelijk uit als er iets gebeuren mocht. + +MEVR. STOCKMANN. Denkt u dan dat er herrie zal zijn? + +HORSTER. Je kunt nooit weten, met zoo'n troep menschen.... Maar gaat u +maar gerust zitten. + +MEVR. STOCKMANN (_gaat zitten_). Hoe vriendelijk van u dat u Stockmann +uw zaal aangeboden heeft. + +HORSTER. Toen niemand anders wou.... + +PETRA (_die ook is gaan zitten_). En moedig was het ook, kapitein. + +HORSTER. Nu, zooveel moed was daar niet voor noodig, dunkt me. + +(_Hovstad en Aslaksen komen te gelijkertijd, maar ieder afzonderlijk +door de menigte heen_). + +ASLAKSEN (_gaat naar Horster toe_). Is de dokter er nog niet? + +HORSTER. Hij wacht binnen. + +(_Beweging bij de deur_). + +HOVSTAD (_tegen Billing_). Daar komt de burgemeester. Kijk eens! + +BILLING. Ja, goddome,... die komt waarachtig ook! + +(_Burgemeester Stockmann baant zich voorzichtig een weg door de menigte, +groet beleefd en gaat zitten tegen den muur links. Even daarna komt dr. +Stockmann door de voorste deur rechts. Hij is in rok-en-witte-das. +Enkelen applaudisseeren weifelend, wat met een gedempt gesis begroet +wordt. Het wordt stil_). + +DR. STOCKMANN (_halfluid_). Hoe gaat het, Katrine? + +MEVR. STOCKMANN. Goed; best (_zachter_). Word nu niet dadelijk driftig, +Thomas. + +DR. STOCKMANN. Och kom; ik kan mij best inhouden (_kijkt op zijn +horloge, stapt op het podium en buigt_). 't Is al een kwartier over den +tijd,... dus zal ik maar beginnen (_haalt zijn manuscript voor den +dag_). + +ASLAKSEN. Eerst zal er toch wel een president gekozen moeten worden. + +DR. STOCKMANN. Neen,... dat is volstrekt niet noodig. + +EENIGE HEEREN (_roepen_). Jawel, jawel! + +BURGEM. STOCKMANN. Ik zou ook denken dat er een president gekozen moest +worden. + +DR. STOCKMANN. Maar, Peter, ik heb toch deze vergadering opgeroepen om +een voordracht te houden. + +BURGEM. STOCKMANN. De voordracht van den baddokter zou misschien tot +zeer uiteenloopende meeningsverschillen aanleiding kunnen geven. + +VERSCHEIDENE STEMMEN (_uit de menigte_). Een president! Een voorzitter! + +HOVSTAD. De algemeene volkswil schijnt een voorzitter te verlangen. + +DR. STOCKMANN (_kalm blijvend_). Nu, goed dan; laat de volkswil zijn zin +hebben. + +ASLAKSEN. Zou burgemeester zich met die taak willen belasten? + +BURGEM. STOCKMANN. Om verschillende, wel begrijpelijke redenen, moet ik +daarvoor bedanken. Maar gelukkig hebben wij in ons midden een man, dien, +meen ik, allen hun stem kunnen geven. Ik bedoel den president van den +Bond van Huiseigenaren, den heer Aslaksen. + +VELE STEMMEN. Ja, ja! Aslaksen! Hoera voor Aslaksen! + +DR. STOCKMANN (_neemt zijn manuscript op en stapt van het podium af_). + +ASLAKSEN. Als mijne medeburgers mij hun vertrouwen schenken, mag ik niet +weigeren.... (_handgeklap en bijvalsbetuigingen. Aslaksen bestijgt het +podium_). + +BILLING (_schrijft_). Dus ... "de heer boekdrukker Aslaksen bij +acclamatie verkozen".... + +ASLAKSEN. En nu ik hier op deze plaats sta, zij het mij vergund een kort +woord te spreken. Ik ben een rustig en vreedzaam man, die gesteld is op +kalme gematigdheid, en op ... en op gematigde kalmte; dat weet een ieder +die mij kent. + +VELE STEMMEN. Ja! Jawel, Aslaksen! + +ASLAKSEN. Ik heb in de school des levens en der ervaring geleerd, dat +maathouden een deugd is, die den staatsburger het best kleedt.... + +BURGEM. STOCKMANN. Juist! + +ASLAKSEN. ... en dat bezonnenheid en maathouden eigenschappen zijn, +waarmee ook de maatschappij het best gediend is. Daarom zou ik mijn +geachten medeburger, die hier de vergadering opgeroepen heeft, op het +hart willen drukken, zich binnen de grenzen der gematigdheid te houden. + +EEN MAN (_bij de deur_). Leve het matigheidsgenootschap! + +EEN STEM. Naar den duivel daarmee! + +VELEN. Sst! Sst! + +ASLAKSEN. Niet in de rede vallen, heeren!... Is er iemand die het woord +verlangt? + +BURGEM. STOCKMANN. Mijnheer de voorzitter! + +ASLAKSEN. De burgemeester heeft het woord. + +BURGEM. STOCKMANN. Met het oog op de nauwe bloedverwantschap waarin ik, +zooals bekend is, tot den fungeerenden baddokter sta, ware het mij zeer +gewenscht geweest heden avond hier niet te spreken. Maar mijn betrekking +tot de badinrichting en de overweging dat de allergrootste belangen der +stad er mee gemoeid zijn, noodzaken mij een voorstel te doen. Ik durf +wel veronderstellen dat geen enkele der hier aanwezige burgers het +wenschelijk acht, dat onbetrouwbare en overdreven voorstellingen van de +sanitaire toestanden van de badplaats en de stad, in wijder kring +verspreid worden. + +VELE STEMMEN. Ja! Ja! Natuurlijk! Wij protesteeren! + +BURGEM. STOCKMANN. Ik stel daarom voor dat de vergadering den baddokter +niet zal toestaan zijn voorstelling van de zaak voor te lezen of voor te +dragen. + +DR. STOCKMANN (_opbruisend_). Niet zal toestaan...! Wat! + +MEVR. STOCKMANN (_hoest_). Hm ... hm! + +DR. STOCKMANN (_houdt zich in_). Zoo,... dus niet zal toestaan! + +BURGEM. STOCKMANN. Ik heb in mijn verklaring in de "Volksbode" het +publiek met de ware feiten bekend gemaakt, zoodat alle welgezinde +burgers zich gemakkelijk een oordeel kunnen vormen. Men zal daaruit zien +dat het voorstel van den baddokter ... behalve dat het een votum van +wantrouwen tegen de leidsmannen der stedelijke regeering is ... +eigenlijk daarop neerkomt, alle belastingplichtigen met een onnoodige +uitgaaf van minstens honderdduizend kronen te bezwaren. (_Uitingen van +onwil; hier en daar fluiten_). + +ASLAKSEN (_luidt de bel_). Stilte heeren! Ik ben zoo vrij het voorstel +van den burgemeester te steunen. Het is ook mijn opinie dat de dokter +met zijn drijven een bijoogmerk heeft. Hij spreekt van de badinrichting; +maar hij beoogt een omwenteling; hij wil het bestuur in andere handen +over brengen. Niemand twijfelt aan de goede bedoelingen van den dokter; +de hemel beware ons, daarover is geen verschil van opvatting mogelijk. +Ik ben ook een vriend van gemeentelijk zelfbestuur,... als de +belastingplichtigen er maar niet te zwaar door gedrukt worden; maar dat +zou hier juist het geval zijn. En daarom ... de duivel mag mij halen ... +met verlof ... kan ik dezen keer niet met dokter Stockmann meegaan. Men +kan ook goud al te duur koopen; dat is _mijn_ opinie. + +(_Levendige instemming van alle kanten_). + +HOVSTAD. Ook ik voel mij gedrongen mijn houding te verklaren. Dokter +Stockmann's beweging scheen aanvankelijk instemming te vinden, en ik +steunde die zoo onpartijdig als ik kon. Maar toen werd ons duidelijk dat +wij door een valsche voorstelling op een dwaalspoor waren geleid.... + +DR. STOCKMANN. Valsche...! + +HOVSTAD. Een minder betrouwbare dan. De verklaring van den Heer +burgemeester heeft dat bewezen. Ik hoop dat niemand hier ter plaatse +mijn liberale gezindheid verdenkt. De houding van de "Volksbode" in de +groote politieke kwesties is voor een ieder bekend genoeg. Maar ik heb +van ervaren en verstandige mannen geleerd, dat in zuivere lokale +aangelegenheden een blad met zekere omzichtigheid te werk moet gaan. + +ASLAKSEN. Geheel van dezelfde opinie als de geachte spreker. + +HOVSTAD. En in het onderhavige geval, is het ten eenenmale buiten +twijfel dat dokter Stockmann de gezindheid van het publiek tegen zich +heeft. Maar wat is de eerste en voornaamste plicht van een redacteur, +mijne heeren? Dat hij werkt in overeenstemming met zijn lezers, niet +waar? Heeft hij niet als een zwijgende opdracht gekregen, om standvastig +en onvervaard de welvaart van zijn geestverwanten te bevorderen? Of tast +ik wellicht hierin mis? + +VELE STEMMEN. Neen, neen, neen! Hovstad heeft gelijk! + +HOVSTAD. Het heeft mij een hevigen strijd gekost te breken met een man, +in wiens huis ik in den laatsten tijd een veelgeziene gast was,... een +man die tot op dezen dag zich heeft mogen verheugen in de onverdeelde +welwillendheid van zijn medeburgers ... een man, wiens eenige ... of +althans voornaamste gebrek is, dat hij meer met zijn hart dan met zijn +verstand te rade gaat. + +STEMMEN HIER EN DAAR. Dat is waar! Hoera voor dokter Stockmann! + +HOVSTAD. Maar mijn plicht jegens de maatschappij gebood mij met hem te +breken. En dan is er nog een overweging, die mij dwingt hem te +bestrijden, en zoo mogelijk, tegen te houden op den onheilvollen weg, +dien hij heeft ingeslagen; dat is het lot van zijn gezin.... + +DR. STOCKMANN. Houd u bij de waterleiding en het riool! + +HOVSTAD. ... het lot van zijn echtgenoote en zijn onverzorgde kinderen. + +MORTEN. Zijn wij dat, moeder? + +MEVR. STOCKMANN. Sst! + +ASLAKSEN. Ik zal dus het voorstel van den burgemeester in stemming +brengen. + +DR. STOCKMANN. Niet noodig! Van avond ben ik niet van plan over die +zwijnerij daarginder in de badinrichting te spreken. Neen; je zult heel +wat anders te hooren krijgen. + +BURGEM. STOCKMANN (_halfluid_). Wat is dat nu weer? + +EEN DRONKEN MAN (_bij de deur_). Ik betaal belasting en daarom heb ik +ook het recht mijn opinie te zeggen! En ik heb de volle, vaste ... +onbegrijpelijke overtuiging, dat.... + +VERSCHEIDEN STEMMEN. Stilte daarginder! + +ANDERE. Hij is dronken! Gooit hem er uit! + +(_De dronken man wordt buiten gezet_). + +DR. STOCKMANN. Heb ik het woord? + +ASLAKSEN (_luidt de bel_). Dokter Stockmann heeft het woord. + +DR. STOCKMANN. Dat had men enkele dagen geleden moeten durven probeeren, +om mij zooals van avond hier den