summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/17524.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '17524.txt')
-rw-r--r--17524.txt19921
1 files changed, 19921 insertions, 0 deletions
diff --git a/17524.txt b/17524.txt
new file mode 100644
index 0000000..26c07d4
--- /dev/null
+++ b/17524.txt
@@ -0,0 +1,19921 @@
+The Project Gutenberg EBook of Dramatische werken, by Henrik Ibsen
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Dramatische werken
+ Steunpilaren der maatschappij - Nora (een poppenhuis) -
+ Spoken - Een vijand des volks
+
+Author: Henrik Ibsen
+
+Release Date: January 23, 2006 [EBook #17524]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DRAMATISCHE WERKEN ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe.
+
+
+
+
+HENRIK IBSEN
+
+DRAMATISCHE WERKEN
+
+VERTAALD NAAR DE OORSPRONKELIJKE NOORSCHE UITGAVE
+
+DOOR J. CLANT VAN DER MIJLL-PIEPERS
+
+& MET EENE INLEIDING VAN Dr. W.G.C. BIJVANCK
+
+
+ * * * * *
+
+
+INHOUD
+
+
+INLEIDING TOT IBSEN DOOR W.G.C. BIJVANCK
+
+
+STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ
+
+NORA (EEN POPPENHUIS)
+
+SPOKEN
+
+EEN VIJAND DES VOLKS
+
+
+ * * * * *
+
+[Illustratie: HENRIK IBSEN. Naar het schilderij van E. WERENSKJOeLD (1895)]
+
+
+INLEIDING TOT IBSEN DOOR W.G.C. BIJVANCK
+
+
+ * * * * *
+
+I.
+
+DE TIJD, HET WERK EN DE MAN.
+
+
+Toen, in 1828, Henrik Ibsen ter wereld kwam, koos hij het juiste
+oogenblik van geboorte voor zijn roeping als "staats- en
+samenlevings-satyricus"[1] der 19e eeuw.
+
+ Wie an dem Tag, der Dich der Welt verliehen,
+ Die Sonne stand zum Grusse der Planeten,
+ Bist alsobald und fort und fort gediehen
+ Nach dem Gesetz, wonach Du angetreten.
+ So musst Du sein, Dir kannst Du nicht entfliehen....[2]
+
+De stand der lichten aan den hemel, bij het eerste begroeten van het
+levenslicht, bepaalt ons lot en onze bestemming,--zoo spreekt de
+dichter-profeet, en er is zeker aan elk der menschenkinderen een weg van
+ontwikkeling voorgeschreven en gezet van de vroegste kindsheid af, maar
+of die baan uit de sterren valt af te lezen?--wij willen den dichter
+gelooven, wanneer hij het zegt, en toch liever wat nader bij den grond
+uitzien om onze overtuiging de rechte verzekerdheid te geven.
+
+ * * * * *
+
+Heeft Ibsen's geboortejaar, het jaar 1828, als ik het noem en voor mijn
+verbeelding opstel, niet zijn eigen min of meer expressieve physionomie?
+
+Het is een grensjaar. De wereld, ondanks de doorstane Revolutie, ligt
+dan nog in banden. Wat oud is en vervallen en niet meer mocht bestaan,
+overheerscht nog schijnbaar. Maar dat oude is al hol en verbrokkeld,
+zijn tijd is voorbij, en een gevoel van vernieuwing herleeft; ja
+zachtjes begint de wind reeds te blazen die de belofte van het nieuwe
+brengt....
+
+Laat mij, om de beteekenis aan te toonen van het jaar 1828, als
+uitgangspunt voor den dichter, een overzicht nemen over de afgeloopen
+eeuw.
+
+ * * * * *
+
+Het hoofdmoment van de 19e eeuw is de Revolutie die haar inleidt, de
+groote Omwenteling. Men denkt daarbij het eerst aan Frankrijk, aan een
+staatsorde die werd omgekeerd, aan staatsgrenzen die werden gewijzigd en
+opgeheven; maar het was niet uitsluitend een politieke gebeurtenis; zij
+had ruimer gebied in Europa, zij greep den geheelen mensch aan en zij
+hervormde menschengeest en menschengevoel.
+
+Wat men noemt de revolutionaire beweging of de hervorming van het eind
+der 18e eeuw, dat heeft de dingen der wereld verplaatst en in een ander
+licht gesteld: de menschen naderden tot elkander over de afscheiding van
+hun stand en volksaard, de dingen verlieten hun vakken en indeelingen,
+alles werd bezield door een geest van eenheid en verwantschap. Een nieuw
+leven komt over het aangezicht van de aarde. Men staat anders dan
+voorheen tegenover de natuur en tegenover zijn medemensch, tegenover
+zijn verleden en zijn toekomst. Eenheid is het wachtwoord, en het is
+alsof nu eerst de menschheid bezit gaat nemen van de wereld door haar
+medegevoel.
+
+Men leerde toen den band onderscheiden en begrijpen die alle kennis en
+wetenschap verbindt, onderling en met den geest zelf van den mensch;
+en de doode massa van feiten en waarnemingen verrees daardoor tot een
+opstanding. Het was een albezieling. De menschen vonden zich op eenmaal
+terug, rijker, machtiger, grooter. Nieuwe krachten werden in hen
+ontbonden. Verbeelding, inzicht, energie van denken groeiden aan[3].
+Het was een nieuwe spanning der vermogens....
+
+Wanneer men zich de laatste jaren der 18e en nog de allereerste jaren
+der 19e eeuw voorstelt, moet men dien krachtigen, alles meeslependen
+adem van het nieuwe geestesleven voelen heengaan over de wereld.
+
+ * * * * *
+
+Het Scandinavische Noorden deelde eerst laat in de beweging. Hendrik
+Steffens[4], een man uit Noorwegen maar van Nederduitsch bloed, ging
+naar Duitschland om zijn ziel in de atmosfeer van groote ideeen te
+bevrijden van haar druk. Hem had in zijn engte en eenzaamheid het
+heimwee overvallen naar een vereeniging met "de volle" menschheid en
+natuur, en het was geweest als de drang van een behoefte aan godsdienst;
+maar zijn heftige, wilde aard liet hem geen rust voordat hij zich had
+doorgekampt tot zijn bestemming.
+
+Hoe gevoelt men aan het voorbeeld van den jongen Steffens, met wat voor
+macht de trillingen van de grootere wereld zich langs onbekende wegen
+voortplantten in de uithoeken van Europa! De staatkundige gebeurtenissen
+van het eind der 18e eeuw gaven maar een stoot en een opwekking;--men
+mag hun invloed niet over 't hoofd zien, evenmin als Steffens zelf
+vergat met wat voor opwinding zijn vader thuis kwam op een dag--hij was
+toen, in 1789, zestien jaar--en aan de kinderen vertelde van den val der
+Bastille en het aanbreken van een nieuwen grooten tijd van vrijheid en
+geluk[5].
+
+"Het waren wonderbare dagen," zegt Steffens in zijn herinneringen,
+"... het eerste oogenblik van geestdrift ... heeft iets reins en heiligs
+gehad om nooit te vergeten." Maar het dwepende verlangen dat hem dreef
+tot de natuur "in haar gansche volheid," zooals hij het uitdrukt, lag op
+den grond van zijn hart; dat heimwee naar zielsbevrijding drong en
+prikkelde den jongeling met onstuimiger kracht dan de voorbijgaande roes
+van indrukwekkende gebeurtenissen. Hij moest de wijde wereld in om met
+eigen oogen te zien wat de nieuwe tijd aan nieuwe menschen en nieuwe
+ideeen deed opbloeien, hij moest zijn geest laven aan de bron van het
+geestesleven in Duitschland: de wijsgeeren, de dichters, de mannen der
+wetenschap moest hij kennen, en uit hun mond, door hun omgang moest hij
+het wezen der nieuwe ideeen direct opnemen in zijn hart, als het
+beginsel van een "voller" leven.
+
+ * * * * *
+
+Toen hij--het was in het voorjaar 1802--uit Duitschland naar Kopenhagen
+terugkwam, met het plan om voorlezingen te houden over zijn geestelijke
+ondervinding, vond Steffens in Denemarkens hoofdstad onder zijn
+enthousiaste hoorders, den dichter, den man geroepen om een levende
+gestalte te geven aan zijn denkbeelden. "Ik gaf hem aan zichzelf," zegt
+Steffens van zijn eerste kennismaking met Adam Oehlenschlaeger, "hij werd
+zich bewust van zijn rijkdom, en ik schrikte bijna van de onstuimigheid
+waarmede die jonge frissche bron mij tegemoet stroomde."[6]
+
+Het verhaal is bekend hoe die weeke, voor alle indrukken vatbare en toch
+hartstochtelijke trotsche geest van Oehlenschlaeger het bezielende woord
+van zijn ouderen tijdgenoot aannam en dadelijk in zijn poezie liet
+weerklinken,--veel te bekend om het hier nog eens te geven. Maar ik kan
+toch niet zonder even een vermelding dat tafereel voorbijgaan van
+opbruisende geestdrift, waar de jonge dichter, eerst ik weet niet door
+welk vooroordeel weerhouden, bij Steffens aarzelend een bezoek brengt,
+om met hem te blijven spreken, wandelen, etend, rustend, van elf uur 's
+morgens tot drie uur in den nacht, dan thuiskomt en een gedicht schrijft
+voor zijn vriend tot bewijs voor zijn dichterschap, voor zijn pasgeboren
+"volle" dichterschap.
+
+Daar raakt ons de ademtocht van den tijd onmiddellijk aan. Het krachtige
+leven ontspruit dadelijk en natuurlijk. Het vindt zijn terugslag in de
+gedachten. "Zoon van de Natuur," zoo karakteriseert Oehlenschlaeger den
+held van zijn poetische vertelling "Aladdin of de wonderlamp." Aladdin's
+genie is geluk. Het geluk komt tot hem zonder gezocht te worden, als tot
+het voorwerp van zijn liefde.
+
+Tegenover Aladdin stelt de dichter Nureddin, den zorger en zwoeger, den
+nachtwroeter en peinzer, gelijk hij het menschentype noemt, dat de
+fortuin den rug toekeert.
+
+Oehlenschlaeger en het tijdstip dat hem dichter zag worden, stonden aan
+den zonnekant. De genialiteit van de jeugd drong toen het sombere,
+bleeke nadenken en zich bezinnen terug naar de schaduwen van den
+nacht[7]. Want het waren toch nog iets meer den twee poetische typen,
+Aladdin en Nureddin,--het zijn twee soorten van karakters in de
+menschenwereld: de levensvolle, de toegrijper, de improvisator van geluk
+en de twijfelaar, de peinzer, de levensloochenaar[8]. Hun contrast
+openbaart en teekent zich niet slechts in de poezie, maar ook in de
+opvolgende tijdvakken en in de groote mannen van het Scandinavische
+Noorden. Oehlenschlaeger heeft door zijn voorstelling die typen aan de
+menschen van het Noorden getoond. Ja, men kan misschien zeggen dat hij
+buitendien en in 't algemeen een vorm gaf aan de elementen, waaruit de
+nieuwe letter- en levenskunde van het Noorden zich begon op te bouwen.
+Dat alles was weliswaar door hem nog niet in vaste, scherpe lijnen
+getrokken, en de samenhang der karakters was dikwijls oppervlakkig en
+onbepaald:--voor de toekomst viel nog iets te doen:--maar hij beproefde
+het ten minste om de heele wereld in zijn werk af te spiegelen en zich
+te doen bewegen. Hij hield het oog op het geheel....[9]
+
+ * * * * *
+
+Een tien- of twaalftal jaren na Oehlenschlaeger's opgang keerde de
+stemming zich om. De troostelooze en magere jaren kwamen aan. Het was
+bij Napoleon's val, toen de nieuwe denkbeelden, na nog een opbruising,
+hun krachten hadden verspild, toen de mannen van het Heilig Verbond zich
+gereed maakten om onder den schijn van het Heilige de oude rechten weder
+te doen gelden....
+
+Men kent de gewoonte der dichters van het Noorden om hun helden op de
+beslissende momenten van hun leven een hoogte te doen beklimmen tot het
+houden van een alleenspraak in de eenzaamheid van den natuur. Nu gaat
+het landschap waarop zij zelf en hun helden uitzien, zich verduisteren;
+wolkgevaarten legeren zich daarover, en het gezicht van de hoogte is op
+teleurstelling en smart.
+
+"Ik stond eenmaal," zoo leest men in een brief van het jaar 1814[10],
+die als een karakteristiek van den tijd beschouwd moet worden,--"ik
+stond eenmaal op een hoogen berg en keek rond in een heerlijke
+streek.... En de oneindige zegen en de oneindige liefde vervulden mijn
+hart door hun machtige nabijheid.... Die tijden zijn voorbij en het
+leven is me een enge gevangenis geworden, de natuur een kille
+regen-Novemberdag. Dikwijls bekroop mij het verlangen weer op dien
+hoogen berg te stijgen en het uitzicht te hebben op de oneindige wereld.
+Maar tevergeefs wachtte ik op den goddelijken geest en de onzegbaar
+heerlijke nabijheid; en klagende ging ik van de hoogte af, bitter
+weenende"....
+
+ * * * * *
+
+Zoo scherp was de val. De vrije geest, en de scheppende verbeelding
+moesten bukken onder het wicht van den tijd.
+
+Ze lag heel zwaar op de menschheid, de Restauratie, de Herstelling van
+het verledene;--ze onderdrukte en ze weerhield.
+
+Welke kiemen van groei konden ook wel die jaren aan Europa verschaffen?
+Wat vermochten ze aan de menschheid te schenken, de vorstencongressen en
+vorstendecreten waarmede de wereld toen werd bestuurd? Een voorwendsel
+van na- en overleven voor wat verouderd was en vermolmd!
+
+Niets meer.
+
+ * * * * *
+
+Wij wenden ons tot Noorwegen, want daar is vooreerst onze standplaats[11].
+
+Ook voor Noorwegen had nog even het licht opgeblonken te midden der
+volkenverwarring.
+
+Het jaar 1814 gaf aan het land de vrijheid en een grondwet: vrijheid
+tegenover de Deensche monarchie waarvan Noorwegen tot dien tijd deel had
+uitgemaakt,--en door zijn grondwet van 17 Mei zelfstandigheid tegenover
+Zweden waarmee het onder een zelfden koning kwam.
+
+Maar Noorwegen was verarmd en uitgedoofd. De inspanning om zijn grondwet
+te verkrijgen had de laatste krachten verbruikt.
+
+Zoo scheen het. En voordeel van de constitutie had men niet. Niet
+dadelijk ten minste. Wat in de toekomst lag kon niemand voorzien.
+Op 't oogenblik toonde de boerenstand, de kern der bevolking, zich
+onverschillig. Gehecht aan hun oude overleveringen, waren de boeren van
+de nieuwe vrijheid niet gediend, ja zij gedroegen zich tegenover haar
+zelfs vijandig. Gevolg van hun armoede en hun geestesarmoede. Maar de
+bureaucratie, de kring van regeeringsambtenaren, nam het bestuur in
+handen, en zij kon zelfs het woord van vrijheid niet verdragen, evenmin
+als den naam der constitutie, uitvloeisel van den revolutionairen geest
+uit het begin der eeuw.
+
+Zoo was er nergens van vrijheid sprake of 't moest zijn van de overoude,
+eeuwengeheiligde Noorsche vrijheid om de dingen te laten gaan, zooals
+zij wilden....[12]
+
+Diep onder het oppervlak welde en woelde er toch iets in den geest van
+die menschen.
+
+ * * * * *
+
+[Illustratie: Ibsen's geboortehuis te Skien (het huis rechts, tegenover
+de Kerk)]
+
+
+Een Noorman heeft een ingeschapen trots. Hij zal niet licht het
+denkbeeld loslaten van een grootsche bestemming voor zich en voor zijn
+volk. Maar de natie zelf, in haar teruggedrongen, armelijk bestaan,
+miste persoonlijkheid. En daar kwam het in de eerste plaats op aan. Wat
+in dien tijd aan Noorwegen, zoowel als aan de andere kleine volkeren van
+Europa ontbrak, dat was een energiek nationaal karakter, een krachtige
+physionomie. Het leek wel of de stormen der oorlogs- en geestesberoering
+van de Revolutie de trekken van het gezicht hadden weggevaagd. Of paste
+de oude verbleekte gelaatsuitdrukking niet meer bij het scherper licht
+der nieuwe vrijheid?...
+
+Binnen het verloop van weinig jaren kwam er dan meer voortgang in de
+zaken van het land. Het was zoo nog geen welvaart, dan toch een voorbode
+van welvaart. Sinds 1825[13] kan men een groei der bevolking waarnemen.
+En daarmee gepaard gaat een ontwikkeling. Het volkskarakter, zwijgend
+nog, maakt zich gereed tot spreken en uitspreken, de trekken worden meer
+gemarkeerd, en bij de nadering van het jaar 1830 neemt de spanning toe.
+Dat alles uitte zich nog op studentenmanier, woelig en roezig, bij
+feesten ter gelegenheid van de constitutieviering: men wilde de overheid
+trotseeren. Toch in alle geval kwam er toon en kracht in de menschen en
+de dingen.
+
+"Een taak[14] zoo onmetelijk groot, dat Miltons werk in vergelijking
+daarmee eenvoudig schijnt, heeft me bezig gehouden en zal me nog maanden
+bezighouden ook," schreef in 1828 een student van twintig jaren aan zijn
+geliefde. "Het gedicht heet "Hemel en Aarde"--."[15] Is het niet alsof
+men een van de jonge Titanen hoort, op het punt om 't luchtruim te
+bestormen?
+
+ * * * * *
+
+En zoo stormt hij ook die stille geschiedenis van Noorwegen binnen, de
+onbesuisde dichter en patriot, Henrik Wergeland. Hij brengt tocht en
+hartstocht met zich mee, de jongeling wien de wilde haren om het naief
+geestdriftige gezicht zwieren.
+
+Ik weet niet of er nog menschen gevonden worden die het "hemel en aarde"
+gedicht met voldoening kunnen lezen;--het werd in 't voorjaar van 1830
+voltooid en met een opdracht aan Henrik Steffens in de wereld
+gezonden,--zoo vormloos zweeft het reuzenpoeem door ijle sferen van
+hemel en aarde, zoo stapelen zich beelden en gedachten op om te
+bemachtigen wat zij toch niet kunnen bereiken, zoo heerscht er een volte
+en overvolte in het werk, en ze kan toch niet de leegte en de magerheid
+der heele gestaltenis bedekken. Maar er is gang in de holle grootsche
+uiting van den theologischen student. Hij heeft een ideaal, en hij
+verpandt er zijn leven aan. Het "hemel-en-aarde"-gedicht stelt een datum
+voor in de geschiedenis, en een opening en een toegang tot nieuwe
+geschiedenis.
+
+ * * * * *
+
+Wergeland was de zoon van een der mannen aan wie het land de constitutie
+van het jaar 1814 was verschuldigd; hij leefde eenige jaren in het
+stadje Eidsvold, waarna de grondwet werd genoemd. Men mag hem een kind
+der revolutie noemen[16]. Maar hij staat een eind daarvan af. Wat hem
+kenmerkt en wat het gedicht over het Menschenlot merkwaardig maakt is
+het gevoel van een scheiding, van een soort breuk in de vermogens van
+den mensch. De dichter liet zich niet dragen door den stroom, het was
+voor hem geen uitstorting en geestdriftvolle overgaaf zooals 't aan den
+dageraad der eeuw was voor de eerste jongeren van de groote beweging;
+neen, hij zag het vooruit- en opwaartsdringende hoogere leven aan voor
+een element van strijd in de menschenziel, tegen den rustigen,
+harmonieuzen, natuurlijken ontwikkelingsgang in. Die strijd is hard en
+scherp, maar hij moet leiden tot een overwinning. Aldus zegt het den
+dichter zijn naief vertrouwende kinderlijke aard. Want is hij een
+bittere kamper, hij heeft tegelijk behoefte aan liefde, aan vertrouwen,
+aan harmonie. Hij is onverbeterlijk een optimist.
+
+Zoo heeft Wergeland in zijn dramatisch-episch wereldgedicht het type van
+het echte Noorsche karakter aangegeven, al kon hij 't nog niet voluit
+teekenen: dat karakter opgebouwd uit sluwheid en weekheid, uit liefde
+en onbuigzamen trots van persoonlijkheid. Men zou in het werk van
+Oehlenschlaeger misschien de beide bestanddeelen kunnen terugvinden,
+ik heb het al gezegd, maar Wergeland geeft eerst de echt Noorsche
+overzetting. Voor hem, voor den Noorschen dichter, wordt de menschheid
+geleid en bezield door den genius van mokkende, wrokkende onrust, die
+eigenzinnig overmoedig buiten zichzelf uit wil, en door den genius van
+de overgaaf der liefde die, buigend voor de eigenwilligheid, haar
+opvoert tot vrede en verlossing. De menschheid zoekt naar harmonie; zij
+zal haar vinden, dit is Wergelands denkbeeld. Op een hooger peil geland,
+treedt de mensch den Paradijsstaat weer binnen.
+
+Wergeland geloofde in zijn volk. Laat hem in zijn poeem met luchtbeelden
+schermen, achter de woorden en over elkaar tuimelende symbolen klopte
+wel degelijk het hart van een man. Hij had de zienersgaaf, en den moed
+in een dorren tijd om te zijn: een volksman. Daarom kwam hij voor den
+dag uit zijn poezie, en hij trok de conclusies van zijn "hemel-en-aard"-
+gedicht op den vasten grond der aarde, op Noorwegens bodem. Het in hart
+en ziel onverdorven menschenslag, dat de grondstof moest wezen voor het
+rijk der toekomst, vond de dichter terug in zijn vaderland. Het was de
+boerenbevolking waarop hij zijn verwachting grondde. Wanneer zij zich
+bewust werd van haar waarde en haar geest vrijmaakte van de al te
+beperkende banden, dan zou Noorwegen herleven. Hij zag in hen de "zonen
+der natuur", met den aanleg en de voorbestemming om den idealen staat
+tot een werkelijkheid te maken, een rechtop uit de eigen volkskracht
+gegroeiden staat.
+
+ * * * * *
+
+Er is een intieme tegenspraak in Wergelands opvatting. Ongetwijfeld.
+Het denkbeeld van den harden strijd- en twijfeldrang in de menschenborst,
+verdraagt zich niet goed met het natuurlijk ontvouwen van het nationaal
+karakter. Maar dat contrast--daarin bestond juist zijn individuele
+leven. Met die twee polen van zijn gevoel, verlangen naar kamp en naar
+harmonie, raakte zijn bijzonder leven den omvang van het algemeene
+leven, en die levensgevoeligheid, dat levensgevoel stelde hem in staat
+om het Noorsch karakter uit zijn dofheid en verdooving te redden en te
+bevrijden[17]. Wergeland opent de periode der "Noorschheid" voor het
+Noorsche volk.
+
+ * * * * *
+
+Een heelen afstand moet men doorloopen om van Oehlenschlaeger tot
+Wergeland te komen. De een gebruikt zijn scheppende verbeelding om
+verbeelding te scheppen: hij woont in een tooverland, zijn "Zoon der
+Natuur" is een onbevangen dichter--de ander staat nabij de
+werkelijkheid, zijn verbeelding wil een volk wekken en vormen: zijn
+"Zoon der Natuur" is een boer.
+
+ * * * * *
+
+Bjoernsterne Bjoernson, toen hij de inwijdingsrede uitsprak bij de
+onthulling van Wergelands standbeeld op den nationalen feestdag van 17
+Mei (1881), vertelde van den dichter hoe hij een tijd lang gewoon was
+geweest om op wandeltochten zijn zakken vol te hebben met boomzaden; nu
+en dan onder weg, deed hij een greep en strooide daarvan uit; bij zijn
+vrienden drong hij er op aan hetzelfde te doen. "Want niemand kan weten,
+wat daaruit groeien zal."
+
+Het is de weg van een dichter door het leven, maar ook het leven van een
+man, wiens handelen was poezie.
+
+ * * * * *
+
+Niet dat Wergeland veel geluk heeft gevonden.
+
+Hij heeft een bitter leven gehad; hij spaarde zich niet, hij gaf en
+werkte, in volkomen zelfonbekommernis, als leider van het volk; tot
+belooning heeft men hem niet gespaard. Ook de natuur spande mee tegen
+den "zoon van de natuur", zij gunde Wergeland maar een korten
+arbeidstijd. "Ik ben niets anders geweest dan een dichter," zeide hij op
+zijn sterfbed; maar dat dichterschap, ik herhaal het, was op zijn beurt
+niet anders geweest dan een idealiseering van het woord waarmee hij de
+loopbaan van volksman intrad:
+
+"Mijn doel is een nuttig Noorsch burger te wezen."[18]
+
+ * * * * *
+
+Ik noem hier alleen Wergeland, omdat ik slechts de hoofdlijnen trek:
+hij had zijn medearbeiders, dat spreekt van zelf, en hij volgde op
+origineele manier de opkomende richting van de andere Scandinavische
+landen,--van Denemarken vooral, dat den toon aangeeft in het
+Noorden,--en van heel Europa[19].
+
+De menschen werken niet, maar werken mee, zoo moet men zeggen. Er ligt
+iets grooters om hen heen. Wanneer wij ons een voorstelling willen maken
+van geestelijk bewegen in een bepaalden kring, dan zullen wij ons dien
+kring denken omringd door al wijder cirkels: zij deelen elkander hun
+kracht van strooming mede, en dikwijls is het moeilijk te onderscheiden
+of de wijdere cirkel het leven en de beweging opwekt in den kleineren
+kring, dan wel of de algemeene richting niet eerder ontstaat als een
+samentelling en uitkomst van het pogen en dringen en zich uiten van al
+die kleinere en kleinste kringen.
+
+Er is een Europeesch geestesleven. Men heeft in Noorwegen den looden
+druk der restauratie van het oude gevoeld, al hebben de congressen der
+Restauratie-jaren er hun invloed niet laten gelden; en toen de
+Juli-revolutie van 1830 uitbrak en zegevierde, toen ondervond men de
+verruiming van het leven ook in het Noorden,--de Juli-revolutie die een
+verburgerlijking was van de groote Omwenteling. Zij was immers een
+voortzetting en een vervolg van de kosmopolitische beweging, maar nu
+binnen de landsgrenzen van ieder volk, evenals Wergeland en zijn
+genooten een nationale transpositie volvoerden van de geestesmuziek der
+Steffens' en Oehlenschlaegers uit het begin der eeuw[20].
+
+ * * * * *
+
+Wordt het nu mogelijk, na dezen rondgang door den tijd, zich een idee te
+maken van het jaar 1828, Ibsen's geboortejaar?
+
+Het is een schemerjaar. Nog heerscht er stilte in de wereld. Maar in die
+stilheid dreunt eerstens een klank door van den machtigen storm die over
+Europa heengetrokken is, en die voor een tijd is ondergegaan in een
+duister zwijgen;--tegelijk ook rijst er een gerucht van komende dingen.
+Bleek besloten ligt nog de dag, maar in zijn blankheid en nauw gebroken
+rust spiegelt hij de voorbijgegane en de naderende uren in een witten
+nevelspiegel van trillende onzekerheid en onwezenlijkheid.
+Dagschemering, morgenstond van herinnering, van berouw, van
+voorgevoelens!
+
+ * * * * *
+
+Wie in dat jaar 1828 werd geboren, diens jeugd ligt als in een lijst
+tusschen de Juli-revolutie van 1830 en de Februari-revolutie van 1848:
+de Juli-revolutie die een opfrisschende windvlaag is, de Februari-
+revolutie welke dieper lagen van het volksbewustzijn omwoelt en die
+evenbeeld wil worden van de groote Omwenteling.
+
+Hoe moest het hart opengaan van den twintigjarige, als daar in 1848 bij
+zijn intreden in het mannelijk leven de onstuimige tijd hem de belofte
+toewaaide van de expansie en uitbreiding van het leven! Maar licht en
+schaduw gaan in de aanstaande jaren met elkander afwisselen, druk en
+verruiming vervangen elkaar, vrijheid strijdt met absolutisme, en volk
+kampt met volk. Die twintig of drie-en-twintig jaren van '48-'71, de
+krachtigste leeftijd van den man wien 1828 als geboortejaar werd
+toebeschikt--wat zal hij er al niet in doorleven, al leeft hij ook
+alleen in zijn verbeelding met hen mee als met een schouwspel!
+
+1848 tot 1871,--dat is de revolutie en de nieuwe heerschappij van een
+Bonaparte die de Februari-revolutie besluit, evenals de groote
+Omwenteling uitliep op het het keizerrijk van Napoleon den Groote; dat
+is de oorlog in het Oosten van Europa en de burgerkrijg in Amerika; dat
+is de vereeniging van Italie en Duitschland tot nationale staten; dat is
+de val van het keizerrijk, dat is de Commune en de brand van Parijs.
+
+Wij denken ons 'n tien- of vijftiental jaren verder dan het Communejaar,
+en wij hebben in de tijdruimte die door '85 gesloten wordt, een periode
+van staatkundige werkzaamheid beleefd. Europa bevindt zich in het teeken
+der groote staatslieden: een Bismarck, een Gladstone, een Gambetta,
+opbouwend en hervormend de innerlijke structuur van den staat hunner
+landen, om hun kracht te geven en stand te doen houden te midden der
+groote verhoudingen van de toekomst.
+
+Het is een tijdvak van inwendigen politieken strijd meer dan van groot
+Europeesch leven.
+
+Wederom 'n tien of vijftien jaar later, en het eind der 19e eeuw is
+nabij. Een nieuw verlangen trekt door de wereld. Niet langer is 't de
+staat waarom de krachten zich scharen, het zijn geen staatkundige
+hervormingen waarvoor de geestdrift opvlamt, neen, dieper en
+uitgebreider tevens golft het bewegen der menschheid; de ziel der
+samenleving zelf is in beroering, en zij zendt haar machtige trillingen
+naar alle kanten uit. De tijd was gekomen voor de maatschappelijke
+vraagstukken. Wie misdeeld is in het leven, gaat zijn aandeel eischen
+van een levenswaard bestaan, de arbeiders, de vrouwen verdedigen hun
+recht. En dit wordt het probleem: of de staat nog het vermogen heeft om
+zich te transformeeren in een anderen, hoogeren vorm van samenleving dan
+hij tot nu toe is geweest.
+
+Nieuwe standen, nieuwe krachten, nieuwe verlangens, maar ook een nieuw
+verlangen. Als een lang onderdrukt heimwee naar vereeniging met het
+onbekende, het toekomende, rijst er in het hart der menschheid een
+behoefte aan overgaaf en opgaan in een onpersoonlijk leven, dat het
+persoonlijk bestaan steunt en wijdt. Is het een zucht naar godsdienst,
+of het haken naar een gelukstaat boven het leed der verteederende
+wereldsmart? Is het een voorgevoel van den groei der individualiteit
+buiten haar eenmaal getrokken grenzen, of de lust om breeder en intenser
+in contact te treden met het leven en het genot van het leven?--Vreemde,
+vage gevoelens doordringen de atmosfeer, wisselend van vormen, nu
+deemoed en begeerte naar opoffering en zelfverloochening, dan bewustheid
+van macht, van verheffing, van zaligend leed. Het zijn de hervormers, de
+wijsgeeren, de dichters, de kunstenaars, die den toon aangeven, niet de
+staatslieden meer....
+
+En bij haar overgang naar de 20e eeuw, loopt het eind van de 19e in veel
+opzichten evenwijdig met den uitgang van de 18e eeuw. Men mag ook hier
+spreken van vernieuwing, van aaneensluiting en van een groot verschiet.
+Alleen, er ontbreekt de hartstocht, het geweld, de majesteit en de
+eenheid der beweging, en vooral de vreugd ontbreekt. Een omwending, geen
+omwenteling.
+
+ * * * * *
+
+[Illustratie: HENRIK IBSEN op 29-jarigen leeftijd]
+
+Zoo volgt ons oog den stroom van den tijd, wanneer hij, telkens
+afgebroken, neerdaalt over drie streng gescheiden terrassen: het eerste
+grenspunt, de stichting van het Duitsche Rijk en de opstand der
+Parijsche Commune; de tweede grens, het bevestigen van het Europeesche
+staatswezen,--waarna de stroom in uiteenloopende richting zijn loop
+volgt.
+
+Geeft ons de Europeesche letterkunde, gesteld dat wij haar als een
+voorstelling van het leven nemen, een getrouwen indruk van die
+voorbijgaande jaren tijdvakken?
+
+Een volledig beeld zeker niet. De eerste periode werd nog geheel
+beheerscht door de groote namen van auteurs wier opkomst samenviel met
+de eerste helft der eeuw. Victor Hugo, George Sand, Dickens, om enkelen
+te noemen, voerden het woord en lieten het zich niet ontnemen. Hun werk,
+als 't het geheel van de samenleving wil omvamen, heeft iets gekunstelds,
+het spreekt niet dadelijk uit het hart van de maatschappij. Het zoekt een
+eenheid van het leven, maar het leven zelf is al buiten het kader van hun
+werk gegroeid.
+
+In het tweede tijdvak was Zola de overnam. Ook hij wilde in zijn romans
+een wereld samenvatten. Maar 't is meer een product van het innig
+meeleven met zijn tijd. En zoodra wij op het derde terras van de laatste
+helft der eeuw zijn aangeland, bemerken wij dat de behoefte om de
+samenleving als een eenheid te grijpen, niet meer bestaat. De kunst in
+haar intiemsten grond is lyrisch en individueel geworden. Zij wil een
+invloed zijn, zij wil niet langer een spiegel wezen.
+
+Houdt de poezie--poezie hier in ruimste beteekenis genomen--ook wel
+gelijken tred met den gang der maatschappij?
+
+Niemand zal ontkennen dat zij altoos de sporen draagt van den tijd
+waarin ze opbloeit--hoe zou men zich de schepping van Zola kunnen denken
+zonder den achtergrond van het "Schrikkelijk jaar"?--maar toch geeft zij
+dikwijls antwoorden op vragen, lang geleden gesteld en zonder beteekenis
+geworden, en zij stelt vragen waarop de toekomst het antwoord zal
+brengen, als het geslacht dat vroeg, is voorbijgegaan....
+
+Dit daargelaten echter,--want wij willen thans alleen weten hoe een man
+van het jaar 1828 de wereld van de tweede helft der 19e eeuw zou zien.
+Wij moeten zijn weg kennen en zijn houding, te midden der historie en
+der literatuur van zijn tijd.
+
+Om Henrik Ibsen's gestalte in de wereldletterkunde te doen uitkomen,
+kies ik ter vergelijking met den Noorschen dichter van 1828, een van de
+allergrootsten, al mag men hem nog niet noemen: een van de
+allerbekendsten, George Meredith[21].
+
+ * * * * *
+
+George Meredith is van het zelfde jaar, ja van denzelfden winter, maar
+hij had het rijke, beschavingsleven van Engeland om in te aarden. Daarom
+is het werk van den Engelschman breeder uitgegroeid....
+
+Maar wij vragen niet naar den rijkdom en de weelderigheid van zijn
+arbeidsveld,--wij hebben te maken met de ziel van den man en met de
+gestalte, de teekening zijner ziel.
+
+Meredith is een stem, en er weerklinken van alle kanten stemmen in de
+ruimte die zijn poezie vult. Het is de stem van het water en het
+wuivende riet aan den waterrand, het zijn de stemmen van vogels in haar
+eindelooze modulaties, en het zijn vrouwenstemmen in haar kristalreine
+verheffing van geluid; het is ook zijn eigen zielestem, onmiddellijke
+uiting van zijn gevoeligheid. Geestdriftig zou die stem en die stemming
+zich hebben willen aansluiten en zich hebben overgegeven aan al wat er
+voor grootsch bewegen in de wereld is omgegaan. Ze heeft gedweept met de
+bevrijding van Italie en geklaagd en getroost bij de verduistering van
+Frankrijk's lot,--maar dan heeft ze zich schuw teruggetrokken,
+weerhouden door het teedere van haar innigheid. Een Swinburne en een
+Morris, in rijper tijd, 'n tien of meer jaren na Meredith geboren,
+konden door de breede muziek en den vollen krachtigen gang van hun taal
+hun ouderen tijdgenoot overstemmen, evenals Bjoernsterne Bjoernson het
+Henrik Ibsen heeft gedaan, in deze eerste periode van Europeesche
+historie: Meredith was dat niet gegeven, en hij moest achteruitzetting
+en het vergeten-worden dragen, evenals Ibsen 't deed. Er was nacht in
+zijn talent en zijn geest.
+
+"Zij hield het oor van den nacht gevangen,"[22] zegt hij van eene,
+wanneer ze in nachtelijke stilte zingt, en haar stem, door de
+eenzaamheid gedragen, met het bewustzijn van haar macht en haar bekoring
+den Nacht als dwingt tot luisteren. In Meredith's geest bestaat ook de
+nauwe aanraking en gemeenschap tusschen zijn gevoeligheid en het
+nachtelijke van zijn ziel.
+
+Hij heeft van nature de wijsheid van den nacht die de geheimen bezit van
+een groot verleden.
+
+Zijn bezieling wordt gescherpt en voortgeleid door zijn kennis en zijn
+verstand. En als de verbeelding bij hem uitgaat om gestalte te verleenen
+aan het leven van zijn tijd, dan mag zij niet rusten eer de voorstelling
+van het leven tot aan den tragischen rand is gebracht en het bloeiende
+leven zelf, geknakt en getroffen, met angstig vragende oogen staat
+tegenover den meedoogenloozen dood.
+
+Zoo rijst de blanke heerlijkheid van het pas ontknoppende bestaan voor
+het oog van den dichter omgeven door een kring van duisternis[23]. Hij
+heeft er toch het leven niet minder lief om, al zit hij 't als een
+illusie, maar evenmin doet hij afstand van zijn gevoel van innige
+verwantschap met die duisternis, die het mysterie van het leven in zich
+besloten houdt.
+
+En het maakt dat hij zich bewust wordt van een scheiding tusschen zich
+en de uiterlijke wereld, en tegelijk maakt het dat hij weet van een
+afstand tusschen zijn innerlijke wereld en zichzelf, zijn eigenste zelf.
+Want ook zijn innerlijke wereld heeft haar illusies waar toch niemand
+buiten kan: zij spreekt van liefde, en hij, de dichter, kan den nacht
+niet weren uit zijn hart--hij antwoordt met: eenzaamheid....
+
+Afstand te bewaren ook tegenover het eigen liefdegevoel! Zich te
+bezinnen, en zonder het levensgevoel op te geven, de vrijheid van geest
+te handhaven![24] Dus luidt de wijsheid gesproten uit herinnering,
+berouw en voorgevoelens, dus spreekt de morgenstond, nog onder de
+kennis-zwangere schaduwen van den nacht, als het licht onwezenlijk
+huivert en trilt over de goede dingen dezer aarde.
+
+"_Modern Love_"[25], Meredith's _Comedie der liefde_--maar het werk van
+den Engelschen dichter is geen comedie, 't is een stem die klaagt en
+berust--zegt in een reeks van gedichten zijn levenssmart en zijn
+zelfbezinning. Het is als het roepen van een die zijn krachten
+bijeenhoudt voor den komenden wedloop met het leven;--en ervaren,
+doorstreden, gaat hij zijn grooteren werkkring binnen.
+
+Hij komt dan in die tweede periode van moderne Europeesche historie
+welke ik, in tegenstelling tot de sociale, de politieke heb genoemd.
+
+ * * * * *
+
+Meredith's talent ontwikkelde zich tot kunst van satire in grooten
+stijl. Terwijl vragen van het hoogste staatkundig gewicht de partijen in
+den staat bezig hielden, legde hij zijn hand heel zacht en heel rustig
+tegen een van de steunpilaren der Engelschen maatschappij, en hij voelde
+het ding wankel, hij toonde het van binnen hol.
+
+De zuil en stut van de Engelsche samenleving was de vermogende
+landedelman, wel opgevoed en wel doorvoed, toongever van fatsoen en
+ideaal van mannelijkheid. Meredith nam hem van zijn voetstuk af in zijn
+breed opgezetten roman _The Egoist_[26], dien hij een comedie noemt. Het
+leven strijkt daar binnen en toetst den heros en afgod, niet aan eenigen
+maatstaf van politiek of economisch gewicht, maar zuiver naar zijn
+gehalte aan menschheid. Het schepte leegte om hem heen, waar eerst de
+volheid van het bestaan hem wijd en zijd omgaf, en 't lijkt wel alsof
+het van alle kanten de dwergen en geesten verzamelt, om naar het rijk
+der leugen die leugen der zelfzucht weg te voeren, die zich voor een
+beginsel van levensbehoud uitgaf.
+
+Maar dan verheft zich toch de satire; zij is gelijk aan een straal van
+den morgenstond, vallend te midden van een gekunstelde wereld, en zij
+toont in haar eigen innig licht de waarheid en de vrijheid van het
+leven.
+
+Comedie van den nacht en zijn spoken, en uit de schoot van den nacht
+breekt los de eerste dageraad!
+
+ * * * * *
+
+Als de tijd voortging en een nieuwe zedelijke orde werd voorgevoeld, nam
+de macht en het vermogen van den kunstenaar toe, zijn schildering werd
+breeder en menschelijker. Want het was hem waarlijk niet te doen om een
+van de bijzondere vraagstukken die de aandacht van de wereld op 't
+oogenblik troffen. Neen, hij lette alleen op den mensch in de eeuwige
+verhoudingen van het natuurlijk leven.
+
+Hij zag hem wel bezig met zijn zaken en zijn eerzucht, begeerig naar
+genot, naar geld, naar macht; maar in den grond kende hij hem alleen
+in zijn zuiver menschelijke betrekkingen. Man en vrouw kende hij den
+mensch, en hij schiep vrijheid om de vrouw, en hij wilde eerbied
+scheppen in den man voor de liefde van de vrouw. De samenleving--wat is
+ze hem anders en meer dan het samenzijn van man en vrouw in opofferenden
+arbeid voor het groote leven[27]?
+
+Hoezeer was de dichter zich daarbij bewust van den afstand der
+werkelijkheid! Hij legde om die reden zijn voorstelling van het leven
+ook wel in een verleden tijd en won daarmee het recht om de lijnen van
+zijn teekening grooter te trekken. Eindelijk ging hij zich alleen nog
+geven in symbolische gedichten. Zoo rondt zich zijn bestaan af en uit
+het diepst van zijn wezen spreekt hij de woorden:
+
+ Lo where the eyelashes of night are raised
+ Yet lowly over morning's pure grey eyes[28].
+ . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
+
+
+Een enkel voorbeeld geeft nog geen geldige aanwijzing van den koers dien
+het geslacht van 1828 moest opgaan,--het spreekt vanzelf. Er is meer
+noodig dan het geval van George Meredith om de ontwikkeling en opvolging
+te toonen van hun loopbaan. Laat mij daarom nog een naam noemen, bv.
+dien van Taine[29].
+
+ * * * * *
+
+Ook Henri Taine werd in 1828 geboren. Hij is bij de reconstructie van
+Frankrijk na den oorlog van 1871 de satiricus in grooten stijl geweest,
+die met zij _Origines de la France contemporaine_ aan de regeerders van
+den dag het tafereel heeft voorgehouden van de werking der
+Revolutie-hartstochten.
+
+Tot waarschuwing?
+
+Zoo was het niet bedoeld. Het boek stond op zijn eigen basis. Maar door
+het scherpe en nijdige van zijn voorstelling waarschuwde het wel degelijk
+tegen de vrijheid die de passies ontketent en de regeeringsbeginsels
+vernietigt, en legde het allen nadruk op het gewicht van de steunpilaren
+der samenleving, wier val niets dan verwarring geeft in den staat.
+
+Dus was Taine een tegenvoeter van Meredith en Ibsen!
+
+Laat dat zoo zijn, laat ons het voor 't oogenblik aannemen,--want de
+volledige beteekenis van Taine's werk, dat zijn waarde behoudt buiten
+den tijd, waarin het verscheen, kan men moeilijk in een paar woorden
+ontvouwen. De hoofdzaak is, dat het met zijn bijtende ernst, tegenover
+het oppervlakkig staatsbeleid van den dag, de elementen van het
+menschelijk samenleven wilde toonen in den grooten samenhang van het
+historisch leven. Daardoor is het aangesloten,--hoe verwijderd het ook
+moge schijnen--bij het werk van de anderen.
+
+En de principes van Taine's geestelijken arbeid zijn dezelfde.
+
+Men moet daarbij in 't oog houden, natuurlijk, dat hij minder een artist
+was en eerder een wetenschappelijk denker en literator. Maar dan vindt
+men ook bij hem wederom de trillende nervositeit tegelijk met het
+omvattend verstand. Zijn aandoeningen zijn intellectueel, zijn
+verbeelding gaat uit op de dingen van den geest, daarom is het echter
+niet de ijver van een geleerde die hem van zijn eerste jeugd af
+aanspoort om het gebied van letteren, geschiedenis, kunst, philosophie
+en zielsleven in bezit te nemen. Neen, er is een stem in zijn hart die
+hem drijft in de ruimte om zijn lust en zijn dorst naar kennis te
+verzadigen, en uit de diepste bron van zijn menschelijken aanleg rijst
+een behoefte aan overgaaf, een zucht naar vereeniging met de natuur[30].
+Door zijn arbeid nadert hij haar, de Natuur.
+
+Hij wil en hij doet meer; hij verlangt zichzelf te beproeven en te
+leeren kennen aan dien kring van kennis die voor hem de uiterlijke
+wereld voorstelt. Want ook hij gevoelt den afstand tusschen zichzelf, en
+wat buiten hem staat, en eveneens tusschen zijn eigenste zelf en zijn
+innerlijke wereld.
+
+Die problemen grijpt hij aan als man van wetenschap in zijn groote werk
+de l'_Intelligence_, en tevens geeft hij hun een persoonlijke vorm in
+het boek dat men Taine's comedie der liefde en der samenleving zou
+kunnen noemen, en dat heet _Vie et opinions de Thomas Graindorge_.
+
+Als wetenschappelijk onderzoeker gaat hij door tot de uiterste
+consequenties. Taine ziet in het heelal slechts een schakel van oorzaken
+en gevolgen; voor hem worden alle betrekkingen tusschen feiten--en er
+zijn niet anders dan feiten--volledig uitgedrukt door een wet. Hij is de
+strengst mogelijke determinist. Aan den anderen kant, op de vragen van
+zijn persoonlijk leven, vindt hij geen antwoord dan: eenzaamheid.
+
+Taine vertoont daarom heel duidelijk het karakter van het geslacht van
+1828. Hij is pessimist, omdat hij achter de illusies de bloote
+werkelijkheid zoekt als een harde wet; maar hij heeft een grootsch
+denkbeeld van het menschelijke. "Il s'agit toujours de decrire une ame
+humaine ou les traits communs a un groupe naturel d'ames humaines."[31]
+Dat is hem zijn taak: het menschelijke. Uit den nacht breekt het licht
+te voorschijn.
+
+Van Beethoven heeft hij eens gezegd: "Il ressemble a un homme qui, apres
+une nuit d'angoisses,... apercoit tout d'un coup un paysage repose et
+matinal."[32] Zoo moet men zich ook Taine voorstellen in die eerste
+periode, den tijd van het tweede keizerrijk: een tumultueusen denker,
+die kampt met de stof om haar te beheerschen, maar die een uitweg zoekt
+en hem vindt in de beschouwing van de kunst[33], het hoogste menschelijk
+vermogen, scheppende de menschengestalte in haar volle evenwicht en
+majesteit.
+
+ * * * * *
+
+[Illustratie: Titelblad van het Manuscript van Ibsen's eerste Drama
+"Catilina" (1849) op 21-jarigen leeftijd geschreven.]
+
+
+De Fransch-Duitsche oorlog door den Commune-opstand gevolgd, heeft een
+diepe insnede in Taine's leven getrokken. Hij kwam al meer en meer door
+zijn werk in oppositie tegen de tijdstrooming--maar ik heb reeds over
+die levensperiode en de _Origines de la France contemporaine_ gesproken.
+Zijn langdurige kwaal en zijn dood--Taine is in 1893 gestorven--hebben
+zijn taak onvoltooid gelaten. Een oordeel over de derde periode heeft
+daardoor zijn bezwaren....
+
+ * * * * *
+
+Maar kan men zich door al dit opgenoemde niet een beeld vormen van de
+typische mannen der generatie van 1828? Zij bezitten niet eenheid, niet
+directheid van gaaf; neen, hun verbeelding spruit voort uit weten en
+gevoel, uit verstand en gevoeligheid; zij komen van een grensjaar.
+
+Zij behooren tot een afloopenden grooten tijd, en er is nog iets in hen
+van de macht en den drang uit het begin der eeuw, tegelijk met iets
+bezonnens en ouds, dat terugdringt;--zij zijn opgegroeid onder den
+invloed van de Juli-burger-omwenteling, en er blijft hun altoos iets bij
+van het karakteristiek nationale, dat het teeken is van 1830....
+
+Het revolutiejaar van 1848 brengt hun geest naar buiten. Dan gebruiken
+zij het eerste groote tijdvak van hun leven om hun gebied en zichzelf in
+bezit te nemen. Maar de gelijkmatige gang wordt in 1871 gewelddadig
+afgebroken. Er was een toenadering geweest tusschen de volken van
+Europa, en er had zich een soort van Europeesche maatschappij gevormd
+onder de leiding van Frankrijk. Dat grootere samenleven hield op met den
+val van het keizerrijk; de staten, die zich als in een familie wilden
+vereenigen, trokken zich vijandig ieder in zijn staatsleven terug, en
+ook in iedere afzonderlijke samenleving heeft de angst voor de Commune
+een verscherping van het standenleven bewerkt.
+
+Men zou het zoo kunnen noemen, dat de maatschappelijke geest na 1871 een
+inkrimping ondervindt, en zijn krachten beperkt tot het gebied van den
+staat. Het talent der mannen waarvan hier sprake is, ondergaat daardoor
+een ombuiging. Waren hun krachten minder geoefend geweest, hadden zij
+niet reeds hun terrein verkend en vermeesterd, zij zouden misschien
+stille beschouwers zijn geworden;--nu stelden zij hun eigen wereld,
+tegenover de wereld die zij zagen; zij maakten oppositie, zij werden,
+zooals het in die dagen heette, satirici.
+
+Totdat een nieuw Europeesch samenleven opkwam in de laatste jaren der
+19e eeuw.... En het werk dier mannen begon zich meer aan te sluiten
+bij de behoeften van den tijd. Zij namen deel aan den nieuwen
+beschavingsarbeid. Maar zij waren in hun hart geworden: mannen van het
+verleden. Van een groot verleden, zeker, dat het teeken droeg van het
+algemeen menschelijke,--toch van het verleden.
+
+Zoo kwamen zij op een afstand van de gewone menschenwereld; en voor het
+oog van hun tijdgenooten, verloren zij zich eenigszins, ondanks hun
+scherp geprente trekken, in lichte nevelen en een blank onbestemd
+schijnsel--overgang der heentrekkende schaduwen van den nacht tot het
+eerste teere licht van den grijzenden morgen....
+
+ * * * * *
+
+Misschien heb ik bij deze zaken te lang stil gedaan en de aandacht door
+een algemeen intermezzo vermoeid, in plaats van haar bij Noorwegen en de
+Noorsche dingen te bepalen. Ik moet dan vragen om die beschouwingen over
+den toestand van Europa en over Europeesche menschen te laten wijken
+naar den achtergrond, zonder dat men ze daarom toch geheel uit het oog
+mag verliezen. Ze zijn als een wijdere kring dien ik om den engere van
+mijn onderwerp moest trekken, en de beweging van dien ruimeren cirkel
+was het zeker wel noodig te volgen, nu het te doen is om Henrik Ibsen
+die echt een Noor was, maar die zich soms in de eerste plaats gevoeld
+heeft als een burger van Europa.
+
+De Scandinaviers die zoo trotsch zijn op hun Noorden, kunnen van tijd
+tot tijd heel uit de hoogte neerzien op hun land en zijn beschaving.
+Wat heeft Kierkegaard niet op Denemarken en zijn hoofdstad, dat nest,
+gevloekt! En hoor Ibsen:
+
+"Waarom," vraagt hij[34], "staan wij die een Europeesch standpunt
+innemen, zoo alleen in ons vaderland?--Wijl dit ons vaderland niet den
+samenhang bezit van een staat; wijl men in het vaderland gemeentelijke
+gedachten en gevoelens heeft, geen nationale, geen Scandinavische....
+Denkt ge dat dit fragment van Europeerdom een grondslag kan wezen voor
+beschaving? Alleen een natie, wanneer ze een geheel uitmaakt, kan
+meewerken aan een cultuurbeweging. Wij Scandinaviers zijn in de oogen
+van Europa nog niet verder gekomen dan het gemeenteraads-standpunt. En
+nergens ter wereld houdt een gemeenteraad er zich mee bezig om het rijk
+van de toekomst, "het derde rijk", te verwachten of voor te bereiden."
+
+ * * * * *
+
+Zoo sprak Ibsen wel in zijn boosheid. En echter volgde Noorwegen, op
+zijn manier zeker, maar toch trouw en regelmatig, in de tweede helft der
+19e eeuw, de lijn van ontwikkeling van geheel Europa. Alleen behoorde
+het niet altijd tot de gelukkige landen van het werelddeel.
+
+Toen de revolutie van 1848 uitbrak, had Noorwegen zijn groote vraagstuk
+voor zich[35], evenals de staten van Duitschland en van Italie het
+hadden. Het was een vraag van expansie en van nationale vereeniging. Men
+noemde het streven naar dat ideaal, Scandinavisme, en het bedoelde niet
+alleen een verbroedering maar ook een nauwe aaneensluiting van de drie
+rijken van het Noorden.
+
+De Pruisisch-Oostenrijksche campagne tegen Denemarken van het jaar 1864,
+heeft aan de geestdrift voor het Scandinavisme een harden slag
+toegebracht, toen het bleek hoe weinig "de broeders" geneigd waren
+elkander bij te staan in nood: de vestiging van het Duitsche rijk in
+1871 heeft daarop voor goed een eind gemaakt aan het plan,--omdat de
+inbezitneming van Sleeswijk Duitschland dwong tot vijandschap tegenover
+al die Scandinavische grootheid. En voor het prestige van het Duitsche
+rijk moest het ideaal van het Noorden bukken.
+
+Bjoernsterne Bjoernson heeft toen, en onder die omstandigheden, aan
+Noorwegen zijn leus gegeven.
+
+"Laat ons," zeide hij op een feestelijke bijeenkomst, (in 't eind van
+het jaar 1866, na Koeninggraetz), "vooreerst en voor alles Noren zijn, en
+op die wijs, daarna, Scandinaviers. Want ieder van de drie volken moet
+zijn eigen aard hebben, om iets in ruil te kunnen geven aan de
+anderen."[36]
+
+Het Scandinavisme in de verre toekomst!--te beginnen met Noorwegen voor
+de Noren!
+
+Zoo is men ook in Noorwegen na 1870 begonnen met het opbouwen van den
+modernen staat[37]. Het werd een verwezenlijking van Wergeland's idee.
+De Noorsche boer kreeg zijn rechten, de constitutie kreeg haar
+uitbreiding en Noorwegen kreeg, met zijn "reine" vlag, volle
+zelfstandigheid tegenover Zweden.
+
+In 1882 is de crisis. Noorwegen speelt dan zijn "er op of er onder"
+tegen de koninklijke macht. 1884 brengt de eindbeslissing, en het
+volgend jaar ziet een nieuwe periode geopend, den tijd van
+maatschappelijke en partieele hervormingen. De politieke ideeen hebben
+toen hun dag gehad.
+
+ * * * * *
+
+Ibsens leven toont wel duidelijk de indeeling der drie perioden. De tijd
+van 1864 tot 1871--de ondergang van het Scandinavisme, de vestiging van
+de Pruisische macht, en de Commune-opstand te Parijs--heeft hem, na zijn
+eerste half schoolse, half spontane ontwikkeling, tot die rijpheid van
+bewustzijn gebracht, die hem als een modern Europeesch man het volledig
+bezit gaf van zijn talent. In de 70er jaren viel dan het begin van zijn
+werk als "staats- en samenlevingssatiricus", en Ibsen nam met zijn
+bitter boos aanvallend werk zijn scherpe aandeel aan het gevoels- en het
+gedachtenleven van zijn volk. Het scheen wel alsof hij 't er op had
+aangelegd, het uit de engte van zijn dorpelijk en gemeentelijk leven te
+prikkelen tot het innemen van een hooger standpunt in de Europeesche
+maatschappij. Sinds 1884 en '85 eindelijk, toen in Noorwegen de
+politieke strijd was uitgestreden, verruimde en verbreedde zich zijn
+talent[38]. Wat zijn land noodig had,--zoo zag hij den toestand in,--dat
+waren sociale en praktische hervormingen, niet langer politieke
+theorieen, en Ibsen's dramatische kunst weerspiegelt--maar 't is een
+vrije ontvouwing van zijn dichtergaaf--die onvervulde, dringende
+behoefte aan een energieke beschaving.
+
+Zoo wondervol loopen in het werk van den kunstenaar de draden samen die
+de richting aangeven van het nationaal Noorsche en van het gezamelijk
+Europeesche leven!
+
+ * * * * *
+
+Ik moet thans dat werk nog overzien als een uiting van zijn
+persoonlijkheid.
+
+Wat men het eerst hoort van den dichter is een klacht. Het gedicht dat
+als eersteling in zijn verzamelde werken is opgenomen heet "_Berusting_".
+Het is alsof de twintigjarige zijn droomen van grootheid en geluk niet
+meer voor zich heeft, maar ze achter zich heen in 't verleden ziet
+verdwijnen. Hoe eng is de atmosfeer in zijn werk! Er ligt een beklemming
+over.
+
+De revolutie-storm van 1848 streek wel met een vlaag neer in het kleine
+Noorsche stadje waar hij zijn gedrukte leven leidde, en de tocht van de
+groote beweging wekte den armen apothekers-assistent wel uit zijn
+dofheid, ontvlamde zijn geest; maar het bleef ten slotte bij hem een
+kamp in het hart. Zoo ergens is hier, in Ibsen's dichtergeest, de
+duisternis van den nacht.
+
+Maar ook hoogheid van gedachten-verbeelding en voorstelling. Het bewijs
+is _Catilina_[39], het stuk dat de reeks van zijn drama's opent (1850).
+Men denkt misschien een schoolthema in handen te krijgen, en men ontdekt
+in de tragedie een hartekloppenden geest verdeeld tusschen wijd
+uitgaande plannen en een berouwvol bewustzijn van zonde en onmacht.
+De revolutie neemt er haar rol in--en woelt in een gemoed, vervuld van
+mysterie en van de tradities van pietisme. Want dat werd, zoo men hem
+wel beziet, Ibsen's Romein, Catilina: een revolutionaire, mysterieuze
+pietist[40].
+
+Het was voor den dichter een worsteling om van den nacht tot het licht
+te komen, maar de schaduwen hebben het gewonnen.
+
+Hij gevoelde heel sterk de verdeeldheid van het leven, en de afscheiding
+van de natuur. Ibsen heeft wel geprobeerd in den trant van Oehlenschlaeger
+en zijn volgelingen romantische drama's te schrijven, maar de helden van
+die tooneelspelen zijn in hun hart van Wergeland'sche structuur en echt
+Noorsch. Twee zielen wonen in hun borst, en zij komen moeilijk uit hun
+kampende schemerleven te voorschijn.
+
+De scherp logische consequentie van zijn geest noopte den dichter dan om
+voor het onderwerp zijner drama's ook een zuiver Noorschen vorm te
+kiezen. Zoo verschenen hard en streng als een Noorsche saga zijn
+_Krijgers op Helgeland_[41] (of _Noorsche Krijgstocht_) ten tooneele
+(1885). Het was Ibsen's tijd van "Noorschheid". Stug als de vorm zijn
+ook de karakters van het verhaal. Wij krijgen den zedelijken indruk van
+een wilde eenzaamheid. De dichter brengt in zijn tragedie het leven tot
+den rand van den afgrond,--den dood in verlatenheid.
+
+De klagende stem is den nacht ingegaan.
+
+ * * * * *
+
+Ik moet hier melding maken van een gedicht dat tot de lievelingsverzen
+van den dichter behoorde. Het heet _De mijnwerker_[42], en het trotseert
+den dag. Want wat de mijnwerker wil, als de dichter, in de diepte de
+oplossing der raadsels zoeken die de natuur aan de menschheid opgeeft.
+Hij keert zich af van het licht, omdat het zijn oogen verblindt met een
+bedriegelijke klaarheid, en hij wil de schatten zien in de geheime kamer
+van de aarde opgeborgen, hij wil de levenswetten naspeuren, daar waar ze
+bloot liggen, aan de wortels van het bestaan.... Maar geen straal
+schijnt nog in den afgrond om hem te toonen dat hij op 't goede pad is:
+de hoop verzwakt, het vertrouwen daalt. Geen nood: in het donker is
+vrede en rust. Hij blijft het houweel hanteeren; en 't gaat, hamerslag
+op hamerslag, de diepte in aan den boezem der Natuur.
+
+Het is het hart van den dichter dat zich met geweld aandrukt, dat klopt
+tegen het hart van den Nacht, hamerslag op hamerslag, met felle
+hamerslagen.
+
+En wij worden gedachtig aan dien Henrik Steffens[43] die op den overgang
+van 18e tot 19e eeuw uit het Noorden naar Duitschland toog, om daar zich
+in de nieuwe wijsheid te laten inwijden. Want Steffens, een dichter
+slechts in verlangen, was in werkelijkheid met zijn gedachten den weg
+opgegaan van Ibsen's poetische verbeelding. Hij had in de diepe
+aardlagen den sleutel van het leven gezocht en er de oorspronkelijke
+levenswet gevonden. Ibsen trad met zijn fantasie in 't spoor van den
+enthousiasten onderzoeker, en zijn gevoel voor mysterie was een
+terugslag der natuurmystiek van een halve eeuw geleden.
+
+Met dit onderscheid echter, dat Steffens in zijn jeugd het licht en de
+verruiming genoot, en steunend op de machtige beweging van zijn tijd,
+zijn persoonlijkheid kon opbouwen,--terwijl Ibsen moeilijk de steile
+duisternis moest doorworstelen. Maar hij groeide in talent en in
+vastheid van greep op het leven. Hij dichtte zijn _Comedie der Liefde_
+(1862), hij schreef zijn Koningsdrama, de _Kroonpretendenten_ (1863).
+
+De _Kroonpretendenten_ waren voor den Noorschen dichter wat
+Oehlenschlaeger's Aladdin en Nureddin, het Arabische tooververhaal van
+het gelukskind en den ongeluksvogel, voor den Deenschen dichter zijn
+geweest. Ibsen heeft den strijd in zijn hart tusschen zijn wil en zijn
+peinzende onmacht in twee historische gestalten, twee tegenbeelden,
+dramatisch geprojecteerd, en 't is door het scherp contrast van licht en
+donker, een historie van leven geworden, ten minste voor zoover hij die
+reeds geven kon.
+
+In de _Comedie der Liefde_ trad de dichter eindelijk, buiten het gebied
+der sage en der historie, het gewone dagelijksche leven in. Hij
+sprak,--op het tooneel altijd,--midden tusschen de toehoorders en de
+menschen op het toneel,--van zijn hart tot zijn hart. Het de _comedie_
+van het ideale streven, dat door liefde bewust wordt van zichzelf,--de
+_comedie_ van het ideaal, omdat het zich eenzaam voelt en moet gevoelen,
+in zijn tegenstelling tegen een wereld, die niet anders dan het gewone
+wil erkennen en kent.
+
+Schaduwen hangen er, zoowel over het historisch drama als over het
+burgerlijk tooneelspel. Nog maken zich de personen en de
+persoonlijkheden niet geheel los uit de lijst der gebeurtenissen en
+gebeurlijkheden; maar zij spreken niet langer met gedrukte stem. Het
+geluid heeft zich in de borst van den dichter ontbonden en ontwonden,
+ook al hooren wij nog niet den vollen klank, alleen den weerklank.
+
+'t Is als het kloppen van het hamerend hart in den mijngang, uit de
+verte vernomen.
+
+De dichter was namelijk wel niet langer onzeker van zijn weg, maar hij
+ging hem alleen[44]. Niemand heeft zijn verlatenheid zoo moeten gevoelen
+als die trotsche schuwe geest. Hij had zijn gaaf vermeesterd, zijn
+rijkdom zag hij voor zich--in de diepte. Zou hij dien schat ooit aan het
+licht kunnen brengen? De wereld was tegen hem, daar in het Noorden[45],
+en hij had niets daartegenover dan zijn genie, dat door de wereld--daar
+in het Noorden--niet meer geacht werd dan het poover talent van een
+vlakken, handigen teekenaar.
+
+Hij bleef nog in schemering.
+
+"De dood! ik ken nog erger dan den dood--het is het grauwe schemeren,"[46]
+zegt Jatgeir, de skalde in Ibsen's _Kroonpretendenten_.
+
+ * * * * *
+
+[Illustratie: Ibsen's echtgenoote Suzanna Ibsen.]
+
+
+Daar naderde het jaar 1864, de inleiding tot de grootheid van
+Duitschland en de vernedering van het Scandinavische Noorden. Een
+oogenblik had een straal van grootsche verwachting den geest van den
+dichter verhelderd, hij had gehoopt op een krachtige samenwerking der
+drie broedervolken. Maar het kwam anders uit. Ook dit was een _comedie_
+der liefde; zij had tot besluit een vereenzaming. Maar het was een
+alleenstaan zonder ideaal. Het ideaal nam de dichter met zich mede, toen
+hij mismoedig afscheid nam van zijn geboortegrond, en troosteloos door
+het triumfeerende Duitschland heentrok naar het Zuiden.
+
+Hij had zijn vaderland verloren; hij herwon, hij herschiep het in zijn
+hart, onder de zon van Italie. In Rome, te midden der atmosfeer van een
+groote, eeuwige wereld schudde Ibsen de wolken en schaduwen van zijn
+geest weg. Zijn ziel nam haar sprong. Hoe krachtig zwaaide hij den
+hamer! En uit het doodsche, grijze blok van zijn herinnering en zijn
+wrok, van zijn liefde en zijn norschen wil, beeldde hij de gestalten van
+Brand en van Peer Gynt te voorschijn!--_Brand_ (1865), de stoere,
+sombere held en martelaar van het ideaal, _Peer Gynt_ (1867), de
+zorgelooze deugniet, wien de fortuin toch niet anders kan doen dan
+toelachen.
+
+Hier zijn ze nu, maar ieder op zijn eigen grondstuk en levend voor
+zichzelf, de Nureddin en Aladdin van de tooversprook, maar
+getransformeerd, bijna onherkenbaar, tot nationale typen, en gedragen
+en vervuld door de eigen passie, en door het eigen leed en de eigen
+fantasie van hun dichter. Hoe is zijn kracht gestegen, hoe is niet
+alleen zijn stem maar ook zijn verbeelding losgekomen in deze twee
+scheppingen van de ochtendschemering!--De eene schepping rauw als de
+morgen en kloek als het morgenbesluit tot hardnekkigen arbeid, de andere
+speelsch en steelsch als de dartele dageraad, overmoedig vertrouwend in
+de bedriegelijke hoop van het jonge licht!
+
+ * * * * *
+
+Wijder strekten intusschen zijn gedachten[47]. Rome had het hem
+aangedaan. Hij wilde eeuwigheid opnemen in zijn geest. Het onderwerp van
+Julianus den Afvallige lokte hem aan, den keizer die op de samenkomst
+van twee wereldwegen stond, Keizermacht en Christendom:--hier, de oude
+wereld door het Romeinsche Keizerrijk tot een eenheid gebracht en
+gevormd; daar, de nieuwe Christelijke wereld, haar eenheid zoekend in
+een beginsel hooger dan de menschengemeenschap;--den keizer die, als in
+morgenschemering gehuld, het matte oog gericht hield op een nevelige
+toekomst waarin het hoogere beginsel, met de menschenwereld verzoend,
+een nieuweren vorm van beschaving en gemeenschap zou vestigen.
+
+De tijd werkte aan de conceptie van den dichter mee[48], en moest
+daaraan meewerken. Want de geest van Ibsen had distantie noodig[49]. En
+'t is al opmerkelijk, dat de dichter pas voor goed aan den dramatischen
+arbeid voor zijn keizersthema kon beginnen, toen hij Rome verlaten had
+en in Duitschland zijn woonplaats had opgeslagen, zoo was het niet
+minder van gewicht voor hem, dat hij ook nog de ervaring kreeg van het
+groot gebeuren tusschen de jaren 1864 en 1871[50]. Die ondervinding
+bevrijdde eerst zijn geest volledig: de neergang van het Fransche
+Keizerrijk, de opkomst en het snel vergaan der Commune van Parijs, de
+jonge macht van het Duitsche Rijk,--dat alles gaf zijn blik eerst de
+energie om in de verte te zien.
+
+Hij keek niet langer in een benepen omgeving, noch van menschen, noch
+van eigen hart. Neen, hij doorbrak met den zwaai van zijn hamer den
+nauwe mijngangen van pietisch zondegevoel en berouwvolle verslagenheid,
+hij verruimde zijn ziel; en hij ging iets begrijpen, buiten den
+benauwden kring om van zijn persoonlijkheid, buiten den beperkenden
+cirkel van het oogenblik om,--iets begrijpen van het wereldgebeuren, hoe
+daar machten waren die ondergingen en die toch de toekomst voor zich
+hadden, maar die toekomst niet konden verkrijgen, wanneer zij niet op
+hun tijd en voor een tijd waren ondergegaan.... Het lot zwaaide den
+hamer hard, maar het hamerde vast.
+
+Er kwam, gelijk ik heb gezegd, iets van eeuwigheidsgevoel in Ibsen's
+geest. De jonge Wergeland had, in het jaar van 's dichters geboorte, het
+idee opgevat om het boek van de bestemming der menschheid in geniale
+verzen te vertolken, en zijn dichtsel was een luchtverheveling gebleven;
+nu, na meer dan veertig jaren, zette Ibsen zich aan het werk, en hij kon
+zijn gedicht met trots een "werelddrama" noemen. Zijn periode van
+"Noorschheid" was voorbij.
+
+ * * * * *
+
+Op die wijs, door eigen stoeren en pijnlijk geduldigen arbeid, verwierf
+hij zich zijn aandeel in de groote Europeesche beschaving: aan de
+anderen, aan een Meredith en een Taine, was zij van nature gekomen door
+hun gestadige aanraking met een wereldcentrum: voor Ibsen was zij een
+veroverd en wel gewonnen gebied.
+
+Welk was het voornaamste kenmerk van de moderne geestesstemming?
+
+Zij rustte op het wetenschappelijk geloof aan het determinisme--het
+voorbeeld van Taine heeft het getoond[51]. En hoe hard het denkbeeld der
+onverbiddelijke wet ook moge schijnen, Ibsen koos dat geloof tot het
+zijne met gelatenheid, ja misschien met vreugde.
+
+Hij nam ze op in het bloed van zijn brein, de verzekerdheid en
+gedetermineerdheid van den gang van het leven. De vaste bepaaldheid van
+het bestaan gaf houding en bevrijding aan zijn geest. Het was een
+wijsheid gegrond op de granietlaag van de aarde.
+
+Ibsen's tragedie van Julianus den Afvallige beweegt zich in de atmosfeer
+van het determinisme. Dat geeft eenheid, en vooral ook eenheid van
+horizon, aan het noodzakelijk wijd uiteenloopende verhaal van het
+historisch drama. En door het toevallige van de gebeurtenissen weg te
+nemen, heeft de dichter het tooneelspel, dat in de oudheid speelt,
+tegelijk een beteekenis gegeven voor zijn eigen tijd.
+
+Wanneer men het gedicht zou moeten noemen dat het best de Europeesche
+jaren van het tweede Keizerrijk weerspiegelt--die jaren met een
+grootheid tusschen schijn en werkelijkheid in, half verraderlijk
+illusoir en half idealistisch, de jaren van Napoleon III,--dan zou men
+misschien het best doen om Victor Hugo en de overige dichters van het
+tijdvak minder te tellen, en vooreerst te wijzen op den Julianus van
+Ibsen, zijn _Keizer en Galilaeer_.
+
+Niet, dat het aan alle eischen voldoet. Ibsen zelf kon met het werk dat
+hij zijn hoofdwerk heette, niet tevreden zijn. Iets ongelijks heeft het
+en iets onvoldragens. Het is alsof de omvang der tragedie haarzelf in
+den weg is geweest....
+
+ * * * * *
+
+Zij was onvoldragen, omdat de tijd veranderde. Toen het drama van
+Julianus den Afvallige in het licht verscheen (1873), was er reeds een
+ander aanschijn over de dingen gekomen. Voor den dichter werd het een
+gesloten tijdvak; aan den eenen kant staat er zijn tragedie _Catilina_
+en aan den tegenovergestelden kant staat _Keizer en Galilaeer_, ieder
+van beiden een teeken hoe ver zijn eerzucht reikte. Maar hij schreef
+voortaan geen "werelddrama's" meer.
+
+Want de wereld was voor den dichter kleiner geworden.
+
+Dat lag aan hemzelf, nu hij zijn hoog standpunt innam en zijn talent
+gerijpt en gedegen in zich droeg; maar dat lag ook aan de wereld, daar
+in werkelijkheid veel grootheid of schijn van grootheid van haar was
+weggegaan.
+
+Ibsen's gedachten keerden weer naar huis, zooals men naar den
+moedergrond terugverlangt, bij een teleurstelling. En van dezen tijd af,
+bleef hij met zijn verbeelding bij het geboorteland.
+
+Ik weet niet of iemand die dien tijd niet heeft meebeleefd, zich een
+voorstelling kan maken van het gevoel hoe de wereld toen minder werd,
+of liever hoe zij minder helder in haar groote verhoudingen voor het oog
+lag. Er was teruggang. Dat zelfde determinisme dat een man als Ibsen
+groot en wijd had leeren zien, werd door de kunst van de komende periode
+op de details van het leven toegepast, en het leven werd een object van
+waarneming voor den kunstenaar. Men constateerde verval; en men
+behandelde het leven grof en klein.
+
+Was het niet een periode als tusschen licht en donker? Er ging al wel
+een eerste nieuwe beweging en een geheime trilling over de aarde, maar
+het geschiedde onder een lichtlooze, rauwe lucht.
+
+ * * * * *
+
+Ibsen zag zijn land aan met den blik van een vreemdeling. Het lag op een
+afstand. Hij voelde zich geen burger van Noorwegen. Kon hij, die voor
+zich den rang veroverd had van lid der Europeesche samenleving, nog
+langer wezen een staatsburger?--Maar hij had behoefte met de
+maatschappij van het Noorden mee te leven.--Kon hij er zich anders
+gedragen dan als satiricus?
+
+
+Ibsen als een man van het "tusschen donker en licht", een onzekere, een
+vrager, een twijfelaar, was een geboren satirist. Hij is begonnen met
+satirische kluchten te schrijven, evenals Wergeland zijn "farcen" in de
+wereld heeft gestuurd, evenals in iedere opkomende beschaving de man van
+vernuft zich lucht verschaft door te hekelen. Midden onder zijn groote
+werk[52] aan Brand, Peer Gynt en Julianus den Afvallige, had de dichter
+een politieke comedie geschreven, het _Verbond der Jeugd_ (1869), en
+reeds vroeger--wat kan men de _Comedie der Liefde_, als geheel genomen,
+anders noemen dan een satire? Maar dit alles moet men toch alleen
+aanzien voor een aanleiding en een inleiding[53]. De comedie van Ibsen
+in zijn tweede groote periode is satire van een verschillend gehalte.
+
+ * * * * *
+
+Ik heb ergens gelezen van een gesprek tusschen een Parijzenaar en een
+bezoeker van Parijs uit een van de kleinere naties. Spoedig gaf de
+Parijzenaar een woord ten beste over volken die geen geschiedenis
+hebben.--"Maar wij hebben een geschiedenis, en wel een zeer
+belangrijke...." viel hem de bezoeker in de rede.--"Ik heb er nooit
+iets van gemerkt," zei de ander droogweg.
+
+ * * * * *
+
+En dit is het eerste wat Ibsen's satire en comedie heeft vermocht:
+voorheen kon men het bestaan van een samenleving in Noorwegen alleen
+vermoeden; de dichter heeft haar tot een werkelijkheid gemaakt waarvan
+men in Europa "merkte".
+
+Hij heeft de burgermaatschappij van zijn vaderland getoetst aan het
+grootere leven dat hij voor zichzelf had verworven, en hij haalde uit
+die maatschappij de echte qualiteit van zielen-essentie welke zij in
+zich borg. Daartoe sloeg hij lustig met zijn hamer, en hij perste en
+kwelde zijn menschen tot dat ze waardig waren uit hun beklemming te
+ontsnappen naar de ruimte, naar de vrijheid, naar het grooter leven.
+
+Hoe heeft hij de arme Nora van het _Poppenhuis_--want ik spreek hier
+niet van de _Steunpilaren der Maatschappij_ (1877), waar het echte leven
+nog wat boven op ligt,--hoe heeft hij die arme Nora tot vertwijfeling
+gebracht, door haar alle illusies over zichzelf en haar edelste daden en
+haar hoogste liefdesverwachting te ontnemen en te ontscheuren! Hoe heeft
+hij haar geprangd en benauwd met schuldgevoel en gewetensangst, om haar
+dan uit te stooten in het donker van het leven!
+
+En nog verpletterender, nog grievender, nog dieper tot in diepste
+diepten van het moederhart komen de hamerslagen neer op de echtgenoote
+en moeder die het middelpunt is van Ibsen's drama _Spoken_. Hier vallen
+geen illusies te bestrijden, maar het zijn spoken die het vreedzame huis
+der zorgzame, verstandig goede weduwvrouwe belegeren en insluiten. Zij
+rijzen op al dreigender en dreigender tot het verschrikkingsmoment van
+het slot, wanneer ze haar het vergift in de hand duwen om haar
+moordenaarster te maken van haar eenig kind!
+
+Die vrouwen heeft de dichter gebruikt, om aan haar de waarheid van het
+leven hunner omgeving te beproeven;--de eene een zorgeloos-zorgend,
+bewegelijk zonnekind, met een kern van innige harte-goedheid: zij was
+een "dochter der natuur"; de andere is de overlegd-zorgende huisvrouw,
+met een hart dat, bij al zijn behoefte aan licht, nooit vreugde heeft
+gekend: zij heeft in de schaduw van het leven gestaan. En wanneer Nora,
+bevrijd, het onbekende donkere leven intreedt, zal het duister van haar
+pad wijken,--maar, vrouwe Alving, de heroine van het drama _Spoken_,
+gaat door den ijzigen nacht, en de schimmen van den Nacht geven haar het
+geleide.
+
+Vereenzaming--dat is het nijpend-pakkend gevoel waarop de satirische
+tooneelspelen van Ibsen uitloopen; eenzaamheid tegenover de wereld,
+eenzaamheid ook tegenover het eigen hart zijn daarin de uitsluitende
+voorwaarde om te zijn wat men moet zijn, om te hebben, wat onze
+menschen-aanleg zegt dat wij moeten hebben: een eigen persoonlijkheid.
+De drama's van Ibsen staan in bitter geweldige oppositie tegen de
+maatschappij; de samenleving, zoo zeggen zij, door haar conventies, door
+haar wetten, door haar ziekten--want zij heeft haar ziekten en haar
+besmetting--verdrukt en verwringt het hoogste bezit van de menschheid,
+en de individualiteit is alleen te redden in ballingschap, in de
+vrijheid der vereenzaming.
+
+ * * * * *
+
+[Illustratie: Brief van Ibsen aan Georg Brandes.]
+
+Thans naderen wij de levenskern der gedachte van den dichter.
+Persoonlijkheid is voor hem geen toeval: men kan niet anders zijn dan
+men is, en men moet zijn wie men is. Ibsen was determinist, gelijk ik
+heb uitgelegd. Vrijheid bestaat voor hem in het wezenlijk zijn, niet in
+het anders zijn als de aard meebrengt, en er is een gedetermineerdheid
+van het individu. Zijn ballingschap, zijn vereenzaming, beteekent dat
+het de kracht geeft om de atmosfeer en den grond te zoeken waarin het
+kan aarden.
+
+Welke is de elementairen macht: het individu of de gemeenschap door den
+staat gesteund?--Ibsen, met zijn gemis van "het talent om staatsburger
+te wezen", plaatst, in dezen tijd van triomfeerende staatkunde, het
+volle gewicht in de schaal van het individu. Gedetermineerdheid
+tegenover gedetermineerdheid,--het individu gaat hem voor; die van staat
+en maatschappij is maar quasi.
+
+En dit is het groote leven in Ibsen's satirische drama's, dit gaf hun
+dadelijk hun plaats in de Europeesche letterkunde, dat zij door hun
+strengen bouw, door hun klemmende logica van gevoel, de gebeurtenissen
+der kleine Noorsche maatschappij verhieven tot een typisch voorval van
+het menschenleven, zonder daaraan karakter of kleur te ontnemen. Toen
+Nora er eenmaal was, kon men zich den tijd niet voorstellen dat zij er
+niet was geweest. Zij had noodzakelijkheid.
+
+Maar het groote van die comedies heb ik nog niet genoemd. Zij hebben een
+voorgrond, waarop het verwarrend verdriet en de burleske brutaliteit
+zich breed uitspreiden;--maar zij hebben ook een achtergrond van
+aangehouden zwijgen, een diep verschiet van schemering met een heel
+flauwen, grauwen morgenstraal.
+
+In _Brand_ en _Peer Gynt_ klaagt en treurt een nevenstem; in _Nora_ en
+_Spoken_ hoort men haar eveneens, ofschoon ze bijna altoos zwijgt, ja,
+zwijgend wacht om te spreken.
+
+ * * * * *
+
+_Nora_ is van 1879, _Spoken_ van 1881, de _Volksvijand_ die zich bij de
+vorigen aansluit, van 1882. Het is de tijd der Europeesche satire in
+grooten stijl. Ibsen ging het scherpst vooraan.
+
+ * * * * *
+
+Hij wist wat hij deed. Want daarin is hij een recht kind van den Nacht,
+berekenend en kennend als de Nacht, dat hij zijn talent soms geheel in
+handen overlaat van zijn logisch verstand. Toen in 1885 de politieke
+strijd beslist was en het Noorsche volk mondigheid en zelfstandigheid
+had verkregen, zeide Ibsen zelfbewust[54]: "Ja, het land is minder
+bekrompen; men zou er zich nu wel kunnen roeren.... De politici zullen
+dat aan hun inspanning toeschrijven en zich alle eer van de overwinning
+geven, maar wij zijn het, wij dichters, die haar voorbereid hebben en
+den strijd hebben ontbonden. Zonder ons was er noch strijd geweest, noch
+zege".
+
+
+In de jaren 1884 en '85 is de ombuiging. Mag ik zoo noemen, dan slaat
+Europa, en slaat Noorwegen, een hoek om. Het uitzicht verwijdt zich;
+een andere periode vangt aan. En zie eens wat uiterste gevoeligheid de
+richting en de breed uitgebreide vleugeldrift van Ibsen's genius
+bestuurt!--hij volvoert de wending mede. Op eenmaal zwenkte hij in zijn
+scherpe vaart.
+
+Het komt bij den dichter niet als iets heel ongewoons. Want hij gaat wel
+meer tot het uiterste in een lijn, om dan plotseling een nieuwen kant
+van zijn talent te ontwikkelen. Zoo was hij na den grauwen nevelstorm
+van nacht en eenzaamheid der _Krijgers op Helgeland_, zoo was het
+eveneens thans na de stormachtige drama's der in vrijheid vereenzaamde
+individualiteit. Waarlijk, het heeft er iets van alsof Ibsen het gevoel
+had van iemand die lang op een hoogte heeft geleefd buiten het bereik
+van het menschdom, en eensklaps krijgt hij het uitzicht op een ruime,
+bevolkte vallei. Hij kwam van zijn bergtop af, de dichter, en hij begon
+te spreken,--heel hoog en ironisch voorzeker,--maar toch ook met een
+wonderbaar zachtmoedigen en schroomvallig teeren toon.
+
+Zijn _Wilde Eend_[55] is het drama van de kleine burgerlieden (1884).
+De last van het leven wordt in het verhaal gedragen door de illusie van
+twee vrouwen; de eene vrouw is laag bij de grond, en het leven gaat over
+haar heen zonder haar een andere impressie te geven dan dat zij moet
+voortgaan te zorgen en te slaven voor haar gezin; de andere is het kind,
+het jonge meisje, in den eersten bloei van fantasie en aandoenlijkheid;
+en aan het leven dat haar verdrukt en vernietigt, geeft ze al bij de
+eerste aanraking haar uiterste van opoffering en toewijding.
+
+In de _Wilde Eend_ toont de dichter de samenleving in miniatuur met haar
+goedheid en haar wreedheid, met haar zelfbedrog, haar lafheid, haar
+onverschilligheid, maar ook met haar _poezie_,--een onnoodige poezie,
+die in de ruimte verstuift en verklinkt. Het is een wereld, waarmee het
+nog niet meenens is; zij denkt wel te bestaan, maar uit het niet bestaan
+kan zij nog niet te voorschijn komen. Rechtaf herinnert het stuk aan het
+eerste morgengrauwen,--half een illusie van teederheid, half een ijzige
+adem van rauw nijpende nachtkou.
+
+Krachtiger en grootscher gaat het dan in _Rosmersholm_[56] (1886), waar
+de nieuwe beschaving met haar onstuimig bloed en haar gaven hartstocht
+aandruischt tegen het verfijnde, zichzelf al vreemder en vreemder
+wordende, leven der oudere beschaving.
+
+En drama volgt op drama; de _Vrouw van de zee_ (1888) komt na
+Rosmersholm, dat het hoogtepunt van Ibsen's dramatisch vermogen
+voorstelt, en na de Vrouw van de Zee verschijnen _Hedda Gabler_ (1890),
+_Bouwmeester Solness_ (1892), _Kleine Eyolf_ (1894)....
+
+ * * * * *
+
+Zij weerspiegelen de ongelijkmatige bewegingen der samenleving in de
+moderne maatschappij.
+
+Is het wel een samenleving?
+
+Zoo verschillend zijn haar elementen. Geen van die elementen wil zich
+aan gestelde orde ondergeschikt houden, en aan elk ontbreekt iets; toch
+verlangt ieder hunner voor zich de eerste plaats.
+
+In _Rosmersholm_, zijn meest beteekenende schepping, heeft Ibsen nog de
+voorstelling van een mogelijke verzoening der disparate bestanddeelen,
+maar hij kan die voorstelling niet geheel geven, hij vindt er geen vorm
+voor. Het nieuwe gaat in Rosmersholm aan het oude te gronde, en het oude
+gaat met het nieuwe in den dood. In het verschiet alleen rijst de betere
+tijd voor onze gedachten,--slechts even voor onze verbeelding.
+
+Dezelfde indruk en aandoening van het onbestemde en gebrokene krijgt de
+toeschouwer van de daarop volgende drama's nog sterker, en ook, in 't
+eerste oogenblik, misschien meer verwarrend;--omdat de dichter, wanneer
+het woord veroorloofd is, den achtergrond van zijn tooneel hoe langer
+hoe meer naar voren brengt. Twee motieven kruisen elkander in die
+stukken, en ze zijn aan elkander tegenovergesteld. Het hoofdmotief
+spreekt soms van verzoening en vereeniging, zooals in de _Vrouw van de
+zee_, maar dan is er een ander motief dat wijst op scheiding; of, gelijk
+in _Hedda Gabler_, spreekt het hoofdmotief van verstoring en het
+nevenmotief duidt opbouwing en stichting aan. Soms ook, als in _Kleine
+Eyolf_, houden de motieven evenwicht met elkaar. Daar hebben wij wel het
+tegenstrijdige en tegenstrevige der moderne maatschappij.
+
+ * * * * *
+
+Zoo krijgt het theater van Ibsen perspectief en beweging. Wij komen
+waarlijk in de grootere wereld zelf wanneer we met hem op het tooneel
+zijn. Want hij weet de gebeurtenissen samen te vatten in een kort
+bestek, en toch neemt hij er ruimte en tijd en ook distantie in op; hij
+laat de verhoudingen met elkaar contrasteeren, maar ze weerspiegelen
+zich ook in elkander; en hoeveel beelden en reflexen ontstaan daardoor
+niet, die het verhaal uit zijn plankenomgeving losmaken en in ons brein
+voort doen spelen!
+
+Alsof het daarbij alleen te doen was om het zien en het denken! Neen, er
+rijst een muziek van verlangen uit die rij van dichterlijke scheppingen,
+en een toon van fantastisch heimwee-gevoel, van hartstochtsbegeerte en
+van hartstochtssmart klinkt voor ons op, of de zachte stem der
+verdrukten die op uitkomst hopen, der stille geduldigen die in het leed
+hun vertrouwen willen redden, bereikt ons oor, dringt door tot ons hart;
+opofferingszucht en eigenzinnigheid, verslagenheid en trots trekken als
+met vlagen van geluiden onzen geest voorbij ... en tot accompagnement
+--stil, luister!--die klank van geregelde hamerslagen in de verte,
+hamerslag op hamerslag; en men weet niet of zij bezig zijn weg te breken
+en af te breken, dan wel of ze timmeren aan een nieuw gebouw voor het
+nieuwe leven.
+
+ * * * * *
+
+Ibsen, die het leven van zijn tijd meeleeft en doorleeft, treedt,
+gedurende deze derde periode van zijn loopbaan, op die wijs in
+verbinding met de maatschappij van het Noorden. Zij hebben elkander
+eindelijk dan ontmoet, de dichter en zijn volk.
+
+Maar hij, de dichter, hield zich daarom niet op met de speciale vragen
+van den dag. Naar den mensch alleen vroeg hij, in zijn natuurlijke
+verhoudingen; hij vroeg hem naar zijn hart en zijn liefde, naar zijn
+eerlijkheid en trouw. En het waren vooral geschiedenissen van vrouwen
+die hij tot onderwerp koos van zijn voorstelling.
+
+"Een vrouw wanneer ze iets onderneemt, gaat gewoonlijk het verst," heeft
+Ibsen gezegd. Dat "verst gaan" van de vrouwen beviel aan den dichter.
+Hoe zou hij ingestemd hebben met de gedachte van Meredith, als hij haar
+had hooren uitspreken: "De vrouw is wat er natuurlijks is overgebleven
+in den mensch!"
+
+Misschien ging hij de samenleving meer waarderen, omdat hij de vrouw
+meer leerde liefhebben. Want zoo wreed als vroeger laat hij haar niet
+meer de duistere eenzaamheid binnengaan, en zelfs wanneer hij ze ten
+dood voert, zooals hij met Hedda Gabler en de Rebekka van _Rosmersholm_
+doet, dan brengt hij haar dadelijk om, of hij geeft haar een geleide in
+den geliefde--hand in hand. _Bevrijding_[57] is Ibsen's woord geworden,
+en niet langer het scherpe woord: _vrijheid_.
+
+ * * * * *
+
+Hij kwam zijn volk nabij, en toch kon Ibsen het niet meer geheel
+naderen. Want hij ging al behooren tot het verleden.
+
+Er is een contrast in de motieven zijner laatste drama's waarop ik nog
+niet voldoende heb gewezen: de tegenstelling tusschen een oude en een
+nieuwe generatie van menschen. Langzamerhand wordt, in Ibsen's drama's,
+de oppositie sterker van het opvolgende geslacht tegenover het
+voorgaande, en de bruisende jeugd scheidt er zich af van de ouderlijke
+woning om haar eigen weg van begeerte op te gaan (_John Gabriel
+Borkman_, 1896).
+
+Ook die tweespalt van de moderne samenleving noteert de dichter, in zijn
+eigen hooge stemming tegenover het leven; hij spaart de ouderen niet, en
+hij erkent het recht van de jongeren. Maar men voelt dat het hem niet
+gemakkelijk afgaat. Daar is iets hards, en daar is een breuk. Ibsen was
+toch een man van het verleden geworden.
+
+Ja, erger: in veel opzichten was hij ouderwetsch....
+
+Zijn groote ondernemers van zaken dateeren van dertig, veertig jaren
+her, toen de ondernemingen nog niet zoo heel groot waren, zijn _grandes
+coquettes_ hebben trekken die aan een voorbijgegane mode van coquetterie
+herinneren, zijn beroemde beeldhouwer Rubek (_Wanneer wij dooden
+ontwaken_) doet, wat het beeldhouwvak betreft, denken aan Thorwaldsen,
+niet aan Rodin, of, om een Noorweger te noemen, aan Sinding....[58]
+
+Blijft ook de echt-Noorsche naiveteit[59] van oude dagteekening Ibsen
+niet bij?... Maar ik ga niet voort met bijzaken op te tellen. Wat hem in
+waarheid onderscheidt van zijn omgeving, dat zijn toch niet alleen zijn
+gebreken, maar dat is in de eerste plaats zijn grootheid. Hij steekt een
+hoofdlengte boven de anderen uit, door zijn behoefte en zijn vermogen om
+in ieder fragment van het leven een geheel van leven te zien. De groote
+Hervorming van het begin der 19e eeuw laat nog bij hem haar invloed
+gelden,--in hem werkt nog een stemming door van de groote Revolutie....
+
+ * * * * *
+
+Daarom is hij, in onze hoogst moderne wereld, iemand van het verleden;
+en Ibsen's werk ook trekt zich op 't eind terug uit de werkelijkheid van
+de wereld. Het wordt symbolisch, dat is: het wil wat meer en wat anders
+zeggen, dan het inderdaad zegt; het heeft overal heen betrekkingen[60].
+
+Maar de voornaamste betrekking is van den dichter tot zijn eigen ziel.
+
+Hij staat voor me, in die symbolische drama's,--en zij beginnen reeds
+met Bouwmeester Solness (1892), maar de twee laatste werken _John
+Gabriel Borkman_ (1896) en _Wanneer wij dooden ontwaken_ (1899) zijn bij
+uitnemendheid symbolisch te noemen,--ik zie hem voor me, afgewend van de
+bedrijvige wereld, starend in de diepe verte, voor zijn geestesoog
+oproepend het eigen leven en het leven der menschheid, tot voorwerp van
+innig ene eeuwig beschouwen en overpeinzen.
+
+ * * * * *
+
+[Illustratie: Ibsen's woning te Christiania tevens sterfhuis (1e etage)]
+
+Gedrongen en gebukt, met ik weet niet wat voor trotseerende macht in het
+naar beneden gebogen voorhoofd, zit hij daar, in zich gekeerd en
+verzonken, een denker van het bestaan. En hoe wijd verschillend is de
+aanblik der dingen, gelijk hij ze in den spiegel zijner gedachten
+opneemt, van den schijn waarmee de menschen hen omgeven!
+
+De menschen meenen dat hij, de dichter, tot een hoogtepunt van glorie
+geklommen, rustig en zeker zijn triomf viert en geniet. Zij weten niet
+dat, waar de wereld spreekt van een overwinning, dikwijls in het hart
+van den overwinnaar een gevoel leeft van nederlaag. Maar hij weet het,
+de dichter-peinzer. Wanneer hij aan een victorie denkt, dan is het aan
+een van de toekomst. Zijn zegepraal,--daarvan is nog nooit het
+bewustzijn tot hem doorgedrongen. Het is een triomf in afwachting en
+verlangen. En hij weet dat die nooit zal komen.
+
+Hij gelijkt op den John Gabriel Borkman dien hij heeft geschapen, den
+groot-ondernemer, den man met grootsche plannen van mijnbouwbedrijf en
+ontwikkeling van welvaart. Borkman heeft de schatten van den grond uit
+hun gebondenheid willen losmaken, en de menschen hebben hem hun
+vertrouwen gegeven; maar hij is gestruikeld over een hinderpaal, een
+hinderlaag, hij heeft zijn eerzucht geboet met opsluiting in de
+gevangenis, daarna met opsluiting in het leven. Zijn eenige
+vrijheid,--de illusie over de toekomst; zijn eenig vertoon van
+trots,--de pose van gewaande grootheid.
+
+De dichter heeft, als zijn koopman, in de diepte willen graven; hij
+wilde den rijkdom, gehouwen uit den mijngang van het hart, voor zijn
+volk ontplooien, dat een stroom van energie zou uitgaan over zijn
+Noorwegen, en hij moest onderdoen voor zooveel kleine verhoudingen in de
+wereld,--hij moest zijn nederlaag erkennen tegenover de kleinheid van
+zijn eigen geest, die de innigste eigenste kern en kracht van het leven
+niet machtig en teeder genoeg vermocht te grijpen.
+
+En verder nog, tegelijk in 't verleden en in de toekomst zag de dichter.
+Hij heeft gefaald, omdat hij zijn hart gaf aan den schijnrijkdom van het
+leven. Wat deed hij daarmee anders dan het voorbeeld volgen van zijn
+vader, zijn lichamelijken vader, Knut Ibsen, den rijken koopman, die
+vertrouwend op zijn vermogen, zijn rijkdom had opgeofferd aan den
+schijn, en die zijn weidsche uitzichten had zien ondergaan in een
+failliet,--een gevangene voortaan van het leven?
+
+Maar hij, de zoon, hij, Henrik Johan Ibsen, had de engte van het
+huiselijk bestaan niet kunnen verdragen. De begeerte en het zelfgevoel
+en de trots van een eigen leven te voeren met zijn genot en zijn
+grootheid had hem in de wijde wereld gelokt, en die vereenzaamden van
+zijn huisgezin doen verstooten en vergeten. Die mokkende gevangenen die
+op hem hun hoop hadden gebouwd, evenals het gezin van John Gabriel
+Borkman zijn verwachting stelde op den zoon, die den naam van het
+geslacht weder tot eere zou brengen,--hij had hun verlatenheid niet
+gevoeld, en even als Erhard Borkman, gedreven en gezweept door zijn
+wereldsche verlangen, had hij de ruimte gekozen....
+
+Zoo peinsde en schouwde de dichter, en biechtte aan zichzelf de wreede
+raadsels van het onontwijkbare lot--met hun schijnoplossing voor het
+verstand van de wereld, hun onvervuldzijn in het wrakende besef van het
+hart.
+
+En toch een illusie van vertrouwen, een pose van trots, een glimp van
+verzekerdheid, een enkele flauwe lichtstraal, een dichter-overtuiging
+van grootheid!...
+
+Of, in zijn meditatie over het gehalte van zijn kunst, rustte het oog
+van den dichter op de drievoudige gestaltenis van zijn leven (_Wanneer
+wij dooden ontwaken_). Het rees voor hem statuarisch in een enkelen
+groep. De kunstenaar tusschen twee vrouwenbeelden: de eene vrouw, de
+illusie van het ideaal, Irene, de vredebelovende bezielster der jeugd,
+troosteres van den ouderdom; de andere, illusie der werkelijkheid, Maja,
+de schijn, schijngezellin van zijn leven; de groep wordt afgesloten door
+een achtergrond van gebergte, en een satyr, genius van den roes van het
+natuurlijke levensgenot, ziet van die wilde hoogte op haar neer.
+
+Kunnen wij den dichter beluisteren en zijn fluisterende gedachten voor
+ons gehoor opvangen, wanneer hij tegenover Irene, het in zijn jeugd
+verlaten ideaal, en Maja, de wereldsche levensgenoote, gemeenschap houdt
+met zijn ziel?
+
+Was er hem niet eenmaal een erfenis meegegeven uit den grooten zonnigen
+dag van het levensgloren aan het begin der eeuw? maar zij was
+weggezonken gedurende den nacht van den tijd in de mijnschacht van zijn
+geest....
+
+Het ideaal!
+
+Onder al de scherpte en bitterheid van zijn talent, onder den twijfel en
+de vertwijfeling van zijn ziel, had de dichter toch den geheimen schat
+van zijn ideaal bewaard. Een uniek verlangen doortrilde zijn
+verborgenste hartekamer naar den reinen adel van de vrouwelijke
+lentegestalte, het beeld der hernieuwing en herschepping van het jaar,
+van het leven. En het was iets grooters dan het verlangen van zijn
+persoonlijkheid; het was de behoefte en het heimwee van het stugge ras
+waartoe hij behoorde, de zucht naar een wederopluiking van den teederen
+luister van het leven, van de liefdevolle harmonie,--dat smachten en
+haken en hijgen, dat eenmaal Wergeland's onbeholpen verzen doorgloeid
+had, en dat de poezie van het Noorden met heimweevleugelen heeft doen
+opstijgen.
+
+Maar trotsch en schuw, had de dichter de waarheid van zijn hart niet aan
+eenig levend ideaal durven geven. Hij was teruggeweken voor de liefde:
+in de werkelijkheid kende hij alleen de _comedie_ van de liefde, en hij
+had zijn hart, de overgaaf van zijn geheele persoonlijkheid, niet over
+voor een _comedie_. Zoo schiep hij, dichter en kunstenaar, in
+vereenzaming zijn ideaal als dat van een eenzame tegenover het leven,
+alsof er geen andere macht van vernieuwing bestond dan het eigen talent
+en de eigen wil (_Brand_). De kunstenaar sloot zich op in zijn sfeer van
+kunst.
+
+Wat hij voortaan van zijn kunst gaf voor het leven van zijn volk, dat
+waren satires en "fratsen", "diergestalten" en caricaturen,--verwrongen
+schaduwbeelden van het nooit meer te vervullen ideaal dat in zijn hart
+bleef opgeborgen,--het ideaal dat de verholen achtergrond was voor zijn
+misvorming van het leven. En de dichter-kunstenaar was in 't oog van de
+wereld gehuwd met Maja, den schijn van de werkelijkheid.
+
+Daar ontmoette hem weder, midden in het gewone leven, de illusie van het
+ideaal. Het ideaal kwam als een droomgestalte, en het was alsof het den
+dichter in het leven had gevolgd en gezocht, nu hij zelf het ideaal niet
+meer in 't leven wilde zoeken of volgen.
+
+Maar kon zij, Irene, de eenmaal verstootene, de zwaar beproefde, nog
+langer de illusie geven van het ideaal? Was deze Irene nog een
+vredebrengster die het leven zou vervullen en vernieuwen? De harde
+lotsbestemming had haar in handen overgeleverd van het brutale
+levensgenot. Zij was gekneusd, verminkt, bijna ontzield, een
+levend-doode,--de ideale kunst was ten prooi geweest aan naturalisme en
+grove zinnelijkheid.
+
+Toch....
+
+De dichter zag haar in de oogen. Zijn medelijden met het leven was
+ontwaakt, en met het ontwaken van zijn levensgevoel ontsloot zich in
+zijn hart de teruggedrongen en opgepreste behoefte aan een vereeniging
+van ideaal en leven, van kunst en gevoel. Hij zag haar in de starre
+oogen: daar lag alleen rust en bevrediging; liefde welde in hem op voor
+wat geslagen was en verbroken,... zijn liefde zou redden en heelen. De
+oude scheppingsdrang hernieuwde zich.... Laat Maja, de schijngezellin,
+vrij zijn, laat haar den satyr in 't gebergte volgen of hem bedriegen,
+'t is den kunstenaar om 't even: hij wil zijn weergevonden ideaal,
+Irene, opvoeren op hoogten van bergen in de reinheid en den glans van
+het hooggestemde leven,--het brenge dan wat het wil.
+
+ * * * * *
+
+Op die wijze houdt de dichter overzicht van de drie perioden van zijn
+leven, den tijd van de _Comedie der Liefde_ en _Brand_[61], van satires,
+van de wederaansluiting bij de samenleving. En hij ziet ze niet, zooals
+wij ze zien, naar evenredigheid van wat ze hebben gebracht aan de
+wereld, maar in vergelijking van wat ze misten ter voldoening aan de
+behoeften van zijn ziel. Wij zien de volvoering, hij echter ziet het
+ontbrekende. Zijn zegepraal en zijn glorie, ze zijn niet een zaak van
+het verleden; hij heeft ze voor zich uitzweven,--in verlangen. Het is
+hem alsof eerst nu, aan het eind van zijn levensweg, zijn oogen
+opengaan. _Wanneer wij dooden ontwaken_! wanneer wij, die gemeend hebben
+te leven, en die ons nauwelijks aan ons niet-bestaan konden
+ontworstelen, eerst de oogen opslaan en het leven gewaar worden in zijn
+oprechtheid en eenvoud!...
+
+Maar dan is het einde nabij.
+
+De dichter-peinzer weet het. Hij weet zichzelf, hij weet de afdwalingen
+en afdalingen van zijn levensbaan, hij weet ook zijn glorie. Op de
+hoogte van het leven verkeert hij in stille samenspraak met het Leven.
+Een schijnsel omstraalt hem van het komende licht. Wat nood of de nacht
+voor hem nabij is gekomen. Is hij ook niet een kind van den Nacht, hij
+de mijnwerker, de graver en groever. De nacht, de aanstaande nacht,
+brengt rust en vrede.--Laat hem genieten, dat eene, unieke oogenblik,
+van het rein ontwaken zijner oogen.
+
+En van de hoogte kijkt de dichter uit op de hoogtepunten van zijn eigen
+leven.
+
+Hij denkt aan zijn _Catilina_, het stuk van den somberen gewetens- en
+wereldnacht, dat zijn trots was in de opgang van zijn jeugd; hij denkt
+aan zijn _Julianus den Afvallige_[62], de schemerschepping geschapen op
+de middaghoogte van zijn weg; en hij denkt aan het licht van het ideaal
+dat voor hem oprijst en om hem heen rijst, nu de duistere schaduwen zijn
+leeftijd overvallen.
+
+Zijn glorie is zijn opstanding, voor een oogenblik, uit den nijpenden
+dood van het leven.
+
+Zie, de schemering heeft den nacht verjaagd, de morgenstond breekt zich
+baan, brengt het licht; de morgenstond, het bleeke uur van herinnering,
+van berouw, van voorgevoelens,--het ophelderende en oplichtende uur van
+voorgevoel en verlangen, van verwachting, van Verrijzenis....
+
+
+ * * * * *
+
+
+AANTEEKENINGEN OP DE INLEIDING
+
+
+[1] _Staats-satyricus_.--Zoo noemt zich Ibsen een paar maal in
+tegenstelling zeker tot "staatsburger". "Ik heb het talent niet om
+staatsburger te zijn," schreef hij aan G. Brandes. 3 Jan. 1882.
+
+[2] _Versregels_.--Goethe _Urworte_. W. A. III 95.
+
+[3] _Aangroeien v. verbeelding_.--W. Dilthey. _Das Erlebnis und die
+Dichtung_. p. 284, 295.
+
+[4] _Steffens_.--H. Hoeffding. _Henrik Steffens. Tilskueren_. Jaarg.
+1902. p. 942 vv. H. Steffens. _Was ich erlebte_. X. 269. "In der stillen
+einsamen Jugend ward ich von einer Sehnsucht ergriffen, die mich der
+Religion und der Natur in ihrer ganzen Fuelle entgegenfuehrte. Ein
+unruhiges, ja wildes Temperament lockte mich im grellen Gegensatz."
+
+[5] _Steffen's vader over den val der Bastille_.--Vgl. Steffens ibid. I
+362-364.
+
+[6] _Steffens over Oehlenschlaeger_.--_Was ich erlebte_ V. p. 26 vv. Ad.
+Oehlenschlaeger _Meine Lebenserrinnerungen_. I 204, vv. Kr. Arentzen.
+_Baggesen og Oehlenschlaeger_. Kopenh. 1872, II p. 21 vv.
+
+[7] _Genialiteit_.--Arentzen l.l. II. 147.
+
+[8] _Oehlenschlaeger als voorganger_.--Vgl. o.a. V. Birkedal. _Persoenlige
+Oplevelser i et langt Liv_. III p. 66.
+
+[9] _Hij hield het oog op het geheel_.--Zie Oehlenschlaeger's voorwoord
+tot de _Poetiske skrifter_ van 1805, de passage die begint: "Fundamentet
+for den sande Kunst er Harmonieen...."
+
+[10] _Een brief van_ 1814.--Zie Arentzen l.l, Voorwoord van het derde
+deel: vgl. ook Arentzen dl. VIII, p. 111.
+
+[11] _Toestand van Noorwegen_.--Zie H. Jaeger. _Literaturhistoriske
+Pennetegninger (Norskhedsperioden)_ p. 140 vv. H. Lassen. _Henrik
+Wergeland og hans Samtid_ (2e ed.) p. 76 v. H. Steffens l.l. IX p. 233.
+
+[12] _Het woord van vrijheid_.--De feestdag van den 17en Mei, datum der
+constitutie, mocht gedurende geruimen tijd niet worden gevierd. In
+Skien, Ibsen's geboortestad, liet men het alleen oogluikend toe, zelfs
+als er na 1830 een verandering in de stemming was gekomen, uit vrees
+voor een machtig man in de nabijheid der stad. H. Jaeger. _Henrik
+Ibsen_. Et literaert livs billede. p. 15.
+
+[13] _Sinds_ 1825.--H. Jaeger. _Pennetegninger_. p. 146 naar
+Schweigaard. _Norges Statistik. Schreef_ in 1828.--Lassen H.
+_Wergeland_. p. 13, 30.
+
+[14] _Opdracht aan H. Steffens_.--Jaeger. l.l. p. 158 noot.
+
+[15] _Het hemel en aard gedicht_.--Van Wergelands _Skabelsen, Menensket
+og Messias_ ken ik de eerste uitgaaf slechts uit Welhaven's kritiek
+(_Samlede Skrifter_ dl. I). In de literatuurhistorien wordt gewoonlijk
+de door Wergeland kort voor zijn dood herziene uitgaaf van 1845 (met den
+titel _Mennesket_) aangehaald en besproken. Een exemplaar daarvan is in
+Potgieters bibliotheek.
+
+[16] _Kind der revolutie_.--Zie behalve de bovengenoemden de belangrijke
+inleiding van J.E. Sars tot W's _Norges Konstitutions historie_. H.W's
+_Skrifter i Udvalg_, Kristiania, 1898. Dl. III. Voor Wergelands
+denkbeelden in dezen eersten tijd, vlg. ook vooral zijn verhandeling
+_Hvi skrider Menneskeheden saa langsomt frem_? (1831). _Skrifter i
+udvalg_ I p. 600 vv.
+
+[17] _Levensgevoel_.--Men vgl. de mooie inleiding van C. Naerup tot W's
+_Skrifter_. Dl. I en de bekende redevoering v. B. Bjoernson bij de
+onthulling van W's standbeeld.
+
+[18] _Wergelands woorden_.--Zie L. Dietrichson. _Omrids af den norske
+Poesis Historie_ II P. 58.
+
+[19] _Richting in Denemarken_.--Bedoeld is het zoogenaamde
+Grundtvigianisme; voor de verhouding daarvan tot Oehlenschlaeger zie o.a.
+Arentzen l.l. Dl. III en vv.
+
+[20] _Samenhang v. Europeesch geestesleven_. Het voorbeeld is ontleend
+aan de citaten uit gelijktijdige dagbladen bij Jaeger l.l. p. 152.
+
+[21] _G. Meredith_.--Meredith is 12 Februari 1828 geboren in Hampshire
+(R. le Gallienne. _G. Meredith. Some characteristics_. p. LVI.) Ook
+Dante Gabriel Rossetti is in 1828 geboren, maar deze kan moeilijk ter
+vergelijking gebezigd worden om zijn exotische afkomst--half Italiaan,
+half Engelschman. Ook is zijn baan in 't midden afgebroken, en zijn
+dichttalent werd voor een groot deel bepaald door zijn schildersneiging.
+Bij Ibsen is het schildertalent geheel geweken.
+
+[22] _Zij hield het oor van den nacht gevangen_.--Meredith. _Sandra
+Belloni_ ch. II.
+
+[23] _Zoo rijst de blanke heerlijkheid_ enz.--Meredith. _The ordeal of
+Richard Feverel. Beauchamp's Career_. Vgl. mijn studie over M. in de
+Gids van October, 1896.
+
+[24] _Zich te bezinnen_.--Allusie op de versregels van _Modern Love_
+XLVIII: More brain, O Lord, more brain! or we shall mar Utterley this
+fair garden we might win.
+
+[25] _Modern Love_ is in 1862 uitgekomen. Ibsen is zijn _Kjaerlighedens
+Komedie_ in 1860 begonnen. (R. Woerner. _Henrik Ibsen_. I p. 493). Den
+besten commentaar op _Modern Love_ geeft G.M. Trevelyan. _The poetry and
+philosophy of G.M._
+
+[26] _The Egoist_.--Meredith's roman is uitgekomen in 1879.
+
+[27] _Romans uit Meredith's 3e periode:--One of our conquerors, Lord
+Ormont and his Aminta, The amazing marriage_ verschenen van 1890-'95.
+
+[28] _"Lo, where"_ etc.--Aanhaling der slotregels van _The Sage
+anamoured and the honest Lady_. Voor 't eerst gepubliceerd in 1894.
+
+[29] _Taine_.--Het 1e deel der _Origines de la France contemporaine_
+kwam uit in 1875, de volgende deelen die de Revolutie behandelen--en
+daarom is 't hier vooral te doen--verschenen sinds 1878.
+
+[30] _Zucht naar vereeniging met de natuur_. Taine. _Vie et
+correspondance_, de brief van 10 Maart 1849 aan Prevost Paradol.
+
+[31] "_Decrire une ame humaine._"--_De l'Intelligence_. (3e ed.) I
+p. 21.
+
+[32] _"Il ressemble a un homme."_--_Vie et opinions de M. Graindorge_.
+p. 324.
+
+[33] _Beschouwing van de kunst_.--_De l'ideal dans l'art_ (ed. 1867)
+p. 129-131.
+
+[34] _Vraagt hij_.--Aan George Brandes, brief van 30 Januari 1875.
+
+[35] _Het groote vraagstuk_.--Zie Julius Clausen. _Scandinavismen
+historisk fremstillet_, p. 85 vv. over de ontwikkeling dier richting in
+1845.
+
+[36] _De leus van B. Bjoernson_.--J. Clausen l.l. p. 211.
+
+[37] _Het werk in Noorwegen na 1870_.--Vgl. vooral het programma van
+Johan Sverdrup, den grooten Noorschen staatsman, in een brief van 1870
+meegedeeld in Halvorsen's _Norsk Forfatter-lexicon_. V p. 574, en voor
+het staatsleven in Noorwegen, verder het geheele artikel. Zie ook de
+inleiding van H. Haug's art. _Det norske Samlingsparti. Tilskueren_,
+1905. p. 792.
+
+[38] _Sinds_ 1884 en '85.--Vgl. Ibsen's brief aan B. Bjoernson van 28
+Maart 1884, en H. Jaeger. _Henrik Ibsen_ p. 280 over Ibsen's bezoek aan
+Noorwegen in 1885. Zie ook Laura Kieler. _Silhouetter_. p. 12.
+
+[39] _Revolutie en pietisme in Catilina_.--Vgl. H. Jaeger. _H. Ibsen og
+hans vaerker, en fremstiling i grundrids_. p. 8, 9. R. Woerner. _H.
+Ibsen_. p. 29.
+
+[40] _Pietisme en mysterie_.--Vgl. Collin. _H. Ibsen's dramatiske
+Bygningsstil. Tilskueren_. Aug. 1906.
+
+[41] _De krijgers op Helgeland_.--In Augustus 1857 voltooid, in November
+1858 te Christiania vertoond.
+
+[42] _De mijnwerker_.--Reeds 1851 verschenen. Een eerste omwerking
+verscheen in 1863. In de uitgaaf der gedichten van 1871 (In de 4e
+uitgaaf der _Digte_, die ik gebruik, 1882, staat _Bergmanden_ p. 17)
+komt dan een tweede ingrijpende omwerking voor. Ik volg in mijn
+_Inleiding_ natuurlijk de eerste versie, die het zuiverste beeld geeft.
+Een vergelijking der beide eerste versies geeft R. Woerner's _Henrik
+Ibsen_ I p. 397, zie ook aldaar p. 327. Hij heeft echter niet het belang
+begrepen van de oorspronkelijke voorstelling van het gedicht.
+
+[43] _H. Steffens_.--Toespeling op zijn _Beitraege zur inneren
+Naturgeschichte der Erde_. 1801. Vgl. daarover R. Haym. _Die romantische
+Schule_. p. 626-630.
+
+[44] _Ibsen's twijfel aan den voortgang van zijn werk_.--Vgl. het
+gesprek tusschen Jatgeir, den skalde en hertog Skule in het 4e bedrijf
+van de _Kroonpretendenten_.
+
+[45] _Oordeel van de wereld_.--Vgl. o.a. H. Jaeger. p. 165. R. Woerner I
+p. 139. Magdalene Thorensen's (schoonmoeder van Ibsen) oordeel over den
+dichter in dezen tijd in G. Brandes' _Levned_, p. 149: "Hvad han
+skriver, er fladt som en Tegning." etc.
+
+[46] _Grauwe schemeren_.--Tausmoerket.
+
+[47] _Intusschen_.--Sommige uitdrukkingen van Duitsche schrijvers, b.v.
+van R. Lothar _Henrik Ibsen_, p. 91, zouden doen veronderstellen dat het
+drama van Julianus den Afvallige door Ibsen na _Brand_ en in gevolge van
+_Brand_ werd geconcipieerd; inderdaad is het een vroegere conceptie,
+vgl. brief aan B. Bjoernson van 16 Sept. 1864, en L. Dietrichson.
+_Svundne Tider_ I p. 336.
+
+[48] _Meewerking aan den tijd_.--Vgl. brief aan E. Gosse, 14 Octob.
+1872.
+
+[49] _Distantie_.--Vgl. brief aan Magd. Thorensen, 3 December 1865.
+
+[50] _Het grote gebeuren tusschen_ 1864 en 1871.--Vgl. brief aan J.
+Hoffory. 26 Febr. 1888.
+
+[51] _Determinisme_.--Hierbij mag ook de directe invloed van H. Taine
+niet onopgemerkt blijven, met wiens werk Ibsen door G. Brandes bekend
+werd.
+
+[52] _Midden onder zijn groote werk_.--Het eerste plan van het _Verbond
+der Jeugd_ dagteekent denkelijk van 1874, vgl. den brief van 16 Sept.
+1864 aan Bjoernson en de aanteekening daarop Ibsen's _Saemmtl. Werke_. X
+p. 428.
+
+[53] _Het Verbond der Jeugd een inleiding_.--Vgl. A. Kerr. _Das neue
+Drama_, p. 16-18.
+
+[54] In 1885_zeide Ibsen_.--Vgl. L. Kieler. _Silhouetter_. p. 12.
+
+[55] _De Wilde Eend_.--Voor de juiste opvatting van dit drama (de
+beschouwing heeft haar oorsprong in den naasten kring van Ibsen), vgl.
+H. Jaeger. _H. Ibsen og hans vaerker_. En _fremstilling i grundrids_. p.
+176 vv. Zie ook van mijn hand _Poezie en Leven in de 19e eeuw_. p. 359
+vv.
+
+[56] _Rosmersholm_.--Vgl. A. v. Berger. _Studien en Kritiken_ p. 214 vv.
+en het hierboven aangehaalde _Poezie en Leven_ p. 370 vv.
+
+[57] _Bevrijding_.--Vgl. Lou Andreas Salome. _H. Ibsen's Frauengestalten_.
+
+[58] _Sinding_.--Vergelijking van Sinding met Rodin in M. Bigeon. _Les
+revoltes Scandinaves_, p. 83.
+
+[59] _Noorsche naieveteit_.--Vgl. L. Kieler l.l.
+
+[60] _De symbolische werken hebben overal heen betrekkingen_.--Vgl. b.v.
+H. Dikmar's studie over Ibsen's _Bygmester Solness_ in _To literaere
+Studier_. Kristiania 1894 en E. Holm. _H. Ibsen's politisches
+Vermaechtnisz_. Wien, 1906.
+
+[61] _De Comedie der Liefde_ als een voorlooper van _Brand_.--Vgl. brief
+aan T. Hegel van 31 Augustus 1866.
+
+[62] _Julianus de Afvallige_.--Vgl. brief aan L. Daae, 23 Februari 1873:
+(Duitsche uitg.) "Im Charakter Julians findet sich mehr geistig
+Durchlebtes, als ich dem Publikum gegenueber verantworten moechte."
+
+
+ * * * * *
+
+
+DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ
+
+TOONEELSPEL IN VIER BEDRIJVEN
+
+
+ * * * * *
+
+
+PERSONEN:
+
+ KARSTEN BERNICK, Consul.
+ BETTY, zijn vrouw.
+ OLAF, hun zoon dertien jaar oud.
+ MARTHA BERNICK, zuster van den consul.
+ JOHAN TOeNNESEN, jongere broer van mevrouw Bernick.
+ LONA HESSEL, haar oudere halve-zuster.
+ HILMAR TOeNNESEN, neef van mevrouw Bernick.
+ ROeRLUND, hulpprediker.
+ RUMMEL, groothandelaar.
+ VIGELAND en
+ SANDSTAD, kooplieden.
+ DINA DORF, een jong meisje bij Bernick in huis.
+ KRAP, procuratiehouder van Bernick.
+ AUNE, scheepsbouwmeester.
+ Mevrouw RUMMEL.
+ Mevrouw HOLT, vrouw van den postdirecteur.
+ Mevrouw LYNGE, vrouw van den dokter.
+ HILDA RUMMEL.
+ NETTA HOLT.
+
+ Burgers en andere inwoners, vreemde zeelui, stoomboot-passagiers
+ enz.
+
+
+ Het stuk speelt in een klein Noorsch havenstadje, in het huis van
+ den heer Bernick.
+
+ * * * * *
+
+
+EERSTE BEDRIJF
+
+ Een ruime tuinkamer in het huis van consul Bernick. Links op den
+ voorgrond een deur leidend naar de kamer van den consul; wat verder
+ aan denzelfden wand een dergelijke deur. In 't midden van den
+ tegenovergestelden wand een groote entree-deur. De achterwand is
+ bijna geheel van spiegelglas met een openstaande deur die naar een
+ breede tuintrap leidt, waarover een zonnescherm gespannen is. Onder
+ aan de trap is een gedeelte van den tuin zichtbaar, omheind door
+ een hekje dat een uitgang heeft. Buiten langs het hekje loopt een
+ straat, die aan den overkant bebouwd is met kleine in lichte
+ kleuren geverfde houten huizen. Het is zomer en de zon schijnt
+ warm. Enkele menschen gaan nu en dan voorbij in de straat; zij
+ blijven staan en praten samen; in een winkel op den hoek worden
+ klanten bediend, enz. enz.
+
+ Binnen in de tuinkamer zit rondom de tafel een gezelschap dames. In
+ het midden zit mevrouw Bernick. Aan haar linkerkant zit mevr. Holt
+ met haar dochter; daarnaast mevr. Rummel en haar dochter. Rechts
+ van mevr. Bernick zitten mevr. Lynge, Martha Bernick en Dina Dorf.
+ Alle dames houden zich bezig met een handwerk. Op de tafel liggen
+ groote stapels halfgereed of geknipt linnengoed en andere kleeren.
+ Wat verder weg bij een klein tafeltje waarop twee bloempotten en
+ een glas suikerwater staan, zit Roerlund en leest voor uit een
+ verguld-op-snee-gebonden boek, doch zoo dat maar enkele woorden
+ voor de toeschouwers verstaanbaar zijn. Buiten in den tuin loop
+ Olaf rond en schiet af en toe met een boog.
+
+ Een beetje later komt Aune zachtjes binnen door de deur rechts. Dat
+ brengt een beetje stoornis in het voorlezen; mevr. Bernick knikt
+ hem toe en wijst naar de deur links. Aune gaat er zachtjes heen en
+ klopt een paar keer met eenige tusschenruimte op de deur van
+ Bernick's kamer. Krap komt met zijn hoed in de hand en stukken
+ onder den arm er uit.
+
+ * * * * *
+
+KRAP. O, ben jij het die klopt?
+
+AUNE. Mijnheer Bernick heeft om me gezonden.
+
+KRAP. Dat heeft hij ook; maar hij kan je niet ontvangen. Hij heeft mij
+opgedragen....
+
+AUNE. U? Ik wou nog liever!
+
+KRAP. ... mij opgedragen het je te zeggen. Je moet ophouden met die
+Zaterdag-avonds-voordrachten voor de werklui.
+
+AUNE. Zoo? Ik zou toch denken dat ik mijn eigen vrijen tijd mocht
+gebruiken....
+
+KRAP. Je mag niet je vrijen tijd gebruiken om de menschen onbruikbaar te
+maken in hun werkuren. Verleden Zaterdag heb je gesproken over de schade
+die de werklui zullen lijden door onze nieuwe machines en door de nieuwe
+methode van werken op de werf. Waarom doe je dat?
+
+AUNE. Dat doe ik om de maatschappij te steunen.
+
+KRAP. Dat is zonderling! De consul zegt juist dat zoo iets de
+maatschappij onderste boven gooit!
+
+AUNE. Mijn maatschappij is niet die van den heer Bernick, meneer Krap.
+Als president van den werkliedenbond moet ik....
+
+KRAP. Je bent in de allereerste plaats meesterknecht op de werf van den
+heer Bernick. Je hebt in de allereerste plaats je plicht te doen jegens
+den bond genaamd "de firma Bernick", want daarvan leven wij allemaal....
+Ziezoo, nu weet je wat de consul je te zeggen had.
+
+AUNE. De consul zou het niet op die manier gezegd hebben, meneer Krap!
+Maar ik begrijp best aan wien ik dit te danken heb ... aan dien
+vervloekten Amerikaan die hier in reparatie ligt. De menschen willen dat
+hier net zoo gewerkt zal worden als zij daarginder gewend zijn, en
+dat....
+
+KRAP. Nou ja, hoor ... met die praatjes kan ik me niet inlaten. Je weet
+nu hoe mijnheer Bernick er over denkt, en dus basta! Ga nu alsjeblieft
+naar de werf terug, ze kunnen je daar noodig hebben; ik kom zelf straks
+ook. Excuseert dames! (_Hij groet en gaat door den tuin de straat op.
+Aune gaat stil naar rechts. Roerlund, die gedurende dit op gedempten toon
+gevoerde gesprek is blijven doorlezen, heeft even daarna het boek uit en
+slaat het dicht_).
+
+ROeRLUND. Ziezoo, lieve toehoorderessen, hiermee is het uit.
+
+MEVR. RUMMEL. Och, wat een leerrijk verhaal!
+
+MEVR. HOLT. En zoo stichtelijk!
+
+MEVR. BERNICK. Zoo'n boek geeft waarlijk heel wat om over na te denken.
+
+ROeRLUND. O ja; het is een weldadige tegenhanger van al de dingen, die
+wij helaas, iederen dag zoowel in couranten als tijdschriften te lezen
+krijgen. Die vergulde en geblankette buitenzijde die de groote
+maatschappij ten toon stelt, wat verbergt die eigenlijk? Leegheid en
+verrotting als ik het zoo zeggen mag. Daar is heelemaal geen moreele
+vaste ondergrond onder de voeten. In een woord, het is een gepleisterd
+graf, die groote hedendaagsche maatschappij.
+
+MEVR. HOLT. Ja ... dat is maar al te waar.
+
+MEVR. RUMMEL. Wij hoeven alleen maar te zien naar de Amerikaansche
+zeelui, die tegenwoordig hier in de haven liggen.
+
+ROeRLUND. Och, van zulk uitschot der menschheid wil ik niet eens spreken.
+Maar zelfs in de hoogere kringen ... hoe is het daar gesteld? Twijfel
+en gisting overal; onrust in de gemoederen en onvastheid in alle
+verhoudingen. Wat is het familieleven niet ondermijnd daarginder. Wat
+een dringen en drijven om zelfs de hoogste waarheden onderste boven te
+halen.
+
+DINA (_zonder op te zien_). Maar gebeuren daar ook niet wel groote
+dingen?
+
+ROeRLUND. Groote dingen...? Ik begrijp niet....
+
+MEVR. HOLT (_verbaasd_). Maar lieve hemel, Dina...!
+
+MEVR. RUMMEL (_tegelijkertijd_). Maar Dina, hoe verzin je 't...?
+
+ROeRLUND. Ik zou het niet als een geluk beschouwen als zulk soort van
+dingen hier ook gebeurden. Neen, dan mogen wij God nog wel danken dat
+het hier is zooals het is. Wel groeit ook hier helaas veel onkruid onder
+de tarwe, maar wij doen toch braaf ons best om dat zoo goed mogelijk uit
+te roeien. Het komt er op aan, dames, al het onreine en verderfelijke
+ver van ons te houden, dat een onrustige tijd ons wil opdringen.
+
+MEVR. HOLT. En daarvan is hier ook al meer dan genoeg, helaas!
+
+MEVR. RUMMEL. Ja, 't heeft verleden jaar toch maar een haartje gescheeld
+of wij hadden hier ook al een spoorweg gekregen.
+
+MEVR. BERNICK. Dat heeft Bernick gelukkig nog kunnen tegenhouden.
+
+ROeRLUND. De Voorzienigheid, mevrouw. U kan er van overtuigd zijn, dat uw
+man het werktuig was in de hand van een Hoogere Macht, toen hij weigerde
+zich met die zaak in te laten.
+
+MEVR. BERNICK. En toch werd hij zoo aangevallen in de couranten. Maar
+wij vergeten heelemaal u te bedanken, mijnheer Roerlund. Het is waarlijk
+meer dan vriendelijk van u ons zooveel van uw kostbaren tijd te geven.
+
+ROeRLUND. Geen kwestie van ... nu in de vacantie....
+
+MEVR. BERNICK. Nu ja ... maar het is toch heusch wel een offer....
+
+ROeRLUND (_haalt zijn stoel dichterbij_). Spreek daar toch nooit van,
+lieve mevrouw. Brengt u niet allemaal een offer ter wille van een goede
+zaak? Of brengt u het soms niet gewillig en blijmoedig? Deze
+moreel-verdorvenen, aan wier verbetering wij arbeiden, zijn te
+beschouwen als gewonde soldaten op een slagveld. U, dames, zijt allemaal
+de diaconessen, de liefdezusters die pluksel maken voor de arme
+ongelukkigen, met zachte hand verbanden aanlegt om de wonden, ze
+verpleegt en geneest.
+
+MEVR. BERNICK. Het moet toch wel een hemelsche gaaf zijn om alles in
+zoo'n mooi licht te kunnen zien.
+
+ROeRLUND. Veel is er in zoo iets aangeboren, maar veel kan men ook
+verwerven. 't Komt er maar op aan de dingen te zien in het licht van een
+ernstigen levenstaak. Wat zegt u er van, juffrouw Bernick? Vindt u niet
+dat u om zoo te zeggen op een steviger grondslag staat, sedert u zich
+wijdt aan de school?
+
+MARTHA. Och, ik weet eigenlijk niet wat ik zeggen moet. Soms als ik
+daarginder de school binnenga, wou ik dat ik ver weg was op de wilde
+zee.
+
+ROeRLUND. Ach ja, dat zijn de booze aanvechtingen, lieve juffrouw. Maar
+voor dergelijke onstuimige gasten moeten wij onze deur streng gesloten
+houden. De wilde zee ... dat meent u natuurlijk niet letterlijk; u
+bedoelt de groote golvende menschenwereld daarbuiten, waar zoo velen te
+gronde gaan. En hecht u dan waarlijk zooveel waarde aan dat leven dat u
+daarginder hoort bruisen en ruischen? Kijk eens op straat. Daar loopen
+de menschen zweetend en zwoegend in de brandende zon en maken het zich
+druk met al hun zaken. Neen, dan hebben wij het toch heusch beter, wij,
+die hier in de koelte zitten en onzen rug kunnen keeren naar den kant
+van waar de moeilijkheden komen....
+
+MARTHA. Och Heer, ja, u heeft stellig wel gelijk....
+
+ROeRLUND. En in een huis als dit ... in een goed en rein thuis, waar het
+familieleven zich in zijn mooiste gestalte vertoont ... waar vrede en
+eendracht wonen.... (_tegen mevrouw Bernick_) Waar luistert u naar,
+mevrouw?
+
+MEVR. BERNICK (_naar de eerste deur links gewend_). Wat praten ze hard
+daar in de kamer.
+
+ROeRLUND. Is er dan iets bizonders gaande?
+
+MEVR. BERNICK. Ik weet 't niet. Maar ik hoor dat er iemand bij mijn man
+is.
+
+(_Hilmar Toennesen, met een sigaar in den mond, komt uit de deur rechts
+... hij blijft staan als hij al die dames ziet_).
+
+HILMAR. O, pardon.... (_wil zich terugtrekken_)
+
+MEVR. BERNICK. Neen Hilmar, kom maar hier, je hindert ons niet. Wou je
+iets?
+
+HILMAR. Neen, ik kwam maar eens kijken. Goeden morgen, dames (_tegen
+mevr. Bernick_). Nou, wat komt er nu van?
+
+MEVR. BERNICK. Waarvan?
+
+HILMAR. Wel, Bernick heeft immers een vergadering bij elkaar getrommeld.
+
+MEVR. BERNICK. Zoo? Maar wat is er dan eigenlijk aan de hand?
+
+HILMAR. Och, 't is dat gezanik weer over dien spoorweg.
+
+MEVR. RUMMEL. Neen ... maar dat kan toch niet!
+
+MEVR. BERNICK. Die arme Karsten, moet hij daar nu nog al meer
+onaangenaamheden over hebben....
+
+ROeRLUND. Maar hoe is dat mogelijk, mijnheer Toennesen? Consul Bernick
+heeft toch verleden jaar zoo duidelijk te kennen gegeven dat hij geen
+spoorweg wilde hebben.
+
+HILMAR. Ja, dat dacht ik ook. Maar ik heb daar straks Krap ontmoet en
+die vertelde dat die spoorweghistorie weer op het tapijt was gebracht,
+en dat Bernick zou vergaderen met drie geldmannen uit de stad.
+
+MEVR. RUMMEL. 't Wou mij ook al voorkomen of ik Rummel's stem zoo even
+hoorde.
+
+HILMAR. Ja, mijnheer Rummel is er natuurlijk ook bij, en dan Sandstad
+van den Steenweg en Michel Vigeland ... de "Heilige Michael" zooals ze
+hem noemen.
+
+ROeRLUND. Hm....
+
+HILMAR. Pardon, mijnheer Roerlund.
+
+MEVR. BERNICK. En 't was hier nu juist zoo rustig en vredig.
+
+HILMAR. Nou, wat dat betreft, ik heb er niets tegen dat ze weer eens een
+beetje beginnen te bakkeleien. Dat is ten minste nog eens een afleiding.
+
+ROeRLUND. Mij dunkt zulk soort van afleidingen kunnen wij wel missen.
+
+HILMAR. Dat is een kwestie van temperament. Sommige naturen hebben nu en
+dan eens een beetje opwekkenden strijd noodig. Maar zoo iets levert het
+kleine stadsleven helaas maar weinig op, en niet iedereen is het
+gegeven.... (_hij bladert in het boek van Roerlund_) "De vrouw als
+dienstbare in de Maatschappij". Wat is dat voor onzin?
+
+MEVR. BERNICK. He, Hilmar, zeg dat nu niet. Je hebt zeker dat boek niet
+gelezen?
+
+HILMAR. Neen, en ik ben ook heelemaal niet van plan het te doen.
+
+MEVR. BERNICK. Je voelt je zeker niet erg lekker vandaag.
+
+HILMAR. Neen, dat doe ik ook niet.
+
+MEVR. BERNICK. Heb je misschien van nacht niet goed geslapen?
+
+HILMAR. Neen, ik heb heel slecht geslapen. Ik wandelde nog een eindje om
+gisteren avond, voor mijn zenuwen; liep toen nog even op in de societeit
+en las daar een reisverhaal van de Noordpool. Dat is nog eens iets om
+een mensch te stalen, als je ze zoo volgt in hun strijd met de elementen.
+
+MEVR. RUMMEL. Maar dat schijnt u toch niet goed bekomen te zijn,
+mijnheer Toennesen.
+
+HILMAR. Neen, het is mij heel slecht bekomen. Ik heb mij den heelen
+nacht om-en-om gerold tusschen waken en slapen en droomde dat ik
+achterna gezeten werd door een afschuwelijken walrus.
+
+OLAF. Is u nagezeten door een walrus, oom?
+
+HILMAR. Dat heb ik gedroomd, jij domoor! Maar loop jij nou nog altijd te
+spelen met dien mallen boog? Waarom zie je toch niet een behoorlijk
+geweer te krijgen?
+
+OLAF. Nou, ik zou wat graag willen, maar....
+
+HILMAR. Want een geweer dat beteekent ten minste wat; daar is altijd
+iets spannends in als je vuren gaat.
+
+OLAF. En dan zou ik beren kunnen gaan schieten, he oom? Maar dat mag ik
+toch niet van Papa.
+
+MEVR. BERNICK. Je moet hem heusch niet zulke dingen in het hoofd praten,
+Hilmar.
+
+HILMAR. Hm ... een mooi geslacht dat ze opkweeken tegenwoordig! Maken ze
+me daar een groote drukte over allerlei lichaamsoefeningen ... lieve god
+ja!... en 't is niets dan een spelletje. Nooit een ernstig streven naar
+dat echte stalende, dat er steekt in het manmoedig een gevaar te gemoet
+gaan. Sta daar niet zoo met dien boog naar me te wijzen, jij lummel, die
+kon wel eens losschieten.
+
+OLAF. Neen oom, er is geen pijl op.
+
+HILMAR. Dat kan je niet weten; er kan toch wel een pijl op zitten. Leg
+ze weg, zeg ik.... Wat drommel, waarom ben jij niet meegevaren naar
+Amerika met een van je vaders schepen? Daar kon je nog eens een
+buffeljacht of een gevecht met Indianen bijwonen misschien.
+
+MEVR. BERNICK. Och maar, Hilmar....
+
+OLAF. Nou, dat zou ik wat graag willen, oom; en misschien zou ik dan ook
+Johan en tante Lona ook wel ontmoeten.
+
+HILMAR. Hm ... nonsens.
+
+MEVR. BERNICK. Olaf, je kunt nu wel weer in den tuin gaan.
+
+OLAF. He Ma, mag ik ook op straat gaan?
+
+MEVR. BERNICK. Ja, maar niet te ver weg. (_Olaf loopt het hekje uit_).
+
+ROeRLUND. U moet dat kind niet zulke dwaasheden in het hoofd praten,
+mijnheer Toennesen.
+
+HILMAR. Neen, natuurlijk niet. Hij moet zoet hier blijven bij moeders
+pappot, zooals zooveel anderen.
+
+ROeRLUND. Maar waarom maakt u dan zelf die reis niet eens?
+
+HILMAR. Ik? Met mijn zenuwlijden? Nou ja, dat spreekt, daar wordt hier
+niet veel notitie van genomen. Maar buitendien ... een mensch heeft ook
+plichten in acht te nemen jegens de wereld waarin hij verkeert. Er dient
+toch wel _iemand_ te zijn om de vaan der idee hoog te houden. He! wat
+schreeuwt hij weer!
+
+DE DAMES. Wie schreeuwt er?
+
+HILMAR. O dat weet ik niet. Ze praten een beetje erg hard daar binnen,
+en dat maakt mij zenuwachtig.
+
+MEVR. RUMMEL. Dat zal mijn man wel zijn, mijnheer Toennesen. Maar weet u,
+hij is zoo gewend in groote vergaderingen te spreken....
+
+ROeRLUND. De anderen praten nu ook zoo zachtjes niet, vind ik.
+
+HILMAR. Neen, godbewaarme, als het er op aan komt de handen op de zakken
+te houden, dan.... Alles gaat hier immers op in kleine materieele
+berekeningen. Bah!
+
+MEVR. BERNICK. Dat is in alle geval beter dan vroeger toen alles in
+plezier-maken opging.
+
+MEVR. LYNGE. Was het hier heusch zoo erg vroeger?
+
+MEVR. RUMMEL. O mevrouw, als u dat eens wist! U mag blij zijn dat u toen
+niet hier woonde.
+
+MEVR. HOLT. Ja, hier is heel wat verandering gekomen! Als ik denk hoe
+het was in mijn meisjestijd....
+
+MEVR. RUMMEL. O ga maar eens in gedachten een veertien, vijftien jaar
+terug. Lieve, goede hemel, wat een leven was dat! Toen bestonden nog de
+dansclub en de muziekvereeniging....
+
+MARTHA. En het tooneelgezelschap. Dat herinner ik mij nog heel goed.
+
+MEVR. RUMMEL. Ja, daar werd toen uw stuk gespeeld, mijnheer Toennesen.
+
+HILMAR (_gaat naar den achtergrond_). Och wat!...
+
+ROeRLUND. Een stuk van den student Toennesen?
+
+MEVR. RUMMEL. Ja, dat was lang voor dat u hier kwam, mijnheer Roerlund.
+Maar het is maar een enkelen keer gespeeld.
+
+MEVR. LYNGE. Heeft u mij niet verteld dat u in dat stuk de rol van de
+minnares gespeeld heeft, mevrouw Rummel?
+
+MEVR. RUMMEL (_kijkt op zij uit naar Roerlund_). Ik? Dat herinner ik mij
+heusch niet meer, mevrouw. Maar ik herinner mij nog wel heel goed hoe
+vreeselijk veel er toen werd uitgegaan.
+
+MEVR. HOLT. Ja, ik weet nog best in welke families er tweemaal in de
+week een groot diner was.
+
+MEVR. LYNGE. En een rondreizend tooneelgezelschap is er ook eens
+geweest, heb ik gehoord.
+
+MEVR. RUMMEL. Ja, dat was wel het allerergste!...
+
+MEVR. HOLT (_onrustig_). Hum ... hum....
+
+MEVR. RUMMEL. O? Een tooneelgezelschap? Neen, daar weet ik niets meer
+van.
+
+MEVR. LYNGE. Ja, de menschen moeten hier heel wat rare stukjes
+uitgehaald hebben. Wat waren dat eigenlijk voor histories?
+
+MEVR. RUMMEL. Och, mevrouw, dat had eigenlijk niets te beduiden.
+
+MEVR. HOLT. Lieve Dina, geef mij dat linnen eens aan.
+
+MEVR. BERNICK (_gelijktijdig_). Beste Dina, ga eens vragen of Katrine de
+koffie brengen wil.
+
+MARTHA. Ik ga met je mee, Dina. (_Dina en Martha gaan weg door de
+laatste deur links_).
+
+MEVR. BERNICK (_staat op_). En ik moet u ook verzoeken mij even te
+verontschuldigen, dames; misschien kunnen wij aanstonds wel buiten
+koffie drinken. (_Zij gaat de tuintrap af en dekt de tafel. Roerlund
+staat in de deur en praat met haar. Hilmar zit buiten te rooken_).
+
+MEVR. RUMMEL (_zachtjes_). Lieve hemel, mevrouw Lynge, wat heeft u mij
+doen schrikken!
+
+MEVR. LYNGE. Ik?
+
+MEVR. HOLT. Ja, maar u begon er toch zelf over, mevrouw Rummel.
+
+MEVR. RUMMEL. Ik? Maar mevrouw Holt hoe kan u zoo iets zeggen? Ik heb
+toch geen enkel woord losgelaten.
+
+MEVR. LYNGE. Maar wat is er dan toch?
+
+MEVR. RUMMEL. Hoe kon u daar nu over praten...! Zag u dan niet dat Dina
+in de kamer was?
+
+MEVR. LYNGE. Dina? Maar lieve hemel, is er dan iets gebeurd met ...?
+
+MEVR. HOLT. En hier in huis nog al! Weet u dan niet dat de broer van
+mevrouw Bernick...?
+
+MEVR. LYNGE. Wat dan toch? Ik weet heelemaal niets; ik ben hier pas
+gekomen....
+
+MEVR. RUMMEL. Heeft u niet gehoord dat...? Hm,... (_tegen haar
+dochter_). Hilda, jij moest maar eens een beetje in de tuin gaan.
+
+MEVR. HOLT. En jij ook, Netta. En wees maar heel vriendelijk tegen die
+arme Dina als ze komt. (_Beiden gaan de tuin in_).
+
+MEVR. LYNGE. En wat was er nu met dien broer van Mevrouw Bernick?
+
+MEVR. RUMMEL. Weet u dan niet dat hij die leelijke geschiedenis heeft
+gehad?
+
+MEVR. LYNGE (_wijzend naar Hilmar_). Heeft mijnheer Toennesen een
+leelijke geschiedenis gehad?
+
+MEVR. RUMMEL. Och, welneen; dit is immers haar neef. Ik spreek van haar
+broer....
+
+MEVR. HOLT. ... den verongelukten Toennesen....
+
+MEVR. RUMMEL. Johan heette hij. Hij ging naar Amerika....
+
+MEVR. HOLT. Hij _moest_ naar Amerika ... begrijpt u?
+
+MEVR. LYNGE. En had hij nu die leelijke historie?
+
+MEVR. RUMMEL. Ja, het was iets ... hoe zal ik het noemen...? Het was
+iets met Dina's moeder. O, ik weet 't nog of het gisteren was. Johan
+Toennesen was toen op het kantoor bij de oude mevrouw Bernick. Karsten
+Bernick was pas van Parijs teruggekomen ... was nog niet eens
+geengageerd....
+
+MEVR. LYNGE. Nou ja ... maar die geschiedenis?
+
+MEVR. RUMMEL. Ja, ziet u ... dien winter was het tooneelgezelschap van
+Moeller hier in de stad....
+
+MEVR. HOLT. ... en bij dat gezelschap was de acteur Dorf met zijn vrouw.
+Al de jongelui hier waren dol op haar....
+
+MEVR. RUMMEL. Ja, hoe 't mogelijk was dat ze _die_ mooi vonden.... Maar
+op een keer komt Dorf 's avonds laat thuis....
+
+MEVR. HOLT. ... heel onverwacht....
+
+MEVR. RUMMEL. ... en vindt daar ... neen dat kan ik u heusch niet
+vertellen!
+
+MEVR. HOLT. Maar mevrouw, hij vond niemendal, want de deur was van
+binnen gesloten.
+
+MEVR. RUMMEL. Nou ja, dat is net wat ik zeg; hij vond de deur gesloten.
+En hij die binnen was, u begrijpt me wel, moest uit het raam springen.
+
+MEVR. HOLT. Heelemaal boven uit een zolderraam!
+
+MEVR. LYNGE. En was dat de broer van mevrouw Bernick?
+
+MEVR. RUMMEL. Ja zeker, die was het.
+
+MEVR. LYNGE. En is hij toen naar Amerika gegaan?
+
+MEVR. HOLT. Ja, dat moest hij toen wel doen, dat begrijpt u.
+
+MEVR. RUMMEL. Want achterna werd er iets ontdekt, dat al haast even erg
+was. Verbeeld u, hij had de kas bestolen....
+
+MEVR. HOLT. Ja maar, daar weet men het rechte niet van, mevrouw Rummel;
+dat zijn misschien maar praatjes geweest.
+
+MEVR. RUMMEL. Neen maar, dat is nu ook! Was het dan niet bekend in de
+heele stad? Is de oude mevrouw Bernick daardoor niet bijna failliet
+gegaan? Dat heeft Rummel me zelf verteld. Maar _ik_ zal er wel zalig
+over zwijgen....
+
+MEVR. HOLT. Nou, madam Dorf kreeg in elk geval het geld niet, want
+zij....
+
+MEVR. LYNGE. Ja, hoe liep dat toen af tusschen Dina's ouders?
+
+MEVR. RUMMEL. Wel, Dorf liet zijn vrouw en kind in den steek. Maar dat
+mensch was zoo brutaal om nog een heel jaar hier te blijven. Op het
+tooneel durfde zij zich niet meer te vertoonen. Eerst is ze gaan
+wasschen en naaien voor den kost....
+
+MEVR. HOLT. En toen heeft ze geprobeerd om danslessen te geven.
+
+MEVR. RUMMEL. Maar dat ging natuurlijk ook niet. Welke ouders zouden hun
+kinderen aan zoo'n schepsel willen toevertrouwen? Maar het duurde ook
+niet lang meer met haar; die fijne madam was niet gewend te werken. Zij
+kreeg het op de borst en stierf.
+
+MEVR. LYNGE. He, dat zijn echt leelijke histories!
+
+MEVR. RUMMEL. U kan begrijpen hoe naar dat allemaal was voor de
+Bernicks. Dat is de donkere vlek in hun gelukszon, zooals Rummel het
+eens uitdrukte. Daarom moet u maar nooit hier in huis er over spreken,
+mevrouw Lynge.
+
+MEVR. HOLT. En ook alsjeblieft niet over haar halve zuster!
+
+MEVR. LYNGE. Zoo? heeft mevrouw Bernick ook nog een halve zuster?
+
+MEVR. RUMMEL. Gehad ... gelukkig! Want nu is alle betrekking met haar
+afgebroken. Ja, dat was me ook een mooie! Stel u voor, die liep met
+kortgeknipte haren en hooge heerenlaarzen als 't vuil weer was!
+
+MEVR. HOLT. En toen die halve broer van haar, dat ongeluk, er nu van
+doorgegaan was, en de heele stad natuurlijk diep verontwaardigd was over
+hem, weet u wat zij toen deed? Toen is ze hem nagereisd!
+
+MEVR. RUMMEL. O, maar dat schandaal dat zij gemaakt heeft nog eer ze weg
+ging, mevrouw Holt!
+
+MEVR. HOLT. Sst, praat daar toch niet van.
+
+MEVR. LYNGE. Gut, maakte zij ook al schandaal?
+
+MEVR. RUMMEL. Neen maar, dat moet u hooren, lieve mevrouw. Bernick was
+net geengageerd met Betty Toennesen; en zoo als hij met haar aan zijn arm
+bij haar tante komt om zijn meisje te presenteeren....
+
+MEVR HOLT. ... staat Lona Hessel op van haar stoel, en geeft den
+knappen, fijngemanierden Karsten Bernick een oorvijg, dat hij
+suizebolde.
+
+MEVR. LYNGE. Neen maar heb je nu ooit!
+
+MEVR. HOLT. Ja, het is heusch waar.
+
+MEVR. RUMMEL. En toen pakte zij haar koffer en vertrok naar Amerika.
+
+MEVR. LYNGE. Maar dan had ze misschien zelf een goed oogje op hem gehad?
+
+MEVR. RUMMEL. Ja natuurlijk, dat begrijpt u wel. Zij had zich verbeeld
+dat hij met haar trouwen zou als hij terugkwam uit Parijs.
+
+MEVR. HOLT. Ja verbeeld je, dat zij zoo iets denken kon! Bernick, de
+jonge elegante man van de wereld ... volleerd gentleman ... de lieveling
+van alle dames....
+
+MEVR. RUMMEL. ... en daarbij zoo fatsoenlijk, mevrouw Holt, en zoo
+braaf!
+
+MEVR. LYNGE. Maar wat is die juffrouw Hessel daar in Amerika gaan
+uitvoeren?
+
+MEVR. RUMMEL. Ja, ziet u, daarover ligt, zooals Rummel zich eens
+uitdrukte, een sluier, die maar liever niet moet worden opgelicht.
+
+MEVR. LYNGE. Wat beteekent dat?
+
+MEVR. RUMMEL. Alle betrekking met de familie is al lang afgebroken, dat
+begrijpt u wel. Maar zooveel weet de heele stad er toch wel van, dat zij
+daar ginder in cafe's voor geld gezongen heeft....
+
+MEVR. HOLT. ... en lezingen gehouden....
+
+MEVR. RUMMEL. ... en een allerdolst boek geschreven heeft....
+
+MEVR. LYNGE. Neen, maar!
+
+MEVR. RUMMEL. Ja, ja, Lona Hessel is ook wel een van de zonnevlekken in
+het geluk van de familie Bernick. Maar nu is u dus op de hoogte, mevrouw
+Lynge. De hemel weet dat ik er alleen over gesproken heb omdat u nu op
+uw woorden zou kunnen passen.
+
+MEVR. LYNGE. Wees gerust daarop, lieve mevrouw. Maar die arme Dina Dorf!
+Ik heb heusch medelijden met haar.
+
+MEVR. RUMMEL. Och, voor haar was het eigenlijk een groot geluk. Verbeeld
+u eens dat zij bij haar ouders gebleven was! Wij hebben ons natuurlijk
+allemaal veel met haar bemoeid en haar vermaand, zoo goed wij konden.
+Later zette juffrouw Bernick het door dat zij hier in huis kwam.
+
+MEVR. HOLT. Maar een moeilijk kind is zij altijd geweest. Denk ook maar
+eens aan ... al die slechte voorbeelden! Och, zoo'n kind is ook van zelf
+heel anders dan een van de onzen; wij moeten wat toegevend voor haar
+zijn, mevrouw.
+
+MEVR. RUMMEL. Sst ... daar komt ze. (_hardop_). Ja, die Dina, dat is een
+echt flinke meid. Zoo? ben jij daar Dina? Wij scheiden net uit met
+werken.
+
+MEVR. HOLT. O wat geurt je koffie heerlijk, lieve Dina! Ja, zoo'n kopje
+koffie 's middags....
+
+MEVR. BERNICK (_buiten op het terras_). Als u lust heeft om buiten te
+komen dames! (_Martha en Dina hebben intusschen het dienstmeisje
+geholpen het koffie-servies klaar te zetten. Al de dames gaan buiten
+zitten; zij praten overdreven vriendelijk tegen Dina. Even later gaat
+zij naar binnen en zoekt haar handwerk weer op_).
+
+MEVR. BERNICK. Dina, wil jij ook niet...?
+
+DINA. Neen, dank u ... liever niet. (_Zij gaat zitten met haar naaiwerk.
+Mevr. Bernick en Roerlund wisselen een paar woorden; een oogenblik daarna
+komt hij ook in de kamer_).
+
+ROeRLUND (_verlegt iets op de tafel en zegt zachtjes_). Dina!
+
+DINA. Ja....
+
+ROeRLUND. Waarom wil je niet buiten zitten?
+
+DINA. Omdat, toen ik met de koffie binnenkwam, ik kon merken aan die
+vreemde mevrouw, dat er over mij gesproken was.
+
+ROeRLUND. En heb je dan ook niet gemerkt hoe vriendelijk zij zoo even
+tegen je was?
+
+DINA. Maar dat kan ik juist niet uitstaan!
+
+ROeRLUND. Je bent erg weerspannig van aard, Dina.
+
+DINA. Ja.
+
+ROeRLUND. Maar waarom ben je zoo?
+
+DINA. Ik ben nu eenmaal niet anders.
+
+ROeRLUND. Zou je er niet naar kunnen streven anders te worden?
+
+DINA. Neen.
+
+ROeRLUND. Waarom niet?
+
+DINA (_ziet hem aan_). Ik hoor immers tot de moreel-verdorvenen.
+
+ROeRLUND. Foei, Dina!
+
+DINA. Mijn moeder hoorde ook tot de moreel-verdorvenen.
+
+ROeRLUND. Wie heeft met je over zulke dingen gesproken?
+
+DINA. Niemand; ze zeggen nooit iets. Waarom? Ze pakken me allemaal zoo
+voorzichtig aan alsof ik breken zou als.... O, wat haat ik die
+goedhartigheid!
+
+ROeRLUND. Lieve Dina, ik begrijp heel goed, dat je je hier gedrukt voelt,
+maar....
+
+DINA. O, kon ik maar weggaan, ver weg! Ik zou mij wel redden en vooruit
+komen, als ik maar niet hoefde te leven onder menschen die zoo ...
+zoo....
+
+ROeRLUND. Wat zoo?
+
+DINA. Zoo fatsoenlijk en zoo braaf zijn.
+
+ROeRLUND. Maar Dina, dat meen je toch niet!
+
+DINA. Och, u begrijpt heel goed hoe ik het bedoel. Iederen dag komen
+Netta en Hilda hier, opdat ik een voorbeeld aan hen nemen zal. Ik kan
+nooit zoo hoogst fatsoenlijk worden als zij. Ik _wil_ zoo niet worden.
+O, was ik toch maar ver weg, dan zou ik wel flink worden.
+
+ROeRLUND. Maar je bent immers flink, Dina-lief.
+
+DINA. Wat helpt mij dat hier?
+
+ROeRLUND. Dus weggaan ... denk je daar in ernst over?
+
+DINA. Ik zou hier geen dag langer blijven als u hier niet was.
+
+ROeRLUND. Zeg me eens Dina ... waarom vindt je het eigenlijk zoo prettig
+om met mij samen te zijn?
+
+DINA. Omdat u mij zooveel mooie dingen leert.
+
+ROeRLUND. Mooi? Noem je dat wat ik je leeren kan "mooie dingen"?
+
+DINA. Ja. Of eigenlijk ... u leert mij wel niets, maar als ik u hoor
+spreken, dan ga ik allerlei mooie dingen zien.
+
+ROeRLUND. Wat versta je eigenlijk onder iets moois?
+
+DINA. Daar heb ik nooit over nagedacht.
+
+ROeRLUND. Denk daar dan nu eens over na. Wat versta je onder iets moois?
+
+DINA. Mooi is iets dat groot is ... en ver weg.
+
+ROeRLUND. Hm!... Lieve Dina, ik maak mij erg bezorgd over je.
+
+DINA. Anders niets dan dat?
+
+ROeRLUND. Je weet toch wel, hoe onuitsprekelijk lief je mij bent.
+
+DINA. Maar als ik Hilda of Netta was, zou u niet bang zijn het aan
+iemand te laten merken.
+
+ROeRLUND. Ach Dina, je kunt zoo weinig al de consideraties beoordeelen
+die ik in acht nemen moet.... Als een man een positie bekleedt, waarin
+hij moet optreden als zedelijke steunpilaar van de wereld, waarin hij
+verkeert, dan ... kan hij niet voorzichtig genoeg zijn. Als ik er maar
+zeker van was, dat men mijn motieven goed zou begrijpen en er geen
+verkeerden uitleg aan geven.... Maar dat is tot daaraan toe. Je _moet_
+en _zult_ voort geholpen worden. Dina, zal dit onze afspraak zijn, dat,
+als ik kom ... als de omstandigheden mij toestaan te komen ... en ik
+zeg: hier is mijn hand ... dat je die dan wilt aannemen en mijn vrouw
+worden? Beloof je me dat, Dina?
+
+DINA. Ja.
+
+ROeRLUND. Dank je, dank je! Want ook voor mij.... Och Dina, ik hou toch
+zoo veel van je.... Sst; daar komt iemand. Toe, Dina, doe 't voor mij
+... ga naar de anderen toe. (_zij gaat naar de koffietafel. Op hetzelfde
+oogenblik komen de heeren Rummel, Sandstad en Vigeland uit de eerste
+kamer links, gevolgd door den heer Bernick, die een pak papieren in de
+hand houdt_).
+
+BERNICK. Nou, de zaak is dus afgedaan.
+
+VIGELAND. Ja. In 's hemels naam dan maar.
+
+RUMMEL. 't Is afgedaan, Bernick! Het woord van een Noor staat vast als
+een rots in de zee, dat weet je!
+
+BERNICK. En niemand zwicht, niemand wordt afvallig, hoeveel tegenstand
+wij ook ontmoeten.
+
+RUMMEL. Wij staan en vallen met elkaar, Bernick!
+
+HILMAR (_in de tuindeur_). Vallen? Permitteert! Is het dan niet de
+spoorweg die valt?
+
+BERNICK. Integendeel; die zullen wij wel aan het rollen krijgen....
+
+RUMMEL. Met stoom, mijnheer Toennesen.
+
+HILMAR (_dichterbij_). Zoo?
+
+ROeRLUND. Hoe dat?
+
+MEVR. BERNICK (_in de tuindeur_). Maar Karsten-lief, wat beteekent dat
+eigenlijk?
+
+BERNICK. Och, Betty-lief, wat kan jou dat nu interesseeren? (_tot de
+drie heeren_). Maar nu moeten wij de lijsten opmaken, hoe eer hoe beter.
+'t Spreekt van zelf dat wij vieren het eerst teekenen. De positie die
+wij in de maatschappij bekleeden, maakt het ons tot plicht hierin voor
+te gaan.
+
+SANDSTAD. Natuurlijk, mijnheer Bernick.
+
+RUMMEL. Het moet gaan, Bernick; dat staat vast.
+
+BERNICK. O ja, ik ben heelemaal niet bang voor den uitslag. Wij moeten
+er ons best voor doen, ieder in zijn eigen kring van kennissen; en als
+wij maar eerst eens kunnen wijzen op een levendige deelneming in alle
+maatschappelijke kringen, dan volgt daaruit van zelf, dat ook de
+gemeente het hare moet bijdragen.
+
+MEVR. BERNICK. Maar Karsten, nu moet je ons toch eigenlijk eens
+vertellen....
+
+BERNICK. Och, lieve Betty, dat is iets waar dames heelemaal niet in
+komen kunnen.
+
+HILMAR. Je wilt je dus toch met die spoorweggeschiedenis inlaten?
+
+BERNICK. Ja, natuurlijk.
+
+ROeRLUND. Maar verleden jaar, mijnheer Bernick....
+
+BERNICK. Verleden jaar was dat heel iets anders. Toen was er sprake van
+een lijn langs de kust....
+
+VIGELAND. ... die ten eenenmale overbodig zou zijn, meneer; want wij
+hebben immers de stoombooten....
+
+SANDSTAD. ... en die zoo onzinnig veel geld gekost zou hebben....
+
+RUMMEL. ... ja, en die inderdaad de wezenlijke belangen van de stad zou
+geschaad hebben....
+
+BERNICK. De hoofdzaak was dat die in wijder kring geen nut gedaan zou
+hebben. Daarom verzette ik er mij tegen; en zoo werd toen de binnenlijn
+aangenomen.
+
+HILMAR. Die zal de steden in den omtrek toch niet aandoen.
+
+BERNICK. Maar die zal onze stad aandoen, mijn waarde Hilmar, want nu
+wordt er een zijlijn aangelegd.
+
+HILMAR. O zoo; een nieuw plan dus.
+
+RUMMEL. En wat een prachtig plan ook, he?
+
+ROeRLUND. Hm....
+
+VIGELAND. 't Kan niet ontkend worden dat de Voorzienigheid als 't ware
+het terrein heeft klaar gemaakt voor een zijlijntje.
+
+ROeRLUND. Meent u dat in ernst, mijnheer Vigeland?
+
+BERNICK. Ja, ik moet toegeven, dat ik het ook als een bestiering
+beschouw dat ik in 't voorjaar voor zaken op reis was op 't land, en
+toevallig langs een weg door 't dal kwam, waar ik vroeger nooit geweest
+was. Als een lichtstraal kwam het denkbeeld in mij op, dat hier een
+zijlijn naar onze stad te maken moest zijn. Ik heb een ingenieur er heen
+gezonden en den weg laten opnemen; hier heb ik de voorloopige
+berekeningen en kostenopgaven; niets staat den aanleg in den weg.
+
+MEVR. BERNICK (_met de andere dames vooruitgekomen in de tuindeur_).
+Maar lieve man, dat je dat alles zoo voor ons verborgen hebt gehouden.
+
+BERNICK. Och, mijn goede kind, jullie zoudt immers toch niet begrepen
+hebben hoe dat alles in elkaar zat. Ik heb er overigens met geen levende
+ziel over gesproken, voor van daag. Maar nu is het beslissende oogenblik
+gekomen, nu moet er openlijk en met alle kracht gewerkt worden. Ja, al
+moest ik mijn heele bestaan er aan geven, ik zal de zaak doorzetten.
+
+RUMMEL. Wij ook, Bernick, daar kan je op vertrouwen.
+
+ROeRLUND. Heeft u dan waarlijk zooveel verwachtingen van die onderneming,
+heeren?
+
+BERNICK. Ja, dat zal waar zijn. Wat een hefboom zal die niet kunnen
+worden voor onze heele maatschappij? Denk maar eens aan de groote
+bosschen die toegankelijk gemaakt zullen worden; denk aan de rijken
+ertslagen die in exploitatie kunnen worden genomen; denk aan de rivier
+met haar talrijke watervallen! Wat een industrie kan zich daar
+ontwikkelen!
+
+ROeRLUND. En vreest u niet dat een drukker verkeer met een verdorven
+buitenwereld...?
+
+BERNICK. Neen, wees maar gerust, mijnheer Roerlund. Ons klein nijver
+stadje staat, Goddank, tegenwoordig op een standpunt van gezonde
+moraliteit. Wij hebben allen ons best gedaan om den bodem te draineeren,
+als ik 't zoo noemen mag; en dat zullen wij ook verder doen, ieder op
+zijn manier. U, mijnheer Roerlund, blijft voortgaan met uw zegenrijk werk
+in school en huisgezin. Wij, de mannen der praktijk, steunen de
+maatschappij door welvaart onder de menschen te brengen in de wijdst
+mogelijken kring;... en onze vrouwen, ja, komt maar dichterbij dames, u
+moogt het wel hooren,... onze vrouwen, zeg ik, onze echtgenooten en
+dochters,... ja, u moet ongestoord voortwerken in den dienst der
+weldadigheid, en zijt verder een hulp en een troost voor die u het naast
+staan, zooals mijn lieve Betty en Martha dat voor mij en Olaf zijn....
+(_Kijkt rond_). Waar zit Olaf vandaag?
+
+MEVR. BERNICK. O, nu in de vacantie is het niet mogelijk hem in huis te
+houden.
+
+BERNICK. Dan is hij zeker weer beneden aan den waterkant! Je zult zien,
+hij laat het niet voor er een ongeluk gebeurd is.
+
+HILMAR. Kom ... laat hij zich maar eens meten met de natuurkrachten....
+
+MEVR. RUMMEL. Wat vind ik het mooi van u, dat u zooveel gevoel voor het
+gezin heeft, mijnheer Bernick!
+
+BERNICK. O, het gezin is immers de kern der maatschappij. Een goed
+tehuis, achtenswaardige en trouwe vrienden, een kleine, gesloten kring,
+waarin geen storende elementen hun schaduw werpen....
+
+(_Krap komt met brieven en couranten van rechts_).
+
+KRAP. De buitenlandsche post, mijnheer de consul;... en een telegram van
+New-York.
+
+BERNICK (_neemt het aan_). Ah, van de reederij ... over de "Indian
+Girl".
+
+RUMMEL. Zoo? is de post gekomen? Ja, dan moet ik naar huis.
+
+VIGELAND. Ja, ik ook.
+
+SANDSTAD. Tot weerziens, mijnheer Bernick.
+
+BERNICK. Tot weerziens, heeren. En denkt er aan dat wij van middag om
+vijf uur vergadering hebben.
+
+DE DRIE HEEREN. Ja, ja ... zeker ... dat spreekt. (_zij gaan naar rechts
+af_).
+
+BERNICK (_die het telegram gelezen heeft_). Neen maar, dat is waarachtig
+echt Amerikaansch! Eenvoudig stuitend....
+
+MEVR. BERNICK. Hemel, Karsten, wat is er?
+
+BERNICK. Kijk eens Krap, lees dit eens!
+
+KRAP (_leest_). "Minst mogelijke reparatie; stuur "Indian Girl" terug
+zoodra zeilklaar; goed seizoen; drijft desnoods op lading." Nou, ik moet
+zeggen....
+
+BERNICK. Drijft op lading! De heeren weten best dat met die lading het
+schip zinkt als een baksteen, als er iets gebeurt.
+
+ROeRLUND. Ja, daar kan u nu eens zien, hoe het toegaat in die
+veelgeprezen groote maatschappij.
+
+BERNICK. Daar heeft u gelijk in. Zelfs menschenlevens worden niet geteld
+zoodra er winst of verlies in het spel is. (_tegen Krap_). Kan de
+"Indian Girl" in zee gaan over vier of vijf dagen?
+
+KRAP. Ja, als meneer Vigeland het zoo schikken kan dat het werk op "de
+Palmboom" zoolang stilstaat.
+
+BERNICK. Hm; dat zal hij niet doen. Enfin. Wil u misschien de post even
+doorzien? Zeg eens, heeft u Olaf niet beneden op den steiger gezien?
+
+KRAP. Neen, mijnheer. (_af in de eerste kamer links_).
+
+BERNICK (_kijkt weer in het telegram_). Acht menschenlevens wagen die
+heeren zoo maar kalm-weg er aan....
+
+HILMAR. Och, 't is nu eenmaal het beroep van een zeeman om de elementen
+te trotseeren. Daar moet toch iets spannends in zijn, zoo enkel met een
+dunne plank tusschen jezelf en den afgrond....
+
+BERNICK. Ja, ik zou den reeder bij ons wel eens willen zien die zich tot
+zoo iets leenen zou. Niet een ... geen enkele.... (_krijgt Olaf in het
+oog_). Zoo, Goddank dat hij heelhuids weer thuis is. (_Olaf met een
+hengel in de hand is de straat opgekomen en komt door de tuindeur
+binnen_).
+
+OLAF (_nog in de tuin_). Oom Hilmar, ik ben beneden geweest en heb de
+stoomboot gezien.
+
+BERNICK. Ben je nu alweer op den steiger geweest?
+
+OLAF. Neen, ik ben enkel maar met een boot uit geweest. Maar oom, er is
+een heel gezelschap kunstrijders aangekomen, met paarden en andere
+dieren, en een heele boel passagiers!
+
+MEVR. RUMMEL. Wat? Krijgen we hier heusch kunstrijders te zien?
+
+ROeRLUND. Wij? Dat kan ik toch niet aannemen.
+
+MEVR. RUMMEL. Neen, _wij_ natuurlijk niet ... maar....
+
+DINA. Ik zou ze wel graag zien.
+
+OLAF. Ja, ik ook.
+
+HILMAR. Je bent een lummel. Is daar nu iets aan te zien? Louter
+dressuur. Neen, een Gaucho op zijn snuivenden mustang door de pampas te
+zien jagen, dat is wat anders! Maar godbewaarme hier in dit nest....
+
+OLAF (_trekt Martha aan haar japon_). Tante Martha, kijk, kijk ... daar
+komen ze!
+
+MEVR. HOLT. Hemel ja, daar heb je ze.
+
+MEVR. LYNGE. O foei, die afschuwelijke menschen!
+
+(_Veel reizigers en een heele troep stadsvolk komen de straat langs_).
+
+MEVR. RUMMEL. Ja, dat is je echte kermisvolk. Ziet u die daar, met die
+grijze japon, mevrouw Holt; zij draagt den knapzak op haar rug.
+
+MEVR. HOLT. Ja, en ze draagt hem aan haar parasol-stok! Dat is
+natuurlijk de vrouw van den directeur.
+
+MEVR. RUMMEL. En daar heb je den directeur zelf, die met dien baard. Hij
+ziet er net uit als een roover. Niet kijken, Hilda!
+
+MEVR. HOLT. Jij ook niet, Netta.
+
+OLAF. Mama, de directeur groet ons.
+
+BERNICK. Wat is dat?
+
+MEVR. BERNICK. Wat zeg je, kind?
+
+MEVR. RUMMEL. Ja, lieve hemel, daar groet die vrouw ook al!
+
+BERNICK. Neen, dat is toch te erg!
+
+MARTHA (_onwillekeurig_). Ah....
+
+MEVR. BERNICK. Wat is er, Martha?
+
+MARTHA. Och niets, ik dacht maar....
+
+OLAF (_schreeuwt van plezier_). Kijk, kijk, daar komen de anderen met de
+paarden en de andere dieren! En daar heb je de Amerikanen ook! Al die
+matrozen van de "Indian Girl".... (_men hoort Yankee-Doodle zingen
+begeleid door een klarinet en trommels_).
+
+HILMAR (_houdt zijn ooren dicht_). Oeh, oeh, oeh!
+
+ROeRLUND. Mij dunkt, wij moesten ons een beetje afzonderen, dames; dat is
+toch niet iets voor ons. Laat ons weer aan ons werk gaan.
+
+MEVR. BERNICK. Wij konden misschien de gordijnen dicht doen?
+
+ROeRLUND. Ja, dat is juist wat ik bedoelde (_de dames nemen hunne
+plaatsen aan de tafel weer in; Roerlund sluit de tuindeur en doet de
+gordijnen dicht; het is half-donker in de kamer_).
+
+OLAF (_die uitkijkt_). Ma, nu staat de vrouw van den directeur aan de
+fontein haar gezicht te wasschen.
+
+MEVR. BERNICK. Wat? Midden op de markt!
+
+MEVR. RUMMEL. En dat op klaarlichten dag!
+
+HILMAR. Nou, als ik op reis was door de woestijn en een waterput
+aantrof, zou ik mij ook niet lang bedenken om.... Au, die vreeselijke
+klarinet!
+
+ROeRLUND. 't Zou waarlijk wel noodig zijn dat de politie zich er eens mee
+bemoeide.
+
+BERNICK. Och wat; met vreemden moet men dat zoo nauw niet nemen; die
+menschen hebben immers niet het aangeboren gevoel van fatsoen, dat ons
+binnen de juiste perken houdt. Laat hen maar wat buitensporig doen. Wat
+gaat ons dat aan? Al dat ongeregelde gedoe dat in strijd is met fatsoen
+en goede zeden, raakt gelukkig onze maatschappij heelemaal niet, als ik
+'t zoo zeggen mag.... Wat is dat? (_de vreemde dame komt snel binnen
+door de deur rechts_).
+
+DE DAMES (_verschrikt maar zachtjes_). De paardrijdster! De vrouw van de
+directeur!
+
+MEVR. BERNICK. Hemel! wat moet dat beteekenen?
+
+MARTHA (_opspringend_). Ah...!
+
+DE DAME. Dag lieve Betty! Dag Martha! Dag zwager!
+
+MEVR. BERNICK (_met een kreet_). Lona...!
+
+BERNICK (_tuimelt achteruit_). Zoo waar ik leef!...
+
+MEVR. HOLT. God zij ons genadig...!
+
+MEVR. RUMMEL. 't Is toch niet mogelijk...!
+
+HILMAR. Nou! Oeh!
+
+MEVR. BERNICK. Lona! Ben je het heusch...?
+
+LONA. Of ik het ben? Ja, bij mijn ziel, ik ben het. Je kunt mij wat dat
+betreft gerust om den hals vallen.
+
+HILMAR. Oeh! Oeh!
+
+MEVR. BERNICK. En kom je nu hier als...?
+
+BERNICK. ... en je wilt hier optreden?
+
+LONA. Optreden? Hoezoo optreden?
+
+BERNICK. Ja ... ik bedoel ... met de kunstrijders....
+
+LONA (_hardop lachend_). Hahaha! Ben je niet wijs, zwager? Denk je dat
+ik bij de kunstrijders hoor? Neen; ik heb wel allerlei kunsten
+uitgehaald en mij dikwijls gek aangesteld....
+
+MEVR. RUMMEL. Hm....
+
+LONA. ... maar kunststukken op een paard heb ik nooit vertoond.
+
+BERNICK. Dus toch niet....
+
+MEVR. BERNICK. O, goddank!
+
+LONA. Neen, wij reisden heusch net als andere fatsoenlijke menschen ...
+wel tweede klasse, maar dat zijn wij gewend.
+
+MEVR. BERNICK. _Wij_, zeg je?
+
+BERNICK (_een stap naderbij_). Wie "wij"?
+
+LONA. Ik en mijn kind, natuurlijk.
+
+DE DAMES (_verschrikt_). Haar kind!
+
+HILMAR. Wat!
+
+ROeRLUND. Nu, ik moet zeggen...!
+
+MEVR. BERNICK. Wat bedoel je toch, Lona?
+
+LONA. Ik bedoel natuurlijk John; ik heb geen ander kind dan John, zoover
+ik weet,... of Johan, zooals jullie hem noemden....
+
+MEVR. BERNICK. Johan...!
+
+MEVR. RUMMEL (_zachtjes tegen mevr. Lynge_). De beruchte broer!
+
+BERNICK (_weifelend_). Is Johan bij je?
+
+LONA. Zeker, zeker; ik reis nooit zonder hem. Maar jullie ziet er zoo
+bedrukt uit. En je zit hier in 't halfdonker en naait aan iets wits....
+Er is toch geen sterfgeval in de familie?
+
+ROeRLUND. Mejuffrouw, u bevindt zich hier in de "Vereeniging voor moreel
+Verdorvenen"....
+
+LONA (_halfluid_). Wat zegt u? Deze nette deftige dames zouden...?
+
+MEVR. RUMMEL. Neen ... daar is nu toch het eind van weg....
+
+LONA. Och zoo, ja! Begrepen ... begrepen! Maar wat drommel, dat is
+mevrouw Rummel! En daar ginds zit mevrouw Holt ook! Nou, we zijn er alle
+drie niet jonger op geworden sedert wij elkaar het laatst gezien hebben.
+Maar luistert nu eens, lieve menschen, laat nu de moreel-verdorvenen een
+dagje wachten; daar worden zij niet slechter van. Een oogenblik van
+vreugde als dit....
+
+ROeRLUND. Een terugkeer is niet altijd een oogenblik van vreugde.
+
+LONA. Zoo? Wat leest u dan in uw Bijbel, dominee?
+
+ROeRLUND. Ik ben geen dominee.
+
+LONA. Nou, dan wordt u 't toch zeker wel eens.... Maar foei, foei,...
+dat moreele linnengoed heeft zoo'n lucht van bederf ... precies een
+lijkwa. Ik ben gewend aan de lucht van de prairieen zal ik je maar
+zeggen.
+
+BERNICK (_veegt zijn voorhoofd af_). Ja, 't is hier waarlijk een beetje
+bedompt.
+
+LONA. Wacht maar; we zullen wel uit dien grafkelder naar boven zien te
+komen. (_Trekt de gordijnen open_). Het volle daglicht moet hier
+invallen als de jongen komt. Dan zal je eens een jongen zien die zich
+gewasschen heeft.
+
+HILMAR. Oeh!
+
+LONA (_zet deur en ramen open_) ... ja, dat is te zeggen, wanneer hij
+zich gewasschen zal hebben in het hotel. Want op de boot werd hij zoo
+smerig als een varken.
+
+HILMAR. Oeh! Oeh!
+
+LONA. Oeh? Ja, waarachtig, is dat niet...? (_wijst op Hilmar en vraagt
+aan de anderen_). Boemelt hij nog altijd hier rond zonder iets anders te
+doen dan oeh! te zeggen?
+
+HILMAR. Ik boemel niet rond; ik moet beweging nemen omdat ik lijdend
+ben.
+
+ROeRLUND. Nu dames, ik geloof niet....
+
+LONA (_die Olaf in het oog gekregen heeft_). Is dat jouw jongen,
+Betty?... Geef mij een poot, vent! Of ben je misschien bang voor je oude
+leelijke tante?
+
+ROeRLUND (_zijn boek onder den arm nemend_). Dames, ik geloof niet, dat
+er meer stemming is voor ons, om verder te arbeiden van daag. Maar
+morgen zullen wij immers weer samenkomen?
+
+LONA (_terwijl de vreemde dames opstaan om afscheid te nemen_). Wel ja,
+laat ons dat doen. Ik zal present zijn.
+
+ROeRLUND. _U_? Met verlof, juffrouw, wat wil _u_ in _onze_ vereeniging?
+
+LONA. Ik wil een beetje versche lucht binnen laten, dominee.
+
+
+EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF.
+
+
+[Illustratie: De Heer C. de Vos als consul Bernick in De steunpilaren
+der Maatschappij]
+
+
+ * * * * *
+
+
+TWEEDE BEDRIJF
+
+ Tuinkamer in Consul Bernick's huis.
+
+ Mevrouw Bernick zit alleen aan de groote tafel met haar naaiwerk.
+ Even later komt de heer Bernick van rechts met zijn hoed op het
+ hoofd; handschoenen en stok in de hand.
+
+ * * * * *
+
+MEVR. BERNICK. Zoo, ben je al terug, Karsten?
+
+BERNICK. Ja, ik heb iemand ontboden.
+
+MEVR. BERNICK (_zuchtend_). Och ja, Johan zal zeker wel weer hier komen.
+
+BERNICK. 't Is een man, zeg ik. (_zet zijn hoed af_). Waar blijven al de
+dames van daag?
+
+MEVR. BERNICK. Mevrouw Rummel en Hilda hadden geen tijd.
+
+BERNICK. Zoo? Afgezegd?
+
+MEVR. BERNICK. Ja, ze hadden thuis zooveel te doen.
+
+BERNICK. Begrepen. En de anderen komen natuurlijk ook niet?
+
+MEVR. BERNICK. Neen, die hebben ook verhindering van daag.
+
+BERNICK. Dat had ik je wel vooruit kunnen vertellen. Waar is Olaf?
+
+MEVR. BERNICK. Ik heb hem een beetje met Dina laten uitgaan.
+
+BERNICK. Hm; Dina, dat lichtzinnige schepsel.... Om het gisteren
+dadelijk zoo druk aan te leggen met Johan...!
+
+MEVR. BERNICK. Maar, man-lief, Dina weet immers heelemaal niet....
+
+BERNICK. Nou, maar dan moest Johan in elk geval takt genoeg gehad hebben
+om geen bizondere notitie van haar te nemen. Ik zag heel goed wat voor
+oogen Vigeland opzette.
+
+MEVR. BERNICK (_met haar naaiwerk op haar schoot_). Karsten, begrijp jij
+wat ze hier eigenlijk komen doen?
+
+BERNICK. Hm; hij heeft immers daarginder een "farm", waar het nog niet
+zoo heel goed mee gaat; en _zij_ vertelde gisteren dat zij tweede klasse
+reizen moeten....
+
+MEVR. BERNICK. Ja, helaas, zoo iets moet het wel zijn. Maar dat _zij_
+meegekomen is! Zij! Na de doodelijke beleediging die zij je heeft
+aangedaan....
+
+BERNICK. Och, denk toch niet meer aan die oude geschiedenissen.
+
+MEVR. BERNICK. Hoe kan ik tegenwoordig aan iets anders denken? Hij is
+toch mijn broer;... och, het is niet om hem, maar al de onaangenaamheden
+die jij daardoor ondervinden kunt.... Karsten, ik ben zoo doodelijk bang
+dat....
+
+BERNICK. Waarvoor ben je bang?
+
+MEVR. BERNICK. Kunnen zij hem niet in de gevangenis zetten, voor het
+geld dat je moeder ontstolen werd?
+
+BERNICK. Och wat, malligheid! Wie kan bewijzen dat er geld ontvreemd
+werd?
+
+MEVR. BERNICK. Och God, dat weet immers de heele stad; en je hebt het
+zelf gezegd....
+
+BERNICK. Ik heb niets gezegd. De stad weet niets van die zaken af; dat
+waren allemaal maar losse praatjes.
+
+MEVR. BERNICK. O wat sta jij toch hoog, Karsten!
+
+BERNICK. Laat die oude herinneringen toch rusten, zeg ik je! Je weet
+niet hoe je me pijnigt met dat alles weer op te halen (_hij loopt op en
+neer in de kamer ... dan gooit hij zijn stok weg_). Dat ze juist nu
+moesten terugkomen ... nu ik juist in de stad en in de couranten een
+onvermengd zuivere stemming jegens mij noodig heb. Er zullen in de
+bladen van de omliggende plaatsen berichten over geschreven worden. Of
+ik hen goed of slecht opgenomen heb ... over het een zal net zooveel
+gekletst en geleuterd worden als over het ander. Ze zullen dien ouden
+boel weer oprakelen,... net als jij doet. In een wereldje als het onze
+... (_gooit zijn handschoenen op de tafel_). En geen enkel mensch heb ik
+met wien ik praten kan of bij wien ik steun vinden kan.
+
+MEVR. BERNICK. Heelemaal niemand, Karsten?
+
+BERNICK. Neen ... ik zou niet weten wie. Dat ze mij nu juist op mijn dak
+gestuurd zijn! Het is buiten kwestie dat ze niet op de een of andere
+manier schandaal zullen maken ... vooral zij! 't Is me toch een ongeluk
+zulke menschen in je familie te hebben!
+
+MEVR. BERNICK. Ik kan het toch niet helpen dat....
+
+BERNICK. Wat kan je niet helpen? Dat ze familie van je zijn? Neen, dat
+is een heel waar woord.
+
+MEVR. BERNICK. En ik heb hen ook niet verzocht om terug te komen.
+
+BERNICK. Jawel! Daar hebben wij het! ik heb hen niet verzocht om terug
+te komen; ik heb hun niet geschreven; ik heb hen niet bij de haren
+hierheen gehaald...! O, dat heele liedje ken ik al van buiten!
+
+MEVR. BERNICK (_barst in tranen uit_). Wat ben je vreeselijk
+onaardig!...
+
+BERNICK. Juist, zoo is 't goed; ga nou maar grienen, dat de heele stad
+ook daarover kletsen kan. Schei uit met die aanstellerij, Betty! Ga
+buiten zitten; hier kan licht iemand komen. Moeten ze soms mevrouw met
+rood-behuilde oogen zien zitten? Jawel, dat zou iets heerlijks zijn als
+het onder de menschen kwam dat.... Wacht, daar hoor ik iemand in de gang
+(_er wordt geklopt_). Binnen! (_Mevrouw gaat de tuintrap af met haar
+naaiwerk. Aune komt van rechts binnen_).
+
+AUNE. Goeden dag, meneer Bernick.
+
+BERNICK. Goeden dag. Wel, je kunt zeker wel nagaan wat ik je te zeggen
+heb, he?
+
+AUNE. Meneer Krap zei mij gisteren dat meneer de consul niet tevreden
+was over....
+
+BERNICK. Ik ben ontevreden over den heelen toestand op de werf, Aune. Je
+schiet niets op met de reparaties. "De Palmboom" had al lang onder zeil
+moeten zijn. Mijnheer Vigeland komt hier iederen dag er over zaniken;
+hij is een lastige man om mee samen te werken.
+
+AUNE. "De Palmboom" kan overmorgen in zee gaan.
+
+BERNICK. Zoo, eindelijk. Maar die Amerikaan, de "Indian Girl," die hier
+nu al vijf weken ligt en....
+
+AUNE. De Amerikaan? Ik had begrepen dat wij in de eerste plaats al onze
+krachten zouden wijden aan uw eigen schip.
+
+BERNICK. Ik heb je toch geen aanleiding gegeven om dat te denken. Met
+den Amerikaan moet ook zooveel mogelijk voortgemaakt worden, maar dat
+gebeurt niet.
+
+AUNE. De bodem van die schuit is door en door verrot, meneer; hoe meer
+wij er aan lappen, hoe erger het wordt.
+
+BERNICK. Dat is niet de ware reden. Mijnheer Krap heeft mij gezegd wat
+de eigenlijke reden is. Je kunt niet overweg met de nieuwe machines die
+ik heb aangeschaft,... of liever, je _wilt_ er niet mee werken.
+
+AUNE. Meneer Bernick, ik ben nu al diep in de vijftig; van jongsaf ben
+ik gewoon geweest op de oude manier te werken....
+
+BERNICK. Daar kunnen wij het tegenwoordig niet meer mee doen. Je moet
+niet denken, Aune, dat het mij te doen is om het grootere voordeel; dat
+heb ik gelukkig niet noodig; maar ik moet rekening houden met de
+maatschappij waarin ik leef, en met de zaak waarvan ik aan het hoofd
+sta. 't Is van mij dat de vooruitgang moet uitgaan, anders komt er nooit
+iets tot stand.
+
+AUNE. Ik ben ook zeer voor vooruitgang, meneer.
+
+BERNICK. Ja, voor je eigen kleinen kring, voor den werkmansstand. O, ik
+ben wel op de hoogte van je drijven; je houdt toespraken; je stookt de
+menschen op; maar als het er op aan komt iets nieuws aan te pakken,
+zooals nu met onze machines, dan wil je er niet aan meedoen, dan wordt
+je bang.
+
+AUNE. Ja, ik word net bang, meneer Bernick. Ik word bang voor velen wie
+de machines het brood uit den mond nemen. Meneer de consul spreekt zoo
+dikwijls van rekening houden met de maatschappij, maar ik geloof dat de
+maatschappij toch ook wel haar plichten heeft. Hoe durven de wetenschap
+en het kapitaal het wagen die nieuwe uitvindingen in te voeren, voor de
+maatschappij een geslacht heeft opgekweekt dat ze weet te gebruiken?
+
+BERNICK. Je leest en denkt te veel, Aune; dat doet je geen goed;
+daardoor wordt je ontevreden met je stand.
+
+AUNE. Neen meneer, dat is het niet; maar ik kan het niet aanzien dat de
+eene brave werkman na den andere wordt weggezonden en broodeloos gemaakt
+om die machines.
+
+BERNICK. Hm; toen de boekdrukkunst werd uitgevonden, werden er ook heel
+wat schrijvers broodeloos gemaakt.
+
+AUNE. Zou meneer zich over die kunst zoo verheugd hebben, als hij toen
+een schrijver was geweest?
+
+BERNICK. Ik heb je niet laten komen om met je te redetwisten. Ik heb je
+laten roepen om je te zeggen dat de in reparatie liggende "Indian Girl"
+klaar moet zijn om overmorgen uit te zeilen.
+
+AUNE. Maar, meneer....
+
+BERNICK. Overmorgen, hoor je, gelijk met ons eigen schip; geen uur
+later. Ik heb goede redenen om daar achter heen te zitten. Heb je van
+ochtend de courant gelezen? Zoo; dan weet je ook dat de Amerikanen weer
+opstootjes gemaakt hebben. Die bandelooze troep zet de heele stad
+overeind; er gaat geen nacht om dat er niet gevochten wordt in de
+herbergen en op straat; van andere gemeene dingen spreek ik nu maar
+niet.
+
+AUNE. Ja, het is gemeen volk, dat is zeker.
+
+BERNICK. En wie krijgt de schuld van dat alles? Ik natuurlijk. Ja, op
+mij wordt er over gescholden. De krantenschrijvers schimpen er in
+bedekte termen op, dat wij al onze werkkracht aan "de Palmboom"
+besteden. Ik, op wie de taak rust, door mijn voorbeeld invloed uit te
+oefenen op mijn medeburgers, ik moet mij zulke dingen onder den neus
+laten wrijven. Dat duld ik niet. Ik ben er niet van gediend dat mijn
+naam op die manier beklad wordt.
+
+AUNE. O, meneer's naam is zoo best ... die kan daar wel tegen ... en nog
+wel tegen veel meer!
+
+BERNICK. Nu niet. Juist tegenwoordig heb ik alle achting en
+welwillendheid, die mijn medeburgers mij schenken willen, zeer noodig.
+Ik heb, zooals je misschien al gehoord hebt, plannen voor een groote
+onderneming; maar gelukt het slecht-gezinde menschen het onbepaalde
+vertrouwen in mij aan het wankelen te brengen, dan kunnen daaruit voor
+mij de grootste moeilijkheden voortkomen. Daarom wil ik, het koste wat
+het wil, de kwaadaardige en lasterende krantenschrijvers geen vat op mij
+geven, en daarom heb ik de termijn op overmorgen bepaald.
+
+AUNE. Meneer de consul, u zou evengoed de termijn op van middag kunnen
+bepalen.
+
+BERNICK. Je bedoelt dat ik iets onmogelijks verlang?
+
+AUNE. Ja, met het aantal werklui, waarover wij nu kunnen beschikken....
+
+BERNICK. Goed ... best;... dan zullen wij ons van elders voorzien.
+
+AUNE. Wil u waarlijk nog meer van onze oude werklui ontslaan?
+
+BERNICK. Neen, daar denk ik niet over.
+
+AUNE. Want ik geloof zeker dat het kwaad bloed zetten zou, zoowel in de
+stad als in de kranten, als u dat deed.
+
+BERNICK. Dat 's niet onmogelijk. Daarom zullen wij het dan ook niet
+doen. Maar, als de "Indian Girl" overmorgen niet zeilklaar is, dan
+ontsla ik jou.
+
+AUNE (_met een schok_). Mij! (_hij lacht_). Dat zeit meneer toch zeker
+maar voor de grap.
+
+BERNICK. Daar zou ik maar niet te veel op vertrouwen, als ik jou was.
+
+AUNE. Zou u er waarlijk over denken om _mij_ weg te zenden? Mij, terwijl
+mijn vader en mijn grootvader hun leven lang op de werf gediend hebben,
+en ik zelf ook....
+
+BERNICK. En wie is het, die er mij toe noodzaakt?
+
+AUNE. U verlangt het onmogelijke, meneer.
+
+BERNICK. O, met wat goeden wil is niets onmogelijk. Ja of neen; geef mij
+een bepaald antwoord, of ik ontsla je op slag.
+
+AUNE (_een stap nader_). Meneer de consul, heeft u goed bedacht wat het
+beteekent, een oud werkman te ontslaan? U denkt, dan moet hij maar wat
+anders zoeken. O ja, dat kan hij ook wel; maar is het daarmee afgedaan?
+U moest er eens bij zijn, in het huis van zoo'n weggestuurden werkman,
+als hij 's avonds thuiskomt en zijn gereedschapskist binnen zijn deur
+zet.
+
+BERNICK. Denk je dat ik zoo maar luchthartig-weg laat gaan? Ben ik niet
+altijd een goede patroon geweest?
+
+AUNE. Des te erger, meneer. Juist daarom zullen ze thuis niet _u_ de
+schuld geven; zij zullen er mij niet over aanspreken, want dat durven
+zij niet; maar ze zullen naar me kijken als ik het niet merk, en denken:
+dat zal zeker wel verdiend zijn. En ziet u, dat,--dat kan ik niet
+verdragen. Al ben ik maar een burgerman, toch ben ik altijd gewend
+geweest thuis nommer een te zijn. Mijn eenvoudig thuis is ook een
+maatschappij in het klein, meneer. Die kleine maatschappij heb ik kunnen
+steunen en er boven op houden, omdat mijn vrouw in mij geloofde en mijn
+kinderen in mij geloofd hebben. En nu moet dat alles in duigen vallen.
+
+BERNICK. Ja, als het niet anders kan, dan moet het mindere voor het
+meerdere wijken; het bizondere moet in Gods naam voor het algemeene
+opgeofferd worden. Anders weet ik je niet te antwoorden, en het gaat ook
+niet anders toe in de wereld. Maar je bent een koppige kerel, Aune! Je
+verzet je tegen mij, niet omdat je niet anders kunt, maar omdat je niet
+wilt erkennen, dat machinewerk boven handenarbeid staat.
+
+AUNE. En u houdt er juist zoo aan vast, omdat u weet, dat u de pers
+althans uw goeden wil toont, als u mij weg jaagt.
+
+BERNICK. En al was dat zoo? Je hoort immers wat er voor mij aan vast is
+... of de pers mij aanvalt of welwillend voor mij gestemd wordt op een
+oogenblik dat ik voor een groote zaak van algemeen belang werkzaam ben.
+Zeg zelf: kan ik dan anders handelen dan ik doe? Ik kan je zeggen, het
+is een kwestie van of jouw thuis staande te houden, zooals je het noemt,
+of misschien honderden te beletten zich een eigen thuis te maken, een
+eigen haard te bezitten, indien het mij niet gelukt dat door te zetten,
+waar ik nu voor werk. Daarom is het dat ik je voor de keus stel.
+
+AUNE. Ja ... als de zaken zoo staan, dan heb ik niets meer te zeggen.
+
+BERNICK. Hm;... mijn waarde Aune, het doet mij oprecht leed dat wij nu
+van elkaar moeten gaan.
+
+AUNE. Wij zullen niet van elkaar gaan, meneer.
+
+BERNICK. Hoezoo?
+
+AUNE. Een eenvoudig man heeft ook iets hoog te houden in de wereld.
+
+BERNICK. Zeker,... zeker...; en je denkt dus te kunnen beloven...?
+
+AUNE. De "Indian Girl" kan overmorgen uitgaan.
+
+(_Hij groet en gaat af naar rechts_).
+
+BERNICK. Ziezoo! Dien stijfkop heb ik dan toch doen buigen. Dat neem ik
+als een goed voorteeken aan....
+
+(_Hilmar, met een sigaar in den mond, komt door de tuindeur op_).
+
+HILMAR (_op de trap_). Dag Betty! Dag Bernick!
+
+MEVR. BERNICK. Goeden dag.
+
+HILMAR. Zoo, jij hebt gehuild, zie ik. Je weet 't dus zeker al?
+
+MEVR. BERNICK. Wat weet ik al?
+
+HILMAR. Dat het schandaal in vollen gang is? Oeh!
+
+BERNICK. Wat beteekent dat?
+
+HILMAR (_binnenkomend_). Jawel, de twee Amerikanen loopen de stad rond
+en vertoonen zich in de straten in gezelschap van Dina Dorf.
+
+MEVR. BERNICK (_loopt hem na_). Maar Hilmar, dat kan toch niet waar
+zijn...?
+
+HILMAR. Jawel, het is helaas volkomen waar. Lona was daarbij nog zoo
+taktloos om mij aan te roepen; maar ik deed natuurlijk alsof ik het niet
+hoorde.
+
+BERNICK. En dat is zeker niet onopgemerkt gebeurd?
+
+HILMAR. Neen, dat kan je begrijpen. De menschen stonden stil om hen na
+te kijken. 't Leek wel als een loopend vuurtje door de stad te zijn
+gegaan ... ongeveer zooals een brand in de prairieen in het verre
+Westen. In alle huizen stonden de menschen te wachten voor de ramen tot
+de optocht voorbij zou komen; hoofd aan hoofd achter de gordijnen ...
+oeh! Ja, je moet me niet kwalijk nemen, Betty, dat ik oeh! zeg, want dat
+alles maakt me zenuwachtig;... als dat nog lang duren moet, dan zal ik
+genoodzaakt zijn plannen te maken om een tijdlang op reis te gaan.
+
+MEVR. BERNICK. Maar je hadt hem toch liever eens moeten toespreken en
+hem onder het oog brengen....
+
+HILMAR. In 't publiek? Op straat? Neen ... dat moet je me niet kwalijk
+nemen. Maar dat die man zich hier nog in de stad durft vertoonen! Nou,
+we zullen eens zien of de pers er niet een stokje voor steken kan. Ja,
+neem me niet kwalijk, Betty, maar....
+
+BERNICK. De pers, zeg je? Heb je dan al iets van dien aard gehoord?
+
+HILMAR. Jawel, er hangt wel zoo iets in de lucht. Toen ik gisteren avond
+van je weg ging, liep ik nog even binnen in de societeit, om beter te
+kunnen slapen. Ik merkte best aan de stilte die ontstond, dat er over de
+twee Amerikanen gesproken was. Daar komt die onbeschaamde kerel, Hammer,
+de redacteur, binnen en feliciteert mij hardop met de terugkomst van
+mijn rijken neef.
+
+BERNICK. Rijken...?
+
+HILMAR. Ja, dat zei hij. Ik keek hem eens goed van onderen naar boven
+aan en gaf hem te verstaan dat ik niets wist van Johan Toennesen's
+rijkdom. "Zoo," zei hij, "dat is toch vreemd; in Amerika maken de
+menschen toch gewoonlijk fortuin als zij iets hebben om mee te beginnen,
+en uw neef ging immers niet met lege handen weg."
+
+BERNICK. Hm; doe mij nu een plezier....
+
+MEVR. BERNICK (_bezorgd_). Nu, zie je toch eens Karsten....
+
+HILMAR. Ja, mij heeft hij alvast een slapeloozen nacht bezorgd. En dan
+loopt hij daar door de straten met een gezicht alsof er nooit iets met
+hem gebeurd was. Waarom bleef hij nu maar niet voor goed weg? Sommige
+menschen zijn toch ook zoo onuitstaanbaar taai!
+
+MEVR. BERNICK. Maar Hilmar, wat zeg je daar nu!
+
+HILMAR. O, niemendal. Maar zoo'n kerel ontkomt daar heelhuids aan
+treinongelukken, Californische beren en Zwart-Voet Indianen, ja is zelfs
+niet eens gescalpeerd.... Oeh! daar heb je ze!
+
+BERNICK (_kijkt de straat op_). Olaf is er ook bij!
+
+HILMAR. Ja natuurlijk; ze willen de menschen laten zien dat ze tot de
+eerste familie van de stad behooren. Kijk, kijk, daar komen al de
+dagdieven uit de apotheek om ze aan te gapen en het hunne er van te
+zeggen. Dat is heusch te veel voor mijn zenuwen; hoe een man onder zulke
+omstandigheden de vaan der idee hoog houden moet, dat....
+
+BERNICK. Zij komen hier naar toe. Hoor eens Betty, het is mijn
+uitdrukkelijk verlangen dat je ze zoo vriendelijk mogelijk bejegent.
+
+MEVR. BERNICK. Mag ik dat doen, Karsten?
+
+BERNICK. Ja zeker; zeker; en jij ook, Hilmar. Zij zullen hier, hoop ik,
+niet zoo heel lang blijven; en als wij onder elkaar zijn geen
+toespelingen alsjeblieft; wij mogen hen op geen manier kwetsen.
+
+MEVR. BERNICK. O Karsten, wat ben jij toch grootmoedig.
+
+BERNICK. Nu ja ... nu ja ... 't is goed.
+
+MEVR. BERNICK. Neen, laat mij je danken; en vergeef mij dat ik daar
+straks zoo driftig was. O, je hadt immers alle reden om....
+
+BERNICK. 't Is goed; 't is goed ... laat dat nu maar rusten!
+
+HILMAR. Oeh!
+
+(_Johan Toennesen en Dina, daar achter Lona Hessel en Olaf, komen den
+tuin door_).
+
+LONA. Goeden dag, goeden dag, lieve menschen!
+
+JOHAN. Wij zijn er op uit geweest en hebben al de oude plekjes eens
+opgezocht, Karsten.
+
+BERNICK. Ja, dat hoor ik. Heel wat veranderingen, niet waar?
+
+LONA. Consul Bernick's groote en goede daden overal. Wij zijn boven in
+het plantsoen geweest dat jij de stad cadeau gedaan hebt.
+
+BERNICK. Zoo? Daar?
+
+LONA. "Geschenk van Karsten Bernick," zooals er boven den ingang staat.
+Ja, jij bent hier wel de Groote Piet.
+
+JOHAN. En prachtige schepen heb je ook. Ik ontmoette den kapitein van
+"de Palmboom", een ouden schoolkameraad van me....
+
+LONA. En een nieuw schoolgebouw heb je ook laten zetten; en de
+gasleiding en ook de waterleiding hebben ze aan jou te danken, hoor ik.
+
+BERNICK. Nu, men moet toch wat doen voor de maatschappij waarin men
+leeft.
+
+LONA. Ja, dat is flink, Bernick. Maar het is ook verblijdend om te zien
+hoe trotsch de menschen op je zijn. Ik ben niet ijdel, geloof ik; maar
+ik kon toch niet nalaten om sommige menschen met wie wij praatten, te
+laten hooren dat wij familie waren.
+
+HILMAR. Oeh!
+
+LONA. Zeg jij daar oeh! voor?
+
+HILMAR. Neen, ik zeg hm....
+
+LONA. Nou, ga jij je gang maar, sukkel! Maar ben jullie van daag zoo
+heel alleen?
+
+MEVR. BERNICK. Ja, van daag zijn wij alleen.
+
+LONA. O, we ontmoetten zoowaar een paar van die "moreelen" op de markt;
+zij deden of zij het ijselijk druk hadden. Maar we hebben nog heelemaal
+niet eens samen kunnen praten. Gisteren waren eerst die drie
+spoorwegmannen hier, en toen kwam die dominee....
+
+HILMAR. Hulpprediker....
+
+LONA. _Ik_ noem hem dominee. Maar wat zeg jullie nu wel van _mijn_ werk
+in deze vijftien jaar? Is hij niet een flinke kerel geworden? Wie zou
+den wildzang nog herkennen die van hier wegliep?
+
+HILMAR. Hm...!
+
+JOHAN. Zeg, Lona, bluf nou maar niet te veel.
+
+LONA. Ja, ik ben daar nu echt trotsch op. Lieve Hemel, dat is het eenige
+wat ik uitgevoerd heb in de wereld; maar dat geeft mij toch wel een
+beetje recht van bestaan. Ja, Johan, zeg, als wij daaraan terug denken
+hoe wij tweeen daarginder begonnen met onze vier leege klavieren....
+
+HILMAR. Handen.
+
+LONA. Ik zeg klavieren, want smerig waren ze.
+
+HILMAR. Oeh!
+
+LONA. En leeg waren ze ook.
+
+HILMAR. Leeg? Nou ik moet zeggen...!
+
+LONA. Wat moet je zeggen?
+
+BERNICK. Hm!
+
+HILMAR. Ik moet zeggen ... oeh! (_gaat de tuintrap af_).
+
+LONA. Wat mankeert die vent?
+
+BERNICK. Och, stoor je maar niet aan hem; hij is een beetje zenuwachtig
+tegenwoordig. Maar wil je den tuin niet eens zien? Daar ben je nog niet
+geweest, en ik heb nu nog een uurtje vrij.
+
+LONA. Ja, heel graag; je kunt denken dat ik genoeg met mijn gedachten
+hier in den tuin bij jullie ben geweest.
+
+MEVR. BERNICK. Daar is ook veel veranderd, dat zal je zien.
+
+(_Bernick, Mevr. Bernick en Lona gaan den tuin in, waar men hen af en
+toe ziet gedurende het volgende_).
+
+OLAF (_in den tuindeur_). Oom Hilmar, weet u wat oom Johan mij vroeg?
+Hij vroeg of ik met hem mee wou gaan naar Amerika.
+
+HILMAR. Jij, zoo'n lummel die hier aan je moeders rokken hangt....
+
+OLAF. Maar dat wil ik nu ook niet langer. U zal eens zien als ik groot
+ben....
+
+HILMAR. Nonsens; jij hebt geen aanleg in je voor dat stalende dat er
+gelegen is in.... (_zij gaan den tuin in_).
+
+JOHAN (_tegen Dina die haar hoed heeft afgezet en in de deur rechts
+staat, terwijl zij het stof van haar japon schudt_). U heeft het knapjes
+warm gekregen van de wandeling.
+
+DINA. Ja; het was een heerlijke wandeling. Zoo'n heerlijke wandeling heb
+ik nog nooit gemaakt.
+
+JOHAN. U wandelt misschien niet dikwijls zoo in den voormiddag?
+
+DINA. Jawel, maar enkel met Olaf.
+
+JOHAN. Zoo.... U heeft misschien ook lust om in den tuin te gaan, of
+blijft u liever hier?
+
+DINA. Neen, ik heb veel meer lust om hier te blijven.
+
+JOHAN. Ik ook. En dat is dus afgesproken, dat ik u iederen ochtend kom
+afhalen om te wandelen.
+
+DINA. Neen, mijnheer Toennesen, dat moet u niet doen.
+
+JOHAN. Waarom niet? U heeft het toch beloofd.
+
+DINA. Jawel; maar nu ik er over nadenk ... neen, u moet niet met mij
+uitgaan.
+
+JOHAN. Maar waarom dan toch niet?
+
+DINA. U is hier vreemd; u begrijpt dat niet; maar ik zal u zeggen....
+
+JOHAN. Wel?
+
+DINA. Och neen ... ik spreek er liever niet over.
+
+JOHAN. O, tegen mij kan u gerust over alles spreken wat u wil.
+
+DINA. Dan zal ik het u zeggen: ik ben niet zooals andere jonge meisjes;
+er is iets ... er is iets bizonders met mij. Daarom moet u het niet
+doen.
+
+JOHAN. Daar begrijp ik heelemaal niets van. U heeft toch niets misdaan?
+
+DINA. Neen, ik niet, maar ... ik kan er niets meer van zeggen. U komt
+het wel te weten door de anderen.
+
+JOHAN. Hm.
+
+DINA. Maar er was nog iets anders dat ik u graag vragen zou.
+
+JOHAN. En wat is dat dan?
+
+DINA. In Amerika is het immers zoo gemakkelijk om een betrekking te
+krijgen?
+
+JOHAN. Nou, zoo heel gemakkelijk is het nu altijd niet; in het begin
+moet je dikwijls heel wat uitstaan en hard werken.
+
+DINA. Daar zou ik ook niet tegen opzien....
+
+JOHAN. U?
+
+DINA. Ik kan wel werken; ik ben gezond en sterk, en tante Martha heeft
+mij van alles geleerd.
+
+JOHAN. Maar, wat drommel, ga dan met ons mee!
+
+DINA. Och, nu maakt u maar gekheid; dat heeft u tegen Olaf ook gezegd.
+Maar wat ik eigenlijk wilde weten is, of de menschen daarginder erg ...
+erg braaf zijn?
+
+JOHAN. Braaf?
+
+DINA. Ja, ik bedoel of ze ook zoo fatsoenlijk en in den vorm zijn, als
+hier?
+
+JOHAN. Nou, ze zijn in elk geval niet zoo slecht als ze hier denken.
+Daar hoeft u niet bang voor te zijn.
+
+DINA. U begrijpt mij niet. Ik zou juist willen dat ze niet zoo
+fatsoenlijk en braaf waren.
+
+JOHAN. Niet? En hoe moeten ze dan zijn?
+
+DINA. Ik zou willen dat ze natuurlijk waren.
+
+JOHAN. Jawel, jawel, dat zijn ze misschien juist wel.
+
+DINA. Dan zou het goed voor mij zijn om er heen te gaan.
+
+JOHAN. Welzeker, en daarom moet u met ons meegaan.
+
+DINA. Neen, met u ga ik niet mee; ik moet alleen gaan. O, ik zou het nog
+wel tot iets kunnen brengen; ik zou wel flink worden....
+
+BERNICK (_beneden aan de tuintrap bij de beide dames_). Blijf maar,
+blijf; ik zal het wel halen, Betty-lief. Je zoudt licht kou kunnen
+vatten. (_Hij komt de kamer binnen en zoekt naar een chale_).
+
+MEVR. BERNICK (_in den tuin_). Jij moet ook meegaan, Johan. Wij gaan
+naar de grot.
+
+BERNICK. Neen, Johan moet nu eens hier blijven! Hier, Dina, neem jij de
+chale mee van mijn vrouw en ga met haar meer. Johan blijft bij mij,
+Betty-lief. Ik moet nog eens het een-en-ander hooren over de toestanden
+daarginder.
+
+MEVR. BERNICK. Goed! Maar kom gauw weer bij ons; je weet waar wij te
+vinden zijn. (_Mevr. Bernick, Lona en Dina gaan door den tuin links
+af_).
+
+BERNICK (_kijkt hen een oogenblik na, gaat dan de verste deur links
+sluiten; dan gaat hij naar Johan toe, grijpt zijn beide handen die hij
+schudt en drukt_). Johan, nu zijn wij alleen: laat mij je nu eens
+danken.
+
+JOHAN. Ach wat!
+
+BERNICK. Mijn huis en haard, mijn huiselijk geluk, mijn heele positie in
+de maatschappij ... heb ik aan jou te danken.
+
+JOHAN. Wel, dat doet mij plezier, beste Karsten, dan is er toch nog iets
+goeds uit die gekke geschiedenis voortgekomen.
+
+BERNICK (_schudt hem opnieuw de hand_). Toch dank, dank, en nogmaals
+dank! Niet een uit de tienduizend zou gedaan hebben wat jij toen voor
+mij deedt.
+
+JOHAN. 't Is ook wat! Waren we niet allebei jong en loszinnig? Een van
+ons beiden moest de schuld toch op zich nemen....
+
+BERNICK. Maar wie was daar nader aan toe dan de schuldige zelf?
+
+JOHAN. Stop! Toen was de onschuldige er nader aan toe. Ik was immers
+heelemaal vrij en ouderloos. En 't was een waar geluk om van die
+kantoor-slavernij af te komen. Maar jij hadt je oude moeder nog, en
+daarbij was je net stil geengageerd met Betty, die zoo veel van je
+hield. Wat zou ze begonnen hebben als ze te weten was gekomen...?
+
+BERNICK. Zeker ... zeker ... alles waar, maar....
+
+JOHAN. En was het niet juist om Betty dat je een eind ging maken aan dat
+scharrelpartijtje met madam Dorf? 't Was immers daarom dat je bij haar
+boven was dien avond....
+
+BERNICK. Ja, die onzalige avond, toen die dronken kerel thuiskwam...!
+Ja, Johan, dat was om Betty; maar toch ... dat je zoo grootmoedig den
+schijn tegen je zelf keerde en weg ging....
+
+JOHAN. Heb maar geen gewetensbezwaren, beste kerel. We waren het er
+immers over eens dat het zoo zijn zou; je _moest_ gered worden, en je
+was immers mijn vriend. Ja, op die vriendschap was ik wat trotsch! Ik
+liep hier rond als een gewoon huisbakken inlander; en toen kwam jij
+terug, elegant en voornaam, van je groote buitenlandsche reis. Je was in
+Parijs en in Londen geweest. En toen koos je mij tot intiemen vriend,
+hoewel ik vier jaar jonger was dan jij;... nou ja, dat was omdat jij
+Betty het hof maakte, dat begrijp ik nu wel. Maar wat was ik daar
+trotsch op! En wie zou dat niet geweest zijn? Wie zou zich niet graag
+voor je opgeofferd hebben; vooral omdat er toch niet meer aan vast was
+dan een maand lang wat kletspraatjes in de stad, en ik meteen de wijde
+wereld kon intrekken.
+
+BERNICK. Hm; mijn beste Johan, ik moet je eerlijk zeggen, dat die
+geschiedenis nog niet zoo heelemaal vergeten is.
+
+JOHAN. Zoo? Niet? Nou wat raakt mij dat, als ik weer daarginder op mijn
+farm zit....
+
+BERNICK. Dus je gaat weer terug?
+
+JOHAN. Ja, stellig.
+
+BERNICK. Maar toch niet zoo heel gauw, hoop ik?
+
+JOHAN. Zoo gauw mogelijk. Ik ben alleen maar meegekomen om Lona plezier
+te doen.
+
+BERNICK. Zoo? Om Lona?
+
+JOHAN. Ja, zie je, Lona is niet jong meer, en in den laatsten tijd begon
+het verlangen naar haar eigen land haar te kwellen; maar zij wou het
+nooit bekennen. (_Glimlachend_). Hoe zou zij zoo'n lichtzinnig wezen
+durven achterlaten, dat zich, toen hij negentien jaar oud was al had
+afgegeven met....
+
+BERNICK. En...?
+
+JOHAN. Ja, Karsten, nu moet ik je iets biechten, waarover ik me schaam.
+
+BERNICK. Je hebt haar toch niet verteld hoe de zaak in elkaar zit?
+
+JOHAN. Ja, dat heb ik wel. Het was verkeerd van mij maar ik kon niet
+anders. Je kunt je niet voorstellen wat Lona voor mij geweest is. Jij
+hebt haar nooit goed kunnen uitstaan, maar voor mij is ze als een moeder
+geweest. In de eerste jaren, toen wij het zoo spaansch hadden
+daarginder, wat heeft ze toen niet gewerkt. En toen ik langen tijd ziek
+lag en niets kon verdienen, en het ook niet kon verhinderen, toen is zij
+liederen gaan zingen in cafe's, voordrachten gaan houden, waar de
+menschen om lachten; en toen heeft ze een boek geschreven waar zij
+naderhand om gelachen en geschreid heeft,... allemaal om mij in leven te
+houden. Daarom kon ik het niet langer aanzien hoe zij van den winter
+verteerde van heimwee, zij, die gezwoegd en geslaafd had voor mij! Neen,
+dat kon ik niet, Karsten. En daarom zei ik: ga terug Lona, je hoeft voor
+mij niet bang te zijn; ik ben niet zoo lichtzinnig als je denkt. En zoo
+... zoo kwam zij het te weten.
+
+BERNICK. En hoe nam zij het op?
+
+JOHAN. Nou, ze vond, wat ook waar was, dat als ik wist niets misdaan te
+hebben, ik er ook niets tegen hebben kon de reis mee te maken. Maar wees
+gerust, Lona verklapt niets, en ik zal ook nu wel weer mijn mond houden.
+
+BERNICK. Ja ... ja ... daar vertrouw ik ook op.
+
+JOHAN. Daar heb je mijn hand er op. En nu zullen wij niet meer spreken
+over die oude geschiedenis; gelukkig is dat de eenige dolle streek,
+zoover ik weet, die een van ons heeft uitgehaald. Nu wil ik van de
+enkele dagen dat ik hier ben ten volle genieten. Je weet niet wat een
+heerlijke wandeling wij van morgen gemaakt hebben. Wie zou gedacht
+hebben dat die kleine dreumes, die hier rondliep en voor engeltje
+speelde op het tooneel...! Maar zeg toch eens,... hoe is het toen verder
+met haar ouders afgeloopen?
+
+BERNICK. Och, ik weet er niet meer van te vertellen dan ik je schreef
+kort nadat je weg was. Je hebt immers die twee brieven wel gekregen?
+
+JOHAN. Jawel; jawel; ik heb ze nog allebei. Die dronkenlap liep immers
+van haar weg?
+
+BERNICK. En is later in de jenever gestikt.
+
+JOHAN. Zij stierf immers ook kort daarop? Maar jij hebt zeker alles voor
+haar gedaan wat je in stilte doen kon?
+
+BERNICK. Zij was trotsch; zij heeft nooit iets verraden en ze wilde
+niets aannemen.
+
+JOHAN. 't Is in elke geval goed dat je Dina in huis genomen hebt.
+
+BERNICK. Ja, maar het is eigenlijk Martha geweest die dat heeft
+doorgedreven.
+
+JOHAN. Zoo was dat Martha's werk? Ja, Martha ... dat is waar ook ...
+waar zit die toch van daag?
+
+BERNICK. O, _die_,... als die niet aan 't les geven is op school, dan
+is ze bij haar zieken.
+
+JOHAN. Dus Martha heeft zich met haar bezig gehouden.
+
+BERNICK. Ja, Martha heeft altijd een zeker zwakje gehad voor alles wat
+opvoeding is. Daarom heeft zij ook een betrekking aan de volksschool
+aangenomen. Dat was een groote dwaasheid van haar.
+
+JOHAN. Ja, zij zag er gisteren erg vermoeid uit; ik vrees ook dat zij
+daarvoor niet sterk genoeg is.
+
+BERNICK. Och, wat haar gezondheid betreft zou het wel gaan. Maar het is
+onaangenaam voor _mij_; 't staat net of ik, haar broer, geen lust heb om
+haar te onderhouden.
+
+JOHAN. Te onderhouden? Ik dacht dat zij zelf geld genoeg had om....
+
+BERNICK. Geen cent. Je herinnert je nog wel wat voor een benauwde tijd
+het was voor moeder toen jij weg ging. Zij hield het toen met mijn hulp
+nog wel een tijdlang vol; maar dat kon op den duur toch zoo niet gaan.
+Daarom liet ik mij in de firma opnemen; maar zoo ging het toen ook
+alweer niet. Ik moest dus de heele zaak overnemen, en toen wij onze
+balans opmaakten, bleek het dat er van het aandeel van mijn moeder zoo
+goed als niets overbleef. Toen moeder kort daarna overleed, was er
+natuurlijk ook voor Martha niets.
+
+JOHAN. Die arme Martha!
+
+BERNICK. Arme? Waarom? Je denkt toch niet dat zij iets te kort komt?
+O neen, ik durf gerust zeggen dat ik een goede broer ben. Zij woont
+natuurlijk bij ons in en eet aan onze tafel; van hetgeen zij verdient
+kan zij ruim zich kleeden, en een vrouw alleen ... wat zal die met meer
+uitvoeren?
+
+JOHAN. Hm; in Amerika denken wij daar anders over.
+
+BERNICK. Ja, dat geloof ik wel; in zoo'n vrijgevochten maatschappij als
+de Amerikaansche. Maar hier, in ons kleine kringetje, waar Goddank de
+verdorvenheid tot op heden althans, nog niet is binnengedrongen, hier
+stellen de vrouwen zich er mee tevreden een gepaste, al is het dan ook
+een bescheiden plaats in te nemen. Het is bovendien Martha's eigen
+schuld; zij had waarachtig al lang bezorgd kunnen zijn, als zij maar
+gewild had.
+
+JOHAN. Je bedoelt dat zij had kunnen trouwen?
+
+BERNICK. Ja, zij had zelfs meer dan eens een heel goede partij kunnen
+doen; zij heeft verscheidene goede aanzoeken gehad. Merkwaardig genoeg;
+een onbemiddeld meisje, niet jong meer, en daarbij hoogst onbeduidend.
+
+JOHAN. Onbeduidend?
+
+BERNICK. Nou, ik maak er haar geen verwijt van. Ik verlang haar niet
+anders dan ze is. Je begrijpt, in een groot huis als het onze, is het
+altijd gemakkelijk zoo'n eenvoudig persoontje te hebben die je voor
+alles gebruiken kunt.
+
+JOHAN. Jawel, maar zij...?
+
+BERNICK. Zij? Hoe dat?... Nu ja, zij heeft natuurlijk ook wel wat om
+zich voor te interesseren. Zij heeft mij toch, en Betty en Olaf en mij.
+Een mensch moet niet altijd in de eerste plaats aan zich zelf denken, en
+allerminst een vrouw. Wij hebben toch allemaal een kleinere of grootere
+maatschappij om te steunen en voor te werken. Zoo doe _ik_ althans
+(_wijst naar Krap, die van rechts komt_). Daar heb je net het bewijs
+voor mijn stelling. Denk je dat het mijn eigen zaken zijn die mij in
+beslag nemen? Volstrekt niet. (_Snel tegen Krap_). Wel?
+
+KRAP (_zacht, laat een pak papieren zien_). Alle koopcontracten in orde.
+
+BERNICK. Prachtig! Uitmuntend!... Ja, beste jongen, nu moet je mij
+heusch voor een poosje excuseeren. (_Gedempt en met een handdruk_).
+Dank, dank, Johan; en wees er van overtuigd, dat ik alles, waarmee ik je
+van dienst kan zijn,... nu, je begrijpt mij wel.... Kom, mijnheer Krap.
+(_Zij gaan Bernick's kamer binnen_).
+
+JOHAN (_kijkt hen een poos na_). Hm.... (_hij wil den tuin ingaan. Op
+hetzelfde oogenblik komt Martha met een mandje aan haar arm van
+rechts_).
+
+JOHAN. Kijk eens aan, Martha!
+
+MARTHA. O ... Johan ... ben jij het?
+
+JOHAN. Ook al zoo vroeg op het pad?
+
+MARTHA. Ja. Wacht maar even, als je wilt; de anderen zullen wel dadelijk
+komen. (_Wil naar links weggaan_).
+
+JOHAN. Hoor eens, Martha, heb je altijd zoo'n haast?
+
+MARTHA. Ik?
+
+JOHAN. Gisteren liep je ook al weg, zoodat ik geen woord met je kon
+praten, en van daag....
+
+MARTHA. Ja, maar....
+
+JOHAN. Vroeger waren wij toch altijd bij elkaar, wij twee oude
+speelkameraden.
+
+MARTHA. Och, Johan, dat is zoo heel, heel lang geleden.
+
+JOHAN. Wel, het is op den kop af vijftien jaar geleden, niet meer en
+niet minder. Vindt je soms dat ik zoo erg veranderd ben?
+
+MARTHA. Jij? O ja, jij ook, hoewel....
+
+JOHAN. Nou wat?
+
+MARTHA. Och ... niets.
+
+JOHAN. Je schijnt niet erg blij te zijn om me terug te zien.
+
+MARTHA. Je heb zoo lang gewacht ... _te_ lang.
+
+JOHAN. Gewacht? Dat ik terugkomen zou?
+
+MARTHA. Ja.
+
+JOHAN. En waarvoor dacht je dat ik terugkomen zou?
+
+MARTHA. Om goed te maken wat je misdaan hebt.
+
+JOHAN. Ik?
+
+MARTHA. Heb je vergeten dat er een vrouw in ellende en schande gestorven
+is door jouw schuld? Heb je vergeten, dat door jouw schuld de beste
+jaren van een opgroeiend meisje vergald werden?
+
+JOHAN. En dat moet ik van jou hooren? Martha, heeft je broer dan
+nooit...?
+
+MARTHA. Wat?
+
+JOHAN. Heeft hij nooit...; nu ja, ik bedoel, heeft hij nooit zooveel als
+een woord tot mijn verontschuldiging gezegd?
+
+MARTHA. Och, Johan, je kent immers Karsten's strenge principes wel.
+
+JOHAN. Hum..., ja zeker, zeker ken ik de strenge principes van mijn
+ouden vriend Karsten wel.... Maar dat is toch...! Wel!... Ik sprak zoo
+even met hem. Ik vind dat hij opvallend veranderd is.
+
+MARTHA. Hoe kan je dat zeggen? Karsten is toch altijd zoo'n uitstekend
+mensch geweest.
+
+JOHAN. Zoo was het eigenlijk niet bedoeld; maar dat doet er niet toe.
+Hm; nu begrijp ik pas in welk licht je mij gezien hebt; je hebt gewacht
+en uitgekeken naar de terugkomst van den verloren zoon.
+
+MARTHA. Johan, ik zal je zeggen in welk licht ik je gezien heb (_wijst
+naar den tuin_). Zie je haar, die daarginder in het gras met Olaf
+speelt? Dat is Dina. Herinner je je nog dien verwarde brief dien je mij
+schreef toen je weg ging? Je schreef dat ik in je gelooven moest. Ik heb
+in je geloofd, Johan. Al die slechte dingen die later van je verteld
+werden, moeten in de verwarring, zonder nadenken, zonder overleg gebeurd
+zijn....
+
+JOHAN. Wat voor dingen bedoel je?
+
+MARTHA. Och, je begrijpt mij heel goed;... daarover praat ik niet meer.
+Maar je moest immers weg, van voren af aan beginnen, een nieuw leven.
+Zie je, Johan, ik ben je plaatsvervangster hier geweest, ik, je oude
+speelkameraad. De plichten die jij hier verzuimde te vervullen, of niet
+vervullen kon, die heb ik op mij genomen en voor je vervuld. Ik vertel
+je dit omdat je je ook niet dat nog te verwijten zoudt hebben. Voor het
+arme, verongelijkte kind, ben ik een moeder geweest; ik heb haar
+opgevoed zoo goed als ik kon....
+
+JOHAN. En je heele leven daaraan verspild....
+
+MARTHA. Dat is niet verspild. Maar je bent laat gekomen, Johan.
+
+JOHAN. Martha ... als ik je alles zeggen kon.... Wel, laat ik je in elk
+geval danken voor je trouwe vriendschap.
+
+MARTHA (_met een droevig lachje_). Hm.... Zoo, nu heb ik ten minste
+gezegd wat ik op 't hart had. Sst; daar komt iemand. Adieu; ik kan nu
+niet.... (_zij gaat weg door de verste deur links. Lona Hessel komt uit
+den tuin, gevolgd door Mevr. Bernick_).
+
+MEVR. BERNICK (_nog in den tuin_). Maar om 's hemels wil, Lona, wat
+verzin je toch!
+
+LONA. Laat mij toch maar begaan; ik wil en moet met hem spreken.
+
+MEVR. BERNICK. Maar dat zou toch het grootst mogelijke schandaal geven!
+O Johan, ben jij daar nog?
+
+LONA. Maak dat je wegkomt, jongen; blijf niet hier in de kameratmosfeer
+omhangen; ga den tuin in en praat een beetje met Dina.
+
+JOHAN. Dat was ik juist van plan.
+
+MEVR. BERNICK. Maar....
+
+LONA. Hoor eens, Johan, heb je Dina al eens goed aangekeken?
+
+JOHAN. Ik geloof van ja.
+
+LONA. Je moet haar maar eens heel nauwkeurig opnemen, jongen. Dat zou
+iets voor jou zijn!
+
+MEVR. BERNICK. Maar Lona!
+
+JOHAN. Iets voor mij?
+
+LONA. Ja, om naar te kijken, meen ik. Ga nu maar!
+
+JOHAN. Maar al te graag! (_hij gaat den tuin in_).
+
+MEVR. BERNICK. Lona, ik sta verstomd over je. Dit kan je toch onmogelijk
+ernst zijn.
+
+LONA. Ja waarachtig is het mij ernst. Is zij niet frisch en gezond en
+braaf? Zij is net een vrouw voor Johan. Zoo een heeft hij daarginder net
+noodig; dat zal wat anders zijn dan een oude stiefzuster!
+
+MEVR. BERNICK. Dina! Dina Dorf! Denk toch eens aan!...
+
+LONA. Ik denk in de eerste plaats aan het geluk van mijn jongen. Want
+hem een beetje helpen moet ik wel; zelf is hij niet heel handig in zulke
+dingen; voor meisjes en vrouwen heeft hij nooit veel oog gehad.
+
+MEVR. BERNICK. Hij niet? Johan! Nou, mij dunkt dat wij van het tegendeel
+de treurige bewijzen wel gehad hebben....
+
+LONA. Naar den drommel met die malle geschiedenis! waar is Bernick? Ik
+moet hem spreken.
+
+MEVR. BERNICK. Lona, je doet het niet, zeg ik je!
+
+LONA. Ik doe het wel. Heeft de jongen zin in haar ... en zij in hem ...
+dan zullen ze elkaar krijgen ook. Bernick is immers zoo'n knappe man;
+die moet dan maar een uitweg vinden....
+
+MEVR. BERNICK. En geloof je dat zulke Amerikaansche onwelvoegelijkheden
+hier geduld zullen worden....
+
+LONA. Leuterpraat, Betty.
+
+MEVR. BERNICK. ... dat een man als Karsten, met zijn streng moreele
+begrippen....
+
+LONA. Och wat! Die zullen wel zoo overdreven streng niet zijn.
+
+MEVR. BERNICK. Wat durf je daar te zeggen?
+
+LONA. Ik durf zeggen dat Bernick wel niet zooveel braver zal zijn dan
+andere mannen.
+
+MEVR. BERNICK. Zoo diep zit dus de haat nog in je! Maar wat wil je dan
+toch eigenlijk hier, als je nooit hebt kunnen vergeten dat...? Ik
+begrijp niet dat je hem onder de oogen durfde komen na de schandelijke
+beleediging die je hem hebt aangedaan.
+
+LONA. Ja, Betty, toen heb ik mij leelijk vergaloppeerd.
+
+MEVR. BERNICK. En hoe grootmoedig heeft hij het je niet vergeven, hij,
+die toch nooit iets misdaan had! Want hij kon toch niet helpen dat jij
+je hier illusies gemaakt hadt. Maar sinds dien tijd heb je ook een hekel
+aan mij. (_Begint te schreien_). Je hebt mij mijn geluk nooit gegund. En
+nu kom je hier om mij al die narigheid te bezorgen ... om de heele stad
+te laten zien in wat voor een familie ik Karsten gebracht heb. Ik zal er
+op aangezien worden, en dat is het juist wat je wilt. O, het is
+afschuwelijk van je! (_Ze gaat schreiend weg door de verste deur
+links_).
+
+LONA (_haar nakijkend_). Arme Betty! (_Bernick komt uit zijn kamer_).
+
+BERNICK (_nog in de deur_). Ja, ja, dat is best mijnheer Krap; dat is
+uitstekend. Stuur vierhonderd kronen voor voedsel voor de armen. (_keert
+zich om_). Lona! (_dichterbij_). Ben je alleen? Komt Betty niet hier?
+
+LONA. Neen. Zal ik haar soms gaan halen?
+
+BERNICK. Neen, neen, neen, niet doen! O Lona, je weet niet hoe ik er
+naar verlangd heb eens openhartig met je te praten ... om je vergeving
+af te smeeken.
+
+LONA. Hoor eens, Karsten, laat ons niet sentimenteel worden; dat staat
+ons niet.
+
+BERNICK. Je _moet_ mij aanhooren, Lona. Ik weet wel hoezeer de schijn
+tegen mij is, nu je gehoord hebt van die zaak met Dina's moeder. Maar
+ik zweer je, dat het maar een korte opwinding geweest is; ik heb eens
+heusch eerlijk en oprecht van je gehouden.
+
+LONA. Waarvoor denk je dat ik teruggekomen ben?
+
+BERNICK. Wat je ook van plan bent, ik smeek je niets te ondernemen voor
+ik mij gerechtvaardigd heb. Ik kan het, Lona, ik kan mij in elk geval
+verontschuldigen.
+
+LONA. Nu ben je bang.... Je hebt eens van mij gehouden, zeg je. Ja, dat
+heb je me dikwijls genoeg verzekerd in je brieven; en misschien was het
+ook wel waar ... in zekeren zin ... zoolang je nog daarginder in een
+ruimer en vrijer wereld leefde, die je den moed gaf zelf vrij en ruim te
+denken. Je vondt misschien bij mij meer karakter en eigen wil en
+zelfstandigheid, dan bij de meesten hier. En dan was het ook een geheim
+tusschen ons beiden; niemand kon je uitlachen over je slechten smaak.
+
+BERNICK. Lona, hoe kan je toch denken...?
+
+LONA. Maar toen je terugkwam, toen je allerlei spotternijen hoorde, die
+als hagel op me neervielen, toen je hoorde hoe er gelachen werd over
+alles wat ze hier mijn dwaasheden noemden....
+
+BERNICK. Maar je was toen ook erg excentriek.
+
+LONA. Toch voornamelijk om al die stijve harken te ergeren, die in
+pantalons en rokken door de stad slenterden. En toen je dan die jonge
+verleidelijke actrice ontmoette....
+
+BERNICK. Het was een kwajongensstreek ... anders niets; ik zweer dat er
+geen tiende deel waar was van al de praatjes en den laster die in omloop
+waren.
+
+LONA. 't Kan zijn; maar toen nu Betty thuis kwam, mooi, bloeiend, door
+allen vergood ... en het bekend werd dat zij het heele fortuin van tante
+erven zou, en ik niets zou krijgen....
+
+BERNICK. Ja, dat is nu juist de zaak, Lona; en nu zal je ook alles
+zonder omwegen hooren. Ik had Betty toen niet lief. Ik maakte het niet
+af met jou om een nieuwe verliefdheid. Ronduit gezegd, het was om het
+geld. Ik was er toe gedwongen; ik _moest_ dat geld hebben.
+
+LONA. En dat zeg je mij zoo maar vlak in mijn gezicht?
+
+BERNICK. Ja, dat doe ik. Luister eens, Lona....
+
+LONA. En toch schreef je mij dat een onoverwinnelijke liefde voor Betty
+zich meester van je gemaakt had, deed je een beroep op mijn
+grootmoedigheid, bezwoer je mij ter wille van Betty te zwijgen over wat
+er tusschen ons geweest was....
+
+BERNICK. Ik _moest_ het wel doen, zeg ik je immers.
+
+LONA. Nou, dan weet de hemel dat ik er geen berouw van heb dat ik mij
+toen zoo vergaloppeerde.
+
+BERNICK. Laat ik je eens koel en kalm vertellen hoe de toestand was in
+die dagen. Mijn moeder stond, zooals je je herinnert, aan het hoofd van
+de zaak; maar zij had absoluut geen verstand van zaken. Ik werd haastig
+teruggeroepen uit Parijs; de tijden waren kritiek; ik moest de zaak weer
+op de been helpen. Wat vond ik? Ik vond, wat natuurlijk diep geheim
+gehouden moest worden, een zoo goed als geruineerd huis. Ja, het was zoo
+goed als geruineerd, dit oude aanzienlijke huis, dat al sedert drie
+geslachten had bestaan. Wat had ik, de zoon, de eenige zoon, anders te
+doen dan om te zien naar een reddingsmiddel?
+
+LONA. En zoo redde je het huis Bernick ten koste van een vrouw.
+
+BERNICK. Je weet wel dat Betty van mij hield.
+
+LONA. Maar ik dan?
+
+BERNICK. Geloof mij ... Lona ... je zoudt met mij nooit gelukkig
+geworden zijn.
+
+LONA. Was het uit bezorgdheid voor mijn geluk dat je mij losliet?
+
+BERNICK. Denk je soms dat ik uit egoisme handelde zoo als ik het deed?
+Als ik toen alleen gestaan had, dan zou ik flink en moedig van voren af
+aan begonnen zijn. Maar je hebt geen idee hoe een zakenman, onder den
+druk van een onmogelijke zware verantwoordelijkheid, samengroeit met de
+zaak die hij erft. Weet je wel dat het wel en wee van honderden, ja
+duizenden, van hem afhangt? En bedenk je wel dat de heele maatschappij,
+die wij allebei ons thuis noemen, op de gevoeligste manier de gevolgen
+van den val van het huis Bernick zou ondervonden hebben?
+
+LONA. En is het ook ter wille van de maatschappij dat je al vijftien
+jaar lang die leugen volgehouden hebt?
+
+BERNICK. Die leugen?
+
+LONA. Wat weet Betty van alles, wat te grond ligt aan je vereeniging met
+haar, en daaraan vooraf ging?
+
+BERNICK. Waarom zou ik haar zonder eenig nut pijn doen, met haar die
+dingen te vertellen?
+
+LONA. Zonder eenig nut, zeg je? Ja, ja, je bent een man van zaken; jij
+moet weten wat nuttig is of niet.... Maar hoor nu eens, Karsten, nu zal
+ik ook eens koel en kalm spreken. Zeg mij eens ... ben je nu ook heusch
+gelukkig?
+
+BERNICK. In mijn gezin, bedoel je?
+
+LONA. Ja.
+
+BERNICK. Ja, Lona, dat ben ik. O, je bent niet voor niets zoo'n
+opofferende vriendin voor mij geweest. Ik durf zeggen dat ik ieder jaar
+gelukkiger ben geworden. Betty is lief en meegaande. En wat heeft zij in
+den loop der jaren geleerd zich naar mijn eigenaarigheden te voegen...!
+
+LONA. Hm.
+
+BERNICK. Vroeger had zij een heeleboel overspannen idees over de liefde;
+zij kon zich maar niet vereenigen met de gedachte dat die zachtjes aan
+moest overgaan in een kalme vriendschap.
+
+LONA. Maar berust zij nu daarin?
+
+BERNICK. Volkomen. Je kunt begrijpen dat de dagelijksche omgang met mij,
+haar ook veel heeft gerijpt en niet zonder invloed op haar gebleven is.
+De menschen moeten leeren van beide kanten wat water in hun wijn te
+doen, als zij in de maatschappij waarin zij leven waardig hun plaats
+zullen innemen. Dat heeft Betty later ook leeren inzien, en daarom is
+ons huis nu een voorbeeld voor onze medeburgers.
+
+LONA. Maar die medeburgers weten niets van de leugen?
+
+BERNICK. Van de leugen?
+
+LONA. Ja, van de leugen waarin je nu al vijftien jaar volhardt.
+
+BERNICK. En dat noem je...?
+
+LONA. Een leugen, noem ik het. Een drievoudige leugen. Eerst tegen mij;
+toen tegen Betty, en dan de leugen tegen Johan.
+
+BERNICK. Betty heeft nooit verlangd dat ik spreken zou.
+
+LONA. Omdat zij niets wist.
+
+BERNICK. En jij zult het ook niet verlangen ... uit consideratie voor
+haar.
+
+LONA. Neen, zeker niet. Ik zal hun spot nog wel langer verdragen; ik heb
+een breeden rug.
+
+BERNICK. En Johan zal het ook niet eischen; dat heeft hij mij beloofd.
+
+LONA. Maar jij zelf, Karsten? Is er niets in je binnenste dat verlangt
+uit dien toestand van leugen te komen?
+
+BERNICK. Ik zou vrijwillig mijn huiselijk geluk en mijn positie in de
+maatschappij opgeven!
+
+LONA. Welk recht heb je om die positie te behouden?
+
+BERNICK. Gedurende vijftien jaar heb mij iederen dag een beetje recht
+daarop gekocht met mijn levenswandel en met wat ik bereikt heb.
+
+LONA. Ja, je hebt veel gedaan en bereikt, zoowel voor je zelf als voor
+de anderen. Je bent de eerste en rijkste man van de stad; niemand durft
+zich tegen jouw wil te verzetten, omdat je doorgaat voor iemand zonder
+smet of blaam. Je thuis gaat door voor een modelthuis, je levenswandel
+voor een voorbeeld. Maar al die heerlijkheid, en jij er bij, rust op een
+onvasten moerasgrond. Een oogenblik kan er komen, een woord gesproken
+worden ... en jij met al je heerlijkheid gaat naar de diepte, als je je
+niet bij tijds bergt.
+
+BERNICK. Lona, wat kom je hier eigenlijk doen?