mond te snoeren! Als een leeuw zou ik +gestreden hebben voor mijn heilige menschenrechten! Maar nu kan het mij +niet meer schelen; want nu heb ik over gewichtiger dingen te spreken. + +(_De menigte dringt dichter om hem heen, Morten Kiil wordt zichtbaar +tusschen de omstanders_). + +DR. STOCKMANN (_gaat voort_). Ik heb veel gepeinsd en nagedacht deze +laatste dagen,... over zooveel loopen peinzen, dat mij het hoofd soms +omliep.... + +BURGEM. STOCKMANN (_bromt_). Hm...! + +DR. STOCKMANN. ... maar zachtjes aan werd alles mij helder; toen zag ik +het verband zoo duidelijk. En daarom sta ik van avond hier. Ik zal +belangrijke onthullingen doen, mijn medeburgers! Ik zal u een ontdekking +meedeelen van veel grooter gewicht dan de kleinigheid dat onze +waterleiding vergiftigd is en ons herstellingsoord op een verpesten +grond ligt. + +VELE STEMMEN (_roepen_). Niet over de badplaats spreken! Dat willen wij +niet hooren. Niets daarvan! + +DR. STOCKMANN. Ik heb gezegd dat ik spreken wou over de groote +ontdekking die ik in deze laatste dagen heb gedaan,... de ontdekking dat +al onze geestelijke levensbronnen vergiftigd zijn, en dat onze heele +samenleving rust op een door leugens verpesten grond. + +VERBLUFTE STEMMEN (_halfluid_). Wat zegt hij? + +BURGEM. STOCKMANN. Zulk een insinuatie...! + +ASLAKSEN (_met de hand aan de bel_). De spreker wordt verzocht zich te +matigen. + +DR. STOCKMANN. Ik heb mijn geboorteplaats zoo lief gehad als een man de +stad waar zijn ouderlijk huis staat maar liefhebben kan. Ik was nog niet +oud toen ik van hier weg ging, en de afstand, verlangen en +jeugdherinneringen legden als een verhoogden glans over de plaats zoowel +als over de menschen. + +(_Enkelen applaudisseeren en betuigen bijval_). + +DR. STOCKMANN. Toen zat ik lange jaren in een verschrikkelijken uithoek +ver weg in het Noorden. Wanneer ik soms den een of ander ontmoette van +de menschen die daar tusschen de rotsklompen verspreid leven, dan dacht +ik dikwijls dat het voor die arme uitgeputte wezens beter ware geweest +als zij een veearts in plaats van mij gekregen hadden. + +(_Gemompel in de zaal_). + +BILLING (_legt de pen neer_). Zoo iets heb ik, goddome nog nooit +gehoord...! + +HOVSTAD. Dat is een bespotting van een eerwaardige volksklasse! + +DR. STOCKMANN. Wacht nu maar even!... ik geloof dat niemand van mij zal +kunnen zeggen, dat ik mijn geboorteplaats daarginder vergat. Ik zat als +een eidergans op een ei, en wat ik uitbroedde,... dat was het plan voor +de badinrichting hier. + +(_Handgeklap en protesten_). + +DR. STOCKMANN. En toen eindelijk en ten laatste het lot mij gunstig was +en ik weer naar huis terugkeeren kon,... ja, mijn medeburgers, toen +dacht ik dat er niet veel meer voor mij te wenschen over bleef. Alleen +dien eenen wensch had ik nog: om ijverig, onvermoeid en met mijn heele +ziel werkzaam te zijn voor mijn vaderstad en het algemeen welzijn. + +BURGEM. STOCKMANN (_kijkt in de lucht_). De manier is een beetje +zonderling ... hm. + +DR. STOCKMANN. En zoo leefde ik dan hier zwelgend in mijn verblind +geluk. Maar gisteren morgen ... neen, het was eigenlijk eergisteren +avond ... toen gingen ineens de oogen van mijn geest wijd open, en het +eerste wat ik zag, dat was die kolossale domheid van de autoriteiten.... + +(_Rumoer, roepen en lachen. Mevr. Stockmann kucht hevig_). + +BURGEM. STOCKMANN. Mijnheer de voorzitter! + +ASLAKSEN (_belt_). Krachtens mijn bevoegdheid...! + +DR. STOCKMANN. Het is kleinzielig om aan een woord te blijven hangen, +mijnheer Aslaksen. Ik wil alleen zeggen dat ik achter die ongehoorde +zwijnerij gekomen ben, waaraan zich de leidsmannen der badinrichting +hebben schuldig gemaakt. Leidsmannen kan ik om den dood niet +uitstaan;... van dat soort menschen heb ik in mijn leven genoeg +gekregen. Zij zijn net als bokken in een jonge aanplanting; ze doen +overal kwaad aan; een vrij man staan ze in den weg, hoe hij zich ook +wendt of keert;... en het liefst zou ik zien dat men ze uitroeide +evenals ander schadelijk gedierte.... + +(_Onrust in de zaal_). + +BURGEM. STOCKMANN. Mijnheer de voorzitter, kan u zulke uitdrukkingen +laten passeeren? + +ASLAKSEN (_met de hand aan de bel_). Mijnheer de dokter...! + +DR. STOCKMANN. Ik begrijp zelf niet dat ik nu pas een helderen kijk op +die heeren gekregen heb; want ik heb hier toch bijna dagelijks zoo'n +prachtexemplaar voor mijn oogen gehad ... mijn broer Peter ... +zwaarwichtig en vasthoudend aan vooroordeelen.... + +(_Lachen, rumoer en gefluit. Mevr. Stockmann zit maar te kuchen_). + +ASLAKSEN (_luidt hevig met de bel_). + +DE DRONKEN MAN (_die weer binnen gekomen is_). Doelt dat op mij? Want +ja, ik heet wel Pettersen, maar de duivel zal mij halen.... + +BOOZE STEMMEN. Er uit met dien dronken kerel! Gooit hem de deur uit! + +(_De man wordt er weer uitgegooid_). + +BURGEM. STOCKMANN. Wie was dat? + +EEN NABIJSTAANDE. Ik ken hem niet, Burgemeester. + +EEN ANDER. Hij is niet hier van daan. + +EEN DERDE. Ze zeggen dat 't een houtkooper is uit.... (_de rest +onhoorbaar_). + +ASLAKSEN. De man had blijkbaar te veel Beijersch bier gedronken.... Ga +voort, dokter, maar doe toch alsjeblieft uw best om u wat te matigen. + +DR. STOCKMANN. Nu, goed dan, mijn medeburgers; ik zal mij niet verder +uitlaten over onze leidsmannen. En mocht iemand afleiden uit wat ik zoo +even gezegd heb, dat ik deze heeren hier van avond te lijf wil, dan +heeft hij het mis ... glad mis. Want ik troost mij met de weldadige +gedachte, dat die oudelui uit een wegstervende gedachtenwereld, zich +zelf op zoo'n uitstekende manier uit den tijd helpen; zij hebben er niet +eens een dokter bij noodig om hen zoo gauw mogelijk naar het graf te +doen verhuizen. En het is ook niet die soort van menschen die het +grootste gevaar voor de samenleving opleveren; niet _zij_ zijn het die +het meeste bijdragen om onze geestelijke levensbronnen te vergiftigen en +den grond onder onze voeten te verpesten; niet _zij_ zijn de +gevaarlijkste vijanden van waarheid en vrijheid in onze maatschappij. + +GEROEP VAN ALLE KANTEN. Wie dan? Wie zijn het dan? Noem ze dan! + +DR. STOCKMANN. Ja, je kunt er op aan, dat ik ze noemen zal! Want dit is +juist de groote ontdekking die ik gisteren gedaan heb (_met +stemverheffing_). De gevaarlijkste vijanden van waarheid en vrijheid +onder ons, dat zijn zij, die de compacte meerderheid uitmaken. + +(_Geweldig rumoer in de zaal. De meesten schreeuwen, stampen en fluiten. +Enkele oudere heeren wisselen ter sluiks blikken en schijnen zich te +amuseeren. Mevr. Stockmann staat angstig op; Ejlif en Morten gaan +dreigend op de schooljongens af die leven maken. Aslaksen luidt de bel +en maant tot kalmte. Hovstad en Billing praten samen, zonder dat men hen +verstaat. Eindelijk wordt het weer stil_). + +ASLAKSEN. De voorzitter verwacht dat de spreker zijn ondoordachte +woorden zal terugnemen. + +DR. STOCKMANN. Nooit van mijn leven, mijnheer Aslaksen. Het is de groote +meerderheid in onze samenleving, die mij mijn vrijheid ontneemt en mij +wil verbieden de waarheid uit te spreken. + +HOVSTAD. De meerderheid heeft altijd het recht aan hare zijde. + +BILLING. En ook de waarheid, goddome! + +DR. STOCKMANN. De meerderheid heeft nooit het recht aan hare zijde. +Nooit, zeg ik. Dat is een van die maatschappelijke leugens, waartegen +een vrij denkend man zich moet verzetten. Wie zijn het die de +meerderheid der bewoners van een land uitmaken? Zijn dat de knappe +menschen of de domme? Ik vermoed dat wij het daarover wel eens zullen +zijn dat de dommen in een gewoon overweldigende meerderheid over de +heele wijde wereld voorhanden zijn. Maar dat de dommen heerschen over de +verstandigen, dat kan voor den duivel, in der eeuwigheid niet zijn +zooals 't moet. + +(_Rumoer en geschreeuw_). + +DR. STOCKMANN. Jawel; overschreeuwen kunnen jullie me wel; maar +tegenspreken niet. De meerderheid bezit de _macht_ ... helaas ... maar +het _recht_ bezit zij niet. Het recht heb ik en nog een paar anderen, de +weinigen. De minderheid heeft altijd het recht. + +(_Weer geweldig rumoer_). + +HOVSTAD. Haha; dokter Stockmann is dus aristokraat geworden sedert +eergisteren! + +DR. STOCKMANN. Ik heb gezegd dat ik geen woord verspillen zou aan den +kleinen benauwden, aamborstigen troep, die achtergebleven is. Daarmee +heeft het kloppende leven niets meer te maken. Maar ik denk aan de +weinigen, de enkelen onder ons, die zich al de jonge ontkiemende +waarheden hebben eigen gemaakt. Deze mannen staan als 't ware buiten, +tusschen de voorposten, zoover vooruitgeschoven dat de compacte +meerderheid nog niet tot daar opgerukt is, en daar strijden zij voor +waarheden, die nog te jonggeboren zijn in de wereld van het bewustzijn, +om eenige meerderheid voor zich te kunnen hebben. + +HOVSTAD. O, dus nu is de dokter revolutionair geworden? + +DR. STOCKMANN. Ja, verdomd, dat ben ik, mijnheer Hovstad! Ik ben van +plan revolutie te maken tegen de leugen, dat de meerderheid in het bezit +van de waarheid zou zijn. Wat zijn dat voor waarheden waaromheen de +meerderheid zich gewoonlijk groepeert? Dat zijn waarheden die zoo'n +hoogen leeftijd bereikt hebben, dat ze op weg zijn van ouderdom in +elkaar te zakken. Maar als een waarheid zoo oud geworden is, dan is zij +ook goed op weg om een leugen te worden, mijne heeren! + +(_Lachen en spottende uitdrukkingen_). + +DR. STOCKMANN. Ja, ja, je kunt mij gelooven of niet, maar waarheden zijn +volstrekt niet zulke taaie Methusalems als de menschen wel denken. Een +normaal gebouwde waarheid leeft ... laat ons zeggen ... in den regel een +zeventien a achttien, hoogstens twintig jaren; zelden langer. Maar zulke +bejaarde waarheden zijn altijd verschrikkelijk mager. En toch is het pas +dan dat de meerderheid zich met hen bemoeit en ze de maatschappij +aanbeveelt als gezond geestelijk voedsel. Maar er zit niet veel +voedingswaarde in dergelijken kost, dat kan ik u verzekeren; en dat moet +ik als dokter toch weten. Al die meerderheids-waarheden zijn te +vergelijken met oud overjarig gerookt vleesch; ze zijn zoo iets als +ranzige, verschimmelde, pas gezouten hammen. En daar van daan komt al +die geestelijke scorbuut die overal in de samenleving voortwoekert. + +ASLAKSEN. Het komt mij voor dat de geachte spreker wel eenigszins van +het onderwerp afwijkt. + +BURGEM. STOCKMANN. Ik moet mij inderdaad aansluiten bij de opinie van +den voorzitter. + +DR. STOCKMANN. Ik geloof dat je heelemaal niet wel bij 't hoofd bent, +Peter! Ik houd mij toch zoo streng aan mijn onderwerp als maar mogelijk +is. Want waarover ik spreken wil is immers juist dit, dat de massa, de +meerderheid, die duivelsche compacte majoriteit,... dat die het is, zeg +ik, die onze geestelijke levensbronnen vergiftigt en den grond onder +onze voeten verpest. + +HOVSTAD. En dat zou de vrijzinnige meerderheid van ons volk doen, omdat +het verstandig genoeg is alleen de vaste en erkende waarheden te +huldigen? + +DR. STOCKMANN. Och, mijn goede mijnheer Hovstad, praat toch niet van +vaste waarheden! De waarheden die de massa en de menigte erkennen, dat +zijn de waarheden die de strijders op de voorposten, in de dagen van +onze grootvaders, voor vaste waarheden hielden. Wij strijders op de +voorposten van heden, wij erkennen die niet meer; en ik geloof volstrekt +niet dat er een andere vaste waarheid bestaat, dan deze, dat geen enkele +maatschappij een gezond leven leiden kan berustend op dergelijke oude, +krachteloos waarheden. + +HOVSTAD. Maar in plaats van hier in 't wilde te staan praten, zou het +wel aardig zijn als wij eens te hooren kregen, wat dat dan voor oude +krachtelooze waarheden zijn, waarvan wij leven. + +(_Instemming van vele kanten_). + +DR. STOCKMANN. Och, ik zou een heelen hoop van dien smerigen rommel bij +elkaar kunnen halen; maar voorloopig wil ik mij houden bij eene erkende +waarheid, die eigenlijk een gemeene leugen is, maar waarvan toch zoowel +mijnheer Hovstad als de "Volksbode" en al de aanhangers van de +"Volksbode" leven. + +HOVSTAD. En die is...? + +DR. STOCKMANN. Dat is de leer die u van de voorvaders geerfd heeft en +die u gedachteloos uitbazuint in de heele wereld,... de leer, dat de +lagere klasse, de massa, de groote hoop, de kern des volks is,... dat +die het volk zelf is ... dat de gemeene man, deze onwetenden en +onontwikkelden in de samenleving, hetzelfde recht bezitten om te +veroordeelen of goed te keuren, te regeeren en te heerschen, als de +enkele geestelijk voorname persoonlijkheden. + +BILLING. Dat heb ik nu toch, goddome.... + +HOVSTAD (_tegelijkertijd, roept_). Burgers, let op! + +VERBITTERDE STEMMEN. Zoo? Zijn wij het volk niet? Zijn het alleen de +voorname lui die regeeren moeten! + +EEN WERKMAN. Weg met dien man die daar staat te kletsen! + +ANDEREN. Gooit hem er uit! + +EEN BURGER (_schreeuwt_). Blaas op je hoorn, Evensen! + +(_Geweldige trompettonen klinken; fluiten en een razend rumoer in de +zaal_). + +DR. STOCKMANN (_als het leven een beetje bedaard is_). Maar weest toch +verstandig, menschen! Wil je dan niet een enkelen keer de stem der +waarheid hooren? Ik verlang immers volstrekt niet dat je het allemaal +terstond met mij eens zult zijn. Maar ik had toch zeker verwacht dat +mijnheer Hovstad mij gelijk geven zou, als hij even had nagedacht. Want +mijnheer Hovstad maakt er immers aanspraak op vrijdenker te zijn.... + +VERWONDERDE TWIJFELENDE VRAGEN: Vrijdenker, zegt hij? Wat? Is Hovstad +vrijdenker? + +HOVSTAD (_roept_). Bewijs dat, dokter Stockmann! Wanneer heb ik dat ooit +laten drukken? + +DR. STOCKMANN (_bedenkt zich even_). Daar heeft u waarachtig gelijk in! +Dien moed heeft u nog nooit gehad. Nou, ik wil u niet het vuur aan de +schenen leggen, mijnheer Hovstad. Laat ik die vrijdenker dan maar zijn. +En nu zal ik je allemaal uit de natuurkunde bewijzen dat de "Volksbode" +je schromelijk bij den neus heeft, als zij je vertelt, dat de +volksklasse, de massa en de menigte de ware kern van het volk is. Dat is +eenvoudig een courantenleugen, weet je! De volksklasse is niets anders +dan de ruwe stof waaruit het volk menschen maken moet. + +(_Gebrom, gelach en onrust in de zaal_). + +DR. STOCKMANN. Gaat het dan niet zoo met alle andere levende dingen in +de wereld? Wat een verschil is er niet tusschen gecultiveerde rasdieren +en gewone dieren? Kijk maar eens naar een gewone boerenkip. Wat voor +waarde heeft het vleesch van zoo'n verarmd gedierte? Niet veel, +waarachtig! En wat voor eieren legt zoo'n dier? Een maar half +fatsoenlijke kraai of raaf kan ongeveer even goede eieren leggen. Maar +neem eens een echt Spaansch of Japansch rashoen, of een voorname fazant +of kalkoen;... ja, dan zie je het verschil wel! En dan honden, met wie +wij menschen zoo verbazend nauw verwant zijn. Stel je nu eens eerst een +gewonen achterbuurthond voor,... zoo'n smerigen, ruigen gemeenen +straathond, die enkel langs de straat loopt en de muren van de huizen +bevuilt. En vergelijk dan zoo'n straathond eens met een poedel, die al +sedert vele geslachten uit een voornaam huis stamt, waar hij best eten +gekregen heeft en gelegenheid had om welluidende stemmen en muziek te +hooren. Geloof je niet dat de hersens van dien poedel heel anders +ontwikkeld zijn dan die van den straathond? Ja, daar kan je zeker van +zijn! Zulke jonge raspoedeltjes zijn het die afgericht worden tot de +ongeloofelijkste kunststukjes. Zulke dingen kan een gewone boerenhond +nooit leeren, al zou hij op zijn kop gaan staan. + +(_Rumoer en grappen overal_). + +EEN BURGER (_roept_). Wil u nu ook al honden van ons maken? + +EEN TWEEDE. Wij zijn geen dieren, dokter! + +DR. STOCKMANN. Ja, bij mijn ziel en zaligheid, wij zijn wel dieren, +vadertje! Wij zijn zulke goede dieren, allemaal, als iemand maar kan +verlangen. Maar voorname dieren zijn er stellig niet veel onder ons. +O, er is een geweldige afstand tusschen poedel-menschen en +straathonden-menschen. En het grappige van de zaak is, dat mijnheer +Hovstad het geheel met mij eens is, zoolang wij over viervoetige dieren +spreken.... + +HOVSTAD. Ja, die laat ik voor wat ze zijn. + +DR. STOCKMANN. Jawel; maar zoodra ik de wet op de tweevoetige toepas, +dan staat mijnheer Hovstad stop. Dan durft hij zijn eigen opinies niet +meer volhouden, zijn eigen gedachten niet meer uit-denken; dan gooit hij +de heele leer onderste boven, en verkondigt in de "Volksbode", dat +boerenkippen en straathonden ... dat juist die de pracht-exemplaren der +menagerie zijn. Maar zoo gaat het altijd, zoo lang iemand nog zijn +plebejische afkomst in het bloed zit en zoolang hij zich nog niet tot +geestelijke voornaamheid heeft opgewerkt. + +HOVSTAD. Ik maak geen aanspraak op eenige voornaamheid. Ik stam af van +eenvoudige boeren; en ik ben er trotsch op dat mijn wortels reiken tot +diep onder in het volk, dat hier bespot wordt. + +VELE WERKLIEDEN. Hoera Hovstad! Hoera! Hoera! + +DR. STOCKMANN. Dat soort plebs waarvan ik spreek, dat vindt je niet +alleen daar beneden in de diepten, dat kruipt en wriemelt rondom ons +heen,... tot in de hoogste lagen der maatschappij. Kijkt maar eens naar +je eigen deftigen, eerzamen burgemeester! Mijn broer Peter is waarachtig +evengoed een plebejer, als anderen die er rondloopen.... + +(_Lachen en sissen_). + +BURGEM. STOCKMANN. Ik protesteer tegen dergelijke persoonlijke +aanvallen.... + +DR. STOCKMANN (_onverstoorbaar_) ... en niet omdat hij evenals ik, van +een ouden, smerigen zeeroover uit Pommeren of ergens dien kant uit +afstamt,... want dat doen wij.... + +BURGEM. STOCKMANN. Absurde overlevering. Wordt ontkend! + +DR. STOCKMANN. ... maar omdat hij de gedachten van zijn superieuren +denkt en altijd met hun opinie meegaat. De menschen die dat doen, dat +zijn geestelijke plebejers; kijk, daarom is mijn trotsche broer Peter in +den grond zoo weinig voornaam ... en dientengevolge ook zoo weinig +vrijzinnig. + +BURGEM. STOCKMANN. Mijnheer de voorzitter...! + +HOVSTAD. Dus zijn het de voornamen die vrijzinnig zijn hier in 't land? +Dat is een heel nieuwe openbaring. + +(_Lachen in de vergadering_). + +DR. STOCKMANN. Jawel; dat hoort ook nog bij mijn nieuwe ontdekking. En +ook dat hoort er nog bij, dat vrijzinnigheid ongeveer precies hetzelfde +is als moraliteit. En daarom zeg ik dat het volslagen onverantwoordelijk +is van de "Volksbode" dat zij, dag in dag uit, de dwaalleer verkondigt, +dat de massa, het gepeupel, de compacte meerderheid, de vrijzinnigheid +en de zedelijkheid in pacht zou hebben,... en dat slechtheid en +verdorvenheid en alle mogelijke geestelijke zwijnerij, iets zou zijn dat +voortvloeit uit beschaving, evenals al de smerigheid naar de badplaats +afvloeit van de leerlooierijen in het Molendal! + +(_Rumoer en