+
+LONA. Ik wil je helpen om vasten grond onder je voeten te krijgen,
+Karsten.
+
+BERNICK. Wraak nemen! Je wilt je wreken? Ik dacht het al. Maar dat zal
+je niet gelukken! Er is maar een mensch die met autoriteit zou kunnen
+optreden, en hij zal zwijgen.
+
+LONA. Johan?
+
+BERNICK. Ja, Johan. Indien iemand anders mij aanklaagt, dan ontken ik
+alles. Als ze mij willen vernietigen dan zal ik vechten op leven en
+dood. Maar het zal je nooit gelukken, zeg ik je! Hij, die mij zou kunnen
+neervellen, zwijgt ... en hij gaat weer ver weg.
+
+(_Rummel en Vigeland komen van rechts_).
+
+RUMMEL. Goeden dag, goeden dag, m'n waarde Bernick; je moet met ons mee
+naar de handelsmaatschappij; we hebben vergadering over de
+spoorweg-kwestie, zooals je weet.
+
+BERNICK. Ik kan niet. Onmogelijk op 't oogenblik.
+
+VIGELAND. U _moet_ waarlijk, mijnheer Bernick....
+
+RUMMEL. Je moet, Bernick. Er zijn menschen die ons tegenwerken. Hammer,
+de redacteur en de anderen die voor de kustlijn waren, beweren dat er
+particuliere belangen steken achter het nieuwe plan.
+
+BERNICK. Nu, leg hun dan uit....
+
+VIGELAND. Dat geeft niets wat wij zeggen, mijnheer de consul....
+
+RUMMEL. Neen neen, je moet zelf komen; van jou waagt natuurlijk niemand
+zoo iets te veronderstellen.
+
+LONA. Neen, dat zou ik ook denken.
+
+BERNICK. Ik kan niet, zeg ik je; ik ben onwel;...
+
+(_Roerlund komt van rechts_).
+
+ROeRLUND. Pardon, mijnheer Bernick, u ziet mij hier hevig ontsteld....
+
+BERNICK. Ja ... wat scheelt u?
+
+ROeRLUND. Ik moet u een vraag doen, mijnheer Bernick. Is het met uw
+goedvinden dat het jonge meisje, dat een toevlucht onder uw dak gevonden
+heeft, zich op de openbare straat vertoont in gezelschap van een
+persoon, die....
+
+LONA. Van welk persoon, dominee?
+
+ROeRLUND. Van den persoon dien zij, van alle menschen ter wereld, het
+eerst van zich af houden moest.
+
+LONA. Hoho!
+
+ROeRLUND. Is dat met uw goedvinden, mijnheer Bernick?
+
+BERNICK (_die hoed en handschoenen zoekt_). Ik weet nergens van. Pardon,
+ik heb haast; ik moet naar de handelsmaatschappij.
+
+HILMAR (_komt uit den tuin en gaat naar de verste deur links_). Betty,
+Betty, hoor eens!
+
+MEVR. BERNICK (_in de deur_). Wat is er?
+
+HILMAR. Je moet eens naar de tuin gaan en een einde maken aan dat gevrij
+van een zeker individu met die Dina Dorf. Mijn zenuwen zijn er heelemaal
+door van streek, alleen maar van het aan te hooren.
+
+LONA. Zoo? Wat heeft dat individu dan gezegd?
+
+HILMAR. O, anders niet dan dat hij wil dat zij met hem mee naar Amerika
+zal gaan. Oeh!
+
+ROeRLUND. Hoe is het mogelijk!
+
+MEVR. BERNICK. Wat zeg je?
+
+LONA. Maar dat zou juist uitstekend zijn!
+
+BERNICK. Onmogelijk, je hebt 't niet goed verstaan.
+
+HILMAR. Vraag het hem dan zelf. Daar komt het paartje. Maar laat mij er
+alsjeblieft buiten.
+
+BERNICK (_tegen Rummel en Vigeland_). Ik kom dadelijk ... een oogenblik
+maar.... (_Rummel en Vigeland gaan af naar rechts. Johan en Dina komen
+uit den tuin_).
+
+JOHAN. Hoera, Lona, ze gaat met ons mee!
+
+MEVR. BERNICK. Maar, Johan,... wat een onbezonnenheid...!
+
+ROeRLUND. Is dat waar? Zoo'n verregaand schandaal! Met welke
+verleidingskunsten heeft u...?
+
+JOHAN. Nou, nou, mijnheer; let een beetje op uw woorden!
+
+ROeRLUND. Antwoord mij Dina, is dat je plan? Heb je uit eigen beweging
+die beslissing genomen?
+
+DINA. Ik moet hier van daan.
+
+ROeRLUND. Maar met hem ... met hem!
+
+DINA. Noem mij eens een ander hier die den moed zou hebben om mij mee te
+nemen.
+
+ROeRLUND. Dan zal je ook weten wie hij is!
+
+JOHAN. Zeg niets.
+
+BERNICK. Geen woord meer.
+
+ROeRLUND. Dan zou ik de maatschappij, voor wier zedelijkheid en
+welvoegelijkheid ik waken moet, een slechten dienst bewijzen. En
+onverantwoordelijk zou ik handelen jegens dit jonge meisje, wier
+opvoeding ik ook voor een groot deel geleid heb, en die mij....
+
+JOHAN. Neem u in acht voor wat u gaat doen!
+
+ROeRLUND. Zij _moet_ het weten! Dina, dit is de man die schuld heeft aan
+al de ellende en de schande van je moeder.
+
+BERNICK. Mijnheer Roerlund...!
+
+DINA. Hij! (_tegen Johan_). Is dat waar?
+
+JOHAN. Karsten, geef jij antwoord.
+
+BERNICK. Geen woord meer! Van daag zal hier verder over gezwegen worden.
+
+DINA. 't Is dus waar.
+
+ROeRLUND. 't Is waar ... 't is waar. En meer nog dan dat. Die kerel, aan
+wien je je vertrouwen geschonken hebt, liep niet met leege handen van
+huis weg;... de kas van weduwe Bernick ... de consul kan het getuigen!
+
+LONA. Leugenaar!
+
+BERNICK. Ah...!
+
+MEVR. BERNICK. O God! O God!
+
+JOHAN (_loopt op hem toe met opgeheven arm_). En dat waag jij!...
+
+LONA (_afwerend_). Sla hem niet, Johan!
+
+ROeRLUND. Ja, vergrijp je maar aan mij. Maar de waarheid moet toch aan
+het licht komen; en dit _is_ de waarheid; mijnheer Bernick heeft het
+zelf gezegd en de heele stad weet het.... Ziezoo, Dina, nu ken je hem.
+(_Kort zwijgen_).
+
+JOHAN (_zachtjes, hem bij den arm pakkend_). Karsten, Karsten, wat heb
+je gedaan!
+
+MEVR. BERNICK (_gesmoord en schreiend_). O Karsten, dat ik je in al die
+schande brengen moest!
+
+SANDSTAD (_komt snel van rechts en roept met de kruk van de deur in de
+hand_). Nu _moet_ u eindelijk komen, mijnheer de consul! De heele
+spoorweg hangt nog maar aan een draadje!
+
+BERNICK (_wezenloos_). Wat is er? Wat moet ik...?
+
+LONA (_ernstig en met nadruk_). Je moet de maatschappij gaan steunen,
+Bernick.
+
+SANDSTAD. Ja, mijnheer, kom, kom; wij hebben uw heele moreele overwicht
+noodig.
+
+JOHAN (_vlak bij hem_). Bernick, morgen moeten wij samen spreken.
+
+(_Hij gaat heen door den tuin; Bernick gaat willoos met Sandstad rechts
+af_).
+
+
+EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.
+
+
+ * * * * *
+
+
+DERDE BEDRIJF
+
+ Tuinkamer in Bernick's huis.
+
+ * * * * *
+
+(_Bernick met een Spaansch rietje in de hand, komt hevig vertoornd uit
+de achterste kamer links en laat de deur half open staan_).
+
+
+BERNICK. Ziezoo, nu is het eindelijk eens ernst geworden; dit pak zal
+hem heugen, denk ik. (_Tegen iemand binnen in de kamer_). Wat zeg je?...
+En ik zeg dat jij een onverstandige moeder bent! Je spreekt hem voor en
+steunt hem in al zijn kwajongensstreken.... Geen kwajongensstreken? Wat
+noem jij 't dan? Om 's nachts het huis uit te sluipen en met een
+visschersboot mee op zee te gaan en weg te blijven tot op klaarlichten
+dag,... en mij zoo'n doodelijken angst op het lijf jagen, terwijl ik
+toch al zoo veel aan mijn hoofd heb. En dan waagt die deugniet het nog
+mij te dreigen dat hij wegloopen zal! Laat hij 't maar eens
+probeeren!... Jij? Neen, dat geloof ik graag; jij geeft er niet veel om
+wat hij uithaalt! Al was zijn leven er mee gemoeid, geloof ik...! Zoo?
+Maar ik heb een taak hier te vervullen; mij kan het wel schelen of ik
+een kind nalaat of niet.... Niet tegenspreken, Betty; het blijft zooals
+ik gezegd heb; hij heeft huisarrest.... (_luistert_). Sst; laat niemand
+iets merken.
+
+(_Krap komt van rechts_).
+
+KRAP. Heeft u een oogenblik tijd, mijnheer?
+
+BERNICK (_gooit het rietje weg_). Jawel, jawel. Komt u van de werf?
+
+KRAP. Zoo net. Hm....
+
+BERNICK. Wel? Er is toch niets met "de Palmboom"?
+
+KRAP. "De Palmboom" kan morgen in zee, maar....
+
+BERNICK. Met de "Indian Girl" dus? Dacht ik het niet dat die
+stijfkop....
+
+KRAP. De "Indian Girl" kan ook uitzeilen morgen; maar ... die zal 't
+niet ver brengen.
+
+BERNICK. Wat bedoelt u?
+
+KRAP. Neem mij niet kwalijk, mijnheer; de deur staat aan en ik geloof
+dat er iemand binnen is....
+
+BERNICK (_sluit de deur_). Ziezoo. Maar wat is het dan dat niemand
+hooren mag?
+
+KRAP. Het is dit, dat Aune van plan schijnt te zijn de "Indian Girl" met
+man en muis naar den kelder te laten gaan.
+
+BERNICK. Maar de hemel zij ons genadig, hoe kan u denken...?
+
+KRAP. Ik kan het mij anders niet verklaren, mijnheer.
+
+BERNICK. Maar zeg mij dan toch met een paar woorden....
+
+KRAP. Dat zal ik. U weet zelf hoe lamzalig het toeging op de werf sedert
+wij de nieuwe machines kregen en de nieuwe, ongeoefende werklui.
+
+BERNICK. Ja, ja.
+
+KRAP. Maar van ochtend, toen ik op de werf kwam, merkte ik dat de
+reparatie van den Amerikaan opvallend gevorderd was; het groote lek in
+den bodem, u weet wel, die verrotte plek....
+
+BERNICK. Ja, ja, wat daarvan?
+
+KRAP. Volkomen gerepareerd,... oogenschijnlijk althans; gepantserd; zag
+er uit als nieuw; hoorde dat Aune zelf den heelen nacht daar onderin met
+licht gewerkt had.
+
+BERNICK. Ja, ja, en dan...?
+
+KRAP. k' Liep er over na te denken; het volk was juist aan 't schaften,
+en zoo vond ik de gelegenheid om ongemerkt eens alles op te nemen van
+binnen en van buiten; 't was moeilijk genoeg om in het ruim van die
+zwaar geladen schuit te komen; maar kreeg zekerheid. Er wordt geknoeid,
+mijnheer Bernick.
+
+BERNICK. Ik kan het niet gelooven, mijnheer Krap. Ik kan en wil zoo iets
+niet gelooven van Aune.
+
+KRAP. 't Spijt me ... maar 't is de zuivere waarheid. Er wordt geknoeid,
+zeg ik u. Geen nieuw hout ingezet, zoover ik kon nagaan, alleen maar
+gestopt en gekalefaterd en gedekt met platen en geteerd zeildoek en zoo
+al meer. Eenvoudig prutserij! "Indian Girl" haalt New-York nooit; zinkt
+als een gebarsten pot.
+
+BERNICK. Maar dat is verschrikkelijk! En wat kan hij daarmee voorhebben,
+denkt u?
+
+KRAP. Wil waarschijnlijk de machines in discrediet brengen; wil zich
+wreken; wil dat die heele oude arbeiderstroep weer in genade zal worden
+aangenomen.
+
+BERNICK. En zoo zet hij misschien al die menschenlevens op het spel.
+
+KRAP. Hij zei onlangs: daar zijn geen menschen aan boord van de "Indian
+Girl", enkel beesten.
+
+BERNICK. Ja, ja, dat kan zijn; maar heeft hij dan geen eerbied voor het
+groote kapitaal dat er mee verloren gaat?
+
+KRAP. Aune heeft maling aan het groote kapitaal, mijnheer Bernick.
+
+BERNICK. Zeer juist; hij is een drijver en een onruststoker; maar zoo
+iets gewetenloos als dit.... Hoor eens, mijnheer Krap, die zaak moet nog
+eens onderzocht worden. Geen woord er over tegen wien ook. De eer van
+onze werf zou er onder lijden als zoo iets bekend werd.
+
+KRAP. Natuurlijk, maar....
+
+BERNICK. In het middagschaftuur moet u nog eens in het schip zien te
+komen; ik moet volle zekerheid hebben.
+
+KRAP. Die zal u hebben, mijnheer. Maar permitteer mij, wat wil u dan
+doen?
+
+BERNICK. De zaak aangeven, natuurlijk. Wij kunnen ons toch niet
+medeplichtig maken aan iets dat gewoon een misdaad is. Mijn geweten moet
+zuiver zijn. Het zal buitendien een goeden indruk maken zoowel bij de
+pers als in het algemeen op de menschen, wanneer men ziet, dat ik alle
+persoonlijke belangen op zij zet en het recht zijn loop laat.
+
+KRAP. Zeer waar, mijnheer.
+
+BERNICK. Maar in de eerste plaats volle zekerheid. En tot zoolang
+zwijgen....
+
+KRAP. Geen woord, mijnheer; en zekerheid zal u hebben. (_Hij gaat weg
+door den tuin en de straat af_).
+
+BERNICK (_halfluid_). Ontzettend! Maar neen, dat is toch onmogelijk,...
+ondenkbaar! (_Terwijl hij zijn kamer binnen wil gaan komt Hilmar van
+rechts_).
+
+HILMAR. Dag Bernick! Ik feliciteer je met je overwinning in de
+Handelsmaatschappij gisteren.
+
+BERNICK. O, dank je.
+
+HILMAR. Het was een schitterende overwinning, hoor ik, de overwinning
+van de verstandige liefde voor je eigen stad over egoisme en
+vooroordeel,... iets als een razzia van de Franschen tegen de Kabylen.
+Merkwaardig dat je na die onaangename scene hier in huis....
+
+BERNICK. Nu ja ... zwijg daar nu maar liever over.
+
+HILMAR. Maar de groote slag is toch nog niet geleverd.
+
+BERNICK. In de spoorweg-kwestie bedoel je?
+
+HILMAR. Ja, je weet toch wel wat Hammer tegen je in zijn schild voert?
+
+BERNICK. Neen, wat dan?
+
+HILMAR. Hij heeft zich vastgeklampt aan een praatje dat hier rondgaat,
+en daar wil hij een courantenartikel van maken.
+
+BERNICK. Welk praatje?
+
+HILMAR. Wel, natuurlijk van den grooten aankoop van terreinen langs de
+zijlijn.
+
+BERNICK. Wat zeg je? Loopt daar een praatje over?
+
+HILMAR. Ja, 't is al door de heele stad. Ik hoorde het op de societeit,
+waar ik even binnen liep. Een notaris van hier moet in alle stilte in
+commissie alle bosschen, ertslagen en watervallen opgekocht hebben....
+
+BERNICK. Is 't ook bekend voor wie?
+
+HILMAR. Op de societiet dachten ze dat 't voor een consortium was, lui
+van buiten de stad, die van je plannen de lucht gekregen hadden en zich
+nu voor de prijzen stegen.... Hoe gemeen toch ... oeh!
+
+BERNICK. Gemeen?
+
+HILMAR. Ja, dat vreemden zich op die manier indringen in onze streken,
+en dat zelfs een notaris hier uit de stad zich daartoe leenen wil! Nou
+gaan die vreemde lui met de winst strijken.
+
+BERNICK. Maar het is toch maar een los praatje.
+
+HILMAR. Dat intusschen geloofd wordt, en morgen of overmorgen spijkert
+Hammer het vast als een feit. Op de societeit waren ze er allemaal al
+nijdig over. Ik hoorde verscheidene lui zeggen dat als het praatje
+waarheid bleek te zijn, dan zouden zij zich laten schrappen van de
+lijsten.
+
+BERNICK. Onmogelijk!
+
+HILMAR. Zoo? Waarom waren deze winkelierszielen zoo bereid om met je mee
+te gaan in je plannen, denk je? Geloof je niet dat ze zelf hun neus er
+al op gespitst hadden....
+
+BERNICK. Onmogelijk, zeg ik je. Zooveel gemeenschapszin bestaat hier
+toch nog wel in onze kleine maatschappij....
+
+HILMAR. Hier? Ja, jij bent nu eenmaal een optimist, en oordeelt anderen
+naar je zelf. Maar ik, die een vrij geoefend opmerker ben.... Hier is er
+geen een,--met uitzondering van ons beiden natuurlijk,--geen een zeg ik
+je, die de vaan der idee hoog houdt. (_Gaat naar den achtergrond_). Oeh!
+daar zie ik ze alweer aankomen!
+
+BERNICK. Wie?
+
+HILMAR. De twee Amerikanen (_kijkt naar rechts_). En met wie loopen ze?
+Ja, lieve God, is dat niet de kapitein van de "Indian Girl"? Oeh!
+
+BERNICK. Wat hebben ze met hem te maken?
+
+HILMAR. O, dat is juist heel geschikt gezelschap. Die man moet
+slavenhandelaar of zeeroover geweest zijn; en wie weet wat die twee al
+die jaren hebben uitgevoerd.
+
+BERNICK. Ik moet zeggen dat het je heel leelijk staat om zoo slecht over
+hen te denken.
+
+HILMAR. Ja, jij bent nu eenmaal een optimist. Maar nu hebben wij ze weer
+op ons dak natuurlijk. Ik zal me daarom maar bij tijds.... (_gaat naar
+de deur links_).
+
+(_Lona komt van rechts op_).
+
+LONA. Hoe is 't, Hilmar, jaag ik je de kamer uit.
+
+HILMAR. Volstrekt niet. Ik had juist een beetje haast; ik moet Betty
+even spreken. (_Gaat de verste kamer links binnen_).
+
+BERNICK (_na een kort zwijgen_). Wel, Lona?
+
+LONA. Ja?
+
+BERNICK. Hoe sta ik van daag voor je?
+
+LONA. Net als gisteren. Een leugen meer of minder....
+
+BERNICK. Ik zal je opheldering geven. Waar is Johan?
+
+LONA. Hij komt straks. Hij moest nog iemand spreken.
+
+BERNICK. Na wat je gisteren hoorde, zal je begrijpen, dat mijn heele
+bestaan verwoest is als de waarheid aan het licht komt.
+
+LONA. Dat begrijp ik.
+
+BERNICK. 't Spreekt natuurlijk van zelf, dat _ik_ mij niet schuldig
+gemaakt heb aan de misdaad waarover hier gebabbeld wordt.
+
+LONA. Dat spreekt. Maar wie was dan de dief?
+
+BERNICK. Er was heelemaal geen dief; er is geen geld gestolen; geen cent
+is er vermist.
+
+LONA. Wat zeg je?
+
+BERNICK. Geen cent, zeg ik je.
+
+LONA. Maar dat praatje dan? Hoe kwam dan dat schandelijke praatje in de
+wereld dat Johan...?
+
+BERNICK. Lona, aan jou geloof ik te kunnen zeggen wat ik aan niemand
+anders zeg. Ik wil voor jou niets verzwijgen. _Ik_ ben voor een deel
+schuld er aan dat dat praatje werd uitgestrooid.
+
+LONA. Jij? En dat kon je hem aandoen, die voor jou...!
+
+BERNICK. Je moet mij niet veroordeelen zonder te bedenken hoe de zaken
+toen stonden. Ik vertelde je dat immers gisteren. Ik kwam thuis en vond
+mijn moeder gewikkeld in een heele serie van onverstandige
+ondernemingen; allerlei ongelukken kwamen er bij. Het was of alles ons
+opeens moest tegenloopen. Ons huis stond op vallen. Ik was half
+onverschillig en half wanhopig. Lona, ik geloof heusch dat 't
+voornamelijk was om mij te verdooven, dat ik mij inliet met die relatie,
+die Johan er toe bracht weg te gaan.
+
+LONA. Hm....
+
+BERNICK. Je kunt je wel voorstellen, hoe er allerlei praatjes werden
+uitgestrooid toen je allebei weg waart. Er werd gezegd dat dit niet zijn
+eerste lichtzinnige streek was. Dorf zou een groote som geld van hem
+gekregen hebben om zijn mond te houden en weg te gaan, heette het.
+Anderen hielden vol dat _zij_ het gekregen had. In dienzelfden tijd
+bleef het geen geheim meer dat ons huis moeite had zijn verplichtingen
+na te komen. Wat was natuurlijker dan dat de kwaadsprekers deze twee
+dingen met elkaar in verband brachten? Toen nu de vrouw hier bleef en
+maar armelijk leefde, beweerde men dat hij het geld meegenomen had naar
+Amerika; en onder al die praatjes werd de som al grooter en grooter.
+
+LONA. En jij, Karsten?
+
+BERNICK. Ik greep dat praatje aan als een reddingsplank.
+
+LONA. En strooide het verder uit?
+
+BERNICK. Ik sprak het niet tegen. De schuldeischers begonnen ons lastig
+te vallen; 't kwam er op aan hen te kalmeeren. In geen geval mocht de
+soliditeit van het huis verdacht worden. Wij verkeerden in een
+oogenblikkelijke verlegenheid; men moest alleen maar niet te veel
+aandringen ... ons een beetje tijd laten; ieder zou het zijne krijgen.
+
+LONA. En kreeg ieder het zijne ook?
+
+BERNICK. Ja, Lona, dat praatje redde ons huis en maakte mij tot den man
+die ik nu ben.
+
+LONA. Een leugen heeft je dus gemaakt tot den man die je nu bent?
+
+BERNICK. Wien deed dat toen kwaad? Johan's plan was om nooit weer terug
+te komen.
+
+LONA. Je vraagt wien dat kwaad deed? Kijk eens in je zelf en zeg me of
+het jou geen kwaad gedaan heeft.
+
+BERNICK. Kijk in welken man je wilt, en in een ieder zal je op zijn
+minst een donkeren plek vinden die hij verbergen moet.
+
+LONA. En jullie noemt je de steunpilaren der maatschappij!
+
+BERNICK. De maatschappij heeft toch geen betere.
+
+LONA. En wat doet het er toe of zoo'n maatschappij gesteund wordt of
+niet? Wat is het, waar hier aan gehecht wordt? Schijn en leugen ... en
+anders niets. Hier leef jij nu, de eerste man van de stad, in
+heerlijkheid en vreugde, in macht en aanzien, jij die een onschuldige
+als misdadiger gebrandmerkt hebt.
+
+BERNICK. Denk je soms dat ik 't niet diep voel dat ik hem onrecht
+aangedaan heb? En denk je soms dat ik niet bereid ben dat onrecht weer
+goed te maken?
+
+LONA. Waarmee? Met de waarheid te zeggen?
+
+BERNICK. En zoo iets zou je van mij kunnen vergen?
+
+LONA. Waarmee anders kan je zoo'n onrecht weer goed maken?
+
+BERNICK. Ik ben rijk, Lona. Johan kan van mij eischen wat hij wil....
+
+LONA. Ja, bied hem eens geld aan, dan zal je eens hooren wat hij je
+antwoordt.
+
+BERNICK. Weet jij wat zijn plannen zijn?
+
+LONA. Neen, sedert gisteren zegt hij niets meer. Het is of dat alles hem
+opeens tot een volwassen man gemaakt heeft.
+
+BERNICK. Ik moet hem spreken.
+
+LONA. Daar heb je hem. (_Johan komt van rechts_).
+
+BERNICK (_naar hem toegaand_). Johan...!
+
+JOHAN (_afwerend_). Eerst ik. Gisteren ochtend gaf ik je mijn woord dat
+ik zwijgen zou.
+
+BERNICK. Dat deed je.
+
+JOHAN. Maar toen wist ik nog niet....
+
+BERNICK. Johan, laat mij met een paar woorden maar zeggen, hoe de zaak
+in elkaar zit....
+
+JOHAN. Dat 's niet noodig; ik begrijp het heel best. Het huis Bernick
+had toen een moeilijken tijd; en omdat ik weg was en jij met den naam
+van een weerlooze doen kon wat je wou.... Wel, ik wil je daarover niet
+zoo heel hard vallen; we waren allebei jong en lichtzinnig in die dagen.
+Maar _nu_ heb ik de waarheid noodig en nu moet je spreken.
+
+BERNICK. En juist nu heb ik mijn heele prestige noodig en daarom kan ik
+nu niet spreken.
+
+JOHAN. Van die verzinsels die je over mij hebt uitgestrooid trek ik mij
+niet veel aan. Maar dat andere ... daarin moet je schuld bekennen. Dina
+moet mijn vrouw worden en hier, hier in de stad, wil ik met haar leven
+en huishouden.
+
+LONA. Wil je dat heusch?
+
+BERNICK. Met Dina? Als je vrouw? Hier in de stad?
+
+JOHAN. Ja ... hier; juist hier wil ik blijven om al die leugenaars en
+kwaadsprekers te trotseeren. Maar om haar tot mijn vrouw te kunnen
+maken, is het noodzakelijk dat jij mij rehabiliteert.
+
+BERNICK. Heb je bedacht dat als ik het eene beken ik daarmee ook het
+andere op mij nemen moet? Je zult zeggen dat ik uit onze boeken kan
+bewijzen dat er geen onregelmatigheden hebben plaats gehad? Maar dat kan
+ik niet; onze boeken zijn in dien tijd niet zoo heel nauwkeurig
+bijgehouden. En zelfs al kon ik dat ... wat zou daarmee gewonnen zijn?
+Zou ik dan toch niet voor alle menschen staan als de man die zich eens
+door een onwaarheid gered had en die vijftien jaar lang die onwaarheid
+en alles wat er mee samenhing had laten voortwoekeren en wortel
+schieten, zonder ook maar een enkelen stap gedaan te hebben om dat te
+stuiten? Je kent ons wereldje niet meer, anders zou je weten dat dat
+mijn volslagen ondergang ten gevolge zou hebben.
+
+JOHAN. Ik kan je alleen zeggen dat ik met de dochter van madam Dorf
+trouwen wil en met haar wonen hier in de stad.
+
+BERNICK (_veegt zijn voorhoofd af_). Hoor eens, Johan ... en jij ook
+Lona. Het zijn geen alledaagsche omstandigheden waarin ik dezer dagen
+juist verkeer. De zaken staan zoo, dat je mij vernietigt als je dat
+tegen mij gaat beginnen. En niet mij alleen, maar ook een mooie en
+zegenrijke toekomst voor de heele stad, die toch ook je beider
+geboorteplaats is.
+
+JOHAN. En ontzie ik jou, dan vernietig ik zelf mijn eigen geluk en mijn
+heele toekomst.
+
+LONA. Ga voort, Karsten.
+
+BERNICK. Luistert dan. Het hangt allemaal samen met de spoorweg-kwestie,
+en dat is niet zoo'n onverschillige zaak als jullie wel denkt. Je hebt
+zeker wel gehoord dat er het vorige jaar kwestie was van een lijn langs
+de kust? Daar waren veel stemmen voor, die meetelden hier in de stad en
+ook in de omgeving; en ook voornamelijk in de dagbladen. Maar ik wist
+dat plan te verhinderen, omdat het onze kustvaart schade gedaan zou
+hebben.
+
+LONA. Ben je zelf geinteresseerd in die kustvaart?
+
+BERNICK. Ja. Maar niemand durfde mij daarom verdacht maken; mijn
+algemeen geachte naam was als een scherm en schild boven mijn hoofd. Ik
+had overigens de schade wel kunnen dragen, maar de plaats zelf had die
+niet kunnen lijden. Zoo werd er besloten een binnenlandsche lijn aan te
+leggen. Toen dat gebeurd was, ben ik eens in het geheim gaan opnemen of
+er een zijlijn aan te leggen was.
+
+LONA. Waarom in het geheim, Karsten?
+
+BERNICK. Heb je hooren spreken over den grooten aankoop van
+boschgronden, groeven en watervallen...?
+
+JOHAN. Ja, dat gaat immers uit van een consortium buiten de stad?...
+
+BERNICK. Zoo, als die gronden daar nu liggen, zijn ze zoo goed als
+waardeloos voor de overal verspreid wonende eigenaars. Daardoor zijn ze
+betrekkelijk goedkoop verkocht. Was er gewacht, totdat die zijlijn een
+uitgemaakte zaak was, dan zouden de eigenaars ongehoorde prijzen
+gevraagd hebben.
+
+LONA. Jawel, jawel. Maar verder?
+
+BERNICK. Nu komt dat, wat op verschillende manier uitgelegd kan worden
+... dat, wat een man in onze kringen alleen kan doen en bekennen,
+wanneer hij steunen kan op een vlekkenloozen en geachten naam.
+
+LONA. Wel?
+
+BERNICK. Ik ben 't die dat alles heb opgekocht.
+
+LONA. Jij?
+
+JOHAN. Voor eigen rekening?
+
+BERNICK. Voor eigen rekening. Komt die zijlijn tot stand, dan ben ik
+millionnair; komt die niet tot stand, dan ben ik geruineerd.
+
+LONA. Dat is een waagstuk, Karsten.
+
+BERNICK. Mijn heele vermogen heb ik er aan gewaagd.
+
+LONA. Ik dacht niet zoozeer aan je vermogen, maar als het aan het licht
+komt, dat....
+
+BERNICK. Ja, daar zit de knoop. Met een vlekkenloozen naam, zooals de
+mijne tot nog toe was, kan ik die zaak op mij nemen, er mee voor den dag
+komen en tegen mijn medeburgers zeggen: "Kijk, dat heb ik gewaagd in het
+belang van de maatschappij!"
+
+LONA. Van de maatschappij?
+
+BERNICK. Ja; en geen een zal er twijfelen aan mijn bedoelingen.
+
+LONA. Dan zijn hier toch mannen die eerlijker gehandeld hebben dan jij,
+zonder bijgedachten of nevenbedoelingen.
+
+BERNICK. Wie dan?
+
+LONA. Wel, zoowel Rummel als Sandstad en Vigeland.
+
+BERNICK. Om hen voor mijn plan te winnen ben ik genoodzaakt geweest hen
+in te wijden in de zaak.
+
+LONA. En...?
+
+BERNICK. Zij hebben een vijfde van de winst voor zich bedongen.
+
+LONA. O, die steunpilaren van de maatschappij!
+
+BERNICK. En is het dan de maatschappij zelf niet die ons dwingt langs
+kronkelpaden te gaan? Wat zou er gebeurd zijn als ik niet in het geheim
+gehandeld had? Allemaal zouden zij op die zaak aangevallen zijn, en den
+heelen boel verdeeld, verspreid, bedorven en verknoeid hebben. Hier in
+de stad is er buiten mij geen enkel man die zoo'n groote zaak als dit
+worden zal, zou weten te leiden. Hier in 't land hebben over 't algemeen
+alleen de van buiten-af gekomen families aanleg voor groote
+ondernemingen. Daarom spreekt mijn geweten mij dan ook vrij op dit punt.
+Alleen in _mijn_ handen kunnen deze bezittingen een ware en blijvende
+zegen worden voor de velen die zij brood verschaffen zullen.
+
+LONA. Ik geloof dat je daarin gelijk hebt, Karsten.
+
+JOHAN. Maar ik ken die velen niet en mijn levensgeluk staat op het spel.
+
+BERNICK. Het welzijn van je geboorteplaats staat ook op het spel. Komen
+er nu dingen voor den dag, die een schaduw werpen op mijn vroeger leven,
+dan zullen al mijn tegenstanders met vereende krachten mij aanvallen.
+Een jeugdige afdwaling wordt in onze maatschappij nooit uitgewischt. Zij
+zullen mijn heele leven, tusschen toen en nu, gaan napluizen, allerlei
+kleine voorvallen oprakelen, en ze in het licht van wat er nu bekend
+geworden is gaan beschouwen en beoordeelen. Ze zullen mij onder het
+gewicht van geruchten en lasterpraatjes trachten te verpletteren. Van
+die spoorwegzaak moet ik mij terugtrekken; en als _ik_ mijn hand daarvan
+aftrek, dan valt die, en ik ben met een slag geruineerd en
+maatschappelijk dood.
+
+LONA. Johan, na wat je gehoord hebt, moet je heengaan en zwijgen.
+
+BERNICK. Ja, o ja, Johan, dat moet je!
+
+JOHAN. Goed; ik zal weggaan en zwijgen; maar ik kom terug en dan zal ik
+spreken.
+
+BERNICK. Blijf daarginder, Johan; blijf zwijgen, en ik ben bereid alles
+met je te deelen....
+
+JOHAN. Hou je geld maar; maar geef mij mijn goeden naam terug.
+
+BERNICK. Door den mijnen op te offeren!
+
+JOHAN. Dat moet je maar met je eigen wereldje zien klaar te spelen.
+Ik moet en kan en wil Dina hebben. Daarom ga ik morgen al weg met de
+"Indian Girl".
+
+BERNICK. Met de "Indian Girl"?
+
+JOHAN. Ja. De kapitein heeft beloofd mij mee te nemen. Ik ga terug,
+verkoop mijn farm en regel mijn zaken. Over twee maanden ben ik weer
+hier.
+
+BERNICK. En zal je dan spreken?
+
+JOHAN. Dan moet de schuldige zelf maar de schuld op zich nemen.
+
+BERNICK. Vergeet je dat ik dan ook dat op mij nemen moet, waaraan ik mij
+niet schuldig heb gemaakt?
+
+JOHAN. Wie was het die vijftien jaar geleden profiteerde van dat
+schandelijke praatje?
+
+BERNICK. Je drijft mij tot wanhoop! Maar als je spreekt, ontken ik
+alles! Ik zeg dat het een complot tegen mij is, een wraakneming; dat je
+bent overgekomen om mij geld af te persen!
+
+LONA. Schaam je, Karsten!
+
+BERNICK. Ik ben wanhopig, zeg ik je, en ik vecht voor mijn leven.
+Ik ontken alles, alles!
+
+JOHAN. Ik heb je twee brieven. In mijn koffer vond ik ze tusschen mijn
+andere papieren. Van ochtend las ik ze nog eens door; die spreken
+duidelijk genoeg.
+
+BERNICK. En die brieven wil je overleggen?
+
+JOHAN. Als het noodig mocht worden ... ja.
+
+BERNICK. En over twee maanden ben je weer hier terug?
+
+JOHAN. Dat hoop ik. De wind is goed. Over drie weken ben ik in New-York
+... als de "Indian Girl" niet vergaat.
+
+BERNICK (_schrikt_). Vergaat? Waarom zou de "Indian Girl" vergaan?
+
+JOHAN. Ja, dat zeg ik ook.
+
+BERNICK (_bijna onhoorbaar_). Vergaan?
+
+JOHAN. Dus, Bernick, je weet nu wat je te wachten staat; je moet in dien
+tusschentijd maar raad schaffen. Vaarwel! Betty mag je van mij groeten,
+hoewel zij zich weinig zusterlijk jegens mij gedragen heeft. Maar Martha
+wil ik toch nog even zien. Zij moet aan Dina zeggen ... zij moet mij
+beloven.... (_hij gaat weg door de verste deur links_).
+
+BERNICK (_in zich zelf_). "Indian Girl"...? (_snel_). Lona, je _moet_
+dat verhinderen!
+
+LONA. Je ziet het zelf, Karsten ... ik heb geen macht meer over hem
+(_zij volgt Johan in de kamer links_).
+
+BERNICK (_onrustig_). Vergaan...?
+
+(_Aune komt op van rechts_).
+
+AUNE. Excuseer, is meneer de consul bezig?
+
+BERNICK (_keert zich driftig om_). Wat wil je?
+
+AUNE. Verzoeken of ik meneer een vraag mag doen?
+
+BERNICK. Nou ja; gauw dan. Wat wou je vragen?
+
+AUNE. Ik wou vragen of het vast staat ... onomstootelijk vast ... of ik
+afgedankt word als de "Indian Girl" morgen niet zou kunnen uitzeilen?
+
+BERNICK. Wat is dat? Het schip _is_ immers zeilklaar?
+
+AUNE. Ja ... dat is zoo. Maar als het nu eens niet zoo was ... werd ik
+dan ontslagen?
+
+BERNICK. Wat moet dat met zulke doellooze vragen?
+
+AUNE. Ik zou dat zoo graag willen weten, meneer Bernick. Zeg u alleen
+maar of ik ontslagen worden zou?
+
+BERNICK. Ben ik gewoon mijn woord te houden of niet?
+
+AUNE. Ik zou dus morgen mijn positie verliezen in mijn huis en onder hen
+die mij het naast zijn ... mijn invloed verliezen onder den
+werkmansstand ... alle gelegenheid verliezen om nuttig werkzaam te zijn
+onder de geringen en laaggeplaatsten in de maatschappij.
+
+BERNICK. Aune, die zaak is afgedaan.
+
+AUNE. Nou, dan moet de "Indian Girl" maar uitgaan.
+
+(_Korte stilte_).
+
+BERNICK. Hoor eens, ik kan mijn oogen niet overal hebben; kan niet voor
+alles aansprankelijk zijn;... je kunt mij toch wel de verzekering geven
+dat de reparaties behoorlijk uitgevoerd zijn?
+
+AUNE. U heeft mij een erg korten termijn gesteld, meneer.
+
+BERNICK. Maar de reparaties zijn betrouwbaar, zeg je?
+
+AUNE. Nou ... we hebben goed weer en het is zomer.
+
+(_Weer zwijgen_).
+
+BERNICK. Heb je me anders niets te zeggen?
+
+AUNE. Anders weet ik niet, meneer de consul.
+
+BERNICK. Dus de "Indian Girl" zeilt uit?...
+
+AUNE. Morgen?
+
+BERNICK. Ja.
+
+AUNE. Goed. (_Hij groet en gaat heen_).
+
+(_Bernik staat een oogenblik besluiteloos; gaat dan snel naar de
+entree-deur, alsof hij Aune wilde terugroepen; maar blijft onrustig
+staan met de hand op den deurknop. Op hetzelfde oogenblik wordt de deur
+van buiten geopend en treedt Krap binnen_).
+
+KRAP (_gedempt_). O zoo, hij was dus hier. Heeft hij bekend?
+
+BERNICK. Hm...; heeft u iets ontdekt?
+
+KRAP. Waarvoor zou dat nog noodig zijn? Zag u niet aan zijn oogen dat
+zijn geweten niet zuiver is?
+
+BERNICK. Och wat;... zoo iets kan men niet zien. Heeft u iets ontdekt,
+vraag ik?
+
+KRAP. Kon er niet bij komen; was te laat; ze waren al bezig het schip
+uit het dok te halen. Maar juist die haast bewijst duidelijk dat....
+
+BERNICK. Bewijst niets. Het schip is dus gekeurd?
+
+KRAP. Natuurlijk; maar....
+
+BERNICK. Ziet u nu wel. En men heeft natuurlijk geen klachten over iets
+uitgebracht?
+
+KRAP. Mijnheer Bernick, u weet maar al te goed hoe dat keuren in zijn
+werk gaat, vooral op een werf, die zoo'n goeden naam heeft als het onze.
+
+BERNICK. Dat doet er niet toe. Wij zijn van de verantwoordelijkheid af.
+
+KRAP. Mijnheer Bernick, heeft u waarlijk niet kunnen merken aan Aune,
+dat...?
+
+BERNICK. Aune heeft mij volmaakt gerustgesteld, zeg ik u.
+
+KRAP. En ik zeg u, dat ik moreel overtuigd ben, dat....
+
+BERNICK. Wat moet dat beteekenen, mijnheer Krap? Ik merk wel dat u iets
+tegen den man heeft; maar wil u hem te lijf, dan moet u een andere
+aanleiding zoeken. U weet hoeveel er mij aan gelegen is ... of beter
+gezegd aan de reederij ... dat de "Indian Girl" morgen onder zeil gaat.
+
+KRAP. Goed, goed; dan moet het maar; maar eer wij van dat schip weer wat
+hooren ... hm!
+
+(_Vigeland komt van rechts op_).
+
+VIGELAND. Uw dienaar, meneer Bernick. Heeft u een oogenblik tijd?
+
+BERNICK. Tot uw dienst, mijnheer Vigeland.
+
+VIGELAND. Ik kwam alleen maar eens hooren of u er ook niet voor is dat
+"de Palmboom" morgen uitgaat?
+
+BERNICK. Ja zeker; dat is ook zoo afgesproken.
+
+VIGELAND. Maar nu komt de kapitein bij mij en zegt dat er storm
+gesignaleerd is.
+
+KRAP. De barometer is sedert van ochtend sterk gedaald.
+
+BERNICK. Zoo? Wordt er storm verwacht?
+
+VIGELAND. Een stijve koelte althans; maar geen tegenwind,
+integendeel....
+
+BERNICK. Hm; ja, wat zegt u er van?
+
+VIGELAND. Ik zeg, zooals ik ook tegen de kapitein zei, dat "de Palmboom"
+in de hand der Voorzienigheid is. En buitendien gaat ze vooreerst toch
+alleen de Noordzee over; en in Engeland zijn de vrachtprijzen juist nu
+nog al tamelijk hoog, zoodat....
+
+BERNICK. Ja, het zou waarschijnlijk lijden tot verlies voor ons als wij
+wachten.
+
+VIGELAND. Het schip is immers ook solide en bovendien voor de volle
+waarde geassureerd. Neen, dan is het heel wat grooter risico met de
+"Indian Girl".
+
+BERNICK. Hoe bedoelt u dat?
+
+VIGELAND. Die zeilt immers ook morgen uit?
+
+BERNICK. Ja, de reederij heeft er erg achter heen gezeten, en
+bovendien....
+
+VIGELAND. Nou, als die oude kast het er op wagen kan ... en met zoo'n
+bemanning op den koop toe ... dan zou het wel schande zijn als wij
+niet....
+
+BERNICK. Zeker, zeker. U heeft vermoedelijk de scheepspapieren bij u?
+
+VIGELAND. Ja, hier zijn ze.
+
+BERNICK. Best; wil u dan maar naar binnen gaan met mijnheer Krap.
+
+KRAP. Alsjeblieft; komt dadelijk in orde.
+
+VIGELAND. Dank u.... En de uitkomst geven wij over aan de Almachtige,
+meneer de consul. (_Hij gaat met Krap in de voorste kamer links. Roerlund
+komt door den tuin op_).
+
+ROeRLUND. Welzoo, tref ik u om dezen tijd van den dag thuis, mijnheer
+Bernick.
+
+BERNICK (_in gedachte_). Zooals u ziet.
+
+ROeRLUND. Ik kom eigenlijk voor mevrouw. Ik dacht zoo dat een woord van
+troost haar welkom zou zijn.
+
+BERNICK. Dat zal het zeker. Maar _ik_ zou ook wel eens graag willen
+spreken.
+
+ROeRLUND. Met genoegen, mijnheer Bernick. Maar wat scheelt u? U ziet er
+zoo bleek en ontdaan uit.
+
+BERNICK. Zoo? Waarlijk? Ja, hoe kan het ook anders ... wat stapelt zich
+deze laatste dagen niet alles op elkaar om mij heen. Mijn eigen groote
+zaak ... en die spoorweg.... Hoort eens, mijnheer Roerlund. Mag ik u eens
+een vraag doen?
+
+ROeRLUND. Volgaarne.
+
+BERNICK. Ik ben over iets aan het denken geraakt. Als men voor een zaak
+staat van zoo verstrekkenden invloed, dat de welvaart van duizenden
+ermee gemoeid is.... Als dat nu een een enkel offer noodig maakte?
+
+ROeRLUND. Hoe meent u dat?
+
+BERNICK. Bijvoorbeeld: iemand denkt er over een groote fabriek op te
+richten. Hij weet zeker ... want dat heeft de ondervinding hem geleerd
+... dat vroeger of later het bedrijf in die fabriek menschenlevens
+kosten zal.
+
+ROeRLUND. Ja, dat is maar al te waarschijnlijk.
+
+BERNICK. Of een ander gaat mijnen exploiteeren. Hij neemt zoowel
+huisvaders als jonge levenslustige menschen in zijn dienst. Is het niet
+met zekerheid vooruit te zeggen dat die niet allen het leven er zullen
+afbrengen?
+
+ROeRLUND. Ja, helaas, dat is maar al te waar.
+
+BERNICK. Dus zoo iemand weet vooruit dat de zaak die hij ondernemen wil,
+zonder twijfel menschenlevens kosten zal. Maar die onderneming is van
+algemeen belang; voor ieder menschenleven dat ze kost zal hij evenzeer
+zonder twijfel de welvaart van honderden bevorderen.
+
+ROeRLUND. Jawel, u denkt aan de spoorweg ... aan al die gevaarlijke
+uitgravingen, het laten springen van rotsen, en zoo al meer....
+
+BERNICK. Ja ... juist, ik denk aan den spoorweg. En bovendien ... de
+spoorweg zal zoowel fabrieken als bergwerken doen ontstaan. Maar denkt u
+niet dat toch....
+
+ROeRLUND. Waarde mijnheer Bernick, u is haast al te nauwgezet. Ik bedoel
+dat als u de zaak overgeeft in de hand der Voorzienigheid....
+
+BERNICK. Ja ... zeker; de Voorzienigheid....
+
+ROeRLUND. ... dan is u verantwoord. Leg u maar gerust uw spoorweg aan.
+
+BERNICK. Ja, maar nu stel ik eens een bizonder geval. Ik stel, dat men
+op een gevaarlijke plek een rots moet laten springen; maar dat is daar
+bepaald noodzakelijk om den spoorweg tot stand te doen komen. Ik stel
+dat de ingenieur weet dat het den werkman, die de mijn moet doen
+ontvlammen, het leven kosten zal; maar het is de plicht van den
+ingenieur den werkman er heen te zenden om het te doen.
+
+ROeRLUND. Hm....
+
+BERNICK. Ik weet wat u zeggen wil. Het zou groot zijn als de ingenieur
+zelf de lont nam en er heen ging om de mijn te laten springen. Maar zoo
+iets doet men niet. Hij moet dus den werkman opofferen.
+
+ROeRLUND. Dat zou geen ingenieur bij ons ooit doen.
+
+BERNICK. Geen enkel ingenieur in de groote landen zou zich een oogenblik
+bedenken om het te doen.
+
+ROeRLUND. In de groote landen? Neen, dat geloof ik graag. In die
+verdorven en gewetenlooze maatschappij....
+
+BERNICK. O, er is heel veel goeds in die maatschappij.
+
+ROeRLUND. En dat kan u zeggen, u, die zelf...?
+
+BERNICK. In de groote maatschappij heeft iemand toch de ruimte om een
+nuttige onderneming te pousseeren; daar heeft men den moed iets op te
+offeren voor een groote zaak; maar hier wordt men belemmerd door
+allerlei onbeduidende consideraties en bedenkingen.
+
+ROeRLUND. Is een menschenleven een onbeduidende consideratie?
+
+BERNICK. Wanneer dit menschenleven nu als een belemmering staat
+tegenover de welvaart van duizenden?
+
+ROeRLUND. Maar u stelt gewoon ondenkbare gevallen, mijnheer! Ik begrijp u
+van daag heelemaal niet. En dan wijst u op de groote maatschappij....
+Ja, daarginder, wat is een menschenleven daar waard? Daar rekent men met
+menschenlevens als met kapitalen. Maar wij staan toch op een geheel
+ander zedelijk standpunt, zou ik denken. Kijk maar eens naar onzen
+eerwaardigen reeders-stand! Noem een enkelen reeder hier bij ons, die om
+snoode winst een menschenleven zou opofferen! En denk eens aan die
+schurken daarginder in de groote maatschappij, die ter wille van de
+winst het eene onzeewaardige schip na het andere bevrachten....
+
+BERNICK. Ik spreek niet van onzeewaardige schepen!
+
+ROeRLUND. Maar _ik_ spreek er van, mijnheer Bernick.
+
+BERNICK. Maar wat heeft dat er nu mee te maken? Dat raakt de heele zaak
+niet.... O, die kleine angstvallige overwegingen! Als een generaal bij
+ons zijn troepen in het vuur moest brengen en ze laten neerschieten, zou
+hij er achterna slapelooze nachten van hebben. Zoo is het elders niet.
+U moest eens hooren wat hij daarbinnen vertelt....
+
+ROeRLUND. Hij? Wie? De Amerikaan?...
+
+BERNICK. Ja, hij. U moet eens hooren hoe men in Amerika....
+
+ROeRLUND. Is hij binnen? En dat zegt u mij niet? Ik zal dadelijk....
+
+BERNICK. Het helpt u toch niets; met hem komt u toch niet verder.
+
+ROeRLUND. Dat zullen wij eens zien. O daar is hij. (_Johan komt uit de
+kamer links_).
+
+JOHAN (_praat in de open deur tegen iemand daar binnen_). Ja, ja, Dina,
+'t is goed; maar ik laat je toch niet los. Ik kom terug, en dan zal
+alles in orde komen tusschen ons.
+
+ROeRLUND. Met verlof, wat wil u daarmee zeggen? Wat is u van plan?
+
+JOHAN. Ik ben van plan het jonge meisje bij wie u mij gisteren belasterd
+heeft, tot mijn vrouw te maken.
+
+ROeRLUND. Tot uw?... En zou u denken dat...?
+
+JOHAN. Ik wil dat zij mijn vrouw zal worden.
+
+ROeRLUND. Nu, dan zal u ook hooren.... (_gaat naar de half-openstaande
+deur_). Mevrouw Bernick, wil u zoo goed zijn getuige te zijn.... En u
+ook, juffrouw Martha. En laat u Dina even hier komen (_ziet Lona_).
+O, is u ook hier?
+
+LONA (_in de deur_). Moet ik ook komen?
+
+ROeRLUND. Zooveel als maar willen; hoe meer hoe beter.
+
+BERNICK. Wat is u van plan?
+
+(_Lona, mevr. Bernick, Martha, Dina en Hilmar komen uit de kamer_).
+
+MEVR. BERNICK. Mijnheer Roerlund, ik heb met den besten wil niet kunnen
+beletten....
+
+ROeRLUND. _Ik_ zal het hem beletten, mevrouw.... Dina, je bent een
+onbezonnen meisje. Maar ik verwijt je dat niet zoo heel erg. Je hebt al
+veel te lang hier den zedelijken steun ontbeerd, die je staande moest
+houden. Ik maak er mezelf een verwijt van dat ik je dien steun al niet
+lang gegeven heb.
+
+DINA. U moet nu niets zeggen!
+
+MEVR. BERNICK. Wat moet dat beteekenen?
+
+ROeRLUND. Juist nu moet ik spreken, Dina, hoewel je gedrag gisteren en
+van daag het mij tienmaal moeilijker heeft gemaakt. Maar om jou te
+redden moeten alle andere overwegingen zwichten. Je herinnert je de
+woorden die ik tegen je zei; je herinnert je welk antwoord je beloofde
+mij te zullen geven als ik vond dat de tijd gekomen was. Nu mag ik mij
+niet langer bedenken, en daarom ... (_tegen Johan_) dit jonge meisje,
+dat u met uw aanzoeken lastig valt, is mijn verloofde!
+
+MEVR. BERNICK. Wat zegt u daar?
+
+BERNICK. Dina!
+
+JOHAN. Zij! Uw...?
+
+MARTHA. O neen, neen, Dina!
+
+LONA. Leugens.
+
+JOHAN. Dina ... zegt die man de waarheid?
+
+DINA (_na een oogenblik_). Ja.
+
+ROeRLUND. Hiermee zijn, naar ik hoop, alle verleidingskunsten machteloos
+gemaakt. De stap, dien ik in Dina's belang besloten heb te doen, mag
+volgaarne in onzen heelen kring bekend gemaakt worden. Ik voed de
+stellige hoop, dat er geen verkeerden uitleg aan gegeven worden zal.
+Maar nu, mevrouw, geloof ik dat wij het best zullen doen haar hier van
+daan te brengen, en te trachten weer rust en evenwicht in haar ziel te
+doen terugkeeren.
+
+MEVR. BERNICK. Ja, kom mee! O, Dina, wat een geluk voor je! (_zij leidt
+haar weg naar links; Roerlund gaat met hen mee_).
+
+MARTHA. Vaarwel, Johan! (_zij gaat weg_).
+
+HILMAR (_in de tuindeur_). Hum ... nou moet ik dan toch zeggen....
+
+LONA (_die Dina met de oogen gevolgd heeft_). Niet den moed verliezen,
+jongen. Ik blijf hier en zal op den dominee passen (_zij gaat weg naar
+rechts_).
+
+BERNICK. Johan, nu ga je toch niet weg met de "Indian Girl"?
+
+JOHAN. Juist nu wel.
+
+BERNICK. Maar dan kom je toch niet terug?
+
+JOHAN. Ik kom wel terug.
+
+BERNICK. Na wat er gebeurd is? Wat wil je dan nu nog?
+
+JOHAN. Me op jullie allemaal wreken; er zooveel ik maar kan van jullie
+verpletteren.
+
+(_Hij gaat naar rechts af. Vigeland en Krap komen uit Bernick's kamer_).
+
+VIGELAND. Ziezoo, nu zijn de papieren in orde, meneer de consul.
+
+BERNICK. Goed, goed....
+
+KRAP (_gedempt_). En het blijft er dus bij dat de "Indian Girl" morgen
+uitzeilt?
+
+BERNICK. Die zeilt uit. (_Hij gaat in zijn kamer. Vigeland en Krap gaan
+weg naar rechts. Hilmar wil met hen meegaan, maar op hetzelfde oogenblik
+steekt Olaf voorzichtig zijn hoofd buiten de deur links_).
+
+OLAF. Oom! Oom Hilmar!
+
+HILMAR. Oeh ben jij het? Waarom blijf je niet boven? Je hebt immers
+huisarrest.
+
+OLAF (_een paar passen naar voren_). Stil! Oom Hilmar, weet u 't nieuws?
+
+HILMAR. Ja, ik weet dat je een pak slaag hebt gehad van daag.
+
+OLAF (_kijkt dreigend naar de kamer van zijn vader_). Hij zal me niet
+dikwijls meer slaan. Maar weet u dat oom Johan morgen uitzeilt met de
+Amerikanen?
+
+HILMAR. Wat raakt jou dat? Maak dat je naar boven komt.
+
+OLAF. Ik zal misschien toch nog wel eens meegaan op buffeljacht, oom!
+
+HILMAR. 't Mocht wat; zoo'n papkind als jij....
+
+OLAF. Ja, wacht maar; morgen zal u eens wat hooren!
+
+HILMAR. Lummel!
+
+(_Hij gaat weg door den tuin. Olaf gaat de kamer weer in en sluit de
+deur als hij Krap ziet, die van rechts komt_).
+
+KRAP (_gaat naar de deur van Bernick's kamer en doet die half open_).
+Excuseer dat ik nog eens terugkom, mijnheer Bernick ... maar er komt een
+geweldige storm opzetten. (_Wacht een oogenblik; geen antwoord_). Moet
+de "Indian Girl" toch uitgaan? (_na een korte pauze antwoordt:_)
+
+BERNICK. De "Indian Girl" gaat toch uit.
+
+(_Krap sluit de deur en gaat weer weg naar rechts_).
+
+
+EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.
+
+
+[Illustratie: Mevr. Th. Mann-Bouwmeester als Lona in De steunpilaren
+der Maatschappij, 4e Bedrijf]
+
+
+ * * * * *
+
+
+VIERDE BEDRIJF.
+
+ Tuinkamer bij Bernick. De groote tafel is weggenomen. Het is een
+ stormachtige namiddag en al schemerdonker. De duisternis neemt toe
+ onder het volgende.
+
+ Een bediende steekt de kroon aan; een paar dienstmeisjes brengen
+ bloempotten, lampen en kaarsen, die zij op de tafels en gueridons
+ langs de wanden neerzetten. Rummel, in rok en witte das, met
+ handschoenen aan, staat in de kamer en geeft aanwijzingen.
+
+ * * * * *
+
+RUMMEL (_tegen den knecht_). Niet alle kaarsen, Jacob, om den anderen
+maar. Het mag er niet al te feestelijk uitzien, het moet een verrassing
+zijn. En al die bloemen...? Nou ja, laat die maar staan; de menschen
+kunnen denken dat die er alle dag staan....
+
+(_Bernick komt uit zijn kamer_).
+
+BERNICK (_nog in de deur_). Wat beteekent dat?
+
+RUMMEL. O je, ben jij daar al? (_tegen het personeel_). Ja, nu moet je
+zoo lang maar heengaan. (_De knecht en de meisjes gaan door de verste
+deur links weg_).
+
+BERNICK (_komt naderbij_). Maar Rummel, wat beteekent dat toch?
+
+RUMMEL. Dat beteekent dat het mooiste oogenblik van je leven gekomen is.
+De stad brengt van avond aan zijn voornaamsten burger een serenade.
+
+BERNICK. Wat zeg je?
+
+RUMMEL. Een serenade met muziek! Fakkels zouden wij er ook bij gehad
+hebben, maar dat durfden wij niet te wagen met dit stormachtige weer.
+Maar geillumineerd wordt er; en dat klinkt ook allemaal heel goed als
+het in de couranten komt.
+
+BERNICK. Hoor eens, Rummel, daar wil ik niets mee te maken hebben.
+
+RUMMEL. Ja, het is nu te laat; over een half uur hebben wij ze hier.
+
+BERNICK. Maar waarom heb je mij daar vooruit niets van gezegd?
+
+RUMMEL. Juist omdat ik bang was dat je er iets tegen zoudt hebben. Maar
+ik heb met je vrouw gecomplotteerd. Zij stond mij toe een-en-ander te
+arrangeeren en zal ook voor ververschingen zorgen.
+
+BERNICK (_luistert_). Wat is dat? Zijn ze daar al? 't Is of ik hoor
+zingen.
+
+RUMMEL (_bij de tuindeur_). Zingen? O, dat zijn de Amerikanen maar. Dat
+is de "Indian Girl" die uitgaat.
+
+BERNICK. Gaat die uit? Ja ... neen, ik kan van avond niet, Rummel, ik
+ben ziek.
+
+RUMMEL. Ja, je ziet er werkelijk slecht uit. Maar je moet je een beetje
+opmonteren. Wat bliksem, kerel, je _moet_. Sandstad en Vigeland en ik
+hechten het grootste gewicht aan het gelukken van die ovatie. Onze
+tegenstanders moeten verpletterd worden onder den druk van een zoo
+algemeen mogelijke uiting van sympathie. Er komen al geruchten in
+omloop; het bericht van de terrein-aankoopen is niet langer stil te
+houden. Je moet noodzakelijk al van avond, onder gezang en mooie
+toespraken en het klinken van glazen, enfin, onder den indruk van een
+gloeiende feeststemming, hen laten weten wat je voor het welzijn der
+maatschappij geriskeerd hebt. Onder den indruk van zoo'n gloeiende
+feeststemming, zooals ik zoo even zei, kan men hier bij ons ontzettend
+veel bereiken. Maar die hoort er dan ook bij, anders gaat het niet.
+
+BERNICK. Jawel, jawel....
+
+RUMMEL. En vooral als je met zoo'n delicate en netelige zaak voor den
+dag moet komen. Nou, je hebt Goddank, een naam die een duwtje velen kan.
+Maar luister eens; we moesten toch eerst eens het een-en-ander
+afspreken. Hilmar Toennesen heeft een vers op je gemaakt. Het begint heel
+mooi met de woorden: "Houdt hoog het vaandel der idee." En Roerlund heeft
+de opdracht gekregen de feestrede te houden. Daar moet je natuurlijk op
+antwoorden.
+
+BERNICK. Dat kan ik niet van avond, Rummel. Zou jij 't niet...?
+
+RUMMEL. Onmogelijk, al zou ik 't graag doen. De toespraak wordt, zooals
+je wel denken kunt, voornamelijk tot jou gericht. Nou, misschien krijgen
+wij anderen ook wel een paar woorden. Ik heb er met Vigeland en Sandstad
+over gesproken. Wij dachten zoo dat jij met een "leve het welzijn van
+onze maatschappij" zou kunnen antwoorden; Sandstad zal eenige woorden
+spreken over de eendracht tusschen de verschillende klassen onzer
+maatschappij; Vigeland zal dan iets zeggen van hoe gewenscht het is dat
+de nieuwe onderneming het moreele fondament waarop wij staan, niet zal
+doen wankelen, en ik denk met een paar gepaste woorden de vrouwen te
+gedenken, wier meer bescheiden werkkring ook niet zonder beteekenis is
+voor de maatschappij. Maar je luistert heelemaal niet....
+
+BERNICK. Jawel ... zeker. Maar zeg eens, geloof je dat het zwaar weer is
+op zee?
+
+RUMMEL. O, je bent bang voor "de Palmboom"? Die is immers goed
+geassureerd.
+
+BERNICK. Geassureerd, ja; maar....
+
+RUMMEL. En een flink schip; en dat is het voornaamste.
+
+BERNICK. Hm.... Als er iets gebeurt met een schip, dan is het daarom nog
+niet gezegd dat er menschenlevens mee verloren gaan. Het schip en de
+lading kunnen verloren gaan ... en men kan koffers en papieren
+verliezen....
+
+RUMMEL. Wat drommel, koffers en papieren beteekenen toch zooveel niet.
+
+BERNICK. Dat niet! Neen, neen, ik wou maar zeggen.... Stil ... daar
+zingen ze weer.
+
+RUMMEL. Dat is aan boord van "de Palmboom".
+
+(_Vigeland komt van rechts_).
+
+VIGELAND. Ja, "de Palmboom" loopt aanstonds uit. Goeden avond, meneer de
+consul.
+
+BERNICK. En u, die een zeevaartkundige is, blijft u er bij dat...?
+
+VIGELAND. Ik houd mij aan de Voorzienigheid, meneer de consul. Bovendien
+ben ik zelf aan boord geweest en heb eenige traktaatjes uitgedeeld, die,
+naar ik hoop, een gezegende uitwerking zullen hebben.
+
+(_Sandstad en Krap komen van rechts_).
+
+SANDSTAD (_nog in de deur_). Ja, als dat goed gaat, dan gaat alles goed.
+Zoo, goeden avond, goeden avond!
+
+BERNICK. Is er iets aan de hand, mijnheer Krap?
+
+KRAP. Ik zeg niemendal, mijnheer Bernick.
+
+SANDSTAD. De heele bemanning op de "Indian Girl" is dronken. Ik zal geen
+eerlijk man zijn als die beesten er levend afkomen.
+
+(_Lona komt van rechts_).
+
+LONA (_tegen Bernick_). Zoo ... nu kan ik je van hem groeten.
+
+BERNICK. Al aan boord?
+
+LONA. Zoo dadelijk ten minste. We namen afscheid voor de deur van het
+hotel.
+
+BERNICK. En zijn plan staat vast?
+
+LONA. Vast als een rots.
+
+RUMMEL (_bij het raam_). De drommel hale die nieuwmodische inrichtingen!
+Ik kan die gordijnen niet naar beneden krijgen.
+
+LONA. Moeten ze naar beneden? Ik dacht juist....
+
+RUMMEL. Eerst naar beneden, juffrouw. U weet immers wat er gebeuren
+gaat?
+
+LONA. Jawel, laat mij u eens helpen. (_Pakt de koorden beet_). Ik laat
+het gordijn zakken voor mijn zwager ... hoewel ik het liever zou
+ophalen.
+
+RUMMEL. Dat kan u ook doen, straks. Als de tuin vol menschen is gaan de
+gordijnen op, en dan zien zij binnen een verraste en blijde familie ...
+het huis van een stadsburger moet zijn als een glazen huis.
+
+BERNICK (_schijnt iets te willen zeggen, maar keert snel om en gaat naar
+zijn kamer_).
+
+RUMMEL. Laat ons nu nog even voor het laatst alles afspreken. Kom mee,
+mijnheer Krap, u moet ons helpen met een paar inlichtingen.
+
+(_Al de heeren gaan de kamer van Bernick binnen. Lona heeft de gordijnen
+voor het raam dichtgetrokken en wil juist ook dat voor de openstaande
+glazen deur dichttrekken, als Olaf van bovenaf op de tuinpad springt.
+Hij heeft een plaid over de schouders en een bundel in de hand_).
+
+LONA. O! Goede Hemel, jongen, is me dat doen schrikken!
+
+OLAF (_verbergt zijn bundel_). Sst! tante!
+
+LONA. Spring je uit het raam? Waar moet je naar toe?
+
+OLAF. Stil; niets zeggen. Ik ga naar oom Johan ... even maar naar de
+steiger, weet u ... alleen maar even afscheid nemen. Goeden nacht,
+tante! (_Hij loopt weg door den tuin_).
+
+LONA. Neen, blijf hier! Olaf!... Olaf!
+
+(_Johan, gekleed voor de reis, met een tasch over zijn schouders, komt
+voorzichtig door de deur rechts_).
+
+JOHAN. Lona!
+
+LONA (_keert zich om_). Wat! Kom je terug?
+
+JOHAN. Ik heb nog een paar minuten tijd. Ik moet haar nog eens zien. Wij
+kunnen zoo niet van elkaar gaan.
+
+(_Martha en Dina, allebei met mantels om, en de laatste met een klein
+valies in de hand, komen door de verste deur links_).
+
+DINA. Naar hem toe! naar hem!
+
+MARTHA. Ja, Dina, je zult naar hem toe!
+
+DINA. Daar is hij!
+
+JOHAN. Dina!
+
+DINA. Neem me mee!
+
+JOHAN. Wat...!
+
+LONA. Wil je dat?
+
+DINA. Ja, neem me mee! Die andere heeft mij geschreven ... heeft gezegd
+dat van avond alle menschen het weten zullen....
+
+JOHAN. Dina, hou je niet van hem?
+
+DINA. Ik heb nooit van hem gehouden. Ik spring in het water als ik zijn
+verloofde worden moet. O wat heeft hij mij gisteren vernederd met zijn
+arrogante woorden! Wat liet hij mij voelen dat hij een minderwaardige
+tot zich ophief. Ik duld niet langer die geringschatting. Ik wil weg.
+Mag ik met je meegaan?
+
+JOHAN. Ja, ja ... duizendmaal ja!
+
+DINA. Ik zal je niet lang tot last zijn. Help mij alleen maar om naar
+Amerika te komen; help mij een beetje terecht in het begin....
+
+JOHAN. Hoera! Dat zal wel in orde komen, Dina!
+
+LONA (_wijst naar Bernick's deur_). Sst; zachtjes, zachtjes!
+
+JOHAN. Dina, ik zal je op de handen dragen!
+
+DINA. Dat mag je niet. Ik wil zelf vooruitkomen; en daarginder kan ik
+dat wel. Als ik maar eerst van hier weg ben. O, die mevrouwen ... dat
+weet je nog niet ... die hebben mij ook geschreven van daag. Zij hebben
+mij vermaand dat ik mijn geluk toch goed beseffen moest, mij
+voorgehouden hoe grootmoedig hij zich betoond heeft. Morgen en alle
+dagen zullen zij zitten op te letten om te zien of ik mij dat alles wel
+waardig maak. Ik heb een afschuw van al die vroomheid!
+
+JOHAN. Zeg mij eens, Dina, is het daarom alleen dat je weggaat? Ben ik
+niets voor je?
+
+DINA. Zeker, Johan, je bent meer voor mij dan alle andere menschen te
+zamen.
+
+JOHAN. O Dina...!
+
+DINA. Ze zeggen hier allemaal dat ik je moet haten en verafschuwen, dat
+dat mijn plicht is. Maar ik begrijp niet waarom dat mijn plicht zou
+zijn, en zal dat ook nooit leeren begrijpen.
+
+LONA. Dat moet je ook niet, mijn kind!
+
+MARTHA. Neen, dat moet je niet; en daarom moet je ook met hem meegaan
+als zijn vrouw.
+
+JOHAN. Ja, ja!
+
+LONA. Wat? Daarvoor moet ik je een zoen geven Martha! Dat had ik van jou
+niet verwacht.
+
+MARTHA. Neen, dat wil ik wel gelooven; ik had 't zelf ook niet verwacht.
+Maar eens moest het bij mij tot een uitbarsting komen. Ach, wat gaan wij
+hier toch gebukt onder den vloek van traditie en gewoonte! Kom daar
+tegen op, Dina. Word zijn vrouw. Doe iets dat al dien sleur trotseert!
+
+JOHAN. Wat is je antwoord, Dina?
+
+DINA. Ja, ik wil je vrouw worden.
+
+JOHAN. Dina!
+
+DINA. Maar eerst wil ik werken, zelf iets worden ... net als jij. Ik wil
+geen ding zijn dat genomen wordt.
+
+LONA. Braaf zoo ... zoo moet het wezen.
+
+JOHAN. Goed; ik zal wachten en hopen....
+
+LONA. ... en winnen, jongen! Maar nu aan boord!
+
+JOHAN. Ja, aan boord! O, Lona! mijn lieve zuster, nog even een woordje.
+Hoor eens.... (_hij gaat met haar naar den achtergrond en spreekt
+haastig met haar_).
+
+MARTHA. Dina, jij gelukkige!... laat mij je eens aanzien, je nog eens
+omhelzen ... voor 't allerlaatst....
+
+DINA. Niet voor 't laatst; neen, lieve, beste tante, wij zullen elkaar
+terugzien.
+
+MARTHA. Nooit meer! Beloof mij dat, Dina, kom nooit meer terug (_grijpt
+haar beide handen en kijkt haar aan_). Nu ga je het geluk tegemoet, mijn
+lief kind ... over de groote zee. O, hoe dikwijls heb ik daar naar
+verlangd, als ik in de school was! Daarginder moet het mooi zijn, een
+ruimere hemel; de wolken gaan daar hooger dan hier; een vrijere lucht
+waait daar over de hoofden der menschen heen....
+
+DINA. O, tante Martha, u volgt ons nog wel eens.
+
+MARTHA. Ik? Nooit; nooit. Hier heb ik mijn kleine levenstaak, en nu
+geloof ik wel dat ik geheel en onverdeeld zal kunnen worden wat ik zijn
+moet.
+
+DINA. Ik kan er niet aan denken dat ik van u afscheid nemen moet.
+
+MARTHA. Ach, een mensch kan van veel afscheid nemen, Dina (_kust haar_).
+Maar dat zal je, hoop ik, nooit ondervinden, mijn lief kind. Beloof mij
+dat je hem gelukkig maken zult.
+
+DINA. Ik wil niets beloven; ik heb een hekel aan beloven; alles moet
+gaan zooals het gaan kan.
+
+MARTHA. Ja, ja; dat is zoo. Blijf jij maar zooals je bent ... waar en
+trouw tegenover je zelf.
+
+DINA. Dat zal ik, tante.
+
+LONA (_verbergt, terwijl zij terug komt, eenige papieren die Johan haar
+gegeven heeft_). Braaf, braaf, mijn beste jongen! Maar nu moet je weg!
+
+JOHAN. Ja, nu hebben wij geen tijd meer te verliezen. Vaarwel, Lona;
+dank voor al je liefde. Vaarwel Martha, en dank, jij ook, voor je trouwe
+vriendschap.
+
+MARTHA. Vaarwel, Johan! Vaarwel, Dina! En veel geluk je leven lang!
+
+(_Zij en Lona dringen hen zachtjes naar de deur in den achtergrond.
+Johan en Dina gaan snel den tuin door. Lona sluit de deur en trekt het
+gordijn er voor_).
+
+LONA. Nu zijn wij alleen, Martha. Jij hebt haar verloren en ik hem.
+
+MARTHA. Jij hem...?
+
+LONA. O, ik had hem daarginder al half verloren. De jongen begon te
+verlangen om op eigen beenen te staan; daarom maakte ik hem wijs dat ik
+heimwee had.
+
+MARTHA. Daarom? Ja dan begrijp ik dat je terugkwam. Maar hij zal naar
+jou terug verlangen Lona.
+
+LONA. Naar een oude stiefzuster?... wat zou hij daar nu nog aan hebben?
+Om hun geluk te bereiken, verscheuren mannen zoo gemakkelijk wat hen
+bindt.
+
+MARTHA. Ja; dat gebeurt wel eens.
+
+LONA. Maar wij blijven bij elkaar, Martha.
+
+MARTHA. Kan ik dan iets voor je zijn?
+
+LONA. Voor wie zou je meer kunnen zijn? Wij twee pleegmoeders ... hebben
+wij niet allebei onze kinderen verloren? Nu zijn wij alleen.
+
+MARTHA. Ja, alleen. En daarom zal jij het ook weten ... ik heb hem boven
+alles in de wereld lief gehad.
+
+LONA. Martha! (_grijpt haar arm_). Is dat waar?
+
+MARTHA. Mijn heele leven ligt in die woorden. Ik heb hem liefgehad en op
+hem gewacht. Iederen zomer heb ik verwacht dat hij komen zou. En toen
+kwam hij eindelijk;... maar hij zag mij niet.
+
+LONA. Hem liefgehad! En jij zelf was het die hem het geluk in handen
+gaf.
+
+MARTHA. Zou ik hem het geluk niet geven als ik hem toch liefhad? Ja, ik
+heb hem liefgehad. Heel mijn leven is een leven voor hem geweest, van
+het oogenblik af dat hij wegging. Of ik reden had om te hopen, denk je?
+O ja, ik geloof wel dat ik daar reden toe had. Maar toen hij nu
+terugkwam ... toen was het of alles uit zijn herinnering was weggevaagd.
+Hij zag mij niet.
+
+LONA. Het was Dina die je in de schaduw stelde, Martha.
+
+MARTHA. 't Was goed dat zij het deed. Toen hij wegging indertijd, waren
+wij van gelijken leeftijd. Toen ik hem terugzag.... O, dat vreeselijke
+oogenblik!... werd het mij duidelijk dat ik nu tien jaar ouder was dan
+hij. Hij had daarginder gewerkt in den helderen warmen zonneschijn, en
+jeugd en gezondheid ingedronken met iederen ademtocht. En terwijl zat ik
+hier binnen en spon en spon....
+
+LONA. ... den draad van zijn geluk, Martha.
+
+MARTHA. Ja, het was goud dat ik spon, Lona. Geen bitterheid! Niet waar,
+wij zijn allebei goede zusters voor hem geweest?
+
+LONA (_slaat de armen om haar heen_). Martha!
+
+(_Bernick komt uit zijn kamer_).
+
+BERNICK (_tegen de heeren binnen_). Ja, ja, beschik alles maar zooals je
+'t best vindt. Als het tijd is zal ik wel.... (_sluit de deur_). O, is
+daar iemand? Hoor eens, Martha, je moet je een beetje gaan verkleeden.
+En zeg aan Betty dat zij het ook doet. Ik verlang natuurlijk geen groot
+toilet ... alleen maar een nette huisjapon. Maar je moet je haasten.
+
+LONA. En een vroolijk, opgeruimd gezicht er bij zetten, Martha, en een
+paar blijde oogen.
+
+BERNICK. Olaf moet ook beneden komen; ik wil dat hij naast mij zal
+staan.
+
+LONA. Hm; Olaf....
+
+MARTHA. Ik zal het Betty gaan zeggen (_zij gaat weg door de verste deur
+links_).
+
+LONA. Dus nu is het gewichtige, plechtige oogenblik gekomen.
+
+BERNICK (_die onrustig op en neer loopt_). Ja ... nu is het er dan.
+
+LONA. Ik kan mij voorstellen dat een man zich op zoo'n oogenblik trotsch
+en gelukkig voelt.
+
+BERNICK (_kijkt haar aan_). Hm.
+
+LONA. De heele stad zal geillumineerd zijn, hoor ik.
+
+BERNICK. Ja, zoo iets zijn ze van plan.
+
+LONA. Alle vereenigingen met hun banieren zullen zich aansluiten bij den
+stoet. Je naam zal in vurige letters prijken. Van nacht zal er naar alle
+kanten getelegrafeerd worden: "In den kring zijner gelukkige familie
+ontving Consul Bernick de hulde van zijn medeburgers als een der
+steunpilaren der maatschappij."
+
+BERNICK. Dat zal wel; en buiten zullen ze hoera roepen, en de menigte
+zal net zoo lang juichen tot ik mij daar in de deur vertoon, en dan ben
+ik wel gedwongen om te gaan buigen en bedanken.
+
+LONA. O, gedwongen....
+
+BERNICK. Denk je soms dat ik mij op dit oogenblik gelukkig voel?
+
+LONA. Neen, ik geloof niet dat je je zoo echt heelemaal gelukkig voelen
+kunt.
+
+BERNICK. Lona, je veracht me.
+
+LONA. Nog niet.
+
+BERNICK. Daartoe heb je ook niet het recht. Niet om mij te
+_verachten_!... Lona, je kunt niet begrijpen hoe onzegbaar eenzaam ik
+hier sta in deze benauwde bekrompen maatschappij ... hoe ik jaar op jaar
+mijn eischen voor een bevredigende levenstaak lager heb moeten stellen.
+Wat heb ik eigenlijk gedaan, al lijkt het ook nog zooveel? Lapwerk ...
+prutserijen! Wat anders of wat meer wordt hier niet geduld. Als ik een
+stap verder zou willen gaan dan strookt met de stemming van de
+opvatting, die juist aan de orde van den dag zijn, dan was het uit met
+mijn macht. Weet je wat wij zijn, wij, die beschouwd worden als de
+steunpilaren van de maatschappij? Wij zijn het werktuig der maatschappij
+... niets meer en niets minder.
+
+LONA. Hoe komt het dat je dat nu pas inziet?
+
+BERNICK. Doordat ik veel nagedacht heb den laatsten tijd ... sedert jij
+terug kwam--en vooral van avond.... O, Lona, waarom heb ik jou niet
+heelemaal gekend indertijd ... in dien ouden tijd!
+
+LONA. En wat dan?
+
+BERNICK. Dan had ik je nooit losgelaten; en had ik jou gehad, dan stond
+ik nu niet waar ik sta.
+
+LONA. En denk je er niet aan wat _zij_ voor je had kunnen worden, zij,
+die je koos in mijn plaats?
+
+BERNICK. Ik weet in elk geval, dat zij voor mij niet is geworden dat,
+waaraan ik zoozeer behoefte had.
+
+LONA. Omdat je nooit je levenstaak met haar gedeeld hebt; omdat jullie
+verhouding nooit open en waar is geweest; omdat je haar laat verkwijnen
+onder het verwijt van de schande, die jij gebracht hebt over haar naaste
+betrekkingen.
+
+BERNICK. Ja ... ja ... ja; dat komt allemaal van de leugen en den
+valschen schijn.
+
+LONA. En waarom breek je dan niet met al die leugens en valschen schijn?
+
+BERNICK. Nu nog? Nu is het te laat, Lona.
+
+LONA. Karsten, zeg me toch eens, wat voor bevrediging geeft het toch die
+schijn en dat bedrog?
+
+BERNICK. Mij geven ze niets. Ik moet ten onder gaan net als deze heele
+knoei-maatschappij. Maar er groeit een geslacht op dat na ons komt. Het
+is voor mijn zoon dat ik werk; voor hem maak ik een levenstaak klaar.
+Er zal een tijd komen dat in het maatschappelijke leven waarheid zal
+heerschen, en daarop zal hij een gelukkiger bestaan grondvesten dan dat
+van zijn vader was.
+
+LONA. Met een leugen als onderlaag? Bedenk toch wat je je zoon als
+erfenis achterlaat.
+
+BERNICK (_met onderdrukte wanhoop_). Ik laat hem nog duizendmaal
+slechter erfenis na dan je weet. Maar eens moet toch de vloek worden
+opgeheven. En toch ... toch.... (_uitbarstend_). Hoe kon jullie mij dat
+alles toch aandoen! Maar 't is gebeurd. Nu moet ik verder. Het zal
+jullie niet gelukken mij er onder te krijgen!
+
+(_Hilmar met een open briefje in de hand komt haastig en ontsteld van
+rechts_).
+
+HILMAR. Maar dat is toch ... Betty, Betty!
+
+BERNICK. Wat is er? Komen ze al?
+
+HILMAR. Neen, neen; maar ik moet noodzakelijk iemand spreken.... (_hij
+gaat weg door de verste deur links_).
+
+LONA. Karsten, je praat er van dat wij gekomen zouden zijn om je er
+onder te krijgen. Laat mij je eens zeggen, van welk metaal hij is
+gemaakt, die verloren zoon, dien jullie brave maatschappij schuwt als
+een pestlijder. Hij kan jullie missen want hij is nu weg.
+
+BERNICK. Maar hij wou terugkomen....
+
+LONA. Johan komt nooit meer terug. Hij is voor goed weg en Dina is met
+hem meegegaan.
+
+BERNICK. Komt hij niet terug? En is Dina met hem mee?
+
+LONA. Ja, om daarginder zijn vrouw te worden. Zoo geven die twee je
+deugdzame maatschappij een slag in het gezicht ... net als ik indertijd
+... nou ja!
+
+BERNICK. Weg ... zij ook ... met de "Indian Girl"...!
+
+LONA. Neen; zoo'n kostbaren last durfde hij niet aan die roekelooze
+bende toe te vertrouwen. Johan en Dina zijn vertrokken met "de
+Palmboom".
+
+BERNICK. Ah...! Dus voor niets.... (_loopt snel heen, rukt de deur van
+zijn kamer open en roept naar binnen_). Krap, hou de "Indian Girl" op;
+die moet van avond niet uitzeilen!
+
+KRAP (_binnen in de kamer_). "Indian Girl" is al in zee, mijnheer.
+
+BERNICK (_sluit de deur en zegt met matte stem_): Te laat ... en
+onnoodig....
+
+LONA. Wat meen je?
+
+BERNICK. Niets, niets. Ga weg...!
+
+LONA. Hm; kijk eens Karsten. Johan laat je zeggen dat hij mij zijn
+reputatie toevertrouwt die hij jou eens leende, en ook den eerlijken
+naam dien je hem ontnam toen hij weg was. Johan zal zwijgen; en ik kan
+doen en laten in die zaak wat ik wil. Kijk, hier heb ik je beide brieven
+in mijn hand.
+
+BERNICK. Heb jij die? En nu ... nu wil je ... van avond al ... misschien
+als de serenade....
+
+LONA. Ik kwam niet hier om je te verraden, maar om je wakker te schudden
+dat je uit eigen beweging de waarheid zoudt zeggen. Dat is mij niet
+gelukt. Blijf dan voortleven in je leugen! Kijk ... ik verscheur beide
+brieven. Neem de stukken ... daar heb je ze. Nu is er niets meer dat
+tegen je getuigen kan, Karsten. Nu kan je gerust zijn; wees nu ook
+gelukkig ... als je kunt.
+
+BERNICK (_ontroerd_). Lona ... waarom heb je dat niet eerder gedaan! Nu
+is het te laat; nu heb ik mijn heele leven verspeeld; ik kan niet meer
+leven na dezen dag.
+
+LONA. Wat is er dan gebeurd?
+
+BERNICK. Vraag het mij niet.... Maar ik _moet_ toch verder leven! Ik
+_wil_ leven ... voor Olaf. Hij moet alles weer goed maken, boete doen
+voor alles....
+
+LONA. Karsten...!
+
+(_Hilmar komt haastig terug_).
+
+HILMAR. Nergens te vinden; weg; Betty ook niet!
+
+BERNICK. Wat scheelt je?
+
+HILMAR. Ik durf het je niet zeggen.
+
+BERNICK. Wat is dat? Je moet en zult het mij zeggen!
+
+HILMAR. Nu dan; Olaf is er van door met de "Indian Girl".
+
+BERNICK (_tuimelt achteruit_). Olaf ... met de "Indian Girl"! Neen ...
+neen!
+
+LONA. Ja, 't is waar! Nu begrijp ik het ... ik zag dat hij uit het raam
+sprong.
+
+BERNICK (_in de deur van zijn kamer roept in wanhoop_). Krap, hou de
+"Indian Girl" op om alles in de wereld.
+
+KRAP (_komt naar buiten_). Onmogelijk, mijnheer. Hoe kan u denken
+dat....
+
+BERNICK. Wij _moeten_ het schip ophouden.... Olaf is aan boord!
+
+KRAP. Wat zegt u!
+
+RUMMEL (_komt naar buiten_). Olaf weggeloopen? Niet mogelijk!
+
+SANDSTAD (_komt ook_). Hij zal wel met den loods teruggestuurd worden,
+mijnheer Bernick.
+
+HILMAR. Neen, neen; hij heeft mij geschreven; (_laat het briefje zien_)
+hij zegt dat hij zich in het ruim verstoppen zal tot zij in volle zee
+zijn.
+
+BERNICK. Ik zie hem nooit terug!
+
+RUMMEL. Och wat, onzin! Een sterk, flink schip, pas gerepareerd....
+
+VIGELAND (_ook buiten gekomen_). ... van uw eigen werf, meneer de
+consul!
+
+BERNICK. Ik zie hem nooit terug, zeg ik jullie! Ik ben hem kwijt, Lona,
+en ... nu zie ik het in ... ik heb hem nooit gehad (_luistert_). Wat is
+dat?
+
+RUMMEL. Muziek. Daar komt de serenade.
+
+BERNICK. Ik kan niet, ik wil niemand ontvangen.
+
+RUMMEL. Waar denk je aan! Dat is onmogelijk.
+
+SANDSTAD. Onmogelijk, meneer; bedenk toch wat er voor u op het spel
+staat.
+
+BERNICK. Wat kan mij dat alles nu nog schelen! Wien heb ik nu nog om
+voor te werken?
+
+RUMMEL. Hoe kan je zoo iets vragen? Wij zijn er toch nog en de
+maatschappij!
+
+VIGELAND. Dat was een waar woord.
+
+SANDSTAD. En meneer vergeet toch zeker niet dat wij.... (_Martha komt
+door de verste deur links. Men hoort de muziek in de verte_).
+
+MARTHA. Daar komt de stoet; maar Betty is niet thuis; ik begrijp niet
+waar zij....
+
+BERNICK. Niet thuis! Daar zie je het nu Lona, geen steun ... noch in
+vreugde, noch in leed!
+
+RUMMEL. Haal de gordijnen op! Help mij eens even, mijnheer Krap. U ook
+mijnheer Sandstad. Doodjammer dat de familie nu juist zoo verspreid is!
+Heelemaal niet volgens het programma.
+
+(_De gordijnen van de deur en de ramen worden weggetrokken. Men ziet de
+heele straat geillumineerd. Tegen het huis aan de overzijde is een groot
+transparant geplaatst met het opschrift: "Leve Consul Bernick, de steun
+onzer maatschappij!"_).
+
+BERNICK (_wijkt schuw terug_). Weg met dat alles! Ik wil het niet zien!
+Doe uit! Doe uit!
+
+RUMMEL. Met alle respect, Bernick, is het je in 't hoofd geslagen?
+
+MARTHA. Wat scheelt hem, Lona?
+
+LONA. Sst! (_zij praat zachtjes met haar_).
+
+BERNICK. Weg met die honende opschrift, zeg ik! Zie jullie niet dat die
+lichten de tongen naar ons uitsteken?
+
+RUMMEL. Neen maar, nu moet ik toch bekennen....
+
+BERNICK. Och, wat begrijpen jullie ook...! Maar ik, ik...! Lichten in
+een sterfkamer zijn het!
+
+KRAP. Hm....
+
+RUMMEL. Neen, maar, hoor eens, Bernick, je trekt je dat al te erg aan.
+
+SANDSTAD. De jongen maakt een plezierreisje over den Oceaan, en dan
+krijgt u hem weer terug.
+
+VIGELAND. Maar vertrouwen op den Almachtige, meneer de consul.
+
+RUMMEL. En op de schuit, Bernick; die zal toch wel niet zoo dadelijk
+zinken, vermoed ik.
+
+KRAP. Hm....
+
+RUMMEL. Ja, als het nu een van die drijvende lijkkisten was, waar je zoo
+van hoort in de groote maatschappij....
+
+BERNICK. Ik voel dat mijn haar grijs wordt in dit uur. (_Mevrouw
+Bernick, met een grooten doek over haar hoofd, komt de tuindeur door_).
+
+MEVR. BERNICK. Karsten, Karsten! Weet je...!
+
+BERNICK. Ja, ik weet ... maar jij;... jij, die niets ziet,... jij, die
+geen moederoog voor hem hebt...!
+
+MEVR. BERNICK. O, luister toch...!
+
+BERNICK. Waarom heb je niet over hem gewaakt? Nu heb ik hem verloren.
+Geef hem mij terug als je kunt!
+
+MEVR. BERNICK. Ja, dat kan ik, ik heb hem!
+
+DE HEEREN. Ah...!
+
+HILMAR. Nou, dat dacht ik ook wel.
+
+MARTHA. Karsten, je hebt hem terug!
+
+LONA. Ja; maar weet hem nu ook voor je te winnen.
+
+BERNICK. Je hebt hem! Is het waar wat je zegt? Waar is hij?
+
+MEVR. BERNICK. Dat zeg ik je niet voor je hem vergeven hebt.
+
+BERNICK. Och wat, vergeven...! Maar hoe kwam je te weten...?
+
+MEVR. BERNICK. Denk je dat een moeder niets ziet? Ik was in doodsangst
+dat je er iets van merken zoudt. Een paar woorden die hij gisteren
+losliet ... en toen zijn kamer leeg was en zijn ransel en zijn kleeren
+weg waren....
+
+BERNICK. Ja ... ja...?
+
+MEVR. BERNICK. ... ging ik loopen; haalde Aune op; wij zijn met zijn
+zeilboot uitgegaan; het Amerikaansche schip wou juist uitzeilen. Goddank
+kwamen wij nog bijtijds ... ging aan boord, liet het ruim doorzoeken ...
+vond hem.... O Karsten, je moet hem niet straffen!
+
+BERNICK. Betty!
+
+MEVR. BERNICK. En ook Aune niet!
+
+BERNICK. Aune? Wat weet je van hem? Is de "Indian Girl" weer onder zeil?
+
+MEVR. BERNICK. Neen, dat is juist de zaak....
+
+BERNICK. Toe zeg ... gauw!
+
+MEVR. BERNICK. Aune was net zoo ontdaan als ik; het onderzoek nam nog al
+tijd; het begon donker te worden zoodat de loods bezwaren begon te
+opperen, en zoo verstoutte Aune zich ... om in jou naam....
+
+BERNICK. Wat?
+
+MEVR. BERNICK. Het schip tot morgen op te houden.
+
+KRAP. Hm....
+
+BERNICK. O, wat een onuitsprekelijk geluk!
+
+MEVR. BERNICK. Ben je niet boos?
+
+BERNICK. O Betty, wat een overstelpend geluk!
+
+RUMMEL. Je bent ook veel te nauwgezet.
+
+HILMAR. Ja, zoodra er sprake is van een kleinen strijd met de elementen,
+dan ... oeh!
+
+KRAP (_bij het raam_). Daar komt de stoet door het tuinhek, mijnheer.
+
+BERNICK. Ja, nu mag hij komen.
+
+RUMMEL. De heele tuin loopt vol menschen.
+
+SANDSTAD. De heele straat is propvol.
+
+RUMMEL. De heele stad is op de been, Bernick. Het is waarlijk een
+verheffend oogenblik.
+
+VIGELAND. Laat ons het in deemoed aannemen, meneer Rummel.
+
+RUMMEL. Alle banieren zijn er bij. Wat een stoet! Daar hebben we de
+feestcommissie met mijnheer Roerlund aan het hoofd.
+
+BERNICK. Laat ze nu maar komen, zeg ik!
+
+RUMMEL. Maar hoor eens, in den opgewonden toestand, waarin je
+verkeert....
+
+BERNICK. Wat dan?
+
+RUMMEL. Zou ik niet ongenegen zijn het woord in jou plaats te voeren.
+
+BERNICK. Neen, dank je; van avond wil ik zelf spreken.
+
+RUMMEL. Maar weet je ook wat je zeggen moet?
+
+BERNICK. Jawel, wees maar gerust, Rummel,... nu weet ik wel wat ik
+zeggen moet.
+
+(_De muziek is intusschen opgehouden. De tuindeur wordt geopend. Roerlund
+treedt binnen aan het hoofd van de feestcommissie, vergezeld van een
+paar huurbedienden, die een overdekte mand dragen. Achter hen komen de
+burgers van de stad van alle standen, zooveel als de kamer maar bergen
+kan. Een onafzienbare menigte met banieren en vlaggen ontwaart men
+buiten in den tuin en op de straat_).
+
+ROeRLUND. Hoog vereerde Heer Consul! Ik zie aan de verrassing die zich op
+uw gelaat afspiegelt, dat wij hier als onverwachte gasten binnen dringen
+in uw gelukkigen familiekring, aan uw vredigen haard, omringd door
+achtenswaardige en werkzame vrienden en medeburgers. Maar het was ons
+een behoefte des harten u onze hulde te brengen. Het is niet de eerste
+keer dat zoo iets gebeurt, maar wel voor het eerst in zoo veelomvattende
+mate. Wij hebben u menigmaal onzen dank gebracht voor den breeden
+moreelen grondslag, waarop u om zoo te zeggen, onze maatschappij heeft
+opgebouwd. Dezen keer huldigen wij u in het bizonder als de
+helderziende, onvermoeide, onzelfzuchtige, ja zelfopofferende
+medeburger, die het initiatief heeft genomen in een onderneming, die,
+volgens de meening van alle deskundigen, een machtigen stoot vooruit
+geven zal aan de tijdelijke welvaart van onze maatschappij.
+
+STEMMEN UIT DE MENIGTE. Bravo, bravo!
+
+ROeRLUND. En juist die glorieschijn van onzelfzuchtigheid, die over heel
+uw levenswandel ligt, is wat zoo onuitsprekelijk weldadig werkt, vooral
+in den tegenwoordigen tijd. U is nu bezig ons een ... ja, ik zie er geen
+bezwaar in het woord prozaisch en rondweg uit te spreken ... een
+spoorweg te bezorgen.
+
+VELE STEMMEN. Bravo, bravo!
+
+ROeRLUND. Maar die onderneming schijnt op moeilijkheden te zullen
+stuiten, inderdaad alleen te berde gebracht door bekrompen, zelfzuchtige
+overwegingen.
+
+STEMMEN. Ha! ha!
+
+ROeRLUND. Het is namelijk niet onbekend gebleven dat zekere individuen,
+niet tot onze maatschappij behoorend, de nijvere burgers van onze stad
+zijn voor geweest, en zich in bezit van sommige voordeelen gesteld
+hebben, die rederlijkerwijze onze eigen stad ten goede hadden moeten
+komen.
+
+STEMMEN. Ja, ja!
+
+ROeRLUND. Deze betreurenswaardige zaak is natuurlijk ook u ter oore
+gekomen, mijnheer de consul. Maar niettemin streeft u onvervaard uw doel
+na, wel wetende dat een staatsburger niet alleen zijn eigen
+gemeentebelangen voor oogen hebben moet.
+
+VERSCHEIDENE STEMMEN. Hm! Neen, neen! Jawel: jawel!
+
+ROeRLUND. Zoo is het dan den mensch zoowel als den staatsburger,...
+zooals de man moet en behoort te zijn ... dien wij dezen avond onze
+hulde brengen. Moge uw onderneming tot een waar en blijvend geluk voor
+deze onze maatschappij worden! De spoorweg kan inderdaad een weg worden,
+die ons blootstelt aan het binnendringen van vreemde, verderfelijke
+elementen, maar tevens een weg, die ons snel weer van hen bevrijdt. En
+tegen slechte elementen van buitenaf kunnen wij ons toch ook nu niet
+beveiligen. Maar dat wij juist op dezen feestavond, zooals verteld
+wordt, gelukkig en spoediger dan te verwachten was, zekere elementen van
+dien aard zijn kwijtgeraakt....
+
+STEMMEN. Sst! Sst!
+
+ROeRLUND. ... dat neem ik aan als een gelukkig voorteeken voor de
+onderneming. Als ik dit punt hier aanroer, bewijst dit, dat wij ons
+bevinden in een huis, waar de eischen van het gemoed hooger worden
+gesteld dan familiebanden.
+
+STEMMEN. Bravo!
+
+BERNICK (_tegelijkertijd_). Permitteer mij....
+
+ROeRLUND. Nog maar enkele woorden, mijnheer de consul. Wat u voor deze
+gemeente gedaan heeft, dat deed u zeker niet met de bijgedachte dat het
+u een tastbaar voordeel zou brengen. Maar een gering bewijs van
+erkentelijkheid van uwe dankbare medeburgers mag u toch niet versmaden,
+en allerminst in zulk een gewichtig oogenblik, nu wij, volgens
+verzekering van mannen van de praktijk, aan den vooravond van een nieuw
+tijdperk staan.
+
+VELE STEMMEN. Bravo! Bravo!
+
+(_Hij geeft den bedienden een wenk; zij dragen de mand aan; de leden van
+de feestcommissie halen onder het volgende de voorwerpen waarvan
+gesproken wordt, er uit en bieden ze aan_).
+
+ROeRLUND. Zoo zijn wij dan zoo vrij, mijnheer de consul, u een zilveren
+koffieservies aan te bieden. Laat het uwe tafel sieren wanneer wij in de
+toekomst, zooals zoo vaak tot nog toe, het genoegen smaken in dit
+gastvrije huis bijeen te komen.--En ook u, mijne heeren, die zoo
+bereidwillig den grootsten man van onze maatschappij hebt bijgestaan,
+verzoeken wij een klein geschenk als aandenken wel te willen aannemen.
+Deze zilveren beker is voor u, mijnheer Rummel. U heeft zoo dikwijls in
+veelzeggende woorden, onder 't klinken der glazen, voor onze
+maatschappelijke belangen een lans gebroken; moge u nog dikwijls een
+waardige gelegenheid vinden om dezen beker op te heffen en te
+ledigen.--U, mijnheer Sandstad, mag ik dit album overreiken met
+fotografieen van eenige medeburgers. Aan uwe bekende en erkende
+humaniteit heeft u het te danken dat u vrienden telt in alle kringen der
+maatschappij.--En voor u, mijnheer Vigeland, heb ik ter versiering van
+uwe binnenkamer, deezen bundel preeken op velijn papier en in prachtband
+aan te bieden. Onder der jaren rijpenden invloed is u tot een
+hoogernstigen levensbeschouwing gekomen; uw arbeid in uw dagelijkschen
+werkkring is in den loop der jaren, door de gedachte aan het hoogere en
+het hiernamaals, gelouterd en geadeld (_keert zich tot de menigte_). En
+hiermede, mijne vrienden: leve consul Bernick en zijn medestrijders! Een
+hoera voor onze steunpilaren der maatschappij!
+
+DE HEELE SCHARE. Leve consul Bernick! Leve de steunpilaren der
+maatschappij! Hoera, hoera, hoera!
+
+LONA. Mijn gelukwenschen, Karsten! (_Afwachtende stilte_).
+
+BERNICK (_begint ernstig en langzaam_). Mijne medeburgers,... bij monde
+van uw woordvoerder werd er gezegd dat wij heden staan aan den vooravond
+van een nieuw tijdperk,... en ik hoop dat die verwachting verwezenlijkt
+zal worden. Maar opdat dat zal kunnen geschieden, moeten wij de waarheid
+zoeken,... de waarheid, die tot op heden doorgaans en in alle kringen
+geen onderkomen gevonden heeft in deze maatschappij (_verrassing onder
+de omstanders_).
+
+BERNICK. Ik moet beginnen met de loftuigingen af te wijzen, waarmee u,
+mijnheer Roerlund, volgens oud gebruik bij dergelijke gelegenheden, mij
+heeft overladen. Ik verdien die niet; want ik ben tot op dezen dag geen
+onzelfzuchtig man geweest. Al heb ik dan niet altijd naar geldelijk
+voordeel gestreefd, dan ben ik mij nu althans wel bewust, dat de
+begeerte, het verlangen naar macht, invloed, aanzien, de drijfveeren
+zijn geweest bij de meeste mijner daden.
+
+RUMMEL (_halfluid_). Wat beteekent dat?
+
+BERNICK. Tegenover mijn medeburgers heb ik mij daarover niets te
+verwijten; want ik geloof nog dat ik onder de bekwamen hier bij ons,
+in de eerste rij mag plaats nemen.
+
+VELE STEMMEN. Ja, ja, ja!
+
+BERNICK. Maar wat ik mijzelf ten laste leg, is dat ik zoo dikwijls zwak
+genoeg ben geweest om langs kronkelpaden te gaan, omdat ik bang was voor
+de mij bekende neiging van onze maatschappij, om onzuivere motieven te
+zoeken achter alles wat een man onderneemt. En nu kom ik tot een punt
+dat daarmee samenhangt.
+
+RUMMEL (_onrustig_). Hum ... hm!
+
+BERNICK. Er loopen hier geruchten over groote terrein-aankoopen, in den
+omtrek. Deze gronden heb ik gekocht, allemaal, ik alleen.
+
+GEDEMPTE STEMMEN. Wat zegt hij? De consul? Consul Bernick?
+
+BERNICK. Ze zijn voorlopig in mijn handen. Natuurlijk heb ik mijn
+medewerkers, de heeren Rummel, Vigeland en Sandstad, in het vertrouwen
+genomen, en zijn wij overeengekomen....
+
+RUMMEL. Dat is niet waar! Bewijs ... bewijs...!
+
+VIGELAND. Wij zijn niets overeengekomen!
+
+SANDSTAD. Neen, nu moet ik toch zeggen....
+
+BERNICK. Dat is heel juist; wij zijn nog niet overeengekomen over dat,
+wat ik zeggen wilde. Maar ik hoop vast, dat de drie heeren het met mij
+eens zullen zijn, als ik zeg dat ik van avond besloten heb om van dit
+grondbezit een algemeene vennootschap te maken; ieder die wil kan er
+aandeel in krijgen.
+
+VELE STEMMEN. Hoera! Leve consul Bernick!
+
+RUMMEL (_zachtjes tegen Bernick_). Zoo'n gemeen verraad!...
+
+SANDSTAD (_evenzoo_). Ons zoo voor den gek te houden...!
+
+VIGELAND. De duivel zal me halen...! Och lieve Heertje wat zeg ik daar!
+
+DE MENIGTE (_buiten_). Hoera, hoera, hoera!
+
+BERNICK. Stilte, mijne heeren. Deze hulde komt mij niet toe; want dat,
+waartoe ik nu besloten heb, was niet van den beginne af mijn plan. Mijn
+plan was het allemaal zelf te houden, en ik geloof nog, dat deze
+bezittingen het best geexploiteerd kunnen worden als ze in eene hand
+blijven. Maar ik laat u de keus. Wenscht men het, dan ben ik bereid ze
+te beheeren naar mijn beste krachten.
+
+STEMMEN. Ja! Ja! Ja!
+
+BERNICK. Maar eerst moeten mijne medeburgers mij geheel kennen. Laat dan
+ieder met zich zelf te rade gaan, en laat het vast staan, dat wij van
+heden avond af een nieuw tijdperk ingaan. De oude tijd, met zijn
+blanketsel, met zijn huichelarij en valschen schijn, met zijn
+leugenachtig fatsoen en zijn jammerlijke overwegingen, zal voor ons
+worden als een museum ... toegankelijk voor hen die leeren willen; en
+aan dat museum schenken wij,... niet waar heeren?... zoowel het
+koffieservies als den beker, het album en den bundel preeken op velijn
+papier en in prachtband.
+
+RUMMEL. Ja natuurlijk.
+
+VIGELAND (_bromt_). Als u het andere ons toch heeft afgenomen, dan....
+
+SANDSTAD. Alsjeblieft.
+
+BERNICK. Maar nu nog de voornaamste afrekening met mijn maatschappij. Er
+werd gezegd dat slechte elementen ons van avond verlaten hadden. Ik kan
+er bijvoegen, wat men nog niet weet: de man, op wien deze woorden
+doelden, is niet alleen weggegaan; hem volgde om zijn vrouw te
+worden....
+
+LONA (_luid_). Dina Dorf.
+
+ROeRLUND. Wat!
+
+MEVR. BERNICK. Wat zeg je? (_groote beweging_).
+
+ROeRLUND. Gevlucht? Weggelopen ... met hem! Onmogelijk!
+
+BERNICK. Om zijn vrouw te worden, mijnheer Roerlund. En ik voeg er nog
+iets bij. (_Zachtjes_) Betty, vat moed om te dragen wat er komen gaat.
+(_Luid_) Ik zeg: hoeden af voor dien man! Want hij heeft grootmoedig de
+schuld van een ander op zich genomen. Mijne medeburgers, ik wil alle
+leugenachtigheid nu van mij wegdoen; het heeft niet veel gescheeld of
+zij had iederen druppel bloeds in mij vergiftigd. Gij zult alles weten.
+_Ik_ was de schuldige vijftien jaar geleden!
+
+MEVR. BERNICK (_zacht en bevend_). Karsten!
+
+MARTHA (_evenzoo_). O, Johan...!
+
+LONA. Nu heb je eindelijk jezelf overwonnen!
+
+(_Groote verbazing van alle aanwezigen_).
+
+BERNICK. Ja, mijne medeburgers, ik was de schuldige en hij ging heen.
+De leelijke en onware geruchten, die later uitgestrooid werden nu nog te
+logenstraffen, daartoe is geen mensch meer bij machte. Maar daarover mag
+ik mij niet beklagen. Vijftien jaar geleden heb ik van deze geruchten
+gebruik gemaakt om mij naar boven te werken ... of ik nu daarmee ook
+vallen moet, daarover moet een ieder maar met zichzelf te rade gaan.
+
+ROeRLUND. Wat een donderslag! De eerste man van de stad...! (_gedempt
+tegen mevr. Bernick_) Ach, wat beklaag ik u, mevrouw!
+
+HILMAR. Zoo'n bekentenis! Nou, ik moet zeggen...!
+
+BERNICK. Maar van avond geen beslissing. Ik verzoek iedereen naar huis
+te gaan ... kalm na te denken ... en in zich zelf te kijken. Wanneer de
+gemoederen tot rust zullen gekomen zijn, dan zal het blijken of ik
+verloren of gewonnen heb door te spreken. Het ga u wel! Er is nog veel,
+veel waarover ik berouw gevoel; maar dat gaat alleen mijn eigen geweten
+aan. Goeden nacht! Weg met alle feestelijkheid. Wij voelen nu allen wel
+dat zoo iets hier niet op zijn plaats is.
+
+ROeRLUND. Zeer zeker niet. (_gedempt tegen mevr. Bernick_) Weggelopen!
+Zij was dus toch mijner geheel onwaardig. (_halfluid tegen de
+feestcommissie_) Ja, heeren, mij dunkt na hetgeen er nu heeft
+plaatsgehad, doen wij het best maar in alle stilte te vertrekken.
+
+HILMAR. Hoe men na zoo iets nog de vaan der idee hoog zal kunnen houden,
+dat.... Oeh!
+
+(_Wat Bernick gezegd heeft is intusschen fluisterend van mond tot mond
+gegaan. Alle deelnemers aan den stoet gaan door den tuin weg. Rummel,
+Sandstad en Vigeland gaan heen, gedempt maar heftig met elkaar pratend.
+Hilmar sluipt weg naar rechts. Bernick, Mevr. Bernick, Martha, Lona en
+Krap zijn, onder stilzwijgen, in de kamer achtergebleven_).
+
+BERNICK. Betty, kan je mij vergeven?
+
+MEVR. BERNICK (_ziet hem glimlachend aan_). Weet je wel, Karsten, dat je
+mij in al die jaren, niet zoo'n heerlijk vooruitzicht hebt geopend als
+nu?
+
+BERNICK. Hoezoo?
+
+MEVR. BERNICK. Vele jaren lang heb ik geloofd dat ik je eens gehad had
+en je weer had verloren. Nu weet ik dat ik je nooit gehad heb, maar nu
+zal ik je weten te winnen.
+
+BERNICK (_slaat zijn armen om haar heen_). O, Betty! je _hebt_ me al
+gewonnen! Door Lona heb ik je eerst goed leeren kennen. Maar laat nu
+Olaf komen!
+
+MEVR. BERNICK. Ja, nu zal je hem terug hebben...! Mijnheer Krap! (_zij
+spreekt op den achtergrond met hem. Hij gaat weg door de tuindeur. Onder
+het volgende worden achtereenvolgens alle lichten en transparanten in de
+huizen uitgedoofd_).
+
+BERNICK (_gedempt_). Dank Lona, jij hebt het beste in mij ... en voor
+mij ... gered.
+
+LONA. Heb ik dan anders gewild?
+
+BERNICK. Ja ... of neen? Ik kan niet goed wijs uit je worden....
+
+LONA. Hm....
+
+BERNICK. Dus geen haat? Geen wraak? Waarom ben je dan toch teruggekomen?
+
+LONA. Oude liefde roest niet.
+
+BERNICK. Lona!
+
+LONA. Toen Johan mij dat van die leugen vertelde, toen zwoer ik bij
+mezelf: de held van mijn jonge jaren _zal_ weer vrij voor mij staan,
+vrij en waar!
+
+BERNICK. O, hoe weinig heb ik, ellendig mensch, dat aan je verdiend!
+
+LONA. Ja, Karsten, als wij vrouwen er naar vroegen wat verdiend is...!
+
+(_Aune komt met Olaf uit den tuin_).
+
+BERNICK (_loopt op hem toe_). Olaf!
+
+OLAF. Vader, ik beloof u, dat ik nooit meer....
+
+BERNICK. ... zal wegloopen?
+
+OLAF. Ja, ja, dat beloof ik u, vader!
+
+BERNICK. En ik beloof je dat je er nooit meer reden voor hebben zult.
+Voortaan zal je vrij zijn om op te groeien, niet als erfgenaam van
+_mijn_ levenstaak, maar als iemand die zijn eigen levenstaak hebben zal.
+
+OLAF. En mag ik dan ook worden wat ik wil?
+
+BERNICK. Ja, dat mag je.
+
+OLAF. Dank u. Dan wil ik geen steunpilaar der maatschappij worden.
+
+BERNICK. Zoo? En waarom niet?
+
+OLAF. O, omdat mij dat zoo vervelend lijkt!
+
+BERNICK. Je zult jezelf worden Olaf; de rest moet dan maar gaan zooals
+het kan.--En jij Aune?
+
+AUNE. Ik weet 't, meneer de consul, ik ben ontslagen.
+
+BERNICK. Wij blijven bij elkaar, Aune; en vergeef mij....
+
+AUNE. Hoezoo? Het schip gaat van avond niet meer uit.
+
+BERNICK. En ook morgen nog niet. Ik stelde je een veel te korte termijn.
+Het moet grondiger gerepareerd worden.
+
+AUNE. Dat zal gebeuren, meneer de consul ... en met de nieuwe machines!
+
+BERNICK. Zoo is het best. Maar grondig en nauwkeurig! Er is veel dat bij
+ons grondige en nauwkeurige reparatie noodig heeft. Nu, goeden nacht,
+Aune.
+
+AUNE. Goeden nacht, meneer de consul;... en dank, dank, dank! (_hij gaat
+weg naar rechts_).
+
+MEVR. BERNICK. Nu zijn ze allemaal weg.
+
+BERNICK. En wij zijn alleen. Mijn naam schittert niet langer in vurige
+letters; alle lichten zijn uitgedoofd in de ramen.
+
+LONA. Zou je ze weer aangestoken willen hebben?
+
+BERNICK. Voor geen geld van de wereld! Wat ben ik ver weg geweest! Je
+zult er van verbijsterd staan als je het hoort. 't Is me nu of ik na een
+vergiftiging weer tot bezinning en tot mezelf gekomen ben. Maar ik voel
+het ... ik kan nog weer jong en gezond worden. O, komt dichterbij ...
+vlak naast mij. Kom Betty! Kom Olaf, mijn jongen! En jij, Martha;... 't
+is of ik je in al die jaren niet gezien heb.
+
+LONA. Neen, dat geloof ik ook. Jullie maatschappij is er een van oude
+jonggezellen; jullie kijkt niet naar de vrouw.
+
+BERNICK. 't Is waar ... heel waar; en juist daarom ... ja, hoor, dat
+staat vast, Lona, je mag niet weer weggaan van Betty en mij.
+
+MEVR. BERNICK. Neen, Lona, je mag niet meer weg.
+
+LONA. Neen; hoe zou ik het ook kunnen verantwoorden weg te gaan van
+jullie jonge luitjes die nu pas je jonge leven gaat beginnen. Ben ik
+niet de pleegmoeder? Jij en ik, Martha, wij twee oude tantes.... Waar
+kijk je naar?
+
+MARTHA. Hoe de lucht opklaart. Hoe het licht wordt over de zee! "De
+Palmboom" is een geluksschip.
+
+LONA. En heeft het geluk aan boord.
+
+BERNICK. En wij ... wij hebben een langen, ernstigen werkdag voor ons;
+_ik_ vooral. Maar die mag komen; blijft maar dicht om mij heen, jullie
+trouwe, brave vrouwen. Dat heb ik ook geleerd in deze dagen; jullie
+vrouwen zijn de ware steunpilaren van de maatschappij.
+
+LONA. Dan heb je toch maar gebrekkige wijsheid opgedaan, Karsten. (_Legt
+haar handen zwaar op zijn schouders_) Neen, hoor; waarheid en vrijheid
+... dat zijn de steunpilaren der maatschappij!
+
+
+EINDE VAN HET VIERDE OF LAATSTE BEDRIJF
+
+
+ * * * * *
+
+
+NORA
+
+(EEN POPPENHUIS)
+
+DRAMA IN DRIE BEDRIJVEN
+
+
+ * * * * *
+
+
+PERSONEN:
+
+ Advocaat HELMER.
+ NORA, zijne vrouw.
+ Dokter RANK.
+ Mevrouw LINDE.
+ Zaakwaarnemer KROGSTAD.
+ HELMER's drie kleine kinderen.
+ ANNA-MARIE, kindermeid bij Helmer.
+ HELENE, dienstmeisje.
+ Besteller.
+ (Speelt in HELMER's huis.)
+
+ * * * * *
+
+
+EERSTE BEDRIJF.
+
+ Een gezellig en smaakvol maar niet kostbaar gemeubelde kamer.
+ Rechts een deur op den achtergrond leidt naar het portaal; een
+ tweede deur links achter leidt naar Helmer's werkkamer. Tusschen
+ deze beide deuren een piano. Midden in den linkerwand een deur en
+ verderop een raam. Bij het raam een ronde tafel met leunstoelen en
+ een kleine sofa. In den rechterwand een deur, en aan denzelfden
+ kant, iets meer op den voorgrond een porceleinen kachel met een
+ paar gemakkelijke stoelen en een schommelstoel. Tusschen de kachel
+ en de zijdeur een klein tafeltje. Kopergravures aan de wanden. Een
+ etagere met kleine snuisterijen; een boekenkastje met boeken in
+ prachtbanden. Een kleed op den vloer; vuur in de kachel. Het is
+ winter.
+
+ Er wordt gebeld op het portaal; even daarna hoort men dat er wordt
+ open gedaan; Nora komt vroolijk neuriend de kamer binnen; zij is
+ gekleed met hoed en mantel en draagt een massa pakjes, die zij op
+ de tafel rechts neerlegt. Zij laat de deur naar het portaal open
+ staan, en men ziet een besteller staan met een kerstboom en een
+ mand, die hij overgeeft aan het dienstmeisje, dat de deur heeft
+ open gedaan.
+
+ * * * * *
+
+NORA. Stop den kerstboom goed weg, Helene. De kinderen mogen hem vooral
+niet te zien krijgen voor van avond, als hij opgesierd is. (_Tegen den
+besteller, terwijl zij haar portemonnaie voor den dag haalt_). Hoeveel?
+
+BESTELLER. Een halve kroon.
+
+NORA. Daar heb je een kroon. Houd maar. (_De besteller bedankt en
+vertrekt. Nora sluit de deur, terwijl zij haar hoed afdoet lacht zij
+vergenoegd in zichzelf_).
+
+NORA (_haalt een zakje bonbons uit haar zak en eet er een paar van; gaat
+dan voorzichtig naar de deur van Helmers kamer en luistert_). Jawel hij
+is thuis. (_Begint weer te neurien terwijl zij naar de tafel rechts
+gaat_).
+
+HELMER (_in zijn kamer_). Is dat mijn leeuwerikje dat daar zingt?
+
+NORA (_bezig haar pakjes open te maken_). Ja!
+
+HELMER. Is dat mijn eekhorentje dat daar rondtrippelt?
+
+NORA. Ja-a!
+
+HELMER. Wanneer is het eekhorentje thuis gekomen?
+
+NORA. Daar net pas. (_Stopt het zakje in haar zak en veegt haar mond
+af_). Kom eens hier, Torwald, kom eens kijken wat ik gekocht heb.
+
+HELMER. Stil, even wachten! (_Even daarna doet hij de deur open en kijkt
+naar binnen, met de pen in de hand_). Gekocht zeg je? Dat allemaal? Is
+mijn verspilstertje weer eens aan 't geld verdoen geweest?
+
+NORA. Ja maar, Torwald, dit jaar mogen wij nu wel eens een beetje uit
+den band springen. Dit is het eerste kerstfeest dat wij niet zuinig
+hoeven te zijn.
+
+HELMER. Ja maar, weet je, ook vooral niet verkwistend.
+
+NORA. Jawel, Torwald, een beetje verkwistend kunnen wij nu wel zijn. Is
+'t niet? Maar een heel, heel klein beetje. Je krijgt immers nu een groot
+salaris en gaat heel veel geld verdienen.
+
+HELMER. Ja, met Nieuwjaar; maar dan moeten er nog een heele drie maanden
+verloopen eer ik mijn salaris ontvang.
+
+NORA. Poeh! tot zoolang kunnen we immers wel wat leenen.
+
+HELMER. Nora! (_Gaat naar haar toe en pakt haar schertsend bij haar
+oor_). Heeft de lichtzinnigheid je weer te pakken? Stel nu eens dat ik
+duizend kronen leende en jij zoudt ze in den kersttijd opmaken, en ik
+kreeg op Oudejaarsavond een dakpan op mijn hoofd, die me dood....
+
+NORA (_houdt hem de hand voor den mond_). He foei! wil je wel eens niet
+zulke akelige dingen zeggen.
+
+HELMER. Jawel maar, stel nu eens dat zoo iets gebeurde ... wat dan?
+
+NORA. Als er zoo iets vreeselijks gebeurde, zou het mij totaal
+onverschillig zijn of ik schulden had of niet.
+
+HELMER. Goed ... maar de menschen van wie ik het geleend had?
+
+NORA. Die? wat gaan die mij aan! Dat zijn toch maar vreemden.
+
+HELMER. Nora! Nora! Je bent toch een echte vrouw! Neen, maar in vollen
+ernst Nora, je weet hoe ik over die dingen denk. Geen schulden maken!
+Nooit leenen! Er komt een gevoel van onvrijheid en ook iets dat niet
+mooi is in een huishouden, dat berust op schulden en geleend geld. Wij
+hebben ons tot nu toe flink weten te redden, en dat zullen wij ook
+verder doen, den korten tijd dat het nog noodig is.
+
+NORA (_gaat naar de kachel_). 't Is goed Torwald. Zooals je wilt.
+
+HELMER (_volgt haar_). Maar nu mag mijn leeuwerikje daarom de
+vleugeltjes niet laten hangen, hoor! Wat? Pruilt mijn eekhorentje?
+(_haalt zijn portemonnaie uit zijn zak_).... Nora, wat denk je wel dat ik
+hier heb?
+
+NORA (_wendt zich vlug om_). Geld!...
+
+HELMER. Ziedaar. (_Telt haar eenig papiergeld uit_). Ik weet immers wel,
+kindje, dat er heel wat geld noodig is in een huishouden in den
+kersttijd.
+
+NORA (_telt_). Tien ... twintig ... dertig ... veertig. O, dank je, dank
+je, Torwald; daar kom ik een heelen tijd mee toe!
+
+HELMER. Maar dat moet dan nu ook in ernst, hoor!
+
+NORA. Ja zeker, dat zal ik ook wel. Maar kom nu eens hier, dan zal ik je
+alles eens laten zien wat ik gekocht heb. En zoo goedkoop! Kijk, hier is
+een nieuw pakje voor Ivar ... en dan nog een sabel. Hier is een paard en
+een trompet voor Bob. En hier is een pop en een poppenbedje voor Emmy;
+dat is nu niet zoo erg mooi, maar zij maakt toch dadelijk alles kapot.
+En hier heb ik goed voor japonnen en zakdoeken voor de meiden; de oude
+Anna-Marie mocht eigenlijk wel wat meer hebben.
+
+HELMER. En wat zit er in dat pakje daar?
+
+NORA (_met een gilletje_). Neen, Torwald, dat mag je niet zien voor van
+avond!
+
+HELMER. Zoo, zoo. Maar vertel me nu eens, jij kleine verspilster, wat
+zou je nu zelf graag hebben?
+
+NORA. O, ik? Ik geef eigenlijk nergens om.
+
+HELMER. Jawel, dat doe je wel. Noem nu eens iets voor mijn beurs
+beschikbaars dat je erg graag zoudt willen hebben.
+
+NORA. Neen, ik weet 't heusch niet. Ja toch ... hoor eens, Torwald....
+
+HELMER. Ja?
+
+NORA (_speelt met de knoopen van zijn jas zonder hem aan te zien_). Als
+je me dan volstrekt iets geven wilt, dan zou je ... zou je....
+
+HELMER. Nou dan ... voor den dag er mee!...
+
+NORA (_haastig_). Dan zou je mij geld kunnen geven, Torwald. Alleen maar
+zoo veel als je denkt dat je missen kunt; dan zal ik er dezer dagen wel
+eens wat voor koopen.
+
+HELMER. Neen maar, Nora....
+
+NORA. Och toe, doe het maar, Torwald-lief; ik wou het zoo heel graag.
+Dan zal ik het geld in een mooi goud papiertje pakken en aan den
+kerstboom hangen. Zal dat niet leuk zijn?
+
+HELMER. Hoe noemen we ook weer iemand die zoo graag te veel geld
+uitgeeft?
+
+NORA. Jawel, een verspilstertje, dat weet ik nu wel. Maar laten wij het
+nu zoo maar doen, Torwald; dan heb ik den tijd om eens te bedenken wat
+ik het best kan gebruiken. Is dat nu niet heel verstandig? Zeg?
+
+HELMER (_glimlachend_). Ja zeker ... dat wil zeggen, als je heusch dat
+geld kon bewaren en er dan werkelijk iets voor je zelf van kocht. Maar
+zoo wordt het toch weer in het huishouden en voor allerlei onnoodige
+dingen gebruikt en dan moet ik later maar weer opdokken.
+
+NORA. He toch, Torwald!
+
+HELMER. 't Is niets anders, mijn lieve Noraatje. Mijn leeuwerikje is
+allerliefst, maar het is een duur houbeestje. Niemand zou kunnen
+gelooven dat het een man zooveel geld kost er zoo'n lief diertje op na
+te houden.
+
+NORA. He, hoe kan je dat nu zeggen? Ik spaar toch heusch zooveel ik maar
+kan.
+
+HELMER (_lacht_). Ja ... dat is een waar woord. Zooveel je maar kunt.
+Maar je kunt het heelemaal niet!
+
+NORA. Hm ... ja... je moest maar eens weten hoeveel uitgaven wij
+leeuweriken en eekhorens hebben!
+
+HELMER. Je bent een wonderlijk klein ding. Precies je vader. Je bent er
+altijd op uit om aan geld te komen, maar zoo als je het hebt, glijdt het
+je letterlijk door de vingers; je weet nooit wat je er mee uitvoert. Nou
+... wij moeten je maar nemen zooals je bent. Dat zit in 't bloed. Ja
+heusch, zoo iets is erfelijk.
+
+NORA. Ik wou dat ik maar een heeleboel eigenschappen van Papa geerfd
+had.
+
+HELMER. En ik wou je niet graag anders hebben dan je bent, net zooals je
+bent, mijn lief klein zangvogeltje. Maar hoor eens eventjes; ik bedenk
+me daar wat. Je ziet er zoo ... zoo ... hoe zal ik het noemen ... zoo
+verdacht uit vandaag....
+
+NORA. Ik?
+
+HELMER. Ja. Kijk mij eens goed aan?
+
+NORA (_doet het_). En dan?
+
+HELMER (_dreigt met den vinger_). Heeft mijn lekkerbekje vandaag niet
+gesnoept toen ze in de stad was?
+
+NORA. Welneen, hoe kom je er bij!
+
+HELMER. Is mijn lekkerbekje heusch niet eens eventjes bij een
+banketbakker binnen gegaan?
+
+NORA. Neen, heusch niet, Torwald.
+
+HELMER. Niet een beetje confituren gesnoept?
+
+NORA. Neen, heelemaal niet.
+
+HELMER. Zelfs niet eens wat bonbons geknabbeld?
+
+NORA. Och neen, Torwald, heusch niet....
+
+HELMER. Nou ... nou ... nou ... ik zeg 't natuurlijk maar voor de
+grap....
+
+NORA (_gaat naar de tafel_). 't Zou toch immers niet in mij opkomen iets
+te doen dat jij niet graag hebt.
+
+HELMER. Neen, dat weet ik ook wel; en je hebt mij immers je woord
+gegeven.... (_Gaat naar haar toe_). Bewaar jij je verrassingen en
+geheimpjes dan maar, mijn lieveling. Die komen van avond, als de
+kerstboom aangestoken is, wel aan het licht, denk ik.
+
+NORA. Heb je er aan gedacht dokter Rank te inviteeren?
+
+HELMER. Neen. Maar dat hoeft ook niet; het spreekt toch van zelf dat hij
+bij ons eet. Toch zal ik het hem straks nog vragen als hij komt. Fijnen
+wijn heb ik besteld. O, Nora, je weet niet hoe ik mij op van avond
+verheug!
+
+NORA. Ik ook. En wat zullen de kinderen een pret hebben!
+
+HELMER. He, het is toch een heerlijke gedachte dat ik nu een goede vaste
+positie heb, met een ruim salaris. Niet waar? Het is een waar genot
+daaraan te denken.
+
+NORA. O, het is heerlijk.
+
+HELMER. Weet je wel verleden jaar kerstmis? Drie weken te voren ging jij
+je elken avond opsluiten en zat tot diep in den nacht bloemen te maken
+voor den kerstboom en allerlei andere mooiigheden om ons te verrassen.
+Bah, dat was de vervelendste tijd dien ik ooit beleefd heb.
+
+NORA. Maar ik verveelde mij heelemaal niet.
+
+HELMER (_glimlachend_). Maar het viel toch wel een beetje povertjes uit,
+he?
+
+NORA. Moet je mij daar nu nog mee plagen? Kon ik het helpen dat de kat
+binnen gekomen was en alles kapot had gemaakt?
+
+HELMER. Neen, zeker niet, mijn arme Noraatje. Jij hadt de lieve
+bedoeling ons allemaal blij te maken, en dat is de hoofdzaak. Maar het
+is toch maar goed dat die benauwde tijden voorbij zijn.
+
+NORA. Ja, dat is echt heerlijk.
+
+HELMER. Nu hoef ik niet meer alleen te zitten en mij te vervelen, en jij
+hoeft je lieve oogen en je mooie fijne handjes niet meer te
+vermoeien....
+
+NORA (_klapt in de handen_). Neen, he? dat hoeft nu niet meer. O, wat is
+dat toch innig heerlijk om te hooren! (_Grijpt zijn arm_). Nu zal ik je
+eens vertellen, Torwald, hoe ik had gedacht dat wij het hier moesten
+inrichten. Zoodra het Nieuwjaar is.... (_Bellen voor_). O, daar wordt
+gebeld. (_Reddert de kamer wat op_). Daar is zeker visite! Hoe
+vervelend!
+
+HELMER. Ik ben niet thuis voor visite, dat weet je.
+
+DIENSTMEISJE (_in de deur_). Mevrouw daar is een vreemde dame.
+
+NORA. Laat mevrouw binnen.
+
+DIENSTMEISJE (_tegen Helmer_). En de dokter is er ook.
+
+HELMER. Is hij naar mijn kamer gegaan?
+
+DIENSTMEISJE. Ja mijnheer.
+
+(_Helmer gaat naar zijn kamer. Het meisje laat mevrouw Linde binnen die
+in reistoilet is, en doet de deur acht zich dicht_).
+
+MEVR. LINDE (_beschroomd en een beetje aarzelend_). Dag Nora.
+
+NORA (_weifelend_). Dag ... e....
+
+MEVR. LINDE. Je kent me zeker niet meer.
+
+NORA. Neen ... ik weet niet goed.... O ja, ik meen toch van wel.
+(_Uitbarstend_). Wat! Kristine! Ben jij het heusch?
+
+MEVR. LINDE. Ja, ik ben het.
+
+NORA. Kristine! En ik die je niet herkende! Maar hoe kon ik ook....
+(_Zachter_). Wat ben je veranderd, Kristine!
+
+MEVR. LINDE. Ja, dat ben ik zeker. In negen ... tien lange jaren....
+
+NORA. Is het al zoo lang geleden dat wij elkaar gezien hebben? Ja ...
+dat moet wel. Och, de laatste acht jaren zijn zoo'n gelukkige tijd
+geweest! En ben je nu ook hier in de stad gekomen? Die heele lange reis
+in den winter ... dat is een dapper stuk.
+
+MEVR. LINDE. Ja, ik ben net van ochtend met de boot aangekomen.
+
+NORA. Natuurlijk om het kerstfeest mee te vieren. Dat is heerlijk! Nu we
+zullen ons stellig best amuseeren. Maar doe je hoed toch af! Je hebt het
+toch niet te koud? (_Helpt haar_). Zie zoo; nu gaan we eens gezellig bij
+de kachel zitten. Neen, daar in dien gemakkelijken stoel ... ik hier in
+den schommelstoel. (_Vat haar handen_). Ja, nu heb je je oude bekende
+gezicht toch weer ... het was maar zoo in 't eerste oogenblik.... Een
+beetje bleeker ben je wel geworden ... en misschien een beetje magerder
+ook.
+
+MEVR. LINDE. En veel, veel ouder, Nora.
+
+NORA. Ja, misschien een beetje ouder ook; een heel heel klein beetje;
+lang niet zoo erg veel. (_Houdt plotseling op--ernstig_). O maar waar
+heb ik toch mijn hersens ... ik zit hier zoo maar te babbelen!... Lieve,
+beste Kristine kan je het mij vergeven?
+
+MEVR. LINDE. Wat bedoel je Nora?
+
+NORA (_zachtjes_). Arme Kristine, je bent immers weduwe geworden.
+
+MEVR. LINDE. Ja, drie jaar geleden.
+
+NORA. O, ik wist het eigenlijk wel; ik heb het in de courant gezien. Je
+kunt het gerust gelooven, Kristine-lief, 'k heb er dikwijls over gedacht
+je te schrijven toen ter tijd; maar ik stelde het altijd uit, en altijd
+kwam er iets tusschenbeiden.
+
+MEVR. LINDE. Och Nora-lief, dat begrijp ik zoo goed.
+
+NORA. Neen, het was toch heel onaardig van mij. Jij arme Kristine, wat
+heb je al een boel ondervonden.... En hij heeft je niets nagelaten om
+van te leven, he?
+
+MEVR. LINDE. Neen ... niets.
+
+NORA. Ook geen kind?
+
+MEVR. LINDE. Neen.
+
+NORA. Dus heelemaal niets?
+
+MEVR. LINDE. Zelfs geen droefheid of gemis om op te teren.
+
+NORA (_kijkt haar ongeloovig aan_). Maar Kristine, hoe is dat mogelijk?
+
+MEVR. LINDE (_glimlacht droevig en streelt Nora over het haar_). Ja dat
+gebeurt soms wel eens, Nora.
+
+NORA. Zoo heelemaal alleen! Wat moet dat droevig zijn voor je. Ik heb
+drie schatten van kinderen! Ik kan ze je nu niet laten zien; ze zijn uit
+wandelen met de meid. Maar nu moet je mij eens alles vertellen....
+
+MEVR. LINDE. Neen ... neen ... vertel jij liever.
+
+NORA. Neen ... jij moet beginnen. Vandaag wil ik eens niet egoist zijn.
+Vandaag wil ik alleen aan jouw omstandigheden denken. Maar een ding moet
+ik je toch vertellen. Weet je al van het groote geluk dat ons dezer
+dagen te beurt is gevallen?
+
+MEVR. LINDE. Neen. Wat is dat dan?
+
+NORA. Verbeeld je, mijn man is directeur van de Hypotheekbank geworden!
+
+MEVR. LINDE. Je man? O, wat een geluk!
+
+NORA. Ja, kolossaal! Advocaat is toch altijd zoo'n onzeker bestaan,
+vooral als je alleen goede zaken wilt aannemen. En andere zaken heeft
+Torwald natuurlijk nooit gewild en daarin ben ik het ook geheel met hem
+eens. Je kunt je begrijpen hoe blij wij zijn! Hij is met ingang van het
+nieuwe jaar aangesteld, en dan krijgt hij een groot salaris en veel
+percenten. Wij kunnen dan heel anders gaan leven dan tot nu toe ... net
+zooals we willen. O, Kristine, ik voel me toch zoo luchtig en gelukkig!
+Want het is toch maar heerlijk om heel veel geld te hebben en heelemaal
+geen zorgen daarover. Vind je ook niet?
+
+MEVR. LINDE. Zeker, en in elk geval moet het al heerlijk zijn om het
+noodige te hebben.
+
+NORA. Neen, niet alleen het noodige, maar een boel, een heeleboel geld!
+
+MEVR. LINDE (_glimlacht_). Nora, Nora, ben je nog altijd niet verstandig
+geworden? In onzen schooltijd was je altijd erg verkwistend.
+
+NORA (_lacht stil_). Ja, dat zegt Torwald nu nog. Maar "Nora, Nora" is
+niet zoo dwaas als jullie denkt.... O, we hebben het heusch niet zoo
+gehad dat ik veel uitgeven kon. Wij hebben allebei moeten werken!
+
+MEVR. LINDE. Jij ook?
+
+NORA. Ja, kleinigheden ... handwerkjes ... haak- en borduurwerkjes en
+zoowat; (_luchtig_) en ook nog andere dingen. Je weet wel dat Torwald
+van het departement weg ging toen wij trouwden? Er was niets geen
+vooruitzicht op bevordering bij zijn afdeeling en hij moest toch toen
+meer geld verdienen dan te voren. Maar in het eerste jaar heeft hij zich
+dan ook heelemaal overwerkt. Hij moest allerlei bijverdienste zoeken,
+dat begrijp je, en werken van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Maar
+dat kon hij niet volhouden en hij is doodziek er van geworden. En toen
+zeiden de doktoren dat hij volstrekt naar het Zuiden moest.
+
+MEVR. LINDE. Dat 's waar; je bent samen een heel jaar in Italie geweest,
+he?
+
+NORA. Ja. Maar het was zoo gemakkelijk niet om weg te komen, hoor! Ivar
+was toen pas geboren. Maar weg moesten we natuurlijk. O, het was een
+verrukkelijk mooie reis. En het heeft Torwalds leven gered. Maar het
+heeft heel wat geld gekost.
+
+MEVR. LINDE. Ja, dat kan ik wel begrijpen.
+
+NORA. Vier-duizend-acht-honderd kronen. Dat is een schep geld, zeg.
+
+MEVR. LINDE. Zeker ... maar in zoo'n geval is het ten minste een groot
+geluk als je het hebt.
+
+NORA. Ja maar, weet je, we kregen het van Papa.
+
+MEVR. LINDE. Ah zoo! Het was ook juist in dien tijd dat je vader stierf,
+geloof ik.
+
+NORA. Ja juist, Kristine, dat was net in die dagen. En verbeeld je, ik
+kon niet naar hem toe gaan om hem te verplegen. Ik wachtte hier iederen
+dag de geboorte van kleinen Ivar af. En dan had ik nog mijn armen
+doorzieken Torwald op te passen. Mijn lieve goede Papa! Ik heb hem niet
+meer gezien. O, dat is mijn grootste verdriet geweest zoo lang ik
+getrouwd ben.
+
+MEVR. LINDE. Ik weet dat je heel veel van hem hieldt. Maar jullie gingt
+dus naar Italie?
+
+NORA. Ja, we hadden er nu immers het geld voor; en de dokters zaten er
+erg achter heen. Een maand later zijn we toen vertrokken.
+
+MEVR. LINDE. En is je man heelemaal hersteld teruggekomen?
+
+NORA. O, zoo gezond als een visch!
+
+MEVR. LINDE. Maar ... de dokter?
+
+NORA. Hoe zoo?
+
+MEVR. LINDE. Ik dacht dat het meisje zei dat de dokter er was, die
+mijnheer die gelijk met mij aan de deur was.
+
+NORA. O, dat was dokter Rank, maar die komt niet als dokter; dat is onze
+beste vriend, en hij komt hier op zijn minst eens per dag eens
+aanloopen. Neen, Torwald heeft geen ziek uur meer gekend na dien tijd.
+En de kinderen zijn frisch en gezond en ik ook. (_Springt op en klapt in
+de handen_). O, Kristine, wat is het toch verrukkelijk om te leven en
+gelukkig te zijn!... Neen maar ... 't is toch afschuwelijk van me ... ik
+praat aldoor maar over mezelf. (_Gaat dicht bij haar zitten op een
+tabouretje en legt haar armen op Kristine's schoot_). Och toe, wees niet
+boos op mij!... Zeg eens, is het heusch waar dat je niet van je man
+hieldt? Waarom nam je hem dan?
+
+MEVR. LINDE. Mijn moeder leefde nog en zij was bedlegerig en
+hulpbehoevend. En dan had ik nog twee jongere broers om voor te zorgen.
+Ik vond mijzelf toen niet verantwoord als ik hem niet aannam.
+
+NORA. Neen ... neen ... daar kan je wel gelijk in hebben. Dus toen was
+hij rijk?
+
+MEVR. LINDE. Ik geloof dat hij er warmpjes in zat. Maar hij had geen
+vast bestaan, en zijn zaken schenen niet zoo heel goed te staan. Althans
+toen hij stierf ging alles over den kop en bleef er niets over.
+
+NORA. En toen?
+
+MEVR. LINDE. Ja, toen moest ik er mij maar doorheen slaan met het
+een-en-ander te verkoopen en een schooltje te houden en wat ik verder
+zoo hier en daar te doen kon krijgen. De laatste drie jaar zijn voor mij
+geweest, als een enkele lange werkdag zonder rust. Nu is die uit, Nora.
+Mijn arme moeder heeft mij niet meer noodig, want zij is heengegaan. En
+de jongens hebben mij ook niet meer noodig; zij zijn in betrekking en
+kunnen voor zichzelf zorgen.
+
+NORA. Wat moet je je nu opgelucht voelen....
+
+MEVR. LINDE. Och neen; alleen niet-te-zeggen leeg. Niemand meer om voor
+te leven. (_Staat zenuwachtig op_). Daarom hield ik het daarginder in
+dien uithoek niet meer uit. Hier moet het toch gemakkelijker zijn om
+iets te vinden dat je heelemaal in beslag neemt en je gedachten bezig
+houdt. Als ik maar zoo gelukkig was een vaste betrekking te krijgen,
+iets op een kantoor of zoo....
+
+NORA. O maar Kristine, dat is zoo vreeselijk inspannend; en je ziet er
+nu al zoo vermoeid uit. Het zou heel wat beter voor je zijn als je eerst
+eens een poosje naar een badplaats ging.
+
+MEVR. LINDE (_gaat naar het raam_). Ik heb geen Papa die mij reisgeld
+geven kan.
+
+NORA (_staat op_). O, wees niet boos op mij.
+
+MEVR. LINDE (_naar haar toegaand_). Lieve Nora, wees jij niet boos op
+mij. Dat is het ergste in een positie als de mijne, dat je gemoed zoo
+verbitterd wordt. Je hebt niemand om voor te werken, en toch moet je
+naar alle kanten heen werk zoeken. Je moet toch leven, en dan wordt je
+egoist. Toen je mij vertelde van die gelukkige verandering in je positie
+... wil je 't wel gelooven?... was ik er minder blij over voor jou dan
+voor mijzelf.
+
+NORA. Hoe meen je dat? O, nu begrijp ik je. Je bedoelt dat Torwald
+misschien wat voor je zou kunnen doen?
+
+MEVR. LINDE. Ja, daar dacht ik aan.
+
+NORA. Dat zal hij ook wel Kristine. Laat dat maar aan mij over; ik zal
+hem dat zoo netjes bijbrengen, zoo netjes ... eens iets heel liefs
+bedenken dat hij erg graag heeft. O, ik wil je zoo innig graag van
+dienst zijn.
+
+MEVR. LINDE. Wat is dat lief van je, Nora, dat je je zoo hartelijk voor
+mij interesseert ... dubbel lief van jou, die zelf zoo weinig weet van
+de moeilijkheden van het leven.
+
+NORA. Ik?... weet ik daar zoo weinig van?...
+
+MEVR. LINDE (_glimlachend_). Nou ... dat beetje handwerken en zoo ... Je
+bent nog een kind, Nora.
+
+NORA (_loopt door de kamer met het hoofd in den nek_). Dat moest je niet
+op zoo'n hoogen toon zeggen.
+
+MEVR. LINDE. Zoo? Niet?
+
+NORA. Je bent net als de anderen. Je denkt allemaal dat ik niet deug
+voor iets ernstigs.
+
+MEVR. LINDE. Och kom....
+
+NORA. ... dat ik nog niets gedaan heb in deze moeilijke wereld.
+
+MEVR. LINDE. Maar lieve Nora, je hebt immers daar straks al je
+tegenspoeden verteld.
+
+NORA. Och wat ... die bagatellen! (_Zachtjes_). Ik heb je het groote
+niet verteld.
+
+MEVR. LINDE. Het groote? Wat bedoel je daarmee?
+
+NORA. Je kijkt op me neer Kristine, maar dat moest je toch niet doen.
+Jij bent er trotsch op dat je zoo hard en zoo lang voor je moeder hebt
+gewerkt.
+
+MEVR. LINDE. Ik kijk heusch op niemand neer. Maar dat is waar: ik ben
+zoowel trotsch als blij, als ik er aan denk, dat het mij vergund was de
+laatste jaren van mijn arme moeder althans vrij van zorgen voor haar te
+maken.
+
+NORA. En je bent ook trotsch als je er aan denkt wat je gedaan hebt voor
+je broers.
+
+MEVR. LINDE. Mij dunkt dat ik daar ook wel het recht toe heb.
+
+NORA. Dat dunkt mij ook. Maar nu zal ik je eens wat vertellen, Kristine.
+Ik heb ook iets om trotsch en blij over te zijn.
+
+MEVR. LINDE. Daar twijfel ik geen oogenblik aan. Maar hoe bedoel je dat?
+
+NORA. Spreek zachtjes. Verbeeld je dat Torwald het eens hoorde! Hij mag
+het om niets ter wereld hooren ... niemand mag het weten. Kristine;
+niemand dan jij....
+
+MEVR. LINDE. Maar wat _is_ het dan toch?
+
+NORA. Kom eens hier. (_Trekt haar op de sofa naast zich_). Weet je, ik
+heb ook iets om trotsch en blij over te zijn. _Ik_ heb Torwald's leven
+gered.
+
+MEVR. LINDE. Gered? Hoezoo gered?
+
+NORA. Ik vertelde je immers van die reis naar Italie. Torwald zou er
+nooit boven op gekomen zijn als hij er niet heen gegaan was....
+
+MEVR. LINDE. Nu ja; en je vader gaf je het noodige geld er voor....
+
+NORA (_glimlacht_). Ja, dat gelooft Torwald en alle andere menschen
+gelooven het; maar....
+
+MEVR. LINDE. Maar?...
+
+NORA. Papa gaf ons geen rooie duit. _Ik_ ben 't geweest die het geld
+bijeen heb gescharreld.
+
+MEVR. LINDE. Jij? Heel die groote som?
+
+NORA. Vier duizend acht honderd kronen. Wat zeg je daarvan?
+
+MEVR. LINDE. Maar Nora, hoe heb je dat kunnen doen? Had je dan een prijs
+uit de loterij getrokken?
+
+NORA (_verachtelijk_). Uit de loterij? (_Geringschattend_). Wat zou daar
+nu voor kunst aan geweest zijn?
+
+MEVR. LINDE. Maar waar haalde je het dan van daan?
+
+NORA (_neuriet zacht en geheimzinnig_). Hm! tra la la la!
+
+MEVR. LINDE. Want leenen kon je toch ook niet.
+
+NORA. Zoo? En waarom niet?
+
+MEVR. LINDE. Welneen, een vrouw kan immers geen leening aangaan zonder
+medeweten van haar man.
+
+NORA (_werpt het hoofd in den nek_). O, als het maar een vrouw is die
+een beetje verstand van zaken heeft ... een vrouw die een beetje handig
+is ... dan....
+
+MEVR. LINDE. Maar Nora, ik begrijp er heelemaal niets van.
+
+NORA. Dat hoeft ook niet. Ik heb immers niet gezegd dat ik het geld
+_geleend_ heb? Ik kan het toch ook wel op een andere manier gekregen
+hebben. (_Gooit zich achterover op de sofa_). Ik kan het gekregen hebben
+van een of anderen bewonderaar. Als je er zoo lief uitziet als ik....
+
+MEVR. LINDE. Wat ben je toch een dwaasje, Nora!
+
+NORA. Nu ben je zeker woest nieuwsgierig, he?
+
+MEVR. LINDE. Ja maar, hoor eens even, Nora-lief, heb je toch niet een
+beetje onbezonnen gehandeld?
+
+NORA (_zit weer rechtop_). Onbezonnen om je man's leven te redden?
+
+MEVR. LINDE. Mij dunkt dat het onbezonnen is om zonder zijn
+voorkennis....
+
+NORA. Maar hij mocht er juist niets van weten! Lieve hemel, begrijp je
+dat dan niet? Hij mocht niet eens weten hoe slecht hij er aan toe was.
+'t Was bij _mij_ dat de dokters kwamen en zeiden dat zijn leven in
+gevaar was ... dat niets anders hem kon redden dan een verblijf in het
+Zuiden. Geloof je niet dat ik eerst probeerde op een andere manier mij
+uit den brand te redden? Ik zei tegen hem hoe heerlijk het voor mij zijn
+zou om eens naar het buitenland te gaan, net als andere jonge vrouwen;
+ik huilde en smeekte; ik zei dat hij toch alsjeblieft moest denken aan
+mijn positie en hij lief voor mij moest wezen en mij mijn zin geven. En
+toen werd hij bijna boos. Hij zei dat ik lichtzinnig was, en dat het
+zijn plicht als getrouwd man was, om mij niet toe te geven in grillen en
+kuren ... zoo noemde hij het geloof ik. Jawel, dacht ik, gered worden
+moet je toch, en toen heb _ik_ een uitweg gezocht.
+
+MEVR. LINDE. En kwam je man het niet te weten van je vader, dat het geld
+niet van hem kwam?
+
+NORA. Neen ... nooit. Papa stierf juist in die dagen. Ik was van plan
+hem op de hoogte te brengen van de zaak en hem te vragen niets te
+verraden. Maar hij was al zoo ziek.... 't Was helaas toen ook niet meer
+noodig.
+
+MEVR. LINDE. En heb je er later nooit iets van verteld aan je man?
+
+NORA. Neen! lieve hemel, hoe verzin je het! Hij die zoo streng is op dat
+punt! En bovendien ... Torwald met zijn sterk ontwikkeld gevoel van
+eigenwaarde ... hoe pijnlijk en vernederend zou het voor hem zijn als
+hij wist dat hij iets aan mij te danken had. Dat zou de verhouding
+tusschen ons heelemaal verstoren; ons mooi lief thuis zou dan niet meer
+zijn wat het nu is.
+
+MEVR. LINDE. Zal je het hem dan nooit zeggen?
+
+NORA (_nadenkend, half glimlachend_). Jawel ... later misschien;... over
+vele jaren als ik niet meer zoo mooi ben als nu.... Daar moet je niet om
+lachen! Ik bedoel natuurlijk: als Torwald niet meer zooveel met mij op
+heeft; als hij er geen plezier meer in heeft dat ik voor hem dans, of me
+verkleed, of wat voordraag. Dan kon het wel goed zijn om nog iets achter
+de hand te hebben.... (_Uitbarstend_). Och malligheid! Die tijd komt
+nooit.... Maar hoe vindt je nu eigenlijk mijn groot geheim, Kristine?
+Kan ik nu ook niet iets flinks doen?... Ik verzeker je dat die zaak mij
+al heel wat moeilijkheden bezorgd heeft. 't Is heusch zoo gemakkelijk
+niet voor mij geweest om op tijd aan mijn verplichtingen te voldoen.
+Weet je, in de zaken-wereld is er iets dat ze driemaandelijksche rente
+noemen en iets dat afbetaling heet, en dat is altijd zoo verschrikkelijk
+moeilijk bij te brengen. Daarom heb ik zoo'n beetje op alles moeten
+bezuinigen, waar ik maar kon, zie je. Van het huishoudgeld kon ik
+natuurlijk niets op zij leggen, want Torwald moest het toch goed hebben.
+De kinderen konden toch ook niet slecht gekleed gaan; wat ik voor hen
+kreeg moest ik allemaal gebruiken vond ik. Die lieve, schattige
+kleintjes.
+
+MEVR. LINDE. Dus moest je het wel vinden op je eigen uitgaven, arme
+Nora?
+
+NORA. Ja natuurlijk. Ik was er dan ook het naaste aan toe. Telkens als
+Torwald mij geld gaf voor nieuwe japonnen of zoo iets, gebruikte ik
+nooit meer dan de helft; kocht altijd de eenvoudigste en goedkoopste
+dingen. Een waar geluk is het dat alles mij zoo goed kleedt, zoodat
+Torwald er niets van merkte. Maar het viel mij dikwijls moeilijk
+Kristine; want het is toch erg prettig om mooi gekleed te gaan, niet
+waar?
+
+MEVR. LINDE. Dat zal waar zijn!
+
+NORA. Nu maar, ik heb ook andere bronnen van inkomsten gehad. Verleden
+winter was ik zoo gelukkig een heeleboel copieerwerk te krijgen. Dan
+sloot ik mij op en zat den heelen avond te schrijven tot diep in den
+nacht. O ik was dikwijls zoo moe, zoo moe! Maar het was toch verbazend
+vermakelijk om zoo te zitten werken en er geld mee te verdienen. Het was
+haast net of ik een man was.
+
+MEVR. LINDE. Maar hoeveel heb je op die manier kunnen afbetalen?
+
+NORA. Ja, dat kan ik zoo precies niet zeggen. Weet je, het is erg
+moeilijk om uit zaken wijs te worden. Ik weet alleen dat ik alles
+betaald heb wat ik maar bij elkaar kon schrapen. Dikwijls heb ik geen
+raad geweten. (_Glimlacht_). Dan zat ik mij hier maar te verbeelden dat
+een oude rijke heer verliefd op me geworden was....
+
+MEVR. LINDE. Wat! Wat voor een heer?
+
+NORA. Och malligheid!... en dat hij nu gestorven was en zijn testament
+geopend werd, en daar stond met groote letters: "Al mijn geld moet aan
+de beminnelijke mevrouw Nora Helmer worden uitbetaald terstond contant."
+
+MEVR. LINDE. Maar Nora-lief ... wat was dat voor een heer?
+
+NORA. Lieve hemel, begrijp je het dan niet? Die oude heer bestond
+heelemaal niet; dat was maar zoo iets waar ik dan aldoor aan dacht, als
+ik niet wist waar ik het geld vandaan moest halen. Maar dat doet er nu
+niets meer toe; die oude vervelende sinjeur kan voor mijn part blijven
+waar hij is; noch hij noch zijn testament kan mij iets meer schelen,
+want nu heb ik geen zorgen meer. (_Springt op_). O god, Kristine, dat is
+toch een zalige gedachte! Geen zorgen meer! Vrij te zijn, heelemaal
+vrij! Te kunnen spelen en stoeien met de kinderen; alles mooi en netjes
+in huis te kunnen hebben, alles net zooals Torwald het graag heeft! En
+dan wordt het gauw weer lente en de lucht heelemaal blauw. Misschien
+gaan wij dan wel een reisje maken ... mogelijk wel naar de zee, die ik
+zoo graag nog eens terugzien wou! O ja, ja, het is toch maar
+verrukkelijk om te leven en gelukkig te zijn!
+
+(_Er wordt gebeld aan de voordeur_).
+
+MEVR. LINDE (_staat op_). Daar wordt gebeld; nu zal ik maar heengaan.
+
+NORA. Welneen, blijf maar; hier komt stellig niemand; het zal wel voor
+Torwald zijn....
+
+DIENSTMEISJE (_in de deur_). Neemt u mij niet kwalijk, mevrouw ... maar
+hier is een heer die wil meneer de advocaat spreken.
+
+NORA. Meneer de directeur, meen je.
+
+DIENSTMEISJE. Jawel, mevrouw, meneer de directeur; maar ik wist niet ...
+omdat de dokter binnen is....
+
+NORA. Wie is die meneer?
+
+Zaakwaarnemer KROGSTAD (_in de deur_). Ik ben het mevrouw.
+
+(_Mevr. Linde schrikt en gaat bij het raam staan_).
+
+NORA (_gaat hem een paar passen te gemoet; gespannen half-luid_). U? Wat
+beteekent dat? Waarover wou u mijn man spreken?
+
+KROGSTAD. Over bankzaken ... tot op zekere hoogte. Ik heb een klein
+postje bij de Hypotheekbank, en uw man wordt nu onze chef, naar ik
+hoor....
+
+NORA. Het is dus over....
+
+KROGSTAD. Over zaken, droge kantoorzaken, mevrouw; anders niets.
+
+NORA. Ja, wil u dan maar zoo goed zijn even in het kantoor te gaan.
+(_Groet onverschillig, terwijl zij de deur naar het portaal opendoet;
+dan gaat zij naar de kachel kijken_).
+
+MEVR. LINDE. Nora ... wie was die man?
+
+NORA. Dat is een zekere zaakwaarnemer Krogstad.
+
+MEVR. LINDE. Dus was hij het heusch!
+
+NORA. Ken je dien man?
+
+MEVR. LINDE. Ik heb hem gekend ... vele jaren geleden. Hij was een
+tijdlang zaakwaarnemer daarginder bij ons.
+
+NORA. Ja dat was hij ook.
+
+MEVR. LINDE. Wat is hij veranderd!
+
+NORA. Hij is heel ongelukkig getrouwd geweest.
+
+MEVR. LINDE. Nu is hij immers weduwnaar?
+
+NORA. Met een heeleboel kinderen. Zie zoo, nu vlamt het weer. (_Zij
+sluit de deur van de kachel en schuift den schommelstoel een beetje op
+zij_).
+
+MEVR. LINDE. Hij heeft allerlei zaken aan de hand, zeggen ze.
+
+NORA. Zoo? Ja dat kan wel zijn; ik weet er niet van ... maar laat ons nu
+niet aan zaken denken; dat is zoo vervelend.
+
+(_Dokter Rank komt uit Helmer's kamer_).
+
+DOKTER RANK (_nog in de deur_). Neen, neen zeg ik; ik wil je niet
+hinderen. Ik ga liever even binnen bij je vrouw. (_Sluit de deur en
+bemerkt mevr. Linde_). O, pardon; ik zie dat ik hier ook ongelegen kom.
+
+NORA. Welneen, heelemaal niet. (_Stelt voor_). Dokter Rank--Mevrouw
+Linde.
+
+RANK. Och zoo. Een naam die hier in huis dikwijls genoemd wordt. Ik
+geloof dat ik mevrouw voorbij liep op de trap.
+
+MEVR. LINDE. Ja, ik loop heel langzaam een trap op; ik kan niet goed
+stijgen.
+
+RANK. Zoo? Is u niet goed in orde van binnen?
+
+MEVR. LINDE. Eigenlijk meer wat overwerkt.
+
+RANK. Anders niet? Dan is u zeker naar de stad gekomen om eens wat
+ontspanning te nemen met de kerstfeesten.
+
+MEVR. LINDE. Ik ben hierheen gekomen om werk te zoeken.
+
+RANK. Moet dat een geneesmiddel zijn voor iemand die al overwerkt is?
+
+MEVR. LINDE. Men moet toch leven, dokter.
+
+RANK. Ja, dat is zoo de algemeene opinie, dat dat noodzakelijk is.
+
+NORA. Nou maar, dokter Rank ... u wil toch ook wel graag leven.
+
+RANK. Ja zeker wil ik dat. Zoo ellendig als ik ben, wil ik toch graag
+mijn kwaal zoo lang mogelijk rekken. Al mijn patienten zijn net eender.
+En zoo gaat het de moreel-aangetasten ook. Daar is nu juist op dit
+oogenblik zoo'n moreel-melaatsche bij Helmer....
+
+MEVR. LINDE (_gedempt_). Ah!
+
+NORA. Wie meent u?
+
+RANK. O, dat is een zaakwaarnemer, Krogstad, iemand die heelemaal buiten
+uw sfeer leeft. Die man is moreel in den grond bedorven, maar zelfs hij
+begon er over, alsof 't iets hooggewichtigs was, dat hij toch _leven_
+moest.
+
+NORA. Zoo? Waar kwam hij eigenlijk Torwald over spreken?
+
+RANK. Ik weet het heusch niet: ik hoorde alleen dat het iets over de
+Hypotheekbank was.
+
+NORA. Ik wist niet dat Krog ... dat die zaakwaarnemer Krogstad iets met
+de Hypotheekbank te maken had.
+
+RANK. Ja, hij heeft daar een soort betrekking. (_Tegen mevr. Linde_). Ik
+weet niet of u daarginder, waar u vandaan komt, ook zulk slag van
+menschen heeft, die blazend en hijgend overal rondloopen om moreele
+verwording en onpluize zaakjes op te snorren en dan de betrokken
+personen als 't ware ter observatie op te sluiten in een of andere (voor
+de speurders) voordeelige betrekking. De gezonden mogen dan netjes
+buiten blijven staan toekijken.
+
+MEVR. LINDE. Het zijn toch ook de zieken die het 't meest noodig hebben
+opgesloten te worden.
+
+RANK (_haalt de schouders op_). Ja, daar hebben wij de kwestie. _Die_
+opvatting maakt nu juist een ziekenhuis van de maatschappij.
+
+(_Nora, in haar eigen gedachten verdiept, barst uit in een halfluid
+lachen en klapt in haar handen_).
+
+RANK. Hoe lacht u daar zoo om? Weet u eigenlijk wel wat de maatschappij
+is?
+
+NORA. Wat kan mij die vervelende maatschappij schelen? Ik lachte om heel
+iets anders ... iets vreeselijk vermakelijks.... Zeg u nu eens, dokter
+... worden al die menschen die werkzaam zijn bij de Hypotheekbank nu
+afhankelijk van Torwald?
+
+RANK. Vindt u dat zoo vreeselijk vermakelijk?
+
+NORA (_glimlacht en neuriet_). Waarom niet? (_Loopt rond door de
+kamer_). Ja, dat is toch ontzettend grappig om te denken, dat wij ...
+dat Torwald nu zooveel invloed op zooveel menschen krijgt. (_Haalt de
+bonbons uit haar zak_). Dokter heeft u ook trek in bonbons?
+
+RANK. Kijk eens aan, bonbons.... Ik dacht dat dat verboden waar was
+hier.
+
+NORA. Ja, maar deze heeft Kristine voor mij meegebracht.
+
+MEVR. LINDE. Wat?... Ik?...
+
+NORA. Nou ... nou ... schrik maar niet. Jij kon immers niet weten, dat
+Torwald ze mij verboden heeft. Weet je, hij is bang dat ik er leelijke
+tanden van krijgen zal. Maar och ... voor een enkel keertje.... Niet
+waar dokter? Alsjeblieft. (_Stopt hem een bonbon in den mond_). En jij
+ook Kristine. En ik mag er ook eentje ... een kleintje maar ... een ...
+of op zijn hoogst twee! (_Loopt weer rond_). Nu ben ik toch zoo
+in-gelukkig. Nu is er maar een ding in de wereld waar ik zoo'n dollen
+lust in zou hebben.
+
+RANK. En dat is?
+
+NORA. Het is iets dat ik zoo dolgraag zou willen zeggen, zoo, dat
+Torwald het hoorde.
+
+RANK. En waarom zegt u het dan niet?
+
+NORA. Neen ... ik durf niet ... het is zoo leelijk.
+
+MEVR. LINDE. Leelijk?
+
+RANK. Ja, dan is het niet geraden. Maar tegen ons kan u 't toch wel....
+Wat is het dan dat u zoo graag wou zeggen, zoo, dat Helmer het hoorde?
+
+NORA. Ik heb zoo'n dollen lust om te zeggen: bliksems!
+
+RANK. Hoe heb ik het nu met u!
+
+MEVR. LINDE. 't Is zonde Nora.
+
+RANK. Zeg u 't dan nu maar. Daar is hij!
+
+NORA (_stopt de bonbons weg_). Sst, sst, sst!
+
+(_Helmer komt uit zijn kamer met zijn overjas op den arm en zijn hoed in
+de hand_).
+
+NORA (_naar hem toegaand_). Wel Torwald-lief, ben je van hem af?
+
+HELMER. Ja hij is weg.
+
+NORA. Mag ik je even voorstellen: dat is Kristine die in de stad gekomen
+is.
+
+HELMER. Kristine?... Pardon, ik weet niet goed....
+
+NORA. Mevrouw Linde, Torwald-lief; mevrouw Kristine Linde.
+
+HELMER. Ach zoo. Vermoedelijk een vriendin van mijn vrouw uit haar
+kindertijd?
+
+MEVR. LINDE. Ja, wij hebben elkaar vroeger gekend.
+
+NORA. En verbeeld je, nu heeft zij die lange reis hierheen gemaakt om
+eens met jou te kunnen spreken.
+
+HELMER. Dat wil zeggen?
+
+MEVR. LINDE. Dat nu juist niet....
+
+NORA. Kristine is namelijk zoo vreeselijk handig met kantoorwerk, en nu
+wou ze zoo dolgraag onder de leiding komen van een knappen man, om er
+zich nog verder in te bekwamen....
+
+HELMER. Heel verstandig mevrouw.
+
+NORA. En toen ze hoorde dat je directeur van die Bank was geworden--dat
+was daar door een telegram bekend gemaakt--reisde zij, zoodra zij kon,
+hier heen en.... Niet waar Torwald, je wilt, om mij plezier te doen, wel
+wat voor Kristine doen? Zeg?
+
+HELMER. Welzeker, dat is heel wel mogelijk. Mevrouw is vermoedelijk
+weduwe?
+
+MEVR. LINDE. Ja.
+
+HELMER. En heeft u al wat ondervinding in kantoorzaken?
+
+MEVR. LINDE. Ja, tamelijk wel.
+
+HELMER. Nu, dan is het heel waarschijnlijk dat ik u een betrekking zal
+kunnen bezorgen....
+
+NORA (_klapt in haar handen_). Zie je wel! Zie je wel!
+
+HELMER. U is op een gelukkig oogenblik gekomen, mevrouw....
+
+MEVR. LINDE. O, hoe kan ik u genoeg danken?...
+
+HELMER. Heelemaal niet noodig. (_Trekt zijn overjas aan_). Maar vandaag
+moet u mij excuseeren....
+
+RANK. Wacht, ik ga met je mee. (_Haalt zijn pels uit het portaal en
+warmt dien bij den kachel_).
+
+NORA. Blijf niet lang weg, Torwald-lief.
+
+HELMER. Een uurtje maar, langer niet.
+
+NORA. Ga jij ook weg, Kristine?
+
+MEVR. LINDE (_doet haar mantel om_). Ja ik moet weg; ik moet nog een
+kamer zoeken.
+
+HELMER. Dan kunnen wij misschien zoo ver samen gaan.
+
+NORA (_helpt haar_). Hoe vervelend nu dat we zoo klein behuisd zijn,
+maar wij kunnen je onmogelijk....
+
+MEVR. LINDE. Och welneen. Hoe kom je er bij! Dag Nora-lief, hartelijk
+dank voor alles!
+
+NORA. Tot ziens. Ja, zeg, je komt toch van avond terug? En u ook dokter?
+Wat? Of u wel genoeg zal zijn? Wel ja, natuurlijk wel; pak u maar goed
+in. (_Onder algemeen gepraat gaan zij het portaal op. Buiten op de trap
+klinken kinderstemmen_).
+
+NORA. Daar zijn ze! Daar zijn ze! (_Zij gaat gauw de buitendeur
+opendoen. De kindermeid Anna-Marie komt met de kinderen boven. Pakt en
+kust ze_). Hier zijn mijn schatjes, mijn lievelingen!... Daar heb je ze
+nu Kristine! Zijn ze niet heerlijk?
+
+RANK. Niet hier in den tocht blijven staan praten!
+
+HELMER. Kom mevrouw Linde, nu wordt het hier niet meer uit te houden
+voor iemand die geen kinderen heeft.
+
+(_Dokter Rank, Helmer en mevr. Linde gaan naar beneden. De kindermeid
+gaat met de kinderen naar binnen. Nora ook, en sluit dan de deur_).
+
+NORA. Wat zien jullie er frisch en lekker uit. Wat een roode wangen! Als
+appeltjes en rozen. (_De kinderen praten den heelen tijd er tusschen
+door_). Heb je zoo'n pret gehad? Dat is best. Och kom! heb jij Emmy en
+Bob tegelijk gesleed? Neen maar, verbeeld je toch eens. Je bent een
+flinke jongen, Ivar. Och, Anna-Marie, geef haar mij een beetje. Mijn
+lief klein poppekindje! (_Neemt het kleinste op den arm en danst er mee
+door de kamer_). Ja ... ja, mama zal ook met Bob dansen. Wat? Hebben
+jullie sneeuwballen gegooid? O, daar had ik bij moeten zijn! Neen, laat
+maar, ik zal ze zelf wel uitkleeden Anna-Marie. Toe ja, laat mij dat nu
+eens doen ... het is zoo prettig. Ga jij maar even naar de kinderkamer;
+je ziet er verkleumd uit. Er staat nog warme koffie op de kachel voor
+je.
+
+(_De meid gaat in de kamer links. Nora trekt de kinderen hun jasjes enz.
+uit en gooit het goed hier en daar neer, terwijl zij hen door elkander
+laat vertellen_).
+
+NORA. Och heusch? Was er een groote hond die je achterna liep? Maar hij
+beet je niet he? Neen, de honden bijten zulke lieve zoete poppekindjes
+niet. Niet in de pakjes kijken, Ivar! Wat dat is? Ja dat zou je wel eens
+willen weten. Neen ... neen ... daar zit iets leelijks in. Wat? Spelen?
+Maar wat dan? Verstoppertje? Ja, dat is goed, we zullen verstoppertje
+spelen. Bob moet zich het eerst verstoppen. Moet _ik_ het doen? Goed
+dan--dan zal ik mij verstoppen.
+
+(_Zij en de kinderen spelen lachend en juichend in de kamer en in de
+aangrenzende kamer rechts. Ten slotte verstopt Nora zich onder de tafel;
+de kinderen stormen naar binnen, maar kunnen haar niet vinden; zij
+hooren haar gesmoord lachen, loopen naar de tafel toe, lichten het
+tafelkleed op en zien haar. Stormachtig gejuich. Zij kruipt te
+voorschijn alsof zij hen bang maken wil. Nieuw gejuich. Er is intusschen
+geklopt; niemand heeft er op gelet. Nu wordt de deur half geopend en
+Krogstad komt te voorschijn; hij wacht even; het spel wordt
+voortgezet_).
+
+KROGSTAD. Neem me niet kwalijk, mevrouw Helmer....
+
+NORA (_met een gesmoorden kreet, keert zich om en springt half op_). Ah!
+wat wou u?
+
+KROGSTAD. Excuseer mij, maar de buitendeur stond aan; de een of ander
+heeft zeker vergeten ze te sluiten....
+
+NORA (_staat op_). Mijn man is niet thuis, meneer Krogstad.
+
+KROGSTAD. Dat weet ik.
+
+NORA. O ... ja? wat wou u dan eigenlijk?
+
+KROGSTAD. Een woordje met u spreken.
+
+NORA. Met...? (_Tegen de kinderen zachtjes_). Gaat nu zoet naar
+Anna-Marie. Wat? Neen, die vreemde man zal mama heusch geen kwaad doen.
+Als hij weg is gaan we weer spelen. (_Zij brengt de kinderen in de kamer
+links en doet de deur achter hen dicht. Gejaagd, zenuwachtig_). Wou u
+met mij spreken?
+
+KROGSTAD. Ja.
+
+NORA. Van daag?... Maar het is toch nog niet de eerste van de maand.
+
+KROGSTAD. Neen ... het is kerstavond. Het zal van u zelf afhangen, of
+dat een gelukkige avond voor u zijn zal.
+
+NORA. Wat wilt u toch? Ik kan vandaag heelemaal niet....
+
+KROGSTAD. Daar zullen wij voorloopig niet meer over spreken. Het is iets
+anders. U heeft toch wel een oogenblikje tijd?
+
+NORA. O ja, zeker, 'k heb wel een oogenblikje, hoewel....
+
+KROGSTAD. Alsjeblieft dan. Ik zat in het restaurant van Olsen en zag uw
+man voorbijgaan....
+
+NORA. Ja?...
+
+KROGSTAD. ... met een dame.
+
+NORA. En wat zou dat?
+
+KROGSTAD. Zou ik zoo vrij mogen zijn te vragen: was die dame niet een
+zekere mevrouw Linde?
+
+NORA. Jawel.
+
+KROGSTAD. Zoo pas in de stad gekomen.
+
+NORA. Ja ... van daag.
+
+KROGSTAD. Zij is immers een goede vriendin van u?
+
+NORA. Ja zeker. Maar ik zie niet in....
+
+KROGSTAD. Ik heb haar vroeger ook gekend.
+
+NORA. Dat weet ik.
+
+KROGSTAD. Zoo? Is u op de hoogte van de zaak? Dat dacht ik wel. Mag ik u
+dan kort en goed vragen of mevrouw Linde een betrekking krijgt bij de
+Hypotheekbank?
+
+NORA. Hoe durft u zoo vrijpostig zijn om _mij_ uit te vragen, meneer
+Krogstad, u, een van mijn mans ondergeschikten? Maar omdat u er naar
+vraagt, zal u 't weten ook. Ja, mevrouw Linde zal een betrekking
+krijgen. En ik ben het die haar die bezorgd heeft. Nu weet u het meneer
+Krogstad.
+
+KROGSTAD. Mijn vermoeden was dus juist.
+
+NORA (_loopt in de kamer op en neer_). O, een klein beetje invloed heeft
+iemand toch altijd nog wel, zou ik denken. Al ben ik dan maar een vrouw,
+daarom is het nog volstrekt niet gezegd dat.... Als men in een
+ondergeschikte positie verkeert, meneer Krogstad, mag men zich waarlijk
+wel wachten om iemand voor het hoofd te stooten, die ... hm....
+
+KROGSTAD. ... die invloed heeft?
+
+NORA. Juist, ja.
+
+KROGSTAD (_met veranderde stem_). Mevrouw Helmer, wil u zoo goed zijn om
+uw invloed te mijnen behoeve te gebruiken?
+
+NORA. Wat bedoelt u?
+
+KROGSTAD. Wil u zoo goed zijn er voor te zorgen dat ik mijn
+ondergeschikte betrekking bij de Bank behoud?
+
+NORA. Wat beteekent dat? Wie denkt er aan u uw betrekking te ontnemen?
+
+KROGSTAD. O, u hoeft tegenover mij niet te doen alsof u van niets weet.
+Ik begrijp heel goed dat het uw vriendin niet aangenaam kan zijn zich
+bloot te stellen aan een ontmoeting met mij; en ik begrijp nu ook aan
+wie ik het te danken zal hebben als ik weggejaagd word.
+
+NORA. Maar ik geef u de verzekering....
+
+KROGSTAD. Jawel, jawel ... kort en goed: het is nu nog tijd, en ik geef
+u den raad uw invloed te gebruiken om het te verhinderen.
+
+NORA. Maar meneer Krogstad, ik heb volstrekt geen invloed.
+
+KROGSTAD. Zoo? Ik dacht dat u daar straks zelf zei....
+
+NORA. Dat was natuurlijk zoo niet op te vatten. Ik! Hoe kan u gelooven
+dat ik zoo'n invloed op mijn man heb?
+
+KROGSTAD. O, ik ken uw man al van onzen studententijd af. Ik denk niet
+dat meneer de Bankdirecteur vaster in zijn schoenen staat dan andere
+getrouwde mannen.
+
+NORA. Als u geringschattend over mijn man spreekt, wijs ik u de deur.
+
+KROGSTAD. Mevrouw is dapper.
+
+NORA. Ik ben niet langer bang voor u. Na Nieuwjaar zal ik gauw van de
+heele geschiedenis af zijn.
+
+KROGSTAD (_zich beheerschend_). Luister nu eens, mevrouw. Als de nood
+aan den man komt, ben ik van plan een strijd op leven en dood te voeren
+om mijn postje aan de Bank te behouden.
+
+NORA. Ja, dat begint er heusch naar uit te zien.
+
+KROGSTAD. Het is niet alleen om het salaris; daar is het mij het minst
+om te doen. Maar er is iets anders.... Nou ja, ik zal 't maar zeggen.
+Ziet u, het is dit: u weet natuurlijk evengoed als iedereen dat ik mij,
+vele jaren geleden, aan een onbezonnenheid heb schuldig gemaakt.
+
+NORA. Ik geloof dat ik daar wel eens iets van gehoord heb.
+
+KROGSTAD. De zaak is niet voor het gerecht gekomen; maar toch waren
+terstond alle wegen voor mij afgesloten, als 't ware. Zoo kwam ik er toe
+mij in te laten met het soort van zaken dat u weet. Iets moest ik wel
+aanpakken, en ik durf zeggen dat ik nog niet een van de slechtsten in
+mijn soort ben. Maar nu wil ik dien heelen boel aan kant doen. Mijn
+zoons beginnen groot te worden; om hunnentwil moet ik mijn best doen om
+zooveel mogelijk weer in de algemeene achting te rijzen. Dat postje bij
+de Bank was om zoo te zeggen de eerste sport op de ladder daartoe. En nu
+wil uw man mij van de ladder afschoppen, zoodat ik weer beneden in de
+modder kom te liggen.
+
+NORA. Maar, goede hemel, meneer Krogstad, het staat heusch niet in mijn
+macht om u te helpen.
+
+KROGSTAD. Dat komt eenvoudig omdat u niet wil. Maar ik bezit de middelen
+om u te dwingen.
+
+NORA. U wil toch niet aan mijn man gaan vertellen dat ik u geld schuldig
+ben?
+
+KROGSTAD. Hm; en als ik dat nu eens deed?
+
+NORA. Dat zou een schandelijke manier van doen zijn. (_Met tranen in
+haar stem_). Dat geheim dat mijn vreugde en mijn trots is, dat zou hij
+op zoo'n leelijke en plompe manier te weten komen ... te weten door _u_.
+U zal mij aan de vreeselijkste onaangenaamheden bloot stellen....
+
+KROGSTAD. Enkel maar onaangenaamheden?
+
+NORA (_heftig_). Maar doe het maar; het zal voor u zelf het ergst zijn;
+want dan zal mijn man pas eens goed zien wat voor een slecht mensch u
+is, en dan zal u heel zeker uw betrekking niet behouden.
+
+KROGSTAD. Ik vroeg of het enkel huiselijke onaangenaamheden waren, waar
+u bang voor is?
+
+NORA. Als mijn man het te weten komt, zal hij natuurlijk terstond
+betalen wat er nog staat; en dan hebben wij verder niets meer met u te
+maken.
+
+KROGSTAD (_een beetje dichterbij_). Hoor eens, mevrouw Helmer; u heeft
+of geen heel sterk geheugen, of heelemaal geen begrip van zaken. Ik zal
+u de zaak eens wat duidelijker maken.
+
+NORA. Hoe dan?
+
+KROGSTAD. Toen uw man ziek was, kwam u bij mij om vijfduizend kronen te
+leen.
+
+NORA. Ik wist niemand anders.
+
+KROGSTAD. Ik beloofde u het geld te zullen bezorgen.
+
+NORA. En dat deed u ook.
+
+KROGSTAD. Ik beloofde u het geld te zullen bezorgen onder zekere
+voorwaarden. U was toen zoo bezet met de ziekte van uw man en zoo
+verlangend om het geld voor de reis in handen te krijgen, dat u, geloof
+ik, geen gedachte meer over had voor alle bijkomende omstandigheden. Het
+kan daarom niet misplaatst zijn u daaraan nog eens te herinneren. Dus:
+ik beloofde u het geld te bezorgen tegen een schuldbekentenis, die ik u
+opmaakte.
+
+NORA. En die ik onderteekende.
+
+KROGSTAD. Juist. Maar onderaan voegde ik er eenige regels bij, waarin
+stond dat uw vader borg bleef voor de som. Deze regels moest uw vader
+onderteekenen.
+
+NORA. Moest?... Hij heeft ze immers onderteekend.
+
+KROGSTAD. Ik had den datum in blanco gelaten; d.w.z. uw vader moest zelf
+invullen op welken dag hij het papier teekende. Herinnert mevrouw zich
+dat?
+
+NORA. Ja ... ik geloof 't wel....
+
+KROGSTAD. Daarna gaf ik u de schuldbekentenis om die per post op te
+sturen aan uw vader. Was het zoo niet?
+
+NORA. Jawel.
+
+KROGSTAD. En dat deed u natuurlijk ook terstond; want al vijf of zes
+dagen later bracht u mij de schuldbekentenis met de onderteekening van
+uw vader terug. En toen betaalde ik u het geld uit.
+
+NORA. Nu ja; heb ik dan niet behoorlijk afbetaald?
+
+KROGSTAD. Zoo tamelijk, jawel. Maar ... om nog eens terug te komen op
+dat waar wij over spraken ... dat was toen wel een moeilijke tijd voor
+u, mevrouw.
+
+NORA. Dat was het zeker.
+
+KROGSTAD. Uw vader was toen ook heel ziek, meen ik.
+
+NORA. Hij lag op sterven.
+
+KROGSTAD. En stierf ook kort daarna?
+
+NORA. Ja.
+
+KROGSTAD. Herinnert u zich toevallig den sterfdag van uw vader? Welke
+dag van de maand het was, bedoel ik.
+
+NORA. Papa stierf den 29sten September.
+
+KROGSTAD. Dat komt precies uit; ik heb het nagevraagd. En daarom is er
+iets zonderlings in de zaak (_haalt een papier voor den dag_) dat ik mij
+volstrekt niet verklaren kan.
+
+NORA. Wat voor zonderlings? Ik weet niet....
+
+KROGSTAD. Het zonderlinge, mevrouw, is dat uw vader deze
+schuldbekentenis heeft onderteekend drie dagen na zijn dood.
+
+NORA. Hoe dat? Ik begrijp niet....
+
+KROGSTAD. Uw vader stierf den 29sten September. Maar kijk nu eens hier.
+Hier heeft uw vader zijn handteekening gedateerd op den 2den October. Is
+dat niet vreemd, mevrouw?
+
+NORA (_zwijgt_).
+
+KROGSTAD. Kan u mij dat verklaren?
+
+NORA (_blijft zwijgen_).
+
+KROGSTAD. Opvallend is het ook, dat de woorden 2 October en het jaartal
+niet geschreven zijn met de hand van uw vader, maar met een hand die ik
+meen te kennen. Nu, er is wel een verklaring voor te vinden; uw vader
+kan vergeten hebben den datum er bij te zetten, en de een of ander heeft
+dien op de gis ingevuld, eer zijn dood nog bekend was. Daar steekt geen
+kwaad in. Waar het op aan komt is de handteekening. En die is toch wel
+echt, niet waar mevrouw? Het is toch inderdaad uw vader, die daar zelf
+zijn naam heeft neergeschreven?
+
+NORA (_na eenig zwijgen--werpt het hoofd in den nek en ziet hem
+uitdagend aan_). Neen ... die is niet echt. Ik ben het die papa's naam
+geschreven heb.
+
+KROGSTAD. Mevrouw ... weet u wel dat dat een gevaarlijke bekentenis is?
+
+NORA. Waarom? U zal uw geld gauw genoeg krijgen.
+
+KROGSTAD. Mag ik u een vraag doen?... Waarom zond u dat papier niet aan
+uw vader?
+
+NORA. Dat was onmogelijk. Papa was immers al zoo zwaar ziek. Als ik hem
+om zijn onderteekening had gevraagd, had ik hem ook moeten zeggen
+waarvoor ik het geld gebruiken moest. Maar ik kon hem toch niet zeggen,
+zoo ziek als hij was, dat het leven van mijn man in gevaar was. Dat was
+toch onmogelijk.
+
+KROGSTAD. Dan was het beter geweest voor u als u die reis maar had
+opgegeven.
+
+NORA. Neen ... dat kon heelemaal niet. Die reis moest immers het leven
+van mijn man redden. Die kon ik niet opgeven.
+
+KROGSTAD. Maar heeft u er dan niet aan gedacht dat het een bedrog was
+tegenover mij?
+
+NORA. Daar kon ik mij heusch niet mee ophouden. Aan u dacht ik in 't
+geheel niet. Ik kon u niet uitstaan om al die gevoellooze bezwaren die u
+maakte, hoewel u wist hoe slecht mijn man er aan toe was.
+
+KROGSTAD. Mevrouw Helmer, u heeft blijkbaar geen duidelijke voorstelling
+van dat waaraan u zich heeft schuldig gemaakt. Maar ik kan u zeggen dat
+wat _ik_ eens misdeed, dat wat mijn heele maatschappelijke positie
+verwoestte, niets meer en niets erger was dan dit.
+
+NORA. U? Zou u mij willen wijs maken dat u eens een moedige daad heeft
+gedaan om het leven van uw vrouw te redden?
+
+KROGSTAD. De wet vraagt niet naar beweegredenen.
+
+NORA. Dat moet dan al een heel slechte wet zijn.
+
+KROGSTAD. Slecht of niet ... breng ik dit stuk papier voor het gerecht,
+dan wordt u volgens de wet veroordeeld.
+
+NORA. Daar geloof ik niets van. Een dochter zou het recht niet hebben
+haar armen doodzieken vader te bewaren voor angsten en zorgen? Zou een
+vrouw het recht niet hebben het leven van haar man te redden? Ik ken de
+wet zoo precies niet; maar ik ben er zeker van dat daarin ergens wel
+iets moet staan, dat zoo iets geoorloofd is. En dat zou u niet weten, u,
+die zaakwaarnemer is? U moet al een heel slecht jurist zijn, meneer
+Krogstad.
+
+KROGSTAD. Dat kan zijn. Van _mijn_ zaken ... van zulke zaken als u en ik
+samen hebben, gelooft u toch zeker wel dat ik verstand heb? Goed. Doe u
+nu maar wat u wil. Maar _dit_ zeg ik u: word ik voor den tweeden keer
+uitgestooten, dan zal u mij gezelschap houden. (_Hij groet en gaat heen
+door het portaal_).
+
+NORA (_een poosje nadenkend; schudt dan het hoofd_). Och wat!... Hij wil
+mij bang maken; zoo dom ben ik nu niet. (_Gaat de kleeren van de
+kinderen bij elkaar leggen--houdt dan in-eens op_). Maar?... Neen, dat
+is toch onmogelijk! Ik deed het immers uit liefde.
+
+DE KINDEREN (_in de deur links_). Mama, nu is die vreemde man weg!
+
+NORA. Ja, ja, ik weet 't wel. Maar niet over dien vreemden man spreken,
+hoor, tegen niemand, ook niet tegen Papa!
+
+DE KINDEREN. Neen Maatje; maar wil u nu weer met ons spelen?
+
+NORA. Neen ... nu niet.
+
+DE KINDEREN. He Maatje, u heeft 't toch beloofd!
+
+NORA. Ja, maar ik kan nu niet. Gaat nu naar binnen; ik heb nog zoo veel
+te doen. Toe, gaat nu zoet naar de kinderkamer, mijn lieve schatjes!
+(_Zij dringt hen zachtjes de andere kamer in en sluit de deur achter
+hen. Gaat op de sofa zitten, neemt een borduurwerkje op, doet enkele
+steken, maar scheidt er dadelijk weer mee uit_). Neen! (_Gooit haar werk
+neer, staat op, loopt naar de deur en roept_). Helene! breng den
+kerstboom eens binnen. (_Gaat naar de tafel links en doet de la open;
+wacht dan weer_). Neen ... maar dat kan toch niet mogelijk zijn!
+
+DIENSTMEISJE (_met den boom_). Waar moet ik hem neerzetten, mevrouw?
+
+NORA. Daar, midden op den grond.
+
+DIENSTMEISJE. Moet ik nog iets anders halen?
+
+NORA. Neen, dankje; ik heb alles wat ik noodig heb.
+
+(_Het meisje zet den boom neer en gaat heen. Nora bezig den kerstboom op
+te sieren_). Hier lichtjes, en daar bloemen. Die afschuwelijke kerel!
+Allemaal kletspraatjes! Er is niets van aan. De boom zal prachtig
+worden. Ik zal alles doen waar je plezier in hebt, Torwald ... ik zal
+voor je zingen, voor je dansen....
+
+(_Helmer komt van buiten met een pak papieren onder den arm_).
+
+NORA. Zoo, ben je al terug?
+
+HELMER. Ja. Is er iemand geweest?
+
+NORA. Hier? Neen.
+
+HELMER. Dat is vreemd. Ik zag Krogstad de straatdeur uitgaan.
+
+NORA. Zoo? O ja, dat 's waar, Krogstad was even hier.
+
+HELMER. Nora, ik kan het je aanzien dat hij hier is geweest om je te
+vragen een goed woord voor hem te doen.
+
+NORA. Ja.
+
+HELMER. En dat moest je doen alsof het uit jezelf kwam, he? Je moest
+voor mij verzwijgen dat hij hier was geweest. Heeft hij je dat ook niet
+gevraagd?
+
+NORA. Jawel, Torwald, maar....
+
+HELMER. Nora, Nora, hoe kon je je daar nu mee inlaten? Zoo'n kerel te
+woord te staan en hem iets te beloven! En dan nog op den koop toe mij
+een onwaarheid te zeggen!
+
+NORA. Een onwaarheid?
+
+HELMER. Zei je dan niet dat er niemand geweest was? (_Dreigt met zijn
+vinger_). Dat moet mijn zangvogeltje nooit meer doen. Een zangvogeltje
+moet nooit valsche tonen laten hooren! (_Slaat zijn arm om haar heen_).
+Is het zoo niet? Ja, dat wist ik immers wel. (_Laat haar los_). En nu
+praten wij er niet meer over. (_Gaat bij de kachel zitten_). He, wat is
+het hier gezellig en lekker. (_Kijkt zijn papieren vluchtig door_).
+
+NORA (_bezig met den kerstboom--na een kleine pauze_). Torwald!
+
+HELMER. Ja.
+
+NORA. Ik verheug mij zoo dol op het gecostumeerde bal bij de Stenborgs
+overmorgen.
+
+HELMER. En ik ben dol nieuwsgierig om te zien waarmee je mij verrassen
+zult.
+
+NORA. Och, 't is eigenlijk mal ... maar....
+
+HELMER. Wat dan?
+
+NORA. Ik kan niets goeds bedenken; ik vind 't allemaal zoo flauw, zoo
+onbeduidend.
+
+HELMER. Is kleine Nora tot die slotsom gekomen?
+
+NORA (_achter zijn stoel met de armen op de leuning rustend_). Heb je
+het erg druk, Torwald?
+
+HELMER. Och....
+
+NORA. Wat zijn dat voor papieren?
+
+HELMER. Zaken van de Bank.
+
+NORA. Nu al?
+
+HELMER. Ik heb mij door het aftredende bestuur volmacht laten geven om
+de noodige veranderingen in het personeel en in de regeling van de
+werkzaamheden te kunnen maken. Daar moet ik de feestweek voor gebruiken.
+Met Nieuwjaar wil ik alles in orde hebben.
+
+NORA. Dus was het daarom dat die arme Krogstad....
+
+HELMER. Hm.
+
+NORA (_heelemaal leunend op den rug van zijn stoel, speelt met haar
+vingers met zijn nekharen_). Als je het niet zoo druk hadt, zou ik je om
+een heel grooten dienst willen vragen, Torwald.
+
+HELMER. Laat eens hooren. Wat zou dat zijn?
+
+NORA. Je weet wel dat niemand zoo'n goeden smaak heeft als jij. En nu
+zou ik er zoo graag goed uitzien op het gecostumeerde bal. Zou jij me nu
+niet een beetje willen helpen en zeggen, als wat ik gaan zal en hoe mijn
+costuum gemaakt moet worden?
+
+HELMER. Oho, is mijn eigenzinnig kindje aan 't zoeken naar een reddenden
+engel?
+
+NORA. Ja, Torwald; ik kan niet klaar komen zonder jouw hulp.
+
+HELMER. Goed dan; ik zal er over denken; wij zullen wel raad schaffen.
+
+NORA. He, dat is lief van je. (_Gaat weer naar den boom--een pauze_).
+Wat doen die roode bloemen daar mooi he? Zeg eens, is het heusch zoo
+iets ergs wat die Krogstad gedaan heeft?
+
+HELMER. Valsche handteekeningen gemaakt. Heb je er eenig begrip van wat
+dat beteekent?
+
+NORA. Kan hij dat niet uit gebrek gedaan hebben?
+
+HELMER. Jawel, of, zooals zooveel anderen, uit onbezonnenheid. Ik ben
+niet zoo harteloos, dat ik iemand onvoorwaardelijk zou veroordeelen,
+voor een dergelijke op zichzelf staande daad.
+
+NORA. Neen, he, Torwald?
+
+HELMER. Menigeen kan zich zedelijk weer opheffen, als hij openlijk zijn
+schuld bekent en zijn straf ondergaat.
+
+NORA. Straf?...
+
+HELMER. Maar dien weg volgde Krogstad niet; hij redde zich er uit door
+geknoei en gedraai; en dat is juist wat hem moreel te gronde deed gaan.
+
+NORA. Geloof je dat?...
+
+HELMER. Stel je maar eens voor hoe zoo iemand, met zoo iets op zijn
+geweten, moet liegen en huichelen en naar alle kanten comedie spelen,
+altijd een masker dragen, zelfs voor die hem het naast zijn, ja zelfs
+voor zijn vrouw en kinderen. En voor de kinderen is dat juist het
+vreeselijkst, Nora.
+
+NORA. Waarom?
+
+HELMER. Omdat zoo'n atmosfeer van leugen in het huiselijke leven ziekte
+en besmetting brengt. Met iederen ademtocht krijgen de kinderen in zoo'n
+huis kiemen van slechtheid binnen.
+
+NORA (_heel dicht achter hem_). Ben je daar zeker van?
+
+HELMER. Och, lieve, dat heb ik dikwijls genoeg ondervonden als advocaat.
+Bijna alle vroeg-verdorven menschen hebben leugenachtige moeders gehad.
+
+NORA. Waarom juist moeders?
+
+HELMER. Dat komt meestal van de moeders; maar ook van de vaders kunnen
+zij het natuurlijk overerven; dat weet ieder jurist. En toch heeft die
+Krogstad jarenlang thuis zijn eigen kinderen vergiftigd met leugens en
+comediespel; daarom noem ik hem moreel verworden. (_Steekt haar beide
+handen toe_). Daarom moet mijn kleine lieve Nora mij beloven niet meer
+voor hem te pleiten. Je hand er op. Nou, wat is dat nu? Geef mij je
+hand! Zie zoo. Afgedaan. Ik verzeker je dat het mij onmogelijk zou zijn
+met hem samen te werken; ik voel letterlijk en physiek onwelzijn in de
+nabijheid van zulke menschen.
+
+NORA (_trekt haar hand terug en gaat naar den anderen kant van den
+boom_). Wat is het hier warm! En ik heb nog zooveel te doen.
+
+HELMER (_staat op en neemt zijn papieren op_). Ja, ik moet ook zien dat
+ik dit nog een beetje doorkijk voor wij aan tafel gaan. Over je costuum
+zal ik ook denken. En iets om in een goud papiertje aan den boom te
+hangen heb ik misschien ook wel bij de hand. (_Legt zijn hand op haar
+hoofd_). O, jij, mijn eenig, lief zangvogeltje! (_Hij gaat in zijn kamer
+en sluit de deur achter zich_).
+
+NORA (_zachtjes, na eenig zwijgen_). Och wat! Het is niet waar. Het is
+onmogelijk. Het _moet_ onmogelijk zijn.
+
+DE KINDERMEID (_in de deur links_). De kleintjes vragen toch zoo, of ze
+bij Mama mogen komen.
+
+NORA. Neen ... neen ... neen ... laat ze niet hier komen! Toe, ga jij
+bij hen, Anna-Marie.
+
+DE KINDERMEID. Goed mevrouw. (_Sluit de deur_).
+
+NORA (_bleek van schrik_). Mijn lieve kleintjes slecht maken! Mijn huis
+vergiftigen? (_Korte pauze; dan heft zij het hoofd op_). Dat is niet
+waar. Dat kan nooit in der eeuwigheid waar zijn!
+
+
+EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF
+
+
+ * * * * *
+
+
+TWEEDE BEDRIJF
+
+ Zelfde kamer. In den hoek bij de piano staat de kerstboom, leeg
+ geplukt, verfonfaaid en met afgebrande kaarsjes. Nora's hoed en
+ mantel liggen op de sofa.
+
+ Nora alleen in de kamer, loopt onrustig heen en weer; blijft ten
+ slotte staan bij de sofa en neemt haar mantel op.
+
+ * * * * *
+
+NORA (_laat haar mantel weer los_). Daar komt iemand! (_Luistert aan de
+deur_). Neen ... toch niet.... Natuurlijk... van daag komt er geen
+mensch, eersten kerstdag ... en morgen ook niet.... Maar misschien....
+(_Doet de deur open en kijkt buiten_). Neen ... niets in de brievenbus;
+heelemaal leeg. (_Loopt door de kamer_). Och malligheid! Hij doet 't
+immers niet. Zoo iets kan immers niet gebeuren. 't Is een
+onmogelijkheid. Ik heb immers drie kleine kinderen.
+
+DE KINDERMEID (_komt met een groote kartonnen doos uit de kamer links_).
+Eindelijk heb ik toch de doos met uw costuum gevonden.
+
+NORA. O dank je; zet ze maar op de tafel.
+
+DE KINDERMEID. 't Is zonde, mevrouw; het kan nog heel goed in orde
+gemaakt worden; 't is alleen een geduldwerkje.
+
+NORA. Ja, ik zal mevrouw Linde gaan vragen of die mij een beetje helpen
+wil.
+
+DE KINDERMEID. Wou u nu weer uitgaan? In dit leelijke weer? Mevrouw Nora
+zal nog kou vatten ... en ziek worden.
+
+NORA. O, dat zou het ergste niet zijn. Wat doen de kinderen?
+
+DE KINDERMEID. De arme stakkerdjes spelen met al het moois van den
+kerstboom, maar....
+
+NORA. Vragen ze dikwijls naar mij?
+
+DE KINDERMEID. Ze zijn het zoo gewend dat Mamaatje bij hen is.
+
+NORA. Ja maar, Anna-Marie, ik kan voortaan niet zooveel meer bij hen
+zijn als vroeger.
+
+DE KINDERMEID. Och, kleine kinderen wennen aan alles.
+
+NORA. Geloof je dat? Geloof je dat ze hun Mama zouden vergeten als zij
+voor goed weg was?
+
+DE KINDERMEID. 't Is zonde ... voor goed weg.
+
+NORA. Hoor eens, Anna-Marie, vertel me eens ... daar heb ik al zoo
+dikwijls over gedacht ... hoe kon je het toch over je hart verkrijgen om
+je kind bij vreemden te doen?
+
+DE KINDERMEID. Maar dat moest ik wel, toen ik als min bij de kleine Nora
+zou komen.
+
+NORA. Ja maar, dat je dat _wou_ doen?
+
+DE KINDERMEID. Als ik zoo'n goeden minnedienst kon krijgen? Een arme
+meid die ongelukkig gemaakt is, mag nog blij toe zijn. Want die slechte
+kerel deed heelemaal niets voor mij.
+
+NORA. Maar je dochter heeft je zeker vergeten.
+
+DE KINDERMEID. O neen, dat heeft ze toch waarlijk niet. Zij heeft mij
+geschreven, toen zij is aangenomen en ook toen ze getrouwd is.
+
+NORA (_omhelst haar_). Mijn oude Anna-Marie, je bent een goede moeder
+voor mij geweest toen ik klein was.
+
+DE KINDERMEID. Kleine Nora, dat stakkerdje, had immers geen andere
+moeder dan mij.
+
+NORA. En als de kleintjes geen andere moeder hadden, dan weet ik wel dat
+jij ook voor hen.... Och mallepraat. (_Doet de doos open_). Ga nu maar
+weer bij de kinderen. Nu moet ik.... Morgen zal je eens zien hoe
+prachtig ik zijn zal.
+
+DE KINDERMEID. Ja, daar zal zoo waar niemand op het heele bal zijn zoo
+prachtig als mevrouw Nora. (_Zij gaat in de kamer links_).
+
+NORA (_begint de doos uit te pakken, maar gooit al gauw den heelen boel
+neer_). O, als ik maar durfde uitgaan. Als er maar niemand kwam. Als er
+thuis in dien tijd maar niets gebeurde. Och ik zeur; er komt geen
+mensch. Alleen maar niet denken. Mijn mof opborstelen. Mooie
+handschoenen, mooie handschoenen. Jaag het weg! Een, twee, drie, vier,
+vijf, zes.... (_Gilt_). O, daar komen ze.... (_wil naar de deur, maar
+blijft besluiteloos staan_).
+
+MEVR. LINDE (_komt van het portaal, waar zij haar hoed heeft afgedaan_).
+
+NORA. O, ben jij het Kristine. Er is toch niemand anders daar?... He, 't
+is goed dat je komt.
+
+MEVR. LINDE. Ik hoor dat je bij mij geweest bent en naar mij hebt
+gevraagd?
+
+NORA. Ja, ik kwam juist voorbij. Er is iets waar je mij alsjeblieft mee
+helpen moet. Laten we hier op de sofa gaan zitten. Kijk eens. Morgen is
+er een gecostumeerd bal bij de Stenborgs, die hier boven ons wonen, en
+nu wil Torwald dat ik gaan zal als Napolitaansch visschersmeisje en de
+Tarantella dansen, die ik op Capri geleerd heb.
+
+MEVR. LINDE. Kijk eens aan; dus je zult een heele voorstelling geven?
+
+NORA. Ja, Torwald wil graag dat ik het doe. Kijk hier is het costuum;
+dat liet Torwald daarginder voor mij maken. Maar nu is het allemaal zoo
+gehavend, dat ik eigenlijk niet weet....
+
+MEVR. LINDE. O, dat is gauw weer in orde te brengen; het is alleen maar
+het garneersel dat hier en daar een beetje losgegaan is. Heb je naald en
+draad? Zoo, dan hebben we al alles wat we noodig hebben.
+
+NORA. He wat lief van je, Kristine!
+
+MEVR. LINDE (_naait_). Dus morgen zal je gecostumeerd zijn? Weet je wat
+... dan kom ik eens even kijken hoe je er uit ziet. Maar ik heb nog
+heelemaal vergeten je te bedanken voor den gezelligen avond van
+gisteren.
+
+NORA (_staat op en loopt door de kamer_). Och, ik vond het hier gisteren
+niet zoo gezellig als anders. Je hadt een beetje vroeger in stad moeten
+komen, Kristine.--Ja Torwald heeft er goed slag van zijn huis mooi en
+prettig te maken.
+
+MEVR. LINDE. Maar jij niet minder, dunkt mij; je bent niet voor niets de
+dochter van je vader. Maar zeg eens, is die dokter Rank altijd zoo
+bedrukt als gisteren?
+
+NORA. Neen, gisteren was het erg opvallend. Maar hij is lijdend aan een
+heel gevaarlijke ziekte. Hij heeft ruggemergstering, de stakkerd. Weet
+je, zijn vader was een akelige man, die er liefjes op na hield en al zoo
+meer, en daardoor was zijn zoon van kind af ziekelijk, begrijp je?
+
+MEVR. LINDE (_laat haar werk zakken_). Maar liefste, beste Nora, hoe kom
+jij zulke dingen te weten?
+
+NORA (_loopt rond_). Och ... als je drie kinderen hebt, dan krijg je
+soms wel eens bezoek van ... van vrouwen, die zoo half-en-half dokter
+zijn, en die vertellen je dan het een-en-ander.
+
+MEVR. LINDE (_naait weer ... kleine stilte_). Komt dokter Rank hier alle
+dag aan huis?
+
+NORA. Vast iederen dag. Hij is Torwald's beste vriend, al van voor zijn
+trouwen, en ook mijn vriend. Dokter Rank is zooveel als lid van het
+gezin.
+
+MEVR. LINDE. Maar is de man wel heel oprecht? Ik bedoel, zegt hij niet
+graag maar wat om menschen aangenaam te zijn?
+
+NORA. Neen ... integendeel. Hoe kom je daarbij?
+
+MEVR. LINDE. Toen je hem aan me voorstelde, zei hij dadelijk dat hij
+mijn naam hier in huis dikwijls gehoord had; maar later merkte ik, dat
+je man er heelemaal geen idee van had wie ik eigenlijk was. Hoe kon dan
+dokter Rank...?
+
+NORA. Jawel, dat is toch heuschwaar, Kristine. Zie je, Torwald houdt zoo
+ontzettend veel van mij; en daarom wil hij mij heel alleen hebben,
+zooals hij zegt. In den eersten tijd was hij als 't ware jaloersch als
+ik alleen maar iemand noemde van de lieve menschen thuis. Nou, toen liet
+ik dat dan ook maar. Maar met dokter Rank spreek ik dikwijls over al die
+dingen, want hij luistert er graag naar, zie je.
+
+MEVR. LINDE. Hoor eens, Nora, je bent in sommige dingen nog net een
+kind; ik ben een heel eind ouder dan jij en heb ook een beetje meer
+ondervinding. Ik zal je eens iets zeggen: je moet zien dat je van die
+zaak met dien dokter Rank afkomt.
+
+NORA. Van welke zaak moet ik zien af te komen?
+
+MEVR. LINDE. Zoowel van het een als van het ander, dunkt mij. Gisteren
+praatte je over een rijken bewonderaar, die je geld moest bezorgen....
+
+NORA. Ja, een die er niet is ... helaas. Maar wat zou dat?
+
+MEVR. LINDE. Heeft dokter Rank geld?
+
+NORA. Jawel.
+
+MEVR. LINDE. En niemand om voor te zorgen?
+
+NORA. Neen, niemand ... maar...?
+
+MEVR. LINDE. En hij komt hier iederen dag aan huis?
+
+NORA. Ja, dat zei ik je immers?
+
+MEVR. LINDE. Hoe kan zoo'n beschaafd man zoo onkiesch zijn?
+
+NORA. Ik begrijp je heelemaal niet.
+
+MEVR. LINDE. Houd je nu niet van den domme, Nora. Denk je dan dat ik
+niet begrijp van wien je die vijf duizend kronen geleend hebt?
+
+NORA. Ben je niet wijs? Hoe kom je er bij? Een vriend van ons, die
+iederen dag bij ons komt! Wat zou dat voor een vreeselijke pijnlijke
+verhouding zijn!
+
+MEVR. LINDE. Dus heusch niet van hem?
+
+NORA. Neen, dat verzeker ik je. Dat is nooit een oogenblik in mij
+opgekomen.... Bovendien toen had hij ook nog geen geld ... hij heeft pas
+later geerfd.
+
+MEVR. LINDE. Nou, dat was maar heel gelukkig voor jou, geloof ik,
+Nora-lief.
+
+NORA. Neen, dat is nog nooit in mij opgekomen om dokter Ranker om te
+vragen.... Anders ... ik weet zeker dat als ik er om vroeg....
+
+MEVR. LINDE. Maar dat doe je natuurlijk niet.
+
+NORA. Neen natuurlijk niet. Ik geloof niet, ik kan mij niet voorstellen
+dat het noodzakelijk zou kunnen worden. Maar ik ben er zeker van, dat
+als ik met dokter Rank sprak....
+
+MEVR. LINDE. Buiten je man om?
+
+NORA. Ik moet dat andere uit de wereld hebben ... dat is ook buiten hem
+om. Daar moet ik zien af te komen.
+
+MEVR. LINDE. Ja ... ja ... dat zei ik gisteren ook, maar....
+
+NORA (_loopt op en neer_). Een man kan zoo iets veel beter klaar spelen
+dan een vrouw....
+
+MEVR. LINDE. Als het je eigen man is, ja.
+
+NORA. Och leuterpraat. (_blijft staan_). Als iemand alles betaalt wat
+hij schuldig is dan krijgt hij immers zijn schuldbekentenis terug?
+
+MEVR. LINDE. Ja, dat spreekt.
+
+NORA. En dan kan je die in honderd-duizend-stukken scheuren en
+verbranden ... zoo'n ellendig smerig papier!
+
+MEVR. LINDE (_kijkt haar strak aan, legt haar naaiwerk neer en staat
+langzaam op_). Nora, je verbergt iets voor me.
+
+NORA. Kan je mij dat aanzien?
+
+MEVR. LINDE. Er is iets met je gebeurd sedert gisteren ochtend. Nora,
+wat is er?
+
+NORA (_naar haar toegaand_). Kristine! (_luistert_). Sst! Daar komt
+Torwald thuis. Wacht, ga zoo lang bij de kinderen zitten. Torwald kan
+dien naairommel niet uitstaan. Laat Anna-Marie je helpen.
+
+MEVR. LINDE (_neemt een gedeelte van haar werk mee_). Ja ... ja ... maar
+ik ga niet weg, voor wij eens openhartig gepraat hebben. (_Af naar
+links; tegelijkertijd komt Helmer van het portaal_).
+
+NORA (_loopt hem te gemoet_). O, wat heb je je lang laten wachten, lieve
+Torwald.
+
+HELMER. Was dat de naaister?
+
+NORA. Neen, dat was Kristine; zij helpt mij mijn costuum in orde maken.
+Je zult eens zien hoe mooi ik zijn zal!
+
+HELMER. Ja, was dat nu niet een gelukkige inval van mij?
+
+NORA. Prachtig! Maar ben ik nu ook niet lief dat ik je zin doe?
+
+HELMER (_zijn hand onder haar kin leggend_). Lief ... omdat je je man
+zijn zin doet? Nou, jij dwaasje, ik weet wel dat je het zoo niet meent.
+Maar ik wil je niet hinderen; je moet zeker gaan passen.
+
+NORA. En jij hebt zeker te werken?
+
+HELMER. Ja (_wijst op een pak papieren_). Kijk eens hier. Ik ben in de
+Bank geweest.... (_wil naar zijn kamer gaan_).
+
+NORA. Torwald.
+
+HELMER (_blijft staan_). Ja.
+
+NORA. Als je eekhorentje je nu eens heel erg dringend om iets vroeg...?
+
+HELMER. Wat dan?
+
+NORA. Zal je het dan doen?
+
+HELMER. Eerst moet ik natuurlijk weten wat het is.
+
+NORA. Je eekhorentje zou in de rondte springen en allerlei kunstjes
+maken, als jij nu een lief en toegevend was.
+
+HELMER. Voor den dag er mee dan!
+
+NORA. Je leeuwerikje zou luid en zachtjes door alle kamers zingen....
+
+HELMER. Och wat, dat doet mijn leeuwerikje immers toch.
+
+NORA. Ik zou als een elf voor je dansen in den maneschijn, Torwald.
+
+HELMER. Nora ... het is toch niet dat, waarop je van morgen doelde?
+
+NORA (_dichterbij_). Juist, Torwald, ik smeek je er om!
+
+HELMER. En durf je waarlijk nog eens op die zaak terug te komen?
+
+NORA. Ja, Torwald, ja, je _moet_ me mijn zin geven; je _moet_ Krogstad
+zijn betrekking bij de Bank laten behouden.
+
+HELMER. Mijn lieve Nora, zijn betrekking is bestemd voor mevrouw Linde.
+
+NORA. Ja, dat is vreeselijk lief van je; maar dan kan je toch wel een
+anderen klerk wegsturen in plaats van Krogstad.
+
+HELMER. Dat is nu toch een ongelooflijke doordrijverij! Omdat jij hem
+een onbekookte belofte geeft om een goed woord voor hem te doen, zou
+ik...!
+
+NORA. Daarom is het niet, Torwald. Het is voor je zelf. Die man schrijft
+immers in de vuilste couranten, dat heb je zelf gezegd. Hij kan je zoo
+ontzettend veel kwaad doen. Ik heb zoo'n doodelijken angst voor hem....
+
+HELMER. Aha! nu begrijp ik 't; het zijn oude herinneringen die je bang
+maken.
+
+NORA. Wat bedoel je daarmee?
+
+HELMER. Je denkt natuurlijk aan je vader.
+
+NORA. Ja ... juist. Herinner je maar eens hoe slechte menschen in de
+couranten schreven over papa en hoe afschuwelijk ze hem belasterden.
+Ik geloof zeker dat zij het zoover gebracht zouden hebben dat hij zijn
+ontslag kreeg, als de Regeering jou niet gezonden had om die zaak te
+onderzoeken, en als jij niet zoo welwillend en hulpvaardig voor hem was
+geweest.
+
+HELMER. Mijn kleine Nora, er is een aanmerkelijk verschil tusschen je
+vader en mij. Je vader was als ambtenaar niet onaantastbaar. Maar dat
+ben ik wel; en dat hoopt ik te blijven zoo lang ik mijn betrekking
+vervul.
+
+NORA. O, niemand weet wat slechte menschen kunnen bedenken. Nu zouden
+wij het zoo goed, zoo rustig en gelukkig kunnen hebben hier, in ons
+vredig huis, zonder zorgen ... jij en ik en de kinderen, Torwald! Daarom
+smeek ik je....
+
+HELMER. En juist door je voorspraak maak je het mij onmogelijk hem te
+houden. Als het nu ruchtbaar werd, dat de nieuwe directeur zich door
+zijn vrouw had laten ompraten....
+
+NORA. Wat dan nog?
+
+HELMER. Neen natuurlijk; als het kleine eigenzinnige vrouwtje haar zin
+maar kreeg.... Ik zou mij belachelijk maken voor mijn heele personeel
+... de menschen op het idee brengen dat ik toegankelijk was voor
+allerlei invloeden van buiten af? Geloof me, daarvan zou ik de gevolgen
+gauw genoeg ondervinden! En buitendien ... er is nog iets dat Krogstad
+volkomen onmogelijk maakt bij de Bank, zoo lang ik daar directeur ben.
+
+NORA. Wat is dat?
+
+HELMER. Misschien had ik zijn moreele tekortkomingen desnoods nog door
+de vingers kunnen zien.
+
+NORA. Ja, niet waar?
+
+HELMER. En ik hoor dat hij ook heel bruikbaar moet zijn. Maar hij is een
+goede kennis uit vroeger dagen. Dat is zoo een van die overijlde
+kennismakingen, waar je zoo dikwijls in je later leven last van hebt.
+Ja, ik wil het jou wel ronduit bekennen, we gingen zelfs heel familiaar
+met elkaar om. En hij, zoo taktloos mogelijk, maakt daar volstrekt geen
+geheim van als er anderen bij zijn. Integendeel ... hij verbeeldt zich
+dat hij daarom het recht heeft nog jij en jou tegen mij te spelen; en
+dan komt hij ieder oogenblik voor den dag met zijn: zeg eens, Helmer!
+Ik verzeker je dat mij dat hoogst pijnlijk aandoet. Hij zou mij mijn
+positie aan de Bank onhoudbaar maken.
+
+NORA. Torwald, dat alles meen je toch niet in ernst?
+
+HELMER. Zoo? Waarom niet?
+
+NORA. Neen, dat zijn toch allemaal eigenlijk maar kleinzielige
+overwegingen.
+
+HELMER. Wat zeg je daar? Kleinzielig? Dus jij vindt mij kleinzielig?
+
+NORA. Neen integendeel, Torwald-lief, en juist daarom....
+
+HELMER. Dat is hetzelfde; je noemt mijn motieven kleinzielig; dus dan
+moet ik het ook wel zijn. Kleinzielig! Waarachtig!... Nou, daar zullen
+wij eens gauw een eind aan maken (_gaat naar het portaal en roept_).
+Helene!
+
+NORA. Wat ga je doen?
+
+HELMER (_zoekt in zijn papieren_). Er een einde aan maken.
+
+(_Het meisje komt binnen_).
+
+HELMER. Hier; ga terstond naar beneden met dezen brief. Hou een
+besteller aan en laat die hem bezorgen. Maar gauw. Het adres staat er
+op. Wacht, hier is geld.
+
+DIENSTMEISJE. Best mijnheer. (_Zij gaat weg met den brief_).
+
+HELMER (_legt zijn papieren weer bij elkaar_). Zie zoo, mevrouwtje
+dwingeland.
+
+NORA (_ademloos_). Torwald ... wat was dat voor een brief?
+
+HELMER. Krogstad's ontslag.
+
+NORA. Herroep dat, Torwald! het is nog tijd. O Torwald, herroep dat! Doe
+het om mijnentwil ... om je zelfs wil ... ter wille van de kinderen! Och
+toe, Torwald; doe het! Je weet niet wat daaruit voortkomen kan voor ons
+allen.
+
+HELMER. Te laat.
+
+NORA. Ja, te laat.
+
+HELMER. Lieve Nora, ik vergeef je je angst, hoewel die in den grond een
+beleediging is voor mij. Ja, dat is zoo! Of is het geen beleediging te
+gelooven, dat _ik_ bang zou zijn voor de wraak van een verloopen
+zaakwaarnemer? Maar ik vergeef het je toch, omdat het zoo'n mooi bewijs
+is van je groote liefde voor mij. (_Neemt haar in zijn armen_). Het moet
+nu eenmaal zoo zijn, als het er op aankomt, heb ik zoowel moed als
+kracht. Je zult zien, ik ben de man die alles op zich durft te nemen.
+
+NORA (_doodverschrikt_). Wat meen je daarmee?
+
+HELMER. Alles, zeg ik je....
+
+NORA (_bedaard_). Dat zal nooit in der eeuwigheid gebeuren.
+
+HELMER. Goed ... dan deelen wij, Nora ... als man en vrouw. Zoo behoort
+het ook. (_liefkoost haar_). Ben je nu tevreden? Kom ... kom ... kom ...
+niet zulke verschrikte oogen opzetten. Het is immers allemaal niets dan
+pure verbeelding.... Nu moest je de Tarantella nog eens doorspelen en je
+oefenen met de tamboerijn. Ik ga in het binnen-kantoor zitten en doe de
+tusschendeur dicht, dan hoor ik niets; dan kan je net zooveel leven
+maken als je wilt (_gaat naar de deur_). En als Rank komt, zeg hem dan
+waar hij mij vinden kan. (_Hij knikt haar toe, gaat met zijn papieren
+zijn kamer binnen en doet de deur achter zich dicht_).
+
+NORA (_in wilden angst, staat als vastgenageld, fluistert_). Hij zou in
+staat zijn het te doen. Neen dat nooit in der eeuwigheid! Liever alles
+dan dat! Redding.... Een uitweg.... (_er wordt gebeld_). Dokter Rank....
+Liever alles dan dat! Liever _alles_ wat het dan ook zijn moge! (_Zij
+strijkt met de handen over haar gezicht, doet haar best kalm te zijn en
+gaat de deur open doen. Dokter Rank staat buiten en hangt zijn pels aan
+den kapstok. Gedurende het nu volgende begint het donker te worden_).
+
+NORA. Dag dokter. Ik herkende uw belletje. Maar u moet nu niet bij
+Torwald gaan, want ik geloof dat hij iets te doen heeft.
+
+RANK. En u?
+
+NORA (_terwijl hij de kamer binnen gaat en zij de deur achter hem
+sluit_). O, dat weet u wel ... voor u heb ik altijd wel tijd.
+
+RANK. Dank u ... dat is lief van u. Daar zal ik gebruik van maken zoo
+lang als ik kan.
+
+NORA. Wat meent u daarmee? Zoo lang als u kan?
+
+RANK. Schrikt u daarvan?
+
+NORA. Och, het is zoo'n wonderlijk zeggen. Denkt u dan dat er iets
+gebeuren zal?
+
+RANK. Er zal iets gebeuren waar ik mij al lang op voorbereid heb. Maar
+ik dacht toch nog niet dat het zoo gauw komen zou.
+
+NORA (_grijpt zijn arm_). Wat is dat? Wat weet u dan? Dokter, u moet het
+mij zeggen!
+
+RANK (_gaat bij de kachel zitten_). Ik ga hard achteruit. Er is niets
+meer aan te doen.
+
+NORA (_haalt verlicht adem_). Is er iets met u?
+
+RANK. Met wie anders? Het helpt niet of je jezelf wat voorliegt. Ik ben
+de miserabelste van al mijn patienten. Ik heb dezer dagen mijn inwendige
+balans eens opgemaakt. Bankroet. Binnen een maand lig ik waarschijnlijk
+al te vergaan daarginder op het kerkhof.
+
+NORA. He foei, wat een leelijke dingen zegt u daar.
+
+RANK. Het is ook een vervloekt leelijk ding. Maar het ergste is dat er
+zoo veel andere leelijke dingen vooraf moeten gaan. Ik heb nu nog maar
+een onderzoek te doen; als ik daarmee klaar ben, weet ik zoo ongeveer
+wanneer het op zijn eind loopt. En nu moet ik u iets zeggen. Helmer, met
+zijn verfijnde natuur, heeft zoo'n sterk uitgedrukten afkeer van al wat
+leelijk is, dat ik hem niet in mijn ziekekamer wil hebben.
+
+NORA. Maar dokter....
+
+RANK. Ik wil er hem niet hebben, zeg ik u. In geen geval. Ik sluit mijn
+deur voor hem.... Zoodra ik volle zekerheid heb van het ergste, zend ik
+u een visitekaartje met een zwart kruis er op; dan weet u dat de ellende
+van de laatste periode begonnen is.
+
+NORA. Neen maar, vandaag is u heusch niet te hebben! En ik, die juist
+zoo hoopte, dat u in een heel goede bui zou zijn!
+
+RANK. Met den dood vlak voor oogen?... En op die manier te moeten boeten
+voor de schuld van een ander. Is dat nu rechtvaardig?--En ieder gezin
+wordt op een of andere manier door een dergelijke vergelding bezocht....
+
+NORA (_houdt haar handen voor de ooren_). Praatjes! Vroolijk zijn!
+Vroolijk!
+
+RANK. Ja, bij mijn ziel, 't is ook eigenlijk om te lachen, de heele
+historie. Mijn arme onschuldige rug moet het ontgelden voor het
+vroolijke luitenantsleven van mijn vader.
+
+NORA (_bij de tafel links_). Hij is immers zoo verzot op asperges en
+pate-de-foie-gras. Is 't niet?
+
+RANK. Ja ... en op truffels.
+
+NORA. O ja, truffels. En op oesters ook, he?
+
+RANK. Ja, oesters; oesters, dat spreekt.
+
+NORA. En dan veel portwijn en champagne er bij.... 't Is toch treurig
+dat al die lekkere dingen zoo ongezond zijn.
+
+RANK. Vooral als ze slecht nawerken op een ongelukkig lichaam dat er
+niets van genoten heeft.
+
+NORA. Ja, dat is zeker wel het allertreurigste.
+
+RANK (_ziet haar uitvorsend aan_). Hum....
+
+NORA. Waarom lacht u?
+
+RANK. Neen, _u_ lachte.
+
+NORA. Neen, 't was u die lachte, dokter!
+
+RANK (_staat op_). U is toch nog grooter ondeugd dan ik dacht.
+
+NORA. Ik heb van daag ook zoo'n lust om gekheid te maken.
+
+RANK. Dat lijkt wel zoo.
+
+NORA (_met beide handen op zijn schouder_). Lieve, beste dokter Rank, u
+mag niet heengaan van Torwald en mij.
+
+RANK. Och, dat verdriet zou u wel gauw te boven zijn. Zij die heengaan
+worden gauw vergeten.
+
+NORA (_ziet hem angstig aan_). Gelooft u dat?
+
+RANK. Men maakt nieuwe kennissen en krijgt nieuwe relaties, en dan....
+
+NORA. Wie krijgt nieuwe relaties?
+
+RANK. Wel u en Helmer allebei, als ik weg ben. U is al goed op weg,
+dunkt me. Wat had die mevrouw Linde hier nu te maken gisteren avond?
+
+NORA. Oho! U is toch bij geval niet jaloersch op die arme Kristine?
+
+RANK. Jawel, dat ben ik wel. Zij zal mijn opvolgster worden hier in
+huis. Als ik afgedaan heb, zal dat mensch....
+
+NORA. Sst; spreek zoo hard niet; zij is hiernaast.
+
+RANK. Van daag alweer? Ziet u nu wel!
+
+NORA. Alleen maar om wat aan mijn costuum te naaien. Lieve hemel, wat is
+u onmogelijk! (_Gaat op de sofa zitten_). Wees nu eens lief, dokter;
+morgen zal u eens zien hoe mooi ik zal dansen; en dan moet u maar denken
+dat ik het heel alleen voor u doe ... nu ja, natuurlijk ook voor Torwald
+... dat spreekt. (_Haalt enkele dingen uit de kartonnen doos_). Dokter,
+gaat u nu eens hier zitten, dan zal ik u wat laten kijken.
+
+RANK (_gaat zitten_). Wat zijn dat?
+
+NORA. Kijk dan. Kijk!
+
+RANK. Zijden kousen!
+
+NORA. Vleeschkleurige. Zijn ze niet prachtig? Ja, 't is hier nu al zoo
+donker; maar morgen.... Neen, neen, neen; u mag alleen maar de voeten
+zien. Och ja, eigenlijk mag u de rest ook wel zien.
+
+RANK. Hm...!
+
+NORA. Waarom kijkt u zoo kritiesch? Denkt u soms dat ze mij niet passen?
+
+RANK. Daar kan ik onmogelijk eenige gegronde reden voor hebben.
+
+NORA (_kijkt hem een oogenblik aan_). Foei ... u moest u schamen.
+(_Slaat met de kousen luchtig om zijn ooren_). Daar ... dat verdient u!
+(_Pakt de kousen weer in_).
+
+RANK. En wat zijn er nog meer voor heerlijkheden die ik te zien krijg?
+
+NORA. U krijgt heelemaal niets meer te zien, want u is heel ondeugend.
+(_Zij neuriet en rommelt zoo'n beetje in de doos_).
+
+RANK (_na een kort zwijgen_). Als ik hier nu zoo heel vertrouwelijk bij
+u zit, dan begrijp ik niet ... neen, dan kan ik mij niet voorstellen ...
+wat er van mij geworden zou zijn, als ik nooit bij u aan huis gekomen
+was.
+
+NORA (_glimlachend_). Ja, ik geloof wel dat u het eigenlijk heel
+gezellig bij ons vindt.
+
+RANK (_zachter, voor zich uitziende_). En dan dat alles te moeten
+verlaten....
+
+NORA. Praatjes.... U gaat ons niet verlaten.
+
+RANK (_als voren_). ... en niet eens een armzalig bewijs van dank te
+kunnen achterlaten ... ternauwernood een vluchtig gemis... niets anders
+dan een leege plaats, die door den eersten den besten ingenomen kan
+worden.
+
+NORA. En als ik nu eens vroeg om...? Neen....
+
+RANK. Om wat?
+
+NORA. Om een groot bewijs van uw vriendschap...?
+
+RANK. Ja ... ja?
+
+NORA. Neen ... ik meen ... om een ontzettend grooten dienst....
+
+RANK. Zou u mij heusch voor een enkelen keer zoo gelukkig willen maken?
+
+NORA. Neen ... ik kan toch niet, dokter; het is zoo onmogelijk veel,
+zoowel raad als hulp en een dienst!...
+
+RANK. Hoe meer hoe beter. 't Is mij onbegrijpelijk waarop u doelen kan.
+Toe, zeg 't dan toch. Vertrouwt u mij dan niet?
+
+NORA. Ja, ik vertrouw u meer dan iemand anders. U is mijn beste vriend,
+dat weet ik wel. Daarom zal ik het u ook zeggen. Hoort u eens: U moet
+mij helpen om iets te verhinderen. U weet hoe innig, hoe dol veel
+Torwald van mij houdt; geen oogenblik zou hij zich bedenken om zijn
+leven voor mij op te offeren.
+
+RANK (_tot haar overbuigend_). Nora ... geloof je dan dat hij de eenige
+is...?
+
+NORA (_met een schok_). Die...?
+
+RANK. Die graag zijn leven voor je opofferen zou?
+
+NORA (_droevig_). Och zoo.
+
+RANK. Ik heb het mijzelf beloofd dat je het weten zoudt voor ik
+heenging. Een betere gelegenheid zal zich nooit weer voordoen. Ja, Nora
+... nu weet je het. En nu weet je ook dat je op mij vertrouwen kunt
+zooals op niemand anders.
+
+NORA (_staat op, kalm en onbewogen_). Laat mij eens even door.
+
+RANK (_maakt plaats voor haar maar blijft zitten_). Nora....
+
+NORA (_in de deur naar het portaal_). Helene! breng de lamp eens binnen
+(_gaat naar de kachel_). Ach, beste dokter, dat staat u nu eigenlijk
+heel leelijk.
+
+RANK (_staat op_). Dat ik je even lief heb als een ander? Staat dat mij
+leelijk?
+
+NORA. Neen, maar dat u het mij zegt. Dat was immers heelemaal niet
+noodig....
+
+RANK. Wat bedoel je? Wist je het dan?
+
+(_Het dienstmeisje komt binnen met de lamp, zet die op de tafel en gaat
+weer heen_).
+
+RANK. Nora ... mevrouw Helmer ... ik vraag u of u er iets van geweten
+heeft?
+
+NORA. Och, weet ik of ik iets geweten heb of niet! Dat kan ik u heusch
+niet zeggen.... Dat u nu zoo onhandig zijn kon, dokter! Nu was alles zoo
+goed.
+
+RANK. Nu, u heeft nu in elk geval de zekerheid dat ik met lichaam en
+ziel tot uw beschikking ben. En wil u me nu zeggen wat het is?
+
+NORA (_kijkt hem aan_). Na wat u gezegd heeft?
+
+RANK. Ik smeek u, zeg mij nu wat het is.
+
+NORA. Neen, nu kan ik u niets meer zeggen.
+
+RANK. O ja, jawel.... Zoo moet u mij niet straffen. Toe, laat mij voor u
+mogen doen wat een mensch bij machte is te doen.
+
+NORA. Nu kan u niets meer voor mij doen.... Och, ik zal ook wel geen
+hulp noodig hebben. U zal zien dat het allemaal maar verbeelding van mij
+was. Ja, dat is het stellig ... natuurlijk! (_gaat in de schommelstoel
+zitten, kijkt hem aan, glimlacht_). U is me zoowaar een mooie meneer,
+dokter! Is u nu eigenlijk niet een beetje beschaamd nu het licht op is?
+
+RANK. Neen; eigenlijk niet! Maar nu moet ik misschien wel weggaan ...
+voor goed?
+
+NORA. Neen, dat mag u stellig niet doen. U moet natuurlijk hier blijven
+komen net als altijd. U weet immers te goed dat Torwald u niet missen
+kan.
+
+RANK. Ja ... maar u?
+
+NORA. O, ik vind het altijd dol prettig als u komt.
+
+RANK. Dat is het juist wat mij op een verkeerd spoor gelokt heeft. U is
+mij een raadsel. Menigmaal leek het mij dat u net zoo graag met mij
+samen was als met Helmer.
+
+NORA. Ja, ziet u, er zijn zoo enkele menschen van wie je het meest
+houdt, en anderen met wie je bijna 't liefst wil samen zijn.
+
+RANK. Jawel, daar is wel iets van aan.
+
+NORA. Toen ik nog thuis was, hield ik natuurlijk het meeste van Papa.
+Maar ik vond het altijd dol prettig om stilletjes bij de meiden te gaan
+zitten; want die bedrilden mij nooit en die praatten altijd zoo amusant
+onder elkaar.
+
+RANK. Aha; dus ik ben voor hen in de plaats gekomen.
+
+NORA (_springt op en gaat naar hem toe_). O lieve beste dokter, zoo
+bedoelde ik 't nu heelemaal niet! Maar u kan wel begrijpen, dat het met
+Torwald net is als met papa.... (_Het dienstmeisje komt binnen_).
+
+DIENSTMEISJE. Mevrouw! (_fluistert en reikt haar een kaartje over_).
+
+NORA (_kijkt even op het kaartje_). Och! (_steekt het in haar zak_).
+
+RANK. Is er iets onaangenaams?
+
+NORA. O neen ... neen ... volstrekt niet; het is maar iets ... het is
+mijn nieuwe costuum....
+
+RANK. Uw costuum? Dat ligt immers daar?
+
+NORA. O ja, dat; maar dit is een ander ... ik heb het besteld ...
+Torwald mag het niet weten.
+
+RANK. Haha, daar hebben wij dus het groote geheim.
+
+NORA. Juist; gaat u maar naar hem toe, hij zit in de binnenkamer: hou
+hem zoo lang aan de praat....
+
+RANK. Wees gerust: ik zal hem wel vast houden. (_Af naar Helmer's
+kamer_).
+
+NORA (_tegen het meisje_). Staat hij te wachten in de keuken?
+
+DIENSTMEISJE. Ja, hij is de achtertrap opgekomen....
+
+NORA. Maar heb je hem dan niet gezegd dat er iemand binnen was?
+
+DIENSTMEISJE. Jawel, maar dat gaf niets.
+
+NORA. Wou hij niet weggaan?
+
+DIENSTMEISJE. Neen, hij gaat niet weg, voor hij mevrouw gesproken heeft.
+
+NORA. Laat hem dan maar binnen; maar zachtjes. Helene, het moet het
+tegen niemand zeggen; het is een verrassing voor mijnheer.
+
+DIENSTMEISJE. Jawel mevrouw, ik begrijp het wel.... (_af_).
+
+NORA. Nu zal het vreeselijkste gebeuren. Het komt toch. Neen, neen,
+neen, het kan niet ... het mag niet.... (_zij schuift den grendel voor
+Helmer's deur. Het dienstmeisje doet de deur open voor Krogstad en sluit
+die weer achter hem. Hij is gekleed voor de reis, in pels,
+met-bont-gevoerde-laarzen en een bonten muts_).
+
+NORA (_vlak bij hem_). Spreek zachtjes; mijn man is thuis.
+
+KROGSTAD. Nou, dat doet er niet toe....
+
+NORA. Wat wil u van mij?
+
+KROGSTAD. Dat u mij uitsluitsel geeft over iets.
+
+NORA. Gauw dan. Waarover?
+
+KROGSTAD. U weet natuurlijk dat ik ontslagen ben?
+
+NORA. Ik kon het niet verhinderen, meneer Krogstad. Ik heb mijn uiterste
+best voor u gedaan; maar het hielp allemaal niets.
+
+KROGSTAD. Houdt uw man zoo weinig van u? Hij weet waaraan ik u kan
+blootstellen, en toch waagt hij....
+
+NORA. Hoe kan u denken dat hij er iets van weet!
+
+KROGSTAD. O neen, ik dacht ook eigenlijk wel van niet. Het leek zoo
+weinig op mijn goeden Torwald Helmer om zoo manmoedig te zijn....
+
+NORA. Mijnheer Krogstad, ik eisch respect voor mijn man.
+
+KROGSTAD. O zeker, alle verschuldigde respect. Maar aangezien mevrouw
+het zoo angstvallig verborgen houdt, durf ik wel aannemen dat u ook
+beter ingelicht is dan gisteren over wat u eigenlijk gedaan heeft?
+
+NORA. Beter althans dan u er mij van op de hoogte brengen kon.
+
+KROGSTAD. Ja, zoo'n slecht jurist als ik....
+
+NORA. Wat wil u van mij?
+
+KROGSTAD. Alleen maar eens zien hoe u het maakte, mevrouw Helmer. Ik heb
+den heelen dag rondgeloopen al maar denkende aan u. Een geld-inner, een
+afgedankte klerk, een ... nou ja, enfin, zoo'n mensch als ik, heeft ook
+nog zoo iets wat ze een hart noemen, ziet u.
+
+NORA. Bewijs dat dan; denk aan mijn kinderen.
+
+KROGSTAD. Heeft u of uw man aan de mijnen gedacht? Maar dat is tot
+daaraan toe. Ik wou u alleen maar dit zeggen, dat u die zaak niet al te
+ernstig behoeft op te nemen. Van mijn kant zal ik vooreerst geen
+aangifte doen.
+
+NORA. O neen ... niet waar ... dat wist ik wel!
+
+KROGSTAD. De heele zaak kan in der minne geschikt worden; het hoeft
+heelemaal niet onder de menschen te komen; het blijft tusschen ons
+drieen.
+
+NORA. Mijn man mag er nooit iets van te weten komen.
+
+KROGSTAD. Hoe zal u dat kunnen voorkomen? Kan u misschien betalen wat er
+nog staat?
+
+NORA. Neen, niet zoo dadelijk.
+
+KROGSTAD. Of weet u soms een middel om aan geld te komen een dezer
+dagen?
+
+NORA. Geen middel waarvan ik gebruik maken wil.
+
+KROGSTAD. Nu, het zou u toch niets gebaat hebben. Al stond u hier voor
+mij met nog zooveel contanten in uw hand, u kreeg uw schuldbekentenis
+toch niet van mij terug.
+
+NORA. Maar zeg mij dan toch wat u er mee doen wil?
+
+KROGSTAD. Ik wil dat papier alleen maar bewaren ... het onder mij
+houden. Niemand buiten ons zal er iets van weten. Mocht u dus rondloopen
+met een of ander wanhopig voornemen....
+
+NORA. Dat doe ik.
+
+KROGSTAD ... als u er soms over denken mocht van huis en haard weg te
+loopen....
+
+NORA. Dat doe ik!
+
+KROGSTAD. Of ... over iets ergers nog....
+
+NORA. Hoe weet u dat?
+
+KROGSTAD. ... laat u dat voornemen dan varen.
+
+NORA. Hoe kan u weten dat ik over zoo iets denk?
+
+KROGSTAD. De meesten denken in den eersten schrik daar over. Ik dacht er
+ook over, maar, och god, ik had er den moed niet toe....
+
+NORA. Ik ook niet.
+
+KROGSTAD (_verlicht_). Neen, niet waar; u heeft er ook den moed niet toe
+... u ook niet....
+
+NORA. Neen ... neen ... ik heb er den moed niet toe!
+
+KROGSTAD. Het zou ook een groote dwaasheid zijn. Als de eerste
+huiselijke storm maar over is.... Ik heb hier in mijn zak een brief aan
+uw man....
+
+NORA. En staat het daar allemaal in?
+
+KROGSTAD. In de zachts mogelijke termen uitgedrukt.
+
+NORA (_snel_). Die brief mag niet in zijn handen komen! Verscheur hem!
+Ik zal toch het geld wel zien te krijgen.
+
+KROGSTAD. Pardon mevrouw, maar ik meen u daar straks gezegd te
+hebben....
+
+NORA. O ik spreek niet van het geld dat ik u nog schuldig ben. Zeg mij
+hoeveel geld u van mijn man verlangt, dan zal ik het u bezorgen.
+
+KROGSTAD. Ik verlang geen geld van uw man.
+
+NORA. Wat verlangt u dan?
+
+KROGSTAD. Dat zal ik u zeggen. Ik wil er weer boven op, mevrouw, ik wil
+vooruit, en daarin moet uw man mij behulpzaam zijn. Sedert anderhalf
+jaar heb ik niets gedaan waarop iets te zeggen valt. Ik heb al dien tijd
+nagenoeg gebrek geleden, maar ik was tevreden met er mij stap voor stap
+boven op te werken. En nu ben ik weggejaagd. Maar nu neem ik er geen
+genoegen meer mee alleen uit genade weer te worden aangenomen. Ik wil
+vooruit zeg ik u. Ik wil weer bij de Bank terugkomen ... maar in een
+hoogere positie; uw man moet maar een betrekking voor mij creeren.
+
+NORA. Dat doet hij van zijn leven niet!
+
+KROGSTAD. Dat doet hij wel; ik ken hem. Hij durft niet te kikken. En ben
+ik er maar eerst weer in, met hem, dan zal u eens wat zien! Binnen het
+jaar ben ik de rechterhand van den directeur. En dan zal Nils Krogstad
+de man zijn, die de zaken leidt aan de Bank en niet Torwald Helmer.
+
+NORA. Maar dat zal u nooit beleven!
+
+KROGSTAD. Wil u soms...?
+
+NORA. Nu heb ik er den moed toe.
+
+KROGSTAD. O, u maakt mij niet bang! Een fijn verwend dametje als u....
+
+NORA. U zal het zien; u zal het zien!
+
+KROGSTAD. Onder het ijs misschien? In het diepe, ijskoude, pikzwarte
+water? En dan in het voorjaar boven komen drijven, leelijk,
+onherkenbaar, met uitgevallen haar...?
+
+NORA. U maakt mij toch niet bang.
+
+KROGSTAD. Maar u maakt mij ook niet bang. Zoo iets doet men niet,
+mevrouw Helmer. Bovendien, waartoe zou het dienen? Ik heb hem nu immers
+toch in mijn macht.
+
+NORA. Daarna? Als ik er niet meer...?
+
+KROGSTAD. Vergeet u dan, dat ik ook dan nog over uw goeden naam kan
+beschikken?
+
+NORA (_staat sprakeloos ... ziet hem aan_).
+
+KROGSTAD. Zoo ... nu weet u er alles van. Bega dus geen dwaasheden. Als
+Helmer mijn brief ontvangen heeft, wacht ik bericht van hem. En onthoud,
+dat het uw man zelf is die mij weer dwingt tot dergelijke praktijken.
+Dat vergeef ik hem nooit! Vaarwel mevrouw! (_af door het portaal_).
+
+NORA (_bij de deur ... opent die op een kier en luistert_). Hij gaat weg
+... geeft den brief niet af.... O, neen ... neen, dat zou ook al te erg
+zijn! (_opent de deur hoe langer hoe verder_). Wat is dat nu?... Hij
+blijft buiten staan ... gaat nog niet naar beneden. Zou hij zich
+bedenken? Zou hij.... (_er valt een brief in de bus; daarop hoort men
+Krogstad de trappen afgaan_).
+
+NORA (_met een gesmoorden kreet, loopt door de kamer naar de sofa ...
+kleine pauze_). In de brievenbus. (_Sluipt schuw naar de buitendeur_).
+Daar ligt hij ... Torwald, Torwald ... nu is er geen uitkomst meer!
+
+MEVR. LINDE (_komt met het costuum uit de kamer links_). Nu weet ik er
+verder niets meer aan te doen. Wil je het misschien eens passen?
+
+NORA (_heesch en zachtjes_). Kristine, kom eens hier.
+
+MEVR. LINDE (_legt de japon op de sofa neer_). Wat is er? Je ziet er
+heelemaal ontdaan uit.
+
+NORA. Kom eens hier. Zie je dien brief? Daar, kijk, achter het glas van
+de brievenbus.
+
+MEVR. LINDE. Jawel; ik zie hem wel.
+
+NORA. Dat is een brief van Krogstad....
+
+MEVR. LINDE. Nora ... het is Krogstad die je het geld geleend heeft!
+
+NORA. Ja, en nu komt Torwald alles te weten.