interrupties_). + +DR. STOCKMANN (_onverstoorbaar; lacht in zijn ijver_). En toch kan +diezelfde "Volksbode" er over preeken dat de massa en het gepeupel +moeten worden opgeheven tot hooger leven. Maar voor den duivel, als de +leer der "Volksbode" steek hield, dan zou dat opheffen van het volk +precies hetzelfde beteekenen als het rechtstreeks in zijn verderf te +jagen! Maar gelukkig is het maar een oude overgeerfde volksleugen dat +beschaving demoraliseert. Neen, dom blijven, armoede, ellendige +levensomstandigheden, die doen dat duivelswerk! In een huis waar niet +gelucht en de grond niet geveegd wordt alledag ... mijn vrouw beweert +dat er ook gedweild moet worden; maar daarover kan verschil van meening +bestaan...; nu in zoo'n huis, beweer ik, verliezen de menschen in twee a +drie jaar de geschiktheid tot moreel denken en handelen. Gebrek aan +zuurstof verzwakt het geweten. En in zeer, zeer veel huizen in onze stad +schijnt groot gebrek aan zuurstof te zijn, als de heele compacte +meerderheid zoo gewetenloos kan zijn, dat zij de opkomst van de stad wil +gronden op een slijkbodem van leugen en bedrog. + +ASLAKSEN. Zulk een grove beschuldiging mag men een heele maatschappij +niet in het gezicht werpen. + +EEN HEER. Ik geef den voorzitter in overweging den spreker het woord te +ontnemen. + +LAWAAIIGE STEMMEN. Ja! ja! Juist! Ontneem hem het woord! + +DR. STOCKMANN (_opbruisend_). Dan schreeuw ik de waarheid uit op alle +hoeken van de straten. Ik zal in dagbladen van andere plaatsen +schrijven! Het heele land zal weten hoe het hier gesteld is. + +HOVSTAD. Het heeft er veel van of de dokter van plan is de heele stad te +ruineeren. + +DR. STOCKMANN. Ja, zooveel houd ik van mijn geboorteplaats, dat ik die +liever zou ruineeren, dan ze te zien opbloeien op een leugen. + +ASLAKSEN. Dat is sterk! + +(_Rumoer en gefluit. Mevr. Stockmann kucht tevergeefs; de dokter hoort +het niet meer_). + +HOVSTAD (_roept onder het rumoer door_). De man die den ondergang van +een heele maatschappij wenschen kan, moet een vijand der burgerij zijn! + +DR. STOCKMANN (_in stijgende drift_). Daaraan is niets verbeurd dat een +leugenachtige maatschappij te gronde gaat! Die behoort met den grond +gelijk gemaakt te worden, zeg ik! Uitgeroeid als schadelijk gedierte +moesten zij worden allen, die in leugens leven! Ten slotte verpest je +het heele land; je brengt het zoo ver dat het heele land verdient onder +te gaan. En komt het eens zoo ver, dan zeg ik uit het volle van mijn +hart: laat het heele land ten onder gaan; laat het heele volk uitgeroeid +worden! + +EEN MAN (_in de menigte_). Dat is de taal van een echten vijand des +volks! + +BILLING. Daar klonk, goddome, de stem des volks! + +De heele menigte (_schreeuwt_). Ja, ja, ja! Hij is een vijand des volks! +Hij haat zijn land! Hij haat het heele volk! + +ASLAKSEN. Ik ben als burger en als mensch diep geschokt door wat ik heb +moeten aanhooren. Dokter Stockmann heeft zich ontpopt op een manier, als +ik nooit had kunnen droomen. Ik moet, helaas, de overtuiging deelen, die +achtenswaardige burgers zoo even uitspraken; en ik meen dat wij aan die +overtuiging uiting moeten geven door een besluit. Ik stel het volgende +voor: "De vergadering verklaart dat zij den badarts, dr. Thomas +Stockmann, beschouwt als een vijand des volks." + +(_Stormachtig hoera-roepen en bijval. Een groote kring wordt om dr. +Stockmann gevormd en men fluit hem in zijn gezicht uit. Mevr. Stockmann +en Petra zijn opgestaan. Morten en Ejlif vechten met de andere +schooljongens, die ook gefloten hebben. Eenige volwassenen halen hen van +elkaar_). + +DR. STOCKMANN (_tegen de fluiters_). O, jullie dwazen!... ik zeg je +dat.... + +ASLAKSEN (_luidt de bel_). De dokter heeft niet meer het woord. Een +formeele stemming moet plaats hebben; maar om persoonlijke gevoelens te +sparen moet het schriftelijk en zonder naam geschieden. Heeft u wit +papier, mijnheer Billing? + +BILLING. Hier heb je allebei, blauw en wit papier.... + +ASLAKSEN (_komt van het podium af_). Zoo is 't mooi; op die manier gaat +het gauwer. Snij het in stukjes...; ziezoo, ja. (_tot de vergadering_) +Blauw beteekent neen; wit beteekent ja. Ik zal zelf rond gaan om de +stemmen op te nemen. + +(_De burgemeester verlaat de zaal. Aslaksen en een paar andere burgers +gaan rond met de stukjes papier in hun hoed_). + +EEN HEER (_tegen Hovstad_). Hoe zit dat toch met den dokter? Wat moet +men daar eigenlijk van denken? + +HOVSTAD. U weet toch wel hoe hij altijd doorslaat. + +EEN TWEEDE HEER (_tegen Billing_). Hoor eens; u komt daar immers wel aan +huis? Heeft u ooit gemerkt of de man drinkt? + +BILLING. Ik weet goddome niet wat ik zeggen moet; als men er komt staat +er altijd grog op tafel. + +EEN DERDE HEER. Neen, ik geloof eerder dat hij tusschenbeiden maalt. + +DE EERSTE HEER. Er is misschien erfelijke krankzinnigheid in de familie? + +BILLING. Dat kan wel zijn. + +EEN VIERDE HEER. Neen, het is niets dan nijd; wraak over het een of +ander. + +BILLING. Hij sprak wel dezer dagen van traktementsverhooging; maar die +heeft hij niet gekregen. + +ALLE HEEREN (_eenstemmig_). Aha; dan is het gemakkelijk te begrijpen! + +DE DRONKEN MAN (_in de menigte_). Ik wil een blauw hebben, dat wil ik! +En dan wil ik een wit ook hebben! + +GEROEP. Daar is die dronken vent weer! Gooit hem er uit! + +MORTEN KIIL (_komt naar den dokter toe_). Wel, Stockmann, zie je nu wel +wat er komt van zulke grappen? + +DR. STOCKMANN. Ik heb mijn plicht gedaan. + +MORTEN KIIL. Wat was dat wat je zei van de leerlooierijen in het +Molendal? + +DR. STOCKMANN. Dat heeft u immers gehoord; ik zei dat daar van daan al +de smerigheid kwam. + +MORTEN KIIL. Ben je van plan dat in de courant te zetten? + +DR. STOCKMANN. Ik steek niets onder stoelen en banken. + +MORTEN KIIL. Dat kan je duur te staan komen, Stockmann (_gaat weg_). + +EEN DIKKE HEER (_gaat naar Horster toe. Groet de dames niet_). Zoo, +kapitein, u staat dus uw huis af aan volksvijanden? + +HORSTER. Ik denk dat ik met mijn eigendom kan doen wat ik wil, mijnheer +Vik. + +DE HEER. Dan zal u er zeker ook niets tegen hebben dat ik met mijn +eigendom evenzoo doe? + +HORSTER. Wat bedoelt u daarmee, mijnheer Vik? + +DE HEER. Morgen zal u nader van mij hooren (_hij keert zich om en gaat +heen_). + +PETRA. Was dat uw reeder niet, kapitein? + +HORSTER. Ja, dat was de groothandelaar Vik. + +ASLAKSEN (_met de stembiljetten in de hand, stapt op het podium en luidt +de bel_). Mijne heeren, mag ik u bekend maken met den uitslag van de +stemming. Met alle stemmen tegen een.... + +EEN JONGERE HEER. Dat is de stem van dien dronken kerel! + +ASLAKSEN. Met alle stemmen tegen een van een beschonken man, heeft deze +volksvergadering den badarts Dr. Thomas Stockmann voor een vijand des +volks verklaard! (_Geroep en teekenen van bijval_) Leve onze oude +eerwaardige burgerstand! (_weer bijvalsbetuigingen_) Leve onze bekwame +en werkzame burgemeester die zoo loyaal de stem des bloeds onderdrukt +heeft! (_hoera_) De vergadering is opgeheven (_komt van het podium af_). + +BILLING. Leve de voorzitter! + +DE HEELE MENIGTE. Hoera voor Aslaksen! + +DR. STOCKMANN. Mijn hoed en mijn jas, Petra. Kapitein, heeft u plaats +aan boord voor passagiers naar de nieuwe wereld? + +HORSTER. Voor u en de uwen zal er plaats gemaakt worden, dokter. + +DR. STOCKMANN (_terwijl Petra hem in zijn jas helpt_). Goed. Kom +Katrine! Komt jongens! + +(_Hij neemt den arm van zijn vrouw_). + +MEVR. STOCKMANN (_zachtjes_). Lieve Thomas, laat ons achter uit gaan. + +DR. STOCKMANN. Geen achterwegen, Katrine (_met verheffing van stem_). Je +zult nog hooren van den vijand des volks, voor hij het stof van zijne +voeten schudt! Ik ben niet zoo zachtmoedig als een zeker iemand; ik zeg +niet: ik vergeef het je, want je weet niet wat je doet. + +ASLAKSEN (_roept_). Dat is een godslasterlijke vergelijking, dokter +Stockmann! + +BILLING. Dat is goddo.... Zoo iets is kras om aan te hooren voor een +ernstig man. + +EEN GROVE STEM. Nou dreigt hij ook nog! + +OPHITSEND GEROEP. Laat ons de ruiten bij hem inslaan! Smijt hem in de +fjord! + +EEN MAN (_in de menigte_). Blaas op je hoorn, Evensen! Toet! Toet! + +(_Hoorngeschetter, gefluit en woest getier. De dokter gaat met de zijnen +naar den uitgang. Horster baant hun een weg_). + +DE HEELE MENIGTE (_joelt en krijscht achter hem aan_). Volksvijand! +Volksvijand! Volksvijand! + +BILLING (_terwijl hij zijn notities rangschikt_). Neen, goddome, als ik +van avond bij de Stockmanns grog zou willen drinken! (_De vergaderden +stroomen naar den uitgang; het rumoer wordt buiten voortgezet. Van de +straat klinkt nog: Volksvijand! Volksvijand!