+
+MEVR. LINDE. O, geloof mij, Nora, dat is voor jullie allebei het beste.
+
+NORA. Er is nog veel meer dan je weet. Ik heb een valsche handteekening
+gemaakt.
+
+MEVR. LINDE. Groote hemel...!
+
+NORA. Nu wil ik je een ding zeggen, Kristine, jij moet mijn getuige
+zijn.
+
+MEVR. LINDE. Hoezoo je getuige? Wat moet ik...?
+
+NORA. Als ik soms gek worden mocht ... en dat zou wel eens kunnen
+gebeuren....
+
+MEVR. LINDE. Nora!
+
+NORA. Of als er iets anders met mij gebeurde ... iets ... waardoor ik
+niet hier kon zijn....
+
+MEVR. LINDE. Nora, Nora, je bent buiten jezelf!
+
+NORA. Als er dan iemand was die alles op zich wou nemen, de schuld van
+alles, begrijp je....
+
+MEVR. LINDE. Ja ... Ja ... maar hoe kan je denken?
+
+NORA. Dan moet jij getuigen, dat het niet waar is, Kristine. Ik ben
+volstrekt niet buiten mezelf; ik ben bij mijn volle verstand nu; ik
+alleen heb het allemaal gedaan. Onthoud dat goed.
+
+MEVR. LINDE. Zeker zal ik dat. Maar ik begrijp er niets van.
+
+NORA. Och, hoe zou jij dat ook kunnen begrijpen? Wat nu gebeuren zal,
+dat is juist het wonderbare.
+
+MEVR. LINDE. Het wonderbare?
+
+NORA. Ja, het wonderbare. Maar dat is zoo vreeselijk, Kristine; dat mag
+niet gebeuren, om alles in de wereld niet!
+
+MEVR. LINDE. Ik zal terstond met Krogstad gaan spreken.
+
+NORA. Ga niet naar hem toe; hij zou je kwaad doen!
+
+MEVR. LINDE. Er is een tijd geweest dat hij graag alles, wat het ook
+was, voor mij zou gedaan hebben.
+
+NORA. Hij?
+
+MEVR. LINDE. Waar woont hij?
+
+NORA. Och, ik weet 't niet ... ja toch (_tast in haar zak_). hier is
+zijn kaartje. Maar de brief, de brief!...
+
+HELMER (_in zijn kamer, klopt op de deur_). Nora!
+
+NORA (_gilt van angst_). Wat is er? Wat wou je van me?
+
+HELMER. Nou, nou, schrik maar zoo niet! We komen immers niet binnen; je
+hebt den grendel op de deur gedaan; ben je soms aan het passen?
+
+NORA. Ja, ja; ik ben aan het passen. Het wordt zoo mooi, Torwald!
+
+MEVR. LINDE (_die het kaartje heeft gelezen_). Hij woont hier vlak bij,
+even den hoek om.
+
+NORA. Och ja; maar het helpt immers toch niets. Wij zijn verloren. De
+brief ligt in de bus.
+
+MEVR. LINDE. En heeft je man den sleutel?
+
+NORA. Ja, altijd.
+
+MEVR. LINDE. Krogstad moet zijn brief ongelezen terug vragen, hij moet
+maar een voorwendsel zien te vinden....
+
+NORA. Maar juist om dezen tijd gaat Torwald altijd....
+
+MEVR. LINDE. Houdt hem dan op; ga zoolang bij hem binnen. Ik kom zoo
+gauw mogelijk terug (_gaat snel heen door het portaal_).
+
+NORA (_gaat naar Helmer's deur, opent die en kijkt naar binnen_).
+Torwald!
+
+HELMER (_in de binnenkamer_). Zoo mag een mensch eindelijk weer zijn
+eigen kamer binnen gaan? Kom Rank, nu krijgen we wat te zien.... (_in de
+deur_). Wat is dat nu?
+
+NORA. Wat Torwald-lief?
+
+HELMER. Rank had mij voorbereid op een prachtige verkleedpartij.
+
+RANK (_in de deur_). Ik had dat zoo begrepen, maar dan heb ik mij zeker
+vergist.
+
+NORA. Neen, niemand krijgt mij te bewonderen in al mijn pracht voor
+morgen.
+
+HELMER. Maar lieve Nora, je ziet er zoo moe uit. Heb je te lang
+gerepeteerd?
+
+NORA. Neen, ik heb nog heelemaal niet gerepeteerd.
+
+HELMER. Dat zal toch noodig zijn.
+
+NORA. Ja, dat is zeker noodig, Torwald. Maar ik kan er zonder jouw hulp
+niet komen; ik heb het allemaal glad vergeten.
+
+HELMER. O, we zullen dat wel gauw weer eens opknappen.
+
+NORA. Ja, help mij weer eens een beetje op gang, Torwald. Beloof je mij
+dat? Ik ben zoo bang. Al die menschen.... Je moet je van avond eens
+geheel aan mij wijden. Niets van zaken of zoo, geen pen in de hand
+nemen. He? Doe je 't Torwald-lief?
+
+HELMER. Dat beloof ik je; van avond zal ik gansch en al tot je
+beschikking zijn, jij klein hulpeloos ding!... Hm, ja ... een ding moet
+ik toch eerst.... (_gaat naar de buitendeur_).
+
+NORA. Wat wil je daar nu doen?
+
+HELMER. Alleen maar eens kijken of er geen brieven gekomen zijn.
+
+NORA. Neen, neen, niet doen, Torwald!
+
+HELMER. Wat moet dat?
+
+NORA. Toe, Torwald, er zijn er geen.
+
+HELMER. Laat mij toch even zien (_wil gaan_).
+
+NORA (_bij de piano, slaat de eerste maten van de Tarantella aan_).
+
+HELMER (_bij de deur ... blijft staan_). Aha!
+
+NORA. Ik kan morgen niet dansen als ik niet met jou gerepeteerd heb.
+
+HELMER (_gaat naar haar toe_). Ben je heusch zoo bang, kindje-lief?
+
+NORA. Ja, onwijs bang. Laat ons nu dadelijk even repeteeren; er is nog
+net tijd voor wij aan tafel gaan. Toe, ga nu aan de piano zitten en
+accompagneer mij; wijs mij terecht en dirigeer mij, zooals vroeger.
+
+HELMER. Graag ... als je het verlangt (_gaat voor de piano zitten_).
+
+NORA (_ haalt de tamboerijn uit de doos en ook een lange kleurige
+echarpe waarin zij zich haastig drapeert; dan doet zij een sprong
+vooruit en roept:_) Speel nu! Dan zal ik dansen!
+
+(_Helmer speelt en Nora danst; dokter Rank staat bij de piano, achter
+Helmer, en ziet toe_).
+
+HELMER (_spelend_). Langzamer, langzamer!
+
+NORA. 'k Kan niet anders!
+
+HELMER. Niet zoo woest, Nora!
+
+NORA. Zoo moet het juist!
+
+HELMER (_houdt op_). Neen, neen, neen ... dat gaat heelemaal niet.
+
+NORA (_lacht en zwaait met de tamboerijn_). Heb ik het niet gezegd?
+
+RANK. Laat mij eens voor haar spelen.
+
+HELMER (_staat op_). Ja, dat 's goed; dan kan ik haar beter dirigeeren.
+
+(_Rank gaat voor de piano zitten en speelt; Nora danst hoe langer hoe
+wilder. Helmer is bij de kachel gaan staan en roept haar voortdurend
+terechtwijzingen en aanmerkingen toe; zij schijnt ze niet te hooren;
+haar haar gaat los en valt over haar schouders; zij merkt het niet op en
+danst maar door. Mevrouw Linde komt binnen_).
+
+MEVR. LINDE (_blijft verstomd staan in de deur_). Ah...!
+
+NORA (_onder het dansen door_). 't Is hier een vroolijke partij,
+Kristine!
+
+HELMER. Maar liefste Nora, je danst alsof je leven op het spel stond....
+
+NORA. Dat doet het ook.
+
+HELMER. Rank, houd op; dit is gewoon gekkenwerk. Toe, schei uit. (_Rank
+houdt op met spelen, en Nora staat plotseling stil_).
+
+HELMER (_naar haar toegaand_). Dat had ik nu toch nooit gedacht. Je hebt
+alles vergeten wat ik je geleerd heb.
+
+NORA (_gooit de tamboerijn neer_). Nu zie je het zelf.
+
+HELMER. Ja, je mag nog wel eens een lesje hebben.
+
+NORA. Je ziet hoe noodig het is. Je moet tot het laatst toe met me
+repeteeren. Beloof je mij dat Torwald?
+
+HELMER. Daar kan je vast op rekenen.
+
+NORA. Je moet je noch vandaag noch morgen, met iets anders bemoeien dan
+met mij; je moet geen brief open maken ... zelfs de brievenbus niet....
+
+HELMER. Ah ... dat is nog de angst voor dien kerel....
+
+NORA. O ja ... dat ook.
+
+HELMER. Nora, ik zie het aan je gezicht, er ligt al een brief van hem.
+
+NORA. Ik weet 't niet; ik geloof 't; maar je mag nu zoo iets niet lezen.
+Er mag niets leelijks tusschen ons komen voor alles voorbij is.
+
+RANK (_zacht tegen Helmer_). Doe haar zin nu maar.
+
+HELMER (_slaat zijn armen om haar heen_). Nou, 't kindje zal haar zin
+hebben. Maar morgen avond, als je gedanst hebt....
+
+NORA. Dan ben je vrij.
+
+DIENSTMEISJE (_in de deur rechts_). Mevrouw, het eten is opgedaan.
+
+NORA. Breng een flesch Champagne, Helene.
+
+DIENSTMEISJE. Ja, mevrouw. (_af_)
+
+HELMER. Zoo, zoo ... groot feest dus?
+
+NORA. Een champagne-fuif tot aan den lichten morgen! (_Roept in het
+portaal_). En ook wat bonbons, Helene, een heelen boel ... voor dezen
+keer!
+
+HELMER (_grijpt haar handen_). Kalm, kalm, kalm, kindje; niet zoo woest
+opgewonden. Wees nu weer mijn lieve kleine leeuwerik, zooals anders.
+
+NORA. Ja, ja strakjes. Maar ga nu maar naar binnen, en u ook dokter.
+Kristine, jij moet me even helpen mijn haar weer op te steken.
+
+RANK (_zacht, terwijl zij weggaan_). Is er soms iets ... iets aan de
+hand?
+
+HELMER. Och wel neen! beste kerel; het is alleen die kinderachtige
+angst, waarvan ik je vertelde. (_Zij gaan rechts af_).
+
+NORA. Wel!?
+
+MEVR. LINDE. Uit de stad.
+
+NORA. Ik zag het aan je.
+
+MEVR. LINDE. Morgen avond komt hij thuis. Ik liet een briefje achter.
+
+NORA. Dat hadt je wel kunnen laten. Je moet niet meer trachten iets
+tegen te houden. Eigenlijk is het toch iets heerlijks dat wachten op de
+komst van het wonderbare.
+
+MEVR. LINDE. Wat is dat toch waar je op wacht?
+
+NORA. Och, dat kan jij toch niet begrijpen. Ga vast naar hen toe; ik kom
+dadelijk ook. (_Mevr. Linde gaat naar de eetkamer_).
+
+NORA (_staat even stil als om tot zichzelf te komen; dan kijkt zij op de
+klok_). Vijf uur. Nog zeven uur eer het middernacht is. Dan nog
+vier-en-twintig uur tot morgen nacht. Dan is de Tarantella uit.
+Vier-en-twintig en zeven? Dus nog een-en-dertig uren te leven.
+
+HELMER (_in de deur rechts_). Maar waar blijft mijn leeuwerikje dan
+toch?
+
+NORA (_met open armen naar hem toe_). Hier is je leeuwerikje!
+
+
+EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.
+
+
+[Illustratie: Mejuffr. Rika Hopper als Nora (einde van het 2de Bedrijf)]
+
+
+ * * * * *
+
+
+DERDE BEDRIJF.
+
+ Zelfde kamer. De canape-tafel staat midden in de kamer met stoelen
+ er om heen. Brandende lamp op tafel. De deur naar het portaal staat
+ open. Van de bovenverdieping klinkt dansmuziek.
+
+ Mevr. Linde zit aan de tafel en bladert in een boek; probeert te
+ lezen, maar schijnt haar gedachten er niet bij te kunnen houden.
+ Een paar maal luistert zij gespannen naar den kant van de
+ buitendeur.
+
+ * * * * *
+
+MEVR. LINDE (_kijkt op de klok_). Nog al niet. En 't wordt toch hoog
+tijd. Als hij maar niet.... (_luistert weer_). Ah! daar is hij. (_Zij
+gaat naar het portaal en opent voorzichtig de buitendeur; men hoort
+zachtjes loopen op de trap; zij fluistert_): Kom binnen. Er is niemand.
+
+KROGSTAD (_in de deur_). Ik vond thuis een briefje van u. Wat beteekent
+dat?
+
+Mevr. LINDE. Ik moet U noodzakelijk spreken.
+
+KROGSTAD. En moest dat volstrekt hier in huis gebeuren?
+
+MEVR. LINDE. Bij mij thuis kon het niet; mijn kamer heeft geen
+afzonderlijken opgang. Kom binnen; we zijn heel alleen; de meiden slapen
+en de Helmers zijn op 't bal hier boven.
+
+KROGSTAD (_gaat de kamer binnen_). Kijk eens aan! Dansen de Helmers van
+avond?
+
+MEVR. LINDE. Ja, waarom niet?
+
+KROGSTAD. Och ja; waarom ook niet?
+
+MEVR. LINDE. Zeg, Krogstad, laat ons nu eens samen praten.
+
+KROGSTAD. Hebben wij elkaar dan nog iets te zeggen?
+
+MEVR. LINDE. Ja. Wij hebben elkaar heel veel te zeggen.
+
+KROGSTAD. Ik dacht van niet.
+
+MEVR. LINDE. Omdat je mij nooit goed begrepen hebt.
+
+KROGSTAD. Was er dan nog iets anders te begrijpen dan dat wat zoo
+dood-gewoon is in de wereld? Een vrouw zonder hart, die een man laat
+loopen, als er zich iets anders voordoet dat voordeeliger is?
+
+MEVR. LINDE. Geloof je dat ik zoo heelemaal zonder hart ben? En geloof
+je dat ik het zoo maar luchtig-weg afmaakte?
+
+KROGSTAD. Deed je dat dan niet?
+
+MEVR. LINDE. Krogstad heb je dat waarlijk gedacht?
+
+KROGSTAD. Als het niet zoo was waarom schreef je mij dan zoo als je
+deedt?
+
+MEVR. LINDE. Ik kon immers niet anders. Als ik 't met jou afmaakte, was
+het toch ook mijn plicht alles bij je uit te roeien wat je voor mij
+voelde.
+
+KROGSTAD (_wringt de handen_). Zoo was het dus gemeend. En dat alles ...
+alles alleen om het geld!
+
+MEVR. LINDE. Je moet niet vergeten dat ik een zieke, hulpbehoevende
+moeder had en twee kleine broertjes. Wij konden niet op je wachten,
+Krogstad. Je hadt toen immers nog heelemaal geen vooruitzichten.
+
+KROGSTAD. Al was het zoo, dan hadt je toch niet het recht mij te
+verstooten voor een ander.
+
+MEVR. LINDE. Ik weet het niet. Menigmaal heb ik mij afgevraagd of ik het
+recht er toe had.
+
+KROGSTAD (_zachter_). Toen je mij losliet, was het of de grond onder
+mijn voeten weggleed. En zie nu eens wat er van mij geworden is: een
+schipbreukeling op een wrak.
+
+MEVR. LINDE. Er kon wel hulp nabij zijn.
+
+KROGSTAD. Die was nabij; maar toen ben jij tusschenbeiden gekomen.
+
+MEVR. LINDE. Buiten mijn weten, Krogstad. Pas van daag heb ik gehoord
+dat ik in jouw plaats kom bij de Bank.
+
+KROGSTAD. Ik geloof 't als je het zegt. Maar nu je het weet, trek je je
+nu terug?
+
+MEVR. LINDE. Neen, want dat zou je toch niets baten.
+
+KROGSTAD. Baten, baten ... ik zou het toch graag willen.
+
+MEVR. LINDE. Ik heb geleerd met overleg te handelen. Het leven en de
+harde, bittere noodzakelijkheid hebben mij dat geleerd.
+
+KROGSTAD. En het leven heeft mij geleerd niet aan mooie woorden te
+gelooven.
+
+MEVR. LINDE. Dan heeft het leven je iets heel verstandigs geleerd. Maar
+aan daden mag je toch gelooven?
+
+KROGSTAD. Wat meen je daarmee?
+
+MEVR. LINDE. Je zei, dat je stond als een schipbreukeling op een wrak.
+
+KROGSTAD. En ik had alle reden om dat te zeggen.
+
+MEVR. LINDE. Ik zit ook als een schipbreukelinge op een wrak. Niemand om
+voor te zorgen en niemand die om mij geeft.
+
+KROGSTAD. Je hebt zelf gekozen.
+
+MEVR. LINDE. Ik had toen geen andere keus.
+
+KROGSTAD. Nou ... maar wat wou je zeggen?
+
+MEVR. LINDE. Krogstad, als wij twee schipbreukelingen nu eens tot elkaar
+konden komen?
+
+KROGSTAD. Wat zeg je?!
+
+MEVR. LINDE. Twee menschen samen op een wrak zijn er toch beter aan toe,
+dan ieder afzonderlijk op het zijne.
+
+KROGSTAD. Kristine!
+
+MEVR. LINDE. Waarvoor denk je dat ik in de stad gekomen ben?
+
+KROGSTAD. Zou je waarlijk een gedachte voor mij gehad hebben?
+
+MEVR. LINDE. Ik moet werken om het leven te kunnen dragen. Al mijn
+levensdagen, zoo lang ik mij herinneren kan, heb ik gewerkt, en dat is
+mijn grootste en eenige genot geweest. Maar nu sta ik heel alleen in de
+wereld, zoo ontzettend leeg en verlaten. Alleen voor je zelf te werken
+geeft geen genot. Krogstad, geef mij iemand en iets om voor te werken.
+
+KROGSTAD. Dat kan ik niet gelooven. Dat is alleen maar de
+zelfverheerlijkende overspanning van een vrouw, die zich opofferen wil.
+
+MEVR. LINDE. Heb je ooit gemerkt dat ik overspannen was?
+
+KROGSTAD. Zou je dat waarlijk willen doen? Zeg eens eerlijk ... weet je
+alles van mijn verleden?
+
+MEVR. LINDE. Ja.
+
+KROGSTAD. En weet je ook voor wat ik hier doorga?
+
+MEVR. LINDE. Je zei daar straks iets, alsof je meende dat je met mij een
+ander mensch hadt kunnen worden.
+
+KROGSTAD. Dat weet ik zeker.
+
+MEVR. LINDE. Zou dat niet nu nog kunnen gebeuren?
+
+KROGSTAD. Kristine ... zeg je dat na rijp overleg? Ja ... dat doe je. Ik
+zie het je aan. Heb je er waarlijk moed toe?
+
+MEVR. LINDE. Ik heb behoefte voor iemand een moeder te zijn en je
+kinderen hebben behoefte aan een moeder. Wij beiden hebben behoefte aan
+elkaar. Krogstad, ik geloof in het goede in je;... ik durf gerust verder
+met jouw door het leven te gaan.
+
+KROGSTAD (_grijpt haar handen_). Dankje, dankje, Kristine! O, nu zal ik
+mij ook in de oogen van anderen weer kunnen oprichten ... O maar ik
+vergat....
+
+MEVR. LINDE (_luistert_). Sst! De Tarantella! Ga nu weg, gauw!
+
+KROGSTAD. Waarom? Wat is dat?
+
+MEVR. LINDE. Hoor je dat dansen hier boven? Als dat uit is, kunnen ze
+ieder oogenblik terugkomen.
+
+KROGSTAD. O ja ... ik zal heengaan. 't Is toch alles vergeefs. Je weet
+natuurlijk niet wat ik tegen de Helmers op touw gezet heb.
+
+MEVR. LINDE. Ja wel, Krogstad, ik weet het.
+
+KROGSTAD. En toch heb je moed?...
+
+MEVR. LINDE. Ik begrijp best waartoe de wanhoop een man als jij bent,
+drijven kan.
+
+KROGSTAD. O, 'k wou dat ik het ongedaan kon maken!
+
+MEVR. LINDE. Dat zou je wel kunnen; want je brief ligt nog in de bus.
+
+KROGSTAD. Weet je dat zeker?
+
+MEVR. LINDE. Heel zeker; maar....
+
+KROGSTAD (_ziet haar uitvorschend aan_). Moet ik het misschien zoo
+verstaan, dat je je vriendin redden wilt tot elken prijs? Zeg het dan
+liever ronduit. Is dat zoo?
+
+MEVR. LINDE. Krogstad, wie zich eens ter wille van anderen verkocht
+heeft, doet het niet voor een tweeden keer.
+
+KROGSTAD. Ik zal mijn brief terug vragen.
+
+Mevr. LINDE. Neen, neen....
+
+KROGSTAD. Jawel, natuurlijk; ik blijf hier tot Helmer beneden komt; dan
+zeg ik hem dat hij mij dien brief terug geven moet ... dat ik het daarin
+alleen heb over mijn ontslag ... dat hij hem niet moet lezen....
+
+MEVR. LINDE. Neen, Krogstad, je moet dien brief niet terug vragen.
+
+KROGSTAD. Maar was het eigenlijk niet daarom dat je mij hier besteld
+hadt?
+
+MEVR. LINDE. Jawel, in den eersten schrik; maar er ligt nu een heel
+etmaal tusschen, en ik heb in dien tijd ongelooflijke dingen bijgewoond,
+hier in huis. Helmer moet alles weten; dat onzalige geheim moet aan het
+licht komen; het moet tot een volledige verklaring tusschen die twee
+komen; het kan onmogelijk zoo blijven voortgaan met al die
+verborgenheden en uitvluchten.
+
+KROGSTAD. Nu goed dan; als jij het er op wagen wilt. Maar een ding kan
+ik in elk geval doen, en dat zal terstond gedaan worden....
+
+MEVR. LINDE (_luistert_). Haast je! Ga gauw! de dans is uit; wij zijn
+geen oogenblik langer veilig.
+
+KROGSTAD. Ik zal beneden op je wachten.
+
+MEVR. LINDE. Ja, dat 's goed. Dan kan je mij thuis brengen.
+
+KROGSTAD. Zoo onbegrijpelijk gelukkig ben ik nog nooit in mijn leven
+geweest. (_hij gaat de buitendeur uit; de kamerdeur blijft half open
+staan_).
+
+MEVR. LINDE (_reddert een beetje op en legt haar hoed en mantel klaar_).
+Wat een omkeer! Ja, wat een omkeer! Menschen om voor te werken ... om
+voor te leven; een thuis dat ik gezellig maken kan. Nu, ik zal ferm
+moeten aanpakken. Als ze nu maar gauw kwamen.... (_luistert_). Aha! daar
+zijn ze. Gauw mijn hoed aan (_neemt hoed en mantel op_).
+
+(_Men hoort de stemmen van Helmer en Nora buiten; een sleutel wordt
+omgedraaid en Helmer duwt Nora bijna met geweld het portaal in. Zij
+draagt het Italiaansche costuum met een grooten zwarten doek over alles
+heen; hij is in rok-en-witte-das met een open zwarte domino er over
+heen_).
+
+NORA (_nog in de deur, tegenstribbelend_). Neen, neen, neen; niet naar
+binnen! Ik wil weer naar boven. Ik wil nog niet zoo vroeg weggaan.
+
+HELMER. Maar liefste Nora....
+
+NORA. He toe, Torwald, ik bid je, ik smeek je, nog maar een enkel
+uurtje!
+
+HELMER. Geen minuut langer, mijn lieve Nora. Je weet dat was de
+afspraak. Kom, ga naar binnen; als je hier blijft staan vat je kou (_hij
+dringt haar trots haar tegenstribbelen zachtjes de kamer in_).
+
+MEVR. LINDE. Goeden avond.
+
+NORA. Kristine!
+
+HELMER. Wat, mevrouw, is u nog zoo laat hier?
+
+MEVR. LINDE. Ja, neem mij niet kwalijk; ik wou Nora zoo graag in haar
+costuum zien.
+
+NORA. Heb je hier op mij zitten wachten?
+
+MEVR. LINDE. Ja, ik kwam helaas een beetje te laat; je was al naar
+boven; en toen vond ik dat ik toch niet weggaan kon zonder je gezien te
+hebben.
+
+HELMER (_neemt Nora den doek af_). Ja, bekijk haar maar eens goed. Mij
+dunkt zij is het bekijken waard. Is zij niet prachtig, mevrouw?
+
+MEVR. LINDE. Ja, dat moet ik toegeven....
+
+HELMER. Is zij niet buitengewoon mooi? Dat was ook op de partij de
+algemeene opinie. Maar vreeselijk eigenzinnig is zij ... dat lieve
+kleine dingske. Wat zullen wij er aan doen? Wil u wel gelooven dat ik
+haast geweld moest gebruiken om haar weg te krijgen?
+
+NORA. O Torwald, het zal je nog berouwen dat je mij nog niet, zal was 't
+maar een half uurtje, hebt gegund.
+
+HELMER. Daar hoort u 't nu. Zij danst haar Tarantella ... wordt
+stormachtig toegejuicht ... wat ook wel verdiend was ... hoewel de
+uitvoering misschien wel wat al te realistisch was ... ik bedoel, wel
+iets meer dan streng genomen strookte met de eischen van de kunst. Maar
+enfin. De hoofdzaak is dat zij succes heeft, groot succes. Mocht ik haar
+nu daarna nog laten blijven? Den indruk verzwakken? Neen ... dank je
+wel; ik nam mijn Capri-meisje ... mijn capricieus Capri-meisje zou ik
+kunnen zeggen ... aan mijn arm; gauw even de zaal rond ... buigen naar
+alle kanten ... en, zooals het in de boeken heet ... de mooie
+verschijning was verdwenen. Een slot moet altijd effectvol zijn; maar
+dat kan ik Nora maar niet aan het verstand brengen. Poeh! wat is het
+hier warm! (_hij gooit zijn domino op een stoel neer en doet de deur
+naar zijn kamer open_). Wat? Hier is het nog donker. O ja, natuurlijk.
+Pardon.... (_hij gaat naar binnen en steekt een paar kaarsen aan_).
+
+NORA (_fluistert snel en ademloos_). Wel?
+
+MEVR. LINDE (_zacht_). Ik heb hem gesproken.
+
+NORA. En...?
+
+MEVR. LINDE. Nora ... je moet je man alles zeggen.
+
+NORA (_toonloos_). Ik wist 't wel.
+
+MEVR. LINDE. Je hebt niets te vreezen van Krogstad; maar zeggen moet je
+'t.
+
+NORA. Ik zeg niets.
+
+MEVR. LINDE. Dan zal de brief het doen.
+
+NORA. Dankje, Kristine: ik weet nu wat mij te doen staat. Sst!...
+
+HELMER (_komt binnen_). Wel, mevrouw, heeft u haar nu bewonderd?
+
+MEVR. LINDE. Ja; en nu ga ik u goeden nacht wenschen.
+
+HELMER. Wat? nu al! Is dat van u, dat breiwerk?
+
+MEVR. LINDE (_neemt het op_). Ja, dank u; dat had ik bijna vergeten.
+
+HELMER. Dus u breit?
+
+MEVR. LINDE. O ja.
+
+HELMER. Weet u wat, u moest liever borduren.
+
+MEVR. LINDE. Zoo? Waarom?
+
+HELMER. Omdat 't zooveel mooier is. Ziet u maar; men houdt een
+borduurwerk zoo, in de linkerhand, en dan haalt men met de rechterhand
+de naald er door ... zoo ... in een luchtige, lange bocht ... niet
+waar?...
+
+MEVR. LINDE. Jawel, dat kan wel zijn....
+
+HELMER. Daarentegen kan breien nooit anders dan onschoon zijn; kijk
+maar: die vastgeklemde armen ... de breinaalden die op en neer gaan ...
+daar is iets Chineesch in die beweging.... Ja, dat was waarlijk
+uitstekende Champagne die ze daar schonken.
+
+MEVR. LINDE. Goeden nacht Nora, en wees niet meer eigenzinnig.
+
+HELMER. Goed gezegd, mevrouw Linde!
+
+MEVR. LINDE. Goeden nacht, mijnheer Helmer.
+
+HELMER (_geleidt haar tot aan de deur_). Goeden nacht, goeden nacht; ik
+hoop dat u goed thuiskomen zal? Ik zou u graag ... maar u woont nog al
+niet ver hier van daan. Goeden nacht, goeden nacht. (_Zij gaat weg; hij
+sluit de deur en komt weer binnen_). Zie zoo; eindelijk hebben we haar
+dan toch de deur uit. Ze is schromelijk vervelend, dat mensch.
+
+NORA. Ben je niet moe, Torwald?
+
+HELMER. Neen, in 't minst niet.
+
+NORA. Heb je geen slaap ook?
+
+HELMER. Heelemaal niet: ik voel me integendeel bizonder opgewekt. Maar
+jij? Ja, jij ziet er echt moe en slaperig uit.
+
+NORA. Ja, ik ben erg moe. Ik zal maar gauw gaan slapen.
+
+HELMER. Zie je nu wel! Ik had dus toch wel gelijk om maar niet langer te
+blijven.
+
+NORA. O, het is altijd goed wat je doet.
+
+HELMER (_kust haar op het voorhoofd_). Nu spreekt mijn leeuwerikje als
+een groot mensch. Maar heb je opgelet hoe jolig Rank vanavond was?
+
+NORA. Zoo? Was hij vroolijk? Ik heb hem niet gesproken.
+
+HELMER. Ik ook bijna niet; maar ik heb hem in lang niet in zoo'n goede
+bui gezien, (_kijkt haar een poosje aan; komt dan dichterbij haar_). Hm
+... het is toch maar heerlijk om weer bij je eigen thuis te komen ... om
+heel alleen met jou te zijn ... o jij verrukkelijk, heerlijk jong
+vrouwtje.
+
+NORA. Kijk mij niet zoo aan, Torwald!
+
+HELMER. Mag ik niet kijken naar het liefste wat ik heb? Naar al die
+heerlijkheid die van mij is, van mij alleen, heelemaal en uitsluitend
+van mij.
+
+NORA (_gaat naar den anderen kant van de tafel_). Je moet van avond niet
+zulke dingen tegen mij zeggen.
+
+HELMER (_loopt haar na_). Je hebt de Tarantella nog in je bloed, merk
+ik. En dat maakt je nog verleidelijker. Hoor; nu beginnen de gasten weg
+te gaan. (_Zachter_) Nora, nu wordt gauw het heele huis stil.
+
+NORA. Ja dat hoop ik.
+
+HELMER. Ja, niet waar, mijn eigen schat? O, weet je,... als ik zoo met
+je uit ben, op een partij ... weet je waarom ik dan zoo weinig met je
+spreek, me zoo ver van je houd, je alleen maar zo nu en dan eens
+stilletjes een oogje geef ... weet je waarom ik dat doe? Dat doe ik
+omdat ik me dan verbeeld dat je in stilte mijn geliefde bent, mijn jonge
+heimelijk verloofde, en dat niemand vermoedt dat er iets tusschen ons
+bestaat.
+
+NORA. Och ja, ja, ja, ik weet wel dat al je gedachten altijd bij mij
+zijn.
+
+HELMER. En als wij dan weggaan, en ik je chale om je teere jeugdige
+schoudertjes heenleg ... om dien prachtig gevormden nek ... dan stel ik
+mij voor dat je mijn jonge bruid bent, dat wij zoo pas getrouwd zijn en
+van de plechtigheid terug komen, en ik je voor de eerste maal binnen
+leid in mijn huis ... dat ik voor de eerste maal alleen met je ben, mijn
+jong sidderend prachtvrouwtje! Dezen heelen avond heb ik geen ander
+verlangen gehad dan naar jou. Toen ik je in de Tarantella zoo zag
+draaien en lokken ... toen kookte mijn bloed; ik hield 't niet langer
+uit ... daarom was het dat ik je zoo vroeg meenam naar huis....
+
+NORA. Toe Torwald! Laat me nu met rust. Daar wil ik nu liever niet van
+weten.
+
+HELMER. Wat beteekent dat nu? Houd je mij een beetje voor den gek,
+Noraatje? Wil ... wil? Ben ik je man dan niet? (_Er wordt geklopt aan de
+buitendeur_).
+
+NORA (_schrikt_). Hoor je dat?
+
+HELMER (_naar het portaal gaand_). Wie is daar?
+
+DOKTER RANK (_buiten_). Ik ben het. Mag ik een oogenblik binnen komen?
+
+HELMER (_zachtjes, ontstemd_). Och, wat moet hij nu? (_Hardop_). Wacht
+even. (_Gaat de deur opendoen_). Zoo, dat is nog eens aardig van je dat
+je onze deur niet voorbij gaat.
+
+RANK. Ik meende je stem te hooren, en toen wou ik toch nog even komen
+kijken. (_Laat zijn blikken vluchtig in het rond gaan_). Ach ja; die
+lieve welbekende kamers. Je hebt het hier goed en gezellig samen, jullie
+met je beidjes.
+
+HELMER. 't Leek me zoo dat je je boven ook nog al amuseerde.
+
+RANK. Buitengewoon. En waarom ook niet? Waarom zal een mensch niet van
+alles genieten op de wereld? In elk geval zooveel hij kan en zoo lang
+hij kan. De wijn was uitstekend....
+
+HELMER. Vooral de Champagne.
+
+RANK. Heb jij dat ook opgemerkt? Het is haast niet te gelooven zooveel
+als ik er van doorspoelen kon.
+
+NORA. Torwald heeft ook veel Champagne gedronken van avond.
+
+RANK. Zoo?
+
+NORA. Ja, en dan is hij naderhand altijd zoo vroolijk gestemd.
+
+RANK. Nou, waarom zou een mensch zich niet eens een vroolijken avond
+permiteeren na een goed gebruikten dag?
+
+HELMER. Een goed gebruikten dag ... daar durf ik mij helaas niet op
+beroemen.
+
+RANK (_klopt hem op den schouder_). Maar dat durf ik, zie je.
+
+NORA. Dokter, u heeft zeker een wetenschappelijk onderzoek gedaan
+vandaag.
+
+RANK. Ja juist.
+
+HELMER. Kijk eens aan, kleine Nora praat over wetenschappelijke
+onderzoekingen!
+
+NORA. En mag ik u geluk wenschen met den uitslag?
+
+RANK. Ja, waarachtig, dat mag u.
+
+NORA. Het was dus goed.
+
+RANK. Het allerbeste zoowel voor den dokter als voor den patient ...
+zekerheid.
+
+NORA (_snel en verschrikt_). Zekerheid?
+
+RANK. Volkomen zekerheid. Mocht ik daarna niet eens een vroolijken avond
+hebben?
+
+NORA. Ja, daar had u gelijk in, dokter.
+
+HELMER. Dat zeg ik ook; als het je morgen dan maar niet opbreekt.
+
+RANK. Och, een mensch heeft niets om niet in het leven.
+
+NORA. Dokter, u houdt zeker veel van gemaskerde partijen?
+
+RANK. Ja, als er een heeleboel dwaze maskers zijn.
+
+NORA. Hoor eens; hoe zullen wij tweeen ons verkleeden op een volgende
+partij?
+
+HELMER. Jij kleine pretmaakster ... denk je nu alweer over de volgende?
+
+RANK. Wij tweeen? Wacht, dat zal ik u eens vertellen. U moet een
+gelukskind zijn.
+
+HELMER. Ja, maar bedenk dan een costuum dat dat uitdrukt.
+
+RANK. Laat je vrouw maar komen zoo als ze is....
+
+HELMER. Dat was nu eens mooi gezegd. Maar weet je nog niet wat je dan
+zelf zijn zult?
+
+RANK. Jawel, beste kerel, dat heb ik met mezelf al uitgemaakt.
+
+HELMER. Wat dan?
+
+RANK. Op de volgende gemaskerden partij zal ik onzichtbaar zijn.
+
+HELMER. Dat is een komieke inval!
+
+RANK. Er bestaat ergens iets als een groote zwarte hoed ... heb je nooit
+gehoord van een onzichtbaar-makende hoed? Dien doen ze dan over je heen,
+en dan is er niemand die je zien kan.
+
+HELMER (_met een onderdrukt lachje_). Ja, dat zal wel waar zijn.
+
+RANK. Maar ik zou glad vergeten waarvoor ik eigenlijk kom. Helmer, toe
+geef mij een sigaar, een van je donkere Havanna's.
+
+HELMER. Met het grootste genoegen (_biedt hem zijn koker aan_).
+
+RANK (_neemt er een en snijdt er het puntje af_). Dank je.
+
+NORA (_strijkt een lucifer af_). Laat ik u eens een vlammetje geven.
+
+RANK. Heel vriendelijk. Dank u wel. (_Zij houdt de lucifer bij; hij
+steekt op_). En nu adieu.
+
+HELMER. Adieu, adieu beste vriend!
+
+NORA. Slaap wel, dokter.
+
+RANK. Dank voor dien wensch.
+
+NORA. Wensch mij hetzelfde toe.
+
+RANK. U? O ja, als u dat graag wil ... slaap wel. En dank voor het
+vlammetje (_hij knikt hun beiden toe en gaat heen_).
+
+HELMER (_halfluid_). Hij had wel wat veel gedronken.
+
+NORA (_verstrooid_). Misschien wel.
+
+(_Helmer haalt zijn sleutelring uit zijn zak en gaat naar het portaal_).
+
+NORA. Torwald, wat ga je daar doen?
+
+HELMER. Ik moet de brievenbus leeg maken; ze is heelemaal vol; er is
+geen plaats meer voor de courant morgen ochtend....
+
+NORA. Ga je nu nog werken van nacht?
+
+HELMER. Je weet wel dat ik daar geen plan op heb ... wat is dat? Er is
+iemand aan het slot geweest.
+
+NORA. Aan het slot?...
+
+HELMER. Ja, bepaald. Wie kan dat zijn? Ik kan toch niet denken dat de
+meiden...? Hier ligt een afgebroken haarspeld. Die is van jou Nora....
+
+NORA (_snel_). Dan moeten de kinderen 't gedaan hebben....
+
+HELMER. Dat moet je hun dan toch heusch afleeren. Hm; hm;... ha, daar
+heb ik 't toch open (_neemt den inhoud er uit en roept in de keuken_).
+Helene!... Helene! doe het licht uit op het portaal (_hij komt de kamer
+binnen en sluit de deur naar het portaal_).
+
+HELMER (_met de brieven in zijn hand_). Kijk eens hier, wil je eens zien
+hoe zich dat opgehoopt heeft? (_kijkt ze na_). Wat is dat?
+
+NORA (_bij het raam_). De brief! O neen, neen, Torwald!
+
+HELMER. Twee visitekaartjes ... van Rank.
+
+NORA. Van dokter Rank?
+
+HELMER (_bekijkt ze_). Doctor medicinae Rank. Die lagen boven op; hij
+moet ze er in gestoken hebben toen hij wegging.
+
+NORA. Staat er iets op?
+
+HELMER. Er staat een zwart kruis boven zijn naam. Kijk. Dat is toch een
+sombere aardigheid. 't Is net of hij zijn eigen doodsbericht zendt.
+
+NORA. Dat doet hij ook.
+
+HELMER. Wat? Weet jij er van? Heeft hij je er iets van gezegd?
+
+NORA. Ja, wanneer wij die kaartjes ontvingen, had hij afscheid van ons
+genomen. Hij wil zich opsluiten om te sterven.
+
+HELMER. Mijn arme vriend! Ik wist wel dat ik hem niet lang meer houden
+zou. Maar zoo gauw.... En nu verstopt hij zich als een gewond dier!
+
+NORA. Als het toch gebeuren moet, is het maar het best het zonder veel
+woorden te doen. Vind je ook niet Torwald?
+
+HELMER (_loopt op en neer_). Hij was zoo samengegroeid met ons. Ik zal
+mij niet kunnen voorstellen dat hij weg is. Hij, met zijn lijden en zijn
+eenzaamheid maakte als 't ware den donkeren achtergrond uit, waartegen
+ons zonnig geluk zoo helder uitkwam. Ja, het is misschien toch zoo het
+beste. Voor hem althans. (_Blijft staan_). En misschien voor ons, Nora.
+Nu zijn wij beiden heel alleen voor elkander (_slaat zijn armen om haar
+heen_). O, jij, mijn lieve, lieve vrouw, 't is mij of ik je niet stevig
+genoeg vasthouden kan. Weet je, Nora ... dikwijls wensch ik dat een
+onmiddellijk gevaar je mocht dreigen, om alles, mijn leven, mijn goed en
+bloed en alles voor je op het spel te kunnen zetten.
+
+NORA (_maakt zich los en zegt vast en besloten_). Nu moet je je brieven
+gaan lezen, Torwald.
+
+HELMER. Neen, neen ... van nacht niet. Van nacht wil ik bij jou blijven,
+mijn lieve vrouwtje!
+
+NORA. Met doodsgedachten aan je vriend?
+
+HELMER. Je hebt gelijk; dat heeft ons beiden geschokt. Er is iets
+storends tusschen ons gekomen ... gedachten aan dood en verwording. Daar
+moeten wij ons van zoeken te bevrijden. Tot zoo lang ... zullen wij
+ieder naar onze eigen kamer gaan.
+
+NORA (_aan zijn hals hangend_). Torwald,... goeden nacht! Goeden nacht!
+
+HELMER (_kust haar op het voorhoofd_). Goeden nacht, mijn zangvogeltje.
+Slaap wel, Nora. Nu ga ik de brieven doorlezen. (_Hij gaat met het pak
+in zijn kamer en sluit de deur achter zich_).
+
+NORA (_loopt door de kamer met verwilderde oogen--grijpt Helmer's
+domino, slaat die om, en fluistert haastig, heesch en afgebroken_): Hem
+nooit meer zien. Nooit. Nooit. Nooit. (_Gooit haar chale over haar
+hoofd_). De kinderen ook nooit meer zien. Hen ook niet. Nooit, nooit....
+O, dat koude donkere water! O, die ijzige diepte!... Die.... O, was het
+maar voorbij!... Nu heeft hij den brief ... nu leest hij hem.... O, neen
+... neen... nog niet. Torwald, vaarwel ... vaarwel mijn kleintjes! (_Zij
+wil de deur uitstormen ... op hetzelfde oogenblik rukt Helmer de zijne
+open met een open brief in de handen_).
+
+HELMER. Nora!
+
+NORA (_gilt_). Ah...!
+
+HELMER. Wat is dat? Weet je wat er in dezen brief staat?
+
+NORA. Ja, ik weet het. Laat mij gaan! Laat mij er uit!
+
+HELMER (_houdt haar tegen_). Waar wil je heen?
+
+NORA (_tracht zich los te rukken_). Je mag mij niet redden, Torwald!
+
+HELMER (_tuimelt terug_). Waar dus! Is het waar, wat hij schrijft? Neen,
+neen; dat kan onmogelijk waar zijn...!
+
+NORA. Het is waar. Ik heb je lief gehad boven _alles_ in de wereld.
+
+HELMER. O, kom mij niet aan boord met zulke armzalige uitvluchten.
+
+NORA (_doet een stap naar hem toe_). Torwald...!
+
+HELMER. Jij rampzalige ... wat heb je gedaan?
+
+NORA. Laat mij weggaan. Jij mag er niet voor boeten. Jij mag het niet op
+je nemen.
+
+HELMER. Geen comedie-vertooningen alsjeblieft. (_Sluit de deur af_).
+Hier zal je blijven en mij rekenschap geven. Begrijp je wat je gedaan
+hebt? Antwoord me! Heb je er eenig begrip van?
+
+NORA (_kijkt hem onafgebroken aan en zegt met een uitdrukking van
+verstarring_): Ja, nu begin ik het pas goed te begrijpen.
+
+HELMER (_loopt op en neer_). O, wat een vreeselijk ontwaken! Al deze
+acht jaren lang ... zij, die mijn vreugd en mijn trots was ... een
+huichelaarster, een leugenaarster ... erger, erger nog ... een
+misdadigster! O, hoe niet-in-te-denken afschuwelijk is dat alles!...
+Foei! Foei!
+
+NORA (_zwijgt en kijkt hem maar steeds onafgewend aan_).
+
+HELMER (_blijft vlak voor haar staan_). Ik had moeten bedenken dat zoo
+iets gebeuren kon. Ik had het moeten voorzien. Al de lichtzinnige
+opvattingen van je vader.... Zwijg! Al de lichtzinnige opvattingen van
+je vader heb jij geerfd. Geen godsdienst, geen moraal, geen
+plichtgevoel.... O, wat word ik er voor gestraft dat ik zijn
+tekortkomingen door de vingers zag. Voor jou deed ik het, en zoo beloon
+je er mij voor.
+
+NORA. Ja ... zoo.
+
+HELMER. Mijn heele geluk heb je nu verwoest. Mijn heele toekomst heb je
+bedorven. O, het is ontzettend daaraan te denken. Een gewetenlooze kerel
+heeft mij in zijn macht; hij kan met mij doen wat hij wil; alles van mij
+eischen, over mij bevelen en heerschen naar zijn goedvinden ... en ik
+durf niet te kikken. En zoo jammerlijk diep moet ik zinken en te gronde
+gaan door de schuld van een lichtzinnige vrouw!
+
+NORA. Als ik uit de wereld ben, dan ben je vrij.
+
+HELMER. Och, verkoop geen kunsten. Zulke mooie praatjes had je vader ook
+altijd bij de hand. Wat zou het mij helpen of jij al uit de wereld was,
+zooals je zegt? Dat helpt mij hoegenaamd niets! Hij kan de zaak immers
+toch bekend maken; en doet hij dat dan word ik misschien nog wel
+verdacht van de hand in jouw misdadig spel gehad te hebben. Misschien
+zullen de menschen nog denken dat ik er achter zat ... dat ik je er toe
+aangezet heb! En dat alles heb ik aan jou te danken, aan jou, die ik op
+de handen heb gedragen zoolang wij getrouwd zijn. Begrijp je nu wat je
+mij aangedaan hebt?
+
+NORA (_koel en kalm_). Ja.
+
+HELMER. Het is zoo ongelooflijk, dat ik 't nog niet in me opnemen kan.
+Maar wij moeten zien hoe wij er ons uitredden. Doe dien doek af. Dien
+doek af, zeg ik. Ik moet zien dat ik hem op de een andere manier
+tevreden stel. De zaak moet in de doos, hoe dan ook.... En wat jou en
+mij betreft, moet uiterlijk alles maar blijven zooals vroeger. Maar
+natuurlijk alleen voor het oog van de wereld. Je blijft dus hier in
+huis, dat spreekt van zelf. Maar de kinderen mag je niet opvoeden, die
+durf ik je niet toevertrouwen.... O, dat te moeten zeggen tegen haar,
+die ik zoo lief gehad heb en nog...! Nou ... dat moet nu uit zijn. Van
+geluk is voortaan geen kwestie meer; alleen moeten we trachten de
+restjes, den schijn nog te redden. (_Er wordt buiten gebeld_).
+
+HELMER (_schrikt_). Wat is dat? Zoo laat nog. Zou het vreeselijkste...?
+Zou hij...? Verberg je Nora! Zeg dat je ziek bent.
+
+(_Nora blijft onbewegelijk staan. Helmer gaat de voordeur open doen_).
+
+DIENSTMEISJE (_half ontkleed in het portaal_). Een brief voor mevrouw.
+
+HELMER. Geef mij dien (_grijpt den brief en sluit de deur_). Ja, dat is
+van hem. Jij krijgt hem niet; ik zal hem zelf lezen.
+
+NORA. Lees jij maar.
+
+HELMER (_bij de lamp_). Ik heb er haast geen moed toe. Misschien zijn we
+wel verloren, jij en ik allebei. Neen, ik _moet_ 't toch weten (_breekt
+den brief open; kijkt enkele regels door bekijkt een inliggend papier;
+een vreugdekreet_). Nora!
+
+NORA (_ziet hem vragend aan_).
+
+HELMER. Nora!... Neen, ik moet het nog eens overlezen.... Ja, ja ... het
+is zoo. We zijn gered! Nora, ik ben gered!
+
+NORA. En ik?
+
+HELMER. Jij ook, natuurlijk; we zijn allebei gered. Kijk maar. Hij
+stuurt je je schuldbekentenis terug. Hij schrijft dat hij het betreurt
+en berouw heeft ... dat een gelukkige omkeer in zijn leven ... och, wat
+kan het ons schelen wat hij schrijft! wij zijn gered, Nora! Niemand kan
+je meer iets doen. O, Nora, Nora! Neen, eerst moet al die ellende de
+wereld uit. Laat mij eens zien.... (_kijkt even naar de
+onderteekening_). Och neen; ik wil 't liever niet zien; alles moet maar
+als een droom voor mij geweest zijn (_scheurt de schuldbekentenis en
+beide brieven in stukken, gooit alles in de kachel en kijkt er naar
+terwijl het verbrandt_). Ziezoo; nu is het weg.... Hij schreef dat jij
+sedert Kerstavond.... O, dat moeten drie vreeselijke dagen voor je
+geweest zijn, Nora.
+
+NORA. Ik heb een hevigen strijd gestreden deze drie laatste dagen.
+
+HELMER. En je hebt je ellendig gevoeld en geen anderen uitweg gezien
+dan.... Neen, wij willen niet meer denken aan al die afschuwelijke
+dingen. Wij willen alleen maar juichen en herhalen: het is voorbij!
+Luister toch eens naar me Nora, het is of je het nog niet recht
+begrijpt: het is voorbij! wat is er toch ... dat je gezicht zoo strak
+staat? Och, mijn arme kleine Nora, ik begrijp het wel; je kunt nog niet
+gelooven dat ik 't je vergeven heb. Maar dat heb ik heusch, Nora; ik
+zweer 't je: ik heb je alles vergeven. Ik weet immers wel dat wat je
+deedt dat deedt je uit liefde voor mij.
+
+NORA. Dat is waar.
+
+HELMER. Je hebt van mij gehouden zooals een vrouw van haar man houden
+moest. Je hadt alleen geen voldoende inzicht in de keus van de middelen.
+Maar denk je dat je mij minder lief bent omdat je niet in staat bent
+zelfstandig te handelen? Neen, hoor. Steun maar op mij; ik zal je wel
+raden en leiden. Ik zou geen man moeten zijn als juist die vrouwelijke
+hulpeloosheid je niet nog dubbel aantrekkelijk maakte in mijn oogen. Je
+moet je de harde woorden die ik zei in mijn eersten schrik, toen ik
+dacht dat alles boven mijn hoofd instortte, maar niet aantrekken. Ik heb
+je vergeven Nora; ik zweer je dat ik je vergeven heb.
+
+NORA. Ik dank je voor je vergiffenis (_zij gaat weg door de deur
+rechts_).
+
+HELMER. Neen, blijf nu.... (_kijkt naar binnen_). Wat ga je in de
+slaapkamer doen?
+
+NORA. Mijn maskeradepak uit doen.
+
+HELMER (_bij de open deur_). Ja, dat is goed; tracht tot rust en weer in
+evenwicht te komen, mijn arm verschrikt zangvogeltje. Rust maar eens
+lekker uit; ik heb breede vleugels om je mee te dekken (_loopt rond
+dichtbij de deur blijvend_). O, wat is ons huis toch gezellig en mooi,
+Nora. Hier ben je veilig; hier zal ik je houden als een opgejaagde duif,
+die ik ongedeerd uit de klauwen van een havik heb gered; ik zal je arm
+kloppend hartje wel tot kalmte brengen. Zoo zachtjes aan, Nora, geloof
+me maar. Morgen zal je alles al in een heel ander licht zien; al gauw
+zal alles weer net zijn als vroeger; ik zal je niet dikwijls meer
+behoeven te herhalen dat ik je vergeven heb; je zult zelf wel heel goed
+voelen dat ik het gedaan heb. Hoe ben je toch op het idee gekomen dat ik
+je verstooten zou of je ook maar iets verwijten? Och Noraatje, je kent
+het hart van een echten man nog niet. Er is voor een man zoo iets
+onbeschrijfelijk zoets en bevredigends in het gevoel dat hij zijn vrouw
+vergiffenis geschonken heeft, zoo van ganscher harte, zie je. Zij is
+daarmee om zoo te zeggen dubbel zijn eigendom geworden; hij heeft haar
+als 't ware op nieuw haar plaats in de wereld gegeven; zij is in zekeren
+zin nu zoowel zijn kind als zijn vrouw geworden. Zoo zal jij voortaan
+voor mij zijn, jij mijn klein hulpeloos wezentje. Wees maar niet bang,
+Nora, wees alleen maar openhartig tegen mij; ik zal zoowel je wil als je
+geweten zijn.... Wat is dat nu? Ben je niet naar bed gegaan? Heb je je
+verkleed?
+
+NORA (_in haar daagsche japon_). Ja, Torwald, ik heb mij verkleed.
+
+HELMER. Maar waarom, nu nog zoo laat?...
+
+NORA. Ik ga van nacht niet slapen.
+
+HELMER. Maar, lieve Nora....
+
+NORA (_kijkt op de klok_). Het is nog niet zoo heel laat. Ga hier eens
+zitten, Torwald; wij hebben een heelen boel te bespreken (_zij gaat
+zitten aan den eenen kant van de tafel_).
+
+HELMER. Nora,... wat beteekent dat? Dat strakke gezicht....
+
+NORA. Ga er bij zitten ... het zal lang duren. Ik heb veel met je te
+bepraten.
+
+HELMER (_gaat tegenover haar aan de tafel zitten_). Je maakt me angstig,
+Nora. En ik begrijp je niet.
+
+NORA. Neen, dat is het juist. Je begrijpt mij niet. En ik heb jou ook
+nooit begrepen ... voor van avond. Neen, je moet mij niet in de rede
+vallen. Je moet alleen maar luisteren. Dit is een afrekening, Torwald.
+
+HELMER. Hoe bedoel je dat?
+
+NORA (_na een kort zwijgen_). Is er niet iets dat je opvalt nu wij hier
+zoo zitten?
+
+HELMER. En wat zou dat dan moeten zijn?
+
+NORA. Wij zijn nu acht jaar getrouwd. Treft het je niet, dat het de
+eerste keer is dat wij beiden, jij en ik, man en vrouw, ernstig samen
+spreken?
+
+HELMER. Ja ... ernstig ... wat bedoel je daarmee?
+
+NORA. In volle acht jaren ... ja langer nog ... van onze eerste
+kennismaking af, hebben wij nooit een ernstig woord over ernstige dingen
+gewisseld.
+
+HELMER. Moest ik je dan, zonder noodzaak, altijd in wijden in
+moeilijkheden die je mij toch niet kon helpen dragen?
+
+NORA. Ik spreek niet van moeilijkheden. Ik zeg dat wij nooit eens
+ernstig bij elkaar gezeten hebben om iets grondig te bespreken.
+
+HELMER. Maar, liefste Nora, zou dat dan iets voor jou geweest zijn?
+
+NORA. Dat is nu juist de zaak. Je hebt me nooit begrepen.... Er is mij
+groot onrecht aangedaan, Torwald. Eerst door Papa en later door jou.
+
+HELMER. Wat! Door ons beiden ... ons beiden ... die meer van jou
+gehouden hebben dan van iemand ter wereld?
+
+NORA (_schudt het hoofd_). Je hebt mij geen van beiden ooit liefgehad.
+Jij hebt het alleen prettig gevonden om op mij verliefd te zijn.
+
+HELMER. Maar Nora, wat zijn dat voor woorden.
+
+NORA. Ja, het is toch zoo, Torwald. Toen ik thuis was bij Papa, vertelde
+hij mij hoe hij over de dingen dacht, en dan vond ik dat alles ook zoo;
+of, als ik er anders over dacht, verborg ik het maar, want dat zou hij
+niet prettig gevonden hebben. Hij noemde mij zijn poppekind, en hij
+speelde met mij zooals ik met mijn poppen speelde. Toen ik in jouw huis
+kwam....
+
+HELMER. Wat is dat nu voor een manier om over ons huwelijk te spreken?
+
+NORA (_onverstoorbaar_). Ik bedoel: toen ik uit Papa's handen overging
+in de jouwe. Je richtte alles in naar jouw smaak, en zoo kreeg ik
+denzelfden smaak als jij; of ik hield mij maar zoo ... ik weet 't zelf
+niet goed ... ik geloof dat het zoowel het een als het ander was; nu
+eens dit dan eens dat. Als ik er nu op terug zie, komt het me voor alsof
+ik hier geleefd heb als een arm mensch ... levend van de hand in den
+tand.... Ik heb geleefd van kunsten-maken voor jou, Torwald. Maar jij
+wilde dat zoo. Jij en Papa hebben groote zonde aan mij begaan. Jij bent
+er schuld aan dat er niets van mij is terechtgekomen.
+
+HELMER. Nora, wat ben je onbillijk en ondankbaar! Ben je hier dan niet
+gelukkig geweest?
+
+NORA. Neen, dat ben ik nooit geweest. Ik dacht het te zijn; maar ik ben
+het nooit geweest.
+
+HELMER. Niet ... niet gelukkig?
+
+NORA. Neen; ik had alleen maar pret. En jij bent altijd zoo lief voor
+mij geweest. Maar ons huis is niets anders geweest dan een speelkamer.
+Ik ben je poppe-vrouwtje geweest net als ik thuis Papa's poppekind was.
+En de kinderen zijn weer mijn poppen geweest. Ik vond 't prettig als jij
+met mij speelde, net als de kinderen het prettig vinden als ik met hen
+speel. Dat is ons huwelijk geweest, Torwald.
+
+HELMER. Er is wel iets waars in wat je zegt ... hoe overdreven en
+overspannen het dan ook zijn mag. Maar voortaan zal het anders worden.
+De tijd van spelen zal voorbij zijn; nu komt het opvoedingswerk.
+
+NORA. De opvoeding van wie? Van mij of van de kinderen?
+
+HELMER. Van allebei, mijn beste Nora, van jou en van de kinderen.
+
+NORA. Och, Torwald, jij bent de man niet om mij op te voeden tot een
+echte vrouw voor je.
+
+HELMER. En dat zegt jij?
+
+NORA. En ik ... ben ik in staat kinderen op te voeden?
+
+HELMER. Nora!
+
+NORA. Zei je dat zelf niet daar straks ... dat werk durfde jij mij niet
+toevertrouwen.
+
+HELMER. In een oogenblik van drift! Wil je daar nu aan hechten?
+
+NORA. Ja zeker; want dat was heel juist gezegd. Die taak is te zwaar
+voor mij. Er is een andere taak, die eerst moet afgedaan worden. Ik moet
+mijzelf zien op te voeden. Jij bent niet de man die mij daarbij helpen
+kan. Daarvoor moet ik alleen zijn. En daarom ga ik nu van je weg.
+
+HELMER (_springt op_). Wat zeg je daar?
+
+NORA. Ik moet geheel alleen zijn, als ik mijzelf en alle dingen buiten
+mij zal leeren zien, zoo als ze zijn. Daarom kan ik niet langer bij je
+blijven.
+
+HELMER. Nora! Nora!
+
+NORA. Ik ga nu dadelijk weg. Kristine zal mij voor van nacht wel
+logeeren....
+
+HELMER. Je bent niet wijs! Ik permiteer het niet! Ik verbied het je!
+
+NORA. Het helpt nu niet meer of je mij iets verbiedt. Ik zal meenemen
+wat van mij zelf is. Van jou wil ik niet hebben, noch nu noch later.
+
+HELMER. Maar dat is krankzinnigheid!
+
+NORA. Morgen ga ik naar huis ... ik bedoel mijn oude thuis. Daar zal het
+mij het gemakkelijkst vallen het een of ander te beginnen.
+
+HELMER. O, jij verblind, onervaren schepsel!
+
+NORA. Ik moet zien ervaring op te doen, Torwald.
+
+HELMER. Je huis, je man en kinderen verlaten! En denk je er heelemaal
+niet aan wat de menschen daarvan zullen zeggen?
+
+NORA. Daar kan ik mij niet aan storen. Ik weet alleen dat het voor mij
+noodzakelijk is.
+
+HELMER. O, het is schandelijk. Dat je je zoo aan je heiligste plichten
+onttrekken kunt!
+
+NORA. Wat noem jij mijn heiligste plichten?
+
+HELMER. Moet ik je dat nog zeggen? Heb je geen plichten jegens je man en
+kinderen?
+
+NORA. Ik heb nog andere even heilige plichten.
+
+HELMER. Dat heb je niet. Wat zouden dat wel voor plichten zijn?
+
+NORA. Plichten jegens mij zelf.
+
+HELMER. In de eerste plaats ben je vrouw en moeder.
+
+NORA. Daar geloof ik niet meer aan. Ik geloof dat ik in de eerste plaats
+mensch ben, ik, net zoo goed als jij ... of in elk geval zal ik trachten
+het te worden. Ik weet wel dat in elk geval zal trachten het te worden.
+Ik weet wel dat de meeste menschen jou gelijk geven, Torwald, en dat er
+iets dergelijks in de boeken staat. Maar ik kan mij niet langer tevreden
+stellen met wat de menschen zeggen en wat er in de boeken staat. Ik moet
+zelf nadenken over de dingen en tot klaarheid zien te komen.
+
+HELMER. Dus het zou je niet duidelijk zijn wat je positie in je eigen
+huis is? Heb je dan bij zoo'n gewetensvraag geen onfeilbaren gids? Heb
+je dan geen godsdienst?
+
+NORA. Och, Torwald, ik weet immers niet eens goed wat godsdienst is.
+
+HELMER. Wat zeg je daar?
+
+NORA. Ik weet niets anders dan wat domine Hansen zei, toen ik voor mijn
+belijdenis leerde. Hij vertelde dat godsdienst was dit en dat. Wanneer
+ik hier vandaan ben, zal ik ook dat vraagstuk onderzoeken. Dan zal ik
+zien of het waar was wat domine Hansen zei, of in elk geval of het waar
+is voor mij.
+
+HELMER. Maar, dat is toch iets ongehoords van zoo'n jonge vrouw! Maar
+als de godsdienst je dan geen wegwijzer zijn kan, laat mij dan een
+beroep doen op je geweten. Want gevoel voor goed en kwaad heb je toch?
+Of ... heb je dat misschien ook niet?
+
+NORA. Och, Torwald, daarop kan ik ik moeilijk antwoorden. Ik weet 't
+waarlijk niet! Ik ben heelemaal in de war met alles. Ik weet alleen dat
+ik een heel andere opvatting van die dingen heb dan jij. Ik heb nu ook
+gehoord dat de wet heel anders is dan ik dacht; maar dat die wet goed
+zou zijn, dat wil er bij mij maar niet in. Een vrouw heeft dus niet het
+recht haar ouden stervenden vader te ontzien, of het leven van haar man
+te redden! Zoo iets kan ik nog niet gelooven.
+
+HELMER. Je praat als een kind. Je begrijpt niets van de maatschappij
+waarin je leeft!
+
+NORA. Neen, dat doe ik ook niet. Maar nu wil ik die leeren kennen. Ik
+moet er achter zien te komen wie gelijk heeft, de maatschappij of ik.
+
+HELMER. Je bent ziek, Nora; je hebt de koorts; ik geloof haast dat je
+hoofd een beetje in de war is.
+
+NORA. Ik heb mij nog nooit zoo helder en zeker van mijzelf gevoeld als
+van nacht.
+
+HELMER. En in klaarheid en zekerheid verlaat je je man en kinderen?
+
+NORA. Ja, dat doe ik.
+
+HELMER. Dan is er nog een verklaring mogelijk.
+
+NORA. Welke dan?
+
+HELMER. Dat je niet meer van me houdt.
+
+NORA. Dat is het juist.
+
+HELMER. Nora!... En dat zeg jij!
+
+NORA. O, het doet mij zoo zeer, Torwald; want je bent altijd zoo lief
+voor mij geweest. Maar ik kan er niets aan doen. Ik houd niet meer van
+je.
+
+HELMER (_met moeite zich bedwingend_). Ben je daar ook zoo vast en zeker
+van overtuigd?
+
+NORA. Ja, volkomen vast en zeker. Daarom wil ik niet langer hier
+blijven.
+
+HELMER. En zou je mij ook kunnen ophelderen waardoor ik je liefde
+verspeeld heb?
+
+NORA. Ja, dat zal ik. Het was van avond, toen het wonderheerlijke niet
+kwam; want toen zag ik dat je niet de man was voor wien ik je gehouden
+had.
+
+HELMER. Verklaar je nader, dat begrijp ik niet.
+
+NORA. Ik heb acht jaar lang zoo geduldig gewacht; want och hemel, ik zag
+wel in dat het wonderheerlijke niet zoo iederen dag gebeurt. Toen kwam
+die ellende over mij, en toen was ik zoo vast overtuigd: nu zal het
+wonderheerlijke komen. Toen Krogstad's brief in de bus lag ... geen
+oogenblik kwam het in mij op, dat je buigen zoudt onder de voorwaarden
+van dien man. Ik was zoo vast overtuigd dat je tegen hem zeggen zoudt:
+maak de zaak maar bekend aan de heele wereld. En als dat gebeurd was....
+
+HELMER. Ja, wat dan? Als ik mijn eigen vrouw had overgegeven aan schande
+en achterklap...!
+
+NORA. Als dat gebeurd was, dan dacht ik vast en zeker, zou jij optreden
+en alles op je nemen en zeggen: ik ben de schuldige!
+
+HELMER. Nora...!
+
+NORA. Je bedoelt dat ik nooit zoo'n offer van je zou aangenomen hebben?
+Neen, natuurlijk niet. Maar wat zou mijn beweren waard zijn tegen het
+jouwe?... Dat was het wonderheerlijke, waarop ik hoopte met vrees en
+beven. En om dat te verhinderen wou ik een einde aan mijn leven maken.
+
+HELMER. Ik zou graag nacht en dag voor je werken, Nora,... zorgen en
+verdriet voor je op me nemen. Maar geen mensch offert zijn eer op voor
+iemand die hij liefheeft.
+
+NORA. Dat hebben toch honderd-duizenden vrouwen gedaan.
+
+HELMER. Och, je denkt en je praat als een onverstandig kind....
+
+NORA. 't Kan zijn. Maar jij denkt noch spreekt als de man, aan wien ik
+mij moet kunnen verbinden. Toen je schrik over was... niet voor wat
+_mij_ dreigde, maar voor wat er voor jou uit voort vloeien kon, en toen
+alle gevaar voorbij was ... toen was het voor jou, alsof er niets
+gebeurd was. Ik was weer net als te voren je zangvogeltje, je pop, die
+je voortaan dubben voorzichtig op de handen dragen zoudt, omdat ze zoo
+teer en broos was. (_Staat op_). Torwald, op dat oogenblik werd het mij
+duidelijk, dat ik hier acht jaar lang geleefd had met een vreemden man,
+en dat ik drie kinderen bij hem gekregen had.... O, ik kan er niet aan
+denken! Ik zou mijzelf in stukken kunnen scheuren!
+
+HELMER (_bedroefd_). Ik zie 't wel ... ik zie 't wel. Er is zeer zeker
+een diepe kloof tusschen ons ontstaan.... Maar Nora, zou die niet te
+overbruggen zijn?
+
+NORA. Zoo als ik nu ben, kan ik je vrouw niet zijn.
+
+HELMER. Ik heb de kracht om een ander mensch te worden.
+
+NORA. Misschien ... als je pop je wordt afgenomen.
+
+HELMER. O scheiden ... scheiden van jou! Neen, neen, Nora, die gedachte
+kan ik nog niet in mij opnemen.
+
+NORA (_gaat de kamer rechts binnen_). Des te zekerder moet het gebeuren.
+(_Zij komt terug met hoed en mantel en een klein valies, dat zij op een
+stoel bij de tafel zet_).
+
+HELMER. Nora! Nora! nog niet! Wacht tot morgen.
+
+NORA (_doet haar mantel aan_). Ik kan niet den nacht overblijven in de
+kamers van een vreemden man.
+
+HELMER. Maar kunnen wij hier dan niet samen wonen als broer en
+zuster...?
+
+NORA (_zet haar hoed op_). Je weet heel goed dat dat niet lang zou
+duren.... Vaarwel, Torwald. Ik wil de kinderen niet meer zien. Ik weet
+dat ze in betere handen zijn dan bij mij. Zoo als ik nu ben, kan ik
+niets voor hen zijn.
+
+HELMER. Maar later, Nora ... later...?
+
+NORA. Hoe kan ik dat weten? Ik weet immers nog heelemaal niet wat er van
+mij worden zal.
+
+HELMER. Maar je bent toch mijn vrouw, zoowel nu als later.
+
+NORA. Hoor eens, Torwald;... wanneer een vrouw het huis van haar man
+verlaat zoo als ik nu doe, dan is hij, heb ik gehoord, volgens de wet
+ontslagen van alle verplichtingen jegens haar. Je mag je in niets meer
+gebonden voelen, evenmin als ik het zijn zal. Er moet volle vrijheid
+zijn aan beide kanten. Hier heb je je ring terug. Geef mij nu ook den
+mijnen.
+
+HELMER. Ook dat nog?
+
+NORA. Ook dat.
+
+HELMER. Daar heb je hem.
+
+NORA. Zoo. Dus nu is alles voorbij. De sleutels leg ik daar neer. De
+meiden weten alles wat het huishouden betreft ... beter dan ik. Morgen
+als ik weg ben zal Kristine hier komen om in te pakken wat ik van thuis
+heb meegebracht. Dat moet mij opgezonden worden.
+
+HELMER. Voorbij ... voorbij! Nora, zal je nooit meer aan mij denken?
+
+NORA. Ik zal wel heel dikwijls nog denken aan jou en de kinderen en dit
+huis.
+
+HELMER. Mag ik je schrijven, Nora?
+
+NORA. Neen ... nooit. Dat sta ik je niet toe.
+
+HELMER. Maar, ik mag je toch zenden....
+
+NORA. Niets ... niets.
+
+HELMER. ... je helpen als je het noodig mocht hebben.
+
+NORA. Neen ... zeg ik. Ik neem niets aan van vreemden.
+
+HELMER. Nora ... kan ik dan nooit iets meer dan een vreemde voor je
+worden?
+
+NORA (_neemt haar valies op_). Och Torwald, dan zou het
+allerwonderheerlijkste moeten gebeuren....
+
+HELMER. Noem mij dat wonderheerlijkste!
+
+NORA. Dan zouden wij beiden, jij zoowel als ik, zooveel veranderd moeten
+zijn dat.... Och Torwald, ik geloof niet meer aan iets wonderheerlijks.
+
+HELMER. Maar ik wil er aan gelooven. Noem het! Zooveel veranderd zijn
+dat...?
+
+NORA. Dat ons samenleven een huwelijk kon worden. Vaarwel. (_Zij gaat
+weg door het portaal_).
+
+HELMER (_valt neer op een stoel bij de deur en bedekt zijn gezicht met
+de handen_). Nora! Nora! (_Kijkt om zich heen en staat op_). Weg. Zij is
+weg. (_Met een straal van hoop_). Het wonderheerlijkste...?
+
+(_Beneden hoort men met een bons een deur in het slot vallen_).
+
+
+EINDE VAN HET DERDE OF LAATSTE BEDRIJF.
+
+
+ * * * * *
+
+
+SPOKEN
+
+EEN FAMILIE-DRAMA
+
+IN DRIE BEDRIJVEN
+
+
+ * * * * *
+
+
+PERSONEN:
+
+ Mevrouw HELENE ALVING, weduwe van den heer Alving,
+ in leven kapitein en kamerheer.
+ OSWALD ALVING, haar zoon, schilder.
+ Dominee MANDERS.
+ ENGSTRAND, schrijnwerker.
+ REGINE ENGSTRAND, bij Mevr. Alving in huis wonend.
+ Het stuk speelt op het landgoed van Mevr. Alving, aan een groote
+ fjord in westelijk Noorwegen.
+
+ * * * * *
+
+
+EERSTE BEDRIJF.
+
+ Een ruime kamer met een deur in den linker zijmuur en twee deuren
+ in den muur rechts. Midden in de kamer een ronde tafel met stoelen
+ er omheen; op de tafel liggen boeken, tijdschriften en couranten.
+ Op den voorgrond links een raam en daarbij een klein canape met een
+ werktafeltje er voor. Achter de kamer een glazen serre met bloemen
+ en planten, iets smaller dan de kamer. Aan de rechterkant daarvan
+ een deur die naar den tuin leidt. Door de glazen wanden heen ziet
+ men een somber fjord-landschap, omsluierd door een dichten regen.
+
+ Engstrand staat bij den tuindeur. Zijn linkerbeen is een beetje
+ verdraaid; onder den hak van zijn laars heeft hij een houten klos.
+ Regine met een leeg gietertje in de hand, houdt hem tegen als hij
+ de serre binnenkomen wil.
+
+ * * * * *
+
+REGINE (_met gedempte stem_). Wat kom je hier doen? Blijf daar staan. Je
+druipt van den regen.
+
+ENGSTRAND. 't Is de regen van Onze Lieve Heertje, kindlief.
+
+REGINE. Zeg liever dat het de regen van den duivel is.
+
+ENGSTRAND. Jesses Regine, wat een praat (_komt een paar stappen
+vooruit_). Maar wat ik je nou zeggen wou....
+
+REGINE. Stamp toch zoo niet, mensch! De jonge mijnheer ligt boven te
+slapen.
+
+ENGSTRAND. Ligt hij te slapen? Op klaarlichten dag?
+
+REGINE. Dat gaat jou niet aan.
+
+ENGSTRAND. Ik ben aan de zwier geweest gisterenavond....
+
+REGINE. Dat geloof ik graag.
+
+ENGSTRAND. Och ja, wij zijn maar zwakke schepsels, kindlief....
+
+REGINE. Ja, dat zijn wij wel.
+
+ENGSTRAND. ... en de verleidingen zijn menigvuldig in deze wereld, zie
+je...; maar toch was ik, zoo waar als God, om half zes van morgen vroeg
+al weer aan het werk.
+
+REGINE. Nou ja, 't is goed; maak nu maar dat je wegkomt. Ik wil hier
+geen rendez-vous-tjes met je hebben.
+
+ENGSTRAND. Wat wil je niet hebben, zeg je?
+
+REGINE. Ik wil niet dat iemand je hier zien zal. Kom, ga nu heen.
+
+ENGSTRAND (_een paar passen dichterbij_). Neen, om de bliksem, ik ga
+niet weg voor ik met je gesproken heb. Van middag kom ik klaar met het
+werk daarginder in het schoolgebouw, en dan ga ik van nacht met de
+stoomboot naar de stad terug.
+
+REGINE (_mompelt_). Goede reis!
+
+ENGSTRAND. Dank je wel, kind. Morgen zal het gesticht immers ingewijd
+worden en dan zal het hier waarschijnlijk een groote herrie worden met
+veel drinken, zie je. En niemand moet van Jakob Engstrand kunnen zeggen
+dat hij zich niet onthouden kan als de verleiding komt.
+
+REGINE. Ho!
+
+ENGSTRAND. Want morgen komen er hier zooveel van de grootheid bij
+elkaar. En dominee Manders wordt ook verwacht.
+
+REGINE. Die komt van daag al.
+
+ENGSTRAND. Zoo waarlijk. En ik wil om de bliksem niet dat hij iets op me
+te zeggen zal kunnen hebben, begrijp je.
+
+REGINE. O zoo, is dat de zaak!
+
+ENGSTRAND. Is wat de zaak?
+
+REGINE (_kijkt hem strak aan_). Waarvoor moet je dominee Manders nou
+weer in de luren leggen?
+
+ENGSTRAND. Stil, stil; ben je gek? Zou ik dominee Manders in de luren
+willen leggen? O, neen, dominee Manders is veel te vriendelijk tegen mij
+voor zoo iets. Maar waar ik nu eigenlijk over spreken wou is dit, zie
+je, dat ik dus van nacht weer naar huis terug ga.
+
+REGINE. Vertrek hoe eer hoe liever wat mij betreft.
+
+ENGSTRAND. Ja, maar ik wil dat jij meegaat, Regine.
+
+REGINE (_met open mond_). Dat ik meega...? Wat zeg je nou?
+
+ENGSTRAND. Ja, ik wil dat je mee naar huis gaat, zeg ik.
+
+REGINE (_honend_). Nooit in der eeuwigheid krijg je mij mee naar huis.
+
+ENGSTRAND. Dat zullen we eens zien.
+
+REGINE. Ja, dat zal je net eens zien. _Ik_, die opgegroeid ben bij
+mevrouw Alving, de vrouw van een kamerheer...? _Ik_, die hier bijna als
+kind in huis ben.... Zou _ik_ met _jou_ naar huis gaan? Naar zoo'n huis.
+Dank je lekker!
+
+ENGSTRAND. Wat bliksem is dat? Wou jij opstaan tegen je vader, deern?
+
+REGINE (_zonder hem aan te zien, bromt_). Je hebt dikwijls genoeg gezegd
+dat ik je niks aanging.
+
+ENGSTRAND. Nou, wat kan je dat schelen....
+
+REGINE. Heb je me niet dikwijls uitgescholden voor een...? Fi donc!
+
+ENGSTRAND. Neen, zoo waarachtig als God, zoo'n leelijk woord heb ik
+nooit gebruikt.
+
+REGINE. O, ik weet heel goed wat voor een woord je gebruikte.
+
+ENGSTRAND. Nou ja, dat was alleen maar als ik wat aangeschoten was
+... hm. De verleidingen zijn menigvuldig in deze wereld, Regine.
+
+REGINE. Bah!
+
+ENGSTRAND. En dat was dan als je moeder onhandelbaar was. Iets moest ik
+dan toch zoeken om haar te pesten. Ze deed altijd zoo fijn en voornaam
+(_nabootsend_). "Laat me los, Engstrand! Laat me met rust! Ik heb drie
+jaar gediend bij mijnheer Alving, den kamerheer, op Rozenheuvel, hoor!"
+(_lacht_). Jesses, ja, ze kon maar nooit vergeten dat de kapitein
+kamerheer geworden was terwijl zij daar diende.
+
+REGINE. Arme moeder;... die heb je gauw genoeg in het graf geholpen.
+
+ENGSTRAND (_zich oprichtend_). O ja, dat spreekt, ik ben natuurlijk de
+schuld van alles.
+
+REGINE (_afgewend, halfluid_). Ajakkes! en dan dat been.
+
+ENGSTRAND. Wat zeg je, kindlief?
+
+REGINE. Pied de mouton.
+
+ENGSTRAND. Is dat Engelsch?
+
+REGINE. Ja.
+
+ENGSTRAND. Ja ... ja; geleerdheid heb je hier opgedaan, en dat kan je nu
+goed te pas komen, Regine.
+
+REGINE (_na even zwijgen_). En waarvoor wou je me dan eigenlijk mee naar
+de stad hebben?
+
+ENGSTRAND. Kan je nog vragen waarom een vader zijn eenig kind thuis
+hebben wil? Ben ik geen eenzame verlaten weduwnaar?
+
+REGINE. Och, kom mij toch niet met zulke praatjes aan boord. Waarvoor
+wil je mij thuis hebben?
+
+ENGSTRAND. Dat zal ik je zeggen. Ik dacht er over wat nieuws te
+beginnen.
+
+REGINE. Dat heb je al zoo dikwijls geprobeerd; maar 't ging toch altijd
+weer mis.
+
+ENGSTRAND. Ja, maar dezen keer zal je eens wat zien, Regine!...
+De duivel haal me....
+
+REGINE (_stampvoetend_). Schei toch uit met dat gevloek!
+
+ENGSTRAND. Nou ja, nou ja; daar heb je groot gelijk in kindlief! Ik wou
+alleen maar zeggen ... ik heb nog al een aardig duitje op zij gelegd van
+het werk in het nieuwe gesticht.
+
+REGINE. Zoo, heb je? Nou, dat tref je dan.
+
+ENGSTRAND. Waaraan zal een mensch ook zijn geld uitgeven hier buiten?
+
+REGINE. Nou, en dan?
+
+ENGSTRAND. Wel, zie je, zoo kwam ik er over te denken om het ergens in
+te steken dat wat opbrengen kon. Ik dacht zoo iets van een soort
+logement voor zeelui....
+
+REGINE. Ajakkes!
+
+ENGSTRAND. Een echt fijn logement, zie je;... niet zoo'n gewoon smerig
+ding voor matrozen. Neen, wat bliksem,... het zou iets moeten zijn voor
+scheepskapiteins en stuurlui en ... en echt nette menschen, zie je.
+
+REGINE. En dan zou ik...?
+
+ENGSTRAND. Jij zou mij daarbij moeten helpen, ja. Alleen zoo maar voor
+den schijn, dat begrijp je wel. Je zult het waarachtig niet moeilijk
+hebben, kindlief. Je kunt het net zoo goed hebben als je maar wilt.
+
+REGINE. Jawel ... o ja!
+
+ENGSTRAND. Maar vrouwen moeten er in huis zijn, dat is zoo klaar als de
+dag. Want 's avonds zullen wij het een beetje prettig maken met zingen
+en dansen en zoowat meer. Je moet denken, het zijn zeelui die
+rondzwalken op alle zeeen (_dichterbij_). Wees nou niet dom, en gooi je
+eigen glazen niet in, Regine. Wat zal er hier buiten van je worden? Zal
+je er hier iets aan hebben, dat mevrouw je van alles heeft laten leeren?
+Je hebt niet veel lust om op de kinderen te passen in het nieuwe
+gesticht, hoor ik. Is dat dan ook iets voor jou, om je af te beulen voor
+die smerige kinderen?
+
+REGINE. Neen, als het ging zoo als ik 't graag wou, dan.... Nou, dat kan
+nog komen. Dat kan nog komen!
+
+ENGSTRAND. Wat kan nog komen?
+
+REGINE. Bemoei je daar maar niet mee.... Heb je hier veel geld verdiend?
+
+ENGSTRAND. Alles bij elkaar kan het wel een zeven of achthonderd kronen
+zijn.
+
+REGINE. Dat is nog zoo kwaad niet.
+
+ENGSTRAND. Het is genoeg om mee op gang te komen, kindlief.
+
+REGINE. Zou je er niet eens over denken mij wat van dat geld te geven?
+
+ENGSTRAND. Neen, waarachtig niet, daar denk ik niet over.
+
+REGINE. Zou je mij niet eens wat zenden voor een armzalig japonnetje?
+
+ENGSTRAND. Kom maar bij mij in de stad wonen, zeg, dan kan je
+japonnetjes genoeg krijgen.
+
+REGINE. Poeh! Dat kan ik op mijn eigen houtje ook wel, als ik er lust in
+heb.
+
+ENGSTRAND. Neen, aan een leidende vaderhand gaat dat beter, Regine. Nu
+kan ik een mooi huis krijgen in de Kleine Havenstraat. Veel contanten
+zijn daar niet voor noodig; en daar konden wij dan een soort van tehuis
+voor zeelui van maken, zie je.
+
+REGINE. Maar ik _wil_ niet met je mee! Ik heb niets met je te maken. Ruk
+uit!
+
+ENGSTRAND. Je zoudt waarachtig niet lang bij mij blijven, kindlief. Dat
+kan zoo lang niet duren. Als je 't maar handig aanlegt. Zoo'n knappe
+meid als jij in de paar laatste jaren geworden bent....
+
+REGINE. Nou?...
+
+ENGSTRAND. 't Zou zoo lang niet duren voor er een stuurman kwam,... of
+misschien een kapitein....
+
+REGINE. Ik dank je om met zoo'n vent te trouwen. Zeelui hebben geen
+savoir-vivre.
+
+ENGSTRAND. Wat hebben ze niet?
+
+REGINE. Ik zeg dat ik weet wat zeelui zijn. Dat zijn geen menschen om
+mee te trouwen.
+
+ENGSTRAND. Dan trouw je ze niet. 't Kan toch nog wel de moeite waard
+zijn (_vertrouwelijker_). Hij ... die Engelschman ... die met zijn
+pleizierjacht ... hij gaf wel driehonderd thalers ... en zij was niks
+mooier dan jij, zeg.
+
+REGINE (_op hem toeloopend_). Er uit, zeg ik je!
+
+ENGSTRAND (_wijkt terug_). Nou, nou; jij zal me toch niet gaan slaan,
+he?
+
+REGINE. Jawel! Als je nog iets van moeder zegt, dan sla ik je. Er uit,
+zeg ik je! (_dringt hem naar de tuindeur_). En sla niet met de deuren;
+de jonge mijnheer Alving....
+
+ENGSTRAND. ... die slaapt, jawel. Je bent verbazend bezorgd voor den
+jongen mijnheer Alving.... (_zachter_). Oho; is _hij_ 't misschien
+die...?
+
+REGINE. Er uit, en maak dat je wegkomt! Je bent niet goed snik mensch!
+Neen, niet dien kant. Daar komt dominee Manders aan. Gauw de keukentrap
+af!
+
+ENGSTRAND (_naar rechts_). Ja, ja, ik ga al. Maar praat eens met hem die
+daar aankomt. _Hij_ is de man die je zeggen zal wat een kind zijn vader
+verschuldigd is. Want ik ben toch je vader, zie je, dat kan ik bewijzen
+uit je geboorteakte.
+
+(_Hij gaat weg door de tweede deur, die Regine heeft opengedaan en weer
+achter hem sluit_).
+
+(_Regine kijkt gauw even in den spiegel, waait zich met haar zakdoek en
+trekt haar halsboordje wat recht; dan doet zij of ze bezig is met de
+bloemen_).
+
+(_Dominee Manders, in overjas en met een parapluie en een klein
+reistaschje met een riem over zijn schouders, komt door de tuindeur in
+de serre_).
+
+DOM. MANDERS. Dag Regine.
+
+REGINE (_keert zich blij verrast om_). Neen maar!... Dag dominee! Is de
+boot al aan?
+
+DOM. MANDERS. Net aangekomen (_gaat de tuinkamer binnen_). Wat een
+vreeselijken regen hebben wij deze laatste dagen.
+
+REGINE (_volgt hem_). 't Is zulk gezegend weer voor de boeren, dominee.
+
+DOM. MANDERS. Ja, daar heb je wel gelijk in. Daar denken wij
+stadsmenschen zoo weinig aan. (_Hij begint zijn overjas uit te doen_).
+
+REGINE. O, mag ik u even helpen?... Ziezoo. Neen maar wat is die nat! Ik
+zal uw jas maar wat uithangen in de voorkamer. En uw parapluie...; die
+zal ik uitzetten, dan droogt die beter.
+
+(_Zij gaat er mee de kamer uit door de tweede deur rechts. Dom. Manders
+doet het reistaschje af en legt het met zijn hoed op een stoel. In dien
+tijd komt Regine weer binnen_).
+
+DOM. MANDERS. He, het doet iemand goed om weer binnen te zijn. En is
+alles wel hier?
+
+REGINE. Ja, dank u.
+
+DOM. MANDERS. Maar erg druk, kan ik me zoo voorstellen, met het oog op
+morgen.
+
+REGINE. O ja, er is hier heel wat te doen.
+
+DOM. MANDERS. En mevrouw Alving is toch thuis hoop ik?
+
+REGINE. Ja, natuurlijk! Zij is maar even boven om den jongen mijnheer
+zijn chocolade te geven.
+
+DOM. MANDERS. Ja, dat is waar ... ik hoorde beneden aan de aanlegplaats
+dat Oswald gekomen was.
+
+REGINE. Ja, hij is eergisteren gekomen. Wij hadden hem niet voor vandaag
+verwacht.
+
+DOM. MANDERS. En frisch en gezond hoop ik?
+
+REGINE. Ja, dank u, dat wel. Maar vreeselijk vermoeid van de reis. Hij
+is in eene rek doorgereden van Parijs...; ik bedoel hij heeft de heele
+route met een en denzelfden trein gemaakt. Ik geloof dat hij nu een
+beetje slaapt, daarom mogen wij wel een beetje zachtjes praten.
+
+DOM. MANDERS. Ja, sst, we zullen doodstil zijn!
+
+REGINE (_terwijl zij een gemakkelijken stoel bij de tafel schuift_). En
+gaat u zitten, alsjeblieft, dominee, en maak het u makkelijk. (_Hij gaat
+zitten; zij schuift een voetenbankje onder zijn voeten_). Zie zoo! Zit
+dominee nu goed?
+
+DOM. MANDERS. Dank je, dank je, ik zit best (_bekijkt haar_). Hoor eens
+Regine, ik geloof dat je heusch gegroeid bent sedert ik je het laatst
+zag.
+
+REGINE. Gelooft dominee dat? Mevrouw zegt dat ik wat gevulder ben
+geworden ook.
+
+DOM. MANDERS. Gevulder? Ja, misschien ... een beetje ... net genoeg
+(_korte pauze_).
+
+REGINE. Zal ik misschien mevrouw gaan roepen?
+
+DOM. MANDERS. Dank je, dank je, dat heeft geen haast, kindlief. En
+vertel mij nu eens, mijn goede Regine, hoe maakt het je vader hier
+buiten?
+
+REGINE. Dank u, dominee, dat gaat nog al.
+
+DOM. MANDERS. Hij was onlangs bij mij toen hij den laatsten keer in de
+stad was.
+
+REGINE. Och ja? Was hij bij u? Hij is altijd zoo blij als hij dominee te
+spreken krijgen kan.
+
+DOM. MANDERS. En je gaat zeker overdag nog al eens naar hem toe?
+
+REGINE. Ik? Jawel; als ik eens een oogenblikje tijd heb....
+
+DOM. MANDERS. Je vader is geen krachtige persoonlijkheid, Regine. Hij
+heeft erg behoefte aan een leidende hand.
+
+REGINE. Och ja, dat kan misschien wel zijn.
+
+DOM. MANDERS. Hij heeft behoefte om iemand om zich heen te hebben, van
+wie hij houden kan, en aan wier oordeel hij hechten kan. Hij erkende dat
+zelf zoo trouwhartig, toen hij laatst bij mij was.
+
+REGINE. Ja, hij heeft mij ook over zoo iets gesproken. Maar ik weet niet
+of mevrouw Alving mij missen wil,... vooral nu, nu wij zooveel te doen
+krijgen met het nieuwe gesticht. En ik zou het ook vreeselijk naar
+vinden om van mevrouw Alving weg te gaan, want zij is toch altijd zoo
+lief voor mij geweest.
+
+DOM. MANDERS. Maar je plicht als dochter, meisjelief.... Natuurlijk
+zouden wij eerst de toestemming van je mevrouw moeten vragen.
+
+REGINE. Maar ik weet ook niet of het wel passend voor mij is, op mijn
+leeftijd, het huis van een ongetrouwd man te bestieren.
+
+DOM. MANDERS. Wat! Maar mijn lieve Regine, het is toch je eigen vader
+van wien hier sprake is!
+
+REGINE. Ja, dat kan wel zijn, maar toch.... Ja, als het nu een goed huis
+was, bij een echten heer....
+
+DOM. MANDERS. Maar, mijn goede Regine!
+
+REGINE. ... zoo een, voor wien ik toewijding voelen en tegen wien ik
+opzien kon, en als 't ware de plaats van een dochter vervullen....
+
+DOM. MANDERS. Ja maar, mijn lieve goede kind....
+
+REGINE. ... dan zou ik wel graag naar de stad willen. Hier buiten is het
+erg eenzaam,... en dominee weet zelf ook wel wat het is om zoo alleen te
+staan in de wereld. En dat durf ik wel zeggen, dat ik handig en gewillig
+ben. Weet dominee niet zoo'n betrekking voor mij?
+
+DOM. MANDERS. Ik? Neen, dat weet ik heusch niet.
+
+REGINE. Maar lieve beste dominee ... denk in elk geval eens aan mij, als
+u soms....
+
+DOM. MANDERS (_staat op_). Ja, dat zal ik, Regine.
+
+REGINE. Ja, want als ik....
+
+DOM. MANDERS. Zou je nu misschien zoo vriendelijk willen zijn mevrouw te
+gaan roepen?
+
+REGINE. Die zal nu wel dadelijk komen, dominee (_zij gaat weg naar
+links_).
+
+DOM. MANDERS (_loopt een paar maal de kamer op en neer; blijft een
+poosje op den achtergrond staan met de handen op den rug en kijkt uit in
+den tuin. Dan komt hij weer bij de tafel terug, neemt een boek op en
+kijkt naar den titel, schrikt en kijkt nog meer boeken in_). Hm,... zoo
+... ja!
+
+(_Mevrouw Alving komt binnen door de deur links, gevolgd door Regine,
+die dadelijk weer weg gaat door de voorste deur rechts_).
+
+MEVR. ALVING (_reikt hem de hand_). Welkom dominee.
+
+DOM. MANDERS. Goeden dag, mevrouw. Daar ben ik zooals ik u beloofde.
+
+MEVR. ALVING. Altijd op klokslag.
+
+DOM. MANDERS. Maar 't was moeilijk genoeg om weg te komen. Al die
+commissies en besturen waarin ik zit....
+
+MEVR. ALVING. Des te vriendelijker van u dat u zoo vroeg komt. Nu kunnen
+wij onze zaken afdoen voor wij aan tafel gaan. Maar waar is uw koffer?
+
+DOM. MANDERS. (_snel_). Mijn goed staat in den winkel, beneden bij den
+steiger. Ik logeer daar van nacht.
+
+MEVR. ALVING (_onderdrukt een glimlach_). Is u er waarlijk niet toe te
+bewegen bij mij te overnachten ... ook dezen keer niet?
+
+DOM. MANDERS. Neen, neen, mevrouw; overigens zeer veel dank. Ik blijf
+maar daar beneden, zooals gewoonlijk. Dat is zoo gemakkelijk, als ik
+weer aan boord moet.
+
+MEVR. ALVING. Nu, u moet doen zooals u wil. Maar ik zou anders wel
+denken dat wij twee oude menschen....
+
+DOM. MANDERS. Och heertje ja, u maakt maar gekheid. Nu ja, u is
+natuurlijk van daag uitermate blij. Eerst het inwijdingsfeest morgen, en
+dan heeft u ook Oswald weer thuis, hoor ik.
+
+MEVR. ALVING. Ja, verbeeld u, wat een geluk voor mij! Het is nu al meer
+dan twee jaar geleden dat hij het laatst thuis was. En nu heeft hij
+beloofd den heelen winter bij mij te zullen blijven.
+
+DOM. MANDERS. Och ja, waarlijk? Dat is aardig en hartelijk van hem. Want
+het moet wel heel wat aantrekkelijker zijn om in Rome of Parijs te
+wonen, denk ik zoo.
+
+MEVR. ALVING. Ja, maar hier thuis heeft hij zijn moeder, ziet u. Och,
+mijn eigen lieve jongen,... hij heeft nog wel hart voor zijn moeder!
+
+DOM. MANDERS. Dat zou toch ook al te treurig zijn als afwezigheid en
+zich bezig houden met kunst, zulke natuurlijke gevoelens zou doen
+uitslijten.
+
+MEVR. ALVING. Ja, dat mag u wel zeggen. Maar bij hem is daar waarlijk
+geen nood voor. 't Zal mij heusch benieuwen of u hem zal herkennen. Hij
+komt straks beneden; hij ligt nu boven wat te rusten op de canape....
+Maar ga toch zitten, waarde dominee.
+
+DOM. MANDERS. Dank u. 't Schikt u dus nu wel...?
+
+MEVR. ALVING. Welzeker. (_Zij gaat aan de tafel zitten_).
+
+DOM. MANDERS. Best; dan zal ik het u laten zien.... (_gaat naar den
+stoel waar zijn reistaschje ligt, neemt er een pakje papieren uit, gaat
+aan de tafel tegenover haar zitten en zoekt een open plek voor zijn
+papieren_). Hier hebben we nu vooreerst.... (_afbrekend_). Zeg u mij
+toch eens, Mevrouw, hoe komen _die_ boeken hier?
+
+MEVR. ALVING. Die boeken? Dat zijn boeken die ik lees.
+
+DOM. MANDERS. Leest u dergelijke geschriften?
+
+MEVR. ALVING. Ja zeker.
+
+DOM. MANDERS. Voelt u dat u beter of gelukkiger wordt door die lektuur?
+
+MEVR. ALVING. Ik vind dat het mij rust geeft.
+
+DOM. MANDERS. Dat is opmerkelijk. Hoe dat zoo?
+
+MEVR. ALVING. Ja, ik krijg er als 't ware de verklaring en de
+bevestiging door, van veel dat ik voor mijzelf heb uitgedacht. Want dat
+is het wonderlijke, dat er eigenlijk niets nieuws staat in die boeken.
+Er staat niets anders in dan dat, wat de meeste menschen denken en
+gelooven. Het is maar de zaak dat de meeste menschen er zich geen
+rekenschap van geven, of het niet willen weten.
+
+DOM. MANDERS. Maar lieve Hemel! Gelooft u in vollen ernst dat de meeste
+menschen...?
+
+MEVR. ALVING. Ja, dat geloof ik stellig.
+
+DOM. MANDERS. Maar toch niet hier in ons land? Niet hier bij ons?
+
+MEVR. ALVING. O ja, wel zeker, hier bij ons ook.
+
+DOM. MANDERS. Neen, dan moet ik toch zeggen...!
+
+MEVR. ALVING. Maar wat heeft u eigenlijk _tegen_ die boeken?
+
+DOM. MANDERS. Er tegen? U gelooft toch niet dat ik mij bezig houd met
+het doorsnuffelen van dergelijke producten?
+
+MEVR. ALVING. Dat wil zeggen dat u heelemaal niet kent wat u
+veroordeelt.
+
+DOM. MANDERS. Ik heb genoeg _over_ deze geschriften gelezen om ze af te
+keuren.
+
+MEVR. ALVING. Ja, maar uw eigen oordeel....
+
+DOM. MANDERS. Lieve mevrouw, er komt velerlei in het leven voor waarin
+men zich moet verlaten op anderen. Dat is nu eenmaal zoo in de wereld;
+en dat is ook goed. Wat zou er anders terechtkomen van de maatschappij?
+
+MEVR. ALVING. Jawel, daarin kan u gelijk hebben.
+
+DOM. MANDERS. Overigens ontken ik natuurlijk niet dat er veel
+aantrekkelijks in deze boeken zijn kan. En ik kan er u ook geen verwijt
+van maken dat u op de hoogte wenscht te blijven van de geestelijke
+stroomingen, die zooals men zegt, in de groote buitenwereld omgaan,...
+waar u uw zoon zoo langen tijd heeft laten rondtrekken. Maar....
+
+MEVR. ALVING. Maar...?
+
+DOM. MANDERS (_zachter sprekend_). Maar men spreekt er niet over,
+mevrouw. Men behoeft toch waarlijk niet Jan-en-alleman rekenschap te
+geven van wat men leest en wat men denkt binnen zijn eigen vier muren.
+
+MEVR. ALVING. Neen, natuurlijk niet; dat zou ik ook denken.
+
+DOM. MANDERS. Maar bedenk nu alleen maar eens wat u verplicht is
+tegenover dat gesticht, dat u besloot op te richten in een tijd, toen
+uwe zienswijze in geestelijke dingen nog zoo heel anders was dan nu;...
+zoover ik althans kan nagaan.
+
+MEVR. ALVING. Ja, ja, dat geef ik volmaakt toe. Maar wij zouden over het
+gesticht....
+
+DOM. MANDERS. Wij zouden over het gesticht spreken, ja. Dus ...
+voorzichtig zijn, lieve mevrouw! En nu gaan wij over tot de zaken
+(_opent de portefeuille en neemt er eenige papieren uit_). Ziet u deze
+papieren?
+
+MEVR. ALVING. De stukken?
+
+DOM. MANDERS. Allemaal. En alles in orde. U kan gerust gelooven dat het
+moeite gekost heeft om ze op tijd in handen te krijgen. De ambtenaren
+zijn haast pijnlijk nauwgezet in het afdoen van zulke zaken. Maar hier
+hebben wij ze dan toch (_bladert in de massa_). Ziet u, hier is de in
+het grondboek ingeschreven akte van schenking, voor het deel van het
+goed Solvik, behoorend tot het landgoed Rozenheuvel, met de daarop zich
+bevindende nieuwopgetrokken gebouwen van woonhuizen, schoollokalen,
+onderwijzerswoning en kapel. En hier is het bewijs van het legaat en van
+de statuten der stichting. Hier, ziet u maar alsjeblieft.... (_leest
+voor_). De statuten van Het Tehuis voor Kinderen "Kapitein Alving's
+Stichting"....
+
+MEVR. ALVING (_kijkt op het papier_). Dat is het dus.
+
+DOM. MANDERS. Ik heb den titel kapitein gekozen en niet kamerheer.
+Kapitein staat eenvoudiger.
+
+MEVR. ALVING. Ja, ja; net als u goed vindt.
+
+DOM. MANDERS. En hier heeft u het spaarbankboekje van het te beleggen
+kapitaal, dat uitgezet is om de bedrijfskosten van het gesticht te
+bestrijden.
+
+MEVR. ALVING. Dank u, maar wees zoo vriendelijk dat voor het gemak maar
+te bewaren.
+
+DOM. MANDERS. Heel gaarne. Mij dunkt wij moesten het geld voorloopig op
+de spaarbank laten. De rentevoet is wel niet erg uitlokkend, vier
+procent met halfjarige opzegging. Als wij er later een solide hypotheek
+voor konden krijgen.... Het zou natuurlijk een eerste en in alle
+opzichten sekure moeten zijn ... dan konden wij er nog eens verder over
+spreken.
+
+MEVR. ALVING. Ja, ja, dominee; van al die dingen heeft u veel meer
+verstand dan ik.
+
+DOM. MANDERS. Ik zal in elk geval wel eens goed uit mijn oogen
+kijken.... Maar dan is er nog iets wat ik al meermalen heb willen
+vragen.
+
+MEVR. ALVING. En wat is dat dan?
+
+DOM. MANDERS. Moeten de gebouwen geassureerd worden of niet?
+
+MEVR. ALVING. Ja, natuurlijk moeten ze geassureerd worden.
+
+DOM. MANDERS. Ja, wacht eens even, mevrouw. Laat ons die zaak nog eens
+nader beschouwen.
+
+MEVR. ALVING. Bij mij is alles geassureerd, de gebouwen, de roerende
+goederen, de oogst en het vee.
+
+DOM. MANDERS. Natuurlijk. Op uw eigen landgoed. Dat doe ik ook,... dat
+spreekt van zelf. Maar hier, ziet u, is het een heel andere zaak. Het
+gesticht zal toch als het ware gewijd worden tot een hoogere
+levensroeping.
+
+MEVR. ALVING. Ja, maar omdat....
+
+DOM. MANDERS. Wat mij persoonlijk betreft, zou ik er zeer zeker in de
+verte niets aanstootelijks in vinden om ons tegen alle mogelijkheden te
+verzekeren....
+
+MEVR. ALVING. Neen, dat dunkt mij ook.
+
+DOM. MANDERS. ... Maar hoe staat het met den geest van de menschen hier
+in den omtrek. Dat weet u stellig beter dan ik.
+
+MEVR. ALVING. Hm, de geest....
+
+DOM. MANDERS. Zijn hier betrekkelijk nog al veel menschen, met wier
+opinie werkelijk rekening moet gehouden worden, die er aanstoot aan
+zouden kunnen nemen?
+
+MEVR. ALVING. Wat verstaat u eigenlijk onder menschen met wier opinie
+rekening moet gehouden worden?
+
+DOM. MANDERS. Wel, ik denk in de eerste plaats aan mannen die in zoover
+onafhankelijk en invloedrijk genoeg zijn, dat men moeilijk nalaten kan
+eenige rekening te houden met hunne opinie.
+
+MEVR. ALVING. Van die zijn er hier verscheidene, aan wie het misschien
+wel aanstoot zou kunnen geven, indien....
+
+DOM. MANDERS. Nu, ziet u nu wel! Bij ons in de stad zijn er heel wat van
+dat slag. Denk maar eens aan al de volgelingen van mijn ambtsbroeder!
+Men zou er waarlijk licht toe kunnen komen het op te vatten alsof noch u
+noch ik, het ware vertrouwen op een hoogere bestiering bezat.
+
+MEVR. ALVING. Maar wat u betreft, waarde dominee, weet u althans voor u
+zelf dat....
+
+DOM. MANDERS. Ja, ik weet; ik weet;... ik heb mijn overtuiging; dat is
+waar. Maar wij zouden toch niet kunnen verhinderen dat er een verkeerden
+en ongewenschten uitleg aan gegeven werd. En die zou dan weer allicht
+een belemmerenden invloed uitoefenen op de heele stichting.
+
+MEVR. ALVING. Ja, als dat het gevolg zou zijn, dan....
+
+DOM. MANDERS. Ik kan ook niet geheel uit het oog verliezen de
+moeilijke,... ja, ik mag wel zeggen pijnlijke verhouding, waarin ik
+misschien geraken zou. In de toonaangevende kringen van de stad, houdt
+men zich veel bezig met de gestichtskwestie. Het gesticht is immers voor
+een deel ook opgericht ten bate van de stad, en het is te hopen dat het
+in niet geringe mate onze gemeentelijke armenlasten zal verlichten. Maar
+daar ik nu uw raadsman ben geweest en het practische deel van de zaak
+beheerd heb, moet ik vreezen dat de benijders in de allereerste plaats
+zich op mij zullen werpen....
+
+MEVR. ALVING. Neen, daaraan mag u zich niet blootstellen....
+
+DOM. MANDERS. ... Om nog niet eens te spreken van de aanvallen, die zeer
+stellig op mij gericht zullen worden in zekere bladen en tijdschriften,
+die....
+
+MEVR. ALVING. Al genoeg dominee; deze laatste overweging is al ruim
+voldoende.
+
+DOM. MANDERS. U wil dus dat het geassureerd worden zal?
+
+MEVR. ALVING. Neen, wij zullen het dan maar laten.
+
+DOM. MANDERS (_leunt achterover in zijn stoel_). Maar als er nu eens een
+ongeluk gebeurde? Men kan toch nooit weten.... Zou u dan de schade weer
+kunnen vergoeden?
+
+MEVR. ALVING. Neen; dat zeg ik ronduit, dat zou ik zeer stellig niet
+doen.
+
+DOM. MANDERS. Ja, maar ... dan is het toch een bedenkelijke
+verantwoordelijkheid, die wij op ons nemen.
+
+MEVR. ALVING. Maar vindt u dan dat wij anders _kunnen_?
+
+DOM. MANDERS. Neen; dat is het juist; we _kunnen_ eigenlijk niet anders.
+Wij mogen ons toch niet blootstellen aan een verkeerd oordeel; en het is
+ons volstrekt niet geoorloofd ergernis te verwekken in de gemeente.
+
+MEVR. ALVING. U, als dominee, in elk geval niet.
+
+DOM. MANDERS. En ik vind dan toch werkelijk ook, dat wij er op moeten
+vertrouwen dat op zulk een stichting zegen zal rusten,... ja zelfs, dat
+die onder bizondere bescherming staat.
+
+MEVR. ALVING. Laat ons dat hopen, dominee.
+
+DOM. MANDERS. Zullen wij het er dus maar bij laten?
+
+MEVR. ALVING. Ja, zeker.
+
+DOM. MANDERS. Best. Zooals u wil (_noteert_). Dus ... niet assureeren.
+
+MEVR. ALVING. 't Is anders wonderlijk dat u daar juist van daag over
+komt spreken....
+
+DOM. MANDERS. Ik heb er al dikwijls over gedacht het u te vragen....
+
+MEVR. ALVING. ... want gisteren hadden wij daarginder bijna brand gehad.
+
+DOM. MANDERS. Wat zegt u!
+
+MEVR. ALVING. Nu, het had overigens niets te beteekenen. Een hoop
+houtkrullen had vuur gevat in de timmermanswerkplaats.
+
+DOM. MANDERS. Waar Engstrand werkt?
+
+MEVR. ALVING. Ja. Hij moet dikwijls heel onvoorzichtig zijn met
+lucifers, zeggen ze.
+
+DOM. MANDERS. Hij heeft zooveel aan zijn hoofd, die man ... zoo velerlei
+verzoekingen. Goddank legt hij er zich nu op toe een onberispelijk leven
+te leiden, naar ik hoor.
+
+MEVR. ALVING. Zoo? Wie zegt dat?
+
+DOM. MANDERS. Dat heeft hij mij zelf verzekerd. En een knap werkman is
+hij toch ook.
+
+MEVR. ALVING. O ja, zoo lang hij nuchter is....
+
+DOM. MANDERS. Ja, die treurige zwakheid; maar hij is er dikwijls toe
+genoodzaakt voor dat akelige been, zegt hij. Den laatsten keer dat hij
+in de stad was, deed hij mij waarlijk aan. Hij kwam bij mij en bedankte
+mij zoo hartelijk omdat ik hem hier werk verschaft had, zoodat hij nu
+met Regine samen kon zijn.
+
+MEVR. ALVING. Hij merkt anders niet veel van haar.
+
+DOM. MANDERS. Jawel, hij spreekt haar iederen dag, dat vertelde hij mij
+zelf.
+
+MEVR. ALVING. Nu ja ... dat kan ook wel zijn.
+
+DOM. MANDERS. Hij voelt zoo goed dat hij behoefte heeft aan iemand die
+hem terughouden kan als de verleiding nabij is. Dat is het beminnelijke
+in Jakob Engstrand, dat hij zoo volslagen hulpeloos bij iemand komt en
+zich aanklaagt en zijn eigen zwakheid bekent. Laatst was hij bij mij en
+sprak met mij.... Hoor eens, mevrouw, als het hem een hartsbehoef te
+zijn zou om Regine bij zich thuis te hebben....
+
+MEVR. ALVING (_staat snel op_). Regine!
+
+DOM. MANDERS. ... dan moet u zich daar niet tegen verzetten.
+
+MEVR. ALVING. Jawel, daar zal ik mij zeer zeker tegen verzetten. En
+bovendien,... Regine krijgt immers een betrekking in het gesticht.
+
+DOM. MANDERS. Maar denk toch eens aan, hij is toch haar vader....
+
+MEVR. ALVING. O, ik weet best wat voor soort van een vader hij voor haar
+geweest is. Neen, naar hem zal zij nooit teruggaan met mijn goedvinden.
+
+DOM. MANDERS (_staat op_). Maar lieve mevrouw, wind u daarover toch niet
+zoo op. Het is bedroevend zoo als u Engstrand miskent. Het is of ik u
+een schrik op het lijf jaag....
+
+MEVR. ALVING. Dat doet er niet toe. Ik heb Regine tot mij genomen, en
+bij mij zal zij blijven (_luistert_). Sst, dominee, spreek daar nu niet
+meer over. (_Haar gezicht verheldert_). Hoor! Daar komt Oswald de trap
+af. Nu houden wij ons verder alleen met hem bezig.
+
+(_Oswald Alving in een overjas, met zijn hoed in de hand en rookend uit
+een groote meerschuimen pijp, komt binnen door de deur links_).
+
+OSWALD (_blijft in de deur staan_). O pardon ... ik dacht dat u in het
+kantoor zat (_komt naderbij_). Goeden dag, dominee.
+
+DOM. MANDERS. Ah...! Dat is merkwaardig....
+
+MEVR. ALVING. Wel, wat zegt u nu van hem, dominee?
+
+DOM. MANDERS. Ik zeg ... ik zeg.... Neen maar, is dat nu waarlijk...?
+
+OSWALD. Jawel, het is heusch de verloren zoon, dominee.
+
+DOM. MANDERS. Maar, mijn waarde jonge vriend....
+
+OSWALD. Nou, dan de teruggekomen zoon.
+
+MEVR. ALVING. Oswald denkt er aan dat u er toen zooveel tegen had dat
+hij schilder werd.
+
+DOM. MANDERS. Voor menschelijke oogen kan menige stap in het leven
+bedenkelijk schijnen, die toch later.... (_schudt hem de hand_). Nu,
+welkom, welkom! Neen, mijn waarde Oswald.... Ja, mag ik je nog wel bij
+je voornaam noemen?
+
+OSWALD. Hoe zou u mij dan anders noemen?
+
+DOM. MANDERS. Heel goed. 't Was dit dat ik zeggen wilde, mijn waarde
+Oswald,... je moet niet denken dat ik onvoorwaardelijk den
+kunstenaarsstand veroordeel. Ik neem aan dat er velen zijn, die hun
+innerlijk wezen onbedorven bewaren kunnen ook in dien stand.
+
+OSWALD. Dat zullen wij moeten hopen.
+
+MEVR. ALVING (_stralend van vreugde_). Ik ken er een die zoowel zijn
+innerlijke als zijn uiterlijke wezen onbedorven bewaard heeft. Kijk hem
+maar eens aan, dominee.
+
+OSWALD (_loopt heen en weer_). Ja, ja, moederlief, laat dat nu maar
+rusten.
+
+DOM. MANDERS. Nu, met verlof ... dat kan niet ontkend worden. En je bent
+al begonnen naam te maken ook. In de dagbladen is er dikwijls over je
+gesproken, en wel buitengewoon gunstig ook. Hoewel ... ik moet zeggen
+... in den laatsten tijd heb ik er zooveel niet meer van gezien.
+
+OSWALD (_in de serre_). In den laatsten tijd heb ik niet zoo veel meer
+geschilderd.
+
+MEVR. ALVING. Een schilder moet tusschenbeiden ook eens wat rust nemen.
+
+DOM. MANDERS. Dat kan ik begrijpen. En dan bereidt men zich voor en
+verzamelt kracht voor iets groots.
+
+OSWALD. Ja.--Moeder, gaan wij nog niet haast eten?
+
+MEVR. ALVING. Over een klein half uurtje. Eetlust heeft hij gelukkig.
+
+DOM. MANDERS. En de tabak smaakt hem ook.
+
+OSWALD. Ik vond papa's pijp boven op de kamer, en zoo....
+
+DOM. MANDERS. Aha, dat was het dus!
+
+MEVR. ALVING. Wat?
+
+DOM. MANDERS. Toen Oswald daar de deur in kwam met de pijp in den mond,
+was het of ik zijn vader in levenden lijve zag.
+
+OSWALD. Och kom?
+
+MEVR. ALVING. O, hoe kan u het zeggen! Oswald lijkt toch op mij.
+
+DOM. MANDERS. Ja; maar er is een trek om de mondhoeken, iets om de
+lippen, dat zoo eigenaardig aan Alving herinnert ... althans nu hij
+rookt.
+
+MEVR. ALVING. Heelemaal niet. Oswald heeft eerder iets van een
+geestelijke om den mond, vind ik.
+
+DOM. MANDERS. O ja, o ja, verscheidene van mijn ambtsbroeders hebben een
+dergelijken trek.
+
+MEVR. ALVING. Maar leg je pijp liever weg, mijn jongen; ik heb hier niet
+graag tabaksrook.
+
+OSWALD. Met genoegen. Ik wou die pijp alleen maar eens probeeren, omdat
+ik als kind er eens uit gerookt heb.
+
+MEVR. ALVING. Jij?
+
+OSWALD. Ja. Ik was toen nog heel klein. Maar ik herinner mij dat ik
+boven bij papa op de kamer kwam op een avond, en hij zoo vroolijk en
+jolig was.
+
+MEVR. ALVING. Och kom, je herinnert je niets meer van die jaren.
+
+OSWALD. Jawel, ik herinner mij duidelijk dat hij mij op zijn knieen
+zette en liet rooken uit zijn pijp. Rook, jongen, zei hij ... flink
+rooken, jongen! En ik rookte wat ik kon, totdat ik voelde dat ik
+heelemaal bleek werd en het zweet in groote droppels op mijn voorhoofd
+stond. Toen lachte hij dat hij schaterde....
+
+DOM. MANDERS. Dat was toch al heel vreemd.
+
+MEVR. ALVING. Och dominee, dat heeft Oswald gedroomd!
+
+OSWALD. Neen, moeder, ik heb het volstrekt niet gedroomd. Want ...
+herinner je je dat dan niet meer ... toen kwam jij binnen en droeg me
+naar de kinderkamer. Daar werd ik toen onpasselijk en zag ik dat je
+huilde.... Haalde papa dikwijls zulke grappen uit?
+
+DOM. MANDERS. In zijn jeugd was hij een bizonder levenslustig mensch....
+
+OSWALD. ... en heeft toch nog zooveel gedaan in de wereld. Zooveel goeds
+en nuttigs tot stand gebracht; en was toch nog jong toen hij stierf.
+
+DOM. MANDERS. Ja, je hebt in waarheid den naam van een werkzaam en
+bekwaam man geerfd, mijn waarde Oswald. Nu, dat zal, naar wij hopen, je
+een spoorslag zijn....
+
+OSWALD. Dat behoorde het ten minste te zijn, ja.
+
+DOM. MANDERS. Het is in elk geval mooi van je dat je thuis komt voor
+zijn eere-dag.
+
+OSWALD. Minder kon ik al niet voor papa doen.
+
+MEVR. ALVING. En dat ik hem zoo lang mag houden ... dat is nu nog het
+allermooiste van hem.
+
+DOM. MANDERS. Ja, je blijft den heelen winter hier, hoor ik.
+
+OSWALD. Ik blijf thuis voor onbepaalden tijd, dominee.... O, het is toch
+zoo heerlijk om weer bij moeder thuis te zijn!
+
+MEVR. ALVING (_stralend_). Ja, he, mijn jongen?
+
+DOM. MANDERS (_kijkt hem deelnemend aan_). Je bent al vroeg de wijde
+wereld ingegaan, mijn waarde Oswald.
+
+OSWALD. Dat is zoo. Soms denk ik wel eens of het niet wat al te vroeg
+was.
+
+MEVR. ALVING. O, wel neen, volstrekt niet. Dat is juist goed voor een
+flinken jongen. En vooral voor een eenig kind. Die moet niet thuis aan
+moeders rokken blijven hangen om zich te laten bederven.
+
+DOM. MANDERS. Dat is een bewering die wel voor tegenspraak vatbaar is,
+mevrouw. Het ouderlijk huis is en blijft toch de ware plaats voor een
+kind.
+
+OSWALD. Daarin ben ik het geheel met den dominee eens.
+
+DOM. MANDERS. Zie nu maar eens naar uw eigen zoon. Wij kunnen er gerust
+over spreken in zijn bijzijn. Wat zijn voor hem de gevolgen geweest? Hij
+is zes-zeven-en-twintig jaar oud geworden en heeft nooit gelegenheid
+gehad een geregeld tehuis te leeren kennen.
+
+OSWALD. Pardon, dominee,... dat heeft u glad mis.
+
+DOM. MANDERS. Zoo? Ik dacht toch dat je zoo goed als uitsluitend in
+kunstenaarskringen verkeerd had.
+
+OSWALD. Dat heb ik ook.
+
+DOM. MANDERS. En meest onder jongere artisten.
+
+OSWALD. Jawel.
+
+DOM. MANDERS. Maar ik dacht dat de meesten van die luitjes geen middelen
+hadden om een huishouden op te zetten en zich te vestigen.
+
+OSWALD. Er zijn er velen onder hen die geen middelen genoeg hebben om te
+trouwen, dominee.
+
+DOM. MANDERS. Nu ja, dat is net wat ik zeg.
+
+OSWALD. Maar daarom kunnen zij toch wel een tehuis hebben. En dat hebben
+dan ook sommigen; en dat is een heel geregeld en een heel gezellig
+tehuis.
+
+MEVR. ALVING (_volgt in spanning het gesprek ... knikt, maar zegt
+niets_).
+
+DOM. MANDERS. Maar ik spreek niet van een jonggezellen-tehuis. Onder een
+tehuis versta ik een huisgezin, waar een man leeft met zijn vrouw en
+kinderen.
+
+OSWALD. Jawel; of met zijn kinderen en de moeder van zijn kinderen.
+
+DOM. MANDERS (_schrikt ... slaat de handen in elkaar_). Genadige Hemel!
+
+OSWALD. Wel?
+
+DOM. MANDERS. Leven met ... de moeder van zijn kinderen...!
+
+OSWALD. Zou u dan liever willen dat hij de moeder van zijn kinderen
+verstiet?
+
+DOM. MANDERS. Het is dus van onwettige verhoudingen dat je spreekt! Over
+een zoogenaamd leven in wilden echt!
+
+OSWALD. Ik heb nooit iets bizonder wilds opgemerkt in het samenleven van
+die lui.
+
+DOM. MANDERS. Maar hoe is het mogelijk dat een ... een maar eenigszins
+welopgevoed man of een jonge vrouw, er zich in schikken kan op die
+manier te leven ... zoo maar voor het oog van iedereen!
+
+OSWALD. Maar wat moeten ze dan doen? Een arm jong artiste,... een arm
+jong meisje.... Trouwen kost een boel geld. Wat moeten ze dan doen?
+
+DOM. MANDERS. Wat ze moeten doen? Wel, mijnheer Alving, ik zal u zeggen
+wat zij moeten doen. Zij moesten van 't begin af aan elkaar vermeden
+hebben,... dat moesten ze!
+
+OSWALD. Met zulke praatjes komt u niet ver bij jonge, warmbloedige,
+verliefde menschen!
+
+MEVR. ALVING. Neen, daar komt u niet ver mee!
+
+DOM. MANDERS (_voortgaand_). En dat de overheid zoo iets duldt! Dat zoo
+iets openlijk geschieden mag! (_Tot mevr. Alving gewend_). Had ik dus
+geen reden om in mijn hart bekommerd te zijn over uw zoon? In kringen
+waar de onverhulde onzedelijkheid in zwang is en als het ware recht van
+bestaan gekregen heeft....
+
+OSWALD. Ik zal u eens iets zeggen, dominee. Ik ben een vaste zondagsgast
+geweest in een paar dergelijke ongeregelde huisgezinnen....
+
+DOM. MANDERS. En dat op zondag!
+
+OSWALD. Ja, dat is de dag waarop men zich amuseert. Maar nooit heb ik
+een aanstootelijk woord gehoord, en nog minder ben ik getuige geweest
+van iets dat men onzedelijk zou kunnen noemen. Neen, weet u wanneer en
+waar ik onzedelijkheid heb aangetroffen in de artistenkringen?
+
+DOM. MANDERS. Neen, Goddank!
+
+OSWALD. Nu, dan zal ik mij permitteeren het u te vertellen. Ik heb die
+aangetroffen, wanneer een-of-ander van onze modelechtgenooten of
+huisvaders daarginder kwam, om eens een beetje op zijn eigen houtje rond
+te kijken ... en dan artisten de eer aandeed hen op te zoeken in hun
+armzalige cafe's. Daar werden wij behoorlijk ingelicht. Die heeren
+wisten ons te vertellen van plaatsen en dingen waar wij nog nooit van
+gedroomd hadden.
+
+DOM. MANDERS. Wat? Wil u beweren dat eerbare mannen uit ons land
+zouden...?
+
+OSWALD. En als dergelijke eerbare mannen weer thuiskwamen ... heeft u
+hen dan nooit hooren uitpakken over de hand-over-hand toenemende
+onzedelijkheid in het buitenland?
+
+DOM. MANDERS. Jawel, natuurlijk....
+
+MEVR. ALVING. Dat heb ik ook wel gehoord.
+
+OSWALD. Nou, u kan hen gerust op hun woord gelooven. Daar zijn menschen
+onder die van die zaken op de hoogte zijn (_grijpt naar zijn hoofd_). O
+... dat het mooie, heerlijke vrijheidsleven daarginder ... dat het zoo
+bezoedeld moet worden!
+
+MEVR. ALVING. Je moet je niet zoo opwinden, Oswald; dat is niet goed
+voor je.
+
+OSWALD. Neen, daarin heb je gelijk, moeder. Dat is niet gezond voor mij.
+Het is die vervloekte moeheid, zie je. Ik zal een klein eindje omloopen
+voor wij aan tafel gaan. Neem mij niet kwalijk, dominee, u kan daar zoo
+niet in komen; maar het kwam zoo in mij op (_hij gaat weg door de tweede
+deur rechts_).
+
+MEVR. ALVING. Mijn arme jongen ...!
+
+DOM. MANDERS. Ja, dat mag u wel zeggen. Zoo ver is het dus al met hem
+gekomen!
+
+MEVR. ALVING (_kijkt hem aan en zwijgt_).
+
+DOM. MANDERS (_loopt op en neer_). Hij noemde zich de verloren zoon. Ja,
+helaas ... helaas!
+
+MEVR. ALVING (_kijkt hem steeds aan_).
+
+DOM. MANDERS. En wat zegt u van dat alles?
+
+MEVR. ALVING. Ik zeg dat Oswald gelijk had in ieder woord dat hij zei.
+
+DOM. MANDERS (_blijft staan_). Gelijk? Gelijk? In zulke principes!
+
+MEVR. ALVING. Hier in mijn eenzaamheid ben ik er toe gekomen er net
+eender over te denken, dominee. Maar ik heb nooit gewaagd het onderwerp
+aan te roeren. Nu, 't is goed; mijn jongen zal voor mij spreken.
+
+DOM. MANDERS. U is een beklagenswaardige vrouw, mevrouw Alving. Maar nu
+wil ik eens een ernstig woord met u spreken. Nu is het niet meer uw
+zakenbeheerder en raadsman, die voor u staat. Het is de geestelijke,
+zooals hij voor u stond in het moeilijkste uur van uw leven.
+
+MEVR. ALVING. En wat heeft de geestelijke mij te zeggen?
+
+DOM. MANDERS. Eerst wil ik uw herinneringen wakker roepen, mevrouw. Het
+tijdstip is wel gekozen. Morgen zal het tien jaar geleden zijn dat uw
+man gestorven is; morgen zal het gedenkteeken onthuld worden voor hem,
+die heengegaan is. Morgen zal ik spreken tot de heele verzamelde schare;
+maar heden wil ik spreken tot u alleen.
+
+MEVR. ALVING. Goed, dominee; ga u gang!
+
+DOM. MANDERS. Weet u nog, dat u, na ter nauwernood een jaar getrouwd te
+zijn geweest, aan den rand van den afgrond heeft gestaan? Dat u uw huis
+en haard verliet,... dat u wegliep van uw man;... ja mevrouw Alving
+wegliep, wegliep, en weigerde terug te keeren tot hem, hoezeer hij er
+ook om bad en smeekte?
+
+MEVR. ALVING. Heeft u vergeten hoe grenzenloos ongelukkig ik mij
+gevoelde dat eerste jaar?
+
+DOM. MANDERS. Dat is juist de echte geest van verzet die geluk eischt
+hier in het leven. Welk recht hebben wij menschen op geluk? Neen, wij
+moeten onzen plicht doen, mevrouw! En uw plicht was het te blijven bij
+den man, dien u eens gekozen had, en aan wien u verbonden was door
+heilige banden.
+
+MEVR. ALVING. U weet best wat voor een leven Alving leidde in dien tijd;
+aan welke uitspattingen Bij zich schuldig maakte.
+
+DOM. MANDERS. Ik weet heel goed welke geruchten er over hem rondgingen;
+en ik ben zeker de allerlaatste om zijn levenswandel in zijn jeugd goed
+te keuren, voor zoover die geruchten waarheid bevatten. Maar een vrouw
+is niet als rechter gesteld over haar man. Het was uw plicht geweest in
+nederigheid het kruis te dragen, dat een Hoogere Wil noodig voor u
+geacht had. Maar in plaats daarvan wierp u in arren moede uw kruis af,
+verliet den struikelende dien u had moeten steunen, zette uw goeden naam
+op het spel, en ... had bijna den naam van anderen er ook bij verspeeld.
+
+MEVR. ALVING. Van anderen? Van een ander, bedoelt u zeker.
+
+DOM. MANDERS. Het was ongehoord roekeloos van u om een toevlucht te
+zoeken bij _mij_.
+
+MEVR. ALVING. Bij onzen geestelijke? Bij onzen huisvriend?
+
+DOM. MANDERS. Juist.... Ja, dank uw Heer en God, dat ik de noodige
+kracht bezat, dat ik u kon afbrengen van uw overspannen voornemens en
+dat het mij vergund werd u op den weg van den plicht en tot uw wettigen
+echtgenoot terug te voeren.
+
+MEVR. ALVING. Ja, dominee, dat was inderdaad uw werk.
+
+DOM. MANDERS. Ik was maar een zwak werktuig in de hand van een Hoogere
+Macht. En hoe is het u niet tot een grooten zegen geworden voor al uw
+latere levensdagen, dat ik u weer deed buigen onder plicht en
+gehoorzaamheid? Is het niet gegaan zooals ik u voorzegd had? Keerde
+Alving niet terug van zijn afdwalingen, zooals het een man betaamt?
+Leefde hij sedert niet in liefde en onberispelijk met u alle volgende
+jaren? Werd hij niet een weldoener voor deze streek, en hief hij u niet
+zoo tot zich op, dat u naderhand zijn medewerkster werd in alles wat hij
+ondernam? En wel een bekwame medewerkster;... o, ik weet het, mevrouw;
+_dien_ lof moet ik u geven. Maar nu kom ik tot den tweeden grooten
+misstap in uw leven.
+
+MEVR. ALVING. Wat bedoelt u daarmee?
+
+DOM. MANDERS. Evenals u eens de plichten der echtgenoote verzaakt heeft,
+zoo heeft u later die der moeder verzaakt.
+
+MEVR. ALVING. Ah...!
+
+DOM. MANDERS. U is uw levenlang beheerscht geworden door een
+onheilzwangeren geest van eigenzinnigheid. Al uw streven is daarheen
+gericht geweest u van dwang en wetten vrij te maken. Nooit heeft u
+eenigen knellenden band kunnen velen. Alles wat u in het leven
+bezwaarde, heeft u roekeloos en gewetenloos van u afgeworpen, als een
+last, waarover u zelf te beschikken had. Het behaagde u niet langer
+echtgenoote te zijn, en u verliet uw man. Het viel u lastig moeder te
+zijn, en u zond uw kind weg onder vreemden.
+
+MEVR. ALVING. Ja, dat is waar; dat heb ik gedaan.
+
+DOM. MANDERS. Maar daardoor is u ook een vreemde voor hem gebleven.
+
+MEVR. ALVING. Neen, neen, dat ben ik niet!
+
+DOM. MANDERS. Dat is u wel; dat _moet_ u wel zijn. En hoe heeft u hem nu
+terug gekregen! Bedenk het wel; mevrouw, u heeft veel gezondigd tegen uw
+man; ... dat erkent u door dat gedenkteeken daar beneden voor hem op te
+richten. Erken nu ook hoe u heeft gezondigd tegen uw zoon; het kan nog
+tijd zijn om hem van zijn dwaalweg terug te brengen. Keer zelf om; en
+richt op, wat er misschien nog in hem op te richten is. Want (_met
+opgeheven wijsvinger_) in waarheid, mevrouw Alving, u is een met schuld
+beladen moeder!... Ik heb het mijn plicht geacht u dat te zeggen.
+
+(_Zwijgen_).
+
+MEVR. ALVING (_langzaam en met zelfbeheersching_). Nu heeft u gesproken,
+dominee; en morgen zal u openlijk spreken om mijn man te gedenken. Ik
+zal morgen niet spreken. Maar nu wil ik eens even tot u spreken, zooals
+u tot mij gesproken heeft.
+
+DOM. MANDERS. Natuurlijk; u wil verontschuldigingen aanvoeren voor uwe
+handelwijze....
+
+MEVR. ALVING. Neen. Ik wil alleen maar vertellen.
+
+DOM. MANDERS. Nu...?
+
+MEVR. ALVING. Alles wat u zooeven hier zei, van mij en mijn man en ons
+samenleven, nadat u, zooals u het noemde, mij op den weg van den plicht
+had teruggevoerd ... van dat alles weet u door eigen waarneming,
+volstrekt niets. Van dat oogenblik af zette u, onze dagelijksche
+huisvriend,... nooit meer een voet in ons huis.
+
+DOM. MANDERS. U heeft immers, onmiddellijk daarop, met uw man de stad
+verlaten.
+
+MEVR. ALVING. Ja, en hier buiten is u zoo lang mijn man leefde nooit bij
+ons gekomen. Het zijn zaken geweest die u dwongen mij op te zoeken, toen
+u in de kwestie van het gesticht is betrokken geworden.
+
+DOM. MANDERS. Helene ... als dat een verwijt moet zijn, dan verzoek ik u
+wel te overwegen....
+
+MEVR. ALVING. ... alles wat u aan uw positie verschuldigd was; jawel. En
+ook dat ik een van haar man weggeloopen vrouw was. Men kan nooit
+terughoudend genoeg zijn tegenover zulke roekelooze vrouwen.
+
+DOM. MANDERS. Lieve ... mevrouw dat is nu wel ontzettend overdreven....
+
+MEVR. ALVING. Ja, ja, ja ... dat kan wel zijn. Ik wou alleen maar zeggen
+dat toen u een oordeel uitsprak over mijn huwelijksleven, u eenvoudig
+steunde op de algemeen gangbare opvatting.
+
+DOM. MANDERS. Nu ja; en wat zou dat?
+
+MEVR. ALVING. Maar Manders, nu zal ik u de waarheid eens zeggen. Ik heb
+het mijzelf plechtig beloofd dat u het eenmaal weten zou. U alleen!
+
+DOM. MANDERS. En wat is dan de waarheid?
+
+MEVR. ALVING. De waarheid is, dat mijn man net zoo gedepraveerd stierf
+als hij altijd geleefd had.
+
+DOM. MANDERS (_grijpt naar een stoel_). Wat zegt u?
+
+MEVR. ALVING. Na een negentienjarig huwelijk nog even gedepraveerd ...
+in zijn zinnelijke lusten althans ... als hij was voor u ons trouwde.
+
+DOM. MANDERS. En deze jeugd-afdwalingen,... deze ongeregeldheden,...
+uitspattingen, als u wil, noemt u gedepraveerdheid!
+
+MEVR. ALVING. Onze huisdokter gebruikte die uitdrukking.
+
+DOM. MANDERS. Nu begrijp ik u niet.
+
+MEVR. ALVING. Dat hoeft ook niet.
+
+DOM. MANDERS. 't Begint mij haast te duizelen. Uw heele huwelijk,... het
+heele veeljarige samenleven met uw man zou niets anders zijn dan een
+overdekte afgrond!
+
+MEVR. ALVING. Absoluut niets anders. Nu weet u het.
+
+DOM. MANDERS. Daar ... daar kan ik nog niet bij. Ik kan het niet in me
+opnemen! Niet vasthouden! Maar hoe was het dan mogelijk dat...? Hoe
+heeft zoo iets verborgen kunnen blijven?
+
+MEVR. ALVING. Dat is juist mijn voortdurende dagelijksche strijd
+geweest. Toen Oswald geboren was, meende ik dat het wat beter ging met
+Alving. Maar dat duurde niet lang. En nu moest ik dubbel strijden,
+strijden op leven en dood, dat maar niemand zou te weten komen, wat voor
+een mensch de vader van mijn kind was. En u weet wel hoe innemend Alving
+was. Niemand scheen ooit iets anders dan goeds van hem te kunnen
+gelooven. Hij was een van die menschen, wiens reputatie er niet onder
+lijdt, hoe hij ook leeft. Maar toen, Manders,... dat moet u ook weten
+... toen kwam het afschuwelijkste van alles.
+
+DOM. MANDERS. Iets nog afschuwelijker dan dat!
+
+MEVR. ALVING. Ik had alles verdragen, hoewel ik zeer goed wist wat er in
+het geheim buitenshuis gebeurde. Maar toen het schandaal binnen onze
+eigen vier muren begon....
+
+DOM. MANDERS. Wat zegt u! Hier!
+
+MEVR. ALVING. Ja, hier in ons eigen huis. Daar, (_zij wijst naar de
+eerste deur rechts_) in de eetkamer was het, dat ik het 't eerst merkte.
+Ik had iets te doen in die kamer en de deur stond aan. Toen hoorde ik
+ons kamermeisje de tuintrap opkomen met water voor de bloemen daarginds.
+
+DOM. MANDERS. Ja, en...?
+
+MEVR. ALVING. Even daarna hoorde ik dat Alving ook kwam. Ik hoorde dat
+hij zachtjes iets tegen haar zei. En toen hoorde ik (_met een kort
+lachje_). O, het klinkt mij nog altijd zoo schrijnend en toch zoo
+belachelijk ook;... toen hoorde ik mijn eigen dienstmeisje fluisteren:
+Laat me los, mijnheer! Laat mij met rust!
+
+DOM. MANDERS. Wat een ongepaste lichtzinnigheid van hem! O, maar meer
+dan lichtzinnigheid was dat niet, mevrouw. Geloof wat ik u zeg.
+
+MEVR. ALVING. Ik kwam gauw genoeg te weten wat ik er van gelooven moest.
+Mijn man kreeg gedaan wat hij wou van het meisje,... en die relatie had
+gevolgen dominee.
+
+DOM. MANDERS (_als versteend_). En dat alles hier in huis! Hier in huis!
+
+MEVR. ALVING. Ik had al veel uitgestaan in dit huis. Want om hem 's
+avonds thuis te houden ... en 's nachts ... moest ik meedoen met zijn
+geheime drinkpartijen boven op zijn kamer. Daar heb ik moeten zitten,
+alleen met hem, met hem moeten klinken en drinken, zijn vuile
+dronkemanspraat moeten aanhooren, en met hem moeten worstelen om hem
+eindelijk in bed te krijgen....
+
+DOM. MANDERS (_geschokt_). Dat u dat alles heeft kunnen uithouden!
+
+MEVR. ALVING. Ik had mijn kleinen jongen voor wien ik het uithield. Maar
+toen die laatste beleediging er bij kwam; toen mijn eigen dienstmeisje
+... toen beloofde ik mij zelf dat er een eind aan komen zou! En toen nam
+ik het gezag in handen in huis ... geheel en al ... over hem en over al
+het verdere. Want nu had ik een wapen tegen hem, ziet u; hij durfde niet
+meer kikken. Toen was het dat ik Oswald van huis wegzond. Hij werd haast
+zeven jaar en begon op te merken en te vragen, zooals kinderen dat doen.
+Dat kon ik niet meer dragen, Manders. 't Leek mij of het kind vergiftigd
+worden moest alleen maar door te ademen in dit bezoedelde huis. Daarom
+zond ik hem weg. En nu begrijpt u ook waarom hij nooit een voet in huis
+heeft gehad zoo lang zijn vader leefde. Niemand weet wat mij dat gekost
+heeft.
+
+DOM. MANDERS. U heeft in waarheid het leven leeren kennen.
+
+MEVR. ALVING. Ik zou het nooit hebben uitgehouden als ik mijn werk niet
+gehad had. Ja, want ik mag wel zeggen dat ik gewerkt heb! Al deze
+vermeerderingen van ons grondbezit, alle verbeteringen, al die
+practische inrichtingen, waarvoor Alving geprezen en geroemd werd,...
+denkt u dat _hij_ daarvoor energie had? _Hij_, die den heelen dag op de
+canape lag te lezen in een ouden staatsalmanak! Neen; nu zal ik u dat
+ook vertellen; _ik_ was het die hem dien weg opdreef, wanneer hij nu en
+dan zijn heldere oogenblikken had; _ik_ was het die den heelen last
+moest voortslepen, wanneer hij weer begon met zijn uitspattingen of in
+elkaar zakte in jammer en ellende.
+
+DOM. MANDERS. En voor dien man richt u een gedenkteeken op!
+
+MEVR. ALVING. Daarin ziet u de macht van het kwade geweten....
+
+DOM. MANDERS. Het kwade geweten? Hoe meent u dat?
+
+MEVR. ALVING. Het stond mij altijd voor den geest dat het onmogelijk
+anders kon, of de waarheid _moest_ eens uitkomen en geloofd worden.
+Daarom moest het gesticht als het ware alle geruchten te niet doen en
+allen twijfel op zij zetten.
+
+DOM. MANDERS. Daarin heeft u zeer zeker uw doel niet gemist, mevrouw.
+
+MEVR. ALVING. En ik had nog een andere reden. Ik wou niet dat Oswald,
+mijn eigen jongen, iets hoegenaamd van zijn vader zou erven.
+
+DOM. MANDERS. Het is dus Alving's vermogen, dat...?
+
+MEVR. ALVING. Ja. De sommen die ik jaar op jaar aan het gesticht
+geschonken heb, overtreffen het fortuin, ik heb het nauwkeurig
+uitgerekend ... dat in zijn tijd luitenant Alving tot een goede partij
+maakte.
+
+DOM. MANDERS. Ik begrijp u....
+
+MEVR. ALVING. Dat was de koopsom.... Ik wil niet dat dat geld in
+Oswald's handen zal overgaan. Mijn zoon moet alles van mij alleen
+hebben.
+
+(_Oswald komt door de tweede deur rechts; van hoed en overjas heeft hij
+zich ontdaan_).
+
+MEVR. ALVING (_hem tegemoet gaand_). Ben je daar al terug? mijn beste
+lieve jongen!
+
+OSWALD. Ja, wat moet je buiten uitvoeren in dien eeuwigdurenden regen?
+Maar ik hoor dat wij aan tafel zullen gaan. Dat is uitstekend!
+
+REGINE (_met een pakje uit de eetkamer komend_). Er is een pakje voor
+mevrouw gekomen (_reikt het haar over_).
+
+MEVR. ALVING (_met een blik op dominee Manders_). De feestzangen voor
+morgen waarschijnlijk.
+
+DOM. MANDERS. Hm....
+
+REGINE. En er is opgedaan.
+
+MEVR. ALVING. Goed; wij komen dadelijk; ik wil maar even.... (_begint
+het pakje open te maken_).
+
+REGINE (_tegen Oswald_). Verlangt mijnheer witte of roode port?
+
+OSWALD. Allebei, alsjeblieft.
+
+REGINE. Bien...; heel goed mijnheer (_zij gaat de eetkamer binnen_).
+
+OSWALD. Ik zal wel eens even helpen met het opentrekken van de flesschen
+(_gaat de eetkamer in waarvan de deur weer halfopen glijdt achter hem_).
+
+MEVR. ALVING (_die het pakje geopend heeft_). Jawel, juist; hier hebben
+we de feestzangen, dominee.
+
+DOM. MANDERS (_met gevouwen handen_). Hoe ik morgen met een opgewekt
+gemoed mijn toespraak zal kunnen houden, dat...!
+
+MEVR. ALVING. Och, dat zal wel gaan.
+
+DOM. MANDERS (_zachtjes om niet in de eetkamer gehoord te worden_). Ja,
+schandaal mogen wij toch niet verwekken.
+
+MEVR. ALVING. Neen. Maar dan is ook dit lange leelijke comediespel uit.
+Van overmorgen af, zal het voor mij zijn alsof de doode nooit in dit
+huis geleefd had. Hier zal niemand meer zijn dan mijn jongen en zijn
+moeder.
+
+(_Men hoort in de eetkamer leven van een stoel die omvalt;
+tegelijkertijd hoort men_:)
+
+REGINE's stem (_duidelijk maar fluisterend_). Maar Oswald! Ben je gek?
+Laat me los!
+
+MEVR. ALVING (_schrikt hevig_). Ah...!
+
+(_Zij staart als verbijsterd naar de halfopen deur. Men hoort Oswald
+hoesten en neurieen daarbinnen. Een flesch wordt opengetrokken_).
+
+DOM. MANDERS (_verontwaardigd_). Maar wat _is_ dat toch? Wat gebeurt
+daar toch! mevrouw?
+
+MEVR. ALVING (_heesch_). Spoken. Het paar uit de serre waart daar weer
+om.
+
+DOM. MANDERS. Wat zegt u! Regine...? Is _zij_...?
+
+MEVR. ALVING. Ja. Kom. Geen woord...!
+
+(_Zij grijpt den arm van dominee Manders en gaat wankelend de eetkamer
+binnen_).
+
+
+EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF.
+
+
+ * * * * *
+
+
+TWEEDE BEDRIJF
+
+ Zelfde kamer. Een mist van regen ligt nog altijd dicht over het
+ heele landschap.
+
+ Dominee Manders en mevrouw Alving komen uit de eetkamer.
+
+ * * * * *
+
+MEVR. ALVING (_nog in de deur_). Wel mag het u bekomen, dominee
+(_spreekt in de eetkamer_). Kom je niet bij ons, Oswald?
+
+OSWALD (_binnen_). Dankje, neen; ik denk dat ik een eindje uitga.
+
+MEVR. ALVING. Ja, dat is goed; 't is nu net een beetje droog (_sluit de
+deur van de eetkamer en gaat naar de deur van de voorkamer. Roept_:)
+Regine!
+
+REGINE (_buiten_). Ja mevrouw?
+
+MEVR. ALVING. Ga naar beneden in de strijkkamer aan de kransen
+meehelpen.
+
+REGINE. Ja mevrouw.
+
+MEVR. ALVING (_vergewist zich dat Regine weggaat, daarna sluit zij de
+deur_).
+
+DOM. MANDERS. Hij kan daarginder toch niets hooren?
+
+MEVR. ALVING. Niet als de deur dicht is. En hij gaat bovendien uit.
+
+DOM. MANDERS. Ik ben er nog ontsteld van. Ik begrijp niet hoe ik nog een
+stuk van uw lekker diner door mijn keel heb kunnen krijgen.
+
+MEVR. ALVING (_haar onrust beheerschend loopt op en neer_). Ik ook niet.
+Maar wat is er aan te doen?
+
+DOM. MANDERS. Ja, wat is er aan te doen? Ik weet het waarlijk niet; ik
+ben zoo volstrekt onervaren in dergelijke gevallen.
+
+MEVR. ALVING. Ik ben overtuigd dat er nog geen ongeluk gebeurd is.
+
+DOM. MANDERS. Neen, dat verhoede de Hemel! Maar een ongepaste verhouding
+is het toch zeer zeker.
+
+MEVR. ALVING. De heele geschiedenis is maar een losse inval van Oswald;
+daar kan u zeker van zijn.
+
+DOM. MANDERS. Ja, ik ben, zooals gezegd, niet op de hoogte van
+dergelijke dingen; maar ik vind toch met uw verlof....
+
+MEVR. ALVING. Zij moet natuurlijk het huis uit. En wel dadelijk. Dat is
+zoo klaar als de dag....
+
+DOM. MANDERS. Ja, dat spreekt.
+
+MEVR. ALVING. Maar waarheen? Wij kunnen het niet verantwoorden dat....
+
+DOM. MANDERS. Waarheen? Natuurlijk naar huis, naar haar vader.
+
+MEVR. ALVING. Naar wien, zei u?
+
+DOM. MANDERS. Naar haar.... Maar neen, Engstrand, is niet haar.... Maar
+Heer in den Hemel, mevrouw, hoe is dat mogelijk? U moet u daarin toch
+vergissen.
+
+MEVR. ALVING. Helaas, ik vergis mij in geen enkel opzicht, Johanne moest
+het mij wel bekennen,... en Alving kon het niet loochenen. Dus bleef er
+niets anders te doen over dan de zaak te smoren.
+
+DOM. MANDERS. Ja, dat was het eenig mogelijke.
+
+MEVR. ALVING. Het meisje moest terstond uit haar dienst en kreeg een
+tamelijk groote som geld om tot nader orde te zwijgen. Voor de rest
+zorgde zij zelf toen zij in de stad kwam. Zij knoopte de oude kennis met
+Engstrand weer aan, liet er wel iets van verluiden, denk ik, dat zij
+zooveel geld had, en maakte hem zoowat wijs van den een of anderen
+vreemdeling, die hier met een pleizierjacht gelegen had in den zomer.
+Zoo werden zij en Engstrand in der haast getrouwd. Ja, u heeft hen
+immers zelf ingezegend.
+
+DOM. MANDERS. Maar hoe moet ik mij dan verklaren...? Ik herinner mij
+duidelijk dat Engstrand kwam om over de inzegening te spreken. Hij was
+zoo vol bitter berouw, en betreurde zoo oprecht de lichtzinnigheid
+waaraan hij en zijn verloofde zich hadden schuldig gemaakt.
+
+MEVR. ALVING. Ja, hij moest toch de schuld op zich nemen.
+
+DOM. MANDERS. Maar zulk een onoprechtheid van hem! En dat tegenover
+_mij_! Dat had ik met verlof niet van Jakob Engstrand gedacht. Nu, ik
+zal hem eens ernstig onderhanden nemen; daar kan hij op rekenen.... En
+dan die onzedelijkheid van zoo'n vereeniging! Om het geld!... Hoe groot
+was het bedrag waarover het meisje te beschikken had?
+
+MEVR. ALVING. Drie honderd thaler.
+
+DOM. MANDERS. Verbeeld u toch,... voor een armzalige driehonderd thaler
+zich te laten trouwen met een gevallen vrouw!
+
+MEVR. ALVING. Wat zegt u dan wel van mij, die zich liet trouwen met een
+gevallen man?
+
+DOM. MANDERS. Maar de Hemel beware ons! Wat zegt u nu? Een gevallen man!
+
+MEVR. ALVING. Denkt u misschien dat Alving reiner was, toen ik met hem
+naar het altaar ging, dan Johanne was, toen Engstrand zich met haar liet
+trouwen?
+
+DOM. MANDERS. Ja, maar dat is toch een hemelsbreed verschil....
+
+MEVR. ALVING. Volstrekt niet. Er was wel een groot verschil in den
+prijs,... een armzalige driehonderd thaler en een heel fortuin.
+
+DOM. MANDERS. Maar hoe kan u nu twee zoo ongelijke gevallen vergelijken.
+U was toch te rade gegaan met uw hart en met uw bloedverwanten.
+
+MEVR. ALVING (_ziet hem niet aan_). Ik meende dat u begreep waarheen
+dat, wat u mijn hart noemt, toen verdwaald was.
+
+DOM. MANDERS (_koud_). Indien ik zoo iets begrepen had, zou ik nooit een
+dagelijksche gast in het huis van uw man geworden zijn.
+
+MEVR. ALVING. Nu, zooveel is althans zeker, dat ik met mijzelf in
+waarheid niet te rade ging.
+
+DOM. MANDERS. Nu, maar dan toch met wie u het naast bestonden; zooals
+voorgeschreven is; met uw moeder en uw beide tantes.
+
+MEVR. ALVING. Ja, dat is waar. Die drie maakten de rekening voor mij op!
+O het is ongelooflijk hoe precies zij uitmaakten dat het gewoon
+krankzinnigheid zou zijn om een dergelijk aanzoek af te wijzen. Als mijn
+moeder nu nog eens kon zien waar al die heerlijkheid heen geleid had!
+
+DOM. MANDERS. Voor de uitkomst kan niemand aansprakelijk gesteld worden.
+Maar dat staat althans vast, dat uw huwelijk gesloten werd
+overeenkomstig met de wet en de openbare orde.
+
+MEVR. ALVING (_bij het raam_). Ja, die wet en die orde! Ik denk dikwijls
+dat juist _die_ alle onheil in de wereld stichten.
+
+DOM. MANDERS. Mevrouw Alving, nu bezondigt u zich.
+
+MEVR. ALVING. Ja, dat kan wel zijn. Maar ik stoor mij niet langer aan al
+die banden en conventies. Ik kan 't niet meer! Ik moet mij vrij maken.
+
+DOM. MANDERS. Wat bedoelt u daarmee?
+
+MEVR. ALVING (_trommelt op de ruiten_). Ik moest nooit iets van Alvings
+leven verborgen gehouden hebben. Maar ik durfde toen niet anders,...
+zelfs niet om mijn zelfs wil. Zoo laf was ik.
+
+DOM. MANDERS. Laf?
+
+MEVR. ALVING. Als de menschen wat te weten waren gekomen, zouden zij
+gezegd hebben: arme man, het is natuurlijk dat hij uit den band springt,
+hij, die een vrouw heeft die van hem wegloopt.
+
+DOM. MANDERS. Met eenig recht kon men zoo iets ook wel zeggen.
+
+MEVR. ALVING (_ziet hem strak aan_). Als ik was wie ik zijn moest, dan
+riep ik Oswald bij mij en zei: hoor eens mijn jongen, je vader was een
+diepgevallen mensch....
+
+DOM. MANDERS. Maar genadige Hemel!...
+
+MEVR. ALVING. ... en dan vertelde ik hem alles wat ik u verteld heb,...
+alles, haarfijn!
+
+DOM. MANDERS. Ik ben haast verontwaardigd over u, mevrouw.
+
+MEVR. ALVING. Ja, dat weet ik. Ik weet het immers wel! Ik kom zelf in
+opstand tegen die gedachte (_gaat weg van het raam_). Zoo laf ben ik.
+
+DOM. MANDERS. En dat noemt u lafheid, als u eenvoudig uw verschuldigden
+plicht betracht? Heeft u vergeten dat een kind zijn vader en moeder moet
+achten en liefhebben?
+
+MEVR. ALVING. Laat ons het niet zoo in het algemeen nemen. Laat ons de
+vraag stellen: moet Oswald den kamerheer Alving achten en liefhebben?
+
+DOM. MANDERS. Is er dan geen stem in uw moederhart die u verbiedt de
+idealen van uw zoon omlaag te halen?
+
+MEVR. ALVING. En de waarheid dan?
+
+DOM. MANDERS. En de idealen dan?
+
+MEVR. ALVING. Och ... idealen, idealen! Als ik maar niet zoo laf was als
+ik ben!
+
+DOM. MANDERS. Gooi de idealen niet weg, mevrouw,... want dat wreekt zich
+bitter. En dan vooral Oswald. Oswald heeft helaas toch al niet zoo heel
+veel idealen. Maar zooveel heb ik wel kunnen merken, dat zijn vader wel
+voor hem staat als zulk een ideaal.
+
+MEVR. ALVING. Daarin heeft u gelijk.
+
+DOM. MANDERS. En die voorstellingen heeft u zelf gewekt en gevoed bij
+hem door uw brieven.
+
+MEVR. ALVING. Ja; ik ging gebukt onder plichten en conventies, daarom
+loog ik mijn jongen wat voor, jaar in jaar uit. O, hoe laf ... hoe laf
+ben ik geweest!
+
+DOM. MANDERS. U heeft een gelukkige illusie bij uw zoon doen ontstaan,
+mevrouw,... en daar mag u waarlijk niet geringschattend over denken.
+
+MEVR. ALVING. Hm; wie weet of dat nu juist wel zoo goed was.... Maar van
+scharrelen met Regine wil ik in elk geval niets weten. Hij zal mij dat
+arme kind niet ongelukkig maken.
+
+DOM. MANDERS. Neen, goede God, dat zou iets vreeselijks zijn.
+
+MEVR. ALVING. Als ik wist dat hij het ernstig met haar meende en het tot
+zijn geluk zijn zou....
+
+DOM. MANDERS. Wat? Wat dan?
+
+MEVR. ALVING. Maar dat zou het niet zijn; want Regine is er helaas het
+meisje niet naar.
+
+DOM. MANDERS. Wel, wat toch? Wat bedoelt u?
+
+MEVR. ALVING. Als ik niet zoo godsjammerlijk laf was als ik ben, dan zou
+ik tegen hem zeggen: trouw met haar, of ga met haar leven zooals je
+wilt; maar laat er geen geknoei zijn....
+
+DOM. MANDERS. Maar genadige Hemel! Een wettig huwelijk dus! Zoo iets
+verschrikkelijks!--Zoo iets ongehoords...!
+
+MEVR. ALVING. Zei u iets ongehoords? Met de hand op het hart, dominee
+Manders, gelooft u niet dat er rondom in het land verscheidene echtparen
+te vinden zouden zijn, die elkaar even na in het bloed bestaan?
+
+DOM. MANDERS. Ik begrijp u heelemaal niet.
+
+MEVR. ALVING. Och jawel, dat doet u wel.
+
+DOM. MANDERS. Nu ja, u stelt u het mogelijke geval voor dat.... Ja,
+helaas, het huwelijksleven is zeker niet altijd zoo rein als het
+behoorde te wezen. Maar zoo iets als waarop u doelt, kan men toch nooit
+weten,... althans niet met zekerheid. Hier daarentegen ... dat u, een
+moeder, zou kunnen toestaan dat uw zoon...!
+
+MEVR. ALVING. Maar ik wil het immers niet. Ik zou het niet willen
+toestaan, om niets ter wereld; dat is juist wat ik zeg.
+
+DOM. MANDERS. Neen, omdat u laf is, zooals u het uitdrukt. Maar als u
+dus niet laf was.... Och lieve Heer ... zulk een stuitende verbintenis!
+
+MEVR. ALVING. Nu ja, we stammen overigens allemaal van zulk soort
+verbintenissen af, zegt men. En wie is het die het in de wereld zoo
+heeft ingericht, dominee?
+
+DOM. MANDERS. Op zulke vragen ga ik met u niet in, mevrouw. Daartoe
+bezit u in de verte niet den waren geest. Maar dat u durft zeggen dat
+het laf van u is...!
+
+MEVR. ALVING. Nu zal ik u eens uitleggen hoe ik dat meen. Ik ben bang en
+schuw, omdat er in mij iets van dat spookachtige zit, dat ik nooit
+geheel kan afschudden.
+
+DOM. MANDERS. Hoe noemde u dat?
+
+MEVR. ALVING. Spookachtig. Toen ik Regine en Oswald daarbinnen hoorde,
+was het of ik spoken voor mij zag. Maar ik geloof haast dat wij allemaal
+spoken zijn, dominee. Het is niet alleen dat, wat wij van vader en
+moeder geerfd hebben dat in ons spookt. Het zijn allerhande oude
+afgestorven opvattingen en allerlei oud dood geloof en zulke dingen
+meer. Het is niet levend in ons; maar het zit er toch en wij kunnen het
+niet kwijt raken. Als ik alleen maar een courant opneem en er in lees,
+is het net of ik spoken tusschen de regels zie sluipen. Er moeten overal
+spoken leven in het heele land. Zij moeten er in massa zijn, als het
+zand der zee, dunkt mij. En dan zijn wij zoo godsjammerlijk lichtschuw
+allemaal....
+
+DOM. MANDERS. Aha, ... daar hebben wij dus de uitwerking van uwe
+lektuur. Mooie vruchten inderdaad! O, die afschuwelijke, oproerige
+vrijdenkers-geschriften!
+
+MEVR. ALVING. U vergist zich, dominee. U is zelf de man die mij aanzette
+tot nadenken; en daar ben ik u heel dankbaar voor.
+
+DOM. MANDERS. Ik?
+
+MEVR. ALVING. Ja, toen u mij dwong terug te keeren tot dat wat u mijn
+plicht noemde; toen u prees als waar en goed dat, waartegen heel mijn
+wezen in opstand kwam, als tegen iets afschuwelijks. Toen was het dat ik
+begon uw leeringen op de keper te beschouwen. Ik wilde alleen maar een
+enkelen knoop losmaken, maar toen ik dien eenen los had, viel alles uit
+elkaar. En toen zag ik dat het machinenaaisel was.
+
+DOM. MANDERS (_stil, geschokt_). Zou dat zijn wat ik met den zwaarsten
+strijd mijns levens gewonnen had?
+
+MEVR. ALVING. Noem het liever uw treurigste nederlaag.
+
+DOM. MANDERS. Het was de grootste overwinning van mijn leven, Helene; de
+overwinning op mijn eigen ik.
+
+MEVR. ALVING. Het was een misdaad jegens ons beiden.
+
+DOM. MANDERS. Dat ik u gebood en zei: vrouw, ga terug naar uw wettigen
+echtgenoot, toen u als een verdoolde bij mij kwam en riep: hier ben ik;
+neem mij!... Was dat een misdaad?
+
+MEVR. ALVING. Ja, ik beschouw het als zoodanig.
+
+DOM. MANDERS. Wij begrijpen elkaar niet.
+
+MEVR. ALVING. Nu althans niet meer.
+
+DOM. MANDERS. Nooit,... nooit in mijn geheimste gedachten zelfs, heb ik
+u anders gezien dan als de vrouw van een ander.
+
+MEVR. ALVING. Ja?... gelooft u?
+
+DOM. MANDERS. Helene...!
+
+MEVR. ALVING. Men vergeet zoo licht hoe men vroeger was.
+
+DOM. MANDERS. Ik niet. Ik ben dezelfde die ik altijd geweest ben.
+
+MEVR. ALVING (_verandert van toon_). Jawel, jawel ... laat ons maar niet
+meer over dien ouden tijd praten. U zit nu tot over de ooren in
+commissies en besturen; en ik loop hier te vechten met spoken, in mij
+zoowel als buiten mij.
+
+DOM. MANDERS. Van die buiten u rondwaren wil ik u afhelpen. Na alles wat
+ik van daag met ontzetting van u gehoord heb, kan ik het voor mijn
+geweten niet verantwoorden een jong alleenstaand meisje in uw huis te
+laten blijven.
+
+MEVR. ALVING. Gelooft u ook niet dat het 't beste zou zijn als wij haar
+goed bezorgd konden krijgen? Ik bedoel ... goed getrouwd.
+
+DOM. MANDERS. Ongetwijfeld. Ik geloof dat dat in alle opzichten
+wenschelijk voor haar zijn zou. Regine is immers op een leeftijd dat ...
+ja, ik heb daar zoo geen verstand van, maar....
+
+MEVR. ALVING. Regine was al heel vroeg volwassen.
+
+DOM. MANDERS. Ja, niet waar? Er ligt mij iets van bij dat zij
+lichaamlijk al opvallend sterk ontwikkeld was, toen ik haar voor haar
+belijdenis voorbereidde. Maar voorloopig moet zij in elk geval naar
+huis, onder de hoede van haar vader.... Och neen, Engstrand is niet....
+Dat hij,... _hij_ zoo de waarheid voor mij kon verbergen!
+
+(_Er wordt geklopt aan de deur van de voorkamer_).
+
+MEVR. ALVING. Wie kan dat zijn? Binnen!
+
+ENGSTRAND (_in zijn zondagspak ... in de deur_). Ik vraag wel excuus,
+maar....
+
+DOM. MANDERS. Aha! Hm....
+
+MEVR. ALVING. Ben jij het Engstrand?
+
+ENGSTRAND. ... er was geen een van de dienstmeisjes bij de hand, en toen
+was ik maar zoo vrij en brutaal om te kloppen.
+
+MEVR. ALVING. Nou ja ... kom maar binnen. Wou je mij spreken?
+
+ENGSTRAND (_komt binnen_). Neen ... dank u vriendelijk. Maar ik zou wel
+graag even den dominee willen spreken.
+
+DOM. MANDERS (_loopt op en neer_). Hm; zoo? Wou je mij spreken?
+Inderdaad?
+
+ENGSTRAND. Ja, ik zou zoo heel graag....
+
+DOM. MANDERS (_blijft voor hem staan_). Nu; mag ik eens vragen waarover
+dan?
+
+ENGSTRAND. Jawel dominee; het was dit: er wordt daarginder nu afrekening
+gehouden. Wel bedankt, mevrouw!... En nu zijn wij met alles klaar; en nu
+dacht ik dat het zoo mooi en gepast zou zijn als wij, die zoo braaf
+samen gewerkt hebben al dien tijd,... nu dacht ik moesten wij dat
+besluiten met een kleine geestelijke bijeenkomst van avond.
+
+DOM. MANDERS. Een bijeenkomst? Daarginder in het gesticht?
+
+ENGSTRAND. Ja, vindt dominee dat misschien niet gepast, dan....
+
+DOM. MANDERS. Ja zeker vind ik dat, maar ... hm....
+
+ENGSTRAND. Ik heb gewoonlijk 's avonds zoo'n kleine bijeenkomst
+gehouden....
+
+MEVR. ALVING. Zoo?
+
+ENGSTRAND. Ja, zoo nu en dan; om zoo te zeggen een kleine
+godsdienstoefening. Maar ik ben maar een geringe burgerman en bezit er,
+God helpe mij, niet de ware gave voor, en daarom dacht ik, omdat dominee
+Manders nu toch juist hier is.
+
+DOM. MANDERS. Ja, zie je, Engstrand, ik moet je eerst eens een vraag
+doen. Ben je wel in de ware stemming voor zulk een bijeenkomst? Voel je
+je geweten wel vrij en zuiver?
+
+ENGSTRAND. Och lieve God, het is toch niet de moeite waard om over mijn
+geweten te spreken, dominee.
+
+DOM. MANDERS. Jawel, het is juist daarover dat ik je spreken wil. Wat
+heb je daarop te antwoorden?
+
+ENGSTRAND. Ja, dat geweten ... dat kan leelijk genoeg opspelen soms.
+
+DOM. MANDERS. Zoo, dus dat erken je althans. Maar wil je mij dan eens
+zonder omwegen zeggen ... hoe zit die zaak met Regine?
+
+MEVR. ALVING (_snel_). Dominee Manders!
+
+DOM. MANDERS (_geruststellend_). Laat u mij maar begaan....
+
+ENGSTRAND. Met Regine! Jesses, wat doet u mij daar schrikken! (_kijkt
+naar mevrouw Alving_). Er is toch niets met Regine gebeurd?
+
+DOM. MANDERS. Dat willen wij hopen. Maar ik bedoel, hoe zit dat met jou
+en Regine? Je gaat immers door voor haar vader. Niet?
+
+ENGSTRAND (_onzeker_). Ja ... hm ... dominee weet toch wel van mij en
+van Johanne zaliger....
+
+DOM. MANDERS. Geen verdraaien van de waarheid nu meer. Je overleden
+vrouw heeft aan mevrouw Alving verteld hoe de zaak in elkaar zit, voor
+zij haar dienst verliet.
+
+ENGSTRAND. Nou dan moest zij...! Deed zij dat dan toch?
+
+DOM. MANDERS. Je bent dus ontmaskerd Engstrand.
+
+ENGSTRAND. En zij die zwoer en vloekte bij hoog en laag....
+
+DOM. MANDERS. Vloekte zij?
+
+ENGSTRAND. Neen, zij zwoer alleen maar, maar toch zoo oprecht en van
+harte.
+
+DOM. MANDERS. En al die jaren lang heb je de waarheid voor mij verborgen
+gehouden. Die voor _mij_ verborgen, die je volkomen in alles vertrouwd
+heb.
+
+ENGSTRAND. Ja, helaas, dat heb ik gedaan.
+
+DOM. MANDERS. Heb ik dat aan je verdiend, Engstrand? Ben ik niet altijd
+bereid geweest om je met raad en daad bij te staan, zoover het in mijn
+macht stond? Antwoord mij! Is dat zoo niet?
+
+ENGSTRAND. Het had er maar dikwijls slecht voor mij uitgezien, als ik
+dominee Manders niet gehad had.
+
+DOM. MANDERS. En dan beloon je mij op die manier. Maakt dat ik
+onjuistheden inschrijf in het kerkelijk register, en onthoudt mij daarna
+nog jaren lang de ophelderingen die je mij en de waarheid verschuldigd
+bent. Je handelwijze is ten eenenmale onverantwoordelijk geweest,
+Engstrand; en van nu af is het uit tusschen ons.
+
+ENGSTRAND (_met een zucht_). Ja, dat zal wel ... dat begrijp ik.
+
+DOM. MANDERS. Ja, want hoe zou je je wel kunnen rechtvaardigen?
+
+ENGSTRAND. Maar had zij zich dan nog meer moeten vertramponeeren door er
+over te babbelen? Als dominee zich nu eens wil voorstellen dat hij in
+hetzelfde geval verkeerde als Johanne zaliger....
+
+DOM. MANDERS. Ik!
+
+ENGSTRAND. Jesses, jesses, ik meen nu niet zoo precies eender. Ik bedoel
+maar dat dominee iets zou hebben om zich over te schamen tegenover de
+menschen, zooals ze zeggen. Wij manspersonen moeten toch een arme vrouw
+niet al te streng veroordeelen, dominee.
+
+DOM. MANDERS. Maar dat doe ik ook niet. Ik verwijt jou je onoprechtheid.
+
+ENGSTRAND. Zou ik dominee eens een klein vraagje mogen doen?
+
+DOM. MANDERS. Jawel, vraag maar.
+
+ENGSTRAND. Is het niet goed en braaf van een man, als hij de gevallen
+vrouw opricht?
+
+DOM. MANDERS. Ja, dat spreekt.
+
+ENGSTRAND. En is een man niet verplicht eerlijk zijn woord te houden?
+
+DOM. MANDERS. Ja natuurlijk, maar....
+
+ENGSTRAND. Toen Johanne ongelukkig was gemaakt door dien Engelschman ...
+of misschien was het een Amerikaander of een Russer, zooals ze ze noemen
+... nou, toen kwam zij naar de stad. Het arme schepsel had mij vroeger
+al een paar keer den bons gegeven, want ze keek alleen maar naar de
+mooiigheid toen en ik had immers dat mankement aan mijn been. Ja,
+dominee zal zich nog wel herinneren dat ik eens een keer een danshuis
+binnen gegaan ben, waar matrozen en andere zeelui in dronkenschap en
+gemeenheid herrie maakten om zoo te zeggen. En toen ik hen vermanen wou
+om zich tot een nieuw leven te bekeeren....
+
+MEVR. ALVING (_bij het raam_). Hm....
+
+DOM. MANDERS. Ik weet het Engstrand, die ruwe menschen gooiden je van de
+trappen. Dat voorval heb je mij vroeger al eens meegedeeld. Je draagt je
+ongemak met eere.
+
+ENGSTRAND. Ik verhoovaardig er mij niet op, dominee. Maar wat ik
+vertellen wou, is dit, dat zij bij mij kwam en mij alles huilend en
+tandenklapperend toevertrouwde. Ik moet zeggen, dominee, het deed mij
+zoo innig leed om dat aan te hooren.
+
+DOM. MANDERS. Zoo, deed je dat leed Engstrand. Nu, en toen?
+
+ENGSTRAND. Nou, toen zei ik zoo tegen haar: die Amerikaander, die zwalkt
+op de groote zee rond. En jij, Johanne, zeg ik, je hebt gezondigd en
+bent een gevallen schepsel. Maar Jakob Engstrand, zeg ik, die staat op
+twee flinke beenen;... ja, dat bedoelde ik maar zoo bij wijze van
+gelijkenis weet u, dominee.
+
+DOM. MANDERS. Dat begrijp ik wel. Ga maar voort.
+
+ENGSTRAND. Ja ... en toen richtte ik haar weer op en liet mij eerlijk
+met haar trouwen, opdat de menschen niet te weten zouden komen dat zij
+zich met vreemden had afgegeven.
+
+DOM. MANDERS. Dat was alles heel braaf van je gehandeld. Ik kan alleen
+niet goedkeuren dat je dat geld wou aannemen....
+
+ENGSTRAND. Geld? Ik? Geen roode duit.
+
+DOM. MANDERS (_vragend mevrouw Alving aanziend_). Maar...!
+
+ENGSTRAND. O ja,... wacht eens; nu weet ik wat u meent. Johanne had toch
+wel een paar centen. Maar daar wou ik niets van weten. Foei, zei ik,
+Mammon, dat is der zonde loon; dat armzalige goud ... of bankpapiertjes
+of wat het mag geweest zijn ... dat gooien wij dien Amerikaander weer in
+zijn gezicht, zei ik. Maar hij was weg en verdwenen, ver over de wilde
+zee, dominee.
+
+DOM. MANDERS. Zoo, was hij weg, mijn brave Engstrand?
+
+ENGSTRAND. Ja. En toen besloten Johanne en ik, dat het geld gebruikt zou
+worden voor de opvoeding van het kind. En dat gebeurde dan ook; en ik
+kan van iedere cent rekenschap afleggen.
+
+DOM. MANDERS. Dat verandert de zaak zeker aanmerkelijk.
+
+ENGSTRAND. Zoo zit het in elkaar, dominee. En ik durf wel zeggen dat ik
+een goede vader voor Regine geweest ben,... zoover mijn krachten reikten
+altijd ... want ik ben maar een zwak mensch, helaas.
+
+DOM. MANDERS. Kom, kom, mijn waarde Engstrand....
+
+ENGSTRAND. Maar dat durf ik wel zeggen, dat ik het kind heb opgevoed en
+in liefde geleefd heb met Johanne zaliger, en eerbaar, zooals er
+geschreven staat. Maar nooit is het in mij opgekomen naar dominee
+Manders toe te gaan en mij te verhoovaardigen en er mij iets op te laten
+voorstaan dat ik eens een goede daad gedaan had. Neen, als Jakob
+Engstrand zoo iets overkomt, dan zwijgt hij er over. 't Komt helaas ook
+niet zoo dikwijls voor. En wanneer ik bij dominee Manders kom, heb ik
+altijd al zooveel te praten over al wat er verkeerd en gebrekkig in mij
+is. Want ik zeg, wat ik daar straks al zei ... dat geweten kan soms
+leelijk genoeg opspelen.
+
+DOM. MANDERS. Geef mij je hand, Jakob Engstrand.
+
+ENGSTRAND. Jesses, dominee....
+
+DOM. MANDERS. Geen complimenten (_drukt hem de hand_). Ziezoo!
+
+ENGSTRAND. En als ik dominee nu heel vriendelijk om vergeving vroeg....
+
+DOM. MANDERS. Jij? Neen, integendeel ... ik ben het die jou vergeving
+vraag ...
+
+ENGSTRAND. Och heereje, neen!
+
+DOM. MANDERS. Jawel ... zeker. En ik doe het van ganscher harte. Vergeef
+mij dat ik je zoo kon miskennen. En ik wou dat ik je op de eene of
+andere manier een bewijs kon geven van mijn oprecht berouw en mijn
+goeden wil om je te helpen....
+
+ENGSTRAND. Zou dominee dat waarlijk willen?
+
+DOM. MANDERS. Met het grootste genoegen.
+
+ENGSTRAND. Ja, daarvoor zou nu juist een mooie gelegenheid zijn. Met het
+geluksgeld dat ik hier heb kunnen overleggen, dacht ik een soort van
+tehuis voor zeelui op te richten in de stad.
+
+MEVR. ALVING. Jij?
+
+ENGSTRAND. Ja, dat zou om zoo te zeggen een soort van asyl moeten
+worden. De verleidingen zijn zoo menigvuldig voor den zeeman, als hij
+aan land vertoeft. Maar in dat huis bij mij zou hij dan kunnen zijn als
+onder vaderlijk toezicht, dacht ik zoo.
+
+DOM. MANDERS. Wat zegt u daarvan, mevrouw!
+
+ENGSTRAND. Het is wel niet bar veel wat ik heb om mee te beginnen, God
+beter 't; maar als nu maar een weldadige hand mij helpen wou, dan....
+
+DOM. MANDERS. Nu ja, wij zullen die zaak nog eens nader overwegen. Je
+plan lacht mij buitengewoon toe. Maar ga nu vast vooruit en maak alles
+in orde en steek licht aan, dat het er een beetje feestelijk uitziet, en
+dan zullen wij een stichtelijk uurtje samen doorbrengen, mijn waarde
+Engstrand, want nu ben je, geloof ik, wel in de ware stemming.
+
+ENGSTRAND. Ja, dat geloof ik ook. Vaarwel dan, mevrouw, en dank voor
+alles: En blijf u maar goed op Regine passen, alsjeblieft, (_veegt een
+traan weg_). 't Kind van Johanne zaliger ... hm, het is wonderlijk ...
+maar het is net alsof ze mij zoo aan het hart vast gegroeid is. Ja,
+waarachtig, zoo is het (_groet en gaat weg door de voorkamer_).
+
+DOM. MANDERS. Wel, wat zegt u nu van den man, mevrouw? Dat was een heel
+andere verklaring die wij daar kregen.
+
+MEVR. ALVING. Ja, dat was het wel.
+
+DOM. MANDERS. Daar ziet u nu alweer, hoe uitermate voorzichtig men zijn
+moet in het veroordeelen van zijn medemenschen. Maar het is toch ook een
+ware vreugde des harten te zien, dat men zich vergist heeft. Wat zegt u
+er van?
+
+MEVR. ALVING. Ik zeg dat je bent en blijft een groot kind, Manders.
+
+DOM. MANDERS. Ik?
+
+MEVR. ALVING (_legt beide handen op zijn schouders_). En ik zeg dat ik
+lust zou hebben mijn beide armen om je hals te slaan.
+
+DOM. MANDERS (_trekt zich haastig terug_). Neen, neen, God zegen u...;
+zulke begeerten....
+
+MEVR. ALVING (_glimlachend_). O, u hoeft niet bang voor mij te zijn.
+
+DOM. MANDERS (_bij de tafel_). U heeft soms zoo'n overdreven manier om u
+uit te drukken. Nu zal ik eerst de stukken bij elkaar zoeken en ze in
+mijn taschje bergen (_doet aldus_). Ziezoo. En nu, tot straks. Let goed
+op als Oswald terug komt. Ik zie u dan nog wel even (_hij neemt zijn
+hoed en gaat heen door de voorkamer_).
+
+MEVR. ALVING (_zucht, kijkt een oogenblik uit het raam, ruimt wat op in
+de kamer, en wil de eetkamer in gaan, maar blijft met een gesmoorden
+uitroep in de deur staan_). Oswald, zit je nog aan tafel!
+
+OSWALD (_in de eetkamer_). Ik rook maar even mijn sigaar uit.
+
+MEVR. ALVING. Ik dacht dat je een eindje was gaan loopen.
+
+OSWALD. In dat weer?
+
+(_Men hoort een glas klinken. Mevr. Alving laat de deur open en gaat met
+haar breiwerk op de canape zitten bij het raam_).
+
+OSWALD (_binnen_). Was het dominee Manders niet die daar wegging?
+
+MEVR. ALVING. Ja, hij ging naar het gesticht.
+
+OSWALD. Hm. (_Men hoort weer een glas en karaf klinken_).
+
+MEVR. ALVING. Lieve Oswald, je moet een beetje voorzichtig zijn met die
+likeur. Die is erg sterk.
+
+OSWALD. Die is goed tegen de vochtigheid.
+
+OSWALD. Wil je niet liever hier bij mij komen zitten?
+
+OSWALD. Ik mag daar immers niet rooken.
+
+MEVR. ALVING. Een sigaar mag je hier wel rooken, dat weet je toch wel.
+
+OSWALD. Nou ja, dan kom ik. Nog maar een enkel droppeltje.... Ziezoo
+(_hij komt met een sigaar de kamer in en sluit de deur achter zich. Even
+zwijgen_).
+
+OSWALD. Waar is de dominee naar toe?
+
+MEVR. ALVING. Dat zeg ik je daar net: hij ging naar het gesticht.
+
+OSWALD. O ja, dat 's waar.
+
+MEVR. ALVING. Je moet niet zoo lang aan tafel blijven zitten, Oswald.
+
+OSWALD (_de sigaar achter zijn rug houdend_). Maar dat vind ik zoo
+gezellig, moedertje (_streelt en liefkoost haar_). Denk eens aan, wat
+dat voor mij is, weer thuis te zijn, aan moeders eigen tafel te zitten,
+in moeders kamer, en te eten van moeders lekkere schotels.
+
+MEVR. ALVING. Mijn lieve, lieve jongen!
+
+OSWALD (_een beetje ongedurig, loopt te rooken_). En wat zal ik anders
+uitvoeren hier. Ik kan niets doen....
+
+MEVR. ALVING. Kan je niets doen?
+
+OSWALD. Met zulk grauw weer? Zonder een enkelen zonnestraal den heelen
+dag? (_loopt heen en weer_). O dat ... niet te kunnen werken...!
+
+MEVR. ALVING. Misschien was het toch niet verstandig van je dat je naar
+huis kwam.
+
+OSWALD. Jawel moeder; dat moest.
+
+MEVR. ALVING. Want tienmaal liever zou ik mij het geluk van je bij mij
+te hebben ontzeggen, dan dat jij....
+
+OSWALD (_blijft bij de tafel staan_). Zeg eens, moeder,... is het heusch
+zoo'n groot geluk voor je om mij thuis te hebben?
+
+MEVR. ALVING. Of dat een geluk voor mij is!
+
+OSWALD (_verfrommelt een courant_). Mij dunkt, het moet al haast
+hetzelfde voor je zijn, of ik er ben of niet.
+
+MEVR. ALVING. Hoe kan je het over je hart verkrijgen dat tegen je moeder
+te zeggen, Oswald!
+
+OSWALD. Maar je hebt toch altijd zoo goed zonder mij kunnen leven.
+
+MEVR. ALVING. Ja; ik heb zonder je geleefd;... dat is waar.
+
+(_Zwijgen. De schemering begint langzaam te vallen. Oswald loopt heen en
+weer. Zijn sigaar heeft hij weggelegd_).
+
+OSWALD (_blijft bij mevr. Alving staan_). Moeder, mag ik bij je op de
+canape komen zitten?
+
+MEVR. ALVING (_maakt plaats voor hem_). Ja, graag, jongen-lief.
+
+OSWALD (_gaat zitten_). Nu moet ik je iets zeggen, moeder.
+
+MEVR. ALVING (_in spanning_). Wel?
+
+OSWALD (_staart voor zich uit_). Want ik kan het niet langer uithouden.
+
+MEVR. ALVING. Wat uithouden? Wat is er?
+
+OSWALD (_als voren_). Ik heb er niet toe kunnen komen je er over te
+schrijven; en sedert ik weer thuis ben....
+
+MEVR. ALVING (_grijpt zijn arm_). Oswald, wat is er?
+
+OSWALD. Gisteren al en van daag heb ik getracht die gedachten van mij af
+te schudden ... mij er van los te maken. Maar het gaat niet.
+
+MEVR. ALVING (_staat op_). Nu moet je eens ronduit zeggen wat er is,
+Oswald.
+
+OSWALD (_trekt haar op de canape terug_). Blijf zitten, dan zal ik
+probeeren het je te zeggen.... Ik heb zoo geklaagd over vermoeidheid na
+de reis....
+
+MEVR. ALVING. Nu ja! En?...
+
+OSWALD. Maar dat is het niet wat mij mankeert; niet een gewoon
+moe-zijn....
+
+MEVR. ALVING (_wil opspringen_). Je bent toch niet ziek, Oswald!
+
+OSWALD (_trekt haar weer terug_). Blijf zitten, moeder. Neem het maar
+kalm op. Ik ben ook niet eigenlijk ziek, niet wat men gewoonlijk ziek
+noemt (_slaat de handen samen om zijn hoofd_). Moeder ik ben geestelijk
+gebroken ... op ... ik kan nooit meer werken! (_hij valt met de handen
+voor zijn gezicht in haar schoot en barst in snikken uit_).
+
+MEVR. ALVING (_bleek en bevend_). Oswald, kijk mij eens aan! Neen, neen,
+dat is niet waar!
+
+OSWALD (_kijkt op met wanhopende oogen_). Nooit meer te kunnen werken!
+Nooit meer ... nooit meer! Levend dood te zijn! Moeder, kan je je zoo
+iets vreeselijks voorstellen?
+
+MEVR. ALVING. Mijn arme, ongelukkige jongen! Hoe is dat vreeselijke over
+je gekomen?
+
+OSWALD (_gaat weer overeind zitten_). Ja, dat kan ik juist absoluut niet
+begrijpen of nagaan. Ik heb nooit zoo wild geleefd. In geen enkel
+opzicht. Dat moet je heusch niet van me denken, moeder! Dat heb ik nooit
+gedaan.
+
+MEVR. ALVING. Dat denk ik ook niet, Oswald.
+
+OSWALD. En toch is het gekomen! Dat verschrikkelijke ongeluk.
+
+MEVR. ALVING. O, maar dat zal wel weer terechtkomen, mijn lieve, lieve
+jongen. Dat is niets dan overspanning. Dat kan je gerust aannemen.
+
+OSWALD (_bedroefd_). Dat dacht ik ook in het begin; maar dat is niet
+zoo.
+
+MEVR. ALVING. Vertel mij eens alles van A tot Z.
+
+OSWALD. Ja, dat wou ik ook.
+
+MEVR. ALVING. Wanneer heb je het 't eerst gemerkt?
+
+OSWALD. Het was dadelijk nadat ik den vorigen keer thuis was geweest en
+weer in Parijs terug was. Het begon met afschuwelijke hoofdpijnen ...
+vooral in mijn achterhoofd, meende ik. Het was of er een ijzeren ring om
+mijn nek en daarboven werd dichtgeschroefd.
+
+MEVR. ALVING. En dan?
+
+OSWALD. In 't begin dacht ik dat 't niets anders was dan de gewone
+hoofdpijnen, die mij zoo geplaagd hadden in den tijd van mijn groei.
+
+MEVR. ALVING. Ja, ja....
+
+OSWALD. Maar dat was zoo niet; dat merkte ik al gauw. Ik kon niet meer
+werken. Ik wou een nieuw groot schilderij beginnen, maar het was of mijn
+kunst weg was; ik was als lamgeslagen; ik kon mij geen vaste
+voorstelling van iets meer maken; het duizelde voor mij ... alles
+draaide. O, dat was een vreeselijke toestand! Eindelijk zond ik om den
+dokter ... en van hem hoorde ik wat het was.
+
+MEVR. ALVING. Hoe bedoel je?
+
+OSWALD. Het was een van de eerste doktoren van Parijs. Ik moest hem toen
+vertellen wat en hoe ik het allemaal voelde. En toen begon hij mij
+allerlei vragen te doen, die naar mijn idee, niets met de zaak te maken
+hadden; ik begreep niet waar de man heen wou....
+
+MEVR. ALVING. En?
+
+OSWALD. Ten slotte zei hij: er is van je geboorte af al iets wormstekigs
+in je geweest,... hij gebruikte letterlijk het woord "vermoulu".
+
+MEVR. ALVING (_in spanning_). Wat meende hij daarmee?
+
+OSWALD. Ik begreep het ook niet en verzocht hem zich nader te verklaren.
+En toen zei die oude cynicus.... (_balt de vuist_) O...!
+
+MEVR. ALVING. Wat zei hij?
+
+OSWALD. Hij zei: de zonden der vaderen worden bezocht aan de kinderen.
+
+MEVR. ALVING (_staat langzaam op_). De zonden der vaderen...!
+
+OSWALD. Ik had hem haast een slag in zijn gezicht gegeven....
+
+MEVR. ALVING (_loopt heen en weer_). De zonden der vaderen....
+
+OSWALD (_glimlacht droef_). Ja, hoe vind je 't? Natuurlijk verzekerde ik
+hem dat er van zoo iets geen sprake kon zijn. Maar denk je dat hij zich
+gewonnen gaf? Neen, hij bleef er bij; en pas toen ik je brieven voor den
+dag had gehaald en al de plaatsen waar je over vader schreef, vertaald
+had....
+
+MEVR. ALVING. Toen...?
+
+OSWALD. Ja, toen moest hij van zelf wel toegeven dat hij op een
+dwaalspoor was; en toen hoorde ik de waarheid! Dat heerlijke, gelukkige
+jonge leven dat ik geleid had met mijn kameraden had ik moeten mijden.
+Dat had te veel van mijn krachten gevergd. Eigen schuld dus!
+
+MEVR. ALVING. Oswald! O neen, geloof dat niet!
+
+OSWALD. Er is geen andere verklaring mogelijk, zei hij. Dat is het
+verschrikkelijke. Hopeloos verloren voor mijn heele leven ... door mijn
+eigen onbezonnenheid. Alles, wat ik had willen doen in de wereld,...
+daar niet meer aan te mogen denken,... er niet meer aan te kunnen
+denken. O, kon ik mijn leven nog maar eens overdoen,... het allemaal
+ongedaan maken! (_hij laat zich voorover vallen met het gezicht op de
+canape_).
+
+MEVR. ALVING (_wringt de handen en loopt in hevigen tweestrijd op en
+neer_).
+
+OSWALD (_richt zich half op na een poosje; blijft met den elleboog op de
+canape gesteund zitten_). Als het nog iets overgeerfds was,... iets dat
+je zelf niet helpen kon. Maar zoo! Op zoo'n schandelijke, onnadenkende,
+lichtzinnige manier je eigen geluk vergooid te hebben, je eigen
+gezondheid, alles, alles ... je toekomst, je leven....
+
+MEVR. ALVING. Neen, neen, mijn eigen lieve jongen, dat is onmogelijk!
+(_buigt zich over hem heen_). Je bent er niet zoo wanhopig aan toe als
+je denkt.
+
+OSWALD. O, je weet 't niet.... (_springt op_). En dan nog dat er bij,
+dat ik jou al dat verdriet bezorg! Dikwijls heb ik bijna gewenscht en
+gehoopt dat je minder van me zoudt houden.
+
+MEVR. ALVING. Ik, Oswald, mijn eenige jongen! Het eenige wat ik in de
+wereld nog heb. Het eenige wat waarde voor mij heeft!
+
+OSWALD (_grijpt haar beide handen en kust ze_). Ja, ja, ik zie het wel.
+Als ik thuis ben zie ik het immers wel. En juist dat is voor mij een van
+de ergste dingen er van.... Maar nu weet je het dus. En nu zullen wij er
+van daag niet meer over spreken. Ik kan er niet zoo lang achter elkaar
+over denken (_loopt heen en weer_). Geef mij wat te drinken, moeder!
+
+MEVR. ALVING. Drinken? Wat wil je nu drinken?
+
+OSWALD. Och, wat je hebt. Je hebt immers kouden punch in huis?
+
+MEVR. ALVING. Ja, maar, mijn beste Oswald...!
+
+OSWALD. Toe, weiger het me niet. Wees nu lief! Ik moet iets hebben om al
+die kwellende gedachten weg te spoelen (_gaat naar de serre_). En dan
+... wat is het hier donker!
+
+MEVR. ALVING (_trekt aan de bel rechts_).
+
+OSWALD. En die onophoudelijke regen. Weken lang kan dat duren; maanden
+soms. Nooit een zonnestraal te zien. De keeren dat ik thuis geweest ben,
+herinner ik mij niet ooit de zon te hebben zien schijnen.
+
+MEVR. ALVING. Oswald,... je denkt er over van mij weg te gaan.
+
+OSWALD. Hm.... (_ademt zwaar_). Ik denk over niets. Kan aan niets
+denken! (_zachtjes_). Dat zal ik wel laten.
+
+REGINE (_uit de eetkamer_). Heeft mevrouw gebeld?
+
+MEVR. ALVING. Ja, breng de lamp eens binnen.
+
+REGINE. Dadelijk mevrouw. Ze is al aangestoken (_gaat weg_).
+
+MEVR. ALVING (_gaat naar Oswald toe_). Oswald, wees niet gesloten
+tegenover mij.
+
+OSWALD. Dat ben ik ook niet, moeder (_gaat naar de tafel_). Mij dunkt
+dat ik je zoo veel gezegd heb.
+
+REGINE (_brengt de lamp en zet die op tafel_).
+
+MEVR. ALVING. Hoor eens, Regine, je moet eens een halve flesch champagne
+brengen.
+
+REGINE. Jawel, mevrouw (_gaat weer heen_).
+
+OSWALD (_neemt haar hoofd tusschen zijn handen_). Zoo is het goed. Ik
+wist wel dat moeder haar jongen geen dorst zou laten lijden.
+
+MEVR. ALVING. Jou? mijn arme lieve Oswald; hoe zou ik jou nu iets kunnen
+weigeren?
+
+OSWALD (_levendig_). Is dat waar, moeder? Meen je dat?
+
+MEVR. ALVING. Hoe zoo? Wat?
+
+OSWALD. Dat je me niets zoudt kunnen weigeren?
+
+MEVR. ALVING. Maar Oswald-lief....
+
+OSWALD. Sst!
+
+REGINE (_brengt een blaadje met een halve flesch champagne en twee
+glazen, dat zij op tafel zet_). Zal ik de flesch openmaken?
+
+OSWALD. Neen, dankje, dat zal ik zelf wel doen. (_Regine gaat weer
+weg_).
+
+MEVR. ALVING (_gaat bij de tafel zitten_). Wat bedoelde je daar straks
+... dat ik je niet moest weigeren?
+
+OSWALD (_bezig de flesch open te maken_). Eerst een glas ... of twee.
+
+(_De kurk springt er af; hij schenkt een glas in en wil ook een tweede
+inschenken_).
+
+MEVR. ALVING. (_houdt haar hand er op_). Dankje ... voor mij niet.
+
+OSWALD. Nou voor mij dan!
+
+(_Hij drinkt het glas uit, vult het opnieuw en drinkt het weer uit; dan
+gaat hij bij de tafel zitten_).
+
+MEVR. ALVING (_afwachtend_). Nu dan?
+
+OSWALD (_zonder haar aan te zien_). Hoor eens, moeder ... 't leek mij
+dat jij en dominee Manders zoo vreemd ... hm, zoo stil waart aan tafel.
+
+MEVR. ALVING. Heb je dat opgemerkt?
+
+OSWALD. Ja. Hm.... (_na even zwijgen_). Zeg eens ... hoe vind je Regine?
+
+MEVR. ALVING. Hoe ik haar vind?
+
+OSWALD. Ja, is zij niet prachtig?
+
+MEVR. ALVING. Beste Oswald, jij kent haar niet zoo goed als ik....
+
+OSWALD. Wel?
+
+MEVR. ALVING. Regine is helaas, veel te lang thuis gebleven. Ik had haar
+vroeger bij mij moeten nemen.
+
+OSWALD. Ja, maar, is zij niet prachtig om te zien, moeder? (_vult zijn
+glas_).
+
+MEVR. ALVING. Regine heeft vele en groote gebreken....
+
+OSWALD. Nou ja, wat doet dat er toe? (_hij drinkt weer_).
+
+MEVR. ALVING. Maar ik hou toch van haar; en ik ben voor haar
+verantwoordelijk. Ik wou voor niets ter wereld dat er iets met haar
+gebeurde.
+
+OSWALD (_springt op_). Moeder, Regine is de eenige die mij redden kan!
+
+MEVR. ALVING (_staat op_). Wat bedoel je daarmee?
+
+OSWALD. Ik kan al die ellende op den duur niet alleen dragen.
+
+MEVR. ALVING. Heb je je moeder dan niet om je te helpen die te dragen?
+
+OSWALD. Jawel, dat dacht ik, en daarom ben ik ook naar huis terug
+gekomen. Maar het gaat zoo niet. Ik zie 't wel; het gaat niet. Ik hou
+het leven hier niet uit!
+
+MEVR. ALVING. Oswald!
+
+OSWALD. Ik moet anders leven, moeder. Daarom moet ik van je weg. Ik wil
+niet dat je dat altijd zult moeten aanzien.
+
+MEVR. ALVING. Mijn arme jongen! Maar Oswald, zoolang je zoo ziek bent
+als nu....
+
+OSWALD. Als het alleen maar die ziekte was, dan bleef ik wel bij je,
+moeder. Want je bent de beste vriend dien ik heb.
+
+MEVR. ALVING. Ja, niet waar, Oswald, dat ben ik?
+
+OSWALD (_loopt onrustig rond_). Maar het is al die ellende ... iets ...
+berouw ... en dan die ontzettende angst!
+
+MEVR. ALVING (_gaat hem na_). Angst? Wat voor angst? Wat meen je?
+
+OSWALD. O, je moet me niets meer vragen. Ik weet het niet. Ik kan het je
+niet beschrijven.
+
+MEVR. ALVING (_gaat naar rechts en trekt aan de bel_).
+
+OSWALD. Wat wil je gaan doen?
+
+MEVR. ALVING. Ik wil dat mijn jongen vroolijk zal zijn, dat wil ik. Hij
+mag niet zoo tobben (_tegen Regine die binnen komt_). Meer champagne.
+Een heele flesch.
+
+(_Regine af_).
+
+OSWALD. Moeder!
+
+MEVR. ALVING. Denk je dat wij hier buiten ook niet weten te leven?
+
+OSWALD. Is zij niet prachtig om te zien? En zoo mooi gebouwd! En zoo
+door-en-door gezond!
+
+MEVR. ALVING (_gaat aan de tafel zitten_). Ga zitten, Oswald, en laat
+ons eens rustig praten.
+
+OSWALD (_gaat zitten_). Je weet nog niet, moeder, dat ik iets goed te
+maken heb aan Regine.
+
+MEVR. ALVING. Jij?
+
+OSWALD. O, maar een kleine onbezonnenheid, als je het zoo noemen wilt.
+Trouwens iets heel onschuldigs. Toen ik den laatsten keer thuis was....
+
+MEVR. ALVING. Ja?
+
+OSWALD. ... vroeg zij mij zoo dikwijls naar Parijs, en ik vertelde haar
+het een-en-ander van daarginder. En ik herinner mij dat ik er eens toe
+kwam om te zeggen: zou je zelf geen lust hebben daar eens heen te gaan?
+
+MEVR. ALVING. En?
+
+OSWALD. Ik zag dat zij tot over haar ooren kleurde en toen zei zij: ja,
+daar heb ik zeker wel lust in. Nou ja, antwoordde ik, dat kan misschien
+nog wel eens gebeuren ... of zoo iets.
+
+MEVR. ALVING. En verder?
+
+OSWALD. Ik had natuurlijk de heele zaak vergeten; maar toen ik haar
+eergisteren vroeg of zij niet blij was dat ik nu zoo lang thuis zou
+blijven....
+
+MEVR. ALVING. Ja?
+
+OSWALD. ... toen keek ze mij zoo wonderlijk aan, en vroeg toen: maar wat
+komt er dan van mijn reis naar Parijs?
+
+MEVR. ALVING. Haar reis?
+
+OSWALD. En toen kreeg ik het er uit, dat zij het voor ernst had
+opgenomen, en aldoor aan mij gedacht had en Fransch had geleerd....
+
+MEVR. ALVING. Daarvoor dus....
+
+OSWALD. Moeder,... toen ik dat mooie, prachtige, frissche meisje daar
+voor mij zag staan ... vroeger had ik nooit zoo op haar gelet ... maar
+nu, toen zij daar als met open armen voor mij stond, bereid om mij er in
+op te nemen....
+
+MEVR. ALVING. Oswald!
+
+OSWALD. ... toen werd het mij duidelijk dat er bij haar redding was;
+want ik zag dat in haar levensblijheid leeft.
+
+MEVR. ALVING (_verschrikt_). Levensblijheid...? Kan die je redding zijn?
+
+REGINE (_uit de eetkamer met een flesch champagne_). Ik vraag excuus dat
+ik zoo lang weg bleef; maar ik moest er voor in den kelder gaan....
+(_zet de flesch op tafel_).
+
+OSWALD. En haal nog een glas.
+
+REGINE (_kijkt hem verwonderd aan_). Daar staat mevrouws glas, mijnheer.
+
+OSWALD. Ja maar, haal er een voor jezelf, Regine.
+
+REGINE (_schrikt hevig en werpt snel van ter zijde een blik naar Mevr.
+Alving_).
+
+OSWALD. Nou?
+
+REGINE (_zacht en aarzelend_). Als mevrouw er niet tegen heeft...?
+
+MEVR. ALVING. Ga een glas halen, Regine.
+
+OSWALD (_kijkt haar na_). Heb je op haar gang gelet? Zoo flink en
+elastisch.
+
+MEVR. ALVING. Dat gebeurt niet, Oswald!
+
+OSWALD. Het is een uitgemaakte zaak, dat zie je immers. Daar helpt geen
+tegenstribbelen aan.
+
+REGINE (_komt terug met een leeg glas in de hand_).
+
+OSWALD. Ga zitten, Regine.
+
+REGINE (_kijkt mevr. Alving aan_).
+
+MEVR. ALVING. Ga maar zitten.
+
+REGINE (_gaat zitten op een stoel bij de deur van de eetkamer en houdt
+voortdurend het leege glas in de hand_).
+
+MEVR. ALVING. Oswald, wat was dat wat je zei over levensblijheid?
+
+OSWALD. Ja, levensblijheid, moeder,... daar weten ze hier in ons land
+niet veel van. Ik heb er nooit iets van gemerkt.
+
+MEVR. ALVING. Ook niet als je bij mij bent?
+
+OSWALD. Niet als ik hier thuis ben. Maar dat begrijp je zoo niet.
+
+MEVR. ALVING. Jawel, ik geloof haast dat ik het wel begrijp ... nu.
+
+OSWALD. Levensblijheid ... en dan het genot van werken. Ja, in den grond
+is dat wel hetzelfde. Maar daarvan weten ze hier ook niets.
+
+MEVR. ALVING. Dat kan wel waar zijn, vertel er eens wat meer van.
+
+OSWALD. Ja, ik wil er dit mee zeggen, dat hier aan de menschen wordt
+geleerd te gelooven dat werken een vloek is en een straf voor hun
+zonden, en dat het leven iets jammerlijks is, waar wij hoe eer hoe
+liever maar van verlost moeten worden.
+
+MEVR. ALVING. Een jammerdal, ja. En dat maken wij er dan oprecht en
+eerlijk ook van.
+
+OSWALD. Maar van zoo iets willen de menschen in het buitenland niets
+weten. Daar gelooft geen mensch meer in ernst aan zulke leerstellingen.
+Daar voel je het als iets jubelend gelukzaligs alleen maar dat je leeft.
+Moeder, heb je niet opgemerkt, dat alles wat ik geschilderd heb, op
+levensblijheid betrekking had? Altijd en voortdurend op levensblijheid.
+Er is licht en zonneschijn en zondagslucht ... en vroolijke stralende
+menschengezichten. Daarom ben ik bang om hier bij jou thuis te blijven.
+
+MEVR. ALVING. Bang? Waarom ben je bang hier bij mij?
+
+OSWALD. Ik ben bang dat alles wat er in mij woelt hier tot iets leelijks
+ontaarden zal.
+
+MEVR. ALVING (_kijkt hem vast aan_). Geloof je dat dat gebeuren zou?
+
+OSWALD. Ik weet het heel zeker. En al leefde je hier hetzelfde leven als
+daarginder, dan zou het toch niet hetzelfde zijn.
+
+MEVR. ALVING (_die in spanning heeft geluisterd, staat op met groote
+ernstige oogen en zegt_). Nu zie ik het verband.
+
+OSWALD. Wat zie je?
+
+MEVR. ALVING. Nu zie ik het voor het allereerst. En nu kan ik spreken.
+
+OSWALD (_staat op_). Moeder ik begrijp je niet.
+
+REGINE (_die ook is opgestaan_). Zal ik misschien weggaan?
+
+MEVR. ALVING. Neen, blijf hier. Nu kan ik spreken. Nu, mijn jongen, zal
+je alles weten. En dan kan je kiezen. Oswald! Regine!
+
+OSWALD. Stil. De dominee....
+
+DOM. MANDERS (_komt door de voorkamer binnen_). Ziezoo; wij hebben een
+hartverheffend uurtje doorgebracht.
+
+OSWALD. Wij ook.
+
+DOM. MANDERS. Engstrand moet geholpen worden met dat asyl voor zeelui.
+Regine moet met hem meegaan om hem behulpzaam te zijn....
+
+REGINE. Neen, dank u, dominee.
+
+DOM. MANDERS (_bemerkt haar nu pas_). Wat...? Hier...? En met een glas
+in de hand?
+
+REGINE (_zet snel haar glas neer_). Pardon...!
+
+OSWALD. Regine gaat met mij mee, dominee.
+
+DOM. MANDERS. Mee! Met u!
+
+OSWALD. Ja, als mijn vrouw,... als zij wil.
+
+DOM. MANDERS. Genadige Hemel...!
+
+REGINE. Ik kan het niet helpen, dominee.
+
+OSWALD. Of zij blijft hier, als ik blijf.
+
+REGINE (_onwillekeurig_). Hier?
+
+DOM. MANDERS. Ik sta verstomd over u, mevrouw.
+
+MEVR. ALVING. Noch het een noch het ander zal gebeuren; want nu kan ik
+vrij uit spreken.
+
+DOM. MANDERS. Maar dat zal u toch niet doen! Neen, neen, neen!
+
+MEVR. ALVING. Jawel; ik zal en ik kan het doen. En toch zullen er geen
+idealen omlaag gehaald worden.
+
+OSWALD. Moeder, wat wordt er hier voor mij verborgen gehouden?
+
+REGINE (_luisterend_). Mevrouw! Hoor eens! Er staan menschen buiten te
+schreeuwen. (_Zij gaat in de serre en kijkt naar buiten_).
+
+OSWALD (_bij het raam links_). Wat is er te doen? Waar komt die gloed
+vandaan?
+
+REGINE (_roept_). Er is brand in het gesticht!
+
+MEVR. ALVING (_bij het raam_). Brand!
+
+DOM. MANDERS. Brand? Onmogelijk. Ik kom er net vandaan.
+
+OSWALD. Waar is mijn hoed? Nou, dat doet er ook niet toe.... Vaders
+gesticht...! (_hij loopt naar buiten door de tuindeur_).
+
+MEVR. ALVING. Mijn doek, Regine! 't Staat in lichtelaaie!
+
+DOM. MANDERS. Ontzettend! Mevrouw Alving, daar licht het oordeel over
+dit huis van ongerechtigheid!
+
+MEVR. ALVING. Jawel ... zeker. Kom Regine. (_Zij en Regine gaan haastig
+weg door de voorkamer_).
+
+DOM. MANDERS (_slaat de handen in elkaar_). En niet geassureerd! (_gaat
+weg langs denzelfden weg_).
+
+
+EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.
+
+
+ * * * * *
+
+
+DERDE BEDRIJF.
+
+ Zelfde kamer. Alle deuren staan open. De lamp brandt nog steeds op
+ tafel. Buiten is het donker, alleen een zwakke lichtschijn op den
+ achtergrond.
+
+ Mevr. Alving met een grooten doek om haar hoofd, staat in de serre
+ en kijkt naar buiten. Regine, ook met een doek om, staat een beetje
+ achter haar.
+
+ * * * * *
+
+MEVR. ALVING. Alles verbrand. Tot den grond toe.
+
+REGINE. 't Brandt nog in de kelders.
+
+MEVR. ALVING. Dat Oswald nog niet terug komt. Er is toch niets meer te
+redden.
+
+REGINE. Zal ik hem misschien zijn hoed gaan brengen?
+
+MEVR. ALVING. Heeft hij niet eens zijn hoed op?
+
+REGINE (_wijst naar de voorkamer_). Neen; daar hangt hij.
+
+MEVR. ALVING. Laat hem dan maar hangen. Hij zal nu toch wel gauw komen.
+Ik zal zelf even gaan zien (_zij gaat de tuindeur uit_).
+
+DOM. MANDERS (_komt uit de voorkamer_). Is mevrouw niet hier?
+
+REGINE. Mevrouw is net den tuin in gegaan.
+
+DOM. MANDERS. Dit is de verschrikkelijkste nacht dien ik ooit beleefd
+heb.
+
+REGINE. Ja, wat een ontzettend ongeluk, dominee!
+
+DOM. MANDERS. O, spreek er niet van! Ik durf er ter nauwernood aan
+denken.
+
+REGINE. Maar hoe is het toch aangekomen?
+
+DOM. MANDERS. Vraag mij niets, Regine! Hoe kan ik dat weten? Wil jij
+misschien ook...? Is het niet genoeg dat je vader...?
+
+REGINE. Wat is er met hem?
+
+DOM. MANDERS. Hij maakt mij nog krankzinnig!
+
+ENGSTRAND (_komt door de voorkamer_). Dominee!
+
+DOM. MANDERS (_keert zich verschrikt om_). Volg je mij hier ook al?
+
+ENGSTRAND. Ja bliksem nog toe...! Jesses! dat is toch al te vreeselijk,
+dominee!
+
+DOM. MANDERS (_loopt heen en weer_). Helaas! helaas!
+
+REGINE. Wat is er toch?
+
+ENGSTRAND. Och, het kwam door die bijeenkomst, zie je (_zachtjes_). Nu
+heb ik hem aan den haak, kindlief! (_luid_). En dat ik nu de schuld
+moest zijn, dat dominee zoo'n ongeluk moest overkomen!
+
+DOM. MANDERS. Maar ik verzeker je, Engstrand....
+
+ENGSTRAND. Maar er is toch niemand anders dan dominee bezig geweest met
+licht daarginder.
+
+DOM. MANDERS (_blijft staan_). Ja, dat beweer jij. Maar ik kan mij
+volstrekt niet herinneren een kaars in mijn hand te hebben gehad.
+
+ENGSTRAND. Maar ik heb het toch heel duidelijk gezien dat dominee de
+kaars opnam en ze met zijn vingers snoot en de afgebrande pit in de
+krullen gooide.
+
+DOM. MANDERS. Heb jij dat gezien?
+
+ENGSTRAND. Ja, dat heb ik duidelijk gezien.
+
+DOM. MANDERS. Dat kan ik mij toch niet begrijpen. 't Is toch nooit mijn
+gewoonte om een kaars met mijn vingers te snuiten.
+
+ENGSTRAND. Ja, het stond ook, met verlof, erg ongemanierd, dat deed het.
+Maar zou het erg voor u kunnen worden, dominee?
+
+DOM. MANDERS (_onrustig heen en weer loopend_). O, vraag er mij toch
+niet naar!
+
+ENGSTRAND (_met hem meeloopend_). En dominee heeft ook niet geassureerd?
+
+DOM. MANDERS (_aldoor loopend_). Neen ... neen ... neen; dat hoor je
+immers.
+
+ENGSTRAND (_achter hem aan_). Niet geassureerd. En stil de kamer uit te
+gaan en den boel in brand te steken. Jesses, jesses, wat een ongeluk!
+
+DOM. MANDERS (_droogt zijn voorhoofd af_). Ja, dat mag je wel zeggen,
+Engstrand.
+
+ENGSTRAND. En dat zoo iets gebeuren moet met een weldadige inrichting,
+die nuttig zou geweest zijn voor stad en land, zooals ze zeggen. De
+couranten zullen dominee ook niet zachtjes aanpakken, vrees ik.
+
+DOM. MANDERS. Daarover loop ik juist te denken. Dat is haast het ergste
+van alles. Al die hatelijke aanvallen en beschuldigingen...! O, het is
+vreeselijk daaraan te denken!
+
+MEVR. ALVING (_komt uit den tuin_). Hij is niet te bewegen om van het
+blusschen weg te gaan.
+
+DOM. MANDERS. O, is u daar, mevrouw.
+
+MEVR. ALVING. Nu komt u toch nog van uw feestrede af, dominee.
+
+DOM. MANDERS. O, ik had met het grootste genoegen....
+
+MEVR. ALVING (_gedempt_). 't Is het beste dat het maar ging zoo als het
+ging. Dit gesticht had toch geen zegen aangebracht.
+
+DOM. MANDERS. Zou u denken?
+
+MEVR. ALVING. Denkt u dat dan niet?
+
+DOM. MANDERS. Maar het was toch een ontzettend ongeluk.
+
+MEVR. ALVING. Wij zullen er maar kort en goed over praten als over een
+zaak.... Wacht je op dominee, Engstrand?
+
+ENGSTRAND (_bij de deur van de voorkamer_). Ja, mevrouw.
+
+MEVR. ALVING. Ga dan zoo lang zitten.
+
+ENGSTRAND. Dank u; ik kan hier wel blijven staan.
+
+MEVR. ALVING (_tegen Dom. Manders_). U gaat waarschijnlijk straks met de
+boot weg?
+
+DOM. MANDERS. Ja; over een uur vertrekt die.
+
+MEVR. ALVING. Wees dan zoo goed al de papieren weer mee te nemen. Ik wil
+geen woord meer over die zaak hooren. Ik heb andere dingen aan mijn
+hoofd....
+
+DOM. MANDERS. Mevrouw....
+
+MEVR. ALVING. Later zal ik u volmacht zenden om alles te regelen zooals
+u zelf wil.
+
+DOM. MANDERS. Dat neem ik van harte gaarne op mij. De oorspronkelijke
+bestemming van het legaat moet nu helaas geheel veranderd worden.
+
+MEVR. ALVING. Dat spreekt van zelf.
+
+DOM. MANDERS. Ja, dan denk ik het voorloopig zoo te regelen dat de hoeve
+Solvik aan het distrikt komt. Den grond kan men toch niet waardeloos
+noemen. Een of andere nuttige bestemming is daar altijd toch wel aan te
+geven. En de renten van het geld dat op de spaarbank staat, zou ik
+misschien als meest passend kunnen gebruiken om een of andere
+onderneming te steunen, die gezegd worden kan de stad ten goede te
+komen.
+
+MEVR. ALVING. Net zooals u wil. De heele zaak is mij nu absoluut
+onverschillig.
+
+ENGSTRAND. Denk aan mijn tehuis voor zeelui, dominee!
+
+DOM. MANDERS. Ja, zeker ... daar zeg je zoo wat. Nu, dat moeten wij nog
+eens nader overleggen.
+
+ENGSTRAND. Neen, wat duivel, niet overleggen.... Jesses dan toch!
+
+DOM. MANDERS (_met een zucht_). Ik weet helaas ook niet, hoe lang ik nog
+die zaken in handen hebben zal. Of de publieke opinie mij niet zal
+noodzaken mij terug te trekken. Dat hangt heelemaal van het gerechtelijk
+onderzoek af.
+
+MEVR. ALVING. Wat zegt u daar?
+
+DOM. MANDERS. En van den uitslag daarvan kan men vooruit volstrekt niets
+met zekerheid zeggen.
+
+ENGSTRAND (_dichtbij_). O welzeker kan men dat. Want hier staat Jakob
+Engstrand ook nog.
+
+DOM. MANDERS. Ja ... ja ... maar...?
+
+ENGSTRAND. En Jakob Engstrand is niet de man die een waardigen weldoener
+in den steek laat als de nood aan den man komt, zooals ze zeggen.
+
+DOM. MANDERS. Ja, maar, mijn waarde ... hoe...?
+
+ENGSTRAND. Jakob Engstrand is om zoo te zeggen te vergelijken bij een
+reddenden engel, dominee!
+
+DOM. MANDERS. Neen, neen, dat kan ik toch waarlijk niet aannemen.
+
+ENGSTRAND. Och, dat moet u toch maar doen. Ik ken iemand die nog eens de
+schuld van een ander op zich genomen heeft ... wat?
+
+DOM. MANDERS. Jakob! (_drukt hem de hand_). Je bent een zeldzaam mensch.
+Nu, je zult je asyl voor zeelui hebben, hoor.... Daar kan je op aan.
+
+ENGSTRAND (_wil bedanken, maar kan niet van aandoening_).
+
+DOM. MANDERS (_hangt zijn reistaschje over zijn schouders_). En nu weg.
+Wij reizen samen.
+
+ENGSTRAND (_bij de eetkamerdeur zachtjes tegen Regine_). Ga met me mee,
+meid! Je zult een leventje hebben als een prinses.
+
+REGINE (_werpt het hoofd in den nek_). Merci! (_zij gaat naar de
+voorkamer en haalt dominee's hoed_).
+
+DOM. MANDERS. Vaarwel, mevrouw. En moge de geest van orde en wet spoedig
+zijn intocht houden in deze woning.
+
+MEVR. ALVING. Vaarwel Manders! (_zij gaat naar de serre, terwijl zij
+Oswald door de tuindeur ziet binnenkomen_).
+
+ENGSTRAND (_terwijl hij en Regine den dominee aan zijn jas helpen_).
+Vaarwel, kindlief. En als er 't een of ander gebeuren mocht, dan weet je
+waar Jakob Engstrand te vinden is (_zachtjes_) Kleine Havenstraat,
+hm...! (_tegen Mevr. Alving en Oswald_). En het huis voor de zwervende
+zeelui zal heeten "Kamerheer Alvings Tehuis". En als ik het huis naar
+mijn goedvinden besturen mag, dan durf ik beloven, dat het den kamerheer
+zaliger waardig worden zal.
+
+DOM. MANDERS (_in de deur_). Hm ... hm! Kom nu, mijn waarde Engstrand.
+Vaarwel, vaarwel! (_hij en Engstrand gaan weg door de voorkamerdeur_).
+
+OSWALD (_gaat naar de tafel_). Wat is dat voor een huis waar hij van
+sprak?
+
+MEVR. ALVING. Dat is een soort asyl dat hij en dominee Manders willen
+oprichten.
+
+OSWALD. Dat zal ook afbranden, net als dit hier.
+
+Mevr. Alving. Hoe kom je daarbij?
+
+OSWALD. Alles zal verbranden. Er zal niets meer overblijven dat aan
+vader herinnert. Ik verbrand immers ook.
+
+REGINE (_kijkt hem verschrikt aan_).
+
+MEVR. ALVING. Oswald! Je had niet zoolang daarginder moeten blijven,
+mijn arme jongen.
+
+OSWALD (_gaat aan de tafel zitten_). Ik geloof haast dat je gelijk hebt.
+
+MEVR. ALVING. Laat mij je gezicht afdrogen, Oswald; je bent heelemaal
+nat (_droogt zijn gezicht af met haar zakdoek_).
+
+OSWALD (_kijkt onverschillig voor zich uit_). Dankje moeder.
+
+MEVR. ALVING. Ben je niet moe, Oswald? Wil je misschien gaan slapen?
+
+OSWALD (_angstig_). Neen, neen ... niet slapen! Ik slaap nooit; ik houd
+me maar zoo (_bedroefd_). Dat komt gauw genoeg.
+
+MEVR. ALVING (_kijkt hem bezorgd aan_). Ja, je bent toch heusch wel
+ziek, mijn lieveling.
+
+REGINE (_in spanning_). Is mijnheer ziek?
+
+OSWALD (_ongeduldig_). Doe de deuren toch dicht! Die doodelijke
+angst....
+
+MEVR. ALVING. Doe ze dicht, Regine.
+
+(_Regine sluit de deuren en blijft staan bij de voorkamer deur. Mevr.
+Alving doet haar doek af. Regine eveneens_).
+
+MEVR. ALVING (_schuift een stoel bij Oswald en gaat bij hem zitten_).
+Ziezoo, nu kom ik bij je zitten....
+
+OSWALD. Ja, doe dat. En Regine moet ook binnen blijven. Regine moet
+altijd om me heen zijn. Je wilt mij wel behulpzaam zijn, niet waar,
+Regine?
+
+REGINE. Ik begrijp u niet....
+
+MEVR. ALVING. Behulpzaam zijn?
+
+OSWALD. Ja, als het noodig mocht worden.
+
+MEVR. ALVING. Oswald, heb je dan je moeder niet om je behulpzaam te
+zijn?
+
+OSWALD. Jij? (_glimlacht_). Neen, moeder, daarmee kan jij me niet helpen
+(_lacht droevig_). Jij! Haha! (_kijkt haar ernstig aan_). Hoewel,
+eigenlijk was jij er wel het naaste aan toe (_driftig_). Waarom kan je
+geen je tegen mij zeggen, Regine? Waarom noem je mij niet Oswald?
+
+REGINE (_zachtjes_). Ik geloof niet dat mevrouw dat goed zou vinden.
+
+MEVR. ALVING. Wacht nog maar even, straks mag je het doen. En kom jij
+ook hier bij ons zitten.
+
+REGINE (_gaat bescheiden en aarzelend aan den anderen kant van de tafel
+zitten_).
+
+MEVR. ALVING. En nu, mijn arme geplaagde jongen, nu zal ik den last van
+je ziel afnemen....
+
+OSWALD. Jij, moeder?
+
+MEVR. ALVING ... alles wat je gewetenswroeging en berouw en zelfverwijt
+noemt....
+
+OSWALD. En geloof je dat je dat kunt?
+
+MEVR. ALVING. Ja, nu kan ik het, Oswald. Daar straks sprak je over
+levensblijheid; en toen ging er als het ware een nieuw licht op over
+alle dingen van mijn heele leven.
+
+OSWALD (_schudt het hoofd_). Daar begrijp ik niets van.
+
+MEVR. ALVING. Je moest je vader gekend hebben, toen hij nog heel jong
+luitenant was. _Hij_ was vol levensblijheid!
+
+OSWALD. Ja, dat weet ik.
+
+MEVR. ALVING. Het was als zondagsweer alleen maar om hem te zien. En dan
+die onstuimige kracht en levensvolheid die in hem waren!
+
+OSWALD. En dan...?
+
+MEVR. ALVING. Nu, toen moest zoo'n levensblij kind,... want hij was nog
+net een kind toen--toen moest hij hier gaan wonen in een provinciestad
+die geen vreugde te bieden had, alleen maar wat amusementen. Moest hier
+rondloopen, waar hij geen levensdoel had, alleen maar een betrekking.
+Geen werk waaraan hij zich met zijn heele ziel kon wijden,... hij had
+alleen maar bezigheden. Geen enkelen kameraad die in staat was te voelen
+wat levensblijheid is;... alleen maar boemelaars en drinkebroers....
+
+OSWALD. Moeder...!
+
+MEVR. ALVING. En zoo ging het dan zoo als het wel gaan moest.
+
+OSWALD. En hoe moest het dan gaan?
+
+MEVR. ALVING. Je zei zelf van avond hoe het met jou gaan zou als je
+thuisbleef.
+
+OSWALD. Wil je daarmee zeggen dat papa...?
+
+MEVR. ALVING. Je arme vader vond nooit een uitweg voor de overvloeiende
+levensblijheid die in hem was. Ik bracht ook geen zondagsweer in huis.
+
+OSWALD. Ook jij niet?
+
+MEVR. ALVING. Ze hadden mij wat geleerd van plichten en dergelijke
+dingen, waaraan ik langen tijd geloofd heb. Alles liep uit op
+plichten,... _mijn_ plichten en _zijn_ plichten en.... Ik vrees, Oswald,
+dat ik je armen vader zijn thuis onhoudbaar gemaakt heb.
+
+OSWALD. Waarom heb je mij nooit iets daarover geschreven?
+
+MEVR. ALVING. Ik heb het vroeger nooit zoo ingezien dat ik tegen jou,
+zijn zoon, het onderwerp kon aanroeren.
+
+OSWALD. En hoe zag je het dan?
+
+MEVR. ALVING (_langzaam_). Ik zag alleen dit eene maar, dat je vader een
+verwoest gestel had, voor jij nog geboren was.
+
+OSWALD (_gedempt_). Ah...! (_hij staat op en gaat naar het raam_).
+
+MEVR. ALVING. En dan vervolgde mij dag in dag uit, die eene gedachte,
+dat Regine eigenlijk hier even goed thuis hoorde ... als mijn eigen
+jongen.
+
+OSWALD (_keert zich plotseling om_). Regine!
+
+REGINE (_komt overeind en vraagt gedempt_). Ik....
+
+MEVR. ALVING. Ja, nu weet je het allebei.
+
+OSWALD. Regine!
+
+REGINE (_in zich zelf_). Dus was moeder van den lichten kant!
+
+MEVR. ALVING. Je moeder was braaf in veel opzichten, Regine.
+
+REGINE. Ja maar, zij was dan toch van den lichten kant. Ja, soms heb ik
+het wel eens gedacht, maar.... Ja, mevrouw, permitteert u mij dan dat ik
+maar terstond weg ga...?
+
+MEVR. ALVING. Meen je dat heusch, Regine?
+
+REGINE. Ja, zeker meen ik dat.
+
+MEVR. ALVING. Je bent natuurlijk vrij om te doen zoo als je wilt,...
+maar....
+
+OSWALD (_gaat naar Regine toe_). Ga je nu weg? Hier hoor je immers
+thuis.
+
+REGINE. Merci, mijnheer Alving;... ja, nu kan ik ook wel Oswald tegen je
+zeggen. Maar ik had mij niet voorgesteld dat het op die manier zou
+zijn....
+
+MEVR. ALVING. Regine, ik ben niet openhartig tegen je geweest....
+
+REGINE. Neen, en dat is schandelijk genoeg! Had ik geweten dat Oswald
+ziekelijk was, dan.... En nu er dan toch niets van komen kan tusschen
+ons.... Neen, ik kan heusch niet hier buiten blijven en me afbeulen voor
+zieke menschen.
+
+OSWALD. Zelfs niet voor iemand die je zoo na bestaat?
+
+REGINE. Neen, waarlijk dat kan ik niet. Een arm meisje moet van haar
+jeugd profiteeren, want anders zit je op zwart zaad voor je het weet.
+En ik heb ook levensblijheid in me, mevrouw!
+
+MEVR. ALVING. Ja, helaas; maar gooi je niet weg, Regine.
+
+REGINE. O, als dat gebeurt, dan zal het wel zoo moeten wezen. Als Oswald
+naar zijn vader aardt, dan zal ik wel naar mijn moeder aarden, denk
+ik.... Mag ik vragen, mevrouw, of dominee Manders weet van dit geval met
+mij?
+
+MEVR. ALVING. Dominee Manders weet er alles van.
+
+REGINE (_druk bezig met haar doek om te doen_). Ja, dan moet ik maar
+zien zoo gauw mogelijk met de boot weg te komen. Dominee Manders is
+zoo'n lieve man om iets van gedaan te krijgen; en ik vind eigenlijk dat
+ik evenveel recht heb op een beetje van dat geld als die akelige
+schrijnwerker.
+
+MEVR. ALVING. Dat is je van harte gegund, Regine.
+
+REGINE (_kijkt haar strak aan_). Mevrouw had mij wel kunnen opvoeden als
+een grootelui's kind; dat was gepaster geweest voor mij (_werpt het
+hoofd in den nek_). Maar wat kan het mij ook schelen! (_met een nijdigen
+blik op de ongeopende flesch_). Ik zal toch nog wel eens champagne
+drinken met deftige lui!
+
+MEVR. ALVING. En als je behoefte voelt aan een thuis, Regine, kom dan
+bij mij.
+
+REGINE. Neen, dank u wel, mevrouw. Dan zal dominee Manders zich wel over
+mij ontfermen. En als het heelemaal mis gaat met me, dan weet ik immers
+nu een plek waar ik thuis hoor.
+
+MEVR. ALVING. Waar dan?
+
+REGINE. In kamerheer Alvings Asyl.
+
+MEVR. ALVING. Regine,... nu zie ik het,... jij loopt in je verderf!
+
+REGINE. Och wat! Adieu (_zij groet en gaat door de voorkamer weg_).
+
+OSWALD (_staat bij het raam en kijkt naar buiten_). Is ze weg?
+
+MEVR. ALVING. Ja.
+
+OSWALD (_mompelt in zich zelf_). Dat is een gekke geschiedenis.
+
+MEVR. ALVING (_komt achter hem staan en legt haar handen op zijn
+schouders_). Oswald, mijn jongen, heeft het je erg geschokt?
+
+OSWALD (_keert haar zijn gezicht toe_). Dat van Papa, bedoel je?
+
+MEVR. ALVING. Van je ongelukkigen vader, ja. Ik ben zoo bang dat het je
+te veel heeft aangedaan.
+
+OSWALD. Hoe kom je er bij? Ja, 't kwam mij wel heel onverwacht; maar
+eigenlijk kan het mij heel weinig schelen.
+
+MEVR. ALVING (_neemt haar handen weg_). Kan het je niet schelen dat je
+vader zoo vreeselijk ongelukkig was?
+
+OSWALD. Natuurlijk kan ik medelijden met hem voelen zoo als met ieder
+ander, maar....
+
+MEVR. ALVING. Niets anders dan dat! Voor je eigen vader!
+
+OSWALD (_ongeduldig_). Nou ja, vader ... vader.... Ik heb vader immers
+nooit gekend. Ik herinner mij niets anders van hem, dan dat hij mij eens
+aan het braken heeft gemaakt.
+
+MEVR. ALVING. Dat is toch een vreeselijke gedachte! Moet een kind dan
+niet in elk geval liefde voelen voor zijn vader?
+
+OSWALD. Als een kind zijn vader niets te danken heeft? Hem nooit heeft
+gekend? Hecht je heusch nog aan dat oude bijgeloof, jij, die overigens
+zoo verlicht bent?
+
+MEVR. ALVING. Zou dat dan enkel maar bijgeloof zijn...!
+
+OSWALD. Ja, dat moet je toch wel inzien, moeder. Dat is zoo een van die
+opvattingen die nu eenmaal in de wereld gangbaar zijn en dus....
+
+MEVR. ALVING (_geschokt_). Spoken!
+
+OSWALD (_loopt heen en weer_). Ja, je kunt ze gerust spoken noemen.
+
+MEVR. ALVING (_uitbarstend_). Oswald,... dan hou je ook niet van mij!
+
+OSWALD. Jou ken ik ten minste toch....
+
+MEVR. ALVING. Je kent me ... maar is dat alles!
+
+OSWALD. En ik weet immers hoeveel je van mij houdt, en daarvoor moet ik
+je toch dankbaar zijn. En nu ik ziek ben kan je zoo veel voor mij doen.
+
+MEVR. ALVING. Ja, niet waar, Oswald! O ik zou haast je ziek-zijn kunnen
+zegenen, omdat het je naar mij toe gedreven heeft. Want ik zie het wel;
+je bent nog niet van mij; je moet gewonnen worden.
+
+OSWALD (_ongeduldig_). Jawel, jawel. Dat zijn nu maar allemaal van die
+zeggetjes. Je moet niet vergeten dat ik een zieke ben, moeder. Ik kan
+mij niet zooveel bezig houden met anderen; ik heb genoeg te denken over
+mezelf.
+
+MEVR. ALVING (_zachtjes_). Ik zal tevreden en geduldig zijn.
+
+OSWALD. En vroolijk, moeder!
+
+MEVR. ALVING. Ja, mijn jongen, je hebt gelijk (_gaat naar hem toe_). Heb
+ik nu alle wroeging en zelfverwijt van je afgenomen?
+
+OSWALD. Ja, dat heb je. Maar wie neemt nu den angst weg?
+
+MEVR. ALVING. Den angst?
+
+OSWALD (_loopt heen en weer_). Regine zou het gedaan hebben voor een
+goed woord.
+
+MEVR. ALVING. Ik begrijp je niet. Wat is dat van dien angst ... en van
+Regine?
+
+OSWALD. Is het al erg laat in den nacht, moeder?
+
+MEVR. ALVING. Het is al vroeg in den morgen (_kijkt uit de serre naar
+buiten_). Het wordt al licht boven op de bergen. En het wordt een
+heldere dag, Oswald! Straks zal je de zon zien.
+
+OSWALD. Daar verheug ik mij op. O, er kan nog veel en velerlei zijn om
+mij over te verheugen en voor te leven....
+
+MEVR. ALVING. Dat zou ik denken!
+
+OSWALD. Al kan ik dan niet werken, dan....
+
+MEVR. ALVING. O, je zult wel gauw weer kunnen werken, jongen-lief. Nu
+heb je immers niet meer al die kwellende en drukkende gedachten om over
+te tobben.
+
+OSWALD. Neen, het was goed dat je al die verkeerde voorstellingen van
+mij hebt afgenomen. En als ik nu dat eene nog maar te boven ben....
+(_gaat op de canape zitten_). Nu gaan we een beetje babbelen, moeder.
+
+MEVR. ALVING. Ja, laat ons dat doen (_zij schuift een makkelijken stoel
+bij de canape en gaat dicht naast hem zitten_).
+
+OSWALD. ... en intusschen komt de zon op. En dan weet je het. En dan heb
+ik niet langer dien angst.
+
+MEVR. ALVING. Wat weet ik dan, zeg je?
+
+OSWALD (_zonder naar haar te luisteren_). Moeder, heb je niet daar
+straks gezegd, dat er niets was wat je niet voor mij doen zoudt, als ik
+het je vroeg?
+
+MEVR. ALVING. Ja, zeker, dat heb ik gezegd!
+
+OSWALD. En blijf je daarbij, moeder?
+
+MEVR. ALVING. Daar kan je op vertrouwen, jij mijn lieve, eenige jongen.
+Ik leef immers voor niets anders dan voor jou alleen.
+
+OSWALD. Ja, ja. Hoor nu eens.... Jij, moeder, hebt een sterke, moedige
+ziel, dat weet ik. Je moet heel rustig blijven zitten, als je het hoort.
+
+MEVR. ALVING. Maar wat is er dan voor vreeselijks...!
+
+OSWALD. Je moet niet gillen, hoor je? Beloof je mij dat? Wij zullen er
+heel kalm over praten. Beloof je mij dat, moeder?
+
+MEVR. ALVING. Ja, ja, ik beloof het je; maar zeg het dan...!
+
+OSWALD. Nou; dan zal ik je zeggen dat die moeheid,... en dat ik er niet
+aan denken kan te werken,... dat dat alles niet mijn eigenlijke ziekte
+is....
+
+MEVR. ALVING. Wat is dan je ziekte?
+
+OSWALD. Mijn ziekte, die ik als erfstuk heb gekregen, die ... (_wijst op
+zijn voorhoofd en voegt er heel zachtjes bij_) zit hier.
+
+MEVR. ALVING (_bijna sprakeloos_). Oswald! neen ... neen!
+
+OSWALD. Niet gillen. Dat kan ik niet verdragen. Ja, moeder, die zit
+daarbinnen en ligt op de loer. En die kan ieder oogenblik uitbreken.
+
+MEVR. ALVING. O, hoe ontzettend...!
+
+OSWALD. Kalm nu maar. Zoo staat het nu met mij....
+
+MEVR. ALVING (_springt op_). Dat is niet waar, Oswald! Dat is
+onmogelijk! Dat kan niet waar zijn!
+
+OSWALD. In Parijs heb ik een aanval gehad. Die ging gauw weer over. Maar
+toen ik hoorde hoe het met mij geweest was, toen kwam er zoo'n razende
+angst over mij; en toen reisde ik naar huis, naar jou toe, zoo gauw ik
+kon.
+
+MEVR. ALVING. Dat is dus die angst...!
+
+OSWALD. Ja, want dat is niet-te-zeggen afschuwelijk, zie je. O, als het
+maar een gewone doodelijke ziekte was geweest ... want ik ben niet zoo
+bang om dood te gaan, al wil ik graag zoo lang mogelijk blijven leven.
+
+MEVR. ALVING. Ja, zeker, Oswald, dat moet je ook.
+
+OSWALD. Maar dat is zoo vreeselijk afschuwelijk om als 't ware weer een
+bakerkind te worden; om gevoed te moeten worden, en.... O,... dat is
+niet te zeggen!
+
+MEVR. ALVING. 't Kind heeft zijn moeder om hem te verzorgen.
+
+OSWALD (_springt op_). Neen, dat nooit; dat is het juist wat ik niet
+wil! Ik kan er niet aan denken dat ik misschien jarenlang zoo zou moeten
+liggen,... en oud en grijs worden. En dan kon jij nog wel voor mij dood
+gaan in dien tijd. (_Gaat in mevrouws stoel zitten_). Want het behoeft
+niet dadelijk doodelijk te zijn, zei de dokter. Hij noemde het een soort
+van hersenverweeking ... of zoo iets. (_glimlacht droevig_). Ik vind dat
+dat zoo mooi klinkt. Ik moet dan altijd denken aan kersroode
+zijfluweelen draperieen,... iets dat zacht is om langs te strijken met
+je hand.
+
+MEVR. ALVING (_roept_). Oswald!
+
+OSWALD (_springt weer op en loopt door de kamer_). En nu heb je mij
+Regine afgenomen...! Had ik haar maar gehad. Zij zou mij wel geholpen
+hebben.
+
+MEVR. ALVING (_gaat naar hem toe_). Wat meen je daarmee, mijn lieveling?
+Is er dan iets ter wereld waarmee ik je niet zou willen helpen?
+
+OSWALD. Toen ik te Parijs weer van dien aanval hersteld was, zei de
+dokter mij, dat als het weer terug kwam ... en het komt terug ... dat er
+dan geen hoop meer was.
+
+MEVR. ALVING. En hij was zoo onbarmhartig om je....
+
+OSWALD. Ik eischte het van hem. Ik zei hem dat ik beschikkingen te maken
+had.... (_glimlacht listig_). En dat had ik ook..., (_haalt een doosje
+uit zijn borstzak_). Moeder, zie je dat?
+
+MEVR. ALVING. Wat is dat?
+
+OSWALD. Morfinepoeders.
+
+MEVR. ALVING (_kijkt hem verschrikt aan_). Oswald,... mijn jongen?
+
+OSWALD. Ik heb twaalf capsules opgespaard.
+
+MEVR. ALVING (_grijpt er naar_). Geef mij dat doosje, Oswald!
+
+OSWALD. Nog niet, moeder, (_hij stopt het weer in zijn zak_).
+
+MEVR. ALVING. Dat overleef ik niet!
+
+OSWALD. Je moet het overleven. Had ik Regine nu maar hier gehad, dan had
+ik haar gezegd hoe het met mij stond ... en haar om dien laatsten dienst
+gevraagd. Zij zou mij wel geholpen hebben; daar ben ik zeker van.
+
+[Illustratie: Mevr. W. Schwab-Welman en de Heer E.P. Erfmann Jr. als
+Mevr. Alving en Oswald in "Spoken" (3e Bedrijf)]
+
+MEVR. ALVING. Nooit.
+
+OSWALD. Als het vreeselijke gekomen was en zij mij hier hulpeloos zag
+liggen, als een klein kind, opgegeven, verloren, hopeloos,... niet meer
+te redden....
+
+MEVR. ALVING. Nooit van haar leven had Regine dat gedaan!
+
+OSWALD. Regine had het wel gedaan. Regine was zoo heerlijk luchthartig.
+En het zou haar ook gauw verveeld hebben zoo'n zieke als ik ben op te
+passen.
+
+MEVR. ALVING. Dan dank ik den Hemel dat Regine er niet meer is!
+
+OSWALD. Ja, nu moet jij mij dus dien dienst bewijzen, moeder.
+
+MEVR. ALVING (_gilt_). Ik!
+
+OSWALD. Wie is er nader aan toe dan jij?
+
+MEVR. ALVING. Ik! Je moeder!
+
+OSWALD. Juist daarom.
+
+MEVR. ALVING. Ik, die je het leven gegeven heb!
+
+OSWALD. Ik heb je niet om dat leven gevraagd! En wat is dat voor een
+leven dat je mij gegeven hebt? Ik wil het niet hebben! Je moet het terug
+nemen!
+
+MEVR. ALVING. Help! Help! (_zij loopt naar de voorkamer_).
+
+OSWALD (_haar achterna_). Loop niet van mij weg! Waar wil je heen?
+
+MEVR. ALVING (_in de voorkamer_). Den dokter voor je halen, Oswald! Laat
+mij er uit!
+
+OSWALD (_ook daar_). Je gaat er niet uit. En hier komt niemand binnen.
+(_Er wordt een sleutel omgedraaid_).
+
+MEVR. ALVING (_komt terug_). Oswald! Oswald,... mijn kind!
+
+OSWALD (_komt achter haar_). En jij wilt zeggen dat je mij als een
+moeder lief hebt ... jij, die mij al dien onzegbaren angst kunt zien
+lijden!
+
+MEVR. ALVING. (_Na een oogenblik stilte, zegt met groote
+zelfbeheersching_). Hier heb je mijn hand er op.
+
+OSWALD. Wil je...?
+
+MEVR. ALVING. Als het noodig mocht worden. Maar het zal niet noodig
+zijn. Neen, neen, dat zal 't nooit worden!
+
+OSWALD. Ja, laat ons dat hopen. En laat ons zoo lang bij elkaar blijven
+als we kunnen. Dankje, moeder.
+
+(_Hij gaat in den grooten stoel zitten dien mevr. bij de canape
+geschoven heeft. De dag komt aan; de lamp blijft branden op de tafel_).
+
+MEVR. ALVING (_komt voorzichtig bij hem_). Voel je je nu rustig?
+
+OSWALD. Ja.
+
+MEVR. ALVING (_over hem heengebogen_). Dat is een vreeselijke
+voorstelling van je geweest, Oswald. Niets dan verbeelding. Al die
+emoties heb je niet kunnen verdragen. Maar nu moet je uitrusten, thuis
+bij je eigen moeder, jij mijn hartekind! Alles waar je maar naar wijst,
+zal je hebben, net als toen je een klein kindje was.... Ziezoo. Nu is de
+aanval voorbij. Zie je wel, hoe gemakkelijk het over ging? O, dat wist
+ik ook wel.... En kijk eens, Oswald, wat een mooien dag wij krijgen?
+Heerlijke zonneschijn! Nu kan je je land pas goed zien. (_Zij gaat naar
+de tafel en draait de lamp uit. Zonsopgang. De gletscher en de
+bergtoppen op den achtergrond liggen in het stralende morgenlicht_).
+
+OSWALD (_zit in den stoel met zijn rug naar den achtergrond, zonder zich
+te bewegen. Plotseling zegt hij_): Moeder, geef mij de zon.
+
+MEVR. ALVING (_bij de tafel ziet hem verschrikt aan_). Wat zeg je?
+
+OSWALD (_herhaalt dof en toonloos_). De zon. De zon.