_). + + +EINDE VAN HET VIERDE BEDRIJF. + + + * * * * * + + +VIJFDE BEDRIJF. + + Dr. Stockmann's werkkamer. Boekenrekken en kasten met preparaten + langs de muren. Op den achtergrond een uitgang naar de voorkamer; + op den voorgrond links de deur naar de huiskamer. In den wand + rechts zijn twee ramen waarvan alle ruiten kapot zijn. Midden in de + kamer staat Dr.'s schrijftafel, bedekt met boeken en papieren. De + kamer is in wanorde. Voormiddag. + + Dr. Stockmann in chambercloak en pantoffels en zijn kalotje op, + staat gebogen en port met een parapluie onder een van de kasten; + eindelijk haalt hij er een steen onderuit. + + * * * * * + +DR. STOCKMANN (_spreekt door de open deur van de huiskamer_). Hier heb +ik er nog een gevonden, Katrine! + +MEVR. STOCKMANN (_in de huiskamer_). O, je zult er stellig nog een +heeleboel vinden. + +DR. STOCKMANN (_legt den steen bij een stapel andere op de tafel_). Die +steenen zal ik bewaren als relieken. Ejlif en Morten moeten ze dagelijks +voor oogen hebben. En als zij groot zijn zullen zij ze van mij erven +(_port onder een boekenrek_). Is zij ... hoe bliksem heet zij nu ook +weer ... zij ... die deern ... is zij nog niet naar den glazenmaker +geweest? + +MEVR. STOCKMANN (_komt binnen_). Jawel, maar hij zei dat hij niet wist +of hij van daag zou kunnen komen. + +DR. STOCKMANN. Je zult zien dat hij niet durft. + +MEVR. STOCKMANN. Neen, Randine dacht ook dat hij niet durfde voor de +buren (_spreekt in de huiskamer_). Wat is er Randine? O zoo (_gaat de +kamer in en komt dadelijk terug_). Hier is een brief voor je, Thomas. + +DR. STOCKMANN. Laat zien (_opent hem en leest_). Jawel. + +MEVR. STOCKMANN. Van wie is die? + +DR. STOCKMANN. Van den huisbaas. Hij zegt ons de huur op. + +MEVR. STOCKMANN. Is 't heusch waar? Hij zoo'n fatsoenlijke man.... + +DR. STOCKMANN (_kijkt in den brief_). Hij kan niet anders, zegt hij. Hij +doet het zeer ongaarne, maar hij durft niet anders ... om zijn +medeburgers ... om de publieke opinie ... hij is afhankelijk ... durft +niet zekere invloedrijke mannen voor het hoofd te stooten.... + +MEVR. STOCKMANN. Nu zie je toch eens, Thomas. + +DR. STOCKMANN. Jawel, ik zie het wel; ze zijn laf allemaal hier in de +stad; niemand durft iets om al de andere menschen (_slingert den brief +over den grond_). Maar wat kan ons dat schelen, Katrine. Wij trekken +toch naar de nieuwe wereld, en dus.... + +MEVR. STOCKMANN. Ja maar, Thomas, heb je daar wel goed over nagedacht +... over die reis? + +DR. STOCKMANN. Moest ik misschien liever hier blijven, waar ze mij als +een volksvijand aan den schandpaal hebben te pronk gesteld en +gebrandmerkt, en mijn ruiten hebben ingeslagen! En kijk eens hier, +Katrine, ze hebben een groote scheur in mijn zwarte broek ook gemaakt. + +MEVR. STOCKMANN. Och Hemel! en dat is nog al je beste! + +DR. STOCKMANN. Een mensch moet nooit zijn beste broek aantrekken als hij +uitgaat om te strijden voor vrijheid en waarheid. Van die broek kan het +mij nu zoo veel niet schelen, zie je; want die kan jij toch wel weer +voor mij opknappen. Maar dat het grauw, het gepeupel het waagt mij te +lijf te gaan alsof ze mijn gelijken waren ... dat kan ik in der +eeuwigheid niet verkroppen! + +MEVR. STOCKMANN. Ja, Thomas, ze zijn hier afschuwelijk ruw en grof tegen +je geweest; maar moeten wij daarom nu heelemaal naar een ander land +trekken? + +DR. STOCKMANN. Denk je soms dat het plebs in andere steden niet even +brutaal is als hier? Och ja, dat is overal lood om oud ijzer. Nou, ze +doen maar; laat de straathonden maar keffen; dat is het ergste niet; het +ergste is dat alle menschen, het heele land door, partij-slaven zijn. +Niet dat het in het vrije Westen misschien niet even erg is; daar voeren +de compacte meerderheid en de liberale publieke opinie en de heele +andere duivelsche rommel ook al den boventoon. Maar daar gaat alles meer +in het groot, zie je; ze kunnen iemand doodslaan, maar hem langzaam +martelen doen ze niet; ze binden een vrije ziel niet op de pijnbank vast +zooals hier. En als de nood dringt kan je de dingen ten minste ontloopen +(_loopt door de kamer_). Als ik maar wist waar ik een oerwoud of een +Zuidzee-eilandje voor een prikje koopen kon!... + +MEVR. STOCKMANN. Ja maar, de jongens, Thomas? + +DR. STOCKMANN (_staat stil_). Wat ben je toch een rare, Katrine! Wou je +liever dat de jongens hier zouden opgroeien in zoo'n maatschappij als de +onze? Je zei toch zelf gisteren avond dat de helft van het volk +stapelgek is; en als de andere helft het nog niet is, dan komt dat omdat +het stom vee is dat geen verstand te verliezen heeft. + +MEVR. STOCKMANN. Ja, maar, Thomas-lief, je bent ook zoo onvoorzichtig in +je spreken. + +DR. STOCKMANN. Wat! Is het misschien niet waar wat ik zeg? Keeren ze +niet alle begrippen onderste boven? Roeren ze niet recht en onrecht in +een pot door elkaar? Noemen ze niet alles leugen wat ik _weet_ dat +waarheid is? Maar het allerdolste is dat hier troepen volwassen menschen +rondloopen die zichzelf en anderen wijsmaken dat ze vrijzinnig zijn. Heb +je ooit zoo iets meer gehoord, Katrine? + +MEVR. STOCKMANN. Ja, ja, zeker, dat is gewoon gek, maar.... + +(_Petra komt de huiskamer binnen_). + +MEVR. STOCKMANN. Ben je nu al terug van school? + +PETRA. Ja; ik heb mijn conge gekregen. + +MEVR. STOCKMANN. Je conge! + +DR. STOCKMANN. Jij ook al! + +PETRA. Mevrouw Busch zei dat ze mij ontslaan moest; en toen vond ik het +maar beter om dadelijk te gaan. + +DR. STOCKMANN. Daaraan heb je goed gedaan, waarachtig. + +MEVR. STOCKMANN. Wie zou gedacht hebben dat die mevrouw Busch zoo slecht +was! + +PETRA. Och moeder, mevrouw Busch is heusch niet slecht; ik zag duidelijk +hoeveel verdriet het haar deed. Maar zij durfde niet anders, zei zij; en +dus kreeg ik mijn ontslag. + +DR. STOCKMANN (_wrijft zich lachend de handen_). Zij durfde niet anders, +zij ook al niet! O dat is prachtig! + +MEVR. STOCKMANN. Och ja, dat gemeene spektakel van gisteren.... + +PETRA. Dat was het niet alleen. Nu moet je eens hooren, vader! + +DR. STOCKMANN. Wel? + +PETRA. Mevrouw Busch liet mij niet minder dan drie brieven zien, die zij +van morgen gekregen had.... + +DR. STOCKMANN. Zeker zonder onderteekening? + +PETRA. Ja. + +DR. STOCKMANN. Ja, want zij _durven_ hun naam er niet onder zetten, +Katrine! + +PETRA. En in twee daarvan stond, dat een heer die hier aan huis komt, +gisteren avond in de club verteld had, dat ik zulke verregaand vrije +begrippen had over verschillende dingen.... + +DR. STOCKMANN. En dat ontkende je zeker niet? + +PETRA. Neen, dat kan je begrijpen. Mevrouw Busch heeft zelf ook nog al +vrije begrippen, als we onder vier oogen zijn; maar nu dit van mij +bekend geworden is, durfde zij mij niet langer houden. + +MEVR. STOCKMANN. En te denken dat het iemand is die hier aan huis komt! +Nu zie je eens wat je terugkrijgt voor je gastvrijheid, Thomas! + +DR. STOCKMANN. We blijven niet langer in dien smeerboel. Pak den boel +maar in, zoo gauw je kunt, Katrine; laten wij er hoe eer hoe beter uit +trekken! + +MEVR. STOCKMANN. Stil eens; ik geloof dat er iemand in de gang is. Ga +eens even kijken, Petra. + +PETRA (_doet de deur open_). O, is u het, kapitein? Kom binnen +alsjeblieft. + +HORSTER (_uit de voorkamer_). Goeden dag. Ik dacht ik moest toch eens +even gaan kijken hoe u het heeft. + +DR. STOCKMANN (_schudt hem de hand_). Dank u; dat is heel vriendelijk. + +MEVR. STOCKMANN. En dank u nog wel dat u ons er door hielp, kapitein. + +PETRA. Maar hoe is u nog thuis gekomen? + +HORSTER. O, dat ging wel. Ik ben nog al pootig uitgevallen en de meesten +zijn toch maar helden met hun mond. + +DR. STOCKMANN. Ja, zeg, is het niet merkwaardig dat ze zoo beroerd laf +zijn? Kom eens hier, dan zal ik u wat laten zien! Kijk, hier liggen al +de steenen die ze door de glazen gesmeten hebben. Bekijk ze maar eens! +Er zijn waarachtig in den heelen hoop, niet meer dan twee ordentelijke +flinke keisteenen,... de rest is niets anders dan gruis,... enkel klein +grut; en toch stonden zij daarbuiten te krijschen en te zweren dat ze +mij zouden vermoorden. Maar handelen ... handelen ... neen, daarvan zie +je hier niet veel! + +HORSTER. Dat was in dit geval ook maar het beste voor u, dokter. + +DR. STOCKMANN. Dat was het zeker. Maar ergerlijk is het toch. Want komt +het eens tot een ernstige, voor het land gewichtige botsing, dan zal u +zien dat de publieke opinie haar beenen op neemt en de compacte +meerderheid er van door gaat, als een troep wilde zwijnen. Dat is juist +zoo'n droevige gedachte, dat doet mij zoo innig verdriet.... Maar wat +duivel, dat zijn toch eigenlijk maar dwaasheden zulke dingen. Hebben zij +gezegd dat ik een volksvijand ben, laat mij dan ook maar een volksvijand +zijn. + +MEVR. STOCKMANN. Maar dat wordt je toch nooit, Thomas. + +DR. STOCKMANN. Daar moet je geen eed op doen, Katrine. Een hatelijk +woord kan werken als een speldenprik in de longen. En dat vervloekte +woord ... dat kan ik maar niet kwijt raken. Dat heeft zich daar vast +gezet, vlak onder mijn hart, dat ligt daar en graaft zich in en zuigt +als 't ware zure sappen op. En daar helpt geen magnesia tegen! + +PETRA. Poeh, je moet er maar om lachen, vader. + +HORSTER. De menschen zullen nog wel eens tot andere gedachten komen, +dokter. + +MEVR. STOCKMANN. Ja, Thomas, daar kan je zoo zeker van zijn als dat je +hier staat. + +DR. STOCKMANN. Ja, misschien, als het te laat is. Maar dat zou hun +verdiende loon zijn! Dan kunnen ze hier in hun smeerboel zitten en het +berouwen dat ze een patriot het land hebben uitgejaagd. Wanneer zeilt u +uit, kapitein? + +HORSTER. Hm,... daar kwam ik eigenlijk juist eens over spreken.... + +DR. STOCKMANN. Is er iets niet in orde met het schip? + +HORSTER. Neen; maar het is zoo gelegen, dat ik niet mee ga. + +PETRA. Ze hebben u toch niet uw conge gegeven? + +HORSTER (_glimlacht_). Ja, dat is het juist. + +PETRA. U ook al! + +MEVR. STOCKMANN. Daar heb je het nu, Thomas. + +DR. STOCKMANN. En dat ook al om de waarheid? O; als ik zoo iets