+
+MEVR. ALVING (_vlakbij hem_). Oswald, hoe is het met je?
+
+OSWALD (_schijnt in den stoel in elkaar te zakken; alle spieren worden
+slap; zijn gezicht verliest alle uitdrukking; de oogen staren wezenloos
+voor zich uit_).
+
+MEVR. ALVING (_bevend van angst_). Wat is dat (_gilt_) Oswald! Wat is
+er! (_valt op de knieen bij hem neer en schudt hem_) Oswald! Oswald!
+Kijk me aan! Ken je mij niet?
+
+OSWALD (_toonloos als voren_). De zon. De zon.
+
+MEVR. ALVING (_springt wanhopig op, grijpt met beide handen in haar
+haren en roept_): Dat kan ik niet dragen! (_fluistert als verstijfd van
+schrik_). Dat kan ik niet dragen! Nooit! (_plotseling_). Waar heeft hij
+ze gelaten? (_voelt pijlsnel op zijn borst_). Hier! (_wijkt een paar
+stappen terug en gilt_). Neen, neen! (_zij staat een paar passen van hem
+af, de handen in het haar en staart hem in sprakelooze ontzetting aan_).
+
+OSWALD (_zit onbeweeglijk als te voren en zegt_) De zon. De zon.
+
+
+EINDE VAN HET DERDE OF LAATSTE BEDRIJF.
+
+
+ * * * * *
+
+
+EEN VIJAND DES VOLKS
+
+TOONEELSPEL IN VIJF BEDRIJVEN
+
+
+ * * * * *
+
+
+PERSONEN:
+
+ DOKTER THOMAS STOCKMANN, baddokter.
+ MEVROUW STOCKMANN, zijn vrouw.
+ PETRA, hunne dochter, onderwijzeres.
+ EJLIF en MORTEN, hun zonen, dertien en tien jaar oud.
+ PETER STOCKMANN, oudere broeder van den dokter,
+ burgemeester, hoofd van de politie en president van het
+ Bestuur der Badinrichting, enz.
+ MORTEN KUL, leerlooier, pleegvader van Mevr. Stockmann.
+ HOVSTAD, redacteur van de "Volksbode".
+ BILLING, medewerker aan dat blad.
+ HORSTER, scheepskapitein.
+ ASLAKSEN, boekdrukker.
+
+ Het stuk speelt in een kustplaats in Zuidelijk Noorwegen.
+
+ * * * * *
+
+
+EERSTE BEDRIJF.
+
+ De huiskamer van den dokter. Het is avond. De kamer is netjes maar
+ heel eenvoudig ingericht en gemeubileerd. In den zijwand rechts
+ zijn twee deuren, waarvan de achterste naar de voorkamer leidt en
+ de voorste naar de werkkamer van den dokter. In den
+ tegenovergestelden wand, vlak tegenover de deur naar de voorkamer,
+ is een deur die naar de overige vertrekken van het gezin leidt.
+ Midden in dien zelfden wand staat de kachel, en meer op den
+ voorgrond een canape, met een spiegel er boven en een ovale tafel
+ met kleed, er voor. Op de tafel een brandende lamp met kap. Op den
+ achtergrond een open deur naar de eetkamer. Daarbinnen is gedekt
+ voor het avondeten; lamp op tafel.
+
+ Billing zit in de eetkamer met een servet onder zijn kin. Mevr.
+ Stockmann staat bij de tafel en reikt hem een schotel aan met een
+ groot stuk gebraden vleesch. De overige plaatsen om de tafel zijn
+ onbezet; op de tafel staat alles in wanorde als na het einde van
+ een maaltijd.
+
+ * * * * *
+
+MEVR. STOCKMANN. Ja, als u een uur te laat komt, mijnheer Billing, moet
+u tevreden zijn met koud eten.
+
+BILLING (_etend_). Het smaakt uitstekend,... heerlijk zelfs.
+
+MEVR. STOCKMANN. U weet wel dat Stockmann erg precies is op zijn
+etensuren....
+
+BILLING. Dat kan mij heelemaal niet schelen. Ik geloof haast dat het nog
+beter smaakt als ik zoo heel alleen en ongestoord eten kan.
+
+MEVR. STOCKMANN. Nu, goed; als 't u maar smaakt, dan.... (_luistert naar
+de voorkamer_) Daar komt Hovstad zeker ook.
+
+BILLING. Misschien wel.
+
+(_Burgemeester Stockmann komt binnen, in overjas en met zijn uniformpet
+op; zijn stok in de hand_).
+
+BURGEM. STOCKMANN. Goeden avond, waarde schoonzuster.
+
+MEVR. STOCKMANN (_gaat naar de huiskamer_). Kijk eens aan, is u daar?
+Goeden avond. Dat is aardig van u dat u eens bij ons komt.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ik kwam juist voorbij en toen.... (_met een blik naar
+de eetkamer_) O, maar u heeft bezoek, naar 't schijnt.
+
+MEVR. STOCKMANN (_een beetje verlegen_). O, neen, volstrekt niet, dat is
+maar toevallig (_snel_). Wil u niet ook een stukje mee eten?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ik! Dank u wel; Godbewaarme warm eten 's avonds; dat
+gedoogt mijn spijsvertering niet.
+
+MEVR. STOCKMANN. O, maar, voor een enkelen keer....
+
+BURGEM. STOCKMANN. Neen, neen, dank je wel. Ik hou me aan een kopje thee
+en een boterhammetje. Dat is toch gezonder op den duur,... en ook wel
+wat goedkooper.
+
+MEVR. STOCKMANN (_glimlacht_). U moet niet denken dat Thomas en ik het
+ook zoo over den balk gooien.
+
+BURGEM. STOCKMANN. U niet, schoonzuster; dat zij verre van mij (_wijst
+naar de werkkamer van den dokter_). Is hij soms niet thuis?
+
+MEVR. STOCKMANN. Neen, hij is nog een eindje omgegaan na het eten ...
+hij en de jongens.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Of dat nu wel gezond is? (_luistert_). Daar komt hij
+geloof ik.
+
+MEVR. STOCKMANN. Neen, dat zal hij nog niet zijn (_er wordt geklopt_).
+Binnen! (_Hovstad komt uit de voorkamer_).
+
+MEVR. STOCKMANN. O, is u dat, mijnheer Hovstad...?
+
+HOVSTAD. Ja, ik maak u mijn excuses; maar ik werd opgehouden in de
+drukkerij. Goeden avond, burgemeester.
+
+BURGEM. STOCKMANN (_groet een beetje stijf_). Mijnheer Hovstad. U komt
+zeker voor zaken.
+
+HOVSTAD. Gedeeltelijk. 't Is voor iets dat in ons blad komen moet.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Dat kan ik mij voorstellen. Mijn broer moet een
+bizonder vruchtbaar medewerker van de "Volksbode" zijn, naar ik hoor.
+
+HOVSTAD. Ja, hij permitteert zich in de "Volksbode" te schrijven,
+wanneer hij over het een of ander de waarheid zeggen wil.
+
+MEVR. STOCKMANN (_tegen Hovstad_). Maar wil u niet...? (_wijst naar de
+eetkamer_).
+
+BURGEM. STOCKMANN. O, ik neem het hem volstrekt niet kwalijk, dat hij
+schrijft voor den kring van lezers bij wie hij de meeste instemming kan
+verwachten. Overigens heb ik persoonlijk geen reden om iets tegen uw
+blad te hebben, mijnheer Hovstad.
+
+HOVSTAD. Neen, dat dunkt mij ook.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Over het geheel genomen heerscht er een mooie geest
+van verdraagzaamheid in onze stad;... een waarlijk goede
+gemeenschapsgeest. En dat komt daar vandaan dat wij ons om een groot
+algemeen belang vereenigen kunnen,... een belang dat in gelijke mate
+alle rechtschapen burgers aangaat....
+
+HOVSTAD. De badinrichting, ja.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Juist. Wij hebben allen onze groote, nieuwe,
+prachtige badinrichting. Let op! De baden worden hier nog de voornaamste
+bron van inkomsten voor de stad, mijnheer Hovstad. Zonder eenigen
+twijfel!
+
+MEVR. STOCKMANN. Dat zegt Thomas ook.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Wat is de plaats niet reusachtig vooruitgegaan deze
+laatste paar jaren! Er is geld onder de menschen gekomen; leven en
+beweging. Gebouwen en grondeigendommen stijgen iederen dag in waarde.
+
+HOVSTAD. En de werkeloosheid vermindert.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Dat ook, ja. De armenlasten zijn voor de bezittende
+klasse in verblijdende mate verminderd, en dat zal nog beter worden, als
+wij dit jaar maar een mooien zomer krijgen;... een massa vreemdelingen
+en veel zieken waardoor de inrichting bekend wordt....
+
+HOVSTAD. En daar is wel uitzicht op, hoor ik.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Het ziet er veelbelovend uit. Iederen dag komen er al
+aanvragen om woningen en zoo al meer.
+
+HOVSTAD. Nu, dan komt het artikel van den dokter juist van pas.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Heeft hij nu weer wat geschreven?
+
+HOVSTAD. Het is iets dat hij verleden winter al schreef; een aanbeveling
+van de badinrichting, een uiteenzetting van den gunstigen
+gezondheidstoestand hier bij ons. Maar toen liet ik het stuk liggen.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Aha, dan was er zeker het een of ander niet in den
+haak?
+
+HOVSTAD. Neen, dat niet; maar ik hield het voor beter er mee te wachten
+tot 't voorjaar; want nu beginnen de menschen voorbereidselen te maken
+en te denken over een zomerverblijf....
+
+BURGEM. STOCKMANN. Zeer juist; buitengewoon juist gezien, mijnheer.
+
+MEVR. STOCKMANN. Ja, Thomas is waarlijk onvermoeid waar het de
+badinrichting betreft.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Nu ja, hij is er dan ook bij aangesteld.
+
+HOVSTAD. Ja, en dan is hij het toch ook, die er den eersten stoot aan
+heeft gegeven.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Is _hij_ dat? Zoo? Ja, ik hoor wel eens meer dat
+sommige menschen dat denken. Maar ik geloof toch wel dat _ik_ ook voor
+een bescheiden deel in die zaak betrokken was.
+
+MEVR. STOCKMANN. Ja zeker; dat zegt Thomas ook altijd.
+
+HOVSTAD. Maar wie ontkent dat dan, burgemeester? U heeft de zaak op gang
+geholpen en praktisch uitgevoerd; dat weten wij immers allemaal. Ik
+bedoelde alleen maar dat het idee oorspronkelijk van den dokter kwam.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ja, idees heeft mijn broer zeker genoeg gehad, zijn
+leven lang ... helaas. Maar als er iets uitgevoerd moet worden is er een
+ander slag van mannen noodig, mijnheer Hovstad. En ik dacht eigenlijk
+dat men allerminst hier in huis....
+
+MEVR. STOCKMANN. Maar waarde zwager....
+
+HOVSTAD. Maar hoe kan burgemeester toch....
+
+MEVR. STOCKMANN. Ga u toch binnen om wat te gebruiken, mijnheer Hovstad;
+mijn man zal in dien tusschentijd wel komen.
+
+HOVSTAD. Dank u; een klein stukje wil ik wel.... (_gaat in de
+eetkamer_).
+
+BURGEM. STOCKMANN (_gedempt_). 't Is toch vreemd met die lui die zoo
+regelrecht van boeren afstammen ... nooit kunnen zij die takteloosheid
+afleeren....
+
+MEVR. STOCKMANN. Maar dat is toch niet de moeite waard om er over te
+denken? Kan u met Thomas die eer niet broederlijk deelen?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ja, dat zou je zoo zeggen; maar blijkbaar neemt niet
+iedereen genoegen met deelen.
+
+MEVR. STOCKMANN. Och onzin! U en Thomas kunnen immers zoo uitstekend
+samen overweg (_luistert_). Daar komt hij, geloof ik (_gaat de deur van
+de voorkamer opendoen_).
+
+DR. STOCKMANN (_lacht en stommelt_). Kijk eens Katrine, hier krijg je
+nog een gast. Jolig, he? Alsjeblieft, kapitein Horster; hang uw jas maar
+aan den kapstok. O zoo, draagt u geen overjas? Verbeeld je, ik heb hem
+op straat opgevangen; hij was haast niet mee te krijgen.
+
+KAPITEIN HORSTER (_komt binnen en begroet mevr. Stockmann_).
+
+DR. STOCKMANN (_in de deur_). Naar binnen, jongens! Zeg, die rammelen
+alweer van den honger! Kom hier, kapitein, nu zal u eens een lekker
+stukje vleesch proeven.... (_hij drijft Horster de eetkamer in. Ejlif en
+Morten gaan die ook binnen_).
+
+MEVR. STOCKMANN. Maar Thomas, zie je dan niet...?
+
+DR. STOCKMANN (_wendt zich om in de deur_). O, ben jij daar Peter!
+(_gaat hem de hand reiken_). Dat is alleraardigst.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ja, maar ik moet helaas terstond weer weg.
+
+DR. STOCKMANN. Praatjes! Aanstonds komt de grog op tafel. Je vergeet
+toch de grog niet, Katrine?
+
+MEVR. STOCKMANN. Neen, zeker niet; het water kookt al (_af in de
+eetkamer_).
+
+BURGEM. STOCKMANN. Grog ook al!...
+
+DR. STOCKMANN. Ja. Ga nu toch zitten, dan maken wij het hier gezellig.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Dank je, neen; ik doe nooit mee aan grog-fuiven.
+
+DR. STOCKMANN. Nu maar dit is toch geen fuif.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Mij lijkt het toch zoo.... (_kijkt naar de
+eetkamer_). Het is merkwaardig wat die allemaal verslinden kunnen.
+
+DR. STOCKMANN (_wrijft zich de handen_). Ja, is dat geen genot om jonge
+menschen te zien eten? Altijd eetlust, wat? Zoo moet het ook zijn. Eten
+moeten ze. Krachten opdoen! Zij zijn de menschen die de gistende
+toekomststoffen zullen omwoelen, Peter.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Mag ik vragen wat hier "om te woelen" is, zooals je
+je uitdrukt?
+
+DR. STOCKMANN. Ja, daar moet je de jeugd maar naar vragen ... als de
+tijd daar is. Wij zien dat natuurlijk niet meer. Dat spreekt. Twee oude
+knullen, zooals jij en ik....
+
+BURGEM. STOCKMANN. Nou, nou, zeg! Dat is toch een heel zonderlinge
+benaming....
+
+DR. STOCKMANN. Ja, je moet 't maar zoo nauw niet met me nemen, Peter.
+Want ik ben zoo innig blij en in mijn schik, moet ik je zeggen. Ik voel
+me zoo onbeschrijflijk gelukkig midden in dit kiemende, uitbottende
+leven. Wat een heerlijke tijd is het toch waarin wij leven. Het is of er
+een heele nieuwe wereld rondom ons aan het opbloeien is.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Vindt je dat waarlijk?
+
+DR. STOCKMANN. Jij kunt dat natuurlijk niet zoo zien als ik. Jij hebt je
+heele leven hier met dat alles meegeleefd; en dan stompt de indruk af.
+Maar ik die daar in mijn uithoek in het Noorden moest zitten al die
+jaren, haast nooit een vreemde zag die een opwekkend woord voor mij
+had,... op mij werkt dat alsof ik plotseling in het drukke leven van een
+wereldstad ben verplaatst.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Hm,... een wereldstad....
+
+DR. STOCKMANN. Ja, ik weet wel dat de verhoudingen hier klein zijn in
+vergelijking met vele andere plaatsen. Maar hier is leven, belofte voor
+de toekomst, een aantal dingen om voor te werken en te strijden; en dat
+is de hoofdzaak (_roept_): Katrine, is de brievenbesteller er niet
+geweest?
+
+MEVR. STOCKMANN. Neen, er is niemand geweest.
+
+DR. STOCKMANN. En dan het goede leven hier, Peter! Dat is iets dat
+iemand leert waardeeren, als je, zooals wij, nagenoeg honger geleden
+hebt....
+
+BURGEM. STOCKMANN. Lieve hemel!...
+
+DR. STOCKMANN. Ja, ja, je kunt je wel begrijpen dat wij het menigmaal
+benauwd hadden, daar in het hooge Noorden. En nu als een heer te kunnen
+leven! Vandaag, bijvoorbeeld, hebben wij gebraden rundvleesch op tafel
+gehad; ja wij hebben er zelfs van avond ook nog van. Wil je niet eens
+een stukje proeven? Of zal ik het je ten minste even laten zien? Kom
+eens hier....
+
+BURGEM. STOCKMANN. Neen, neen, dank je, stellig niet....
+
+DR. STOCKMANN. Nou, kom dan toch maar eens hier. Kijk, wij hebben een
+tafelkleed gekregen.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ja dat heb ik gezien.
+
+DR. STOCKMANN. En een lampekap hebben we ook. Zie je? Dat heeft Katrine
+allemaal van gespaard geld aangeschaft. En dat maakt de kamer zoo
+gezellig. Vind je ook niet? Ga hier eens staan;... neen, neen, niet zoo.
+Zoo, ja? Zie je, als het licht er zoo geconcentreerd op valt.... Ik vind
+heusch dat het elegant staat. He?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ja, als men zich die weelde veroorloven kan....
+
+DR. STOCKMANN. O ja, nu kan ik mij die wel veroorloven; Katrine zegt dat
+ik bijna zoo veel verdien als wij noodig hebben.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Bijna, ja...!
+
+DR. STOCKMANN. Maar een man van de wetenschap dient toch ook een beetje
+voornaam te leven. Ik ben er zeker van dat een gewoon lid van het
+gemeentebestuur veel meer verteert in een jaar dan ik.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ja, dat geloof ik graag! Een lid van het
+gemeentebestuur, een overheidspersoon!...
+
+DR. STOCKMANN. Nou, dan een gewoon groothandelaar! Zoo een verteert wel
+ik weet niet hoeveel maal zooveel als ik.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ja, dat brengt hun positie nu zoo mee.
+
+DR. STOCKMANN. Overigens doe ik heelemaal geen onnoodige uitgaven,
+Peter! Maar ik kan mij toch niet het groote genoegen ontzeggen om
+menschen bij mij te zien. Dat heb ik noodig, zie je. Ik, die zoolang in
+verbanning geleefd heb;... voor mij is het een levensbehoefte om met
+jonge, frissche, moedige jonge menschen, vrijzinnige, ondernemende jonge
+menschen;... en dat zijn ze, die allemaal, die daarbinnen zoo lekker
+zitten te eten. Ik wou dat je Hovstad wat nader leerde kennen....
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ja, Hovstad ... dat is waar, hij vertelde mij, dat
+hij weer een artikel van je zou opnemen in zijn courant.
+
+DR. STOCKMANN. Een artikel van mij?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ja, over de badinrichting. Een artikel dat je van den
+winter al geschreven hadt.
+
+DR. STOCKMANN. O dat, ja!... Neen, maar dat wil ik nu vooreerst niet
+geplaatst hebben.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Niet? Ik vind toch dat het juist nu de beste tijd er
+voor is.
+
+DR. STOCKMANN. Ja, daar kan je wel gelijk in hebben, in gewone
+omstandigheden.... (_loopt door de kamer_)
+
+BURGEM. STOCKMANN (_volgt hem met de oogen_). Wat zijn er dan nu voor
+ongewone omstandigheden?
+
+DR. STOCKMANN (_blijft staan_). Ja, Peter, dat kan ik je op het
+oogenblik heusch nog niet zeggen, in elk geval van avond niet. Misschien
+is er heel veel ongewoons in de omstandigheden, of misschien ook
+heelemaal niets. Het kan heel goed zijn dat het maar verbeelding is.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ik moet bekennen dat dit uiterst raadselachtig
+klinkt. Is er iets aan de hand? Iets waar ik buiten gehouden moet
+worden? Ik zou toch meenen, dat ik, als president van het bestuur der
+badinrichting....
+
+DR. STOCKMANN. En ik zou toch meenen dat ik ... neen, laten we elkaar
+niet in het haar vliegen, Peter.
+
+BURGEM. STOCKMANN. De Hemel bewaar me; 't is mijn gewoonte niet om
+iemand in het haar te vliegen, zooals je zegt. Maar ik moet er heel
+beslist op aandringen dat alle maatregelen langs officieelen weg en door
+de wettig daarvoor aangestelde machten behandeld worden. Ik kan niet
+toestaan dat men langs kronkelpaden of achterwegen gaat.
+
+DR. STOCKMANN. Ben _ik_ gewoon langs kronkelpaden of achterwegen te
+gaan?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Je hebt in elk geval een ingeboren neiging om je
+_eigen_ weg te gaan. En dat is in een goed geregelde maatschappij al
+haast evenmin toe te laten.... De eenling moet zich volstrekt aan de
+meerderheid onderwerpen of, juister gezegd, aan de gestelde machten die
+te waken hebben over het algemeen welzijn.
+
+DR. STOCKMANN. Dat mag waar zijn. Maar wat drommel gaat mij dat aan?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Omdat je dat maar nooit schijnt te kunnen leeren,
+mijn goede Thomas. Maar pas op; je zult daar nog eens leergeld voor
+moeten betalen; vroeg of laat. Nu, ik heb je gewaarschuwd. Adieu.
+
+DR. STOCKMANN. Maar ben je nu stapelgek? Je bent het spoor heelemaal
+bijster....
+
+BURGEM. STOCKMANN. Dat overkomt mij toch anders niet dikwijls. Overigens
+moet ik je verzoeken.... (_groet naar de eetkamer_). Adieu, Katrine.
+Adieu, heeren (_gaat weg_).
+
+MEVR. STOCKMANN (_komt in de huiskamer_). Is hij weg?
+
+DR. STOCKMANN. Ja, zeg; en zoo nijdig als een spin.
+
+MEVR. STOCKMANN. Maar, Thomas-lief, wat heb je hem dan nu weer gedaan?
+
+DR. STOCKMANN. Niemendal. Hij kan toch niet verlangen dat ik hem
+rekenschap zal afleggen voor de tijd daar is.
+
+MEVR. STOCKMANN. Waarvan moest je hem rekenschap geven?
+
+DR. STOCKMANN. Hm; niet naar vragen, Katrine.... Vreemd dat de post nog
+niet komt.
+
+(_Hovstad, Billing en Horster zijn van tafel opgestaan en komen in de
+huiskamer. Ejlif en Morten komen even daarna_).
+
+BILLING (_rekt zich uit_). He, na zoo'n souper voel je je goddome een
+ander mensch.
+
+HOVSTAD. De burgemeester was niet erg in zijn knollen-tuin vandaag.
+
+DR. STOCKMANN. Dat komt van zijn maag. Hij lijdt aan slechte
+spijsvertering.
+
+HOVSTAD. Ik denk dat voornamelijk wij, van de "Volksbode", hem wat zwaar
+in de maag liggen.
+
+MEVR. STOCKMANN. U is er toch nog al goed afgekomen bij hem, dunkt me.
+
+HOVSTAD. O jawel, maar dat is maar een soort van wapenstilstand.
+
+BILLING. Dat is het! Dat woord teekent den toestand.
+
+DR. STOCKMANN. Wij moeten bedenken dat Peter een eenzaam levend mensch
+is, de stakkerd! Hij heeft geen eigen thuis waar hij het gezellig hebben
+kan; hij heeft altijd maar zaken, zaken. En al die verdomde slappe thee,
+waar hij zich mee vol giet. Komt jongens, schuift toch stoelen bij de
+tafel! Katrine, krijgen we nu de grog?
+
+MEVR. STOCKMANN (_naar de eetkamer gaande_). Ik zal ze je dadelijk
+geven.
+
+DR. STOCKMANN. En gaat u nu op de canape zitten, kapitein. Een zeldzame
+gast als u.... Alsjeblieft, neemt plaats, vrienden.
+
+(_De heeren gaan om de tafel zitten. Mevr. Stockmann brengt een blad met
+een bouilloir, glazen, karaffen enz_).
+
+MEVR. STOCKMANN. Ziedaar; hier is arak, en dit is rhum; en hier staat
+cognac. Nu moet ieder zich zelf maar bedienen.
+
+DR. STOCKMANN (_neemt een glas_). Ja, dat zullen we hebben (_terwijl de
+grog gemengd wordt_). En dan de sigaren. Ejlif, jij weet wel waar het
+kistje staat. En jij, Morten, moest mijn pijp eens halen (_de jongens
+gaan in de kamer rechts_). Ik verdenk Ejlif dat hij wel eens een sigaar
+kaapt nu en dan, maar ik doe alsof ik niets merk (_roept_). En ook mijn
+kalotje, Morten! Katrine, kan jij hem niet eens zeggen waar ik het heb
+neergelegd. O, hij heeft het al! (_de jongens brengen het verlangde_).
+Asjeblieft, vrienden. Ik hou mij bij mijn pijp zooals je weet. Die heeft
+al heel wat tochten in stormweer met mij meegemaakt, daarginder in 't
+Noorden (_klinkt_). Op je welzijn! Jongens, het is toch heel wat beter
+om hier warm en rustig te zitten, hoor!
+
+MEVR. STOCKMANN (_breiend_). Zeilt u al gauw weer uit, kapitein?
+
+HORSTER. In de volgende week denk ik hier klaar te komen.
+
+MEVR. STOCKMANN. En dan gaat u immers naar Amerika?
+
+HORSTER. Ja, dat is het plan.
+
+BILLING. Maar dan kan u niet meedoen aan de nieuwe verkiezingen.
+
+HORSTER. Zijn hier dan nieuwe verkiezingen aanstaande?
+
+BILLING. Weet u dat niet?
+
+HORSTER. Neen, ik bemoei mij niet met die dingen.
+
+BILLING. Maar u stelt toch belang in de publieke zaak?
+
+HORSTER. Neen, daar heb ik geen verstand van.
+
+BILLING. Enfin; maar iemand moet toch in elk geval stemmen.
+
+HORSTER. Die er niets van begrijpen ook?
+
+BILLING. Er niets van begrijpen? Wat meent u daar eigenlijk mee? De
+maatschappij is als een schip; alle mannen moeten meehelpen aan het
+roer.
+
+HORSTER. Dat kan misschien goed zijn aan land; maar aan boord zou dat
+niet best gaan.
+
+HOVSTAD. 't Is vreemd dat de meeste zeelui zich zoo weinig interesseeren
+voor de zaken aan land.
+
+BILLING. Heel merkwaardig.
+
+DR. STOCKMANN. Zeelui zijn als trekvogels; die voelen zich zoowel in het
+zuiden als in het noorden thuis. Maar daarom moeten wij hier zooveel te
+meer doen, mijnheer Hovstad. Komt er morgen iets van algemeen belang in
+de "Volksbode"?
+
+HOVSTAD. Niets over plaatselijke aangelegenheden. Maar overmorgen dacht
+ik uw artikel te plaatsen....
+
+DR. STOCKMANN. Ja, bliksems, dat artikel! Neen, hoor, daar moet u nog
+mee wachten.
+
+HOVSTAD. Zoo? Wij hebben er nu net zoo goed plaats voor, en mij dunkt
+het is nu juist de gunstigste tijd....
+
+DR. STOCKMANN. Jawel, dat kan wel waar zijn; maar u moet er toch mee
+wachten. Ik zal u later wel ophelderen....
+
+(_Petra, met hoed en mantel en een pak schriften onder haar arm, komt
+uit de voorkamer_).
+
+PETRA. Goeden avond.
+
+DR. STOCKMANN. Goeden avond, Petra, ben je daar? (_wederzijdsche
+begroetingen; Petra legt hoed en mantel op een stoel bij de deur_).
+
+PETRA. En daar zitten ze zich hier maar te goed te doen, terwijl ik mij
+buiten afbeul!
+
+DR. STOCKMANN. Nou, doe jij je dan ook maar eens te goed.
+
+BILLING. Zal ik u een glaasje klaar maken?
+
+PETRA (_gaat naar de tafel_), Dank u; dat doe ik liever zelf; u maakt
+het altijd veel te sterk. Maar 't is waar ook, vader, ik heb een brief
+voor je (_gaat naar den stoel waar haar hoed ligt_).
+
+DR. STOCKMANN. Een brief? Van wie?
+
+PETRA (_zoekt in den zak van haar mantel_). De brievenbesteller gaf hem
+mij juist toen ik uit ging....
+
+DR. STOCKMANN (_staat op en gaat naar haar toe_). En breng je mij dien
+nu pas!
+
+PETRA. Ik had heusch geen tijd om er weer mee terug te gaan.
+Alsjeblieft.
+
+DR. STOCKMANN (_grijpt den brief_). Laat zien, laat zien, kind! (_kijkt
+naar het adres_). Ja juist, juist...!
+
+MEVR. STOCKMANN. Is het dat waar je zoo lang op gewacht hebt, Thomas?
+
+DR. STOCKMANN. Ja juist; nu moet ik dadelijk naar mijn kamer.... Waar
+vind ik een licht, Katrine? Er is al weer geen lamp in mijn kamer!
+
+MEVR. STOCKMANN. Jawel, de lamp staat aangestoken op je schrijftafel.
+
+DR. STOCKMANN. Goed; best. Excuseert mij een oogenblik.... (_gaat in
+zijn kamer rechts_).
+
+PETRA. Wat zou dat kunnen zijn, moeder?
+
+MEVR. STOCKMANN. Ik weet 't niet; in de laatste dagen heeft hij zoo
+dikwijls naar den brievenbesteller gevraagd.
+
+BILLING. Vermoedelijk een patient buiten de stad.
+
+PETRA. Arme vader; hij krijgt haast al te veel te doen (_maakt een glas
+grog klaar_). He, dat zal smaken!
+
+HOVSTAD. Heeft u van daag ook les gegeven in de avondschool?
+
+PETRA (_proeft van haar grog_). Twee uur.
+
+BILLING. En in den voormiddag vier uur in het instituut....
+
+PETRA (_gaat bij de tafel zitten_). Vijf uur.
+
+MEVR. STOCKMANN. En van avond heb je nog schriften te corrigeeren, zie
+ik.
+
+PETRA. Ja, een heele vracht.
+
+HORSTER. U heeft ook heel wat te doen, naar 't schijnt.
+
+PETRA. Ja, maar dat is heerlijk. Dan ben je naderhand zoo verrukkelijk
+moe.
+
+BILLING. Vindt u dat heerlijk?
+
+PETRA. Ja; dan slaap je zoo lekker.
+
+MORTEN. Zeg, Petra, jij moet wel erg zondig zijn.
+
+PETRA. Zondig?
+
+MORTEN. Ja, als je zooveel werkt. Mijnheer Roerlund zegt dat werken een
+straf is voor onze zonden.
+
+EJLIF (_fluit_). Poeh! Wat ben jij dom om zoo iets te gelooven.
+
+MEVR. STOCKMANN. Nou, nou, Ejlif!
+
+BILLING (_lacht_). Neen, die is prachtig!
+
+HOVSTAD. Zou jij niet graag zooveel willen werken, Morten?
+
+MORTEN. Neen, daar heb ik niks geen lust in.
+
+HOVSTAD. Ja, maar, wat wil je dan worden mettertijd?
+
+MORTEN. _Ik_ zou 't liefst viking worden.
+
+EJLIF. Maar dan zou je toch een heiden moeten zijn.
+
+MORTEN. Nou, dan zou ik een heiden kunnen worden.
+
+BILLING. Dat ben ik met je eens, Morten. Dat is net wat ik ook zeg.
+
+MEVR. STOCKMANN (_maakt teekens_). Welneen, mijnheer Billing, dat meent
+u niet.
+
+BILLING. Jawel, goddome...! Ik ben een heiden, en daar ben ik trotsch
+op. Let u maar eens op, binnen kort worden wij allemaal heidenen.
+
+MORTEN. En mogen we dan alles doen wat we willen?
+
+BILLING. Ja, kijk eens, Morten....
+
+MEVR. STOCKMANN. Kom jongens, vooruit, naar binnen. Je hebt zeker nog
+wel schoolwerk te maken voor morgen.
+
+EJLIF. _Ik_ kon toch nog best een beetje hier blijven....
+
+MEVR. STOCKMANN. Neen, jij ook niet. Gaat nu allebei weg.
+
+(_De jongens zeggen goeden nacht en gaan de kamer links binnen_).
+
+HOVSTAD. Gelooft u heusch dat het niet goed is voor de jongens dat ze
+zulke dingen hooren?
+
+MEVR. STOCKMANN. Och, ik weet het niet; maar ik heb het niet graag.
+
+PETRA. Ja maar, moeder, dat lijkt mij toch heel verkeerd.
+
+MEVR. STOCKMANN. Ja, dat kan nu wel zijn; maar ik heb het niet graag;
+niet hier in huis.
+
+PETRA. Er is zooveel onwaarheid in huis en op school. Thuis moet er
+gezwegen worden en op school moeten we de kinderen wat voorliegen.
+
+HORSTER. Wat voorliegen?
+
+PETRA. Ja, denkt u niet dat wij met heel wat voor den dag moeten komen,
+waar wij zelf niets van gelooven?
+
+BILLING. Ja, dat is maar al te waar.
+
+PETRA. Had ik er het geld maar voor, dan zou ik zelf een school beginnen
+en daar zou het anders toegaan.
+
+BILLING. Och wat, geld....
+
+HORSTER. Ja, als u daarover denkt, juffrouw Stockmann, dan kan ik u wel
+aan een lokaal helpen. Het groote oude huis van mijn overleden vader
+staat zoo goed als leeg; daar is beneden een heel groote eetzaal....
+
+PETRA (_lacht_). O, dank u, het is heel vriendelijk van u; maar daar
+komt toch niets van.
+
+HOVSTAD. Welneen, juffrouw Petra zal wel overgaan tot de journalistiek,
+denk ik. O ja, dat 's waar ... heeft u al tijd gehad om dat Engelsche
+verhaal eens in te kijken dat u voor ons vertalen zou?
+
+PETRA. Neen, nog niet; maar u zal het heusch op tijd hebben.
+
+(_Dr. Stockmann komt uit zijn kamer met den geopenden brief in de
+hand_).
+
+Dr. Stockmann (_zwaait met den brief_). Hoort eens hier ... nu zal de
+stad wat nieuws te hooren krijgen.
+
+BILLING. Nieuws?
+
+MEVR. STOCKMANN. Wat is dat voor nieuws?
+
+DR. STOCKMANN. Een groote ontdekking, Katrine!
+
+HOVSTAD. Zoo?
+
+MEVR. STOCKMANN. Die jij gedaan hebt?
+
+DR. STOCKMANN. Ja, ik zelf (_loopt heen en weer_). Laat ze nu maar komen
+en zeggen, zooals gewoonlijk, dat het hersenschimmen en inbeeldingen
+zijn van een gek! Maar ze zullen het wel laten! Haha! ze zullen het wel
+uit hun hart laten, zeg ik.
+
+PETRA. Maar vader, zeg dan eens wat het is?
+
+DR. STOCKMANN. Jawel, laat me maar den tijd, dan zal jullie allemaal het
+weten. Had ik Peter nu maar eens hier! Nu kan je eens zien, hoe wij
+menschen hier rondloopen en oordeelen als blinde mollen....
+
+HOVSTAD. Wat bedoelt u daarmee, dokter?
+
+DR. STOCKMANN (_blijft bij de tafel staan_). Is het niet de algemeene
+opinie dat onze stad een gezond plekje is?
+
+HOVSTAD. Ja, natuurlijk.
+
+DR. STOCKMANN. Een heel buitengewoon gezond plekje zelfs,... een plekje
+dat verdient heel warm aanbevolen te worden zoowel voor zieke als
+gezonde menschen....
+
+MEVR. STOCKMANN. Ja maar, Thomas-lief....
+
+DR. STOCKMANN. En aanbevolen en aangeprezen hebben wij het dan ook.
+Ik heb er herhaaldelijk over geschreven zoowel in de "Volksbode" als in
+vlugschriften.
+
+HOVSTAD. Jawel ... en?
+
+DR. STOCKMANN. Die badinrichting, die men de slagader der stad en de
+levenszenuw der stad en ... de duivel weet wat al meer noemt....
+
+BILLING. "Het kloppende hart van de stad" heb ik mij eens in een
+feestelijk moment veroorloofd te....
+
+DR. STOCKMANN. O ja, dat ook al. Maar weet u nu wat die in werkelijkheid
+is, die groote, prachtige, veelgeprezen badgelegenheid, die zooveel geld
+gekost heeft ... weet u wat die is?
+
+HOVSTAD. Neen, wat is ze dan?
+
+DR. STOCKMANN. De heele badplaats is een pesthol.
+
+PETRA. De badplaats, vader!
+
+MEVR. STOCKMANN (_tegelijkertijd_). Onze badplaats!
+
+HOVSTAD (_evenzoo_). Maar, dokter....
+
+BILLING. Ongelooflijk!
+
+DR. STOCKMANN. De heele badinrichting is een gepleisterd vergiftig graf,
+zeg ik. Gevaarlijk voor de gezondheid in den allerhoogsten graad! Al het
+vuil boven in het Molendal,... alles wat daar zoo geweldig stinkt,...
+dat alles infecteert het water in de aanvoerbuizen van het brongebouw,
+en die zelfde vervloekte, vergiftige smeerboel siepelt ook door naar het
+strand....
+
+HORSTER. Daar waar de zeebaden gebruikt worden?
+
+DR. STOCKMANN. Precies daar.
+
+HOVSTAD. Waardoor weet u dat alles zoo zeker, dokter?
+
+DR. STOCKMANN. Ik heb dat alles zoo nauwgezet mogelijk onderzocht. O, ik
+had al lang een vermoeden van zoo iets. Verleden jaar hadden wij hier
+een aantal opvallende ziektegevallen onder de badgasten,... zoowel
+typheuse als gastrische koortsen....
+
+MEVR. STOCKMANN. Ja, dat is waar.
+
+DR. STOCKMANN. Wij dachten toen dat de vreemdelingen de besmetting
+overgebracht hadden; later evenwel,... van den winter ... kwam ik tot
+andere gedachten; ik ging het water onderzoeken zoo goed als het ging.
+
+MEVR. STOCKMANN. Dus daarmee heb je het zoo druk gehad!
+
+DR. STOCKMANN. Ja, je mag wel zeggen dat ik het druk had, Katrine! Maar
+hier ontbraken mij toch de noodige wetenschappelijke hulpmiddelen, en
+dus zond ik proeven op van het drinkwater en van het zeewater aan de
+universiteit om er een juiste chemische analyse van te krijgen.
+
+HOVSTAD. En die heeft u nu gekregen?
+
+DR. STOCKMANN (_wijst op den brief_). Hier heb ik die! Het aanwezig zijn
+van verrotte organische stoffen in het water is uitgemaakt ...
+bacterieen in massa's. Het is absoluut schadelijk voor de gezondheid,
+zoowel voor uit- als inwendig gebruik.
+
+MEVR. STOCKMANN. Het is een waar geluk dat je daar nog bijtijds achter
+gekomen bent.
+
+DR. STOCKMANN. Ja, dat mag je wel zeggen.
+
+HOVSTAD. En wat denkt u nu te doen, dokter?
+
+DR. STOCKMANN. Natuurlijk zien den boel te veranderen.
+
+HOVSTAD. Zou dat te doen zijn?
+
+DR. STOCKMANN. Dat moet te doen zijn. Anders is de heele badinrichting
+onbruikbaar,... geruineerd. Maar dat heeft geen nood. Ik weet voor
+mijzelf heel goed wat er gedaan moet worden.
+
+MEVR. STOCKMANN. Maar, beste Thomas, dat je dat alles zoo geheim
+gehouden hebt.
+
+DR. STOCKMANN. Wel ja, ik had zeker de heele stad moeten rondloopen en
+er over babbelen voor ik volle zekerheid had? Neen, dank je; zoo gek ben
+ik niet.
+
+PETRA. Nou maar, tegen ons hier in huis....
+
+DR. STOCKMANN. Tegen geen levende ziel. Maar morgen mag je naar den
+"das" loopen....
+
+MEVR. STOCKMANN. Maar, Thomas...!
+
+DR. STOCKMANN. Nou ja, naar grootvader dan. Dan zal hij wat hebben om
+zich over te verbazen, de oude; hij gelooft immers dat ik krankzinnig
+ben.... O ja, er zijn er wel meer die dat gelooven, heb ik gemerkt. Maar
+nu zullen de heeren dan zien...; nu zullen ze eens zien...; (_loopt rond
+en wrijft zich de handen_). Dat zal hier in de stad een opstootje geven,
+Katrine! Daar kan je je geen voorstelling van maken. De heele
+waterleiding moet verlegd worden.
+
+HOVSTAD (_staat op_). De heele waterleiding...?
+
+DR. STOCKMANN. Ja, dat spreekt. De prise d'eau ligt te laag; die moet
+verlegd worden naar een veel hooger gelegen punt.
+
+PETRA. Dus had je toch gelijk?
+
+DR. STOCKMANN. Ja, weet je dat nog, Petra? Ik heb er tegen geschreven
+toen zij met den aanleg zouden beginnen. Maar toen was er niemand die
+naar mij luisteren wou. Nou, je kunt begrijpen dat ik hun de volle laag
+geven zal; want ik heb natuurlijk een uitvoerige uiteenzetting aan het
+bestuur der badinrichting opgemaakt; die ligt al de heele week klaar; ik
+heb alleen hierop gewacht (_wijst op den brief_). Maar nu moet die ook
+onmiddellijk weg (_gaat in zijn kamer en komt terug met een pak
+papieren_). Kijk eens hier! Vier heele dichtbeschreven vellen vol! En
+den brief zal ik er bij voegen. Een courant, Katrine! Geef mij eens iets
+om dit in te pakken. Goed. Ziezoo. Geef dit aan ... aan....
+(_stampvoetend_). Hoe duivel heet ze nu ook weer? Nou, geef het aan de
+meid en zeg dat zij het terstond bij den burgemeester brengen moet.
+
+(_Mevr. Stockmann gaat met het pak naar de eetkamer_).
+
+PETRA. Wat denk je dat oom Peter er van zeggen zal, vader?
+
+DR. STOCKMANN. Wat zou hij er wel van kunnen zeggen? Hij moet toch op
+zijn minst wel blij zijn dat zoo'n belangrijke waarheid aan het licht
+gekomen is, denk ik.
+
+HOVSTAD. Zou ik met een enkel woord van uwe ontdekking in de "Volksbode"
+mogen gewagen?
+
+DR. STOCKMANN. Ja, daarvoor zou ik u heel dankbaar zijn.
+
+HOVSTAD. Het is toch ook wenschelijk dat het publiek hoe eer hoe beter
+ingelicht wordt.
+
+DR. STOCKMANN. Ja zeker.
+
+MEVR. STOCKMANN (_komt terug_). Zij is er al mee weg.
+
+BILLING. U wordt ... goddome ... de eerste man van de stad, dokter.
+
+DR. STOCKMANN. Och wat; ik heb immers eigenlijk niets meer dan mijn
+plicht gedaan. Ik ben een gelukkig schatgraver geweest; dat is alles,
+maar toch....
+
+BILLING. Hovstad, wat dunkt je, moest de stad den dokter geen serenade
+brengen?
+
+HOVSTAD. Ik zal er in elk geval werk van maken.
+
+BILLING. En ik zal er met Aslaksen over spreken.
+
+DR. STOCKMANN. Neen, beste vrienden, laat zulke grappen maar achterwege;
+ik wil niets van dergelijke dingen weten. En als het bestuur van de
+badinrichting er misschien over denken mocht mij een geldelijke toelage
+te geven, dan neem ik die niet aan. Katrine, dat zeg ik je,... ik neem
+die niet aan.
+
+MEVR. STOCKMANN. Daar heb je gelijk in, Thomas.
+
+PETRA (_heft haar glas op_). Vader!
+
+HOVSTAD en BILLING. Prosit, prosit, dokter!
+
+HORSTER (_klinkt met den dokter_). Moge u alleen genoegen beleven van
+die zaak!
+
+DR. STOCKMANN. Dank, dank, beste vrienden! Ik ben zoo innig blij ... o,
+het is toch heerlijk te weten dat je je verdienstelijk gemaakt hebt
+jegens je geboorteplaats en je medeburgers. Hoera, Katrine!
+
+(_Hij pakt haar met beide handen om den hals en draait met haar in de
+rondte. Mevr. Stockmann gilt en stribbelt tegen. Lachen, handgeklap en
+hoera-geroep voor den dokter. De jongens komen om de deur kijken_).
+
+
+EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF.
+
+
+ * * * * *
+
+
+TWEEDE BEDRIJF.
+
+ Huiskamer van den dokter. De deur naar de eetkamer is gesloten.
+ Voormiddag.
+
+ * * * * *
+
+MEVR. STOCKMANN (_komt met een verzegelden brief uit de eetkamer, gaat
+naar de voorste deur rechts en kijkt naar binnen_). Ben je thuis,
+Thomas?
+
+DR. STOCKMANN (_in de kamer_). Ja, ik kom net thuis. (_komt binnen_). Is
+er iets?
+
+MEVR. STOCKMANN. Een brief van je broer (_reikt hem dien over_).
+
+DR. STOCKMANN. Aha, laat eens zien (_maakt het couvert open en leest_).
+"Het toegezonden manuscript zend ik u hierbij terug...." (_leest
+prevelend verder_). Hm....
+
+MEVR. STOCKMANN. Wat zegt hij er van?
+
+DR. STOCKMANN (_steekt de papieren in zijn zak_). Niets; hij schrijft
+alleen dat hij van middag zelf hier komen zal.
+
+MEVR. STOCKMANN. Dan mag je er wel aan denken dat je thuis blijft.
+
+DR. STOCKMANN. Ja, dat kan ook best; ik ben klaar met mijn
+ochtendvisites.
+
+MEVR. STOCKMANN. Ik ben erg nieuwsgierig om te weten hoe hij het
+opneemt.
+
+DR. STOCKMANN. Je zult zien dat hij het niet goed vindt dat _ik_ het ben
+en _hij_ het niet is die die ontdekking gedaan heeft.
+
+MEVR. STOCKMANN. Ja, ben jij daar ook niet bang voor?
+
+DR. STOCKMANN. Nou, in zijn hart moet hij er toch blij over zijn, dat
+begrijp je wel. Maar toch.... Peter is zoo vervloekt bang dat iemand
+anders dan hij iets ten bate van de stad doen zou.
+
+MEVR. STOCKMANN. Maar Thomas,... weet je wat ... dan moest je zoo lief
+zijn de eer met hem te deelen. Kon je het niet zoo inkleeden dat hij 't
+was die je op het spoor gebracht heeft?
+
+DR. STOCKMANN. Ja, wat mij betreft, graag. Als ik de zaak maar in orde
+krijg, dan....
+
+De oude Morten Kiil (_steekt zijn hoofd door de voorkamerdeur, kijkt
+spiedend rond, lacht stil en vraagt sluw_). Is het ... is het waar?
+
+MEVR. STOCKMANN (_gaat naar hem toe_). Vader,... is u het?
+
+DR. STOCKMANN. Kijk eens aan, schoonpapa; morgen, morgen!
+
+MEVR. STOCKMANN. Maar kom toch binnen.
+
+M. KIIL. Ja, als het waar is, want anders ga ik weer heen.
+
+DR. STOCKMANN. Als wat waar is?
+
+M. KIIL. Die gekheid met de waterleiding. Is dat heusch waar?
+
+DR. STOCKMANN. Ja zeker is het waar. Maar hoe is u daar achter gekomen?
+
+M. KIIL (_komt binnen_). Petra liep even op toen zij naar school
+ging....
+
+DR. STOCKMANN. Zoo?
+
+M. KIIL. Jaha: en toen vertelde zij het.... Ik dacht dat zij mij maar
+voor den gek houden wou; maar dat lijkt niet op Petra.
+
+DR. STOCKMANN. Hoe kon u dat nu denken!
+
+M. KIIL. O, je moet nooit iemand vertrouwen; je kunt om den tuin geleid
+worden eer je het weet. Maar dus is het toch waar?
+
+DR. STOCKMANN. Ja, zeer zeker. Ga toch even zitten, schoonpapa. (_dwingt
+hem zachtjes op de canape_). En is het niet een waar geluk voor de
+stad...?
+
+M. KIIL (_heeft moeite zijn lachen te bedwingen_). Een geluk voor de
+stad?
+
+DR. STOCKMANN. Dat ik dit nog bijtijds ontdekt heb.
+
+M. KIIL (_als voren_). Jawel, jawel!... Maar ik had nooit gedacht dat je
+je eigen vleeschelijken broer er zoo zou laten inloopen.
+
+DR. STOCKMANN. Er laten inloopen?
+
+MEVR. STOCKMANN. Neen maar, vader-lief....
+
+M. KIIL (_rust met zijn kin op zijn handen die hij op den knop van zijn
+stok samengevouwen heeft en knipoogt sluw tegen den dokter_). Hoe was
+het ook weer. Was het niet dat er dieren in de waterleidingbuizen
+gekomen waren?
+
+DR. STOCKMANN. O ja, infusiediertjes.
+
+M. KIIL. En er zouden een heeleboel van die dieren daarin gekomen zijn,
+zei Petra. Een reusachtige massa.
+
+DR. STOCKMANN. Ja zeker; er kunnen er wel honderdduizenden in zijn.
+
+M. KIIL. Maar niemand kan ze zien,... niet waar?
+
+DR. STOCKMANN. Neen, zien kan je ze niet.
+
+M. KIIL (_met een stillen klokkenden lach_). De duivel hale mij! Dit is
+nog het mooiste dat ik ooit van je gehoord heb.
+
+DR. STOCKMANN. Hoe meent u dat?
+
+M. KIIL. Maar nooit in der eeuwigheid maak je zoo iets den burgemeester
+wijs.
+
+DR. STOCKMANN. Nu, dat zullen wij nog eens zien.
+
+M. KIIL. Denk je dat hij zoo gek zou zijn?
+
+DR. STOCKMANN. Ik hoop dat de heele stad zoo gek zal zijn.
+
+M. KIIL. De heele stad! Ja, dat kan voor den donder wel zijn. Maar dat
+is net goed voor dat volk. Die willen immers zoo veel wijzer zijn dan
+wij oude lui. Zij hebben mij als een hond uit den gemeenteraad gejaagd
+met hun tegenstemmen. Ja, dat hebben ze ... me er uitgejaagd als een
+hond. Maar nu krijgen ze hun trekken thuis. Houd die maar voor den gek,
+Stockmann.
+
+DR. STOCKMANN. Maar schoonpapa....
+
+M. KIIL. Houd ze voor den gek, zeg ik (_staat op_). Als je 't zoo ver
+brengen kunt dat de burgemeester en zijn vrienden er in vliegen, dan
+geef ik dadelijk, op slag, honderd kronen voor de armen.
+
+DR. STOCKMANN. Kijk, dat zou nog eens aardig van u zijn.
+
+M. KIIL. Nou, zoo dik zit het er bij mij ook niet aan, zooals je weet;
+maar krijg je ze zoover, dan geef ik met Kerstmis vijftig kronen aan de
+armen.
+
+(_Hovstad komt uit de voorkamer_).
+
+HOVSTAD. Goeden morgen! (_blijft staan_). O, pardon....
+
+DR. STOCKMANN. Neen kom maar; kom maar....
+
+M. KIIL (_lacht weer als voren_). Hij! Is hij er ook bij?
+
+HOVSTAD. Wat bedoelt u?
+
+DR. STOCKMANN. Ja zeker is hij er bij.
+
+M. KIIL. Dat kon ik ook haast wel denken! Het moet in de couranten
+komen. Nou, jij bent me wel de ware, Stockmann. Overlegt nu maar eens
+goed samen; nu ga ik weg.
+
+DR. STOCKMANN. O neen, blijf nog wat schoonpapa.
+
+M. KIIL. Neen, nu ga ik weg. En bedenk maar eens goed hoe je hen het
+best er in laat vliegen. Je moet dat toch voor den duivel niet voor
+niets gedaan hebben. (_Hij gaat weg; mevr. Stockmann gaat met hem mee_).
+
+DR. STOCKMANN (_lacht_). Stel u voor, die oude gelooft geen woord van
+die zaak met de waterleiding.
+
+HOVSTAD. O was het daarover...?
+
+DR. STOCKMANN. Ja, daarover hadden wij het. En u komt misschien ook wel
+voor die zaak?
+
+HOVSTAD. Ja juist. Heeft u een oogenblik tijd, dokter?
+
+DR. STOCKMANN. Zoo lang u maar wil, mijn waarde.
+
+HOVSTAD. Heeft u al iets gehoord van den burgemeester?
+
+DR. STOCKMANN. Nog niet. Hij komt straks hier.
+
+HOVSTAD. Ik heb veel over die zaak nagedacht sedert gisteren avond.
+
+DR. STOCKMANN. Zoo? Ja?
+
+HOVSTAD. Voor u als dokter en als man van de wetenschap, staat dit geval
+met de waterleiding geheel op zich zelf. Ik bedoel, dat u er niet bij
+bedenkt hoe dit met veel andere dingen samenhangt.
+
+DR. STOCKMANN. Ja, hoe zoo...? Laat ons gaan zitten.... Neen, daar op de
+canape.
+
+(_Hovstad gaat op de canape zitten, de dokter in een fauteuil aan den
+anderen kant van de tafel_).
+
+DR. STOCKMANN. U denkt dus...?
+
+HOVSTAD. U zei gisteren dat het water bedorven werd door verontreiniging
+van den grond.
+
+DR. STOCKMANN. Ja, het komt zonder twijfel uit dat giftige moeras
+daarboven in het Molendal.
+
+HOVSTAD. Pardon, dokter, maar ik geloof dat het uit een heel ander
+moeras komt.
+
+DR. STOCKMANN. Wat voor een moeras zou dat dan moeten zijn?
+
+HOVSTAD. Het moeras waarin ons heele communale leven wortelt en
+verteert.
+
+DR. STOCKMANN. Maar voor den drommel, mijnheer Hovstad, wat zijn dat nu
+voor praatjes?
+
+HOVSTAD. Al de stadsaangelegenheden zijn zachtjes aan in handen gekomen
+van een bende ambtenaren....
+
+DR. STOCKMANN. Nu, het zijn niet allemaal ambtenaren.
+
+HOVSTAD. Neen, maar die geen ambtenaren zijn, zijn toch ten minste
+vrienden en aanhangers van die ambtenaren; dat zijn al de rijken, al
+die, met hun oude geachte namen in de stad; die zijn het die ons
+regeeren en besturen.
+
+DR. STOCKMANN. Ja, maar die menschen bezitten ook inderdaad bekwaamheid
+en juist inzicht.
+
+HOVSTAD. Gaven zij een bewijs van juist inzicht en bekwaamheid, toen zij
+de waterleiding aanlegden daar waar die nu ligt?
+
+DR. STOCKMANN. Neen, dat was natuurlijk een groote domheid van hen. Maar
+die zal nu wel goedgemaakt worden.
+
+HOVSTAD. Denkt u dat dat zoo glad gaan zal?
+
+DR. STOCKMANN. Glad of niet ... gaan zal het in elk geval.
+
+HOVSTAD. Ja, indien de pers er zich mee bemoeit.
+
+DR. STOCKMANN. Zal heelemaal niet noodig zijn, mijn waarde.
+
+HOVSTAD. Pardon, dokter, maar ik wil zeggen dat ik van plan ben, zelf
+die zaak te behandelen.
+
+DR. STOCKMANN. In de courant?
+
+HOVSTAD. Ja. Toen ik de "Volksbode" overnam, was het mijn doel dezen
+ring van oude eigenzinnige wijsneuzen die hier overal inzaten, te
+verbreken.
+
+DR. STOCKMANN. Maar u heeft mij toch zelf verteld hoe dat afliep; het
+blad was er bijna mee op de flesch gegaan.
+
+HOVSTAD. Ja, toen moesten wij de vlag strijken; dat is volkomen waar.
+Want er dreigde gevaar dat de badinrichting niet tot stand zou komen,
+als die mannen vielen. Maar nu staat die er en nu kunnen wij de groote
+heeren missen.
+
+DR. STOCKMANN. Missen, ja; maar we hebben toch veel aan hen te danken.
+
+HOVSTAD. Dat zal ook naar behooren erkend worden; maar een journalist
+van mijn richting kan een gelegenheid als deze niet voorbij laten gaan.
+De fabel der onfeilbaarheid der vroede mannen moet eens een duw hebben.
+Dergelijke dingen moeten net zoo goed uitgeroeid worden als ander
+bijgeloof.
+
+DR. STOCKMANN. Daarin ben ik het van ganscher harte met u eens, mijnheer
+Hovstad; is iets een bijgeloof, dan weg er mee!
+
+HOVSTAD. Den burgemeester zou ik niet graag hard aanpakken, omdat hij uw
+broer is. Maar u vindt toch zeker, evenals ik, dat de waarheid boven
+alle andere overwegingen gaan moet.
+
+DR. STOCKMANN. Dat spreekt vanzel.... (_Opgewonden_). Ja maar...!
+Maar...!
+
+HOVSTAD. U moet mij niet verkeerd beoordeelen. Ik ben niet egoister of
+eergieriger dan de meeste menschen.
+
+DR. STOCKMANN. Maar mijn waarde, wie zegt dat dan?
+
+HOVSTAD. Ik ben maar van geringe afkomst, zooals u weet; en ik heb
+voldoende gelegenheid gehad om te zien, wat in de lagere klassen der
+maatschappij het meest noodig is. En dat is: deel te nemen aan de
+leiding der algemeene zaken, dokter. Dat is het wat bekwaamheid en
+kennis en gevoel van eigenwaarde ontwikkelt....
+
+DR. STOCKMANN. Dat kan ik mij heel goed voorstellen....
+
+HOVSTAD. Daarom vind ik dat een journalist een groote
+verantwoordelijkheid op zich neemt, wanneer hij een gunstige gelegenheid
+verzuimt tot vrijmaking van de menigte, de geringen, de onderdrukten. Ik
+weet wel, in het kamp der groote heeren zullen zij dat frazen en
+opgeschroefde taal noemen; maar dat moeten ze dan maar doen als ze er
+lust in hebben. Als ik mijn geweten maar zuiver voel, dan....
+
+DR. STOCKMANN. Juist, ja juist! Mijnheer Hovstad. Maar toch ...
+duivels.... (_er wordt geklopt_). Binnen!
+
+(_Aslaksen in de voorkamer deur. Hij is uiterst eenvoudig maar
+fatsoenlijk gekleed, in 't zwart, met een witte, een beetje verkreukte
+das, handschoenen en vilten hoed in de hand_).
+
+ASLAKSEN (_buigt_). Neem me niet kwalijk, dokter, dat ik zoo vrij
+ben....
+
+DR. STOCKMANN (_staat op_). Kijk eens aan,... daar hebben wij mijnheer
+Aslaksen!
+
+ASLAKSEN. Jawel, dokter.
+
+HOVSTAD (_staat op_). Moet je mij hebben, Aslaksen?
+
+ASLAKSEN. Neen mijnheer; ik wist niet dat ik u hier zou aantreffen.
+Neen, het was de dokter zelf....
+
+DR. STOCKMANN. Zoo? Wat is er van uw dienst?
+
+ASLAKSEN. Is het waar wat ik van mijnheer Billing hoorde, dat de dokter
+er over denkt ons een betere waterleiding te bezorgen?
+
+DR. STOCKMANN. Ja, voor de badinrichting.
+
+ASLAKSEN. Jawel, dat begrijp ik wel. Nu, dan kom ik om te zeggen dat ik
+die zaak steunen zal naar mijn beste krachten.
+
+HOVSTAD (_tegen Stockmann_). Ziet u!
+
+DR. STOCKMANN. Daarvoor zeg ik u van harte dank, maar....
+
+ASLAKSEN. Want het zou misschien toch goed kunnen zijn als u ons, kleine
+luiden, had om u te steunen. Wij maken om zoo te zeggen een compacte
+meerderheid uit;... als wij ernstig _willen_. En het is altijd goed om
+de meerderheid op zijn hand te hebben.
+
+DR. STOCKMANN. Dat is onloochenbaar waar; ik kan alleen maar niet
+begrijpen dat dergelijke maatregelen hier noodig zouden kunnen zijn.
+Mij dunkt zoo'n duidelijke en eenvoudige zaak....
+
+ASLAKSEN. O ja, maar dat zou toch geen kwaad kunnen; ik ken de lokale
+autoriteiten maar al te goed; de hooge heeren zijn niet heel
+toegankelijk voor voorstellen die van anderen uitgaan. En daarom dacht
+ik, dat het misschien niet ongewenscht zijn zou als wij een kleine
+demonstratie op touw zetten.
+
+HOVSTAD. Jawel, zeer juist.
+
+DR. STOCKMANN. Een demonstratie zegt u? En op welke manier zou u dat dan
+eigenlijk willen doen?
+
+ASLAKSEN. Natuurlijk in zeer gematigden vorm, dokter. Ik leg er mij
+altijd op toe maat te houden, want maathouden is de eerste deugd van een
+staatsburger,... naar _mijn_ opvatting althans.
+
+DR. STOCKMANN. Daarvoor staat u ook wel bekend.
+
+ASLAKSEN. Ja, dat mag ik geloof ik wel zeggen. En die zaak van de
+waterleiding, die is van zoo groot gewicht voor ons kleine burgers. Het
+badhuis belooft als 't ware een goudmijntje voor de stad te worden. Van
+dat badhuis moeten wij allemaal bestaan, en 't allermeest wij
+huiseigenaren. Daarom willen wij dus graag de badinrichting zooveel wij
+kunnen steunen. En omdat ik nu president ben van den Bond van
+Huiseigenaren....
+
+DR. STOCKMANN. Wel...?
+
+ASLAKSEN. ... en daar ik bovendien agent ben van het
+Matigheidsgenootschap ... ja, dokter weet immers wel dat ik werk voor de
+matigheidszaak?
+
+DR. STOCKMANN. Jawel; jawel.
+
+ASLAKSEN. Nu, ... dan begrijpt u wel dat ik met een heelen boel menschen
+in aanraking kom. En daar ik bekend sta als een ordelijk en goedgezind
+burger, zooals dokter zelf zegt, heb ik een zekeren invloed in de
+stad,... een kleine overmacht ... al zeg ik het zelf.
+
+DR. STOCKMANN. Dat is mij wel bekend, mijnheer Aslaksen.
+
+ASLAKSEN. Ja, ziet u ... daarom zou het voor mij een kleinigheid zijn om
+een adres op te stellen, als het noodig mocht zijn.
+
+DR. STOCKMANN. Een adres, zegt u?
+
+ASLAKSEN. Ja, een soort van dankadres van de stadsburgers, omdat u die
+voor allen zoo gewichtige zaak aan het licht heeft gebracht. Het spreekt
+van zelf dat dat met de noodige bezadigdheid zou moeten opgesteld
+worden, zoo, dat de autoriteiten en zij die de macht in handen hebben er
+geen aanstoot aan kunnen nemen. En als wij daar maar op passen, dan kan
+toch niemand het ons kwalijk nemen, dunkt mij.
+
+HOVSTAD. Nu, zelfs al beviel het hun nu niet zoo heel erg....
+
+ASLAKSEN. Neen, neen, neen, niet de overheid krenken, mijnheer Hovstad.
+Geen oppositie tegen menschen die ons zoo dicht op de hielen zitten.
+Daar heb ik genoeg van gezien in mijn leven; en daar komt ook nooit iets
+goeds van. Maar de verstandige en vrijmoedige uitingen van een
+staatsburger daar kan niemand iets tegen hebben.
+
+DR. STOCKMANN (_schudt hem de hand_). Ik kan u niet zeggen, waarde heer
+Aslaksen, hoe hartelijk het mij verheugt zooveel instemming bij mijne
+medeburgers te vinden. Ik ben zoo blij ... zoo blij!... Hoor eens ...
+wil u niet een glaasje sherry ... wat?
+
+ASLAKSEN. Neen, dank u wel; ik gebruik nooit iets van dien aard.
+
+DR. STOCKMANN. Nou, een glas bier dan ... wat zegt u daarvan?
+
+ASLAKSEN. Dank u, ook niet; ik gebruik nooit iets zoo vroeg op den dag.
+Maar nu zal ik de stad ingaan om eens te praten met eenige huiseigenaren
+en de stemming voor te bereiden.
+
+DR. STOCKMANN. Het is allervriendelijkst van u, mijnheer Aslaksen; maar
+het wil er bij mij nog maar niet in, dat al die maatregelen noodig
+zouden zijn; mij dunkt die zaak moet geheel van zelf kunnen gaan.
+
+ASLAKSEN. De autoriteiten werken een beetje zwaarwichtig, dokter. Nu,
+lieve Hemel, ik zeg dat niet om hun een lak op te leggen....
+
+HOVSTAD. Morgen zullen wij ze een beetje opzweepen in ons blad,
+Aslaksen.
+
+ASLAKSEN. Maar toch vooral niet te hardhandig, mijnheer Hovstad. Ga
+zachtjes te werk en met beleid, anders krijgt u ze niet van de plaats.
+U kan gerust aannemen wat ik u zeg; ik heb ondervinding opgedaan in de
+school des levens.... Nu, dan neem ik dus afscheid. U weet nu dat wij
+kleine burgers in elk geval achter u staan als een muur. U heeft de
+compacte meerderheid op uw hand, dokter.
+
+DR. STOCKMANN. Mijn hartelijken dank (_reikt hem de hand_). Adieu,
+adieu!
+
+ASLAKSEN. Gaat u mee naar de drukkerij, mijnheer Hovstad?
+
+HOVSTAD. Ik kom aanstonds, ik heb nog iets af te doen.
+
+ASLAKSEN. Best, best.
+
+(_Hij groet en gaat heen; Dr. Stockmann gaat met hem mee naar de
+voorkamer_).
+
+HOVSTAD (_terwijl de dokter weer binnen komt_). Wel, wat zegt u er van,
+dokter? Vindt u niet dat het tijd wordt hier eens wat versche lucht
+binnen te laten en al die slapheid en halfheid en lafheid eens door
+elkander te schudden?
+
+DR. STOCKMANN. Doelt u daarmee op Aslaksen?
+
+HOVSTAD. Ja. Hij is een van die lui die in het moeras wortelen ... al is
+hij overigens nog zoo'n brave man. En zoo zijn de meesten hier bij ons;
+zij zwaaien en zwenken naar beide kanten; door al hun overwegingen en
+bedenkingen durven zij nooit een heelen stap te doen.
+
+DR. STOCKMANN. Maar Aslaksen schijnt mij toch een heel welgezind man te
+zijn.
+
+HOVSTAD. Er is iets dat ik nog hooger stel; en dat is een onafhankelijk
+en zelfbewust man te zijn.
+
+DR. STOCKMANN. Dat moet ik u volkomen toegeven.
+
+HOVSTAD. Daarom wil ik nu de gelegenheid aangrijpen en beproeven, of ik
+de wel gezinden er niet toe zou kunnen krijgen zich eens ferm aan te
+pakken. Die autoriteiten-vereering moet hier in de stad uitgeroeid
+worden. Over dezen onverantwoordelijken misgreep met de waterleiding
+moeten alle stemgerechtigde burgers ingelicht worden.
+
+DR. STOCKMANN. Goed; wanneer u meent dat het voor het algemeen welzijn
+is, dan moet dat gebeuren; maar niet voor ik met mijn broer gesproken
+heb.
+
+HOVSTAD. Ik schrijf in elk geval al vast een hoofdartikel. En als dan de
+burgemeester niet voor de zaak te vinden is....
+
+DR. STOCKMANN. O, maar hoe kan u zoo iets denken?
+
+HOVSTAD. Dat zou nog zoo onmogelijk niet zijn. En dan ...?
+
+DR. STOCKMANN. Ja, dan beloof ik u...; hoor eens,... dan kan u mijn
+rapport afdrukken ... en in zijn geheel opnemen.
+
+HOVSTAD. Mag ik dat? Is dat een gegeven woord?
+
+DR. STOCKMANN (_reikt hem het manuscript over_). Hier is het; neem het
+mee; het kan in elk geval geen kwaad dat u het eens doorleest; en dan
+geeft u het mij later terug.
+
+HOVSTAD. Best; heel goed; dat zal ik doen. En nu adieu, dokter.
+
+DR. STOCKMANN. Adieu, adieu. Maar u zal zien, mijnheer Hovstad, die zaak
+gaat glad,... van een leien dakje!
+
+HOVSTAD. Hm;... wij zullen zien.
+
+(_Hij groet en gaat weg door de voorkamer_).
+
+DR. STOCKMANN (_gaat naar de eetkamer en kijkt naar binnen_). Katrine!
+Zoo, ben jij thuis gekomen, Petra?
+
+PETRA (_komt binnen_). Ja, ik kom net van school.
+
+MEVR. STOCKMANN (_komt ook_). Is hij er nog niet geweest?
+
+DR. STOCKMANN. Peter? Neen. Maar ik heb een heel gesprek gehad met
+Hovstad. Hij is heelemaal vervuld van de ontdekking die ik gedaan heb.
+Ja, zie je, die reikt eigenlijk heel wat verder dan ik zelf eerst dacht.
+En daarom heeft hij mij zijn blad ter beschikking gesteld als het noodig
+mocht zijn.
+
+MEVR. STOCKMANN. Maar denk je dat het noodig zijn zal?
+
+DR. STOCKMANN. Volstrekt niet. Maar het is in elk geval een trotsch
+gevoel de onafhankelijke vrijzinnige pers op zijn hand te hebben. Ja, en
+verbeeld je, ook van den president van den Bond van Huiseigenaren heb ik
+een bezoek gehad.
+
+MEVR. STOCKMANN. Zoo? En wat wou die?
+
+DR. STOCKMANN. Mij ook steunen. Ze willen mij allemaal steunen in geval
+het spaak loopen mocht. Katrine,... weet je wat ik achter mij heb staan?
+
+MEVR. STOCKMANN. Achter je? Neen, wat dan?
+
+DR. STOCKMANN. De compacte meerderheid.
+
+MEVR. STOCKMANN. Zoo zoo. Is dat goed voor je, Thomas?
+
+DR. STOCKMANN. Nou, dat zou ik denken, dat het goed was! (_wrijft zich
+de handen en loopt op en neer_). Lieve God, wat is het toch heerlijk om
+zoo broederlijk vereend met je medeburgers te staan!
+
+PETRA. En zooveel goeds en nuttigs te doen, vader!
+
+DR. STOCKMANN. Ja, en dan nog wel voor je eigen geboorteplaats!
+
+MEVR. STOCKMANN. Daar werd gebeld.
+
+DR. STOCKMANN. Daar zal hij zijn.... (_Er wordt geklopt_). Binnen!
+
+BURGEM. STOCKMANN (_komt uit de voorkamer_). Goeden morgen.
+
+DR. STOCKMANN. Welkom, Peter!
+
+MEVR. STOCKMANN. Goeden morgen. Hoe gaat het?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Dank je ... zoo zoo (_tegen den dokter_). Ik ontving
+gisteren, na kantoortijd, een rapport van je over het water in het
+badhuis.
+
+DR. STOCKMANN. Ja. Heb je dat gelezen?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ja.
+
+DR. STOCKMANN. En wat zeg je wel van de zaak?
+
+BURGEM. STOCKMANN (_met een zijdelingschenblik_). Hm....
+
+MEVR. STOCKMANN. Kom, Petra (_zij en Petra gaan in de kamer links_).
+
+BURGEM. STOCKMANN (_na een pauze_). Was het noodzakelijk dat je al die
+onderzoekingen achter mijn rug om deed?
+
+DR. STOCKMANN. Ja; zoolang ik nog geen volstrekte zekerheid had....
+
+BURGEM. STOCKMANN. En die meen je dus nu te hebben?
+
+DR. STOCKMANN. Daar heb je je nu wel zelf van kunnen overtuigen.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Is het je plan dit stuk over te leggen aan het
+bestuur der badinrichting als een soort van officieel document?
+
+DR. STOCKMANN. Ja. Iets moet er aan de zaak gedaan worden; en wel
+terstond.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Je gebruikt, zooals gewoonlijk, krasse termen in je
+verslag. Je zegt o.a. dat dat wat wij onzen badgasten aanbieden een
+permanente vergiftiging is.
+
+DR. STOCKMANN. Kan men het dan anders noemen? Denk toch eens aan ...
+vergiftigd water voor in- en uitwendig gebruik! En dat voor arme zieke
+menschen, die te goeder trouw hun toevlucht tot ons nemen, en hun goede
+geld uitgeven om hun gezondheid terug te krijgen!
+
+BURGEM. STOCKMANN. En zoo kom je in je deductie tot het resultaat, dat
+wij een riool aanleggen moeten om de onreinheden uit het Molendal af te
+voeren, en dat de waterleiding verlegd moet worden.
+
+DR. STOCKMANN. Ja, weet jij een andere oplossing? Ik niet.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ik verzon van ochtend een boodschap bij den
+stadsingenieur. En toen bracht ik ... zoo half en half in scherts ...
+deze maatregelen ter sprake, als iets dat wij in de toekomst misschien
+eens in overweging zouden moeten nemen.
+
+DR. STOCKMANN. In de toekomst eens misschien!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Hij glimlachte om mijn vermeende extravagance ...
+natuurlijk. Heb je je de moeite gegeven eens te overdenken wat de
+voorgestelde veranderingen zouden kosten? Volgens de inlichtingen die ik
+ontving, zouden de uitgaven waarschijnlijk in de honderdduizenden
+loopen.
+
+DR. STOCKMANN. Zou het zoo duur worden?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ja. En dan komt nog het ergste. Dat werk zou minstens
+twee jaar tijd vorderen.
+
+DR. STOCKMANN. Twee jaar, zeg je? Twee heele jaren?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Op zijn minst. En wat zullen we in dien tusschentijd
+met de badplaats doen? Moeten wij ze sluiten? Ja, daar zouden wij wel
+toe gedwongen worden, of denk je soms dat iemand nog hier bij ons komen
+zou, als het ruchtbaar werd dat het water schadelijk voor de gezondheid
+is?
+
+DR. STOCKMANN. Ja maar, Peter, dat is toch zoo.
+
+BURGEM. STOCKMANN. En dat alles nu ... juist nu, nu de inrichting in
+opkomst is. De omliggende steden bezitten ook wel enkele voordeelen die
+ze als badplaatsen gezocht kunnen maken. Geloof je niet dat die
+onmiddellijk alles in het werk zullen stellen om den heelen stroom van
+vreemdelingen tot zich te trekken? Dat spreekt immers van zelf. En daar
+zaten wij dan; waarschijnlijk konden wij dan de heele kostbare
+inrichting wel opruimen; en dan had jij je geboorteplaats geruineerd.
+
+DR. STOCKMANN. Geruineerd ... ik...!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Het is enkel en alleen door het badhuis dat de stad
+een noemenswaardige toekomst voor zich heeft. Dat zie je toch zeker
+evengoed in als ik.
+
+DR. STOCKMANN. Maar wat had je dan gedacht dat er gedaan moest worden?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ik heb uit je rapport niet de overtuiging gekregen
+dat de toestand van het water zoo bedenkelijk is als jij dien voorstelt.
+
+DR. STOCKMANN. Maar die is eerder nog slechter! Of dat wordt hij althans
+in den zomer, als de warmte komt.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Zooals ik zei, ik geloof dat je erg overdrijft. Een
+knap dokter moet zijn maatregelen weten te nemen naar de
+omstandigheden;... hij moet schadelijke invloeden weten te voorkomen en
+ze te bestrijden wanneer zij zich zichtbaar doen gelden.
+
+DR. STOCKMANN. En dus...? Wat verder...?
+
+BURGEM. STOCKMANN. De bestaande watertoevoer van het badhuis is nu
+eenmaal een feit en daarmee moet natuurlijk rekening gehouden worden.
+Maar waarschijnlijk zal de directie te zijner tijd niet ongenegen zijn
+om in overweging te nemen, in hoeverre het met niet onoverkomelijke
+geldelijke offers mogelijk zou zijn, eenige verbeteringen te laten
+aanbrengen.
+
+DR. STOCKMANN. En met zoo'n streek denk je mij te kunnen vangen?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Streek?
+
+DR. STOCKMANN. Ja, dat zou een streek zijn,... een bedriegerij, een
+leugen, gewoon-weg een misdaad tegen het publiek, jegens de heele
+maatschappij!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ik heb, zooals ik al opmerkte, niet de overtuiging
+gekregen dat er eenig onmiddellijk gevaar bestaat.
+
+DR. STOCKMANN. Dat heb je wel! Dat kan niet anders. Mijn uiteenzetting
+is afdoende en juist, dat _weet_ ik! En je begrijpt dat heel goed,
+Peter, maar je wilt het eenvoudig niet toegeven. Jij was het die het
+doordreef dat de gebouwen gezet werden en de waterleiding werd aangelegd
+op de plaats waar jij het aanwees; en de zaak is eenvoudig _dit_: dat je
+die vervloekte stommigheid niet bekennen wilt. Poeh!... denk je dat ik
+je niet doorzie?
+
+BURGEM. STOCKMANN. En zelfs al was dat zoo? Indien ik misschien ietwat
+angstvallig vast houd aan mijn prestige, dan geschiedt dat ten bate van
+de stad. Zonder moreel overwicht kan ik de zaken niet zoo besturen en
+leiden als ik het dienstig acht ten beste van allen. Daarom ... en ook
+om verschillende andere redenen ... is er mij zeer veel aan gelegen dat
+je rapport niet aan de directie der badinrichting wordt ingeleverd. In
+het belang van het algemeen welzijn moet dat achtergehouden worden. Ik
+zal dan later de zaak in discussie brengen en wij zullen in alle stilte
+doen wat mogelijk is. Maar er mag niets ... geen enkel woord ... van
+deze fatale zaak openbaar gemaakt worden.
+
+DR. STOCKMANN. Ja, dat zal je toch niet kunnen verhinderen, mijn waarde
+Peter.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Het moet en zal verhinderd worden.
+
+DR. STOCKMANN. Dat gaat niet, zeg ik je. Er zijn er al te veel die er
+van weten.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Er van weten? Wie? Toch niet die heeren van de
+"Volksbode"?
+
+DR. STOCKMANN. O ja, die ook. De vrijzinnige onafhankelijke pers zal er
+wel voor zorgen dat jullie je plicht doet.
+
+BURGEM. STOCKMANN (_na een korte pauze_). Je bent toch een ongelooflijk
+onbesuisd mensch, Thomas. Heb je dan niet bedacht wat voor gevolgen dat
+zou kunnen hebben voor jou zelf?
+
+DR. STOCKMANN. Gevolgen? Gevolgen voor mij?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Voor jou en je gezin....
+
+DR. STOCKMANN. Wat duivel beteekent dat?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ik geloof dat ik altijd een bereidwillige en
+behulpzame broer voor je geweest ben.
+
+DR. STOCKMANN. Ja, dat ben je; en daarvoor zeg ik je dank.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Niet noodig. Voor een deel ben ik er ook genoodzaakt
+toe geweest om mijn zelfs wil. Ik heb altijd gehoopt dat ik je
+eenigermate in toom zou kunnen houden, als ik je hielp je financieele
+positie wat te verbeteren.
+
+DR. STOCKMANN. Wat? Deed je dat dus alleen voor je zelf...?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Gedeeltelijk, zeg ik. Het is pijnlijk voor een
+ambtenaar als zijn naaste betrekkingen zich telkens weer
+compromitteeren.
+
+DR. STOCKMANN. En je vindt dus dat ik dat doe?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ja, helaas, doe je dat, zonder dat je het weet.
+En dan je onzalige neiging om in 't openbaar over alle mogelijke en
+onmogelijke dingen te schrijven. Niet zoodra krijg je een inval,...
+of terstond moet je er een courantenartikel of een heele brochure over
+schrijven.
+
+DR. STOCKMANN. Ja maar, is het dan niet de plicht van een staatsburger
+om het aan het publiek mee te deelen wanneer hij een nieuw idee heeft?
+
+BURGEM. STOCKMANN. O, het publiek heeft heelemaal geen behoefte aan
+nieuwe idees. Het publiek vaart het beste bij de oude, goede, algemeen
+gangbare idees die het al bezit.
+
+DR. STOCKMANN. En dat zeg je zoo maar ronduit!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ja, een keer moet ik toch eens ronduit met je
+spreken. Tot nu toe heb ik getracht het te vermijden, omdat ik weet hoe
+prikkelbaar je bent; maar nu moet ik je de waarheid eens zeggen, Thomas.
+Je kunt je niet voorstellen hoeveel kwaad je jezelf doet met je
+overijling. Je beklaagt je over de autoriteiten, ja zelfs over de
+regeering,... valt die zelfs heftig aan ... houdt vol dat je op zij
+gezet en vervolgd wordt. Maar kan je dan iets anders verwachten,...
+zoo'n lastig mensch als jij bent.
+
+DR. STOCKMANN. Wat nou ... ben ik lastig ook al?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ja, Thomas, je bent een heel lastig mensch om mee
+samen te werken. Dat heb ik ondervonden. Je stapt over alle
+consideraties heen; je schijnt heelemaal te vergeten, dat ik het ben aan
+wien je je betrekking als baddokter te danken hebt....
+
+DR. STOCKMANN. Dat kwam mij alleen toe! Mij en geen ander! Ik was de
+eerste die inzag dat de stad een bloeiende badplaats worden kon; en ik
+was de eenige die dat toen inzag. Ik stond alleen en streed voor dat
+denkbeeld vele jaren lang, en ik schreef ... schreef....
+
+BURGEM. STOCKMANN. Volkomen waar. Maar toen was het goede oogenblik nog
+niet gekomen. Nu, dat kon je daarginder in je uithoek niet beoordeelen.
+Maar toen dan eindelijk het geschikte moment gekomen was, toen nam ik
+... met de anderen ... de zaak in handen....
+
+DR. STOCKMANN. Ja, en toen verknoeiden jullie mijn heele prachtige plan.
+O ja, nu blijkt pas goed wat voor geslepen kerels jullie waart!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Naar mijn idee blijkt alleen dat jij weer behoefte
+hebt aan een veiligheidsklep voor je strijdlust. Je wilt je superieuren
+te lijf;... ouder gewoonte. Je kunt geen macht boven je dulden; je kijkt
+een ieder, die een hoogere betrekking heeft, met schele oogen aan; je
+beschouwt hem als je persoonlijken vijand,... en terstond is ieder wapen
+tegen hem je welkom. Maar nu heb ik je er op attent gemaakt, welke
+belangen er voor de stad op het spel staan, en dientengevolge ook voor
+mij. En daarom zeg ik, Thomas, dat ik onverbiddelijk ben in den eisch
+dien ik van plan ben je nu te stellen.
+
+DR. STOCKMANN. En wat is dat dan voor een eisch?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Daar je je mond niet hebt kunnen houden over deze
+netelige zaak, tegen menschen die er niets mee te maken hebben, hoewel
+je het als een bestuursgeheim voor je hadt moeten houden, kunnen wij de
+zaak natuurlijk niet meer smoren. Allerhande geruchten zullen in omloop
+komen en de slechtgezinden onder ons zullen die met allerlei toevoegsels
+aandikken. Daarom zal het noodig zijn dat jij deze geruchten openlijk
+tegenspreekt.
+
+DR. STOCKMANN. Ik? Wat meen je? Ik begrijp je niet.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Men zou kunnen verwachten dat jij, bij een hernieuwd
+onderzoek, tot het resultaat komt, dat de zaak op verre na niet zoo
+gevaarlijk en bedenkelijk is, als je je in het eerste oogenblik
+verbeeldde.
+
+DR. STOCKMANN. Aha ... dat verwacht je dus van me!
+
+BURGEM. STOCKMANN. En verder verwacht men, dat je vertrouwt ... en dat
+openlijk uitspreekt ... dat het bestuur grondig en nauwgezet het noodige
+in het werk stellen zal om mogelijke misstanden te verhelpen.
+
+DR. STOCKMANN. Maar dat zal je nooit in der eeuwigheid kunnen doen, zoo
+lang je je behelpt met knoei- en lapwerk. Dit zeg ik je, Peter, en dat
+is mijn eerlijke en vaste overtuiging...!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Als ondergeschikt ambtenaar is het je niet geoorloofd
+een aparte overtuiging te hebben.
+
+DR. STOCKMANN (_ontsteld_). Niet geoorloofd om een...?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Als ondergeschikt ambtenaar, zeg ik. Als
+particulier,... ja, dat is heel wat anders. Maar als ondergeschikte, in
+dienst van de badinrichting is het je niet geoorloofd een overtuiging
+uit te spreken, die in strijd is met die van je superieuren.
+
+DR. STOCKMANN. Dat gaat te ver! Ik als dokter, als wetenschappelijk man,
+zou niet het recht hebben om...!
+
+BURGEM. STOCKMANN. De zaak waarvan hier sprake is, is niet enkel een
+wetenschappelijke; dat is een gecombineerde zaak; het is zoowel een
+technische als een oekonomische!
+
+DR. STOCKMANN. Och wat duivel! Laat het voor mijn part zijn wat het wil!
+Ik wil vrijheid hebben om te spreken over alle mogelijke zaken in de
+wereld!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Alsjeblieft. Alleen maar niet over die betreffende de
+badinrichting.... Dat verbieden wij je.
+
+DR. STOCKMANN (_schreeuwt_). Jullie verbiedt mij.... Jullie! Zulke...!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ik verbied het je...; ik, je chef. En wanneer ik het
+je verbied dan heb jij te gehoorzamen.
+
+DR. STOCKMANN (_bedwingt zich_). Peter,... waarachtig, als je mijn broer
+niet was....
+
+PETRA (_rukt de deur open_). Vader, dat moet je niet verdragen!
+
+MEVR. STOCKMANN (_haar achterna_). Petra! Petra!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ah, men heeft staan luisteren.
+
+MEVR. STOCKMANN. Je praatte zoo hard; wij konden niet helpen dat wij....
+
+PETRA. Ja, ik heb staan luisteren.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Nu, eigenlijk ben ik er blij om....
+
+DR. STOCKMANN (_komt dichter bij hem_). Je zei iets van verbieden en
+gehoorzamen...?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Je hebt mij gedwongen op dien toon te spreken.
+
+DR. STOCKMANN. En nu moet ik met een openlijke verklaring mijzelf een
+slag in mijn gezicht geven?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Wij houden het voor absoluut noodzakelijk dat je een
+verklaring publiceert zooals ik die verlangd heb.
+
+DR. STOCKMANN. En als ik nu niet ... gehoorzaam?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Dan geven wij zelf een verklaring uit tot
+geruststelling van het publiek.
+
+DR. STOCKMANN. Best; maar dan schrijf ik tegen jullie. Ik blijf bij mijn
+idee; ik zal bewijzen dat ik gelijk heb en jullie ongelijk hebt. En wat
+zal je dan doen?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Dan zal ik niet kunnen verhinderen dat je ontslagen
+wordt.
+
+DR. STOCKMANN. Wat...!
+
+PETRA. Vader ... ontslagen!
+
+MEVR. STOCKMANN. Ontslagen!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ontslagen als baddokter. Ik zal mij genoodzaakt zien
+je voor te dragen voor onmiddellijk ontslag, en je te ontheffen van alle
+functies die met de badinrichting in verband staan.
+
+DR. STOCKMANN. En dat zou jullie durven wagen!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Je bent het zelf die hier een gewaagd spel speelt.
+
+PETRA. Oom, dat is een schandelijke manier van doen tegen een man als
+papa!
+
+MEVR. STOCKMANN. Petra, wil je wel eens je mond houden!
+
+BURGEM. STOCKMANN (_kijkt Petra aan_). Aha, men schijnt zich hier ook al
+te permitteeren zijn opinie ten beste te geven. Ja, natuurlijk (_tegen
+mevr_.) Schoonzuster, u is vermoedelijk de verstandigste hier in huis.
+Gebruik den invloed dien u op uw man heeft, doe hem inzien wat voor
+gevolgen dit hebben zal, zoowel voor zijn gezin....
+
+DR. STOCKMANN. Mijn gezin gaat niemand anders aan dan mij.
+
+BURGEM. STOCKMANN. ... zoowel voor zijn gezin, zeg ik, als voor de stad
+waar hij woont.
+
+DR. STOCKMANN. _Ik_ ben het die het ware welzijn van de stad wil. Ik wil
+de misslagen onthullen die vroeg of laat aan het licht moeten komen. En
+het zal nog wel eens blijken of ik mijn geboorteplaats lief heb.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Jij, die in blinden trots de stad haar voornaamste
+levensbron wilt afsnijden!
+
+DR. STOCKMANN. Die bron is vergiftigd, mensch! Ben je dan krankzinnig?
+Wij leven hier van geschacher met smerigheid en vuilnis! Het heele
+opbloeiende leven van onze maatschappij put zijn voedsel uit een leugen!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Hersenschimmen ... of misschien nog wel wat ergers.
+De man die zulke beleedigende insinuaties tegen zijn eigen stad durft
+uiten, moet wel een vijand van de maatschappij zijn.
+
+DR. STOCKMANN (_op hem toeloopend_). En dat waag jij...!
+
+MEVR. STOCKMANN (_komt tusschenbeiden_). Thomas!
+
+PETRA (_pakt haar vader bij den arm_). Hou je kalm, vader!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ik wil mij niet aan gewelddadigheden blootstellen.
+Je bent nu gewaarschuwd. Bedenk dus wat je jezelf en je gezin verplicht
+bent. Adieu. (_gaat weg_).
+
+DR. STOCKMANN (_loopt op en neer_). En zoo'n behandeling moet ik mij
+laten welgevallen! In mijn eigen huis. Katrine! Wat zeg jij daarvan?
+
+MEVR. STOCKMANN. Ja, 't is zonde en schande, Thomas....
+
+PETRA. Ik wou dat ik oom maar eens te lijf mocht gaan...!
+
+DR. STOCKMANN. 't Is mijn eigen schuld; ik had al lang eens op mijn poot
+moeten spelen,... mijn tanden laten zien ... van mij afbijten! En mij
+een vijand van de maatschappij te noemen! Mij! Dat laat ik bij mijn ziel
+en zaligheid niet op me zitten!
+
+MEVR. STOCKMANN. Maar, mijn lieve Thomas, je broer heeft nu eenmaal de
+macht in handen....
+
+DR. STOCKMANN. Ja maar, ik heb het recht, zie je!
+
+MEVR. STOCKMANN. Och ja, het recht, het recht; wat helpt het of je al
+het recht hebt als je geen macht bezit?
+
+PETRA. Maar moeder ... hoe kan je toch zulke dingen zeggen?
+
+DR. STOCKMANN. Dus in eene vrije maatschappij zou het je niets helpen
+het recht op je hand te hebben! Je bent komiek Katrine! En bovendien,...
+heb ik dan niet de vrijzinnige onafhankelijke pers voor mij ... en de
+compacte meerderheid achter mij? Dat is toch wel macht genoeg zou ik
+denken!
+
+MEVR. STOCKMANN. Maar lieve God, Thomas, je denkt er toch niet aan....
+
+DR. STOCKMANN. Waar denk ik niet aan?
+
+MEVR. STOCKMANN. ... om je tegen je broer te verzetten, meen ik.
+
+DR. STOCKMANN. Wat duivel wil je dan dat ik andere doen zal, als ik niet
+loslaten wil wat recht en waarheid is?
+
+PETRA. Ja, dat zou ik ook wel eens willen weten!
+
+MEVR. STOCKMANN. Maar het helpt je immers absoluut niemendal; als ze
+niet willen dan willen ze niet.
+
+DR. STOCKMANN. Hoho, Katrine, laat mij maar tijd, dan zal je zien dat ik
+toch mijn wil doorzet.
+
+MEVR. STOCKMANN. Ja, je zult misschien doordrijven dat je je ontslag
+krijgt,... dat zal je.
+
+DR. STOCKMANN. Dan heb ik in elk geval mijn plicht tegenover het
+publiek, tegenover de maatschappij gedaan. Ik, dien hij een vijand van
+de maatschappij heeft genoemd!
+
+MEVR. STOCKMANN. Maar jegens je gezin, Thomas? Jegens ons hier thuis?
+Vindt je dat je op die manier je plicht doet jegens hen voor wier
+onderhoud je zorgen moet?
+
+PETRA. Och, denk toch niet altijd in de eerste plaats aan ons, moeder.
+
+MEVR. STOCKMANN. Ja, jij hebt goed praten; jij kunt desnoods op eigen
+beenen staan.... Maar denk aan de jongens, Thomas; en denk ook een
+beetje aan jezelf en aan mij....
+
+DR. STOCKMANN. Maar ik geloof dat je niet goed wijs bent, Katrine! Als
+ik zoo jammerlijk laf was om met dien Peter en zijn verdomden troep te
+capituleeren, zou ik dan wel ooit een gelukkig oogenblik in mijn leven
+meer kunnen hebben?
+
+MEVR. STOCKMANN. Ja, dat weet ik niet; maar Onze Lieve Heer beware ons
+voor het geluk dat ons allen te wachten staat, als jij in je trots
+volhardt. Dan sta je weer zonder brood, zonder vast inkomen. Mij dunkt,
+daar hebben wij genoeg van gehad in vroeger dagen; denk er aan, Thomas;
+bedenk wat dat zeggen wil.
+
+DR. STOCKMANN (_in hevigen tweestrijd_). En tot zoo iets kunnen die
+bureau-slaven een vrij en eerlijk man brengen! Is dat niet vreeselijk,
+Katrine?
+
+MEVR. STOCKMANN. Ja, ze hebben schandelijk gehandeld tegenover je, dat
+staat vast. Maar lieve God, er is zoo veel dat onrechtvaardig is,
+waaronder een mensch zich maar buigen moet.... Daar zijn de jongens,
+Thomas! Kijk ze eens aan! Wat zal er van hen worden? O neen, neen, je
+kunt het nooit over je hart verkrijgen....
+
+(_Ejlif en Morten met hun schoolboeken zijn intusschen binnengekomen_).
+
+DR. STOCKMANN. De jongens!... (_Staat op eens vast besloten stil_). En
+al zou de heele wereld te gronde gaan, toch buig ik mijn nek niet onder
+het juk (_gaat naar zijn kamer_).
+
+MEVR. STOCKMANN (_hem achterna_). Thomas,... wat ga je doen!
+
+DR. STOCKMANN (_bij de deur_). Ik wil het recht behouden om mijn jongens
+in de oogen te zien, als zij eens tot vrije mannen zullen zijn
+opgegroeid (_gaat binnen_).
+
+MEVR. STOCKMANN (_barst in tranen uit_). O, God helpe en trooste ons
+allen!
+
+PETRA. Vader is ferm! Hij buigt niet!
+
+(_De jongens vragen verwonderd wat er is; Petra beduidt hen dat zij
+zwijgen moeten_).
+
+
+EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.
+
+
+ * * * * *
+
+
+DERDE BEDRIJF.
+
+ De redactie-kamer van de "Volksbode." Links achter de entree-deur;
+ rechts in denzelfden wand een glazen deur, waardoor men in de
+ drukkerij kijkt. In den wand rechts een deur. Midden in de kamer
+ een groote tafel bedekt met papieren, couranten en boeken. Vooraan
+ links een raam en daarbij een lessenaar met hooge kruk. Een paar
+ fauteuils staan bij de tafel; eenige andere stoelen langs den muur.
+ De kamer is somber en ongezellig, het meubilair oud, de fauteuils
+ vuil en versleten. In de drukkerij ziet men een paar zetters aan
+ het werk; verderop is een handpers in werking.
+
+ Redacteur Hovstad zit aan den lessenaar te schrijven. Even later
+ komt Billing binnen van rechts met het manuscript van den dokter in
+ zijn hand.
+
+ * * * * *
+
+BILLING. Nou ik moet zeggen dat...!
+
+HOVSTAD (_schrijvend_). Heb je het doorgelezen?
+
+BILLING (_legt het manuscript op den lessenaar_). Ja, dat heb ik.
+
+HOVSTAD. Flink scherp, he?
+
+BILLING. Scherp? Hij is goddome vernietigend. Ieder woord komt als een
+bijlslag neer, zoo geweldig....
+
+HOVSTAD. Ja, maar de menschen vallen niet met den eersten slag.
+
+BILLING. Dat is waar; maar dan gaan wij voort met er op te slaan,...
+slag op slag, dat het heele groote-heeren regiment onderste boven ligt.
+Toen ik dat daar in mijn kamer zat te lezen, was het of ik in de verte
+de revolutie zag aankomen.
+
+HOVSTAD (_keert zich om_). Sst; zeg dat maar niet dat Aslaksen het
+hoort.
+
+BILLING (_spreekt zachter_). Aslaksen is een haas, een laffe vent; er
+zit niets geen mannenmoed in hem. Maar dezen keer zal je toch je wil
+doorzetten, he? Het artikel van den dokter plaats je toch wel?
+
+HOVSTAD. Ja, als de burgemeester nu maar niet goedwillig met hem mee
+gaat, dan....
+
+BILLING. Dat zou verduiveld vervelend zijn.
+
+HOVSTAD. Nu, wij kunnen ons in elk geval de omstandigheden ten nutte
+maken, wat er ook gebeure. Gaat de burgemeester niet in op de
+voorstellen van den dokter, dan krijgt hij de heele kleine burgerij op
+zijn dak,... den heelen Bond van Huiseigenaren en al de anderen. En gaat
+hij er wel op in, dan krijgt hij het aan den stok met een heelen troep
+van de groote aandeelhouders, die tot nu toe zijn beste steun waren.
+
+BILLING. Jawel, zeker; want die zullen stellig wat moeten opdokken....
+
+HOVSTAD. Ja, daarop kan je je wel laten hangen. En dan is die ring
+verbroken, zie je, en dan zullen wij dag aan dag het publiek er over
+inlichten, dat de burgemeester ongeschikt is in alle opzichten, en dat
+alle posten van vertrouwen in de stad, evenals het heele
+gemeentebestuur, moesten gegeven worden in handen van vrijzinnige
+mannen.
+
+BILLING. Dat is, goddome, raak! Ik zie het, ik zie het al voor me ...
+wij staan als aan den vooravond van een revolutie!
+
+(_Er wordt geklopt_).
+
+HOVSTAD. Stil! (_roept_) Binnen!
+
+(_Dr. Stockmann komt door de deur links achter_).
+
+HOVSTAD (_gaat naar hem toe_). O, daar hebben wij den dokter. Wel?
+
+DR. STOCKMANN. Druk maar raak, mijnheer Hovstad.
+
+HOVSTAD. Dus het kwam er toe?
+
+BILLING. Hoera!
+
+DR. STOCKMANN. Druk maar raak, zeg ik. Ja, zeker kwam het er toe. Maar
+nu zullen ze dan ook hun zin hebben. Nu wordt het oorlog hier in de
+stad, mijnheer Billing!
+
+BILLING. Oorlog op leven en dood, hoop ik! Het mes op de keel, dokter!
+
+DR. STOCKMANN. Dat rapport is maar een begin. Ik loop al met mijn hoofd
+vol van vier, vijf ontwerpen voor nieuwe artikels. Waar zit Aslaksen?
+
+BILLING (_roept in de drukkerij_). Aslaksen, kom eens even hier!
+
+HOVSTAD. Vier, vijf nieuwe artikels, zei u? Over dezelfde zaak?
+
+DR. STOCKMANN. Neen, geen idee, mijn waarde! Neen, over heel andere
+dingen. Maar het gaat allemaal van de waterleiding en het riool uit. Het
+een volgt uit het ander, begrijpt u. Het is net als wanneer je begint
+een oud gebouw af te breken ... dat gaat precies eender.
+
+BILLING. Dat is, goddome, waar; je schijnt er nooit mee klaar te komen
+voor je den heelen boel naar beneden hebt gehaald.
+
+ASLAKSEN (_uit de drukkerij_). Naar beneden gehaald! Dokter denkt er
+toch niet over het badhuis af te breken?
+
+HOVSTAD. In de verste verte niet; wees maar niet bang.
+
+DR. STOCKMANN. Neen, er is sprake van heel andere dingen. Wel, en wat
+zegt u van mijn verslag, mijnheer Hovstad?
+
+HOVSTAD. Ik vind het een waar meesterstuk....
+
+DR. STOCKMANN. Ja, niet waar? Nu dat doet mij plezier; dat doet mij
+plezier.
+
+HOVSTAD. Zoo helder en duidelijk; men behoeft heelemaal geen man van het
+vak te zijn om het verband te begrijpen. Ik durf gerust zeggen dat u
+alle ontwikkelden op uw hand krijgen zal.
+
+ASLAKSEN. En ook alle bezadigden?
+
+BILLING. Bezadigden en niet bezadigden, ik denk wel nagenoeg de heele
+stad.
+
+ASLAKSEN. Nu, dan kunnen wij dat verslag wel drukken.
+
+DR. STOCKMANN. Ja, dat zou ik ook denken!
+
+HOVSTAD. Morgen vroeg komt het in de courant.
+
+DR. STOCKMANN. Bliksems ja, er moet geen enkele dag verloren gaan. Hoor
+eens, mijnheer Aslaksen. Ik wou u vragen of u persoonlijk voor het
+manuscript zorgen wil.
+
+ASLAKSEN. Dat zal ik.
+
+DR. STOCKMANN. Waak er over alsof het goud was. Geen enkele drukfout;
+ieder woord is van belang. Ik kom later nog wel even aan; misschien zou
+ik dan al een gedeelte proef kunnen zien.... Ik kan niet zeggen hoe ik
+er naar verlang het gedrukt te zien ... de wereld in geslingerd....
+
+BILLING. Geslingerd ... ja, als een bliksemschicht!
+
+DR. STOCKMANN. ... aan het oordeel van alle verstandige medeburgers
+onderworpen. O, u kan u geen begrip maken van wat mij van daag is
+aangedaan. Men heeft mij met allerlei dingen gedreigd, men heeft mij
+willen ontnemen wat toch zonneklaar een mensch zijn goed recht is ...
+
+BILLING. Wat! Dat wat uw goed recht als mensch is!
+
+DR. STOCKMANN. ... men heeft mij willen vernederen, mij tot een schurk
+willen maken ... geeischt dat ik persoonlijk voordeel boven mijn
+innigste, heiligste overtuiging stellen zou....
+
+BILLING. Dat is, goddome, toch wat al te bar.
+
+HOVSTAD. Och ja, van dien kant kan men alles verwachten.
+
+DR. STOCKMANN. Maar met mij zullen zij aan het kortste eind trekken; dat
+zullen zij zwart op wit van mij hebben. Nu wil ik, om zoo te zeggen,
+voortaan in de "Volksbode" voor anker gaan liggen, en hen bombardeeren
+met ontplofbare artikels....
+
+ASLAKSEN. Ja maar, hoor eens....
+
+BILLING. Hoera, er komt oorlog, er komt oorlog!
+
+DR. STOCKMANN. ... ik zal ze tegen den grond slaan, ik zal ze
+vermorzelen, hun vestingwerken voor de oogen van het heele rechtschapen
+publiek met den grond gelijk maken! Dat zal ik doen!
+
+ASLAKSEN. Maar doe het toch gematigd, dokter; schiet met mate....
+
+BILLING. Welneen, welneen! Het dynamiet niet sparen!
+
+DR. STOCKMANN (_gaat onverstoorbaar door_). Want nu is het niet meer
+alleen de kwestie van de waterleiding en het riool, ziet u. Neen, nu is
+het onze heele samenleving hier die gereinigd, gedesinfecteerd worden
+moet.
+
+BILLING. Daar klonk het bevrijdingswoord!
+
+DR. STOCKMANN. Alle lapwerk-veteranen moeten er uit. En dat op alle
+mogelijk gebied! Er hebben zich oneindige verschieten voor mij geopend
+van daag. Heel duidelijk is mij dat alles nog niet; maar dat komt wel.
+Wij moeten jonge frissche banierdragers zoeken, beste vrienden; wij
+moeten nieuwe commandanten hebben op alle voorposten.
+
+BILLING. Juist, juist!
+
+DR. STOCKMANN. En als wij maar eensgezind zijn, dan gaat het zoo glad,
+zoo glad! De heele omwenteling zal van stapel loopen als een schip.
+Gelooft u ook niet?
+
+HOVSTAD. Ik, voor mijn part, geloof dat wij nu uitzicht hebben het
+gemeentebestuur over te brengen in die handen, waar het van rechtswege
+behoort te zijn.
+
+ASLAKSEN. En als wij maar gematigd te werk gaan, dan kan ik mij niet
+voorstellen dat het gevaarlijk zou kunnen zijn.
+
+DR. STOCKMANN. Wat duivel kan het schelen of het gevaarlijk is of niet!
+Dat wat ik doe, doe ik in naam der waarheid en voor mijn eigen geweten.
+
+HOVSTAD. U is een man die verdiend gesteund te worden, dokter.
+
+ASLAKSEN. Ja, dat staat vast, de dokter is een oprecht vriend van de
+stad; een ware vriend van de samenleving, ja.
+
+BILLING. Dokter Stockmann is, goddome, een vriend van het volk,
+Aslaksen!
+
+ASLAKSEN. Ik denk dat de Bond van Huiseigenaren van die uitdrukking gauw
+gebruik zal maken.
+
+DR. STOCKMANN (_bewogen, drukt hem de hand_). Dank, dank, mijn lieve
+trouwe vrienden;... het is zoo verkwikkend dat alles te hooren;... mijn
+broer noemde mij heel anders.... Nou, dat zal hij, bij mijn ziel, met
+woeker terug krijgen! Maar nu moet ik weg om naar een armen stakkerd te
+gaan kijken.... Straks kom ik terug, zooals gezegd. Zorg goed voor mijn
+manuscript, mijnheer Aslaksen;... en laat, bij al wat u lief is,
+alsjeblieft geen enkel uitroepingsteeken weg! Zet er liever nog een paar
+bij! Goed, best; tot straks dan; adieu!
+
+(_Wederzijdsche groeten terwijl zij hem tot aan de deur geleiden en hij
+weg gaat_).
+
+HOVSTAD. Hij kan onbetaalbaar nuttig voor ons worden.
+
+ASLAKSEN. Ja, zoo lang hij zich alleen houdt aan die zaak van de
+badinrichting. Maar als hij verder gaat, is het niet raadzaam met hem
+gemeene zaak te maken.
+
+HOVSTAD. Hm, dat komt er maar op aan....
+
+BILLING. Je bent ook zoo vervloekt bang, Aslaksen.
+
+ASLAKSEN. Bang? Ja, waar het de lokale autoriteiten betreft, ben ik
+bang, mijnheer Billing; dat is iets dat ik in de school der ervaring
+geleerd heb, moet ik u zeggen. Maar zet mij eens voor de hooge politiek,
+ja, zelfs voor de oppositie tegen de regeering, en zie dan eens of ik
+bang ben.
+
+BILLING. Neen, dan zeker niet, neen; maar dat is juist het
+tegenstrijdige in je.
+
+ASLAKSEN. Ik ben een man die er een geweten op na houdt, dat is de heele
+zaak. Valt iemand de Regeering aan, dan doet hij de maatschappij in elk
+geval geen kwaad; want die lui storen er zich niet aan, ziet u;... zij
+blijven toch waar ze zijn. Maar de _lokale_ autoriteiten, die kunnen
+omvergeworpen worden, en dan komt misschien de onkunde aan het roer, tot
+onherstelbare schade van huiseigenaren en anderen.
+
+HOVSTAD. Maar de opvoeding der burgers door zelfbestuur ... gaat dat je
+niet ter harte?
+
+ASLAKSEN. Als iemand iets bereikt heeft dat hij graag behouden wil, dan
+kan hij zich niet met alles bezig houden, mijnheer Hovstad.
+
+HOVSTAD. Nou, dan hoop ik van mijn leven niets te bereiken.
+
+BILLING. Mooi zoo!
+
+ASLAKSEN (_glimlacht_). Hm. (_wijst naar den lessenaar_). Op die
+redacteurskruk daar, heeft voor u meneer Stensgaard gezeten, die
+regeeringscommissaris is geworden.
+
+BILLING (_spuwt_). Bah! Zoo'n overlooper.
+
+HOVSTAD. Ik ben geen weerhaan ... en zal het nooit worden ook.
+
+ASLAKSEN. Iemand die aan politiek doet, moet zich nooit tot iets
+verbinden, mijnheer Hovstad. En u, mijnheer Billing, moest ook maar
+liever een beetje bakzeil halen, dezer dagen, dunkt me; want u
+solliciteert immers naar de betrekking van secretaris bij het
+gemeentebestuur.
+
+BILLING. Ik...!
+
+HOVSTAD. Jij, Billing...!
+
+BILLING. Nou ja ... wat duivel, je begrijpt toch wel dat dat maar is om
+die hoogwijze heeren te ergeren.
+
+ASLAKSEN. Ja, mij gaat het heelemaal niet aan. Maar als ik beschuldigd
+word van lafheid en tegenstrijdigheid in mijn houding, dan wil ik alleen
+daar maar op komen, dat Aslaksens politiek verleden voor alle menschen
+open ligt. Ik ben heelemaal niet veranderd, alleen heb ik meer leeren
+maat houden, ziet u. Mijn hart is geheel bij het volk; maar ik ontken
+niet dat mijn verstand een beetje overhelt naar de autoriteiten,... naar
+de lokale dan altijd (_hij gaat de drukkerij binnen_).
+
+BILLING. We moesten toch zien dat we van hem afkwamen, Hovstad.
+
+HOVSTAD. Weet je iemand anders, die ons crediet geeft voor papier,
+zetwerk en drukloon?
+
+BILLING. 't Is toch een vervloekt ding dat wij het noodige
+bedrijfskapitaal niet hebben.
+
+HOVSTAD (_gaat aan zijn lessenaar zitten_). Ja, als we dat maar hadden,
+dan....
+
+BILLING. Als je er eens met den dokter over sprak?
+
+HOVSTAD (_bladert in zijn papieren_). Wat zou dat helpen? Hij bezit
+immers niets.
+
+BILLING. Neen; maar hij heeft een goede achter de hand, den ouden Morten
+Kiil,... de "das" zooals ze hem noemen.
+
+HOVSTAD (_schrijvend_). Weet je dat zoo zeker dat _die_ wat heeft?
+
+BILLING. Goddome, ja, hij wel! En een deel daarvan moet toch wel aan
+Stockmanns familie komen. Hij zal toch wel wat meegeven ... aan de
+kinderen althans.
+
+HOVSTAD (_keert zich half om_). Reken je daarop?
+
+BILLING. Of ik er op reken? Ik reken natuurlijk nergens op.
+
+HOVSTAD. Daar doe je wel aan. En op die betrekking van secretaris zou ik
+ook maar heelemaal niet rekenen; want ik kan je verzekeren ... die krijg
+je nooit.
+
+BILLING. Denk je dat ik dat niet opperbest weet? Maar het is me al zoo
+lief dat ik die niet krijg. Zoo op zij gezet te worden vuurt je
+strijdlust aan;... je krijgt, om zoo te zeggen, weer toevoer van nieuwe
+gal en daar kan je soms behoefte aan hebben in zoo'n kraaiennest als
+hier, waar zoo zelden eens iets gebeurt dat je een beetje opwindt.
+
+HOVSTAD (_schrijvend_). O ja; o ja.
+
+BILLING. Nou ... je zult gauw genoeg wat van mij hooren!... Nu ga ik de
+oproeping aan den Bond van Huiseigenaren schrijven, (_hij gaat in de
+kamer rechts_).
+
+HOVSTAD (_zit aan den lessenaar, bijt op zijn pennenhouder en zegt
+langzaam_). Hm,... jawel.... (_er wordt geklopt_). Binnen!
+
+(_Petra komt door de deur links achter_).
+
+HOVSTAD (_staat op_). Och, is u daar? Komt u hier?
+
+PETRA. Ja, u moet mij excuseeren....
+
+HOVSTAD (_trekt een fauteuil bij_). Wil u niet gaan zitten?
+
+PETRA. Neen, dank u; ik ga dadelijk weer weg.
+
+HOVSTAD. Is het misschien iets van uw vader, waar u....
+
+PETRA. Neen het is iets van mijzelf. (_haalt een boek uit haar zak_).
+Hier is dat Engelsche verhaal.
+
+HOVSTAD. Waarom brengt u dat terug?
+
+PETRA. Omdat ik het niet vertalen wil.
+
+HOVSTAD. Maar u beloofde het mij toch zoo vast....
+
+PETRA. Ja, maar toen had ik het nog niet gelezen. En u heeft het zeker
+ook niet gelezen.
+
+HOVSTAD. Neen; u weet dat ik geen Engelsch ken; maar....
+
+PETRA. Nu juist; daarom moet ik u zeggen dat u iets anders zoeken moet
+(_legt het boek op de tafel_). Dit kan u volstrekt niet gebruiken in de
+"Volksbode".
+
+HOVSTAD. Waarom niet?
+
+PETRA. Omdat het geheel in strijd is met uw eigen beginselen.
+
+HOVSTAD. Nu, wat dat betreft....
+
+PETRA. U begrijpt mij nog niet goed. Dit is een verhaal waarin verteld
+wordt, dat een hooge bestiering waakt over de zoogenaamd brave menschen
+hier op aarde en alles ten slotte ten beste voor hen beschikt,... en dat
+de zoogenaamd slechten hun straf krijgen.
+
+HOVSTAD. Maar dat is juist heel mooi. Dat is net iets wat het volk
+hebben wil.
+
+PETRA. Wil u dan de man zijn die het volk zulke dingen voorzet? Zelf
+gelooft u daar immers geen woord van. U weet opperbest dat het in de
+werkelijkheid zoo niet toegaat.
+
+HOVSTAD. Daarin heeft u volkomen gelijk, maar een redacteur kan niet
+altijd doen zooals hij 't liefst zou willen. Men moet dikwijls buigen
+voor de opinie der menschen in dingen van minder belang. De politiek is
+de hoofdzaak in het leven ... of althans voor een dagblad. En als ik wil
+dat de menschen mij volgen zullen op den weg naar vrijmaking en
+vooruitgang, dan moet ik hen niet afschrikken. Als zij onder aan ons
+blad zulk een braaf verhaaltje lezen, dan gaan ze gewilliger mee met dat
+wat bovenaan gedrukt staat;... dat geeft hun een rustig gevoel.
+
+PETRA. Foei, zoo sluw gaat u dus te werk om u lezers te vangen; u is
+toch geen spin!
+
+HOVSTAD (_glimlacht_). Dank voor uw goede opinie. Neen; dat is ook
+eigenlijk maar Billing's gedachtengang, niet de mijne.
+
+PETRA. Billing's...!
+
+HOVSTAD. Ja, zoo sprak hij er ten minste onlangs over. Het is ook
+Billing die er zoo op gesteld is dat verhaal te plaatsen; ik ken het
+boek niet.
+
+PETRA. Maar hoe kan Billing met zijn radicale opvattingen...!
+
+HOVSTAD. Och, Billing is veelzijdig. Nu solliciteert hij naar de
+betrekking van secretaris bij het gemeentebestuur ook al, hoor ik.
+
+PETRA. Dat geloof ik niet, mijnheer Hovstad. Hoe zou hij zich in zoo
+iets kunnen voegen?
+
+HOVSTAD. Ja, dat moet u hem zelf maar vragen!
+
+PETRA. Nooit zou ik dat van Billing gedacht hebben.
+
+HOVSTAD (_kijkt haar strak aan_). Niet? Komt u dat zoo heel onverwacht?
+
+PETRA. Ja. Of misschien toch niet. Ik weet 't eigenlijk niet....
+
+HOVSTAD. Wij dagbladschrijvers deugen niet veel, juffrouw Stockmann.
+
+PETRA. Zegt u dat in ernst?
+
+HOVSTAD. Soms denk ik het wel eens.
+
+PETRA. Ja, onder den indruk van het gewone dagelijksche gekrakeel, dat
+kan ik wel begrijpen. Maar nu, nu u op komt voor een groote zaak....
+
+HOVSTAD. Die van uw vader, meent u?
+
+PETRA. Ja juist. Nu, dunkt me, moet u zich voelen als een man die meer
+waard is dan anderen.
+
+HOVSTAD. Ja, van daag voel ik zoo iets.
+
+PETRA. Niet waar? Is het zoo niet? O, u heeft een mooie levenstaak
+gekozen. Miskende waarheden en nieuwe vrije levensopvattingen een weg te
+banen ... ja zelfs alleen het zonder vrees optreden voor iemand die
+verongelijkt wordt....
+
+HOVSTAD. Vooral als die verongelijkte ... hm ... ik weet niet goed, hoe
+ik....
+
+PETRA. Als hij zoo rechtschapen en zoo door-en-door eerlijk is, meent u?
+
+HOVSTAD (_zachter_). Vooral wanneer die uw vader is; wou ik zeggen.
+
+PETRA (_plotseling veranderd_). Daarom?
+
+HOVSTAD. Ja, Petra,... juffrouw Petra.
+
+PETRA. Komt dat dus voor u in de allereerste plaats? Niet de zaak zelf?
+Niet de waarheid; niet vaders hooge gloeiende ziel?
+
+HOVSTAD. Jawel,... ja dat spreekt, dat ook.
+
+PETRA. Neen; nu heeft u zich versproken, mijnheer Hovstad, en nu geloof
+ik u in geen enkel opzicht meer.
+
+HOVSTAD. Kan u mij dat zoo kwalijk nemen, dat het voornamelijk om
+uwentwil is...?
+
+PETRA. Wat ik u kwalijk neem, is dat u niet eerlijk tegenover vader is
+geweest. U heeft met hem gesproken alsof de waarheid en het heil der
+maatschappij u het allernaast aan het hart lagen. U heeft vader zoowel
+als mij voor den gek gehouden; u is niet de man voor wien u zich uitgaf.
+En dat vergeef ik u nooit!
+
+HOVSTAD. Dat moest u liever niet zoo stellig zeggen, juffrouw Petra; en
+allerminst nu.
+
+PETRA. Waarom niet nu?
+
+HOVSTAD. Omdat uw vader mijn hulp niet missen kan.
+
+PETRA (_kijkt op hem neer_). Dus van die kracht is u ook nog? Bah!
+
+HOVSTAD. Neen, neen, dat meen ik niet! Het valt mij ook zoo onverwacht
+op het lijf. Dat moet u niet gelooven!
+
+PETRA. Ik weet nu wat ik gelooven moet. Adieu.
+
+ASLAKSEN (_uit de drukkerij, haastig en geheimzinnig_). Bliksems, meneer
+Hovstad.... (_ziet Petra_). Au, verdomme....
+
+PETRA. Daar ligt het boek. Geeft u 't maar aan iemand anders (_gaat naar
+de uitgangsdeur_).
+
+HOVSTAD (_loopt mee_). Maar, juffrouw....
+
+PETRA. Vaarwel (_gaat weg_).
+
+ASLAKSEN. Meneer Hovstad, hoor eens!
+
+HOVSTAD. Nou, nou, wat is er dan?
+
+ASLAKSEN. De burgemeester is in de drukkerij.
+
+HOVSTAD. De burgemeester, zeg je?
+
+ASLAKSEN. Ja, hij wil u spreken; hij kwam achterin,... wou niet gezien
+worden, dat begrijpt u.
+
+HOVSTAD. Wat kan dat zijn? Neen wacht, ik zal zelf.... (_hij gaat naar
+de deur van de drukkerij, groet en verzoekt den burgemeester binnen te
+komen_).
+
+HOVSTAD. Hou de wacht, Aslaksen, dat niemand....
+
+ASLAKSEN. Begrepen.... (_gaat de drukkerij binnen_)
+
+BURGEM. STOCKMANN. Mijnheer Hovstad had wel niet verwacht mij hier te
+zien.
+
+HOVSTAD. Neen, dat had ik stellig niet.
+
+BURGEM. STOCKMANN (_kijkt rond_). U is hier waarlijk heel gezellig
+ingericht, heel aardig.
+
+HOVSTAD. O....
+
+BURGEM. STOCKMANN. En nu kom ik zoo maar zonder complimenten en leg
+beslag op uw tijd.
+
+HOVSTAD. Alsjeblieft, burgemeester, ik ben tot uw dienst. Maar mag ik u
+niet ontlasten van...? (_legt uniformpet en stok op een stoel_). En wil
+burgemeester niet gaan zitten?
+
+BURGEM. STOCKMANN (_gaat bij de tafel zitten_). Dank u.
+
+(_Hovstad gaat ook aan de tafel zitten_).