had +kunnen denken.... + +HORSTER. Daar moet u verder maar niet over denken; ik vind wel weer een +betrekking bij een of andere reederij in een andere plaats. + +DR. STOCKMANN. En dat die Vik ... een groothandelaar, een vermogend man +... absoluut Foei, foei! + +HORSTER. Hij is anders heel goed; en hij zei zelf dat hij mij graag had +gehouden, als hij maar durfde.... + +DR. STOCKMANN. Maar hij durfde niet? Neen dat spreekt! + +HORSTER. Het was zoo gemakkelijk niet, zei hij, als je tot een partij +behoorde.... + +DR. STOCKMANN. Dat was een waar woord van den eerwaardigen man! Een +partij, dat is iets als een hakmachine, daarin worden alle hoofden tot +brei gemalen; en daarom zijn het ook allemaal zwakhoofden, en +paphoofden, de heele troep. + +MEVR. STOCKMANN. Maar Thomas toch! + +PETRA (_tegen Horster_). Misschien zou het zoo ver niet gekomen zijn als +u ons niet naar huis had gebracht. + +HORSTER. Ik heb er geen berouw van. + +PETRA (_reikt hem de hand_). Dank u. + +HORSTER (_tegen den dokter_). En nu wou ik u zeggen, dat als u volstrekt +weggaan wil, dan weet ik wel een andere oplossing.... + +DR. STOCKMANN. Mooi zoo; als we maar weg komen.... + +MEVR. STOCKMANN. Stil; werd daar niet geklopt? + +PETRA. Dat is zeker oom. + +DR. STOCKMANN. Aha! (_roept_). Binnen! + +MEVR. STOCKMANN. Lieve Thomas, toe beloof mij nu.... + +(_Burgem. Stockmann komt uit de voorkamer_). + +BURGEM. STOCKMANN (_in de deur_). O, je bent bezig. Ja, dan zal ik +liever.... + +DR. STOCKMANN. Neen, neen; kom maar binnen. + +BURGEM. STOCKMANN. Maar ik wenschte je onder vier oogen te spreken. + +MEVR. STOCKMANN. Wij zullen zoo lang in de huiskamer gaan. + +HORSTER. En ik kom straks nog wel terug. + +DR. STOCKMANN. Neen, ga u mee naar binnen, kapitein; ik moet er nog meer +van weten.... + +HORSTER. Best; dan zal ik daar wachten. + +(_Hij gaat met mevr. en Petra de huiskamer in_). + +DR. STOCKMANN (_zegt niets en kijkt ter sluiks naar de ramen_). + +DR. STOCKMANN. Je vindt het misschien wel een beetje luchtig hier van +daag? Zet je pet maar op. + +BURGEM. STOCKMANN. Dank je, als je het permitteert. (_doet het_) Ik +geloof dat ik gisteren kou gevat heb, ik had het zoo koud.... + +DR. STOCKMANN. Zoo? Nou, mij leek het nog al warm. + +BURGEM. STOCKMANN. Ik betreur het dat het niet in mijn macht stond deze +nachtelijke excessen tegen te houden.... + +DR. STOCKMANN. Heb je mij anders niets te vertellen? + +BURGEM. STOCKMANN (_haalt een grooten brief voor den dag_). Dit stuk heb +ik je namens de directie te overhandigen. + +DR. STOCKMANN. Ben ik ontslagen? + +BURGEM. STOCKMANN. Ja, met ingang van van daag (_legt den brief op de +tafel_). Het doet ons leed; maar ... eerlijk gezegd ... wij durfden niet +anders om de publieke opinie. + +DR. STOCKMANN (_glimlacht_). Durfden niet? Dat woord heb ik nog eens +gehoord van daag. + +BURGEM. STOCKMANN. Ik moet je verzoeken je goed rekenschap van je +positie te geven. Je moet voortaan op geenerlei praktijk hier in de stad +meer rekenen. + +DR. STOCKMANN. De duivel hale de heele praktijk! Maar hoe weet je dat +zoo zeker? + +BURGEM. STOCKMANN. De Bond van Huiseigenaren heeft een lijst rond laten +gaan aan alle huizen. Alle welgezinde burgers worden opgevorderd jou +niet als dokter te nemen. En ik durf er voor instaan dat geen enkel +huisvader het waagt die lijst niet te onderteekenen; men _durft_ dat +eenvoudig niet laten.... + +DR. STOCKMANN. Zeker, zeker; daaraan twijfel ik geen oogenblik. Maar wat +verder? + +BURGEM. STOCKMANN. Als ik je een raad geven mocht, dan zou het deze +zijn, dat je voor eenigen tijd de stad verliet.... + +DR. STOCKMANN. Jawel, ik heb er juist ook over gedacht de stad uit te +gaan. + +BURGEM. STOCKMANN. Goed zoo. En als je dan zoo een half jaartje tijd +hebt gehad om je te bezinnen, en je na rijp overleg er toe overgaan kon +om met een paar woorden van spijt je dwaling te erkennen.... + +DR. STOCKMANN. Dan zou ik misschien mijn betrekking terug kunnen +krijgen, bedoel je? + +BURGEM. STOCKMANN. Misschien. Volstrekt niet zoo geheel onmogelijk. + +DR. STOCKMANN. Maar de publieke opinie dan? Dat durf jullie immers niet +om de publieke opinie? + +BURGEM. STOCKMANN. De publieke opinie is een erg variabel iets. En, +eerlijk gezegd, het zou ons bizonder veel waard zijn een dergelijke +bekentenis van jouw hand te ontvangen. + +DR. STOCKMANN. Ja, dat zou je zoo lijken, he! Maar wat bliksem, je weet +toch zeker nog wel, wat ik je onlangs gezegd heb over zulke streken. + +BURGEM. STOCKMANN. Toen was je positie nog zooveel gunstiger, toen kon +je veronderstellen dat je de heele stad achter je hadt om je te +steunen.... + +DR. STOCKMANN. Ja, en nu hebben ze mij laten voelen dat ik de heele stad +tegen mij heb.... (_opbruisend_). Maar toch niet, al had ik den duivel +en de heele hel tegen mij...! Nooit,... nooit, zeg ik je! + +BURGEM. STOCKMANN. Een huisvader mag niet zoo handelen als jij doet. Dat +mag je niet, Thomas. + +DR. STOCKMANN. Mag ik niet! Er is maar een ding in de wereld dat een +vrij man niet doen mag; en weet je wat dat is? + +BURGEM. STOCKMANN. Neen. + +DR. STOCKMANN. Natuurlijk niet; maar dat zal _ik_ je dan zeggen. Een +vrij man mag zich niet bevuilen als een schooier; hij mag zich niet zoo +gedragen dat hij zichzelf in zijn gezicht zou moeten spuwen! + +BURGEM. STOCKMANN. Dat klinkt zoo buitengewoon plausibel; en als er geen +andere verklaring voor je halsstarrigheid voor de hand lag ... maar die +is er juist wel.... + +DR. STOCKMANN. Wat meen je daarmee? + +BURGEM. STOCKMANN. Dat begrijp je heel best. Maar als je broer en als +verstandig man, raad ik je niet al te vast te bouwen op verwachtingen en +vooruitzichten, die misschien licht verkeerd konden uitkomen. + +DR. STOCKMANN. Maar op wat ter wereld zinspeel je toch? + +BURGEM. STOCKMANN. Zou je mij waarlijk willen wijsmaken dat je niets +weet van de testamentaire beschikkingen, die de leerlooier Kiil gemaakt +heeft? + +DR. STOCKMANN. Ik weet dat het beetje dat hij heeft, aan een gesticht +voor behoeftige oude handwerkslui komen zal. Maar wat gaat mij dat aan? + +BURGEM. STOCKMANN. Vooreerst is hier niet sprake van een beetje. Kiil is +een tamelijk vermogend man. + +DR. STOCKMANN. Daar heb ik nooit eenig idee van gehad. + +BURGEM. STOCKMANN. Hm,... waarlijk niet? Je hebt er dus ook geen idee +van, dat een niet gering gedeelte van zijn vermogen aan je kinderen +komen zal, met het vruchtgebruik voor jou en je vrouw je leven lang. +Heeft hij je dat niet gezegd? + +DR. STOCKMANN. Neen; bij mijn ziel, geen woord! Integendeel, hij was +altijd en eeuwig aan 't razen er over dat hij zoo onmogelijk hoog was +aangeslagen in de belasting. Maar weet je dat dan zoo zeker, Peter? + +BURGEM. STOCKMANN. Ik heb het uit een alleszins betrouwbare bron. + +DR. STOCKMANN. Maar, lieve God, dan zou Katrine bezorgd zijn ... en de +kinderen ook! Dat moet ik haar eens gauw vertellen ... (_roept_) +Katrine, Katrine! + +BURGEM. STOCKMANN (_houdt hem tegen_). Stil; je moet er nog niets van +zeggen! + +MEVR. STOCKMANN (_doet de deur open_). Wat is er te doen? + +DR. STOCKMANN. Och niemendal; ga maar weer naar binnen. + +(_Mevr. Stockmann doet de deur dicht_). + +DR. STOCKMANN (_loopt heen en weer_). Bezorgd! Denk eens aan,... +allemaal! En voor hun leven! Dat is toch een heerlijk gevoel te weten +dat je bezorgd bent! + +BURGEM. STOCKMANN. Ja, maar dat ben je juist niet. De oude Kiil kan +iederen dag en ieder uur zijn testament vernietigen als hij wil. + +DR. STOCKMANN. Maar dat doet hij niet, mijn goede Peter. De oude das is +veel te blij dat ik jou en je hoogwijze vrienden heb te pakken genomen. + +BURGEM. STOCKMANN (_verwonderd; ziet hem uitvorschend aan_). Ah zoo, dat +verklaart veel. + +DR. STOCKMANN. Wat dan? + +BURGEM. STOCKMANN. Die heele zaak was dus een gecombineerde manoeuvre. +Die geweldige, onbesuisde aanvallen die jij ... in naam der waarheid ... +gedaan hebt op de autoriteiten.... + +DR. STOCKMANN. Wat daarvan? wat daarvan? + +BURGEM. STOCKMANN. Die waren dus niets anders dan een afgesproken +vergoeding, voor het testament van dien ouden wraakzuchtigen Morten +Kiil. + +DR. STOCKMANN (_bijna sprakeloos_). Peter,... je bent toch de gemeenste +ploert dien ik ooit in mijn leven ontmoet heb. + +BURGEM. STOCKMANN. Tusschen ons is alles uit. Je ontslag is +onherroepelijk;... want nu hebben wij een wapen tegen je (_hij gaat +weg_). + +DR. STOCKMANN. Bah! bah! bah! (_roept_). Katrine! De vloer moet gedweild +worden waar de kerel gestaan heeft! Laat haar komen met een emmer ... +zij ... zij ... hoe duivel ... die smeerpoets met haar altijd vuilen +neus.... + +MEVR. STOCKMANN (_in de deur van de huiskamer_). Stil, stil toch, +Thomas! + +PETRA (_ook in de deur_). Vader, grootvader is hier en vraagt of hij je +even alleen kan spreken. + +DR. STOCKMANN. Ja zeker (_bij de deur_) Kom binnen, schoonpapa. + +(_Morten Kiil komt binnen. De dokter doet de deur achter hem dicht_). + +DR. STOCKMANN. Wel? Wat is er? ga zitten. + +M. KIIL. Niet zitten (_kijkt rond_). 't Ziet er hier mooi uit bij je, +Stockmann. + +DR. STOCKMANN. Ja, vindt u niet? + +M. KIIL. Echt netjes ziet het er uit; en frissche lucht heb je ook; van +daag zal je wel genoeg van die zure stof hebben, waar je gisteren over +bazelde. Ik kan mij begrijpen dat je van daag een erg goed geweten hebt. + +DR. STOCKMANN. Jawel; dat heb ik ook. + +M. KIIL. Kan ik begrijpen (_slaat zich op de borst_). Maar weet je wat +_ik_ hier heb? + +DR. STOCKMANN. Ook een goed geweten, hoop ik. + +M. KIIL. Poeh! Neen, dit is heel wat beters! (_Hij haalt een dikke +portefeuille voor den dag en laat een heeleboel papieren zien_). + +DR. STOCKMANN (_kijkt hem verwonderd aan_). Aandeelen in de +badinrichting? + +M. KIIL. Die waren niet moeilijk te krijgen van daag. + +DR. STOCKMANN. En die heeft u opgekocht? + +M. KIIL. Net zooveel als ik maar betalen kon. + +DR. STOCKMANN. Maar mijn waarde schoonpapa,... zoo wanhopend als de +toestand van de badinrichting op het oogenblik is...! + +M. KIIL. Als jij je gedraagt als een verstandig mensch dan zal die +badinrichting er wel weer boven op komen. + +DR. STOCKMANN. Ja, u ziet het immers zelf, ik doe alles wat ik kan; maar +... och, de menschen zijn hier allemaal gek! + +M. KIIL. Je zei gisteren dat de ergste smeerboel van mijn looierij kwam. +Maar als dat zoo is, dan zouden dus mijn grootvader en mijn vader voor +mij, en ik zelf vele jaren lang de stad verpest hebben als drie +doodsengelen. Denk je dat ik die schande op mij laat zitten? + +DR. STOCKMANN. Dat zal u, helaas, wel moeten. + +M. KIIL. Neen dankje. Ik ben gesteld op mijn goeden naam. De menschen +noemen mij "den das", heb ik hooren zeggen. En een das, dat is immers +zoo'n soort van varken; maar daarin zullen zij nooit van hun leven +gelijk krijgen. Ik wil leven en sterven als een zindelijk mensch. + +DR. STOCKMANN. En hoe wil u dat dan aanleggen? + +M. KIIL. Jij moet me schoon wasschen, Stockmann. + +DR. STOCKMANN. Ik! + +M. KIIL. Weet je van welk geld ik deze aandeelen gekocht heb? Neen, dat +kan je niet weten; maar nu zal ik het je zeggen. Dat is het geld dat +Katrine en Petra en de kleine jongens na mijn dood krijgen zullen. Want, +zie je, ik heb toch wel een beetje opgelegd. + +DR. STOCKMANN (_opstuivend_). En voor zoo iets gebruikt u het geld van +Katrine! + +M. KIIL. Ja, het geld is nu allemaal in de badinrichting gestoken. En nu +wil ik eens zien of je wezenlijk zoo razend ... zoo stapelgek bent, +Stockmann. Laat je nu toch nog dieren en allerlei smerigheid uit mijn +looierij komen, dan is dat net goed of je breede reepen uit het vel van +Katrine en Petra en de jongens sneed; maar dat doet toch geen +fatsoenlijk huisvader,... als hij ten minste niet krankzinnig is. + +DR. STOCKMANN (_op en neer loopend_). Ja, maar ik ben krankzinnig! Ik +ben krankzinnig! + +M. KIIL. Maar waar het vrouw en kinderen geldt, zal je zoo ongelooflijk +gek toch wel niet zijn. + +DR. STOCKMANN (_blijft voor hem staan_). Waarom kon u mij dat niet +zeggen voor u dien rommel opkocht? + +M. KIIL. Wat nu eenmaal gebeurd is, daaraan is niets te veranderen. + +DR. STOCKMANN (_loopt onrustig rond_). Als ik maar niet zoo zeker was +van mijn zaak...! Maar ik ben er zoo vast van overtuigd dat ik gelijk +heb. + +M. KIIL (_weegt de portefeuille in de hand_). Als je je dwaasheid +volhoudt dan is dit alles niet veel waard (_hij steekt de portefeuille +in zijn zak_). + +DR. STOCKMANN. Maar, wat bliksem, de wetenschap moet toch ook wel +voorbehoedmiddelen weten te vinden, dunkt mij; een of ander +preservatief.... + +M. KIIL. Meen je iets om de dieren te dooden? + +DR. STOCKMANN. Ja, of om ze onschadelijk te maken. + +M. KIIL. Als je het eens met rattekruid probeerde? + +DR. STOCKMANN. Och nonsens! nonsens!... Maar iedereen zegt dat 't maar +een hersenschim is. Zou het dan geen hersenschim kunnen zijn? Laten ze +hun zin dan hebben! Hebben de domme kleinzielige honden mij niet voor +een volksvijand uitgemaakt;... en om mij de kleeren van het lijf te +scheuren daartoe waren ze ook bereid! + +M. KIIL. En dan al die ruiten die ze je stuk geslagen hebben! + +DR. STOCKMANN. Ja, en dan dat gezanik van plichten jegens mijn gezin! +Daarover moet ik met Katrine spreken; zij is veel beter thuis in zulke +zaken dan ik. + +M. KIIL. Dat is best; luister maar naar den raad van een verstandige +vrouw. + +DR. STOCKMANN (_loopt op hem toe_). Dat u toch ook zoo iets stoms kon +doen! Katrine's geld op het spel te zetten; mij in zoo'n afschuwelijk +pijnlijke positie te brengen! Als ik u aanzie is het of ik den duivel in +eigen persoon voor mij heb...! + +M. KIIL. Dan is 't maar beter dat ik wegga. Maar voor twee uur wil ik je +antwoord hebben. _Ja_ of _neen_. Is het _neen_, dan komen de aandeelen +aan het gesticht,... en dat van daag nog. + +DR. STOCKMANN. En wat krijgt Katrine dan? + +M. KIIL. Geen cent! + +(_De deur van de voorkamer wordt geopend. Hovstad en Aslaksen ziet men +daarbuiten staan_.) + +M. KIIL. Neen, kijk die twee daar eens! + +DR. STOCKMANN (_staart hen aan_). Wat is dat? Waagt u het nog hier bij +mij te komen? + +HOVSTAD. Ja, wij zijn zoo vrij. + +ASLAKSEN. Wij zouden u graag over iets willen spreken, ziet u. + +M. KIIL (_fluistert_). Voor twee uur ... ja of neen! + +ASLAKSEN (met een blik naar Hovstad). Aha! + +(_Morten Kiil gaat heen_). + +DR. STOCKMANN. Nu, wat had u mij te zeggen? Maakt het kort. + +HOVSTAD. Ik begrijp heel goed dat u iets tegen ons heeft, van wege onze +houding gisteren avond. + +DR. STOCKMANN. Noemt u dat een houding? Ja, het was een prachtige +houding! Ik noem dat _geen_ houding ... oude-wijfachtig.... Bah, 't is +schande! + +HOVSTAD. Noem het zooals u wil; maar wij _konden_ niet anders. + +DR. STOCKMANN. U _durfde_ zeker niet anders? Is het dat niet? + +HOVSTAD. Ja, als u wil. + +ASLAKSEN. Maar waarom liet u er vooruit niet een woordje over los? +Alleen zoo maar een wenk tegen mijnheer Hovstad of mij. + +DR. STOCKMANN. Een wenk? Waarover? + +ASLAKSEN. Over dat wat er achter stak. + +DR. STOCKMANN. Ik begrijp u heelemaal niet. + +ASLAKSEN (_knikt vertrouwelijk_). Och ja, dokter, u begrijpt ons best. + +HOVSTAD. Nu is toch langer niets verborgen te houden. + +DR. STOCKMANN (_kijkt van den een naar den ander_). Ja maar, wat bliksem +nog toe...! + +ASLAKSEN. Mag ik vragen ... gaat uw schoonvader de stad niet rond om +alle aandeelen in de badinrichting op te koopen? + +DR. STOCKMANN. Ja, van daag heeft hij aandeelen opgekocht, maar...? + +ASLAKSEN. Het was verstandiger geweest als u dat door een ander had +laten doen, iemand die u niet zoo na stond. + +HOVSTAD. En dan had u ook niet onder uw eigen naam moeten optreden. +Niemand hoefde toch te weten dat de aanval op de badinrichting van u +uitging. U had mij om raad moeten vragen, dokter. + +DR. STOCKMANN (_kijkt voor zich; er schijnt hem een licht op te gaan en +hij zegt alsof hij uit de lucht komt vallen_). Is zoo iets denkbaar! Is +zoo iets mogelijk? + +ASLAKSEN. Dat blijkt toch dat het mogelijk is. Maar ziet u, het had +beter overlegd moeten worden. + +HOVSTAD. En dan hadden er ook meer personen in betrokken moeten worden; +want de verantwoordelijkheid wordt altijd geringer voor iemand wanneer +er nog anderen bij zijn. + +DR. STOCKMANN (_kalm_). Kort en goed, heeren ... wat wil u eigenlijk? + +ASLAKSEN. Dat kan mijnheer Hovstad beter.... + +HOVSTAD. Neen, zeg jij het maar, Aslaksen. + +ASLAKSEN. Nu ja, het is dit: dat wij, nu wij weten hoe alles in elkaar +zit, wel zouden meenen dat wij de "Volksbode" ter uwer beschikking +durven stellen. + +DR. STOCKMANN. Durft u dat nu? Maar de publieke opinie dan? Is u niet +bang dat er een storm tegen ons zal opgaan? + +HOVSTAD. Wij zouden voor den wind wegzeilen. + +ASLAKSEN. En dan moet de dokter zich handig in het laveeren betoonen. +Zoodra uw aanval gewerkt heeft.... + +DR. STOCKMANN. Zoodra mijn schoonvader en ik de aandeelen in handen +hebben tegen lagen prijs, bedoelt u...? + +HOVSTAD. Het zijn toch wel hoofdzakelijk wetenschappelijke redenen, die +u drijven om de leiding van de badinrichting in handen te krijgen. + +DR. STOCKMANN. Natuurlijk; het waren wetenschappelijke redenen waarom ik +den ouden das zocht te bewegen met mij mee te doen in dit geval. En dan +repareeren wij de badinrichting een beetje, en graven den boel een +beetje weg aan het strand, zonder dat het de gemeentekas een cent kost. +Zou u niet denken dat dat ging? He? + +HOVSTAD. Ik denk het wel ... als u de "Volksbode" op uw hand heeft. + +ASLAKSEN. In een vrije maatschappij is de pers een macht, dokter. + +DR. STOCKMANN. Jawel; en ook de algemeene opinie is dat wel; en u, +mijnheer Aslaksen, u neemt dan zeker den Bond van Huiseigenaren wel op +uw geweten? + +ASLAKSEN. Allebei, den Bond van Huiseigenaren en het +Matigheidsgenootschap. Daarop kan u gerust zijn. + +DR. STOCKMANN. Maar heeren ... ja ik schaam mij haast om er naar te +vragen; maar, welke vergoeding...? + +HOVSTAD. Het liefst zouden wij u geheel belangeloos helpen, dat begrijpt +u wel. Maar de "Volksbode" staat zwak; het gaat niet best; en de uitgaaf +van het blad te staken nu er zoo veel te doen is in de groote politiek, +daartoe kan ik zoo heel moeilijk besluiten. + +DR. STOCKMANN. Dat spreekt; een volksvriend als u zou dat al heel hard +moeten vallen. (_Opstuivend_). Maar ik, ik ben een vijand van het volk! +(_loopt rond in de kamer_). Waar is mijn stok? Wat bliksem, waar is dan +toch mijn stok? + +HOVSTAD. Wat beduidt dat? + +ASLAKSEN. U wilt toch niet...? + +DR. STOCKMANN (_blijft staan_). En als ik u nu eens geen cent gaf van al +mijn aandeelen? Wij zijn zoo los niet met geld, wij rijke lui, dat moet +u bedenken. + +HOVSTAD. En u moet bedenken