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ik heb van daag een waarlijk groot verdriet gehad,
+mijnheer Hovstad.
+
+HOVSTAD. Zoo? Och ja, bij zooveel zaken als burgemeester aan zijn hoofd
+heeft....
+
+BURGEM. STOCKMANN. Dat van van daag heeft de baddokter mij aangedaan.
+
+HOVSTAD. De dokter? Zoo?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Hij heeft een soort van verslag geschreven voor het
+bestuur van de badinrichting, over een aantal vermeende gebreken....
+
+HOVSTAD. Och kom?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ja, heeft hij het u niet verteld? Ik dacht dat hij
+zei....
+
+HOVSTAD. O ja, dat 's waar, hij liet er een paar woorden over los....
+
+ASLAKSEN (_uit de drukkerij_). Ik wou even het manuscript....
+
+HOVSTAD (_kriebelig_). Hm; dat ligt immers daar op den lessenaar.
+
+ASLAKSEN (_vindt het_). Mooi zoo.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Maar kijk eens, daar heeft u het juist....
+
+ASLAKSEN. Ja, dat is het stuk van den dokter, burgemeester.
+
+HOVSTAD. O, is het dat waar u van spreekt?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Precies. Wat denkt u er van?
+
+HOVSTAD. Ja, ik ben geen man van het vak, en ik heb het maar vluchtig
+gelezen.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Maar u laat het toch drukken?
+
+HOVSTAD. Een man van naam kan ik dat niet goed weigeren....
+
+ASLAKSEN. Ik heb niets te zeggen in dagbladzaken, burgemeester.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Dat spreekt.
+
+ASLAKSEN. Ik druk maar wat ik in mijn handen krijg.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Zoo behoort het ook.
+
+ASLAKSEN. En daarom mag ik zeker wel.... (_gaat naar de deur van de
+drukkerij_).
+
+BURGEM. STOCKMANN. Neen, blijf nog een oogenblik, mijnheer Aslaksen. Met
+uw goedvinden, mijnheer Hovstad....
+
+HOVSTAD. Alsjeblieft, burgemeester....
+
+BURGEM. STOCKMANN. U is een kalm en verstandig man, mijnheer Aslaksen.
+
+ASLAKSEN. 't Doet mij plezier dat burgemeester er zoo over denkt.
+
+BURGEM. STOCKMANN. En een man van invloed in wijden kring.
+
+ASLAKSEN. Voornamelijk onder de kleine luiden ... ja.
+
+BURGEM. STOCKMANN. De kleine belastingplichtigen zijn het talrijkst,
+hier, even als overal.
+
+ASLAKSEN. Dat zijn ze zeker.
+
+BURGEM. STOCKMANN. En ik twijfel er niet aan of u kent den geest van de
+meesten van die lui. Is het zoo niet?
+
+ASLAKSEN. Ja, burgemeester, ik geloof dat ik wel zeggen mag dat ik dien
+ken.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Nu als er dan zoo'n prijzenswaardige offervaardigheid
+heerscht onder de minder gegoede burgers, dan....
+
+ASLAKSEN. Hoe dat?
+
+HOVSTAD. Offervaardigheid?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Dat is een mooi blijk van gemeenschapszin; een heel
+mooi blijk. Ik had haast gezegd dat ik het niet verwacht had. Maar u
+kent den geest beter dan ik.
+
+ASLAKSEN. Ja, maar, burgemeester....
+
+BURGEM. STOCKMANN. En het zullen waarlijk geen geringe offers zijn die
+de stad zal moeten brengen.
+
+HOVSTAD. De stad?
+
+ASLAKSEN. Maar ik begrijp niet.... Het is toch de badinrichting...!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Volgens een voorloopige berekening zullen de
+veranderingen, die de baddokter wenschelijk acht, een paar
+honderdduizend kronen beloopen.
+
+ASLAKSEN. Dat is een heeleboel geld, maar....
+
+BURGEM. STOCKMANN. Natuurlijk zal het noodig zijn dat de gemeente een
+leening sluit.
+
+HOVSTAD (_staat op_). Het is toch niet de bedoeling dat de stad...?
+
+ASLAKSEN. Zou dat uit de gemeentekas moeten gaan! Uit de magere beurzen
+van de kleine burgers?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ja, geeerde heer Aslaksen, waar zouden de middelen
+anders van daan moeten komen?
+
+ASLAKSEN. Daar moeten de heeren voor zorgen wien de badinrichting
+aangaat.
+
+BURGEM. STOCKMANN. De aandeelhouders zijn niet in staat nog verder te
+gaan dan ze al gegaan zijn.
+
+ASLAKSEN. Is dat heel zeker, burgemeester?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ik heb nauwkeurige inlichtingen ingewonnen. Wenscht
+men dus deze veelomvattende veranderingen, dan moet de stad ze zelf
+bekostigen.
+
+ASLAKSEN. Maar bliksems nog toe ... excuseer burgemeester ... maar dan
+wordt het een heel ander geval, meneer Hovstad.
+
+HOVSTAD. Ja, dat is zeker.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Het fataalste is, dat wij genoodzaakt zijn de
+badplaats te sluiten voor een paar jaar.
+
+HOVSTAD. Sluiten? Heelemaal sluiten?
+
+ASLAKSEN. Twee jaar lang!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ja, zoo lang zal het werk duren op zijn minst.
+
+ASLAKSEN. Neen maar, voor den donder, dat houden wij niet uit,
+burgemeester! Waar zullen wij huiseigenaren dan van leven in dien tijd?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Dat is, helaas, een moeilijk te beantwoorden vraag.
+Maar wat wil u dat wij dan doen zullen? Denkt u dat er een enkele
+badgast hier komen zou als men hem wijs maakt dat het water bedorven is,
+dat wij op een verpesten grond leven, dat de heele stad....
+
+ASLAKSEN. En is dat dan allemaal maar verbeelding?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ik heb mij met den besten wil, niet van het tegendeel
+kunnen overtuigen.
+
+ASLAKSEN. Ja maar, dan is het toch onverantwoordelijk van dokter
+Stockmann.... Ik vraag excuus burgemeester, maar....
+
+BURGEM. STOCKMANN. Het is een treurige waarheid, die u daar uitspreekt,
+mijnheer Aslaksen. Mijn broer is, helaas, altijd een onnadenkend mensch
+geweest.
+
+ASLAKSEN. En dan zou u hem in zoo iets willen steunen, meneer Hovstad?
+
+HOVSTAD. Maar wie kon dan ook denken, dat...?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ik heb een korte rectificatie van den toestand
+opgesteld, zoo als die van een kalm zakelijk standpunt moet beschouwd
+worden, en daarbij heb ik aangegeven op welke wijze de mogelijke
+ongemakken zouden te verhelpen zijn, met middelen die voor de kas der
+badinrichting bereikbaar zijn.
+
+HOVSTAD. Heeft u dat opstel bij u, burgemeester?
+
+BURGEM. STOCKMANN (_zoekt in zijn zak_). Ja; ik nam het mee voor het
+geval dat u....
+
+ASLAKSEN (_snel_). Bliksems, daar is hij!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Wie? Mijn broer?
+
+HOVSTAD. Waar ... waar?
+
+ASLAKSEN. Hij loopt door de drukkerij.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Dat is fataal. Ik zou hem niet gaarne hier ontmoeten,
+en ik heb nog verscheidene dingen met u te bespreken.
+
+HOVSTAD. (_wijst naar de deur rechts_). Gaat u daar zoo lang binnen.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Maar...?
+
+HOVSTAD. Daar vindt u mijnheer Billing.
+
+ASLAKSEN. Weg, weg, burgemeester, daar komt hij!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ja, jawel; maar zie hem gauw weer weg te krijgen.
+
+(_Hij gaat weg door de deur rechts, die Aslaksen voor hem opent en weer
+sluit_).
+
+HOVSTAD. Doe alsof je met iets bezig bent, Aslaksen. (_hij gaat zitten
+schrijven. Aslaksen rommelt in een pak couranten op een stoel rechts_).
+
+DR. STOCKMANN (_komt uit de drukkerij_). Daar ben ik weer. (_legt hoed
+en stok weg_).
+
+HOVSTAD (schrijvend). Nu al, dokter? Maak voort met dat waar we over
+spraken, Aslaksen. We hebben bitter weinig tijd van daag.
+
+DR. STOCKMANN (_tegen Aslaksen_). Nog geen proef, hoor ik?
+
+ASLAKSEN (_zonder zich om te keeren_). Neen, hoe kon dokter dat
+verwachten?
+
+DR. STOCKMANN. Och neen; maar ik ben ongeduldig, dat kan u wel
+begrijpen. Ik heb rust noch duur voor ik het gedrukt zie.
+
+HOVSTAD. Hm; dat zal nog wel een poosje duren. Geloof je ook niet,
+Aslaksen?
+
+ASLAKSEN. Ja, daar ben ik ook bang voor.
+
+DR. STOCKMANN. Goed, goed, beste vrienden; dan kom ik nog maar eens
+terug; ik kom met plezier tweemaal als het noodig is. Zoo'n gewichtige
+zaak ... de welvaart van de heele stad ... daarbij mag waarachtig niet
+geluierd worden. (_wil weggaan, doch blijft staan en komt terug_). Hoor
+eens, er is nog een ding waar ik u graag over spreken wou.
+
+HOVSTAD. Pardon; maar zouden wij niet een anderen keer....
+
+DR. STOCKMANN. Het is met twee woorden gezegd. 't Is alleen dit maar ...
+als men nu morgen mijn rapport leest in uw blad, en aldus te weten komt
+dat ik hier den heelen winter in stilte gewerkt heb voor het welzijn van
+de stad....
+
+HOVSTAD. Ja maar, dokter....
+
+DR. STOCKMANN. Ik weet wat u zeggen wil. U meent dat het niets meer was
+dan mijn plicht ... eenvoudig mijn plicht als burger. Ja, natuurlijk;
+dat weet ik net zoo goed als u. Maar mijn medeburgers, ziet u ... och
+lieve Heer, die goede menschen houden toch zooveel van mij....
+
+ASLAKSEN. Ja, de burgerij heeft wel veel van u gehouden tot op dezen
+dag, dokter.
+
+DR. STOCKMANN. Ja, en juist daarom ben ik bang, dat ... ik wou dit maar
+zeggen: als het nu tot hen komt vooral tot de onbemiddelde klasse ...
+als een aanmaning om voortaan de stadsaangelegenheden zelf in handen te
+nemen....
+
+HOVSTAD (_staat op_). Hm, dokter ik wil u niet verbergen....
+
+DR. STOCKMANN. Aha, ... dacht ik het niet dat er iets broeide! Maar daar
+wil ik niets van weten. Als er zoo iets op touw gezet wordt....
+
+HOVSTAD. Wat dan?
+
+DR. STOCKMANN. Nou, 't een of 't ander ... een serenade of een banket of
+een inschrijving voor een cadeau ... of wat het dan ook zijn moge, dan
+moet u mij heilig en vast beloven om dat tegen te gaan. En u ook,
+mijnheer Aslaksen, hoort u!
+
+HOVSTAD. Pardon dokter, wij kunnen u net zoo goed nu als later de
+waarheid zeggen....
+
+(_Mevr. Stockmann met hoed en mantel komt binnen door de deur links
+achter_).
+
+MEVR. STOCKMANN (ziet den dokter). Jawel, daar is hij zoo waar!
+
+HOVSTAD (_gaat haar tegemoet_). Kijk eens aan, daar komt mevrouw ook!
+
+DR. STOCKMANN. Wat duivel kom jij hier doen, Katrine?
+
+MEVR. STOCKMANN. Dat kan je toch wel begrijpen, denk ik.
+
+HOVSTAD. Wil u niet gaan zitten, mevrouw? Of misschien....
+
+MEVR. STOCKMANN. Dank u; doe geen moeite. En u moet het mij niet kwalijk
+nemen, dat ik Stockmann kom halen; ik ben moeder van drie kinderen moet
+ik u zeggen.
+
+DR. STOCKMANN. Malligheid, onzin; dat weten we immers wel.
+
+MEVR. STOCKMANN. Nou, het heeft er anders niet veel van of je veel aan
+vrouw en kinderen denkt van daag; anders zou je ons niet allemaal
+ongelukkig gaan maken.
+
+DR. STOCKMANN. Maar ben je nu heelemaal mal, Katrine? Zal het een man
+met vrouw en kinderen niet geoorloofd zijn de waarheid te
+verkondigen;... een nuttig en werkzaam staatsburger te zijn,... zal het
+hem verboden zijn de stad te dienen waarin hij leeft?
+
+MEVR. STOCKMANN. Alles met mate, Thomas!
+
+ASLAKSEN. Dat zeg ik ook. Maat houden in alle dingen.
+
+MEVR. STOCKMANN. En daarom bezondigt u zich aan ons, mijnheer Hovstad,
+als u mijn man weg lokt van huis en haard en hem verleidt tot dit alles.
+
+HOVSTAD. Ik verleid waarachtig geen mensch tot....
+
+DR. STOCKMANN. Verleiden! Denk je dat _ik_ mij laat verleiden!
+
+MEVR. STOCKMANN. Jawel, dat doe je wel. Ik weet wel dat je de knapste
+man van de stad bent; maar je bent zoo vreeselijk gemakkelijk te
+verleiden, Thomas. En bedenk toch eens, dat hij zijn betrekking bij de
+badinrichting verliest als u laat drukken wat hij geschreven heeft.
+
+ASLAKSEN. Wat?
+
+HOVSTAD. Ja, dokter, weet u wat....
+
+Dr. Stockmann (_lacht_). Haha, laten ze 't maar eens probeeren...! O,
+neen, zeg ... ze zullen er wel voor oppassen. Want ik heb de compacte
+meerderheid achter me, zie je!
+
+MEVR. STOCKMANN. Ja, dat is juist het ongeluk, dat je zoo iets ellendigs
+achter je hebt.
+
+DR. STOCKMANN. Mallepraat, Katrine,... ga naar huis en zorg voor je
+huishouden en laat de zorg voor maatschappelijke dingen aan mij over.
+Hoe kan je toch zoo bang zijn als ik zoo rustig en blijmoedig ben?
+(_wrijft zich de handen en loopt op en neer_). De waarheid en het volk
+zullen den slag winnen, daar kan je op aan. O, ik zie den heelen
+vrijzinnigen burgerstand zich al scharen tot een zegevierend leger...!
+(_stoot tegen een stoel_). Wat ... wat duivel is dat hier?
+
+ASLAKSEN (_kijkt dien kant uit_). O wee!
+
+HOVSTAD (_evenzoo_). Hm....
+
+DR. STOCKMANN. Hier ligt zoowaar het toppunt der autoriteit. (_hij neemt
+de pet van den burgemeester voorzichtig met de toppen van zijn vingers
+op en houdt die in de hoogte_).
+
+MEVR. STOCKMANN. De pet van den burgemeester!
+
+DR. STOCKMANN. En hier is zijn commandostaf ook. Hoe komt voor den
+drommel...?
+
+HOVSTAD. Ja....
+
+DR. STOCKMANN. O, ik begrijp er alles van! Hij is hier geweest om u te
+bepraten. Haha, daar kwam hij aan het rechte kantoor! En toen hij mij in
+de drukkerij in het oog kreeg.... (_barst in lachen uit_). Is hij gaan
+loopen, mijnheer Aslaksen?
+
+ASLAKSEN (_snel_). Ja, waarachtig, hij is gaan loopen, dokter.
+
+DR. STOCKMANN. Is gaan loopen zonder stok en.... Larifari; Peter loopt
+zoo maar niet weg. Maar wat duivel, waar heb je hem gelaten? Ah ...
+daarbinnen natuurlijk. Nou zal je eens wat zien, Katrine!
+
+MEVR. STOCKMANN. Thomas, ik bid je!
+
+ASLAKSEN. Neem u in acht, dokter.
+
+DR. STOCKMANN (_heeft burgemeesters pet opgezet en zijn stok in de hand
+genomen; dan gaat hij naar de deur, gooit die open en salueert met de
+hand aan de klep van de pet_).
+
+(_Burgemeester komt binnen, rood van kwaadheid. Achter hem aan komt
+Billing_).
+
+BURGEM. STOCKMANN. Wat moet die vertooning beteekenen?
+
+DR. STOCKMANN. Een beetje respect, mijn goede Peter. Nu vertegenwoordig
+_ik_ de autoriteit van de stad. (_hij wandelt op en neer_).
+
+MEVR. STOCKMANN (_bijna schreiend_). Maar Thomas dan toch!
+
+BURGEM. STOCKMANN (_loopt hem na_). Geef mij mijn pet en mijn stok!
+
+DR. STOCKMANN (_als voren_). Al ben jij het hoofd van de politie, ik ben
+het hoofd van de stad.... Ik ben baas van den heelen boel, ik, zie je!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Zet die pet af, zeg ik je. Bedenk dat het een
+reglementaire uniformpet is!
+
+DR. STOCKMANN. Poeh! Denk je dat de ontwakende volksleeuw zich bang laat
+maken door uniformpetten? Want morgen komt er revolutie in de stad, dat
+je het maar weet. Jij dreigde mij af te zetten, maar nu zet ik jou af
+... onthef je van al je posten van vertrouwen.... Geloof je soms dat ik
+dat niet kan? Ja wel, hoor; ik heb de zegevierende machten van de
+maatschappij op mijn hand. Hovstad en Billing zullen donderen in de
+"Volksbode", en Aslaksen rukt uit aan het hoofd van den heelen Bond van
+Huiseigenaren....
+
+ASLAKSEN. Dat doe ik niet, dokter.
+
+DR. STOCKMANN. Ja, welzeker, doet u dat....
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ah, zoo, mijnheer Hovstad prefereert misschien toch
+ook om zich aan te sluiten bij de beweging?
+
+HOVSTAD. Neen, burgemeester.
+
+ASLAKSEN. Neen, mijnheer Hovstad is zoo gek niet dat hij zich zelf en
+zijn blad er aan zou wagen, en dat ter wille van een hersenschim.
+
+DR. STOCKMANN (_kijkt rond_). Wat beteekent dat alles?
+
+HOVSTAD. U heeft uw zaak in een valsch licht voorgesteld, dokter; en
+daarom kan ik die niet steunen.
+
+BILLING. Neen, na wat burgemeester zoo vriendelijk was mij te vertellen
+daar straks....
+
+DR. STOCKMANN. In een valsch licht! Laat dat toch aan mij over! Druk
+mijn opstel maar; ik ben mans genoeg om zelf de verantwoordelijkheid er
+voor op mij te nemen.
+
+HOVSTAD. Ik druk het niet. Ik kan en wil en durf het niet drukken.
+
+DR. STOCKMANN. Durft u niet? Wat zijn dat voor praatjes? U is toch
+redacteur en het zijn toch de heeren redacteurs die de pers regeeren,
+zou ik denken!
+
+ASLAKSEN. Neen, dat zijn de abonne's, dokter.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Gelukkig, ja.
+
+ASLAKSEN. Het is de publieke opinie, het verlichte publiek, de
+huiseigenaren en al de anderen; die zijn het die de pers regeeren.
+
+DR. STOCKMANN (_kalm_). En al deze machten heb ik tegen mij?
+
+ASLAKSEN. Ja; het zou de ondergang van de burgerij zijn als uw verslag
+gedrukt werd.
+
+DR. STOCKMANN. Zoo....
+
+BURGEM. STOCKMANN. Mijn pet en mijn stok!
+
+DR. STOCKMANN (_neemt de pet af en legt die met den stok op de tafel_).
+
+BURGEM. STOCKMANN (_neemt ze allebei op_). Je burgemeesterswaardigheid
+was van korten duur.
+
+DR. STOCKMANN. Wij zijn er nog niet. (_tegen Hovstad_). Het is dus
+volstrekt onmogelijk om mijn verslag in de "Volksbode" geplaatst te
+krijgen?
+
+HOVSTAD. Volstrekt onmogelijk; ook uit consideratie voor uw gezin.
+
+DR. STOCKMANN. O, u hoeft waarachtig niet in de war te zitten over mijn
+gezin, mijnheer Hovstad.
+
+BURGEM. STOCKMANN (_haalt een papier uit zijn zak_). Tot voorlichting
+van het publiek zal het wel voldoende zijn, als dit er in komt; dit is
+een officieele verklaring. Alsjeblieft.
+
+HOVSTAD (_neemt het aan_). Goed; dat zullen wij plaatsen.
+
+DR. STOCKMANN. Maar het mijne niet! Men verbeeldt zich dat men mij en de
+waarheid doodzwijgen kan! Maar dat gaat nog zoo gemakkelijk niet als je
+denkt. Mijnheer Aslaksen, wil u dadelijk mijn manuscript nemen en het
+als vlugschrift drukken ... voor mijn rekening ... als mijn eigen
+uitgaaf. Ik wil vierhonderd exemplaren hebben; neen, vijf-, zeshonderd
+wil ik er hebben.
+
+ASLAKSEN. Al wou u het met goud betalen, ik durf mijn drukkerij er niet
+toe leenen, dokter. Ik durf het niet voor de publieke opinie. U krijgt
+dat in de heele stad nergens gedrukt.
+
+DR. STOCKMANN. Geef het mij dan terug.
+
+HOVSTAD (_reikt hem het M.S. over_). Alsjeblieft.
+
+DR. STOCKMANN (_haalt hoed en stok_). De wereld in zal het toch. Ik zal
+het voorlezen in een groote volksvergadering; al mijn medeburgers moeten
+de stem der waarheid hooren.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Geen enkele vereeniging in de heele stad staat je een
+lokaal af voor zoo iets.
+
+ASLAKSEN. Geen enkele; dat weet ik zeker.
+
+BILLING. Neen, verdomd als ze het doen!
+
+MEVR. STOCKMANN. Dat zou toch al te schandelijk zijn! Waarom zijn ze
+ineens zoo tegen je allemaal?
+
+DR. STOCKMANN (_toornig_). Dat zal ik je zeggen. Omdat alle mannen hier
+in de stad oude wijven zijn ... net als jij; ze denken allemaal alleen
+aan hun gezin en niet aan de maatschappij.
+
+MEVR. STOCKMANN (_grijpt zijn arm_). Dan zal ik hun een ... een oud wijf
+laten zien, dat een man kan zijn ... voor een enkelen keer. Want nu ben
+ik op jouw hand, Thomas!
+
+DR. STOCKMANN. Dat was flink gesproken, Katrine! En de wereld in zal
+het, bij mijn ziel en zaligheid! Kan ik geen lokaal in huur krijgen, dan
+huur ik een tamboer om met mij door de stad te gaan, en dan lees ik het
+voor op alle hoeken van de straten.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Zoo stapelgek ben je toch nog niet!
+
+DR. STOCKMANN. Jawel, zoo gek ben ik wel!
+
+ASLAKSEN. U krijgt geen enkelen man in de heele stad, die met u mee wil
+gaan.
+
+BILLING. Neen, verdomd als u er een krijgt!
+
+MEVR. STOCKMANN. Niet toegeven, Thomas! Ik zal de jongens vragen om met
+je mee te gaan.
+
+DR. STOCKMANN. Dat is een prachtig idee!
+
+MEVR. STOCKMANN. Morten doet het dolgraag; en Ejlif gaat ook wel mee.
+
+DR. STOCKMANN. Ja, en Petra! En jij zelf, Katrine!
+
+MEVR. STOCKMANN. Neen, ik zelf niet; maar ik zal aan het raam staan en
+naar je kijken; dat zal ik.
+
+DR. STOCKMANN (_slaat zijn armen om haar heen en kust haar_). Dank je
+daarvoor! Nu wordt het een tweegevecht, dappere heeren! Ik wil toch zien
+of de laagheid de macht bezit om den patriot, die de maatschappij wil
+reinigen, den mond te snoeren.
+
+(_Hij en zijn vrouw af door de deur links achter_).
+
+BURGEM. STOCKMANN (_schudt bedenkelijk het hoofd_). Nu heeft hij haar
+ook gek gemaakt!
+
+
+EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VIERDE BEDRIJF.
+
+ Een groote ouderwetsche zaal in het huis van kapitein Horster. Een
+ openstaande dubbele deur op den achtergrond leidt naar een
+ voorkamer. In den linkerwand zijn drie ramen: in 't midden van den
+ tegenovergestelden wand is een verhooging geplaatst en daarop een
+ klein tafeltje met twee kaarsen, een waterkaraf, een glas en een
+ handbel. De zaal is verder verlicht door lustres tusschen de ramen
+ geplaatst. Links op den voorgrond staat een tafel met kaarsen er op
+ en een stoel er voor. Heel vooraan rechts is een deur waarbij een
+ paar stoelen staan.
+
+ Een groote menigte stadsburgers uit alle standen. Enkele vrouwen en
+ eenige schooljongens ziet men er tusschen. Steeds meer menschen
+ stroomen naar binnen van den achtergrond komend, tot de zaal vol
+ is.
+
+ * * * * *
+
+EEN BURGER (_tegen een anderen dien hij tegenkomt_). Zoo, ben jij hier
+ook van avond, Lamstad?
+
+DE TOEGESPROKENE. Ja, ik doe mee bij alle volksvergaderingen.
+
+EEN DAARBIJ STAANDE. Je hebt toch wel een pijp meegenomen, zeg?
+
+DE TWEEDE. Ja zeker; jij niet?
+
+DE DERDE. Ja waarachtig. En schipper Evensen zou een heel groote hoorn
+meebrengen heeft hij gezegd.
+
+DE TWEEDE. Evensen ... die is goed!
+
+(_Gelach in de groep_).
+
+EEN VIERDE (_komt er bij_). Zeg eens, wat moet er toch gebeuren van
+avond?
+
+DE TWEEDE. Wel dokter Stockmann zal spreken tegen den burgemeester.
+
+DE NIEUW AANGEKOMENE. Maar de burgemeester is immers zijn broer?
+
+DE EERSTE. Dat doet er niet toe; dokter Stockmann is niet bang.
+
+DE DERDE. Maar hij heeft toch ongelijk; dat stond in de "Volksbode".
+
+DE TWEEDE. Ja, dezen keer moet hij zeker ongelijk hebben; want niemand
+wou hem een zaal afstaan, noch de Bond van Huiseigenaren, noch de
+Burgerclub.
+
+DE EERSTE. Niet eens de kuurzaal kon hij krijgen.
+
+DE TWEEDE. Ja, dat zal wel waar zijn.
+
+EEN MAN (_in een andere groep_). Met wien moet je het nou eigenlijk
+houden, in dit geval, zeg?
+
+EEN TWEEDE (_zelfde groep_). Richt je maar naar Aslaksen, den
+boekdrukker, en doe zooals hij doet.
+
+BILLING (_met een portefeuille onder den arm, baant zich een weg door de
+menigte_). Permitteert, heeren! Mag ik even door alsjeblieft? Ik ben de
+verslaggever van de "Volksbode". Dank u wel! (_hij gaat aan de tafel
+links zitten_).
+
+EEN WERKMAN. Wie was dat?
+
+EEN TWEEDE. Ken je _dien_ niet? Dat is Billing, van Aslaksen zijn
+courant.
+
+(_Kapitein Horster brengt mevrouw Stockmann en Petra binnen door de
+voordeur rechts. Ejlif en Morten volgen_).
+
+HORSTER. Hier dacht ik dat de familie het best zou zitten; hier is u er
+dadelijk uit als er iets gebeuren mocht.
+
+MEVR. STOCKMANN. Denkt u dan dat er herrie zal zijn?
+
+HORSTER. Je kunt nooit weten, met zoo'n troep menschen.... Maar gaat u
+maar gerust zitten.
+
+MEVR. STOCKMANN (_gaat zitten_). Hoe vriendelijk van u dat u Stockmann
+uw zaal aangeboden heeft.
+
+HORSTER. Toen niemand anders wou....
+
+PETRA (_die ook is gaan zitten_). En moedig was het ook, kapitein.
+
+HORSTER. Nu, zooveel moed was daar niet voor noodig, dunkt me.
+
+(_Hovstad en Aslaksen komen te gelijkertijd, maar ieder afzonderlijk
+door de menigte heen_).
+
+ASLAKSEN (_gaat naar Horster toe_). Is de dokter er nog niet?
+
+HORSTER. Hij wacht binnen.
+
+(_Beweging bij de deur_).
+
+HOVSTAD (_tegen Billing_). Daar komt de burgemeester. Kijk eens!
+
+BILLING. Ja, goddome,... die komt waarachtig ook!
+
+(_Burgemeester Stockmann baant zich voorzichtig een weg door de menigte,
+groet beleefd en gaat zitten tegen den muur links. Even daarna komt dr.
+Stockmann door de voorste deur rechts. Hij is in rok-en-witte-das.
+Enkelen applaudisseeren weifelend, wat met een gedempt gesis begroet
+wordt. Het wordt stil_).
+
+DR. STOCKMANN (_halfluid_). Hoe gaat het, Katrine?
+
+MEVR. STOCKMANN. Goed; best (_zachter_). Word nu niet dadelijk driftig,
+Thomas.
+
+DR. STOCKMANN. Och kom; ik kan mij best inhouden (_kijkt op zijn
+horloge, stapt op het podium en buigt_). 't Is al een kwartier over den
+tijd,... dus zal ik maar beginnen (_haalt zijn manuscript voor den
+dag_).
+
+ASLAKSEN. Eerst zal er toch wel een president gekozen moeten worden.
+
+DR. STOCKMANN. Neen,... dat is volstrekt niet noodig.
+
+EENIGE HEEREN (_roepen_). Jawel, jawel!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ik zou ook denken dat er een president gekozen moest
+worden.
+
+DR. STOCKMANN. Maar, Peter, ik heb toch deze vergadering opgeroepen om
+een voordracht te houden.
+
+BURGEM. STOCKMANN. De voordracht van den baddokter zou misschien tot
+zeer uiteenloopende meeningsverschillen aanleiding kunnen geven.
+
+VERSCHEIDENE STEMMEN (_uit de menigte_). Een president! Een voorzitter!
+
+HOVSTAD. De algemeene volkswil schijnt een voorzitter te verlangen.
+
+DR. STOCKMANN (_kalm blijvend_). Nu, goed dan; laat de volkswil zijn zin
+hebben.
+
+ASLAKSEN. Zou burgemeester zich met die taak willen belasten?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Om verschillende, wel begrijpelijke redenen, moet ik
+daarvoor bedanken. Maar gelukkig hebben wij in ons midden een man, dien,
+meen ik, allen hun stem kunnen geven. Ik bedoel den president van den
+Bond van Huiseigenaren, den heer Aslaksen.
+
+VELE STEMMEN. Ja, ja! Aslaksen! Hoera voor Aslaksen!
+
+DR. STOCKMANN (_neemt zijn manuscript op en stapt van het podium af_).
+
+ASLAKSEN. Als mijne medeburgers mij hun vertrouwen schenken, mag ik niet
+weigeren.... (_handgeklap en bijvalsbetuigingen. Aslaksen bestijgt het
+podium_).
+
+BILLING (_schrijft_). Dus ... "de heer boekdrukker Aslaksen bij
+acclamatie verkozen"....
+
+ASLAKSEN. En nu ik hier op deze plaats sta, zij het mij vergund een kort
+woord te spreken. Ik ben een rustig en vreedzaam man, die gesteld is op
+kalme gematigdheid, en op ... en op gematigde kalmte; dat weet een ieder
+die mij kent.
+
+VELE STEMMEN. Ja! Jawel, Aslaksen!
+
+ASLAKSEN. Ik heb in de school des levens en der ervaring geleerd, dat
+maathouden een deugd is, die den staatsburger het best kleedt....
+
+BURGEM. STOCKMANN. Juist!
+
+ASLAKSEN. ... en dat bezonnenheid en maathouden eigenschappen zijn,
+waarmee ook de maatschappij het best gediend is. Daarom zou ik mijn
+geachten medeburger, die hier de vergadering opgeroepen heeft, op het
+hart willen drukken, zich binnen de grenzen der gematigdheid te houden.
+
+EEN MAN (_bij de deur_). Leve het matigheidsgenootschap!
+
+EEN STEM. Naar den duivel daarmee!
+
+VELEN. Sst! Sst!
+
+ASLAKSEN. Niet in de rede vallen, heeren!... Is er iemand die het woord
+verlangt?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Mijnheer de voorzitter!
+
+ASLAKSEN. De burgemeester heeft het woord.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Met het oog op de nauwe bloedverwantschap waarin ik,
+zooals bekend is, tot den fungeerenden baddokter sta, ware het mij zeer
+gewenscht geweest heden avond hier niet te spreken. Maar mijn betrekking
+tot de badinrichting en de overweging dat de allergrootste belangen der
+stad er mee gemoeid zijn, noodzaken mij een voorstel te doen. Ik durf
+wel veronderstellen dat geen enkele der hier aanwezige burgers het
+wenschelijk acht, dat onbetrouwbare en overdreven voorstellingen van de
+sanitaire toestanden van de badplaats en de stad, in wijder kring
+verspreid worden.
+
+VELE STEMMEN. Ja! Ja! Natuurlijk! Wij protesteeren!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ik stel daarom voor dat de vergadering den baddokter
+niet zal toestaan zijn voorstelling van de zaak voor te lezen of voor te
+dragen.
+
+DR. STOCKMANN (_opbruisend_). Niet zal toestaan...! Wat!
+
+MEVR. STOCKMANN (_hoest_). Hm ... hm!
+
+DR. STOCKMANN (_houdt zich in_). Zoo,... dus niet zal toestaan!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ik heb in mijn verklaring in de "Volksbode" het
+publiek met de ware feiten bekend gemaakt, zoodat alle welgezinde
+burgers zich gemakkelijk een oordeel kunnen vormen. Men zal daaruit zien
+dat het voorstel van den baddokter ... behalve dat het een votum van
+wantrouwen tegen de leidsmannen der stedelijke regeering is ...
+eigenlijk daarop neerkomt, alle belastingplichtigen met een onnoodige
+uitgaaf van minstens honderdduizend kronen te bezwaren. (_Uitingen van
+onwil; hier en daar fluiten_).
+
+ASLAKSEN (_luidt de bel_). Stilte heeren! Ik ben zoo vrij het voorstel
+van den burgemeester te steunen. Het is ook mijn opinie dat de dokter
+met zijn drijven een bijoogmerk heeft. Hij spreekt van de badinrichting;
+maar hij beoogt een omwenteling; hij wil het bestuur in andere handen
+over brengen. Niemand twijfelt aan de goede bedoelingen van den dokter;
+de hemel beware ons, daarover is geen verschil van opvatting mogelijk.
+Ik ben ook een vriend van gemeentelijk zelfbestuur,... als de
+belastingplichtigen er maar niet te zwaar door gedrukt worden; maar dat
+zou hier juist het geval zijn. En daarom ... de duivel mag mij halen ...
+met verlof ... kan ik dezen keer niet met dokter Stockmann meegaan. Men
+kan ook goud al te duur koopen; dat is _mijn_ opinie.
+
+(_Levendige instemming van alle kanten_).
+
+HOVSTAD. Ook ik voel mij gedrongen mijn houding te verklaren. Dokter
+Stockmann's beweging scheen aanvankelijk instemming te vinden, en ik
+steunde die zoo onpartijdig als ik kon. Maar toen werd ons duidelijk dat
+wij door een valsche voorstelling op een dwaalspoor waren geleid....
+
+DR. STOCKMANN. Valsche...!
+
+HOVSTAD. Een minder betrouwbare dan. De verklaring van den Heer
+burgemeester heeft dat bewezen. Ik hoop dat niemand hier ter plaatse
+mijn liberale gezindheid verdenkt. De houding van de "Volksbode" in de
+groote politieke kwesties is voor een ieder bekend genoeg. Maar ik heb
+van ervaren en verstandige mannen geleerd, dat in zuivere lokale
+aangelegenheden een blad met zekere omzichtigheid te werk moet gaan.
+
+ASLAKSEN. Geheel van dezelfde opinie als de geachte spreker.
+
+HOVSTAD. En in het onderhavige geval, is het ten eenenmale buiten
+twijfel dat dokter Stockmann de gezindheid van het publiek tegen zich
+heeft. Maar wat is de eerste en voornaamste plicht van een redacteur,
+mijne heeren? Dat hij werkt in overeenstemming met zijn lezers, niet
+waar? Heeft hij niet als een zwijgende opdracht gekregen, om standvastig
+en onvervaard de welvaart van zijn geestverwanten te bevorderen? Of tast
+ik wellicht hierin mis?
+
+VELE STEMMEN. Neen, neen, neen! Hovstad heeft gelijk!
+
+HOVSTAD. Het heeft mij een hevigen strijd gekost te breken met een man,
+in wiens huis ik in den laatsten tijd een veelgeziene gast was,... een
+man die tot op dezen dag zich heeft mogen verheugen in de onverdeelde
+welwillendheid van zijn medeburgers ... een man, wiens eenige ... of
+althans voornaamste gebrek is, dat hij meer met zijn hart dan met zijn
+verstand te rade gaat.
+
+STEMMEN HIER EN DAAR. Dat is waar! Hoera voor dokter Stockmann!
+
+HOVSTAD. Maar mijn plicht jegens de maatschappij gebood mij met hem te
+breken. En dan is er nog een overweging, die mij dwingt hem te
+bestrijden, en zoo mogelijk, tegen te houden op den onheilvollen weg,
+dien hij heeft ingeslagen; dat is het lot van zijn gezin....
+
+DR. STOCKMANN. Houd u bij de waterleiding en het riool!
+
+HOVSTAD. ... het lot van zijn echtgenoote en zijn onverzorgde kinderen.
+
+MORTEN. Zijn wij dat, moeder?
+
+MEVR. STOCKMANN. Sst!
+
+ASLAKSEN. Ik zal dus het voorstel van den burgemeester in stemming
+brengen.
+
+DR. STOCKMANN. Niet noodig! Van avond ben ik niet van plan over die
+zwijnerij daarginder in de badinrichting te spreken. Neen; je zult heel
+wat anders te hooren krijgen.
+
+BURGEM. STOCKMANN (_halfluid_). Wat is dat nu weer?
+
+EEN DRONKEN MAN (_bij de deur_). Ik betaal belasting en daarom heb ik
+ook het recht mijn opinie te zeggen! En ik heb de volle, vaste ...
+onbegrijpelijke overtuiging, dat....
+
+VERSCHEIDEN STEMMEN. Stilte daarginder!
+
+ANDERE. Hij is dronken! Gooit hem er uit!
+
+(_De dronken man wordt buiten gezet_).
+
+DR. STOCKMANN. Heb ik het woord?
+
+ASLAKSEN (_luidt de bel_). Dokter Stockmann heeft het woord.
+
+DR. STOCKMANN. Dat had men enkele dagen geleden moeten durven probeeren,
+om mij zooals van avond hier den mond te snoeren! Als een leeuw zou ik
+gestreden hebben voor mijn heilige menschenrechten! Maar nu kan het mij
+niet meer schelen; want nu heb ik over gewichtiger dingen te spreken.
+
+(_De menigte dringt dichter om hem heen, Morten Kiil wordt zichtbaar
+tusschen de omstanders_).
+
+DR. STOCKMANN (_gaat voort_). Ik heb veel gepeinsd en nagedacht deze
+laatste dagen,... over zooveel loopen peinzen, dat mij het hoofd soms
+omliep....
+
+BURGEM. STOCKMANN (_bromt_). Hm...!
+
+DR. STOCKMANN. ... maar zachtjes aan werd alles mij helder; toen zag ik
+het verband zoo duidelijk. En daarom sta ik van avond hier. Ik zal
+belangrijke onthullingen doen, mijn medeburgers! Ik zal u een ontdekking
+meedeelen van veel grooter gewicht dan de kleinigheid dat onze
+waterleiding vergiftigd is en ons herstellingsoord op een verpesten
+grond ligt.
+
+VELE STEMMEN (_roepen_). Niet over de badplaats spreken! Dat willen wij
+niet hooren. Niets daarvan!
+
+DR. STOCKMANN. Ik heb gezegd dat ik spreken wou over de groote
+ontdekking die ik in deze laatste dagen heb gedaan,... de ontdekking dat
+al onze geestelijke levensbronnen vergiftigd zijn, en dat onze heele
+samenleving rust op een door leugens verpesten grond.
+
+VERBLUFTE STEMMEN (_halfluid_). Wat zegt hij?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Zulk een insinuatie...!
+
+ASLAKSEN (_met de hand aan de bel_). De spreker wordt verzocht zich te
+matigen.
+
+DR. STOCKMANN. Ik heb mijn geboorteplaats zoo lief gehad als een man de
+stad waar zijn ouderlijk huis staat maar liefhebben kan. Ik was nog niet
+oud toen ik van hier weg ging, en de afstand, verlangen en
+jeugdherinneringen legden als een verhoogden glans over de plaats zoowel
+als over de menschen.
+
+(_Enkelen applaudisseeren en betuigen bijval_).
+
+DR. STOCKMANN. Toen zat ik lange jaren in een verschrikkelijken uithoek
+ver weg in het Noorden. Wanneer ik soms den een of ander ontmoette van
+de menschen die daar tusschen de rotsklompen verspreid leven, dan dacht
+ik dikwijls dat het voor die arme uitgeputte wezens beter ware geweest
+als zij een veearts in plaats van mij gekregen hadden.
+
+(_Gemompel in de zaal_).
+
+BILLING (_legt de pen neer_). Zoo iets heb ik, goddome nog nooit
+gehoord...!
+
+HOVSTAD. Dat is een bespotting van een eerwaardige volksklasse!
+
+DR. STOCKMANN. Wacht nu maar even!... ik geloof dat niemand van mij zal
+kunnen zeggen, dat ik mijn geboorteplaats daarginder vergat. Ik zat als
+een eidergans op een ei, en wat ik uitbroedde,... dat was het plan voor
+de badinrichting hier.
+
+(_Handgeklap en protesten_).
+
+DR. STOCKMANN. En toen eindelijk en ten laatste het lot mij gunstig was
+en ik weer naar huis terugkeeren kon,... ja, mijn medeburgers, toen
+dacht ik dat er niet veel meer voor mij te wenschen over bleef. Alleen
+dien eenen wensch had ik nog: om ijverig, onvermoeid en met mijn heele
+ziel werkzaam te zijn voor mijn vaderstad en het algemeen welzijn.
+
+BURGEM. STOCKMANN (_kijkt in de lucht_). De manier is een beetje
+zonderling ... hm.
+
+DR. STOCKMANN. En zoo leefde ik dan hier zwelgend in mijn verblind
+geluk. Maar gisteren morgen ... neen, het was eigenlijk eergisteren
+avond ... toen gingen ineens de oogen van mijn geest wijd open, en het
+eerste wat ik zag, dat was die kolossale domheid van de autoriteiten....
+
+(_Rumoer, roepen en lachen. Mevr. Stockmann kucht hevig_).
+
+BURGEM. STOCKMANN. Mijnheer de voorzitter!
+
+ASLAKSEN (_belt_). Krachtens mijn bevoegdheid...!
+
+DR. STOCKMANN. Het is kleinzielig om aan een woord te blijven hangen,
+mijnheer Aslaksen. Ik wil alleen zeggen dat ik achter die ongehoorde
+zwijnerij gekomen ben, waaraan zich de leidsmannen der badinrichting
+hebben schuldig gemaakt. Leidsmannen kan ik om den dood niet
+uitstaan;... van dat soort menschen heb ik in mijn leven genoeg
+gekregen. Zij zijn net als bokken in een jonge aanplanting; ze doen
+overal kwaad aan; een vrij man staan ze in den weg, hoe hij zich ook
+wendt of keert;... en het liefst zou ik zien dat men ze uitroeide
+evenals ander schadelijk gedierte....
+
+(_Onrust in de zaal_).
+
+BURGEM. STOCKMANN. Mijnheer de voorzitter, kan u zulke uitdrukkingen
+laten passeeren?
+
+ASLAKSEN (_met de hand aan de bel_). Mijnheer de dokter...!
+
+DR. STOCKMANN. Ik begrijp zelf niet dat ik nu pas een helderen kijk op
+die heeren gekregen heb; want ik heb hier toch bijna dagelijks zoo'n
+prachtexemplaar voor mijn oogen gehad ... mijn broer Peter ...
+zwaarwichtig en vasthoudend aan vooroordeelen....
+
+(_Lachen, rumoer en gefluit. Mevr. Stockmann zit maar te kuchen_).
+
+ASLAKSEN (_luidt hevig met de bel_).
+
+DE DRONKEN MAN (_die weer binnen gekomen is_). Doelt dat op mij? Want
+ja, ik heet wel Pettersen, maar de duivel zal mij halen....
+
+BOOZE STEMMEN. Er uit met dien dronken kerel! Gooit hem de deur uit!
+
+(_De man wordt er weer uitgegooid_).
+
+BURGEM. STOCKMANN. Wie was dat?
+
+EEN NABIJSTAANDE. Ik ken hem niet, Burgemeester.
+
+EEN ANDER. Hij is niet hier van daan.
+
+EEN DERDE. Ze zeggen dat 't een houtkooper is uit.... (_de rest
+onhoorbaar_).
+
+ASLAKSEN. De man had blijkbaar te veel Beijersch bier gedronken.... Ga
+voort, dokter, maar doe toch alsjeblieft uw best om u wat te matigen.
+
+DR. STOCKMANN. Nu, goed dan, mijn medeburgers; ik zal mij niet verder
+uitlaten over onze leidsmannen. En mocht iemand afleiden uit wat ik zoo
+even gezegd heb, dat ik deze heeren hier van avond te lijf wil, dan
+heeft hij het mis ... glad mis. Want ik troost mij met de weldadige
+gedachte, dat die oudelui uit een wegstervende gedachtenwereld, zich
+zelf op zoo'n uitstekende manier uit den tijd helpen; zij hebben er niet
+eens een dokter bij noodig om hen zoo gauw mogelijk naar het graf te
+doen verhuizen. En het is ook niet die soort van menschen die het
+grootste gevaar voor de samenleving opleveren; niet _zij_ zijn het die
+het meeste bijdragen om onze geestelijke levensbronnen te vergiftigen en
+den grond onder onze voeten te verpesten; niet _zij_ zijn de
+gevaarlijkste vijanden van waarheid en vrijheid in onze maatschappij.
+
+GEROEP VAN ALLE KANTEN. Wie dan? Wie zijn het dan? Noem ze dan!
+
+DR. STOCKMANN. Ja, je kunt er op aan, dat ik ze noemen zal! Want dit is
+juist de groote ontdekking die ik gisteren gedaan heb (_met
+stemverheffing_). De gevaarlijkste vijanden van waarheid en vrijheid
+onder ons, dat zijn zij, die de compacte meerderheid uitmaken.
+
+(_Geweldig rumoer in de zaal. De meesten schreeuwen, stampen en fluiten.
+Enkele oudere heeren wisselen ter sluiks blikken en schijnen zich te
+amuseeren. Mevr. Stockmann staat angstig op; Ejlif en Morten gaan
+dreigend op de schooljongens af die leven maken. Aslaksen luidt de bel
+en maant tot kalmte. Hovstad en Billing praten samen, zonder dat men hen
+verstaat. Eindelijk wordt het weer stil_).
+
+ASLAKSEN. De voorzitter verwacht dat de spreker zijn ondoordachte
+woorden zal terugnemen.
+
+DR. STOCKMANN. Nooit van mijn leven, mijnheer Aslaksen. Het is de groote
+meerderheid in onze samenleving, die mij mijn vrijheid ontneemt en mij
+wil verbieden de waarheid uit te spreken.
+
+HOVSTAD. De meerderheid heeft altijd het recht aan hare zijde.
+
+BILLING. En ook de waarheid, goddome!
+
+DR. STOCKMANN. De meerderheid heeft nooit het recht aan hare zijde.
+Nooit, zeg ik. Dat is een van die maatschappelijke leugens, waartegen
+een vrij denkend man zich moet verzetten. Wie zijn het die de
+meerderheid der bewoners van een land uitmaken? Zijn dat de knappe
+menschen of de domme? Ik vermoed dat wij het daarover wel eens zullen
+zijn dat de dommen in een gewoon overweldigende meerderheid over de
+heele wijde wereld voorhanden zijn. Maar dat de dommen heerschen over de
+verstandigen, dat kan voor den duivel, in der eeuwigheid niet zijn
+zooals 't moet.
+
+(_Rumoer en geschreeuw_).
+
+DR. STOCKMANN. Jawel; overschreeuwen kunnen jullie me wel; maar
+tegenspreken niet. De meerderheid bezit de _macht_ ... helaas ... maar
+het _recht_ bezit zij niet. Het recht heb ik en nog een paar anderen, de
+weinigen. De minderheid heeft altijd het recht.
+
+(_Weer geweldig rumoer_).
+
+HOVSTAD. Haha; dokter Stockmann is dus aristokraat geworden sedert
+eergisteren!
+
+DR. STOCKMANN. Ik heb gezegd dat ik geen woord verspillen zou aan den
+kleinen benauwden, aamborstigen troep, die achtergebleven is. Daarmee
+heeft het kloppende leven niets meer te maken. Maar ik denk aan de
+weinigen, de enkelen onder ons, die zich al de jonge ontkiemende
+waarheden hebben eigen gemaakt. Deze mannen staan als 't ware buiten,
+tusschen de voorposten, zoover vooruitgeschoven dat de compacte
+meerderheid nog niet tot daar opgerukt is, en daar strijden zij voor
+waarheden, die nog te jonggeboren zijn in de wereld van het bewustzijn,
+om eenige meerderheid voor zich te kunnen hebben.
+
+HOVSTAD. O, dus nu is de dokter revolutionair geworden?
+
+DR. STOCKMANN. Ja, verdomd, dat ben ik, mijnheer Hovstad! Ik ben van
+plan revolutie te maken tegen de leugen, dat de meerderheid in het bezit
+van de waarheid zou zijn. Wat zijn dat voor waarheden waaromheen de
+meerderheid zich gewoonlijk groepeert? Dat zijn waarheden die zoo'n
+hoogen leeftijd bereikt hebben, dat ze op weg zijn van ouderdom in
+elkaar te zakken. Maar als een waarheid zoo oud geworden is, dan is zij
+ook goed op weg om een leugen te worden, mijne heeren!
+
+(_Lachen en spottende uitdrukkingen_).
+
+DR. STOCKMANN. Ja, ja, je kunt mij gelooven of niet, maar waarheden zijn
+volstrekt niet zulke taaie Methusalems als de menschen wel denken. Een
+normaal gebouwde waarheid leeft ... laat ons zeggen ... in den regel een
+zeventien a achttien, hoogstens twintig jaren; zelden langer. Maar zulke
+bejaarde waarheden zijn altijd verschrikkelijk mager. En toch is het pas
+dan dat de meerderheid zich met hen bemoeit en ze de maatschappij
+aanbeveelt als gezond geestelijk voedsel. Maar er zit niet veel
+voedingswaarde in dergelijken kost, dat kan ik u verzekeren; en dat moet
+ik als dokter toch weten. Al die meerderheids-waarheden zijn te
+vergelijken met oud overjarig gerookt vleesch; ze zijn zoo iets als
+ranzige, verschimmelde, pas gezouten hammen. En daar van daan komt al
+die geestelijke scorbuut die overal in de samenleving voortwoekert.
+
+ASLAKSEN. Het komt mij voor dat de geachte spreker wel eenigszins van
+het onderwerp afwijkt.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ik moet mij inderdaad aansluiten bij de opinie van
+den voorzitter.
+
+DR. STOCKMANN. Ik geloof dat je heelemaal niet wel bij 't hoofd bent,
+Peter! Ik houd mij toch zoo streng aan mijn onderwerp als maar mogelijk
+is. Want waarover ik spreken wil is immers juist dit, dat de massa, de
+meerderheid, die duivelsche compacte majoriteit,... dat die het is, zeg
+ik, die onze geestelijke levensbronnen vergiftigt en den grond onder
+onze voeten verpest.
+
+HOVSTAD. En dat zou de vrijzinnige meerderheid van ons volk doen, omdat
+het verstandig genoeg is alleen de vaste en erkende waarheden te
+huldigen?
+
+DR. STOCKMANN. Och, mijn goede mijnheer Hovstad, praat toch niet van
+vaste waarheden! De waarheden die de massa en de menigte erkennen, dat
+zijn de waarheden die de strijders op de voorposten, in de dagen van
+onze grootvaders, voor vaste waarheden hielden. Wij strijders op de
+voorposten van heden, wij erkennen die niet meer; en ik geloof volstrekt
+niet dat er een andere vaste waarheid bestaat, dan deze, dat geen enkele
+maatschappij een gezond leven leiden kan berustend op dergelijke oude,
+krachteloos waarheden.
+
+HOVSTAD. Maar in plaats van hier in 't wilde te staan praten, zou het
+wel aardig zijn als wij eens te hooren kregen, wat dat dan voor oude
+krachtelooze waarheden zijn, waarvan wij leven.
+
+(_Instemming van vele kanten_).
+
+DR. STOCKMANN. Och, ik zou een heelen hoop van dien smerigen rommel bij
+elkaar kunnen halen; maar voorloopig wil ik mij houden bij eene erkende
+waarheid, die eigenlijk een gemeene leugen is, maar waarvan toch zoowel
+mijnheer Hovstad als de "Volksbode" en al de aanhangers van de
+"Volksbode" leven.
+
+HOVSTAD. En die is...?
+
+DR. STOCKMANN. Dat is de leer die u van de voorvaders geerfd heeft en
+die u gedachteloos uitbazuint in de heele wereld,... de leer, dat de
+lagere klasse, de massa, de groote hoop, de kern des volks is,... dat
+die het volk zelf is ... dat de gemeene man, deze onwetenden en
+onontwikkelden in de samenleving, hetzelfde recht bezitten om te
+veroordeelen of goed te keuren, te regeeren en te heerschen, als de
+enkele geestelijk voorname persoonlijkheden.
+
+BILLING. Dat heb ik nu toch, goddome....
+
+HOVSTAD (_tegelijkertijd, roept_). Burgers, let op!
+
+VERBITTERDE STEMMEN. Zoo? Zijn wij het volk niet? Zijn het alleen de
+voorname lui die regeeren moeten!
+
+EEN WERKMAN. Weg met dien man die daar staat te kletsen!
+
+ANDEREN. Gooit hem er uit!
+
+EEN BURGER (_schreeuwt_). Blaas op je hoorn, Evensen!
+
+(_Geweldige trompettonen klinken; fluiten en een razend rumoer in de
+zaal_).
+
+DR. STOCKMANN (_als het leven een beetje bedaard is_). Maar weest toch
+verstandig, menschen! Wil je dan niet een enkelen keer de stem der
+waarheid hooren? Ik verlang immers volstrekt niet dat je het allemaal
+terstond met mij eens zult zijn. Maar ik had toch zeker verwacht dat
+mijnheer Hovstad mij gelijk geven zou, als hij even had nagedacht. Want
+mijnheer Hovstad maakt er immers aanspraak op vrijdenker te zijn....
+
+VERWONDERDE TWIJFELENDE VRAGEN: Vrijdenker, zegt hij? Wat? Is Hovstad
+vrijdenker?
+
+HOVSTAD (_roept_). Bewijs dat, dokter Stockmann! Wanneer heb ik dat ooit
+laten drukken?
+
+DR. STOCKMANN (_bedenkt zich even_). Daar heeft u waarachtig gelijk in!
+Dien moed heeft u nog nooit gehad. Nou, ik wil u niet het vuur aan de
+schenen leggen, mijnheer Hovstad. Laat ik die vrijdenker dan maar zijn.
+En nu zal ik je allemaal uit de natuurkunde bewijzen dat de "Volksbode"
+je schromelijk bij den neus heeft, als zij je vertelt, dat de
+volksklasse, de massa en de menigte de ware kern van het volk is. Dat is
+eenvoudig een courantenleugen, weet je! De volksklasse is niets anders
+dan de ruwe stof waaruit het volk menschen maken moet.
+
+(_Gebrom, gelach en onrust in de zaal_).
+
+DR. STOCKMANN. Gaat het dan niet zoo met alle andere levende dingen in
+de wereld? Wat een verschil is er niet tusschen gecultiveerde rasdieren
+en gewone dieren? Kijk maar eens naar een gewone boerenkip. Wat voor
+waarde heeft het vleesch van zoo'n verarmd gedierte? Niet veel,
+waarachtig! En wat voor eieren legt zoo'n dier? Een maar half
+fatsoenlijke kraai of raaf kan ongeveer even goede eieren leggen. Maar
+neem eens een echt Spaansch of Japansch rashoen, of een voorname fazant
+of kalkoen;... ja, dan zie je het verschil wel! En dan honden, met wie
+wij menschen zoo verbazend nauw verwant zijn. Stel je nu eens eerst een
+gewonen achterbuurthond voor,... zoo'n smerigen, ruigen gemeenen
+straathond, die enkel langs de straat loopt en de muren van de huizen
+bevuilt. En vergelijk dan zoo'n straathond eens met een poedel, die al
+sedert vele geslachten uit een voornaam huis stamt, waar hij best eten
+gekregen heeft en gelegenheid had om welluidende stemmen en muziek te
+hooren. Geloof je niet dat de hersens van dien poedel heel anders
+ontwikkeld zijn dan die van den straathond? Ja, daar kan je zeker van
+zijn! Zulke jonge raspoedeltjes zijn het die afgericht worden tot de
+ongeloofelijkste kunststukjes. Zulke dingen kan een gewone boerenhond
+nooit leeren, al zou hij op zijn kop gaan staan.
+
+(_Rumoer en grappen overal_).
+
+EEN BURGER (_roept_). Wil u nu ook al honden van ons maken?
+
+EEN TWEEDE. Wij zijn geen dieren, dokter!
+
+DR. STOCKMANN. Ja, bij mijn ziel en zaligheid, wij zijn wel dieren,
+vadertje! Wij zijn zulke goede dieren, allemaal, als iemand maar kan
+verlangen. Maar voorname dieren zijn er stellig niet veel onder ons.
+O, er is een geweldige afstand tusschen poedel-menschen en
+straathonden-menschen. En het grappige van de zaak is, dat mijnheer
+Hovstad het geheel met mij eens is, zoolang wij over viervoetige dieren
+spreken....
+
+HOVSTAD. Ja, die laat ik voor wat ze zijn.
+
+DR. STOCKMANN. Jawel; maar zoodra ik de wet op de tweevoetige toepas,
+dan staat mijnheer Hovstad stop. Dan durft hij zijn eigen opinies niet
+meer volhouden, zijn eigen gedachten niet meer uit-denken; dan gooit hij
+de heele leer onderste boven, en verkondigt in de "Volksbode", dat
+boerenkippen en straathonden ... dat juist die de pracht-exemplaren der
+menagerie zijn. Maar zoo gaat het altijd, zoo lang iemand nog zijn
+plebejische afkomst in het bloed zit en zoolang hij zich nog niet tot
+geestelijke voornaamheid heeft opgewerkt.
+
+HOVSTAD. Ik maak geen aanspraak op eenige voornaamheid. Ik stam af van
+eenvoudige boeren; en ik ben er trotsch op dat mijn wortels reiken tot
+diep onder in het volk, dat hier bespot wordt.
+
+VELE WERKLIEDEN. Hoera Hovstad! Hoera! Hoera!
+
+DR. STOCKMANN. Dat soort plebs waarvan ik spreek, dat vindt je niet
+alleen daar beneden in de diepten, dat kruipt en wriemelt rondom ons
+heen,... tot in de hoogste lagen der maatschappij. Kijkt maar eens naar
+je eigen deftigen, eerzamen burgemeester! Mijn broer Peter is waarachtig
+evengoed een plebejer, als anderen die er rondloopen....
+
+(_Lachen en sissen_).
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ik protesteer tegen dergelijke persoonlijke
+aanvallen....
+
+DR. STOCKMANN (_onverstoorbaar_) ... en niet omdat hij evenals ik, van
+een ouden, smerigen zeeroover uit Pommeren of ergens dien kant uit
+afstamt,... want dat doen wij....
+
+BURGEM. STOCKMANN. Absurde overlevering. Wordt ontkend!
+
+DR. STOCKMANN. ... maar omdat hij de gedachten van zijn superieuren
+denkt en altijd met hun opinie meegaat. De menschen die dat doen, dat
+zijn geestelijke plebejers; kijk, daarom is mijn trotsche broer Peter in
+den grond zoo weinig voornaam ... en dientengevolge ook zoo weinig
+vrijzinnig.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Mijnheer de voorzitter...!
+
+HOVSTAD. Dus zijn het de voornamen die vrijzinnig zijn hier in 't land?
+Dat is een heel nieuwe openbaring.
+
+(_Lachen in de vergadering_).
+
+DR. STOCKMANN. Jawel; dat hoort ook nog bij mijn nieuwe ontdekking. En
+ook dat hoort er nog bij, dat vrijzinnigheid ongeveer precies hetzelfde
+is als moraliteit. En daarom zeg ik dat het volslagen onverantwoordelijk
+is van de "Volksbode" dat zij, dag in dag uit, de dwaalleer verkondigt,
+dat de massa, het gepeupel, de compacte meerderheid, de vrijzinnigheid
+en de zedelijkheid in pacht zou hebben,... en dat slechtheid en
+verdorvenheid en alle mogelijke geestelijke zwijnerij, iets zou zijn dat
+voortvloeit uit beschaving, evenals al de smerigheid naar de badplaats
+afvloeit van de leerlooierijen in het Molendal!
+
+(_Rumoer en interrupties_).
+
+DR. STOCKMANN (_onverstoorbaar; lacht in zijn ijver_). En toch kan
+diezelfde "Volksbode" er over preeken dat de massa en het gepeupel
+moeten worden opgeheven tot hooger leven. Maar voor den duivel, als de
+leer der "Volksbode" steek hield, dan zou dat opheffen van het volk
+precies hetzelfde beteekenen als het rechtstreeks in zijn verderf te
+jagen! Maar gelukkig is het maar een oude overgeerfde volksleugen dat
+beschaving demoraliseert. Neen, dom blijven, armoede, ellendige
+levensomstandigheden, die doen dat duivelswerk! In een huis waar niet
+gelucht en de grond niet geveegd wordt alledag ... mijn vrouw beweert
+dat er ook gedweild moet worden; maar daarover kan verschil van meening
+bestaan...; nu in zoo'n huis, beweer ik, verliezen de menschen in twee a
+drie jaar de geschiktheid tot moreel denken en handelen. Gebrek aan
+zuurstof verzwakt het geweten. En in zeer, zeer veel huizen in onze stad
+schijnt groot gebrek aan zuurstof te zijn, als de heele compacte
+meerderheid zoo gewetenloos kan zijn, dat zij de opkomst van de stad wil
+gronden op een slijkbodem van leugen en bedrog.
+
+ASLAKSEN. Zulk een grove beschuldiging mag men een heele maatschappij
+niet in het gezicht werpen.
+
+EEN HEER. Ik geef den voorzitter in overweging den spreker het woord te
+ontnemen.
+
+LAWAAIIGE STEMMEN. Ja! ja! Juist! Ontneem hem het woord!
+
+DR. STOCKMANN (_opbruisend_). Dan schreeuw ik de waarheid uit op alle
+hoeken van de straten. Ik zal in dagbladen van andere plaatsen
+schrijven! Het heele land zal weten hoe het hier gesteld is.
+
+HOVSTAD. Het heeft er veel van of de dokter van plan is de heele stad te
+ruineeren.
+
+DR. STOCKMANN. Ja, zooveel houd ik van mijn geboorteplaats, dat ik die
+liever zou ruineeren, dan ze te zien opbloeien op een leugen.
+
+ASLAKSEN. Dat is sterk!
+
+(_Rumoer en gefluit. Mevr. Stockmann kucht tevergeefs; de dokter hoort
+het niet meer_).
+
+HOVSTAD (_roept onder het rumoer door_). De man die den ondergang van
+een heele maatschappij wenschen kan, moet een vijand der burgerij zijn!
+
+DR. STOCKMANN (_in stijgende drift_). Daaraan is niets verbeurd dat een
+leugenachtige maatschappij te gronde gaat! Die behoort met den grond
+gelijk gemaakt te worden, zeg ik! Uitgeroeid als schadelijk gedierte
+moesten zij worden allen, die in leugens leven! Ten slotte verpest je
+het heele land; je brengt het zoo ver dat het heele land verdient onder
+te gaan. En komt het eens zoo ver, dan zeg ik uit het volle van mijn
+hart: laat het heele land ten onder gaan; laat het heele volk uitgeroeid
+worden!
+
+EEN MAN (_in de menigte_). Dat is de taal van een echten vijand des
+volks!
+
+BILLING. Daar klonk, goddome, de stem des volks!
+
+De heele menigte (_schreeuwt_). Ja, ja, ja! Hij is een vijand des volks!
+Hij haat zijn land! Hij haat het heele volk!
+
+ASLAKSEN. Ik ben als burger en als mensch diep geschokt door wat ik heb
+moeten aanhooren. Dokter Stockmann heeft zich ontpopt op een manier, als
+ik nooit had kunnen droomen. Ik moet, helaas, de overtuiging deelen, die
+achtenswaardige burgers zoo even uitspraken; en ik meen dat wij aan die
+overtuiging uiting moeten geven door een besluit. Ik stel het volgende
+voor: "De vergadering verklaart dat zij den badarts, dr. Thomas
+Stockmann, beschouwt als een vijand des volks."
+
+(_Stormachtig hoera-roepen en bijval. Een groote kring wordt om dr.
+Stockmann gevormd en men fluit hem in zijn gezicht uit. Mevr. Stockmann
+en Petra zijn opgestaan. Morten en Ejlif vechten met de andere
+schooljongens, die ook gefloten hebben. Eenige volwassenen halen hen van
+elkaar_).
+
+DR. STOCKMANN (_tegen de fluiters_). O, jullie dwazen!... ik zeg je
+dat....
+
+ASLAKSEN (_luidt de bel_). De dokter heeft niet meer het woord. Een
+formeele stemming moet plaats hebben; maar om persoonlijke gevoelens te
+sparen moet het schriftelijk en zonder naam geschieden. Heeft u wit
+papier, mijnheer Billing?
+
+BILLING. Hier heb je allebei, blauw en wit papier....
+
+ASLAKSEN (_komt van het podium af_). Zoo is 't mooi; op die manier gaat
+het gauwer. Snij het in stukjes...; ziezoo, ja. (_tot de vergadering_)
+Blauw beteekent neen; wit beteekent ja. Ik zal zelf rond gaan om de
+stemmen op te nemen.
+
+(_De burgemeester verlaat de zaal. Aslaksen en een paar andere burgers
+gaan rond met de stukjes papier in hun hoed_).
+
+EEN HEER (_tegen Hovstad_). Hoe zit dat toch met den dokter? Wat moet
+men daar eigenlijk van denken?
+
+HOVSTAD. U weet toch wel hoe hij altijd doorslaat.
+
+EEN TWEEDE HEER (_tegen Billing_). Hoor eens; u komt daar immers wel aan
+huis? Heeft u ooit gemerkt of de man drinkt?
+
+BILLING. Ik weet goddome niet wat ik zeggen moet; als men er komt staat
+er altijd grog op tafel.
+
+EEN DERDE HEER. Neen, ik geloof eerder dat hij tusschenbeiden maalt.
+
+DE EERSTE HEER. Er is misschien erfelijke krankzinnigheid in de familie?
+
+BILLING. Dat kan wel zijn.
+
+EEN VIERDE HEER. Neen, het is niets dan nijd; wraak over het een of
+ander.
+
+BILLING. Hij sprak wel dezer dagen van traktementsverhooging; maar die
+heeft hij niet gekregen.
+
+ALLE HEEREN (_eenstemmig_). Aha; dan is het gemakkelijk te begrijpen!
+
+DE DRONKEN MAN (_in de menigte_). Ik wil een blauw hebben, dat wil ik!
+En dan wil ik een wit ook hebben!
+
+GEROEP. Daar is die dronken vent weer! Gooit hem er uit!
+
+MORTEN KIIL (_komt naar den dokter toe_). Wel, Stockmann, zie je nu wel
+wat er komt van zulke grappen?
+
+DR. STOCKMANN. Ik heb mijn plicht gedaan.
+
+MORTEN KIIL. Wat was dat wat je zei van de leerlooierijen in het
+Molendal?
+
+DR. STOCKMANN. Dat heeft u immers gehoord; ik zei dat daar van daan al
+de smerigheid kwam.
+
+MORTEN KIIL. Ben je van plan dat in de courant te zetten?
+
+DR. STOCKMANN. Ik steek niets onder stoelen en banken.
+
+MORTEN KIIL. Dat kan je duur te staan komen, Stockmann (_gaat weg_).
+
+EEN DIKKE HEER (_gaat naar Horster toe. Groet de dames niet_). Zoo,
+kapitein, u staat dus uw huis af aan volksvijanden?
+
+HORSTER. Ik denk dat ik met mijn eigendom kan doen wat ik wil, mijnheer
+Vik.
+
+DE HEER. Dan zal u er zeker ook niets tegen hebben dat ik met mijn
+eigendom evenzoo doe?
+
+HORSTER. Wat bedoelt u daarmee, mijnheer Vik?
+
+DE HEER. Morgen zal u nader van mij hooren (_hij keert zich om en gaat
+heen_).
+
+PETRA. Was dat uw reeder niet, kapitein?
+
+HORSTER. Ja, dat was de groothandelaar Vik.
+
+ASLAKSEN (_met de stembiljetten in de hand, stapt op het podium en luidt
+de bel_). Mijne heeren, mag ik u bekend maken met den uitslag van de
+stemming. Met alle stemmen tegen een....
+
+EEN JONGERE HEER. Dat is de stem van dien dronken kerel!
+
+ASLAKSEN. Met alle stemmen tegen een van een beschonken man, heeft deze
+volksvergadering den badarts Dr. Thomas Stockmann voor een vijand des
+volks verklaard! (_Geroep en teekenen van bijval_) Leve onze oude
+eerwaardige burgerstand! (_weer bijvalsbetuigingen_) Leve onze bekwame
+en werkzame burgemeester die zoo loyaal de stem des bloeds onderdrukt
+heeft! (_hoera_) De vergadering is opgeheven (_komt van het podium af_).
+
+BILLING. Leve de voorzitter!
+
+DE HEELE MENIGTE. Hoera voor Aslaksen!
+
+DR. STOCKMANN. Mijn hoed en mijn jas, Petra. Kapitein, heeft u plaats
+aan boord voor passagiers naar de nieuwe wereld?
+
+HORSTER. Voor u en de uwen zal er plaats gemaakt worden, dokter.
+
+DR. STOCKMANN (_terwijl Petra hem in zijn jas helpt_). Goed. Kom
+Katrine! Komt jongens!
+
+(_Hij neemt den arm van zijn vrouw_).
+
+MEVR. STOCKMANN (_zachtjes_). Lieve Thomas, laat ons achter uit gaan.
+
+DR. STOCKMANN. Geen achterwegen, Katrine (_met verheffing van stem_). Je
+zult nog hooren van den vijand des volks, voor hij het stof van zijne
+voeten schudt! Ik ben niet zoo zachtmoedig als een zeker iemand; ik zeg
+niet: ik vergeef het je, want je weet niet wat je doet.
+
+ASLAKSEN (_roept_). Dat is een godslasterlijke vergelijking, dokter
+Stockmann!
+
+BILLING. Dat is goddo.... Zoo iets is kras om aan te hooren voor een
+ernstig man.
+
+EEN GROVE STEM. Nou dreigt hij ook nog!
+
+OPHITSEND GEROEP. Laat ons de ruiten bij hem inslaan! Smijt hem in de
+fjord!
+
+EEN MAN (_in de menigte_). Blaas op je hoorn, Evensen! Toet! Toet!
+
+(_Hoorngeschetter, gefluit en woest getier. De dokter gaat met de zijnen
+naar den uitgang. Horster baant hun een weg_).
+
+DE HEELE MENIGTE (_joelt en krijscht achter hem aan_). Volksvijand!
+Volksvijand! Volksvijand!
+
+BILLING (_terwijl hij zijn notities rangschikt_). Neen, goddome, als ik
+van avond bij de Stockmanns grog zou willen drinken! (_De vergaderden
+stroomen naar den uitgang; het rumoer wordt buiten voortgezet. Van de
+straat klinkt nog: Volksvijand! Volksvijand!_).
+
+
+EINDE VAN HET VIERDE BEDRIJF.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VIJFDE BEDRIJF.
+
+ Dr. Stockmann's werkkamer. Boekenrekken en kasten met preparaten
+ langs de muren. Op den achtergrond een uitgang naar de voorkamer;
+ op den voorgrond links de deur naar de huiskamer. In den wand
+ rechts zijn twee ramen waarvan alle ruiten kapot zijn. Midden in de
+ kamer staat Dr.'s schrijftafel, bedekt met boeken en papieren. De
+ kamer is in wanorde. Voormiddag.
+
+ Dr. Stockmann in chambercloak en pantoffels en zijn kalotje op,
+ staat gebogen en port met een parapluie onder een van de kasten;
+ eindelijk haalt hij er een steen onderuit.
+
+ * * * * *
+
+DR. STOCKMANN (_spreekt door de open deur van de huiskamer_). Hier heb
+ik er nog een gevonden, Katrine!
+
+MEVR. STOCKMANN (_in de huiskamer_). O, je zult er stellig nog een
+heeleboel vinden.
+
+DR. STOCKMANN (_legt den steen bij een stapel andere op de tafel_). Die
+steenen zal ik bewaren als relieken. Ejlif en Morten moeten ze dagelijks
+voor oogen hebben. En als zij groot zijn zullen zij ze van mij erven
+(_port onder een boekenrek_). Is zij ... hoe bliksem heet zij nu ook
+weer ... zij ... die deern ... is zij nog niet naar den glazenmaker
+geweest?
+
+MEVR. STOCKMANN (_komt binnen_). Jawel, maar hij zei dat hij niet wist
+of hij van daag zou kunnen komen.
+
+DR. STOCKMANN. Je zult zien dat hij niet durft.
+
+MEVR. STOCKMANN. Neen, Randine dacht ook dat hij niet durfde voor de
+buren (_spreekt in de huiskamer_). Wat is er Randine? O zoo (_gaat de
+kamer in en komt dadelijk terug_). Hier is een brief voor je, Thomas.
+
+DR. STOCKMANN. Laat zien (_opent hem en leest_). Jawel.
+
+MEVR. STOCKMANN. Van wie is die?
+
+DR. STOCKMANN. Van den huisbaas. Hij zegt ons de huur op.
+
+MEVR. STOCKMANN. Is 't heusch waar? Hij zoo'n fatsoenlijke man....
+
+DR. STOCKMANN (_kijkt in den brief_). Hij kan niet anders, zegt hij. Hij
+doet het zeer ongaarne, maar hij durft niet anders ... om zijn
+medeburgers ... om de publieke opinie ... hij is afhankelijk ... durft
+niet zekere invloedrijke mannen voor het hoofd te stooten....
+
+MEVR. STOCKMANN. Nu zie je toch eens, Thomas.
+
+DR. STOCKMANN. Jawel, ik zie het wel; ze zijn laf allemaal hier in de
+stad; niemand durft iets om al de andere menschen (_slingert den brief
+over den grond_). Maar wat kan ons dat schelen, Katrine. Wij trekken
+toch naar de nieuwe wereld, en dus....
+
+MEVR. STOCKMANN. Ja maar, Thomas, heb je daar wel goed over nagedacht
+... over die reis?
+
+DR. STOCKMANN. Moest ik misschien liever hier blijven, waar ze mij als
+een volksvijand aan den schandpaal hebben te pronk gesteld en
+gebrandmerkt, en mijn ruiten hebben ingeslagen! En kijk eens hier,
+Katrine, ze hebben een groote scheur in mijn zwarte broek ook gemaakt.
+
+MEVR. STOCKMANN. Och Hemel! en dat is nog al je beste!
+
+DR. STOCKMANN. Een mensch moet nooit zijn beste broek aantrekken als hij
+uitgaat om te strijden voor vrijheid en waarheid. Van die broek kan het
+mij nu zoo veel niet schelen, zie je; want die kan jij toch wel weer
+voor mij opknappen. Maar dat het grauw, het gepeupel het waagt mij te
+lijf te gaan alsof ze mijn gelijken waren ... dat kan ik in der
+eeuwigheid niet verkroppen!
+
+MEVR. STOCKMANN. Ja, Thomas, ze zijn hier afschuwelijk ruw en grof tegen
+je geweest; maar moeten wij daarom nu heelemaal naar een ander land
+trekken?
+
+DR. STOCKMANN. Denk je soms dat het plebs in andere steden niet even
+brutaal is als hier? Och ja, dat is overal lood om oud ijzer. Nou, ze
+doen maar; laat de straathonden maar keffen; dat is het ergste niet; het
+ergste is dat alle menschen, het heele land door, partij-slaven zijn.
+Niet dat het in het vrije Westen misschien niet even erg is; daar voeren
+de compacte meerderheid en de liberale publieke opinie en de heele
+andere duivelsche rommel ook al den boventoon. Maar daar gaat alles meer
+in het groot, zie je; ze kunnen iemand doodslaan, maar hem langzaam
+martelen doen ze niet; ze binden een vrije ziel niet op de pijnbank vast
+zooals hier. En als de nood dringt kan je de dingen ten minste ontloopen
+(_loopt door de kamer_). Als ik maar wist waar ik een oerwoud of een
+Zuidzee-eilandje voor een prikje koopen kon!...
+
+MEVR. STOCKMANN. Ja maar, de jongens, Thomas?
+
+DR. STOCKMANN (_staat stil_). Wat ben je toch een rare, Katrine! Wou je
+liever dat de jongens hier zouden opgroeien in zoo'n maatschappij als de
+onze? Je zei toch zelf gisteren avond dat de helft van het volk
+stapelgek is; en als de andere helft het nog niet is, dan komt dat omdat
+het stom vee is dat geen verstand te verliezen heeft.
+
+MEVR. STOCKMANN. Ja, maar, Thomas-lief, je bent ook zoo onvoorzichtig in
+je spreken.
+
+DR. STOCKMANN. Wat! Is het misschien niet waar wat ik zeg? Keeren ze
+niet alle begrippen onderste boven? Roeren ze niet recht en onrecht in
+een pot door elkaar? Noemen ze niet alles leugen wat ik _weet_ dat
+waarheid is? Maar het allerdolste is dat hier troepen volwassen menschen
+rondloopen die zichzelf en anderen wijsmaken dat ze vrijzinnig zijn. Heb
+je ooit zoo iets meer gehoord, Katrine?
+
+MEVR. STOCKMANN. Ja, ja, zeker, dat is gewoon gek, maar....
+
+(_Petra komt de huiskamer binnen_).
+
+MEVR. STOCKMANN. Ben je nu al terug van school?
+
+PETRA. Ja; ik heb mijn conge gekregen.
+
+MEVR. STOCKMANN. Je conge!
+
+DR. STOCKMANN. Jij ook al!
+
+PETRA. Mevrouw Busch zei dat ze mij ontslaan moest; en toen vond ik het
+maar beter om dadelijk te gaan.
+
+DR. STOCKMANN. Daaraan heb je goed gedaan, waarachtig.
+
+MEVR. STOCKMANN. Wie zou gedacht hebben dat die mevrouw Busch zoo slecht
+was!
+
+PETRA. Och moeder, mevrouw Busch is heusch niet slecht; ik zag duidelijk
+hoeveel verdriet het haar deed. Maar zij durfde niet anders, zei zij; en
+dus kreeg ik mijn ontslag.
+
+DR. STOCKMANN (_wrijft zich lachend de handen_). Zij durfde niet anders,
+zij ook al niet! O dat is prachtig!
+
+MEVR. STOCKMANN. Och ja, dat gemeene spektakel van gisteren....
+
+PETRA. Dat was het niet alleen. Nu moet je eens hooren, vader!
+
+DR. STOCKMANN. Wel?
+
+PETRA. Mevrouw Busch liet mij niet minder dan drie brieven zien, die zij
+van morgen gekregen had....
+
+DR. STOCKMANN. Zeker zonder onderteekening?
+
+PETRA. Ja.
+
+DR. STOCKMANN. Ja, want zij _durven_ hun naam er niet onder zetten,
+Katrine!
+
+PETRA. En in twee daarvan stond, dat een heer die hier aan huis komt,
+gisteren avond in de club verteld had, dat ik zulke verregaand vrije
+begrippen had over verschillende dingen....
+
+DR. STOCKMANN. En dat ontkende je zeker niet?
+
+PETRA. Neen, dat kan je begrijpen. Mevrouw Busch heeft zelf ook nog al
+vrije begrippen, als we onder vier oogen zijn; maar nu dit van mij
+bekend geworden is, durfde zij mij niet langer houden.
+
+MEVR. STOCKMANN. En te denken dat het iemand is die hier aan huis komt!
+Nu zie je eens wat je terugkrijgt voor je gastvrijheid, Thomas!
+
+DR. STOCKMANN. We blijven niet langer in dien smeerboel. Pak den boel
+maar in, zoo gauw je kunt, Katrine; laten wij er hoe eer hoe beter uit
+trekken!
+
+MEVR. STOCKMANN. Stil eens; ik geloof dat er iemand in de gang is. Ga
+eens even kijken, Petra.
+
+PETRA (_doet de deur open_). O, is u het, kapitein? Kom binnen
+alsjeblieft.
+
+HORSTER (_uit de voorkamer_). Goeden dag. Ik dacht ik moest toch eens
+even gaan kijken hoe u het heeft.
+
+DR. STOCKMANN (_schudt hem de hand_). Dank u; dat is heel vriendelijk.
+
+MEVR. STOCKMANN. En dank u nog wel dat u ons er door hielp, kapitein.
+
+PETRA. Maar hoe is u nog thuis gekomen?
+
+HORSTER. O, dat ging wel. Ik ben nog al pootig uitgevallen en de meesten
+zijn toch maar helden met hun mond.
+
+DR. STOCKMANN. Ja, zeg, is het niet merkwaardig dat ze zoo beroerd laf
+zijn? Kom eens hier, dan zal ik u wat laten zien! Kijk, hier liggen al
+de steenen die ze door de glazen gesmeten hebben. Bekijk ze maar eens!
+Er zijn waarachtig in den heelen hoop, niet meer dan twee ordentelijke
+flinke keisteenen,... de rest is niets anders dan gruis,... enkel klein
+grut; en toch stonden zij daarbuiten te krijschen en te zweren dat ze
+mij zouden vermoorden. Maar handelen ... handelen ... neen, daarvan zie
+je hier niet veel!
+
+HORSTER. Dat was in dit geval ook maar het beste voor u, dokter.
+
+DR. STOCKMANN. Dat was het zeker. Maar ergerlijk is het toch. Want komt
+het eens tot een ernstige, voor het land gewichtige botsing, dan zal u
+zien dat de publieke opinie haar beenen op neemt en de compacte
+meerderheid er van door gaat, als een troep wilde zwijnen. Dat is juist
+zoo'n droevige gedachte, dat doet mij zoo innig verdriet.... Maar wat
+duivel, dat zijn toch eigenlijk maar dwaasheden zulke dingen. Hebben zij
+gezegd dat ik een volksvijand ben, laat mij dan ook maar een volksvijand
+zijn.
+
+MEVR. STOCKMANN. Maar dat wordt je toch nooit, Thomas.
+
+DR. STOCKMANN. Daar moet je geen eed op doen, Katrine. Een hatelijk
+woord kan werken als een speldenprik in de longen. En dat vervloekte
+woord ... dat kan ik maar niet kwijt raken. Dat heeft zich daar vast
+gezet, vlak onder mijn hart, dat ligt daar en graaft zich in en zuigt
+als 't ware zure sappen op. En daar helpt geen magnesia tegen!
+
+PETRA. Poeh, je moet er maar om lachen, vader.
+
+HORSTER. De menschen zullen nog wel eens tot andere gedachten komen,
+dokter.
+
+MEVR. STOCKMANN. Ja, Thomas, daar kan je zoo zeker van zijn als dat je
+hier staat.
+
+DR. STOCKMANN. Ja, misschien, als het te laat is. Maar dat zou hun
+verdiende loon zijn! Dan kunnen ze hier in hun smeerboel zitten en het
+berouwen dat ze een patriot het land hebben uitgejaagd. Wanneer zeilt u
+uit, kapitein?
+
+HORSTER. Hm,... daar kwam ik eigenlijk juist eens over spreken....
+
+DR. STOCKMANN. Is er iets niet in orde met het schip?
+
+HORSTER. Neen; maar het is zoo gelegen, dat ik niet mee ga.
+
+PETRA. Ze hebben u toch niet uw conge gegeven?
+
+HORSTER (_glimlacht_). Ja, dat is het juist.
+
+PETRA. U ook al!
+
+MEVR. STOCKMANN. Daar heb je het nu, Thomas.
+
+DR. STOCKMANN. En dat ook al om de waarheid? O; als ik zoo iets had
+kunnen denken....
+
+HORSTER. Daar moet u verder maar niet over denken; ik vind wel weer een
+betrekking bij een of andere reederij in een andere plaats.
+
+DR. STOCKMANN. En dat die Vik ... een groothandelaar, een vermogend man
+... absoluut Foei, foei!
+
+HORSTER. Hij is anders heel goed; en hij zei zelf dat hij mij graag had
+gehouden, als hij maar durfde....
+
+DR. STOCKMANN. Maar hij durfde niet? Neen dat spreekt!
+
+HORSTER. Het was zoo gemakkelijk niet, zei hij, als je tot een partij
+behoorde....
+
+DR. STOCKMANN. Dat was een waar woord van den eerwaardigen man! Een
+partij, dat is iets als een hakmachine, daarin worden alle hoofden tot
+brei gemalen; en daarom zijn het ook allemaal zwakhoofden, en
+paphoofden, de heele troep.
+
+MEVR. STOCKMANN. Maar Thomas toch!
+
+PETRA (_tegen Horster_). Misschien zou het zoo ver niet gekomen zijn als
+u ons niet naar huis had gebracht.
+
+HORSTER. Ik heb er geen berouw van.
+
+PETRA (_reikt hem de hand_). Dank u.
+
+HORSTER (_tegen den dokter_). En nu wou ik u zeggen, dat als u volstrekt
+weggaan wil, dan weet ik wel een andere oplossing....
+
+DR. STOCKMANN. Mooi zoo; als we maar weg komen....
+
+MEVR. STOCKMANN. Stil; werd daar niet geklopt?
+
+PETRA. Dat is zeker oom.
+
+DR. STOCKMANN. Aha! (_roept_). Binnen!
+
+MEVR. STOCKMANN. Lieve Thomas, toe beloof mij nu....
+
+(_Burgem. Stockmann komt uit de voorkamer_).
+
+BURGEM. STOCKMANN (_in de deur_). O, je bent bezig. Ja, dan zal ik
+liever....
+
+DR. STOCKMANN. Neen, neen; kom maar binnen.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Maar ik wenschte je onder vier oogen te spreken.
+
+MEVR. STOCKMANN. Wij zullen zoo lang in de huiskamer gaan.
+
+HORSTER. En ik kom straks nog wel terug.
+
+DR. STOCKMANN. Neen, ga u mee naar binnen, kapitein; ik moet er nog meer
+van weten....
+
+HORSTER. Best; dan zal ik daar wachten.
+
+(_Hij gaat met mevr. en Petra de huiskamer in_).
+
+DR. STOCKMANN (_zegt niets en kijkt ter sluiks naar de ramen_).
+
+DR. STOCKMANN. Je vindt het misschien wel een beetje luchtig hier van
+daag? Zet je pet maar op.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Dank je, als je het permitteert. (_doet het_) Ik
+geloof dat ik gisteren kou gevat heb, ik had het zoo koud....
+
+DR. STOCKMANN. Zoo? Nou, mij leek het nog al warm.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ik betreur het dat het niet in mijn macht stond deze
+nachtelijke excessen tegen te houden....
+
+DR. STOCKMANN. Heb je mij anders niets te vertellen?
+
+BURGEM. STOCKMANN (_haalt een grooten brief voor den dag_). Dit stuk heb
+ik je namens de directie te overhandigen.
+
+DR. STOCKMANN. Ben ik ontslagen?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ja, met ingang van van daag (_legt den brief op de
+tafel_). Het doet ons leed; maar ... eerlijk gezegd ... wij durfden niet
+anders om de publieke opinie.
+
+DR. STOCKMANN (_glimlacht_). Durfden niet? Dat woord heb ik nog eens
+gehoord van daag.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ik moet je verzoeken je goed rekenschap van je
+positie te geven. Je moet voortaan op geenerlei praktijk hier in de stad
+meer rekenen.
+
+DR. STOCKMANN. De duivel hale de heele praktijk! Maar hoe weet je dat
+zoo zeker?
+
+BURGEM. STOCKMANN. De Bond van Huiseigenaren heeft een lijst rond laten
+gaan aan alle huizen. Alle welgezinde burgers worden opgevorderd jou
+niet als dokter te nemen. En ik durf er voor instaan dat geen enkel
+huisvader het waagt die lijst niet te onderteekenen; men _durft_ dat
+eenvoudig niet laten....
+
+DR. STOCKMANN. Zeker, zeker; daaraan twijfel ik geen oogenblik. Maar wat
+verder?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Als ik je een raad geven mocht, dan zou het deze
+zijn, dat je voor eenigen tijd de stad verliet....
+
+DR. STOCKMANN. Jawel, ik heb er juist ook over gedacht de stad uit te
+gaan.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Goed zoo. En als je dan zoo een half jaartje tijd
+hebt gehad om je te bezinnen, en je na rijp overleg er toe overgaan kon
+om met een paar woorden van spijt je dwaling te erkennen....
+
+DR. STOCKMANN. Dan zou ik misschien mijn betrekking terug kunnen
+krijgen, bedoel je?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Misschien. Volstrekt niet zoo geheel onmogelijk.
+
+DR. STOCKMANN. Maar de publieke opinie dan? Dat durf jullie immers niet
+om de publieke opinie?
+
+BURGEM. STOCKMANN. De publieke opinie is een erg variabel iets. En,
+eerlijk gezegd, het zou ons bizonder veel waard zijn een dergelijke
+bekentenis van jouw hand te ontvangen.
+
+DR. STOCKMANN. Ja, dat zou je zoo lijken, he! Maar wat bliksem, je weet
+toch zeker nog wel, wat ik je onlangs gezegd heb over zulke streken.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Toen was je positie nog zooveel gunstiger, toen kon
+je veronderstellen dat je de heele stad achter je hadt om je te
+steunen....
+
+DR. STOCKMANN. Ja, en nu hebben ze mij laten voelen dat ik de heele stad
+tegen mij heb.... (_opbruisend_). Maar toch niet, al had ik den duivel
+en de heele hel tegen mij...! Nooit,... nooit, zeg ik je!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Een huisvader mag niet zoo handelen als jij doet. Dat
+mag je niet, Thomas.
+
+DR. STOCKMANN. Mag ik niet! Er is maar een ding in de wereld dat een
+vrij man niet doen mag; en weet je wat dat is?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Neen.
+
+DR. STOCKMANN. Natuurlijk niet; maar dat zal _ik_ je dan zeggen. Een
+vrij man mag zich niet bevuilen als een schooier; hij mag zich niet zoo
+gedragen dat hij zichzelf in zijn gezicht zou moeten spuwen!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Dat klinkt zoo buitengewoon plausibel; en als er geen
+andere verklaring voor je halsstarrigheid voor de hand lag ... maar die
+is er juist wel....
+
+DR. STOCKMANN. Wat meen je daarmee?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Dat begrijp je heel best. Maar als je broer en als
+verstandig man, raad ik je niet al te vast te bouwen op verwachtingen en
+vooruitzichten, die misschien licht verkeerd konden uitkomen.
+
+DR. STOCKMANN. Maar op wat ter wereld zinspeel je toch?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Zou je mij waarlijk willen wijsmaken dat je niets
+weet van de testamentaire beschikkingen, die de leerlooier Kiil gemaakt
+heeft?
+
+DR. STOCKMANN. Ik weet dat het beetje dat hij heeft, aan een gesticht
+voor behoeftige oude handwerkslui komen zal. Maar wat gaat mij dat aan?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Vooreerst is hier niet sprake van een beetje. Kiil is
+een tamelijk vermogend man.
+
+DR. STOCKMANN. Daar heb ik nooit eenig idee van gehad.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Hm,... waarlijk niet? Je hebt er dus ook geen idee
+van, dat een niet gering gedeelte van zijn vermogen aan je kinderen
+komen zal, met het vruchtgebruik voor jou en je vrouw je leven lang.
+Heeft hij je dat niet gezegd?
+
+DR. STOCKMANN. Neen; bij mijn ziel, geen woord! Integendeel, hij was
+altijd en eeuwig aan 't razen er over dat hij zoo onmogelijk hoog was
+aangeslagen in de belasting. Maar weet je dat dan zoo zeker, Peter?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ik heb het uit een alleszins betrouwbare bron.
+
+DR. STOCKMANN. Maar, lieve God, dan zou Katrine bezorgd zijn ... en de
+kinderen ook! Dat moet ik haar eens gauw vertellen ... (_roept_)
+Katrine, Katrine!
+
+BURGEM. STOCKMANN (_houdt hem tegen_). Stil; je moet er nog niets van
+zeggen!
+
+MEVR. STOCKMANN (_doet de deur open_). Wat is er te doen?
+
+DR. STOCKMANN. Och niemendal; ga maar weer naar binnen.
+
+(_Mevr. Stockmann doet de deur dicht_).
+
+DR. STOCKMANN (_loopt heen en weer_). Bezorgd! Denk eens aan,...
+allemaal! En voor hun leven! Dat is toch een heerlijk gevoel te weten
+dat je bezorgd bent!
+
+BURGEM. STOCKMANN. Ja, maar dat ben je juist niet. De oude Kiil kan
+iederen dag en ieder uur zijn testament vernietigen als hij wil.
+
+DR. STOCKMANN. Maar dat doet hij niet, mijn goede Peter. De oude das is
+veel te blij dat ik jou en je hoogwijze vrienden heb te pakken genomen.
+
+BURGEM. STOCKMANN (_verwonderd; ziet hem uitvorschend aan_). Ah zoo, dat
+verklaart veel.
+
+DR. STOCKMANN. Wat dan?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Die heele zaak was dus een gecombineerde manoeuvre.
+Die geweldige, onbesuisde aanvallen die jij ... in naam der waarheid ...
+gedaan hebt op de autoriteiten....
+
+DR. STOCKMANN. Wat daarvan? wat daarvan?
+
+BURGEM. STOCKMANN. Die waren dus niets anders dan een afgesproken
+vergoeding, voor het testament van dien ouden wraakzuchtigen Morten
+Kiil.
+
+DR. STOCKMANN (_bijna sprakeloos_). Peter,... je bent toch de gemeenste
+ploert dien ik ooit in mijn leven ontmoet heb.
+
+BURGEM. STOCKMANN. Tusschen ons is alles uit. Je ontslag is
+onherroepelijk;... want nu hebben wij een wapen tegen je (_hij gaat
+weg_).
+
+DR. STOCKMANN. Bah! bah! bah! (_roept_). Katrine! De vloer moet gedweild
+worden waar de kerel gestaan heeft! Laat haar komen met een emmer ...
+zij ... zij ... hoe duivel ... die smeerpoets met haar altijd vuilen
+neus....
+
+MEVR. STOCKMANN (_in de deur van de huiskamer_). Stil, stil toch,
+Thomas!
+
+PETRA (_ook in de deur_). Vader, grootvader is hier en vraagt of hij je
+even alleen kan spreken.
+
+DR. STOCKMANN. Ja zeker (_bij de deur_) Kom binnen, schoonpapa.
+
+(_Morten Kiil komt binnen. De dokter doet de deur achter hem dicht_).
+
+DR. STOCKMANN. Wel? Wat is er? ga zitten.
+
+M. KIIL. Niet zitten (_kijkt rond_). 't Ziet er hier mooi uit bij je,
+Stockmann.
+
+DR. STOCKMANN. Ja, vindt u niet?
+
+M. KIIL. Echt netjes ziet het er uit; en frissche lucht heb je ook; van
+daag zal je wel genoeg van die zure stof hebben, waar je gisteren over
+bazelde. Ik kan mij begrijpen dat je van daag een erg goed geweten hebt.
+
+DR. STOCKMANN. Jawel; dat heb ik ook.
+
+M. KIIL. Kan ik begrijpen (_slaat zich op de borst_). Maar weet je wat
+_ik_ hier heb?
+
+DR. STOCKMANN. Ook een goed geweten, hoop ik.
+
+M. KIIL. Poeh! Neen, dit is heel wat beters! (_Hij haalt een dikke
+portefeuille voor den dag en laat een heeleboel papieren zien_).
+
+DR. STOCKMANN (_kijkt hem verwonderd aan_). Aandeelen in de
+badinrichting?
+
+M. KIIL. Die waren niet moeilijk te krijgen van daag.
+
+DR. STOCKMANN. En die heeft u opgekocht?
+
+M. KIIL. Net zooveel als ik maar betalen kon.
+
+DR. STOCKMANN. Maar mijn waarde schoonpapa,... zoo wanhopend als de
+toestand van de badinrichting op het oogenblik is...!
+
+M. KIIL. Als jij je gedraagt als een verstandig mensch dan zal die
+badinrichting er wel weer boven op komen.
+
+DR. STOCKMANN. Ja, u ziet het immers zelf, ik doe alles wat ik kan; maar
+... och, de menschen zijn hier allemaal gek!
+
+M. KIIL. Je zei gisteren dat de ergste smeerboel van mijn looierij kwam.
+Maar als dat zoo is, dan zouden dus mijn grootvader en mijn vader voor
+mij, en ik zelf vele jaren lang de stad verpest hebben als drie
+doodsengelen. Denk je dat ik die schande op mij laat zitten?
+
+DR. STOCKMANN. Dat zal u, helaas, wel moeten.
+
+M. KIIL. Neen dankje. Ik ben gesteld op mijn goeden naam. De menschen
+noemen mij "den das", heb ik hooren zeggen. En een das, dat is immers
+zoo'n soort van varken; maar daarin zullen zij nooit van hun leven
+gelijk krijgen. Ik wil leven en sterven als een zindelijk mensch.
+
+DR. STOCKMANN. En hoe wil u dat dan aanleggen?
+
+M. KIIL. Jij moet me schoon wasschen, Stockmann.
+
+DR. STOCKMANN. Ik!
+
+M. KIIL. Weet je van welk geld ik deze aandeelen gekocht heb? Neen, dat
+kan je niet weten; maar nu zal ik het je zeggen. Dat is het geld dat
+Katrine en Petra en de kleine jongens na mijn dood krijgen zullen. Want,
+zie je, ik heb toch wel een beetje opgelegd.
+
+DR. STOCKMANN (_opstuivend_). En voor zoo iets gebruikt u het geld van
+Katrine!
+
+M. KIIL. Ja, het geld is nu allemaal in de badinrichting gestoken. En nu
+wil ik eens zien of je wezenlijk zoo razend ... zoo stapelgek bent,
+Stockmann. Laat je nu toch nog dieren en allerlei smerigheid uit mijn
+looierij komen, dan is dat net goed of je breede reepen uit het vel van
+Katrine en Petra en de jongens sneed; maar dat doet toch geen
+fatsoenlijk huisvader,... als hij ten minste niet krankzinnig is.
+
+DR. STOCKMANN (_op en neer loopend_). Ja, maar ik ben krankzinnig! Ik
+ben krankzinnig!
+
+M. KIIL. Maar waar het vrouw en kinderen geldt, zal je zoo ongelooflijk
+gek toch wel niet zijn.
+
+DR. STOCKMANN (_blijft voor hem staan_). Waarom kon u mij dat niet
+zeggen voor u dien rommel opkocht?
+
+M. KIIL. Wat nu eenmaal gebeurd is, daaraan is niets te veranderen.
+
+DR. STOCKMANN (_loopt onrustig rond_). Als ik maar niet zoo zeker was
+van mijn zaak...! Maar ik ben er zoo vast van overtuigd dat ik gelijk
+heb.
+
+M. KIIL (_weegt de portefeuille in de hand_). Als je je dwaasheid
+volhoudt dan is dit alles niet veel waard (_hij steekt de portefeuille
+in zijn zak_).
+
+DR. STOCKMANN. Maar, wat bliksem, de wetenschap moet toch ook wel
+voorbehoedmiddelen weten te vinden, dunkt mij; een of ander
+preservatief....
+
+M. KIIL. Meen je iets om de dieren te dooden?
+
+DR. STOCKMANN. Ja, of om ze onschadelijk te maken.
+
+M. KIIL. Als je het eens met rattekruid probeerde?
+
+DR. STOCKMANN. Och nonsens! nonsens!... Maar iedereen zegt dat 't maar
+een hersenschim is. Zou het dan geen hersenschim kunnen zijn? Laten ze
+hun zin dan hebben! Hebben de domme kleinzielige honden mij niet voor
+een volksvijand uitgemaakt;... en om mij de kleeren van het lijf te
+scheuren daartoe waren ze ook bereid!
+
+M. KIIL. En dan al die ruiten die ze je stuk geslagen hebben!
+
+DR. STOCKMANN. Ja, en dan dat gezanik van plichten jegens mijn gezin!
+Daarover moet ik met Katrine spreken; zij is veel beter thuis in zulke
+zaken dan ik.
+
+M. KIIL. Dat is best; luister maar naar den raad van een verstandige
+vrouw.
+
+DR. STOCKMANN (_loopt op hem toe_). Dat u toch ook zoo iets stoms kon
+doen! Katrine's geld op het spel te zetten; mij in zoo'n afschuwelijk
+pijnlijke positie te brengen! Als ik u aanzie is het of ik den duivel in
+eigen persoon voor mij heb...!
+
+M. KIIL. Dan is 't maar beter dat ik wegga. Maar voor twee uur wil ik je
+antwoord hebben. _Ja_ of _neen_. Is het _neen_, dan komen de aandeelen
+aan het gesticht,... en dat van daag nog.
+
+DR. STOCKMANN. En wat krijgt Katrine dan?
+
+M. KIIL. Geen cent!
+
+(_De deur van de voorkamer wordt geopend. Hovstad en Aslaksen ziet men
+daarbuiten staan_.)
+
+M. KIIL. Neen, kijk die twee daar eens!
+
+DR. STOCKMANN (_staart hen aan_). Wat is dat? Waagt u het nog hier bij
+mij te komen?
+
+HOVSTAD. Ja, wij zijn zoo vrij.
+
+ASLAKSEN. Wij zouden u graag over iets willen spreken, ziet u.
+
+M. KIIL (_fluistert_). Voor twee uur ... ja of neen!
+
+ASLAKSEN (met een blik naar Hovstad). Aha!
+
+(_Morten Kiil gaat heen_).
+
+DR. STOCKMANN. Nu, wat had u mij te zeggen? Maakt het kort.
+
+HOVSTAD. Ik begrijp heel goed dat u iets tegen ons heeft, van wege onze
+houding gisteren avond.
+
+DR. STOCKMANN. Noemt u dat een houding? Ja, het was een prachtige
+houding! Ik noem dat _geen_ houding ... oude-wijfachtig.... Bah, 't is
+schande!
+
+HOVSTAD. Noem het zooals u wil; maar wij _konden_ niet anders.
+
+DR. STOCKMANN. U _durfde_ zeker niet anders? Is het dat niet?
+
+HOVSTAD. Ja, als u wil.
+
+ASLAKSEN. Maar waarom liet u er vooruit niet een woordje over los?
+Alleen zoo maar een wenk tegen mijnheer Hovstad of mij.
+
+DR. STOCKMANN. Een wenk? Waarover?
+
+ASLAKSEN. Over dat wat er achter stak.
+
+DR. STOCKMANN. Ik begrijp u heelemaal niet.
+
+ASLAKSEN (_knikt vertrouwelijk_). Och ja, dokter, u begrijpt ons best.
+
+HOVSTAD. Nu is toch langer niets verborgen te houden.
+
+DR. STOCKMANN (_kijkt van den een naar den ander_). Ja maar, wat bliksem
+nog toe...!
+
+ASLAKSEN. Mag ik vragen ... gaat uw schoonvader de stad niet rond om
+alle aandeelen in de badinrichting op te koopen?
+
+DR. STOCKMANN. Ja, van daag heeft hij aandeelen opgekocht, maar...?
+
+ASLAKSEN. Het was verstandiger geweest als u dat door een ander had
+laten doen, iemand die u niet zoo na stond.
+
+HOVSTAD. En dan had u ook niet onder uw eigen naam moeten optreden.
+Niemand hoefde toch te weten dat de aanval op de badinrichting van u
+uitging. U had mij om raad moeten vragen, dokter.
+
+DR. STOCKMANN (_kijkt voor zich; er schijnt hem een licht op te gaan en
+hij zegt alsof hij uit de lucht komt vallen_). Is zoo iets denkbaar! Is
+zoo iets mogelijk?
+
+ASLAKSEN. Dat blijkt toch dat het mogelijk is. Maar ziet u, het had
+beter overlegd moeten worden.
+
+HOVSTAD. En dan hadden er ook meer personen in betrokken moeten worden;
+want de verantwoordelijkheid wordt altijd geringer voor iemand wanneer
+er nog anderen bij zijn.
+
+DR. STOCKMANN (_kalm_). Kort en goed, heeren ... wat wil u eigenlijk?
+
+ASLAKSEN. Dat kan mijnheer Hovstad beter....
+
+HOVSTAD. Neen, zeg jij het maar, Aslaksen.
+
+ASLAKSEN. Nu ja, het is dit: dat wij, nu wij weten hoe alles in elkaar
+zit, wel zouden meenen dat wij de "Volksbode" ter uwer beschikking
+durven stellen.
+
+DR. STOCKMANN. Durft u dat nu? Maar de publieke opinie dan? Is u niet
+bang dat er een storm tegen ons zal opgaan?
+
+HOVSTAD. Wij zouden voor den wind wegzeilen.
+
+ASLAKSEN. En dan moet de dokter zich handig in het laveeren betoonen.
+Zoodra uw aanval gewerkt heeft....
+
+DR. STOCKMANN. Zoodra mijn schoonvader en ik de aandeelen in handen
+hebben tegen lagen prijs, bedoelt u...?
+
+HOVSTAD. Het zijn toch wel hoofdzakelijk wetenschappelijke redenen, die
+u drijven om de leiding van de badinrichting in handen te krijgen.
+
+DR. STOCKMANN. Natuurlijk; het waren wetenschappelijke redenen waarom ik
+den ouden das zocht te bewegen met mij mee te doen in dit geval. En dan
+repareeren wij de badinrichting een beetje, en graven den boel een
+beetje weg aan het strand, zonder dat het de gemeentekas een cent kost.
+Zou u niet denken dat dat ging? He?
+
+HOVSTAD. Ik denk het wel ... als u de "Volksbode" op uw hand heeft.
+
+ASLAKSEN. In een vrije maatschappij is de pers een macht, dokter.
+
+DR. STOCKMANN. Jawel; en ook de algemeene opinie is dat wel; en u,
+mijnheer Aslaksen, u neemt dan zeker den Bond van Huiseigenaren wel op
+uw geweten?
+
+ASLAKSEN. Allebei, den Bond van Huiseigenaren en het
+Matigheidsgenootschap. Daarop kan u gerust zijn.
+
+DR. STOCKMANN. Maar heeren ... ja ik schaam mij haast om er naar te
+vragen; maar, welke vergoeding...?
+
+HOVSTAD. Het liefst zouden wij u geheel belangeloos helpen, dat begrijpt
+u wel. Maar de "Volksbode" staat zwak; het gaat niet best; en de uitgaaf
+van het blad te staken nu er zoo veel te doen is in de groote politiek,
+daartoe kan ik zoo heel moeilijk besluiten.
+
+DR. STOCKMANN. Dat spreekt; een volksvriend als u zou dat al heel hard
+moeten vallen. (_Opstuivend_). Maar ik, ik ben een vijand van het volk!
+(_loopt rond in de kamer_). Waar is mijn stok? Wat bliksem, waar is dan
+toch mijn stok?
+
+HOVSTAD. Wat beduidt dat?
+
+ASLAKSEN. U wilt toch niet...?
+
+DR. STOCKMANN (_blijft staan_). En als ik u nu eens geen cent gaf van al
+mijn aandeelen? Wij zijn zoo los niet met geld, wij rijke lui, dat moet
+u bedenken.
+
+HOVSTAD. En u moet bedenken dat die zaak met de aandeelen op tweeerlei
+wijze voorgesteld kan worden.
+
+DR. STOCKMANN. Ja, daar is u juist de man voor; als ik de "Volksbode"
+niet te hulp kom, dan krijgt u zeker een leelijken kijk op de zaak, dan
+maakt u jacht op mij ... denk ik ... zet mij na ... tracht mij te
+wurgen, zooals de hond den haas de strot afbijt.
+
+HOVSTAD. Dat is natuurwet; ieder dier zoekt het voedsel dat hem past.
+
+ASLAKSEN. Een mensch moet zijn voedsel nemen waar hij het vindt, ziet u.
+
+DR. STOCKMANN. Zie dan of je wat vinden kunt buiten in de goot! (_loopt
+rond te zoeken in de kamer_). Want nu zal het voor den donder dan
+blijken wie van ons drieen het sterkste dier is. (_Grijpt zijn parapluie
+en zwaait er mee_). Hei daar ... past op je tellen!
+
+HOVSTAD. U zal zich toch niet aan ons vergrijpen!
+
+ASLAKSEN. Neem u in acht met die parapluie!
+
+DR. STOCKMANN. Het raam uit, jij Hovstad!
+
+HOVSTAD (_naar de deur van de voorkamer_). Maar is u nu heelemaal
+krankzinnig.
+
+DR. STOCKMANN. Het raam uit, Aslaksen! Spring, zeg ik je! En een beetje
+gauw ook!
+
+ASLAKSEN (_loopt rond om de schrijftafel_). Maat houden, dokter; ik ben
+geen sterk mensch; ik kan zoo weinig verdragen.... (_schreeuwt_) help!
+help!
+
+(_Mevr. Stockmann, Petra en kapitein Horster komen uit de huiskamer_).
+
+MEVR. STOCKMANN. Maar lieve Hemel, Thomas, wat is hier te doen?
+
+DR. STOCKMANN (_zwaait met de parapluie_). Er uit, zeg ik! In de goot
+met jullie!
+
+HOVSTAD. Aanval op een weerlooze! Ik neem u tot getuige, kapitein
+Horster (_hij ontkomt door de voorkamer_).
+
+ASLAKSEN (_radeloos_). Als ik maar op de hoogte was van de lokaliteit
+hier ... (_sluipt weg door de huiskamer_).
+
+MEVR. STOCKMANN (_houdt den dokter vast_). Maar beheersch je dan toch,
+Thomas!
+
+DR. STOCKMANN (_gooit de parapluie weg_). Nou zijn ze me waarachtig toch
+nog ontloopen!
+
+MEVR. STOCKMANN. Maar wat wilden ze dan toch?
+
+DR. STOCKMANN. Dat zal ik je straks zeggen; nu moet ik aan andere dingen
+denken (_gaat naar de tafel en schrijft op een visitekaartje_). Kijk
+eens hier, Katrine, wat staat daar?
+
+MEVR. STOCKMANN. Drie groote "_neens_"; wat beteekent dat?
+
+DR. STOCKMANN. Dat zal ik je ook straks zeggen (_reikt Petra het kaartje
+toe_). Daar, Petra, laat de smeerpoets zoo gauw ze kan hiermee naar den
+das loopen. Gauw wat! (_Petra gaat met het kaartje door de voorkamer_).
+
+DR. STOCKMANN. Als ik van daag niet alle mogelijke afgezanten uit de hel
+bij mij heb gehad, dan weet ik het niet. Maar nu zal ik mijn pen ook zoo
+scherpen tegen hen, dat ze wordt als een vlijm; in gif en gal zal ik ze
+doopen; ik zal hun mijn heelen inktpot naar den kop smijten!
+
+MEVR. STOCKMANN. Ja maar, Thomas, we gaan immers weg?
+
+(_Petra komt terug_).
+
+DR. STOCKMANN. Wel?
+
+PETRA. Al bezorgd.
+
+DR. STOCKMANN. Best.... Weggaan, zeg je? Neen, om de bliksem niet! Wij
+blijven waar wij zijn Katrine!
+
+PETRA. Blijven we hier?
+
+MEVR. STOCKMANN. Hier in de stad?
+
+DR. STOCKMANN. Ja, hier; juist hier; hier is het slagveld; hier wordt de
+slag geleverd; hier wil ik overwinnen! Als mijn broek nu maar weer
+gelapt is, dan ga ik uit om een huis te zoeken; we moeten toch een dak
+boven ons hoofd hebben van den winter.
+
+HORSTER. Dat kan u bij mij krijgen.
+
+DR. STOCKMANN. Kan dat?
+
+HORSTER. Ja, dat kan best; ik heb ruimte genoeg, en ik ben haast nooit
+thuis.
+
+MEVR. STOCKMANN. O, wat is dat lief van u, kapitein!
+
+PETRA. Dank u!
+
+DR. STOCKMANN (_schudt hem de hand_). Dankje, dankje! Dus van die zorg
+zijn we bevrijd. En nu ga ik van daag al in vollen ernst aan het werk.
+Och, Katrine, er is hier zoo oneindig veel op te ruimen! Hoe heerlijk
+dat ik nu zoo heelemaal over mijn tijd beschikken kan. Ja, want dat 's
+waar ook, ik heb mijn ontslag van de baddirectie, moet je weten....
+
+MEVR. STOCKMANN (_zuchtend_). Och ja, dat verwachtte ik wel.
+
+DR. STOCKMANN. ... en mijn praktijk willen ze mij ook afnemen. Maar laat
+ze maar begaan. De arme lui houd ik in elk geval, die niets kunnen
+betalen; en lieve God, die zijn het toch die mij het meest noodig
+hebben. Maar hooren wat ik te zeggen heb, zullen ze, voor den donder; ik
+zal voor hen preeken bij tijd en ontijd, zooals ergens geschreven staat.
+
+MEVR. STOCKMANN. Maar, Thomas-lief, je hebt nu gezien welk nut dat
+preeken heeft, dunkt mij.
+
+DR. STOCKMANN. Je bent heusch komiek, Katrine. Moest ik mij misschien
+uit het veld laten slaan door de publieke opinie en de compacte
+meerderheid en dergelijk duivelstuig? Neen, dank je wel! En dat wat ik
+wil is immers zoo eenvoudig en helder en zoo klaar als de dag. Ik wil
+die straathonden alleen maar inpompen dat de liberalen de gemeenste
+vijanden zijn van de vrijheidsmannen ... dat partijleuzen alle jonge
+levensvatbare waarheden den nek omdraaien, dat utiliteits-overwegingen
+alle moraal en rechtschapenheid onderste boven keeren, zoodat het leven
+hier ten slotte een gruwel wordt. Gelooft u niet, kapitein, dat ik dat
+de menschen nog wel begrijpelijk zal kunnen maken?
+
+HORSTER. Misschien wel; ik heb er niet veel verstand van.
+
+DR. STOCKMANN. Ja, ziet u,... let nu eens op! Het zijn de hoofden der
+partijen die uitgeroeid moeten worden. Want een partijhoofd is net als
+een wolf, ziet u,... als een hongerige izegrim ... hij heeft ieder jaar
+zoo-en-zooveel stuks klein vee noodig om te kunnen bestaan. Kijk nu maar
+eens naar Hovstad en Aslaksen! Hoeveel klein vee maken alleen die twee
+al niet dood; of ze verminken het en bederven het zoo, dat ze nooit meer
+iets anders kunnen worden dan abonne's op de "Volksbode"! (_gaat op den
+rand van de tafel zitten_). Zeg, Katrine, kom eens hier,... kijk eens
+hoe mooi de zon hier in schijnt van daag. En die heerlijke lentelucht
+die naar binnen stroomt!
+
+MEVR. STOCKMANN. Ja, als we maar van zonneschijn en lentelucht konden
+leven, Thomas!
+
+DR. STOCKMANN. Nou, je moet maar zuinig zijn en sparen, dan gaat het
+wel. Dat is mijn minste zorg. Neen, wat erger is, dat is dat ik geen
+enkel man ken, vrij en voornaam genoeg, om den moed te hebben na mijn
+dood mijn werk voort te zetten.
+
+PETRA. O vader, daar mag je niet aan denken! Je hebt nog tijd genoeg
+voor je.... Kijk, daar zijn de jongens ook al.
+
+(_Ejlif en Morten komen uit de huiskamer_).
+
+MEVR. STOCKMANN. Heb je vrijaf gekregen van daag?
+
+MORTEN. Neen; maar we hebben gevochten met de anderen in den vrijen
+tijd....
+
+EJLIF. Dat is niet waar; het waren de anderen die met ons begonnen te
+vechten.
+
+MORTEN. Ja, en toen zei mijnheer Roerlund dat wij beter deden eenige
+dagen thuis te blijven.
+
+DR. STOCKMANN (_knipt met de vingers en springt van de tafel af_). Nu
+heb ik het! Nu heb ik het, bij mijn ziel! Jullie zult nooit weer een
+voet in de school zetten!
+
+De jongens. Niet meer naar school?
+
+MEVR. STOCKMANN. Neen maar, Thomas....
+
+DR. STOCKMANN. Nooit meer, zeg ik je! Ik zelf zal jullie onderwijzen ...
+dat is te zeggen jullie zult niet zoo maar gewone dingen leeren....
+
+MORTEN. Hoera!
+
+DR. STOCKMANN. ... maar ik zal jullie tot vrije voorname mannen
+maken.... En jij, Petra, jij moet mij daarbij helpen.
+
+PETRA. Ja vader, daarop kan je rekenen.
+
+DR. STOCKMANN. En wij zullen school houden in de zaal, waar zij mij voor
+een volksvijand hebben uitgescholden. Maar er moeten er nog meer zijn.
+Ik moet ten minste twaalf jongens hebben om mee te beginnen.
+
+MEVR. STOCKMANN. Die krijg je hier in de stad stellig niet bij elkaar.
+
+DR. STOCKMANN. Dat zullen wij eens zien (_tegen de jongens_). Kennen
+jullie niet een paar straatjongens?... zoo'n paar echte schooiers?...
+
+MORTEN. Jawel, vader, ik ken er een heeleboel.
+
+DR. STOCKMANN. Mooi zoo; breng er mij dan maar een stuk of wat hier. Ik
+zal eens eenige proeven nemen op straathonden ... soms zijn er
+merkwaardige koppen onder.
+
+MORTEN. Maar wat moeten wij dan doen als wij eenmaal vrije en voorname
+mannen zijn geworden?
+
+DR. STOCKMANN. Dan moeten jullie alle izegrims naar het verre Westen
+jagen, jongens!
+
+(_Ejlif kijkt een beetje bedenkelijk; Morten springt in de rondte en
+roept hoera_).
+
+MEVR. STOCKMANN. Och, als het de izegrims maar niet zijn die jou
+wegjagen, Thomas!
+
+DR. STOCKMANN. _Mij wegjagen_! Nu, nu ik de sterkste man van de heele
+stad ben!
+
+MEVR. STOCKMANN. De sterkste ... nu?
+
+DR. STOCKMANN. Ja, dat groote woord durf ik nu uit te spreken, dat ik nu
+een van de sterkste mannen van de wereld ben.
+
+MORTEN. Neen toch?
+
+DR. STOCKMANN (_spreekt zachter_). Stil; je moet er nog niet over
+spreken; maar ik heb een groote ontdekking gedaan.
+
+MEVR. STOCKMANN. Alweer een?
+
+DR. STOCKMANN. Zeker, zeker! (_haalt hen dicht om zich heen en zegt
+vertrouwelijk_). De zaak is, zie je, dat hij de sterkste man ter wereld
+is, die alleen staat.
+
+MEVR. STOCKMANN (_glimlacht en schudt 't hoofd_). Och, Thomas-lief...!
+
+PETRA (_troostend, vat zijn hand_). Vader!
+
+
+EINDE VAN HET VIJFDE OF LAATSTE BEDRIJF.
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Dramatische werken, by Henrik Ibsen
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DRAMATISCHE WERKEN ***
+
+***** This file should be named 17524.txt or 17524.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/7/5/2/17524/
+
+Produced by Marc D'Hooghe, marcdh@pandora.be.
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.