dat die zaak met de aandeelen op tweeerlei +wijze voorgesteld kan worden. + +DR. STOCKMANN. Ja, daar is u juist de man voor; als ik de "Volksbode" +niet te hulp kom, dan krijgt u zeker een leelijken kijk op de zaak, dan +maakt u jacht op mij ... denk ik ... zet mij na ... tracht mij te +wurgen, zooals de hond den haas de strot afbijt. + +HOVSTAD. Dat is natuurwet; ieder dier zoekt het voedsel dat hem past. + +ASLAKSEN. Een mensch moet zijn voedsel nemen waar hij het vindt, ziet u. + +DR. STOCKMANN. Zie dan of je wat vinden kunt buiten in de goot! (_loopt +rond te zoeken in de kamer_). Want nu zal het voor den donder dan +blijken wie van ons drieen het sterkste dier is. (_Grijpt zijn parapluie +en zwaait er mee_). Hei daar ... past op je tellen! + +HOVSTAD. U zal zich toch niet aan ons vergrijpen! + +ASLAKSEN. Neem u in acht met die parapluie! + +DR. STOCKMANN. Het raam uit, jij Hovstad! + +HOVSTAD (_naar de deur van de voorkamer_). Maar is u nu heelemaal +krankzinnig. + +DR. STOCKMANN. Het raam uit, Aslaksen! Spring, zeg ik je! En een beetje +gauw ook! + +ASLAKSEN (_loopt rond om de schrijftafel_). Maat houden, dokter; ik ben +geen sterk mensch; ik kan zoo weinig verdragen.... (_schreeuwt_) help! +help! + +(_Mevr. Stockmann, Petra en kapitein Horster komen uit de huiskamer_). + +MEVR. STOCKMANN. Maar lieve Hemel, Thomas, wat is hier te doen? + +DR. STOCKMANN (_zwaait met de parapluie_). Er uit, zeg ik! In de goot +met jullie! + +HOVSTAD. Aanval op een weerlooze! Ik neem u tot getuige, kapitein +Horster (_hij ontkomt door de voorkamer_). + +ASLAKSEN (_radeloos_). Als ik maar op de hoogte was van de lokaliteit +hier ... (_sluipt weg door de huiskamer_). + +MEVR. STOCKMANN (_houdt den dokter vast_). Maar beheersch je dan toch, +Thomas! + +DR. STOCKMANN (_gooit de parapluie weg_). Nou zijn ze me waarachtig toch +nog ontloopen! + +MEVR. STOCKMANN. Maar wat wilden ze dan toch? + +DR. STOCKMANN. Dat zal ik je straks zeggen; nu moet ik aan andere dingen +denken (_gaat naar de tafel en schrijft op een visitekaartje_). Kijk +eens hier, Katrine, wat staat daar? + +MEVR. STOCKMANN. Drie groote "_neens_"; wat beteekent dat? + +DR. STOCKMANN. Dat zal ik je ook straks zeggen (_reikt Petra het kaartje +toe_). Daar, Petra, laat de smeerpoets zoo gauw ze kan hiermee naar den +das loopen. Gauw wat! (_Petra gaat met het kaartje door de voorkamer_). + +DR. STOCKMANN. Als ik van daag niet alle mogelijke afgezanten uit de hel +bij mij heb gehad, dan weet ik het niet. Maar nu zal ik mijn pen ook zoo +scherpen tegen hen, dat ze wordt als een vlijm; in gif en gal zal ik ze +doopen; ik zal hun mijn heelen inktpot naar den kop smijten! + +MEVR. STOCKMANN. Ja maar, Thomas, we gaan immers weg? + +(_Petra komt terug_). + +DR. STOCKMANN. Wel? + +PETRA. Al bezorgd. + +DR. STOCKMANN. Best.... Weggaan, zeg je? Neen, om de bliksem niet! Wij +blijven waar wij zijn Katrine! + +PETRA. Blijven we hier? + +MEVR. STOCKMANN. Hier in de stad? + +DR. STOCKMANN. Ja, hier; juist hier; hier is het slagveld; hier wordt de +slag geleverd; hier wil ik overwinnen! Als mijn broek nu maar weer +gelapt is, dan ga ik uit om een huis te zoeken; we moeten toch een dak +boven ons hoofd hebben van den winter. + +HORSTER. Dat kan u bij mij krijgen. + +DR. STOCKMANN. Kan dat? + +HORSTER. Ja, dat kan best; ik heb ruimte genoeg, en ik ben haast nooit +thuis. + +MEVR. STOCKMANN. O, wat is dat lief van u, kapitein! + +PETRA. Dank u! + +DR. STOCKMANN (_schudt hem de hand_). Dankje, dankje! Dus van die zorg +zijn we bevrijd. En nu ga ik van daag al in vollen ernst aan het werk. +Och, Katrine, er is hier zoo oneindig veel op te ruimen! Hoe heerlijk +dat ik nu zoo heelemaal over mijn tijd beschikken kan. Ja, want dat 's +waar ook, ik heb mijn ontslag van de baddirectie, moet je weten.... + +MEVR. STOCKMANN (_zuchtend_). Och ja, dat verwachtte ik wel. + +DR. STOCKMANN. ... en mijn praktijk willen ze mij ook afnemen. Maar laat +ze maar begaan. De arme lui houd ik in elk geval, die niets kunnen +betalen; en lieve God, die zijn het toch die mij het meest noodig +hebben. Maar hooren wat ik te zeggen heb, zullen ze, voor den donder; ik +zal voor hen preeken bij tijd en ontijd, zooals ergens geschreven staat. + +MEVR. STOCKMANN. Maar, Thomas-lief, je hebt nu gezien welk nut dat +preeken heeft, dunkt mij. + +DR. STOCKMANN. Je bent heusch komiek, Katrine. Moest ik mij misschien +uit het veld laten slaan door de publieke opinie en de compacte +meerderheid en dergelijk duivelstuig? Neen, dank je wel! En dat wat ik +wil is immers zoo eenvoudig en helder en zoo klaar als de dag. Ik wil +die straathonden alleen maar inpompen dat de liberalen de gemeenste +vijanden zijn van de vrijheidsmannen ... dat partijleuzen alle jonge +levensvatbare waarheden den nek omdraaien, dat utiliteits-overwegingen +alle moraal en rechtschapenheid onderste boven keeren, zoodat het leven +hier ten slotte een gruwel wordt. Gelooft u niet, kapitein, dat ik dat +de menschen nog wel begrijpelijk zal kunnen maken? + +HORSTER. Misschien wel; ik heb er niet veel verstand van. + +DR. STOCKMANN. Ja, ziet u,... let nu eens op! Het zijn de hoofden der +partijen die uitgeroeid moeten worden. Want een partijhoofd is net als +een wolf, ziet u,... als een hongerige izegrim ... hij heeft ieder jaar +zoo-en-zooveel stuks klein vee noodig om te kunnen bestaan. Kijk nu maar +eens naar Hovstad en Aslaksen! Hoeveel klein vee maken alleen die twee +al niet dood; of ze verminken het en bederven het zoo, dat ze nooit meer +iets anders kunnen worden dan abonne's op de "Volksbode"! (_gaat op den +rand van de tafel zitten_). Zeg, Katrine, kom eens hier,... kijk eens +hoe mooi de zon hier in schijnt van daag. En die heerlijke lentelucht +die naar binnen stroomt! + +MEVR. STOCKMANN. Ja, als we maar van zonneschijn en lentelucht konden +leven, Thomas! + +DR. STOCKMANN. Nou, je moet maar zuinig zijn en sparen, dan gaat het +wel. Dat is mijn minste zorg. Neen, wat erger is, dat is dat ik geen +enkel man ken, vrij en voornaam genoeg, om den moed te hebben na mijn +dood mijn werk voort te zetten. + +PETRA. O vader, daar mag je niet aan denken! Je hebt nog tijd genoeg +voor je.... Kijk, daar zijn de jongens ook al. + +(_Ejlif en Morten komen uit de huiskamer_). + +MEVR. STOCKMANN. Heb je vrijaf gekregen van daag? + +MORTEN. Neen; maar we hebben gevochten met de anderen in den vrijen +tijd.... + +EJLIF. Dat is niet waar; het waren de anderen die met ons begonnen te +vechten. + +MORTEN. Ja, en toen zei mijnheer Roerlund dat wij beter deden eenige +dagen thuis te blijven. + +DR. STOCKMANN (_knipt met de vingers en springt van de tafel af_). Nu +heb ik het! Nu heb ik het, bij mijn ziel! Jullie zult nooit weer een +voet in de school zetten! + +De jongens. Niet meer naar school? + +MEVR. STOCKMANN. Neen maar, Thomas.... + +DR. STOCKMANN. Nooit meer, zeg ik je! Ik zelf zal jullie onderwijzen ... +dat is te zeggen jullie zult niet zoo maar gewone dingen leeren.... + +MORTEN. Hoera! + +DR. STOCKMANN. ... maar ik zal jullie tot vrije voorname mannen +maken.... En jij, Petra, jij moet mij daarbij helpen. + +PETRA. Ja vader, daarop kan je rekenen. + +DR. STOCKMANN. En wij zullen school houden in de zaal, waar zij mij voor +een volksvijand hebben uitgescholden. Maar er moeten er nog meer zijn. +Ik moet ten minste twaalf jongens hebben om mee te beginnen. + +MEVR. STOCKMANN. Die krijg je hier in de stad stellig niet bij elkaar. + +DR. STOCKMANN. Dat zullen wij eens zien (_tegen de jongens_). Kennen +jullie niet een paar straatjongens?... zoo'n paar echte schooiers?... + +MORTEN. Jawel, vader, ik ken er een heeleboel. + +DR. STOCKMANN. Mooi zoo; breng er mij dan maar een stuk of wat hier. Ik +zal eens eenige proeven nemen op straathonden ... soms zijn er +merkwaardige koppen onder. + +MORTEN. Maar wat moeten wij dan doen als wij eenmaal vrije en voorname +mannen zijn geworden? + +DR. STOCKMANN. Dan moeten jullie alle izegrims naar het verre Westen +jagen, jongens! + +(_Ejlif kijkt een beetje bedenkelijk; Morten springt in de rondte en +roept hoera_). + +MEVR. STOCKMANN. Och, als het de izegrims maar niet zijn die jou +wegjagen, Thomas! + +DR. STOCKMANN. _Mij wegjagen_! Nu, nu ik de sterkste man van de heele +stad ben! + +MEVR. STOCKMANN. De sterkste ... nu? + +DR. STOCKMANN. Ja, dat groote woord durf ik nu uit te spreken, dat ik nu +een van de sterkste mannen van de wereld ben. + +MORTEN. Neen toch? + +DR. STOCKMANN (_spreekt zachter_). Stil; je moet er nog niet over +spreken; maar ik heb een groote ontdekking gedaan. + +MEVR. STOCKMANN. Alweer een? + +DR. STOCKMANN. Zeker, zeker! (_haalt hen dicht om zich heen en zegt +vertrouwelijk_). De zaak is, zie je, dat hij de sterkste man ter wereld +is, die alleen staat. + +MEVR. STOCKMANN (_glimlacht en schudt 't hoofd_). Och, Thomas-lief...! + +PETRA (_troostend, vat zijn hand_). Vader! + + +EINDE VAN HET VIJFDE OF LAATSTE BEDRIJF. + + + * * * * * + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Dramatische werken, by Henrik Ibsen + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DRAMATISCHE WERKEN *** + +***** This file should be named 17524.txt or 17524.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/7/5/2/17524/ + +Produced by Marc D'Hooghe, marcdh@pandora.be. + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
